ocr page 1

Vak 152

iwll

Wl

ffeiï¥:£ï:ï gt;• lt;

■far

1

LOUISE MUHLBACH S

,.1

%:-=

^istoirsche Romans

Bewerkt dóór M. K.

Frederik de Groote en zijn Hof. \ |

^ . . - \ 111

BE KEOomnrs M ztoE OMamp;Eraamp;i \ |

i

183

»

1

*

NIJMEGEN—ARNHEM.'

E BRs. E. amp;. M. COHEN.

ocr page 2
ocr page 3

FREDERIK DE GROOTE EN ZIJN HOF,

DE KROONPRINS EN ZIJNE OMGEVING.

li.

ocr page 4
ocr page 5

Vak 152

FREDERIK DE GROOTE EN ZIJN HOF.

HISTORISCHE ROMAN

dooe

LOUISE MÜHLBACH. Bewerkt poor M. K.

ÜE KROONPRINS EN ZIJNE OMGEVING.

BIBU07?CA

TWEEDE DEEL. | CONV. WUCHENS

li I

oud. m/r. min.

deede veel verbeteede deuk.

k

Nijmegen amp; Ahnhem, Gebr. E. amp; M. COHEN.

ocr page 6
ocr page 7

I.

DE KONINGIN ALS MIDDELAARSTER.

De koningin-moeder wandelde in de schaduwrijke lanen van den tuin van Monbyou. Zij scheen heden buitengewoon opgeruimd, over haar gelaat speelde een glimlach, zoo als men sedert lang niet gezien had en hare anders zoo trotsche en ernstige oogen straalden heden met zachter en milder glans.

Trouwens, de koningin had ook wel reden opgeruimd te zijji; want hare stoute, sedert zoo lange jaren gekoesterde wenschen schenen nu vervuld te zullen worden, en alle schoone beloften, haar door haar zoon bij zijn eerste bezoek gedaan, aan welker vervulling zij nog altijd getwijfeld had, werden nu verwezenlijkt. Zij had reeds de eerste maandelijksche betaling van haar verdrievoudigd weduwen-pensioen ontvangen; huar hofstoet was vergroot en op echt koninklijken voet gebracht, en gisteren had de koning haar gezegd, dat hij heden zelf de plaats tot het bouwen van het nieuwe paleis der koningin wilde bepalen. Buitendien bewees de hulde, welke zij van het geheele hof en voornamelijk van de lievelingen en de naaste omgeving des konings ontving, haar, hoeveel invloed men haar toekende en hoeveel waarde men op hare gunst en genade stelde! Terwijl de koningin Elizabeth Christine zich in stilte en afzondering op haar slot Schönhausen terug getrokken had en als in weduwen-rouw leefde, was het lustslot Monbyou de verzamelplaats van het geheele hof geworden en iedereen haastte zich zijne hulde aan de koningin-moeder te

ocr page 8

6

brengen. Zelfs de jonge koning, die zijne gemalin met nog geen enkel bezoek op Schönhausen verblijd had, kwam bijna dagelijks, vergezeld door een schitterend gevolg van cavaliers, de koningin-moeder zijne opwachting maken.

De koningin Sophie Dorothea had dus wel reden opgeruimd te zijn en met van vreugde stralende blikken de toekomst in te zien. Bovendien was het heden voor de eerste keer, dat zij met haar schitterend gevolg hare wandeling kon maken, want eerst sedert gisteren was het voltallig.

Wanneer de koningin nu omzag, en zij deed het soms, zag zij achter zich niet meer de twee hofdames van weleer, alleen en zich vervelende voortwandelende, maar haar volgden thans zes hofdames, zes der schoonste en voornaamste adelijke dames, voor de dienst der koningin bestemd en zij zag ze nu in vrooiijk gesprek met de vier hof-cavaliers der koningin, die de koning zelf uitgekozen en benoemd had. Zij hoorde, onder het spreken met haar hofmaarschalk, den graaf Rhedern, den vroolijken lach der nieuw benoemde hoffreule Louise van Schwerin, en de zachte, welluidende stem van de schoone Laura van Pan-newitz, wier bevalligheid en trotsche schoonheid zelfs haar gemaal, den koning, getrolfen had, en hem, gedurende eenige weken, in den ongewonen toestand van een vgr-liefde verplaatst had. 1)

Het was inderdaad eene zekere zelfvoldoening om, gevolgd door schoonheid, bevalligheid en jeugd, rond te wandelen in dien geurigen, lommerijken, van het gekweel der vogelen weergalmenden tuin waar langs de door den zonneschijn verlichte Spree, als een zilveren lint kronkelde en de warme lucht met frissche koelte vervulde.

De koningin was, zoo als gezegd is, bijzonder opgeruimd, want zij had juist een nieuw bewijs van hare beteekenis en haar invloed ontvangen, een nieuw pand, hoeveel invloed men haar op het gemoed van haar zoon. den jongen koning, toeschreef.

De graaf Rhedern had de koningin-moeder om haar bijstand en hare bemiddeling gesmeekt; hij had haar verzocht

1

Mémoires de Fréderique Sophie Wilhelmine Markgrave de Baireuth. Vol. II, pag. 380.

ocr page 9

7

in eene zeer kiesche en gewichtige zaak zijne voorspraak bij koning Frederik te willen zijn. De graaf wilde trouwen, maar hij had de toestemming des konings tot zijn huwelijk nog niet, en deze scheen zeer moeielijk te verkrijgen, want de uitverkorene van den graaf was, helaas, geene freule van den ouden, goeden adel, maar zij had hel ongeluk de dochter van een Berlijnsch koopman te zijn.

„Maar ik begrijp niet,quot; zeide de koningin na deze vertrouwelijke mededeeling van den graaf, ,.ik begrijp niet, waarom gij ook juist dat meisje wilt huwen! Ik verbeeld mij, dat de adel van het koninkrijk nog niet arm aan schoone trouwlustige dames is, en een graaf Rhedern heelt niet noo-dig zich zoo diep te vernederen om eene gemalin te zoeken. Zie om u heen, graaf, en gij zult de schoonste freules zien en alle van reine, onberispelijke, oud-adellijke afkomst.quot;

„Uwe Majesteit heeft hier, zoo als altijd, gelijk,quot; zuchtte de hofmaarschalk, graaf Rhedern. ,.Deze dames zijn schoon, aanzienlijk, jong en beminnelijk, maar er ontbreekt haar iets om volmaakt te zijn. Mejuffrouw Orguelin is noch schoon en aanzienlijk, noch jong en beminnelijk, maar zij heeft dat eene, hetgeen deze nimfen ontbreekt, en omdatééneben ik gedwongen haar te huwen.quot;

„Graaf, gij spreekt in raadsels, en zoo als het mij toeschijnt, in zeer dubbelzinnige raadsels,quot; riep de koningin bijna vertoornd. „Wat is dat ééne, dat mejuffrouw Orguelin bezit en waardoor gij gedwongen wordt haar te trouwen ?quot;

„Uwe majesteit, dat ééne is geld!quot;

„Och, het geld!quot; zei de koningin glimlachend „Inderdaad, bet past een cavalier wel ter wille van het geld een huwelijk beneden zijn stand te doen!quot;

„Juist, uwe Majesteit, omdat ik aan de verplichtingen, welke mij mijn stand en wapen opleggen, dacht, juist daarom heb ik tot deze mij onwaardige partij moeten besluiten. Uwe majesteit moge het mij vergeven, wanneer ik het waag voor u de geheime smart en de zorgvuldig bedekte «uscre van mijn huis open te leggen! Het geslacht der graven Rhedern is oud, roemvol en verheven. Mijn vaderen zijn altoos l ijk aan deugden, maar nooit aan geld geweest. Het schijnt, als of hun altoos slechts de deugd der spaarzaamheid ontbroken heeft; zij waren te grootmoedig om iemand het een of ander verzoek te kunnen weigeren; te edelen

ocr page 10

8

te trolsch om hun grafelijk huis naar de eischen van hun gering vermogen in te richten. Zij hielden uiterlijk den graventitel en den rang van hun huis staande en knaagden daarbij in het geheim en ongezien aan de broodkorst hunner armoede. Zoo is het van vader op zoon gegaan; zoo zijn de schulden steeds grooter geworden, de inkomsten verminderd en wanneer ik nu niet besluit, door een grooten slag aan dezen nood. een einde te maken, wanneer ik niet, zoo als wijlen koning Alexander, den moed heb, dezen Cordiaanschen knoop door te hakken, in plaals van hem langzaam uiteen te rafelen, zal ik het hof en den adel spoedig het verschrikkelijk schouwspel geven, dat een graaf Rhedern gedwongen wordt, zijn hotel, zijne équipage, zijne meubelen en bedienden af te schaffen, om voortaan als een bedelaar te leven.quot;

„Ach,quot; dat is inderdaad eene treurige en dringende reden,quot; riep de koningin vol deelneming. „Maar zijn er onder onzen adel dan geene rijke erfdochters, wier vermogen u redden kon?quot;

„Geene, uwe majesteit, die zoo als mejuffrouw ürguelin, mij een vermogen van drie millioen kan aanbrengen.quot;

„Drie millioen! Dat is veel, en nu begrijp ik volkomen, waarom gij gedwongen zijt mejuffrouw Orguelin te trouwen! Ik geef u mijne toestemming en ik beloof u, dat ook mijn zoon, de koning, u die niet weigeren zal. Maak dus uwe toebereidselen en vrees niets. Ik blijf u borg, dat de koning u niet zal weigeren!quot;

„O, als uwe majesteit dat zegt, ben ik van deze zijde van mijne zaak zeker,quot; riep de graaf Rhedern diep zuchtende.

„Hoe? En nochtans zucht gij, graaf?quot;

„Uwe majesteit, er ontbreekt nog eene andere toestemming tot mijn huwelijk; er ontbreekt mij nog het jawoord der bruid. En aan dit jawoord is eene voorwaarde verbonden, welke wederom slechts door de genade van uwe majesteit kan vervuld worden!quot;

De koningin lachte. „Nu waarlijk, dat is een zonderlinge bruidstaat. Gij spreekt in vollen ernst van uw aanstaand huwelijk en zijt nog niet eens verloofd. Gij spreekt van uwe bruid, maar mejuffrouw Orguelin heeft u nog niet eens het jawoord gegeven, en of zij het doen zal, hangt van mij af, zegt gij ?quot;

ocr page 11

9

„Ja, uwe majesteit! Want dit meisje, dat zoo trotsch op hare drie millioenen is, alsof het de oudste en heerlijkste stamboom was, dit meisje wil slechts onder die voorwaarde mijne gemalin worden, dat zij door het hof plechtig erkend worde en tot alle bolleesten, volgens haren rang als gravin Rhedern, toegang hebbe!quot;

,,Nu waarlijk, dat is eene stoute aanmatiging *quot; p.ep de koningin, terwijl haar voorhoofd betrok. „Eene vmifeeliers-dochter, die haar overmoed zoover drijft, aan het hof des konings van Pruisen te willen verschijnen, üat zal nooit gebeuren, nooit zal ik zulk eene nieuwigheid voorspreken, want zij is verderfelijk en in staat om het aanzien van den adel te verzwakken en deze zijn hoogste en schoonste voorrecht, de koningin alleen te kunnen naderen, te onttrekken en in minachting te brengen Dit punt is het, dat mij belette, den zoogenaamden graaf Réal aan mijn hof te ontvangen, alhoewel mijn zoon, de. koning, hem vrijen toegang tot het zijne vergund had, en het, zoo als ik zeer goed weet, gaarne zien zou, dat ik den graaf van zijne uitvinding ook aan mijn hof wilde dulden. Maar als koningin en als dame mag ik het niet doen! Er moet een slagboom blijven die het koningschap van het lage en gemeene volk scheidt, en slechts de reine, onvervalschte en onbevlekte adel kan dezen slagboom vormen. Gij ziet dus, mijn arme graaf, dat ik voor dezen keer, uw verzoek niet vervullen kan!quot;

„Och, uwe majesteit,quot; smeekte de graaf met gevouwen handen. „Heb medelijden met mij! Dat uwe majesteit zich herinnere, dat ik in het verderf gestort, dat ik een bedelaar ben, wanneer deze verbintenis mislukt, wanneer ik de drie millioen van mejulïrouw Orguelin niet huwen kan.quot;

„Ach, het is ook zoo, dat had ik vergeten,quot; zei de koningin peinzend.

„Buitendien,quot; vervolgde de graaf moediger, „buitendien is dit een geheel ander geval en ik geloof niet, dat mijne verhevene koningin hier een beginsel moet beschermen, zoo als dit met den soi-disant graaf Réal het geval is! Een man vertegenwoordigt altijd zich zelf en zijn geslacht en geene macht der wereld kan hem edeler en beter bloed in de aderen geven, dan er eenmaal in vloeit. Maar met eene vrouw is het geheel wat anders, zij ontvangt den

ocr page 12

10

naam van haar gemaal en wordt door zijn stand gedragen; zij wordt bloed van zijn bloed en kan den adel van zijn naam niet te kort doen. De zonen der gravin Rhedern zullen toch altoos weder graven zijn, al is ook hunne moeder uit geen adellijk geslacht gesproten, en hun grafelijk wapen door een dwarsbalk ontsierd!quot;

• „Het is waar,quot; zei de koningin, „het is een ander geval dan toet den avonturier Réal. De rang van haar gemaal zoude in staat zijn, een sluier te werpen over de geringe geboorte van deze nieuwbakken gravin!quot;

„En uwe majesteit zou in hare genade de zegenrijke beschermvrouw van onze familie worden,quot; zei graaf Rhedern op zoet vleienden toon. „Uwe majesteit zou niet alleen mijn huis weder in grafelijken glans en aanzien verheffen, maar zou ook voor het land deze drie millioen van mejuffrouw Orguelin behouden; want in geval ik niet in staat ben deze voorwaarde, mij door deze vrouwelijke Croesus gesteld, te houden en haar entree bij het hof te verschaffen, zal mejuffrouw Orguelin een jong, rijk Hollander trouwen, een handelsvriend van haar vader die persoonlijk hier heen gekomen is, om de hand zijner dochter te vragen.quot;

„Och, als dat zoo is, dan wordt het bijna tot plicht, u dit meisje te geven, om hare millioenen niet uit het land te laten gaan,quot; zeide de koningin glimlachend. „Wees dus onbezorgd, graaf, uw verzoek zal vervuld worden en die kleine Croesus, welke zoo zeer verlangt aan het hof te verschijnen, zal haar zin hebhen! Ik zal nog heden met mijn zoon, den koning, het noodige afspreken en gij kunt, bij voorbaat, van zijne toestemming verzekerd zijn.quot;

En de koningin, die zich gelukkig en trotsch gevoelde eene gelegenheid te hebben aan het hof te toonen, welken in vloed zij op haar koninklijken zoon had, reikte met een genadigen glimlach den graaf hare hand tot een kus en luisterde met welgevallen naar de hartstochtelijke uitingen zijner dankbaarheid en genegenheid.

Toen gaf zij hem met genadigen knik zijn afscheid en beval hem mevrouw van Rrandt wier vrooiijke stem zij sedert lang vernomen had, en die juist weder de hofdames en cavaliers door eene barer puntige en kluchtige anecdoten aan het lachen maakte, bij haar te roepen.

ocr page 13

11

Terwijl de hofmaarschalk als een pijl weg \ loog, om de bevelen zijner koninklijke gebiedster te vervullen, ging de koningin peinzend en glimlachend verder. Nu men haar een weinig veroorloofde koningin te zijn, nu wakkerde ook de vrouw in haar op; zij vond liet zeer vermakelijk en verrukkelijk bij de minnarijen der hovelingen het spel een weinig in hare handen te hebben en als weldadige toover-godin de bemiddelaarster der liefde en van het huwelijk te zijn! Twee der aanzienlijkste graven hadden heden om hare ondersteuning gesmeekt; voor beiden moest zij als voorspraak optreden; beiden verlangden van haar het geluk en de schitterende toekomst van hun huis.

De koningin gevoelde zich, zoo als gezegd is, gevleid en opgewekt door deze uitnoodigingen, en zij was daarom in de beste en genadigste luim, toen zij mevrouw van Brandt ontving en het gesprek met haar begon.

In den beginne waren het slechts onverschillige zaken, welke het voorwerp van haar onderhoud uitmaakten; maar-mevrouw van Brandt, wist zeer goed, waarom de koningin haar de eer van een bijzonder gesprek had toegestaan; zij hield de vonk in gereedheid, welke de mijn moest doen ontploffen, die zij onder het geluk en de liefde van de arme Laura van Pannewitz had aangelegd.

„Weet gij,quot; vroeg de koningin plotseling, „weet gij, dat wij een verliefd paar aan het hof hebben?''

„Een verliefd paar!quot; herhaalde mevrouw van Brandt met zulk eene uitdrukking van schrik en verbazing, dat de koningin er door getroffen werd.

„Mijn hemel!quot; zei zij glimlachend, gij verschrikt zoodanig, dat men haast zou denken, dat wij hier in een klooster leefden en dat het eene misdaad ware, hier van liefde en trouwen te spreken. Of was het soms een beetje ergernis, dat gij van deze liefdesbetrekking nog niets wist?quot;

„O, vergeving, uwe majesteit,''zei mevrouwvan Brandt half luide, „ik kende die liefdesbetrekking wel, maar ik kon niet vermoeden, dat ook uwe majesteit daarvan kennis droeg.quot;

„Gij weet het dus? Nu ja, freule van Pannewitz is immers uwe vriendin; het is dus zeer natuurlijk dat zij u tot vertrouwde van haar liefde gemaakt heeft.quot;

„Ja wel, ik ben de vertrouwde van deze ongelukkige en

ocr page 14

12

treurige liefde geweest,quot; zeide mevrouw van Brandt zuchtende, „maar uwe majesteit kan verzekerd zijn, dat ik geene overredingskracht, geene gebeden, ja zelfs geene bedreigingen gespaard heb, om dat arme, dweepzieke, jonge meisje van deze heillooze en treurige liefde af te brengen.quot;

„Nu, die moeite hadt gij kunnen sparen,quot; zei de koningin glimlachend; „en deze liefde is niet, zooals gij zegt, eene treurige en heillooze, maar eene gelukkige! Graaf Voss was heden morgen hier en heeft bij mij om de hand van freule van Pannewitz gevraagd.quot;

„Arme, ongelukkige Laura'.''zuchtte mevrouw van Brandt.

„Hoe,quot; riep de koningin, „gij beklaagt haar nog, daar ik u toch zeg. dat hare liefde geene ongelukkige, maar eene gelukkige is, dat graaf Voss haar deelt en om hare hand vraagt?quot;

„Maar wat heeft graaf Voss met Laura's liefde te deelen?'' zeide mevrouw van Brandt met zulk een goed gespeelde verbazing, dat de argelooze koningin wel misleid moest worden.

„Wel, dat is eene wonderlijke vraag;,quot; riep de koningin schouderophalend. „Zoo even vertelt gij mij, dat freule van Pannewitz eene ongelukkige liefde voor graaf Voss koestert en nu ik u zeg dat de graaf mij zoo even om de hand mijner hoffreule verzocht, heeft, vraagt gij mij heel verbaasd wat dan graaf Voss met Laura's liefde gemeen heeft.quot;

„Vergeving, majesteit,quot; zuchtte mevrouw van Brandt, „ik zei niet, dat mijne arme vriendin den graaf Voss beminde!''

.,Hoe!'' riep de koningin ongeduldig, „het is dus niet de graaf Voss. Mijn hemel! Wien bemint zij dan en wie is hij die haar zulk eene ongelukkige en treurige liefde heeft kunnen inboezemen? Kent gij hem? Weet gij zijn naam?quot;

,,Majesteit, ik ken hem, maar ik heb met een heiligen eed op den bijbel beloofd, hem nooit over mijne lippen te laten komen!quot;

„Dat was zeer ondoordacht van u, zulk eene gelofte te doen,quot; zei de koningin ongeduldig.

„Het was mijne vriendin, uwe majesteit, die het van mij eischte en bij den aanblik van haar verdriet en hare tranen durfde ik naar verzoek niet weigeren, door welks vervulling ik haar ten minste den treurigen troost kon verschaffen hare klachten en hare smart aan de borst van eene trouwe

ocr page 15

13

en zwijgende vriendin uit te'storten. Maar j uist deze vriendschap legt mij de verplichting op, maakt het mij ten heiligen plicht, uwe majesteit te smeeken het verzoek van den graaf Voss met al de middelen uwer koninklijke macht te ondersteunen, en mijne arme Laura, wanneer het zijn moet, zelfs tot een huwelijk met hem te dwingen.quot;

„Hoe? Gij zegt, dat zij een ander bemint, en toch wilt gij dat men haar dwingen zal den graaf Voss te huwen?quot;

„Er is geen ander middel, uwe majesteit, om onheil en schande van liet hoofd mijner dierbare Laura af te wenden; geen ander middel om twee edele, grootmoedige harten tegen de afdwalingen van hun heilloozen hartstocht te behoeden. Laura is het meest kuische, edelste en deugdzaamste meisje; maar zij bemint — en tegenover hare tranen, de vervoeringen van den toorn, den hartstochtelijken gloed des geliefden, wordt ten laatste elke vrouw zwak en luistert naar geene andere stem, dan naar die des geliefden.quot;

„Dus wordt deze liefde beantwoord ?quot; vroeg de koningin verbaasd.

„O, uwe majesteit, tegen eene onbeantwoorde liefde zou Laura wel door haar maagdelijken trots beschermd blijven.quot;

„En toch noemt gij deze liefde eene heillooze en treurige.quot;

„Ik noem haar zoo, en zij is het ook; want onoverkomelijke hinderpalen staan in den weg; een afgrond ligt tusschen deze beide minnenden, waarover zij elkander nooit de hand zullen kunnen reiken, maar waarin zij zich zullen moeten storten, om vereenigd te worden! Elk woord, dat deze beklagenswaardige ongelukkigen van hunne liefde spreken is eene misdaad, ja — een hoogverraad.quot;

„Een hoogverraad?quot; riep de koningin, wier oogen nu van toorn en schrik fonkelden. „Ah, nu begrijp ik u. Dat overmoedige, trotsche meisje waagt het hare oogen zoo hoog te verheffen, als slechts eene prinses van den bloede mag doen. In den hoogmoed barer schoonheid denkt zij wellicht hier eene La Vallière of zelfs eene Maintenon te kunnen worden. Ja, nu begrijp ik alles. Hare smachtende bleekheid, hare zuchten, haar weemocdigen glimlach, haar blozen en verbleeken van vroeger, toen ik haar zeide, dat heden de koning met zijn hof hier zou komen! Ja,ja,zoo is het, de freule van Pannewitz bemint den —quot;

„O, uwe majesteit,quot; riep mevrouw van Brandt smee-

ocr page 16

u

kende, „heb de genade van den naam niet uit te spreken. Ik moet hem loochenen en dat zou eene misdaad tegen uwe majesteit zijn, en wanneer ik hem erkende, moest ik mijn heiligen eed, mijne vriendschap ontrouw worden! Uwe majesteit heeft in hare wijsheid begrepen, wat ik slechts met halve woorden waagde aan te duiden, en mijne verhevene koningin weet nu, waarom mij een spoedig huwelijk met den graaf Voss als het eenige redmiddel toeschijnt voor deze beide edele en groote harten, die anders in smart en verlangen zouden verkwijnen, of onder een hartstocht bezwijken, die voor hun overleg en plichtgevoel te sterk is.quot;

„Nog in dit uur zal freule van Pannewitz moeten besluiten de bruid van den graaf Voss te worden,quot; riep de koningin gebiedend. „Wee haar, wanneer zij het waagt te weigeren; wanneer zij, in haar vermetelen overmoed, zoo ver gaat, bij eene liefde te volharden, die ik, met de ge-heele macht van mijn koninklijken wil, besloten heb te vernietigen.quot;

„Moge uwe majesteit geheel de inspraak van uwe wijsheid en van uwen koninklijken geest volgen! Alleen smeek ik uwe majesteit om de genade, de arme Laura niet te zeggen, door wie uwe majesteit haar noodlottig geheim vernomen heeft!quot;

„Dat beloof ik u!quot; zei de koningin, die in het ongeduld van haar toorn nu met ongewone snelheid, hare koninklijke waarde geheel vergetende, zich omkeerde en recht op haar gevolg toesnelde, dat, bij hare nadering, schuw en eerbiedig bleef staan en zich aan weerszijden van de laan schaarde.

Maar in hetzelfde oogenblik zag men een der van gouden lissen blinkende koninklijke lakeien van den kant van het kasteel komen, die zich haastig tot de dienstdoende hofdame, freule van Pannewitz, wendde en haar eenige woorden toefluisterde.

Dadelijk snelde freule van Pannewitz naar de koningin en diep neigende zeide zij: „Hare majesteit de regeerende koningin is juist voorgereden en vraagt of uwe majesteit genegen is haar te ontvangen.quot;

De koningin antwoordde niet dadelijk. Zij zag met eene verpletterende uitdrukking van verachting op het jonge

ocr page 17

15

meisje neder, dat, geheel berusting en ootmoed, met neergeslagen blik voor haar stond, en, hoewel zij niet tot de koningin opzag, toch den druk en de zwaarte van haar verachtelijken blik scheen te voelen, want zij bloosde diep, en eene uitdrukking van smart en angst zweefde over hare trekken.

De koningin vond, dat Laura met dien blos er betoove-rend schoon uitzag; zij had haar in de drift van haar toorn wel willen vertrappen, om haar te straffen voor deze aanmatigende en verraderlijke schoonheid. Zij gevoelde, dat het onmogelijk was nog langer te zwijgen, nog langer de beslissing uit te stellen. De krater van haar toorn rookte en flikkerde in heldere vuurzuilen en moest zich in een verdelgenden en vernietigenden lavastroom uitstorten. De koningin was nu weder eene driftige, niets sparende vrouw, die zich door niets anders dan door haar hartstocht en beleedigenden trots liet leiden.

„Ik ga om hare majesteit te ontvangen,quot; zeide Sophie Dorothea met bevende lippen. „Hare majesteit is zonder ceremonieel gekomen, wij kunnen haar dus evenzoo ontvangen. Blijft dus allen hier. Alleen freule van Pannewitz zal mij vergezellen.quot;

II.

HET HUWELIJKSVOORSTEL.

De eerste begroeting der beide koninginnen was afge-loopen, de eerste vragen der beleefdheid en der étiquette waren gewisseld. Sophie Dorothea had koningin Elizabeth Christine hare hand gereikt en haar in de kleine zaal naast de tuinzaal geleid, in welke de koningin-moeder gewoonlijk den meer vertrouwelijken kring van haar hof placht te ontvangen. De deuren naar de tuinzaal stonden open en men zag daar de beide hofdames der rcgeerende koningin.

ocr page 18

16

die naast Laui'a van Pannewitz stonden en nu en dan eenige fluisterende woorden en vragen tot de holfreule richtten, waarop zij een nauwelijks hoorbaar antwoord gaf. De vertoornde, verpletterende blik der koningin had Laura's hart doen sidderen en haar met somberen, verschrikkelij-ken angst vervuld. Zij vermoedde, dat de beslissing van haar lot naderde en zij bad tot God, haar kracht te geven om niet onder den slag te bezwijken. Maar toch beefde zij niet voor zich zelve, doch alleen voor haar geliefde, en slechts voor hem had zij besloten het ergste te verduren en het ongeluk moedig te trotseeren. Zij wilde niet sterven, niet bezwijken, want zij wist, dat het zijn dood tevens zijn zoude. Zij herhaalde bij zich zelve den eed der liefde, der onwankelbare trouw, dien zij hem gezworen had en zwoer dien op nieuw.

Plotseling hoorde zij de rauwe en gebiedende stem der koningin-moeder, die haar naam riep; en opziende zag zij haar in de deur van de naaste zaal staan.

„Ik verzoek de dames der koningin zich in den tuin naar mijne hofdames te begeven. Gij, freule van Pannewitz, blijft hier, wij moeten u spreken.quot;

De dames neigden diep en verlieten de tuinzaal; Laura van Pannewitz bleef alleen achter. Zij stond recht op met gevouwen handen midden in de zaal. Haar gelaat was doodsbleek, hare lippen trilden; maar hare oogen, welke ten hemel geslagen waren, hadden een boven-aardscben glans, en fonkelden van heldhaftige, dweepende geestdrift.

Toen nu de stem der koningin Sophie Dorothea haar naam noemde, drukte zij hare beide handen op haar hart, als wilde zij de onstuimige en angstige kloppingen bedwingen, en, met haar hoofd op de borst, volgde zij ootmoedig en onderworpen de roepstem barer gebiedster.

Aan de deur der tweede zaal bleet zij staan, en verwachtte zwijgend en gelaten de verdere bevelen der koningin. Toen deze niet dadelijk sprak bief Laura haar gezonken hoofd weder op, en richtte hare schuwe blikken op de beide koninginnen, die tegenover de deur op den divan zaten. Beider oogen waren op haar gericht. De blik der koninginmoeder was trotsch en gestreng en een verachtelijke glimlach zweefde om hare lippen, terwijl Elizabeth Christine

ocr page 19

17

met de uitdrukking van eindelooze zachtmoedigheid, van deelnemend medelijden het arme meisje beschouwde, dat, als eene door den storm geknakte lelie, teeen de deur leunde.

„Freule van Pannewitz,quot; zeide Sophie Dor-othea na eene lange pauze, „ik heb u geroepen, omdat ik met u eene zaak van belang te bespreken had en daar zij geen uitstel duldt, heeft have majesteit mij vergund, deze in hare tegenwoordigheid af te doen. Iloor mij dus oplettend aan en wik elk mijner woorden! Ik heb u tot nog toe met goedheid en vriendelijkheid behandeld; ik heb mij jegens u steeds als eene goede meesteres, eene moederlijke vriendin betoond, daarom eisch ik ook nu van u eene onbeperkte, zwijgende gehoorzaamheid, waarop ik, als uwe koningin en uwe meesteres, aanspraak heb. Gij zijt uit eene edele en aanzienlijke familie geboren; maar zij is arm én niet in staat hare kinderen op eene schitterende en waardige wijze te ondersteunen. Daarom heb ik u bij mij genomen en daarom wil ik uwe toekomst verzorgen, welke, zoo God wil, schitterend en gelukkig zijn zal. Een rijk en edel cavalier heeft bij mij om uwe hand gevraagd, en daar het eene zeer geschikte en voordeelige partijls, heb ik zijn huwelijksvoorstel voor u aangenomen en hem van uwe toestemming verzekerd.quot;

De koningin zweeg en zag vorschend naar het jonge meisje, dat nog altoos met het hoofd op de borst gezonken tegen de deur leunde. Deze stomme gelatenheid, deze stille onderwerping hinderde de koningin en was weinig geschikt haar toorn te doen bedaren. Zij hield dat zwijgen voor trots, dien ootmoed voor hoofdigheid.

„Zijt gij in het geheel niet nieuwsgierig den naam van uw aanstaanden gemaal te vernemen?quot; vroeg zij scherp. „Of boeit misschien de vreugde uwe tong, en belet zij u mij den dank te betuigen, dien gij mij voor mijne moederlijke bezorgdheid verschuldigd zijt.quot;

„Vergeving, uwe majesteit,quot; zeide Laura, haar zachten blik met eene smeekende uitdrukking op het koude en gestrenge gelaat der koningin vestigende, „het is geene vreugde, welke mijne tong boeit, maar slechts eerbied voor uwe majesteit. Ik gevoel volstrekt geene vreugde.quot;

„Gij gevóelt volstrekt geene vreugde ?quot; riep de koningin,

Mlihlbaoh, Frederik de Oroote en zijn Hof. II. 2

ocr page 20

-18'

met het wreede genot eener leeuwin, die haar vijand' nu genoeg nabij ziet komen, om den strijd met hem te beginnen en hem te verpletteren. „Nu, dan zult gij u zonder vreugde in uw huwelijk moeten schikken, dat is alles. Kn daar gij zoo verheven boven alle vrouwelijke zwakheden zijt, van niet eens nieuwsgierig te zijn, zal ik u hem noemen, wiens bruid gij zijt, opdat gij soms niet in de eene of andere dwaling mocht vervallen, en misschien in uwe teergevoeligheid een ander met uwe omhelzing gelukkig maken, in plaats den voor u bestemden gemaal!quot;

Laura stiet een zachten kreet uit, en hare wangen, welke tot nog toe kleurloos geweest waren, werden met het gloeiend purper der schaamte bedekt.

„Heb medelijden, uwe majesteit!quot; fluisterde Elizabeth Christine, hare hand zachtjes op den schouder der koningin leggende. „Zie eens hoe het arme meisje lijdt.quot;

Sophie Dorothea haalde hare schouders op. „Och, wat, hebben wij allen niet in ons leven geleden?quot; zeide zij achteloos. „Is er wel eene vrouw, die niet de helft van haar hart in tranen verteerd heeft?-'

„Dat is waar,quot; fluisterde de koningin, „het is het treurige voorrecht der vrouwen, te weenen en te lijden.quot;

De koningin-moeder wendde zich weder tot Laura, die met moeite hare tranen teruggedrongen had en nu weder zachtmoedig en nederig voor haar stond.

„Nu?quot;' vroeg Sophie Dorothea, „behaagt het u nog niet den naam van uw verloofde te vragen? Ik zal hem u dan maar noemen! Let goed op; het is de graaf Voss, die u tot zijne gemalin gekozen heeft, en voortaan zult gij uw hart en uwe liefde hem alleen mo£fen schenken!quot;

Nu sloeg Laura hare oogen weder op deze trotsche en bevelende koningin; maar de blik van het jonge meisje was niet meer zachten smoekend, maar beraden en vast. De heersch-zuchtige behandeling der koningin had, in plaats van de zachte, buigzame en gevoelige ziel van het meisje te verschrikken, haar gemoed verstaald en haar de onschendbare vrijheid van den mensch terug gegeven.

„Uwe majesteit,quot; zeide zij zacht maar beraden, „de liefde kan niet op bevel en naar willekeur weggeschonken worden.quot;

„Daarmede wilt gij zeggen, dat gij den graaf Voss niet

ocr page 21

21

terwijl gij mijn geheim verraadt, dat in uw mond tot eene aanklacht, tot eene beschuldiging tegen mij wordt. Laat mij aan den afgrond der schande blijven staan, tot welken uwe majesteit mij geslingerd heeft, toen gij mij eene boe-leerster noemdet. Zulk een onteerd, vertrapt schepsel kan niet meer de eer deelen, uwe majesteit te mogen naderen. r»Dat zie ik in, en ik bid u nederig om mijn ontslag, niet zooals uwe majesteit wellicht denkt, om een gelukkig en onafhankelijk, al is het dan ook een schandelijk leven te leiden, maar om mij in den een of anderen stillen hoek der wereld te verbergen, waar ik alleen en ongezien, maar ook ongehoond den schoonen en onschuldigen droom mijns j levens kan beweenen, uit welken uwe majesteit mij met f, zulke harde woorden heeft doen ontwaken.''

v Zij was buitengewoon schoon in deze knielende houding, lt; met die opgeheven armen, met dat edel, doorschijnend | bleeke, door tranen besproeide gelaat. Sophie Dorothea zag Theb', dat ik den graat r» J^bLtterd. en_ in

dat ik hem nooit huwen zal.quot;

De koningin stoof op, als had een adder haar gebeten. „Niet zal huwen!quot; herhaalde zij met eene heesche, verstikte stem. „Maar ik zeg u, dat gij hem zult trouwen, al moest ik u met geweld voor het altaar laten slepen.quot;

„Dan zou ik voor het altaar nog neen zeggen!quot; riep het jonge meisje, haar van geestdrift stralend gelaat ten hemel heffend.

De koningin stiet een dotïen kreet uit en vloog van hare zitplaats op. De leeuwin was op het punt zich op hare prooi te werpen en haar te verscheuren.

Maar Elizabeth Christine legde hare hand op den reeds opgeheven arm der koningin en hield haar met zacht geweld terug. „Uwe majesteit,quot; duisterde zij, „wat wilt gij doen? Gij kunt dit arme kind niet willen dwingen, tegen haar zin te trouwen; en daar zij den graaf Voss niel bemint, is zij in haar recht, wanneer zij hem hare hand weigert.quot;

„Ha! Gij verdedigt haar nog!' riep Sophie Dorothea uiterst verbitterd door den tegenstand der koningin. „Gij vermoedt dus niet, waarom zij weigert, den graaf te huwen ? Gij begrijpt dus niet, dat wanneer eene arme, afhankelijke hoifreule weigert, de hand van een rijken, onberispelijken

ocr page 22

IS1

met het wreede genot eener leeuwin, die haar vijand'nu genoeg nabij ziet komen, om den strijd met hem te beginnen en hem te verpletteren. „Nu, dan zult gij u zonder vreugde in uw huwelijk moeten schikken, dat is alles. Kn daar gij zoo ver lieven boven alle vrouwelijke zwakheden zijt, van niet eens nieuwsgierig te zijn, zal ik u hem noemen, wiens bruid gij zijt, opdat gij soms niet in de eene of andere dwaling mocht vervallen, en misschien in uwe teergevoeligheid een ander met uwe omhelzing gelukkig maken, in plaats den voor u bestemden gemaal!quot;

Laura stiet een zachten kreet uit, en hare wangen, welke tot nog toe kleurloos geweest waren, werden met het gloeiend purper der schaamte bedekt.

„Heb medelijden, uwe majesteit!quot; fluisterde Elizabeth Christine, hare hand zachtjes op den schouder der koningin leggende. „Zie eens hoe het arme meisje lijdt.quot;

Sophie Dorothea haalde hare schouders op. „Och, wat, hebben wij allen niet in ons leven geleden?quot; zeide zij achteloos. „Is er wel eene vrouw, die niet de helft van haar hart in tranen verteerd heeft?''

„Dat is waar,quot; fluisterde de koningin, „het is het treurige voorrecht der vrouwen, te weenen en te lijden.quot;

De koningin-moeder wendde zich weder tot Laura, die met moeite hare tranen teruggedrongen had en nu weder zachtmoedig en nederig voor haar stond.

„Nu?quot; vroeg Sophie Dorothea, „behaagt het u nog niet den naam van uw verloofde te vragen? Ik zaliiem u dan maar noemen! Let goed op: het is de graaf Voss, die u tot zijne gemalin gekozen beeft, en voortaan zult gij uw hart en uwe liefde hem alleen mogen schenken!quot;

Nu sloeg Laura hare oogen weder op deze trotsche en bevelende koningin; maar de blik van het jonge meisje was niet meer zachten smcekend, maar beraden en vast. De heersch-zuchtige behandeling der koningin had, in plaats van de zachte, buigzame en gevoelige ziel van het meisje te verschrikken, haar gemoed verstaald en haar de onschendbare vrijheid van den mensch terug gegeven.

„Uwe majesteit,quot; zeide zij zacht maar beraden, „de liefde kan niet op bevel en naar willekeur weggeschonken worden.quot;

„Daarmede wilt gij zeggen, dat gij den graaf Voss niet

ocr page 23

at ik hem nooit huwen zal.quot;

De koningin stoof op, als had een adder haar gebeten. „Niet zal huwen!quot; herhaalde zij met eene heesche, verstikte stem. „Maar ik zeg u, dat gij hem zult trouwen, al moest ik u met geweld voor het altaar laten slepen.quot;

„Dan zou ik voor het altaar nog neen zeggen!quot; riep het jonge meisje, haar van geestdrift stralend gelaat ten hemel heffend.

De koningin stiet een dotïen kreet uit en vloog van hare zitplaats op. De leeuwin was op het punt zich op hare prooi te werpen en haar te verscheuren.

Maar Elizabeth Christine legde hare hand op den reeds opgeheven arm der koningin en hield haar met zacht geweld terug. „Uwe majesteit,quot; fluisterde zij, „wat wilt gij doen ? Gij kunt dit arme kind niet willen dwingen, tegen haar zin te trouwen; en daar zij den graaf Voss niet bemint, is zij in haar recht, wanneer zij hem hare hand weigert.quot;

„Ha! Gij verdedigt haar nog!' riep Sophie Dorothea uiterst verbitterd door den tegenstand der koningin. „Gij vermoedt dus niet, waarom zij weigert, den graaf te huwen? Gij begrijpt dus niet, dat wanneer eene arme, afhankelijke holfreule weigert, de hand van een rijken, onberispelijken

ocr page 24

Laura van Pannewitz stiet eon gillenden kreet uit en hare armen ten hemel heffende, riep zij; „Mijn God, mijn God, moet ik dat hooren, en ik besterf het niet!quot;

De koningin-moeder barstte in een woest, honend gelach uit. Maar Elizabeth Christine beschouwde vragend en verwonderd dit tooneel, waarvan zij niets begreep, en dat nochtans om zijn treurigen indruk haar hart schokte en roerde.

„Dat is eene zeer wreede en harde beschuldiging,quot; zeide zij, „welke uwe majesteit daar over het hoofd van dit arme meisje uitstort. Wij willen hopen, dat de freule zich kan rechtvaardigen!quot;

„Zich rechtvaardigen!quot; riep de koningin-moeder. „Zie haar aan ! Zie, hoe mijne woorden verpletterend neergekomen zijn en haar trotsch en hoofdig hart vernederd hebben. Geloof mij, Elizabeth, die dame daar, die gij zoo grootmoedig uw medelijden betoont, begrijpt mijne woorden beter dan uwe majesteit en weet zeer goed, waarvan ik baai-beschuldig. Maar ook gij, mijne dochter, gij moet het weten, want ook gij hebt er aanspraak op, gij. . . .quot;

„O, uwe majesteit, erbarming!quot; riep Laura op hare knieën zinkende en hare armen smeekend naar de koningin uil-stekend. „Spreek niet verder! Verneder mij niet nog dieper,

ocr page 25

21

terwijl gij mijn geheim verraadt, dat in uw mond lot eene aanklacht, tot eene beschuldiging tegen mij wordt. Laat mij aan den afgrond der schande blijven staan, tot welken uwe majesteit mij geslingerd heeft, toen gij mij eene boe-leerster noemdet. Zulk een onteerd, vertrapt schepsel kan niet meer de eer deelen, uwe majesteit te mogen naderen. rjDat zie ik in, en ik bid u nederig om mijn ontslag, niet zooals uwe majesteit wellicht denkt, om een gelukkig en onafhankelijk, al is het dan ook een schandelijk leven te leiden, maar om mij in den een of anderen stillen hoek der wereld te verbergen, waar ik alleen en ongezien, maar ook ongehoond den schoonen en onschuldigen droom mijns levens kan beweenen, uit welken uwe majesteit mij met zulke harde woorden heeft doen ontwaken.''

v Zij was buitengewoon schoon in deze knielende houding, ' met die opgeheven armen, met dat edel, doorschijnend bleeke, door tranen besproeide gelaat. Sophie Dorothea zag het en gevoelde zich daardoor nog meer verbitterd en in eene nog wreeder stemming gebracht.

„Hoe, gij waagt het nog mij verwijlingen te doen!quot; riep zij met honenden lach. „Gij hebt dus nog zooveel bewustzijn van uwe schande, dat gij ervoor terugbeeftom te hooren,hetgeene gij u niet ontzaagt te doen. Hoor, mijne dochter, gij, die zulk een medelijden met deze dame hebt, gij zelve zult, wanneer ik gesproken heb, haar vervloeken en veroordeelen, zooals ik doe, en zoo als gij het volste recht hebt te doen ! Geloof mij, Elizabeth, ik ken al uw lijden; ik ken de geheime geschiedenis van uw zoo edel, verheven en zwijgend hart! Vraag nu dat meisje naar uw kommer en uwe smarten. vraag haar naar de redenen van uwe tranen en van uwe eenzame, treurige nachten. Vraag van haar uw verstoord levensgeluk, uwe teleurgestelde verwachtingen; vraag van haar uw huwelijksgeluk en uwe zielerust! Freule Laura van Pannewitz moet u dat alles kunnen wedergeven, omdat zij het u ontnomen heeft, want zij is de geliefde des konings!quot;

„Des konings!quot; riep Elizabeth smartelijk, terwijl Laura hare handen van haar gelaat liet glijden en de koningin met verwarden en verbaasden blik aanzag.

„Ja, des konings,quot; herhaalde Sophie Dorothea, wier heet en opgewekt bloed in zulke onstuimige golven door hare

ocr page 26

22

aderen joeg en naar haar hoofd steeg, dat hare zinnen begonnen te duizelen en zij ter nauwernood in staat was nog een schijn van uiter lijke heerschappij over zich zelve te bewaren. „Zij is de geliefde des konings en omdat zij dat is, weigert zij den graaf Voss te huwen.

Maar geduld, geduld! Nog zult. gij niet zegevieren, en wanneer gij het waagt, mijn zoon, den zoon der koningin Sophie Dorothea, den koning Frederik te beminnen, dan moet gij er tevens aan denken, dat ook eene Doortje Ritter hem beminde eu door hem bemind werd en dat men haar met zweepslagen door de straten gejaagd heeft.''

Laura van Pannewitz stiet zulk een luiden, vreeselijken kreet uit, dat zelfs de koningin-moeder een oogenblik verlegen werd en eene soort van medelijden met dit arme, verpletterde, van smart stuiptrekkende meisje gevoelde, dat daar op den grond lag, als eene gazelle, door een doodelijk schot getroffen, zich krommende onder de doode-lijke smarten en de vreeselijke pijn.

Maar zij wilde en mocht aan dat medelijden niet toegeven, geene zwakheid verraden, waarover zij zich zelve schaamde.

Zij nam de hand der jonge koningin en een laatsten, verachtelijken blik op Laura werpende, zeide zij: „Kom, mijne dochter! Kwellen wij ons niet langer met den aanblik van deze freule, wier tranen, zooals ik hoop, een gevolg van haar berouw en het bewustzijn harer schuld zijn. Mocht zij onzen rechtmatigen toorn daardoor verzoenen, dat zij nog heden besluit, vrijwillig en zonder ons tot hardere maatregelen te dwingen, de hand van den graaf Voss aan te nemen. Wij zullen dan misschien ophouden, haar te verachten. Kom, mijne dochter.quot;

Zij nam de hand der jonge koningin en geleidde haar door de zaal naar de deur aan de andere zijde, welke naar het boudoir geleidde. Sophie Dorothea sloeg driftig de zware portiére terug en was reeds het boudoir binnen getreden, maar Elizabeth Christine volgde haar niet dadelijk. Zij keerde zich om, naar die arme, verpletterde, sidderende gestalte, welke daar op den grond lag, en het gezicht van haar bleek, schoon en edel gelaat trof haar.

„Vergeef mij, uwe majesteit, wanneer ik u niet dadelijk volg,quot; zeide de jonge koningin en naar de freule wijzende,

ocr page 27

'23

zeide zij met ilauwen glimlach: „Ik zou nog gaarne eenige woorden met freule van Pannewitz wisselen, en, mij dunkt, ik heb er wel eenig recht op.quot;

De koningin-moeder gevoelde eene wreede voldoening bij deze woorden der koningin. „Ach, mijne dochter,quot; zeide zij, „dus zijn ook uwe lankmoedigheid en uw geduld ten einde, en gij gevoelt, dat hier geene vergiffenis mogelijk is, maar enkel verachting en toorn. Ja, spreek met haar! Laat haar de geheele zwaarte van uwe verontwaardiging en uwe rechtmatige verwij tingen gevoelen. Van uwe zachte lippen zullen zulke woorden voor deze misdadigster een verpletterenden indruk maken. Haast u slechts wat, gij weet dat de koning met zijn hof spoedig verschijnen zal.quot;

De koningin-moeder liet de portière weder neervallen en sloot de binnendeur van haar boudoir. Zij wilde niets hooren van het gesprek van Elizabeth met de holï'reule; zij had rust en bedaardheid noodig, om zich tot de ontvangst van den koning voor te bereiden.

III.

HET MISVERSTAND.

De jonge koningin, die men uit eene treurige, voor haar zelve gevoelige, biltere spotternij, de regeerende koningin noemde, bleef dus met freule van I-annewitz alleen.

Een oogenblik gevoelde zij zich geheel krachteloos en buiten staat om te spreken; nieuwe, geheel ongewone onstuimige gewaarwordingen ontvlamden plotseling in deze zoo zachtmoedige, zoo gelatene en gevoelige ziel; zij gevoelde in één oogenblik alle folteringen der ijverzucht, des toorns, — de vernedering van versmade liefde ïegen den wand leunende, zag zij naar haar, die nu, wel is waar, weenend en handenwringend op den grond lag, maar die toch een trotsch geluk haar eigendom noemde, om hetwelk te be-

ocr page 28

24

zitten, Elizabeth jaren levens zoude weggeschonken hebben. Eindelijk had zij haar gevonden, om wier wille zij versmaad werd; eindelijk stond zij tegenover deze benijde, gelukzalige vrouw, die door den koning bemind werd, zag zij de fiere rooveres van haar geluk, en eene woeste vreugde deed hare borst zwellen, toen zij haar zoo vernederd, zoo badende in tranen voor zich zag.

Maar deze hevige opgewektheid verdween spoedig. Elizabeth was eene te edele, teêrgevoelige vrouw, om zich lang aan zulke onstuimige en wreede gewaarwordingen over te geven. Zij gevoelde eene soort van weemoedige vreugde bij de gedachte, dat het ten minste geene koelheid des harten, maar liefde was, welke den koning van zijne gemalin vervreemdde, en in haar edel gevoel van rechtvaardigheid bekende zij zelve, dat deze vrouw, die de koning beminde, stellig schooner, bekoorlijker en verleidelijker was dan zij met hare onbevallige, koude en alledaagsche schoonheid. Hare eigene liefde voor haar gemaal was zoo vrij van alle eigenbaat, zoo vol gelatenheid en grootmoedigheid, dat zij zelfs eene soort van dankbaarheid voor deze vrouw gevoelde, die den koning, haar gemaal, dat geluk en dat genot verschafte, dat zij, zijne gemalin, hem niet had kunnen schenken.

Met eene edeie, waarlijk koninklijke uitdrukking op haar schoon gelaat naderde zij de hofdame, die nog altijd met de handen voor het gelaat weenend en kermend op den grond lag en de tegenwoordigheid der koningin volstrekt niet gemerkt had.

„Sta op,quot; zeide Elizabeth goedhartig. „Het past u niet te weenen! Eene vrouw, die door den koning bemind wordt, mag niet, zooals gij, op hare knieën liggen en klagen.quot;

Laura liet hare handen van haar gelaat glijden en zag bijna met eene uitdrukking van vreugde naar de koningin op. „God heeft dan mijn gebed verhoord. Hij wil niet, dat uwe majesteit mij verachten en mij veroordeelen zal; Hij gunt mij de genade mij voor u te mogen rechtvaardigen.quot;

„Rechtvaardigen! herhaalde Elizabeth. „O, geloof mij, in mijne oogen zijt gij reeds gerechtvaardigd. Gij zijt jong, schoon, vroolijk en geestig; gij bezit de zeldzame gave der bespraaktheid, gij hebt altijd een verstandig, geestig en vroolijk antwoord op elk puntig en aardig .gezegde bij de hand. Dat alles heeft de oplettendheid des konings op u

ocr page 29

25

gevestigd; dat alles heeft gemaakt, dat hij u lief heeft. Daarmede is alles gezegd; want het is onmogelijk dat eene vrouw, welke dan ook, hem weêrstaan kan, wanneer hij haar bemint. Ik schenk u dus vergilTenis, ik bid u slechts uwe ziel geheel en al met die ééne gedachte te vervullen, dat het uw plicht is, den koning gelukkig te maken. Dat was het, wat ik u zeggen wilde, anders niets. Vaarwel!quot;

Zij wilde gaan, maar Laura hield haar bij den zoom van haar kleed terug. „O, uwe majesteit,quot; riep zij smeekende, hoor mij aan, verlaat mij niet in die wreede verbeelding, met dit schandelijk vermoeden. Denk niet, dat ik zoo ontaard, zoo geheel van elk vrouwelijk gevoel ontdaan ben, dat ik zelfs voor de wetten der kerk en der zedelijkheid ongevoelig zou zijn. O, geloof mij slechts, dat de gemaal mijner Jioningin mij heilig is! Wanneer ik werkelijk, zooals uwe majesteit denkt, het ongeluk bad den koning anders dan met onbaatzuchtige, toegenegene liefde eener onderdane te beminnen, zou ik toch liever sterven, dan ooit iets te doen en zelfs te denken, dat tegen de geheiligde rechten van uwe majesteit streed. Hoe ongelukkig en schuldig ik ook ben, moge uwe majesteit mij toch voor geene misdadigster aanzien. Neon, uwe majesteit, ik ben niet de geliefde des konings! .Nooit heeft zijne majesteit mij ook slechts met een enkel woord, een enkelen blik onderscheiden; nooit heb ik voor hem iets anders gevoeld, dan de eer-biedigste en gehoorzaamste onderdanigheid.quot;

„Ach,quot;'zeide de koningin treurig, „gij verloochent hem ? gij hebt niet eens den moed, trotsch op uwe liefde te zijn? Gij moet u dan al heel schuldig gevoelen.quot;

„Mijn God, mijn God, zij gelooft mij niet,quot; kermde Laura, wanhopend bare handen ten hemel heffend.

„Neen, ik geloof u niet, Laura, want ik heb gezien, hoe gij ineenkrompt en verbleektet, toen de koningin u straks van deze liefde voor haar zoon beschuldigde; maar ik heb niet gehoord, dat gij eene poging deed om u te verontschuldigen.quot;

„Ik wist immers niet, dat de koningin-moeder van haar zoon Frederik sprak,quot; fluisterde Laura diep blozende, en ^Q^zacht, dat de koningin haar niet begreep.

er een God boven onsquot;ts..vervolgde Elizabeth, alle gevaren te trotseeren en alle stormen het hoofd te

ocr page 30

24

zitten, Elizabeth jaren levens zoude weggeschonken hebben. Eindelijk had zij haar gevonden, om wier wille zij versmaad werd; eindelijk stond zij tegenover deze benijde, gelukzalige vrouw, die door den koning bemind werd, zag zij de fiere rooveres van haar geluk, en eene woeste vreugde deed hare borst zwellen, toen zij haar zoo vernederd, zoo badende in tranen voor zich zag.

Maar deze hevige opgewektheid verdween spoedig. Elizabeth was eene te edele, teergevoelige vrouw, om zich lang aan zulke onstuimige en wreede gewaarwordingen over te geven. Zij gevoelde eene soort van weemoedige vreugde bij de gedachte, dat het ten minste geene koelheid des harten, maar liefde was, welke den koning van zijne gemalin vervreemdde, en in haar edel gevoel van rechtvaardigheid bekende zij zelve, dat deze vrouw, die de koning beminde, stellig schooner, bekoorlijker en verleidelijker was dan zij mei hare onbevallige, koude en alledaagsche schoonheid. Hare eigene liefde voor haar gemaal was zoo vrij van alle eigenbaat, zoo vol gelatenheid en grootmoedigheid, dat zij zelfs eene soort van dankbaarheid voor deze vrouw gevoelde, die den koning, haar gemaal, dat geluk en dat genot verschafte, dat zij, zijne gemalin, hem niet had kunnen schenken.

Met eene edeie, waarlijk koninklijke uitdrukking op haar schoon gelaat naderde zij de hofdame, die nog altijd met de handen voor het gelaat weenend en kermend op den grond lag en de tegenwoordigheid der koningin volstrekt niet gemerkt had.

„Sta op,quot; zeide Elizabeth goedhartig. „Het past u niet te weenen! Eene vrouw, die door den koning bemind wordt, mag niet, zooals gij, op hare knieën liggen en klagen.quot;

Laura liet hare handen van haar gelaat glijden en zag bijna met eene uitdrukking van vreugde naar de koningin op. „God heeft dan mijn gebed verhoord. Hij wil niet, dat uwe majesteit mij verachten en mij veroordeelen zal; Hij gunt mij de genade mij voor u te mogen rechtvaardigen.quot;

„Rechtvaardigen! herhaalde Elizabeth. „O, geloof mij, in mijne oogen zijt gij reeds gerechtvaardigd. Gij zijt jong, schoon, vroolijk en geestig; gij bezit de zeldzame gave der bespraaktheid, gij hebt altijd een verstandig, geestig en vroolijk antwoord op elk puntig en aardig gezegde bij de hand. Dat alles heeft de oplettendheid des konings op u

ocr page 31

'25

gevestigd; dat alles heeft gemaakt, dat hij u lief heeft. Daarmede is alles gezegd; want het is onmogelijk dal eene vrouw, welke dan ook, hem weerstaan kan, wanneer hij haar bemint. Ik schenk u dus vergilïenis, ik bid u slechts uwe ziel geheel en al met die ééne gedachte te vervullen, dat het uw plicht is, den koning gelukkig te maken. Dat was hot, wat ik u zeggen wilde, anders niets. Vaarwel!quot;

Zij wilde gaan, maar Laura hield haar bij den zoom van haar kleed terug. „O, uwe majesteit,quot; riep zij smeekende, hoor mij aan, verlaat mij niet in die wreede verbeelding, met dit schandelijk vermoeden. Denk niet, dat ik zoo ontaard, zoo geheel van elk vrouwelijk gevoel ontdaan ben, dat ik zelfs voor de wetten der kerk en der zedelijkheid ongevoelig zou zijn. O, geloof mij slechts, dat de gemaal mijner koningin mij heilig is! Wanneer ik werkelijK, zooals uwe majesteit denkt, het ongeluk had den koning anders dan met onbaatzuchlige, toegenegene liefde eener onderdane te beminnen, zou ik toch liever sterven, dan ooit iets te doen en zelfs te denken, dat tegen de geheiligde rechten van uwe majesteit streed. Hoe ongelukkig en schuldig ik ook ben, moge uwe majesteit mij toch voor geene misdadigster aanzien. Neen, uwe majesteit, ik ben niet de geliefde des konings! Nooit heeft zijne majesteit mij ook slechts met een enkel woord, een enkelen blik onderscheiden; nooit heb ik voor hem iets anders gevoeld, dan de eer-biedigste en gehoorzaamste onderdanigheid.quot;

„Ach,quot; zeide de koningin treurig, „gij verloochent hem ? gij hebt niet eens den moed, trotsch op uwe liefde te zijn? Gij moet u dan al heel schuldig gevoelen.quot;

„Mijn God, mijn God, zij gelooft mij niet,quot; kermde Laura, wanhopend hare handen ten hemel heffend.

„Neen, ik geloof u niet, Laura, want ik heb gezien, hoe gij ineenkrompt en verbleektet, toen de koningin u straks van deze liefde voor haar zoon beschuldigde; maar ik heb niet gehoord, dat gij eene poging deed om u te verontschuldigen.''

„Ik wist immers niet, dat de koningin-moeder van haar

zoon Frederik sprak,quot; fluisterde Laura diep blozende, en

ht. dat de koningin haar niet begreep.

• i _ . _ i i

ocr page 32

26

zullen benijden en welke ik u vergeef! Geloof niet, wat de koningin u zeide. Ik heb niets van u te eischen, want mij ontbreekt volstrekt niets; ik ween niet, ik klaag niet, ik breng mijne nachten, zooals zij zeide, niet slapeloos en weenende door; ik klaag niet over het verloren levensgeluk. Neen, ik ben tevreden en geheel met mijn lot verzoend, mits ik weet, dat de koning gelukkig is! Maar als dat eens het geval niet meer mocht zijn ; wanneer gij dien grooten en verheven plicht, om hem gelukkig te maken mocht ontrouw worden, dan, Laura, dan neem ik deze vergilfenis, welke ik u nu schenk, terug; dan zal ik voor u staan als uw vertoornd en uw bestrallend geweten; dan zal ik onverbiddelijk zijn, dan zal ik u vloeken zooals ik nu trachten wil u te zegenen! Vaarwel!quot;

„Neen, neen, gij moogt niet gaan,quot; riep Laura, diep geroerd door de edelmoedigheid en grootmoedigheid van Elizabeth. „Ik klem mij aan u vast; ik omvat uwe knieën en smeek u: Geloof mij toch! Heb toch een weinig medelijden, een weinig erbarmen met mijn lijden! Mijn God, ik lijd buitendien genoeg. Gij hebt deze vreeselijke aanklacht niet noodig, om mij te stralfen voor eene liefde, welke, zoo al strafwaardig en ongelukkig, toch geene misdadige en zondige is! Zoo waar er een God boven ons is en mij hoort: het is de koning niet, dien ik bemin ! Gij wendt uw gelaat van mij af, gij gelooft mij nog niet? O, uwe majesteit —quot;

Plotseling verstomde Laura en eene zoete huivering deed hare geheele gestalte trillen. Zij had de stem van haar geliefde vernomen; het scheen haar toe, alsof God hem tot hare redding gezonden had, om haar te reinigen van het schandelijke vermoeden, dat op haar drukte.

De zaaldeur achter haar werd geopend, en prins August Wilhelm verscheen op den drempel. Toen hij binnentrad, was zijn gelaat helder en zorgeloos; want hij was gekomen, om de koningin-moeder te bezoeken, die, men had het hem gezegd, zich in deze zaal bevond; hoewel men er bij gevoegd had, dat de koningin bevolen had, niemand aan te melden. Maar de koningin had hare zonen altijd het voorrecht vergund onaangemeld te m'w binnenkomen.

ocr page 33

29

hebben, een geheim voor uw gemaal te verbergen.quot;

„O,quot; zeide de koningin met treurigen glimlach. „Mijn geheele leven, denken en gevoelen is immers voor hem psn geheim: ik zal dus dat nieuwe treheim bü rl^ nupri/Tfi tot. een schertsenden groet, toen hij het vreemde en onverwachte tooneel voor zich zag.

Laura geknield, met een bleek, door smart vertrokken gelaat en tegenover haar de koningin, trotsch staande, in 't geheel geene poging doende, het jonge meisje uit hare knielende, deemoedige houding op te richten.

Dat, was een gezicht, dat de fiere en teedere minnaar niet verdragen kon. Het hartstochtelijk, licht opvliegende en driftige bloed der Hohenzollern ontwaakte in hem en steeg in vurige stroomen naar zijn hoofd, zoodat hij alle bedaardheid en terughouding vergat.

Met een enkelen sprong was hij naast haar, en haar met hartstochtelijke, buitengewone kracht van den grond opnemend en in zijne armen houdend, zeide hij met fonkelende oogen en eene van toorn trillende stem: ,,Wat gebeurt hier? „Wat beteekent die vreemde toestand? Waarom weent gij? Waarom ligt gij op uwe knieën, gij,die zoo heilig, onschuldig en rein zijt, dat de geheele wereld voor u moet knielen en u aanbidden? En gij, mevrouw, hoe kondt gij dulden, dat deze engel zich voor u in het stof werpt! Waarmede hebt gij het gewaagd haar te beleedigen ? Wat deedt gij haar, dat dit edele gelaat met tranen als besproeid is ? O, mevrouw, ik eisch volledige en voldoende rekenschap; ik vorder die in naam der gerechtigheid,der eer en der liefde, want Laura is mijne bruid en ik heb dus wel recht haar te verdedigen.quot;

„Ach, nu zal men mij niet meer van eene schendige liefde beschuldigen,quot; fluisterde Laura, zich krachteloos aan haar geliefde vastklemmende.

„Uwe bruid!quot; zeide de koningin met treurigen glimlach. „Ach, hoe jong en vol vertrouwen zijt gij nog, dat gij aan de mogelijkheid van zulk een verbond kunt gelooven, broeder.quot;

„Zij zal mijne gemalin worden,quot; riep de prins driftig, „dat heb ik gezworen en ik zal woord houden, zoo waar er een God boven ons is en mij hoort! Ik heb moed om alle gevaren te trotseeren en alle stormen het hoofd te

ocr page 34

2ö

zullen benijden en welke ik u vergeef! Geloof niet, wat de koningin u zeide. Ik heb niets van u te eischen, want mij ontbreekt volstrekt niets; ik ween niet, ik klaag niet, ik breng mijne nachten, zooals zij zeide, niet slapeloos en weenende door; ik klaag niet over het verloren levensgeluk. Neen, ik ben tevreden en geheel met mijn lot verzoend, mits ik weet, dat de koning gelukkig is! Maar als dat eens het geval niet meer mocht zijn ; wanneer gij dien grooten en verheven plicht, om hem gelukkig te maken mocht ontrouw worden, dan, Laura, dan neem ik deze vergillenis, welke ik u nu schenk, terug; dan zal ik voor u staan als uw vertoornd en uw bestrallend geweten; dan zal ik onverbiddelijk zijn, dan zal ik u vloeken zooals ik nu trachten wil u te zegenen! Vaarwel!quot;

„Neen, neen, gij moogt niet gaan,quot; riep Laura, diep geroerd door de edelmoedigheid en grootmoedigheid van Elizabeth. „Ik klem mij aan u vast; ik omvat uwe knieën en smeek u; Geloof mij toch! Heb toch een weinig medelijden, een weinig erbarmen met mijn lijden! Mijn God, ik lijd buitendien genoeg. Gij hebt deze vreeselijke aanklacht niet noodig, om mij te straiïen voor eene liefde, welke, zoo al strafwaardig en ongelukkig, toch geene misdadige en zondige is! Zoo waar er een God boven ons is en mij hoort: het is de koning niet, dien ik bemin ! Gij wendt uw gelaat van mij af, gij gelooft mij nog niet? O, uwe majesteit —quot;

Plotseling verstomde Laura en eene zoete huivering deed hare geheele gestalte trillen. Zij had de stem van haar geliefde vernomen; het scheen haar toe, alsof God hem tot hare redding gezonden had, om haar te reinigen van het schandelijke vermoeden, dat op haar drukte.

De zaaldeur achter haar werd geopend, en prins August Wilhelm verscheen op den drempel. Toen hij binnentrad, was zijn gelaat helder en zorgeloos; want hij was gekomen, om de koningin-moeder te bezoeken, die, men had het hem gezegd, zich in deze zaal bevond; hoewel men er bij gevoegd had, dat de koningin bevolen had, niemand aan te melden. Maar de koningin had hare zonen altijd het voorrecht vergund onaangemeld te mooen binnenkomen.

ocr page 35

tot. een schertsenden groet, toen hij het vreemde en onverwachte tooneel voor zich zag.

Laura geknield, met een bleek, door smart vertrokken gelaat en tegenover haar de koningin, trotsch staande, in 't geheel geene poging doende, het jonge meisje uit hare knielende, deemoedige houding op te richten.

Dat was een gezicht, dat de fiere en teedere minnaar niet verdragen kon. Het hartstochtelijk, licht opvliegende en driftige bloed der Hohenzollern ontwaakte in hem en steeg in vurige stroomen naar zijn hoofd, zoodat hij alle bedaardheid en terughouding vergat.

Met een enkelen sprong was hij naast haar, en haar met hartstochtelijke, buitengewone kracht van den grond opnemend en in zijne armen houdend, zeide hij met fonkelende oogen en eene van toorn trillende stem: vWat gebeurt hier? „Wat beteekent die vreemde toestand? Waarom weent gij? Waarom ligt gij op uwe knieën, gij,die zoo heilig, onschuldig en rein zijt, dat de geheele wereld voor u moet knielen en u aanbidden? En gij, mevrouw, hoe kondt gij dulden, dat deze engel zich voor u in het stof werpt! Waarmede hebt gij het gewaagd haar te beleedigen ? Wat deedt gij haar, dat dit edele gelaat met tranen als besproeid is ? O, mevrouw, ik eisch volledige en voldoende rekenschap; ik vorder die in naam der gerechtigheid, der eer en der liefde, want Laura is mijne bruid en ik heb dus wel recht haar te verdedigen.quot;

„Ach, nu zal men mij niet meer van eene schendige liefde beschuldigen,quot; fluisterde Laura, zich krachteloos aan haar geliefde vastklemmende.

„Uwe bruid!quot; zeide de koningin met treurigen glimlach. „Ach, hoe jong en vol vertrouwen zijt gij nog, dat gij aan de mogelijkheid van zulk een verbond kunt gelooven, broeder.quot;

„Zij zal mijne gemalin worden,quot; riep de prins driftig, „dat heb ik gezworen en ik zal woord houden, zoo waar er een God boven ons is en mij hoort! Ik heb moed om alle gevaren te trotseeren en alle stormen het hoofd te

ocr page 36

bekennen. Ga dus maar heen, mevrouw, om den koning te vertellen, wat ik hier gezegd heb; verraad hem mijne liefde, welke het eene of andere toeval u zonder twijfel ontdekt heeft en waarom gij dit edele, dierbare wezen beleedigd en gekrenkt moet hebben, omdat ik haar weenend voor u op de knieën vond liggen!quot;

,,Het is waar, ik heb haar beleedigd,quot; zeide de koningin zachtmoedig; „ik twijfelde aan hare woorden en aan hare betuigingen. Maar de freule zelve zal weten, dat deze be-leediging onwillekeurig was en dat ik mij in eene dwaling bevond, waarvan, niet ik, maar de koningin-moeder de schuld droeg!quot;

„Hoe, mijne moeder weet dus ook van onze liefde?quot; vroeg de prins verbaasd.

„Zij gelooft, of liever, zij is overtuigd, dat freule van Pannewitz den koning bemint en door hem bemind wordt. Daarom overlaadde zij haar met verwijtingen, beval haar, met den graaf Voss, die om hare band gevraagd heeft, te trouwen.quot;

De prins drukte zijne slil weenende, half machtelooze geliefde hartstochtelijk aan zijne borst. Ach, zij willen u mij ontrukken! Maar mijne armen zullen u vasthouden en mijne borst zal n tot schild verstrekken, dat u beschermt, mijne geliefde. Neen, sidder niet, Laura en ween ook niet. Zooals wij hier vereenigd zijn, arm in arm, zullen wij den koning te gemoet treden ; zóó zal ik u mijne moeder en het geheele hof vertoonen on hun zeggen: Deze is mijne verloofde. Ik heb haar den eed van eeuwige trouw gedaan en zal hem nooit breken !quot;

„Houd op, om Gods wil, zwijg,quot; riep de koningin. Laat. uwe moeder uwe woorden niet hooren en waag het vooral niet, den koning met een enkel woord uw treurig geheim te verraden! Zoodra gij het uitgesproken hebt, zijt gij verloren en de onverbiddelijke gestrengheid des konings zal u beiden treffen.quot;

„Gij zult hem dus niet zeggen, wat gij hier vernomen hebt,quot; vroeg de prins verwonderd. „Gij zoudt den moed

ocr page 37

20

hebben, een geheim voor uw gemaal te verbergen.quot;

„O,quot; zeide de koningin met treurigen glimlach. „Mijn geheele leven, denken en gevoelen is immers voor hem een geheim; ik zal dus dat nieuwe geheim bij de overige leggen! Neen, broeder ik zal u niet verraden, noch aan mijn gemaal, noch aan uwe moeder. Zorg gij nu ook, dat niemand dit treurige en ongelukkige verbond verneme, dat u beiden, helaas, nog veel verdriet en kommer bereiden zal! wees voorzichtig en verstandig. Laat de koningin-moeder altoos in den waan blijven, dat het de koning is, dien Laura bemint; zij zal daardoor minder argwanend tegen u zijn, en bare oogen zullen minder scherp zijn, dan anders! Daardoor zal u wellicht soms een onbeluisterd gesprek, een oogenblik van ongestoorde vereeniging mogelijk worden en dat is in uw toestand altijd een geluk en levensgenot. Maar hoor ook nu nog eene enkele bede. Spreek met mij nooit over deze liefde, welke het toeval mij verraden heeft en welke ik, van dit oogenblik af aan, zal trachten te vergeten. Herinner mij nooit, dat ik eene betrekking ken, die in de oogen des konings en in die uwer moeder, in elk geval, strafwaardig en onvergeellijk is, en die ik volgens mijn plicht, moet verraden. Zoolang gij gelukkig zijt, dat heet, zoolang gij uwe liefde onder de bescherming der geheimhouding kunt laten, zal ik niets zien, niets van uw verbond weten! Maar op den dag, waarop de stormen en gevaren over u beiden losbreken, komt dan tot mij, dan zult gij, broeder, eene trouwe zuster, dan zult gij, arm, ongelukkig meisje, in mij eene vriendin vinden, die u hare armen opent en met u een verloren geluk beweenen zal.quot;

„O, mijn koningin, hoe edel; hoe grootmoedig zijt gij!quot; riep Laura, de aangeboden hand der koningin aan hare lippen drukkend. Maar Elizabeth Christine duldde deze ootmoedige liefdesbetuiging niet; zij trok het jonge meisje in hare armen en drukte een hartelijken kus op hare brandende, sidderende lippen.

„Onder hen, die lijden, is er geen rang en onderscheid van stand,quot; zeide zij. „Ik ben voor u niet de koningin, maar de zuster, die uwe smarten begrijpt en ze deelt! Wanneer gij moede zijt van uwe in eenzaamheid gestorte tranen en van uwe verzwegene smarten, kom dan bij mij

ocr page 38

30

naar Schünhausen. Gij zult daar geene verstrooiing en geene luidruchtige vreugde vinden, raaar een donkeren, stillen tuin, onder wiens groote boomen men soms de troostende en vrede ademende stem Gods denkt te hooren ; gij zult daar stille en schaduwrijke plekjes vinden, waar men onbespied kan weenen en eene vriendin, die u nooit naar de reden uwer tranen zal vragen.quot;

„Ik zal komen!'' fluisterde Laura, met eene door tranen verstikte stem. „Ach, ik weet wel, dat ik zeer spoedig dien troost zal behoeven, want mijn geluk zal spoedig ten einde zijn'.quot;

„En mag ik dan ook bij u komen, edele en grootmoedige zuster,quot; vroeg de prins.

„Ja,quot; zei zij glimlachend, „gij moogt komen, maar slechts dan, wanneer Laura niet bij mij is. En nu, ik bezweer u, om den wille uwer eigene veiligheid laat ons nu dit gesprek eindigen. Droog uwe tranen, freule van Pannewitz, en poog te glimlachen. Ga nu naar den tuin, bid ik u, om mijne dames te roepen. Maar gij, broeder, ga met mij naar uwe moeder, die daar in haar kabinet is.quot;

„Neen, zei de prins driftig, „ik kan haar nu niet zien. Ik zou de kracht niet hebben, bedaard en onverschillig te schijnen en de smarten te verbergen, welke in mijne borst woelen.quot;

„O, broeder,quot; zuchtte de koningin, „wij vorsten, hebben het recht niet, onze smarten te toonen. Het is het treurige voorrecht van onzen stand, al onze gewaarwordingen onder een glimlach te bedekken. Kom! de koningin, die nu met toornen verdriet vervuld is, zal u nochtans met een glimlach ontvangen, en wij treurenden en lijdenden, wij zullen ook glimlachen, kom 1quot;

„Laat mij slechts nog één woord tot mijne Laura spreken,quot; bad de prins, en terwijl hij het meisje, dat hare tranen gedroogd en haar verdriet in hare borst terug gedrongen had, door de zaal naar de deur geleidde, legde hij zijn arm om hare slanke en tengere gestalte en drukte een kus op haar zwart glanzig haar.

„Laura,'' fluisterde hij, „Laura, denkt gij nog aan uw eed ? Zult gij trouw en standvastig blijven? Zuilen de bedreigingen mijner moeder u sterk en moedig vinden? Zult gij u niet buigen, u zoover niet laten vernederen, om de hand van den

ocr page 39

31

graaf Voss, die u mij ontrukken wi], aan Ie nemen?'

Zij zag, hem met een stralenden en vastberaden blik aan „Men kan mij douden; maar men kan mij niet dwingen mij zelve ontrouw te worden,quot; zeide zij.

Hij legde, alsof hij haar zegende, zijne hand op haar edel, schoon hoofd, en zag haar glimlachend aan. De geheele geschiedenis van hunne edele, kuische en heilige liefde lag in dien glimlach en in den blik, waarmede zij antwoordde.

„Weet gij ook,quot; vroeg hij verder, „dat gij mij beloofd hebt mij somtijds eene bijeenkomst in de oranjerie te vergunnen.quot;

„Dat weet ik!quot; fluisterde zij diep blozende.

„Nu dan! Binnen weinige dagen zullen wij moeten scheiden! De koning wil incognito een pleizierreisje maken en heett mij uitgenoodigd hem te vergezellen; ik moet dus gehoorzamen.quot;

„Och, hemel! Men wil u van mij verwijderen, ik zal u nooit wederzien!quot; zuchtte Laura, de hand des geliefden aan hare borst drukkende, als wilde zij hem beletten heen te gaan.

„Wij zullen elkander wederzien!quot; zeide hij met vertrouwen. „Maar om den moed te hebben, u te verlaten, moet gij mij den troost gunnen u eerst te zien en afscheid van u te nemen. Hoor dus: De dag van vertrek is nog niet bepaalt; als dat gebeurt, zal ik hier komen en het mijne moeder in uw bijzijn verhalen. Den avond voor ons vertrek zal ik in de oranjerie zijn en u daar verwachten. Zal ik te vergeefs wachten, Laura?quot;

„Neen,quot; fluisterde zij, „ik zal er zijn!quot; —- En als ware zij door hare eigene woorden verschrikt, ijlde zij heen in de richting van de tuinzaal.

De prins zag haar met een glimlach van verrukking na, toen keerde hij zich om, om zijne schoonzuster zijn arm aan te bieden en haar naar de koningin-moeder te geleiden.

Maar de jonge koningin was er niet meer. Zij had geene getuige en in zekeren zin medeplichtige in het gesprek der beide minnenden willen zijn; en zij had zich daarom liever alleen naar de koningin begeven.

De prins, aan den eersten, onstuimigen indruk van zijn hart toegevend, stond op het punt freule van Pannewitz

ocr page 40

32

na te snellen en haar naar den tuin te geleiden, toen men buiten het luide roepen der wacht en het roiïelen der trommels vernam.

IV.

EENE SOIREE BIJ DE KONINGIN-MOEDER.

„De koning komt!quot; duisterde August Wilhelm en stapte zuchtende naar het kabinet der koningin-moeder; maar de deur ging reeds open en de beide koninginnen ijlden er uit om zich naar de tuinzaal te begeven en daar den koning te verwelkomen. Het gelaat der beide dames was onrustig en diep bewogen. Sophie Dorothea gevoelde eene zekere schuwheid en angst bij de ontmoeting van haar zoon, die wellicht in de roodgeweende oogen zijner geliefde de geschiedenis van het vorige oogenblik lezen en er over vertoornd zoude zijn, dat men zijne beminde had doen wee-nen. Zij moest zich zelve bekennen, dat zij misschien wat te ver was gegaan, zich te ver door haar toorn had laten medeslepen en dit maakte haar eenigszins verlegen en bezorgd.

Elizabeth Christine daarentegen was niet onrustig, maar diep bewogen; haar hart klopte luide en vol verlangen om haar gemaal terug te zien, dien zij, sedert den dag der inhuldiging, niet ontmoet had, met wien zij, sedert dat noodlottige en treurige gesprek van dien nacht, geen woord gesproken had; want op den dag der inhuldiging had de koning geen enkel woord tot haar gericht, slechts eenmaal had hij hare hand gegrepen, toen hij haar, na de inhuldiging, in den kring van het verzamelde hof had geleid en met luide, plechtige stem gezegd had; „Ziet,deze is uwe koningin.quot; ^

Beide dames waren zeer bewogen en zoo geheel vervuld

1) Preuss. Geschichte Friedrichs d. Gr. Th. T pag. 151.

ocr page 41

33

met hare eigene gedachten, dat zij, haastig de tuinzaal doorgaande, nauwelijks den prins gewaar werden, die op zijde getreden was, om haar te laten voorbijgaan.

De koningin-moeder wierp hem verstrooid en zwijgend een vluchtigen groet toe, toen keerde zij zich weder naar Elizabeth, die nauwelijks geduld genoeg had, hare schreden te richten naar den langzamen, afgemeten tred der koningin; zij verlangde vooruit te snellen om haar echtgenoot te eerder te ontmoeten.

„Als freule van Pannewitz zich bij hem beklaagd heeft, zullen wij een vreeselijk tooneel hebben.quot;

„Zij zal zich niet beklagen,quot; hernam Elizabeth.

„O, des te erger, dan zal zij de grootmoedige willen spelen,quot; riep de koningin verbitterd, „dat vergeef ik haar nog minder dan eene aanklacht.''

Juist gingen de deuren open, en de koning, gevolgd door zijn hofstoet en door dien der beide koninginnen trad in de zaal. Dadelijk veranderde de uitdrukking op het gelaat der beide dames; geen trek verried meer zorg of onrust; beide hadden zij een helder voorhoofd en een onschuldi-gen glimlach, met welken zij den koning begroetten.

De koning ijlde zijne moeder te gemoet en zich diep voor haar buigende, kuste hij teeder de hem aangeboden hand, terwijl hij haar met eerbiedige en hartelijke woorden begroette. Daarna keerde hij zich naar zijne gemalin en maakte voor haar eene stijve, deftige buiging. Maar hij stak haar zijne hand niet toe en sprak geen woord.

Elizabeth Christine beantwoordde zijne stijve, deftige buiging en terwijl zij haar hoofd boog, pinkte zij eene traan, die onwillekeurig in haar oog drong, weg.

Het gelaat der koningin-moeder was nu weder stralend en zegevierend. De koning wist nog niets; het kwam er dus slechts op aan hem te beletten, met Laura alleen en onopgemerkt te kunnen spreken. Haar oog zocht naar de hofdames en zij ontdekte zeer spoedig het jonge meisje, dat met een ernstig, bedaard en open gelaat zich met den prins August Wilhelm onderhield. O, ik zal het wel weten te beletten, dat de koning haar alleen spreekt, dacht de koningin juchend en volkomen tevreden, dat haar tweede zoon, zoo als het scheen, de hoffreule zoo druk bezig hield,

Uühlbaoh, Frederik de Groote en syn Hof. II. 3

ocr page 42

84

Van nu af aan was Sophie Dorothea zoo opgeruimd en welgemoed, dat haar vroolijke en geestige luim zelfs den koning, haar zoon, scheen op te wekken. Het was een wedstrijd van puntige gezegden over en weer; een wedijver van geestige zetten en bijtende spotternij, in welke de koningin haar zoon niets toegaf en hem somtijds scheen te overtreffen. De koningin Elizabeth stond er treurig en zwijgend naast en wanneer soms de blik des konings, als bij toeval, op haar viel, scheen daarmede eene uitdrukking van verachting en verstooting gepaard te gaan. Dan verbleekten hare wangen en met moeite hield zij den stereotypen glimlach op hare lippen.

De koningin-moeder deed haar zoon, den koning, den voorslag om eene wandeling in den tuin te doen; dan zoude men zich naar de verlichte zalen begeven, waar een geïmproviseerd bal zonde plaats hebben, daar de rouw van het hof nog geen feestelijk en aangekondigd bal gedoogde.

„Maar waarom zullen wij in den tuin gaan, om daar bloemen te zoeken, terwijl wij er hier zoo vele en zoo lijtelijke hebben1?quot; vroeg de koning luide, tevens zijn glimlachenden blik over den schitterenden en schoonen kring der hofdames latende gaan, die allen onder den blik des konings diep bloosden en hare oogen nedersloegen.

Zes oogen volgden met eene oplettende, vorschende uitdrukking dezen blik des konings.

„Hij heeft Laura nauwelijks aangezien,quot; dacht de koningin, ruimer adem halende.

„Hij heeft op mij in het geheel niet gelet,quot; dacht Elizabeth zuchtend.

„Zijn oog heeft geen enkel oogenblik op eene der dames gerust,quot; dacht baron van Pöllnitz; „het is dus duidelijk, dat hij voor geene enkele eenige voorkeur heeft! Ik zal dus met de schoone Doortje slagen.quot;

De koning, die met zijn plan slechts de bedoeling gehad had, zijne moeder, wier pijnlijke voet en altoos toenemende zwaarlijvigheid, haar het wandelen moeielijk maakten, eene inspanning en vermoeienis te besparen, leidde de koningin-moeder naar den aan den wand staanden divan, terwijl hij tevens met eene stomme buiging zijne gemalin de linkerhand toestak en haar te gelijk met zijne moeder naar hare plaats bracht.

ocr page 43

35

Sophie Dorothea, die heden elke beweging, elk gebaar van haar koninklijken zoon bespiedde, ontdekte dat wreede zwijgen, dat hij tegen zijne gemalin in acht nam, zeer goed en gevoelde medelijden met de arme, bleeke, zwijgende koningin.

De koningin-moeder boog zich derhalve tot den koning, die achter haar, met den hoed in de hand, tegen de leuning van den hoogen divan stond.

„Mijn zoon,'' fluisterde zij, „ik geloof, dat gij heden nog geen enkel woord tot uwe gemalin gericht hebt.quot;

Het gelaat des konings betrok. „Mevrouw,quot; zeide hij zachtjes, maar op rauwen, gestrengen toon, „mevrouw, Elizabeth Christine is mijne koningin, maar niet miine gemalin!quot;

En als vreesde hij eene verdere verklaring, wenkte hij den markies Algarotti en den graafChazot, om hen aan zijn gesprek met de beide koninginnen te doen deelnemen.

Plotseling naderde eene dame, die men vroeger niet in den kring der dames gezien had, de beide koninginnen, en die, daar zij zoo even scheen aangekomen te zijn het recht had zich aan de koninginnen voor te stellen.

De dame was in het oogvallend bleek, dat door hare zwarte kleeding, door geen bloem of versiersel verzacht, des te meer uitkwam. Hare oogen, welke diep in hunne kassen lagen, glinsterden van een koortsig, smachtend vuur; hare dunne lippen, om welke een pijnlijke lach zweefde, waren op elkander gedrukt, als wilde zij een kreet of een zucht terughouden.

Niemand zou in deze zoo bleeke, zoo trotsche en langzaam voortgaande vrouw de ToMrti/ion van weleer, de levenslustige, dartele en vroolijke mevrouw van Morien hebben kunnen herkennen ; niemand had kunnen vermoeden, dat hare vroegere blozende en weelderige schoonheid binnen weinige maanden een zoo ernstig, verheven en treurig karakter had kunnen aannemen.

Het was heden de eerste maal, dat mevrouw van Morien aan het hof der koningin-moeder verscheen; zij was nauwelijks, zoo als men zeide, van eene langdurige en gevaarlijke ziekte hersteld en de steeds spotlustige en kwaadsprekende hovelingen fluisterden elkander menige beleedigende en dubbelzinnige aanmerking in het oor.

ocr page 44

36

Men zeide, dat mevrouw van Morien door de verwaarloosde liefde des jongen konings ziek geworden was; dat zij slechts lijdende was aan eene verkoeling, welke intusschen niet haar, maar den koning getroffen had; men verzekerde dat zij aan een geheel nieuwe eigenaardige tering leed, welke niet hare longen, maar haar hart aangedaan had en slechts eene herhaling der ziekte was, waaraan Dido geleden had, sedert de wreede Aeneas haar verlaten had.

De koningin-moeder ontving deze hleeke, schoone vrouw zeer vriendelijk en genadig; zij reikte haar, met goedigen lach, de hand, tot een kus toe.

„Het is eene eeuwigheid geleden, dat ik u niet gezien heb, barones,quot; zeide zij. „Het schijnt, dat, gij u onzichtbaar wilt maken en geheel vergeten wilt, dat wij ons verheugen u te zien.quot;

„Uwe majesteit is zeer genadig mij dat te herinneren.quot; zeide mevrouw, van Morien zachtjes. „De dood had het mij bijna doen vergeten, en stellig zou ik mij heden ook niet vergund hebben, met mijn bleek, treurig gezicht uwe majesteit te naderen, wanneer uw uitdrukkelijk bevel mij daartoe niet den moed gegeven had.quot;

Er lag iets in den stil lijdenden toon van mevrouw van Morien, dat medelijden inboezemde en zelfs den wrevel dei-jonge koningin ontwapende. Het was de eerste keer, sedert het feest te Rheinsberg, dat Elizabeth Christine deze vrouw, door wie zij zoo veel geleden, zoo veel geweend had, wederzag; maar nu tegenover dat bleeke, lijdende, door smart doorgroefde gelaat vergaf zij haar alle geledene smarten; want met het aangeboren gevoel eener minnende, ried de koningin het vreeselijke lijden barer mededingster, begreep zij, dat mevrouw van Morien aan haar eigen verdriet, aan hare eigene smart leed, dat zij verging onder het lijden eener versmade en onbeantwoorde liefde! Want de koning had geen blik, geen groet meer voor de „betooverende Leontinehij scheen hare tegenwoordigheid volstrekt niet gemerkt te hebben en vervolgde bedaard zijn gesprek met Algarotti en Ghazot, zonder zelfs de diepe en eerbiedige buiging van mevrouw van Morien, eenige opmerking of slechts de minste beantwoording waardig te keuren.

Elizabeth Christine gevoelde, zoo als gezegd is, medelijden met deze arme, bleeke vrouw. Zij reikte haar de hand tot

ocr page 45

37

een kus en sprak haar eenige goedige, vriendelijke woorden toe, welke het hart der schoone Morien deden trillen en haar de tranen in de oogen brachten.

De koning scheen mevrouw van Morien, ofschoon hij tegenover haar stond, volstrekt niet te zien.

„Ik heb uwe majesteit ook wat nieuws te melden,quot; zeide hij, „zich tot de koningin-moeder wendende. Wij zijn voornemens Berlijn in een tempel van wetenschap en kunst te veranderen. Ook zullen de Muzen, wanneer zij soms lust gevoelen van den Olympus neder te dalen, altijd in Berlijn een gastvrij onthaal vinden. Hoor nu dan het groote nieuws! Voltaire zal ons in den herfst te Berlijn komen bezoeken en Maupertuis, de groote geleerde, die aan de wereld het eerst de gestalte der aarde deed kennen, zal als president van de akademie der wetenschappen hier komen en voortdurend bij ons zijn verblijf vestigen. Ook Vaucanson,1) die de kunst verstaat de geheimen van onzen lieven Heer een weinig te doorgronden en eene eend geschapen heeft, welke God zeiven geene schande zoude aandoen, — ook Vaucanson zal komen; en den beroemden Euler uit Petersburg zullen wij spoedig den onze noemen.quot;

Dat alles is zeer schoon en heerlijk,quot; zeide Sophie Dorothea glimlachend, „alleen vrees ik, dat uwe majesteit, door al die geleerden, kunstenaars en dichters, ons arme, onwetende vrouwen geheel zal vergeten en ons van uw geleerd hof verbannen!quot;

„Dat zoude zooveel beteekenen als het geluk, de schoonheid, de vreugde en de gratiën te verbannen, mevrouw, en tot zulk eene barbaarschheid zult gij den zoon mijner edele en verhevene moeder wel niet in staat rekenen,quot; hernam de koning glimlachend. „Wat moeten de kunsten beginnen zonder de vrouwen! Zelfs de katholieke kerk is zoo verstandig geweest van te begrijpen, dat zij, om de menschheid in haar net te vangen, niet volstaan kon met

1( Jacques de Vaucanson, de beroemde, FransuLe meuliaiiieus, heeft zijn voornaamsten roem te danken aan de door hem uitgevonden automaten. De meest bekende waren zijne geelkoperen eenden, welke snaterden, met de vleugelen klapten, het voorgelegde voeder opaten en in eeno soort van vertering teruggaven; zijn fluitspeler, enz. Hij is gestorven in 1872 .

Vertaler.

ocr page 46

38

de drieëenheid van Vader, Zoon en Heiligen Geest, maar zij heeft nog eene vrouw te hulp geroepen en bij de drie mannen nog de vrouw, de schoonheid en de onbevlekte, hoogst geheimzinnige ontvangenis als de fijnste, treffendste, zinnen bedwelmende geur der wonderbloem er bijgevoegd! Nu, en wat zouden de grootste schilders geweest zijn, zonder hunne schoone en betooverde minnaressen, die zij in heilige maagden veranderden en uit de dartele dametjes kuische Madonna's en Magdalena's maakten, voor welke de verstandige menschenkinderen nog heden op de knieën in aanbidding neervallen, als voor het eeuwig vrouwelijke en geheimzinnig maagdelijke! Och, hoevele madonna's heeft Raphael niet uit zijne Lais Fornarina geschilderd, en hoe verstond Correggio de kunst ons zijne volbloedige, dikke vrouw, in een smachtende Magdalena te veranderen. Maar ik moet bekennen, dat ik daarvoor Correggio volstrekt geen dank weet, en dat het mij liever zdude geweest zijn, als hij eene door schoonheid, bevalligheid en van levensgenot schitterende vrouw had geteekend. Want, wat mij betreft, ik heb een innigen afkeer van die weenen-de en zuchtende Magdalena's, welke, nadat zij voor de aardsche minnarijen zijn uitgeput, uit zucht tot verandering met den hemel vrijen en den lieven God dezelfde eeden doen, welke zij duizende keeren aan mannen hebben gedaan en duizendmaal weder gebroken hebben! Nu, als ik de lieve God ware, zou ik die wonderlijke heiligen niet aannemen; want, ik voor mij, haat die bleeke, in tranen badende en uitgeteerde schoonheden, en het komediespel barer smarten zou mij nooit kunnen roeren.quot; -

En nu, terwijl de koning zoo sprak, sloeg hij voor het eerst een blik op mevrouw van Morien en zijn oog rustte lang met eene koele en verpletterende uitdrukking op haar.

Zij had elk woord, dat hij gesproken had, gehoord en elk dezer woorden was als een koude, vergiftige dolk in haar hart gedrongen. Zij gevoelde, hoewel zij hare oogen neergeslagen had, dat zijn blik op haar rustte; zij kende de verpletterende kracht daarvan, hoewel zij die niet zag. Maar zij had toch de kracht van het niet , uit te schreeuwen en in tranen uit te barsten, maar bedaard en bijna glimlachend te antwoorden op de vragen der koningin Elizabeth, welke deze intusschen uit goedhal'-

ocr page 47

39

tigheid „tot haar gericht had, opdat mevrouw van Morien de harde en wreede woorden des konings niet zoude hooren.

„Eene groote verrassing hebt gij nog vergeten te melden,

mijn zoon,'' zeide de koningin-moeder, die het gesprek gaarne eene andere wending wilde geven om het van het gevaarlijke terrein der godsdienst af te brengen. „Gij hebt nog niet eens verteld, dat gij aan het goede, nieuwsgierige Berlijn twee Duitsche couranten en een Fransch dagblad hebt geschonken, en toch verzeker ik u, dat ik altijd den dag, waarop deze bladen verschijnen, met ongeduld afwacht en mij geheel in deze zoo nieuwe en verrassende lektuur verdiep, welke de staatkunde tot een aangenaam gekeuvel voor iedereen maakt en ons de kleine gebeurtenissen van den dag getrouw mededeelt!''

„Nu, wij hopen, dat deze bladen van Rudiger en Haud ook eens de groote gebeurtenissen van den dag zullen kunnen melden,quot; zeide de koning ernstig; daarop weder een opgeruimden toon aannemende, vervolgde hij: „maar wij vergeten geheel, dat uwe majesteit de dames een klein bal beloofd heeft, en zie, hoe vol ongeduld onze prinsesjes ons aanzien en met welke toornige blikken de kleine Amalia mij zoekt te doorboren, om dat ik haar gedwongen heb zoo lang als eene deftige dame op haar stoel te blijven zitten,

terwijl zij toch zoo verlangt als de lichte zephyr rond te zweven. Nu, kom dan maar, lieve, kleine prinses en zuster en opdat gij niet langer boos op mij zult zijn, bid ik u, mij den eersten dans te schenken.quot;

De koning reikte zijne zusters de hand en geleidde haar naar de danszaal, waarheen de koninginnen en het hof hen volgden.

„Nu zal hij zonder twijfel eene gelegenheid zoeken om de freule van Pannewitz te spreken,quot; dacht de koningin moeder, „wij moeten dus onze maatregelen nemen.

Zij wenkte haar tweeden zoon prins August Wilhelm.

„Mijn zoon,quot; zeide zij, „ik moet u om eene beleefdheid verzoeken.quot;

„O, uwe majesteit heeft slechls te bevelen!quot; .

,Ik weet, dat gij een goeden zoon zijt, die gaarne bereid^^^

ocr page 48

40

newitz onderhoude. Waarom ik dat wil, zal ik u op een ander keer zeggen. Ik verzoek u dus de freule van Panne-witz een weinig het hof te maken en zoo min mogelijk van hare zijde te wijken. Mocht de koning haar naderen, dan moet gij u houden alsof gij zijn toornigen blik niet ziet, maar u geheel vrij in het gesprek mengen, en de freule niet verlaten, voordat de koning zich verwijderd heeft. Wilt gij dit voor mij doen, mijn zoon?quot;

„Ik zal nauwkeurig de bevelen mijner koninklijke moeder vervullen,quot; zeide de prins ernstig. „Maar ik maak uwe majesteit oplettend, dat men dan zeggen zal, dat ik de freule van Pannewitz het hof maak.quot;

Kom, laat men dat maar zeggen, mijn zoon, de freule is jong en schoon en doet uw smaak eer aan. Laat dus het hof zeggen, wat het wil; wij beiden zullen ons daarover niet verontrusten! Maar haast u, mijn zoon, de koning schijnt juist de freule te willen naderen.quot;

De prins boog voor zijne moeder en haastte zich met heimelijke vreugde in het hart, om aan de bevelen zijner moeder te voldoen en zich naar de schoone Laura te begeven.

De koningin-moeder, die nu volkomen gerust gesteld was, begaf zich met hare schoondochter en de daartoe aangewezen cavaliers naar de speeltafel, terwijl de koning in de balzaal vertoefde en bijna met elk der aanwezige dames eene tour danste. Alleen met mevrouw van Morien danste hij niet; slechts haar ging hij achteloos voorbij en niet een enkelen keer ontmoette zijn blik haar oog, dat hem overal met een teeder, smeekende, treurige uitdrukking volgde.

„Zoo treurig ?quot; fluisterde mevrouw van Brandt, die, stralende van schoonheid en vroolijkheid, naast haar ging zitten en juist met den koning gedanst had.

Mevrouw van Morien stak haar met een zucht haar dunne, doorschijnende hand toe. „Lieve vriendin,quot; fluisterde zij, „gij hadt gelijk; ik had niet hier moeten komen, ik heb mij voor sterker gehouden dan ik ben. Ik geloofde, dat mijn rouw hem trelfen en hem ten minste medelijden inboezemen zou.quot; _

ocr page 49

En mevrouw van Brandt stak hare hand in den zak van haar in breede plooien neervallend atlaskleed, om den brief er uit te halen, toen zij plotseling schrikte en verbleekte.

„Mijn hemel,quot; fluisterde zij bijna ademloos; „de briefis niet meer in mijn zak, en ik weet toch stellig, dat ik hem er in gestoken heb. Nog een oogenblik voor ik naar u toeging, tastte ik in mijn zak en heb ik duidelijk het keizerlijke zegel gevoeld. De brief was er dat weet ik zeker. Waar is hij gebleven? Wie heeft hem mij ontnomen? Maar neen, dat is onmogelijk, dat kan niet zijn! Ik moet hem weer hebben. Hij moet nog in mijn zak zijn!quot;

Sidderende van angst, haalde mevrouw van Brandt driftig al die kleinigheden, welke zij in haar zak geborgen had, te voorschijn, om te zien, of die heillooze brief niet soms in haar met goud geborduurden zakdoek, of in de vouwen van haar grooten waaier, of in het open étui van haar reuktleschje verscholen was.

Zij dacht er volstrekt niet aan, dat iemand haar bespieden en hare onrust en haar angst zien kon; en zeker lette ook niemand op haar, want iedereen was te druk met zich zei ven en zijn genoegen bezig.

In de zaal vlogen en draaiden de paren in vroolijken dans rond; de luide muziek deed haar geschal en tevens hare weemoedige en dartele tonen weergalmen. Alles om haar heen was beweging, leven en genot. Wie had dus op baai-kunnen letten?

Maar mevrouw van Brandt zocht nog altoos te vergeefs; zij wierp te vergeefs den flacon uit het étui, en sloeg den grooten waaier open — de brief was nergens te vinden.

Een onuitsprekelijke angst en onrust maakte zich van 1 haar meester; waarom wist zij zelve niet! Had zij den brief verloren, of had men hem haar met voordacht ontroofd? Plotseling herrinnerde zij zich, dat zij, eenige oogenblikken geleden, in gesprek met den baron van Pöllnitz, haar waaier had opengeslagen, om zich een weinig te verkoelen. Misschien had zij toen het billet er uit gehaald, misschien had Pöllnitz het opgenomen en zocht hij ■ nu mevrouw van Morien om het haar terug te geven.

Zij liet hare oogen angstig door de zaal gaan om Pöll-, nitz te zoeken.

ocr page 50

Mevrouw van Morien had intusschen den angst en de zorg van hare vriendin volstrekt niet gemerkt, of ten minste reeds lang vergeten. Zij was weder in hare treurige droomerijen verzonken; hare oogen waren weder op het schoone en schitterende gelaat des konings geslagen; zij benijdde elk der dames, die hij zijne hand ten dans reikte, tot wie hij een vriendelijk woord, een genadig lachje richtte. Maar nu, sedert ecnige oogenhlikken zocht zij te vergeefs den koning, evenals mevrouw van Brandt den heer van Pöllnitz.

„Ik zie hem volstrekt niet meer,quot; fluisterde zij treurig.

„Wien?quot; vroeg mevrouw van Brandt, nog eens in ge-dachteloozen angst hare zakken, haar waaier en zakdoek onderzoekende.

iS„üen koning,quot; zeide mevrouw van Morien, geheel verwonderd, dat hare vriendin dat nog vragen kon. „Hij moet de danszaal verlaten hebben. Voor een oogenblik zag ik hem nog in gesprek met Pöllnitz, en nuquot; —

„Met Pöllnitz?quot; viel mevrouw van Brandt haar driftig in de rede en een donkere gloed bedekte haar vroeger zoo bleek gelaat. Zij had den koning gezien en hunne oogen hadden elkander ontmoet, want de scherpe en doorborende blik des konings was onafgewend op haar gevestigd geweest.

De koning stond zijdelings van haar in een der vensternissen, half verscholen door de lange, naar beneden hangende gordijnen en zag nog altijd vast en onafgewend naar de beide dames.

„Ik zie den koning,quot; mompelde mevrouw van Brandt, die de richting van den blik harer vriendin gevolgd had. Zij borg ijlings haar étui en zakdoek, en sloeg haar waaier open, om daar achter haar onrustig, gloeiend gelaat te verbergen, want de scherpe, bespiedende blik des konings maakte haar angstig en bezorgd.

„Laat ons eene wandeling door de zaal doen,quot; zeide mevrouw van Brandt opstaande. „Ik stik hier van de warmte. Ook wilde ik eens naar het billet rondzien dat ik misschien ergens verloren heb en wellicht nog terugvinden kan.quot;

„Welk billet?'' vroeg mevrouw van Morien onverschillig.

Hare vriendin zag haar verbaasd aan. „Mijn hemel, gij hebt dus in het geheel niet gehoord, wat ik u gezegd heb ?''

ocr page 51

45

„Wel zeker, dat gij mij een briefje van de keizerin van Oostenrijk zoudt ter hand stellen.quot;

„Nu, dal briefje heb ik verloren, hier in de zaal verloren!quot;

i)an zal iemand het vinden en het vermoedelijk, omdat het aan mij geadresseerd is, mij overhandigen.quot;

„Lieve Moiien, ik bid u om Gods wil, wees toch niet zoo bedaard en onverschillig. Het geldt hier eene gewichtige en ernstige zaak. Als ik dat billet inderdaad verloren heb, zijn wij in gevaar van beide verdacht te worden, van in de oogen des konings voor spionnen van Oostenrijk gehouden te worden.quot;

Mevrouw van Morien was nu, toen de koning genoemd werd, geheel oplettendheid en deelneming.

„Maar zal men dat briefje kunnen lezen?quot; vroeg zij. „Was het niet verzegeld?quot;

„Ja, het was verzegeld! Maar luister wel, het was met het bijzondere zegel der keizerin gesloten en het Oosten-rijksche wapen was van haar naam omgeven. Men zal dus, zonder het briefje te openen, toch weten, dat het van de keizerin van Oostenrijk is en men zal achterdocht koesteren. Hoor nu verder. Dat briefje was in eene enveloppe, welke wel is waar geen adres had, maar toch eenige woorden inhield, die niet alleen u, maar ook mij moeten compromiteeren, wanneer men weet, dat dit billet aan mij gericht was.quot;

„En wat stond op dat papier?quot; zeide mevrouw van Morien, angstig naar den koning ziende, die nog altijd met Pöllnitz in de vensternis stond en zijn grooten, scherpen blik op de beide dames gevestigd hield.

„Er stonden slechts de volgende woorden op; Heb de goedheid, lieve vriendin, nevensgaand billet aan zijn adres te bezorgen. Gij ziet, de keizerin houdt woord; laat ons het ook doen en niet vergeten, wat wij beloofd hebben! Een gelukkig huwelijk is niet alleen ons, maar ook Gode welgevallig en helpt de eene tot de deugd en bezorgt de andere de juweelen.quot;

„Neen, hij was niet geteekend; maar, wanneer hij in de handen des konings mocht vallen, zon deze toch weten van wien hii komt, want de konine kent de hand van den graaf Mannteuffel.quot;

„En deze brief was geteekend?quot;

„Kom dan, kom; laat ons dan zoeken,quot; zeide mevrouw van Morien, nu zelve beangst en onrustig.

ocr page 52

46

Zij nam den arm barer vriendin en ging met haar de zaal af, terwijl beide nu overal bare blikken over den vloer lieten gaan en angstig rondzagen, of zij niet ergens op bet bruine, ingelegde parquet iets wits konden ontdekken.

„Gij bebt gelijk,quot; zeide de koning, uit de vensternis tredende en de datnes met zijn oog volgende; „gij hebt gelijk, Pöllnitz, en bet was dus werkelijk mevrouw van Brandt, aan wie de enveloppe van bet billet gericht was. Laat baar maar zoeken, zij zullen evenmin iets vinden als de elfduizend dwaze maagden. Maar luister nu goed, baron, naar betgeen ik zeggen wil. De gebeele zaak blijft een geheim, van hetwelk niemand, boort gij, niemand iets weten mag. Gij moet vergeten, dat gij dit billet gevonden en het mij overgegeven hebt, of gij kunt het u herinneren, maar slechts alsof het een droom geweest is, anders niets.quot;

„Ja, uwe majesteit,quot; zeide Pöllnitz glimlachend, „een droom, zooals dien Eckbardt droomde, toen hij meende een huis in de Jagerstraat te bezitten en dat toch ook, toen hij ontwaakte, aan uwe majesteit toebehoorde.quot;

„Gij zijt een gek,quot; zeide de koning glimlachend, den baron toeknikkende en de beide koninginnen te gemoet gaande, die nu bare speelpartij geëindigd hadden en naar de zaal teruggekeerd waren.

De koningin-moeder ging hem met levendigheid te gemoet en stak hem vriendelijk hare band toe. Zij wilde nu haar voornemen uitvoeren en haar, den graaf van Rbedern gegeven woord vervullen. Zij twijfelde volstrekt niet, of de koning, die zoo eerbiedig en toegenegen jegens haar was, zou het verzoek, dat zij tot hem richten wilde, inwilligen, en dan zou bet hof op nieuw getuige zijn van haar groo-ten invloed en bare onbeperkte macht over den koning.

Zij stond met baar zoon en zijne gemalin juist onder den grooten kroonkandelaar midden in de zaal; naast baar zag men de regeerende koningin en de prinsen en prinsessen van bel koninklijke buis. Het was een belangwekkend schouwspel, deze door het schelle licht van den kroonkandelaar verlichte groep te zien, de ga-laatstrekken op te merken, welke allen elkander zoo wel geleken, en toch in uitdrukking zoo van elkander verschilden, dezelfde bloesems van één stam, en toch zoo afwijkend in grootte, gestalte en vorm.

ocr page 53

47

De hovelingen stonden in dichte rijen, eerbiedig 'zwijgend, er om heen en beschouwden oplettend dit koninklijke familie-tafereel, dat, als in een stralenkrans getooid, zich schitterend en helder uit hun raidden verhief.quot;

„Uwe majesteit,quot; zeide de koningin met hare volle, zil-verheldere stem, ik heb u nog een verzoek voor te dragen.quot;

De koning boog zich eerbiedig en kuste de hem aangeboden hand zijner moeder. „O, majesteit, gij weet wel, dat gij niet behoeft te verzoeken, maar enkel te bevelen hebt.quot;

Sophia Dorothea glimlachte trotsch en wenkte den koning vriendelijk toe. „Ik dank u voor dit woord, mijn zoon. Hoor dus. Mijn hotmaarschalk, graat Rhedern, denkt te trouwen. Ik heb hem beloofd, de toestemming tot zijn huwelijk van uwe majesteit voor hem te verwerven.quot;

„Wanneer mijne koninklijke moeder met het huwelijk van haar hofmaarschalk tevreden is, ben ik het natuurlijk ook, in de veronderstelling, dat de gekozen bruid uit een goed en aanzienlijk huis is. Van welke geboorte is de bruid?quot;

De koningin trok een eenigszins verlegen gelaat. „Majesteit, zij is van volstrekt geene geboorte.quot;

Het voorhoofd des konings betrok een weinig. „Zij is dus ook niet geboren om gravin te worden,quot; zeide hij, ,,en uw hofmaarschalk deed beter over deze dwaasheid te zwijgen, dan zich van mij eene weigering op den hals te halen. Ik haat elke mésalliance en zal zoo iets aan mijn hof niet dulden.quot;

Deze met luide en strenge stem gesproken woorden hadden op den familiekring des konings eene zeer verschillende uitwerking; men zag gelaatstrekken verbleeken en andere blozen; deze namen eene verlegene houding, andere eene vroolijke aan. — Sophie Dorothea kleurde van genoegen, want deze woorden des konings bevrijdden haar van de vrees, dat hij zich van zijne gemalin zoude laten scheiden, om een onwettig huwelijk met de horfreule van Pannewitz te sluiten; en de koningin-moeder was zelve eene te eerbare en deugdzame vrouw, om aan de mogelijkheid eener raai-tressenboel aan het Pruisische hof te gelooven. Zij was dus voor het oogenblik volkomen gerustgesteld en de liefde

ocr page 54

48

des konings voor de schoone Laura verscheen haar nu als eene dichterlijke luim, welke spoedig voorbij zoude zijn, anders niets!

Hiermede geheel verschillend was de uitwerking, die 's konings woorden op prins August Wilhelm maakten. Zijn helder voorhoofd betrok; zijne trekken namen eene pijnlijke en tevens dreigende uitdrukking aan; hij was op het punt van te spreken en in naam der menschelijkheid en der liefde tegen dit harde en gestrenge woord des konings zijne stem te verheffen, toen Elizabeth Christine, die naast hem stond en hem met angstige deelneming had gadegeslagen, hem toefluisterde; „Zwijg, broeder, en wees bedaard!quot;

De prins ademde diep, en wendde zijn blik, als om troost, naar den kring der hofdames. Laura van Panne-witz groette hem met de oogen en bloosde tevens over hare eigene vermetelheid. De prins, door dien teederen groet zijner schoone beminde gesterkt, nam weder eene bedaarde, onverschillige houding aan.

De koningin-moeder was intusschen door de woorden van haar zoon nog niet overwonnen; haar trots verzette zich tegen zulk eene spoedige nederlaag, ten aanhoore van hare familie en haar hof. Buitendien had zij den graaf Rhedern haar koninklijk woord gegeven en zij moest het houden.

Zij beproefde het nog eens, door vriendelijk verzoek, de toestemming des konings tot het huwelijk van graaf Rhedern te verkrijgen. De koning bleef onverzettelijk.

Sophie Dorothea, geprikkeld en tot het uiterste gedreven door dit verzet tegen haar wil, werd des te hardnekkiger in haar pogen om hem door te drijven. Zij bad nog eenige reservetroepen achtergehouden en besloot deze nu in bet veld te brengen.

„Uwe majesteit heeft volkomen gelijk,quot; zeide zij, „uw adel tegen onwaardige mésalliances te willen bewaren; maar er zijn toch enkele uitzonderingen, waarin men, tot welzijn van den adel, eenige toegeeflijkheid moettoonen.quot; — En terwijl Sophie Dorothea zich dichter naar haar zoon boog, vervolgde zij zachter: „Graaf Rhedern is totaal geruïneerd en moet te gronde gaan, wanneer gij hem belet deze rijke partij te doen.quot;

ocr page 55

49

Nu werd de koning oplettend en vroeg mot de meeste belangstelling: „Is dan het meisje zóó rijk?quot;

„Ontzaglijk 'rijk, sire! Zij brengt den graaf eene huwelijksgift van een millioen daalders! Het is eene dochter van den rijken zijdefabrikanl Orguelin!

„Zoo, van Orguelin. Hij is een zeer braaf man en heeft door zijne fabrieken veel geld in het land gebracht,quot; zeide de koning blijkbaar getroffen en zachter gestemd.

„Het zou dus zeer te betreuren zijn, wanneer dit geld weder aan het land onttrokken werd,quot; vervolgde de koningin, hare laatste mijn latende springen.

„Hoe bedoelt gij dat majesteit?'' vroeg de koning levendig.

„Deze juffrouw Orguelin heeft, dank haar millioen, verscheidene aanvragen en op het oogenblik dingt, behalve de graaf Rhedern, nog een jong koopman uit Holland naar hare hand. Deze, die reeds de toestemming van den vader verkregen heeft zal ook die van de dochter krijgen, als graaf Rhedern niet den voorrang weet te behalen.

„Dat mag niet,quot; riep de koning driftig; die juffrouw Orguelin mag den Hollander niet trouwen; die aanzienlijke som van een millioen daalders mag het land niet uit!quot;

„Toch zal uwe majesteit dat meisje niet kunnen beletten naar haar zin te trouwen, en den vader evenmin, om eene, met zijn vermogen overeenstemmende huwelijksgift te geven.quot;

De koning zweeg een oogenblik en scheen te oveideggen. „Toen zeide hij glimlachend: uwe majesteit is te goed advokaat voor hare cliënten, om zich tegen haar te kunnen verzetten. Ik geef dus toe! Graaf Rhedern heeft mijne toestemming tot het huwelijk met mejuffrouw Orguelin.quot;

„Maar dat is helaas nog niet voldoende, sire, zeide de koningin met haar bevalligsten glimlach. Er is nog eene kleine voorwaarde, zonder welker vervulling de trotsche millionnaire den graaf hare hand niet geven wil.quot;

„O, zie eens. De kleine bourgeoise maakt nog hare voorwaarden, wanneer een graaf haar huwen wil.

„Ja, sire! Zij wil dan slechts de gemalin van den graaf worden, wanneer deze haar de verzekering kan geven, dat zijne gemalin aan ons hof ontvangen en volgens haar nieuwen rang behandeld zal worden.quot;

Ufthlbaob, Frederik de Groote en zijn Hof, II. 4

ocr page 56

50

vZo()!quot; riep de koning met spottenden glimlach. „Deze millionnaire acht het dan zoo hoog, aan ons hof te mogen verschijnen.quot;

„Het schijnt, sire, dat zij dit voorrecht hooger schat, dan het bezit van een grafelijken gemaal.quot;

De koning sloeg nadenkend zijne oogen op den grond en zag toen weder zijne moeder met een stralenden, schalkschen glimlach aan. „Nu dan, moeder,quot; zeide hij, „gij weet wel, dat ik u niets weigeren kan en daar gij het wenscht, moet deze juffrouw Orguelin, wanneer zij getrouwd is, als nieuwbakken gravin aan mijn hof verschijnen. Maar gunst voor gunst; wij zullen ruilen. Ik beloof u, deze nieuwbakken gravin Rhedern aan mijn hof te ontvangen, wanneer gij mij belooft, den graaf Réal aan uw hof te ontvangen.quot; *)

„Den graaf Réal,quot; riep de koningin verstoord. „Uwe majesteit weet —quot;

„Ik weet,'' viel de koning zich buigende haar in de rede, „ik weet, dat de graaf Réal van even goeden adel is, als de gravin Rhedern zijn zal en dat hij, evenals deze,verscheidene millioenen bezit, welke ik door de erkenning van zijnen graventitel, voor het land verzekerd heb. Wij zijn het dus eens, niet waar? De gravin Rhedern zal aan mijn hof even goed ontvangen worden, als de Graaf Réal aan het uwe?quot;

Hij reikte de koningin zijne hand ;zij legde na eenig tegenstreven de hare daarin. „Ü, mijn zoon,quot; fluisterde zij, „gij zijt mij te slim geweest!quot;

De koning glimlachte. „Mevrouw, wij behouden daardoor voor het land drie millioen, en die wegen ten slotte toch meer dan eenige vermolmde grafelijke voorouders. Het Pruisen der toekomst zal door zijn adel in de veldslagen zegevieren; maar door zijne nijverheid zal het groot worden, rijker en machtiger dan door gewonnen veldslagen.quot;

1) Thiébault, II. pag. 57.

ocr page 57

[ VL

DE BERLIJNER TINNEGIETER EN DE FRANSCHE KLEERMAKER.

Daar buiten was intusschen het tooneel geheel veranderd. De langzaam de straat afrijdende koninklijke équipage had den bewoners der huizen op de tegenwoordigheid des konings oplettend gemaakt en een ieder was op straat geloopen om den jongen, schoonen koning te zien en te begroeten. Vrouwen en mannen, kinderen en grijsaards bewogen zich in bont gewoel door elkander en ieder vroeg zijn buurman, waarom de koning toch wel hier gekomen zoude zijn en wat het moest beteekenen, dat die dikke heer daar ginds, die op de ijzeren barrière van de Linden was gaan zitten, zoo ijverig deze zandvlakte met de kleine, armzalige huisjes afteekende, en waar of de koning toch zoude zijn, daar immers zijn rijtuig hem scheen te wachten.

Zelfs de groote en trotsche heer Pricker had het niet beneden zijne waardigheid gerekend, op straat te gaan en zich met zijne knechten en leerjongens voor de deur te scharen.

„Men zegt, dat de koning in het huis van den kruidenier Schommer is gegaan,quot; zeide een zijner knechten tot hem, die op kondschap was uitgeweest en zich onder de gapende, in stilte wachtende menigte had gemengd.

Mijnheer Pricker schudde met statige deftigheid zijn

ocr page 58

heer Pricker. De koning was op straat gekomen en het volk begroette hem met hoerah en gejuich en zwaaide met de hoeden en wierp jubelend de petten in de hoogte.

De heer Prickler, die met stil welgevallen zag, dat de koning zich naar den kant wendde, waar zijn huis lag, trad spoedig eenige schreden vooruit en plaatste zich met een vriendelijken glimlach vlak naast den weg des konings.

Maar de koning lette niet op hem, hij beantwoordde de groeten des volks heden met minder genadigen glimlach en vriendelijke groete; een wolk zetelde op zijn voorhoofd en zijn oog was somber. Zonder den glimlachenden zich diep buigenden heer Prickler met een enkelen blik te verwaardigen, ging hij langs hem heen, naar zijn rijtuig, dat vlak voor het huis van den hofkleêrmaker wachtte. De koning steeg er haastig in, zijne cavaliers volgden hem en ijlings vloog de wagen heen. Het volk riep hem een juichenden afscheidsgroet na en volgde met nieuwsgierige, deelnemende blikken het in de verte verdwijnende rijtuig.

„Waarom juicht dit arme, gekke volk?quot; morde de heer Pricker schouderophalend, die nu, daar de koning hem niet gegroet had, zeer ontstemd en vertoornd was. „Wat moet nu dat malle getier en zwaaien met den hoed be-teekenen? De koning heeft hen met een verdrietig gezicht aangezien, als waren zij lastige insecten, die hem stoorden; geen enkele keer heeft hij een lach over gehad. Hoe ontstemd hij was, bleek reeds daaruit, dat hij zelfs mij, den hoikleèrmaker zijner elegante gemalin, volstrekt niet opmerkte, en toch had hij zijn eigen rijtuig vlak voor mijne deur laten stil houden en^was het dus zijn doel mij te

ocr page 59

G5

bezoeken, dat hij echter in zijne verdrietige verstrooidheid glad vergeten heeft.quot;

Het volk begon te veiioopen; slechts hier en daar zag men nog enkele groepen, waarin men ernstig en nieuwsgierig over het waarschijnlijke doel van de komst des konings scheen te beraadslagen.

Niet ver van den heer Pricker en zijne knechten stonden eenige eerzame, ernstige burgers in lange jassen, met groote ivoren knoopen en getooid met lange pruikstaartjes, die deftig onder den driekant uitkwamen, welke het gladgestreken gepoederde haar bedekte.

Mijnheer Pricker, hen nu gewaar wordende, begroette hen vriendelijk en wenkte hen nader te komen. God groet u, waarde vrienden en bloedverwanten! Zijt gij ook gekomen om den koning te begroeten?quot;

„Een zeer schoon jongman!quot;

„Een zeer verstandige, geleerde jonge koning!quot;

„En toch! —quot;

„Ja, en toch!quot; —

„Ja, dat is ook mijn gevoelen, vrienden,quot; zuchtte mijnheer Pricker.

„De vele hervormingen en wetten. Men schrikt er van, als men ze leest!quot;

„Eiken dag wat anders, wat vreemds.quot;

„Ja, ja, het is niet meer, zooals in den goeden, ouden tijd,quot; zeide mijnheer Pricker, „niet meer zooals onder wijlen, den godzaligen. Ach, toen was het nog een eerbaar zedig leven; toen wist men toch op eiken dag, wat op den volgenden zijn moest en zou. Die heden hongerleed, wist, dat het morgen ook zoo zou zijn; wie heden rijk was, wist, dat hij het morgen ook zou wezen. Het. was een eerbaar, gestreng en deugdzaam leven; zeden en tucht heerschten overal, de koning was de beste echtgenoot en vader en ging ons allen met een verheven voorbeeld, in tucht en goede zeden voor.quot;

„Het is waar; men liep soms gevaar geslagen te worden,quot; zeide een ander en wanneer men het ongeluk had lang te zijn, had men veel kans in de garde gestopt te worden. Maar dat was ook alles. Anders kon men vrij en vreedzaam den eenen dag zooals den anderen lezen, men rookte zijn pijpje, dronk zijn kruikje bier en ook in deze Mühlbaoh, Frederik de Groote en zijn Hof. II. 5

ocr page 60

66

dingen konden wij den koning als ons ideaal en voorbeeld beschouwen.''

„Maar nu!quot;

„Ja, nu! Alles verandert even spoedig als de wind. Wie gisteren arm was, wordt van daag rijk; wie gisteren rijk was, wordt heden verstooten en tot een arm man gemaakt, zooals met den geheimraad Eckhardt gebeurd is. Ik werkte voor hem en hij was een goede klant van mij; want hij had zeer veel handschoenen noodig, soms een dozijn in de maand. Dien goeden klant ben ik nu ook door de hervormingswoede van de tegenwoordige regeering kwijt.quot;

„Maar die Eckhardt had het ook wel verdiend, vriend,quot; zeide de dikke bierbrouwer zeer wijs. „Hij vilde het volk en was bovendien een hoogmoedige, verwaande vent, die niemand, zelfs mij niet, groette. Ik heb het hem gegund, dat de nieuwe koning hem het schooue huisin de Jagerstraat weder afgenomen heeft; dat was rechtvaardig.quot;

„Maar de godzalige koning had het hem immers geschonken — en niets moest den uitersten wil van den godzaligen onteeren.quot;

„Ja, dat is waar, men had den uitersten wil van den godzaligen moeten eeren,quot; beweerden allen met ernstige deftigheid.

„ü, wij zullen nog veel moeten beleven,quot; zuchtte mijnheer Pricker. „Zoudt gij wel willen gelooven, dat men van plan is ons deftig pruikstaartje te doen plaats maken voor den lichtzinnigen winderigen haarzak?quot;

„Dat is onmogelijk! Dat mag niet! Nooit zullen wij dat doen,quot; riep het koor met echt Griekschen pathos.

„Zij willen ons Fransche modes geven,quot; vervolgde de spreker Pricker. „Fransche modes en Fransche zeden. Ach, ik zie nog den dag aanbreken, waarop wij Fransche handschoenmakers en schoenmakers, Fransche kappers en bierbrouwers, ja, zelfs Fransche kleermakers zullen hebben. Het zal niet lang meer duren, of men zal straffeloos uithangborden met Fransche opschriften boven de deuren der winkels mogen ophangen en niemand zal meer afgeranseld worden wanneer hij zijne eerlijke Duitschetaal met Fransche spreekwijzen vermengt en verontreinigt. Ach, ach, de tegenwoordige koning zal, niet zoo als de godzalige, twee meisjes laten gevangen zetten, omdat zij „charmantquot; gezegd had-

ocr page 61

67

den; hij zal niet met eigen hand den jongen een pak slaag geven, die het in het hoofd had gekregen in Fransche kleeding op straat te verschijnen, zoo als de godzalige zoo dikwijls gedaan hoeft. Alios, alles zal anders worden; niet beter, maar meer Fransch.quot;

„Ja, zou men het kunnen gelooven,quot; riep de dikke bierbrouwer, „dat men er zelfs aan denkt om den lievelingsdrank van den godzaligen, welke zijn zoon toch in elk geval heilig en eerwaardig moet zijn, in zijne achting en waardigheid aan te tasten? Er wordt geen bier meer aan het hof gedronken, maar enkel Fransche wijn, en al wie nu nieuwerwetsch wil zijn en aan het hof komen wil, die trekt zijn neus voor de bierkruik op, en drinkt daarvoor liever slechten, vervalschten wijn. Ja, zelfs koffie zal mode worden en de koffiekastelein uit den lusttuin, die toch tot nu toe slechts voor de koninklijke familie en vooreenige rijke lieden van het hof koffie zetten mocht, ^ heeft niet alleen verlof voor iedereen koffie te schenken, maar elk kastelein mag het doen, en ze aan alle menschen verkoopen.quot;

„En hebt gij dan al gehoord,quot; vroeg de handschoenmaker somber, „dat de beide eenige spijsverkoopers en gaarkoks in Berlijn, Nicolaï in het heerenhuis en St. Vincent hunne mededingers hebben gekregen, en zij niet meer de eenigen zullen zijn, waar men voor zijn geld een goed middagmaal kan koopen? 1) Er zijn reeds twee Fransche koks aangekomen, en de eene heeit in de Friedrichstraat, de andere in de Koningstraat eene gaarkeuken geopend, welke zij „Restaurationquot; noemen.quot;

„Ja,quot; zuchtte de schoenmaker, „ik zelf ben er gisteren heen geweest en heb uit nieuwsgierigheid bij den Fransch en kok in de Friedrichstraat gegeten. Ach mijne, vrienden, ik had wel willen schreien van kwaadheid, want het was, helaas heerlijker en lekkerder eten, dan wij ooit bij Nicolaï of St. Vincent gekregen hebben en wij moesten bovendien nog minder betalen.quot;

„Het is hemeltergend: een Franschman komt hier heen en geeft beter en goedkooper eten, dan een geboren Ber-

1

Ibidem.

ocr page 62

68

lijner,quot; zuchtte mijnheer Pricker. „Ik zeg u, wij zullen allen nog veel leed te verduren hebben, en zelfs mijn eertitel beschermt mij niet tegen bittere krenkingen en diepe beleedigingen; want het kan nog gebeuren, dat. . .quot;

De heer Pricker verstomde en staarde met wijd opengesperde oogen naar het midden van de straat; zijne vrienden en verwanten volgden de richting van zijn blik en ook hunne oogen openden zich wijder en op aller gelaat was nieuwsgierigheid en verbazing te lezen.

En inderdaad het was een buitengewoon schouwspel, dat zich aan de eerzame burgers vertoonde. Op straat bewoog zich een door twee afgematte, dampende paarden getrokken wagen langzaam voorwaarts; een wagen van eleganten, nieuw-modiscben vorm, zooals die nu aan het hof in zwang waren en uit Frankrijk aangebracht waren Het was geene koets en geen stoel wagen, maar beide te zamen, een der meest geliefde rijtuigen, chais genoemd. De lederen kap was afgeslagen, men kon dus zeer gemakkelijk den geheelen inhoud overzien.

Op de voorste bank zaten drie personen. De eerste van hen had eene ernstige, deftige houding, een verheven en eerbiedwekkend voorkomen. Een zwart fluweelen rok met kleine zilveren knoopen omgaf zijne keurige, slanke gestalte; de mouwen en de borst van dien rok waren met prachtige kantenlubben versierd. Zijn eenigszins grijs, on-gepoederd haar was slechts in een haarzak samengebonden, waaraan een ontzaglijk groote strik hing. Een buitengewoon kleine, sierlijke driekante hoed zat los op de toupée met aan weerszijden neerhangende krullen, en bedekte een weinig het voorhoofd, dat den ernst en het verhevene van een Jupiter verried.

Naast hem zaten twee vrouwen, de eene, eene oudere, ernstige dame, de andere een jong, schoon meisje, met gloeiende, zwarte oogen en blozende wangen. De elegante en keurige kleeding der vrouwen verschilde intusschen hemelsbreed van de eerbare, ernstige en zedige dracht der Berlijner vrouwen. De kleederen waren van levendige, bonte stolïen, opene mouwen met breede kanten versierd, lange lijven, welke laag uitgesneden, bij de eene de schoonheid en frischheid van hals en boezem, bij de andere de schoonheid en kostbaarheid van een kanten doek, welke

I

ocr page 63

69

den hals bedekte, deden uitkomen. Verbazende toupées van gepoederd haar bedekten hare hoofden, op welker uiterste punten kleine fluweelen hoedjes los zweefden, met lang neerhangende linten versierd.

Op den achterbank van den wagen bevonden zich drie andere jonge meisjes in dezelfde, hoewel minder rijke kleeding. Op dit eerste rijtuig volgde een tweede, waarin zes jonge lieden zaten, alle in Fransche dracht gekleed, met levendige oogen nieuwsgierig rondziende en zoo luide lachende, dat de eerzame en deftige burgers, die voor het huis van den heer Pricker stonden, zeer goed elk woord, dat zij spraken, konden hooren — maar helaas niet verstaan.

„Franschen,quot; mompelde Pricker met eene soort van huivering.

„Franschen,quot; zeiden zijne vrienden hem na, en staarden, evenals hij, naar de zeldzame en nieuwe verschijning.

Maar hoe! Wie stond daar naast den eersten wagen, welke vlak voor het huis van den heer Pricker stil hield? Wie sprak daar met het jonge, schoone meisje, dat zich glimlachend tot hem uit den wagen boog en geheel vertrouwelijk met hem stoeide en lachte? Was deze jongman inderdaad de zoon en erfgenaam van den heer Pricker? Was hij het, die met deze vreemdelingen sprak en zelfs Fransch met hen sprak?

Ja, ja, de heer Pricker kon zich hierin niet vergissen; het was zijn zoon, het was Willem, de erfgenaam van zijn naam.

„Hoe? Uw zoon spreekt Fransch?quot; vroeg de schoenmaker op verwijtenden toon.

„Hij wilde het zoo gaarne,quot; zuchtte mijnheer Pricker schouderophalend. „Ik moest wel toestemmen hem een Franschen taalmeester te geven.quot;

Nu kwam Willem, die zijn vader in het oog gekregen had, ijlings de straat overgeloopen. De oogen van den jongman fonkelden, eene levendige vreugde schitterde op zijn schoon frisch gelaat; zijn geheel uiterlijk toonde opgewektheid, hartstocht en gevoel.

„Vader,quot; zeide hij, ,,ga dadelijk met mij mede! Deze vreemdeling zou u zoo gaarne een oogenblik spreken. Verbeeld u eens, welk een geluk. Ik ging de Charlottenstraat

ocr page 64

70

af, toen ik deze reizigers ontmoette. Zij spraken mi] in het Fransch aan en vroegen naar het beste logement in Berlijn. Gelukkig, dat ik hen verstond en hun dadelijk de stad Parijs kon aanbevelen. O vader, wat een wonderschoon, bekoorlijk meisje is het, en hoe vriendelijk en zonder complimenten. In geheel Berlijn is geen meisje zoo als deze Blanche. Ik heb al een half uur naast den wagen geloopen en wij hebben gebabbeld en gelachen, als oude vrienden; want toen ik vernam, wie zij waren, en waarom zij naar Berlijn gekomen waren, zeide ik hun dadelijk, wie vader was. en toen werd de oude heer dadelijk vriendelijk en gemeenzaam en zijne dochter geheel vertrouwelijk en vroo-lijk. Kom, vader, mijnheer Pélissier verlangt zeer met u kennis te maken.quot;

„Maar ik versta geen Fransch,quot; zeide de heer Pricker, die, ondanks zijn tegenzin tegen de Franschen, toch door het ongeduld van met hem kennis te willen maken, zich zeer gevleid gevoelde.

„Ik zal uw tolk zijn, vader. Kom maar mede, want ook gij zult verbaasd zijn, bij het vernemen, wie deze heer Pélissier is.quot;

En Willem trok zijn vader in grooten haast naar den wagen.

De vrienden en bloedverwanten stonden stijf en onbewegelijk van nieuwsgierigheid en wachtten met ongeduld de terugkomst van hun vriend af.

Eindelijk kwam de heer Pricker terug, maar wat mocht er toch met hem zijn voorgevallen. Zijn stap was onvast en waggelend, zijn gelaat bleek, zijne lippen trilden en een diepe groeve lag op zijn voorhoofd.

Hij ging tegenover zijne vrienden staan en keek hen met een starren, wilden blik aan. Eene pauze volgde. Aller harten klopten onstuimig; eene vreeselijke spanning tee-kende zich op aller gelaat.

Eindelijk opende de heer Pricker zijne bevende lippen; eindelijk sprak hij, maar zijne stem was dof en hol.

„Het zijn Franschen, ja, Franschen,quot; zei hij. „Het is de nieuwe Fransche kleermaker, dien de koning heeft laten overkomen. Hij komt met zes Fransche knechten en zal voor den koning, de prinsen en het hof werken. Maar hij is niet enkel heeren-kleêrmaker, maar ook dames-kleêrma-

ocr page 65

71

ker en zijne vrouw en dochter zijn de beroemdste kleêr-maaksters van Parijs; zij hebben ook nog drie werksters medegebracht en denken, dat de koninginnen, de prinsessen en bet geheele hof bij haar zullen laten werken.quot;

„Maar dat mag niet,quot; schreeuwden de vrienden. „Wij hebben onze gildewetten. Geene vrouw mag het kleêr-makers-ambacht drijven.quot;

„Wel zeker, wel stellig,quot; riep de heer Pricker, akelig lachend. „De koning heeft hun een privilegie en het verlof gegeven. Ja, ja, het wordt nu alles anders, veel beter en mooier. De koning laat Fransche kleermakers overkomen en mij, mij willen deze monsters om raad vragen. Van mij willen zij weten, hoe zij zich tegenover de glldemeesters moeten gedragen. Mij, den hofkleêrmaker Pricker, wil deze overgewaaide Fransche kleermaker om raad vragen. Ha, ha, ha! Is dat niet om te lachen?

En de heer Pricker barstte in een luid, wild lachen uit, dat zijne vrienden deed huiveren; toen zonk hij machteloos in de armen van zijn bloedverwant, den handschoenmaker.

Zijn zoon Willem, zijn vader ziende vallen, snelde ijlings toe, om hem te helpen en in huis te dragen.

De heer Pélissier zag, met den blik van een Jupiter, van de hoogte zijns wagens, op den machteloozen snijder neder.

„De goede man heeft zijn bewustzijn verloren,quot; zei bij met olympischen glimlach. Ik neem het hem niet kwalijk, want hij ziet zijn ondergang te gemoet. Hij is een geruïneerd man, want hoe zou hij, een Duitsche onbekende snijder het durven wagen, met Pélissier, den beroemden Pélissier, den zoon van den beroemden hofkleedermaker van Louis Quatorze te rivaliseeren. Dat zou immers eene vermetelheid en domheid zijn, waartoe ik zelfs een Duitsche hersenkast niet in staat acht.quot;

De heer Pélissier wenkte deftig den koetsier verder te rijden en de stoet bewoog zich statig en langzaam door de Linden.

ocr page 66

72

VII.

HET DUBBELE RENDEZ-VOUS.

De kleine hoflreule Louise van Schwerin liep in radeloos ongeduld hare kamer op en neer. Zij had de deur achter zich gegrendeld, want zij wilde volkomen veilig zijn, door niemand verrast, door niemand bespied worden; zij wilde nog eenmaal dat geheimzinnige briefje lezen, dat zij heden in den ruiker gevonden had, welke in haar raam lag, nog eens ongestoord zijn inhoud overdenken.

Dit brieije was van Fritz Wendel, den schoonen tuinman, dat wist zij; want van hem kwamen die heerlijke ruikers, welke zij hier in Monbyou, evenals vroeger te Rheinsberg altijd op hare vensterbank vond, en dus kon ook hij slechts dat billet er in gestoken hebben. Het was een heel kort, lakoniek briefje; het bevatte niets dan het dringend verzoek heden avond om acht uur in de oranjerie te komen en daar in de donkere grot te gaan, waar zij een gewichtig en gevaarlijk geheim zou vernemen.

„Wat kan dat voor een geheim zijn ?quot; vroeg Louise zich zelve, nadat zij herhaalde malen dit met halve woorden sprekende briefje gelezen had. „Denkt hij misschien,quot; vervolgde zij met schalkschen lach, „denkt hij misschien, dat zijne liefde voor mij een geheim is? Gevaarlijk is zij zeker voor hem en voor mij, maar een geheim is zij niet. Want dat hij mij bemint, dat is zeker. Maar het moet toch zoet zijn, zich dat eens te laten vertellen, eens onbespied met den minnaar bijeen te zijn en eindelijk van zijne lippen de bekentenis te hooren, welke men tot nog toe slechts in zijne fonkelende oogen heeft gelezen? En is het niet ondragelijk, zoolang op deze liefdesverklaring te moeten wachten ; Is het niet wreed, reeds twee maanden in elkanders nabijheid te zijn en toch nooit een oogenblik te kunnen vinden, waarop men elkander kan zien en spreken? Altijd in dit koude, vervelende hofleven ingeregen te zijn, altijd omgeven door spionnen, oppassers en luistervinken ? Is het

■ruttirmtttkittu#*, een amp;

^ /?//gt;*/. . rirj.,./.* r, i

ocr page 67

JojUrt Qtritba uamp; ty fa in^/r'netfc €e*v*pLS

lV'Crt***

rj

Laura niet behoefde te zien, noch hare zachte welluidende stem te hooren, die alt'jd in stille klaagliederen trilde en de strenge, ongeduldige en driftige koningin wanhopend maakte, door hare zwijgende elegie en hare onuitstaanbare gelatenheid. De koning was heden naar Potsdam gegaan, zoodat het niet noodig was Laura te bewaken. Ook geloofde de koningin niet meer aan deze liefde, waarvan zij te vergeefs getracht bad, het een of ander spoor of uiterlijk kenteeken te ontdekken.

De koning scheen veeleer Laura in het geheel niet op te merken; slechts eenmaal sedert dien dag had hij met haar gesproken, en dat was, om haar een weinig te plagen over haar bleek, smachtend voorkomen en haar schertsend te vragen, of soms eene ongelukkige liefde er haar zoo bleek deed uitzien? — Sedert dien dag geloofde de koningin niet meer aan eene verliefde betrekking tusschen den koning en de schoone Laura, en zij had zelfs mevrouw van Brandt in het geheim eenige verwijtingen gedaan, dat zij haar eene onwaarheid gezegd en haar een praatje over de liefde des konings had op de mouw gespeld.

Mevrouw van Brandt had daarop met een geheimzinni-gen glimlach geantwoord; „Ik zeide uwe majesteit niet,' dat het den koning was, dien Laura beminde ; uwe majesteit dacht het te raden en ik heb u niet tegengesproken,quot;

„En waarom niet, daar gij toch wist, dat het den koning niet was, dien Laura beminde?quot; had de koningin driftig gevraagd.

„Omdat ik een heiligen eed gezworen heb, den naam van haar geliefde niet te noemen. Is de koning het niet, des te beter voor mijne arme Laura. Doch ik waag het uwe majesteit op nieuw te bezweren, mijne arme vriendin van hare ongelukkige liefde te genezen en haar den graaf Voss ten huwelijk te geven.quot;

De koningin had vast besleten dat te doen en daarom wilde zij heden naar Schönhausen bij de jonge koningin gaan, om in vereeniging met deze de krachtigste middelen tot bereiking van dit plan te beramen.

Altijd nog verbeeldde zich Louise van Schwerin, dat het nog mogelijk ware, dat de koningin-moeder van besluit veranderde en ook haar in het gevolg kon medenemen; zij vreesde en r hoopte tegelijk. Zij zou geweend hebben,

O. F. M.

I G

■ .3

■

ocr page 68

76

als het gebeurd ware en nochtans gevoelde zij, dat het tot haar geluk zoude zijn. ^

Zoo tusschen angst en hoop, twijfel en vrees geslingerd, verliep de tijd; daar rolde een riituig van het slotplein. Louize hoordo het luide roepen der wacht en het tromgeroffel.

Het was de koningin, die naar Schönhausen reed. Louize van Schwerin was dus vrij, onbespied en niets kon haar beletten naar haar rendez-vous te gaan.

En zij ging. Met beven den tred, met een kloppend hart vloog zij door de donkere lanen van den tuin en met klokslag acht trad zij in de oranjerie. Alles was stil en zwijgend en in eene zachte schemering gehuld; in ruime mate ademde zij den kostelijken geur van de oranjebloesems in, welke de zinnen bedwelmde en haar hoofd deed duizelen, als door een kleinen opium-roes.

Zachtjes, onhoorbaar gleed Louize door de bloeiende, geurige zaal; ademloos van verwachting en innerlijken angst trad zij in de donkere grot, en, terwijl hare oogen nog verblind waren dOor de plotselinge duisternis, zonk zij sidderend en bedwelmd op eene kunstmatige bank van graszoden, welke daar tusschen slingerplanten en varenkruiden, midden in de grot, was geplaatst.

„God dank, fluisterde zij, God dank, ik ben alleen. Er is niemand hier. Ik zal ten minste tijd hebben om wat te bekomen en een besluit te nomen. O, ik maak mij zoo ongerust, ik had niet moeten komen. Wie weet, of niet een ander dat briefje geschreven heeft; of het niet eene grap is, die de hofdames verzonnen hebben, om mij later uit te lachen. Mijn hemel, dat is het stellig geweest en hoe dwaas ben ik geweest van te gelooven, dat hij het wagen zoude mij om een rendez-vous te vragen! Hij is veel te beschroomd, veel te ootmoedig, dan dat hij zoo iets zou doen. Zeker zijn het de hofdames geweest, en ik was dom genoeg in den strik te loopen. Maar het is nog tijd, nog kan ik vluchten, want niemand is hier en niemand heeft mij zien komen.quot;

Zij wilde opstaan; zij wilde inderdaad vluchten, maar het was reeds te laat. Twee armen raakten even hare gestalte aan en trokken haar weder op hare zitplaats.

Louize gevoelde eene huiverende ontsteltenis en toch

ocr page 69

77

trilde eene zoete verrukking door haar geheele gestalte ; zij wilde zich losmaken, maar zij gevoelde zich door die mannelijke armen al vaster geklemd en aan eene borst gedrukt, wier luide en onstuimige slagen eene echo in haar eigen hart vonden; haar beschroomde, angstige blik ontmoette zijne gloeiende, vlammende oogen, welke met be-tooverende kracht op haar rustten.

Louize liet haar hoofd onder een hangen zucht achterover zinken. Nu brandden twee gloeiende lippen op de hare en bi'achlen haar in verwarring en bedwelmden haar door don vurigen kus.

M:var de maagdelijke, kinderlijke schroom deed haar uit die eerste bedwelming der zinnen ontwaken; zij vond nog moed, zich aan dat gevaar te willen onttrekken, zich met kracht uit deze haar omslingerende armen los te maken.

„Laat mij los,quot; zeide zij ademloos, met hovende lippen waarin zij eiken polsslag van haar hart voelde. „Laat mij los! Houd mij niet langer tegen. Ik wil gaan. Ik mag hier niet langer blijven. Hoe durft gij het wagen, mij zoo te overvallen en zoo misbruik van mijne onsteltenis te maken. Hoe zijt gij hier gekomen en wat zoekt.gij hier?''

En Louize, die had willen heengaan, bleef nochtans staan om zijn antwoord te hooren.

„Hoe ik hier gekomen ben?quot; zeide de schoone tuinman, op heschroomden, ootmoedigen toon. Ik heb vier weken eiken nacht gewerkt aan dien weg, welke mij onopgemerkt hierheen kon brengen. Als een mol heb ik in de diepte der aarde, een weg geboord en terwijl alles sliep en droomde, waakte en werkte ik; maar ik droomde met wakende oogen, en het was een zalige droom, want hij liet mij den dag zien, op welken mijn moeielijk werk voltooid zoude zijn en ik door niemand gezien, hier zou kunnen komen en hier eene engel zou vinden, die ik aanbid, die ik eiken dag en elk uur mijns levens gewijd heb. Ziet gij daar, freule, achter gindschen oranjeboom die opening? Dat is de weg naar mijn paradijs, dien ik mij zelf gedolven heb. Door deze opening kom ik naar een in den grond gegraven trapje, dat naar een kleine kelder leidt, die onder de oranjerie is, en uit deze kelder loopt een dergelijke trap weder naar eene valdeur, door welke men juist in mijne kamer komt, die in de onderste verdieping van het tuin-

ocr page 70

78

manshuis ligt. Gij ziet dus dat ik veel inspanning en tijd noodig had mij dezen weg te banen.quot;

Louize was nieuwsgierig tot aan den rand der opening gegaan, welke naar de diepte leidde. Meer dan alle vurige betuigingen werkte het gezicht van den om harentwil ge-maakten weg op haar; slechts eene krachtige en groote liefde was toch in staat geheel alleen en zonder hulp zulk een reuzenwerk te voltooien. Maar het jonge meisje wilde de ontroering van haar hart bedwingen en trachtte hare aandoening onder plagende spotternij te verbergen.

„Inderdaad, een donkere, geheimzinnige weg,quot; zoide zij, welken echter een ieder, die met een licht in de grot komt, zal vinden; en gij weet, dat hare majesteit de koningin gaarne des avonds de oranjerie laat verlichten, om met haar hof hier thee te drinken.quot;

„Niemand zal dezen weg vinden,quot; zeide de jonge tuinman, terwijl hij met zijn voet de houten bak, waarin de oranjeboom stond, vooruit schoof. Deze volgde onder zacht gekraak de drukking en scheen als om zich zeiven te draaien.

„Zie, freule, nu verbergt deze boom mijn geheim. Zij stond op eene plank, waaraan eene schroef zat. Nu is mijn weg afgesneden, en als nu iemand kwam'' —

Maak opon, bid ik u, maak open.quot;

„Ik zal het doen, wanneer gij mij belooft, mij niet dadelijk to verlaten.quot;

„Ik heloot hel u, schuif den boom maar weder terug.quot; Frits Wendel gehoorzaamde. Toen keerde hij zich snel jiaar het jonge meisje, en haar in zijne sterke armen nemende, droeg hij haar naar de zodenbank; vervolgens haar voorzichtig nederzettende, knielde hij ootmoedig voor haar, om voor haar als een slaaf zijn hoofd te buigen en hare voeten te kussen.

„Gij zijt mijn heer en meester,quot; zeide hij, ik lig aan uwe voeten, om van u mijn noodlot af te wachten. Gij moet mij of tot een God verheffen, of mij voor eeuwig in het stof vertrappen. Wanneer gij mij zegt: sta op, ik bemin u, zal ik kracht hebben, om de geheele wereld te trotseeren, zal ik om roem, eer en aanzien strijden, om eens voor God en de geheele wereld uwe hand en uwe liefde te kunnen vragen. Wanneer gij zegt: blijft, waar gij zijt aan

ocr page 71

79

mijne voeten, gij zijt op uwe plaats en ik veracht een ellendigen knecht, die het waagt eene hooggeborene freule te beminnen, wanneer- gij dat zegt, zal ik sterven, omniet krankzinnig te worden. Want ik gevoel, dat mijne hersenen geene kracht hebben, dezen vreeselijken slag te weerstaan en ik wil liever sterven, terwijl ik u zegen, dan misschien uit waanzinnigheid uwe wreedheid vloeken/'

Hij zweeg en hief zijn schoon, opgewekt gelaat smee-kend tot haar op. Maar Louize vond geene kracht tot spreken ; zij luisterde als bedwelmd naar de nieuwe, nooit gehoorde muziek zijner stem; zij was als betooverd door zijne groote liefde, welke alles overwint en voor geen hinderpaal terugdeinst.

„Gij antwoordt mij niet?quot; zeide hij zuchtend. „Ach, voor gij mij veroordeelt, overleg het ten minste; denk er aan, dat het hart, dat gij vertrappen wilt, voor u een schat van liefde, aanbidding en genegenheid draagt, zooals gij nergens anders vinden zult. Voor anderen zult gij altijd eene schoone, bevallige, bekoorlijke dame zijn, naar wier liefde men streeft en die men trouwt, wanneer zij toestemt, maar om wier wille men zich niet in den dood stort, wanneer zij „neenquot; zegt. Voor mij zijt gij meer dan eene vrouw, meer dan de schoone, bevallige, bekoorlijke dame! Voor mij zijt gij de godheid, welke „het zij lichtquot; over mij uitspreekt, welke mijn in den nacht verzonken geest uit zijne duisternis opjoeg en hem met het verlangen naar licht, naar kennis en wetenschap bezielde. O, gij weet volstrekt niet, wat gij al uit mii gemaakt hebt, wat gij al uit mij maken kunt, wanneer gij mij bemint. Ik was een arme, onwetende tuinmansjongen, toen ik u voor het eerst zag, niets minnende dan mijne bloemen, geene taal kennende, geen boek begrijpende, dan dit groote boek der natuur, dat in zoo eenvoudige, voor iedereen verstaanbare en toch zoo goddelijke taal geschreven is. Maar toen ik u zag, Louize, toen gevoelde ik, dat deze kennis der natuur niet voldoende was, om mijn oog tot u te kunnen verheffen. Voor de eerste maal schaamde ik mij over mijne armoede, bloosde ik over mijne onwetendheid. Sedert dien tijd, Louise, is mijn leven eene aanhoudende werkzaamheid, eene onafgebrokene studie geweest. Ik kon do uiterlijke armoede niet bannen, maar wel de innerlijke armoede van den geest; en dat

ocr page 72

80

heb ik gedaan, zooveel ik vermocht. Ik heb alles, wat ik verdiende, besteed om de onderwijzers te betalen, die mij onderrichten. Ik heb er altijd slechts aan gedacht, dat elke, nog zoo kleine vooruitgang in mijne kennis een zandkorrel was, om in den afgrond te werpen, welke mij van u scheidt, ten einde hem zoo langzamerhand te vullen en er over heen te kunnen stappen om tot u to komen. Ik wilde niet onwetend zijn, opdat Louize zich niet over mij behoefde te schamen. En nu, Louize, ben ik zoover, dat ik zeggen kan: Beschik over mij! Zeg mij, wat ik moet doen, wat aangrijpen, om u te kunnen verdienen; verondersteld, dat gij liefde, geduld en moed genoeg hebt om op mij te willen wachten; verondersteld, dat gij mijne liefde niet afwijst en bespot.quot;

„Ach,quot; zeide zij zuchtend, „wat zou het baten of iA: u al niet afwijs, daar toch mijne aanzienlijke en trotsche familie, daar toch de koning niet toestemmen zal mij aan u te geven.quot;

„O, de koning!quot; zeide Fritz Wendel achteloos. „Er zou wellicht een middel zijn den koning te bewegen het te doen: een geheim, waardoor men van hem deze toestemming, eer en aanzien verkrijgen kan.quot;

„Och, een geheim, hetwelk gij mij hier wildet ontdekken?quot; vroeg Louize met de nieuwsgierigheid van een kind. „O, zeg mij, welk geheim dat is?quot;

„Gij zult het dadelijk vernemen. Hoor maar,quot; fluisterde de jongman, zachtjes opstaande en naast Louize op de zodenbank gaande zitten.

„Hoor maar,quot; fluisterde hij „maar verraad ons niet door een luid woord of kreet.quot;

„Ik hoor stappen,quot; fluisterde Louize. „Miin God, als men ons hier vond!quot;

„O, vrees niets. Zie daar ginds heen, Louize.quot;

Louize volgde de richting, welke de opgeheven vinger haar aanwees. Daar ginds onder den laurierboom zat Laura van Pannewitz en voor haar knielde de prins August Wilhelm, met zaligen glimlach naar haar opziende en hare handen met kussen overdekkende. „Laura, mijne bruid, mijne geliefde,quot; zeide hij fluisterend, „wanneer zal de dag komen, waarop alle hinderpalen uit den weg zullen zijn geruimd, waarop gij de mijne zult zijn, voor eeuwig de mijne Vfmuje wrfkCvjtklnJfLcuitsn a.a*ft

üyfi quot;teedéte taaiJamp;cStiJi i'un*lamp;n(feto%''L'

ff isctn. fi-a-cu Mamp;n Qtvpei, fccmt ikrtidt*

ocr page 73

7 ~7

InOtftTtc^) f*iJLU*Xi*h*ck..,:JK deVnku^eCufSt '%K. iVy

rkuJU. Uw* „'% UiuJL d, tfoamp;cfrfv, e*.Pn«f ' V

„Scheiden? Gij weet, dat wij elkander in weken niet zullen weerzien, daar ik veroordeeld ben den koning op zijn pleizierreisje te vergezellen! Ach een pleizierreisje,

dat mij van u verwijdert, terwijl er voor mij slechts één genoegen bestaat, namelijk, u te zien, aan uwe zijde te zijn.quot;

„Ga toch maar,quot; zeide zij glimlachend. Wij beiden kunnen elkander nooit verliezen en nooit vergeten. Ik zie u altijd voor mij, ook wanneer gij niet bij mij zijt; ik ben altijd bij u, ook wanneer gij mij niet ziet.quot;

„Ach, ik zie u altijd, ik hoor u altijd, Laura! Ik denk steeds aan u, ook wanneer gij er niet zijt.quot;

„Nu dan! Zullen wij dan wel ooit gescheiden zijn?

„Volg dan den koning ook maar op zijn uitstapje, en wees zelf blij te moede, want onze zielen zijn altijd bij elkander en onze harten begrijpen elkander.quot;

Zij stak hem hare hand toe, die hij aan zijn hart drukte; vervolgens gingen zij beide, hand aan hand en glimlachend elkander aanziende, de zaal uit.

Louize had zich al lang uit do armen van haar geliefde losgemaakt en hem van zich gestooten. Toen nu de beide anderen zich verwijderd hadden, stond zij ook op en wilde ' heengaan.

Fritz Wendel zocht haar tegen te houden, maar Louize had uit Laura's woorden kracht geput, om haar hart wederstand te bieden. „Als gij het nog eenmaal waagt mij . te omhelzen,quot; zeide zij, „zult gij mij nooit wederzien en 1 ik zal nooit weder hier komen.quot;

Maar de meer ervaren en verstandige jongman merkte zeer goed, welke groote gunst zij hem reeds verleende,

zonder er misschien aan te denken. Hij had haar nog niet eens gevraagd weder te komen en zij beloofde het hem schier.

Ik zal het niet meer wagen u aan te raken,quot; zeide hij deemoedig. „Zult gij dan ook komen?quot;

Louize glimlachte. „Nu,quot; zeide zij, „ik moet wel komen, om dezen schoonen en tredenden roman van de arme freule van Pannewitz te kunnen volgen en de uitkomst te vernemen.quot;

„Maar niet waar, quot; vroeg hij, haar neerhangende hand grijpend en aan zijne lippen drukkend, „niet waar, deze

t

ocr page 74

84

roman kan te eeniger tijd van nut zijn? Wanneer de freule van Schwerin eens mijne teedere, nederige en moedige liefde aanneemt en mij het grootsch geluk gunt, haar gade te. zullen worden, dan zal de koning mij voor dit groote staatsgeheim zijne toestemming niet weigeren.quot;

„Mijn God,quot; vroeg Louize ontsteld, „gij zoudt zoo wreed kunnen zijn, den koning het geheim der beide ongelukkige geliefden te verraden?quot;

„Wanneer ik daardoor de hand mijner aangebeden Louize kan verwerven, zal ik het doen. Ach, ik zou voor dat bezit mijne zaligheid weggeven, waarom zou ik er dan tegen opzien, een geheim te verraden, dat mij niet toevertrouwd is, maar dat ik op mijn weg gevonden heb?quot;

„Arme Laura,quot; zuchtte Louize; „gij hadt wel gelijk met te zeggen, dat het beste voor u zou zijn te sterven en onzichtbaar uw geliefde te omzweven. Men zal u het geluk niet gunnen het zichtbaar te doen.quot;

VUL

DE KUIPERIJEN DER HOVELINGEN.

„Gij hebt gelijk,quot; zeide de baron Pöllnitz, „ja,gij hebt gelijk, lieve Fredersdorf, op dezen weg is deze Hercules niet te overwinnen en kunnen wij nooit tot de heerschappij geraken. Hij heeft geen hart en is onvatbaar voor liefde, ik geloof waarlijk, dat hij de vrouwen veracht.quot;

„Hij veracht haar wellicht niet,quot; hernam Fredersdorf glimlachend ; „maar hij is haar in elk geval moede, en dat is nog erger, dan wanneer hij haar veracht. De vrouwen zijn hem bereidwillig te gemoet gekomen en hebben hem veel te snel haar hart geschonken, dan dat hij er nog naar verlangen zou. En daarom zal eene vrouw nooit eenige macht op hem hebben.quot;

„Maar wat dan, dierbaarste vriend?quot; vroeg Pöllnitz ontsteld. „Er bestaan toch voor elk schepsel middelen, waardoor men het temmen kan. Zelfs de leeuw wordt door de

ocr page 75

85

boeien van den geest gekluisterd; het ontzaglijk gevaarte, de olifant zelfs, kan vernederd en getemd worden, zoodat hij zachtaardig, vreesachtig en lijdzaam wordt. Hoe? Zou er- dan geen middel zijn, dezen jongen koninklijken leeuw te temmen en een weinig in toom te houden ? Mijn hemel, wat zijn wij, als hij vrij blijft. Dienstdoende lastdieren van zijne willekeurige luimen, anders niets; veroordeeld om gehoorzaam den wil van onzen meester uit te voeren en zelve volstrekt geen wil te hobben. Beken, lieve vriend, dat dit eene zeer beklagenswaardige rol is, en weinig beantwoordt aan de stoute en eerzuchtige verwachtingen, welke wij beiden reeds zoo lang gekoesterd hebben. Mijn hemel, hoe is het mogelijk, dat, wanneer de kamerdienaar des konings en een zoo oud en ervaren hoveling, als ik ben, zich vereenigen, ten einde dit koninklijke wild in hunne kunstige en goed geplaatste netten te jagen, het hun ooit ontgaan kan. Dus vriend, dat kan niet geschieden en het mag ook niet, het zou eene eeuwige schande voor ons beiden zijn. Het is een ongehoord geval, dat een koning geene invloedrijke en machtige gunstelingen zou hebben; Frederik zal en moet ze hebben, zoo goed als elk ander, en daar deze plaatsen nog vacant zijn, is het geheel overeenkomstig met de gewoonte en ook zeer natuurlijk, dat wij deze plaatsen innemen.quot;

„Wij zullen ze ook innemen en bezetten,quot; zeide Freders-dorf glimlachend. „Gij noemdet daar even den koning een jongen Hercules. Nu, waardoor werd Hercules getemd?quot;

„Door zijne liefde tot Omphale, zou ik zeggen.quot;

Mis! Daardoor, dat Omphale hem wist te verleiden tot eene weelderige, zwelgende en verwijfde levenswijze en hem met feesten en luidruchtige vermaken in slaap wiegde. Herinner u ook maar, hoe de Romeinsche keizer Helioga-balus het aanlegde om de trotsche, eer- en heerschzuchtige senatoren, die zijne onbeperkte macht in den weg stonden, te dooden?quot;

„Ik ben niet zoo geleerd als gij, beste vriend, en ik beken zonder te blozen, dat ik niets van Heliogabalus weet.quot;

„Hoor dan. Heliogabalus was het moede, slechts de uitvoerende en gehoorzame ambtenaar van den besluitenden senaat te zijn; hij wilde zelf heerschen en de macht bezitten, waarop de senaat aanspraak maakte. Maar hij ver-

ocr page 76

86

borg zijne gedachten in zijn binnenste en toonde den senatoren een onderworpen, tevreden gelaat. Hij noodigde hen tot een feest op zijne villa; hij bracht hen in verrukking door de kostelijkste gerechten en den'uitgezochtsten wijn, en toen zij nu, vreugdedronken en half verbijsterd van zin, aan de tafel zwelgden, stond Heliogabalus op en zeide met een spottenden glimlach: „Nu moet ik u, mijne waarde gasten, nog een kleine verrassing bereiden en eene grap hebben, zooals gij nog nooit beleefd hebt.quot; Dit zeggende ging hij de deur uit, en de door genot en wijn bedwelmde senatoren hoorden niet, hoe men daar buiten de grendels voor de deur schoof en hen dus den uitgang versperde. Zij gingen met drinken en juichen voort. Plotseling opende zich de zoldering van de groote zaal en zij hoorden de stem van Heliogabalus, welke riep: „Gij kunt nooit genoeg eer en aanzien hebben; gij tracht steeds naar nieuwe lauwerkransen. Welnu! Heden zult gij er genoeg hebben. Heden wil ik u met eerbewijzen overladen.quot; En toen hij dit gezegd had, stortte een regen van lauwerkransen en takken op de hoofden der senatoren. In den beginne lachten zij en grepen stoeiend naar de kransen. Maar deze regen hield volstrekt niet op, en nu volgden hoopen bloemen, welke een bedwelmenden en verdoovenden geur verspreidden. De senatoren schreeuwden, dat zij reeds genoeg eer en verrassing gehad hadden. Maar de bloemregen viel ruischend en al sterker, in dichter stralen, in onophoudelijke stroomen op hen neder. Reeds was de tafel er hoog mede bedekt; reeds was de vloer slechts een hoog, zacht bloemtapijt.

Toen eindelijk wilden de ontstelde senatoren de vlucht nemen; zij stortten naar de deur; maar deze deur was gesloten en weerstond hun dringen. En van boven viel de bloemregen al sterker en sterker neder. Van de deur waadden de sÉnatoren door eene zee van bloemen naar de ramen. Maar de zaal was twee verdiepingen hoog; een afgrond vertoonde zich aan hunne voeten, en beneden stonden in dichte rijen de Romeinsche legioenen, die hunne scherpe, snijdende en puntige wapenen in de hoogte hielden. De vlucht was dus onmogelijk. De senatoren baden en smeekten om den bloemregen te doen ophouden; maar hij viel onverbiddelijk neder; hij overdelRe hen al meer en meer, en eindelijk konden zij niet meer weénen en niet meer spre-

ocr page 77

87

ken, want de bloemen bedekten reeds hunne hoofden en verscholen hen onder hare geurige, heerlijk schitterende hoopen en eindelijk zag men niets meer dan eene onbewegelijke bloemvlakte, in wier binnenste alles stom en stil was. Heliogabalus had de senatoren niet vermoord; hij had hen onder bloemen gestikt, anders niets quot;)! — Nu, wat zegt gij van mijne geschiedenis?quot;

„Ik zeg, dat zij zeer geestig en aardig is, en dat die keizer Heliogabalus een zeer dichterlijke keizer geweest is. Doen wij dus als hij. Bedwelmen wij den krachtigen reus door kostelijke genietingen, smoren wij den vrijen geest onder bloemen, storten wij hem in eene zee van genot en in eenen roes van zinnelijkheid.quot;

„Ik vrees slechts, dat hij geene zinnen heeft,quot; zuchtte Pöllnitz.

„Geene zinnen, namelijk voor de schoonheid der vrouwen, maar andere zinnen. Hij heeft geen hart, maar hij heeft eene maag; geen gevoel voor de liefde, maar voor de tafel. Dat is een haakje, waaraan wij hem kunnen vasthouden. Het andere is zijne praalzucht en zijn zin voor verkwistende pracht. Hij is zoolang gedwongen geweest, een spaarzaam, stil leven te leiden, dat hij nu wel lust gevoelt, zich als den vrijen, schitterenden vorst, den goud regenenden Jupiter te gevoelen. Zijn vader heeft millioenen bespaard ; helpen wij den zoon ze te verspreiden, dat zal een aangenaam tijddoodend werk zijn, waarvoor hij geen beter raadsman hebben kan, dan u, heer baron. Terwijl gij echter met den koning nieuwe feesten verzint, nieuwe van goud schitterende paleizen en plannen ontwerpt, zal ik re-geeren en den koning den last van de staatszaken helpen dragen. Gij helpt den koning millioenen verspillen; ik zal mijn best doen altoos nieuwe te verzamelen.quot;

„En, zooals ik hoop, zullen dan ook eenige druppelen van dien goudregen in mijne kas vallen,quot; zuchtte Pöllnitz. „Mijne geldmiddelen zijn geheel in de war en mijn huisbaas dreigt mij mijne meubels en weinige kostbaarheden te verkoopen, omdat ik hem sedert een jaar geene huur betaald heb. Gij ziet dus, dat ik volstrekt het huis in de Jagerstraat moet hebben; ook heb ik er al op gerekend.

1) Gibbon. History of the decline and fall of the Roman empire.

ocr page 78

88

daar ik er reeds eenige hypotheken op genomen en van eenige geloovige zielen, die overtuigd zijn, dat dit huis mij reeds lang toebehoort, eenige duizend daalders geleend heb.quot;

„Gij zult dit huis hebben,quot; zeide Fredersdorf met vertrouwen. „De koning zal het u geven ter belooning van de plannen en ontwerpen, welke gij voor de nieuwe regeling van de huishouding des konings gemaakt hebt.quot;

„Hebt gij hem deze nieuwe plannen reeds medegedeeld?quot;

„De koning heeft ze reeds allen gelezen en is er mede tevreden. De papieren liggen in zijn kabinet en wachten slechts op zijne onderteekening.quot;'

„Ach, waren zij toch maar geteekend,quot; zeide Pöllnitz glimlachend. „Welk een hemelsch leven uit de „Duizend en Een Nacht'' zal dan hier beginnen, en hoe zal dan geheel Europa verbaasd staan over de pracht en heerlijkheid, welke wij hier zullen ten toon spreiden.quot;

„En hoe zal de minister van fmantiên Boden zich ergeren, wanneer hij, die met den overleden koning millioenen bijeengeschraapt heeft, nu gedwongen wordt ze weder uit-tegeven en, de handteekening van den jongen koning ho-noreerend, voor onze feesten en uitspanningen zijne kassen te ledigen welke hij voor geheel andere doeleinden gevuld heeft.quot;

„Deze Boden,quot; zeide Pöllnitz nadenkend, „deze Boden is onze gevaarlijkste tegenstander, geloof mij, want ik versta een weinig van de gelaatkunde. Ik heb zijne trekken bestudeerd. Hij is een vastberaden, stoutmoedig man, die, wanneer hij gesard wordt, in staat is zelfs den koning te trotseeren. Wij hebben wel alle overige ministers kunnen winnen en met onze plannen doen instemmen. Niemand der overigen zal ons in den weg staan, niemand zal vijandig tegen ons zijn, en in de veronderstelling, dat wij hen niet tegenwerken, zullen zij ons in de volvoering onzer wenschen niet hinderlijk zijn.

Ik heb een soort van verdrag met hen gesloten. Wij zullen hunne wenschen en belangen bij den koning voorstaan en zij zullen ons daarvoor vrij laten begaan, en goedkeuren, wat wij doen Alleen den minister van fman-

1) König. Historische Schilderung von Berlin. Vol. V. Bd. 2, pag. 7.

ocr page 79

89

tién Boden heb ik niet kunnen overhalen. jHij heeft mijne bedoelingen niet willen begrijpen, mijne vleierij en geheimzinnige wenken niet willen verstaan; ik heb hem noch door bedreigingen, noch door betuigingen van vriendschap kunnen overhalen en al mijne nog zoo goed gemikte pijlen stuitten af op het harde pantser van de dikke huid zijner eerlijkheid.quot;

„Och, om Boden behoeven wij ons niet veel te bekommeren,quot; riep Fredei'sdorf lachend. Hij is een verloren man, die alleen door zich zeiven valt, zonder dat wij hem een stoot behoeven te geven. De koning haat hem en wacht slechts op eene gelegenheid, hem te verwijderen. Ziet gij dan niet, hoe hij hem met voordacht verwaarloost; hoe hij hem nooit schijnt op te merken, nooit het woord tot hem richt en nooit eene conferentie met hem houdt, zooals hij toch zoo dikwijls met de overige ministers doet Hij heeft hem niet zoo terstond uit zijne bediening willen verwijderen, omdat de koning, zooals gij weet, een grooten eerbied koestert voor zijn overleden vader en wijl hij dezen een démenti zou gegeven hebben, wanneer hij den minister Boden, dien men als den vertrouwdsten raadgever des afgestorvenen kende, dadelijk zijn afscheid gegeven had. Maar zijn ondergang is besloten, daarvan kunt gij verzekerd zijn.quot;

„Heden nog?quot; vroeg Pöllnitz verwonderd.

Fredersdorf wenkte toestemmend. „De koning heeft heden het bouwplan, dat Knobelsdorf op zijn bevel voor het nieuwe paleis der koningin-moeder ontworpen heeft, goedgekeurd. Het zal een kolosaal wonderwerk worden, waarvan de wereld geen tweede kan aantoonen; een kapitool van het Noorden, waartoe ook vier millioen vereischt wordt1). Nu, de koning heeft deze millioenen uit twee verschillende kassen aangewezen, op de algemeene krijgskas, en op de algemeene land-bouwkas, en Boden zal gedwongen worden de aanwijzing van den koning te honoreeren. Doet hij het, dan is hij een gewetenloos ambtenaar en de koning zal hem niet

1

Rödenbeck.Tagebuch aus Friedriclid.Gr.KegentenlebeD.ErsteAbtheüung, pag. 15—16.

ocr page 80

90

langer in zijnen dienst kunnen dulden; doet hij het niet en waagt hij het het koninklijk bevel te weerstaan, dan is hij een hoogverrader, en de koning, die zooals gij weet, eene onvoorwaardelijke en zwijgende gehoorzaamheid van al zijne dienaren en ambtenaren eischt, zal hem niet langer bij zich kunnen houden. De koning gevoelt dat zelf, want toen hij mij onlangs de geteekende documenten ter bezorging aan den minister van finantiën gaf, zeide hij met een eigenaardigen glimlach: Dat is eene nieuwe pil voor den minister Boden. Wij zullen eens zien, of hij ook deze slikken wil.quot; Gij ziet dus, de goede man bevindt zich tusschen twee klippen, waaruit hij nooit levend te voorschijn komt.quot;

„O, als het zoo staat,quot; zeide Pöllnitz zich tevreden de handen wrijvende, „dan zijn wij van den goeden uitslag verzekerd; dan behoort mij ook het huis in de Jagerstraat, dan zijt gij de alvermogende minister, al is het dan zonder portefeuille; dan beheerschen wij jden beheerscher van Pruisen en zijn wij de machtigsten en meest gevreesden in den lande. O, mijn vriend, welk eene vreugde, te denken, hoe al deze hovelingen en vleiers zich voor ons zullen buigen, te denken, dat wij beiden alleen het oor des konings beheerschen en hij niets zonder ons doen zal. Feösten zullen wij uitdenken, feesten grooter en schitterender dan die, welke de groote Fouquet te Vaux ter eere vanLode-wijk den Veertiende gaf en welke hem ieder dag vier millioen kostten; met dit onderscheid, dat ik deze feesten niet in mijn naam, maar in naam des konings zal arran-geeren, want hij zal al deze feesten betalen en bovendien al mijne schulden. Want ik zal altijd weder nieuwe schulden maken. Ik zal grootmoedig zijn als Fouquet, verkwistend en weelderig als Lucullus, en ten laatste, als ik mij eens niet verder helpen kan, zal ik doen, als de goede Heliogabalus, van wien gij mij zoo even verteldet, ik zal mijne schuldeischers niet met het geld bedriegen, maar ik zal hen slechts door bloemen doen stikken.quot;

„En ik, de laaggeboren, de bespotte kamerdienaar,'' zeide Fredersdorf, met fonkelende oogen, waarin een somber, bijna kwaadaardig vuur schitterde, „ik, die zoolang de dienaar en de knecht was, ik zal de heer zijn. De koning bemint mij en zal in mij altijd een toegenegen, trouw

ocr page 81

91

dienaar vinden,' maar door hem zal ik een onverbiddelijk streng heer zijn, en die hoogmoedige vasallen, die graven en baronnen, die mij achteloos voorbij gingen, die moeten zich nu voor mij in het stof krommen en mij om genade aanroepen. Maar ik zal onverbiddelijk zijn. Mijne wraak zal hen treffen en hen verpletteren, want ik bezit het hart des konings en zijn mond zal de mijne zijn.quot;

„Op een gouden, van sterren fonkelenden wagen willen wij dezen getemden leeuw rondrijden,quot; zeide Pöllnitz; met honigbloesem willen wij hem drenken, met nachtegaaltongen hem voederen, met Lacrymae Gristi zijne voeten wasschen, en wat de stoutste verbeelding en de buitensporig-ste verkwisting verzinnen kunnen, om het gehemelte te streelen, dat willen wij op zijne tafel zetten Och, die goede Romeinen, die jonge, levende meisjes in hunne vijvers wierpen, om tot voedsel voor hunne palingen te verstrekken, opdat hun vleesch malscher en saprijker zou worden, die goede Romeinen zullen stumperige, overgevoelige, hebzuchtige, overdreven dwazen der deugd genoemd worden, bij mij vergeleken! Ik zal.....quot;

Plotseling verstomde Pöllnitz en staarde naar de ge-' opende deur van de voorzaal, waarin juist de minister van fmantién Roden verscheen, de gehate vijand, de gevallen, en nu, zooals men dacht, geruïneerde tegenstander.

Zonder groet naderde deze man, met zijne ernstige, stalen trekken, de beide vrienden, die hem verbaasd en met bijna onbeschaamde blikken aanstaarden.

„Heb de goedheid mij bij zijn majesteit aan te melden,quot; zeide hij koel en rustig tot Fredersdorf.

„Heeft zijne majesteit u ter audientie geroepen?quot; vroeg Fredersdorf achteloos.

„De koning heeft mij niet geroepen, maar ik ben gekomen om met den koning over gewichtige aangelegenheden te spreken. Zeg dat aan zijne majesteit.quot;

Fredersdorf ging in het naaste kabinet, waarin de koning zich bevond. Met een zegevierenden, boosaardigen blik op den minister keerde hij terug.

„De koning laat u weten, dat, wanneer hij metu wilde spreken, hij u zou laten roepen! Dat zijn 's konings eigen

ocr page 82

92

woorden Gij moet er u in het vervolg naar richten.quot;

Het gelaat van den minister bleef volkomen koud en bedaard ; alleen zijne lippen trilden een weinig, toen hij met eene vaste stem zeide: „het is mogelijk, dat de koning mij niet spreken wil; maar ik moet hem dringend en noodzakelijk spreken; ik verzoek dus nogmaals bij den koning ter audientie toegelaten te worden; ik verlang het als be-eedigd ambtenaar en minister. Ga en zeg dat aan zijne majesteit.quot;

„Dat zijn oneerbiedige en vermetele woorden,quot; zeide Pöllnitz met zoetsappigen glimlach.

„Die ik intusschen getrouw aan zijne majesteit zal overbrengen,quot; zeide Fredersdorf, weder naar het kabinet des konings gaande.

„Ik vrees, uwe excellentie zal deze stoute taal duur moeten boeten,quot; iluisterde Pöllnitz.

„Wees onbevreesd,quot; zeide de minister met verachtelijken glimlach, „ik ben al te goed financier om mij niet voor eene dure boete te hoeden.quot;

Fredersdorf keerde met een somber gelaat terug. „De koning verwacht uwe excellentie,quot; zeide hij, in de geopende deur staan blijvende.

De minister stapte trotsch, met opgeheven hoofd door de zaal naar de deur. Toen hij Fredersdorf voorbij ging, wierp hij dezen een blik van trotsche verachting toe, welke met een honenden glimlach beantwoord werd.

„De vos is gevangen,quot; fluisterde Fredersdorf, toen hij de deur van het koninklijke kabinet achter Boden sloot.

„Denkt gij!quot; zuchtte Pöllnitz. „Ik ben toch niet gerust, daar de koning hem toegelaten heeft.quot;

„Ducht niets. Het is zonder twijfel geschied, om hem dadelijk van zijn ambt te ontzetten. De oogen des konings schoten bliksemstralen, en zijn voorhoofd, dat anders zoo effen en helder is, was betrokken. Dat beteekent een naderend onweder. Moge het geheel boven Boden's hoofd uitbarsten.quot;

„Ja, dat hoop ik. Kom laat ons een weinig den gang van het onweder nagaan. Niets is leerrijker, dan de studie van zulk een koninklijk onweder.quot;

1) KLonig. Historische Schilderung etc. Vol. V. Bd. 2. pag. 9.

ocr page 83

93

,,Kom aan dan, laten wij het bestudeeren.quot;

En de beide hovelingen slopen zachtjes op hunne teenen naar de deur van het kabinet, schoven langzaam en voorzichtig de plooien van de portière een weinig uiteen, om niet enkel te hooren, maar ook te kunnen zien.

IX.

DE KONING EN DE MINISTER VAN FINANCIËN.

De koning ontving den binnentredenden minister van finantiën, met een stommen, ernstigen knik. Hij stond leunende tegen zijne schrijftafel, met over elkander geslagen armen en een scherpen, doorborenden blik op Boden geslagen. Maar Boden ontweek den adelaarsblik des konings, die wel in staat was den stoutmoedigsten in verwarring te brengen, niet; hij sloeg zijne oogen niet neder, en niets verried in hem verwarring of angst.

„Gij hebt er op aangedrongen mij te spreken,'' zeide de , koning op strengen toon, „laat dus nu hooren, wat gij te zeggen hebt.quot;

„Zeer veel, uwe majesteit, en ik zal het geduld en de toegevendheid mijns konings op eene harde proef moeten stellen, want ik vrees, dat, hetgeene ik uwe majesteit moet zeggen, al heel droog en vervelend zal schijnen.quot;

„Spreek. Ik zal zelf wel weten, hoever ik u mijn geduld en mijne toegevendheid kan schenken.quot;

„Uwe majesteit is een edel, vurig en geleerd heer. Uwe majesteit is buitendien jong en de jeugd heeft altijd den schoonen en stouten wensch, ook het oude en bestaande als te verjongen en de wereld eene schrede vooruit te brengen. Uwe majesteit wil dat, kan dat en — moet dat doen. Uwe majesteit zal daarom veel willen veranderen, veel hervormen; de oude tijd zal voor den nieuwen, schitterenden moeten wijken. Dat begreep ik toen ik mijn jongen koning voor het eerst in de oogen zag, in dewelke voor Pruisen eene groote heerlijke toekomst geschreven staat. Ik begreep, dat wij allen, die den

ocr page 84

94

godzaligen koning gediend hebben, misschien niet waardig, niel jong genoeg zouden schijnen, om al de veranderingen en hervormingen uit te voeren, welke de koninklijke opvolger van Frederik Wilhelm in het leven zoude roepen. Ik verwachtte dus mijn afscheid, — maar het kwam niet. Uwe majiisteit ontsloeg mij niet uit mijne betrekking en ik beken het, ik gevoelde er eene levendige vreugde over. Ik zeide tot mij zeiven; „De koning wil dus niet aibreken, maar slechts verbeteren en wanneer hij denkt, dit met ons te kunnen doen, dan zullen wij met heiligen ijver hem dienen en zijn wil uitvoeren. Ik ken den geheimen gang der staathuishouding; de godzalige koning had geen geheim voor mij. Ik zal den jongen koning-deze geheimen mededeelen, ik zal hem inlichten omtrent de zoo ingewikkelde, wijd uiteenloopende raderen van dat werktuig, hem mijne kennis van het besteden der staatsinkomsten mededeelen en dus het geluk hebben, mijn koning en mijn vaderland nog eenige nuttige diensten te bewijzen.quot;

„Dat zijn zeer vriendelijke en misschien ook goed gemeende aanbiedingen, welke gij mij doet,quot; zeide de koning met Hauwen glimlach, „Intusschen behoef ik ze gelukkig niet. Ik weet reeds alles, wat ik weten moet en daar ik onder de papieren mijns vaders al de generale staten van de landskassen gevonden heb, volgt daaruit, dat ik zeer nauwkeurig weet, wat ik kan ontvangen en uitgeven. Bovendien is de geheele zaak niet van dat belang, om mij met alle wijdloopige bijzonderheden te bemoeien, daartoe is mijn tijd te beperkt; ik heb gewichtiger en betere zaken te doen, dan over linantiën te spreken.quot;

„Neen, majesteit,'' riep de minister levendig „uwe majesteit kan niets gewichtigers en ook — niets beters doen. De finantiën zijn de slagaderen van het staatslichaam en het geheele gestel zoude ziekelijk worden en afsterven, wanneer deze een on wissen en onregel matigen slag hebben.quot;

„Nu, dan moest men eene lating toepassen,quot; riep de koning lachend, „en die zal ik laten doen. Ik ben de doctor van dit staatslichaam; gij zijt niets meer dan chirurgijn; wanneer ik dus eene lating voor noodzakelijk houd, dan moet gij het doen en zooveel gouden bloed laten vloeien, als mij goeddunkt on ik noodig heb.quot;

ocr page 85

95

„Neen, dat zal ik niet doen, majesteit,quot; zeide Boden beraden. „Uwe majesteit moge mij dan wegjagen, maar gij kunt mij niet dwingen te doen, wat tegen mijn geweten is.quot;

„Boden!'' riep de koning op zulk een luiden, vertoornden toon, dat zelts de beide luisterende hovelingen er van trilden en verbleekten.

„Ik ruik reeds bier de heerlijke lijklucht. Wij zullen bem begraven en zijne lachende erfgenamen zijn.quot;

„Zie, zie eens de vreeselijke blikken des konings,quot; fluisterde Fredersdorf. Zijne oogen verpletteren den overmoedige, als de bliksem, welke Jupiter tegen de Titanen slingerde. Ja, gij hebt gelijk; mijnheer Boden is een gestorven man; de koning is zoo vreeselijk vertoornd, dat hij nauwelijks kan spreken.quot;

„Toch begint hij juist weder.quot; Laten wij luisteren.

„Boden,quot; zeide de koning, na eene lange pauze, „gij hebt vergeten, dat gij met den zoon en niet met den vader spreekt. Gij waart de lieveling van Frederik Wilhelm, maar gij zijt de mijne niet en ik zal dus zulk een oneer-biedigen en vertrouwelijken toon niet dulden. Vergeet dat niet en spreek nu verder.quot;

„Zoolang ik nog in dienst ben,quot; zeide de minister met eene lichte buiging, „zoolang is het mijn dure en heiligste plicht, uwe majesteit vrij en openhartig mijn gevoelen te zeggen, en, uwe majesteit boude het mij ten goede, u naar mijn beste vermogen en inzichten mijn raad medetedee-len. Het staat dan aan het oordeel van uwe majesteit dien te verwerpen en anders te doen en te handelen, dan het voor de staathuishouding tot nog toe dienstig is.quot;

De eerste en voornaamste plicht van een dienaar is, zijn raad slechts dan te geven, wanneer zijn meester dien vraagt. Ik heb hem echter niet verlangd en gij hadt u die nutte-looze moeite kunnen sparen.quot;

„Uwe majesteit heeft mijn raad niet verlangd, dat is waar,quot; zeide de minister met bitteren glimlach. „Uwe majesteit herinnerde zich mijner, wanneer het te doen was om mij bevelen te geven tot lediging van de eene of andere koninklijke kas. Uwe majesteit meende den minister van finan-tién niet noodig te hebben, omdat gij de generale staten bezit. Maar deze kent ieder der overige ministers ook en

ocr page 86

96

toch zouden zij niet in .staat zijn, daarnaar het gebruik der koninklijke inkomsten te beoordeelen en te zeggen, volgens welken maatstaf deze, in verhouding tot de krachten van den staat, moeten besteed worden. Daartoe, mijn koning, wordt nog eene bijzondere kennis vereischt, een bijzonder inzicht, en als minister van finantien mag ik mij beroemen deze boven de andere ministers te bezitten.quot;

's Konings voorhoofd betrok in al dreigender plooien, zijne houding werd al trotscher en gebiedender.

„Dat alles kan waar zijn,quot;zeide hij ongeduldig; „maar ik ben niet gezind mij door beperkende bepalingen de wet te laten voorschrijven. Ook wil ik niet, zooals mijn vader, armzalig en spaarzaam leven en er enkel op uit zijn om millioenen bijeen te schrapen.quot;

„Dat deed de koning niet,quot; riep de minister levendig. ,,De koning was spaarzaam, maar schraapte niet; en als het er op aankwam, wist hij echt koninklijk en met volle hand te geven. Dat bewijzen de Lithausche provinciën; dat bewijzen de steden en dorpen, welke hij uit asch en puin-hoopen weder deed verrijzen; dat bewijzen een half millioen menschen, die in vreugde en vrede nu daar leven, waar vroeger een door pest en hongersnood bezochte woestijn was. Meer dan drie millioen daalders heeft de koning voor Lithauwen uitgegeven, terwijl hij intusschen hier in zijn eigen slot met angstige bezorgdheid de keukenlijst voor zijne eigene koninklijke tafel nazag. De koning wist niet alleen millioenen bijeen te schrapen, maar hij wist ze ook op eene waardige wijze uit te geven.quot;

„Die man moet krankzinnig zijn,quot; fluisterde Pöllnitz. „Hij waagt het den overleden koning ten koste van zijn opvolger in het aangezicht te prijzen. Dat is eene vermetelheid en domheid, welke hem den nek zal breken.quot;

„De koning heeft zich van hem afgewend,quot; zeide Freders-dorf; „ziet gij, hij gaat naar het venster en ziet naar buiten. Blijkbaar wil hij den tijd hebben, om zijne drift te vermeesteren en zijn lust te beteugelen, om dezen onbeschaamde met hoogstdeszelfs handen te verpletteren.quot;

„Geloof mij,quot; zeide Pöllnitz lachend, „dat ik in staat ben honderd flesschen champagne uit den kelder van mijn huis in de Jagerstraat te geven, wanneer ik het genoegen had te zien, dat de koning hem met eigen hand bestrafte.

ocr page 87

97

De koning wendde zich nu weder tot den minister, die bedaard en als een man, op alles voorbereid en in alles berust, hem afwachtte. Even als de hovelingen daar builen dacht ook hij, dat de toorn des konings hem nu verpletteren zoude.

Maar Frederik's gelaat was kalm, bijna opgeruimd, en eene wonderlijke zachte glans schitterde in zijne oogen.

„Nu,quot; zeide hij zacht, „wanneer gij mijn vader zoo prijst, omdat hij ook de gave bezat millioenen uit te geven, zult gij ook over mij tevreden zijn. Want ik zal hem daarin nastreven. Ik zal beginnen met mijn hof op een echt koninklijken voet te brengen en zoo te leven, als het met den rang van den koning van Pruisen overeenkomt. Reeds zijn de noodige voorbereidende maatregelen genomen en een uitgewerkt plan ligt reeds gereed. Daar op tafel ligt het en ik zal het heden teekenen.quot;

„Mag ik het lezen, majesteit?quot; vroeg Boden, naar de sch lijf tafel gaande.

De koning wenkte toestemmend. Boden nam het papier en doorliep het met een haastigen blik, terwijl de koning, met zijne handen op den rug driftig op en nederliep. . „Tk vind, dat de koning bijzonder langmoedig en geduldig . is,quot; mompelde Fredersdorf. „Het is anders zijne gewoonte niet den bliksem, dien hij slingeren wil, zoolang tegen te houden.quot;

„Zie eens met welk een onbeschaamden glimlach die man mijn plan doorleest,quot; zeide Pöllnitz tandeknarsend. „Men zou haast op de gedachte komen, dat hij het wagen zal den draak er mede te steken.-'

„Hebt gij het gelezen ? vroeg de koning voor den minister staan blijvende en hem met een scherpen blik gadeslaande.

„Ja, majesteit, ik heb het gelezen.quot;

„Nu, en wat zegt gij er van?quot;

„Dat slechts de heer van Pöllnitz, die, zooals iedereen weet, sfeen geld, maar enkel schulden kent, zulk een plan kon uitdenken, tot welks verwezentlijking men niet alleen Pruisisch geld, maar eene goudmijn uit Duizend en één Nacht zoude noodig hebben.quot;

„O, ik zal dien onbeschaamde den nek breken, dat zweer ik,quot; mompelde Pöllnitz.

Mühlbach, Frederik de Groote en zijn Ho/. II. 7

ocr page 88

98

Een tnina onmerkbare glimlach zweefde over 's konings gelaat. „Gij keurt dus dit plan niet goed?quot; vroeg hij.

„Uwe majesteit, wij hebben geene kassen, waaruit dit geld kan gevonden worden; en al zoude uwe majesteit ook kunnen besluiten deze sommen uit de schatkist te nemen, dan zou deze toch binnen het eerste jaar uitgeput zijn.quot;

„Nu, spreken wij nu niet langer over dat plan; maar hoe staat het met de aanwijzingen voor het bouwen van het paleis voor de koningin-moeder? Gij hebt mijne instructies ontvangen?'

„Ik heb ze ontvangen!quot;

„En gij hebt de gelden disponibel gesteld?''

„Neen,quot; majesteit,'ik kan het niet doen.quot;

„Hoe? Gij kunt het niet doen, wanneer ik, uw koning en meester het gelast?quot; riep F rede rik met donderende stem.

Boden boog zich eerbiedig. „Majesteit er is nog een grooter heer, en deze is mijn geweten. Mijn geweten nu verbiedt mij, deze sommen uit de kassen, door uwe majesteit aangewezen, te nemen. Uwe majesteit verlangt vier millioenen, en wenscht, dat deze door kassen zullen geleverd worden, welke tot onderhoud van het geheele leger en ter ondersteuning van noodlijdende en door onheilen bezochte steden en plaatsen bestemd zijn. Ik beken, dat het hof van den godzaligen koning een weinig te schriel ingericht was, en dat uwe majesteit hier eenige verandering noodzakelijk kon achten; wanneer echter uwe majesteit daarvoor fondsen, tot andere einden bestemd, wil gebruiken, moet uwe majesteit hare onderdanen nieuwe belastingen opleggen of het leger verminderen.quot;

„Mijn leger verminderen!quot; riep de koning levendig. „Dat zal nooit gebeuren.quot;

„Dat dan uwe majesteit, wanneer het bouwen van een paleis volstrekt noodzakelijk is, de benoodigde gelden uit de koninklijke schatkist neme. Zij bevat, zooals uwe majesteit weet, zeven millioen Pruisische daalders, en daar er geen vooruitzicht op een oorlog bestaat, kan uwe majesteit het wagen, vier millioen van de zeven voor het bouwen van een paleis te besteden.quot; f

„Neen, dat gaat niet, mijnheer! Deze millioenen zijn voor andere einden bestemd. Zij moeten uit de aangewezen kassen genomen worden.

ocr page 89

99

„Ik had reeds de eev uwe majesteit de gevolgen van dien maatregel aan te wijzen. Daar uwe majesteit echter verklaart het leger niet te willen verminderen, blijft er niets over, dan het volk eene nieuwe belasting op te leggen.quot;

„Laat ons dat dan doen,quot; zeide de koning onverschillig. Gij geeft mij het geld uit de bedoelde kassen; vervolgens schrijven wij eene nieuwe belasting uit en deze zoo productief mogelijk te maken, is uwe taak.quot;

De minister zag den koning met smartelijke verbazing aan en een diepe kommer vertoonde zich in zijne trekken.

„Wanneer het zoo moet, uwe majesteit,quot; zeide hij met eene sidderende, diep bewogen stem, „dan is voor mij het beslissende uur gekomen; ik weet nu, wat mij te doen staat. Ik ben niet jong genoeg, majesteit om den last eener portefeuille te dragen; ik behoor nog tot den ouderwet-schen tijd der staartpruiken en mijne denkbeelden zijn niet de denkbeelden van den nieuwen tijd. Ik verzoek dus uwe majesteit, met ootmoed en genegenheid, mij uit uwen dienst te onlsiaan. Hier zijn de papieren, welke de aanwijzingen voor den bouw van het slot bevatten. Uwe majesteit zal licht een ander vinden, die uwe bevelen volvoert. Ik ben voor dezen post van minister van fmantiën nietop-' gewassen. Ik verzoek dus mijn ontslag, majesteit!quot;

„Eindelijk!quot; riep de koning met schitterende oogen.

„Eindelijk!quot; herhaalde Pöllnitz. „Ja, waarlijk, het heeft lang geduurd, eer die taaie vent een besluit kon nemen.quot;

„Nu, zeide ik het u niet, dat de koning volslrekt eene gelegenheid zocht om van Boden af te komen?quot; zeide Freders-dorf zegevierend. „Maar laat ons nu verder luisteren?quot;

„Wel neen, vriend. Waartoe zou dat dienen. Boden heeft zijn afscheid gevraagd en de koning heeft het aangenomen, dat is alles.quot;

„Ik beken, dat mijn rug mij pijn doet van dat eeuwige krom slaan; ik heb eene verkwikking noodig en ga eene flesch champagne op de gezondheid van den nieuwen minister van iinantiên drinken.quot;

„Wel neen. De koning heeft naar u gevraagd, toen ik Boden voor de tweede maal aandiende. Hij beval, dat gij en ik hier in de voorzaal blijven en wachten zouden, tot hij roepen zou, daar hij eene gewichtige zaak met u had te bespreken.quot;

ocr page 90

100

„Zonder twijfel zal hij heden de acte van dotatie van mijn huis overgeven,quot; ze'ide Pollnitz glimlachend. „Laten wij dus wachten. Zie daar ginds bij het venster staan twee gemakkelijke leuningstoelen, wij zullen er gebruik van maken.quot;

Hij nam den arm van den kamerdienaar en ging met hem naar de aangewezen stoelen.

„Eindelijk!quot; had de koning gezegd, toen de minister van finantiën zijn afscheid vroeg; daarop vervolgde hij na eene kleine pauze; „mij dunkt, gij hebt een weinig lang geaarzeld uw afscheid te nemen.quot;

„Het is waar,quot; zeide Boden treurig, „ik had wel reeds aanleiding om dien sfap vroeger te doei'. Maar ik had altoos nog de hoop mijn koning van dienst te kunnen zijn.quot;

„En in deze hoop moet gij niet teleurgesteld worden,' zeide de koning, naar Boden toegaande en zijne handen op zijne schouderen leggende. „Ik kan u het gevraagde ontslag niet toestaan.quot;

De minister zag den koning wonderlijk aan. Het gelaat van Frederik was nu verwonderd schoon. Eene uitdrukking van zachtmoedige goedheid en diepe ontroering sprak uit zijne edele trekken: zijne groote, helder blauwe oogen straalden van een goedaardigen glans, terwijl een vriendelijke glimlach om zijne lippen speelde.

„Hoe? Uwe majesteit wil mij mijn afscheid niet geven?quot; vroeg Boden.

„Neen, want het zou zeer dwaas zijn, mij te willen be-rooven van zulk een trouwen en edelen dienaar,quot; zei de koning, op dien zachten en hartelijken toon, welke altijd het hart van hen, die hem hoorden, trof, en welke tranen van aandoening in de oogen van den minister bracht. „Zeer dwaas zoude het zijn,quot; vervolgde de koning, „een minister zijn afscheid te geven, omdat hij gedaan heeft, wat ik van hem geëischt heb, omdat hij de belangen mijner onderdanen boven mijn eigen wil heeft gesteld en mijn toorn zelfs getrotseerd heeft, om zijn geweten te voldoen. Neen, Boden, ik ben zulk een groot verkwister niet, om zulk een schat van mij te willen werpen. Maar opdat gij uw koning ook goed moogt kennen, zal ik u nu eene bekentenis doen. Men heeft u bij mij

ocr page 91

401

belasterd en mij wantrouwen tegen u ingeboezemd. Men legde u even als Eckhardt ten laste, dat het volk honger leed, terwijl de schatkist gevuld was; men noemde u een verachtelijken vleier, die, om in zijne betrekking te blijven, onvoorwaardelijk den wil des konings uitvoerde, hoe onrechtvaardig die ook zijn mocht Ik wilde u dus op de proef stellen, om te zien of men gelijk had, dan of men u belasterd had. Ik behandelde u daarom met minachting; ik gaf u daarom bevelen, welker uitvoering u moeielijk vallen moest; bezwaarde uwe kassen op eene ongepaste wijze. Ik wilde weten, of gij slechts mijn gehoorzame dienaar of een eerlijk man zijt. Nu, gij hebt mij lang op deze wetenschap laten wachten en uw langtnoedigheid en geduld zijn groot geweest. Heden waagde ik den laatsten stap, en bij God, hadt gij ook heden mijne onrechtvaardige en onwijze instructie gevolgd, ik zou u niet alleen van uw ambt ontzet hebben, maar ik zou u tot eene strenge verantwoording geroepen hebben, want gij zoudt dan een oneerlijk ambtenaar geweest zijn, en, om den koning laaghartig te believen, zoudt gij u tegen mijn volk, mijne onderdanen bezondigd hebben, wier welzijn mij heilig is, en die niet met nieuwe belastingen bezwaard mogen worden. God zij geloofd, dat ik zeggen kan, mijne bestemming te hebben begrepen! Mochten alle vorsten het doen! Mochten zij het doel van hunne betrekking inzien, zij zouden dan begrijpen, dat de rang, waarop zij zoo ijverzuchtig zijn, dat hunne verheffing slechts liet werk der volkeren is; dat deze duizenden van menschen, die hun toevertrouwd zijn, zich volstrekt niet als slaven van een enkel mensch erkend hebben, om dien des te gevreesder en machtiger te maken; dat zij zich volstrekt niet aan één burger onderworpen hebben, om de martelaars zijner luimen en de speelbal zijner invallen te worden; maar dat zij dengene onder hen uitgekozen hebben, dien zij voor den rechtvaardigsten gehouden hebben, om hen te regeeren; voor den besten, om hun tot een vader te verstrekken; voor den meest menschlievenden, om hunne rampen mede te gevoelen en hen op te beuren; voor den moedigsten, om hen tegen hunne vijanden te verdedigen; voor den wijsten, om hen niet in ongelegenheden, in verwoestende en verderfelijke oorlogen te wikkelen; voor dien man, eindelijk, die hun

ocr page 92

102

het meest geschikt toescheen, het staatslichaam te vertegenwoordigen, en die de souvereine macht tot steun der wetten en der gerechtigheid dient, maar die zijn rang niet tot een middel hezigt, om ongestraft misdaden te begaan en schandelijk dwinglandij te oefenen 1). Dat is mijn denkbeeld over de roeping van een vorst; ik wil li aar in vervulling brengen, en daarin moet gij mij bijstaan, Boden!quot;

In de oogen des ministers blonken tranen van blijde ontroering, van edele geestdrift. Hij boog zich om de aangeboden hand des konings te kussen. „O,quot; zeidehij liartelijkr „hoe genadig is God mijn vaderland geweest, dat hij het zulk een vorst gegeven heelt.quot;

„Gij verlangt dus uw atscheid niet meer?quot; vroeg de koning glimlachend. „Gij stemt toe mij nopt langer te dienen, veronderstelt, dat ik mijn leger niet verminder en ook geene nieuwe belastingen aan mijne onderdanen opleg?quot;

„Ik zal mij gelukkig gevoelen en er trotsch op zijn, mijn koning nog langer te mogen dienen,quot; zeide Boden diep geroerd.

„Maar ik zeg u, dat het geene gemakkelijke dienst zal zijn, en ook geene zoo belangrijke en gewichtige, als de heeren ministers misschien gedacht hebben. Ik zal al mijne ministers zeer dikwijls noodig hebben, zeer veel werk van hen verlangen, maar ook zelf zal ik zeer veel werken, want een leegloopend vorst is een schepsel, dat der wereld weinig nut aanbrengt 2)! Ik wil mijne eeuw ten minste zooveel dienst bewijzen, als ik kan. Maar ik zal het alleen, zelfstandig doen. Mijne ministers zullen daarom slechts de uitvoerende macht van mijn bepaalden en leidenden wil zijn. Zij zullen zeer veel werk. maar weinig invloed hebben; want ik zal nooit een gunsteling hebben en nie-mands wil volgen dan den mijne. Maar ik zal altijd eischen, dat zij mij naar hunne overtuiging op mijn vragen antwoorden, en mij oplettend maken, wanneer ik uit overijling of uit dwaling de eene of andere fout zou kunnen begaan.quot;

„Dat zal ik doen, zoo waar God helpen en de kracht verleenen zal, om mijn koning en vaderland trouw en met goed gevolg te dienen,'' riep Boden diep bewogen.

1

's Konings eigen woorden. Zie: Oeuvres Posth. T. 6, pag. 48.

2

's Konings eigen woorden. Zie: Correspondance avec Voltaire.

ocr page 93

103

„Wij zijn het dus eens,quot; zeidede koning vriendelijk. „Gij blijft mijn minister van finantien. Hadt gij uw ontslag niet gevraagd, ik zoude het u gegeven hebben, want ik was dan overtuigd, dat uwe lasteraars gelijk hadden en liet u slecbts te doen was om, voor welken prijs dan ook, minister te blijven. Maar gij hebt bewezen, dat gij een eerlijk man zijt en daarom blijft gij, wat gij zijt, mijn minister van finantien. Maar vervolgde de koning, en nu nam zijn licht bewegelijk gelaat weder eene eigendommelijke, innige verhevene uitdrukking aan, ik heb u niet enkel als een eerlijk ambtenaar leeren kennen, maar ook als een onverschrokken, stoutmoedig en waarheidlievend man, als een trouw vriend, als een onderdaan, die voor ontvangen weldaden dankbaar is en niet ophoudt zijn koning liet te hebben, al is deze reeds overleden. Gij hebt den moed gehad den afgestorven koning te verdedigen, toen zijn opvolger hem scheen te willen laken. Daarvoor kan u de koning niet dankbaar zijn, maar wel de zoon, die tot u zegt: kom aan mijn hart, gij trouwe en edele dienaar mijns vaders. Kom en laat mij u ombelzen! Wij koningen zijn te arm om de trouw en liefde anders te beloonen, dan met liefde.quot;

De koning opende zijne armen. Boden wierp zich met een kreet van verrukking aan het hart zijns konings en weende luid.

„Nu,quot; zei Frederik na eene lange pauze, „wij kennen elkander nu en weten, waarvoor wij elkander moeten houden, en dit is niet gemakkelijk in deze wereld vol veinzerij, huichelarij en leugen. Ook wil ik u dadelijk een bewijs geven, dat ik mijn oor voor de verstandige raadgevingen mijner ministers niet wil sluiten en dat ik voor gegronde redenen zelfs bereid ben mijne personeele wen-scben op te offeren. Ik zal dat paleis voor de koningin-moeder niet laten bouwen. Gij hebt mij bewezen, dat geene van onze kassen met deze uitgaven mag bezwaard worden en ik kan geen vier millioen, die spoedig tot andere en meer gewichtige doeleinden zullen gebruikt worden uit de schatkist nemen. Maar in de koninklijke huishouding zullen eenige veranderingen noodzakelijk worden; ik wensch baar schitterender en meer met de waardigheid eens konings overeenstemmende te hebben. Neem dus al deze plannen en ontwerpen mede. Schrap het over-

ocr page 94

104

bodige, zie na, wat er van blijven kan en op welken post wij deze vermeerdering van uitgaven kunnen brengen.quot;

X.

DE TELEURGESTELDE HOVELINGEN.

Terwijl de koning de kostelijke plannen van baron van Pöllnitz aan zijn minister overgaf, zat de eerste, met een glimlach der tevredenheid op het gelaat, naast zijn vriend Fredersdorf in de voorzaal en sprak met hem van de heerlijke, genotvolle en goud verkwistende toekomst en voornamelijk van de feesten, welke hij in zijn huis in de Jagerstraat zoude geven.

Maar nu werd de deur van het kabinet des konings geopend en de minister van fmantiën trad weder in de voorzaal. Pöllnitz en Fredersdorf stonden op, niet om hein te begroeten, maar om met een koelen blik van minachting langs hem heen naar het kabinet des konings te gaan.

Plotseling bestierf de glimlach op de lippen van Pöllnitz; zijn oog staarde, en hij bleef midden in de zaal, vlak voor den minister staan.

„Welke papieren zijn dit?quot; vroeg hij ademloos, zijne hand driftig uitstekende, als wilde hij deze aan do handen van den minister ontrukken.

Boden wees hem met verachtelijk schouderophalen af. „Het zijn papieren, welke zijne majesteit mij gegeven heeft, om den inhoud te onderzoeken en na te gaan of verstand dan wel onverstand en dwaasheid ze geschreven hebben quot;

„Mijnheer!quot; riep Pöllnitz buiten zich zeiven, ,,deze papieren'' .... maar hij verstomde, want juist werd het kabinet weder geopend en trad de koning in de voorzaal.

Zijn oog vloog als een flikkerende bliksemstraal over de drie heeren; hij scheen in hunne gelaatstrekken de gedachten hunner ziel te hebben gelezen, want hij glimlachte en

ocr page 95

105

wierp een spottenden blik op Pöllnitz, die met moeite zijn toom bedwong.

„Nog een woord heer minister,'' zeide de koning, „ik heb nog vergeten u te zeggen, d;it ik u eene kleine verrassing toegeilacht heb. Gij zijt, zooals ik weet niet te rijk, hoewel gij minister van fmanlien zijt, en men heeft mij gezegd, dat gij bekrompen en niet met uw rang overeenkomende woont.

Wij moeten dat veranderen, en ik weet gelukkig een huis, van hetwelk zelfs baron van Pöllnitz gezegd heeft, dat het fatsoenlijk en een edelman waardig was. Ik schenk u dit huis met zijn geheelen inboedel. Van dit oogenblikaf aan behoort het u, en gij, mijnheer van Pöllnitz. zult nu met Boden medegaan om hem zijn huis te laten zien, hem er in rond te leiden en hem alle voorrechten en gemakken zoo uiteen te zetten en te roemen, als gij mij zoo dikwijls gedaan hebt.quot; |

Baron van Pöllnitz stond bleek, sidderend en geheel verslagen. „Ik weet niet, van welk buis uwe majesteit spreekt,quot; stamelde hij, „en van welk huis ik kon gezegd hebben, dat het den minister van linantiën Boden waardig was.quot;

„Niet den minister van linantiën maar eeu edelman,en Boden is een edelman, niet enkel naar den naam, maar ook naar handel en wandel en verdient dus volkomen het huis, dat ik hem nu ten geschenke geef. Gij kent het zeer goed, Pöllnitz, het is dat huis, dat mijn vader voor Eckhardt bouwen liet, het schoone huis in de Jagerstraat, Pöllnitz.quot;

„Het huis in de Jagerstraat!quot; schreeuwde Pöllnitz buiten zich zeiven, alle bedaardheid en achting vergetende, welke de tegenwoordigheid des konings hem oplegde. „Neen, neen, uwe majesteit gelieft te schertsen. Gij meent niet het huis in de Jagerstraat, dat huis, hetwelk —quot;

„Ja dat huis,quot; viel de koning hem op een toornigenen strengen toon in de rede, „dat huis, hetwelk u zoo goed beviel, dat gij, even als dwaze kinderen doen, de werkelijkheid met de droomen verwisseldet en u in vollen ernst verbeelde!, dat het u reeds toebehoorde, enkel omdat gij het wenschtet te bezitten, ik zou over deze kinderachtige dwaasheid glimlachen, wanneer zij enkel het spel eener bloote verbeelding gebleven ware ; maar gij hebt niet alleen u zeiven, maar ook anderen er mede bedrogen, en dat is een onvergeeflijk misdrijf, hetwelk gij nog heden zult moeten

ocr page 96

106

goed maken, wanneer gij niet wilt, dat ik u dadelijk uit mijn dienst ontsla.quot;

„Ik weet niet, wat uwe majesteit bedoelt,quot; stotterde Pöll-nitz, „ik begrijp niet, van welk misdrijf ik beschuldigd word en waardoor ik de genade van mijn koning zoude verbeurd hebben.quot;

De koning trad driftig een stap naar hem toe, en zijn vlammend, van toorn schitterend oog scheen den bleeken, bovenden hoveling te willen verpletteren.

„Gij weet zeer goed, heer kamerheer van Pöllnitz, van welk misdrijf onder de vele, welke gij eiken dag en elk uur begaat, ik nu spreek,quot; riep hij met donderende stem. „Gij weet zeer goed, dat ik nu bedoel, dat gij goed gevonden hebt, het huis in de Jagerstraat, hetwelk ik Boden zoo even geschonken heb, voor het uwe uit te geven en dat gij reeds lichtgeloovige lieden gevonden hebt, die u op dit pand ge'.d geleend hebben en die gij dus op eene schandelijke en arglistige wijze hun eigendom ontzwendeld hebt, zonder ook in de verte het plan of de mogelijkheid te hebben, het hun terug te geven.quot;

„Wil uwe majesteit mij een verzoek toestaan ?quot; zeide de minister Boden, een goedigen en medelijdenden blik op Pöllnitz werpende, die geheel verpletterd, zich nauwelijks op de been kunnende houden, naast hem stond. Toen de koning met een stommen hoofdknik toestemde, vervolgde de minister : „uwe majesteit beeft mij zoo even zoo over-rijk en door uwe genade zoo gelukkig gemaakt, dat ik wel de verplichting en het recht heb van mijn rijkdom en mijn geluk anderen mede te doelen. Baron van Pöllnitz heeft vroeger op bevel van wijlen den koning het plan van dit huis, hetwelk de goedheid van uwe majesteit mij zoo even geschonken heeft, ontworpen ; vervolgens heeft hij de geheele inwendige en smaakvolle inrichting naar zijn goedvinden en naar zijne wenschen moeten bezorgen en zoo zal het wel gekomen zijn, dat de heer baron van Pöllnitz meende, dat het huis, hetwelk geheel naar zijn smaak en bestel was ingericht, slechts voor hem kon bestemd zijn. In elk geval ben ik den heer van Pöllnitz dank schuldig, want ik, als een gewoon en eenvoudig man, zou geen verstand gehad hebben het zoo schoon en zoo smaakvol in te richten. Uwe majesteit zal mij dus wel willen

ocr page 97

107

toestaan, dat ik mijne dankbaarheid daardoor toon, dat ik de kleine hypotheken, welke de heer van Pollnitz op dit huis heeft genomen, honoreer en op mijn naam late over-schrijven.quot;

De koning sloeg zijn doorborende blik op den kamerheer, die zich nu weder begon te herstellen en zijn hoofd met nieuwen moed oprichtte.

„Wat hebt gij op het aanbod van den minister te antwoorden?quot; vroeg de koning.

„Dat ik, met verlof van uwe majesteit, met vreugde bereid ben het aan te nemen en dat ik den minister van finantiën slechts vragen wil, of hij alleen die schuldeischers, welke ik reeds op het noodlottige huis heb aangewezen, wil erkennen, of ook diegenen, welke ik nog van plan was aan te wijzen.quot;

„O!quot; riep de koning lachende, „gij zijt en blijft een on-verbetelijke gek! Als de arme Boden ook die schuldeischers, welke gij nog van plan zijt bij uwe oude te voegen, wilde tevreden stellen, zoude het geschenk, hem zoo even gegeven, hem vermoedelijk binnen eenige maanden tot den bedelstat brengen. Neen, neen, wij hebben nu genoeg aan de reeds bestaande hypotheken en daar zij slechts eenige duizend daalders bedragen, geef ik u, heer minister, verlof dezelve te voldoen, evenwel niet uit uwe, maar uit mijne kas! En opdat het geschenk, u gegeven, zonder smet of vlek zij, moge de heer van Pöllnitz zich daarmede, voor de moeite en inrichting, welke het huis hem gekost hebben, betaald rekenen. Maar wee u, Pöllnitz, wanneer gij mij weder van zulke dwaasheden en bedriegerijen laat hooren, wanneer gij dat lichtvaardige gedrag, dat tegen alle zeden en wetten indruischt, niet laat varen en een leven leidt zoo zediglijk en fatsoenlijk als het mijn dienaar en kamerheer betaamt. Indien ik weder iets dergelijks verneem, zal ik onverbiddelijk en slechts een streng rechter en koning zijn!''

„Uwe majesteit stort mij in een afgrond van wanhoop,quot; zeide Pöllnitz handenwringend. „Uwe majesteit verlangt, dat mijne toekomst rein en vrij van schulden zat zijn, terwijl het verleden er als eene nachtmerrie op drukt ener eene donkere schaduw op werpt. Want hoe zal ik vermijden nieuwe schulden te maken, wanneer ik niet eens geld

ocr page 98

-108

heb de oude te betalen? Wanneer uwe majesteit mij ge-nadigst behulpzaam wilde zijn om verder geene schulden temaken, moest, gij ook de genade hebben, mijne tegenwoordige schulden, welke, helaas, slechts voor het kleinste gedeelte op het huis in de Jagerstraat zijn overgebleven, te betalen.''

De koning liep zwijgend eenige keeren op en neer; toen bleef hij voor Pöllnitz staan en zeide met fijnen glimlach; „Gij zijt zulk een onbeschaamden dwaas, dat men u of wegjagen, of over u lachen moet. Ik wil mij nu slechts herinneren, dat mijn vader en grootvader reeds om u gelachen hebben en ik zal vooreerst ook om u lachen, zooals ik om de zotte kuren van den heer Rath, mijn aap, lachen moet. Maar ook mijnheer Rath heeft gisteren klappen gehad en is bestraft geworden, omdat hij in zijne apenkuren al te dartel werd. Denk dus daaraan, mijnheer Rath Pöllnitz. Uwe schulden zal ik dezen keer nog betalen; maar wanneer gij de kuur mocht krijgen, nieuwe te maken, zal ik vergeten, dat gij reeds de potsenmaker van mijn grootvader en mijn vader geweest zijt, en mij slechts herinneren, dat zulk een lichtzinnige schuldenmaker niet mijn kamerheer en opper-ceremoniemeester zijn kan. Denk er dus aan, heer baron van Pöllnitz en ga nu met den minister van finantiën naar de Jagerstraat, om hem zijn huis te toonen. Gij zijt ontslagen, mijne heeren.quot;

Toen de beide heeren de zaal verlaten hadden, bleef de koning eene poos peinzend en in gedachten verzonken staan. Hij scheen volstrekt niet te weten, dat hij niet alleen was, dat Fredersdorf daar ginds bij het raam stond, waar deze dadelijk,] bij het verschijnen des konings, was gaan staan en waar hij een wanhopend en bevend toeschouwer was geweest van het geheele tooneel, dat zijne verwachtingen en plannen vernield had.

Plotseling stapte de koning snel door de zaal en bleef vlak legen over hem staan. Zijne anders zeer heldere en vlammende oogen waren nu als door eene wolk beneveld, en eene uitdrukking van stille zwaarmoedigheid zweefde over zijn edel en, schoon gelaat.

„Fredersdorf,quot; begon hij met zulk eene weeke en zachte stem, dat het hart van den aangesprokene begon te trillen en een diepe bleekheid zich over zijne wan-

ocr page 99

409

gen verspreidde; „Fredersdorf, het is dan toch werkelijk waar, dat gij allen nooit den mensch, maar altoos slechts den koning in mij ziet? Dat gij nooit een hart voor uw vorst hebt, maar altijd slechts nijd, haat en toorn, slechts kwaadaardigheid en arglist ? Fredersdort, ook gij wilt zoo denken, gij, dien ik bemind heb, niet zooals een heer zijn dienaar, maar als een vriend, tegen over wien ik zoo dikwijls vergeten heb, dat ik een vorst was, omer slechts aan te denken, dat ik tegenover een mensch stond, die een menschelijk gevoelig hart voor mijne zorgen en smarten had en een weinig liefde niet voor den vorst, maar voor den mensch in mij koesterde? Ach, wilt gij allen mij wantrouwend en ongevoelig maken ; wilt gij allen er toe medewerken mijn hart te versteenen, mijne ziel voor vertrouwen en liefde te sluiten ? O, er zal een dag komen, waarop zij mijn hart koud en ongevoelig, wantrouwend en liefdeloos zullen noemen en niemand zal dan zeggen, dat zij, die ik bemind heb en vertrouwde, mij zoo gemaakt hebben.quot;

„Erbarming, erbarming mijn koning,quot; smeekte Freders- , dorf, aan 's konings voeten zinkende. „Dood mij, verpletter mij met uw toorn, maar wees niet grootmoedig, niet liefderijk jegens mij! O, uwe majesteit weet niet, hoe ik u lielheb, hoe mijn geheel aanzijn slechts leeft in u; maar ik heb een vurig en eergierig hart en in mijne eerzucht was het mij niet voldoende de dienaar mijns konings te zijn, ik wilde ook een machtig, invloedrijk heer zijn; ik wilde hoog klimmen, om hen diep beneden mij te zien, die mij nu een blik van verachting toewerpen, laag op mij durven nederzien, omdat ik slechts een kamerdienaar en geen groot heer ben. Dat, mijn koning, is mijn geheele misdrijf, de geheele berouwvolle bekentenis mijner schuld.quot;

„Ik weet het,quot; zeide de koning. „Gij wildet uw heer niet verraden, maar gij wildet de heer van uw heer zijn. Gij wildet door mij regeeren. Arme Fredersdorf, gelooft gij dan, dat het zulk een geluk is koning te zijn ? Weet gij dan niet, dat deze koningskroon, welke u allen zoo schitterend toeschijnt, slechts eene doornenkroon is, welke men met een weinig klatergoud bedekt en met juweelen versierd heeft, welke wel is waar als sterren schitteren, maar toch slechts keisteentjes zijn ? Arme Fredersdorf, gij

ocr page 100

no

zijt eerzuchtig. Nu ik zal deze zwakheid te hulp komen, zooveel ik kan, maar laat dan ook het plan varen, mijn wil te beheerschen of invloed op mijne besluiten te willen oefenen.quot;

,.Een koning is alleen voor God verantwoordelijk,quot; vervolgde de koning; „daarom kan hij van God alleen besluiten en bevelen ontvangen en slechts aan Hem kan hij zich onderwerpen. Dit is mijn geloof en mijn godsdienst.

Ik ben de dienaar Gods, maar de heer der menschen en geen mensch zal macht op mij hebben, maar God alleen. Toch moet gij mij liefhebben, Fredersdorf, en ik zal uwe eerzucht te gemoet komen. Ik zal u een titel geven, gij zult niet meer de kamerdienaar maar de geheimkamerdienaar zijn en opdat gij niet enkel dienaar, maar ook heer zoudt zijn, schenk ik u het landgoed Gzernikow bij Rheinsberg. Daar zult gij de heer uwer boeren en dag-looners zijn en kunnen ondervinden, of het regeeren eene dankbare bezigheid is. Zijt gij nu tevreden, arme Fredersdorf!quot;

Fredersdorf kon niet antwoorden. Hij drukte zijne lippen op de aangeboden hand des konings en weende luid ^

XI.

HET BRUIDSPAAR.

Gejuich en vreugde heerschte in het huis van den rijken fabrikant Orguelin. De trotsche dochter had toegestemd de gemalin van den graaf Redern te worden; zij had hem eindelijk het jawoord gegeven, en de gelukkige vader, verrukt dat hij weldra de schoonvader van een graaf zou worden, was nu bezig met de toebereidselen voor de bruiloft, welke door haar grootschen aanlegen hare verkwistende pracht het onderwerp van alle gesprekken in Berlijn zou worden. Het zou een feest worden, op hetwelk zich de toekomstige gravin Rhedern voor den laatsten keer in den kring harer voormalige vrienden zou vertoonen, om voor altijd van hen afscheid te nemen; want het sprak

1) Kodenbeck. Tagebuch, pag. 15.

ocr page 101

Ill

van zelf, dat de gravin Rhedern andere kringen bezoeken, andere vriendschapsbetrekkingen moest sluiten, dan, mejuffrouw Orguelin gedaan had. Mijnheer Orguelin wilde zijn collega's fabrikanten en kooplieden, den deftigen en grooten heer toonen, die nu zijn schoonzoon was geworden; hij wilde zich door zijne vrienden doen benijden en hun door de vorstelijke pracht van zijn huis ontzag inboezemen.

Maar dit alles stemde zeer weinig overeen met de bedoelingen van graaf Rhedern. Hij had, gedrongen door zijne schuldeischers en zijne armoede, wel moeten besluiten, de rijke koopmansdochter te huwen, maar had, zelfs in de verte niet, het doel en den wil om in eenige betrekkingen met de vrienden en bloedverwanten van zijne gemalin te treden. Al moest hij ook besluiten, den rijken schoonvader te erkennen en hem de liefde en den eerbeid van een zoon te toonen, daarin lag nog niet opgesloten, dat hij op zijne feesten wilde verschijnen, om daaraan in zekeren zin, als ware hij een pronkend en kostbaar middelstuk, den eigenlijken glans te verleenen. Hij sidderde, als hij aan den schimp en het honend gelach der hofcavaiiers dacht voor wien hij een onuitputtelijk onderwerp van geesügen spot zoude worden, wijl hij, de hofmaarschalk der koningin, de cavalier van den ouden adel, op een feest der bourgeoisie de hoofdrol gespeeld en met fabrikanten en kooplieden gegeten en gesproken, gejuicht en gedanst had. Dat kon, dat mocht niet gebeuren. Een edelman kon wel, om de eer van zijn huis, besluiten eene burgerdochter te huwen, als deze namelijk een millioen bezat maar hij kon zich zooverre niet vernederen, zich nu ook als een aangeworven lid harer familie te beschouwen en van dezen en genen bourgeois notitie te nemen.

De graaf darht dus over een plan, om dit bruiloftsfeest, dat hem in zulk eene onaangename en lastige aanraking met lieden „beneden zijn standquot; kon brengen, te doen mislukken en het opzien bij zijne mésalliance zoo mogelijk te vermijden.

Met een glimlach op het gelaat en een teederen groet trad hij dus eens des morgens in het schitterende en smaakvolle boudoir zijner verloofde, die juist met haar vader bezig was de lijst der bruiloftsgasten op te maken en hun aantal te bepalen.

ocr page 102

112

Graaf Rhederu ging zwijgend naast zijne bruid zitten en luisterde met innerlijk afgiijzen naar al die ijselijke, verschrikkelijke namen, welke daar op de lijst geplaatst werden en waarvan de dragers nooit bij een riddertournooi of een koninklijk holïeest konden verschijnen, die dus van de genietingen en eerbewijzen der wereld uitgesloten waren.

„Nulquot; vroeg zijn schoonvader met zegevierenden blik, „wat ze^t gij van ons feest? Niet waar, bet zal schitterend en heerlijk worden ? De aanzienlijkste en rijkste kooplieden van geheel Berlijn zullen er bij tegenwoordig zijn; en wanneer men ons naar ons vermogen wilde berekenen, zouden er meer millioenen daalders, vertegenwoordigd zijn, dan Duitschland bewoners telt. Gij begrijpt dus, geëerde zoon, dat, om zulke gasten eer aan te doen er bijzondere toebereidselen, bijzondere maatregelen noodig zijn ; want het is niet zoo gemakkelijk deze heeren ontzag in te boezemen en hunne verbazing en bewondering te wekken. Mijn hemel, een baron of een gi aaf eene verrassing te bezorgen, is zeer gemakkelijk; zij toch zijn gelukkig, wanneer men hen op champagne onthaalt, of hun de heerlijke Holsteinsche oesters voorzet; maar zulk een rijk koopmantrektverachtelijk den neus op, wanneer men hem scliildpad-soep of Indische vogelnestjes presenteert. En toch wil ik mijne trotsche gasten verrassen ; toch zullen zij een dinner hebben, zooals zij nog nimmer gezien hebben. Ik hel) daarom twee van de voornaamste koks uit Parijs ontboden; zij zullen binnen eenige dagen hier zijn; zij hebben mij geschreven, dat zij voor de noodzakelijkste toebereidselen ten minste veertien dagen noodig hadden. Ik betaal hun voor die veertien dagen een honorarium, dat wellicht zoo groot is als bet halfjarige traclement van een koninklijken hofmaarschalk ot kamerheer. Buitendien zullen wij vuurwerkhebben,illuminatievan den tuin en heerlijkemuziek ; ja, ik heb er zelfs aan gedacht een tooneel te laten opslaan en de Fransche troep te enga-geeren om eenige blijspelen te geven.quot;

„Ik vrees echter,quot; zeide zijne dochter lachend, „dat weinige van onze gasten van de Fransche blijspelen een woord

verstaan zullen.quot;

„l at moge zijn, maar alles, wat Fransch is, is nu eenmaal in de mode; ,en het zal opzien verwekken, wanneer bij ons een Fransch tooneel is. Maar spreekt geen woord,

ocr page 103

443

mijn zoon'? Gij zucht en zet bijna een verdrietig gezicht ?'

„Ik zucht, omdat gij dit bruiloftsfeest zoolang wilt uitstellen.quot;

„Zoo, dat is een compliment voor u, dochter. De verliefden zijn altoos zoo ongeduldig.quot;

„Maar ik zucht niet enkel daarom, dat ik nog zoo lang van het geluk beroofd moet zijn, mijn dierbare Caroline als mijne gemalin in mijn huis te geleiden, maar omdat ik daardoor het genoegen moet missen, haar, bij een der grootste en schitterendste bolleesten, waarmede het seizoen geopend zal worden, als mijne gemalin aan het hof voor te stellen.quot;

„Zal er een bolleest zijn ?quot; vroeg Caroline Orguelin levendig. „Ik dacht, dat de koning nog op reis was.quot;

„De koning keert binnen eenige dagen terug, en dan zal hij, daar de rouw van het bof ten einde is, aan zijn hof eene schitterende maskerade geven, welke waarschijnlijk ook de eenige in dezen winter zijn zal.quot;

„Eene maskerade!quot; riep zijne bruid. „Mijn hemel! Ik heb nog nooit eene maskerade gezien.quot;

„En gij zoudt hier eene zeer schitterende zien. Ook had mij de koningin-moeder reeds eene invitatie voor mijne gemalin beloofd en mij verzocht, haar op dien dag aan het geheele hof te presenteeren quot;

„Én is bet volstrekt onmogelijk, de bruiloft een weinig te vervroegen?quot; vroeg Caroline ongeduldig.

„Volstrekt onmogelijk, zei mijnheer Oiguelin plechtig.quot;

„En waarom onmogelijk ?quot; vroeg de graaf op vleienden toon. „Konden wij niet de bruiloft vroeger en bet feest later hebben? Konden wij niet, zooals zulks in de groote wereld de gewoonte is, ons huwelijk in alle stilte voltrekken en het dan later met een schitterend feest vieren V Die luidruchlige huwelijksfeesten zijn buitendien een weinig uit de mode en men zou aan het hof denken, dat de rijke en beschaafde Orguelin de gebruiken van het jonge, nieuwer-wetsche hof verachtte en zich er tegen verzetten wilde, door met luister de zeden van het vorige régime ten toon te spreiden.quot;

„Daar behoede mijdehemel voor,quot; riep Orguelin ontsteld uit.

„Vader,' zeide Caroline vast beraden ; „ik heb een afkeer van die luidruchtige vermakelijkheden; ik verlang

Uühlbaoh, Frederik de Oroote en zijn Hof. II. 8

ocr page 104

114

naar een stil huwelijksfeest. Men moet aan het hof niet kunnen zeggen, dat mejuffrouw Orguelin met al hare kennissen gejuicht heeft over het ontzaglijke geluk,, de gemalin van een graaf te worden. Ik wil in alle stilte trouwen. Later kan mijnheer de graaf een schitterend feest geven om zijn huwelijk te vieren, en gij vader, kunt het dan beantwoorden ; maar mijn trouwen moet stil en zonder eenig opzien geschieden, zooals het betaamt en de mode het eischt.quot;

De heer Orguelin was het nu, zooals altijd, met den wil zijner dochter eens; men kwam overeen om het huwelijk zoo stil mogelijk te sluiten en het later in het huis van den schoonvader door een feest a la Lucullus te vieren.

„Waarbij ik, in geen geval, tegenwoordig zal zijn,quot; dacht graaf Rhedern, terwijl hij luide zijne toestemming gaf.

Mejuffrouw Orguelin zou dus hare stoutste wenschen vervuld zien; zij zou plechtig bij het hof ingeleid worden en de koningin-moeder had zich bereid verklaard, haar op het gemaskerde feest zelve aan den koning voor te stellen.

Er ontbrak slechts nog ééne zaak. Zij had nog geen schitterend hoftoilet voor dien gewichtigen dag en graaf Rhedern verzekerde zuchtende, dat het moeilijk zou gaan, het nog bij tijds te krijgen, niet wegens den sleep van goudstof tot de robe noodig, maar wegens den kleermaker, die haar deze goed passend wist te maken.

„Pélissier, de nieuwe Fransche kleermaker, heeft geweigerd slechts een manteltje voor mij te maken,quot; zei graaf Rhedern, „en zijne dames, nu de meest gezochte modemaaksters, zijn reeds sedert acht dagen doof voor alle aanvragen. Zij nemen geene nieuwe bestellingen meer aan voor het gemaskerd bal, want zij zijn overladen. De gravin Haake ging op hetzelfde oogenblik naar de schoone Blanche, toen ik naar haar vader ging en ik ontmoette haar later handenwringend en in tranen badende op den trap, want de trot-sche modemaaksters hadden op haar bidden en smeeken slechts met een wreed: onmogelijk! geantwoord.quot;

„Maar ik weet, dat de hofkleermaker der beide koninginnen, de heer Pricker, mij niet zoo antwoorden zal,quot; zeide Caroline Orguelin trotsch,quot; „maar dat hij mij de noodige

ocr page 105

115

kleeren [zal maken, al moest hij daarvoor nog eenige men-schen aannemen.quot;

„Laat ons dan maar dadelijk naar den heer Pricker rijden,'' zeide haar verloofde glimlachend, „want de zaak duldt geen uitstel, en gij begrijpt, dat ik radeloos zijn zou, wanneer wij getrouwd waren en ik u niet onmiddelijk en bij de eerste geschikte gelegenheid aan het hof als mijne gemalin presenteeren kon.quot;

„Ja, de zaak vereischt spoed,quot; herhaalde Caroline en schelde om het rijtuig te doen inspannen.

Toen de beide verloofden zich eenige minuten later alleen in het rijtuig bevonden, wendde Caroline Orguelin zich met spottenden glimlach tot den graaf Rhedern; „wij zullen dus overmorgen trouwen?quot; vroeg zij.

„Jawel dierbaarste Caroline, overmorgen zal ik de gelukkigste sterveling zijn.quot;

Zij trok even met hare schouders. „Uwe schuldeischers zijn dus zoo dringend, dat gij plotseling een gloeiend ver-langeu naar mijne huwelijksgift krijgt?quot;

„Mijne schuldeischers ?quot; vroeg de graaf verbaasd. „Ik begrijp u niet dierbaarste Caroline.quot;

„Ge begrijpt mij zeer goed,quot; zeide zij met vlijmende koelheid; „het is nu eens en vooraltijd noodzakelijk, dat wij elkander begrijpen. Weet dan, mijnheer, dat ik mij noch door de betuigingen uwer liefde, noch door uwe overigens goed gespeelde rol van een ongeduldig minnaar, heb laten misleiden. Ik ben noch jong, noch schoon genoeg, om den hartstocht van een zoo uitstekenden en edelen cavalier, als de graaf Rhedern op te wekken. Gij zijt arm, maar rijk aan schulden, gij hebt volstrekt eene rijke vrouw noodig en daar ik toevallig meer geld bezat, dan al de schoone en voorname dames van adel, besloot gij een dwarsbalk in uw wapen op te nemen en dien met mijn millioen huwelijksgift te bedekken. Met één woord, ik bekoorde u, omdat gij het moede waart langer door uwe schuldeischers gekweld te worden, en in verborgene, blinkende ellende te leven; en ik — ik kocht mij voor mijn millioen huwelijksgift den graaf Rhedern, omdat ik daardoor toegang tot het hof verkreeg.quot;

, Nu, inderdaad,quot; zei graaf Rhedern met gedwongen glimlach „dat zijn zeldzame en zeer eigenaardige bekentenissen.quot;

ocr page 106

116

„Die intusschen toch noodzakelijk zijn, opdat wij elkander in het vervolg niet door een nutteloos komediespel afmartelen en gevoelens huichelen, welke wij beiden niet hebben. Ik moet u nog zeggen, waarom ik zoo zeer wenschte eene groote dame, dat is; eene dame, die toegang tot het hof heeft te worden; want gij zult rnij, vertrouw ik, niet voor zoo dwaas houden, dat ik mij enkel daarom een graat gekocht heb, om mevrouw de gravin genoemd te worden.'' „Ik zou dezen wensch voor geene dwaasheid gehouden hebben,quot; prevelde de graaf.

„Neen vervolgde zijne bruid, „ik wilde gravin worden, om daardoor aan het hof té komen en in staat te zijn een geluk te genieten, waarom mij duizenden zullen benijden; om, gelijk de arme mug, zoolang om het schitterende en heldere licht te vliegen, tot dat ik mij doodelijk gebrand heb. O, ik zeide u, dat ik niet jong meer was ; ik heb evenwel een jeudig hart, jeugdiger wellicht dan alle schoone hofdames en adellijke freules; want het mijne is niet verstompt en versleten; het mijne is i'ein en hard en helder geweest als bergkristal, tot dat —quot;

„Nu, ga voort,quot; zei de graaf, toen zij zweeg, „ga voort met die allerliefste bekentenissen, welke men elkander wel is waar zelden voor, maar gewoonlijk eerst na het huwelijk pleegt te doen. Gij spraakt van uw hart, dat als bergkristal geweest is, tot dat —quot;

„Totdat ik den koning gezien heb,quot; vervolgde zijne bruid hartstochtelijk, totdat ik die wonderbaar schitterende oogen, dien trotschen en tevens goedigen en zachtmoedigen glimlach gezien heb, waarmede hij het volk van het balkon begroette.quot;

„Ach, het was dus op den dag der inhuldiging, dat gij het verheven besluit opvattet den koning te beminnen?quot;

„Ja, het was op den dag der inhuldiging, dat ik voor het eerst begreep, hoe verheven en trotsch, sehitterend en overweldigend een echte man is. En mijne ziel boog zich in ootmoed voor dezen Titan met zijn wereldbeheerschenden blik en mijn hart vlijdde zich in aanbidding voor de voeten van dien man die zoo wonderlijk glimlachen en met zijne oogen zulke groote dingen zeggen kon. Ach, ware ik toen, even als gij, in zijne nabijheid geweest, ik zou aan zijne voeten gezonken zijn en tot hem gezegd hebben; „Ik

ocr page 107

117

neem u aan tot mijn heer en mijne godheid. Gii zijt voor mij het ideaal van den man en als zoodanig wil ik u beminnen, rein, groot, onbaatzuchtig. Maar ik stond in de verte; ik kon hem slechts in gedachten aanbidden. Maar ik besloot, dat ik hem eens nabij zou zijn ; en ik, die nooit wilde trouwen, ik vatte van dit oogenhlik het besluit op in het huwelijk te treden, — maar slechts met een cavalier, die toegang tot het hof heeft. Ik vroeg mijn geleiders naar de namen der cavaliers, die achter den koning en de prinsen stonden. De meesten van hen waren getrouwd; maar gij waart het niet en men zeide mij, dat gij zeer veel schulden bezat en zeer weinig middelen om die schulden te delgen. Op dien dag zeide ik tot mijn vader; ik wil den graaf Ilhe-dern trouwen. Koop hem voor mij, zooals gij mij onlangs dat prachtig gouden, met juweelen versierde iNeurenberger speelgoed gekocht hebt.quot;

„Inderdaaad, eene zeer vleiende en geestige wijze van beschouwen,quot; zei de graaf.

„Caroline vervolgde ; „mijn vader gaf de zaak in handen van zijn makelaar, die reeds vroeger allerlei soort van zaken voor hem gedaan had en zich ook nu als een bekwaam zaakwaarnemer heeft doen kennen ; want gij ziet, hij heeft de waar gekocht, welke wij begeerden en de zaak is afgedaan. Nu, heer graaf, zult gij begrijpen, waarom ik u de voorwaarde stelde, mij den toegang tot het hof en de ontvangst als gravin te verleenen, voor ik besluiten kon, uwe gemalin te worden.quot;

„O, ik begrijp u volkomen,quot; zei de graaf gemelijk, „gij gebruikt mij als de brug, waarover gij uit den winkel in het koninklijk slot kunt komen, zooals ik u gebruik om mijne schulden te betalen en een fatsoenlijk, eens graven waardig leven te leiden. O, nu wij het met elkander eens zijn, zullen wij het elkander niet lastig maken en een zeer vrij en ongedwongen leven leiden, zonder elkander in het minst te geneeren.quot;

„Toch, lieve graaf, zult gij u van tijd tot tijd eene kleine gêne moeten laten welgevallen,quot; zeide de millionaire, hare hand zachtjes op den schouder van den graaf leggende. „Gij moet weten, dat ik u begrepen heb. Het was niet enkel om uwe schuldeischers, dat gij eene zoo spoedige verbintenis wenschtet, raaar veeleer, omdat mijnheer de

ocr page 108

118

graaf het beneden zich achtte, met fabrikanten en kooplieden een feest te vieren en in gezelschap van een bourgeois te moeten zijn. Maar ik zeg u, lieve graaf, ik zal het nooit vergeten, dat mijn vader een koopman is en dat al mijne vriendinnen de dochters van fabrikanten en kooplieden zijn ; ik zal eene dankbare dochter en eene trouwe vriendin zijn en ik zal u dwingen, mijn vader eerbied, en mijnen vrienden dezelfde achting te bewijzen, welke ik den uwen nooit weigeren zal.quot;

„Dwingen!quot; riep de graaf, ,.gij wilt mij dwingen!quot;

„Dat zei ik en gij zult weder inzien, dat ik zulks kan. Luister maar. Mijn vader heeft u beloofd, mij een mi)lioen mede te geven, waarvan intusschen eerst uwe schulden en mijn uitzet betaald moeten worden. Nu bedragen uwe schulden en de aflossing der hypotheken op uwe goederen, tweehonderdduizend daalder; mijn uitzet met de inrichting van mijn paleis en mijne juweelen evenveel. Er blijven dus nog zeshonderdduizend daalder over, waarvan gij, volgens het huwelijkscontract mede het vruchtgebruik hebt. Maar gij begrijpt, dat de rente van dit kleine kapitaal voor de dochter van een rijk koopman niet voldoende is, om daarvan fatsoenlijk te kunnen leven te meer daar ik den stouten wensch koester, den koning in mijn huis te onthalen, waartoe wellicht op een enkelen avond de helft van ons geheele jaarlijksche inkomen noodig is.quot;

De graaf beschouwde zijne bruid met bewonderende, bijna eerbiedige blikken, „Gij denkt dus, dat men van de rente van zeshonderdduizend daalder niet leven kan ?quot; vroeg hij.

„Ik denk dat niet alleen, maar ik weet het zeer stellig; want ik heb als meisje bijna zooveel noodig gehad. Och, mijn lieve graaf, men heeft zooveel geld noodig, om al zijne luimen en wenschen te voldoen. Mijn vader begrijpt dat ook en heeft mij daarom als speldegeld een tweede millioen daalder geschonken, dat echter in zijne zaken blijft en waarvan ik slechts de rente in maandelijksche termijnen ontvang. Deze rente echter, begrijp mij wel, behoort niet tot mijn huwelijksgoed, maar is mijn personeel eigendom en ik kan er mede doen, wat ik wil; ik kan daarmede, als ik het goed vind, feesten aanleggen, uwe schulden betalen, u rijtuigen en paarden koopen; maar ik

ocr page 109

119

kan ze ook mijn vader schenken, die ze zeer goed in zijn handel gebruiken kan.

Luister nu goed, zoo dikwijls het u mocht invallen de noodige en plichtmatige beleefdheid jegens uwe gemalin, haar vader ot hare burgerlijke kennissen uit het oog te verliezen, zal ik mijn vader mijn speldegeld laten en dan blijft aan u de zorg voor de vereischte betalingen,quot;

„Maar ik zal altijd een teeder en dankbaar gemaal, een toegenegen zoon voor uw vader zijn,quot; riep de graaf, verrukt over het uitzicht op een tweede millioen.

„Daar zult gij wel aan doen,quot; zeide zijne bruid zeer ernstig, „want gij zult daardoor maandelijks vier duizend daalder inkomen meer hebben. Gij ziet ik ben eene echte koopmansdochter en ik kan zeer goed rekenen. Ik heb u gekocht en weet zeer goed uwe waarde te schatten; maar ik wil ook door u op de rechte wijze geschat en gewaardeerd worden. Gij moet nooit op het denkbeeld komen, dat gij mij eene eer bewezen hebt, met mij tot gravin te 'maken, maar u herinneren, dat mijn vader een mil-lionair is, wiens eenige dochter en erfgename u voor uwe beminnelijkheid, uw graventitel en uw toegang tot het hof betaalt. En nu genoeg van die vervelende dingen. Zie, het rijtuig staat stil, wij zijn er reeds. Doen wij beiden onze maskers weder voor; Iaat ons weder het dweepende bruidspaar zijn, dat uit reine liefde en genegenheid trouwen wil.quot;

„En inderdaad, gij verdient, dat men u bemint,'' riep de graaf hare hand aan zijne lippen drukkende. „Gij zijt de verstandigste, geestigste en schranderste vrouw, die ik ooit gezien heb en ik twijfel volstrekt niet of ik zal nog eens hartstochtelijk verliefd op u worden.quot;

„Arme graaf,quot; zeide zij lachend, „op dien dag zult gij zeer te beklagen zijn, want ik, ziet gij, zal nooit op u verliefd worden. Een hart, als het mijne, bemint slechts eenmaal en sterft aan zijne eerste liefde.quot;

„Mocht dit dan een zeer langzame dood zijn,quot; zeide de graaf uit het rijtuig springend en zijne verloofde bij het uitstijgen de behulpzame hand biedende.

ocr page 110

120

DE SNIJ DERS-FAMILIEÈN OF DE CAPÜLETTJ EN MONTEGCUI VAN BERLIJN.

De heer Pricker stond aan het venster en keek naar het andere huis aan den overkant op het plein, naar dat huis, vttor hetwelk een bont gewoel van rijtuigen, liverei-bedienden, lakeien, schoone dames en voorname cavaliers zich verdrong, die zich allen in vliegenden haasten met gewichtige, ernstige gelaatstrekken naar dat huis begaven, terwijl de stampemle paarden der schitlerende rijtuigen, de babbelende jockeys en lakeien de terugkomst hunner meesters afwachtten In dit huis nu woonde de heer Pélissier, de nieuwe Fransche kleermaker en om hem alleen kwamen al die aanzieniijkecavaliers, en slechts om zijne vrouwen dochter betraden al die voorname dames dat huis.

De heer Pricker, aan het raam staande en hetgedrang aan den overkant aanziende voelde het als een dolksteek in zijn hart; want niemand kwam bij hem, en voor zijn deur zag men niet zulk een gedrang van rijtuigen.

Sedert de aankomst van den Franschen kleermaker was de heer Pricker een verloren, ongelukkig man, gekrenkt in zijne eerzucht, in zijne heiligste gevoelens, in zijne rechtmatige aanspraak op de dankbaarheid der menschen.

Wat baatte het hem de erkende hofkleermaker van twee koninginnen te zijn. Het hof liet toch niet meer bij hem werken, sedert hij geweigerd had Fransche knechten in zijn dienst te nemen, en geene van al de dames, die hem vroeger gewillig de geheimen van haar toilet en van hare figuur hadde loevertrouwd, herinnerde zich nu zijne bescheidenheid en zijne bekwaamheid om het gebrekkige te bedekken, het ontbrekende Ie vergoeden. De ondankbare en wufte wereld had hem verlaten; de familie Hohenzollern had geen geheugen meer voor al de grootedaden en belangrijke diensten van de familie Pricker; zij wist de ware verdienste

ocr page 111

124

niet meer te schatten; zij dreef den spot met de edele goede zedelijkheid en trotseerde de eeuwenoude gewoonten.

Sedert de heer Pélissier tegenover hem woonde, was de heer Pricker een man met gebroken hart, die van droefheid verteerde en zijne smarten dag en nacht herkauwde. Maar hij deed het zwijgend en zonder klacht; hij deed het als een held, met een glimlach op de lippen en den mantel werpende over de wonde, waaraan hij dood bloedde. Maar er was toch één oog, dat hij niet misleiden kon één hart, dat hem begreep. Juffrouw Pricker zag zijn leed eti ook zij verkwijnde in stomme smart, omdat zij haar man al stiller en lijdender zag worden en het toch niet durfde wagen hem troost of moed in te spreken.

Nu en dan had Pricker, in de overmaat van smart er over gedacht, zijn huis Ie verkoopen en naar een ander gedeelte der stad te verhuizen. Maar in het volgende oogenblik schaamde hij zich over deze lafhartige zwakheid en beschuldigde zich zeiven van kleinmoedigheid, het slagveld te verlaten en de plaats aan zijn tegenstander over te laten.

Om hem te trotseeren en ergernis te geven was de Fransche kleermaker vlak legen over hem gaan wonen; het was een duel op leven en dood, dat Pélissier hem had aangeboden en men moest niet kunnen zeggen, dat hij het geweigerd had. Hij moest een beginsel vertegenwoordigen, een heilig en eerbiedwaardig beginsel; hij moest de goede, oude Duitsche zeden staande houden tegenover de lichtzinnige, slechte, steeds veranderende en wisselende mode; hij moest der wereld toonen, dat er nog lieden waren, die de hervormiugswoede verachtten en vast aan de gewoonten hunner vaderen hielden.

üe heer Pricker moest daarom in het strijdperk blijven; hij moest de stoutheid van zijne tegenpartij het hoofd bieden; hij mocht niet toegeven, dat de Duitsche meester door den Franschen knoeier overwonnen werd.

Hij bleef dus met zijn gezin in zijn huis, in dit oude, eerwaardige huis, dat reeds zoo lang den waardigen hofkleedermaker der Pruisische vorsten gehuisvest had; hij bleef, maar hij droeg den dood in het hart.

Hij stond aan het venster en staarde naar het huis van zijn gehaten vijand; daar zag hij met innerlijken wrok

ocr page 112

122

juist weder een rijtuig aankomen. Maar neen, dit rijtuig reed niet naar den overkant; het kwam aan deze zijde van de straat en hield voor zijne deur stil. De heer Pricker had, in de eerste vreugde van zijn hart, wel naar beneden willen vliegen, om het portiei te openen en de dame bij het uitstijgen behulpzaam te zijn; maar hij bedacht nog ter juister tijd, dat dit met de waardigheid van zijn huis zoude in strijd zijn; hij bleef staan en wachtte, totdat zijne vrouw met een van vreugde stralend gelaat binnenkwam en hem meldde, dat de rijke juffrouw ürguelin en haar bruidegom hem wenschten te spreken.

De heer Pricker ging hen bedaard te gemoet; maar hij kon toch niet verhinderen, dat zijne oogen wat helderder schitterden; hij kon den blijden glimlach niet tegenhouden, welke om zijne bleeke lippen zweefde

„Gij zult verwonderd zijn, mijn lieve hofkleedermakerquot;, begon graaf Rhedern, ,,dat wij bij u komen, in plaats van u te laten roepen. Maar dat zoude slechts tijdverlies geweest zijn en onze zaak eischt den grootsten spoed.quot;

De heer Pricker boog bedaard en met waardigheid. „Mijn huis is gewoon voorname familiën te ontvangen,quot; zei hij. „Mijn overgrootvader had zelfs het geluk den keurvorst hier te verwelkomen. Laat mij hooren, waarmede ik u van diens-t kan zijn.'quot;

„Ik heb twee hoftoiletten noodig,quot; zeide mejuffrouw Orguelin met trotschen glimlach. „Een voor de eerste presentatie en het tweede voor een groot feest aan het hof.quot; /

De eene robe met een sleep van zilverstof en een stoffen japon,quot; zei de heer Pricker plechtig. Ik zou er voor zijn, deze robe van blauw fluweel te kiezen, dat blondines zeer goed staat en een hemelschen glans over hare gëheele persoon verspreidt.quot;

„Nemen wij dus hemelsblauw,quot; zeide de millionaire, en daarbij een sleep van zilverstof. Wat de japon voor het feest aan het bof betreft, daarvoor heeft mij mijn vader eene zeer schoone stof geschonken, uit fluweel en goud gewerkt, zoo als men zulks alleen in Indië kent,quot;

„Wij zullen dus een volkomen waardig en nobel toilet hebben,quot; zeide de heer Pricker, „en ik durf zeggen, dat

ocr page 113

123

de gravin Rhedern, bij hare verschijning aan het hof, het huis Pricker eer zal aandoen.quot;

,,En ik twijfel niet, dat uw werk wederom ook mijn grafelijk huis tot eer zal verstrekken,quot; riep de graaf lachend, „alleen moet gij u verbinden, mijn goede meesier, om binnen acht dagen gereed te zijn.quot;

„Binnen vier dagen, als het zijn moet,'' zei de heer Pricker, terwijl hij met eene zekere deftigheid de lange geel papieren maat nam, welke zijne vrouw hem overreikte en de dame naderde.

„Het fatsoen en het garneersel laat ik geheel aan uw smaak en doorzicht over,quot; zeide deze, „maar het spreekt van zelf, dat de japon naar de nieuwste, Fransche snede moet gemaakt worden.quot;

„Naar de Fransche snede moeten uwe japonnen gemaakt worden !quot; vroeg hij rauw.

„Nu, ik verbeeld mij, dat zulks van zelf spreekt,quot; zeide grafelijke bruid lachende. „Geen fatsoenlijk voornaam kleermaker zal naar de verouderde, Duitsche snede werken. Wel, het zou er mooi uitzien aan het hof te verschijnen, met den wijden, met strooken bezetten rok en de cartou che er over heen. Neen, mijn beste, gij maakt mij het nauw sluitende, Fransche lijfje, van voren met eene lange punt, spits en laag uitgesneden, de nauwe mouwen tot aan den elleboog en daar met rijk kanten garneersel bezet, daarbij een hoepelrok, kortom, eene robe, geheel naar de Fransche mode.quot;

De heer Pricker vouwde vastberaden de maat op en legde ze op tafel.

„Deze robe zal niet in mijn huis gemaakt worden,quot; zei hij bepaald.

„Hoe'?'' vroeg juffrouw Orguelin verbaasd ? „Gij wilt niet voor mij werken ?quot;

„Met genoegen, maar niet naar de Fransche snede. Dat zou een hoon zijn voor mijn geheele leven, eene lichtzinnige bespotting van mijn huis en van mijne vaderen.

Zij waren allen Duitsche mannen en slechts naar de Duitsche snede hebben zij hunne meesterstukken geleverd. Ik ben de zoon mijner vaderen en blijf Duitsche zeden en Duitsche snede getrouw.quot;

„Maar denk toch,quot; zeide graaf Rhedern, „dat deze wei-

ocr page 114

124

gering u eindelooze schade bezorgt. Gij verliest daardoor niet enkel de klandizie mijner aanstaande gemalin, maar ook van alle overige dames van het hof; want niemand zal meer bij u laten werken, wanneer gij niet besluit, de nieuwe Fransche mode te dienen.quot;

„Niemand zal meer bij mij laten werken, daarin hebt gij gelijk,quot; zoide de heer Pricker en trad aan het raam en met opgeheven armen naar het huis van den Franschen kleermaker wijzende vervolgde hij : „ziet gij daar al die rijtuigen? Eens stonden zij voor mijne deur en ik kleedde al deze voorname heeren en dames. Één wenk van mij zou voldoende zijn hen allen weder bij mij terug te roepen, ik behoefde slechts te zeggen : ik wil den geest mijner vaderen ontrouw worden; ik wil den eed der genegenheid schenden, dien ik den koning Frederik Wilhelm den Eersten, den Duitschen man gezworen heb ; ik wil de oude, deugdzame zeden afzweren en den tijdgeest gehoorzamen, die hetva-derlandsche veracht en hel vreemde alleen hoogschat. Als ik zóó wilde spreken, zouden al deze rijtuigen, welke daar ginds staan, naar mij toesnellen en niemand zou er meer aan denken bij Pélissier te laten werken, want de naam Flicker is beroemd genoeg om de schaal van dien onbekenden snijder in de hoogte te doen vliegen, wanneer hij zijn naam tegen den mijne in de schaal leggen wilde. Maar dat wil ik niet, ik houd het lot van den Franschman in mijne hand; één wenk van mij en de man is geruïneerd : ik kon hem doen vallen, maar ik wil het niet doen. Laat hem leven tot schande der Duitschers, die zich in ondankbare zelfvergetelheid van de eerwaardige zeden van hun vaderland afwenden en in lage kuiperijen den nieuwen tijdgeest huldigen. Ik zal mijne beginselen getrouw blijven en sterven, zooals ik geleefd heb, als een Duitsch man en een Duitsch kleermaker.quot;

De graaf bood zijne verloofde den arm en zeide: „ik dank u voor uwe merkwaardige redevoering, die mij intus-schen nog niet bewezen heeft, dat een Duitsche kleei maker ook niet tevens een volslagen gek kan zijn. En wat uwe Duitsche gezindheid betreft, gij vergeet, dat Frederik Wilhelm niet meer leeft, om zich over zulke veroordeelen te verheugen, maar dat onze jonge koning Fransch spreekt, zich naar den Franschen smaak kleedt en er aan zijn hof meer

ocr page 115

125

Franschen dan Duitschers gevonden worden. Kom, lieve Caroline, wij zullen naar den heer Pélissier gaan. Hij zal zoo dwaas niet zijn uwe klandizie te weigeren. Vaarwel, mijnheer Pricker,quot;

En met eene spotachtige buiging leidde de graaf zijne bruid heen, gevolgd door julïrouw Pricker, die zich in ootmoedige verontschuldigingen over de hardnekkigheid van haar man uitputte.

De heer Pricker bleef alleen. Groot en trotsch stond hij midden in de kamer en zag met zegevierenden glimlach naar de portretten zijner vaderen

„Gij zult over mij tevreden zijn,quot; fluisterde hij, „ik heb. uwe schimmen een nieuw offer gebracht; ik heb wederom mijn huis van den vreemden, buitenlandschen geest ge-reiningd.quot;

En toen hij zoo sprak, klonk uit de naaste kamer het volle, helder klinkend gezang zijner dochter, die juist met Quanz, den lieveling des koning, een Italiaansch air bestudeerde.

„Nel lue giorni felice, ricordale da me!'' zong de schoone Anna en de heer Pricker rende als bezeten door de kamer en stopte zijne ooren toe, om deze schande voor zijn huis niet te hooren en zich zeiven verwenschende, dat hij zoo zwak geweest was, dat onzedelijk tuig in zijn huis toetelaten en zijne dochter de heillooze muzieklessen te hebben laten nemen.

„Ik heb voor den booze mijn eigen hart gesloten, maar mijne kinderen zal hij in zijne macht hebben,quot; riep de heer Pricker wanhopend. „Hij zal ze aan mijn hart ontscheuren en zij zullen mijne wegen niet bewandelen.quot;

Anna Pricker vervolgde haar Italiaansche lied met zilver-heldere stem, en daarna hoorde men haar verrukten muziekmeester „bravo!quot; roepen.

„Zij vermoorden mij, zij stooten mij eendolk in het hart,quot; mompelde de heer Pricker, uitgeput in een stoel zinkende en zijn hoofd op de leuning leggende, waardoor het stijve staartje van zijne pruik, door de leuning van den stoei in de hoogte gedrukt, als een groot uitroepingsteeken boven zijn wit, trillend hoofd uitstak.

Binnen in de andere kamer was nu alles stil; Anna zong niet meer; men hoorde de afscheidswoorden van haar

ocr page 116

126

meester, die zijne leerling verliet; toen werd de deur van de kamer van den heer Pricker geopend en zijne schoone dochter trad met fonkelende oogen en sterk blozende wangen binnen.

„Vader,quot; zeide zij driftig, ,,mijn vurigste wensch zal eindelijk vervuld worden „Die edele, lieve Quanz! Terwijl Graum, op bevel des konings, zich met de compositie eener opera bezig houdt, heeft de lieve Quanz voor mij bewerkt, dat ik in het eerste concert aan het hof zingen zal. Binnen acht dagen komt de koning terug, en ik, vader, ik, uwe gelukzalige dochter, zal er een groot, Italiaansch air zingen.quot;

„Italiaansch, gij zult Italiaansch zingen,quot; prevelde de oude man, geheel ontsteld. „Gij zult openlijk optreden en iedereen de vrijheid geven u uit te lachen of u onbeduidende vleierijen te zeggen. „Dat zal ik niet beleven; ik sterf, eer dat gebeurt.

Anna sloeg geen acht op hem; zij liep in hevige opgewektheid door de kamer, en toen nu hare moeder binnentrad, ijlde zij haar tegemoet en trok haar omstuimig in hare armen.

„Moeder, lieve moeder,quot; zeide zij, het doel is bereikt. Quanz heeft mij waardig gekeurd op het hof-concert te zingen. O, moeder ik zal eene beroemde zangeres worden, ik zal mijn naam door eer en luister verheerlijken en de dochter van den kleermaker zal spoedig geheel Duitschland met haar roem vervullen.quot;

„Ongelukkig kind,quot; fluisterde hare moeder, „weet gij dan niet, dat uw vader hier is en u hoort?quot;

„O, vader zal trotsch op mij moeten worden,quot; zeide Anna zegevierend, terwijl de oude vrouw, verschrikt door het bleeke gelaat van haar man, hem zachtjes eenige woorden van liefde toefluisterde.

Maar Anna lette er niet op, zij trad dicht voor hare ouders en zeide bijna dwingerig; „nu toch, vader, wordt het hoog tijd aan mijne garderobe te denken. Ik moet eene nieuwe, prachtige japon hebben, om voor den koning en zijn hof te kunnen verschijnen.quot;

„Dat zult gij hebben!quot; riep haar vader plechtig. „Voor den koning te zingen, is in alle gevalle eene eer, waarvan ik,u niet terughouden mag, want hij blijft altijd onze aangeboren heer en wanneer hij ook al niet de edele,

ocr page 117

127

Duitsche zeden van zijn vader geërfd heeft, toch blijft hij altijd de koning en wij zijn hem eerbied en gehoorzaamheid schuldig. Gij moet dus voor den koning zingen en ik zal eene nieuwe japon maken, die ik zelf zal snijden. De stof is reeds voorhanden; uit de bruidsjapon uwer moeder zal ik u eene staatsie-japon maken.quot;

Anna schaterde het uit. „Neen, neen, vader! De tijden zijn, Goddank, voorbij, toen men het wagen kon, de japonnen zijner moeder en grootmoeder aan te trekken en toen het tot eere strekte, in zulke familie-kleederen deftig rond te stappen. O, hoe zouden de aanzienlijke dames van het hof lachen, wanneer ik in de ouderwetsche, met groote bloemen versierde bruidsjapon mijner moeder voor het hof verscheen. Dat kan volstrekt niet; want niet alleen, dat de stof ouderwetsch is, het zal ook volstrekt onmogelijk zijn^ er eene nieuwerwetsche japon uit te maken, zooals nu de mode is.quot;

„Een hoepelrok,'' schreeuwde de vader ontsteld, „ zij wil een hoepelrok dragen!quot;

„Nu, en waarom niet?quot; vroeg Anna verbaasd. „Draagt dan niet de schoone Blanche van hierover al sedert vier weken deze nieuwe, Fransche mode; en hebben niet alle dames van het hof die mode nagevolgd en bestormen zij niet haar en hare moeder met verzoeken, om inplaats van de ouderwetsche japonnen, nieuwerwetsche te maken ? Geene dame, die op smaak aanspraak maakt, zal het nog wagen, zonder hoepelrok te verschijnen, heeft mij Blanche verteld.quot;

„Wie is Blanche?quot; vroeg mijnheer Pricker.

„Weet gij dat niet, vader? O, gij wilt u houden, alsof gij de schoone dochter van Pélissier niet kent, die lieve Blanche, die ik zoo lief heb als mijne zuster; en die ik toch maar in het geheim mag bezoeken, want haar vader is woedend, dat gij de visitie, welke de heer Pélissier u gebracht heeft, niet beantwoordt; en hij heeft elk lid van zijn gezin verboden over den drempel van ons huis te komen.quot;

„Daar heeft hij zeer wel aan gedaan,quot; zeide de heer Pricker, „en het is de eerste keer, dat ik met hem van hetzelfde gevoelen ben. Ook ik verbied u het huis van dien man te betreden, alhoewel ik nooit gedacht had, dat mijne

ocr page 118

128

dochter zoo weinig eergevoel, zoo weinig bewustzijn van hare stelling zoude hebben, om het huis van den viiand baars vaders te betreden, of met diens dochter slechts een enkel woord te sprekim.quot;

Anna trok zwijgend even met de schouders, toen men buiten in den gang driftige voetstappen hoorde.

Oh quel plaisir d'etre amoureux !■ zong een frissche mannenstem.

„Fransch !quot; riep de heer Pricker, buiten zich zeiven van woede, „Willem zingt Fransch.quot;

Juist werd de deur haastig opengerukt en Willem, de erfgenaam van het huis Pricker, verscheen op den drempel. Hij was gekleed naar de meest onberispelijke, nieuwste mode, zooals slechts de voornaamste en zwierigste cavaliers konden dragen. De nauw sluitende rok, met kort lijf, lange panden en wijde mouwen en met de groote paarlemoeren knoopen,was gemaakt van het nieuwe Bleumourant, dat het eerst door den heer Pélissier naar Berlijn was overgebracht; de panden met lichtroode zijden voering, de opslagen der mouwen en de kleine staande kraag waren met kostbaar zilver-borduursel versierd ; onder het korte lijf van den rok kwam het satijnen vest, van „couleur de chairquot; met rijk zilverborduursel bezet, breed uit en bedekte tot over de helft de zwart zijden broek, welke beneden de knie met zilveren gespen sloot en tevens de rood en wit gestreepte kousen vasthield, welke het been omgaven en in de met breede zilveren gespen voorziene schoenen verdwenen. In plaats van het staartpruikje had de Jonge Pricker zijn haar van achteren in een zak samengebonden, terwijl het aan weerszijden in verscheidene zwarte krullen neerviel en sterk gepoederd was. Aan het einde van den haarzak zag men een breed zwart lint, dat om den hals geslagen en van voren aan de breede kanten hom, welke uit het vest stak, was vastgemaakt. Het hoofd was bedekt door een klein driekant hoedje, dat naar soldatenmanier uitdagend naar de rechterzijde helde. Dat hoedje was met zilver geborduurd, van rijke zilveren kwasten voorzien en aan den kant met eene zwarte veer versierd. Aan de recht-ter heup van den jonkman hing een kleine sierdegen, welks gevest van eene groote cocarde, van donkerblauwe met goud geborduurde strepen voorzien was en in

ocr page 119

129

de hand hield hij een klein lief stokje, waarmede hij vroo-lijk en bevallig zwaaide.1)

In het volmaakte beeld van een fat, naar de nieuwste Fransche mode, verscheen Willem voor zijn vader, die hem met ontstelde blikken aanzag en geene woorden kon vinden om zijn toorn lucht te geven.

„Nu,quot; vroeg Willem, „beval ik u niet? Is dat niet eene kleeding, den schoonsienedelman waardig? Met dat onderscheid, dat ik niet, zoo als die trotsche hovelingen, eene witte veer mag dragen, daar dit, volgens hun zeggen,Jeen voorrecht van hun stand is. Anders is mijne kleeding onberispelijk en toen ik er mede door de straat ging, rukten alle dames de vensters open en zagen mij na.quot;

„Hoe komt gij aan deze kleeding ?quot; vroeg zijn vader, opstaande en langzaam naar zijn zoon toegaande. „Wie heeft u het geld gegeven voor dit schandelijke narrenpak en wie heeft het voor u gemaakt?quot;

„Nu, het geld hebt gij mij gegeven, lieve vader,quot; zeide Willem lachend, .,of liever, zult gij mij geven, want tot nog toe is het niet betaald. O, de naam Pricker staat te goeder faam bekend, dat weet zelfs mijnheer Pélissier, die het mij geborgd heeft, ofschoon hij in den beginne volstrekt niet voor mij wilde werken. Slechts aan de beden zijner dochter Blanche heb ik het te danken, dat ik mij beroemen kan, eene kleeding uit de werkplaats van den grooten en beroemden Pélissier te kunnen dragen.quot;

De oude Pricker uitte een doffen kreet van toorn, en met koortsige drift, de lange rokpanden zijns zoons grijpende, sleurde hij ze heen en weer, schreeuwende; „Mijnheer Pélissier heeft dat gemaakt? Die ellendige knoeier heeft zich vermeten mijn zoon, den zoon en erfgenaam van het huis Pricker, zoo belachelijk op te schikken? En gij, quot;Willem, gij waart schaamteloos genoeg van den vijand uws vaders dit pak aan te nemen? Gij vreesdet niet, dat uwe voorvaderen zich in hun grafzuilen omkeeren over hunnen kleinzoon, die hun trouwelous geworden is en in een Fransch apenrokje ten spot der wereld rondloopt ? O, o, mijne vree-selijke voorgevoelens worden vervuld. De kinderen verlaten

König, Schilderung Berlin's. Vol. V. Bd. I, 291—332. Mührbach, Frederik de Groote en zijn Hof. II.

9

ocr page 120

430

hunne ouders en worden ontrouw aan goede tucht en zeden en drijven den spot met alles, wat eerbaar, kuischen rein is.quot;

„Maar, lieve vader,quot; zeide Willem biddende, „het is toch maar een pak kleeren, waarvan gij spreekt en onmogelijk kunt gij bedoelen, dat zulks ons geheele karakter zou kunnen veranderen.

„Neen, het zijn geene kleeren, maar het is een beginsel, waarvan ik spreek,quot; zeide de heer Pricker hartstochtelijk. „Wij staan op den kruisweg waar de oude, goede tijd en de nieuwe, lichtzinnige tijd elkander ontmoeten; waar ieder beslissen moet, of hij den weg zijner vaderen bewandelen, dan of hij die nieuwe wegen wil inslaan, welke naar weelde en vermaken, maar ook naar schande en verderfenis leiden. Al wie daarom de oude, eerbare kleederdracht getrouw blijft, toont daardoor, dat hij zijnen vaderen niet afvallig wil worden, maar dat hij aan de oude, eerbare zeden wil vasthouden en zoo leven en sterven, als hem door zijn koning Wilhelm Frederik is voorgeschreven en waarin deze hem met een goed voorbeeld is voorgegaan. Maar wie in staat is, dit lichtzinnige, weelderige en pronkerige pak te dragen, bewijst, dat hij geen gevoel van eerbaarheid, tucht en zeden bezit, geen liefde voor zijn vaderland, welks eerbare gewoonten hij voor een vreemd onding verruilt, geen bewustzijn van eigen mannelijke waarde, welke hem verbiedt, zich in zulk een apenrok te vertoonen. Neen, nooit zal ik het dulden, dat mijn zoon dus voor mij verloren ga, en wanneer hij in blinden overmoed verdwaald is, zal ik, als het zijn moet, hem met geweld op den rechten weg terugbrengen. Weg dus met dien bonten, belachelijken rok, weg met dien mallen hoed, weg, weg zeg ik met dien ijdelen zwier. Ik wil mijn zoon terue hebben, miin goeden eerbaren, Duitschen zoon.quot;

En de heer Pricker begon met de drift van een waanzinnige aan de kleeren van zijn zoon te trekken en te scheuren. Hij sloeg hem den hoed van het hoofd en vertrapte dien onder zijne voeten! hij greep met beide vuisten in de kanten hora van zijn zoon, en lachte luide, toen hij de Harden in zijne hand hield.

Willem was in den beginne roerloos van schrik ; de ongewone, koortsige heftigheid van zijn vader had hem bedwelmd en zijn zielskracht verdoofd.

ocr page 121

131

Het luide schateren zijner zuster, die dit tooneel buitengemeen grappig vond, het luide weenen zijner moeder, die voor het verstand en het leven van haar man vreesde, gaf hem zijne beradenheid terug. Met woeste drift stiet hij zijn vader, die telkens op nieuw op hem aandrong, terug.

„Vader,quot; riep hij woedend, „ik ben geen kind meer;ik wil daarom die schandelijke behandeling niet verdragen; ik zal mij niet naar uwe bespottelijke dwingelandij schikken, maar een rok dragen, zooals ik goed vind, en mij kleeden, zooals de mode eischt.quot;

„Goed gesproken, broeder,'' zeide Anna, lachende aan zijne zijde huppelende. „Wij beiden zijn kinderen van den nieuwen tijd en wij willen ons kleeden, zooals de nieuwe tijd dat gebiedt. Waarom hebben onze ouders ons eene nieuwmodische opvoeding laten geven; waarom gaven zij ons meesters, die ons alle nieuwmodische kunsten leerden, wanneer wij toch nu in ouderwetsche eerbaarheid en domheid ons leven moeten slijten. Een ieder heeft recht op zijn tijd, dus wij ook op den onze; en dit recht zullen wij ons niet laten ontnemen. De jeugd kan niet bekrompen en dom zijn als de ouderdom; en daarom moeten oude menschen niet verlangen, dat wij ons naar hen moeten schikken en gelooven, dat hunne inzichten beter zijn dan de onze.quot;

„Eert uwen vader en uwe moeder, opdat het u welga op aarde!quot; riep juffrouw Pricker plechtig.

Anna lachte. „Al weder een bijbelspreuk. Mijn hemel, dat is ook uit de mode. Geen mensch leest heden ten dage nog in den bijbel. Dat is een verouderd boek en volstrekt niet zoo amusant als Voltaire, dien nu iedereen verslindt.quot;

„Genoeg,quot; zeide mijnheer Pricker, „hoort nu mijn laatste woord, mijn laatst besluit. Ik beveel u, ik eisch van u als vader en als hoofd van het gezin, dat gij u naar mijn wil schikt, de zeden uwer vaderen heilig houdt en eert. Ik beveel u te leven en u te kleeden, zooals uw vader en moeder geleefd en zich gekleed hebben. Wee u, wanneer gij mijne bevelen niet acht; wee u, wanneer gij het wagen durft uw vader te trotseeren. Dan zult gij ophouden mijne kinderen te zijn, ik zal u niet meer erkennen, ik zal u onterven

ocr page 122

132

en mijn vloek zal uw eenig erfdeel zijn. Overdenkt dat we en handelt daarnaar. Wanneer gij het waagt, dat huis daarl ginds te betreden, of met de Fransche verleiders, die hel bewonen, te spreken; wanneer ik u, Willem, weder in dit Fransche windbuilpak zie, wanneer gij, Anna, voor mij in hoepelrok en toupée verschijnt, hebt gij opgehouden mijne kinderen te zijn, en gij kunt de wijde wereld ingaan en voor u zeiven uw brood verdienen, want van mij hebt gij niets meer te hopen of te wachten.quot;

Hij greep met drift den arm zijner weenende vrouw en trok haar met zich naar de naaste kamer.

Broeder en zuster bleven alleen achter.

„Nuquot;' vroeg Anna, na een lange pauze, „zult gij het bevel volgen; zult gij weder het staartpruikje en den nauwen, grof lakenschen rok aandoen?quot;

„Wel zeker, opdat de geheele wereld mij uitlache en Blanche den spot met mij kan drijven? 0, die lieve goede Blanche. Gij weet volstrekt niet hoe lief wij elkander hebben. 0, wij hebben elkander reeds eeuwige liefde en trouw gezworen; en zij heeft mij beloofd mijne vrouw te worden.quot;

„Gij zult dus besluiten, u naar den wil van onzen vader te schikken en een eerbare snijder te worden, even als al uwe voorvaderen?quot;

Willem lachte luid. „Ik een snijder? Ik een ellendig ambacht bij de hand nemen, terwijl vader mij de opvoeding van een edelman heeft laten geven. Neen, neen, Anna, dat kunt gij niet ernstig meenen, dat ik een snijder zou kunnen worden.quot;

„Maar vader meent het ernstig; want gij weet wel, dat de goede Prickers sedert eeuwen snijders waren, ik waarschuw u, broeder, wees voorzichtig en bedaard; maak vader niet te driftig, hij zou in staat zijn u te onterven.quot;

„O, hij zal zich even goed in de noodzakelijkheid moeten schikken, als papa Pélissier het doen zal en moet. Ook deze zal woedend zijn, wanneer hij verneemt, dat ik de man zijner dochter ben; ook hij heeft Blanche met zijn vloek gedreigd, 'als zij in vollen ernst mij beminnen en huwen wilde; ook hij haat onzen vader en zou nooit in eene verbintenis met het huis Pricker toestemmen. Maar ondanks al deze bezwaren zullen wij met elkander trouwen en dan zullen zij ten

ocr page 123

133

laatste wel hunne toestemming moeten geven. O, Blanche is eene engel in beminnelijkheid en schoonheid.''

„Zij is toch maar eene snijdersdochter,quot; zeide Anna schouderophalend.

„Even als mijne schoone en beminnelijke zuster Anna.quot;

„Ja, maar ik zal spoedig eene beroemde zangeres en de vrouw van een voornaam heer worden.quot;

„Nu, en wie zegt u, dat ook Blanche niet ten minste de vrouw van een beroemd en aanzienlijk man zal worden, dat gij niet allen trotsch op mij zult zijn ?quot;

„Wordt gij dames- of heerenkleermaker,quot; vroeg Anna schalks.

,.Noch het een noch het ander. Ik word tooneelspeler. Maar zwijg daarvan, Anna. Het is nog een geheim en als zoodanig moet gij het bewaren.quot;

XII.

BHEINSBERG.

Het stille slot te Rheinsberg was nu weder vroolijk en levendig geworden. Gelach en gejuich weergalmden weder; men ontmoette slechts opgeruimde gelaatstrekken; men hoorde slechts scherts en vroolijk gekout. De schoone en vroo-lijke dagen van den vroegeren tijd, toen Frederik nog kroonprins was, schenen weder terug te zullen komen ; hetzelfde gezelschap bewoonde weder het slot te Rheinsberg; men genoot er weder dezelfde genoegens en uitspanningen. Alles scheen hetzelfde gebleven te zijn, en toch was alles veranderd en vervreemd.

Zij allen, die vroeger Rheinsberg met stoute wenschen en groote verwachtingen verlaten hadden, waren er nu terug gekomen, maar met teleurgestelde hoop en met wenschen, wier vlucht aanmerkelijk gematigd was; zij allen hadden gehoopt te regeeren ; zij allen hadden voor zich zeiven op macht en eer aanspraak gemaakt — en de jonge koning had geen van hun allen uit den beker des

ocr page 124

134

roems en der macht laten drinken, de koninklijke adelaar had dien alleen voor zich zeiven behouden. Zij waren slechts welkom in het gezelschap en geliefde vrienden gebleven ; maar niemand had den kring der onafhankelijkheid, zelfstandigheid en heerschappij kunnen overschrijden, dien de koning om zich zeiven had getrokken, in welks middelpunt hij alleen stond, vertrouwende slechts op eigen wil, op eigen kracht.

Nu de kroon het edele hoofd van Frederik dekte, hadden allen niets gewonnen, maar ook niets verloren. Zij keerden terug naar Rheinsberg, zooals zij het voor de troonsbeklimming des konings verlaten hadden, niet grooter geworden, maar ook niet kleiner, niet verhoogd, maar ook niet verlaagd.

Slechts één hart was gebroken, slechts één hart bloedde stil en kalm in ongeziene smart, in hopelooze lijdzaamheid. Dit was het hart van Elizabeth, het hart dier arme, verlatene, verstootene vrouw, die men nochtans de regeerende koningin, de echtgenoote van Frederik noemde.

De koning, van een uitstapje naar Straatsburg teruggekeerd, had haar aan hare belofte herinnerd, om hem met haar hof naar Rheinsberg te zullen volgen en de arme lijderes, wel wetende, dat de nabijheid des konings voor haar slechts eene voortdurende marteling, eene steeds hernieuwde opoffering zijn zou, had evenwel den moed, het verlangen van haar hart tot zwijgen te brengen. Zij had aan de uitnoodiging van haar gemaal gevolg gegeven, met smartelijken glimlach in zich zelve denkende : „ik zal hem ten minste zien. En al spreekt hij ook niet met mij, ik zal toch zijne stem hooren. Mijne smart zal grooter zijn, maar mijne vreugde ook. Dragen wij dus deze smart om den wille der vreugde. Soffri e taci.quot;

En Elizabeth Christine had volkomen gelijk gehad. De koning sprak nooit met haar; nooit sloeg hij zijne heldere blauwe oogen, welke voor haar de onmetelijkheid des hemels hadden, op haar steeds bleeker wordend gelaat. Met stommen groet verwelkomde hij haar eiken middag aan tafel, maar hij zat niet, zooals vroeger, naast haar; niet zooals vroeger geleidde hij haar naar tafel. De tegenwoordigheid van den markgraaf en de markgravin van Baireuth scheen den koning de verplichting op te leggen, zijne meest geliefde zuster, die nu zijn gast was, nog

ocr page 125

135

zelfs meer eer te bewijzen dan zijne echtgenoote, de koningin. i Zoowel des middags als des avonds, zat de koning daa om tusschen zijne zuster en haar gemaal, den markgraaf, en naast dezen vond de koningin hare plaats. Hij sprak niet met zijne vronw, maar zij zag hem toch; zij hoorde toch zijne met geestigheid en vernuft gekruide taal, zij versterkte toch haar hart in het beschouwen van ziin edel trotsch gelaat, waarop steeds elke gedachte en elke gewaarwording zich levendig vertoonde.

Zij zweeg dus in lijdzaamheid Zij verborg hare smarten onder een vriendelijken glimlach en hare bleeke wangen onder den sluier van een kunstmatig rood; zij legde op de rimpels, die het leed reeds door haar jeugdig, schoon gelaat begon te trekken, die kleine, zwarte moesjes,welke de Fransche mode met het blanketsel en den hoepelrok uit Frankrijk had overgebracht. Niemand mocht vermoeden, wat zij leed; niemand mocht medelijden met haar hebben, zelfs de koning niet.

Elizabeth Christine nam dus deel aan al deze genoegens en uitspanningen, waaraan men zich te Rheinsberg nu weder zoo vrij en ongedwongen overgaf, als in vroegere, dagen. Zij lachte weder over de grappige invallen van Biel-feld en om de kluchtige en puntige anecdoten van Pöllnitz; zij liet zich door Knobelsdorf, wiens gelaat van vreugde straalde, al de groote plannen mededeelen van de gebouwen, waarmede de koning zijne residentie verfraaien wilde; zij luisterde met gespannen oplettendheid, wanneer Jordan met zijne bezielende welsprekendheid haar de voorzorgen schilderde, welke de koning voor de armen en behoeftigen van zijn land koesterde; zij nam zelfs een werkzaam deel aan de toebereidselen voor eene dramatische voorstelling. „Cesar's Doodquot; van Voltaire, en „de Franschman in Londen,quot; van Boissy, waren door den koning voor het in haast opgerichte liefhebberij- tooneel gekozen, en in beide stukken zou de koning zelf eene hoofdrol spelen. De jonge koningin was, naar het scheen, sedert dat oogenblik enkel geestdrift voor het tooneel; zij verzuimde geene repetitie; zij hielp hare schoone hofdames, die met rollen bedeeld waren, bij de keuze en schikking der costumes ; zij bezocht dagelijks de schilders die met de decoraties belast waren.

Intusschen verscheen de koning nu minder dan vroeger

ocr page 126

130

in den kring zijner vrienden en gasten, en nog minder hoorde men uit zijne vertrekken den toon zijner lluit weergalmen. De koning was den geheelen dag in zijne bibliotheek bezig; niemand mocht hem daar storen; zelfs Quanz niet, zelfs zijne lluit niet.

Mevrouw van Brandt, die mede het hof naar Rheinsberg vergezeld had, zeide zuchtend in eene barer geheime samenkomsten met den heer van Mannteuffel: „De koning is nu zijne laatste geliefde on Irouw geworden ,hij heeft zelfs zijne lluit verlaten en liaar er aangegeven.quot;

„Maar waarmede houdt de koning zich dan den geheelen dag bezig1? vroeg de graaf „Wat is het, dat hem zelfs van zijne vrienden verwijderd houdt en al zijn tijd in beslag neemt?quot;

„Wetenschappelijkestudiën, anders niets,quot;zeide mevrouw7 van Brandt schouderophalend. „Fredersdorf heeft mij verteld, dat de koning zich, den geheelen dag met plannen en kaarten bezig houdt; dat hij omgeven is door boeken over de krijgskunde en als een ingenieur allerlei metingen doet. Gij ziet flus. dat dit eene geheel onschuldige en volstrekt niet gevaarlijke bezigheid is en op onze zaakgeen invloed kan hebben. De koning, dat beloof ik u, laat zich uiterlijk van zijne gemalin niet meer scheiden, dan hij reeds van haar gescheiden is; en wat het huwelijk van prins August Wilhelm betreft, zijn mijne mijnen zoo aangelegd, dat zij ter juister tijd zullen ontploffen en de amourette van de goede , arme Laura van Pannewitz in de lucht zullen doen vliegen Gij ziet dus, dat alles goed gaat en dat wij van de onschul-' dige studiën des konings niets te duchten hebben.quot;

„Zoo, gij noemt dat onschuldige studiën !quot; zeide de graaf schouderophalend. „Ik verzeker u intusschen, dat deze studiën het Oosten rij ksche hof zeer verontrusten zullen en dat ik mijn vriend Seckendorf er onmiddelijk bericht van zal geven.quot;

„O, gij verstaat de kunst uit eene mug een olifant te maken,quot; zeide mevrouw van Brandt lachende.!„Ik verzekeru, dat gij niets te vreezen hebt. Het is waar, de koning is den geheelen dag door in zijne studeerkamer, maar des avonds verzuimt hij nooit het gezelschap en is dan zoo opgeruimd, zoo vrij, zoo schitterend van geestigheid en bijtenden spot, -■/ Is ooit in zijne vroolijkste dagen als kroonprins. Wellicht

ocr page 127

137

gebruikt hij de eenzaamheid van liet studeervertrek tot het bestudeeren van zijne rollen ; want gij weet dat wij morgen „Cesar's Doodquot; ten tooneele zullen brengen en dat de koning de rol van Brutus zal vervullen.quot;

„Ja, ja, het schijnt mij toe, dat de koning de rol van Brutus speelt,quot; zeide de graaf Mannfeuffel bedenkelijk; „uiterlijk schijnt hij geheel onschuldig, vroolijk en vrij, maar wie weet, welke sombere en onheilspellende gedachten hij in zijne ziel koestert!quot;'

,.Gij ziet altijd spoken,quot; riep mevrouw van Brandt ongeduldig. „Ik zeg u, de koning speelt slechts voor Brutus, maar hij is er geen. Maar luister, daar slaat het zes uur op den toren; het is dus voor mij hoog tijd om naar het slot terug te keeren ; wantte zeven uur begint de algemeene repititie en ik moet nog toile}, maken.quot;

En mevrouw van Brandt nam haastig afscheid van haar bondgenoot en huppelde vroolijk naar het kasteel.

Maar het was voor heden onnoodig, dat mevrouw van Brandt zich voor de algemeene repetitie kleedde. De koning was heden buiten staat den Brutus te spelen; de krachtige koninklijke geest was voor heden overwonnen geworden door den vijand, die voor niemand eerbied heeft zelfs-niet voor een koning; door een vijand, die zelfs den zegevierenden vijand kan overwinnen, — de koning was ziek. De anderdaagsche koorts, welke hem reed?; den geheelen zomer van tijd tot tijd geplaagd en hem belet bad naar Amsterdam te gaan, en hem zelfs op het slot Moyland aan zijn bed gekluisterd had, terwijl de lang gewenschte Voltaire hem een bezoek bracht; deze koorts had hem nu weder met vreeselijke kracht bezocht en den koning in een bleek, sidderend, klappertandend mensch veranderd, die stenend en van koude bevend zich op zijn leger wentelde en den geneesheer, die voor hem stond, bespotte, daar deze geen middel kende om de ziekte te verdrijven.

„Er is wellicht één middel,quot; zeide Ellert schouderophalend. „maar dat mag ik uwe majesteit niet geven.quot;

„En waarom niet ?quot; vroeg de koning, dien juist weder eene koortshuivering deed trillen.

„Omdat wij eerst de kracht daarvan moeten onderzoeken, om te weten, of wij het zonder gevaar kunnen toedienen ; omdat wij eerst bij andere patiënten, bij wier leven niet

ocr page 128

138

het heil van millioenen op het spel staat, proeven moeten nemen over de voorgewende geneeskracht van het raiddel.quot;

„Een raenschenleven is altijd heilig,quot; zeide de koning, „en wanneer gij van uw middel niet zeker zijt, is het even roekeloos het een bedelaar als een koning toe te dienen.quot;

Ellert zeide : „intusschen vertrouw ik dat middel even goed als Lodewijk de Veertiende, die het als een arcanum van den Engelschman Tarbot voor honderd louis d'or het pond kocht, het vertrouwde. Ik geloof er aan, even als de Spanjaarden reeds voor honderd jaar er aan geloofden, nadat de gemalin van den onderkoning van Peru, den graaf del Chin-chon, door dat middel genezen was.quot;

„Geef mij dat middel,quot; stotterdede koning klappertandend.

„Vergeef mij, sire, dat mag ik niet doen, alhoewel ik eene kleine hoeveelheid bij mij heb, die ik mede gebracht heb, om het uwe majesteit te laten zien, als eene zeldzaamheid, welke een mijner vrienden, een geneesheer te Parijs, mij gezonden heeft. Zie hier, uwe majesteit, deze kleine bruine poeiers bevatten een geneesmiddel, hetwelk niet door den apotheker, maar door de natuur is samengesteld.quot;

„Dan heb ik er ook vertrouwen op,quot; zeide de koning; ♦„de natuur is de beste geneesheer en de beste apotheker, en wat zij samenstelt, is vol goddelijke geneeskracht. Hoe heet dan uw middel?quot;

„Het is kinabast, uwe majesteit, of, zooals de Peruanen het noemen, quinquina, de bast der basten, welke de alwijze en goede natuur juist in Peru, het land der koortsen, liet groeien, en dus ook, naast de ziekte, het geneesmiddel verschatte.quot;

Maar de koning had nauweliiks kracht genoeg om naar hem te luisteren. Hij lag in de koortshitte; zijne voor weinige oogenblikken zoo bleeke wangen waren nu met een purperen gloed bedekt; zijne oogen, zoo even dof en betrokken, spatten nu vonken.

De koning, door de kracht der ziekte terneergeworpen, sloot zijne oogen, en zijne brandende,droge lippen prevelden enkele woorden zonder zin of samenhang.

Toen ging de deur open en Fredersdorf trad binnen, terwijl men door de opene deur de nieuwsgierige, bezorgde en vragende gezichten van Pöllnitz, Bielfeld, Jordan en Kai-serling ontdekte.

ocr page 129

139

Ellert volgde den wenk van den geheim-kamerdienaar en sloop op de teenen naar Fredersdorf.

„Hoe gaat het met den koning?quot; vroog deze haastig. „Is hij in staat eene gewichtige tijding te hoeren?quot;

„Nu niet. Wacht nog een uur, dan zal de koning tot bewustzijn terugkeeren en de koorts afgeloopen zijn.quot;

„Laat ons dus wachten,quot; zeiden de vier overige cavaliers, die nu ook zachtjes op do teenen in de kamer geslopen waren en voor het bed des konings stonden.

„Is het eene ongelukkige tijding?quot; vroeg de docter. „In dat geval zou ik raden, tot morgen te wachten.quot;

„Nu, ik geloof niet, dat de koning haar er voor houden zal,quot; zeide graaf Kaiserling glimlachend. „Gij, mijnheer van Bielfeld, als aanstaand diplomaat, zult het best daarin kunnen raden.''

„Ik voor mij geloof, dat de koning deze tijding als eene gelukkige zal beschouwen,quot; zeide Bielfeld. „ïk geloof zulks niet, omdat ik diplomaat ben, maar omdat de koning een sluimerende held is, die slechts op de gelegenheid wacht wakker te worden.quot;

„Wanneer gij zoo luid spreekt, zult gij het zijn, die den sluimerenden held doet ontwaken, en de donder der kanonnen zal zich tegen uw hoofd richten.''

„Mijnheer van Pölnitz heeft gelijk,quot; zeide Jordan, „laat ons zwijgen en het natuurlijke ontwaken des konings afwachten.quot;

En de cavaliers stonden met Fredersdorf en den docter om het leger des konings, die luid ademde, met zwoegende borst en gloeiende wangen in de vurige armen dei-koorts lag.

Niemand van hen waagde het een woord meer te spreken ; zij hielden allen den blik op het gelaat des konings geslagen en hunne eigene trekken droegen den stempel van nadenken en bezorgdheid.

Eindelijk opende de koning zijne oogen en zag met bewustzijn om zich heen. Een zachte glimlach zweefde om zijne lippen, toen hij de zes heeren ontdekte, die om zijn bed stonden.

„Gij staat daar als klaagvrouwen,quot; zei hij, „en als men u aanziet, zou men denken, dat gij lijkbidders waart.quot;

„O, sire, men sterft gelukkig niet aan de koorts, even

ocr page 130

140

als men aan eene beroerte sterft,quot; zeide Jordan zijn koninklijken vriend naderende en de hem aangeboden hand hartelijk in de zijne drukkende.

,,Uwe majesteit noemde ons lijkbidders,quot; zeide Pöllnitz lachend. „De profetische, goddelijke geest van onzen koning raadt altijd het juiste punt. Wij hebben ook inderdaad eene lijklucht aan ons.quot;

„Maar de hemel behoede ons daarom klaagvrouwen te worden,quot; riep Bielfeld, „wij zijn veeleer bereid krijgsliederen aan te heffen.

De docter had intusschen de hand des konings gegrepen en telde ernstig de slagen van zijn pols,terwijl Fredersdorf met bezorgde liefde bezig was, de kussens onder zijn hoofd op te schudden.

De koning zag hem met zijne groote, doordringende oogen vragend aan. „Hoor eens, Fredersdorf, wat moeten al die raadselachtige woorden beteekenen en waarom trekt gij allen zulke ernstige gezichten? Is soms een van mijne honden gestorven, of zijt gij zoo verdrietig, omdat die akelige koorts u heden de algomeene repetitie doet mislukken?quot;

„Neen, sire, er is geen van uwe honden gestorven.quot;

„En wat die mislukte algemeene repetitie betreft,'' zeide Jordan, „zoo heeft God, in plaats van wij, den dood van Gesar vertoond, zonder algemeene repetitie, dadelijk in de werkelijkheid.quot;

„üe pols van den koning is volkomen rustig,quot; zeide Ellert, „gij kunt zijne majesteit uwe tijding mededeelen.quot;

Nu kwam de baron van Pöllnitz, in zijne hoedanigheid van opper-ceremoniemeester, dichter bij het leger des konings.

„Sire, voor een uur is een koerier aangekomen, die de overbrenger van gewichtige tijdingen is.quot;

„Van wien komt de koerier?quot; vroeg de koning volkomen bedaard.

„Van den gezant uwer majesteit te Weenen, den heer van Borcke. Hij heeft zijn eigen kamerdienaar als koerier gezonden.quot;

„O, zei de koning, „zou misschien de keizerin, onze verhevene tante, weder lijdende zijn?

„De keizerin is volkomen gezond, maar haar gemaalde keizer ...quot;

ocr page 131

141

l '„Nu,waarom vervolgtgij niet, vroeg de koning ongeduldig.quot;

„Wil uwe majesteit niet vooraf iets tot versterking gebruiken? vroeg Fredersdorf. Maar de koning wees hem ongeduldig terug.

„Vervolg uw zin, Pöllnitz. Wat is er met den keizer van Oostenrijk?quot;

„Sire, keizer Karei VI is niet meer, hij is den 20sten October overleden.quot;

„Nu waarlijk, zeide Frederik, zijn hoofd langzaam op de kussens latende vallen, dat is nu ook wel de moeite waard, om zulk eene onbeduidende tijding, zooveel drukte te maken. Wanneer de keizer dood is, zal Maria Theresia keizerin van Duitsland worden. Dat is alles. Dat gaat ons niet aan.quot;

Hij zweeg en sloot zijne oogen. De lijfarts onderzocht de pols. „Hij slaat volkomen bedaard,quot; zeide hij zachtjes. „Die buitengewone tijding heeft niet de minste beweging of afwijking veroorzaakt,quot;

„Daarin hebt gij gelijk,quot; zeide de koning, zijne heldere oogen wijd openende; „de dood des keizers zal ook niet de minste afwijking op de ons voorgeschreven baan brengen.. Maar opdat ik dien weg, welken ik gekozen heb ook veilig en ongestoord moge kunnen bewandelen, moetik volkomen gezond zijn. Er moet niet gezegd kunnen worden, dat eene ellendige ziekte mij in mijne plannen gestoord en tot werkeloosheid veroordeeld heeft. Op den dag, waarop ik de tijding van des keizers dood ontvangen heb mag ik geen koorts hebben; men zou anders in Weenen kunnen ge-looven, dat de schrik mij ziek gemaakt heeft. Geef mij uwe kina-poeders, Ellert, ik wil ze innemen.quot;

„Maar ik zeide uwe majesteit reeds, dat ik dit niet kan, niet mag doen, dat ik de werking van dit geneesmiddel zelf nog niet genoeg onderzocht heb, om zijne geneeskracht te kunnen bepalen.''

„Nu, dan moet gij het aan mij beproeven,quot; zeide de koning, vast beraden, ,,geef de poeiers hier!quot;

Het was te vergeefs dat Ellert de cavaliers te hulp riep; te vergeefs baden en bezwoeren allen hem, van dit voornemen af te zien en zijn leven niet moedwillig in gevaar te brengen.

„Mijn leven is in Grods hand zeide de koning plechtig.

ocr page 132

142

„en God, die mij schiep, heeft ook de kinabast geschapen. Ik geloof meer aan het geneesmiddel Gods, dan aan dat der menschen. Geef mij dus spoedig de poeiers!quot; — Entoen Ellert nog aarzelde vervolgde de koning op strengen toon: „ik gelast het u, als uw koning en meester! Alle verantwoording kome op mij. Hier met de poeiers!quot;1)

„Wanneer uwe majesteit het beveelt, moet ik gehoorzamen,quot; zeide Ellert, „maar ik neem deze heeren tot getuige, dat ik slechts gedwongen toegaf.

Hij nam de poeiers en schudde ze op de aangeboden lepel. Te midden van het ademloos zwijgen der aanwezigen nam de koning het geneesmiddel.

„Maar nu moet gij rust nemen, sire,quot; zeide de docter, „en bovenal moogt gij er volstrekt niet aan denken naar Berlijn terug te keeren. Mijn heilige plicht als docter gebiedt mij, uwe majesteit dit te verbieden.quot;

„En waarom zou ik naar Berlijn terugkeeren?quot; vroeg Frederik glimlachend. „Waarom zouden wij ons in onze genoegens en onze onschuldige uitspanningen laten storen ? Hebben wij het plan niet, Voltaire's treurspel „de dood van Gesarquot; te spelen ? Dat God intusschen eene kleine navolging van dit voortretTelijke meesterstuk heeft geleverd, moet onze plannen niet dwarsboomen. Neen, ik zal niet naar Berlijn gaan. Eene kleinigheid, als de dood des keizers, maakt geene groote opschudding. Wij zullen hier blijven, om de dagen van den kroonprins te doen hergeven en te vergeten, dat wij nog andere plichten hebben dan ons te vermaken. Gaat nu heen, mijne heeren, ik gevoel mij gezond. Gij ziet dus, Ellert, dat ik wel gedaan heb, met dat poedertje in te nemen. Het heeft mij gezond gemaakt en ik wil opstaan. Fredersdorf, gij blijft om mij te kleeden, en gij, Jordan, zult wel mijn kabinetsraad Eichel willen roepen, om hem eenige noodzakelijke brieven te dicteeren, en dan, mijne heeren, ontmoeten wij elkander in de concertzaal, waar Quanz heden met mij een duet zal blazen, waarbij ik u als toehoorder uitnoodig.quot;

En de koning zond zijne vrienden met een genadigen glimlach heen. Onder het aankleeden schertste hij opgeruimd

1

'sKonings eigen woorden. Zie: Correspoudance avec Algarotti.

ocr page 133

143

en vrij met Fredersdorf; daarna liet hij den in de voorkamer wachtenden kabinetsraad binnenkomen en dicteerde hem drie brieven. De eene was aan.den veldmaarschalk van Schwerin, de tweede aan den vorst van Anhalt-Dessau, de derde aan den minister van Podewils. Deze brieven waren alle drie in dezelfde bewoordingen gesteld, slechts liet bevel inhoudende van onmiddelijk te vertrekken en bij den koning te Rheinsberg te komen.

Nadat dit afgeloopnn was, ging de koning naar beneden in de concertzaal, waar het hof hem wachtte, en nooit was Frederik opgeruimder en geestiger, losser en levendiger, nooit bespeelde hij de iluit schooner, dan op dezen dag, toen hij het bericht van den dood des^keizers ontvangen had.

Den volgenden morgen kwamen de drie opgeroepen heeren uit Berlijn te Rheinsberg en werden onmiddelijk in de bibliotheek des konings geroepen.

Frederik ging hen met een trotschen, blijden glimlach te gemoet; zijn oog schitterde van buitengewonen glans, zijn voorhoofd was helder en elfen, zijn geheele voorkomen droeg den stempel van vroolijke geestdrift.

„De keizer van Oostenrijk is dood,'' zeide hij terwijl hij de drie heeren, naar de voor hen gereed staande zetels wenkte. „De keizer van Oostenrijk is dood en ik heb u daarom bijeengeroepen, om met u te beraadslagen, welk voordeel wij uit dezen dood kunnen trekken.quot;

„O, uwe majesteit zal er stellig niet over denken, voordeel te willen trekken uit een dood, waardoor eon nauw aanverwant vorstenhuis in diepe droefheid gestort en de regeerende koningin van Pruisen van haar oom beroofd wordt,'' riep de vorst van Dessau met vuur.

„O, ik weet wel, dat gij keizerlijk gezind zijt,quot; zeide de koning glimlachend.

„Niet keizerlijk, sire, maar koninklijk Pruisisch,quot; riep de oude vorst, „eene oneenigheid met Oostenrijk zou een ongeluk voor Pruisen zijn.quot;

Frederik trok even met de schouders. „Ik wensch uwe gevoelens te hooren, heeren, zeide hij, gij zijt alle drie ervaren mannen, krijgshelden en staatsmannen; gij moogt dus aan mijne jeugd en weinige ondervinding uw raad niet onthouden.quot;

Bedaard en glimlachend luisterde hij toen naar de vre-

ocr page 134

144

delievende en wijze plannen van den veldmaarschalk en den minister, waarmede de vorst van Anhalt van harte instemde.

„Gij trokt dus mijne rechten op Sileziê in twijfel?quot; zeide de koning na een kleine pauze. „Gij twijfelt, of ik recht heb dat Sileziê terug te eischen, hetwelk aan mijne voorvaderen onrechtvaardig ontrukt is geworden door de Habs-burgers ?quot;

„Toch hebben uwe voorvaderen daarom den vrede niet verstoord,quot; zeide de vorst van Anhalt, „toch hebben zij het huis Oostenrijk in het ongestoord bezit van Sileziê gelaten.quot;

„Maar terwijl zij dat deden,quot; riep de koning met krachtige stem, „terwijl zij zich in de noodzakelijkheid schikten en zich door de listen en lagen van het Oostenrijksche keizershuis lieten bedotten; terwijl zij voor bewezen diensten met snoode ondankbaarheid werden beloond, met ijdele en nooit vervulde beloften werden teleurgesteld, riepen hunne nakomelingen steeds om wraak over zulk een wangedrag en zulk eene schending van hunne eer en hunne rechten. Toen het huis Oostenrijk hem trouweloos verliet en de bezworen beloften loochende, riep Frederik Wilhelm, de groote keurvorst met voorspellenden mond uit: „Een wreker zal uit mijn stof verrijzen.quot; — Toen vervolgens zijn zoon de eerste koning van Pruisen, door Oostenrijksche kuiperijen bedrogen, de stad Schwiebus weder aan Oostenrijk moest terug geven, zeide hij tot zijne ministers: „Het recht op Sileziê te handhaven, zal ik mijne nakomelingen overlaten, daar ik het toch in deze met alle wet en recht strijdende omstandigheden noch kan, noch wil houden. Geven God en de tijd het niet anders, dan moeten wij wel tevreden zijn; maar beschikt God het anders, dan zullen mijne nakomelingen wel weten en vernemen, wat zij in dit geval mogen doen en laten.quot; 1)—-En toen ten laatste mijn vader de lagen en de ondankbaarheid van het Oostenrijksche hof in ruime mate had leeren kennen, toen begreep hij, dat tusschen de huizen Oostenrijk en Brandenburg geen vrede langer kon zijn-

1

Von ludwig. Ecchtsgegründetes Eigenthum. S. 38,

ocr page 135

145

toen droeg hij mij de heilige roeping op het trotsche en verwaande huis Habsburg te straffen en te vernederen ; toen stelde hij mij aan zijne ministers voor, met de woorden ; „Daar staat er een, die mij zal wreken. 1) — Gij ziet dus, dat mijne voorouders mij roepen, dat mijn overgrootvader, grootvader en vader mij tot hun kampvechter en wreker gekozen hebben, dat zij van mij eischen, wat zij zeiven, door de omstandigheden gebonden, toen niet konden doen en tot latere tijden moesten uitstellen. Dat uur, op hetwelk mijne voorouders gedoeld hebben, het uur der voldoening en vergoeding van eer is nu gekomen. De tijd is geboren, waarop het oude staatkundige stelsel eene vol-komene verandering moet ondergaan; de steen is losgeraakt, welke op het Nebucadnesars-beeld moet neervallen en het verpletteren.2) — De tijd is gekomen, waarop ik het huis Oostenrijk de oo^en zal openen, om hel te too-nen, dat die kleine markies van Brandenburg, op wien, zooals zij zeggen, de verplichting rust, den keizer na den maaltijd den handdoek en de waschkom te reiken, dat deze markies veranderd is in huns gelijken, vrijen en zelfstandigen koning, die zich door Oostenrijk noch verdrukken, noch vernederen laat en niemand tot zijn heer erkent, dan God alleen. Wilt gij mij daarin behulpzaam zijn en mij bijstaan in mijn werk met uwe ondervinding en raad?quot;

„Ja, dat willen wij,quot; riepen allen in blijde geestdrift, geheel ontvlamd en medegesleept door het edele vuur des konings. „Ons bloed en leven behoort den koning en het vaderland.quot;

Frederik reikte hun glimlachend zijne hand. „Ik rekende op u; ook Ziethen en Winterfeld zullen niet in gebreke blijven; ook zullen wij niet voorbarig en onvoorbereid te velde trekken. Alles was voorzien, alles vooraf beraamd en er blijft niets over dan de uitvoering der plannen, welke sedert lang in mijn hoofd gewoeld hebben. 3) Ziet, hier zijn de plannen tot onzen veldtocht; hier de marschroutes en de plannen van aanval. Wij zullen dan eindelijk tegen-

10

1

Seckendorf. Journal secret, pag. 139.

2

's Konings eigen woorden. Zie : Correspondance avec Voltaire.

3

's Konings eigen woorden. Zie: Oeuvres Vol. XVIII, pag. 20.

Uühlbaoh, Frederik de Groote en zijn Hof. II.

ocr page 136

146

over die Oostenrijkers slagvaardig staan, en daar men het gewaagd heeft van mijn vader te zeggen, dat hij den haan altoos gespannen hield, maar hem nooit aftrok, zullen zij zien, dat wij nu bereid zijn af te trekken en den dubbelen adelaar van hunne trotsche tinnen te schieten. Onze plannen zijn, zooals gij ziet, mijne heeren, rijpelijk overwogen;en opdat ook mijn volk ver-neme, dat zijn koning slechts den strijd begint, om zijn goed recht, dat hem door Oostenrijk betwist is, weder te heroveren, heb ik den kanselier van Ludwig opgedragen, een stuk uit te geven, waarin hij den volkeren ons goed recht en onze aanspraken op de hertog-en vorstendommen Jagerndorf, Liegnitz, Brieg, Wohlau en de er bij behoo-rende heerlijkheden in Silezië duidelijk uitleggen moet.1) Wij zijn onveranderlijk tot den strijd besloten; maar laat ons voorzichtig zijn en zwijgen, opdat niemand vóór den tijd iets van onze plannen verneme en wij de Oostenrijkers verrassen kunnen. En nu, mijne heeren, laat ons nu de nadere bijzonderheden van onze plannen nagaan en ze met deze ontwerpen en plannen onderzoeken.quot;

XIV.

DE KONING EN DE VRIEND.

Verscheidene uren bleef de koning met zijne vertrouwelingen in ernstige beraadslagingen bezig; toen zij hem vervolgens verlaten hadden, liet hij Jordan bij zich komen. Met een gelaat, schitterende van geestdrift ging hij zijn vriend tegemoet en reikte hem zijne beide handen toe.

„Nu Jordan, verheug u met mij! De tijd der trage rust is voorbij, er zal eindelijk leven en beweging in de, verroeste en krassende raderen der staatsmachine komen. Gij

1

Preuss. Priedrich. d. Gr. Vol, I, pag. 163.

ocr page 137

447

noeradet mij dikwijls een stouten adelaar! Nu willen wij zien, of mijne vleugelen de kracht hebben mij tot stoute daden te verheffen en of mijne klauwen scherp genoeg zijn om onzen vijandelijken dubbeladelaar eenige zijner beste voeren uit te halen.quot;

„Dus worden mijne voorgevoelens vervuld,quot; riep Jordan, „tegen Oostenrijk wordt de eerste stoute wapentocht gericht.quot;

„Ja, tegen Oostenrijk, tegen dien trotschen tegenstander, die met nijdigen en jaloerschen blik elk mijner schreden bewaakt; tegen Oostenrijk, wiens keizer het beneden zijne waardigheid achtte, mijn vader de hand ter verwelkoming te reiken en hem een stoel aan te bieden. O, nu is de beurt aan mij, om Oostenrijk mijne hand te weigeren en het uit zijne beliagelijke rust met schrik te doen ontwaken.quot;

„Ook voor u, mijn koning, zal de rust voorbij zijn, voorbij ook de uurtjes aan de heilige dichtkunst, aan de studie en de kunst gewijd. De lieveling van Apollo zal in een zoon van Mars veranderen en treurend zullen wij allen den voortspoedende nastaren en niets voor hem kunnen doen, zelfs niet eens hem tegen gevaar en dood kunnen beschermen.quot;

„Weg met die sombere gedachten,quot; riep de koning, met helderen glimlach. „De dood wacht ons allen, en wanneer hij mij in den slag mocht opzoeken, val ik op het bed van eer en mijne vrienden, mijn volk en de geschiedenis zullen mij niet vergeten. Dat is een troost en tevens eene hoop! En dan, mijn vriend, gij weet het, ik geloof aan, en houw op dat groote, verhevene en onbegrijpelijke wezen, dat de wereld regeert; ik geloof aan God, en leg mijn noodlot getroost, in zijne handen. De kogel, welke mij treffen moet, komt van God,1) en wanneer hij mij niet op het slagveld treft, kan hij mij in mijne kamer, door moordenaars hand, bereiken, en dat zou een minder eervolle en roemrijke dood zijn. Ik moet echter iets groots, beslissends en roemrijks doen, opdat mijn volk mij beminne, opdat het algemeen vertrouwen in mij krijge en op mij roemen kunne. Het is niet genoeg koning door erfopvolging en ge-

1

's Koninga eigen woorden.

ocr page 138

148

boorte te zijn; men moet ook door zijne daden verdienen het te zijn. Silezië biedt mij daartoe de schoone gelegenheid en een vasten en hechten grondslag aan, om er mijn roem op te kunnen vestigen.quot;1)

„A.ch, ik zie het wel, de liefde uwer onderdanen is uwer majesteit niet voldoende; evenmin de vurige en toegenegene liefde uwer vrienden. Gij begeert iets anders, gij streeft naar roem.quot;

„Ja gij hebt gelijk,'' riep Frederik glimlachend; „dat schitterend spook, de roem, verschijnt mij alle dagen. Ik weet, dat het eene dwaasheid is, maar eene dwaasheid, die men moeielijk aflegt, wanneer men er door bezeten is. Spreek mij dus niet van gevaren, vermoeienissen en zorgen; wat zijn zij, vergeleken bij den roem. Deze is zulk een dolle hartstocht, dat ik haast niet begrijpen kan, dat zij niet iedereen het hoofd in de war brengt.quot;2)

„O, sire, deze hartstocht heeft niet alleen duizenden het hoofd in de war gebracht, maar ook het hoofd gekost,quot; zeide Jordan treurig. „Het slagveld is zeker het gouden boek der helden, maar slechts met bloed worden hunne namen er in opgeteekend.quot;

„Het is waar,quot; zei de koning peinzend, ,,een slagveld is een treurig beeld voor een dichter en wijsgeer. Ware ik niet als koning geboren, ik zou slechts wijsgeer willen zijn. Nu echter moet iedereen in deze wereld zijn bedrijf volgen en ik denk het mijne niet ten halve te doen. Ik bemin den krijg om des roems wille. Beklaag mij dan niet, mijn vriend, dat de dagen van ledigheid, vrede en dartele genoegens voorbij zijn; dat ik in het veld moet staan, terwijl gij u met Horatius amuseert, Pinearus bestudeert en met Ana-creon juicht en lacht. Ik benijd u niet, mijn vriend, want mij wenkt een hoog en schitterend doel,— de roem. Mijne jeugd, het vuur der hartstochten, de zucht naar roem zelfs, en om u niets te verbergen, de nieuwsgierigheid, en eindelijk een geheime, onweerstaanbare drang hebben mij aan de zoete rust mijns levens ontrukt; het gloeiend verlangen mijn naam in de nieuwsbladen en in de geschiedboeken te lezen, jaagt mij naar het slagveld 3). Daar wil ik lauweren

1

'b Konings eigen woorden. Oeuvres Vol. 17. pag. 73.

2

's Konings eigen woorden. Vol 17.

3

's Konings eigen woorden. Vol. 17.

ocr page 139

149

oogsten, welke [zelfs een koning niet op zijn weg of op zijn troon vindt, maar die hij als mensch en held in den strijd verdienen moet.quot;

„En wier kransen eenmaal schitterend en door alle tijden heen het voorhoofd van mijn held, het voorhoofd van Frederik den Eenigen zullen hekroonen,quot; riep Jordan met de tranen in zijne oogen. „Ik voorzie voor u eene glansrijke, door room schitterende toekomst. Het kan zijn, dat ik u dan niet meer zal zien. Maar waar ook mijn geest — en wanneer ik tegen over u sta, mijn koning, gevoel ik, dat mijn geest onsterfelijk is, — waar ook mijn geest dan toeven moge, altoos zal hij in zijne edelste en goddelijkste deelen bij mijn koning en gebieder zijn, en dood of levend, zal ik altoos bij u zijn, om u te beminnen als mijn vriend, u te vereeren als mijn meester, u te bewonderen, als den eenig begaafden, door goddelijk vuur bezielden geest.quot;

„O, spreek niet van sterven,quot; riep de koning, en zijn gloeiend oog werd nu door eene zachte ontroering beneveld. „Neen, mijn vriend, spreek niet van sterven. Ik heb u noodig en ik denk, dat de ware vriendschap zoo sterk is, dat zij den dood zelfs overwinnen kan. Neen, Jordan wij mogen elkander niet verlaten ; want wij behooren elkander en het zou inderdaad wreed van u zijn, mij van een bezit to birooven, waarop de arme koningen zich zoo zelden kunnen beroemen, mij in u van een trouw en waarachtig vriend te berooven. Neen, Jordan, gij moogt mij niet ontvallen, en wanneer ik ook naar het slagveld ga, zal ik u evenmin ontvallen, ik zal u ook daar noodig hebben. Gij moet mijn Cicero zijn, wanneer hel om de verdediging van de echtvaardigheid mijner zaak te doen is ; ik zal uw Gesar zijn, wat de gelukkige en zegevierende uitvoering betreft.quot;

Jordan kon geen antwoord vinden, het werkte en worstelde op zijn gelaat, en langzaam zijn hoofd schuddende, vielen twee groote tranen langs zijne wangen.

De koning zag hem met teedere, maar ook tevens met bezorgde blikken aan. Hij zag zeer wel die donkere, koortsige purperen plekken, die rozen van het graf, welke op de

1) 'b Konings eigen woorden. Oeuvres Vol. 17. pag. 84

ocr page 140

450

ingevallen, doorsnijdende wangen van zijn vriend lagen ; hij zag, dat zijne gestalte dagelijks zwakker en meer ineengekrompen scheen ; hij hoorde den adem, welke heet en hijgend uit zijne horst opkwam.

Een somher voorgevoel bekroop het hart des konings ; de glimlach bestierf op zijne lippen, en, buiten staat zijne ontroering langer te verbergen, stapte hij door de kamer naar het venster; en met zijn brandend voorhoofd tegen de ruiten leunende, kon hij zijne tranen niet meer terughouden, welke hij echter behalve aan God, niemand wilde laten zien.

„Mijn God, mijn God,quot; fluisterde hij, „hoe arm is toch een vorst. Ik heb slechts zoo weinige vrienden, en deze zullen mij wellicht ook slechts een koi'ten tijd toebehooi'en. Suhm ligt ziek te Warschau en wie weet, of ik hem ooit wederzie. Jordan is bij mij, maar ik zie reeds den dood, die zijn leven ondermijnt en hem misschien reeds spoedig van mijne zijde rukken zal.quot; ^

Jordan stond onbewegelijk en zag naar den koning, die nog altijd met zijn hoofd tegen het venster leunde. Hij waagde het niet den koning te storen en toch had-hij hemnogeene gewichtige, treurige tijding te melden.

Toen de koning nog steeds naar het raam gewend bleef staan, ging Jordan eindelijk naar hem toe en legde zijne hand zachtjes op den schouder van zijn koninklijken vriend.

]) Jordan stierf in 1745 aan de tering, wier kiemen hij jaren lang in zich had gedragen. Reeds verscheidene maanden was hij niet meer in staat uit te gaan. De koning bezocht hem bijna dagelijks. Toen hij de eerste keer zonder page of eenig gevolg kwam, zeide hij tot de bloedverwanten en verzorgers van den zieke, die zijn leger omgaven : ,,Ik bid u, mij geheel alleen met hem te laten. Ik zal hem verzorgen en alles geven, wat hij noodig heeft; ik zal mij bevlijtigen het zoo goed te doen als of gij zeiven het deedt.quot; Zoo dikwijls de koning ook later kwam, verlieten alle aanwezigen het vertrek, en Prederik bleef dikwijls uren lang met den zieken Jordan alleen. Toen Jordan zijn dood voelde naderen, nam hij van den koning, die hem des middags op het gewone uur bezocht, het teederste afscheid en beval zijne beide moederlooze dochters en zijn armen trouwen bediende in zijne bescherming. De koning verliet hem diep bedroefd. Des nachts stierf Jordan, en toen zijn broeder den anderen morgen bij den koning kwam, vond hij hem voor het portret van den afgestorvene staan. Hij verhaalde den koning op diens uitdrukkelijk verlangen, de laatste oogenblikken van zijn broeder; en de koning, die hem iels vragen wilde, kon niet spreken, zijne stem verstikte onder zijne tranen. Thiébault Vol. 5 pag. 229.

ocr page 141

151

„Vergeving, sire, dat ik uwe overpeinzingen moet storen. Maar een held mag ik vóór den slag niet aan zijne treurige indrukken overlaten, en wanneer hij aan den dood denkt, moet hij zulks met een glimlach doen ; want de dood is zijn bondgenoot en zijn adjudant geworden; en wanneer deze zelfs naar den geliefdsten en dierbaarsten Vriend zijne hand uitstrekt en hem opeischt, moet de held en de krijgsman hem dien geven als een offer, dat hij aan zijne zegepralen brengt.quot;

De koning keerde zich snel naar den spreker; en zijn scherp doorborende blik scheen tot in het hart van zijn vriend te willen doordringen.

„Moet gij mij een doodbericht mededeelen, Jordan?quot; vroeg hij kortaf, van het venster terugtredende en op de hooge leuning van een armstoel steunende, als gevoelde hij, dat hij ondersteuning noodig had om niet ineen te zinken.

„Gij moet mij zeker een doodbericht mededeelen,quot; vervolgde hij heftiger, toen Jordan nog altoos zweeg.

„Ja, een doodbericht, mijn koning,quot; zeide deze eindelijk diep bewogen. „Het noodlot zal uwe majesteit langzamerhand aan zulke treurige berichten gewennen, opdat uw hart niet bezwijke, wanneer in den slag nog verscheiden van uwe vrienden zullen vallen.''

„Er is dus een mijner vrienden overleden?''riep de koning verbleekende.

„Een vriend, en nog wel een der meest geliefde.quot;

De koning gaf geen antwooi'd. Hij liet zich in den armstoel vallen, leunde met zijn hoofd achterover, terwijl hij met zijne handen krampachiig in de zijkussens greep.

Toen vroeg hij met luide, heesche stem: „Is het Subm?quot;

„Ja, Suhm is het. Hij is te Warschau gestorven. Hier is zijn laatste brief aan uwe majesteit. Zijn broeder heeft mij dien gezonden, om hem uwe majesteit ter hand te stellen.quot;

De koning uitte een kreet en bedekte met beide handen zijn verbleekend gelaat. Groote tranen vielen tusschen de bleeke, dunne vingers door, schitterender en schooner dan de diamanten, welke zijne vingers versierden, schitterender en kostbaarder dan de edelgesteenten eener geheole wereld. Vervolgens liet hij zijne handen naar beneden glijden en met eene haastige beweging zijne tranen afwisschende, brak hij den brief open en las dien, beurtelings diep zuchtende

ocr page 142

152

en steunende en in zich zeiven huiverende. Daarop liet hij den brief largzaam vallen en staarde voor zich heen.

„Suhni is dood,quot; sprak de koning toen zachtjes en met zulk een klagende en geroerde stem, dat Jordan's hart van onbeschrijfelijke ontroering trilde. „Suhm is dood, die vriend, die mij even oprecht beminde, als ik hem; die edele man, die met zooveel verstand, zooveel oprechtheid en gevoel vereenigde. Ach, ik zou liever millioenen verloren hebben, dan hem. Suhm is dood! Mijn hart zal hem betreuren, diepur dan men de meeste bloedverwanten betreurt. Zijn aandenken zal bij mij leven, zoolang nog een droppel bloeds in mijn aderen vloeit, en zijne familie zal de mijne zijn! Ach, mijn hart bloedt, en deze wonde is zoo diep, dieper dan ooit kogel of zwaard mij kunnen slaanquot;

En de koning, geheel door smart vermeesterd, legde zijn hoofd in zijne handen en weende luid. Eindelijk, na eene lange pauze, stond hij plotseling uit zijn stoel op en stond groot en trotsch, met opgeheven hoofd voor Jordan. Zijne trekken hadden eene vaste, bijna stalen uitdrukking aangenomen, en zijne oogen fonkelden als de punten van twee zwaarden.

„Jordan,quot; zeide hij met luide, volle stem, „nu kan de dood geen invloed meer op mij uitoefenen en mijn hart niet meer treffen. Hij heeft een ijzeren pantser om mijne borst gelegd en wanneer ik nu ten strijde trek, zal ik zegevieren over al mijne vijanden, want de dood heeft mijn vriend als „'zegeoffer tot zich genomen en daar hij mij in den slag niet treffen kon, trof hij mij te voren in mijn vriend ! Jordan, deze wond bloedt sterk! Maar wij zullen haar verbinden en niemand zal de met bloed gedrenkte doeken zien, waarmede wij haar bedekken. Ik heb den dood overwonnen, nu wil ik strijden en zegevieren, als held en als koning. Wat gaat het de wereld aan, of ik er onder lijd. De wereld mag dat niet weten. Een masker voor het gezicht; een momaangezicht over onze smarten. Wij willen weder lachen en schertsen, terwijl wij om den vriend treuren en ons tegen den vijand ten strijde

1) 's Konings eigen woorden. Oeuvres. Vol.^18. pag. 25.

v

ocr page 143

453

toerusten. Laat ons nu bedaard den Gesar en Antonius spelen, tot dat wij hem in de werkelijkheid eens kunnen navolgen '). Kom, Jordan, laat ons gaan „Cesars Doodquot; repeteeren.quot;

XV.

AFSCHEIDS-AUDIËNT1E VAN DEN OOSTEN-RIJKSCHEN GEZANT, MARKIES VAN BÜTTA.

Gejuich en vroolijkheid heerschten heden in het koninklijk paleis te Berlijn. Bij den koning was een schitterend diner, daarna zoude het hof in de nieuw ingerichte vertrekken dei' koningin-moeder koffie drinken en tegen den avond was een gemaskerd bal aangekondigd, waarop het hof, de adel en de hooge ambtenaren genoodigd waren.

De officieele rouw om den keizer was afgeloopen, en men kon zich nu vrij aan de uitspanningen en genietingen van den beginnenden vastenavond over geven. Nooit had het hof een schitterender en weelderiger leven geleid dan nu; feesten volgden op feesten en zelts de meest ouder-wetsche en stijfste burgers der goede stad Berlijn begonnen met deze nieuwmodische regeering bevriend te worden, welke zooveel geld onder de menschen bracht, en ambachtslieden en neringdoenden zooveel verdiensten verschafte. Men had nu uitgerekend, dat een weelderig en verkwistend hof den burgers meer opbrengt, dan een spaarzaam en zuinig; en men was er ook al mede tevreden, dat die schaar van koninklijke lakeien blonk van gouden kwasten, dat het koninklijke paleis met verbazende pracht geheel nieuw was ingericht, dat de nieuwe vertrekken der koningin-moeder niet alleen van eene nooit geziene pracht getuigden, maar dat daarin zelfs een vertrek was, waarin alle versierselen en huisraad uit massief goud bestonden, dat men er gouden kroonkandelaars, wand- en armblakers

l)'sKonings eigen woorden. Oeuvres Vol. 18. pag. 25.

ocr page 144

154

en staande kandelaars vond, dat zelis de platen en brand-roeden van den schoorsteen uit zuiver goud bestonden1). Men vertelde elkander met trotschen glimlach, dat zelfs de Engelsche en Fransche gezanten verbaasd geweest waren over dit „gouden kabinetquot; der koningin-moeder en dat zij beiden verklaard hadden, dat in de koninklijke paleizen te Parijs en te Londen, ja, misschien in de geheele wereld niet eene dergelijke pracht en heerlijkheid te zien waren.

De Berlijners, zooals gezegd is, begonnen trotsch op hun koning en op hun hof te worden, en zij vonden het zeer natuurlijk, dat de jonge achtentwintigjarige koning zich zeer weinig met staatszaken scheen te bemoeien, maar zijn geheelen tijd aan de vreugde en uitspanningen wijdde.

De koning had dus zijn doel bereikt. Niemand vermoedde den diepen ernst, welke achter dit ijdele spel verscholen lag; niemand dacht er aan, dat deze steeds opgeruimde, glimlachende vorst, op wiens lippen altijd een geestig woord of eene biltere spotternij zweefde, die eiken avond een concert gaf, waarop hij zelf de fluit blies, die zich met kunstenaars, dichters eu levenslustige cavaliers omgaf, en met hen me-nigen nacht in dolle dartele vroolijkheid doorbracht, niemand vermoedde, dat deze zoo luchtige en onschuldige jonge koning op het punt stond de geheele tegenwoordige staatkunde der Europeesche vorsten omver te werpen en Duitsch-land eene nieuwe gedaante te geven. De koning had geen oogenblik het masker afgenomen, en onder den sluier van het diepste geheim waren zijne plannen gemaakt en tot rijpheid gekomen. Nu was het oogenblik gekomen en heden avond nog, heden gedurende het gemaskerde bal, dat met zooveel luister en pracht was aangelegd, wilde de koning met zijne regimenten Berlijn verlaten en zich dadelijk naar Silezië begeven. Ook zelfs zijne troepen kenden het doel van hun tocht niet. De nieuwsbladen hadden gemeld, dat de troepen Berlijn verlaten zouden om de winterkwartieren te betrekken, en zoo was dat spoedig overal bekend geworden en had men het zonder erg geloofd.

Slechts eenige weinige vertrouwelingen en de hem vergezellende generaals kenden het geheim, en met dezen laatsten

1

König. Historische Schilderung etc. Th V. Bd. 2. pag. 20.

ocr page 145

155

had de koning, na het schitterende diner van heden, eene laatste conferentie in zijn kabinet gehouden. Hij gaf hun de noodige orders en de laatste bevelen, schreef hun de gedragslijn voor en het uur van vertrek bepalende, beval hij hun alle officieren van de vertrekkende regimenten op dien tijd op het slotplein te vereenigen. '

„En nu, mijne heeren,quot; zeide de koning toen, „nu onze zaken afgedaan zijn, laten wij nu slechts aan onze genoegens denken en ons aan de vreugde overgeven ; want wij weten niet, wanneer het ons in het vervolg weder vergund zal worden. Ik zie u heden avond op het bal ; daar willen wij met onze dames dansen, vóór de krijgsdans begint.quot;

Toen de generaals hem verlaten hadden, kwamen de kamerdienaars om het toilet des konings in orde te brengen, waarvoor Pélissier heden een prachtig kostuum naar de laatste Parijzer mode geleverd had. De koning wilde zich aan zijn hof nog eenmaal in al zijn luister toonen, alvorens hij de zaal mot de veldtent verwisselde ; hij wilde nog eenmaal de elegante cavalier zijn, voor hij de ruwe krijgsman werd. Nooit had hij daarom meer zorg aan zijn toilet besteed ; nooit had hij zich geduldiger onder de handen des kappers getoond dan heden, ja zelfs, toen zijn toilel ten einde was, ging hij voor den spiegel staan, om met bespiedenden blik zijne geheele gestalte te onderzoeken en zijn kostbaar toilet te beschouwen.

„Nu,'' zei hij bij zich zeiven, „als de markies van Bottadoor dien modegek, dien ik daar in den spiegel zie, niet bedrogen wordt, dan is het waarlijk mijne schuld niet. De arme Oosten rij ksche gezant moest al een zeer fijnen neus hebben, wanneer hij onder deze naar amber riekende, met kanten en linten opgesierde modepop den krijgsman ruiken zou. Ik denk, dat hij mijne goede tante Maria Theresia niets te melden zal hebben, dan dat de koning van Pruisen de kunst verslaat zich zeer goed te kleeden en een echte modeheid, maar geen krijgsman is.quot;

En de koning begaf zich lachend naar de vertrekken der

D D •

koningin-moeder, waar het geheele hof verzameld was en waar Frederik den markies van Rotta, den afgezant, der jonge keizerin van Oostenrijk een afscheidsgehoor wilde geven.

Frederik had volkomen gelijk gehad ; de markies was

ocr page 146

156

misleid geworden door het masker der onschuldige uitspanningen en gedachtenlooze vermaken, waaraan de koning zoowel als het geheele hof gehecht scheen. Hij was door de keizerin met geheime instructies gezonden om de bedoelingen van het Pruisische hof te peilen ; terwijl zijne openlijke zending slechts bestond in den koning te bedanken voor de gelukwenschen, welke deze aan de keizerin bij hare troonsbeklimming had toegezonden.

De markies van Botta had zich, zooals reeds gezegd is door deze uiterlijke houding van den koning laten misleiden, en de waarschuwingen en aanmerkingen van den graaf Mannteufiel waren in den wind geslagen.

„Ik ga met de vaste overtuiging,quot; zeide hij tot Mann-teuffel, met wien hij, de komst des konings afwachtende, in eene vensternis was gaan staan, terwijl het hof babbelend, schertsend en lachend zich in de zalen bewoog, en de beide koninginnen in het gouden kabinet der koninginmoeder met hare vertrouwdste dames eene partij Quadrupel speelden. ,,Ik ga met de vaste overtuiging, dat de koning de meest vredelievende gevoelens koestert en er volstrekt niet over denkt den vrede te storen.quot;

Graaf Mannteufiel trok zijne schouders op. „Gij zult morgen reeds in uwe overtuiging wankelen ; want van nacht nog verlaat de koning Berlijn, om zich met zijn leger naar Silezië te begeven.''

Op dit oogenhlik verscheen in de deur van het gouden kabinet de van juweelen schitterende gestalte des konings.

Eene plotselinge stilte volgde ; bet gepraat en gelach verstomde en ieder boog zijn hoofd eerbiedig voor deze schitterende, glansrijke verschijning des jeugdigen konings.

Frederik boog glimlachend, maar hij bleef in de opene deur staan en zijn doordringende blik vloog onderzoekenddoor de zaal. Het scheen hem genoegen te doen, zoo voor zijn hof te staan en zich voor de oogen van al deze bewonderende, nieuwsgierige, bespiedende blikken te vertoonen.

Als .eon heerlijk, krachtig beeld der jeugd, in al zijne schoonheid en mannelijkheid stond hij daar tusschen de stijlen der deur, schitterend als in eene zee van glansen licht; van achteren verlicht door den gouden kroonkande-laar van het kabinet der koningin, terwijl de groote can-delabres der zaal vóór hem hunnelichtmassa op zijne gestalte

ocr page 147

157

schenen ie vereenigen, en den blauwen, met kostbaar zilveren borduurwerk versierden fluweelen rok en het vest van zilver brocaat met de groote diamanten knoopen deden lonkelen en schitteren.

„Zie nu eens dien verwonderlijk opgeschikten, schoonen jonkman,quot; fluisterde markies Botta. „Zie eens dat van genot en vreugde schitterend gelaat, die met juweelen ringen versierde, door kostbare kanten manchetten omgeven handen, welke zoo tenger en blank zijn, dat zij de fijnste dame tot eer zouden strekken; zie eens dat keurige met wit zijden kousen omgeven been, en den kleinen, tengeren voet, welke zich maagdelijk in de blinkende schoen, met hooge, roode hakken en diamanten gespen versierd, verbergt. Och, en gij wilt mij nog wijs maken, dat deze kleine voet als een soldaat mar-cheeren wil, in plaats van in een liefelijk menuet op den ingelegden vloer te drentelen; dat die kleine, doorschijnende, tengere hand, welke slechts het reukfleschje of de schrijfpen kan dragen, het zwaard en den veldheersstaf wil hanteeren. Och, lieve graaf, ik moet waarlijk lachen om uwe sombere voorspellingen.quot;

De diepe ernst van den graaf had iets zoo overtuigends, indrukmakends, dat de markies van Botta in zijne argeloosheid en zijn vertrouwen toch aan het wankelen gebracht werd, en met verbaasden, twijfelachtigen blik zag hij naar den jongen koning, die zich bedaard glimlachend en vroolijk met eenige dames onderhield.

Maar onder het spreken had de koning geen oogenblik die beide heeren uit het oog verloren, die in de vensterbank leunden en wier gedachten hij uit hunne trekken las.

Hij ontmoette nu den blik van de op hem gevestigde oogen van den markies en wenkte hem met licTiten knik tot zich. De markies naderde met een plechtig gelaat den koning, die, midden in de zaal stond, omgeven door zijne generaals en hovelingen.

Eene diepe stilte volgde. Aller oogen vestigden zich in gespannen verwachting op deze schitterende groep, boven welke de koning als het schitterendste, van licht stralende middelpunt, uitkwam; voor hen, die de bedoelingen en plannen des konings kenden, was dit tooneel een belangwekkend gezicht, terwijl het voor de niet ingewijden, die slechts een duister, onbepaald voorgevoel hadden, van het-

ocr page 148

158

geen gebeuren zou, een gewichtig oogenblik, rijk aan opmerkingen was, om misschien eene bevestiging of ontkenning hunner gevoelens te vernemen.

De Oostenrijksche gezant stond nu recht tegenover den koning, en maakte de volgens het ceremonieel voorgeschreven deftige buigingen.

De koning knikte even met zijn hoofd. „Gij komt dus werkelijk om afscheid te nemen, heer markies,quot; zeide de koning achteloos.

„Sire, hare majesteit, mijne verhevene keizerin, roept mij terug en ik moet hare bevelen volgen, hoe gelukkig ik mij ook zou achten, wanneer het mij nog langer vergund ware, mij in den aanblik van zulk een edel en verheven vorst te koesteren.quot;

„Nu, dat is waar,quot; zei de koning, „een weinig zon zou zeer weldadig voor u zijn, heer markies. Gij zult eene koude terugreis hebben.quot;

„O, sire, de koude is een licht te dragen kwaad,quot;zuchtte de diplomaat.

„Er zijn dus nog andere bezwaren, die uwe reis onaangenaam maken?quot;

„Ja, sire, het zijn de vreeselijk slechte wegen door de treurige Oostenrijksche provincie Sileziê. Ach, sire, daar zijn straatwegen en andere wegen, van welke uwe majesteit in uwe gelukkige en gezegende landen in het gebeel geen denkbeeld hebben kan, en die gelukkig, in de andere Oostenrijkse lie provinciën een onmogelijkheid zijn. Het arme Silezië is het kind der smarte van mijne vorstin ; het geeft haar zorg en verdriet, maar juist daarom wellicht zou zij het zoo gaarne willen heipen. Intusschen schijnt de natuur zelve hare edele en waarlijk ridderlijke bedoelingen tegen te willen werken. Vreeselijke regenvlagen hebben onlangs weder alle wegen, welke eerst met quot;roote kosten aangelegd zijn, verwoest; en zooals ik tot mijn schrik verneem, zal het nauwelijks voor enkele reizigers mogelijk zijn, deze Silezische wegen te berijden, zonder in het grootste gevaar te geraken.

„Kom, kom,quot; zei de koning bedaard, „het ergste, dat hem gebeuren kan, die deze wegen passeeren moet, is toch maar, dat hij er met een modderpak afkomt.quot;

„Vergeving, sire.quot; ried de markies levendig, „men waagt

ocr page 149

159

zijne gezondheid, ja zelfs zijn leven op die wegen, welke door diepe, onzichtbare stilstaande waterplassen afgebroken worden; men kan in die smerige streken, als op de sneeuwvlakten der Alpen, in afgronden storten, wier bestaan men nauwelijks vermoedde, voor dat men den halsbrekenden tocht naar de diepte gedaan heeft. O, benijdenswaardig z'jn zij, die zich aan deze gevaren niet behoeven bloot te stellen.quot;

De koning was nu het spel van den slimmen diplomaat moede; het verveelde hem, den bespiedenden en loerenden blik van den gezant op zijn gelaat gevestigd te zien; in het bewustzijn der zege en met den edelen trots zijner opene, waarheidlievende natuur liet hij het masker vallen, hetwelk aan den markies zijn fier, heldhaftig gelaat verborg. Het oogenblik tot handelen was gekomen; het was dan niet langer noodig het onder den sluier dos geheims te verbergen.

„Nu, mijnheer zei de koning, met eene luide, vaste stem, wanneer gij dan inderdaad zulk een vreeselijken afkeer voor de Silezische wegen hebt, raad ik u, hier in Berlijn te blijven. Ik zal, in uwe plaats naar Silezië gaan en mijne verhevene tante door de stem mijner kanonnen doen weten, dat de Silezische straatwegen voor een Oostenrijker te gevaarlijk en te gewaagd, maar voor den koning van Pruisen echter zeer gemakkelijk en geschikt zijn, om hem naar Breslau te laten marcheeren.quot;

„Hoe? Uwe majesteit wil naar Breslau marcheeren?quot; vroeg de markies ontsteld.

„Ja mijnheer, naar Breslau! En daar, zoo als gij zoo even opmerktet, de Silezische wegen voor een enkel reiziger te gevaarlijk zijn, zal ik mijn leger met mij nemen, om mijn rijtuig voor omvallen te bewaren.quot;

„O,quot; riep de markies treurig; „uwe majesteit wil dus een inval in de landen mijner verhevene vorstin doen'?''

De koning wierp hem een blik van verachtingen toorn toe. Onder de hovelingen ontstond een gemompel van ontevredenheid ; men zag de generaals hunne handen aan het zwaard leggen en hunne blikken met eene fiere, uitdagende uitdrukking op dien overmoedigen Oostenrijker slaan, die het wagen durfde den koning van Pruisen een verwijt te doen.

ocr page 150

160

De koning gaf glimlachend een wenk aan zijne generaals en zich weder tol den markies wendende, zei hij bedaard: „gij drukt u verkeerd uit, mijnheer de markies. Ik wil geen inval in de landen der keizerin van Oostenrijk doen, maar ik wil terugnemen, wat het mijne is; het mijne, volgens erkende rechten, door erfenis en heilige verdragen, welker oorkonden slechts nog onder het smeer en het stof der Oostenrijksche staats-kanselarij verborgen liggen. Wij willen met de goede longen onzer soldaten dat stof een weinig wegblazen, opdat de keizerin deze oorkonden weder lezen en zich van mijn goed recht op Sileziê overtuigen kan. Gij weet het immers, mijn verhevene, godzalige vader hield den haan gespannen; ik trek hem af, dat is alles.quot;

„Maar uwe majesteit loopt daarbij gevaar, zich zeiven te wonden,quot; riep de markies; „het is gevaarlijk verroeste geweren af te schieten; zij kunnen licht springen, en hen verpletteren, die ze op anderen richten.quot;

„Nu, dan zullen wij ze eerst met olie insmeren voor wij afschieten,quot; zei de koning glimlachend.

„Uwe majesteit zal het huis Oostenrijk te gronde

richten,quot; zei de markies, „maar zich zeiven stellig ook.quot;

„Het hangt immers slechts van de keizerin-koningin af de aanbiedingen aan te nemen, welke haar juist nu door mijn gezant te Weenen gedaan worden,quot; zei de koning.

De markies zuchtte en liet zijn hoofd treurig op de borst zinken. Toen hij het weder oprichtte, droegen zijne trekken, eene glimlachende, spottende uitdrukking.

„Sire,quot; zeide hij „ik moet bekennen, uwe troepen zijn schoon; de Oostenrijksche troepen hebben niet dat schitterende uiterlijk; maar zij zijn beproefd en hebben reeds dikwijls in het vuur gestaan.quot;

De koning trad driftig een stap nader en zijne vlammende blikken richtten zich als twee dolkspitsen op het glimlachend gelaat van den Oostenrijkschen afgezant.

„Gij vindt mijne troepen schoon,quot; zei hij heftig.

„Eh bien, ik zal u overtuigen, dat zij ook dapper zijn.quot;

De audiëntie was afgeloopen, de Oostenrijksche gezant maakte de ceremoniëele buigingen en verliet onder het diepe stilzwijgen van het hof de zaal.

Nauwelijks was de deur achter hem gesloten, of het

ocr page 151

161

edele gelaat van den koning droeg weder zijne gewone zachte en verhevene uitdrukking.

Met een vroolijken groet zich buigende, zei hij blijmoedig : „Mesdames et Messieurs, het zal tijd worden, om toilet voor het gemaskerd bal te maken. Wij hebben ons masker een weinig gelicht, gij echter acht het zeker wel tijd het uwe voor te doen. Vaartwel, tot straks!quot;

XVI.

HET GEMASKERD BAL.

De zalen schitterden van het licht, en door de prachtig versierde koninklijke vertrekken golfde een stoet van fabelachtige, grillige gestalten heen en weder. De vertegenwoordigers van alle volken, zoo scheen het, waren heden in het koninklijke slot te Berlijn verzameld, om den jongen held en koning hunne groete te brengen. Men zag er Grieken en Turken in hunne met goud geborduurde en met j uweelen bezette drachten; Spaansche en Russische dames. Odalisken, Duitsche boerinnetjes van allerlei aard en gewaad, wonderbare personaadjes uit de sprookjes, van goud schitterende nimfen, tooveressen en heldinnen, ernstige monniken, oud-duitsche ridders in zilveren harnas, eerzame burgfreules en gesluierde nonnen.

Het was een buitengewoon prachtig, betooverend gezicht, deze met zoovele verschillende gedaanten gevulde zalen, welke schitterend verlicht en prachtig gedecoreerd waren, deze heerlijke costumes, die smaakvolle kleederdrachten te aanschouwen. En waren er die doodsche, levenlooze, grijnzende, misvormde, strakke gezichten niet geweest, men zou zich hebben kunnen verbeelden, in het van licht stralende Elysium te zijn, waar alle volken en stammen zich tot zalig, ongestoord genot hadden verzameld. — Maar de koude, glimmende maskers, achter welke de levenslustige, Xühlbaoh, Frederik de Groote en zijn Hof II. 11

ocr page 152

162

door dartelheid en genot schitterende gelaatstrekken verscholen waren, stoorden een weinig dien fabelachtigen indruk, en riepen den verrukten beschouwer tot het tegenwoordige, tot de aardsche werkelijkheid terug.

Alleen in de achterste zaal was eene groep, welke niet gemaskerd was. Daar zaten de beide koninginnen, fonkelende van goud en edelgesteenten; want Sophie Dorothea behoefde nu niet meer hare prachtige ju weelen te verbergen; zij mocht zich geheel vrij aan haar naijverig en verbaasd hof toonen ; en Elizabeth Christine,wetende, dat de koningin van Pruisen ook in hare verschijning, hare grootheid en waardigheid vertegenwoordigde, had haar prachtig uit smaragden en brillanten vervaardigde tooisel aangedaan, dat steeds de bewondering van het geheele hof verwekte, en dat de baron van Bielfeld voor een wonderwerk van schoonheid en rijkdom verklaard had.1)

Naast de beide koninginnen en de beide prinsessen Ulrike en Amalia stond de koning, die zijn schitterend balcos-tuum had behouden en achter de vorstelijke personen stonden de dames en cavaliers van het gevolg, allen ongemaskerd, met het, masker in de hand ; want niemand waagde het deze zaal gemaskerd te b(!reden waarin de beide koninginnen en de koninklijke familie zich bevonden.

De koning en de koningin-moeder wilden nu de belofte vervullen, welke zij elkander gegeven hadden; Sophie Dorothea zou zich den graaf Réal laten presenteeren, terwijl de koning de jonge, sedert eenige dagen gehuwde gravin Rhedern aan zijn hof verwelkomen zoude.

Zoo even melde de luide, spotachtige stem van den opper-ceremoniemeester baron van Pöllnitz den vorstelijken personen de aankomst van den graaf en de gravin Rhedern, alsmede die van den graaf Réal; en de zoo plechtig aangemelde personen traden nu in deze zaal, in dit heiligdom, dat slechts voor uitverkorenen en bevoorrechten, voor hen, die door hooge geboorte of gunst, of door den dienst aan het hof, de koninklijke familie konden naderen, geopend werd, en dat, behalve dezen, niemand zonder bijzondere uit-noodiging of vergunning mocht betreden.

1

Bielfeld. Lettres. Vol. i, pag. 83.

ocr page 153

463

Aan de hand van haar gemaal, den graaf Rhedern, betrad de nieuwbakken gravin Rhedern, geboren Orguelin, deze zaal. Haar gelaat was volkomen kalm, koud en ernstig; eene uitdrukking van vastberadenheid sprak uit al hare trekken, welke noch het bekoorlijke der schoonheid, noch de bevalligheid der jeugd meer hadden, maar nochtans niet zonder belangstelling en uitdrukking waren. Eene sterke krachtige ziel sprak uit dit gelaat; eene uitdrukking van groote goedheid zweefde om den wel iets te grooten, maarniet leelijk gevormden mond, en in die groote, donkere, oogen welke niet schuw neergeslagen, maar kalm en vast op het koninklijke gazin gericht waren, lag zooveel geest, stoutmoedigheid en hartstocht, dat men wel zag, dat het geene gewone maar eene krachtige,vurige en beradene vrouw was, die moed genoeg bezat het noodlot te tarten, en het, des gevorderd, naar haar eigen wil te schikken en te vormen.

Maar de trotsche en heerschzuchtige koningin Sophie Dorothea voelde zich onaangenaam aangedaan door dien juist op haar gerichten blik der gravin. Zij zou, indien de gravin sidderend, met neergeslagen oog, geheel verpletterd onder het ontzaglijk gewicht der ongehoorde koninklijke gunst, haar genaderd ware, wellicht niet ongenegen geweest zijn, haar gemis aan geboorte en afkomst te vergeven en de smet eener afkomst zonder naam te vergeten; maar die kalme, ernstige en ongedwon-gene houding der pas gecreëerde gravin kwetste haren trots, en deed haar fier, licht geraakt bloed sneller jagen. Buitendien voelde zij zich door het schitterend, prachtig toilet der gravin beleedigd. Die met zilver doorwerkte lange sleep, welke met groote juweelen agrafen aan hare schoudeien gehecht, tot op den grond nedergolfde, was van eene kostbaarder en zeldzamer stof dan zelfs de robe der koningin; die diadeem, dat halssnoer en die juweelen armbanden konden zelfs met het tooisel der koningin wedijveren, en die groote, ontzaglijke waaier, welke de gravin opengeslagen in hare hand hield, was van echt Ghineesch werk en met weergaloos ivoren snij- en kunstig schilderwerk versierd; geen wonder, dat de koningin, op het gezicht van dit kostbare en zeldzame kunststuk, waartegenover zij geen dergelijk konstellen, bijna eene soort van nijd gevoelde.

Zij beantwoordde de eerbiedige en naar alle regels der

ocr page 154

164

étiquette driemaal herhaalde neiging der gravin Rhedern met een korten driftigen knik, terwijl de koningin Elizabeth Christine, die naast haar zat, haar met een glimlach begroette. De koning, het voorhoofd zijner moeder ziendebetrekken, begreep dat het onweder naderde en den oorsprong daarvan zeer goed kennende, vond hij genoegen in dit aardige tooneel; hij vermaakte zich met de koningin-moe-der, die zich zoo levendig voor de ontvangst van de gravin Rhedern in de bres gesteld had, en die hij nu mejuffrouw Or-guelin zoo koud en scherp zag ontvangen; hij wilde zijne koninklijke moeder een weinig plagen met hare zoo snel vervlogen ingenomenheid met de gravin zonder naam, die geene andere aanspraken had op de gunst van aan het hof te verschijnen, dan de schuldenlast van haar grafelij ken gemaal, en hare mülioenen.

Hij begroette derhalve de jonge gravin met genadige en goedige woorden, en zich toen naar de koningin-moeder wendende, zei hij halfluid : „Inderdaad, majesteit, gij deedt zeer wel, de gravin Rhedern aan ons hof te noodigen. Zij zal het tot een bijzonder sieraad verslrekken.quot;

„Ja, tot een zeer bijzonder sieraad,quot; herhaalde Sophie Dorothea die nu reeds zoo ver gekomen was om de kalme, waardige ongedwongene houding der gravin als onbeschaamd en oneerbiedige te beschouwen, en vast besloten had deze indringster te straffen. Zij sloeg daarom haar fleren blik, de woorden des konings met verachtelijke, zelfs bijna spottende uitdrukking herhalende, op de gravin en haar met dat scherpe, onderzoekende en kalme oog beschouwende, zoo als slechts vorsten dat wagen te doen, zeide zij: „welk een vreemden en wonderlijken sleep draagt gij toch, gravin?''

„Het is Indisch fabrikaat,quot; antwoorddede gravin volkomen kalm; „mijn vader staat met eenige voorname handelshuizen in betrekking; door een van hen ontving hij de vreemde stof, welke de eer geniet de oplettendheid van uwe maiesteit te trekken.quot;

Sophie Dorothea bloosde van verontwaardiging en schrik. Deze nauwelijks uit het stof en de nietigheid verrezene gravin, had de onbeschaamdheid zich niet over haar verleden te schamen en het niet met een doordringbaren sluier te bedekken ; zij waagde het, in dit schitterend gezelschap, in tegenwoordigheid van twee koninginnen, van de handelsbe-

ocr page 155

165

trekkingen haars vaders te spreken, terwijl de koning in de grootmoedigheid had willen hebben, deze smet op hare geboorte met eeuwig stilzwijgen en vergeten te bedekken.

„O,quot; zei de koningin-moeder nu luide, „gij draagt daar een handelsartikel van uw vader. Dat is inderdaad eene zeer gemakkelijke en verstandige manier om de handelsartikelen van uw vader te recommandeeren en wanneer wij in het vervolg het toilet van gravin Rhedern zien, zullen wij en het hof dadelijk weten, wat het nieuwste artikel is, waarin uw vader, mijnheer Orguelin, handelt.quot;

Een nauwelijks gesmoord gelach der dames en heeren van het hof, die de woorden der koningin gehoord hadden, was het loon dier bittere scherts. Aller oogen richtten zich met eene uitdrukking van spotternij op de gravin, wier gemaal sidderend en doodsbleek aan hare zijde stond en den moed niet had, zijn blik van den grond op te slaan.

Alleen de jonge gravin bleef volkomen kalm en vrij.

„Nu,quot; riep de koningin vertoornd, „waarmede handelt uw vader dan

De gravin neeg diep en eerbiedig.,,Majesteit,quot; zeide zij, „mijn vader handelt bestendig met verstand, waardigheid, grootmoedigheid en bescheidenheid.''

De oogen der koningin schoten bliksemstralen. Eene winkeliersdochter waagde het der koningin eene terechtwijzing te geven ; zij had den moed hnar te trotseeren, en haar toorn te verachten.

Sophie Dorothea richtte zich in al de majesteit harer koninklijke waardigheid op; zij was op het punt deze hoogmoedige, nieuwbakken gravin met de volle laag harer honende verachting te verpletteren; zij had reeds haar mond geopend tot eene dier scherpn en bijtende aanmerkingen, welke des te vreeselijker en te verpletterender werken, wanneer zij door koninklijke lippen worden uitgesproken, omdat dan geene voldoening en terechtwijzing mogelijk is. Maar de koning zag het opkomende onweder op het voorhoofd zijner koninklijke moeder; hij wilde die uitbarsting voorkomen. Zijne grootmoedige en verhevene natuur kon de arme, weerlooze vrouw zoo niet zien martelen ; oók was de koning te vrij van vooroordeelen en van te edele gezindheid, dan dat de kalme en waardige hou-

ocr page 156

466

ding der gravin hem had kunnen mishagen. Juist datgene, waardoor zij den toorn der koningin opgewekt, had had haar de welwillendheid des konings doen winnen; en hij vergaf haar hare nederige geboorte, om haar verstand en de kracht van haar geest.

Hij legde zachtjes zijn hand op den schouder zijner moeder en de uitbarsting van haar toorn voorkomende, zeide hij met goedigen glimlach: „Vindt gij niet majesteit, dat de gravin Rhedern hare geboorte eer aan doet? Haar vader drijft handel met verstand, waardigheid en bescheidenheid. Nu, mij dunkt, dat de gravin het beroep van haar vader overneemt en zijn handel als eenige en ver-eerenswaardige erfgename doorzet. Nu mijne lieve gravin, ik beloof u mijne trouwe klandizie en zal voor uw achtenswaardig huis steeds een dankbare en toegenegen klant zijn, mits gij mij belooft, ook als gravin Rhedern niet te vergeten, waarin uw vader, zooals gij zegt, handelt en uw grafelijk huis tot een waardig opvolger van uw vaderhuis te maken.quot;

„Dat beloof ik uwe majesteit,quot; zei de gravin diep neigende, terwijl eene uitdrukking van reine en trotsche verrukking haar gelaat bestraalde en het bijna schoon deed schijnen. „Mocht uwe majesteit ook eenmaal de genade hebben,quot; vervolgde zij, de hand van haar gemaal nemende, zich zelve te overtuigen, dat het huis Rhedern amp; Compagnie den verheven koning, die hetzelve zoo grootmoedig zijne klandizie heeft beloofd, eere aandoet, en in staat is aan zijne eischen te voldoen.quot;

De koningin-moeder onderdrukte met moeite een uitroep van toorn en schrik. De gravin Rhedern waagde het, den koning tot iets uit te noodigen. Dat was een vergrij p tegen het ceremonieel en de hof-etiquette, zooals slechts door de grootste onwetendheid of de verregaanste onbeschaamdheid kon begaan worden, en waarvoor de koning ongetwijfeld de fiere vrouw dadelijk met trotsche minachting zoude straffen.

Maar deze keer had Sophie Dorothea zich vergist; da koning glimlachte, en zich met die onnavolgbare uitdrukking van goedheid, verhevenheid en zachtmoedigheid, welke hem alleen eigen was, even buigende, zeide hij ; „mevrouw ik zal zeer spoedig komen om te zien, of mijne hofleve-

ocr page 157

167

rancierster, de gravin Rhedern, mijne klandizie eer aandoet.quot;

Sophie Dorothea dacht, dat zij flauw zou vallen. Zij was niet meer in staat dit tooneel te verdragen, en zich geheel aan hare onstuimige dritt overgevende, beging zij in hare opvliegendheid dezelfde fout, welke de gravin Rhedern uit onwetendheid begaan had, — zij beging een vergrijp tegen de étiquette; zij deed, wat haar zoon, de koning, of de regeerende koning alleen mocht doen; zij maakte een einde aan de ceremoniëele voorstelling. Met ongewone drift van haar fauteuil opstaande, zeide zij ongeduldig: „ik denk, het zal tijd worden den dans in de groote zaal te gaan zien. Hoort uwe majesteit niet, hoe aanlokkend en vroolijk de muziek ons tegenklinkt. Laat ons gaan.quot;

Maar de koning legde lachend zijne hand op den arm der koningin.

„Madame,quot; zeide hij, „gij vergeet, dat er nog een gelukkige is, die verlangt, door den zonneblik der genade beschenen te worden. Gij vergeet, dat gij den graaf van Réal eene presentatie beloofd hebt.quot;

De koningin wierp een dier trotsche, verwijtende en berustende blikken op den koning, zooals zij in haar huwelijk met Frederik Wilhelm den eersten, zoo menig keer placht aan te wenden. Zij gevoelde zich overwonnen, vernederd en machteloos; de glans van grootheid was van haar voorhoofd geweken en had slechts nog in hare stralende en verpletterende oogen eone toevlucht gevonden.

„Ook dat nog,'' fluisterde zij, terwijl zij als overmand in den leuningstoel zonk. Zij hoorde nauwelijks de plechtige voorstelling van den graaf Réal; zij beantwoordde mei een korten, zwijgenden knik de eerbiedige begroeting van den armen graaf, die van genot en vreugde schitterde, daar hij eindelijk zijn doel bereikt had, door de koningin-moeder ontvangen te worden.

De koning was heden in eene stemming om den grootmoedigen bemiddelaar te spelen; hij moest daarom bij het toornige zwijgen zijner moeder weder in de bres springen.

„Madame,quot; zeide hij, „de graaf Réal is inderdaad een benijdenswaardig man. Hij heeft gezien, wat wij beiden waarschijnlijk nooit zien zullen; hij is onder de heldere, koesterende zon der tropische gewesten geweest en was gouverneur van het schoone en rijke Suriname.quot;

ocr page 158

468

„Vergeving, majesteit, ik was niet enkel gouverneur, ik had den titel van onderkoning,quot; zei de graaf met trotschen glimlach

„Zoo, waart gij onderkoning,quot; vroeg de koning als in het voorbijgaan? „Nu, waarin bestonden dan de eerbewijzen en waardigheden van uw onderkoningschap?quot;

„Ik was daar in even groot aanzien, als uwe majesteit hier is,quot; riep de graaf; „de onderkoning van Suriname wordt met dezelfde onderdanigheid, met denzelfden ootmoed en met dezelfde genegenheid behandeld; hij geniet dezelfde eerbewijzen en dezelfde hulde als de koning van Pruisen.quot;

„Zoo, inderdaad,quot; zei de koning glimlachend; „gij stondt dus gelijk met den koning van Pruisen.quot; En zich tot den naast hem staanden opper-ceremoniemeester, baron van Pöll-nitz wendende, vervolgde hij : „Gij hebt eenegroote fout tegen de étiquette begaan, baron van Pöllnitz. Gij hebt vergeten mijn halfbroeder, den onderkoning van Suriname een fauteuil te geven. ^ (Üj moet heden wat toegevend zijn, mijn waarde stiefbroeder, bij het volgende gefhaskerd bal zullen wij niet vergeten, dat gij onderkoning van SurinaTne zijt, en wee dan den baron, wanneer hij u geen fauteuil aanbiedt.quot;

Met deze woorden reikte hij der koningin-moeder zijn arm en gaf prins August Wilhelm een wenk hem met de regeerende koningin te volgen, om zich naar de danszaal te begeven.

De van gouden belegsels en borduurwerk schitterende pages snelden toe, om de slepen der beide koninginnen te dragen, de opper-ceremoniemeester trad met zijn gouden staf voor het koninklijke paar, en zoo begaf zich het hof in plechtigen optocht naar de groote, prachtig verlichte danszaal. i)e muziek deed een driemaal herhaald trompet-geschetter hooren, en al deze schoone, heerlijk gekleede, van genot en vreugde stralende maskers, die zich zoo even nog bij den dans in bont gewoel dooreen gemengd hadden, schaarden zich onder eerbiedig buigen ter ontvangst van den koning en zijn verheven gezin.

„Wanneer het u behaagt, mevrouw,quot; zeide de koning, den arm zijner moeder loslatende, „vergeten wij voor een

1) Thiébault. Vol. I, pag. 83 en Vol. II, pag. 57.

ocr page 159

169

half uur de étiquette en mengen wij ons vroolijk onder deze talrijke bonte en wonderlijke gasten.''

En zonder het antwoord der koningin af te wachten, boug de koning voor haar en snelde, door den baron van Pöllnitz gevogd, door de zaal naar het belendende kabinet, waar een domino en een halfmasker voor hem gereed lagen.

Het gansche hof volgde het voorbeeld des konings, de prinsen en prinsessen, ja zelfs de regeerende koningin maakte van het gegeven verlof gebruik, om voor een half uur de étiquette te mogen vergeten, en men verspreidde zich naar alle kanten.

De koningin-moeder bevond zich plotseling midden in de groote zaal geheel alleen, door haar geheele bof verlaten. Alleen haar hofmaarschalk, graaf Rhedern met zijne gemalin en de pages, die haar sleep droegen, stonden achter haar.

Sophie Dorothea slaakte een diepe zucht; zij gevoelde nu weder, dat zij toch niet meer de regeerende koningin, maar de koningin-weduwe was, afgestegen van den troon tot op den tweeden trap, eene machtelooze weduwe, hoewel eene koningin. Zij zag zich verlaten, onopgemerkt, alleen.

Gelukkig was de gravin Rhedern, de gemalin van haar hofmaarschalk er, om haar gloeienden toorn eene welkome gelegenheid te geven, zijn lava over haar uit te storten.

„Mevrouw,quot; zeide zij, met verpletterenden blik op de gravin, „uw sleep is inderdaad veel te lang. Gij hadt eenige winkelbedienden van uw vader moeten medebrengen, die u als pages den sleep of liever het handelsartikel van uw vader konden ach ter nadragen; men zou dan het voorrecht hebben, de stof beter te kunnen zien.''

De gravin boog zich. „Uwe majesteit moge mij vergeven, wanneer ik uwe bevelen dezen keer niet uitvoeren kan Ik heb het recht niet, de winkelbedienden mijns vaders in mijnen dienst te gebruiken. Maar wellicht is er een ander hulpmiddel te vinden, en, wanneer uwe majesteit werkelijk meent, dat ik eenige sleepdragers behoef, zou ik de vrijheid nemen voor te slaan, dat wij daarvoor eenige der voornaamste schuldenaars mijns vaders namen, in de hoop, dat mijn vader hun dan eenig uitstel van betaling zou toestaan. Uwe majesteit kan zich overtuigd houden, dat wan-

ocr page 160

470

neer zij mijn voorstel zou willen aannemen, ik dadelijk eenige van uwe voornaamste cavaliers tot mijne sleepdragers kan kiezen, en dus de schitterende hofhouding van uwe majesteit eer zoude aandoen.quot;

De koningin antwoordde niets. Zij slingerde slechts een toornigen blik op deze ten strijde toegeruste, on verschrok-kene vrouw, die met onverstoorbare, kalme gelijkmoedigheid naast haar stond en ging toen met vasten en fleren tred naar de tribune, welke voor de koninklijke familie onder een troonhemel was opgericht.

XVII.

DE GEMASKERDEN.

De koning had intusschen met behulp van baron van Pöllnilz zijn toilet geëindigd en zich in een dier maskers veranderd, zooals er honderden in] de zalen rondzwierven.

„Denkt gij, dat men mij herkennen zal?quot; vroeg de koning, zijn masker voordoende.

„Sire, het is onmogelijk. Maar uwe majesteit moet het masker een weinig over de oogen schuiven, opdat deze een weinig beschaduwd werden. Zonder deze voorzorg zou iedereen uwe majesteit herkennen; er is geenmenschelijk oog, dat op het uwe gelijkt.quot;

„Nu, ik denk, dat deze oogen weldra ook eenige dingen zien zullen, welke door weinige menschenoogen gezien worden,quot; zei de koning glimlachend. „Hebt gij al een slagveld gezien, bedekt met vluchtende vijanden, en stondt gij als overwinnaar te midden van lijken?quot;'

„De hemel beware mij, sire! De vijanden, die ik gezien heb, hebben nooit de vlucht voor mij genomen, integendeel, zij hebben mij op de vlucht gejaagd; en het is inderdaad een wonder, dat ik hen nog altijd ontloopen ben.quot;

„Wie zijn uwe zegevierende vijanden?''

ocr page 161

171

„Sire, dat zijn mijne schuldeischers en uwe majesteit moge mij gelooven, dat deze op mij een vreeselijker indruk maken, dan een slagveld vol lijken ; want ongelukkig zijn zij niet dood, maar springlevend om mij te kwellen.quot;

De koning lachte. „Misschien gelukt het u, hen nog eenmaal te dooden,quot; zeide hij. „Zoodra ik mijn slagveld, zooals ik het u schilderde, gezien heb ; zoodra ik zegevierend zal zijn teruggekeerd, zullen wij er over denken ook uwe vijanden te dooden. Tot dien tijd moet gij u dapper blijven verdedigen. Kom nu, laat ons naar de zaal gaan. Ik heb nog maar een half uur voor het vermaak over!quot;

Hij opende de deur van het kabinet en trad de zaal binnen, mengde zich met vroolijke scherts onder de gemaskerden, terwijl Pöllnitz naast de gesloten deur van het kabinet bleef staan en zijn blik bespiedend, alsof hij iemand zocht, over de menigte liet gaan. Nu zweefde een spottende glimlach over zijn gelaat, en hij mompelde voor zich heen.

„Daar, daar zijn zij alle drie reeds! Daar is de zedige, gesluierde non, in welke niemand mevrouw van Morien zou herkennen. Daar staat de kaartenkoning, de Quinzevingt, Mannteuffel, volstrekt niet vermoedende, dat hij de partij reeds verloren en zijne troeven nutteloos uitgespeeld heeft; en eindelijk als heidin, mevrouw van Brandt, die elkeen zijn noodlot uit de hand voorspelt, zonder te vermoeden, dat haar eigen lot zoo spoedig beslist zal zijn. Och, een stukje papier, met eenige regels beschreven, is voldoende om drie menschen te ontmaskeren en hun dat fraaie klatergoud en den schitterenden maskertooi, waarachter zij zich verbergen, te ontrukken.''

„Nu, mijnheer van Pöllnitz,quot; fluisterde de non, die hem dicht genaderd was, „zult gij de mij gegeven belofte nu vervullen?quot;

„Liefste mevrouw van Morien,''hernam de baron schouderophalend. ,,de koning heeft mij streng verboden bem te verraden. Zijne majesteit wil onbekend blijven.quot;

„Pöllnitz,quot; fluisterde de non met trillende, in tranen smorende stem. „Heb medelijden met mij! Zeg mij het masker des konings en gij kunt van mijne eeuwige dankbaarheid verzekerd zijn ! Ik weet, gij houdt van juweelen ! Daar, deze kostbare speld heb ik medegebracht, om u als tegengeschenk voor uwe mij nog kostbaarder tijding te geven!

ocr page 162

172

Laten wij dus ruilen; geef mij het beloofde bericht, en neem gij de speld !quot;

,,Het is onmogelijk u te weerstaan,quot; riep de baron, zijne hand naar de schitterende speld uitstekende. „Gij bezit zulk eene overtuigende welsprekendheid, dat ik wel toegeven moet! fiUister dan, de koning draagt een hemelsblauwen domino; gij kunt hem daaraanherkennen, dat dezelve meteen zilveren rand geborduurd is! Op zijn hoofd draagt hij eene witte pluim met eene robijnen speld vastgemaakt; en de gespen zijner schoenen zijn van robijnen en diamanten.quot;

„Ik dank u,quot; fluisterde de non, hem haastig de speld gevende en onder de bonte gemaskerden verdwijnende.

Pöllnitz was nog bezig met de speld in zijn kanten hom te steken, toen de kaartenkoning reeds naast hem stond en hem zijne hand op den schouder legde.

.,Nu, heer baron, gij ziet, dat ik stipt op ons rendez-vous ben; en ik ben nu zeer verlangend onze wederzijdsche geheimen te ruilen. Gij beantwoordt mij de vraag, welke ik gisteren de vrijheid nam, u te doen, en geef u daarvoor een bericht dat u eene rijke en gelukkige toekomst verzekert.quot;

„Ik neem ('en ruil aan, heer graaf; gij wenschtvan mij te weten, welke marschroute de koning denkt te nemen, en hoe sterk het aantal zijner troepen is? Hier hebt gij een nauwkeurig overzicht der troepen en hier het plan der marschroute. Ik heb beide van een invloedrijken vriend ontvangen, die tevens de meest vertrouwde dienaar des ko-nings is. Alleen moest ik dezen vriend duizend dukaten voor deze beide papieren betalen, zooals ik u reeds vroeger gezegd heb.quot; „Hier hebt gij eene aanwijzing op vier duizend daalder,quot; zeide de graaf, hem een papier gevende. „Gij ziet, ik heb den koopprijs niet vergeten.quot;

„En het gewichtig geheim?quot;

„Hier is het, luister! In Neurenberg leeft eene met mij bevriende familie, welke slechts eene eenige dochter bezit, de erfgename van een millioen ! De familie is van burgerlijke afkomst, maar wenscht hare dochter aan een Pruisisch cavalier uit te huwen. Ik heb u daarvoor aanbevolen en men heeft er genoegen mede genomen. Gij hebt niets anders te doen, dan er heen te reizen, dezen aanbevelingsbrief over te geven en uw voorstel te doen. Men zal u het jawoord

ocr page 163

173

geven en na de bruiloft, welke dadelijk voltrokken kan worden, zijt gij de erfgenaam van een millioen !''

„Hm! Een millioen is niet zoo heel veel, zeide Pöllnitz schouderophalend. „Als ik dan toch een burgermeisje moet trouwen, om tot een millioen te geraken, ken ik hier een meisje, dat misschien niet minder heeft en van hetwelk ik ten minste bij ondervinding weet, dat zij nog jong, schoon en buitendien op mij verliefd is, hetgeen met uwe Neuren-bergsche wel niet het geval zal zijn !''

„Nu, neem in alle geval mijn brief,quot; zeide de graaf lachend, „en overleg mijn voorstel. Gij zult mij toch moeten toestemmen, dat mijn geheim wel den prijs waard was. Tot wederziens, beste heer baron.quot;

En de graaf stond reeds op het punt van heen te gaan, toen hij zich nog eens omkeerde. „Nog iets, lieve baron! Ik heb nog eene kleine voorwaarde vergeten, welke aan het huwelijk der schoone uit Neurenberg verbonden is. De familie is streng protestantsch en verlangt volstrekt een protestantsch echtgenoot voor hare dochter. Wanneer gij haar dus wilt huwen, moet gij de goedheid hebben van geloof te veranderen, wat als ik mij niet vergis, zijt gij thans katholiek.quot;

„Ja, voor het oogenblik ben ik katholiek; dat is intusschen geen hinderpaal, ik was vroeger ook al eens protestant, en bevond er mij even goed en even slecht bij, als nu ik weer katholiek ben.quot;

De graaf lachte en verdween onder het gedrang, terwijl de heer Pöllnitz met aandacht het papier bekeek, dat de graaf hem gegeven had en dat de aanbevelingsbrief aan den rijken vriend te Neurenberg was.

„Ik geloof, dat Anna Pricker ten minste ook een half millioen bezit,quot; mompelde hij bij zich zeiven en „een half millioen daalders is bijna evenveel als een millioen van die lichte Neurenberger guldens! De oude Pricker ligt doodziek, wegens den plotselingen dood zijner vrouw. Sterft hij, dan wordt Anna eene even rijke erfgename, als deze uit Neurenberg. Gelukt ons plan, en zij wordt inderdaad eene groote zangeres, zooals Quanz gelooft, dan zal zij daardoor ook veel invloed op den koning krijgen, en men zal vergeten, dat zij een kleermakersdochter is. Ik geloof, dat ik Anna Pricker liever neem, dan die uit Neurenberg, die

ocr page 164

174

ik als eene kat in den zak moet koopen. Maar in elk geval, moeten wij eene achterdeur open houden ; mocht het vermogen van Anna Pricker niet zoo groot zijn als ik vermoed, dan wordt ik protestant en neem die uit Neurenberg!''

Mijnheer vanPöllnitz was zooverre met zijne overpeinzingen gekomen, toen de heidin voor hem stond en hem met schalksche woorden begroette. Pöllnitz was dadelijk weder de vroolijke, glimlachende cavalier en beantwoordde de scherts der heidin met stouten overmoed en geestigheid. Maar mevrouw van Brandt, in het ongeduld harer vrouwelijke nieuwsgierigheid, gaf spoedig den woordenstrijd op.

„Gij beloofdet mij inlichtingen aangaande den brief, welken ik onlangs op het feest van het hof verloren heb,quot; zeide zij.

„O, die gewichtige, belangrijke brief, die wel in staat was twee dames en een heer zeer te crompromitteeren, die er dus op gesteld moeten zijn den brief terug te hebben, al moest het dan ook met opofferingen gepaard gaan.quot;

„Ja, ja, met opofferingen,quot; riep mevrouw van Brandt ongeduldig. „Gij vraagt voor den brief honderd dubbele Louis-d'or. Ik heb ze medegebracht. Hebt gij den brief?quot;

„Ja, ik heb hem.quot;

„Neem dan spoedig die rolletjes, welke mij buitendien al zwaar genoeg waren, zoo! Nu spoedig den brief.quot;

De baron stak de rolletjes in zijnen borstzak.

„Nu den brief, geef spoedig hier!quot; zei mevrouw van Brandt.

„Pöllnitz doorzocht juist zijne zakken. „Mijn hemel, zei hij, ,,de brief schijnt vleugelen te hebben om te vluchten, als men hem juist het meest noodig heeft. Ik weet zeker, dat ik hem in mijn borstzak gestoken heb en nu is hij verdwenen! Misschien heb ik hem ook wel, even als gij, in de zaal verloren; laat ons dus spoed maken, om hem te zoeken.quot;

Mijnheer van Pöllnitz wilde zich haastig verwijderen, maar mevrouw van Brandt hield hem tegen.

„Wees zoo goed mij mijn geld eerst terug te geven, tot dat gij den brief gevonden hebt,quot; zeide zij bevende van toorn.

„Uw geld?quot; vroeg Pöllnitz soiijnbaar verwonderd. „Uw

ocr page 165

175

geld? Ik kan mij niet herinneren, dat gij mij ooit geld te bewaren hebt gegeven! Laat mij nu spoedig gaan om den brief te zoeken.quot;

Hij rukte zich haastig los en snelde midden in het gewoel der gemaskerden, terwijl mevrouw van Brandt hem sprakeloos van toorn nastaarde en half bewusteloos tegen den wand leunde, om niet te vallen.

Maar PöÜnitz ijlde welgemoed verder en zich een weg banende door het gedrang der pratende, lachende, heen en weer wandelende, dansende menigte, zeide hij vroolijk bij zich zeiven: „Deze avond heeft mij drieduizend dukaten, tweehonderd Louis-d'or, het uitzicht op eene rijke bruid en eene juweelen speld opgebracht. Ik heb dus reden om tevreden te zijn, en heb, ten minste voor eenige maanden, wat om van te leven. Nu sta ik door al deze kuiperijen zeer in de gunst van den koning en wie weet, of hij mij eindelijk nog niet een huis schenkt, alhoewel dat van Eckhardt, helaas, naar de maan is. O, daar zie ik den koning midden in het gedrang der gemaskerden, haasten wij ons dus om —quot;

Plotseling hoorde hij zijn naam fluisteren, en zich om-keerende, zag hij eene dame in een zwarten domino met de zwarte kap diep over de oogen en het gelaat door een dubbel kanten masker verborgen.

„Mijnheer van Pöllnitz, een woordje, als ik u verzoeken mag,quot; zeide de dame, hem even met de hand een wenk gevende en voor hem uit, door het gedrang gaande.

Pöllnitz volgde haar, met nieuwsgierige blikken hare gestalte onderzoekende, om het een of ander herkenningstee-ken te vinden; maar de zwarte domino met de hooge kap verborg de geheele gestalte, en gaf nergens gelegenheid tot eenig vermoeden, tot een bespiedenden blik.

Zij waren nu aan eene ledige vensternis gekomen; daar zette zich de dame neder, Pöllnitz een wenk gevende haar na te volgen .

„Mijnheer baron van Pöllnitz,quot; zeide zij met eene zachte, beschroomde stem, „men noemt u een der edelste en behendigste 'cavaliers. Gij zult daarom eene beleefdheid niet weigeren, wanneer zij van u wordt verzocht.quot;

„Beveel slechts, dame,quot; zeide Pöllnitz met zijn eeuwige glimlach. „Wat in mijn vermogen is, zal ik doen.quot;

ocr page 166

176

„Gij kent zonder twijfel het masker des konings; wees zoo goed mij er mede bekend te maken.quot;

Baron van Pöllnitz deed verbaasd een stap achteruit. „O, dat noemt gij eene beleefdheid, schoon masker? Ik moet u de kleeding van dèn koning verraden ! Zijne majesteit heeft mij streng verboden, aan iemand hoegenaamd zijn costuum te verraden en wanneer ik het u nu beschreef, zou dat niet, zooals gij belieft te zeggen, eene beleefdheid, maar eene beleediging der majesteit zijn en gij kunt niet verlangen, dat ik zulk een misdrijf bega.quot;

„En nochtans bezweer ik u, mijne bede te vervullen!'' riep de gemaskerde levendig. „O, geloof mij, het is geenszins nieuwsgierigheid, die tot dit verzoek aanleiding geeft; het is het gloeiend en wellicht ook rechtmatig verlangen, den koning, vóór hij Berlijn verlaat, nog eenige woorden toe te voegen, hem nog eenmaal te spreken, voor hij naar den krijg trekt om wellicht nooit weder te keeren.quot;

De dame had intusschen, medegesloept door den gloed van haar gevoel, met luide, onveranderde stem gesproken ; er waren in deze stem klanken, welke Pöllnitz niet onbekend schenen. Een donker, onbepaald voorgevoel kwam bij hem op en bracht hem in verlegenheid.

Maar voor hij sprak, moest hij zekerheid hebben. Hij trad dichter naar de dame toe en zijn vasten en onderzoekenden blik op haar slaande, zeide hij: „Gij zegt, dat het geene ijdele nieuwsgierigheid is, welke u aanleiding geeft naa-.- het costuum des konings te vragen. Wie blijft mij borg, dat het geene slechtere en gevaarlijker bedoelingen zijn, welke gij koestert? Wie waarborgt mij, dat gij geene door Oostenrijk omgekochte vijandin zijt, die den koning, de hemel weet het, in het een of ander gevaar kon brengen ?quot;

„Daarvoor blijft u het woord eener dame borg, die nog nooit eene onwaarheid gesproken heeft,quot; riep de dame levendig. „Neen, mijnheer van Pöllnitz, God, die ons hoort. God, die het dierbare leven van onzen koning beschermen en behoeden zal, God weet het, dat in mijn hart geene gedachte, geen gevoel bestaat, dat den koning gevaar of leed toedenkt.quot;

„Wilt gij mij dat zweren?quot;

„Ja, ik zweer het, zoo waar er een God in den hemel

ocr page 167

177

is!quot; riep de dame, plechtig haar arm ten hemel helfende. Pöllnitz volgde met nieuwsgieren blik elk barer bewegingen. Hij zag, hoe de lange wijde mouw van den domino der onbekende tot aan den elleboog naai' beneden gleed hij zag den prachtigen armband van smaragden en diamanten, welke om den blanken arm der dame zat en die in verwonderlijken glans fonkelde en schitterde.

De heer van Pöllnitz wist nu, wat hij weten wilde ; zijn vermoeden was juist geweest, hij kende de dame, die voor hem stond. Er was aan het Pruisische hof slechts ééne dame, die zulk een prachtig kleinood, als dezen armband, bezat! Deze dame was de regeerende koningin, Elisabeth Christine.

Baron van Pöllnitz was intusschen een te ervaren hoveling, om zijne verrassing en verwondering te verraden. Hij maakte zijne buiging volkomen bedaard voor de dame, die, verschrikt over hare eigene onvoorzichtigheid, haar arm had laten zinken en de verraderlijke mouw over het fonkelende kleinood had getrokken.

„Mevrouw,quot; zeide hij „gij hebt mij een plechtigen eed gedaan, die mij volkomen gerust gesteld heeft. Ik ben nu bereid uwen wensch te vervullen, zooals het een cavalier, tegenover eene dame, betaamt. Daar ik intusschen mijn woord gegeven heb, niemand iets van het costuum des ko-nings te zeggen, moet ik het houden. Gij moet er u dus mede tevreden stellen, dat ik u den koning aanwijs. Ik ga hem juist opzoeken, en ik zal met niemand, behalve met hem spreken. De domino dus, dien ik het eerst aanspreken en voor wien ik mij buigen zal, is de koning. Wees dus zoo goed mij te volgen, de koning wacht mij !quot;

„Ik dank u,'' fluisterde de dame, zich dichter in haar domino wikkelend. „Ik zal dit uur niet vergeten en mocbt het ooit in mijne macht staan u een dienst te bewijzen, dan zal ik het doen, reken daar op!quot;

„Inderdaad, een zeer gelukkige avond,quot; dacht Pöllnitz, toen hij, gevolgd door de domino, weder naar de danszaal ging, „een zeer gelukkige avond en rijk aan vruchten ; want ik heb niet enkel geld en diamanten verdiend, maar ook de gunst der koningin, die mij tot nog toe ongenegen en bijna vijandig was. Maar daar staat de koning! Ik zal mij tot hem begeven!quot;

Uühlbaoh, Frederikde Oroote en syn Hof. II. 12

ocr page 168

178

Hi] gaf een wenk aan de (iame en naderde den koning, die, Pöllnitz ontwarende, dadelijk naar hem toestapte, Pöllnitz boog zich, terwijl de verkleede dame achter hem de gestalte en het costuum des konings met hare blikken verslond.

„Gij hebt lang op u laten wachten,quot; zeide de koning zachtjes.

„Sire, ik moest op onze drie masken wachten.quot;

„Zij zijn dus alle drie gekomen

„Alle drie, sire! Mevrouw van Morien, graaf Mannteuffel en mevrouw van Brandt.GraafMannteuffelbleef zijn karakter getrouw ; hij is altijd de onschuldige Quinze-vingt, dien niemand behoeft te vreezen, en om dat ook heden zinnebeeldig te toonen, is hij in het costuum van een kaartenkoning hier.quot;

„Ik zal tegen dezen kaartenkoning het spel zoo hoog inzetten,quot; mompelde de koning, „dat hij zijne geheele toekomst in Pruisen er door verliezen zal! — En mevrouw van Morien ?quot;

„Is als non hier en brandt van verlangen uwe majesteit te spreken. Zij srr eekte zoolang, totdat ik haar het costuum van uwe majesteit beschreef en wanneer gij u later in de donkere zaal zult begeven, die door den behanger en den tuinman in een somber boschje met priëelen en grotten veranderd is, zal de boetvaardige non er u zonder twijfel volgen, sire!quot;

„Het is goed. Welk costuum draagt mevrouw vanBrandt?quot;

„Dat eener heidin,sire. Gele rok met zwarte figuren, een rood met goud geborduurd lijfje, eene kleine baret met diamanten bezet op de golvende lokken en een groot moesje aan den rechterslaap naast het masker. Zij wilde den brief van mij hebben en ik verkocht haar dien voor tweehonderd Louis d'or.quot;

„Welke gij intusschen niet kondet verdienen, omdat gij den brief niet hadt.quot;

„Vergeving, sire; ik(heb ze al verdiend; ik nam eerst de Louis d'or, verklaarde toen, dat-ik den brief verloren had en hem ging zoeken.quot;

De koning lachte. „Pöllnitz, Pöllnitz,quot; zeide hij, „het is inderdaad gelukkig, dat gij niet getrouwd zijt! Welke galgenbrokken zouden uwe kinderen worden ! Gaaft gij den graaf Mannteulfel het bewuste plan en de lijst der troepen?quot;

„Ja sire en de goede graaf was er zoo blijde mede, dat

ocr page 169

179

hij mij een geschenk van vierduizend daalder'gaf. Ik nam ze voor den schijn aan, maar uwe majesteit moet bepalen, wat er mede gedaan moet worden.quot;

„Behoud uwen roof. Gij bezit een heerlijk zakkenrollerstalent ; maar ik heb liever, dat gij dit op de Oostenrijkers, dan op mij toepast. Het kan volstrekt geen kwaad, dat de edele graaf voor die valsche berichten vierduizend daalder op den koop toe moest geven! Voor die valsche plannen is het genoeg; voor de echte zou het een belachelijken spotprijs zijn! Ga nu heen, baron en zorg, dat ik mijn uniform in mijn kabinet kan vinden!quot;

De koning begaf zich weder in het gedrang. Niemand lette op hem, niemand herkende hem, en dit incognito behaagde den koning het meest. Hij kon ongestoord onder de menigte gaan; hij kon mensch met de menschen zijn, en vrij met hen praten en lachen.

XVIII.

VERGELDING EN STRAF.

Maar plotseling verstomden de opgeruimde, schertsende woorden en het vroolijk gelach des konings. Hij had voor eenige oogenblikken vergeten, dat hij hier nog andere zaken te doen had, dan zich te vermaken; hij had vergeten, dat bij hier was om te vonnissen en te straiten. Nu herinnerde hij het zich, want juist naast hem stond de kaartenkoning, de vroeger zoo beminde MannteuITel.

„O, ik zocht u, mijnheer de kaartenkoning,quot; zeide hij zachtjes, zijne hand op den schouder des graven leggende.

„Gij ontbraakt nog aan mijn spel, nu ik u echter in handen heb, zal ik stellig winnen.quot;

De graaf had een te fijn oor, om niet dadelijk ondanks de vermomming, de stem des konings te herkennen; maar hij was een te geslepen diplomaat, om het incognito des konings te schenden.

ocr page 170

180

„En welk spel wilt gij met mij spelen, masker ?quot; vroeg hij, den koning volgende, die snel de zaal doorging, om in eene dier sülle, weinig bezochte nevelzalen te komen.

„Een geheel nieuw spel, het krijgsspel wil ik met u spelen, mijnheer de kaartenkoning,quot; zeide de koning rauw toen hij, gevolgd door den graaf in de kleine zaal trad, welke juist eenzaam en verlaten was.

„Het krijgsspel?quot; herhaalde de graaf. „Dat spel ken ik niet.quot;

De koning antwoordde niet dadelijk, maar liep driftig eenige keeren heen en weer, en slechts in het voorbijgaan sloeg hij op den graaf zijne blikken, welke, ondanks het masker, als bliksemstralen flikkerden lichtten. „Heer graaf,quot; zeide hij eindelijk, voor Mannteuffel stilstaande, „ik ben uw vriend, en wilde ü daarom een goeden raad geven. Verlaat nog dezen nacht Berlijn en keer er nooit weder terug.quot;

„En waarom raadt gij mij dat, masker? vroeg de graaf schijnbaar geheel onbevangen.

„Omdat gij hier in gevaar verkeert, als verrader gevangen en als spion ter dood gebracht te worden! Antwoord mij niet, verdedig u niet! Ik zeg u, dat ik uw vriend ben; maar ik ben ook de vriend des konings en even als ik u voor eene, alhoewel rechtvaardige straf, tracht te behoeden, zoo wil ik hem een onvermijdelijk leed en verdriet besparen. De koning weet niet, dat gij een spion van Oostenrijk zijten dat gij in dienst van Seckendorf en het kei-zerhuis staat! Moge hij het nooit vernemen, want zijn toorn zou des te vreeselijker zijn, omdat hij u eens bemind heeft. Ja, graaf het is waar, deze arme vorst was jong, onervaren en lichtgeloovig genoeg om aan uwe liefde te gelooven en u zijn hart te schenken. Ontzie dus zijne jeugd, bespaar hem de vernedering, den man te moeten verachten en straffen, dien hij eens bemind heeft O, mijn God, het is zoo smartelijk, een wezen met verachting te moeten vertrappen, dat men vroeger met zorg en liefde aan zijn hart koesterde. De koning had, zooals gij weet, een gevoelig hart en het is nog niet verstaald genoeg, om zonder smart de slagen te verduren, welke zijne verraderlijke vrienden het toebrengen. Er zal een dag komen,

ocr page 171

181

waarop de koning een pantser, uit wantrouwen en verachting voor de menschen gesmeed, om zijn hart zal dragen, dat ondoordringbaar, zelfs wellicht voor de ware liefde zal zijn. Maar nog is zooals ik gezegd heb, die tijd niet gekomen. Wacht dien niet af, graaf, want dan zou de koning onverbiddelijk tegen u zijn, dan zou hij in u niet meer den vroegeren vriend, maar enkel den verrader, den spion zien. Haast u dus, spoed u van hier, opdat geene andere straf u treil'e, waarmede uw kwaad geweten u toch eenmaal folteren zal.quot;

„Maar hoe, wanneer ik blijf, wanneer ik tracht mij voor den koning te rechtvaardigen ?quot; vroeg de graaf beschroomd.

„Beproef dat niet, want deze poging zou te vergeefsch zijn! In hetzelfde oogenblik, waarin gij dit besluit zoudt willen ten uitvoer brengen, zou de koning al uwe listen en lagen, uwe omkoopingen en verraderijen vernemen; hij zou weten, dat gij met den hofkok in briefwisseling stond, dat mevrouw van Brandt voor u een dagboek hield, dat door u naar het Oostenrijksche hof gezonden werd en waarvoor gij mevrouw van Brandt aanzienlijke sommen moest betalen; hij zou weten, dat gij elk zijner schreden, elk zijner woorden beluisterdet, om het gehoorde voor Oosienrijksch goud te verkoopen ! Neen, neen, waag het niet naar den koning te gaan ; want eene rechtvaardiging is onmogelijk! Uwe eigene daden zouden tegen u opstaan en tegen u getuigen. Vertrek in stilte en waag het nooit weder het land van den koning van Pruisen te betreden. Dat is de raad, dien ik als vriend wilde geven.quot;

„En raadt gij mij te gaan, zonder van zijne majesteit afscheid te nemen zei de graaf geheel bedwelmd en verward.

„Ik raad het u niet, ik beveel het u !quot; riep de koning, de aangenomen vermomming vergetende. „Ik beveel u on-middelijk dit slot te verlaten, zonder woord of groete, zwijgend, zooals een overtuigd misdadiger betaamt. Ik beveel u, dezen nacht nog te vertrekken, om het even waarheen, naar de hel zelfs, wanneer gii er lust toe hebt! Ga! —quot;

De graaf gehoorzaamde, zwijgend boog hij zich voor den koning en verliet daarop met waggelenden tred,

ocr page 172

182

gebogen hoofd, diep vernederd en wanhopend de zaal.1)

De koning zag hem na, totdat hij in het gewoel verdween.

„En voor zulk een man moet men zijn geloot en zijn vertrouwen op de menschen laten varen; om zulk een mensch moet men zijn hart verstalen,quot; zei hij hij zich zeiven. „Is het dan waar, wat de wijzen uit alle tijden gezegd hehhen, dat de vorsten veroordeeld zijn, een eenzaam koud, vreugdeloos leven te leiden; dat zij nooit een vriend kunnen hebben, onbaatzuchtig en grootmoedig genoeg, om troon en macht te vergeten, en hen niet als vorsten, maar als menschen te beminnen! Als dat zoo is, waarom zou ik dan mijn hart aan de menschen hechten, waarom niet liever de honden liefhebben, die trouw en eerlijk zijn, om het even of hun meester een vorst of een bedelaar is? — O, daar zie ik de behaagzieke heidin, die Pöllnitz mij beschreven heeft, de edele vriendin van Mannteuffel. Wij zullen eens de rollen omkeeren,en in plaats dat zij mij waar zegt, zal ik hot haar doen.quot;

En de koning ging haastig naar de heidin, die juist in de haar aangeboden handen van eenige cavaliers gelezen, en hun scherpe boertige en geestige voorspellingen gedaan had.

De koning trad nader en fluisterde: Pöllnitz heeft den bewusten brief gevonden en hij brandt van verlangen hem u weder te geven.''

„Waar is hij?quot; vroeg de heidin driftig.

„Volg mij,quot; zei de koning, zich naar eene vensternis begevende. Mevrouw van Brandt volgde hem in ongeduldigen haast.

„Hier zijn wij alleen, hier kunnen wii onopgemerkt praten,quot; zeide de koning.

Mevrouw van Brandt lachte. ,,Om te praten moeten er twee zijn ! En wie zegt u, masker, dat ik genegen ben met u te praten? Gij hebt mij hierheen gebracht, omdat gij van een brief spraakt, welken baron van Pöllnitz mij geven zou, maai' ik zie hier noch Pöllnitz noch den brief.quot;

1

De graaf van Mannteufiel verliet ten gevolge van het koninklijk bevel Berlijn en de Pruisische staten voor altijd. Hij begaf zich eerst naar Dresden en vertrok toen met zijne vrouw naar Kuramerfrei waar hij zonder erfgenamen stierf, de laatste spruit uit het huis Mannteuffel. Zie Rodenbeck. Tage-buch I pag. 27.

ocr page 173

183

„Pöllnitz heeft mij den brief gegeven om hem u ter hand te stellen; maar voor ik dat doe, willen wij eens beproeven, of ik reeds iets van u geleerd heb en of ik misschien even goed voorspellen kan, als gij zelve. Geef mij uwe hand en ik zal u waarzeggen.quot;

Mevrouw van Brandt stak hem sidderend en buiten siaat een woord te spreken hare hand toe. Zij had de stem herkend, welke zoo gebiedend tot haar sprak; zij wist, dat de koning voor haar stond.

De koning beschouwde de hand, zonder die evenwel aan te raken. ,,Het zijn vreemde dingen, welke ik daar lees. Daar in die lijnen staat te lezen, dat gij eene gevaarlijke intriguante, eene verraderlijke onderdane, eene wreede co-quet'e zijt.''

„Gelooft gij dat?quot; vroegdeheidin met gedwongen glimlach.

„Ik geloof het niet, ik weet het, want het noodlot liegt nooit; en het noodlot heeft met onuitwisbare letters in uwe hand en op uw voorhoofd geschreven! Zie! daar staat geschreven, dat gij uit een vreemd land voor ven-aderlijke diensten eene groote som gelds hebt gekregen; hier zie ik eenige juweelen, waarmede men u omgekocht heeft en daar ginds lees ik, dat men u twintigduizend daalder beloofd heeft, wanneer gij wist te bewerken, dat een zeker huweliik niet ontbonden werd. Mijn God, gij beeft, en uwe hand trilt zoo, dat ik nauwelijks verder lezen kan. Houd uwe hand stil, mevrouw, opdat ik niet enkel uw verleden, maar ook uwe toekomst voorspellen kan.

„Ik zal gehoorzamen.'' fluisterde mevrouw van Brandt bijna onhoorbaar.

„Hier lees ik van een gevaarlijken brief, welke door uwe eigene onvoorzichtigheid in verkeerde handen is geraakt. Wanneer de koning dezen brief mocht lezen, is uw ondergang onvermijdelijk. Hij zou u als landverraderes straffen, u niet enkel van het hof verbannen, maar u ook in eene vesting laten opsluiten; zooals zulks naar wet en recht gebruikelijk is wanneer in oorlogstijd een zijner onderdanen met den vijand samenspant. Verheug u dus; want wanneer gij verstandig en beraden zijt, zal de koning niets vernemen en gij zult gered zijn !quot;

„En wat moet ik doen, om mijn ongeluk te voorkomen,quot; vroeg mevrouw van Brandt ademloos.

ocr page 174

184

„Gij moet u zelf van het hof verbannen! Gij moet u, onder een of ander voorwendsel, van het hof en uit Berlijn verwijderen; gij moet u naar de landgoederen van uwen man begeven, om daar in stilte en eenzaamheid over uwe misdrijven na te denken; gij moet doen, zooals Magdalena deed. Nadat gij, zooals deze, lang genoeg geleefd, bemind, misleid en bedrogen hebt, moet gij uwe boete beginnen en zien, of de goede God even lichtgeloovig is als de menschen, en of gij Hem met uwe tranen en uw berouw kunt bedriegen, zooals gij vroeger de menschen hebt bedrogen met uwe liefde, trouw en vriendschap. Ga beproef het met God, daar het met de menschen niet meer gaan wil. Maar gij moet het dadelijk beproeven. Morgen verlaat gij Berlijn en waag het niet er terug te komen, vóór de koning zelf u geroepen heeft.quot;

„Ik ga!quot; fluisterde mevrouw van Brandt onder zuchten en tranen. „Ik ga, maar ik draag den dood in het hart, niet omdat ik verbannen ben, maar omdat ik mijne straf verdien; omdat ik het grootmoedige, edele en verheven hart mijns konings op mij vertoornd heb ; omdat ik zijn toorn, zijne verachting verdiend heb, omdat —quot;

„Magdalena!quot; viel de koning haar schouderophalend in de rede. „Waarlijk, gij bezit een groot talent voor het tooneel. Nauwelijks geeft men u eene rol, en dadelijk speelt gij haar meesterlijk. Beproef het intusschen niet voor den koning de Magdalena te spelen. Hij zou uwe tranen en uw berouw niet gelooven; maar hij zou zich uwe misdaden herinneren en u moeten straffen! Spoed u Magdalena, naar het hol der boete. Daar kunt gij de ijdele wereld vervloeken en u in eene heilige veranderen. Hier dezen brief geef ik u terug. Leg hem als een geesel op uwe borst en moge hij uw geweten nu en dan met eenige roedeslagen doen ontwaken. Vaarwel!quot;

De koning verliet de vensternis, waarin mevrouw van Brandt, weetiende van toorn, vernedering en beschaming, achterbleef, en snel de zaal doorstappende, ging hij naar die donkere kamer, welke door bloemen en kransen voor den feestdag van heden in een donker boschje met priëelen en grotten veranderd was.

De koning zag de non, die hem volgde, zeer goed. Hij zag hoe zij de zaal intrad en hem in het prieeltje volgde.

ocr page 175

485

'!

in

Hij nam met eene haastige beweging zijn masker van het gelaat en zich driftig naar de non wendende, die bevend en ademloos aan den ingang van het prieel leunde, vroeg hij met eene rauwe stem: „wat wilt gij van mij ?quot;

„Uwe liefde wil ik!quot; riep de non, op de knieën zinkende en hare gevouwen handen lot den koning opheffende. „Uwe liefde wil ik, welke gij mij eens beloofd heht; uwe liefde, welke mijn geluk, mijne zaligheid is; uwe liefde,

zonder welke ik sterven moet, zonder welke ik het leven eener verdoemde, eener in het vagevuur gemartelde moet lijden.quot;

„Zoo vaar heen en wees verdoemd!quot; riep de koning heesch, de armen, welke zich naar hem uitstrekten vertoornd terugstootende en een stap teruggaande. „Vaar heen, en wees verdoemd! Lijd al de folteringen van het vagevuur; God zal u er niet uit verlossen, en ik zal het ook niet doen!quot;

„O, o, ik hoor het en besteif het niet,quot; prevelde mevrouw van Morien onder tranen. „O, mijn koning, heb medelijden!

Herinner u het. zoo schoone, schitterende, hemelsche verleden. Herinner u, welk een bedwelmend gif gij door uwe woorden, uwe blikken, uwe kussen in mijne aderen gestort hebt en straf mij nu niet, omdat ik door dat zoete gif tot den dood, tot razernij gemarteld word. Zie, wat dat gif van mij gemaakt heeft; zie, hoe de arme Leontine veranderd is, sedert zij zich niet meer in de zon uwer liefde koesteren kan.quot;

Zij rukte met bevende handen den witten sluier, die haar gelaat verborgen had, weg en liet den koning een door tranen besproeid, bleek, ingevallen, door smart doorgroefd gelaat zien.

De koning beschouwde haar met een kalmen, strengen blik. Gij zijt oud geworden, mevrouw,quot; zei hij koel. „Oud genoeg, om zonder verzoeking den nieuwen weg te kunnen betreden, welke gij u zoo verstandig uitgekozen hebt; oud genoeg om eene heldin der deugd te wonlen, daar gij zoolang eene der liefde geweest zijt. Neem dus in elk geval de orde der deugd en der zedigheid aan, welke de keizerin van Oostenrijk u beloofd heeft, want de koning zal zich niet van zijne gemalin scheideri, en daar Hit enkel uw w-aFlTTsT^al de keizerin u deTieloofde orde niet kunnen weigeren.quot; ,

fyUnSiLiir Jee jficrtf'iltat Prrwnp/Ceer'iZ. ■Zsi^r-eLe £ (tmt Jti rfrrumf/f

'«■lt;£amp;'J»£iy**e.7 e(aS-

i'i

ocr page 176

186

„Hij weet alles, hij veracht mij,quot; klaagde mevrouw Morien luid snikkende, haar gelaat in hare handen verbergende.

„Ja, hij veracht u!quot; herhaalde de koning. „Hij veracht u en heeft dus geen medelijden met u. Vaarwel!quot;

Zonder een blik op de sidderende, in tranen badende gestalte, welke daar op den grond knielde, te slaan, vei liet de koning het prieel, en trad in de donkere zaal, om zich weder naar de danszaal te begeven. Maar plotseling voelde hij eene hand, welke zich zacht op zijn schouder legde, en toen hij zich omkeerde, stond eene in het zwart gekleede vrouwengestalte tegenover hem.

„Een woord, koning Frederik,quot; fluisterde het masker.

„Spieek, wat verlangt gij?quot; vroeg de koning goedig.

„Wat ik verlang?quot; vroeg zij op teederen, sidderenden toon. „Ik wil niets dan u nog eenmaal hooren, nog eenmaal uw gelaat zien, voor gij naar den dood en de gevaren van den strijd trekt. Ik wil niets dan u smeeken, een weinig zorg voor u zeiven te dragen en u een weinig te sparen. O, mijn koning, denk, dat uw leven een onschatbaar kleinood is, voor het welk gij niet alleen God, maar ook millioenen uwer onderdanen verantwoordelijk zijt. O, mijn koning en heer, stort u niet moedwillig in gevaar; spaar u voor uw land, uw volk, uw gezin, voor welke allen gij onmisbaar zijt.quot;

De koning schudde glimlachend zijn hoofd. „Niemand kan zeggen, dat hij onmisbaar is,quot; zeide hij. De mensch is als de steen, welken men in het water werpt. Voor één oogenblik ontstaat er eene leemte, ruischt het water; dan is alles verdwenen en het water stroomt weder kalm en elfen over den spoorloos verdvvenene. Maar ik wil niet spoorloos verdwijnen. Is het mijn lot in den strijd, dien ik begin, te vallen, zoo wil ik, dat mijn dood roemvol zij, dat mijn graf kan aangewezen worden en dat men er ten minste heen ga, om het met lauweren te tooien, al zal dan ook niemand komen, om hem den tol der liefde en der tranen te betalen; want een koning, dat weet gij, een koning wordt nooit bemind, en wanneer hij gestorven is, nooit beweend; want dan heeft men het druk met zijn opvo'ger toe te juichen!quot;

„Gij echter, gij wordt bemind,'' riep het masker vol ontroering. „Ik ken eene arme vrouw, die wellicht van geluk

ocr page 177

187

zou sterven, wanneer zij ook door u bemind werd ; die stellig van verdriet zal sterven wanneer de dood u, haar jeugdigen held, haar God en haar ideaal, wegrukte. O! terwille dezer vrouw, die u aanbidt, wier geluk, wier smartelijke vreugd gij zijt, terwille dier vrouw, die ootmoedig, onbaatzuchtig, hare liefde aan uwe voeten heeft nedergelegd en glimlachend eiken dag haar hart eene doodelijke wonde slaaf, God biddende, dat zij tenminste voor uwe voeten sterven mag; terwille dezer vrouw smeek ik u medelijden te hebben, uw leven te sparen, u niet moedwillig in gevaarte storten, opdat Pruisen zijn koning moge behouden en de arme koningin haren echtgenoot, dien zij bemint, dien zij aanbidt, voor wien zij elk uur btireid is, haar leven, haar liartebloed, weg te geven, wanneer de koning haar waardig keurt, het van haar te vorderen.quot;

De koning legde zijne hand op de gevouwen handen dei-dame, die hij intusschen maar al te wel herkende. „Kent gij de koningin zoo nauwkeurig, dat gij weten kunt, wat in hare ziel omgaat ?quot;

„Ja, ik ken de koningin,quot; fluisterde zij, „en ik mag in haar hart lezen; ik ben slechts eene vertrouwde vriendin van hare smarten en haar droevig leed en slechts ik alleen weet ,wat zij lijdt en hoe zij mint!''

„Nu als dat zoo is, bid ik u, ga naar de koningin en breng haar mijn afscheidsgroet. Zeg haar, dat de koning geene vrouw meer vereert, dan haar; dat bij haar boog genoeg schat om haar naast de edele vrouwen dei'oudheid te stellen; dat hij overtuigd is, dat zij tot haar ten strijde trekkenden gemaal zal zeggen, wat de vroegere Romeinsche vrouwen tot hare vaders, echtgenooten en zonen zeiden, wanneer zij hun het schild overreikten : „Met hetzelve of op hetzelve!quot; Elisabeth denkt en gevoelt als eene Romeinsche vrouw; zij weet, dat de koning van Pruisen slechts als overwinnaar of als een lijk terugkeeren mag uit dezen strijd, welken hij nu tegen zijn erfvijand, tegen het overmoedige huis Oostenrijk onderneemt. Aan bet leven is hem weinig, aan de eer alles gelegen; deze moet hij behouden, tl zou hij ze met zijn bloed betalen. Zeg dat aan dekoningin Elisabeth Christine en zeg haar ook, dat haar broeder en haar vriend op den dag van den slag aan haar denken zal, niet om zich te ontzien, maar om zich te herinneren, dat in dat uur eene

ocr page 178

188

edele ziel voor hem tot God bidden zal. En laat ons hiermede scheiden! Ik ga naar mijne soldaten, ga gij naar de koningin!quot;

Hij boog zich diep voor de arme, in stilte snikkende vrouw en snelde haastig naar de schitterende danszaal, waar juist de muziek een vroolijk en dartel air begon te spelen.

De koningin zag hem met wijd geopende, in tranen badende oogen zoolang na, als zij zijnegestalte onder het gewoel der dansenden onderscheiden kon; daarop schoof zij bare kap diep voor haar gelaat, om hare snikken en hare tranen te verbergen, en ijlde door eene geheime deur der grottenzaal naar den gang, welke naar hare vertrekken leidde.

Terwijl de koningin zich in haar kabinet opsloot,om te weenen en te bidilen; terwijl de koning bezig was haastig van toilet te veranderen en zijn uniform aan te trekken; terwijl op het slotplein, volgens de gegeven bevelen, de officieren bijeen kwamen, toefde prins August Wilhelm nog altijd in de danszaal; maar hij danste niet; ook vermoedde niemand, dat hij daar was; want men had er hem eenige uren in een schitterende kleeding, doch zonder masker gezien ; vervolgens had hij de zaal verlaten, om, zooals hij zeide, de laatste toebereidselen voor zijne reis te maken. Maar in een weinig in het oog vallenden domino, met een masker voor het gelaat, was hij terug gekeerd. Dat wist niemand ; niemand, behalve zijne Laura, met welke hij daar ginds in de vensternis stond, achter de zware damasten gordijnen, welke het minnende paar voor de blikken der in de zaal aanwezigen verborgen.

Het was voor beiden een smartelijk zoet genot, nog eens zoo naast elkander te staan ; nog eens elkander in de oogen te zien, nog eens den warmen handdruk te voelen en elkander die heilige, kuische en reine bekentenissen der liefde te herhalen, welke hunne van geluk en ontroering trillende lippen zoo dikwijls hadden uitgesproken en welke hun altoos nieuw, eene altoos wonderbare muziek toescheen, zoo dikwijls zij ze herhaalden.

Nu was het oogenbiik van afscheid gekomen. Reeds kwamen de officieren op het slotplein bijeen ; reeds hoorde men uit de naburige straten het luid geroffel der trommen en

ocr page 179

189

het geschetter der trompetten, welke de verschillende troe-penaldeelingen bijeenriepen; maar boven in rle koninklijke zaal lieten de muzikanten vroolijke danswijzen hooren, terwijl de dansers en de prachtig gekleede, van juweelen fonkelende danseressen in atwisselende bewegingen rondzweefden.

„Ik moet nu heen, geliefde,quot; fluisterde de prins, die zijne in stilte weenende geliefde nog steeds in zijnearraen hield.

„Heen, om wellicht nooit terug te keeren.quot; zuchtte Laura.

„Ik zal terugkeeren Laura,quot; zei hij met Hauwen glimlach. „Ik ben niet geboren om als held op het slagveld te vallen, dat weet ik, dat gevoel ik; en nochtans zouden wij wellicht voor veel leed en smarten bewaard blijven, als het zoo ware: want wat is de snelle en onverwachte dood, tegen dit langzaam verkwijnen en verkniezen,tegen het dagelij ksch sterven door kommer en verdriet, dat ons evenwel niet doodt! O, Laura, ik heb dikwijls sombere en onheilspellende uren, waarin mijn geheele toekomst in een zwarten rouwsluier schijnt gehuld te zijn, waarin ik zelfs het licht uwer gestalte niet meer zie en geheel alleen, troosteloos en eenzaam ben!quot;

„Gij schildert daar mijn lijden, mijne pijnlijke bezorgdheid, fluisterde Laura, zich angstig aan hem vastklemmende. „O, deze droomen der toekomst zijn zoo vreeselijk, dat ik mij niet eens in het geluk van het tegenwoordige kan verblijden, zoodat mijn hart, wanneer ik u aanzie, niet meer luide klopt van verrukking, maar van wanhopige smart; want steeds verbeeld ik mij, u te zien, om voor eeuwig afscheid te nemen. O, geloof mij, deze sombere voorgevoelens, welke ons beiden folteren, zijn de stemmen van het noodlot, dat ons wil doen ontwaken uit den be-tooverenden droom, waarmede wij onze zielen in slaap hebben gewiegd, terwijl wij onzen plicht konden vergeten, en dat ons wil waarschuwen ons weder te schikken in de harde noodzakelijkheid, welke ons toch eenmaal scheiden zal!quot;

„Niets mag ons scheiden,quot; riep de prins heftig, „niets op aarde moge zich als eene scheidsmuur tusschen ons stellen. De scheiding van heden, die door de eer wordt gevorderd, moet en zal de laatste zijn. Wanneer ik terugkeer, zal ik u, uw woord, uwe heilige eeden herinneren,

ocr page 180

190

welke God gehoord en aangenomen heeft, want vrije liefde is door God en in God, en niets onedels kleeft er op. God zal haar ook beschermen, God zal haar zijn zegen schenken, wanneer ongevoelige en koele raenschen haar dien misschien weigeren; God zal met ons zijn, ook wanneer de geheele wereld te^en ons is! en met God zullen wij alle moeielijkheden, welke zich voor uiue blikken, Laura, niet voor de mijnen opstapelden, te boven komen en onze liefde en ons geluk, heerlijk uit al deze stormen zien te voorschijn komen.''

Laura schudde glimlachend het hoofd. „Ik heb dat vertrouwen, die blijde hoop niet en ook de kracht niet, de gedachte aan eene scheiding van u, te kunnen dragen,quot; fluisterde zij. ,.Soms, wanneer ik innig gebeden heb, schijnt het mij toe, dat God mij bijstaan en versterken wil en dan vat ik het besluit op, mij vrijwillig en gehoorzaam aan de bevelen der koningin-moeder onderwerpen en de hand van den graaf Yoss aan te nemen, dien God mij wellicht getoond heeft, als middel om mij weder op den weg van plicht en gehoorzaamheid terug te lijden. Maar zoodra ik het beslissende woord moet uitspreken, worden mijne lippen als door ijzeren boeien gesloten en gevoel ik mij,alsof zij zich slechts konden openen tot een kreet welke met al de kracht der wanhoop mijn geheel bestaan verpletteren en mij tot stof ontbinden moest.quot;

De prins sloot haar hartstochtelijk in zijne armen. „Zweer mij, dat gij nooit zoo zwak en trouweloos zult zijn, u dooide bedreigingen en scheldwoorden mijner moeder te laten onderdrukken,quot; zei hij bijna vertoornd. „Zweer mij dat gij getrouw zult blijven aan uwen eed, dien eod, duor welken gij de mijne zijt, de mijne in alle eeuwigheid, door welken gij u tot mijne bruid en tot mijne gade verbonden hebt!quot;

„Ik zweer het u!quot; zei zij, hem met oogen vol liefdein het hartstochtelijke, gloeiende gelaat ziende.

„Zij zullen van mijne afwezigheid gebruik maken, u te martelen en te kwellen, vervolgde hij. „Mijne moeder zal u, met de haar eigene drift, met verwijtingen, gebeden, bedreigingen bestormen; maar wanneer gij mij bemint, zult gij kracht vinden, haar het hoofd te bieden en niet in uwe trouw te wankelen. Nog weet mijne moeder niet, dat ik het ben, die u aanbidt, dien gij met uwe liefde

ocr page 181

191

gelukkig maakt en die geen schooner en trotscher geluk kent en daarom naar geen ander streeft, dan uw gemaal te zijn ; nog verbeeldt zij zich, dat, zoo hel al niet de koning is, dan toch een der markgraven, of de jonge prins van Brunswijk, die uw hart bezit en de oorzaak der weigering is, van het aanbod van den graaf Voss. Maar zorg, dat niet het een of ander toeval haar onze liefde verraadt, want dan zou haar toorn vreeselijk zijn ; dan zou zij alles op het spel zetten om ons te scheiden; dan zou zij geen middel ontzien, om haar doel te bereiken. Blijf dus standvastig, Laura, standvastig, trouw en vastberaden! Geloot en vertrouw geen gerucht, geen brief, geene boodschap, maar geloof enkel mij alleen, slechts mijn eigen woord! Ik zal u niet schrijven, want onze brieven konden onderschept worden ; ik zal u geen bode zenden, want men kon hem omkoopen, en hij kon ons verraden; alleen, wanneer ik vallen mocht in den slag, zal ik, zoo God mij genadig is, nog zooveel kracht vinden, om eenige medelijdende vrienden mijne groete aan u op te draden, en zij zullen ze u overbrengen, want dan heeft onze liefde niet meer het oog der wereld, niet meer den toorn des konings en dien mijner moeder te vreezen. Jk zal u niet schrijven, maar ik zal aan u denken, mijn geest zal altijd bij u zijn!quot;

„En wanneer gij vallen mocht, zal God mij genadig zijn en mij ook verlossen uit deze wereld, welke zonder u, voor mij een graf is,quot; fluisterde zij, met schitterende oogen, terwijl zij innig tegen hem aanleunde.

De prins kuste haar zaclit en eerbiedig op het voorhoofd, trok toen een ring van zijn vinger en stak hem aan den hare.

,,Dit is onze verlovingsring,quot; zei hij. „Nu zijt gij de mijne; nu draagt gij mijn ring, de eerste schakel van den keten, waarmede ik uw geheele leven aan mij kluisteren wil. Nu zijt gij mijne gevangene en niets kan u meer van mij verlossen! Maar luister! Hoort gij daar beneden de trompetten schetteren en de trommen roffelen ? Hoort gij dat hoera der officieren? De koning is op het slotplein gekomen en zal reeds verwonderd naar mij rondzien ! Ik moet weg, ik moet naar den koning! Luister, zij roepen weder! Vaarwel, geliefde, vaarwel! God en zijne engelen mogen u beschermen!quot;

ocr page 182

192

Hij zag haar niet meer aan; hij had de kracht niet haar te omhelzen, zich niet door hare tranen, hare zuchten te laten weerhouden. Hij trad langzaam, om geen opzien te verwekken, van achter de gordijnen te voorschijn; liet ze voorzichtig dichtvallen, om Laura aan de blikken der menigte te onttrekken, ging toen bedaard door de rijen maskers, die,op uitdrukkelijk bevel des konings, zich doorhetge-druisch der soldaten beneden, niet in hun danslust mochten laten storen, en ijlde naar het naaste kabinet. Hier wierp hij spoedig het masker en den domino af, welke zijne uniform bedekt had, en den gereed liggenden helm grijpende, snelde hij vlug dour de vertrekken, den trap af, naar het slotplein.

Daar stond de koning te midden zijner generaals en officieren. Aller oogen waren op hem gevestigd. Elke gedachte, elke wil, elke wensch had zich aan hem onderworpen ; zi jn geest had den hunne gekluisterd en vermoesterd, en slechts ééne gedachte, één wil leefde en sprak in hen allen ; de gedachte en den wil van koning en meester, wiens blik als het oog eens adelaars boven hen zweefde, •hen allen beheerschte en betooverde.

Groot en stoutmoedig als een held stond hij daar in hun midden ; zijn schoon gelaat schitterde van wonderbare majesteit en geestdrift; zijn oog straalde van een vuur en gloed, ontstoken aan zijne eigene heldhaftige en hooggestemde gedachten; om den fijn besneden mond speelde die zachte, betooverende, goedige lach, welke steeds aller harten voor hem won, en iedereen tegelijk verblijdde en roerde. Achter hem stonden de prinsen en generaals, de vorst van Anhalt-Dessau, de oude Zieihen, de generaal van Winterfeld en de adjudanten, en boven hen allen staken helderen majestueus de vaandels uit, door het licht der aan weerszijden van het plein geschaarde fakkels beschenen ; die nieuwe kostbare vaandels, welker in goud geborduurde opschriften: pro Gloria et Palria, gelijk het licht der sterren op den donkeren ach tergrond fonkelden

1) Het vroegere opschrift der pruisische vaandels was: Pro Deo, Gloria et Patria. Prederik de Groote liet echter nieuwe vaandels voor zijn leger vervaardigen, met den zwarten adelaar, die in den eenen klauw een zwaard in den anderen den schepter hield, met dit opschrift: „Pro Gloria et Patria.quot;

ocr page 183

193

Nadat Frederik met het ontbloote zwaard de wapperende vaandels begroet had. begon hij te spreken en zijne stem klonk zoo helder als metaal, als het geluid eener klok, vol en krachtig over het plein.

„Mijne heeren,quot; zeide de koning, „ik onderneem een krijg, waarin ik geene andere bondgenooten heb, dan uwe dapperheid en uw goeden wil. Mijne zaak is rechtvaardigen mijne hulp zoek ik bij het geluk. Herinnert u steeds den roem, welke uwe voorvaderen zich op de slagvelden bij Warschau, Fehrbellin en bij den tocht naar Pruisen verwierven. Uw lot is in uwe handen. Eereteekenen en belooningen wachten hen, die ze door schitterende daden zullen verdiend hebben. Maar ik behoef uw eergevoel niet aan te vuren; zij staat voor u en is een waardig voorwerp voor uwe moeiten. Wij zullen troepen aanvallen, die onder prins Eutjenius den grootsten naam hadden. Wel is waar leeft deze prins niet meer; maar onze roem zal bij de overwinning des te grooter zijn, daar wij ons met wakkere soldaten moeten meten. Vaartwel! Vertrekt. Ik volg u onmid-delijk naar het veld van eer, dat ons wacht.quot;1)

XIX.

DE TERUGKOMST.

De eerste veldtocht van den jongen Pruisischen koning naar Silezië was volstrekt niet bloedig geweest. Geen droppel bloeds was er vergoten; geen enkele aanval was gedaan, behalve dien, welken een der generaals deed op de wang van een te Breslau aan de poort op post staanden schildwacht, die hem den toegang in de poort weigerde. De generaal strafte hem met eene klinkende .oorvijg voor

1

Rödenbeck Tagebuch I, pag. 28.

Uühlbaoh, Frederik de Groote en zyn Hof. II. 13

ocr page 184

194

zijne stoutheid; de overwonnen soldaat stoof achteruit, den generaal met zijn staf ongestoord inde overwonnen hoofdstad van Silezië latende trekken. Ja in de hoofdstad van een gewest, dat slechts aan de zware belastingen begreep, dat het aan Oostenrijk onderworpen was, en dat sedert eeuwen niet meer door een lid van het Oostenrijk-sche keizerhuis bezocht was. Ook was Breslau volstrekt niet weigerachtig, dezen jongen, schoonen koning te ontvangen, die, de stad binnentrekkende, overal zoo vriendelijk groette, voor alle dames, die rijk gekleed aan de vensters stonden, een innemenden glimlach over had; die in eene eigenhandig geschreven proclamatie beweerde, dat hij niet met eene vijandelijke bedoeling naar Silezië gekomen was, en dat alle inwoners in hunne rechten, voorrechten en vrijheden, in hunnen godsdienst, waardigheden en bedieningen zouden gehandhaafd worden. De banden, welke de schoone en vruchtbare provincie Breslau aan Oostenrijk boeiden, waren sedert lang zeer los geweest, en de voorspelling van den konicg van Pruisen, die hij te Krossen gedaan had, was spoedig vervuld geworden. Toen hij, met zijn leger van Berlijn komende, in Krossen binnenmarcheerde, viel de groote klok van den toren der domkerk met donderend geraas naar beneden en verpletterde in haar val een gedeelte der oude kerk. Een onaangenaam voorgevoel maakte zich van het Pruisische leger meester, zelfs de oude, krijgshaftige generaals trokken een bedenkelijk gezicht en verklaarden die instorting als een kwaadvoorspellend teeken voor de pruisische troepen. De koning alleen glimlachte, en even als Cesar, van zijn paard vallende bij de landing in Afrika, gezegd had: „Ik neem u in bezit, Afrika;quot; zeide de koning; „Die val van de klok beteekent: dat het hooge, het huis Oostenrijk namelijk, zal vernederd worden!quot; ^

Snel genoeg was deze voorspelling nu uitgekomen; het huis Oostenrijk was spoedig en zonder tegenstand vernederd geworden, in de hoofdstad van Silezië was het Pruisisch leger binnengetrokken, blijde verwelkomd, niet enkel door de protestantsche bewoners, die zoolang onder wreedenge-

1) Histoire de mon temps, pag. 185. — Preuss, Priedrich d. Gr. Vol. I pag. 164.

ocr page 185

195

loofsdwang gezucht hadden en aan wien de koning van Pruisen nu vrijheid van geloof en ongestoorde uitoefening hunner godsdienst verzekerd had, maar ook, verwelkomd door de katholieke bewoners, door priesters en jezuïten zelfs, die de koning door zijn geest en zijne beminnelijkheid voor zich had gewonnen. Niemand betreurde meer de verloren Oos-tenrijksche opperheerschappij, en de Pruisen werden spoedig genoeg de lievelingen van het Silezische volk, bijzonder van de vrouwen, die met bereidwillige voorkomendheid de schoone en krachtige Pruisische krijgers hare hand schonken en in de bezorgdheid der liefde, het snel gesloten verbond der harten door de hand der priesters duurzaam en onoplosbaar maakten. Honderden huwelijken werden in de zes weken, die de koning in Sileziê doorbracht, tus-schen Pruisische soldaten en Silezische meisjes gesloten, en de Pruisische krijgers, die pas als vreemdelingen den vijandelijken grond betreden hadden, kregen daar spoedig een huiselijken haard en het huis huns koningskreegdaardoor een dubbel recht op het bezit der provincie, waarin vrouwen en meisjes zich zoo snel aan de Pruisische krijgers onderwierpen en ze tot hare meesters gemaakt hadden. Spoedig was het voor vrouwen en meisjes mode geworden, een dezer statige Pruisische soldaten tot minnaar te hebben, en hoe statiger en grooter hij was, des te Irotscher en blijder was de gelukkige minnares. Eens toch ontmoette baron van Bielfèldt, die den koning naar Breslau vergezeld had, op straat eene jonge, schoone burgervrouw, luid weenende en klagende en kermend hare handen wringende. Toen Biel-feldt naar, de reden barer droefheid vroeg, zeide zij zeer naif „A.ch God, ik ben eene beklagenswaardige vrouw. Heden voor acht dagen ben ik met een Pruisisch grenadier verloofd, die vijf voet, negen duim lang is, en ik was zeer gelukkig en trotsch met hem. Heden echter had ik een grenadier kunnen krijgen, die zes voet, twee duim lang is! Zou ik nu niet klagen en schreien, dat mij een zoo schoone reus, een zoo zeldzaam exemplaar aangeboden wordt en ik het toch niet meer krijgen kan?quot; 1)

De koning van Pruisen won de vrouwen van het

1

Bielfeldt. Lettres. Vol. pag. 160.

ocr page 186

196

volk door zijne keurige soldaten, de dames der hoogere standen, door zijn eigene schoonheid, beminnelijkheid, fierheid en zijn uitstekenden geest. Toen hij der aristocratie van Silezië en Breslau en bal gaf, bleven de voornaamste en de vroeger aan het huis Oostenrijk innig verbondene familiën van den hoogen adel, niet in gebreke aan de uitnoodiging van den koning gevolg te geven en iedereen verdrong zich, om den beminnelijken held te zien, die tegelijk held en dichter, cavalier en krijgsman, jongeling en wijsgeer was, schoon, jong en levenslustig en die zich niet verschool onder do stijve ceiemoniëele vormen; die tegenover de dames geheel scheen te vergeten, dat hij koning was; die bevelen kon, maar zich slechts als cavalier toonende, eene der dames ten dans uitnoodigde en dit als eene vleiende gunst van haar verzocht.

En even als de koning de dames van den hoogen adel door zijne eigene beminnelijkheid voor zich innam, won hij de heeren door de ridderorden en titels, welke Mj met volle handen uitstrooide. „Ik droomde van nacht,quot; zei hij glimlachend tot baron van Pöllnitz, „ik droomde, dat ik hier in Breslau eenige vorsten, graven en baronnen schiep. Help mij, opdat mijne hoop bewaarheid worde, door mij eenige aanzienlijke familiën op te geven, die ik tot vorsten, graven en baronnen verheffen kan.quot; Pöllnitz noemde hem de namen, en de vorsten van Pless, de graven van Hoch-berg en vele anderen ontstonden op het scheppingswoord des konings.

Silezië en Breslau waren dus nu voor het oogenblik bet onbetwiste eigendon van Pruisen. De koning kon naar Berlijn terugkeeren, om zich weder aan de uitspanningen, de studiën, zijne vrienden en zijn gezin te wijden. Het voorspel van het groote drama, den zevenjarigen oorlog, was nu ten einde, on gedurende de pauze kon de koning uitrusten bij de kunsten en wetenschappen, onder het aangenaam genot van gezellige uitspanningen; hij kon krachten verzamelen voor het weldra beginnende eerste bedrijf, waarvan hij de voornaamste speler en held dacht te zijn.

Berlijn ontving den terugkeerenden koning met luid gejubel; het begroette met fier gejuich zijn vorst, die nu, in de oogen van het overmoedige, op zijne voorvaderen zoo trotsche Oostenrijk, niet meer de kleine markgraaf van

ocr page 187

197

Brandenburg was, die voor den keizer van Oostenrijk aan tafel de waschkom moest vasthouden, maar die zich tot een zelfstandig koning verheven had, tot een koning, die van Oostenrijk geene wetten meer aannemen wilde, maar op het punt stond aan de dochter des Cesars zelf wetten voor te schrijven.

En met heldere, van vreugde schitterende oogen ging de koningin-moeder met hare prinsessen, den terugkeerenden, zegevierenden zoon tot aan de slotpoort te gemoet; met tranen van verrukking ontving Elizabeth Christine den terugkeerenden gemaal, die intusschen voor haar slechts eene stomme groete, een koude, stijve buiging over had. Maar zij zag hem toch weder; zij kon hare ziel verdiepen in die schitterende oogen, waarin zij voor zich de betooverende wondersprookjes las; hij kon haar, ten minste op die plechtige dagen, niet verbieden aan zijne zijde te staan, naast hem aan fle feesttafel en op het concert te zitten, waarmede de koninklijke kapelmeester en de nieuwe Italiaansche zangers de terugkomst des konings begroetten.

Graum had voor deze gelegenheid een feest-cantate gecomponeerd, en niet enkel de pas aangekomene Italiaansche zangeres Laura Farinella, maar ook de leerling van Graum en Quanz, de Duitsche zangeres, Anna Pricker, zou zich op dat hofconcert laten hooren.

Het was voor A.nna een beslissend, gewichtig tijdstip. Zij stond aan den ingang van een nieuw leven, een leven vol glans, eer, roem en aanzien. Wat bekommerde het haar dus, of haar vader steunend en kermend, doodziek op zijn leger lag ; wat bekommerde het haar, dat haar broeder Willem sedert drie dagen het vaderlijke huis niet had betreden, en niemand wist, waar hij was. Zij gaf om niets, om vader of broeder ; zij treurde evenmin om hare pas overledene moeder. Zij had slechts ééne gedachte, één verlangen, één doel; zij wilde eene beroemde zangeres worden, niet enkel om haar zelve, maar om daardoor eindelijk de hand van den man te verkrijgen, dien zij noch beminde, noch achtte, maar die het groote voorrecht bezat een baron, een invloedrijk heer aan het hof te zijn. Anna Pricker had het zich dus ten levenstaak gesteld, de vrouw van Pöllnitz te worden, niet, omdat zij hem beminnelijk vond, maar omdat hij een bai^on was, die hare geringe afkomst met den glans van zijn naam zou

ocr page 188

498

bestralen; omdat het voor eene zangeres schooner en aanbevelenswaardiger scheen de gemalin van een baron, dan slechts de dochter van een snijder te zijn, al mocht deze dan ook een hofkleermaker en een mil-lionnair zijn.

Eerst sedert twee dagen was de koning van Breslau teruggekeerd, en reeds had de heer van Pöllnitz zijne schoone Anna een bezoek gebracht. Nog nooit was hij zoo voorkomend, zoo teéder geweest als dezen keer; want nog nooit had hij dat, wat hem vroeger onmogelijk scheen, als een zoo zeer gewenschte mogelijkheid gehouden; nog nooit had hij zich zoo ernstig de gedachte eigen gemaakt, Anna Pricker, de snijdersdochter, tot zijne vrouw te maken. Het voorbeeld van den graaf Rhedern had hem moed gegeven ; hetgeen de koning aan de dochter van'den koopman en fabrikant bewilligd had, zou hij ook de dochter van den koninklijken hofkleermaker niet weigeren; te meer, wanneer deze door eigen verdienste, door hare schitterende gaven de poorten van het koninklijke paleis, tot hetwelk haar anders de toegang gesloten was, had geopend ; wanneer zijdoor de macht van hare sirenenstem den slagboom had doen ophetïen, welke de snijdersdochter van het eigenlijke gezelschap scheidde. Wanneer Anna Pricker eene beroemde zangeres was, wanneer het haar gelukte de goedkeuring des konings te verwerven, was zij daardoor tot den adelstand verheven, en niemand zou het aanstootelijk vinden, dat baron van Pöllnitz de gevierde zangeres tot zijne gemalin verkoos. Wanneer dus Anna's zang den koning beviel, wanneer hij haar toejuichen zoude, was Pöllnitz vast besloten, zich onmiddelijk als haar ridder uit te geven, en haar, zoo spoedig mogelijk, tot zijne vrouw te verheffen. Zoo spoedig mogelijk! Want zijne schuldeischersdrongen en vervolgden den armen baron op al zijne wegen, dreigden hem zelfs met den rechter en de gevangenis. Pöllnitz had het daarom reeds gewaagd, den koningte herinneren aan hetgeen hi] hem na zijne terugkomst uit Silezië beloofd had. Maar dit was te vergeefs geweest. De koning had hem geantwoord : „ik heb mijn slagveld nog niet gezien en ik sta niet aan het einde, maar aan het begin van een krijg, waartoe ik meer geld noodig zal hebben, dan in mijne kassen aanwezig is. Wacht dus tot de dag gekomen is,

ocr page 189

199

dien ik u beloofd heb; want dan eerst kan ik er aan denken, mijne belofte te vervullen!quot;

De baron was dus wel genoodzaakt naar een redmiddel uit te zien, dat hem uit dezen doolhof van schulden verlossen kon, on met een angstig kloppend hart stond hij daarom op don avond van bet concert achter den stoel des konings, om elk zijner bewegingen, elk zijner woorden te bespieden en den indruk na te gaan, welken de zang van de schoone Anna Pricker op het oor des konings zou maken.

De koning was heden buitengewoon vroolijk en opgeruimd. Hij gevoelde zich geheel verkwikt door de rustige, aan den geest gewijde dagen, welke hij, na weken van onrust en luidruchtig leven, weder in Berlijn kon genieten. Hij had zijne boeken en zijne fluit met de echte vreugde des wederziens begroet en, in zijne bibliotheek komende, gevoelde hij zich weder zoo geheel en al thuis. Met een gevoel van blijdschap had bij het zwaard met de pen verruild, en in plaats van plannen tot veldtochten, schreef hij nu verzen en geestige brieven aan Voltaire, dien hij nog altijd vereerde en in zekeren zin vergoodde, ofschoon Voltaire's verblijf te Rheinsberg gedurende de zes dagen, die deze, voor den tocht naar Breslau, aldaar had doorgebracht, de bewondering des konings voor den Franschen dichter aanmerkelijk had doen dalen. De koning, die na zijne eerste ontmoeting met Voltaire op het slot Moyland van hem getuigde ; .,Hij is zoo welsprekend als Cicero, zoo aangenaam als Plinius en zoo wijs als Agrippa, met één woord, hij vereenigt in zich alle deugden en talenten der drie grootste mannen der oudheid,quot; de koning noemde den dichter der Henriade nu een „fou.quot; ^ Het stuitte hem en bedroefde zijn gemoed, dat de man met dat groote dichtertalent in den grond zulk een bekrompen, onverschillig en koud hart bezat. Hij, die Voltaire waarachtig als vriend beminde, moest met smart erkennen, dat Voltaire's vriendschap een bezit was, dat men met geld, maar niet met liefde betalen moest, wanneer men het niet verliezen wilde. De koning, die hem voor eenige maanden nog met Cicero, Plinius en Agrippa vergeleken had, zeide nu tot Jordan : „Uw gierige Voltaire

1) Oorrespondance avec Jordan.

ocr page 190

200

moet den droesem van zijne on verzadel ij ke hebzucht opdrinken, en nog dertienhonderd daalder bovendien hebben. Van de zes dagen, die hij zich hier heeft laten zien, kost mii elke dag vijfhonderd en vijftig daalder; nog nooit is een hofnar bij een of ander groot heer zoo goed betaald geworden.quot; 1)

En heden stond den koning nog een nieuw genot te wachten ; want heden voor het eerst zou hij de nieuwe Italiaansche zangers hooren, zijne Itaiiaansche zangers. Hij behoefde dus niet meer, zooals vroeger bij de begrafenis van zijn vader, Italiaansche zangers uit Dresden te leenen.

Eindelijk gaf Graum aan de kapel het teeken om de introductie te spelen. De koning was zoo verlangend om den daarop volgenden zang te hooren, dat hij geen oor had voor deze eenvoudig schoone, gevoelvolle muziek van zijn hof-componist, en dat zelfs de meesterlijk uitgevoerde tluit-solo van Quanz hem slechts een goedkeurenden knik ontlokken kon. Eindelijk verschenen de zangers en zangeressen en het koor begon.

Het hart van den achter den koning staanden opper-ce-remoniemeester van Pöllnitz klopte luid, toen hij een blik sloeg op Anna, die ernstig en trotsch in de heerlijkste, nieuwmodische Fransche kleeding niet ver van Farinella stond, en zoo kalm en vrij naar het hof keek, alsof zulks een gezicht was, waaraan zij lang gewoon was en dat haar volstrekt niet verraste.

Het koor was ten einde. Laura Farinella moest de eerste aria zingen. Anna Pricker had haar met hare vertoornde blikken wel willen vermoorden voor deze aanmatiging, van vroeger dan zij te zingen. De Italiaansche zangeres, in het volle gevoel barer meerderheid, beantwoordde Anna's blik met een half spotachtigen, half verachtelijken glimlach, daarna sloeg zij hare groote, doordringende oogen op hare muziek en begon te zingen.

1

De koning had Voltaire het manuscript van den Anti-Macchiavelli geschonken en deze had er zich door den uitgever van Duren te Amsterdam eene aanzienlijke som voor laten betalen. Desniettemin bracht hij den koning 2000 daalder in rekening voor het drukken van dat manuscript en vroeg hij buitendien nog voor reiskosten eene som van 1400 daalder, welke de koning tot 1300 verminderde.

ocr page 191

201

Anna Pricker had het wel willen uitschreeuwen van toorn, toen zij zag, met welk een welgevallen de koning knikte, welk een vriendelijke glimlach om zijne lippen zweefle; zij zag ook, hoe dadelijk daarop het gelieele hof in verrukking geraakte, hoe zelfs Pöllnitz geheel gelukkig en verrukt scheen. Maar Farinella zag net ook, en deze koninklijke goedkeuring bracht haar in vuur. Haar volle, schoone stem golfde en juichte in de kunstigste fiorituren en rouladen op en neder, rustte dan in slepende, gevoelvolle, smeltende lonen uit, om zich weder te verhellen en te kweelen in de stoutste en kunstigste versieringen van eene eenvoudige, liefelijke melodie!

„Heerlijk! voortreffelijk!quot; zei de koning zeer luid, toen Farinella geëindigd had, terwijl hij zich een weinig naar Pöllnitz boog.

„Verheven, goddelijk!quot; riep Pöllnitz, verrukt ziine oogen opslaande, en nu hij eenmaal het teeken gegeven had, waagde 't geheele hof het zijn voorbeeld te volgen en zachte, half gesmoorde uitroepingen van goedkeuring en bewondering te mompelen.

Anna Pricker gevoelde, hoe zij verbleekte, hoe hare voeten onder haar trilden; zij had deze Italiaansche zangeres wel met eigen hand kunnen vermoorden, die trotsche Farinella, die haar nu zulk een tartenden, beleedigenden blik toewierp, alsof zij haar met hare oogen vragen wilde: „zult gij het nog wagen na mij te zingen?quot;

Maar Anna gevoelde moeds genoeg het te wagen. Zij zeide bij zich zelve; „ik zal nochtans zegevieren; want zij is eene ellendige kwakzalfster; hare stem-is zoo dun als een draad en zoo scherp als eene naald, terwijl de mijne zoo vol en krachtig als een orgel weergalmt; en wal hare fiorituren betreft, die ken ik even goed als zij.quot;

In dat bewustzijn nam zij de muziek in hare hand en wachtte op het oogenblik, dat de ritournelle ten einde zoude zijn. Met volkomen rustig gelaat zag zij naar den maatstok van den kapelmeester en glimlachte, toen zij den angstigen blik ontdekte, welken meester Quanz op haar sloeg.

De ritournelle was ten einde. Anna Pricker begon haar zang. Hare stem klonk vol en krachtig boven het orkest; maar de koning zat stom en onbewegelijk, hij gaf niet het minste teeken van goedkeuring. Anna zag het, en hare

ocr page 192

202

stem, welke van angst getrild had, beefde nu van toorn. Maar zij wilde volstrekt de bewondering des konings opwekken; zij wilde hem ontzag inboezemen door de kracht en de uitgebreidheid van haar orgaan; zij wilde hem dwingen tot goedkeuring, zooals hij die aan Fainnella bewezen had. Zij vereenigde dus de geheele kracht barer stem ; zij liet de tonen met buitengewone kracht uit bare borst stijgen; zij spande zich zoo geweldig in, dat zij een gevoel had, alsof elke toon bare borst zou doen uiteen-springen.

Maar nu had zij toch de voldoening, den koning te zien glimlachen. — Ja, de koning glimlachte; maar het was de glimlach der bespotting, bijna der verachting. Hij keerde zich naar Pöllnitz. Hoe heet die vrouw, die daar zoo verschrikkelijk brult?quot; vroeg hij.

Pöllnitz haalde de schouders op. Hij had een gevoel, alsof zijne schuldeischers hem in dit oogenbik aangrepen en zijne keel toeknepen.

Sire,quot; fluisterde hij bijna onhoorbaar, „ik geloof, dat het Anna Pricker is.quot;

„De dochter van den hofkleermaker?quot; vroeg de koning met een snellen opslag van net oog.

„Ik geloof, ja, sire,quot; fluisterde Pöllnitz.

Nu glimlachte de koning niet meer, maar hij lachte, ja, hij lachte, ondanks de fiorituren der woedende zangeres, die zeer goed het schouderophalen van Pöllniiz gezien had en in baar geest hem daarvoor een bloedige wraak zwoer. Hij lachte, maar hoezeer Anna Pricker ook bleef schreeuwen en zich afmartelde, de koning gaf geen teeken van goedkeuring.

Nu had zij de laatste noot van baar lied gezongen, en ademloos, met hevi^ kloppend hart wachtte zij op een teeken van goedkeuring van de zijde des konings.

Maar het kwam niet. Eene diepe stilte volgde. Niemand gaf ook bet geringste teeken van goedkeuring ot bewondering; zelfs Pöllnitz bleef stom.

„Weet gij zeker, dat deze brullende signorina de dochter van mijn kleermaker is?quot; vroeg de koning nu en toen Pöllnitz het met een bloedend hart bevestigde, vervolgde de koning lachende: „Ik heb den snijder wel eens een ezel hooren noemen, maar zijne kinderen zijn daarom nog geene

ocr page 193

203

nachtegalen en eer zal de snijder een kabeltouw'dcor het oog zijner naald halen, dan zijne dochter tot eene zangeres maken. De Duitschers weten toch niet wat zingen is en het is een onbegrijpelijke misslag van Graum, zulk eene zangeres voor ons te laten zingen.quot;

„Sire, zij is eene leerlinge van Quanz,quot; zeide Pöllnitz, „en Quanz zelf heeft mij verzekerd, dat deze Anna Pricker eens eene groote zangeres zou worden.quot;

„Zoo, is zij eene leerlinge van Quanz!''herhaalde de koning, zijn blik naar Quanz werpende, die met een ijselijk verdrietig gezicht en gefronste wenkbrauwen voor zijn mu-zieklessenaar zat.

„A.ls hij zulk een gezicht zet,quot;mompeldedekoning, „bromt hij altijd een paar dagen op mij, en is hij nooit voldaan over mijn fluit. Wij moeten hem trachten te verzoenen, en wanneer deze juffrouw Pricker weder zingt, zal ik om Quanz genoegen te doen, een weinig applaudisseeren.quot;

Maar Anna Pricker zong niet weder. Zij was als geslagen op haar stoel gevallen; een vreeselijke toorn vloog als een vuurstroom door hare aderen; zij had een gevoel, alsof zij stikken zoude. Zij gevoelde, hoe de tranen in hare oogén schoten, en hoe het door hare ooren gonsde en suisde, en toen zij nu hare verwarde, ontstelde blikken liet rondgaan, ontmoette zij de zegevierende, spottende oogen vanFarinella, die haar lachend, fier gelaat naar haar gekeerd had. Anna voelde het als een dolksteek in haar hart. Zij uitte een kreet en viel bewusteloos neder.

„Wat voor een kreet was dat, en wat beteekent die onrustige beweging daar onder da zangers?quot; vroeg de koning, zijn gesprek met den generaal Rothenburg afbrekend en zich tot Pöllnitz wendende.

„Sire, het schijnt, dat de zangeres Anna Pricker flauw is gevallen,'' zeide Pöllnitz.

De koning hield dit voor eene geschikte gelegenheid om Quanz eenige voldoening te geven, door zijne leerlinge eenige deelneming te toonen.

„Dat is inderdaad een zeer treurig ongeval,quot; zei de koning luid. „Spoed u, Pöllnitz, om in mijn naam naar den welstand van deze jonge, talentvolle zangeres te vernemen. Mocht zij nog lijdende zijn. neem dan een rijtuig en breng haar naar hare woning terug, en komt niet weder, voor dat

ocr page 194

204

gij mij geruststellende berichten over de leerlinge van Quanz kunt mededeelen.quot;

Onder het spreken dezer woorden wierp de koning ter sluik een blik naar den gevreesden Quanz, wiens gelaat al weder wat opgehelderd was, en die nu minder donker rondkeek.

„Wij komen er wellicht met één dag brommens af,quot; fluisterde de koning, en Quanz zal nu wel wat bedaard zijn.quot;

Hij ging zitten en gaf het teeken om voort te gaan, want hij zag, dat de machtelooze zangeres, met behulp van den baron van Pöünitz, naar buiten gedragen was.

XX.

DÈ DOOD VAN DEN OUDEN TIJD.

De muziek ruischte weder, terwijl Pöllnitz ontsteld en met heimelijken schrik een hofrijtuig had laten komen, en volgens het hem gegeven bevel met de zangeres wegreed.

„De koning weet niet, welke vreeselijke commissie hij mij opgedragen heeft,'' dacht Pöllnitz, met AnnaPrickerdoor de straten rijdende en haar met doodsangst aanziende. „Als zij nu ontwaakt, zal de geheele orkaan van haar toorn zich op mij uitstorten en ik ben een verloren man. Zij is in slaat mij de oogen uit te krabben, mij te worgen, te vermoorden, voor wij nog het rijtuig verlaten hebben.quot;

Maar zijne vrees was ongegrond. Anna bewoog zich nog altijd niet. Zij was nog bewusteloos, toen zij reeds voor het huis van den heer Pricker stonden. Maar niemand kwam hun uit dat huis Ie gemoet, ofschoon Pöllnitz den lakei beval de deur te openen, en zoo hard hij kon aan de schel te trekken. Niemand kwam hem te gemoet, toen Pöllnitz met behuip van den lakei de machtè.looze uit het rijtuig-hielp en haar in huis, den trap op, naav hare kamer droeg.

Maar toen de baron haar nu langzaam en voorzichtig op

ocr page 195

205

den divan liet glijden maakte Anna eene kleine beweging, en een diepe zucht drong uit hare borst.

„Nu zal de storm losbreken,quot; dacht Pöllnitz vol angst en hij beval den lakei spoedig naar beneden te gaan en daar zijne komst af te wachten. Mij wilde ten minste geen getuige hebben bij het tooneel, dat hem nu wachtte en bij hetwelk hij, zooals hij alle redenen had om te vreezen, eene lijdende rol zou spelen.

Anna Pricker sloeg nu hare oogen op ; hare eerste blik rustte op Pöllnitz, die, over haar heen gebogen, haar met teederen glimlach aanzag.

„Welk een geluk, dierbaarste Anna,quot; fluisterde hij, „dat gij eindelijk uwe schoone oogen weder opent. Ik dacht bijna van angst te sterven.'' Anna Pricker antwoordde niet dadelijk. Hare oogen waren met eene droomerige uitdrukking op het glimlachend gelaat van denhof-cavalier geslagen en terwijl hij nu van zijne teedere bezorgdheid, van de deelneming des konings met haar ongeval vertelde, scheen Anna met moeite uit hare droomen en uit haar bewuste-loozen toestand tot de werkelijkheid terug te keeren.

Nu vloog het als een bliksemstraal over haar gelaat, nu schitterde het licht van het bewustzijn, van den ontwaakten geest in hare oogen en met eene driftige beweging haar arm ophelfende, trof hare hand vol en krachtig de wang van haar teeder glimlachenden aanbidder, die verschrikt achteruitstoof en zachtjes kermend zijne hand op de wang legde.

„Waarom hebt gij uwe schouders opgehaald?quot; vroeg Anna, met van toorn trillende lippen van den divan opspringende en met eene dreigende beweging op Pöllnitz toestappende, die, angstig en schuw, eene tweede uitbarsting vreezende, achteruitging.

„Waarom hebt gij uwe schouders opgehaald ?quot; herhaalde Anna dreigender.

„Ik weet niet, dat ik zulks gedaan heb, mijne Anna!quot; stamelde Pöllnitz.

Zij stampvoette ongeduldig op den grond. „Noem mij niet meer uwe Anna!quot; zeide zij driftig. „Gij zijteenti'ouweloos, verraderlijk wezen en ik veracht u uit het diepste mijner ziel; want gij zijt een lafaard en hebt niet eens den moed haar te verdedigen, die gij duizend maal uwe liefde hebt

ocr page 196

206

toegezworen. Toen ik ophield met zingen en niemand mij applaudisseerde, toen juist had gij het moeten doen; toen hadt gij den moed moeten hebben, voor mij in de bres te springen, en luide en openlijk uwe geliefde te verdeiligen, die men door eene ellendige kuiperij, ten gevalle der Itali-aansche zangeres, wilde doen vallen.quot;

„Maar dierbaarste Anna,quot; zei mijnheer van Pöllnitz, „gij kent de hof-étiquette niet, gij weet niet, dat het bij het hof slechts den koning geoorloofd is, zijne goedkeuring te uiten!quot;

„En toch hebt gij luide betuigingen van uwe goedkeuring doen blijken, toen Farinella gezongen had.quot;

„Omdat de koning er het teeken toe had gegeven!quot;

Anna trok verachtelijk met hare schouders en ging met haastige stappen heen en weder. „Te denken, dat al mijne stoute droomen van de toekomst, al mijne verwachtingen verdwenen zijn,'' prevelde zij met bevende lippen, terwijl enkele tranen langs hare wangen liepen; „te denken, dat de koning, dat het geheele hof gelachen heeft, terwijl ik zong en dat die trotsche Italiaansche met haar overmoedig gelaat, dat gezien en gehoord heeft, — o, o, ik zal het besterven, ik quot;zal nog stikken van spijt. Mijn geheele leven is vernietigd; mijne geheele toekomst vertrapt.quot;

Zij sloeg hare handen voor haar gelaat en weende en snikte luid. Pöllnitz had geen medelijden met hare tranen ; maar hij dacht met aandoening aan zijne schuldeischers en deze gedachte deed de uitgedoofde teergevoeligheid in zijn hart weder ontvlammen.

Hij naderde haar en legde zachtjes een arm om haar hals. „Dierbaarste Anna,quot; fluisterde hij, „waarom weent gij en hoe kan dat kleine ongeval u zoo ongelukkig maken? Beminnen wij elkander niet? Zijt gij nietallijd nog mijne geliefde Anna, mijne schoone, aangebedene geliefde ? Hebt gij niet gezworen, dal ook gij mij bemint en dat gij geen grooter geluk verlangt, dan onafscheidelijk met mij ver-eenigd te zijn?quot;

Anna liet hare handen van haar gelaat glijden en droogde hare tranen, om Pöllnitz, den lieven, glimlachenden teederen Pöllnitz beter te kunnen aanzien.

„Het is waar,quot; vervolgde Pöllnitz, „gij hebt heden avond niet gezegevierd, zooals uw heerlijk talent verdiende, Fari-

ocr page 197

207

nella stond u in den weg. De koning heeft eenmaal een vooroordeel tegen Duitsche zangeressen; hij beweert, dat de Duitschers alleen de kunst verstaan muziek te schrij ven, maar ze niet kunnen zingen; dat dit een voorrecht der Italianen is. Hadt gij een Italiaanschen naam gehad, dan zou de koning verrukt geweest zijn over uwe prachtige stem, over uwe verbazende kunstvaardigheid; maar nu gij ongelukkig eene Duitsche zijt, weigert hij u zijne goedkeuring. Maar wat gij hier niet verkrijgen kunt zult gij gemakkelijk ergens anders verwerven. Laat ons vereenigd dit ondankbare, koude Berlijn verlaten, mijne geliefde, laat ons naar vreemde landen gaan en daar een nieuw, schoon en heerlijk leven beginnen. Wij geven u een Italiaanschen naam; ik maak mij tot uw cavalier, en daar ik aan alle hoven aanzienlijke betrekkingen heb, zal het gemakkelijk zijn u overal gastrollen te bezorgen. Gij zult roem en geid met uw zingen verdienen, en wij zullen als een gelukkig, onafscheidelijk paar geliefden met elknnder leven.quot;

„O,quot; zeide Anna hoofdschuddende, „liet is mij niet te doen om geld te verdienen. Ik ben rijk, rijker dan ik zelve dacht. Mijn vader zelf heeft mij heden gezegd, dat hij ongeveer zevènhonderdduizend daalder bezit en dat hij mijn broeder, die sedert drie dagen Berlijn verlaten heeft, onterven wil. Ik zal dus zijne eenige erfgename zijn en dat zal spoedig gebeuren, want vader is onherstelbaar verloren, de docter geeft hem nog slechts eenige dagen levens.quot;

De oogen van den baron begonnen met levendiger vuur te schitteren. „Heeft uw vader zijn testament al gemaakt? Heeft hij u reeds tot erfgename benoemd?

„Dat wilde hij heden doen. Hij heeft den notaris en de getuigen reeds besteld en ik geloof, dat zij bij hem waren, toen ik naar het noodlottige concert reed. Het is dus niet om het geld, dat ik zangeres ben geworden, maar enkel om den roem! Maar nu laat ik dat voornemen varen; de avond van heden heeft mij bewezen, dat er ook doornen zijn op de kunstenaarsbaan, welke ik slechts met rozen bestrooid waande. Ik zie af van roem en eer en wil en verlang niets nleer, dan gelukkig te zijn, gelukkig door liefde. Ja, Pöllnitz gij hebt gelijk; ontvluchten wij dit koude, trou-welooze Berlijn, laat ons naar schoone streken gaan. Daar willen wij villa's, kasteelen en landgoederen koopen en de

ocr page 198

208

wereld zal geen gelukkiger paar kennen, dan de baron en de barones van Pöllnitz.quot;

Ditmaal gevoelde de heer van Pöllnitz geen tegenzin bij de gedachte, dat de dochter van den snijder de stoute gedachte koesterde zijn gemalin te willen worden. Om hare zevenhonderdduizend daalder vergaf hij haar deze stoutheid, vond hij het volstrekt niet vernederend, de echgenoot van de schoone Anna Pricker te worden.

Hij betuigde dus in hartstochtelijke woorden zijne liefde en Anna luisterde naar hem met schitterende oogen en gelukkigen glimlach, toen zij plotseling door een luid kermen en steunen, dat uit het naaste vertrek klonk, gestoord werden.

„Mijn vader! Het is mijn vader !quot; riep Anna ontsteld, haastig naar de deur en in de voorouderlijke zaal snellende, waarheen Pöllnitz haar volgde.

Daar, te midden zijner voorouders, de waardige en aanzienlijke hoikleermakers, lag de hofkleermaker van twee koninginnen, de afstammeling en erfgenaam van een zoo roemrijk geslacht, op zijn doodbed.

Bleek en kleurloos, als de portretten der vaderen, was ook het gelaat van den heer Pricker; maar niet strak en dot was zijn oog, zooals dat van gene, maar helder door den wilden gloed der koorts. Toen hij Anna met haar schitterend, Fransch costuum, dat zij nog niet afgelegd had, ontdekte, klonk van zijne lippen een zoo woest, afschuwelijk geschater, dat zelfs het hart van Pöllnitz sidderde.

„Kom bij mij, waardige zuster van uwen broeder.quot; zei de oude man stamelend, met zijn gele uitgeteerde hand zijne dochter aan zijn leger wenkende. „Kom hier, en luister, wat ik u te zeggen heb. Gij en uw broeder hebt mijn hart gebroken; gij hebt mij dagelijks een droppel gif gegeven en ik ben er langzaam, dag aan dag, aan gestorven. Uw broeder heeft, als de verloren zoon, het huis zijns vaders verlaten, doch is niet, als deze, berouwhebbend teruggekeerd, maar beroemt zich met stouten overmoed op zijne misdaad en werpt mij de schande honend in het aangezicht. Zie, daar is de brief, dien ik heden van hem ontving en waarin hij mij schrijft, dat hij met de dochter van mijn tweeden moordenaar, van den Franschman Pélissier, ontvlucht is, om tooneelspeler te worden; om den ouden,eerwaardigen en

ocr page 199

209

aanzienlijken naam zijner vaderen te bezoedelen en aan den spot der straa'jongens prij- te geven. Voor dit edele doei vraagt, hij van mij het erfdeel zijner moeder. Hij moet het hebben, ja, hij moet het hebben ; het zijn vijldui/.end daalder. Maar van mij krijgt hij niels, niets anders dan mijn vloek, en ik bid God, dat die vloek eeuwig in zijn oor weergalme.quot;

De ourle man liet uitgeput, zijn hoofd op het kussen zinken en steunde luid. Anna trad met droge oogen aan het leger van haar stervenden vader en dacht slechts aan de scliilte-rende en heerlijke toekomst, die met ieder oogen blik een stap naderde. Pöllnitz was in eene vensternis gaan staan en overlegde juist, of het be!er ware, den dood van den ouden man af te wachten, dan of hij naar den koning zou terugkeeren.

Plotseling sloeg de beer Pricker zijne oogen weder op en zijn blik rustte met een uitdrukking van toorn en bitteren spot op het gelaat zijner dochter.

„Welk eene deftige damezijtgij nu,quot; belt;,ron hij met eene onaangename grijns. „Geheel naar de nieuwste mode opgeschikt, daarbij eene groote zangeres, die voor den koning en het hof zingt. Zulk eene voorname dame moet zich schamen, dat haar vader een kleermaker is. Dat beyrijp ik en ik daal dus ten grave, om mijne voorname schoone dochter niet in den weg te staan. Ja, ik ga heen en niets moet de trotsche zangeres meer aan mij herinneren, niets, zeg ik, noch mijn huis, noch mijn geld. O, eene zangeres kan niet de erfgenaam van een kleermaker zijn; eene dame, die Fran-sche modes draagt, kan het geld nietaannemen, dat haar vader met de ouderwetsche drachten verdiend heeft.quot;

En de oude man brak in een woest, waanzinnig gelach uit, terwijl Anna hem ontsteld aanstaarde en Pöllnitz uit zijn schuilhoek te voorschijn kwam naar het bed, om beter te kunnen hooren en waarnemen.

„Ik begrijp u niet, vader,quot; zeide Anna sidderend en angstig.

„Gij zult mij spoedig begrijpen,quot; stamelde de oude man met heeschen lach. „Als ik dood ben en het gerecht komt om u mijn testament, dat ik heden gemaakt en hun ter hand gesteld heb, voor te lezen, dan zult gij mij begrijpen; dan zult gij weten, dat ik mijn have en goed aan de armen

Mühlbach, Frederik de Groote en zijn Hof. II. 14

ocr page 200

210

dezer stad vermaakt heb en niet aan de voorname zangeres, die mijn geld niet noodig heeft, daar zij een millioen in haar keel heeft. Mijn zoon een tooneelspeler, mijne dochter eene zangeres, zoo is het goed, zoo kan men met vreugde ten grave dalen en God danken, dat men sterft. O, o, gij zult aan den ouden vader Pricker denken, gij zult mij vloeken, zooals ik u gevloekt heb en daar gij over mijn dood niet zult weenen, zult gij hem ten minste als een groot ongeluk beschouwen. Onterfd zijt gij, beiden onterfd; de armen zijn mijne erfgenamen en gij beiden krijgt niets, dan het erfdeel uwer moeder, dat ik u, helaas, niet onthouden kan.quot;

„Vader! Vader! Dat is niet mogelijk, dat kunt gij niet meenen,quot; schreeuwde en klaagde Anna. „Het is niet mogelijk dat een vader zoo wreed, zoo onnatuurlijk handelen kan, dat hij zijne kinderen kan onterven.quot;

„Hebt gij ook niet wreed en onnatuurlijk tegen mij gehandeld?quot; vroeg de oude man grijnzend. „Hebt gij mij niet gemarteld en gekweld; hebt gij mij niet met den glimlach op de lippen vermoord, zooals gij uwe moeder vermoord hebt, uwe moeder, die van verdriet over u gestorven is? Neen, neen, geen medelijden met de onnatuurlijke kinderen. Gij zijt onterfd, onterfd, onterfd!quot;

En met luid gekrijt zonk de oude man op zijn leger, luid steunend en kermend, terwijl zijne trekken die eigen-dommelijke strakke en ingevallen uitdrukking aannamen, welke, als een wreede bode des doods, het gelaat des men-schen bekruipt, wanneer deze nadert om zijn offer te ontvangen.

„Hij sterft! Hij sterft!quot; schreeuwde Anna, zich op het bed haars vaders werpende. „Hij sterft en hij heeft mij onterfd.quot;

„Ja, onterfd!quot; stamelde de zware tong van den stervende.

Pöllnitz gevoelde, bij dit gezicht, zijn hart hevig kloppen; haastig vloog hij uit dit akelige vertrek, stormde de trappen af, de huisdeur zoo driftig openrukkende, dat de schel met luid en wild gebengel door het stille huis weergalmde.

En toen hij in den wagen zat en naar het slot ijlde, vond hij zijne rust en bedaardheid weder en zich gemakkelijk in de zijden kussens werpende, zei hij: „Ik zal den koning mijn ontslag vragen; ik zal protestantsch worden

ocr page 201

211

en dan naar Neurenberg ijlen, om de rijke, patricische dame te trouwen.quot;

XXI.

DE ONTDEKKING.

Zij zaten weder vereenigd in de stille, geurige oranjerie, zij rustten weder aan elkanders hart; na eene lange scheiding blikten zij elkander weder in de oogen, door tranen van geluk beneveld, en vroegen elkander glimlachend en dronken van vreugde of dat alles niet een droom, een heerlijke, verrukkelijke droom was?

Het was de eerste maal sedert zijne terugkomst uitSi-lezië, dat prins August Wilhelm zijne Laura, alleen en zonder getuigen, weder zag, en haar van zijn verlangen en zijne smarten vertellen kon; de eerste maal, dat zij hem de zoete en heilige bekentenissen der liefde in het oor kon fluisteren, die, behalve haar geliefde, niemand dan God alleen zou hooren.

Maar er waren nog vier ooren, die alles hoorden; nog vier oogen, die alles zagen, wat in het prieel gebeurde. Louise van Schwerin en haar minnaar, de schoone Fritz Wendel, bevonden zich ook weder in de rotsgrot, en arm in arm luisterden zij naar het lieve gekeuvel van den prins en zijne bruid.

„Hoe gelukkig zijn beiden!quot; fluisterde Louise zuchtend.

„Zijn wij het dan niet?quot; vroeg Fritz Wendel teeder, zijne geliefde vaster in zijne armen drukkende. „Beminnen wij elkander dan niet even vurig, even hartstochtelijk en rein, als die daar ginds?quot;

„En toch zou men voor beiden tranen van medelijden weenen, terwijl men om ons beiden slechts zou lachen en spotten.quot;

„Het is waar, de arme tuinman is slechts een bespot-

ocr page 202

212

telijk minnaar voor de schoone freule van Schwerin,quot; prevelde Fritz Wendel. „Maar dat moet en zal anders worden; en spoedig zal ik den nieuwen weg inslaan, dien ik mij zei ven aangewezen heb. Mijne Louise moet niet langer blozen om haar geliefde en het moet voor haar niet langer smaad en vernedering zijn, door mij aangebeden te worden. Ik heb een middel in handen, waarmede ik mij rang en aanzien kan koopen, ik zal het toepassen.quot;

„Noem mij het middel, laat mij uwe plannen kennen,quot; bad Louise.

Hij wees met een glimlach naar den prins en zijne geliefde. „Daar is mijn koopprijs,quot; fluisterde hij ,,ik zal heengaan en hen aan den koning verraden, die mij voor dit geheim rangen rijkdom zal schenken; want van dit geheim hangt de toekomst van Pruisen af. Hooren wij dus, wat zij spreken, opdat — quot;

„Neen, hooren wij niet,quot; viel Louise hem driftig in de rede. „Het is wreed en onedel, met het ongeluk van anderen zijn eigen geluk te willen koopen, het is— quot;

Fritz Wendel legde zijne hand op hare toornige, brandende lippen. ,,Üm Godswil, zwijg nu en luister.quot;

Het gesprek van het minnende paar in het prieel had nu eene andere wending genomen. Hunne oogen fonkelden niet meer van verrukking; zij waren somber en dof en eene diepe smart sprak uit hunne trekken.

„Het is dus werkelijk waar,quot; fluisterde Laura met diepe droefheid, „gij zijt verloofd, gij zijt de bruidegom van de prinses van Brunswijk?quot;

„Het is waar,quot; zeide de prins bijna onhoorbaar. „Er was geen ander middel om ons geheim te redden en te bewaren, dan dat ik mij voor den schijn kalm en bedaard naar het bevel des konings schikte en in deze verloving toestemde. Zij zal zoolang de dekmantel onzer liefde zijn, totdat wij vrij en openlijk aan de*geheele wereld onze liefde kunnen toonen. En dit, mijn lieve, hangt nu geheel van u af. Herinner u nu de eeden van eeuwige liefde, van eeuwige trouw, die wij elkander gedaan hebben ; denk, dat gij mij beloofd hebt om de mijne te zijn in alle eeuwigheid en mij uw geheele leven te wijden. Denk, dat gij mijn verlovingsring aan den vinger draagt en dus mijne bruid zijt.quot;

ocr page 203

-r-^F S' /I

^UH/lrWVl. ff O J? P yJ?

Kinvt. ft -jvuMWi, rrtïZuscamp;kt nrLWnuj ven-Prnf neeft, weet, do/'/K net-n^ t quot;k amp;e£ iia.it*a.famp;i vjtfrvamp;a^cfotaümrflyteamp;

vlucnt zij met haar gelietde, zoo'vlucht ik met u; wordt zij zijne vrouw, dan word ik de uwe. Maar laat ons nu zwijgen en luisteren.quot;—

„En nu, mijne Laura, hoor mij aan, en let nauwkeurig op elk mijner woorden,quot; zeide prins August Wilhelm ernstig.

quot;•quot;j 1 * . «-* 11 lt;- X . -----1 - 4- lt;-»11/-. •»-.-« o lt;-» 4 -»-»/-«/-r/-»1 r\ -r» rroT| O»

andere vrouw beminnen zal, dan u alleen; dat ik nooit eene andere vrouw tot mijne gemalin nemen zal, dan Laura van Pannewitz; en zij was grootmoedig en edel genoeg, in deze maskerade toe te stemmen en zoolang voor mijne bruid door te gaan, tot ons verbond deze bescherming niet meer belioeft. Nü bezweer ik u dus, mijne Laura, bij onze liefde, bij het geluk van onsgeheele leven,

verhoor eindelijk mijn vurig smeeken; vervul mijne innige beden ; bezit den moed, om de wereld te trotseeren en hare vooroordeelen met de dapperheid v?m een edel en rein geweten het hoofd te bieden. Volg mij, mijn geliefde, ontvlucht met mij, besluit om mijne vrouw te worden!quot;

Hij zag haar met zulke smeekende, van liefde stralende blikken aan, dat Laura haar hart voelde sidderen, en den moed niet had hem vastberaden te gemoet te treden. Haar eigen hart sprak voor hem en nu, nu zij op het punt gt; stond hem te verliezen, wanneer zij hem nog langer weerstand bood, nu, daar hij de verloofde van eene andere was, nu vervulde deze gedachte haar met eene folterende ijverzucht, nu begreep zij, dat het gemakkelijker ware den dood te gemoet te gaan, dan van haar geliefde afstand te doen.

Maar haar edel, jonkvrouwelijk bewustzijn gaf haar nochtans de kracht met haar eigen, zwak hart te strijden om de verlokkende en verleidelijke stemmen niet te willen hoo-ren, welke in hare eigene borst weergalmden. Even als Ulysses wilde zij hare ooren voor debetooverende sirenen-stem, welke haar verleiden wilde, sluiten. Maar zij luisterde toch steeds, en ofschoon zij de kracht gevonden had de wenschen van den geliefde te weerstaan en zijn bede om met hem te ontvluchten, af te wijzen, weigerde zij hem toch niet toen hij met steeds vuriger hartstocht,-met steeds driftiger woorden haar bezwoer, hem te volgen, zijne vrouw, zijne gemalin te worden.

Het was zulk eene zoete, heerlijke muziek; het was zulk een bedwelmend geluk, met haar hoofd tegen zijn schouder

ocr page 204

212

telijk minnaar voor de schoone freule van Schwerin,quot; prevelde Fritz Wendel. „Maar dat moet en zal anders worden; en spoedig zal ik den nieuwen weg inslaan, dien ik mij zeiven aangewezen heb. Mijne Louise moet niet langer blozen om haar geliefde en het moet voor haar niet langer smaad en vernedering zijn, door mij aangebeden te worden. Ik heb een middel in handen, waarmede ik mij rang en aanzien kan koopen, ik zal het toepassen.quot;

„Noem mij het middel, laat mij uwe plannen kennen,quot; bad Louise.

Hij wees met een glimlach naar den prins en zijne geliefde. „Daar is mijn koopprijs,quot; fluisterde hij „ik zal heengaan en hen aan den koning verraden, die mij voor dit geheim rang en rijkdom zal schenken; want van dit geheim hangt de toekomst van Pruisen af. Hooren wij dus, wat zij spreken, opdat — quot;

„Neen, hooren wij niet,quot; viel Louise hem driftig in de rede. „Het is wreed en onedel, met het ongeluk van anderen zijn eigen geluk te willen koopen, het is — quot;

Fritz Wendel legde zijne hand op hare toornige, brandende lippen. „Üm Godswil, zwijg nu en luister.quot;

Het gesprek van het minnende paar in het prieel had nu eene andere wending genomen. Hunne oogen fonkelden niet meer van verrukking; zij waren somber en dof en eene diepe smart sprak uit hunne trekken.

„Het is dus werkelijk waar,quot; fluisterde Laura met diepe droefheid, „gij zijt verloofd, gij zijt de bruidegom van de prinses van Brunswijk?quot;

„Het is waar,quot; zeide de prins bijna onhoorbaar. „Er was geen ander middel om ons geheim te redden en te bewaren, dan dat ik mij voor den schijn kalm en bedaard naar het bevel des konings schikte en in deze verloving toestemde. Zij zal zoolang de dekmantel onzer liefde zijn, totdat wij vrij en openlijk aan de»geheele wereld onze liefde kunnen toonen. En dit, mijn lieve, hangt nu geheel van u af. Herinner u nu de eeden van eeuwige liefde, van eeuwige trouw, die wij elkander gedaan hebben ; denk, dat gij mij beloofd hebt om de mijne te zijn in alle eeuwigheid en mij uw geheele leven te wijden. Denk, dat gij mijn verlovingsring aan den vinger draagt en dus mijne bruid zijt.quot;

ocr page 205

andere vrouw beminnen zal, dan u alleen; dat ik nooit eene andere vrouw tot mijne gemalin nemen zal, dan Laura van Pannewitz; en zij was grootmoedig en edel genoeg, in deze maskerade toe te stemmen en zoolang voor mijne bruid door te gaan, tot ons verbond deze bescherming niet meer behoeft. Nü bezweer ik u dus, mijne Laura, bij onze liefde, bij het geluk van onsgeheele leven, verhoor eindelijk mijn vurig smeeken; vervul mijne innige beden; bezit den moed, om de wereld te trotseeren en hare vooroordeelen met de dapperheid van een edel en rein geweten het hoofd te bieden. Volg mij, mijn geliefde, ontvlucht met mij, besluit om mijne vrouw te worden!quot;

Hij zag haar met zulke smeekende, van liefde stralende blikken aan, dat Laura haar hart voelde sidderen, en den moed niet had hem vastberaden te gemoet te treden. Haar eigen hart sprak voor hem en nu, nu zij op het punt stond hem te verliezen, wanneer zij hem nog langer weerstand bood, nu, daar hij de verloofde van eene andere was, nu vervulde deze gedachte haar met eene folterende ijverzucht, nu begreep zij, dat het gemakkelijker ware den dood te gemoet te gaan, dan van haar geliefde afstand te doen.

Maar haar edel, jonkvrouwelijk bewustzijn gaf haar nochtans de kracht met haar eigen, zwak hart te strijden om de verlokkende en verleidelijke stemmen niet te willen hoo-ren, welke in hare eigene borst weergalmden. Even als Ulysses wilde zij hare ooren voor debetooverende sirenen-stem, welke haar verleiden wilde, sluiten. Maar zij luisterde toch steeds, en ofschoon zij de kracht gevonden had de wenschen van den geliefde te weerstaan en zijn bede om met hem te ontvluchten, af te wijzen, weigerde zij hem toch niet toen hij met steeds vuriger hartstocht,-tnet steeds driftiger woorden haar bezwoer, hem te volgen, zijne vrouw, zijne gemalin te worden.

Het was zulk eene zoete, heerlijke muziek; het was zulk een bedwelmend geluk, met haar hoofd tegen zijn schouder

ocr page 206

U 11 JIJUi

1 I/HM,^(rtiedv Lijb Hy $y*-cotttêy,k êiy^ji^ oj? ft

inMjtu 214

I/

Zij wist niet, dat die woorden als een verterenet vuur dooi' hare aderen stroomden, als een vuur, dat hare beradenheid verminderde en hare kracht verlamde.

Toen hij, tot wanhoop gebracht door haar stilzwijgen en haar tegenstand, eindelijk in tranen uitbarstte, toen hij haar van wreedheid en liefdeloosheid beschuldigde, toen zij zijn edel gelaat vol smart en kommer zag, vond zij geen moed meer hem te weerstaan en zich met een sloeienden blos in zijne armen vlijend, fluisterde zij: ,,Neem mij aan, want van nu af aan ben ik eeuwig de uwe! Ik neem u aan tot mijn heer en gemaal en uw wil zal de mijne zijn; wat gij besluit, zal geschieden; waarheen gij mij roept, daar zal ik gaan, ik zal u volgen tot aan het einde der wereld en niets zal mij van u scheiden, dan de dood!quot;

De prins drukte haar vast en innig in zijne armen en kuste haar rein, hoog voorhoofd. „God zegene u mijne gehelde, God zegene u voor dit besluit,quot; zeide hij en zijne stem was nu weder krachtig en vol en zijn gelaat had nu weder eene vaste, beradene uitdrukking. Hij was niet meer de klagende, wanhopende minnaar, maar de moedige, krachtige man, die wist, wat hij wilde en dus zielskracht en moed genoeg bezat, zijn wil uit te voeren.

Fritz Wendel sloeg zijne armen vaster om Louise's gestalte en haar inniger aan zich drukkende, fluisterde hij: „Louise, gij zegt, dat Laura een engel in deugd en zedigheid is en toch heeft zij niet den wreeden moed, haar geliefde langer weerstand te bieden; toch geeft zij zijn smeeken gehoor en heeft zij besloten met hem te vluchten. Wilt gij nu minder gevoelig en menschelijk zijn, dan deze teedere, zedige Laura? O, Louise, volg toch ook uw teergevoelig, echt vrouwelijk hart, word in het geheim mijne vrouw; dan verberg ik u en ga heen, om Zien voorwaarden voor te schrijven, die nu mijne aanvraag met trotschen hoon zouden afwijzen.1'

„Ik zal doen, wat zij doet,quot; fluisterde Louise met gloeiende wangen. „Wat Laura doen mag, zal ik ook doen.

ocr page 207

215

Vlucht zij met haar geliefde, zooquot; vlucht ik met u; wordt zij zijne vrouw, dan word ik de uwe. Maar laat ons nu zwijgen en luisteren.quot;—

„ïïn nu, mijne Laura, hoor mij aan, en let nauwkeurig op elk mijner woorden,quot; zeide prins August Wilhelm ernstig. „Ik heb alle toebereidselen gemaakt, alle maatregelen genomen en binnen acht dagen zult gij reeds mijne gemalin zijn. Ik heb op een mijner goederen een goeden, vromen predikant die mij zeer genegen is. Hij heeft mij beloofd; ons huwelijk te voltrekken. Naar hem snellen wij het eerst, wanneer wij Berlijn verlaten hebben en wanneer daar des nachts in de dorpskerk het verbond onzer harten den zegen der kerk ontvangen heeft, wanneer gij mijne vrouw geworden zijt, wacht ons voor de kerk een rijtuig, dat ons met postpaarden over de Pruisische grenzen zal brengen. Ik heb reeds van den Engelschen gezant, die mijn toegenegen vriend is, een pas ontvangen, die ons onder een vreemden naam veilig en ongestoord naar Engeland brengt. Daar zal mijn oom^ de koning van Engeland, ons zijne bescherming en zijn bijstand niet weigeren en door zijne bemiddeling zullen wij ons met mijn broeder, den koning verzoenen. Wanneer hij ziet, dat onze verbintenis geldig gesloten is, zal hij de nuttelooze poging moeten opgeven, haar te willen vernietigen.quot;

„Maar hij kan en zal u straffen voor uwe vermetele handelwijze ; hiij zal u van de troonsopvolging vervallen verklaren, en om mijnentwil zult gij eene verhevene, glansrijke toekomst moeten opofferen.quot;

„Laat dat zijn,quot; zeide de prins glimlachend. „Ik verlang niet naar de kroon en voor dat ijdele klatergoud van aard-sche heerlijkheid is mijn geluk en mijne liefde niet veil. Ik heb ook wellicht de kracht, het talent en de geestkracht niet, een heerscher te zijn; mij is het voldoende, in uw hart te heerschen en een koning in het rijk der liefde te zijn. Wanneer ik dus het onbetwiste bezit mijner geliefde daardoor koopen kan, dat ik van den troon afstand doe, zal ik het met vreugde doen en er niet het minste of geringste berouw over gevoelen.quot;

„Maar hoe zal ik, een arm, onbeduidend, zwak meisje, hoe zal ik u kunnen vergoeden, wat gij om mijnentwil verliest vroeg Laura beschroomd.

ocr page 208

216

„Gij zult mij liefhebben en dat is meer dan vergoeding, dat is belooning. Nu moogt gij niet meer weifelen en vreezen ; nu moet alles tusschen ons beslist en vast zijn. Gij kent het plan voor onze toekomst. Van mijn kant zijn alle toebereidselen gemaakt, doe gij nu, van uw kant, wat noodig is. De predikant Hartwig in Oranienburg zal ons trouwen. Zend daarheen de noodzakelijkste kleedingstukken en dinijen, die gij noodig heht; zend ze, zonder er een enkel woord of aanmerking bij te voegen. De predikant weet, dat hem zulks toegezonden wordt en hij zal den koITer ongeopend laten staan. Aanstaanden Dinsdag over acht dagen, geeft de koning een bal. Gij moet reeds twee dagen te voren uwe kamer houden en eene ernstige ongesteldheid voorwenden, die voor u eene voldoende verontschuldiging zal zijn, om de koningin niet naar het bai te vergezellen. Ik zal de uitnoodiging aannemen, maar niet verschijnen, doch u voor de slotpoort van Monbyou verwachten. Om acht uur begint het bal. Om negen uur verlaat gij uwe kamer en het slot, aan welks poort ik u ontvang. Honderd pas verder staat het rijtuig, dat ons dadelijk naar Oranienburg brengt. Daar vinden wij reeds den predikant voor het altaar gereed om ons den zegen te geven en zoodra dit geschied is, nemen wij een ander rijtuig, dat ons onmiddellijk verder brengt, tot wij Hamburg bereikt hebben, waar reeds een schip, door den Engelschen gezant gehuurd, gereed ligt, ons opneemt en naar Engeland overvoert. Gij ziet, mijne dierbaarste, alles is goed overlegd en in orde en niets zal ons plan meer in den weg staan, nu wij beiden het eens zijn. Binnen acht dagen dus, niet waar, mijne Laura?quot;

„Binnen acht dagen,quot; fluisterde zij. „Ik heb geen anderen wil, dan de uwe.quot;

„Tot dien tijd zullen wij elkander noch zien noch spreken,quot; zeide de prins, „opdat soms het een of ander onbedachtzaam woord geen vermoeden opwekke, opdat de oogen der spionnen, waardoor wij beiden vooral vervolgd worden, geen verband tusschen uw en mijn doen vinden. Geen woord, geene boodschap, geen teeken zal ons bericht van elkander geven; maar den volgenden Dinsdag, met klokslag negen uur, wacht ik u buiten de poort van het kasteel en ik hoop dat gij mij niet te vergeefs zult laten wachten.''

ocr page 209

217

„Neen, ik zal u niet te vergeefs laten wachten,quot; fluisterde Laura, met een glimlach van verrukking haar blozend gelaat aan de borst van haar minnaar verbergende..

„En gij. zult gij mij te vergeefs laten wachten ?quot; vroeg Fritz Wendel, Louise's hoofd aan zijne borsl drukkende en haar vast in het gloeiende, van liefde droomende gelaat ziende.

„Neen, ik zal u niet te vergeefs lafen wachten,quot; zeide Louise van Schwerin. „Ook wij zullen ons rijtuig hebben; alleen zullen wij eenige uren vroeger vertrekken dan de prins en zijne Laura. Ook wij zullen naar Oranienburg reizen en voor de deur der kerk zullen wij den prins verwachten. Wij zullen hem zeggen, dat wij zijn geheim kenden en het niet hebben verraden. Wij zullen hem onze lietde bekennen. Laura zal voor ons bidden en de predikant zal. in plaats van één, twee paren moeten trouwen. Dan zullen wij vereenigd met den prins en zijne gemalin verder vluchten en hen naar Engeland vergezellen en even als van daar de prins aan den koning, zoo zullen wij mijne familie om vergiffenis smeeken. O, dat is een heerlijk, voortreffelijk plan. Ik zal dan eene vlucht, eene schaking, eene nachtelijke trouwpartij hebben en eene groote reis, doen. Het zal juist zijn, als in die heerlijke romans, welke ik zoo gaarne lees en wonderlijk en avontuurlijk als deze, zal ook mijn leven zijn. Maar wat was dat?quot; viel zij zich zelve in de rede. ,,Hebt gij niets gehoord ? Ik verbeeldde mij. dat ik een gerucht hoorde, alsof de buitendeur van de oranjerie geopend werd.quot;

„Stil stil,quot; fluisterde Fritz Wendel. „Ook ik heb het gehoord, laat ons op onze hoede zijn.quot;

Ook de prins en Laura hadden het gerucht geboord, en zij luisterden in ademloozen angst en zagen onafgewend naar de deur. Wellicht was het slechts de wind geweest, die de deur van de voorzaal bewogen had, wellicht — maar neen, daar ging de deur der zaal langzaam open en men zag eene hooge vrouwengestalte zachtjes binnentreden.

„De koningin!quot; fluisterde Laura, trillende van angst.

„Mijne moeder,quot; mompelde de prins, terwijl zijn angstige blik naar redding zocht. Nu vestigde deze zich op de rotsgrot, en er met zijn vinger snel heenwijzende, fluisterde hij ; „spoedig, spoedig ! Verbergt u daar ! Ik blijf en wacht mijne moeder af.quot;

ocr page 210

218

Reeds zag men de hooge gestalte der koningin tusschen de takken en bloemstruiken al nader en nader komen; reeds kon men haarfonkelendoog, haar trotsch, vergramd gelaat herkennen.

„Spoed, spoed,quot; fluisterde de prins, „verberg u, ot wij zijn verloren!quot;

Diep bukkend tusschen de lauwrier- en mirtestruiken sloop Laura er heen; eindelijk had zij, ongemerkt door de koningin, de rotsgrot bereikt en leunde doodsbleek en bevend tegen den binnenwand, terwijl haar oog, nog niet aan de duisternis gewend, niets bemerkte.

Plotseling hoorde zij naast zich een zachte, fluisterende stem. „Laura, lieve Laura, vreest niets. Wij zijn trouwe vrienden, die uw geheim kennen en u niet verraden zullen.quot;

„Volg mij, freule,quot; fluisterde eene andere stem. „Vertrouw op ons, zooals wij op u vertrouwen. Wij kennen uw geheim ! Gij moet het onze vernemen. Geef mij uwe hand. Ik leid u onopgemerkt van hier en ongezien kunt gij naar het slot terugkeeren.quot;

Laura was als bedwelmd, bijna bewusteloos liet zij zich zachtjes voorwaarts trekken; zij zag naast zich een glimlachend vriendelijk meisjesgezicht, en herkende eindelijk de kleine hoffreule Louise van Schwerin.

„Louise,quot; vroeg zij zachtjes. „Wat beteekent dat alles?quot;

„Stil,quot; fluisterde deze. „Volg hem. Daal die trap af. Zoo, God zij met u! Ik blijf hierom den terugtocht te dekken.''

Nu was Fritz Wendel met Laura in de diepte verdwenen. Louise drukte haastig tegen den bak en schoof den laurierboom boven de opening. Toen sloop zij zachtjes achter het varenkruid aan den ingang der grot, om te zien en waar te nemen wat daar buiten gebeurde.

Het was inderdaad de koningin Sophie Dorothea, die, op dit ongewone uur, alleen en zonder eenig gevolg in de oranjerie gekomen was.

Het was de tijd, waarop de hofdames der koningin anders eiken dag volkomen vrij haar middagrust konden genieten. De koningin placht dan hare dames weg te zenden en haar eenige uren vrij te geven, terwijl zij zelve den slaap, die haar, sedert eenigen tijd, des nachts scheen te ontvluchten, bij dag trachtte te genieten. Intusschen had zij ook bij dag de gewone rust niet kunnen vinden; mismoedig geworden.

ocr page 211

219

trad de koningin aan het raam, en had droomerig naar beneden gezien naar den stillen, eenzamen tuin, dien de winter nu nog met een schitterend lijkkleed bedekt had. Toen verbeelde zij zich, dat zij in de verte eene vrouwengestalte de laan zag ingaan. Het was geene der dienstboden uit het slot, dat zag de koningin aan de kleeding van de raadselachtige verschijning; het was eene barer hofdames en hoewel Sophie Dorothea haar gelaat niet onderscheiden kon, hield zij zich toch dadelijk overtuigrl, dat het niemand anders dan Laura van Pannewitz zijn kon, en dat zij nu naar een rendez-vous met haar onbekenden minnaar ging, dien de koningin, ondanks al hare navorschingen, nog niet had kunnen ontdekken.

Het besluit der koningin was spoedig genomen. Zij riep hare kamervrouwen, liet zich haar pels en kap geven, vertelde, dat zij plotseling zin in eene eenzame wandeling had gekregen, beval geene van hare dames te roepen, maar haar den gewonen vrijen tijd te laten, snelde naar beneden in den tuin en sloeg denzelfden weg in, dien zij de gesluierde dame had zien nemen. Zij kon zeer duidelijk het nieuwe spoor der voetstappen op de sneeuw volgen en dit spoor leidde haar naar de oranjerie. Zonder aarzelen trad de koningin binnen, vast besloten eindelijk het geheim van hare hofdame te ontdekken en plotseling als de bestralTende Nemesis voor haar te staan.

Het was gelukkig voor de arme verliefden, dat de zwaarlijvigheid der koningin, die dagelijks toenam en haar zieke rechtervoet haar geen sneller gang vergunde; toen zij eindelijk de oranjerie bereikte, vond zij er niemand, dan haar zoon August Wilhelm, die haar evenwel met een verward en eenigszins verlegen voorkomen ontving, zoodat de koningin wel begreep, dat hare verschijning hem niet alleen verrassend, maar ook niet gewenscht toescheen.

Zij vroeg dus den prins op strengen toon naar de reden van dit onverwachte en ongewone bezoek in hare oranjerie en toen August Wilhelm met een glimlach antwooi'dde, dat hij hier het ontwaken der koningin had willen afwachten, om haar dan een bezoek te brengen, vroeg de koningin hem driftig: ,,en wie, mijn zoon, hield u bij dat vervelend wachten gezelschap?quot;

Niemand, dierbare moeder,quot; zei de prins, het niet wa-

ocr page 212

220

gende den bespiedenden blik zijner moeder te ontmoeten.

,.Niemand ?quot; herhaalde zij, „Ik hoorde toch spreken, toen ik binnenkwam.quot;

„Gij weet wel, majesteit, dat ik deze gewoonte van mijn vader geërfd heb en soms in mij zelf spreek,quot; antwoordde de prins met gemaakten glimlach.

„De koning, mijn gemaal, verstomde echter niet in zijn zelfgesprek, als ik bij hem kwam,quot; riep de koningin heftig; „hij had geene geheimen voor mij; als ik kwam, vervolgde hij zijne alleenspraak en deelde mij zijne verborgenste gedachten mede.quot;

,,De koning, mijn verheven vader, had altijd groote en gewichtige gedachten, welke de deelneming der koningin Sophie Dorothea verdienden,quot;zei de prins, zich eerbiedig buigende.

„God verhoedde, dat de gedachten zijns zoons van eene andere en mindere soort mogen zijn,quot; riep de koningin met fonkelende oogen. „Mijne zonen moesten ten minste te trotsch zijn, hunne lippen met een logen te bezoedelen en wanneer zij den moed hebben een onrecht te begaan moesten zij ook den moed hebben, het te bekennen.''

„Ik begrijp u niet, dierbare moeder,quot; zei de prins en den trotschen, doorborenden blik zijner moeder doorstaande, vervolgde hij : „ik heb geen onrecht op mijn geweten, en kan het dus ook niet bekennen.quot;

Nu, bij den hemel, dat is eene vermetelheid, welke verdient ontmaskerd te worden,quot; riep de koningin, die zich nu niet meer in staat gevoelde haar toorn te bedwingen. „Weet dan, prins, dat ik mij door uwe kalmte en uw jeugdigen trots niet laat misleiden. Ik weet, dat gij niet alleen waart; ik zelve zag de dame hier heengaan, die u, tot mijne komst, gezelschap hield en ik ben haar hierheen gevolgd.''

„Dan heeft uwe majesteit, naar ik geloof, eene schijngestalte gevolgd,quot; zei de prins met gedwongen glimlach ; „want, zooals gij ziet, was ik alleen en niemand, uitgezonderd uwe majesteit en mij, is hier in de oranjerie.quot;

Maar terwijl de prins deze woorden sprak, vloog zijn blik geheel onwillekeurig naar de grot, die zijn geheim verborg.

ocr page 213

221

De koningin ving dezen blik op en begreep dadelijk zijne beteekenis.

„Er is niemand anders in (ie zaal; wij willen intusschen zien, of ook niemand in de grot is,quot; zei zij, haastig eenige stappen verder gaande.

De prins greep hare hand en hield haar terug. „Ik bezweer u, moeder,'' zei hij dringend, „ga niet te ver in uw argwaan en in uwe vermoedens. Bedenk, dat uw argwaan mij krenkt en uw onderzoek mij tot een knaap vernedert.quot;

De koningin wierp hem een trotschen, toornigen blik toe. „Ik ben hier in mijn eigendom,''zeide zij, zijne hand terugslingerende, „niemand kan mij hier verbieden, of mijn wil beperken.quot;

„Nu dan, mevrouw, volg uw wil,quot; zei de prins beraden. „Tk wilde u eene ergernis besparen, gij hebt niet gewild. Kome dan alle onrust en leed over ons, uwe majesteit wilde het niet anders en daar gij onverbiddelijk zijt, zult gij mij ook vastberaden en standvastig vinden. Laat ons dus maar naar de grot gaan.quot;

Hij bood de koningin zijn arm aan en leidde haarzelf naar de grot. Sophie Dorothea gevoelde zich ontwapend door de vastberadenheid van haar zoon ; zij was reeds bijna overtuigd, dat zij hem inderdaad valschelijk beschuldigd had, dat niemand in deze grot verborgen was. Met goedigen lach wendde zij zich reeds naar haar zoon, om hem eenige vriendelijke woorden toe te spreken, toen zij plotseling achter het varenkruid het zachte ruischen van een kleed meende te hooren en iets wits door het lommer zag schemeren.

„En gij zegt, dat een schijngestalte mij bedrogen heeft, mijn zoon,quot; riep de koningin, haastig vooruitstappende; en hare hand gebiedend uitstekende, zeide zij : „kom te voorschijn, freule, bespaart u zelf en ons de beschaming u met geweld uit uw schuilhoek te moeten halen.quot;

De koningin had zich niet bedrogen; er bewoog zich inderdaad iets achter het varenkruid en nu trad eene in het wit gekleede vrouwengestalte te voorschijn en wierp zich aan de voeten der koningin.

„Genade, majesteit, genade. Ik ben onschuldig aan die stoornis. Ik ben in deze grot in slaap gevallen en eerst ont-

ocr page 214

222

waakt, toen het reeds te laat was, toen uwe majesteit reeds in de grot getreden was. Zoo ben ik onwillekeurig getuige van uw onderhoud geweest. Dat is mijn geheele misstap.quot;

De koningin luisterde met eene vreemde uitdrukking van verbazing ; terwijl de prins met ontsteltenis de kniélende gestalte beschouwde, die hier, op eene raadselachtige, onverklaarbare wijze, in plaats van zijne geliefde, gevonden werd.

„Dat is de stem van freule van Pannewitz niet,quot; zei de koningin verbaasd, langs de knielende naar de verlichte bloemenzaal teruggaande, en zeggende: „Sta op en kom hierheen, opdat ik uw gezicht zien kan.quot;

De dame stond op en trad naar voren. „Louise van Schwerin!quot; riepen de koningin en de prins te gelijk, terwijl de kleine hoffreule, hare gevouwen handen smeekend naar de koningin uitstekende, op den toon van kinderlijke onschuld zeide: „ü, majesteit, heb medelijden met mij! Ik was zoo moede van het bal van gisteren en daar uwe majesteit sliep, ging ik hierheen, om ook een weinig te slapen, alhoewel ik niet vergeten heb, dat uwe majesteit ongaarne ziet, dat wij de oranjerie alleen bezoeken.quot;

Sophie Dorothea verwaardigde haar met geen blik ; hare ' oogen rustten met eene strenge, verachtelijke uitdi-ukking op haar zoon.

„Ik had inderdaad betere gedachten van u,quot; zeide zij. „Een kind te verleiden is inderdaad eene zeer gemakkelijke, maar ook eene zeer verachtelijke daad voor een koninklijken prins.quot;

„Moeder,quot; riep de prins ontsteld, „gij gelooft toch niet—quot;

„Ik geloof, w7at ik zie,quot; viel de koningin hem in de rede. „Staak dus uwe betuigingen en verzekeringen van onschuld en buig u voor de strenge waarheid, welke u, ondanks uw loochenen, veroordeeld heeft. En wat u betreft, freule, ik beveel u mij te volgen en u zwijgend en zonder tegenspraak en verontschuldiging naar mijne bevelen te schikken. Kom, zie, als het u beliett vriendelijk en opgeruimd. Ik wil niet, dat mijn hof dit schandaal verneme en uit uwe ontstelde trekken uwe schuld en uwe misstap leze. Dat gij u niet door woorden kunt verraden, daarvoor zal ik zorgen. Kom!quot;

Zij greep gebiedend den arm der kleine freule en ging met haar de oranjerie uit.

ocr page 215

223

De prins zag haar verbaasd en verward na. „Nu,quot; zeide hij, ,,dat raadsel moge zich oplossen, hoe dan ook, Laura is gered en binnen acht dagen zullen wij vluchten.quot;

XXII.

VERDIEND LOON.

Drie dagen waren er sedert verloopen en nog altijd wachtte Fritz Wendel te vergeefs opeen of ander teeken, eene boodschap van zijne geliefde ; nog altijd ging hij te vergeefs eiken dag langs zijn onderaardschen weg naar de grot; nog altijd stond hij te vergeefs des nachts onder haar venster en hoopte op eenig teeken, eenig woord van haar. De gordijnen voor hare vensters bleven dicht en geen der hofbedienden kon den armen tuinman eenig bericht over het noodlot van Louise van Schwerin mededeelen, die ondertusschen onder strenge bewaking in hare kamer werd gehouden en onder het bijzonder toezicht van de vertrouwde kamervrouw der koningin gesteld was. De koningin had hare hofdames gezegd, dat freule van Schwerin aan eene besmettelijke huidziekte leed : de lijfarts der koningin had deze woorden bevestigd en de dames voor elke aanraking met de zieke gewaarschuwd. Er was dus geen bijzonder verbod noodig, om de dames van de kamer der gevangene verwijderd te houden. Louise was opgegeven en verlaten; langs hare kamerdeur vlogen alle dames met angstigen haast voorbij, in de vrees, dat ook zij de scharlakenkoorts mochten krijgen en op het ziekbed geworpen zouden worden.

Maar de koningin scheen de besmetting niet te vreezen. Men zag haar eiken dag naar het vertrek van de zieke hoffreule gaan en er lang blijven. Het geheele hof benijdde de kleine Louise van Schwerin, wegens deze teedere deel-

ocr page 216

224

neming der koningin. Maar niemand vermoedde, welke pijnlijke eti verschrikkelijke gewaarwordingen die bezoeken aan Louise berokkenden en welken tollerenden angst het hart van de arme gevangene beving, zoo dikwijls, de koningin haar vertrek betrad. Niemand hoorde de strenge, toornige en dreigende woorden der koningin; niemand vermoedde, dat de koningin niet kwam om Louise te verplegen, maar haar aati een streng onverbiddelijk verhoor te onderwerpen.

Intusschen had Louise de bedreigingen en scheldwoorden der koningin nog altijd weerstaan. Zij had nog altijd den moed gevonden te zwijgen en zich volkomen onschuldig, volkomen openhartig te toonen. Zij wist zeer goed, dat zij het geheim van Laura niet verraden kon, zonder zich zelve ten toon te stellen en dat, wanneer de koningin de geheime ontvluchting van Laura zou vernemen zij tevens onderricht moest zijn van den minnehandel van Louise met den armen Fritz Wendel en van de geheime samenkomsten, door middel van den onderaardschen gang.

Louise vreesde door de ontdekking van hare eerste avonturen belachelijk voor het geheele hof gemaakt te worden en deze vrees deed haar standvastig en vastberaden blijven en deed haar zelfs met moed de verveling van hare gevangenschap dragen.

„De gevangenschap kan toch niet eeuwig duren,quot; zei Louise bij zich zelve. „Wanneer ik niets beken en er mij dus niets bewezen kan worden, moet de koningin toch wel van mijn onschuld overtuigd worden en mij vrijlaten.quot;

Maar Fritz Wendel was minder geduldig, dan zijne verstandige beminde. Hij kon de martelingen den angst niet langer dragen, en toen de vierde dag hem nog geen bericht ot boodschap had gebracht, had hij het besluit genomen het uiterste te wagen en, even als Alexander, den gordiaan-schen knoop, dien hij niet ontwarren kon, door te hakken.

Met vastberaden stoutheid begaf hij zich daarom naar het kasteel en vroeg den koning te spreken, daar hij gewichtige ontdekkingen te doen had.

De koning liet hem dadelijk binnenkomen en verwijderde, op Wendels begeerte, zijne adjudanten.

„Ik ken een geheim, sire,quot; zeide Fritz Wendel, „dat de eer en de toekomst der koninklijke familie betreft. Uwe majesteit zal mij dus wel willen vergeven, wanneer ik

ocr page 217

225

zulk een geheim slechts voor een hoogen prijs wil ver-koopen.quot;

De groote, schitterende oogen des konings rustten met een verpletterenden blik op het vermetele gelaat van Fritz Wendel. „Noem uw prijs,quot; zeide hij, „maar bedenk wel, dat, wanneer uw geheim den gevraagden prijs niet waard is, gij wellicht uw hoofd, maar stellig uwe vrijheid zult verbeuren.quot;

„Mijn geheim is den hoogsten prijs waard, want het redt de dynastie van het verheven huis Hohenzollern,quot; zeide Fritz Wendel, die den moed had, de vertoornde blikken des konings te ontmoeten. „Ik wil het uwe majesteit verkoopen, maar ik zal eerst dan spreken, als uwe majesteit de genade zal gehad hebben, mij den gevraagden prijs toe te staan.quot;

„voor ik dat doe, moet ik uwe eischen kennen,quot; zei de koning, zijn toorn met moeite bedwingende.

„Ik vraag voor mij een majoorspatent en de hand van de holTreule Louise van Schwerin.quot;

De koning zag den stouten spreker in den beginne bijna ontsteld aan; toen echter zweefde een goedige glimlach over zijne trekken en zijn blik werd zachtmoedig en medelijdend.

„Ik heb met een krankzinnige te doen,quot; dacht hij, „laten wij hem ontzien en geven wij hem zijne luimen toe!quot; — „Üw prijs is u toegestaan,quot; zeide hij daarom luide, „spreek dus nu!quot;

En Fritz Wendel begon te spreken. Hij deelde den koning den minnehandel van den prins benevens diens plan ter ontvluchting mede en was zoo nauwkeurig en bepaald in al zijne opgaven en verklaringen, dat de koning zeer goed begreep, dat hij met geen krankzinnige te doen had en dat hetgeen hij verhaalde geen schepping zijner verbeelding, maar eene dreigende, verschrikkelijke waarheid was.

Toen Fritz Wendel geëindigd had, liep de koning eenige oogenblikken haastig op en neer. Toen bleet hij plotseling voor Fritz Wendel staan en scheen met zijn scherpen, doorborende blik tot op den grond van zijn hart te willen lezen.

„Kunt gij schrijven?quot; vroeg de koning.

„Ik kan Duitsch, Fransch, Èngelsch en Latijn schrijven,quot; antwoordde Fritz Wendel trotsch.

Uühlbaoh, Frederik de Groote en zijn Hof. II. 15

ocr page 218

226

„Ga daar dan zitten en schrijf in het Duitsch, wat ik u voorzeggen zal. Kent freule van Schwerin uwe hand?quot;

„Zij heeft wel twintig brieven van mij ontvangen, sire?quot;

„Schrijf haar dan nu den een en twintigsten, maar ik zal hem u voorzeggen.quot;

Het was een korte, maar zeer teedere en dringende minnebrief, welken de koning hem voorzeide. Fritz Wendel noodigde daarin zijne geliefde uit, haar woord te houden, om, op denzelfden dag als de prins met zijne Laura, met hem te ontvluchten, om, zooals zij afgesproken hadden, in Üranienburg de hulp van den prins in te roepen en door zijne bemiddeling door den predikant aldaar getrouwd te worden. Hij bepaalde den tijd en het uur der vlucht en riep haar op, om op den bestemden tijd het kasteel te verlaten en hem, dien zij buiten de poort van het kasteel zou vinden, te volgen.

„Onderteeken hem nu!quot; beval de koning, „en maak den brief dicht, zooals gij dat gewoon zijt! Zoo! Geef den brief hier; ik zelf zal hem aan het adres bezorgen.quot;

„En» mijne belooning, sire?quot; vroeg Fritz Wendel beschroomd, want het hooge voorhoofd des konings dreigde met een naderend onweder.

„Gij zult het loon hebben, dat uw verraad en uwe waanzinnigheid verdienen,quot; zei de koning, op dien vreeselij ken toon, welke allen deed beven, die hem eens gehoord hadden. „Ja, gij zult hebben, wat gij verdient en wat uwe vermetelheid en overmoed toekomt. Waren al deze dingen waar, welke gij met zulk een onbeschaamd gelaat verteld hebt, waren die waar, dan verdiendet gij opgehangen te worden; want dan hebt gij u aan eene dubbele misdaad schuldig gemaakt, gij hebt een koninklijken prins verraden, wiens geheimen gij beluisterd en bespied hebt, om ze te verkoopen en met het ongeluk van twee edele menschen u zelf uw geluk te koopen; gij hebt dan de nog schandelijker en onvergeeflijker misdaad begaan, vaneen onschuldig kind, dat door geboorte, stand en opvoeding verre boven u staat, te verleiden en aan de schande prijs te geven. Maar gelukkig zijn al deze dingen slechts scheppingen van eene ziekelijke verbeelding en ik zal u niet straffen, maar u laten genezen. Ik zal u in een gekkenhuis laten opsluiten, totdat gij verstand genoeg hebt om al uwe aan-

ocr page 219

227

giften als de scheppingen uwer zieke verbeelding te erkennen en als nietswaardige logens af te zweren! Als gij dan genezen zijt, zal ik u vergeven; zoo gij evenwel volhoudt, dan nooit!quot;

Bij deze woorden schelde de koning en zich tot de beide binnenkomende adjudanten wendende, zeide hij: „breng dien raan naar buiten en geef hem aan de naaste wachtpost over, die hem dadelijk naar het hospitaal moet brengen, waar men hem onder de afdeeling krankzinnigen moet opnemen. Niemand mag met hem spreken en als hij weder met zijne dolle en waanzinnige praatjes begint, móet men er mij bericht van geven! Gaat!quot;

„Sire, genade, genade!quot; stamelde Fritz Wendel. „Laat mij niet in een gekkenhuis opsluiten! Ik wil herroepen, ik wil gelooven, dat van dat alles niets waar is, dat ik slechts gedroomd heb, dat —quot;

De koning wenkte zijne adjudanten en zij voerden den verschrikten, sidderenden en in tranen uitbarstenden tuinman Fritz Wendel naar buiten en gaven hem aan de wacht over.

De koning zag hem met diep bedroefde blikken na. „En van zulke menschen bedient zich de voorzienigheid, om het lot van geheele volken te besturen,quot; zeide hij zachtjes. „Een ellendige tuinmansjongen en een dwaas kind zijn uitgekozen, om de dynastie der Hohenzollern tegen een onheil te behoeden en om te verhinderen, dat de kroonprins van Pruisen van zijn geluk zou beroofd worden. Aan welke fijne en broze draden hangt toch de grootheid en waardigheid der koningen, en hoe dikwijls komt uit het purper, het ellendige, machtelooze menschenkind te voorschijn. Niettegenstaande mijne macht en grootheid, en ondanks mijn leger zou de prins August Wilhelm ontvlucht zijn, om eene misdaad te begaan, die God en zijn geweten hem wel, maar de koning van Pruisen nooit vergeven kon! Arme Wilhelm! Gij zult den korten droom van uwe gelukkige liefde duur moeten boeten, en ik zal uwe begoochelingen en uw hart vertrappen, zooals men eens met mij gedaan heeft. Eens! Er zijn nauwelijks negen jaar verloopen en toch schijnt het mij, alsof het eene eeuw geleden was en alsof eene ijskorst om mijn harl geslagen was! Ik wist het, deze ijskorst zal met eiken dag harder worden en de

ocr page 220

228

rnenschen zullen het hunne ev bij doen; deze menschen, die ik zoo gaarne wilde beminnen en die ik toch dagelijks leer verachten!quot;

Hij ging treurig, met gebogen hoofd langzaam op en neer. Zijn edel, schoon gelaat was met een somber floers van droefheid bedekt. Dat duurde slechts een oogenblik, toen nam het weder zijne gewone, heldere en verhevene uitdrukking aan.

De koning sloeg zijne oogen op, die nu door een edel vuur schitterden. „Ik wil niet wi'eed zijn,quot; zei hij. „Moetik ook zijn geluk vernielen, ik wil het toch niet door het slijk halen en vernederen, zooals men met mij gedaan heeït, toen men mijn vriend op het schavot bracht, en een arm onschuldig kind met geeselslagen door de stad joeg, omdat zij het gewaagd had, den kroonprins van Pruisen te beminnen. Neen, neen, freule van Pannewitz magniel hetzelfde lot van Doortje Ritter ondergaan en moet ik het geluk van den kroonprins vernietigen, ik wil het toch niet beschimpen.quot;

Met deze woorden greep de koning haastig naar de bel en schelde. Den binnentredenden kamerdienaar beval hij het rijtuig te laten voorkomen; toen stak hij den brief, dien hij Fritz Wendel gedicteerd had, in den zak en ging naar beneden, naar het gereed staande rijtuig.

„Naar de koningin-moeder,quot; was het bevel; en in snellen draf joegen de paarden heen.

Het was een zeer lang, geheim onderhoud, dat de koning met zijne moeder had. Dikwijls vernamen de hofdames, die in de naaste zaalwachtten, de luide en driftige stem der koningin, die evenwel spoedig weder daalde, zoodat het haar onmogelijk werd, het een of ander op te vangen; soms verbeeldden zij zich de koningin tehooren weenen, maar niet, zooals het scheen, van smart en kommer, maar van toorn en woede; want zij uitte dan enkele driftige woorden en bedreigingen, en hare stem was hard en rauw.

Eindelijk ging de bel in het vertrek der koningin en de toesnellende lakei kreeg bevel, om freule van Pannewitz bij de koningin te roepen.

Maar de lakei keerde uit het vertrek der hoiïreule terug met het bericht, dat de freule er niet was; dat zij

ocr page 221

229

haar rijtuig had laten voorkomen en naar Schönhausen, naar de koningin Elizabeth Christine was gereden.

„Dan zal ik zelf er heenrijden,quot; zei de koning, „en uwe majesteit kan zich overtuigd houden, dat de koningin mij bij zal staan, dat arme, ongelukkige paar verliefden, op de meest zachte wijze te scheiden.''

„Hoe, gij betreurt hen nog, mijn zoon,quot; riep de koningin schouderophalend.

„Mevrouw, ik betreur altijd diegenen, die hunne edelste en beste gevoelens aan de vorstenplichten moeten opofferen. Ik betreur hen, maar ik mag hen niet van hunne verplichting ontslaan,quot; zei de koning,quot; terwijl hij van zijne moeder afscheid nam.

Laura van Pannewitz had, sedert haar laatste gesprek met den prins, treurige en smartelijke dagen gesleten. De korte overspanning en geestdrift werd bij haar maar al te spoedig door berouw en bedaardheid gevolgd. Niet meer onder de betoovering zijner blikken staande, hadden de woorden van den prins voor haar de kracht der overreding, de overtuigende macht, verloren. Hij was niet meer tegenwoordig, om de twijfelingen en de bekommering uit hare ziel te verbannen, en haar aan de rechtvaardigheid barer liefde te doen gelooven.

Laura begreep nu niets anders, dan dat zij op het punt stond eene groote misdaad te begaan, dat zij, uit zwakheid en toegevendheid, haren minnaar van eene roemrijke en schitterende toekomst beroofde. Zij zeide bij zich zelve, dat het een grooter en edeler bewijs barer liefde zijn zou, wanneer zij haar geluk aan den prins ten offer bracht, dan wanneer zij zijne toekomst als offer aan haar eigen geluk wilde aannemen.

Maar te midden dezer zelfverwijtingen en dat berouw scheen het haar toe, alsof zij het smeekende, droevige gelaat van haar geliefde naast zich zag; alsof zij zijne stem hoorde, haar bezwerende, hem te volgen en de zijne te worden.

Onder de folteringen en den angst van hare liefde en haar geweten, zocht Laura nu hare toevlucht bij de zachtmoedige, edele koningin, die haar voor de dagen van kommer en smarten haar troost en hare hulp beloofd had. Zij was heden niet in dienst, en, van hare vrijheid gebruik

ocr page 222

230

makende, was zij naar Schönhausen gesneld, om aan de deelnemende borst van hare koninklijke vriendin hare klachten uit te storten.

Juist toen het rijtuig van de hoffreule voor de poort van het slot stilstond, was de koning aan het uiterste einde van den tuin. Hij liet zijn rijtuig staan, beval den koetsier den weg naar de stad langzaam op en neer te rijden en trad alleen in den tuin. Met driftigen tred liep hij het park door en naderde de kleine poort van het kasteel, door welke men, dat wist hij, langs eenzame gangen, tot in dé vertrekken der koningin kwam, on welke zijne gemalin gebruikte, als zij, zonder het lastige gevolg van haar hof, eene wandeling in het park wilde doen.

De koning, de verwonderde blikken van de hoibedienden willende vermijden, en zijne gemalin met de freule van Pannewitz willende verrassen, trad door de zijpoort in het kasteel, en kwam, door niemand gezien, in de vertrekken der koningin. Overtuigd van haar in haar boudoir te vinden, stond hij op het punt de portiére op te lichten, welke hem van het boudoir scheidde, toen hij vrouwenstemmen hoorde, eene, die klaagde en in tranen scheen te ;smoren en eene andere, die trachtte te troosten en op te beuren.

De koning liet de reeds opgeheven hand van de portiére glijden en ging stil op een naast de deur staanden stoel zitten.

„Laat ons eens luisteren,quot; dacht de koning. „De vrouwen coquetteeren altijd, als zij tegenover mannen staan. Laat ons eens zien, wat zij doen, wanneer zij alleen zijn. Ik zal daardoor deze gevaarlijke Laura beter leeren kennen, en beter gewaar worden, hoe ik invloed op haar zal krijgen, dan door een langdurig gesprek met haar.quot;

En de koning, op zijn krukstok leunende, richtte zijne schitterend blauwe oogen naar de donker fluweelen portiére, achter welke wellicht in het zelfde oogenhlik twee vrouwen over het lot der dynastie Hohenzollern moesten beslissen.

„Mevrouw,quot; zeide Laura, „uwe voorspellingen zijn vroeg genoeg uitgekomen. De bloesems van ons geluk zijn reeds verwelkt en vordord en onze liefde staat reeds aan den rand van haar graf!quot;

„Arme Laura,' zei de koningin met Hauwen glimlach; „er is geene voorspellingsgave toe noodig, om dat te voorzien.

ocr page 223

235

gemaakt heb! Met mijne tranen heb ik hem gezalfd; en wanneer zijne volkeren hem beminnen en zegenen zullen, is het de kracht der opofferende liefde, welke ik over hem uitgestort heb!quot; Kom, freule, ik zelf zal u naar mijne moeder geleiden, en ik zal haar zeggen, dat wij ons gelukkig hadden mogen prijzen, wanneer wij u onze zuster hadden kunnen noemen. Ik zal haar ook zeggen,quot; vervolgde hij, „dat het niet onze wil en ons bevel was, welke freule van Panne-witz overhaalde, maar de edele overredingskracht van koningin Elizabeth, die het volk van Pruisen reeds zijn heilige, zijn beschermengel noemt, en die het nu ook voor het koningshuis van Pruisen geworden is!quot;

Hij stak de koningin zijne hand toe, maar deze nam ze niet aan, zag hem sidderend en doodsbleek in het gezicht, en naar de portière wijzende, vroeg zij ademloos: „Waart gij daar? Hebt gij alles gehoord, wat wij gesproken hebben ?quot;

De koning trad met eene edele, waarlijk verhevene uitdrukking naar haar toe, en zijn arm om haar hals slaande, fluisterde hij : „ik was daar en heb alles gehoord! Ik hoorde, dat ik eene arme blinde ben, dien men een koningrijk aanbiedt, en die het toch niet aannemen kan, omdat zijn oogen verblind zijn, zoodat hij niet zien kan.quot;

De koningin uitte een kreet en leunde met haar hoofd mat en krachteloos tegen den schouder des konings.

„O, gij zult mij verachten en over mij spotten,quot; stamelde zij.

De koning zag haar diep en zwijgend in het bleeke, door smart vertrokken gelaat, en een straal van eindelooze liefde, eindeloos medelijden schitterde in zijne oogen.

„Ik heb heden een verheven en edel geheim vernomen,quot; zeide hij, „een geheim, dat slechts waard was door God gehoord te worden. Van heden af aan gevoel ik mij als de priester van den Allerheiligste, en zal uw geheim, als mijn hoogsten schat, bewaren. Dat zweer ik u en dat bezegel ik u met dezen kus, dien een mond op uwe lippen drukt, welke nooit weder den mond eener vrouw zal aanraken.quot;

Hij boog zich en drukte een innigen kus op de lippen der koningin. Elisabeth, die zoo menigmaal kalm in het ongeluk gebleven was, bezat geene kracht, om aan het

ocr page 224

236

smarteliik zoet genot van dit oogenblik weerstand te bieden.

Zij uitte een zachten kreet, en zonk bevende en bewuster loos neder.

Toen zij ontwaakte, bevond zij zich alleen. De koning bad hare kamervrouwen te hulp geroepen ; toen had hij freule van Pannewitz zijne hand geboden, en zelf haar naar zijn rijtuig geleidende, was hij met haar naar Berlijn terug-ge Ueerd.

Elisabeth Christine was dus weder alleen! Alleen met hare gedacliten, hare smart en hare liefde. Maar een zalig vuur straalde uit hareoogen, en de bezielde blik ten hemel slaande, fluisterde zij, „ik dank u, mijn God, voor het geluk van dit uur! Ik voel zijn kus op mi]ne lippen en met dezen kus heeft hij ze gewijd, opdat zij geene klachten meer uiten, niet meer morren zullen!quot;

Kalm en verheven stond zij op, en keerde in haar kabinet terug. Met een zachten glimlach trad zij naar eene aan het venster staande tafel, waarop eene blinkende koperen plaat en eene graveernaald lagen, voor een schilderstuk, dat achter de tafel geplaatst was en een landschap voorstelde.

„Hij zal ten minste somwijlen aan mij denken.quot; fluisterde zij; „voor hem zal ik eene schrijfster, eene kunstenares worden, opdat ik toch iets meer dan eene verstootene koningin zal zijn! Op zijne tafel zal hij mijne boeken en aan zijne wanden mijne platen vinden. Zal ik hem dus niet noodzaken, zich somtijds mijner welwillend te herinneren?quot;'1)

1

Koningin Elisabetli Christine muntte niet enkel door beminnenswaardigheid, bevalligheid en echte vroomheid int, maar zij was ook eene geestrijke, zelfs geleerde vrouw, en eene niet onbeduidende kunstenares in het etsen. Er bestaan nog eenige zeer nauwkeurig en zuiver bewerkte etsen van haar. Bovendien was zij eene zeer ijverige schrijfster, hoewel niet oorspronkelijk. Van baar lievelingsschrijver Gellert, vertaalde zij de zedekundige voorlezingen „Oden en liederen,quot; in h^t Fransch, evenzoo van Hermes het „Godsdienstighandboek,quot; van Orugott „de Christen in de eenzaamheid,quot; van Spalding „Bestemming des mcnschen,quot; zes leerredenen van Sack en eenige andere soortgelijke werken. Zij gaf deze in druk en zond geregeld een exemplaar van haar werk naar Sanssouci aan den koning, die haar wederkeerig van al zijne werken een exemplaar zond, ofschoon zijne werken evenzeer in tegenspraak waren met het eigenaardige en de denkbeelden, welke de geschriften der koningin kenmerkten, als de bare met den vrijzinnigen en niet naar uiterlijke vroomheid overhellenden geest des konings. Br vendien heeft de koningin ook zelve enKele kleine verhandelingen en losse stukken geschreven en doen drukken, waarin

ocr page 225

237

XX [II.

DE VERRASSINGEN.

Daags na het onderhoud der koningin-moeder met den koning, werd de hofstoet der koningin plotseling door het bericht verrast, dat de geneesheer zich in de ziekte der freule van Schwerin bedrogen had, dat deze niet aan de scharlakenkoorts, maar slechts aan eene netelkoorts geleden had, waarvan zij echter reeds volkomen hersteld was. De kleine freule verscheen dus weder in den kring der hofdames, en behalve een zweem van bleekheid, kon men inderdaad in haar voorkomen geene verandering bespeuren.

Niemand echter was meer verrast en verbaasd over die plotselinge verdwijning van hare ziekte, dan de kleine hof-ireule zelve. Met schrik en eene zekere huivering bespeurde zij, dat de koningin nu weder volkomen eene genadige en vriendelijke houding jegens haar had aangenomen, dat zij de gebeurtenissen der laatst verloopen dagen geheel scheen vergeten, en als door een tooverslag haar vroegeren argwaan en beschuldigingen opgegeven te hebben. In het begin meende Louise, dat dit alles slechts een strik was, dien men haar gespannen had, en zij nam zich dus in acht. Zij vermeed, alleen in den tuin te gaan, en zij was ook zeer tevreden, dat Fritz Wendel voorzichtig genoeg was, nimmer langs haar venster te gaan, en niet, gelijk vroeger eiken morgen, een ruiker voor haar venster te leggen. In-

zij tot vroomheid, tot verknochtheid en trouw can den koning vermaant. Zij bezat ook eene uitgelezen bibliotheek en noodigde gaarne en dikwijls geleerden bij zich ter tafel. De koning, haar gemaal, getuigde van haar In zijn testament, dat zij beproefd deugdzaam was, en stelde het zijn opvolger ten plicht, haar het aanzienlijk jaargeld, dat zij als koningin genoot, ook als weduwe uit te keeren. — Zie Preuss. Fried, der Grosse, Vol I, pag. 133. Neuestes gelerthes Berlin van Schmidt und Möhring, I Th. pag. 1—2.

ocr page 226

238

tusschen bespeurde Louise zeer spoedig, dat zij volstrekt aan geen toezicht onder worpen was, dat men haar niet bespiedde en haar geheel vrij en ongemoeid liet. Zij werd dus spoedig weder de zorgelooze Louise, gaf zich aan hare kinderlijke droomerijen over en begon hare wandelingen in den tuin en hare tochten naar de oranjerie op nieuw. Nergens echter vond zij haren schoonen tuinman, Fritz Wendel, nergens zag zij zijne hooge, schoone gestalte, ot ontmoette zij zijn gloeienden, bezielenden blik. Lit plotselinge verdwijnen van haren minnaar maakte haar bezorgd en onrustig en prikkelde hare liefde, haar vurig verlangen op nieuw.

Louise van Schwerin, die in de eenzaamheid en stilte der laatst verloopen dagen er reeds bijna toe gekomen was, zich over hare betrekking met den armen tuinman Fritz Wendel te schamen en over hare dwaze liefde berouw te gevoelen, ondervond nu weder de geheele kracht en den gloed van haar vroegeren hartstocht en was bij zich zelve weder van de duurzaamheid en standvastigheid barer liefde overtuigd.

„Ik wil en zal alle hinderpalen te boven komen,quot; zei het jonge meisje, „ik zal mijn roman ten einde toe spelen en niets zal mij daarin verhinderen. Fritz Wendel bemint mij vuriger en hartstochtelijker, dan mij ooit een graaf of baron zal beminnen, en zoo ik hem nu niet zie, is het, omdat hij ter wille zijner liefde moet lijden, daar men hem zeker gevangen nam. Maar ik zal hem redden en verlossen en dan zal ik met hem vluchten, ver in de wijde, wijde wereld, waar niemand met onze liefde den spot zal drijven.quot;

Onder zulke gedachten keer de zij heden weder van hare vergeefsche wandeling in den tuin terug, toen zij, in haar vertrek komende, op hare tafel een van die heerlijke ruikers ontwaarde, zooals de schoone tuinman haar vroeger dagelijks placht te brengen. Met een luiden vreugdekreet snelde Louise' naar de tafel, met van vreugde stralende blikken greep zij den ruiker en drukte hem aan hare lippen; toen zocht zij naar het briefje, dat er vroeger steeds in verscholen was. Even als vroeger bevatte de ruiker ook nu een brief, een zeer teederen, vurigen minnebrief, waarin Fritz Wendel haar vroeg met hem te vluchten, hun vroeger plan ten uitvoer te brengen, en met hem naar Oranienburg te

ocr page 227

239

rijden, waar de priester, dien de prins overreed had, ook hen zoude inzegenen. Heden nog, nog dezen avond te negen uur zou de vlucht plaats hebben. Louise draalde geen oogenhlik; zij was volkomen besloten, de stem van den beminde te volgen en met hem te vluchten. Er zou heden een gala-bal bij den koning plaats hebben, en ook Louise van Schwerin moest er in het gevolg der koningin-moeder verschijnen. Zij moest dus een middel vinden, dit te ontgaan en te kunnen wegblijven. Toen nu het uur voor de morgenwandeling der koningin geslagen had, gevoelde Louise zich eensklaps zoo ongesteld, dat zij de hofdames verzoeken moest, haar bij de koningin te verontschuldigen, waarop zij zich naar hare kamer begaf, om te bed te gaan. — De koningin kwam zelf, om naar den welstand van hare kleine hoffreule te vernemen; zij legde zooveel deelneming, zooveel mede-doogen aan den dag, dat Louise volkomen gerustgesteld was en het met blijdschap en zonder argwaan aannam, toen de koningin haar voorstelde, heden avond niet op het hofbal te verschijnen, maar bedaard en ongehinderd in hare vertrekken te blijven.

Louise behoefde dus nu geene hinderpalen meer te vreezen. Zij kon gerust de toebereidselen voor hare vlucht gereed maken. Zoo naderde de avond; nu hoorde zij de rijtuigen wegrijden, die de koningin met haar gevolg naar het hofbal brachten.

Eene onbeschrijfelijke beklemdheid overviel het jonge meisje. Zoo nabij de beslissing gevoelde zij eene angstige moedeloosheid; eene maagdelijke vrees deed haar terug beven voor hare eigene, onbedachtzame en vermetele handelwijze. Maar daar sloeg het beslissende uur, het uur der romantische vlucht, van het vurig verlangde wederzien. Het scheen haar toe, alsof zij de smeekende blikken van den beminde voor zich zag, alsof zij zijne geliefde, vleiende stem hoorde. Alle voorzichtigheid, alle beschroom-heid vergetende, wikkelde zij zich in haar mantel, en de kap vast over het hoofd trekkende, snelde zij met gejaagde schreden den gang door en de trappen af naar de poort van het peleis.

Met een kloppend hart betrad zij de straat. Een onbeschrijfelijke angst overviel haar; indien hij er nu eens niet was, wanneer dit alles slechts bedrog, of een

ocr page 228

240

strik was, dien men haar gespannen had. Maar neen, daar ginds zag zij eene hooge, donkere, vermomde gedaante, die over het uitgestrekte plein heen, recht op haar aankwam. Zij kon zijn gelaat niet onderscheiden, maar hij was het ongetwijfeld. Nu was hij nabij haar, nu fluisterde hij haar zacht het bepaalde wachtwoord toe. Met een sidderend hart antwoordde Louise. De vermomde jonge man stak zijne hand uit en vatte hare bevende rechterhand. Haastig trok hij haar met zich voort om den hoek van het plein. Daar wachtte het rijtuig; de jonge man hief haar in zijn armen op en droeg haar in het rijtuig, toen sprong hij haar na en sloot het portier dicht.

„Voort!quot;

Het rijtuig rolde verder, als of het op de vleugelen van den wind weid voortbewogen. Nu lag de stad reeds achter hen, in razende vaart ging het voort, steeds voort. Naast Louise zat de diep in zijnen mantel gewikkelde jonge man, haar minnaar, weldra haar echtgenoot. Beiden spraken geen woord; beiden zaten verlegen met een angstig kloppend hart naast elkander. Maar Louise vond dit stilzwijgen van haren minnaar onheilspellend en pijnlijk; zij begreep niet, dat hij, die anders zoo teeder hartstochtelijk was, nu zoo koud en sprakeloos naast haar kon zitten. Zij had een gevoel, als moest zij wegvluchten, ver, ver van dezen ongevoeli^en minnaar, die voor haar geene woorden, geene liefdesbetuigingen meer had; zeker verachtte hij haar, omdat zij hem gevolgd was, en achtte hij het niet de moeite waard haar zijne liefde te verzekeren. Toen zij daaraan dacht ontsnapte een kreet aan hare lippen; zij sprong van hare zitplaats op, om het portier van het rijtuig te openen en er uit te springen. De krachtige hand van haar spraakeloozen minnaar hield haar tegen.

„Wij zijn nog niet ter plaatse onzer bestemming, freule,quot; fluisterde hij.

Louise gevoelde eene ijskoude rilling door hare leden; Fritz Wendel noemde haar „freulequot; en zijne stem klonk haar koud en vreemd in de oor en.

Anstig zwijgend, leunde zij in de kussens van het rijtuig en haar ontstelde blikken vestigden zich op haar geleider; maar de nacht was duister, Louise kon niets onderscheiden dan de donkere, onzekere omtrekken eener geslalte.

ocr page 229

24i

Zij stak, als het ware om hulp smeekende, hare hand naar hem uit; haar minnaar voelde deze hand op zijn schouder en greep die om ze aan zijne lippen te drukken; maar hij _bleef zwijgen, trok haar niet, zooals vroeger, in zijne afmen, fluisterde haar niet zooals anders, de teedere, hartstochtelijke bekentenissen in het oor. Een doodelijke, schrikkelijke angst beving het jonge meisje; zij verborg haar gelaat in hare handen en weende luid. De jonge man naast haar moest wel haar weenen en snikken hooren; maar hij bleef stom; hij zocht haar niet te troosten.

Voorwaarts, altijd voorwaarts ging het in vliegenden ren; tweemaal wisselde men de paarden, om des te sneller het doel te bereiken. Louise bleef weenen; zij gevoelde zich door angst en ontsteltenis den dood nabij; driemaal had zij, door dat eeuwige zwijgen gefolterd, het gewaagd haar geleider zacht en beschroomd aan te spreken; maar zij had geen antwoord gekregen.

Eindelijk stond de wagen stil. „Wij zijn er,quot; fluisterde de geleider van Louise, uit het rijtuig springende en haar er uit helpende. ^

'• „Waar zijn wij ?quot; vroeg zij bevende en volkomen overtuigd, dat zij zich voor de eene of andere gevangenis, de eene of andere geheime verbanningsplaats bevonden.

„Wij zijn in Üranienburg, en daar is de kerk, waarde geestelijke ons wacht.quot;

Hij nam haastig haar arm en geleidde haar naar de kerk. De deur stond open en toen Louise met haar geleider binnen trad, werd haar oog verblind door den glans der kaarsen, die voor het altaar en op den grooten kroonkandelaar brandden. Zij zag den predikant mei het open gezangboek in de hand staan; het orgel begon met plechtig geluid de eerste tonen van een gezang.

De jonge man nam Louise's arm en geleidde haar verder; echter niet naar het altaar, maar naar de sakristie. Ook daar brandden kaarsen en op tafel lag een mirtekrans en een kanten sluier.

„Dat is uw bruidstooi,quot; zei de jonge man, die nog altijd de kap van zijn mantel vast over de oogen getrokken had. Hij maakte Louise's mantel los en reikte haar den krans en den sluier over.

Toen eindelijk liet hij zijne kap vallen. Louise stiet een

Hühlbaoh, Frederik de Groote en zijn Eof. II. 16

ocr page 230

242

kreet van ontsteltenis en angst uit. Hij, die daar voor haar stond, was niet haar geliefde, niet de tuinman Fritz Wen-del, maar een haar geheel onbekende jonge officier in groot parade-tenue.

„Vergeef mij,quot; zeide hij, „dat ik u heden zooveel angst en schrik moest veroorzaken. Maar de koning had mij bevolen te zwijgen, en ik deed het. Op bevel des konings zijn wij hier, en op zijn bevel moet ik u, voor ons trouwen, dit billet oven-eiken. Het is eigenhandig van den koning.quot;

Louise greep haastig naar bet briefje des konings. Het was zeer kort en lakoniek, maar vervulde nochtans het hart der kleine holïreule met vrees en schrik.

Het billet luidde:

„Daar gij volstrekt wenscht te trouwen, wil ik, uit achting voor uwe familie, uw wensch vervullen. Maar de schoone tuinmansjongen Fritz Wendel kan uw gemaal niet worden, want hij zit in het krankzinnigengesticht. Daarom heb ik voor u een knap officier van goede familie en aanzienlijk vermogen uitgezocht, en hem bevolen met u te trouwen. Bevalt hij u, dan zal de predikant u onmiddellijk vereenigen, en gij volgt ook dadelijk uw gemaal naar zijn garnizoen te Brandenburg. Bevalt hij u niet, dan heeft de officier van Kleist order om met u weder in het rijtuig te gaan zitten, en u naar mevrouw uwe moeder te geleiden, waar gij tijd zult hebben, over uwe onbezonnenheid en stoutheid na te denken.

Frederik.quot;

Louise had den brief des konings herhaaldelijk gelezen; eindelijk vestigde zij haar blik op den jonkman, die tegen haar over stond en haar vragend en glimlachend aanzag.

Zij vond, dat hij schoon en jong was en zeer beminnelijk scheen; zij erkende, dat de schitterende uniform toch veel fraaier stond, dan de eenvoudige, donkere rok van den armen tuinman, dat Fritz Wendels oogen niet vuriger en welsprekender geweest waren, dan de oogen van den jongen, schoonen cavalier.

„Nu,quot; vroeg hij glimlachend, „hebt gij een besluit genomen, freule? Wilt gij mij het geluk waardig keuren, de benijde en gelukkige gemaal van de schoone en beminne-

ocr page 231

243

lijke freule Louise van Schwerin te worden, of wiltgij mij ver-oordeelen en mij van het schoonste geluk berooven.quot; Zij zag hem diep in de oogen en luisterde met ingehouden adem naar zijne woorden; zijne stem had een zoo vieienden, aangenamen loon; zij was niet wanluidend als de stem van Fritz Wandel, maar zoet en zacht, en als muziek trof zij het hart van Louise.

,.Nu,quot; herhaalde de jonge officier, „wilt gij mij genade schenken en mij tot uw gemaal nemen?quot;

„Zoudt gij mij dan wel willen huwen, ook als de koning het nu niet bevolen had?quot; vroeg Louise glimlachend.

„Ik zou u trouwen, ondanks den koning en dogeheele wereld,quot; zei de jonge officier, „want sedert ik u gezien heb, bemin ik u.quot;

Louise reikte hem glimlachend hare hand. „Welaan dan,quot; zeide zij. „Laat ons het bevel des konings opvolgen. Hij heett bevolen, dat wij zullen trouwen, laat het dus zoo zijn. Later zullen wij beproeven, of wij elkander kunnen beminnen, ook zonder koninklijk bevel.quot;

De jonge kapitein van Kleist kuste hare hand en drukte haar den mirtekrans op het hoofd.

„Kom, de predikant wacht en ik verlang er naar u mijne gemalin te kunnen noemen.quot; Hij geleidde de jonge veertienjarige hoffreule naar het altaar; de geestelijke opende het. heilige boek en trouwde hen. —

Op hetzelfde uur had in de kapel van het koninklijk slot te Berlijn eene andere trouwpartij plaats. Daar stonden voor het altaar freule Laura van Pannewitz en graaf Voss. De koning zelf had Laura naar het altaar geleid en de koningin Elisabeth had den graaf Voss hare hand geboden. Het geheele hof was in feestelijken optocht het bruidspaar gevolgd, en was getuige van de plechtige huwelijks-verbintenis.

Slechts één ontbrak er; prins August Wilhelm was er niet. Terwijl Laura van Pannewilz boven in de koninklijke slotkapel den graaf Voss den eed van eeuwige trouw zwoer, stond de prins beneden aan de slotpoort op hare komst te wachten. Maar de bepaalde tijd was reeds lang vervlogen en zij kwam niet; een folterende angst, eene onverklaarbare vrees overviel hem. Had de koning wellicht hun plan ontdekt; was hij het, die Laura terughield, of had zij zelf

ocr page 232

244

hare afspraak vergeten, was zij hare eeden ontrouw geworden?

De tijd verliep en zij kwam nog maar niet. Sidderend van toorn, angst en twijfel, ging de prins de trap van liet slot op; hij wilde naar de zalen terugkeeren; hij wilde, tot welken prijs dan ook, zijne geliefde naderen; hij had in den hartstocht zijner liefde zelfs besloten, haar met geweld te ontvoeren.

Zijn mantel afwerpende trad hij in de voorzaal. Niemand lette op hem; aller blikken waren naar de groote zaal gericht. De prins begaf er zich heen. Het geheele schitterende hofgezelschap, anders in de nevenzaleu verstrooid, was nu in deze zaal als opeengedrongen; het fonkelde en schitterde van juweelen, ordesterren en gouden en zilveren galons,

De prins zag dat alles niet. Hij zag slechts die bleekej hooge vrouwengestalte, die in het midden der zaal stond, met den langen naar beneden golvenden bruidssluier en den mirtekrans in het haar. Dat was zij, dat was Laura van Pannewitz, en naast haar, die jonge, glimlachende man, was graaf Voss.

Wat beteekende dat alles? Waarom stond de geheele koninklijke familie om de zoo prachtig getooide geliefde van prins August Wilhelm? Waarom kuste zoo even de koningin Elisabeth Christine de schoone Laura van Pannewitz en reikte zij haarden fonkelenden, juweelen diadeem over? Waarom reikte de koning met een genadigen glimlach den graaf Voss zijne hand, welke deze eerbiedig aan zijne lippen drukte?

Prins August Wilhelm begreep van dit geheele tooneel volstrekt niets; hij verbeeldde zich betooverd te zijn, als door benauwde di-oomen gejaagd. Met wijd opengespalkte, verglaasde oogen staarde hij naar het pas getrouwde paar, dat zoo even de gelukwenschen van het hof ontving.

Maar de scherpe blik des konings had hem juist ontdekt, en snel de dichte rijen der hovelingen, die eerbiedig terugweken, doorgaande, naderde hij den prins.

„Een woordje, broeder!quot; fluisterde de koningr, den arm des prinsen nemende. „Kom, laat ons naar mijn kabinet gaan.quot;

De prins volgde hem geheel bedwelmd, nauwelijks bij zijne zinnen.

ocr page 233

245

„Nu, broeder,quot; zei de koning, nadat hij de deur van het kabinet gesloten had. „Nu moet gij u uwe koninklijke roeping en uwe voorvaderen waardig toonen. Toon, dat gij verdient, de toekomstige beheerscher van een geheel volk te zijn. Toon dat, door u zeiven te overwinnen, Freule Laura van Pannewitz kan nooit de uwe worden. Zij is de gemalin van graaf Voss.quot;

De prins stiet zulk een doordringenden, hartverscheurenden kreet uit, dat de koning zelf verbleekte en een onuitsprekelijk medelijden zijne ziel vervulde.

„Wees standvastig, arme broeder,quot; zei hij zachtmoedig. „Wat gij lijdt, heb ik ook geleden, lijdt meer of minder ieder, dien het lot geroepen heeft, in de wereld eene verheven en uitstekende plaats te bekleeden. Een vorst heeft niet het recht zijn hart en zijne neigingen te volgen. Hij behoort aan het volk, aan de wereldgeschiedenis, en naar die beiden moet hij zich schikken.quot;

„Het is niet waar, het is niet mogelijk,quot; stamelde de prins. „Laura kan nooit een ander toebehooren. Laura is de mijne, is aan mij door heilige eeden verloofd, en zij moet de mijne worden, ondanks u en de wereld. Ik begeer geene kroon en geen vorstentitel, ik wil slechts haar, slechts mijne Laura bezitten! Het is nietwaar, zeg ik, dat zij met den graaf Voss getrouwd is.quot;

„Het is waar!quot; fluisterde eene zachte, door tranen verstikte stem achter hem. De prins keerde zich driftig om; zijn woeste blik ontmoette de zachte, treurende oogen van Laura, die met eene uitdrukking van onuitsprekelijke liefde op hem rustten.

De koningin Elisabeth had, volgens hare afspraak met den koning, de jonge gravin Voss hierheen geleid en was toen in stilte naar het aangrenzende vertrek teruggegaan.

„Ik wil uwe ondergaande liefde een laatst avondrood gunnen, broeder,quot; zei de koning zacht. „Neem afscheid van uwe verdwijnende zon, maar vergeet niet, dat, al is de zon ook ondergegaan, er altoos nog sterren zijn, welke ook schitteren en licht verspreiden, al kunnen zij geene bloesems of warmte verschaffen.quot;

Hij wenkte zijn broeder vriendelijk toe en volgde toen zijne gemalin in het naaste vertrek.

De prins bleef met Laura alleen.

Mühlljach, Frederik de Groote en zijn Hof. II. 16*

ocr page 234

246

Wat zij daar met elkander gesproken en elkaar gezworen hebben, heett niemand ooit vernomen. In den beginne hoorde de in het vertrek toevende koning, de luide, toornige stem van den prins, die zich in verwenschingen en bittere klachten uitte. Toen werd deze stem al weeker en teederder en ging in meer zachte tonen over.

Na een half uur opende de koning de deur en trad weder in het kabinet.

De prins stond midden in het vertrek en Laura tegen hem over; beiden zagen elkander vast en zonder tranen in het bleeke, stille gelaat; hunne handen waren in elkander geslagen.

„Vaarwel, prins,quot; zeide Laura beraden. ,,Ik vertrek dadelijk met mijn gemaal. Vaarwel! Wij zullen elkander nooit wederzien.quot;

„Wij zullen elkander wederzien,quot; zei de prins met Hauwen glimlach. „Wij zullen elkander wederzien, maar dat zal in eene andere, betere wereld zijn. Ik zal er het eerst zijn, Laura, om u af te wachten!quot;

Zij drukten elkander nog eenmaal de hand. Toen keerden beiden zich om. Laura ging naar de naaste zaal terug, waar graaf Voss haar wachtte.

„Kom, mijn gemaal,quot; zeide zij. „Ik ben bereid u te volgen, en wees verzekerd, dat ik u altijd eene getrouwe en toegenegen echtgenoote zal zijn.quot;

„Broeder,quot; zeide prins August Wilhelm, den koning zijne hand reikende, „ik zal mij niet langer verzetten. Maak de

1) Prins August Wilhelm stierf in het jaar 1756 na treurige en smartelijke jaren van eenzaamheid en verdriet, in onmin met zijne familie en den koning. Niemand was, gedurende zijne laatste ziekte, in Oranienburg, bij liem; zelfs niet zijne gemalin, die met hare kinderen in Berlijn woonde, en reeds lang gescheiden van haar man leefde. —De zoon van prins August Wilhelm, later koning Fr «der ik Wilhelm de Tweede, de ongelukkige liefde van zijn vader tot freule Pannewitz kennende en eerbiedigende, riep de gravin Voss aan zijn hof en benoemde haar tot groot-hofmeesteres van zijne gemalin. De gravin Voss, die tot dien tijd nooit weder aan het hof verschenen was, volgde de oproering van den zoon van den vroeger zoo vurig beminden prins August Wilhelm. Zij keerde naar Berlijn terug, en hare bevalligheid, schoonheid en waardigheid verwekten de bewondering van het geheele hof. Lord Elgin, de Engelsche gezant, schreef haar een brief met het volgende adres : Aan de gravin Voss, geboren groot-hofmeesteres. Thiébault, Vol: II, pag. 63. Daar vindt men nadere aanteekeningen over de betrekking van den prins tot de freule van Pannewitz.

ocr page 235

247

noodige toeber-eidselen. Ik zal, zooals gij dit wenscht, de prinses van Brunswijk trouwen.quot;

XXIV.

HET ONTSLAG VAN DEN HEER VAN PÖLLNITZ.

Den morgen na het bal trad baron van Pöllnitz in het kabinet des konings. Zijn gelaat was bedrukt en toonde verlegenheid aan, en er gebeurde hem, wat hem nog nooit overkomen was, hij kon geene woorden vinden, voor hetgeen hij te zeggen had.

De schitterende blikken des konings rustten met eene uitdrukking van verachting en spot op hem.

„Pöllnitz,quot; zeide hij, „gij staat, geloof ik, op het punt, mij tot uw biechtvader te maken, en mij de eene of andere zonde te biechten. Uw gelaat heeft de uitdrukking van een arme zondaarsgezicht.quot;

„Sire, ik zou er niets tegen hebben, een zondaar te zijn, als ik ook inderdaad niet een arme zondaar was,quot; hernam Pöllnitz schouderophalend.

„Dus weder schulden, weder schuldeischers,quot; zei de koning. „Ik ben dat eeuwige klagen inderdaad moede, en verbied u, mij uwe jammerlijke verlegenheid te klagen. Wat ons eigen toedoen is, moeten wij ook dragen, en als men het gevaar inroept, moet men het ook kunnen bestrijden.quot;

„Uwe majesteit wil dus niet de genade hebben, mij bij te staan? Uwe majesteit wil mij dus niet de behulpzame hand bieden, om mij uit den afgrond te redden, waarin mijne schuldeischers mij gestort heblen?quot;

„Daar beware mij de hemel voor, dat ik het geld, dat ik voor soldaten en kanonnen noodig heb, aan een Pöllnitz zou besteden,quot; riep de koning ernstig.

„Dan, sire,quot; zei de baron zachtjes en beschroomd, „dan

ocr page 236

248

ben ik gedwongen uwe majesteit te verzoeken, mij mijn ontslag te geven.quot;

„Uw ontslag? Hebt gij wellicht den een of ander dwazen vorst in de maan ontdekt, die uwe armzalige aardigheden en uw kwaadaardigen laster en uw Hauw gewauwel nog hooger betalen wil, dan de koning van Pruisen?quot;

„In de maan niet, sire, daar zijn zulke dwaze wezens niet, maar in het Duitsche rijk; het is echter geen vorst, maar een schoon, jong meisje, dat zich gelukkig acht, barones van Pöllnitz te kunnen worden, en mijne schulden te betalen.quot;

„En men sluit dat meisje in geen krankzinnigengesticht?quot; riep de koning. „Nu weliicht houdt men het huis van baron van Pöllnitz voor een huis van correctie en brengt men haar er heen, om haar voor hare zonden te straffen. Heeft het meisje, dat de schulden van een Pöllnitz betalen wilr geene bloedverwanten ?quot;

„Zij beeft nog hare ouders, sire, en beiden heeten mij als hun zoon welkom. Mijne bruid woont te Neurenberg en is de dochter van eene aanzienlijke, patricische familie.quot;

„En zij koopt u wellicht, omdat zij den baron van Pöllnitz voor een allerliefst stuk Neurenfeerger speelgoed aanziet,quot; zei de koning lachend. „Nu, ik heb er niets tegen. En wat uw ontslag betreft, dat wil ik van harte toestaan. Ga zitten, ik zal u uw ontslag dicteeren, en gij zelf zult het schrijven.quot;

Hij wenkte hem naar de schrijftafel. Pöllnitz ging er heen, nam een stoel en greep naar pen en papier.

De koning ging, met zijne handen op den rug, langzaam het vertrek op en neer. Zijn edel, schoon gelaat was ernstig en peinzend, en zijne groote, blauwe oogen wierpen spottende blikken op Pöllnitz.

„Schrijf op, ik zal u ontslag en eervolle getuigenis geven.quot;

En de koning dicteerde den sidderenden, van verbeten woede trillenden baron van Pöllnitz het volgende afscheid:

^Wij Erederik enz. maken bekend en doen te weten, dat baron van Pöllnitz, geboren te Berlijn, voor zooverre Ons bekend, van eerlijke ouders afstammend, kamerjonker was bij wijlen Onzen grootvader, alsmede in dienst van de hertogin van Orleans in dezelfde betrekking, kolonel in Spaan-

ocr page 237

'249

schen dienst, ritmeester in het leger van den overleden keizer, kamerheer van den pau%, kamerheer van den hertog van Brunswijk, vaandrig in dienst van den hertog van Weimar, kamerheer in dienst van wijlen Onzen vader, eindelijk en ten laatste opper-eeremoniemeester in Onzen dienst; daar hij zich door een stroom van de eervolste militaire waardigheden, welkeallengskensoverzijn persoon werden uitgestort, geheel overstelpt ziet, daardoor de wereld moede is geworden, en verleid door het voorbeeld van den kamerheer Montaulieu, die kort voor hem uit den dienst van het hof geloopen is, hij Ons, namelijk gezegde haron van Pöllnitz, alleronderdanigst heeft gevraagd en verzocht, tot instandhouding van zijn goeden naam en faam, hem een eervol ontslag te geven.

Daar Wij, in aanmerking van zijn verzoek, het niet goed vinden, hem een bewijs van goed gedrag, waarom hij gevraagd heeft, te weigeren, wegens de hoogst gewichtige diensten, welke hij Ons koninklijk hof door zijne grappen en kluchten bewezen heeft, en het tijdverdrijf, dat hij negen jaren lang wijlen Onzen koninklijken vader Ijezorgd heeft, zien Wij er geene zwarigheid in te verklaren; dat, gedurende dien geheelen tijd, dat hij in vrijen dienst heeft gestaan, hij noch struikroover, zakkenroller of giftmenger is geweest; dat hij noch maagden geroofd, noch haar geweld heeft aangedaan, noch de eer, van wie het ook zij, op eene grove wijze heeft beleedigd, maar zich steeds als een fatsoenlijk man, in overeenstemming met zijne afkomst, heeft gedragen, en steeds van de gaven, welke de hemel hem verleend heeft, een behoorlijk gehruik heeft gemaakt, namelijk, om het doel te bereiken, dat het tooneel zoekt te verkrijgen, en dat daarin bestaat: het belachelijke bij de menschen op eene kluchtige en aangename wijze voor te stellen, om hen daardoor te verbeteren.

Even zoo heeft hij den raad van Bachus, met betrekking tot de matigheid en onthouding, steeds zeer getrouw gevolgd en de christelijke liefde zoo ver gedreven, dat hij aan de boeren de les van het Evangelie; geven is zaliger dan ontvangen, steeds heeft, overgelaten. Hij kent zeer nauwkeurig de anecdoten van Onze kasteelen en lusthuizen, maar voornamelijk heeft hij eene nauwkeurige lijst van Ons oud huisraad in zijn geheugen geprent; overigons be-

ocr page 238

150

zit hij de gave, zich aangenaam en nuttig bij diegenen te maken, die zijne boosaardigheid en karakterloosheid kennen.

Verder geven Wij genoemden baron de getuigenis, dat hij Onzen toorn nooit heeft opgewekt, dan alleen, wanneer hij, duor zijne onbeschaamdheid alle grenzen te buiten gaande, op eene onwaardige en ondragelijke wijzedeasch Onzer roemrijke voorvaderen trachtte te ontwijden en te onteeren.

Daar men echter in de schoonste streken onvruchtbare en woeste plekken vindt, daar de schoonste lichamen niet zonder misvormingen, en de schilderijen der grootste schilders niet zonder feilen zijn, willen Wij bovenge-noemden baron zijne feilen en gebreken vergeven, en geven hem, hoewel ongaarne, het gevraagde ontslag,; en willen Wij bovendien de hem toevertrouwde betrekking opheffen en afschaffen, om daardoor de herinnering er aan, onder de menschen geheel te verstoren, het er voor houdende, dat, na genoemden baron, niemand meer waardig is ze verder te bekleeden.

Frederik.quot;

ocr page 239

X»

INHOUD.

/

, gt; Bladz.

Hoofdst. I. De koningin als middelaarster. ... 4.

„ II. Het huwelijksvoorstel......15.

„ III. Het misverstaad.......23.

„ IV. Eene soirée bij de Koningin-moeder . . 32.

„ V. Onder de Linden .......51.

„ VI. De Berlijner tinnegieter en de Fransche

kleermaker.........63.

„ VII. Het dubbele rendez-vous . • . . . 72. „ VIII. De kuiperijen der hovelingen . . . .84. r IX. De koning en de minister van finantiën . 93. „ X. De teleurgestelde hovelingen .... 104.

„ XI. Het bruidspaar........110.

„ XII. De snijderfamilën, of de Capuletti en Montecchi

van Berlijn.........120.

„ XIII. Eheinsberg.........133.

„ XIV. De koning en de vriend.....146.

„ XV. Afscheids-audiöntie van den Oostenrijkschen

gezant, markies van Botta .... 153.

„ XVI. Het gemaskerde bal.......161.

XVII. De gemaskerden. . ......170.

ocr page 240

04. I 01 quot; c0 1 / 6

1 N H O Ü 1),

Hoofdst. XVIIL Vergelding en straf.

„ XIX. De terugkomst ....

„ XX. De dood van den ouden tijd .

„ XXI. De ontdekking.....

„ XXII. Verdiend loon.....

„ XXIII. De verrassingen . . .

,, XXIV. Het ontslag van den heer van Pollnitz

II

Bladz.

179. 193. 204. 211.

223. 237. 247.

r

ocr page 241
ocr page 242
ocr page 243
ocr page 244

• V ' - , 'Af 1 . /N 4 *

/ Wf ^ ' Vv

- 5 ^ ■ v-

- ^ v ^

^ * quot;f ^ ■'/

N' - t

* f' ■ *, * 4 ' J ' . ,1

X ,% ' *-.\.

'v V ' * i ' - . •-■*k i , ,C V

t y 'r

.4 ^ r s#. -quot; '■quot;■

* -r 'rgt; I * ■

» . '*#■ »•

v ■ -^ s. V quot; ,

r- „',-

J ■ ' • quot; ^'r ' \

quot;Y - ^ •-^' -r-., Vv ,quot;•

^x-^C r. ' #1 Jlt; i ' ■ quot;

t' ' Ov^ --

.Y ■ v 5 ' v r ^ , -V ;-

------gt;—:--------_gt;*»_ ......*lt;[quot;'■ -----T-—i-*quot; quot; - . .' * 1

. - ^ - r ^ / ? ^

«t . V^ gt; ^ 1 * • ^. , • ■,

« quot; V ^ ^ ' * - gt;' ^

: •», gt;• ii \,A v ■ . • . ' '

- ^ ■ £ - V v ; ^ -

:quot; v- VS_ % ^ - . .-S:

vi -3 ^ r gt; ^ yv- ■

V v : . .. % O . . :

- gt; v t ^ ^ '

-■ * „■ ^ . ^ ..* •

v\ ,

h w ■

» ■'■■é * • Ni

gt;

/ 4 c

V ^ •',-.

quot; -v»;. * • ' t

'? 'quot; rr* -s.quot;

jC

, f.

^ I ^

j , -lt;9

lt;v* .

■jjl

Sl

V

■ ' rv' ^ ^ amp; jf'je t'

■ ' i - v. ./• » gt; ■ ■, - t t ■fir. » ^ ' a r* - . -

1 v -' . .. •-lt; t

-lt; i ,, * ,

^Jrlt;

t 5 '1

^vlt;

T; ' ■lt; '•'. * ^

? t

*

'lt;-r quot;

-