~r _ ^ gt; ..aT
- v \ â¢quot; â ⢠- r ,- â »
««?gt;â¢quot; â gt;..â --t r â¢quot;
sfcj* â .jt -^yv
gt; t r -â â â lt; * \ â
c k t . t ^ j ^
⢠% ' P%f
.} - **\
^ v;
v-ja â¢
a ff * *-
gt; ^ %,
quot;v -⦠. '.. quot; ff ju
\ ' s - vv ^ 4' jwiïr ⢠_
a s- -* - v - â * ^- â , rf^.- 1 gt; â¢â ' v u - %4s^ - 't.w K fi .-i
.4 , \ X j â ~ 'f* *. * ^ â * â¢
⢠v vgt;
^ -quot; â¢' .- ^ - aj-^ ï
^ -i ».gt;
'4 .^â w-\v
!â¢â¢â ' vj
v
â rquot; i , â ,', ilt;»
,r quot;
,,- v^
/,i#v -^. â
*lQrf /
- gt; %£ ' 1
7 ^gt;5
v.
â¢a» a
â lt;k . , \ gt;.. ^ v
⬠-- -v * â T I, ⢠M. gt;
^ ^ , vv' ^ ^ gt;vv
;i «-«â - j ^ v â , â â¢Â»*: v-v ,â
;â *'*'* ^ J 'Vr\- - â
ishhkb â ' '4 ' r ' y ⢠i quot; f r'':
b ' '\ . ^v.% ' v v ^ â â â gt; ^ ^ gt;*
- (- * »* ^
phbhbbi ^ âa ^'
% l / /â ^ quot; i ^ -a r k; '
^-P'» v: a ;. â '* â
â t ' -il
â --
.. ; C / ,x ,
r- â â â ⢠^ â â â â . â . V--;'
â -'si
V
; ⢠quot;Jfc
ï: quot; -quot;v..
v .i-r
â â
â
:.~ir~;rr
'
urMvxJst
â quot; 'quot; quot;quot; ||
r;. .. _
⢠- '
-
. r
lii ___
|
quot;Sr | |
FREDER1K DE GROOTE EN ZIJN HOF.
BERLIJN EN SANSSOÃCI.
I.
Vak/i
FREDERIK DE GROOTE EN ZIJN HOF.
HISTORISCHE ROMAN
door
LOUISE MÃHLBACH.
Brwerkt noon M. K,
BERLIJN EJS SANSSOÃCI.
EERSTE DEEL.
WIICHEMS
n ***' «in
deede veel verbeteede druk.
Nijmegen amp; Aenhem. Geer. E. amp; M. COHEN.
.EERSTE BOEK. BERLIJN IN 1744.
I.
DE DUIVELBEZWEERDER.
De zon was juist opgegaan. Een prachlige Meimorgen stortte zijn heerlijke gaven uit over plant en kruid. De glinsterende dauwdroppelen schitterden als parelen op de bladeren der boomen en op de bloemen. Uit volle kelen klonk het morgenconcert der gevederde zangers in den tuin van Charlotten-burg en de bloeiende laurier- en oranjeboomen, voor de door Frederik I gebouwde oranjerie geplaatst, verspreidden een aangenamen geur.
Deze tuin was in dit vroege morgenuur nog geheel verlaten. De gesloten luiken van het slot bewezen, dat niet alleen de koning, maar ook het hofpersoneel, tot zelfs de keuken- en tuinmansjongens toe, nog in diepe rust waren en zich aan den slaap overgaven.
Plotseling werd deze stilte verstoord door het gedruisch van een haastigen tred, en een jonge man, burgerlijk gekleed, kwam haastig de groote laan op, die van de groote poort van den tuin naar de oranjerie leidde, en naderde daarop voorzichtig het eerste venster van de onderste verdieping des kasteels. Dit venster was, als alle overigen, van binnen met luiken voorzien, maar tusschen de glasruit en het vensterluik stak een wit papier, dat als bij toeval daar verdwaald scheen te zijn.
De jongeling scheen intusschen volstrekt niet aan het toeval te gelooven; voor hem was dit kleine stukje papier een afgesproken teeken, en hij klopte daarop aan de ruit, welker schelle klank op eens de diepe stilte in de rondte verbrak. Toen werd alles weder stil, tot de jongeling ten tweedenmale, maar ditmaal een weinig harder klopte. Toen stond hij weder stil en luisterde. âMaar ditmaal had zijn
6
kloppen gevolg. Het luik werd langzaam en voorzichtig een weinig geopend, en thans zag men achter de glazen het bleeke en ziekelijke gelaat van den geheimraad Fredersdorf, de lieveling van zijn koninklijken heer, verschijnen. Toen hij den jongeling zag, namen zijn bleeke, matte trekken eene meer levendige uitdrukking aan, en een onmerkbare glimlach speelde om zijne dunne lippen. Haastig opende hij het venster en reikte den jongeling zijne hand toe.
âGoeden morgen, Joseph,quot; zeide hij zacht. âIk heb den geheelen nacht niet geslapen, zoo ongeduldig was ik, om tijding van u te krijgen. Nu, zeg spoedig! Hoe is het gegaan ? Heeft hij zich eindelijk vertoond?quot;
Joseph schudde treurig zijn hoofd. âHij heeft zich nog maar niet vertoond,quot; zeide hij somber voor zich heen. âAl onze moeite is te vergeefs geweest. Wij hebben andermaal onzen tijd, ons geld, onze krachten te vergeefs opgeofferd! Hij heeft zich nog maar niet vertoond!quot; __
âAch, zou men wel denken, dat het zoo moeielijk is, den duivel te bewegen, ons in persoon te verschijnen, daar hij toch alle dag en uur door de daden der menschen ons zijne nabijheid en zijne tegenwoordigheid verkondigt!quot; riep Fredersdorf droevig. âMaar ik moet en wil hem zien, hij moet en zal mij het geheim ontdekken, hij zal mij de stof noemen, waaruit het goud is samengesteld!quot;
âEn hij zal het doen!quot; zeide Joseph plechtig.
âWat zegt gij daar? Zal hij het doen? Alle hoop is dus niet verloren?quot;
âAlle hoop is nog niet verloren, en de sterrenwichelaar hoorde dezen nacht, ten minste in zijne stuiptrekking, de stem des duivels en zag een oogenblik reeds den bliksem van zijn oog, alhoewel hij zijne gestalte nog niet zag.quot;
âHij zag den bliksem van zijn oog!''herhaalde.Freders-dorf verheugd. âO, dan zullen wij hem toch nog dwingen, zich aan ons te vertoonen ! Hij zal ons moeten leeren goud te maken! En wat sprak de stem van den duivel tot onzen sterrenwichelaar?'
âZij sprak tot hem:'' âWilt gij mijn gelaat zien en woorden der gouden wijsheid van mijne lippen hooren, zoo offer mij, als de maan weder in hare volheid gelijk vloeibaar goud aan den hemel staat, een zwarten bok. En als gij zijn bloed voor mij vergiet, en als hij zoo zwart is, dat
7
zelfs de nacht geen wit haar aan hem kan ontdekken, dan zal ik u verschijnen en u dienen.quot;
Aldus weder vier weken wachten, vier weken van ongeduld en kwelling!quot; morde Fredersdorf, en vervolgde toen:
âVier weken om te zoeken naar dien zwarten bok, die niet één wit haar mag hebben! Het zal zeer raoeielijk zijn, er zoo een te vinden!quot;
âO, de wereld is groot, en wij zullen overal onze boden heenzenden! Wij zullen hem vinden, want wie waarlijk zoekt, zal eindelijk vinden!quot;
âWij? wat wij?quot; vraagde Fredersdorf met verachtelijk schouderophalen.
âWij! Dat heet allereerst mijn eigen persoon, want gij begrijpt, mijn broeder, dat een student, zoo als ik toch nog ben, nooit geld over heeft, om daarvoor andere bokken te betalen dan hoogstens van tijd tot tijd die van mijn kleermaker! Wij, dat is verder de kapitein van Kleist, in wiens huis heden nacht de vergadering plaats vond en die den duivel reeds meer dan een zwarten bok, die hem zijne gezondheid, zijne' rust en zijn huiselijk geluk opgeollerd heeft, want zijne vrouw, vindt het vreemd, dat hij bijna iederen nacht den duivel ergens anders zoekt, dan in hare schoone armen.quot;
âJa, dat begrijp ik!quot; zeide Fredersdorf lachend, âde schoone mevrouw van Kleist wil nog altijd de dartele, van liefde dronkene Louise von Schwerin zijn, die zij eens geweest is. Het huwelijk heeft geen water in haar heet bloed gegoten!quot;
âNeen, maar geheele stroomen wijn in het bloed van haar gemaal, en in dezen stroom is hare liefde en haar geluk verdronken. Wij hebben daar een lijk, dat erg naar verrotting riekt, en dat wij zeer spoedig zullen moeten ter aarde bestellen!quot;
âMocht gij het doen! De koning heeft de echtscheidingen gemakkelijk gemaakt!quot;
âGemakkelijker dan het huwen, niet waar, broeder? O, gij bloost, nu gij merkt, dat uw lichtzinnige broeder opmerkzamer oogen heeft, dan gij dacht, cn meer ziet, dan men hem wil laten zien? Ja, ja, ik heb werkelijk gezien, dat gij getroffen zijt door den pijl van god Amor, en dat uw hart bloedt, omdat uw edele koning zijn geheimschrijver niet wil toestaan te trouwen.quot;
â0,_als ik eerst het heilige geheim ken, als ik eerst maar
8
goud kan maken, dan zal ik geen koning meer behoeven te vragen, dan zal ik zelf koning van mijn wil zijn.''
âHa! en opdat gij dit wordt, daartoe is er, zoo ais gezegd is, verder niets noodig, dan een zwarte geitebok. Verschaf ons dus den geitebok, machtige en veel vermogende broeder, en alles zal gedaan zijn!''
âEn te bedenken, dat ik niet weg kan, dat ik de handen in den schoot leggen en rustig afwachten moet!quot; riep Fredersdorf wanhopig uit. âO, welk eene slavernij is dit! Maar gij, gij zijt niet geketend, u behoort de geheele wereld, en gij kunt haar doorkruisen, om dit offer te zoeken, dat de duivel begeert!quot;
âGeef ons geld, broeder, en wij zullen het doen! Zonder geld geen geitebok, en zonder geitebok geen duivel!quot;
Fredersdorf verdween eenige oogenblikken van het venster en keerde toen met eene gevulde beurs terug, die hij zijn broeder overreikte.
âDaar hebt gij geld; zend overal uwe boden heen, ga zelf en zoek. Gij moet hem bezorgen, want ik zeg u, als gij het niet doet, trek ik mijne hand van u af, en gij zult niets meer zijn, dan een arm student, die zich door lesgeven moet onderhouden.''
âDat is geene prettige manier om zijn brood te verdienen,quot; riep zijn broeder lachend. âIk ben bovendien voornemens een anderen levensweg in te slaan, en in plaats van een geleerde een kunstenaar te worden.quot;
âEen kunstenaar!quot; riep zijn broeder, de schouders ophalende âHebt gij eene kunstenaars-ader in u ontdekt?quot;
âJa, broeder, ik heb zulk een ader gevonden, of liever, Eckhof heeft ze in mij opgewekt!quot;
âEckhof, wie is Eckhof?quot;
âWat, vraagt gij, wie Eckhof is? Gij kent hem dus niet, dien grooten, verheven kunstenaar, die sedert eenige weken hier aangekomen is, en die ieder, die een Duitsch hart in zijne borst draagt, verrukt door zijn heerlijk spel! Ik zag hem voor eenige dagen in de Cato van Gotsched! O, mijn broeder, op dien avond werd het mij duidelijk, dat ook ik tot iets hoogers en schooners geroepen ben, dan om slechts in de studeerkamer te zitten, en uit bestoven boeken mij een weinig vergetene wetenschappen bijeen te zoeken! Neen, ik wil mij de wereld niet door boekenstof verduisteren.
9
ik wil haar voor mij verhelderen door de edelste en schoonste kunst! Ik wil tooneelspeler worden!quot;
âOnnoozele dwaas!quot; zeide zijn broeder lachend. âEen Duitsch tooneelspeler, dat wil zeggen, een arme bedelaar en zwerver, die van stad tot stad, van dorp tot dorp trekt met zijn ïhespiswagen, en dien men overal uitlacht, gelijk men den aap uitlacht, die op den rug eens kameels zijne vroolijke sprongen maakt! Ja, als gij nog maar een danser, of minstens een Fransch tooneelspeler waart!quot;
âHet is waar, nog is het Duitsche tooneel het verstooten kind, de asschepoetster, die men ter zijde schuift en met een zak kleedt, terwijl men het vertroetelde stiefkind in met goud geborduurde kleederen hult. O, o, het is smartelijk te denken, dat Fransche tooneelspelers door den koning benoemd zijn, om op het tooneel in het koninklijk kasteel te spelen, terwijl Schünemann, de Duitsche tooneeldirecteur, voor veel geld de raadzaal huren en bovendien nog zware belasting betalen moet voor het verlof, om het Duitsch publiek alhier een Duitsch tooneel te geven! Maar wacht slechts broeder, alles zal anders worden, als wij eerst het geheim weten, als wij eerst den zwarten geitebok hebben! Ach, ik zegen het toeval, dat mij met uw geheim verbond bekend maakte, zoodat gij er mij in moest opnemen, om zeker te zijn, van mijne stilzwijgendheid! Ik zal ook rijk, machtig en invloedrijk zijn, gelijk gij allen, en dan zafik een grooten schouwburg bouwen, en daarin zal ik u als eerste liefhebber verrukken en tot bewondering opwekken!quot;
âO, laat ons eerst de kunst verstaan, goud te maken, dan zullen wij ons uit de geheele wereld een schouwburg bouwen, waarin ons alle menschen als gehoorzame marionetten iets zullen moeten voorspelen. Spoed u dus, mijn broeder, spoed u! Bij de volgende volle maan zullen wij de almachtige koningen der aarde worden, in de vooronderstelling namelijk, dat wij voor dien tijd een zwarten geitebok hebben gevonden!quot;
âWij zullen hem vinden, want wij zullen hem zoo noodig tegen goud opwegen, en er is niets, wat men niet voor goud kan krijgen.quot;
âEer, liefde, macht, aanzien en roem, dat alles geeft ons het goud! Laten wij ons dus haasten, om rijk te worden; want rijk zijn wil zeggen onafhankelijk en vrij te zijn!
40
Ga, broeder, ga, en mocht gij spoedig met goed gevolg bekroond tot ons terug keeren.quot;
âMaar vooraf nog weenige' gewichtige vragen, broeder! Voor alle dingen, waar zal ik heen gaan?quot;
âDen geitebok zoeken, onverschillig waar!quot;'
âZoo, onverschillig waar! Gij denkt er dus niet aan, dat de tijd der tooverij voorbij is, en dat de raad derhooge-school te Halle mij gedreigd heeft, mij te verbannen, als ik gelijk te voren de collegies zoo onregelmatig bezoek. Ik zal dus nog heden naar Halle moeten terugkeeren, ofâquot;
âNog heden!quot; riep Fredersdorf verschrikt. âDat is onmogelijk. Gij kunt niet naar Halle reizen, of het moest dan zij ti, dat gij heden reeds gevonden hadt, wat wij noodig hebben!quot;
âEn daar dit niet het geval is, zal ik niet naar Halle terugkeeren; men zal mij dus verbannen, en ik houd op student te Halle te zijn. Daarom willigt gij dus in, dat ik tooneelspeler word en den grooten Eckhof tot mijn eenigen professor verhef?quot;
âIk bewillig alles, mits gij eerst het bevel van den sterrenwichelaar vervult!quot;
âEn als nu de sterrenwichelaar ongelukkigerwijze, ondanks den zwarten geitebok, toch niet in staat ware den duivel op te roepen?quot;
Op de bleeke wangen van Fredersdorf vertoonde zich bij deze vraag eene ziekelijke, koortsachtige blos, die spoedig voor eene nog ziekelijker bleekheid week.
âAls dat zoo ware, zou ik óf waanzinnig worden, óf sterven!quot; mompelde hij zachtjes voor zich heen.
âEn dan zoudt gij misschien den duivel van aangezicht tot aangezicht aanschouwen,quot; riep zijn broeder«vroolijk lachend. âMaar misschien vind ik voor u eene Euridice, die u weder aan de onderwereld ontrukt. Nu, wij zullen zien! Tot zoolang vaarwel, broeder, vaarwel!quot;
Zijn broeder tot afscheid toeknikkende, snelde Joseph vlug heen. Fredersdorf zag met een zwaarmoedig lachen zijne rijzige, hooge gestalte na, die juist aan het einde der laan tusschen de hoornen verdween.
âHij bezit iets, dat eigenlijk nog meer waard is, dan goud en macht, zeide hij. âHij is gezond, jong en vol hoop en vertrouwen! Hem behoort aldus de wereld, terwijl ik âquot;
11
Het gedruisch van naderende schreden deed hem verstommen, en met gespannen opmerkzaamheid zag Fredersdorf weder de laan af.
II.
DE OUDE HOVELING.
Daar zag hij iemand aankomen, die niet met zulke vlugge schreden naderde als de jonge Fredersdorf, en dien hij, toen hij hem herkende, met de grootste verbazing en verrassing aanschouwde en die, toen hij dicht voor het venster stond, hem in een luid gelach deed uitbarsten.
âHet is wis en waarachtig mijnheer von Pöllnitz,quot; zei Fredersdorf, de handen van verwondering ineen slaande. Daarop begon hij andermaal hartelijk te lachen, waarmee de aangekomene vroolijk instemde. Plotseling evenwel bracht hij zijn gelaat in eene ernstige plooi en boog eerbiedig. âVergeving, heer baron,quot; zeide hij op een toon van schijnbare nederigheid, âvergeving, dat ik het waagde, u op zulk eene oneerbiedige wijs welkom teheeten. Maar de verrassing, u weder te zien, nadat gij voor altijd van ons hof afscheid hebt genomen, en wij ons ter uwer nagedachtenis reeds een tranenkruik hadden gemaakt, waarboven wij u beweenden, de verrassing heeft mij overweldigd.quot;
âSpot en lach maar, waarde Fredersdorf,quot; zei de heer von Pöllnitz. ,,Ik zal vroolijk met uw gespot en gelach instemmen, zoodra ik maar eerst een weinig ben uitgerust van dien schokkender! wagen, die mij hierheen heeft gebracht. Wees zoo goed, het venster een weinig verder te openen, en er hier buiten een stoel onder te plaatsen, opdat ik bij u kan inklimmen, gelij-k een vurig minnaar bij zijne geliefde, en ik niet eerst noodig heb, den verren omweg tot de slotpoort te maken.quot;
Fredersdorf deed zwijgend, wat de baron hem verzocht, en weinige minuten later lag de heer von Pöllnitz gemakkelijk uitgestrekt in de kamer van den geheimraad op den zijden divan.
âVraag mij thans niets, Fredersdorf,quot; zeide hij diep adem
42
halende, âlaat mij hier eerst ongestoord een weinig de zalige rust op uwe sofa genieten, en bewijs mij den liefdedienst, mij vooral op eenige vragen te antwoorden, vóór ik dit u doe.''
âVraag, mijnheer de baron, ik zal u antwoorden,quot; zeide Fredersdorf, terwijl hij zich op een stoel naast de sofa nederzette.
âEerstens dus! Wie is koning van Pruisen ? Gij of Jordan, of de generaal von Rothenburg of Chazot, ofâ mijn God, help mij toch en zeg mij, wie is koning van Pruisen?quot;
âDat is Frederik II, geheel alleen, en wel zoo, dat zijne ministers slechts klerken zijn, die zijn wil opschrijven; de generaals de onder-ingenieurs, die zijne plannen der veldslagen opteekenen: zijn componisten de notenzetters zijner melodieën en muzikale gedachten; de bouwmeesters de timmerlieden, die niets anders te doen hebben dan het bouwplan uit te voeren, dat hij ontworpen of ten minste naar oude, Grieksche voorbeelden heeft uitgekozen; alle beambten niets dan raderen in het groote werktuig van den staat, dat zijn wil alleen weet te besturen en te beheerschen!quot;
âHum, dat is kwaad, zeer kwaad,quot; zeide Pöllnitz. âIntus-schen vind ik, dat gij twee soorten van menschen niet hebt aangevoerd in die lijst van raderen, welke Frederiks hand stuurt en regeert. Gij hebt niets gezegd over zijne koks en niets over ziine kamerdienaars; en evenwel zijn dezen zeer gewichtig; want gij weet wel, dat voor deze beide soorten van menschen ieder koning ophoudt een koning te zijn en een zeer gewoon menschenkind wordt, dat eten, drinken, slapen en zich kleeden en zijne lichamelijke zwakheden en gebreken moet verbergen en vernissen, gelijk ieder ander mensch!quot;
Fredersdorf schudde zwaarmoedig het hoofd. âHet schijnt,quot; zeide hij, âdat Frederik II onaantastbaar is, want zelfs tegenover zijn kok en kamerdienaar blijft hij nog altijd koning. Zijne koks mogen hem al de kostbaarste en heerlijkste gerechten bereiden, hij is er, helaas, niet mede om te koopen. Een slecht toebereid gerecht maakt hem toornig, maar de keurigste spijzen hebben doorgaans geen invloed op zijne stemming; hij is na tafel nooit anders gestemd dan voor tafel, en wat hij voor het eten en de champagne afgeslagen heeft, willigt hij ook daarna niet in.quot;
43
âVerduiveld, dat is erg,quot; mompelde^de heer von Pöllnitz. âEn de kamerdienaar? blijft de koning ook tegenover hem koning?quot;
âZoo zelfs, dat hij zijne kamerdienaars nauwelijks veroorlooft zijn lichaam aan te raken, daar hij zich zei ven kapt, scheert en kleedt.quot;
âMaar God, wie heeft dan invloed op hem ? Tot wien moet men zich wenden, om tot voorspraak te dienen ?quot;
âTot zijne honden waarde baron! Dat zijn thans nog de eenige personen van invloed.quot;
âMeent gij in ernst de viervoetige honden, ofâquot;
âDe viervoetige, mijn waarde, die de koning inderdaad meer vertrouwt dan de tweevoetige schepsels. Gij weet, dat de koning veel geloof slaat aan het instinct zijner honden; nu, hij is thans zoover gekomen, dat hij gelooft, dat de honden een instinctmatigen afkeer hebben van alle valsche, booze en slechtgeaarde menschen, en het is daarom voor ieder nieuwen aankomeling zeer gewichtig, hoe hij door zijne honden ontvangen wordt, want daarnaar richtj zich ook de ontvangst van de zijde des konings.quot;
âIs Biche nog bij den koningquot;
âZij is nog altijd de lievelingshond!quot;
O ! dat is mij aangenaam, want ik stond altijd in groote gunst bij signora Biche, en zij was steeds gewoon mijn zak te besnuffelen, of er ook chocolade in was. Ik bid udus, vriendlief, geef mij een stukje chocolade voor Biche, opdat ik haar edel hart roere en zij mij de genegenheid van den koning verzekere.quot;
âIk zal u een half pond in iederen zak steken, en als Biche dan nog blaft, zoo is dat een teeken, dat zij oneindig veel beter dan de menschen, dat zij namelijk onomkoopbaar is! Zijt gij thans met uwe vragen ten einde, en mag ik de mijne beginnen?quot;
âNog niet, mijn waarde, mijn hoofd is nog geheel opgevuld met vragen, die daarin rondkruipen, als de in een zak opeengepakte wormen, waarmee men visch wil vangen. Wees dus barmhartig en laat mij nog eenige van deze vragen aan den angel van mijne toekomst bevestigen!quot;
âNu dan, ga voort! Vraag verder!quot;
âStelt de koning in geen enkele primadonna van zijne opera, van zijn ballet of tooneel belang?quot;
44
âIn geen enkele!quot;
âNu, is zijn hart dan geheel versteend?quot;
âGeheel en al!quot;
âEn de koningin-moeder? Heeft ook zij geen invloed?quot;
âGod, heer baron, hoe lang waart gij dan hier vandaan, dat gij mij vragen doet, als waart gij zoojuist van de maan gevallen, en als wist gij in het geheel niet meer, hoe het er aan ons hof uitziet!quot;
âLieve vriend, ik was een geheel jaar, dat wil zeggen, eene eeuwigheid van hier verwijderd! Want het hol is een zeer glibberige grond, en als men niet ieder uur op dien spiegelgladden grond heeft gegaan, kan men ligt vallen, dat is zeker. Ook is niets veranderlijker dan het hofleven, en wat heden waar is, is morgen dikwijls reeds een groote leugen, en wat men gisteren schoon vond, wordt heden als uiterst hatelijk ter zijde geschoven, en wat men heden veracht, prijst men morgen als een verheven kleinood. O, dat heb ik ondervonden! Ik herinner mij, dat ik, gedurende mijn verblijf aan het Saksische hof, eens een gedicht, eene hymne aan Aurora von Köningsmark vervaardigde, en nog wel op uitdrukkelijk bevel des konings, die deze hymne door Hasse wilde latencomponeeren en door zijne Italiaansche zangers op den verjaardag van Aurora wilde laten zingen. Nu, mijne hymne was nog niet geheel af, of de gravin Aurora was reeds verstoeten en de schoone gravin Kosel had hare plaats ingenomen. Ik voleindigde intusschen mijne hymne, maar in plaats van eene Aurora bezong ik eene Amalia; Hasse componeerde de hymne, en toen de Italiaansche zangers haar op den naamdag van de gravin Kosel zongen, vermoedde niemand, dat deze feestcantate eigenlijk voor de gravin Köningsmark bestemd was geweest ! â Aan het hof der keizerin Elizabeth van Rusland trof ik een soldaat aan, die voor de deur der keizerin op wacht stond en zijn geweer presenteerde, toen ik aan den arm van den overste Tscherbatow, haar toenmaligen lieveling, tot de keizerin ging. Nu dan, acht weken later was deze soldaat generaal en vorst, en Tscherbatow moest hem militaire eer bewijzen. â Te Venetië zag ik eene schilderij van Tintoretto, het laatste oordeel of het paradijs en de hel voorstellende. In het paradijs bemerkte ik eene wonder-schoone, door bevalligheid, jeugd en wellust schitterende,
15!
door engelen omringde vrouw, die in zalige verrukking op een bloeraleger ruste. Maar daar onder, op de benedenste helft der schilderij, in de hel, zag ik dezelfde vrouw nog eens, nu evenwol niet op rozen, maar op een gloeienden rooster liggende en in plaats van engelen door grijnzende mismaakte duivels omgeven, die haar schoon lichaam met gloeiende tangen ontvleeschden. Paus Adriaan VI had deze schilderij aan Tintoretto besteld en daarbij uitdrukkelijk bevolen, dat aan de schoone Cinnia in het paradijs een ge-denkteeken gesticht en zij daarin verheerlijkt zou worden. Cinnia was namelijk eene zeer lieve vriendin van Adriaan, die uren had, dat hij niet slechts paus, maar bovendien nog man was, en nog wel een man, die in de schoonheid behagen vond. Cinnia was zeer schoon, en het was daarom Tintoretto's eerste bezigheid, Cinnia's beeld te schilderen en haar tot middelpunt van het paradijs te maken. Maar ziet gij, bij ongeluk was het laatste oordeel van Tintoretto eene zeer groote schilderij, zoo groot, dat men tegenwoordig, om er de hoofden op te tellen, zich van een boek bedient, en de in iederen vierhoek bevatte koppen opteekent, om dan het geheel op te tellen. Om zulk een stuk te schilderen waren eenige jaren noodig, en toen Tintoretto bij de hel gekomen was, was er veel veranderd, zelfs het 'hart der schoone Cinnia, die den paus Adriaan voor een vorst Golonna had verlaten. De heilige vader, die, gelijk gezegd is, niet slechts paus, maar ook man was, haatte natuurlijk de trouwelooze en wilde wraak op haar nemen. Hij gebood daarom Tintoretto, Cinnia nog eens op zijne schilderij aan te brengen, maar ditmaal in de hel als verdoemde en veroordeelde zondares (^. â O, aan dit beeld denk ik steeds, als ik de gunstelingen, zoowel mannen als vrouwen, der vorsten gadesla, en mij met hun hoogmoed en trots verlustig. Als ik hen in het paradijs hunner macht en gunst zie, zeg ik in mij zeiven: ik zal u spoedig op den gloeienden rooster der ongenade zien braden en de duivelen van het ongeluk en den nijd zullen uw lichaam ontvleeschen! â Ziedaar, â Fredersdorf, dat is mijn antwoord op uw verwonderde vraag, of ik in een jaar het hofleven verleerd heb.quot;
âEn bij den hemel, een zeer gegrond antwoord, dat voor
' 1) Historisch,
16
het minst toont, dat de heer baron Pöllnitz in een jaar volstrekt niet veranderd is, maar nog altijd de ervarene man van de wereld, de wijze cavalier is gebleven!quot;
âDe heer baron von Pöllnitz! Waarom geeft gij mij mijn titel niet? Waarom noemt gij mij niet opperkamerheer ?quot;
âWel, omdat gij niet meer in dienst des konings zijt, maar uw ontslag hebt genomen.quot;
âGod geve, dat Biche mij genadig is; dan zal de koning, hoop ik, dat genomen ontslag vergeten. Maar nog eenige vragen, waarde Fredersdorf, gij zegt, de koningin-moeder heeft geen invloed. Maar hoe is het met de gemalin des konings, met Elisabeth GLristina? Is zij misschien thans de regeerende koningin?quot;
âWanneer zijt gij van uwe reis teruggekeerd?quot;
âNu, dezen nacht en nauwelijks uit den wagen gestegen, ijlde ik hierheen.quot;
âDat is waarlijk eene verontschuldiging voor uwe vraag, want als gij eerst dezen nacht aangekomen zijt, kunt gij waarlijk nog niet weten, welke gewichtige gebeurtenis heden bij het hof plaats vindt! De koning zal heden aan zijn hof zijn broeder August Wilhelm als prins van Pruisen, als zijn troonopvolger, voorstellen. Ik denk, dat dit een voldoend antwoord is op uw vraag naar de koningin. Zij leeft te Schönhausen en is de weduwe van haar gemaal, den koning, die nooit het woord tot haar richt, zelfs dan niet, als hij op groote gala-dagen aan tafel naast haar zit.quot;
âNu nog een laatste vraag waarde vriend ? Hoe staat het met u? Zijt gij nog invloedrijk? Bemint de koning u nog altijd zoo, als voor een jaar? Hebt gij hoop, het doel van uwe eerzucht te bereiken en invloed te verkrijgen?quot;
âIk ben niet meer eerzuchtig,quot; zeide Fredersdorf zuchtend. âNeen, ik streef er niet meer naar, de koning eens konings te zijn; maar mijn eenig streven is, onafhankeliik van alle koningen der wereld, kortom, mijn eigen koning en heer te zijn. Misschien gelukt mij dit spoedig! Zoo niet, welnu, dan zal hefmij gaan als zoo veel anderen: daar ik mijne slavenketenen niet verbreken kan, zal ik er door gekneld worden. Wat echter mijn invloed op den koning aangaat, het zal u genoeg zijn, als ik u zeg, dat ik sedert een half jaar eene vrouw vurig bemin, en die ook mij bemint, maar die ik
17
echter niet kan huwen, omdat de koning mij, ondanks mijn smeeken, zijne toestemming daartoe weigert!quot;
âEn hij heeft gelijk,quot; riep de heer von Pölnitz levendig, terwijl hij zich gemakkelijk op de sofa uitstrekte. âEen dwaas is hij, die er aan denkt zijn edele vrijheid weg te geven aan eene vrouw!quot;
^Zegt gij dat heer haron? Gij, die het hof en den koning hebt verlaten, om naar Neurenberg te gaan en daar te huwen ?quot;
âO, hoe handig hebt gij mij het mes uit de handen gespeeld, en zijt van ondervraagde vrager geworden! Nu, het is billijk, dat ook uwe nieuwsgierigheid bevredigd worde. Vraag dus voort, ik zal u antwoorden!quot;
âZijt gij dus niet gehuwd, baron?quot;
^ âIn het geheel niet, en ik heb gezworen, dat slechts Fortuna mijne geliefde zal zijn, niet echter eene sterfelijke vrouw!quot;
âAlzoo is ook het gerucht valsch, dat beweerde, dat gij vooraf van godsdienst veranderd en Protestantsch waart geworden?quot;
âNiet alzoo; dat gerucht was waarheid. Die Neurenberger patricische vrouw wilde geene hand aannemen, die haar door een niet-protestant aangeboden werd! Ik trok dus den handschoen van mijn katholicismus uit en trok daarvoor het protestantismus aan. Mijn hemel, voor een man van de wereld mag het uiterlijk geloof toch niets anders zijn, dan een tot het toilet behoorend voorwerp! Even als het tot den goeden toon behoort, dat de vorsten, als zij de bevriende hoven bezoeken, telkens de ordeteekenen en de uniform van het land, waarin zij vertoeven, en van den vorst, dien zij bezoeken, aandoen, zoo is het ook bij mij een regel der etiquette, om altijd van die godsdienst te zijn, die overeenkomt met den toestand, waarin ik mij bevind. Mijn toestand in Neurenberg vorderde, dat ik protestant was, ik werd het dus.quot;
âEn werd het huwelijk evenwel verbroken?quot;
âHet werd verbroken door de volhardende eigenzinnigheid van mijne bruid, die volstrekt niet in gemeenschap van goederen met mij leven en mij niet het vruchtgebruik van haar vermogen vergunnen wilde. Begrijpt gij zulk een onzin? Te denken, dat ik haar slechts wilde huwen, om Mühlbaoh, Frederik de Groote en zijn Hof. III. 2
18
uit een middelmatig aardig burgermeisje eene barones, eene rijksbarones von Pöllnitz te maken, zonder daarvoor eene andere belooning dan eene vrouw te hebben! Zij wilde mijn rang huwen en vond het beleedigend, dat ik niet haar, maar haar millioen wilde huwen! Door deze oneenigheid werd ons huwelijk verijdeld, en ik ben er thans recht blijde over en schaam mij in mijne ziel over mijn trouwroes! De koning heeft dus reden tevreden over mij te zijn!quot;
âDenkt gij dus, in allen ernst, weder hier te blijven?quot;
âVindt gij dat niet zeer natuurlijk, mijn waarde? Ik heb eene halve eeuw aan dit hof geleefd, en mij zoo zeer gewend aan deszelfs verveling, nuchterheid en stijfheid, gelijk men gewent aan een oud, hard veldbed, dat iemand ten laatste door de gewoonte zachter toeschijnt, dan het veerkrachtigste donzen bed. Buitendien, vriendlief, heb ik zoo even in Neurenberg een millioen verloren, en ik moet daarom op vergoeding denken, om mijn leven van cavalier waardig te kunnen besluiten. Ik moet dus weder mijn vrijen nek buigen en dienstbaar worden, (rij moet mij daarin behulpzaam zijn, gt;door nog heden gehoor bij den koning te verschaffen, en zoo ver, denk ik, zal uw invloed nog wel gaan. Voor het overige zal ik dan zorgen.quot;
âWij zullen zien,quot; zeide Fredersdorf; âik heb den koning heden eene vroolijke tijding te brengen, misschien maakt % die hem toegevend en staat hij u het gehoor toe.quot;
âEn de tijding, die gij hem te brengen hebt?quot;
âIs, dat Barberina is aangekomen!quot;
âZoo, die beroemde danseres?quot;
âDezelfde! Wij hebben haar aan de republiek Venetië en haar minnaar, lord Mackenzie ontrukt, en de baron von Sweerts heeft haar als gevangene naar Berlijn gebracht.quot;
Pöllnitz richtte zich half van de sofa op, en zijne hand haastig op den arm van den geheimraad leggende, zag hij hem met van vreugde stralende oogen aan.
âIk heb daar een plan gemaakt, een hemelsch plan,quot; zeide hij. âMijn vriend, de dagen van macht en aanzien zullen thans nog voor ons opgaan, en uwe eerzucht, die daar ziek en ter neder gebogen ligt, zal thans genezen en haar hoofd trotsch oprichten. Wat ik lang zocht, is eindelijk gevonden! De koning is nog te jong, te vurig en eindelijk te zeer dichter en genie, om ongevoelig te zijn. Zelfs
19
Achilles had zijn hiel, waaraan hij kwetsbaar was. Ook Frederik heeft zijn kwetsbare plaats, en weet gij, wie hem daar treffen en den pijl op hem afschieten zal'?quot;
âNu?quot;
âSignora Barberina! O, gij lacht, gij schudt ongeloovig het hoofd? Gij zijt dus geen goed zielkundige? Weet gij dan niet, dat men gewoonlijk datgene het meest begeert, dat zich het meest schijnt te onttrekken, en dat men datgene het hoogste waardeert, wat men door worstelen verkregen heeft. Oordeel dus, hoe hoog de koning Barberina schatten moet, om wie hij eene maand lang diplomatischen strijd met de republiek Venetië voerde, en die hij eindelijk op lord Stuart Mackenzie eenigermate veroverd heeft.quot;
âHet is waar,quot; zeide Fredersdorf nadenkend, âsedert acht dagen verwacht de koning met wezenlijk ongeduld de aankomst der schoone danseres, en hij heeft bevolen, dat, als zij te Berlijn aankomt, er hem terstond kennis van zal gegeven worden.quot;
âDe koning zal deze signora Barberina beminnen, zeg ik u,quot; riep Pöllnitz, terwijl hij weder op het sofakussen ging liggen. âIk zal haar daarom nog heden bezoeken en met de signora het noodige afspreken. O, thans ben ik tevreden, thans zie ik land, een klein eiland der gelukzaligheid, da t mij, den armen schipbreukeling, weder opneemt en mij bescherming en dak verschaft! Ik zal mij tot den onmisbaren raadgever der signora Barberina maken, en haar leeren, hoe zij de stijfzinnigheid des konings bedwingen en hem tot haar slaaf kan maken!quot;
âüroomen, droomen!'' zeide Fredersdorf, de schouders ophalende.
âDroomen, die ik tot wezenlijkheid zal maken, zoodra gij mij slechts een gehoor bij den koning hebt verschaft'quot;
âWij zullen zien, wat gedaan kan worden, en of â Maar hoor, de koning is reeds ontwaakt, hij heeft zijne vensters geopend en speelt op de fluit, gelijk hij dat alle morgens gewoon is te doen. Dit vroege fluitspel is voor mij altijd de barometer van zijne stemming, en ik weet daaruit altijd te beoordeelen, welk weder wij heden zullen hebben, of het schoon of stormachtig zal zijn! Laat ons dus aan het venster gaan en een weinig luisteren!quot;
âJa, laat ons dat doen!quot; zeide Pöllnitz, terwijl hij met
20
jeugdige vlugheid van de sofa opstond en Fredersdorf naar het open venster volgde. âLuisteren wij eens!quot;
En leunende tegen de vensterbank, luisterden beiden met ingehouden adem naar de muziek, die daar van de bovenvensters tot hen zweefde, en tegelijk met den geur der oranjeappels en de verkwikkende zomerlucht de kamer binnendrong, waarin de beide hovelingen zich bevonden en iedere toon van deze muziek bespiedden, gelijk de kat het vroolijk opspringen van den onschuldigen vogel beloert en bewaakt, om het'oogenblik te ontdekken, dat zij hem kan verslinden.
Het was een adagio, dat de koning op zijne fluit speelde
en in welks voordracht hij blijkbaar een meester was. Zacht
trillend, als in oneindigen weemoed, nusnikkenden klagend, dan juichend in verrukkende zaligheid, dan wederzuchtend en weenend, ruischten die tonen, gelijk kostbare paarlen of doorschijnende tranen, door de balsemachtige zomerlucht; en zelfs de vogels in de welriekende struiken en de wind, die in de boomen gesuisd, en de golven des strooms, die met zacht gemurmel aan den oever geplast hadden, ja, de geheele natuur scheen een oogenblik haar adem in te houden, om haar deze zachte, schoone muziek te luisteren, welker uitvoerder niet slechts een koning, maar ook een kunstenaar was.
Ook Fredersdorf gevoelde de macht en de overweldigende kracht dezer muziek weder als te voren op zich werken. De oude liefde doorstroomde weder zijn hart en vervulde het met nieuwen gloed, terwijl er weder tranen in zijne oogen welden.
âHij is toch een der edelste geesten, en men kan zich nooit over hem vertoornen, daar men altijd weder gedwongen wordt hem te aanbidden!quot; zeide hij zacht voor zich heen, toen de fluit des konings even zweeg.
âNu?quot; vroeg Pöllnitz, wiens gelaat geen oogenblik de uitdrukking van listige sluwheid en koele oplettendheid had verloren, ânu, hoe staat heden de barometer ? Zullen wij een zonuigen dag hebben?quot;
âJa!quot; De koning is heden in eene opgeruimde, zachtmoedige stemming. Waarschijnlijk is hij reeds sedert eenige uren ontwaakt en heeft hij aan een zijner vrienden ge-chreven, aan Voltaire of Algarotti, dat maakt hem steeds sacht, vroolijk en opgeruimd.quot;
21
âZal ik dus een gehoor verkrijgen?quot;
âGij zult het verkrijgen.quot;
âDan waarde vriend, moet ik u nog maar verzoeken om de chocolade voor het edele, zielkundige hondje, signora Biche!quot;
III.
DE MORGENUREN EENS KONINGS.
Toen koning Frederik zijn adagio geëindigd had, ging hij met de fluit in de hand bij het venster staan en staarde in gedachten verzonken in den tuin.
Zijn helder oog was getemperd door een weemoedige uitdrukking en een smartelijke glimlach speelde om zijn mond. Hij kon zijn geest nog niet vrij maken van de tonen, die hij aan het speeltuig ontlokt had.
Plotseling evenwel, alsof hij zich aan zijne zwaarmoedige overpeinzingen wilde onttrekken, schelde hij harden gelastte den binnentredenden lakei, om den geheimraad en directeur van het armwezen, Jordan, bij hem te ontbieden.
Weinige minuten later trad de geroepene, die zich sedert1 eenige dagen als gast des konings op het slot Charlottenburg bevond, in de kamer des konings.
Frederik ging hem vroolijk te gemoet en reikte hem beide handen.
âGoeden morgen, Jordan,quot; zoide hij, hem met de uitdrukking der innigste deelneming in het bleeke, ziekelijke gelaat ziende. âIk hoop, dat gij een goeden en verkwikk enden nacht hebt gehad.quot;
âEen goeden nacht, voorzeker,quot; zeide Jordan meteen zach-ten lach, âwant ik droomde van uwe majesteit!quot;
De koning liet zijne handen los en trad zuchtend een schrede terug. âVan uwe majesteit,quot; herhaalde hij. âWaarom legt gij zulk een koude hand op mijn hart, dat zoo warm voor u klopt? Waartoe dient hier de etiquette ? Wie hoort ons? Zijn wij niet alleen, en mogen wij elkander onze innigste gedachten niet bekennen, wij, die elkander verstaan en beminnen ? Vergeet dus een weinig de majesteit, mijn vriend.
22
want gij ziet wel, ik ben nog in morgenkleeding en draag niet, zooals de koningen op het tooneel, kroon en schepter zelfs in bed of in den slaaprok.quot;
âO,quot; zeide Jordan, terwijl hij Frederik aanzag met den blik eens verliefden, die in zaligheid verzonken is bij de aanschouwing van zijn geliefde, âo, gij hebt geen kroon op uw voorhoofd noodig, om u als een koning van Gods genade te laten erkennen. De aangeborene majesteit straalt van uw voorhoofd.quot;
âDat komt,quot; zeide Frederik met lichte spotternij, âdat komt, omdat wij vorsten algemeen erkend zijn als de best gelukte portretten van den hoogsten God, portrelten, met welke gij overige menschenkinderen u in het geheel niet vergelijken kunt; want waarschijnlijk zijt gij slechts de portretten van den zoon en derden God der Drieëenheid, de portretten van den zoon en den heiligen geest, terwijl wij vorsten de quintessence der goddelijke gelijkenis op onze verweerde, vervelende aangezichten dragen!''
âAls die vrome predikant Eberhard u thans kon hooren, sire, wat zou hij zich weder ergeren!quot;
De koning lachte. âWeet gij, Jordan,quot; zeide hij toen zeer ernstig, âik geloof, dat God er mij eigenlijk toe geroepen heeft, om den priesters tot ergernis te zijn, om den duivel der domheid of van den hoogmoed een weinig bij hen uit te drijven. Ik houd dat inderdaad voor een hoofddoel mijner zending, en ben overtuigd, dat God mij tot een omgekeerden messias heeft bestemd, namelijk tot een messias, die geroepen is, om de kerk, dat trotsche en ij dele werk van huichelachtige priesters, omver te werpen, en de zuivere onvermengde godsvereering in hare plaats te stellen.quot;
âJa, als de menschen den helderen geest van een Frederik hadden!quot; riep Jordan de schouders ophalende. âAls hun oog was gelijk aan dat van mijn koninklijken adelaar, wien het gegeven is, recht en vast in de zon te zien, zonder zich daardoor verblind te gevoelen! Maar sire, de overige menschen gelijken u zoo weinig! Zij zijn allen gelijk de ernstige, stijve nachtuilen, en moeten gelijk deze een tweede hoornvlies over hunne oogen trekken, daar zij anders blind zouden kunnen worden. Zulk een tweede hoornvlies is voor de menschelijke nachtuilen de kerk, of liever de kerken, want de eergierigheid en sluwheid dezer priesters heeft zich niet
23
met ééne tevreden gesteld, maar er thans reeds vier gemaakt.quot;
âEn daarmede drakentanden gezaaid, die als bloeddorstige krijgslieden opgegroeid zijn, welke de geheele menschheid en elkander verscheuren!quot; riep de koning driftig. âHoor, Jordan, wij zijn daar juist op een onderwerp gekomen, dat gelijk gij weet, steeds mijne gedachten ten zeerste bezig houdt. En juist bij deze aangelegenheden wilde ik uw raad inroepen. Kom dus, mijn vriend, zetten wij ons neder, en hoor, wat ik u te zeggen heb. Gij weet, de vromen en de priesters belasteren mij als een godloochenaar, omdat ik niet denk als zij, en niet geloolquot; gelijk zij. Wie hunner heelt nu echter het rechte geloof? Waar is de waarheid en de wijsheid? Ieder gelooft haar te hebben, en daarom schijnt het mij, dat niemand haar heeft. In hetzelfde land, ja in dezelfde stad leert men ons op verschillende plaatsen, onder den naam van godsdienst, de meest tegenovergestelde en tegenstrijdigste leerstellingen. Hier dreigt men ons met het eeuwige vuur, als wij willen gelooven, dat God zelf in die bedriegelijke droombeelden, bij voorbeeld van het avondmaal, bevat is; ginds weder leert men en met dezelfde zekerheid, dat wij dezelfde straf ondergaan, als wij dat niet gelooven. Welke ongerijmdheden! De eenvoudige verklaring der verschillende godsdiensten van het heelal zou een geheele rij folianten vullen. Bijna iedere godsdienst verdoemt de andere. Zij kunnen dus niet alle de ware zijn, daar de waarheid zich zelve niet kan weerspreken. Als er maar eene waarachtige godsdienst ware, zou God ons deze duidelijk en zonder dubbelzinnigheden hebben verkondigd. God, die de waarheid zelf is, kan niet duister zijn. Als die verscheidenheid der godsdiensten slechts de eeredienst en de plechtigheden betrof, kon men dat laten gelden, gelijk men de verscheidenheid der kleederen, als eene aangename afwisseling, gelden laat. Maar de leerstellingen, die men in Engeland onderwijst, zijn onvereenigbaar met die, welke in Rome kracht hebben. De godsdienst der Ghinee-zen sluit de Perzen uit; iedere godsdienstige secte gelooft zich onfeilbaar en slingert haar bliksem tegen de overige â
(1) 'sKonings eigen woerden. Zie: Supplément des oeuvres posthumes. Vol. II, pag. 14.
24
Hij, wien het gegeven ware, deze oneenigheden bij te leggen, deze tegenstellingen te vereffenen, zou de wereld den vrede geven, en in waarheid de messias en verlosser zijn.quot;
âDie zou uitvoeren, wat God zelf niet vermag, naar het schijnt,quot; zeide Jordan met een flauw lachje. âDie zou vooreerst een groot bloedbad bewerken en de priesters van alle godsdiensten moeten laten dooden!quot;
âEn dat wil ik juist!quot; riep de koning uit. âEen bloedbad wil ik aanrichten onder hunne priesters, niet een lichamelijk, bloedig, maar een zuiver geestelijk, want ik zeg u, Jordan, God woont niet in de kerken van deze hoogmoedige priesters, die zich toch bij voorkeur de dienaren Gods noemen; maar hij was zoowel bij Mozes op den berg Sinaï, als hij Zoroaster in de woestijn ontmoette; hij was aan Dante's zijde, toen hij de Divina Comedia schreef, gelijk hij de schepen van Columbus bestuurde, toen zij uitzeilden, om eene nieuwe wereld te ontdekken. God is overal, en dat zij hem aanbidden en aan hem gelooven, dat juist getuigt van de hoogere roeping der menschen, van hunne overeenkomst met de godheid.''
âAch, en men durft nog zeggen, dat mijn koning niet aan God gelooft!'' riep Jordan met tranen in de oogen, terwijl hij de hand des konings greep en ze vast aan zijne lippen drukte. âMen wil Frederik een ongeloovige noemen, en durft het wagen, van de kansels tegen hem te prediken en te schelden!quot;
âJa, wel ben ik voor hen een ongeloovige, daar ik niet geloof, wat zij gelooven!quot; zeide de koning lachend. âEn als zij tegen mij prediken, mijn vriend, zoo bewijst dat alleen, dat zij mij vreezen en een machtigen vijand in mij voorzien. Ja, levenslang wil ik de vijand der priesters zijn, namelijk van die trotsche en hoogmoedige priesters, die denken wijs te zijn, en allen verachten, die niet denken gelijk zij. Al die verschillende kerken met de verschillende leerstellingen wil ik vernietigen en ze oplossen in ééne algemeene kerk, waarin iedereen kan komen en God op zijne wijze aanbidden. Want de aanbidding Gods, dat alleen kan toch het doel van alle kerken zijn, van al die verschillende leerstellingen, welke elkander bestrijden en hare deuren sluiten als een anders denkende haar nadert. Ik wil echter al hare kerkdeuren openen en de zuivere vrije lucht van God door al hare dampige
25
woningen laten trekken. Een tempel wil ik bouwen, een grooten onmetelijken tempel, een tweede Panthéon, eene kerk, welke alle kerken in zich bevat en waarin elke godsdienst zijn altaar en iedere eeredienstzijnegodsdienstoefening toegestaan is. God aanbidden willen zij allen, laat het dus ook ieder op zijne wijze doen! Ziet gij, zij spreken'allen zooveel van broederlijkheid en verscheuren elkander toch. Laat mij mijn Panthéon bouwen, dan zullen de menschen in waarheid broeders worden, de Jood en de zoogenaamde Heiden, de Mahomedaan en de Pers, de Calvinist en de Katholiek, de Lutheraan en de Gereformeerde, zij allen zullen komen in mijn Panthéon, om God te aanbidden en langzamerhand zullen alle formulieren en alle leerstellingen bij hen vervallen, zij zullen allen gelooven aan éénen God en de kerken van al die verschillende secten zullen ledig staan en in puin vallen.quot;^)
Het gelaat des konings schitterde terwijl hij deze woorden sprak. Zijn schoon gelaat blonk van edele vervoering. Een zachte blos kleurde zijn wangen en in zijn helder oog blonk een uitdrukking van vreugde en zalige gewaarwording.
Jordan zag hem aan met oneindige liefde, maar tevens zoo droevig en smartelijk, dat de koning zijne vervoering daardoor verkoeld en gestoord gevoelde.
âHoe, Jordan, zijt gij niet van mijne meening?quot; vroeg hij verwonderd. âZullen onze zielen, die anders altijd overeenstemden, het ditmaal niet doen? Gij schudt uw hoofd? Gij billijkt dus het denkbeeld van mijn Panthéon niet?quot;
Het is een te verheven denkbeeld, sire, om verwezenlijkt te kunnen worden. De menschen hebben den godsdienst noodig als zij niet hun innerlijk zedelijk steunpunt willen verliezen.quot;
âNeen, zij hebben daartoe slechts God, slechts de liefde tot dat verheven hoogste wezen noodig, dat wij God noemen ! De zekerste proef echter, waaraan wij kunnen herkennen, of wij God beminnen, is die, dat wij den omvankel-baren en vasten wil hebben, hem te gehoorzamen. Daarom
(1) Van het plan des konings, om een Panthéon voor alle godsdiensten te bouwen, maakt Thiébault melding in zijne Souvenirs de vingt ans, Vol. V, pag. 220.
[26
hebben wij ook geenen anderen godsdienst noodig, dan ons verstand, dat ons door God gegeven is. Zoodra dit erkent, dat Hij gesproken heeft, moet het zwijgen en zich onderwerpen. De innerlijke aanbidding Gods moet daarin bestaan, dat wij zijn bestuur en dat, wat wij hem schuldig zijn, erkennen; de uiterliike aanbidding moet zich daarin openbaren, dat wij alle dingen zoo doen, als zij verder met de rede en met de verhevenheid Gods, alsmede met onze afhankelijkheid van hem overeenkomen!'^1)
âHoe jammer, dat de wereld nog niet verlicht genoeg is, om dat te kunnen begrijpen,quot; antwoordde Jordan ; âuwe majesteit zou juist daardoor het tegendeel bewerken van hetgeen gij bedoelt. Want al die godsdiensten, welke, gelijk gij zegt, zoo geheel tegenstrijdig zijn, zouden zich dientengevolge door deze uitwendige vereeniging gekwetst en beledigd gevoelen; de onderlinge haat zou dagelijks op nieuw aangeblazen, de afkeer dagelijks gevoed, en de godsdienstijver, die, naar zijn aard, van uitsluiten zijn hoofdwerk maakt, van nieuw voedsel voorzien worden. Niet slechts de priesters, maar ook de vorsten en koningen, zouden met ontzetting dit werk van uwe majesteit gadeslaan. En hoe zou men in de kabinetten der koningen niet verschrikken over zulk een gewaagden stap van den vorst, die, nadat hij eerst de oogen van alle staatkundigen tot zich getrokken heeft, thans ook het geweten zijner onderdanen wilde kneden en vormen ? O, hoe zou de nijd met zijne giftige slangen zich vastklemmen aan den triomfwagen eens konings, die, nadat hij reeds zooveel groots gedaan heeft, iets nog grooters scheen te willen doen, en die de zwakken en de goeden zou veroordeelen om op de puinhoopen van hun omvergeworpen tempel te weenen en te jammeren. Neen. mijn koning, denkbeeld van een Panthéon, van een gemeenschappelijk godshuis voor alle godsdiensten, het is te verheven om uitvoerbaar te zijn. Het is grootsch en heerlijk, maar, helaas, niet verstandig; dat wil zeggen niet verstandig, omdat het te groot is, om door de kleingeestige menschheid verstaan te worden. Dat uwe majesteit mij nu verschoone,
1
De eigen woorden des konings. Zie: Oeuvres postlmraes. Vol. II Pensées sur la religion, pag. 165,
27
dat ik de waarheid zeide; maar ik moest het doen, want even als mijn koning bemin ik God, en God is de waarheid Iquot;
âEn gij hebt welgedaan, Jordan,quot; zeide de koning na eene lange stilte, gedurende welke hij peinzend en ernstig ten hemel had gezien. âJa, gij hebt wel gedaan; en ik gevoel wel, dat gij recht hebt, u tegen mijn Panthéon te verklaren. Ik offer dus mijn lievelingsdenkbeeld aan u op, en laat om uwentwil mijn Panthéon in puin vallen. Moge dit een bewijs van mijne liefde jegens u zijn, Jordan. Ik zal de priesters dus niet bestrijden in mijne kerk, maar ik zal hen vervolgen in de uwe, en ik zeg u, het zal een lang en hardnekkig gevecht zijn, dat duren zal, zoo lang mijn leven duurt. Ik wil niet, dat het volk dom worde gemaakt door de dwee-pers en priesters. Ik wil in mijne landen geene andere koningen naast mij dulden, maar ik wil alléén koning zijn. De priesters mogen zich tevreden stellen in nederigheid en stilte, de leeraars en voorbidders hunner gemeente te zijn; maar als het hun mocht invallen, voor kleine pausen te spelen en zich voor de eenige bezitters van de sleutels des hemels te houden, dan zullen zij in mij een tegenstander vinden, die hun zal bewijzen, dat hunne sleutels valsche loopers zijn, met welke zij het allerheiligste willen opensluiten en openbreken, om te stelen, wat hun eigendom niet is! âWaarheid en verlichling,quot; dat zal de zinspreuk van mijn geheele leven zijn, de leus, naar welke ik wil handelen, en ook mijn volk regeeren. Ik wil geen dom volk, geene in bijgeloof en gewetensangst sidderende priestersla ven; ik wil dat het volk \eere denken, en dus moet de gedachte in mijn land vrij zijn, en geen beoordeelaar en geen politie zal haar besnoeien en bewaken; want de gedachte is de alles vruchtbaar makende zon, die alles voedt, alles onderhoudt en verlicht, die ook slechte en vergiftige bloemen en schadelijk ongedierte en wormen voortbrengt en in het leven roept; maar ook deze hebben het recht te bestaan, en als men ze rustig laat begaan, sterven zij aan hunne eigene nietswaardigheid en ellendigheid, gaan zij te gronde door de verachting der goeden en beteren!quot;
âMen moet juist Frederik de eenige zijn, om zoo vrij en groot en zonder vooroordeel te kunnen denken!quot; riep Jordan in vervoering uit. âGeloof mij, mijn koning, dat gij in Europa de eenige heerscher zijt, die zulk een gedachte koes-
28
teren durft en den moed heeft, aan zijn volk het vrije woord en de vrije gedachte toe te staan!quot;
âIk zal en wil steeds zoo handelen, dat ik beide niet te vreezen heb,quot; zeide de koning, âdan mogen de menschen van mij zeggen en denken, wat zij willen, wat gaat mij dat aan. Met hunne lasteringen en verketteringen zal ik mij vermaken, en hun lof, â nu, dat is eene goedkoope waar, die ik met iederen handigen goochelaar en iederen komediant deelen moet. De goedkeuring van mijn eigen geweten, de goedkeuring mijner vrienden, de uwe, Jordan! die alleen heeft waarde voor mij, en dan,quot; voegde hij er ernstig, bijna plechtig bij, âdan boven alles de nablijvende roem! Ik wil niet, dat mijn naam langzamerhand zal wegsterven, gelijk een toon of eene vroolijke melodie, ik wil hem met gouden letteren in de tafelen der geschiedenis op-teekenen, ik wil, dat hij schitterend als een sterrenbeeld aan den hemel zal staan, en dat mijn volk, als het na eeuwen mijner gedenkt, nog zal zeggen; Frederik de Tweede was de koning, die Pruisen groot gemaakt en zijne grenzen uitgebreid heeft; hij was de vader, die zijn volk meer bemind heeft, dan zich zeiven, want hij olferde voor hun zijne eigene rust, zijn eigen gemak op; hij was de meester, die hunne geesten vrij gemaakt en hun mondig verklaard heeft! O, vriend, gij moet mij helpen en bijstaan, om dit doel te bereiken, waarnaar mijne gansche ziel dorst. Blijf dus, blijf met uwe liefde, uwe trouw, uwe waarheid en oprechtheid steeds aan mijne zijde; help mij het goede bevorderen, het slechte slraffen, het edele erkennen en het onedele ontmaskeren! O, Jordan, Jordan! God heeft mij misschien bestemd, een groot koning te zijn, help gij mij dan een goed mensch te blijven!quot;
Hij wierp zich met hartstochtelijke onstuimigheid aan Jordan's borst en drukte hem vast en innig in zijne armen.
Jordan vond geene woorden, maar terwijl hij den koning omhelsde, hief hij het groote, vochtige oog ten hemel. In dit oog stond een gebed, een hartgrondig, vurig gebed voor den man, die daar aan zijn boezem rustte, en die voor hem niet de machtige, gebiedende koning, maar de edele liefdevolle mensch, de dichter en geleerde, de vriend was, tot wiens geest hij bewonderend en aanbiddend opzag. â Maar terwijl hij daar zoo vroom en diep bewogen ten hemel zag.
29
was het hem alsof de adem des doods plotseling over zijn gelaat streek en voelde hij eene stekende pijn in zijne horst. Een kort, zacht kuchen liet zich hooren. Met eene snelle, driftige beweging maakte hij zich uit de armen des konings los, en haastig een schrede achterwaarts doende, wendde hij zich af en drukte den zakdoek tegen zijne lippen.
âJordan, gij lijdt; zijt gij ziek?quot; riep de koning angstig.
Jordan, keerde zich om, en, zijn gelaat was weder rustig en vroolijk, zijn oog straalde weer met dat geheimzinnige vuur dier ziekte, die den dood onder de frissche rozen der wangen verbergt, en, minder wreed dan alle andere ziekten, aan de ziel hare frischheid en aan het hart zijne kracht tot de liefde laat behouden.
âNeen, sire,quot; zeide Jordaan lachend, âik lijd in het geheel niet, en hoe kan ik in uwe nabijheid ook anders dan gelukkig, gezond en blijmoedig zijn!quot;
En terwijl hij dus sprak, wilde hij den zakdoek weder in zijn rokzak bergen.
Maar de koning zag met ernstige, bijna strenge oogen naar dezen zakdoek.
âJordan,quot; zeide hij, âwaarom druktet gij zoo even den zakdoek zoo haastig aan uwe lippen?quot;
Jordan dwong zich tot een lachje. âNu,quot; zeide hij, âomdat ik, zooals uwe majesteit gehoord heeft, moest hoesten, en ik u deze onaangename muziek slechts met een Sardine wilde geven.quot;
âNeen, daarom geschiedde het niet,quot; zeide de koning, en haastig op Jordan toetredende, ontrukte hij hem den zakdoek.
âBloed! hij is met bloed bevochtigd,quot; riep de koning zoo smartelijk, zoo klagend uit, dat daaruit genoegzaam bleek, hoe hij dit heillooze teeken der ziekte van zijn vriend herkende en vreesde.
âNu ja,quot; zeide Jordan met gedwongen vroolijkheid, âhet is bloed, dat ik vergoten heb. Uwe majesteit ziet dus hoe bloeddorstig ik ben, doch dat ik ongelukkigerwijze niet het bloed uwer vijanden vergiet, maar mijn eigen, hetwelk ik gaarne droppel voor droppel zou vergieten, indien ik mijn edelen en geliefden Frederik daardoor een oogenblik van zorg of kommer besparen kon!quot;
âEn toch veroorzaakt gij mij thans verdriet,quot; riep Frederik bijna vertoornd. âGij zijt ziek en verzwijgt het voor mij.
30
gij lijdt en dwingt u tot vroolijkheid en verbergt uw lijden voor mij, inplaats u tot mijne geneesheeren te wenden en hun raad en bijstand in te roepen.quot;
âFrederik de Wijze zeide mij eens, dat de geneesheeren kwakzalvers en knoeiers waren, en slechts hij, die een lang-zamen zelfmoord wilde begaan zich recepten door hen moest laten schrijven.quot;
âNeen, dat zeide u niet Frederik de Wijze, maar Frederik de Dwaze, die bij dag wel zegt, dat hij geen vrees heeft voor spoken, maar tegen middernacht toch zeer gaarne een Onze Vader bidt, om hen af te weren. Wie zou ook op geneesheeren vertrouwen, zoolang men gezond is;slechts als men ziek is en hen noodig heeft, begint men hen hoog te achten. Gij zijt ziek, uwe borst lijdt! Ik bid u dus, mijn waarde Jordan, ja, ik eisch het van u als een teeken uwer vriendschap, dat gij u terstond tot mijn geneesheer wendt en stipt volgt, wat hij u zal zeggen.quot;
âIk zal het doen, en als uwe majesteit het veroorlooft, zal ik het zelfs terstond doen,quot; zeide Jordan, die thans geen kracht meer had, om de physieke zwakheid, het natuurlijk gevolg der bloedspuwing, te overwinnen, en wankelend en sidderend op de naastbij staande tafel moest leunen, om niet neder te vallen.
De koning zag het, 'en schoof terstond zijn eigen leuningstoel bij, terwijl hij Jordan met liefderijke, teedere bezorgdheid daarin nederdrukte. Toen riep hij zijne kamerdienaars en gebood hun, zacht fluisterend, Jordan met den leuningstoel in zijne kamer te dragen, en dan terstond den koninklijken lijfarts Ellert bij den zieke te ontbieden.
âHet zal toch alles te vergeefs zijn, ik zal hem moeten verliezen,quot; mompelde de koning, terwijl hij treurig naar de deur zag, door welke zijn vriend zoo juist verdwenen was. ,.Ja, ik zal hem verliezen, gelijk ik Suhm verloren heb, en gelijk ik spoedig ook mijn Caesarion, den goeden Kaiserling, zal verliezen. .0, o, waarom gaf God mij zulk een warm hart voor de vriendschap, als hij mii toch de vrienden niet wil laten!quot;
Terwijl hij zijne armen over elkander sloeg, trad hij naar het venster en zag langen tijd treurig en in gedachten verdiept naar beneden in den tuin; maar hij zag daar niets van het frissche bloeien der laurier- en oranjeboomen, omdat
31
hij in zijn binnenste de grafheuvels zijner vrienden zag, Plotseling evenwel ontwaakte hij uitzijngepeinzen^schudde driftig het hoofd, even als een leeuw, die een insect in zijn manen ontwaart, en greep toen naar zijne fluit, die trouwe gezellin van al zijn lijden en strijden.
IV.
DE BEGEiNADIGDE CAVALIER.
De Koning speelde nu geen adagio, maar een allegro vivace, alsof hij daarmee de treui'igegedachten wilde verjagen. Daarbij liep hij heen en weer door de kamer, terwijl hij telkens voor de sofa, waarop zijn lieveling, het windhondje Biche, behagelijk uitgestrekt lag, bleef staan. Het diertje zag hem met zijn trouwe, vriendelijke oogen kwispelstaartend aan, terwijl de koning het telkenmale, als hij bleef staan, toeknikte.
Nog steeds spelende ging hij naar een hoek der kamer, waar een zilveren knop op den grond zichtbaar was. Hij drukte deze met den voet neder en bracht daardoor eene schel in de kamer van Fredersdorf, juist onder het kabinet gelegen, in beweging.
Na weinige oogenblikken stond de geroepene aan de deur van het kabinet en trad, toen de koning de fluit ter zijde had gelegd, binnen.
Frederik wenschte hem hartelijk goeden morgen en keek hem aan met een scherpen, doordringenden blik, waarvoor Fredersdorf de oogen neersloeg.
âJa, sire, ik ben reeds lang wakker en, zooals uw majesteit ziet, ook vroolijk, want ik heb uwe majesteit eene blijde tijding te brengen.quot;
âNu, laat hooren,quot; zeide de koning lachend. âHeeft mijne tante, de keizerin Maria Theresia, zich vrijwillig aan haar tegenkeizer. Karei den Zevende, onderworpen? Of heeft Frankrijk zich met Engeland verzoend? Of, en dat schijnt mij het waarschijnlijkste, heeft mijn geheimraad Fredersdorf eindelijk het geheim ontdekt goud te maken, waarnaar hij zoo lang, zoo vergeefs zocht en dat hij zoo gaarne met de hoogste, de plechtigste offers zou willen koopen?quot;
32
De koning legde zulk een bijzonderen nadruk op het woord âoiFers,quot; dat Fredersdorf zich angstig afvroeg, of de koning zijn gehouden gesprek met Jozef beluisterd en vernomen had, welk offer hij weldra den duivel moest brengen.
âNu, zeg mij dan spoedig uw nieuws,quot; ging de koning na een kleine pauze voort, âwant gij ziet wel, dat ik mij met de fabelachtigste dingen kwel, om het te raden.''
âSire, Barberina is gisteren te Berlijn aangekomen.quot;
âWerkelijk!quot; zeide de koning gelaten. âWij hebben baai-dus eindelijk aan de republiek Venetië en lord Stuart Mackenzie onttrokken?quot;
âNeen, sire, want de lord is eveneens heden morgen te Berlijn aangekomen.quot;
De koning fronste het voorhoofd. âDat is dus, naar het schijnt, eene zeer ernstige liefde,quot; zeide hij, âdie ten laatste met een dwaas huwelijk zou kunnen eindigen. Ik houd er niet van, dat lieden, die in mijn dienst staan, zich met zulke liefdes- en huwelijksplannen bezighouden, dat leidt hunne gedachten van hunnen dienst af.quot;
âUwe majesteit oordeelt zeer hard,quot; mompelde Fredersdorf, die zeer goed begreep, dat de koning hem zelve ook een verwijt wilde doen.
âNeen, ik oordeel niet slechts zoo, maar ik handel zelf naar deze zienswijze. Veroorloof ik mij ooit zulk eene verstrooiing? Heb ik ooit een minnehandel? Of meent gij inderdaad Fredersdorf, dat het bloed in mijn aderen als ijs gestold en mijn hart versteend is, en dat ik opgehouden heb een man te zijn, sedert ik koning ben geworden?quot;
âIk geloof, dat uwe majesteit veel te groot, te verheven is, om iemand te kunnen vinden die uwe liefde waardig is!quot;
âDwaasheid, Fredersdorf. Als men bemint, legt men zich niet eerst op de schaal en berekent, hoeveel pond waarde men zwaar is, maar men bemint en vergeet daarbij al het andere. Nu echter mag ik niet vergeten, dat ik koning ben, en mijn tijd en mijne krachten aan mijn land moet wijden. Ziet gij, daarom ontvlied ik de liefde, omdat mijn hart al te teeder is. En dus moet gij haar ook ontvlieden, en moogt gij ook niet vergeten, dat gij uwe krachten aan uw koning moet wijden; en zoo moet de signora Barberina niet vergeten, dat zij in mijnen dienst staat, en dansen, maar niet beminnen moet. Zij mag minnarijen en liefdegevalletjes hebben zoo
33
veel zij wil, maar eene ernstige liefde, dat verbied ik, want hoe kan eene danseres vroolijk en dartel hare callotlaments en entrechats slaan, als zij eene ernstige liefde in het hart heeft. Bovendien heb ik het den Engelschen gezant, den neef van dezen lord Stuart, toegezegd, dat ik deze betrekking zal verbreken, en daar mij aan Engelands vriendschap op het oogenblik veel gelegen is, zal ik mijne belofte vervullen. Schrijf dus terstond aan mijn directeur van politie Kircheisen en meld hem mijn bevel om lord Mackenzie terstond uit Berlijn te verwijderen, en hem onder veilige bedekking naar Hamburg te voeren, om hem van daar op een naar Londen vertrekkend schip over te brengen. Men moet den lord terstond door een banbrief uit mijne landen verwijderen. Hij moet binnen twaalf uren Berlijn verlaten hebben!quot;
âMaar is dat nu al uw nieuws, Fredersdorf?
âNeen sire,quot; zeide Fredersdorf, steelsgewijze naar de deur ziende, die zich juist zachtjes een weinig geopend had. Ik heb nog wat nieuws, maar ik weet niet of het uwe majesteit welkom zal zijn. De heer baron von Pöllnilz.....quot;
âHeeft hij ons de aankondiging van zijn huwelijk ge zonden ?quot;
âNeen, sire, hij is niet gehuwd.quot;
Op dit oogenblik begon Biche een weinig te knorren, en richtte zich van den divan op. De koning sloeg er geen acht op, want de woorden van Fredersdorf hielden hem nog bezig.
âWat, hij is niet gehuwd, zegt gij ?quot;
âNeen,quot; zeide een klagende stem achter hem, âhij is niet gehuwd en smeekt uwe majesteit ora de genade, hem toe te staan, dat hij zijn geheele leven slechts aan zijn koning, en aan geen ander menschelijk wezen moge wijdonen toen de koning zich omkeerde, zag hij zijn voormaligen opper-ceremoniemeester baron von Pollnitz, die naast de deur
(1) Zoo geschiedde het inderdaad. Lord Mackenzie, de teedere geliefde van de danseres Barberina, werd na zijn aankomst, op nitdrnkkelijken last des konings, Berlin en Pruisen uitgewezen, en verkreeg een dwangpas naar Hamburg, waarheen hem eenige koninklijke politiebeambten begeleidden. Van daar richtte hij eenige zeer teedere en roerende brieven aan zijne schoone geliefde, die deze evenwel nimmer ontving, en die zich nog heden in het Koninklijk Archief te Berlijn bevinden. Zie Schneiders Geschichte der Oper und des Opernhauses von Berlin, pag. 25.
Mühlbaoh, Frederik de Groote en zijn Hof. III. 3
34
geknield was, en zijne gevouwen handen srneekend naar den koning uitstrekte.
De koning begon luid te lachen, terwijl Biche een kort blij gehuil slaakte en met snelle sprongen tot den knielenden opsprong, om wien zij vleiend en kwispelstaartend huppelde, en zijne handen scheen te lekken, welke de boetende baron evenwel niet zoo vast gesloten hield, dat de windhond niet met zijn sierlijken, spitsen bek het tusschen de gevouwen handen verborgen stuk chocolade had kunnen beruiken en lekken.
De koning, gelijk gezegd is, lachte in den beginne; maar vervolgens, toen hij zag, hoe teeder Biche de handen van den baron scheen te lekken, zeide hij hoofdschuddend: âik moet vandaag inderdaad twijfelen aan het rechte instinct van mijne kleine Biche. Zij schijnt Pöllnitz daar waarachtig met vreugde te begroeten, terwijl zij hem, gelijk het zijn boos en trouweloos hart verdient, met hare scherpe tanden naar de kuiten moest vliegen.quot;
âSire, gelukkigerwijs is mijn hart nog niet in de kuiten gezakt,quot; zeide Pöllnitz, ^en Biche zou het dus daar niet vinden. Neen,'die verstandige Biche weet, dat Pöllnitz nog altijd zijn hart op de rechte plaats heeft, en dat het alleen de liefde tot mijn koning en heer is, die mij weder naar Berlijn terugtrekt.quot;
âEen Pöllnitz kent geene andere liefde, dan die tot zijn eigen waarde persoon en tot de geldbeurzen van anderen. Zeg dus, zoo gij wilt, dat ik u vergeven zal, snel en zonder omwegen, wat u weder hierheen voert, daar gij toch vertrokken zijt, om een geldzak met een millioen te huwen.quot;
âSire, zonder omwegen dan, de geldzak wilde zich niet door mij laten openen en naar mijn believen laten uitschudden.quot;
âO, ik versta het,quot; zeide de koning lachend, âde schoone Neurenbergsche heeft van zijn talent, om geld uit te schudden, bericht ontvangen, en hield het voor geraden, liever den rijksbaron dan haar million te verliezen.quot;
âZoo is het ten naastenbij, sire.quot;
âIk begin voor het verstand van dezen Neurenbergsche dame eerbied te krijgen,quot; zeide Frederik lachend. âZij. schijnt een beter instinct te hebben dan mijn Biche, die steeds zijne handen belekt.quot;
35
âO, Biche kent mij beter dan iemand,quot; zeide Pöllnitz, het windhondje teeder streelend. âBiche weet, dat mijn hart slechts ééne liefde kent, de liefde tot mijn koning en heer, en dat ik weder hierheen ben gekeerd, om mij, gelijk Biche, aan de voeten van mijn koninklijken heer neder te keggen en met denzelfdendeemoedendezelfde onderdanigheid zijne schoppen zoowel als zijne vriendelijkheid op te nemen, even dankbaar de beentjes aan te nemen, welke zijne er-barming mij toewerpt, als de kostelijke, lekkere spijzen, die mij zijne grootheid verschaffen wil!quot;
«Gij zijt een volslagen gek,'' zeide de koning lachend, âen als het niet met mijne begrippen aangaande de menschelijke natuur streed, een mensen tot grappenmaker en altijddurende dwaasheid aan te nemen, zou ik u tot mijn hofnar maken, die al mijne overige cavaliers tot voorbeeld zou dienen, hoe zij niet zijn moeten.quot;
âIk heb die smartelijke straf, die wreede terechtwijzing van mijn koninklijken heer verdiend,quot; zeide de heer von Pöllnitz, nog steeds op de knieën liggend, âIk onderwerp mij dus zwijgend, en beproef het niet eens mij te rechtvaardigen.quot;
âÃaaraan doet gij ook zeer wel, want het zoude uniet gelukken. Gij hebt trouweloos en zonder hart mijnen dienst verlaten, omdat gij hooptet een millioen te huwen. Thans, nu het huwelijk mislukt is, komt gij terug met de groote leugen in den mond van uwe liefde tot mijn koninklijk huis, en schaamt u niet, u bij een hond te vergelijken, en heel deemoedig, als een hond fe kwispelstaarten, enkel opdat ik u weder in genade zoude aannemen. Maar denk niet, dat ik mij door uwe dwaze liefdesprongen laat misleiden. Hadt gij ergens anders eene meer schitterende huisvesting gevonden, dan zoudt gij niet tot mij zijn teruggekomen; daar dit echter niet het geval is, komt gij en liegt, dat gij uit liefde komt. Zie, ik ken u, en ik weet wie gij zijt, gij kunt mij dus niet meer misleiden, en voorzeker zou ik u niet weder in mijnen dienst nemen, waart gij niet een oud meubelstuk van mijn huis, een erfstuk van mijn grootvader Frederik. Ik behoud u uit achting voor de beide overleden koningen, welke gij gediend hebt, en die u gaarne mochten lijden; om hunnentwil mag en wil ik u niet laten verhongeren en te gronde laten gaan. Maar denk niet, dat ik u hier een lui leven bereiden wil, en gij mijn geld zult verteren, zon-
36
der daarvoor iels te doen. Gij moet voor uw leven en uw onderhoud arbeiden en het verdienen, even als wij allen het doen. Ik sta u dus een jaargeld toe, maar gij zult daarvoor blijven, wat gij waart, mijn opper-ceremoniemeester. Op zulke dwaasheden verstaat gij u beter dan wij, want gij zijt in eene goede school gevormd, en hebt het ceremoniewezen onder Pruisens eersten koning grondig kunnen bestu-deeren. En opdat gij u niet zoudt kunnen beklagen, dat wij het u aan ambten en waardigheden laten ontbreken, willen wij nog een 'ander ambt op uwe schouders leggen en u tot onzen opper-garderobemeester^benoemen, opdat men niet kunne zeggen, dat ook wij de dwaasheid der wereld niet huldigden en haar hare schatting onthielden! Gij moogt evenwel alleen opper-garberobemeester genoemd worden, en hebt er voor te zorgen, dat gij u nimmer verstout, het ook werkelijk te willen zijn, want gij hebt u in het minste niet te bekommeren om mijne rokken en hemden. O, als wij u .lieten begaan, zoudt gij ons kostelijk als een geborduurden aap uitdossen. Wij' moeten een opper-garderobemeester hebben, omdat de etiquette het zoo medebrengt, maar gij moogt u met alles in de wereld eerder bemoeien, dan met mijne garderobe. Verstaat gij mij?quot;
âAlles, wat uwe majesteit behaagt te zeggen, is met vlammend schrift in mijn hart opgeteekend!quot;
âIn uwe knieën, wilt gij zeggen, want mij dunkt, dat zij u geweldig moeten branden van het lange knielen. Dat was eene les, die ik u daar geven wilde a la far on der dorpsschoolmeesters, die de ondeugende jongens een ezel omhangen en hen dan een uur op erwten laten knielen; de les is uit; ik neem u den ezel af, en hang u den opper-ceremoniemeester en opper-garderobemeester om,quot;
De heer von Pöllnitz richtte zich op, en maakte voor den koning eene van die diepe, kunstmatige buigingen, waarin hij een erkend meester was.
âWanneer beveelt uwe majeste'it, dat ik mijn ambt zal aanvaarden?quot; vroeg hij.
âHeden, op dit zelfde uur. Er is een buitengewoon Zweedsch gezant aangekomen, de graaf Fessin! Wij zullen hem in een plechtig gehoor moeten ontvangen. Gij zult daartoe de noodige schikkingen maken. Gij (reedt dus terstond in functie.quot;
37
âTreedt dan ook mijn jaarwedde terstond in functie, majesteit?quot; vroeg Pöllnitz op zijn gewone, onbeschaamde wijs.
âIk heb van geene jaarwedde, maar slechts van een pensioen gesproken. Ik geef u een pensioen, en opdat gij mijn geld niet nutteloos verteert, geef ik u deze nuttelooze ambten.quot;
âIk krijg dan voor de twee ambten zeker ook twee pensioenen? ' vroeg Pöllnitz half luid.
âGij zijt door en door een schurk,quot; zei de koning lachend. âMaar ik ken u, en zal niet doen als mijn vader, die u eens vroeg, hoeveel gü zoudt noodig hebben, om het leven van een behoorlijken cavalier te leiden, en wien gij uiteenzettet, dat een jaargeld van honderdduizend daalder daartoe niet toereikend zou zijn. Ik geef u een pensioen van tweeduizend daalder, en ik zeg u, dat dat toereikend moet zijn, om waardig in uw rang te leven. Maar wee u, zoo gij u weder verstout, uw vroeger liederlijk leven op nieuw te beginnen, en wederom uw geld en dat van andere lieden te verkwisten. Ik verzeker u; dat ik nooit weder schulden voor u zal betalen, en opdat niet andere lichtge-loovige menschen zoo dwaas zijn, u geld te leenen,zalik een openlijk verbod doen afkondigen en het uitdrukkelijk laten verbieden, u op straffe van vijftig daalder iets te borgen. Zijt gij daarmede tevreden, en wilt gij nu tot dezen prijs toch weder in mijn dienst treden?quot;
âTot iederen prijs, dien het uwer majesteits genade zal behagen mij te vragen. Maar wanneer, ondanks dezeopenlijke bekendmaking, er evenwel nog lieden zijn, die mij geld borgen, zoo zal uwe majesteit inzien, dat het mijne schuld niet is, dus ook niet als mijne schuld, die ik weder betalen moet, beschouwd kan worden.quot;
âNu, ik zal maatregelen nemen,quot; zéi de koning lachend, âdat niemand zoo dwaas zal zijn, u geld te borgen, of als iemand het doet, het geschiedt in de vaste overtuiging het niet terug te krijgen; zoodat u geld teleenen,zooveel zal beteekenen als u geld te schenken, terwijl men u te gelijk de moeite van de dankzegging bespaart. Ik zal door alle straten laten rondtrommelen, dat niemand u geld moet leenen, on als het geschiedt, dat hij geen recht heeft, het van u terug te eischen. Zijt gij ook daarmede nog tevreden ?quot;
âO, uwe majesteit zal mij daarmede eene groote weldaad
38
bewijzen, want daardoor zal ik onverantwoordelijk zijn. Wee dan de domkoppen en de dwazen, die zoo gek zullen zijn, mij geld te leenen! O, er zal nu geen oogenblik van verveling meer voor mij zijn, want ik zal steeds het prettige werk hebben, domkoppen mij toegenegen en gekken op mij verliefd te maken en als een gelukkige en bekwame goochelaar het geld uit hun zak in den mijne te lokken.quot;
âGij zijt onverbeterlijk!quot; zeide de koning. âAls ik u zie, geloof ik niet, dat menschen alleen naar het evenbeeld Gods, maar ook een weinig naar het evenbeeld des duivels geschapen zijn, en ik houdt u voor een tamelijk gelukt portret van den laatste, hetgeen u wel niet zeer zal ergeren, want ik denk, dat God en duivel voor u zoo tamelijk hetzelfde is.quot;
âO, toch niet, uwe majesteit,quot; antwoordde Pöllnitz met een sluwen lach, âik heb te veel godsdienst om tusschen God en duivel geen onderscheid te kunnen maken.quot;
âJa, waarlijk, gij hebt te veel godsdienst, of tenminste te veel godsdiensten,quot; riep de koning. âTot welken godsdienst behoort gij bij voorbeeld thans?''
âSire ik ben Protestantsch geworden.quot;
âUit overtuiging?quot;
âZoo lang ik aan het bezit van een te huwen millioen geloofde, uit ovortuiging, ja! Want dat millioen zou mij gelukkig hebben gemaakt, en men mag zich wel veroorloven, protestant te worden, om gelukkig te zijn.quot; .
âZeg eens, hoe dikwijls zijt gij nu reeds van godsdienst-veranderd?quot; vroeg de koning nadenkend.
âO, niet zeer dikwijls, sire, ik zoek nog altijd naar den rechten godsdienst, en daar ik nog niet gevonden heb, wat ik zocht, namelijk den godsdienst, die mij bevredigt en mij voldoet, daarom ben ik zoo dikwijls veranderd. Men heeft mij in mijne kindschheid als Lutheraan gedoopt en opgevoed, en ik had er niets tegen, maar bleef hei tot ik te Rome den heiligen vader de mis zag bedienen. Die plechtigheid greep mij zoodanig aan, dat ik terstond katholiek werd. J)it was evenwel geen veranderen van godsdienst, want ik had tot dien tijd vrijwillig geen godsdienst aangenomen. Dat was dus eigenlijk mijn eerste godsdienst.''
âO, ja! dat was, toen gij in Frankrijk de diamanten van uwe stervende vrouw gestolen hadt en daarmede ontvloden waart.quot;
39
âNeen, sire, dat is een boosaardig verdichtsel, dal mijne vijanden vertelden, raaar dat echter ongegrond is. Want al had ik werkelijk die verbazende diamanten, welke een half millioen waard waren, van mijne stervende bruid als erfenis aangenomen en ze verkocht, zoo zou dat voldoende zijn geweest, om mij een aangenaam leven te verzekeren, en het zou dan niet noodig geweest zijn, katholiek te worden.quot;
O, gij bekent dus, dat gij katholiek werdt, niet uit overtuiging, maar omdat de paus en de kardinalen in Rome u daardoor genegen werden!quot;
âAan den scherpen blik van uwe majesteit ontgaat niets, ik waag het daarom ook niet verder te twisten. Als katholiek kwam ik naar Berlijn terug, waar de nu zalige koning mij genadig opnam. Hij was zulk een edel en vroom man, dat ik spoedig door het gloeiendste verlangen bezield werd, met hem te wedijveren, en inzag, hoe weinig ik mijn zielenheil bevoordeeld had, toen ik katholiek werd. Ik vatte dus een koen besluit op en ging tot de gereformeerde kerk over.quot;
âEn gij bereiktet daardoor uw doel, gij werdt de lieveling des konings, van mijn grooten vader. Daar deze u echter thans, helaas, geene genade meer kan bewijzen, was het ook voor u niet meer noodig, een gereformeerde te zijn, en zoo zijt gij nu luthersch geworden!quot;
âO, men kent het hooge, boven alle vooroordeel verheven gevoelen van onzen jongen koning,quot; riep Pöllnitz. âMen weet, dat het onzen edelen koning volmaakt onverschillig is, tot welken godsdienst men behoort en welk geloof men belijdt, mits men slechts die ééne godsdienst hebbe, n. 1. een bekwaam, bruikbaar en getrouw dienaar van zijn koning en zijn vaderland te willen zijn!quot;
De koning sloeg een donkeren, verachtenden blik op hem, âGij zijt een ellendige godsdienstbespotter,quot; zeide hij, âen het is geen verstand geweest, dat u tot een verachter van den christelijken godsdienst heeft gemaakt. Er zijn vele personen, die uit goddeloosheid en snoodheid niet aan den christelijken godsdienst gelooven; dat kunnen echter geen eerlijke men-schen zijn. Men heeft u misschien sedert uwe kindsheid gepredikt, het kwade niet te doen, uit vrees voor het vagevuur; want zoodra men dan niet meer aan het vagevuur
40
gelooft, vreest men ook niet meer het kwade te doen. (') Zulk een menscli zijt gij, en ik zeg u, gij zult daarvoor nog eindelijk in het vagevuur branden. Want voorzeker is er een vagevuur. Men moet het echter nergens anders, dan in zijn eigen geweten willen zoeken. Ga thans, en aanvaard uwen dienst. Binnen twee uur wil ik den graaf ïessin in het slot te Berlijn ontvangen! Vaarwel!quot;
Pöllnitz maakte de drie gepaste eerbiedige buigingen en verliet de kamer.
De koning zag hem met eene ernstige en tegelijk spotachtige uitdrukking na. âHij is een doortrapte schurk,quot; zeide hij toen, zich tot Fredersdorf wendende, die juist binnentrad. ,.Ik geloof, dat hij in staat zou zijn, zijne moeder te verkoopen, zoo het hem juist aan geld ontbrak. Gij hebt mij daar een aardig gezelschap gebracht, Fredersdorf, het is een groot geluk, dat er niet meer van dit ras zijn. Pöllnitz heeft ten minste den roem eenig in zijn soort te zijn! Zijn er nog meer menschen, die ik gehoor moet verleenen''quot;
âSire, de voorkamer is stampvol en ieder beweert zijne bezwaren slechts aan uwe majesteit zeiven te kunnen voordragen. Uwe majesteit zou echter, om al die lieden aan te hooren, zeer veel tijd noodig hebben, en bovendien zou het een zeer verderfelijk voorbeeld zijn; want als uwe majesteit heden vijftig menschen aanhoort, zullen er morgen honderd komen en met recht op dezelfde genade aanspraak maken. Men moet dat bij tijds voorkomen, en ik heb daarom al die lieden te kennen gegeven, hunne bezwaren schriftelijk op te stellen en aan uwe majesteit in te zenden.quot;
âJa, iedereen weet, geloof ik, dat dit de manier is, waarop men zich gewoonlijk tot mij wendt; maar als al die lieden het toch niet gedaan hebben, is dat een bewijs, dat hun die gewone weg niet voldoende is, en dat zij meenen mij persoonlijk te moeten spreken. Er zijn zeer veel dingen, die men wel zeggen, maar niet opschrijven kan, en ik geloof niet, dat een koning het recht heeft, zijn oor voor de woorden, die men alleen zeggen, doch niet schrijven kan, te sluiten. Een vorst is niet bestemd, om zich als een
(1) 's Konings eigen woorden. Zie: Oeuvres posthuraes. Vol II. Pensées sur la religion, pag. 166.
41
afgodsbeeld in eene kast te plaatsen, en slechts bij bijzondere plechtige gelegenheden zich te laten aanstaren en bewonderen, maar hij moet voor zijn volk zijn, wat het huisaltaar en de huisgod voor de oude Romeinen waren, het geheiligde middelpunt van hun bestaan, de plaats, die zij slechts met onverdeeld hart en vromen eerbied naderden, en waaraan zij al hunne zorgen, smarten en vreugde vrijmoedig bekenden, en door welke bekentenis zij zich verlicht gevoelden. Die plaalsen waren echter altijd voor hen open, en ten allen tijde konden zij daar hun toevlucht zoeken. Zoo wil ook ik nimmer voor mijn onderdanen ontoegankelijk zijn. Neen, neen, ik wil de huisgod mijns volks zijn, en al hunne zorgen en al hun hartzeer zullen bij mij een gewillig oor vinden. quot;Wijs mij dus niemand meer af, Fre-dersdorf; ik zal het ook openlijk laten bekend maken, dat ieder het recht zal hebben, mij zijne bezwaren, voorstellen of verzoeken persoonlijk voor te dragen.quot;
âO, hoe grootmoedig en vol goedheid is toch het hart mijns konings,quot; zeide Fredersdorf treurig; âiedereenzal zijne klachten mogen voordragen en herstelling kunnen verwachten, slechts ik niet! Alleen voor mij sluit de koning zijn oor, en mijne klachten en mijn verzoek wil hij niet hooren.quot;
âGij beklaagt u, dat ik u mijne toestemming niet wil geven om te trouwen. Maar wat wilt gij? Ik heb u te lief, om u te willen opgeven, en gij waart toch voor mij een verloren man, zoo gij trouwdet. Men kan geen twee beeren dienen; uw hart wil ik niet met juffrouw Daum deelen, gij moet het mij geheel onverdeeld laten! Noem mij dus niet wreed, Fredersdorf, maar zeg slechts, dat ik u bemin en u niet verliezen wil.quot;
âO, sire, eerst dan zou ik u in liefde en dankbaarheid recht toebehooren, zoo uwe majesteit mij wilde toestaan, gelukkig te zijn en het meisje te huwen, dat ik bemin.quot;
âIk kan geen gehuwden kamerdienaar gebruiken, evenmin als een gehuwden staats-secretaris,quot; zeide de koning, somber de wenkbrauwen fronsende. âSpreek daar dus niet verder-over, Fredersdorf, maar zet u die gedachte uit het hoofd. Mijn God, er zijn toch zoo veel andere dingen, waar-
(1) Dat geschiedde ook den 25 Juni 1744. Zie Rödenbeck: Tagebuoh aus Friedrich d. Gr. Regentenleben, p. 104.
42
op gij uw hart kunt zetten, waarom moet het dan juist eene vrouw zijn!quot;
âOmdat ik haar bemin, uwe majesteit.quot;
âWel ja, bemint gij geen andere dingen, die u kunnen troosten? Zijt gij niet een geleerde en een alchimist? Nu dan, lees uw Horatius, mijn vriend, oefen u in de kunst om goud te maken, en vergeet daarbij mejuffrouw Daum, die, onder ons gezegd, geen ander voorrecht kan aanwijzen, dan dat zij rijk is. En wat haar rijkdom betreft, die kan toch geen waarde hebben voor iemand, die buiten twijfel zeer spoedig over de schatten der gebeele wereld te bevelen heeft, en met hulp van God of den duivel toch spoedig het geheim zal kennen, goud te maken!quot;
âHij heeft mijn gesprek met Jozeph beluisterd,quot; zeide Fredersdorf in zich zeiven, en beschaamd en verlegen sloeg hij voor den onderzoekenden en lachenden blik des konings zijne oogen neder.
âLees nu uw Horatius recht vlijtig,quot; zeide de koning; âgij weet, hij is ook mijn lievelingsschrijver, en bijzonder houd ik van zijne liederen, die schoone liederen aan den stroom Bandusia en die aan de schoone Psidyle. Herinnert gij ze u nog wel ? Een van die liederen moet gij van buiten leeren, opdat gij het mij nu en dan kunt voorlezen!quot;
âWelk, uwe majesteit?quot;
De koning nam het boek, dat opengeslagen op zijne schrijftafel lag en dat eene Fransche vertaling der oden van Horatius was. Terwijl hij een veelbeteekenenden blik op Fredersdorf sloeg, las hij hem de volgende plaats voor, die wij hier niet in het Fransch, maar in het Nederlandsch laten volgen.
O, waan toch niet, dat gü de huisgoon kunt verzoenen,
Door 't rjjk'lijk plengen van onnoozel lam'renbloed;
Pluk rosmarijn en myrth, doorstrengel ze met bloemen, En bied ze als kransen aan met kinderlijk gemoed!
Wis! gij verzoent veelmeer de op u vertoornde goden, Wanneer een offerkoek van honig, spelt en zout,
Met sidderende hand door u wordt aangeboden,
Dan dat ge op lam'renbloed of offerpracht vertrouwt!
De koning wierp het boek achteloos op tafel en ging langzaam eenige malen de kamer op en neder; daarop ging
43
hij voor Fredorsdorf staan en hem met zijn groote heldere oogen vast en doordringend aanziende, herhaalde hij met nadruk:
âO, waan toch niet, dat gü de huisgoón kunt verzoenen,
Door 't rijk'lijk plengen van onnoozel lam'renbloed.quot;
âIk zie wel,quot; zeide Fredersdorf geheel verward en beschaamd, âik zie wel, uwe majesteit weet âquot;
âDat het hoog tijd is,quot; viel de koning hem in de rede, ânaar Berlijn te gaan; ja, dat weet ik, en gij doet wel, mij daaraan te herinneren. Laat mijn wagen voorkomen! Ik wil terstond naar Berlijn!quot;
V.
HOE MEN KONINGIN VAN ZWEDEN WOBDT.
De oudste der nog ongehuwde zusters des konings, prinses Ulrika, ging in hevige gemoedsbeweging de kamer op en neer. De koning had juist een bezoek gebracht aan de koningin-moeder en op zijn uitdrukkelijk verlangen waren de beide prinsessen daarbij tegenwoordig geweest. De koning was zeer spraakzaam en vroolijk en had verteld, dat de danseres aignora Barberina was aan aangekomen en heden avond op het slot-theater Voor het eerst zou dansen. Hij noo-digdede koningin-moeder en de beide prinsessen uit de voorstelling bij te wonen en liet doorschemeren, dat hij zijne zusters gaarne in een smaakvol toilet aan die voorstelling en aan het daarna te geven bal en sou])er zag deelnemen. Beiden drukte hij op het hart, vroolijk te zijn, de eene om te bewijzen, dat zij niet spijtig en de andere om te laten zien, dat zij verheugd was. Toen nu beide jonge meisjes bij hem aandrongen op eene verklaring dezer geheimzinnige woorden, had hij tot haar gezegd, dat de Zweedsche gezant, de graaf Tessin, heden bij de feestelijkheden aan het hof tegenwoordig zou zijn, en dat deze naar Berlijn gekomen was, om voor den Zweedschen troonopvolger eene gemalin uit te kiezen, of veeleer om eene gemalin voor hem te verzoeken. Zijne keus was, zoo het scheen, reeds gedaan.
44
want de graaf had den koning heden gevraagd, of hij reeds over de hand der prinses Araalia beschikt had, of dat het dingen naar hare hand nog volkomen vrij stond.
âWees dus heden avond recht schoon en beminnenswaardig,quot; had de koning gezegd, terwijl hij de blozende wangen van zijne zuster teederlijk streelde. âBewijs dezen heer graaf, dat het hooge voorhoofd mijner kleine zuster er-zeer geschikt toe is, eene kroon te dragen.quot;
âEn wil uwe majesteit dan toestaan, dat de jongste van mijne dochters het eerst trouwe? 'had de koningin-moeder gevraagd, terwijl zij naar de vensternis zag, waarin prinses Ulrika zich teruggetrokken had.
De koning volgde den blik zijner moeder en bemerkte zeer wel, dat prinses Ulrika donker keek en dat hare lippen beefden.
Maar de koning wilde dat niet opmerken, want dat zou als het ware, de krenking voor zijne zuster nog gevoeliger maken.
âNu, ik denk, dat uwe majesteit niet ouder dan Amalia was, toen zij met mijn vader huwde,quot; zeide de koning, âen als de kroonprins van Zweden juist Amalia wenscht te huwen, weet ik niot, waarom wij hem dit zouden weigeren, daar wij geen joden zijn en het bij ons geen gebod is, dat de oudste der zusters voor de jongste moet gehuwd zijn. De prinses Amalia aan den kroonprins van Zweden te weigeren, of hem daarvoor de prinses Ulrika aan te bieden, zou den schijn hebben alsof wij vreesden deze niet te kunnen uithuwelijken en haar daarom als een overrijpe vrucht aan de koopers aanboden. Ik denk, dat mijne schooneen verstandige zuster Ulrika zulk eene beleediging niet heeft verdiend, en er zullen ook, behalve den kroonprins van Zweden, nog wel minnaars genoeg voor haar zijn.quot;
âIk ben ook volstrekt niet begeerig te huwen,quot; had Ulrika gezegd, terwijl zij trotsch haar hoofd in den nek wierp, en een half medelijdenden, half toornigen blik op hare zuster Amalia sloeg. âNeen, ik ben volstrekt niet verlangend te huwen, want ik heb in onze familie juist niet zooveel voorbeelden van een gelukkigen echt gezien, om te kunnen ge-looven, dat er werkelijk geluk in den echt kan bestaan. Al onze zusters zijn ongelukkig gehuwd, en ik zie niet in, waarom ik haar zou navolgen!quot;
45
De koning lachte. âIk zie, dat mijne Ulrika geheel en al mijn afkeer tegen den echt deelt,quot; zeide hij.
âMaar wij kunnen niet verlangen, mijn waarde, dat allen ons in wijsheid evenaren. Laten wij die kleine, dwaze A.malia dus maar laten huwen en ons afvallig worden. Dat huwelijk zal haar veel moeite en last geven; want niet genoeg, dat zij daardoor in het land der beeren, der rendieren en der sneeuw verplaatst wordt, zij moet zich vooraf nog laten doopen ên een nieuwen godsdienrit aannemen, Laten wij dus God danken, dat de kroonprins van Zweden de gril heelt, niet u, maar haar te kiezen, en laten wij de kleine zottin, die evenwel huwen wil, aan haar lot overlaten !quot;
De edele en goedhartige koning had met zoo te spreken alleen bedoeld, zijne zuster Ulrika te troosten en haar tijd tot bedaren te geven; maar hij bemerkte niet, dat zijne woorden te gelijkertijd zijne jongste zuster smartelijk getroffen hadden, en dat deze verbleekt was, toen de koning gezegd had, dat zij een nieuwen godsdienst moest aannemen, om kroonprinses van Zwedeq te worden.
Ook de trotsche koningin-moeder was door dit bericht smartelijk getroffen. âIk denk, sire,quot; zeide zij, âdat men de dochter van Frederik Willem den Tweede, de zuster van den regeerenden koning van Pruisen, wel zal toestaan, haren godsdienst, het geloof barer vaderen, trouw te blijven.quot;
âMevrouw,quot; antwoordde de koning zich eerbiedig buigend, âer is hier tot. mijn leedwezen geen sprake van hare vaderen, maar daarvan, dat zij de moeder zal zijn van zonen, die, naar de wetten huns lands, ook het geloof hunner vaderen moeten getrouw blijven. Gij ziet dus wel, dat, als er van dat huwelijk iets moet worden, een der beide partijen moet toegeven, en dan schijnt het mij, dat het de roeping en de plicht der vrouw is, zich te onderwerpen en toe te geven.quot;
âO ja,quot; riep de koningin bitter, âmijn zoon is uit eene te goede school en te zeer een echte Hohenzollern, om niet altijd op de onderwerping en de toegevendheid der vrouwen te willen aandringen. Aan dit hof kunnen de vrouwen niet heerschen, maar slechts gehoorzamen.quot;
âGij kunt niet heerschen, maar gij beheerscht ons toch, en terwijl wij schijnen te gebieden, gehoorzamen wij u evenwel!quot; zeide de koning, terwijl hij zijne moeder eerbiedig de hand kuste en vervolgens afscheid nam.
46
Ook de dr ie dames hadden zich terstond zwijgend in hare vertrekken teruggetrokken. Ieder was te zeer met bare eigen gedachten bezig geweest, om de tegenwoordigheid der anderen te kunnen verdragen.
Thans, nu zij alleen was, behoefde prinses Ulrika zich geen geweld meer aan te doen, om den glimlach op haar gelaat te behouden, thans kon zij vrij lucht geven aan de gramschap, die haar bezielde en haar gelaat ontsierde.
Hare jongere zuster, dat kleine meisje van achttien jaren, zoude huwen, zoude een toekomstigen koning huwen, terwijl zij, die ouder was, zij, een meisje van twee en twintig jaar, nog ongehuwd bleef! En het was niet haar afkeer, niet de wil des koning, die dat bewerkte, maar het geschiedde, omdat niemand hare hand begeerde ; het geschiedde, omdat deze Zweedsche gezant niet om hare hand, maar om die van hare zuster kwam. Zij was dus versmaad, ter zijde geschoven, voorbijgegaan! Want, wat de koning ook zeggen mocht, en al was er ook geene wet, die de uithuwelijking der oudere zusters vóór de jongere beval, zoo was er toch eene wet van het gebruik, van de hoogere voegzaamheid; en die wet was hier geschonden, omdat men haar, de oudere zuster, voorbijging en de jongere koos.
Toen Ulrika dat thans overwoog, sprong zij eensklaps van den stoel op. waarop zij, overweldigd door deze gemoedsbeweging, die haar knieën deed sidderen, nedergezon-ken was. Als een tot het gevecht bereide tijgerin, had zij zich vast en fier opgericht, alsof zij den vijand, dien zij besloten had te dooden, afwachtte.
Het vurige en onstuimige bloed der Hohenzollern was in haar wakker geroepen, de trots en de geestkracht van hare moeder gloeide met koortsachtige polsslagen in hare borst.
Zij zou gelukkig zijn geweest, zoo er een vijand tegenover haar had gestaan, want zij zou dan toch een afleiding, een uitweg hebben gehad voor don hevigen toorn, die in haar woedde. Maar zij was alleen, geheel alleen, geen andere vijand was daar, dan haar eigen persoon, en daar zij niemand anders zag, moest zij zich zelve bestrijden, moest zij zich zelve den oorlog verklaren.
Met haastige, driftige schreden trad zij voor den spiegel en beschouwde daarin haar eigen beeld.
Haar oog was daarbij ijskoud, onderzoekend en streng.
47
Zij onderzocht zich zelve, zij wilde in haar eigen uiterlijk thans de gronden zien, waarom de Zweedsche gezant niet om haar, maar om hare zuster kwam.
âHet is waar,quot; zeide zij, Amalia is schooner in den gewonen zin des woords. Hare wangen hebben hoogeren blos, hare oogen zijn grooter, haar lachen is vroolijker en jeugliger, en hare kleine en sierlijke gestalte is vol onschuld en te gelijk vol weelderigheid. Zij zou de schoonste herderin zijn, maar zij is geene koningin. Zij heeft geene majesteit en geene waardigheid; zij heeft niet dien ontzag inboezemenden ernst, dien men niet door overleg verkrijgt, maar dien de Voorzienigheid in onze trekken heeft gelegd, en zonder welke men bij eene koningin nooit vergeten zal, dat zij eene vrouw is. Zij heeft niet die strenge, rustige statigheid, die iedere vertrouwelijkheid afwijst, en met een zacht lachje en een onmerkbaren handdruk gelukkiger maakt en hooger beloont, dan eene gewone vrouw het vermag met de overdrevenste teederheid en de vurigste liefkoozingen, Amalia zou nooit eene volmaakte koningin, maar wel altijd een schoone vrouw zijn, terwijl ik misschien eene minder schoone vrouw, maar eene volmaakte koningin zou zijn. Ik heb het gelaat en de gestalte eener koningin, en ik heb ook de ziek,eener koningin. Ik zou het vermogen, als koningin op mijn hof indruk te maken, en niet om aan eene vrouwelijke behoefte, maar om aan de eerzucht eener koningin te voldoen, zou ik mij bij mijn volk bemind maken! Maar men wil mij niet, men versmaadt mij. Amalia zal koningin worden en mij zal het misschien gaan zooals mijne zusters, ik zal een armen markgraaf of een kleinen hertog moeten huwen en God danken, dat ik niet ten laatste een oude prinses, begiftigd met een inkomen van de kroon, blijve.quot;
Zij stampte heftig met den voet op den grond en ging met driftige schreden op en neder. Maar allengskens werden hare schreden bedaarder, haar zoo even door duistere wolken beschaduwd voorhoofd begon op te helderen en een onmerkbaar lachje speelde zelfs voor een oogenblik om hare lippen, welke de toorn eerst zoo vast opeen had gedrukt.
.,Maar eigenlijk is het formeele aanzoek nog niet geschied,quot; zeide zij, âen men kan nooit weten, of het daartoe nog wel komen zal, wie weet of de heer gezant zich misschien niet
48
versproken en mijn naam met dien van mijne zuster verwisseld heeft. En daar hij zijn aanzoek nog niet heeft gedaan, bewijst dit, dat hij wil gadeslaan, alvorens een besluit te nemen. Nu, als de uitslag van zijne waarnemingen was, dat Amalia geene gepaste gemalin voor zijn heer zou zijn; en als Amalia zelve ik geloof gemerkt te hebben, dat zij verbleekte, toen de koning haar van eene verandering van godsdienst sprak, en dat zij, toen zij zich straks naar hare kamer begaf, meer eene ongelukkige, eene bedroefde geleek, dan eene wier trotschheid en hoop bevredigd was. O, thans zie ik land,quot; zeide Ulrika ruim ademhalend, terwijl zij zich met een behagelijk lachje op de sofa liet nederzinken. âIk ben geen schipbreukeling meer, want ik heb eene plank gevonden, die mij misschien zal redden. Laat ons dus een weinig overleggen!quot;
En als wilde het noodlot zelve haar overleg te hulp komen, werd thans de deur geopend en prinses Amalia trad binnen.
Een blik op deze was voldoende, om de prinses Ulrika te bewijzen, dat zij zich niet vergist, maar dat zij volkomen gelijk had gehad, toen zij vooronderstelde, dat Amalia niet verheugd was over de aanstaande gebeurtenis. â De oogen der prinses waren rood van tranen en de lippen, welke zich anders zoo gaarne tot vroolijk gekeuvel en lustig gelach openden, waren thans vast op elkander gedrukt.
Ulrika zag dat alles en richtte daarnaar haar gedrag in. In plaats dat zij Amalia anders koel en terugstootend zou hebben ontvangen, ging zij haar thans met alle teekenen van hartelijke liefde te gemoet en sloot de zuster^die zich luid weenend aan hare borst wierp, vast in hare armen.
âTranen?quot;' vroeg Ulrika vriendelijk, terwijl zij Amalia naar de sofa voerde en haar naast zich op het zachte kussen nedertrok. âHoe, mijne arme zuster, gij weent, terwijl u toch heden zulk een schitterend lot is verkondigd?quot;
A malia snikte luid en verborg haar met tranen besproeid gelaat slechts te vaster aan den zusterlijken boezem.
Ulrika zag met een mengeling van nieuwsgierigheid en leedvermaak op hare zuster neder. Zij begreep deze tranen niet, en toch verschafte het haar eene soort van genoegdoening, Amalia, die zij zoo even nog zoo zeer benijd had, te zien ween en.
49
âHoe!quot; vroeg Ulrika verder. âZoudt gij er niet mede tevreden zijn koningin te worden?quot;
Amalia hief haar hoofd driftig op en zeide snikkend: âNeen, ik ben niet tevreden eene afvallige, een meineedige te worden. Ik ben niet tevreden mijn geloof te moeten verloochenen, om mij daarmede een ellendige kroon en een troon te koopen! Ik heb voor het altaar de gelofte gedaan, mijn geloof getrouw te blijven, en thans wil men, dat ik dat zal afleggen, zoo als men een kleed aflegt, om het met een ander te verwisselen!quot;
âAch, dat is het!quot; zeide Ulrika met moeielijk onderdrukten spot. âGij vreest dezen overgang, waarbij uw arm, onschuldig geweten zou kunnen struikelen.quot;
âIk wil het geloof, waarin ik opgevoed ben en dat ik aan het altaar bezworen heb trouw blijven,quot; riep Amalia en hare tranen begonnen weder heviger te vloeien.
âNu, men ziet wel, dat het nog niet lang geleden is, dat gij uw geloof aan het altaar bezwoert,quot; zeide Ulrika lachend. âGij hebt nog al het dweepachtige van een pas ingewijde. Hoe zou vader zich verheugen, als hij u thans kon zien.quot;
âHij zou mij niet dwingen, mijnen godsdienst te verloochenen,quot; snikte Amalia; âhij zou ter wille van uiterlijken glans het heil mijner ziel niet in gevaar brengen. O, het is zeer hard, zeer wreed van mijn broeder, zoo over mij, als over eene koopwaar, te beschikken, en noch mijn hart, noch mijn geweten te ondervragen, of het met zijne eerzuchtige plannen overeenstemt.quot;
Ulrika vestigde een langen, doordringenden blik op hare zuster. Zij zou zoo gaarne tot op den bodem harer ziel hebben gelezen, om uit te vorschen, of het in Amalia's hart, zoowel als in haar geweten, alleen die afkeer, die weerzin tegen eene verwisseling van godsdienst was, welke zich tegen het huwelijksplan verzette.
v.Zijl gjj dus in het geheel niet eerzuchtig?quot; vraagde Ulrika. âBekoort u de gedachte, koningin te worden, en een naam in de wereldgeschiedenis te hebben, in het geheel niet?quot;
Het jonge meisje zag hare zuster verbaasd aan, en hare tranen hielden op te stroomen.
âWat bekreunt eene vrouw zich om de wereld geschied e-
Mühlbaoh, Frederik de Groote en zijn Hof. III. 4
50
nis?quot; vroeg zij weder. âWat gaal het mij aan, of zij van mij eens in hare geschiedrollen als de gemalin eens konings van Zweden zal gewagen. Het is een ongelukkig en treurig lot, prinses te zijn. Men behandelt ons als eene koopwaar, die men verhandelt en verkoopt aan dengene, die het hoogste bod doet en de voordeeligste voorwaarden aanbiedt. Het zij zoo! Het is eenmaal het lot van alle prinsessen, wij zijn daartoe opgevoed en gevormd, en moeten er ons met deemoed aan onderwerpen. Maar ons geweten moest men ten minste onaangetast laten, en als men onze licha- -men vei'koopt, moest men ons toch de vrijheid laten, te denken en te gelooven, wat wij willen, ten minste den zaligen troost, onzen God aan te roepen op de wijze, die ons behaagt, en bescherming en bijstand te zoeken in de armen van een godsdienst, aan welken wij gelooven en dien wij beminnen!quot;
âMen kan God getrouw zijn, al moet men ook ontrouw worden aan zijnen godsdienst!quot; zeide prinses Ulrika, die in haar binnenste reeds eene verontschuldiging voor hare mogelijke verwisseling van godsdienst zocht.
âIk kan dat niet!'' riep Amalia hartstochtelijk. âIk ben verkleefd aan den godsdienst mijner vaderen, en ik zou sidderen voor den troon Gods, als ik dien moest afzweren!quot;
âEn evenwel is het zulkeene kleine, onbeduidende schrede, van de gereformeerde kerk tot de protetantsche,quot; zeide Ulrika geprikkeld, terwijl zij geheel vergat, dat men haar niet wilde aanklagen, en er van haar zelf geen sprake was. âDe Luthersche kan eene even goede, vrome christin zijn, als de gereformeerde!quot;
âIk niet, ik niet!quot; riep Amalia met de eigenzinnigheid van een kind, dat niet gewoon is tegenspraak te ondervinden! âIk wil mijn godsdienst niet verloochenen, ik wil niet pro-testantsch worden. Dat is goed genoeg voor een Pöllnitz, maar niet voor de dochter mijns vaders. Heeft de koning ons niet met diepe verontwaardiging en verachting verteld, dat Pöllnitz reeds weder van godsdienst veranderd is en van gereformeerd protestant is geworden, en hebben wij er niet allen over gelachen en in ons hart dien eerloozen man veracht? Ik wil niet, dat men mij met een Pöllnitz op gelijke lijn plaatse! Ik zal mijn godsdienst niet verloochenen, ik zal mijn geloof niet verzaken!quot;
51
âDan zullen er zeer hevige worstelingen, zeer hevige stormen op handen zijn,quot; zeide Uirika, âdan zullen de too-neelen van vroeger dagen zich weder vernieuwen, want onze broeder is niet minder onbuigzaam, dan onze vader was, en zijne broeders en zusters, vrees ik, zijn voor hem niets anders dan nuttige stiften in zijne groote staatsmachine, stiften, die zich gehoorzaam daar moeten invoegen, waar hij ze hebben en aanwenden wil.quot;
âDat alles gevoel en zie ik vooruit,quot; zeide Amalia bevend, âen daarom, zuster, moet gij mij helpen en mij bijstaan, want ik zweer u, ik zal mijn geloof en miin godsdienst niet opgeven.quot;
âIs dat uw rijpelijk overwogen besluit?quot;
âZeer zeker!quot;
âNu, als dat zoo is, wil ik u mijn raad niet onthouden 1quot;
âSpreek, spreek,quot; zeide Amalia ademloos, hare armen zacht om de slanke leest van hare zuster slingerend, en met het hoofd op hare schouders leunend.
âVooreerst dan heeft de Zweedsche gezant zijn aanzoek nog niet formeel gedaan; dat bewijst, dat hij u waarschijnlijk eerst gadeslaan en onderzoeken zal, of gij eene voor den kroonprins geschikte gemalin zijt. Wij hebben dus nog den tijd, en als wij ons dien goed ten nutte maken, kunnen wij misschien het door u gewenschte doel bereiken. Maar onderzoek u zelve nogmaals, raadpleeg nog eens uw hart en uw geweten, vóór gij een besluit neemt. Ik moet dat vorderen, zelfs om mijnentwil, opdat gij mij niet te eeniger tijd kunt beschuldigen, de oorzaak te zijn geweest, dat u eens de troon van Zweden ontgaan is!quot;
âO, vrees niets, mijn waarde zuster! Ik heb mijn besluit genomen! Ik wil geene koningin van Zweden worden ten koste van de zaligheid mijner ziel!quot;
âGij zult mij dus nooit verwijten doen?quot;
âNimmer!quot;
âHoor dan. Bedek uw gelaat, van dit oogenblik af, als met een masker; dat wil zeggen, neem tegen allen, die u omgeven, tegen uwe vrienden, uwe bedienden, tegen het hofgezelschap, ja zelfs tegen uwe eigene verwanten, een ruwen, trotschen en laatdunkenden toon aan. Betoon u in bet bijzonder jegens dezen Zweedscben gezant als eene grillige, zenuwachtige en hoogmoedige vorstin, die zich ter
52
nauwernood verwaardigt met zulke ondergeschikte men-schen van zijne soort te spreken en hun een vriendeiijken blik waardig te keuren. Als gij met hem spreekt en hij u wil antwoorden, val hem dan in de rede en gehied hem te zwijgen; als hij u eene aardigheid wil zeggen, dat dan eene zeer duidelijke uitdrukking van verachting in uw gelaat uw eenig antwoord zij. Houd zulk een gedrag eenige dagen vol en ik ben overtuigd, dat gij uw doel zult bereiken.quot; ^
âO, ik begrijp, ik begrijp!quot; riep het jonge meisje, vergenoegd in hare kleine, witte handen klappend en met een verheugd gelaat. âIk moet dien heer gezant door mijne onbeminnelijkheid de woorden in den mond doen verstijven, opdat hij het beslissende woord niet kunne uitspreken. O, dat zal eene allerliefste komedie worden, mijne zuster, en ik beloof u, dat ik de rol van eerste minnares zeer goed zal spelen. O, ik dank u, ik dank u! Hoe gelukkig ben ik toch, zulk eene verstandige zuster te hebben, zulk eene dappere redster uit het gevaar, waarin ik mij bevind.quot;
âZij heeft het niet anders gewild,quot; zeide Ulrika lakoniek, toen zij weder alleen was. âAls zij geene eerzucht heeft, des te beter voor mij! Thans echter is het hoogtijd, aan mijn toilet te gaan! O, ik zal er heden veel moeite en overleg aan moeten besteden, want ik wil, dat men mij schoon en beminnelijk zal vinden. Ik zal heden een zeer bescheiden, ootmoedig jong meisje zijn!quot;
Met een spottend lachje begaf zij zich naar hare toiletkamer, waar hare kameniers op haar wachtten.
VI.
DE VERLEIDER.
Terwijl prinses Ulrika zich bezig hield met de vraag hoe zij haar toilet zou inrichten, om er het bekoorlijkst uit te zien, was Amalia naar hare vertrekken gegaan, steeds denkend, hoe zij hare rol het best zou spelen, om iedereen te misleiden. Toen zij voor de deur barer kamer gekomen
1) Thiébault, IV, pag. 202 en volgende.
53
was, hoorde zij hare kamervrouwen vroolijk keuvelen en lachen. Nadat zij even voor de deur getoefd had, trad zij met gefronsd voorhoofd binnen en berispte hare kamervrouwen, die juist met de kleederen voor het avondfeest bezig waren, 'op scherpe wijze. âIk vind, dat gij hier een onbetamelijk leven maaktquot;, zeide zij. âWeest zoo goed uw werk zonder gedruisch te verrichten en uwe dwaasheden voor u te houden, zoo lang gij in mijne kamer zijt. En wat is dat, juffrouw Felicien? Wat moeten die bloemen, die gij daar op de toilettafel uitgespreid hebt ?quot;
âUwe koninklijke hoogheid, het zijn de bloemen voor uw kapsel, en deze ruikers hier ziin bestemd, om het cazenkleed op te sieren.quot;
âEn met welk recht veroorlooft gij u aldus over mijne kleeding te beschikken?quot; gt;
âIkveroorloofde mij niets,';zeide juffrouw Felicien bedeesd. âUwe koninklijke hoogheid wilde mosrozen in het haar dragen en ruikers van zulke rozen op den boezem en aan de randen van het witte gazenkleed.quot;
âMejuffrouw, het past u niet, mij tegen te spreken, endaar-bij nog dingen te beweren, die valsch zijn,'' nepprinses Ama-lia toornig.âIk verkies in de verste verte niet, als een bloemenmeisje opgeschikt, op het feest te komen, en om u dat te bewijzen, zal ik deze bloemen, die hier door haar sterken geur de lucht verpesten en van welke gij het waagdet te beweren, dat ik ze besteld heb, uit het venster werpen.quot;
En met wreede hand al die teedere, welriekende rozen nemende, snelde zij naar het venster, opende heten wierp de bloemen er uit.
âDaar, mejuffrouw, daar zijn de rozen, die gij u wildet verstouten op dwaze wijze in mijn haar te steken,quot; zeide Amalia met goed geveinsden toorn, terwijl zij de bloemen in den tuin slingerde, die het paleis Monbyou omgeeft. âDaar zijn de rozen, die mijn haarâquot;
Plotseling gaf de prinses een zachten gil en keek blozend naar beneden in den tuin. Zij had in hare drift de beide heeren in het geheel niet bemerkt, die in dat zelfde oogen-blik de groote laan, die naar het middelste slotportaal voerde, opkwamen, en deze rozen, welke zij zoo even naar buiten had geworpen, hadden den jongsten en grootsten der beide heeren juist in het gezicht getroffen.
54
Hij bleef verbaasd en zichtbaar verrast staan, en zag vragend op naar het venster, waaruit hem deze zeldzame bom had getroiïen. Zijn geleider barstte echter ki een luid gelach los, terwijl hij zich te gelijk diep voor de arme prinses boog, die nog steeds blozend en verlegen aan het venster stond.
âVan dit oogenblik af aan geloof ik aan de vertelling van de rozenfee,'' zeide de oudste der beide heeren, die niemand anders was dan de heer van Pöllnitz. âJa, prinses, ik geloof er aan en zou mij thans in het geheel niet wonderen, als uwe koninklijke hoogheid op een door duiven getrokken wolkenwagen het venster uitfladderde, terwijl gij eene tweede lading op het gelaat van mijn vriend afvuurdet.'' (
De prinses Amalia had intusschen tijd gevonden, zich te herstellen en zich weder de rol te herinneren, die zijn heden moest spelen.
âIk hoop, heer baron,quot; zeide zij schamper, âdat gij u niet zult veroorloven, te vooronderstellen, dat het mijn plan is geweest, met deze rozen u of uw geleider te treffen. Ik wilde deze bloemen het venster uitwerpen, dat is alles!quot;' Zij sloot kletterend het venster en spoorde hare kameniers aan, zich te haasten om haar toilet in orde te brengen.
Terwijl zij zich met een verdrietig gezicht voor den spiegel nederzette en hare Fransche kamenier beval, om zoo veel mogelijk strikken en juweelen in haar haar te steken, stonden beneden in den tuin de beide heeren nog in druk gesprek met elkander.
âDat is inderdaad een goed voorteeken, mijn vriend,quot; zeide Pöllnitz tot den jongen officier, die vol gedachten op de rozen zag, die hij in de hand hield. âWaarachtig, bij zijne eerste verschijning aan het hof door eene koninklijke prinses met rozen geworpen te worden, dat is een groot, een ongehoord geluk, dat gij in elk geval moet aangrijpen.quot;
De jonge officier had in het geheel niet op de woorden van zijn geleider gelet. Hij had het oog van de bloemen naar het venster geslagen, in hetwelk de liefelijke gestalte der prinses hem zooeven verschenen was.
âO,quot; fluisterde hij peinzend en zuchtend, âzij is zoo hemelsch schoon en beminnelijk, en zij is eene prinses!quot;
55
Pöllnitz lachte luid. âMen zou meenen, dat u zulks speet,quot; zeide hij. âHoor eens, jonge vriend, sta daar niet, alsof gij droomt! Kom, in plaats van terstond het slot binnen te gaan, en onze opwachting bij de koningin-moeder te maken, willen wij eerst nog eene wandeling in den tuin doen, opdat gij tijd hebt van uwe verrukking te bekomen en uw verstand te herkrijgen.quot;
Hij nam den arm van den jongen officier en trok hem naar de dichtere en meer begroeide zijpaden van den tuin. âNu, mijn lieve jonge vriend, hoor mij aan en neem wel ter hartp, wat ik u te zeggen heb. Het toeval, of zoo gij wilt, het noodlot heeft ons bijeen gebracht; want voorzeker is het geen bloot toeval, dat ik, nauwelijks te Berlijn teruggekeerd en voornemens, de koningin-moeder mijne eerste opwachting te maken, u ontmoet, die ook een gehoor bij de koningin-moeder wil verzoeken, om u in hare bescherming aan te bevelen, en daartoe door een brief van mijn ouden vriend, den graaf Lottum, gemachtigd wordt. Dat wekt, zooals billijk is, mijne nieuwsgierigheid op, ik veroorloof mij naar uw naam te vragen, en verneem tot mijne verbazing, dat gij de jonge heer von Trenck zijt, dat wil zeggen: de zoon der vrouw, die mijne eerste liefde was en die mij zeer ongelukkig heeft gemaakt, doordien zij mij versmaadde. Het is evenwel een zeer eigenaardig gevoel, zoo onverwachts den zoon zijner eerste geliefde, hoewel men diens vader niet is, te vinden, en ik gevoel reeds, dat ik in staat zou zijn, u even dwaas te beminnen, als ik mevrouw uwe moeder bemind heb.quot;
âBehalve dat ik niet, zooals mijne moeder, uwe liefde zou afwijzen,quot; zeide de jonge officier lachend, terwijl hij den opperkamerheer de hand reikte.
' âIk hoop het,quot; antwoordde Pöllnitz lachend. âGij zult in mij steeds een liefhebbend vader vinden, en reeds heden wil ik daarmede een begin maken. Vooreerst, wat wilt gii hier aan het hof?quot;
âCarrière maken! Generaal, veldmaarschalk worden, als het mogelijk is!quot; lachte de jonge officier.
âHoe oud zijt gij ?quot;
âBijna negentien jaar!quot;
âGij draagt de uniform der officieren van het lijfregiment, dus heeft de koning u zeer vroeg bevorderd,quot;
56
âIk was slechts acht dagen kadet,quot; zeide de heer von Trenck trotsch. âMijn stiefvader, de graaf van Lottum, heeft mij van Danlzig hierheen begeleid, otn mij persoonlijk aan den koning voor te stellen. Zijne majesteit ontving mij zeer genadig en herinnerde zich zeer goed, mij in Koningsbergen bij de huldiging te hebben gezien, waar ik bij de in gereedheid gebrachte schoolplechtigheid zelfs uit de handen des koning, den eersten prijs had ontvangen.quot; ')
âVerder! Verder!quot; zeide Pöllnitz, toen de jonge officier zweeg. âGij ziet, ik ben geheel gehoor, en ik moet uwe tegenwoordige stelling nauwkeurig kennen, om u in iets van nut te kunnen zijn.quot;
âDe koning nam mij dus, zooals gezegd, zeer vriendelijk en genadig aan. Hij maakte mij terstond tot kadet in zijn rijdende garde-du-corps, en toen ik dat drie weken geweest was, liet hij mij op zekeren dag bij zich roepen. Hij had van mijn tamelijk sterk geheugen gehoord en wilde er eene proef van hebben.quot;
âNu, en gelukte deze proef?quot; vroeg de heer von Pöllnitz.
âDe koning noemde mij snel achter elkander de namen van vijftig soldaten, die beneden in den tuin stonden en die hij mij, uit het venster, met uitgestrekten vinger aanwees, en waarvan ik de namen even -snel, maar nu in omgekeerde volgorde, herhaalde.quot;
âDat is een verbazend geheugen!quot; zeide Pöllnitz, terwijl hij uit zijn gouden, met de beeltenis der prinses Palatine versierde doos een snuifje spaniol nam. âWerkelijk een verbazend geheugen, dat mij zou doen ijzen, als ik uw geliefde was.quot;
âEn waarom dat,quot; vroeg de jonge officier lachend.
âOmdat gij geene van hare grillen, geene van hare eeden zoudt vergeten, en eens als zij u bij toeval niet meer beminde, afrekening met haar zoudt kunnen houden. En stelde de koning u nog verder op de proef?quot;
âHij gaf mij toen het onderwerp van twee verschillende brieven op, die ik terstond en beide te gelijkertijd, den een in het Latijn, den ander in het Fransch zijnen secretaris moest dicteeren. Toen verlangde hij, dat ik hem terstond
1) Mémoires de Frédéric, baron de Trenck. Vol. 1, pag. 39.
57
op een blad papier het plan van de hazenheide moest leekenen, en dat deed ik.quot; ^
âEn was de koning tevreden?quot;
âHij benoemde mij dien dag tot kornet bij de garde-du-corps,quot; antwoordde de heer von Trenck, terwijl hij op be-scheidene wijze een onmiddellijk antwoord op de vraag van den opper-kamerheer vermeed.
»0, gij slaat dus zeer in gunst, daar gij in drie weken van kadet tot luitenant zijt bevorderd,quot; zeide Pöllnitz in gedachten, âeene bevordering, die de koning zonder twijfel nog van eene andere daad van genade deed vergezeld gaan.quot;
âHij heeft mij gisteren twee paarden uit zijne stoeterij gezonden, en toen ik kwarn, om hem voor deze genade te danken, heeft hij mij eene beurs met tweehonderd Friedrich, d'or gegeven.quot; 1)
Pöllnitz deed een sprong achterwaarts. âWaarachtig, dan zijt gij wel werkelijk in gunst,quot; zeide hij, âwant de koning geeft u zelfs geschenken. Ach, mijn vriend, ik wilde u beschermen, en thans schijnt het bijna, dat gij mij zoudt kunnen beschermen. De koning heeft mij nog nimmer geschenken gegeven. En wat wilt gij heden hier bij de koningin-moeder doen?quot;
âDe koning heeft mij bevolen, der koningin-moeder mijne opwachting te maken, daar ik van nu al aan, nu ik luitenant ben, aan het hof komen en aan de hoffeesten deelnemen mag.quot;
âZoo, heeft de koning u dat bevolen?quot; zeide Pöllnitz. âWaarachtig, mijn vriend, het schijnt mij toe, dat de koning u tot groote dingen bestemt, daar hij u zoo in 't oogvallend begunstigt. Gij zult eene schitterende carrière maken, mits gij geslepen zijt en het verstaat, de klippen en stroomingen te ontwijken, die zich op uw weg zullen bevinden, of die, zoo zij er zich niet al van zelf op bevinden, bereidwillige en bedrevene handen daarop zullen werpen, want daar gij in gunst zijt, zult gij ook spoedig vijanden hebben!quot;
âIk geloof, dat ik die reeds heb,quot; zeide de jonge officier lachend. âMen heeft reeds meermalen getracht mij bij den koning als een vechter en een twistzoeker verdacht te
1
Ibidem.
58
maken, maar de koning heeft er gelukkigerwijs over gelachen.quot;
âHij is werkelijk zeer in gunst en ik zal goed doen, hem tot mijn vriend te maken,quot; dacht de baron. âDe koning zal tevreden over mij zijn, als ik het doe.quot;
Hij reikte dus den officier de hand en zeide met bijna vaderlijke teederheid. âVan heden af aan zullen uwe vijanden u niet meer alleen vinden, als het hun mocht behagen, u aan te vallen. Zij zullen mij steeds als een vriend aan uwe zijde vinden, want, gelijk ik zeide, gij zijt de zoon der eenige vrouw, die ik ooit op aarde bemind heb! Ik zal u daarom in mijn hart steeds mijn zoon noemen!quot;
âEn ik neem u van ganscher harte als mijn vader aan!quot; riep Frederik von Trenck. âWees gij mijn vader, mijn vriend en mijn raadgever.quot;
âHet hof heeft zeker een glibberigen grond, waarop men zeer licht kan uitglijden, als zich niet ter rechter tijd een vriendenhand aanbiedt, die ons staande houdt. Velen zullen u haten, omdat gij in gunst zijt, en de haat van velen is gelijk aan het steken der horzelen. Aan een enkelen steek sterft men niet, maar als men er vele te gelijk ontvangt, sterft men toch. Maak u dus den tijd uwer gunst ten nutte en verzeker u van zulk eene vaste en onwankelbare stelling, dat niets in staat is, u er weder uit te verdringen!quot;
âHet is slechts de vraag, hoe ik het moet, aanleggen, om daartoe te geraken.quot;
âGij vraagt zulks, en gij zijt negentien jaar oud, zes voet lang, hebt een schoon gelaat, een gunstig voorkomen, een ouden aanzienlijken naam en wordt bij het hof genadig ontvangen! O, mijn vriend, ik heb velen, die slechts de helft uwer schitterende aanbevelingen hadden, tot de hoogste eereposten en waardigheden zien klimmen, en wel daardoor, dat zij ter juister tijd het rechte middel, dat vooruit kan brengen, hadden aangewend.quot;
âEn dit middel is?quot;
âVrouwengunst, mijn waarde! Gij moet maken dat machtige en invloedrijke vrouwen op u verliefd worden, dat is alles! O, gij verschrikt en uw gelaat betrekt! Zoudt gij ongelukkigerwijs reeds verliefd zijn?quot;
âNeen,quot; zeide Frederik von Trenck heftig, âik heb nog
nimmer bemind, ja meer dan dat, ik durf zeggen, dat ik nog nimmer de lippen eener vrouw aangeraakt heb.quot;
De heer von Pöllnitz zag hem met eene uitdrukkking van ontzetting aan. âWat?quot; zeide hij. âEene heilige maagd en al negentien jaar. Weet gij, dat zelfs de Maagd Maria jonger was, toen zij Christus baarde?quot; P
En de baron begon op zijn eigendommelijke, 'cynische wijze te lachen, terwijl hij zijn gouden doos als een drijftol tusschen den duim en middelvinger ronddraaide.
âDe gewone en gemeene vrouwen hebben mij steeds met afkeer vervuld,quot; zeide de jonge officier eenvoudig, âen tot heden heb ik geene vrouw gezien, die op mijn ideaal geleek.quot;
âDus zou de vrouw, die gij zoudt beminnen, uwe eerste verrukking, uwe eerste liefdes-eeden hebben?quot;
âZoo zou het zijn!quot;
âEn hij draagt de uniform van de garde-du-corps en is luitenant!quot; riep de heer von Pöllnitz met tragischen pathos zijne armen ten hemel heffend, en toen den officier verwonderd en nieuwsgierig aanziende, zeide hij; âHebt gij niet gezegd, dat gij tot. heden geene vrouw gezien hebt, die op uw ideaal geleek?quot;
âDat zeide ik!quot;
âEn heden?quot;
âNu, naar mij dunkt, hebben wij beiden heden een engel gezien, een engel, die gij beleedigd hebt door haar den zeer gewonen naam van fee te geven.quot;
âO, prinses Amalia!quot; riep Pöllnitz verrukt. âGij zult dit jonge meisje beminnen, mijn vriend.quot;
âDan zou ik zeer ongelukkig zijn, want tot mijn ongeluk is zij eene prinses, en mijn liefde zou onbeantwoord blijven!quot;
âEn wie zegt u dat? Wie zegt u, dat deze kleine Amalia, omdat zij eene prinses is, toch ook niet een meisje is met een gevoelig hart? Beproef het slechts, dit hart te wekken! Het gelukkig toeval is u reeds te gemoet gekomen, en als gij maar een klein weinigje bijgeloovig zijt, zult gij moeten toestemmen, dat het een gewichtig teeken is, dat prinses Amalia daardoor uw blikken tot zich trok, dat zij u met rozen wierp, of laat ik liever zeggen beschoot, want de looze god Amor heeft, naar het schijnt, een van zijne pijlen in eene roos veranderd, en terwijl gij meendet door de prinses in het aangezicht te worden getroffen, heeft Amor
ÃÃ
met deze roos tevens uw hai't gewond! Beproef dus uw geluk, mijn jeugdige vriend. Maak dat de lievelings-zuster des konings u bemint en gij zult alvermogend zijn.quot;
De jonge officier zag hem met verbaasde, verwarde blikken aan. âGij wilt toch niet zeggen,quot; stamelde hij â
âIk wil zeggen,quot; viel Pöllnitz hem in de rede, âdat, daar gij de gunst des broeders hebt, ik niet inzie, waarom gy ook niet de gunst der zuster zoudt verwerven. Ik wil verder zeggen, dat ik u behulpzaam zal zijn, die te verkrijgen, en dat ik steeds als een raadgevend en bedachtzaam vriend aan uwe zijde zal staan.quot;
âWeet gij, dat gij mij daar een uitzicht opent, dat mij doet duizelen?quot; zeide de jongeling geheel verward. âZou ik het wagen, eene prinses te beminnen en naar hare wederliefde te dingen.quot;
âWat het eerste betreft, dat hebt gij, geloof ik, reeds gewaagd, en wat hét tweede betreft, ik weet niet waarom gij met uwe jeugd en schoonheid niet het recht zoudt hebben daarop aanspraak te maken!quot;
âOmdat ik nimmer de echtgenoot eener prinses kan worden !quot;
Pöllnitz lachte luid âDaar hebt ge gelijk aan,quot; zeide hij, âgij zijt werkelijk zoo onschuldig als een jongmeisje. Nauwelijks verliefd, denkt gij reeds aan de mogelijkheid van het huwelijk, alsof de liefde in het geheel geene andere toevlucht had, dan het huwelijk! En toch meen ik gelezen te hebben, dat god Amor en god Hymen twee broeders zijn, die zeer zelden bijeen komen, omdat zij zich nooit met elkander kunnen verdragen en elkander daarom gaarne ontvlieden. Overigens mijn jonge vriend, als uw liefde dan zoo deugdzaam is, dat zij volstrekt den priesterzegen noodig heeft, zoo is ook dat mogelijk. Immers nog eerst voor weinige'jaren is de weduwe van den markgraaf van Baireuth, de tante van onzen koning, wettig met den graaf Hoditz gehuwd. Nu, en wat de tante des konings vermocht, dat zal voor zijne zuster ook wel niet onmogelijk zijn.quot;
âZwijg! zwijg!quot; fluisterde Frederik von Trenck. âUwe woorden benevelen mijn verstand gelijk opiumgeur en maken mij dronken, zinneloos. Gij staat naast mij gelijk de verleider en verleidt mijn hart, maar ik gelijk den Messias, niet, want ik heb den moed-niet, de schatten af te wijzen
61
die gij mij toont en naar welke mijn geheele ziel juichend verlangt. O, mijnheer, wat hebt gij gedaan! Gij hebt mijne eerzucht, mijn hartstocht opgewekt, gij hebt een verterend vuur in mijne aderen gegoten, en ik gevoel mij geheel dronken door het zoete gif, dat gii in miine ooren hebt doen druipen!quot;
âIk heb u gezegd, dat ik uw vader wil zijn; ik zal u dus leiden en u ter rechter tijd al de steenen toonen, over welke uw voet anders zou kunnen struikelen,quot; zeide de heer von Pöllnitz, wiens versteend egoïstisch hart, niet het geringste medelijden ondervond met de zielskwelling van dezen armen jongeling, dien hij, gelijk deze beteekenisvol had gezegd : âvergif in de ooren had doen druipen.quot; Voor hem was Frederik von Trenck, de gunsteling des konings, verder niets dan eene trede, waardoor hij zich wilde verheffen ; hij deed daarom moeite, deze trede aan te brengen, opdat hij er zich zeiven met nut en goed gevolg op zou kunnen verheffen. â Hij nam thans den arm van den officier, en met koude en overdachte woorden zijn gloed stillende, en hem tot rust en rede aanmanende, ging hij met hem naar het paleis, om bij de koningin-moeder hunne opwachting te maken.
De koningin-moeder was echter reeds aan haar toilet en ontving geene bezoeken meer. De beide heeren verlieten daarom het slot en gingen arm in arm de straat op.
âLaat ons naar het paleis gaan,quot; zeide Pöllnitz. âWij zullen daar een heerlijk schouwspel hebben, want wij zullen er een troep wandelende pruiken zien, die zich als men-schen, neen, niet als menschen, maar als geleerden verkleed hebben. Heden heeft op het paleis de hernieuwde Academie van Wetenschappen hare eerste zitting gehouden, en de beroemde, pas benoemde president Maupertuis heeft haar in naam des konings geopend.1) Het zal thans juist de tijd zijn, dat de eerwaarde heeren het paleis verlaten. Laten wij dus gaan, om dat belangrijk tooneel te zien.quot;
Tntusschen bereikten de beide heeren het doel hunner wandeling niet. Eene groote menigte menschen kwam hun tegen en noodzaakte hen stil te staan, evenals de anderen.
Iedereen scheen wat te verwachten, het een of ander
1
Rödenbeck. Tagebuch, pag. 108.
62
looneel te getnoet te zien, dat plaats moest hebben in dien kring, welken men in het midden dier golvende menigte had gelaten. Men lachte en schertste en vroeg elkander, wat dat alles beteekenen moest, en wat die trommelslager daar zooeven in den lusthof afgelezen had?
âIets dat hij hier herhalen zal!quot; zeide eene stem uit den volkshoop, die hoe langer hoe grooter werd, en in welks gedrang de heer von Pöllnitz met zijn jeugdigen begeleider tegen hun wil getrokken werden. Gedrongen, gestooten door sterke armen, welke zich een weg wilden banen, terwijl zij voor hen, die voor hen stonden, een weg openden, toen vooruit geschoven, bevonden zij zich op hetzelfde oogenblik aan den rand van dien kleinen, in het midden van den volkshoop vrijgelaten kring, toen de trommelslager hem van de andere zijde doorbrak, en in de ruimte tredende, met krachtige en vlugge handen zijne trommelstokken op het witte kalfsvel van den trommel liet spelen.
Dit geraas verdoofde het geschreeuw, het gelach en het gejoel der menigte, en deed het eindelijk geheel verstommen, ledereen hield den adem in, om te hooren, wat de openbare omroeper, nadat hij met den trommel gesproken had, thans met zijn mond zou te spreken hebben.
Hij haalde uit zijn zak een met een groot zegel voorzien papier, dat hij op zijn trommel open maakte; vervolgens begon hij, te midden der algemeene stilte het korte inleidingsformulier te lezen: âWij, Frederikde Tweede, koning van Pruisen.quot; â Sedert de regeering van Frederik waren op zijn bevel al die lange titels, die hoogdravende lijst van alle landen en eigendommen, waarvan de koning van Pruisen werkelijk of in naam heer en bezitter was, weggelaten. Frederik vond het niet noodig, de namen der landen, die hij bezat, slechts als de verblindende staart van eene komeet achter zijn naam te voegen: hij stelde er zich mede tevreden, bij zijne landen nieuwe te veroveren, waarmede hij intus-schen niet zijne titels, maar, slechts zijn eigendom vergrootte. Ja, ook die hoogste titel der koningen, het: âdoor de gratie Godsquot; had Frederik de Tweede doorgestreken, en in alle kennisgevingen en wetten, die hij tot zijn volk richtte, noemde hij zich slechts âkoning van Pruisen.quot; Daarmede ' was alles gezegd, alles uitgedrukt, en als zijn vader en grootvader zich âkoning in Pruisen, door de gratie Godsquot;
63
noemden, zoo was Frededk de eerste koning van Pruisen,1) en als hij zich daarbij niet beroemde op de gratie Gods, zoo geschiedde zulks wellicht, omdat hij door daden, niet door woorden wilde bewijzen, dat hij er zeker van was!
Na deze kleine uitweiding, die de lezer ons moge vergeven, keeren wij tot den openbaren omroeper terug, die juist de bekendmaking des konings begon voor te lezen of uit te schreeuwen.
âWij koning Frederik van Pruisen gelasten en bevelen door deze, dat het iedereen in onze landen verboden is, onzen opperkamerheer, den baron von Pöllnitz, dien wij in onzen dienst genomen hebben, geld te leenen, of hem tot leenen daarvan behulpzaam te zijn. Wie dit, ondanks dit verbod, evenwel doet, moet de gevolgen daarvan aan zich zei ven wijten en mag den baron von Pöllnitz voor geen gerechtshof aanklagen, evenmin als een gerechtshof deze klacht mag aannemen. Die tegen dit bevel handelt en den heer baron von Pöllnitz geld leent, haalt zich eene boete van vijftig daalder ot eene gevangenisstraf van veertien dagen op den hals.quot;
Een schaterend gelach van de gansche menigte was het amen op deze afkondiging van den omroeper, een gelach, waarmede de heer von Pöllnitz wijselijk instemde, terwijl de jonge officier, verlegen en beschaamd, den moed niet had, hem aan te zien, maar beschaamd het oog naar den grond sloeg.
.,0, wat zal die voorname heer zich ergeren!quot; riep eene schelle stem uit de menigte.
âHet is zeker een onverbeterlijke schuldenmaker!quot; riep een ander.
âHij heeft het zonder twijfel verdiend, dat de koning hem zoo hard straft, hem zoo openlijk beschimpt!quot; riep een derde.
âEn noemt gij dat eene openlijke beschimping ? Noemt gij dat eene straf?quot; riep de hear von Pöllnitz zelf. âWat, goede vrienden, weet gij dan niet, dat dit eene eer is, die de koning aan zijn opperkamerheer bewijst! Ziet gij dan niet, dat hij hem eenigermate met de prinsen van den bloede, met de prinsen van het koninklijke huis gelijk stelt?quot;
1
Th., S. 108.
64
âHoe zoo? Verklaar ons dit!quot; riepen op eens honderd stemmen te gelijk.
âNu, dat is zeer eenvoudig! Heeft de koning die wet niet vernieuwd, welke op strenge straffe verbiedt, aan de prinsen van het koninklijke huis geld te leenen? Is die wet niet in onze beide couranten, zoowel als in de verzameling van wetten openbaar gemaakt?quot;
âJa, ja! Dat is zoo!quot; riepen vele stemmen op eens.
âEn zeker heeft onze verhevene koning, hij, die zijne familie zoo teeder bemint, de prinsen met deze wet noch willen krenken, noch in hunne eer willen tasten!quot;
âVoorzeker heeft hij dat niet gewild en ook niet gedaan!quot;
âDe koning heeft dus heden, zooals gij thans begrijpen zult, den baron von Pöllnitz evenzoo behandeld :ils hij zijne broeders behandelt, en dat is zonder twijfel eene groote eer voor hem.quot;
âZeker is dat eene groote eer voor hem,quot; riep de vriendelijke echo der menigte, die intusschen niet vermoedde, wie de redenaar was, die de eer van den heer von Pöllnitz zoo ernstig verdedigde.
âDe koning heeft den heer von Pöllnitz dus behandeld als zijne broeders, en daar hij, gelijk gij zei ven zegt, dezen niet met die wet heeft willen beleedigen. zie ik niet in, waarom men zou aannemen, dat datgene, wat voor de prinsen geene beleediging is, het voor den baron von Pöllnitz wel zou zijn.quot;
Een goedkeurend gemompel verhiel zich onder de menigte ; zelfs de openbare omroeper was stil in den om hem en den onbekenden spreker gevormden kring blijven staan, en opmerkzaam luisterend, vergat hij daardoor verder te gaan, om aan den volgenden hoek van de straat zijne zonderlinge bekendmaking af te lezen.
âDit bevel is bovendien, zooals men zegt sans consequence,quot; ging Pöllnitz voort. âWant wie zou ondanks de wet niet gaarne bereid zijn, onzen prinsen geld te leenen, als zij dit noodig hebben? Wie zou het niet doen, ondanks de wetenschap, dat de staat geene schulden betaalt, die de prinsen als privaat-personen mochten maken ? Datzelfde geldt van den heer von Pöllnitz. De koning, die den teruggekeerden baron twee hooge posten, die van opper-garderobemeester en opper-ceremoniemeester heeft geschonken, de koning wil
05
hem afschrikken om schulden te maken en hij kiest daartoe hetzelfde middel, dat hij bij de prinsen aanwendt, hij verbiedt, den heer von Pöllnitz geld te leenen; daar hij dat echter niet als wet in de verzameling van wetten kan opnemen, zoo laat hij dat door den omroeper openlijk bekendmaken!quot;
âEn nu,quot; ging de spreker voort, die zeer goed den gunstiger! indruk bemerkte, welke zijne rede op zijne toehoorders had gemaakt, ânu mijne goede vrienden, verzoek ik u, mij een weinig plaats te maken, en mij door te laten gaan. Ik moet naar het paleis gaan, om den koning voor de groote genade en de onderscheiding te danken, die hij mij zoo even heeft doen te beurt vallen, want ik zelf ben de baron von Pöllnitz.quot;
Een uitroep van verrassing klonk van honderd lippen, en ieder, die zich in de nabijheid van den heer von Pöllnitz bevond, trud eerbiedig een weinig ter zijde, om voor den voornamen heer plaats te maken, dien de koning behandelde alsof hij een prins van het koninklijke huis was.
Pöllnitz ging met een recht vriendelijk lachje door deze enge straat heen en groette op eene nederige wijze diegenen, die zich bijzondere moeite hadden gegeven, een weg voor hem te banen.
âIk geloof, dat ik den koning daar een beste troef uit de hand gespeeld heb,quot; zeide hij in zich zeiven. âIk heb van dezen op mij afgerichten pijl, de punt afgebroken, zoodat hij onschadelijk op mijne borst is afgestuit. Ik zal van dit oogenblik af, de openbare meening voor mij hebben, en wat voor mij een schande moest zijn, zal mij tot eer verstrekken! Het was evenwel een zeer hai'de en wreede behandeling, waarvoor ik eens met den koning afrekening zal houden. O, koning Frederik, koning Frederik, ik zal het niet vergeten, en ik zal wraak nemen! Ook mijne kaarten zijn geschud en spoedig zal ik eenige gewichtige troeven uitspelen. Laat ons echter een weinig wachten op onzen verliefden herder, dien onschuldigen en teederen heer von Trenck, die op den besten weg is, om zich door de kleine, aardige prinses Amalia in het verderf te storten!quot;
En de heer von Pöllnitz stond stil, om op den jongen officier te wachten, die zich met moeite een weg had gebaand door de menigte, en nu met haastige schreden naar hem toe kwam.
MuhlTjaoh, Frederik de Groote en zijn hof. IIT.
66.
VII.
DE EERSTE ONTMOETING.
In de zalen van het koninklijk paleis was de soiree begonnen en onder het spelen der muzikanten, die op het koor der witte zaal geplaatst waren, traden de beide koninginnen en de prinsessen de groote zaal binnen, om den stoet van dames te ontvangen, terwijl de koning in de aangrenzende zaal de heeren ontving.
Eene schitterende rij van schoone dames, versierd met brillanten en juweelen stond aan beide zijden der zaal, het oogenblik af te wachten, dat de koninginnen haar voorbij zouden gaan en zij zich onder den aanblik der koninklijke oogen diep ter aarde konden buigen, alsof de zwaarte dei-genade bij het aanschouwen der majesteiten haar ter neer drukte.
De koningin Elisabeth Christine, die ondanks haar bescheiden en onbeduidend bestaan, toch de regeerende koningin was, moest, volgens de regels der etiquette dc grande tournee alleen gemaakt en het eerst de hulde der dames ontvangen hebben. Maar de arme, bedeesde vrouw had nimmer den moed gehad, aanspraak te maken op de voorrechten van haar stand als gemalin des konings. Wat bekommerde zij zich om die nietige, uiterlijke voorrechten, zij die had moeien afzien van het hoogste en schoonste voorrecht, de eerste plaats in het hart van haar echtgenoot in te nemen. Zij had daarom ook heden met een zachtmoedig lachje aan de koningin-moeder don voorrang gelaten, en deze, die steeds begeerig was, ten minste in de kleine uiterlijkheden en etiquette-aangelegenheden te toonen, dat zij nog altijd de eerste plaats aan het hof van haren zoon innam, had zeer gaarne den voorrang aangenomen. Met trotsch, opgeheven hoofd en een bijna verachtelijk lachje ging zij langs de rij der dames, die voor haar bogen en hare hulde brachten aan de trotsche vertegenwoordigster van het koningschap.
Achter haar ging de regeerende koningin, tusschen de beide prinsessen, die hier en daar vriendelijk lachend hare vriendinnen begroetten, die zich in de rij der dames bevonden.
07
Elisabeth Christine zag dat en zuchtte. Zij had niemand, die zij in het bijzonder te groeten had, niemand, die in haar iets anders zag dan de gedulde koningin, de vrouw sans concéquence en zonder invloed, de machtelooze koningin, de onbeminde echtgenoote! Zij had zelfs geene vriendin, aan wier deelnemend hart zij hare klachten kon uiten. Zij was eenzaam en verlaten, zoo afgezonderd en alleen, dat de zuchten en klachten, die in hare borst woonden, te midden van de haar omringende stilte des te luider en hartverscheu-render klonken.
Zij was ook nu eenzaam en afgezonderd, toen zij met de beide prinsessen de grande tournee maakte. Niemandscheen haar te zien, niemand beschouwde haar als iets anders, dan als het met brillanten, kanten en zijden kleederen behangen standbeeld eener koningin, als het beeld eener koningin, die niet tegenwoordig was. En evenwel had dit beeld eene ziel en een hart, en evenwel was zij eene vrouw, eene vrouw, die beminde en leed!
Plotseling ging eene siddering door hare leden, plotseling schitterde er als het ware een zonnestraal in hare oogen, en een lichte blos kwam op hare wangen. De koning was de zaal binnengetreden, hij was daar in al zijne schoonheid, majesteit en hoogheid. En Elisabeth Christine gevoelde, dat de zon weder scheen, dat haar bloed weder gloeiend door hare aderen stroomde, dat haar hart weder onstuimig klopte, als dat van een jong meisje!
O, het kon immers zijn, dat het oog des konings, dat oog, zoo schitterend, zoo wonderbaar, zich een oogenblik, al was het ook maar bij toeval, op haar vestigde; het kon immers zijn, dat de koning, bewogen door hare stille gelatenheid, hare zwijgende onderdanigheid, een vriendelijk woord tot haar richtte. Zij was nu vier jaren koningin, zij droeg vier jaren de doornenkroon van hare majesteit en in al dien tijd had haar echtgenoot geen enkele maal den balsem van een deelnemend woord, van een glimlach op haar doodelijk ziek hart gelegd! Hij had bij hoffeesten aan tafel naast haar gezeten, hij had bij hofbals en maskerades zelfs soms met haar den dans geopend, â nooit echter weder, sedert dien dag, dat hij den eersten en den laatsten kus op hare lippen had gedrukt, nooit had hij sedert weder met haar gesproken, nooit was zij ook hier voor hem iets anders
68
geweest, dan het stomme, opgesierde beeld eener koningin, dan de ledige vorm eener vrouw. ')
En evenwel werd Elisabeth Christine niet moedeloos, want nog steeds hoopte zij. Nog kon er een dag komen, dat hij tot haar spreken, dat hij haar vergeven zou, dat zij hem als gemalin opgedrongen was, een dag, dat hare stomme smart en hare tranenlooze liefde hem treilen zou. Elke samenkomst met hem was dus voor deze arme koningin nog steeds de bron van blijde hoop, van gelukkige verwachting, en dat was het, wat haar staande hield en haar de kracht gaf lachend en zwijgend den koninklijken mantel over hare doodelijk gewonde borst te leggen.
Omgeven door de koninklijke prinsen, naderde nu de koning zijne moeder, die hij met de eerbiedige liefde eens zoons de hand reikte; daarna boog hij zich zwijgend en onverschillig voor zijne gemalin, en groette zijne beide zusters lachend.
âDames,quot; zeide hij toen met zijn volle, helderklinkende stem, âveroorlooft mij, u en het geheele hof, mijn broeder August Wilhelm in zijne nieuwe waardigheid voor te stellen.quot;
Hij nam de hand zijns broeders en leidde hem naar de koningin-moeder. âMevrouw,quot; zeide hij, âik stel u hier uw zoon voor, die van nu af, zoo ge wilt, te gelijker tijd uw kleinzoon zijn zal.quot;
âEn hoe dat, mijn zoon?quot; vraagde Sophie Dorothea, âHoe zult gij, die ovenwei reeds zoo veel schijnbaar onmogelijks
1) De koning sprak nimmer met zijne echtgenoote, ofschoon hij haar in zijn gedrag steeds allen eerbied en achting betoonde, en er zeer op stond, dat niemand haar den verschuldigden eerbied onthield. Slechts een enkele maal sprak de koning haar aan. Het was op haar zeventigste jaar, toen de koningin door een ongelukkigen val zich den voet bezeerd had, eenige dagen voor haar geboortedag, op welken dag er steeds groote receptie bij de koningin plaats had, waarop de koning altijd verscheen. Ook ditmaal was hij gekomen. In plaats echter gelijk; anders, de koningin met eene stomme buiging te begroeten, kwam hij dicht bij haar en reikte haar de hand, terwijl hij deelnemend zeide: âik hoop en wensch, dat uwe majesteit weder van haar ongeval hersteld zal zijn.quot; â Eene algemeene verbazing teekende zich op de gelaatstrekken van alle aanwezenden, en de arme koningin was zoo bewogen door het onverwacht geluk van deze toespraak, dat zij geene kracht tot antwoorden vond. Zij boog zich stilzwijgend, de koning fronste het voorhoofd en wendde zich van haar al. Sedert dien dag, welks geluk de koningin zich met een gebroken voet koopen moest, sprak de koning nooit weder tot haar.
69
mogelijk gemaakt hebt, hoe zult gij het aanleggen, dat mijn zoon te gelijker tijd mijn kleinzoon wordt?'
âAls ik hem tot mijn zoon maak, wordt hii uuu kleinzoon, uwe majesteit!quot; zeide de koning lachend. âEn daar ik hem tot mijn opvolger aanneem, heet dit wel, hem tot mijn zoon verklaren. Omhels hem dus, uwe majesteit, en wees gij de eerste, die hem met zijn nieuwen titel begroet. Mijne moeder, omhels den prins van Pruisen, mijn opvolger!quot;
,.lk doe het,quot; riep de koningin-moeder, haar zoon August Wilhelm omhelzende, âik doe het, terwijl ik God bid, dat Hij het nog lang moge laten blijven bij dezen titel, dien het uwe majesteit behaagd heeft, mijn zoon teverleenen; dat hij nog lang de prins van Pruisen moge blijven!quot;
âBid God veeleer, uwe majesteit,quot; fluisterde de prins, terwijl hij zich voor de koningin boog, die zijn voorhoofd kuste, âbid God veeleer, dat Hij mij spoedig van dezen titel moge bevrijden.quot;
âHoe, mijn zoon?'' riep de koningin zacht en bijna dreigend. âGij wenscht dus reeds koning te worden? Gij zijt dus eerzuchtig genoeg, niet te bedenken, dat u het koningschap toe te wenschen, zoo veel beteekent, als den regeerenden koning den dood te wenschen?quot;
De prins lachte treurig. âZoo ik wensch niet lang meer prins van Pruisen te zijn, geschiedt zulks niet, omdat ik wensch de trappen des troons te beklimmen, maar omdat ik zoude willen nederdalen in het graf,quot; zeide hij, terwijl hij de hand zijner moeder kuste.
âDenkt gij nog altijd zoo mijn zoon?quot; vroeg de koningin. âNog altijd? en het is heden toch uw feestdag, en gij zijt heden prins van Pruisen geworden?quot;
âJa, uwe majesteit,quot; zeide hij met een opwelling van bitterheid, âhet is heden mijn feestdag, want het is heden de verjaardag mijner verloving.quot;
Hij keerde zich om en naderde weder den koning, die zijne hand greep en hem naar zijne gemalin en de prinsessen bracht, terwijl hij met luider stemme zeide: âBegroet den prins van Pruisen, dames!quot;
Toen wenkte hij eenige zijner generaals en trad met hen in eene vensternis terug. Maar terwijl hij zijne gemalin voorbij ging, rustte zijn oog op haar met de uitdrukking van nieuwsgierige deelneming, zag hij haar aan met het
70
onderzoekende oog van een arls, die het vvondijzer in do bloedende wond laat zinken, om hare diepte en haar gevaar te berekenen.
De koningin gevoelde zeer wel de beteekenis van dezen blik, zij begreep zeer wel, dat de koning baar met dezen blik wilde vermanen tot standvastigheid, tot moedig verduren, tot trotsche gelatenheid. O, de koning had ten minste met zijne oogen tot haar gesproken. Dat was toch een troost, eene smartelijke zoete vreugde!
Zij kon er daarom toe komen, den prins August Wilhelm met een bijna verheugd lachje^e hand te reiken.
âWees mij welkom in uwe dubbele hoedanigheid,quot; zeide de koningin luid genoeg, om door ieder, ook door den koning gehoord te worden. âTot heden waart gij voor mij een geliefde broeder, en thans wordt gij voor mij, wat gij ook voor mijn gemaal zijt, een zoon! Want daar mij door den wil des Hemels een zoon geweigerd is, ^ neem ik met vreugde u daartoe aan, en begroet u als mijn zoon en mijn broeder!quot; â Een diepe stilte volgde op deze woorden. Hier en daar zag men een flauw spottend lachje over de gelaatstrekken zweven, fluisterde men elkander eenige geheimzinnige, beteekenisvolle woorden toe. â Terwijl de koningin in den bloei van hare jeugd en schoonheid, de vernedering moest dulden, van ongeschikt geacht te worden, aan den troon een opvolger te kunnen schenken, wilde zij ten minste den schijn redden. Zij wilde aan de wereld doen gelooven, dat het slechts âde wil des Hemelsquot; was geweest, die haar de eer en de waardigheid van het moederschap had onthouden, zij had den gruwzamen moed, hare vernedering onder eene leugen te verbergen. â Maar de loerende oogen der hovelingen hadden reeds lang het geheim van dezen koninklijken echt doorzien; zij wisten reeds sedert lang, dat de koningin niet de gemalin van haar gemaal was, en het was daarom, dat hare woorden eene zoo spottende verwondering, eene zoo algemeene verbazing opwekten.
Maar Elisabeth Christine sloeg daar geen acht op; zij zag op tot haar gemaal, die zijne oogen op haar gericht had, en in wiens gelaat zij nu wilde lezen, of hij over hare woorden tevreden was. Een zacht lachje speelde om de lippen des
1) De eigen woorden der koningin.
71
konings, en onmerkbaar boog hij het hoofd om zijne gemalin te groeten. â Nu ging er als het ware een heldere zonneschijn over haar gelaat, en eene uitdrukking van stralend geluk blonk in hare blikken. Het was heden de tweede maal, dat hare blikken die van haar gemaal ontmoet hadden, en beide keeren hadden zijne blikken tot haar gesproken!
De koningin gevoelde zich daarom heden zoo vroolijk en gelukkig, als zij het in lang niet geweest was. Zij lachte en schertste met de dames, die bij haar waren, en onderhield zich met haar over de gebeurtenis, die nog heden avond moest plaats hebben, over het eerste optreden van signora Barberina.
Intus.schen ontving de prins August Wilhelm de geluk-wenschen van het hof, die hij evenwel slechls droefgeestig lachend en met koele, onverschillige woorden beantwoordde. Vervolgens, nadat de plechtigheid voorbij was, lostte het schitterend hofgezelschap zich in enkele groepen op, die keuvelend, schertsend en lachend zich hier en daar verdeelden, terwijl de beide koninginnen zich tot het spel hadden nedergezet.
Ook de prinsessen onderhielden zich ongedwongen en vroolijk met de dames, die evenwel meenden te bemerken, dat het voorhoofd der jongste prinses bewolkt was en deze zich in eene ongewone, geprikkelde stemming bevond. Toen nu de opper ceremoniemeester von Pöllnitz met den Zweed-schen gezant, den graaf Tessin, haar naderde, namen hare trekken eene zoo donkere, toornige uitdrukking aan, dat zelfs de heer von Pöllnitz nauwelijks den moed had, haar den graaf voor te stellen.
âO, gij komt uit Zweden, mijnheer!quot; riep Amalia, toen de voorstelling had plaats gehad. âZweden is een akelig, naar land, en gij hebt verstandig gehandeld het te verlaten en u naar ons zonnig en vroolijk Duitschland te begeven.quot;
De Zweedsche gezant zag haar verwonderd aan. âNoemt uwe koninklijke hoogheid dat verstandig?quot; vroeg hij. âGij betreurt dus hen, die in mijn vaderland leven?quot;
âIk geloof niet, dat het noodig is den heer graaf Tessin daarover mijne meening toe te vertrouwen,quot; zeide Amalia kort en bits lachend.
âMaar zuster, dit is wel noodig,quot; riep de prinses Ulrika met een betooverend lachje. âGij moet u rechtvaardigen
72
tegenover mijnheer den graaf, want gij hebt zijn schoon vaderland aangevallen quot;
âO, uwe koninklijke hoogheid verwaardigt zich mijn vaderland beter naar waarde te schatten,quot; zeide de graaf, zich diep buigende. âVoorzeker, Zweden is rijk aan schoonheden, en nergens is de natuur romantischer en tevens liefelijker. Daarom wordt het ook zoo zeer door alle Zweden bemind, dat men van hen gelijk van de Zwitsers kan zeggen: zij sterven van heimwee, als zij verre van hun vaderland zijn, zij vergaan van smart, als iemand wreed genoeg is, hun vaderland gering te schatten.quot;
âNu, mijnheer! Ik ben zoo wreed,quot; riep Amalia, âenik denk niet, dat gij daarom van smart vergaan zult.quot;
âGij zijt heden zeer slecht geluimd, zuster!'' zeide prinses Ulrika zacht.
âEn gij zeer wijs, mij daarop in echt schoolmeesterlijken stijl opmerkzaam te maken,quot; riep Amalia. âMen zou denken, dat mijne zuster de rol van gouvernante bij mij op zich genomen had.quot;
Ulrika trok de schouders op en keerde zich weder tot den graaf Tessin, die met een mengeling van verbazing en ergernis die jonge prinses beschouwde, welke men aan het Zweedsche hof, als een toonbeeld van zachtmoedigheid, beminnelijkheid en bevalligheid had afgeschilderd, en die hij nu zoo onheusch en gemelijk, zoo kinderachtig luimziek vond.
Intu^schen verstond prinses Ulrika het, aan de gedachten van den graaf zeer spoedig eene andere richting te geven, en hem in een geestig, pikant gesprek aan zich te boeien. Zij liet alle vonken van haar vernuft schitteren, zij was minzaam vriendelijk, zij matigde haar trotschen aard tot eene innemende zachtaardigheid, en wist den graaf op zulk eene slimme wijze te vleien, dat hij slechts in het aangename genot, dat hem geheel vervulde, de werking van dit betoo-verende voedsel der ijdelheid ondervond, zonderbaar bestaan gewaar te worden.
Noch de prinses, noch de graaf schenen meer te letten op de kleine Amalia, die met een verdrietig gelaat naast hen stond. â Van dit oogenblik maakte de heer von Pöll-nitz gebruik, om haar met zijn beschermeling, den jongen heer von Trenck, te naderen en haar dezen voor te stellen.
73
Amaliu's gelaat nam nu eene vroolijke, lachende uitdrukking aan. Zij wilde den Zweedschen gezant eene nieuwe proef van haai- luimziek, wispelturig karakter geven, zij wilde hem beleedigen, door hem te bewijzen, dat zij niet jegens elkeen zoo hard en gemelijk was.
Zij ontving daarom de beide heeren met een vriendelijken groet en lachte met hen over het zeldzpme avontuur van dezen morgen, terwijl zij hun op eene vroolijke en schertsende wijze de aanleiding verhaalde, waarom zij de rozen had weggeworpen.
Zij was nu zoo schoon en bekoorlijk om te aanschouwen, zij schitterde zoo door jeugd, beminnelijkheid en onschuld, dat de arme jonge officier zijn oogen als verblind naar beneden sloeg, en geheel verward en ontsteld zich slechts met enkele woorden in het gesprek mengde.
Dat ontging niet aan het loerende oog van den opperkamerheer. âIk zal mij terugtrekken,quot; dacht hij, âik zal hun eerst een têfe-d-tête voorbereiden, en terwijl ik hen uit de verte gadesla, zal ik kunnen nagaan, of mijn plan gelukken kan.quot; â En zich met zijn dienstplicht verontschuldigend, trok zich de heer von Pöllnitz terug, om vervolgens in eene vensternis te sluipen en achter eene gordijn verborgen, de gelaatstrekken van beiden gade te slaan.
Hij had juist opgemerkt. De noodzakelijkheid om nu meer aan het gesprek met de prinses deel te nemen, gaf den jongen officier zijn moeden zijn levendigheid weder( en bij de poging, om zijne blooheid te onderdrukken, nam zijn wezen misschien eene hartstochtelijke oprechtheid, eene te vurige uitdrukking aan.
Maar prinses Amalia gaf daar geen acht op. Zij dacht er slechts aan, den Zweedschen gezant te doen zien, hoe vroolijk en beminnenswaardig, hoe vriendelijk en innemend zij tegenover anderen kon zijn, ten einde hem des te beter te doen opmerken de onheusche houding, welke zij tegenover hem aannam.
De graaf sloeg haar wel gade, terwijl hij zich met prinses Ulrika onderhield. Hij zag haar aanmoedigend lachje, hare schitterende oogen, hare misschien een weinig te vergedreven vriendelijkheid jegens dien jeugdigen officier met wien zij sprak.
âZij is grillig en behaagziek,quot; zeide hij in zich zeiven,
74
terwijl hij zijn gesprek met de geestige, slimme en echt meisjesachtige prinses Ulrika voortzette.
De groote en, gelijk gezegd is, een weinig te ver gedreven vriendelijkheid der prinses, maakte intusschen den jongen oflicier steeds hartstochtelijker en stoutmoediger.
âIk moet uwe koninklijke hoogheid om eene gunst verzoeken,quot; zeide hij nu met gesmoorde stem!
âLaat hooren, mijnheer,quot;antwoordde zij, terwijl een zeldzame, onverklaarbare angst haar hart luider deed kloppen en haar het bloed naar de wangen dreef.
âIk heb het gewaagd, eene der rozen, die uwe koninklijke hoogheid in den tuin wierp, op te nemen. Het was een misdadige diefstal, ik weet het, maar een betoovering spoorde mij aan, terwijl ik het deed, en ik zou haar in dat oogenblik met vreugde met mijn bloed betaald hebben. O, zoo uwe koninklijke hoogheid wist, met welk een verrukking ik deze bloem heb beschouwd, toen ik eindelijk alleen op mijne kamer was, waarvan ik de deur achter mij gesloten had, hoe ik er voor knielde, om haar te aanbidden, het nauwelijks wagende met mijne lippen deze bloem aan te raken, die mij aan een lievelingssprookje mijner kindsheid herinnerde !quot;
âHoe! herinnerde deze bloem u aan een sprookje?quot; vroeg Amalia. âVertel mij dat sprookje, want gij moet weten, dat ik nog zoo kinderachtig ben, om van sprookjes te houden.quot;
âHet is het sprookje van den armen herdersknaap, die eenzaam en verlaten onder een boom op den weg was ingeslapen, terwijl hij vooraf God gebeden had zich over hem te ontfermen en die troostelooze leegte van zijn hart te vullen, of hem door den dood van de eenzaamheid zijns harten te verlossen. Toen hij echter ingeslapen was, had bi] een wonderlijken droom Het was hem, alsof de hemel zich boven hem opende, en eene engelengestalte van tooverachtige liefelijkheid en schoonheid tot hem nederdaalde, en hem aanzag met oogen, die als bemelsche sterren schitterden. Gij zult niet meer eenzaam zijn, fluisterde de gestalte, want mijn beeld zal in uw hart wonen, en u aanvuren en aanmoedigen tot al wat schoon en goed is. En terwijl zij dat zeide, legde zij eene wonderbare roos op zijne oogen, vervolgens zweefde zij weder omhoog en verdween in den hemel. De arme
75
heniersknaup ontwaakte, nog zeer ontsteld, over heigeen hij meende gedroomd te hebben. Daar vond hij de roos, en terwijl hij haar juichend aan zijn hart drukte, dankte hij God voor dit teeken, dat hem bewees, dat wat hem in verrukking bracht, geen droom, maar werkelijkheid geweest was. De roos, het zichtbare teeken van zijn engel, werd de troost en de vreugde zijns levens, en hij droeg haar steeds op zijn hart. â Aan dit sprookje, prinses, dacht ik, toen ik mijne heerlijke roos aanbiddend beschouwde; maar ik gevoelde tevens, dat ik mij deze niet zonder toestemming van uwe koninklijke hoogheid mocht toeëigenen. Prinses, spreek dus nu het vonnis over mij uit! Mag ik deze roos behouden?quot;
Prinses Amalia antwoordde niet. Zij had hem met eene zeldzame, nimmer gevoelde beklemdheid, met eene zoete huivering aangehoord! Zij had alles vergeten, alles! Zij was niet meer de prinses, zij was slechts een jeugdig meisje, dat voor de eerste maal de vurige taal der hartstocht vernam, en wier hart daarom in zoeten schrik, in eene zalige beangstheid terugbeefde.
âPrinses, mag ik deze roos behouden?quot; herhaalde Fre-derik von Trenck met eene zachte, sidderende stem.
Zij. zag tot hem op, hunne blikken ontmoetten elkander. Het jonge meisje beefde en eene rilling ging door al hare leden. De jongeling echter richtte zich hooger op, hij gevoelde zich trotsch, machtig en sterk. Zijne blikken waren als die eens adelaars, die op het punt staat, het lam met zich naar de hoogte te ontvoei'en!
âHij gaat te ver, waarlijk hij gaat te ver,quot; fluisterde de heer von Pöllnitz, die alles gezien, en uit het gelaat van beiden hunne woorden en gedachten gelezen had. ,.Ik moet aan dit téte-a-tête een einde maken, en ik wil het op eene krachtdadige wijs doen!
âMag ik deze roos behouden?quot; vroeg Frederik von Trenck voor de derde maal.
Amalia wendde haar hoofd af en fluisterde: âBehoud haar!quot;
Trenck wilde antwoorden, toen plotseling eene hand op zijn schouder gelegd werd en de heer von Pöllnitz naast hem stond.
âStil,quot; fluisterde hij schielijk en angstig. âZiet gij dan niet, dat men u gadeslaat! Ach, gij zult maken dat uwe
*
76
waanzinnige en misdadige hartstocht nog heden het sprookje van het geheele hof wordt.quot; Amalia stiet een flauwen gil uit en zag von Pöllnitz vol angst en ontzetting aan. Zij had zijn gelluister verstaan, en de sluwe baron wist dat zeer wel.
âUwe koninklijke hoogheid,quot; fluisterde hij tot haar âgeef dien heethoofd zijn afscheid en laat het aan mij over, zijn verstand weder met koude omhulsels op te wekken.quot;
âGa, heer von Trenck,quot; zeide Amalia zachtjes.
Pöllnitz nam den arm van den jongeling en trok hem met zich mede, terwijl hij juichend in zich zei ven zeide: âDe slag was zeer goed aangelegd en mijn plan zal gelukken. Ik heh aan haar zijn hartstocht verraden en mij terstond tot haar vertrouwde verklaard. Zij zal mij spoedig als -postillon iïamour gebruiken, en dat is bij prinsessen altijd een winstgevend ambt. 0, koning Frederik! gij wildet het mij onmogelijk maken, geld teleenen! Nu, ik zal dat misschien niet noodig hebben, ik zal met volle handen uit de koninklijke kas putten, want als de kas der prinsessen ledig is, zal de koning die weder moeten vullen!quot;
En de heer von Pöllnitz lachte zoo luid, als het nauwelijks voor een opper-ceremoniemeester paste.
VIII.
SIGNüRA BARBERINA.
Terwijl beide heeren zich verwijderden, zag prinses Amalia hen met peinzende blikken na en behoefte gevoelende alleen te zijn om ongestoord te kunnen mijmeren, wilde zij zich juist verwijderen, toen prinses Ulrika, denZweedschen gezant nog meer bewijzen van de luimen barer zuster willende laten zien, haar tot zich riep en tot haar zeide; âGij moet scheidsvrouw zijn in een geschil tusschen mij en den heer gezant, indien deze u ten minste tot scheidsvrouw aanneemt.quot;
Graaf Tessin boog zich en zeide: âHet zou voor mij ongetwijfeld een groote eer zijn, als de prinses die genade wilde hebben. Misschien zou ik ditmaal gelukkiger zijn tegenover de prinses, dan.quot; â
77
âHet schijnt mij,quot; viel Amalia hem koel in de rede, âdat gij tegenover een prinses van Pruisen nimmer meer gelukkig of ongelukkig kunt zijn.quot;
Terwijl zij zich nu tot hare zuster wendde, wierp zij haar een blik toe, alsof zij vroeg: ânu, speel ik mijne rol niet meesterlijk? Haast ik mij niet, uwe raadgevingen te volgen?''
âLaat nu hooren, zuster,quot; zeide zij. âWaarin waagt de heer gezant het u tegen te spreken?quot;
âO, hij heeft wel recht zulks te wagen, want hij is een man en een geleerde,quot; zeide Ulrika met een hetooverend lachje. âWij twisten, wie grooter geweest is, koningin Elizabeth van Engeland, of koningin Christina van Zweden. Ik beweer, dat Christina een krachtiger, mannelijker geest was, dat zij beter hare luimen wist te overwinnen en hare vrouwelijke zwakheden te beheerschen, dat zij eene grondiger wetenschappelijke beschaving had, en niet gelijk Elizabeth de wetenschap slechts begunstigde om daar mede te schitteren, maar uit de innige behoefte om van haar te leeren. Mijnheer de graaf meent echter, dat Elizabeth eene beter staatkundige en eene meer beminnenswaardige vrouw is geweest. Verklaar u thans, zuster. Aan welke dezer koninginnen geeft gij den voorrang?quot;
âNu, zonder twijfel aan koningin Christina van Zweden,quot; zeide Amalia. âDeze vrouw bezat verstand genoeg, de kroon van Zweden voor geen benijdenswaardig kleinood te houden; zij wilde zich liever in armoede en onbekendheid terugtrekken en als eenvoudige vrouw in het schoone Italië leven, dan als koningin in het koude ongastvrije Zweden blijven. Dat was inderdaad zeer wijs van deze verstandige koningin en gij hebt ten volle gelijk, zuster, koningin Christina was de grootste vrouw, juist omdat zij ophield, koningin van Zweden te zijn.quot;
Zoo sprekende boog de prinses nauw merkbaar haar hoofd en keerde zich toen om, om mevrouw von Kleist tot zich te wenken, en met haar een levendig en vroolijk gesprek aan te vangen.
De Zweedsche gezant zag haar met donkere, toornige blikken na, en drukte zijne lippen spijtig opeen, als om een uitroep van gramschap te bedwingen.
âIk bid u, heer graaf,quot; zeide Ulrika zachtjes en vriendelijk.
78
bekommer u niet om de onheusche woorden mijner kleine lieve zuster. Zij is van daag een weinig ruw en onvriendelijk, dat is waar, maar gij zult zien, morgen heeft zij wellicht haar vroolijken en zonnigen dag weder, en is zij onweerstaanbaar beminnenswaardig. Dat wisselt altijd zeer spoedig bij haar af, en wij noemen de prinses daarom altijd onze kleine Aprilfee.quot;
âZoo, prinses Amalia is dus luimziekgelijk April?quot;vroeg de gezant met een koel lachje.
âNog erger dan April,quot; riep Ulrika lachend. âMaar 't is hare schuld niet, heer graaf, wij allen, hare broeders en zusters zijn er de schuld van. Want gij moet weten, dat wij haar verwend hebben, en dat zij ons aller lieveling is. Ik raad u dus niet boos te ziin op mijn dierbare kleine zuster, want dan zoudt gij ons allen beschuldigen. Gij hebt heden een regenbui van haar Aprilluim ontvangen, maar het is mogelijk, dat gij u morgen reeds weder in den vollen zonneschijn van hare gunst kunt koesteren.quot;
âIk zoude toch bang zijn, dat te beproeven.quot; zeide de graaf koel, âwant uwe koninklijke hoogheid weet, dat op den zonneschijn van April ook licht weder regen en storm volgt, en zulk een verandering van luchtsgesteldheid maakt soms erg verkouden.quot;
âSta mij een verzoek toe,quot; zeide pi'inses Ulrika half luid. âLaat den koning niet merken, dat gij reeds een weinig door dit Aprilweder hebt geleden.quot;
âZeker niet, prinses, en als uwe koninklijke hoogheid mij slechts wil veroorloven, mij nog een weinig in den zonneschijn van uwe nabijheid te verkwikken, zal ik spoedig weder van die kleine regenbui van het Aprilweder genezen zijn.quot;
âNu, ik geloof, dat wij beiden onze rol goed hebben gespeeld,quot; zeide Ulrika in zich zelve, toen zij in den loop van den avond, gedurende de Fransche tooneelvoorstelling tijd vond, een weinig over de gebeurtenissen van dezen dag na te denken. âAmalia zal haar doel bereiken, en geen koningin van Zweden worden. Zij heeft het zoo gewild en ik heb mij dus niets te verwijlen.quot;
En prinses Ulrika leunde weder gemakkelijk in haar leuningstoel en vestigde hare opmerkzaamheid opnieuw op de tooneelspelers, die heden den Oedipus van Voltaire voor het eerst opvoerden.
79
De voorstelling had, zoo als gezegd is, plaats, op het kleine tooneel in liet koninklijk paleis. Want er was geen schouwburg in Berlijn, en het groole en afgelegen opera-gebouw was met recht door den koning ongeschikt verklaard lot opvoering van het drama.
De koning, die anders gewoon was deze voorstellingen met gespannen oplettendheid te volgen, scheen evenwel heden onrustig en ongeduldig te zijn, en volgde dit pikante en geestige drama van zijn lievelingsschrijver niet met die aandacht, die men van hem gewoon was.
Het kwam daardoor, dat de koning wachtte. In zijn koninklijken hoogmoed had hij zijne ongeduldige nieuwsgierigheid in zoover kunnen beheerschen, dat hij het begin der voorstelling geene enkele minuut vroeger dan anders bevolen had; ook was hij niet, gelijk voorheen wel eens, reeds voor het begin der opvoering achter de schermen gegaan, om eenige opwekkende en vriendelijke woorden tot de tooneelspelers te richten, of hen te vermanen, deze of gene zijner geliefde plaatsen bijzonder goed en kunstmatig voor te stellen. Thans echter, thans wachtte de koning; thans voelde hij een koortsachtig ongeduld, om eindelijk die gevierde schoonheid, die veel bewonderde kunstenares te zien, en eindelijk met eigen oogen te aanschouwen, of deze signora Barberina werkelijk dat betooverende wezen was, dat verdiende, zoo door de geheele wereld gevierd te worden.
Eindelijk viel het gordijn na afloop van het eerste bedrijf. Nog weinige minuten, en het gordijn moest opnieuw opgaan en men zou eindelijk deze signora Barberina in eene van hare beroemde soli zien dansen. Ademlooze stilte heerschte in de zaal; aller oogen waren strak op het gordijn gericht; ieder wachtte met piinliik ongeduld naar het oogenblik, dat die zou opgaan.
Nu klonk eindelijk de schel. Het gordijn vloog in de hoogte. Men zag op het tooneel eene landelijke scène met eene door hutten omringde dorpskerk op den achtergrond, terwijl roze-struiken en bladerrijke boomen het geheel verfraaiden. De zon, op het punt van onder te gaan, bescheen de kruinen der bergen, waartegen het dorp lag; de in de verte zacht klinkende vesperklok scheen de hutbewoners tot het Ave Maria te roepen.
Het was een allerliefst beeld van landelijken vrede en
80
onschuldige eenvoudigheid der natuur, een beeld, dal zonderling afstak bij het schitterend hof, dat er zich tegenover bevond en zulk eene sterke tegenstelling van deze idylle voorstelde: daar lietelijke eenvoudigheid der natuur, hier kunstmatige opschik en tooi, bij het fonkelen van orde-teekens en brillanten.
En nu ging er als het ware een electrische schok door het geheele uitgelezen gezelschap. Daar op het tooneel was zij verschenen, daar zweefde zij, signora Barberina!
De koning, die zich in den beginne onwillekeurig een weinig in zijne fauteuil had opgericht, om de signora beter te kunnen zien, nam, beschaamd over ziin eigen ongeduld, weder plaats. Eene donkere wolk zweefde om zijn voorhoofd, en hij drukte zijne lippen, als uit misnoegdheid of toorn vast op elkander. De koning gevoelde zich bijna beangst en bedrukt door deze tooverachtige schoonheid, en hij, die reeds meer dan eens den dood moedig onder de oogen had gezien, en zonder te knipoogen zelfs de doodelijke kogels om zich had zien vliegen, hij ondervond nu een onbepaalde schrik, eene bange onbehagelijkheid!
Zij was schoon, tooverachtig schoon in die bekoorlijke en schilderachtige kleeding van eene herderin, in datdonkerrood atlasgewaad, met dat zwart fluweelen keurslijf, dat over hare schoone borst met gouden snoeren, waaraan kwasten van brillanten fonkelden, bijeen gehouden werd. Een krans van purperroode rozen tooide hare haren, die aan beide zijden van haar hoog, schoon voorhoofd in lange lokken af hingen, en het reine en volkomen ovaal van haar aangezicht als met een donker raam omvatten. Hare teedere wangen waren met een zachten rozenglans bedekt, waartegen het volle en donkere incarnaat van haar welgevulde, lieve lipjes des te sterker afstak. Wanneer zij lachte, was het gelijk eene heerlijke belofte van bedwelmend liefdesgeluk ; en als die groote, vurige, zwarte oogen ernstig zagen, dan lag daarin zulk een diepe en sterke hartstocht zulk een machtige, innerlijke gloed, dat men het gevoelde, dat deze vrouw hevig kon haten, maar ook gloeiend beminnen.
Nu echter wilde zij met hare blikken noch dreigen, noch opwekken. Zij was slechts het lachende, gelukkige landmeisje, dat vreugdedronken naar hare woning wederkeert, en hare verrukking nu eens in de fladderende dansen en
81
dan weder in stille rust, aanschouwing en mijmering uitdrukt.
Gelijk eene nimf vloog zij rond, lachend, vreugdedronken, wonderlijk te aanschouwen, in hare beminnenswaardigheid en schoonheid, bewonderenswaardig in hare kunstvaardigheid, die te grooter was, naarmate zij minder de zwarigheden liet vermoeden, die zij met zoo spelende vlugheid uitvoerde.
De dans was afgeloopen. Buiten adem, gloeiend en lachend, boog Barberina zich. Toen alles stil bleef, geene hand zich bewoog, geen geroep van goedkeuring weerklonk, liet zij hare groote, vurige oogen als eene dreigende vraag door de zaal bliksemen, en haar hoofd fier en trotsch in den nek werpende, trad zij terug.
Het gordijn viel en nu richtten zich aller oogen op den koning, op wiens gelaat men den indruk wilde lezen, dien de signora op hem had gemaakt. Maar het gelaat des konings was ondoorgrondelijk. Het was kalm en rustig peinzend; slechts op zijn voorhoofd zetelde eene duistere wolk, en zijne lippen waren een weinig vaster opeengeperst dan anders.
De hovelingen, die dat zagen, maakten daaruit de ontevredenheid des konings op, en begonnen dientengevolge hunne hoofden te schudden en elkander berispende aanmerkingen en uitroepingen van afkeer in te fluisteren.
De koning gaf daar geen acht op. Hij was op dit oogen-blik niet de heer en gebieder, hij was slechts een man; een man, die vol verbazing en in stille verrukking het goddelijke wonder der reine, vrouwelijke schoonheid voor zich zag openbaren. De koning, juist omdat hij een held was, beefde voor dit wonder, dat hij niet begreep en hem daarom met eene soort van schrik en ontsteltenis vervulde.
Het gordijn werd weder opgehaald en het tweede bedrijf van dit drama begon.
Niemand gaf er acht op, niemand had nu lust voor dit gesproken gedicht, nadat men eerst een levend, liefdo-ade-mend gedicht voor zich had gezien.
Iedereen was daarom blijde, toen het tweede bedrijf ten einde was en het gordijn viel, om spoedig weder voor den dans van Barberina op te gaan.
Maar dat geschiedde niet. Eene pauze begon, eene pauze vol verwachting en van eene doodsche stilte. De schel
Mühlbach, Frederik de Groote en zijn hof. III. 6
82
klonk niet, de gordijn ging niet op en thans naderde de baron ^on Sweerts, die juist van het tooneel kwam, den koning met een ontsteld gelaat.
âSire,quot; zeide hij zachljes, âsignora Barberina verklaart niet meer te kunnen dansen; zij is nog te zeer vermoeid van de reis, nog te zeer aangedaan door de veelvuldige gemoedsbewegingen.quot;
âGa en zeg haar, dat ik beveel, verder te dansen,quot; zeide Frederik, op een toon, waarin de koning luider sprak dan de man en die zich bijna gelukkig gevoelde, op deze toove-nares, die hem pas zoo geboeid had, thans vertoornd te kunnen zijn.
De heer von Sweerts ijlde weder naar het tooneel, maar spoedig keerde hij treurig en ter neder geslagen tot den koning terug.
âUwe majesteit, de signora verklaart, dat zij niet zal dansen, en dat de koning geene macht heeft, hare voeten te laten dansen, als zij niet willen.quot;
âO! dat is eene bedreiging!quot; zeide de koning op dreigenden toon en zonder verder een woord te zeggen, stond hij op en begaf zich snel achter het tooneel, gevolgd door den directeur des spectacles, den baron von Sweerts.
âWaar is zij?quot; vroeg de koning, toen zij zich achter het tooneel bevonden.
âSire, zij is in hare kleedkamer. Als uwe majesteit het beveelt, zal ik haar roepen quot;
âNeen, ik wil zelf bij haar gaan! Wijs mij den weg!quot;
En de koning liet den baron vooruitgaan, om tijd te hebben te bedaren en eene rustige en ernstige houding aan te nemen.
âSire, wij bevinden ons hier voor de kleedkamer der signora.quot;
âDoe open!quot;
Maar voor de baron nog tijd had, dit bevel te volvoeren, had de ongeduldige hand des konings de deur reeds open geduwd, en hij trad binnen.
83
IX.
DE KONING EN DE DANSERES.
Geheel in gedachten verzonken, rustte Barberina, half uitgestrekt op den kleinen, donkerrooden divan. Met over de borst gekruiste armen, als een Odaliske, hare vlammende, vuur schietende oogen op de binnentredenden gericht houdende, volhardde zij in hare trotsche onbeweeglijkheid, in hare onverstoorbare rust. Zij had den blik eens panters, die zich juist tot den sprong gereed maakt om zijn vijand te dooden of door hem gedood te worden.
De koning stond een oogenblik stil en wachtte. Maar Barberina bewoog zich niet.
Baron Sweerts, ontsteld door dit ongepast en oneerbiedig gedrag der danseres, wilde haar naderen, om haar te zeggen, dat het de koning was, die haar de genade van een bezoek bewees.
Maar Frederik wenkte hem, dat hij heen zou gaan, en ten einde niet door de signora te worden verstaan, zeide hij in het Duitsch: âGa heen, en wacht mij in den gang. Het is niet noodig, dat de signora weet, met wien zij te doen heeft.quot;
Baron Sweerts verwijderde zich meteenebuiging; toen hij echter de deur van het kleine vertrek achter zich wilde sluiten, zeide de koning op gebiedenden toon: âLaat de deur open!quot;
Barberina lag daar nog steeds onbeweeglijk, ha i e groote, donkere oógen waren onderzoekend van den eenen heer op den anderen gevestigd geweest, zij had uit hunne gelaatstrekken de beteekenis dier woorden trachten te lezen, die zij niet verstond; maar zij deed dat zonder eenigen angst, zonder de minste verlegenheid; zij gevoelde zich volstrekt niet als eene schuldige, eene oproermaakster, maar zij had het gelaat eener strenge koningin, die eene, van haar afgesmeekte gunst niet wil toestaan.
De koning kwam nu dicht bij haar; haar oog vestigde zich met een onuitsprekelijk ernstige rust op zijn gelaat, en dit, den koning zoo ongewoon gezicht, maakte hem bijna verlegen, terwijl het hem te gelijker tijd vermaakte.
84
âGij hebt dus vast besloten, heden avond niet meer te dansen?quot; vroeg de koning.
âVast besloten,quot; zeide zij met hare uitnemend schoone stem.
âWees op uwe hoede!quot; riep de koning, met eene stem, waaraan hij niet vermocht die dreigende uitdrukking te geven, als hij wel wenschte. âDe koning zal u weten te dwingen!quot;
âMij dwingen! Mij, Barberina!quot; zeide zij met een spottend lachje, waardoor twee rijen schoone tanden zichtbaar werden. âEn hoe zal de koning het aanleggen om mij tot dansen te dwingen?quot;
âWel! Gij zult toch wel overtuigd zijn, dat de koning een weinig macht over u heeft, daar hij u gedwongen heeft hierheen te komen!quot;
âJa, dat is waar!quot; riep de signora, terwijl zij zich eenigs-zins uit hare rustende houding oprichtte. âHij heeft mij gedwongen hier te komen! Hij heeft mij behandeld als een barbaar, als een gevoellooze dwingeland!quot;
âSignora,quot; riep de koning dreigend, âzoo spreekt men niet van een koning.quot;
âEn waarom niet?quot; vroeg zij driftig. âWat is mij aan uw koning gelegen? Waardoor heeft hij mijne liefde, mijne achting, zelfs mijne gehoorzaamheid verdiend? Wat heeft hij voor mij gedaan, dat ik hem anders, dan als een ruwen dwingeland kan beschouwen? Wat kan voor mij, die zelve eene koningin ben, en geloof mij, eene trotsche, fiere koningin, wat kan voor mij deze koning zijn, dien ik niet ken, dien ik nooit gezien heb, en die tegenover mij vergeten heeft, dat ik eene vrouw ben en hij een man is, al is hij koning! Een echt koning mag tegenover eene dame altijd slechts de ridder zijn, als hij niet wil, dat de vrouw hem zal verachten.quot;
âO, gij veracht den koning dus?quot; vroeg Frederik, wien dit ongewone tooneel werkelijk vermaakte.
âJa, ik veracht, ik haat hem,quot; riep de démseres met eene woeste, vurige uitbarsting, haar zuidelijk karakter eigen. âIk bid God niet meer om mijn geluk, want dat heeft deze wreede koning vernietigd, ik bid God nog slechts om wraak, om vergelding aan dezen man, die de harten van andere menschen onder zijn voeten vertreedt, omdat hij zelf geen hart heeft. En God zal mij bijstaan, opdat ik mijn doel
85
moge bereiken en mij op dezen man wreken. Ik heb het gezworen en ik zal woord houden! Ga heen en zeg dat aan uw koning! Zeg hem, dat hij voor Barberina op zijne hoede zij. Grootmoediger en oprechter dan hij, waarschuw ik hem, hoewel hij mij, listig, des nachts, ongewaarschuwd, door politie-agenten heeft doen overvallen, en als eene misdadige hier heen heeft laten slepen.quot;
De koning vond dit tooneel te kluchtig om het reeds te doen eindigen. Het was voor hem, den koning, die slechts gewoon was, de stem der goedkeuring, der bewondering en der vleierij te hooren, een zeer vreemd gevoel, zich zoo streng te hooren berispen en honen.
âEn vreest gij niet, dat de koning kwaad zal worden, als ik hem uwe woorden herhaal?quot; vroeg hij.
âVreezen? Wat kan de koning mij nu nog doen, dat ik vreezen zou? Hij is een koning, maar ik, ben ik niet eene koningin? Hij bezit slecht een klein stukje land van deze wereld, die de mijne is, die mij toebehoort, zooals zij ook den adelaar toebehoort, die in stoute vlucht door het luchtruim zweeft. Hij kan beschikken over millioenen, maar hij moet ze uit de zakken van zijne onderdanen nemen en hij heeft daartoe vele ambtenaren noodig, die van het volk het geld nemen, dat het niet dan met weerzin geeft, terwijl mijn volk het mij juichend en met liefde brengt. Ziet gij die twee kleine voeten, dat zijn mijne beambten, en zij zijn mij voldoende, om de schattingen van mijn volk, en dat zijn alle menschen, die in Europa wonen, in te vorderen, dat zijn mijne wrekers, die mij voldoening zullen verschaffen van uw barbaarschen koning!quot;
Niet zoo zeer door het spreken, als wel door innerlijken hartstocht uitgeput, zonk zij weder op het kussen en haalde diep adem. De koning zag haar verbaasd aan, zij was voor hem, gelijk een pas ontdekt, nimmer gezien kunststuk, welks aanschouwing eene zekere verwondering wekt en waarbij men door den grootschen indruk verstomt. Hare huiten-gewone schoonheid, haar geestig uiterlijk, hare onbeteugelde hartstochtelijkheid, hare trotsche oprechtheid, dat alles maakte op hem een ongewonen en betooverenden indruk. Zij kon voortgaan, den koning te beschimpen en hem wraak te zweren, de koning hoorde het niet! Niet de koning was daar, maar slechts de man, en nog wel een
86
man, die bijna vertoornd op den koning was, dat Barberina recht had, hem haat toe te dragen, dat de koning werkelijk tegenover haar had vergeten, dat zij eene vrouw en hij een ridder was.
âJa,quot; herhaalde Barberinanu, en eene schoone uitdrukking van zegepraal teekende zich af op hare trekken, âja mijne kleine voeten zullen mijne wrekers zijn. De koning zal ze nooit meer zien dansen; hij, die om mij, duizenden heeft opgeofferd, die met de edele republiek Venetië om mijnentwil twist heeft gezocht, hij zal mij nooit weder zien dansen! O, het is zeer gemakkelijk eene provincie te onderwerpen, maar het is onmogelijk eene vrouw, eene kunstenares, te onderwerpen, als zij niet onderworpen wil zijn!quot;
De koning lachte. âGij wilt niet voor hem dansen, en toch hebt gij het heden reeds gedaan.quot;
âZeker heb ik dat,quot; zeide zij, haar hoofd fier opheffende. âIk heb den koning getoond, dat ik eene kunstenares ben, want eerst als hij dat zal moeten erkennen, kan het hem smarten, mij nooit weder te zien dansen.quot;
âO, inderdaad, dat is eene wel bedachte berekening!quot; riep de koning met fonkelende oogen, âGij danst om den koning te doen dorsten naar nieuw genot, en het hem dan te ontzeggen. O, men moet eene Italiaansche zijn, om dat te bedenken!quot;
âEn, ik ben eene Italiaansche, en wee mij, dat ik het ben!quot; riep zij, en een stroom van tranen vloeide plotseling uit hare oogen. Maar dat duurde slechts een oogenblik. Zij wischte, toornig over hare zwakheid, de tranen uit hare oogen, of onderdrukte ze. âArme Italiaansche,quot; zeide zij toen bedaard en zacht, âwat wilt gij hier in dit koude Noorden, bij die bevroren harten, die met hun ijskouden lach de schoonheid en de kunst doen verstijven. O, te denken, dat Barberina niet in staat was, de ijskorst van hun hart te doen smelten, te denken, dat zij hare kunst voor hem ten toon spreidde en zij het aanzagen met stomme lippen en onbeweeglijke handen! Zie, dat is een smaad, die mij in Italië gedood zou hebben, omdat ik mijn volk bemin en omdat het de kunst verstaat; een smaad, die mij in Duitschland echter slechts met de diepste verachting en bitteren spot vervult!quot;
âO, zijt gij daarom boos!quot; riep de koning bijna verheugd.
87
âMen heeft u niet toegejuicht, men heeft u geen bravo's laten hooren!quot;
âLacht gij daarover?quot; zeide zij, terwijl zij hera een bliksemstraal harer oogen toeslingerde. âGij weet dus niet, dat die toejuichingen en die bravo's voor den kunstenaar zijn, wat de klank der trompet, voor het vurige strijdros is? Dat bedwelmt, dat verrukt, dat doet het hart opzwellen van moed en kracht. Als de kunstenaar op het tooneel staat, is de zaal, die hij voor zich . heeft, zijn hnmel, waar zijne rechters zitten, om hem, of do eeuwige gelukzaligheid te schenken, of tot de eeuwige verdoemenis te veroordeelen, om hem, of de onsterfelijkheid van den roem, of den smaad en de verachting eener nederlaag toe te kennen. Nu dan, mijnheer, als ik u zeg, dat voor ons, kunstenaars van het tooneel, deze met toeschouwers gevulde zaal, de hemel met zijne rechters is, zult gij begrijpen, dat het gejuich en het bravo-geroep voor ons hemelsche muziek is!quot;
âDat begrijp ik,quot; zeide de koning lachend. âMaar voor dezen keer moet gij toegevend zijn, want de étiquette verbiedt hier het applaudisseeren. Gij hebt hier gedanst voor een publiek, dat genoodigd was, en niet voor een publiek, dat betaalt en zich daardoor het recht verworven had goed of afkeuring te kennen te geven. Niemand mag hior applaudisseeren dan de koning!quot;
âO, en deze man heeft het niet gedaan,quot; riep zij, terwijl zij hare tanden vast opeen drukte, en hare kleine gebalde vuisten dreigend ten hemel hief.
âMisschien was het slechts de verrukking, die hem deed verstommen,quot; zeide de koning, zijn hoofd bevallig neigende. âAls hij u weder ziet dansen en meer tot rust is gekomen, zal hij u misschien toejuichen.quot;
âMisschien,quot; herhaalde zij schouderophalend. âIk zal mij aan dat âmisschienquot; niet meer blootstellen. Ik heb mijn voet bezeerd! De koning kan mij niet dwingen te dansen.quot;
âNeen, hij kah u daartoe niet dwingen, maar gij zult het vrijwillig doen, gij zult nog heden vrijwillig voor hem dansen!quot;
Barberina lachte, maar met zulk eene woeste, duivelachtige uitdrukking, dat het meer de uitdrukking der ver-wensching dan der vroolijkheid was.
âGij zult nog heden voor den koning dansen,quot; herhaalde
88
Frederik, en zijn koen, vlammend oog vestigde zich op Barberina, die hem fier aanzag en driftig ontkennend haar hoofd schudde.
âGij zult dansen, omdat gij anders verloren zijt, omdat de koning u misschien zou kunnen straffen voor uw tegenstand. De koning is geen blauwbaard, hij doodt geene vrouwen, hij werpt ze niet in onderaardsche gevangenissen, en heeft geen folterkamer voor haar gereed, want de koning van Pruisen, dien gij zoo geweldig haat, heeft het folteren in zijne staten verboden, het folteren, dat in uw schoon Italië, naast de mirten-en oranjeboschjes, in den weligsten bloei staat. Neen, signora, de koning zal u, als gij in uwe trotschheid blijft volharden, niet straffen, maar liij zal u wegzenden, dat is alles!quot;
âEn dat is alles, wat ik wensch en van het noodlot afsmeek!quot;
âWie weet, signora! Want gij, die eene schoone vrouw zijt, gij die eergierigheid bezit en den roem voor hegeerens-waard houdt, gij zult uw roem niet willen verliezen, uwe eerzucht niet smadelijk teleurgesteld, uwe schoonheid gelasterd en uwe kunst verdacht willen zien.quot;
âEn ik zie niet in, hoe al deze vreeselijke dingen zouden kunnen geschieden, omdat ik in Berlijn en voor den koning niet meer wil dansen!quot;
âGij zult dat terstond inzien, signora, hoor slechts. De koning is, wat men ook overigens van hem moge zeggen en denken, toch altijd een man, op wien Europa de oogen gevestigd houdt, al is het,quot; voegde de koning er meteen vriendelijk lachje en eene lichte buiging bij, âdat hij niet juist zijne oogen op u gericht heeft. De stem des konings heeft eenig gewicht in de wereld gekregen, al heeft hij tot nu toe nog slechts provinciën en geene vrouwen veroverd. Men heeft er wel op gelet, dat de koning zulk een onweder-staanhaar verlangen had om u te zien en te bewonderen, dat. hij juist daarom de ridderlijke galanterie een weinig op zijde zette en op de vervulling aandrong van uw contract, door uwe eigene schoone hand onderteekend! Het was misschien, gelijk gij zegt, niet ridderlijk, maar het was toch ten minste billijk! Gij hebt hem moeten gehoorzamen, gij zijt naar Berlijn gekomen, niet vrijwillig, dat stem ik toe, maar gij hebt heden voor den koning gedanst, en dat hebt
89
gij vrijwillig gedaan. Dat was, van uw standpunt beschouwd, eene groote fout. Want nu kunt gij niet meer zeggen; âIk wil niet voor den koning dansen, omdat ik mij wil wreken,quot; en hoe slim en wel overlegd gij ook dit dansen wilt verontschuldigen, men zal u geen geloof schenken, als de koning zijne stem tegen u verheft. En geloof mij, dat zal hij doen! Hij zal zeggen: ik heb Barherina laten komen, om te zien, of de geheele wereld kinderachtig en waanzinnig is, of dat Barherina werkelijk die geestdrift, die bewondering verdient, die de geheele wereld voor haar koestert. Welnu, ik heb haar zien dansen, en ik vind, dat de wereld dwaas is en geef haar beur afgodsbeeld terug, omdat ik het niet wil hebben, omdat het voor mij slechts een houten namaaksel, niet de godin zelve is, omdat ik Terpsichore wilde aanbidden, en daarvoor slechts haarkameniertje kreeg. Ik heb Barberina weder laten gaan, omdat ik haar eens heb zien dansen, en daarom geen lust had, mij eene tweede keer bij hare sprongen en kuren te vervelen!quot;
âMijnheer!quot; riep Barberina dreigend, terwijl zij zich met zwoegenden boezem en vlammende oogen uit hare rustende houding oprichtte.
âDat zoude de koning zeggen,quot; ging de koning bedaard en al lachende voort, âen daar de koning, zoo als gij weet, eene tamelijk krachtige stem heeft, zoude men deze woorden des konings door geheel Europa hoorenweergalmen. Men zou dus niet gelooven, dat gij nii;t hebt willen dansen; maar men zal denken, dat gij niet hebt mogen dansen; men zal zeggen, dat gij den koning niet bevallen zijt en tot bewijs daarvoor zal men aanvoeren, dat de koning, toen gij voor hem hebt gedanst, niet heeft toegejuicht en u geen enkel bravo heeft toegeroepen, in één woord, men zal zeggen: dat gij uitgefloten werdt, dat gij fiasko gemaakt hebt.quot;
Barberina was opgesprongen, en met onnavolgbare bevalligheid hare hand op den arm des konings leggende, zeide zij met eene verwonderlijke ontroering:
âVoer mij op het tooneel, ik wil dansen. O, deze koning zal mij niet overwinnen, zal mij niet ten gronde richten! Hij heeft mijn levensgeluk vernield, maar mijn roem zal bij niet dooden! Neen, ik zal hem dwingen, Barberina toe te juichen, ik zal hem dwingen, mij eene kunstenares te noe-
90
nen. Zeg den directeur, dat hij alles in gereedheid laat brengen, ik zal terstond op het tooneel komen! Ik zal dansen.quot;
Zij had gelijk, den kunstenaar vroeger te vèrgelijken bij een strijdros. Op dit oogenblik geleek zij betten volle; zij had de krijgstrompet, die tot den strijd, tot den roem roept, gehoord, hare wangen gloeiden, hare neusgaten openden zich wijd, een koortsachtig gekuch steeg uit hare borst op, eene ongeduldige begeerte om te handelen, eene strijdlustige verwachting trilde door hare leden.
De koning zag haar aan met fonkelende oogen. Hij begreep de uitdrukking van haar gelaat; hij verstond haar sidderen en hare haast; hij begreep deze naar roem dorstende ziel, deze eerzucht, geprikkeld door de mogelijkheid eener mislukking. Haar moed verrukte hem; de waarheid en kracht, waarmede zij elk gevoel lucht gaf, boezemde hem achting in. En terwijl de koning aan deze innerlijke hoedanigheden van den geest hulde bracht, zagen de oogen van den man terstond, dat deze vrouw ook uiterlijk wel zijne hulde verdiende, dat zij schoon was, en nog wel de bekoorlijke, vrouwelijke, dartele en tegelijk zedige en kuische schoonheid bezat van de Venus Anadyomene, de uit de zee verrezen godin, kuisch bij dartelheid, onschuldigbij naaktheid.
âKom,quot; zeide de koning, âgeef mij uwe hand. Ik zal u op het tooneel brengen, en ik beloof u, dat de koning zal toejuichen!quot;
Ãarberina zeide geen woord. In het vuur van haar ongeduld drong zij den koning slechts vooruit naar de deur. Maar toen bleef zij staan, en terwijl zij den koning met een betooverend lachje aanzag, zeide zij: âMijnheer ik ben u zonder twijfel dank schuldig, want gij hebt mij gewaarschuwd voor een gevaar en voor een misstap behoed. Wel is waar, deedt gij zulks niet om mijnentwil, maar omdat uw koning bevolen had, dat ik dansen zou en dat gij mij zoudt overreden. Maar uwe overredingsgronden waren goed en hebben mij van een afgrond teruggehouden. Ik dank u en verzoek u, mij uw naam te zeggen, opdat ik dien, als de eenige goede herinnering aan dit Berlijn, in mijn geheugen kan bewaren.quot;
De koning lachte. âSignora,quot; zoide hij, âvan heden af zult gij mij een weinig verdienste en roem moeten toeken-
91
nen. Gij zeidet, dat het gemakkelijk is, provinciën te veroveren, maar dat het reuzenwerk is, eene vrouw tegen haar wil te onderwerpen. Welnu, thans zal ik misschien in uwe oogen een held zijn, want ik heb nu, niet slechts provinciën, maar zelfs eene danseres veroverd en overwonnen.quot;
Barherina verschrikte niet, evenmin legde zij bij deze woorden des konings verbazing of ontsteltenis aan den dag. Zij had reeds te veel vorsten en koningen aan hare voeten gezien, om nog verblind te worden door den glans der majesteit.
Zij liet slechts den arm des konings los, en terwijl zij zich diep boog, zeide zij bedaard en op vasten toon: âSire, ik verzoek niet om vergilfenis en genade, want gij ziet wel, dat de bezitter eener kroon die kroon op het hoofd moet dragen, als men ze zal zien en eerbiedigen; want de majesteit is iets, dat geene lichtstralen van zich geeft, als men haar onder sluiers verbergt. Ik zoude ook niet anders hebben gesproken, als ik den hoogen rang had gekend van hem, die mij de genade van zijne tegenwoordigheid schonk.quot;
âDaar ben ik van overtuigd!quot; riep de koning lachend.
âGij zijt een koningin,die den kleinen koning van Pruisen zeer laag schat, omdat hij zoovele ambtenaren behoeft, om zijne onderdanen het geld, dat hij noodig heeft, af te persen. Daarin hebt gij gelijk, mijne ambtenaren kosten mij veel geld en brengen weinig op, terwijl de uwe, u niet het minste kosten en zeer veel opbrengen. Kom, signora, opdat uwe beide ambtenaren hun ambt mogen beginnen!quot;
Hij gaf den baron von Sweerts, die buiten in den gang stond, een teeken, en zeide in het Duitsch tot hem; âDe signora zal dansen! Men moet haar eerbiedig behandelen en eenige oplettendheden voor haar hebben!quot;
Toen groette hij de danseres terloops en keerde in de zaal, naar de toeschouwers terug, waar men intusschen het derde bedrijf van Oedipus had afgespeeld.
Aller oogen vestigden zich op den koning, toen hij binnenkwam. Men verwachtte dien vurigen, verpletterenden bliksem in zijn oog te zien, die den koning, bij toorn eigen was; maar Frederiks gelaat was helder en vroolijk en eene onbeschijflijke uitdrukking van vrede en geluk sprak uit zijne trekken.
92
Hij nam weder plaats tusschen de beide koninginnen, terwijl hij tot Sophie Dorothea eenige woorden van verontschuldiging richtte en zijne gemalin meteen lachje begroette.
Arme koningin, arme Elisabeth Christine! Zij had den scherpen blik eener minnende en zij alleen las op het gelaat des konings, wat niemand, wat zelfs Frederik nog niet wist.
Terwijl aller oogen op het tooneel gericht waren, terwijl ieder met ademlooze verrukking, met eene geestdrift, die slechts door de aanwezigheid des konings weerhouden werd, den aan een wonder grenzenden dans van Barberina beschouwde, had de koningin steelsgewijs hare schuwe blikken slechts op het gelaat van haar gemaal gericht.
Zij zag niet, dat Barbei'ina in het vuur van hare eerzucht en hare hartstochtelijke natuur nu nog met meer volkomenheid, nog schooner danste dan te voren, dat zij de grootste moeielijkheden, als 't ware spelend met onnavolgbare bevalligheid overwon.
De koningin zag dit niet, maar zij zag het gelaat van haar gemaal, dat schitterde van innige voldoening en genot en gelijk een snijdend zwaard ging het door hare ziel.
Barberina had geëindigd! Zij trad weder naar voren en boog zich diep en groette hare doorluchtige toeschouwers. Maar nu had er iets buitengewoons plaats, iets, dat ten eenenmale met de étiquette streed en den opper-ceremonie-meester deed ijzen en ontstellen, âde koning juichte toe, niet gelijk een genadig koning, die slechts zachtjes zijne handen ineenslaat, de koning juichte toe gelijk een dweeper, die verrukt is en deze verrukking luide en met ophef aan de geheele wereld wil bekend maken. En terwijl Frederik zoo toejuichte, stond hij een oogenblik van zijne plaats op en keerde zich tot de achter hem staande prinsen, generaals en ridders.
âJuicht toe, mijne heeren,quot; zeide hij, en'alsof deze woorden het tooverformulier waren, dat de geboeide handen had vrijgemaakt, en de reeds op de lippen zwevende uitroeping van vervoering, die verstijfd was, weder had doen herleven, daverde de zaal nu van het daverend gejuich en het bravogeroep der verrukte aanschouwers.
Barberina boog andermaal en nog eens weder, en eene uitdrukking van zaligen triomf stond op haar schoon gelaat, dat gloeide door de hevige ontroering.
93
âIk zag nimmer schooner vrouw!quot; prevelde de koning, toen hij vermoeid weder in den leunstoel plaats nam.
Koningin Elisabeth Christine drukte hare lippen vast opeen, om den kreet van smart te weerhouden, die zich uit hare borst wilde verhellen. Zij had met het scherpe oor van eene beminnende vrouw de woorden des koning gehoord en hunne diepe beteekenis begrepen.
âHij zal haar beminnen, ik weet, ik gevoel het!quot; zeide zij in zich zelve, toen zij na dezen aan gebeurtenissen zoo rijken avond weder op haar eenzaam kasteel Schönhausen was teruggekeerd. âO, waarom heeft God mij dit nieuwe lijden, deze nieuwe vernedering opgelegd! Tot nu toe kon men mij beklagen, dat ik niet door den koning bemind werd, daar men zeide: De koning bemint geene vrouw! De koning heeft geen hart voor de liefde! â Vanaf heden zal men mij verachten, want de koning zal weder een hart hebben, hij zal zich weder bewust worden, dat hij geen grijsaard, maar een man van tweeëndertig jaar is: hij zal weder jeugdig worden, jeugdig van harte, jeugdig in de liefde! O, mijn God, en mijn hart zal ik moeten begraven onder den sluier van afgunst en gelatenheid.quot;
Terwijl de koningin aan God hare smarten en haar leed toevertrouwde, was graaf Tessin, de Zweedsche gezant, bezig, aan zijn koning zijne gramschap en zijne teleurstelling mede te deelen. Hij schreef aan zijn souverein en vertelde hem van de beleedigende woorden der kleine prinses Amalia, die aan het hof algemeen de kleine Aprilfee werd genoemd, ofschoon zij nog grilliger was dan April, en onstuimiger en minder terughoudend in hare gramschap dan koning Frede-rik zelf. Toen schilderde hij het zachtzinnig en innemend gedrag der prinses Ulrika, en deed aan zijn hof den voorslag, liever de aanminnige en edele prinses Ulrika, dan de woeste en stuursche Amalia te kiezen, tot gemalin voor den erfgenaam van den troon, Adolph Frederik, en hem te machtigen aanzoek om haar te doen.
En nadat mijnheer de gezant deze dépêche geëindigd en terstond door een koerier aan het reeds te Straalsund gereed liggende Zweedsche schip afgezonden had, zeide hij met een zegevierend lachje: âHa, ha, mijne kleine prinses Amalia! Dat is ten minste eene koninklijkestraf voor uwe konininklij-ke grilligheid. Het behaagde u heden, mij te beleedigen.
94
maar gij dacht niet, dat ik mij voor deze beleediging zou wreken daar ik u eene koningskroon doe verliezen!quot; ^
Men ziet, dat zelfs de heeren diplomaten soms bedrogen kunnen worden.
X.
ECKHOF.
Welk een schitterenden opgang het Fransche tooneel en het ballet aan het hof te Berlijn maakten, heeft de lezer in de voorgaande hoofdstukken gezien. Voor de Italiaansche opera en het ballet was een prachtig gebouw opgetrokken, voor het Fransche drama had men in het koninklijk paleis zelfs een tooneel opgericht, en als de Italianen zongen en de Franschen dansten of komedie speelden, geschiedde dat altijd in de tegenwoordigheid van de groot-waardigheidbe-kleeders van den staat on van de aanzienlijkste adellijke familiën. Men had voor de opera de beroemdste zangers en zangeressen van Italië, voor het ballet de vermaardste dansers en danseressen uit Parijs laten komen, en dit ballet was zulk eene gewichtige en belangrijke zaak, dat de koning zelf het niet beneden zich achtte, openlijk tegen den laat-dunkenden balletmeester Potier, als recensent en criticus in de Haude- und Spenersche Zeitung op te treden en âartikelenquot; te schrijven, die waarlijk door hunne scherpte en hun bijtenden spot, zeer weinig op dealtijd lof toezwaaien-de, altijd tevredene, bloemrijke artikelen van onze tegenwoordige critici geleken. Den koning was deze verguizing van den armen, kleinen balletmeester zoo ernstig gemeend, dat hij zelfs aan zijne gezanten bij de buitenlandsche hoven bevel gaf, zijn artikel te doen vertalen en in de buitenlandsche dagbladen te laten plaatsen.
Terwijlde koning de vreemde kunstenaars met zijne genade en zelfs met zijne gramschap vereerde, en om hunnentwil
11 Vergelijk de Haude- und Spenersche (toen Rödereche) Zeitung. Jahrgang 1743. No. 102. Verder Lettres de Fr. a Mr. Jordan.
95
er zich somtijds toe vernederde dagbladschrijver en criticus te worden, was het Duitsche tooneel gelijk een verwaarloosd stietkind, tot ellende en gebrek veroordeeld, moest het in duistere vertrekken en armoedige schuren eene schuilplaats zoeken. Het moest blijde zijn, als het slechts geduld werd, als men het veroorloofde voor zijn bestaan te kampen, en ten minste Apollo en de Muzen om de gunst en den bijstand te smeeken, dien de koning en zijn hof, zoowel als de zoogenaamde heau monde, het weigerde.
Maar dit stiefkind, het Duitsche tooneel, droeg onder zijne verwaarloosde kleedij toch reeds het schitterende gewaad ü van zijne toekomstige grootheid. De slimmere stiefzusters hadden wel de armoedige en onbekende asschepoester kunnen verstoeten, maar haar dooden, haar de toekomst ontnemen, dat konden zij niet. Onder haar schamel gewaad droeg zij gouden kleederen, en zij had slechts een gelukkig toeval noodig, om het stof van haar hoofd te doen verdwijnen, en de daaronder verborgen koningskroon te doen zichtbaar worden.
Zulk een gelukkig toeval was het, dat de koning aan het gezelschap van Schonemann had veroorloofd, naar Berlijn te komen en daar voorstellingen te geven; zulk een gelukkig toeval was het weder, dat dit gezelschap van Schonemann uit Luneburg den jongen tooneelspeler Eckhof had medegebracht, Eckhof, dien het gelukken zou, ook het Duitsche tooneel in eere te brengen, en dien men met recht den eersten en grootsten tooneelspeler van Duitsch-land kan noemen.
Maar hoeveel ellende en vernedering, hoeveel bedwongen tranen, hoeveel verdriet, smart en zorg, hoeveel honger en dorst lag toen nog in het woord : een Duitsch tooneelspeler!
Waarlijk, men moest een bedorven man of een genie, een wanhopige of een enthousiast zijn, om Duitsch tooneelspeler te willen worden. Het beteekende, zijn schepen achter zich te verbranden en alles te moeten winnen, omdat men niets meer te verliezen had.
Niet slechts de godsdienst, ook de kunst had van de vroegste tijden af hare martelaars gehad, en zulke martelaren der kunst waren ten tijde van Frederik de Groote de Duitsche tooneelspelers.
Zegen over hen, die evenwel niet versaagden, maar moe-
96
dig het kruis op zich namen, en leed en smaad verdroegen, ter wille van de kunst.
In de koninklijke zalen praalde het Fransche theater en de Italiaansche opera, het Duitsc.he tooneel moest eene toevlucht zoeken in de gehuurde zaal van het raadhuis te Berlijn. Als in eene zee van licht schitterde bij de voorstellingen der vreemde kunstenaars het koninklijk operagebouw, welks verlichting iederen avond 2771 thaler kostte (^, een karig licht verspreidden daarentegen de walmende olielampen van het Duitsche theater in de gehuurde zaal van het raadhuis. Daar ging men heen in schitterende koetsen, getooid met brillanten en ordekruisen; naar het Duitsche tooneel begaf men zicli op bescheidene wijze, te voet, eenvoudig gekleed, geene lakeien met fakkels stonden in de voorzalen, geen vurige rossen stampvoetten op de nauwe en duistere plaats, geen vergulde wagens wachtten op hunne meesters; het publiek, dat naar het Duitsche tooneel ging, was noch rijk, noch aanzienlijk genoeg, om fakkeldragers en equipages te kunnen betalen, hoogstens bediende het zich op den terugweg van eene lantaarn, waarmede de meid hare mevrouw voorlichtte, als deze, in de pas aangelegde Dorothea- of Mittelstrasse wonende, misschien vreesde, daar in de diepten en plassen der ongeplaveide straten en pleinen te verzinken.
Het publiek van het Duitsche theater bestond uit de burgers, de geleerden en dichters, de ambtenaren en bankiers, uit die lieden van den middelstand, die op hunne hoeden geene witte vederen mochten dragen (1), en die wel tot de koninklijke maskeradefeesten in de operazaal toegang hadden, maar door eene in de zaal gespannen koord van het hof gescheiden waren.
Deze lieden van den middelstand, deze beschaafde burgerij, die nog zoo machteloos en onbeduidend scheen, maakte evenwel reeds toen, gelijk nu, eene macht uit; want ook toen reeds was, zooals nu, de openbare meening hare dochter, eene trotsche onafhankelijke dochter, die zich door geen vleien, door geene schijnheiligheid der grooten liet om'coo-pen, maar zoowel over den koning als over den bedelaar,
1
König, Schilderung von Berlin. Vol. V, pag. 330.
97
over den kunstenaar als over den veldheer het vonnis uitsprak.
En deze openbare meening had gezegd, dat Eckhofeen groot tooneelspeler, een kunstenaar was, die het gerust kon wagen, met de tooneelspelers van het Fransche gezelschap te wedijveren, dat hij Oedipus enTartuiïe, den Cid en den Vrek, met dezeltde kunstmatige volmaaktheid wist voor te stellen, als monsieur Denis van het Fmnsc/ic gezelschap dit kon. â En daar de openbare meening, ofschoon de dochter van den burgerstand en het volk, evenwel overal toegang heeft, en zelfs in de zalen der grooten en de kabinetten der vorsten gehoord wordt, sprak men in geheel Berlijn van den üuitschen tooneelspeler, die het wilde wagen, metdeFran-schen te wedijveren, van den koenen directeur Schonetnann, die zich verstoutte, telkenmale als op het koninklijk slot door het Fransehe gezelschap een der drama's van Corneille of Racine, van Voltaire of Molière gegeven was, den volgenden avond datzelfde stuk in het Duitsch vertaald in de zaal van het raadhuis op te voeren. Dit was eene zeer goede, juist op de nieuwsgierigheid der menschen berekende speculatie. Zij, die zoo gelukkig waren geweest de groote dichtwerken op het koninklijk paleis te zien opvoeren, wilden zich het genoegen niet ontzeggen, die welgelukte en schitterende voorstellingen der Franschen met deze, naar hunne rneening armzalige en caricatuurachtige voorstellingen der Duitschers te vergelijken. Zij, die door hun minder voornamen stand de voorstellingen in het koninklijk slot niet konden bijwonen, wilden toch ook die drama's zien, die den koning en het hof in verrukking brachten, en daar zij het oorspronkelijke niet konden genieten, moesten zij met het namaaksel tevreden zijn, even als die hongerige bedelaar, die voor de deur der keuken postvatte, moesten zij zich vergenoegen met den reuk van het gebraad, dat zij niet genieten konden.
Maar, er was nog een derde klasse van lieden, eene klasse, die niet uit spotlust en uit nieuwsgierigheid en ijdele zucht tot navolging het Duitsch theater bezocht, maar met het vaderlandlievend gevoel van Duitscher en met de toen nog tamelijk hersenschimmige hoop, een Duitsch tooneel te zien verrijzen. Het waren de geleerden, die het Fransehe drama uit den grond van hun hart verachtten, en die een der Mühlbaoh, Frederik de Groote en zijn Hof. III. 7
08
hoogdravende drama's van Gottsehed oneindig schooner dichtst uk vonden, dan een treurspel van Corneiile of Racine ; het waren de Duitsche patriotten, die bij een opvoering van den Malade imaginaire van Molière geen spier zouden hebben vertrokken, maar den Hypochondrist van Quistorp voor een buitengewoon krachtig en geestig drama vorklaar-den, kortom al die lieden, welke atkeerig waren van al wat Fransch was en hunne sympathie voor het vaderland, hun tegenstand tegen het Fransche aan den dag wilden leggen.
Dit waren dus de elementen, waaruit het publiek van het Duitsche tooneel was samengesteld en die het theater in de zaal van het raadhuis tot den tegenstander van het tooneel in het koninklijk paleis hadden gemaakt.
Het was op een der avonden, dat de Duitsche toonee-listen eene voorstelling gaven, toen twee jongelieden gearmd over het slotplein gingen en hunne schreden naar de Kur-fürstenbrücke richtten,
De een dezer beide jongelingen is ons reeds bekend, het was Joseph Fredersdorf, de vroolijke student uit Halle, de dartele broeder van den geheim-kamerheer, die hem had opgedragen, voor de duivelbezwering een zwarten bok te verschaften. Overeenkomstig dit bevel zijns broeders, was hij vertrokken om dit wonder te zoeken, terwijl nog tien andere medeleden van het geheime bondgenootschap zich tot hetzelfde doel op reis hadden begeven. Joseph Fredersdorf, dien het geluk of zijne eigene handigheid scheen begunstigd te hebben, was de eerste geweest, die terugkeerde, en hij had inderdaad een bok medegebracht, aan wiens ruig vel het scherpste gezicht geen wit haartje zou hebben kunnen ontdekken.
Alles aan dezen duivelbezweerder was zwart, zells de oogappel was van eene donkere kleur en zoo groot, dat als hij zijn oog verdraaide, niet het kleinste randje van de witte hoornachtige huid zichtbaar werd. Fredersdorf, zoowel als de heer von Kleist, de echtgenoot der schoone Louise von Schwerin, waren gelukkig over deze vondst, die zij evenwel met een paar honderd daalders betaald hadden (^, die echter nog maar een zeer geringe rente uitmaakten van het kapitaal, dat deze bok hun zou opbrengen. Fredersdorf en Kleist
(1) Thiébault. Vol. III, pag. 330.
m
waren de voorzitters van dit geheime goudmakersverbond, dat intusschen onder zijne medeleden vele lieeren van den hoogsten adel, vele generaals, officieren en ambtenaren telde.
Fredersdorf wilde goud maken uit hoogmoed, om zich te kunnen loskoopen van zijnen dienst bij den koning en de vrouw te huwen, die hij beminde; de heer von Kleist wilde goud maken uit spilzucht, in de overtuiging dat de wereld zeer laf en vervelend was, als men haar niet met goud eenige lachjes en wat vreugde konafkoopen. En mijnheer von Kleist had daartoe veel geld noodig, evenveel, als zijne schoone gemalin, die hem ten minste daarin eene trouwe gezellin was geweest, dat zij hem dapper had biigestaan in liet doorbrengen van hun vermogen, zoodat zij nu beperkt waren tot het niet al te schitterend inkomen, van een kapitein bij de koninklijke garde.
Joseph Fredersdorf was, zoo als gezegd is, eerst sedert eenige dagen van zijne reis te Berlijn teruggekeerd in ging nu met een jong mensch over het slotplein naar de Kur-fürstenbrücke. Hij lachte, keuvelde en schertste luide, terwijl zijn jeugdige begeleider bedeesd en met nedergeslagen oogen naast hem ging en telkens van schrik bloosde, wanneer Joseph nu eens een aardig dienstmeisje, dat liun tegen kwam, in het voorbijgaan met de hand onder de kin streelde en dan weder een net gekleed burgermeisje nieuwsgierig onder de groote zijden kap keek.
Joseph zag zulks, en deze bedeesdheid van zijn jongen geleider maakte hem buitengewoon vroolijk.
âWaarlijk,quot; zeide hij lachend, âals ik niet dien brief van mijn vriend uit Halle in den zak had, waarin gij mij als een (linke, ferme knaap aanbevolen zijt en waarin gij een zeer geleerden kop, een toekomstig licht der wetenschap genoemd wordt, als ik^ dien brief, dien waarborg voor uw mannelijkheid en geleerdheid niet had, zou ik gelooven, dat gij een verkleed meisje zijt. Gij bloost, als eene julïer en zijt zoo bedeesd als een lammetje, dat nog nooit van de borst zijner moeder is afgeweest.quot;
âIk ben een arme provinciaal, uit eene kleine stad,quot; zeide de jongeling lachend en met eene slem, die inderdaad een weinig te teeder en te meisjesachtig klonk. Uwe groot-steedsche manieren verrassen mij en boezemen mij te gelijkertijd eerbied in. Ik bewonder u, maar ik kan u niet
100
navolgen, want ik ben nu eenmaal een kluizenaar, een ongezellig student en een boekenwurm.quot;
âEen geleerd monster!quot; riep Joseph lachend. âEenjong mensch, die alles weet en kent, behalve de kunst het leven te genieten. Ziet gij, daarin kan ik, dien gij in zoo veel opzichten overtreft, u nog les geven en waarlijk daar mijn vriend u zoo dringend aan mij heeft aanbevolen, wil ik u thans onderrichten in mijne wetenschap, in de wetenschap van het levensgenot.quot;
âIk vrees,quot; zeide de jongeling treurig, âdat dit eene wetenschap is, die ik niet kan begrijpen, omdat men in mij nimmer de organen daartoe heeft ontwikkeld. Mijn vader, een geleerd geneesheer te Quedlinburg, zoude het mij zeer ten kwade duiden, als ik mij met andere dingen wilde bezig houden, dan met de wetenschap en ik zelf heb daartoe zoo weinig neiging en geschiktheid, dat ik reeds terugbeef bij de gedachte mijne boekenwereld te verruilen voor eene menschenwereld, wier spraak ik ter nauwernood versta en wier manieren mij vreemd zijn.quot;
âMaar zonder twijfel zijt gij toch naar Berlijn gekomen, om dat alles een weinig te leeren ?quot;
âNeen, ik ben hier gekomen, om de geneeskundige inrichtingen en den geleerden en beroemden heer Euler te bezoeken.quot;
âOnzin!quot; riep Joseph lachend. âBespaar uwe studiën, voor Halle, en bestudeer hier een weinig datgene, wat men in Halle volstrekt niet leeren kan, namelijk het genoegen. Ik beloof ,u, dat ik daarin uw getrouwe makker en raadgever wil zijn. Terstond zullen wij met onze studiën een aanvang maken; ziet gij dit kleine affiche, dat daar op den muur is geplakt? Pxkhof zal heden als Cato optreden! Laat ons naar den Duitschen schouwburg gaan!quot;
âNaar den schouwburg!quot; riep de ander ontsteld. âWat! zou ik naar den schouwburg gaan T'
âEn waarom niet, mijn beste heer Lupinus?quot; vroeg Joseph verwonderd. âBehoort gij misschien tot de vromen, die den schouwburg een verblijf der ondeugd en der zonde noemen, en onzen edelen koning lasteren, omdat hij deze huizen niet sluit, maar er misschien nog meerdere wil doen openstellen?quot;
âNeen, tot de vromen behoor ik niet,quot; zeide de jonge Lupinus met een flauw lachje. âIk dien God, terwijl ik er
101
naar streef, zijne werken te erkennen en Hem in zijn meesterstuk, den mensch te begrijpen. Dat is mijn geheele godsdienst.quot;
âEn deze verbiedt u, naar het mij toeschijnt, niet, den schouwburg te bezoeken en daar gij de menschen een meesterstuk Gods gelieft te noemen, beloof ik u, dat gij daar een der schoonste exemplaren zult zien. Eckbof speelt heden avond!quot;
âEckhof! Wie is EckhofT'
Joseph zag don jongeling verbaasd aan en haalde verachtelijk lachend de schouders op. âMen heeft u werkelijk verwaarloosd,quot; zeide hij, âen het was hoog tijd voor u, dat gij bij mij kwaamt! Gij weet dus niet, dat Eckhof de eerste Duitsche tooneelspeler is, die het heeft gewaagd, de hand te slaan aan de oude gewoonten van den heer Gottsched en in plaats van poppen, menschen op het tooneel te laten spreken en bewegen ? Kom, vriend, nu zullen wij stellvj naaiden schouwburg gaan en zie maar, hoe allen naar do donkere lage poort van dat gebouw dringen. Laten wij eerbiedig onze hoeden afnemen, mijnheer, want hier staan wij voor den tempel der kunst, voor den Duitschen schouwburg. Laat ons binnentreden en aanbidden!quot;
Hij trok den jongeling, die niet meer vermocht te weerstreven, naar binnen, naar het bureau, waar lieden van eiken stand en ouderdom zich verdrongen, om toegangsbewijzen te krijgen.
,.Het is heden eene voorstelling ten voordeele van Eckhof,quot; zeide Joseph, toen zij door den langen, donkeren gang gingen, die naar de plaats voerde, voorde toeschouwers bestemd. âGij ziet, hoe veel vereerders de tooneelspeler heeft, want naar het mij toeschijnt is heden half Berlijn gekomen om hem de schatting van een betaald biljet en een bravo te-brengen.quot;
De jonge Lupinus antwoordde hem niet. Hij nam zwijgend naast Joseph plaats op eene dier houten banken, die achter elkander geplaatst waren, en den bezoekers van het parterre ten minste het gemak eener zitplaats, evenwel zonder leuning, verschaften. Rondom langs de wanden der zaal en eenigszins verheven, waren vierkante, uit ruwe planken bestaande en van boven opene kasten aangebracht, die men den hoogdravenden titel van loges had gegeven. Tegenover het tooneel duidde eene met eenvoudige draperién behangen,
102
en van boven met een vergulden adelaar versierde tribune 'de loge des koningsaan, die evenwel nog nimmer door den koning of door een ander lid der koninklijke familie bezocht was. Aan beide zijden dezer koninklijke loge bevonden zich twee kleine, donkere, met groene, eenvoudige gordijnen voorziene loges, die bestemd waren voor het gevolg der koninklijke familie, of om die heeren en dames van den hoogen adel op te nemen, die de zonderlinge luim mochten hebben, ook eens bet Duitsche theater te willen bezoeken, eene luim, waarvan evenwel slechts weinig voorbeelden konden aangehaald worden.
Maar terwijl deze koninklijke loges daar boven^ ledig stonden, verdrong de menigte zich beneden in het parket en het parterre en menig o! en ach! en menige angsten jammerkreet klonk uit deze dicht opeengedrongen men-schenmenigte, die voor de beide smalle deuren naar de plaatsen voor de toeschouwers op en neder golfde.
âGij treft het heden gelukkig, inderdaad, zeer gelukkig, mijnheer,quot; zeide Joseph lachend tot zijn geleider, âdat Eckhof nu juist de Cato speelt, want, behalve dat dit zijne beste rol is, moet het u, die een geleerde zijt, toch goeddoen, hem in een drama van den geleerden Gottsched en in een karakter uit de eeuw der geleerden te zien optreden.quot;
âMaar wat een caricatuur zal deze potsenmaker van den wijzen en edelen Cato hebben gemaakt!quot; zuchtte de jonge Lupinus, medelijdend de schouders ophalend.
âGij zijt een pedant, op wien de muzen zich,naar ik hoop, nog heden zullen wreken,quot; riep Joseph half toornig, half vroolijk. âGij zult zien, dat gij nog heden avond een vurig bewonderaar van Eckhof wordt, want dat is gewoonlijk de straf voor groote afkeerigheid, dat zij in groote toegenegenheid moet veranderen. Als gij een meisje waart, zoude ik zeggen: gij zult Eckhof hartstochtelijk beminnen, want gij zijt bijna reeds begonnen hem te haten!quot;
Joseph had dit gezegd, zoo geheel zonder erg en zonder er acht op te geven, dat hij niet bemerkte, wat een diepen indruk deze woorden op zijn makker hadden te weeg gebracht. Als door plotselingen schrik aangegrepen, huiverde deze, en liet zijn door een hoogen blos gekleurd gelaat op zijne borst zinken, zonder, naar het scheen, kracht tot een antwoord te kunnen vinden.
103
Joseph, zooals gezegd is, bemerkte dit niet; hij zag slechts dal het scherm juist werd opgehaald en het stuk begon.
Eene ademlooze stilte heerschte in de zaal, aller oo-gen waren op het tooneel gericht, waar juist met deftigen tred, de Romeinsche toga in schilderachtige plooien over de schouders geslagen, Eckhof als Cato verschenen was. Inderdaad, men kon geen meer volkomen beeld van een ouden â Romein hebben gezien, dan Eckhof voorstelde. Dij edele en te gelijkertijd trotsche houding, die statige, afgemeten stap, die langzame en toch ongedwongen bewegingen, zelfs de vorm van zijn hootd, de uitdrukking van zijn edel, scherp geteekend gelaat; daarbij, dit streng naar het antieke voorbeeld gekozen gewaad, die roode over het krachtige been vastgesnoerde sandalen, het dooiden lederen gordel bijeen gehouden witte onderkleed, waarover de blauwe toga geslagen was, de snede van zijn haar, alles was bij hem antiek, alles stelde den edelen Romein der oudheid, den zoon der vrijheid voor, vol adel en grootheid.
Eckhof was de eerste geweest, die den moed had gehad, de scheppingen der dichtkunst voor te stellen in de kos-tumen van hunnen tijd, de eerste die het gewaagd had, deze scheppingen het gewaad der onnatuurlijkheid af te rukken en op hare eigene voeten te plaatsen, om gelijk menschen te handelen en te spreken, eenvoudig en met den voor iederen toestand gepasten hartstocht. Eckhof deed voor het Duitsche tooneel datgene, wat Talma (1) omstreeks twintig jaar later voor het Fransche tooneel deed. Dat men Talma geen navolger van Eckhof kon noemen, kwam daardoor, dat Eckhof maar een Duitscher was en dat het Duitsche drama nooit, het allerminst in dien tijd, de deelneming en belangstelling der andere volken kon verwerven.
Eckhof speelde den Cato; in ademlooze stilte luisterde de ⢠in verrukking en verbazing verzonken menigte, en slechts somtijds gaf deze geestdrift zich lucht in een luiden uitroep, baande de bewondering zich een weg door eene korte, da-
1
Francois Joseph Talma (1766â1826), de grootste tooneelspeler van zijn tijd, later zeer bevriend met Napoleon.
104
verende toejuiching. Dan werd echter alles weder stil; ieder zag en luisterde met gespannen oog en oor naar het verbazende, even edele, als aan de natuur getrouwe spel van den grooten kunstenaar, die tintelend van bezieling, zich zeiven geheel vergat in zijne rol, nauwelijks zelfde verbeelding van de werkelijkheid wist te onderscheiden,die voor zich zeiven had opgehouden Eckhof te zijn, omdtit hij geheel gevoelde en dacht gelijk Gato.
âVindt gij niet, dat Eckhof heden verrukkelijk schoon speelt?quot; vroeg Joseph in vervoering aan zijn geleider, toen hij juist na het einde van een bedrijf door daverend geroep en gejuich het zoo ver had gebracht, dat Eckhof zich aan het publiek vertoond en nog een donderend salvo van goedkeuring had ontvangen.
De jonge Lupinus antwoordde hem niet; hij zag nog onafgewend naar het tooneel, hij had slechts ziel, adem en gehoor voor hetgeen daar voorviel. De geheele wereld, het geheele tegenwoordige was voor hem een holle klank en als in een nevel verdwenen. Eene nieuwe wereld omzweefde hem met heilige vleugelen; de oudheid, die aangebeden oudheid, waaraan hij lange jaren van studie, van gepeins en moeite had gewijd, waaraan hij dikwijls zijne nachtrust, de aan zijne jeugd ten dienste staande genietingen had opge-olferd, zij was voor hem nu tot eene werkelijkheid geworden. Hij, die daar op het tooneel stond, was niet Eckhof, het was Cato; dat was geen van planken opgeslagen tooneel, het was het Romeinsche forum, het was de voorhof des tempels, of het door de Laren geheiligde woonhuis. Meteen zaligen blik en in stomme verrukking beschouwde deze uit het studeervertrek plotseling in het leven getreden jongeling, al dit nieuwe, ongehoorde, dat om hem voorviel en wonderlijke denkbeelden en eene nimmer te voren gevoelde verrukking deed zijne borst zwellen.
Er was dus, behalve die wereld der boeken en der geleerdheid, nog eene andere wereld, eene wereld van kunst, vroo-lijkheid, vreugde en levensgenot. Hoe effen werd nu dat voorhoofd, reeds zoo vroeg oud geworden door studie en nachtwaken; welk eene gelukkige bezielde uitdrukking verscheen plotseling op het gelaat, dat door boeken-geleerdheid dat eens grijsaards geleek! En wat was het, dat plotseling dit hart, dat tot nu toe in trage rust, zonder zelf bewust-
405
zijn, als verstijfd was geweest, zoo heilig deed kloppen en liet bloed sneller door de aderen joeg?
Een sluier was als het ware van zijne oogen gevallen; alles om hem heen was nu leven, licht, vreugde en verrukking, en met bevende lippen en een stillen traan, zeide hij in zich zeiven; âIk wil leven! Ik wil jong zijn! Die wijze man zal mij helpen en bijstaan! Tot hem zal ik mij wenden, hij zal mij raden en ik zal zijn raad volgen, als eene heilige wet.quot;
âHebt gij niet gezegd, dat gij den wijzen Cato kent?quot; vroeg de jongeling, uit zijne droomen ontwakende, plotseling aan zijn vroolijken buurman.
âCalo?quot; antwoordde hem deze. â1'edoelt gij daarmede dit drama van Gottsched, den vervelenden Cato der oudheid of Eckhof die heden voor Calo speclltquot;
âZoo, heet hij dus Eckhof!quot; prevelde de jongeling stil. âHij heet Eckhof!quot;
Toen verzonk hij weder in zijn vorig stilzwijgen, slechts ademende, slecht levende voor hetgeen o[) het tooneel voorviel.
De voorstelling was geëindigd, het scherm viel voorde laatste maal. Thans gaf de zoo lang weerhouden geestdrift, de zoo lang tot zwijgen veroordeelde verrukking, zich lucht. Alles juichte, alles riep, alles klapte in de handen, ieder was vervuld van de blijde voldoening, vreugdestralend van genot.
Alleen de jonge geleerde Lupinus zweeg, zijne oogen alleen stonden vol tranen.
Misschien was hij evenwel de gelukkigste van allen en zijne tranen waren voor den kunstenaar grooter hulde, dan het goedkeurend gejuich der menigte.
Die menigte had slechts een kunstgenot, eene alleiding ot een genoegen gehad. Hij was in zijn eigen hart als uit het graf opgestaan; hij was van grijsaard, jongeling geworden; hij, die in de lang doorwaakte nachten van studie en onderzoek, slechts van den roem der geleerdheid, van de heerlijkheid der wetenschap had gedroomd, hij had nu plotseling wat nieuws ontdekt, iets, waarvan hij nimmer te voren een denkbeeld had gehad, hij had gevoeld, dat hij in zijn binnenste een harl omdroeg.
âNu is het beslist en bepaald,quot; zeide Joseph, toen zij,
106
gedrongen en geschoven door de massa, na liet einde der voorstelling weder op straat kwamen. âJa, nu heeft alle twijfel bij mij opgehouden. Ik houd op met de geleerdheid en de dorre studie. Ik laat aan u het boekenstol en de geleerde wereld over. Ik word tooneelspeler.quot;'
âZoo, tooneelspeler!quot;'riep de jonge Lupinus, als uit een droom ontwakende; en zijn arm, welke in dien van zijn geleider rustte, sidderde zoo hevig, dat deze beweging zich aan Joseph mededeelde!
âHoe? schrikt gij over mijne woorden?quot; zeide Joseph lachend. âMisschien veracht gij mij zelfs om mijn besluit! Maar wat deert mij dat alles! Ik wil kunstenaar worden en om hel spottend gelach der geleerden en het hoogmoedig schouderophalen der verstandige lieden bekommer ik mij niet meer. Ik wil tooneelspeler, een leerling van Eckhof worden! Lach nu maar, veracht mij dus, mijn zeer geleerde beer Lupinus, ik geef u daartoe verlof.quot;
âIk lach in bet geheel niet,quot; zeide Lupinus zacht en bedeesd. âIeder moet den weg bewandelen, aan welks eindpaal bij zijn ideaal denkt te vinden; en waarheen onze ziel ons drijit moeten wij gaan!quot;
âJuist, en dus zal ik naar Eckhof gaan!quot; riep Joseph, terwijl hij zijn vederhoed hoog in de lucht zwaaide.
âZult gij naar Eckhof gaan? Weet gij dan, waar hij woont?quot; vroeg Lupinus.
âWel zeker weet ik dat, zie maar eens, hoe dat trett. Hier staan wij juist voor zijne deur. Daar boven, op de derde verdieping, die twee verlichte vensters, dat zijn de vensters van Eckhofs woning.quot;
âHoe heet deze straat?'' vroeg Lupinus haastig.
âWat? Wat bekommert u dit? Of is mijne voorspelling misschien bewaarheid en zijl gij reeds opmijn groo-ten meester Eckhof verzot ? Neen, laat mijn arm niet los, ga niet vertoornd van mij heen; de Poststrasse is nog al ver van uwe woning, (lij zult verdwalen. Laten wij dus te zamen gaan, ik zal het niet meer wagen, zoo onbetamelijk met mijn geleerden heer te schertsen! Kom mede!quot;
âHij woont in de Poststrasse en heet Eckhof!quot; zeide Lupinus in zich zeiven, toen hij zwijgend aan Joseph's arm door de donkere straten naar zijne woning ging. âHij woont
407
in de Poslstrasse en heet Eckhol! Ik zal hem dus weten te vinden, en hij zal over mijn lot beslissen!quot;
XI.
EENE LEVENSVRAAG.
Des morgens na de voorstelling weerklonk in de anders zoo stille woning van Eckhof glazengerinkel en lustig gezang. De tooneelspeler gaf zijnen kunstbroeders een ontbijt. Hij wilde na de vermoeienissen een weinig methen uitrusten en van het leven genieten. Hij wilde aan de hongerige zonen der muzen en aan de gratiën een uur van genot en levensvreugde schenken en daar zijne beurs heden gevuld was, wilde hij ook de maag zijner vrienden vullen.
âDrinkt, weest vroolijk en verheugt u over het goede,quot; zeide hij tol zijne lustige gasten; âlaat ons voor eenige uren vergeten, dat wij arme, verachte, Duitsche tooneelspelers zijn, en laten wij ons verbeelden, dat wij behooren tot die hooggeëerde Fransche tooneelkunstenaars, dien men in Duitschland zoo gaarne goud, eer, aanzien en liefde ollert! De roemers hoog en drinkt met mij op het welzijn der Duitsche kunst!quot;
âNu op het welzijn van Eckhof!quot; riep een der vroolijke gasten, terwijl hij zijn glas omhoog hief. âJa, op het welzijn van Eckhof, den vader van de Duitsche tooneelspeelkunst. Want dat zijt gij vriend en tevens onze weldoener, want aan u hebben wij het te danken, dat wij sedert eenige maanden geen honger en dorst meer lijden, dat men begint, ook het Duitsche tooneel der beschouwing waardig te achten en ons soms niet meer als bedelaars, maar als kunstenaars te behandelen. Laat ons daarom allen klinken op het welzijn van onzen ridder, den grooten Eckhof!quot;
Zij hieven hunne glazen in de hoogte, klonken en juichten luide. Eckhof alleen werd bedroefd en stil en zijn groot vurig oog zag peinzend en in gedachten verzonken in de ruimte. Zijne vrienden bemerkten het en vroegen hem naar de reden zijner droefgeestigheid.
âIk ben in het geheel niet droefgeestig,quot; zeide Eckhof, âofschoon een Duitsch tooneelspeler daartoe^evenwel tamelijk
108
veel reden heeft. Maar ik heb mijne gedachten en mijne plannen en om u dezen mede te deelen, noodigde ik u heden. Gij zegt, dat ik uw weldoener ben en juist dat vervult nu mijn hart met weemoed erl zorg; want hoe ellendig en jammerlijk moet het gesteld zijn met de Duitsche kunst, als een beginner gelijk ik ben u reeds nuttig en behulpzaam kan zijn. Gij allen, mijne vrienden, zijt kunstenaars, en als ik u dat zeg, doe ik zulks uit overtuiging en niet uit ellendige vleierij. Kunstenaars zijt gij en nog wel grooter en van meer aanzien dan ik, gij hebt het slechts versmaad, uw kunstenaarstalent in het rechte licht te plaatsen, gij hadt slechts de vermetelheid niet, u te stellen boven het gebruik en de aloude gewoonte, gij dorst niet van het voetstuk af te dalen, waarop men u geplaatst had en waarop gij staan bleeft, omdat uwe voorgangers daar ook op gestaan hadden. Dat ik dit gedaan, dat ik het gewaagd heb, de gewone wegen te verlaten, is de eenige verdienste, die ik heb gehad. Zij zeiden, dat de hansworst van het Duitsche tooneel moest verdwijnen en zij bemerkten niet, dat hij er nog altijd was, en dat zij hem slechts andere kleederen hadden aangedaan. De als een pauw stappende minnaar, die zijne armen stokstijf als molenwieken rechts en links wierp en zijne hoogdravende woorden 0/met onnatuurlijke dofheid bromde, o/quot; met walgelijke gemaaktheid door den neus sprak, was hij niet een even groote en nog erger hansworst, dan dat zorge-looze, vroolijke en dartele kind der strenge en Duitsche luim, dan de bevoorrechte Duitsche hansworst? Dat dacht ik, toen ik het waagde, in plaats van onnatuurlijke gekken, natuurlijke menschen op de planken te brengen en dit goochelspel der kunst een weinig waarheid en werkelijkheid te verleenen. Gij, mijne vrienden, hebt mij in dit streven getrouw ondersteund en mij bijgestaan in hetgene ik wilde en als verwijderd doel voor oogen zag. Wij zijn op weg, het Duitsche drama van den honingdauw der geringschatting en der verguizing te bevrijden, die het tot nu toe bijna gedood had; wij zijn op weg, zeg ik, maar nog lang niet aan het doel! Laat ons dus moedig voorwaarts gaan, stout en onversaagd, geen achtgevende op de bezwaren, spottende met de hindernissen, en tegenover honger en dorst het verheffende gevoel van den edelen wil stellende. Gij zegt, dat gij u nu in Berlijn gelukkig en tevreden gevoelt; ik
409
echter zeg u, dat Berlijn geene plaats is, waar gij moogt vertoeven; ik zeg u, dathet onsom de eer van Duitschland niet past, langer dit leven, dit vernederende plantenleven te leiden, en slechts te worden geduld. Gelijk Cesar ben ik van meening, dat het beter is, in eene kleine stad de eerste te zijn, dan de tweede of derde in een grootestad. Daarom, vrienden, laat ons Berlijn verlaten, dit koude, trotsche, verwaande Berlijn, dat toch den rechten hoogmoed en het rechte eergevoel niet bezit, namelijk het vreemde en buitenlandsche te verachten en het inlandsche en Duitscho hoog te schatten. Laat ons deze stad, die alles aanhangt, wat slechts vreemd en Fransch is, den rug toekeeren en als zendelingen van het Duitsche drama, het üuitsche vaderland rondtrekken. Wilt gij dat doen? Wilt gij met mij trekken op dien pelgrimstocht om eer en geluk'?quot;
Eene lange stilte volgde op Eckhofs vraag. Aller gelaatstrekken waren ernstig en droef geworden. Ieder zag verlegen en peinzend naar den grond.
âWelnu, gij antwoordt mij dus niet?'' vroeg Eckhof treurig. âIk heb u dus niet kunnen overtuigen, gij wilt niet met mij gaan?quot;
âWij zouden Berlijn verlaten,quot; zeide de eerste held en minnaar, âjuist nu men begint ons deelneming te schenken â en geestdrift te toonen!quot;
âBeste vriend, de geestdrift der Berlijners is een ellendig stroovuur, dat even snel weder verteert, ais het opflikkert. Heden hebben zij geestdrift voor ons en morgen reeds vergeten zij ons . misschien weder, omdat een gedresseerde geleerde musch of hond, eene Fransche danseres of een Itali-aansche zanger hunne bewondering heeft opgewekt. Er is geene trouw en geene duurzaamheid in de geestdrift der Berlijners; laat ons daarom vertrekken, voor zijim-ookis opgegaan.quot;
âMaken wij ons liever den goeden tijd ten nutte, zoo lang hij nog duurt,quot; zeide een ander. âWij hebben nu voor het oogenblik geene zorgen en zijn voor ons en onze huisgezinnen van den ellendigen angst voor het dagelijksch brood bevrijd.quot;
âAls gij geene zorgen en ontberingen meer dragen wilt, zult gij nimmer ware kunstenaars worden,quot; zeide Eckhof treurig; âwant zorgen en ontberingen zullen nog langde
no
eenige trouwe gezellinnen van den Duitschen kunstenaar zijn; en hij, die den moed niet heeft haar gezel en minnaar te zijn, zou beter doen, een eerzaam kleermaker of schoenmak er te worden en zich geheel aan den winstgevenden arbeid over te geven en een eerzaam burger te worden. Wanneer het welzijn dei- familie u nader aan het hart ligt dan de kunst, waarom hebt gij er u dan niet mede tevreden gesteld, deugdzame stille huisvaders te zijn en het rolwagentje uwer kinderen te trekken, in plaats van u te spannen voor den Thespiswagen van het Duitsche drama? De kunst is niet met een huisgezin overeen te brengen en als gij u met de eerste wilt in den echt begeven, moet gij u vooraf van het tweede laten scheiden!quot;
âEn dat willen wij ook doen, ja waarachtig dat willen wij,quot; riep Joseph Fredersdorf, die juist zonder door de anderen te worden bemerkt, in de kamer was getreden en met vroolijke lachjes en knikjes naar alle kanten groette. âWat mij betreft, ik heb u allen reeds met een goed voorbeeld voorgegaan, en heb gedaan, wat de groote Eckhof begeert. Ik heb mij van mijne familie gescheiden, om zoo mogelijk de wettige echtgenoot der kunst te worden, welker klagende en zuchtende minnaar ik sinds lang ben geweest. Ik heb mijne zoogenaamde vooruitzichten en het geheele burgerlijke ambtenaarschap vaarwel gezegd, mijn eerzamen, geleerden en hoofschen broeder daarbij en ben bereid, de uwe te worden, als de edele Eckhof mij niet versmaadt en mij tot zijn leerling wil aannemen.quot;
Eckhof reikte hem met een zacht lachje de hand. âIk neem u aan,quot; zeide hij, âen nog wel met vreugde, want in u brandt het rechte vuur der kunst. Ik heb u lang genoeg gade geslagen en beproefd, om zeker te zijn, dat gij werkelijk den rechten moed hebt, die er toe behoort, een Duitsch kunstenaar te willen zijn, in dezen ergen tijd, waarin men slechts het vreemde erkent en eert. Als gij het kruis op u nemen en het doornig pad der kunst met ons bewandelen wilt, zeg ik van ganscher harte: Gij zijt welkom!quot;
âEn ik dank u van ganscher harte voor dit woord, dat mij recht geeft te mogen medespreken in deze waardige, eerzame vergadering!quot; riep Joseph met grappige verhevenheid. âOp dus, mijne vrienden, op, laat ons van hier trekken en het zendelingschap der kunst beginnen. De kunste-
Ill
naar is er in Duitschland niet beter aan toe, dan de jood.ten tijde der llotneinscbe heerschappij. Laat ons dus doen, gelijk de joden toen gedaan hebben. Want ook wij hebben onzen Mozes gevonden, die ons wil geleiden naar het toegezegde land van belofte, waar wij eer, vrijheid, rijkdom en geluk # zullen vinden. Mozes, Mozes, voer ons aan, wij trekken met u naar Kanaan! Wij zijn Mei'de overwonnelingen en de verdrukten; laten wij dus uittrekken en zwerven, opdat wij tempelen kunnen bouwen en om eigen roem kunnen strijden. Zegt, wilt gij dat niet mijne vrienden ? Wilt gij minder eerzuchtig, minder dapper zijn dan de joden? Wilt gij de vrijheid en den roem niet zoeken, omdat zij aan gindsche zijde der woestijn liggen, die gij eerst moet doortrekken ? Maar herinnert u toch, dat hun,die trouw en innig aan hun God gelooven, ook nimmer de hulp van dezen God ontbreekt. Aan de versmachtende joden in de woestijn zond God het manna, en gij, wilt gij zoo kleinmoedig zijn, te gelooven, dat de God der kunst, dat Apollo u versmachten laat,wan-neer gij uittrekt om voor hem tempelen en altaren te bouwen? Verlaat dus blijmoedig de vleeschpotten van Egypte, uw God trekt met u, hij zal u zegenen en behoeden!
âTa, wij willen het doen! wij willen Eckhof volgen! Wij willen als echte leerlingen der kunst onzen meester gehoorzamen en hem aanhangen,quot; riepen de opgewonden vrienden. âGeleid ons, Eckhof, geleid ons, want gij hebt gelijk. Berlijn is niet de plaats, waar de Duitsche toonenl-spee! kunst kan bloeien. Men scbat ons hier gering, ofschoon men ons voor het oogenblik schijnt te eeren!quot;
âJuist omdat men ons schijnt te eeren, moeten wij verstandig zijn en vertrekken, opdat hun leedwezen ons volge, opdat men wensche ons weder te zien ! I^aat ons vluchten voor de buitenlanders, en eene stad opzoeken, waar men de inlandsche kunst misschien weet te eeren!quot;
âDeze stad is reeds gevonden,'1 zeide Eckhot lachend. âLaat ons naar Halle trekken, naar de stad der wetenschap en der geleerdheid, der grondige beschaving en dor edelste verstandhouding. De mannen die aan de wetenschap hun ge-heele leven hebben gewijd, zullen het best geschikt zijn, het streven des kunstenaars te waardeeren en te erkennen, en in vereenigd streven met hen zullen wij Halle tot een Duitsch Athene verheffen, waarin de wetenschappen en de
112
kunsten met de edelste zusterliefde hand aan hand gaan!quot;
âWelnu dan, naar Halle,'' riep Joseph, zijn hoed zwaaiende maar zijne stem was minder vroolijk en zijn oog schitterde minder vurig dan te voren.
âEn zal de directeur Schönemann er in toestemmen ons te laten gaan?quot; vroeg een der meer bedachtzamen en zwaartillenden uit de vergadering.
âSchönemann heeft besloten met ons te gaan,quot; zeide Eckhof, âop voorwaarde, dat wij geen aanspraak maken op gage, maai- winst en verlies in deze onderneming met hem deelen.quot;
âZoodat wij dus allen kunnen verhongeren,quot; zeide een, âals deze onderneming mislukt en wij in Halle geene zaken maken?quot;
Eckhof sloeg een blik van verachting en toorn op hem. Hij antwoordde evenwel niets, maar ging zwijgend door de kamer, om naar de schrijftafel te gaan, die in de nis van hel venster stond. Hij opende die en nam er eene gevulde beurs uit, waarmede hij weder aan de tafel trad waaraan de kunstbroeders zaten.
âIk heb niet gezegd, dat wij in Halle zaken wilden maken,quot; zeide bij treurig; âgeen zaken en schacherhandel gelijk de joden en kooplieden doen, maar ik heb gemeend, dat wij er heen zouden gaan, als ware en echte zendelingen der kunst, die honger noch dorst, evenmin ontberingen en ellende als doodsgevaar schuwen, in den dienst van hunne kunst en hun geloof. Maar ik wil niet, dat gij door mij honger en ellende lijdt, zoo lang ik het kan vermijden; ziedaar, neemt wat mij toebehoort. Deze beurs bevat het loon van twee maanden en hetgeen mij nog van de ontvangst der benefice-voorstelling van gisteren is overgebleven. Het is al wat ik heb. Neemt het en deelt het onder elkander; ik denk, dat het toereikend zal zijn, ieder uwer ten minste voor eene maand zekerheid te geven.quot;
âWilt gij dat aannemen, vrienden ? 'vroeg Joseph met fonkelende oogen.
âNeen, wij willen het niet aannemen!'' riepen allen als uit één mond. âWatwij doen, willen wij blijde en vrijwillig doen, en niemand zal onze handen binden door zijne grootmoedigheid en zijn hoogmoed, zelfs Eckhof niet!quot;
Eckhofs gelaat schitterde van vreugde. âWaarlijk, gij
113
zijt echte leerlingen dei1 kunst en hebt het recht haar te dienen,quot; zeide hij. âHoort nu naar een ander voorstel, dat ik u wil doen. Gij hebt mijn aanbod voor u zeiven afgeslagen, maar gij moogt dit niet doen voor uwe vrouwen en kinderen. Telt dus uwe kinderen en uwe vrouwen bijeen en deelt het geld gelijkelijk onder hen, want gij kunt niet verlangen, dat ik den mammon zal behouden, terwijl gij niets hebt. Met dit geld zult gij u onderlusschen van de familie loskoopen, omdat de kunst u noodig heeft en u tot zich roept.quot;
Eerst na lang tegenstreven en onstuimige toespraken van Eckhof, namen de vrienden zijn voorstel aan en verdeelden het geld voor hunne vrouwen en kinderen.
Eckhof zag hen met een vergenoegd gelaat en een vroolijk lachje aan. âNu ben ik weder, wat ik voor twee jaar was,quot; zeide hij, âtoen ik mij voor het eerst geheel en al aan de kunst wijdde. Toen was ik een eenvoudige klerk, die van den eenen dag tot den anderen blokte en God dankte, als ik, na acht uur lang te hebben geschreven, een weinig de frissche lucht en de avondzon kon genieten en voor de velden en de bosschen de verhevenste plaatsen onzer lievelingsdichters mocht voordragen. En misschien zoude ik wel zulk een arme klerk en dweeper zijn gebleven, als mijn genius mij niet bijgestaan en een duchtigen sloot had gegeven, opdat ik uit mijne droomerij tot een werkdadig leven zou ontwaken. Toen de trotsche justitieraad, wiens klerk ik was, van mij verlangde, dat ik als zijn bediende achter op zijn wagen zou staan, ontwaakte mijn eergevoel en mijne eigenwaarde; ik liep weg, vast besloten ziinde liever te verhongeren dan langer zulk eene vernedering en zulk een smaad te verduren. Maar mijn genius was met mij; hij boezemde mij den moed in, de groote en vurige begeerte van mijn leven te verwezenlijken, namelijk, tooneelspeler te worden en de kunst te dienen, nadat ik zoo lang voor de behoeften des levens gediend had. Ziet, daardoor ben ik tooneelspeler geworden; omdat men mij als bediende achter op een wagen wilde plaatsen, ben ik kunstenaar geworden. Kn wil men ons nu minder vernederen en verguizen ? Wil men ons niet dwingen als arme bedienden, heel stil en zachtjes achter den triomfwagen der tooneelkunst te staan, waarin die vreemdelingen hebben plaatsgenomen? Neen,
Uühlbach, Frederik de Groote en zijn Hof. III. 8
114
vrienden, wij willen in Berlijn geene bedienden zijn, als wij ia Halle heeren en vrije lieden kunnen wezen, niet de navolgers der Franschen, als wij moed en bekwaamheid genoeg hebben, scheppende en denkende kunstenaars te zijn! Die iets grootsch wil, heeft ook de kracht dat groot-sche te bereiken. Laat ons dus onversaagd en moedig zijn en ons snel voorbereiden voor onze groote onderneming!quot;
Hij reikte nu aan de vrienden, die thans met de verdeeling van het geld gereed waren, zijne hand en nam afscheid van hen, nadat hij met hen de noodige afspraak voor het aanstaande vertrek had gemaakt.
âGij hebt dus vast besloten, naar Halle en naar geene andere stad te gaan?quot; vroeg Joseph Fredersdorf, toen hij, nadat de anderen hen reeds hadden verlaten, Eckhof de hand gaf om afscheid te nemen.
,,3a, wij gaan naar Halle,quot; zeide Eckhof. ,,Halle is de zetel der muzen en daar behooren wij dus.quot;
Joseph schudde treurig lachend zijn hoofd. âIk ken Halle,quot; zeide hij. âGij noemt het een zetel der muzen, ik geloof echter dat het meer de zetel der geleerde pedanterie is. Gij zult zulks spoedig gewaar worden en moeten erkennen, dat er niets meer bekrompen, kleinhartig en opgeblazen is, dan een professor van Halle, die niets anders erkent dan zich zeiven, of den een of anderen bestoven en beschimmelden Griek of Romein, die voor hem eigenlijk eerst daardoor van gewicht wordt, dat hij hem de eer bewijst, hem te zuiveren van gebreken en te verklaren. Maar welaan, gij hebt nu eenmaal besloten naar Halle te gaan, ik volg u dus als een getrouwe schildknaap in nood en dood en wat erger is, zelfs naar Halle!quot;
âEn nu, nu ik toch eindelijk alleen ben,quot; riep Eckhof, nadat Joseph hem had verlaten, ânu aan het bestudeeren van mijne nieuwe rol. Slaat mij nu bij, gij goden, en bezielt mij met uwe kracht, en geeft mij den juisten toon, de juiste wijze van uitdrukking, de juiste gebaren voor de schoone gestalte van Hippolyt, waarmede ik het eerst het hart van die strenge professoren in Halle wil winnen.quot;
En in de kamer op en neder gaande, begon Eckhof met luider stemme de stoute en welsprekende verzen van Corneil-le voor te.dragen. Hij was zoo verdiept in zijne studie, dat
115
hij het dikwijls herhaalde geklop aan zijne deur niet hoorde, dat hij in het geheel niet zag, hoe eindelijk die deur zachtjes werd geopend en de jonge Lupinus met een bedeesd en blozend gelaat op den drempel verscheen.
Verbaasd en verwonderd hoorde deze naar de zielroerende woorden van den tooneelspeler en toen hij de vurige en tevens zoo ongekunstelde liefdesverklaring van Hippolyt hoorde uitspreken, bedekte een gloeiend rood de wangen van den jongeling en zijne oogen vulden zich met tranen. Maar hij bedwong spoedig deze ontroering en ti'ad vastberaden naar Eckhot, die juist geëindigd had en voor den spiegel stond om met onderzoekenden blik dehouding te beschouwen, waarmede hij zijne heerlijke liefdesverklaring wilde eindigen.
âMijnheer,quot; zeide hij met eene zachte, nauw hoorbare stem, âverschoon mij, zoo ik u stoor. Maar men had mij gezegd, dat ik hier den heer Eckhof zou vinden, en daar het zeer gewichtig en voor mijne geheele toekomst beslissend is, dat ik dien grooten en wijzen man spreek, zult gij toegevendheid moeten uitoefenen, als ik u daar in uwe schoone studiën heb gestoord. Ik bid u mij te zeggen, of de heer Lckhof te huis is, want dat ik mij in zijne woning bevind, las ik buiten aan de deur.quot;
âJuist, hier woont Eckhof,quot; zeide de tooneelspeler, terwijl hij den jongen Lupinus met zulke doordringende en scherpe blikken aanzag, dat deze bloosde en met meisjesachtige verlegenheid zijne oogen nedersloeg. âJa, hier woont Eckhof, maar niet zooals gij zegt de groote en wijze man, maar eenvoudig Eckhof, de tooneelspeler.quot;
âIk heb u niet naar uw oordeel over den grooten kunstenaar, düm ik vereer, gevraagd,quot; zeide Lupius bijnabeleedigd, âik wilde van u slechts vernemen, waar ik hem kan vinden?quot;
âAls ik u dat zal zeggen, moet gij mij eerst zeggen, wat gij van Eckhof wilt?quot;
âWat ik van hem wil?quot; vroeg de jonge Lupinus blozend en peinzend te gelijk. âDal weet ik zelf niet, mijnheer. Er is een geheim in mijne ziel, dat ik zelf niet kan doorgronden, en dat hij, die levensondervinding, wijsheid en ouderdom bezit, mij zal verklaren. Ik heb vertrouwen in zijne oogen en zijn witten baard en wat ik aan niemand anders zou durven zeggen, zal ik hem zeggen.quot;
Eckhof lachte, âWat Eckhofs witten baard betreft,quot; zeide
41(3
hij, âdien zult gij in de kleedkamer moeten zoeken, even als zijne wijsheid in de boeken des dichters, wier woorden hij heeft gesproken. Eckhof is noch oud, noch wijs, heeft evenmin ondervinding van de wereld, want, om het u maar in korte woorden te zeggen, ik zelf ben Eckhot.quot;
âGij, zijt gij Eckhof?quot; vroeg Lupinus verbleekend, terwijl hij als ontzet eenige schreden achteruil ging, en met wijd geopende oogen op Eckhof staarde, wiens edel, jeugdig, door levenskracht en geest schitterend gelaat, met een lachende uitdrukking tot hem gewend was. .
âZijt gij Eckhof?quot; herhaalde hij nogmaals, en eene rilling beving hem.
âIk ben het en ik denk, dat gij het mij zult vergeven,
dat ik een weinig jonger, een weinig bruiner en wat minder
wijs ben, dan de wijze Cato, dien gij mij zonder twijfel gisteren hebt zien voorstellen. Naar ik hoop, zal dit uw vertrouwen op mij niet verminderen, en ik bid u van gan-scher harte, mij te zeggen, waarin ik u van nut kan zijn, en welk geheim ik u zal helpen doorgronden.quot;
âNeen, neen, gij kunt dit geheim voor mij niet doorgronden, gij niet!quot; riep de jongeling met eene van ontroering bevende stem. âVergeef mij, zoo ik u te vergeefs stoorde, want u heb ik niets te zeggen, niets te bekennen.quot;
En geheel verward en beschaamd ontvluchtte de jonge man de kamer van den tooneelspeler, die hem verbaasd nazag, ten volle overtuigd, dat hij met een waanzinnige had te doen gehad.
Met eene hijgende borst en een sidderend hart, nauwelijks wetend wat hij deed, rende Lupinus door de straten, naar zijn woning; en toen hij eindelijk zijne kamer bereikt en de deur, die hem van de wereld en de nieuwsgierige menschen scheidde, achter zich gesloten had, zonk hij ten eenemale vernietigd op zijne knieën en riep op hartverschou-renden toon: âIk heb Eckhof gezien! O, hij is jong, hij^is schoon. Ik ben ongelukkig, omdat ik hem gezien heb!quot;
Toen verzonk hij al dieper en dieper in gepeins en nog steeds opzijne knieën liggend met gevouwen handen staarde hij als een droom voor zich uit. Dat duurde langen tijd; toen sprong hij plotseling op en terwijl zijn oogen fonkelden van geestkracht en vuur, riep hij: âIk wil weg! ik moet weg! Ik wil terug naar Halle, naar mijne boeken, mijn studiën.
117
naar mijne stille kamer, die afgezonderd en eenzaam is, en tot welke het gedruiseh en de stem van Eckhot niet kan doordringen. Daar zal ik dit korte ontwaken mijner jeugd vergeten, daar zal mijn hart weder inslapen en droomen en onder het stof der boeken begraven liggen. Zoo moet en zal het worden, want het mag niet anders zijn. Ik ben rampzalig van hier te zijn gekomen; want ik gevoel toch, dat ik hier aan den kruisweg van mijn afgeloopen leven sta, aan het begin van een nieuw bestaan. Maar ik wil weg! Misschien is het nog tijd, misschien kan ik de ramp nog ontgaan, en het verderf bezweren, dat mij dreigt. O, bij mijne boeken en studiën zal ik het andere vergeten, zal ik die stem niet meer hooien, die hier eeuwig in mijne ooren klinkt, en die vreeselijke, die ontzagwekkende oogen niet meer zien! Ik moet dus weg en dat wel terstond.quot;
En met koortsachtigen haast en sidderende handen pakte hij zijne goederen bijeen en sloot ze in den kleinen reiskoffer.
,,Vaarwel, Eckhof,quot; prevelde hij. âIk ontvlied u, maar God zegene u! Voorl, voort, naar Halle, waar mijne oogen zeker zijn, Eckhof niet te zien, waar mijne ooren zijne stem niet meer zullen vernemen!quot;
De postwagen rolde voort naar Halle, de jonge Lupinus ging treurig en zuchtend in een hoek van den wagen liggen, overtuigd zijn noodlot bezworen en zich aan het gevaar onttrokken te hebben. Maar het noodlot hing boven hem, zooals de van bliksem zwangere onweerswolk on het gevaar, dat hij ontvlieden wilde, volgde hem.
XII.
BIJGELOOF EN DWEEPERIJ.
Eindelijk had Eredersdorf zijn doel bereikt. De zwarte geitebok was gevonden en naar Berlijn gebracht.
O, met welk ongeduld, in welke angstige verwachting verbeidde hij den avond, die hem de ontdekking van het groote wereldgeheim zou aankondigen, de kunst om goud te maken. Tot zijn geluk was de koning niet in Berlijn aan-
118
wezig, maar naar Charloltenburg gegaan; Fredersdorf was dus voor dezen avond zijn eigen meester.
âEn van morgen af aan, behoort de wereld mij toe en benijd ik, noch den koning zijn troon, noch den geleerde zijne kunde, noch der schoonheid en der jeugd hare wonderdadige bloesems; want ik zal meer vermogend, meer bemind, meer geëerd zijn dan zij allen, ik zal eene onuitputtelijke goudbron hebben, goud, dat toch altijd de heer en koning der geheele wereld is en waarvoor koningen en geleerden, jeugd en schoonheid, zich buigen. O, wat een leven van vreugde en verrukking zal dat zijn! Ik zal vrij zijn, ik zal de vrouw huwen, die ik bemin, ik zal mijn eigen meester zijn! O, de zon daalt reeds neder in het westen. Spoedig zal de maan aan den hemel staan en dan âquot;
Een zacht gedruisch aan de geheime deur deed hem verstommen, en met schrik wendde hij zijne oogen naar die deur, die juist naar de vertrekken des konings geleidde en waardoor slechts deze kon binnentreden.
En hij was het, het was Erederik, die deze deur opende en met een vroolijk lachend gezicht het vertrek van zijn geheim-kamerheer binnentrad.
âIk kom onverwacht,quot; zeide de koning, wiens helder, onderzoekend oog zeer wel de wolk had bemerkt, die Ere-dersdorfs voorhoofd verduisterde, toen hij binnenkwam. âMaar gij weet wel, de koningen en het noodlot hebben altijd het recht, als de dcüs ex machina te verschijnen, en de berekeningen der nietige stervelingen te storen.quot;
âIk heb in het geheel geene berekeningen gemaakt, uwe majesteit,quot; zeide Fredersdorf verlegen, âen de aanwezigheid van mijn koning kan ook nimmer hinderlijk voor mij zijn.quot;
âDes te beter,quot; riep de koning lachend, âwant ik heb mijne berekeningen gemaakt, en daarin speelt gij een gewichtige rol. Wij moeten heden avond werken en zoo gij misschien hadt gehoopt, dezen avond vrij te zijn, doet het mij leed deze hoop te moeten vernietigen, want voor dezen avond zijt gij de gevangene uws konings.quot;
De koning zeide dit op zulk eene eigenaardige, ernstige en tevens liefderijke wijze, dat Fredersdorf zich onwillekeurig daardoor bewogen en bevredigd gevoelde, en zijne lippen op de hand drukte, die de koning hem gaf.
âWij moeten werken,quot; ging Erederik voort. âWant ik zeg
119
u, dat de tijd van ledigheid, de tijd der muzen voorbij is. Spoedig zal ik mijne fluit weder in hare kast leggen en het zwaard uit de schede halen, want naar het schijnt, vindt mijne tante Maria ïheresia, dat het een koning van Pruisen niet past, zijn leven anders dan in het kamp door te brengen en eene andere muziek te hooren dan den donder der kanonnen en het trompetgeschal dat naar het slagveld roept. Welnu, als Oostenrijk dan volstrekt oorlog met ons wil, zal het zijn zin hebben; want nimmer zal Pruisen zich schikken naar Oostenrijks vermetele eischen en nimmer zal het huis Hohenzollern zich weder onderwerpen en dienstbaar maken aan het huis Habsburg. Mijne tante, de keizerin, wil het nog maar niet vergeten, dat de keurvorsten van Brandenburg aan de keizers het waschbekken aan tafel moesten toereiken, zij zoude ons daarom nog steeds willen beschouwen als de cavaliere servente van haar huis en ons met behulp van Engeland, Rusland en Saksen, weder onder het oude juk willen brengen. Maar het zal haar niet gelukken en als zij met Engeland, Rusland en Saksen een verbond heeft gesloten, heb ik hetzelfde gedaan met Frankrijk, ter bescherming van keizer Karei den Zevende. Dat beteekent dus oorlog en het leven van genot en gemijmer is nu voorbij.quot;
âIk heb u daar een weinig staatkunde verhaald,quot; ging de koning na eenig stilzwijgen voort. âIk deed zulks, om u te bewijzen, dat ik u noodig heb, en dat wij veel te werken hebben. Wij moeten de rekeningen van onze pri-vaat-chatouille Lin orde maken; wij hebben brieven te schrijven en ons eindelijk bezig te houden met de geschenken, die wij aan prinses Ulrika bij haar huwelijk moeten aanbieden. Gij ziet dus, dat wij veel te doen hebben.quot;
âIk zal ten allen tijde bereid zijn,de bevelen mijns konings te ontvangen,quot; zeide Fredersdorf; âik zal den geheelen nacht arbeiden en verzoek uwe majesteit slechts, mij eenige avonduren toe te staan, ter vervulling van eene gewichtige bezigheid, die geen uitstel duldt.quot;
âO, zonder twijfel wilt gij voor mij den epistel van Horatius afmaken, waarvan ik u onlangs sprak, en op welks vertaling ik nog altijd wacht. Gij weet toch wel, dien epistel, die handelde over het vergeefsche offeren van lammeren of geitehokken? Welnu, stel die vertaling uit tot hetere dagen,
120
wij hebben er nu geen tijd toe en ik kan u heden van uw dienst bij mij niet ontslaan.quot;
âEn evenwel waag ik het, mijn verzoek te herhalen,quot; riep Fredersdorf met eene hartstochtelijke opgewektheid. âSire, het is eene bezigheid, die geen uitstel kan lijden; ik smeek uwe majesteit mij voor eeni ge uren verlof te geven!quot;
âNu, als gij geen gehoor wilt geven aan de wenschen van uw vriend, zult gij toch de bevelen uw konings moeten volbrengen,quot; zeide Frederik, wiens gelaat nu eene trotsche, bevelende uitdrukking aannam. âUw koning beveelt u, dezen avond uwe kamer niet te verlaten!quot;
âWees genadig, sire, ik smeek u! Ik verzoek slechts twee uuv vrijheid ; want ik zeide u reeds, dat het om eene gewichtige zaak is, waarvan mijn levensgeluk afhangt.quot;
De koning haalde verachtelijk de schouders op. âUw levensgeluk?quot; zeide hij. âWanneer weet de nietige, kortzichtige mensch te onderscheiden, wat zijn levensgeluk is? Heden zoekt gij het misschien in rijkdom, morgen in uwé geliefde en overmorgen verwenscht gij zoowel het een als het ander! Ik kan u uwen wensch niet toestaan. Ik heb gewichtig werk te doen en kan u geene minuut verlof geven.quot;
âSire, ik moet â.quot;
âGeene tegenwerpingen, meer,quot; viel de koning hem streng in de rede. âGij blijft hier, ik beveel u, dit vertrek niet te verlaten.quot;
âIk zal dit bevel niet kunnen vervullen,quot; riep Fredersdorf, geheel buiten zich zei ven, in wanhoop en onderdrukte woede. âDat uwe majesteit de genade hebbe, mij uit haren dienst te ontslaan en mij in vrijheid te stellen; uwe majesteit moge mij voor altijd uit hare tegenwoordigheid verbannen, mij in ongenade doen vallen, maar ik moet heden avond een uur vrijheid hebben!quot;
De oogen des konings schoten bliksems en zijn gelaat had nu zulk eene trotsche en dreigende uitdrukking aangenomen, dat Fredersdorf. ondanks zijne blinde drift, er voor beefde.
De koning zeide geen woord. Hij ging slechts haastig naar de andere deur, welke op den corridor uitkwam, en opende deze. Twee soldaten stonden er met geschouderd geweer voor.
âGij zorgt, dat niemand deze kamer verlaat,quot; zeide de
121
koning tot de soldaten. ,,Gij geeft vuur op ieder, die deze deur opent.quot;
Toen sloot hij de deur en zijn vlammend oog lichtte zich weder óp het bleeke aangezicht van Fredersdorf.
âIk heb het u van te voren gezegd,quot; zeide hij, âgij zijt heden de gevangene uws koning. Gy hebt de scherts niet willen verstaan, nu zult gij den ernst moeten begrijpen. Deze kamer heeft geen andere uitgangen. Voor deze deur staat de schildwacht en gindsche deur, die tot mij voert, sluit ik. Want nu moogt gij niet met, mij werken, heden zijt gij dat onwaardig, omdat gij een strafwaardig oproerling zijt, die zich aankant tegen de liefde en vriendschap zijns konings en met ziende oogen blind is.quot;
Fredersdorf vond geene kracht tot een antwoord, hij was geheel ter neder geslagen, als ware hij vernietigd.
De koning ging haastig door de kamer en opende de geheime deur, om naar zijne kamer terug te keeren. Toen hij zich reeds op den drempel bevond, keerde hij zich nog eens om.
âFredersdorf,quot; zeide hij op zachten toon, âgij zult er mij eens voor danken, dat ik heden een streng koning voor u ben geweest.quot; Toen sloot hij de deur achter zich en stak den sleutel in zijn borstzak, terwijl hij ijlings door de kleine corridor naar zijne werkkamer liep, waar Jordan op hem wachtte.
âThans vriend,quot; zeide de koning, âthans zullen wij de politie bedaard haar gang laten gaan. Frederdorf zal er niet bij zijn en ik zal hem niet verder behoeven te straffen, want hij is reeds genoeg gestraft door zijn eigen toorn. Ach, mijn vriend, wat is het toch moeielijk, het onverstand tegen te gaan en de dwaasheid wijs te maken. De schrandere en verstandige Fredersdorf wil nu door het bloed van een bok leeren goud maken, en om dat doel te bereiken, verbindt hij zich met mijne tegenstanders, de huichelaars en dwee-pers en gaat naar de bidstonden der goddeloozen, die zich evenwel degodvruchtigen en de ware kinderen Gods noemen.
Ach, Jordan, hoe ellendig en erbarmelijk is toch dit men-schengeslacht, en hoe weinig verdient het, dat wij het beminnen! Ik heb dezen Fredersdorf uit de ellende en armoede opgehaald, ik heb hem niet slechts tot mijn vriend en vertrouweling gemaakt, ik heb hem bemind. En wat heb ik
422
daarvoor ingeoogsl? Zijne ondankbaarheid en zijn haat. Daar binnen zit hij en vervloekt en verwenscht zijn koning, die toch niets anders gedaan heeft, dan dat hij hem voor belachelijkheid en kinderachtigen waanzin bewaard heeft. Jordan, Jordan, het is een zeer omlankbaar beroep, koning te zijn.quot;
âHet is een even ondankbaar beroep God te zijn,quot; zeide Jordan met zijn zacht, smartelijk lachje. âGod en de koning worden beiden het minst begrepen, omdat zij te hoog staan voor de kortzichtige oogen der menschon, omdat men het den koning niet vergeeft, dat hij geen God is, alwetend en almachtig, gelijk deze en omdat men God niet vergeeft, dat hij geen mensch is en niet handelt en doet, zooals de menschen zouden handelen.quot;
De koning antwoordde niets. Peinzend en met de handen op den rug, ging hij de kamer op en neer. âArme Freders-dorf,quot; zeide hij toen zacht, âheden zal ik hem zijn stokpaardje ontnemen, en dat schijnt den menschen altijd eene onvergeetlijke misdaad. Ik zou de dwaasheden der zoogenaamde vromen nog hebben laten begaan, als zij den armen Fredersdorf niet mede in hunne, zotternijen hadden gewikkeld. Maar om zijnentwil wil ik hun thans eene les geven opdat hij leere inzien, dat hij met bedriegers en kwakzalvers te doen heeft. Er moge dus gebeuren, wat wil, ik heb Fredersdorf voor belachelijkheid bewaard. Hij moge mij nu vervloeken, maar wat is daaraan gelegen!quot;
De koning had gelijk, Fredersdorf was buiten zich zeiven van toorn en niet slechts in zijn hart, maar ook met zijne sidderende, bevende lippen vervloekte hij den koning, dien hij een dwingeland, een ongevoeligen egoist noemde en dien hij haatte met dien licht onvlambaren haat der kinderen, die niet begrijpen, dat de hand, die hen voor eene ondeugd straft, altijd de hand eens weldoeners is.
âNu zullen zij het geheim vernemen, zij zullen van God of den duivel leeren goud maken, en ik, ik zal er niet bij zijn!'' prevelde Fredersdorf knarsetandend. âWie weet, of zij mij dan dat kostbare recept wel zullen mededeelen, of zij mij niet veeleer heliegen en bedriegen en om den tuin zullen leiden. O, daar gaat de maan reeds op en werpt hare zilveren stralen in deze kamer, die mij thans tot gevangenis is geworden. Thans zullen zij zich verzamelen,
thans begint het heilige feest der bezwering! En ik, ik ben er niet bij!quot;
En hij trok zich de haren uit het hoofd, sloeg zich op de borst en weende luid van toorn en woede.
Fredersdorf had zich niet bedrogen. Toen de maan opging, begon het feest der bezwering, waartoe de heer von Kleist, de echtgenoot der schoone Louise von Schwerin, de bondge-nooten en vertrouwelingen had uilgenoodigd.
De groote danszaal, waarin de vroolijke en levenslustige vrouw des huizes anders hare bals en schitterende soirées placht te geven en op wier gladde vloer zij haar vermogen, haar geluk en hare idealen in een vluchtig stof had zien vergruizen onder hare dansende voeten; de groote danszaal was nu in eene groote indrukwekkendebidzaal veranderd, waarin de vrome geloovigen bijeenkwamen, om God te aanbidden en den duivel te bezweren. De koning had verboden, behalve op de zon- en feestdagen, biduren in de kerken te houden, en toen dit evenwel door eenige vrome en dweepzieke predikanten toch gedaan was, had men op uitdrukkelijk bevel des koning met gewapende macht deze bidstonden doen staken, de vrome vergadering uiteengedreven en de kerken gesloten, terwijl de predikanten en kosters met onmiddellijke afzetting werden bedreigd, als de kerken weder gedurende de werkdagen, voor de bidstonden werden geopend, »)
De vromen evenwel, zeer ongeneigd, de woorden van den bijbel na te volgen en den keizer te geven, wat des keizers is, namelijk gehoorzaamheid, die vromen, die men uit de kerken had verdreven, vereenigden zich sedert in de verschillende huizen der geloovigen. Daar kwamen zij bijeen om hunne godsdienstoefening te houden, die evenwel slechts daarin bestond, dat men in trotsche vermetelheid elkander met vrome woorden en zalvende gesprekken bezwoer, te volharden in en getrouw te blijven aan het eenige ware en rechtzinnige geloof, waarmede de hoogmoedige dweepers altijd gewoon zijn, het geloof aan te duiden, dat het hunne is. Evenzeer waagde men het daar, in hartstochtelijke bewoordingen, den koning te lasteren als een ongeloovige en elkander te versterken in het. voornemen, ongehoorzaam te
1) Preusz., (jescliichte Friedrich's d. Gr., I. pag, 131.
124
zijn aan zijne bevelen, wat door allen als eene aan God welgevallige daad werd beschouwd. s
De piëtisten, die te vergeefs moeite hadden gedaan, onder Frederik tot het aanzien te komen, dat zij bij het leven van zijn vader hadden genoten, waren daardoor de meest verbitterde vijanden van den koning geworden en terwijl zij Frederik Wilhelm den eerste als den wijzen, goeden en Gode aungenamen koning prezen en beklaagden, smeekten zij onheil en rampen af over het hoofd van den tegenwoor-digen koning, die het waagde hunne vroomheid, huichelarij te noemen, over hunne gramschap te lachen, op hunne verwenschingen met scherpe kwinkslagen en bijtenden spot te antwoorden, de vrome priesters âchekersquot; of âdieren zonder verstandquot; te noemen, en die nog onlangs op platte wijze het volgend lakoniek weigerend antwoord had gegeven, op een verzoekschrift van een predikant; ,,üe ver-' vloekte paap weet zelf niet, wat hij wil; dat de duivel hem hale!quot; ^
Het biduur der zoogenaamde vromen zou dus heden plaats , hebben in de danszaal der schoone mevrouw von Kleist en alleen de ingewijden en uitverkorenen bleven naderhand achter, om de verdere mysteriën bij te wonen en getuige te zijn van de bezweringen, waarmede de zoogenaamde sterrenkijker of astroloog, Pfannenschmidt, heden den duivel zoude dwingen te verschijnen.
Bij deze mysteriën werd geene vrouw toegelaten en ieder ingewijde had een plechtigen eed moeten afleggen, aan geene vrouw iets te verraden van hetgeen in deze geheimzinnige vergaderingen voorviel en waarmede men zich daarbij bezig hield.
Ook de heer von Kleist had dezen eed afgelegd en was dien getrouw nagekomen. Nu bestaat er echter een zeer wijs en van veel ondervinding getuigend Perzisch spreekwoord, dat zegt; âAls gij uwe gehoorzame en onderdanige vrouw tot ongehoorzaamheid wilt verleiden, behoeft gij haar maar iets te verbieden; als gij een geheim voor haar wilt bewaren, moet gij u maar de tong uitrukken, of u dooden, want indien gij leeft, zal zij uw geheim evenwel vernemen.
1) Büsching, Charakte Friedrich's d. G., jig. 52, ut, 55.
125
al ware het ook op den bodem van uw hart verborgen.quot; Geheel overeenkomstig dit spreekwoord, had ook mevrouw von Kieist het geheim van haar man vernomen en was bekend geworden met de zaken, die men voor haar wilde verborgen houden. Louise von Ivleist, reeds sinds lang teruggekeerd van de korte en voorbijgaande liefde jegens den echtgenoot, dien de koning haar had toegewezen, tot de wispelturige lichtzinnigheid harer vroegere dagen, had slechts op eene gelegenheid gewacht, om zich te wreken op haar gemaal, omdat hij nimmer rijk genoeg was geweest, aan hare grillen en spilzieken aard te voldoen, omdat hij zelfs zoo kleingeestig en baatzuclitig was geweest, haar te beperken in de middelen, die zij toch bezaten, en voor zichzelven begeerde, wat zij wilde hebben en voor hare oogmerken gebruiken. Beiden verweten elkander de geldverkwisting en zochten, onder voorwendsel, dat door den ander het geld nutteloos werd uitgegeven, zich zooveel mogelijk toe te eigenen. Het natuurlijk gevolg daarvan was voortdurend getwist en oneenigheid en een altijd heerschend gebrek aan geld.
Over deze verdrietelijkheden wreekte zich Louise von Kieist, juist zooals schoone en coquette vrouwen zich gewoonlijk op hare echtgenooten wreken; zij haatte en verachtte haar man van ganscher harte en was ten volle bereid, geloof te schenken aan de woorden des dichters, die zegt, dat een vrouwenhart altijd vatbaar voor nieuwe liefde is. Maar zij wilde nog in het bijzonder wraak nemen, omdat haar man het gewaagd had, een geheim te hebben zonder het haar mede te deelen. Nauwelijks had zij daarom het doel van deze geheime samenkomst uitgevorscht, of zij gaf er den koning bericht van en bezwoer hem, haar te helpen om haar echtgenoot te genezen van denonzaligen waan, die haar, zooals zij zeide, reeds haar huwelijksgeluk en vermogen had gekost, en den astroloog als een bedrieger te ontmaskeren en de vergaderingen te doen opbellen.
De koning had aan de wenschen van mevrouw von Kieist gehoor gegeven, niet zoozeer om harentwil, maar omdat deze gelegenheid hem zeer welkom was, om Fredersdorf af te brengen van dit mysticismus, waardoor zijne zinnen waren beneveld, en om hem van de nietigheid te overtuigen der beloften, door den astroloog gedaan.
126
De noodige toebereidselen voor den avond van heden waren gemaakt, en nauwelijks was de vrome vergadering begonnen of mevrouw von Kleist gaf aan de vier politieagenten, die in het tegenover gelegen huis wachtten een teeken en voerde hen heimelijk en zachtjes naar een klein vertrek naast de bidzaal; zij waren slechts door een voorhangsel van de zaal gescheiden, zoodat men alles, wat in de zaal geschiedde kon zien en hooren.
De vereeniging der vromen merkte er niets van. Zij was heden talrijker dan ooit bezocht. Er waren lieden van alle standen; van den gewonen handwerksman en den geringen arbeider af, tot de aanzienlijkste ambtenaren en de heeren van den hoogsten adel. Ieder, ^die geloofde zich over een onrechtvaardigheid of verongelijking van den koning te kunnen beklagen, ieder die dacht, dat zijne groote hoedanigheden en talenten niet naar verdienste waren erkend en beloond, werd de tegenstander des konings en begaf zich onder de vaan der vroomheid, die toen de schijnheilige banier was van allen, die hun eigendunk en hoogmoed onder den schijn van recht wilde verbergen.
Zij baden vurig en innig en zongen vrome liederen God ter eer. Toen betrad een geestelijke den kleinen geïmpro-viseerden kansel en hield eene van die donderende toespraken, vol schijnheiligheid, onverdraagzaamheid,hooginoed en bekrompenheid van geest, zooals slechts piëtisten die kunnen houden en waarin hij allen, die niet geloofden, zooals hij geloofde, verloren en verdoemd noemde, maar hen, die het banvonnis en het strenge verbod des konings trotseerden en deze heilige, door een koning, âden vrijgeest,quot; op straffe verboden vergaderingen bezochten, als gezegenden en uitverkorenen verklaarde.
Dit alles was evenwel maar de voorbereiding, eene inleiding tot de groote plechtigheid, die den âingewijdenquot; heden te wachten stond en die allen met een kloppend hart en in ademlooze spanning te gemoet zagen.
De godsdienstoefening was afgeloopen, de vrome broeders en zusters hadden zich verwijderd en slechts het bestuur was gebleven, ten einde, zooals aan de vrome gemeente was gezegd, beraadslagingen te houden en besluiten te nemen.
Andermaal beklom een vroom redenaar den kansel; maar
127
dit keer was het niet de geestelijke, die in den beginne de vergadering met zijne dvveepende rede had gesticht, maar de astroloog Pfannenschmidt, de door God verlichte profeet.
Met hartroerende, zalvende woorden, vol boetvaardigheid, vermaande hij zijne toehoorders tot boete, tot de verachting van deze schijnheilige en walgelijke wereld, die God zoo schoon en aanlokkend had geschapen, om den zondigen mensch te beproeven en de kracht, waarmede hij aan de verleiding weerstand kon bieden, op de proef te stellen!
âBiedt weerstand, biedt weerstand, âschreeuwde hij in schorre neusklanken, âonderzoekt uw hart en veracht de wereld; bekeert de menschen, opdat zij zich tot God wenden en gered mogen worden, gelijk wij engelen Gods zijn! Maar om dit verheven doel te bereiken, is er groote inspanning noodig, moet men groote middelen, moet men macht en aanzien hebben. Om de wereld te kunnen bekeeren en gelukkig te maken, moeten wij der wereld ons eigendom noemen, moeten wij haar eerst van den duivel afgekocht hebben, die de zonde der wereld, namelijk het goud, in zijne klauwen houdt, en daarmede de menschen tot zich lokt en hunne zielen opkoopt. Wij gevoelen, in de kracht onzer liefde tot God, de roeping, den duivel te overwinnen en hem te dwingen, ons zijn geheim te zeggen, aan ons het voorschrift te geven, hoe men goud maakt en hoe het gebrouwen wordt in de diepten der aarde! Aan hen, die, gelijk wij, voorgelicht zijn door den heiligen geest der kennis, moeten de geheimen der benedenwereld zich openbaren, voor ons moet zelfs de duivel in het stof kruipen, want wij zijn de engelen Gods en dus de machtige en verheven tegenstanders van den duivel, dien God slechts in de wereld heeft gezonden, opdat Gods kinderen en engelen tegen hem hunne kracht en hun hart zouden verstalen! Het is dus een edel en grootsch werk, dat wij heden ondernemen, wij willen hem noodzaken ons te leeren goudmaken, opdat wij dan met dat goud voor het geheele menschdom den hemel kunnen koopen!quot;
En nadat hij met zulke schijnheilige en huichelachtige woorden, hun baatzuchtig en geldgierig streven bewimpeld had, riep hij der vergadering op tot een vurig gebed, tot een heilig smeeken.
Zij vielen ophunne knieën ; zij waagden het God te bidden,
128
hun de kracht te geven, den duivel te bezweren; zij waagden het, hun bijgeloof en hunne huichelarij te bedekken met het masker der edelmoedigheid en hunne onheilige begeerten te verbergen onder den zweetdoek der heilige Veronika. Omdat zij God beminden, wilden zij den duivel bezweren; omdat zij de menschen wilden verlossen, moesten zij het goudmaken van den duivel leeren!quot;
Maar het lag volstrekt niet in het plan van den grooten astroloog, voor de âingewijdenquot; inderdaad den duivel te laten verschijnen en deze bezweringen eindelijk met een gunstig resultaat te bekronen. Zoolang de duivel niet verscheen, geloofden de vromen aan den sterrekij kei', hoopten zij op hem, schonken zij hem hun geld, hunne liefde, hun vertrouwen, vereerden zij hem als hun weldoener, die hen voor altijd zou gelukkig maken, als den verheven Messias, die hen eens rijk en machtig zoude maken en de geheele wereld aan hen zou onderwerpen. Hij kon den duivel voor hen niet laten verschijnen, omdat met diens verschijning hun duidelijk zou zijn geworden, dat hij niet in slaat was, hun goud te leeren maken.
Te vergeefs waren dus tot nu toe zijne bezweringen geweest, te vergeefs zouden zij steeds moeten zijn! Onder heilige gezangen voerden zij den bok binnen, dat zwarte monster, waarvoor men zooveel geld had uitgegeven, dat zooveel moeite en inspanning had gekost en dat men heden aan den duivel zoude offeren.
Onder plechtige ceremoniën trokken de in witte sluiers gehulde, âaartsengelenquot;' het ongelukkige slachtoffer naar het altaar, waar Pfannenschmidt, de hoogepriester, in het met goud geborduurd gewaad, gereed stond, het met het zilveren mes te dooden en zijn bloed in de zilveren schaal op te vangen. N
En toen hij het mes ophief om den bok te dooden, vielen de geloovigen op hunne knieën en baden luide en smeekten God om zijn bijstand tot het gelukken van het grootsche werk.
De sterrenwichelaar, vol geestdrift, ijver en vroomheid, stond juist gereed don opgeheven arm te doen nederdalen; de bliksemstraal zou juist nederkomen op den hals van hefarme dier, dat metdenrustigen blik vaneen wijzeomzich heenzag, toen plotseling iets ongehoords, iets ongeloofelijks voorviel
120
Eene fabelachtige, verschrikkelijke gestalte sprong plotseling van achter het altaar te voorschijn en weerhield de hand van den astroloog, terwijl zij met donderende stem riep: âSpaar uw offer, staak uw moordhedrijf! Gij hebt mij geroepen, hier ben ik! Ik, de duivel!quot;
âDe duivel! Het is de duivel!quot; prevelden de vromen, terwijl zij met ontzag naar die reuzengestalte keken, in vuurrood gewaad en wier aangezicht geheel beschaduwd was door den grooten, breedgeranden en met roode vederen versierden hoed.
Zij geloofden inderdaad dat ^iet de duivel was, die vrome kinderen Gods; zij lagen op hunne knieën en stamelden gebeden, waarvan zij zelve niet recht wisten, of zij tot God of tot den duivel waren gericht. Zij waren vol heiligen ootmoed en eerbied.
In het kleine kabinet stond echter mevrouw von Kleist, schuddende van lachen en niet dan met moeite eene luide uitbarsting van hare vroolijkheid inhoudende. Metoogen, fonkelende van list en boosheid, zag zij naar haar man, die sidderend en doodsbleek aan de voeten van den duivel op de knieën lag en verwarde woorden uitbracht, terwijl hij zijne smeekende blikken op de gestalte gevestigd hield, die voor hem inderdaad de duivel was, maar wier menschelijk bestaan voor Louise von Kleist geen geheim was, daar zij den jongen Fredersdorf het denkbeeld tot deze vermomming had gegeven en hem bij zijne verkleeding behulpzaam was geweest.
âDit oogenblik wreekt mij, voor alles wat ik van dezen ijdelen, ingebeelden en spilzieken dwaas heb geleden,quot; zeide mevrouw von Kleist in zich zelve, terwijl haar spottende blik nog altijd op haar gemaal gevestigd was. âDit oogenblik geeft hem op genade of ongenade aan mij over! O, ik zal hem bespotten, hem martelen met deze duivelbezwering. De gebeela wereld zal het vernemen; van nu afaan zal het recht altijd op mijne zijde zijn en ieder zal mij beklagen en medelijden met mij hebben, dat ik aan zulk een zwakhoofd geketend ben; iedereen zal hem bespotten en versmaden. Ik zal zoowel de lachers als de verstandige lieden op mijne zijde hebben en nu zal geen mensch het mij meer ten kwade duiden, dat ik mijn man niet bemin en hem niet getrouw kan zijn!quot;
Mührbach, Frederik de Groote en zijn Hof. III. 9
130
Maar terwijl de vrome uitverkorenen aan den duivel hunne hulde brachten, was de astroloog Pfannensehmidt van den eersten schrik bekomen. Hij, die zelf niet aan den duivel geloofde, ofschoon hij hem dagelijks opriep, hij moest weten of de duivel, die voor hem stond, slechts eene ongepaste scherts of eene boosaardige bespotting was. Hij moest dus dezen gewaanden duivel als een bedrieger onthullen, hem het masker afrukken en de vermomming doen ophouden.
Met hartstochtelijke drift strekte hij daarom beide armen naar de duivelsgestalte uit. âPak u weg, bedrieger, zoon van Baal!quot; schreeuwde hij luid. âVlucht, vlucht, vóór wij u ontmaskeren, want gij zijt niet degene, waarvoor gij u uitgeeft. Gij zijt de duivel niet!quot;
âHoe? wilt gij mij verloochenen!quot; riep deze, terwijl zij de met een rooden handschoen bekleede hand naar den astroloog uitstrekte. âGij hebt mij zoolang geroepen, gij hebt aan deze, mijne kinderen zooveel geld atgezet, om daarmede mijne verschijning te koopen en thans, nu ik er ben, wilt gij mij niet kennen, omdat het u toeschijnt, dat, als ik zelf kom, deze arme geloovigen u hun geld niet meer geven, u niet meer aanbidden en zich door u niet meer bij den neus zullen laten rondleiden? Ga heen, gij zijt mijn ware hoogepriester niet! Ik heb aan uwe bezweringen toegegeven; ik ben gekomen, maar alleen om u als een bedrieger bij mijne geloovige kinderen te ontmaskeren, alleen om hen van u te bevrijden. Verwijder u, bedrieger, wij willen u niet! Verwijder u, en vlucht!quot;
En terwijl hij zoo sprak, vatte de duivel den astroloog aan en wilde hiem van het altaar dringen, maar Pfannensehmidt was er de man niet naar, zich zulk eene behandeling te laten welgevallen. Met een kreet van woede viel hij'op zijn tegenpartij aan en nu begon een dier tooneelen, die noch met woorden zijn weer te geven, noch met kleuren geschilderd kunnen worden, omdat de handeling gewoonlijk te snel geschiedt.
Een hevig vuistgevecht ontstond tusschen beiden. De vrome gemeente stond eerst verbaasd naar dit zeldzame, ongehoorde schouwspel te zien. Eindelijk snelden de leden naar het altaar, om, naar gelang zij aan den duivel of aan den sterrenwichelaar geloofden, den een of den ander ter hulp te komen. Er ontstond een algemeene strijd en te
131
midden van dit geraas snelden nu de vier politiebeambten naar binnen, om in naam des konings de aanwezigen gevangen te nemen, de vergadering op te hellen en daarmede aan den strijd en het rumoer een einde te maken.
En terwijl dit alles geschiedde, hield Louise vonKleist zich met door lachen betraande oogen aan het gordijn vast, waar achter zij het geheele tooneel had gadegeslagen. Zij zag, dat de politiebeambten den woedenden sterrenwichelaar aangrepen, die de hevigste verwenschingen uitbraakte tegen den koning, die niet aan God geloofde, die zoo vermetel was de vromen te behandelen als misdadigers en den dienaar des Heeren liet gevangen nemen. Zij zag die vrome graven en baronnen, die officieren en hooge ambtenaren, die den duivelbezweerder geloofd hadden, beschaamd heen-sluipen, om in overhaaste vlucht hunne redding te zoeken ; zij zag eindelijk haar eigen echtgenoot door de politiebeambten uitlachen en hem het eigenhandige, schriftelijke bevel des konings overhandigen, waardoor hij tot gevangene werd gemaakt, maar om opzien te vermijden, slechts met huisarrest werd gestraft.
Toen zij dit bevel hoorde, lachte Louise niet meer en hare trekken namen eene sombere uitdrukking aan.
âWaarlijk,quot; zeide zij, âdat is eene verschooning, die veel op eene kwaadaardigheid van den koning gelijkt. Aan mijn man huisarrest geven, is hetzelfde als mij te veroordeelèn onophoudelijk met zijn ondragelijk gezelschap gestraft te zijn. Mijn God, wat is de koning toch boosaardig! Hij geeft mijn man huisarrest; dat beteekent hetzelfde, als mijn minnaar, den schoonen Salimbeni,uitmijnwoning'te verbannen. O, wanneer zal ik u nu wederzien, mijn geliefde!quot;
TWJEICDE BOEK PRINSES AMAÃA,
I.
DE BEIDE ZUSTERS.
âEindelijk toch is het doel, dat ik bereiken wil, nabij,quot; zeide prinses Ulrika met een trotsch en zegevierend lachje. Zij legde het gezangboek, dat zij in handen had, terneer en maakte de lange, witte kanten sluier van haar hoofd los. âDe voornaamste plechtigheid heeft plaals gehad; nu nog maar ééne ceremonie, en dan zal ik kroonprinses en weldra koningin zijn. Het heeft hun dus niet mogen gelukken, mijne jongere zuster vóór mij uit te huwelijken en mij is de smaad bespaard, dat de geheele wereld er mede bekend zou worden, dat men mij niet gewild^, heeft. Al mijne berekeningen zijn juist geweest en in plaats van den sluier der stiftsvrouw, dien mijn broeder voor mij had bestemd, zal nu een mirtenkrans en weldra eene kroon mijn hoofd sieren.quot;
Juist ging zij met een blik van zelfvoldoening, op de sofa zitten, om zich over te geven aan hare gelukkige droo-men voor de toekomst, toen de deur met drift opengeworpen werd en prinses Amalia met een van toorn verbleekt gelaat binnentrad. Zij wierp een dier vurige blikken, die haar even als den koning eigen waren, op den feestelijken tooi van hare zuster, en een bittere glimlach speelde om hare lippen.
âMen heeft mij niet misleid,quot; zeide zij. âHel was geen sprookje, dat men mij verhaalde. Gij komt uit de kapel?quot;
âJa, ik kom uit de kapel!quot; antwoordde Ulrika, den toor-nigen blik van hare zuster rustig verdurende, moedig en vastberaden den storm afwachtende, die, zoo als zij wist, haai- te wachten stond.
Zij vouwde hare armen over de borst, alsof zij deze wilde
133
beschermen tegen de heftige uitvallen van hare zuster en herhaalde op bedaarden toon ; âik kom uit de kapel, en wat zou dat?quot; ,
âWat dat zou!quot; riep Amalia, terwijl zij met haar kleinen voet op den grond stampte. âO, zij wil nog de argelooze en onschuldige spelen'. Wat deedt gij in de kapel?quot;
Ulrika zag haar vast en lachend aan. Toen zeide zij langzaam en met nadruk: âik gebruikte daar het avondmaal volgens den Lutherschen ritus!quot;
Amalia deinsde achteruit, alsof de beet eener slang haar had gewond. âDat beteekent dus, dat gij eene afvallige en verlorene zijt,quot; riep zij huiverend; âdat beteekent; dat gij mij smadelijk hebt misleid en bedrogen; dat beteekentâquot; âDat beteekent slechts,quot; viel Ulrika haar in de rede, âdat ik eene minder vrome christin, een minder onschuldig en onbaatzuchtig ionquot; meisje ben, dan mijne edele en schoone jeugdige zuster.quot;
âWoorden, huichelachtige woorden,quot; riep Amalia. âGij hebt mij het kinderachtig en norsch gedrag aangeraden, waardoor ik eenige dagen lang door het geheele hof ben bespot en uitgelachen. Gij waart eene valsche vriendin, een trouwelooze zuster. Ik stond u in den weg en gij wildet mij op zij schuiven; van daar uwe baatzuchtige raadgevingen, uwe schijnheilige aanmoediging van mijne afkeerigheid van het huwelijksvoorstel door den Zweedschen gezant. Daarom moest ik mij grillig, barsch en kinderachtig lomp betoonen, opdat gij met uwe beminnenswaardigheid en maagdelijke bevalligheid des te sterker zoudt op den voorgrond treden. Ik diende u tot middel, om het juweel van uwe schoonheid des te schitterender te doen llonkeren! O, het is schandelijk, dat men mijn vertrouwen zoo misbruikt, mij zoo misleid heeft.quot;
Tranen stortende, zonk Amalia op een stoel neder en bedekte haar gelaat met beide handen.
âDwaas kind,quot; zeide Ulrika. âGij beschuldigt mij en weet toch zeer wel, dat gij zelve tot mij zijt gekomen en mij gesmeekt hebt, u een middel aan de baud te doen, ten einde die hatelijke verbintenis met den Zweedschen troonopvolger te ontgaan.quot;
âGij moest getracht hebben mijne verkeerde denkbeelden dienaangaande te wijzigen; gij moest mij herinnerd hebben,
134
dat ik eene prinses ben en er bij gevolg toe veroordeeld ben, geen hart te hebben.quot;
âGij spraakt ook niet van uw hart, maar slechts van uw godsdienst. Zoo gij mij hadt gezegd, dat uw hart u belette den kroonprins van Zweden uwe hand te geven, zou ik u met al de kracht mijner zusterliefde, zelfs op mijne knieën bezworen hebben, deze hand aan te nemen, uw hart te begraven in den purperen mantel der koninklijke waardigheid, en op een troon te vluchten, om beveiligd te zijn tegen de gevaren, waarmede de prinses door het jeugdige meisje werd bedreigd!quot;
Amalia nam hare handen van hare gelaat en zag verward en ontsteld op tot hare zuster, die voor haar stond en wiergroote, ernstige oogen meteeneonbeschrijtlijkeuitdrukking op haar rustten.
âIk zeide ook niet, dat mijn hart het mij zoude verhinderd hebben,quot; zeide zij stamelend en verlegen. âIk zeide alleen, dat wij arme prinsessen geen hart mogen hebben!quot;
âGeen hart voor een enkel persoon, maar wel voor het geheel,quot; riep Ulrika, âgeen hart om te beminnen als vrouw, maar een hart om te beminnen als koningin! Gij beschuldigt mij, Amalia, doch gij vergeet, dat ik mij niet op slinksche wijze van uw vertrouwen heb meester gemaakt, maar, dat gij het mij vrijwillig hebt geschonken, dat gij tot mij gekomen zijt, om mij uwe bezwaren en uw verdriet mede te deelen. Toen heb ik tot u gesproken zooals ik wenschte, dat men tot mij zou spreken, als ik in uw plaats en uw gemoedstoestand ware geweest. In één woord, ik heb u geraden overeenkomstig uw eigen geweten en uwe eigene overtuiging,quot;
âMaar uwe raadgevingen stemden weinig overeen met uwe eigene handelingen!quot; riep Amalia bitter.
âZoo ik voor mij zelve den raad, dien ik u heb gegeven, niet heb gevolgd, komt dit daardoor, dat ik niet deelde in uwe gevoelens en beschouwingen. Mijn geweten is minder angstig en schuw, dan het uwe; mijn godsdienst te verlaten, schijnt mij geene misdaad, zelfs geen onrecht toe, vooral, daar ik het niet uit onbestendigheid en wispelturigheid heb gedaan, maar ter wille van een hooger staatkundig doel.quot;
âïer wille van het doel, koningin van Zweden te worden!quot;
âEn waarom zou ik zulks loochenen? Ik nam de kroon
135
op, die gij met verachting hebt verworpen. Ik was eerzuchtig, terwijl gij te trolsch waart, ook maar een gering gedeelte van uwe godsdienstige overtuiging aan eene kroon ten oller te brengen. Ik vrees niet in den hemel veroordeeld te worden, omdat ik, ten einde koningin te worden, den uiterlijken vorm van mijn geloof en niet mijn geloof zelf veranderde. Zoo gij echter berouw hebt, over hetgeen gij hebt gedaan, zoo gij meer gematigde beschouwingen hebt aangenomen . . â
âNeen,quot; viel Amalia haar driftig in de rede, âIk heb nergens berouw over en mijne smart en verdriet gelden niet de versmade kroon, maar de trouwelooze en huichelachtige zuster, die mij een raad heeft gegeven, strijdig met hare eigene overtuiging, die mij verraadde, terwij 1 zij mij scheen te beminnen. Ga, zet vrij eene koningskroon op uw trotsch hoofd. Ik benijd u niet, want gij neemt slechts, wat ik heb versmaad; ik betreur haar volstrekt niet en heb er niet het minste berouw over. Maar nu gij koningin wordt, houdt gij op mijne zuster te zijn; want nimmer zal ik vergeten, dat gij deze kroon slechts door trouweloosheid en valschheid hebt verworven! Ga, koningin; de geheele wereld moge de knie voor u buigen, ik buig demijne niet. Ik veracht u; want gij hebt in uw koningsmantel het hart mijner zuster begraven! Vaarwel!quot;
Woest opspringend, diep ademhalend, met van toorn fonkelende oogen, snelde zij als eene getergde tijgerin naar de deur. Maar prinses Ulrika liep haar na en legde de hand op haar arm.
âLaat ons zoo niet van elkander scheiden, zuster,quot; zeide zij vriendelijk, ,,laat ons âquot;
Maar Amalia hoorde haar niet meer. Drittig slingerde zij de hand barer zuster weg en vluchtte naar hare vertrekken. ^ Een geruimen tijd ging zij,koortsachtig opgewondenen gloeiend van gramschap en smart, in haar boudoir, dat zij achter zich had gesloten, op en neer. 11 aar geheele wezen was in oproer en met den licht ontvlambaren toorn der Hohenzollern, verwenschte zij hare zuster, die haar zoo bitter teleurgesteld, zoo schandelijk verraden had.
Prinses Amalia, in alle opzichten, zoowel in het uiterlijke
1) Thiébaull. Vol. IV, pag. 1'J5 en volgende.
13G
als in hare gevoelens, het getrouwe evenbeeld van haar koninklijken broeder, was hem ook daarin gelijk, dat zij te veel geloof en vertrouwen in de menschen stelde. Maalais ook zij zich daarin teleurgesteld zag, gaf zij zich aan de diepste wanhoop, de smartelijkste uitvallen over en stortte deze als een doodend venijn uit niet alleen op het hoofd van dien enkelen persoon, die door zijn verraad hare liefde verbeurd had, maar ook over de geheele menschheid, waardoor hare liefde tot deze langzamerhand verminderde. De smartelijke ondervinding van heden had haar ook nu weder diep in het hart gegrepen en deed ook thans in dat hart de anders zoo milde bron van liefde en onschuldig maagdelijk geluk plotseling opdrogen. Met bevende jlippen, zeide zij luide en op vasten toon; âIk zal nimmer weder eene vriendin hebben, wantik geloof niet meer aan de vriendschap noch aan een meisjeshart! Zij zijn allen valsch, doortrapt en be-driegelijk, die meisjes en vrouwen. Van nu af aan zal mijn hart voor haar allen gesloten zijn, en haar vertrouwend lachje en hare valsche vriendelijkheid zal mij niet meer kunnen misleiden. O, mijn God, mijn God, ik zal dus eenzaam en verlaten zijn, ik zal . .
Plotseling hield zij op en een donkere blos bedekte haat-gelaat. Wat stoorde haar daar eensklaps in hare alleenspraak; waarom richtten hare oogen zich met zulk eene eigenaardige uitdrukking naar de deur en waarom luisterde zij met zulk eene spanning naar de stem, die buiten de deur haar naam op luiden toon uitsprak?
âPöllnitz! Het is Pöllnitz!quot; fluisterde prinses Amalia, en zij ontroerde door blijden schrik.
âIk moet prinses Amalia volstrekt zelf spreken!quot; riep de stem van den opper-ceremoniemeester.
âMaar dit is onmogelijk,quot; antwoordde een andere stem. âHare koninklijke hoogheid heeft zich in haar boudoir opgesloten en wil niemand ontvangen.quot;
âHare koninklijke hoogheid zal haar boudoir openenen mij toegang verleenen, zoodra gij de goedheid hebt gehad, mij aan te melden, want ik kom met eene zeer gewichtige aangelegenheid. Eene aangelegenheid, waarvan het geluk van meer dan eene vrouw afhangt!quot;
âMijn God,quot; fluisterde prinses Amalia verbleekend,,,Pöllnitz is in staat mij te verraden, als ik niet terstond open !quot;
137
En zij liep haastig naar de deur, om den grendel wég te schuiven en haar le openen.
âZiet gij nu, freule von der Marwitz,quot; riep Pöllnitz, terwijl hij tegelijkertijd diep en eerbiedig voor de prinses boog. âHeb ik geen gelijk gehad? Nauwelijks heeft onze dierbare prinses mijne stem gehoord, of zij heeft reeds de genade mij hare deur te openen. Onthoudt dit, freule, en beschouw mij voortaan als een zeer gewichtig personage, die niet alleen de gmndes, maar ook de pelites entrees heeft.quot;
Maar prinses Amalia was niet geneigd in de scherts van den ceremoniemeester te deelen. âIk hoorde,quot; zeide zij op strengen toon, âdat gij met buitengewonen aandrang er in hebt volhard, mij te willen spreken. Gij zijt zelfs zoover gegaan, te beweren, dat van dit onderhoud het levensgeluk van verscheidene menschen afhing.quot;
âIk vraag uwe koninklijke hoogheid verschooning; ik zeide niet, het levensgeluk van verscheidene menschen, maar van meer dan eene vrouw,quot; antwoordde de onbeschaamde ceremoniemeester, terwijl hij met de hofdame in het boudoir der prinses trad. âAls uwe koninklijke hoogheid dereden kent, die mij tot haar voert, zal zij de genade hebben te bekennen, dat ik gelijk heb.quot;
âNu, laat hooren,quot; riep de prinses, âen wee u, als het niet over zeer ernstige en gewichtige zaken is.quot;
âPrinses, hef is over uw toilet bij een feest en gij zult moeten bekennen, dat dit wel een onderwerp is, waarvan het levensgeluk van meer dan eene vrouw afhangt.quot;
De prinses lachte. âInderdaad, gij hebt gelijk,quot; zeide zij; âen zoo gij als kleermaker of modiste tot mij komt, had freule von der Marwitz inderdaad ongelijk, dat zij het mij niet terstond meldde.quot;
âDes te meer, daar zij er zelve ook in betrokken is,quot; riep Pöllnitz met een veel beteekenend gelaat. âWant, dames, er is over niets minder sprake, dan over een gemaskerd bal. De koning heeft bevolen, dat, behalve datgene, hetwelk in het opera-gebouw zal plaats hebben en dat ook voor het publiek bestemd is, er nog een ander gemaskerd bal in het paleis zal gegeven worden op den dag vóór het huwelijk van prinses Ulrika!quot;
âEn wanneer]zal mijne zuster dan huwen?'' vroeg Amalia.
âWeet uwe koninklijke hoogheid dat nog niet? O, ik
138
vergat, dat de koning deze zaak tot heden geheim heeft gehouden en er niemand dan de koningin-moeder olïicieel bericht van heeft gegeven. Ja, ja, prinses Ulrika zal met dien kleinen Holsteinschen prins, die eens een groot koning zal worden, reeds over vier dagen bij volmacht huwen. Daaruit volgt, dat de maskerade reeds over drie dagen zal plaats hebben en dat wij dag en nacht zidlen moeten werken, om de noodige costumes gereed te maken, die zijne majesteit zoo schitterend mogelijk wil hebben. Er moeten quadrilles worden gearrangeerd en de koning zelf heeft bepaald, welke paren daarin zullen dansen; op zijn bevel, breng ik uwe koninklijke hoogheid de opdracht, aan eene van deze quadrilles deel te nemen. Gij zult metdemaik-gravinnen van Baireuth en Schwedt en de hertogin van Brunswijk eene quadrille dansen gekleed in den stijl van Frans den Eerste.quot;
âEn wie zal mijn danser en partner zijn ?quot; vroeg Amalia, in bange verwachting.
, De markgraaf van Schwedt!quot;
âO, mijn onuitstaanbare neef! Daai-aan herken ik mijn kwaadaardigen broeder, die zeer wel weet, dat ik een afkeer heb van den vervelenden markgraaf.quot;
En de prinses wendde zich af en üep misnoegd de kamer op en neder.
âHebt gij niet gezegd, dat ook voor mij eene rol in de quadrilles is bestemd?quot; vroeg freule von der Marwitz verlegen.
âWel zeker, dat zeide ik, freule,quot; antwoordde Pöllnitz. âGij zult in eene quadrille in Russisch costuum dansen.quot;
âEn wie zal mijn danser zijn?quot;
Pöllnitz lachte. âNu,quot; zeide hij, âmen zou denken, dat het gewichtigste gedeelte van het baltoilet niet zoo zeer in de kleederen, als wel in den danser stak, en dat deze evenzeer eene levensvraag is, als de kleur en de snede van uw kleed, en de schoonheid van uw hoofdtooisel. Wie uw danser zal zijn? O, freule, ik geloof, dat gij zeer tevreden zult zijn, want de partner, dien de koning voor u heeft bestemd, is een van onze jeugdigste, schoonste, beminnelijkste en bekwaamste cavaliers. Een jongeling, bij wien Alcibiades zich niet zou hebben geschaamd, zich te vergelijken en dien Diana misschien zelfs boven den mijmerenden en
139
schooiien Endymion de voorkeur zou hebben gegeven, als zij hem slapende had gevonden. En denk nu eens, freule; niet alleen zult gij met zulk een parel der schepping dansen, maar gij zult dezen schoonen Ganymedes nu ook zeer dikwijls moeten zien en sproken. Want het is noodzakelijk, dat gij het met hem eens wordt over de keuze der kleuren van uw costuum en der dansen en bij zal, als uw hoogheid het ver oorlooft, dagelijks hij u moeten komen. O, waarom ben ik niet een jong meisje, waarom is het mij niet vergund, met dezen Adonis te dweepen en mijn arm, uitgebrand hart weder te herscheppen in een jeugdig, van liefde dwee-pend gemoed!quot;
âGij zijt een gek, die in het geheel niet weet, hoe het er in een meisjeshart uitziet,quot; zeide freule von der Marwitz lachend. âIn uwe verrukking over uwen Adonis, die waarschijnlijk een oud kreupel monster is, verwisselt gij de rollen en geeft aan het meisje de rol van een smachtend minnaar en aan uw monster het karakter van eene dweepende schoone.quot;
âMonster! God, monster heeft zij gezegd,quot; riep Pöllnitz op zeilroerenden toon.,,Kniel neder en bid om vergeving, freule, want zwaar hebt gij jegens hem misdreven. Gij zult dit bekennen, als ik u den naam van uw partner zal noemen.quot;
âMaar in 's hemels naam, noem hem dan eindelijk.quot;
âNiet vóór prinses Amalia de genade heeft gehad te beloven, dat zij uw arm hart bewaken en behoeden wil, en geen tête-d-tête met uwen partner zal toestaan.quot;
âZoo, wilt gij mij tot de bewaakster van de deugd mijner hofdame maken?quot; riep Amalia lachend. âIk zou de wachter van mijne goede Marwitz zijn en haar voor haar eigen hart beschermen 1quot;
âAls uwe koninklijke hoogheid deze genade niet wil hebben, zal freule von der Marwitz een anderen danser krijgen, want ik wil het niet op mijn geweien hebben, haar met den schoonsten der schoonen onbewaakt en onbeschermd alleen te laten.quot;
âWees barmhartig prinses en zeg ja!quot; smeekte de freule, âwant gij ziet wel, dat die afschuwelijke heer von Püllnilz mij wil doodmartelen van nieuwsgierigheid. Stem er in toe, genadige prinses, opdat ik eindelijk den naam van mijn danser moge vernemen.quot;
140
âWelnu,quot; zeide Amalia lachend, âik stem er in toe, de mentor van mijne hofdame te zijn.quot;
âUwe koninklijke lioogheid belooft dus plechtig,gedurende de quadrille elkeu keer bij het onderhoud tusschen freule von der Marwitz en haar partner tegenwooi'dig tezullen zijn
âDat heloot ik want gij ziet wel, de arme Marwitz sterlt van nieuwsgierigheid, als zij den naam van haar danser niet spoedig verneemt!quot;
âWelnu dan, daar ik voor het hart van de arme freule, , zooveel in mijne macht was, zorg heb gedragen, daar ik haar onder de bescherming onzer edele prinses heb gesteld, zal zij ook den naam van haar danser vernemen Het is de lieveling des konings en vart het geheele hof, het is de jonge luitenant baron von ïrenck.quot;
Zeer verschillend was de indruk, dien deze naam op de beide dames te weeg bracht. Het eerst zoo gespannen en blijde gelaat der hofdame nam plotseling eene verdrietige en misnoegde uitdrukking aan, terwijl prinses Amalia zich blozend en zichtbaar verrast afwendde, om niemand het blijde lachje te doen zien, dat om hare rozenroode lipjes speelde.
De heer von Pöllnitz, die alles merkte, wilde evenwel slechts het misnoegen der freule zien, om der prinses tijd te gunnen, zich te herstellen.
âIk zie tot mijne verbazing,quot; zeide hij, âdat onze schoone hofdame niet zoo verheugd is, als ik hoopte. Freule, freule, gij speelt fraai comedie, maar mij misleidt gij toch niet. trij speelt de onverschillige en teleurgestelde, om de genadige prinses daardoor over te halen, haar woord terug te nemen en niet bij uwe conferenties met Trenck tegenwoordig te zijn. Maar het is te vergeefs; want prinses Amalia heeft mij haar woord verpand en zal zeker de goedheid hebben het te houden.quot;
âVoorzeker,quot; zeide de prinses lachend. âIk zal het wel moeten doen; want als het een gegeven woord ot eene gedane belofte betreft, zijn zelfs prinsessen en koninginnen zoowel als vorsten en koningen, slechts menschen, die aan hunne eer verplicht zijn, te vervullen, wat zij beloofden. Ik zal dus woord houden! Maar nu genoeg geschertst. Laten, wij nu een weinig van het meer ernstige deel des levens spreken, namelijk van ons toilet. Heer von Pöllnitz,
141
geef mij spoedig uwe teekeningen, doe mij uwe voorstellen en gij, freule, ga heen en roep snel mijne kameniers; wij moeten groote vergadering houden. Haast u dus!quot;
II.
DE VERZOEKER.
Toen de freule het kabinet had verlaten, haalde de heer von Pöllnitz snel een verzegeld briefje te voorschijn en gaf het aan de prinses. Deze verborg het in den zak van haar kleed en zag schijnbaar onbevangen naar de groote schilderij van Watteau, die tegenover haar aan den'wand hing.
âNiets, nog steeds niets?quot; tluisterde de heer von Pöllnitz. âWilt gij dus mijn armen jongen vriend tot wanhoop brengen. Wilt gij hem zelfs niet de genade van een antwoord gunnen?''
Prinses Amalia bloosde nog sterkeren wendde haar hoofd af; maar terwijl zij dit deed, haalde zij een briefje te voorschijn en reikte het den ceremoniemeester, zonder hem aan te zien, zonder een woord te zeggen; zij was beschaamd, gelijk een jong meisje, dat haar eersten liefderoman aanvangt, of den eersten kus ontvangt.
Pöllnitz kuste hare hand met de geestdrift eens minnaars. âHij zal de gelukkigste aller stervelingen zijn en toch is hetgeen uwe koninklijke hoogheid hem toestaat zoo weinig en ligt het in uwe macht, hem nog oneindig gelukkiger te maken. Een wensch, dien hij nimmer wagen zal uit te spreken, dien alleen God en het oog van een vriend in zijn hart kunnen lezen, kunt gij vervullen.quot;
âEn waarin bestaat die wensch?quot; vroeg de prinses, maar zoo zachtjes, zoo bang lluisterend, dat Pöllnitz hare woorden meer konde raden dan verstaan.
âIk geloof,quot; zeide hij zachtjes, âdat hij het geluk, een uur aan uwe voeten te mogen zitten en u te kunnen aanschouwen, gaarne met zijn leven zoude betalen,quot;
âNu, daar hebt gij hem wel gelegenheid toe gegeven,quot; antwoordde Amalia verlegen; âgij hebt het zeer behendig
442
zoo ingericht, dat ik eene ontmoeting met hem niet meer kan ontwijken.quot;
âO, prinses, wat zou hij troosteloos zijn, als hij deze koele en wreede woorden hoorde. Ik moest hem ten minste dit schijngeluk verzekeren, daar ik niet in staat ben, hem het geluk zelf te verschalïen. Uwe koninklijke hoogheid is zeer wreed en onverbiddelijk jegens mijn armen, ongelukkigen vriend! Mijn hemel, hij smeekt van uwe genade slechts datgene ai, wat de geringste onderdaan aan uw koninklijken broeder mag verzoeken, hij smeekt u om een audiëntie, dit is alles!quot;
De prinses vestigde hare groote, vurige oogen met eene onuitsprekelijke uitdrukking op Pöllnitz.
â Apage satanas!quot; fluisterde zij met een pijnlijken glimlach.
âUwe koninklijke hoogheid doet mij te veel eer aan,quot; zeide Pöllnitz. âIk ben, helaas, de duivel niet, die toch ongetwijfeld naast God, de machtigste heer en gebieder der aarde is en dien ten minste drie vierde gedeelte der menschen toebehoort. Ik ben maar een arm, zwak menschenkind en mijne woorden hebben zelfs de kracht niet, het hart van uwe koninklijke hoogheid tot erbarming te bewegen.quot;
âMijn hemel, waartoe een onderhoud?quot; riep Amalia bijna angstig. âSta ik hem niet toe, mij alles te schrijven, wat hij denkt en gevoelt; en handel ik niet reeds misdadig en zondig, als ik zijne brieven lees en hem de taal, die hij daarin voert, vergeef? Wat verlangt hij nog verder? Is het niet genoeg, dat ik hem toesta mij te beminnen en mij dit te zeggen? Niet genoeg . . . .quot;
Plotseling hield zij op. Hare oogen, die den half spotten-den, half verwijtenden blik van den baron vermeden en rusteloos in de kamer rondgewaald hadden, vestigden zich nu weder op de schilderij van Watteau, op die gelukkige, lachende geliefden, die elkander teeder omhelzend, te midden van een bekoorlijk landschap, onder een eik zaten.
De groep, die zich nu toevallig aan het oog van de prinses vertoonde, was een welsprekend beslissend antwoord op hare vraag, een antwoord, dat de prinses niet met hare ooren maar met hare oogen ontving en dat haar hart deed beven.
Pöllnitz had hare blikken gevolgd en zeer goed haar blozen en hare verwarring begrepen. Hij trad nu naar de
443
schilderij, en met zijn wijsvinger er op wijzende, zeide hij lachend:
âGenadige prinses, vraag aan die beide gelukkigen, of een man, die hartstochtelijk bemint, niets anders van zijne geliefde heeft te smeeken, dan het verlof haar brieven te mogen schrijven.quot;
Amalia beefde; zij vestigde hare oogen met eene uitdrukking van vrees en ontzetting op het gelaat van den baron, die met zijn onbeschaamden blik en zijne onwankelbare gelijkmoedigheid haar vast en onderzoekend aanzag.
Hij had geen medelijden met hare verwarring, met haar kuischen, maagdelijken schrik. Hij sprak verder, om met vroolijken spot en dartele scherts haar angst en blooheid te doen verdwijnen; hij schilderde haar met vurige kleuren de wanhoop en het smachtend verlangen der liefde van haar jeugdigen minnaar af; hij bewees haar, hoe zij geheel zonder gevaar in hare vertrekken eene bijeenkomst kon hebben, zonder dat het nieuwsgierige oog en oor der bedienden er ook maar het minste van zouden kunnen merken. Want de kamers van de prinses kwamen toch uit op dien kleinen, donkeren corridor, waar geen schildwacht stond en vanwaar een kleine, ongebruikte trap naar de onderste verdieping van het paleis voerde, in eene kleine onbewoonde kamer, waarvan het lage venster uitzag op den tuin van Monbyou. Er was dus verder niets noodig, dan de grendels van dit venster bij dag weg te schuiven, opdat men het des nachts zonder gedruisch zou kunnen openen en daardoor in de kamor klimmen.
Ofschoon zij niet antwoordde en door geen wenk, geen glimlach, geen gefronst gelaat, hare goedkeuring of haar toorn te kennen gaf, hoorde prinses Amalia toch deze listige en gevaarlijke taal aan. Zij liet het vergif der verleiding langzaaam door haar oor in haar hart druppelen; zij had de kracht, den wil niet meer, den verleider weerstand te bieden en af te wijzen. Zij had alleen de kracht te zwijgen en hem niet te zeggen, dat hij haar âfceierifc''reeds overwonnen had.
âIk zal mijn doel weldra bereikt hebben,quot; zeide Püllnitz, zich vergenoegd de handen wrijvende, toen hij de prinses had verlaten. âJa, het hart van deze kleine prinses is overwonnen, en bare liefde is gelijk eene rijpe vrucht, gereed,
144
om zich te laten jJlukken, door de eerste hand, die er zich naar uitstrekt. Dat zal nu mijne wraak zijn, trotsche en wreede koning Frederik! Ik zal hoon met hoon vergelden en als de lieden op straat er vermaak in scheppen, de schande van den heer von Pöllnitz te hooren bekend maken, zal het hen, denk ik, niet minder vroolijk maken, elkander een weinig van de schande der prinses Amalia toe te fluisteren ; want die zal men wel is waar niet uitroepen en rond-trommelen, maar de stem van den laster is zoo scherp en krachtig, dat men haar overal hoort, al schijnt zij ook te fluisteren.quot;
Zijn gelaat gaf een boosaardig vermaak in het leed van anderen te kennen, terwijl hij aldus sprak. Spoedig echter, nadat hij zich een tijd lang aan deze snoode gedachten had overgegeven, verdwenen de rimpels van zijn voorhoofd en namen zijne trekken weder hunne gewone, listige en bespiedende uitdrukking aan.
âMaar vóór ik mij wreek, wil ik mij eerst laten betalen,quot; zeide hij met een gesmoorden glimlach. âIk wil de vertrouwde in deze liefdesgeschiedenis zijn en ik moest geen Pöllnitz heeten, als ik er geen voordeel van wist te trekken. O, koning Frederik, koning Frederik! ik geloof, dat prinses Amalia er zich weinig om zal bekommeren, dat het verboden h, den armen rijksbaron von Pöllnitz geld te leenen. Zij zal mij geld, naar ik hoop, zelfs zeer veel geld leenen en ik zal het haar met mijne stilzwijgendheid betalen.quot;
En zich geheel overgevende aan deze vroolijke gedachten, begaf de opper-ceremoniemeester zich naar den jongen luitenant Frederik von Trenck, om hem het briefje der prinses te overhandigen.
âDe vesting is ten volle bereid tot de overgave,quot; zeide hij, âloop nu storm en gij zult als overwinnaar de geopende poort van het hart binnen trekken! Ik heb u de gelegenheid gegeven, de prinses nu alle dagen te zien; maak u die ten nutte, zooals een dapper, schoon, jong en minnend cavalier die gebruiken moet en, zoo waar God leeft, gij zult spoedig generaal, vorst of iets andersbuitengewoonsworden.quot;
âEen generaal, een vorst, maar mogelijk ook een hoogverrader, die zijn hoofd op het blok leggen en met zijn leven de schuld betalen moet,quot; zeide de jonge luitenant von Trenck, in gedachten verzonken. âMaar dal zij dan zoo. Om zulk
145
een hoogverrader te zijn, moet ik eerst de gelukkigste, meest benijdenswaardige mensch zijn geweest en voor zoo iets kan men met zijn dood niet te zwaar boeten. O, Amalia, Amalia, ik bemin u grenzenloos. Gij zijt mijne zaligheid, mijn geluk en mijne hoop, gij âquot;
âGenoeg, genoeg!quot; riep Pöllnitz glimlachend, terwijl hij zijne ooren toehield; dat zijn louter algemeen bekende, overal gebruikte spreekwijzen, die men sedert Adams tijden in alle talen herbaalt, als men verliefd en twintig jaar oud is en het zijn altijd slechts schoone, opgesmukte, grillige leugens. Handel, mijn jonge vriend, maar spreek niet; want gij weet wel, de muren hebben ooren en de tafel, .waarop gij uwe brieven schrijft, heeft evenzeer oogen als de chatouille, waarin gij dit briefje van de prinses legt, om bet tot in eeuwigheid te bewaren. Wees voorzichtig! Verbrand de brieven der prinses; schrijf de uwe met sym-pathetischen inkt en in cijferschrift, opdat niemand in staat zij, ze te lezen; zorg er voor dat buiten God, de duivel en ik, niemand uwe gevaarlijke minnarij verneme.quot;
Maar Trenck luisterde niet meer naar hem. Hij was te gelukkig, te hartstochtelijk, te jeugdig, om op de voorzichtige woorden van zijn ouden, doortrapten raadsman te letten, veelmin er gehoor aan te geven. Hij las met steeds klimmende verrukking den brief der prinses, het antwoord, waarom hij lang gesmeekt en dat hij zoo vurig begeerd had. Hij drukte het papier aan zijn heftig kloppend'hart, aan zijne gloeiende lippen en sloeg toen zijne oogen weder op die regels, die hare hand geschreven, haar hart haar ingegeven had.
Pöllnitz zag hem bedaard en listig lachend aan, even als de vos doet, wanneer hij zeker is, dat de duif hem niet meer kan ontgaan, haar vroolijk klapwieken, hare sierlijke bewegingen gadeslaat en haar nog een oogenblik den tijd geeft, om gelukkig te zijn, voor hij haar verslindt.
âIk wed, dat gij het briefje reeds van buiten kent,quot; zeide hij eindelijk, terwijl hij langzaam en bedaard vuur sloeg en eene kaars opstak, om daaraan zijne sigaar aan te steken. âTs het niet waar, kent ffii het briefje niet reeds van buiten?quot;
âIeder woord is met vlammende letters in mijn hart gegraveerd!quot;
Mühltaoh, Frederik de Groote en zijn Hof. III. 10
14G
âZoo? met uw verlof dan!quot;
En met eene snelle beweging ontrukte de baron den verbaasden jongeling bet papier en bield het in de brandende kaars.
âHoud op, houd op,quot; riep Frederik von Trenck, en op Pöllnitz toesnellende, wilde hij hem het papier met geweld ontscheuren. Maar de baron strekte met een afwerend gebaar zijn arm naar hem uit en zwaaide met de andere hand het brandende papier boven zijn hoofd.
âMijn hemel, wat hebt gij gedaan,quot; riep de jonge officier smartelijk, terwijl hij op het helder brandende briefje staarde.
âIk heb den god der stilzwijgendheid een olïer gebracht,quot; zeide Pöllnitz plechtig. âIk heb dit papier verbrand, opdat men er niet eens den brandstapel mede zou kunnen ontsteken, waarop men u te eenigen dage wel eens als hoogverrader kon verbranden. Jongeling, zeg mij dank, want ik heb u ten minste voor één dag van den dood gered en uw geheim voor ontdekking bewaard!quot;
III.
HET BRUILOFTSFEEST DER PRINSES.
Het geheim van de jeugdige geliefden was inderdaad dooiden trouweloozen, huichelachtigen vriend voor één dag voor ontdekking bewaard. Er kwam evenwel een nieuwe dagen op dien dag hadden zij het vergif, door Pöllnitz voor hen gereed gemaakt, dooi' oog en oor in hun hart laten binnen dringen! Op dien dag zagen zij zich gedwongen, elkander slechts doorlonkjes, zuchten, stille lianddrukken en vluchtige, ter sluiks gesproken woorden, hunne liefde te kennen te geven, omdat de tegenwoordigheid van andere personen hun hart zoo wel als hun mond in bedwang hield. Pöllnitz echter wist zeer wel, dat er geen krachtiger middel was om een jong meisje aanleiding te geven tot het wenschen van een rendez-vous met een geliefde, dan hun eene bijeenkomst, te verschaffen in het bijzijn van vreemden, waardoor beiden veroordeeld worden tot dwang, vermomming en stilzwijgendheid. Het aldus bedwongen hart
147
verlangt dan te vuriger die ijzeren banden der stilzwijgendheid af te werpen en zicli uit de drukkende gevangenschap te verhellen tot een vrij en onbelemmerd samenzijn.
Toen prinses Amalia twee dagen de marteling had verduurd bij haar geliefde te zijn, in tegenwoordigheid van getuigen, had zij vast besloten hem eene andere bijeenkomst zonder getuigen toe te staan, zoodra hij het zoude wagen haar daarom te verzoeken.
Zij wilde eindelijk dit schoone gelaat, dat nu beschaduwd was door eene wolk van weemoed, zien schitteren in den helderen zonneschijn van het geluk; zij wilde die treurige oogen zien verhelderen, dien somberen mond zien lachen. Zij wilde den geliefde gelukkig maken. Zij dacht, dat hij niets anders wenschte, niets anders verlangde!
Er kwamen wel is waar ook uren van twijfel, van beschroomdheid ; uren, waarin zij ten volle het gevaarlijke en vermetele van haar stap begreep, waarin zij, in een onbestemd gevoel van angst en ontzetting, bijna op het punt stond, hare koninklijke moeder te voet te vallen en deze alles te bekennen en bij haar bescherming te zoeken tegen een zwak maagdelijk hart, waarin zij, in de woeste vertwijfeling van haar opbruischenden en moedigen aard, tot den koning te gaan en hem smeeken wilde, haar voor haar zelve te beschermen, voor hare eigene hartstochtelijke en gevaarlijke gedachten. Maar er was steeds eene stem in haar hart, die haar terughield van dezen stap tot heil en redding en hare oogen sloot voor de afgronden, die haar aan alle zijden omgaven en die zij met bewustheid te gemoet snelde.
Als zij nu eene zuster had gehad, eene vriendin, die zij kon vertrouwen, dan zou zij misschien gered zijn geworden; maar naar hooge stand beroofde haar van de heerlijkste levensvreugde, van de vertrouwelijkheid eener vriendin. Want de vriendin, waarop de natuur haar wees, hare zuster ülrika, had door de intrigue, door welke zij de Zweedsche koningskroon had verworven, voor altijd het hart van hare zuster van zich vervreemd.
Ja, misschien waren het zelfs wel deze schitterende, schoone huwelijksfeesten, die de jonge vorstendochter al meer en meer in die gevaarlijke en heillooze netten brachten, die zij ontgaan zou zijn, door eene vereeniging met een echtgenoot van gelijke geboorte. Zij zeide in zich zelve,
148
dat het in hare macht was geweest, zich al die feesten, al die heerlijkheden en eerbewijzen toe te eigenen en dat alleen haar eigen hart en de Irouwelooze raad van hare zuster het haar hadden verhinderd. In de kinderachtige (ierheid van haar hart dacht zij: âHet noodlot toonde mij den weg ter redding, maar mijne eigene zuster stiet mij weg naar den afgrond, aan welks rand ik thans sta. Zij moge er voor verantwoordelijk zijn. Op haar hoofd kome mijn ongeluk en mijne schande, op haar hoofd mijne tranen en klachten. Zij heeft mij belet koningin te worden; welnu, ik wil dan ten minste een jeugdig meisje zijn, dat mint en aan haar minnaar alles opoffert, haar trots, haar rang, de onbevlekte grootheid van hare voorouders! Voor Ulrika dus de eer, de pronk, het statige geluk, â voor mij de geheimzinnigheid, de liefde, het stille geluk van te beminnen! Wie van ons beiden zal meer te benijden zijn?quot;
Inderdaad, het waren schitterende, plechtige dagen, die men aan de prinses Ulrika, de bruid van den kroonprins van Zweden, den hertog Frederik van Holstein, toewijdde. Het eene feest volgde op het andere. Het geheele land scheen deel te nemen aan het huiselijk geluk der koninklijke familie. Alle provinciën, alle steden zonden afgevaardigden, om den koning geluk te wenschen en der prinses geschenken aan te bieden. Zij, die zoo dikwijls door de meer edele en verblindende schoonheid van hare zuster was in de schaduw gesteld, werd nu ptotseling het middelpunt van al die feestelijkheden en vreugdebedrijven, die in onafgebroken bonte rij op elkander volgden. Voor haar, voor prinses Ulrika alleen, gaf de koning in het opera-gebouw een gemaskerd bal, waaraan de geheele stad mocht deelnemen; voor haar hadden de burgers op den avond van hare echtvereeniging de straten door den heldersten glans der kaarsen vrijwillig verlicht; voor haar gaf de koningin op Schonhausen een schitterend bal; voor haar had de Zweedsche gezant een feest gegeven, welks kwistige weelde haar misschien een voorsmaak moest geven van de pracht, die zij in Zweden, haar nieuw vaderland, had te wachten; voor haar eindelijk had het gemaskerd bal op het koninklijk paleis plaats, waarvoor niet slechts de geheele adel, maar tevens een groot gedeelte der voorname, rijke en aanzienlijke burger-familiën van Berlijn uitnoodigingen hadden ontvangen.
449
Meer dan drie duizend menschen golfden op en neder in de schitterend verlichte zalen. Overal zag men blijde gelaatstrekken, schitterende toiletten. Al wat op schoonheid en jeugd, op rang, aanzien, roem en waardigheid aanspraak kon maken, was heden in de zalen van het paleis verzameld; en achter de rijen der prachtig gekleede dames en der schitterende cavaliers, verdrong zich het opgeschikte, verbaasde, door bewondering verstomde volk. De koning had bevolen, aan geen welgekleed persoon den toegang tot het paleis te weigeren. Die eene uitnoodigingskaart had verkregen, had het recht, als gast des konings, door de rijen der schitterende zalen te wandelen; die zonder kaart kwam, moest het zich evenwel laten welgevallen, achter hel zijden koord te gaan, dat aan de zijden der zaal was gespannen en eene nauw merkbare, maar toch niet te overkomen grensscheiding maakte tusschen het hofgezelschap en het volk.
Het was eene moeielijke, reusachtige taak, in die massa's, onder dit elkander verdringende, duwende, nieuwsgierig gapende volk, onder die duizende voorname, opgeschikte, met de etiquette en allen hoofschen dwang onbekende lieden, een zekere orde te bewaren, of er voor te zorgen, dat een ieder, als gast des konings, overeenkomstig zijne waardigheid werd bediend en onthaald. Eene menigte lakeien, in met gouden tressen versierde livrei, vlogen met nimmer rustenden spoed door de zalen en boden op zilveren bladen de zeld» zaamste vruchten, de heerlijkste spijzen aan de talrijke gasten van den koning. Verbazend groote bulVet-tenj in elk der zalen aangebracht, bevatten een kwistigen overvloed van de kostelijkste spijzen en dranken. Overal hoorde men het gerinkel van glazen en het gekletter van messen en vorken, hetgeen te kennen gaf, dat de gasten bezig waren aan de behoeften der maag te voldoen.
De koning had, in het edel; en trotsch vertrouwen van een groot hart, de bewaking der gasten in het paleis niet aan de politie opgedragen. Aan eenige dienstdoende officieren van zijne lijfwacht was het opgedragen, in de zalen de plaatsvervangers van den koning te zijn en als gastheer te fungeeren, terwijl zij er op moesten letten, dat een ieder goed bediend, bezig gehouden en verzorgd werd, terwijl het hof met de aanzienlijksten van den adel en de onderhoorigen in de schilderijengalerij het avondmaal gebruikten.
150
Wat was dat voor een gelach, dat plotseling in de aan^ grenzende zalen weerklonk, en voortrollend, gelijk een sneeuwval, steeds luider en heviger werd, tot het de ooren des konings bereikte, zoodat deze, ven-ast en verwonderd, zijn opper-ceremoniemeester last gaf, te onderzoeken, wat dat luide gelach, dat geen einde nemend gejuich beteekende.
Reeds binnen eenige minuten keerde de heer von Pöllnitz terug. Naast hem ging een jeugdig officier, wiens hooge rijzige gestalte, wiens schoon en edel gelaat, schitterende van kracht, jeugd, hoogmoed en vuur, de oogen, ook'van de meest trotsche dames tot zich trok en zelfs aan de koningin-moeder een goedkeurend lachje ontlokte.
âSire,quot; zeide de heer von Pöllnitz, âmen lacht, omdat de een of ander geestige kwant het masker van een dief en roover heeft aangedaan en in eene al te ver gedreven jokkernij juist hem bestolen heeft, dien uwe majesteit had bevolen, voor de rust en veiligheid in de zalen zorg te dragen. Zie hier onzen jeugdigen luitenant Trenck. Men heeft hem in het gewoel zijne met goud geborduurde en met gouden franjes versierde sjerp ontfutseld; en in den ij ver voor zijnen dienst heeft hij niet bemerkt, dat de vroolijke hansworsten, die hij in toom zou houden, juist hem tot het mikpunt van hunne uitgelatenheid hadden gemaakt. Daarover lacht men in de zalen, sire.quot;
Het oog van den koning rustte met zulk innig welgevallen op zijn jongen officier, dat prinses Amalia, die het zag, haar hart voelde kloppen van vreugde en verrukking. Een hooger blos kleurde haar wangen; eene zalige vreugde doortintelde haar geheele aanzijn, toen zij hem, dien zij beminde, door haar doorluchtigen, aangebeden broeder, door den koning, erkend en bemind zag.
âIk heb u den ganschen avond reeds bewonderd,quot; zeide de koning, op zijn vroolijken schertsenden toon. âGelijk het oog der Voorzienigheid, werpt gij uwen blik lot in de meest verwijderde schuilhoeken en zie.t al wat geschiedt. Overal, waar gij u vertoont, heerscht rust, vvelvoegelijkheid en stilte. Dat uw blik, die alles ziet, niet waakt over eigen persoon, toont, dat gij niet ijdel zijt en niet om u zeiven denkt, als het er op aan komt een ontvangen bevel uit ie voeren. Ik zal zulks onthouden en u weten te beloonen, zoo niet hier in de balzaal, dan misschien op het slagveld,
151
waar gij, naar ik mij overtuigd houd, u uwe sjerp niet zult laten ontstelen.quot;
Hij gaf' den jongen officier de hand, die deze vurig aan zijne lippen drukte. Vervolgens wendde de koning' zich lachend tot de koningin-moeder. âIk weet, mevrouw,quot; zeide hij, âdat de jonge baron u reeds is aanbevolen, maar ik neem de vrijheid, hem ook van mijn kant bij u aan te bevelen. Mocht gij de genade hebben, hem tot een cavalier te vormen; ik zal hem tot een krijgsman maken en dan zullen wij aan hem een edelman hebben, zooals er weinig zijn.quot;
En de koning, de tafel opheffende en zijn zetel verlatende, legde een oogenblik zijne hand op Trencks' schouder.
âGij zijl lang genoeg,quot; zeide de koning lachend, âdat hebt gij aan de natuur te danken. Streef er nu naar, niet slechts lang, maar ook groot te worden en dat zult gij aan u zeiven te danken hebben.quot;
Hij knikte den jeugdigen oflicier nog eens vriendelijk toe en keerde zich toen om, ten einde aan de koningin moeder den arm te geven en haar in de aangrenzende zaal te geleiden, waar nu de dans begon, terwijl de dames zich in de kleedkamers terugtrokken, om toilet te maken voor de quadrilles, die nu zouden beginnen.
IV.
IN DE VENSTERNIS.
Er ontstond nu in de danszalen een verbazend gewoel, daar ieder er heen drong om de quadrilles te zien, waarin de prinsessen, de schoonste dames van het hof en de rijkste cavaliers zouden dansen. Ieder wilde de schilderachtige kostumes, de bevalligheid en aanminnigheid der dames en de behendigheid der cavaliers zien en bewonderen. Ieder wilde geniéten van de heerlijke, nieuwe dansmelo-diën, waarvan, zooals men wist, eenige door den koning zelf waren gecompofieerd.
(1) Thiébault. Vol. UI, pag. 195 en volgende.
452
De eerste quadrille, waarin de prinsessen dansten, was nu onder het luide, door geene étiquette weerhouden gejuich der menigte geëindigd en onder het geschal dei-pauken en trompetten traden de dansers en danseressen voor de tweede quadrille de zaal binnen.
Prinses Amalia had zich uit het bonte gewoel in eene vensternis teruggetrokken; zij gevoelde zich uitgeput, overspannen door den dans en door de veelvuldige aandoeningen van den dag. Zij had een oogenblik van rust, verademing en overpeinzing noodig. Zij trok de zware zijden gordijnen bijeen en ging hijgend zitten op de kleine geborduurde tabouret, die in de vensternis achter de bedekkende gordijn stond.
Hoe verkwikte haar deze stille afzondering van het woelige, gedruisch makende feest in hare nabijheid! Hoe aangenaam was het, te mijmeren bij den klank der muziek en bij het geraas der keuvelende, lachende, dansende, open nedergaande menigte!
Zij liet haar hoofd rusten en sloot hare oogen, niet om te slapen, maar, zooals gezegd is, om te peinzen.
Zij dacht er aan, dat laare zuster zich eene koningskroon wilde opzetten en zich voor deze kroon aan een man wilde verkoopen, dien zij nimmer had gezien, van wien zij niets wist, dan dat hij de erfgenaam van een troon was. Zij huiverde bij de gedachte, dat hare zuster aan dezen man, dien zij niet kende, haren godsdienst ten olfer gebracht en voor Gods altaar beloofd had, hem te beminnen en getrouw Ie zijn. In de reinheid en onschuld van haar jeugdig hart, noemde zij dit eene misdaad, eene heiligschennis jegens de liefde, de trouw en den godsdienst zelve.
âIk zal dat nimmer doen!quot; lluisterde zij zachtjes in zich zelve. âIk zal mij nimmer verkoopen, mijn hart alleen wil ik volgen; alleen den man, dien ik bemin, wil ik toebehooren.quot;
Terwijl zij dit zeide, bedekte een purperen blos hare wangen en sloeg zij plotseling hare oogen op, als hoopte zij den man barer liefde voor zich te zien, om hem met hare schitterende oogen te kunnen herhalen, wat hare lippen zoo even hadden geduisterd.
âNeen, zeker, zonder liefde zal ik nooit huwen,quot; lluisterde zij verder, vol van den trots en den vermetelen moed der jeugd. âEn daar ik bemin en men slechts eens in het leven
453
kan beminnen, zal ik nimmer huwen, of het moest zijn^âquot;
Zij hield op, en liet met een tevreden lachje haar hooftl op de borst hangen. Zij schroomde uit te spreken, waar baar hart over peinsde en naar verlangde; zij durfde hare gedachten, die als gloeiende lava in haar hoofd kookten, niet uiten. Zij dacht, dat hare liefde misschien in staat zou zijn, het hart des konings te vermurwen, dat hij haar misschien in de grootmoedigheid en goedheid zijner ziel zou kunnen toestaan gelukkig te zijn en eene kroon, niet van goud, maar van mirten op haar hoofd te zetten. Zij herhaalde in haar geest al die welwillende vriendelijke woorden, die de koning heden tot baar jongen minnaar had gericht; zij zag nog eens de scboone oogen des konings met de volle uitdrukking van teedere, bijna bewonderende deelneming op ïrenck's schoone gestalte rusten en met een zaligen glimlach lluisterde zij: âDe koning zelf vindt hem schoon en beminnenswaardig; hij zal zich dus niet kunnen verwonderen, als zijne zuster in zijne genegenheid deelt; bij zal het natuurlijk vinden, dat ik hem bemin, dat âquot;
Een donderend gejuich van goedkeuring in de zaal, stoorde haar in hare overdenkingen. Zij schoof de gordijnen een weinig ter zijde en keek in die versierde, welriekende, van muziek weerklinkende zaal, onder welker kronen van verguld bergkristal de net gekleede, met diamanten, bloemen en goud versierde menigte, als eene in den zonneschijn fonkelende zee, zich been en weder bewoog.
De tweede quadrille was afgeloopen en luide toejuichingen waren de belooning voor de dansers en danseressen, die hier en daar ademloos en hijgend op de tabourets hadden plaats genomen, om uit te rusten van hunne inspanning.
Prinses Amalia zag niet alleen, maar zij boorde ook; zij hoorde het gesprek van de beide dames, die dicht voor bet gordijn stonden, waar achter zij verborgen was. Zij boorde, dat zij van Frederik von Trenck spraken; zij hoorde, dat zij hem den schoonsten der aanwezige cavaliers noemden en met geestdrift over zijne schoone reuzengestalte en over zijn vurig oog spraken.
âHij heeft de gestalte van een Hercules en het gelaat van een Ganymedes,quot; zeide de eene.
âIk geloof, dat hij zoo schoon is als de Apollo van Belvedère,quot; zeide de andere en daarbij is zijn gelaat vol onschuld
154
en reinheid. O, hoe benijd ik de vrouw, die zijne eerste liefde zal zijn.quot;
âGij meent dus, dat hij nog nimmer heeft bemind?quot;
âDaar ben ik volkomen zeker van. Het vuur van zijn hart rust nog onder den sluier der jeugd en hij begrijpt het zelfs nog niet, als men hem toelacht en een teederen, beteekenisvollen blik toewerpt.quot;
âHebt gij dat beproefd?quot;
âIk heb het beproefd en ik beken u, dat het te vergeefs is geweest. Maar ik geef hem daarom nog niet op en ik zal mijne proefnemingen zoo lang herhalen, totâquot;
De dames verwijderden zich en zetten haar gesprek zachtjes verder voort. Prinses Amalia kon ze nu niet meer hooren, maar zij had de stemmen van deze beide dames zeer goed herkend; zij wist, dat het mevrouw vonBrandt en de jonge Louise von Kleist waren, de schoonste der schoonen, zooals de koning zelf haar gisteren nog had genoemd!
En Louise von Kleist, de schoonste der schoonen, de onweerstaanbare coquette, de steeds door aanbidders en bewonderaars omringde vrouw, Louise von Kleist, had hare vriendin bekend, dat hare teedere opTrenckgerichte blikken te vergeefs waren geweest, dat zij vruchteloos moeite had gedaan, het ijs van zijn hart te doen smelten.
âMaar zij wil hare pogingen voortzetten,quot; fluisterde Amalia, wier hart nu voor het eerst door ijverzucht gekweld werd. âO, ik ken Louise von Schwerin; zij zal hem zoo lang vervolgen, zoo lang met hare verliefde, vermetele, uitdagende blikken, met haar teeder smachten bestormen, tot hij haar bemint, tot hij aanbiddend aan hare voeten ligt! â Maar neen, dat zal ik volstrekt niet dulden. Zij zal mij het eenige geluk, den eenigen gouden droom mijns levens niet ontrooven. Hij behoort mij toe, hij is de mijne door zijne liefde, die hij met duizend heilige eeden heeft bezworen. Ik ben zijne eerste liefde, ik ben die gelukkige vrouw, die hij bemint; ik zal door de schoone, schitterende Louise von Schwerin benijd worden om mijn geluk. Hij is de mijne en de mijne zal hij blijven ; ondanks de geheele wereld wil ik hem beminnen en mij zelve aan' hem overgeven!quot;
En toen zij nu hare blikken weder door de kleine ope-
455
ning der gordijnen in de zaal wilde laten rondweiden, trad zij met blijden schrik achteruit.
Dicht bij haar, juist op de plaats, waar kort te voren de beide dames hadden gestaan, stond hij nu, hij, de Apollo van mevrouw von Kleist, de herculische G any modes van mevrouw von Brandt, hij, Frederik von Trenck, de geliefde van prinses Amalia!
Daar stond hij nu stil en onbewegelijk en zag met over elkander gekruiste armen naar het bonte gewoel der maskers. Misschien zocht hij haar, misschien was hij treurig en bedroefd, dat Amalia zich geheel aan zijne blikken had onttrokken, ten eenenmale onzichtbaar voor hem was geworden.
Plotseling hoorde hij achter zich eene stem, die iluisterde; âZie niet om, blijf staan, gelijk te voren. Maar zoo gij mij hoort en verstaat, buig dan zacht jes toestemmend uv/hoofd.quot;
Frederik von Trenck boog, ten teeken van toestemming; maar prinses Amalia kon niet zien, wolk eene uitdrukking-van vervoering plotseling op zijn gelaat blonk; zij kon niet gevoelen, hoe onstuimig zijn hart klopte en zijne ademhaling belemmerde.
âWeet gij, wie het is, die met u spreekt, herkent ge mij, neig dan uw hoofd nogmaals!quot; Iluisterde de stem.
Juist ruischle de muziek luider; de op- en neer walsende paren, en daarbij het door elkander spreken van meer dan vijfhonderd personen, verschatte aan het gesprek van het minnende paar voldoende veiligheid.
Frederik von Trenck vergenoegde zich nu niet met slechts te buigen, hij wendde zich ter zijde en iluisterde half luid: âIk herken zeer goed de stem van een engel en knielen zoude ik en haar aanbidden, als mijn engel hierdoor niet in gevaar gebracht en ik van haar verdreven zou worden!quot;
âStil, spreek niet meer,quot; Iluisterde de stem en Trenck hoorde aan het hijgen en sidderen, dat bet meisje, waarmede hij sprak, al dien gloed, die prikkeling, dien hartstocht ondervond, die door zijn eigen wezen als met vuurstroo-men woedde en gelijk orgeltonen in zijne ooren ruischten.
âSpreek niet meer, maar hoor mij aan!quot; Iluisterde de stem weder, âovermorgen reist prinses Ulrika af; dan begeeft de koning zich naar Potsdam en gij zult hem zonder twijfel vergezellen. Hebt gij een vlug paard, dat den weg van Potsdam naar Berlijn ook bij nacht weet te vinden?quot;
156
âIk heb een vJug paard en voor mij en mijn paard is er geen nacht.quot;
âIn den vierden nacht, van heden te rekenen, zult gij het venster, dat gij kent, open vinden en zal de deur, die naar den kleinen trap voert, slechts op een kier staan. Kom des avonds te elf uur en men zal u dan vergoeding geven voor de sjerp, die gii heden avond hebt verloren! Stil, geen woord meer! Zie niet om, ga bedaard verder, keer ook zelfs geen enkelen keer uw hoofd om! Vaarwel! Over vier dagen, te elf uur! Ga nu!quot;
âO, ik zal zijn hart met een pantser moeten bedekken, opdat hij onkwetsbaar zij,quot; lluisterde Amalia, toen hij vertrokken was en zij sidderend en diep ademhalend, uitgeput door inwendige ontroering, weder op de tabouret nederzonk. âDe schoone Kleist zal mij mijn geliefde niet ontrooven. Hij bemint mij, mij alleen en nu zal hij niet meer klagen, dat ik wreed ben! Ik mag niet wreed zijn en hem ongelukkig maken, want dan zoude zij beproeven hem te troosten; en ik wil niet, dat hij eene andere dan mij beminne. Als zij het nogmaals waagt, hem te vervolgen met hare verliefde blikken, zal ik haar gevoelig straften, daar kan zij op rekenen!quot;
V.
EEN KONING, DIE BEDEESD IS.
De koning was heden niet goed geluimd. Hij had beproefd met lluitspelen, de sombere wolk, die zijn voorhoofd bedekte, te verdrijven, maar de zachte melodieën, die hij aan het instrument wist te ontlokken, waren niet in staat geweest hem op te vroolijken. Hij bleef bedroefd en treurig.
Misschien was het de smart over de scheiding van zijne zuster, waardoor de gelaatstrekken van den koning zoo verduisterd waren en waardoor hij zelfs buiten staat was, zich langer met zijn fluit te verstrooien. Den vorigen avond was prinses Ulrika afgereisd, nadat zij nog voorafin de opera-zaal, waar men de opera Rodelinde gaf, in zekeren zin van de Ber-Ujners afscheid had genomen, door zich voor de laatste maal, gedurende eenige uren aan hen te vertoonen. Terwijl op
157
het tooneel de zangers hunne schoonste liederen zongen, waarin zij al de kunst van hun gezang tentoonspreidden, stonden buiten voorhetgebouw der operade reiskoetsen reeds gereed, want de koning, die gaarne eiken prikkel,elke ontroering voor zijn al te week hart vermeed, had bevolen, dat de prinses terstond na de opera in de gereedstaande reiskoets zoude stijgen en zonder afscheid zou wegrijden. Het publiek wist dit; van daar, dat het zoo weinig oplettendheid aan het tooneel wijdde, maar steeds zijne oogen naar de konink-lijke loge richtte, om ten* minste met deelnemende blikken afscheid te nemen van de prinses, die heden voor de laatste maal in den glans van hare schoonheid, jeugd en hare koninklijke houding, voor hen verscheen. Er heerschte daarom eene buitengewone stilte in het groote gebouw, eene slilte, die zelfs gedurende de pauze voortduurde; iedereen zag op naar de loge, waar de prinses te midden van de beide koninginnen zat. Een ieder zag daardoor, hoe plotseling de deur der loge snel werd geopend en de jonge prins Ferdinand met uitgebreide armen naar zijn zuster snelde.
âMijne lieve, lieve Ulrika,quot; riep de prins, smartelijk snikkend, âhet moest dus zoo zijn! Nimmer zal ik u dus weder zien!''
En met kinderlijke onstuimigheid zijne zuster omhelzende, leunde hij met zijn hootd op haar schouder en weende en snikte luide.
Prinses Ulrika, niet meer in staat hare lang bedwongen ontroering te verbergen, stortte tranen gelijk haar broeder en hem zachtjes medenemende naar het achtergedeelte der loge, [luisterde zij hem schreiend en sidderend woorden van liefde toe en smeekte hem, nimmer zijne belofte te vergeten, dat hij haar altoos zou beminnen. Naast haar stond de koningin-moeder; ook zij had voor een oogenblik vergeten, dat zij koningin was en zich slechts herinnerd, dat zij eene moeder was, die op het punt stond, haar kind voor altijd te verliezen. Zij had daarom zelfs niet gedacht aan het ongepaste van dit schouwspel, dat toch met de etiquette in strijd was, zij zag slechts hare beide kinderen, die elkander weenend omarmd hielden; en zij, zij weende met hem.C1)
1
L. Schneider. GescUichte der Oper- und de königllchen Opernbaueea zu Berlin. Pag. 20.
158
Het publiek zag dat alles en nimmer had het minzaamste lachje, de vriendelijkste begroeting der koningin zoozeer de harten gewonnen, als nu de tranen der moeder deden. Iedere moeder gevoelde met deze vrouw, die, ofschoon koningin, toch de smarten van eene teedere moeder ondervond; ieder meisje gevoelde met dit meisje, dat, ofschoon zij op het, punt stond, eene schitterende toekomst als vorstin te gemoet te gaan, toch het gelukkige verleden, het geliefde ouderlijke huis, met heete tranen beweende. En toen de mannen hunne vrouwen en zusters zagen weenen, toen zij bemerkten, dal zelfs een prins zich niet schaamde over zijne tranen, weenden ook zij, uit medegevoel, uit aandoening, uit liefde tot het koninklijke huis. De pauze, anders zoo vroolijk en vol gedruisch, aangenaam door het keuvelen en gelach, eindigde dit keer, onder stil geween en met moeite onderdrukte snikken en toen de opera weder begon, had niemand oog of oor voor het tooneel. De gevierde zanger Salimbeni deed zijne heerlijkste tonen weergalmen, zonder te worden toegejuicht; zelfs Barberina danste, zonder dat het publiek, gelijk het op dezen avond mocht doen, zijne goedkeuring betuigde en haar de gewone schatting van zijne tevredenheid bracht.
Was het misschien de herinnering aan het aandoenlijke intermezzo van den vorigen avond, dat den koning zoo ontroerde? Treurde zijn hart over de beminde zuster,die hem nu voor altijd verlaten had? Misschien wist de koning het zelf niet, of misschien wilde hij het niet weten, wat hem zoo ontroerde en hem zoo rusteloos ronddreef, zonder ergens smaak in te kunnen vinden.
Nadat hij zijne lluit ter zijde had gelegd, nam hij Livius, die altijd op zijne schrijftafel lag, ter hand en trachtte eenige hoofdstukken te lezen. Maar de letters dansten hem voor de oogen en zijne gedachten dwaalden af van den ouden Romeinschen geschiedschrijver.
Neerslachtig wierp de koning het boek ter zijde en ging met de handen op den rug op nieuw heen en weder.
âAch, ik wenschte wel, dat ik heden ten strijde moest gaan,quot; prevelde hij ; heden zoude ik zeker overwinnaar zijn, want ik verkeer in die wanhopige stemming, die zelfs voor den dood onbevreesd is, waarvoor het strijdgejoel een welkom gezang, het bloedvergieten eene verlichtende aderlating
159
is. En wat heeft toch opeens mijn geest als met een sluier bedekt; welke geheimzinnige, raadselachtige macht heel't hare hand over mij uitgestrekt en houd mij gevangen in boeien, die ik niet kan verscheuren, omdat ik ze niet zien en voelen kan? Neen, ik wil mij bedwingen, ik wil niet peinzen en zuchten! Ik wil leven, arbeiden en ten minste een trouw koning zijn, zoo ik geen gelukkig en vroolijk man kan wezen!quot;
Hij trok haastig aan de schel en gebood den binnentre-denden kamerdienaar, de raadslieden van het kabinet te doen binnentreden en de ministers tot een raad bijeen te roepen.
âIk zal arbeiden en al het andere vergeten,quot; zeide de koning en hij begaf zich naar zijne werkkamer, om de voordrachten van zijne ministers en raadsheeren te ontvangen.
Maar ditmaal had de koning zich vergist; zelfs de arbeid verdreef de wolk niet van zijn voorhoofd. Zij zetelde er nog, toen hij in zijn kabinet terugkeerde en was misschien zelfs nog donkerder geworden.
Ik wil er een einde aan maken.quot; zei de koning plotseling, nadat hij weder langen tijd, in gedachten verzonken, op en neer was gegaan. âJa, zeker, ik wil er een eind aan maken! Daar ik gelukkigerwijs Odysseus niet ben, zie ik niet in, waarom ik mijne oogen met den blinddoek bedekken en mijne ooren met was zou toestoppen om de betooverende Syrene niet te zien en haar verlokkend gezang niet te hooren. Is het in deze armzalige, dorre wereld niet een geluk, eens eene Syrene te ontmoeten, voor hare betoovering te bezwijken en bij haar als in een droom eenige zalige oogenblikken door te brengen ? En als alle menschen nu waanzinnig of dwaas zijn, waarom zou ik alleen dan verstandig blijven! Maak u van mij meester, goddelijke waanzin, bedwelm mijne zinnen en benevel mijn geest! De ouderdom moge wijs en bedaard zijn, ik ben nog Jong en waarom zoude ik niet gedurende eenig oogenblikken dwaas mogen zijn, om mijne ellendige heerlijkheid te kunnen vergeten?quot;
Hij riep zijn kamerlakei en beval, terstond den luitenant-generaal von Rothenburg te ontbieden. Toen nam hij zijne lluit weder en begon al op en neder wandelende te spelen.
Langzamerhand namen zijne trekken eene vroolijker uitdrukking aan en schitterde zijn oog weder met het vuur
160
eener edele geestdrift. Nu was hij weder de zegevierende held, de machtige koning, de denkende, edele engevoelig man.
Toen de generaal von Rothenburg binnenkwam, groette de koning hem en speelde bedaard het adagio uit; vervolgens legde hij de lluit neder en reikte zijn vriend beide handen toe.
âGij moet heden mijn Pylades zijn, mijn vriend,quot; zeide de koning; âen mij bevrijden van de furiën der verveling, die heden het hart van uwen armen Orestes kwellen en belagen.quot;
âIk wil alles zijn, wat uwe majesteit mij veroorlooft en beveelt te zijn,quot; zeide de generaal lachend. âIk waag het evenwel op te merken, dat de koningin-moeder er mogelijk niet erg mede zoude ingenomen zijn, als zij hoorde, dat uwe majesteit zich bij Orestes vergelijkt.''
âO, gij bedoelt wegens de trouwelooze liefdesgeschiedenis van Klytemnestra, waarmede mijne verheven en deugdzame moeder toch geen overeenkomst heeft! Het zij zoo, mijne verveling is even groot, als mijne vriendschap voor u.quot;
âVerveelt uwe majesteit zich ?quot; vroeg Rothenburg. âIk ken den aard dier verveling bij mijn koning en ik heb bemerkt, dat zij u altijd dan kwelt, als gij spoedig eene groote daad zult verrichten en de nacht, die voor den dag der overwinning moet komen, u te lang schijnt. Als uwe majesteit zegt, dat gij u verveelt, maak ik daaruit op, dat wij weder spoedig oorlog zullen krijgen en van de nieuwe overwinningen van onzen koning zullen kunnen verhalen.quot;
De koning lachte. âGij zoudt wel eens gelijk kunnen hebben. Ik houd niet van den oorlog, maar het is een noodzakelijk kwaad; en als dan mijne tante Theresia toch volstrekt alleen door eene hernieuwde aderlating van haar hoogmoed en hare fierheid kan genezen worden, zal ik de geneesheer zijn, die haar aderlaat, liet verbond met Frankrijk is gesloten; Karei de Zevende trekt naar Frankfort om zich tot keizer te laten kronen, de Fransche gezant rSelle-Isle vergezelt hem derwaarts en mijn leger is tot den strijd toegerust, gereed den keizer te beschermen tegen Oostenrijks vermetelheid. Wij zullen krijg hebben vriend, en daar Kriegtï-(krijg) rijmt op Sier/ (zege),)1) hoop ik, dat
(11 üene woordspeling, die niet vertaald kan worden.
De Vertaler.
161
wij ook spoedig zullen kunnen verhalen van overwinning, al ware het ook maar, om hel onzen dichters gemakkelijk te maken, onze daden te bezingen en den gelukkigen rijm op Kriecj terstond bij de hand te hebben. Wij rukken uiterlijk over eenige weken op. O, vriend, als het naar den strijd gaat, gevoel ik, dat ik nog jong ben en dat mijn hart nog niet in mijne borst is versteend. Het klopt, en zwoegt dan zoo hevig, alsof het de wanden van mijne borst wilde doen springen.quot;
âHet hart van mijn koning zal altijd jeugdig blijven,quot; zeide de generaal, âwant het zal steeds vol vertrouwen en goed zijn.quot;
Frederik schudde zachtjes het hoofd. âGeloof dat niet, vriend,quot; zeide hij peinzend. âDe handen, die veel moeten arbeiden, vereelten, worden hard en gevoelloos; zoo gaat het ook met de harten! Het mijne heeft veel gewerkt, heeft zich veel gekweld, het zal oofc eindelijk hard en ongevoelig worden. Als het zoover gekomen is, zullen de menschen mij. veroordeelen en vergeten, dat zij mij zoo hebben gemaakt; dan zullen zij slechts spreken van mijne hardvochtigheid en niets zeggen van de smarten en teleurstellingen, die langzamerhand mijn hart hebben versteend! Maar wat ligt daarin gelegen. Die dwaze menschelijke wezens, die zich in hunne trotschheid de evenbeelden Gods noemen, mogen over mij denken en spreken, wat hun goeddunkt. Zij zullen mij evenwel mijn klein deel roem en onsterfelijkheid niet kunnen ontnemen' en wie dat bezit, heeft zijn loon ontvangen en mag zich niet beklagen. Evenwel zijn ook Herostratus en Schinderhannes vermaarde mannen geworden en zoo ook is Uilenspiegel bij het volk meer bekend en bemind dan Socrates.quot;
âDaaruit vloeit dus voort, dat zelfs de wijsheid zich moeite moet geven, om populair te worden,quot; zeide generaal Rothenburg. âDe ware roem wordt slechts verworven door populariteit. Alexander de Grootc en Gesar waren zeer populaire mannen en daarom was hun naam ook in den mond des volks en ging over van geslacht op geslacht, gelijk eene dierbare erfenis der liefde, die ieder vader aan zijn zoon naliet. Zoo zal hot ook met koning Frederik de Tweede gaan. Hij verslaat het, niet alleen de koning en de held, maar ook de man des volks te zijn; en daarom Mühlbach, Frederik de Groote en zijn Hof. III. 11
462
zal niet slechts de muze zijn roem op de koperen tatelen der geschiedenis graveeren, maar ieder man uit het volk zal hem op de ledige, onbeschreven bladzijden in zijn bijbel opschrijven; daar zullen zijne kleinzonen en achterkleinzonen het lezen en uit deze aanteekeningen zullen de geschied-vorschers van latere eeuwen, de eeuw van den grooten Frederik samenstellen en de koperen tafelen der geschiedenis aanvullen en met luister bedekken.quot;
âMocht het zoo zijn,quot; zeide de koning ernstig en plechtig. âGij weet, vriend, ik ben eerzuchtig en ik geloof, dat van alle hartstochten de eerzucht de eenige is, die het langst duurt en welker brandende dorst nimmer wordt gelescht. Als kroonprins was het voor mij een vernederend, verschrikkelijk gevoel, te weten, dat alle schijnbare liefde, alle hoogachting en eerbied, die men mij bewees, niet mij, den mensch, maar den prins, den zoon des konings golden. Met welke bewondering, met welke vergoding zag ik op tot Voltaire,
Hij had geen titel, geene hooge geboorte noodig, om geacht, vereerd, benijd en door de geheele wereld vergood te worden. Ik echter moest titels, rang, aanzien, een groot vermogen, een vorstelijken stamboom hebben, om de blikken der menschen tot mij te kunnen trekken. 0, hoe dikwijls dacht ik toen aan de geschiedenis van dien grooten vorst, die, toen hij door zijne vijanden omsingeld was en op het punt stond zich aan hen over te geven, zag, dat slechts zijne dienaren en vrienden hem weenend en met wanhopige smart omringden. Hij lachte hun toe en zeide slechts deze weinige beteekenisvolle woorden; âik fjevoel hit. aan uwe tranen, dat ik nog altijd koning hen.quot; 1) Toen zwoer ik met een heiligen eed, dien koning eens te gelijken en mijn roem aan mij zeiven en niet aan den koningsmantel te danken te hebben! Ik heb tot heden nog maar een klein gedeelte van mijn eed vervuld! Doch ik hoop, dat mijne tante Theresia en de Russische keizerin mij wel de middelen zullen verschaffen, mijne gelofte beter te vervullen. De mensch heeft aan zijne vijanden altijd zijne beste vrienden, zij zijn hem nuttig en brengen hem voordeel aan.quot;
âAls dat waar is, sire, veroordeelt gij ons allen, daar wij
1
's Konings eigen woorden: Oeuvres posthumes. Vol. VIII, pag. 342.
163
toch de trouwste, meest toegenegene, vurigste vrienden van onzen doorluchtigen koning zijn.quot;
oGij zijt mij ook nuttig,quot; zeide de koning glimlachend. âGij, bijvoorbeeld, zijt mij van nut, door uw helder, vroolijk gelaat, zoo dikwijls ik het zie. Gij houdt mijn hart jeugdig en leert mij steeds weder dat lachen, hetwelk ik bij de andere vervelende, verstandige, huichelachtige menschen, anders zeker zoude verleeren. Ik lach nergens zoo vi-oolijk en zoo gaarne, als bij u, als aan uw tatel, waar het mij vergund is, mijn koningschap ter zijde te leggen en uws gelijke te zijn. Ik verheug mij dus op heden avond als een jong meisje op haar eerste bal, want ik ben heden avond, geloof ik, bij den heer generaal von Rothenburg op een -petit souper uitgenoodigd.quot;
âUwe majesteit was zoo genadig mij te beloven, aan die uitnoodiging te zullen voldoen.quot;
âWel, vriend, ik geloof waarlijk, dat de uren mij daarom heden zoo langzaam en onaangenaam voortkruipen, omdat ik den tijd van uw feest niet kan afwachten. Zeg mij nu eens, wie zullen wij er ontmoeten, wie zullen deel nemen aan ons feest van heden avond?quot;
âDe personen, die uwe majesteit zelf heeft bepaald: Ghazot zal komen en Algarotti, Jordan en Bielfeld.quot;
âHeb ik de personen bepaald?quot; vroeg de koning, in gedachten verzonken, âdan verwondert het mij, datâquot;
Hier hield hij stil, en ging zwijgend met naar beneden gerichte blikken heen en weder.
âWat verwondert uwe majesteit?quot; vroeg de generaal.
âDat ik u nog niet verzocht heb, mij heden avond Rijnwijn voor te zetten,quot; zeide de koning zacht lachend.
âRijnwijn? Uwe majesteit was vroeger gewoon te zeggen, dat de Rijnwijn een verderfelijk vergif is, dat de menschen langzamerhand vermoordt.quot;
âDat is hij ook, maar wat zou dat, vriend ? Er zijn vele dingen, die vergiftig zijn en die ons juist daarom des te meer prikkelen. Met de vrouwen is het evenzoo. Men zou wel doen, zich van haar verwijderd te houden, omdat zij ons verstand vergiftigen en ons hart ziek maken; en evenwel doet men het niet, evenwel verlangt men altijd naar haar, want het vergif, dat zij ons schenken, smaakt zoo zoet.quot;
164
âNu, ook daarin is uwe majesteit wijzer dan alle overige menschenkinderen, want gij alleen hebt de kracht de vrouwen te weerstaan en haar omgang te mijden.quot;
âWie weet, of het niet louter hlooheid is,quot; zeide hij, terwijl hij aan het venster trad en met zijn witte, schoon gevormde vingers tegen de ruiten trommelde.] âOok den Rijnwijn noemde ik vergif, omdat hij mij te sterk was en toch vind ik nu, dat hij alleen wijn kan genoemd worden, omdat hij alleen bouquet heeft.quot;
Hij zweeg en trommelde zijn parademarsch op het venster voort.
De generaal sloeg hem opmerkzaam en verbaasd gade. Plotseling namen zijne trekken eene levendige uitdrukking aan en een half onderdrukt sluw lachje speelde om zijne dunne lippen. ^
âIk zoude wel zoo vrij willen zijn,quot; zeide hij, âeemge slotwoorden bij die des konings te voegen, welke ongeveer de beteekenis hebben als de moraal aan het slot van eene fabel. Uwe majesteit zegt, dat de Rijnwijn alleen wijn te noemen is, omdat deze alleen boiujuet heeft; pvenzeer wilde ik alleen dan een gezelschap, gezelschap noemen, als er vrouwen bij tegenwoordig zijn. l)e vrouwen zijn de bouquet van het gezelschap. Wil uwe majesteit hier niet mede instemmen?quot;
âAls ik dat deed, zou dit hetzelfde zijn, als u te verzoeken, heden avond eenige vrouwen uit te noodigen,quot; zeide de koning, die nog steeds aan het venster stond.
âEn met welk eene blijdschap zou ik aan dat verzoek voldoen,quot; zeide de generaal. âHet zou alleen maar moeilijk zijn. eenige dames over te halen, bij een jong gezel, gelijk ik, te komen.quot;
âWel, ik heb besloten, den volgenden winter kleine soupers te geven en daar een vertrouwelijken kring te hebben, waarbij ook vrouwen zullen tegenwoordig zijn.
âUwe majesteit is echter getrouwd.quot;
âZij zouden komen, al ware ik ook niet gehuwd. De gravin Camas, mevrouw von Brandt, Kleist en Moriën, die allen zijn te verstandige vrouwen, om zich niet boven die vooi'oordeelen te verheffen.quot;
âUwe majesteit beveelt dus, deze uit te noodigen ? vroeg de generaal met een loerenden blik even glimlachend. Zij
165
zulleu zonder twijfel komen, als ik haai' zeg, dat uwe majesteit het beveelt. Zal ik haar dus uitnoodigen?quot;
De koning draalde een weinig met zijn antwoord. âMisschien zouden zij toch niet gaarne komen,quot; zeide hij toen. âGij zijt ongehuwd en daar zij gehuwd zijn, vreezen zij misschien voor hare mannen.quot;
âDan moesten wij dames kiezen, die ongehuwd zijn,quot; zeide Rothenburg, wiens gelaat nu van genoegen blonk. âMaar1 ik zou geene ongehuwde dame uit de hoogere standen weten, die de verlichting en vrijzinnigheid zoo ver zou drijven, zich in een gezelschap van mannen te wagen.quot;
âMoet men dan altijd slechts onder do hoogere standen zoeken?quot; vroeg de koning, terwijl hij driftiger zijn parade-marsch op de glazen tiommelde.
Generaal Rothenburg begluurde hem met de fonkelende oogen eens jagers, die het edele wild in de geplaatste val ziet loopen.
âAls het uwe majesteit mocht behagen, de etiquette een weinig ter zijde te zeilen,quot; zeide hij, âzoude ik wel een voorstel willen doen.quot;
âDe etiquette is eene dwaasheid, die hij onze Hls sou-pers de honneurs niet. behoeft waar te nemen; daar zit slechts het genoegen voor. Doe dus uw voorstel.quot;
âWelaan, dan neem ik de vrijheid voor te stellen, eenige dames van het theatre uit te noodigen. Keurt uwe majesteit het goed?''
âVolkomen. Maar welke dames?quot; vroeg de koning, terwijl hij zijn gelaat afwendde.
âDat is de zaak van uwe majesteit.quot; zeide de generaal, die groot vermaak schepte in dit tooneel. âUwe majesteit heeft de namen der heeren bepaald, en zal nu ook wel zoo goed willen zijn, die van de dames te bepalen.quot;
âDat zij dan zoo!quot; zeide de koning dralend, âWat denkt gij van Cochois, Astrua en de kleine Petra?quot;
âSire, zij zijn mij allen welkom, als uwe majesteit beveelt haar uit te noodigen. Maar ik verzoek dan om de genade, ook een naam te mogen noemen, den naam van eene vrouw, die schooner, geestiger, beminnelijker en bekoorlijker is, dan alle andere primadonna's der wereld, en die wel in staat is alle mannen, ik zonder de keizers en
466
koningen niet uit, te betooveren en tot hare slaven te maken. Mag ik haar noemen, sire?quot;
âNoem haar maar!quot;
âHet is signora Barberina, sire!quot;
De koning keerde zich haastig om en zijne groote vurige oogen rustten met eene vorschende uitdrukking op het gelaat van den generaal, die dezen blik met een sluw lachje doorstond.
Toen de koning nog steeds zweeg, maakte de generaal eene diepe buiging en zeide plechtig: ik verzoek uwe majesteit om de genade, mij toe te staan, de dames Gochois, Astra en Petra, en ook signora Barberina op ons klein souper uit te noodigen.quot;
âVier primadonna's] op eens,quot; riep de koning lachend. âDat is gevaarlijk, en wij zouden dan misschien het interessante schouwspel hebben, te zien, hoe alle vier elkander de oogen uitkrabden. Neen, om de kracht van eene zon te kunnen meten, moet men haar zonderibijzonnen laten schijnen. Wij zullen dus slechts ééne dame laten schitteren en daar gij de gastheer zijt, hebt gij alleen het recht, haar naam te bepalen. Het moge dus signora Barberina zijn!' ')
âUwe majesteit staat mij dus toe, Barberina uit te noodigen ?quot; vroeg Bothenburg, den koning, vast en strak aanziende. Hunne blikken ontmoetten elkander; een vluchtige
blos bedekte de wangen des konings. Toen brak hij eensklaps uit in een luid gelach en legde beide armen op de schouders van zijn vriend, terwijl hij hem met eene uitdrukking van eindelooze liefde in zijn van vreugde blinkend gelaat zag.
âGij zijt een ondeugende schalk,quot; zeide de koning; âgij hebt van begin afaan mijne bedoeling geraden en liet mij, gelijk Absalom, aan den boomstam spartelen. Dat was zeer wreed, Bothenburg.quot;
âWel wreed, maar ook ten volle verdiend, sire. \\ ant waarom wilde uwe majesteit mij niet zelf de bevelen mede-deelen, waarom moest ik naar uwe bedoeling raden?quot;
âWaarom! Mijn hemel, het is soms zoo gemakkelijk, als een ander onze bedoelingen raadt. Maar nu is het er uit.
1) Eödenbeok. ïagebuch aus Friedrich des Grossen Regentenleben. Pag. 111.
167
Noodig de schoone Bai berina voor lieden avond bij ons. En hoor eens, gij zoudt nog wel een heer kunnen uitnoodigen, een kunstenaar, opdat Barberine zich onder ons barbaren niet te eenzaam moge bevinden-quot;
âWelken kunstenaar, sire?quot;
,,De schilder Pense, vriend! Ga zelf naar hem toe, noodig hem uit en zeg hem, dat hij papier en potlood mag medebrengen, want hij zal zeker geen weerstand kunnen bieden aan liet verlangen, eene schets van de schoone nimf te ontwerpen.quot;
âSire, beveel hem dat te doen en dan uit de schets een levensgroot portret te maken.quot;
âZoo, wenscht gij een portret van Barberina te hebben ?quot;
âJa, sire, maar niet om het te behouden!quot;
âWaartoe dan?quot;
âOm de vreugde te hebben, het aan uwe majesteit te schenken.quot;
âEn waarom dat?quot;
âOmdat ik zoo ijdel ben te gelooven, dat dit schilderstuk ' dan eenige waarde voor u zoude hebben,quot; zeide llothenburg met een zijner sluwste lachjes. âWat ligt uwe majesteit gelegen aan een portret van Barberina? Natuurlijk, niet het minste. Maar als dit portret niet slechts een door Pense geschilderd kunststuk, maar tevens het geschenk van een vriend is, wed ik, dat het voor uwe majesteit waarde krijgt en gij misschien zoo genadig zult zijn, het in een van uwe vertrekken op te hangen.quot;
âMan, man,quot; zeide de koning, zijn lieveling lachend met opgeheven wijsvinger dreigende, âik ben bang vooru! Ik geloof, gij beloert mijne geheimste gedachten en miaakt mijne wenschen tot uw verzoek. Maar ik wil gelijk een goedhartige sul, u ook nog dit verzoek toestaan. Ga dus heen en noodig Barberina uit, benevens den schilder Pense en draag hem te gelijker tijd op, een levensgroot portret van Barberina te schilderen. Hij moet mij eenige schetsen voorleggen en daar wil ik dan eene uitkiezen.quot; ')
1) Het levensgroote portret van Barberina, np bevel des konings geschilderd, bevond zich vroeger in het kabinet des konings en hangt thans nog in het koninklijk paleis te Berlijn, op de tweede verdieping, op eene der zalen, die op het plein uitzien.
108
.jHai'lelijk dank ik uwe majesleil!' riep de generaal; âen dat uwe majesteit thans de goedlieid hebbe, mij te ontslaan, opdat ik mijne gasten zoo spoedig mogelijk kan uitnoodigen.quot;
De koning ontsloeg hem, mnar toen de generaal reeds op den drempel stond, riep hij hem nogmaals terug.
âGij hebt mijne gedachten zoo goedgeraden,quot; zeidehij, ânu wil ik u toonen, dat ik ook de uwe kan raden. Gij denkt, dat ik verliefd ben!quot;
âVerliefd! Ik zoude wagen, zoo iets te denken 1quot; riep de generaal, terwijl hij zijne handen vouwde en zijne oogen ten hemel sloeg, zooals de vromen gewoon zijn te doen. âVerliefd! en ik zou zulk een onheilig woord in verbinding brengen, met mijn heiligen koning!quot;
De koning lachte. âNu, wat de heiligheid betreft,quot; /eide hij, âde heilige Antonius zal mij nu juist niet voor zijn broeder verklaren. Maar verliefd ben ik evenwel niet.quot;
Hij trad haastig naar het venster, op welks rand eene Japansche roos in vollen bloei stond. De koning plukte een van die volle, schitterende bloemen en deze den generaal overreikende, zeide hij: âBeschouw haar, is zij niet be-tooverend schoon? En gelooft gij, dat ik er geen hart en geen gevoel voor heb, omdat ik een koning ben? Ga!. Ik heb, ofschoon ik koning ben, toch de oogen en den neus van een mensch en ben gevoelig voorde schoonheid en voor den geur der bloemen!quot;
VI.
HET EERSTE RENDEZ--VOUS.
De nacht was donker. In den tuin van Monbyou was de duisternis bijna volkomen. Slechts de opmerkzaamste blik kon twee gedaanten gewaar worden, die langs de hoornen slopen en daarbij was het zoo stil, dat zelfs het zwakke geluid, dat de voetstappen der twee personen in het zand maakten, waarneembaar was, hoe voorzichtig en zachtjes zij ook voortgingen. Gelukkig voor hen, was er niemand, die hen gadesloeg en eindelijk bereikten zij het einde der laan bij het ronde plein, waar tegenover zich het
469
kleine paleis, hel zomerverblijf der koningin-moeder, bevond.
Hier stonden zij een oogenblik slil en lieten hunne onderzoekende blikken over het stille gebouw zwerven, dat zich zwijgend en donker als eene groote doodkist voor hen verhief.
âGeen licht meer in de vensters van de koningin-moe-der,quot; lluisterde de een. âAlles slaapt!quot;
âAlles slaapt! Wij hebben dus niets te vreezen! Laten wij verder gaan!quot;
Hij, die het laatst had gesproken, deed snel eenige schreden voorwaarts, maar zijn geleider greep hem heilig bij den arm en hield hem terug.
âGij vergeet, jeugdige driftkop, dat wij op het teeken moeten wachten,quot; zeide hij. âBedaard, bedaard maar; stamp niet zoo ongeduldig met den voet, roer u niet gelijk een jonge leeuw. Wie op een avontuur uitgaat, moet. vóór alles voorzichtig, bedachtzaam, koelbloedig en óp zijne hoede zijn. Geloof mij, die reeds eene reeks van ondervindingen achter den rug heb en wat den aard der liefdesavonturen betreft, zouden zij misschien kunnen wedijveren met die van den verheven koning Karei den Tweede van Engeland.quot;
âMaar hier is van geen liefdesavontuur sprake, heer baron von Pöllnüz,quot; zeide de aangesprokene haastig en ongeduldig.
âVan geen liefdesavontuur, heer baron von Trenck'? Waarvan dan, als ik vragen mag?quot;
âVan eene ware liefde!quot;
âHa, van eene war e liefde,quot; herhaalde Pöllnitz met een spottenden lach. âAllen eerbied voor die ware liefde, die met al het vuur van haar goed recht, met alle waardigheid van haar goddelijken oorsprong, hier naar het koninklijk paleis sluipt en nederig onder de schaduwen des nachts haar van stralen schitterend hoofd verbergt. Mijn goede, jonge dweeper, bedenk toch, dat ik niet, gelijk gij, een nieuweling ben, maar een oude practicus, die ieder ding bij zijn rechten naam noemt. Iedere minnarij is zoo lang eene ware liefde, en iedere minnares een engel in deugd, schoonheid en reinheid van zeden, tot wij het avontuur moede zijn en naar nieuwe omzien.quot;
âGij zijt een onverbeterlijke godloochenaar,quot; zeide Trenck wrevelig. âWaarlijk, iemand, die zoo dikwijls van geloof heeft gewisseld als gij, heeft in het geheel geen godsdienst
170
meer, zelfs niet den godsdienst der liefde! Maar zie, daar boven vertoont zich een licht en het venster wordt geopend. Dat is het teeken!quot;
âJa, gij hebt gelijk. Dat is het teeken! Laat ons gaan!quot; tluisterde Pöllnitz, terwijl hij met haastige schreden den jongen officier volgde.
Nu stonden beiden voor het venster van de onderste verdieping, dat zoo even verlicht en nu half geopend was.
âWij zijn er,quot; zeide Trenck hijgend. âThans, beste Pöllnitz, zeg ik u vaarwel; want het zal toch zeker niet uw voornemen zijn, verder mede te gaan. Toen de prinses u opdroeg, mij heden avond naar het paleis te begeleiden, wilde zij daarmede slechts zeggen, dat gij tot aan het paleis, maar niet in het paleis met mij zoudt medegaan. Gij zult dat begrijpen en daar gij, zou als gij zelf zegt, zoo rijk aan ondervinding zijt, zult gij weten, dat voor een minnend paar niets hinderlijker is, dan de tegenwoordigheid van een derde. Gij zijt echter te vriendelijk, om ooit hinderlijk te willen zijn. Ik zeg u dus vaarwel!quot;
En zoo sprekende, was Frederik von Trenck voornemens, in het venster te springen; maar de sterke arm van den opper-ceremoniemeester hield hem tegen.
âLaat mij eerst inklimmen,quot; zeide hij ; âen help mij een weinig. Uwe spitsvondige verklaring van de woorden dei-prinses zijn ten eenenmale nutteloos. Zij zeide mij: âOm elf uur verwacht ik u met den heer von Trenck in mijne kamer.quot; Dat is zeer duidelijk, naar het mij toeschijnt, en nu geen woord meer! Leen mij uw arm en help mij een weinig!quot;
Trenck bewees hem zuchtend den verlangden dienst en sprong toen zelf vlug en behendig over de vensterbank in de kamer.
âGeef mij nu uwe hand en volg mij,quot; lluisterde de opper-ceremoniemeester. âIk ken hier den weg en kan u, van de trap, waar wij nu voor staan, iedere krakende trede opgeven. Ik heb het in vroegere jaren zeer dikwijls en nauwkeurig beproefd, voornamelijk, toen Peter de Groote met zijne gemalin en zijne twintig andere vrouwen hier woonde, en . . . .quot;
âStil,quot; viel Trenck hem in de rede. âWij zijn boven! Nu zachtjes voorwaarts!quot;
174
âGeef mij uwe hand, ik geleid u!quot;
Voorziclitig slopen zij op de teenen door den donkeren corridor naar de deur, door welks sleutelgat men den helderen glans van een licht zag schitteren. Zachtjes, nauwelijks hoorbaar, klopten zij aan deze deur. Zij werd terstond geopend; de vertrouwde kamenier der prinses, die de beide binnentredenden met het licht in de hand te gemoet trad, gaf hun zwijgend een teeken haar te volgen, en ging hun toen voor door verscheidene kamers. Voor de laatste deur blijvende staan, zeide zij op ernstigen, bijna plechtigen toon; âGij staat nu voor het kabinet der prinses. Treedt binnen. Gij wordt verwacht!quot;
Toen maakte zij voor dé beide heeren een diepe buiging en ging heen.
Met drift rukte Frederik von Trenck de deur open, de deur, die hem van het eerste geluk zijner jeugd, van zijne eerste liefde scheidde. Nu stond hij in die spaarzaam verlichte kamer, die hij zoo dikwijls met droevige tranen, in diepe wanhoop, had gewenscht te betreden. Zijn hart klopte zoo luide, dat de adem hem ontbrak, dat zich een gevoel van hem meester maakte, alsof lui mpest sterven van verrukking, of zijne geprangde borst luchtgeven in een gil, die zoo wel de uitdrukking van angst als van vreugd kon zijn.
Daar aan de andere zijde, op dien divan, daar zat zij! De van den zolder afhangende lamp bescheen haar aangezicht, dat bleek en kleurloos was. Zij wilde opstaan, hem te gemoet gaan, maar zij had er de kracht niet toe; zij kon slechts de handen naar hem uitstrekken en eenige onverstaanbare woorden uitbrengen.
Maar Frederik von Trenck verstond door zijn hart, wat zij wilde zeggen. Hij ijlde tot haar, bedekte de hem aangeboden hand met zijne kussen en tranen, hij zonk op de knieën en stamelde woorden van verrukking, van vurigen dank, van de zaligste vreugde, woorden, die het sidderende hart van de prinses met vreugde vervulden, maar die voor het koude opmerkzame oor van den opper-ceremoniemeester volkomen wartaal en zinneloos geklap schenen.
Hij was bescheiden op den achtergrond van de kamer gebleven en had dezen eersten storm der verrukking aangezien met de lachende bedaardheid van een wijsgeer. Nu echter vond hij dat die stomme rol van een gesnedene,
172
waartoe hij scheen veroordeeld te zijn, eene al te vernederende en belachelijke zijde had om nog langer door hem te worden verdragen. Hij trad daarom te voorschijn en naderde volkomen r ustig en met bedaardheid de prinses, die hem blozend en met stommen blik begroette.
âDat uwe koninklijke hoogheid het mij vergeve,quot; zeide hij, âals ik het waag haar om de beslissing te vragen van eene strijdvraag tusschen mij en mijn vriend vonTrenck. Hij wilde mij namelijk volstrekt niet toestaan, hem verdei' dan tot aan het paleis te begeleiden, terwijl ik beweerde, door uwe hoogheid te ziin gemachtigd, met hem hier in dit heiligdom door te dringen. Mischien echter, heb ik evenwel gedwaald en ben ik in mijn dienstijver te ver gegaan. Ik bid u dus om de genade te beslissen, of ik gaan of blijven moet?quot;
Prinses Amalia was nu geheel hersteld van hare verwarring en ongerustheid. âBlijf,quot; zeide zij met een bekoorlijk lachje, terwijl zij den baron de hand gaf. âDaar gij nu eenmaal onze vertrouweling zijt, wenschte ik ook, dat gij het ten volle en zonder achterhoudendheid zoudt zyn en u zoudt kunnen overtuigen, dat, ofschoon onze liefde de duisternis en de verborgenheid moet opzoeken, zij evenwel het oog der menschen, het oog eens vriends niet behoeft te schuwen. En wie weet, of wij ook niet eens uw getuigenis zullen noodig hebben, want ik misleid mij zelve niet, ik weet zeer wel, dat in dezen nacht mijn goede en mijn kwade geest om mijn toekomst dobbelen, en dat onheil en smaad hunne handen wellicht reeds naar mij uitstrekken. Maar ik heb besloten, mij niet zonder strijd aan hen over te geven en dus kan hèt zijn, dat ik eens uw bijstand zal noodig hebben. Blijf dus!quot;
De heer von Pöllnitz boog. De blik der prinses vestigde zich nu echter op het gelaat van haar geliefde, die met een donker gezicht en treurig naast haar stond.
Zij bemerkte het wel en een glimlach vertoonde zich om hare bloeiende, purperen lipjes.
âBlijf, heer von Pöllnitz,quot; zeide zij, âmaar veroorloof ons te vertrekken en een weinig op gindsch balkon te gaan. Het is een heerlijke nacht en wat wij beiden elkander te zeggen hebben, mag alleen de hemel met zijne sterren hooren, omdat ik geloot, dat zij alleen het kunnen verstaan.quot;
473
âIk dank u, ik dank u!quot; fluisterde Trenck, de hand der prinses aan zijne lippen drukkende.
âUwe koninklijke hoogheid heeft mij dus in hare genade veroorloofd hier te komen,quot; zeide de heer von Pöllnitz op een klagenden toon, âopdat ik mij hier in de eenzaamheid aan mijne gedachten zou kunnen overgeven en een weinig de rol van een trappist bestudeeren. Als ik mijne taak goed begrijp, moet ik, gelijk de leeuw in het verhaal, de poorten van het paradijs bewaken, waarin mijn jeugdige vriend zijn eersten blijden droom van menschelijk geluk mag droomen. Uwe koninklijke hoogheid moet bekennen, dat dit een zeer wreed werk is! Maar ik ben bereid het op mij te nemen en mij, gelijk de engel met het vlammende zwaard, voor gindsche deur te stellen en ieder te dooden, die in dit paradijs de rol van slang op zich zou willen nemen.quot;
Prinses Amalia wees lachend naar de tafel, waarop een souper was gereed gezet, dat bestond uit vruchten, fijn gebak en spaanschen wijn.
âDaar vindt gij een weinig verstrooiing,quot; zeide zij; âen ik verzoek u, er gebruik van te maken. Vaarwel, heer von Pöllnitz. Wij stellen ons onder de bescherming van uwe oogen! Bewaak ons goed!quot;
Zij opende de deur en trad met haar geliefde naar buiten op het balkon.
De heer von Pöllnitz zag hen met een spottenden blik na. âHet arme kind is bang voor zich zelve,quot; mompelde hij, âzij heeft een bewaker van hare deugd noodig on dat zij juist mij daartoe heeft uitverkoren, is een heerlijk denkbeeld. Ach, het staat waarlijk slecht met mij ! Men maakt mij tot bewaker der deugd en vreest niet, dat ik tanden heb om te bijten en ooren om te hooren. Ik mag slechts zien, verder niets! Maar wat moet ik zien, en wat kan ik zien in dezen donkeren nacht dien God Amor zelf zoo duister schijnt te hebben gemaakt, opdat ons onschuldig en feeder duivenpaar, op gindsch balkon, door niemand moge worden gezien. Een heerlijk, echt romanesk meisjes-idee, aan den minnaar een rendez-vous toe te staan en dat nog wel onder Gods vrijen hemel, op een balkon van drie schreden lengte, waar zelfs geene zitplaats is, om te kunnen uitrusten van de heftige ontroering eener vurige liefdesver-
174
klating! Maar het is mij hetzelfde! Ik zal het mij des te gemakkelijker maken en hier plaats nemen op de sofa, om te soupeeren, terwijl die twee buiten met de sterren en de nachtvogels om het hardst dweepen!quot;
Behagelijk vlijde hij zich op den divan, en greep naar het mes en de zilveren vork, om aan den kouden met truffels ges'ulden patrijs den vernietigenden arbeid te beginnen.
VIL
OP HET BALKON.
Daar stonden zij arm in arm op het balkon. Eerst waren hunne blikken gericht op den met sterren bezaaiden hemel en waren ze te ontroerd om elkander toe te spreken, hoewel ze door handdrukken en teedere omhelzingen, de liefde, die zij voor elkander gevoelden, te kennen gaven. Maar eindelijk ontmoetten hunne aan de duisternis gewende oogen elkander; de een ried het blozen, het blijde lachje van den ander en hunne lippen fluisterden te gelijkertijd elkanders namen.
Dat was het begin van het eerste gesprek hunner liefde. Spoedig ging het over tot hartstochtelijke en vurige betuigingen van zijn kant, tot schroomvallige en sidderende bekentenissen van den haren, en geleek in dat opzicht nauwkeurig op de gesprekken van de vele millioenen minnende paren, die zich ooit bevonden op onze oude, eeuwig jeugdige aarde. Evenwel was de betrekking van dit arme verliefde paar ongewoon en week zij af van den algemeenen regel. Het was eene liefde, die nimmer op geluk, nimmer op duurzaamheid mocht rekenen, die nimmer kon hopen aan het einde van een langen, treurigen, met doornen bezaaiden weg, ten minste ééne geurige oas§ en één bloeienden mir-tekrans te vinden, maar die zeker kon zijn, dat hoe verder zij voortging, hoe standvastiger zij was, des te verder en onmetetijker zich de woestijn voor hen zou openen en dat slechts een door tranen bevochtigde doek, een donker rouw-lloers, haar eenige tooi zou zijn.
âWaarom moest bet noodlot u zoo hoog boven mij plaat-
175
sen, dat ik nimmer kan hopen u te bereiken en de hooge ladder op te klimmen, die mij van u verwijdert,quot; zuchtte Trenck, terwijl hij knielde voor den prinses,die o[j heteenige meubel van het balkon, een kleinen ijzeren armstoel was gaan zitten.
Zij speelde streelend en in gedachten verzonken met zijne lange zwarte lokken; eene traan rolde langzaam over hare wangen en viel als eene brandende vuurdroppel juist op zijn voorhoofd. Dat was het eenige antwoord van Amalia op zijne smartelijke klacht.
Trenck schrok, voelde haastig naar zijn voorhoofd, alsof hij de traan wilde afwisschen, die de nachtwind reeds had doen opdrogen.
âO, Amalia, weent gij?quot; zeide hij smartelijk. âHebt gij geen woord van troost, van hoop van bemoediging voor mij ?quot;
âGeen woord, mijn vriend! Dat beteekent, ik heb geene hoop en geen troost! Ik weet, dat wij beiden eene troos-telooze, woeste en door den storm vernietigde toekomst te geracet gaan; ik weet, dat deze nacht,onder wiens schaduwen wij elkander heden voor het eerst de hand reikten, eeuwig zal duren, dat voor ons nimmer de zon zal schijnen. Ik weet, dat op het oogenblik, toen onze blikken elkander voor het eerst ontmoetten, mijn beschermengel zijn aangezicht verborg en weenend ontvlood; ik weet, dat gij verstandiger en beter zoudt hebben gedaan, aan het arme bedelaarsmeisje op straat uw hart te schenken, dan het weg te geven aan de zuster eens konings, aan de arme prinses Amalia.quot;
âHoud op, houd op,quot; zeide Trenck zuchtend, nog altijd aan hare voeten rustende en zijn gelaat tegen hare knieën drukkende. âUwe woorden treffen mijn hart gelijk vergiftigde dolken en evenwel gevoel ik, dat gij de waarheid zegt. Ja, ik was een ellendeling, dat ik het waagde, mijne oogen tot u op te heffen; ik was een godslasteraar, dat ik, de ongewijde, zonder er recht op te hebben, binnendrong in den heiligen tempel van uw hart, waarop de Vestavlam van uwe onschuldige vroolijke gedachten in den reinsten vrede brandde, tot mijne vurige en onstuimige wenschen die verontrustten en stoorden. Maar ik wil het weder goed maken! Nog is het tijd, nog zijt gij door geene gelofte, door geen eed verbonden, nog kunt gij deze nauwelijks ontloken bloesem van eene eerste jeugdige liefde bij de verwelkte
17ü
viooltjes van uwe kindse herinneringen leggen, waarmede gij soms in een ledig uur dartelt en speelt; en dan kunt gij ook aan dezen verwelkten bloesem een lachje schenken, terwijl gij fluistert: âeens waart gij toch schoon, eens hebt gij mij toch gelukkig gemaakt! Nu is het voorbij.quot; â Ja, Amalia! nog is het tijd! Verlaat mij, verstoot mij, roep uwe bedienden, vertoon mij aan hen als een razende, een misdadiger, die het heeft gewaagd bij u binnen te sluipen, omdat zijn hartstocht â¢hem dol en blind heeft gemaakt, Lever mij over aan het gerecht, aan het schavot, wat bekommert mij zulks; maar ontvlucht mij, ontvlucht mijne liefde, die zoo kleinmoedig, zoo baatzuchtig, zoo ongevoelig is, dat zij niet kan besluiten, zich zelve te verbannen, zich zelve den doodsteek te geven! O, Amalia! verstoot mij van u, vertrap mij onder uwe voeten, ik zal sterven zonder verwijt of klacht, ik zal denken, dat mijn dood noodzakelijk was, om u te redden van de smarten en rampen van een lang, eenzaam bestaan. Nog kunt gij het, want nog zijt gij de mijne niet, ik heb nog geene rechten op u! Gij hebt de eeden van mijne liefde aangehoord, dat is alles, gij hebt ze nog niet beantwoord. Gij zijt dus vrij, gij kunt mij nog verstooten, want gij wordt door geen eed gebonden!quot;
Zij hief langzaam en plechtig haar arm tot den met sterren bezaaiden hemel op. âIk bemin u,quot;zeide zij ernstig, âmoge God mij hooren en mijn eed aannemen, ik bemin u en ik zweer u, dat ik u getrouw zal zijn en nimmer de vrouw van een anderen man zal worden!quot;
âO, ongelukkige, beklagenswaardige vrouw!quot; riep Trenck, zijne armen om hare schouders slaande en zijn hoofd aan haar boezem drukkende. âAmalia, Amalia, zie ik ween niet van geluk, niet van verrukking, ik ween uit smart, uit angst over u. Neen, neen, ik wil uwen eed niet aannemen, ik wil deze woorden niet gehoord hebben, die mij met zaligheid, met hemelsche vreugde zouden vervuld hebben, als zij niet voor u een banvonnis bevatten. O, geliefde, als gij mij bemint, beteekent zulks, afstand te doen van de trotsche en schitterende voorrechten van uw rang, af te zien van den glans en de pracht, van een echtgenoot van gelijken stand, af te zien van een troon, van eene koningskroon misschien! Want als ik eens uwe liefde heb aangenomen, als gij eens de mijne zijt, zal ik u niet weder
177
afstaan, zelfs aan den koning, zelfs aan God niet! Dan behoort gij mij toe, voor tijd en eeuwigheid en niets kan u dan weder aan mij ontrukken, zelfs uw eigen smeeken niet. 0, Amalia, hoort gij dan niet, dat ik waanzinnig ben, waanzinnig uit wanhoop en verrukking te gelijk? Vlied voor den waanzinnige, wiens reuzensterke armen u anders zouden omknellen, am u voor eeuwig aan zijne borst te drukken! Vlied, stoot mij van u en keer terug in uw vertrek, ga en zeg den lachenden hoveling daar binnen, die over niets verbaasd is, zelfs niet dat gij mij bemint, dien niets heilig is, zelfs niet de liefde, die ik voor u gevoel, zeg hem; âTrenck was een krankzinnige. Ik heb hem hier laten komen, omdat ik medelijden met hem had, omdat ik wilde beproeven, hem door mijne goedheid en door mijne zachtheid te genezen. Het is mij gelukt, hij is ginds! Ga ook gij heen en houd een wakend oog over den genezen kranke. â Ik zal uwe woorden niet weerspreken, Amalia! Zoodra gij den drempel van die kamer overschrijdt, zal ik van het balkon klimmen; ik zal het voorzichtig en bedaard doen, ik zal er niet afvallen, opdat ik mijn hoofd niet verbrijzele op een steen en niet dood onder uwe vensters worde gevonden; ik zal mij niet kwetsen, opdat men mijn weg niet aan een bloedig spoor kunne naspeuren. Neen, mijne wonden zullen slechts van binnen bloeden en eerst op het slagveld wil ik bet wagen neder te zinken en te sterven. Onder den donder der kanonnen zal men het niet hooren, als mijne verstijvende lippen met hun laatsten zucht uw naam noemen; onder het gekerm van zoo vele stervenden, zal mijne laatste liefdeklacht onopgemerkt wegsterven. Vlucht dus, Amalia, vlucht en moge God u zegenen en u gelukkig maken!quot;
Hij stond op en trad eerbiedig terzijde, opdat zij voorbij zou kunnen gaan en naar hare kamer terugkeeren.
Maar prinses Amalia ging niet. Hare oogen stonden vol tranen, maar het waren tranen van geluk, van liefde, van de zaligste vreugde.
Zij legde zacht hare hand op den schouder van den geliefde en in hare oogen, die zich op zijn gelaat vestigden, was zulk een wonderbaar heldere glans, dat men zoude gedacht hebben, dat twee sterren van den hemel waren geval-Mühlbaoh, Frederik de Groote en zijn Hof, III. 12.
178
len, om in een menschengelaat te schitteren en de gelijkheid des menschen aan God waai' te maken-
âTrenck, ik vlied niet,quot; zeide zij, âik blijf, want, hoort gij wel, ik bemin u! Het is niet de bedeesde, zuchtende, 'blozende en dweepende liefde van een jeugdig meisje, die ik u aanbied, het is de liefde van eene moedige, onver-sclu^okkene, fiere vrouw! Mijne liefde is verstaald in het vuur van mijne smarten en omdat zij in dit vuur gloeide en brandde, heeft zij het -maagdelijk blozen verleerd en is onbuigzaam en hard geworden; ik heb haar gedoopt met mijne tranen en haar aan mijn hart genomen, gelijk eene moeder haar kind aan haar hart drukt, dat zij onder smarten heeft gebaard, welks bestaan hare veroordeeling, hare schande en smaad is en dat zij evenwel grenzenloos bemint en zegent, terwijl zij het beweent. Ook ik ween, ook ik gevoel, dat ik aan de veroordeeling en den smaad ben prijs gegeven en nochtans zegen ik mijne liefde en evenwel noem ik mij eene uitverkorene, want God heeft mij gezegend, door een straal van Zijn eigen bestaan in mijn hart te doen nederdalen en mij de liefde, de eeuwige onvergankelijke liefde te doen kennen!quot;
âO, Amalia, Amalia, waarom kan ik in dit uur niet sterven,quot; fluisterde Trenck/ als vernietigd en machteloos aan hare voeten zinkende.
Zij neigde haar hoofd tot hem en richtte hem met vaste hand weder op. âSta op,quot; zeide zij, âwij beiden moeten, vast en zeker op onze voeten, naast elkander staan. Als gij voor mij knielt, denk ik altijd, dat gij in mij nog de prinses, de zuster eens konings ziet en niet enkel uwe geliefde, niet de vrouw, die u bemint. Ziet gij, ik zeg niet âhet jonge meisjequot;, want innerlijk ben ik dat niet meer; die tijd van inwendigen strijd, van inwendige worstelingen, heeft mij oud en verstandig gemaakt. Een jong meisje is bang en beschroomd, ik niet; een jong meisje bloost, terwijl zij hare liefde bekent, ik niet! Een jong meisje beeft, als zij aan hare toornige bloedverwanten, aan den smaad en het ongeluk denkt, die hare toekomst als in rouwgewaad gekleede wapenboden voorafgaan, ik sidder niet! Neen, neen, ik ben geen meisje meer, maar eene vrouw, die grenzenloos, eeuwig, onwankelbaar bemint.quot;
Zij wierp zich in zijne armen en duldde het, dat hij haar
179
aan zijn hart drukte. Eene lange, zalige stilte heerschte. Zacht ruischte de wind door do hooge populieren en eiken van den tuin, schitterend en helder ilonkerden de sterren, boven deze doode, zwarte, van hare smart en vreugde rustende wereld, thans in diepe sluimering verzonken. Hoe veel metischen zagen misschien in dit oogenblik niet tot die sterren op, handenwringend of juichend, schreiende van jammer of weenende van geluk, met een gebroken of door liefde zalig hart. De sterren weten daar niets van, zij schitteren of fonkelen voor de gelukkigen, zoowel als voor de wanbopigen en onze ellende en onze verrukking gaan ongezien voorbij, onder het schitterend sterrendak des hemels.
Amalia richtte zich weder op uit de armen van haar geliefde; hare oogen, die den hemel zochten, vestigden zich juist op eene ster, die verschoot, met bliksemsnelheid eene zilveren baan beschreef en toen verdween.
âEen slecht voorteeken!quot; mompelde zij, met de hand de plaats aanduidende, waar de ster verdwenen was.
Trenck had met die instinctmatige sympathie der min- ⢠nenden, even als zij, tot den hemel opgezien en gelijk zij, had bij ook de vallende ster gezien.
âDe hemel wil ons niet misleiden,quot; zeidehij. âHij zendt ons eene waarschuwing, Amalia. Maar die waarschuwing komt te laat! Thans zijt gij de mijne, want gij hebt gezworen, dat gij mij bemint en ik heb uwen eed gehoord!quot;
âMocht ook God dien hebben geboord en moge hij genade voor ons hebben,quot; fluisterde zij. âStaat er niet geschreven, dat do liefde bergen verplaatsen en vleugels geven kan; dat zij machtiger is, dan de machtigste koning der aarde, sterker en geweldiger, dan de overwinnaar en held, die de wereld bedwingt! Laat ons dus het rechte geloof in onze liefde hebben, laat ons sterk zijn in hoop, geduld en trouw! Mijn broeder zegt, dat het spoedig weder oorlog zal zijn. Welaan, zult gij op het slagveld niet een lauwerkrans voor u kunnen veroveren? En wie kan weten of deze lauwerkrans voor den koning niet eens evenveel waard en even schitterend kon zijn, als eene vorstenkroon; wie weet, of hij thans, nu alle zijne zusters met vorsten zijn gehuwd, het niet aan zijne jongste zuster zal vergeven, als zij een held bemint, die in plaats van met de vorstenkroon, met lauweren is versierd!quot;
180
⢠_
,,Zweert gij mij, Amalia, op mij te wachten en mij tijd te gunnen, het doel te bereiken, dat gij mij daar met zulke hemelsche kleuren sehilderdet?quot;
âIk zweer het u!quot;
âZult gij nimmer de vrouw van een anderen man worden?quot;^
âIk zal nimmer de vrouw van een anderen man worden!quot;
âMoge hij vorst of koning zijn en al mocht zelfs uw broeder, de koning u bevelen, hem te huwen?quot;
âHij moge vorst of koning zijn en al mocht zelfs mijn broeder mij bevelen, hem te huwen!quot;
âGod, gij hebt haar eed gehoord,quot; zeide Trenck, terwijl hij Amalia's hoofd in zijne handen nam en het zacht boog, als ware het een offer, dat hij den hemel aanbood. âGod, gij hebt haar eed gehooid, straf haar, verpletter haar, als zij die niet nakomt!quot;
âIk zal haar nakomen,quot; zeide zij op vasten toon. âDat God mij straffe, als ik het niet doe!quot;
âDan zijt gij de mijne7tgt;nverbreekbaar, voor eeuwig! Kom, laat mij den verlovingskus op uwe kuische lippen drukken, mijne bruid, mijne geliefde, mijne vrouw! O, sidder thans niet, wijk niet voor mijne armen! Leg u vast, vast aan mijne hart, want nu hebt gij geen ander toevluchtsoord, geen anderen steun meer, dan mijn hart! Maar het is eene rots, waarop gij kunt bouwen, die nimmer onder u wankelt, die altijd gereed is, om u bij te staan en te beschermen, of, zoo de storm al te hevig wordt, zich met u in zee te storten en zich met u in hare diepte te begraven! O, mijne bruid, laat mij uwe lippen kussen, ik bezweer u, dat ik u heilig zal houden, tot de dag komt, dat óf het leven óf de dood u met mij vereenigt!quot;
âGij zult mij niet kussen, ik kus u!quot; zeide zij en drukte hare, nog door geen leugen, geen verraad, geen onkuisch woord ontwijde lippen op de zijne. Het was een kus, zoo heilig onschuldig en rein, dat hij op zijne lippen in een maagdelijk gebed, in een zalig lachje opging!
âNu mijn geliefde, vaarwel,quot; zeide Amalia na een lange pauze, waarin hunne lippen hadden gezwegen, omdat hunne harten tot elkander en tot God spraken. âZie, de hemel begint rood te worden, de dag breekt aan!quot;
â Dat beteekent: mij n dag gaat onder en de nacht breekt aan,quot; zeide Trenck zuchtend. âWanneer zie ik u weder, Amalia?quot;
181
Zij zag tot den hemel op en lachte. âVraag dal den hemel en den almanak. Als de hemel donker is en de almanak ^een maneschijn aanwijst, verwacht ik u altijd, dan zal het venster steeds geopend en de deur ongesloten zijn.quot;
âMen heeft anders de maan steeds de vriendin der geliefde genoemd,'' zeide Trenck, de hand van de prinses aan zijn hart drukkend, âvan heden ataan echter, haat ik haar, want zij berooft mij van het geluk, bij u te zijn.quot;
âLaat ons nu naar de kamer, naar den heer von Püllnitz terugkeeren, die ons zeker reeds met ongeduld verwacht!quot;
âWaarom moest hij mij ook vergezellen,Amalia? Waarom stond gij mij niet toe alleen te komen ?quot;
âWaarom? Ik weet het zelf niet! Misschien scheen het mij veiliger, dat het oog van een vriend ons bewaakte, misschien was ik angstig. Maar genoeg, eene waarschuwende stem in mijn hart fluisterde mij toe, handel aldus ! ik deed het en zal het immer doen. Daar Püllnitz eenmaal de vertrouweling van onze liefde is, zal hij het ten volle zijn, zal hij weten, dat, ofschoon onze betrekking strafwaardig moge zijn in het oog der menschen, zij niet strafwaardig en zondig is, in het oog van God en dat ik voor niemand noodig heb, mijne oogen neer te slaan. Ik wil dus, dat Püllnitz u immer vergezelle en dat gij nooit zonder hem tot mij komt.'' âO, Amalia,quot; zuchtte Trenck, âgij hebt helaas niet vergeten, dat gij eene prinses zijt. De liefde heeft u niet onderworpen, want gij beveelt en hebt nog uw eigen wil. Anders is het met mij! Ik onderwerp mij, gehoorzaam en zwijg! Het mag dus zijn, gelijk gij wilt! De heer von Pöllnitz moge mij immer vergezellen! Beloof mij slechts, dat hij altijd in die kamer zal blijven, terwijl wij hier op het balkon zijn!quot;
âDat beloof ik u ! En nu mijn geliefde, laat ons vaarwel zeggen aan God, den hemel, de sterren en dezen schoonen, donkeren nacht, die zijn beschermenden mantel over ons heeft uitgebreid en ons veroorloofde gelukkig te zijn, laat ons hen allen vaarwel zeggen!''
âVaarwel, vaarwel, mijn geluk en mijne liefde, mijne toekomst, mijn hoogmoed en mijne hoop. O, Amalia, waarom kan ik heden niets reeds naar het slagveld gaan, om daar de lauweren te zoeken, die mij uwer zouden kunnen waardig maken!quot;
182
Zij omhelsden elkander voor de laatste maal, toen opende Amalia de deur van het balkon en trad, gevolgd door haar geliefde, weder in de kamer.
De heer von Pöllnitz zat nog steeds in den leunstoel voor de tafel; op de borden en schotels bevonden zich evenwel nog maar luttel overblijfselen van hetgeen eens gebraad, lekkernijen en vruchten waren. Deopper-ceremonie-meester had gevonden, dat niets zoo zeer in staat was, hem wakker te houden en de verveling uit deze eenzame en stille kamer te verbannen, als de kaken in beweging te brengen en aan de tanden eenig werk te verschaffen, nu de tong en de lippen tot werkeloosheid waren veroordeeld. Terwijl dus buiten het jonge dweepende paar op aanstaande veldtochten en overwinningen hoopte, had hij een veldtocht tegen de patrijzen en gelees, de vruchten en den Spaanschen wijn ondernomen en was volkomen overwinnaar gebleven. Toen had hij zich gemakkelijk nedergevlijd in den leunstoel en zich geheel en al aan het zalige gevoel van eene gezonde en ongestoorde spijsvertering overgegeven. Bij deze gewichtige en noodzakelijke bezigheid was hij ingeslapen of scheen het ten minste te zijn, want hij moest meermalen geschud worden, vóór het Trenck gelukte hem wakker te maken en de oogen te doen opslaan.
âO, gij zijt zeer wreed, mijn jonge vriend,quot; zeide Pöllnitz zuchtend, terwijl hij opstond. âGij hebt mij gestoord, midden in een wonderlijken en heerlijken droom.quot;
âEn mag men weten waarin deze droom bestond,quot; vroeg de prinses.
âO, ja, uwe koninklijke hoogheid, in het eenige, wat mij op deze grappige en dorre wereld nog verrukt en verbaast. Ik droomde, dat ik geen enkelen lastigen schuldeischermeer had en veel geld bezat.quot;
âEn deze droom verschilt misschien nog al van de werkelijkheid ?quot;
âHij verschilt er zoo veel van, prinses, dat juist het tegendeel waar is, want ik heb zeer veel schuldeischers en in het geheel geen geld!quot;
âArme Pöllnitz; en hoe legt gij het dan wel aan, om uit deze onaangename verlegenheid te komen?quot;
âDat beproef ik nooit, uwe koninklijke hoogheid. Ik ben al wel voldaan, als ik voor deze langdurige kwaal eenige
183
verzachtende, pijnstillende middelen kan verkrijgen en ten minsle evenveel louis d'ors in mijn zak, als schuldeischers er buiten heb.quot;
âEn zijt gij nu in dien gelukkigen toestand?quot;
âNeen, prinses! Ik heb slechts twaalf louis d'ors.quot;
âEn hoeveel schuldeischers?quot;
âTwee en dertig!quot;
âDus ontbreken u nog twintig louis d'ors.quot;
âZoo is het helaas!quot;
De prinses ging lachend naar hare schrijftafel en nam er eene kleine rol geld uit, die zij aanden'opper-ceremoniemees-ter gaf. âZiedaar,quot; zeide zij. âGelukkigerwijs kreeg ik gisteren mijn speldegeld voor de volgende maand en ben dus in staat, de gelijkheid van uwe schuldeischers en uwe louis d'ors voor dezen keer te herstellen.quot;
Pöllnitz nam zonder blozen het geld aan en kuste de prinses met een verheugd lachje de hand. âThans, uwe koninklijke hoogheid, heb ik nog maar over iets berouw Iquot;
âNu, en dat is?quot;
.,Dat ik hel getal van mijne schuldeischers niet een wei- ⢠nig hooger heb opgegeven! Maar, mijn hemel, wie kon ook het edelmoedige voornemen van onze ffrootmoedige prinses vermoeden!quot;
VIII.
DE EERSTE WOLKEN.
Na het rendez-vous reed Frederik von Trenck, in zalige gedachten verzonken, langs den woesten, eenzamen weg naar Potsdam. Hij kon dit gerust doen, hoewel de weg toen nog niet veel geleek op de effene chaussée van nu, daar zijn paard den weg nauwkeurig kende en Trenck zich volkomen op de behoedzaamheid en waakzaamheid van het dier kon verlaten. Hij legde de teugels dan ook zorgeloos over den hals van zijn klepper en liet zich langzaam naaide plaats zijner bestemming brengen. De nacht was evenwel reeds zoo ver gevorderd, dat het ochtendrood zich aan de kimmen begon te vertoonen en na korten tijd trad de
184
dagvorstin in al hare pracht te voorschijn. Met haar begonnen de vogels te ontwaken en schudden de glinsterende dauwdroppels van de vederen. De leeuwerik steeg hoog op in het blauwe luchtruim onder het zingen van zijn morgenlied.
Trenck gaf noch acht op het gezang der leeuweriken, noch op do schitterende stralen der zon, die allengskens hooger boven den horizon kwam en met hare stralen het bekoorlijke, omliggende landschap bescheen.
Hij was geheel vervuld van het zoete en hemelsche geluk, dat zich gelijk een gouden regen ovei hem had uitgestort.
Hij herhaalde ieder woord, ieder lachje, iederen handdruk van zijne geliefde en eene vurige blos bedekte zijn gelaat, eene zoete huivering beving zijn hart, als hij er aan dacht, dat zij in zijne armen had gerust, dat zijne lippen dien kuischen, maagdelijken mond hadden gekust, wiens adem hem frisscher, reiner en geuriger scheen, dan die zoele, frissche morgenwind, welke in zijn gezicht blies en met zijne zwarte lokken speelde. Met een zalig lachje en fier opgeheven hoofd, dacht hij er aan dat Prinses Amalia hem hoop had gegeven op haar bezit, dat zij aan de mogelijkheid geloofde, eens met hem te worden vereen igd. En inderdaad, waarom zou dat niet mogelijk zijn? Had Trenck niet in weinige maanden zulk eene schitterende, verrassende carrière gemaakt, dat de harten zijner collega's van nijd vervuld waren en men van hem sprak, als van een bijzonderen gunsteling van het geluk? Nauwelijks zes maanden waren verloopen, sedert hij als een onbekende, niet zeer bemiddelde student naar Berlijn was gekomen, om door zijn beschermer, den graaf von Lottum, bij den koning te worden aanbevolen en de gunst te verwerven, bij de lijfwacht van zijne majesteit te worden opgenomen. De koning, verrast door zijne schoone, echte krijgsmangestalte, zijne uitgebreide kennis en zijn verbazend geheugen, had hem dadelijk tot vaandrig bij zijn rijdende garde benoemd en reeds eenige weken later tot officier bevorderd. Als zoodanig bad hij de groote en voor achttienjarig jongeling ongehoorde eergenoten, door den koning te zijn uitgekozen, twee regimenten van de Silezische cavalerie in de nieuwe manoeuvres te oefenen en Frederik zelf had hem toen niet slechts met genadige, maar met vriendelijke woorden zijne tevredenheid
185
te kennen gegeven. ') Nu is echter de tevredenheid en de genadige glimlach van een vorst, gelijk de zonnestraal, die aan het beschenen voorwerp een glans verleent, welke naar alle kanten zijn licht verspreidt en de blikken der nieuwsgierige menschen tot zich trekt De door de zon van vorstengunst bestraalde jonge luitenant Frederik vonTrenck was terstond een voorwerp van opmerkzaamheid, van vriendelijkheid, van voorkomendheid voor al die kringen, die maar door den geringsten lichtstraal van het iiof getroffen werden. Meer dan eens had men gezien, dat de koning vertrouwelijk zijn arm op den schouder van den jongen luitenant legde en zich langen tijd vroolijk met hem onder hield ; meer dan eens had de trotsche, bijna ongenaakbare koningin-moeder den jongen officier een genadig knikje, een vriendelijk woord gegund; meer dan eens hadden de prinsessen hem bij de feesten van den laatsten winter tot hun danser gekozen; en al de jeugdige schoone hofdames verklaarden, dat niemand beter danser, oplettender cavalier was en aangenamer onderhouden kon, dan Frederik von Trenck, die jonge, levenslustige, altijd vroolijke, altijd zorgelooze officier, die boven al zijn gezellen uitstak, niet alleen omdat hij een voet langer was, maar ook door zijne beminnelijkheid en talenten. Het was daarom zeer natuurlijk, dat deze schitteren de aristocratie veel moeite deed, den jeugdigen lieveling van den koning en de dames, in hare kringen te lokken, dat men hem overal vriendelijk bejegende en hem den eerbied en de oplettendheid bewTees, die hem als den'lieveling desko-nings, der muzen en der gratiën onbetwist werd toegestaan.
Frederik von Trenck had te veel gezond verstand, te veel geestkracht, om door de achting en eer, die men hem overal bewees, ijdel en verwaand te worden. Hij werd er slechts aan gewoon, als aan iets, dat hem van rechtswege toekwam en het verwonderde of schokte hem nauwelijks, toen de koning hem tot zijne uitrusting als officier, twee paarden uit zijn eigen vorstelijken paardenstal en de voor die tijden aanzienlijke som van duizend daalder schonk, ') Deze groote en algemeene gunst vervulde hem met stoute wenschen en
1) Mémoires de Frédéric, baron de Tronck. ïraduits par lui-mOme snr 1'original Allemand, augment és d'un tiers et revus sur la traduction par Mr. de «*». Vol. I, pag. 40.
186
hoogvliegende droomen en deed hem het grootste en onge-hoordste als iets mogelijks en bereikbaars toeschijnen. Daarbij was Frederik von Trenck zoo niet ijdel en verwaand, dan toch tiotsch en eerzuchtig. Hij had zich een groot doel voor oogen gesteld; hij spande alle pogingen in, om het te bereiken, en in de schoone, gelukkige uren, waarin hij door moed bezield werd, twijfelde hij er in het geheel niet aan, of het zou hem gelukken. Hij was daarom altijd werkzaam, altijd waakzaam/steeds voor de eene of andere daad gereed en altijd in de verwachting van een reuzenwerk, dat hem als met één slag macht en rijkdom, roem en grootheid zoude aanbrengen! Hij gevoelde de kracht in zich, eene wereld te veroveren en haar aan zijne voeten te werpen; als de koning hem de twaalf reuzenwerken van Hercules zou hebben opgedragen, zou hij er niet voor teruggedeinsd zijn, maar ze volbracht hebben. Overtuigd, dat eene schitterende en roemrijke toekomst hem wachtte, bereidde hij er zich op voor. Geen uur vond men hem ledig en als alle makkers, afgemat van den moeielijken dienst, van de dagelijks herhaalde wapenoefeningen, reeds lang ter ruste waren gegaan, was Frederik von Trenck nog bezig met de eene of andere ernstige studie, een streng wetenschappelijken arbeid, aan zijne schrijftafel, omringd door boeken, landkaarten en plattegronden.
De jonge, achttienjarige luitenant bereidde er zich op voor, generaal en overwinnend veldheer te worden, de wereld en de vooroordeelen te overwinnen door zijne talenten en zijne verdiensten en den afgrond, die hem van de prinses scheidde, over te komen door eene brug, samengevoegd uit zijne veroverde lauweren en zegeteekenen. En was hij daartoe niet reeds op den besten weg. Wenkte de toekomst hem niet veelbelovend. Moest hij, die reeds op zijn achttiende jaar zooveel had bereikt, waarnaar andere, niet minder bekwame lieden gedurende hun geheele leven te vergeefs worstelen, hij, die nu reeds een veel gezocht cavalier, een geleerde en officier bij de lijfwacht van een groot koning was, moest hij niet tot groote dingen, tot een schitterend verheven lot bestemd zijn?
Zulke gedachten waren het, die den jongen baron von Trenck bezig hielden en hem al het andere deden vergeten, zelfs het gevaar, waarmede de langzame en gemakkelijke
487
gang van zijn paard en de steeds hoogei-rijzende zon hem bedreigde. Des morgens vroeg wilde de koning over zijn lijfregiment parade houden en de kommandant, de overste van Jaschinsky behoorde niet tot de vrienden van den jongen officier. Hij benijdie hem zijne snelle bevordering en het verdroot hem, dat Trenck met den stormpas zoude verwerven, wat hij slechts aan den slakkengang van zijne langzaam voorwaarts kruipende jaren te danken had. liet zou hem genoegen hebben gedaan, dezen jongeling, die zoo trotsch was, zoo zeker van zijne overwinning en tevens zoo zorgeloos den weg der eer en der onderscheiding bewandelde, te zien struikelen en hem van de hoogte der koninklijke gunst te zien afglijden in de afgronden dei' ongenade en der vergetelheid! Hij sloeg daarom zijn jeugdigen luitenant gade, met den grimlach eener zwarte ziel, vast besloten hebbende, zijn geringste misdrijf met ontoegeeflijke gestrengheid te straffen.
En heden bood zich daartoe eene goéde gelegenheid aan. De sergeant, die bij de officieren de spion van den overste was, had hem verklapt, dat de rijknecht van den luitenant von Trenck hem heden in de vroegte had medegedeeld, dat zijn heer gisteren avond laat weggereden en nog niet weer te huis was gekomen. Sedert had de sergeant zelf de deur van het huis, waar de baron von Trenck woonde, bewaakt en zich overtuigd, dat hij nog niet was teruggekeerd.
Dat was eene tijding, die het hart van den overste van Jaschinsky met vreugde vervulde, hoewel hij dit zeer goed onder het masker der schijnbare onverschilligheid wist te verbergen. Hij verklaarde, dat hij volstrekt niet geloofde, dat de luitenant von Trenck niet in Postdam aanwezig was, daar het dezen zeer goed bekend was, dat geen officier zonder verlof Postdam voor eenige uren, dus zeker niet voor een geheelen nacht mocht verlaten. Om den sergeant van de onwaarheid der aangebrachte tijding te overtuigen, zond de overste hem met eene boodschap van weinig gewicht naar den luitenant von Trenck. De sergeant keerde met een zegevierend gelaat terug; de baron von Trenck wat inderdaad niet te huis, en zijne bedienden verkeerden zijnentwege in de grootste ongerustheid.
De overste Jaschinsky haalde zwijgend de schouders op en daar het juist acht uur sloeg, nam hij ijlings zijn pluimhoed en begaf zich naar de parade.
188
Het geheele regiment stond gereed voor de parade, ieder officier was bij zijne kompagnie, slechts de tweede kompagnie miste haar officier. Het was de door den luitenant von Trenck gekommandeerde kompagnie. De overste van Jaschinsky zag het met een enkelen blik en een boosaardige lach schitterde een oogenblik op zijn gelaat. Toen reed hij weder met den grootsten ernst voor het front van zijn regiment en salueerde den koning, die juist, begeleid door zijne adjudanten en generaals, de trap van het paleis afkwam en op zijn paard sprong.
Op dit oogenblik echter ontstond op den linker vleugel van het regiment eene kleine beweging, die het oplettende - oor van den overste van Jaschinsky niet ontging. Hij keerde zich om en zag, dat de luitenant von Trenck juist op zijn van zweet schuimend paard, naast zijne kompagnie stilhield. Het gelaat van den overste betrok, want de jonge officier scheen het gevaar, dat hem bedreigde, gelukkig te zijn ontgaan. De koning kon niets merken, want Trenck was aanwezig en het was dus nutteloos hem aan te klagen.
Maar de koning had het reeds opgemerkt. Zijn scherp oog had zeer goed gezien, dat de luitenant haastig was komen aanrennen, ook had hij het gloeiend verhit gelaat bemerkt en toen hij nu voorbij het front reed, hield hij dicht bij den luitenant von Trenck zijn paard in.
âHoe komt het,quot; vroeg de koning dat uw paard zoo druipt van het zweet? Het komt toch, denk ik, pas uit den stal, even als zijn heer uit het bed, waarbij hij zich nog wel schijnt te hebben verlaat, want ik zag zeer wel, dat gij eerst zoo even op het plein zijt aangekomen.quot;
De officier mompelde eenige zachte, onverstaanbare woorden.
âNu, zult gij mij antwoord geven?quot; vroeg de koning. âKomt het paard niet uit den stal en zijn heer niet uit het bed?quot;
Frederik von Trenck richtte zijn hoofd, dat hij eerst moedeloos had laten hangen, fier op; hij had zijn besluit genomen. Zijn vurig bliksemend oog ontmoette de oogen des konings, die hem als dolken doorboorden.
âNeen, uwe majesteit,quot; zeide hij op rustigen en bedaarden toon, âmijn paard komt niet uit den stal en zijn heer komt niet uit het bed.
189
Er heerschte eene stilte, eene lange, ademlooze stilte. Aller blikken waren met gespannen opmerkzaamheid op den koning gevestigd, wiens strengheid in de krijgstucht men kende en vreesde.
âWeet gij wel,quot; vroeg de koning eindelijk, âdat ik verlang, dat mijne officieren stiptelijk op de parade zijn?quot;
âJa, sire!quot;
âWeet gij, dat het streng verhorten is, zonder verlof Potsdam te verlaten?quot;
âIk weet zulks, uwe majesteit.quot;
âWelaan dan, waar waart gij dan, daar u dit alles bekend is en gij toch niet, gelijk gij zelf zegt, uit uwe woning herwaarts zijt gekomen?quot;
âSire, ik was op jacht en kwam te laat. Ik weet, dat ik mij aan een zwaar misdrijt heb schuldig gemaakt en verwacht mijne vergeving alleen van de genade van uwe majesteit.quot;
De koning lachte en zijn blik was vriendelijk en zacht. âGij verwachtdus naar het schijnt in allen gevalle vergeving? Nu, ditmaal zult gij u niet hebben vergist, want liet bevalt mij van u, dat gij zoo moedig de waarheid hebt bekend! Ik houd van oprechte lieden, want het bewijst, dat zij moed hebben. Voor dezen keer komt gij nu zonder straf vrij, maar wacht u voor den tweeden keer! Ik waarschuw u!quot;
Doch wat helpt de waarschuwing eens konings tegenover het hartstochtelijk liefdevuur van een achttienjarig jongeling? Trenck vergat zeer spoedig het gevaar, dat hij pas ontgaan was en zoo hij er al aan dacht, schrikte het hem evenwel niet af. Het was weder een schoone, donkere nacht en hij wist, dat zij hem verwachtte. En toen hij werter met haar op het balkon stond, onder bescherming van den in de kamer wakenden opper-ceremoniemeester, toen hij naar de zachte muziek van hare stem luisterde, naar de heilige en heerlijke openbaringen van hare teedere, maagdelijke ziel, toen het hem vergund was, aan hare voeten zittend, haar het tooversprookje van zijne liefde, van zijn geluk te verhalen, hare bevende, zachte hand op zijn voorhoofd te voelen en met haar te mijmeren over eene schitterende, zalige toekomst, waarin niet alleen God en de nacht, maar ook de koning en de geheele wereld hunne liefde zouden kennen, hoe had hij zich toen kunnen herinneren.
190
dat de koning den volgenden morgen reeds te zeven uur de parade had bevolen en dat het voor hem reeds bijna onmogelijk was, nog op het bepaalde uur in Potsdam te kunnen zijn.
Ditmaal kwam hij eerst in Potsdam aan, toen de parade reeds was afgeloopen. Voor zijne deur vond hij evenwel een ordonnans, die hem dadelijk tot den koning bracht.
Frederik was alleen in zijn kabinet, toen de luitenant von Trenck tot hem werd gebracht. Met een zwijgenden blik gaf hij den adjudant en den ordonnansofficier een wenk zich te verwijderen en ging toen zwijgend de kamer op en neder, zonder Trenck, naar het scheen, gade te slaan, die met een bleek, maar vastberaden gelaat aan de deur stond.
Trenck volgde iedere beweging van den koning met gespannen, onrustige blikken. âZoo de koning mij afdankt,quot; zeide hij in zich zeiven, âschiet ik mij dood. Als bij mij laat folteren, om het geheim van mijne liefde te vernemen, zal ik de foltering verdragen en zwijgen.quot;
Maar er was nog een derde geval mogelijk, waaraan hij in de wanhopige spanning van zijn gemoed niet had gedacht. Wat zoude hij doen, als de koning hem zachtmoedig en vriendelijk ontving en met de woorden van een bezorgden vriend bij hem aandrong, om zijn geheim te vernemen?
En dat was het juist, wat de koning deed. Hij plaatste zich vlak voor den armen, bleeken en ademloozen jongeling en zag hem lang en vast in deoogen; maar zijn blik was niet toornig en dreigend, zooals Trenck had verwacht, maar zacht en bijna treui'ig.
âWaarom zijt gij andermaal heimelijk uit Potsdam geweest?quot; vroeg de koning. âDoor welke vermetelheid waagt gij het, u zoo consequent tegen mijne bevelen te verzetten? De overste Jaschinsky heeft heftige klachten tegen u ingebracht en mij gezegd, dat gij u reeds zeer dikwijls heimelijk uit Potsdam hebt verwijderd. Weet gij, dat ik u moet ontslaan, als ik de strengheid der wet wil volgen?quot;
âIk weet zulks, uwe majesteit; maar ik weet ook, dat ik die schande niet zoude overleven.quot;
Nu schoot een toornige bliksemstraal uit de oogen des konings. âWilt gij mij soms dreigen en beangst maken met uwe pocherij?''
191
âVergeving, sire, ik waag het niet te dreigen, evenmin denk ik, dat uwe majesteit zich ooit om mijnentwil zoude beangstigen. Wat bekommert uwe majesteit zich om dien on beduidenden onberoemden, onbekendenjongeling, omdat stofdeeltje, dat slechts schittert, als een zonnestraal uit de oogen des konings het aandoet. Ik ben voor uwe majesteit niets, maar gij, sire, zijt voor mij alles en ik zal en mag niet leven, als uwe majesteit mij zijne genade onttrekt en van de mogelijkheid berooft, mij te onderscheiden en een naam te verwerven. Dat wilde ik zeggen, sire!quot;
âGij zijt dus eerzuchtig en dorst naar roem ?quot;
âUwe majesleit, als de duivel mij de helft van mijne levensjaren wilde afkoopen en beloofde, mij voor de andere helft van mijn leven roem, eer en aanzien en na mijn dood een weinig naroem te verschalfen, dan zoude ik dezen koop sluiten, dat is alles!quot;
De koning lachte. âEn als zulk eene eerzucht in u brandt, hoe kunt gij dan evenwel zoo dwaas zijn, u zeiven te be-nadeelen en te verlagen, door nalatig te zijn in mijnen dienst ? Wie in kleine dingen niet stipt en nauwkeurig is, zal het ook nimmer in de groote zijn. â Waar waart gij dezen nacht?quot;
âSire, ik was op jacht!quot;
âGij blijft dus bij deze bewering?quot;
âIk blijt er bij, uwe majesteit!quot;
âEn verklaart gij, dat dit de waarheid is?quot;
Frederik von Trenck zweeg.
âVerklaart gij dat dit de waarheid is?quot; herhaalde de koning.
De jonge officier sloeg zijne oogen op en nu had hij den moed, de heldere vlammende blikken des konings door te staan.
âNeen, sire, dat beweer ik niet.quot;
âBekent gij dus, dat gij mij eene onwaarheid hebt gezegd ?quot;
âJa, uwe majesteit.quot;
âWeet gij, dat dit een nieuw en zwaarder misdrijf is?''
âIk weet dat, uwe majesteit, maar ik kan en mag niet anders handelen.quot;
âWilt gij mij dus niet de waarheid zeggen?quot;
âIk kan het niet!''
âOok niet, als ik u met oogenblikkelijk ontslag, met vestingstraf dreig?quot;
192
â¢
âOok dan niet, uwe majesteit, want ik kan niet.quot;
âTrenck, ïrenck, pas op! Bedenk, dat gij tot uw koning en heer spreekt, die recht heeft, te vorderen, dat men hem de waarheid zegt.quot;
âDat uwe majesteit mij dan straffe, gelijk hij als heer en koning daartoe recht heeft en verplicht is, ik zal het moeten dulden!quot; zeide ïrenck sidderend en doodsbleek, maar op vasten toon en zich zei ven meester!
De koning ging driftig eenige keeren op en neder; toen bleef hij weder voor zijn luitenant staan. âGij zult u terstond bij uw overste aanmelden en om ontslag verzoeken! Ga!quot;
Frederik von Trenck antwoordde niets; misschien was hij daartoe buiten staat. Maar twee groote tranen rolden langzaam over zijne wangen en hij schaamde er zich niet over. Het was zijne jeugd, zijn geluk, zijne eer en zijn roem, die hij beweende.
âGa!quot; herhaalde de koning.
De jonge officier boog zich diep. âIk dank uwe majesteit voor de genadige straf,quot; zeide hij zachtjes; toen wendde hij zich om en opende de deur.
Het oog des konings had hem met blijkbare deelneming gevolgd. âTrenck!quot; riep hij nu en toen deze zich omkeerde en op de verdere bevelen wachtend, zwijgend en recht als een kaars aan de deur bleef staan, ging de koning haastig naar hem toe en bood hem de hand.
âIk ben over u tevreden,quot; zeide hij. âGij hebt misdreven, maar in den zielsangst, dien gij nu hebt geleden, ook reeds uwe straf ontvangen. Ik vergeef u dus!''
Trenck slaakte een uitroep van verrukking en boog zich over de koninklijke hand, die hij met hartstochtelijk vuur aan zijne lippen drukte.
âUwe majesteit schenkt mij het leven weder, ik dank u,quot; zeide hij ontroerd.
De koning lachte. âEn evenwel moet uw leven weinig waarde voor u hebben, daar gij het nu zoo goedkoop wildet weggeven. Ik heb u nu vergeven, maar ik waarschuw u voor de toekomst. Wees op uw hoede, monsieur, of de bliksem zal nederschieten en uw hoofd verpletteren!quot; ^
1) 's Konings eigen woorden. Zie Trenck, Mémoires. Vol. I, pag. 60.
198
Nu was het oog des komngs dreigend en vol sombere gramschap; zijne stem was gelijk het rollen van den donder, onheilspellend en verschrikkelijk.
âGij hebt uw geheim goed bewaard,quot; vervolgde de konin^; âgij hebt het niet verraden, zelfs niet toen ik u met zware straf bedreigde. Dat eischte uwe eer als cavalier en ik verwonder mij niet, dat gij die heilig hebt gehouden. Maaier is nog eene andere eer en die hebt gij heden bevlekt, namelijk: de gehoorzaamheid jegens uwen koning en bevelhebber. Ik schenk u evenwel vergiffenis en wil thans niet als koning, maar als vriend tot u spreken. Gij ziit op een gevaarlijken weg, jongeling; keer om, thans, nu'het nog tijd is, keer om, vóór de afgrond zich voor uwe voeten opent, om u te verslinden! Niemand kan twee heeren dienen, of naar twee doeleinden streven. Die iets wil, moet het ten volle willen, geheel en onverdeeld; die moet' de kracht hebben, zich al het andere te ontzeggen, alles opofferen aan dat ééne groote doel. Alles, zeg ik, zelfs zijne hoop, zelfs zijne liefde. Gij echter, jongman, gij wilt te gelijker tijd naar roem en naar liefde streven en daardoor zult gij beide verliezen; want de liefde maakt weekhartig en moedeloos; men gaat den dood niet onverschrokken te gemoet in den slag, als men eene geliefde achterlaat; maar de geliefde veracht den man, die niet als een dappere, met lauweren bekranst, wederkeert. Wees dus eerst een krijgsheld, yóór gij er aan denkt, een minnaar te zijn; verwerf eerst lauweren en streef dan naar de mirte. Of wilt gij dat niet, welnu, doe dan afstand van de roemrijke loopbaan, die gij hebt gekozen; leg het zwaard ter zijde, ofschoon ik u kan beloven, dat gij het spoedig en naar ik hoop, met eere zult kun-nen gebruiken! Maar leg het ter zijde en neem daarvoor de pen of de ploeg ter hand; bouw u een nest, neem eene vrouw en dank God, als de hemel u alle jaren een kind schenkt en de oorlog zoo ver van u blijft dat de moedige krijgsscharen uw akker en uw tuin niet bedreigen. DaHs ook eene toekomst; maar dat hij er mede tevreden zij, die er smaak in heeft, wiens ooren zoo verstopt zijn, dat zij het schetteren der krijgstrompet en het luiden der alarmklok, dat nu in gansch Europa weergalmt, niet vernemen. Kies dus, wilt gij soldaat; en zoo God wil, spoedig een held zijn of wilt gij voortaan â op de jacht gaan?quot;
Mühlbaoh, Frederik de Groote en zijn Hof. III. 13
194
âIk wil soldaat zijn,quot; riep Trenck vol geestdrift en vuur, âIk wil mij op het slagveld roem, eer en aanzien en bovenal de achting en tevredenheid mijns konings verwerven, ik wil, dat de geheele wereld mijn naam kenne en dien hoogachte.quot;
âHet is waarlijk een groot en schoon doel, dat gij u daar hebt gesteld,quot; zeide de koning lachend. âEr is een menschen-leven noodig om het te bereiken. Gij zult aan dit doel veel moeten opofferen, vóór alles â uwe jacht. Ik weet niet, waar en wat gij gejaagd hebt, ik wil het ook niet weten; maar als vriend raad ik u, houd op. Ik liet u de keus, gij wilt een dapper soldaat worden, welaan dus, van nu af aan, zal ik voor iederen misstap, voor iedere nog zoo geringe overtreding onverbiddelijk zijn, want het komt er op aan, u te maken, tot hetgeen gij wilt zijn, tot een onberispelijk officier. Ik zal uwen overste opdragen, u streng te bewaken en mij iedere fout, die gij hebt begaan, te rapporteeren; ik zal u laten gadeslaan en wee uwer als ik u weder op dwaalsporen of sluipwegen betrap, want dan zal ik onverbiddelijk zijn. Thans, monsieur, zijt gij gewaarschuwd en kunt u niet beklagen, als de bliksem u evenwel eens mocht treffen. Al, wat u overkomt, hebt gij u zeiven te wijten.quot;
Nog lang, nadat Trenck de kamer had verlaten, stond de koning in gedachten verzonken, met de armen over de borst geslagen en zag naar de deur, waardoor de rijzige gestalte van den jongen officier was verdwenen.
âEen hart van staal, een hoofd van ijzer,quot; zeide de koning na eene lange stilte in zich zei ven. âHij zal óf zeer ongelukkig of zeer gelukkig worden, want voor zulke naturen bestaat geen middelweg! O, ik vrees, dat het beter voor hem ware, dat ik hem hadde ontslagen, en âquot;
De koning sprak niet verder, hij zuchtte treurig en eene wolk bedekte zijn voorhoofd. Zij verdween niet, toen hij aan zijne schrijftafel trad en dat groote met zegels voorziene papier nam, dat hij zorgvuldig las, terwijl een treurige glimlach allengs over zijn gelaat zweefde.
âArme Amalia,quot; zeide hij toen, zachtjes zijn hoofd schuddend, âarme zuster! Zij hebben u tot Coadjutor van de abdis van Quedlinburg gekozen! Eene armzalige vergoeding voor de Zweedsche kroon, die ik u hoopte te verschaffen!
195
Maar het zij zoo, ik zal het onderteekenen!quot; Hij nam de pen en schreefmethaastige hand zijn naam onder het diploma, ïoen zag hij langen tijd in gedachten verzonken voor zich heen.
âHet is ten minste eene kleine vergoeding,quot; mompelde hij. âAls zij niet wil huwen, zal zij eens abdis van Quedlin-burg worden. Dat is ten minste iets! Aurora van Könings-mark is het ook geworden, â maar inderdaad eerst, nadat zij vroeger gelukkig was geweest!quot;
En de koning, als het ware overmand door deze smartelijke en heillooze gedachten en vergelijkingen, die zich aan hem opdrongen, hief den blik ten hemel en zeide: âarm beklagenswaardig menschenhart! Waarom heeft het noodlot het zoo week gemaakt, terwijl het toch zoo zeer moet verharden, om het leven te kunnen di-agen!quot;
Met een ter neder gebogen hoofd, stond hij langen tijd in gedachten verzonken. Toen schudde hij zijn hoofd, gelijk de leeuw doet, als hij de heen eh weder iladderende diertjes wil verjagen, die zijn hoog voorhoofd kwellen.
âWeg met de zorgen,quot; zeide hij. âIk heb nu geen tijd als een gemoedelijk huisvader over het geluk van mijne familie na te denken. Mijn dienst en miin plicht als konine roepen mij!quot;
IX.
DE KRIJGSRAAD.
Na de kamer snel doorgegaan te zijn trad hij de aangrenzende zaal binnen, waar de generaals en ministers tot eene beraadslaging waren bijeengeroepen.
Nu was Frederik weder de koning en de veldheer. Trotsche bedaarheid sprak uit zijne trekken, een indrukmakend vuur schitterde in zijne oogen.
âMessieurs,quot; zeide de koning en zijne stem klonk ernstig en plechtig. âDe dagen van rust en gemak zijn voorbij. Wij hebben lang genoeg gesproken en den diplomaat gespeel d, nu zullen wij weder eens handelend moeten optreden. Ik ben dien pennestrijd moede (in van dieOostenrijksche
196
kuiperijen en uitvluchten heb ik een afkeer. Maar ik wil mij in deze gewichtige en moeielijke zaak niet enkel op mijn eigene overtuiging vèrlaten, maar ook uwe beschouwingen hooren en uw raad ontvangen. Ik wil den oorlog niet, voor gij mij zegt, dat een eervolle vrede niet meer mogelijk is. Eerst dan, als de eer van mijne kroon en mijn volk het gebiedt, zal ik naar het zwaard grijpen, maar ook dan nog zal ik het met een bekommerd hart doen; want ik weet zeer wel, welk een last en ellende mijn arm land dan weder zal drukken. Laten wij dus gemeenschappelijk die papieren, welke op gindsche tafel liggen, nog eens onderzoeken en nauwkeurig overwegen, waartoezij onsverplichten en noodzaken!quot;
Hij trad naar de midden in de zaal staande tafel en zette zich op den daarvoor geplaatsten leuningstoel. De generaals, aan hun hoofd de oude Dessauer, Ziethen, Winterfeld en de lieveling des konings, Rothenburg, vervolgens de ministers en staatsraden, plaatsten zich zwijgend om de tafel. De blikken van al deze in den strijd geharde en bejaarde mannen waren ernstig en droevig op den koning gericht, wiens jeugdig gelaat alleen helder en vroolijk was, op wiens voorhoofd'zich niet de minste schaduw vertoonde.
De koning woelde met zijne witte, zachte handen onder dien hoop acten en papieren, terwijl de generaals en ministers zwijgend de aanspraak des konings verwachtten.
Er heerschte eene stilte, gelijk aan die, welke gewoonlijk het onweder voorafgaat. Allen gevoelden het gewicht van dit oogenblik. Ieder van deze ervaren en zaakkundige mannen zeide' in zich zeiven, dat gindsche jongman, die zich met zoo fiere en onwankelbare rust en zekerheid, met zulk een helder en vreedzaam gelaat in hun midden bevond, op dit oogenblik Europa's lot in zijne hand woog en dat de weegschaal zoude overhellen naar den kant, waar hij zijn zwaard zoude leggen.
De koning sloeg eindelijk zijn helderen blik weder op en vestigdè zijn oog met eene scherpe en onderzoekende uitdrukking op die ernstige en deftige gezichten.
âGij weet, messieurs,quot; zeide de koning, âdat Maria The-resia, die zich keizerin van Duitschland en van het heilige-Roomsche rijk noemt, onzen bondgenoot keizer Karei den Zevende nog altijd beoorloogt. Haar veldheer Karei van
â¢197
Lotharingen heeft het Beiersch-Fransche leger bij Simpach geslagen en ISeieren heeft, daar het door de vlucht van den keizer en koning eenigermate zonder heer was, de koningin van Hongarije, Maria Theresia, gehuldigd. Zij heeft zich met Engeland, Hannover en Saksen verbonden en deze vereenigde machten hebben het leger van onzen bondgenoot, koning Lodewijk van Frankrijk, onder den maarschalk Noailles geslagen. Deze goede uitslag heeft onze vereenigde vijanden vermetel gemaakt. Holland heeft hun zijn geld en zijne manschappen aangeboden; Sardinië en Saksen zijn onlangs ook toe getreden tot het verdrag van Worms, dat Engeland, Oostenrijk en Holland daar hebben gesloten. Zij hebben dus troepen, geld en machtige bondgenooten. Wij hebben niets dan onze eer, ons goed recht en onzen degen. Wij zijn de bondgenooten van een armen keizer, die geen land en wat erger is, ook geen moed heeft en van den jeugdigen koning van Frankrijk, die beheerscht wordt door maitressen en hovelingen. Onze tegenstanders kennen zeer wel hunne sterkte en onze zwakheid. Ziedaar, messieurs, dezen brief van onzen neef koning George van Engeland, aan onze tante, de koningin Maria Theresia van Hongarije. Een toeval speelde hem in onze handen, of, zoo gij wilt, de Godheid, die zonder twijfel voor het welzijn van Pruisen waakt! Leest, messieurs.quot;
Hij reikte den generaal Rothenburg een papier over, dat deze met een gefronst voorhoofd en met zichtbaren toorn las en toen aan den naast hem staanden generaal overgaf.
De koning sloeg met scherpe blikken de gelaatstrekken van iederen lezer nauwkeurig gade en hoe donkerder en toorniger deze er uitzagen, des te opgeruimder scheen het gelaat des konings.
Hij nam vriendelijk neigend den brief weder uit de handen van een zijner ministers en terwijl hij even met den vinger er naar wees, zeide hij; âhebt gij wel gelet op dien regel waarin de koning schrijft:
âMevrouw, wat men goed kan nemen, kan men ook goed weder geven!quot; ^ Wat denkt gij van deze woorden, heer vorst van Anhalt?quot;
âIk denk,quot; zeide de grijze veldheer, âdat wij den Engel-
1) Preusz. Lebensgechichte Friedrich's d. Gr. Th. I. pag. 77.
198
schen koning moeten toonen, dat als koning Frederik van Pruisen eens iets in handen heeft, men het hem niet weder kan ontscheuren.''
âMeent gij dus, dat onze handen sterk genoeg zijn om vast te houden?quot;
âDat meen ik, uwe majesteit,quot;
âEn gij messieurs?quot;
âWij deelen het gevoelen van den vorst!quot;
âEn ik kan u zeggen, dat gij daar mijne eigene gedachten hebt uitgesproken,quot; riep Frederik met een opgeruimd gelaat. âAls dit dus uwe meening is, messieurs verheug ik mij, u een ander document te kunnen voorleggen. Voor alle dingen, had ik mij beijverd, zoolang het in mijn vermogen was, in Duitschland den vrede te bewaren; ik heb aan dit streven mijne persoonlijke meening en mijne eerzucht onderworpen; ik heb de Duitsche vórsten vereenigd tot een verbond ter bescherming van den Duitschen keizer Karei den Zevende; de Frankforter unie zou voor ons een hefboom zijn,, om Duitschland zijne vrijheid, den keizer zijne waardigheid en Europa zijne rust weder te geven. 1) Maar er is geen geluk bij de verbonden van Duitsche vorsten, want het ontbreekt hun aan eensgezindheid. Een gedeelte van onze bondgenooten heeft ons verlaten onder voorwendsel dat Frankrijk de toegezegde onderstandsgelden niet wil betalen. Intusschen doolt Karei de Zevende als een vluchteling rond en zucht ons arm vaderland onder de ellende van een verlammenden en uitputtenden oorlog. Daaraan zal en moet een einde worden gemaakt, want in zulk een nood en zulk eene verlegenheid is het beter een eervollen dood te sterven, dan een onteerd, roemloos leven te leiden, afgebedeld van de genade onzer vijanden. Ik heb niet de onbeschaamdheid en de lafhartigheid om zoo te leven. Ik wil overwinnen of sterven. Ik wil die honende woorden van den koning van Engeland met bloed afwasschen en Silezié mijn Silezië, dat ik veroverd heb, omdat ik er recht op had, tegen de vijandelijke invallen der koningin beveiligen. Ziet dus dit stuk. Het is een alliantietractaat, dat ik met Frankrijk heb gesloten tegen Oostenrijk en ter bescherming des keizers. Ziet verder dat stuk. Het is een
1
Preusz. Th. I, pag. 77.
199
manifest, dat koningin Maria Theresia door geheel Silezië laat verspreiden en waarin zij verklaart, dat zij zich niet meer gebonden acht door den vrede van Breslau, maar Silezië en het graafschap Glatz als haar eigendom beschouwt. Zij roept dien ten gevolge de inwoners van Silezië pp, mij te verlaten en haar als hunne rechtmatige gebiedster te beschouwen.quot; ^
âDat is eene openlijke schending van de verdragen,'' zeide een der generaals plechtig.
âDat is tegen alle volkenrecht en billijkheid!quot; riep een ander.
âDat is Oostenrijksche staatkunde, messieurs!'' zeide de koning lachend. âZij houden zich slechts zoo lang gebonden door verdragen tlie hun lastig zijn, als de noodzakelijkheid dat vordert. Zij verbreken die, zoodra zich een gunstige gelegenheid aanbiedt. Het komt er hun niet zoo zeer op aan geacht, als wel gevreesd te worden en bovenal in Duitschland niemand met gelijke rechten, niemand als mededinger te hebben. Maria Theresia gevoelt zich nu sterk genoeg, om dat Silezië, dat wij voor ons hebben veroverd, terug te nemen en dien ten gevolge bestaat er voor haar geen vredesverdrag. Oostenrijk was en is Pruisens natuurlijke vijand; het zal ons nimmer vergeven, dat onze grootvader zich, uit eigen beset van macht tot koning heeft gemaakt. Oostenrijk zoude den koning van Pruisen gaarne weder tot den kleinen markgraaf van Brandenburg zien inkrimpen en zich verrijken met ons eigendom. Zullen wij dat dulden, messieurs?quot;
âNimmer!quot; riepen de generaals, terwijl hunne oogen fonkelden en de strijdlust op hun gelaat zichtbaar was.
âDe koningin van Hongarije heeft hare troepen een inval laten doen in het graafschap Glatz. Zullen wij afwachten, dat zij het spel herhaalt ?quot;
âAls de koningin van Hongarije een manifest aan de Sileziërs heeft uitgevaardigd, moeten wij het allereerst dit manifest beantwoorden,quot; zeide de minister van staat, van Görtz.
âAls Maria Theresia zoo moedig is, omdat Bellonaook eene vrouw en bij gevolg hare zuster is, willen wij haar bewijzen, dat mevrouw Bellona toch liever met ferme man-
1) Rödenbeck. Tagebuch. Pap. 110.
200
nen omgaat, dan mot teergevoelige vrouwen babbelt,quot; zeide generaal von Rotbenburg.
âUwe meaning dus, messieurs?quot; vroeg de koning. âZullen wij vj-ede oiquot; oorlog hebben?quot;
âOorlog! oorlog!quot; riepen allen als uit één mond en met dezelfde geestdrift.
De koning stond op uit zijn armstoel en zijn adelaarsoog schitterde. âHet beslissende woord is gesproken,quot; zeide hij plechtig. âHet geschiede dus, zooals gij gezegd hebt! Wij zullen oorlog hebben. Generaals, bereidt u voor, bij de Oostenrijkers een tegenbezoek afteleggen, dat zooals Ziethen zegt, een plicht der wellevendheid is. Gij, mijne ministers, schrijft het manifest, dat het manifest van koningin Maria Theresia moet beantwoorden. De Oostenrijkers hebben ons in Glatz bezocht, welaan! wij zullen hen in Praag bezoeken. En daar Rothenburg meent, dat Bellona ons mannen, boven de koningin de voorkeur geeft, willen wij het eens beproeven, van haar oenige bewijzen van teederheid en liefde te verwerven. Het meest, denk ik, âzal vrouw Bellona op onzen vorst van Anhalt verlieven; hij heeft reeds zoo dikwijls duchtig met haar gevochten en gij weet wel, dat het een gelukkige echt is, waar de man slaat en de vrouw zich bloedend onderwerpt. Op dan, uwe doorluchtigheid, tot het spel van de strijdende liefde met uwe oude minnares, Bellona! Op, gij allen mijne vrienden! liet is gedaan met de rust! Wij zullen oorlog hebben, en moge God zijn zegen schenken aan onze rechtvaardige zaak!quot;
X.
HET KLOOSTER VAN CAMENZ.
Hot was een heerlijk stille morgen. De toppen van het Reuzengebergte schitterenden in de zon en de hooge sneeuwtop was door zulk een wonderbaarlijk licht omgeven, dat hij een reuzenlelie scheen, die haar glans naar alle kanten verspreidde. De lucht was zoo helder, dat men tot in de verste verte het grootsche en schilderachtige Reuzengebergte voor zich zag uitgebreid, terwijl men zich tegelijkertijd kon verbeelden, die bergtoppen in weinige minuten te kunnen
201
bereiken. Het was of die toppen den aanschouwer lot zich schenen te wenken. Zelfs zij, die reeds jaren aan het gezicht van die heerlijke streek gewoon waren, moesten er zich door getroffen gevoelen. De natuur, die vrouwelijk is, heeft ook hare vrouwelijke eigenaardigheid, dat hare schoonheid afwisselt en zij hare beaux jours heeft, even goed als iedere vrouw.
liet landschap, dat zich aan de voeten van de monniken die in sprakeiooze beschouwing op het plan van het Cister-ziënzer klooster Camenz heen en weer gingen uitstrekte, had heden werkelijk zijn beau jour en schitterde in den schoonsten, ongestoorden, goddelijken vrede.
.,Wat is de wereld schoon,quot; zeide een van de beide monniken, terwijl hij met vroom gelaat en gevouwen handen naar buiten in het dal zag. âTen volle geschapen om er een vroolijk, tevreden en Gode gevallig leven te leiden. Zie maar eens, met welk eene majesteit daar boven het gebergte zetelt en hoe liefelijk en bekoorlijk het dal zich aan onze voeten uitstrekt. Beneden in het vlek Camenz wordt het reeds levendig en van de stad Frankenstein hoor ik heel zacht het gelui der klokken, dat lot den ochtenddienslroept.quot;
âZoo het niet de stormklok is,quot; zeide de tweede monnik. âDe wind waait van hier naar Frankenstein, wij zouden het gelui der kleine klokken niet hooren. Het moet een hard gelui zijn en ik vrees, dat het de stormklok is.quot;
âMaar waarom zouden deFrankensteiners dan de stormklok luiden, broeder Tobias?quot; vroeg de ander ongeloovig glimlachend.
âWaarom, broeder Anastasius? Wel, omdat de Oostenrijkers hunne voorposten misschien reeds tot Frankenstein hebben vooruitgeschoven en omdat de Frankensteiners, die toch den koning van Pruisen eenmaal trouw hebben gezworen, dien eed daarom misschien ook willen houden en de weerbare burgers ten strijde roepen.quot;
âEn gelooft gij werkelijk, dat de Oostenrijkers zoo dicht bij ons zijn?quot; vroeg broeder Anastasius hoofdschuddend.
âIk geloof het niet slechts, maar ik weet het,quot; zeide Tobias bijna fluisterend. âVóór drie dagen verloopen zijn, zal de generaal graaf von Wallis en zijn staf ons klooster binnentrekken en in naam van Maria Theresia den eed van trouw van ons eischen.quot;
202
âGij nog kuntmaar niet vergeten, dat wij eensOostenrijksch waren, broeder Tobias. Uwe oogen schitteren, als gij er aan denkt, dat de Oostenrijkers komen en gij vergeet, dat zijn hoogwaarde, onze abt Tobias Stusche, van ganscher harte den koning van Pruisen is toegedaan en dat hij nimmer weder Oostenrijksch wenscht te worden.quot;
âEn toch zal hij er toe moeten besluiten, broeder Anasta-sius. Het krijgsgeluk van den Pruisischen koning is ten einde en God heeft zijn aangezicht van hem afgewend, omdat hij geen rechtgeloovig christen is, maar een ongeloovige heiden en godloochenaar.quot;
âStil, broeder Tobias. Als de abt u hoorde, zou hij u ten minste twintig paternosters opleggen en gij weet wel, dat het vele bidden juist niet uwe zaak is.quot;
âHet is waar, ik spreek liever over staatkunde en gevechten en kan nog maar niet vergeten, dat ik in mijne jeugd een dapper soldaat ben geweest en meer dan eens mijn bloed voor Oostenrijk heb vergoten. En zie, daaruit spruit ook mijne gehechtheid aan Oostenrijk voort- Ik zeg u dat ik gaarne dagelijks dertig paternosters zou willen bidden, als wij daarvoor maar weder Oostenrijksch konden worden.quot;
âNu, gelukkig is daar geen hoop op!quot;
âGelukkig is er veel hoop op! Maar gij weet er niets van, gij leest uwe heilige schriften, studeert in uwe geleerde boeken en bekommert u weinig om hetgeen daarbuiten in de wereld voorvalt. Ik echter weet alles, hoor alles, geef op alles acht, ik bestudeer staatkunde en wereldgeschiedenis zoo goed als gij de oude kerkvaders,quot;
âWelaan, broeder Tobias, laat mij dan een weinig hooren van uwe studiën. Gij hebt gelijk, ik bekommer er mij niet veel om en ben daar hartelijk blijde over; want het smart mij altijd innig, als ik van de oneenigheden en geschillen der menschen hoor, dieGod toch in de wereld heeft gezonden, opdat zij in vrede en liefde met elkander zouden leven!quot;
âAls dat zoo is, waarom heeft God dan geduld, dat wij het buskruit hebben uitgevonden?quot; vroeg broeder Tobias met een loos lachje. âIk zeg u, uit kracht van het buskruit en de blanke zwaarden, zal Silezië spoedig weder in het bezit van de rechtgeloovige koningin, Maria Theresia zijn. Is het niet klaar en duidelijk dat God met haar is, ofschoon de duivel in den beginnen bijna machtiger was, dan God zelf
203
en den Pruisischen koning bijstond met zijne macht en zijne wilde bende? Denk er loch eens aan, dat hij de poorten van Breslau met een oorveeg voor zich heeft geopend; dat hij in het vorige jaar Praag bijna zonder slag oi' stoot, als ware het. slechts spel, heeft ingenomen; dat hij heer was over geheel Pgt;ohemen en dat hij het evenwel weder in allerijl moest verlaten als een overwonneling, omdat God een vijand op hem afzond, die sterker is, dan alle menschelijke vijanden, omdat Hij hem en zijn leger aanviel met den honger, dien de dapperste soldaat evenzeer vreest, als het vreesachtige, weerlooze, kleine meisje. De honger heeft den overwinnenden koning Frederik van Pruisen uit Bohemen verdreven; de honger was oorzaak, dat hij met zijn leger geheel Silezië heeft ontruimd en naar Berlijn is teruggekeerd. *) O, ik zeg u, wij zullen spoedig hebben opgehouden, Pruisisch te zijn; want terwijl de koning van Pruisen rustig in Berlijn vertoeft, rukken de Oostenrijkers het graafschap Glatz binnen en brengen ons de groeten van onze genadige gebiedster, de koningin Maria Theresia.quot;
âAls de koning van Pruisen van die groete hoort, zal hij ze met kanonschoten beantwoorden,quot; broeder Tobias.
âZeide ik u niet, dat de koning bedaard in Berlijn vertoeft en uitrust van den ongelukkigen Boheemschen veldtocht. INu, de Oostenrijkers zullen geheel Opper-Silezië hebben veroverd, voor zijne soldaten zullen bekomen zijn van de hongerkuur, want ik zeg u, de Oostenrijkers zullen reeds na eenige dagen bij ons zijn.quot;
âDat verhoede God,quot; zeide broeder Anastasius zuchtend. âDan zou de krijgsfakkel op nieuw ontbranden en ongeluk en ellende Silezië op nieuw overvallen.quot;
âZulks geschiedt zeker en ik wil u nog iets nieuws melden, dat ik gisteren, toen ik in Frankenstein was, heb vernomen. De koning van Pruisen, zegt men, heeft in stilte Berlijn verlaten en is naar Silezië afgereisd, om zelf te zien, hoe ver de Oostenrijkers reeds voortgedrongen zijn. Het zou dus allerliefst zijn, als de koning ook ons klooster een bezoek bracht en juist dan, als generaal von Wallis met zijne troepen bij ons komt.quot;
1) Preusz. Geschichte Friedrich's d. Gr. Th. I. pag. 7ü.
âNoemt gij dat allerliefst?quot; vroeg broeder Anastasius met een verwijtenden blik.
âJa, zeker, want dan zou de gevangenneming des konings onvermijdelijk en daardoor aan den krijg voor altijd een einde gemaakt zijn. Want gij kunt toch wel denken, dat de Oostenrijkers den koning van Pruisen niet weder zouden vrijlaten, voordat hij geheel Silezië als losprijs had betaald.quot;
âGod zij ons genadig en beware ons voor krijg en pestilentie,quot; prevelde broeder Anastasius, terwijl hij vroom zijne handen vouwde en zachtjes scheen te bidden.
Het driemaal herhaalde gelui eener klok in het binnenste van het klooster, stoorde hem in zijn gebed en deed het volle, ronde gezicht van broeder Tobias door een vergenoegd lachje schitteren.
âZij roepen tot het ontbijt, broeder Anastasius,quot; zeide hij. âLaat ons dus spoedig naar binnen gaan, vóór broeder Baptist, die altijd de eerste bij den maaltijd is, zich weder de beste beten op zijn bord heeft kunnen leggen. Kom, kom, broeder Anastasius en na het ontbijt zullen wij naaiden tuin gaan en onze bloemen begieten. Wij hebben beden een schoonen dag en veel tijd voor onze bloemen, want eerst over drie uur wordt de mis weder gelezen.quot;
âKom dan, broeder Tobias,quot; zeide Anastasius; âen mogen uwe ongelukkige voorspellingen en veronderstellingen niet vervuld worden!quot;
De beide monniken gingen naar binnen en eene diepe, slechts nu en dan door het gesjilp van een voorbij vliegenden vogel afgebroken stilte, heerschte nu om het klooster, welks schoone, in den edelsten stijl der middeleeuwen ontworpen bouw, zoo sierlijk afstak tegen den donkerblau-wen gezichteinder.
Het was zonder twijfel, om de schoonheden en het groot-sche van dit gebouw in oogenschouw te nemen, dat de twee wandelaars, die langzaam den weg opgingen, die van het vlek Camenz naar het klooster voerde, thans stil stonden en met opmerkzame, onderzoekende blikken het klooster beschouwden.
âVan den toren moet men een zeer schoone avenue hebben,quot; zei de oudste en kleinste der beide wandelaars, tot den rijzigen, slanken jongeling, die met bewonderende blikken den heerlijken omtrek beschouwde.
205
âVoorzeker moet het een heerlijk punt zijn,quot; antwoordde hij, eerbiedig neigende.
âIk meen, een heerlijk punt, om van daar het land te overzien en zoo te kunnen bepalen, of er werkelijk troepen in aantocht zijn,quot; zeide de ander op eenigszins strengen en haastigen toon. âLaten wij er dus heengaan en den toren beklimmen.quot;
De jongste boog zwijgend en volgde op eenigen afstand den sneller voortgaanden reiziger.
Thans hadden zij het plat bereikten stonden een oogenblik stil om adem te scheppen.
âNu zijn wij er wel op,quot; zeide de oudste der beide heeren, âmaar om er nu ook weder af te komen!quot;
âWij kunnen er ook wel weder afkomen, maar de vraag is, hoe?quot; zeide de ander lachend.
âGij meent vrij of als gevangenen ? Nu, ikziegeen gevaar. Daarenboven zijn wij in het strengst incognito en kent mij hier niemand. De abt Amandus is dood en de nieuwe abt is mij onbekend. Laten wij ons dus haasten, trek aan de bel, wij zullen het klooster binnengaan.quot;
De jongste was juist voornemens aan dit bevel te gehoorzamen, toen plotseling eene stem riep: âtrek niet aan de bel, ik zal zelt komen om u te openen.quot;
De man, die op de bovenste verdieping aan het open venster gestaan en het gesprek der beide reizigers aangehoord had, trok nu snel zijn hoofd naar binnen en verdween.
âHet schijnt, dat ik hier niet zoo onbekend ben, als ik vermoedde,quot; zeide de kleinste der beide heeren bedaard lachend.
âWie weet, of die monniken wel te vertrouwen zijn,quot; lluisterde de ander.
âNu, gij zult toch de verheven dienaren Gods niet willen wantrouwen? Ik van mijn kant geloof aan hunne trouw, tot zij mij van het tegendeel hebben overtuigd, ü, de deur wordt reeds geopend.quot;
Werkelijk werd de kleine kloosterpoort juist geopend, en trad een monnik naar buiten, die met haastige schreden de beide vreemdelingen naderde.
âIk ben de abt Tobias Stusche.quot; zeide hij zacht en daarenboven een man, getrouw aan koning Frederik van Pruisen en innig aan hem gehecht.quot;
200
Hij sprak die laatste woorden met bijzonderen nadruk, hetgeen den vreemdelingen, tot wie ze gericht waren, niet ontging.
âKent gij den koning van Pruisen,quot; zeide de eene vreemdeling, terwijl zijn scherpe arendsblik het goedhartige en vriendelijke gelaat van den abt scheen te onderzoeken.
âIk ken hem slechts dan, als de koning niet incognito wil zijn,quot; antwoordde de abt met een sluw lachje.
âAls de koning hier was, zoudt gij hem dan aanraden, incognito te blijven.quot;
âIk zou het hem aanraden, want er zijn onder mijne monniken eenige, die Oostenrijksch gezind zijn en naar men zegt, zijn de Oostenrijkers niet ver van hier!quot;
âUit uw toren zou ik hen juist wel eens willen bespieden. laten wij dus naar binnen gaan en wijs gij ons den weg.quot;
De abt antwoordde niets, maar ging ijlings weder naar het klooster en liet zijn onderzoekenden blik over de vensters gaan.
âZij zijn allen nog in de eetzaal,quot; mompelde hij]âen die vensters zien gelukkig op den tuin uit. Maar neen, daar is broeder Anastasius.quot;
Inderdaad was het broeder Anastasius, die boven aan het venster stond en met verbaasde en belangstellende blikken rondzag.
De abt gaf hem even een wenk, legde den wijsvinger op zijne lippen en trad toen haastig over den drempel der kleine kloosterpoort.
Maar de vreemdeling volgde hem niet terstond. Hij legde zijne hand op den schouder van den abt en vroeg streng; âgaaft gij niet zoo even aan gindschen monnik een teeken ?quot;
âJa, het teeken om te zwijgen!quot; antwoordde de abt zich omwendende en den vreemdeling met zijne heldere oogen rustig aanziende.
âGaan wij verder, messieurs!quot; zeide deze, terwijl hij vastberaden door de poort ging.
207
XI.
DE KONING EN DE ABT.
De abt ging vooruit dooi- de hooge gewelfde voorhoven en gangen en werd door de vreemdelingen gevolgd, tot hij eindelijk eene deur ontsloot, die toegang tot zijne vertrekken gaf. Nadat allen binnengetreden waren en do deur weder gesloten was, zoodat niemand hen kon gadeslaan, bleef de abt staan en nam zijn gelaat de uitdrukking van den diepsten eerbied aan.
[lij kruiste zijne armen over de borst, terwijl hij zich diep boog. âNu,quot; zeide hij, âmoge uwe majesteit mij veroorloven, u van ganscher harte te begroeten. In de vertrekken van den abt Tobias Stusche heeft koning Frederik de Tweede niet noodig, incognito te blijven. Gezegend zij uw ingang in dit huis, moge zoo ook uw uitgang zijn!quot;
Koning Frederik lachte. âDat zal toch wel van u, hoogeerwaarde, afhangen,quot; zeide hij; âwant ik zou niet weten, welk gevaar ons anders zoude bedreigen. Het was wel is waar mijne bedoeling niet, zoo ver te gaan en mijne verkenning zoo ver uit te strekken. Maar wat bedoelt gij, heer abt. Men is niet slechts koning en soldaat, maar ook mensch en nog wel een mensch, die een open oog en een open hart heeft voor de schoonheden der natuur en God het liefst in Zijne schepping aanbidt. Uw klooster lokte mij door zijne schoonheid en dus ben ik, in plaats van mijn paard te bestijgen en ndar Frankenstein terug te rijden, nog eens eerst hier gekomen, om uw klooster te bewonderen, en het uitzicht van uw toren te genieten. Dat is alles! Laat mij eerst een weinig uitrusten, geef mij een glas wijn en dan bestijgen wij den toren!quot;
Er lag zoo veel rustig vertrouwen, zoo veel verheven zelfbewustzijn in de handelwijze des konings, dat de arme, door pijnlijk voorgevoel beangstigde abt, den moed niet had, zijne vrees te kennen te geven en als om bijstand smeekend, tot den jongen geleider des konings opzag, die niemand anders was, dan de officier van zijne lijfwacht, Frederik von Trenck.
Maar deze scheen volkomen de zorgeloosheid van zijn
208
koninklijken heer te deelen. Zijne gelaatstrekken waren kalm en opgeruimd en hij scheen den blik van den abt volstrekt niet te verstaan.
âUwe majesteit sta mij toe, dat ik zelf, en ik alleen de eer heb, u te bedienen,quot; zeide hij. âIk ben zoo afgunstig op het hooge geluk, dat mij heden te beurt valt, dat ik het met niemand zou willen deelen, zelfs niet met mijne monniken.quot;
De koning lachte. âBeken maar, hoogeerwaarde, dat gij uwe monniken niet vertrouwt en niet weet, of zij allen even goed Pruisischgezind zijn, als gij tot mijn geluk zijt. Geef mij dus, zoo gij wilt, met uwe eigen, vrome handen, een glas wijn. Ik heb niet noodig te zeggen, goeden wijn, want de kloosterheeren hebben een goeden smaak en gebruiken geen slechten.quot;
De koning ging gemakkelijk in een leunstoel zitten en onderhield zich vroolijk en welgemoed met zijn adjudant en den waardigen abt, die met den grootsten spoed heen en weder ging en uit hoekkastjes en kleine, in den vloer aangebrachte kasten, wijn, vruchten en gebak te voorschijn haalde.
Deze door niets afgebroken kloosterachtige stilte, die diepe, zwijgende, behagelijke rust, welke hem omgaf, scheen den koning goed te doen. Zijn gelaat was schitterend schoon, en dat lacHje, te gelijker tijd zacht en indrukwekkend, dat zich slechts zelden op zijne lippen vertoonde, verwarmde thans echter, gelijk de zon, de harten der aanwezigen.
Eenige uren waren zoo verloopen, zonder dat de koning er op scheen te letten, hetgeen echter het hart van den armen abt met vrees en schrik vervulde.
âNu,quot; zeide de koning, terwijl hij eindelijk opstond, ânu ben ik uitgerust, verfrischt en versterkt. Voer mij naar den toren, hoogeerwaarde, en dan keer ik naar Frankenstein terug.quot;
âEr is gelukkig een weg naar den toren, die slechts dooide abten betreden wordt en waarop wij zeker zijn, niemand te ontmoeten,quot; zeide Tobias Stusche. âUwe majesteit vergeve mij slechts, dat die gang donker is en men slechts langs vele kleine trappen en dwaalwegen den toren bereikt.quot;
De koning lachte. âDat is immers gelijk de weg tot de eeuwige zaligheid,quot; zeide hij, âdaar nacht tot licht, daar
209
dwaalwegen tot den weg der kennis voert! Ja, een weinig kennis wil ik van den toren halen. Gij hebt toch mijn verrekijker, ïrenck?quot;
âDe adj udant bevestigde het en zwijgend gingen zij toen de gangen door, de trappen op en bestegen eindelijk de laatste wenteltrap, die hen naar het plat van den toren bracht.
Een heerlijk gezicht vertoonde zich hier aan de blikken der toeschouwers. Zoo ver men zien kon was de gezichteinder begrensd door de zoo statige en bevallige bergen van porfier, de derde laag der bekoorlijke voorwereld, waarmede uit de harde, verstijvende massa de vorm en de bezielde, bloeiende schoonheid ontstaan is. Daar tusschen verhief zich de reuzenkop met zijne besneeuwde kruin, gelijk een groote vinger Gods, ten hemel, en stak zonderling af bij de fiere, kegelvormige, met groene wouden bedekte hoogten, waarop de zonnestralen in begoochelend, veelkleurig spel wiegelden.
De koning beschouwde vol verrukking dit tooneel en de uitdrukking van eene diepe, innige ontroering sprak uit zijne trekken. Maar met dien angstigen schroom, veelal eigen aan hen, die door hun rang of door hun genie van de overige menschen afgescheiden zijn en zich gewend hebben, zich zeiven genoeg te zijn en geen vertrouweling voor hunne gedachten en gevoelens noodig te hebben, met die schroomvalligheid aan groote zielen eigen, wilde de koning niemand zijne ontroering en heilige stemming laten blijken. Hij gevoelde er behoefte aan alleen te zijn en zond den abten den adjudant weg, hen verzoekende, beneden in de vertrekken van den abt op hem te wachten.
En nu overtuigd, dat niemand hem kon beluisteren, niemand zijn gelaat kon gadeslaan, gaf de koning zich geheel over aan die verheven, heilige gevoelens, die zijn binnenste ontroerden.
Met glinsterende oogen sloeg hij dit betooverende, schoone natuurtooneel gade, dat, beschenen door den heldersten zonneglans, hem aan alle kanten omgaf.
âGod, God,quot; zeide hij zacht, âwie zoude aan u kunnen twijfelen en uwe eeuwigheid en wijsheid loochenen, als hij de schoonheid, de harmonie en orde der natuur beschouwt l1)
1
's Konings eigen woorden. Zie: Oeuvres postkmnes. Vol. II, pag. 162. Mühlbaoh Frederik de Groote en zijn Hof. III. 14
210
O, God, ik aanbid U in Uwe werken en buig mijn hoofd eerbiedig voor,Uwe heerlijkheid. Waarom zijn de menschen niet tevreden met die groote, geheimzinnige, verhevene en eeuwigdurende kerk, waarmede God hen heeft omgeven; waarom gaan zij niet bidden in de groote kerk der natuur; waarom sluiten zij zich op in die door menschenhanden gebouwde en met twist, afgunst en menschelijken hoogmoed gevulde kerken van zand en mortel en hooren daar naar hunne schijnheilige priesters, in plaats van naar God te luisteren, daar buiten in de schoone, goddelijke wereld? Zij zeggen van mij en roepen het uit, dat ik een ongeloovige ben en evenwel is mijne ziel vol geloof aan God en bid ik tot Hem, niet met de woorden der priesters, maar met de woorden van mijne eigene ziel!quot;
Hij zweeg en zag als met blijde verrukking neder op het schoone panorama aan zijne voeten. Zijne gedachten, die bij God waren geweest, daalden nu weder naar de aarde gelijk zijne blikken rondzwierven in het heerlijke dal, dat beneden tusschen de bergen lag, als de beschilderde grond van eene groote vaas uit de voorwereld. Hij lelde die kleine steden en vlekken met hunne roode pannen daken en hunne zich fier verheffende kerktorens, de vele hier en daar verstrooide dorpen en boerenwoningen met hunne donkere stoodaken, op welker hoogste toppen de ooievaars met statige bedaardheid in hunne nesten stonden.
âDat alles is het mijne en ik heb het veroverd,quot; riep de koning luid. âHet is het mijne en ik zal het mij niet niet laten ontrukken; ik zal Mario Theresia bewijzen, dat, wat gemakkelijk te nemen was, niet zoo gemakkelijk is terug te geven. Neen, Silezië blijft mij toebehooren, daarop berust nu mijne eer, mijn hoogmoed en mijn roem! Ik zal het nooit weder teruggeven, al moest ik het ook met stroomen menschenbloed, ja mijnentwege met mijn eigen bloed, mijn eigen leven beschermen!quot;
Hij nam zijn verrekijker weder ter hand en beschouwde nogmaals dit prachtige, weelderige landschap. Plotseling ontstelde de koning en richtte zijn kijker onafgewend op één punt.
Hij zag daar in het midden van een groen dal, waardoor de straatweg zfch gelijk eene grauwe rivier kronkelde, eene zeldzaam schitterende massa zich bewegen. In bet begin
211
scheen het slechts een hoop krioelende mieren, die echter weldra reuzenvormen aannamen, tot zij zich, steeds naderbij komend, tot menschelijke gestalten uitrekten en men in hen duidelijk eene kolonne marscheerende soldaten kon herkennen.
âOostenrijkers!quot; zei de koning zeer bedaard, terwijl hij zijn verrekijker naar den tegenovergestelden kant richtte. Daar voerde een weg van den zacht afhellenden berg naar beneden in het dal en ook deze was geheel bedekt met soldaten, die met den stormpas den weg naar het klooster insloegen.
âHet is duidelijk, zij weten dat ik hier ben,quot; zeide de koning, zij hebben het beneden, in het vlek vernomen en komen nu om mij gevangen te nemen! Eh hien,nous v err ons!quot;
Zoo sprekende, stak de koning den verrekijker in zijn borstzak, ging de wenteltrap af en keerde bedaard en rustig in de kamer van den abt terug.
âMessieurs,quot; zeide hij en een vroolijk lachje speelde om zijne lippen, toen hij de geruste en zorgelooze gelaatstrekken van den abt en den officier beschouwde, âwij moeten er op bedacht zijn, ons te verdedigen, want de Oostenrijkers rukken van alle zijden naar het klooster op.quot;
âMijn voorgevoel, mijn voorgevoel,quot; mompelde de abt, terwijl hij zijne handen vouwde en zachte gebeden prevelde en Trenek naar het venster snelde en met bespiedende blikken naar buiten zag.
Op dit oogenblik werd heftig aan de deur geklopt en eene stem van buiten riep op angstigen toon om den abt.
âAlles is verloren, de Oostenrijkers zijn er reedsTjam-merde Tobias Stusche, wanhopig de handen wringend.
âNeen,quot; zeide de koning, âzij kunnen de hoogt»; nog niet hebben bereikt, dat is de stem ook niet van een soldaat, die beveelt, maar van een monnik, die smeekt en bijna van angst vergaat. Laten wij dus open doen.quot;
- âMijn hemel, uwe majesteit wil zich zeiven toch niet verraden,quot; riep Tobias Stusche, en, alle etiquette vergetende, snelde hij naar den koning en legde zijne hand op diens arm, om hem terug te houden.
âNeen,quot; zeide de koning, âik wil mij niet verraden, maar mij ook niet verbergen. Ik wil mijn noodlot het hoofd bieden.quot;
'212
âDoe open, doe om Gods wil open!quot; riep de stem builen.
âHij bidt om Gods wil, laten wij dus open doen,quot; zeide de koning, terwijl hij snel door de kamer ging, den grendel terugschoof en de deur opende.
Nu zag men het bleeke, angstige gezicht van broeder Anastasius in de deur verschijnen; hij trad haastig binnen en schoof toen den grendel weder voor de deur.
âVergeving,quot; zeide hij bevend en ademloos, âvergeving, dat ik het waag hier binnen te treden. Maar het grootste gevaar drong er mij toe. De Oostenrijkers omsingelen bet klooster.quot;
âZijn zij reeds boven?quot; vroeg de koning.
âNeen, maar zij hebben een ruiter vooruit gezonden, die verlangt, dat wij alle poorten openen en de soldaten van de keizerin Maria Theresia in ons klooster laten binnentrekken.quot;
âHebben zij geene reden voor hun verlangen opgegeven?quot;
âJa wel. Zij zeggen, dat zij zeker weten, dat de koning van Pruisen zich hier verborgen houdt en dat zij dus komen om het klooster te doorzoeken.quot;
âEn hebt gij hun niet gezegd, dat wij niet slechts de dienaren Gods, maar ook die van den koning van Pruisen zijn?'' vroeg de abt. âHebt gij hun niet gezegd, dat de poorten van ons klooster zich slechts voor Pruisische troepen kunnen openen?quot;'
âIk zeide het aan den soldaat, maar hij lachte mij uit, hij dacht, dat de pandoeren van den overste von Trenck zich wel overal den toegang zouden weten te verschatfen.quot;
âZoo, het is Trenck met zijne pandoeren,quot; riep de koning, en zijn scherp oog vestigde zich een oogenblik op Frederik von Trenck, die daar bleek en met saamgeperste lippen stond, maar zijne oogen niet nedersloeg voor de blikken des konings.
âIs die Trenck uw bloedverwant?quot; vroeg de koning driftig.
âJa, sire. Hij is de zoon van mijn vaders broeder,quot; zeide de jongeling fier.
âO, ik zie wel, dat gij een goed geweten hebt,quot; i'iep de koning en legde glimlachend zijne hand op den schouder van den adjudant. Maar zeg mij eens heer abt, weet gij geen middel, om ons uit deze muizenval te redden?quot;
Tobias Stusche antwoordde niet terstond. Hij stond een
213
oogenblik met over elkander geslagen armen te peinzen. Plotseling verhiet zich zijne gestalte, als bezield door een krachtig besluit en eene uitdrukking van geestkracht schitterde op zijn gelaat. âWil uwe majesteit zich bedienen v?n het middel, dat ik waag u aan te bieden?quot;
âZoo het geen onteerend middel is, wil ik het doen, want ik ben het aan mijn volk verschuldigd, dat ik mij zeiven spaar ^en zorg, dat men geen losgeld voor mij behoeft te betalen.quot;
âNu, dan hoop ik met Gods hulp uwe majesteit te redden,quot; zeide de abt en terwijl hij zich tot den monnik wendde, ging hij op den strengen, trotschen toon van een gebieder voort: âBroeder Anastasius, hoor nu mijne bevelen, gij begeeft u terstond naar den koster en beveelt hem in mijn naam, terstond alle broeders voor de vroegmis en het slotgebed op het hooge koor der kerk bijeen te roepen ; maar bedreig hem te gelijker tijd met mijn toorn en met strenge straf, als hij het waagt, zich met een der broeders in een gesprek te begeven. Ik zal zien en beproeven, of ieder broeder het weet, dat de kloosterlijke gehoorzaamheid zijn eerste plicht is. Terwijl de koster de geestelijken bijeen roept, moet de klok luiden en tot de vroegmis oproepen! Spoed u, broeder Anastasius. In tien minuten moeten wij allen in de kerk bijeen zijn.quot;
âEn terwijl gij eene heilige mis viert, gelooft gij mij te redden?quot; vroeg de koning schouderophalend.
âJa, sire, dat geloof ik. Dat uwe majesteit de genade hebbe, mij naar mijne kleedkamer te vergezellen.quot;
XII.
DE ABT, DIE NOG NIMMER GEZIEN IS.
Terwijl de klok steeds luidde, haastten de moïiniken zich in het feestgewaad der heilige orde, naar de kerk om de hooge mis te vieren. Allen waren even verwonderd en op ieders lippen brandde de vraag, waarom zij tot de hoogmis waren opgeroepen, maar de plichtmatige gehoorzaamheid hield hunne lippen gesloten.
De abt had streng bevolen, dat geen der broeders met
214
den ander een woord zou mogen wisselen. Men moest dit bevel gehoorzamen, hoe moeielijk het ook mocht zijn.
Zwijgend begaven de monniken zich dus naar het hooge koor en naar benedenruimte der kerk.
Thans zweeg de klok, die hen had opgeroepen, tot de godsdienstoefening. Van het koor weergalmde het orgel en vervulde met zijne krachtige tonen, vol harmonie en welluidendheid, de geheele kerk. Langzamerhand werden de tonen zachter en roerender en nu verhief zich het gezang der mannen krachtig en statig boven het geluid des orgels.
En terwijl het orgel ruischte en het heilige gezang de kerk vervulde, trad de abt Tobias Stusche door het hoofdportaal de kerk binnen.
Maar nu was hij niet, zoo als gewoonlijk, alleen. Een andere abt, in het koorkleed van een hoogen feestdag gedost, ging aan zijne zijde, een abt, dien geen der broeders kende, dien geen hunner ooit had gezien. Aller blikken wendden zich tot hem, ieder was getroffen door dit verheven, edel gelaat, door dit indrukwekkend voorhoofd, die schitterende oogen, die naar alle kanten onderzoekende of dreigende blikken schenen te werpen. Ieder gevoelde, dat er iels ongewoons, iets zeldzaams in hun bijzijn plaats had, dat die door schoonheid, jeugd en majesteit schitterende priester geen gewone abt, geen nederige, vreedzame broeder was.
Maar het bevel om te zwijgen was gegeven en de kloosterlijke gehoorzaamheid is de eex-ste plicht. Men zweeg dus en zong en bad, terwijl Tobias Stusche met den vreemden abt langzaam en plechtig de kerk door ging en quot;met hem naar het altaar trad.
Daar knielden beiden neder en vouwden hunne handen tot een stil gebed.
Het orgel ruischte opnieuw, het heilige gebed werd aangeheven en toch waren aller oogen op den vreemden abt gevestigd en waren aller gedachten bij hem, die ginds aan het hoogallaar knielde en vurig scheen te bidden.
Nu zweeg het orgel en ook het heilige gezang. Het stille gebed begon.
De monniken prevelden werktuigelijk de gewone gebeden en zagen op tot de beide abten, die voor het altaar lagen geknield. Men hoorde niets dan het zachte mompelen en bidden, dat in de hooge gewelven der kerk gelijk angstige
215
zuchten weerklonk en tegen de mui'en en zuilen wegstierf.
Plotseling echter werd die stilte door luid gedruisch van buiten afgebroken. Men hoorde gestamp van kolven en dreigende stemmen, die verlangden te worden binnengelaten.
Niemand hield hen evenwel tegen. De kerkdeui'en werden opengerukt; woeste, door de zon verbrande gestalten, dreigende gelaatstrekken vertoonden zich; luid geroep en geraas vervulde gedurende een oogenblik de kerk; maar het verstomde voer den heiligen dienst, die daar werd gevierd, voor die biddende, knielende monniken, die den rozenkrans in hunne handen draaiden en zelfs door geen blik verrieden, dat zij zich lieten storen door het binnendringen van die woeste, heiligschennende soldaten.
De ruwe zonen van den krijg bogen ootmoedig hun hoofd en baden ; maar nadat zij den plicht der heilige godsdienst hadden vervuld, dachten zij weder aan hun wereldlijken plicht en herinnerden zich, dat zij waren gekomen om de kerk te doorzoeken ten einde den koning van Pruisen te vinden, die daar verborgen zou kunnen zijn.
Hun sporengeklefter weergalmde nu weder in het lange schip der kerk en klonk boven de zachte gebeden en de angstige zuchten der monniken, die vol eerbied en aandacht in de kloosterstoelen knielden, terwijl de pandoeren, in hunne bonte, schilderachtige kleeding, met de op den schouder vastgemaakte, korte, roode manteltjes, de kerk doorkruisten en met fonkelende oogen en moeieiijk onderdrukte vloeken, achter iederen pilaar en in iedere nis, naar den koning van Pruisen zochten.
Hoe dikwijls kwamen die woeste gestalten voorbij de beide abten, die nog altijd in stille aandacht voor het altaar knielden, hoe dikwijls raakten hunne op den vloer kletterende zwaarden het gewaad van den vreemden abt aan, die met het hoofd op de borst gebogen, zelfs geen blik, geene oplettendheid voor hen had.
Maar het stille gebed had reeds ongewoon lang geduurd en de abt gaf nog maar steeds geen teeken, dat de dienst geëindigd was.
Eindelijk evenwel gaf hij een teeken, maar niet het verwachte. Hij stond op, maar niet om weg te gaan, maar om met zijn geleider de trappen des altaars te beklimmen, het heilige kruisbeeld te naderen en de heilige hostie in te
216
zegenen. Toen gaf hij een teeken aan het koor en opnieuw deed hot orgel en het gezang zich hooren.
Dat was iets, dat zij nog nooit hadden beleefd, iels zoo ongehoords, dat de monniken verbleekten en zich vol angst en schrik afvroegen, of zij soms eene misdaad hadden begaan en daarvoor door hun gestrengen abt, met nimmer eindigende godsdienstoefening zouden gestraft worden.
De pandoeren merkten niets van deze dubbele mis. Zij hadden de geheele kerk doorzocht en daar zij er den koning niet hadden gevonden, stormden zij naar buiten om nogmaals alle cellen en hoeken van het klooster te doorzoeken.
De dienst ging voort. De vreemde abt stond voor het hoogaltaar, van de kerk afgekeerd, tewijl Tobias Stusche de heilige hostie nam en aan de monniken vertoonde.
Op dat oogenblik klonk buiten een luid, triomfeerend gejuich, gevloek en gelach. De monniken waren te zeer in den aanblik der heilige hostie verdiept, om zich door dit geschreeuw te laten storen.
Zij zongen en baden voort; langzamerhand bedaarde do opschudding daar buiten, zoodat, ofschoon het orgel en het gezang nu zwegen en het stille gebed was begonnen, men toch niets meer vernam, dan het prevelen der gebeden en het zachte ruischen der wegstervende, nog in de lucht trillende orgelionen.
De pandoeren hadden het klooster weder verlaten, maar zij hadden den adjudant des konings gevonden en hem medegesleept, om hem als goeden buit aan hun overste von Trenck te brengen.
De pandoeren hadden het klooster verlaten. Het was dus niet noodig, den dienst nogverdervoorttezetten. Tobias Stusche hief het. paternoster aan en reikte toen den vreemden abt zijne hand, om met hem de kerk weder te verlaten. Toen zij langzaam en statig vertrokken, bogen de hoofden der monniken voor hen, begon het orgel het slotkoor en wierp de zon haar schitterenden liefdegroet door de beschilderde glazen der hooge vensters. Het was een eigenaardig plechtig gezicht en zelfs de vreemde abt kon er wel door ontroerd zijn, want hij wendde zich nog eens naar de deur en liet zijne blikken nogmaals langzaam door de kerk dwalen voor hij den abt volgde.
Een uur later rolde de zware staatsie-wagen van den abt.
217
den kloosterberg van Gamenz af. In den wagen zat Tobias Stusche met den vreemden abt. Zij sloegen den weg naar Frankenstein in. Niet ver van de poort hield de wagen stil en tot verwondering van den koetsier, was het niet een abt, die uit den wagen klom, maar een soldaat,inde welbekende Pruische uniform.
Nadat hij den wagen had verlaten, wendde hij zich nogmaals tot den waardigen abt Tobias Stusche.
âIk zal deze daad van uw hoog eerw. nimmer vergeten,quot; zeide de koning, terwijl hij den abt de hand gaf. âGij, zoowel als uw klooster, kunt ten allen tijde op mijne bijzondere genade rekenen, want zonder uw bijstand zou ik heden in eene onwaardige en smadelijke gevangenschap zijn geraakt. ' De eerste rijke abdij, die open komt, geef ik u en dan zal ik den monniken voor de toekomst het recht geven, zelf hun abt te kiezen.quot; 1)
âO God,quot; riep Tobias Stusche aangedaan, âhoe zelden moet het toch gebeuren, dat uwe majesteit brave en trouwe lieden ontmoet, daar uwe majesteit de eenvoudigste en natuurlijkste daad van trouw reeds zoo rijkelijk beloont.quot;
âDe trouw is ook zeldzaam,quot; zeide de koning met een treurig lachje. âIk heb deze blauwoogige dochter des hemels zelden op mijn weg ontmoet en misschien komt het daardoor, dat hare schoonheid en grootheid mij altijd zoo betoo-verend toeschijnt. Vaarwel, heer abt en groet broeder Anastasius van mij.quot;
1
De koning gaf den abt Tobias Stusche, uit dankbaarheid voor deze redding, spoedig daarop de rijke abdij Leubus en bleef bovendien in onafgebroken verkeer met hem. Er bestaan verscheidene eigenhandige brieven van hem aan den abt, die op zeer minzamen en hartelijken toun zijn geschreven. Ook zond de koning hem later uit Meiszen een zeer [schoon porseleinen servies, champagne-wijn en schoone stoffen voor miskleederen en toen hij te Breslau was, noodigde hij hem tweemaal uit, hem te komen bezoeken. Toen nu kort na den zevenjarigen oorlog de abt Tobias Stusche stierf, zond de koning aan het klooster een aanzienlijk geschenk, met verzoek, daarvoor op den naamdag van den abt een plechtigen misdienst te houden en toen hij later bij zijne doorreis eens te Camenz stil hield, zeide hij tot den abt, dat hij den eersten geestelijke, die in het klooster kwam te sterven, moest opdragen, den goeden Tobias Stusche in de eeuwigheid te groeten. Zie Roden-beek, Beitriige zur Lebensgeschichte Friedrich der Grossen, pag. 4'J9. Müch-ler Friedrich de Gr. pag 37 en volgende.
218
âEn wil uwe majesteit mij niet veroorloven, haar tot in de stad te brengen?quot;
âHet is beter, dat ik te voet ga. In een kwartier ben ik er. In de stad is mijn wagen en wachten mijne bedienden op mij en ik wilde niet gaarne, dat iemand zoo spoedig iets van het avontuur van dezen dag vernam. Het blijft een geheim onder ons, heer abtquot;
Hij groette nog eens met de hand en wandelde toen langzaam den weg op naar de stad, terwijl de abt Tobias Stusche zijn wagen liet omdraaien en weder naar het Gisterziênser klooster terugreed.
De koning was intusschen nog niet vergegaan, toen hij den hoefslag van een in draf achter hem aankomend paard vernam. Hij stond stil en zag opmerkzaam den weg af.
Nu was het geene Oostenrijksche uniform, die de koning zag. Zijn scherp oog herkende reeds in de verte de Pruisische kleuren en toen het paard al nader en nader kwam, herkende hij de uniform van een officier der koninklijke lijfwacht.
Vóór Frederik intusschen tijd vond, zijn verbazing en verwondering te toonen, had de ruiter hem reeds bereikt en hield met een krachtigen ruk zijn paard in. Terwijl deze nu snel uit het zadel sprong, boog hij zich eerbiedig voor den koning en gaf hem de teugels over.
âWil uwe majesteit niet zoo genadig zijn hel paard te bestijgen?quot; vroeg Frederik von Tienck zeer bedaard en rustig, zonder zelfs met een enkelen blik, een enkelen glimlach aan het avontuur van dien dag te herinneren.
De koning beschouwde hem meteen scherpen,onderzoekenden blik. âWaar komtgij vandaan ?quot; vroeghij opstrengen toon.
âVan Glatz, waarheen de pandoeren mij als gevangene naar den overste von Trenck hadden gebracht.quot;
âGij waart dus gevangen en men liet u zonder losgeld vrij
âDe overste von Trenck lachte, toen zijne pandoeren mij bij hem brachten en beweerden, dat zij den koning van Pruisen hadden gevangen genomen.quot;
âDe overste von Trenck kent u dus?quot;
âSire, hij zag mij zeer dikwijls in mijns vaders huis.quot;
âVerder! Herkende hij u dus?quot;
âHij herkende mij en zeide, dat hij zijne pandoeren niet om mij, maar om den koning van Pruisen had uitgezonden.
219
Zij hadden u, maar niet mij moeten gevangennemen. Ik was dus vrij en kon gaan, waarheen ik wilde. Opdat ik dit echter niet te voet zoude moeten doen, schonk hij mij een zijner beste paarden en nu ben ik hier. Wil uwe majesteit nu de genade hebben het paard te bestijgen?quot;
âIk berijd geen Oostenrijksch paard,quot; zeide de koning op barschen toon.
De jonge officier vestigde een oogenblik zijne oogen met eene uitdrukking van spijt op dat moedige en trotsche dier, dat met geopende neusgatenen fonkelende oogen, ongeduldig met zijn voorpoot in het zand krabde, terwijl het fier en moedig zijn slanken, krachtigen hals schudde.
Maar die spijt was spoedig voorbij. Trenk liet den teugel van het paard vallen en zich diep voor den koning buigende, zeide hij : âik ben ten dienste van uwe majesteit.quot;
De koning keerde een oogenblik het hoofd om naar het schoone dier, dat rijzig en sierlijk als eene gazelle, wegdraatde en weldra nog slechts in de verte de grootte van een vliegenden adelaar had. Toen ging hij haastig ^verder den weg op naar Frankenstein, beiden zwijgend, beiden zelfs geen enkele maal omziende naar het schoone dier, dat zonder heer en alleen door zijn instinct geleid, den weg, dien het was gekomen, weder had ingeslagen,
Eenmaal evenwel stond de koning stil, vóór zij de stad bereikten en richtte zijne vurige blikken onafgewend op het openhartige, jeugdige en schoone gelaat \an Frederik von Trenck.
âIk geloof, dat het voor u beter zou zijn, als die overste der pandoeren niet uw bloedverwant ware,quot; zeide de koning in gedachten verzonken. âUit die verwantschap kan voor u geen goeds, maar slechts onheil ontstaan.quot;
Frederik von Trenck verbleekte. âBeveelt uwe majesteit, dat ik een anderen naam aanneem?quot;
âNeen,quot; zeide de koning na eenig nadenken. âDe'naam is een heilig erfdeel, dat men van zijne vaderen krijgt en dat men niet lichtzinnig mag wegwerpen. Maar wees voorzichtig! In ieder opzicht voorzichtig! Versta mij wel en denk aan mijne waarschuwing, heer baron Frederik von Trenck.
220
XII.
HET LEVER EENER DANSERES.
Er heerschte eene ongewone drukte en'levendigheid in de Behrenstrasse, toenmaals eene der voornaamste straten van Berlijn. Men zag er equipages en fiere ruiters, die gevolgd werden door hunne rijknechten. Allen hielden stil bij dat groote, schoone huis, dat sedert eenigen tijd het middelpunt was van alle voorname elegante cavaliers der Pruisische hoofdstad, die het hof mochten bezoeken. Ook heden was het weder de bloem der heau monde, die naar dit huis snelde; vorsten en graven, ministers en kamerheeren zaten in de vergulde rijtuigen, welke voor het huis stilhielden en onder de ruiters herkende men zelfs eenige koninklijke prinsen en den jongen hertog van Wurtemherg.
Wie woonde dan in dat huis? Tot wien spoedden zich al die voorname heeren en waarom kwamen zij allen met zulke ernstige, bedenkelijke gezichten, alsof men naar eene begrafenis gaat en in ziine trekken ten minste den rouw tentoonspreidt, dien men met in het hart niet gevoelt?âWas het de een of ander vorstelijk persoon, of een man van aanzien, die ziek was geworden en daar zijn verblijf hield. In allen gevalle moest het een man zijn, want het waren alleen mannen, die in rijtuigen en te paard kwamen en dat huis binnentraden. Maarquot; brengt dan de eene man den ander bloemen? Is het dan gebruikelijk, dat men met geurige bouquetten van rozen en viooltjes en oranjebloesem naar een zieken vriend gaat en hem in zilveren korfjes de zeldzaamste vruchten van het zuiden aanbiedt?
Neen, in dat huis woont geen vorst en geen staatsman, in dat huis woont bovendien geen man, maar eene vrouw. Dat het enkel mannen zijn, die in hunne prachtige wagens en op hunne fiere paarden komen aanrijden, komt alleen daarvan, dat eene vrouw, die zich niet door hare geboorte, maar slechts door hare schoonheid en talent een naam heeft gemaakt, nimmer door die vrouwen wordt erkend, die haar stand in de maatschappij óf aan hare geboorte óf aan den rang van hare echtgenooten te danken hebben, vrouwen, die, trotsch op die toevallige begunstiging van het noodlot, zich als de uitverkoren rechters der deugd beschouwen, die
221
ter eere van de goede, oude gewoonte die vrouwen buiten haar gezelschap quot;sluiten, die het waagden, zich boven het middelmatige en alledaagsche te verheffen.
In dat huis woonde eene kunstenares, de eerste gevierde kunstenares van het tooneel, signora Barberina.
Barberina! Dat was een zeer gehate en tevens zeer beminde naam! De vrouwen spraken dien naam steeds uit met gefronst voorhoofd en een verachtelijk lachje, de mannen met een schitterend oog en met een lachje vol gelukzaligheid. De eene verwenschte dien evenzeer, als de ander hem prees. En zeker hadden beiden gelij k! Zoo vrouwen Barberina haatten, deden zij dit, omdat deze haar de aanbidding en hulde der mannen onttrok; de mannen verheerlijkten haar, omdat zij in haar een bloesem der schoonheid vonden, gelijk aan een bekoorlijk wondersprookje, vol tooverachtige liefelijkheid, waarvan zij nimmer te voren een denkbeeld hadden gehad.
Gelijk de beide partijen van de witte en derooderoos, hadden zich ook hier twee partijen gevormd. De eene bestond uit de vrouwen, de andere uit de mannen; de vrouwen streden om de banier der verbleekte witte roos van hare eigene macht on heerlijkheid, de mannen schaarden zich, bedwelmd door de zege. om de banier van die schitterende, heerlijke tooverbloem, om de roode i'oos, de schoone signora Barberina. Maar het was een ongelijke strijd, waarvan uitslag niet twijfelachtig kon zijn; de roode roos Barberina moest zegevieren, want aan het hoofd barer partij stond een machtig veldheer; aan het hoofd van haar leger stond de koning!
De banier4 der witte roos moest zwichten, ;vant de vrouwen hadden geen aanvoerder. Misschien had de koningin Elisabeth Christina het kunnen zijn, misschien deelde zij in haar hart dien toorn en dien haat der andere vrouwen. Maar hare kuische en schroomvallige lippen verrieden niets van de inwendige stormen, die in hare borst woedden; haar stil zacht lachje, bedekte steeds hare tot zwijgen gebrachte wenschen en de hoop, die zij in haar hart had begraven. Men wist nauwelijks, dat die zachtmoedige, vrome, aan God gewijde koningin, nog kon beminnen, hoe kon men dus gelooven, dat zij nog zou kunnen haten! Neen, Elisabeth Christina haatte niemand, zelfs Barberina niet, die aan haar
222
hart den laatsten dolkstoot had gegeven en haar bij hare versmade liefde ook nog dedoodeiijke smart der ijverzucht het veroorzaakt. Die ijverzucht der koningin was evenwel niet van gewonen aard; het was eene ijverzucht zonder verwijt, zonder toorn; het was eene ijverzucht, die zich alleen lucht gaf door in stilte geweende tranen en gebeden, die van hare innige smart getuigden. Ook had de koning haar nimmer aanleiding gegeven, zich over deze betrekking tot Barberina te beklagen; zij wist zelfs niet, of de koning ooit met haar sprak, ooit in hare nabijheid kwam. Maar zij wist, dat de koning haar zag en met welke oogen, met welk een lach! Elisabeth Christina zou met vreugde haar leven hebben opgeofferd, als de koning haar slechts ééns zoo had aangezien, slechts ééns zoo tegen haar had geglimlacht.
Maar wat Elisabeth Ctirislina niet wist, was aan de cavaliers en heeren van het hof des te beter bekend. Zij wisten, dat de koning reeds meer dan eens met de signora bij den generaal Rothenburg had gesoupeerd, dat hij telkens als Barberina danste, achter de schermen ging en zich met haar onderhield, dat hij zelfs zijn hofschilder Pense had bevolen, het beeld der Signora voor hem te schilderen.
Was dat .niet genoeg, om de signora in de oogen van iedèren hoveling en ieder ervaren diplomaat, toteene schoonheid van den eersten rang, tot eene mogendheid te verheffen? Zoude men zich niet hebben beijverd, haar als zoodanig te roemen, zelfs als Barberina niet het schoone, liefelijke en bekoorlijke schepseltje waje geweest, dat zij inderdaad was?
Men huldigde haar daarom als eene koningin, een machtige tooveres; men streefde naar een glimlach, een enkelen blik van haar; men schikte zich nederig naar hare kleine grillen en luimen; men betoondehaar steeds onderdanigheid, aanbidding en gehoorzaamheid.
Het door haar bewoonde huis in de Behrenstrasse was daarom steeds belegerd door bezoekers en lieden, die om posten vroegen, gelijk het paleis van eene koningin dei-nimfen, en Barberina leefde er werkelijk gelijk eene koningin. Zij had haar volkomen hofstoet, hare levers, harecourda-gen, 1) echter met dit onderscheid, dat hare hovelingen
1
Geschiehte der Oper- und des opernhauses in Berlin. Von L. Schneider. s. 23.
223
haar vrijwillig dienden en van haar geen ander jaargeld ontvingen, dan een vriendelijk woord, of een vroolijk lachje. Deze glans, deze vereering, die oplettendheden, waarvan zij het middelpunt was, schenen niet den minsten indruk te maken op het hart der trotsche kunstenares, die zooveel gevoel van eigenwaarde had. Zij was aan dat alles gewoon, het verraste haar niet. Haar leven had op een enkelen grooten triomttocht geleken, het was schitterend en helder geweest, gelijk een lentemorgen in den glans der zon. Wel is waar, zij had ook hare smarten en zelfs hare tranen gehad, maar zij waren slechts gelijk aan de dauwdroppels van een lentemorgen geweest, rustende in de kelken derbloemen en schitterende in de stralen der zon, dauwdroppels, die eerst in de zon weerkaatsen en dan door deze worden weggekust.
Barberina had geweend, omdat de koning haar van haar minnaar, lord Stuart, gescheiden en gedwongen had, haar gegeven woord gestand te doen en naar Berlijn te komen. Nu weende zij niet meer! Misschien omdat zij er te trotsch toe was, misschien omdat de zon der koninklijke gunst hare tranen had gedroogd.
Neen, Barberina weende niet meer, maar het gebeurde ook zelden, dat zij lachte. Zij had die trotsche, eerbiedwekkende, ernstige schoonheid der Romeinsche vrouwen, die nimmer vergeten, dat zij de dochters zijn van haar, die eens de wereld belieerschten en altijd de waardigheid en majesteit van eene, ofschoon dan ook onttroonde vorstin hebben behouden. Barberina was eene vrouw, vol vuur en hartstocht en de hartstocht tooit zich met vlammende oo-gen, met eene doorschijnende, reine bleekheid, met purperen lippen, zelden echter met een vergenoegd lachje en met dartele scherts. Nog nimmer had men haar toornt, wel zien lachen ; het eerste zoude aan hare fiere schoonheid niet gevoegd hebben, het tweede tooide haar gelaat als met een schitterende zonnestraal. En nochtans was die trotsche,gebiedende, ernstige schoonheid, vol lieftalligheid, zachtaardigheid en bevalligheid; nimmer heerschzuchtig, steeds vrouwelijk en teeder; nimmer hoogmoedig en hoo vaardig, altijd weekhartig en bijna nederig bij de volle bewustheid van haar eigen talent en evenwel, bij hare nederigheid, vol gevoel van eigenwaarde, trotsch en zeker van de overwinning; in het
'224
eene uur geheel en al de vurige, gevoelige, onderworpene vrouw, in het volgende, de machtige, geestrijke, dweepende, den hemel bestormende kunstenares; nu eens mijmerend, teeder, traag, toegevend en nederig, dan vlammenschietend, stout, ontzagwekkend en gebiedend; â zoo was Barberina ! Een raadsel, ondoorgrondelijk voor allen, steeds afwisselend en veranderend, maar altijd verheven bij hare veranderingen.
Barberina had gisteren avond gedanst, maar te midden van den dans was zij door eene ongesteldheid gestoord, eene ongesteldheid, die haar plotseling, zonder voorteeken overkwam. Juist op het oogenblik, dat de koning gedurende haar dans in de operazaal verscheen en op zijn leuningstoel plaats nam. Niemand wist, dat de koning reeds van zijne geheimzinnige reis naar Silezië was teruggekeerd. Ieder geloofde, dat hij daar nog was, en de balletvoorstelling was slechts voor het hof des konings, zonder op hem zei ven te letten, in gereedheid gebracht. Maar de koning was onverwachts teruggekeerd, en toen hij vernam, dat de voorstelling in het operagebouw reeds was begonnen, was hij er terstond heengesneld, na slechts van kleeren te hebben verwisseld. Voorzeker alleen om daar de beide koninginnen en zijne zusters, die hij wist, dat daar waren, te begroeten.
Barberina was, gelijk gezegd is, juist bezig met dansen, toen de koning binnentrad. Zij zweefde lachend, vol bekoorlijkheid, gelijk eene bevallige, teedere nimf, over het tooneel; haar teedere voet raakte nauwelijks den grond aan; als door liefdegodjes gedragen en opgeheven, zweefde zij; maar plotseling hield haar voet stil, verdween het lachje van hare lippen en de teedere blos van hare wangen. Met een ges moorden gil viel Barberina in zwijm.
Het gordijn moest vallen en de voorstelling voor een kwartier worden gestaakt. De koning, die zich juist met de koningin-moeder onderhield, scheen weinig belang te stellen in de ongesteldheid der schoone danseres, maar toen de baron von Sweerts kwam en meldde, dat de signora ernstig ongesteld en ten eenenmalebuiten staat was, dezen avond verder te dansen, stond de koning met zulk eene onstuimigheid van zijn leuningstoel op, dat de koninginmoeder verbaasd en vragend tot hem opzag, terwijl Elisabeth Christina zich zuchtend en verbleekend afwendde.Zij wist deze driftige beweging van haren gemaal zeer goed te ver-
225
klaren; zij, geleid door het instinct van hare ijverzucht, begreep dit door smart en angst gekwelde koninklijke hart, dat zijne onrust gaarne wilde verbergen onder schijnbaren toorn.
âMesdames,quot; zeide de koning, âhet schijnt mij toe, dat de signora zich weder aan eene van hare kunstenaai sgrillen heeft overgegeven en niet wil dansen, omdat ik ben gekomen. Men mag haar zulke grillen niet' veroorloven. Ik zal haar bevelen met dansen voort te gaan !'*
En met eene haastige buiging van de beide koninginnen afscheid nemende, snelde de koning achter de schermen, regelrecht naar de toiletkamer der signora. Maar de deur was van binnen gesloten en de koning, die een oogenbjik besluiteloos aan de deur stond, hoorde daar binnen het luide geween en gejammer der signora.
âZij is inderdaad ziek,quot; mompelde de koning.
âZij heelt borstkramp,quot; zei de baron von Sweerts, die den koning was gevolgd.
Frederik keerde zich haastig naar hem toe. âIs dat gevaarlijk?quot; vroeg hij met een gelaat, dat duidelijk zijne onrust en bezorgdheid verried.
âNiet gevaarlijk, sire, maar de arts, die zoo even bij haar was, heeft verklaard, dat het volstrekt noodig is, dat de signora rust houdt en heden niet meer danst, beveelt uwe majesteit, dat eene andere danseres de rol van de signora zal overnemen?quot;
âNeen,quot; zeide de koning, âhet is haar rol en geene andere mag haar dansen. Salimbeni en Astrua zullen eenige aria's zingen, en dan is het voor heden avond genoeg. Ga naar de koninginnen en zeg, dat ik verschooning vraag. Dat ik slechts was gekomen ora haar te begroeten en mij nu verwijder, omdat ik een weinig vermoeid van de reis ben.
En na den baron gegroet te hebben, verliet de koning-het operagebouw en keerde naar het paleis terug. Niemand werd dien avond me^r toegelaten. De koning bleef geheel alleen in zijn kabinet, maar nog lang, toen reeds alles sliep, kon men in de stilte van den nacht de zacht klagende tonen van zijne fluit hooren.
Barberina was ziek! Dat maakte dus de gelaatstrekken van al die heeren, die naar haar huis snelden, zoo bedroefd en bezorgd ; daarom kwamen allen om haar te zien, om uit
Mühlbaoh, Frederik de Groote en zijn Hof. III. 15
220
haar gelaat geruststelling en troost te putten; daarom wilde een ieder haar een teeken van zijne bijzondere opmerkzaamheid brengen en haar met bloemen of zeldzame vruchten een lachje of een blik ontlokken.
De gezelschapszaal der signora Barberine geleek eene oranjerie door al die welriekende bloemen en heerlijke vruchten; slechts de levenwekkende zon, de licht verspreidende majesteit ontbrak, want Barberina was er niet. Barberina liet al die cavaliers te vergeefs op hare verschijning wachten en evenwel was dit het gewone uur van hare leuers, het uur, waarop hare deur voor een ieder openstond en ieder mocht komen, die het geluk had gehad, aan de signora voorgesteld te worden.
De cavaliers stonden of zaten in enkele groepen en onderhielden elkander fluisterend over de on dils van den dag, terwijl hunne blikken zich van tijd tot tijd vestigden op die portière van purperrood lluweel, waarachter zich het kabinet der danseres bevond. Van daar moest zij komen, van daar moest de zon opgaan over het nu zoo droevige lluisterende en zuchtende gezelschap.
Doch Barberina kwam nog maar niet. Zij lag in het bekoorlijkst négligé van wit mousseline, versierd met kanten van het kunstrijkst weefsel, op de blauwzijden ottomane. Zij lag met geopende oogen en over de borst gekruiste armen en peinsde. Een tranenvloed benevelde die groote, donkere oogen, die anders zoo vurige blikken wisten te werpen; eene zwaarmoedige uitdrukking lag om die lippen, welke anders zoo veel fierheid en vastberadenheid toonden.
Barberina was alleen; waarom zou zij dus niet peinzen en zuchten; waarom zou zij dus,even als anders, met hare lachjes en lonkjes coquetteeren'/
Waarover mijmerden dan die ondoordringbare oogen, wat zeiden dan deze zuchten op die purperen lippen?
Wist zij zelve het, of wilde zij het niet weten? Kende zij haar eigen hart, of had zij het verborgen voor hare eigene trotsche blikken, welke zich misschien zouden geschaamd hebben, over hetgeen zij in haar hart lazen ?
Nu werd eene deur geopend en een jeugdig .meisje trad binnen. Op het eerste gezicht zou men gedacht hebben, dat het eene van die arme, nietige, nederige, zachtmoedige en onderdanige wezens was, gelijk men die altijd in de om-
227
geving van iedere kunstenares vindt, la héte de soufjrance, waaraan zij gewoon zijn hare luimen, beleedigingen, spijt en toorn te koelen, de nederige âgezelschapsjuller,quot; die de kunstenaressen altijd aan hare zijde hebben, als slechts ergernis, verdriet, ijverzucht en teleurstellingen hare overige gezelschaphouders zijn, maar die zij altijd in de zijkamer verbannen, wanneer zij zich in gezelschap van voorname aanbidders en rijke vleiers bevinden en als zij zelve van geluk, voldoening en goeden luim schitteren.
De gezelschapsjuffer van Barberina verkeerde evenwel niet in dien harden, beklagenswaardigen toestand ; zij was geen gehuurd héle de soufjrance, geene betaalde, voor het fatsoen gehoudene dame, maar zij was Barberina's zuster en slechts uit lietde, uit teedere gehechtheid, was zij de signora naar het koude noorden, naar het gehate Berlijn gevolgd.
Barberina beminde hare zuster Marietta teeder; zij was niet slechts de deelgenoote van haar lijden, maar ook van hare vreugde. Voor haar had Barberina geen geheim; zij was altijd zeker, bij hare verstandige, zachtmoedige, geduldige zuster troost, raad en gehoor te vinden. Zij bleef daarom nu ook, toen Marietta bij haar binnenkwam, bewegingloos op de ottomane liggen. Misschien wist zij nauwelijks, dat Marietta daar was, tot deze dicht bij haar kwam en hare hand zachtjes op Barberina's arm legde.
âSorella,quot; zeide zij, âsla op. Er zijn vele signori in het salon en zij wachten op u!quot;
âZij mogen wachten,quot; antwoordde Barberina; âik wil heden niemand zien.quot;
âliet is echter het uur, waarop gij gewoon zijt, te ontvangen, Sorella en zoo gij nu niet komt, zullen zij denken, dat gij nog steeds ongesteld zijt.quot;
âDat mogen zij denken.quot;
âMaar zij zullen het niet alleen denken, doch het ook zeggen en zullen er allerlei aanmerkingen bijvoegen.quot;
âWat dan?quot; vroeg Barberina, zich eenigszins uit hare liggende houding oprichtende. âWelk aanmerkingen, Ma-riette?quot;
âDat het ongehoord is, dat uwe ongesteldheid u overviel, juist toen de koning was verschenen,quot; zeide Marietta met neergeslagen oogen.
F-
228
Barberina's oogen schitterden. âO, daar zullen zij verband 1 â(
tussclien zoeken,quot; zeide zij. âDie boosaardige, lachende, 1 le
kwaadsprekende menschen zullen thans zeggen, Barberina I it
is in onmacht gevallen, omdat de koning onverwacht kwam, 1 n
omdat de vreugde haar overweldigd en hel geluk hem te I is
zien hare zinnen bedwelmd had. Niet waar, dat zullen zij I z
zeggen ? Dat denkt gij ?quot; I e
âJa, dat meen ik,quot; fluisterde Mai'iette zachtjes. I o
Barberina sprong van de ottomane op, bevend, doodsbleek I a
vol toorn en drift. âZij zullen mij beschimpen, mij bespot- I g
ten,quot; zeide zij, hare beide armen ten hemel heffend, alsof zij I ?
een bliksemstraal wilde neerrukken, om het gansche I 1
menschdom te verpletteren. âZij zullen zeggen, dat ik, I i
Barberina, den koning bemin!quot;
âDat zullen zij zeggen, Sorella,quot; zeide Marietta bedeesd.
Barberina vatte driftig hare hand. âMaar gij, zuster, gij zult dat niet zeggen! Gij weet dat ik hem een doodelijken haat heb toegezworen; gij weet, dat ik hem heb vervloekt met mijne tranen; gij weet, dat ik hem nimmer het verdriet en het leed kan vergeven, dat hij mij he.ift bereid. Bedenk toch, Marietta, hoeveel ik door hem geleden, hoeveel ik door hem geweend heb! Mijn leven geleek een enkelen schoonen zomermorgen, een sprookje vol fonkelende sterren en schitterende parelen. Alle mijne sterren heeft hij verduisterd en de parelen in tranen veranderd. Wee, wee hem Ik heb gezworen hem eeuwig le haten en Barberina houdt haar eed.quot;
âGij hebt gezworen hem eeuwig te halen, zuster, maar de menschen welen dat niet en omdat zij dit niet welen, verwisselen zij uw haal, met heigeen zij liefde noemen. Zij zien, dat uwe blikken een hooger glans aannemen, als de koning tegenwoordig is en zij weten niet, dat het de haat is, die dan in uwe oogen schittert! Zij hooren, dat uwe stem trilt, als gij tot hem spreekt en zij weten niet, dat het dan weder de haat is, die uw hart ontroert; zij zien, dat gij bevalliger, schooner danst, als de koning tegenwoordig is en zij weten niet, dat het de haat is, die u zoo betooverend doet dansen, omdat gij hem wilt verpletteren met de grootheid van uw kunslenaai'stalent, hem lot in het slof wilt vernederen door de kracht van uw genie.quot;
âJa, ja, zoo is het!'' zeide Barberina, diep ademhalend.
229
âGij alleen konl mij, gij alleen verslaat het, in mijn liai t te lezen. O, ik haat dien trotschen, wreeden koning. Marietta, ik haal hem en hij verdient het, want hoe groot hij ook rrtoge zijn, hij heeft toch een koud, hardvochtig hart. Het is waar, hij is schoon en verheven! De genius schittert op zijn wonderbaar voorhoofd en als hij lacht, is het alsof een zonnestraal zijn gelaat nieuwen luister bijzet. Zijne oogen, die groote, ondoorgrondelijke oogen, zijn zoo blauw als de hemel en zoo diep als de zee en als ik deze aanschouw, geloof ik daarin de verborgenheden van den afgrond en de zaligheid des hemels te lezen, dan geloof ik de engelen te hooren juichen en de golven te hooren ruischen. Zijne slem is, als hij verzoekt,, gelijk schoone muziek, als hij beveelt, gelijk de slatige donder. Groot is hij, meer dan alle menschen groot, want hij is een held, een man, een koning!quot;
âEn evenwel haat gij hem?quot; vroeg Marietta met neder-geslagen oogen en een nauw merkbaren glimlach.
Eene zachte huivering beving Barberina. Marietta's vraag had haar met schrik uit hare geestdrift doen ontwaken, zij was tot haar oor doorgedrongen, gelijk het roepen van den naam aan het oor van den nachtwandelaar en had haar uit hare verrukking wakker geschud.
âJa,quot; zeide zij zacht, âevenwel haat ik hem en wil hem eeuwig haten; want zoo ik hem beminde, zou ik het ongelukkigste schepsel zijn, zou ik mij zelve vervloeken, mij zelve verachten; want hij heeft geen hart,hij kan nimmer beminnen; en smaad en schande kome over de vrouw, die bemint, zonder bemind te worden. Hij bemint niets dan zijn Pruisen, zijn roem en zijne grootheid en zou ik hem dan beminnen? Gij ziet, dat dit volstrekt onmogelijk is en nimmer geschieden kan; ik zou liever sterven, dan dezen koning beminnen, die geen hart heeft.quot;
âEn toch zullen de menschen het gelooven.quot; zeide Ma-riella. âZij kunnen niet op den bodem van uw hart zien en gij moet uw haat voor hen verzwijgen. Gij moogt hen niet laten blijken, dat gij gisteren in zwijm zijt gevallen, uit spijt en verdriet, den koning reeds weder te zien.quot;
âZij zullen gelooven, dat de vreugde het veroorzaakt heeft!'' riep Barberina deftig. âZij mogen het nhit gelooven, ik wil het niet!''
En gelijk eene getergde leeuwin viel zij aan op den klei-
231)
neii dolk, die ginds, als eene reliquie uit haar vaderland, op de toilettafel lag.
âIk wil niet, dat zij mij bespotten!quot; riep zij (leren toornig, terwijl zij den met goud geborduurden pantoll'el wegslingerde, en haar kleinen, teederen voet ophief.
âBarberina, wat wilt gij doen?quot; riep Marietta, toen hare zuster den dolk ophief.
âDal wil ik doen,quot; zeide zij met een zegevierend lachje, terwijl zij de punt van den dolk in den bal van haar voet stiet, zoodat het bloed er met heldere droppelen uitsprong en de zijden kous met purperstrepen doortrok.
Marietta gaf een gil en snelde naar hare zusier.
Maar Barberine weerde haar zacht af. Het droppelende bloed had, naar het scheen, aan haar vurigen aard verlichting, verkwikking aangebracht. Zij was nu geheel bedaard, schitterend en trolsch gelijk eene koningin. Een lachje speelde om hare lippen en deed twee rijen overschoone tanden zichtbaar worden.
âBedaard, Marietta,quot; zeide zij op gebiedenden toon. âIk heb mij op eene onschadelijke plaats gewond en de wonde is niet diep. Maar toch diep genoeg om geloof te vei'dienen, als ik zeg, dat ik gisteren op het tooneel mijn voet bezeerde, aan eene glasscherf, die van de een of ander gesprongen lamp was afgevallen.quot;
âZoo, deedt gij het daarom, ondeugende, hoogmoedige zuster?quot; riep Marietta en zag hare zuster aan met blikken vol van de vurigste bewondering.
âJa daarom deed ik het. Nu, Marietta, haal mij mijn pantoffel weder en geef mij uw arm. Wij zullen naar de heeren in het salon gaan.quot;
âMet dien bloedenden voet, met die geopende wond, Barberina ?quot;
âJa, met dien bloedenden voet en die geopende wond. Maar het is waar, wij zullen eerst het bloed een weinig stillen, opdat het niet al te heftig vloeie!quot; â
De cavaliers, die de signora in haar salon afwachtten, trokken steeds bedenkelijker en treuriger gezichten. Barberina moest zeer veel lijden, daar zij hare aanbidders zoo lang liet wachten; want die kleingeestige coquetterie, dat goedkoope âop zich laten wachtenquot; lag anders niet in haar aard. Maar juist omdat zij zoo veel leed, mocht men niet
231
gaan, vooi- men berichl van haar had ontvangen, voor men ten minste Barberina's zusier had gesproken.
En eindelijk zouden zij van hunne bezorgheid onthoven, voor hun wachten beloond worden. De portière werd teruggeslagen en daar, steunende op den arm van hare zuster, verscheen Barberina.
Zij zag er bleek en een weinig lijdend uit, een smartelijke trek verloonde zich nu en dan op hare lippen, toen zij, steeds leunende op den arm van hare zuster, door het salon ging en hier en daar met de cavaliers, een dier bevallige, geestige en pikante gesprekken begon, waarin zij zoo zeer uitblonk.
Plotseling evenwel, te midden van dien vroolijken conversatietoon, waarin men over alles en over niets spreekt, slaakte Barberina een zachten gil en liet zich snel neder-zinken op een stoel.
,,Ik geloot,quot; zeide zij op matten toon, âdat mijn voet weder bloedt.quot;
Zij hief haar kleed een weinig op en bracht haar teeder voetje te voorschijn, het voorwerp van de bewondering van duizenden, in alle landen van Europa. Inderdaad, de witte pantoffel van atlas was geheel rood door het bloed, dat reeds uit de pantoffel liep.
Een kreet van ontzetting klonk van aller lippen en al die voorname, aanzienlijke cavaliers omringden de signora, die bleek en afgemat op haar armstoel lag, terwijl Marietta aan hare voeten knielde en met haar zakdoek den voet omwikkelde. Het was een eigenaardig tooneel. Dat schitterende, met bloemen getooide salon, met zijne ontzagwekkende, bijna vorstelijke pracht en te midden daarvan die groep heeren, in hunne glinsterende, geborduurde hofklee-ding of uniform, versierd met fonkelende ordekruisen, de signora omringend, die in haar bekoorlijk négligé in den armstoel zat, terwijl haar bloedende voet rustte op den schoot van hare knielende zuster.
â(ilj zijt gewond, signora, gij bloedt?quot; riep de jonge prins van Wurtemberg met zulk eene uitdrukking van ontsteltenis, dat men zou gemeend hebben, dat deze wond oogen-blikkelijk den dood der signora moest ten gevolge hebben.
Barberina zag verbaasd tot hem op. âWist uwe doorluchtigheid dat niet? Ik dacht, dat gij getuige waart geweest van de onmacht, die mij gisteren is overvallen?quot;
232
âDat was ik zeker, even als al deze heeren. Maar wat heeft dat met uw bloedenden voet te maken?quot;
âEen zonderlinge vraag inderdaad,quot; riep de signoralachend. âWaardoor gelooft gij dan, messieurs, dat ik in zwijm ben gevallen, zoo het niet is van pijn? Ik gevoelde plotseling onder mijn voet eene snijdende, stekende pijn; als een electrische schok, ging het door mijn lichaam en deed mij, gelijk gij weet, in onmacht vallen. Daar echter bij eene onmacht het bloed verstijft, kon ook mijne wonde niet bloeden en bemerkte zelfs de geneesheer de oorzaak van mijne ongesteldheid niet. Ik zelve ontdekte het eerst heden morgen aan de smart, die het gaan mij veroorzaakt quot;
âMijn hemel,wateenontzettendongeluk.'quot;riependeheeren. âWelk vreeselijk ongeval! Onze hemelschoone danseres, die zich juist aan haar voet heeft bezeerd. Wij zullen daardoor van liet geluk beroofd worden, u in uwe goddelijke kunst te kunnen bewonderen. Wij zullen langen tijd te vergeefs moeten smachten naar het zalig genot u te zien dansen!quot;
âStelt u gerust, mij ne heeren,quot; zeide Barberina glimlachend. âHet zal slechts van korten duur zijn en volstrekt geene noodlottige gevolgen hebben. Ik was op een ronde glasscherf gesprongen, die. God weet hoe, op het tooneel gevallen en door de schoen in mijn voet gedrongen was, maar niet diep genoeg, om mij ernstig te kwetsen. Het is dus maar eene geringe wond en eenige dagen van rust zullen mij spoedig weder herstellen.quot;
âThans,quot; zeide Barberina met een triornfeerend lachje, toen de heeren haar hadden verlaten en zij weder met hare zuster alleen was, thans zal niemand mij meer uitlachen en hekelen en eene hatelijke verklaring geven en spotten met mijne ongesteldheid; binnen een uur zal de geheele stad weten, waarom ik gisteren ongesteld was en ook de koning zal het, hoop ik, vernemen.quot;
âMaar hij zal het misschien niet gelooven,quot; zeide Marietta schouderophalend. âHij heeft heden reeds vroeg uw geneesheer bij zich laten komen en hem zeer nauwkeurig naar uwe ongesteldheid ondervraagd; en gisteren in het theater, had ik juist de kleedkamer verlaten om een glas water voor u te halen en toen ik er mede terugkeerde, zag ik den koning, die voor uwe deur stond en naar de kreten van smart luisterde, die gij deelt;lt hooren.quot;
233
Een ylans van vreugde en zellvoldoening verhelderde nu Barberina's edel gelaat en schitterde uit hare groote, zwarte oogen.
âDe koning was dus zelf achter de schermen gekomen?quot;' vroeg zij. âHij stond voor mijne kamer? Hij wilde dus hij mij komen? En dat zegt gij mij nu eerst, terwijl gij toch kondt weten âquot;
Barberina zweeg en wendde haar blozend gelaat af.
,,lk had inderdaad kunnen weten, dat het voor u, die den koning zoo zeer haat, een zeer aangenaam gevoel zou zijn geweest, te weten, dat de koning te vergeefs aan uwe deur geweest en door de fiere danseres gelijk een gewoon man is afgewezen,quot; zeide Marietta, met een sluw lachje.
âIk heb hem evenwel niet afgewezen,quot; duisterde Barberina verlegen.
âNeen, gij had slechts den grendel voor de deur geschoven, anders niets.quot;
XIV.
IN HET ATEL1EB.
De wond aan Barberina's voet was, even als zij zelf gezegd had, noch gevaarlijk, noch pijnlijk, maar toch noodzaakte zij haar gedurende eenigen tijd het dansen te staken, üe geneesheer, dien zij den voet getoond en verteld had, dat zij eerst nu de eigenlijke oorzaak wist van de onmacht, die haar gisteren bevangen had, onderzocht de wond met een ongeloovig lachje, en verlangde toen den schoen te zien, welke zoo noodzakelijk ook door de glasscherf moest doorgesneden zijn; hij wilde daarnaar de grootte en scherpte van het snijdend werktuig afmeten en onderzoeken of de wond inderdaad door een glasscherf, of door een nagel veroorzaakt was. Barberina bloosde en beval hare zuster den schoen te halen. Marietta ging en kwam ook zeer spoedig met een schoen van wit atlas terug, welks zool inder daad een scherpe snede toonde. De geneesheer onderzocht dien met een zwijgend lachje en verklaarde toen, dat het inderdaad eene glasscherf was geweest, die den voet
234
der signora had gekwetst. Hij schreef daarom voor, dal zij er koude doeken om zoude doen en eenige rust nemen en beloofde, dat zij binnen weinige dagen volkomen hersteld zou zijn. Nadat hij de signora had verlaten, begaf hij zich, overeenkomstig het ontvangen bevel, terstond naar het paleis om den koning verslag te doen. Hij werd oogenblik-kelijk toegelaten en de koning kwam den binnentredende eenige schreden te gemoet.
âNu,quot; vroeg hij haastig, âis de wond gevaarlijk ? Zal de signora het tooneel moeten vaarwel zeggen?quot;
âO, uwe majesteit gelooft toch zeker niet, dat signora Barherina een geestelijken zelfmoord zou kunnen begaan en haar eigen kunsttalent vermoorden ?quot;
âIk versta u niet,quot; zeide Frederik ongeduldig; âspreek niet in raadsels.quot;
âIk wilde zeggen, uwe majesteit, dat de signora zich opzettelijk zeker niet zoo erg aan den voet zou wonden om daardoor hare kunst te moeten vaarwel zeggen.quot;
âMeent gij, dat zij zich opzettelijk heeft bezeerd?quot;
âIk ben daarvan volkomen zeker, sire De signora beweert, bij den dans op eene glasscherf te zijn gesprongen. Ik verlangde den schoen te zien en men bracht mij ook inderdaad een schoen, op welks zool eene insnede was gemaakt; maar deze zat op eene geheel andere plaats, dan de wond aan den voet en men kon ook duidelijk zien, dat deze eerst juist met een mes was gemaakt. Daaruit spruit dus voort, dat de signora de wond niet bekwam, terwijl zij dezen schoen droeg. Bovendien is de wond ook niet ontstaan door glas of nagel, maar door een dolk, want zij is driesne-dig. De signora heeft zich zonder twijfel de wond toegebracht met den dolk, dien ik in hare kamer zag.quot;
Het gelaat des konings betrok al meer en meer, terwijl de geneesheer sprak. Hij drukte de lippen vast opeen, wat bij hem altijd een teeken was, dat een storm in zijne borst woedde, welks luide uitbarstingen Frederik met moeite poogde to weerhouden.
âIs dat alles, wat gij te zeggen hebt?quot; vroeg hij toen.
âDat is alles, sire!quot;
âGoed! Bezoek morgen de signora weder en geef mij dan bericht.quot;
Toen de koning alleen was, ging hij langen tijd met
235
over elkander gekruiste urmen heen en weder. Tc vergeefs was het, dat Biche, hel lievelingshondje van den koning, opstond van het zijden kussen en naar hem toekwam om hem met 7,ijn sierlijken hals te streelen. De koning gaf er geen acht op en zag zelfs niet, hoe het dier, alsof het de somberheid van zijn heer verstond, met hangenden staart achter hem liep en treurig lot hem opzag. Te vergeefs was het, dat in de geopende kast naast de muzieklessenaar de nieuwe door Quanz vervaardigde fluit lag. De koning raakte haar niet aan en wilde heden niet, gelijk voorheen, zijne onrust door de tonen zijner fluit doen bedaren.
âEensquot; mompelde de koning halfluid; âheeft zij het mij loegezworen, dat zij mij zal haten. Zij houdt woord!''
Eindelijk, na lang gepeins, scheen hij een vast besluit genomen te hebben en naderde hij haastig de deur.
âIk wil zelf naar haar toe gaan,quot; zeide hij met fonkelende oogen. âIk wil haar dwingen mij te zeggen, waarom zij dat heeft gedaan.quot;
Maar op den drempel bleef hij staan en drukte zuchtend de deur weder toe.
âNeen,'' zeide hij, âdat mag ik niet doen. Ik mag niet doen, wat ieder man in mijne plaats zou doen, ik niet, want â ik ben de koning! Ach, en de menscben denken, dat bet zoo gemakkelijk is, koning te zijn en dat de kroon den mensch, op wiens hoofd zij wordt gedrukt, in hel geheel geene smart veroorzaakt. Zij welen niet, dat ons hartebloed dikwijls het cement is, dal onze kroon vasthoudt en bevestigt!quot;
Hij zuchtte en begon op nieuw zijne regelmatige wandeling.
Plotseling bleef hij staan en richtte zich fier op, gelijk de leeuw doet, als hij na lange rust zich weder verheft tol nieuwe kracht.
âWat, sentimenteel!quot; zeide hij met een treurig lachje. âIk geloof, dat een koning ook daartoe het recht niet heeft. Weg dus met die sentimenleele en teergevoelige zuchten. Waarlijk, wat zou Maria Theresia zeggen, als zij wist, dat de koning van Pruisen sentimenteel is en zucht gelijk een verliefd meisje. Zou zij niet denken Silezië weder in den zak van haar hoepelrok te hebben?quot;
Terwijl de koning zoo tegen zijn sentimentaliteit worstelde, had signora Barberina een veel moeielijker, een veel gevaar-
230
lijker vijand te bestrijden; een vijand, die niet, gelijk de sentimentaliteit, alles slechts onder de sluiers der droefgeestigheid in een somber licht en verbleekte kleuren ziet, maar die volstrekt niets ziet en voor niets oog of zin heelt. Die vijand was de verveling. Ja, Barberina verveelde zich; of misschien was het slechts het ongeduld om weder op het tooneel te verschijnen dat oorzaak was, dat de uren als met looden tred, zwaar en langzaam voorbijgingen.
Zij lag den geheelen dag op hare ottomane uitgestrekt, met geopende oogen, zwijgend, zuchtend; zelfs Marietta's liefderijke woorden werden nauwelijks met een blik, of een vriendelijk woord beantwoord. Te vergeefs stelde Marietta haar voor zich te verstrooien door hare vrienden en aanbidders om zich heen te verzamelen. Barberina verklaarde, dat gezelschap haar nog meer verveelde dan de eenzaamheid, en liet onverbiddelijk al de voorname heeren, die kwamen om haar te bezoeken, afwijzen.
Dat duurde twee dagen; toen stond Barberina plotseling van haar divan op en beproefde ondanks Marietta's beden, te loopen.
âHet veroorzaakt mij volstrekt geen smart,quot; zeide zij, terwijl zij verder ging.
âGij zegt dit op denzelfden toon, als Arias het misschien zeide, toen zij den geliefde den dolk toereikte.quot; zeide Marietta treurig,
âMet dit onderscheid, dat ik geen geliefde heb,quot; zeide Barberina, âdaar ik geheel eenzaam ben, niemand mij bemint, niemand dit arme, vurige, van doodelijke smart trillend hart verstaat.quot;
En terwijl zij zoo sprak, vloeide een stroom van tranen uit hare oogen en hare geheele gestalte sidderde onder den storm van inwendigen hartstocht.
âEn dat zegt gij, Sorèlla, gij, die zoo zeer bemind, zoo zeer aangebeden wordt?quot; vroeg Marietta.
Barberina schudde met een tlauwen, verachtelijken glimlach haar hoofd. âNoemt gij dat liefde? Is die ij dele woordenpraal, die eeuwige, altijd gelijkluidende, niets betee-kenende lof, dat roemen van mijne schoonheid, bevalligheid en kunst, is dat aanbidding! Neen, Marietta, gij zelve weet wel, dat het niet zoo is; gij weet, dat zij allen zich sléchts met mij willen tooien als met eene zeldzame uitheemsche
'237
bloem, die alleen daarom schoon is, omdat men haar duui-heeft betaald en die men alleen daarom bewondert, omdat zij vreemd en zeldzaam is. Gij weet, dat geen van al die mannen mij om mij zelve bemint, maar allen slechts ter wille van mijn uiterlijk. Nimmer ben ik eenzamer, dan wanneer ik omgeven ben van mijne aanbidders; nimmer gevoel ik mij minder bemind, dan wanneer zij zeggen, dat zij mij grenzenloos beminnen. O, God, moet ik dan mijn hart dooden en het begraven onder de sneeuw van dit koude noorden! God, geel mijn hart een hart, dat beminnen kan, gelijk Barberina's hart!quot;
Zij bedekte haar door tranen besproeid gelaal met de handen en stond sidderend en wankelend, gelijk eene door den storm bewogen lelie.
Marietta ging naar haai' toe en legde vol van het innigste medelijden haar hoofd op den schouder van haar zuster. Zij poogde niet haar te troosten of tot rust te brengen, want zij wist wel dat er smarten zijn, die door troostende woorden als door dolken op nieuw worden gewond, en die eerst moeten uitwoeden om tot bedaren te komen. Zij kende den grootschen en krachtigen aard van Barberina en wist, dat de tranen bij haar slechts op de wolken geleken, die eerst van den regen moeten worden ontladen om daarna des te heerlijker de zon te doen schijnen. Zij had zich ook niet vergist. Toen Barberina na eenigen tijd de handen weder van haar gelaat nam, waren hare tranen reeds lang opgedroogd en schitterde haar oog weder met zijn gewonen glans.
,,Ik ben dwaas,quot; zeide zij met een bekoorlijken glimlach, âzelfs zeer dwaas, dat ik van het noorden de bloesems van bet zuiden verlang en van bet ijs vorder, dat het in vuur overga. Alsof een met sneeuw bedekt landschap, niet even goed zijne schoonheden had, zelfs zijne verschrikkelijke schoonheden, als het door beren en wolven wordt bewoond.quot;
âMaar wee ons, als die monsters ons ontmoeten,''zeide Marietta, bereidwillig Barberina's scherts vervolgende.
âWaarom wee?quot; vroeg Barberina. âMen bedwingt ieder monster en ieder gevaar, als men het maar vast in de oogen ziet. Maar niet te lang, Marietta, niet zoo lang, tot iemand do oogen overloopen. En nu. Marietta, genoeg zedelessen.
238
De regenachtige dagen zijn voorbij ; de zon zal weder helder schijnen. Ik wil niet meer ziek zijn en als een nutteloos speeltuig op de kussens liggen. Neen, ik wil gezond ziju en vroolijk klapwiekend weder door de wereld zweven. Moe hooger men vliegt, des te dichter is men bij den hemel. Laat mij dus vliegen. Marietta, vliegen zoo hoog als ⢠mijne geestdrift mij wil dragen. Denk ook niet, dat ik, gelijk de arme, dwaze Icarus, mij wassen vleugels zal aanhechten. Neen, ik ben veel wijzer, veel verstandiger. Ik schep er genoegen in met mijne voeten te vliegen en gelijk een nimf rond te fladderen. Mijne voeten zijn echt en geene zon kan hen doen smelten. Want zeg mij eens. Marietta, zijn zij niet aan een paar zonnen gelijk? Verstaan zij de kunst niet, in de doode massa's levensadem te blazen, koude harten te verwarmen en verstijfd bloed te doen ontdooien ? Gij ziet, dat ik zeer goed acht gegeven heb op de woorden van mijne vereerders en daar ik nu juist geen anderen aanbidder bij mij heb, aanbid ik mij zelve.quot;
Zij zeide dit op lachenden toon en met fonkelende oogen ; maar Marietta gevoelde evenwel, dat deze vroolijkheid slechts gekunsteld, onnatuurlijk was, dat Darberina's geheime smarten haar in eene kortsachtige spanning gebracht hadden en haar zoo deden lachen.
âWeet gij, wat ik nu heb besloten?quot; vroeg Barberina na eenig stilzwijgen, terwijl zij zich als bij toeval omkeerde, om haar gelaat voor Marietta te verbergen. âDaar ik heden en morgen nog niet kan dansen, wil ik mij met iets anders op eene nuttige wijze bezighouden. Ik wil naar Pense gaan om bij hem eenige uren voor mijn portret te bezitten.
Ofschoon zij haar gelaat had afgewend, zag Marietta, hoe sterk zij bloosde, daar zelfs haar hals en nek met eene zacht roode tint bedekt werd.
âWilt gij naar het paleis rijden?quot; vroeg Marietta zacht.
âNiet naar het paleis, maar naar Pense, Marietta.quot;
âZijn atelier is echter thans in het paleis. De koning heelt dat zoo gewild en dus is Pense van het tuighuis naar het koninklijk paleis vertrokken.quot;
,,IIet zij zoo,quot; zeide Barberina ter loops. âIk heb in het tuighuis voor hem gezeten, thans zal ik het in het paleis doen.quot;
âMaar ik ben zeker, dat het u zeer onaangenaam is, met
230
den koning, dien gij haat, onder een dak te zijn,quot; zeide Marietta, nauw merkbaar glimlachend. âGij weet misschien niet, dat de koning niet te Potsdam, maar te Berlijn is?quot;
Barberina keerde zich om, en sloeg met eene snelle beweging hare beide armen om Marietta's hals en een gloeienden kus op hare lippen drukkende, (luisterde zij; âik wael het, Sorinella, maar ik ga toch!quot;
Barberina reed dus naar het nieuwe atelier van den schilder Pense, dat wil zeggen, naar het koninklijk paleis, waarin het zich nu bevond. De koning hield er van het groeien en gedijen van een kunstproduct gade te slaan. Toen Pense aan zijn groote schilderij werkte, dat de kuische Diana, omringd door hare nimfen, voorstelde, had hij hem meermalen in het tuighuis bezocht om zijn arbeid gade te slaan. Ook het ontwerp voor het levensgroot portret van Barberina had hij daar in oogenschouw genomen en voor zijne afreis naar Silezië bevolen, dat Pense zijn atelier naar paleis zou overbrengen, opdat hij, gelijk de koning zeide, zijn schilder dichter bij zich zou hebben.
Barberina reed dus naar het paleis, dat is te zeggen naar het atelier van haar schilder. Vlug, als een gazelle, sprong zij de hooge trappen op. Haar voet hinderde haar volstrekt niet meer, zij gevoelde althans geen pijn. Onstuimig en haastig, wachtte zij het nauwelijks af, dat de bediende, die haar was vooruitgesneld, haar bij den schilder aanmeldde, maar trad dadelijk na hem het atelier binnen.
Pense was aanwezig en heette de signora verheugd welkom, maar zij zocht te vergeefs in het atelier naar haar portret.
âTs de kopie van mijn ik ook gelijk het origineel misschien verongelukt?quot; vroeg zij.
De schilder lachte. âNeen, dat niet, signora; de kopie maakt evenveel opgang, als het origineel, juist omdat het daarvan de kopie is.quot;
âWat beteekent zulks?quot;
âDat beteekent, dat zijne majesteit met de kopie zoo tevreden was, dat hij die sedert gisteren in zijne studeerkamer heeft geplaatst, ofschoon ik het waagde, er tegen te protesteeren, omdat het beeld nog onvoltooid is. De koning drong er evenwel op aan, zeggende, dat hij hel portret aan
240
zijne vrienden wilde toonen om met hen te raadplegen, wat er nog aan ontbreekt.quot;
Misschien nimmer, zelfs niet in hare schitterende rollen, was Barerina schooner geweest, dan op dat oogenblik. Haar gelaat schitterde als in eene verheerlijking. Met zulk een lachje en zulke blikken zoude zelfs de mismaaktheid schoon zijn geworden.
âDan,quot; zeide zij hijgend, âben ik te vergeefs gekomen en kunt gij heden mijn gelaat volstrekt niet gebruiken.quot;
âNeen, signora, uw gelaat is eene veel te zeldzame ster, dan dat men zich niet de heerlijke gelegenheid zou ten nutte maken, als zij schittert. Wees zoo goed, op mij te wachten. Ik ga dadelijk naar den koning en haal het portret.quot;
Zonder Barberina tijd tot een antwoord te laten, snelde Pense naar buiten en Barberina bleef alleen. Wal was het, dat haar hart sneller deed jagen en een gloeiend rood op hare wangen dreef? Waarom richtten zich hare oogen zoo dikwijls naar de deur met eene uitdrukking van angsten versaagheid ?
Stil, daar hoorde zij schreden in de voorkamer! Barberina drukte angstig hare beide handen tegen haar hart; zij had een gevoel, alsof het moest bersten.
De deur ging open, Pense keerde terug, maar alleen, zonder het beeld.
âSignora,quot; zeide hij, âde koning wenscht, dat de zitting heden beneden in zijne vertrekken plaats vinde; zijne majesteit wil de genade hebben, mij zelf eenige aanwijzingen te doen en op eenig gebreken opmerkzaam te maken. Ik zal dus mijn palet en mijne penseelen medenemen en als het li dan goeddunkt, zullen wij gaan.quot;
Barberina zeide geen woord; zij was slechts bleek geworden en haar gang was zoo onzeker en wankelend, dat zij, toen zij door de koninklijke vertrekken gingen, meermalen stil moest staan en op den arm des schilders moest leunen, om niet neder te zinken. Haar voet veroorzaakte haar nog steeds veel smart, zeide zij tot Pense en misschien geloofde hij het ook.
Zij traden nu het vertrek binnen, waar het levensgroot portret der signora op den schildersezel geplaatst was. In dit vertrek bevonden zich twee deuren, de eene waardoor
241
zij waren binnengetreden, de andere die onmiddelijk naar de bibliotheek en studeerkamer des konings voerde. Deze tweede deur was evenwel niet geopend en niemand bevond zich in de kamer dan Barberina en de schilder.
âDe koning geeft nog eenige audientiën,quot; zeide Pense. âHij heeft mij bevolen, maar te beginnen; zoodra hij tijd heeft, zal hij hier komen.quot;
âLaat ons dan beginnen,quot; zeide Barberina met een pijnlijk lachje, terwijl zij op een stoel plaats nam. âGij zult mij evenwel moeten veroorloven te zitten; mij dunkt ook, dat dit geen verschil zal maken, daar gij heden zeker alleen met mijn gelaat en niet met mijne gestalte zult te doen hebben.quot;
Maar Pense verklaarde, dat het onmogelijk was, eene staande figuur anders dan staande te portretteeren en dat het gelaat eener zittende geheel andere vormen, eene geheel andere houding en ook geheel ander licht had, dan dat van eene staande.
Barberina moest het zich dus, in weerwil van haar voet, getroosten te staan, Maar zij scheen nu geene smart meer te gevoelen; zij lachte zoo blijde, zij sprak zoo levendig, zoo geestig en pikant, dat Pense soms bij het aanschouwen van dit levendig, schoon gelaat, vergat, dat hij er niet was om haar te bewonderen, maar om haar^portret te schilderen. Plotseling verdween haar glimlach en te midden van een begonnen volzin bleef zij steken.
Zij had achter zich de deur zachtjes hooren openen; zij gevoelde het aan het onstuimige kloppen van haar hart, dat zij niet meer met den schilder alleen was. Toch had zij den moed en de kracht niet, zich om te wenden, maar zag strak en onafgewend naar Pense, die heel bedaard bleef voortschilderen, omdat hij zeer wel had gezien, dat de koning hem een wenk had gegeven, rustig te blijven en zijne tegenwoordigheid niet te verraden.
Pense ging dus voort en deed aan Barberina, zonder iets te laten blijken, onderscheidene vragen, die zij evenwel slechts verlegen en bedeesd kon beantwoorden. Misschien was zij werkelijk nog met den schilder alleen. En toch had zij een gevoel, alsof dat onmogelijk ware; toch scheen het haar toe, alsof plotseling een lichtstraal in deze kamer was gevallen en zich brandend en met verterenden gloed op Mühlljaoh, Frederik de Groote en zijn Hof. III. 16.
242
haar gestalte had gevestigd. Zij zag den blik des konings niet, maar zij gevueide hern, zij gevoelde, dat hij achter haar stond en haar gadesloeg; zonder dat eenig gedruisch, een woord, een blik haar zijne tegenwoordigheid verried, gevoelde zij die.
âIk zal mij niet bewegen, ik zal mij niet tot hem wenden,quot; dacht zij, âmaar ik zal dood nedervallen.quot;
Maar nu moest zij zich toch omwenden, want de koning noemde haar naam en begroette haar meteenige vriendelijke woorden. Terwijl zij zich boog, zag zij verlegen tot hem op. Wat was zijn blik echter koud, onverschillig en gevoelloos, en toch was zij sedert weken lijdend geweest. Nu gevoelde zij weder hoe geweldig zij hem haatte en dat het inderdaad slechts de gramschap was geweest, die haar bij het onverwachte wederzien van den koning in onmacht had doen vallen.
Ondanks dit alles moest zij bekennen, dat de toon zijner stem gelijk hemelsche muziek in haar oor klonk, dat ieder woord, dat hij sprak, haar hart ontroerde, gelijk de wind de blaren doet trillen.
De koning sprak over haar portret, hij had, naar hij zeide, van de beschouwing eene studie gemaakt en naar feilen en gebreken gezocht, gelijk anderen naar schoonheden en voor-trelTelijkheden.
âDan sidder ik voor het oordeel van uwe majesteit,quot; zeide Pense.
âIk moet bekennen, dat gij daartoe wel een weinig reden hebt,quot; zeide de koning. âIk heb het beeld niet beschouwd met de oogen eens minnaars, maar met die eens beoordeelaars en die oogen zien, gelijk bekend is, zeer scherp en hebben zelfs vlekken in de zon ontdekt. Wel is waar heeft, dit de zon niet verhinderd te schitteren en licht te geven en zon te blijven, gelijk mijne beoordeeling uw beeld niet zal verhinderen, een schoon beeld te zijn, dat slechts door het orgineel verduisterd wordt.quot;
âMisschien, sire,quot; zeide Barberina lachend, âben ik zelve eene van de vlekken in de zon en komt het misschien daaruit voort, dat ik verduister gelijk uwe majesteit zegt.quot;
âGij ziel, signora, hoe weinig ik de kunst versta, galant te zijn,quot; zeide de koning lachend, âwant zelfs als ik het beproef eene galanterie te zeggen, kan men het zeer goed
243
opvatten of ik er het tegengestelde mede bedoelde. Veroorloof mij dus, zonder eenig blunkelsel of vernis, heel eenvoudig de waarheid te zeggen. Deze waarheid is; gij zijt schooner dan uw portret; en tocli bewonder ik Pense, dat het hem gelukt is, zooveel van uwe schoonheid weder te geven, zoo als ik den dichter bewonder, die de macht heeft, een liefelijken lentemorgen te beschrijven en voor testellen.quot;
âDat is toch misschien minder moeielijk, dan het beeld der signora te schilderen,quot; zeide Pense met een komischen zucht. âEen lentemorgen houdt zich ten minste stil en loopt niet weg en wisselt niet met elke minuut van houding, uitdrukking en gelaatstrekken.quot;
De koning lachte. âWaarlijk,quot; zeide hij, âhet moet wel moeielijk zijn, den vlinder bij zijn vleugels te grijpen en tot stil zitten te dwingen, zonder daarbij het schitterende stof van zijne wieken te beschadigen. Maar schilder nu voort Pense, ik zal mij achter uw stoel plaatsen en toezien.quot;
Pense vatte het palet weder op en begon te schilderen. Barberina nam weder die bekoorlijke, zwevende houding aan, waarin de kunstenaar hare liefelijke verschijning voor ons heeft bewaard. Zij was onbeschrijfelijk aanvallig in die zwevende houding, met die ronde armen, die spitse vingers, die ongedwongen en sierlijk het met bloemen versierde gewaad vasthielden en een weinig oplichtten, zoodat daaronder de vooruitgestrekte, op de teenen rustende rechtervoet zichtbaar werd; onbeschrijfelijk aanvallig met dat eenigszins op zijde gebogen hoofd, die schitterende oogen en dat bevallige lachje.
Iedereen zou haar hebben bewonderd en die bewondering ten minste in zijne gelaatstrekken en blikken hebben vei'â raden. Slechts het gelaat des konings vertoonde niets van dat alles, het was volkomen onverschillig, teneenenmale koud en rustig. Barberina gevoelde, dat het bloed haar naar de wangen steeg en toen op eens terugvloeiend, haar hart bijna verstikte. Zij gevoelde, dat het haar onmogelijk was, die bedaarde beschouwing, die koele kritiek over het portret en het origineel langer te verdragen; en toch zwoer zij bij zich zelve, den koning niet opnieuw een triomf voor te bereiden. Neen, zij mocht niet ineen zinken, niet in onmacht vallen en aan dat koude, trotsche hart niet de vreugde gunnen, dat zij in toorn en gekrenkte ijdelheid ontvlamde.
244
Maar haar lichaam was minder stork dan haar geest en wat Bar berina's hoofd quot;iet wilde, deed haar voet; deze weigerde zijn dienst en verlangde rust; tegen haar wil wankelde zij en verbleekte.
Dadelijk was de koning naast haar en vroeg met zulk eene deelnemende bewogen stem naar de reden van hare bleekheid, dat Barberina haar hart in zoeten schrik voelde kloppen. Hij zelf kreeg een stoel en verzocht haar plaats te nemen om uit te rusten van het vermoeiende staan. Zij dankte hem met een lachje, en zei, dat het beter zoude zijn, als zij naar huis reed, daar zij zich buiten staat gevoelde, nog langer voor den schilder te zitten, zoodat zij, als de koning het veroorloofde, zich wilde verwijderen.
Een wolk vloog over de trekken des konings en een donkere, bijna treurige blik trof Barberina's gelaat.
âNeen,quot; zeide hij bijna barsch, âgij moet nog hier blijven. Wij hebben nog zaken met elkander. Sweerts heeft mij reeds uw contract gebracht, opdat ik zou onderteekenen; maar ik vond er nog iets aan te veranderen en zou u daarom heden hebben laten ontbieden, als het toeval u niet hier had gebracht.quot;
âUwe majesteit kan ten volle over mij beschikken!quot; zeide Barberina nederig.
âAls er van zaken en contracten sprake is!quot; riep de koning met bitteren lach. âIk wil dus slechts over zaken met u spreken. Pense, als gij heen gaat, zult gij den lakei wel willen zeggen, dat hij den baron von Sweerts bij mij moet ontbieden.quot;
Hij wierp den schilder den afscheidsgroet toe en toen haastig Barberina's hand grijpende, voerde hij haar naar het aangrenzende vertrek, naar zijn Tusculum, dat misschien nog nimmer door eene vrouw was betreden en slechts open stond voor de vertrouwdste en meest geliefde vrienden des konings.
245
XV.
DE BEKENTENIS.
Toen Barberina met kloppend hart en hijgenden boezem dit vertrek binnentrad, zag zij, die anders altijd zulke fiere blikken om zich been wierp, omdat zij zeker van de overwinning was, bedeesd en bijna verlegen op tot den koning, die haar nog nooit zoo schoon en ontzagwekkend had toegeschenen als nu. De koning geleidde haar naar den divan, waarop zij zwijgend ging zitten, terwijl hij zich in een leuningstoel tegenover haar plaatste.
âtiet is heden de tweede maal,quot; zeide de koning met een zachten glimlach, âde tweede maal, dat ik de eer heb, met u alleen te zijn, Signora. Toen ik u de eerste maal zag, zwoert gij mij, dat gij den koning van Pruisen eeuwig zoudt haten.quot;
âIk zeide dit aan uwe majesteit, omdat ik n niet kende,quot; zeide Barberina zacht.
, Als gij mij badt gekend, zoudt gij het mij wel hebben verzwegen, want het is helaas, onder de menschen ecne stilzwijgende afspraak, aan koningen nimmer de waarheid te zeggen. Zoo vernam ik toen ook slechts daarom uwe ware gezindheid voor mij, dewijl gij niet wist, dat gij tot den koning spraakt! O, signora, ik heb die woorden nimmer vergeten! Ik weet, dat gij iederen dag tot God bidt, niet meer om uw geluk, want dat heeft die wreede koning vernietigd, maar slechts om wraak, om vergelding op dien man, die de harten van andere menschen onder zijne voeten vertrapt, omdat hij zelf geen hart heeft.quot;
âUwe majesteit is zeer wreed,quot; [luisterde Barberina.
âWreed, waarom? Ik herhaal uwe woorden, meer niets! Wreed, omdat ik die niet heb vergeten? Men vergeet niet, wal Barberina zegt. Daarin ten minste gelijkt de koning op ieder ander man.quot;
âEn daarin behoorde hij hem het minst te gelijken. De kleine windhond mag zich wreken, als men hem heeft be-leedigd; de adelaar vergeeft, en verheft zich hoog in de lucht, zoo hoog, dat hij den armen, nietigen mensch niet meer ziet en hem kan vergeten. Uwe majesteit gelijkt
240
zoo zeer op den adelaar, waarom zoudt gij ook niet vergeten?quot;
âOmdat ik dit niet kan en ook niet wil. Ik herinnerde u slechts aan dat uur, omdat ik u heden weder om een dergelijk uur wilde verzoeken; omdat ik weder eens van die trotsche lippen de waarheid, dat zeldzame manna dei-koningen, zou wenschen te ontvangen, liarberina, wilt gij mij weder eens de waarheid zeggen?quot;
âWil uwe majesteit mij dan de genade bewijzen, dat eerste gesprek te vergeten?quot;
âIk beloof u, het u niet meer te herinneren.quot;
âIk dank uwe majesteit. Ik zal u de waarheid zeggen.''
âZweert gij mij dat?quot;
âIk zweer het!''
âWelnu dan! Waarom hebt gij u zelve aan den voet gewond ?''
Uarberina kromp ineen van schrik en had den moed niet, den vlammenden, doorborenden blik des konings te verduren. Zij sloeg hare oogen neder en zweeg.
âDe waarheid!quot; riep de koning bevelend.
âDe waarheid!quot; herhaalde Barberina op vastberaden toon en zij hief hot oog, dat nu schitterde en gloeide, weder tot den koning op. âJa, ik zal u de waarheid zeggen. Ik heb mij aan den voet gewond, omdat ik . . . .quot;
âOmdat gij,quot; viel de koning haar driftig in de rede, âomdat gij niet'voor mij wildet dansen; omdat gij wist, dat het voor dien armen, afgematten, eenzamen, droefgees-tigen koning een geluk, eene levensvreugde zou zijn geweest u te zien dansen; omdat gij] zeer goed gevoeldet, dat uwe verschijning voor hem dat is, wat voor den levend begra-vene de eerste straal der zon is, die hem treft, als het graf zich weder voor hem heeft geopend; omdat gij hem zoo hevig haat, dat gij hem ook dit enkel genot niet wildet gunnen, hem dit zelfs niet wildet gunnen op den avond, toen de koning van eene moeielijke en gevaarlijke reis terug kwam en naar het theater snelde, alleen om u, Barberina, te zien. Maar uw wreed en koud hart wasfzonder medelijden, zonder sympathie; gij wildet niets dan uw hoogmoed bevredigen en liet deed uw hoogmoed zoo goed, een koning, een man, wiens machtspreuk duizenden doet sidderen, te beleedigen en te krenken. Gij wenddet dus eene onmacht
2i7
voor, gij hieldt op, le midden van uw lachje, uwe bcloove-rende vroolijkheid, uw dartelen nimfendans, om met al de kunst eener tooneelspeelster eene plotselinge krankheid te huichelen, alleen, om niet verder te dansen, alleen, om den koning te krenken. Barberina, dat was een kleingeestig, jammerlijk kunststuk, dat gij waarlijk aan de too-lieelprinsessen en kameniers moest hebben overgelaten. Voor haar is zulk Neurenberger speeltuig goed genoeg; maar eene Barberina moest zich niet met zulk klatergoud opschikken, niet uit kleingeestige wraakzucht tot eene ellendige leugen liare toevlucht nemen. En wat zijt gij geslepen in uwe boosaardigheid, onuitputtelijk in uw haat! Niet genoeg, dat gij op dien eersten avond eene onmacht voorwenddet, hebt gij u den volgenden dag zelve eene wond toegebracht en in uwe bloeddorstige woede tegen mij, hebt gij tegen u zelve misdreven. Eene onmacht, gij wist het wel, zoude voorbijgaan, maar een gekwetste voet, die blijft, dat duurt misschien zoo lang als de koning hier is om verademing te scheppen van de zorgen en inspanningen van het krijgsmansleven en eerst, als hij weder afgereisd is, zal de voet genezen. O, signora, gij zijt eene echte dochter van uw land, gij verstaat u op de wraak en den haat en daarin zijt gij onverzadigbaar. Welaan, ik zal u eene vreugde verschalVen, ik zal uw hart met verrukking vervullen. Gij hebt gezworen mij te haten; gij bidt tot God, dat hij u moge wreken op den koning van Pruisen, die de harten onder zijne voeten vertrapt, omdat hij zelf geen hart heeft. Gij kunt nu triómfeeren, signora, gij zijt gewroken! De koning heeft een hart en gij hebt dit hart gewond!quot; En geheel overweldigd, geheel overmeesterd door zijne inwendige ontroering, sprong de koning van zijn stoel op en ging naar het venster, misschien om de signora zijn gelaat, dat van zijne innerlijke beweging getuigde, niet te laten zien, misschien om zijn gloeiend voorhoofd tegen de ruiten te verkoelen.
Plotseling voelde hij eene zachte drukking op zijn schouder; snel keerde hij zich om en zag Barberina tegenover zich staan, zoo fier, zoo groot, zoo koninklijk en schoon, als de koning haar nimmer te voren had gezien. Een gloed vol geestkracht, sprak uit hare trekken, trotsche vastberadenheid schitterde uit hare groote donkere oogen.
248
âSire,quot; zeide zij met hare volle, welluidende stem, die evenwel een weinig trilde door de inwendige stormen, die zij verborg onder liet omhulsel van uitwendige rust. âSire, ik heb u gezworen, u op dit uur de waarheid te zeggen; ik' zal mijn eed vervullen. Ik zal u de waarheid zeggen! Gij moogt mij daarom verachten! Dat zij zoo! Ik zal door uwe verachting sterven, gelijk mén door een snelwerkend vergif sterft, maar het is beter te sterven, dan zoo te leven. Ik wil niet, dat gij mij voor kleingeestig en armzalig houdt, gelijk gij doet, want let wel op, ik wil het niet! Gij hebt mij van leugen beschuldigd! Ik werp die beschuldiging van mij af, gelijk men het walgelijke insekt wegwerpt, welks aanraking ons afschuw inboezemt. Sire, gij zult de waarheid weten, al trof zij mijn hoofd ook gelijk een bliksemstraal, al wierp zij mij dood aan uwe voeten neder. O, mocht zij het doen, ik zoude haar zegenen en stervende zoude ik mij zalig roemen. De waarheid, sire, de waarheid ! Hoor! Het is waar, ik heb u gehaat, want gij hadt mijn trois gebogen en mij van de bewonderde koningin der geheele wereld tot een arme, gehuurde, betaalde danseres vernederd, die men met gendarmes en politie dwingt een contract te houden en haar wil aan haar plicht ten offer te brengen. Het is waar, ik heb u vervloekt, want gij hebt mij mei geweld gescheiden van een man, dien ik beminde, die mij beminde en mij eene schitterende, rijke en roemvolle toekomst kon aanbieden. Het is waar, ik heb tot God gebeden om wraak, om vergelding! Maar God heeft mijne gebeden niet verhoord; God veroordeelde mij, ter wille van deze misdaad en richtte de spits van den dolk, dien ik tegen u trok, tegen mijne eigene borst. Ja, sire, mijne eigene borst heb ik verscheurd door den haat, dien ik u had gezworen cn waaraan ik mij vastklemde, gelijk de schipbreukeling zich vastklemt aan de laatste plank van zijn verbrijzeld schip om niet te zinken. Maar ik, ik zonk. Er kwam een dag, waarop deze ontboezemingen van den toorn zich, mijns ondanks op mijne lippen veranderden in gebeden van zegen, waarop ik vol ontzetting en afschuw tot mij zelve zeide, dat er van den haat tot de liefde, dikwijls slechts eene schrede is, eene schrede die evenwel over een afgrond voert! Ik wil u niet zeggen, sire, wat ik geleden, gestreden en geworsteld heb, hoe ik mij zelve vervloekt en gehaat heb,
249
omdat ik u niet meer kon vloeken en haten. Eens, toen gij naar Silezië reisdet, zeidet gij tot mij: âik denk steeds 'aan u!quot; O, sire, gij wist niet, welk een bedwelmend gif gij toen in mijn oor liet druipen, welk eene betoovering gij toen over mijn geheele leven verspreiddet. Ik ging met die woorden heen, als onder een gulden troonhemel, vreugdedronken, zalig, trotsch als de goden. Ik las die woorden uiet slechts in mijn hart, ik las ze op iedere bloern en op ieder blad, ik las ze, aan den hemel geschreven met zonneglans en stergeflonker. Ik droomde er van, gelijk men van tooverpaleizen en zingende sterren droomt en in ieder vogelgezang en in ieder bravogejuich, waarmede de menigte mij begroette, hoorde ik niets dan die hemelsche woorden : âik denk steeds aan u. âZij waren mijn leven, terwijl gij afwezig waart; ik schreef ze met mijne blikken op dien onbezetten zetel, die in het theater tegenover mij stond en daar heen zag ik en hun ter liefde danste ik! Maar plotseling vond ik op dien zetel, niet meer mijne gulden woorden, sire, ik vond er twee andere sterren, twee groote, wonderbare sterren der oogen, wier glans mijne zinnen in verwarring brachten, omdat ik niet was voorbereid. Neen, sire, het was geen armzalig komediespel, geen aangeleerd kunststuk. Ik zonk machteloos neder, toen ik u zag; hel was eene wezenlijke onmacht; en sedert dat uur weetik, dat men niet sterft van vreugde en verrukking, dat men slechts bewusteloos wordt. Ik weende den ganschen nacht, sire. God weet, of het van verrukking of van schaamte was. Den anderen dag, ja, toen heb ik eene valschheid gepleegd. Ik stiet den dolk in mijn voet om de wereld te misleiden, omdat ik niet wilde, dat de menschen zouden weten, hetgeen alleen God mocht weten, dat Barberina in onmacht was gevallen, omdat zij den koning zag en gevoelde, dat zij hem niet meer haatte, maar hem aanbad ! â Thans, sire, weet gij de waarheid. Vaarwel!''
Zij snelde naar de deur, maar de koning ijlde haar na, hij rukte hare hand van de deur, hij trok baar terug, onstuimig, sprakeloos, maar met fonkelende oogen, schitterend van vreugde.
âGij zult blijven,quot; zeide hij, âik beveel het u! fk, niet de koning, maar ik. âquot;
Hij boog zich naar haar oor en lluisterde zachtjes twee
250
woorden, die Barberina's wangen met een purperblos bedekten.
In dit oogenblik werd buiten aan de deur geklopt, de portiére werd langzaam teruggeslagen en het bleeke, ziekelijke gezicht van Fredersdorf werd zichtbaar.
âSire,quot; zeide hij, âuwe majesteit beeft bevolen, den baron von Sweerts te laten roepen. Hij is hier en wacht op uwer majesteits bevelen.quot;
âHij mag komen,quot; zeide de koning en toen Fredersdorf naar buiten gegaan was, voegde hij er bij met een lachenden blik op Barberina : âik denk, dat hij juist te rechter tijd komt. Wij moeten ons contract onderteekenen. Sweerts mag als priester daarbij fungeeren.quot;
Toen ging hij den binnentredenden intendant te gemoet en beval hem terstond het contract der signora Barberina te halen.
Hij nam het uit de handen van den intendant en las het nog eens over. âZoo is het goed,quot; zeide hij, âslechts eenige kleinigheden zijn er nog in te veranderen.quot;
Hij ging naar zijne schrijftafel en op den leuningstoel plaats nemend, schreef hij met haastige hand eenige woorden in het contract.
âSignora,quot; zeide hij toen, zich omkeerend, âwilt gij zoo goed zijn een oogenblik hier te komen?quot;
Barberina, uiterst bedeesd en blozend, naderde den koning. Op den achtergrond van het verleek zag men den baron von Sweerts, die met een sluw lachje naar den koning en Barberina zag. Naast hem stond Fredersdorf, wiens bleek, zwaarmoedig gelaat, bij de donkerroode lluweelen poiiiére achter hem als in een lijst gevat, afstak.
âLees,quot; zeide de koning tot Barberina, terwijl hij met zijn schoon gevormden, blanken wijsvinger op de woorden wees, die hij juist had geschreven.
Barberina, achter den zittenden koning staande, boog zich over zijn schouder. Hij voelde haar adem over zijne wang glijden; zijn tijn, welriekend haar raakte haar voorhoofd aan, zoo dicht waren zij bij elkander.
âHebt gij gelezen?quot; lluisterde de koning.
âJa, sire,quot; lispelde zij nauw hoorbaar. Maar toen nu de koning, zijn hoofd een weinig meer ter zijde wendende, zijne
251
vurige blikken op haar vestigde, slueg Barberina beschaamd en verlegen hare oogen neder.
âWilt gij onderteekenen?quot; vroeg hij zacht.
âIk wil het!quot; zeide zij nauw hoorbaar.
âWilt gij u verplichten de volgende drie jaren hier te blijven en in deze drie jaren niet te huwen?quot; ^
âIk wil het, sire!quot;
âNeem dan de pen en onderteeken o?is contract. Sweerts, kom hier en onderteeken en gij, Fredersdorf, houd uw zegel gereed. Het contract is klaar!quot;
âEen treurig contract zult gij zeggen,quot; ging de koning lachend voort, terwijl hij zich tot Fredersdorf wendde. âEen treurig contract, dat de signora evenzeer mishandelt, als de koning mij doet. De koning is een echte hater van den huwelijken staat, niet waar? Neen, neen, Fredersdorf ik wil u bewijzen, dat gij u vergist. Men heeft mij gezegd, dat de oorzaak van uwe tegenwoordige ongesteldheid daarin bestaat, dat ik u niet wilde toestaan te huwen. Welaan, Fredersdorf, heden wil ik niet hardvochtig zijn. Want heden toch is een onschuldig olïer gebracht aan mijn afschuw van het huwelijk; de schoone signora Barberina heeft namelijk aan mijne wenschen moeten toegeven, zij heeft zich verbonden ongehuwd te blijven. Om harentwille, vriend, schenk ik u genade! Ga en neem de vrouw, die gij bemint en als de priester u beiden heeft vereenigd, zult gij met uwe vrouw eene kleine pleizierreis naar Parijs maken, natuurlijk op mijne kosten.quot; £)
Fredersdorf boog zich over de hand, die de koning hem aanbood en bedekte haar met zijne tranen en zijne kussen.
1) Het contract verzekerde Barberina gedurende drie jaren een jaargeld van zevenduizend daalders, met vijf maanden verlof in liet jaar, maar zij moest zich verbinden, in deze djie jaren niet te huwen. Zie: L. Schneider, Geschichle des Berliner Opernhauses, pag. 27.
2) Nadat Fredersdorf eindelijk van den koning toestemming had gekregen tot zijn huwelijk met de dochter van den rijken bankier üaun, huwde hij met haar en maakte eene reis naar Frankrijk, van waar hij evenwel somberder eh zwaarmoediger dan ooit terugkeerde. Zijn hartstocht, goud te maken, steeg meer en meer. Te Potsdam bouwde hij tot dit doel een groot laboratorium; hetzelfde deed hij te Berlijn in zijn huis in de groote Priedrichsstras.se No. 210. Zijne helpster en gezellin bij deze scheikundige proeven, was evenwel niet zijne vrouw, maar eene toen zeer bekende waarzegster, genaamd Uüsterhanpt. Fredersdorf stierf in het jaar 1758. Zie: Rüdenbeck ïagebuch, pag. 37,
252
Barberina's oogen rustten met eene uitdrukking van zalige verrukking op het schoone, schitterende gelaat des konings.
Zij had hem zeer goed begrepen ; zij wist, dat de koning heden allen, die hem omgaven, wenschte gelukkig te maken, omdat hij zelf zich gelukkig gevoelde.
XVI.
DE VERRADER.
De heer baron von Püllnitz bevond zich reeds sedert drie dagen in oen onaangenamen toestand, zonder dat hij met al zijne geslepenheid een middel wist te bedenken zich daaruit te redden. Hij bevond zich in den antidiluviaan-schen toestand, waarin zich Adam bevond, toen hij in het paradijs vertoefde. Hij had, gelijk Adam, geen geld! Maai' dat was volstrekt geen paradijsachtige, maar een zeer rampzalige toestand, die zelts het hart van den onwankelbaren en dapperen baron met angst en ontzetting vervulde. Wat moest er van hem worden, als de koning zich ditmaal niet over hem ontfermde, geen medelijden had met zijn nood, dien hij hem in een zeer trelfenden en schoonen brief had afgeschilderd, waarop hij sedert dien morgen te vergeefs het antwoord wachtte.
Wat zou hij beginnen, als de koning hardvochtig en onverbiddelijk bleef. Maar neen, dat was immers onmogelijk; de koning kon zoo ver niet gaan, het was eenigermate een heilige plicht voor hem, zich te ontfermen over den getrouwen dienaar van zijn huis, die hem jaren langtrouwhad gediend, die reeds den derden koning van Pruisen diende. Püllnitz behoorde in zeker opzicht tot de koninklijke familie, hij was een overgenomen erfstuk en dat mag men niet gering schatten, niet ter zijde werpen.
Hij had al zijne middelen uitgeput, hij had geleend bij joden en christenen, hij had zelfs met mooie woorden en aardige verhalen uit de .anders hermetisch gesloten zakken van rijke burgers geld weten te halen, al zijne vrienden konden onafgeloste schuldbekentenissen van hem toonen ; zelfs zijn eigen bediende had zich laten bepraten en de spaarpenningen
258
van lange jaren aan zijn heer opgeofferd; maar deze som, gelijk gezegd is, jaren lang bijeen gespaard, was evenwel nauwelijks groot genoeg geweest, dat Pöllnilz daarvan(eene week lang, den edelen cavalier, don rijken, verkwistenden, grootmoedigen heer kou spelen.
Welke olters had hij niet reeds aan zijn geldelijken nood gebracht, welke vernederingen, had hij niet reeds om het geld moeten lijden, en dat alles te vergeefs! Te vergeefs, dat hij reeds driemaal van godsdienst was veranderd, dat hij zich zelfs zoodanig had vernederd, eene koopmansdochter, ja, nog wel eene rijke kleermakersdochter te willen huwen. Alles was hem mislukt en zelfs de kleermakers-dochter, zelfs Anna Pricker, had hem versmaad.
âEn toch had nog alles goed kunnen gaan,quot; zeide hij, terwijl hij nadacht over zijn afgeloopen leven, âalles had nog goed kunnen worden, als de koning niet dien vreeselij-ken inval had gehad, het verbod, mij geld te leenen, te laten rondtrommelen. Dat heeft mij veel schade berokkend en mij vreeselijke moeite en kwelling veroorzaakt. Het was eene uitgezochte wreedheid, waarvoor ik eens vergelding zal nemen, als de koning die niet weder goed maakt. Ha! Daar komt een koninklijke ordonnans aanrennen. Hij houdt voor mijne deur stil. Gode zij dank! De koning antwoordt mij, dat beteekent, de koning zendt mij geld!quot;
Hij was nauwelijks in staat, zijne waardigheid in zoo verre te bewaren, dat hij zelf niet naar buiten liep om den bode des konings te gemoet te gaan en hij werd slechts weerhouden door de gedachte, dat hij hem dan volstrekt een douceur moest geven, dat hij waarlijk veel liever aan zich zei ven had gegeven.
Eindelijk kwam de bediende en gaf hem een brief over. âIk hoop,quot; zeide de heer von Pöllnitz op deftigen toon, âik hoop, dat gij den bode des konings een behoorlijke belooning hebt gegeven?quot;
âNeen, heer baron, ik heb hem niets gegeven.quot;
âNiets!quot; schreeuwde de heer von Pöllnitz. âEn gij waagt het, mij dat ronduit te zeggen en vreest niet, dat ik u dadelijk uit mijn dienst jaag! O, het is eene schande zonder wederga. Ik, een rijksbaron, de opper-ceremoniemeester des konings, laat een zijner boden, die mij een brief brengt, onbeloond uit mijn huis gaan. Ezel, als gij geen geld hadt.
254
waarom zijl gij dan niet bij mij gekomen, waarom liet. gij u dan niet door mij een dukaat geven?quot;
âAls uwe genade mij een dukaat wil geven, zal ik den bode naloopen; ik weet hem te vinden, want hij is hier juist, tegenover naar den generaal Rothenburg gegaan.quot;
âMaak dat gij de deur uitkomt, lomperd en kwel mij niet langer met uwe domme streken,quot; schreeuwde de heer von Pöllnitz, terwijl hij zijne hand ophief en op het punt stond die op den rug van zijn nederigen bediende te doen ⢠nederkomen. Deze snelde de kamer uit en de heer von Pöllnitz was nu weder alleen met zijne droomen over de toekomst.
Hij brak haastig het zegel van den koninklijken brief en opende hem. âNiet van den koning zelf, maar slechts van Fredersdorfmompelde hij toornig en begon te lezen. Maar gedurende het lezen werden zijne trekken steeds donkerder en zijne lippen prevelden woorden van verwensching en toorn.
âGeweigerd!quot; riep hij, toen hij den brief ten einde gelezen had en het ineengefrommelde papier op den grond wierp.
âGeweigerd! De koning heeft geen geld voor mij ! De koning gebruikt al zijn geld voor den oorlog, die weder uitbreekt en als ik mij daarvan wil overtuigen, moet ik mij heden avond te elf uur bevinden aan het middelste portaal van het paleis. Daar zal ik zien, dat de koning geen geld heeft. Een zeldzaam verzoek! Ik zou er liever 'heengaan, om te zien, dat hij geld heeft, want als hij dat heett, is er nog wel altijd een middel om er iets van te bekomen. Ik zal echter in ieder geval gaan. Inderdaad, een zeldzaam rendez vous. Een nachtelijk rendez-vous tus-schen een bankroeten rijksbaron en eene ledige beurs. Men zou er een treurspel uit kunnen maken. â Maar als de koning geen geld heeft, moet ik trachten het ergens anders te krijgen. Ik 'zal dus nog eene laatste poging doen. Wij zullen eens naar Trenck gaan.quot;
En de waardige rijksbaron maakte zijn toilet en begaf zich naar de woning van den luitenant von Trenck. De jonge ofliciei bewoonde sedert eenige weken een zeer prachtig huis; hij had zijne receptiezaal, waarin zich de kostbaarste meubelen en eenige zeldzame kunststukken bevonden ; hij bad zijne voorkamer, waarin twee rijk gegalonneerde
255
bedienden op zijne bevelen wachtten en zijn paardenstal, waar twee rijknechts voor zijne vier heerlijke paarden van echt Arabisch ras moesten zorgen.
Van waar had de heer von Trenck dien onge won en rijkdom? Van waar had hij de middelen om dien, voor een jong officier ten minste, zeer in 't oog vallenden staat te voeren? Niemand wist het. Het was eene gewichtige vraag, welke de makkers van den jeugdigen officier ernstig bezighield en hun veel stof tot denken gaf. Zij vergenoegden zich evenwel niet alleen met er over na te denken, maar drukten hunne gedachten somwijlen ook in woorden uit. Eenige daarvan waren Trenck ter oore gekomen en zij moesten hem zeer beleedigend hebben toegeschenen, want hij had hen, die ze hadden gesproken, daarop in een tweegevecht met een sabelhouw geantwoord, die hun gekorven mond voor een langen tijd het spreken onmogelijk maakte. ^
Pöllnitz werd door Frederik von Trenck, die juist zijn middagmaal hield en dit keer bij uitzondering nog wel zonder gezelschap, hartelijk ontvangen en nam bereidwillig aan de tafel plaats.
âIk kom eigenlijk niet, om met u te eten, maar om mij over u te beklagen,''zeide Pöllnitz, terwijl hij met de grootste bedrevenheid een patrijs trancheerde en wel zoo, dat het besle stuk op zijn bord viel.
âWilt gij u over mij beklagen?quot; herhaalde Trenck,een weinig verlegen. âHeb ik u daartoe dan aanleiding gegeven, waarde vriend?quot;
âVoorzeker hebt gij dat gedaan, juist omdat ik uw waarde vriend ben. Met een woord; waarom hebt gij mij uw vertrouwen onttrokken? Waarom vergezel ik u niet meer op uwe hoogst romantische, door de maan beschenen bedevaarten naar de deugd? Waarom lig ik niet meer als een tandenknarsende bewaker der deugd voor de deur van het balkon, als gij met uwe dame de maan en de sterren tot getuigen van uwe liefde aanroept? Waarom ben ik afgezet?
âDaarop kan ik slechts antwoorden, dat ik zelf niet meer op het balkon kom.quot;
âDat beteekent?quot;
1) Priedrich von Trenck's L â¢bensgeschichte. Band. 1, pag. 42.
256
âDat beteekent, dat mijne sterren verdoofd zijn en mijne zon ondergegaan is, dat het mij ais u is gegaan en dat ik ben afgezet.quot;
Pöiinitz zag zijn jeugdigen vriend met zulk een scherpen, listigen blik aan, dat deze bedeesd zijne oogen nedersloeg. Toen barstte hij in een schaterend gelach uit. âLieve Trenck,quot; zeide hij, âde leugen is op uw schoon gelaat te zien gelijk bederf op de oppervlakte van een aangestoken appel. Gij zijt nog veel te jóng, om den leugen te verstaan en ik ben veel te oud, om mij te laten voorliegen! Of hoe? Zoudt gij mij soms willen doen gelooven, dat de weelde, die u omgeeft, van uw luitenantstraktement wordt betaald?quot;
âGij vergeet, dat mijn vader mij het landgoed Gross Scharlach heeft nagelaten en dat ik het voor achthonderd daalder jaarlijksche rente heb verpacht.quot;
âIk ben een te goed rekenmeester om niet te weten, dat zulks nauwelijks toereikend is voor uwe paarden en bedienden.quot;
âWelnu, gij moogt gelijk hebben. Voor het overige zorgt mijn al te goede heer, de koning. Hij heeft mij in den loop van dit jaar driehonderd Friedrichs d'or geschonken.1) Ik geloof, dat gij nu de bron van mijne vertering kent en mij niet meer de beleediging zult aandoen, te gelooven âquot;
âDat uwe liefde volstrekt niets met de aardsche dingen heeft te maken, neen, dat geloof ik niet van u, die beleediging voeg ik u niet toe, evenmin als de andere, te gelooven, dat men u heeft opgegeven. O, beste vriend, ik alleen heb mij dus te beklagen, want ik alleen ben opgegeven en waarom ben ik dat? Was ik niet bescheiden, dienstvaardig en ten allen tijde gereed?quot;
âZeker waart gij dat! Maar ik herhaal het, alles is gedaan. De schoone droom is voorbij.quot;
âSpreekt gij in ernst?quot;
âIn den volsten ernst?quot;
âWelnu, dan wil ik ook ernstig spreken. Dan wil ik u vertellen, wat gij niet schijnt te weten. Een tuinjongen, die buitengewoon vroeg was opgestaan om eenige zeldzame bloemen, die in den tuin te Monbyon staan, voor de mor-genkoude te beschutten en met matten te beleggen, heeft
1
Friedrioh von Trenok's Lebensgesohiohte. Baud. I, pag. 63.
257
op het u welbekende balkon, twee personen bemerkt en bun zacht gelluister gehoord. Hij heeft zijne ontdekking aan den oppertuinman medegedeeld en deze vertelde het weer aan den huis-hofmeester der koningin-moeder. Men besloot het balkon des nachts nauwkeurig te bewaken; de deugdzame en achterdochtige koningin vermoedde, dat de hofdame, freule von der Marwitz, deze plaats gebruikte voor geheime bijeenkomsten en had reeds vast besloten, de freule te verwijderen, zoodra zij bewijzen had. Gelukkig deelde zij haar vermoeden aan prinses Amalia mede en gij begrijpt, dat het balkon nu iederen nacht eenzaam en verlaten bleef.quot;
âDat begrijp ik!quot;
âGij begrijpt verder, dat men die gebeurtenis beschouwde als een wenk van het noodlot en zich zorgvuldiger voor ontdekking wilde hoeden. Men slaakte daarom niet alleen het bezoeken van het balkon, maar men besloot ook den vertrouweling en vriend, die tot nu toe de minnebrieven heen en weder gebracht en het rendez-vous had bevorderd, op zijde te zetten en dezen lastigen medeweter te verwilderen.quot;
âMen ging nog verder,quot; viel Frederik von Trenck hem met diepen ernst in de rede. âMen was inderdaad door dezen wenk van het noodlot gewaarschuwd en het gevaar inziende van eene betrekking, die nimmer door het geluk kon bekroond worden, nimmer anders dan onder de schaduw der stilzwijgendheid kon bestaan, besloot men, ofschoon met een bloedend hart en tranen in de oogen, van elkander at te zien en zijn geluk op te geven, om niet misschien eens de eer en de vrijheid te moeten verliezen. Men scheidde dus voor eeuwig en zeide elkander voor eeuwig vaarwel!quot;
âDat wil zeggen, men wilde dat den vertrouweling en middelaar, veiligheidshalve, doen gelooven, ten einde, indien er eens verdenking werd gekoesterd en achterdocht ontstond, een getuige te hebben, die zou kunnen antwoorden; De betrekking is sedert lang geëindigd, sedert lang opgegeven. Ik weet dat zeker, want ik was er de vertrouwde bij.â Maar bij die sluwe vinding hebt gij slechts iets vergeten, namelijk, dat Pöllnitz er de man niet naar is, zich door zulke vertelsels te laten misleiden; dat Pöllnitz te veel ondervinding beeft opgedaan, veel te lang de harten der menschen en voornamelijk die der vrouwen heeft bestudeerd, Mühlbach, Frederik de Groote en zijn Hof. III. 17
258
om zich door zulke sprookjes te laten verblinden. Eene vrouw, die nog in hare eerste liefde is en aan hare heilige macht gelooft, verbeeldt zich in vollen ernst, dat de liefde in staat is wonderen te doen en alle zwarigheden en hindernissen te overwinnen. Zij geeft daarom de liefde niet op, zelfs niet als zij eene gewone vrouw is, hoeveel te minder dus, als zij vorstin is. Ook prinses Amalia heeft hare liefde niet opgegeven, zij is er veeleer met eene dwee-pende trouw aan gehecht, die mij, dat beken ik u, zou verschrikken en beangstigen, als ik de eer had haar minnaar te zijn. Neen, prinses Amalia verkeertnuindatparoxys-mus der maagdelijke liefde, dat men liever zoude sterven, dan van zijne liefde afzien. Ook is zij phantastisch genoeg, om te gelooven aan de mogelijkheid zich eens wettig met u te verbinden. Arm schepsel, zij zou de wereld wel naar haar zin willen vormen en met dolkspitsen gelijk met haarnaalden omgaan! Daar prinses Amalia het moest opgeven u op het balkon te spreken, heeft zij op een ander middel moeten peinzen om aan de behoefte van haar hart te voldoen. Het middel was eenvoudig en gemakkelijk te vinden. Men maakte de hofdame tot vertrouwde, men liet haar zweren en sprak met haar een plan af, dat inderdaad sluw mag genoemd worden. Het moest schijnen alsof de heer luitenant von Trenck de freule von der Marwitz het hof maakte; hij moest bij het hofgezelschap zich voordoen, als de zuchtende teede-
re en smachtende minnaar der hofdame; hij moest eind el ijk
dat hofmaken veranderen in een ernstig aanzoek en daardoor verlof verkrijgen om freule von der Marwitz in hare vertrekken zijne opwachting te mogen maken. Dat doet hij nu zeer dikwijls en de goede Berlijners en het geheele dwaze, kortzichtige hof, laat zich daardoor om den tuin leiden en noemt Frederik von Trenck den gelukkigen bruidegom van freule von der Marwitz en niemand vermoedt, dat, als Trenck bij de hofdame is, prinses Amalia er zich telkens ook bevindt en met freule von der Marwitz van rol verwisselt. â Nu, hebt gij den moed, dat alles te loochenen, mijn jonge, teerbeminde vriend?quot;
âIk zie wel, dat het te vergeefs zou zijn,quot; zeide Trenck zuchtend. âGij weet alles. Maar als gij werkelijk eenige vriendschap voor mij gevoelt, zult gij mij zeggen, wie ons aan u heeft verraden!quot;
259
Pöllnitz lachte. âDat hebt 'gij zelve gedaan, mijn vriend, of, zoo gij liever wilt, mijn wereldwijsheid en sluwheid hebben het gedaan. Mijn jonge, onschuldige vriend, een man als Pöllnitz misleidt men zoo gemakkelijk niet; diens oogen zijn scherp genoeg om door den sluier van eene allerliefste, kleine intrigue heen te zien en die te doorgronden. Ik kende prinses Amalia, ik kende u genoegzaam om te weten, dat gij niet zoo snel en zonder eenigen strijd van uwe liefde afstand zoudt doen en nadat ik bij het laatste hoffeest had gezien, met welk een vervelend gezicht gij achter den stoel (Ier freule von der Marwitz stond en hoe bedaard lachend de prinses naar dat zoogenaamde verliefde paar keek, ziet gij, toen wist en verstond ik alles!quot;
âWelaan, daar gij alles weet,quot; riep Frederik von Trenck, âzal ik het ook maar niet meer beproeven u te misleiden. .Ta, Gode zij dank, prinses Amalia bemint mij nog; haar vind ik in de vertrekken der hofdame, aan liaar zijn de brieven gericht, die mijn bediende iederen morgen aan de freule von der Marwitz brengt, van haar zijn de brieven, die hij mij terug brengt. Gode zij dank, Amalia bemint mij nog en eens zal zij mij voor de geheele wereld toebe-hooren, gelijk zij mij nu reeds voor 'het oog van God toebehoort, eens âquot;
âHoud op, houd op,quot; viel Pöllnitz hem in de rede, âgij hebt daar eene uitdrukking gebruikt, die gij mij nader moet verklaren, vóór gij in uw fantastischen gloed voortgaat. Gij hebt gezegd, prinses Amalia behoort u toe voor het oog van God; wat beteekent dat?quot;
âWat dat beteekent?quot; vroeg Trenck verbaasd. âDatbeteekent, dat God, die in onze harten ziet, de eeuwigheid en onmetelijkheid van onze liefde kent; dat beteekent, dat wij onder Gods vrijen hemel, Zijn heiligen naam aanroepend, hebben gezworen, nimmer onzen eed van eeuwige trouw te vergeten, nimmer een andere verbintenis te sluiten.quot;
âZoo, beteekent dat niets anders?quot; vroeg Pöllnitz op ge-rekten toon. âZeg mij, zijt gij werkelijk nimmer alléén met de prinses?quot;
âNeen, nimmer! Ik heb haar mijn woord van eer moeten geven, dit nimmer te zullen verlangen en ik zal woord houden. En waarom zou ik dit ook niet doen? De goede Marwitz stoort ons niet, zij gaat altijd zoo ver mogelijk van
260
ons af zitten, zij doet alsof zij ons in het geheel niet ziet en
wil spreken beiden zoo zacht, dat zij ons niet kan verstaan.
O de freule von der Marwitz stoort u niet!' riep l oll-nit'z 'met een cynisch lachje. âO, Sancta simplicitas, zij stoort hen niet! En dat is een officier van de garde! Ue wereld aaat óf ten gronde, of zij wordt onschuldig en rein als het paradijs. Het is tijd, dat ik sterf, want ik begrijp
de wereld niel meer!quot; . , .. â .,
En ik begrijp u niet, of ik ivil u met begrijpen, zeide Tr'enck ernstig. âGij lacht mij uit en noemt mij een dwazen knaap; dat zij zoo, ik gun het u, want ik weet wel, dat wü elkander op dat punt nimmer kunnen verstaan. Uij zult nimmer begrijpen, welke kracht, welke onthouding, hartstocht en energie er toe noodig is om zich eene zoo kuische reine en verhevene liefde waardig te toonen, als Amalia mij heett toegewijd; gij zult nimmer begrijpen hoe dikwijls de kwade neiging in mijn binnenste met den edelen wil strijdt en worstelt, boe dikwijls ik met tranen van woede en smart tevens, tot God bid, om niet aan den duwel te vervallen. Maar ik heb mij zeiven gezworen deze lietde rein en vlekkeloos als een schitterende banier mijn geheele leven voort te dragen, ik zal mijn eed nakomen, al moest ik er ook door sterven. Laten wij er met verder over spreken. Maar nu, mijn vriend, zeg mij nu, waartoe al die verklaringen, al die ophelderingen moesten leiden en welk doel gij daarmede had?quot;
âNiets anders, vriend, dan u te waarschuwen en u een weiniff tot omzichtigheid te vermanen; want ik geloot, dat niet allen zich door uw spel met Marvyitz laten misleiden. De koning, die niets schijnt te zien, ziet evenwel alles, luj heeft overal zijne spionnen en weet alles, wat m zijne familie geschiedt. Neem u dus in acht zeg ik u en wees
steeds op uwe hoede.quot;
Ik zal het doen en dank u voor uwe waarschuwing, vriend,quot; zeide Frederik von Trenck, de hand van den opper-ceremoniemeester vurig in de zijne drukkend. âSpoe ig zal de verwijdering mijne pogingen te hulp komen, want
quot;ij weet wel, dat-wij over eenige weken weder naar bilezie
rukken en dat de koning reeds in alle stilte zijne toerustingen
begint, te maken.quot;
âIk weet het en ik beklaag u!quot;
2G1
âBeklaagt gij mij? O, gij weel dus nog niet, dat ik naar den eersten veldslag haak, als een minnaar naar den eersten kus van zijn geliefde en dat voor mij het slagveld een gezegende tuin is, waarin voor mij lauweren en mirten groeien, die ik moet veroveren, om daaruit kransen voor mijne bruid tp maken, bruiloftskransen, mijn beste Pöllnitz! Aan gene zijde van het bloedige slagveld ligt mijn vorsten-titel en Amalia's bruidskrans!quot;
âDweeper, (jnverbeterlij ke dweeper,quot; riep Pöllnitz lachend. âNu, de hemel geve, dat gij niet op het slagveld den dood, of aan gene zijde van het slagveld de gevangenis vindt, waar gij in allen gevalle meer kans op hebt, dan op een vorstentilel. Maak u dus dezen tijd nog ten nutte en geniet uwe phantastische rendez-vous. Heden heeft er weder een plaats, niet waar?quot;
âNeen, niet heden, maar morgen'!quot;
âMorgen? Dan is er immers hofbal bij de regeerende koningin.quot;
âEn juist vóór het begin zal ik bij de prinses zijn. O, vriend, morgen namiddag te vijf uur denk dan aan mij. Ik zal dan de gelukkigste en benijdenswaardigste aller stervelingen zijn. want dan ben ik bi] mijne geliefde!quot;
âAch, ach, wat is het leven toch verschillend en hoe weinig gelijken de wegen der stervelingen op elkander!quot; zeide Pöllnitz al zuchtend. âTerwijl gij morgen naar uwe doorluchtige geliefde gaat, zal ik op hetzelfde uur een zeer on-aangenamen, met doornen bezaaiden, gevloekten weg moeten inslaan, dan zal ik naar een woekeraar rnoeten gaan.quot;
âNaar een woekeraar? Dat is inderdaad eene treurige onderneming voor een cavalier, gelijk de heer von Pöllnitz is.quot;
âMaar nog altijd beter, dan naar de gijzeling te gaan, want slechts tusschen de gijzeling en den woekeraar blijft mij de keus over, of gij, mijn waarde vriend, moest u mijner erbarmen en mij honderd Friedrichs d'or kunnen leenen ?quot;
Frederik von Trenck antwoordde niet. Hij ging zwijgend naar zijne secretaire en opende die. De oogen van den baron von Pöllnitz schitterden van vreugde, toen hij zag, dat Trenck deze opentrok op de plaats, waar hij, Pöllnitz, bij ondervinding wist, dat Trenck gewoonlijk zijn geld bewaarde. Doch die vreugde was van korten duur. Trenck nam er niet, gelijk Pöllnzit verwacht had, een rol geld uit.
'262
maar slechts een klein, beschreven en gezold briefje, dat hij Pöllnitz aanbood.
âZiedaar deze schuldbekentenis,quot; zeide hij. ,,Als gij gisteren waart gekomen, zou ik met vreugde bereid zijn geweest, u dezen dienst te bewijzen. Nu is het mij onmogelijk, want gelijk gij ziet, heb ik heden mijn overste, den baron van Jaschinsky, tweehonderd dukaten geleend 1) en nu is mijn beurs geheel uitgeput,quot;
âGij zult haar wel spoedig weder weten te vullen,quot; zeide Pöllnitz glimlachend, âen ik denk, morgen te vijf uur bij uw rendez-vous zult gij niet slechts over de liefde, over God en den sterrenhemel dweepen, maar ook een weinig van aardsche dingen, van geld en goud te spreken hebben. Vaarwel!quot;
Vroolijk lachend nam de heer von Pöllnitz afscheid. Toen hij zich echter op straat bevond, verdonkerde zijn gelaat en nam een sombere hatelijke uitdrukking aan.
âHij heeft geen geld voor mij, maar ik heb zijn geheim en daaruit zal ik ten minste wel eenig geld trachten te persen,quot; prevelde de heer von Pöllnitz tusschen zijne tanden.
âWaarlijk, het geheim van Frederik von Trenk is wel een
paar duizend daalder waard en de koning zal wel een middel vinden, mij die uit te betalen. Maar wacht, het uur van mijn rendez-vous nadert. Ik ben jjtoch zeer nieuwsgierig te weten, hoe men mij midden op straat wil overtuigen, dat de koning geen geld heeft. Ik zal dus heden avond zeer stipt zijn, maar nog vooraf eenige vrienden bezoeken, om te zien, of het mij niet zal gelukken, hun met het farospel ten minste eenige louis d'or af te winnen.quot;
XVII.
HET ZILVERWERK DES KONINGS.
De heer von Pöllnitz begaf zich naar het paleis, aan welks tweede portaal hij door Fredersdorf was bescheiden. Hij was er zeker van niemand te ontmoeten, daar de straten
1
Friedrick von Trenck's Lebensgeschichte. Deel I, pag. 61
263
om elf uur volkomen eenzaam en stil waren. Reeds om tien uur begon te Berlijn de nacht, wan l de ytralen hadden nog geene andere verlichting dan die bij toeval van de verlichte vensters der huizen, van de lantaarns der koetsen en van de fakkels en stanglantaarns, waarmede de bedienden hunne heeren voorlichtten.
Niets bewoog zich in het paleis; de schildwacht ging met droomerigen tred op het binnenplein heen cn weder en in de verte vernam men het eentonige, doffe geblaf van twee honden, die elkander gedurende de stilte van den nacht met hun droefgeestig gehuil onderhielden. De opper-ceremonie-meester begon reeds ongeduldig te worden en meende, dat de vermetele geheim-kamerheer des konings zich misschien eene hoogst ongepaste grap had veroorloofd, toen hij op de nabijzijnde Spree den zachten, afgemeten slag van verscheidene in het water slaande roeispanen hoorde. Haastig snelde Pöllnitz derwaarts en zijne oogen aan de duisternis gewoon, zagen zeer goed de groote, open boot, die juist heel dicht bij de Kurfürsten- Brücke aanlegde.
âHier is het, wij zullen hier wachten,quot; iluisterde eene mannenstem.
âEn naar het schijnt zullen wij niet lang behoeven te wachten,quot; zeide eene andere stem. âDaar zie ik reeds licht aan de vensters verschijnen.quot;
Aan de tot nu toe donkere en stille vensters aan deze zijde van het paleis, werd hot inderdaad plotseling levendig, en hier en daar zag men een tlikkerend licht achter de ramen verschijnen en dan weder verdwijnen. Het licht, dat zich het eerst in de bovenste verdieping had vertoond, daalde nu naar de benedenverdieping en wierp reeds een bleek schijnsel op het groote voorplein, dat zich voorden eersten tuin bevond.
âWerkelijk, men beeft mij niet misleid, er heeft hier iets plaats,quot; fluisterde Pöllnitz, weder naar het paleis snellende, welks voorplein hij juist betrad, toen op de daaruit uitkomende groote trap een zeldzame stoet zichtbaar werd. Vooruit gingen twee bedienden met fakkels, zij werden gevolgd door de twaalf lakeien des konings, beladen met zilveren schotels en kannen, borden en potten, welker oppervlakte hier en daar door het schijnsel der fakkels als met gouden sterren word verlicht, die gelijk dwaal-
'264
lichtjes de trappen afdansten. Achter dezen kwamen twee bedienden met fakkels en vervolgens zag men hetbleeke, ernstige gelaat van den geheim-kamerheer Frederdorf verschijnen.'Püllnitz snelde op hem toe en werd door Freders-dorf met een droevigen glimlach verwelkomd.
âGij zijt stipt verschenen,quot; zeide Fredersdorf. âNu wilt gij u zeker ook overtuigen, dat de koning geen geld heeft? '
âZeker wilde ik dat, want die overtuiging zou mij mijne laatste hoop hebben gekost en om die op te geven, daartoe besluit men moeielijk.quot;
âNu zult gij daartoe, denk ik, wel moeten besluiten. Kom mede! Laten wij de bedienden volgen.'
Hij nam den arm van den opper-ceremoniemeester enging met haastige schreden naar den oever van de Spree. De groote boot, die er vroeger zoo stil in de duisternis had gelegen, was nu helder verlicht, door de fakkels der vier bedienden,die zich aan beide zijden hadden geplaatsten eene levendige beweging heerschte er in. De twaalf lakeien droegen, hijgend onder hun zwaren last, al deze zilveren borden en schotels, deze groote bokalen, kannen en bekers den smallen trap af, in de boot, waar zij ze op elkander stapelden en toen opnieuw aan land sprongen.
âWii gaan weder naar de schatkamer, gaat gij mede?quot; vroeg Fredersdorf.
âWel zeker ga ik mede,quot; zeide Pöllnitz, âof gij moest mij hier als schildwacht bij het zilverwerk willen gebruiken.quot;
âNiet noodig, er zijn vier soldaten met geladen geweer in de boot. Kom mede.quot;
Met haastige schreden, zonder te spreken, snelden allen weder de trappen op, de gangen door, tot aan dat groote, ruime vertrek, wel^s deur van zware grendels en sloten voorzien was. Die deur was nu geopend en het vertrek door schildwachten bezet, terwijl de opzichter van het koninklijke zilverwerk met een treurig, gramstorig gelaat voor den ingang heen en weder ging.
âMag ik binnentreden, Melchior?quot; vroeg de heer von Pöllnitz, den veeljarigen bekende met een vriendelijk lachje begroetend.
. âDat behoeft gij mij niet meer te vragen,quot; zeide Melchior treurig. âGelijk gij ziet, is mijn lijk uit, want als er geen zilverwerk meer is, als de schatkamer leeg is, zal men na,-
luurlijk geen zilverbewaarder meer iioodig liobbeu en de oude Melchior zal even goed op zijde worden geschoven, als alles, wat uit den goeden, ouden lijd van den zaligen koning nog is overgebleven.quot;
De heer von Pöllnitz hoorde hem niet, hij was met Fredersdorf de schatkamer binnengetreden en liet zijne blikken weiden over die rijke schatten, die voor hem opgehoopt lagen en nu door de bedienden in groote zakken werden gepakt.
âAch, als die borden en schotels konden spreken en zich met mij onderhouden, welke vreemde dingen zouden wij elkander dan toe te vertrouwen hebben!quot; zeide Pöllnitz, terwijl hij een der borden op zijne vingertoppen liet dansen. ,Hoe dikwijls heb ik er van gegeten, zoowel bij gelegenheid van de schitterende gala-diners onder den pracht-1 levenden Frederik den Eerste, als bij de eenvoudige familiediners onder den huisvaderlijken koning Frederik Wilhelm den Eerste. Hoe dikwijls heb ik mijn eigen lachend gelaat gespiegeld in den schitterend gepolijsten rand dezer borden en met de zilveren vork de lekkerste beten van den bodem dezer schotels naar mijn mond gebracht. Waarlijk, Fredersdorf, het is inderdaad eene edele bestemming, een spijsscho-tel te zijn; op hare oppervlakte liggen de genietingen en de levenskracht der geheele menschheid. Maar zeg mij toch om Gods wil, hoe kunt gij het toch dulden, dat die kerels op zulk eene onbehoorlijke wijze met dat koninklijk tafelgoed omgaan. Ziedaar die lakei heeft waarachtig eene van die schoone saladeschotels geheel ineen gebogen, om haar nog in den zak te krijgen.quot;
âBeste baron, dat komt, omdat gindsch stuk niet meer noodig heeft saladeschotel te zijn.quot;
âGij spreekt in raadsels, die ik niet versta. Maar waarlijk, die kerels hebben hunne twaalf zakken nu reeds gevuld en de schatkamer ziet er nu zoo eenzaam en leeg uit als het hart van een oude juffer. Zeg mij nu om Gods wil, waar wilt gij heen met al dat zilverwerk.quot;
âHebt gij het dus niet geraden ?quot;
âIk denk, dat de koning, die nu in Potsdam resideert, daar ook zijn zilverwerk wil hebben en hij laat het servies uit het paleis te Berlijn daarheen brengen, omdat hij geen geld genoeg heeft, zich eene eigene schatkamer voor Pots-
266
dam aan te leggen. iNiet waar, heb ik goed geraden ?
âGij zult het terstond vernemen. Laten wij de bedienden weder volgen, want gij ziet wel, dat de schatkamer thans tamelijk leeg is. Vaarwel, Melchior. Gij zult nu een gemak-kelijken dienst hebben en niet meer behoeven te vreezen, dat er dieven in de schatkamer zullen sluipen. Kom mede, heer baron.quot;
Zij stapten in de boot, waarin de lakeien de twaait zakken naast de hoog opgestapelde schotels en kannen hadden geplaatst.
,.Zie,quot; zeide Fredersdorf treurig, âdat alles kon worden vermeden, als ik reedo het doel van mijne onderzoekingen bereikt, als ik reeds het geheim ontraadseld had, dal God gelijk een eeuwig groot vraagteeken boven den mensch heeft geplaatst en aan welks spitse hoeken en kanten reeds duizenden geleerde en vernuftige mannen hun hoofd gestoo-ten en hun levensgeluk verbrijzeld hebben. Mijn hemel, er ontbreekt nog zoo weinig aan, vóór ik het bereikt heb; niets anders dan eene verhardende zelfstandigheid en ik heb Gods grootste geheim uitgevorscht: het geheim om goud le maken!quot;
âAch, denkt gij daar nog steeds aan?quot;
âIk denk er steeds aan en zal er aan denken zoo lang ik leef; die gedachte zal bij mij alle andere verdringen, gelijk zij reeds mijne liefde en mijn geluk, mijne rusten mijn slaap heeft gedood. Wacht, wacht slechts! Eens zal ik toch den steen der wijzen hebben gelicht en goud kunnen maken. Dien dag zult gij veel van mij houden, heer baron von Pöllnitz, dien dag zal ik u niet meer moeten bewijzen, dat de koning geen geld heeft, gelijk ik heden heb moeten doen.quot; â
âGij zijt mij het bewijs eigenlijk nog schuldig gebleven, zeide Pöllnitz.
âGij zult het nu hebben, heer baron,quot; antwoordde reders-dorf, terwijl hij in de boot sprong. âNu voorwaarts, voorwaarts, mannen! Heer baron, gaat gij mede?quot;
âWaarheen gaat de reis?quot;
âKom hier, een weinig dichter bij, opdat mijne lippen uw oor kunnen bereiken quot;
Pöllnitz naderde voorzichtig den rand der boot en neigde zijn oor tot Fredersdorf.
267
âDe reis gaat naai' de munt,quot; lluisterde hij. âAl dat mooie zilverwerk moet gemunt worden, want weldra zal de koning geene diners meer geven, maar veldslagen leveren ; de koning verandert dus zijne schotels en borden in klinkende daalders, om zijn leger geen honger te laten lijden. Thans zijt gij er toch van overtuigd, dat de koning inderdaad geen geld heeft om uwe schulden te betalen?quot; , âDaar ben ik thans van overtuigd.quot;
âNu, vaarwel dan! Neemt uwe riemen ter hand mannen! Voorwaarts! Voorwaarts! Gij vaart den Spree-arm binnen, die achter de munt loopt. Juist daar houdt gij stil! De munt is ons doel!quot; 1)
âDe munt is het doel!quot; prevelde de heer von Pöllnitz verdrietig de boot naziende, die langzaam over het water voortgleed en een eigenaardig, wonderbaar gezicht opleverde met hare fakkels te midden der duisternis, zoodat de gouden borduurdsels op de livrei der lakeien en het zilverwerk met schitterenden glans verlicht werden.
Pöllnitz zag hen na, tot de fakkels nog slechts als kleine sterren in de verte llikkerden. Daar gaan zij, al die pracht en heerlijkheid,quot; zeide hij, âdaar gaan zij, de genietingen van den vrede en der stille rust. Het zilver wordt gesmolten, het ijzer en staal zal zijne plaats innemen. Ja, waarlijk, de ijzeren tijd begint! Zij begint ook voor mij! Ach, dat ik mij, even als die borden en schotels, naar de munt kon laten zenden om tot daalders te worden geslagen!quot;
Zuchtend keerde hij terug en hij was zoo verdiept in zijne gedachten, dat hij zelfs vergat aan den bedienden, die hem slaapdronken en met weinig eerbied te gemoet kwam, een stomp tusschen de ribben te geven, de gewone afscheidsgroet van iederen avond.
XVIII.
DE EERSTE BLIKSEMSTRAAL.
Hoewel de heer von Pöllnitz dezen nacht weinig sliep, was hij den volgenden morgen vroolijker dan hij in tijden geweest was.
1
Preusz, Lebensgeschicbte Friedrichs d. Gr. Deel I, pag. 79.
268
Hij bad een plan gevormd en was overtuigd, dat hot zou gelukken. âHeden zal ik honderd dukaten verdienen,quot; mompelde hij tevreden in zich zeiven, toen hij in schitterend toilet zijne woning verliet. âJa zeker, ik zal heden honderd dukaten verdienen en tegelijkertijd revanche nemen op den koning voor het rondtrommelen. Dat belooft dus een ge-zegenden dag voor mij te worden!quot;
Hij begaf zich eerst naar de woning van den overste van Jaschinsky, en liet zich bij dezen om eene zeer dringende aangelegenheid aanmelden.
Dienstvaardig en vol nieuwsgierigheid snelde de overste hem dus te gemoet.
âBreng mij in een vertrek, waar wij zeker zijn door niemand beluisterd te worden,quot; zeide de heer von Pöllnitz.
De overste bracht hem in zijn kabinet.
âHier kan niemand ons beluisteren, heer opper-ceremo-niemeester.quot;
âZonder omwegen dan, heer graaf. Kent gij de wet, die den officieren verbiedt schulden te maken?quot;
âIk ken haar,quot; antwoordde de graaf Jaschinsky een weinig verbleekend. âIk ken haar en geloof, dat de heer baron von Pöllnitz dus zeer blijde kan zijn, niet tot de officieren te behooren.quot;
âMisschien zoudt gij het ook kunnen zijn,heer overste.quot;
âHoe meent gij dat?'' vroeg Jaschinsky op hoogen toon.
âIk meen zeer eenvoudig, dat de heer overste, graaf van Jaschinsky, ook tot de officieren behoort, aan wie de wet verbiedt schulden te maken, maar dat hij zich echter zeer weinig aan deze wet stoort.quot;
âO, gij zijt dus, naar het schijnt, hier gekomen om mij te dreigen?quot;
âHoogstens om u te waarschuwen, graaf. Want gij weet wel, de koning is bijzonder streng jegens zijn garde du corps. Gij zijt overste bij dit schoone regiment en moet zonder twijfel de officieren met een goed voorbeeld voorgaan. Ik weet evenwel niet, of de koning het een goed voorbeeld zou noemen, als hij vernam, dat gij niet alleen schulden maakt, maar zelfs van de officieren van uw regiment geld borgt.quot;
âHeer baron von Pöllnitz!quot; riep Jaschinsky op dreigenden toon.
269
Pöllnitz lachte, en de woorden herhalende, die de graaf kort te voren tot hem liad gezegd, riep hij : âO, naar liet schijnt, wilt gij mij nu dreigen. Laat dat, heer graaf en hoor mij bedaard aan. Ik ben gekomen om zaken met u te doen. Gij hebt van den baron von Trenck eergisteren tweehonderd dukaten geleend. Geef mij er honderd van en ik geef u mijn woord van eer te zullen zwijgen. Weigert gij, dan geef ik u mijn woord van eer, dat ik terstond naar den koning ga en hem de geheele geschiedenis verhaal. Gij weel zeer goed, heer graat, dat hij u dadelijk zou ontslaan.quot;
âIk weet niet, of zijne majesteit zoo onvoorwaardelijk aan de woorden van den heer baron von Pöllnitz zou geloof schenken en aan bewijzen voor uwe bewering zou het u ontbreken.quot;
âWel neen, gij hebt eene schuldbekentenis afgegeven,en ik geloof, dat dit een geldig bewijs is.quot;
De graaf werd bleek en ging in heftige gemoedsbeweging eenige malen de kamer op en neder. âGeeft gij mij uw woord van eer, den koning niets te zeggen, als ik er u honderd dukaten voor uitbetaal?quot; vroeg hij toen.
âIk geef u mijn woord van eer en meer dan dat, ik beloof u, voor u te spreken, als de een of ander het mocht wagen, u bij den koning verdacht te willen maken!quot;
De overste van Jaschinsky antwoordde niet. Hij snelde slechts naar zijne schrijftafel en nam er twee rollen geld uit, waarmede hij den baron naderde.
âHeer baron,quot; zeide hij, âhier is de helft van het geld, dat ik van den luitenant von Trenck voor mij zeiven geleend heb, honderd dukaten. Voor ik ze u geef, moetik u nog slechts om de vervulling van eene bede verzoeken.quot;
âEn die is?quot;
âZeg mij, van wien gij hebt vernomen, dat ik dit geld heb geleend?''
âIk heb uwe schuldbekentenis gelezen, de baron von Trenck toonde ze mij.quot;
âZoo, vertoonde hij ze aan u,quot; zeide Jaschinsky met zulk eene uitdrukking, dat Pöllnitz zeer goed begreep, hoeveel haat, toorn en wraakzucht het hart van den overste ontroerde.
Hij nam het geld uit de handen van den graaf en liet
270
het zachtjes in zijn borstzak glijden. âIk ben u nu honderd dukaten schuldig,quot; zeide hij, âu deze terug te geven, kan ik u niet beloven, maar wel, u behulpzaam te zijn, dat Trenck u nimmer zijne schuldbekentenis zal aanbieden en gij wraak kunt nemen op den schoonen officier.quot;
âWilt gij mij daartoe behulpzaam zijn? Ik schenk u mijn beste paard, als gij. het doet!quot;
âGeloof mij, gij zult gewroken worden,quot; zeide Pöllnitz plechtig. âLaat 'intusschen uw paard maar in mijn stal brengen. Frederik von Trenck zal spoedig zijn invloed verloren hebben, zoodat hij voor niemand, wie het ook zij, meer gevaarlijk kan zijn. Hij is een verloren man.quot;
âEn nu naar den koning,quot; zeide Pöllnitz vergenoegd, toen hij den overste Jaschinsky had verlaten, âJa, naar den koning, ik moet hem loch danken voor het vertrouwen, dat hij mij dezen nacht heelt geschonken.quot;
Hij spoedde zich naar het paleis en liet zich bij den koning aandienen. De koning, die des nachts arbeidde en zich des daags slechts met feestelijkheden en genoegens, met concerten, bals, opera's en balletten scheen bezig te houden, om daardoor zijne krijgstoerustingen in het geheim te kunnen volbrengen, was juist van de repetitie eener nieuwe opera, waarin B^rberina danste, teruggekeerd en was daarom zeer vroolijk en opgeruimd.
Hij ontving zijn opper-ceremoniemeester met vroolijken scherts en vroeg hem lachend, of hij misschien was gekomen om hem bekend te maken, dat hij jood was geworden. âAlle andere godsdiensten hebt gij reeds tweemaal beleden,quot; zeide de koning, âen daar ik weet, dat gij in den laatsten tijd zooveel met joden hebt verkeerd, vermoedde ik, dat gij er nu in uw godsdienstijver aan denkt, jood te worden. Misschien zou dat eene goede zaak zijn, want de joden hebben zeer veel geld en zouden hun nieuwen, voornamen heer broeder zeker naar vermogen ondersteunen! Welaan dus, zeg, zijt gij gekomen, om mij verlof te verzoeken, jood te mogen worden?quot;
âIk ben slechts gekomen, om uwe majesteit dank te zeggen voor het souper, dat ik dezen nacht aan uwe genade te danken had.''
âEen souper? Wat meent gij daarmede?quot;
âUwe majesteit liet het mij op een uwer zilveren serviezen
271
door den geheim-kamerheer Fredersdorf opdienen. Het was wel is waar, eene eenigszins harde spijs, die mij gelijk een steen in de maag ligt, maar ik doe gelijk de soldaten, die door de spitsroeden zijn geloopen, ik kom u bedanken, sire.quot;
âGij zijt volslagen krankzinnig. Maar hoor eens, praat er niet over. Ik wilde u eens kort en bondig bewijzen, dat ik geen geld heb. Om van uwe eeuwige afpersingen en aanvragen bevrijd te raken, liet ik u zien, dat het zilverwerk uit mijne schatkamer naar de munt wordt gebracht om er goede daalders van te maken. Gij zult nu, hoop ik, bedaren en geen geld meer van mij eischen. Als men geld wil hebben, moet men niet meer tot de koningen, maar tot de joden gaan. De koningen zijn arme lieden, de armste ambtenaren van hun staat, want. zij hebben volstrekt geen persoonlijk vermogen; al wat zij hebben, behoort aan het volk. Lodewijk de Vijftiende en ik zijn de beide armste mannen van Europa, want wij hebben volstrekt geen eigendom.quot;1)
âO, mocht de gansche wereld hier zijn, om die verheven en treifende woorden mijns konings te hooren,quot; riep Pöllnitz met goed gekunstelde geestdrift. âZalig is het volk te noemen, dat zulk een heerscher heeft,quot;
De koning wierp hem een zijner doordringende arends-blikken toe. âGij vleit mij, gij wilt dus weder iets van mij hebben,quot; zeide hij.
âNeen, sire, ik zweer, dat ik dit keer met de reinste bedoeling ben gekomen.quot;
âBedoeling! Gij had dus toch eene bedoeling?quot;
âJa, sire, maar thans, nu ik tegenover uwe majesteit sta, gevoel ik toch, dat het mij aan moed ontbreekt te zeggen, wat ik te zeggen heb.quot;
âNu waarlijk,quot; riep de koning lachend, âhet moet eene zeer gevaarlijke aangelegenheid zijn, waarvoor Pöllnitz geene woorden kan vinden.quot;
âSire, woorden, die men spreekt, hebben soms zeer verschillende uitwerking. Eens hebben eenige woorden mij van den dood gered, het kan zijn, dat eenige woorden mij heden bij uwe majesteit in ongenade brengen en dat ware nog erger dan de dood.quot;
1
's Konings eigen woorden.
272
âWelke woorden waren het, die u van den dood hebben
gered?quot; . â
âSire, het waren deze: â Va-Ven, noble guerner.
Dat was dus in Frankrijk?quot;
',In Parijs, sire. Ik at des middags in een klein hotel van het dorp Ãtampes bij Parijs. Naast mij zat een zeei élégant cavalier, die zich ernstig met mij onderhield en de kunst verstond mij op een slimme wijze over mijne betrekkingen uit te hooren. Ik was toen nog een onervaren jong mensch en de heer was sluw in zijne vragen. Het was in den tijd van de Missisippi-speculatie van den groolen financier Law en ik had dien middag in de Rue Quinquem-pois eene som van vier-honderd-duizend francs verdiend, die ik bij mij droeg en waarmede ik dien namiddag nog naar Versailles wilde reizen. Ik was evenwel niet geheel zonder bezorgdheid, want de wegen waren zeer onveilig, daar Cartouche met zijne geheele bende sedert eenigen tijd de omstreken der hoofdstad tot het tooneel van zijne helden-daden had gemaakt. Ik was daarom buitengewoon blijde, toen ik vernam, dat mijn tafelbuur ook naar Versailles wilde rijden, en zich tot mijn geleider aanbood.quot;
âNaamt gij dat aanbod aan ?quot; vroeg de koning lachend. âIk nam het aan, sire en wij bepaalden juist het uur van onze afreis, toen een klein meisje onder de geopende vensters der eetzaal verscheen en met heldere stem zong: Va-Ven, noble giierrier.quot; De vreemde cavalier stond op en ging aan het venster om het meisje een aalmoes te geven, toen ging hij naar buiten en â ik zag hem niet
We(En waaruit maakt gij nu op, dat die woorden u het leven hebben gered? Gij meent dus, dat het een gifmenger was, waarmede gij het middagmaal hebt gebruikt?quot;
âIk meende volstrekt niets, sire, en vergat de geschiedenis. Een jaar later bevond ik mij echter op straat, toen Cartouche ter strafplaats ging. Geheel Parijs was dien dag op de been, om den bevuchten roover te zien. Ik had eene zeer goede plaats, die ik echter ook met twee louis d'or had betaald. De stoet kwam dicht langs mij voorbij en ziedaar, ik herkende in den armen zondaar, die men naar de stralplaats bracht, den éléganten heer uit het hotel te Etampes. Hij herkende mij ook en bleef voor mij staan. âMijnheer
273
zeide hij, âik heb een jaar geleden met u in een hotel gedineerd. De eerste woorden van een oud lied noodzaakten mij toen, het terstond te verlaten, want zij maakten mij bekend, dat de speurhonden der politie mij op de hielen waren. Dat was uw geluk, want zoo ik-u naar Versailles had vergezeld, zouden uw geld en uw leven aan mij hebben toebehoord.quot; ^ âUwe majesteit zal nu wel toestemmen, dat die vier woorden; Va-Ven, noble juerrier, mij het leven hebben gered?quot;
âDat stem ik toe en ik verlang nu de andere woorden te weten, die u thans, naar gij zegt, met mijne ongenade bedreigen. Spreek.quot;
âSire, ik ben sedert meer den veertig jaar een getrouw dienaar van uw doorluchtig huis. Wil uwe majesteit de genade hebben, mij zulks toe te stemmen?quot;
âGetrouw?quot; vroeg de koning. âGij waart ons getrouw, als het in uw voordeel was, gij verliet ons, ais gij ergens anders meer voordeel dacht te vinden. Ik maakte u daarvan een verwijt, maar thans, nu ik de wereld en de menschen beter ken, vergeef ik het u. Ga nu voort met uw roerend verhaal.quot;
âUwe majesteit heeft mij dikwijls bevolen, u alles aan te brengen, wat men in de stad en onder de menschen van de verhevene familie mijns konings spreekt en het u altijd te berichten, wanneer men het waagt, elkander het een of ander lasterpraatje toe te lluisteren.quot;
âWaagt men dat nu?quot; vroeg de koning, en eene uitdrukking van werkelijken angst vertoonde zich op zijn edel gelaat.
âSire, men waagt het!quot;
De koning slaakte een zwaren zucht en ging driftig eenige keeren op en neder. Toen plaatste hij zich aan het venster, Pöllnitz den rug toekeerend.
âSpreek,quot; zeide de koning.
âSire, men fluistert heel zachtjes, dat de jonge luitenant von Trenck de vermetelheid heeft, eene dame te beminnen, die door het lot zoo hoog boven hem is geplaatst, dat hij slechts met eerbied en schroom zijne oogen tot haar zou mogen ophelfen.quot;
1) Tbiebault, Vol. III, pag. 60.
Mühlbaoh, F reder ik de Groote en zijn Hof. III.
18.
274
âMen heeft mij gezegd, dat hij de minnaar van freule von der Marwitz is,quot; zeide de koning.
âDe groote wereld en de stad gelooft dat ook, sire, slechts de ingewijden meenen te weten, dat deze liefde, die zij in het openbaar belijden, slechts eon sluier is, dien de jonge Trenck over eene andere liefde werpt, om haar daardoor voor het oog der wereld te verbergen; eene liefde, die hoogverraad is.quot;
Pöllnitz zweeg. Hij wachtte op een antwoord des konings en zag tot hem op met een boosaardig lachje,dat de koning evenwel niet bemerkte, daar hij nog steeds zijn gelaat van hem afgewend hield.
âMag ik verder spreken!quot; vroeg Pöllnitz eindelijk, âIk beveel het u,quot; zeide de koning gebiedend.
Pöllnitz trad dichter bij den koning. âSire,quot; zeide hij half luid, âthans veroorloof ik mij te zeggen, wat nog memand. weet. De heer von Trenck bezoekt freule von der Marwitz iederen dag, maar als hij daar is, is hij nimmer alleen met haar. Er is steeds eene derde persoon bij dit rendez-vous tegenwoordig.'
âEn deze derde persoon is?quot;
âPrinses Amalia,quot; zeide Pöllnitz zacht.
De koning keerde zich haastig om en de blik, dien hij op Pöllnitz sloeg, was zoo vurig en dreigend tevens, dat een gevoel van vrees het anders zoo onverschrokken hart van den opper-ceremoniemeester bekroop. )
âZijt gij van de waarheid uwer woorden overtuigd?quot; vroeg hij op strengen toon.
âSire, als uwe majesteit zich daarvan wil overtuigen, heeft zij slechts noodig heden namiddag tusschen vijf en zes uur onaangemeld de vertrekken der prinses binnen te treden, dan zal uwe majesteit zien, dat ik de waarheid zeide.quot;
Frederik antwoordde niets, hij trad weder aan het venster en zag zwijgend naar de straat. Toen hij zich weder naar Pöllnitz wendde, was zijn gelaat vroolijk, bijna lachend.
âPöllnitz,quot; zeide hij, âgij zijt een oude vos, maar hebt dezen keer uw hol zeer slecht aangelegd en uw plan van aanval slecht ontworpen. Ziet gij, dezen keer doorzie ik uwe geheele intrigue. Gij zijt boos op den armen Trenck, dat heb ik reeds lang gemerkt; gij zijt boos op hem, omdat gij ziet, dat ik hem genegen ben en omdat gij hovelingen
275
hem steeds als uw vijand beschouwt, die meer in gunst staat dan gij zelf. Trenck staat werkelijk hoog in mijne gunst, want hij is, ondanks zijne jeugd, een geleerd onbekwaam officier en bovendien een zeer beminnenswaardig mensch. Dat kunt gij hem niet vergeven en daarom wilt gij hem verdacht bij mij maken. Het zal u nu evenwel niet gelukken en ik zeg u, dat ik geen woord van uw zotteklap geloof. Ik wil echter dezen keer vergeten, datgene wat gij gesproken hebt. Wee uwer echter, als gij het ook niet vergeet, wee uwer als uwe lippen ooit weder zulke dwaze taal spreken, hetzij tot mij of tot anderen. Ik stel er u verantwoordelijk voor. In uw hoofd is dat geheele dwaze sprookje ontstaan, het is dus uwe schuld, als het zich verder verspreidt en men er in de wereld van spreekt. Regel u daarnaar en maak daarnaar uwe schikkingen. Ik herhaal het u en stel u verantwoordelijk! Ga nu heen en zend mij mijn adjudant, het is hoog tijd voor de parade.quot;
âMis geschoten, glad mis geschoten,quot; zeide de heer von Pöllnitz in zich zei ven, toen hij met eene sierlijke buiging en met een glimlach op de lippen afscheid van den koning had genomen. âIk hoopte ten minste op eene belooning, al was het ook maar die, te zien, dat hij zich ergerde. Maar die man is onkwetsbaar, al mijne pijlen stuiten op hem af!quot;
Had hij evenwel kunnen zien, welk eene uitdrukking van verdriet en zorg het gelaat des konings bedekte, toen hij weder alleen was, had hij kunnen hooren, hoe de koning zuchtte en enkele woorden van moedelooslieid slaakte, dan zou het zelfzuchtige hart van den opper-ceremoniemeester, dat zich verheugde in het leed van anderen, zich voldaan hebben gevoeld.
Maar Frederik wijdde slechts korten tijd aan deze uitbarsting van smartelijke moedeloosheid; hij trok weder den purperen mantel des konings over de van smart trillende borst van den mensch; hij nam het rouwfloers weder van zijne oogen en wapende deze met de bliksemschichten van den toorn der majesteit.
âDit rendez-vous zal geen plaats hebben! Aan die romaneske avonturen moet nu een einde komen! Ik wil het!quot; zeide de koning luide en met eene vastberadenheid, welke slechts zij kennen, wier wil wetten geeft en wier woorden beslissend zijn.
27G
Hij nam zijn hoed en begaf zich naar de voorzaal, waar zijn militair gevolg op hem wachtte, om den koning op de wachtparade te vergezellen.
De koning begroette hen allen met een hoofdknik en hen haastig voorbijgaande, stapte hij de vertrekken door en ging de trappen af.
âDe koning is heden zeer ongenadig,quot; fluisterden de ofii-cieren, toen zij hem met zijne generaals en adj udanten op het plein van het paleis zagen verschijnen. âWee dengene, dien zijn toorn heden treft!quot;
Inderdaad lag er eene onweerswolk op het voorhoofd des, konings, de bliksems zijner oogen waren gereed, hem te verpletteren, die het zoude wagen hun het hoofd te bieden.
Het regiment stond in parade geschaard, de koning ging langs het front. Plotseling bleef hij staan, zijn gelaat was dreigend, zijn voorhoofd was dicht bewolkt. De bliksem in zijn oog had een voorwerp gevonden, dat hij kon verpletteren.
âLuitenant von Trenck,quot; zeide de koning op luiden, dreigenden toon, âgij treedt juist aan. Gij zijt dus weder te laat. Ik verlang van mijne officieren, dat zij nauwgezet zijn in den dienst. Meer dan eens heb ik u reeds toegevendheid bewezen en gij schijnt ongeneeslijk te zijn. Thans zal ik het met gestrengheid beproeven. Heer overste van .laschinsky, de luitenant von Trenck is arrestant tot nader order. Neem hem den degen af en laat hem naar Potsdam vervoeren.quot;
De koning ging verder. Het onweer was ontladen, de wolk was van zijn voorhoofd geweken, vriendelijk en lachend onderhield hij zich met zijne generaals. Geen blik wierp hij achterwaarts, op dien armen, jetagdigen officier, die bleek en sprakeloos zijn degen aan zijn boosrardig lachenden overste gaf en, na een onuitsprekelijk droevigen blik op het koninklijk paleis geslagen te hebben, de beide onderofficieren volgde, die hem'naar Potsdam in arrest moesten brengen.
Dien namiddag wachtte freule von der Marwitz te vergeefs op de verschijning van haar âheimelijken verloofde,quot; dien dag weende prinses Amalia hare eerste tranen en voor de eerste maal ging zij met een treurig gelaat en droevige blikken aan de zijde der koningin-moeder naar de door glans en pracht schitterende danszaal. De glans dier lichten, het ruischen der muziek, het lachen en keuvelen der opgeschikte,
277
vroolijke lieden, dat alles veroorzaakte hare blikken, zoowel als haar hart, onuitsprekelijke smart. Zij zou gaarne met een luiden gil uit die woelige, schitterende heerlijkheid zijn ontvloden, zij zou wel hebben willen vluchten naar de duistere, stille eenzaamheid van hare kamer, om te weenen en te bidden, om aan haar angst en smart den teugel te vieren.
Wellicht las de koning iets van die smartelijke, treurige stemming op het gelaat der prinses. Hij ging naar haar toe, toen zij nauwelijks de balzaal had betreden en terwijl hij haar vriendelijk lacliend de hand gaf, trok hij haar een weinig ter zijde.
âZuster,quot; zei de koning zacht, doch op een toon, die het hart der prinses deed beven, âzuster, verdrijf de wolken van uw voorhoofd en roep een lachje om uwe frissche lippen. Het past eene prinses niet treurig te zijn, als zij op een feest verschijnt. Vooral heden zou uwe treurigheid eene onbetamelijkheid zijn en ik hoop, dat gij u daaraan niet zult schuldig maken. Gij zult dezen avond geen enkelen dans overslaan ; ik wensch het als uw broeder, ik beveel het als uw koning. Richt u daarnaar. Hebt gij alles verstaan, wat ik u gezegd en â niet gezegd heb?quot;
âIk heb alles verstaan, uwe majesteit,quot; fluisterde Amalia, slechts met geweld de tranen weerhoudende, die hare oogen verduisterden.
Prinses Amalia danste den geheelen avond, zij scheen vroolijk en vergenoegden slechts aan het opmerkzame oog van den heer von Pöllnitz ontging het niet, dat haar glimlach gedwongen, hare vroolijkheid gekunsteld was, dat zij hare blikken dikwijls met eene uitdrukking van angsten ontzetting op den koning sloeg, wiens oogen steeds op haar rustten en haar steeds gadesloegen.
Maar plotseling veranderde de uitdrukking van haar gelaat en hare oogen schitterden weder met het vuur der jeugd en van geluk. En dit kwam daardoor, dat freule von der Marwitz, terwijl de prinses in de Francaise naast haar stond, zacht tot haar had gezegd: âStel u gerust, uwe hoogheid. Er is volstrekt geen gevaar. Hij is slechts wegens een misslag in den dienst in arrest gezonden, dat is alles!quot;
Dat was zeker een troost en eene geruststelling. Angst en vrees hadden Amalia zoo zeer aangegrepen, dat deze tijding haar zelfs als eene blij mare toescheen.
278
Eene overtreding in den dienst was zulk eene kleine, onbeduidende zaak. Die was met eenige dagen lichte gevangenschap geboet. Dan kwam hij terug, dan zag zij hem weder, dan zou zij weder die heerlijke uren vol geluk smaken, waarin zij zich in ongestoorde zaligheid met hem onderhield.
Maar Amalia had zich bedrogen, er verliepen eenige dagen en hij keerde niet weder. Zij wist niets anders van hem, dan dat hij te Postdam in arrest was. Acht dagen gingen voorbij en nog keerde Trenck niet terug, Trenckwasnog altijd arrestant. Deze harde straf over een gering misdrijf begon intusschen reeds opzien te baren bij de makkers van Trenck; de officieren, die hel niet waagden hun ongenoegen luide uit te spreken, toonden evenwel een misnoegd gelaat en bewolkte trekken.
âOverste Jaschinsky,quot; zeide de koning den negenden morgen, âbegeet u naar den arrestant Trenck en geef hem den goeden raad, mij om vergilfenis te laten verzoeken. Zeg hem, dat gij gelooft, als hij dat deed, dat ik hem dan zou vergeven en zijn arrest opheffen. Gij zult hem dit evenwel niet officieel zeggen, maar slechts vriendschappelijk, alsof het een raad is, dien gij hem uit vriendschap geeft. Let dan goed op, wat Trenck u antwoordt en rapporteert mij dat, overeenkomstig de strengste waarheid.quot;
Na een uur keerde de overste met een vergenoegd lachje terug.
âWelnu, zal hij het doen?quot; vroeg de koning.
âNeen, Sire. Hij zegt, dat hij voor zulk een klein misdrijf reeds te hard is gestraft; hij zou zich niet zoo zeer vernederen, om de opheffing eener onrechtvaardigheid te verzoeken.quot;
âDan zal hij nog langer in arrest blijven,quot; zeide de koning, terwijl hij Jaschinsky ontsloeg. Toen hij alleen was, ging de koning nog langen tijd op en neder, met de handen op den rug, gelijk hij gewoonlijk deed, als hij in gedachten was verzonken.
âEen hoofd van ijzer, een hart vol vuur,quot; mompelde hij. âBeiden nog zoo jong, zoo fier, zoo vermetel in liefde! En dat alles moet ik verbreken, al die bloesems moet ik ontbladeren ! Treurige bestemming! Waarom moeten wij ophouden mensch te zijn, omdat wij koningen zijn?quot;
'279
Andermaal verliepen acht dagen, acht dagen van feesten, concerten en bals, waarop prinses Amalia nimmer mocht ontbreken, waarop zij in den vollen glans van het toilet, met rooskleurige wangen, haar hoofd getooid met bloemen, verscheen. Maar die rozen op hare wangen waren kunstmatig door het blanketsel te voorschijn geroepen en haar treurig lachje paste weinig bij de bloemen in het haar.
De koning, die onder de schaduw dier weelderige en schitterende feestelijkheden, ongemerkt zijne toebereidselen voor den oorlog had geëindigd, mocht nu dat vroolijke, zor-gelooze masker van zijn gelaat nemen; hij mocht het geborduurde balkleed afleggen en den soldatenrok aantrekken. De dansmuziek zweeg, de feesten waren geëindigd. Het zilverwerk der koninklijke schatkamer was in blanke daalders veranderd. Alles was gereed. De koning verliet Berlijn en begaf zich met zijn staf naar Potsdam.
Op den dag zijner aankomst te Potsdam, beval hij zijn adjudant, den generaal von Borck, den luitenant von Trenck uit zijn arrest te ontslaan en hem met een blief aan de koningin-moeder naar Berlijn te zenden, waar hij tot den anderen dag met verlof mocht blijven.
âNu zal ik zien, of zij mij hebben begrepen,quot; zeide de koning in zich zeiven. âIk heb hun eene harde les gegeven; zoo zij die niet hebben begrepen, zijn zii ongeneeslijk en dwingen zij mij tot strengheid!quot;
Neen, zij hadden deze les niet begrepen; neen, zij waren niet omzichtig, niet wijs, niet scherpzinnig genoeg, het dreigende zwaard te zien, dat hun boven het hoofd hing; neen, hunne armen, waarmede zij elkander omvat hielden, strekten zij niet uit om dit laatste, zwakke plechtanker te grijpen, dat niet de koning, maar de broeder hun had toegestaan. Zij waren verloren, zij moesten te gronde gaan!
Den anderen morgen, gedurende de parade, naderde Fre-derik von Trenck den koning. Hij was juist van Berlijn teruggekeerd; zijne wangen gloeiden nog van den harden rit en in zijne oogen lag nog eene schemering van dien vreugdestraal, dien de liefde er in had geworpen.
âUwe majesteit, ik meld mij aan,quot; zeide Frederik von Trenck met zijne frissche jeugdige stem.
De koning zeide niets, hij zag den schoonen, door gezondheid, kracht en levenslust schitterenden jongeling met
280
een blik vol diepe meewarigheid, vol eindelooze treurigheid aan.
Frederik von Trenck zag dat niet.
âBeveelt uwe majesteit, dat ik mij naar het eskadron te Eerlijn begeve?quot; vroeg hij met de onbezonnenheid van zijn hartstochtelijk verlangen en van zijne fiere liefde.
Nu schoot een toornige bliksemstraal uit de oogen des konings.
âVan waar komt gij'?quot; vroeg hij streng. â¢
âVan Berlijn, uwe majesteit.quot;
âWaar waart gij, voor gij naar Berlijn reedt?quot;
âIn arrest, Sire!quot;
âGa dan weder naar de plaats, waar gij geweest zij t,â dat beteekent, in arrest.quot; 1)
En Frederik von Trenck bleef in arrest, tot alle toebereidselen waren afgeloopen, tot het leger zich gereed maakte om uit te rukken en de koning zijne officieren om zich heen verzamelde, ten einde hun te zeggen, dat de tijd van rust voorbij was en zij weder naar Silezië zouden trekken tot den bloedigen strijd en, zoo God het wilde, tot de blijde overwinning!
Den dag dat zij opmarcheerden, werd Frederik von Trenck uit zijn arrest ontslagen. De koning ontving hem met een genadig lachje en beval hem, in zijn onmiddellijk gevolg te blijven.
Trenck's kameraden benijdden hem om deze groote koninklijke gunst, om het vriendelijke lachje des konings, om de genadige woorden, die de koning dezen dag meer dan eens tot hem richtte.
Niemand begreep, waarom Trenck, bij al deze teekenen der koninklijke genade, zoo treurig en afgetrokken kon blijven. Niemand begreep, hoe hij, anders een der dapperste en moedigste officieren, heden bij het uittrekken met gebogen hoofd en heimelijke zuchten, niet fier en opgericht, maar in gedachten verzonken, peinzend op zijn paard zat. Niemand begreep het dan de koning, wiens teergevoelige ziel in iedere aandoening deelde, met iedere smart medelijden had.
Zij allen, die heden vertrokken, hadden afscheid genomen van hen, die zij beminden, â Trenck alleen niet. Zij allen
1
Dit geheele gesprek is histoaisch. Zie Priedrich von Trenck's Lebensgffschichte. Band. I. S. 43.
281
namen een zegen, een liefdegroet, een laatsten handdruk een laatsten traan mede in den slag, â misschien in den dood.
Trenck alleen vertrok zonder kus en zonder zegen. Trenck alleen had geen afscheid genomen!
En evenwel had het geluk reeds afscheid van hem genomen en daarmede de liefde en de hoop, want gelijk hij daar heen rijdt, den strijd, den slag, de overwinning te gemoet, zal de toekomst hem geen vreugde meer opleveren!
Tranen volgen hem na, tranen zullen voortaan zijn deel zijn.
I3ERDE BOEK.
OORLOG EN VREDE.
I.
DE TOONEELSPELER IN HALLE.
Met gefronsd voorhoofd en in hevige gemoedsbeweging ging professor Gotthilf August Franke in zijne studeerkamer heen en weder. Wat was toch de reden, dat de gramschap zich zoozeer had meester gemaakt van den vromen, god-vruchtigen professor, die door de vrome lieden in Halle hun heer en meester genoemd werd en die bij de piëtisten als een hunner ijverigste en geleerdste voorvechters bekend stond?
Het moest wel iets verschrikkelijks zijn, dat den vromen professor zoo opgewonden deed zijn en hem zijne gewone christelijke minzaamheid zoozeer deed veronachtzamen. Zelfs toen twee zijner collega's bij hem binnenkwamen, week de wolk niet van zijn voorhootd, integendeel, want ook de gelaatstrekken zijner amblgenooten gaven droefheid, bezorgdheid en misnoegen te kennen.
Zuchtend en met een veelbeteekend hoofdschudden gaf Franke beide heeren de hand.
âIk dank u, waarde vrienden en ambtgenooten, dat gij aan mijne uitnoodiging hebt gehoor gegeven en de goedheid hebt gehad, tot mij te komen,quot; zeide Franke plechtig. âHet is een bange en treurige tijd, waarin de rechtvaardigen en vromen eensgezind en getrouw elkander moeten helpen om de zonde en den hoogmoed der ijdele, wereldsche kinderen te kunnen weerstaan. O, vrienden, hoe bedorven is onze tijd en hoe weinig verdienen de menschen waarlijk, dat
283
wij ons over hen erbarmen en hen van de zonde trachten te bevrijden. God heeft ons tot deze zaak geroepen en dus moeten wij als getrouwe knechten de bevelen van onzen Heer vervullen. Het antwoord van het generaal-direc-torium op ons verzoekschrift is heden bij mij, als tijdelijk rector van onze universiteit, ingekomen.quot;
âHa, eindelijk dus,quot; riep professor Biermann. âEindelijk staan wij aan het doel en de plaag, die ons sedert weken doet lijden, zal ophouden.quot;
âEn de duivel zal huilend moeten ontwijken voor het heilige kruis, dat wij hem zullen voorhouden!quot; riep professor Heinrich op scherpen toon.
Professor Franke zuchtte diep. âMijne waarde vrienden,quot; zeide hij, âniet altijd wordt het billijk verlangen van de dienaren des Heeren met de goedkeuring der koningen bekroond. Het generaal-directorium heeft zich wegens ons verzoekschrift tot koning Frederik de Tweede gewend om bericht en deze heeft ons verzoek afgeslagen.quot;
âAfgeslagen!quot; riepen de beide professoren, met de uitdrukking der grootste verbazing.
âJa, atgeslagen! De koning laat ons door het generaal-directorium melden, dat op het verzoek van den senaat der universiteit te Halle, dat de tooneelspelers uit onzen zetel der muzen zouden mogen worden verwijderd, geen gevolg kon worden gegeven, dat men veeleer om in deze zaak verder te beslissen, eerst moet afwachten, of dit komediantenvolk hier te Halle werkelijk tot wanorde aanleiding geeft en dat eerst dan, als er werkelijk zulk een geval plaats heelt, wij ons weder met onze bezwaren tot het departement der geestelijkheden mogen wenden.quot; ')
âDat is eene ongehoorde onrechtvaardigheid,quot; riep professor Biermann.
âEen nieuw teeken van de goddeloosheid en vrijgeesterij des konings,quot; zeide professor Heinrich zuchtend. âWaarlijk, deze koning legt het er op toe, de heilige kerk ten val te brengen en de vrome dienaren des Heeren tot martelaars van hun geloof te maken. Immers drie vrome geestelijken, diein Koningsbergen tegen de komedie predikten,hebben van
1) Charakter Friedrich's der Zweiten. Von dem Ober-Consistorial-KatU Ur. Büsching. l'ag. 55.
284
den koning eene eigenhandige en scherpe terechtwijzing gekregen ; zoo ook de vrome en aan hun plicht getrouwe zielverzorgers aldaar, die in echt christelijke verontwaardiging over zulk een goddeloos bedrijf een tooneelspeler op zijn sterfbed het avondmaal weigerden. Mijn broeder is een van die vier geestelijken en hij heeft mij gisteren in een brief uitvoerig verslag van deze zaak gegeven. De koning heeft aan de vier vrome dienaren Gods, door het generaal-direc-tdrium, een hoogst ongepast en oneerbiedig antwoord doen toekomen; hij is zelfs zoo ver gegaan, hen met onmiddelijke afzetting te dreigen, als zij zich niet tot iedereen, wie hij ook zij en onverschillig tot welken stand hij ook moge behoo-ren, begeven, zoodra hij hunne vertroosting verlangt en hun bijstand noodig heeft. Ja, de koning heeft zelfs bevolen, dat de komedianten, als waren zij eerlijke menschen, op de christelijke kerkhoven mogen begraven worden.quot; 1)
âDat is ongehoord,quot; zeide professor Franke zuchtend.
âDat is eene godslastering!quot; zeide professor Biermann steunend. âEene godslastering, waarvoor de Heer derheir-scharen den koning eens zal straffen en rekenschap zal vragen.quot;
âLaat ons intusschen niet vergeten, dat wij van onzen rechtmatigen heer en koning spreken,quot; zeide professor Franke angstig.
âVergeet hij dan niet, dat zelfs een koning aan de dienaren Gods eerbied schuldig is?quot; vroeg Biermann. âVervolgt hij niet stelselmatig de kerk en ons, hare vrome en onberispelijke dienaren?quot;
âJa, ja, het is zijne bedoeling ons allen te vernietigen,quot; zeide Heinrich. âHet is zijne bedoeling de kerk te verwoesten en uit hare puinhoopen en heilige tempelen der vreugde en heidensche godshuizen op te richten. Zie slechts om u heen en gij zult zien, hoe hij allenvege het ware christendom en de vrome priesters des Heeren vervolgt; zie om u heen en merk op, hoe hij met al zijne nieuwe wetten den goeden ouden tijd, de tucht en orde, de eerbaarheid en vroomheid bespot en het er ten eenenmale op toelegt, aan de geheele wereld te toonen, dat hij de kerk en hare priesters veracht. Zelfs geen enktde maal, sedert zijne troonsbeklimming, is
1
Preusz, Friedr. d. Gr. Tb. Ill, pag. 3G8.
285
hij naar het heilig avondmaal gegaan; eene preek heeft hij slechts nu en dan, en dan nog maar pro forma bijgewoond. Overal heeft hij de inkomsten der kerk beperkt en in plaats van het monster der secten te beteugelen en hunne snoode nieuwigheden met een rechtvaardigen banbliksem te treffen, heeft hij hun toegestaan, zich vrij te ontwikkelen en vrij en openlijk hunne leer te verkondigen. Aan de Katholieken heeft hij de vrije uitoefening hunner godsdienst vergund; ja, er loopt zelfs een gerucht, dat hij hun wil veroorloven, te Berlijn, in het hart van het Protestantsche Pruisen, eene kerk te bouwen. Aan de Broederschap der Unitarissen in Silezié heeft hij eene geheele concessie gegeven en hun volle vrijheid tot uitoefening van hunnen godsdienst verleend. 1j Daarentegen heeft hij de huiselijke bidstonden en de avondpreeken in de kerken verboden, den priesters het proselieten maken ontzegd en om aan den christelijken godsdienst het grootste gevaar te bereiden, den vrijdenkers en zoogenaamde philosophen verlof gegeven, vrij en onbeschroomd hunne god verzakende meeningen te uiten. Wolf, die door den vromen koning Frederik Willem uit het land was gebannen, heeft hij teruggeroepen en daarbij nog beweerd, dat die een rechte voorvechter der waarheid zou zijn. 2) Alsof de waarheid ergens anders kon wortel schieten, dan in het strenge, orthodoxe christendom, dat niet philosopheert, maar gelooft en zich doodeenvoudig aan de heilige schrift en de vrome kerkvaders houdt.quot;
De beide professoren hadden de lange, onafgebroken rede van hun collega met eenig ongeduld aangehoord. Toen hij nu zweeg en hen beiden triomfeerend aanzag, gaven zij hem echter niet die teekenen van goedkeuring en bewondering, die hij had verwacht.
âDat is alles waar,quot; zeide Franke, âmaar deze ophelderingen voeren ons een weinig te ver van het eigenlijke doel van ons gesprek af! Er is hier sprake over een bijzonder geval,
1
Büsching, Charaktcr Friedr. d. Gr. Pag. 132 en volgende.
2
Over den wijsgeer Wolf schreef de koning aan den proost Reinbeck: âIk verzoek u, ter wille van AVolf moeite te doen. Een mensch, die de waarheid zoekt en haar lief heeft, moet in eiken maatschappelijken stand gewaardeerd worden en ik geloof, dat gij eene conqnête voor het rijk der waarheid hebt gemaakt, als gij Wolf persuadeert hier te komen. Büsohing, pag. 42.
280
over het afwijzend antwoord, dat de koning op het verzóek van onzen senaat heeft gegeven, over de weigering dei-eenvoudige en billijke bede: het voortgaan met spelen van dezen komediantentroep, van dat bijeengeraapt gespuis, te verbieden. De koning heeft dit verzoek afgeslagen; dat is inderdaad tegenover de stad en de studenten eene groote nederlaag voor onzen senaat, want wij hadden de vervulling van ons verzoek als zeker beschouwd. Wij hebben er over gesproken als over eene uitgemaakte zaak en nu zullen wij het moeten dulden, dat men ons uitlacht en bespot.quot;
âDat is nog zoo erg niet,quot; zeide Biermann, âwat bekommeren wij ons om den spot van die nietige, onwetende menschen, wier erbarmelijke zwakheid toch nog niet in staat is, den troon te doen wankelen, dien wij ons op de hoogte van de wetenschap, het geloof en de kennis hebben opgericht, en wier spot ongehoord aan onze voeten wegsterft. Maar het geloof, de kerk, de wetenschap wordt door deze gebeurtenis in gevaar gebracht en dat maakt mij treurig en bezorgd.quot;
âJa, wel is dat treurig,quot; zeide professor Heinrich zuchtend. âDe studenten hebben voor niets anders meer zin en gedachten, dan voor dit triviale tooneel. Zij verwaarloozen hunne studiën, zij verzuimen hunne colleges en in plaats, gelijk het past, hun geld voor hunne studie te gebruiken en voor de colleges te besteden, geven zij het uit voor schouwburg-billetten, voor bloemen en kransen, die zij, o ongehoord schandaal, der vrouwen op het tooneel toewerpen!quot;
âIk heb in dit halfjaar op mijn collegium slechts drie betalende toehoorders,quot; zeide professor Biermann.
âIk, die voorheen altijd een zoo talrijk auditorium had, heb thans nauwelijks zoo veel toehoorders, om behoorlijk te kunnen lezen,quot; zeide professor Franke; âen van deze toehoorders heeft geen enkele betaald, maar allen hebben uitstel gevraagd voor het betalen van het honorarium.quot;
âMaar dat gaat niet, dat kan niet gaanT' kermden alle drie. âWat moet er van de wetenschap worden, als zulk eene wanorde in zwang komt en de professoren óf slechts voor ledige zalen óf slechts voor nietbetalende leerlingen moeten lezen.quot;
âIk had een privatissimum aangekondigd over de mysteriespelen der middeleeuwen,quot; zeide professor Biermann. âBij
287
die algemeene geestdrift voor het tooneel,hoopte ik daarmede iets te krijgen en de studenten te loklien. Te vergeefs, geen enkele heeft zich opgegeven, zij brengen hun geld des avonds naar de kas van het theater, in plaats van des morgens naar den pedel der universiteit. Gij . . .
Juist ging dedeuropen en de binnentredende meid meldde, dat beneden een heer stond, die Eckhof heette en volstrekt den heer professor Franke wenschte te spreken.
âEckhof!quot; riepen alle drie ontzet, en de oogen der beide vrienden richtten zich met wantrouwende blikken op Franke, die evenwel deze blikken met fiere bedaardheid doorstond.
âEckhof! Verkeert gij met Eckhof? Durft die tooneel-speler het wagen uw drempel te betreden?quot;
âHij waagt het ten minste,quot; riep Franke toornig. âHij is zoo vermetel, bij mij in te dringen. Welnu, laat ons hooren wat hem daartoe recht, geeft. Wij zullen hem laten binnen komen.quot;
Hij gaf een teeken aan de meid en deze ging heen om het den heer Eckhof te melden.
De drie professoren namen eene ernstige, strenge houding aan en namen plaats op de hooge, met zwart leder overtrokken stoelen, waarmede het studeervertrek van den geleerden heer gemeubeld was. De deur ging open en met een lachend gelaat en schitterende oogen trad Eckhof binnen. Zijn hooge, krachtige gestalte, zijne edele, vrije en ongedwongen houding, zijn open, schoon gelaat, dat alles stak zonderling at. bij die stijve, ineengedrukte, ernstige mannen, wier gelaat bewolkt, wier blikken somber en stuursch waren.
Geen hunner stond op om den binnentredende welkom te heeten. Gelijk drie mannen van het veemgericht zaten zij door. Eckhof was in hunne oogen slechts de overtreder, dien zij verhooren en veroordeelen moesten.
Eckhof ging regelrecht op Franke toe en zich diep voor hem buigende, bood hij hem zijne hand aan.
âVeroorloof mij, u, hooggeleerde,quot; zeide hij, âeene hand te geven. Met is een groet, dien de kunst, door mij, haar onwaardige plaatsvervanger, aan 'de wetenschap wenscht te brengen, aan de wetenschap, door u, haar verheven en roemwaardig licht, vertegenwoordigd.quot;
Maar professor Franke nam deze hand niet aan, hij stond
288
slechts van zijne plaats op en zeide: âMag ik vragen, aan welk zeldzaam toeval ik do eer van uw bezoek te danken heb?quot;
Eckhof zag hem met bevreemding aan en liet met smartelijke verbazing zijne hand zakken. âU, hooggeleerde, noemt het een toeval, dat ik hier ben ?quot; zeide hij. âHet bevreemdt u, dat de tooneelspeler bij den rector magnificus der universiteit komt. Maar van waar die bevreemding, mijnheer? De kunstenaar is toch steeds de ware, ofschoon jongere broeder van den geleerde, en zoo de wetenschap niets wil weten van de kunst en de kunst niets weet van de wetenschap, is het voor beiden een treurig teeken van hun verval en hunne ontaarding.quot;
De drie professoren zagen elkander met wezenlijke ontsteltenis aan; die onbeschaamdheid van den tooneelspeler deed hen verstommen, zoodat zij geene woorden konden vinden om hunne verontwaardiging licht te geven.
âIk ben gekomen, hooggeleerde heer, om u een verzoek te doen,quot; ging Eckhof voort; âen ik ben zoo vrij, deze beide waardige heeren in miin verzoek te doen deelen. Hij is heden mijn benefiet; ik heb daartoe de schoone tragédie âBritan-nicusquot; van den grooten Voltaire uitgekozen en het zelf gewaagd haar te vertalen. Ik geloof, dat het publiek, dat mijne voorstellingen in Halle met zijne buitengewone gunst vereert, in dit verheven gedicht een nieuw genot zal smaken en, even als altijd, in menigte naar dit nieuwe stuk zal toestroomen. Reeds zijn alle billetten voor den avond van héden verkocht en tot mijne vreugde zijn meer dan tweehonderd door studenten, die echte jongeren der kunst, genomen. Opdat echter de avond zijne werkelijke wijding' ontvange, ontbreekt mij nog iets, ontbreekt mij de tegenwoordigheid van den waardigen heer rector magnificus, de tegen waardigheid der professoren, de eerbied inboezemende mannen der wetenschap; daarom, magnifice, daarom kom ik hier. Ik wilde u verzoeken, mijn benefiet heden avond de eer van uwe tegenwoordigheid te schenken en eenige der heeren professoren, die hier tegenwoordig zijn, door uw voorbeeld over te halen u, hooggeleerde heer, naar den schouwburg te begeleiden. Tot dit doel ben ik zoo vrij hier zes billetten neder te leggen, door welker gebruik gij, hooggeleerde heeren, mij buitengewoon zoudt verblijden.quot;
289
En met een minzaam lachje buigend, legde Eckhof op de met folianten en geschriften bedekte tafel zijne zes biljetten voor de loge, die zonderling afstaken bij de folianten en het met geleerdheid bezwangerde stof der tafel.
Professor Franke's trekken werden hoe langer hoe somberder en zijn anders zoo koud en dof oog schoot nu bliksems.
âGij gelooft dus in vollen ernst, mijnheer, dat ik, de rector der universiteit, de professor in de theologie, ik de doctorp/iï'/oso/j/uae, Gotthilf August Franke, in het onheilige aan den duivel gewijde, komediegebouw zal gaan?quot; vroeg hij op harden, strengen toon. âGij houdt het voor mogelijk, dat deze lieeren, beide professoren in de godgeleerdheid, gelijk ik zelf, aan den ijdelen, vloekwaardigen komediantentroep oog en oor zouden kunnen leenen ? Neen mijnheer, hoe ontaard, vervallen en onchristelijk onze tijd ook zijn moge, zóó ver is het toch nog niet gekomen, dat de mannen Gods, dat de theologen zich in de holen der ondeugd zouden begeven om die ^wereldsgezinde en triviale vertooningen aan te zien, die het u goeddunkt met den edelen naam van kunst aan te duiden.quot;
Over Eckhofs edel gelaat zweefde eene uitdrukking van diepe treurigheid en een zwaarmoedig lachje speelde om zijne lippen. De beleedigende en trotsche woorden van den geleerden en vromen heer hadden hem evenwel noch vernederd noch gekwetst, zij hadden hem slechts treurig gemaakt, en dat minder om zijnentwil, dan wel wegens hem, die ze gesproken had.
âNog altijd dezelfde onverdraagzaamheid, dezelfde opgeblazenheid,quot; zeide hij zacht in zich zeiven. Toen richtte hij zijn hoofd fier op, en zijne vurige blikken rustten gelijk dolkspitsen op de gelaatstrekken der geleerde heeren.
âGij spreekt daar zeer harde en onchristelijke woorden, mijnheer rector, professor en doctor Franke,quot; zeide hij lachend, âwoorden, die eigenlijk nimmer door een man Gods, door een beoefenaar der wetenschap, die eene grootere mate van wereldkennis bezit, moesten gesproken worden. Want den man Gods betaamt de verdraagzaamheid, den man der wetenschap het juiste oordeel, en den beschaafden man de beleefdheid jegens een ieder. Ik intusschen, die geen professor in de theologie, geen man van wetenschap en mis-Mühlbaoh, Frederik de Groote en zijn Hof. III. 19
290
schien ook geen goed Christen ben, ik vergeef u uwe be-leedigende woorden en zeggelijk Christus; âHeere, vergeef hun, want zij weten niet, wat zij doen.quot;
âDeze heilige woorden worden evenwel in den mond van een komediant tot eene godslastering,quot; zeide de heer professor Heinrich plechtig-
âEn evenwel herhaal ik ze nog eens,quot; riep Eckhof. âHeere, vergeef hun, want zij weten niet, wat zij doen. Gij weet niet, dat terwijl gij over mij het vonnis uitspreekt, u zeiven veroordeelt. Gij weet niet, dat gij over u zeiven den staf breekt, daar gij u veroorlooft, de kunst te bespotten en te verachten, die even schoon, even heilig, even goddelijk is, als uwe geheele godgeleerdheid en wetenschap, de kunst, die God op het toppunt zijner schepping heeft geplaats, als hare schitterendste en welriekendste wonderbloem. Of wilt gij soms in ernst beweren, dat de dramatische kunst, geene kunst, de tooneelspeler geen kunstenaar is? Ik zeg u, ik hen een kunstenaar; God heeft mijn voorhoofd gemerkt, met het heilige teeken van het kunstenaarschap; hij hoeft mij gewijd tot het heilige ongeluk, kunstenaar te zijn. Ja, ik ben een kunstenaar; ik zeg het niet in overmoed, maar in de nederigheid mijns harten, dathuivei't voor de groote en heilige taak, die God mij heeft opgelegd.quot;
âGod, wat heeft God te maken met de komedianten winkel!quot; viel professor Franke met een ruw lachje in de rede.
âGod is overal en op alle plaatsen! God is in het kweelende gezang van den nachtegaal en in het piepen van den krekel; God is in het gelaat der menschen en in de kelk der bloemen. God is in alles, wat aan de waarheid, de schoonheid, de natuur, de gedachte toebehoort; God is dus bovenal in de kunst. Niet de kerk alleen is een huis Gods, ook de schouwburg is het, in het eerste wordt God verkondigd door den mond der priesters, in hettweede door den mond der dichtkunst. O, mijne heeren, gij noemt u professoren der theologie, â welnu, ik noem mij professor der kunst; het tooneel is mijn katheder, het publiek mijn auditorium, en bij den hemel! het is de vraag, waar meer komedie wordt gespeeld, op de kansels en op de katheders, dan op het tooneel!quot;
âNu, waarlijk, dat gaat te ver!quot; riep de heer professor Franke. âGij verstout u den schouwburg eene kerk te
291
noemen en u met de mannen der wetenschap en der geleerdheid gelijk te stellen. Gij weet dus niet, dat de histri-onen van oudsher verachte en verworpen schepsels waren, oneerlijk in hun leven, oneerlijk in hun dood!quot;
âIk weet, dat de grootste geesten van alle tijden voor de histrionen hebben gewerkt,quot; riep Eckhof trotsch. âIk weet dat Aeschylus en Sophocles, Aristophanes en Euripides, nimmer zoo groot en zoo beroemd zouden zijn geworden zonder deze .histrionen, die het volk met geestdrift bezielden voor hunne groote dichtstukken; ik weet, dat de grootste dichters van den nieuweren tijd, dat Engelands Shakespeare en Frankrijks Molière ook histrionen waren, ook behoorden tot die verworpen en verachte schepsels, die door de dwazen en duisterlingen worden veroordeeld en aan wie de bekrompen, kleingeestige en hoogmoedige priesters, die zich de dienaren van den God der liefde noemen, zelfs na hun dood nog de rust van het graf wilden weigeren. Ik weet ook, dat de vloek ons tot zegen is geworden, en dat onze kunst slechts kon gedijen, zoo zij zich als eene marteiares verstaalde, zich sterkte in hare eigene smarten, en zich drenkte met hare tranen en haar eigen hartebloed. Wat groot is, moet lijden en dulden, en wat zich machtig en schitterend zal verheffen uit het stof en de vernedering, moet eerst de wijding van het ongeluk en den doop der tranen hebben ontvangen. â Maar waartoe zeg ik u dat alles, waartoe spreek ik tot u, wier hart door de geleerdheid is versteend, en wier borst door de vroomheid met aanmatiging en trots vervuld is? Ik kwam hier, om u de hand ter verzoening aan te bieden. Men had mij verhaald van die twisten en kwade stemming, die, door den schouwburg veroorzaakt, tusschen de professoren en studenten heerschten. Ik wilde beproeven met een lachje der kunst het fronsen van het voorhoofd der geleerdheid te verdrijven en bij de studenten de liefde voor de wetenschappen op nieuw te doen ontvlammen, zoodat zij zouden gewaar worden, dat de verdedigers der wetenschap ook liefde voor de kunst toonden. Gij, mijne heeren, hebt den fijnen tact en het verstand niet, dat te begrijpen; gij hebt de hand der verzoening van u gestooten, gij wilt oorlog! Welaan, dan zij het oorlog? De kunst heeft hare diamanten wapenen, waarmede zij zeer goed kan strijden tegen de geleerde domheid en de onchristelijke
292
vroomheid. Vaartwel, waarde en geleerde heeren professoren, vaartwel; vaartwel verheven histrionen van het studeervertrek, den katheder en de wetenschap, vaartwel!quot;
Hij boog zich diep, en zonder de van toom en verontwaardiging verbleekte professoren met een enkelen blik te verwaardigen, ging Eekhof de deur uit, beneden naar de straat, waar Joseph Fredersdorf op hem wachlte.
âNu?quot; vroeg deze levendig, âhebben zij de uitnoodiging aangenomen ?quot;
âHet is alles gegaan, gelijk gij hebt gezegd, vriend. Zij hebben mij met beleedigenden hoon afgewezen, en mij trotsch den rug toegekeerd. Maar zij moesten toch hooren, wat ik hun daarop had te antwoorden, en ik denk, mijne woorden zullen hunne verheven ooren eenige smart hebben bereid.quot;
âGij zult nu toestemmen, dat ik gelijk had, niet aan ons geluk te Halle te gelooven, noch aan de innige eensgezindheid van de mannen der wetenschap met de mannen der kunst?quot;
âJa, gij had gelijk, Joseph? Ik zie het nu in. De geleerdheid dezer mannen is een verstijfd, bloemloos moeras, waarin alle hunne betere en menschelij ke gevoelens te gronde gaan. Professoren noemen zij zich? Eunuchen zijn zij, volstrekt buiten staat, nieuwe menschen voor te brengen, maar slechts om blalTend en tandenknersend bij de doode schatten te liggen, die zij bewaken, en die hun schooner en heiliger toeschijnen, naarmate zij ouder, onverstaanbaarder ot meer bestoven zijn. Kom Joseph, wij hebben niets meer te maken met die mannen van de wetenschap, het stof en de kamergeleerdheid, wij zijn kunstenaars; ons behoort het leven, de jeugd en de toekomst, en de geheele wereld is ons auditorium! Kom, wij zullen naar de repetitie gaan, en bij den hemel, wij zullen voor ons auditorium heden avond eene voorlezing houden, waarvan de juichende echo de heeren professoren gelijk een bliksemstraal zal verpletteren.quot;
In de kamer van professor Franke waren de drie geleerde heeren intusschen nog in diepe en ernstige beraadslaging bijeen gebleven.
âHeden avond is dus ziin benefiet!quot; bromde professor Franke.
293
âTweehonderd studenten zullen er zijn,quot; zuchtte protes-sur Biermann.
âEn onze gehoorzalen staan ledig,quot; kermde professor Heinrich.
Er heerschte eene stilte. Toen richtte professor Franke zijn gebogen hoofd op en zag met schitterende oogen naar zijne vrienden.
âWij moeten een krachtig besluit nemen,quot; zeide hij. âWij moeten die wanorde met geweld beteugelen. Het is een schandaal voor de wetenschap en de geheele stad, dat onze studenten de histrionen naloopen, en zich afwenden van de professoren en hunne studie.quot; .
âJa, wij moeten het stuiten,quot; zeide Biermann, âwant niet slechts onze naam, maar ook onze beurs, en ik mag zeggen, ook ons huiselijk geluk, lijdt er onder. Ik heb de collegegelden voor eens en voor altijd aan mijne vrouw voor haar zakgeld toegelegd. Nu, in dit half jaar heeft zij bijna niets gekregen, en dat komt op mij neder. Zij is zeer gemelijk, omdat zij geen zakgeld heeft en acht mij minder, omdat ik geene toehoorders heb.quot;
âIk, die bij geluk geene vrouw heb,quot; zeide professor Heinrich, âik was gewoon door de collegegelden in mijne behoefte aan snuif en knaster te voorzien. Men studeert beter, de geest is helderder, als men zijne pijp rookt en zijne hersens met een snuifje sterkt, ik moet mij echter in dit halfjaar in dit genot zeer bekrimpen, en mijne studiën en mijne werkzaamheden lijden er onder.quot;
âGij ziet dus, dat wij spoedig deze steeds toenemende ziekte moeten genezen,quot; riep Franke. âWij znllen nog heden de daartoe noodige stappen doen. Het generaal-derec-torium heeft beslist, dat slechts eerst dan de komedianten zullen verwijderd worden, als hunne tegenwoordigheid tot openlijke schandalen heeft aanleiding gegeven. Welaan dan, laten wij zulk een openlijk schandaal in het leven roepen. Er zullen heden avond omstreeks tweehonderd studenten in het theater aanwezig zijn, gelijk die heer Eckhof zegt. Daaruit volgt, dat er nog een paar honderd studenten zijn, die er niet zullen wezen. Onder deze zullen zich zonder twijfel eenige vastberaden, koene en vrome jongelingen bevinden, die God, de wetenschap en hunne leeraren hoog genoeg achten, om in het strijdperk te treden tegen deze
294
onchristelijke komedianten, en in naam der goede zeden een schandaal willen verwekken. Zoo wij nu eenige zulke goedgezinde studenten konden overhalen, heden avond ook naar den schouwburg te gaan, en uit te fluiten en te trommelen, als de andere studenten in de handen klappen en bravo roepen, zou dat zonder twijfel voldoende zijn om het gewenschte geraas en de openlijke ergernis te weeg te brengen, en wij hebben dan tegenover het generaal-directo-rium, wat wij noodig hebben.quot;
âEen uitmuntend denkbeeld!quot;
âIk vrees alleen maar, dat het moeielijk zal zijn, studenten te vinden, die zich in zulk een gevaar willen begeven, en hunne gezonde leden, ja misschien hun leven, willen wagen.
âWij moeten ze zoeken onder hen, wier belang medebrengt bij den rector magnificus in gunst te staan. Wij zullen onze strijders dus zoeken onder de jongelingen, die beurzen ontvangen, en die natuurlijk op mijne hand zijn, omdat het van mij afhangt, hun ook voor het volgende halfjaar de beurs te verzekeren. Ook zijn er eenige studenten, die, slechts voor de wetenschap levende, deze ijdele kunst verachten en, gelijk ik bepaald weet, nimmer den schouwburg bezoeken. Ik noem u bij voorbeeld den jeugdigen en vlijtigen student Lupinus. Tot hem zal ik mij wenden, en hij zal zonder twijfel aan mijne aanvraag gehoor geven. Hij is klein en zwak, dat is waar, maar hij staat in groot aanzien onder het studentenkorps; het is dus goed, dat hij er bij is. Bovendien ken ik nog wel vijf studenten, waarop wij zeker kunnen rekenen, en die ons behulpzaam zullen zijn, ons edel doel te bereiken. Hun zal ik dus deze biljetten geven, die deze overmoedige komediant hier heeft achtergelaten. Het was zijn wensch, dat zij heden door ons zouden worden gebruikt. Welaan dan, wij zullen ze ook gebruiken, maar wij zullen het niet doen voor dit snoode en zinnelijke genot, maar om God, de wetenschap en de deugd te dienen!''
âEn daar dat zoo is, zal God onze bemoeiingen ook zegenen en met een gelukkig gevolg bekronen,quot; zeide professor Heinrich op zal venden toon, terwijl hij den rector Franke de hand gaf.
295
II.
DE STUDENT LUPINES.
Eenzaam, gelijk gewoonlijk, zat de jonge Lupinus voor zijne met boeken en folianten bedekte schrijftafel. Hij zag er nog bleeker en magerder uit dun toen wij hem te Berlijn leerden kennen. Zijne oogen, diep in hunne kassen gezonken, zagen er treurig uit en waren omgeven door blauwe klingen, die een kenteeken zijn van inwendig lijden.
Zijne bleeke lippen waren vast opeen gedrukt en zijne magere, doorschijnende hand steunde zijn bleek gelaat.
Hij werkte of scheen het te doen. Voor hem toch lag een van die eerwaardige in varkensleder gebonden folianten, die zoo zeer den eerbied en de achting der geleerden opwekken, en waarin de bronnen hunner wetenschap en onder-zoekingen ontspringen.
De blikken van den jongen man rustten op net opgeslagen blad van den foliant, maar zoo lang en aanhoudend, dat men wel zien kon, dat hij door het denken en peinzen het lezen had vergeten.
Welk eene vreugde zouden de heeren professoren hebben gesmaakt, als zij hem zoo, over de folianten gebogen, hadden kunnen zien !
Maar hoe zouden zij door schrik en afschuw zijn aangegrepen, als zij bemerkt hadden, wat Lupinus eigenlijk las, en welk onheilig blad over het eerbiedwekkend geschrift lag uitgespreid. %
Dit blad was een affiche van de voorstelling van dien avond, en daarop rustten de blikken van den jeugdigen student Lupinus.
âNeen, neen,'' zeide hij na een lang stilzwijgen, âik zal er niet heengaan. Ik wil mijn hart overwinnen, gelijk ik het deze twee ontzettend lange maanden reeds heb gedaan. Ik wil en mag Eckhof nimmer, nimmer wederzien. Ik gevoel, dat ik verloren zou zijn, als ik het deed. Alsof ik ook buitendien niet verloren ben; alsof ik hem niet eeuwig voor mij zie; alsof zijne groote, vurige oogen hier niet steeds in mijn arm hart boorden en gloeiden; alsof zijne zachte welluidende stem niet eeuwig in mijne ooren klonk, en het
29Ã
graflied van mijne rust en van mijn vrede zong. Te vergeefs verzette ik mij tegen mijn lot; het heeft mij evenwél overvallen en mijn verleden, mijne geheele toekomst vernietigd. Mijn hart moge onder deze puinhoopen doodbloeden, ik mag en wil niet beproeven het te redden. Ik wil eerlijk sterven, gelijk ik eerlijk heb geleefd. Moge God mij slechts de kracht geven, dat mijne stervende lippen mijn vader niet vloeken en hem niet beschuldigen. Hij heeft zich zwaar aan mij vergrepen; hij heeft mij van de paden geslingerd, die het noodlot en de natuur mij hadden voor-geteekend; hij heeft getracht de natuur aan zijn wil te onderwerpen, en ik ben het slachtoffer van dezen baatzuch-tigen wil geworden. Moge God het hem vergeven. Gelijk Christus aan het kruis, smeek ik ook: âGod, vergeet hem, want hij wist niet, wat hij deed!quot; â âEn nu,quot; ging Lupinus na eenig stilzwijgen voort, ânu genoeg geklaagd en getreurd! Ik heb mijn besluit genomen, ik zal aan deze verzoeking weerstand bieden, ik zal niet naar den schouwburg gaan'; want nimmer, neen nimmer mag ik hem wederzien!quot;
Met eene heftige beweging nam hij het affiche en drukte de plaats, waar de naam Eckhof stond, aan de lippen. Toen verscheurde hij het papier in kleine stukjes, die hij met een treurig lachje over zijne schrijftafel en zijne boeken uitstrooide.
âDat is het zaad mijner smarten,quot; zeide hij zacht, âmoge het ontkiemen en ontluiken tot eene bloem op mijn graf. Maar zoo lang ik leef, wil ik strijden en standvastig zijn; âkrachtig, dapper en (jetrouiu, tot het einde toe.quot; Dat zij het devies, dat ik, gelijk eene wapperende vaan, over mijn leven uitbreid, en waaronder ik moedig met de wereld en mijn eigen hart wil strijden en worstelen. Rust en droom en sterf gij, mijn hart, en gij, mijn geest, ontwaak en troost mij!quot;
Hij sloeg zijne oogen weder in den voor hem opengeslagen foliant en las. Ditmaal niet slechts met zijne oogen, maar ook met zijn geest en zijne gedachten.
Maar dat duurde niet lang, een zacht geklop aan zijne deur stoorde hem, en voor hij nog tijd had gehad, op te staan, was de deur geopend en de rector magnificus, professor Franke, trad binnen. Met eene zeldzame vriendelijkheid en minzaamheid begroette hij den over de buitengewone
297
eer van dit bezoek uilersl verbaasden en sprakeloozen student, wiens verlegenheid den hoogmoed des rectors een welwillend lachje ontlokte.
âMijn bezoek schijnt u te verrassen,quot; zeide hij âen gij vindt het misschien ongewoon, dat de rector der universiteit bij een student komt. Maar, jongman, gij zelf zijt zoo ongewoon, dat men, om u te toonen, dat mijn u gadeslaat en op prijs stelt, ook tot ongewone middelen zijne toevlucht moet nemen. Gij zijt de vlijtigste, geleerdste, zedigste en stilste student van onze hoogeschool. Men ziet u nimmer in de kroegen, in de schermzaal of bij de vroolijke studenten partijen. Steeds zijt gij eenzaam en slechts bezig met uwe wetenschap en uwö studiën. Daarom zijt gij de hoop en de lieveling van alle professoren, en daarom kom ik, dequot; rector magnificus, in persoon bij u om u mijne achting te bewijzen.quot;
âHet is eene eer, die mij diep beschaamt,''zeide de jonge Lupinus blozend, âeene eer, die ik gevoel nauwelijks waardig te zijn.quot;
âIk wil u een nog grooter bewijs van mijne achting geven,quot; vervolgde de professor. âIk wil u tot mijn vertrouweling maken, en u laten deelnemen aan eene intrigue, die, hoe klein zij ook schijnt, toch voor de wetenschap van het grootste, en naar ik hoop, van het heilrijkste gevolg zal zijn.quot;
En nu verklaarde Franke hem met welsprekende woorden, met welk gevaar de wetenschap door de aanwezigheid der komedianten werd bedreigd, en sprak over den heilloo-zen invloed, dien het tooneel op de studenten uitoefende. Terwijl hij hem de beslissing van het generaal-directorium mededeelde, vertrouwde hij hem het plan toe, dat de professoren hadden ontworpen om heden het gewenschte schandaal te weeg te brengen, waarbij Lupinus eene werkdadige rol zoude spelen. â
De jongeling hoorde de zalvende rede van den professor zwijgend en als door schrik verstijfd aan. Franke zag dit niet; hij zag die donkere, vurige blikken niet, die Lupinus op hem sloeg; hij zag niet hoe hij steeds bleeker en bleeker werd, en hoe hij zijne trillende lippen samenperste, wellicht om de heftige woorden terug te dringen, die uit zijn borst opstegen. De professor hoorde slechts zich zei ven en bewon-
298
derde zich over zijne eigene vurige welsprekendheid. Hoe zou hij dus het gelaat van dien jongeling hebben kunnen gadeslaan, aan wiens dienstvaardigheid hij volstrekt niet twijfelde, en wiens weigering hem een ongelooflijk sprookje zoude hebben toegeschenen.quot;
Lupinus weigerde ook volstrekt niet. Hij nam zeer bedaard het aangeboden biljet aan en legde het zonder eenig antwoord op zijne schrijftafel. Hij hoorde zwijgend de verdere verklaringen van den professor aan, en deze beschouwde dit stilzwijgen als eene eerbiedige toestemming.
Maar toen de heer rector zich eindelijk had verwijderd en Lupinus alleen was, verdween die bedaardheid uit zijne trekken; in zijn geheele wezen straalde vuur, opgewektheid en hartstocht. Met eene heftige beweging nam hij het biljet en wierp het op den grond om er met zijne voeten op te stampen, als wilde hij daaraan zijne volle gramschap en verachting te kennen geven, die hij den professor niet had durven laten blijken.
âMij, mij willen zij tot het werktuig van die laagheden maken!quot; zeide hij tandeknersend. âOmdat ik ingetogen, eenzaam en vreugdeloos leef, schijn ik hun geschikt zulk eene schanddaad uit te voeren. Omdat ik den schouwburg niet bezoek, gelooven zij, dat ik de kunst veracht, en haar, gelijk zij, als de vijandin der wetenschap beschouw. O, hoe weinig kennen zij mij, o, hoe weinig verstaan die wijze en geleerde professoren het, in de harten en de gelaatstrekken der menschen te lezen! â Maar hoe, Eckhof is in gevaar, ik weet het, en zou zwijgen? Eckhof wordt bedreigd door die kleingeestige en opgeblazen professoren, en ik zou hem niet waarschuwen? Zou dat niet een verraad zijn, dat ik tegen mij zeiven beging, eene misdaad jegens de kunst en mijn eigen arm hart?'
Met heftige schreden ging hij hijgend in de kamer op en neder, worstelende met de gedachten en besluiten, die zijn binnenste in oproer brachten. Plotseling bleef hij staan; zijn gelaat schitterde nu van vastberadenheid en geestkracht, zijne oogen waren bezield door het vuur der geestdrift.
âIk wilde mijn verlangen en mijn hart aan den plicht ten offer brengen,quot; zeide hij, âmaar God heeft mijn offer niet aangenomen; God heeft het verworpen en mij den weg voorgeschreven, dien ik moet bewandelen! Indien ik deze
299
samenspanning verzweeg, zoude ik mij toth aar deelgenoot maken, en dat wil ik niet. Ik zal dus niet zwijgen.quot;
Met een gelukkig lachje nam hij zijn hoed, en zijne woning verlatende, ijlde hij de straat op. Maar voor Eckhofs deur aangekomen, draalde hij, en een gloeiend rood, gevolgd door eene doodelijke bleekheid, bedekte zijn gelaarf.
'âNeen, neen,quot; lispelde hij, âik heb heden de kracht nog niet hem weder te zien. Ik zoude sterven, als zijne oogen mij aanzagen. Ik zal naar Fredersdorf gaan.quot; â
De jeugdige Joseph Fredersdorf, die thans van leei'ling der wetenschap, een leerling der kunst was geworden, was te huis en ontving Lupinus met blijde verbazing.
âDe heilige vertrouwt zich in het hol van de wereldling,quot; zeide hij met een verheugd lachje; âde geleerde, die zetelt op den drievoet der wetenschap, stijgt van zijne hoogte af, om den held en minnaar der tooneel- en schermwereld op te zoeken. Dat is eene ongehoorde gebeurtenis, die in elk geval iets moet te beteekenen hebben.quot; â
âGij bespot mij, en evenwel hebt gij gelijk,quot;zeide Lupinus. âJa, het heeft iets te beteekenen, dat ik hier ben; want niet zonder eene ernstige aanleiding zou ik, die zoo ondankbaar en norsch uwe vriendelijke tegemoetkoming heb afgewezen, den moed hebben gevonden tot u te komen. Maar ik weet, dat gij het mij zult vergeven ter wille van het lt;ioel, dat mij tot u voert. Hoor mij aan en oordeel vervolgens !quot;
Met haastige woorden, dikwijls afgebroken door Fredersdorf's uitroepingen, door de uitbarstingen van zijne verontwaardiging en gramschap, vertelde Lupinus hem van het bezoek van den rector en diens doel.
âDat is dus eene volkomene samenzwering,quot; zeide Joseph, toen Lupinus geëindigd had, âeene samenzwering, waarover de heeren professoren moord en brand zouden schreeuwen, als zij van de studenten uitging, en waarvoor zij de arme knapen naar het carcer zouden zenden, gelijk zij mij zoo menigmaal hebben gedaan.
Eene samenzwering, die, zoo zij gelukte, de verwijdering der tooneelspelers zou ten gevolge hebben.
Zij mag dus niet gelukken. Wij moeten alles aanwenden, om dit te verhinderen, Het voornaamste is, dat wij de overige studenten kennen, aan wie de heer rector dezen ver-
300
vollen post mede heeft opgedragen. Deze moeten wij voor ons trachten te winnen, ot' als dit niet wil gelukken, hen verhinderen den schouwburg te bezoeken.quot;
âEn als wij deze studenten niet kunnen uitvinden?quot;
âDan moeten wij laten geschieden, wat niet te veranderen is, maar wij moeten de kwade gevolgen zoeken te voorkomen Wij moeten ons tot den koning wenden en hem zeggen, wie tot het schandaal heeft aanleiding gegeven, en waarom dat geschied is. De koning is rechtvaardig, en den komedianten van den schouwburg geloof ik meer genegen, dan den tooneelspelers van den kansel en den katheder. Gelukkig is het niet moeilijk bij den koning geboorte krijgen, het minst voor mij, den broeder van den geheimkamerheer. Laten wij dus de dingen, die zullen komen, rustig en bedaard tegemoet zien. Wij moeten omzichtig en beraden te werk gaan, en de overwinning is ons. Thans echter, mijn waarde vriend, want gij moet het u laten welgevallen, dat de hoogst ongeleerde en alles behalve eerzame tooneelspeler u van heden af, zijn dierbaarste en beste vriend noemt, thans zullen wij vóór alle dingen naar mijn meester en heer, naar Eckhof gaan. Eckhof moet niet slechts deze samenzwering, maar ook hem leeren kennen, aan wien wij het te danken hebben, dat wij er mede bekend zijn. Eckhof moet u dank zeggen, en ik weet, hij zal het met vreugde doen; want hij behoort tot de groote en edele zielen, die niet te trotsch zijn om dankbaar te wezen. Ga dus mede naar Eckhof.quot;
Hij wilde Lupinus onstuimig met zich medetrekken, maar deze weerde hem zacht af. âNeen,quot; zeide hij, âik ga niet naar Eckhof. Het is hem willicht onverschillig, wie hem deze waarschuwing heeft gebracht, en ik heb het niet gedaan om dank te verwerven, maar om mijn geweten te bevredigen. Wat moet ik bij Eckhof doen? Hij zoude den onhandigen blooden en treurigen student bespotten, en hoe nederig en onbeduidend ik ook moge zijn, ik wil toch niet, dat men mij uitlacht.quot;
âGelooft gij inderdaad, dat Eckhof dat zou doen? Hij, die de diepste vereering, het heiligst ontzag heeft voor alles, wat tot de kunst en de wétenschap behoort, voor alles, wat natuurlijk en waar, edel en goed is? Hij, die het hart van een kind en de liefdekracht eener vrouw heeft, zoude hij u uitlachen, omdat gij niet zijt gelijk wij, lichtvaardig.
301
overmoedig;, onverstandig en dwaas, maar wijs en geleerd, ofschoon gij een kind zijt, trouw en zelfs le goed jegens ons, die gij zonder twijfel geringacht!quot;
âIk?quot;' vroeg Lupinus verbaasd. âZou ik u geringachten ? Ach, gij weet dur, niet, â maar neen,quot; dus viel hij zich zei ven in de rede, âover dat alles spreken wij een ander maal Heden hebben wij beiden nog veel te doen. Ik wil beproeven de studenten uit te vinden, die de rector heeft gewonnen, en gij moet u naar Eekhof begeven, om met hem de noodige afspraak te maken.quot;
âWilt gij mij dus niet vergezellen?quot;
âNeen, vriend, baden niet! laten wij eerst de gebeurtenissen van dezen avond afwachten, morgen verzoek ik u misschien mij bij hem te brengen!quot;
âDat zou een zegepraal zijn, die ik die geleerde pruiken toewensch. De heer Lupinus, het licht der wetenschap, de beroemdste arts van de toekomst, de heer Lupinus, een vriend der tooneelspelers, een vriend van de verachte renegaten der geleerdheid, een vriend van Joseph Fredersdorf! Hoort gij, gij moet mij de schitterende zegepraal gunnen, driemaal met u arm in arm het marktplein en den groenen toren om te gaan. Driemaal achter elkander, belooft gij mij dat?quot;
âLaten wij eerst zorgen, dat het plan der professoren mislukt en de tooneelspelers niet uit Halle worden verdreven !quot;
âEn als wij dit volbracht hebben, zult gij dan met mij gearmd driemaal het marktplein rondgaan?quot;
âNiet driemaal, maar zoo dikwijls gij wilt!quot;
âNu heb ik de kracht vaneen Simson en de sluwheid van eene Delila,quot; zeide Joseph met komischen pathos. âMet dit doel voor oogen zal ik al onze vijanden overwinnen.quot;
III.
HET SCHANDAAL IN DEN SCHOUWBU11G.
Het uur voor de voorstelling was aangebroken. Geheel Halle scheen op de been te zijn en zich naar het onaanzienlijke gebouw te spoeden, dat dienst moest doen als schouwburg, maar dat voor korten tijd nog eene korenschuur
302
was. Onder dringen en duwen trachtte dé menigte binnen te komen, maar dat gelukte niet, dan nadat er verwenschingen geuit, zuchten geslaakt eu vloeken uitgesproken waren. Het publiek toch bestond hier niet als te Berlijn uit de hoogere standen, maar uit het volk. Vandaar dan ook, zag men er geen schitterende equipages, maar kwam ieder zeer bescheiden te voet, hoogstens vergezeld door een bediende, die een hanglantaarn of eene meid, die eene stoof ') droeg, omdat hare oude meesteres de koude van den on-verwarmden schouwburg vreesde. Het was dus geen schitterend publiek, dat kwam om te zien en gezien te worden, maar daarentegen een publiek, dat toonde zijn vooroordeel overwonnen te hebben en dat naar den schouwburg ging om een ernstig kunstgenot te smaken. Dit publiek was door Eckhof veroverd en in deze stad van ernstige beschaving en streng wetenschappelijken zin had hij zich aanzien verworven.
Inderdaad had hij dit het meest te danken aan de studenten, want de jeugd is altijd stoutmoedig genoeg om het vooroordeel te verachten en heeft altijd een open oog, om het schoone te erkennen, een open hart om zijne vreugde onverholen lucht te geven. Eckhof, die begonnen was, de lieveling der studenten te worden, was ten laatste de lieveling der geheele stad, zelfs der eerzame burgers en âploerten,'' met uitzondering der heeren professoren, geworden.
Geheel Halle dus, weder met uitzondering der professoren, wilde heden avond Eckhof zijne liefde en bewondering be-toonen, door zijne benefice voorstelling bij te wonen en biljetten te nemen voor het nieuwe, nog nimmer aldaar vertoonde treurspel Brittannicus van Voltaire. Als de schouwburg heden driemaal zoo groot ware geweest, zou hij nog niet allen hebben kunnen bevatten, die nu met een treurig gelaat weder van het bureau weggingen en zich misnoegd naar huis begaven, omdat er geen biljet meer verkrijgbaar was. Des te vergenoegder en gelukkiger waren zij, die, gewapend met een toegangsbiljet en twee krachtige
1) Te Berlijn was in het jaar 1745 een gebod uitgevaardigd, geene stoven meer in den schouwburg mede te brengen, omdat de kledderen der dames daardoor reeds meermalen waren in brand geraakt. L. Sclmeider. Geschichte der Berl. Opera
303
ellebogen, reeds in de schouwburgzaal waren binnengedrongen, en nu buiten adem op de banken uittrustten van den zwaren strijd,
In het parterre bemerkte men, dicht opeengedrongen, de phantastische, langbaardige, krachtige gestalten der studenten, vol jeugdig leven, wier fonkelende oogen en lachende gelaatstrekken genoegzaam hunne belangstelling in dien avond te kennen gaven. Slechts hier en daar ontmoette men onder hen een ernstig, misnoegd gelaat,een somber uitzienden blik, maar niemand sloeg er acht op. Ieder was zoo bezig met zijne eigene blijde verwachting, met het beschouwen der schoone, jonge meisjes en vrouwen, die nu langzamerhand de loges vulden, en beschaamd en blozend hunne oogen nedersloegen voor de vurige, drieste blikken der studenten, met het beschouwen van die geheimzinnige gordijn, waar achter zich nog het geluk en genot van dezen avond verborg en door welker bieren daar aangebrachte kleine openingen men soms het oog van de eene of andere kunstenares zag, die het woelige en keuvelende publiek gadesloeg, gelijk dit de gordijn gadesloeg; beiden vol verwachting van de dingen die komen zouden, beiden in de hoogste opgewektheid en spanning de eerstvolgende uren te gemoet ziende. Niemand, gelijk gezegd is, sloeg acht op die enkelen onder de massa studenten, met ernstige gelaatstrekken en sombere voorhoofden, niemand behalve Lupinus. Hij, die het gelaat van ieder student voor zijn onderzoekenden blik de revue had laten passeeren, had zeer spoedig aan hun gelaat en hunne oogen, deze door professor Franke aangeworven studenten herkend, wier namen hij niet vooraf had kunnen uitvorschen, en die men daarom niet had kunnen beletten den schouwburg te bezoeken. Daarenboven gaven zij, aan wie professor Franke had medegedeeld, dat ook Lupinus tot de samenzweerders behoorde, hem teekens van verstandhouding en wenkten hem geheimzinnig glimlachend toe. Eenmaal duisterde een dezer studenten hem toe; âHet zal er zonder twijfel heet toegaan, en ik vrees zeer voor ons, want wij maken de minderheid uit. Hebt gij voor alle gevallen uw rapier medegebracht, broeder Lupinus ?quot; Maar vóór Lupinus konde antwoorden, had eene nieuwe menigte binnenstroomende studenten den vrager van zijne zijde verdreven. Deze pas aangekomen studenten schenen intusschen
804
minder zorgeloos en blijde dan de anderen. Hunne dreigende blikken schenen onder de menigte naar een verborgen vijand te zoeken, en als zich een verdacht gezicht of een student, die hun argwaan opwekte, aan hen vertoonde, fluisterden zij met eikander en zagen met een uitdagend lachje naar hun vermoedelijken vijand. Maar den jongen Lupinus schenen zij ook tot de hunnen te rekenen, want hem knikten zij vriendelijk toe, en drongen naar hem toe, om hem de hand te drukken en zacht eenige woorden van goedkeuring en lofspraak over zijne aanwezigheid tot hem te richten. Deze studenten waren de boezemvrienden en vertrouwden van Joseph Fredersdorf, Aan hen had hij het gevaar medegedeeld, dat de tooneelspelers heden avond bedreigde; hij had hen verzocht dezen te willen ondersteunen, niet op eene daadwerkelijke en handtastelijke wijze, maar door stil en vreedzaam te zijn. Mij had hun gesmeekt, dien avond rustig te blijven, en daardoor de intrigue der professoren te verijdelen, hunnejeugdige heftigheid en hartstochtelijkheidteonder-drukken en alles geduldig te verdragen, en de uittartingen der twistzoekende,doordeprofessorenaangeworven studenten slechts met het zwijgen der verachting te beantwoorden. Zij hadden het hem toegezegd, en het was hun inderdaad ernst geweest met hunne belofte. Dat zag men aan hunne stille, ernstige houding, dat hoorde men aan die vreedzame, verzoenende woorden, die zij hier en daar tot de aan hen bekende en niet in het geheim ingewijde studenten richtten, dat bleek uit het wachtwoord, dat zij alom verbreidden; âHeden avond treen schandaal! Tot eiken priis de rust bewaard!quot;
Eindelijk kwamen al die woelige en onstuimige massa's tot rust; het gekeuvel in de loges, het gonzen en joelen, het lachen, schuiven en stooten in hel parterre, verstomde op het heldere en'doordringende geluid van het kleine schelletje, dat het begin van de vertooning en bet opgaan van het gordijn aankondigde.
Het stuk begon. Nimmer had Eckhof met zooveel vuur, met zulk eene geestdrift en zoo betooverend schoon gespeeld ; nimmer waren de studenten rustiger, stiller en ernstiger geweest dan op dezen avond En toch waren zij niet onverschillig, niet zonder deelneming; dat zag men aan hunne schitterende oogen, aan hunne van vreugde blozende wan-
305
gen; dat hoorde men aan die nu en dan uit de donkere massa's opstijgende uitingen van verrukking, die dikwijls voor den kunstenaar vleiender en opwekkend er muziek zijn, dan het luide handgeklap en het juichende bravogeroep. Dit toch is veelal eene baatzuchtige vreugde, en stoort den kunstenaar, terwijl die onderdrukte en bedwongen uitingen hem niet beletten ongestoord voort te gaan, en men zich eene luide uitbarsting alleen daarom niet veroorlooft, om geene enkele beweging, geen enkel woord van den kunstenaar te missen.
Maar er kwam toch een oogenblik, waarin de daverende toejuiching niet meer kon worden onderdrukt, waarin de studenten hun koel, beredeneerd verstand niet raadpleegden en de voorzichtigheid uit het oog verliezende, luid juichten van verrukking. Zij applaudisseerden en riepen luide om hun lieveling Eckhof, dio juist het tooneel had verlaten.
âDe strijd zal nu onvermijdelijk zijn,quot; zeide Lupinus in zich zeiven, âmaar wat deert zulks ? Eckhof heeft het wel verdiend, dat men om zijnentwil alle kleingeestige beschouwingen en beuzelingen vergeet. Voor hem te sterven, moet wel een zalige dood zijn.quot;
Toen Eckhof nu, toegevend aan het onstuimig geroep en getier, op het tooneel verscheen, schitterden de oogen van den jongen Lupiuusvan verrukking en vreugde; gelijk alle anderen klapte hij in de handen, en een gelukkig lachje zweefde over zijn bleek gelaat.
Het was een heerlijk oogenblik van zegepraal voor Eckhof, dit publiek zoo vol geestdrift te zien, dat hem zoo blijde toejuichte, die studenten gade te slaan, die in de vervoering van hunnen hartstocht en in den gloed hunner jeugdige geestdrift alle bedaardheid en omzichtigheid lieten varen, om met verrukking fier en stoutmoedig het hoofd te bieden aan het gevaar.
Eckhof boog zich en dankte met een lachje en gebaren voor de eer van dit oogenblik; het publiek juichte en schreeuwde, toen plotseling dit bravo-geroep en handgeklap werd afgebroken door dat vreeselijke, afschuwelijk gedruisch, dat voor den tooneelspeler de eigenlijke trompet van het wereldgericht is. Een schril doordringend gefluit deed zich hooren; het weerklonk boven net gejubel der menigte; het werd sterker, huilender, veelvuldiger, hoe meer moeite de
Uühlbach, Frederik de Groote en zijn Hof. III. 20
studenten deden, het door nieuwe, krachtiger uitbarstingen van hunne toejuiching te verstikken.
Als bij tooverslag veranderde nu het voorkomen van het parterre. De jeugdige frissche gelaatstrekken, die tot nu toe van vroolijkheid en geluk hadden geblonken, werden dreigend en somber; de heldere voorhoofden betrokken; de van toorn bevende lippen openden zich niet meer tot bravogeroep, maar tot uitroepingen van verwen sching en bedreiging. Een ieder zag met woedende blikken om zich heen, om hen uit te vorschen, die het hadden gewaagd, de algemeene vreugde door hun onbeschaamd gefluit en gesis testoren. Maar hier en daar zag men enkele studenten, die moeite deden hunne toornige commilitonen tot bedaren te brengen en hunne woede te stillen, door tot rust en bedaardheid te vermanen. Een oogenblik beproefden de oproerige jongelieden het ook, maar nieuw gefluit en gesis deed hen weder steigeren, gelijk jonge rossen, door de scherpe sporen gewond.
âGij hebt uitgejouwd, mijnheer,quot; hoorde mennueene krachtige stem roepen, âik verbied u het uitjouwen.quot;
âEn ik verbied u dat belachelijke applaudisseeren,quot; schreeuwde eene andere stem; âzoo lang gij applaudisseert, zal ik uitjouwen. Reken daarop.quot;
Een eenparige kreet van woede was het antwoord. Thans was het gedaan met alle rust en bedaardheid. De jeugdige gemoederen, zoo vreeselijk getergd, bruischten op, gelijk de door storm gezweepte zee. Men zag overal gebalde vuisten en vurige blikken, men hoorde niets dan woorden van ver-wensching en vermetelen hoon.
Het gevecht begon, een verschrikkelijk heet gevecht met vuisten en rapieren, eene vechtpartij in den grootschen stijl, zoo als toen onder de vrije muzenzonen geene zeldzaamheid was.
De dames vloden angstig en verschrikt uit hare loges, en de tooneeldirectuur gaf bevel het scherm neder te laten, de lichten uit te blusschen, en de politie te hulp te roepen om met geweld een einde te maken aan dit vreeselijk plukharen der studenten, dat, na bet ophouden van het drama op het tooneel, als drama in de zaal voort-speelde. Het was werkelijk een drama'in ernstigen stijl, een drama, waarbij het niet ontbrak aan vloeken en zuchten, aan wonden en bloed, en dat, zoo niet met den dood der
307
helden, dan toch met zware wonden en eenige, doof de politie en de pedellen volbrachte arresteeringen, eindigde.
Lang vóór het tot deze ontknooping gekomen was, had Lupinus zich verwijderd uit het gebouw, dat weergalmde van het gevloek en geschreeuw! Met haastige schreden snelde hij de straten door en begaf zich naar de woning van J oseph Fredersdorf, Voor de deur stond een postkalesch, een bediende verliet juist het huis om de pakkage in den wagen te leggen; Fredersdorf volgde hem in reisgewaad en geheel gereed om terstond af te reizen.
Juist toen hij in den wagen wilde stappen, legde Lupinus zijne hand op den arm van den jongen tooneelspeler.
âWaar wilt gij heen, heer Fredersdorf?quot; vroeg hij.
âNaar Berlijn, naar den koning.quot;
âMaar de koning is niet te Berlijn, hij is in Silezië bij het leger.quot;
âNeen! Ik heb heden een briefvanmijn broeder ontvangen. De koning is voor eenige dagen naar Berlijn gekomen en mijn broeder is bij hem. Het zal mij dus volstrekt niet moeielijk vallen, den koning te spreken, en ik zal hem alles ovoreenkomstig de waarheid berichten. Hij zal inzien, dat niet wij, maar de hooggeleerde heeren professoren tot dit schandaal aanleiding gaven, en hij zal dus niet dulden, dat men ons uit Halle vei'bant. Vaarwel, vriend! In vier dagen ben ik terug, en meld u dan terstond den uitslag van mijne reis.quot;
âNeen, vriend, ik vergezel u!quot; zeide Lupinus.
âVergezelt gij mij?quot;
âWel, hebt gij niet soms een getuige noodig, om de waarheid van uwe bewering kracht bij te zetten? Ik verklaar mij bereid getuigenis af te leggen, en ik meen, dat het eene afgedane zaak was geweest en gij vast op mij had moeten rekenen.quot;
âO, hoe had ik kunnen vermoeden, dat de geleerde student in de medicijnen, die over eenige weken zijn docto-raal-examen wil doen, dat de heer Lupinus zich uit de armen zijner eenige geliefde, de wetenschap, zoude losrukken om een komediant te vergezellen en voor de verachte en versmade tooneelspelers het woord te voeren.quot;
^,Beste vriend,quot; zeide Lupinus met een droevig lachje,
308
âals gij de wetenschap mijne geliefde noemt, zult gij mij spoedig een trouweloos minnaar moeten noemen.quot; âWat zegt gij? Ook gij âquot;
âLaten wij ons haasten, vriend. In den wagen zullen wij dat alles bespreken.quot;
Einde van ui:t eerste deef,.
INHOUD EERSTE BOEK.
Bladz.
Hoofdst. I. De duivelbezweerder .... ... 5
, II. De oude hoveling.........11
,, III. De morgenuren eens konings.....21
* IV. De begenadigde cavalier......31
, V. Hoe men koningin van Zweden wordt . 43
â VI. De verleider...........52
a VII. De eerste ontmoeting.......66
â VIII. Signora Barberina.........76
â IX. De koning en de danseres......83
» X. Eckhof.............94
â XI. Een levensvraag.........107
â XII. Bijgeloof en dweeperij.......117
INHOUD TWEEDE BOEK.
Bladz.
Hoofdst. I. De beide zuster..........132
â II. De verzoeker...........]41
â III. Het bruiloftsfeest der prinses.....143
â IV. In de vensternis.........151
â V. Een koning, die bedeesd is.....156
â VI. Hel eerste rendez-vous.......168
â VII. Op het balkon..........174
â VIII. De eerste wolken.........188
â IX. De krijgsraad...........195
BlaJz.
Hoofdst, X. Het klooster van Camenz......200
â XL De koning en de abt........207
â X1L De abt, die nog nimmer gezien is . . . 213
â XIII. Het lever eener danseres......220
â XIV. In het atelier...........233
â XV. De bekentenis..........245
, XVI. De verrader...........252
â XVII. Het zilverwerk des konings.....262
â XVIII. De eerste bliksemstraal.......267
INHOUD DERDE BOEK.
BI adz.
Hoofdst. I. De tooneelspeler in Halle......282
â II. De student Lupinus........295
â III. Het schandaal in den schouwburg. . . 301
Bij Gebr. E. amp; M. Cohen te ÃVUmeffen en te Arnhem
zijn verkrijgbaar de volgende werken van
Louise Mühlbach.
De Groote Keurvorst en zijn tijd.
De Jonge Keurprins, 2 dln..........Æ 1.50
De Groote Keurvorst en zijn Volk, 2 dln. . . . â 1.50
De Groote Keurvorst en zijne Kinderen, 2 dln. . â 1.50
Frederik de Groote en zijn Hof.
De Kroonprins en zijne Omgeving, 2 dln.......1.50
Berlijn en Sanssouci, 2 dln.........â 1.50
Frederik de Groote en zijne Broeders en Zusters, 4 dln. â 3.00
Duitschland in Woeling en Strijd.
De Oude Frils en de Nieuwe tijd, 2 dln. . . . â 1.50
Vorsten en Dichters, 2 dln........ . â 1.50
Duitschland tegen Frankrijk, 2 dln......1.50
Frankrijk tegen Duitschland, 2 dln......â 1.50
Napoleon in Duitschland.
Bastatt en Jena, 3 dln..........â2.25
Napoleon en Koningin Louise, 3 dln.....â 2.25
Napoleon en Prins Blücher, 3 dln......â 2.25
Napoleon en het Weener Congres, S dln. . . . â2.25
â
â
9