v' r
r -T'SZ-
La,
W ^ V ^ â¢lt;
E^; quot;â¢
\ M -'. i._. ' / ^ic
quot;â v'quot;!, !% y-'^£Vvr ,J .
v -ti ^' ;-v^ ''v
J _x f - ffTf - 'gt;'*. *â
.'â iYi( â ,iquot;V^»i 'v- r' . '' - ..â¢
\ V^ ;, '^v; ⢠'â¢*'*-
' -v^ ' S ^ - /
:/ /gt;
^ J ^â v.V v'
k . lt; v ' .,T
^â¢â .r-lt;^ -nrtK
^ %'gt; --V â ,- -. â â - .vvf
t ,4 ^4,gt; -, 4f 0 J
. V- . M v .* f 1'- t
* 'J ^ ^ ^'s amp; â *- gt; 'lt; 'quot;quot;quot;%⢠:
V ^ .4- gt; ' quot; â - M '
y* .- , - â â¢'r'? -4. ' â -⢠«â ^ -'» vr -
' - ,;,-/ , ':JW 't* . -tv' 'V
ii â ---*amp; ^^ vquot;
^-- r A
,',/ 1 57quot;xvgt; 'x
^ V- gt; - ^ quot;s â ' ^
L C0^ V amp;â â /
-Vv
a
i ;'; j .'
- - ^thfy m.
^sr tK- -
' %v - . â
. - hl ' 1 *
I'f
i
.
l^£.-
-â
^ c
FREDERIK DE GROOTE EN ZIJN HOF.
DE KROONPRINS EN ZIJNE OMGEVING.
I.
v- .
--â-â1â 1
p;
â
â -.l''
â
Oâ
Vak 152
/lt;?i
FREDERIK DE GROOTE EN ZIJN HOF.
HISTORISCHE ROMAN
door
LOUISE MÃHLBACH.
Rewerkt poor M. K.
T)E KROONPKINS EN ZIJNE OMGEVING.
deede veel veebeteede deuk.
Nijmegen amp; Aenhem, Gebr. E. amp; M. COHEN.
I.
DE KONINGIN SOPHIA DOROTHEA.
De zalen schitterden weder in den glans der kaarsen; de lakeien liepen heen en weder en schikten hier en daar de zetels en tabourets; de hoftuinier wierp een laatsten, onderzoekenden blik op de bloempartijen, welke hij in de zalen geplaatst had, en in de schilderijengalerij maakte de huis-hofmeester de tafel in orde, waaraan de gasten der koningin zich heden met rijker genot dan vroeger zouden kunnen verkwikken.
Alles 'had een schitterender, weelderiger en kostelijker aanzien, dan dit vroeger in het koninklijke paleis het geval placht te zijn; aller gelaatstrekken waren vroolijker, vrij er dan gewoonlijk ; de lakeien zelfs glimlachten en waren opgeruimder, want zij wisten, dat zij een avond te gemoet gingen, waarin zij bevrijd zouden blijven van slagen en schoppen, waarin zelfs geen vernederende scheldwoorden hen van angst zouden doen sidderen, en zulks, âomdat de koning bij dit feest niet verschijnen kon, dat hij de koningin bevolen had aan het hof en den adel te geven.
De koning was ziek. Het podagra kluisterde hem aan zijn rolstoel en zijne kamer, en in slapelooze nachten was bij den beheerscher van Pruisen een flauw voorgevoel opgekomen, dat de heerschappij van Frederik den Eerste spoedig ten einde liep, dat de poorten van den koninklijken grafkelder weldra konden geopend worden, om oen nieuw koninklijk lijk op te nemen, dat weldra een nieuwe koning den Pruisischen troon zou bestijgen.
1.6
Deze laatste gedachte vervulde het hart van den koning met toorn en bitterheid. Frederik Willem wilde niet sterven, opdat zijn zoon Frederik geen koning zoude worden; opdat deze zwakke, bengelachtige jongeling, die in Rheins-berg met poëten en muzikanten dweepte en bloemen gaarde en meloenen kweekte, opdat deze de plaats niet zoude innemen, die Frederik Willem de Eerste met zooveel geluk en goed gevolg bezet had! Wat moest Pruisen beginnen met dien gevoeligen knaap Frederik; met dien modepop, die zich als een fransche fat kleedde ; met dien weekeling, wien het slempleven in zijn romantisch gelegen kasteel aangenamer was dan het kamp en de wachtparade ; die de tonen zijner fluit schooner vond dan het geschetter dei-trompetten en het roffelen der trom ; die beweerde dat er niet alleen koningen bij de gratie Gods, maar ook koningen in den geest Gods waren en dat Voltaire even goed een koning en misschien nog een grootere was, dan een dei-koningen, die door den paus gezalfd waren; â wat moest Pruisen met zulk een koning beginnen ?
Neen Frederik Willem wilde niet sterven, opdat Frederik geen koning 'van Pruisen zou worden ; opdat hij niet zou afbreken wat zijn vader had opgebouwd ; opdat Pruisen niet onder de zwakke handen van dien dweepzieken dichter zou te gronde gaan!
Niemand mocht derhalve vermoeden dat Frederik Willem ziek was, niemand mocht gelooven dat hem nog andere smarten kwelden dan het podagra en de jicht. Dat waren immers onschuldige, niet gevaarlijke smarten. Men kan met het podagra tachtig jaren oud worden; dejichtisals eene getrouwe gade, die met ons leeft en oud wordt en met welke men zijn gouden bruiloft kan vieren.
De koning erkende dus dat de jicht hem weder in hare teedere armen had gedrukt, maar het volk en de kroonprins moesten niet hopen, dat dit lijden het leven des konings in gevaar bracht. Juist daarom moest Sophia Dorothea een feest geven; juist daarom moest het hof en de adel zien, dat de koningin en hare dochters opgeruimd waren en konden glimlachen en dat er dus geen gevaar voor den koning te duchten was.
Inderdaad gevoelde de koningin zich heden opgeruimder, want zij gevoelde ztch vrij! Het was haar te moede, alsof
7
de keten, die haar kluisterde, haar een oogenblik ontnomen was, alsof de last, die haar drukte, van hare schouderen gevallen was! Ja, zij kon heden eens trotsch en vrij haar hoofd verheffen als eene koningin, zij kon zich tooien zooals het eene koningin betaamde! Weg.waren heden dus alle donkere gewaden en onbevallige kapsels! De jicht kluistert den koning aan zijn leuningstoel, de koningin kan het dus wel voor eenmaal wagen een schitterend, waarlijk koninklijk toilet te maken.
Met een glimlach van trotsche zelfvoldoening trekt zij het met zilver doorweven zijden kleed aan, dat zij heimelijk voor dezen avond uit hare geboorteplaats Hannover had laten komen, en hare oogen schitterden van vreugde toen zij eindelijk de met zilver beslagen groote cassette en hare juweelen, welke sedert zoo menig tiental jaren geen daglicht hadden gezien, voor eenige uren uit hunne gevangenis bevrijden kon.
' Met blijden glimlach rustten hare blikken op de fonkelende steenen, welke als uit den hemel gevallen sterren schitterden en haar hart van verrukking sneller deden kloppen. Want eene koningin blijft toch altijd eene vrouw; en Sophia Dorothea had zooveel van het leed en de smarten eener vrouw moeten ondervinden en lijden, dat zij hartelijk verlangde ook eenmaal weder het trotsche geluk eener koningin te gevoelen.
Zij deed dus heden haar geheelen .juweelen tooi aan, zelfs den stralenden diadeem op haar voorhoofd ; zij tooide hals en armen met colliers en armbanden, versierde hare ooren met de lange hangers die met hunne uitstekende schoonheid tegelijk hare ooren deden gloeien en pijnigden.
Daarna trad zij, met den glimlach van genoegen de verbaasde kreten barer kamervrouwen aanhoorende, naar den grooten Venetiaahschen spiegel en onderzocht haar toilet. Ja, Sophia Dorothea kon heden tevreden zijn. Het was inderdaad een koninklijk toilet! Millioenen schats, welke hunne dagen in ongestoorde rust doorbrachten, zagen als met verachting op den zich in zweet badenden mensch neder, die zich voor een armoedig kommerlijk leven afwerkte.
Sophia Dorothea dacht daar niet aan; zij zag peinzend in den spiegel en dacht aan vervlogen dagen, aan teleurgestelde verwachtingen en aan onvervulde droomen!
8
Deze brillanten had haar groote vader haar gegeven toen zij met Frederik Willem verloofd werd ; deze diadeem had haar voorhoofd versierd, toen zij met hem trouwde. Dit collier had haar broeder haar gezonden, toen haar eerste kind geboren werd ; deze armband was haar door haar gemaal geschonken, toen eindelijk na lang wachten, bidden én hopen de kroonprins Frederik geboren werd! Aan elk stuk van haar tooi paarde zich eene trotsche herinnering aan het verledene, elk was eene ster uit den tijd harer jeugd! â Ach, de juweelen hadden haar glans en gloed behouden, zij waren altoos nog sterren en fonkelden steeds nog even helder als vroeger, â maar al het overige was verdwenen en gestorven, hare jeugd en hare droomen, hare hoop en hare liefde! Sophia Dorothea had te dikwijls voor haar man moeten sidderen, dan dat zij hem zou kunnen liefhebben. Bij haar bad niet de liefde de vrees verdreven, maar de liefde was door de vrees verdreven; en zij kon den echtgenoot niet beminnen, die voor haar en hare kinderen altoos slechts de tiran en dwingeland was geweest; die steeds haar wil had gebroken, hare hoop geknakt ; die niet alleen in haar de koningin en de vrouw maar ook de moeder doodelijk gewond had. Toen zij hare blikken op den fonkelenden armband wierp, die zoo oud was als haar zoon Frederik, haar lievelingskind, toen bedacht zij zuchtende hoe weinig zijn leven op dezen glans en deze heerlijkheid geleken, hoe somber en treurig zijne jeugd geweest was, hoe arm aan glans, hoe rijk aan tranen. Zij kuste het bracelet en zond haar zoon in de gedachte beur groet over, toen plotseling de deur openging en de twee prinsessen UIrike en Amalia binnenkwamen.
De koningin wendde zich tot haar en de uitdrukking van weemoed verdween snel van hare trekken, toen zij hare blikken op de schoone en beminnelijke gelaatstrekken harer dochters sloeg, die in een keurig en smaakvol balkleed zich voor haar vertoonden.
âO, hoe prachtig ziet ge er uit, genadige Mama!quot; riep de zeventienjarige prinses Amalia, terwijl zij om de edele en hooge gestalte der koningin huppelde en met kinderlijke levendigheid zich over de fonkelende juweelen verblijdde. âDe hemel heeft al zijne sterren op u doen nederdalen en uw gelaat schittert als de schoonste zon.quot;
9
âVleister !quot; zei de koningin glimlachend. âAls uw vader u hoorde zou hij boos worden, want hoe zult gij/iem noemen, wanneer gij mij met den naam van zon bestempelt.quot;
âNu, hij is Phoebus, die de zon bestuurt en met zijne van goud stralende paarden, haar hare baan aanwijst.quot;
âGij hebt gelijk !quot; zuchtte de koningin. âHij schrijft haalbare baan voor, en wat hij wil, dat moet zij doen. Arme zon, arme koningin! die niet eens het recht heeft hare stralen te zenden, waarheen zij wil.quot;
âDie intusschen dat recht neemt, genadige Mama! riep Amalia lachend, terwijl zij op den fonkelenden diadeem wees. âWant ik mag toch wel vermoeden, dat onze genadige koning en vader juist niet bevolen heeft dat Uwe Majesteit in zulk eene schitterende pracht zoude verschijnen!quot;
âOf hij het bevolen heeft!quot; riep de koningin trillende. âHij zou in razenden toorn geraken, wanneer hij mij kon zien; want gij weet wel, hoe hij van allen ijdelen tooi en opschik een afkeer heeft.quot;
âHij zou dadelijk overleggen, hoe men op zijn minst eene geheele straat van dezen diadeem kon bouwen, dat men voor dit halssnoer ten minste tien reuzen voor de garde kon koopen, zeide Amalia ; âen terwijl zij zich tot hare zuster wendde, die zwijgend in eene vensterbank was gaan zitten, vervolgde zij: âen gij, Ulrike, gij zegt in het geheel niets? Heeft de glans van Hare Majesteit u zoo geheel en al verblind en u de spraak benomen; of denkt gij er aan, wien gij heden avond ten dans zult vragen?quot;
âVolstrekt niet,quot; zei prinses Ulrike ernstig; âik dacht er over na, dat, wanneer ik eens koningin zoude worden, ik het mijn gemaal tot volstrekte voorwaarde zoude stellen, mij over mijn toilet volkomen de vrije keus te laten, mij nooit te verbieden mijne juweelen te dragen ! Het is waarlijk een echt koninklijke tooi en nooit was onze genadige Mama meer koningin, dan juist heden!quot;
âHoor nu eens die trotsche, van hare zege overtuigde prinses, die er over denkt koningin te worden en daarover spreekt als over eene zaak, waaraan volstrekt niet mag getwijfeld worden !quot; riep Amalia lachende. âWeet gij dan, of de koning, onze vader, u daartoe bestemd heeft? Ach, of heeft hij voor u ook het een of ander Markgraatje of een onbekenden prins, een jongeren zoon met eene lijfrente,
10
uitgezocht, even als voor onze arme zuster van Baireuth!quot;
âZulk een zou ik nooit mijne hand geven!quot; riep prinses Ulrike heftig.
âGij zoudt het moeten doen, wanneer uw vader het beveelt,quot; zeide de koningin ernstig.
âNeen, ik zou liever sterven, dan mij tot zulk een huwelijk laten dwingen!quot;
âSterven !'' zei de koningin zuchtende. âMen verlangt zoo dikwijls naar den dood, en hij komt niet. Onze zuchten hebben de kracht niet hem te doen naderen, en onze handen zijn te zwak om hem aan ons hart te drukken. Gij zoudt u naar uws vaders begeerte schikken, zooals wij dat allen gedaan hebben en zuoals zelfs uw broeder, de kroonprins, heeft moeten doen,quot;
âArme broeder!quot; zuchtte Amalia. âGekluisterd te zijn aan een vrouw, die hij niet lief heeft. Welk een ongeluk moet dat zijn!
Prinses Ãlrike haalde hare schouders op. âIs dat niet het lot van alle prinsen en prinsessen?quot; vroeg zij. âZijn wij niet allen bestemd als koopwaar verhandeld en aan den meestbiedende afgeleverd te worden? Nu, wat mij betreft ik zal mij zoo duur mogelijk verkoopen en daar ik geene gelukkige herderin kan zijn, wil ik ten minste eene machtige koningin worden.quot;
âEn ik,quot; riep Amalia dweepende uit, âik zou liever den annsten en geringsten man trouwen, wanneer ik hem lief heb, dan den rijksten koningszoon, die mij onverschillig is.quot;
âGij zijt beiden dwaze meisjes,'' zeide de koningin glimlachende, âHet is goed, dat de koning u niet hoort. Zijn toorn zou u verpletteren en hij zou nog heden voor u, Amalia, een koning en voor u, Ulrike, een Markgraafje met een lijfrente opzoeken. Maar luistert dames, ik hoor de stem van onzen opperhofmeester. Hij zal ons komen melden, dat de gasten verzameld zijn. Toont nu beiden een opgeruimd gelaat; de koning wil, dat wij lachen zullen en vroolijk zijn. Weest dus ook vroolijk, maar herinnert u, dat de koning overal zijne spionnen heeft, en wanneer gij met Pöllnitz spreekt, vergeet dan niet, dat elk uwer woorden aan den koning wrordt overgebracht. Weest dus vriendelijk jegens hem en vooral, wanneer het gesprek op den kroonprins valt, spreekt dan van hem met de grootste onver-
11
schilligheid; toont zoo weinig mogelijk belangstelling en liefde voor en drijft veeleer den spot met zijn romantisch leven in Reinsberg; dit is het beste middel om u en hem bij den koning bemind te maken. En nu, dochters, laten wij naar ons gezelschap gaan.quot;
Juist opende de opperhofmeester van Pöllnitz de deur om Hare Majesteit aan te kondigen, dat het gezelschap verzameld was, en uit de nevenzalen traden de dienstdoende hofdames der koningin en der prinsessen.
Sophia Dorothea gaf een wenk aan hare dochters zich naast haar te plaatsen, en, voorafgegaan door den hofmeester, wandelde zij tusschen de beide prinsessen de zalen door, om hier en daar een glimlach of een genadig woord te verspillen en hare blikken als den gouden regenjeener godheid over het begunstigde, zich buigende en kreten van bewondering mompelende Danaë-hofgezelschap uit te storten.
O, dit vertoon barer hooge waardigheid deed het hart der koningin hooger kloppen, toen zij onder het geschetter der muziek, die zich van de tribune liet hooren, de troonzaal binnentrad ; toen zij al deze met ordesterren bedekte ridders, die schitterende, trotsche vrouwen voor haar zag buigen; toen zij gevoelde dat haar wil machtiger was, dan de wil van die allen saamgenomen ; dat een glimlach van haar mond meer waard was en blijder ontvangen werd, dan de glimlach der meest geliefde bruid ; dat haar blik glans en vreugde verspreidde gelijk de zon; dat, terwijl zich alles voor haar boog, er niemand was, voor wien zij haar hoofd moest buigen, â niemand ! want de koning, haar gemaal, was niet naast haar! De koning verlamde haar heden niet door zijne tegenwoordigheid en zijne ruwheid. Zij was heden geene sidderende, gejaagde vrouw, maar een fiere koningin, terwijl Frederik Willem heden geen koning was, maar een arme, door jicht gekwelde vloekende, biddende, tandenknarsende, kermende man, niels meer!
12 II.
KOiNING FREDERIK WILLEM I.
Hier in dezen vleugel van het kasteel alles schitterend van licht, leven en genot, â daar tegenover in gindschen, waar de vertrekken des konings, zijn alles eenzaamheid en treurige stilte ; hier hoort men de vroolijke toonen der muziek, â daar ginds het eentonige geklop van den hamei-dat even als het getik van den doodsworm alleen de stilte atbreekt. Dit kloppen en slaan kwam onmiddelijk uit het vertrek van den koning, en Frederik Willem zelf was het, die den hamer in zijne hand hield en dat doffe, klinkende geluid veroorzaakte, dat men pleegt te hooren, wanneer men spijkers in een ledige kist drijft of de voegen in elkander klopt
De koning, die, wanneer hij gezond was, er van hield zijne kruk te zwaaien en haar dreunend te laten neervallen op den rug van den een of ander, hétzij op dien van een lakei, van een minister of van eene vrouw, de koning moest, wanneer hij ziek was, zich er wel mede tevreden stellen op het gevoellooze hout zijn toorn te laten uitrazen, en in plaats van de kruk den hamer te zwaaien en de tang te gebruiken. De jicht maakte van den trotschen alleenheer-schenden koning een armen, ootmoedigen timmerman, en wanneer zijne gezwollen voeten hem aan den rolstoel kluisterden en de pijnen hem beletten de staatsmachine te besturen en naar willekeur te draaien, stelde hij zich tevreden kisten en kasten uit lindenhout te vervaardigen.1)
Dikwijls, wanneer men in den stillen nacht langs het slot ging, kon men nog dit kloppen en slaan hooren, hetwelk in zekeren zin de luide bulletins van den gezondheidstoestand des konings waren. Wanneer de koning des nachts werkte en voor timmerman speelde, dan bewees zulks den bekommerden Berlijners, dat hij niet slapen kon.
1
Mémoires pour servlr il l'histoire des Quatres derniers souverains de la maison royale de Brandebourg de l'russe. Par Charles Louis Baron de Poeilnltz. Vol. II, pag. 359.
43
dat hij leed en dat het zeer gevaarlijk kon zijn hem den volgenden dag op zijne wandeling door de straten te ontmoeten, dewijl men of door zijne lengte of door zijne kleinte, door de snede van den rok, door een of ander gesproken woord, dat den koning ter oore was gekomen, diens toorn opwekken, en zich, zoo al niet eenige duchtige slagen, dan toch eene donderende strafpredikatie op den hals kon halen. Koning Frederik toch had nog onlangs twee jonge fatsoenlijke dames laten gevangen nemen en naar Spandau brengen, omdat hij, in de lommerrijke lanen van Schönhausen wandelende en het gesprek der dames beluisterende, hooren moest hoe zij dezen koninklijken tuin âcharmant, zeer charmantquot; vonden. Dit enkele Fransche woord was voldoende geweest om de arme meisjes bij den koning in verdenking te brengen en haar voor dartele weelderige schoonheden te doen doorgaan, weshalve hij haar naar de vesting Spandau zond, om daaruit, na langdurige pogingen van hare troostelooze familie, weder bevrijd te worden.1) Welgemaakte menschen en flinke jongelieden moesten altoos vreezen, dat de koning hen om hunne gestalte zou laten grijpen en in het een of ander regiment inlijven, of hen wegens hun lui rondslenteren op straat zou uitschelden.
Maar nu had men stellig niets te vreezen van den aan zijn stoel gekluisterden koning. De koningin kon vrij hare juweelen aandoen, de Eerlijners, groot en klein, konden zonder gevaar op straat komen, want de koning was lijdend, gevangen in zijne kamer en klopte en schaafde aan zijne lindenhouten kastjes. Intusschen had deze bezigheid ook hare weldadige, genezende kracht, en het werken deed den koning niet alleen zijne pijnen vergeten, maar genas hem ook soms. De snelle onophoudelijke beweging der armen en handen deelde het lichaam eene heilzame warmte mede, gaf een zachte doorstraling aan de huid, die pijnstillend op de zenuwen werkte en hem soms uren lang zijne smart kon doen vergeten.
Ook heden oefende het schaven zijne geriezende krachten
1
Fréderic le Grand, sa familie, sa cour, son gouvernement et autres souvenirs de vingt ans de sejour ü Berlin. Par Diedonnö Thiébault. Qua-trième Edition. T. 3, pag. 73.
44
op den koning uit; ook nu kon hij zich verbeelden, dat de jicht, zijn kwelduivel, voor den invloed van hel werk was geweken en zijn lichaam verlaten had.
Hij stond van zijn rolstoel op en rekte met een uitroep van verrukking zijne armen uit, als wilde hij de geheele wereld omvatten met die armen, welke thans hunne spier- en levenskracht wedergekregen hadden. Hij riep met krachtige stem de bedienden, die in de aangrenzende kamer de wacht hielden, en beval hun haastig de heeren van het tabaks-collegie bijeen te roepen en alles voor eene vergadering in orde te brengen.
âMaar die heeren zijn ginds op het bal bij de koningin,quot; zeide de verbaasde kamerdienaar.
âDan moet men hen van daar laten roepen,quot; beval de koning. âGelukkig zijn er geene dansers onder hen, want hunne leden zijn te stijf en te stram, en de schoone dames zouden zeker bang worden voor de bokkesprongen der cavaliers, als zij met haar wilden dansen. Haal ze dus hier. Pöllnitz moet komen en Eckert, baron von Gotter en Hake, de hertog van Holstein en de generaal Schwerin. Spoedig! spoedig I In tien minuten moeten zij allen hier zijn ; maar niemand van hen mag weten, waarom zij geroepen worden. Gij lluistert iedereen in het bijzonder in het oor, dat hij dadelijk bij mij moet komen, zonder iemand ter wereld te zeggen, waarheen hij gaat. Ik wil niet, dat het feest der koningin gestoord worde! Haast u nu, en wanneer al die heeren niet in tien minuten hier zijn, zal mijn stok op uw rug een feesthal spelen, waarbij gij zelf de muziek zult kunnen uitschreeuwen.''
Dat was een bedreiging, die niet zonder uitwerking bleef op de voeten des kamerdienaars en hem als de wind door de voorzalen dreef, waar hij in het voorbijvliegen in hijgenden haast den tweeden kamerdienaar beval, spoedig pijpen tabak en kruiken bier in de slaapkamer des konings te brengen, en zich daarop verder spoedde naar den anderen vleugel van het kasteel, waar in de verlichte feestzalen het feesthal der koningin gegeven werd.
De fortuin was den armen, gejaagden, kamerdienaar gunstig; binnen weinige minuten had hij de bedoelde heeren gevonden, binnen tien minuten stonden zij alle zes in de voorkamer des konings en vroegen met verlegene en bleeke
45
gelaatstrekken elkander naar de reden van deze vreemde en onverwachte oproeping.
De kamerdienaar haalde zwijgend zijne schouders op en begaf zich zonder antwoord in het vertrek des konings.
Zijne Majesteit zat in de volle uniform van zijn geliefd garde-regiment aan de ronde tafel, waarop reeds de pijpen en de met schuimend bier gevulde kruiken stonden. Het had Zijne Majesteit behaagd met hoogstdeszelfs eigen handen eene pijp te stoppen en zij was juist bezig haar aan te steken aan de walmende en stinkende vetkaars, die het vertrek verlichtte.
âSire,quot; zei de kamerdienaar, âde heeren wachten in de voorkamer.quot;
âWeten zij, waarom ik hen liet roepen?quot; vroeg de koning, eene rookwolk uit zijn mond blazende.
âUwe Majesteit had verboden het hun te zeggen.quot;
;gt;Zoo, ga dan nu heen en zeg hun, dat ik heden zoo grimmig ben als gij mij ooit gezien hebt. Dat ik met de hand aan de deur sta en bevolen heb, dat zij één voor één moeten binnenkomen.quot;
De kamerdienaar ijlde naar de wachtende cavaliers en toen hij de deur opende, zagen zij den koning met dreigend opgeheven stok naast de deur staan.
âWat is er? Waarom is de koning vertoornd? Welke bevelen brengt gij ons van zijne Majesteit?quot; vroegen de heeren angstig en haastig door elkander.
Het gelaat van den kamerdienaar zag er ontsteld uit. âZijne Majesteit is heden zeer boos, in zeer kwaden luim! Wee hem, op wien de wolk van zijne drift zich zal ontladen ! hij is vol donderbuien ! Hij beval mij de heeren hier te zeggen, dat ieder van hen alleen, niet allen te gelijk, bij hem moesten binnenkomen. Gaat dus. Laat om 's hemels wil den koning niet wachten!quot;
De zes cavaliers zagen elkander bleek en besluiteloos aan. Ieder van hen had het dreigende beeld van den met de opgeheven kruk aan.de deur staanden koning gezien, niemand wilde de eerste zijn om onder dit juk door te gaan.
âUwe doorluchtigheid heeft den voorrang,quot; zeide de opperhofmeester van Hüllnitz, zich diep voor den hertog van Holstein buigende.
16
âToch niet/' zeide deze, âgij weet wel, dat Zijne Majesteit niets van de etiquette houdt en het zeer kwalijk zoude nemen, wanneer wij die volgden. Ga dus zelf maar eerst binnen, lieve Pöllnitz.quot;
âO, ik niet uwe doorluchtigheid! Ik zou niet gaarne voor een van u allen den voorrang willen hebben. Wanneer gij voor deze eer bedankt dan komt zij den generaal von Schwerin toe. Hij moet den slag aanvoeren.quot;
âMaar er is geen sprake van een slag,quot; bromde de generaal, âmaar om mogelijk geslagen te worden, en dat verstaat de heer van Pöllnitz beter dan ik.quot;
âMijne heeren!quot; zeide de kamerdienaar, âZijne Majesteit zal ongeduldig worden en wee dan ons allen!
âMaar mijn hemel, wie van ons zal dan gaan ?quot; vroeg de graaf van der Goltz besluiteloos.
âIk zal het doen,quot; zeide de geheimraad Eckert, vooruittredende, âik heb Zijne Majesteit alles te danken wat ik ben; het is dus zeer natuurlijk dat ik mijn rug, ja, wanneer het zijn moet, mijn leven ter zijner beschikking stelle.quot;
En hij naderde met vasten tred de deur,die hij met een snellen druk opende.
Men zag den koning, die met fonkelende oogen zijn stok hooger ophief; men zag Eckert die met gebogen hoofd binnentrad. Daarop ging de deur weder dicht. Alles bleef stil.
âWas hij het dan, die door den toorn des konings bedreigd werd ? vroeg Pöllnitz beschroomd. .
âDe toorn des konings bedreigt heden een ieder,quot; zeide de kamerdienaar met onheilspellende zucht.
âWie zal nu gaan ?quot; vroegen de vijf cavaliers elkander en eerst na een hardnekkigen strijd besloot de opperhofmeester van Pöllnitz den zuren stap te doen. En weder zag men toen de deur openging, den koning met opgeheven stok staan en weder werd de deur gesloten zonder dat men, iets anders ontdekte. Viermaal nog werd hetzelfde tooneel herhaald, viermaal nog zag men het schrikwekkend beeld des konings. Maar toen de generaal von Schwerin, de laatste der zes cavaliers eindelijk in de kamer des konings trad, stond deze niet meer aan de deur, maar lag in zijn leuningstoel en lachte, dat de tranen hem over de wangen liepen, terwijl de heer van Pöllnitz voor hem stond en op de hem eigene stoute en grappige manier het angstige tooneel in
17
in de voorzaal schilderde en de stem van elk der heeren in het bijzonder nabootsende, hun gesprek in de voorzaal herhaalde.
âGij allen geloofdet dus aan mijn toorn ?quot; vroeg de koning buiten adem van het lachen. âDe grap is dus volkomen gelukt en uwe harten hebben van angst getrild ? Het uwe ook, oude Schwerin ? Nu hebt gij dan eindelijk ook eens ondervonden, wat het is in angst te zijn; gij, die op het slagveld nog nooit eenige aandoening van vrees gevoeld hebt.quot;
âJa, Sire, een kogel is ook een erbarmelijk wicht bij uwe van toorn fonkelende oogen. Wanneer de kanonnen donderden springt mijn hart van vreugde op, â terwijl het zich bij het gedonder van uwe stem in de diepste schuilhoeken van mijne borst verbergt. Ik vrees den dood niet, maar wel den toorn en de ongenade mijns konings.quot;
âZoo, gij zijt een brave kerel,quot; zeide de koning vriendelijk, den generaal zijne hand toestekende. âEn nu, mijne heeren, weg met allen dwang en alle vormen. De koning is daar ginds op het bal en uw kameraad Frederik Willem opent hiermede het tabakscollegie.quot;
Hij nam zijne pijp en stak haar aan de kaars weder aan. Daarop liet hij zich in een der stoelen, die om de ronde tafel stonden, vallen, de overige heeren volgden zijn voorbeeld en het tabaks-collegie begon.
Hl.
HET TABAKS-COLLEGIE.
Er volgde een oogenblik pauze. Ieder was druk bezig om zijne pijp aan te steken : weldra stegen uit ieders mond groote rookwolken, die met haar blauwachtigen nevel het geheele vertrek als in een sluier hulden, uit welks midden de vetkaars met somber gelen gloed niet als vuur, maar als matgeslepen goud blonk.
âSteek nog eenige kaarsen aan,quot; beval de koning den kamerdienaar. âOns tabaks-collegie moet heden een schitterend en prachtig gezicht verloonen, opdat het niet te veel bij het feesthal daar ginds afsteke. Zeg eens, Pöllnitz, hoe
Mühlbaoh, Frederik de Groote en zijn Hof. I. 2
18
ziet het er daar uit ? Is er een mooi gezelschap ! Is men tevreden? Is de koningin opgeruimd en springen de prinsessen goed mede in het rond ?
âUwe Majesteit, ik zag nooit een schitteronder feest dan dat van heden,quot; zeide Pöilnitz, en nooit was Hare Majesteit schooner, prachtiger en vroolijker, dan heden! Zij straalde en fonkelde als eene zon boven alle dames, hoe prachtig gekleed en getooid deze ook waren.quot;
âZoo! Zij is dus ook zeer opgeschikt, vroeg do koning, en een wolk trok over zijn gelaat.quot;
âSire, ik wist niet, dat de koningin zulk een echt vors-telijken schat aan juweelen bezat!''
âHoe! heeft zij dan ook hare juweelen aangedaan ? Men maakt van mijne afwezigheid gebruik, zooals het schijnt ? Men is zeer gelukkig en opgeruimd, terwijl ik op miju ziekbed verkwijn,quot; riep de koning, die in zijne lichtgeraaktheid vergeten had, dat hij zelf het feest bevolen en van zijne gemalin verlangd had, dat zij geheel zorgeloos en opgeruimd zoude schijnen.
âSire gelukkig is Uwe Majesteit niet ziek en niet op het ziekbed, zeide de hertog van Holstein, de koningin had dus wel reden om vroolijk te zijn.quot;
De koning antwoordde niet. ïlij deed een langen haal aan zijne pijp en sloeg toen met een toornige beweging het deksel op de kruik.
âHet zou mij niet verwonderen, dat ook Frits in het geheim voor het bal is overgekomen,quot; mompelde de koning, âzij durven alles, wanneer zij niet vreezen, dat ik hen verrassen kan.
âMaar Uwe Majesteit kan toch beter verrassing uitdenken dan iemand anders,quot; riep graaf Hake, pogende het gesprek een andere wending te geven. âIn mijn leven heb ik mijn hart niet zoo voelen kloppen als toen ik heden den drempel van dit vertrek betrad.quot;
De koning, hierdoor spoedig tot bedaren gebracht, lachtte luide. âEn ik heb in mijn leven zulke bleeke gezichten niet gezien als de uwen ! Waarlijk, waren mijne vingers juist niet zoo stijf en stram door de jicht, ik zou u eene schets van dit tooneel schilderen, dat een heerlijk pendant tot mijne schets van het tahakscollegie zou leveren, en ik zou haar noemen : de zes snijdersgezellen in angst voor den
19
blauwen maandag ! Ziet maar eens, wij leggen ons iiu ook op de poëzie en de kunst toe en onze geleerde en overdreven zoon zal spoedig niets meer boven ons voor hebben ! Speelt bij op de (luit, goed, dan schilderen wij; schrijft bij aandoenlijke verzen, dan zullen wij spotschriften maken, en, terwijl bij zon en maan bezingt, doen wij als de goden en bullen ons even als Jupiter in wolken. Gij begrijpt intus-schen, dat het niet is om een Semele of eene andere vrouw te verleiden, want-wij zijn aan onze vrouw altoos en op alle plaatsen getrouw geweest, en ik geloof wel, dat de kroonprins op dit punt aan zijn vader een voorbeeld mag nemen.quot;
âIn alle opzichten mocht hij dat wel Uwe Majesteit !quot; merkte graaf van der Goltz aan, een dikke rookwolk uitblazende.quot;
âOch! hij denkt er over om eens den staat met zijne boekenwijsheid en zijne gedichten te regeeren,quot; zei de koning lachend. , Jn plaats van zich met nuttige dingen bezig te houden, rekruten at te excerceeren, plannen te teekenen en de krijgskunde te bestudeeren, verbeuzelt hij zijn tijd met het nuttelooze klatergoud van oppervlakkige geleerdheid, die niemand nut aanbrengt en hem tot schande strekt. Want de yereischten voor een goed koning bestaan niet in droo-merige geleerdheid; en wie in plaats van den schepter en het zwaard den strijkstok en maatstok in de hand houdt kan nooit een goed generaal zijn of worden.quot;
âToch was bij de laatste parade het regiment van den kroonprins bet schoonste en het vaardigste,quot; zeide de hertog van Holstein.
De koning wierp hem een wantrouwenden blik toe en prevelde eenige woorden, die niemand verstond.
Hij zag niet gaarre dat men tegenover hem den kroonprins verdedigde en alle lof, die men dezen gaf, maakte den spreker verdacht.
âUwe Majesteit vergeet, dat wij hier in bet tabakscollegie en niet in den staatsraad zitten,quot; zeide Pöllnitz vleiend.
âWanneer Uwe Majesteit zich wilde ergeren, was bet niet noodig geweest de pijp op te steken en de kruik te vullen ; want de pijp gaat uit wanneer gij niet rookt, en het bier verslaat, wanneer gij niet drinkt.quot;
âDat is waar,quot; zeide de koning, en terwijl hij de kruik
20
opnam, vervolgde hij : âIk drink dit glas op de gezondheid van hem, die het eerst zijn hazenhart meester werd en het waagde binnen te komen. Wie was het ook? Ik heb het vergeten!quot; . . â
âHet was de geheimraad van Eckert, Uwe Majesteit, zeide graaf Hake met spottenden lach, terwijl Eckert zich glimlachend boog. . ^
âEn hij ging in de kamer, alsof hij naar een slag ging,' riep Pöllnitz lachend. âHij nam in zijn geest afscheid van al zijne schoone brouwerijen en kunstige, nooit roo-kende schoorsteenen, die hij gebouwd heeft; afscheid ook van de beurzen der steden, die hij nog met koninklijke commissarissen had voorzien, om ze van haar rijkdom te bevrijden; afscheid van zijne orde van grootmoedigheid en van zijne eigene geldzakken en met een traan in het oog uitroepende: âIk heb den koning alles te danken, wat ik ben, het is derhalve natuurlijk dat ik hem ook mijn rug en mijn leven ter beschikking stelle,quot; marcheerde hij, den dood trotseerende naar het koninklijk vertrek.quot;
âWerkelijk! deed hij dat? zeide hij dat?quot; vroeg de koning. âDat bevalt mij van u, Eckert, en ik zal u daarvoor beloonen. Het is waar, ik heb u van de straat opgenomen en u van schoorsteenveger tot een voornaam man gemaakt, maar het gebeurt zelden, dat de menschen dankbaar zijn en zich ontvangen weldaden herinneren. Omdat gij dit doet, hebt gij een edel hart, en dat weet ik op prijs te stellen. Het nieuwe huis, dat ik in de Jagerstraat heb laten bouwen, zal u toebehooren en ik wil u niet enkel de kale wanden geven, maar het bovendien op mijne kosten met fraaie meubelen en al het noodige huisraad laten voorzien.quot; ^
âO, Uwe Majesteit is de genadigste, beste vorst,quot; riep Eckert, naar den koning ijlende en diens handen aan zijne lippen drukkende. Ja, Uwe Majesteit heeft gelijk met te zeggen, dat gij mij van de straat hebt opgenomen, maar mijn hart ten minste was rein en vlekkeloos en zoo wil ik het behouden en zoo moet het blijven. Uit dehelTe des volks hebt gij mij gehaald; evenals de edele Romeinen hun slaven de vrijheid schonken, wanneer zij door schoone
1) Pöllnitz. quot;Vol. II, pag. 342.
daden zich deze vrijheid hadden waardig gemaakt, zoo ook heeft mijn koning mij verlost van de slavernij der armoede en laagheid, maar ook ik zal trachten door schoone en groote daden mij deze genade waardig te maken.quot;
âEn daartoe biedt Berlijn u de beste gelegenheid,quot; zeide Pöllnitz, âwant daar zijn zeer veel rookende schoorsteenen en zeer veel slechte bierbrouwerijen. De heer geheimraad van Eckert kan dus nog vele roemrijke daden verrichten, eer hij tot zijne vaderen verzameld wordt.quot;
Allen lachten en zelfs de koning kon ter nauwernood een glimlach onderdrukken. Alleen het gezicht van den heer van Eckert was bleek en somber geworden, en terwijl hij den kamerheer van Püllnitz een toornigen blik toewierp, zeide hij met een gedwongen lach : âInderdaad, gij zijt heden bijzonder geestig en uwe aardigheden verrukken mij zoo, dat ik, wanneer soms uw wijnkoopman u den gevraagden wijn weigert, omdat gij uwe oude rekeningen niet betaald hebt, bereid ben u eenige llesschen uit mijn kelder te zenden, opdat uwe genade op mijne gezondheid zou kunnen drinken.quot;
âDat zal ik doen,quot; zeide Pöllnitz vi'iendelijk. âJa op uwe lange en voortdurende gezondheid zal ik drinken, want hoe langer gij leeft, des te meer hebben ook uwe voorouders den tijd om ook een weinig aan te groeien en zich te verspreiden, en daar gij, zooals het schijnt, er niet toe bestemd zijt om de stamboom van een volgend geslacht te worden, moest gij u ten minste toeleggen op de stamvader van uwe voorouders en vaders te worden. Gij brengt voorouders ter wereld, zooals andere menschenkinderen, en, wanneer ik mij niet vergis, bezit gij er thans drie. Maar dat is voor een rijk en aanzienlijk man zeer weinig. Ik zal dus op uwe gezondheid drinken, dat gij nog vele voorouders moogt krijgen, en ik doe Uwe Majesteit het voorstel om hem voor eiken rookvrijen schoorsteen één voorvader te schenken.quot;
âBedaard, bedaard, Pöllnitz!quot; riep de koning lachend. âHoud op met uwe ondeugende uitvallen en hoor nu eens ernstig toe. Ik heb Eckert het nieuwe huis geschonken, en daar ik hem een adellijken titel verleend heb, is het ook billijk, dat ik hem een wapen boven zijne deur geef. Mijne heeren, laat ons dus eens overleggen, hoe het wa-
22
pen van den heer Eckert raoet samengesteld worden. Ieder van ii zal mij, op zijne beurt, zijn gevoelen zeggen. Gij, hertog, moogt beginnen.quot;
Met een zeer ernstig en een zeer deftig geleerd gelaat begonnen nu de heeren over het wapenschild van den heer van Ec-kert te beraadslagen en met het oog op de gunst, waarin Eckert bij den koning stond, deed ieder zijn best, een zoo prachtig en schoon wapenschild, als slechts mogelijk was, voor te stellen. Maar den koning bevielen deze ernstige en geleerde wapenschilden in het geheel niet; het stond hem tegen, een pas geworden baron een wapen te geven, waardig om voor een oud adellijk huis te prijken, en dat hem op ééne lijn met de oudste rijks-vrijheeren en baronnen zou stellen.
âWanneer ik een huis laat bouwen.quot; zeide hij hoofdschuddend, âwil ik, dat men zien kan, dat het nieuw is; ik geef het daarom een fraai helder aanzien, en niet eene oude, grijze steenkleur, om het voor een oud ridderkasteel te laten doorgaan. Eckert moet dus ook een nieuw aanzien voor zijn nieuw adellijk huis hebben, een splinternieuw wapenschild.quot;
âIk ben van hetzelfde gevoelen als UweMajesteit,quot; zeide Pöllnitz plechtig, âen zooals elk adellijk geslacht in zijn wapen het een of ander teekeh of beeld van herinnering aan daden en gebeurtenissen draagt, door welke het geslacht groot is geworden, evenzoo dient van Eckert zulke zinnebeelden in zijn wapen te dragen. Ik stel dus voor om het wapen in vier velden te verdoelen. Het eerste veld vertoont op zilveren grond eene zwarte schoorsteenpijp, waarmede wij tegelijk de Pruisische kleuren aantoonen, het tweede veld'is blauw met eene groote kuip er in, met betrekking tot Eckert's groot bierbrouwers-talen t,; het derde veld is groen met een gouden fazant in het midden, als wijzende op dc vroegere betrekking van fazanten-wachter in Brunswijk; en hel vierde veld vertoont op rooden grond een haan en een mes, ter herinnering aan den schoonen tijd, toen de heer geheimraad van Eckert in Baiereuth kapoenen maakte en mestte.quot;
Een schaterend gelach van het geheele tabaks-collegie beloonde den heer Pöllnitz voor zijn voorstel, dat overigens den koning zoo goed beviel, dat hij in vollen ernst
28
besloot het aan te nemen, en het huis in (jen Jagerstraat boven de deur een wapenschild met de door Pöllnitz voorgestelde zinnebeelden te geven.
De vroolijkheid der heeren van het tabaks-collegie verkreeg nu eene meer vurige, levendige tint, en ieder deed zijn best, door zinrijke scherts de luim des konings telkens aan te wakkeren, en hem steeds op nieuw stot lot lachen en vroolijkheid te geven. De opgeruimdste van allen was de opperhofmeester van Pöllnitz. Zijn invallen kwamen als uit een frissche bron over zijne lippen en als zij voor een oogenblik scheen op te drogen, vermaakte zich de ondeugende kamerheer met een blik op het bleeke, door verbeten toorn zenuwachtige gelaat van den heer van Eckert te slaan, om daardoor tot nieuwe vroolijkheid en nieuwe grappen bezield te worden. Toen de koning met Eckert over de inrichting van zijn nieuw huis sprak, keerde zich van Pöllnitz met spotachtigen glimlach tot zijn buurman. âGij zult bekennen, graaf, dat ik mijne, onhandigheid weder goed gemaakt heb,quot; zeide hij. âIk was het, die gindschen huichelaar daar even door eene onbezonnen herhaling zijner woorden de schenking van dat huis bezorgde ; maar ik heb hem ook nu daarvoor een adellijk wapen gegeven, en ik wed, dat de heer geheimraad gaarne zijn tiuis zoude afstaan, als hij daarvoor zijn wapen weder kwijt kon worden.quot;
âWaarom kijkt gij zoo ernstig, Pöllnitz?quot; vroeg op dit oogenblik de koning over de tafel heen. âIk durf wedden, dat gij boos zijt, omdat ik u het huis in de Jagerstraat niet geschonken heb.quot;
âVolstrekt niet Uwe Majesteit! Ik kon dat huis in het geheel niet gebruiken, hoe fraai het overigens ook zijn moge.
âOch ja, gij hebt gelijk, het zou voor u veel te groot zijn !'' zeide Frederik lachend.
âNeen, Uwe Majesteit, het zou voor mij veel te klein zijn; want wanneer een cavalier van mijn slag er toe besluit een huis te bouwen, moet het met zijn stand en rang overeenkomen, en dat kost veel geld, helaas, veel meer geld dan ik ooit bezeten heb. Wel is waar had ik een vermogen van tweemaal honderd duizend daalder, toen mijn vader stierf, maar wat kan een edelman met zulk eene armzalige som beginnen ! Het was te weinig om er fatsoenlijk van te kunnen leven, te veel om er op te gaan
'24
bedelen. Ik maakte dus een berekening, hoe lang die som kon strekken om er eenigszins fatsoenlijk van te kunnen leven, en toen bevond ik, dat zij met eenige zuinigheid misschien voor vier jaren zouden kunnen voldoende zijn; zoo heb ik dan vier jaren als een edele, milde cavalier geleefd en het geluk gehad, gedurende deze vier jaren, de teederste vrienden en trouwste minnaressen te hebben, die mij niet eerder verlieten, dan nadat de laatste daalder van mijn vermogen gesprongen was en ik verhuizen moest om nieuwe grondslagen voor mijn fortuin te leggen.quot;
âGij hebt dus in vier jaren tweemaal honderdduizend daalder zoek gemaakt?quot; vroeg de koning.
âJa, Sire, en ik verzeker u, dat ik mij daarbij uiterst zuinig en in zekeren zin kommerlijk heb moeten behelpen.quot;
Frederik zag hem met verbaasde, bijna bewonderende blikken aan. Er was iets in den aard van den kamerheer dat den koning ontzag inboezemde. De grootscbe spilzucht van den baron, welke zoo sterk met de spaarzaamheid des konings streed oefende juist door deze tegenstelling een grooten invloed op den koning uit en deed hem dezen lichtzinnigen, steeds vroolijken, steeds geestigen hoveling met verbazing en bewondering aanschouwen.
âDus zijn vijftigduizend daalder rente niet voldoende om fatsoenlijk te kunnen leven?quot; vroeg de koning,
âNeen, Uwe Majesteit, wanneer men slechts eenigszins aan de aanspraken, die men van een edelman eischt, wil voldoen kan men er mede van honger sterven.quot;
âOch, verklaar ons dat eens! Zeg ons eens, hoeveel gij dan noodig hebt om op een waardige wijze, als edelman, te leven?quot;
Pöllnitz zweeg een oogenblik en zag nadenkend voor zich neder, terwijl hij groote rookwolken door zijn neus blies, die zich al draaiend om zijn voorhoofd kronkelden, i
âSire, om eenigermate fatsoenlijk televen, zoude ik jaarlijks viermaal honderdduizend daalder noodig hebben.quot;
âDat is niet waar, dat is niet mogelijk!quot; riep de koning.
âDat is zoo mogelijk, Sire, dat ik nauwelijks weet of ik er wel mede zou kunnen uitkomen.quot;
âGelooft gij dat, heeren?quot; vroeg de koning.
âIk voor mij heb het vierde gedeelte niet,quot; zeide de hertog van Holstein glimlachend.
25
âIk het tiende gedeelte niet !'' riep de graaf van der (ioltz.
âIk niet het twintigste gedeelte!quot; riepen de generaal Schwerin en graaf Hake tegelijk.
.,En toch,quot; zeide de koning, âtoch leeft gij allen als fatsoenlijke cavaliers en als geachte heeren van mijn hof. Laat ons nu eens hooren, hoe Pöllnitz het aanleggen zal om zooveel geld te verteren. Toe, Jochem, gauw wat! geef eens een vel papier en potlood.quot;
De kamerdienaar bracht het bestelde en gaf den koning papier en potlood over.
.,Vul de kruiken nog eens, Jochem,quot; beval de koning, âen ga dan op uwe plaats, aan het benedeneinde van de tafel zitten en luister goed toe, op hetgeen ons Pöllnitz verklaren zal. Het is altijd de moeite waard te weten, hoe men jaarlijks viermaal honderdduizend daalder op eene fatsoenlijke wijze kan uitgeven. Begin dus, Pöllnitz. Ik zelf zal uw secretaris zijn en gij zult mij voorzeggen. Wee u echter, als gij uw woord niet houdt en minder noodig hebt. Voor elke duizend daalder zult gij tien kruiken bier drinken en eene pijp van die sterke Havanna-tabak rooken, die de stadhouder van Holland mij onlangs gezonden heeft.quot;
âMaar,quot; vroeg de heer van Pöllnitz lachend, âwat krijg ik voor elke duizend daalder, die ik meer noodig heb ?quot;
âOch wat! het is onmogelijk, dat een edelman meer kan besteden; verondersteld, dat hij het niet als een gek op onzinnige wijze wegwerpt.quot;
âAls ik nu, enkel om fatsoenlijk en zooals een edelman past te leven, nochtans meer noodig heb, Sire, wat krijg ik dan voor elke duizend?quot;
âNu, dan zal ik voor elke duizend één honderd van uwe oudste schulden betalen,quot; zei de koning. âMaar begin nu ook. En gij, heeren, drinkt, rookt en luistert goed toe.quot;
26
IV.
LUCHTKASTEELEN.
âIk begin dus,quot; zeide'Pöllnitz. âVooreerst lieh ik natuurlijk een huis noodig, en een fatsoenlijk ook, waarin ik mijne gasten ontvangen, mijne verzamelingen plaatsen, mijne vrienden onthalen, mijne studiën waarnemen kan, zonder door een of ander gedruisch gestoord te worden, waarin mijne vrouw hare eigene receptie-kamers en salons heeft; want daar ik soms rook en eenige andere insgelijks roo-kende vrienden bij mij zal hebben, dienen de receptie-kamers mijner echtgenoote van de mijnen gescheiden te zijn.quot;
âNu, uwe vrouw zou er niets tegen hebben om in haar salon te laten rooken,quot; riep de koning lachend.
âAl stond zij mij zulks toe, zoude ik het niet aannemen, want het past een cavalier niet in het vertrek eener dame te rooken.quot; â
De koning bloosde een weinig en bracht de kruik aan zijne lippen om zijne verlegenheid te verbergen ; want hij dacht er over, hoe vaak hij, zonder op de zuchten der koningin te letten, in hare vertrekken gerookt had.
Pöllnitz ging bedaard voort. âIk moet dus verscheidene salons en receptie-kamers hebben. Want daar bet voorts zeer dikwijls gebeuren kon, dat mijn echtgenoote en ik het niet eens met elkander waren, en wij elkander dan niet wenschen te ontmoeten, moeten er in mijn huis twee geheel van elkander gescheiden trappen zijn, alsmede twee inrijpoorten, opdat mijne vrouw en ik nooit in de ongelegenheid kwamen elkander te ontmoeten, wanneer wij het niet begeerden!quot;
âO, gij zult dus in oneenigheid met uwe vrouw leven en somtijds met haar kijven.quot;
âToch niet, Sire, wij zullen nooit kijven, want het zoude voor een cavallier hoogst onfatsoenlijk zijn te kijven en met zijne vrouw een huiselijk tooneellje te vertoonen.quot;
De koning werd weder rood, maar ditmaal van drift. Deze verklaringen over den aard van echt cavalier begonnen hem te beleedigen en als eene waardige spotternij op hem zeiven te schijnen; want ongelukkig rookte de koning niet alleen in de vertrekken der koningin, maar de geheele we-
27
reld wist, hij zich tegenover zijne vrouw en kinderen maar al te dikwerf aan de uitbarstingen van zijn hevig karakter overgaf, en zelfs de koningin meer dan eens door zijne donderende scheldwoorden en ongepaste bedreigingen angst en schrik had aangejaagd. ,
âUwe Majesteit ziet dus, dat mijn huis zeer groot moet zijn,quot; vervolgde Pöllnitz, ,.en daar het zeer groot is zal het veel aan onderhoud kosten en een toereikend aantal bedienden noodig hehben ; doch hierover later. Blijven wij vooreerst bij mijne huizen, want het spreekt van zelf,dat ik ook eene buitenplaats moet hebben, om er de zomermaanden door te brengen.quot;
âJa, dat is billijk,quot; zeide de koning, terwijl hij de buitenplaats op zijn papier aanteekende.
âNu gaat men niet naar een landgoed om daar slechts in zijne kamers te leven, als in de stad, maar men wil daalde natuur en den zomer genieten. Ik zal dus een tuin moeten hebben met broeibakken en fraaie partijen, tot wier onderhoud men natuurlijk verscheidene en nog wel bekwame tuiniers noodig heeft. Daar ik overigens niet mag verwachten, dat mijne vrienden enkel bij mij komen om mijne bloemen te ruiken en mijne meloenen en perziken te eten, hetgeen zij alles even goed bij iederen tuinman kunnen koopen, moet ik er op bedacht zijn mijn vrienden andere en meer zeldzame uitspanningen te verschalTen. Ik moet dus volstrekt een bosch hebben om er in te jagen, een moer, om er in te kunnen visschen.
âJa, dat is waar en ook met grond,quot; zeide de koning, hel bosch en het meer op zijn papier aanteekenend.
Wij komen nu tot het gewichtigste, tot de keuken en den kelder. Aan beide moet ik de meeste zorg besteden , want het zoude niet met de waardigheid van een cavalier overeenkomen, zijn vrienden slechts zulke schotels voor te zetten, als men ze dagelijks in zijn eigen huis kan hebben.
Neen, wanneer ik mijne vrienden uitnoodig, moeten zij er eens vooral verzekerd van zijn bij mij dingen te eten,die zij nergens anders kunnen krijgen en die hun gehemelte als nooit geproefde lekkernijen, als hemelspijs streelen.''
âIk ben het volkomen met u eens,quot; riep de koning wiens gezicht van vreugde straalde bij de gedachte aan al die
28
heerlijkheden en kostelijke spijzen, welke de rijke Pöllnitz aan zijne vrienden zoude voorzetten. âHoor eens, gij kunt mij dan ook wel eens die voortreffelijke hampastei laten voorzetten, die ik eens bij Grumbkow gegeten heb. Ja, dat was inderdaad eene hemelspijs, een nooit geproefde lekkernij voor mijn gehemelte, zoo als gij zeidet, en mijn kok moest zich dadelijk van («rumbkow's kok het recept laten geven. Maar, verbeeldt u eens, eerst moest men drie lles-schen Champagne hebben, waarin de ham drie dagen moest liggen, en dan drie tlesschen Bourgogne, waarin hij smoren moest. Toen moest ik wel het plan opgeven, om ook voor mij zulk eene pastei te laten maken en ik heb toen aan Grumbkow gezegd, dat ik, wanneer ik eens weder zin in zulk eene pastei had, bij hem als gast zoude vragen. ') Gij kunt mij nu en dan ook wel zulk eene pastei laten bakken, want zij is waarlijk lekker.quot;
âIk zal uwe bevelen gehoorzamen, Sire,quot; zeide Pöllnitz in vollen ernst, zich buigende. âLaat ons eerst voortgaan met de inrichting van het huis, dan zullen wij de hampastei wel klaar krijgen. Nu wij van de jacht gesproken hebben, moeten wij ook van de paarden spreken, want ik zal van mijne vrienden niet kunnen eischen, dat zij te voet op jacht en te voel naar het meer zullen gaan, wanneer zij willen visschen. Ik moet dus voor schoone en edele paarden en voor elegante rijtuigen zorgen ; en daar de paarden zich zeiven niet kunnen rossen en drenken, en de rijtuigen alleen niet kunnen rijden, diende ik ook een voldoend aantal stalknechten, koetsiers en jockeys te houden.quot;'
âDat alles is waar,quot; zeide de koning, terwijl hij de rubriek; paarden en rijtuigen onder die voor âkeuken en wijnkelderquot; schreef; âdat alles is waar, allleen vind ik, dat gij te veel aan uwe vrienden en zeer weinig aan u zeiven denkt. Alles is bij u op uwe gasten berekend.quot;
âSire, de gastvrijheid is ook een der edelste deugden van eiken cavalier, men kan die nooit te veel, integendeel zeer licht te weinig beoefenen,quot;
De koning fronste het voorhoofd en zag somber voor
1) ïhiébault II. p. 89.
2!)
zich neder terwijl de overige heeren met toenemende verbazing den kamerheer aanzagen, die zich dus durfde verstouten den koning op deze wijze al zijne gebreken en zwakheden voor te houden.
Pöllnitz alleen bleef onbevangen en opgeruimd. âNu, daar ik mij voldoende met mijne vrienden heb bezig gehouden en voor hen gezorgd heb,quot; zeide hij, âzal het wel lijd zijn ook een weinig aan mij zeiven te denken. Ik bid dus Uwe Majesteit zelf te bepalen, hoeveel ik jaarlijks voor mijne garderobe, hoeveel voor fooien en aalmoezen, hoeveel eindelijk voor het spel en de geschenken aan mijne geliefde noodig heb.quot;
âZoo, gij noemt dus uwe vrouw uwe geliefde? Het schijnt dus, dat gij een zeer teeder echtgenoot zijn zult, hoewel gij twee trappen en twee oprijpoorten noodig hebt ?quot;
âSire, het zou een cavalier weinig passen, zijne gemalin en zijne geliefde in eene persoon te bezitten. Men heeft zijne echtgenoote om te presenteeren, zijne^geliefde om zich te amuseeren ; men geeft zijne gemalin den naam en den rang, zijne geliefde zijn hart en zijne liefde. Een echt cavalier bemint zijne gemalin niet, maar hij eischt van iedereen, dat men haar hoogachte als de dame welke zijn naam draagt.quot;
âPöllnitz! Pöllnitz!quot; zeide de koning, zijne hand dreigend ophelïende. âPas op, dat ik uw cavalier niet ontmoete en in mijn huis iemand vinde, die op hem gelijkt. Ik zou geen medelijden met hem hebben, maar hem met mijn koninklijken toorn verpletteren.quot;
Pöllnitz schrikte en verborg zich in eene rookwolk, om den koning de onsteltenis niet te laten blijken, die zich op zijn gelaat teekende.
âVerder !quot; zeide Frederik Wilhelm na eene pauze. âIk heb u voor elk punt in het bijzonder een vast jaargeld bepaald, verder dus. Maar nu hoop ik, dat het uit is, en dat de duivel, die in u woont en u plaagt, aan uwe even rijke als dolle verbeeldingskracht geen nieuwe hersenschimmen zal voorspiegelen.''
âJa Sire, ik ben klaar en verzoek daarom Uwe Majesteit op te tellen, hoeveel het totaal van de verschillende posten bedraagt/'
De koning rekende ; zijne vrienden rookten en dronken onder een diep stilzwijgen; Pöllnitz luisterde oplettend en
30
keek naar 'de vensters, welke op het binnenplein van het slot uitkwamen, vanwaar hij het gedruisch van stemmen en hoefslagen gehoord had.
Plotseling stiet de koning een vloek uit en sloeg met de vuist op het voor hem liggende papier.
,,Zoo waar helpe mij God, Pöllnitz heeft gelijkquot; zeide de koning; âviermaalhonderdduizend daalder is niet voldoende voor een cavalier van zijne vinding. De som hier bedraagt vierhonderd vijftigduizend daalder.quot;
âEn Uwe Majesteit moet bekennen dat ik volstrekt niets overvloedigs of overdrevens gevraagd heb.quot;
âDat beken ik.quot;
âDientengevolge zal uwe Majesteit zoo goed zijn en mij vijfduizend daalder betalen.quot;
âTe drommel! En waarom dat?quot;
âUwe Majesteit heeft vergeten, dat zij mij beloofd heeft voor elke duizend, die de som van viermaalhonderdduizend daalder te boven ging, mij honderd daalder toe te staan.''
âHeb ik dat gezegd, mijne heeren?quot; vroeg de koning, en toen alle aanwezigen het bevestigden, ging Frederik Willem luid lachend voort; âNu zie ik toch, dat gij allen Pöllnitz niet kent, daar gij hem met zijne schuldeischers verwart, en dit zijn toch zeer verschillende personen. Ik heb niet gezegd, dat ik Pöllnitz het geld geven wilde, maar dat ik voor elke duizend één honderd zijner oudste schulden zoude betalen en dat is, bij den hemel, eene geheel andere zaak! Wanneer ik hem het geld gaf, kunt gij verzekerd zijn, dat zijne schuldeischers er geen penning van zouden krijgen. Maar wat ik beloofd heb zal ik houden. Gij kunt mij morgen een lijst van uwe oudste schulden geven en ik zal er vijfduizend daalder op betalen.quot;
âMaar, Sire, mijn rekening is nog niet ten einde. Ik heb eerst het dringendste en noodzakelijkste opgegeven en hoeveel heb ik daarbij nog niet vergeten ! Ik heb nog geene jachtopzieners gevraagd om de wilddieven uit mijn bosch te verjagen, nog geene nachtwachten om de dieven van mijn landgoed te houden, om de visschen in mijne vijvers te beschermen en met groote stokken in het water te slaan om de kikvorschen tot zwijgen te brengen, die anders op eene onaangename wijze mij en mijne vrienden in den slaap zouden sloren.quot;
31
âHoud eindelijk op met uwe luchtkasteelen, gek!quot; riep de koning half boos en half lachend. âZoek een anderen koning, die rijk genoeg is om aan al uwe dwaasheden te voldoen.quot;
âUwe Majesteit zal mij toestaan, dat ik nergens iets anders zoek,quot; zei Pöllnitz zich diep buigende. Ik heb zulk een genadigen edelen vorst gevonden, dat ik volkomen tevreden ben ; alleen wilde ik uwe Majesteit en deze heeren, die mij de eer aandoen mij voor een verkwister te houden, bewijzen, dat men zelfs zonder groote buitensporigheden en dwaasheden te begaan, een tamelijk groot veimogen gemakkelijk gebruiken kan. Nu zult gij begrijpen, dat ik eigenlijk het bewijs van zeldzame spaarz'aamheid heb gegeven, daar ik met de kleine som van tweemaal honderd duizend daalder vier jaren ben toegekomen, in plaats van ze in een half jaar te verteren 1).quot;
De koning lachte en hief de kruik in de hoogte, terwijl hij de heeren uitnoodigde, met hem op de gezondheid van den âvrekquot; Pöllnitz te klinken.
Allen hieven de kruiken in de hoogte en klonken onder luid gelach en gejuig met elkander, maar plotseling scheen het, alsof een electrieke slag hen allen tegelijk getroffen had. De opgeheven armen der zes cavaliers vielen neder om de kruiken op de tafel te zetten, terwijl de heeren tegelijk haastig van hunne zetels opstonden om zich diep en nederig te buigen.
V.
VADER EN ZOON.
De koning was verbaasd en sprakeloos in zijn stoel gezonken. Hij begreep nog altoos niet, door welke toover-macht, deze heeren zoo plotseling waren bevangen, dat zij in strijd met de wetten van het tabaks-collegie, van hunne stoelen waren opgestaan. De koning zag niet, dat de deur
1
ïiébault, Vol. 111. pag. 65,
32
achter hem was geopend en dat te raidden van den tabaksrook, die het geheele vertrek met zwevende, trillende wolken vervulde, een jong man gezien werd, wiens verschijning dezen snellen en sterken indruk op de zes cavaliers des ko-nings, had teweeg gebracht. En voorzeker, er lag iets verhevens, iets ontzagwekkends in zijne verschijning ; er lag een vreemde glans vanschoonheid,zielen-adel, jeugd, verhevenheid en droefgeestigheid over deze trekken verspreid, waarvan de scherpe en gegroefde lijnen van bittere smart en bittere ondervinding spraken, terwijl om zijne dunne purperroode lippen een zachte, frissche glimlach speelde, zoodat men wel kon zien, dat het hart, dat zulk een glimlach op de lippen droeg, nog zeer jong, zeer geloovig en zeer gevoelig voor indrukken moest zijn. Maar hoe vreerad staken bij dien goedigen, fijnen jeugdigen raond die oogen af, welke als groote, geheimzinnige, ondoorgrondelijke sterren uit de kringen van dit smalle, licht blozende gelaat blonken en in welke het tegelijk fonkelde en straalde als de punten van dolken en de gloed der diamanten, die nu schitterden van jeugdige dartelheid en dan den vasten doordringenden blik van een strengen, onderzoekenden wijsgeer aannamen. Het eenigszins gebogen voorhoofd, dat met de rechte, spitse neus eene onafgebrokene, schuine lijn vormde, toonde reeds die wonderbare, eerbied inboezemende knobbels, welke aanduiden, dat de geest onder dit bekleedsel, onder dezen schedel verborgen, krachtig werkt en woelt en zijne bee-nen gevangenis ondermijnt en uitholt om tot de vrijheid der gedachte te geraken. Het was het oog en hoofd van een heros, een halfgod ; en had dat hoofd op eene gestalte gestaan, welke met de stoute reuzenkracht van dezen blik overeenstemde, het zou een Titan geweest zijn, die met zijne lichamelijke reuzenkracht de wereld als een stuk speelgoed in zijne handen verpletteren kon. Maar deze ranke, geëvenre-digde, bevallige gestalte, was intusschen meer tenger dan krachtig, meer jonkvrouwelijk week dan mannelijk en heldhaftig. Nochtans ge voelde men, dat het hoofd aan deze gestalte reuzenkracht zou verleenen, en dat, wanneer de Titan met de lichamelijke kracht van zijn arm kon zegevieren,hij heerschen en bevelen zou met de alvermogende kracht van zijn geest1).
1
Een Fransch reiziger Birré genaamd die enkel eene reis van Parijs
33
Dat was de onverwachte verschijning, welke plotseling den heeren van het tabaks-collegie zulk een schrik aangejaagd en van hunne stoelen had doen opvliegen, en voor wiens heldere, de rookwolken doordringende oogen, de blikken der cavaliers zich verlegen en onderworpen naar den grond wendden.
De koning zat nog verbaasd en sprakeloos op zijn stoel toen de jonge man reeds achter hem stond.
âIk neem de vrijheid Uwe Majesteit goeden avond te wenschen,quot; zeide hij met zijne volle welluidende stem.
De koning kromp ineen, en een gloeiend rood vloog over zijn gelaat. âFrits!quot; mompelde hij zachtjes. âFrits!quot; herhaalde hij luider, en reeds hoorde men het in zijne stem als het rommelen van een uit de verte spoedig opkomend onweder.
âIk kom van Ruppin, waar ik mijn regiment geïnspecteerd heb,'' zeide de kroonprins bedaard en vriendelijk als het ware een bede ter verontschuldiging en vergeving over zijne onverwachte komst uitsprekende.
Di koning sloeg er geen acht op. Zijn wantrouwen sloeg reeds tot vlammenden toorn over; hij dacht er aan, hoe de koningin hem ziek en lijdend en aan zijn stoel gekluisterd waande; hij twijfelde er geen oogenblik aan, dat zij den kroonprins had laten komen en dat deze er nu was om te zien, of het leven des konings in gevaar was en of wellicht de troon van Pruisen weldra vrij zoude zijn om zijn opvolger te ontvangen.
Deze sombere vermoedens waren het, welke den licht geraakten toorn des konings opwekten en zijn hart met bitteren wrevel vervulden.
âMet eene driftige beweging wees hij de aangeboden hand des kroonprinsen af en stond van zijn stoel op. Zijn van toorn fonkelend oog overzag den geheelen kring van zijn gezelschap, dat nog altoos in eerbiedig zwijgen om de tafel stond.
âWaarom zijt ge van uwe stoelen opgestaan schreeuwde
naar Berlijn deed om Frederik den Groote te zien, schildert liem dus: Buste admirable et vraiment loyal, mais pauvre et misérable piëdestal, sa t6te et sa poitrine sont au dessus des óloges, le train d'en bas au dessous de la critique. Zie: ïiébault IV, pag. 163.
Uühlbach, Frederik de Groote en zijn Hof. I. 3
34
hij met donderende stem. âHoe durft gij het wagen tegen rnijne bevelen te handelen en u tegen mijn koninklijk, uitdrukkelijk bevel te verzetten? Kent gij de wetten van het tabaks-col legie niet meer'? Weet gij niet, dat deze wetten u bepaaldelijk verbieden van uwe stoelen op te staan en iemand staande te begroeten ? Gij zwijgt allen ? Ellendige lafaards zijt gij, die het niet eens durft wagen u te verdedigen, die altijd den mantel naar den windt hangt en gaarne met iedereen zoudt huilen en huichelen en vleien! Antwoord mij, Pöllnitz, kent gij de wet van het tabaks-collegie niet, die u verbiedt op te staan ?quot;
âIk kende die, Sire, maar ik dacht bij het begroeten van den kroonprins eene uitzondering te mogen maken.quot;
âDat dachten wij allen,quot; zeide generaal van Schwerin met vaste stem.
De koning sloeg met gebalde vuist op tafel, dat flesschen en kruiken er van rinkinkten. âDit dacht gij allen ?quot; schreeuwde hij, âen gij wist toch dat gij zelfs om mijnentwil, om den koning, geene uitzondering moogt maken! Maar zeker voor den kroonprins, dat is van meer belang dan de koning! De kroonprins is de koning der toekomst, de zon der toekomende tijden! Wat de koning niet meer heeft kunnen toestaan, dat kan reens de kroonprins geven ; van den koning heeft men niets meer te hopen, niets meer te vreezen; daarom wendt men zich tot den kroonprins; daarom drijft men den spot met de wetten des vaders, om den zoon te vleien en in zijne gunst te geraken. De zoon is zulk een lijne, Fransche cavalier, die van complimenten en hoofsche staatsie houdt, voor wien het edele vraagstuk der etiquette eene zaak van aanbelang is. Men staat derhalve op, wanneer de kroonprins in de kamer komt, alhoewel men weet, dat hier in dit vertrek de een niet meer is of beteekent dan den ander, en alhoewel men hier dikwijls vergeten heeft, dat ik de koning ben ! Ja, maar den koning mag men vergeten, als men maar den kroonprins niet vergeet, den kroonprins, die spoedig koning zal zijn.quot;
âGod schenke Uwe Majesteit een lang en gelukkig leven.quot; zeide de kroonprins die gedurende den driftigen uitval des konings, zwijgend en onbeweeglijk achter den stoel des ko-nings was blijven slaan.
âWie spreekt er met u ? Wie gebiedt u te spreken.
35
zonder dat men u vraagt?quot; riep de koning, wiens ge-heele lichaam van toorn beefde. âGij, die de etiquette zoo goed kent, gij moest toch weten, dat men tot den koning niet anders spreekt, dan wanneer men gevraagd wordt ? Maar gij denkt zeker, dat de koning daarvan niets begrijpt, want uw koning is een ouderwetsch man, die niet eens weet, hoe een echte cavalier moet leven en zich gedragen ? Nu, Pöllnitz, daar hebt ge nu een cavalier naar uwe teekening, een echt toonbeeld van een cavalier! O, gij dacht zeker, dat ik niet begreep, welk model gij achter uwe schets verborgt; gij verbeeldet u, dat ik den cavalier niet zou herkennen, dien gij mij met zulke treffende kleuren schilderdet, om mij te bewijzen, dat hij, wanneer bij geene schulden behoefde te maken,iaarlijks viermaalbonderd-duizend daalder bezitten moest. Geduld maar, geduld ! Nog staan mijne oogen open en kan ik zien. Wee echter, wee u allen, wanneer ik zie, dat gij het waagt den koning te trotseeren en den kroonprins te believen ! Ik zal u bewijzen, dat ik nog leef en bier alleen heer en meester ben. Hiermede sluit ik het tabaks-collegie en gij kunt allen naar den duivel loopen!quot;
âDaar ik den weg tot hem niet ken, zal Uwe Majesteit mij toestaan, dat ik, in plaats van naar hem, naar Rheins-berg ga, en hiermede neem ik afscheid, zeide de kroonprins,quot; terwijl hij eerbiedig voor den koning boog. Frederik Willem verwaardigde hem met geen blik; hij keerde zijn hoofd om en zeide niets dan het woord : âga heen 1quot;
De kroonprins boog zich op nieuw met denzelfden eerbied en dezelfde statigheid ; daarop wendde hij zich tot de cavaliers en hen even toeknikkende, zeide bij : âgoeden avond heeren! Het doet mij innig leed de ontevredenheid des konings over u opgewekt te hebben. Doch deze toorn tegen u is zeer rechtvaardig, want men mag tegen eene door den koning gegevene wet nooit zondigen, zelfs niet al geschiedt het uit goedhartigheid en uit grootmoedigheid.quot;
En de kroonprins, die zich zeiven door deze woorden geheel buiten het bereik van den koninklijken toorn geplaatst, en tevens allen voldoening had gegeven, â den koning, omdat hij de billijkheid van zijn toorn erkende, den cavaliers, omdat bij hunne gezindheid prees, â maakte zich daardoor tot meester van den toestand, uit welken hij
36
niet als een bekeven en vernederde zoon, maar als de zegevierende overwinnaar uit den hevigen strijd terugtrok.
Met lichten, vasten tred, met trotsch opgeheven hoofd ging hij naar de deur terwijl de koning ondanks zijn toorn, eene soort van beschaming gevoelde en zich zeiven niet kon verbergen, dat hij ook ditmaal zich jegens den kroonprins verkeerd gedragen had.
Maar juist dit bewustzijn maakte hem nog driftiger en deed zijn toorn nog meer ontbranden. Hij stiet een ver-schrikkelijken vloek uit en liet zijne blikken dreigend op de zwijgende, verbleekte, sidderende cavaliers rusten.
âHuichelaars en oogendienaars zijt gij allen,quot; bromde hij knarsetandend, terwijl hij hen langzaam voorbij ging. âHake, geef mij uw arm en breng mij naar een andere kamer. Ik wil die menschen niet meer zien!quot;
Graaf Hake vloog toe en op zijn arm leunend waggelde de koning naar het belendende vertrek.
Toen de deur achter hem gesloten was, schenen de achtergebleven cavaliers uit hunne verstij ving te ontwaken. Zij hieven de neergezonken hoofden op en zagen elkander met half beschaamde, half toornige blikken aan. Zij waren bekeven als kinderen en gevoelden toch, dat zij mannen waren.
Zij waren gevoelig in hunne eer gewond, maar de eerbied voor den koning belette hun voldoening te vragen. Even als het edele maar van zijne vrijheid beroofde ros, beten zij op den teugel, dien hun meester hun had aangelegd en gevoelden zij zich door dezen teugel gekweld en tot gehoorzaamheid gedwongen.
Toen graat Hake kwam, om hun in naam des konings te bevelen onmiddelijk het slot te verlaten, hodden zij geen moed genoeg om aan dit bevel gevolg te geven, maar zij maakten den graaf tot hun afgezant, ten einde den koning in de eerbiedigste en nederigste bewoordingen vergiiTenis en genade te smeeken en hem te verzekeren, dat zij allen tot quot;in den dood hem toegedaan waren, dat hun gedrag jegens den kroonprins slechts het gevolgeener onwillekeurige onbezonnenheid geweest was en dat zij volstrekt het doel niet hadden aan de aan Zijne Majesteit alleen verschuldig-den eerbied te kort te doen
1) Püllnitz. Vol. 11, pag. 36.
37
Graaf Hake nam zuchtende op zich den koning deze boodschap over te brengen en keerde dus weder tot dezen terug, terwijl de verlegen en diep bedroefde hovelingen, in een ademloos, bang stilzwijgen, zijne terugkomst afwachtten.
Eindelijk ging de deur open en graaf Hake trad weder binnen.
âNu, wat zegt de koning? Heeft hij ons vergeven ? Wil hij ons weder in genade ontvangen 0 üeeft hij weder vertrouwen in zijne toegenegene, nederige en gehoorzame dienaren
Graaf Hake beantwoordde al deze tot hem gerichte vragen met een zwaarmoedig hoofdschudden. Met ingehouden adem en in gespannen verwachting hielden allen hunne blikken op den graaf gevestigd, wiens lippen voor hen het woord van verdoemenis of van genade zouden uitspreken.
âMijne heeren, zeide de graaf eindelijk, â en zijne stem klonk voor de sidderende hovelingen hol en huiveringwekkend, als het onheilspellend gekras van den doodsengel,â âmijne heeren, de koning laat u weten, dat, wanneer gij u niet oogenblikkelijk verwijdert. Zijne Majesteit wel middelen zal weten te vinden u met geweld voort te helpen
Hit was een bedreiging, welke de voeten der van angst sidderende hovelingen spoedig hunne spierkracht teruggaf. Stom, met treurige gelaatstrekken en angstig schuwe blikken ijlden zij heen en eerst nadat zij het groote portaal van het slot doorgegaan en op straat gekomen waren, haalden zij weder eenigszins'ruimer adem, want'zij waren nu bevrijd van de vrees voor de gevangenis of den konikl ij ken korporaalstok -').
De toorn des konings was intusschen geenszins bedaard ;
]) l'öllnitz. Vol. II. pa;;. 37.
2) Er verliepen intusschen verscheidene dagen, eer de koning zijne hovelingen, leden van het tabaks-collegie, dit vergrijp tegen de wetten van liet tabaks-collegie vergaf en de heeren weder in zijn gezelschap ontving. De hertog van Holstein was de laatste, die vergiffenis ontving en weder tot het tabaks-collegie werd uitgenoodigd ; maar toen de koning hem de eerste maal wederzag, zeide hij tot den hertog: âgij moet u niet verbeelden, dat gij meer voorrechten hebt dan anderen, omdat gij een vorst zijt? uw hoofd zal even goed vliegen als dat van elk ander ambteloos persoon, wanneer gij voortgaat, de opgaande zon te huldigen.quot; De hertog bad om genade en verkreeg die. Alleen de kroonprins kon geene vergiffenis verkrijgen en eerst drie dagen voor zijn dood verzoende de koning zich met hem. Pöllnitz. Vol. II, pag. 363.
38
hij verlangde naar nieuwe offers om zich te koelen, naar nieuw voedsel om de tllikkerende vlammen te doen opstijgen. Maar zells de bedienden waren schuw en angstig en hielden zich ver buiten het bereik van de koninklijke kruk; ook zijn laatsten gezelschaphouder, graaf Hake, werd door 's konings toorn uit zijne nabijheid verbannen.
De koning was dus alleen, geheel alleen in dit verlaten donker vertrek, welks droevige stilte hem 'begon te beangstigen. Hij liet zich in zijn leuningstoel vallen en zag met sombere blikken het vertrek rond, dat door den kroon-kandelaar, waarop uit zuinigheid maar vier kaarsen brandden, slechts somber verlicht was. Niets stoorde de stille, en slechts nu en dan hoorde hij uit den tegenover gelegen vleugel van het slot enkele schelle en zware tonen van de vroolijke dansmuziek, die nog altijd uit de vertrekken der koningin klonk. Deze tonen deden den koning zuchten en vervulden zijn hart met weemoed en tevens met toorn. De koningin was vroolijk, terwijl haar echtgenoot leed ; zijn geheele hof verheugde zich en was opgeruimd, terwijl hij eenzaam, verlaten en tandeknarsend in zijn somber vertrek zat. En toch was hij de koning, de machtige heer-scher over millioenen onderdanen, die allen voor hem sidderden en onder welke misschien geen enkele hem lief had, terwijl allen hunne oogen naar de opgaande zon richtten, op den zoon, die zijn vader even weinig geleek, als hij de zoon naar zijn hart was ! Bij deze gedachte overviel den koning eene sombere droefheid, eene nooit te voren gevoelde zwaarmoedigheid. Hij dacht er over, dat hij misschien spoedig zoude sterven, en dat dan niemand hem zou betreuren, dat een ieder den zoon zou toelachen en met gejuich ontvangen! De koning vouwde zijne handen en bad; in den angst van zijn hart wendde hij zich tot God; en hiermede smoorde hij de stem, die in zijn binnenste begon te lluisteren en hem kwelde met verwijtingen en beschuldigingen.
De koning bad; zijn toorn verdween en maakte plaats voor zijne vrome gelatenheid, zijne de wereld verachtende godsvrucht. Toen nu de tonen der dansmuziek hem in de ooren klonken, gevoelde hij een vromen weerzin tegen die goddelooze uitspanning, eene blijde zelfvoldoening, dat hij niet tot die goddeloozen be-
39
hoorde die aan ijdele, wereldsche genietingen zich overgaven, maar alleen en eenzaam in zijn kamertje bleef en bad. Hoe klein, hoe armzalig en nietig schenen hem nu diegenen, die daar ginds dansten en zich vermaakten en hoe tevreden was hij met zich zeiven en zijn heiligen levenswandel!
Juist in dit oogenblik ging de deur open en het schuwe en beschroomde gezicht van den kamerdienaar werd zichtbaar.
âUwe Majest had bevolen hem onmiddelijk te melden wanneer de doodkisten, welke gisteren aangekomen en in de witte zaal gebracht zijn, uitgepakt waren,quot; zeide de bediende. âDat is nu geschied, en wanneer Uwe Majesteit het goedvindt, kunnen zij in oogenschouw genomen worden.quot;
âAch, mijne doodkist is gereed !quot; prevelde de koning, onwillekeurig huiverende. âMijne kist en de kist der koningin ! En de koningin geeft een bal en danst misschien in plaats van in het gebed hare ziel te verootmoedigen en God te dienen. Ik wil haar uit dien heilloozen, zinnelijken lust doen ontwaken, liet was een wenk van God, dat juist nu de kisten moesten gereed zijn. De koningin moet ze zien.quot;
Hij riep zijne beide kamerlakeien en beval den eenen hem naar de balzaal te geleiden en den anderen de zaal te verlichten, waarin de kisten ten toon gesteld waren.
VI.
IN DE WITTE ZAAL.
De koningin had niet het minste vermoeden van hetgeen in de vertrekken des konings voorgevallen was. Getrouw aan de door den koning gegeven bevelen, had niet één dei-bij hem geroepen heeren verraden waarheen hij ging en de koningin had hunne afwezigheid niet bemerkt. Zij was nadat zij de grande tournee door de zalen gedaan had, aan het spel gaan zitten, en onder hen, die zij tot het spel ge-noodigd had, was geen der heeren, die de koning van het bal had laten halen.
De koningin had dus geen vermoeden, dat haar gemaal
40
voor eenige uren van zijn smarten bevrijd was en den rolstoel verlaten had, Zij was dus opgeruimd en zorgeloos en geheel vervuld met het gevoel van vrijheid en van haren rang; want het oog van den gemaal drukte haar niet neder en lag niet als een vernederenden sluier over haren fonkelenden diadeem, die haar voorhoofd versierde.
Neen zij had heden de volle beschikking over haren wil, zij was geheel koningin ! Trotsch en gelukkig, glimlachend en grootsch, geheel doordrongen van het gevoel barer eigene grootheid en koninklijke waardigheid, en vandaar goedig en gemeenzaam jegens deze schaar van onderdanige, nederige, vleiende en glimlachende menschen, die haar omgaven. Nooit had men de koningin zoo vriendelijk gezien, nooit zoo koninklijk, zoo schitterend.
Hare diamanten fonkelden als een sterrenheir, hare oogen straalden van grootheid en trotsch, en elk woord, dat zij sprak, viel als manna in den van geluk glimlachenden mond van hem, tot wien het gericht was.
Dn koningin zat dus aan de speeltafel, waaraan de markgravin Maria Dorothea, als mede de gezanten van Engeland en Frankrijk mochten aanzitten. Achter den stoet der koningin stonden hare beide staatsdames tot wie zij nu en dan eenige woorden richtte om naar de prinsessen te gaan zien welke zich in de naaste danszaal bevonden of zich in jeugdige vroolijkheid aan bet genot van den dag overgaven.
Plotseling verstomde de muziek, zoodat eene vreemde, ongewone stilte in de danszaal ontstond. De koningin, die de juist uitgegeven kaarten met hare van brillanten schitterende vingers opnam wendde zich glimlachend tot eene der hofdames en beval haar, de beide prinsessen, als de dans geëindigd was, bij baar te roepen; vervolgens vestigde zij hare aandacht weder op het spel, toen plotseling prinses Amalia bleek en verschrikt binnenstortte, naar de koningin snelde en deze haastig eenige woorden in het oor iluisterde.
Sophia Dorothea uitte een zachten kreet en kromp van piotselingen schrik ineen. âDe koning! Mijn God,de koning!quot; iluisterde zij.
âHij schijnt zeer boos,quot; voegde prinses Amalia er zachtjes bij. âLaat hem uwe diamanten niet zien.quot;
De drie partners der koningin zaten in stomme verbazing met de kaarten in de hand aan de tafel en wachtten op de
41
kaart der koningin. Maar plotseling legde de koninginde kaarten op tafel en met een driftige beweging het collier van haren hals en de braceletten van hare armen nemende, verborg zij dit schitterend tooisel in den groeien zak van hare japon
âMaak nu ook spoedig mijne oorhangers los, Amalia,quot; fluisterde zij, en terwijl de prinses aan dit bevel voldeed, nam de koningin de kaarten weder op.
De glans was van haar geweken, de brillanten waren schuw in den zak verscholen, het vuur van hare blikken was uitgedoofd. De koning was er! Sophia Dorothea was dus geen schitterende koningin meer, maar een schuwe, ootmoedige, afhankelijke vrouw, duchtende den toorn baars gemaals.
De speelgenooten der koningin zaten nog altijd met neergeslagen blikken en schenen niets van de snelle toiletverandering der koningin te merken. Zij wachtten nog altijd op de kaart der koningin.
Sophia Dorothea had hare kaarten weder opgenomen en speelde eene vrouw, eene koningin. Lord Hastings nam die met den heer, den koning.
,,Verloren !'' zeide de koningin met een diepen zucht. âDe vrouw verliest altoos, als de heer, de koning komt! Maar het is een troost, wanneer men dooiden koning valt,quot; vervolgt zij met een glimlach, dien de trotsche koning; nog aan de vernederde vrouw kon ontwringen.
Toen speelde zij bedaard verder, ofschoon zij zeer goed gemerkt had, dat de koning reeds in de deur der danszaal stond en haar beschouwde.
Toen de koning naar haar toekwam en haren naam noemde, wendde de koningin zich met de uitdrukking van blijde verrassing tot hem en stond op om hem Ie gemuet te gaan.
âHe, mijn koning, welk eene groote vreugde bereidt gij ons!quot; zeide zij glimlachend. âHet is lief van Uwe Majesteit, dit feest met uwe tegenwoordigheid op te luisteren.quot;
âToch kom ik dit schitterend teest voor eenige oogen-blikken verduisteren.quot; zeide de koning op ruwen, strengen
1) Tliiébault. Vol. II, pag. 54.
42
toon, terwijl hij den arm der koningin driftig onder den zijnen schoof! âHet is goed en noodig zich te midden der bedwelmende, aardsche genietingen, een weinig de vergankelijkheid en ijdelheid van al het aardsche te herinneren en de wellustige muziek door een gebed te vervangen. Ik ben gekomen om uwe aan ijdelheid lijdende zieke ziel dit geneesmiddel toe te dienen. Ga dus met mij, koningin! Gijlieden, daar,quot; vervolgde de koning, terwijl hij zich tot het hofgezelschap wendde, dat in zwijgende, verbaasde groepen bijeenschool, âgij-lieden kunt ons volgen !quot;
Hij trok de koningin met zich voort; stil schaarde zich de stoet der feestelijk getooide gasten, en, gehoorzaam aan het bevel des konings, volgden allen het koninklijke paar. Waarheen? Niemand wist het. Zelfs de koningin had haar gemaal daarnaar gevraagd, maar geen antwoord gekregen.
Deze lange stoet van met bloemen, juweelen, uniformen en oi'delinten getooide menschen bood intusschen een zeer schitterend, vroolijk en feestelijk gezicht aan; meu had kunnen gelooven, dat het bruiloftsgasten waren, die in plechtigen optocht zich naar de kerk begaven, om van de trouwplechtigheid van het gelukkig bruidspaar getuige te zijn. De koning staarde met gefronst voorhootd en saam-gedrukte lippen voor zich heen. De koningin was bleek en verschrikt en hare oogen dwaalden onrustig rond, als zochten zij overal het een of ander gevaar of schrikbeeld.
Zoo ging de stoet zwijgend en ernstig door de met heerlijke bloemen versierde, geurige danszaal in de schitterend verlichte voorkamer. Toen ging het verder over den bree-den gang en den met kleeden belegden trap op, en nu weder langs den gang tot aan de groote deur, die tot de door Frederik Willem aangelegde en versierde âwitte zaal,quot; toegang verschafte.
Maar plotseling gaf Sophia Dorothea een kreet en wankelde eenige schreden achteruit, terwijl men achter haaide nieuwsgierige, verbaasde en verschrikte gelaatstrekken der hovelingen zag, die haastig door de deur in de zaal drongen.
âTwee doodkisten !quot; fluisterde de koningin ontsteld, terwijl zij hare schuwe blikken nu op de ernstige, versierde kisten richtte, dan in de groote zaal liet rondgaan en ang-
43
stig op de hooge, statige gestalten der marmeren keurvorsten staarde, die in plechtige rust in deze zaal de wacht des doods hielden hij de kisten der levenden.
âJa, twee doodkisten!quot; zeide de koning ruw en streng. âOnze doodkisten, Sophia! En dit uur wilde ik ze u en het verzamelde hof toonen, opdat die aanblik u allen die heillooze zinnelijke lusten doe ontvlieden. De dood moet aan uw hart kloppen, opdat het uit zijn wellustigen slaap ontwake en gij tot u zelve inkeert! Ja, in deze kisten zullen wij eens rusten en met allen opschik en alle heerlijkheid is het dan uit 1 Niemand zal dan meer vreezen voor mijn stok en voor mijn blik ; niemand zich meer verblijden over den schoonen tooi der koningin en over hare prachtige juweelen. Het stof zal tot stof terugkeeren, en de koning en de koningin zullen niets meer zijn, dan â voedsel voor de wormen!quot;
âToch!quot; riep Sophia Dorothea, wier edel en trotsch hart zich diep vernederd gevoelde door deze huichelachtige verootmoediging van haren gemaal. â ,,toch zullen wij meer zijn dan stof en voedsel voor de wormen. Het stof van gewone stervelingen zal de machtig heerschende hand des tijds naar alle winden verstrooien en over hunne graven zal de geschiedenis met vernielenden tred heengaan, maar bij het onze zal zij staan blijven en ons stof zal zij verzamelen, om daaruit een gedenkteeken voor ons te verhelTen ; wanneer men ons lichaam van vleesch en bloed in de groeve onzer voorouderen bijzet, zal daaruit onze gestalte weder opstijgen, al zijn het dan ook leden van steen en eene borst zonder hart! Zie hier, mijn echtgenoot, dezequot;1 edele en verhevene gestalten uwer voorouders! Ãok zij zijn in het graf gedaald, maar hunne marnieren gestalten zijn toch de trappen weder opgestegen en in vrije, heerlijke zalen nemen zij de eerste plaats in, om naar onze woorden te luisteren en onze daden te beschouwen.quot;
En terwijl de koningin zoo sprak, schitterde haar gelaat van waarlijk verhevene zielskracht en schoonheid; zij was inderdaad grootsch en schitterend, ook zonder glans der diamanten. De koningin had zichhersteld en de beschroomdheid en vrees overwonnen. Zij was niet enkel de gemalin van Frederik Willem, zij was de zuster des konings van Engeland, de moeder van den koning der toekomst, zij was de koningin!
u
Maar Frederik Willem ergerde zich in zijne godzalige ootmoedigheid aan haar schitterende blikken, aan haar trotsch en opgeheven hoofd. Hij gevoelde, dat deze ziel zich juist bevrijd had van den druk van een vreemden, haar overstelpenden wil, dut zij een van hem onafhankelijk, eigen, vrij leven in zich omdroeg. Maar zij zou hem weder als haar heer erkennen, zich weder boetvaardig onder het juk buigen! De koningin moest weder de vrouw worden, die den man gehoorzaamt, omdat de bijbel beveelt; âEn hij zal heer over u zijn 1quot;
âZoo mogen dan onze voorouderen toezien, hoe wij thans onder hun oog onze doodkisten passen !quot; zei de koning, zijne hand vast en zwaar op den schouder der koningin leggende. âWij weten, dat uwe brillanten u heerlijk klee-den en dat ik in mijn uniform lang niet kwaad| uitzie; laat ons nu eens beproeven, hoe ons onze doodkist klee-den zal.''
âHoe bedoelt gij dat, mijn koning ?quot; vroeg Sophia Dorothea, hare angstige blikken sidderend op haar gemaal slaande.
âIk wil er mede zeggen, dat wij eens moesten zien of wij met der tijd met bevalligheid en waardigheid onze plaatsen in deze kisten zullen innemen, zoodat wij voor de grap eens in onze doodkisten willen gaan liggen, zooals wij het eens in ernst moeten doen!quot;
âMaar dit zoude eene wreede scherts zijn,quot; riep de koningin.
âOch ja, den kinderen dezer wereld schijnt alles wreed, wat hun den dood en de vergankelijkheid aller vreugde herinnert,quot; zeide de koning met nadruk. âMaar zulk eene aanmaning is toch goed en heilzaam, en wanneer wij ons gewenden somtijds de feestzaal te verlaten om in onze lasten uit te rusten van de vermaken des levens, zouden wij zonder twijfel een veel godzaliger en ernstiger leven leiden. Leg u dus maur in de kist, Sophia Dorothea, het zal goed voor uwe ziel zijn en mijne oogen zullen een too-neel zien, dat zij, God zij geloofd, anders nooit zullen aanschouwen, zij zullen u in de doodkist zien!quot;
,,0, gij zijt jonger dan ik, mijn gemaal, zeide de koningin, gij zult mij eenmaal begraven, het zal dus niet noodig zijn, mij tot proef in deze kist te leggen!quot;
45
âBedwing uwe ziel en maak haar ootmoedig en zwijgend,quot; zeide de koning, die heden een koorlsigen aanval van vroomheid had. âWij zijn hier gekomen om onze kisten te passen. Wij willen het dus ook doen.quot;
'Ik zoude niet gekomen zijn, wanneer ik het doel van Uwe Majesteit gekend had,quot; zeide de koningin huiverig.
âGij zoudt gekomen zijn, omdat ik het wil,quot; bromde de koning, wiens wangen reeds van toorn gloeiden en wiens oogen reeds woedende vonken schoten.
Sophia Dorothea zag deze kenteekenen van een naderend onweder, en zij wist, dat wanneer het eens tot eene uitbarsting kwam, het in zijne woede alle grenzen en perken te buiten ging. Zij moest dus deze uitbarsting voorkomen, den stroom van den toorn stuiten, vóór tui, losgelaten, alles overstelpte.
Zij riep met eene gebiedende beweging der hand eene barer hofdames bij zich en zeide trotsch en bedaard: âGeef mij uwe hand gravin! Ik ben moede en wil eens op dit nieuwe en ongewone leger uitrusten.quot;
En met de bevalligheid en grootheid eener waarlijk koninklijke ziel, lichtte zij haar kleed een wienig op, om met den voet over den rand der kist te stappen en hem op den bodem neder te zetten. Nu stond zij in de kist, groot, trotsch, verheven, gebiedend, majestueus. Toen met onvergelijkelijke bevalligheid zich buigend, gleed zij langzaam op den bodem.
De kist steunde en kraakte even; onder de hovelingen deed zich een ongewoon gemompel van toorn en schrik hooren. De koning stond naast de kist en Sophia Dorothea wendde hare blikken naar hem met zulk een vreemden, vlammenden en doorborenden glans, dat de koning onwillekeurig zijne oogen op den grond sloeg en den moed niet had haar aan te zien.
Sophia Dorothea zag het en glimlachte. Toen verhief zij zich weder langzaam en stond weder trotsch en bedaard rechtop
De gravin Rake wilde haar de hand reiken om haar bij het uitstijgen behulpzaam te zijn. De koningin wees haar trotsch af.
âToch niet!quot; zeide zij. âDe koningen en koninginnen verlaten hun graf slechts door eigen kracht en grootheid en gesteund door de hand der geschiedenis.quot;
4(3
Toen stapte zij over den rand van de kist en zich diep voor den koning buigende, zeide zij; âNu is de beurt aan u, mijn gemaal!quot;
De koning huiverde en wierp een somberen, wantrouwenden blik op de koningin; hare zoo eenvoudig gemeende woorden hadden voor hem een voorspellenden, vreemden zin, en eene lichte rilling overviel hem, toen hij de kist naderde. Maar met buitengewone krachtsinspanning zich zeiven overwinnend, steeg hij in de kist en wenkte een hoveüng, om hem bij het nederleggen behulpzaam te zijn.
,,Ach, hoe goed rust men op dit leger,quot; zeide Frederik Willem, terwijl hij met zelfvoldoening zijne leden uitstrekte. âHier zal ik dus eens slapen, tot het God behaagt mij weder te doen ontwaken.quot;
âMoge dat eens nog verre verwijderd zijn, mijn gemaal en koning. Sta mij toe u mijne hand te reiken om u bij het opstaan behulpzaam te zijn.quot;
Zij reikte den koning hare hand en deze haar met eenige levendigheid aangrijpende, was juist gereed op te staan, toen buiten een vreemd, ongewoon gedruisch vernomen werd. Men hoorde een luiden, doordringenden kreet, die verscheidene keeren herhaald werd, en daarna den klank van eenige stappen, die de zaal naderden De hovelingen mompelden en fluisterden onder elkander, men zag hunne gelaatstrekken verbleeken en eene uitdrukking van schrik aannemen.
âWat is er?quot; vroeg de koning, die nog altijd in de kist zat.
Niemand antwoordde, men zag elkander schuw aan, onder het fluisteren van onverstaanbare woorden, maar niet een waagde het te spreken.
âIk beveel, dat men mij zegge, wat er gaande is, riep de koning, terwijl hij met moeite beproefde op te staan.
De opperhofmeester trad voor. âUwe Majesteit, buiten staan twee soldaten, die de wacht in den gang hadden. Zij beweren beide, dat zoo even eene lange, witte gedaante met gesluierd gelaat en zwarte handschoenen langzaam langs hen heen, door den gang hier binnen geslopen is. Daar zij dachten, dat soms de een of ander onder eene ongepaste vermomming Uwe Majesteit hier wilde naderen, volgden
47
zij de verschijning en zagen haar zoo even hier de zaal ingaan. Daarom zijn zij hier heen gesneld om haar aan te houden, maar Uwe Majesteit ziet wel, dat niemand hier is.
âDe witte vrouw!quot; mompelde de koning ontsteld, terwijl hij krachteloos en verplet achterover in de kist zonk. âDe witte vrouw, gesluierd en met zwarte handschoenen, dat beteekent mijn naderende dood!quot;
âDe witte vrouw!quot; fluisterden de hovelingen huiverend en onwillekeurig van de deur terugwijkende, door welke de heillooze verschijning in hun midden gekomen was.
De koningin alleen zweeg. Zij zag met een vreemde, bespiedende uitdrukking naar de ernstige marmeren gestalten der keurvorsten en hare ziel zweefde naar haren beminden zoon Frederik.
VII.
DE HOFDAME EN DE TUINMAN.
Het was een heerlijke lentedag. De vlierboom bloeide, de vogels zongen, en langzaam schommelden de zwanen op den effen waterspiegel van den met bloeiende waterleliën en geurige heesters omgeven vijver, die zich in het midden van den tuin des kroonprinsen te Rheinsbergbevond. Het was vroeg in den morgen. De bewoners van het slot, dat aan dezen tuin grensde, schenen nog te sluimeren. De vensters waren nog gesloten, de gordijnen neergelaten en nog hoorde men niets van het gedruisch van het vroolijke en vrije leven, dat de bewoners van dit schoone en bekoorlijke slot anders genoten.
Geen andere muziek liet zich hooren, dan het zoet gekweel van den nachtegaal, het vroolijk gejuich der leeuweriken en vinken, die in het lommer der hooge boomen, welke aan den overzijde den tuin afsloten, zich vescholen hielden. De kroonprins sluimerde dus nog, want zijne fluit zweeg, en dat was voor alle slotbewoners het onbedrieglijk teeken. dat de heer van het kasteel nog niet ontwaakt was, of dat hij ten minste zijn dag nog niet beginnen wilde.
48
De muziek zijnei- fluit was het morgenofler, waarmede de jonge vorst eiken dag begroette, en die, evenals de zuil van Memmon, welke tonen van zich liet hooren, zoodra de zonnestralen haar trollen, het don vleienden hovelingen aankondigde, dat ook hunne zon was opgegaan
Maar de fluit zweeg nog; de zon was dus nog niet opgegaan, hoewel zij daarbuiten in het park reeds hare gulden stralen door het lommer der hoornen en door de geurige heesters wierp en reeds den dauw uit de bloemenkelken had opgedronken. Buitendien was de nacht heet geweest en de dauw had de planten en bloesems slechts spaarzaam verkwikt.
Fritz Wendel, de tuinman, was daarom reeds bezig met een grooten gieter de bloemen te drenken en de heesters van het stof te ontdoen. Maar terwijl hij dat deed, koos hij tevens de schoonste bloemen en plukte ze af, terwijl hij zorgvuldig en anstig zijn best deed om ze hier en daar onder de heesters te verbergen, misschien om ze tegen den zonnegloed te beschermen, misschien ook wel om ze voor de oogen van nieuwsgierige bespieders te verbergen. En toch waren er reeds zulke oogen en volgden hem en rustten op hem met zulk eene teedere en vriendelijke uitdrukking, dat men licht konde zien, dat het jonge meisje een bijzonder belang scheen te stellen in den schoonen, welgebouwden tuinman, die in zijn eenvoudig en nederig gewaad en met zijne in het oog vallende en indrukmakende schoonheid de oude fabelen van verkleede godheden voor den geest scheen te roepen. Men zoude in verzoeking geraken hem voor den god Apollo te houden, die door de eene of andere Daphne bekoord, zich in knechtsgewaad had gehuld, om de herderin, die hij lief had, te kunnen naderen. Wellicht, dat het bevallige jonge meisje, achter een vlierstruik verscholen, hem ook als zoodanig beschouwde en hare lachende blikken op hem gericht had; of misschien hield zij hem voor een geboren prins, en wachtte zij vol verlangen op het oogen-blik, dat hij zijne verkleeding zou afwerpen en met haar in geboorte gelijk zoude staan. Maar wat bekommert zich de jeugd om stamboom en wapenschilden, en wat ging het dit dertienjarige meisje aan, of Frits Wendel de zoon van een vorst of van een boer was! Hij beviel haar, want hij
49
was schoon en jong, en â hij had nog iets in zijn voordeel â hij was haar eerste aanbidder. De geheele wereld noemde de freule van Schwerin nog een kind en stoeide met de kleine Louize. De kroonprinses had haar van hare moeder verzocht als een soort van speelgoed om haar in hare eenzame uren te vermaken ; en de titel âhofdame,quot; dien men het dertienjarige kind had gegeven, was mede eene scherts, waarover men lachte, en die slechts moest dienen rm de kleine freule van Schwerin op elk uur van den dag eene vrije entrée bij de prinses te verzekeren.
Maar Louize was alleen volgens hare jaren een kind, zij had reeds het hart en de gedachten van eene volwassene, zij was reeds met haar gevoel, hare verbeelding, hare vurige wenschen eene vrouw, en nog wel eene hartstochtelijke, van liefde blakende vrouw. Niets beleedigde dus meer baai-trots, dan wanneer men haar een kind noemde, en nooit gevoelde zij zich gelukkiger, dan wanneer men om haar verstand, hare schoonheid en haar rijpen geest hare jaren scheen te vergeten.
Frits Wendel, de jonge tuinman had het geluk gehad deze geheel te vergeten. Voor hem was âde kleine freule van Schwerinquot; eene geheel volwassene dame ; ja meer dan dat, zij was eene godin, die hij aanbad, eene nimf, wier blikken voldoende waren om zijne bloemen te doen bloeien en zijn hart te doen kloppen. Voor haar alleen kweekte hij de bloemen, zorgde hij voor de perziken, langs het tegen de zon geplaatst latwerk ; voor haar alleen had God de wereld geschapen, want zij was de koningin der wereld. Het was derhalve zeer natuurlijk, dat de arme Frits Wendel aan hare voeten lag en haar tot meesteres van al zijn doen en laten maakte.
De kleine freule had haar zwijgenden, dweependen, âeersten minnaar'' nu lang genoeg beschouwd, om dit onnatuurlijke stilzwijgen moede te zijn, en juist, toen Frits Wendel eene prachtige narcis plukte, trad freule Louize van achter den vlierstruik te voorschijn en wenschte hem glimlachend een goeden morgen.
Frits Wendel schrikte en een gloeiend rood bedekte zijn gelaat. Hij was zoo verlegen, dat hij ten eenenmale vergat den groet der freule te beantwoorden, en boog zich des te dieper, over de bloemen, waarmede hij juist bezig was.
Mühlbach, Frederik de Groote en zijn Hof. I. 4
/
50
âVoor wie zijn die' bloemen ?quot; vroeg Louize, die nu dicht naast hem stond. âEn waarom hebt gij juist de schoonste en beste verborgen ? Wilt gij ze niet bij den ruiker voegen, dien gij eiken morgen voor de prinses moet plukken ?quot;
âMen heeft mij niet bevolen, dat ik voor de kroonprinses juist de schoonste bloemen moet plukken,quot; zeide Frits Wendel, die het nog altoos niet wagen durfde de freule aan te zien. âDe kroonprins heeft mij slechts bevolen eiken morgen nieuwe bloemen in de vazen te doen, dat is alles!quot;
âDat is,quot; naar het mij toeschijnt, âniet alles!quot; riep Louize lachend. âWant gij hebt, behalve deze, nog andere bloemen geplukt. Voor wie moeten dan die zijn, wanneer zij niet voor de prinses bestemd zijn T'
Frits Wendel waagde het zijn oog op te slaan en het jonge meisje, dat zoo bekoorlijk en glimlachend voor hem stond, met verlegen blik aan te zien.
âZij zijn ook voor eene vorstin bestemd,quot; zeide hij fluisterend, âvoor mijne vorstin!quot;
âZoo, gij hebt nog een bijzondere vorstin, voor welke gij bloemen plukt?quot;
âJa, ik heb nog mijne vorstin, die ik dien, die over mij bevelen kan, voor wie ik bereid ben mijn leven op te offeren, voor wie ik roover, moordenaar, vagebond kan worden, wanneer zij het wil en wanneer zij mij een wenk geeft het te doen!quot; riep de vurige jongman met al de zielskracht van een hartstochtelijk, onbeteugeld karakter.
Freule van Schwerin speelde achteloos met den vlierstruik, dien zij in de hand hield. Zij plukte de bloesems er een voor een af en wierp ze in de lucht en blies ze, op de punten barer lieve kleine voeten zich opheffend en heen en weder dartelend, steeds verder in de hoogte, als zij naar beneden fladderden.
âIk wenschte wel te weten,quot; zeide zij toen glimlachend, âwaar van daan het komt, een zoo prachtigen ruiker in mijne kamer te vinden, en wie zoo vermetel is voor mij eene bouquet te plukken, die schooner bloemen bevat, dan alle vazen in de vertrekken der koningin.quot;
âZeker is het iemand, die de genadige freule aanbidt,quot; zeide de jonge tuinman met neergeslagen oogen en blozend over zijne eigene vermetelheid.
51
âDan moet het ook een voornaam heer zijn, een van de hofcavaliers van den kroonprins misschien,quot; riep freule van Schwerin met plagenden, zijdelingschen blik op haar verlegen aanbidder. âWie anders zou het durven wagen mij te beminnen en bloemen voor mij te plukken !quot;
âJa, gij hebt gelijk, wie kon het wagen,quot; mompelde Frits Wendel treurig. âMaar Freule, hebt gij nooit gehoord van die waanzinnigen, die geheel het bewustzijn verliezen van hetgeen zij zijn en zich voor koningen en keizers houden en het zelfs wagen zich met God gelijk te stellen ? Misschien is hij, die u deze bloemen brengt, zulk een waanzinnige en juist omdat hij razend is houdt hij zich voor uws gelijke !quot;
âMijn God! wat wordt gij nu bleek,quot; riep Louize, die den jonkman nu met ongeveinsde teederheid aanzag. âEn waarom weent gij dan Frits?quot;'
Zij nam zijne hand en zag hem vast en met een vreemden, half nieuwsgierigen, half uitdagenden blik aan.
Frits Wendel schrikte en door hare aanraking als van verrukking huiverende, trok hij bijna onstuimig zijne hand terug. âIk ween, omdat ik slechts een ellendige tuinman ben,quot; mompelde hij, âomdat ik niet voornaam en rijk en schitterend ben als de heeren van het hof!quot;
âGisteren aan tafel vertelde mijnheer van Kaiserling van een Oostenrijksch generaal, die slechts de zoon van een armen boer en vroeger herder geweest was,quot; zeide Louize met nadruk. âNu is hij generaal en met de dochter van een graaf getrouwd!''
Frits Wendels gelaat schitterde van zielskracht en moed. âMijn God, waarom hebben wij nu geen krijg,quot; riep hij vol geestdrift uit, âik zou ook generaal worden, want ik zou vechten als een leeuw.quot;
âO, gij wilt ook generaal worden, om dan ook met de dochter van een graaf te trouwen?quot;
âNiet met de dochter van een graaf, freule, maar âquot; âFrits Wendel! Frits Wendel !quot;liet zich in de verte eene roepende stem hooren.
âHet is de oppertuinman,quot; zei de arme Frits treurig. âVaarwel, freule! Wees genadig en medelijdend en ga morgen weder in den tuin wandelen.quot;
Hij nam zijn korfje met bloemen op en snelde haastig de laan af.
52
Freule van Schwerin zag hem met vertoornde blikken na. âWeder geene liefdesverklaring!quot; mompelde zij, met den trots van een boos kind op den grond stampende. âHij moet mij toch zijne liefde verklaren. Mevrouw van Morien heeft mij verteld, dat er geen schooner, hemelscher gevoel bestaat, dan wanneer men voor de eerste maal eene liefdesverklaring ontvangt. Ook heeft zij mij gezegd, dat men altijd het verstandigst handelt, wanneer men zijn minnaar niet onder zijns gelijken kiest, maar óf hooger óf lager, omdat men dan verzekerd kan zijn van niet verraden te worden! Gisteren vertelde zij mij, dat niemand haar zoo aangebeden had als een jagersjongen, die bij haar vader diende, toen zij van mijne jaren was, en dat geen ander man haar ooit nog zoo bemind en bewonderd had als deze. Morgen moet hij het doen, morgen zal ik zoo vriendelijk en zoo teeder zijn, dat hij er volstrekt niet buiten kan mij zijne liefde te bekennen.'' En het ion^e meisje huppelde licht als eene gazelle heen.
VIII.
DE DIPLOMAAT VAN MANNTEUFFEL.
De tuin was nu weder verlaten. Alleen de vogels zongen en vlogen heen en weder. De morgenwind ritselde door de bladeren, maar voor 't overige was alles eenzaam en stil. Nu hoorde men weder het geluid van naderende voetstappen en een nieuwe gestalte vertoonde zich aan den ingang der groote laan.
Het was weder eene dame, alhoewel niet zoo schoon en jong als de freule van Schwerin, maar altoos nog schoon genoeg om aanspraak te kunnen maken van tot het schoone geslacht gerekend te worden. Zij droeg een bij uitstek keurig en smaakvol morgentoilet, dat er geheel op berekend was om hare trotsche, hooge gestalte nog meer te doen uitkomen, wier kuische zedigheid zeer weinig met hare
53
vurige, uitdagende blikken, met den bekoorlijken, verleide-lijken glimlach barer lippen overeenstemde.
Stellig was ook zij niet gekomen om slechts de schoonheid en frischheid van de morgenlucht in te ademen en zich in de pracht der bloemen te verlustigen. Haar blik zwierf zonder deelneming rond en achteloos spoedde zij zich naar de vlierstruiken en de geurige jasmijn. Nu, aan het einde der lange laan bleef zij een oogenblik stilstaan en sloeg hare bespiedende blikken overal rond. Toen zij zag, dat niemand in hare nabijheid was en zij geheel alleen en onopgemerkt was, sloop zij ter zijde af naar een boschje en kwam eindelijk op een nauw en begroeid pad, verder gaande, tot aan den ringmuur van den tuin. Voor eene deur in dien muur bleef zij staan, klapte driemaal in hare handen en luisterde. Nu liet zich aan de andere zijde insgelijks een driemaal herhaald handgeklap hooren.
Een glimlach van genoegen vertoonde zich op het gelaat der dame en met luide, zilverreine stem riep zij: âGoeden morgen, in den naam Gods!''
âEn des duivels!quot; hernam een zware, mannelijke stem van de andere zijde des muurs.
âHij is het!quot; fluisterde de dame, terwijl zij haastig een sleutel uit haar zak haalde en de deur opende.
Dadelijk sloop de man, die buiten gestaan had, binnen, en zich diep voor de dame buigende, kustte hij eerbiedig de hem aangeboden hand.
âGoeden morgen, graaf MannteulTel,quot; zeide de dame glimlachend. âGij zijt inderdaad zoo stipt, alsof gij tot een verliefd rendez-vous gekomen waart.quot;
âTempi passali!quot; zuchte de graaf. âIk ben getrouwd.quot; âIk ook!quot; lachte de dame. âDat belet intusschen niet, dat âquot;
âDat gij nog altijd vuiige bewonderaars en smachtende minnaars vindt,quot; viel de graaf haar in de rede. âMaar gij zijt nog altijd jong en schoon, terwijl ik oud geworden ben! Zeg mij toch, mevrouw, hoe gij het aangelegd hebt om altijd nog die bekoorlijke frischheid der jeugd te bewaren en deze heerlijke, schitterende oogen, die mij, toen ik nog een hart had, zoo in hunne tooverstrikken boeiden ?quot;
De dame zag hem met een scherpen, spotachtigen blik
54
aan. âGraaf Mannteuirel,quot; zeide zij âzonder twijfel verlangt gij iets geheel bijzonders van mij, daar gij zoo buitengewoon vriendelijk en vol aanbidding zijt! Maar kom! Laat ons eerst naar het kleine paviljoen gaan, dat hier dicht bij is. Daar vinden wij eene gemakkelijke zitplaats en zijn wij verzekerd niet beluisterd te zullen worden.'quot;
Zij gingen zwijgend langs den muur tot aan het paviljoen, en met denzelfden sleutel, waarmede de tuindeur geopend was, opende zij nu ook de deur van het paviljoen.
âZoo, hier zijn wij veilig,quot; zeide de dame, terwijl zij den kanten sluier, dien zij los op haar hoofd had gelegd, terug sloeg. âKom graaf, laat ons beide op deze divan gaan zitten en zeg mij, waarom gij mij heden om deze samenkomst verzocht hebt en waarom gij niet, even als vroeger, uw kamerdienaar zondt, ten einde mijne brieven te ontvangen en u over te brengen?quot;
âIk had een onoverwinnelijk verlangen u te zien, nog eens weder uw lief gelaat te aanschouwen,'' zuchtte de graaf.
âEn toch zeidet gij zoo even, dat gij geen hart meer hadt,quot; antwoordde de dame lachend.
âGij zijt de tooveres, die het weder in het leven roept. Gij doet inderdaad uw naam eer aan, en dank zij mevrouw van Brandt, brandt mijn hart weder in volle vlam.quot;
âGraaf, men kan wel zien, dat gij u op een pad hebt begeven, dat niet gemakkelijk meer door u wordt betreden!quot; riep mevrouw van Brandt lachend. âGij wordt laf, wanneer gij den hofmaker spelen wilt, en zijt toch anders, zooals algemeen erkend wordt, een der slimste en geestigste diplomaten. Maar ik bid u, laat nu die diplomatieke omwegen maar weg! Houden wij ons niet met de schil op, maar eenvoudig met de kern! wat wilt gij van mij hebben ? Ik heb u in mijn laatsten brief een zeer nauwkeurig bericht gegeven over den toestand en de betrekkingen alhier en ook over den staat mijner geldmiddelen, die inderdaad met die van den kroonprins gelijk staan; dat heet, dat zijne kas even ledig is, als de mijne.quot;
âEn gij hebt beiden eene keizerin, welke zich gelukkig zou achten die leegte weder te kunnen aanvullen,quot; zeide graaf Mannteuiïel, terwijl hij eene gevulde beurs, door wier groote mazen men het goud zag blinken, uit zijne borst
55
haalde en haar lachend aan de dame overreikte. âJammer, dat er nog andere keizerinnen zijn, die het geluk genieten, den kroonprins en mevrouw van Brandt te mogen behulpzaam zijn.quot;
âWat bedoelt gij daarmede, graaf? Wij verstaan elkander al niet meer, en ik bid u, niet in raadsels te spreken, want ik vrees alle soort van inspanning voor mijn hoofd.quot;
âIk wil er mede zeggen, dat de kroonprins zich in zijne geldverlegenheid niet meer tot de keizerin van Oostenrijk wendt. En toch heeft deze, als de naaste bloedverwante als de lijfelijke tantevan mevrouw^de kroonprinses wel het eerste en naaste recht op het vertrouwen van den kroonprins.quot;
âMisschien is zijn schuldenlast grooter dan de beurs van de keizerin van Oostenrijk,quot; zeide mevrouw van Brandt.
âHij had dat eerst moeten beproeven en de beurs van de keizerin moeten onderzoeken, zooals hij toch in vroeger jaren verscheidene malen gedaan heeft, in jaren, toen niet alleen de kroonprins, maar ook de markgravin van Baireuth de mildheid van hare keizerlijke tante heeftleeren kennen. ^ Maar de kroonprins heeft een trouwloos hart en vergeet licht ontvangene weldaden.quot;
âJa, dat doet hij,quot; zuchtte mevrouw van Brandt. âWij arme vrouwen moeten er het meest onder lijden. Hij heeft ons allen bemind en allen vergeten.quot;
âAllen?quot; vroeg graaf MannteuiTel levendig.
âAllen, graaf! Wij allen zijn hem niets meer dan het speelgoed van een uur, spoedig vervelen wij hem en werpt hij ons weg. Er is slechts ééne dame, die hij trouw en onwankelbaar bemint.''
âEn deze dame heet?quot;
âDe tluit, graaf! Och, gij trekt een droevig gezicht? Ja zeker, deze dame laat zich niet omkoopen, noch doorliet Oostenrijksche goud, noch door de vleierij van den sluwen Mannteulfel; zij zwijgt altoos geheimzinnig, zij verraadt haar minnaar niet. Och, graaf, wij konden beiden bij deze lluit een lesje nemen. Ja, geloof mij, ik zoude verlangen op haar te gelijken, wanneer ik niet ongelukkig zoo
1) Mémoires de Frédérique Sophie Wilhelmine, markgrave de Baireuth T. II, pag. 84â85,
56
vele dingen behoefde, welke eene fluit niet noodig heeft en wanneer de goudstukken van Oostenrijk niet zulk een verleidelijken glans hadden. Maar gij, graaf Mannteull'el, waarom gelijkt gij niet op de lluit? Waarom hebt gij overal spionnen en luistervinken? Waarom speelt gij aan het Pruisische hof voor spion van Oostenrijk, gij, die toch goud, rang en eer genoeg bezit om deze gewone hulpmiddelen der omkooping te kunnen weerstaan?quot;
Een wolk trok over Mannteuffel's voorhoofd en ontevreden drukte hij zijn lippen op elkander. Maar hij bedwong spoedig deze oogenblikkelijke opwelling en was dadelijk weder de vriendelijke, bedaarde en oplettende diplomaat.
âIk dien het Ooslenrijksche hof uit genegenheid,quot; zeide hij, âuit liefhebberij, en in elk geval met een eerlijk doel. Ik dien het, omdat het mijne innige overtuiging is, dat Oostenrijk er toe geroepen is één enkel Duitschland te vormen, alle andere Duitsche vorsten te verjagen en Oostenrijk tot Duitschland te maken, terwijl het Duitschland tot Oostenrijk maakt. Pruisen moet dus in Oostenrijk opgelost worden en zich, als de vasal voor den leenheer, er voor buigen. Dat is mijne politieke overtuiging en daarna handel ik.quot;
âEn voor deze politieke overtuiging ontvangt gij Oostenrijksch goud en Oostenrijksche ridderorden,quot; riep mevrouw van Brandt lachend. âUit liefde voor deze politieke overtuiging hebt gij overal uwe spionnen, aan het hof te Potsdam, aan het hof te Dresden, alsmede hier aan het kleine hof te Rheinsberg.quot; ^
âNiet genoeg dat gij den kok van den kroonprins omgekocht hebt, om voor u een dagboek te houden, is het u ook gelukt mevrouw van Brandt, uwe bescheidene en onderdanige dienares, tot uwe belangen over te halen en
1)^Peei ss in âDe jeugd en troonsbeklimming van Frederik den Grootenquot; zegt'van den graaf jlanntenffel, dat hij voor den kroonprins tot de verdachten behoorde, dat hij overal zijne luistervinken had en wat hij te Berlijn of uit Dresden vernam, voor geld naar Weenen berichtte. Het was niet genoeg, dat hij elk gesprek met Frederik Willem, elk onderhoud met den kroonprins overbriefde, hij zocht de handelingen en het karakter van beiden en van de hunnen te doorgronden, en evenals een geheim-secretaris in Dresden maandelijks met 20 fl. keizergeld tot dit doel bezoldigde, zoo diende hem ook Frederik's kok Duval als overbrenger. Preuss. pag. 182.
57
ik zelve weet het best, dat u dit eene vrij aanzienlijke som kost. En nu wilt gij mij doen gelooven, dat gij dat alles om uwe politieke overtuiging doet? Och kom, beste graaf, ik ben ook zoo wat diplomaat en heb ook mijne overtuiging.
Een van deze is: dat de graaf Mannteulfel, die onschuldige Quinze-vingt eigenlijk op de wereld slechts één hartstocht heeft, namelijk eene politieke rol te spelen en daarbij zooveel geld mogelijk te verdienen. En of dit geld van Pruisische of Oostenrijksche afkomst is, dat is den goeden Mannteulfel volkomen onverschillig.quot; ,
âEn waartoe moet die beminnelijke scherts nu dienen?'' vroeg graaf Mannteulfel met gedwongen glimlach.
âDaartoe, mijn lieve graaf, dat wij met elkander geen onnoodig spel drijven, maar naar waarheid en oprecht met elkander omgaan en beiden het masker afleggen, wanneer wij, juist als nu, alleen zijn. Ik dien u, omdat gij er mij voor betaalt, gij dient Oostenrijk om dezelfde reden. Ik zou ophouden u te dienen, wanneer gij mij niet in oogen-blikken van verlegenheid, een gevulde beurs bracht en gij zoudt niet meer met de opperheerschappij van Oostenrijk dweepen, wanneer soms ongelukkiger wijze de Oostenrijksche geldbron niet meer wilde vloeien. Nu beste graaf, denk ik, dat wij elkander begrijpen, en zeg mij nu zonder omwegen ; wat wilt ge van mij ? Wat hebt gij mij te zeggen ?quot;
âO, zeer veel en gewichtigs!quot;
âDat wist ik!quot; glimlachte mevrouw van Brandt. âUwe vleierijen verrieden u. Ter zake dus, begin maar.quot;
âTen eerste dan, dierbaarste baronnes, moet gij weten, dat de kroonprins, binnen weinige dagen, koning zal zijn.quot;
âToch niet graaf, de kroonprins kreeg gister avond een koerier, die hem het bericht van den verbeterden gezondheidstoestand des konings overbracht. De kroonprins was er zichtbaar verblijd over en heeft bevolen, dat het op heden bepaalde feest, voor den verjaardag van mevrouw van Morien zal plaats hebben.quot;
âDan bezit deze nog altoos de liefde van den kroonprins ?quot;
Mevrouw van Brandt haalde de schouders op. Liefde ! Ik zeide u reeds, de prins bemint niemand dan zijne fiuit.quot;
âOok de kroonprinses niet!quot;
âOok deze niet! en misschien zou hij de prinses niet liefhebben, al kon zij zich in eene fluit veranderen. Zij is
58
uit geen goed hout gesneden en geen goeden toon, zou hij tot Quantz zeggen, en daarmede zou hij haar voor altijd in de doos stoppen.quot;
âEn gelooft gij dat hij ook zoo met de prinses zoude doen, hoewel zij geene Ãuit is ? Gelooft gij dat hij haar ook zou wegleggen ?'quot;
âDe kroonprinses vreest er voor.quot;
âEn de keizerin ook!quot;
âMaar waarom gaf men aan zulk een muzikalen prins eene vrouw, die niet alleen volstrékt niets van de muziek begrijpt maar bovendien zulk eene heesche, krassende stem heeft en zoo onduidelijk spreekt, dat de kroonprins haar niet zou verstaan, ai vertelde zij de geestigste aardigheden ? Mijn hemel, men neemt toch niet enkel eene vrouw om haar aan te zien, maar ook om met haar te spreken.quot;
âGij gelooft dus dat de kroonprins zoodra hij in vrijheid komt, dat is : zoodra hij koning wordt, zich van zijne gemalin zal laten scheiden ?quot; vroeg graaf Mannteufïel bedenkelijk.
âDat kan niemand weten graaf! De kroonprins spreekt met zijne vertrouwelijkste vrienden nooit over zijne vrouw, en zelfs in de teederste oogenblikken heeft mevrouw van Morien te vergeefs beproefd hierover iets van hem te vernemen. De kroonprins is zeer voorzichtig en zeer wantrouwend.quot;
âMevrouw van Morien moet gewonnen worden,quot; mompelde graaf Mannteuffel.
âDat is een zeer moeielijk werk,quot; zeide Mevrouw van Brandt. âWant ongelukkig is zij rijk en stelt weinig prijs op geld. Er is slechts één middel. Bezorg haar een minnaar die nog schooner, hartstochtelijker en vuriger is dan de kroonprins en zij zal zich laten vinden. Want weet gij weidat de goede mevrouw Morien een zeer gevoelig hart heeft.quot;
âIk bid u barones, laat ons nu ernstig blijven. Het zijn gewichtige en gevolgrijke zaken, die wij bespreken, en onze tijd is afgemeten; mevrouw van Morien moet gewonnen worden. Zij alleen heeft nu invloed op het hart van den kroonprins en moet dien nu besteden, opdat de kroonprins zich niet van zijne gemalin laat scheiden! Gij, dierbare barones, gij moet al uwe wegslepende, betooverende welsprekendheid gebruiken om mevrouw van Morien er toe te brengen, dat zij dit doet ;gij moet haar begrijpelijk maken
59
dat dit alleen eene vergoeding voor haar stralbaren levenswandel kan zijn, dat zij zich slechts daardoor rnet den hemel verzoenen kan, als zij den trouweloozen echtgenoot in de armen van zijn edele gemalin terugbrengt.quot;
âZij kan hem niet terugbrengen waar hij nooit geweest is.quot;
âMaar zij kan hem beletten om de kroonprins en het keizerlijke hof door eene scheiding te onteeren. De kroonprinses moet de gemalin des konings blijven. Dat is de eenige band, die den koning weder met Oostenrijk vereenigen kan. Want Oostenrijk heeft vele machtige vijanden onder de omgeving van den kroonprins en de gevaarlijkste van allen is Suhm.quot;
âNu die behoort ten minste niet tot de omgeving van den kroonprins, want gij weet wel, dat hij als buitengewoon gezant van Saksen te Petersburg is.quot;
âDat is juist het ongeluk ! De kroonprins vertrouwt hem onvoorwaardelijk: zij schrijven elkanderin cijfers, die men, ondanks alle inspanning, tot nog toe niet heeft kunnen ontraadselen, maar waarvan de uitkomsten zijn, dat Suhm den kroonprins reeds eenmaal van den hertog van Koerland eene leening van tienduizend daalder bezorgd heeft en dat hij hem nu van de keizerin Anna een jaargeld van vier en twintig duizend daalder tot aan zijn troonsbeklimming verzekerd heeft 1). Den eersten jaarlijkschen termijn heeft de kroonprins nu juist ontvangen.quot;
Dat is een sprookje,quot; riep mevrouw van Brandt lachende. âDe kroonprins is zoo arm als Job en wordt door zijne schuldeischers sedert eenigen tijd, als het ware bestormd. Geen dag verloopt, zonder dat de een of ander van deze vampvrs hem komt kwellen, óf met brieven of in eiüen persoon.quot;
âEn Rusland moet het zijn, dat hem in deze ongelegenheid hulp aanbiedt! riep graaf Mannteuiï'el vol wanhoop uit. Wij moeten ons uiterste best doen dezen gevaarlijken vijand tegen te werken en Pruisen voor Oostenrijk te winnen. Duitschland heeft rust noodig, en Pruisen mag niet vijandig tegenover Oostenrijk staan. Pruisen gewapend te-
1
Oeuvres de Frédéric le Grand. Vol. XVI., Correspondence uvec Mr. de Suhm, pag. 340, 356, 300, 384.
60
genover Oostenrijk zoude het evenwicht van geheel Europa doen wankelen en een strijd veroorzaken, dieDuitschland misschien jaren lang in bloed en tranen zou doen baden. Oostenrijk wil alles doen, teneinde dit te vermijden ; wij beiden, edele vriendin, zullen de bondgenooten van Oosten-rijk zijn, wij zullen het helpen, zooveel wij kunnen. Rusland heeft Pruisen geld geschoten, dat is waar; maar de verplichtingen, die daaruit voortvloeien, houden op, zoodra het geld wordt terugbetaald. Wanneer de kroonprins den troon bestijgt, zal hij aan Piusland zijne schulden betalen en alles is afgedaan. Wij moeten dus een ander middel zoeken, dat Pruisen met Oostenrijk op den duur vereenigt. Gij moet mij helpen om het te vinden. De kroonprins mag zich niet van zijne vrouw laten scheiden. Zoo wordt de toekomstige koningin van Pruisen de nicht van de keizerin en dat legt den koning reeds eenige plichten van bloedverwantschap op. Opdat deze echter nog versterkt mogen worden, opdat de bloedverwantschap tusschen de beide huizen nog inniger en nauwer worde, moeten wij nog een huweijk in het belang van Oostenrijk tot stand brengen.
De prins August Willem, de vermoedelijke opvolger van den tegenwoordigen kroonprins, moet, zooals deze, eene Rrunswijksche prinses huwen ! Eene zuster van de kroonprinses.quot;
âDat is onmogelijk!quot; riep mevrouw van Brandt levendig.
âOnmogelijk? Waarom onmogelijk?quot;
Omdat prins August Willem met dit plan nooit zal instemmen ; omdat hij eene hartstochtelijke, groote liefde in het hart draagt, eene liefde, waardoor zelfs gij zoudt getroffen worden, wanneer gij soms nog een hart hadt, of medelijden kondet gevoelen.quot;
âMijn hemel wij spreken van staatszaken en gij haalt er de liefde in,'' riep graaf Mannteuffel met een konden^ spottenden lach. âWat heeft toch de staatkunde met de liefde te maken ? Laat de prins beminnen, wie hij wil, mits hij maar de prinses van Brunswijk trouwe.quot;
âMaar hier is sprake van eene edele en groote, eene waarachtige liefde, graaf. Eene liefde, over welke wij geene macht hebben; want de duivel heeft daar zijne hand niet in het spel, maar zij is rein als de hemel en hoopt voor zich op den zegen des hemels. Gij moet dit opgeven, graaf;
01
prins August Willem zal deze prinses niet huwen. Zijn hart behoort aan de schoone Laura van Pannewitz en hij is veel te edel, veel te hooghartig om zijne hand, zonder zijn hart te schenken.quot;
Graaf Mannteulïel lachtte luid. âEen koninklijke prins, die eene kleine hoil'reule bemint en haar wil trouwen! Hoe romanesk, hoe verheven! Welk eene heerlijke stof voor een roerenden roman. Och, lieve barones, ik feliciteer u ! Deze vinding doet uw dichterlijk talent eere aan, en ik zie u nog eens als eene beroemde romanschrijfster geeërd en gevierd.quot;
âSpot maar, graaf. Ik herhaal u nochtans: prins August Willem zal de prinses van Brunswijk niet huwen, want hij bemint de schoone holïreule der koningin en heeft vast besloten haar tot zijne vrouw te nemen.quot;
âMen zal dit vaste besluit wel kunnen doen wankelen,quot; zeide graaf Mannteulïel glimlachend. âDe kroonprins zelf zal ons daarbij behulpzaam zijn, geloof mij. Hij is geen verliefde d weeper als prins August Willem en li ij zal er nooit in toestemmen, dat zijn broeder eene mésalliance begaat.quot;
En de prins,quot; zeg ik u, âzal liever sterven, dan de schoone Laura opgeven.quot;
âNu, wanneer hij dan geen afstand wil doen van haar, dan moet zij het van hem doen, zeide graaf Mannteulïel met eene wreede bedaardheid.quot;
âArme Laura!quot; zuchtte mevrouw van Brandt. âZij bemint hem zoo vurig. Haar hart zal breken, wanneer zij
62
hoe dikwijls wij nog sedertdien tijdhetgelukjuichend tegemoet gingen en voor de liefde een zegenboog in ons hart bouwden?''
âHet is waai1,'' zuchtte mevrouw van Brandt, âmen overleeft zijne smarten en het hart der vrouw heeft veel overeenkomst met een regenworm, hij leeft en blijft leven, alhoewel hij in stukken gesneden wordt.''
Graaf Mannteuffel lachtte. âNu,quot;zeide hij, âhet hart der schoone Laura van Pannewitz is ook maar een regenworm, en wij behoeven ons dus niet te ontzien van het in stukken te scheuren, want het zal in weerwil daarvan vroolijk blijven voortleven. Gij, lieve vriendin, moet het mes zijn dat de operatie doet. Stemt gij er in toe?quot;
Mevrouw van Brandt zweeg en zag treurig en als in gedachten verzonken voor zich heen. âHet is waar,quot; fluisterde zij toen, âmen overleeft het, maar het beste deel van ons bestaan sterft toch af! Ik zou nooit geworden zijn, die ik nu ben, wanneer men mij niet met geweld uit den droom mijner eerste liefde gerukt had. Wij zullen Laura van Pannewitz niet dooden aan hare liefde, maar aan hare ziel.quot;
âEn daar wij gelukkig geene zielverzorgers zijn, behoeven wij ons daarover ook niet ongerust te maken. De staatkunde heeft zich daarover niet te bekommeren, en de staatkunde wil, dat prins August Willem de prinses van Brunswijk huwe. De staatkunde eischt verder, dat de kroonprins niet van zijne echtgenoote scheide, maar dat de nicht van de keizerin den troon van Pruisen beklimme. In deze beide dingen moet gij ons helpen! Gij moet den prins en zijne geliefde bewaken en den juisten tijd en het uur afwachten, om het tot een éclat te brensen: srii moet door
63
duizend daalder, om daarvoor een tooi van juweelen te koopen.''
Het gelaat van mevrouw van Brandt straalde van genot en vreugde. âDe prins moet en zal de prinses Louise Amalia huwen,'' zeide zij. âIk sta u daar borg voor. Van heden af zal ik de booze geest zijn, die deze zoo romaneske en teedere liefde van de schoone Laura met zijn giftigen adem zal verpesten en dooden. Mijn hemel, waarom zou ik ook medelijden met haar hebben? Zij lijdt immers hetzelfde lot met alle vrouwen, lot! Wie heeft toen medelijden met mij gehad, wie heeft mij gered ? Niemand lette op mijne jammerkreten en niemand zal ook op de klachten van de schoone Laura van Pannewitz letten! Zij is veroordeeld, graaf. Maar luister! Hoort gij daar niet dien zachten, zwevenden toon, die tot ons doordringt ? De kroonprins is ontwaakt, hij heeft zijn raam geopend en speelt op de fluit. Wij moeten dus scheiden, want in den tuin wordt het levenrlig. Wij hebben dezen morgen eene waterpartij op den vijver, en dan zal Chasot ons hier in het paviljoen het nieuwste drama van Voltaire voorlezen.quot;
IX.
DE KROONPRINS FREDERIK.
Mevrouw van Brandt had zich niet bedrogen. De kroonprins was ontwaakt en zijne i'l uit bracht aan de schoone, zonnige natuur, die hem door het geopende raam haar groet van geurige bloesems toezond, zijn welluidend morgenoffer. Met de iluit aan de lippen stond hij daarenzag met helderen blik en vroolijk gelaat in de schoone, lachende wereld van God. Een blij genoegen, een heilige vrede straalde van het schoone gelaat; zijn geheele innerlijk scheen zich heden in de schoonste harmonie, in deblijk-baarste tevredenheid te baden, en de zachte, smeltende tonen zijner, lluit waren slechts de weerklank zijner eigene gedachten en gewaarwordingen. Plotseling hield de kroonprins op en boog zijn hoofd met de uitdrukking der hoogst
64
gespannen oplettendheid ter zijde, als'wilde hij de juist weggestorven tonen, die nog in de lucht trilden, nog eens hooren klinken.
âüat was goed,'' zeide hij glimlachend, âen ik verbeeld mij, dat ik dit adagio gerust kan opschrijven, zonderden toorn van Quantz op te wekken.quot;
Hij nam zijne lluit weder op en langzaam het zoo even gespeelde herhalend, liep hij het vertrek op en neder.
âIk wil het dadelijk opteekenen en het heden avond op het concert van de gestrenge heeren m uzi kanten voordragen.quot;
Zoo sprekende verliet de kroonprins zijne kleedkamer en begaf zich naar zijne bibliotheek. Zoodra hij het vertrek binnentrad, lag er een glimlach van genoegen op het gelaat van den kroonprins en hij boog zijn hoofd als tot een groet. Maar men kon ook inderdaad niets bekoorlijkere en smaakvollers zien, dan deze bibliotheek. Naar de plannen van den kroonprins aangelegd, droeg zij geheel het karakter en was in zekeren zin een getrouw afbeeldsel van den kroonprins. Kunst en natuur, de eenvoudigheid van den geleerde, de weelde van den vorst, de gelouterde smaak van den kunstkenner, de gevoeligheid en dweeperij van den jongeling en de ernst van den door bittere ondervinding en smarten vroeg rijp geworden koningszoon, dat alles kon men in dit vertrek terugvinden, en dat alles had samengewerkt om het tot een tempel der muzen en wetenschappen der kunst en der vriendschap tegelijk te maken. Het vertrek, zooals reeds gezegd is, bevond zich in den nieuwen toren, dien Knobelsdorf, als tegenhanger van den reeds bestaanden, bij de vergrooting van het kasteel, had laten bouwen. De ronde vorm reeds gaf het iets eigenaardigs oorspronkelijks, en maakte de vergelijking met een tempel natuurlijk en ongezocht. Langs de wanden stonden in groote glazenkasten de meesterstukken der dichters uit alle tijden, Voltaire, Racine, Molière, Gorneille naast Livius, Homerus, Caesar, Cicero, Terentius, Ovidius, aan welke zich de dichters van het nieuwe Italië, Dante, Petrarca en Macchiavelli paarden. Alles, wat slechts naam in de letterkunde der volkeren had, vond zijn weg naar deze boekerij ; alles, uitgezonderd de werken der Duitsche schrijvers.
Tusschen de boekenkasten, waarop hier en daar bustes
05
van beroemde schrijvers stonden, waren in de nissen kleine met lichtroode zijde overtrokken divans geplaatst, boven welke in zwaar vergulde lijst en welgelijkende portretten van beroemde tijdgenooten en vrienden van den koninklijken prins hingen. Het grootste en schoonste van deze was het portret van Voltaire ; daaraan was de eereplaats toegekend, en wanneer de kroonprins aan zijne schrijftafel ging zitten en zijn blik van het werk opsloeg, ontmoette liij telkens dat glimlachend, door geest, schoonheid, bevalligheid en boosheid schitterend gelaat van den Franschen dichter, dien de jeugdige vorst tot zijn lieveling had verkozen en met wien hij sedert jaren reeds in eene vertrouwelijke, maar voor den koning zorgvuldig verborgene briefwisseling stond. De hooge gewelfde ruimen van de bibliotheek stonden open en door deze had men een heerlijk gezicht op den tuin en het meer, dat in den glans der zon als vloeibaar zilver schitterde.
De kroonprins ging met haastige schreden naar zijne schrijftafel, en zonder op de ongeopende brieven te letten nam hij haastig een stuk gelinieerd muziekpapier en begon te schrijven, terwijl hij tevens zachtjes de melodie neuriede die hij opschreef. Soms greep hij naar de lluit, die hij naast, zich gelegd had, om enkele accoorden en passages nog eens te beproeven, vóór hij ze opteekende. Het was een treffende aanblik, dezen jongman te midden van dit edele, eenvoudige en smaakvolle vertrek, zoo blijde en tevreden te zien en zijn gelaat gade te slaan, dat van edele geestdrift, van hoogere majesteit straalde, dan een van diamanten schitterende diadeem of eene koningskroon, want het was de majesteit der dichterlijke scheppingen des gevoels. Deze jongman, met dat van geestdrift schitterend gelaat, was in ditoogenblik niet de vorst, niet de erfgenaam van een koninkrijk, hij was dichter en kunstenaar, die onder trillende verrukking de verhevene en geheimzinnige ingeving van zijn geest ontvangt en in vrome gehoorzaamheid opschrijft, wat een God hem toevertrouwt.
,âZoo nu zal hot wel in orde zijn,quot; zei de kroonprins, eindelijk de pen nederleggende. âIk heb mijn adagio gereed, en ik verbeeld mij, dat Quantz heden niets te brommen zal hebben, hij zal er toch eens toe moeten komen over zijn leerling tevreden te zijn ; want dit adagio is goed,
Mühlbach, Frederik de Oroote en zijn Hof. I. 5
66
ik gevoel het, ik weet het; en wanneer de Benda's heden weder hunne geleerde, lange kunstrechtersgezichten zullen
vertoonen, zal ik hun zeggen..... Niets zal ik hun zeggen,quot;
viel de kroonprins zich zeiven glimlachend in de rede, terwijl hij het muziekblad op zijde schoof. âNeen, niets zal ik hun zeggen! Och, het zoude wel de moeite waard zijn aan deze lieeren te toonen, dat mij iets aan hunne tevredenheid gelegen is, en dat ik streef naar hunne goedkeuring ! Dat moet men den menschen nooit laten zien, want het tegenwoordige menschengeslacht is een ellendig, kleingeestig ras, en wie er op vertrouwt, die heeft op zand gebouwd, en wie zich aan hetzelfde overgeeft en het lief heeft, die is verloren. O, ik zie nog een tijd komen, waarin ik de geheele menscliheid zal verachten en de geheele wereld zal wantrouwen? En toch is mijn hartjzoogevoelig en klopt het zoo menschelijk warm voor al het hoogere en schoonere; toch zou het mij zeer gelukkig maken, de menschen te kunnen liefhebben en hen te vertrouwen. Maar zij willen het niet, zij dulden het niet. Ben ik niet omgeven door spionnen, die elk mijner gelaatstrekken waarnemen, elk mijner woorden beluisteren, om het dan getrouwelijk naar Berlijn over te brengen en het als een bijtend gift in de ooren des kouings te droppelen ! ü, mijn God, mijn God, wat heb ik al niet ondervonden en geleden! Welke wreede hamerslagen heeft men mijne borst niet toegebracht, alsof mijn hart het aanbeeld ware, waarop men mijn geluk, mijne liefde en mijn vertrouwen tot de menschen, als gloeiend ijzer moest verwerken, om daaruit spijkers voor mijne doodkist te smeden! âMaar weg met die gedachte ; welk een onzin om dit alles door het hoofd te halen,quot; vervolgde de prins na een poos âhet schijnt, dat de mei-lucht mij zwaarmoedig maakt. Weg met die hersenschimmen der droefgeestigheid ! Heb ik nog tijd om te zuchten en te droomen ?quot;
Hij stond op en liep eenige malen driftig het vertrek op en neder. Toen trad hij weder aan de scnrijftafel en greep naar de brieven. Zoodra hij zijn blik op het eerste adres sloeg, kwam er eene blijde, verrassende uitdrukking op zijn gelaat.
âVan Voltaire,quot; zeide hij zachtjes, terwijl hij haastig het zegel verbrak en met ongeduldigen spoed het papier open-
07
vouwde, dat twee brieven en eenige losse, gedrukte vellen bevatte. De prins uitte een kreet van blijde verrassing, sloeg zijne oogen met eene onuitsprekelijke, half teedere, hall nieuwsgierige uitdrukking op de bladen, die hij in de hand hield.
âEindelijk, eindelijk dus!quot; riep de kroonprins verheugd. âEindelijk zal mijn wensch vervuld worden; de eerste stap tot roem en grootheid is gedaan. Ik zal geen onbeduidend, onbekend wezen meer zijn, die geene andere verdienste bezit, dan dat hij de zoon zijner vaderen, de erfgenaam van een troon is! Ik zal een naam krijgen, ik zal mij roem verwerven, want ik zal schrijver en dichter zijn, een auteur, die zijne plaatsin de republiek der geesten bezet en geene kroon behoeft, om in de geschiedboeken te worden opgeteekend. De eerste stap is gedaan. De Anti-Macchiavelli wordt gedrukt. Ik zal dit monster van boosaardige, duivelsche staatswijsheid vertrappen, geheel Europa moet zien, dat een Duitsch vorst de eerste is, die tegen dit gedrocht, Macchiavelli, in het strijdperk treedt, die de menschen tot slaven wil maken en ben in het juk eener kruipende, onvoorwaardelijke gehoorzaamheid wil smeden! Die de vorsten tot monsters wil maken, welke de mensch-heid vervloeken en tot in het binnenste merg verachten moeten.quot; En terwijl de prins zijne blikken over het papier, dat hij in de hand hield, liet gaan, las hij met luide van edele verontwaardiging trillende stem:
âWanneer het reeds eene misdaad is, de onschuld van een bijzonder persoon te vernielen, die toch slechts onbeduiden-dén invloed op het geheel heeft, des te meer is het af te keuren, vorsten naar den geest te bederven, vorsten, wier plicht bet is hunne volkeren te regeeren, recht en gerechtigheid te handhaven, door hun eigen voorbeeld op hunne onderdanen te werken, en zich door goedhartigheid, grootheid van ziel, menschlievendheid en zachtmoedigheid de zichtbare plaatsvervangers van God te toonen. De plagen des hemels zijn altoos slechts voorbijgaande en verwoesten slechts enkele streken, en deze, hoewel treurige ongevallen, kunnen weder vergoed worden; maar de misdaden der koningen veroorzaken ongeneeslijke kwalen en nog wel voor geheele volkstammen. Hoe treurig en beklagenswaardig is de toestand der volken, die van het misbruik der hoogste
68
macht alles moeten duchten; wanneer hun vermogen aan de hebzucht des vorsten, hunne vrijheid aan zijne luimen, hunne rust aan zijne eerzucht, hunne veiligheid aan zijne trouweloosheid en hun leven aan zijne wreedheid is blootgesteld.quot; 1)
De kroonprins zweeg en bladerde toen verder in de gedrukte vellen van zijn Anti-Macchiavelli; daarna verspreidde zich een opgeruimde glimlach over zijne schoone gelaatstrekken, en met verhevene, bijna schalksche stem las hij verder:
âMacchiavelli spreekt in zijne Principi van die miniatuur-souvereinen, die, daar zij slechts kleine staten hebben, geene legers in het veld kunnen zenden. De schrijver raadt hun ten sterkste aan, hunne hoofdstad met vestingwerken te voorzien en in tijd van oorlog zich met hunne troepen er in op te sluiten. De Italiaansche vorsten, van welke Macchiavelli spreekt, zijn eigenlijk niets meer dan half souve-reinen en half bijzondere personen; zij spelen de rol van een groot heer slechts voor hunne bedienden. Mij dunkt, het zou beter zijn hun aan te raden, den hoogen dunk, dien zij van zich zeiven hebben, de buitengewone vereering, die zij voor hun oud en verheven geslacht eischen en den buitengewonen ijver, dien zij voor hunne wapenschilden hebben, een weinig te verminderen. Verstandige menschen moesten hun zeggen, dat zij beter deden in de wereld slechts als heeren te leven, die een goed bestaan hebben; de hoogte te verlaten, waarop hunne trotschheid hen geplaatst heeft; op zijn hoogst eene wacht te houden, voldoende om do dieven van hunne sloten te verjagen, ingeval deze dieven zoo uitgehongerd mochten zijn, dat zij bij hen hun onderhoud wilden halen, en de wallen, muren en alles te slechten, wat hunne residentiën het aanzien van versterkte plaatsen kan geven. De redenen hiervoor zijn deze: de meeste dezer kleine vorsten, en bijzonder die in Duitsch-land, richten zich te gronde door de, naar verhouding hunner inkomsten, ontzettend groote uitgaven, ten einde aan dezen roes van ijdele en ingebeelde grootheid te kunnen , voldoen; zij storten zich in het verderf, om de eer van hun huis staande te houden, en uit ijdelheid slaan zij den
1
Oeuvres publiées. Vol. II. pag. 67.
69
weg naar ellende en naai- liet gastimis in; zelfs de jongste spruit van de jongste lijn, wiens geheele inkomen liit eene lijfrente van de kroon bestaat, verbeeldt zich altoos nog evenveel als Lodewijk XIV te zijn; hij bouwt zijn Versailles, heeft zijne minnaressen en houdt een leger op de been. â Er is inderdaad zulk een vorst, met een inkomen, als waarvan ik daareven sprak, die zoo verzot op zijne grootheid is, dat hij in zijne dienst juist dezelfde troepen-korpsen houdt, welke het huis van een groot koning vormen, maar natuurlijk op zulk eene kleine schaal, dat men een microscoop zoude noodig hebben om elk dezer korpsen te onderscheiden; zijn leger zoude misschien toereikend zijn om een slag op het tooneel te Verona te vertoonen.quot;
Prins Frederik lachte luid. ,,Nu, mijn waarde neef Ernst August van Saksen-Weimar, zal, denk ik, die toespeling begrijpen, riep hij vroolijk, en misschien zal hij uit dankbaarheid, omdat ik zijne grootsche daden in mijn Anti-Macchiavelli vereeuwig, mij het raadsel oplossen, hoe men het moet aanleggen, om bij eene lijfrende van vierhonderd daalder een bataillon van zevenhonderd man, een instructieeskadron van honderd en tachtig man en eene compagnie bereden cadetten er op na te houden? 1). Als hij dat kan, zonder zich in eene zee van schulden te storten, dan voorzeker is hij mijn heer en meester cn ik kon veel, zeer veel van hem leeren.
Ik kon van hem leeren mij van deze martelingen te bevrijden, door welke ik dag aan dag en uur aan uur gepijnigd word,quot; vervolgde de prins, terwijl hij met een plotseling somber geworden gelaat heen en weer ging. âAch, is er wel eene grootere marteling voor een eergierig man, dan zijn oog voor den een of ander ellendigen woekeraar te moeten neerslaan, dien men wel van zich aftrappen wilde, wanneer men ongelukkig zijn, misschien aan weduwen en weezen afgeperst geld, niet noodig had! En te denken dat ik, een koningszoon, de erfgenaam van den troon, mij in zulk een toestand bevind! ïe denken, dat ik met woekeraars moet kijven en twisten, mij
1
Macchiavelli, en de looi) der Europeesche politiek, door Theodor Mundt, pag. 160.
70
tot biddens toe voor hen moet vernederen, terwijl in kelders van het koningsslot te Berlijn millioenen liggen opgestapeld, welke mijn vader verzameld heeft, terwijl liij zijn troonsopvolger gebrek laat lijden ? Maar hoe? Heb ik recht om te klagen? Ben ik het dan alleen, die ten gevolge der spaarzaamheid des konings gebrek lijd? Schreeuwt niet het volk te Berlijn vergeefs om brood, terwijl de koninklijke zolders gevuld zijn? Ziet men er niet scharen van bedelaars, die den voorbijgangers de hand toesteken en huilen en kermen| om brood? ^ En de koning, ongevoelig voor dit alles, houdt zoowel zolders als schatkamers gesloten, hoewel de sleutels in zijne hand zijn. Maar geduld, geduld ! Eens komt de dag, waarop deze sleutels aan mij behooren! Op dien dag zal ik de zolders openen en het volk geven wat het toekomt: het brood; op dien dag zal ik de schatkamers opensluiten en al de gevangen millioenen uit hunne gevangenschap bevrijden, opdat zij als profeten van een nieuwen tijd mogen uitgaan naar alle hoeken der wereld, opdat .... Maar stil, welk een gedruisch?quot; viel de kroonprins zich zeiven in de rede, terwijl hij de deur naderde, die naar de voorkamer leidde.
Inderdaad hoorde hij daar buiten verscheidene driftige stemmen; het was duidelijk, dat men daar in eene hevige woordenwisseling was.
âIk zeg u, mijnheer, ik moet en wil heden eindelijk den kroonprins zeiven!quot; riep eene schelle krijschende stem. âIk heb sedert maanden te vergeefs gewacht, vergeefs de meest eerbiedige en bescheidene brieven aan den kroonprins gericht; men heeft mij niet eens meteen antwoord verwaardigd. Nu wil ik persoonlijk dit antwoord komen halen, en ik zweer bij God, dat ik niet eerder van de plaats ga, voor dat de kroonprins zelf mij inlichtingen over deze handelwijze gegeven heeft.quot;
âHet is Ephraïm!quot; mompelde de kroonprins, en zijn voorhoofd betrok nog meer.
âNu, dan moogt gij hier blijven staan, totdat gij in een zoutpilaar verandert, zooals wijlen uwe overoud-grootmoe-der,quot; riöp eene andere stem. â âKnobelsdorf!quot; fluisterde
1) H. Konig ; Historische Sohilderungen von Berlin. Bami V. Theil I. pag. 4.
71
de kroonprins, en een zweem van een glimlach begon reeds zijn gelaat te verhelderen.
âUwe gelijkenis is goed!quot; schreeuwde de eerste. âWant waarlijk men herinnert zich hier Sodom en Gemorrha. Evenwel wil ik toch niet in een zoutpilaar veranderen, maar anderen zullen het van schrik en ijzing, wanneer ik met het zwaard der wraak in de hand verschijn. Want recht wil ik eindelijk hebben en men zal het mij verschalfen ; en zoo ik het hier niet vind, zal ik heengaan en het van den koning eischen.quot;
âVan den koning ?quot; riep de andere stem met eene uitdrukking van schrik. âGij weet dus niet, dal zijne Maje-teit doodelijk ziek is?quot;
âVolstrekt niet, volstrekt niet! Als dat zoo ware, zou ik niet hier zijn, dan zou ik bedaard gewacht hebben en later van de liefde tot gerechtigheid van den nieuwen koning verkrijgen wat de kroonprins mij weigert Maar de koning is weder hersteld, ik zelf heb het gisteren gezien, hoe hij zich op zijn rolstoel in den tuin van Potsdam liet rondrijden. De koning wordt weder gezond, en daarom ben ik hier, en daarom sta ik er op den kroonprins zei ven te spreken.quot;
âMaar wanneer ik u zeg, dat zijne koninklijke hoogheid nog slaapt.quot;
âDan antwoord ik, dat het niet waar is, wantik heb den kroonprins reeds op de tluit hooren blazen.quot;
âDat zal Quantz geweest zijn.quot;
âOch wat. Quantz! Hoe zou Quantz in staat zijn zulk een adagio te blazen, als ik gehoord heb ? Neen, neen, dat kan slechts de kroonprins.quot;
âO, die vent wil me door vleitaal omkoopen,quot; zeide de prins glimlachend. âHet zal hem niet gelukken mij wijs te maken, dat ik een Orpheus ben. Orpheus temde met zijne muziek de leeuwen en tijgers, maar mijne fluit is niet eens in staat een schuldeischer te temmen.quot;
âMaar ik herhaal het u, het was Quantz, die op de fluit blies, riep de arme, geplaagde heer van Knobelsdorf. De kroonprins slaapt nog, of ligt tenminste nog te bed, want hij is niet wel en beeft bevel gegeven niemand toe te laten.quot;
âOch, dat ken ik; de groote heeren zijn altijd niet wel.
72
wanneer zij dezelfde luchl met hunne schuldeischers moeten inademen, riep Ephraïm spottend. Maar ik zeg u, ik blijf hier, tot ik den prins gesproken heb, tot hij mij mijne vierduizend daalder, die ik hem zonder renle ot borg geleend heb, teruggeeft. Ik wil mijn geld terug hebben, ik moet het terug hebben, als ik mij zeiven niet in het verderf zal storten. En dat kan de kroonprins niet verlangen, zoo zwaar kan hij mij niet laten boeten voor mijne deelneming en mijn medelijden met zijn treurigen toestand.quot;
âNu bij God, dat is te veel! schreeuwde Knobelsdorf. Weet gij, mijnheer, dat gij onbeschaamd wordt ? Gij, gij waagt het van uw medelijden met den prins, den erfgenaam des troons te spreken ? Gij waagt het u te beroemen, dat gij den kroonprins geld geleend hebt, terwijl gij het toch slechts gedaan hebt, omdat gij zeer goed weet, dat de kroonprins het u met woeker teruggeven kan en zal.quot;
âNu, als Ephraïm dat weet, dan is hij stellig verstandiger dan ik,quot; zeide de kroonprins met treurigen glimlach. âWant alhoewel ik erfgenaam van den troon ben, weet ik toch op dit oogenblik niet, waar ik het nietige sommetje van vierduizend daalder van daan zal halen, om dezen onbeschaamde tevreden te stellen. Maar ik kan den armen Knobelsdorf niet langer inquot; dien toestand laten staan; ik moet dat uilengekras van den woekeraar tot zwijgen brengen.quot;
Vastberaden sloeg de kroonprins zijn hand aan de kruk, terwijl daar buiten de woordwisseling al luider en heviger begon te worden.
X.
DE KROONPRINS EN DE JOOD.
Juist toen Knobelsdorf den jood Ephraïm gedreigd had de lakeien te roepen en hem de deur uit te laten werpen, stiet de kroonprins de deur open en toonde den beiden twistenden zijn schoon,trotsch en bedaard glimlachend gelaat.
73
âKom nader, mijnheer,quot; zeide de kroonprins mei een lichte beweging, van hel hoofd, âik sta u de audientie, om welke gij zoo dringend verzocht hebt toe.quot;
En de prins trad mei de grootheid en de trotsche houding eens konings weder in zijn vertrek, terwijl Ephraim verward en geheel vernederd door de verhevene waardigheid van den prins, met neergeslagen oogen en gebogen hootd het vertrek binnentrad, aan welks deur hij bescheiden en ootmoedig bleef staan.
âLieve Knobelsdorf,quot; zeide de prins, zich glimlachend tot den dikken, hijgenden heer wendende, die verbaasd en vragend achter Ephraïm stond, âlieve Knobelsdorf, ik bid u, verzoek alle heeren en dames zich in de tuinzaal te vereenigen. Wij willen eene waterpariij houden. Binnen vijf minuten ben ik bij u.quot;
âVijf minuten! dacht Ephraïm, terwijl Knobelsdorf zich verwijderde. âDus voor elke duizend daalder nauwelijks eene minuut audientie. Bij den hemel, dat is een trotsclie schuldenaar en ik had beter gedaan mij niet met hem in te laten. Maar ik wil mij niet laten afschrikken, ik wil hem moedig onder de oogen treden.''
âEn nu, wat hebt gij mij te zeggen ? vroeg de prins, zijne groote heldere oogen op hem vestigende.
âWat ik uwe koninklijke hoogheid te zeggen heb ?quot; riep Ephraïm verbaasd. âIk heb uwe koninklijke hoogheid voor een jaar vierduizend daalder geleend en tot nu toe noch rente noch kapitaal ontvangen.quot;
âNu, en verder?quot;
âVerder?quot; vroeg Ephraïm verbaasd.
âJa, verder! Want onmogelijk is hel, dat gij van Berlijn naar Bheinsberg zoudt komen, enkel om mij te vertellen wal ik sedert een jaar even goed als gij zeli' weet.quot;
âIk dacht dat uwe koninklijke hoogheid hel had vergeten,quot; zeide Ephraïm, den blik tol den kroonprins opslaande, maar dien evenwel weder snel naar den grond richtende, toen hij die fonkelende, doordringendeoogen van den prins ontmoette.
âVergeten!quot; zeide deze schouderophalend. âIk heb een goed geheugen voor elke vriendelijkheid, maar ook voor elk vergrijp legen den eerbied, dien men den zoon des konings verschuldigd is.quot;
Zijne stem was nu zoo dreigend en rauw geworden, dat
7 i
Ephraïm tot in het binnenste van zijn hart rilde en sidderend eenige woorden van verontschuldiging stamelde.
âPrins,quot; zeide hij vervolgens, moed vattende, âik ben een jood, dat heet, een verbannen, gehoond en vervolgd mensch, of liever geen mensch, maar een schepsel, dat men als een hond schopt, wanneer hij arm en ellendig is, dat men nauwelijks menschenrechten gunt, wanneer hij geld en schatten bezit. Een hond heeft het beter dan een jood in de Pruisische landen. De teef mag hare jongen hebben, en wanneer zij de smarten der natuur geleden heeft, zich in hen verheugen. Maar de jodin wanneer zij onder smarten gebaard heeft, mag zich niet over haar kind verblijden, want de wetten van het land hangen als een zwaard boven haar, en het kan zijn, dat zij verdreven wordt, omdat zij een kind gebaard heeft, waardoor misschien het aantal der toegelaten joden te groot wordt; het kan zijn, dat de vader niet rijk genoeg is om de duizend daalders te betalen, waarmede hij zich telkens van den staat het recht kan koopen vader te zijn Derhalve is geld en nog eens geld de eenige wal, dien de jood voor zijne bescherming tusschen zich en het ongeluk kan opwerpen. Het geld is onze eer, ons vaderland, onze familie, onze rang en ons noodlot! Wij zijn niets zonder geld, en slechts hij,- dien wij eene vergulde hand toesteken, reikt ons de zijne en voelt zich niet besmet door de aanraking van een jood. Oordeelt nu zelf, uwe koninklijke hoogheid, hoezeer wij hen moeten beminnen en hoogachten, aan wien wij een gedeelte van ons geluk en van onze eer, een gedeelte van ons geld geven ! Wat ik voor niemand op de wereld zou gedaan hebben, heb ik voor uwe koninklijke hoogheid gedaan, want ik gaf u zonder schuldbekentenis en zonder rente vier duizend daalder, ik leende den heer van Knobels-dorf voor den kroonprins, op zijn eerlijk \voord, mijn eerlijk geld. En wat heb ik er nu van? Men antwoordt mij niet op mijne brieven, waarin ik nederig om de voldoening van die schuld vraag, men hoont en bespot mij en wil verachtelijk de deur voor mij sluiten, welke men toch zoo bereidwillig voor mij opende, toen ik kwam om geld te
1) Könings Annalen der Juden In den Preussischen Staaten, besonders in
er Mark Brandenburg.
*
75
brengen. Zulk eene handelwijze is evenwel noch rechtvaardig noch verstandig; want even als de worm zich kromt, wanneer hij getrapt wordt, richt zich ook ten laatste de jood onder het trappen der menschen op en herinnert zich eindelijk, dat hij toch ook een schepsel Gods is en dat God het gevoel der wraak even als dat der liefde in zijne borst gelegd heeft. De jood, wanneer hij te lang mishandeld is geworden, wreekt zich ten laatste op zijne folteraars, en dat zal ook ik doen, wanneer uwe koninklijke hoogheid mij nu geen recht laat wedervaren; dat zal ik doen, zoo gij weigert mij heden mijn geld terug te geven.quot;
Ephra'lm zweeg en leunde diep ademend tegen de deur, terwijl de kroonprins met haastige stappen en met alle teekenen van de diepste, innigste ontroering het vertrek op en neer ging Zijne oogen schoten, als hij onder het heen- en wederloopen langs Ephraïm kwam, zulke hevige vertoornde blikken, dat deze ineenkrimpend hun gloed en hunne kracht gevoelde. Verscheidene malen opende hij den mond om te spreken, maar hetzij, dat de hevigheid van zijn toorn zijne spraak belemmerde, of dat hij zich moeite gaf de te sterke uitbarstingen tegen te houden, hij bleef altoos zwijgen en zette zijne wandeling voort. Plotseling viel zijn vlammend oog op de lluit, die op zijne schrijftafel lag. Werktuigelijk nam hij ze op, bracht ze aan zijne lippen, ontlokte er eerst eenige zacht klagende, smachtend afgebrokene tonen aan, waarna hij met halven adem een eenvoudige, kleine melodie blies. Terwijl hij dit deed, verdween de toornige spanning van zijne trekken en maakte voor eene rustige, heldere uitdrukking plaats. Hij legde de fluit weder neder en staple recht op Ephraïm toe, die, ademloos luisterend, in zalig genot die kleine solo had aangehoord.
âGij hebt mij daar eene tamelijk lange en vrij onbeschaamde rede gehouden,quot; zeide de kroonprins. âGij hebt het zelfs gewaagd mij te dreigen. Maar ik wil u vergeven, omdat gij een jood zijt en omdat een jood geene andere wapens heeft en weet te gebruiken dan zijne tong. Maar nu raad ik u, steek uw zwaard in de schede en hoor mij bedaard aan. Gij hebt mij vierduizend daalders en nog wel zonder schuldbekentenis en rente geleend. Maar daarop moogt gij u niet beroemen, want gij weet wel, dat de
O r - '
76
kroonprins van Pruisen dc man niet is, om den geringsten en ellendigsten zijner toekomstige onderdanen te onderdrukken of hem zijn recht te onthouden. Wanneer gij dat nu weet, waarom berust gij cr dan niet in, en wacht, tot dat ik u roep?quot;'
âIk kan niet langer wachten, hoogheid!quot; riep Ephraïtn hartstochtelijk. âMijn crediet, mijne eer staat op het spel. De heer van Knobelsdorlquot; heeft mij de plechtige belofte gegeven, dat ik het geld benevens de rente binnen een half jaar hebben zou, en ik geloofde hem, omdat hij in naam van den kroonprins kwam. Ik heb thans dit geld in mijne zaken noodig, kan het niet langer missen en moet het heden terug hebben.quot;
âZoo, gij moei! En wanneer ik u zeg, dat gij heden geen penning krijgen kunt! Dat ik u noch heden, noch morgen, noch in weken voldoen kan?quot;
âWanneer gij mij dat in ernst zegt, moet ik beengaan om mij elders recht te verschaffen.quot;
âDat heet, dat gij naar den koning wilt gaan?quot;
,,Ja dat wil en zal ik doen.quot;
âGij kent dus de wet niet, die verbiedt aan de prinsen van het koninklijke huis geld te leenen?quot;
âIk ken de wet wel, maar ik weet ook dat de koning in dit geval eene uitzondering zal en moet maken en het geld, dat ik den troonopvolger geleend heb, zal terug betalen. Het is mogelijk, dat daarbij zijn stok op mijn rug zal spelen, maar ik zal dat beschouwen als de rente van mijn kapitaal, en de slagen vernederen mij niet, want de jood is gewoon geslagen en getrapt te worden. Of de koning mij al slaat, hij zal mij toch mijne eer teruggeven, want hij zal mij mijn geld geven.quot;
âEn als hij het niet doet?quot;
âDan zal ik mijne stem verheffen door het geheele land en schreeuwen, dat de muren zullen instorten en de harten der menschen er van beven zullen,quot; riep Eptiraim met al de heftige gebaren en bewegingen aan zijn volk eigen.
âNu, hef dan aan en schreeuw maar toe! Want ik zeg u, ik kan u heden geen geld geven.quot;
âGeen geld!quot; schreeuwde Ephraïm buiten zich zeiven.âIk zal dan weder betaald worden met schimpwoorden en met verachtelijk lachen van de deur gewezen worden? Men wil
77
mij mijn recht en mijn geld onthouden, en omdat men machtig en een groot heer is, denkt men ongestraft den armen jood te kunnen villen en te verdrukken. Maar er leeft een God voor de rechtvaardigen en on rechtvaardigen ; het...quot;
Ephraïm verstomde ; want voor hem stond de kroonprins, ziedende van toorn, met bleeke, bevende lippen en fonkelende oogen, met opgeheven arm hem dreigend, gloeiend en majestueus, als de vertoornde donderaar, wanneer hij zijne bliksemschichten op het nietige volk der menschen slingert.
âSla toe, hoogheid. Sla toa !quot; zeide Ephraïm geheel verpletterd en wanhopend ; ik verdien geslagen te worden, want ik was een dwaas en liet mij verblinden door het geluk, van aan een zoo edelen, verhevenen en ongelukkigen prins mijn geld te kunnen leenen. Sla toe, want ik zag niet dat de prins ook slechts een mensch is als alle anderen en dat hij den jood verschopt.quot;
De kroonprins liet zijn arm langzaam nederzinken en een onbeschrijfelijke goedige en vriendelijke lach speelde op zijne trekken.
âNeen,quot; zeide hij, âdan hebt gü u toch vergist, Ephraïm, en gij zult moeten bekennen, dat prins Frederik geen mensch is als alle andere menschen. Gij moet nog heden uw geld hebben en kan ik u heden niet betalen in goud, dan zal ikquot; u juweelen geven, juweelen en paarden uit de Trakehner stoeterij, die de koning mij kort geleden geschonken heeft.quot;
âDus heeft uwe koninklij ke hoogheid werkelijk geen'geld ?quot; vroeg Ephraïm peinzend en bijna geroerd. âDus was het niet om den armen jood angst aan te jagen en te martelen dat gij mij 't geld weigerdet ? Het was, omdat de groote en schoone prins Frederik, op wien de volken hopen en voor wien in het geheim nu reeds de harten van al zijne onderdanen vol vreugde kloppen ; bet wasomdat de kroonprins geen geld had, omdat hij, zoo goed als een ander, menschennood en menschensmart moest lijden. Mijn God, hoe trotsch zijn wij toch, en waarover klagen wij, wanneer zelfs de erfgenaam des troons lijdt en onze smarten, onze pijnen en ontberingen draagt!quot;
De prins lette niet op hem. Hij had eene der kasten geopend en er eene casette uitgenomen, waarvan hij het met zilver beslagen deksel opensloeg en met koelen, on-
78
derzoekenden blik den inhoud beschouwde. Toen nam hij er een groot juweelen kruis en eenige solitairs uit en naderde den jood, die, in gedachten verzonken, zijnen blik naar den grond gericht hield.
âZiedaar, hier hebt gij juweelen, welke, zooals ik mij verbeeld, wel vierduizend daalder waard zullen zijn en waarmede gij u voldoen kunt,quot; zeide de kroonprins hem de fonkelende steenen overreikende.
Ephraïm schoof zacht de hand van den prins terug en schudde zijn hoofd. âNeen,quot; zeide hij, âik heb geld geleend en kan en wil slechts geld terug hebben!quot;
De prins stampvoette van drift. âMaar als ik toch zeg, dat ik geen geld heb.
âDan volgt daaruit, dat ik geen geld krijgen kan,quot; zeide Ephraïm bedaard. âDan volgt daaruit, dat de arme jood Ephraïm nog langer wachten moet; dan volgt daaruit, dat hij den kroonprins Frederik geven moet, wat deze niet heeft en waarvan de arme Ephraïm toch nog een weinig bezit; dan volgt daaruit dat ik uwe koninklijkejhoogheid moet vragen, of gij van mij nog duizend daalder wilt leenen? Dat heet, ik verbind er eene voorwaarde aan.''
âNu en deze voorwaarde is?quot;
âDal mve koninklijke hoogheid mij nu dadelijk de rente van mijn kapitaal van vierduizend daalder in klinkende munt moet betalen. Begrijpen wij elkander goed, koninklijke hoogheid ! Gij wilt mij mijn kapitaal met diamanten en paarlen betalen, waarom wilt gij mij nu niot voor de rente eenige kostbare paarlen, geven ? Paarlen zooals zedielluit verbergt en die als vloeibaar goud van uwe lippen droppelen, wanneer gij ze aan het mondstuk uwer (luit legt!quot;
De kroonprins trad dicht voor Ephraïm en zijne groote oogen vast en doordringend op hem vestigende, vroeg hij ; âWilt gij mij bespotten? Wilt gij van den kroonprins een reizend muzikant maken, die voor den jood moet spelen om zijn hart te roeren? Wilt gij . . . . Ha, Fredersdorf!quot; brak de kroonprins af, toen de deur geopend werd en zijn kamerdienaar in bestoven reisgewaad haastig binnentrad. âZijt ge al uit Berlijn terug?quot;
âJa, koninklijke hoogheid, en daar ik hoorde, wie het waagde uwe koninklijke hoogheid lastig te vallen, ben ik in reisgewaad hier dadelijk binnen gekomen, om uwe ko-;
79
ninklijke hoogheid dit pakket te overhandigen dat mij de bankier Splitto Gerher ter spoedige bezorging gegeven heeft, en dat, geloof ik, uit Petersburg gekomen is.quot;
âVan Suhra!quot; riep de kroonprins met van vreugde schitterend gelaat, terwijl hij haastig het zegel verbrak en de bandjes doorsneed, waarmede het pakket toegemaakt was. Toen haalde hij uit de omhulsels een brief en eenige boeken te voorschijn. Na op den brief een teederen gelukkigen blik geslagen te hebben legde hij hem langzaam en voorzichtig op de schrijftafel, keerde zich vervolgens om, zoodat Ephraïm niet zien kon \tat hij deed, nam de beide boeken in de hand en onderzocht met vorschenden blik de dikke, zwaar vergulde banden. Plotseling nam hij glimlachend een pennemes en sneed haastig den band los, waar deze aan den rug van het boek was vastgemaakt. Eene menigte ineengevouwen papieren kwam te voorschijn, en toen de kroonprins ze opnam en ontvouwde, vloog een straal van trotsche zegepraal over zijn gelaat.
âTienduizend daalder!quot; fluisterde hij zachtjes in zich zeiven. âDe keizerin en de hertog van Riron hebben dus woord gehouden.''
Toen nam hij eenige dezer papieren en ging er mede naar Ephraïm. âHier, daar hebt gij uwe vierduizend daalder en hier zijn honderd daalder voor de rente. Zijt gij nu tevreden ?quot;
âNeen, koninklijke hoogheid. Ik ben voldaan, maar niet tevreden, niet tevreden met mij zeiven! Hot schijnt mij toe, dat ik een onrecht tegen uwe koninklijke hoogheid gepleegd heb, terwijl ik mij bij mijne komst verbeeldde, dat men een onrecht tegen mij plegen wilde.quot;
âDenk daar niet over!quot; zeide Frederik goedig. âDe vorsten moeten altijd de zondebokken der menschen zijn, en voor alles, wat gij lijdt, stelt gij ons verantwoordelijk, zonder ooit te vragen, hoeveel wij zeiven lijden. Ik ben u niets meer schuldig, ga dus heen.quot;
Ephraïm boog zich zwijgend en ging 1 ingzaam naar de deur. De groote schitterende oogen van den kroonprins volgden hem met eene liefderijke, peinzende uitdrukking. Toen trad de prins spoedig naar de schrijftafel en nam zijne Hult op.
Ephraïm was reeds door de opene deur in de voor-
80
kamer gekomen, toen hij achter zich de zachte, smeltende tonen der fluit vernam. Op de teenen sloop hij dooide voorkamer, maar buiten aan de uitgangdeur bleef hij staan luisteren. De doordringende blik van den kroonprins had alles nauwkeurig gadegeslagen en zag den luisteraar, die zich builen de deur trachtte te verschuilen zeer duidelijk, maar hij speelde toch door. Eene zoo smeltende, zoo gevoelvolle, zoo teedere muziek ontlokte hij aan zijne fluit dat Ephraïm van verrukkig en weemoed trillende, zijne handen als tot een gebed vouwde en dat zelfs Fredersdorf, hoewel een dagelij ksche toehoorder van den prins, toch met zichtbare, ademlooze verbazing naar hem luisterde
Toen het adagio ten einde was, legde Frederik de fluit weg en wenkte Fredersdorf de deur van de voorkamer te sluiten. Hij wilde Ephraïm gelegenheid geven onopgemerkt heen te kunnen gaan.
âZag uwe koninklijke hoogheid, dat de jood stond te luisteren?quot; vroeg Fredersdorf.
âDat zag ik. Maar ik was den armen drommel nog eene voldoening schuldig. Hij wilde mij ongevraagd nog duizend daalder leenen. Eens zal ik aan hem denken. En nu, Fredersdorf, zeg mij nu spoedig, hoe staat het in Berlijn, hoe gaat het den koning?''
âHet gaat beter, koninklijke hoogheid. De koning is voor eenige dagen naar Potsdam vertrokken, en de reine, frissche lucht aldaar heeft hem goed gedaan. Hij vertoont zich alle dagen in volle uniform op het balkon van het kasteel en laat zicti uren lang in den tuin rondrijden. De dokters trekken, wel is waar, een bedenkelijk gezicht, maar de geheele wereld gelooft niet anders, dan dat de koning allengs in beterschap toeneemt.quot;
âEn God geve, dat die artsen ook ditmaal gelijk zoo dikwijls, tot leugenaars worden!'' riep de kroonprins. âMoge de koning nog vele en gelukkige jaren regeeren! Als hij mij naar mijne manier laat leven, zoude ik mijn arm willen geven, wanneer ik daardoor het leven van den koning verlengen kon 1). Wij willen nu heden vroolijk zijn, Freders-
1
Eigene woorden van den kroonprins. Zie: Friedrich des Grossen Jugend von Preussen, pag. 309.
81
doi'f en onder vermaak en vroolijkheid de beterschap van den koning vieren! Maak daarvoor de noodige toebereidselen: geef in de keuken de vereischte bevelen, maar zeg eerst aan de dames en heeren, die in de tuinzaal op mij wachten, dat ik zeer spoedig bij hen zal zijn.quot;
Toen hij nu weder alleen was, nam de kroonprins den brief met geld, dien hij zoo even ontvangen had, en opende hem. Met een glimlach van liefde beschouwde hij de letteren van zijn verren vriend, met een van vreugde stralend gelaat las hij die woorden vol liefde, bewondering en vriendschap, zooals hem Suhm ze uit Petersburg had geschreven.
âWaarlijk,quot; zeide hij toen, zijne oogen vroom ten hemel slaande, âwaarlijk, een trouwe vriend is meer waard dan alle koningskronen. Wat zoude ondanks al mijne schitterende uitzichten voor de toekomst, wel van mij geworden zijn, wanneer Suhm mij niet al voor de tweede maal had bijgestaan en voor mij in Rusland bijeengebracht had, wat ik in de erllanden van mijn huis te vergeefs zocht. Een mensch, die aan de handen der zeeroovers ontsnapt is, kon in geen moeielijker toestand zijn, dan waarin ik heden was, en dat verdubbelt en vergroot nog mijne erkentelijkheid voor Suhm Mijn hart dringt mij hem terstond eenige woorden toe te voegen, hem van mijne voortdurende liefde, van mijne onveranderlijke vriendschap te verzekeren.quot;
Hij zette zich aan de schrijftafel en schreef haastig een dier kostelijke, schoone, hartinnemende brieven aan Suhm waarin de kroonprins altoos zijn geheele ziel, zijn geheel innerlijk leven gewoon was uit te storten, en waarvan het slot ditmaal luidde;
âBinnenkort zal mijn lot beslist zijn, dierbaarste vriend. Gij kunt begrijpen, hoe ik gemarteld word door den toestand, waarin ik mij nu bevind. Men laat mij weinig rust, maar mijn binnenste is gezond en ik kan u verzekeren, dat ik nooit meer wijsgeer was, dan bij deze gelegenheid.
6
1) Prederik's eigen woorden: Correspondence avec Mr. de Suhm. Ouvres de Frédéric le Grand. Vol. XIV, pag. 360.
Uühlbach, Frederik de Groote en sijn Hof. 1.
82
Ik beschouw alles wat komen zal met onverschilligheid, zonder het geluk te verlangen of te vreezen ; ik gevoel het diepste medelijden voor hen, die lijden, de grootste achting voor de eerlijke lieden, de oprechtste liefde voor mijne vrienden ! Gij, dien ik onder het getal der laatsten tel, gij zult u al meer en meer overtuigen, dat gij altoos in mij vinden zult, wat Orestes ooit in zijn Pylades vond, en dat niemand u meer kan achten en liefhebben dan uw getrouwe Frederik.quot;
âZoo!quot; zeide de kroonprins toen hij geëindigd had. âEn nu weg met de zorgen en den ernst des levens.quot; âGij, genius der vreugde en van het genot, bezielt gij mij nu. Wij willen u heden een feest vieren. Kom Venus, kom, en breng ons tevens uw zoon Amor mede, want u beiden willen wij heden huldigen, u zij de dag, u de nacht gewijd! Gij hebt mij de kleine Moriengezonden,deze (ladderende, vlugge gazelle, dit overmoedige, juichende lenteleven, dien Tourhillon van liefde, hart, hartstocht, lichtzinnigheid en overmoed '). Daar, daar is het poëtische epistel, dat ik voor haar bestemd heb. Mevrouw Brandt zal het overbrengen, mevrouw Brandt moet mijn Tourhillon in den tempels des geluks en der liefde noodigen. Weg dus met het ernstige gelaat en de wijsheid der dwazen! Bestraal mij, wijsheid der liefde, schenk mij één uur geluk, één uur van zalige vergetelheid!quot;
Hij schelde zijn kamerdienaar en beval dezen, hem prachtig te tooien en de schoonste en nieuwste zijner Fransche kleederen heden voor den dag te halen ; toen ging hij hem voor naar de kleedkamer, om met den ernst van een Jupiter en den ongeduldigen haast van een minnaar de groote kunststukken van het toilet aan zich te laten volbrengen.
XI.
DE KROONPBINSES ELISABETH CHRISTINE.
De kroonprinses had hare vertrekken nog niet verlaten. Zij wachtte nog altijd haar gemaal, opdat deze, zooals hij
1) ïourbillon was de bijnaam, dien mevrouw van Morien in Rheinsberg van den kroonprins kreeg.
83
gewoon was tiaar den arm zou bieden en haar naar de zaal zou geleiden. Dat was eiken morgen en eiken dag de eenige gelegenheid, waarbij de kroonprinses haai- gemaal, al was het slechts voor een vluchtig oogenblik, alleen kon zien; de eenige gelegenheid, waarbij hij onmiddelijk eenige woorden tot haar richtte, waarbij zij zijne hand aanraken, op zijn arm leunen kon. Een zoet, maar tevens treurig geluk voor deze arme jonge vrouw, die slechts van het aanschouwen van haren gemaal leefde, die geen anderen wensch, geen ander gebed, geen andere hoop had, dan hem te behagen, en die toch nooit dit geheim had kunnen doorgronden, die nog nooit de oogen van haren gemaal met een andere uitdrukking, dan die van koude vriendelijkheid bedaarde onverschilligheid op haar had voelen rusten! Elisabeth Christine zoude haar hartebloed er voor gegeven hebben, ook slechts één dag, één kort zalig uur door hem bemind te worden, in zijne armen te rusten, niet uit overeenkomst, uit dwang of holïelijkheid, maar aan zijn hart te liggen, als eene vrouw, die lief heeft]; in haar oor het zoete getluister zijner teederheid zijner verukking te hooren. Elisabeth Christine zoude jaren van haar leven weggegeven hebben, indien zij er mede den man bad kunnen koopen, dien zij zoo, grenzeloos beminde, die haar de op de aarde nedergedaalde godheid toescheen, het tot waarheid en tot werkelijkheid geworden ideaal harer meisjesdroomen. En deze man was haar gemaal, behoorde haar, was aan haai- door de heiligste banden verbonden, en nochtans was er eene onoverwinnelijke klove tusschen hun beide en hare liefde; haar gebed, hare zuchten, hare berusting kon deze klove niet sluiten. De kroonprins beminde haar niet, en nooit had zij de geringste trilling van zijn hart jegens haaiquot; vernomen ! Hij duldde haar slechts, hij duldde haar slechts aan zijne zijde als de gevangene den cipier rustig aan zijn zijde laat gaan, wanneer hij daarmede voor eenige uren het genot der vrijheid, der heldere zonnige wereld van God koopen kan. Een gevangene was de kroonprins, een gevangene van den echt. Niet de liefde, maar de dwang had dezen gouden kluister om zijne hand gelegd, die slechts de eerste schakel was van die lange, onzichtbare, zware keten, welke hij later aan zijne voeten, aan zijne ziel,aan zijne gedactiten, zwaartillend
84
met zich sleepte. Elisabeth Christine was voor haar gemaal een bestendige, altoos vermanende, altoos bittere herinnering aan zijne treurige, vertrapte, verwelkte en vernederde jongelingsjaren ; eene aanhoudende herinnering aan den edelen vriend zijner jeugd, wiens bloed vooor hem was vergoten geworden en wiens laatste doodskreet de kroonprins met een door smart gefolterd hart vernomen had; eene aanhoudende herinnering aan den toorn en wrok, den haat en den wrevel zijns vaders, aan de zoo dikwijls ondergane vernederingen, beleedigingen en krenkingen, den hoon en â zelfs de slagen, welke eindelijk den trotschen en edelen zin van den prins gebogen en hem zoover gebracht hadden, dat hij zich in deze slavernij van den echt had begeven, om daarmede den toorn en de wreedheid des vaders af te koopen. Uit de gevangenis in Ruppin was hij in de gevangenis van den echt overgegaan! Hoe zou hij dat aan zijne gemalin kunnen vergeven, hoe zou hij ooit deze vrouw kunnen liefhebben, die hem was opgedrongen als de bittere alsemdrank, dien men wellicht daarom slechts drinkt, omdat men zegt, dat men zich daardoor van eene doodelijke ziekte erl folterende smarten kan bevrijden.
Hij had zijne gemalin intusschen niet laten misgelden, dat hij haar slechts gedwongen zijne hand gereikt had ; zij werd altijd vol beleefdheid en vriendelijkheid, maar ook altijd koel en als vreemd door hem bejegend. Een enkel vertrouwelijk uur had zij met hem gehad, en in dat uur had hij haar gezegd, wat hen beide met zulk eene kracht verbonden, maar ook met dezelfde kracht voor altoos gescheiden had ; want nooit zou hij de hem opgedrongene vrouw kunnen liefhebben, evenmin als dat zij voor den opgedrongen man, dien zii niet lief had, ooit iets anders dan koude onverschilligheid, beleefde achting kon gevoelen ! Hij vermoedde toen niet met welke doodelijke dolksteken hij het hart zijner gemalin had gewond; want zij had kracht gehad, al deze martelingen onder een glimlach te bedekken en ze met kuischen, maagdelijken trots in haar hart te begraven.
Sedert dit gesprek waren er jaren verloopen, en in deze jaren was de liefde der kroonprinses voor haar gemaal al meer en meer aangewakkerd ; zijne oogen waren de zon geworden, die deze wonderbloesem bescheen en bezielde ;/iare
85
tranen waren de dauw geweest, die haar verkwikte en levenssappen schonk,
Elisabeth Christine hoopte nog altijd eens het hart van haren gemaal te veroveren ; zij geloofde altoos nog, dat hare groote, gelatene, deemoedige, trotsche en bedeesde liefde eens zijne koelheid zoude overwinnen en den opgedrongen gemaal in een teederen minnaar zou veranderen.
En nochtans, ondanks deze hoop, ondanks den troost dei-toekomst, vreesde Elisabeth nu meer dan ooit. Zij had een voorgevoel, dat het uur der beslissing naderde; zij gevoelde met den zin eener minnende, dat een nieuw onweder aan den altoos bewolkten gezichteinder van haren echt samentrok en dat de bliksemstraal zoude neeschieten om haar te verpletteren.
Gedwongen was prins Frederik met haar getrouwd. Hoe nu, wanneer die dwang ophield, wanneer haar gemaal koning werd, door niemand tegengehouden, door niemand gebonden, zich zeiven en der wereld wetten gevende en niemand als rechter boven zich erkennend, niemand dan zijn geweten! Zoude quot;elfs zijn geweten hem dan niet raden, dezen onnatuurlijken echt te verbreken, die geen vonk der goddelijke waarheid in zich droeg, geen straal van den goddelijken zegen ? Zoude dan haar gemaal haar wellicht niet verstoeten, om zich eene vrouw te kiezen, naar eigen keuze, om die Engelsche prinses tot zijne gemalin te nemen ? Had koning George, hoewel te laat, zich niet bereid verklaard, deze prinses aan den kroonprins te schenken ? Hadden zij beiden elkander niet bemind met al het vuur der jeugd, ofschoon zij elkander nooit gezien hadden ? Hing niet het portret van Sophie Amalia in de boekerij van den kroonprins; droeg de Engelsche prinses zijn miniatuur-portret niet steeds aan haar hart en had zij niet gezworen het nooit af te leggen en nooit de vrouw van een ander man te worden.1)?
Als Elisabeth daaraan dacht, sidderde haar hart van verdriet en leed, en zij gevoelde zich, als moest zij haar ge-beele leven in één kreet van angst en ontsteltenis uitstorten..
1
Rödenbeck: Beitriige zur Bereichemng und Krlaaterung der Lebensbo-scbreibung Priedrich Wilbem I. und Friedrich des Grossen. Th. I. pag. 199.
86
Neen, zij zou een leven zonder hem niet kunnen dragen ! Zij zou er nooit in toestemmen van hem te scheiden. Hij kon haar dooden, maar hij kon haar niet dwingen hare geheiligde, voor Gods altaar hezworene rechten te laten varen : hij kon haar niet, zooals Abraham zijne Hagar, naaide woestijn zenden, om zich eene andere vrouw te kiezen.
Hij kon haar niet dwingen van hem af te gaan ; maar hij kon er haar om bidden, en Elisabeth wist zeer goed, dat er niets op de wereld was, dat zij haar gemaal zou kunnen weigeren, wanneer hij zich vernederde haar er om te bidden. Voor één liefderijk, dankbaar woord uitzijn mond zou zij haar hartehloed droppel bij droppel vergoten hebben ; voor ééne teedere omhelzing, voor één hartelijk gemeenden kus zou zij juichend haar leven gegeven hebben.
Maar nog wilde zij niet aan het ongeluk en de scheiding gelooven ; nog wilde zij beproeven ditheillooze lot af te wenden, en zijn hart, zonder deelneming, zonder medelijden ten minste, te verwerven.
Het was een strijd om haar bestaan, haar geluk, hare toekomst, ja zelfs om hare eer. Want eene gescheidene vrouw, al is zij ook eene vorstin, draagt toch altijd eene smet op hare eer en gaat eenzaam, onbeklaagd, veracht door het leven.
Sedert eenigen tijd had dan ook de arme kroonprinses hare pogingen om haar gemaal te behagen, verdubbeld; sedert eenigen tijd had zij zich meer dan ooit aan het gewoel der gezelschappen overgegeven en het niet beneden zich geacht somwijlen den toon te geven aan de wel wat lichtvaardige scherts der vroolijke en vrije avondpartijen van haren gemaal, zoodat het haar soms gelukt was hem een glimlach, een blik van goedkeuring af te dwingen. Dat waren voor Elisabeth edelgesteenten in de martelaarskroon barer liefde en zij hield ze voor kostelijker tooi dan alle brillanten en paarlen.
Heden zou er weder een dier vroolijke, vrije avondpartijen, die de kroonprins zoo zeer beminde en op welke hij zelf steeds de meest betooverende, vernuftige, geestrijke en ongedwongen voorganger was plaats hebben. Prinses Elisabeth wilde heden niet enkel slechts een ijdele bezoekster van het feest zijn. Zij wilde haar gemaal dwingen haar aan
87,
te zien, ja zelfs te bewonderen. Zij wilde schooner zijn dan al de andere dames, schooner dan de vroolijke, geestrijke, behaagzieke mevrouw van Brandt, schooner dan de vernuftige Tourbillon, mevrouw van Morien, schooner nog dan de jonge Schwenn met hare schitterende oogen en haar door de jeugd bezield gelaat.
Ook zij was immers nog jong en ook zij had wel haar aanspraak om gevierd, bewonderd en bemind te worden; niet enkel omdat zij eene vorstin, omdat zij de gemalin van den edelsten, schoonsten en schrandersten prins was, maar om haar zelve verdiende zij bewonderd en bemind te worden.
Zij had hare kameniers weggezonden, want haar toilet was gemaakt en zij wachtte op den kroonprins, die haar naar de zaal zoude geleiden.
Zij trad voor den spiegel en beschouwde zich zelve, niet bewonderend en verheugd, maar nieuwsgierig en onderzoekend. Die gestalte in den spiegel was niet de hare, het was die van eene vreemde; zij beschouwde en onderzocht haar geheel koel, geheel streng; want zij wilde weten, of die vrouw daar in den spiegel niet in staat zoude zijn den schoonen kroonprins te boeien.
âHet is waar,quot; zeide zij met een treuriger» glimlach, âdeze figuur is slank en niet geheel zonder bevalligheid. Het witte atlaskleed golft in breede, majestueuze plooien langs die tengere taille over de volle heupen; het steekt heerlijk af bij die blanke schouders, van welke mijne hofdames mij dikwijls genoeg gezegd hebben, dat zij zoo wit zijn als albast; bij dien hals, door mevrouw van Morien gisteren nog een zwanenhals genoemd. De voet, welke daar onder den zilveren zoom van het kleed uitsteekt, is smal en klein genoeg; en die hand is zoo blank en klein en welgevormd, dat ik den schilder Presne gisteren nog beloven moest, haar tot model voor zijne godin Aurora te laten gebruiken. En dat gelaat? Is het dan leelijk?quot;
Zij boog haar hoofd nader bij den spiegel en beschouwde zich met scherpe en koude blikken.
âNeen,'' zeide zij. âdat gelaat is niet leelijk, het is veeleer schoon te noemen. Dat is een vrij hoog, open voorhoofd, de wenkbrauwen zijn fraai gebogen en geplaatst, de oogen
88
zijn groot en niet zonder glans, de neus is klein en spits, maar edel gevormd, de mond is niet groot en de lippen zoo rood als purper Ja, het is een schoon gelaat! Mijn God, waarom kan het dan den kroonprins nooit bevallen, waarom ziet hij mij nooit met vreugde en bewondering aan !quot;
Zij liet haar hoofd op hare borst zinken en verdiepte zich in treurige, zwaarmoedige droomerijen. Twee tranen, die langzaam en koud uit hare oogen over hare wangen vielen, deden haar ontwaken. Met eene haastige beweging lichtte zij haar hoofd op en wischte de tranen van hare wangen. Daarop zag zij weder in den spiegel.
âWaarom bemint de kroonprins mij niet?quot; fluisterde zij weder met bevende lippen en treurigen glimlach. âAch, ik zie het, ik weet het wel, het staat met onvriendelijke, treurige trekken op mijn gelaat geschreven; ik weet, waarom hij mij niet bemint! Deze groote blauwe oogen zijn zonder ziel en zonder vuur; deze mond mist den aanlokkelijke!), betooverenden, verleidelijken lach; het is eene schoone gestalte, maar de ziel ontbreekt haar; eene schoone natuur zonder geest. Mijn God, mijn God, ik slaap, mijne ziel ligt dood en verstijfd in de kist mijner verborgen smarten; hij kon haar door zijne kussen doen ontwaken; hij kon haar door zijne blikken met leven bezielen.quot;
Zij stak hare armen uit en met van verlangen en smart sidderende lippen fluisterde zij : âPygmalion, waarom komt gij niet om uwe Galathea te doen ontwaken? Waarom wilt gij dit marmeren beeld niet in eene vrouw van vleesch en bloed, met ziel en hart, veranderen ? Deze lippen zijn tot glimlachen bereid en om den kreet van verrukking en genot te doen hoo-ren; en achter den sluier mijner oogen ligt eene ziel, die gij slechts behoeft aan te raken, om haar te doen ontwaken. O, Frederik, Frederik, waarom martelt gij mij zoo? Voelt gij dan niet, dat uwe vrouw liefheeft, dat zij u aanbidt, dat gij 'hare zaligheid, ja haar God zelf zijt? O, ik weet het wel, dat zijn heillooze, zondige woorden, maar wat doet het er toe, ik ben eene zondares, want ik ben bereid mijne zaligheid voor u weg te geven. Frederik, Frederik, waarom hoort gij mij niet, waarom hebben mijne zuchten en mijne tranen de kracht niet om u tot mij te roepen!quot;
1) Dit portret der prinses is volgens de: Lettres familières et autre», de monsieur le baron de Bielfeld. Tom. I. pag. SI.
89
En de arme, van smart verscheurde jonge vrouw liet zich op esn stoel vallen, verborg haar gelaat in hare handen en weende bitter.
Vroolijke stemmen en luid gelach, dat dicht onder hare vensters van uit den tuin klonk, wekten haar uit hare smartelijke gedachten.
âDat is mevrouw van Brandt en de hertog van Brunswijk,quot; lluisterde Elisabeth diep ademend, terwijl zij opstond en naar het venster ijlde, om, achter de gordijnen verborgen, in den tuin te kunnen zien.
Ja, daar stond de hertog op het terras in een levendig druk gesprek met de vrienden, met Jordan, Kaiserling, Chasot en met den eerst heden aangekomen Bielfeld. Maaide dames waren nergens te zien en de prinses begreep daaruit, dat zij zich reeds in de voorzaal begeven hadden en dat de prins spoedig komen zou om zijne gemalin af te halen.
âHij mag niet zien dat ik geweend heb; niemand mag dat zien,quot; fluisterde Elisabeth, terwijl zij op baai- zakdoek ademde en dien voor hare oogen drukte. âNeen, ik wil vroolijk zijn en glimlachen als mevrouw van Brandt en van Morien, ik wil lachen en schertsen en niemand zal vermoeden dat mijn hart dood bloedt en afsterft onder onbegrepen smarten. Ja, vroolijk en opgeruimd wil ik zijn en lachen, want dan alleen kan ik mijn gemaal behagen.quot;
Terwijl zij zoo sprak, lachte zij, maar het was een treurig hartverscheurend lachen, dat intusschen daar buiten in de voorzaal een luider; vroolijker weerklank vond.
XII.
HET GEDICHT.
In de voorzaal waren, zooals de kroonprinses reeds vermoed had, de hofdames zoowel als de in Bheinsberg op bezoek aanwezige dames uit Berlijn, onder welke mevrouw van Brandt en van Morien verzameld en wachtten op de prinses. Terwijl deopperhofmeesteres met eenige dames zich
90
in eetie vensternis teruggetrokken hadden en daar halfluid met elkander praatten, liepen mevrouw van Morien en van Brandt in een druk, fluisterend gesprek de zaal op en neder.
Mevrouw van Morien luisterde in blijkbare spanning naar de woorden barer vriendin, en haar schoon, sprekend gelaat gaf duidelijk al de verschillende gewaarwordingen barer ziel terug. Nu vloog een gelukkige glimlach over bare beminnelijke trekken, dan weder zetelde eene wolk op dit heldere, gladde voorhoofd en verduisterde een oogenblik hare donkere, schitterende oogen.
âZooals ik u zeg,quot; fluisterde mevrouw van Brandt, âde keizerin zelve laat u zeggen, dat gij op hare dankbaarheid kunt rekenen, in geval gij genegen zijt de wenschen der keizerin te ondersteunen. Gij moet al uwe welsprekendheid, al uwen invloed aanwenden, om den kroonprins van de gedachte af te brengen, dat hij zich, bij den dood des konings, van zijn vrouw laat scheiden. De keizerin wil, dat bare nicht koningin van Pruisen worde.quot;
âIk neem dat de keizerin in het geheel niet kwalijk,quot; zeide mevrouw van Morien met schalkschen glimlach, âliet is maar de vraag, of de wil van den kroonprins met dien van de üostenrijksche keizerin overeenstemt. Want gij weet wel, dat prins Frederik de man niet is, om zich naar eens anders wil als naar zijn eigen te schikken.''
âNiet naar den wil der keizerin, maar naar den uwen, lieve!''
âEn_ waarmede denkt de keizerin mijn wiltekoopen? Wantquot; ik hoop niet, dat die goede keizerin mij voor zoo dwaas en kinderachtig houdt, dat bare wenschen voor mij bevelen zijn, omdat zij van de lippen eener keizerin komen? Neen, de kleine Morien is, in dit oogenblik, voor de keizerin een gewichtiger persoon, dan de keizerin voor mij is, en het is daarom natuurlijk, dat ik mijne voorwaarden stel.quot;
âNoem slechts die voorwaarden, dierbaarste vriendin, en ik kan u bij voorbaat verzekeren, dat zij vervuld zullen worden; of bet moest zijn, dat gij de sterren of de maan eischtet, die de keizerin u stellig niet geven kan.quot;
âEn toch hebt gij mijne voorwaarde geraden,quot; zeide mevrouw van Morien glimlachend. âIk verlang alleen eene
91
ster, maar stellig niet eene van die kleine daarboven, eene grootere, meer eervolle en schoonere ster, die de keizerin mij geven kan.''
âTk begrijp u niet,quot; zeide mevrouw van Brandt geheel verbaasd.
âOch, gij zult mij spoedig begi'ijpen, luister maar ! Hebt gij niet gehoord, dat de Oostenrijksche keizerin eene orde wil stichten, een orde van deugd en zedigheid?''
Mevrouw van Brandt brak in een luiden, zilverhelderen lach uit. âEn in deze orde wilt gij opgenomen worden ?quot;
âJa, dat wensch ik, en wanneer de keizerin mij niet tot grootkruis-dame van die orde maakt, laat ik mij volstrekt met geene verdere onderhandelingen in.quot;
Mevrouw van Brandt lachte nog altoos. âDat is eene te verhevene, te geestige gedachte, zeide zij. Le Tourhillon wil grootkruis-dame van de orde der deugd worden ! De schoone Morien, wier grootste trotschheid vroeger was, de preutsche deugdzamen te verachten en met de zedeleer te spotten, de schoone Morien wil nu slippen-draagster der zedigheid worden.quot;
âLieve vriendin,quot; zeide mevrouw van Morien, meteen betooverenden glimlach, die twee rijen der heerlijkste, witte tanden liet zien, âlieve vriendin, men moet altijd, ter rechter tijd, een terugweg open houden, en even als Aesopus, bij het afklimmen van een berg, zich niet over het schoone, gemakkelijke pad verheugde, maar reeds zuchtte over de naderende bezwaren bij het opklimmen, zoo moeten ook de vrouwen nooit voldaan zijn met de schoone paden van het tegenwoordige, maar zich ook een weinig de bezwaren der toekomst voor den geest stellen. De dag komt toch, waarop wij de bloemrijke paden dei-liefde en des genots met een hek, door den ouderdom er voor geplaatst, afgesloten vinden en dan, gedwongen, de vervelende en onvriendelijke paden der deugd moeten bewandelen. Het is daarom goed en wijs, wanneer men zich reeds vroeg van een pas voor deze onaangename wandeling voorziet en zich de hobbelige wegen, welke evenzeer komen als de ouderdom, een weinig elfen maakt. Heden ben ik de Tourhillon en zal het nog eenige jai-en blijven, maar wanneer de rozen en leliën mijner wangen verwelkt zijn, dan zal ik het orde-kruis der deugd op mijn
geslonken boezem hangen en eene zeer god vreezende, zeer kuische, zeer strenge, ridderlijke strijderes der deugd worden.quot;
Beide dames lachten, en het was een lachen zoo vroo-lijk, zoo zilverhelder, zoo zuiver en onschuldig als het gejuich der leeuwerikken en het gezang der kinderen. Toen nam de Tourbillon weder een ernstig, zalvend gelaat aan en : begon met een preêkenden neustoon : âEn verdien ik het ook niet, met de orde der deugd verheerlijkt te worden ? Is mij niet de verhevene, heilige roeping geworden, om de harten van twee echtgenooten te vereenigen, en wat God zoo schoon heeft samengevoegd, met mijne zwakke, maar schoone handen nog nauwer te verbinden? Moet ik niet als eene priesteres van Vesta dit heilige, kroonprinselijke echtverbond zegenen, om de heilige vlammen der kuische, echtelijke liefde op nieuw te doen ontbranden ? Ik zeg u dus, verschaf mij deze orde, maak dat ik eene der eerste ridderessen dezer orde worde, of ik neem de rol niet op mij, die gij mij wilt laten spelen.quot;
âIk sta u borg, dat uwe luimen zullen ingewilligd, en dat gij dame der orde zult worden, zeide mevrouw van Brandt ernstig.quot;
âVergeef mij, liefste, maar dit is mij niet voldoende. Ik verlang, dat de keizerin van Oostenrijk, de verhevene tante van onze kroonprinses, mij zelve in een eigenhandig briefje de verzekering geve, dat deze orde in het leven treedt en dat ik ridderes van de orde worde. Het kan geen kwaad wanneer de verhevene keizerin er bovendien nog eenige woorden van genegenheid en liefde bijvoegt en mij van hare hoogachting verzekert.quot;
âIk zal nog heden uwe voorwaarden naar Berlijn overbrieven en zij zullen onmiddelijk door een koerier aan de keizerin overgebracht worden, die, zonder twijfel, onmiddelijk bereid zal zijn ze te vervullen ; want het gevaar is dringend en gij zijt een machtige bondgenoote.quot;
âGoed, dan zijn wij het zoover eens, en er ontbreekt verder niets dan de hoofdzaak,quot; zeide mevrouw van Morien met een plagenden glimlach, âverder niets, dan dat inderdaad uwe veronderstellingen uitkomen, dat ik werkelijk voor den kroonprins iels meer ben dan slechts de Ãbïtrfo'/km, de schoone Morien, de Turksche muziek, die hij laat spelen
33
als hij vroolijk is. Er ontbreekt verder niets, dan dat de kroonprins mij werkelijk bemint. Hij maakt mi] bet hof, dat is waar; hij drukt mij soms, in het geheim, de hand; hij fluistert mij soms eenige teedere, smachtende woorden in het oor; hij heeft gisteren, toen ik hem toevallig geheel alleen in den donkeren gang ontmoette, mij zeer vurig omhelsd en mijne lippen met zulke gloeiende en onstuimige kussen bedekt, dat ik bijna stilde. Maar dat is alles, dat is de geheele roman mijner liefde.quot;
âNeen, dat is niet alles! Deze roman heeft een vervolg,quot; zeide mevrouw van Brandt met zegevierenden blik, terwijl zij een verzegelden brief uit haren boezem haalde en hem aan de schoone Morien overreikte. âDaar, neem dezen brief, hij is een nieuw kapittel voor uw roman.quot;
âDeze brief heeft geen adres,quot; zeide mevrouw van Morien glimlachend. âAan wie is hij?quot;
âHij is aan u.quot;
âNeen, hij is aan mij !quot; riep plotseling eene stem achter haar, en een vlugge hand kwam als do bliksem te voorschijn en ontrukte aan mevrouw van Mórien het verzegelde papier.
âVoor mij, deze briefis voor mij !quot; juichtte de kleine bof-freule Louise van Schwerin, die onopgemerkt achter de beide dames was gekomen en juist in het beslissend oogen-blik haar had bereikt en den brief gegrepen, dien zij nu met opgeheven arm hoog in de lucht hield.
âDe brief behoort mij, hij is de mijne !quot; herhaalde het dartele meisje, onder vroolijk lachen om de beide ontstelde, van schrik verbleekte dames huppelend. âWie waagt het te beweren dat deze brief, welke geen adres heeft, niet aan mij gericht is ?quot;
âLouise, geef mij den brief terug,quot; bad mevrouw van Morien met sidderende, door angst gesmoorde stem. Maar Louise vond er genoegen in hare schoone vriendin te martelen en in angst te jagen én er zich een weinig over te wreken, dat deze haar nog altijd een kind noemde en haar uitlachte, wanneer Louise van haar hart sprak en de eene of andere geheimzinnige, groote, ongelukkige liefde liet vermoeden. Louise wilde zich nu wreken, terwijl zij tegelijk op de voorrechten van een kind aanspraak maakte en de plaagzieke dartelheid van een kind toonde.
âDaar, neem den brief, wanneer gij hem krijgen kunt,quot;
94
riep de hoffreule, terwijl zij, als een gazelle, door de zaal vloog en met den brief, als met een vlaggetje, wuifde. âNeem den brief maar!quot;
âMevrouw van Morien snelde haar na, en nu begon een vroolijk jagen en vervolgen door de zaal, vergezeld van het vroolijke gelach van goedkeuring onder de dames, die met levendige belangstelling dien wedloop der schoonen aanschouwden. En inderdaad, het was een bekoorlijk gezicht, om deze beide schoonheden te zien, hoe zij, gelijk twee Atalante's door de zaal vlogen, schitterende van vuur en genoegen, met gloeiende wangen en glimlachende lippen, met golvende lokken en hoog zwoegenden boezem.
Het jonge meisje had nog altijd den voorsprong; zij huppelde nog altijd juichend en lachénd de schoone Morien vooruit, terwijl deze reeds een weinig moede begon te worden.
âDat is mijn brief!quot; juichte de kleine, dartele hoffreule âen niemand zal hem mij ontrukken.quot;
Maar mevrouw van Morien, door den angst gejaagd, deed nu eene laatste wanhopige poging; als een pijl schoot zij op Louise toe en was nu zoo dicht achter haar, dat Louise reeds den wannen hijgenden adem van mevrouw van Morien op hare wangen voelde; zij zag reeds den opgeheven arm, die zich naar den brief uitstrekte, â toen plotseling de deur open ging, welke Louise juist bereikt had, en de kroonprinses1quot; zich aan den ingang der zaal vertoonde.
De kleine hoffreule zonk met een luid gelach aan hare voeten en hijgde ademloos; âgenadige prinses, red mij!quot;
Mevrouw van Morien was, bij de verschijning der prinses, blijven staan, hijgende niet alleen door den snellen loop, maar ook ademloos door schrik en ontsteltenis, terwijl mevrouw van Brondt, hare eigene verlegenheid onder een glimlach verbergend, hare vriendin naderde, om haar in dit gevaarlijke oogenblik, niet zonder hulp en bijstand, te laten. Het overige gezelschap stond zwijgend en op eerbiedigen afstand en zag slechts met nieuwsgierige, bespiedende blikken op het vreemde tooneel, dat zich vertoonde.
âNu, en waaruit moet ik u redden, kleine Louise ?quot; vroeg de kroonprinses, terwijl zij zich glimlachend over de adem-looze hoffreule boog.quot;
Louise zweeg een oogenblik. Zij begreep, dat de kroon-
95
prinses boos op haar zou zijn wegens hare onbeleefdheid en zij wilde voor het geheele hof niet weder als een kind behandeld worden. Zij nam dus een spoedig besluit; zij moest de waarheid van hare bewering volhouden ; zij moest volhouden, dat de brief aan haar gericht was.
âMevrouw van Morien wilde mij een brief ontrukken, die mij toebehoort,quot; zeide Louise van Schwerin, met een hoofdigen blik op deze.
âIk hoop,quot; dat uwe koninklijke hoogheid dit Jonge, dartele kind te goed kent, om aan hare woorden geloof te slaan,quot; zeide mevrouw van Morien ontwijkend, daar zij het niet waagde den brief als haar eigendom op te eischen.
âKind! Zij noemt mij weder een kind,quot; mompelde Louise door drift zich zelve geheel vergetende, eri nu vast besloten om dit tooneel, dat in den beginne slechts eene grap geweest was, tot het uiterste te drijven en zich op mevrouw van Morien te wreken, door haar ten toon te stellen.
âDus is, de brief niet aan Louise,quot; vroeg de kroonprinses, zien tot mevrouw van Morien wendende.
âNeen, koninklijke hoogheid, hij is niet aan haar,quot;
âHij is wel aan mij,quot; hield de kleinehoffreule vol. âUwe koninklijke hoogheid kan zich zelve daarvan overtuigen. Hier is de brief, wees slechts zoo goed het adres te lezen.quot;
âMaar deze brief heeft geen adres!quot; zeide de kroonprinses verwonderd, op den van Louise gekregen brief wijzend.
âEn toch beweert mevrouw van Morien, dat hij aan haar gericht is,quot; riep Louise boosaardig.
âEn toch zegt freule van Schwerin, dat hij haar behoort,quot; merkte mevrouw van Morien aan, een woedenden blik op Louise slaande.
âIk verzoek uwe koninklijke hoogheid te willen beslissen,quot; zeide Louise van Schwerin.
âHoe kan ik dat ? Hoe kan ik welen wien de brief toekomt, daar er geen adres op is?quot; vroeg de prinses glimlachend.
âA.ls uwe koninklijke hoogheid de goedheid wil hebben van hem te openen en te lezen,quot; zeide het dwaze kind moedig en met den schijn van de grootste oprechtheid. âDe brief is van mijne moeder, en ik behoef er voor uwe koninklijke hoogheid geen geheim van te maken, omdat ik toch geene geheimen heb.quot;
96
âZijt gij er mede tevreden, mevrouw van Morien ?quot; vroeg de kroonprinses met glimlachend, vertrouwend gelaat. âZal ik dezen brief openen en als scheidsrechter beslissen ?quot;
Maar vóór nog de angstige en ontstelde jonge vrouw den tijd had daarop te antwoorden, trad mevrouw van Brandt voor en naderde de kroonprinses met een glimlachend, open gelaat. Zij had in het uiterste gevaar een wanhopig besluit genomen. De kroonprins had haar gezegd, dat dit papier een gedicht bevatte. Waarom kon dit gedicht niet even goed voor de prinses als voor mevrouw van Morien bestemd zijn? Zonder twijfel bevatte het eene liefdesverklaring, zulke brieven passen voor elke vrouw en zijn iedereen welkom.
âWanneer uwe koninklijke hoogheid het mij veroorlooft, ben ik bereid inlichtingen over dit raadsel te geven,quot; zeide mevrouw van Brandt volkomen bedaard en op vasten toon.
De kroonprinses wenkte toestemmend.
âDeze briet behoort noch mevrouw van Morien, noch freule van Schwerin,quot; vervolgde mevrouw van Brandt.
âNu, gij beloofdet inlichtingen, en mij dunkt dat gij het raadsel nog ingewikkelder maakt. De brief behoort noch mevrouw van Morien, noch freule van Schwerin. Maar aan wien behoort hij dan ?quot;
âHij behoort aan uwe koninklijke hoogheid.quot;
âHoe?quot; vroeg de prinses verwonderd, terwijl mevrouw van Morien in sprakelooze ontsteltenis hare vriendin aanstaarde en treule van Schwerin in vroolijk gelach uitbarstte.
âJa, deze brief behoort aan uwe koninklijke hoogheid. De kroonprins gaf hem mij vroeger over, met het bevel, hem op het toilet van uwe koninklijke hoogheid te leggen, vóór gij u naar uwe kleedkamer zoudt begeven. Maar ik kwam te laat en vernam, dat uwe hoogheid reeds aan uw toilet begonnen waart. Ik wilde u daarom niet storen en behield den brief, om hem nu af te geven. Toen ik hem nu in de band hield en met mevrouw van Morien er over schertste, dat de kroonprins het adres vergeten had, kwam freule van Schwerin mij, op zeer onbeleefde manier, den brief ontrukken en beweerde, dat hij haar toebehoorde. Mevrouw van Morien ijlde haar na, om hem haar te ontnemen. Dit is de geheele geschiedenis.quot;
97
âEn gij zegt, dat de brief voor mij is ?quot; vroeg de kroonprinses nadenkend.
âVoor u, en hij bevat een gedicht van zijne koninklijke hoogheid.quot;
âDan heb ik ook het recht hem te openen,quot; zeide de prinses, terwijl zij het deed en het daarin liggende papier ontvouwde. Daarna riep zij met blijden glimlach ; âInderdaad het is een gedicht van mijn gemaal !quot;
âEn hier komt zijne koninklijke hoogheid zelf, om de waarheid mijner woorden te bevestigen !'' riep mevrouw van Brandt, terugtredende.
XIII.
HET BANKET.
Mevrouw van Brandt had gelijk ; het was de kroonprins, die, omgeven door zijne cavaliers, juist op het oogenblik, dat de kroonprinses het gedicht begon te lezen, in de zaal trad. Een gemompel van goedkeuring verhief zich bij zijne verschijning en het gelaat van zijne gemalin schitterde op het gezicht van dien schoonen, bevalligen, jeugdigen vorst, dien zij in dit oogenblik, waarop zij het eerste aan haar opgedragen liefdesgedicht van hem in handen hield, met blij vertrouwen haar gemaal noemde. De kroonprins verscheen heden niet, zooals gewoonlijk, in de uniform van zijn regiment, maar in een Fransch toilet, naar den laatsten smaak gemaakt. Hij droeg een céladon-kleurigen rok, van zware moiréezijde, op de schouderen met breede kantenslippen versierd, van wier uiteinden zilveren franjes hingen. De korte céladon-kleurige broek reikte tot aan de knie en washier met Spaansche zilverkant versierd, die laag over de zijden kousen heen viel. Op de met hooge roode hakken versierde schoenen prijkten gespen met diamanten van buitengewone grootte, die in glans nog overtroffen werden door de juweelen knoopjes, die het lange vest van zilver-brocade bijeen hiel-Huhlbach, Frederik de Groote en zijn Hof. I. 7
98
den Evenzoo maar minder prachtig, was de kleeding van de cavaliers des kroonprinsen, en toen de schaar dezer uitgelezene, schoone, geestige, rijkgetooide ridders in de zaal trad, blonken de oogen der dames van schitterender vuur en een levendig rood kleurde hare wangen.
Het schoonst schitterde het gelaat van de kroonprinses; nooit had zij haar gemaal zoo schoon gezien ; nooit was hij haar in deze verheerlijking van liefde en van geluk verschenen. En dat alles gold haar! Haar, de uitverkorene, de zalige, die hij thans beminde. Ja, hij beminde haar! Zij had nu eerst het begin van het gedicht gelezen, dat hij voor haar geschreven had, maar dat begin bevatte enkel woorden van teederheid, van gloeiende liefde.
Terwijl zij in stomme 'zaligheid naar haren gemaal zag, naderde mevrouw van Brandt den kroonprins, en vlug en bevallig het zooeven voorgevallen tooneel verhalende, verzocht zij van hem bevestiging barer woorden.
De vlugge blik van den kroonprins was een oogenblik, van de schoone, van verlegenheid en vrees sidderende Mo-rien, op de kroonprinses gevestigd, en uit haar stralend, vroolijk gelaat had hij begrepen, dat zij werkelijk nog geloofde, dat dit gedicht aan haar gericht was. Zij had het dus nog niet ten einde toe gelezen ; zij was dus nog niet tot aan het couplet genaderd, dat eene onmiddelijke toespraak aan de schoone TourhiUun, de betooverende Leontine bevatte. Men moest haar dus beletten, dat gedicht uit te lezen. Daar kwam het slechts op aan.
De kroonprins naderde daarom zijne gemalin met een glimlach, zooals zij nooit van hem gezien had en die haar hart van verrukking deed trillen.
âIk vraag u om verschooning,quot; zeide hij, âvoor mijn arm, klein versje, dat u op zulk eene onstuimige en in het oog loopende wijze is overhandigd geworden en inderdaad weinig verdient, dat men er zooveel over spreekt. Lees het in een eenzaam uur, wanneer de verveling u soms overvalt, en dan moge het eene kleine alleiding zijn voor bet verloren oogenblik. Maar lees het nu niet. Heden willen wij ons niet met gedichten en versjes bemoeien.
1) Bielfeld, Vol. II. pag 82.
99
heden willen wij schertsen en vroolijk zijn; â dat is te zeggen, als het u behaagt, mevrouw.quot;
De kroonprinses prevelde eenige zachte, overstaanhare woorden, en, terwijl haar hart overvloeide van de gedachten der liefde, vreugde en verrukking, vond zij, zoo als altoos, geene woorden voor hare gedachten. Deze kuische bedeesdheid harer lippen, deze armoede aan woorden, bij den volsten, innerlijken overvloei! van gevoel, was het ongeluk der arme kroonprinses. Dat was het wat haar verlamde, wat haar verlegen en ongevoelig deed schijnen; dat was het, wat haar ontstemde en van haar vervreemde, en omdat zij d^t gevoelde, was zij in zijne nabijheid nog verlegener en angstiger, en daardoor was zij des te minder in staat hare gedachten uit te drukken.
Had zij, in dit oogenblik, den moed tot een geestig gepast antwoord gevonden, dat zou haar gemaal bevallen hebben, terwijl haar stilzwijgen hem ontstemde en zijn voorhoofd deed betrekken.
Sprakeloos, zooals zij zelve, reikte hij haar den arm, en mevrouw van Morien met steelschen blik begroetende, geleidde hij zijne gemalin naar de eetzaal, naar de prachtig gedekte, met geurige bloemen en vruchten versierde en met een rijk zilveren servies schitterende tafel.
âDe tuinman van Rheinsberg, genaamd Frederik van ITo-henzollern, noodigt zijne vrienden uit om te proeven wat hij heeft geleverd,quot; zeide de kroonprins op den grooten geurigen meloen wijzende, die voor zijn bord stond. âLaat ons dus gaan zitten en vroolijk en opgeruimd zijn. Want gelukkig is de kroonprins niet te huis en wij kunnen dus allen sans gêne zijn en ons geheel aan onze vroolijke luimen overgeven, zooals de muisjes doen, wanneer de kat niet te huis is.quot;
Hij ging naast zijne gemalin zitten en wenkte toen mevrouw van Morien aan zijne linkerzijde, terwijl hij met be-tooverenden glimlach zachtjes tot haar zeide: âGij moet mij heden redden, schoone Tourbillon. Mijn hart brandt en heeft verkoeling noodig. Blaas dus, blaas dus, opdat liet koel worde en zich niet in eigen vlam verteere.quot;
âO, dit hart is een feniks,quot; fluisterde mevrouw van Morien, âuit zijne asch stijgt hij als met nieuwe jeugd weder op.quot;
âMaar om zicli slechts op nieuw in zijnen gloed te ver-
100,
teren,quot; zeide de prias zachtjes. Toen nam hij zijn glas op, en het geheele schitterende gezelschap overziende, zeide hij : âde eerste dronk zij heden aan de jeugd! Aan die zoete dwaasheid, die de ouden van dagen ons benijden, en van welke wij, helaas, met eiken dag genezen worden. Aan de jeugd en de schoonheid, welke heden hier zoo schitterend vertegenwoordigd zijn, dat men zich kon verbeelden dat vrouw Venus ons al hare dochters en speelnooten, maar ook al hare minnaars heeft gezonden, zoowel de afgedankten als de veriatenen, alsmede die, welke zij nog denkt te verlaten en die zij, voor het oogenhlik, nog begunstigt en streelt.quot;
Allen lachten en klonken vroolijk en aten met blijk baai-genot van die kostelijke geurige spijzen, die de meesterhand van Duval, den Franschen kok, bereid had, en die de kroonprins kruidde door de geestige scherts en het attisch zout van zijne altoos gereede, nooit falende geestigheid.
Nu straalde aller gelaat van vroolijkheid en genot, dan blonk de vreugde in ieders oog. De dikke Kno-belsdorf vertelde met zijne luide galmende stem het een en ander uit de chronique scandaleuse van zijne reizen; de kleine, keurige Jordan, met zijne fonkelende oogen en goedigen lach, hield, tegenover den kroonrpins gezeten, met dezen eene dier luimige, geestige, fijne tweespraken, zooals slechts deze beiden, door langdurige, innige vriendschap vereenigd, ze konden houden; de vroo-lijke, ridderlijke Chazot reciteerde eenige drastische coupletten uit Voltaire's pas verschenen Pucelle; de schoone ijdele graaf Kaiserling liet elke minuut een vuurpijl van geestigheid, geleerdheid en gevoel opgaan en onderhield de dames, die naast hem zaten, met een echt vuurwerk van geest en wetenschap, nu eenige verzen uit de Henriade reciteerende, dan weder eenige fabelen van Gellert, die juist in de mode kwam, opzeggende, nu eens met den niet ver van hem gezeten schilder Persne een geestig gesprek over de schilderkunst beginnend en dan weer voor zijne buur, de freule van Schwerin een betooverend beeld van de toekomst schetsend. Van die toekomst, in welke men te Berlijn een Fransch tooneel en eene Italiaansche opera, vooral een Fransch Italiaansch ballet zoude hebben, waarbij de schoonste danseressen en de beroemdste dansers zouden worden aangenomen en dat in pracht en glans
101
alles overtrelTeu zoude, wat men ouil van dien aard in het gelieele Duitsche rijk gegeven had ol' nog geven zoude.
Verder beneden aan de tafel zalen de beide Benda's, de beide Graun's en Quantz, de alvermogende en zeer gevreesde lluit-virtuoos en leermeester van den kroonprins, dien elkeen ontzag om zijne lompheid en voor wien zelfs de kroonprins een zekeren schroom ondervond, omdat zelfs hij niet beveiligd was tegen den een of ander groven uitval of lomp antwoord. Maar heden was zelfs Quantz vriendelijk en stil en zijn gelaat had de half goedige, half wrokkende uitdrukking van een bulhond, die door eene teedere, zachte hand gestreeld wordt en eindelijk wel boos wilde worden, maar uit welbehagen er niet toe komen kon.
Al luider, onstuimiger en losser werd de vroolijkheid van het gezelschap, al blozender werden de wangen der dames, al teederder en stouter werden de woorden der mannen. Alleen de kroonprinses zat zwijgend en treurig naast haar gemaal; haar hart was vol kommer en neerslachtigheid. Zij had het straks beleefde tooneel nog eens overdacht en overwogen en de uitslag was geweest, dat zij nu overtuigd was, dat het gedicht, dat zij gekregen had, niet aan haar, maar aan een ander gericht was, dat zij zich over hare lichtgeloovigheid schaamde en over hare eigene ijdelheid bloosde. Want hoe zou het mogelijk zijn, dat bij, die schoone, schitterende man, die naast haar zat, wiens lippen van geest en vernuft overvloeiden, wiens voorhoofd straalde als dat van een Jupiter, die even geleerd als geestig, even verheven ais beminnelijk, even vioolijk en opgeruimd als wijs en diep ernstig was, hoe zoude het mogelijk zijn, dat hij haar beminnen kon, haar, die niets anders dan jong en schoon was, en bovendien de groote, deonvergee-felijke fout had, van zijne gemalin, en nog wel zijne opgedrongen gemalin te zijn. Neen dit gedicht was niet aan haar gericht! Maar aan wie dan? Wie was de gelukkige, die het hart van den kroonprins bezat, voor wie zijne edele en trotsche ziel zich in liefde hoog? Haar hart kromp ineen, wanneer zij er aan dacht dat dit geluk eene andere, en niet haar mocht ten deel vallen; en toch was zij in haar edel en zacht gemoed niet boos op die andere. Maar zij brandde van verlangen haar naam te weten; toch, al wist zij dien, zoude zij zich niet op haar wreken, maar voor
102
haar bidden, voor haar, die de kroonprins beminde, aan wie hij wellicht eenige dagen van geluk, van zaligheid te danken had.
Maar wie was zij ? Met onderzoekenden blik liet de kroonprinses haar oog gaan over al de dames, die aan tafel zaten. Er waren vele schoone, bevallige gelaatstrekken onder haar; menige onder haar bezat geest, levendigheid, vernuft; maar geene onder haar was waardig door den kroonprins bemind te worden. Juist boog haar gemaal zich met betooverenden glimlach tot zijne buurvrouw; juist lluisterde hij haar eenige woorden toe, en mevrouw van Morien bloosde en sloeg hare oogen neder en hief ze weder op, om hem met gloeiende blikken aan te zien, met sidderende lippen eenige woorden toe te (luisteren, die zoo zacht waren, dat slechts de kroonprins ze verstaan kon. Hoe! Zoude zij het zijn? â Maar neen! Dat was immers onmogelijk! Deze lichtzinnige, behaagzieke, oppervlakkige vrouw, kon onmogelijk den edelen, hooggestemden, geestigen kroonprins geboeid hebben ; niet zij kon de gelukkige mededingster van Elisabeth zijn!
Wie was het dan ? Ach, was toch maar dit eeuwig lange maal ten einde! dan toch eerst kon zij alleen zijn in hare vertrekken, om het gedicht te lezen, dat zonder twijfel eene oplossing van dit raadsel zoude geven en den naam der geliefde zoude bevatten.
Maar het scheen, alsof de kroonprins dezen wensch zijner gemalin geraden had en hem ook verijdelen wilde. Men was heden zeer laat, eerst te zes uur aan tafel gegaan; nu was het donker geworden en men bracht hooge candela-bres met waskaarsen, welke de tafel verlichtten.
âDe kaarsen branden!quot; riep de kroonprins. âWij willen niet eerder van tafel opstaan, voor de kaarsen uitgegaan zijn, en in plaats daarvan eene kleine illuminatie van Champagne in onze hoofden begonnen is.quot;1)
En men koutte en lachte, fluisterde en reciteei'de, dronk en juichte, alleen hot hart der kroonprinses werd al ge-drukter en treuriger.
Plotseling wendde haar gemaal zich tot haar. âDe ijdel-
1
Eigene woorden van den kroonprins. Zie Bielfeld. Vol. I. pag. 34;waaruit ook het tafereal van dit banket gedeeltelijk ontleend is. -
103
heid eens schrijvers begint een weinig in mij te ontwaken,quot; zei hij glimlachend, âen ik neem derhalve de vrijheid te vragen, ot ^ij in het geheel niet nieuwsgierig zijt het gedicht te kennen, dat ik de eer had u heden door mevrouw van Brandt te zenden ?quot;
âWel zeker, mijn gemaal!quot; riep de kroonprinses levendig. âIk brand van verlangen om het te leeren kennen.''
âVergun mij dan, dat ik dadelijk aan uw verlangen voldoe,quot; zeide de kroonprins, zijne hand uitstekende om het gedicht te ontvangen.
I De prinses aarzelde, maar toen zij haar gemaal aïïnzag, â ontmoette zij zijne oogen, die met zulk een kouden, bevelenden blik op haar gevestigd waren, dat zij er van rilde, en liet haar was alsof eene ijskoude hand over haar hart
ging-
Zij haalde het gedicht uit haren zak en reikte het baar gemaal zwijgend over.
âNu, mijne kleine hoffreule van Scbwerin,quot; zeide de kroonprins lachend en met luide stem, ânu zal dit hoogwijze, hoogachtbare en hoogeerwaarde gezelschap tusschen mij en u aan tafel als scheidsrechter zitten en beslissen, of dit papier zooals het hoogst zedige en teedere kind beweert, een brief van hare lieve moeder is, of, zooals ik beweer, een gedicht, door den prins zeiven geschreven, die soms aan de ziekte van verzenmaken lijdt en dan allerlei verbeeldingen en hersenschim men heeft. Hoort dus, heeren en dames, en spreekt recht tusschen ons. Maar opdat niemand denke, dat ik iets anders lees, dan er staat, en de teedere woorden der moederlijke liefde in de nog meer teedere gevoelens van een minnaar overbreng, zal mevrouw van Morien met mij in dit papier zien, en getuigen, of ik lees wat er geschreven staat.quot;
Hij reikte mevrouw van Morien het papier over, en zijn hoofd een weinig naar haar toebuigende, begon bij te lezen. De eerste verzen juist^zooals zij er geschreven stonden; vervolgens echter overgaande in eene vrije improvisatie, reciteerde hij een gedicht, schitterende van dartelheid, geest, luim en vernuft, dat evenzeer eene hulde aan zijne vrouw bevatte, als dat het rijk was aan fijne zetten en toespelingen en scherpen spot, die iedereen begreep, en die nu en dan eene toejuiching van goedkeuring
104
aan de dischgenooten ontlokte. Terwijl hij las, water niet stond, had mevrouw van Morien tijd te lezen, wat er stond, en haar hart klopte van genot, hare borst zwoegde en hare wangen gloeiden, toen zij deze zoo vurige liefdesverklaring, deze half deemoedige, half bevelende uitnoodi-ging tot eene samenkomst las.
De lezing was teneinde; een luid gelach en onstuimige loftuitingen weergalmden van alle kanten. De kroonprins vouwde het papier op, terwijl hij zich tot zijne gemalin wendde en haar glimlachend vroeg, of zij met zijn gedicht tevreden was?
âIk ben het zoo zeer,quot; zeide zij, âdat ik u verzoeken wilde mij het gedicht terug te geven. Ik wenschte het te bewaren tot een aandenken aan dit uur.''
âBewaren ! Wel neen ! Een gedicht is als eene bloem. Het behoort aan het oogenblik en slechts zoolang het frisch is, is het schoon. Wanneer men de bloem in een kruidboek legt, gaat hare schoonheid en haar geur verloren. Ook een minnedicht moet niet in een kruidboek. Het is de ingeving van het oogenblik ; het oogenblik moet het terug nemen ; â wij willen den goden offeren , wat wij den goden te danken hebben.quot;
Zoo sprekende, verscheurde de kroonprins het papier in kleine stukjes, die hij toen op het vlak van zijne hand tot een klein hoopje opstapelde.
âGaat naar alle winden en leert den volkeren, dat niets onsterfelijk is, ook niet de gedichten van een vorst,quot; zeide hij, op de snippertjes papier blazende, zoodat zij als lichte sneeuwvlokken opvlogen en naar alle kanten heendwarrel-den. Nu ontstond er eene vroolijke jacht op dezesnippertjes; een ieder blies ze verder, een ieder maakte met zijne lippen een kleinen blaasbalg, die met zijn luchtstroom de snippertjes telkens weder deed rijzen; een ieder deed zijn best om zijn reepje papier een eigene richting, een bepaald doel te geven, terwijl men ze gene schoone in het gelaat of op de blanke schouders, of dezen heer vlak in het oog ofin den lachenden mond blies. Het was een vroolijk stoeien en juichen, een onschuldig gestreel en vermaak. Alleen de kroonprinses zat altijd nog somber en stil. Nu en dan viel een der snippertjes voor haar neder; zij verzamelde ze werktuigelijk, maar zij blies ze niet verder, zij beschouwde ze
105
met droevige smartelijke blikken. Plotseling schrikte zij en een glueiend rood bedekte haar gelaat. Zij had op een dezer snippertjes twee woorden gelezen, welke haar liart van toorn en smart deden trillen. Deze beide woorden waren: âbelooverende Leon line.quot;
Het geheim was dus ontdekt! Aan Leontine was dit gedicht van den kroonprins gericht, aan eene betooverende Leontine en niet aan Elisabeth ! Maar wie was zij ? Wie van deze dames heette Leontine?
Zij moest, zij zoude het weten ! Zij verzamelde al haar moed ; hare eigene smart prikkelde haar aan tot eene wilde treurige vroolijkheid ; zij begon plotseling mede in te stemmen in de algemeene vroolijkheid en begon te lachen en te schertsen en vroolijk te praten, met den kroonprins zoowel als met mevrouw van Morien en den jongen baron van Bielfeld, die tegen haar over zat.
Nooit had men de kroonprinses zoo opgeruimd, zoo los en zoo geestig gezien. Niemand vermoedde dat deze scherts en dit lachen veroorzaakt werden door verborgene smarten, die hare ziel folterden, zoodat zij den klaagtoon van haar hart slechts onder den glimlach der lippen bedekte.
De kaarsen waren nu bijna uitgebrand en reeds begon bij sommigen der vroolijke dischgenooten de Champagneilluminatie, welke de prins voorspeld had, hare eerste vonken te schieten. Chazot declameerde niet meer, maar hij zong reeds eenige dier bevallige liedjes, zooals hij ze in zijn vaderland, Normandië, dikwijls van de levenslustige, nette boerinnetjes had gehoord ; Jordan improviseerde eene preek in den smaak der dweepzieke, huichelachtige en schijnheilige geestelijken, die sedert eenigen tijd in Berlijn den toon gaven; Kaiserling stond van zijn stoel op en vertoonde een stand, dien hij te Parijs van de beroemde Lagière in het balet, de Sirene gezien had. Knobelsdorf vertelde zijn geestige, Italiaansche avonturen, en Quantz vond zelfs moed genoeg om Biche, den lievelingshond van den kroonprins, dien hij als zijn mededinger haatte, en die juist zijne voeten besnuffelde, meteenkrach-tigen schop van zich te stooten. De kroonprins alleen had zijne edele, vriendelijke en waardige houding bewaard. Te midden van deze algemeene opgewektheid was hij evenals de sterke man van Horatius, die, getuige van den
106
ondergang der geheele wereld, met een bedaard, rustig oog de ontstaande bouwvallen beschouwt
De kaarsen waren reeds diep ingebrand en hooger steeg bet licht der Champagne-illuminatie in de hoofden dei-mannen. Alleen de kroonprinses en de jonge baron Bielfeld waren nog vrij gebleven.
âOok Bielfeld moet zijn deel van de algemeene illuminatie hebben,quot; zeide de kroonprins glimlachend tot zijne gemalin, terwijl hij hem tot zich wenkte, om met hem te klinken op het welzijn van zijne in Hamburg achtergelatene bruid
Terwijl Bielfeld zijne plaats verlaten had en naar den' kroonprins was gegaan, gaf de kroonprinses zachtjes en haastig een der bedienden hare bevelen.
Zij had gezien, dat Bielfeld, om zich te verkoelen, volle glazen water uit de voor hem staande karaf gedronken had. Zij liet dus het water uitgieten en de karaf met Sil-lerie vullen, die zoo wit en helder was, als het water uit de rolsbron. De arme Bielfeld, naar zijne plaats gaande en zijn bloed nog meer verhit gevoelende door de herinnering aan zijne bruid, vulde het groote waterglas tot aan den rand, en dronk, zonder het te merken, de gloeiende Sillerie, in plaats van het verkoelende water op 1).
De kroonprinses, die nog altijd hetzelfde doel voor oogen had, om te weten te komen wie van de dames de be-tooverende Leontine was, wilde nu een laatsten, beslissenden slag wagen.
Met een bevalligen glimlach zich tot Bielfeld wendende vroeg zij: âDe kroonprins sprak van uwe bruid? Mag ik u nu feliciteeren ?quot;
Bielfeld, die het niet durfde wagen te zeggen, dat hij juist op het punt stond deze bruid trouweloos te verlaten, boog zwijgend.
âMag men ook den naam uwer bruid weten ?quot; vroeg de kroonprinses.
âFreule van Bandau!quot; mompelde Bielfeld, en dronk om zijne verlegenheid te verbergen, een tweede glas water-Sillerie.
âFreule van Bandau ! herhaalde de kroonprinses glim-
1
Ibid. pag. 85.
107
lachend. âHoe koud, hoe deftig klinkt dat, hoe geheel en al zonder uitdrukking. Om zich eene dame te kunnen voorstellen, moet men bovenal haar voornaam weten, want de voornamén zijn altoos eenigszins een gedeelte van haar karakter. Hoe heet uwe bruid?quot;
âReginaquot;, uwe hoogheid.
âRegina ! Dat is een schoone naam! Eene geheele voorspelling van geluk! Want zij zal altoos de koningin van uw hart blijven! O, ik ben zeer bedreven in de beteekenis der namen, en, bij mij in mijn ouderlijk huis, noemde men mij daarom altoos de Sibille, want mijne voorspellingen kwamen altoos uit. Ik wil nu voor u allen uit uwe voornamen een horoskoop trekken en uwe toekomst voorspellen, dames! Laat ons beginnen! Hoe heet gij, lieve opperhof-meesteres
En terwijl de kroonprinses schijnbaar dood onschuldig sprak, glimlachte en speelde zij achteloos met het schoone Venetiaansche glas, dat voor haar stond. Alleen de kroonprins bespeurde,» wat niemand buiten hem opmerkte, dat deze hand, die zoo zorgeloos met het glas scheen te spelen, hevig trilde, dat, onder den glimlach, hare lippen beefden en haar adem hijgend en koortsig uit hare borst kwam.
Hij begreep, wat deze voorspelling uit de voornamen beduidde; hij begreep, dat de prinses den inhoud van het gedicht kende.
âVerzwijg uw naam!quot; fluisterde hij spoedig mevrouw van Morien in het oor; daarop keerde hij zich weder tot zijne gemalin, die juist mevrouw van Katsch een hoogen en gelukkigen ouderdom voorspeld had.
âHoe heet gij, freule van Schwerin? vroeg de kroonprinses weder.
âLouise!quot;
âOch, Louise! Nu, ik voorspel u, dat gij gelukkiger zult zijn dan uwe naamgenoote, de schoone La Vallière! Gij zult nooit wroegingen hebben over eene liefdesbetrekking en nooit in een klooster gaanquot;.
âDaarom zal ik ook waarschijnlijk nooit het geluk hebben, door een koning bemind te worden,quot; zeide de kleine freule al zuchtende.
Een algemeen gelach van het gezelschap was het antwoord op deze naive verzuchting.
108
De kroonprinses vervolgde hare voorspellingen ; zij, had voor allen een geestig of luimig woord en wist hare voorspelling eene wending te geven.
Nu keerde zij zich tot mevrouw van Morien, altijd nog glimlachende en met het glas spelende.
âNu uw naam, lieve mevrouw van Morien ?quot; vroeg zij, het glas met hare vingeren omspannende en die]) in den kelk ziende.
âLe Tourhillon heet zij,quot; riep do kroonprins lachende.
Antoinette, Louise, Albertine heet ik!quot; zeide mevrouw van Morien aarzelend.
De kroonprinses haalde diep adem en sloeg den helderen blik uit het glas op de schoone van Morien. âDat zijn te veel namen, om daaruit te kunnen voorspellen,quot; zeide zij. ,,Met welken naam wordt gij genoemd?quot;
Mevrouw van Morien bedacht zich ; de overige dames, beter in hare kleine geheimen ingewijd, vermoedden, dat er iets in deze vraag van de kroonprinses en de verlegenheid van mevrouw van Morien lag en luisterden daarom gespannen naar het antwoord der schoone dame.
Er volgde eene pauze van eenige oogenblikken. Plotseling barstte de freule van Schwerin in een vroolijk geschater los. âNu!quot; riep zij, âhebt gij uw naam vergeten, mevrouw van Morien? Weet gij niet meer, dat gij Leontine genoemd wordt?quot;
âLeontine!quot; riep de kroonprinses heftig, en hare vingers sloten zich zoo krampachtig om het glas dat het kletterend in hare hand brak en haar een scherpen kreet van smart ontlokte.
De kroonprins zag de verbaasde, vragende blikken van het gezelschap op zijne gemalin gevestigd; hij gevoelde, dat hij de algemeene oplettendheid eene andere richting moest geven, dat hij de daad der prinses als eene schei u moest doen voorkomen.
âGij hebt gelijk, Elisabeth!'' zeide hij lachend. âDe kaarsen zijn ingebrand, de illuminatie is begonnen, het feest is ten einde; en even als wij vroeger met een gedicht een offer aan de goden gebracht hebben, moeten wij het ook nu met onze glazen doen, uit welke wij eenige uren van geluk, van vroolijkhied en vergetelheid gedronken hebben! Den goifen offer ik dit glas! Gij allen volgt mijn voorbeeld!quot;
109
Hij hief zijn glas in de hoogte en wierp het over zijne schouders op den grond, zoodat het kletterend in stukken viel.
Allen volgden luid jubelend en lachend het voorbeeld van den kroonprins en zijne gemalin.
Juichend hief elk zijn glas in de hoogte en wierp het op den grond. Het was een eindeloos kletteren, schreeuwen en lachen. In weinige minuten waren van al dezequot;schitte-rende, kristal heldere glazen niets meer over dan fonkelende scherven, die verstrooid en gebroken den grond bedekten.
Maar het door wijn en vroolijkheid opgewonden gezelschap was niet met dat eerste aan de goden gebrachte offer voldaan. Het dorstte naar eene voortzetting; het vernielen werd genot, werd dolle vervoering.
Men was begonnen met de glazen te breken, nu greep men vazen, kristallen en porseleinen schalen en slingerde alles onder woest getier op den grond.1)
Maar te midden van deze algemeene verwarring ging plotseling de deur open en Fredersdorf verscheen met een brief in de hand, op den drempel.
Zijne ongeroepen verschijning in deze zaal was iets zoo buitengewoons, ongehoords, dat het slechts door iets verrassends en onverwachts kon gerechtvaardigd worden. Dat gevoelden allen, ondanks hunne woeste opgewondenheid, hunne luide vroolijkheid; er volgde dus ook eene oogen-blikkelijke stilte en ieder zag in spanning en vol verwachting op den kroonprins, die juist den brief van Fredersdorf aangenomen en geopend had.
Nu verbleekte de kroonprins en het papier beefde in zijne hand. Haastig stond hij van zijn stoel op.
âVrienden,quot; zeide hij plechtig, ,,het feest is ten einde. Ik moet dadelijk naar Potsdam. De koning is gevaarlijk ziek! Vaart wel!quot;
En zijne gemalin den arm reikende, verliet hij met haar de zaal. Zwijgend stonden de zoo even nog vroolijke gasten op; zwijgend sloop een ieder naar zijne kamer, en slechts hier en daar hoorde men een heimelijk fluisteren en zag men elkander met beteekenisvolle, vragende blikken aan.
1
Bielfeld, pag. 80.
110
Weldra heerschte eene diepe, huiveringwekkende stilte in het slot te Rheinsberg. Ieder sliep, of scheen althans te slapen.
XIV.
LE ROI EST MORT. VIVE LE ROI!
Het leven van koning Frederik Willem den Eersten liep ten einde! De macht en grootheid en al die gedroomde heerlijkheid waren verdwenen! De geest had lang gestreden tegen het lichaam; nu, na maanden van foltering, van verheelde smarten, van verkropte pijnen, moest hij zich voor overwonnen verklaren, vermeesterd door den dood. De stijve uniform paste niet meer aan de vervallen gestalte, de etiquette en het ceremonieel waren door den alvermogenden belieerscher, den dood, verdrongen. Dat is geen koning meer, maar een stervend mensch, meer niets ! Een stervend vader, die afscheid neemt van zijne kinderen, een echtgenoot, die voor het laatst zijne gade omhelst, op hare met tranen besproeide wangen den laatsten kus drukt, en heimelijk in haar oor de bede (luistert om vergiffenis, voor menig geleden onrecht, voor menige ondergane wreedheid!
Frederik Willem had met God en de wereld vrede gesloten. Zijne trotschheid is gebroken, zijn ongevoelig hart verteederd! Hij had lang in den hoogmoed van zijn hart tegen de bekentenis zijner eigene feilen gestreden! Maar een dapper en moedig priester, de proost Rololf, was voor zijn leger getreden en had het sluimerende geweten van den vorst door zijne verwijtingen en beschuldigingen doen
Ill
ontwaken.; Te vergeefs had ^de koning vroeger op al deze beschuldigingen van den priester steeds met een trotsch zeltbewustzijn geantwoord:
âIk heb nimmer het zesde gebod geschonden! Ik ben nimmer ontrouw aan mijne vrouw geweest1)!quot; Roloff sprak altijd weder van zijne zonden en misstappen, van zijne afpersingen en verdrukkingen, van zijn handel in menschen, dien hij voor zijne geliefde garde had gedreven en-eindelijk moest Frederik Willem zich voor overwonnen verklaren, eindelijk moest hij zich de kroon van het hoofd nemen en als mensch zich buigen in berouwhebbende vernedering en God om erbarming en genade smeeken.
Hij had vrede met God gesloten. Er bleef hem niets meer over dan de laatste, aardsche aangelegenheden te bezorgen en ook vrede met de wereld te sluiten, van zijne vrouw, zijne kinderen, zijne vrienden en bedienden afscheid te nemen.
Hij had hen allen om zijn sterfbed verzameld, om hun vaarwel te zeggen. Naast de rolstoel, waarop de koning, in een wijden, zijden mantel gewikkeld zat, stonden zijne gemalin en de kroonprins. Zijne handen rustten in de hunne en als»hij met moeite de bezwaarde oogen naai' hen opsloeg, ontwaarde hij steeds vochtige oogen en deelnemende blikken, die met innige liefde op hem rustten. De dood, die hen weldra voor altijd scheiden zoude, had vader en zoon eerst in liefde vereenigd. Frederik Willem had den kroonprins luid weenende in zijn armen gesloten en met eene door tranen gesmoorde stem uitgeroepen; âHeeft God mij geene groote genade bewezen, door mij zulk een edelen zoon te schenken?quot; De kroonprins had zijn met tranen overdekt gelaat aan de borst van zijn vader gedrukt en innig en oprecht uit het diepst zijner ziel tot God om het behoud en de herstelling van zijn vader, den thans regeerenden koning, gebeden.
Maar het liep ten einde! De koning wist en gevoelde het! Hij had zijne eikenhouten kist, waarin hij voor eenige maanden, bij wijze van proefneming, was gaan liggen, nu in zijne kamer laten brengen, en naar deze treurige en
1
Thiébault, Vol. pag. 44.
112
weemoedige rustplaats ziende, zeide hij met een glimlach van tevredenheid: âIn dit leger zalik gerust slapen !quot; Toen wenkte hij zijn kabinets-secretaris Eichel en beval hem de bepalingen omtrent zijne uitvaart, zooals de koning zelf hem gedicteerd had, voor te lezen.
Het was een akelige, hartverscheurende lezing! Een huiveringwekkende aanblik, dezen koning naast zijne kist te zien, door zijne kinderen en dienaren omgeven, zijn mat hoofd leunende op den schouder zijner gemalin, en oplettend naar de lezing luisterend, die van hem, een nog levend, denkend en gevoelend wezen, als van eene verstijfde, doode, gevoellooze massa sprak, van een wezenloos onbeduidend iets, dat men wascht en kleedt en in eene kist legt, om het aan de walgelijke verrotting, aan de vraatzucht van azende wormen over te geven! Niet van een treurfeest, maar als van eene voor zijne kist gehouden parade, had de stervende koning in deze laatste beschikkingen gesproken, en eene akelige en tevens treurig-grappige uitwerking maakte het, dat de koning uitdrukkelijk bepaald had, dat door allen, die de plechtigheid der begrafenis hadden bijgewoond een prachtige maaltijd zou worden gehouden, waarbij niet alleen hef beste vat rijnwijn uit des konings kelder, maar in het algemeen veel, en alleen goede wijn zou gedronken worden
En nadat Frederik Willem zoo voor zijn lijk had gezorgd, wilde hij ten laatste nog aan ieder zijner vrienden eene gedachtenis geven ; aan zijne gunstelingen, den vorst van Dessau en den graaf Haake, het beste, wat hij hun geven kon, een paard.
Hij beval zijne paarden uit de stallen op het plein te laten brengen en verzocht de beide heeren naar beneden te gaan en ieder voor zich een paard uit te zoeken. Vervolgens liet hij zich in een rolstoel naar het venster schuiven en dit openen. Van hier kon hij het geheele plein overzien, en op elk dezer dieren, die hem zoo dikwijls op parades en feesten gedragen hadden, een afscheidsblik-werpen ! O, welke heerlijke schitterende dagen had de koning beleefd, toen hij zich vlug op een dezer fiere ongeduldige dieren werpend in de frissche, vrije natuur had rondgereden, overal nederig
1) Pöllnitz, Vol. II. pag. 370.
113
begroet door zijne onderdanen, overal door tromgeroiïel of trompetgeschal ontvangen, zoodat hem, door de nederigheid en den ootmoed van al wat hem omgaf, zijne grootheid en heerlijkheid telkens werden herinnerd.
En dat alles is nu afgeloopen en ten einde! Nooit zal zijn voet zich meer in den stijgbeugel zetten ; nooit zal hij weder door de straten zijner stad Berlijn rijden, om zich te verblijden in de statige huizen en paleizen, die zijn gevreesde wil in het leven had geroepen ; nooit zal hij weder die deemoedige begroetingen zijner onderdanen ontvangen; en wanneer de trommels roffelen en de kanunnen donderen, zullen zij niet meer hem, den koning, maar slechts zijn lijk begroeten !
O, en het leven is toch zoo schoon, de lucht zoo geurig en frisch, de hemel is zoo helder en doorschijnend blauw! En dit alles moet hij verlaten, voor dat alles moet hij zijne oogen sluiten, om in het eenzame donkere graf neder te dalen I De koning kneep heimelijk een traan uit het oog en had moeite zijn blik van de schoone, heerlijke, lucht, op de paarden te wenden, die, door rijknechten geleid, trotsch en statig het plein op en neder gingen. Toen zijn oog er zich op vestigde, werden zijne trekken levendig en namen eene meer frissche en bezielde uitdrukking aan. Hij vergat voor een oogenblik dat de dood achter hem stond en keek met gespannen aandacht naar het plein om te zien welke paarden de beide heeren zouden kiezen.
Toen hij het paard zag, dat de vorst van Anhalt-Dessau gekozen had, glimlachte hij met den medelijdenden trek van een kenner.
âDat is een slecht paard, lieve vorst,quot; riep hij naar beneden op het plein, en de verontwaardiging van den ervaren paardenkenner gaf zijn stem hare gewone kracht en uitdrukking. âNeem dat daar; ik sta er voor in, dat het een goed paard is!quot;
Toen de vorst het hem aangewezen paard en graaf Haake een ander gekozen had, gaf de koning bevel dat men de beide dieren hun prachtigst en schoonst tuig zoude opleggen, en terwijl dit gebeurde, keek hij met deelnemende belangstelling naar het plein. â Achter hem stonden de minister van Podewils en de geheim-staatssecretarissen, die de koning had laten roepen om de acte Mühlljaoh, Frederik de Groote en zijn Hof. I. 8
114
van afstand op te stellen, volgens welke hij zijne koninklijke macht nu reeds aan den kroonprins wilde overdragen, benevens deze laatste, de koningin, de generaals, adjudanten en priesters. De koning lette niet op hen ; hij had geheel vergeten, dat hij een stervende was. Hij dacht dus slechts aan zijne paarden, en een donkere wolk van toorn bedekte zijn voorhoofd, toen de rijknecht op het paard van den vorst van Anhalt over de geelzijden cha-braque een met blauw fluweel overtrokken zadel gespte.
âO, als ik maar gezond ware !quot; riep hij luid en dreigend naar beneden, âhoe zou ik dien dommen stalknecht afranselen! Haake, doe mij toch het genoegen en ransel dien ellendeling eens voor mij af!quot;
En de paarden staken de ooren op en hinnikten luid, en de stalknechten rilden voor de stem van hunnen meester, welke hun nog eens zoo dreigend en toornig als vroeger en toch zoo dof en doodsch in de ooren dreunde.
Maar nu was de opwelling van toorn voorbij; de koning viel weder in zijn stoel, diep ademhalend en afgemat! Hij vond geene kracht meer om de acte van afstand te onderteekenen en slechts met een stommen wenk kon hij nog bevel geven, dat men hem van zijn rolstoel op zijn bed zou brengen.
Daar lag bij verstijfd, onbewegelijk, met half geopende oogen, met ibleekblauwe lippen, kermend en steunend. Eene vreeselijke stilte heerschte in dit verblijf des doods. Ieder wilde den laatsten doodsnik van den koning opvangen; ieder wilde getuige zijn van dat geheimzinnig, ondoorgrondelijk oogenblik, waarin de ziel haar aardsch omkleedsel verbreekt en als een vrij, onzichtbaar, maar onverderfelijk stofdeeltje der godheid, weder naar de bron van haar leven en licht terugkeert! Bleek en sidderend boog de kroon ⢠prins zich over zijns vaders gelaat, dat met klam zweet bedekt was ; zacht biddende knielde de koningin aan den anderen kant van het leger, terwijl de generaals en cavaliers, geneesheeren en priesters, met een blik vol ernst en weemoed, dat bleeke, spookachtige wezen aanstaarden, dat zoo even nog een koning was, en nu reeds â een niet is!
Maar neen, Frederik Willem was nog niet gestorven; de adem, weike gestokt had, keerde nog eens in de borst
115
, terug, üe koning sloeg nog eenmaal zijne oogen op, en zij waren weder groot, vol geest en uitdrukking, Hij beval, dat men hem een spiegel zoude geven en beschouwde lang en met oplettende, bespiedende blikken zijne gelaatstrekken.
âIk zie er niet zoo vervallen uit als ik dacht,quot; zeide bij met de laatste vonk van menschelijke ijdelheid. âVoel mi] den pols, dokter, en zeg mij, hoe lang ik nog leven kan.quot;
âUwe majesteit wil het weten?quot;
âIk beveel het!quot;
âNu dan, sire,quot; ziede Ellert plechtig, âgij zijt op het punt van te sterven!quot;
Geen trek in het gelaat des konings veranderde. âHoe weet gij dat'?quot; vroeg hij bedaard.
âAan uw pols, sire, welke reeds begint te stokken.quot;
De konig hief zijn arm in de hoogte en bewoog zijne hand heen en weder. âVolstrekt niet,quot; zeide hij, âals mijn pols reeds stokte, zou ik mijne band niet kunnen bewegen, wanneer ...quot;
Plotseling verstomde hij en eene schelle kreet ontsnapte hem. De opgeheven arm viel zwaar en met een slag neder, alsof de dood zijn slagboom op het levenspad des konings had laten vallen.
âJezus, Jezus!quot; steende de koning. âIk leef en sterf in u! Gij zijt mijne hoop, gij . . .
Ook het laatste, angstige gebed bestierf op zijne verstijvende lippen. De geest was gevloden; wat daar steunde en kermde, was geen mench meer, geen denkend, gevoelend wezen, dat was alleen nog een gevoelloos, dierlijk lichaam, dat zijne electrieke vonken, het laatste levensgas uitstroomde, dat hier en daar nog in zijne hijgende longen verdwaald was.
De kroonprins leidde de weenende koningin naar buiten; de menigte hovelingen bleef terug, maar hunne gezichten waren niet meer treurig en bekommerd, maar gespannen, angstig, peinzend. Het treurspel was ten einde-' men verlangde nu nog slechts naar het tooneelspel, waarvan de gordijn daar ginds moest opgehaald worden. Daar ginds in de vertrekken van den kroonprins, â nu van den koning! Want Frederik Willem de Eerste had juist de laatste zucht geslaakt en was verstijfd en koud geworden. Het was nog slechts een lijk, waarmede men niets meer te
no
maken had, dat nog slechts een voorwerp voor genees-heeren en lijkschouwers was!
In ongeduldigen haast drongen allen uit de wijd geopende vleugeldeuren der sterfkainer; in ongeduldigen haast drong alles naar de wijd geopende vleugeldeuren van de voorzaal, welke naar de vertrekken van den jongen koning geleidden.
Wien zal hij het eerst roepen? Wie zal de gelukkige zijn, dien de eerste straal der opgaande zon begroet ? Allen verwachtten eene zonnige, gulden toekomst, want een nieuwe tijd zal beginnen, een tijd van glans, weelde, overvloed en vreugde! De koning is zoo jong, zoo levenslustig; hij bemint de'pracht, den luister, de vroolijke feesten! Hij is geen soldaten-koning, geen man van stok en pruik! Hij is een cavalier, een dichter, een geleerde. De wetenschappen en kunsten zullen bloeien; de galanterie, de mode zal heerschen en hare wetten voorschrijven. De korporaalstok is verbroken, de üuit begint hare zoete, welluirlende heerschappij !
Zoo dachten zij, die loerende, ademlooze hovelingen, in de voorkamer van den jongen koning staande; zoo dacht ook de opper-ceremoniemeester van Pöllnitz, die het dichtst bij de deur stond, welke naar de binnenvertrekken leidde. Ja, ook voor hem zoude een nieuwe tijd aanbreken, een schitterende, invloedrijke, machtige tijd! De kroonprins had zich altijd vol genade en goedheid jegens hem betoond en de jonge koning moest zich herinneren, dat alleen Pöllnitz het geweest was die Frederik Willem door zijne toespraak en gebeden somwijlen had overgehaald de schulden van den kroonprins te betalen, dat Pöllnitz den koning er toe had gebracht zijn zoon de Trakeliner stoeterij te schenken.
Dat moest zich de koning voor den geest roepen en de bewezen diensten moesten nu Pöllnitz tot eer en rang verhellen ! Hij moest de gunsteling worden, de benijde, gevreesde, machtige gunsteling, voor wien alles boog, die alvermogend was als de koning zelf! Immers de koning was nog zoo jong, zoo onervaren, zoo licht te misleiden; hij had een zoo warm hart, eene zoo opgewekte verbeelding, eene zoo vurige neiging tot vermaak, pracht en luister! Men moest deze eigenschappen
117
voeden, zij moesten de leiband worden, waarmede men den koning leidde! Men moest hem bedwelmen door schitterende feesten, hem in den maalstroom van aanlokkelijke uitspattingen trekken, men moest een Sardanapalus van hem maken, voor wien het geheele leven slechts een bedwelnend, met bloemen getooid feest was, en niets meer! En terwijl dan de jonge, door genot en uitspatting bedwelmde koning op zijn weelderig leger uitrustte om kracht voor nieuwe genietingen te krijgen, moest Pnllnitz de: heerscher, de koning zijn. O, dat dool moest hij hereiken! üatwasgeene hersenschim, geen dwaze droom. Het was een goed overlegd plan, tot welks verwezenlijking Pöllnitz een machtigen bondgenoot had, waartoe hij den kamerdienaar des jongen konings, Fredersdorf, gewonnen had, die zijn vriend Pöllnitz beloofd had, dat hij de eerste zijn zoude, dien de jonge koning bij zich zoude roepen.
Daarom stond de opper-ceremoniemeester van Pöllnitz zoo dicht bij de deur, welke naar de binnenvertrekken des konings leidde: daarom zag hij met trotsche blikken op al die hovelingen neder, die in ademlooze spanning het openen dier deur afwachtten.
Zie! daar wordt de deur geopend en het gelaal van den kamerdienaar Fredersdorf wordt zichtbaar.
âDe heer baron van Pöllnitz!quot;
âHier!quot; zeide Pöllnitz, een zegevierenden blik op de hovelingen werpende en Fredei^sdorf naar de koninklijke vertrekken volgende.
âNu, heb ik woord gehouden,quot; fluisterde Fredersdorf, toen zij de eerste kamer doorgingen?
âGij hebt woord gehouden en ik zal het ook doen! Gezamenlijk zullen wij heerschen!quot;
âGa hier binnen, daar is de koning!'' zeide Fredersdorf, Pöllnitz verlatende.
De jonge koning stond aan het venster, met het gloeiende voorhoofd tegen de glazen leunende en soms diep ademend en zuchtend, ten gevolge zijner innerlijke ontroering. Toen hij zich nu naar Pöllnitz keerde, zag deze, dat zijne oogen rood geweend waren en eene huivering deed het hart van den koelen hoveling trillen.
Een jonge koning, die in dit oogenblik in hot bezit der macht geraakt, niet door dat schitterend geluk bedwelmd
118
was, maar over den dood zijns vaders weende! Hoe weinig stemde dat overeen met de vermoedens en de wenschen van den opper-ceremoniemeester!
âHeil en zegen voor uwe majesteit!quot; riep Pöllnitz met geveinsde geestdrift, terwijl hij zich boog om het gewaad des konings te kussen.
Maar deze trad eene schrede achteruit en wees hem terug. âBewaren wij deze ceremonies tot den dag der inhuldiging,'' zeide hij met een flauwen glimlach. âNu heb ik u voor andere zaken noodig! Gij zijt een meester en geleerde in zaken van etiquette en ceremonieel. Gij zult dan ook verder de leiding dezer dingen aan mijn hof op u nemen, en gij zult beginnen met de uitvaart des konings te bezorgen.quot;
âVolgens de eenvoudige verordeningen van den koning zaliger?quot; vroeg Pöllnitz eenigszins gespannen?
âNeen ! Ik moot, helaas, mijn bestuur met eene ongehoorzaamheid tegen de laatste beschikkingen van mijnen vader beginnen! Ik kan deze eenvoudige, praallooze begrafenis, die hij vraagt, niet toestaan! De wereld zou het verkeerd uitleggen en mij beschuldigen van gebrek aan achting voor het koninklijke lijk! Het moet met de aan een koning verschuldigde eerbewijzen ter aarde besteld worden ! Dat is mijn wil. De nadere beschikking laat ik aan u en uwe wijsheid over. Koop al de voorwerpen, die gij voor de treurige plechtigheid noodig hebt en geef mij de rekeningen. Ik zal ze betalen.quot;
De opper-ceremoniemeester was ontslagen en wandelde peinzend en in gedachten verzonken over toekomende heerlijkheid en macht door de koninklijke vertrekken. Toen hoorde hij zijn naam roepen, en zich haastig omkeerende, zag hij den koning op den drempel zijner kamer staan.
âNog iets, Pöllnitz!' zeide de koning en zijne heldere vlammende oogen rustten met een doorborende uitdrukking op het glimlachende, deemoedige gelaat van den hoveling. âNog iets, Pöllnitz ! Vooral geenebedriegeriien,geeneslechte streken, geen overvragen en met dubbel krijt geschrevene rekeningen ! Zoo iets vergeef ik nooit! Denk daaraan, baron *)!''
En zonder een antwoord af te wachten keerde de koning zich om en ging naar zijne vertrekken terug.
1) Thiébault, Vol. II, pag. 4'J.
119
Baron Pöllnitz staarde hem na met wijd opengespalte oogen en ontstelde blikken! Het was hem, alsof hij een spook gezien had, als ware de bliksem voor zijne voeten nedergeslagen, en zijne geheele toekomst, zijn geheel schitterend geluk verpletterd. , ^
Dat was niet die jonge, verkwistende, weelderige, aaöge-looze heerscher, dien Pöllnitz verwacht had. Dat was een nuchtere, ernstige en spaarzame koning, die zelfs hem den geslepen en voorzichtigen hoveling, doorgrondde en wantrouwde !
XV.
WIJ ZIJN KONING.
Twee dagen en twee nachten waren verloopen en nog altijd geen bericbt van den kroonprins! Nog altijd leett koning Frederik Willem de Eerste, en het kleinequot; hof te Rheinsberg brandt van ongeduld en verwachling. Men had alle middelen van verstrooiing uitgeput; men had watertochtjes en wandelingen gedaan, muziek gemaakt elkander voorgelezen, kwaad gesproken en gedweept. Doch alles tevergeefs. De tijd vliegt niet meer; hij kruipt voort als een moede, afgeleefde man. Hoe eeuwig lang is toch een uur, wanneer men het bij seconden telt; hoe vreeselijk rekt de dag zich uit, wanneer men wakende en toch [met moede oogen zijn einde verlangt.
Waar is de geestigheid van Kaiserling en waar is Cha-zot's vroolijkheid gebleven? Waarom is Bielfeld's vroolijk-heid en Quantz's lluit verstomd? â Alles is stil en zwijgt en wacht en droomt, van het genot der toekomst, van de dagen van luister, macht en heerlijkheid, welke voor al zijne lievelingen en vrienden zullen aanbreken, wanneer de kroonprins eenmaal koning zal zijn geworden ! De vriend, de vertrouweling, de makker van een koning te zijn, mijn hemel! is dat niet een geluk, hetwelk men met een van angst kloppend hart kan tegemoet zien ? Met een koning in zijne schatten en rijkdommen te woelen, met hem de
120
aanbidding en toejuiching van oen geheel volk te deelen ?
Tot nog toe werden zij slechts geduld; zij waren angstige, in het geheim verzamelde vrienden van den kroonprins geweest, die altoos voor den toorn des konings moesten sidderen, die iederen dag door een machtspreuk des konings verbannen en uit dit betooverend, vorstelijk herdersleven konden verjaagd worden! Maar wanneer de kroonprins koning is, dan zijn zij machtige, invloedrijke lievelingen en iedereen zal naar hunne gunst dingen. Dan zijn zij zijne mederegenten en schrijven met hem aan zijne volken de wetten voor en heerschen en schitteren en bevelen met hem !
Is het nu te verwonderen, dat zij hunne troonsbestijging met een kloppend, ongeduldig hart tegemoet zagen; te verwonderen, dat zij deze trage, voortkruipende uren ver-wenschten en gaarne wilden slapen en blijven voortslapen, tot dat groote, zalige oogenblik, waarop de koerier hen doet ontwaken, de koerier, die de blijde boodschap overbrengt, dat de kroonprins den troon zijner vaderen heeft bestegen en koning van Pruisen geworden is?
Alleen de kroonprinses scheen rustig en kalm te midden van deze algemeene opgewektheid, deze pijnlijke verwachting. Zij scheen bedaard, en toch wist zij, dat de eerstvolgende dagen over haar geheel leven zouden beslissen, dat met den levensdraad des stervenden konings ook haar geluk verscheurd, ook haar hart begraven kon worden.
Maar Elisabeth Christine had een sterk hart en eene groote ziel! Zij had den geheelen nacht geknield, gebeden en geweend, en haar hart voelde zich door smart en eindeloos leed verscheurd. Nu was zij kalm, opgeruimd, voorbereid op alles, zelfs op eene scheiding van hem! Wanneer Frederik ook slechts den geringsten wensch uitte, had zij besloten te gaan. Waarheen ? Om het even ! Inden vreemde, verre heen! Welken weg zij ook zoude gaan, altoos was zij zeker, spoedig haar doel te bereiken, dit doel was het graf.
Indien zij niet met hem mocht of kon leven, zoude zij sterven ; dat wist zij, en omdat zij het wist, was zij bedaard en kon zij zelfs opgeruimd zijn.
âIk noodig de dames en heeren heden in mijne kamers,quot; zeide zij des namiddags van den tweeden dag dezer pijn-
121
lijke verwachting. âWij willen ons verbeelden, dat wij het geluk hebben den kroonprins in ons midden te zien en de uren op zijne wijze en in zijn geest doorbrengen. Eerst doen wij een tochtje op het meer, dan wordt bij mij thee gedronken en mijnheer van Bielfeld leest ons een paar zangen uit de Henriade voor, daarna spelen wij kaait en laat in den avond wordt muziek gemaakt. Vindt gij dat goed, dames en heeren
Allen mompelden eenige woorden van dankbaarheid en vreugde; maar de gelaatstrekken bleven ernstig en een wolk lag op elks voorhoofd.
De kroonprinses bespeurde het. âHet schijnt, dat ik uwe wenschen niet geraden heb,quot; zeide zij âen gij niet tevreden zijt met mijne plannen? Zelfs de kleine freule van Schwe-rin trekt een verdrietig gezicht en mijne goede opper-hofmeesteres heeft haar gullen glimlach verloren. Nu wat scheelt er aan? Ik wil het weten! Mijnheer van Bielfeld, ik benoem u tot redenaar dezer kleine, ontevredene gemeente ! En nu spreek !quot;
Mijnheer van Bielfeld glimlachte en zuchtte. âUwe koninklijke hoogheid had wel gelijk, toen zij voor eenige dagen van hare voorspellingsgave gewaagde; want zij is inderdaad eene profetes en waarzegster en uwe koninklijke hoogheid heeft met veel juistheid in onze trekken gelezen! Stellig is het voor ons allen een buitengewoon geluk, eene vleiende eer, wanneer wij het voorrecht mogen genieten, den avond in de vertrekken van mevrouw de kroonprinses te mogen doorbrengen en met hare hooge en genadige tegenwoordigheid vereerd te worden ! Maar indien uwe koninklijke hoogheid ons inderdaad een gunst wilde bewijzen, zoude het deze zijn, dat onze verhevene meesteres de goedheid mocht hebben ons liever in de tuinzaalofin de muziekzaal te ontvangen en niet in hare bijzondere vertrekken! Want deze bijzondere vertrekken, hoe schoon en heerlijk zij ook zijn, hebben toch een groot, een verschrikkelijk gebrek!quot;
,,Nu?quot; vroeg de kroonprinses, toen Bielfeld zweeg. âGij maakt mij inderdaad nieuwsgierig. Ik dacht tot nog toe, dat mijn© vertrekken zeer schoon en bevallig waren ; daarenboven heeft de kroonprins zelf het toezicht over de geheele inrichting gehad en Presne en Buisson heb-
122
ben ze met hunne schoonste schilderijen versierd. Zeg dus spoedig, wat is dat groote gebrek aan mijne kamers ?quot;
âHet is dit, koninklijke hoogheid, dat zij aan den rechtervleugel van het slot liggen !quot;
De kroonprinses zag hem verbaasd en vragend aan; toen vloog een glimlach over haar gelaat. âOch,quot; zeide zij, nu begrijp ik het! Mijne vertrekken bevinden zich in den rechtervleugel van het slot. dat wil zeggen, gij kunt dan geen oog op de groote brug houden, welke naar den straatweg leidt, en over welke allen passeeren moeten, die van Berlijn of Potsdam komen? Gij hebt gelijk, dat is het grootste gebrek aan mijne kamers. Maar de muziekzaal ligt aan den linkervleugel en gij kunt van daar de brug en den geheelen straatweg overzien. Laat ons bij de voorlezing in de muziekzaal gaan en eerst als het donker is geworden en gij de brug niet meer zien kunt, zullen wij naar mijne kamers gaan kaart spelen.quot;
Men volgde de kroonprinses naar de muziekzaal langs wier wanden kleine, met lichtroode atlas overtrokken divans stonden. Ot het toeval dan of het plagerij was, de kroonprinses koos den divan, die van de ramen het verst verwijderd stond en dwong daardoor het gezelschap zich om haar heen te scharen. Maar terwijl men haar volgde sloeg ieder een verlangenden blik naar het venster en de brug, over welke de bode van het geluk elk oogenblik zijn intocht houden kon.
Mijnheer van Bielfeld nam intusschen het boek in de hand, uit hetwelk hij de gevraagde voorlezing voor de kroonprinses zoude doen. Maar welk eene foltering was hel te lezen, terwijl daarbuiten elk oogenblik de verwachte koerier verschijnen kon ; te luisteren naar de hooggestemde, afgemelene Alexandrijnen der Henriade, terwijl in Potsdam misschien juist een andere Alexander de kroon op zijn jeugdig, schoon hoofd drukte !
En inderdaad, weinig aandacht verleende men aan deze verzen, weinig letle men op hunne welluidende klanken. Een ieder zag heimelijk naar de vensters en luisterde gespannen naar eiken toon, die van de straat klonk.
Plotseling hield Bielfeld met lezen op en staarde naar het venster.
âNu, waarom leest gij niet meer?quot; vroeg de kroonprinses.
123
âVergeef mij, maar ik verbeeldde mij, daar juist bij de brug een paardenkop to zien!quot;
In een oogenblik, als op een gegeven teeken, sprongen allen van hunne plaatsen op en vlogen naar het venster.
Juist! Daar ginds tusschen de boomen beweegt zich iets! Nu komt het op de brug! Nu â
Een algemeen gelach weergalmde. Een os! De koerier van den baron van Bielfeld was in een os veranderd.
Beschaamd sloop het gezelschap weder naar zijne zitplaatsen en de voorlezing begon opnieuw. Maar het duurde niet lang. Weldra liet Bielfeld het boek weder zinken. âVergeef mij, koninklijke hoogheid, maar nu is het toch stellig een paard, dat daar naar de brug draaft!quot;
En wederom snelden allen naar de vensters en zagen met gespannen verwachting uit.
Wel zeker! Het was een paard, maar de ruiter, die er opzat, was geen koninklijke bediende, maar een eenvoudige boer.
âIk zie,quot; zeide de kroonprinses glimlachend, dat wij de lezing moeten opgeven! Laat ons eene wandeling in den tuin gaan doen; ik bedoel op den linkervleugel van het kasteel, zoo dicht mogelijk bij het hek.quot;
âDe zon wil dan maar volstrekt niet ondergaan!quot; 11 uir-terde baron Bielfeld den graaf Wartensleben toe, terwijl zij in den tuin op- en neer wandelden. ,,Ik vrees, dat een nieuwe Jozua haren loop tegen houdt!quot; ^
Maar eindelijk moest zij toch ondergaan, die trage langzaam voortkruipende zon; eindelijk was het toch avond geworden en nog altijd was er geen koerier over de brug gekomen.
Men moest dus wel besluiten, aan de uitnoodiging dei-kroonprinses gehoor te geven en zich naar hare vertrekken te begeven om kaart te spelen. En dit kaartspel had heden, zooals altijd, voor de bewoners van Rheinsberg, eene bijzondere aantrekkelijkheid; want het was te doen om iets te winnen, waaraan niet alleen de kroonprins, maar al zijne cavaliers altijd gebrek hadden, â men moest geld winnen! Graaf Wartensleben was er sedert eenige dagen en had
1) Bielfeld, Vol. I. pag. 106.
124
een welgevulde beurs medegebracht, waarvan baron lüel-feld, Kaiserling en Chazot hartelijk wenschten hem te bevrijden.
De kroonprinses speelde in haar kabinet met hare dames eene partij Trisset, terwijl het overige gezelschap in de voorzaal, aan verschillende tafeltjes verdeeld, zich met het toen gezochte quadrille-spel vermaakte.
Plotseling ging de deur open en de kamerdienaar der prinses trad binnen. Toen hij langs het tafeltje ging, waaraan graaf Wartensleben en baron Bielfeld met eenige dames speelden, toonde hij hun heimelijk eengrooten, zwart gelakten brief, dien hij aan de prinses ging overhandigen. âDe koning is dus dood,quot; fluisterde en mompelde men door elkander en Bielfeld en Wartensleben en hunne dames wierpen haastig de kaarten op tafel; de matadores geraakten in de war, maar men bekommerde zich daarover niet. Wat beteekenden thans matadores en eenige verlorene grosschen, nu de kroonprins koning geworden was!
Graaf Wartensleben stond op, nam zijn hoetl en zeide met een plechtig gelaat: âik wil de eerste zijn, die de prinses als koningin begroet; ik zal al de snaren mijner welsprekendheid inspannen, om het woord majesteit krachtig en vol uit te spreken.quot; ')
âIk volg u!'' duisterde Bielfeld plechtig, en beiden naderden de geopende deur, door welke men de kroonprinses, die nog met het lezen van den brief bezig was, zien kon.
Zij zag er buitengewoon tevreden en opgeruimd uit en een gelukkige lach zweefde om hare lippen. Toen zij toevallig den blik opsloeg, ontdekte zij de twee cavaliers, die langzaam en plechtig naar haar toekwamen.
âO, gij weet dus al, dat nu werkelijk een koerier de noodlottige brug gepasseerd is'? En nu wilt gij gaarne weten, hoe het mijn gemaal, den kroonprins, gaat?quot;
âDen kroonprins?quot; herhaalde Wartensleben verbaasd. âHij is dus nog altoos kroonprins?quot;
âDacht gij dan, dat hij reeds koning was en kwaamt gij dus om mij als koningin te begroeten?quot;
âTa, koninklijke hoogheid,quot; zeide Bielfeld lachend, âhet
1) Bielfeld, Vol. I. pag. 10G.
125
woord majesteit zat reeds op onze lippen, als, een pijl, die zoo van de pees wil vliegen!quot;
Het geheele gezelschap barstte in een vroolijk gelach uit, waarmede de kroonprinses zelve instemde en men schertste en lachte en was opgeruimd en vroolijk en dankte God, toen eindelijk het uur van slapen gekomen was en men zich naar zijne kamer begeven kon.
Toen de kroonprinses zich eindelijk alleen in hare kamer bevond, haalde zij den vroeger ontvangen brief uit haren boezem, om hem nog eens te lezen.
Met liefdevolle, teedere blikken bezag zij deze regelen, welke zijne hand haar geschreven had entoen hare blikken nu op zijne handteekening vielen, bracht zij het papier aan hare lippen en kuste het.
âFrederik !quot; fluisterde zij. âMijn Frederik ! âO, mijn God, ik bemin u zoo, dat ik dit papier benijd, dat door uwe hand is aangeraakt en waarop uwe bewonderenswaardige heldere oogen gerust hebben.quot;
Toen las zij den brief nog eens met gespannen, nauwlettende aandacht en een glimlach van geluk bestraalde haar gelaat.
âNeen,quot; zeide zij, âneen, hij wil mij niet verstooten. Daar slaat het geschreven.quot; Slechts nog weinige dagen, en ik en het land zullen u als koningin begroeten ! âNeen, hij zal niet zoo wreed zijn mij eerst de kroon op het hoofd te zetten, om ze later met asch te bedekken ! Wanneer hij mij voor zijn geheele volk, voor geheel Duitschland als zijne echtgenoote, zijne koningin erkent, dan heeft hij ook den ernstigen wil mij nooit te verstooten, maar mij altoos aan zijne zijde te houden. O, hij weet zeker hoe innig ik hem lief heb, ofschoon ik nooit den moed gehad heb bet hem te zeggen! Mijne oogen, mijne zuchten hebben het hem gezegd, en hij heeft medelijden met eene arme vrouw, die immers niets anders verlangt dan hem te mogen zien, te beminnen, te aanbidden! En wie weet, of niet eens die groote, belangelooze, gelatene liefde zijn hart roert: of hij niet eens zal bukken om dat arme wezen, dat voor zijne voeten kruipt, op te beuren en aan zijne borst te drukken. Schenk mij dat, o God, dat alleen, en laat mij dan sterven!quot;
Zij zonk op haar leger en drukte het papier aan hare lippen en duisterde zachtjes : âgoeden nacht, Frederik! Mijn
126
Frederik!quot; â Een glimlach van zaligheid lag nog op hare trekken, toen zij reeds sliep, â misschien van hetndroornde!
Spoedig heorschte eene diepe stilte in het slot. De kaarsen gingen hier en daar uit, de vensters werden donker. De slaap spreidde zijne vleugelen over al dezezooongeduldige en verlangende harten en wiegde hen in vergetelheid en rust.
Zij slapen allen! En toch komt juist nu de lang verwachte koerier daar op den straatweg aanrennen. Nu rijdt hij over de brug! De houten vloer dreunt onder den hoefslag van het paard en toch hoort niemand hem. Zij slapen allen zoo vast! Daar klopt hij aan de poort, zoodat het luide weergalmt! Dat is de bode van den nieuwen tijd, die nu juist zijne eerste stralen van den dageraad over het sombere rouwfloers van den begraven tijd verspreidt. Dat is de heraut, die den opgang eener nieuwe zon, het aanbreken van een nieuw tijdperk, de geboorte van een nieuw Pruisen aankondigt!
Nu ontstaat er weder leven in het slot; nu ziet m^n weder licht achter de vensters verschijnen ; nu vliegt alles hier en daar over trappen en gangen. Ieder wil de eerste zijn die het zijn vriend mededeelt; ieder brandt van verlangen de blijdschap juichend aan te kondigen: âFrederik is niet meer de kroonprins! Frederik is koning en heerscher in Pruisen!quot;
Daar wordt aan Bielfeld's kamer geklopt en gebonsd ; hij springt op, om zijn vriend Knobelsdorf de deur te openen.
âOp, op, vriend !quot; zeide de dikke Knobelsdorf, ademloos binnenvliegende. âKleed u zoo spoedig gij kunt! Wij moeten allen naar beneden, naar de koningin en haar feliciteeren ; wij moeten ons allen gereed houden om haaronmiddelijk naar Berlijn te volgen ! Frederik Willem de Eerste is dood, en wij zijn nu koning in Pruisen!quot;
âOch, het is zeker weder een sprookje,quot; zeide Bielfeld, zich haastig aankleedende; âeen sprookje, waarmede wij arme angstige kinderen al te dikwijls gesust zijn, om het voor waarheid te kunnen houden.''
âToch niet. Voor ditmaal is het waarheid ! De koning is dood, geheel dood! Jordan heeft bevel het lijk te openen en te balsemen ! En gij weet dat diegene, die hij eens onder handen heeft, niet weder opstaat') quot;
1) Bielfeld, Vol I. pag. 10G.
127
En Knobelsdorf lachte zoo hartelijk om zijne aardigheid, en wierp zich zoo achteloos op een stoel, dat hij het tafeltje, dat dicht naast hem stond, in het geheel niet bemerkte, zoodat hij het met luid gestommel omverwierp.
âOch, wat voert gij nu uit!quot;riep Bielfeld verschrikt. âGij hebt al mijn geld, dat ik gisteren gewonnen heb, zoek gemaakt en over den grond verstrooid! Maar het is een te kostelijk zaad om het hier te laten liggen!''
En hij wierp zich op de knieën en kroop het vertrek rond om al de verstrooide zilveren muntstukjes bijeen te zoeken.
Knobelsdorf rukte hem met geweld op. âHet komt volstrekt niet te pas,quot; riep hij bijna vertoornd, âin zulk een verheven oogenblik aan dergelijke lorren te denken. Eenige tweegrosschen bij elkaar te zoeken, als het dukaten op ons gaat regenen!quot;
Hij trok den vriend met zich voort en zij ijlden naar beneden in de voorzaal, die naar de vertrekken der kroonprinses leidde. Haar geheele hofstoet was er reeds verzameld en ieder had zijn gelaat eene zoo ernstig en plechtig mogelijke plooi gegeven en zijn best gedaan zijne innerlijke vreugde, uit achting voor het gewichtige oogenblik, zoo veel hij kon te verbergen.
Alles praat (luisterend door elkander, want het slaapkabinet der kroonprinses is dicht bij de zaal en zij slaapt nog.
Ja, de kroonprinses slaapt nog, maar wanneer zij ontwaakt zal zij koningin zijn!
Men moet haar wakker maken, om haar den brief van haar gemaal over te geven.
De opper-hofmeesteres van Katsch, vergezeld van de beide hofdames van Elisabeth, begeeft zich met deftigen tred naai- de slaapkamer, goed voorzien van reuklleschjes en krampstillende vlugzouten.
Elisabeth Christine lag nog altijd sluimerend en glimlachend op haar leger. Maar in zulk een gewichtig oogenblik mocht men zelfs den slaap eener vorstin niet voor heilig houden!
De opper-hotmeesteres haalde de gordijnen op en het indringende schelle licht deed de kroonprinses ontwaken. zy zag verwonderd en vragend naar de opper-hofmeesteres, die met deftige, diepe buigingen het bed naderde.
128
âVergeving, dat ik het waagde uwe majesteit wakker te maken.quot;
âMajesteit! waarom noemt gij mij majesteit,quot; riep de kroonprinses levendig. âIs er weder een os of paard over de noodlottige brug gekomen?''
âJa uwe majesteit, maar nu was het het paard van baron von Willich, die het bericht overbracht dat de koning Fre-derik Willem gisteren te Potsdam overleden is. Hier, majesteit, is een ilacon. â Sta mij toe dat ik dit vlugzout....quot;
De jonge koningin weigerde beide en gevoelde volstrekt geen spoor van eenige flauwte. Haar hart stond nietstil, maar bonsde en klopte met kracht in de diepademende borst.
âEn heeft baron von Willich geen brief voor mij ?quot; vroeg zij ademloos.
âJa majesteit, hier is hij!quot;
üe jonge koningin uitte een vreugdekreet en brak haastig het zegel van den haar overhandigden brief.
Hij bevatte slechts weinige regelen, maar haar gemaal zelf had ze geschreven en zij waren voor haar vol gewicht en beteekenis. Eene toekomst van glans en geluk, van liefde, toegenegenheid en opoffering lag voor haar in die regels! â De koning riep haar aan zijne zijde, opdat zij tegelijk met hem de huldiging en gelukwenschen van hunne onderdanen mocht ontvangen. Het is waar, de brief bevatte geen teeder of liefderijk woord, geene enkele warme uitboezeming van het gevoel; maar de koning riep haar toch tot zich; hij noemde haar toch: âmijne gemalin.quot; Hij dacht er dus niet over van haar te scheiden, haar in ballingschap en vernedering te jagen.
Voort dus, voort naar Berlijn, waar haar echtgenoot haar wachtte; waar het volk haar als koningin zal begroeten; waar eene nieuwe wereld, een nieuw leven voor haar zal beginnen, eene wereld van glans, van pracht; een leven vol genietingen en stille zaligheid. Want Elisabeth zal koningin zijn en de echtgenoot van Frederik, den schoonen, schitterenden en betooverenden Frederik!
Voort dus naar Berlijn! De rijtuigen staan reeds op het plein; de paarden trappelen en hinneken; de bedienden snellen heen en weder; de anders zoo stille zalen weergalmen van hei geraas der stemmen; alles is in beweging, onrust en driftigen haast.
429
In de muziekzaal ontvangt de koningin de vurige geluk-wenschen van haar hof. Aller gelaatstrekken stfalen van verrukking en vreugde. Een ieder ziet eene schitterende toekomst tegemoet; ieders hart klopt van hoop en verwachting.
Voort dus, voort naar Berlijn, waar eene nieuwe zon is opgegaan ; voort naar den echtgenoot, den koning,^rede-rik den Tweeden!quot;
XVI.
DE DAG DER ONGENADE EN DER GENADE.
De kanonnen donderden, de klokken luidden.Het garnizoen van Rerlijn legde den eed van getrouwheid af, evenais het garnizoen van Potsdam reeds den vorigen dag gedaan had.
De jonge koning ontving in de witte zaal voor het eerst het geheele hof. Uit alle provinciën, uit alle steden, van alle staatslichamen waren afgevaardigden verschenen, om den koning te zien, den lang gewenschten, den lang verwachten, den bevrijder van allen druk, den verlosser uit slavernij en nood. â Verrukking en reine ongeveinsde vreugde heersch-ten overal, en ieder, die dat stralende, van echte geestdrift schitterende gelaat van den jongen koning zag, gevoelde dat voor Pruisen inderdaad een nieuwe tijd zoude aanbreken. â Maar wie was geroepen het roer van dezen nieuwen tijd mede te helpen sturen ? Wie zal de koning kiezen tot vrienden en dienaren; wie zal hij verstoeten en op wien zal hij zich wreken ?
Want er zijn velen in de witte zaal, die den kroonprins, al was het dan ook op bevel des konings, dikwijls bitter leed en bittere krenking hebben aangedaan. Velen zijn er die hem vernederd, misbruik van zijn vertrouwen gemaakt, hem belasterd en dikwijls den toorn zijns vaders tegen hem opgezet hebben.
Zal de koning daaraan denken, nu hij de macht heeft te straffen en zich te wreken ?
Velen waren sidderend van angst de zaal binnengetreden ;
Mühlbaoh, Frederik de Groote en zijn Hof. I. 9
130
schuw en beschroomd hielden zij zich op een afstand ; blijde, w anneei' hij hen niet trof en zij zich ongemerkt in de eene of andere nis kouden verbergen.
Maar den scherpen blik des koning ontging zulks niet; hij had zeer goed de groep daarginds bij het vensier opgemerkt ; hij had zeer goed hunne onrustige, dwalende blikken gezien.
Een medelijdende, goedige glimlach zweefde over zijne edele trekken en eene uitdrukking van eindelooze, verhevene zachtmoedigheid straalde van zijn gelaat, toen hij met hoog opgeheven hoofd die mannen naderde, die als door een instinkt van gemeenschappelijk gevaar zich bij elkander gevoegd hadden en zwijgend opeengedrongen hun noodlot verwachtten.
Wie nu had Frederik zoo dikwijls en zoo diep gekrenkt als de overste van Derschau ? Wie had in de dagen van bitter leed en vlijmend wee hem zoo dikwijls gehoond, hem zoo bitter vervolgd, met zulke meêdoogenlooze hardvochtigheid de bevelen des konings tegen hem uitgevoerd ? Derschau was het geweest, die te zamen met Grumbkow het eerste, wreede verhoor met den âden kapitein Fritsquot; had gehouden en zonder medelijden hem de harde en dreigende Woorden van den koning had overgebra jht. Derschau was het geweest, die des avonds in de gevangenis van den kroonprins trad en met een kouden glimlach het licht uitblies, bij hetwelk de arme gevangene juist zat te lezen en zonder een enkel woordje van verontschuldiging slechts gezegd had: .,de koning wil het zoo hebben! De koning heeft het bevolen !quot;'
Toen had de âkapitein Fritsquot; geweend van toorn en smart, toen had hij gezworen zich op dien wreeden man te wreken.
Of de koning zich nu herinneren zal, wat hij als âkapitein Fritsquot; gezworen had?
Hij stond nu vlak voor den overste. Zijn helder oog rustte met een vreemden, treurigen en liefderijken blik op dezen man, die hem zooveel leed berokkend, zooveel smart veroorzaakt had en die nu met gebogen hoofd en neergeslagen blikken en met een hijgend hart voor hem stond.
Plotseling stak de koning hem met eene snelle beweging zijn hand toe en zeide zachtmoedig; âgoeden dag, Derschau!''
131
Het was de eerste maal sedert zeven jaren, dat Frederik hem had aangesproken en deze zachte en vriendelijke groet roerde en schokte het hart van den overste. Hij boog zich over de aangeboden hand en ze kussende, viel een heete, gloeiende traan uit zijne oogen op deze hand neder.
âOverste van Derschau,quot; zeide de koning, âgij zijt voor mijn vader steeds een trouw en gehoorzaam dienaar geweest. Gij hebt in alles steeds zijn wil gevolgd en zijt hem stipt gehoorzaam geweest. Het past den zoon de trouwe dienaren van zijn vader te beloonen. Gij zijt van heden af generaal-majoor!quot;
Daarop keerde de koning zich om, en toen zijn blik zich nu op den geheimraad van Eckhardt vestigde, was hij niet meer zacht en verzoenend, maar koud en streng.
âIs het wapen al boven het huis in de Jagerstraat geplaatst?quot; vroeg hij gestreng, en toen Eckhardt ontkende,-vervolgde de koning haastig: âdan raad ik u het niet te-laten plaatsen! Dit huis is koninklijk eigendom en ik wil niel, dat het door zulk eene dwaasheid ontsierd worde! Ga naar huis. Ik zal u mijne bevelen laten weten!quot;
Bleek en met een gebroken hart sloop de geheimraad van Eckhardt heen; een hoongelach en hallluidgemompel vergezelde hem op zijn weg door de zalen. Niemand had een woord van deelneming of medelijden voor hem. Niemand herinnerde zich nu de zoo dikwijls bezworen viiend-schap, de zoo dringend herhaalde betuigingen van genegenheid en dankbaarheid.
Zoo stapte hij door de zalen, met gebogen hoofd, verpletterd en bevend. Toen hij den uitgang naderde, kwam hem de baron von Pöllnitz tegen. Een woeste, spottende lach zweefde op diens lippen en zijne blikken verrieden nu ook den haat, dien hij zoo dikwijls had moeten verheelen en verbergen.
âNu,quot; zeide hij langzaam, âzult gij mij toch den beloofden wijn uit uwe kelders zenden? Gij weet het immers! Uit de kelders van uw huis in de Jagerstraat, waarvoor ik een wapen moest uitvinden? He, dat waren schoone dagen, heer geheimraad! Gij hebt mij zoo dikwijls iets betaald gezet, mij belasterd en mij scheldwoorden van den koning op den hals gehaald. Maar ik heb toch reden om dankbaar te zijn. Want dit huis, hetwelk gij daar in de Jagerstraat
132
hebt laten bouwen, is heel deftig en mooi; groot genoeg, zelfs voor een cavalier, zooals ik ben. Gij hebt het buitendien voor rekening van den koning zoo prachtig en met waarlijk vorstelijken luister ingericht, dat het zelfs voor een cavalier past en geschikt is. Herinnert gij u nog mijne beschrijving van het huis eens cavaliers? De koning noemde het toen een luchtkasteel; maar gij, beste, grootmoedige man, hebt mijn luchtkasteel verwezenlijkt en nu het afgewerkt en alles ingericht en gereed is. nu wilt gij, in uwe edelmoedigheid, dit schoone huis mi}'overlaten en mij tot uw erfgenaam maken? Want gij weet immers, beste Eckhardt, dat de geheimraad Eekhardt overleden is en dat slechts de schoorsteenbouwer Eckhardt nog leeft? Och, och, maar zelfs de knappe schoorsteenbouwer mag niet eens te Berlijn blijven en moet zich twintig mijlen ver van de residentie verwijderd houden. Maar niet waar, als een der schoorsleenen rookt, mag ik toch iemand om u zenden en dan komt gij toch het gebrek hei stellen? Dat wilt gij mij toch wel beloven?quot;
Eckhardt mompelde binnen 's monds eenige onverstaanbare woorden en trachtte Pöllnitz van de deur terug te dringen, voor welke de wreede, onverbiddelijke hoveling zich als de engel met het zwaard der wraak geplaatst had.
âGij wilt dus heengaan?quot; zeide hij vriendelijk. âZonder twijfel zijt gij nieuwsgierig naar den koninklijken briet, die u te huis wacht? Maar ik kan u den inhoud al zeer nauwkeurig opgeven. Gij wordt van al uwe bedieningen en waardigheden vervallen verklaard en uit Berlijn verbannen, dat is alles. De koning heeft u dus medelijdend behandeld, zooals gij ziet! Hij had u kunnen laten vonnissen en levenslang naar Spandau zenden; maar hij wilde zijne troonsbestijging niet door bloed ontwijden, en daarom heeft hij u genade geschonken.''
âLaat mij gaan! Ik stik anders!quot;hijgde Eckhardt,sidderend en doodsbleek.
Pöllnitz hield hem nog altijd terug. âMaar weet gij dan niet, goede man, dat daar beneden op het slotplein duizende mensclien staan! Kunt gij dan niet hier hun gejuich en geschreeuw hooren? Nu, dit gejuich en geschreeuw zoude in een woedend gebrul overgaan, als het volk u in het oog kreeg, mijn beste Eckhardt en in zijn toorn zoude het
433
u als een heerlijk hapje beschouwen om zijn honger te stillen. Want gij weet immers, dat het volk honger lijdt, gij, die de koninklijke zolder vuldet en dan groote sloten en grendels voor deuren maaktet, opdat het volk in de wanhoop zijns hongers de deuren niet zoude openbreken. Gij die den koning nochtans onder eede verzekerdet, dat het volk genoeg had om te leven en zijn koren en zijne hulp niet behoefde. Och ! hoor maar eens, het juicht al weder! Ik houd u niet langer terug. Ga maar heen en zie eens, boe gelukkig het volk is, want de jonge koning heeft bevolen de korenzolders te openen , de koning heeft onder de soldaten, die in drie dagen reeds geen brood gehad hebben, brood laten uitdeelen en de belasting op het meel voor eenige maanden geschorst. Ga, Eckhardt, ga, om te zien hoe gelukkig het volk is!quot;
Onder een verschrikkelijken vloek vloog Eckhardt heen. Pöllnitz zag hem met een spottenden glimlach na. âDe wraak is toch zoet,'' zeide hij toen diep ademend. âHij heeft mij zoo dikwijls gekrenkt, nu heb ik het hem met woeker teruggeven. Hij is weg en verloren ! Had ik nu zijn huis maar. Ik moet het hebben, ik wil het hebben. O, ik zal mij bij den koning wel onontbeerlijk weten te maken! Ik zal vleien en loven ; ik zal zijne geheimste wen-schen opsporen en onuitgesproken ze vervullen ; ik zal hem dwingen mij tot zijn vertrouweling, tot zijn de ji/aisiV
te maken. Ja, ja, dat schoone huis in de Jagerstraat zal mij toehehooren ! Dat heb ik mij zeiven gezworen en Fre-dersdorf heeft mij zijne hulp toegezegd. 'Ãn nu naar den koning! Ik moet zien, of dit jonge koningskind werkelijk als een Hercules in de wieg, reeds op den eersten dag zijner geboorte slangen kan verpletteren, dan of hij niet een koning als andere koningen is; dat wil zeggen toegankelijk voor vleierij, ijdel en trotsch en geene wet boven zich kennende en erkennende dan zijn eigen wil en zijn h n plaisir ? Maar luister, isdat niet de stem des konings ? Met wien spreekt hij nu ?quot;
Pöllnitz snelde naar de naaste zaal. Daar stond de koning te midden zijner ministers en eene deputatie van het gemeentebestuur van Berlijn, op het punt zich van hen te verwijderen.
âIk beveel u,quot; zoo eindigde juist de koning zijne toe-
434
spraak tot de ministers, âik beveel u, zoo dikwijls gij het noodigacht, tegen mijne beschikkingen, op en aanmerkingen te maken, en, bij herhaling, niet moede te worden, wanneer ik ooit ongelukkig het welzijn mijner onderdanen uit het oog verliezen mocht! Want ik wil, dat voortaan, wanneer soms mijn bijzonder belang met het algemeene welzijn van der staat in strijd mocht zijn, dat dan h.et laatste altijd boven het eerste den voorrang hebbe 1).quot;
âAch, het zal zeer moeielijk zijn dit Herculeskind te temmen,quot; prevelde Pöllnitz, den koning naziende, die juist de zaal verlaten had. âDe slangen, met welke wij hem willen omstrikken, moeten al zeer sterk en verleidelijk zijn, wanneer hij ze niet verpletteren zal! Nu, gelukkig kennen Fre-dersdorf en ik eenige dezer slangen en wij zullen zorgdragen dat hij ze op zijn pad ontmoet!''
De koning had intusschen de groote receptie-zalen verlaten en zich in zijne bijzondere vertrekken teruggetrokken, waar de vrienden en vertrouwelingen op hem wachtten en met kloppende harten zijne komst verbeidden. Zij waren allen bereid den gouden regen op te vangen, die zich zonder twijfel over hen zoude uitstorten, zij waren allen overtuigd dat de jonge koning een weinig van den purperen mantel, die nu zijne schouderen bedekte, ook op hunne schouders zoude leggen, dat hij Zien alleen daartoe had uitverkoren om hem den last van zijne koningskroon en zijn gouden schepter te helpen dragen; zij droomden allen van minister-portefeuilles en gezantschappen, van generaals-epauletten en presidentschappen.
Toen de koning nu in hun midden trad, ontvingen zij hem met luide vreugdekreten. De Markgraaf Hendrik, de trouwe deelgenoot der ongedwongene feesten te Rheinsberg, ijlde op den koning toe, om hem beide handen toe te steken en met vroolijke, opgeruimde en geestige woorden als den lieven tuinman van Rheinsberg te begroeten
Maar Frederik stak hem zijne hand niet toe; hij glimlachte niet. Den markgraaf met gestrenge blikken aanziende, trad hij eene schrede terug en zeide ernstig: âMonsieur nu ben ik koning!quot; 2).
1
's Konlngs eigen woorden. Preuss. Jugendgeschiclite Fr. d. Gr. pag. 325'
2
Preuss. Jugendgeschiclite Fr. d. Gr. pag. 321.
135
En toen hij de verbazing en verrassing in de trekken van al deze voor een oogenblik nog zoo hoopvolle en glimlachende vrienden zag, vervolgde hij met vriendelijken glimlach : âwij zijn nu niet meer te Rheinsberg! Ginds geldt de schoone spreuk ven Horatius: âZoet is dwaasheid op zijn tijd!quot; Daar ben ik de tuinman en de vriend! Maar hier ben ik koning en hier moeten wij allen werken en streven en een ieder moet zijne krachten inspannen en in de diensten, die hij den staat bewijst, getuigenis aileggen voor het volk, opdat het zie waarom de koning hem tot zijn vriend koos!quot;
âEn ik zal ook de genade deelachtig worden mij onder de vrienden des konings te mogen tellen?quot; vroeg de oude vorst van Anhalt-Dessau, die juist met zijn beide zonen in de zaal getreden wasquot; en de laatste woorden des konings gehoord had. âZal uwe majesteit ook mij en mijne beide zonen in de gunst laten deelen, die mij de zalige koning zoo lange en gelukkige jaren bewezen heeft? O majesteit, ik smeek om uwe genade; ik bezweer u, mij en mijnen zonen genadig te zijn en ons het aanzien en den invloed te laten behouden, die wij tot heden genoten hebben!quot;
Zoo sprekend boog de oude vorst luid weenende zijn knie voor zijn jeugdigen vorst. De koning schudde peinzend zijn hoofd en een glimlach speelde om zijne lippen! Hij reikte den vorst zijne hand en verzocht hem op te staan. âIk zal u gaarne uwe posten en betrekkingen laten behouden,quot; zeide de koning, âwant ik ben zeker, dat gij mij even trouw en ijverig zult dienen als gij mijn vader gedaan hebt! Wat echter bet aanzien en den invloed betreft, die gij wenscht te hebben, wil ik u allen zeggen, dat onder mijne regeering niemand aanzien zal hebben dan ik alleen on dat niemand, zelfs mijn beste vriend niet, eenigen invloed op mij zal hebben.quot; ^
De vrienden uit Rheinsberg zagen elkander heimelijk en verbleekend aan en bogen treurig hunne hoofden. Niemand glimlachte meer; niemand had lust te schertsen. Eene koude ijzige hand had hunne luid kloppende harten aangeraakt en de vleugelen hunner hoop verlamd!
1) De eigen woorden des konings.
136
De koning scheen het niet te merken. Hij naderde zijn vriend Jordan en zijn arm nemend, trok hij hem naar eene vensternis, waar hij lang en gewichtig met hem sprak.
De hovelingen en gunstelingen zagen met afgunstige blikken naar den bevoorrechten gelukkigen vriend en bespiedden eiken gelaatstrek, elke verandering in het gebarenspel van den koningen van den vriend. Maar 's konings gelaat bleef altijd rustig en bedaard en op Jordan's gelaat straalde niet de vonk der vreugde, maar eene stille, smartelijke verwondering lag als eene wolk er over heen.
Nu trad de koning uit de nis en wenkte Bielfeld bij zich. Ook met hem sprak hij lang en ernstig, liet hem toen gaan om zich met Chazot te onderhouden. Ten laatste nam hij den arm van den graaf van Wartensleben en ging pratend met hem op en neer. Het gelaat van den graaf schitterde van vreugde, maar de gezichten der overige hovelingen waren ernstig en somber. Met geen van hen had hij zoo lang gesproken als met den graaf; niemand van hen had hij zoo onder den arm genomen', niemand voor aller oogen zoo zijne genegenheid en liefde betoond.
Het was dus duidelijk; de graaf van Wartensleben was van heden af aan de verklaarde gunsteling des konings; hij had / hen allen uit het veld geslagen.
De jonge koning had al deze gewaarwordingen, al deze opwellingen van nijd, boosheid, spijt en toorn in de trekken zijner vrienden gelezen. Hij kende hen allen te goed; hij had met allen reeds te lang omgegaan, om niet op hun gelaat hunne gedachten te kunnen lezen. Hij had zich vermaakt met die kleingeestige, door eigenbaat, nijd en haat bevangen zielen te spelen ; hij had aan zijne vrienden een lesje gegeven, ten einde hen uit de droomen hunner ingebeelde grootheid tot de werkelijkheid terug te brengen. Nu echter, nadat hij den graaf als werktuig had gebruikt, moest hij dezen ook een lesje geven; nu moesten * ook zijne vleugelen gekortwiekt, ook zijne hoogstijgende golven der eerzucht door de olie der werkelijkheid bedaard worden.
âJa, ik ben nu meester van een koninkrijk,quot; zeide de koning. âIk heb een schoon leger en eene welgevulde schatkist. Gij twijfelt er stellig niet aan, dat het mijn vaste
137
voornemen is mijn slaat te doen bloeien, den goeden naam van mijn leger te behouden en een goed gebruik van mijn rijkdom te maken. Het geld is er, om in omloop gebracht en goed besteed te worden. Het geld is er, om diegenen te beloonen, die het vaderland goede diensten bewijzen, maar het is voornamelijk voor diegenen, die mijne waarachtige vrienden zijn.quot;
Het gelaat van den jongen graaf schitterde van verrukking. Over het gelaat des konings vloog een spotachtige lach en zijne oogen fonkelden helderder.
âMaar ik zal natuurlijk onderscheid weten te maken,quot; vervolgde de koning, âen wie het niet noodig heeft, zal hel niet krijgen. Gij, bij voorbeeld, mijn lieve graaf, gij, die zoo buitengewoon rijk en daarenboven zoo buitenge woon spaarzaam zijt, gij zult u met mijne liefde moeten tevreden stellen, want gij zult van mij geen enkele daalder ontvangen. 1)
Zoo sprekende ging hij in het naaste vertrek, waarvan de deur achter hem gesloten werd, nadat hij den graaf vriendelijk toegeknikt had.
Stom en verbaasd zagen de vrienden elkander aan, nadat quot; de koning hen verlaten had. Een ieder beschouwde den ander als den gelukkigen, bevoorrechten mededinger. Een ieder geloofde in den ander te zien, wat hij zelf niet geworden was, de machtige gunsteling, minister, generaal. Een ieder voelde zijne liefde voor den ander een weinig verkoeld en verwenschte den vriend, die zijne bevordering had in den weg gestaan.
Jordan was de eerste, die het zwijgen afbrak. Met een weemoedigen lach reikte hij Bielfeld zijne hand.
âEr mag niet gezegd worden,quot; zeide hij, âdat teleur gestelde verwachtingen ook de koelheid des harten na zich moeten slepen en dat de afgunst ons ongevoelig moet maken voor de voorrechten onzer vrienden. Ik heb hen lief, juist om hunne voorrechten en talenten en begrijp daarom volkomen, dat de koning hen boven mij de voorkeur geeft! Neem dus mijn gel uk wensch aan en wees verzekerd, dat ik u uw geluk van harte gun.quot;
1
Thiébault II, pag. 50--51.
Bielfeld zag hem verwonderd aan. âMijn geluk?quot; vroeg hij glimlachend. âDierbare vriend, aan dal geluk valt niets te benijden en wat mijne bevordering betreft, die is inderdaad zoo nietig, dat zij nauwelijks dien naam verdient. De koning heeft mij gezegd, dat hij mij voor de diplomatie bestemd had, maar dat ik eerst nog eenige leerjaren noodig had. Met dit doel had hij mij gekozen om den gezant, den graaf Trudisess, naar Hanover te vergezellen. Als ik van 'daar terug kwam, zoude hij mij verder bevorderen. Dal is mijn geheele avancement, en gij zult moeten bekennen, dal het al een klein begin is!quot; ^
âMaar gij, lieve Jordan, welke gewichtige betrekking hebt gij gekregen? Want zonder twijfel, heeft de koning u, zijn besten vriend, boven ons allen begunstigd en dat met volle recht! Zeg dus, wat zijt gij ?quot;
âJa, wat zijt gij ?quot; vroegen de andere cavaliers driftig door elkander. âZijt gij minister van Eeredienst geworden?quot;
âWat ik ben?quot; vroeg Jordan glimlachend. âIk zal hein zeggen, mijne vrienden, ik ben geen minister van Eeredienst geworden, geen staatsraad, â och, gij raadt het nooit, wat ik geworden ben â ik ben â Directeur van de armenpolitie geworden. Ik moet de straten van Berlijn van het lastige bedelvolk zuiveren en een werkhuis voor armen en bedelaars stichten. 1) Nu, vrienden, vindt gij het nog benijdenswaardig?quot;
Allen zwegen en schudden peinzend en treurig hun hoofd. Toen vestigden zich hunne blikken op den graaf van Wartensleben.
âDiis zijt gij, lieve graaf, de gelukkige.quot;
âGij hebt den gouden appel geschoten?quot;
âGij hebt de verlangde portefeuille in handen?quot;
âIk,quot; riep de graaf, half barsch, half vroolijk. .,Ik heb niets in handen en zal ook nooit iets in handen krijgen. Wilt gij weten, wat de koning mij gezegd heeft ? Hij heeft
1
Preuss, Jugendgesch 323. âJordan buurde voor het werkhuis, dat de koning bevolen had, een huis op het plein Belle-Alliance, dat aan bet slagers-gild toebehoorde en een ossenkop in den gevel voerde, welk teeken door den volksgeest later gelijkluidend met weesbuis werd; zelfs nog toen de inrichting naar een ander buis verplaatst werd en voor haar een eigen gebouw op het Alexanderplein werd gesticht.quot;
139
mij zeer ernstig en plechtig verzekerd, dat ik rijk genoeg was en dat ik daarom nooit een enkelen daalder van hem zoude krijgen!quot;
Nu barstten allen in luid geschater los. Laat ons bekennen dat wij heden een heerlijk kluchtspel vertoond hebben, een kluchtspel, dat Molière kon geschreven hebben, en dat moest heeten: Journée des Dupes. âNeen, daar wij allen niets bijzonders geworden zijn, willen wij ook allen tevreden zijn. â Maar luistert eens! De koning speelt op zijne tluit! O, hoe weemoedig en zoet klinkt dat! Laat ons luisteren!
Ja, de koning speelde op de lluit. Hij verdreef met deze welluidende tonen de kwade geesten der verveling en dei-martelende etiquette, die hem heden bezocht hadden. Ja, hij speelde op de fluit, om weder tot zich zeiven te komen, om weder een helder hoofd, een opgeruimd hart te hebben.
Spoedig legde hij evenwel de fluit ter zijde, want zijn oog viel op de met ongeopende brieven en papieren bedekte tafel. Hij moest al die brieven en papieren zelf nog lezen, zelf beantwoorden. Hij alleen. Want niemand moest voor hem werken, maar een ieder moest slechts doorhem werken; niemand mocht in zijne plaats besluiten nemen, of bevelen geven. Van hem móest alles uitgaan; hij wilde de ziel en het hart van den staat zijn!
Hij had dus geen tijd meer om fluit te spelen; hij moest werken; want hij was de koning, dat is: de eerste dienaar, de eerste arbeider en bestuurder van volk en land !
Hij opende de brieven, las ze en schreef het antwoord op den rand van elk derzelve, opdat de kahinets-secreta-rissen ze verder konden uitwerken en in den vorm schrijven.
Nu was zijn werk ten einde. Dat papier, van een groot zegel voorzien, was het laatste voor heden.
Het was een brief van de synode, die berichtte, dat, tengevolge van de Roomsch-katholieke scholen, die in Berlijn geduld werden, vele inwoners van Berlijn overgehaald werden van het protestantismus naar het katholi-cismus over te gaan. De synode gaf dus in bedenking, of het niet beter ware, de katholieke scholen op te belten en te sluiten?
Een glimlach van medelijden vloog over het gelaat des konings, toen hij dit las. âEn zij zeggen, zij gelooven allen aan een God,quot; zeide hij, âen hunne priesters preèken van
140
christelijke lijdzaamheid en christelijke liefde en weten er zeiven niets van. Zij zijn onverdraagzaam in hun hart, hoogmoedig en vol listenen lagen. Maar ik zal hen doen bukken en hunne aangematigde macht verbreken. Mijn geheele leven zal een strijd zijn tegen die priesters. Zij mogen mij beleedigen en verketteren, het doet er niet toe! Laat de kerk tegen mij zijn, wanneer mijn geweten mij slechts vrijspreekt! â Nu, wij zullen den strijd beginnen en wat ik nu schrijf, zal, als het steken der alarmtrompet, het vrome priesterheir doen ontstellen.quot;
Hij nam de pen weder op en schreef als antwoord aan de synode op den rand van het schrift; âAlle godsdiensten moeten gednld worden en de fiscaal moet slechts daar.q) letten, dal de eene de andere geen afbreuk doe, want in mijne landen moet een ieder op zijne manier zalig worden.quot; 1)
XVII.
IN DEN TUIN TE MONBYOU.
De eerste dagen van opgewondenheid waren voorbij. De jonge koning had zich voor eenige dagen in de eenzaamheid en de stilte van het slot te Gharlottenburg teruggetrokken, terwijl zijne gemalin zich nog altijd in het paleis van den kroonprins ophoudende, met een bekommerd hart de uitnoodiging van haren gemaal verwachtte, om hem naar Gharlottenburg te volgen. Maar de jonge koning scheen voor niets anders zin en gedachten te hebben dan voor zijne plichten als koning. Hij werkte en studeerde onophoudelijk en zelfs de fluit moest verstommen en voor acten en rescripten plaats maken. Berlijn had zich eenige dagen naar de etiquette geschikt en een rouwsluier omgeworpen, onder welken het, tot aan het feest der inhuldiging van den nieuwen koning, zijn lachend gelaat wilde verbergen. Alles
1
Büsching: Cbarakter Friedrichs des Zweiten, pag. 152.
141
had een ernstig, plechtig aanzien en toch waren alle harten vroolijk, en toch had een ieder zijn van geluk stralenden blik op dat koningslot gevestigd en meende reeds een lichtstraal van den nieuwen tijd uit zijne vensiers en langs zijne donkere, zwijgende muren te zien schitteren. Hel koningslot was op dit oogenblik eenzaam en verlaten; de koning, zooals reeds gezegd is, was naar Gharlottenhurg gegaan; de jonge koningin hield zich nog in het paleis van den kroonprins op en de koningin-weduwe Sophia Dorothea had zich met de prinsessen Ulrike en Amalia naar het lustslot Monhyou begeven. Een ieder was in spanning en vol verwachting, een ieder hoopte voor zich op invloed, macht en grootheid. De keukenjongen en de kamepier, de gravin, de vorstin, ja zelfs de koningin, allen droomden van dagen van glansen toekomstige heerlijkheid. Sophia Dorothea was te lang eene verdrukte, sidderende vrouw geweest; zij had lust, eindelijk eens koningin te zijn, de heerschende, gebiedende, invloedrijke koningin ! Haar zoon zoude haar, zonder twijfel, al de macht en het aanzien schenken, dat haar gemaal haar geweigerd had; haar zoon zou zich herinneren, die dagen van vernederingen, van smart en tranen, die zij om hem geleden had, en nu, nu hem de macht was gegeven, moest hij schitterend vergelden, wat zij voor hem gedaan had. Elke barer tranen moest nu in schitterende diamanten, elke barer vernederingen in zoovele aanspraken op macht en grootheid veranderen. De jonge koning zou den schepter in handen hebben, maar ook zijne moeder moest hij dien mede laten houden; en wanneer die voor zijne jeugdige banden al te zwaar mocht zijn, was immers de koningin bereid, dien voor hem te dragen en te regeeren, terwijl baar dweependen zoon op de tluit speelde of verzen maakte of met zijne vrienden philosopheerde. Frederik was stellig niet geboren om te heerschen ; hij was een dichter, een wijsgeer, een dweeper, die van een Utopia droomde en van herschenschimmen, welke wel nooit verwezenlijkt zouden worden. Voor hem moest het regeeren een last zijn, en de schetterende trompetten en klaroenen zijner krijgers een wanklank in de scheppingen zijner verbeelding. Maar gelukkig had hij zijne moeder! En die moeder was bereid voor hem te regeeren, voor hem den zwaren last en de
142
zorgen van het koningschap op hare schouderen te nemen en met zijne ministers te werken terwijl de koning intus-schen het een of ander poëtische epistel aan Voltaire schreef! En waarom zou zij niet regeeren en heerschen en wetten kunnen maken ? Leverden ook andere landen geene voorbeelden op van edele, verhevene vrouwen, die met eer en roem hunne, volken geregeerd hebben? Was Engeland niet trotsch op zijne Elisabeth, Zweden op zijne Christina, Spanje op zijne Isabella, Rusland op zijne Catharina; had niet in Pruisen reeds de koningin Charlotte eene even belangrijke als roemvolle plaats ingenomen? quot;Waarom zou Sophia Dorothea niet hetzelfde en nog meer kunnen verkrijgen, dan hare voorgangster Sophia Charlotte!
Zoo dacht de koningin, toen zij in de lomrnerijke lanen van den tuin van Monbyou op- en neèrwandelde en met een trotschen glimlach naar de zoete vleitaal van den graaf Mannteuffel luisterde, die haar juist den brief van condo-leantie van wege de keizerin van Oostenrijk, had ter hand gesteld.
âHare majesteit de keizerin schrijft /ierfen buitengewoon hartelijk en liefderijk, zeide de koningin met een fijnen glimlach.quot;
âZij heeft dus heden hare gevoelens voor uwe majesteit blootgelegd, terwijl die anders steeds in haar hart bewaard bleven, zeide graaf Mannteuifel .eerbiedig.quot;
De koningin schudde glimlachend haar hoofden plukte de bladeren der rozen af van een bloeienden struik voor welken zij juist stonden. âDe huizen Hohenzollern en Habs-burg zijn elkander nooit geneden geweest, zeide zij peinzend.quot;
âDat zeiden de aanzienlijke familiën der Capuletti en Montecchi ook, merkte graaf Mannteuffel glimlachend aan, en toch moest de haat der ouders eindelijk voor de liefde der kinderen wijken.quot;
âMaar wij zijn nog niet aan de kinderen, wij staan nog bij de ouders!'' riep de koningin trotsch, want zij dacht er juist aan, hoe dikwijls haar gemaal door het huis Oostenrijk misleid en bedrogen was; zij dacht er aan, hoe hij op zijn sterfbed zijn zoon Frederik de verplichting had opgelegd, hem op het huis Oostenrijk te wreken.
âVergeef mij, uwe majesteit, wanneer ik het waag u
143
legen te spreken, zeide Mahnteu(Tel glimlachend. Wij zijn toch reeds tot de kinderen gekomen, en wanneer er al werkelijk tusschen de ouders een betreurenswaardige twist bestond, heeft de liefde der kinderen dien reeds verzoend, want de gemalin van den jongen koning is eene nicht, en nog wel eene vurig beminde nicht van het Oostenrijksche keizershof.quot;
âZij was intusschen reeds zijne gemalin, heer graaf, toen zijn vader, mijn gemaal, den keizer in Bohemen een bezoek bracht, en men het strijdig met de etiquette hield, dat de keizer den koning van Pruisen zijne hand reikte Zij was het reeds, toen het hof te Weenen al zijne beloften en al onze. billijke aanspraken afwees en aan Pruisen weigerde te geven, waarop het een onbetwistbaar erfrecht had!quot;
âZij was het echter nog niet, toen Oostenrijk door zijne krachtige en dringende voorstellen, den toenraaligen kroonprins Frederik het leven redde. Wanl uwe majesteit weet zeer goed, dat toen dat zoo kostbare leven zeer bedreigd werd.quot;
âHet werd bedreigd, maar het zou gered geworden zijn ook zonder Oostenrijks hulp; want naast Frederik stond zijne moeder, en deze moeder was de zuster van den koning van Engeland.quot;
En de koningin wierp een zoo trotschen, verachtelijken blik op den graaf, dat deze onwillekeurig zijne oogen ne-dersloeg.
Sophia Dorothea zag het en glimlachte. Zij had eene zege behaald, nu wilde zij weder zachtmoedig en verzoenend zijn.
âSpreken wij niet meer van het verledene,quot; zeide zij daarom vriendelijk. âDe dood van mijn gemaal heeft voor mij een somber rouwfloers over het verleden geworpen en ik moet mij er van afwenden, opdat mijn zoon, de jonge koning, niet altoos alleen tranen in mijn oog zie. Neen, ik wil nu slechts in de toekomst zien, want mijn voorgevoel zegt mij, dat deze- toekomst voor Pruisen eene schitterende, roemrijke en gezegende zal zijn.quot;
âMocht zij het ook voor geheel Duitschland zijn, majesteit,quot; zeide de graaf. âOpdat zij het worde, moeten de huizen
1) Seckendorf's J.eben. Vol. III, Pag. 45.
144
Hohenzollern en Habsburg den ouden twist vergeten en in liefde en eendracht naast elkander slaan!quot;
âLaat Habsburg ons eerst bewijzen, dat hot ons in liefde en eendracht de hand wil reiken,quot; zeide de koningin. âHet toone ons door daden, niet door woorden, zijne deelneming, zijne gerechtigheid, zijn eerbied voor onze rechten.quot;
âOostenrijk is er toe bereid, majesteit, het is slechts de. vraag of Pruisen de hand van Oostenrijk wil aannemen en er den ring der liefde wil aansteken.quot;
De koningin keerde haar hoofd zoo snel om, dat zij nog den scherpen, loerenden blik van den graaf opving. âOostenrijk smeedt dus weder huwelijksplannen,quot; zeide zij met bitteren lach. âHet heeft nog niet genoeg aan dat eene huwelijk van de keizei'lijke nicht; het verlangt weder naar de herhaling van dit meesterstuk. Maar thans, heer graaf, is er geen Küstrin en geene gevangenis, waaruit men zich tot eiken prijs wil redden; en ditmaal zal men, voor men tot een besluit komt, de aankomst van alle koeriers afwachten.quot;
En de koningin den graaf met een lichten hoofdknik zijn afscheid gevende, wenkte de haar in de verte volgende hofdames en ging met haar eene zijlaan in. Graaf Mannteuffel zag haar, in gedachten verzonken, met peinzende blikken na, als of hij aan de plek vastgenageld was, waar de koningin hem verlaten had.
âZij is trotscher en vastberadener dan ooit,quot; prevelde hij eindelijk in zich zei ven. âDat is een teeken, dat zij invloed zal hebben en hare macht kent. Ãn wat de koningin daar van koeriers zeide, dat is, zonder twijfel, eene toespeling op dien koerier, die op den dag der verloving van den kroonprins één uur te laat de toestemming van Engeland overbracht. Och! dus zijn er al weder koeriers onder weg, en een van hen is zekerlijk naar Engeland gezonden! Wij moeten nu handelen, alle mijnen der diplomaten laten springen, en de koerier uit Engeland moet, even als toen, één uur te laat komen.quot;
In zijne nabijheid klonk nu een luid, vroolijk geschater en eene smeltende, welluidende stem zeide: âneen, graaf, gij zult mij nooit aan uwe liefde doen gelooven! Gij zijt veel te blond, om werkelijk te kunnen beminnen.quot;
âBlond!quot; riep eene mannenstem met de uitdrukking van schrik. âGij houdt dus niet van blond haar, terwijl ik tot
445
nog toe zoo trotsch op mijn blond haar was. Maar ik zal het zwart laten kleuren, zult gij dan aan mijne liefde gelooven?quot;
De dame antwoordde weder met een lach, die als het ware op het gelaat van den luisterenden graaf MannteulTel terugkaatste.
âHet is mijne bondgonoote, Mevrouw van Brandt,quot; fluisterde hij glimlachend. âZij komt mij nu zeer gelegen, en ik zal haar verliefd lête-d-tète met den graaf Voss voor een oogenhlik moeten storenquot;
Zoo sprekende, ijlde de graaf spoedig langs de hooge, gesnoeide laan, in de richting vanwaar hij de stemmen vernomen had en trad daarop door eene in het dichte loof aangebrachte poort in de naaste laan, waarin zich Mevrouw van Brandt met haar smachtenden minnaar bevond.
Graaf Mannteuffel naderde nu de dame met de volkomen geslaagde uitdrukking van blijde verwondering, te kennen gevende, hoezeer hij verrast was zijne schoone vriendin hier in den tuin der koningin-weduwe te vinden. âHare majesteit bewees mij de eer van eene uitnoodiging voor eenige schoone zomerwekenquot; zeide mevrouw van Brandt. âZij wist, dat de docter mij het voortdurend verblijf in de vrije lucht als een noodzakelijk geneesmiddel voor mijne zwakke gezondheid bevolen had en daar de koningin den innigen vriendschapsband kent, die mij aan freule van Pannewitz, hare hofdame, verbindt, was zij zoo genadig mij in Monbyou eenige kamers aan te bieden. Nu heb ik u nauwgezet, als of gij mijn biechtvader waart, de reden van mijn hierzijn verklaard, en er blijft mij niets over, dan u nog mijn cavalier voor te stellen. Het is graaf Voss, een edel ridder, saws scmsreproc/ie, gereed voor zijne
dame, wel is waar niet zijn leven, maar toch zijne blonde haren op te offeren.quot;
âO, pas op, mijn beste graaf,quot; zeide Mannteuffel lachend, âpas maar op, dat zij u inderdaad de kleur uwer haren niet doet veranderen en het schoone blond niet met het zeer eerwaardige grijs verwisseld wordt. Zij is toovenares en diavo-lezza genoeg, om dat te vermogen, en ik verzeker u,dat in de geschiedenis mijner grijze haren de schoone mevrouw van Brandt eene gewichtige rol speelt.quot;
âAch, het moet toch altoos schoon zijn, grijze haren te
Kühlbach, Frederik de Groote en sijn Hof. I. 10
14(3
krijgen om mevrouw van Brandt,quot; zeule de jonge graaf, met eene overdrijving, die zijne beide toehoorders deed lachen. âZoo dikwijls ik dan mijne grijze haren beschouwde, zou ik aan u denken en bij elk wit haar, dat mijn baard ontviel, zou mij het beeld van mevrouw van Brandt voor den geest komen.quot;
En de jonge graaf staarde met verrukte blikken omhoog, en zijne glimlachende lippen mompelden eenige zachte, overstaan bare woorden.
âHij heeft een aanval van zijne verliefde verrukking,quot; fluisterde mevrouw van Brandt. ,,Hij heeft de dwaasheid een zonderling te willen zijn en dweept nu met de gedachte om als Petrarca op eene Laura verliefd te worden. Laat hem maar dwepen, en spreken wij een weinig over onze zaken! Maar wees kort, opdat niemand ons verrasse; want men lieeft achterdocht tegen u, mijn lieve graaf, en mijne eigene onschuld zoude in gevaar komen, wanneer men mij met u in een vertrouwelijk gesprek mocht vinden.quot;
âO, het is fraai en stichtelijk, de bekoorlijke mevrouw van Brandt met den angst van een zestienjarig meisje van hare bedreigde onschuld te hooren spreken !quot; zeide graaf Mannteuffel. âMaar wij zullen deze onschuld in het oog houden, en kort zijn. ïen eerste dus, hoe staan de zaken met de koningin?quot;
âStand van den barometer: koud en nat weder, rijk aan tranen, stormachtig aan hoop! maar droog aan bloesems. Weinig zonneschijn; des te meer donkere wolken en nu en dan een orkaan van opbruisend gevoel.quot;
,,Dat wil zeggen: de koningin vreest nog altijd door haar gemaal verstooten te worden?quot;
âZij vreest niet meer verstooten te worden, want zij is het reeds. De koning woont in Charlottenburg en noodigt de koningin niet. Als gemaal verstoot hij zijne gemalin, of hij als koning, ook de koningin versmaadt, dat kan niemand nu nog weten.quot;
âNiemend, ook mevrouw van Morien niet?quot;
âOok deze niet! De koning schijnt haar, sedert hij koning-is, geheel vergeten te hebben. Sedert dat ongelukkige qui pro quo met het gedicht te Rheinsberg, schijnt zijne liefde plotseling verkoeld te zijn, en hij spreekt met haar even
147
vrij, los en onverschillig als met elke anderedame. Nooit weder halve woorden, heimelijke handdrukken, verliefde zuchten. Maar de arme Morien verkwijnt van liefdepijn en schreit hare schoone oogen rood; want sedert zij versmaad wordt, bemint zij hem hartstochtelijk.quot;
âEn dat is ongelukkig niet het middel om dit trotsche hart, dat haar ontvluchten wil, weder te boeien,quot; zeide graaf Mannteulfel zijne schouders ophalend. Met tranen en zuchten verliest zij haar invloed en oogst verachting. Gij, die eene volleerde meesteres in de liefde en behaagzucht zijt, gij moest dat weten en uwe schoone leerlinge beter onderrichten! Nu echter komt de gewichtigste vraag: hoe staat het met het Brunswijksche huwelijk van Prins August Willem?quot;
Mevrouw van Brandt zuchtte. âGij zijt dus werkelijk onverbiddelijk? Gij hebt geen medelijden met die edeie, groothartige en kuische liefde van twee kinderen, die zoo onschuldig en rein zijn als de hemel, de sterren en de bloemen, aan welke zij dagelijks van hunne liefde en hunne zalige vreugde vertellen?quot;
âEn gij hebt dus geen medelijden met die diamanten, die verlangen op uwen schoonen en trotschen boezem te rusten,quot; hervatte graaf Mannteulfel; âgeen medelijden met die heerlijke villa die gij zult kunnen koopen, om in uw eigen tuin de vrije lucht te genieten! Gij begeert dan volstrekt niet door alle dames van het hof om den kostelijlesten cachemir, dien ooit de weefgetouwen van Cachemir geleverd hebben, benijd te worden? Gij wilt.....quot;
âHoud op, graaf Teuffel, wantgij zijt inderdaad meerduivel dan man1), en gij leidt mijne arme ziel in verzoeking, waaronder zij bezwijken moet. Welnu, ik neem mij neroeping aan; ik ben de slang, die aan de borst der arme Laura rust en den giftangel in hare liefde boort, om haar te dooden. Ach, wanneer gij wist graaf, welke verwijtingen mijn geweten mij dikwijls doet, wanneer ik deze zoo heilige en kuische bekentenissen barer liefde aanhoor; wanneer zij mij blozend en sidderend verhaalt van de maagdelijke verborgenheden van haar hart en troost en redding tegen hare eigene zwakheid zoe-
1
De Duitsche woordspelling op liet woord Teufel, duivel, gaat in de vertaling verloren. Vert.
d48
kende, in mijne armen eene toevlucht zoekt. Denk toch, graaf, dat deze beide kinderen elkander liefhebben, zonder ooit den moed te hebben gehad, het elkander te bekennen; denk toch, dat Laura tot nog toe de stoutheid gehad heeft, de zuchten en geheimzinnige woorden van den prins niet te willen begrijpen, ja er zelfs toe heeft kunnen komen, hem koel en terugstootend te bejegenen, terwijl zij dan later nachten lang over hare eigene wreedheid weent.quot;
âWanneer de zaken zoo staan, dan moeten wij vooral vermijden, dat het tusschen deze zonderlinge verliefden tot eene verklaring kome; dan moet gij al uw invloed op de jonge dame aanwenden, dat zij, als de heldin van het stuk, een einde aan den roman make, en in de oogen van den prins de heilige martelares van hare liefde blijve.quot;
âEn waarin moet zij, bij voorbeeld, haar heldenmoed toonen ?quot;
âIn een huwelijk, mevrouw!quot;
âMaar waar wilt gij dadelijk een man vinden, aan wien dit arme lam geolïerd worde?quot;
âDaar staat er een,quot; zeide graaf Mannteulïel, op den graaf Voss wijzende, die nog altijd bezig was met verzen in zijne portefeuille te schrijven en de geheele overige wereld scheen vergeten te hebben.
Mevrouw van Brandt lachte luid. âMoet diedeschoone Pannewitz trouwen?quot;
âNu ja,quot; vroeg de graaf ernstig, âzocht hij niet eene Laura?quot;
âJa, maar gij vergeet, graaf, dat hij mij in dit oogenblik voor zijne Laura houdt en zoo ongelukkig zucht en kermt, als ooit een Petrarca gedaan heeft.''
âDes te gemakkelijker zult gij hem kunnen bewegen, u dit offer te brengen; des te grooter zal hij zich gevoelen, wanneer hij, van u afstand doende, het meisje aanneemt, dat gij voor hem tot gade bestemd hebt.quot;
âHoor eens, zeide mevrouw van Brandt, den graaf bijna verschrikt aanziende, âgij zijt vreeselijk en ik zou bijna van u gruwen; gij hebt een hart van staal in uwe borst, en ik geloof, dat gij volstrekt geen menschelijk medelijden kent!quot;
âEr zijn hoogere en edelere bedoelingen, voor welke al
149
die kleingeestige, menschelijke roersels moeten wijken. Wanneer het. te doen is om Duitschland, wellicht geheel Europa in rust en vrede te houden, komt het niet in aanmerking, of een paar menschenharten gebroken, of eene liefde ten grave gedragen wordt. Maar zie, de graaf heeft zijn gedicht gereed en steekt zijne portefeuille in den zak. Aan het werk dus mijne schoone bondgenoote! Gij moet heden uw meesterstuk volbrengen. En opdat gij het zoo spoedig mogelijk zoudt kunnen doen, verlaat ik u. Vaarwel, tot ziens!quot;
Hij kuste de hand der schoone vrouw en ging vlug de laan weder in. Maar mevrouw von Brandt naderde den jongen graaf, die, weder in gedachten verzonken, op den grond staarde. Zij raakte even zijn schouder aan, en fluisterde half feeder half verwijtend: âdweper, waar waart gij nu?quot;
âBij u,quot; zeide de graaf, die onder de aanraking barer hand trilde en verbleekte. âJa, bij u was ik, edelste en dierbaarste onder de vrouwen; bij u met mijne ziel, mijne gedachten en mijn verlangen, en daar dat lastige, babbelzieke en indringende mensch mij belette u mondelings alles te zeggen wat ik gevoel, besteedde ik den tijd om voor u ten minste op te schrijven wat ik verzwijgen moest!quot;
âMaar gij dacht er niet aan,quot; zeide zij met een feeder verwijt, ,âdat gij mij daardoor ten toon steldet; dat gij daardoor den babbelzieken graaf Mannteuffel de beste gelegenheid gegeven hebt aan de geheele wereld te vertellen in welke verhouding van vertrouwelijkheid wij tof elkander staan. Verbeeld u eens, uwe portefeuille uit den zak te halen en, onbekommerd of eene dame en een vreemd heer naast u staan, te gaan schrijven!quot;
âWel zeker, men zal weder uitbazuinen dat ik een zonderling ben,quot; zeide graaf Voss met een dwazen lach van zelfbehagen.
âMaar men zal er bijvoegen, dat deze zonderling al zeer weinig eerbied en achting voor mevrouw van Brandt betoont, en dat hij dus met haar op een zeer gemeenzamen en vertrouwelijken voet moet slaan! Ach! de goede naam eener vrouw wordt zoo licht bevlekt; hij is als de vleugel van de kapel; zoodra een vinger dien aanraakt en daarop wijst is zijn glans verloren en hij wordt dof. En toch hebben wij arme vrouwen niets dan onzen goeden naam en onze on-
150
bevlekte deugd! Deze zijn het eenige schild, het eenige wapen, dat wij tegen de ruwheid en wreedheid der mannen bezitten en gij zoekt ons dat te ontrukken, om ons dan onteerd en vernederd onder uwe voeten te kunnen vertrappen.quot;
âMijn God, mijn God, gij weent,quot; riep de graaf, zijne schoone geliefde aanziende, in wier oogen inderdaad eene paar zeer goed geslaagde heldere tranen blonken. âGij weent? Ik moet een zeer groot misdadiger en zondaar zijn, wanneer ik u doe weenen!quot;
âNeen, een zeer edel, maar zeer onvoorzichtig man,quot; zeide mevrouw van Brandt door hare tranen glimlachend. âGij verraadt aan de wereld, wat, buiten God en ons, niemand weten mag.'quot;
âMijn hemel, wat verraad ik dan?quot; riep de arme beangste graaf.
âGij verraadt, dat wij elkander beminnen! fluisterde mevrouw van Brandt, terwijl zij een gloeienden liefdeblik op haar minnaar sloeg.
âHoe ? Gij zegt, dat wij elkander beminnen ?quot; riep hij buiten zich zei ven van verrukking. âGij bekent dus ook dat ik het niet alleen ben, die bemint?''
âik beken het, terwijl ik daarmede tevens onze scheiding uitspreekt.quot;
âNooit! neen, nooit! Geen macht op aarde zal ons nu nog scheiden,quot; zeide hij, hare hand grijpende en die met kussen overdekkende.
âDoch er is eene macht, welke er recht op heeft. Deze macht is mijn gemaal! Reeds vermoedt hij mijne gevoelens voor u en hij zal onverbiddelijk worden, zoodra zijn vermoeden tot zekerheid wordt.quot;
âDan zal ik hem uitdagen en doodschieten en u dan in zegepraal als mijne gemalin op mijn kasteel brengen.quot;
âMaar wanneer nu ongelukkig mijn gemaal u treft?quot;
âMij? Ja, als hij mij eens dood schoot. Daaraan heb ik niet gedacht !quot; prevelde graaf Voss verbleekende. âDatzou stellig een zeer ongelukkig toeval wezen. Wij willen dus het noodlot rfiet op de proef stellen en een ander middel verzinnen. O, ik weet er een! ik schaak u!quot;
Zij bewoog glimlachend haar hoofd! âDe arm des konings reikt zeer ver,quot; zeide zij, âen de wraak van mijn gemaal zou mij overal inhalen,quot;
151
âMaar wat beginnen wij dan ?quot; riep de graaf wanhopig, âWij beminnen eikanderen kunnen elkander niet bezitten, 'maar moeten in opollering en liefdesmart verkwijnen.quot;
âO, o, moet ik dan inderdaad een noodlot, als Petrarca, beleven; moet mijn geheele leven verder niets zijn dan een eeuwige klaagtoon om mijne geliefde ? Bestaat er dan geen middel om dit onheil af te wenden?quot;
Mevrouw van Brandt legde hare hand met een zachten teederen druk in de zijne. âEen middel is er,quot; fluisterde zij. âKen middel, door hetwelk wij niet enkel mijn gemaal, maar ook de geheele wereld gerust stellen ; een middel, dat wij als een sluier over onze liefde kunnen leggen, en dat ons tegen de boosheid en den laster der menschen moet beveiligen !quot;'
âNoem mij dat middel!quot; riep hij hartstochtelijk. âZeg het mij, en al ware het nog zoo moeielijk te verkrijgen en al moest het mij de helft van mijn vermogen kosten, ik zoude het doen, wanneer ik daardoor mijne geliefde koopen kon.quot;
Zij boog haar hoofd nader tot hem en hem geheel be-tooverend en met hare boeiende blikken kluisterend, lluis-terde zij; Gij moet trouwen, graaf.quot;
Hij stiel een kreet uit en deed verschrikt een schrede terug. âIk moet trouwen? Dat vraagt gij? En gij zegt dat gij mij bemint?quot;
âJuist omdat ik u bemin, dierbaarste, en juist omdat uw huwelijk de banden der etiquette zou verscheuren, die ons nu van elkander scheiden. Gij moet eene dame van mijne kennis, misschien zelfs eene vriendin van mij huwen ; dan zal niemand, zelfs mijn gemaal niet, hetin het oogloopend vinden, wanneer wij in vertrouwelijk verkeer met elkander-omgaan en onder den dekmantel der vriendschap zal onze liefde zalige en gelukkige dagen vieren.''
âJa, ik zie het in, er is geen ander middel,quot; zuchtte de graaf. âAch, ware ik toch al getrouwd!quot;
âO, gij ondankbare, trouwelooze man!quot; riep mevrouw van Brandt met geveinsde ontsteltenis. âGij verlangt reeds naar uw huwelijk en naar de schoone, jonge vrouw, in wier armen gij mij zeer spoedig zult vergeten hebben.quot;
âO, gij weet het wel, dat ik slechts daarom naar mijn huwelijk verlang, omdat ik u dan bezitten zal.quot;
âBewijs mij dat, door mij te zweren zonder weigering
152
de dame te huwen, die ik u zal brengen en aanwijzen?quot;
âIk zweer het!''
âGij zweert mij geen andere vrouw te huwen, dan die, welke ik voor u bestem. Gij zweert mij, alle hinderpalen, alle mogelijke moeielijkheden te trotseeren, om recht op het door mij aangewezen doel af te gaan, en u noch door bidden, noch door verwijtingen te laten afschrikken ?quot;
âIk zweer het.quot;
âOp uw woord als graaf?quot;
âOp mijn woord als graaf en op mijn oud adelijk wapen ! Wijs mij slechts de dame, die ik trouwen moeten het zal geschieden, al moest ik om haar tegen eene geheele wereld in het strijdperk treden.quot;
âMaar als nu, ongelukkig, deze dame u ook niet beminde?quot;
âMijn hemel, wat gaat mij dat aan! Bemin ik u dan niet? Wil ik haar dan niet huwen, slechts om u te krijgen ?quot;
âAch, mijn vriend,quot; riep mevrouw van Brandt verheugd, ânu zie ik, dat wij elkander volkomen begrijpen. Kom dan, opdat ik u de bruid toone, die ik voor u bestemd heb.'' Zij legde haren arm in den zijnen en trok hem met zich voort. Haar oog fonkelde van trotschen, woesten glans en met een honenden glimlach sprak zij bij zich zelve: ik zal de schoone Laura een graaf tot echtgenoot geven en ik zal voor die zielverkooping juweelen, chachemir en de dankbaarheid der keizerin verdienen.quot;
XVIII.
DE HOFFREULE DER KONINGIN.
De koningin Sophia Dorothea had intusschen na haar gesprek met graaf Mannteuffel den tuin verlaten, zich naar hare vertrekken begeven en hare hofdames voor eenige uren weggezonden, terwijl zij tevens bevolen had, niemand wie het ook ware, den toegang tot haar te verleenen. Zij wilde in ongestoorde rust hare plannen overleggen en ont-
153
werpen, want zij gevoelde, dat Oostenrijk weder gereed stond, om haar lievelings ontwerp van een Engelsch huwelijk tegen te werken, en zij wilde daarom hare wapenen en hare strijdkrachten tot de worsteling in gereedheid brengen.
De hofdames waren nu allen vrij; zij konden zich voor eenige uren aan hare neigingen, hare droomen of aan haar eigen genoegen overgeven.
Laura van Pannewitz had bedankt voor den wandelrit der overige dames. Haar hart verlangde naar eenzaamheid en stilte. Het was voor haar een schoon en zeldzaam geluk, ongestoord en onopgemerkt naar die zoete en heimelijke stemmen te luisteren, die in haar hart fluisterden en eene eigenaardige verrukking over haar geheele wezen verspreidden. Het was zoo schoon van hem te droomen, zich zijne woorden, zijn glimlach, zijne zuchten voor den geest te roepen, zich al die kleine bewegingen en teekens te herinneren, zoo onbeduidend voor den onverschilligen blik, zoo gewichtig en veelbeteekenend voor geliefden.
Er was weder een geheele dag verloopen en zij had hem niet wedergezien en geen bericht van hem ontvangen. O, zeker was hij zeer treurig, zeer ontevreden op haar; zeker wilde hij haar nooit wederzien, en omdat hij boos op haar was en zich op een afstand wilde houden, had de anders zoo teedere en oplettende zoon zelfs verzuimd aan zijne koninklijke moedor den morgengroet le brengen, dien hij tot nu toe nog nooit vergeten had.
Laura had intussschen met kloppend hart en hijgend van verlangen achter de gordijnen van haar venster gestaan om hem op te wachten ; zij had tot God gebeden hem slechts te zien, eu, al ware het dan ook uit de verte, ten minste zijne stem te hooren. Maar de prins was niet gekomen, en nu was de tijd voorbij, op welken hij placht te komen; nu had de koningin zich naar haar kabinet begeven en iedereen den toegang geweigerd.
Laura kan dus niet hopen prins August Willem heden nog te zien. Toen zij dat bedacht, gevoelde zij zich als werd haar hart met een dolk doorboord, en eene wilde wanhoop maakte zich van haar meester. Zij viel op hare knieën, stak hare handen wringend en biddend ten hemel, niet meer smeekende om kracht en moed tot opoffering,
154
maar God biddend om medelijden en erbarming, om een weinig zonneschijn voor hare treurige, sombere en toch zeer reine liefde. Maar over hare eigene bede ontsteld, vloog ze op en snelde naar de vertrekken van mevrouw van Brandt, om aan de borst barer vriendin eene schuilplaats te zoeken tegen hare eigene gedachten en hare eigene smarten.
Maar hare vriendin was er niet, men zeide haar, dat zij naar den tuin was gegaan. Laura nam hoed en shawl en volgde hare vriendin. Toen zij langzaam door de lommerrijke, gesnoeide lanen ging, terwijl hare gloeiende wangen en hare brandende, pijnlijke oogen verfrischt werden dooide koele lucht, die haar van over de Spree tegenwaaide, overviel haar een zoet welbehagen, eene verkwikkende rust en stilte.
Laura vergat geheel en al, dat zij gekomen was, om hare vriendin op te zoeken; zij gevoelde slechts dat de liefelijke vrede dor natuur zich als een verzachtende balsem op hare door smart verscheurde ziel legde; dat deze eenzaamheid als met duizend stemmen van troost, van hoop, van treurigen en toch gelukkigen weemoed in haar tluisterde, en zij vreesde deze vreedzame stilte ook slechts door een menschelijk woord, eene menschelijke verschijning te laten storen.
Met sneller tred vloog zij door de dichte, lommerrijke lanen van den tuin, zocht de eenzaamste en stilste plekjes op, om te droomen, te dwepen en aan hem te denken, wiens beeld nog altijd in haar hart leefde, hoezeer zij ook poogde het voor zich zelve met een sluier te verbergen.
Nu trad zij in dé broeikas, welke aan het uiterste eind van den tuin lag, en welke de koningin Sophia Dorothea in het bevalligste salon had laten veranderen, dat, behalve door haar en hare dames, door niemand mocht betreden worden. Daar waren kunstmatige priëelen van mirten en oranjeboomen, tusschen welke kleine divans geplaatst waren en tot eene verkwikkende rust uitnoodigden; daar waren grotten uit steenen gevormd, uit welker spleten de zeldzaamste rots- en bergplanten zich slingerden ; daar waren kleine fonteinen, die liefelijk klaterden en kabbelden en eene aangename koelte verspreidden.
Laura ging diep ademend op een dezer door mirten om-
geven divans zitten, met haar hoofd leunende tegen den stam van een honderdjarigen laurier, die den achtergrond van het prieel vormde. Zij sloot hare oogen, otn niets meer te zien, niets, behalve hem! Het was een liefelijke aanblik, dat jonge meisje te zien, wier edel en schoon gelaat door die mirtetakken als door eene bloeiende lijst omgeven was, en wier tengere, edele, volle en maagdelijke gestalte zacht achterover gebogen tegen den stam van den boom leunde, aan welken vroeger de schuwe en kuische liefde eener maagd het leven had gegeven. Ook zij was eene Daphne, hare eigene wensch ontvliedend, ontwijkende de aanlokkelijke stem van den geliefde, die voor haar de god der schoonheid en bevalligheid, de god der wetenschap en der kunst was, haar Apollo, dien zij aanbad, in wien zij geloofde, dien zij vreesde en dien zij ontvlood 1 Want de vrouw ontvliedt slechts den man, wanneer zij hem bemint: zij vliedt hem, niet omdat hij haar gevaarlijk is, niet omdat hij door zijn bidden en vleien haar verlokken kon, maar alleen daarom, omdat haar eigen hart voor hem bidt en vleit!
Laura zat nog altijd met gesloten oogen, in zoete droomen verzonken in het mirtepriéel. Zij dacht en gevoelde slechts voor hem, en haar gebed was liefde, en liefde haar gebed. Zij iiad hare handen op haar schoot gevouwen; een heerlijke, hemelsche glimlach speelde om hare teedere lippen, en uit de gesloten oogen gleden een paar tranen langzaam over de fijne, zacht blozende wangen. Zij bad juist tot God, dat hij haar kracht mocht schenken, haar eigen hart te bedwingen, om zonder morren en zonder zich zelve te verraden de smart, den toorn en eindelijk de onverschilligheid van den prins te dragen. Toch gevoelde zij, dat haar hart zoude breken, wanneer hij haar eens verlaten en vei'geten kon; toch tluisterde eene zoete stem haar toe, dat het een zaliger dood moest zijn te sterven, na een uur van verrukkend, bedwelmend, ide vertrekken. Uit ziin schuil-lietdegeluk, dan aan den kouden, ijzigen adem der opolfe-ring te sterven.
Maar Laura wilde, in hare maagdelijke kuischheifl, naar die verleidelijke stem niet luisteren; zij wilde die onderdrukken door hare gebeden; en toch, onder het bidden, dacht zij met een altoos trillend hart, welk een kostelijk en buitengewoon geluk het moest zijn, eenmaal de lippen
154
maar God biddend om medelijden en erbarming, om een weinig zonneschijn voor hare treurige, sombere en toch zeer reine liefde. Maar over hare eigene bede ontsteld, vloog ze op en snelde naar de vertrekken van mevrouw van Brandt, om aan de borst harcr vriendin eene schuilplaats te zoeken tegen hare eigene gedachten en hare eigene smarten.
Maar hare vriendin was er niet, men zeide haar, dat zij naar den tuin was gegaan. Laura nam hoed en shawl en volgde hare vriendin. Toen zij langzaam door de lommerrijke, gesnoeide lanen ging, terwijl hare gloeiende wangen en hare brandende, pijnlijke oogen verfrischt werden door de koele lucht, die haar van over de Spree tegenwaaide, overviel haar een zoet welbehagen, eene verkwikkende rust en stilte.
Laura vergat geheel en al, dat zij gekomen was, om hare vriendin op te zoeken; zij gevoelde slechts dat de liefelijke vrede dor natuur zich als een verzachtende balsem op hare door smart verscheurde ziel legde; dat deze eenzaamheid als met duizend stemmen van troost, van hoop, van treurigen en toch gelukkigen weemoed in haar fluisterde, en zij vreesde deze vreedzame stilte ook slechts door een menschelijk woord, eene monschelijke verschijning te laten storen.
Met sneller tred vloog zij door de dichte, lommerrijke lanen van den tuin, zocht de eenzaamste en stilste plekjes op, om te droomen, te dwepen en aan hem te denken, wiens beeld nog altijd in haar hart leefde, hoezeer zij ook poogde het voor zich zelve met een sluier te verbergen.
Nu trad zij in de broeikas, welke aan het uiterste eind van den tuin lag, en welke de koningin Sophia Dorothea in het bevalligste salon had laten veranderen, dat, behalve door haar en hare dames, door niemand mocht betreden worden. Daar waren kunstmatige priëelen van mirten en oranjeboomen, tusschen welke kleine divans geplaatst waren en tot eene verkwikkende rust uitnoodigden; daar waren grotten uit steenen gevormd, uit welker spleten de zeldzaamste rots- en bergplanten zich slingerden ; daar waren kleine fonteinen, die liefelijk klaterden en kabbelden en eene aangename koelte verspreidden.
Laura ging diep ademend op een dezer door mirten om-
155
geven divans zitten, met haar hoofd leunende tegen den stam van een honderdjarigen laurier, die den achtergrond van het prieel vormde. Zij sloot hare oogen, om niets meer te zien, niets, behalve hem! Het was een liefelijke aanblik, dat jonge meisje te zien, wier edel en schoon gelaat door die mirtetakken als door eene bloeiende lijst omgeven was, en wier tengere, edele, volle en maagdelijke gestalte zacht achterover gebogen tegen den stam van den boom leunde, aan welken vroeger de schuwe en kuische liefde eener maagd het leven had gegeven. Ook zij was eene Daphne, hare eigene wensch ontvliedend, ontwijkende de aanlokkelijke stem van den geliefde, die voor haar de god der schoonheid en bevalligheid, de god der wetenschap en der kunst was, haar Apollo, dien zij aanbad, in wien zij geloofde, dien zij vreesde en dien zij ontvlood! Want de vrouw ontvliedt slechts den man, wanneer zij hem bemint; zij vliedt hem, niet omdat hij haar gevaarlijk is, niet omdat hij door zijn bidden en vleien haar verlokken kon, maar alleen daarom, omdat haar eigen hart voor hem bidt en vleit!
Laura zat nog altijd met gesloten oogen, in zoete droonien verzonken in het mirtepriëel. Zij dacht en gevoelde slechts voor hem, en haar gebed was liefde, en liefde haar gebed. Zij had hare handen op haar schoot gevouwen; een heerlijke, hemelsche glimlach speelde om hare teedere lippen, en uit de gesloten oogen gleden oen paar tranen langzaam over de fijne, zacht blozende wangen. Zij bad juist tot God, dat bij haar kracht mocht schenken, haar eigen hart te bedwingen, om zonder morren en zonder zich zelve te verraden de smart, den toorn en eindelijk de onverschilligheid van den prins te dragen. Toch gevoelde zij, dat haar hart zoude breken, wanneer hij haar eens verlaten en vergeten kon; toch (luisterde eene zoete stem haar toe, dat het een zaliger dood moest zijn te sterven, na een uur van verrukkend, bedwelmend,
liefdegeluk, dan aan den kouden, ijzigen adem deropoile-ring te sterven.
Maar Laura wilde, in hare maagdelijke kuischheid, naar die verleidelijke stem niet luisteren; zij wilde die onderdrukken door hare gebeden; en toch, onder het bidden, dacht zij met een altoos trillend hart, welk een kostelijk en buitengewoon geluk het moest zijn, eenmaal de lippen
156
des geliefden te kussen, eenmaal in zijn oor het zoolang verzwegen, zoolang begraven geheim barer liefde te fluisteren, en dan, met zijn kus op de lippen, onder den gloed zijner oogen neder te zinken en te bezwijken! Den hemel slechts voor den hemel, zaligheid voor zaligheid wisselende !
En al zoeter, maar tegelijk ook smartelijker droombeelden kwamen voor haar geest; zwaarder en zwaarder drukten de oogleden; dieper zonk het verdriet haar in het hart en maakte het doodmoede en hopeloos, en eindelijk, gelijk aan de jongeren op den Olijfberg, viel zij van droefheid in slaap.
Diepe stilte, doodsch zwijgen heerschte alom. Plotseling werden zachte, sluipende schreden gehoord, en aan den ingang der kunstmatige rotsgrot verscheen eene mannelijke gestalte. Voorzichtig en schuw boog hij zijn hoofd vooruit en zijn nieuwsgierige blik vestigde zich, tusschen de over de grot hangende slingerplanten op het jonge meisje, dal sluimerend tegen den stam van den laurier leunde.
Het was Frits Wendel, de tuinman uit Rheinsberg. De koningin Sophie Dorothea had hem geroepen, om hare trekkassen en bloembedden naar die van Rheinsberg te laten inrichten, en op bevel van den jongen koning waren eenige der bekwaamste tuinlieden van Rheinsberg naar Berlijn gezonden, om den aanleg van den tnin van Mon-byou over te nemen.
Frits Wendel behoorde onder deze. Het toeval was den jongen tuinman gunstig geweest en had hem weder in de nabijheid van haar gebracht, die hij beminde. Want de kleine hoffreule van Schwerin was niet enkel de lieveling van koningin Elisabeth, maar ook koningin Sophie Doro-theabemind^di^dartel^m overmoedige, voor liet oog HHI^PHHQIHb'tige meisje, dat met haar frisschen, vroolijken lach de zoo dikwijls vervelende hofetiquette stoorde en een weinig jeugdig, vrij leven in die stijve vormen van het hofleven durfde brengen, juist omdat zij een kind was en men haar als kind verontschuldigde. Evenwel had haar onbezonnen en dartel gedrag te Rheinsberg de kleine freule een weinig in de gunst van het jonge koningspaar doen dalen. De koningin Elisabeth
157
kon het haar nooit vergeven-, dat zij door Louise den naam van hare gelukkige medeminnares vernomen had; de koning was in stilte op haar vertoornd, omdat door haar het geheim van dien brief aan mevrouw van Morien ondekt was geworden.
Louise van Schwerin was daarom niet zoo aanhoudend in de tegenwoordigheid van koningin Elisabeth, terwijl koningin Sophie Dorothea haar geheele dagen in hare omgeving hield en zich vermaakte met haar vroolijk, kinderachtig gedrag en met de overmoedige plagerijen, waardoor zij de stijve en aan vormen gehechte opperhot-meesteres en de deftige en ernstige cavaliers en hofdames wanhopig maakte. En de kleine holfreuIe kwam zeer gaarne en bereidwillig bij de koningin; want Monbyou had voor haar eene bijzondere bekoorlijkheid, sedert de schoone tuinman Frils Wendel er was. De roman met hem was nog niet uitgespeeld; deze geheimzinnige en treffende min-narij had vuor het jonge meisje nog altoos eene eigendom-melijke aantrekkelijkheid, en daar zich voor de âkleine Louisequot; nog geen andere aanbidder opdeed, moest zij zoolang in de aanbidding en vergoding van den jongen tuinman behagen scheppen, voor wien zij niet de âkleine Louise,quot; maar de toovergodin, de van bevalligheid en schoonheid schitterende godin was.
Frits Wendel was het dan, die zich aan den ingang van de grot vertoonde en met een onderzoekenden blik de slapende hoffreule gadesloeg. Hij had zich bezig gehouden met het schikken der bloemen en gewassen, zooals hij dit eiken morgen in de onder zijn bijzonder toezicht staande broeikas op dit uur placht te doen, omdat op dien tijd de koningin zich er bijna nooit bevond. Midden in zijne bezigheid was hij door de aankomst der freule gestoord, en had hij zich in de grot verscholen, om daar onopgemerkt te wachten, tot de dame weder zoude vertrekken. Uit zijn schuilhoek kon hij, achter dicht, hoogopgeschoten Indisch varenkruid verborgen, juis dat mirtepriëel overzien, waarin de schoone Laura zat. Nu hij zag, dat zij sliep, wilde hij voorzichtig en zachtjes de grot verlaten.
Oplettend stond hij nog een oogenblik aan den ingang en luisterde gespannen naar de zachte en rustige ademhaling van de freule. Zij sliep werkelijk; hij kon het dus wagen, zachtjes op zijne teenen heen te sluipen.
158
âAch, als zij het eens ware,quot; prevelde hij bij zich zei ven, âwanneer zij het ware, zou ik niet zoo zachtjes heengaan! Ik zou den moed hebben, mij aan hare voeten te werpen en haar in mijne armen te sluiten, terwijl ik mijne lippen op haren mond zou drukken, opdat zij van schrik niet zou kunnen schreeuwen. Maar deze daar,quot; vervolgde hij met verachting, eenige stappen naderbij tredende, en zich naaide freule wendende, âgelijkt baar zoo weinig: zij isquot;____
Plotseling verstomde hij en week schuw naar de grot terug. Hij verbeeldde zich stappen gehoord te hebben, welke den ingang van bet gebouw naderden.
Juist, daar knarst de deur van de kleine voorzaal, en nu ... . Frits Wendel kroop haastig in de grot, en verschool zich achter het dichte varenkruid.
In de deur van het geurige bloemen vertrek stond nu een jongman en zag met vorschenden en bespiedenden blik rond. Zijne hooge, ranke gestalte was in de uniform der gardeofficieren gekleed, waardoor de schoonheid van zijn slank, veerkrachtig lichaam bijzonder uitkwam. De ster op zijne borst en het rouwlloers om den arm deed hem ais een dei-prinsen van het koninklijk huis herkennen; zijn schoon gevormd, edel gelaat had eene uitdrukking van weeke, bijna jonkvrouwelijke teederheid ; de blik zijner groote, blauwe oogen was zoo goedig en zachtmoedig, dat hij, die hem langer aanzag, zich geheel onwillekeurig door eene, hein zeiven onverklaarbare ontroering vóelde weggesleept, en een onbeschrijfelijk medelijden met dien edelen en schoonen jongeling gevoelde, die zoo goedig en vriendelijk uit de oogen zag, zoo zacht en weemoedig glimlachte, op wiens hoog en helder voorhoofd zoo veel geest en vastberadenheid lag, dat men het hem kon aanzien, dat hij zich niet altijd zoo zacht en gedwee zoude schikken, maar moed en kracht genoeg bezat, zijn eigen wil door te zetten en zijn eigen weg te gaan. â Zoo was prins August Willem, de lieveling van den afgestorven koning, om wiens wil de oudere broeder Frederik zoo veel had moeten lijden, omdat Frederik Willem dezen als troonopvolger wilde aannemen, met voorbijgaan van zijn eerstgeboren zoon.1)
1
Charakter Priedrichs des Zweiten, König von Preusseii. Von Dr. Anton FrieJrioh Biisching, Ober-Consistorialrath etc. Halle 1788, pag. 172.
459
Maaiquot; de neiging van den prins had weinig aan de trotsche wenschen van den vader beantwoord. August Willem begeerde geen troon, geene aardsche grootheid ; zijne teedere, bijna schuwe stemming was tegen alle publieke vertooning; de glans der grootheid had voor hem geene bekoorlijkheid en met de gelijkmoedigheid van een echt wijsgeer beschouwde hij de pracht en den luister der aardsche heerlijkheid, die bij nooit iemand benijdde. Maar terwijl deze verachting van uiterlijken glans bij zijn koninklijken broeder Frederik uit scherpzinnigheid en geestkracht ontstond, bij prins August Willem vond zij naren oorsprong in de diepte van het gevoel, in den hartstocht en gloed zijner gewaarwordingen, die hem al het, overige deed vergeten en verachten, behalve dat eene â behalve zijne liefde.
Hij was gekomen om de koningin, zijne moeder, het gewone morgenbezoek te brengen; maar men had hem het bevel der koningin medegedeeld, om niemand bij haar toe te laten, en de prins had zelf verlangd, dat men om zijnentwil geene uitzondering zoude maken. Hij had tijd om Ie wachten en eerst dan, als de koningin weder voor den dag zoude komen zou men het hem melden en hem uit den tuin roepen.
Na dit bevel was hij naar den tuin gegaan, en het instinkt der minnenden had hem naar het tuinhuis geleid, waarin hij de voor hem kostbaarste bloem, Laura van Pannewitz vond.
Dat bad hij niet kunnen vermoeden; hij dacht, dat de freule met de andere dames was uitgereden, en hij had ook slechts die stille, vreedzame woning opgezocht, om ongestoord aan haar te denken en over zijne liefde te zuclilen, die door haar zoo weinig beantwoord werd en die hij toch niet in staat wa? uit zijn hart te verbannen.
Naar haar was het dus niet, dat hij, in het tuinhuis komende, zou vorschend en bespiedend rond zag. Hij wilde slechts zien of hij hier alleen was en of niemand hem kon waarnemen. Maar plotseling schrikte hij en een vluchtig rood betrok zijn gelaat.
Hij had de schoone slaapster onder de mirtestruik ontdekt. In de eerste opwelling van vreugde en verrukking wildo hij voor haar nedorstorten, aan hare knieën zinken en haar met zijne kussen wekken, â driftig was hij voortge-
400
sneld, â maar plotseling bleef hij aarzelend en besluiteloos staan en diepe weemoed en treurigheid spraken uit ziine trekken.
âZij zal mij toch niet welkom heeten,quot; mompelde hij, âzij zal mij van zich stoolen, zoo als zij gisteren met den brief gedaan heeft! Zij bemint mij niet en zou het mij dus nooit vergeven, wanneer ik haren strengen, kuischèn mond m^t mijne lippen ontwijden wildequot;
Zijn hoofd zonk op zijne borst en hij zuchtte diep en smartelijk.
âMaar ik, ik bemin haar,quot; zeide hij na eene lange pauze en richtte zijn hoofd weder vastberadeu op. âIk bemin haar en wil haar ten minste aanzien om haar te aanbidden, zooals de katholieken de maagd Maria doen.quot;
En met een blijden lach van geestdrift, die zijn geheel gelaat deed schitteren, ging hij met zachten, onhoorbaren tred vooruit.
âNu, bij den hemel,quot; mompelde' Frits Wendel in zijn schuilhoek, âik ben nieuwsgierig te vernemen wat deze prins de slapende freule te zeggen heeft, en toch zou ik er een jaar levens voor geven, als ik ongemerkt kon wegsluipen ; want, wanneer de prins mij hier ontdekt, ben ik verloren!quot;
Hij hurkte al dieper in zijne schuilplaats in elkander, maar altoos toch zoo geplaatst, dat hij alles overzien en beluisteren kon, wat ginds in het mirle-priëel plaats vond.
XIX.
PRINS AUGUST WILLEM.
De prins was nu tot het mirte-priëel genaderd en beschouwde met ingehouden adem, met van vreugde stralen-den blik de schoone sluimerende; toen behoedzaam voort-tredende, knielde hij vóórhaar neder en zag met gevouwen handen, bedwelmd en vreugdedronken naar haar op.
âMadonna, mijne Madonna, laat mij tot u bidden, laat mij u aanschouwen,quot; tluisterde hij. âO mijne Madonna, ver-
161
hooi' eindelijk mijn smeeken en zend een straal der liefde in mijn hart!quot;
Laura bewoog zich in den slaap en prevelde eenige onverstaanbare woorden. De prins bleef ademloos voor haar geknield, beschouwde elke barer bewegingen, elke trekking barer lippen. Het konden geeno gelukkige droomen zijn, die nu voor bare ziel zweefden. Laura kermde en zuchtte in den slaap, zij uitte enkel woorden van klacht, van smartelijk verdriet, en haar gelaat nam zulk een treurige, grievende uitdrukking aan, dat de oogen van den prins vol tranen schoten.
âZij lijdt dus ook,quot; fluisterde hij. âWaardoor kan zij lijden. Wie is die gelukkige rampzalige, om wien Laura zulke smartelijke zuchten kan uiten?'
Plotseling opende zij hare oogen en richtte zich op. Haar verbaasde, nog half droomende blik vestigde zich op den prins, die met gevouwen handen voor baar knielde en naar baar opzag. Eene trilling deed baar geheele gestalte buiveren, even als de zee trilt, wanneer de eerste zonnestraal baar treft. Eene zoete, zalige verwondering zweefde over bare trekken.
âMijn God, droom ik altoos nog?'' ftuisterde zij, bare band aan baar voorhoofd brengende en de lange donkere lokken op zijde strijkende, alsof zij hare blikken beschaduwden en baar bet zien beletten.
âDroom ik dan?'' herhaalde zij, en zag vragend en verbaasd rond.
âJa, gij droomt,quot; fluisterde prins August, hare handen grijpende en ze aan zijne lippen drukkende, âja, gij droumt. Madonna! laat ook mij droomen en in den droom zalig zijn! O, onttrek mij uwe hand niet, weest niet vertoornd op mij. Laat ons beide verder droomen, nog een kort, zalig oogenblik slechts!''
Maar zij trok driftig hare banden terug en stond toornig van bare zitplaats op. Grootsch en trotsch stond zij voor hem, hare vlammende blikken met eene strenge uitdrukking van verwijt op hem gevestigd, die nog altijd voor haar knielde.
âSta op, prins,quot; zeide zij ernstig; âbet past den broeder des konings niet voor mij te knielen en bet past mij niet den zoon der koningin, wier arme, bescheidene hofdame ik ben, voor mij te zien knielen! Sla dus op, en dan zult gij
Mühlbaoh, Frederik de Oroote en zijn Hof. I. 11
102
wel zoo goed zijn mij te willen zeggen, welke reden mij de zeldzame en niet gevraagde gunst verschaft heeft, hierdoor uwe koninklijke hoogheid opgezoclit te worden. Maar neen, nu begrijp ik alles, en gij zijt mij geen rekenschap schuldig. De koningin heeft, zonder twijfel, naar mij gevraagd, en uwe koninklijke hoogheid nam de taak op zich de nalatige dienares te zoeken, die hier in den tuin gaat slapen, terwijl hare meesteres haar zoekt. Ik zal mij dus haastig tot haar begeven!quot;
En Laura, die hare kracht voelde bezwijken, die rnet moeite de tranen terugdrong, die in hare oogen opwelden, wilde den prins haastig voorbijgaan en heensnellen.
Maar hij hield haar tegen. De beschroomdheid, welke hem anders zoo dikwijls schuw en zwijgend scheen te maken, was nu van hem geweken; hij gevoelde, dat hij in dit oogenblik tegenover zijn noodlot stond; dat de beslissing van zijne geheele toekomst van dit uur afhing.
âNeen,quot; zeide hij ernstig en vast, âde koningin heeft u niet geroepen, en zij verwacht u ook niet! Blijf dus, freule, en wees zoo goed mij voor een oogenblik uwe tegenwoordigheid te gunnen.quot;
Die plechtige toon, die vastberadenheid in zijne trekken deed haar trillen en bracht haar toch in verrukking. Eene zoete huivering doortintelde haar; haar maagdelijke ziel boog zich in ootmoed en vrees voor hem, die nu als man, als vertoornde, gebiedende man, als de beheerscher van haar geheel innerlijk leven voor haar stond. Zij had hem altijd slechts als ootmoedig en biddend, altijd onderworpen en gehoorzaam tegenover haar zien staan ; hu was zijn blik gestreng, zijne stem gebiedend, en hare ziel, welke de kracht had gehad, den smeekenden geliefde te weerstaan, had nu den moed niet den vertoornden, gebiedenden minnaar weerstand te bieden.
âBlijf,quot; vervolgde hij, âga daar weder op uwe plaats zitten en sta mij toe voor de eerste maal ernstig en oprecht met u te spreken!quot;
Laura ging gehoorzaam en sidderend weder op den divan zitten; de prins stond voor haar en beschouwde haar met een treurigen glimlach.
âGij hebt mij gisteren mijn brief ongeopend teruggezonden,quot; vervolgde hij, âmaar nu moet gij mij aanliooren,
103
Laura, ik wil het, en den mannelijken wil kan ten laatste toch geene vrouw weerstaan.quot;
Laura sidderde en verbleekte. Zij gevoelde, dat, wanneer hij in dit oogenblik haar bevolen had, alles te verlaten, alles achter haar te werpen, alles te vertrappen, hare eer, haar goeden naam, hare onschuld, haar maagdelijken schroom en haar rein geweten, zij gevoelde, dat zij dan, trouw en deemoedig als eene slavin, zijne bevelen zoude gehoorzamen en hem volgen en hem dienen zoude haar geheele leven lang.
âJa, gij moet mij aanhooren,quot; vervolgde hij. âIk wil eindelijk mijn lot beslist hebben; ik wil eindelijk van u vernemen, of gij mij werkelijk haat; of gij werkelijk deze zoo groote, zoo reine, zoo aanbiddende liefde veracht, welke ik u uit de diepte van mijn hart breng; ik wil eindelijk weten of uw edel, schoon t/i: werkelijk geheel zonder medelijden is, zonder mededoogen voor mijn lijden, mijn strijden en mijne smarten. Ik zou deuken, dat eene echte en werkelijke liefde, evenals de muziek van Arion, de kracht moest bezitten de steenen te doen spreken en de bloemen te doen herleven! Ach, en toch heeft mijne liefde niet eens de kracht, het hart van een edel gevoelvol en groothartig meisje te roeren. Wat is er de reden van? Waarom ontvliedt gij mij ? Dat is het, wat ik nu weten wil! Is het, Laura, omdat gij mij uwe liefde niet waardig keurt, omdat er in uw hart geen gevoel voor mij bestaat? Zijt gij koud en gestreng tegen mij omdat gij mij voor een onbescheiden bedelaar houdt, die begeerig naar een schat verlangt, welke een ander toebehoort, en dien gij veracht, omdat hij datgene zoekt af te bedelen, wat slechts eene vrije schenking van uw hart kan zijn? Of is uw hart nog toonloos en koud; heeft de zonnestraal der liefde deze goddelijke Memnonzuil nog niet getroffen en hare tonen doen weergalmen? O, indien dit het is, Laura, indien mijne liefde de kracht niet heeft u te doen ontwaken, zwijg dan en laat mij stil heengaan! Ik zal dan trachten mijn lot te dragen of te sterven. Ik zal dan niemand kunnen benijden; niemand aanklagen, niemand behalve mij zeiven, dien God de macht niet heeft gegeven, een hart te roeren en ^iet in liefde te veroveren. Maar wanneer dat niet de reden uwer koelheid en wreedheid is; wanneer
m
het slechts de ijdele vooroordeelen van den rang en de geboorte zijn, welke mij van u scheiden; wanneer gij u slechts van mij afwendt, omdat ik, tot mijn ongeluk, de broeder van uw koning ben; omdat de wereld met hare voorwaarden en wetten tusschen ons staat, o, Laura, ik spreek tot uw edel, grootmoedig hart â wanneer het slechts dat is, wat ons scheidt, spreekt! Spreekt dan een enkel woord van troost, van hoop, een enkel duisterend woord en ik zal de geheele wereld bedwingen, alle vooroordeelen der wetten omverstooten en als ellendige puin-hoopen van mii afwerpen ; ik zal groot en sterk zijn als Hercules, om den weg te banen en te effenen, dien onze liefde gaan moet. Want groot en vrij moet zij dan haren weg gaan, niet beschaamd, met gebogen hoofd en op geheime, donkere bijwegen. Aan de geheele wereld wil ik haar voorstellen als mijne geliefde, en voor God en den koning wil ik haar als mijne vrouw en mijne gemalin voorstellen! Spreek dus, Laura, is het zoo? Is het slechts omdat deze ster op mijn rok is genaaid, en omdat men mij een koninklijken prins noemt, ontvlucht gij mij slechts daarom? O, ben ik een prins, dan heb ik ook de macht van een prins; en schittert er eene ster op mijne borst, dan beteekent zulks, dat een straal van hemelsche kracht in mij woont en mij wellicht in staat stelt te doen, wat recht en trouw en eerlijk is voor God en de wereld. Spreek dus, wanneer het dat is. Ik bezweer het u met den angst eener smartelijk gefolterde menschenziel! Maar zoo niet, wanneer gij mij slechts van u stoot, omdat gij mij niet bemint, dan, ja dan zwijg ik en zal heengaan!quot;
Eene lange, pijnlijke stilte volgde. De prins beschouwde met smartelijke, angstige trekken het jonge meisje, dat met gebogen hoofd, bleek en onbewegelijk voor hem zat.
âHet is dus beslist,quot; zuchtte hij na eene lange pauze. âVaarwel, freule, ik neem mijn noodlot aan. Gij hebt mijn vonnis uitgesproken; mocht uwe ziel u nooit van wreedheid en hartvochtigheid beschuldigen.quot;
Hij boog zich diep voor haar, keerde zich toen om en ging langzaam door de zaal.
Laura bewoog zich nog altijd niet; alleen had zij haar hoofd opgeheven en staarde hem na met een blik, welke, had hij dien gezien, den prins dadelijk teruggebracht had.
1(35
want die blik sprak meer dan woorden en betuigingen!
Nu stond de prins aan den uitgang. Nog eenmaal keerde hij zich om, â hunne blikken ontmoetten elkander en kluisterden hen.
Eene siddering, een heilige huivering doortintelde Laura's geheele gestalte en zich zelve niet langer meester, alles vergetende behalve hem, stak zij hem verlangend hare handen toe en lluisterde zachtjes zijn naam. ^
Met een kreet van verrukking vloog de prins naar haar toe, met de wegslepende kracht van den hartstocht sloot hij haar vast in zijne armen, en Laura vlijde zich aan zijne borst, en terwijl haar gelaat in tranen baadde, fluisterde zij; âGod doorziet mijn hart, hij weet, hoe lang ik gestreden en geworsteld heb! Moge hij meer erbarming en medelijden met mij hebben, dan de menschen zullen hebben! Zij zullen mij allen veroordeelen en verstoeten; maar ik zal het dragen! Ik zal aan dit uur denken en gelukkig zijn!quot;
âEn gij bemint mij dus?''vroeg hij, haar uit zijne armen loslatende, om haar met zalige blikken aan te zien. âGij bemint mij dus?quot;
âJa,quot; zeide zij vast en beraden, âik bemin u, en terwijl ik het u zeg, neem ik mijn noodlot aan, buig ik mijn hoofd, om onder het juk van smaad en schande door te gaan!quot;
âNiemand moet het wagen u te hoonen,quot; zeide hij trotsch. âVan dit uur af aan zijt gij mijne bruid, en eens zal ik u als mijne gemalin aan de geheele wereld voorstellen.quot;
Zij schudde treurig glimlachend haar hoofd. âLaat ons nu niet aan de toekomst denken. Zij moge smartelijk en treurig zijn. Ik zal mij niet beklagen. Ik neem mijn kruis op mij en terwijl ik het doe, prijs ik mij gelukkig en dank ik God!quot;
Hij kuste haar de tranen van de wangen en fluisterde in haar oor zoete en heilige eeden van eeuwige liefde en eeuwige trouw. Met een zaligen glimlach hing zij aan zijne lippen ; zij was als' ware het bedwelmd door den geur van dien wonderbaren bloesem, die als door toovermacht schitterend in haar binnenste ontloken was.
Het was een kostelijk en heilig uur vol verhevene vervoering en zalige vergetelheid. Maar plotseling sprong Laura verschrikt uit zijne armen om te luisteren.
Daar buiten vernam men tromgeroffel en het haastig ratelen van een rijtuig.
166
âDe koning!'' riep het jonge meisje verbleekend.
âDe koning!quot; herhaalde prins August droevig, en hij waagde het niet langer het jonge meisje in zijne armen terug te houden.
Beiden waren ontwaakt uit hunne korte, zalige droomen; beiden herinnerden zich weder de wereld en de menschen; en de hinderpalen, welke hun in de zaligheid van hun geluk als kleine, met bloemen versierde hellingen hadden geschenen, rezen nu, als steile rotsen, reusachtig groot en koud voor hunne blikken op.
âIk moet naar de koningin !quot; zeide Laura opstaande. âHare majesteit zal mij noodig hebben.quot;
âEn ik moet mij haasten den koning tegemoet te gaan,quot; zuchtte de prins.
âSpoed u en laat ons snel, langs verschillende wegen, naar het slot gaan!quot;
Hij nam hare hand en drukte ze vast aan zijne lippen.
âVaarwel, mijne geliefde, mijne bruid, vertrouw op mij en blijf sterk en vroolijk in liefde en hoop.quot;
âVaarwel,quot; fluisterde zij en wilde haastig langs hem heenijlen.
Hij hield haar nog eens terug. âLaura, zullen wij elkander hier weder zien ? Zult gij mij hier weder een uur van geluk, van zalig bij elkander zijn schenken? Och, sla uwe oogen niet beschaamd neder, bloos ook niet! Uwe zoete bekentenis heeft deze ruimte hier tot een tempel der liefde gewijd en slechts met reine, heilige liefde zal ik u altijd hier naderen.quot;
Zij zag hem met hare groote, schitterende oogen lang en zwijgend in het schoone, zacht gekleurde gelaat.
âWij zullen elkander hier weder zien,'' zeide zij, âalle dagen op hetzelfde uur zal ik u hier verwachten! Haast u nu, spoed u!quot;
Beiden verlieten nu het gebouw en ijlden langs verschillende wegen naar het slot. Het vertrek was nu weder eenzaam en verlaten, maar slechts voor korten tijd, want nu kroop Frits Wendel uit de grot te voorschijn met gloeiende wangen en fonkelende oogen.
Een trotsche glimlach speelde om zijne lippen, eene spijtige vreugde straalde uit zijne oogen.
âDat is een gewichtig geheim, hetwelk ik daar ontdekt
4G7
heb,quot; sprak hij zachtjes voor zich heen; âeen geheim, dat mij bij haar gouden vruchten moet opbi^engen! Louise van Schwerin staat niet verder van den armen tuinier Frits Wendel, dan de freule van Pannewitz van den prins August Willem, en wie weet, of het niet eene grootere schande is de geliefde van een prins, dan van een tuinier te zijn! De tuinman kan klimmen en vrijheer worden, zoo goed als de vader van freule van Schwerin, maar nooit kan de freule van Pannewitz eene prinses en de gemalin van haren minnaar worden! Louise van Schwerin behoeft zich nu niet meer te schamen den armen tuinman Frits Wendel te beminnen. Ik zal haar vertellen wat ik hier gezien heb; ik zal haar naar gindsche grot voeren, om het rendez-vous van den prins en zijne geliefde mede aan te hooren, en terwijl de prins zijne Laura van zijne liefde vertelt, zal ik bij mijne Louise zijn, verborgen in duisternis en eenzaamheid, en dan.....quot;
Een gloeiend rood bedekte zijne wangen en zijn adem drong hijgend uit zijne borst. Als het ware zijne eigene onstuimige en verwilderde gedachten ontvluchtend, ijlde Frits Wendel naar den tuin.
XX.
DE KONING EN DE ZOON.
Laura had zich niet vergist. Het was de koning, wiens naderenden wagen de slotwacht van Monbyou met tromgeroffel had begroet. Het was de koning, die zijne moeder in Monbvou het eerste bezoek kwam brengen.
Hij was onaangemeld gekomen en de verschrikte en verlegen gelaatstrekken der hem tegemoetsnellende cavaliers zeiden hem, dat zijne onverwachte komst wellicht meer schrik en verwarring, dan vreugde veroorzaken zou. Met een zachtmoedigen glimlach wendde hij zich daarom tot den hem begeleidenden opperkamerheer van Pöllnitz.
âGa naar hare majesteit en zeg haar, dat haar zoon Frederik haar in de tuinzaal verwacht, maar dat hij tijd
468
heeft te wachten, tot het hare majesteit gelegen komt!quot;
Hij wenkte zijn tweeden cavalier den graaf Kaiserling, en ging, door de cavaliers der koningin gevolgd, naar de tuinzaal.
De koningin Sophia Dorothea ontving de boodschap des konings met een stralenden, trotschen glimlach. Zij had zich dus niet bedrogen; hare stoutste verwachtingen zouden dus vervuld worden. De jonge koning was nog altijd haar gehoorzame, onderdanige zoon; zij was nog altijd voor hem de regeerende koningin, de moeder, die recht had om te bevelen. Slechts de zoon, niet de koning was bij haar gekomen; hij had de praal der koninklijke waardigheid afgelegd, en zonder gevolg en zonder plechtige aanmelding stond hij nederig, ais een smeekende, op hare komst te wachten.
Een trotsche, zegepralende verrukking deed de borst der koningin zwellen, eene schitterende toekomst opende zich voor haar. Eindelijk dan zoude zij koningin worden, eene koningin, niet in naam, maar in de werkelijkheid. Haar zoon was koning van Pruisen, en zij was de regentes van haar zoon.
En haar geheele hof moest getuige zijn van deze eerste ontmoeting van de koningin en haar zoon; het geheele hof zoude haar zegepraal zien en de mare er van zou spoedig van huis tot huis worden overgebracht!
Zij scheen daarom het kiesche verzoek van den koning niet te begrijpen. Hij was eenvoudig en zonder praal gekomen als haar zoon; zij wilde hem echter schitterend en naar de regelen der etiquette, zooals het eene koningin betaamt, ontvangen.
Zij riep hare kamervrouwen bijeen en trok een lange, zwarte sleepjapon aan, deed den fluweelen, met hermelijn gevoerden, kleinen schoudermantel om en stak zelve eenige juweelen in den zwarten sluier, welke aan de hooge toupé van haar kapsel was gehecht. Toen beval zij, de prinsessen en de dames te roepen, die in het slot aanwezig waren en het speet haar een weinig, dat, behalve hare dochters, slechts freule van Pannewitz haar gevolg kon uitmaken, omdat de hofdames nog niet van haar wandelrit waren teruggekeerd en de beide cavaliers reeds bij den koning in de tuinzaal waren.
1Ã9
Eindelijk waren alle toebereidselen gemaakt, en voorgegaan door den baron van Pöllnitz, stapte de koningin door de vertrekken, om zich naar de tuinzaal tot haar zoon Frederik te begeven.
De koning stond aan het venster en trommelde ongeduldig met de dunne vingers tegen de glazen. Hij vond, dat zijne moeder al zeer weinig ongeduld betoonde om denzoon te zien, die in den ijver der kinderlijke liefde toegesneld was om haar te begroeten. Hij begon bij zich zei ven na te denken, welkeredenen de koningin konden gedwongen hebben, zoo te handelen, en hij was reeds zoover gekomen van hare bedoelingen te raden, toen de deur met gedruisch geopend werd, en de opper kamerheer met luide en plechtige stem aankondigde; âHare majesteit, de koningin-weduwe!quot;
Eene llauwe, spotachtige glimlach speelde om de lippen des konings, toen hij de koningin met zulk een plechtig gelaat en in zulk een schitterend hoftoilet zag aankomen, maar spoedig was die lach verdwenen en eerbiediglijk, met zijn hoed in de hand en in gebogen houding, trad hij de koningin te gemoet.
Sophia Dorothea ontving hem met een genadigen glimlach en stak hem hare van juweelen schitterende hand toe, welke de koning vol eerbied aan zijne lippen drukte.
âIk heet uwe majesteit welkom,quot; zeide zij met bevende stem, âwant het griefde haar trots, haar zoon den titel van majesteit te moeten geven.''
[^De koning ried het wellicht. Met een goedigen lach haar aanziende, zeide hij : âNoem mij toch maar uw zoon, moeder, want tegenover uwe majesteit zal ik nooit anders zijn, dan uw dankbare en gehoorzame zoon!quot; ^
âNu, welkom dan, mijn zoon!'' riep de koningin met ongeveinsde verrukking, terwijl zij met eene snelle beweging hare armen om zijn hals sloeg en zijn voorhoofd kuste.
âIk hoop, moeder, dat gij u niet alleen als de treurende weduwe, maar ook als de gebiedende meesteres en moeder eens konings zult gevoelen,quot; zeide Frederik teeder. âIk wensch daarom, dat men uwe majesteit niet altoos het
1) Preuse. Jugendjahre Friedrichs d. Gr. 391.
no
verledene herinnere, en niet altijd op nieuw u en ons het groote verlies voor den geest brenge, dat wij allen geleden hebben en dat God onherstelbaar over ons besloten heeft. Ik verzoek derhalve mij toe te staan, dat men voortaan uwe majesteit niet langer de koningin-weduwe, maar de koningin-moeder moge noemen.1) Gij, heer opper-ceremo-niemeester van Pöllnitz zult daarvoor zorgen, dat het hof mijn wil ver neme en er zich naar regele.quot;
De koningin had een oogenblik hare trotschc, deftige houding verloren; zij was wezenlijk geroerd, wezenlijk vol dankbaarheid. De teedere oplettendheid des konings bad haar moederhart getroffen en de liefde bracht voor een oogenblik hare trotsche, heerschzuchtige wenschen tot zwijgen.
âAch, gij verstaat bet, mijn zoon, mijne tranen te drogen en de treurende weduwe in eene trotsche, gelukkige moeder te veranderen,quot; zeide Sophia Dorothea, haar zoon met een blik vol liefde de banden toestekende.
De koning was zoo gelukkig door de reine, ongeveinsde teederheid zijner moeder, dat hij in zijn grootmoedig en gevoelig hart zich dadelijk genegen voelde al hare wenschen te vervullen en elk barer luimen te voldoen.
âO,quot; zeide hij, âgij moet niet mij, maar ik moet u danken, dat gij zoo bereidwillig aan mijne wenschen voldoet. Ook wil ik niet langer uwe koninklijke grootmoedigheid op de proef stellen, en u nog eenige andere wenschen voordragen.quot;
âVraag slechts, mijn zoon,quot; zeide de koningin, âmaar sta mij eerst eene bede toe; laat ons gaan zitten!quot;
De koning nam haar bij de hand en geleidde haar naar een leuningstoel, die voor een raam geplaatst was, dat het schoonste uitzicht op den tuin aanbood. De koningin ging zitten; de jonge koning stond eerbiedig met gebogen hoofd, den hoed nog altoos in de hand houdende, voor haar. Sophia Dorothea zag het en deze nieuwe zege verrukte haar hart nog meer. Zij wierp een vluchtigen blik op de beide prinsessen, die met den juist binnen gekomen prins August Willem zich naar het naaste raam teruggetrokken
1
Preuss. Jugendjabre Friedrichs d. Gr. 139.
171
hadden en verbaasd dit tooneel aanschouwden, dat eene zoo scherpe tegenstelling aanbood met de ruwe, strenge en oud-vaderlijke vormen, aan welke men tot nog toe in den kring van het koninklijke gezin gewoon was. Sophia Dorothea las deze gedachten op het reine en verbaasde gelaat harer kinderen; ook de gelaatstrekken der cavaliers drukten gelijke verbazing uit, ja zelfs het gelaat van den veel ervaren, ge-oefenden en bedreven hoveling, baron Pöllnitz, verried dezen keer ook een weinig van zijne verrassing en wellicht ook van zijne ergernis, want er lag eene wolk op zijn voorhoofd en zijne oogen waren somber en droevig.
De koningin genoot een oogenblik van dit gezicht; toen keerde zij zich weder naar haar koninklijken zoon.
âIk bid u, laat nu hooren wat gij uwe wenschen noemt en die ik met genoegen als uwe bevelen zal ontvangen.quot;
âIk wenscb, dat uwe majesteit de genade moge hebben zich met een grooter en schitterender hofstoet te omgeven,quot; zeide de koning. âVoor de koningin-moeder zijn twee hofdames volslrekt niet toereikend, want wanneer de eene -toevallig ziek en de andere niet opgeruimd ware, zoude uwe majesteit niemand hebben, die u een weinig verstrooien en opbeuren kon als gij dat wenschtet. Ik wilde daarom voorslaan, dat uwe majesteit, in plaats van twee, zich door zes hofdames liet omgeven.quot;
De koningin zag haar zoon met teedere verbazing aan. âMijn zoon,quot; zeide zij, âgij zijt inderdaad een toovenaar, gij raadt al mijne wenschen. ik dank u, dank u van harte! Maar mijn God, majesteit,'' vervolgde de koningin, terwijl zij nu eerst scheen te bemerken, dat de koning nog altijd met den hoed in de hand en met gebogen hoofd voor haar stond, âmijn God, majesteit, gij hebt nog niet eens plaats genomen.quot;
âMevrouw,quot; zeide de koning glimlachend, âik wachtte op uw verlof.quot;
Hij nam een eenvoudigen stoel en ging links van de koningin zitten. âGij neemt dus mijn voorstel aan, moeder?'' vroeg de koning.
âIk neem het aan en verzoek u mij die dames aan te wijzen, die uwe majesteit voor mijn nieuwe hofdames heeft bestemd.quot;
âVolstrekt niet! Uwe majesteit heeft geheel en al eene
172
vrije keus en zoodra gij tot een besluit zijt gekomen, verzoek ik slechts het mij te laten weten.quot;
âIk vrees slechts,quot; zeide de koningin peinzend, âdat ik met mijne grootere omgeving in Monbyou zeer bekrompen zal moeten leven en er nauwelijks plaats genoeg zal zijn, elk der dames eene vrije kamer te geven.quot;
âUwe majesteit moet ook niet langer in dit huis blijven,quot; antwoordde de koning glimlachend. âHet is groot genoeg voor een vooi'loopig zomerverblijf, maar volstrekt niet voldoende voor de verblijfplaats der koningin-moeder. Daarom heb ik er met Knobelsdorf reeds over gesproken; hij is reeds bezig, volgens mijne opgave, een plan te ontwerpen tot een schitterend en gemakkelijk paleis voor uwe majesteit en ik denk, dat men reeds binnen weinige weken met den bouw daarvan zal kunnen beginnen.quot;
De koningin bloosde van genoegen en tevredenheid. Het scheen alsof al hare wenschen heden vervuld zouden worden. Het kwam er nu slechts op aan, te onderzoeken, of de gewichtigste van deze verwezenlijkt zou worden, of Sophia Dorothea niet enkel koningin-moeder, maar ook koningin-regentesse zou zijn. Dat was het wat zij heden nog onderzoeken wilde.
Zij slak haren zoon de beide handen toe en dankte hem in teedere woorden voor dit nieuwe bewijs zijner liefde en genegenheid.
âEn toch,quot; zoo vervolgde zij zuchtende, âmoest ik uw welwillend aanbod misschien niet aannemen. De dood van mijn gemaal moest mij de vergankelijkheid en broosheid des levens herinneren. Is het niet het noodlot tarten, indien men mij nog een ruim, prachtig huis bouwt, terwijl de dood insgelijks reeds voor mij aan het nederige huisje klopt en het waarschijnlijk spoediger gereed heeft, dan het grootehuis, dat slechts door menschenhanden voltooid wordt.quot;
De koning zag haar met zulke ontstelde en angstige blikken aan, dat de koningin bijna berouw gevoelde, zulk eene aandoenlijke wending aan het gesprek gegeven te hebben,
âHet is zeer wreed, moeder,quot; zeide hij teeder, âdat gij mij het genot van u te zien, niet ongestoord en zonder een bitteren droppel genieten laat! Maar aan uwe blozende wangen en uw helderen glimlach zie ik, dat gij mij slechts
173
wat schrik wilt aanjagen. Laten de bouwmeester en metselaar hun arbeid toch maar aanvangen. God zal mij in zijne genade nog lang de edelste en meest beminde der moeders sparen.quot;
Hij kuste de hand der koningin en stond op. Sophia Dorothea onstelde. De koning wilde haar verlaten, en nog wist zij niet, hoe ver haar invloed reikte, of waar zijne grenzen waren.
âWilt gij mij reeds weder verlaten, mijn zoon?quot; vroeg zij teeder.
âIk ben wel genoodzaakt, majesteit, want hier reeds hoor ik het regeeringswerktuig kraken en piepen en ik moet mij haasten, om het van olie te voorzien en het weder aan den gang te brengen. Ach, mevrouw, het is inderdaad geen gering werk, koning te zijn. Men moet zeer vroeg opstaan en zeer laat te bed gaan, om aan alle zijne plichten te kunnen voldoen, en ik geloof waarlijk, dat het veel aangenamer en gemakkelijker is, geregeerd te worden, dan te moeten regeeren.quot;
De koningin was nauwelijks in staat een glimlachje van tevredenheid te verbergen; gelijk balsem verkwikten de woorden des konings haar van eerzucht brandend hart.
âWel geloof ik, dat het een moeielijke arbeid is, koning te zijn,quot; zeide zij, âmaar ik denk, dat de koningook aanspraak op rust en afleiding heeft; vervolgens denk ik, dat eene moeder ook eenige rechten op haren zoon heeft, zelfs al ware die zoon een koning! Gij moogt mij nog niet verlaten, mijn zoon. Gun mij ten minste nog het genoegen, eene wandeling door den tuin met u te doen, om de nieuwe inrichting der oranjerie te bezichtigen. Geef mij uw arm, mijn zoon, en voldoe aan mijn verzoek.quot;
âMevrouw, gij ziet welk eene macht gij over mij bezit,quot; zeide de koning glimlachende, terwijl hij de koningin zijn arm aanbood. âIk vergeet, dat ik de dienaar van mijn land ben, terwijl ik nog meer de dienaar mijner koningin zijn wilde.''
De groote glazen deuren der zaal werden geopend en op den arm des konings leunende, ging de koningin met hem het terras af naar den tuin. Op eenige afstand volgden de piinsessen met haar broeder, benevens de dames en cavaliers. Allen zwegen en luisterden met inspanning
174
naar het onderhoud van het koninklijke paar, dat aller aandacht en nieuwsgierigheid opwekte. Maar nu was er de koningin weinig aan gelegen door haar hofstoet gehoord en verstaan te worden. Het hof was van hare overwinning getuige geweest, het mocht echter hare waarschijnlijke nederlaag niet zien.
De koningin sprak dus nu zachter dan te voren en verhaastte hare schreden, om nog iets verder van de luisterende ooren der dames en cavaliers verwijderd te zijn.
Zij sprak met den koning over den aanleg en het nieuwe gedeelte van den tuin en vroeg toen, of de koning nog het voornemen had dezen zomer Rheinsherg te bezoeken.
âIk zal er, helaas, geen tijd toe kunnen vinden,quot; zeide hij, de schouders ophalende. âEen koning is toch eigenlijk niets anders, dan de hooggeplaatste ambtenaar van zijn rijk en daar ik mijne inkomsten er voor trek, moet ik getrouw de plichten, die ik op mij genomen heb, vervullen.quot;
âMaar ik geloof, dat uwe majesteit -het met die plichten wel wat te ernstig opneemt,quot; zeide de koningin glimlachende. Gij rnoest u meer rust gunnen en de regeeringszaken niet geheel en al op uwe schouders nemen. Hem, die gewoon is met dichters en kunstenaars om te gaan en voor de wetenschappen te leven, moet het zeer hard vallen zich eensklaps in acten, documenten, rescripten en hoe al die bestovene dingen heeten mogen, te begraven. Gij moest dat somtijds aan anderen overlaten en het werktuig van den staat niet zelf regeeren, maar het slechts door uw wil besturen!quot;
âMevrouw,quot; zeide de koning met een fijn glimlachje, âdat werktuig heeft eigenaardigheden en geheimen, welke de bouwmeester aan geen werkbaas mag toevertrouwen; daarom moet hij alles zelf besturen en regelen; dan heeft hij het ook slechts zich zei ven te wijten, wanneer de i-ade-ren somtijds kraken en het werktuig niet steeds in goede gang blijft.quot;
âMaar gij hebt immers uwe ministers!quot;
âMijne ministers zijn mijne schrijvers en bestellers, niets meer!quot;
âAch, ik zie dus wel, gij zijt als eene rots en zult van niemand raad aannemen,quot; riep de koningin bijna ongeduldig uit.
175
âVoorzeker, majesteit, van u steeds en wanneer gij het mij vergunt, vraag ik u dadelijk om uw goedgunstigen raad.quot;
liet gelaat der koningin schitterde van vreugde; de koning bespeurde het en een onmerkbaar glimlachje zweefde over zijne gelaatstrekken.
âSpreek, mijn zoon,quot; zeide de koningin, in ademlooze verwachting.
âIk wilde uwe majesteit raad vragen, aangaande het tooneel en welke plaats gij het meest geschikt oordeelt, om een schouwburg te bouwen.quot;
De vreugde bestierf op het gelaat der koningin en haar voorhoofd werd bewolkt. âIk ben geene geschikte raadgeefster voor vermakelijkheden,quot; zeide zij, op haar rouwgewaad wijzende. âMijn rouwgewaad is niet voor zulk eene dienst geschikt, en gij weet wel, dat ik in den schouwburg geen genoegen kan vinden, want hoevele vervelende en koude avonden heb ik niet zuchtende in den schouwburg doorgebracht!quot;
âO, mevrouw, het geldt hier immerö niet het Duitsche tooneel,quot; zeide de koning, âen uw tegenzin daarvoor begrijp en deel ik volkomen. Neen, wij zullen een Fransch tooneel en eene Italiaansche opera hebben; want slechts de Franschen verstaan het komedie te spelen, en alleen de Italianen te zingen; maar muziek maken kunnen slechts de Duitschers en daarom heb ik aan Graun reeds opgedragen eene opera te componeeren, waarmede wij het nieuwe opera-gebouw zullen inwijden!quot;
âEn zeker zal die inwijding bij eene zeer plechtige gelegenheid plaats hebben,quot; zeide de koningin, recht op haar doel afgaande. âMogelijk bij het huwelijk van een uwer broeders of zusters.!quot;
âO, uwe majesteit denkt aan een huwelijk,quot; antwoordde de koning vluchtig.
.,Niet ik, anderen schijnen er aan te denken! Gisteren ontving ik brieven van mijn koninklijken broeder uit London; juist was graaf MannteuiTel hier en bracht mij een brief van rouwbeklag van de keizerin van Oostenrijk. Maar het scheen wel, alsof de graaf buitendien nog last had, mij over een mogelijke echtverbintenis van prins August te polsen.quot;
âHet zoude zeer onbescheiden van den graaf zijn, uwe
176
majesteit met dingen lastig te willen vallen, die gelukkig buiten het bereik uwer moederlijke plichten liggen,quot; zeid'e de koning. âWant het huwelijk der koninklijke prinsen en prinsessen behoort, helaas, steeds enkel op het gebied der staatkunde en dus niet voor het forum van het moederhart, maar van het koningschap.quot;
De koningin beet zich op de lippen, tot zij bloedden. âOngetwijfeld heeft uwe majesteit er reeds aan gedacht dezen staatkundigen plicht te vervullen en voor den prins eene bruid gekozen,quot; zeide zij scherp.
âVergeef mij,quot; zeide de koning lachend, âik heb er dezer dagen niet aan gedacht hoe men huwelijken sluiten maar hoe men ze ontbinden kan!quot;
Sophia Dorothea zag den koning ontsteld en verbaasd aan. âHoe, mijn zoon ? Denkt gij aan eene scheiding ?quot; vroeg zij sidderend.
âNiet aan ééne scheiding, maar aan zeer vele, moeder! Ik heb, zoo als uwe majesleit mogelijk weet, dezer dagen de pijnbank afgeschaft.quot;
âNeen,quot; riep de koningin misnoegd uit, âik weet er niets van. Ik bekommer mij niet om de staatkunde.quot;
âDat is geheel overeenkomstig het edele en echt. vrouwelijke karakter van mijne verhevene moeder,quot; zeide de koning glimlachend. âEr bestaat inderdaad niets smakeloozer en vervelender, dan eene vrouw, die, in plaats van zich met de muzen en gratiën bezig te houden, vriendschap zoekt aan te knoopen met de knorrige en vervelende dame. staatkunde.quot;
âEn toch wilde uwe majesteit mij zoo even zonder reden, met deze vervelende dame kennis doen maken?quot;
âOch, het is waar, ik vertelde uwe majesteit dat ik de pijnbank afgeschaft heb?quot;
âEn ik vraag, wat mij dat aangaat!quot;
âUwe majesteit wilde weten in hoeverre ik mij dezer dagen met het huwelijk en zijne scheiding heb bezig gehouden ! Nu, daarom vertelde ik u dat ik de pijnbank had afgeschaft en terwijl ik dit deed, was het natuurlijk, dat ik mij bij deze gelegenheid, ook een weinig met het huwelijk bezig hield. Want uwe majesteit zal mij moeten toestemmen, dat er geen wreeder foltering en knellender pijnbank beslaat dan een ongelukkig huwelijk.quot;
177
âDientengevolge hebt gij soms met de pijnbank tevens het huwelijk afgeschaft?quot; vroeg de koningin ontsteld.
De koning lachte. âWel neen, mevrouw. Ik ben geen paus en heb derhalve niet onmiddellijk van God het recht ontvangen omtrent het geweten der menschen te besluiten, alhoewel de meerderheid soms genegen mocht zijn mij voor een heilige te verklaren en mij eene goddelijke vereering te wijden, wanneer ik werkelijk de geheele pijnbank van het huwelijk afschafte. Maar ik ben volstrekt niet eergierig en doe daarom gaarne afstand van elke heilig-verklaring ! Nu, daar ik eenmaal bezig was, met de pijnbank af te schaffen, moest ik er ten minste voor zorgen, dat de banden van den echt, wanneer zij opgehouden .hebben rozenkransen te zijn en zich in zwaar drukkende ijzeren ketenen veranderen, op de eene of andere wijze kunnen geslaakt worden. Ik heb daarom de echtscheiding gemakkelijker gemaakt en bevolen, dat, wanneer een paar volstrekt niet met elkander wil of kan leven hem de echtscheiding niet geweigerd kan worden. Ik hoop, dat mijne koninklijke moeder dat ook zoo zal begrijpen.quot;
âAch, wij zullen dus binnen kort zeer vele echtschei- . dingen hebben,quot; zeide de koningin met verachtelijken glimlach. â[edereen zal zich beijveren den wensch des konings te gemoet te komen en zijn huwelijk, als het niet volkomen gelukkig is, laten ontbinden. Wie weet, of de koning zelf zijn volk niet met een goed voorbeeld zal voorgaan.quot;
âZoo God wil, zal hij dat doen, mevrouw,quot; zeide de koning ernstig. âZijne verhevene moeder zal hem zeker aansporen zijn volk met goede voorbeelden voor te gaan. Het welzijn der volken, die hij regeert, zal hij boven elk ander en eigen voordeel stellen en boven zijne eigene wenschen achten. Want een vorst, zeer verre van de onbeperkte beheerscher te zijn der volken, die onder zijne macht staan, een vorst is niets meer dan de eerste dienaar zijner volken!quot; 1)
âDat is inderdaad eene zeer ootmoedige en bescheidene beschouwing voor een koning door Gods genade!quot; zeide de koningin met spottenden lach.
1
's Konings eigene woorden. Zie Antimacchiavelli, de voorrede. Muhlbaoh, Frederik de Oroote en zijn Hof. I. 12
178
âMevrouw, ik verlang volstrekt niet een koning door Gods genade te zijn. Ik wil liever een koning van mijn eigen recht en mijne eigene kracht zijn. Maar vergeef mij, moeder ! Gij ziet, de dame politiek is eene zoo indringende, babbelzieke en opgeblazene vrouw, dat zij zich met alles bemoeit en zelfs het lang gewenschte en dierbare gesprek tusschen mijne koninklijke moeder en haar gehoorzamen zoon met hare lastige en vervelende aanmerkingen stoort. Spreken wij dus over geen politiek meer! Uwe majesteit gewaagde zoo even, meen ik, van de mogelijke huwelijken der prinsen en prinsessen!quot;
âWij spraken het eerst over het huwelijk van prins August Willem,quot; zeide de koningin, die met de eigendommelijke volharding der vrouw altijd weder naar het punt terugkeerde van waar zij uitgegaan was en bij wie de begeerte om haar doel te bereiken sterker was dan de beradenheid en het overleg. âIk vertelde u, dat ik gisteren brieven van mijn koninklijken broeder uit Londen ontving en dat koning George de Tweede zeer genegen is voor eene verbintenis met onze kinderen.quot;
âDus weder een huwelijk met Engeland,'' zeide de koning zwaarmoedig. âMaar gij weet toch wel, mevrouw, dat wij niet gelukkig zijn met onze Engelsche huwelijken. De koeriers, die de toestemming overbrengen, komen altijd te laat.quot;
De koningin verbleekte, en bleef, als door schrik verstijfd, staan. âDat beteekent,quot; riep zij ademloos, âdat uwe majesteit reeds over de hand van mijn zoon beslist heeft en dat weder mijn lievelingswensch van een huwelijk met het koninklijke huis van Engeland niet vervuld zal worden? Ach het voorbeeld van uw vader moet al een sterken indruk opu gemaakt hebben, dat gij u zoo spoedig beijvert hem na te volgen!quot;
âIk vind inderdaad, mevrouw, dat de koning zeer juist en wijs deed, bij het huwelijk van den kroonprins niet den wensch van zijn hart en zijne familie, maar enkel de belangen en inzichten, welke de staatkunde hem ingaf, in het oog te houden! Ik zal stellig dit voorbeeld van mijn vader trachten te volgen en bij het huwelijk van den kroonprins niet mijn hart, zelfs niet den wensch mijner koninklijke moeder, maar enkel de staatkunde raadplegen.quot;
âMaar de prins August Willem is niet de kroonprins,quot; riep de koningin, wier lippen beefden en op wier voorhoofd
479
zich sombere wolken gevestigd hadden. âDe prins is slechts uw broeder en gij kunt nog vele zonen krijgen, die hein de troonsopvolging kunnen betwisten.quot;
De koning schudde peinzend zijn hoofd en eene uitdrukking van diepen kommer bedekte als een donkere sluier zijn edel en helder gelaat. âNeen, mevrouw,quot; zeide hij bijna plechtig, âik zal nooit kinderen hebben en prins August Willem zal mijn erfgenaam zijn.quot;
De koningin had den moed niet te antwoorden. Zij zag haar zoon getroffen aan, en die treurige, maar toch zachte uitdrukking in de anders zoo heldere en schitterende oogen roerde haar en deed haar moederhart ontwaken. Met eene snelle beweging stak zij haar zoon de beide handen toe en ze innig in de hare drukkende, zeide zij: âO, mijn zoon, hoe arm is toch het leven! Gij zijt jong, schoon en rijk begaafd, gij zijt een koning en toch zijt gij niet gelukkig!quot;
Het gelaat des konings was weder opgehelderd. Zijn oog straalde weder van den gewonen glans.
âIk geloof ook niet,quot; zeide hij glimlachend, âdat het leven een geluk, maar wel dat het een plicht is, en wanneer men dien getrouw vervult, kan men ten laatste toch gelukkig zijn. Maar hier zijn wij weder bij uw huis gekomen, en mi, uwe majesteit, is het hoog tijd, dat ik weder naar mijne gevangenis terugkeer en weder koning worde.quot;
Hij kuste zijne moeder teeder op de beide handen en nam met vriendelijke, schertsende wroorden afscheid van zijne zusters, de prinsessen Ulrike en Amalia, en van den prins. Toen wenkte hij zijne cavaliers en verliet de zaal. De koningin Sophia Dorothea trad weder naar buiten op den drempel, waar zij langzaam op en neer wandelde. Prinses Ulrike, hare lievelinge, waagde het haar in hare droomen te storen en naar haar toe te gaan.
âHoe,quot; vroeg zij verwonderd, âuwe majesteit ziet er zoo ernstig en treurig uit en toch hebt gij zoovele redenen om gelukkig te zijn. De koning was inderdaad buitengewoon goedig en vriendelijk. Verbeeld u eens, gij zult zes hofdames hebben en men zal voor u een eigen kasteel bouwen!quot;
âO ja,quot; zeide de koningin peinzend, âmen zal mij met veel uiterlijke praal omgeven.quot;
âEn welk eene teedere bezorgheid heeft de koning om u het verledene te doen vergeten,quot; riep prinses Amalia,
180
die nu met prins August ook op den drempel gekomen was. âGij zgt niet meer de koningin-weduwe, maar gij zijt de koningin-moeder.quot;
âJa,quot; mompelde Sophia Dorothea bij zich zelve, âik ben de koningin-moeder, maar ook als moeder zal ik nooit koningin zijn. O, kinderen,quot; riep zij luide en hartstochtelijk, âde koning, uw broeder, heeft gelijk. De vorsten zijn niet geboren om gelukkig te zijn. Hij is het niet en gij zult het ook niet zijn!quot;
XXI.
DE HOFKLEERMAKER DER KONINGIN.
Een somber stilzwijgen heerschte seder eenigen tijd in den anders zoo vroolijken en opgeruimden familiekring van den waardigen kleermaker, den heer Pricker. Niemand waagde het een luid woord te spreken of te lachen, want mijnheer Pricker, het hoofd en de kroon van het huis, was treurig en ontstemd; en de onweêrswolken, die op zijn voorhoofd zetelden, wierpen een somberen weerschijn op het gelaat zijner vrouw en van zijne beide kinderen, de schoone Anna en de anders zoo levenslustige Willem.
Zelfs de knechten in de werkplaats waren door deze alge-meene mismoedigheid bevangen en keken somber en treurig rond; zelfs het heldere en schelle gezang der beide leerjongens was gesmoord en de beide anders zoo vroolijke dienstmeiden verrichtten zwijgend en verdrietig haar dagelijksch werk.
Een drukkende neerslachtigheid lag over het huis en alles scheen in angstige verwachting van een naderend onweder. Toen Willem, de zoon en erfgenaam van het huis, van zijne wandelingen en vroolijke omzwervingen in het ouderlijke huis terugkeerde, ijlde hij het eerst met een bezorgd gelaat naar de woonkamer zijner moeder, en een nieuwsgierigen blik op de oude vrouw slaande, die kommervol met het hoofd achterover op de sopha zat, vroeg hij geheimzinnig: ânog niet?quot; -- En moeder Pricker schudde zuchtend het hoofd en antwoordde: ânog altijd niet!quot;â
481
Toen de schoono Anna, die er anders zoo veel van hield in hare keurige en rijk versierde kamers zich met schilderen en zingen bezig te houden, nu de schel aan de huisdeur en de stap van een vreemde hoorde, snelde zij driftig naar hare moeder en vroeg: âis het gekomen?quot; â En al weder schudde j uifrouw Pricker zuchtend het hoofd en antwoordde: ânog altijd niet!quot; â
Alleen de heer Pricker zelf vroeg en onderzocht nooit. Zwijgend en trotsch zat hij in den kring van zijn gezin: met kalmte hoorde hij het schellen aan de voordeur, zag hij vreemden in zijn kantoor of zijne werkplaats komen ; te trotsch om op de eene of andere wijze gejaagdheid of eene angstige spanning te toonen, hulde hij zich in een Olympisch zwijgen en verschool zich voor de nieuwsgierige vragen zijner kinderen achter den strengen, terugstootenden ernst van het vaderlijk gezag.
âMaar ik zie toch dat hij lijdt,quot; zeide moeder Pricker zuchtend tot hare dochter Anna, âik zie, dat hij alle dagen minder eet en altijd bleeker wordt. Wanner deze spanning nog langer duurt zal mijn arme man ten laatste nog eene gevaarlijke ziekte krijgen en de koning zal den dood van den besten en edelsten zijner onderdanen op zijn geweten hebben.quot;
âMaar waarom stelt vader toch zooveel prijs op deze kleinigheid,'' zeide Anna met een trotsch schouderophalen.
Hare moeder zag haar verbaasd aan. âDat noemt gij eene kleinigheid. Het is niet enkel te doen om de eer van uwe vader, maar van de geheele familie; het is te doen om den naam en het aanzien, welke de familie Pricker sedert eene eeuw in geheel Berlijn geniet. Het is er om te doen of uw vader op eene onrechtmatige en willekeurige wijze van zijne eereposten en waardigheden zal beroofd worden, dan of men hem gerechtigheid zal laten wedervaren en zijne verdiensten erkennen.quot;
Anna brak in een schaterend gelach uit. âLieve moeder, gij beiden neemt de zaak veel te hoog op,quot; zeide zij, âen maakt van eene vlieg een olifant. Er is geen sprake van de groote en verhevene dingen, welke gij daar opnoemt, maar enkel van een titel! De groote vraag is deze; zal vader den titel âhofkleermaker der regeerende koninginquot; behouden, of moet hij zich tevreden stellen met slechts
182
hof kleermaker der koningin-weduwe te zijn? Mij dunkt, dat is al een zeer klein onderscheid, en ik, van mijn kant, begrijp niet, hoe men er zooveel prijs op stellen kan.quot;
âDat begrijpt gij niet,quot; zuchtte hare moeder. âGij hebt geen hart voor uwe familie, geen gevoel voor de eere van uw huis.quot;
âOch, dwaasheid! het onderscheid is zeer onbeduidend en het blijft altijd eene zeer dubbelzinnige eer de dochter van een kleermaker te zijn, al is die de hofkleermaker van eene of twee koninginnen,quot; zeide Anna verdrietig. âVader is rijk genoeg om ook zonder dit ellendige ambacht fatsoenlijk en zelfs op deftigen voet te kunnen leven. Hij heeft zijne kinderen de opvoeding van adelijke en voorname families laten geven; bij heeft voor mij alleen een gouvernante en zelfs een muziekmeester, voor mijn broeder Willem een gouverneur gehouden, opdat deze niet te dikwijls op straat behoefde te gaan, uit vrees dat hij door zijne slanke gestalte misschien in handen van wervers zoude geraken. Hij heeft ons ieder eene eigene kamer gegeven on deze met schitterende weelde getooid en den nijd van al onze kennissen opgewekt. Waarom heeft hij dat alles gedaan, wanneer hij ons toch veroordeelen wil de kinderen van een kleermaker te zijn en te blijven! Waarom rukt bij dat uithangbord niet van zijne deur af, dat uithangbord, hetwelk altijd vernederend en onteei'end is, alhoewel er op te lezen staat, dat vader hofkleermaker is! Wij verkrijgen door dezen titel toch geen toegang tot het hof, en de groote heeren denken er nooit aan de dochter van een kleermaker te huwen, terwijl zij er zeer toe genegen zouden zijn, wanneer vader zijn ambacht neerlegde, zich een landgoed kocht en als een voornaam en rijk man op zijne eigene bezittingen ging leven.''
âKind, kind, wat praat gij daar,quot; riep juffrouw Pricker, hare handen boven haar hoofd ineen slaande. âUw vader zou zijn stand opgeven, dien eerwaardigen stand, sedert meer dan eene eeuw erfelijk in onze familie? Uw vader zou zich zoo vernederen, door met zijn eerlijk verworven, goed geld, den een of anderen armen cavalier tot schoonzoon te koopen, die zich misschien nog zou verbeelden, ons eene groote eer te bewijzen, wanneer hij u als toegift op de zestig duizend daalders aannam? Uw vader zou
183
een landgoed koopen en in ijdele rust verbrassen, wat hij en zijne voorouders in eeuwen vergaard hebben? Dat zal nooit gebeuren en nooit zal uw vader zijne toestemming geven tot uw huwelijk met een ander dan een eerlijk burgerman ; en nooit zal hij toegeven, dat uw broeder Willem iets anders worde, dan zijn vader, zijn grootvader en al zijne voorouders geweest zijn : een hotkleermaker.quot;
De schoone Anna stampvoette van misnoegen en een blos van toorn kleurde hare teedere wangen. ,.Ik zal nooit een ambachtsman trouwen,quot; zeide zij, haar hoofd trotsch in den nek werpende, âen nooit zal Willem er toe overgaan het beroep van zijn vader voort te zetten.quot;
âDan zal uw vader u beiden verstooten, en gij kunt in den vreemde gaan, om uw brood te bedelen,quot; zeide de oude vrouw handenwringend.
âWij hebben, God dank, niet noodig te bedelen, om ons brood te verdienen, riep Anna trotsch. Wij hebben beiden genoeg geleerd, om eerlijk door de wereld te komen, en, wanneer al het overige mislukte, dan heb ik nog in mijne stem een kapitaal, dat mij eene schitterende toekomst verzekert. De jonge koning wil eene opera oprichten, en de zangeressen zijn tegenwoordig zoo zeldzaam, dat men God danken zal wanneer ik mij zal laten overhalen, de plaats eener prima donna te bezetten.quot;
âO, dat ongelukkige, ongelukkige kind.quot; kermde julfrouw Pricker. âZij zal hare familie onteeren; zij wil ons allen ongelukkig maken en beschimpen. Zij wil onder het come-diantenvolk gaan en wij zullen de schande moeten beleven, onzen eerlijken, geachten en beroemden naam op het aan-plakbillet aan alle hoeken der straten te zien staan!quot;
âGij zult de eer hebben, dat iedereen van uwe dochter spreekt, dat men haar bloemen en kransen toewerpt zoodra zij zich vertoont en dat de courant, welke nu in Berlijn verschijnt in elk nommer haar tot in de wolken verheften de ouders gelukkig noemt, die haar het leven gegeven hebben.quot;
âDat zijn de nieuwe denkbeelden,quot; kermde juffrouw Pricker, âde nieuwe denkbeelden, welke nu in de mode zijn en die onze nieuwe koning zoo begunstigt. O, ongeluk en ellende zullen over onze geheele stad komen; eer en goede zeden verdwijnen en als Sodom en
184
Gomorrha zal Berlijn te gronde gaan. Dat is het verleidelijk lokaas, dat de heer baron van Pöllnitz u in de ooren blaast, en dat u van de eerbare en zedige beginselen uwer familie vervreemdt. Dat . . . .quot;
Plotseling verstomde en luisterde zij. Zij verbeeldde zich, dat zij beneden de huisdeur hoorde openen.
Juist, daar hoorde men voetstappen, welke den trap opkwamen; daar hoorde men eene stem, die naar mijnheer en julfrouw Pricker vraagde.
âPöllnitz!quot; fluisterde Anna, en een gloeiende blos bedekte haar gelaat en haar hals.
âDe heer baron van Pöllnitz, de opper-ceremoniemees-ter des konings,quot; zeide juffrouw Pricker met eene soort van blijden schrik. âMisschien brengt hij . . .quot;
De deur vloog open en met een frisschen, vroolijken morgengroet drentelde de opper-kamerheer de kamer binnen. Anna had zich naar het venster gekeerd en beantwoordde zijn groet niet. Maar juffrouw Pricker ging hem te gemoet en begroette met eerbiedige deftigheid den heer opper-ceremoniemeester en opper-kamerheer baron van Pöllnitz!
âWel neen,quot; lachte hij. âWaartoe zoo vele complimenten en titels. Buitendien ben ik wel opper-ceremoniemeester, maar zonder den titel. Zijne majesteit,de jonge koning heeft geene bijzondere liefhebberij in de vernieuwing der titels en waardigheden, welke ons zijn zalige vader verleend heeft en alle verzoeken en aanvragen zijn te ver-geefsch. Hij houdt de titels voor geheel overbodig en belachelijk.quot;
Juffrouw Pricker verbleekte, en prevelde zachtjes eenige onverstaanbare woorden. Maar Anna, die nog altijd afgewend naar het venster gekeerd had gestaan, wendde zich nu snei naar de beide sprekenden en sloeg hare groote, fonkelende oogen met een vragenden, onderzoekenden blik op het glimlachend gelaat van den baron.
âO, eindelijk heb ik toch de eer, uw gelaat te zien, schoone Anna,quot; riep Pöllnitz lachend. âIk wist wel, dat er een toovermiddel bestond, deze schoone oogen op mij te doen vestigen! Laat mij uwe hand kussen, aanbiddings-waardigste en vergeef mij, wanneer ik u soms gestoord heb.quot;
185
Hij vloog met een sierlijken zwaai naar Anna en nam hare hand, welke zij hem niet reikte en slechts met tegenzin overliet. Daarop keerde hij zich weder naar julïrouw Pricker en voor haar buigende, zeide hij met deftigen nadruk: âik kom heden niet als de vriend van uw huis, maar als afgezant van den koning hier en ik verzoek de geëerde mejuffrouw Pricker haar echtgenoot te laten weten, dat ik hem wensch te spreken, om hem eene boodschap van wege hare majesteit de koningin over te brengen.quot; Juffrouw Pricker uitte een vreugdekreet en, alle vormen vergetende, stoof zij door de kamer, om zich naar het kantoor van haar man te hegeven en hem het gewichtige bericht te verkondigen.
Baron van Pöllnitz zag haar glimlachend na, tot de deur achter haar gesloten was; toen keerde hij zich naar Anna, die nog altijd onbewegelijk en ernstig in de vensternis leunde.
âAnna, mijne dierbare Anna,quot; fluisterde hij teeder; âeindelijk zijn wij alleen, eindelijk kan ik u zeggen, hoe zeer ik naar u verlangd heb, hoe gelukkig ik ben u weder te zien.quot;
Hij wilde haar aan zijn hart drukken, maar het jonge meisje weerde hem trotsch en koel af. âHebt gij onze overeenkomst vergeten?quot; vroeg zij ernstig.
âNeen, ik heb uwe wreedheid en gestrengheid goed in mijn geheugen bewaard. Gij wilt dan eerst mijne gloeiende wenschen verhooren wanneer ik al uwe wenschen vervuld heb! wanneer ik uw vader heb overgehaald, u weder een zangonderwijzer te geven, wanneer ik het eindelijk zoo ver gebracht heb, dat gij voor het geheele hof en den koning uwe heerlijke en waarlijk goddelijke stem hebt laten hooren.quot;
âJa,quot; riep Anna met fonkelende oogen en gloeiende wangen. âDat is mijn doel, mijn schitterend, verheven doel. Eene zangeres wil ik worden, die geheel Europa met haren roem vervult, die alle mannen aan hare voeten heeft liggen en die zich zelfs van vorsten en koningen omringd ziet Iquot;
âEn ik zal de gelukkige zijn, die voor de liefelijke en schoone nachtegaal don weg baant; aan mijne hand zal zij de eerste schrede op de baan des roems zetten. Maar,
186
wanneer ik mijn woord gehouden heb, wanneer gij voor het geheele hof en den koning zult gezongen hebben, dan moet gij ook uw woord vervullen, en Pöllnitz zal op dien avond de gelukkigste sterveling zijn.quot;'
âIk zal mijn woord vervullen,quot; zeide zij trotsch en uit de hoogte, als ware zij reeds de beroemde, gevierde prima donna. âOp den dag, waarop ik voor het eerst aan het hof gezongen heb, op den dag waarop de dochter van den kleermaker zich gereinigd heeft van de smet barer lage geboorte, en eene vrije, zelfstandige, beroemde kunstenares geworden is, op dien dag behoeven wij beiden ons niet langer over onze liefde te schamen, en kunnen wij, zonder ons vernederd of beschaamd te gevoelen, elkander toebehooren. âDe heer van Pöllnitz kan dan zonder blozen baar tot zijne vrouw nemen, die door de kunst geadeld is; en de prima donna, Anna Pricker, behoeft niet langer het vernederende gevoel met zich om te dragen, dat de heer baron van Pöllnitz haar eene eer bewijst, wanneer hij haar tot echtgenoote aanneemt.quot;
De heer van Pöllnitz, hoe volleerd hoveling hij ook was, had toch zijne trekken niet zoozeer in zijne macht, dat zij niet een weinig schrik en ontsteltenis verraden zouden hebben, welke hij bij de woorden zijner schoone geliefde ondervond. Sprakeloos staarde hij een oogenblik op haar schoon gelaat, dat van geestdrift, eerzucht en liefde gloeide. Toen kwam een spotachtige, duivelsche glimlach op zijne lippen, maar verdween ook dadelijk, en de heer van Pöllnitz was weder de teedere, verrukte en hartstochtelijke minnaar der schoone Anna Pricker.
âJa, dierbaarste, geliefde Anna,quot; fluisterde hij, haar in zijne armen nemende, âop dien gelukkigen en ge-zegenden dag zult gij mijne vrouw worden, en de lauweren, welke dan in uwe lokken gevlochten worden, zullen voor mij in bloeiende mirtetakken veranderen, welke ik onder mijne kussen uit uw haar zal nemen en welke, onder onze zalige omhelzing, verbranden zullen, als het vlammende dankoffer onzer liefde.quot;
Hij bedekte haar mond met zijne kussen. Anna weerde hem niet af. Zij lag als bedwelmd, geheel gloed, geheel opoffering, in zijne armen, zij luisterdenaar zijne woorden, welke als bedwelmend zoet opium haar oor en hart ver-
187
giftigd hadden. Maar de baron liet haar nu haastig uit zijne armen los en deed een stap terug. Koeler en bedaarder dan het jonge meisje, had hij zeer goed de zachte schreden gehoord, welke van buiten de deur naderden.
âMen komt!'' fluisterde hij zachtjes. âNeem eene onverschillige houding aan, dierbaarste Anna. Uw gelaat verraadt te veel de innerlijke opgewektheid.quot;
Hij drentelde naar de geopende piano en begon eene vroolijke melodie te spelen, terwijl Anna haar gezicht in de takken van een hooge geranium, welke aan het venster stond, verschool, om aan de bladeren hare gloeiende wangen te verkoelen.
Julïrouw Pricker opende nu de deur en verzocht den opperkamerheer met haar naar de belendende zaal te gaan, waar de heer Pricker hen verwachtte.
XXII.
DE GROOÃE VOORVADEREN VAN EEN KLEERMAKER.
Pöllnitz bood de schoone Anna zijn arm aan, en onschuldig met haar schertsende en lachende, volgde hij met haar juffrouw Pricker naar het andere vertrek.
Dit was eene lange zaal, welke in haar geheelen vorm en hare inrichting iets plechtigs en sombers had. Twee ramen verlichtten slechts karig de lange, hooge wanden, die met een donker behangsel bedekt waren. Eenige divans, met zwaar zijden stof, van de kleur van het behangsel, stonden in de rondte, en daarboven prijkten in zwarte lijsten eenige portretten in olieverf, welke met meer of minder kunst eene mannelijke gestalte in plechtige houding vertoonden. De in het oogloopende gelijkenis van al deze ligu-
188
ren loonde, dat het de doorloopende portretten van eenc en dezelfde familie waren. Het was altijd hetzelfde gelaat, dezelfde korte ineengedrongene gestalte, behalve dat de kleeding op elk beeld eene andere was geworden en dooide verandering der mode den voortgang van den tijd aanduidde, waarin deze portretten geschilderd waren. Ãn eene gestalte, volkomen gelijkende naar die der schilderijen, stond in het midden der zaal. Hetzelfde gelaat, dezelfde korte, ineengedrongen gestalte, zelfs niets verschillend in kleeding van die daar boven. Men had zich knnnen verbeelden, dat een dezer portretten uit zijne lijst naar beneden was gekomen, dat de eene of andere galvanische werking den dooden vorm leven en beweging had gegeven, en wanneer de kracht van het galvanismus zoude verdwijnen, zoude ook die gestalte weder koud en levenloos en weder bij de overige portretten aan den wand gehangen worden.
Intusschen leefde zij nu nog, en met een plechtigen knik, maar zonder zich van de groote, ronde tafel, die in het midden der zaal stond en waarop zij leunde te verwijderen, begroette zij den baron en opperkamerheer.
âIk heet u welkom in het huis mijner vaderen,quot; zeide de kleine gestalte met zalvende deftigheid. âGezegend zij uw ingang en uw uitgang in dit huis!quot;
Pöllnitz wierp een schalkschen, glimlachenden blik op Anna, die, bij het intreden in de zaal, den arm van den baron had losgelaten en in eene der vensternissen was gaan staan.
âMaar waarom zijt gij heden zoo ernstig en plechtig, lieve Pricker V vroeg hij toen, zich weder tot den ouden heer wendende.
âZijt gij niet hier als afgezant van het koninklijke hof?quot; vroeg deze weder. âMoet ik u daarom niet in feestgewaad en in de feestzaal van mijn huis ontvangen? Ik heb u daarom verzocht, in de zaal mijner voorouders te komen, want slechts te midden mijner voorvaderen past het mij de koninklijke boodschap te ontvangen. Zeg nu spoedig, waarmede kan ik het huis des konings dienen? Wat wenscht het van mij?quot;
âHet wenscht niets anders,quot; zeide Pöllnitz glimlachend, terwijl hij een groot, verzegeld papier uit zijne borst
189
haalde, niets anders, lieve Pricker, dan dat gij het uithangbord boven uwe deur een weinig zoudt veranderen, door, in plaats van âHofkleermaker van de koningin en de kroonprinses,'' zoo als er nu op te lezen staat, er op te laten zetten: âHofkleêrmaker van de koningin-moeder en van de regeerende koningin.quot; âHier is het diploma, mijn lieve meester.quot;
De oude nam bedaard en gelaten het hem aangeboden papier aan; geen trek in zijn gelaat was veranderd; hij bleef nog altijd koel, plechtig en ernstig.
Maar juffrouw Pricker kon hare vreugd niet bedwingen. Met een luiden kreet ijlde zij naar haar echtgenoot, om hem te omarmen, om hem eindelijk geluk te wenschen met zijne benoeming.
De heor Pricker weerde haar trotsch af. âIs er dan reden om geluk te wenschen en zich te verblijden?quot; vroeg hij verwijtend. âHet huis Hohenzollern heeft mijn huis recht doen wedervaren, dat is alles! Deze titel: âHofkleermaker der regeerende koningin,'' is in zekeren zin een erfrecht in mijne familie geworden, en het zou eene vernederende ondankbaarheid geweest zijn, wanneer men hem nu aan mijn huis had willen onttrekken. Sedert meer dan eene eeuw zijn de Hohenzollerns door de Prickers gekleed geworden; voor alle bals en feestelijkheden, voor alle bruiloften, dooppartijen en begrafenissen hebben wij de kleeding aan de koninginnen en prinsessen geleverd ; wanneer zij prachtig en heerlijk te voorschijn kwamen, hadden zij dat alles aan onze bekwaamheid te danken. Het spreekwoord zegt: âkleêren maken den man!quot; en het heeft gelijk. Wij hebben het kroningsgewaad voor de beide koninginnen geleverd, daaruit volgt: dat zij zonder onze hulp nooit gekroonde koninginnen waren geworden en dat zij daarom aan ons veel verplichting hebben. En nu wilt gij u verheugen cn dankbaar zijn, vrouw, omdat zij ons geven, wat hun plicht en ons recht is?quot;
âIntusschen verzeker ik u, mijn vriend,quot; zeide Pöllnitz glimlachend, dat het mij zeer moeielijk gevallen is, deze benoeming voor u te verkrijgen en dat gij mij ten minste eenige dankbaarheid schuldig zijt. Ik moest al mijne welsprekendheid, al mijne kunstgrepen en zoete woorden aanwenden, om de koningin over te halen.''
190
De heer Pricker verbleekte en zijne trekken verloren hunne waai-dige rust en verhevenheid. âDaar neem uw document terug,quot; zeide hij trotsch, den baron het verzegelde papier overreikend. âWanneer de koningin mij niet met een blij gemoed en vrijwillig dezen titel gaf, dan begeer ik hem niet.quot;
âVolstrekt niet, behoud hem maar,quot; riep Pöllnitz glimlachend. âHij komt u toe en gij hebt er recht toe. Ook vertelde ik het u maar, dat het mij moeielijk viel hem te krijgen, omdat ik uw hart voor mij wilde winnen, voor een verzoek, dat ik gaarne toegestaan zag.quot;
âOch, gij meent zeker over die vijfhonderd daalders, welke ik u verleden maand geleend heb ?quot; vroeg de heer Pricker glimlachend. âLaat ons daar niet meer van spreken. Die schuld is vernietigd. Gij hebt mij zoo even betaald en ik zal u dadelijk uwe schuldbekentenis teruggevenquot;.
âIk dank u,quot; zeide Pöllnitz, âik dacht niet eens aan die kleinigheid. Het was een ander verzoek, dat ik u wilde doen.quot;
âLaat hooren,quot; zeide de hofkleêrmaker met een ge-nadigen knik.
âHet betreft een jongen artist, dien ik gaarne in uwe protectie zou aanbevelen,quot; hernam de sluwe Pöllnitz met een glimlachenden, zijdelingschen blik op Anna. âHet is een jonge, talentvolle musicus, die door lesgeven zijn brood moet verdienen. Maar helaas, hij is hier vreemd en heeft tot nog toe weinig beschermers gevonden. Nu heb ik gedacht, dat, wanneer de als kunstkenner zoo roemrijk bekende heer Pricker hem in zijne bescherming nam, dit voor den jongman van het grootste belang zou zijn, omdat dan zonder twijfel iedereen zich zoude beijveren, zich het onderricht van den jongeling, dien de heer Pricker in zijne bescherming neemt ten nutte te maken. Sla dus toe, dat hij uwe dochter Anna onderricht in de zangkunst geve, en het fortuin van dezen jongman zal gemaakt zijn.quot;
âGoed, ik sta uw verzoek toe,quot; zeide de heer Pricker plechtig, geen oogenblik twijfelende, of de baron had in vollen ernst gesproken. âIk zal dien jongen kunstenaar in bescherming nemen en hij kan mijne dochter dagelijks een uur les geven, dat is, wanneer Anna den jongman die beleefdheid bewijzen wil.quot;
191
Anna kon nauwelijks haar lachlust bedwingen. âGij hebt het bevolen,quot; zeide zij, âen ik zal als eene gehoorzame dochter aan uwe bevelen voldoen.quot;
âZeer goed,quot; zei haar vader met majesteit. âDeze zaak is dus in orde. Nu, heer baron, verzoek ik slechts mij nog te zeggen, wanneer de inhuldiging zal plaats vinden, opdat ik mijne plannen en toebereidselen kan maken, en niet soms door mij een uitstel van de plechtige handeling noodzakelijk worde.''1
âDe dag der inhuldiging is nog onbepaald, en zal, in elk geval, eerst in Augustus plaats hebben. Gij hebt dus nog een geruirnen tijd om uwe toebereidselen te maken. Wij beiden zullen dan later met hare majesteit de koningin over de snede, de kleur en de stof der kleederen eene conferentie houden. Slechts een raad wil ik u heden, mijn waarde oude vriend, nog geven. Schik u heden, naar den nieuwen tijd! Bedenk, dat wij nu een koning hebben, die juist het tegendeel van zijn vader is. Deze haatte de elegantie en de pracht; gene bemint ze; deze was een gezworen vijand van den Franschen zwier; gene is er hartstochtelijk mede ingenomen en wanneer gij uw fortuin bij hem wilt maken, moet gij uwe oude, eerwaardige Duit-sche gewoonten en vooroordeelen afleggen, en, evenals wij allen, u naar het nieuwe stelsel schikken. Want ik zeg u, er zal een nieuwe tijd aanbreken ! Een tijd van glans en pracht. Alles moet anders worden, vooral evenwel en het allereerst zullen wij nieuwe modes krijgen. De pruik en de stijve Duitsche kleederdracht is verdwenen. Zij zullen in plaats van de staartpruik een haarzak, en in plaats van den grof lakenschen rok, met knoopen zoo groot als het rad van een wagen, een bont zijden en met kanten bezetten rok dragen. Gij zult moeten beginnen met uwe Duitsche knechten naar den duivel te jagen, om u zoo spoedig mogelijk van enkel Fransche werklieden te voorzien! Dat is de eenige weg, wrarop gij u in de gunst van het hof zult kunnen staande houden.quot;
De heer Pricker had hem met verbazing en waarachtigen schrik aangehoord. Zijne wangen waren verbleekt, zijne lippen beefden en met eene van toorn ontroerde stem schreeuwde hij nu: ânooit en nimmer zal het gebeuren! Hoe? Ik zou die godvergeten hervormingen helpen onder-
102
steunen en dat winderige en lichtzinnige kostuum aannemen, dat nu, God geklaagd, in demode is. Ik zou mijn eerlijken Duitschen staart van de pruik afsnijden en deze eerwaardige kleeding alleggen, om een bonten apenrok aan te trekken en mij aan de bespotting van alle eerbare en fatsoenlijke menschen blootstellen? Ik zou eindelijk mijn God, mijne voorouders en mijn vaderland zoo zeer vergeten, dat ik Franscbe werklieden in mijne Duitsche werkplaats zou brengen ? Smaad en schande over mij, wanneer ik ooit zoo godvergeten lichtzinnig en onchristelijk zou kunnen handelen! Nooit zal een Franscbe voet over den drempel van mijn huis komen; nooit zal één woord Fransch in mijn huis gesproken worden. Als Duitscher ben ik geboren, als Duitscher wil ik sterven! Trouw aan mijn vaderen en de bevelen van den koning zaliger, die zijn volk met een goed voorbeeld voorging en in vroomheid en christelijke liefde, dat lichtzinnige, Fransche gedrag haatte en verachtte; trouw aan de wetten der zedelijkheid en der eer zal ik mijn trots er in stellen, de modes van den goeden, eerbaren Duitschen tijd in stand te houden, en nooit zal in mijne werkplaats een rok naar de Fransche mode bewerkt worden.quot;
âWanneer gij zoo denkt, dan is het uit met uw fortuin en uw aanzien,quot; riep Pöllnitz, zijne schouder ophalend.
De heer Pricker sloeg geen acht op hem ; hij zag met fonkelenden blik naar de portretten, welke langs de wanden hingen, en boog eerbiedig groetende, voor een van hen zijn hoofd.
âZiet gij,quot; zeide hij toen, met de hand naar dat portret wijzende: âdat is mijn oudovergrootvader, de stamvader van het geslacht der Prickers! Hij was een echte Duitscher en een der braafste en bekwaamste. Met hem begint de reeks der hofkleermakers Pricker; hij knoopte den band, welke sedert dien tijd, de huizen llohenzollern en Pricker vereenigt. De keurvorst George Willem gaf hem den titel âhofkleermaker,quot; en droeg nooit een ander stuk, dan dat zijn lieveling Pricker gemaakt had. Zelfs in zijn testament had hij hem goed bedacht, en daarvan stamt het vermogen en het aanzien der Prickers af, dat sedert altijd is toegenomen. En zie nu, daar naast, dat portret. Het is dat van zijn zoon, den hofkleermaker van Frederik Willem, den grooten keurvorst. Van hem kwam het gewaad en de
193
mantel, dien de keurvorst in den slag van Fehrbellin droeg. Zijn zoon echter had het treurige lot het sterfkleed van den grooten man te maken. Maar met dat portret daar, begint een nieuw tijdstip voor Pruisen, want dat is de hof-kleermaker van Frederik de Derde, en hij heeft het gewaad en den mantel gemaakt, door dien vorst gedragen, op den dag, toen hij koning van Pruisen werd. Zijn zoon volgde hem op en met den zoon begint nu voor het geslacht der Prickers een nieuw tijdperk, evenals met den vader voor het geslacht der Hohenzollerns!
De zoon volgde niet het voorbeeld zijns vaders; hij had eene zachtere, meer poëtische natuur; hij werd dus dameskleermaker, en de toenmalige kroonprinses Sophia Dorothea benoemde hem tot haar hofkleermaker. Hij heeft het kroningsgewaad der koningin en de bruiloftskleederen der markgravin van Baireuth en van Schwedt gemaakt. Toen hij stierf, volgde hem zijn zoon, de nu nog levende Pricker, op. Ik heb het bruiloftsgewaad der hertogin van Brunswijk vervaardigd; van mij komen de rouwkleederen van de tegenwoordige koningin-moeder. En nu, in tegenwoordigheid mijner voorouders, in tegenwoordigheid van zoovele roemrijke herinneringen, wilt gij mij tot verraad en afval bewegen? Wilt gij uit een eerlijken Duit-scher, een Franschen gek maken, die zich over zijne voorouders schaamt en de zeden zijner vaderen verloochent? Neen, Duitsch ben ik en Duitsch blijf ik in mijne gewoonten en modes, al moest ik mij daardoor in het verderf storten!quot;
. Hy. groette met eene beweging van overprikkelde gevoeligheid den verbaasden en glimlachenden baron van Pöll-nitz en stapte daarop trotsch door de zaal, om zich naar zijne werkplaats te begeven. Zijne vrouw volgde hem met gevouwen handen en angstige zuchten, om met liefderijke troostwoorden den opgewekten en vertoornden ouden man tot bedaren te brengen.
Pöllnitz en de schoone Anna bleven weder alleen. âIn mijn geheele leven heb ik niet zulk een vreemden en wonderlijken gek gezien,quot; zeide Pöllnitz lachend. âAls Molière hem gekend had, zou hij hem tot het onderwerp van een heerlijk kluchtspel gebruikt hebben.quot;
âGij vergeet, dat deze gek misschien eens uw schoon-
Mlihlbaoh, Frederik de Groote en zijn Hof. I. 13
194
vader zal worden,quot; zeide Anna ernstig, terwijl zij de naar haar uitgestrekte armen van den baron afwees.
âOch, dat is waar,quot; zeide Pöllnitz glimlachend. âWij zullen hem dus sparen. Kom! een laatste kus,schoone Anna. Een kus tot loon voor mijn gelukkig gewonnen spel! Want morgen zult gij uw zangmeester hebben, echter niet een armen slokker, magr een beroemden, invloedrijken toonkunstenaar, die enkel uit beleefdheid voor mij op zich zal nemen u te onderwijzen, hoewel hij eigenlijk geen zangmeester, maar componist is. Griium zelf zal u onderwijzen, en het zal slechts aan u liggen, geliefde, wanneer wij niet spoedig onze liefde met een gelukkigen uitslag bekroond zien.
J
xxiir.
SOFFRI E TAGI.
Eindelijk zou de vurigste wensch der jonge koningin vervuld worden; eindelijk zou zij een afzonderlijk, vrij gesprek met haar gemaal houden! De dagen van onderwerping, van smartelijke verwachting, van verzwegen leed waren voorbij. De gemaal, de vurig beminde, de lang verwachte keerde eindelijk tot haar terug! Elizabeth Christine behoeft haar hoofd niet beschaamd neer te buigen voor hare dienaressen, in de vooronderstelling, dat deze in het geheim met haar spotten, om haar lachen, en haar verachten, om de onverschilligheid en koelheid, waarmede de koning haar bejegent. De koningin behoeft de arme vrouw, die haar gisteren op straat ontmoette, toen deze met blij gelaat, haar man, die aan het hout laden was, het mid-
195
dageten bracht, niet meer te benijden. Ook zij zal nu weder een echtgenoot hebben; ook zij zal weder de sterke mannelijke band, die haar leidt en steunt, naast zich voelen. Zij zal geene arme, verlatene koningin meer zijn, maar eene gelukkige, trotsche, door iedereen benijde vrouwzijn!
Hij had haar geschreven, dat hij haar nog heden bezoeken wilde en had haar verzocht, heden avond de deur van hare slaapkamer niet te sluiten, omdat hij, door vele bezigheden overladen, eerst laat bij haar zou komen ; maar dat hij, in elk geval, komen zou, omdat hij wenschte haar nog heden en wel zonder getuigen te ontmoeten.
Mijn God, hoe traag zijn de uren van dien dag voorbijgegaan, hoe langzaam is de zon in het westen gezonken! Eindelijk toch is het avond, eindelijk wordt het donker. Elizabeth kan haar gevolg wegzenden, kan zich naar hare kamers begeven, om hem af te wachten. Maar hij moet ook zien, hoe blijde zij hem welkom heet; welk een feest hij haar bereid heeft. Zij wil zich tooien, om hem te behagen; zij wil schoon zijn, om hem een glimlach af te dwingen. Voor de eerste maal verzoekt zij hare verwonderde kamervrouwen, haar meteen van die bevallige negligees te kleeden, welke de keizerin van Oostenrijk haar onlangs gezonden heeft; voor de eerste maal zet zij dat kleine, met bloemen versierde, coquette mutsje op, steekt hare smalle, keurige voeten in de wütte, met goud geborduurde atlaspantoltels.' Het is inderdaad een keurig, verleidelijk en coquet negligee, en de kamervrouwen verzekeren, dat hare koningin nooit schooner, nooit bekoorlijker was, dan in dit gewaad. Maar Elizabeth wil heden zelve zien en onderzoeken en daarom beveelt zij groote armblakers voor de Psyche aan te steken, om met koele, ernstige oogen haar kleeding en gelaat te monsteren/ en terwijl zij dit doet, komt er een trotsche en gelukkige uitdrukking op haar gelaat, omdat hare kleeding hare vol-komene goedkeuring wegdraagt en de spiegel haar zegt, dat zij schoon is. Verwonderd en elkander vragende blikken toewerpende, zien de kamervrouwen dit ongewone doen der koningin. Elizabeth had vroeger nooit oog of gevoel voor hare eigene schoonheid, waarom is zij er nu zoo gelukkig door?
Het toilet is geëindigd; de jonge koningin gaat achteloos
196
op den lichtblauwer!, zijden divan zitten en ontslaat hare kamervrouwen met een stommen wenk. Maar toen zij de deur naderden, toen de eerste kamervrouw, als naar gewoonte, de sleutel uit het slot neemt, om het slaapvertrek der koningin van buiten te sluiten, toen ontwaakt Elizabeth Christine uit hare zoete droomen. Zij richt zich uit hare rustende houding open terwijl een gloeiend rood hare wangen bedekt en een trotsche glimlach, die evenzeer tevredenheid te kennen geeft, om hare purperen lippen speelt, zegt ze gejaagd: âSluit heden de deur niet, want ik verwacht den koning.quot;
p]n als ware zij verwonderd over haar eigen geluk, zinkt Elizabeth in de kussens, en drukt, alsof zij door het licht der kaarsen verblind was, haar met zilver geborduurden zakdoek voor haar gloeiend gelaat.
De kamervrouwen neigen eerbiedig voor hare meesteres en gaan naar buiten. Maar daar, in de voorzaal, verdwijnt de uitdrukking van eerbied van hare trekken ; zij zien elkander spottend en lachend aan.
âArme koningin! Zij wil ons wijs maken,dat de koning haar soms in hel geheim bezoekt, terwijl hij haar openlijk verwaarloost.
Zij zou gaarne doen gelooven, dat zij werkelijk de vrouw van den jongen schoonen koning is, en men weet toch .. .quot;
Ja, men weet toch ...
En allen trokken met een smadenden glimlach de schouders op en spoedden zich heen, om aan vrienden en vriendinnen de belachelijke geschiedenis van de ijdelheid der arme versmachtende en verlatene koningin te vertellen.
Maar hoe? Wat was dat? Rolde daar juist geen wagen het binnenplein op, kwam de wacht niet in het geweer, hoorde men geen tromgeroffel? Zou de koning werkelijk bij zijne echtgenoote komen? De kamervrouwen stonden en luisterden; zij hoorden stappen op den grooten trap; en nu, ja waarlijk, het was de koning, die, voorgegaan door zijn page met brandende waskaarsen op zilveren kandelaar, haastig en vlug den gang afkwam, om zich naar zijne vertrekken te begeven. En uit deze kamers kwam men door een kleinen dwarsgang in de vertrekken der koningin! Hoe? Had de koningin dus werkelijk de waarheid gezegd, en versmaadde dekoning haar niet, beminde hij haar wellicht?
497
De verwonderde en verbaasde kamervrouwen spoedden zich naar hare vrienden en vriendinnen om te vertellen, dat de koning zijne vrouw hartstochtelijk beminde, en dat er geen teederder en gelukkiger paar kon bestaan, dan dat koninklijke paar.
Ook Elizabeth Christine had het rollen van den koninklijken wagen vernomen. Met een kreet van verrukking vloog zij van hare zitplaats op en luisterde. Haar hart klopte en bonsde als oen hamer, een stroom van verrukking tintelde door haar aderen. Zij drukte hare beide handen tegen de borst, om tot bedaren te komen; maar zij glimlachte toch van verrukking en gevoelde zich als gedompeld in zalige bedwelming. Maar deze zoo nieuwe en ongewone gewaarwordingen verschrikten haar bijna en vervulden haar hart met angstige bezorgdheid.
âMijn God, mijn God,quot; zuchtte zij. âSchenk mij gelatenheid en rust, om het geluk te dragen, zoo als ik het ongeluk gedragen heb!''
Maar haar gebed verstomde op hare lippen, want zij hoorde in de verte de deur van den dwarsgang openen. Nu was zij niet meer de koningin, niet meer de gelatene, beschroomde gemalin; nu was zij de beminnende, juichende, zalige vrouw, die haar echtgenoot te gemoet snelt, dien zij bemint, en dien zij nu met opgeheven hoofd en trotsch zelfvertrouwen, zonder te blozen, voor God en menschen bekennen mag te beminnen! Want hij, hij bemint haar ook; hij komt bij haar zoo als een minnaar naar zijne geliefde sluipt; bij heeft haar om een rendez-vous verzocht! Mijn God het is het eerste rendezvous der liefde. O, heden zal zij niet beschroomd en zwijgend zijn ; nu zij weet dat hij haar lief heeft zal geen toovermacht hare tong kluisteren; nu zal zij den verheven, blijden moed hebben, hem alles te bekennen, hem te zeggen, hoe vurig zij hem bemint, hoe lang en vergeefs zij met haar hart geworsteld heeft, om het tot rust, tot onderwerping te brengen; hoe echter de vlammen telkens weder waren uitgeslagen, hoe de gloed der liefde telkens op zijn blik weder ontvonkt was!
Daar, â er wordt aan de deur geklopt, â haar keel was als toegeschroefd, zij kon het kleine woord: âbinnenquot; niet over hare lippen brengen; zij kon zich niet van de
198
plaats bewegen, zij slond als vastgekluisterd midden in de kamer; zij kon hare armen slechts verlangend uitsteken, hem slechts met een glimlach en een traan in het oog welkom heeten.
Nu ging de deur open en trad hij binnen. Het licht van den kroonkandelaai' viel juist op zijn gelaat. Hij was schoon en schitterend als altoos, maar zijn oog was koud en geen vriendelijke lach zweefde op zijne lippen. Hij deed eenige stappen vooruit, bleef toen staan en boog zich rnet stijve, koele deftigheid.
Eene rilling van ontsteltenis, als eene koortshuivering, doorliep hare gestalte, hare armen vielen langs haar neder, de glimlach bestierf op hare lippen.
âMevrouw,'' zeide de koning, en zijne stem klonk haar rauw en koud, zoo als zij ze nooit had gehoord; âmevrouw, ik moet u vergilfenis vragen, dat ik u, op zoo ongewonen tijd, een uur slaap ontroof. Maar gij ziet, dat ik, in elk geval, een berouwhebbend zondaar ben en gij zult mij vergeven, wanneer ik u beloof, dat de zonde, thans door mij tegen uwe rust gepleegd, mijne laatste zal zijn, zoo als zij mijne eerste is.quot;
De koningin stiet een zachten kreet uit en drukte de hand tegen 'het hart. Zij had een gevoel, als of een zwaard kil en vlijmend hare borst doorboorde, als of haar bloed in vurige, doodelijke stroomen uit haar mond zou vloeien.
De koning sloeg zijne groote, heldere oogen met eene uitdrukking van verwondering op het door smart vertrokken gelaat zijner gemalin.
âMijn God,quot; zeide hij, âgij zijtbleek,gij zijt lijdend, en mij- -ne tegenwoordigheid is u zeker pijnlijk en lastig. Ik zal dus heengaan en u uwe vrouwen zenden, opdat zij u bijstaan.quot;
De koningin had, terwijl hij sprak tot God om kracht en sterkte gebeden; zij worstelde om hare tranen en haar wanhoop meester te worden; zij riep al hare vrouwelijke trotschheid te hulp; zij smeekte zich zelve om bedaardheid en rust.
De koning, die nog altoos te vergeefs op antwoord gewacht had,'naderde nu haastig de deur, eenige woorden van misnoegen voor zich heen prevelende.
Maar Elizabeth was nu haar aandoeningen meester, had nu hare kracht teruggevonden.
199
âBlijf, sire,quot; zeide zij. âTk bid u, blijf. Het is reeds beier, liet was een voorbijgaande kramp in het hart, waaraan ik meermalen lijd, en waarover ik n vergiffenis vraag.quot;
De koning naderde haar weder. âAls ik dus mag bliiven,quot; zeide hij glimlachend, âsta mij dan eerst toe u naar den divan te geleiden, opdat gij plaats kunt nemen.quot;
Hij bood haar zijn arm aan ; zij nam hem aan en volgde hem naar de sopha, op welke zij hem zoo even nog in gelukkige, zalige droomen verwacht had, en op welke nu haar hart, een marteling zou ondergaan.
De koning ging niet naast haar zitten. Hij rolde een leuningstoel aan en ging op een afstand tegenover haar zitten.
âMevrouw,quot; zeide hij, âzou men wel gelooven, dat wij echtelieden zijn, die reeds zeven jaren met elkander getrouwd zijn en toch nog nooit in den echt geleefd hebben? Helaas, het was een groote, heilige leugen, even als zoo vele andere dingen in deze wereld, die zoo dikwijls alleen den schijn van heiligheid dragen! Men dwong onze lippen eeden uit te spreken, waarvan ons hart niets wist; men sloeg onze harten in kluisters, waartegen zij zich verzetten, als de vrije leeuw tegen de ijzeren kooi, waarin hij moet gevangen worden. Ik weet, gij haattet mij, omdat men u tot een huwelijk met mij dwong. Gij hebt het mij nooit kunnen vergeven, dat ook ik, slechts door zedelijken dwang overwonnen, met u voor het altaar trad. Wij hebben elkander toen aan de voeten van het altaar niet eeuwige liefde, eeuwige trouw gezworen, maar eeuwige koelheid en onverschilligheid; en gij, mevrouw, hebt uw eed tot op dit uur getrouw gehouden.quot;
Eene rilling deed de gestalte der koningin huiveren. Zij prevelde eenige onverstaanbare woorden en liet doodelijk afgemat, als geheel gebroken, haar hoofd op hare borst zinken.
De koning vervolgde: âIk ben heden gekomen, om u vergeving te vragen, wegens het onwillekeurig onrecht, dat ik u toen heb aangedaan. Ik heb u ongelukkig gemaakt; want gij moest den niet geliefden man, van wien gij wist, dat hij u evenmin beminde, uwe hand geven. Mevrouw, het is, helaas, waar ; eene klove ligt tusschen ons, en deze klove is gevuld met het bloed van den dierbaarsten vriend
200
mijner jeugd. O, mevrouw, vergeef mij het leed, dat ik over u gebracht heb, vergeef het mij, ter wille van het verdriet, dat ik geleden heb! Ik had toen een week en gevoelig hart; men heeft het verpletterd onder de ti eden van het noodlot. Ik had een blij en groot vertrouwen in de wereld, maar zij heeft het op eene ijselijke en schandelijke wijze teleurgesteld, en ik heb meer moeten verduren, dan de armste bedelaar. Ik moest mijn eigen vader, die mij onophoudelijk vervolgde, ten einde gelegenheid te vinden, mij den doodelijken stoot toe te brengen, als mijn bittersten vijand beschouwen. Altijd moest ik op mijne hoede zijn, want de geringste misstap, de onbeduidendste onbezonnenheid, eene kleinigheid, eene ellendige nietigheid was voldoende mij te veroordeelen. O, als gij wist met welk eene verbittering men mij openlijk belasterde en aanklaagde, en hoe men, wanneer men zich alle moeite gegeven had om mij bij de wereld gehaat te maken, eindelijk vree-zende, dat men soms nog niet slagen zoude, er op uit was mij met den hoon der belachlijkheid te dooden. Soffri e taci, dit Italiaansche spreekwoord, was toen de zinspreuk van mijn leven en geloof mij, het valt zwaar, dit schijnbaar zoo eenvoudig beginsel, dat evenwel eene zoo diepe beteekenis heeft te volgen.quot; 1)
De koning leunde een oogenblik achterover in zijn stoel en ademde diep en zwaar, alsof hij onder zijne herinneringen gebukt ging. De koningin zat nog altijd met gebogen hoofd tegenover hem, onbewegelijk en stil, betooverd dooide muziek zijner woorden, die als eene doodsklacht van hare jeugd in haar hart weerklank vond.
âIk zeg u dat alles niet,quot; vervolgde de koning na eene poos, âom voor u de rol van martelaar te spelen, maar om u begrijpelijk te maken, hoe uiterst zwak en gebroken ik was, dat ik den dwang niet langer weerstand kon bieden, en mij eindelijk naar den wil van mijn vader moest schikken, om niets meer dan een gehoorzame en deemoe ⢠dige zoon te zijn. Ik kocht mij vrij, mevrouw, terwijl ik u met mij in de kluisters sloeg. Maar dit doende, legde ik bij mij zeiven de gelofte af, dat deze kluisters u slechts
1
'sKonings eigen woorden. Zie Oeuvres etc. Tom. XVI, pag. 16J.
201
zouden binden, lol dat ik do macht in handen had ze te slaken. Dit oogenblik is nu gekomen, en aan mijn eed getrouw, ben ik hier. Ik weet dat gij mij niet bemint, mevrouw, niet beminnen kunt; er blijft dus slechts de vraag over of uw afkeer en uw haat tegen mij zoo groot is, dat gij volstrekt op eene scheiding aandringt.quot;
De koningin had nu haar hoofd opgeheven, en zag verbaasd en vragend het zoo zachte en treurige gelaat van haar gemaal aan. Hunne blikken ontmoetten elkander en bleven strak op elkander gevestigd. De koningin kon de zucht, die bijna een kreet scheen, niet in haar hart terugdringen ; zij kon de tranen, die als gloeiend vuur in hare oogen schoten, niet tegenhouden, en zij vielen in heldere heken over hare wangen.
âMijn God, mijn God,quot; riep zij met hartverscheurende weeklacht, âmijn God, hij vraagt, of ik hem haat!quot;
Er was iets in den toon barer stem, in dien smartelij-ken kreet der ziel, dat den koning haar lang verborgen, pijnlijk zoet geheim had kunnen verraden. Ach, misschien wist hij het reeds en wilde het niet begrijpen! Misschien lag het slechts in de edelaardigheid en teergevoeligheid zijner ziel, dat hij de onverschilligheid en koelheid, welke hij jegens zijne gemalin gevoelde, als van haar uitgaande deed voorkomen.
Hoe het ook zij, de koning scheen hare tranen niet gemerkt, haar kreet niet gehoord te hebben. âNeen, mevrouw,quot; zei hij met een zachtmoedigen glimlach, âik vroeg niet, of gij mij haat, want ik weet, dat uw edel en echt vrouwelijk hart voor zulk een hartstocht niet vatbaar is. Ik vroeg slee,hts, of uw afkeer tegen mij zoo groot is, dat eene scheiding volstrekt vereischt wordt. Ik verzoek u, mij dit kort en beslissend te beantwoorden.quot;
Maar Elizabeth Christine vond geene woorden. Zij schudde slechts hevig haar hoofd en hare tranen vielen als glinsterende paarlen om haar heen.
âGij stemt dus toe voor de wereld mijne gemalin te blijven?quot; vroeg de koning. âGij wilt mij het offer brengen, in naam gemalin en koningin van Pruisen Ie zijn? Gij wenscht dus niet dat ik mijne regeering met de ontsluiering van ons huiselijk leed beginnen, en uw edelen, deugdzamen en kuischen naam tevens met den mijnen aan het wal-
202
gelijk gepraat en den laster der wereld prijsgeven^ zal?quot;
âNeen,quot; zeide de koningin koortsig en haastig, wanl zij vreesde dat de kracht haar zoude verlaten, âneen,'ik verlang het niet. Ik wil geene scheiding!quot;
âIk dank u voor dit woord,quot; zei de koning plechtig. âHet is der koningin waardig. Gij gevoelt dus, dat wij vorsten niet eens het recht hebben het ongeluk, dat ons drukt, af te schudden, maar wij moeten het dragen, waarop onze kroon vaster en veiliger rust! Benijdenswaardig zijn diegenen, die hun lijden kunnen klagen en de wonden van hun hart openleggen. Ons voegt het, ze onder een koninklijk zwijgen te verbergen, en deze ellendige, kruipende en jammérlijke wereld, welke ons benijdt, terwijl zij ons toejuicht, en ons vervloekt, terwijl zij ons vleit, niet te laten vermoeden, dat ook een koning leed en kommer kan gevoelen ! Ik dank u, mevrouw en van dit oogenblik af aan zult gij in mij een trouw vriend, een altoos tot uwen dienst bereid vaardigen broeder vinden! Geef mij uwe hand tot dit verbond, hetwelk vaster, duurzamer en heiliger zijn zal, dan dat door priesters gesloten verbond, op hetwelk onze harten nooit amen hebben gezegd.quot;
Hij reikte haar de hand en Elizabeth legde er langzaam en plechtig de hare in. Maar toen hij hare hand innig en vast in de zijne drukte, kromp Elizabeth ineen en een kreet ontsnapte hare lippen. Zij stiet zijne hand terug en haastig op de kussens van den divan terugvallende, brak zij in luid geween uit.
Frederik liet hare tranen den vrijen loop. Hij zat zwijgend tegenover haar, en zag haar met innig deelnemende blikken aan. âGij weent, mevrouw,quot; vroeg hij toen, na een lange smartelijke pauze. âIk eer uwe tranen, en gij hebt er wel reden toe. Gij beweent uwe verlorene jeugd, uw onder den drang en den druk der onstandigheden verkoeld hart; gij beweent, dat gij eene koningin zijt, en dat weder de rede uw hart in kluisters slaat, en u belet u vrij te maken, zoo als het iedere andere vrouw, behalve eene koningin, zou vrijstaan. Ween dus, mevrouw, ik kan uwe tranen niet drogen; want even als gij ben ik in mijn geluk bedrogen, even als gij gevoel ik zeer goed het olfer, dat wij beiden aan onzen koninklijken stand brengen. Ach, mevrouw, waren wij slechts menschen zoo als anderen zijn, waren wij niet de beheer-
203
schers van Pruisen, maar slechts zijne onderdanen, wij zouden nu gelukkiger zijn ; want ons eigen ongeluk voelende, en het mijne onderdanen willende besparen, heb ik de echtscheidingen verlicht. Het was eene stille hulde, mevrouw, die ik aan uw ongeluk bracht!''
De koningin richtte zich weder uit hare liggende houding op en zag met een treurigen en smartelijken glimlach naaiden koning. âIk dank u, majesteit,quot; zeide zij lluisterend. âHet is zeer edel van u het ongeluk, dat gij besloten hebt zelf te dragen, te verlichten.quot;
âAch, mevrouw,quot; riep de koning glimlachend. âGij vergeet, dat ik eene edele vriendin en zuster, dat ik u naast mij heb, die mij dit ongeluk helpt dragen. En dan, mevrouw, herinner u, dat wij beiden niet geheel op de lijst der ongelukkige echtelieden behooren. Wij beminnen elkander niet, maar wij verfoeien elkander toch ook niet; wij zijn slechts broeder en zuster, die wel is waar niet door het bloed, maar slechts door het priesterwoord met elkander verbonden zijn. Maar vrees niets, mevi ouw, ik zal nochtans in u niets anders dan eene zuster zien en ik beloof u, dat ik nooit de scheidsmuur zal omverwerpen, die uwer deugden eerbaarheid het recht hebben te eiscnen, dat door mij als heilig beschouwd wordt!quot;
âIk geloof u,quot; zeide de koningin, diep blozende en innerlijk beschaamd over het verleidelijke, coquette negligee, waarin' zij den koning ontvangen had.
âWij zullen tegenover de wereld gehuwd blijven,quot; vervolgde de koning, âmaar ik beloof u, dat deze kluister u, zoo min mogelijk, zal drukken en dat ik steeds streven zal, u in uw bijzonder leven zoo zelden mogelijk te herinneren, dat gij, helaas, niet vrij, maar mijne echtgenoote zijt; wanneer de inhuldiging, op welke ik u verzoeken moet, u aan mijne zijde te bevinden, voorbij is, zult gij, zooveel mogelijk, vrij en zelfstandig zijn! Ik zal u uwen bijzonderen hofstoet geven. Gij zult voor den winter en den zomer uwe bijzondere huizen hebben, waar gij zult resideeren en ik zal mij nooit veroorloven, u daar lastig te vallen.''
âIk zal u dus nooit weder zien!quot; zeide de koningin met die stoïcijnsche gelatenheid, welke soms uit overspannen smartgevoel geboren wordt.
204
âO, ik verzoek u, mij soms, wanneer de etiquette'het eischt, uwe tegenwoordigheid te gunnen ; maar ik zal steeds zorgen, dat deze bijeenkomst altoos slechts op officieel en onzijdig terrein, maar nooit in uwe bijzondere vertrekken zal plaats vinden. Ik zal nooit, zondei'uwe toestemming in uw huis komen, en ook slechts op bijzonder plechtige dagen, op uw geboortedag bijvoorbeeld, om deze gunst verzoeken. Gij zult mij die niet weigeren, hoop ik.quot;
âNeen, ik zal ze u niet weigeren, herhaalde de koningin, haar gemaal met smartelijken, weemoedigen blik aanziende. Maar Frederik zag dien blik niet, of wilde dien niet zien.
âIk verzoek u,quot; zeide hij glimlachend, dat gij mij heden vergunt, u tot herinnering aan dit uur, hetwelk u een trouwen broeder en mij eene edele zuster gegeven heeft, een klein geschenk te mogen aanbieden, en het lustslot Scbönhausen van mij als pand van een nieuw vriendschapsverbond te willlen aannemen! Ik heb het voor uwe zomerresidentie laten inrichten en verfraaien, en gij kunt, wanneer het u behaagt, u onmiddelijk, na de inhuldiging, voor den zomer er heen begeven !quot;
âIk dank u,quot; zeide Elizabeth Christine zoo zacht, dat haar gemaal het nauwelijks verstond. âIk dank u. Op den dag na de inhuldiging, zal ik mij er heen begeven.quot; Eene nokkende zucht ontglipte hare borst. Zij boog weder haar hoofd voorover en zag stil en onbewegelijk voor zich heen.
De koning sloeg zijn helder, doordringend oog met eene onbeschrijfelijke uitdrukking op deze vrouw, die daar zoo deemoedig en gelaten tegenover hem zat, en met heldhaftige berusting haar vreugdeloos en treurig lot aannam. Hij had medelijden met hare stomme smart; hij wilde een zonnestraal in hare sombere toekomst werpen, en met een blik van vreugde haar hart verwarmen.
âGoed dan,quot; zeide hij, âgij gaat intusschen naar Scbönhausen, terwijl ik incognito een pleizierreisje wil ondernemen. Als ik terug kom wil ik eenige weken te Rheinsberg in den kring mijner familie doorbrengen en het spreekt van zelf, dat gij, mevrouw, boven allen tot mijne familie behoort. Ik verzoek u dus, mij dan naar Rheinsberg te vergezellen.quot;
âElizabeth beurde haar hoofd op, en een zoo gelukkige
205
en stralende glimlach verhelderde haar gelaat,/lat zelfs de koning het zag en hare schoonheid bewonderde. Zij reikte hem hare beide handen en begroette hem met een inni-gen blik vol liefde, maar hare sidderende lippen konden de woorden niet uitstamelen, welke uit den grond baars harten opkwamen.
De koning stond op. âIk mag u niet langer van uw slaap en uwe rust berooven en ook ik heb rust noodig. Wij moeten ons beiden voor ons land en volk gezond en sterk houden, want wij beMen hebben eene groote laak te vervullen. Gij zult de heil aanbrengende troosteres der lijdenden en ongelukkigen zijn; gij zult zegen om u heen verspreiden. Gij zult alle vrouwen voorgaan als een toonbeeld van deugd, edelhartigheid en vrouwelijkheid; gij zult door uw voorbeeld aan Pruisen's mannen deugdzame en hooghartige vrouwen, en aan Pruisen's zonen edele en grootmoedige moeders geven !quot; âIk echter,quot; vervolgde de koning, en een straal van geestdrift verlichtte zijn edel en schoon gelaat, âik zal mijn volk groot maken, ik zal het eene plaats schenken in de rij der over het lot der wereld beschikkende volkeren; ik zal mijn Pruisen groot, sterk in zich zelf, onafhankelijk en machtig maken! Ik zal zorgen, dat men mijn naam met gouden letteren in de jaarboeken der geschiedenis opteekent. Nu mij het lot eenmaal bestemd heeft, koning te zijn; nu het mij niet vergund is, in behagelijke zelftevredenheid en wijsgeerige rust als andere gelukkige stervelingen te leven, wil ik mijne taak eerlijk en trouw en tot mijn eigen roem vervullen. Gy zult Pruisen's engel zijn, die zegen en troost alom verspreidt, ik zal Pruisen's koning zijn, die het land vergroot en welvaart sticht! â Vaarwel, Elizabeth! Wij zullen elkander zelden op onze wegen ontmoeten; maar wanneer ik aan een volgend leven kon gelooven, en uwe schoone ziel zoude mij haast er toe verleiden, zoude ik zeggen: Daar boven zullen wij elkander misschien wederzien, en elkander beter begrijpen. Bid voor mij tot God. Ik geloof in God en in de kracht van het gebed der goeden en vromen. Vaarwel!quot;
Hij boog zich diep voor haar. Hij zag niet het doodelijk bleek der koningin, niet het stuipachtige beven, dat hare geheele gestalte deed trillen. Hij merkte niet, toen hij zich
20(5
omgekeerd had en naar de deur gegaan was, hoe zij werktuigelijk, zonder te weten wat zij deed, hare armen naar hem uitstak cn met smeekende klaagtoon zijn naam fluisterde. Hij verhaastte slechts zijne schreden en zonder een enkele keer naar haar om te zien, verliet hij het vertrek. Buiten echter voor de deur stond hij een oogenhlik stil en ademde diep, als van een drukkenden last bevrijd.
âArme vrouw, beklagenswaardige koningin!quot; fluisterde hij, langzaam naar zijne vertrekken terugkeerende. âMaar, waarom beklaag ik haar? Is niet haar lot het mijne en dat van alle vorsten? Eene blinkende ellende! Anders niets!quot;
Weinige minuten daarna rolde een wagen over het slotplein. Het was de koning, die naar zijne zomerresidentie Charlottenburg terugkeerde.
De koningin, die weenend en snikkend op hare knieen lag, hoorde den wagen wegrijden. âWeg, hij is weg,quot; riep zij met een kreet van smart. âHij heeft mij verlaten, en nu ben ik niets meer, dan eene arme, beklagenswaardige, verstootene vrouw! O, wee, wee mij! Hij heeft mij versmaad, en ik â ik bemin hem!quot;
En zij hief wringend hare handen tot God en klaagde luid. Toen werd zij weder stil en bad. Daarna deed een nieuwe aanval van wanhopige smart haar uit hare vrome rust ontwaken, om haar op nieuw in tranen en bitter klagen te doen uilbarsten. Hare ziel, welke zoo lang geleden, zoo lang zwijgend gedragen had, worstelde nog eenmaal tegen de kluisters van het verpletterende, drukkende ongeluk ; hare jeugd deed haar nog eenmaal door de tranen rood geweende oogen opslaan, en begeerde onder hartverscheurende klachten ook voor zich een weinig van het geluk, de vreugde en het genot des levens, dat der mensch-heid is toegezegd. Als eene trotsche hare waarde kennende koningin, streed de gevangene tegen het lot, haar dooide willekeur bereid, eer zij het vernederde kruis aannam.
Maar eindelijk werd zij stil; eindelijk nam zij haar noodlot aan en boog haar hoofd in ootmoed en berusting. De morgen begon te schemeren, toen Christine bleek, sidderend en gelaten zich van hare knieën ophief.
âSofl'ri e taci!quot; zeide zij met hartverscheurenden glimlach. âHet is de spreuk zijner jeugd geweest en het zal nu de spreuk mijns levens zijn! Sojfri e/aci 7 O, welk een
207
treurig en groot woord is het, ootmoedig en trotsch tevens! O Frederik, Frederik, waarom moest gij mij tot zulk eene smart veroordeelen; waarom- heeft uw hart geen medelijden met mij, geene erbarming met mijne liefde! Maar neen, neen, riep zij hevig, ik wil niet meer weenen! Hij mag mij niet verachten, mij niet kleingeestig kunnen noemen. Ik heb mijn kruis aangenomen, ik wil het dragen, zoo als het eene koningin betaamt. Zwijg dus, mijn hart, en wees stil, so//H c taci!
XXIV.
DE DAG DER INHULDIGING.
Geheel Berlijn was vol gejuich en vreugde. Ãveral zag men welgekleede lieden, vroolijke gelaatstrekken en met bloemen bekransde huizen en straten. Het was het feest der inhuldiging van den jongen koning; de burgers van Berlijn zouden Fredei'ik den eed van trouw en gehoorzaamheid zweren, de adel en de ambtenaren hem als koning huldigen. Alles stroomde naar het slot; ieder was begeerig den koning te zien, wanneer hij in kroningsgewaad op het balkon zou komen, om het volk te begroeten, naast de koningin, de schoone, jonge vrouw met haar zacbten glimlach en helder, onbewolkt voorhoofd; ieder wilde de rijke equi- ; pages der naar het hof rijdende edellieden en hooge ambtenaren bewonderen en, zoo mogelijk, eenige penningen opzamelen, welke, naar oud gebruik, voor dezen dag geslagen en onder het volk moesten gestrooid worden.
Hoofd aan hoofd opeen gedrongen stond het volk op het slotplein, zag naar het balkon, op hetwelk de koning moest verschijnen, en drong haastig naar de trappen van den tus-schen de Broeder- en Breedestraat gelegen Dom, om van daar alles beter te kunnen overzien en waarnemen ').
1) Die oude Dom aldaar werd in 1747 afgebroken. Zie Künig. Vol. 5 d. 2.
208
Do vensters der huizen in de rondte waren bezet met prachtig geldeede vrouwen, die in hare handen geurige ruikers hielden, om het jonge, aangebeden, koninklijke paar er mede toe te wuiven, als het op het balkon verschijnen zoude. De daken zelfs waren afgeschoten, en men zag daar, in vroolijk gedrang, geheele troepen onverschrokken knapen langs de latten op- en afklauteren en op de beneden voor het huis staande, dicht opeengedrongen mannen en grijsaards, vrouwen en kinderen als op eene donkere golvende zee nederzien.
Alles was genot, vreugde en gej uich! Een ieder verlangde den koning met jubelende groeten te ontvangen, den koning die in de korte weken zijner regeering reeds zooveel had gedaan, zoo vele weldaden en zegeningen over zijn volk had uitgestort; die de korenzolders had geopend, de belastingen verminderd, de pijnbank afgeschaft, de echtscheiding verlicht, die eindelijk den kerkdijken dwang had doen ophouden; die den priesters toestond in de Evange-lisch-Luthersche kerken de vroeger gewone oude gebruiken weder aan te nemen, zooals de misgewaden en versierde altaren, de oorbiecht en de missen, al hetwelk Frederik Willem met onverbiddelijke strengheid verboden had; die de verbannen en met spot en hoon verdreven godsdienstige sekten weder terugriep en ieder zijner onderdanen toestond, naar zijne eigen manier zalig te worden, terwijl hij tevens aan de willekeur en de dwingelandij der priesters paal en perk stelde, en de door geestelijken opgelegde straiten verbood.
Ieder wilde dien hooggestemden, hooghartigen koning begroeten, die, zelf dichter en wijsgeer, de dichters en wijsgeeren in zijn land eerde ; die den beroemden wijsgeer Wolf, door Willem Frederik verbannen, naar Halle terugriep ; de onder stof en puin begraven akademie van wetenschappen weder in 't leven riep; die eindelijk Berlijn twee dagbladen gegeven en bevolen had vrij en onbevreesd de inwendige belangen van het vaderland te beoordeelen. Dit alles had Frederik reeds gedaan in de korte weken van zijn koningschap en hoeveel kon men nog van hem verwachten! Van hem, die den glans en de pracht beminde; hoe zou door hem de nijverheid en de weelde beschermd worden; hoeveel geld zou niet door hem en zijn hof onder
209
de nij veren worden gebracht, en welk een schitterend, prachtig, spilziek en weelderig leven zou niet door den jongen, levenslustigen koning in het geheele land in zwang komen, alles ten voordeele van fabrikanten en hunne werklieden.
Maar niet het volk alleen daar beneden op het plein, op de daken en aan de ramen had zijne hoop op den koning gevestigd en droomde van een gouden eeuw, ook de adel en de hooge ambtenaren, die zich in de zalen van het slot verdrongen, waren vol hoop en trotsche vreugde, en zagen in eene toekomst van bedwelmende, weelderige feesten, vol luister en pracht. De droge, vervelende en karige hoffeesten van Frederik Willem moesten nu in de schitterende sprookjes van de Duizend en Eén nacht veranderen. Wie kon dat beter weten dan Pöllnitz, de opper-ceremonie-meester en opper-kamerheer, die met de leiding van alle hoffeesten belast was en de macht had, alles naar zijn wil en goedvinden te besturen en te regelen, Niemand verstond de kunst zoo goed als Pöllnitz, om prachtige en schitterende feesten aan te richten en het geld met volle handen uit te geven. En Pöllnitz wilde nu zijn groot ideaal verwezenlijken ; het beeld van een edelen calavier, dat hij eens voor den vorigen kring geschetst had, dat beeld zou nu in den jongen koning tot waarheid gemaakt worden. Pöllnitz wilde aan de wereld toonen, dat niet alleen het hof van Frankrijk too verachtige feesten kon geven en met verkwistenden luister kon pralen, maar dat men ook in Pruisen de kunst verstond, grootsche en prachtige feesten te geven en met edele zorgeloosheid millioenen te verspillen.
De koning had Pöllnitz daartoe de macht verleend, en Pöllnitz had besloten ze te gebruiken. Hij peinsde en droomde slechts van feestelijkheden, die, nu de tijd voor den rouw van het hof verstreken was, een aanvang moesten nemen; hij ontwierp in zijn hoofd de stoutste en fabelachtigste plannen, welke nu moesten uitgevoerd worden; hij monsterde in zijn geest, eiken dag, de schoone vrouwen van het hnf en zocht onder haar de meest verleidende schoonheid, die het hart van den jongen koning kon betooveren en hem in de gouden netten van het vermaak en den wellust kon lokken, welke Mühlbaoh, Frederik de Groote en zijn Hof. I. 14
210
Pöllnitz rusteloos en onvermoeid voor hem zocht te weven. De koning beminde zijne gemalin niet; dat was het bekende geheim van het geheele hof. Maar wie was zij, hoe heette zij, tot wie de jonge, vurige man zijn hart en zijne liefde zou wenden. Dat wilde Pöllnitz weten, om daarop het trotsche gebouw zijner eergierige wenschen en begeerten te stichten. Hij riep daarom alle vrouwen, die vroeger al ware het in nog zoo verre betrekking tot den kroonprins hadden gestaan, voor zijn geheugen en besloot, geene enkele van haar onopgemerkt te laten, allen op de proef te stellen, om te berekenen in hoeverre zij nu nog invloed op den koning hadden. Daar was de jonge, schoone mevrouw van Wreeche, die met haar gemaal en hare broeders en zusters den in Küstrin gevangen kroonprins zoo vele bewijzen van opolferende liefde en gehechtheid gegeven, en die, de geheele wereld wist het, den kroonprins met den gloeiendsten, buitensporigsten hartstocht bemind had. En mevrouw van Wreeche was nog altijd jong, schoon en be-tooverend; men behoefde haar dus slechts in nadere aanraking met den koning te brengen, om de oude lietde weder te doen ontwaken. â Daar was mevrouw van Mo-rien, le Tourbillon, die den koning zoo dikwijls had ver-vroolijkt en vermaakt, voor wie hij in den laatsten tijd van zijn kroonprinsschap blijkbaar eene diepe en vurige genegenheid had opgevat. Zij was, wel is waar, sedert de troonsbestijging geheel door hem onopgemerkt gebleven en geen enkele maal was de schoone mevrouw van Morion aan het hof genoodigd geworden. Was het een offer, daL Frederik aan zijne gemalin tot verzoening van het voorgevallene te Rheinsberg bracht, of was die neiging weder verkoeld, of was het slechts eene terughouding door de voorzichtigheid en de etiquette geboden, omdat de koning in den tijd van den zwaren hofrouw, toen hij, gescheiden van zijne echtgenoote, te Charlottenburg en te Potsdam leefde, geene dames bij zich bad genoodigd en in de diepste stilte en afzondei'ing had geleefd? â Daar was eindelijk Doortje Ritter, dat arme jonge meisje, dat ter wille van den prins met smaad en schande door de straten van Berlijn was gegeeseld, en wier eenige misdaad daarin had bestaan, dat zij de eerste liefde van den jongen kroonprins was geweest. Zou de kroonprins nu, koning en daardoor
'211
vrij geworden, zich harer niet gedenken en haar willen beloonen, voor wal zij om hem geleden had? Kon Doortje Ritter nu niet weder tot macht en aanzien geraken; kun hare schande niet in de kroon van het martelaarschap veranderen, en kon men niet in verzoeking geraken, haar, die op zulk eene smadelijke wijze onverdiende onteering gedragen had, als eene heilige te aanbidden?
Pöllnitz had nu besloten vooral zijn oog op Doortje Patter te houden, haar op te zoeken en uit de ballingschap en de vernedering te halen, wanneer namelijk de koning zich koel en zonder deelneming jegens de beide andere dames zou gedragen.
Maar, helaas, de inhuldigingsdag bood nog geene gelegenheid aan dit te doorgronden. Tevergeefs had Pöllnitz gehoopt, den tijd der feesten en uitspannigen te zien aanvangen; tevergeefs had hij den koning voorgehouden, op den avond van dezen dag in het koninklijke slot een schitterend bal te geven, waarop de adel met zijne dames zou genoodigd worden. De koning had geweigerd, zeggende: âDit moet en mag geen dag der vreugde voor mij zijn, want het is niet enkel mijn inhuldigingsdag, maar een nieuwe sterfdag mijns vaders, die sterven moest, opdat men zijn opvolger zou kunnen huldigen. Het zijn treurige herinneringen en zware verplichtingen, welke mij deze dag aanbrengt; ik wil hem daarom ook niet met uiterlijk vreugdebetoon doen vieren. Gij behoeft uwe rijke en geld-verkwistende verbeelding, heer kamerheer van Pöllnitz, niet in te spannen, om mijne troonzaal met tooverachtige, oostersche praal op te sieren. Ik ben geen Harun Al Raschid, maar een Duitsch vorst en de zwelgende weelde moet aan het hof van een Europeesch vorst slechts incognito en in de petites maisons worden toegelaten, maar zal nooit officiël mogen verschijnen. Daar nü de dag der inhuldiging geheel en al officieel is, willen wij hem ook heel eenvoudig en zonder praal vieren en de heer van Pöllnitz behoeft er zich volstrekt niet druk mede te maken.quot;
Dientengevolge had Pöllnitz ook niet den minsten invloed kunnen uitoefenen, en de schikking van de troonzaal was door den koning onmiddellijk aan den slotbewaarder opgedragen.
De opper-kamerheer had dus volstrekt geene verantwoor-
212
ding; hij kon dus met verachtelijk scbouderophalen die zaal beschouwen; hij kon met blijden trots bekennen,dat hij nooit of nimmer zulk eene schikking zou besteld, nooit in zijn naam zulk eene armzalige uitrusting zou tentoongesteld hebben.
Hoe eenvoudig en wars van alle pronk-was die zaal. Er waren geene van goud fonkelende meubels, geene kunstschatten; er waren slechts kale wanden, slechts verbleekte zijden gordijnen aan de ramen, anders niets. En daar ginds aan het hoofdeinde der zaal, die zwarte, on-oogelijke massa; hoe, is dat werkelijk een troon, de troon eens konings. Een lange, smalle trap van drie treden, met een zwart kleed bedekt, endaar op een oude leuningstoel, waarvan het zwart zijden overtrek hier en daar de sporen van ouderdom en versletenheid droeg en daar boven als hemel uitgespannen een lap zwart laken, veel gelijkenis hebbende op eene reusachtige kraai met uitgespreide vleugelen. i)
Dat is de troon, waarop de koning de eerste hulde van ziin adel wil ontvangen? Eene verachtelijke, spottende giimlach lag op Pöllnitz lippen, toen de deur aan de overzijde openging en de koning, door zijne drie broeders en de koninklijke prinsen gevolgd, in de groote zaal trad.
Pöllnitz kon nauwelijks een kreet van verrassing, van schrik bedwingen. De koning droeg noch den met hermelijn gevoerden koningsmantel, noch de kroon; hij had ook niet de rijk geborduurde zijden kleederen aangetrokken, welke hij anders bij holTeesten placht te dragen; hij was geheel eenvoudig en zonder praal in de uniform van zijn garde-regiment gekleed en geen enkel versiersel, zelfs niet de ster op de borst, onderscheidde hem van de overige generaals en stafofficieren, die hem omgaven. En toch, toen hij op dien armzaligen troon stond, achter hem zijne drie broeders, aan weerszijde van den troon de prinsen en generaals, toen hij daar stond, alleen, verheven, toen was er toch niemand, die hem evenaarde, niemand, die hem op zijde kon staan. Zijn gelaat straalde van hoogere majesteit, dan ooit de fonkelende koningskroon kan geven ; een verheven
1) Prenss, Friederich Gr. Jngend. etc. pag. 389.
213
goddelijk, vuur gloeide in zijne heldere, doordringendeoogen, wier doorborende, zenuwachtig schitterende blikken men niet konde doorstaan. Trotsche en stoute gedachten las men op dat ondoorgrondelijke, wonderbare voorhoofd en eene onuitsprekelijke betoovering van bevalligheid en goedheid zweefde over den lijnen, welbesneden mond. Hoe eenvoudig zijne kleeding ook mocht zijn, hoe armzalig en van allen praal beroofd de troon ook ware, waarop hij stond, Frederik bleef altijd de koning, die niet enkel door jeugd, schoonheid en bevalligheid schitterde, maar verre boven allen uitstak door de kracht en grootheid zijns geestes, door de verhevenheid en stoutheid van zijn wil! Hij had den purperen mantel en de ster op de borst niet noodig; God had hem geteekend met den hoogeren koningstooi der verhevene koninklijke gedachten ; hemelscher en helderder dan de ster, welke aan zijn rok ontbrak, schitterden zijn oogen.
En toen zijn vlammende blik door de zaal vloog en de vergadering overzag, toen boog ieder, onwillekeurig trillende, voor hem zijn hoofd; ieder gevoelde, dat de man met dien blik en dat gelaat zijn koning en zijn heer was, en boog zich voor hem in gehoorzaamheid en ootmoed.
Nauwelijks lette men op de plechtige redevoering van den staatsminister van Arnim; nauwelijks sloeg men acht op het antwoord van den president van het hof van justitie van Gorne. Al wat deze beiden met lange en schoone woorden gesproken en uiteengezet hadden, dat alles had de koning reeds te voren met een blik gezegd. Meer dan de heer van Arnim en de heer van Görne had de koning gesproken, alhoewel hij zweeg. Een vurige, trotsche, zegevierende blik had tot ieders hart gesproken en gezegd: âIk ben uw koning en uw heer! Voor mij moet zich uwe ziel buigen, mij huldigen en mij den eed der trouw zweren!quot;
En zij hadden zich allen voor hem gebogen; niet omdat het toeval hem lot erfgenaam van een troon gemaakt had, maar omdat zij de overmacht van zijn geest erkennen moesten.
Met een vroolijk hart spraken allen, mannen, jongelingen en grijsaards, eenstemmig, luide en juichend den eed van trouw uit. De koning stond op zijn armoedigen troon en hoorde hen aan, onbewegelijk als metaal: geen spier van zijn gelaat vertrok zich, geen trek sprak van innerlijke tevreden-
214
heid, van trots of vreugde; onverschillig en vol majesteit, ongenaakbaar, de huldiging ontvangend, niet met den hoogmoed en de ijdelheid eens menschen, maar met de rust van een wijsgeer, die aanneemt, hetgeen hein toekomt; maar niet door den glans der gave verblind.
Do inhuldiging was afgeloopen; de koning ging de drie treden weder af en nu straalde een goedige en zachte glimlach op zijn gelaat; nu wenkte hij zijne broeders en zijn gevolg; de kamerheeren snelden toe en openden de deuren, die naar het balkon leidden, en droegen de met gouden en zilveren munten gevulde schalen voor hem uit. â En nu weergalmde de lucht van een luiden, ontzaglijken jubelkreet â de koning was op het balkon gekomen en dicht tot aan de leuning vooruit stappende, had hij met opgeheven hand en onder vriendelijk wenken het volk gegroet.
Nu voor het eerst op dezen dag schitterde het gelaat des konings van tevredenheid en vreugde; als heilig orgelgezang was het gejuich des volks tot hem opgestegen en had zijn hart godsdienstig, vroom en dankbaar gestemd. Hij greep de hand van den naast hem staanden prins August Willem en zijn oog was vol tranen; zijne stem trilde, toen hij zacht en diep bewogen tot hem zeide: âZie, deze allen zijn mijne kinderen en zij vragen van hun vader, dat hij hen beminne, bescherme, hen groot en gelukkig make!quot;
En wederom wenkte hij groetende met de hand, en wederom uitte het volk zijne liefde en zijne hoop voor zijn koning in een eenstemmigen jubelkreet; nu nam hij uit de hem aangeboden schalen eenige gouden en zilveren munten en wierp ze onder de menigte. Eene vroolijke verwarring en over elkander tuimelen, begon nu daar beneden; ieder wilde één dezer penningen hebben, die de koning zelf had geworpen; men lette er nauwelijks op, dat ook de prinsen handen vol van deze munten strooiden; zij hadden geene waarde of beteekenis, indien het niet een door 's konings hand aangeraakte penning was. Frederik zag dat gewoel en zijn teergevoelig hart vatte en begreep dat fijn gevoel van het volk volkomen.
Hij nam weder eene handvol gouden en zilveren munten en liet, ze langzaam vallen.
215
En toen nu deze munten beneden kwamen, drong weder alles naar dat punt, en mannen, grijsaards en knapen rolden over elkander, om elkander dit aandenken der koninklijke genade uit de handen te wringen. Zelfs eene vrouw stortte zich moedig en vastberaden tusschen die warrelende menigte. Zij had onbewegelijk naar het balkon gezien, met trotsche versmading de zilveren en gouden penningen, welke door de prinsen gestrooid en vlak op hare schouders en op haar hoofd gevallen waren, van zich afgeschud; nu echter, nu de koning weder de penningen naar beneden wierp, was zij met vlammenden blik vooruitgesneld, drong zich hartstochtelijk naar voren, slak hare handen uit en smeekte met luide stem; âGeef mij eene dezer munten, slechts een zilveren! Geef ze mij tot gedachtenis!quot; En plotseling ontstond er een vreemd mompelenen fluisteren onder diegenen, die het dichtst bij de vrouw stonden. Men zag haar aan; men fluisterde elkander eenige woorden toe; men week verschrikt en schuw terug, als vreesde men met deze vrouw in aanraking te komen, die eerst zoo ootmoedig en dringend gebeden had en nu met over elkaar geslagen armen, met somber en gerimpeld voorhoofd en spoltenden lach op de samengedrukte lippen, te midden van den kleinen kring stond, welke haar van de menigte scheidde.
âZij is het. Ja, zij is het!quot; (luisterde men.
âZij is gekomen om den koning, voor wien zij zoo veel geleden heeft, te zien!quot;
âZij is om zijnentwil met smaad en schande bedekt; zij is verstooten van de eerbaren en reinen en toch dringt zij zich onder ons en komt zij hier om den koning te zien!quot; zeide eene ruwe en ongevoelige stem.
âZij is onteerd geworden,quot; zeide eene andere, âmaar wij weten ook, dat zij onschuldig is; en wanneer zij verstooten en onteerd is, mogen wij toch wel medelijden met haar hebben. Ook zij heeft eenig recht op een dezer penningen die de hand des konings heeft aangeraakt.
Hij, die gesproken had, trad nu nader en reikte haar eenen gouden en een zilveren penning over.
âDaar, arme, ongelukkige vrouw, neem deze penningen en mogen zij u eene betere en schoonere toekomst voorspellen!quot;
216
De arme vrouw zag met vasten, drogen blik in hel goedhartige, geroerde gelaat van den wakkeren burgerman. âNeen,quot; zeide zij, âvoor mij is geene betere toekomst te wachten, maar enkel schande en ellende! maar ik dank u voor uw medelijden en neem dezen zilveren penning van u aan, tot gedachtenis aan dezen dag en aan dit uur!quot;
Zij nam den penning en verborg hem in haar zak. Daarop stapte zij trotsch door den kring, die zich om haar gevormd had en verdween spoedig onder de menigte.
Niemand daarboven had het kleine tooneel opgemerkt, dat onder het volk was voorgevallen. Niemand had acht gegeven op de vrouw, die zich een weg naar den Dom gebaand, toen de trappen beklommen had en nu tegen een der pilaren leunende naar het balkon zag, waarop de de koning stond.
De penningen waren nu gestrooid; hij moest nu volgens de etiquette, het balkon verlaten en naar de groote zaal terugkeeren, om de groote tournee te doen, en dezen en genen uit den adel en de hooge ambtenaren, aldaar verzameld, een vriendelijk ot holTTelijk woord toespreken.
Maar de koning bleef staan. Hij had de prinsen en het gevolg een wenk gegeven, om het balkon te verlaten; zij waren allen weder naar binnen gegaan in de groote zaal, â de koning alleen was gebleven ').
Daar stond hij, met zijn arm op de leuning van het balkon en zag peinzend en in gedachten verzonken op die donkere zee, welke daar beneden golfde en bruischte en die geene doode massa, ten spel aan elke windvlaag, maar een levend iets, een volk was, dat een mond had om te zegenen of te vloeken, een hart om te beminnen of te haten, eene ziel om het goede of kwade haar aangedaan te begrijpen, te veroordeelen en te prijzen, en welks lippen voor den koning de mond der geschiedenis zijn, die het woord van roem of van eeuwige schande kan uitspreken. Al die menschen daar beneden, die naar hem met smeekenden en liefhebbenden blik opzagen, eischten van hem zoo luttel, â een weinig schaduw, om daaronder van hun werk uit te
1) Briester, Neue Berliner Monatschrift. 1814, B. 12 S. 10.
217
rusten, â een weinig gerechtigheid en bescherming, om onder de vermoeienissen en behoeften van hun leven, zonder angst en in vrede te kunnen leven, â een weinig medelijden met hun nood, â een weinig toegevendheid met hunne zwakheid en dwaasheid. Maar hij, wat eischt de koning niet van zijn volk! Zoo oneindig, zoo onuitsprekelijk veel, dat geen enkel mensch, hoe verheven en machtig ook, dat slechts millioenen menschen, slechts een volk, zyn aan den koning in staat is te geven! Hij eischte van zijn volk roem en eer, de lauweren van den held en den eiken-krans van den vader des volks! Hij wilde zijn volk sterk en gezond maken; maar zijn volk moest ook hem groot en beroemd maken; het moest de heilige bazuin zijn, die den naam des konings door alle landen, door alle tijden en eeuwen juichend verkondigde en naar de ooren van alle volken en tijden den naam van Frederik den Tweeden overbracht.
Dat waren de gedachten des konings, toen hij, alleen, diep ernstig en peinzend op het balkon stond en op de golvende zee van zijn volk nederzag. Dikwijls ook zweefde zijn blik naar den Dom, en zoo dikwijls dit gebeurde, huiverde de vrouw, die daar tegen een der zuilen leunde, en een doodelijk bleek bedekte hare wangen en hare lippen beefden. Maar de koning zag haar niet; zijn blik was onbepaald; hij zag niets van de buitenwereld, want zijn oog was naar binnen gekeerd en onderzocht zijn eigen hart, zijn wil en wensch.
In de groote zaal stonden de adellijke heeren en wachtten op de terugkomst des konings in een somber, misnoegd zwijgen. Zelfs bij den heer van Pollnitz was het stereotype lachje, dat anders altoos om zijne lippen speelde, verdwenen; zelfs hij beschouwde het als eene bittere krenking, dat de koning zijn adel en zijne hoogste ambtenaren zoo lang liet wachten, enkel om eene walgelijke, smerige, niets betee-kenende massa, volk genoemd, nog langer te beschouwen. â Slechts die drie heeren, daar ginds, zagen vroolijk en met vertrouwen rond en in hunne oogen straalden hoop en vreugde.
Ach, die heeren van Wreeche zijn dus ook gekomen, dacht Pöllnitz en zijn voorhoofd vertrok nog meer. Zij zijn gekomen, om nu het loon voor hunne diensten, aan den kroonprins bewezen, te ontvangen, en zonder twijfel zijn
218
zij voor ons gevaarlijke mededingers; zonder twijfel zal de koning hun bijzondere gunst en genade bewijzen, want zij hebben veel voor hem geleden; zij zijn zeven jaren om zijnentwil van het hof verbannen geweest. Nu zal de koning hen schadeloos stellen en wie weet, of hij hun nog niet het huis in de Jagerstraat schenkt, dat ik reeds gewoon was mijn huis te noemen! Nu, ik zal in allen gevalle in hunne nabijheid blijven, om te hooren, wat de koning hun zal toezeggen en beloven.
En de baron van Püllnitz drong voorzichtig en langzaam door de rijen hovelingen, totdat hij naast de drie heeren van Wreeche stond.
Nu ontstond er een beweging in de geheele vei'gadering. Een ieder boog zijn hoofd tot eene eerbiedige en plechtige begroeting.
De koning had het balkon verlaten en was in de zaal gekomen. Hij begon de groote tournee, en gaande door de rijen der heeren, sprak hij tot ieder een vriendelijk, geestig, schertsend woord. Nu was hij tot aan de drie heeren Wreeche gekomen en bleef voor hen staan. Aller blikken waren op deze groep gevestigd; ieder hield den adem in, om te luisteren wat de koning tot deze zoo benijde, zoo gevaarlijke heeren zeggen zoude.
De koning was, zoo als gezegd is, voor hen blij ven staan ; zijn oog had den helderen glans verloren, zijn voorhoofd was somber geworden.
âMessieurs,quot; zeide de koning zachtjes, âhet is zeer lang geleden, dat wij elkander aan het hof van den koning van Pruisen ontmoet hebben. Maar ik geloof niet, dat gij hem, dien gij zoekt hier vinden zult. Want, zonder twijfel, zoekt gij den kroonprins. Hier is echter slechts een koning! Een koning, die er vooral op gesteld is, dat men de majesteit van den koning achte en in zwijgende gehoorzaamheid zich onderwerpend, zelfs dan niet aan hem twijfele, wanneer zijne bevelen oogenschijnlijk hard en wreed zijn. Hij, die zich tegen den wil des konings verzet, is altijd strafwaardig, al heeft hij het met een goed doel gedaan. Ik, Messieurs, zal dat nooit dulden, en slechts één wil en ééne wet zal aan mijn hof gelden, de wil en de wet des konings!quot;
En zonder te groeten ging de koning verder. De heeren van Wreeche stonden bleek, met neergeslagen oogen en
219
diep geschokt, terwijl het gelaat van den heer van Püllnitz weder van blijde vroolijkheid en tevredenheid schitterde.
âNu, die heeren krijgen mijn huis in de Jagerstraat ook niet,quot; zeide hij bij zich zeiven. âZij zijn nu geheel en al in ongenade gevallen. Het schijnt, dat de koning de weldaden, welke men den kroonprins bewezen heeft, straffen wil. Lodewijk XII zeide, dat het beneden de waardigheid van 'een koning van Frankrijk was, om zich over het leed, dat men den kroonprins had aangedaan, te wreken; hier is het omgekeerd; de koning van Pruisen schijnt het beneden zijne waardigheid te houden, de weldaden te beloonen, die men den kroonprins van Pruisen heett bewezen! Hij wil als koning dengenen schrik inboezemen, die zich aan eene andere dienst dan de zijne wijden; hij denkt, dat hij ook eens een kroonprins zal hebben, en wil iedereen afschrikken, zich aan dezen te wijden en daardoor de plichten te verzuimen, die men aan het wettig hoofd van den staat verschuldigd is 1). Maar wat beteekent dat gedrang daar ginds,quot; viel Pöllnitz zich zei ven in de rede? Waarom nadert lord Maréchal den koning met zulk een opgewekt vroolijk gelaat? Ik moet weten, wat daar gebeurt!quot;
En wederom drong de heer van Pöllnitz door den drom der hovelingen en kwam gelukkig tot vlak achter den koning, toen Mylord Maréchal juist met luide, opgewekte stem zeide; âSire, ik moet u eene genade verzoeken! Buiten in de voorkamer staat een jongman, die door mij uwe majesteit om de genade verzoekt, zich aan uwe voeten te mogen werpen, u den eed der trouw, der onbegrensde liefde te mogen zweren. Hij is uit Amerika overgekomen, om uwe majesteit als koning te huldigen. Nauwelijks had hij van de ongeneeselijke ziekte van den koning zaliger vernomen, of hij verliet dadelijk zijne schuilplaats en door dag en nacht te reizen, is hij heden, en zoo ik hoop, ter goeder ure hier aangekomen.quot;
Het oog des konings rustte onafgewend op den spreker en zelfs toen deze reeds zweeg, zag hij hem nog altijd met zijn doorborenden, peinzenden blik in het ontroerde gelaat.
1
Thiébault. Vol. I. pag. 18ö.
220
âEn hoe heet die jongman, in wien gij zulk een levendig belang stelt?quot; vroeg de koning na eene poos.
Lord Maréchal zag getroffen en angstig naar den koning, op. Hij meende, dat Frederiks hart het hem reeds moest gezegd hehhen, wie het was, die uit de ballingschap, uit Amerika was gekomen, om den jongen koning te begroeten.
âSire,quot; vroeg hij aarzelend, âuwe majesteit eischt, dat ik u den naam van dien jongman noeme?quot;
âDat eisch ik!quot;
Lord Maréchal ademde diep. âNu dan, Sire, het is mijn neef, het is de luitenant van Keith, die uit Amerika gekomen is, om zich aan de voeten van uwe majesteit te werpen.quot;
Geen enkele zenuw bewoog zich in het gelaat des ko-nings; geen enkele trek veranderde zijn ernstig, rustig gezicht.
,,Ik ken geen luitenant van Keith,quot; zeide hij gestreng. âHij, die het eens was, is door zijne majesteit, mijn vader, met schande en smaad van de oflicierslijst geschrapt en de beul heeft hem in efjigie aan de galg opgehangen
Als de heer van Keith echter nog leeft, had hij beter gedaan in Amerika te blijven, waar wellicht niemand zijne misdaad en zijne onteerende straf kent.quot;
âUwe majesteit wil hem dus niet ontvangen?quot; vroeg lord Maréchal met bevende stem.
âDank God, dat ik het niet doe, dat ik bovendien zijne tegenwoordigheid niet wil weten,quot; zeide de koning plechtig. Want als ik wist, dat hij leefde, moest ik de strafwaar-toe de Pruisische koning hem veroordeeld heeft, laten volvoeren.quot;
En met een lichten groet zich van Lord Maréchal afwendende, richtte hij eenige onverschillige woorden tot de dichtst bijstaande heeren.
âNu, die mijnheer van Keith zal mij mijn huis in de Jagerstraat ook niet betwisten,quot; zeide Pöllnitz heimelijk in zich zelf lachende. âDe koning schijnt zijn geheugen geheel en al verloren te hebben. God geve slechts, dat hij ook niet vergeten hebbe, dat ik het was, die eens
1) Treuss, Friedricli der Grosse. Eine Lebensgeschicbte. quot;Vol. I. pag. 47.
met gmote moeite en gevaar Frederik Willem overhaalde de schulden van den kroonprins te betalen en hem de Trakehner stoeterij te schenken!quot;
XXV.
BOORTJE RITTER.
Toen de koning het balkon verlaten Jhad, richtte de arme jonge vrouw, die op den trap van den Dom geslaan had, als uit een diepen droom ontwakende, haar hoofd op, en zag verschrikt en angstig om zich heen. Het zien van den koning had haar het tegenwoordige doen vergeten, had haar naar zalige, lang vervlogen dagen teruggevoerd. En toen hij weg gegaan was, waren ook de gelukkige herinneringen als weggestorven en de arme vrouw zag met somberen en troostloozen blik slechts het tegenwoordige. De koning had het balkon verlaten. Wat deed zij nu nog te midden Ier volksmenigte, die haar wellicht weder zou uitjouwen, bespotten of medelijden toonen. Zij kon noch wilde medelijden of spot dulden; zij wilde evenzeer smaad als deelneming ontvlieden.
Met eene driftige beweging trok zij den omslagdoek nog dichter om hare ranke, vermagerde gestalte en door het gedrang dringende, snelde zij de trappen van de Domkerk af en over het groote, met menschen volgepropte slotplein heen naar den kant van den lusttuin. Toen zij nu de hand-biug over was en het gedrang allengskens verminderde, haalde zij lichter adem en leunde als uitgeput tegen eene der ijzeren pilaren van het tuinhuis. Daarna trok zij verder, over de gracht der vesting, naar een woest, eenzaam plein, dat er vlak achter lag, langs de wandelplaats, de Linden genaamd, tot zij aan dat huis kwam, dat niet verre van het groote, vierkante plein bij de Drandenburger poort stond. Het was een klein, onaanzienlijk huis, dat
'222
er onoogelijk uitzag. De nauwe, lage deur zag er onvriendelijk en ongastvrij uit, als wilde zij niemand vergunnen den drempel te overschrijden orn dit sombere, stille en kleine huis binnen te treden, uit welks binnenste men geen toon van levén, vroolijkheid, arbeid of werkzaamheid vernam. En toch zoude dit stille en treurige huis minder somber en armoedig geweest zijn, wanneer de groot-3, ijzeren schel, die boven de voordeur hing, de zwijgende ruimte daar binnen met haar vroolijk gebengel vervuld had. Want achter deze huisdeur was een winkel, en de schel, door de koopers in beweging gebracht, zou den bewoners van het huis hoop, moed en geluk in het hart geluid hebben. Maar de schel zweeg. En deze schel zweeg bijna altijd, en zelden kwam de eene of andere meid, door den regen overvallen, of een oud vrouwtje, om uit de armzalige winkel wat te halen, hetgeen zij eenige honderd passen verder in rijkere keuze, uit een der veel grootere winkels van meer bemiddelde kooplieden had kunnen krijgen. En toch scheen het, alsof deze winkel hier eens betere en schitterender dagen had gekend, alsof hij eens zelfs aanspraak op sierlijkheid en deftigheid had gemaakt. Voor de beide ramen naast de deur, welke gezamenlijk het geheele front van het huiö uitmaakten, zag men in eene treurige schikking schelpen en cocosnoten, groote porseleinen potten, zooalü die voor de kostbare, zoete gember gebruikt worden, glazen schalen, stapels amandelen en rozijnen, citroenen en chinaas-appelen, keurige peperhuizen met koffie en kleine Chinee-sche kistjes, voor echte Chineesche thee. Maar de peperhuisjes en kistjes waren ledig; de citroenen en zuidelijke vruchten waren door den tijd verhard en uitgedroogd; de gemberpotten bevatten den kostelijken inhoud niet meer, en zelts het bestoven en verbleekte uithangbord boven de deu' dat in prachtig schilderwerk een vreemd opgetooide neger voorstelde, bezig met gedroogde tabaksbladeren ineen te rollen, zelfs dat uithangbord was slechts eene herinnering aan vroegere dagen; want de tabak was reeds lang uit de kasten verdwenen en tot stof en asch vergaan. De winkel bevatte nog slechts weinige goedkoope waren; cichorei ^oor de armen, die zich, in plaats van de dure koffie, met cichoreidrank moeten behelpen; lampenkatoen, dat de water- en vuurvrouwen in hunne winkeltjes gebruiken
239
misschien ben ik dan zoo gelukkig, in plaats van u, de bekoorlijke Doortje Ritter weder te vinden, het dweepende, jonge meisje van vroeger, dat den kroonprins zoo hartstochtelijk beminde en zich zijne liefde en zijne geschenken zoo goedig liet welgevallen.quot;
Hij lachte luid en verliet met eene keurige pirouette het eenzame en sombere vertrek. Haastig stapte hij den winkel door en de deur aan de straat openende, schopte hij de beide kinderen, die op den dorpel zaten, op zijde en ijlde de straat op.
âZij is waarachtig nog trotsch,quot; mompelde hij, schouderophalend. âDe roedeslagen hebben haar niet deemoedig gemaakt. Dat bevalt mij en ik ben nu meer dan ooit overtuigd, dat wij met haar slagen zullen. Zij zal en moet de minnares van den koning worden; en zij wil niet naar hem gaan, goed, dan zal ik hem bij haar brengen. Morgen â wil de koning de plaats voor het bouwen van het paleis der koningin-moeder in oogenschouw nemen, dat is eene heerlijke gelegenheid hem over te halen hare hut binnen te treden.quot;
Doortje Ritter had ' met opgeheven gelaat, uitgestoken arm en trotschen blik Pöllnitz nagezien. Haar geheele voorkomen was in eene koortsige spanning, in eene opgewekte stemming. In dat oogenblik was zij niet meer -het on teerde, met schande beladene schepsel, dat alles schuw en met verachting ontvlucht, maar zij was de trot-sche vrouw, die in het bewustzijn van haar zelve en van hare waarde, den beleediger stout afwijst en geene genade, maar eene rechtmatige erkentenis van hare persoon verlangt.
Maar toen het geluid der voetstappen van den baron uitstierven, toen Doortje Ritter weder alleen was, verdween die verrukking en geestdrift uit baar gelaat, en zij werd i weder de arme, van smart verscheurde, vernederde vrouw.
Met een diepe zucht zonk zij weder op haar stoel, en de handen in haar schoot vouwende, staarde zij lang voor zich heen. Maar eenmaal mompelde zij nog: âWee hem, wee hem, wanneer hij vergeet, wat ik voor hem geleden heb; wanneer hij de schande niet delgt, die op mij drukt! Wee hem, wanneer hij mij veracht, zoo als zij allen het doen. Dan zal Doortje Ritter zijne onverzoenlijke vijandin worden, en zij zal wraak nemen, zoo waar een God boven haar is!
240
XXVII.
HET HUWELIJKS VOORSTEL.
âKom, moed gevat, mijne schoone en verliefde graaf,quot; zeide mevrouw van Brandt tot den graaf Voss, die met een hoogst bedrukt gelaat tegenover haar stond, en in zijne smart nauwelijks zag in welke eene bekoorlijke en betoo-verende houding zijne schoone Armide voor hem op den fluweelen divan lag.
âIk begrijp volstrekt niet hoe gij vroolijk kunt zijn en lachen, en toch volhoudt dat gij mij bemint,quot; zei hij zwaarmoedig.
âJa, ik bemin u ook waarlijk,quot; riep zij lachende, âen juist daarom is het, dat ik vroolijk ben. Wij naderen nu ons doel, en spoedig zal de sluier, welke ons voor de wereld verbergt ondoordringbaar zijn; want niemand zal vermoeden, dat de gemaal van de jonge en schoone Laura van Pannewitz de lee-lijke en reeds oude mevrouw van Brandt kan beminnen.quot;
âGij leelijk, gij oud,quot; riep de jonge blonde graaf opstuivend. âGelukkig voor u, dat gij hel zijt, die zulk een laster uitspreekt. Als het een ander deed, zou ik hem dooden!quot;
âEn daarmede zoudt gij zeer verkeerd handelen, mijn dierbare vriend, want dat zou hetzelfde zijn als onze liefde aan de wereld te verradon. Neen, neen, wanneer men zoo tot u spreekt, moet gij schouderophalend zeggen; Ik ken die mevrouw van Brandt niet. Wat gaat het mij aan, of zij schoon of leelijk is. Al i» zij zoo oud als Methusalem» het raakt mij niet.quot;
âDat zal ik nooit zeggen; nooit zal ik kunnen besluiten zulk eene ellendige, onteerende leugen uit te spreken ? Neen, dierbaarste, dat kunt gij niet van mij verlangen t Gij ziet, welke macht gij over mij hebt, en toch blijft gij nog altijd zoo ongevoelig, zoo wreed jegens mij. Gij hebt mij veroordeeld om te trouwen, en ik heb mij
'241
naar uw bevel geschikt, ofschoon mijn harl mij dreigde te breken, toen ik de toestemming daartoe van de koningin verzocht. Maar nu moogt gij niet meer van mij eischen, nu moogt gij mij niet tot de stral veroordeelen, u te moeten belasteren en te lioonen. Neen, neen, op mijne knieën smeek ik u, martel mij niet zoo wreedaardig, wees barmhartig jegens mij.quot;
Hij was voor haar op zijne knieën gezonken, en geheel ter nedergedrukt, leunde hij met zijn hoofd tegen den divan, waarop mevrouw van Brandt in eene verrukkelijke, achtelooze houding lag.
Zij legde hare hand op zijn hoofd en speelde met den keurig gekapten haarzak.
âIk ben niet wreed, ik ben slechts voorzichtig,quot; fluisterde zij bijna teeder. âIk wil onze liefde voor gevaren beschermen en haar eene eeuwigheid van geluk verzekeren. Vertrouw mij, Alexander, en twijfel niet. Op den dag, waarop gij de freule van Pannewitz naar het altaar geleidt, zal ik u mijne armen openen en u zeggen, dat ik u grenzenloos lief heb.quot;
âNeeu, neen, gij hebt mij niet lief, zuchtte hij zwaarmoedig. Gij zijt altoos hardvochtig en wreed tegen mij geweest. Gij hebt mij nooit de eene of andere gunst toegestaan, ook niet eens die van mijne gloeiende lippen op uw mond te drukken, niet eens een klein geschenk van mij willen aannemen!quot;
Een onmerkbare spotachtige glfmlach speelde op het gelaat der schoone vrouw, terwijl de verrukte, hartstochtelijke jongman, nog altijd op zijne knieën liggende, dus tot haar sprak. Zij wendde haar gelaat af, om hem niet in hare trekken te laten lezen. Hij echter meende, dut zulks geschiedde, omdat zij reeds weder boos op hem was.
âMijn God,quot; riep hij in den uitersten wanhoop, âgij wilt mij niet eens meer uw hemelsch gelaat laten zien, gij wilt mij dus krankzinnig maken? Wat heb ik toch gedaan,om deze marteling te verdienen? Is het dan zoo beleedigend, dat ik u om de gunst verzoek van mij eene kleine gave, een gering geschenk aan te nemen? Maar het is toch zoo zoet diegene, welke men bemint, te dwingen dat zij aan ons denkt, haar een ring aan den fijnen doorsehijnenden vinger te steken en haar te zeggen: âZoo dikwijls gij hem beschouwt,
Uühlbaoh, Frederik de Groote en zijn Hof. I. 16
242
zult gij aan mij denken!quot; Haar hals met den fonkelenden keten te tooien en tot haar te zeggen: âNu zijt gij gekluisterd! Mijne liefde heeft u in boeien geslagen; gij zijt de mijne!quot; O, een man kan dan eerst slechts aan de liefde eener vrouw gelooven, wanneer zij er toe besluit, een ge-schonk van hem aan te nemen.quot;
âEn zult gij dan werkelijk aan mij gelooven ?quot; ;:eide zij op haar teedersten, wegsmeltenden toon, hem haar glimlachend gelaat toekeerende.
âJa,quot; zeide hij geheel in verrukking, âdan zal ik een weinig aan u gelooven!quot;
âNu dan, geef mij dan het een of ander, dat mij u herinneren moet, dat]ik dragen kan, evenals het hondje den halsband draagt, waarop de naam zijns meesters gegraveerd is.quot;
Zij stak hem hare hand toe; hij kuste ze hartstochtelijk haalde loen uit zijne borst een rood étui te voorschijn, legde het in hare hand, die nauwelijks in staat was de;;e groote en zware kast te dragen.
âMaar dat bevat niet enkel een ring, âzeide zij verwijlend. âO, gij hebt mij bedrogen, g'j hebt van mijne goedheid misbruik gemaakt, en in plaats van mij een klein aandenken te schenken, wilt gij mij met den trots van een koning met uwe schatten overstelpen. Neem dat étui terug, heer graaf. Ik wil den inhoud volstrekt niet zien, ik wil in het geheel niet weten hoever uwe verkwistende hoogmoed en trotsheid gaan. Neem uwe schatten, en geef mij daarvoor een eenvoudigen ring, dien ik beloofd heb aan te nemen.quot;
Zij was opgestaan en reikte hem met het voorkomen eener beleedigde koningin het étui over, welks inhoud zij wel is waar niet kende, maar welks waarde zij aan de grootte en zwaarte geraden had.
Haar treurige minnaar stond tegen over haar; de diepste ellende, ja wanhoop stond op zijn gelaat te lezen.
âWanneer gij mij dan werkelijk dood martelen wilt, doe het dan spoedig en in eens, maar niet zoo langzaam, dag voor da? en uur voor uur,quot; zeide hij bijna weenende. âIk doe alles wat gij beveelt; ik trouw zelfs om uwentwil en gij wilt mij niet do kleinste gunst bewijzen?quot;
Hij weende nu inderdaad en wendde zich af om haar zijne tranen niet te laten zien. Toen, zich plotseling vermannend, zeide hij met den trots der wanhoop: âWelaan dan! Ik zal
243
van u leeren hoe men neen, en altoos neen zegt! Wanneer gij weigert dit étui aan te nemen, zal ik weigeren freule van Pannewitz te huwen. Dwing mij nu deze ellendige stee-nen terug te nemen, dan ga ik dadelijk naar de koningin en zeg haar, dat ik gedwaald heb, dat ik freule van Pannewitz niet wil en kan huwen, dat ik van mijn plan af zie en dadelijk Berlijn verlaat om op reis te gaan.
âNeen, gij moogt niet gaan, gij moogt mij niet verlaten,quot; riep zij met eene uitdrukking van drift. âGeef dat étui hier, ik neem hetfaan. Ik wil niet hebhen dat gij Berlijn verlaat. Hoort gij, ik wil het niet!''
De jonge graaf uitte een kreet van verrukking en ijlde met open armen haar te gemoet. Maar mevrouw van Brandt wees hem zachtjes terug.
,,Wanneer gij getrouwd zijt, zal ik zelf u mijne lippen toesteken, eerder niet! Heden neem ik dit étui aan, maar ik zal het nu niet openen, opdat wij niet weder in onmin geraken!quot;
Graaf Voss was buiten zich zelf van ontroering en dankbaarheid, en in het verlangen van zijn hart zei hij, nog heden met freule van Pannewilz te willen trouwen, om dan eindelijk het geschenk van een kus van mevrouw van Brandt te kunnen verkrijgen.
Zijne schoone geliefde lachte. âDe geliefde is wel is waar in staat bergen te verplaatsen,quot; zeide zij, âmaar zij kan de tong eener koningin geene vleugelen verschaften. Gij hebt uwe belangen in de handen der koningin-moeder gesteld. Gij hebt deze groote dame voor uwe middelaarster gekozen en nu zult gij moeten afwachten, wanneer het hare majesteit gelegen komt, freule van Pannewitz uw voorstel te doen.''
âO, zij zal het nog heden doen, de koningin heeft het mij belootd! Ik moest er mij wel naar schikken haar in den arm te nemen, want de familie van freule van Pannewitz verlangde uitdrukkelijk, dat ik eerst de toestemming van de koningin zoude verkrijgen, voor zij mij de toestemming tot mijn huwelijk geven kan.quot;
âEn Laura zelve? Hebt gij haar reeds om hare toestemming gevraagd?''
âO die,quot; riep de ijdele graaf schouderophalend. âVan hare toestemming ben ik verzekerd. Zij is een arme freule
244
afhankelijk van de trotsche koningin-moeder, en ik zal haar tot gravin maken en zal haar de vrijheid gevenon-afhankelijk op hare goederen te leven, waar zij alles hebben zal, eer, rijkdom, glans en vrijheid, behalve mij, haar gemaal!quot;
âArme Laura,quot; fluisterde mevrouw van Brandt.
Gij beklaagt haar! Maar ik zal intusschen bij u zijn!quot;
âJa, gij zult bij mij zijn. Maar heden zijt gij reeds te lang bij mij geweest. Dat kan opzien baren, vermoedens wekken. Ga dus nu heen ! Laat mij voor u handelen! Doe gij zelf, wat gij kunt! Laat u door geene zwarigheden afschrikken. Denk steeds aan het doel, dat gii voor hebt! Ga!quot;
De graaf nam zuchtend afscheid, terwijl mevrouw van Brandt nauwelijks in staat was, haar ongeduld en verlangen om alleen te zijn, te verbergen.
Zij zag hem met een verachtelijkeu glimlach na, toen hij haar eindelijk verliet. âIJdele dwaas,quot; fluisterde zij schouderophalend. âHij verdient bedrogen te worden, want hij is een gek! Maar nu wil ik toch eens zien, wat dit kostbare étui bevat.quot;
Zij vloog naar de tafel en opende haastig het deksel. Een kreet van verrassing ontglipte hare lippen, en hare oogen straalden van vreugde, zoo helder en gloeiend, als de kostbare diamanten op het zijden kussen van het étui. , Meer dan koninklijkquot;, zeide zij, âwant ik geloof niet, dat koning Frederik ooit in staat was, de eene of andere vrouw zulke juweelen te schenken. Maar ik heb ze ook verdiend door mijn voortreffelijk spel. Mijn God, die arme graat is nu vast overtuigd, dat ik de edelste, onbaatzuchtigste en beminnelijkste vrouw van de geheele wereld ben! mij onlangs te houden als of ik zijn geschenk niet aannemen wilde, hoe verstandig, hoe fij n berekend was dat van mij ! Ik wist wel, dat, wanneer ik hem het klein étui, dat hij mij toen bracht, terug geven zoude, hij het, in de vervoering zijner verrukking, met een grooter en kostbaarder verruilen zoude, om daarmede, zoo mogelijk, mijn hart te winnen! O, toen ik heden dit groote étui uit zijn borstzak zag komen, hoe sprong toen mijn hart van verrukking, en hoeveel moeite kostte het mij mijne handen terug te houden, die gereed stonden den kostbaren schat te grijpen!
245
En toch was ik mij zelve meester genoeg, weder den schijn aan te nemen alsof ik nog bleef weigeren. Toch bedwong ik mijn ongeduld, en opende in zijne tegenwoordigheid het deksel niet! Hij zou anders, ondanks mij zelve, mijne verrukking in mijne oogen gelezen hebben en dat zou den armen dwaas uit den droom hebben kunnen helpen, wat mijne onbaatzuchtige liefde betreft. Inderdaad, het was zeer voorzichtig en staatkundig, en zelfs Manteuffel kon niet met meer geslepenheid en overleg gehandeld hebben.quot;
Zij bukte zich weder over de fonkelende diamanten en drukte hare brandende lippen op de koude steenen. ,,0, hoe min ik u, gij schoone sterren,quot; fluisterde zij bijna teeder, âwanneer uwe schitterende blikken mijn hart bestralen; hoe tintelt en gloeit uw koude kus door mijn ge-heele lichaam! Ik bemin u meer dan eenig menschelijk wezen; ik koester een hooger verlangen naar u, dan naar eenig man; en wanneer gij u om mijn hals slingert dan is dat mijne heerlijkste, mijne liefste omhelzing. Weest dus gegroet en gekust, mijne geliefden, en welkom geheeten in mijn huis en aan mijn hart! O, het zal u wel bij mij gaan, en ik zal er voor zorgen, dat gij altoos in goed en uwer waardig gezelschap blijft! Er loopen nog zoovele broertjes en zusjes van u in de wereld rond, en zonder twijfel verlangt gij zooveel mogelijk van uwe betrekkingen en bloedverwanten bij u te hebben. Nu, ik deel in uw verlangen en zal trachten er aan te voldoen en altijd meer en meer van uwe aanverwanten in uw bezit en uw gezelschap te brengen. Ook uwe nichtjes, de parelen, zal ik noodigen; gij zult u met haar verbinden, en er moet eene huwelijksverbintenis plaats hebben tusschen de diamanten en de parelen, vroolijker en prachtiger dan het huwelijksfeest van den graaf Voss met de schoone Laura van Pannewitz.quot; Zij lachte luid in den overmoed van haar geluk en sloot het deksel van het étui, om het voorzichtig in hare schrijftafel te bergen.
âEn nu naar de koningin-moeder,'' zeide zij. âDe mijn is gereed; ik wil het vuur aan de lont leggen, opdat het kruid ontploffe.quot;
âIk moet de koningin beduiden, dat het huwelijk der schoone Laura met den graaf Voss noodzakelijk is, om een
246
schandaal in de koninklijke familie te vermijden, ik moet â Eh bien, nous verrom! Ik hooi' reeds de stem der koningin ! Zij is hare wandeling in den tuin begonnen en ik mag niet achter blijven.quot;
Zij nam haar hoed en shawl en snelde naar beneden in den tuin.
INHOUD.
Bladz.
Hoofdst. I. De koningin Sophia Dorothea .... 5.
â II, Koning Frederik Willem I.....12.
â III. Het tabaks-collegie.......17.
â IV. Luchtkasteelen........26.
â V. Vader en zoon........31.
â VI. In de witte zaal.......39.
â VII. De hofdame en de tuinman . â . . 47.
â VIII. De diplomaat van Mannteuffel. ... 52.
â IX. De kroonprins Frederik.....63.
â X. De kroonprins en de jood.....72.
â XI. De kroonprinses Elisabeth Christine . . 82.
â XII. Het gedicht.........89.
â XIII. Het banket.........97.
â XIV. Le roi est mort. Vive le roi . . . . 110.
â XV. Wij zyn koning.......119.
â XVI. De dag der ongenade en der genade . . 129.
â XVII. In den tuin Monbyou......140.
â XVIII. De hoffreule der koningin.....152.
â XIX. Prins August Willem . . ... 160.
â XX. De koning en de zoon......167.
â XXI. De hof kleermaker der koningin . , . 180.
t N H O Ã 1).
Bladz.
Hoopdst. XXII. De groote voorvaderen van een kleermaker 187.
â XXIII, Soffri e taci........194.
,, XXIV. De dag der inhuldiging..... 207.
â XXV. Doortje Ritter.......221.
â XXVI. Oud en nieuw leed......231.
XXVII. Het huwelijksvoorstel . , . . 240.
tt