VAN DEN VOS REYNAERDE.
BIBLIOTHEEK
VAN
Middelnederlaiidsche Letterkunde
OiN'DEK ÃEDACTIE VAN
Prof Dr. J. VERDAM,
Hoogleeraar te Loiden,
MET MEDEWERKING VAN
Prof. Dr. J. TE WINKEL, _ Prof. Dr. J. FRANCK,
EN
Hoogleeraar te Amsterdam. Hoogleeraar te Bonn.
LEIDEN. - A. W. SIJTHOFF.
q
- V
VAN
DEN VOS REYNAERDE,
1)001!
Dr. W. L. VAN HELTEN,
Hoogleeraar te Groningen.
jElDEfT.
UllVe7:!(ls
i| 'irsis i A. W: STüTHOFF
..... . .... .......
â , â â â â â â
'''quot;quot;WWW «W» â¢H-wv.
â
^ m
. . ........1 ,,......-............ .......... - ................â¢........-........... - i H» ......' .-......
â
. . . ...S . 'N-...................... .............
i
..... ........
'â -quot;r-f- -i 'Hfiiti^mBtt
1
â gte-Hh â : amp;mm - ^ ^
IN L E11) I N (J.
In den jare 188(J oen inleiding oji ons Mnl. kleinood Van den vos Hrijnaerde te schrijven is eon liohte, doch onaangename en ondankbare arbeid, want â hij kan nit don aard dor zaak roor een groot deel slechts bestaan in hot vermelden der uitkomsten, vroeger door anderen bij hun navorschingen op dit gebied verkregen. Wat toch ware hier bij de gegevens, welke ons ten dienste staan, en na hetgeen door Qiumm, Jonckhloet, Maktin en anderen in dezen is geleverd, van hernieuwde nasporingen te verwachten? Weinig, gelijk zich roods a priori laat vermoeden en mij dan ook bij eigen ondervinding ten stelligste is gebleken; weinig, zooals het volgende zal leeren, waar ik den stand onzer wetenschap betreffende de letterkundige geschiedenis van den Reynaert wil uiteenzetten en mij in den regel tot de bescheiden rol van een verslaggever zal moeten beperken 1).
A.
Willem âdie Madock maectequot; (z. vs. 1) heeft bij het scheppen van zijn Rcynaerl uit Fransehe bronnen geput; zijn gedicht is niet omgekeerd hot voorbeeld geweest voor de bewerking dor bekende Oudfransche branche (Kenart I. in Martin's, XX in Mkon's uitgave). Zie hierover Jonckbl. in diens Geschied, d. Ned. Lelt., 3do dr., I, bl. 352 vlgg. ').
1
Voor don oorsprong on do ontwikkeling dor dierensarje. vorwijs ik naar Mul-MiMioi r in do Zeilschr. f, I). All. XVIII, 1 naar Sciikkek in zijn vorhandoling Ueher Jacob Grimm, hl. 150 vlgg., on in do Zeilschr, J'. d. öslerr. Gymu. 187U, bl. 42â41), on naar Voicit in zijn LCinleilaiu] up don ) 'seuffrimus, LX XX VIII vlgg.
INl.KIDINU.
B.
In hoofdzaak lieoft do eerste helft der bovengenoeiudo Oudfra. /ïcnart-hranr.hc aan de eerste helft van Willem's gedicht ton grondslag gelegen (Jonckbl.'s Gescji. d. Ned. Lett. t. laatst a. pl.), doch op zulk oen wijze: dat hier alleen kan sprake wezen van oen navolging uit de verte, waarbij bestanddeolcn van het origineel zijn weggelaten, elementen, welke in dat origineel ontbreken, zijn opgenomen, ontleende elementen op een andere manier zijn te pas gebracht, en in den regel, bij de bewerking van het over-genoinene zelve, in do détails meer of min belangrijk van hot voorbeeld is afgeweken, of, bij grooter overeenkomst, dat voorbeeld toch alles behalve woordelijk getrouw gevolgd is. M. a. w. het bedoelde gedeelte van den Reiinaerl is een vrijo en zelfstandige navolging, die zich doorloopend on duidelijk ais een bewerking kenmerkt, waarbij do dichter van sterke of zwakke herinneringen uit zijn voorbeeld heeft gebruik gemaakt, zonder zich in 't minst nauwgezette aansluiting aan dat voorbeeld tot taak te stellen. Een vergelijking der beide teksten zal ons dat volkomen klaar doen worden.
vi
|
Renart 11â42 (bij Méon 9659â 9692 '). Noble li lions roept kort vóór Hemelvaartsdag zijn dieren bijoen; allen verschijnen ze, behalve Renart, over wiens schanddaden zich ieder te beklagen heeft. In 't bijzonder wraakt Ysengrin hot gedrag van den vos, die do wolvin verkracht en haar kinderen bepist had on, toon hij later met den beleedigde was samengekomen tot hot doen van een zuiveringseod, zich nog |
Iteynaert 33â87 1). Hetzelfde verhaal, alleen mot deze hoofdzakelijke afwijkingen, dat de hofdag op Pinksteren is belegd, dat hot uitblijven van Reyn. door diens schuldbesef gemotiveerd on de blindheid van Ysengrijn's kinderen als het gevolg van 't bopissen wordt vermeld ï). |
het geding (/.. lieiuh. 1366â'TS, Renart bij Mkt. 1, ));ig.2, vs. 55 , bij Mkon vs. 9705);
2quot;. de opmerking van den vos, dut de wolt' door /.ijo itanklacht den naam zijner vrouw in opspraak bracht (z. Jieiuh. 1396 â'S, Jienart bij Mrt. I, bl, 4 . vs. 127â12!), bij Mbon 9779â'SI);
3quot;. de vermelding van de koorts, welke de haas krijgt van sebrik over de woede des leemvs (z. Reinh. 1484, Reu. b. Mkt. I, bl. 11, 351â'60, b. Mbok 10041â'50);
4quot;. de genezing van dat dier op het graf der gedoode ben (z. Reinh. 1489â'93, Ren. b. Mrt. I, bl. 13, vs. 451â'55, b, MÃon 10149â'53);
5quot;. bet kapelaan spelen van den beer (z. Reinh. 1485 '8, Ren. b. Mrt. F, bl. 12, vs. 398â'9 en 403â'4, b. MÃok 10090â'1 en 10097â'8);
6quot;. den sehimp, door den vos eau zijn burcht uil den yoociyiynaHrfe» boor aangedaan (z. Reinh. 1595 vlgg., Ren. b. Mrt. I, bl. 20, 686â'94, b. Mbon 10402â'10);
7quot;. de poging van den vos om zich door bet maken van een kruis tegen de macht zijner vijanden te vrijwaren (z. Reinh. 1831â'4, Ren. b. Mrt. J, bl. 32, vs. 1142, b. Mbon 10868).
1) Dat de inleidingen der beide gedichten geheel verschillend zijn, spreekt vanzelf.
2) Zie de noot op de volgende pagina.
INLEIDINO.
vii
vóór het afleggen daarvan uit do voeten had gemaakt'),
Ren. 43â54 (b. MÃ. 9093â9704). üo leeuw meent, dat Ysengrin van die zaak niet zooveel ophef moest maken.
Ren. 55â78 (b. Méon 9705â 9728). Daarentegen wijst Brun âli
|
1) Als voorbeelden in dit gedeelte zoc onderlinge afwijking tnsselien de beide teks âCe dit Testoire el premer vers eu Que ja estoit passé ivers Kt (pie la rose espanissoit Et Pan be espine Horissoit Kt pres estoit raseneions, Que sire Noble li lions Totes les bestes fist venir Kn son pales por cort tenir. Oncpies n'i ot beste taut ose Qui remansist por nule ehose Qui ne venist hastivement: Fors dan Kenart tant solement, Le mal lere, le soulduiant, Que li autre vont eneusant Kt enpirant devant le roi Kt son orgueil et son desroi.v, 11 -25 (b. Meon 9659â 74). â(Ysengrin) dit an roi: ^baux gentix sire, C7i Car me tai droit de I'avoutire, Que Kenart fist a nTespossee Dame Hersent, quant Tot serree A Malpertuis en son repere, Quant il a force li volt faire, Kt eonpissa toz mes lovanx: (I'est li dels qui plus invest noveax. Kenart prist jor de Teseondire Qn'il iravoit let tel avoultire. Quant li seint furent aporte, Ne sai qui li out enorte, Si se restrest molt tost arere Kt se remist en sa tesnere.quot; 29â42 (b. Mron 9677â92). |
wel van nauwere overeenkomst als van ten, wijs ik o. a. op: âliet was in eenen siuxen daghe. Dat beede bosch ende haghc Met groenen loveren waren bevaen. Nobel die coninc hadde ghedaen Sijn hof erayeren overal, Dat lii waende, hadde hijs gheval. Houden te wel groeten love. Doe quamen tes eoninx hove Alle die diere, groet ende eleene, Sonder vos Kevnaert alleene. Ili hadde te hove so vele mesdaen, Dat hire niet dorste gaen. Doe al dat hof versamet was, Was daer niemen sonder die das, Iline hadde te claghene over Kevnaerde, Den feilen metten roden baerde.quot; .32 -52. ttConinc hecre...... Ontfaerme hu der seade, Die mi Keynaert heeft ghedaen, Daer ie af dieken hebbe ontfaen Groeten lach ter ende verlies. Voer al dandre ontfaerme hu dies. Dat hi mijn wijf hevet verhoert Ende mine kindre so mes voert, Dat hise beseekede, daer si laghen, Datter twee sint niene saghen Ende si worden staerblent. Nochtan hoendi mi sent: Wi waren sint overeen comcn, Naer datter eenen dach was ghenomen, Dat Keynaerd sonde hebben ghedaen Sine onsculde; ende also saen Alse die heleghe waren brocht, Was hi andersins bedocht Ende ontfoer ons in sine veste.quot; 60â75. |
INLKIDINCi.
via
orsquot; op don plicht dos konings om in de zon recht to doen en Renart ter verantwoording te roepen. Hij 7,elf wil, zoo verzekert hij, den aangeklaagde gaan halen.
lien. 79â102 (b. Méon 9729â 9754). Waarom de aangelegenheid op die manier te bohandolon, brengt daarop Bruianz âli torsquot; in 't midden. Do misdaad was immers bewezen! Ware hem zelf zoo iets gebeurd, hij zou hot Renart wol anders ingepeperd hebben. En spottend zich tot Hersent wendende vraagt hij deze, hoe zij tc moede was, toen de vos achter op haar klom.
|
Ren. 103â133 (b. Méon 9755â 9785). Grinbert âli tessonsquot; is van een andere mooning: men moest Renart's daad niet zoo zwart voor-stollon; de vos had Hersont reeds lang bemind en, ware die liefde ook door haar beantwoord, dan had zo voorwaar niet geklaagd; licht zou dat geringe kwaad voorts to horstellen zijn, zoodra Renart ten hove verschenen was; hoe leolijk had Ysongrin intusschen door zijn aanklacht zijn eigen vrouw aan do kaak gestold! |
Rcyn. 88â113. Gortoys' beklag over den diefstal van oen worst, door Koyii. ton zijnen nadeole geploegd, en Tyboert's betoog van do ongegrondheid dezer klacht. Iteyn. 114â157. Pancer's verhaal der mishandeling, door R. als leer-moostordon haas Cuwaort aangedaan. Des sprekers eiscli, dat de koning krachtig tegen den boosdoeneroptrede. h'p.yn. 158â1C4. Ysingrijn's toejuiching van deze woorden. Volgens hem moest Reyn. ton algemeenen nutto onschadelijk worden gemaakt. lir.yn. 105â203. Orimbeert's ploit-redo voor den vos: de vraag wie van beiden den ander het meest te verwijten had, Ysengr. of Reyn.; do vermelding van een paar ge-moene parten, die do eerste den laatste zou hebben gespoeld; de rneoning, dat Ys. geen recht had Reyn. van het overspel met Hersent een zoo groote grief te maken, dewijl oen reeds oude wederzijdsche liefde hen boiden tot hot plegen der minnarij had verleid; do verdediging van den vos met betrokking |
ix
tot de klachten, door C or toys en Paneer ingebracht, en de bewering, dat Reyn. als een vroom kluizenaar leefde, zich van allo vroegere zonden onthield on zware boeto deed.
inlkiding.
|
Ren. 134â240 (b. Méon i)78(jâ 9930). Vorsclüllendo pourparler's van Hersent, van den ezel, de raadsvergadering des konings en Noble zeil' (in Méon's tekst ook van den das, het konijn en de kraai). Tien. 240â206 (b. Méon 9930â 9956). Ysengrin is niet gediend met Herscnt's aanbod, om door een godsoordeel de waarheid van haar betuiging omtrent Eenart's onschuld te bewijzen. Hij is van plan zich zelf recht te verschaffen, iets wat Noble hom evenwol op grond der listigheid van den vos afraadt en mot het oog op den afgekondigden vrede verbiedt. Ren. 267â337 (b. M kon 9957â 10027). Zulk eon verbod ontmoedigt don wolf, en de geheele zaak schijnt met oen sisser te zullen alloopon, wanneer juist, to ongelegener tijd voor Renart, Chantecler do haan en vier hennen (Pinto, Noire, Blanco en la Kosseto) onder luidruchtig rouwbetoon mot een doode, op oen kar liggende kip komen aanzetten M, |
lieyn. 264â396. .luist to midden dier lofrede verschijnt ondor luidruchtig rouwbetoon Canticleer mot twee zoons (Gantaort en Orayant) en twee dochters (Pi nto en Sproeto), welke laatste oen door Reyn. go-doodo hen Coppe op oen baar dragon '). Schildering door Cantecloer van het vroegere rustige leven, door hom en zijn acht zoons en zeven âCantieler...... .... broehte np eene bare Kene doode hinne, ende hiel Coppe, Die Hevnaert badde, bi den eroppe Hoeft ende hals afghebeten. Pinte en Sproete . . . droeghen die bare.1267 âquot;71 en '280. âCantieler lt;piam voer de bare gaende, Sine vederen zere slaende.quot; 273 en ,4. |
1
vui.:
âCur sire Cliantcclcr li cos e
Et Pintc et Blanco et la Russete
Amenoient une charete,
Q,iii envouxe evt (rnne cortine.
Dcdenz gisoit nnc geline,
Que ren amenoit en litere
Fete antresi eon nne bere.
Kenart Pavoit si manmenee
Kt as rlcnz si desordenee,
(^ue Im enisse li avoit (Vete
Kt une ele hors del eors trete.',,
283âquot;94 (b. M. 9073 ,84). âICz les gelines meintenant c
Ãt Chantoler paumes batant.quot;
207 en '8 (b. M. 9087 en 'S).
inleiding.
x
|
on oen vim deze, nam. Pinte, den koning haar grieven tegen den vos openbaart, die zo van alle vijf haar broeders en van vier harer zusters had beroofd, onder welke laatste, de meegevoerde Cojipe het juist den dag to voren gevallen slachtoffer was. Ren. 338â397 (b. Meon 10028â 10089). Na die modedeeling vallen Pinte en haar drie gezellinnen in zwijm, worden door den hond, den wolf en andere dieren weer bijgebracht en werpen zich daarop met Chantecler aan de voeten des konings, die over deze misdaad van den vos in zulk oen toorn ontsteekt, dat alle onderdanen beginnen te beven en ile haas er zelfs de koorts van krijgt. Thans is Noble bereid zoowel deze vredebreuk als het te voren besproken overspel te straffen. Ren. 398â432 (b. Méon 10090â 10130). Alvorens daartoe denoodige maatregelen te nemen, wil hij aan Copee de laatste eer bewijzen. Bruianz moet haar een graf maken en Brnn als geestelijke den lijkdienst leiden, waaraan alle dieren en in 't bijzonder Tardis de slak. Roenel do hond en Brichemers het hert oen werkzaam aandeel nemen. Na het zingen der âvigilequot; wordt Copee dan in een looden kist gelegd en onder een boom begraven, terwijl men haar rustplaats met een marmeren zerk bedekt, waarop de naam en oorzaak van den dood der overledene te lezen is '). |
dochters geleid; het verhaal van Reyn.'s streek om den anders waak-zamen papa in slaap te wiegen en van den roof dier kinderen, welke op vier na waren gedood en waaronder de meegebrachte Coppe het jongste, juist den vorigen dag gevallen slachtoffer was; bede om voldoening voor het geleden onrecht. Itcjiii. 397â438. Des konings bitse opmerking tegen den das omtrent Reyn.'s boetedoening; zijn bedreiging van den vos en zijn besluit om Coppe met de gebruikelijke eerbewij zingen te begraven. Na afloop van den lijkdienst (noch don naam des kapelaans noch dien der andere officianten vindt men hier vermeld) wordt de doode hen begraven en het graf met een lijksteen voorzien, waarop de naam en de oorzaak van den dood der overledene vermeld staan'). |
I) Zie de 1ste noot op dc volgende pagina.
|
Hm. 433â447 (b. Méon 10131â 1U145). 's Konings baronnen eischon Konart's straf. Noble stemt daarin toe en geeft den beer de opdracht den vos in te dagen. Brun begeeft zich op weg naar Malpertuis. Ren. 448â473 (b. M. 1014Gâ 10171). De zieke haas legt zich op 't graf van Copee en wordt plotseling genezen. Ysengrin, dat vernemende, klaagt over oorpijn en vindt baat bij hetzelfde middel. Grinbert spreekt mot Tybert ten gunste van den vos. Ren. 474â623 (b. M. 10172â 10327). Brun komt na zijn tocht door oen vallei en een bosch vóór Ivo-nart's woonplaats, legt zich, dewijl hij te groot is om naar binnen te gaan, vóór âla barbacanequot; neder ^) |
XI INIjKIDING. lieijn. 439â408. Do koning verhandelt met zijn raadslieden over de tegen Reyn. te volgen gedragslijn. Men besluit Brune ter indaging van den onverlaat af te vaardigen. Nobel's vermaning aan den beer toch voorzichtig te wezen; Bruun's overmoed. Jieijn. 41)9âOGG. Bruun's tocht over een berg en door een woud naar Maupertuus. Hij gaat aldaar vóór de barbacane zitten *), meldt zich bij Reyn., die binnen vóór de poort van zijn huis in de zon ligt. |
|
1) Vgl. ; âQuant la vigile fn chaiitce cu Et cc vint a la matinee, Lc cors portcrcnt cntcrrcr. Mes cinz Torent fet cncerrer En un molt bel vaissel de plom, Onlt;[ues plus bel ne vit uuz hom. ruis renlbïrent yo/. un arbre Et par desus mirent un marbre, (S^i ot cscrit le non la dame Et sa vie) et conmandent Tame. 413â,22 (b. JVI. 10101) MS). wDcso/i eest arbre enmi cc plain 01 Gist Copee la sor Pintein. Kenart qui chascun jor enpire, En list as denz si grant martire.quot; 420 n8 (b. M. 10122 -Y)). 2) Vgl.; âPor ce que grant estoit sis cors eti Remeindre Testuet par de fors. S'estoit devant la barbacane.,'gt; 479â'81 (h. M. 10177â0). |
âDoe die vygelye ghehent was, Wart (.\)|gt;pe in eene serine gheleit, In een graf, dat was bereit Onder een linde, in een gras. Van maerbersteene slecht als een glas Was die saerc, die daer up lach, Met letteren, dacrmen au sach, Wie daer onder lach in den grave. 426âMS K7canr ik, evenals in de andere citaten, den tekst aanhaal, mod Is hij vermoedelijk de oorspronkelijke lezimj het meest nabijkomt). âHier leghet Coppe begraven. Die so wale conste scraven. Die Heynaert die vos verbeet En de haren gheslachte was te wreet.quot; âDoe ghinc hi voer die barbacane Sitten over sinen staert.quot; 490 en 11. |
TNlvKÃDINfi
XII
|
ou meldt zich als 's konings bodo aan1). Do vos, die den boor herkent '), overlegt eerst, terwijl hij achter in zijn hol na een overvloedig maal ligt te rusten, hoo hij dien bode er in zal laten loopon 3), en wendt zich daarna tot Brun met de woorden: »baus doz amis, En molt grant peine vos a mis, Qui ca vos a fet avaler. Go in'ou dovoio ja alor; Mes (pio j'aie mangie ancois D'un mcrvellos mangier lïancois.# Hierop vernemen we uit don-zelt'dou mond eou lange uitweiding over het goede leven van een rijke en liet armzalige bestaan van een behoeftige 4), en ton slotte do mode-deeling : »Et s'ai bien mangie set denrees De novel miel on frescos rees.« 1) Vgl.: kfc(ie sui Hrun mussagicr lo mi.quot; en 492 (b. U. 1019Uj | 2) Vgl: âKüiiart set bien (jue eVst li urs^ ct Kccormeü Kuvoit mi eors.,') 495 en '6 (b. M. 1011)3 en '-l). 3) Vol.: âEt Uenart qui le mont engine, ci Por reposer ert trtiis urere Enmi le Ion/, de ku tesnere. Or se eonmenee a porpenser Con se porra vers lui (den beer) tenser,,\ 482âquot;4 cn 4'.)7 -quot;S (b. M. 10182 M en 10105â'e). 4) Kene herinnering aan deze tirade vin |
als dos konings bodo aan '), cn brengt Nobel's bevel over. De vos trekt zich op het vernemen daarvan naar achter in zijn hol terug, ten einde rustig een plannetje tegon den beer te kunnen bedenken s) en begeeft zich daarop naar buiten met do woorden: »Here Bruun, wel soete vrient. Hi hevet hu qualic ghediont. Die hu beriet desen ganc Ende hu dosen berch lanc Over te loepono dode bestaou. Ic sonde te hove sijii ghegaen. Al haddet ghi mi niet gheraden; Maer mi es den butio so gheladen In so utermaten wise Met oere vremder, nicwer spise, ic vruchte, in sal niet moghen gaen.« Dialoog tusschen de beide dieren, waarin Royn. mededeelt: »0 roeter versscher honichraten Hebbic coever arde groet.» fctle bem Bnuin, des coninx bode.quot; 493. âBi der tale, die Hriiun heeft begonnen, Bekenden altehant Keynaert.'quot;gt; 500 en 'T. â(Keynaert) tart bet te dale waert In sine donekerste haghedoehte. iMeniehfonl was /.ijn ghedochte, Hoe hi vonde snlken met, Daer hi Hrnnn, den felhüi vraet. Te scheme mede mochte driven Endc selve bi zicre ceren bliven.,,', 508 - quot;14. dt men terug in vs. 532âquot;5 van den Rei/n, |
INLEIDING.
Xlll
|
Bij dit bericht wordt Brun opgewonden on roopt: »Cel meuls, Renart, dont vos abonde, Ge est la chose en tot lo monde Que mes las ventres plus desire. Car m'i menes, baux tros do/. sire.« Op voorwaarde van Brun's âamistie et aliancequot; wil Ren. aan dat verzoek voldoen, doch eerst, nadat zijn voorgewende argwaan tegen Brun's goede trouw door een geruststellend woord van den laatste quasi is opgeheven. Ze begeven zich nu beidon naar den eik van Lanfroi1), waar volgens deu vos honig zou to vinden zijn. Brun steekt zijn bek en voorpooten daarin1), doch raakt, wanneer Ren. de beide wiggen uit den boom heeft verwijderd, in de val3). Renart's spot 4). 1) Vgl.: âLanfroi qui lo bois soloit vendre, Tn chosiK! ot conmence a fendro. Den s coins de cesne to/ en t iers I avoit mis li tbrcstieis.quot; .'gt;81 -4 (b. M. 10281 -M). 2) Vgl.: âUt linin li ors mist le mnsel KI eesne et ses (lens pies devant.quot; S'JO en n (b. M. 10292 en VJ). 3) Vgl.: âlienart a les coin/, empoigniez Ut ii grant |)eitie descoignicz. Ut quant li coing turent oste, La leste Brun et li coste Vureut dedens le eesne enclos.quot; GO.quot;! '7 fb. M. KISGflâ'0). â tN Zie noot I op de volgende pagina. |
Bruun's uitroep: »Honich es een soeto spijso. Die ie voer alle gherechten prijse Ende icse voer alle gherechten minne. Reynaerd, liolpt mi dat ics ghewinne; Edele Reynaert, soete neve. Also langhe als ic sal leven, Willie hu daer omme minnen; Rey naerd, helpt mi, dat ics ghewinne!« Reyn. is daartoe bereid op voorwaarde, dat do boor hem wil âwesen houtquot; en voor hem zal âdinghon te hovequot;. Bruun belooft dit. Beiden gaan zo thans op Reyn.'s aanwijzing naar Lamfroyt's eik1), waar honig zou te vinden zijn. Reyn.'s waarschuwing aan liet adres van den beer en Bruun's dom zelfvertrouwen. Hij steekt zijn kop en voorste pooten in de âceckequot; l) en raakt, na het afbreken der âwegghenquot; door den vos, in do val 3). Roynaert's spot 4). âWildi horen van Lamfrcyde? Dat was, eist waer somen mi seide, Ken temmerman van goeden love, Ende hadde bi sinen hove Eene eecke brocht huten wonde, Die lii ontwe elieven sonde, Ende hadde twe wegghen daer in ghesle-Also temmermans noch l)leghen.',', glien, Ã(l7 quot;li. â(Brnnn) liet hem so verdoren. Dat hi thoeft over die horen Ende die voerdere twee voete in stae.'quot; 637â'O. âEnde Reynaert poghede, dat hi brae Die wegghen beede hnter eecken, Dat (Hrunn) met liste no met eraehte In ghere wijs ne can ontgaen Ende bi den hoefde staet ghevaen.'quot; (540 n en (»40âquot;S. |
INIiKIDINO,
lien. 624â704 (b. M. 10328â10420) en Reyn. 667â874, In het verder verloop van dit avontuur stemmen de Ofra. en de Mnl. bewerking in hoofdzaak, althans wat de voorstelling betreft, vrij wel overeeii: de beschrijving van Keyn.'s aftocht, van Lamfroyt's komst en diens terugkeer naar 't dorp om hulp to halen, hot verhaal van het aanrukken van Bruun's bestokers 1), van het wanhopige middel van dit dier om zich uit zijn val te bevrijden s) en van den aanval van Lamfroyt en diens gezelschap 4) kenmerken zich in beide gedichten slechts door afwijkingen in détails. In den h'enart ontbreekt evenwel: hot verhaal van Ernun's sprong te midden der oude wijven, van hot te water raken van âvrouwe Julockoquot;, van Bruun's riviertochtje en vervloeking der oorzaken van zijn ongeval 5), van Royn.'s uitstapje om een geroofd hoon to gaan verorberen, van Lamfroyt's verwensching door den vos, wanneer deze, aan de rivier gekomen, merkt, dat de beer niet dood is, en van den hoon, door Reyn,
1) Vgl.:
â(Reimrt) De long s'estut, si 1« nmpvone, en âVim verren was Reynaert ghcstaou âBrunquot;, let el, ^jel savoie bicn .............
Hier mooghdi horen van Hevnaerde, Hoe lii sinen oem ghinc rampineeren; ^Oem liriiiHi, eten gaet numeere!
Hier comt Lamfroyt ende sal lm scinken : Hebdi gheten, ao siildi drinken.quot;
(iSS en 002â'C (Vgl. ook noot 41),
Quo qiieric/. art et engien Q4c ja del micl ne goateroie.
Mes je sai bien i(iic je feroie,
S'nne autre Ibis avoie a tere.
Molt estes ore deputere Que de eel miel ne me paes.
Alii! con ine eonduisiez,
Et eon soroie a savete,
Se g'estoie en enfremetel Vos me lairees poires moles.quot;
«12 -'23 (b. M. 10316â'27).
2) Vgl. hier:
âQui porto tinei, et qui haehe, en âSule was, die eenen bessem brochtc.
Qui Hal^l, (|iii baston d'espinequot;, Sule eenen vleghel, sulc een rake;
()34- '5 (b. M. 10338 en 'O). Sulc qimm gheloepen met eenen stake.
So si quamen van haren werke.quot;
680â'3.
â(Lanfroi) Qui devant vient a une haeequot;. en âVoer hem allen qnam Jjamfroyt met siere 641 (b. M. 10356), haex,quot; 695.
3) Vgl. hier naar aanleiding van Bruun's verminking:
âOne nus ne vit si leide bestequot;. en âNve'maecte God so leelic dier.quot;
648 (b. M. 10364) | 704.
4) Vgl. hier bij de opsomming van Bruun's bestokers;
âCil qui t'et pinnes et lanternesquot;. eu âEere hout(/. horen)makigghe van Inn-
677 (b, M. 10398), | tornen.quot; 744.
5) Een dergelijke vervloeking wordt echter in 't Kranseli wel aangetroffen aan liet slot van Tvbert's avontuur; z. aid. 899â-907 fb. M. 10621â'29).
XIV
INLEIDING.
XV
den gewonden, in 't water drijvenden boer aangedaan1). In plaats van die laatste episode vernemen wo echter in het Ofra. poëem, hoe de vos, naar zijn burcht terugkeert en van daaruit schimpredenen aan het adres van den vluchtenden beer richt ').
|
Ren. 705â763 (b. M. 10421 â 10479). Hrun komt terug aan 't hof, verwekt daar aller verbazing door zijn voorkomen, wordt door den koning naar aanleiding daarvan ondervraagd 1) en noemt den bewerker van zijn ongeluk 2). Woede van den leeuw, die zonder meer den kater last geeft Een. in te dagen en dat bevel besluit met de bedreiging: »Si n'aport or ni argent, Ne parole por soi deffendre. Mes la hart a sa goule pendre«. Tybert aanvaardt de opdracht, ofschoon met vrees, bidt saint Lie-nart, âCil qui deslie les prisonsquot;, om bijstand en ontmoet op zijn weg l) Vgl. niettogcnstaandc het verschi een der schimpscheuten waarneemt: t(De quel ordre voles vos estre Que roge caperon portes?quot; 098 quot;O (bij M. 10414 âT)). |
Reyn. 875â971. Bruun keert terug naar 't hof (op de zonderlinge, niet in 't Fr. vermelde wijze); de koning wordt hem hot eerst gewaar en verwondert zich over diens abnormaal voorkomen1). De beer, tot Nobel genaderd, vertelt zijn ongeval s) en bidt om wraak. Beraadslaging van den koning met zijn aanzienlijkste onderdanen; 't besluit om Reyn. voor de tweede maal te dagen en Tybeert mot het overbrengen dier indaging te belasten. Nobel geeft den kater die opdracht, met bijvoeging der bedreiging: »Ne comt hi niet, hets hem quaet: Men salne derdewerven niet daghen, Maer rechten te lachtro alle sinen |inaghen.« Tybeert tracht zich als zwak dier te excuseeren, maar zwicht voor het hernieuwde bevel van don leeuw. Hij ontmoet op zijn iu localiteit de overeenkomst, welke men in eu ^In wat ordinen wildi hu doen, Dat ghi lt;1 raghet so roeden cnpproeu ? Weder sidi abt so prvhore? ' Ui ghinc hu arde na den hore, Die hu dose crime lievet bescoren.quot; 857âquot;Cl. en ^Ay God, wie heeftene so mesmaect?quot; i 81)1». en ^(Keynaerde^ Die mi mine scone lier Met ziere lust verliesen dode, Ende daertoe mine hoere mede gt; I Ende hevet mi ghemaect, als ghi siet.quot; 906 â 9. |
1
Vgl.:
âLi rois dit: tJ»ruu, qui fa cc fet?quot;
713 (b. M. 10429).
2
Vgl.:
fctR(gt;isu, tet il, t(ainsi m'a bailli Kenart com vos poes veoirquot;.
718âquot;g (b. M. 10434 â 5^
INLElJMNCi.
XVI
|
âl'oisel saint Martinquot;, dien hij toeroept : »a destre, a doHtre!« Maar âli oisauls vint a senestre,quot; zoodat de arme bode zich weinig goeds van de toekomst voorspelt. Ren. 704â859 (b. M. lülSOâ 10570), De kater komt vóór Eenart's woning, maar durft er niet binnen gaan. Hij geeft Ren. door een vraag kennis van zijn tegenwoordigheid. De vos bromt op 't vernemen daarvan eerst een verwensching tusschen de tanden, heet daarop luide zijn bezoeker welkom ') en antwoordt op Tybert's mededeeling van den grond zijns bezoeks, dat hij zich van de vijandschap ten hove niet veel aantrekt; hij zal gerust daarheen gaan. De kater is met die belofte tevreden, doch verbindt met de uiting daarvan tevens de mededeeling, dat hij door grooten honger wordt gekweld. Wat dat betreft, zegt Ren., kan ik u helpen, wanneer gij u met muizen en ratten tevreden wilt stellen. Tybert heeft daar mets tegen en wordt door zijn gastheer naar het huis eens priesters geleid, waar muizen in overvloed zouden te vinden zijn en hij (de vos) zelve nog O Vgl.: fc(Tybertu, cc dist Ucnart, ^wclcommc! e. Sc tu vcnoicz or de Home Ou dc seint »Iaqiic frcsccmcnt, Bien soicz vcnus hautement Conmc le jor dc paiitccostequot;. Mes sa parole que li coste?',', 777â82 (b. M. 1049.3 |
tocht âMartins voghelquot; en roept: »A1 heil edel voghel, Kere herwaart dine vloghel, Ende vliecli te miere rechter hant!« Maar de vogul âvloech Tybeert ter luchter zijdenquot;, met het gevolg, dat de arme bode zich geen illusies over de toekomst maakt, al blijkt die vrees dan ook niet uit zijn uiterlijk. Jieyn. 972â1101. Tybert komt te Maupertuus, vindt daar den vos vóór zijn hol staan, brengt hem des konings boodschap over en wordt door Reyn. welkom geheeten '). Rey-naert wil meegaan naar 'thof, maar stelt voor don tocht te verschuiven tot den volgenden dag. De kater berust niet zonder tegenstreven daarin, en vraagt, hoe hij dan aan eten zal komen. Reyn.'s aanbod van honigraten; Tybeert's vraag om muizen; Reyn.'s vermelding van den overvloed dier diertjes in de schuur van een in de nabijheid wonenden âpapequot;; zijn belofte aan den begeerigen kater om hem die lekkernij te bezorgen; beider gang naar de schuur, waar de vos âRcvnaert sprac: ^Tvbeert, belet vrij, Neve, gin zijt mi willeeome. God gheve hu ere ende vrome; Bi (Jode dat jan ic hu walequot;. Wat costc Ueynaerd scone tide? Al seghet sine tonghe wel, Sine berte die es binnen leP. |
INIiKIDINt.
xvir
|
dien dag tien hoenders had geroofd; door het gat, 'twelk hem toegang had verleend, moest de kater maar binnengaan. Vóór dio opening nu waren door Martinet, den zoon des priesters, âdons las tendus Por Renart prendre Ie gorpil. Et Eenart 1'enging savoit bien, A son eompaignonn'en dit rienquot; ')⢠ïybert aarzelt aanvankelijk blijkens Renart's woorden: »Fi merde, eon tu es cuart!« doch wordt door den vos gerustgesteld met de woorden: »(xe t'atendrai au trou ca f'ors«. Hij waagt den sprong, die voor hem noodlottig wordt. Ren. 860â91à (b. M. 10580â 10Ã38). Martinet wordt wakker, verheugt zich over de vangst, zoo hij meent, van den vos, roept zijn vader en moedor (wier naam hier niet, gelijk in den lioyn., wordt genoemd); de laatste âalumo la chan-dellequot; en grijpt âsa conoilloquot; in de hand, terwijl do andere uit zijn bed springt âen son poing sa coillequot;. Tybert wordt door alle drie duchtig geslagen, doch ziet, deerlijk in 't nauw gebracht, âla eolle au provoire: As denz et as onglcs trenchans Li onraoha un des pendansquot;. Des priesters vrouw 1) In MAur.'s odil.ii' ontbrcki'n ritvj' nis 10569 en '70. |
kort te voren bij liet roovenvaneen liaan was ingebroken, en waar âDos papen sone Martinet . . . . hadde voer dat gat gheset Ken strec don vos mede te vanequot;; zooals dat âwiste Reynaert, dat felle dierquot;. Reyn. spoort Tyb. aan om in de opening te kruipen en belooft hem buiten de wacht te zullen houden: »lc sal hier voer dit gat bliven staen«. Tybeert's aarzeling; Reyn.'s uitroep : »0 wy, Tybeert, twi sidi blode? Wanen quam huwer herten desen | wane'?« Des katers sprong en het daaruit voortkomend ongeval. h'eyn. 1102â1201. Martinet wordt door 't schreeuwen van tien gevangen kater gewekt, uit zijn blijdschap over de vangst, gelijk hij meent, van den âhoenrediefquot;, en roept zijn vader, zijn moeder Julocko en de kinderen. Do âpapequot; springt nnakt uit bed en grijpt het spinrokken zijner vrouw; Julocko zelve steekt een âofferkeerssequot; aan. Allen beginnen ze nu den inmiddels ontdekten kater op slagen te onthalen, terwijl Martinet hem met eon steen een oog uitwerpt. Tybeert's aanval op don priester: âBeede mot elaeuwen ende met tanden Spranc hi dien pape tusschen die been Ende haelde hem dat een van den liter burse al sender naet, |tween Daer men dien beyaert mede slaetquot;. .lulocko's weeklacht tegen haar zoon t.woi! Inatstn vss.; bij Mlïos. vindt men ze |
INI,RIDING.
XVIIt
|
âvit sa grant perte, Lors par fu sa dolor aperte. Trois f'ois s'est chaitivo clamee, A la quarte ohaï pammoequot;. Van de verwarring, hierdoor ontstaan , maakt de kater gebruik om te ontkomen: âTybert s'en eschape li chaz, Qu'il ot as denz mangiez les lazquot;. Hij vervloekt den vos, die intns-schen de plaat heeft gepoetst, beschuldigt zich zelf' wegens zijn gebrek aan wantrouwen en verwenseht den priester, diens vrouw en Martinet (vgl. boven de 5de noot op bl. XIV), terwijl hem slechts de troost overblijft, dat de âprestresquot; âd'un des pendanz n'a ... miequot; en âA tot le miens en sa paroehe Ne puet sonner qu'a une clochequot;. Ren. 917â1028 (b. M. 10639â 10750). Tybert keert terug naar 't hof en vertelt zijn avontuur. De vertoornde koning uit het vermoeden, dat Ren. op Grinbert's aanstoken alle respect voor zijn vorst heeft uit het oog verloren , en beveelt den das, die zulks ontkent. Ren. te halen. Grinb. verzoekt voor dat doel een gezegeld bevelschrift, dat voor hem op dictee des konings door Baucent wordt in orde gebracht. Hierop trekt deze derde bode naar |
over dat verlies, en Reyn.'s spottende troost, dat de âpapequot;, al had hij er âEenen van den clippelen vorenquot; bij ingeschoten, toch âmet eere clockenquot; zou kunnen luiden. Do onmacht, waarin do priester valt, welke daarop door zijn vrouw naar bed wordt gebracht. De ontsnapping des katers, die tijdens de ontsteltenis der famielje âmetten tanden zine Die peso midden beet ontwee Ende spranc weder hute ten gatequot;. h'mjn. 1202â1327. De half blinde Tybeert keert terug naar 't hof. Hernieuwde beraadslaging van den vertoornden leeuw met zijn âbaroenenquot;. Nadat er verschillende plannen geopperd zijn, adviseert de das tot oen derde indaging en biedt zich als bode aan, wanneer Nobel den twijfel heeft geuit, of er zich wel eenig dier voor die taak zou laten vinden. Grimbcert's vertrek naar Mauper-tuus, waar hij Reyn. diens toestand als zoo gevaarlijk voorstelt1), dat en â.Ghi suit ghereclit siou voer lm liuus Eenc galghe ofte «en rat. j Over waer segglüe hu dat: Beetle lm kindre ende hu wijl' j Sullen verliesen luier lijl.quot; 1 1202â'6. |
1
Vgl. hier;
ttila n'en aures el iiue la mort,
Ne vos no tuit vostre cliael.quot;
98Gâ'T (b. M. 10708âquot;!)).
|
Een.'s kasteel, waar hij met de grootste omzichtigheid binnengaat, doch als neef des burchtheers met alle teekenen van vreugde wordt ontvangen. Na het nuttigen van een maaltijd zet Grinb. den vos hot ernstige van diens toestand uiteen 1) en overhandigt zijn âlotresquot;, welke door den vos onder vrees en beving worden gelezen. Thans ziet Ken. geen middel meer om te ontkomen en wil hij bij het naderende doodsgevaar zijn biecht afleggen1), die hem bij gebrek aan eenig geestelijke in de nabijheid 2) door Grinb. zal worden afgenomen '). Renarl 1029â1142 (b. M. 10751â 108(i8). Inhoud van de biecht, welke Renart zonder eenige inleiding begint : a. Ik heb Hersent, Ysengrin's vrouw, verkracht. I). Ik heb Ysengr. verschillende parten gespeeld 3): |
XIX deze nu ernstig besluit aan 's ko-nings bevel to gehoorzamen. Reynaert's afscheid van vrouw en kinderen1); zijn vertrek en verzoek aan Grimbeert om als zijn biechtvader op te treden 3 0,14). Reyn. 1328â1542. Inhoud van de biecht, welke Reyn. aanvangt na een deftige vermaning van Grimb. en een grappige would-be-confessie van hem zelf: a. Ik heb alle dieren kwaad gedaan (vgl. in 't Fr. c h. Ik heb Bruun een bloedige kruin bezorgd. mi.EIDIKG. |
-'3.
1
Zie de noot op de vorige iiiijj;.
2
Vgl.:
ââQar jo n'i vol prostre plus pres.quot;
1022 (b. M. 10744).
3
Zie noot 1 op do volgende pag.
INLElDINCr.
XX
|
a bij liet rooven van een lam heb ik hom in een wolveiival doen geraken; /3 ik heb hem in de modder doen zinken, waar hij van drio herders klop heeft gekregen; y een andermaal heb ik hem in een âlardierquot; doen klimmen, waar drie varkens hingen en hij zich zóó dik had gegeten, dat hij er niet meer uit kon; d voorts heb ik hem met zijn staart in 't ijs doen vastvriezen, en £ hem de maan voor een kaas doen aanzien; 'C, ik heb hem er in laten loopon âdevant la charete as plaïzquot;; Y) ik heb hem monnik doen worden, bij welke gelegenheid âQant on li vit la char manger, Fox f'n qui de lui list bergerquot;. c. Ik heb me tegenover alle dieren bezondigd ,). d. Ik heb Tybert bij 't muizen vangen in den strik doen vallen. c. Ik heb Pintein's familie bijna geheel opgepeuzeld. f. Ik heb eens oen legor hulptroepen, uit honden bestaande, mot betrekking tot do hun toekomende soldij bedrogen. 1) Vgl.: ^Ysengiin ai go timt forl'ct Que ucl puis veer n nul plet.quot; 1037â'8 (b. M. 10759âquot;CO) alsmede ^Ge ue vos auroie Imi vetrait Tot le mal qiie je li ui fet.quot; 1009â'70 (b. M. 10791â'2). 2) Zie boven noot 5 op biz. XIX. |
c. Ik heb Tybeert bij 't muizen vangen in oen strik doen geraken (vgl. in 't Fr. d). d. Ik heb Cantecleer van zijn kinderen beroofd (vgl. in 't Fr. c). e. Ik heb den welf verschillende parten gespeeld 1): « toen ik hem pluimstrijkend en foppend mijn oom heb genoemd; /3 toen wij beiden in Elmare monnik waren geworden en ik hem de klok zóó heb doen luiden, dat hij de aandacht der lui op zich vestigde en dezen hom duchtig afrosten ; y toon ik hem bij 't scheren der monnikskruin zijn haar zóó heb afgebrand, dat de huid er van kromp; (J toen ik hem op 't ijs heb leeren visschen (vgl. in 't Fr. b d) e toen ik hem bij don pape van Ambloys in de schuur heb doen klimmen, waar hij zóóveel varkens-vleesch heeft gegoten, dat het gat, waardoor hij naar binnen was go-komen, hem wegens zijn dikte geen uitgang moer verleende (zeer uitvoerig verhaald tegenover de korto vermolding van dit feit in 't Fr., z. aid. h y); £ toen ik hom door voorspiegeling van een uit hoenders bestaande buit verlokt heb op oen dak te klimmen, waar hij dooreen valluik naar beneden cfcO(Hï hebbic Ysengrijn moe* bedroghen Dim ie fli sonde ghosegghen moglion.quot; 135» en quot;4. |
,
|
Grinbort schonkt zijn biechteling absolutie, na hem voor terugkeer tot zijn oude zonden gewaarschuwd te hebben, lienart neemt afscheid van vrouw en kinderen draagt hun de bewaking van zijn sterkte op, beveelt hen in Gods hoede aan, uit zijn hoop op een gelukkig wederzien, bidt den Hemel om wijsheid cn verstand bij het voeren van zijn proces en zegent zich tegen don invloed der duivelen. h'mari 1143â1188 (b. M. 1080!)â 1U918). Beide dieren begeven zich nn naar 't hof'J) en raken ,,en ce que Renart se dementequot; van den weg af en in do nabijheid van âune grange a noneins. (La meson est molt bien garnic Do toz les biens que terre crio, De let, de formaches ot d'ues. Do berbiz, tie vachos, de bues, D'unes et d'autres norricons)quot;. In de richting van dio schuur, meent Renart, zou men moeten gaan om weer op den rechten weg te komen 1). Grinbert begrijpt den toeleg van den vos en onderhoudt dezen daarover : |
XXI is gerold en weer behoorlijk slaag heeft gekregen. /'. Ook heb ik mij tegenover Hersint bezondigd (veel uitvoeriger behandeld dan in 't Fr., z. aid. a). Na toediening van een paar slagen schenkt Grimbeert aan Reyn. absolutie en verstrekt hem daarop een uitvoerige vermaning voor de inrichting van zijn volgend loven. Reyn. 1543â1(300. Beide dieren trekken nu naar 'thof2). Reyn. ziet op dien tocht âEen pryoreit van zwarten nonnen, Daer meneghe gans ende menich hoen, Meneghe hinne, menich cappoen Plaghen te weedone buten muerequot;. en maakt zijn biechtvader wijs, dat liun weg daarlangs leidt3). Grimbeert gelooft hot en Reynaert maakt van die gelegenheid gebruik om een aanval op een nabijzijnden INLEIDING. |
|
en âDie heien hebben den weeh bcstiien.quot; 1 1544. ai JVc ghenen hove waort So leglwt ousc reclite strate.quot; 1554âT). |
1
3J Vgl.:
^Vers cole cort a ces geliues Lu est bi voie que lessons.quot;
1100âquot;l (b. 11)888 '9).
2
/ie boven noot 2 op biz. XIX.
|
XXII »Filz a putein, puanz hoirites, Malves leoheres ot ongros, N'ostiees vos a nioi conlos Et asiez merci crie?® Kenart verontschuldigt zich met: »go l'avoie oblie. Alon nos ent, je sui toz prest*, moot dan nog oen voortzetting der bestrafling aanhooren en antwoordt daarop: »Hele ment le ditos, banx frere! Alon nos ent en pas amblant«. Maar toch kan hij zijn aard niet verloochenen, want âsovent colie Vers les jelines cele part. Molt est dolant, quant ii s'on part. Et qui la teste li conpast. As gelinos tot droit alastquot;. Renarl 1189â1350 (b. M. 10919â '94). Intusschen gaan de twee reizigers weder langs den hoofdweg voort; Eenart in oen toestand, waarin âLi sans li bat desoz la crope: Tant orient et dote son segnor, Qu'onques mes n'ot si grant poorquot;. Wanneer ze aan de plaats hunner bestemming zijn aangekomen ân'is ot beste ne s'atort Ou d'oposer n de respomlrequot;. |
haan le doen. De das wijst den recidivist op zijn misdaad: «Onsalich man, wat wildi doen'? Wildi noch weder om een hoen In alle die groete soiulen slaen, Daer ghi te biechten af zijt ghegaen V Dat moet hu wel zere rauwen«. doch ontvangt ter verontschuldiging hot antwoord: )Bi rechter trauwon, 1c hads vergheten, lieve novo. Bidt Crode, dat hijt mi verghevo; Hot nc ghosciet mi nemmermeeix Maar toch bij het terugkeeren naar den grooten weg: âHoe dicken sach Reynaert achter [rugghe Weder daer die hoenre ghinghen! Hine conste hem niet bedwinghen, Hine moeste ziere seden pleghen. Al haddemen thoeft hem afghe- [sleghen. Het ware ten hoenren waert ghe- [vloghen Also verre, alst luidde ghemoghenquot;. En wanneer ftrimb. den schelm ook hierover weder verwijten doet, weet de laatste de voortzetting der preek te ontkomen, door voor te wenden, dat hij bezig is met een gebed voor de ziel der eertijds door hem vermoorde hoenders en ganzen. Itotjii. 1601â1750. Op do ârechte stratequot; aangekomen, trokken de reizigers verder, terwijl âArde zore beefde Reynaert, Doe hi began den hove naken, Daer hi waende seere mesrakenquot;. Wanneer ze dan op de plaats hunner bestemming zijn verschenen, is daar niemand, âSoarem no van soerancken maghen, Hine ghereedde hem up een claghen, Ende alteinalo ieghen Reynaerdequot;. INLEIDING. |
INLEIDING.
XXIII
|
Doch Renart âNe fet pas clicre de courtquot;, en begint met opgeheven hoofde voor den koning een âresonquot;, waarvan de inhoud ongeveer is; koning, gij bezit geen beter dienaar dan ik ben *), maar booze lieden, die zich op mij willen wreken, zijn de oorzaak , dat gij mij verkeerd beoordeelt; bedenk echter, dat het verkeerd in de wereld gaat, als een koning de slechte lui gelooft en naar de goede niet hoort; »Qar cil qui sont serf par nature®, ze weten geen maat te houden en trachten slechts anderen te bena-deelen en daaruit hun voordeel te trekken. Na, deze ontboezeming behandelt de beschuldigde de punten der aanklacht; Waarom had de sterke beer zich niet tegen Lanfroi geweerd? Wal; kon hij, de vos, 't helpen, dat Tybert zoo gulzig was1)? En mocht de liefde, welke Ysengrin's vrouw den aangeklaagde toedroeg, hem tot een misdaad worden gerekend? Voorts wijst hij op de onhebbelijkheid der indaging van een zoo loyaal gezind grijzaard, als hij mocht heeten; alleen dewijl de koning het geboden had, was hij naar 't hof gekomen, waar het hem thans was opgelegd van de genade af te hangen van een machtiger, die met hein doen kon wat hij wilde 2). |
Doch Reynaert . . . â(doet) als die onvervaerde, lloe so hem te moede wasquot;, verzoekt Grlmb. met hem âdie hoechste stratequot; te gaan en plaatst zich met een brutaal gezicht vóór den koning, tot wien hij ongeveer het volgende zegt: o vorst, gij bezit geen beter dienaar dan ik ben '); nochtans zou menigeen mij gaarne zwart bij u maken, als gij naar hen wildot luisteren; maar dat doet gij niet; ook moet een koning slechte lui niet gelooven ; toch zijn er heden ten dage heel wat menschen, die ten hove door hun boosheid aanzien hebben verkregen, en die men niet mag vertrouwen, dewijl gt;Die scalcheit es hem binnen ghebo- |ren«. |
|
I) Vgl. hier; âtioisquot;, fet Renart, vos sal» Con cil ([ill plus vos ii val» (.ine baron qui soit en renpire.quot; |
1213âquot;quot;) (h. M. 10943-en Jc groete lui, coninc, ende hebbes recht. I En haddo ine eoninc eenen knechl Su ghetrauwe ieghen hem, 'O). Als ie oyt was ende bemquot;; 1025 quot;S. |
1
Vgl. beneden noot 2 op biz. XXIV.
2
'0 Vgl. beneden noot 1 op bl?.. XXV.
INLEIDINO.
üo leeuw laat zich intusschen door deze woorden niet beetnomen.
»0 wy Reynaert«, is zijn antwoord,
»0 wy Reynaert, onreyne quaet, Wat condi al scone ghelaet!
Maer dat en can hu ghehelpen een cal'. Nu comt huwes smeekens af; Ic werde bi sraeekene niet hu vrient«.
Ik zal u laten boeten voor hetgeen gij hebt misdreven.
Onderbreking van 's konings speech door den voorbarigen Canticleer, dien het stilzwijgen wordt opgelegd l); en voortzetting van Nobel's rede, waarin hij op de parten doelt, den boer en den kater door Reyn. gespeeld, en den misdadiger met den dood dreigt.
Reyn.'s verdediging met betrekking tot zijn houding tegenover Bruun en Tybeert ; zijn opmerking
IJ Dozo scone herinnert eenigszins uan de wat later volgende (â /., ben. ]gt;. XXVJin't Krimsche gedicht, waar de koning Uenart's luidruchtige vijanden verzoekt te zwijgen. Vgl.: ..Mes li reis les fet en sus terre, eti âDie conine sprac; ^Ilont liuwcn mont,
Lui en lest en venchance t'ere.quot; Here Canticleer, nu laet mi spreken,
1333â'4 (b. .M. 11(177âquot;8) Laet mi antwoerden sinen treken.quot;
1660â'2.
2) Vgl. met deze verdediging de overeenkomstige, die in het Fr. gediclit wat vroeger (z. buv. pag. XXlil) is te pas gebvaelit;
XXIV
Do loeuw laat zich evenwel door do/.o pleitrede niet beetnemen, maar roept den vos na een heftige beschimping toe:
»Bien saves parler et plaidier: Mes ce que vaut'? co n'a mestier. N'en partires en mile guise Que de vos ne fache justice. N'i a mester diere hardie Ne n'i vaut vostre renardie«. (ïij zult worden bestraft, gelijk mijn baronnen zullen oordeelen, dat eon schurk zulks verdient.
|
^Se Uruns manja li miel Lanlroi Et li vileins Ie ledenja. Et il por (joi ne s'en venja? .Ia a il tex meins et te.\ piez. Si grauz musteax et si grant giez. Sc misire 'l'vbcrt li chaz .Manja les soris et les raz Quant en Ie prist et li list honte, l'or Ie cuer be a moi iju^üi inonte 1244â54 (b. M. 10978â'86). |
oi ^of mijn here Brune Noch id bloedieh es die crune. Here conine, wat bestaet mi dat, Of hi Luml'royts honieh at Ende liem die keiM'l luchter dede, Noch heeft Brune so stereke lede. Was hi tcblauwen of versproken. Ware hi goel, hi hadt ghewroken, Eer hi noint vloe int water. Bander zijde Tybeert di e cater, Dien ic herberghede ende oiitHnc, Of hi liute om stelen ghinc Tes papen, sonder minen niet, Ende hem die pape dede quaet, 15i Oude sondic dat ontghelden, So mochtic mijn glieluc wel scelden.4,, 167.3âquot;S?. |
INLEIDING.
XXV
|
Oriiibert mcoiu daarop to moeten opmerken, dat do vos in allo geval niet zonder voorafgaande openbare verdediging mag worden veroordeeld ; maar nog vóór hij zijn spccch ten einde heeft gebracht, verheffen zich in vijandige stemming Ysengrin, Relin, ïybert, Rooneax. Tiecelins âli corbeaxquot;, Cliantecler, Pinte mot haar geleide, Espinarz âli hericonsquot;, Petipas âli poonsquot;, Probers âli gre-sillonquot;, Roxax âli escnireusquot; en Cours âli levresquot;. De koning logt de schreeuwende gemeente echter hot zwijgen op1), richt zich tot zijn âSognorquot; met do vraag, hoe hij Ken. zal straffen, en vereenigt zich volkomen met het ontvangen advies »Nus no vos sauroit desloer, (.vgt;iio vos nel fachois encroer«8). |
over zijn eigen machtoloozen toestand, waarin hij van do genade afhing van een machtiger, die met hem doen kon wat hij wilde '). Algemeene beweging onder de dieren; Belijn de ram met zijn vrouw Hawij, Bruun, Tybert, Ysen-grijn, Forcondet de ever, Tyecelijn de raaf. Paneer de bever, Bruneel, Rosseol de eekhoren, Diewoline, Cantecleer met zijn kinderen, en Cleenebeiach het frtt plaatsen zich vóór den koning en doen Reyn. gevangennemen. Hot proces neemt oen aanvang; do punten van aanklacht worden door bewijzen gestaafd ; do âbaroeuequot; ontvangen van Nobel de opdracht een vonnis te vollen en veroordoelen don vos tot don dood, door middel van de Strang 2). |
1
Vgl. met deze opmerking ilc overeenkomstige, welke in hel Fr. gedicht wat vroeger voorkomt (z. bov. p. XXII):
en
4fcC'oninc lyoen,
Wien twit'elt des, ghinc moghet doen, Dat ghi ghebiet over mi,
Hoe goet mine sake zi?
Ghi moghet mi vromen ende scaden. Wildi mi zieden ofte braden,
Ofte hanghen ofte blenden ,
ie ne mach hu niet ontwenden;
Alle diere zijn in hu bcdwane.
Ghi zijt groet ende ie bom cranc;
Mine hulpe es eleene ende dhmve groet. Maer bi Gode, al slooehdi mi doot, Dat ware eene crancke wrake;
Lichte men daer af bilde sprake.quot;
1689- -1 702. (Vgl. voor het laatste vs. ben. Aant. op 1702).
2
*i) Behalve de boven in den tekst en de noten geciteerde bewijzen voor een nauwere
INLEIDING.
c.
Na Roynaort's veroonloeling houdt do grootero of goringero overeenkomst tussohoii do beide gediohtou op. In de tweede hol It van de bYansehe
dat de Dictschc wederga bij een geheel andere gelegenlieid is te pas gebracht dan liet Honmansehe voorbeeld. Op de meeste daarvnn heel't .Ionckjil, r^eds de aandacht gevestigd (/.ie bl. LXXXIX -XCV1 zijner Inleid, op den licyn.); t w. op:
ttXoniini dame Cristnm tile!quot; cu kkNomine patrnm christum lile!quot;
537 (b. M. 10237), in lirnifs IC72, in Heyn\s verdediging
geestdriftige uiting uvert de voor den kon.
heerlijkheid van quot;t honig eten.
âOnques ifi ot resne tenu eu âDoe so namen si np die vaert
De si a tant «pril sent venu Ende liepen, daer si wesen wilden,
KI bois LantVoi Ic tbrester.'quot;, Dat si nye toghel uphilden.'quot;'
577âquot;9 (b. M. 10276â'S), in het 1066âquot;S, in het verhaal van
verhaal van Brnn^sen Hen/s tocht ! Tvbeerfs en Keyn/s tocht naar
naar den âchesne'gt;, van Lanfroi. ' des âpapen scuere.,,
ttOr del mangier, si iron boivre.quot; en kkHebdi gheten, so suldi drinken.quot;
588 (b. M. 10290), Ken quot;s woorden, 1 666, Ueyn/s woorden, wanneer
wanneer hij den beer uitnoodigt hij den gevangen beer bespot,
zijn bek in den eik te steken.
tfcAles done tost, sel nTamenes, en kk(Jaet wech ende, eer ghi wederkeert,
Gardes sans lui que ne venes.quot; Besiet, dat lleynaert mot hu come.quot;
931â^ (b. M. 10653 en quot;4)1, j 926â',7, quot;s konings woorden,
quot;s konings woorden tot Grin- i wanneer hij Tyb. beveelt den
bert, als hij den vos zal gaan vos te gaan halen.
halen.
t(lt;Et Hruns qui la toste ot vormeille.quot; en ^here Hrune,
1208 ^b. M. 10938), bij de ver-melding der dieren, welke den
Die noch bloedich es zijn crime.quot;
1668, bij de verwijtingen, door aan quot;t hof verschijnende Ken. een den kon. tot Reyn. gericht met
minder aangename welkomst be- betrekking tot diens houding
reiden. ' tegenover Rruun en Ysengr.
Bovendien maak ik echter nog opmerkzaam op:
âGrimbert li Taissons se leva, en âDoe sprane up Grimbert die das.
Die Reynaerts broedersone was.'quot;
165 , als aankondiging van Grimbeerfs rede tot verdeding van den vos; vgl. ook vs. 1220).
Se il puet Renart aidera,
Que ses cousins germains estoit.quot;quot;'
b.M 9869 '71 (ontbr. bij M art.),
als aankondiging eener in 't Mnl. gedicht ontbrekende pleit- â
rede van Grinbert voor Ken.
ttSe. Uenart s'en estoit tornez , en Ne ware wert hem dit vergheven,
James ne seroit retornez. i Hi sal noch boenen binnen ere maent
Tex ifen set mot (jui en plorroit.quot; I Sulken, dies niet ne bewaent.quot;
1347âquot;So rb. M. 11091 quot;4 , als j 162âquot;4, aan quot;t slot van Ysengr/s
XXV J
quot;s konings betoog om het over rede over de noodzakelijkheid
om den vos onschadelijk temaken.
Hen. gevelde vonnis snel uit te voeren.
INLEIDING.
branche vernomen we, hoe de koning ilon vos op voorspraak van Grin-bert vergilïenis schenkt op voorwaarde, dat do boosdoener een pelgrimstocht naar 't heilige land zal doen; hoe Honart te paard wegrijdt en Coart den haas, die hem beschimpt, beetpakt en naar zijn hol wil meenomen; hoe hij op een hoogte, buiten 't bereik van den leeuw en do andere dieren gekomen, in 't gezicht van dezen zich van pelgrimsstaf en tascli ontdoet (bij welke gelegenheid Coart weet te ontsnappen) en door de verontwaardigde dieren tot aan zijn burcht wordt nagezet ; hoe hij daarop in zijn sterkte wordt belegerd, van de borstwering uit zijn vijanden beschimpt, bij een nachtelijken tocht buiten zijn kasteel, terwijl hij de koningin schoffeert, wordt gevangengenomen en gehangen zal worden, wanneer nog te juister tijd zijn vrouw en kinderen met oen grooten schat van zilver en goud als losprijs aankomen en op voorbede der koningin Reyn.'s genade weten te verwerven.
Niets, althans bijna niets van dat alles wordt in Willem's verhaal aangetroffen. Hier wijkt de ontwikkeling en de loop dor gebeurtenissen geheel af van hetgeen ons de tweede helft van hot Fr. gedicht weet te vertellen, evenals ook van hetgeen er in de andere Rcnart-hnmches te vinden is. Hier kan zelfs van navolging uit de verte geen sprake meer zijn, maar hebben we zonder den minsten twijfel aan een schepping te denken, die niet alleen wat de samenstelling, de onderlinge verbinding en de voorstellingswijze van de hoofdbestanddeelen der historie, maar evenzeer wat de vinding dier bestanddeelen zelve betreft, het voortbrengsel van Willem's genie moet hoeten; want aan het vroeger bestaan van een Franschen lienart, met een 1ste stuk, = de 1ste helft der 1ste(ofXXste) branche, en een 2de stuk, dat als voorbeeld voor de 2de helft van den Itcynacrl, kon gediend hebben, valt het moeilijk te gelooven, dewijl, bij de vrij aanzienlijke massa der bewaard gebleven /fewar^-gedichten, het te loor gaan van een poëtisch prodnkt, dat zóózeer boven al het andere had moeten uitgemunt hebben, niet zeer waarschijnlijk te noemen is. Weliswaar heeft .iGNCKBLOET gemeend, dat de Vlaamsche dichter de aanleiding tot zijn hoofdmomenten in hot Fransche stuk had gevonden (z. diens
XXVII
|
âCelui (|iii uo se puct rescorro, Tuit li autre li eoront seure.quot; b. M. 9807âquot;8 (ontbr. bij Maim.), in de rede van Frumont li Asues, welke iu 't Wnl. ged. niet voorkomt. ,,lji rois ii parle liautemont Si que Toent tote sa genf.quot; 1336â'C (b. M. 110711 -quot;80) als aankondiging van des konings verzoek aan z.ijn heeren om over Ken. een vonnis te vellen. |
en âDie seade hevet of verlies Ende groot ongheval, Over bem so willet al.quot; 720â''2, als opmerking naar aanleiding van don aanval der dorpsbewoners op Brune. en âKevnaert..... ... sprac, dat alle dier waren boorden:quot; 1827â'8, als aankondiging van Ueyn.'s verzoek aan Brmm c. s. om de executie snel te doen plaats hebben. |
INLEIDING.
xxvm
Inleid, op den Reyn. bi. Cl vlgg.). Weliswaar is hot voorzeker niet onmogelijk, dat de schat, waarvoor Kenart onder bemiddeling der leeuwin wordt vrijgekocht, Willem tot de verdichting van Ermelinc's schat cum annexis eu van 't bemiddelend optreden der koningin heelt geleid, dat van do woorden »Si vos döussiez confessor® (vs. 19G4, b. M. 11716) do stoot is uitgegaan tot het verzieren van Reynaert's tweede biecht (vs. 1889 vlgg.), dat aan het denkbeeld om Cuwaert zulk een treurig lot toe to doelen de zoo even in herinnering gebrachte geschiedenis van Coart heelt ten grondslag gelegen, en dat do mishandeling van Rcnart door Jh'iin, Ysengrin en Tybert (z. vss. 1855â1800 bij Mht., 11605â11616 b. Mie.) den Dietscher op do idee van het driemanschap zijner candidaat-beulen heeft gebracht. Maar ook wanneer deze mogelijkheid werkelijkheid is geweest, dan kunnen do hooldmomentcn in het Mul. gedicht toch nog in zóó hooge mate op zelfstandige vinding boogen, dat het boven geuite oordcel zijn volle kracht en beteekenis moot behouden ').
O Even weinig afbrcult doet daaraan oollt; de overeenkomst ol' ile verre verwant-schal), welke .Ionckbi,. (7. diens Inleid, bl. XCV1 en OVII vlgg.) in de tweede helft dor beide gedichten in ondergeschikte punten heeft aangewezen tiisschen;
|
âEz vos Rcnart 1c pclerin Escrcpe au col, bordon iVesnin.quot; 1423â'4 (b. M. 11169â'Tü) âl'or dan Ucnart (ine Ten devoure l'lonrc Grinbert et prie et ourc: Ses parens ert et ses amis, Loie le voit et entrepris; Nc set conmcnt il le reqoe, Qiic la force n'cst mie soc.quot; 1885âquot;OO (b. M. 11635â 40, bij het verhaal van Rcnart's tweede veroord celing. âCc dit li rois; ^penscs del pendre, Car nc puis mie tant atendre.quot;quot; 2033â'4 (b. M. 1 1787âquot;S), bij gelegenheid der tweede veroor-decling. |
;n âNu wart Ucynaert peelgriju, Scaerpe ende palster omme den hals.quot; 2739 en '51. ai âSi (Grimb. en Ueyn.'s mugonJ nc eonsten (niet verdraghen, Datmen voer haren oghen hinghc alse (ecnen di(â f.,'' 1744 en '5, bij het verhaal van het vertrek van Grimb. met de zijnen uit het hof. Salinen hanghen , twine doet mimt dan?quot; 1 756 -'7 en 1766, als woorden, door Tyb. tot den wolf en den beer gi'iiclit. De door .Ionokhl. gemaakte vergelijking tuaschen; Damequot;, fet il, âvostre proicre eu âBidt voer mi, edele vrauwe. l(twi sidi traech, 1 lelquot; Ysingrijn ende here Brnun? |
Devroie ge avoir chere.
Et molt par devroit estre licz l'or qni proier dengeriez.quot;
1443â6 ;'b. M. 11189â'92;.
heeft echter m. i. geen voldoende reden van bestaan, dewijl de geciteerde Mnl. verzen naar alle waarschijnlijkheid niet voor eehl kunnen doorgaan (â /.. ben. de Aant. op de vss. 2507 en 'S).
Dat ie hu met lieve weder scauwe.quot;
in 't Comb. hs. na 2506 van onzen tekst.
inl-klüino.
D.
Volgens Willom's eigen getuigenis (z. 7â9 van onzen tekst) had hij bij het (lichten van Reynaert's âvijtequot; van moer dan 6én âwalschequot; liron gebruik gemaakt. Vandaar, dat we in den itcynaerl de sporen kunnen verwachten en ook werkelijk vinden van ontleening uit andere Fr. Renarl-branches dan de Iste (of XXste). Verschillende van deze zijn reeds door Jonckbl. ter sprake gebraciit (op bl. CX en vlgg. zijner Inleid.)] t.w.:
a. De vermelding van den worstdiefstal in Cortoys'klacht (vs. 89â95), herinnerende aan oen Fr. verhaal (z. Maut.'s ed. II, bl. 354 vlgg.), waaide vos den kater in 'toog krijgt, die in 'tbezit van een worst is, dezen wijsmaakt, dat hij vlak bij een muis heeft gezien en daardoor Tiebert's aandacht van de worst aftrekt, zoodat die lekkernij op den grond valt en door Ren. voor goeden prijs wordt verklaard. (Evenals in Willem's verhaal de hond zelf de worst te voren aan Tybeert had ontstolen, z. 98â114, is de âandoillequot; in 'tFr. stuk een voorwerp, 'twelk oorspronkelijk het gemeenschappelijk eigendom van den kater en drie andere dieren was geweest, maar dat Thieberz voor zich alleen in beslag had genomen).
h. Het optreden van Tybeert als verdediger van Reyn. (vs. 90â104), dat zijn weerga vindt in de Xde branche, llöâ194 (b. Méon de XXViste, 17992â180S0), waar de kater don vos, hoewel op andere gronden dan in het Mnl. gedicht, tegen zijn aanklagers verdedigt1).
c. De vermelding van de historie met de âpladijsequot; (vss. 192â200), welke eenigszins herinnert aan het verhaal in de Fr. branche (b. Mkon de Xde, 3939 vlgg.), waar de hongerige Renart een kar met visch ziet aankomen, voor dood op den grond gaat liggen, door do voerlui, die hem voor een lijk aanzien, op den wagen wordt geworpen, zich dan aan do
xxix
1
Natuurlijk is het hier en beneden, bij de vergelijking der Fr. branches, niet de bedoeling, dat juist de bewaard gebleven teksten Willem's lectuur zouden hebben uitgemaakt. Ook een oudere bewerking, welke aan de ons bekende heeft ten gi oudslag gelegen, kan denzell'den dienst hebben gedaan, ja zal dat ongetwijlehl hebben moeten doen, waar de vergeleken branche een betrekkelijke jeugd verraadt (gelijk o. a. dl' Xde of XXVlste) en het vermoeden wekt van jonger datum te zijn dan het Mnl. gedicht.
INI.EiniNG.
âliarenz et plaïzquot; to goed doet en daarna, als hij verzadigd van de kar is afgesprongen en zijn makker Primaut den wolf, dien lüj vroeger ergens had achtergelaten, weer heeft opgezocht, dezen zijn avontuur vertelt, wat ten gevolge heeft, dat Primaut ook op die manier buit wil maken, op den weg, dien het voortuig moet komen, eveneens voor dood gaat liggen, maar door de nu slim geworden voerlui aangepakt en behoorlijk afgerost wordt. (Men lette intusschen op de afwijking in het Dietsche gedicht, waar de wolf niet als do bedrogene, maar integendeel als de bedrieger wordt voorgesteld en waar ook de fopperij zelve een ander karakter heeft).
lt;/. Do vermelding van do geschiedenis met den âbakequot; (vs. 201â213), welke herinnert aan het Fr. verhaal (in do Vde br. bij Makt. vs. (!! vlgg. = de XVIIIde bij Mkon, 7807 vlgg.), waar we vernemen: hoe Renart in gezelschap van Ysongrin oen boer ontmoet, die een varken op zijn rug draagt, en door op den grond te gaan liggen de aandacht des landbouwers tot zich trekt, zoodat deze den vos achternazet en hot varken laat vallen; hoe Ysengrin, die zich achterbaks heeft gehouden, van deze gelegenheid gebruik maakt om het zwijn in zijn bezit te brengen en geheel te verorberen; en hoe de vos, die na zijn vervolger te zijn ontkomen, zich naar den wolf terugbegeeft om zijn vooraf bepaald aandeel aan de buit te ontvangen, daarvan niets meer over vindt dan ,,le hartquot; (den strik), waaraan het beest gehangen had ^).
e. De aanbieding van den gewaanden vredebrief (334â344), welke eenige overeenkomst vertoont met het verhaal in âLe desputement de la Mesange avec Renartquot; (bij Maiit. I, bl. 104, vs. 4ö9 vlgg., bij Mkon 1721 vlgg.), waar Renart de mees tracht te verlokken door zich op den afgekondigden rijksvrede te beroepen.
f. De grap van het luiden der klok (vs. 1.357â'72), ten deelo terug te vinden in de branche (bij Mbt. XIV, vs. 409 vlgg., b. Mkon 1X, vs. 3319 vlgg.), waar Primaut de wolf op Renart's raad in een klooster.,fait les seins sonerquot;, en dit op zulk een manier doet, dat een geestelijke er van wakker wordt en, ziende wat er gaande is, na om hulp te hebben geroepen, met zijn helpers den wolf afranselt; ten deelo ook te herkennen in de branche (b. Mbt. XII, 1038â1046, b. Mkon 21528â21536), waar Tybert, door Ren. verlokt,
âAtant s'en est en piez sailli.
Si est desus le banc montes
1) »)onckbl. meent, in verband met deze episode, dat de woorden:
âReynaerde waes lettel te bet,
Dat hi den goeden bake ghewan In suiker zorghen, dattene een man Vine ende warpene in sinen sae,'quot;,
welke iets vertellen, dat in de Fr. branche niet gevonden wordt, een toevoegsel zouden zijn van den loozen advokaat (Grimbeert) om zijn klient des to meer als een gemartelde onschuld te doen voorkomen. Men vergel. echter hetgeen omtrent deze plaats is opgemerkt op bl. 24G en 'T van ons Tsch. (^Jrg. V).
XXX
rm.EiDTNo.
el la/, a ses piez botes Et apres i bota son col;
(Je cuit qu'il s'en tenra a lol).
Les cordes a prises as denz.
liors primes le voient les gonz Qui vindrent au mostor garder Qui ce est qui tant puet soner.quot;
(j. De historie der kruinschering (1373â'7), herinnerende aan hetgeen we verhaald vinden in de lilde br. (hij Mrï. 334â'4(5, bij Mkon 1091)â1102): âRenart mist 1'eve sus le feu Et la fist trestoute boillant.
Puis li est revonus devant Et sa teste encoste de 1'uis Li fist metre par un pertuis:
Et Ysengrin ostent lo col.
Renart qui bien le tint pour l'ol L'eve boillant li a geteo Et sus le hasterel versee:
Molt par a fait que pute beste.
Et Ysengrin escout la teste Rechigne et fait moult laide chiere.
A reculons se trait arriere.quot;
(Vgl. ook een dergelijke scène in de XIV br., bij Mrt. , 391â'99, de IXde bij Meon, 3301â'9).
h. Het verhaal van het middel, waarmee Reynaert de aandacht op den vastzittenden wolf weet te vestigen (vs. 1403â'33), opmerkelijk wegens den trek van gelijkenis met de geschiedenis van een dorgelijken kunstgreep (z. Méon, 9272â'80), waarvan Renart zich bedient om do schuilplaats van den kater aan te wijzen:
âEt Renart s'en va droit esrant Une oe saisi par le ooi,
Et les autres out fet lor vol Par desus la meson Poufile.
Lors crie en haut, ga bele lillo,
Renart le rous enporte i'oie,
Sire Goubert n'en aura joie.
Maintenant celos escrierent.
Et li vilain qui laienz erent,
Saillirent fors isnelement,
' Fors quo qatre taut solement.
Apres Renart orient et huent Et tant le chacent con il puóont:
Et cil qui Brun ont en prison,
Vireut Tybert par la meson.quot;
xx \r
INLKIDINCi.
i. Het verhaal van den onvrijwilligen afstand van oen stuk hunner huid door Bruun en Ysingriju (vs. 2573â2G08), een historie, waarvan do grondgedachte buiten kijf' lo herkennen is in do bekende wraakneming van den vos-geneesheer op zijn aanklager of' aanklagers. Ten onrechte meende hier .Iongkix, evenwel aan don invloed te moeten denkon van een dor bewaard gebleven Fransche gedichten, want de eenige branche, waar van zulk een meesterwerk des slimmerds wordt gewag gemaakt (do Xdo bij Mart., de XXViste bij Méon), spreekt wel van een golieel of gedeeltelijk verlies dor epidermis, door Ysengrin en het hert ten behoove dos konings en op aanzetten van Renart geleden, weet wel te vertellen van een gevaar, dat Tybort ten opzichte van zijn vel heeft geloopen, doch bewaart een volstrekt stilzwijgen omtrent een dorgelijken door Hrun gobrachten tribuut. Voel grootor ovoroonkomst vertoont daarentegen de Mhd. Reinharl, welke bij het optreden van don geslopen medicus niet alleen Isongrim en den kater, maar ook don beer onder do slachtoffers vermeldt, die door het afstaan hunner huid do gezond-heid des leeuws moeten bevorderen. Ware het daarom niet waarschijnlijker te achten, dat Willem de aanleiding tot do schepping der besproken episode in een verlorongogane Oudfransche branche heeft gevonden, welke met de Mhd. bewerking in betrekking stond, d. i. of in het voorbeeld zelve dier Hd. navolging öf in een daarmee nauw verwante redactie? Ik geloof van ja, en dat te meer, dewijl er ook andere gegevens aanwezig zijn, welke op een bekendheid van don Dietschen dichter met een zoodanig Oudfra. gedicht wijzen, nam. de overeenkomst en gelijkenis tusschen:
âDaz (Reinhart's) loeh in einem en â(Mauportuus) Daer trachi in, als iii Isteine was |in zorghen
Ende in noede was bovaen.quot;
484 en '5.
Da er (Reinh.) vor sinen vindon
| genas.quot;
Reinh. 1619â'20.
»Ich hoero manegon guoten knecht en »Ghi hoeren, ghi hebt meneghen raet.
XXX11
|
Erteiln daz mich dunkt unreht; Sino künnen sich lïhte niht baz | vorstan. 131 dom eide wil ich iuch ze rechtehan: Swen man hio zo hove beklage, 1st er hio niht, daz manz im sage, ünd sol in dri stunt lür laden. Kumt er niht f'ür, daz ist sin schade ünd sol im an sin leben gun.quot; 1443â-'51, woorden door den âolbento von ïuschalanquot; gesproken bij de beraadslaging vóór Reinh.'s derde indaging. |
Al ware mijn oom noch also quaot, Sal men vrij recht voertdraghon, Men salne derdowaorven daghon, Alsomen doet eon on vrijen man. Ende en comt hi niet dan. So es hi sculdich aire dine, Daer hi af voor den eoninc Van dosen heeron os beclaghot«. 1221â'9, Grimbeert's woorden, vóór Reyn.'s derdo indaging gesproken. |
inmcidino.
âün quamen schiei-e sehso man, m âDen pape volchdon si zosse, Der ieglJchor ein stange znehI Die allo met groeten staven quainen.quot; 51Gâ'7, in hot verhaal eenor | 1430â'7, in het verhaal eoner vervolging van Isengrlm en drijljacht op Reyn.
Hersant.
Aarzelend wordt door Jonckhl. (op bl. CXV1II on CXIX dor Inleid) ook voor het tooneoltje van Brnun's sprong onder do oude wijven en van hot te water raken dezer schepsels (vs. 758â'62) de prototype gezocht in oen plaats uit de XXlsto branche (b. Mkon), waar do wolf, voor zijn vervolgers vluchtend (z. vs. 12347 vlgg.),
âBntre la porte et le vilein
Fet......un sant a plein;
Si fort le hurte qu'il 1'abat En une lange trostot plat.
Par les vileins s'en va fuiant,
Et cil le vont apres huiant.
Le vilein trovent en la boe Grant ot parfonde, si qu'il noe;
Fors 1'on ont tret a moult grant paine.quot;
(gedurende welke bezigheid der »vileinsquot; Ysengrin weet te ontkomen). Zonder twijfel is deze vergelijking ovenwei, ofschoon niot onvoorwaardelijk te verwerpen, toch niets moer dan een bewering, welke goon grootere waarde bezit, dan men b.v. zou willen toekennen aan de inee-ning, dat hot denkbeeld van hot voorwenden van den schat bij Kriekeputto zijn oorsprong had gevonden in een Fransch verhaal (z. Makt.'s ed. 11, bl. 3Ã0), waar Renart den leeuw fopt door hem een huwelijk met de gewaande dochter van koning Yvoris voor to spiegelen.
Volkomen onaannemelijk is daarentegen, wat dezelfde geleorde (z. bl. CXX der Inleid.) omtrent do herkomst van hot woord taverne in vs. 1175 (naar de lezing van 't nis.) in 't midden brengt: dat een plaats uit do X X11sto branche (bij Mkon 12903 vlgg.)
»Moult par ostos de mavès estre De poior ne poioz-vos estre,
Qar plus ostes pute que moche (Jui en osté la gent entoche.
Qui quo viegne no qui quo ant,
Vostre taverne no li faut«.
onzen Vlaming zou hebben verleid om datzelfde woord (= »cunnusquot;), hoewel min eigenlijk, voor een aangrenzend lichaamsdeel te bezigen: want, de gezochtheid van een dergelijke verklaring nog daargelaten, zoo volstaat een uiterst geringe wijziging (z. Tsch. 5, 251) om hier aan den Mnl. tekst oen woord terug te geven, dat /onder den minsten salto morfnle uitnemend begrijpelijk wordt.
xxxiii
tNLi:ll)IN(.
JEet het bovenstaande is hot getal der aanrakingspunten tusschen het Mnl. epos en do Fr. Itenart-yoë'iie, zoover ik heb kunnen nagaan, uitgeput. Misschien zou intusschen cou vergelijking met andere thans verlorene Renarl-hranches ook nog elders do sporen kunnen aanwijzen van het gebruik, door den Dietschen epicus van zijn herinneringen uit do lectuur dier gedichten gemaakt. Misschien echter ook niet; want dat eigen vinding en wellicht ook volksoverlevering zelfs in het eerste gedeelte van den Reynaerl een gewiohtigen factor voor de wording van een groot aantal elementen hebben uitgemaakt, lijdt geen twijfel. Zoolang het ons echtei' niet gegeven zal zijn over meer materieel te beschikken, dan totnogtoe het geval is geweest, zoolang zal een besliste schifting van datgene, wat geheel uitsluitend aan Willem zijn bestaan te danken heeft, en van dat, wat door hom na overneming alleen verwerkt is, een volstrekte onmogelijkheid blijven ').
E.
Voor don tijd der vervaardiging van ons epos is als terminus post (|uem hot begin der 13do eeuw aan te nemen (z. Jonckbl. Geschied, d. N. L. :{(lo dr., D. I, bl, 357); als terminus ante quom het jaar 1280 (z. t. a. pl.), of zelfs aireede rt 1205, wanneer do meening juist mag hoeten, welke door Kranoic in de Inleid, op den Alex. (bi. KVII vlgg.) wordt voorgestaan en in. i. op goede gronden berust, dat Maerlant bij liet dichten des Alexander''s den Reynaerl gekend heeft1).
XXXIV
1
De vergelijking van Alex. 4, Gitl vlgg., met de vss. ..DU was heneden ere rioiere â Due tras daer lettel 'jcdintjheC* zou ik echter niet onder de bewijsgronden voor bovengenoemde meening willen opnemen (vgl. de Aant. ben. bij vs. 724).
De plaats uit den liijmh. âNo Uevnaei'ds no Artiirs boerdenquot; (34847), welke volgens Martin (z. diens Inleid, up den Jici/n. bl. XV111) voor Maerlant's bekend-
INLEIDING.
Als het vaderland, ten minste als do woonplaats des dichters moet Oost-Vlaanderen, en bepaaldelijk liet land van Waas gelden (z. Grimm's Einlcit. op Rcinh. F. CLVIâ'VII). Dit blijkt: 1°. uit de manier, waarop die laatste streek wordt vermeld (âin Waes, int soete lantquot;, vs. 2063); 2°. uit het bij voorkeur te pas brengen van plaatsen, in dat landschap te vinden, een voorliefde, die voor een intieme bekendheid niet dat gedeelte van Vlaanderen getuigt (vgl. Abstal, in vs. 742, en Besele, in vs. 1917, â Baseele, het eerste volgens Sandkk, Flandria ilkistrnta, 8, 258, een in de nabijheid van Hulst, het andere volgens den zelfden, 8, 221, oen dicht bij Rupelmonde gelegen dorp; Ebnare, in vss. 351 on 1357, volgens Sander 1, 251 en 283, een van St. Peter te Gent afhankelijke abdij, die in 1144 gesticht was en in de nabuurschap van Zeeland lag: en llnlstcrloe, in vss. 2347 en 2421 , niettegenstaande deze benaming hier van een bosch en niet van het nabij Hulst gelegen dorp gebezigd wordt, dat blijkens oorkonden (z. Jonckbl. Inl. bl. CXL1V) reeds in 1141 en 1156 bestond 1).
xxxv
1
Begrijpelijk is in verband met deze omstandigheid: de toespeling op Ghenfs lakenweverijen (z. vss. 80 en 81); het vermelden van de Lei je (vs. 2400) en van////j/ite (z. vs. 2068 en quot;0), volgens Sandkk 3, 256, een ten noodoosten van Gent gelegen plaatsje; alsmede het bezigen van den naam eens konings Ermclinc (vss. 2049, 2.336 en 2'J75), die in verbasterden vorm de herinnering vertegenwoordigt aan een eertijds in Vlaanderen heersehende overlevering, volgens welke een zekere IJcrmeuricus den Gentsehen bureht zou hebben gestieht vgl. de noot o)) bl. CLll van Giii.mm's Eiulait.),
Aan welke landstreken heelt Willem eehter gedaeht, toen hij, om een groote uitgestrektheid aan te wijzen, zieh bediende van de plaatsbepalingen âTussehen lior-taengen ende Polanequot; (vs. 283), ../russclien hier ende Porteynlequot; (vs. 563) en âTus-sehen PoUnnen ende Scoudenquot; (vs. 2745)? Martin (z. diens Einleil. op den Reyn. bl. XVII) meent in Portnemjeii Portugal, in l'oKtyanen l'olen, in Portegale het koninkrijk van dien naam te mogen erkennen en vermoedt in Scouden een benaming voor Schotland; en ware het niet, dat men de eerste en de vierde opvatting hoogst gewaagd moest noemen, dan zou men het met dezen Duitschen geleerde vrij wel eens kunnen wezen. Intussehen zijn diezelfde vier nomina ook tevens namen, uit de oude geographic van Nederlandsehe gewesten bekend, en konden we daarom desnoods in Scouden het eiland Schouwen wedervinden, en in Portnenyen een Utreehtsch plaatsje, in Polnne en Portefiale twee Hollandsche dorpen herkennen, die wel in onze oude oorkonden 'z. v. d. Beiio's Oor kb. en Gcocjr. Le.cic.) respectief eerst in 1320, 1295 en 1305 worden vermeld, maar toch zeer goed aireede in quot;t begin der 13de eeuw kunnen bestaan hebben. Doch zou het ons dan niet raadselachtig moeten voorkomen, dat de Oostvlaamsche dichter voor het bovengenoemde doel juist zulke plaatsen had uitgekozen, die uit den aard der zaak minder algemeen bekend mochten heeten dan de groote landen Polen, Portugal, enz.? Mihi von liquet!
Voor het thuis brengen van het verzonnen Krieke/mtte mogen we ons natuurlijk de moeite sparen.
INLKfDING.
Oinlroiit den persoon van Willem on liel door liem vermelde grdicht Madock vorkeereu we tegenwoordig nog in onzekerheid (z. jonukbl. Gcsch. d, Ned. L., 3de dr., D. 1, 35ü en 301â'2).
F.
Gelijk men weet, is Willem's poëzie') slechts in één hs. bewaard gebleven, in hot zoogenaamde Comburgsche hs., dat thans op de Kon. openbare Bibliotheek te Stnttgart berust (als no. 22 der inss. poet. cl phil.), omstreeks het begin der 15de eeuw is geschreven (z. kausler op bl. XXIXâLUI van het Tste D. zijner Dmkmiiler Allniederliindischer Sprache and Litleratur) en een aantal grootere en kleinere Dietsche gedichten bevat (z. t. a. pl.), welke, met uitzondering van den Reynaert en den ut. Brandaen*), door laatstgemelden Duitschen geleerde zijn in 't licht gegeven (in IJ. IâIII der genoemde Denkmaler). Voor een critische behandeling van den alles behalve onbedorven tekst van ons epos zouden we mitsdien uiterst verlegen moeten staan, ware het niet, dat we het geluk hadden een paar niet genoeg te waardeeren hulpmiddelen te vinden: l0in j oen Latijnsche vertaling der Mnl. schepping, vóór 1280 door een zekeren ^ | balduinüs vervaardigd1) (z. de voorrede der editie campbell); en 2° in een uit datzelfde gedicht voortgekomen uitbreiding, tieinaerts Historie (door mij aangewezen met Reynaert II *), waarvan het tweede deel een voortzetting van het oudere verhaal bevat en het eerste dat oudere verhaal zelve behelst, met eenige wijziging van den loop der gebeurtenissen, zooals die in verband met de voortzetting was noodzakelijk geworden. Bij een doorloopende onderlinge vergelijking van laatstgenoemd eerste deel, van de vertaling en van Willem's bewerking (die wc met Reynaert I zullen aanwijzen) blijkt hot namelijk, dat op verschillende plaatsen niet alleen Rryn. 1, tegenover Ueyn. 11 en het Latijn,, een lezing heeft, welke om de een of andere reden als de meer oorspronkelijke is aan te merken, maar dat ook meermalen
XXXVI
1
Njinr d^n eenigen i fcrwilUsdum incimabcil (van 1473) afgedrukt door M. K. A. Camthkli. Den Haag, 185!)); en als eriliseln' trkst uitgegeven door W. Ivnorr
Kutin, 18GO).
INLEIDING.
of' Reyn. TT en 't Lal. samen oorspronkelijker of minder verknoeid mogen heoton dan 11. 1,
oi' Reyn. 1 en Reyn. 11 samen voor oorspronkelijker ol' minder verknoeid moeten golden dan het Lal.,
of Reyn. I en 't Lal. samen oorspronkelijker ol' minder verknoeid blijken te zijn dan Reyn. II,
ol' Reyn. 11 alleen oorspronkelijkor of minder verknoeid mag iieeten dan R. 1 en 't JmL samen,
of 't Lal. alleen voor oorspronkelijker ol' minder verknoeid moot gelden dan R. I on R. II samen 'j.
XXXVII
INLEIDING.
Wolk voordeel cn nut voor de verbetering van Reyn. I uit deze omstandigheid te trekken valt, is reeds herhaaldelijk uit menige vroegere proeve van teksteritiek gebleken. En voortgezette studiën, in gelijken zin, wier resultaten in den beneden volgenden tekst zijn aan te treffen, zullen, naar ik wensch en hoop, niet dienen ora het tegenovergestelde te bewijzen â¢).
Of we ons daarom evenwel met de verwachting mogen vleien Willem's tekst ad verbum te kunnen herstellen? Op zulk een uitslag te rekenen zou al to vermetel zijn. Het herkennen van een lezing, die vergelijkenderwijs ile beste mag worden geacht, is nog lang niet hetzelfde als het vinden der volstrekt beste lezing, d. i. van die, welke uit de pen van den dichter zei ven is voortgekomen. En al ware dit zoo, dan blijven er immers nog genoeg gevallen over, waar alle drie redacties te zamen, hetzij onderling overeenstemmend of afwijkend, de onmiskenbare blijken van verbastering vertoonen. Zal men daar bij het verbeteren der lezing van Reyn. 1 mot vertrouwen durven meenen de juiste woorden des auteurs weder in den tekst te kunnen brengen? Voeg hierbij do groote onzekerheid, waarin we veelal omtrent Willem's spraakgebruik verkeeren, de onmogelijkheid in den regel om met eenige beslistheid uit te maken, of de Vlaming, bij hot voorkomen van twee of meer wisselvormen in 't Middelnederlandsch, slechts eén of ook meer dan cén van deze hoeft gebezigd '), en men zal moeten toegeven, dat
XXXVIII
INLKIDING.
het reconstrueeren van een tekst, die met meer of minder waarschijnlijkheid den oorspronkelijken ongeveer nabijkomt, het hoogste is, wat we hier met de gegevens, die ons ten dienste staan, mogen hopen te bereiken. Naar meer te streven zon slechts tot grove willekeur leiden en aan hot gevaar blootstellen denkbeeldige uitkomsten voor werkelijke resultaten aan te zien.
(vgl. vss. 2383, 148, 875, 8!H, 927, 1606, 2536); de reden kortom, die mij genoopt heeft wijzigingen in taalvormen alleen dan aan te brengen, wanneer er clengdelijke gronden bestaan om aan te nemen, dat de vorm, die in 't hs. voorkomt, te jong is om in een geschrift der 13de eeuw gebezigd te kunnen zijn, of, gelijk soucken, houc/cen, enz. (voor soecken, boecken), een zoodanig karakter draagt, dat hem een domicilie in Oost-Vlaanderen onvoorwaardelijk moet worden ontzegd.
Ook heb ik ons hs. getrouw gevolgd in de honderden gevallen, waar het in den aanvang eens woords de normale h weglaat of omgekeerd een abnormale aspiratie vóór de vocaal plaatst; want wanneer in den tegenwoordigen tijd de bewoners van het land van Waas op gelijke wijze met betrekking tot den âanlaut',, weifelen, dan mag de mogelijkheid niet worden geloochend, dat ook Willem eertijds op dit punt evenmin vast is geweest en zijn uitspraak alzoo in dezen niet verschild heeft van die, welke we in het Comb. hs. voorgesteld vinden.
Aan een zoogenaamde normaliseering der spelling heb ik me evenzeer niet gewaagd, aangezien in een gedicht uit een taalperiode, waarin men van ortho-graphische systemen nog geen do minste voorstelling had, het invoeren van zulk een eenparigheid niets anders dan een zonderling anachronisme zou moeten heeten. De eenige verandering, die ik me in dezen, en wel stilzwijgend, heb veroorloofd, is het verbinden der nu en dan gescheiden geschreven deelen van een samenstelling.
XXXIX
A D D E N I) U M.
I)e vss. 45(1 en '1 zijn wegens liet metrum te lezen als:
Ende men van dien dinghe Hrune (O) die bodscap sonde laden (^1).
In den eersten reg. zijn drie arseis voldoende (vgl. 449 âToten eónine int ghc-dnlghe,,); de tweede moet noodwendig vier heftingen bevatten (vgl. 452 âDies was dio cóninc seiere ben^den,,). Let ook op R. 11, 506 en '7:
âLCnde men hier ol' sonderlinghe
Brnnn die boodseap soud doen laten (/. soud lad(!n).',,
C OER TG END A.
|
BI. 18, v. 1 v. o., lees hel/it v. heljiel. â 19, vs. 563, /. Portegale. â 29, vs. 851 , /. dien. â 33, r. 18 v. o., cursiueer wel. â 38, r. 10 v. o., I. sjjaerdeue. â 4-1, i'. 3. v. o., /. ille cour illu. â 40, r. 13 v. o., cursiveer common. â 41!, /lt;/. mi ; achter i's. 1399. â 48, r. 7 v. o., I. ende o. en. |
151. 56, r. 9 V. o., /. Hecht. â 69, r. 25 v. b., l. koude. â 76, vs. 2360, /. roee.l. â 86, r. 2 v. ü., I. snoeren v. snieren. â 93, r. 4 v. o., I. guen v. glinen. â 95, vs, 2936, l. vemoyou. â vs, 2953, l. gheganghen, â â , vs. 2958, I. also. â 99, iquot;. 8 v. o., /. nut ware. |
0 P M E R K IN CT.
Toen de tekst van dit gedicht reeds vastgesteld en de daarbij belioorende Aan-tee/ccmuf/eu gesebreven waren, bleek het mij bij de herziening van mijn arbeid, djit een ])aar malen een te voren door mij aangenomen athetese op te zwakke gronden berustte, m. a. w. dat enkele regels, die vroeger door mij waren verworpen, het recht hadden in den tekst te worden behouden. Bij het invoegen van deze heb ik, ter vermijding van vergissingen, die zoo licht uit een wijziging der versnummers hadden kunnen voortkomen, de oorspronkelijke indeeling zooveel mogelijk onveranderd gelaten en mij op de bedoelde plaatsen beholpen met het bezigen van een zelfde nummer voor twee verzen, bij het eerste zonder, bij het tweede met bijvoeging van het teeken *.
EEN WOORD VOORAF.
Een critischon tekst te geven is on blijft steeds een hachelijk werk. Kwalijk zal men een anderen wetenschappelijken arbeid kunnen aanwijzen, waar in zulk een mate als hier persoonlijk inzicht en persoonlijke beoordeeling een gewichtige rol spelen. Wat ik omtrent de te bespreken plaatsen van onzen Itcijnaert heb in het midden gebracht, is door mij zorgvuldig gewikt en gewogen en, zoo objectief zulks mogelijk is, herzien en nogmaals herzien. En toch zij het verre van mij, bij de vakgenooten op een algeheele en onverdeelde goedkeuring van de uitkomsten dezer studie te durven rekenen; want instemming met de methode laat immer nog voldoende ruimte over voor verschil van meening omtrent de toepassing van die methode in een of ander bepaald geval.
Waar ik intusschen wel op mag hopen, is een onbevooroordeelde toetsing mijner beschouwingen en bewijsgronden. En mocht in de toekomst een klemmend betoog het onhoudbare van enkele mijner opvattingen en argumenten aantoonen, niemand zal meer dan dc onder-geteekende bereid zijn om zich te laten overtuigen.
W. L. VAN HELTKN.
Groningen, 15 Dee. I88C.
W- - -
, â â ... ⢠..... â ' - â â â ....... ........... â .
â MP
â â â â
m
â ipfawm «to ......Mfquot; niwmm*
' â ; -.....â â . â .â
quot;fquot;. â $amp;lt;**' â
â â .....''HlTi-.v . . .
â â â ..â¢â â â ..â â â ................ ,.:.5fc
.....
-
â â
â â quot; g a. 'r « ».......:lt;* â 1 .
gp; ,i:,r SC -r 1 â -â ......
...... .....
:
,
; â ⢠⢠â . â . â ......-
«1 'ï ül â m
.:quot; ..... ' ' â -- â â â .â .â
quot; ⢠⢠â ⢠â â - â â â â ⢠;- 'â â â â â â¢. ⢠â ~êê:- '
â â â ' -â â : . .....
I
.. â â .,,
v,' .
' â â . -v â¢
1
; :i '' quot;Mi quot; 'quot; quot;iffi' ' â ' â :: â â â â â - â ⢠â 'â¢â , â : â¢â¢ :â â : â â -â
â 'â ⢠. : .â .............. , . .....
â
vy l)EN VOS REÃKAERDEquot;',
Willem, die Madock maocte,
Daei' hi dicken omme waeete,
Hem vernoyde so haerde,
Dat die avonture van Reynaerde,
5 Die wel nutte ware be.screven, (O)
In Dietsche was ongheraaket hieven, (O)
Dat hi die vijte dede soeeken Endo hise na den walschen boecken In Dietsche dus heeft begonnen.
10 God moete mi ziere hulpen jonnen!
Nu keert hem daer toe mijn zin,
Dat ic bidde in dit beghin Beode den dorpren enten doren.
Ofte si eomen, daer si horen 15 Dese rijme ende dese woort,
Die hem onnutte scijnen ghehoort,
*) Met uitzondering van de wijziging, ben. in dc noot bij vs. 7 besproken, is iedere verandering en invoeging in de lezing van ons lis. door een cursieve letter aangeduid, liet teeken (NB) wijst op de uitwerping van een of meer woorden; het teeken (O) op de omzetting van woorden of verzen. Met (A) wordt te kennen gegeven, dat in de Aanieekeningen omtrent het vers een of ander is opgemerkt.
1 mie bouke]. Zie de Aanteek. op dit vs.
611 6; In dietsche onghemaket bleven,
Die Willem niet herd vulscreven].
Zie de Aant.
7 Dat hi die vijte van liei/naerde soucken], ,1. (d. i. .Ionckiiloet), naar He.iin. II, 7: âDaerom dede hi die vite soekenquot;.
De ou (voor oc), welke in ons hs. regelmatig vóór een labiaal en gutturaal wordt aangett offen (b. v. in soucken, bouckcn, (jhcnouch, tjhevouch, enz.), is overal stilzwijgend door mij in oe veranderd. Vgl. § 65 mijner Mnl. Sprk. 10 ons], Z. A.
1G sijri]. Kennelijk is de hier vereischte gedachte niet: woorden, die hnn âonnuttequot; zijn, maar; woorden, die hun âonnuttequot; voorkomen; vgl. ook in Jiei/n. II, 15 en Ifi; âdese woort, Of si hem dunken niet goet ghehoortquot;.
1
2
Dat sise laten onbesproken.
Te vele slachten si den goken,
Die emmer sijn al even malsch: 20 Si maken sulko rijme valsch,
Daer si niet meer of ne weten,
Dan ie doe, hoe dat si heeten.
Die nu in Babilonien leven;
Daden si wel, si soudens begheven. (NB) 25 Al begripic (NB) die dorpren ende die doren, Ie wille, dat die ghene horen.
Die gherne pleghen der eren Ende haren zin daer toe keren,
Datsi loven hoofschelike,
30 Sijn si arem, sijn si rike.
Nu hoert, hoe ic hier beghinne, (O)
Diet versiaet met goeden sinne. (O)
Het was in eenen sinxen daghe, Dat beede bosch ende haghe 35 Mot groenen loveren waren bevaon.
Nobel die couinc luidde ghedaen Sijn hof crayeren overal.
Dat hi waende, hadde hijs gheval,
Houden te wel groeten love. 40 Doe quamen tes coninx hove
17 onhescave.n], Z. A. 18 rnvcn\. Z. A. 19 cs].
24 Tusscluin dit en liet volgende vs. leest men in ons lis.:
Dnt en segghic niet dor minen wille.
Mijns dicht ens ware een ghesti/le,
Ne hads mi eene niet gheheden,
Die in groeter hovesscheden Gherne keert hare salcen :
Soe bat mi, dat ic sonde malen Dese avontuere van Reijnaerde.
Al begripic die grongaerdé]. Z. A.
25 Knde die dorpren]. Z. A.
31 en 32: Diet verstaen met goeden sinne,
Nn hoert, hoe ic hier beghinne].
âDiet verstaen met goeden sinne,, volgt in het hs. als een lam aanhangsel achter de vss. 26â30, doch past uitstekend, met verandering van verstaen in verstaet, als relatieve zin achter: âNu hoert, hoe ic hier beghinne'quot;; want alleen hen, die het verhaal gunstig willen opnemen, wenscht de dichter zich als hoorders. Vgl. voorts de correspondeerende vss. van R. 11, 43 en 44:
âHoort die woorden ende merct den sin.
Onthout: daer leit veel wijsheit in,,)
die voor de oorspronkelijkheid der door mij voorgestelde volgorde pleiten.
33 tsinxen\. w. (d. i. Willems). 30 ien\. »7. 40 sconinx\» G. (d. i. Guimm).
3
Allo die diere, groet ende cloeno,
Souder vos Reynaert alleene.
Hl hadde te hove so vele mesdaon, Dat hire niet dorste gaen.
45 Die hem besculdioh kent, ontsiet;
Also was Reynaerde gcsciet,
Ende hier omme souwedi sconinx hol', Daer hi in hadde cranoken lof.
Doe al dat hof versamet was, 50 Was daer niemen sonder die das,
Hine haddo te claghene over Reynaerde, Den feilen metten roden baerde.
Nu gaet hier up eene claghe.
Isingrijn endo sine maghe 55 Qhinghen voer den coninc staon.
Ysengrijn begonste saen Ende sprao: »Coninc heere,
Dor hu edelheit ende (NB) hu ere Ende dor recht ende dor ghenade 00 Ontfaorme hu der scade.
Die mi Reynaert heeft ghedaen,
Daer io af dicken hebbe ontfaen
03 Groeten lachter ende verlies.
03*Voer al dandre ontfaerme hu dies,
04 Dat hi mijn wijf hevot verhoert 04*Ende mine kindre so mosvoort,
05 Dat hise besookede, daer si laghen.
Dattor twee si7it niene saghon Ende si worden staerblent.
Noch tan hoondi mi sent:
Wï warm sint overeen comon,
70 Naer datter eenon dacli (NU) was ghenomon, Dal Roynaord soude hebben ghedaen Sine onsculdo; ende also saen
quot;gt;2 f/rijsen}. AV. naar li. II, 70; âden feilen mitten roden baertquot;.
SS dor hn ere]. Deze uitlating wordt door het metrum gevorderd; vgl. vs. 57, dat slochts 3 heffingen telt.
GO Uit de verbinding der vss. 02 en 03 met scade blijkt ten duidelijkste, dat de dichter dit nomen heeft gebezigd in den zin van âkwaad, kwade bejegening'quot; (niet in dien van âniideelquot;). Daarom past hier het possessiefin geenen deele. Vgl. ook A'. 11,78: âOntfermt u der groter seadenquot;. 66 noint ne]. Vgl. It. II, 86: âsiut uie enquot;.
â71 ; He! ivas sint so verre eomeu ,
Datter eeuen dach aj' was ghenomon
Ende Ueynaeid sonde hebben ghedaen]. /. A.
1*
4
Alse die heleghe waren broolit,
Was hi andersins bodoeht 75 Ende ontfoer ons in sine veste.
Hero, dit kennen noch die beste,
Die te hove zijn comen hier:
Mi hevet Reynaert, dat felle dier.
So vele te leede ghedaen,
80 Ie weet wel al sonder waen,
Al ware al tlaken paerkement.
Dat men maket nu te Ghent,
Inne ghescreeft niet daer an.
Dies xwyghic noehtan;
85 Neware mijns wives lachter,
Ne mach niet bliven achter.
No onghebetert no onghewroken«.
Doe Ysengrijn dit hadde ghesproken,
Stent op een hondekijn, hiet Cortoys,
90 Ende claghede den coninc in Fratisoys,
Hoot so arem was wijlen eere.
Dat alles goets en hadde meere In eenen winter, in eene vorst, (A)
Dan alleene eene worst,
95 Ende hem Reynaert die felle nam. (NB)
Tybeert die cater die wart gram (NU)
Ende spranc midden in den rinc Ende seide: »Heere coninc,
Dor dat ghi Reynaerde zijt onhout,
100 So en es hier ionc no hout,
Hine hebbe te wroeghene ieghen hu.
Dat Cortoys claghet nu,
Dats over menich iaer ghesciet:
Die worst was mine, al en claghic niet.
105 Ie hadse bi miere lust ghewonnen,
Daer ic bi nachte quam gheronnen Omme beiach in eene molen,
Daer ic die worst (Nil) hadde ghestolen
84 zwijflhics]. W. 87 onversweriheu']. Zie V. (d. i. Vbbdam) in Tschr.l, bl. 3 en 4.
90 Francsoys], G.
95 man, terwijl tusschen dit en het volgende vs. in ons lis. nog wordt gelezen:
Die selve worst stal ende nam].
Zie V. in Tschr. 1, bl. 4 en 5.
96 Achter dezen regel volgt in het ms. nog:
Aldus hi sine tale began].
Zie V. in Tschr. 1 , 4 en 5.
108 in hadde]. Vgl. R. 11, 128: âDaer had ic die worst ghestolenquot;.
5
Eonon slapenden molenman.
110 Hadder Cortoys yowet im,
Dan was bi niemene dan bi mi.
Hets recht dat omberet zi Die claghe, die Cortoys doct«. (A)
Paneer de bever sprac: »Dinct hu goet,
115 Tybeert, datmen die claghe ombeere? (J)
Reynaert es een recht morüenere EnJe eon trekere ende een dief.
Hine heeft oec niemene so lief,
No den coninc, minen here,
120 Hine wilde, dat hi lijf ende cere Verlore, mochtire ane winnen Een vet morzeel van ere hinnen.
Wat sechdi van derrr claghe?
En dedi ghistren in den daglio 125 Eene die meeste overdaet
An Cuwaerde, den ha se, die hier staot,
Die noyt eenich dier ghedede?
Want hi hem binnen sconinx vrede Ende binnen des coninx gheleede 130 Ghelovede te leerne sinen credo Ende soudene maken capelaen;
Doe dedine sitten gaan Vaste tusschen sine hem;
Doe begonsten si overeen 135 Spellen ende lesen beede
Ende Inde te zinghene crede. (A)
Mi gheviel, dat ic te dien tijden Ter selver stede soude lijden;
Doe hoerdic haerre becder sanc 140 Ende maecte daerwaert minen ganc Met eere arde snelre vaerde. (A)
Doe vandic daer meester 'Rcynaerde, (^1)
Die ziere lessen hadde begheven,
Die hi te voren np haddde gheheven,
145 Ende diende van sinen houden spele Eude hadde Coewaerde bi der kelen (.1)
112 omherechQ. 7,. 'J'srhr. 5, 24.'i, op vs. 124: al is inttissclien omheret als grondslat; Hei' verknoeiing omberecht waarschijnlijkei' dan het door Hi et en Veudajt voorgeslagene ombaren, zoo blijft toch natuurlijk de mogelijkheid, dat Wili.em zelve oorspronkelijk ombaren geschreven heeft, niet uitgesloten.
123 cere laghe]. /. A.
133 beciw], ,1. 134 ecne], .7. 145 spf.lo.n]. O.
G
Ende somle hem tliocft af hebben ghenomen,
JVaeric hem niet te hulpen eomen Bi avontneren in citer stonden.
150 Siet hier noch die verssehe wonden Ende die teekine, here coninc,
Die Coewaert van hem outline. (/I)
Laetti dit bliven onghewroken,
Dat hu verde dus es tebroken,
155 Grhine rechtel, als huwe mannen wij sou,
Men saelt huwen kindren mesprijsen Hier naer over wel menich iaer«.
»Bi Gode, Paneer, ghi seeht waer«,
Sprac Ysengrijn, aldaer hi stoet,
100 »(jVB) Ware Eeynaerd doot, liet ware ons goet,
Also behoude mi God mijn leven.
Neware wert hem dit vergheven,
Hl sal noch hoenen binnen ere maent Sulken, dies niet ne bewaent«.
105 Doe spranc up Grimbert die das,
Die Keynaerts broedersone was,
Met ere verholghenliker tale:
»Here Ysengrijn, men weet dat wale Ende hots een hout bijspel:
170 Viants ment seit solden wel.
Verstact, neemt miere talen goom:
Ie wilde, hi hinghe an eenen boem Bi ziere kelen als een dief.
Die andren heeft ghedaen meest grief.
175 Here Ysengrijn, wilt ghi tale angaen, {NB)
Die meest andren hehl mesdaen, (AT?)
148 ]Vlt;ier ((â¢]. In het oudere Mul. was een conjunct, zonder -e iillecn bij enclisis in gebruik. 149 dien],
155 wrekeQ. Een naar li. II, 175 opgenomen lezing, welke in verband met het voorafgaande âonghewrokenquot; gewis de voorkeur verdient boven die van ons hs. Z. o. Fr. (d.i. rnancit) in Muli.er's Troefschr.: De oude en de jongere bewerking van den Rein., bl. 24.
159 daer;. Metri causa; vs. 100 telt 4 arseis.
160 Here, mier â wner']. De weglating van Here wordt gecischt door de metriek; voor ware vgl. men hetgeen boven bij vs. 148 is opgemerkt.
1(17 nerbolijhenlike].
1 75â177 In plaats van deze drie vss. leest men in ons ins.;
Here Ysengrijn, wildi angaen
So end ine ende dnt ontjhen,
Düer toe wiilic hel/jen r/herne.
Mijn oein en saelt hem oec nicl wernen.
Entie meest andren heeft mesdaen,
.Sn/ den andren in baten staen
Van miiien oem cude van hu]. Z. A.
7
Van minen oem ende van hu!
A1 comt hi niet claghen nu ,
Ware mijn oem wel te hove 180 Ende stonde in sooninx love,
Here Ysengrijn, als ghi doet,
En sonde den coninc niet dinckon goot Ende ghino hieves (NB) onbegrepen,
Dat ghi sijn vel so hebt ghenepen 185 So dicwile met hiiwon scerpen tanden, (A)
Dat hi niet no conde ghehanden*.
Ysengrijn sprac: »hebdi glieleert An huwen oem dus lieghen apecrt?«
â »In liebbe daer an niet gheloghen.
190 Ghi liebt minen oem bedroghen Arde dicke in meneghor wijson:
Ghi mesdeelelen van den pladjsen,
Die hi hu warp van der kerren:
Doe ghi hem volghet van verren 195 Ende ghi die beste pladijse up laset,
Daer ghi hu ane sat asd,
Ghine gaoft hem no goet no quaet Sender alleene ooncn pladijsengraet,
Bic glii hem te ieghen broclit,
200 Dor dat ghine niet en mocht.
Sint hoendine van eenen bake,
Die vet was ende van goeder smake,
Dion ghi loit in huwen muxeel.
Doe Reynaert heessehede zijn deel,
205 Andwoerdi hem in scerne:
Hu deel willic hu gheven gherne,
Reynaert, scone ionghelinc.
Die wisse, daer die bake an hinc,
Becnause; so es so vet.
210 Reynaerde waes lettel te bet, (A)
Dat hi den goeden bake ghewan In sulkor zorghen, daerne die man
IS.quot;! hedcu onbegrepen]. Eene door .). voorgestelde en door hot metrum gevorderde uitwerpingj vgl. ook li. II, 203: âKnde ghi en blijft niet onghewrokenquot;.
1!I2 mesleellenej. Nnai' It. II, 212; â(ilii misdeilde hem aen tier pladiscn'quot;, on do liiit. vert. 101; âNon pnrtiris ei pladisquot;. Voor eon vorm mesdeciel vgl. men § 1Ã9 mijnor Mtd. Sjir. en zie ook ben. vs. 104 volghet, voor volghedct. â â pladijs»]. G.
1!IC hndt vcrsadet \. '/.. A. lil!l Dn!\. J. 203 muzeelé]. Cl. 204 deelej. G.
212 dnllene een']. Z. Tschr. 5, 246 en 247, o)) vs. 228, en vgl. voor do daar besproken uitdrukking iu sineii sac werpen â âopvretenquot; de volkomen overeenkomstige Zegswijze iu .sine male (zak) leyyhen, in vss. 37S en 817 van ons gedicht gebezigd.
8
Vine onde warpene in sineu sac. (/1) Dit mesval encle dit onghemac 215 Hevet hi leden dor Ysengrijne,
Ende ondert werven mere pijne.
Ghi heeren, dinct hu dit ghcnoech? Nochtan eist emmer onghevoech, Dat hi olaghet om sijn wijl',
220 Die Reynaerde hevet als haer lijf Gheraint, so hi doet (O) hare. (NB) {NB) Langher eest dan VII iare, Dat Keynaert lievet hare trauwe. Of dan Haersint, die scone vrauwe, 225 Dor minne ende dor hove schede Reynaert sinen wille dede,
Wattan? So was sciere ghenesen. Wat talen mach daeromme wesen? Nu maket here Cuwaert die hase 230 Eene claghe van eere blase:
Of hi den credo niet wel en las, Reynaerd, die zijn meester was,
M och te hi sinen clerc niet blauwen? Dat ware onrecht entrauwen. 235 Cortoys claghet om eene worst,
Die hi verloes in eene vorst. [A) Die claghe ware bet verholen. Fm hoerdi datso was ghestolen?
Male quesite male perdite.
240 Over recht wert men qualike quite,
214 Dcxc piné], In verband met het in 216 volgende pijne, overgenomen uit R. II, 236: âVit, misval ende desen nootquot;'.
216 meer clan ic hu rijme'J. naar li. 11, 2.')8; âEnde twewart'noch (in) meerrepijn.quot;
218 om meer]. / A.
22(1 al'}. Bij de tegenspraak, die er heerseht tusschen ânl haer lijfquot; en de wat later vermelde âVII iarequot;, zal men tegen deze verandering wel geen bezwaar maken, niettegenstaande in It. II, 242 datzelfde dwaze al wordt gevonden.
221 doel /ii]. Z. Tschr. !), 247, op vs. 2.'t7. - Tnsschen dit en het volgende vs. leest men in ons ms. nog; Al ne. makedenl zijl niet mare,
Ir dart wel segyhen over ivaer], Z. A.
222 JJa! langher es dan Vil iVrer], Z. A.
224 Om dat]. Mi., naar li 11, 246; âO/'dan vrou Herswijn die vrouwequot;, en het Lat. 115: se Reinardo snbjeeit amorequot;.
225 Quade sede\. Naar J{. II, 247; âDoor minne (myn eyndequot;) ende door huescheidequot;; vgl. ook Fk. in Mi,.'s Proefschr. bl. 26 , op vs. 243.
238 Vi'n j. W. 240 Onrecht \. Z. V.'s uitnemende verbetering, in Tschr. 1, 7, op vs. 258.
O
Dat mon hevet qualic ghewonnen.
Wie sal Reynaerde dat verjonnen,
Of hi ghestolen goet ghinc an?
Niemen die recht veraceodon can.
245 Reynaert es een ghereclit man:
Sint dat die conine sinen ban Hevet gheboden ende sinen vrede,
Sc weetic wel, dat hi ne dede Dine negheene dan of hi ware 250 Hermite ofte clusenare.
Naest siere hunt draecht hi een hare.
Binnen desen naesten jare Sone hat hi vleesch, no wilt no tam.
Dat seide een, die ghistren danen quam.
255 Malcroys hevet hi begheven,
Sinen easteel, ende hevet upheven Eene cluse, daer hi leghet in.
Ander beiach no ander ghewin,
So wanic wel, dat hine hevet 2G0 Dan karitate, diemen hem ghevet.
lileec es hi ende magher van pinen. (A)
Hongher, dorst, scerpe ka rij non Doghet hi voer sine zonden.
Recht te desen selven stonden,
265 Doe Grimbert stont in dese tale,
Saghen si van berghe te dale Canticler common ghevaren,
Ende brochte up eene bare Eene doode hinne, ende hiet Coppe, (^1)
270 Die Reynaert hadde bi den croppe (A)
Hoeft ende hals afghebeten.
Dit moeste nu de conine weten.
Canticler quam voor de bare gaende, (yt)
Sine vederen zere slaende.
275 In wederzijden van der baren Ghinc een hane droevich twaren;
254 seidi]. Naar Æ?. 11, .lOO; â(Dat seide) een rlic gliistcren van hom '|iiiim0. 273 Canticlere]. G.
276 wide mare]. Vgl. It. II, 322: âOhinghnn twco hanen, die droevich warenquot;', en het Lat. 135 en 136; âutrimquc De feretro gallns ibat cratquc doleusquot;-. en let o|) de onbeduidendheid van 't |)racdikiiat wide mure, nevens het onontbeerlijke van de vermelding der droefheid van Coppc's broeders. (Tegen een volledige overneming der lezing van A'. II verzet zich de bulk, dien de woorden Ghinqhen twee hniieu en wnren blijkbaar in hun wapenschild voeren.) Hoe begrijpelijk is tevens de verknoeiing van
10
(Die een hare hiet Cantaert,
Daer wijlen na gheheeten waert Vrauwe Alenten goeden hane;
280 Die antler hiet, na minen wane,
Die goede hane Crayant,
Die scoenste hane, diemon vant Tusschen Portaengen ende Polane). Elkerlijc van desen hanen 285 Droech eene berrende stallicht, (A) Dat was lane (O) ende richt;
287 Om haerre susier Coppen doot (0)
287*Dreven si claghe ende jammer groot. (0)
288 Daer waren occ Coppen sustren twee, (O) 288* Die rinpon; »o wy ende wee«, (0)
289 Pinto ende Sproete, ende droeghen die bare: 289* Hem was te moede arde zware
290 Van der snster, die si hadden verloren. 290*Men rnochte arde verre horen (A)
Haerre heider carminghe.
Dus sijn si commen int ghedinghe.
Canticler spranc in den rync Ende seide: »Heere coninc,
295 Dor God ende dor ghenade Nu ontfaermet der scaden.
Die mi Eeynaert heeft ghedaon,
Ende minen kindren, die hier stacn Ende seere hebben haren onwille. {A) 300 Ten ingane van Aprille,
ucn oorspronkolijk tirnren zoowel tot waren als tot ntnre. en, daarmede samenhangende, ter eencr zijde de genesis van een meervoudig subject, ter andere zijde de vervanging van liet niet moer te begrijpen droevich in vide !
277 liane]. Misschien zoo te lezen ten einde de hinderlijke herhaling van /kiiic te doen verdwijnen.
SST) Droucht]. O. 286 lane was]. Metri causa, dewijl 285 vier hettingen heeft.
287â288*: Daer waren (..'oppen broeders twee.
Die riepen o wy ende wee ;
Om haerre sustre Coppen doot Dreven si claghe ende jammer groot.]. Z. A.
28!i ende ontbr.]. Z. A,
28(1* ontbr. ardequot;]. J. metri causa en naar R. 11, 338: âHem was te moede herde swaerquot;. 290 haerre'], J. metri causa. 2!)0* mocht],
291 txoeer], Metri causa, naar li. 11, 341 : âHaerre heider kerminghequot;; vs. 292 bevat nam. vier arseis.
296 miere], Vgl. R. II, 346: âEnde ontfermt n der groter scadenquot;, en zie de noot bij vs. 60.
298 mine .sustren], W.; vgl. ook Ji. 11, 348: âEnde minen kinderen, die hier staenquot;.
11
Doe dio winter was vergaen Ende men sach die blommen staen Over al die velde groene,
Doe was ic fier ende coene 305 Van minen groten gheslachte.
Ic hadde jongher zonen aehto Ende jongher dochtren zovene, [A)
Dien wol lustc to levene,
Die mi Eoede die vroede 310 Hadde brocht tenen broede.
Si waren alle vet ende staerc p]nde ghinghen in een scone paero, Dat was beloken in eonen muere. (.1) Hier binnen stoet eene scuere,
315 Daer vele honden toe hoorden, Die menighm diere tfcl scoorden;
Dies waren mijn kindre onvervaert. Dit benijdde die dief Reynaert,
Dat siero waren so vaste binnen, 320 Dat hire negheen conste ghewinnen.
Uoe dicken ghinc iii om den muere, (A) {NB) Reynaert, die felle ghebnore,
Ende loido om ons sine laghen! (^1) Alseno dan die honde saghen, 325 Liepsine na met haerre cracht.
Eene wart' wart hi up de gracht Bi avontueren daer belopen.
Dat ie hem sach een deel becoepen Sine dief'te en sinen roet',
330 Dathem die pelse zoere stoof;
Nochtan quam hi bi harate Ikmen, dattene God verwate! Doe waerwi zijns langhe qnijto. (/1)
Sint quam hi als een hermijte, (y()
302 siei], W. 308 lusten]. G.
310 te dien]. J.; vgl. Lat. 148: âTrutula (puis uno protulit ^lC(,llbitl^^
3H) JDatsi menieh dier fel scoorden]. Vgl. H. 11, 366: ^Die mennuje dieren den j/els scool'clcll.,, Heeds J. noteerde: dier fel 1. dier-vel'i Voor de lezing Die i. 1)1. v. Dut si pleit ook het Lat. 152 : ,,(amp;« bene noverunt exagitare tenls.,, Z. o. Ml., bl. 27, op vs. 338.
317 mine], Metri causa.
318 dus], Vgl. R. 11, 368: âDit benijdde die dief vos Ueinaertquot;. Wat zou hier het woordje dus moeten beteekenen? 322 Want Keynaertj. /. A.
325 Liepen si na]. Z. Tschr. 1 , bl. 7, op vs. 347. 331 baraten]. J.
332 Dattene God moete verwaten ]. naar /i. II, 382 : â Van danen. Datten God venvaeC.
12
385 Reynaerd, die mordadeghe dief,
Ende brochte mi enen brief To lesone, heere coninc,
Daer hu segliele ane hinc.
Doc ic dien brief hadde ghelesen, 340 Dochto mi daer an gliescreven wesen, Dat ghi haddet coninclike Over alle huwen rike Allen dieren gheboden vrede Ende oec allen voghelen mede.
345 Oec brochte hi mi ander niemare Ende seide, dat hi ware Een begheven clusenare Ende hi hadde ghedaen vele zware {A) Pcnitencie voer die sonden sine. (O en NB) 850 Hi toechde mi palster ende slavine,
Die hi brochte van der Elmare;
Daer onder eeno scerpe hare.
Doe sprac hi: «Here Cantecleer, Nu mooghdi wel vorwaert meer 355 Van mi sonder hoede leven:
Ic hebbe bi der stole vergheven (A) A1 vleesch ende vleeschsmout.
Ic bem voertmeer so hout,
Ic moet miere zielen telen;
800 Gode willic hu bevelen,
Ic ga, daer ic hebbe to doene:
Ic hebbe middach endo noene Ende prieme te segghene van den dagho«. Doe nam hi neven eero haghe
â¢T'lfi zeyhelc. emle brief]. M. imiir /{. II , .quot;iSG: âEnde bnichte tnit hem cum brie/.quot; Het zegel wordt in vs. 338 vermeld.
33'.) en 340; Doe ic die. le.llercti ber/nn lesen ,
Dochte mi daer an gcscreven].
Vgl. do veel betere lezing van R. I I, 38!) en 3!I0;
âPoe ie den brief had ghelesen,
Docht mi daer in ghescreven icesenquot;.
BrieJ is liet hier vereischte woord wegens âdaer nn ghescrevenquot;: hadde fiheleseu de juiste voorstelling, aangezien iiirn den inhoud van een schrijven gewoonlijk eerst kent na, en niet reeds bij 't begin van de lectuur daarvan.
343 AUé], J. 34ÃI Voer sine sonden meneijlw. J'iué]. Z. A
356 wo/e]. Zie Dn Vriks's prachtige emendatie in den Tnalg. 9, 198.
303 jiriemeii]. De reeds door .1. in den tekst gebrachte singul. behoeft geen verdediging. Voor do onjuistheid der verandering van priemen in primen (z. G. en M.) verwijs ik naar mijn Mnl. S/ir. § 76.
13
305 Sinen wech, mde, to dien ghesceede (Uiinc lii lesen sinen orede.
Ie wart bilde onde onvervaert Ende ghinc te minen kindren waert,
Ende was so wel al sender heede,
370 Dat ie al met minen broede (yl)
Sender zorghe ghinc buten muere.
Daer glieviel mi quade aventuere:
Want Reynaert, die felle saghe,
Was ghecropen dor de haghe 375 Ende hadde ons die porte ondergaen.
Doe wart miere kindre saen Een ghepronden huten ghetalc;
Dat leido Reynaert in sine male.
Groot mesval mi doe nakede:
380 Want sint dat lüse smakede In sinen giereghen ment,
Ne conste ons wachtre no (NU) iiont
383 No bewachten no bescaermen.
383'|!Heere, dat laet hu ontfaennen! (A)
384 Reynaert lelde sine laghe 384*Beede bi naehte ende bi dagho
385 Ende roefde emmer mine kindre.
So vele es tghetal nu mindre,
Dant ghewone was te zine,
Dat die XV kindre mine Sijn ghedeghen al tote vieren.
390 So zuver heefse die onghiere (A)
Reynaert in sinen inont verslonden.
Noch ghistren wart hom metten honden Ontjaghet Coppe die mare,
Die hier leghet up dese bare.
395 Dit claghic hu met groeten zero;
Ontfaremt hu mijns, wel soete here 1«
Die coninc sprac: »Orimberl, die das,
Hu oem, die clusenare was,
365 ende ontbr.]. W. en «1.
379 Cluade avontueré]. Naar Ji. II, 429: âDaer ons groot misval om naectequot;. De herhaling van het reeds in vs. 372 gebezigde quade nvonture is als een voortbrengsel van Willem's pen niet quot;waarschijnlijk. ,1. en M. lezen hier alleen mesval, met weglating van (/root.
382 owsehont]. Vgl. li. II, 432 : âjagher noeh 11011^'', en 't Lat. 1 75:ânec custos nee canisquot;. 397 In het hs. staat: âG. die dasquot;. Op het eigenaardige van dezen aan quot;'t Fr. ontleenden vocativns (vgl. âOu estes vos, Ti/berz li chazf lien. ed. Mart. 1, 729, ed. MiiON 10445) heeft reeds »1. in zijn Inleid., bl. XCVll, opmerkzaam gemaakt.
14
Hi hevot ghedaen so goede cavine; 400 Levic een jaer, het sal hein seinen. Nu hoert hier, Canticleer,
quot;Wat sal der talen meer?
Hu dochter leghet alhier versleghen; Wi moeten haerro huieden pleghen 405 (Wine moghonso niet langer houden; God moeter alnu ghewouden!)
Ende doen haer vygelyen zinghen. Daerna sullen wiso bringhen (NB) Ter eerden met groten eren. 410 Dan sullen wi met desen heeren Ons beraden endo bespreken,
Hoe wi (NB) best ghewreken An Reynaerde dese moort«.
Doo hi ghesprac dese woort, 415 Beval hi ionghen ende houden,
Dat si vygelyen zinghen souden.
Dat hi gheboet. was sciere ghedaen. Doe mochtemen horen aneslaen
404 God moei haerre zielen pleghen]. Vgl. li. 11, 456: âDaer willen wi eens doden recht me pleghenquot;; en let op den inhoud vim het ben. volgend vs. 400, dat in verband met vs. 404, naar de Comb, lezing, slechts een lamme herhaling zou zijn. De graphisch begrijpelijke verknoeiing van /luleileu (voor uleileu, begrafenis) tot zielen kan de aanleiding' zijn geweest tot de verbastering van een oorspronkelijk wi en moeten.
406 aQ. Het woordje al heeft hier niet den minsten zin; alnu is de tijdsbepaling, welke te dezer plaatse juist te pas komt.
407 Ende sullen onse vygelyen zinghen], Vgl. H. 11, 4!)fl; âEnde (hen vighelie mor haer siel singhenquot;. Sullen is hier waarschijnlijk ingeslopen ten gevolge van een verkeerden blik des afschrijvers op het volgende vers.
40!l Den iichame ter eerden 7net eren . M. Vgl. K. 11, 460 en 461:
âDaer na willen wise brengen Ter erden mit groten erenquot;.
In verband met het in beide redacties voorkomend object se van bringhen, vertoont Den Iichame onmiskenbaar het karakter van een glosseem.
Voor de verdedigbaarheid der lezing van ft. 11 âmet groten erenquot; en der overneming daarvan in onzen tekst verwijs ik naar mijne Mnl. Sjir. § 28quot;, opm. 5.
412 Hoe wi ons best ghewreken]. De verknoeiing, welke in ons hs. het verschil van constructie in dit en het volgende vs. veroorzaakt heeft, laat zich beter verklaren bij een vroegere lezing, als de boven voorgeslagene, dan bij de oorspronkelijkheid eener redactie, gelijk ze J. heeft aangenomen:
â11 oe wi ons best ghewreken An Keynaerde aan deser moortquot;.
4 IS ionghej. (i.
15
Encle beghinnen harde ho 420 Dat placebo domino
Ende die verso, die daertoe horden. Ic soit oec in waren worden,
Ne ware het ware ons te lane.
Wie daer der zielen vers zanc 425 Ende wie der zielen lesse las.
Doe die vygelye ghehent was,
Wart Coppe in erne serine yheleit, In een graf, dat was hereit Onder een linde, in een gras.
430 Van niaerbersteene {NB) slecht als een glas Was die saerc, die daer up lach, (O) Mei letteren, daormen an sach, (O) Wie daer onder lach in den grave. Dus spraken die boeostave: {NB) 435 »Hier leghet Coppo begraven.
Die so wale conste sera ven. Die Eeynaert die vos verbeet Ende haren gheslachte was te wreet«.
Nu leghet Coppe onder moudeu. 440 Die coninc sprac tsineu houden.
Dat si hem alle bespraken,
Hoe si aire best ghewraken Dese groete overdade.
Doe worden si alle te rade,
445 Datsi daer den coninc rieden,
Dat hine dat soude ombieden.
421 horen], G. 423 oec]. G. Vgl. R. II, 473; âIc seide u meer, mer Mvaer
te lanequot;. 425 die . Naar âder zielen versquot; in 424.
427â433 In plaats van den hier gerceoiistrueerden tekst geeft liet lis. te lezen: Doe teidemen Coppen iu dat firn/',
Dnt bi engiene gJiemaect tvas Onder die linde, in een gras.
Van maerbersteene die slecht was.
Die letteren, rf/emen daer an sach.
Die saerc die daer up lacli Dcdc an UjraJ' bekinuen,
Wie daer lach begraven binnen.]. Z. Tschr. 5, 247 en 248. 434 Achter dit vs. volgt in het hs. nog;
An den zaerc up den grave]. Z. Tschr. 5, 247 en 248. 4 44 luaren]. Zie Tschr. 5, 248, op vs. 470.
44(1 dan]. De voorloopige aanwijzing van een volgenden objectszin met het demonstrat. dat ot' dit is een bekende Mnl. eigenaardigheid. (Voor ne algt;i dativns vgl. men mijne Mnl, Sjir. § 340).
1(5
Dat hi no dor scaden no dor vromen (O)
Ne lette, hine sonde te hove coinen (O)
Toten coninc int ghedingho;
450 Ende men IJrune van dien dinghe v . Die bodscap soude Iaden. (^1)
Dies was die coninc sciere beraden,
Dat hi dus sprac te Bruun den beero:
»Here Bruun, dit segghic hu voer dit here,
455 Dat ghi dese bodscap doet. (yf)
Oec biddic hu, dat ghi zijt vroet.
Dat ghi hu wacht van baraet.
Eeynaert es fel ende quaet:
459 Hi sal hu smeeken ende lieghen;
459*Mach hi, hi sal hu bedrieghen 4(50 Met valschen woorden endo met sconen;
460*Mach hi, bi Gode, hi sal hu honen».
â »Here«, seit hi, »laet hu castyen!
So inoete mi God vermalendyon,
Of mi Reynaert so sal honen,
Inne saelt hem weder lonen,
4G5 Dat hijs an deu dulsten si.
Nune zorghet niet om mi«.
Nu neemt hi orlof ende hi sal naken, (/I)
Daer hi zero sa) mesraken.
Nu es Brune up die vaert 470 Endo hevet in ziere herten onwaert, (NU)
Dat hem Reynaert hoenen soude.
Dor dat donker van eenen woude Quarn hi gheloepen in eene woestine,
Daer Reynaert (NU) de pade sine {NB)
447â449: Dat hi te hove sonde coraen ,
No dor scaden no dor vromen Ne lette, hine quame int ghedinghe;]. 'A'. A. 454 hu ontbr.J. Het pron. is hier onmisbaar. Vgl. ook R. 11, 510: âie segghe u als een heer'quot;.
470 Achter dit vs. geeft het ms. nog te lezen :
Ende het doekte hem overdoet,
Dat yemeut soude sijn so quaet].
Zie Tschr, 5, 248 en 249, op vs. 409â501.
471 Ende dat]. Zie Tschr. 5, 248 en 240.
472 deu keer], M. Zie ook V. in Tschr. 1 , 10. 473 dor \.
474 en 475 In pl. van deze beide vss. vinden we in het ms.:
Daer lleynaert hadde de pade sine Ghesleghen erom ende meniehjoude,
Also als hi huten woude,
Hadde gheloepen om sijn beiach.].
Zie Tschr. 5, 249 en 250, op vs. 502â507, en ben. de A.
17
475 Gesleghen {NB) hadde om sijn beiach. Beneven der woestinen lach Een berch oech ende lanc;
üaer moeste Bruun sinen ganc Te middewaerde over maken,
480 Sal hi te Maupertus ghoraken.
Reynaerd hadde so menich huns;
Maer die castooi Maupertuus, (A)
Dat was die beste van sinen borghen. (A) Daer trachi in, als hi in zorghen 485 Endo in noede was bevaen.
Nu es Brune dien berch ghegaen,
Dat hi te Maupertuus es comon,
üaer hi de porto hovet vernomen, (A) Daer Reynaerd hute plach te gano. 490 Doe ghinc hi voor die barbecane Sitten over sinen staert Ende sprac: »Sidi in huus, Reynaert? Ic bem Bruun, des coninx bode. Die hevet ghezworen bi (NB) Godo, 495 Ne comdi niet ton ghedingho
Ende ic hu niet voer mi bringhe, (yl) Recht te nemene ende te gevene Ende in vreden voert te levene.
Hi doet hu breken ende raden. 500 Reynaerd, doet dat ic hu rade,
Ende gaot met mi te hove waert«. Dit verhoerde alnu Reynaert,
Die voer sine poerte lach,
Daer hi vele te ligghene plach 505 Dor waremhede van der zonnen.
Bi der tale, die Bruun heeft begonnen, Bekenden altehant Reynaert Ende tart bet te dale waert In sine donckerste haghedochte. 510 Menichfout was zijn ghedochto,
Hoe hi vonde sulken raet,
Daor hi Bruun, den feilen vraet.
47G Beneden]. M.; vgl. ook /{. H, 532- âBesideu dor woestinenquot;.
482 en 487 Mapertu(u)s). 486 die here]. Naar ik vertrouw, heeft deze eenvoudige verandering noeh een verklaring noch een aanbeveling noodig.
494 bi sinen Gode]. Het possessief vóór (Jode is onzinnig, ook al wordt het eveneens in Jé. II, 550, aangetroffen.
2
18
Te scheme mede mochte driven Ende selve bi ziere eeren bliven.
515 Na dit peinsen ghinc Reynaerl huid Ende sprac al overluut:
»Here Bruun, wel soete vrient,
Hi iievet hu qualic ghedient,
Die hu beriet desen ganc 520 Ende hu desen berch lanc Over te loepene dede bestaen.
Ic sonde te hove sijn ghegaen,
Al haddet ghi mi niet gheraden;
Maer mi es den buuc so gheladen 525 [NB) In so litermaten wise
Met eere vremder, niewer spise,
1c vruchte, in sal niet moghen gaen.
Inne mach sitten no ghestaen;
1c bem so utermaten zat«.
530 â »Reynaert, wat haetstu?« â »Wat? (A)
Here Brune, ic liat crancke have.
Arem man dannes gheen grave;
Dat mooghdi bi mi wel weten.
Wi aerme liede, wi moeten heten,
535 Hebben wijs raet, dat wi node haten.
Groeier versscher honichraten Hebbic coever arde groet;
Die moetic heten dor den noet,
Als ic hel niet mach ghewinnen.
540 Noch tan als icse hebbe binnen,
Hebbicker at' pine ende onghemac«.
Dit hoerde Brune ende sprac:
»Helpe, lieve vos Eeynaert,
Hebdi honich dus onwaert?
545 Honich es een soete spijse,
Die ic voer alle gherechten prijse. (NB)
Edele Reynaert, soete neve,
(Also langhe als ic sal leven,
.r)l.r) en 510: Doe sprnc Reijnaert over lanc:
^Hmres (jocts mets hebbel rfaïïcquot;.]. /. A.
52,r) Kvde in]. .
535 Hadden}. Z. Tschr. 5, 250, op vs. 567.
536 Goeder]. Naar R. II. 624: âGrote varsche honichratenquot;. In den mond van Reyn. heeft r/oedi: hier natinirlijk geen zin. *
546 Tussehen dezen en den volgenden regel leest men in ons hs. nog:
I'Jtide icse voer alle gherechten minne.
liii/naerd hel/iet mi dut ics (/hewinne.]. /. A.
.
19
Willie hu (laer omme minnen),
550 Roynaerd, helpt mi dat ics ghewinne».
â »Ghewinnon, Bruun? Ghi hout hu spot«.
â »In doe, Eeynaert; so warie zot,
ilildic spot met hu; neen ic niet«.
Eeynaert sprae: «Bruun, mcendijs yet?
555 Dat secht mi. Of ghi honieh inoghet heten, (.\lgt;) Ie saels hu so vele meten.,
Ghiae hatet niet met hem tienen,
Waendic hu hulde daermet verdienen«.
â »Met hem tienen? Hoe mach dat weSen? 5G0 Eeynaert, hout huwen mont van desen,
Ende sijts seker ende ghewes:
Haddic al thonich, dat nu es Tusschen hier ende Portugalo,
Ie haet alleene up te male®.
505 Roynaerd sprac: «Bruun, wat sechdi? Een dorper, heet Lamfroit, woent hier bi. Hi hevet honieh so vele te waren Ohine hatet niet in Vil jaren.
Dat soudic hu gheven in hu ghewout, 570 Here Brune, wildi mi wesen hout Ende voer mi dinghen te hove«.
Doe ghinc Brune (NE) gheloven Ende sekerde Reynaercle dat,
Wildine honichs maken zat 575 (Des hi eume ombiten sal).
Hi wilde hem wesen over al Ghestade vrient ende goot gheselle.
Hier omme loech Reynaert die felle Ende sprac: «Bruun, heelt mare,
580 Vergave God, dat mi nu ware Also bereet een goot gheval,
Alse hu dit honieh wesen sal,
554 mochlijs]. Z. A. 555 Dn! secht mi on tbr.; en aclltcr dit vs. lezen \vo in
ons hs. nog: Bi huwer trauwau, laat mi weten ;
Mochlijs i/et, ic souls hu saden.j. A.
550 beraden], Z. A. 557 en 559 hu cn ni(J. Z. Tschr. 5, 250 en 251.
5(14 Ic haet at up teemn male.J. Met de bier voorgeslagen eenvoudige wijziging wordt het bezwaar opgeheven, door mij in Tschr. 5, 251, geopperd. Vgl. ook het Lat. 254: âomnia solus edamquot;.
507 Hi ontbr.]. Vgl. li. II, 655: ..lli heeft honichs so veel twarenquot;.
572 Doe quam Brune emte (jliinc gheloven]. Z. A.
570 hem ontbr.]. M. naar H. II, 604: âUi sonde hem wesen over alquot;.
2*
20
Al wildijs hebben VII hamen!»
Dese woort sijn hem bequame,
585 Bruun, ende daden hem so sochte:
Hi loech, dat hi nemmee no mochte.
Doe peinsde Reynaerd, daer hi stoet;
»Bruun, es mine avonture goet, (A)
Ic wane hu daer noch heden laten,
590 Daer ghi lachen suit (O) te maton«. {NB)
Ui sprac; »Hier no mach sijn gheen langher staen. Volghet mi, ic sal voeren gaen;
Wi houden desen crommen pat.
Ghi suit noch heden werden sat,
595 Saelt na ininen wille gaen.
Ghi suit noch (NJi) hebben sonder waen Also vele als ghi moghet ghedraghen«.
Reynaert meende van groten slaghen;
Dit was, dat hi hem beriet.
000 Die keytijf Bruun ne wiste niet,
Waer {NB) Reynaerd die tale keerde.
Die hem honich stelen leerde.
Dat hi wel seere sal becoepen.
Aldus sprekende quam {NB) gheloepen 005 Reynaert met sinen gheselle Brune Tote Lamfroits bi den tune.
Wildi horen van Laml'reyde?
Dat was, eist waer (O) somen mi seide,
590 snit lachen], J. om het metrum. .rgt;91 Vóór (lit vs. leest men in ons lis.: Na dit peinsen qhmc Rei/naert huul Elide sjjrac al ooer luut:
âOem Bruun, (/heselle, u'illecvme.
Hei staet so, suldi hebben wromequot;,].
Op het verdwaald raken naar hier van de twee eerste verzen, die oorspronkelijk achter 514 (van onzen tekst) moeten hebben gestaan, is alrcede in de Aanteek. op reg. 51 :quot;gt; en 516 gewezen. Dat de twee andere als een inlapsel moeten gelden, blijkt uit de onzinnigheid van een welkomstgroet te dezer plaatse, uit de onbeduidendheid der woorden: Hel staet enz., en uit het ontbreken der beide vss. in Ji. 11, waar âDaer ghi lachen suit te matenquot;, onmiddellijk wordt gevolgd dooi': âKeinaert sprac: Hier en dooch gheen langher staenquot; (vs. C75).
De invoeging van Hi sprac in 5!)1 wordt door den samenhang gevorderd en door de lezing van H. II aan de hand gedaan.
506 heden hebben]. J. metri causa. Aanleiding tot de invoeging was waarschijnlijk vs. 504 van onzen tekst.
601 hem Reynaerd]. Vgl. R. II, 601: âWaer Keinaert die tael weyndequot;. Hetpron. heeft bier niet de minste reden van bestann. 604 Al sprekende i|uam dus gheloepen].
608 Dat waer was eist somen mi seide,]. .1. Vgl. U. II, 7(10: âIII wax, int loner Aat men mi seit.quot;
21
i üil
Eon temmerman van goeden lovo,
G10 Ende liadde bi sinen hove
Eene eecke brocht huten wonde,
Die hi ontwe dieven sonde,
Ende hadde twe wogghen daer in ghesloghen. Also temmorraans noch pleghen.
615 Die eecke was ontdaen wol wijde;
Des was Reynaert arde blide.
Te Brunen sprac hi ende loech;
»Siet hier hu grote ghevoech,
Brune, endo nemot wol gocm.
620 Hier in deson selvon boem Es honichs utormaten vele.
Proeft, of ghijs in Imwo kele Ende in huwen buuc moghot bringhen. Nochtan suldi hu selven dwinghen: 625 Al dinken hu goet die honichraten,
Hetet te zeden ende te maten.
Dat ghi hu selven niet en deert.
Ic ware daermede onthoert, (NB)
Wol soete oom, mesquame hu yet«. 630 «Brune sprac: »Reynaert, ne sorghot niet. Waendi, dat ic bem onvroet?
Mate es tallen spele goet«.
â »Ghi secht waer«, sprac lieynaerd,
»Waer omme bem ic ooc vervaert?
635 Gaet toe ende crupot daer in«.
Bruun peinsde om zijn ghewin Ende (NB) liet hem so verdoren,
Dat hi thoeft over die horen Ende die voordore twee (O) voete in stac. 640 Ende Reynaert poghede, dat hi brac (.1) Dio wogghen beede huter eeckon.
Die daer te voren ghinc so smeeken. (.1) Bruun bleef ghevangen in den boom.
I)iis hevet de novo sinen oom 645 Jlfrl loesheden bracht in suiker achte.
Dat hi mot liste no met crachte
h-
i'
t
11 I'l
li
. f.: â¢'
I
ir
I
ï (i t
(iaf) diulcct i
(gt;27 en 028; Dat ghi hu selven niet mrdevuel.
lo ware onthoert cudc, ontherve!/. A,
636 lie.ijruie.rl . W. naar R. 11, 7quot;2S : âBruun die rloelit om sijn ghewin'quot;.
637 Brune liet). W. naar li. 11, 72!l: âlinde Her. 6.3!) twee voerdere]. (lm 't metrnrn.
644 jYuJ. Vgl. U. 11, 737: âAldus hevet die neve en/,.quot;
645 In boesheden bracht met],Vgl. II. 11, 738: âGhebrocht mil lmishe.il in suiker achtenquot;.
i
22
In ghere wijs ne can ontgacn Ende bi den hoefde staet ghevaen. Wat raeddi Brunen nu te doene?
G50 Dat hi was sterc ende coene,
Sal hem niet ghehelpen moghen.
Hi sach wel, hi was bedroghen.
Hi began briesschen ende dulen.
Hi was begrepen bi xiere muien 655 So vaste ende bi den voeten voren; Al dat hi pijnde was verloren.
Hine waende nemmermeer ontgaen. Van verren was Reynaert ghestaen Ende sach oom men Lamfreyl,
6C0 Die up sinen hals brochte gheleit
Een scaerpe haex ende niet en spaenle. Mier mooghdi horen van Reynaerde, Hoe hi sinen oem ghinc rampineeren: »Oem Brune, eten gaet numeere!
DOS Hier comt Lamfroyt ende sal hu scinkon; Jlebdi gheten, so suldi drinken*.
Na der talen so ghinc Reynaert Weder te sinen casteele waert Sender orlof; ende mettien 070 Hevet Lamfroyt den bere versien Ende vernam, dat hi was ghevaen. Doe ne was daer gheen langher staen; Hi liep weder wech metter haest,
Daer hi die hulpe wiste naest, (NB) 675 Ende riep, dat daer stont ghevaen een bere. Doe volchde hem een mekel heere; Int dorp ne bleef man no wijf.
Den beere te nemene sijn lijf
649 Binnen tc doene]. Vgl. R. II, 741: âWat raedi Binnen nu to doen?quot; en Lat. 289: âQuid modo Brunns agiit?quot;
654 yhegrepen en rj'er'J. J. 659 Lam/rei/dé], Zie A.
660 brochte heide]. Zie A. 661 eene bnerde]. Zie A.
664 vnste gaet mineeren.]. Zie A.
666 Iladdi gheten, so souddi drinken.]. Vgl. T/schr. I, 12.
673 Ui liep wech], Vgl. het Lat. 298: ârediens concito qnaerit ojiemquot;. I)c door gemaakte verandering Hine is onnoodig. Vgl. Tschr. 2, 315 en 316.
674 Achter dit vs. volgt in ons ms. nog;
Daer da! naeste dor/i «lont,
Ende dede hem allen conlZie A.
675 Ende riep ontbr.] Zie A.
23
I jiopt al dat loepen mochte.
080 Sulc was, die eenen bessem brochte,
Sulc eenen vleghel, sulc een rake;
Sulc quam gheloepen met eenon stake,
So si quamen van haren werke.
Solve die pape van der kerke 085 Brochte eenen cruusstaf,
Die hem de coster noede gaf.
Die coster droech eene vane Mede te stekene ende te slane.
Des papen wijf, vrauwe Julooke,
01)0 Quam gheloepen met haren rocke,
Daer so omme hadde ghesponnen.
Daer quam up haren stap gheronnen Sulke queue., die van houden Cume eenen tant hadde behouden.
095 Voor hem allen quam ( NB) Lamfroyt met siere haox. Al liadde Brune lettel ghemaex,
Hi ontsach meer ongheval Ende sette al ieghen al,
Doe hi dat gheruchte hoorde. (/I)
700 Hi spranc up, so dat hem scorde Van sinen aensichte al die huut.
Al brochtï {Nli) dat hooft {NB) mot pinen huut (O),
()8!l spnperi]. G.
092 â 694 Deze drie verzen worden in het Comb. hs. eerst vóór reg. 710 (van onzen tekst) gevonden (zie de vss. iâ'j. in het ben. bij 716 7IS vermelde citaat nit genoemd ms.). In K. II (zie aid. 788â789) en in het Lat. (zie aid. .'iü7 en 308) volgt de overeenkomstige passus onmiddellijk achter de vermelding van âdes impen wijfquot; met haar spinrokken; en hier te recht als een bestanddeel, dat bij de teekening van de verschillende categorieën der in beweging komende dorpsbewoners volkomen op zijn plaats is. Zie ook Ml. bl. 33â35.
De verandering van qhespronyen in yherunnen en de weglating van na in het eerste vs. (z. vs. i in de ben. bij 716â718 vermelde aanhaling) spreken vanzelf. Voor het behoud vnn stap, tegenover Hrisr's en M.'s lezing staf, zie men Fr. in Ml.'s dissert., bl. 37.
69!) In plaats van dit vs. lezen we in ons ms.:
Voer hem allen ([nam (jheronuen Lamfroyt met ecra scerjjer haex.].
De behoefte aan een rijmwoord op f/hesponneti, ontstaan ten gevolge van het verdwalen der zooeven besproken regels, had hier kennelijk de inlasscliing van (jheronnen en tevens do verdeeling der oorspronkelijk in één vers staande woorden over twee regels veroorzaakt, waarbij scerjjer als aanvulling van het vers ter wille van't metrum diende. De vervanging van eere door siere vereiseht gewis geen toelichting.
702 en 703 In plaats van deze vss. geeft ons hs. te lezen:
Al brochte Brnne. dat hoeft hunt Met aerhcidc. ende met pinen,
Nochtan liet hi daer vnn den zinen Eene oere ende beede sine lier.]. Zie A.
24
Nochtan liet hi?r, (AT/?) eene oere encle beede si ju lior. Nyo maecte God so leelic dier.
705 Hoe raoehte lii zeerre sijn mesrocht?
Al haddi thooft hute brocht,
Eer hi die voete conde huut ghewinnen,
Blever alle die claeuwen binnen Ende sine twe anscoen beede.
710 Dus gheroohte hi huut met leede.
Hoe moehte hi zijn ontheert meer? (A)
Die voete waren hem so zeer,
Dat hi tloepen niet eonste ghedoghen.
Dat bleet liep hem over die hoghen,
715 Dat hi niet wol eonste ghesien.
(iVÃ) Lamf'royt qnam tote hem mettien,
Ende die priester {NB) ende alle die prochiane, Ende hei jonden hem te slane.
(NB) Wie so wille, wachte hem dies:
720 Die scade hevet of verlies Ende groot ongheval.
Over hem so willet al.
Dit seeen arem man Brunen wel:
Si dreechdem alle an sijn vel; (NJ!)
7(17 conde ghewinnen], Vgl. /{. II, 801; âEer hi die voeten ««(eond ghewinnenquot;. 716â718 In plaats van de/.e vss. leest men iu ons hs.;
a ïliue florste bliven no vlicn.
;3 Hi mch suut onder die zonne y Lamfroyt commen (jheronnen ,
5 Dner na die priester die here,
! Hi quam (jheloejien vele sere;
? Dner no die coster metier mne;
1 Daer na alle die prochiane,
0 Die houde Heden metten ionffhen.
1 Dner na f/uniu up hnren stnji ghespro/iyhen / Sullce i/uene, die van houden
A Cwne eenen tant hndde behouden.]. Zie A.
724 Sak dreeehdetn nu], Vgl. in It. II, 818: â6V waren hem nlle had ende tel.quot; Op dit vs. volgen voorts in ons hs. nog de regels:
(x Die des y/iesiveghen hndde stille,
/3 Hndde Br aan qhestnen tsinen wille.
y Dit was beneden eere riviere,
5 Dat Hrune, onsalichst aire diere,
i Van meneghen dorper was bering hei.
C Doe urns daer lettel ghedinghet,
ri Hem naecte groet onghemac ;
S Die een slouch, die ander stoc,]. Zie A.
25
725 Die een sloech, die ander warp, (yl) Lamfroyt was hem alte scar]).
Een, hiet Lottram lancvoet,
Hi droech eenen verhoornden cloet Ende stacken emmer na dat hoghe. 730 Yrauwe Vuelmaerte ende Scerpeloghe, Abel Quae ende mijn vrauwe Bave (O) Ghinckene stolen met eenen stave. (0) {NE) Ludmoer metter langher nese Droech eenen loedwapper an een pese 735 Ende ghincker met al omme slinghercn. Ludolf metten crommen vingheren Dode hem allen te voren,
Want hi was best ghoboren.
Sender Lamfroyt alleene;
740 Hughelijn metten crommen beene (.1) Was sijn vader, dat weet men wale, Ende was gheboren van Abstale,
Ende was sone vrauwe Ogernen,
Eere /«orewmakigghe van lanternen. 745 Ander wijf ende ander man.
Meer dan ic ghenomen can.
Daden Brunen groet onghemac.
So dat hem zijn bloot huutlac. (A) Brune outline al sulc payment,
750 Als hem elc gaf daer omtrent.
Die pape liet den cruusstaf Ghedichte slaen slach in slaeh, (.1) Ende die coster metter vane Ghinc hem vastelike ane.
755 Lamfroyis broeder ter selver wijlen Quam met eere scerper bijlen
720 aire scaerpstï], »1.
728 verhoorden']. Zie de emendatie van De Vu. in Tschr. 1, 13 en 14.
730 Vuhnaerte scerpe log he]. Zie A.
731 en 732: G inekene koken niet eenen stave.
Abel Quae ende mijn vrauwe Bave]. Zie A.
733 Vóór dit vs. leest men in quot;t lis. nog :
Layhen beede onder die voete Ende sfreden beede om eene cloele.\. Zie A.
735 zwinyheri], V., in Tschr. 1,0, naar /i'. 11,825: âdaer hi... mede ghine .v/tm/Z/erc»/1 737 alles]. ,1. 730 LamJ'roy]. W.
744 Eens houtmakifjghe]. Zie A. 752 Gestichte], G.
755 en 756 : LamJ'roijt quam ter selver wijlen
Met eere scerper bijlen]. Zie A.
20
Endo sloechene tusschen hals endo hoeft,
758 Dat hi wart sere verdoelt 758*End6 hi verspranc van den slaghe
759 Tusschen eenre riviere ende eenre haghe 759* In eenen trop van houden wiven,
760 Ende warper een ghetal van vivon In die riviere, die daer liep,
Die wel wijt was ende diep.
Des papen wijf wasser eene;
Des was spapen bliscap cleene.
765 Doe hi zijn wijf sach in die vliet,
Doene luste hem langher niet Bruun te stekene no te slane.
Hi riep: »Siet, edele proehiane,
Ghinder vloot vrauwe Julocke 770 Beede met spillen ende met rocke.
Nn toe, die haer helpen mach!
Ie gheve hem iaer endo dach Vul pardoen ende aflaet Van aire sondeliker daet«.
775 Beede man ende wijf Lieten den aermen key tij f Brune ligghen over doot Ende ghinghen, daer die papo gheboot, Beede met stringhen ende met haken. 780 Die wijle datsi die vrauwe huuttraken. So spranc Brune in die riviere Ende ontswam hem allen sciere. Die dorperen waren allo gram,
Doe si saghen, dat hem Brune ontswam, 785 Datsi hom niet mochten volghen.
Tipt oever stonden si verbolghen Ende ghinghen na hem rampinieren.
Bruun die lach in die ryviere;
Daer hi vant den meesten stroem 790 Al drijvende, bat hi, dat God den boem (A) Moeste verdoemen ende verwaten,
Daer hi zijn hoere in hadde ghelaten 793 Ende beede sine lier.
793*Voert vloecto hi dat felle dier,
758 Brune]. 758* DnI lii], 759 der en ender \.
781 i/urnn . Vgl. A'. II, 882; âSpratic lii int waterquot;, i;)i quot;t Lat. 353; âVob'itnr in llnviiimquot;. 78J Dof, untbr.]. 780 louwr]. 787 mwiyyiiiercnj.M. 7!M oerdrouveiij. G.
27
794 Den boeson vos Reynaerde,
704*Diene, met sinon brunen baorde,
795 So diepe in die eeeko dede crupeu,
Daeme Lamfroyt vant ier stupon,
Daer hi liem so leede dede.
In aldustanen ghobede
Es Brune (NB) wel een (NB) mile (NB) ghedrcven 800 Van (NB) daer die dorpers waren bleven.
Hi was verpijnet ende moede Ende ondereommen van den bloede, [A)
803 So dat hi hadde crancke vaert.
803* Doe zwam hi te lande waert
804 Ende croep ligghen in dat hoever.
804*Ghine saghet noint droever
805 Gheen dier no gheenen man.
Hi lach jammerlic ende stan
Ende sloech met beede sinon lancken. (A) Des mochte hi al Reynaerde dancken. Nu hoert, wat Reynaert heeft ghedaeu. 810 Hi hadde een vet hoen ghevaen,
Eer hi danen was versceiden, {O) Bi Lamfroyts; an der hoyden, (O)
(NB) Verre hunt allen weghen hijl drocch,
Daer het eenlic was ghenoech (NB)
815 Ende hi dor niemen (NB) dorste rumen.
Doe hi dat hoen toten plumen
706 Daer na Lamfroyt van der stupen], Z. A.
700 («li 800 In plaats van deze lezing vindt men in ons ms.:
Lach Brnne also lang he wijle,
Dat hi wel een halve mile Van der stede was ghedreven,
Daer die dorpers waren bleven.]. Zie A.
811 en 812; Bi Lamfroyts an der heyden,
Eer hi danen was versceiden.].
De bepaling an der hei/den kan onmogelijk bij Bi Lamfroyts behooren, maar past uitstekend bij hetgeen op dit verzenpaar volgt, nam. bij de aanwijzing der plaats, waarheen Keyn. zich bij het oppenzelen van zijn prooi terugtrok.
813 815 In plaats van deze vss. leest men in quot;quot;t hs.:
a Hi hadt up eenen herch fjhedreyhen /3 Verre hunt allen weghen,
y Daer het eenlic was ghenouch.
ö Dat was wel zijn rjherouch,
s Dor dat daer zuas niemens (janc,
% Knde hi dor niemens hedwanc ri Sine projje dorste rumen.]. Zie A.
28
Hadde gheleit in sine male,
Doe ghinc hi neder te dale (NB).
Dat weder was scone ende heet;
820 Hi hadde gheloepen, dat hem dat zweet Neder liep neven die liere;
Daer omme liep hi ter riviere. (jVZ?)
In bliscap (NB) was sijn herte ende lonch; Hi hopcde(NB),datLamfroyt(NB) den boreverdoech. (Nil) 825 Doe sprac lü: »Hets mi wel ghevaren;
Die mi te hove meest soude daren,
Die hebbic doot in desen daghe. (A)
Noch tan wanic sonder claghe Ende sonder wanconst blivcn.
830 Ic mach te rechte bliscap driven®.
Doe Reynaert was in dese tale,
Sach hi nederwaert te dale
833 Ende vernam Bruun, daer lü lach.
S33:':Enten eersten als hine sach,
834 Hadde hijs rouwe ende toren 834*(Daer die bliscap was te voren,
835 Daer lach nu thoren ende nijt),
Ende sprac: »Vermalendijt Lamfroyt moet.vlt;?lt; emmer sijn!
Du best dulre dan een zwijn. (NB)
Hoe es di dese becre ontgaen,
840 Die di to voren was ghevaen?
Hoe menich morseel leghet der an.
Dat gherne hetet menich man!« (NB)
818 Achter dit vs. volgt in ons ms. nog:
Kenen ver holen li leen [tal.
Hi was utermnten sat,]. Zie A.
822â823 In plaats van deze vss. lezen we in het hs.:
a Dor dat hi hem vercoelen soude.
/3 In bliscap arde menichj'oude 7 Was sijn herte doe bevaen:
o Hi hopede wel al sonder waen,
« Dat Lamfroyt hadde den bere versleghen $ Ende hine thuus waert hadde f/lmdrefihen.]. Zie A.
835 in'j. Fr. in Ml.,s dissert, op vs. 915. 837 moet dijn herte]. Zie A.
838 Hierachter volgt in het hs. nog:
Lamj'rojit, er;!har J'uten sonc,
Lettel eeren besta (jhewone^. Zie A.
842 Achter dit vs. leest men in ons hs. nog:
O wy LamJ'roi/t, verser oven druut,
Jloe rilcelike een berehuu!
Ilee/'stu heden verloren.
Die di (jhewonnen was le voren.']. Zie A.
2!)
Dit scelden hevot Eoynaert ghelaton Ende ghinc neder bi der straten 845 Dor te siene, lioet Bruun stoet.
Doe lüne sach ligghen al een bleet Ende ziee ende onghesont Den aermen bere te dier stont,
(Dat sach Reynaert arde glierne),
850 Doe bescait hine te sinen scheme:
»Siere priester, die vous sant!
Kendi Reynaert don rybant?
Wildine scauwen, so siettene hier,
Den roden scalc, den feilen ghier!
855 Seght mi, priester, soete vrient,
Bi den here, dien ghi dient,
In wat ordinen wildi hu doen,
Dat ghi draghet so roeden capproen?
(NB) Weder sidi abt so pryhore?
860 Hi ghinc hu arde na den hore, (VI)
Die hu dese crime hevet bescoren.
Ghi hebt huwen top verloren;
Ghi hebt hu anscoen afghedaen.
Ic wane, ghi wilt zinghen gaen 8(i5 Van der complete dat ghetijde«.
Dit hoerde Brune ende waert omblijde,
Want hine const doe niet ghewreken.
Hem so doohte sijn herte breken (A)
Ende sloech weder in die riviere;
870 Hine wilde van den feilen diere Nemmeer hoeren die ovaria li'.
Hi liet hem neder daer te dale (yl)
Metten strome drijven te hant Ende ghinc ligghen np tander sant.
875 Hoe sal nu Brune te hove comen?
Al mocht hem al de werelt vromen,
Hine ginghe niet over sijn voete voren,
{NB) Daer hi te voren van (NB) hadde verloren
851 vo j. M. nam- /i'. II, 9rgt;7. 858 dnujUcn]. »!. - so untbr.j. A1 Uhmi uit de
vroegere iiiuiwe/.igheid vim dit woordje Imit zieli de vorm roeden, d. i. roedeen, verklaren. 8r)!l So weder], M. SGf) huwenj, /ie Tschr, .r), 'J51 . op vs. 1)51.
871 lale.j. Zie Ml,., bl. 40, o]) vs. 957. 874 datj. Zie A.
877â878 In plaats van deze vss. leest men in ons lis.:
a Hine ^uiglie niet over sine voete;
ft Hi teas (jhenoopt so onsoete â / In die eecke., daer hi te voren 5 Van Iwecn melen hadde veiiorenj. Zie A.
30
Alle die olaeuwen ende dat vel. 880 Hine oonste niet ghepeinsen wel, Hoe hi best ten coninc gaet.
Nu hoert, hoe hi die vaert bestaet: Hi zat over sine hamen Ende began met groter seamen 885 Rutsen over sinen staert;
Ende als hi dus moede waert, (A) So wentelde hi dan eene wile. Dus dreef hi meer dan eene mile, Eer hi tes coninx hove quam. 890 Doemen Brune daer vernam
In derre wijs van verren comen.
Wart ghetwifelt van hem zomen, Wat daer quam ghewentelt zoe.
Dien coninc waert de herte onvree, 895 Die Brune bekende te hant
Ende seide: »Dit es mijn seriant Brune; hom es dat hoel't so roet.
Hi es ghewont toter doot.
Ay God, wie heeftene so mesmaeet?« 900 Binnen desen so was Brune ghenaect, Daer hi den coninc claghen mochte. Hi stan ende versuchte onzochte Ende sprac: «Coninc, edel heere, Wreket mi dor hu selves ere 905 Over Reynaerde, dat lelie dier,
Die mi mine scone lier Met ziere lust verliesen dede,
Ende daertoe mine hoere mede,
Ende hevet mi ghemaect, als ghi siet«. 910 Die coninc sprac: »Of ic dit niet No wreke, so moetic zijn verdoomt!« Ende hier na so hevet hi ghenoomt Alle die hoechste bi namen Ende ontboet, datsi quamen
890 daer ontbi'.]. .1., zoowel om den zin als om 't metrum niiar 11, 1002: âEnde als men Brunn ducr vernamquot;.
Ã0I Dlt;it]. Zie ook Ml. op vs. !l!llâ0!t2. !)0.r) diet],
!I08 hoeren]. Voor don sing'. vgl. men bov. 703, 7fl2 en 800, alsmede het Lat. 419: Aurem laevnm. De verandering van mine in mijv is onnoodig, dewijl die vorm van 't possessief als femin. bij een vrouw, hoere, past (vgl. mijne Mnl. Sjjrh. § 28C) of desnoods ook als neutrum bij een onzijd. hoen; op zijn plaats zoude zijn (vgl. gemelde Sjirh. § 343 b).
31
015 Alle gader an sinen raet
I'Jnde rieden (NB), hoe dese daot Best werde gherecht tes coninx ere. Doe rieden die meeste heeren, (A) Dat inenne anderwovven daghen sonde 920 Reynaerde, of die coninc wonde,
Ende horen tale ende wedertalo.
Oec seiden si, si wilden wale
923 Dat; Tybeert die cater van desen 923*ïote Reynaerde bode sonde wesen.
924 Al ware hi eranc, hi ware vroet.
924* Dese raet dinct den coninc goet.
925 Doe sprac die coninc: »Here Tybeert, Gaet wech ende, eer ghi wederkeert, (A) Besiet, dat Reynaert met hn come.
Dese heeren segghen some.
Al es Reynaert andren dieren fel, 930 Hi gheloevet hn so wel.
Dat hi gherne doet hnwen raet.
Ne comt hi niet, hets hem quaet: Men salne derdewerven niet daghen,
Maef rechten te lachtre alle sinen maghen. 935 Gaet Tybeert, dit secht hem«.
â »Ay lieere®, sprac Tybeert, »ic bom Een arem wicht, een cleene dier.
Hero Brune, die staorc e.v ende fier, Ne conste Reynaert niet ghewinnen. 940 In welker wijs salics beghinnen?« Doe sprac die coninc: »Here Tybeert. (Hii zijt wijs ende wel gheleert.
Al sidi niet groet; nochtan (yl)
Hets menich, die mot Inste can 945 Dat werken ende met goeden rade.
Dat hi met crachte niet no dade.
Gaot, doet sciere mijn ghebod«.
Tybeert sprac: »Nn holpe mi God, (,l)
'.Ufi Doe rieden si hoe]. .1.
919 tv'ee werven]. Voor de juistheid van liet rangtelwoord is in R. II, 10.')2, de lezing anderwerf te vergelijken (z. o. Ml,, in diens dissert, bl. 42). Het behoud van den vorm werven bij het ordinale vindt zijn rechtvaardiging in § 383, opm. 2, mijner Mnl. Sjji-,
92fi ende ontbr.]. .1.
933 drie werven daghen |. Zie A. 934 Te lachtre alle sinen maghen]. Zie A.
938 tons]. Vgl. II. II, 1 onil; âliriinn die sterc is ende lierquot;.
Dat hot mi moete wel vergaen.
950 Ic sal dese vaert bestaen;
Doch mi es zwaer in minen moet.
Node ghevaller mi af (JVB) goot«.
Nu maect hem ïybeert viet speet up die vaert,
Die zeere es droeve ende vervaort. {NB)
955 Doe sach hi van verren ende vernam,
IVaer sente Martins voghel(NB)ghevloghenquam, (O, NB) Ende riep: »/1/ heil, edel voghel,
Kere herwaert dine vlotjhel Ende vliech te miere rechter hant!«
960 Die voghel vloech, daer hi vant Een haghe, daer hi in wilde lijden,
Ende vloech Tybeert ter luchter zijden.
Dit teekin ende dit ghemoet Dochte Tybeert niet wesen goot.
965 Hadde hi ghesien den voghel lijden Scone tsiere rechter zijden.
So waende hi hebben goot gheval;
Nu was hi dies onthopet al.
Nochtan muecte hi hem selven moet 970 Ende gheliet hem, als menich doet,
Bet dan hem te moede was.
Dus liep hi henen sinen pas,
Tes hi quam te Maupertus Ende vant Keynaerde vore zijn luuis 975 Alleone staen verweendolike.
Doe sprac Tybeert (O): »lt;io(l die rike Moete hu goeden avont gheven.
Die coninc dreecht hu an hu leven,
!t5it «ciif . /1« A. 951 Diem\doet\./wA. 952 Godgheveremi al'al goet.^. ZieA. 95.3 Nu moet Tybeert doen die vuert]. Zie A.
955 cm 956 In plaats van deze vss. leest men in ons lis.:
« Ende als hi up den weck quam,
/3 Saeh hi van verren ende vernam y Sente Martins voghel ende quam ghevloghen.
o Doe wart Tybeert vroe ende in lio(jhen\. Zie A.
957 an sente Marlins voghel]. J., M. en ten deele reeds G. Vgl. in li. 11, 1073: âSo riep hi: al heil, edel voghelquot;; en in 't Lat. 450: âSaloe larequot;.
958 ontbr.J. G. Vgl. /i. II, 1074: âKeer herwaert dinen vlogher'. Z. o. A.
959 Nu]. 966 ter']. J.
974 m]. Vgl. R. II, 1090: âvor sijn huns,,, en 't Lat. 459: âante domus'quot;. Z. o. Ml. op 1066.
976 Tybeert spraej. Metri eausa naar li. II, 1092- âDoe sprac Tibeert'quot;; het voorafgaande vs. bevat namelijk vier heffingen.
33
Ne comdi niet te hove niet mi®.
980 Reynaert sprac: »Tybeert, helet vrij,
Neve, ghi zijt mi willecome.
God gheve hu ere ende vrome;
Bi Gode dat jan ic hu wale«.
Wat coste Reynaerd scone tale? (A)
985 Al seghet sine tonghe wel,
Sine herte die es binnen fel; (iVB)
Eer die ripne ten hende wert ghelesen, {O)
Wert dit Tybeerde gotoghet (O, NB). Ende met desen Sprac hi\ »]STeve, ic wille te hove waart,
990 Maer tavont willic sijn hu waart,
Ende morghen ga\\[ metten daglie. (Nil)
In hebbe oec onder al mine maghe Niemen, Tybeert, daer ic mi nu Bet up verlate dan up hu.
995 Hier was common Bruun de vracl;
Hi toechde mi so fel ghelaet Ende dochte mi so overstaerc,
Dat ic omine duaent maerc Den wec!i met hem niet luidde bestaen.
1000 Dat sal ic met hu al sender waen Maerghin metter dagheraet;
_ Dat dinct mi den besten raet«. (O)
985 wale]. Vgl. 1{. II, 1101 en 1102;
âAl seit syi) tonghe teel,
Sijn herte dat is van binnen fel.quot;
7j. o. Ml. op 1075â 1078.
987 en 988 In plaats van deze twee verzen leest men in 't hs.;
a Dit wert Tybeerde ghetoghet wel,
/3 Eer die lijne wert ghelesen
â¢/ Ten hende: ende met desen]. Zie A.
989 991 In plaats van deze drie regels vindt men in ons lis.:
a Sprac Reynaert; ^Neve, ie wille dat ghi ft Tavont herberghe hebt met mi,
'/ Ende morghen willen wi metten daghc S Te hove wnert sondcr sa^/iequot;.]. Zie A.
992 allé], Metri causa. 995 braet\. G.
1002 en 1003 Tybeert sprac; filets beteren raet,
L'nde het dinct mi beter ghedaenquot;,].
tegenover deze redactie, met haar lamme herhaling, de oneindig betere lezing van li. II, 1118 en 1119; âDat dunct mi den besten raetquot;.
Tibeert sprac: âtwaer beter dat wiquot;,
waar het eerste vs. nog bij Uoyn.'s woorden behooit.
De vervanging van beter, in 1003, dooi* bet (zie .1. en M.) is niet gerechtvaardigd; men bedenke toch, dat dit woord in deze en dergelijke constructies ook nog als adject, kon gelden (vgl. de Vondet-gr. § 217«).
3
84
Tybeert sprac; »Trvare beter ghedaen, Dat wi noch tavont te hove gaen, 1005 Dan wi tote morghin beiden.
Die mane scijnet an der heiden Also claer alse die dach.
Ic wane, nicmen ne sach Beter tijt tote onser vaert«. 1010 â »Neen, lieve neve«, sprac Keynaert; »Sulc raochte ons bi daghc ghemoeten, Hi sonde ons quedden ende groeten, Die ons neramermee dade goet, (.1) Quame hi snachts in ons ghemoet. 1015 Ghi moet herberghen tavont met mi«. {A) Tybeert sprac: »Wat souden wij Eten, Keynaert, of ic hier bleve?«
â »Daer omme zorghe ic, lieve novo; Hier es der spijsen cjoeden tijt.
1020 Ghi mocht heten, bogheerdijt.
Een stic van eere honichraten. Die beqnamelic es utermaten.
Wat sechdi, moochdi shonichs yot?« Tybeert sprac: »Mine roekes niet. 1025 Keynaert, hebdi el niet in huns?
Gavedi mi eene vette mnus,
Daer mede ivario, wel bewacrU.
â »Eene vette muus?« sprac Keynaert, »Soete Tybeert , wat sechdi ? (A)
1030 Hier woent na oen pape bi;
Een scuere staet na an sijn huns,
Daer in es meneglio vette mnus; Ic waense niet ghedrooghe oen waghen. So dicken hoere ic den pape claghon, 1035 Dat sine drijven hu ten husc«.
â «Keynaert, zijn daer so vette muse? Vergave God, waevio nu daer®.
â »Tybeert«, seit hi, »sechdi waer ? Wildi muse?« â »Of icse wille?
1040 Keynaert, doet dies een ghestille.
1011 daer]. W. naar R. II, 1127: âSulc mocht ons bi daghe moetenquot;. 1019 (/«aden]. Zie A.
1025 el ontbr.]. J. Vgl. li. II, 1141 : âHebdi anders niet int huns?quot;
1027 Hetic hu ghewaert]. Zie A. 102!) secht dij. G. 1030 noch]. Zie
1031 noc/i]. Zie A. 1037 waer ic]. Zie de noot bij vs. 148.
35
Ic minne muse voor alle saken.
Weetti niet, dat muse smaken Bet dan eenich vonisoon ?
Wildi minon wille doen,
1045 Dat ghi mi leet, daer si zijn,
Daer mede mochti die hulde mijn Hebben, al haddi minen vader Doot ende mijn gheslachte al gader*.
Reynaert sprac: »Neve, houddi hu spot?«(/!) 1050 â «Neenic, Reynaert, also helpe mi Ood«.
â »Weet God, ïybeert, wistic dat, Ghi soutter sijn noch tavont sat«.
â »Sat? Reynaert, dat ware vele«.
â «ïybeert, dat sechdi thuwen spele«. 1055 â »In doe, Reynaert, bi miere wet.
Haddic een muus ende waerso vet,
In gael'se niet omme eenen busant«.
â «ïybeert, .so gaet met mi te hant.
Ic leede hu daer ter selver stat,
10G0 Daer icker hu sal maken zat.
Eer ic nemmermeer van hu scoede«. (.1)
â »Ja ic, Reynaert, up dal gheleede Ghinghe ic met hu te Mompelier«.
â »So gaen wi dan; wi sijn hier 10G5 AI te langhes, sprac Reynaert.
Doe so namen si up die vaert (NB)
Ende liepen, daer si wesen wilden,
Dat si nye toghel uphilden.
Eer si quamen tos papen scuore,
1070 Die met oenen erdinen muere {A)
Al omme ende omme was beloken,
Daer Reynaert een vac hadde tebroken Des ander nachlcs daer te voren,
Doe die pape hadde verloren 1075 Enen liane, die hi hem nam.
Hier omme was tornich ende gram
1047 en 1048 vadre, c/adré], 1056 ivaer so]. Zie de noot bij vs. 148.
1058 so ontbr.]. Vgl. li. 11, 1174: âSo ga wi, Tibeert, al te hantquot;. 1062 die], 1060 Aehter dit vs. heeft het hs. nog:
Tybeert ende sijn oem lieiinaert,].
M. Vgl. ook li. II, 1182. â De verandering van Doe in Dus (z. M.) is onnoodig. 1067 loepeii]. Vgl. R. 11, 1184: âTer stat daer si iccsen wilden'quot;.
1072 in was]. Zie A.
1073 daghes]. Fu. in Ml.'s Proelsclir. op vs 1 165.
3*
3G
Des papen sone Martinet Ende hadde voer dat gat gheset Een strec den vos mede te vane;
1080 Dus gherne wrake hi den hane.
Dit wiste Reynaert, dat felle dier,
Ende sprac: »Neve Tybeert, hier Crupet in dit solve gat;
Ne weset traghe no lat,
1085 Gaet al omme ende omme gripen.
Hoert, hoe die muse pipen. (NB)
Ie sal hier voer dit gat bliven(O) staem.{NB)
â »Willic te desen gate ingaen ?
quot;Wat sccluli, Reynaert, eist hu raet?
1090 Dio papen connen vele baraet;
Ie bestoetse arde noode«.
â »0 wy, Tybeert, twi sidi bloode?
Wanen quam huwer herten desen wanc?« Tybeert scaemde hein ende spranc,
1095 Daer hi vant groet ongherec:
quot;Want eer liijt wiste, was hem Astree Omme sinen hals arde vast.
Dus hoonde Reynaert sinen gast.
Alse Tybeert gheware wart 1100 Des strecs, wart hi vervaert
Ende spranc voert; dat strec liep toe. Tybeert moeste roepen doe (NB)
Mot eenon iammerliken ghelate,
Dat Reynaert hoerde up der strate 1105 Buten, daer hi alteenen stoot,
Ende riep: »Vindiso goet.
1087 In plaats van dit enkele vs. leest men in ons hs.:
a Keert toeder kuut, als ghi zijt sat.
/3 Ic sal hier bliven voer dit gat,
-/ Ktide sal hu hier buten leiden.
S Witw moghen niet tavont sceiden :
s Morghin gaen ivi te hove ivaert.
% Tybeert, siet dal ghi niet en sjmert.
ri Gaet heten, ende laet ons keren 0 Te miere herberg hen met eeren:
t Mijn wijf' sal ons wel ontJ'aen,\. Zie A.
lOitl hesteecsé]. Zie A. 1096 een strec], .1.
1102 Tussehen dit en het volgende vs. geeft het hs. nog to lezen:
Knde wroughede hem seleen dor den noot;
makede een ghcrouji so groot]. Zie A.
1105 alleené]. Hen bepaling alleene heeft hier geen zin; wel daarentegen een adverb, met de beteekenis âsteedsquot;.
37
Die muse, Tybeert, onde vet?
Wiste nu dat Martinet,
Dat ghi (NB) dit wiltbraet (NB) hatet alsoe, 1110 (NB) Hi sander lui saeuse maken toe; So hovesch oen cnape os Martinet.
Tybeert, ghi singhet als ghi et.
Pleecht men tos coninx hove des? Verghave God, die giieweldich es, 1115 Tybeert, dat (O) daer met hu ware Ysingrijn, die mordenare,
In suiker bliseap als ghi zijt!«
Dus hooft Roynaort groot delijt Dor Tybeorts ongheval.
1120 Ende Tybeert stout endo glial So hide, dat Martinet ontspranc Ende, riep: »Ha ha, Goddanc!
Ter goeder tijt hooft nu ghostaon Mijn strec; ic hebber mot ghovaen 1125 Den hoenredief na minen wane.
Nu toe, gholdon wi hem don hane!«
Met doson (A7i) weote hi moeder ende vader Ende die kindro allo gader,
Ende riep: »Nu toe, hi os ghovaen!« 1130 Doe moehtemon sien porren suen Alle die in dien huus waren. (.1)
Solve die pape no wilde niet sparen,
Quam huten bedde moedornaeet.
Martinet hi was gheraect
1109 In plants van dit vs. vindt men in 't ms.;
Dat ghi ter tajlen sntet
Ende dit wiltbraet dus hatet,
Dat rjhi verleert, in weet hoe,]. Zie A.
1112 in lane so hef]. Vgl. 11. 1J, 1238: âTibeert, mi dunct, ghi singt als ff hi etquot;. Alleen bij een lozing, als de laatste, erlangt de uiting in het volgende vs. reden van bestaan.
1115 Dat Tybeert]. Deze eenvoudige omzetting, welke aan den tekst een volkomen gezonden zin geeft, is gewis meer aan te bevelen dan do moer omslachtige verandering, naar de lezing van U. 11 door W., J. en M. noodzakelijk geacht, namelijk: de vervanging van Ti/beert door Ysingrijn en van Ysingrijn, in 1116, Aoor Die felle die/.
1122 Martinet]. J.
1127 In plaats van dit vs. leest men in 't ms.:
Met desen wart hi loten viere I'Jnde ontstac ('enen stroewisch sciere Ende wecte muedre ende vadre]. Zie A.
1128 ijadre]. 1133 hute sincn]. J.
38
1185 Toto Tybcort ende riep: »Hijs hicrx Die pape spranc an dat vier Ende ghegreep zijns wijfs rocko. Een offerkeersso vranwe Julocko Nam (O) ende ontstacse metter haest. 1140 Die pape liep Tybeert naest
Ende ghincken metten rocke slaen. Doe moeste Tybeert daer ontfaen Wel meneghen slach al in een. (NB)
Martinet ghegreep eenen steen 1145 Ende warp Tybeert oen hoghe huut. Dio pape stont al bloeter huut Ende hief up eenen groeten slach.
Alse Tybeert dat ghesach,
Dat hi emmer sterven soude,
1150 Doe dedi een deel als die boude
(Dat dien pape verghinc te scanden):
Beede met claeuwen ende met tanden (JVJi) Spranc hi dien pape tusschen die been Ende haelde hem dat em van dm iween 1155 Uter burse al sonder naet,
Daer men dien beyaert mede slaet.
Dat dinc viel neder up den vloer. Die vrauwe was zeerich ende zwoer Bi der zielen van haren vader,
llüO Si wilde wel om al gader Die offerande van eenen jare,
Dat niet den pape ghevallen ware Dit vernoy ende dese scame.
So sprac: nn tsleets duvels name
1138 cn 1139 nam vrauwe Julocke Ende]. Metri causa.
1143 Tusschen dit en liet volgende vs. lezen we in 't hs. nog;
Die pape stont, als hem icel sceeu,
Al meet emle slouch slach in slach Up Tybeert, die voer hem lach.
Daer ne spaerde haer ver/heen.'].
Deze serie van fraaie herhalingen wordt niet in R II aangetroffen (z. aid. 1273 en 1274). lialduinus heeft ze blijkens den passus ânemoque parcit eiquot; (537) in zijn origineel gelezen, doch, met uitzondering van gemelden laatsten regel, als onnut materiaal in zijn vertaling achterwege gelaten.
1153â1155: a Dedi hem pant, alsoet wel scheen,
fi Ende spranc dien pape tusschen die been â¢/ In die burse enz.]. Zie A.
1160 Sine]. Vgl. li. II, 12!)2; âSi woude dattet haer ghecostwaerquot; enz. .1. las Soe. 11C4 int sleets']. J.
39
1165 Moete dit strec sijn ghoset!
Siet, lieve sonc Martinet,
Dit was van huwes vader ghewande. (.1) Siet hier mijn scade ende sijn scande Emmermeer voert in allen stonden.
1170 Al ghenase hi van der wonden,
Ui blivet ten soeten spele inat«.
Reynaert stont noch doe voer tgat.
Doe hi dese tale hoerde,
Hi loech, dat hem bach ten scorde 1175 Ende hem crakede die cavcrne.
Doe sprac hi te sinen scheme:
»Swighet, Julocke, soete vrauwe,
Ende laet zyncken desen rauwe. {NB) Wattan, al he vet hu here verloren 1180 Eenen van den clippelen vorm, (NU)
Laet bliven dese tale achter.
Gheneset de pape, en os gheen ladder, Dat hi ludet met eere clockon«.
Dus troeste Reynaert vrauwe Julocken, 1185 Die haer arde sere mcsliet.
Die pape mochte langhor niet Ghestaen, hl viel in ommacht.
Doe hiefsene up ende heeften bracht {NB) Te bedde waort. Doe keerde Reynaert 1190 Alleane tsiere herberghen waert Ende liet Tybeert in groter noot Ende in zorghen van der doot. {NB)
1166 neve]. W. naar R. II, 1298. 1168 mijn]. Ml. op vs. 1278.
1171 den]. G. Vgl. R. II, 1303. 1175 taverne]. Zie Tschr. 5, 251, op vs. 1285.
1178 Tusschen dit en het volgende vs. vindt men in het hs. nog de lamme herhaling; Ende laet bliven huwen toren,
welke in R. JI ontbreekt (z. aid. 1310 en 1311).
1180 en 1181 In plaats van deze regels lezen we in 't ms.;
a Eenen van den elippelen zinen,
/3 Al te min so sal hi pincn.
â¢/ Laet bliven dese tale achter.]. Zie A.
1182 lachlré]. 1188â1192 In plaats van deze vss. leest men in 't lis.:
x Doe hiefsene up met haerre cracht /3 Ende drouchene recht te bedde waert.
â¢/ Uier binnen keerde Reynaert 5 AUeene ter herberghen waert f Knde liet Tybeert -eere vervaert $ Ende in zorghen van der doot.
rj Al was Tt/beerts zoryhe groet,]. Zie A.
40
Maar «loo hise allo onlodich sach Over dien papo, die daer lach 1195 Ghowont, doe ghinc hi hem pinen,
So dat hi motton tanden zine (A)
Die pose midden boot ontwoo.
Doe no wildi letten neramee Ende spranc weder liute ton gate (/1) 1200 Ende dede hom up dio rechte strate, Die tos coninx waert ghelach.
Eer hi daer quam, so waost daoh Ende die zonne begonste rij sen.
In eens arems ziecs wij sen 1204 Quam Tyboort in thof gheronnon,
Die tes papen haddo ghowonnen,
Dat hi langhe claghon mach.
Also die coninc dit versach,
Dat hi hadde dat hoeghe verloren, 1210 Doe mochtemen vroeselike horen
{NB) Dreeghen don dief Reynaert. (yl) Die coninc doe niet langhor no spaert, (J) Hine riep sine baroene te rade Endo vraoghde, wat hi bost dado 1215 Jeghen Reynaerts overdaet.
Doe waert ghindre monich raet,
iloemen Reynaert tor redenon brochte, Die doso overdaet wrochto.
Doe sprac Grimbeert die das, {A) 1220 Die Roynaerts broodersone was:
»Ghi heeren, ghi hebt tncneghen raet. Al ware mijn oom noch also quaet,
Salmon vrij recht voertdraghen,
Men salne dcrrfewaorven daghen, 1225 Alsomen doet eenen vrijen man.
Endo en comt hi niot dan,
So os hi sculdich aire dine,
Daer hi af' voer den coninc (A)
Van desen hoeren es beclaghet«. 1230 â »Wie wildi, Grimbeert, dattone daghet?»
1193 Mner ontbr.]. Vgl. in verband met de wijzigingen, in de voorafgaande vss. gemankt, de lezing van li. II, 132ó: nMer doe hise al onledieh sachquot;.
1211 Den coninc dreeghen].
1224 drie waerven]. Vgl. li. II, 135C, denlc werj] en z. o. Ml. in diensProcfschr., bl. 42. Vuor den vorm waerven verwijs ik naar de noot onder den tekst bij vs. 01!).
41
Sprac do coninc, »\vie os hier,
Die sijn hoeghe ofte sijn lier quot;Wille setten in avontueren Omme eene felle creatuore?
1235 Ie wane, hier niemeno en es so zot«. (A) Grimbeert sprac: »So holpe mi God,
Siet mi hier, ic bem so coene,
Dat ic wel dar bestaen te doene Dose bodscap, ghebiedijt«. (A) 1240 â »Grimbeert, gaet weeh ende zijt (A) Vreet ende wacht hu icghen mosval«. Grimbert sprac: »coninc here, ic sal«.
Dus gaet Grimbeert te Maupertuus. Als hire quam, vant hi in huus 1245 Sinen oom ende vrauwe Ermelijne,
Die bi haren welpellt;ijnen Laghen in die haghedochto.
Ende ten eersten dat Grimbeert moehte, (/1) Groette hi sinen oom ende ziore moyon. 1250 Hi sprac: »En sal hu niet vornoyen Dos geruchts, daor ghi in zijt?
Dincket hu noch niet wesen tijt.
Dat ghi trect, oem Reynaert,
Toto dos conincs hove waert,
1255 Daor ghi wel zero zijt beclaghet?
Ghi sijt 111 waerven ghedaghet.
Vermerredi maerghin den dach,
So zorghic, dat lm ne mach Neghoene ghenade me ghescien.
1200 Ghi suit in den derden daghe sion Hu casteel bestormen, Maupertuus:
Ghi suit gherecht sion voer hu huus Eone galghe ofte een rat.
Over waer segghic hu dat:
12G5 Beede hu kludre ende hu wijf Stillen verliesen haer lijf Lachterlike al sender waen.
Ghine moghet solve niet ontgaon.
Daer omme es hu do beste raet,
1270 Dat ghi met mi te hove gaot.
Hots mosselic, lioet ghevallen mach:
Hu es dicken up eenen dach
1251 onrechts]. Vgl. li. II, 1385: âvan den (jheru/te, daer glii in sijtquot;. 1257 Vermerrendï]. J. 12G1 //uwen]. gt;1. metri uausa.
42
Vremder ar on hi er a ghe vallen ,
Dan ghi noch quite van hem alien (^1) 1275 Met des coninx orlove
Maerghin sciet liuten hove«.
Reynaert seide: »Ghi secht waer.
Noch tan, Grimbeert, comme ic met vaer Met hu onder des coninx ghesinde; 1280 Die ic binnen den hove vinde,
Sijn up mi verbolghen al.
Quame ic danen, het ware gheval. Nochtan dinct mi beter wesen (Ghenese, of ic mach ghonesen), â 1285 Dat ic met hu te hove vare,
Dan het al verloren ware,
Gasteel, kindre endo wijf Ende daertoe mijns selves lijf.
In mach don coninc niet ontgaon. 1290 Also ghi wilt, so willic gaen«.
»Hoert«, seit hi, »vrauwe Hermelijne, Ic bevele hu die kindre mine.
Dat ghire wale pleghet nu.
Voer alle dandre bevelic hu 1295 Minen zone Reynard ine;
Hem staen wel die gram line An xinen muulkine over al;
Ic hope, dat hi mi slachten sal.
Hier es Rosseel, een scone dief; 1300 Die hebbic nochtan harde lief, (A) Ja, als yement sine kindre doet. (vl) (NB) Eist dat gi nu hen doet goet, Ic salt mi nemen arde na.
Up dat (NB) mach sijn, dat ic ontga, 1305 Dat iel hu weder mode lonen».
Met hoofschen woorden ende met sconen Nam Reynaert an do sine orlof (A)
Ende ruumde sijns selves hof.
1273 avontueren]. 1278 daer]. Zie A. 1279 Met hu ontbr.j. Zie
1280 en 1281 Dat â Jis]. Zie A.
1296 f/aerdeline]. Zie Tschr. 1, 16, op vs. 1415. 1297 In zine}.
1299 Rollet], G.
1302â1303: Al eist dat ic nu van hier moet,
Ic salt mi nemen arde na,
l!p dat ic mach, dat ic ontga.
Grimbeert, ueve. God moet hu lonen.] Zie A.
43
Ay, hoe droeve Weef vrauwe Hermeline 1310 Ende hare cleene welpekine,
Doe Reynaert sciet huut Maupertuus Ende hi hof liet ende huns Aldus omberaden staen.
Nu hoort, wat Reynaert heeft ghedaen.
1315 Teerst dat hi quam an der heyden,
Hi sprac te Griraberte ende zeide:
«Grimbert, siat, wel soete neve,
Van zorghen swetic ende beve.
Want ic in vresen ga van der dool,
1320 Ende mijn berotiwenesse es sa (jrool Van sonden, die ic hebhe ghedaen,
Lieve neve, ic wille gaon Te biechten hier te di;
Hier nes ander pape bi.
1325 Hebbic mine biechte ghedaen,
Hoe so die saken sijn vergaen, (.1)
Mine siele sal te claerre wescn«.
Grimbeert andwoerde na desen:
»0em, wildi te biechten gaen,
1330 So moetti dan verloven saen Alle diefte ende allen roef,
Of en diet hu niet een loef«. (/1)
â »Dat weetic wel«, sprac Reynaert.
«Grimbeert, nu hoert haerwaert {NU):
1335 Confiteor pater mater,
Dat ic den otter ende den cater Ende allen dieren hebbe mesdaen.
Daer af willic mi in biechten dwaen«.
1317 scone]. Vgl. de vert. C22: nEn aspice, dnlcis mnicequot;. Sconc zou als epitheton hier in 't geheel niet te pus komen.
1318 suc/i(ic]. Vgl. de vert. G23; âsurfo tremoqnequot;. In verband met de lezing siet, in 1317, ware suchtic ten eenenmale onbegrijpelijk. Vgl. ook Ml. onder aan bl. 50.
1319â1322 In plaats van deze drie vss. leest men in 't hs.:
Lieve neve, ic wille gaen,
Nu hoert mine redene sn«H.].
Zie Mi., in diens proefsehr., bl. 50. (In vs. 131!) heb ik evenwel meer getrouw de goede lezing van li. II overgenomen, en daarentegen in 1321 hot onjuiste mesdaen van li. II, 147!), veranderd in Ijheduen.)
1334 Tusschen dit en het volgende vs. staat in 't hs. nog:
a l'.ndc vnndel mi (jheraden.
i Siet, ic come lm te ghenndeu y Van alle (/ader minen mesdaden.
5 Nu hoert, Grimbeert, ende verstaet.â¢]. Zie A.
1337 alle diere]. W.
44
Grimbeert sprac : »Oem, walschedi ?
1340 Of ghi (NB) wilt, sprooct ioghen mi In Dietsche, dat iet mach verstaen«. Doe sprac Roynaert: »Ic hebbe mosdaen Jeghen allo diere, die leven;
Bidt Crode, dat hijt mi moeto vergheven. 1345 Ic dede minen oem Brune
Al bloedich maken sine crime.
Tybeert dede ic muse vaen, (A)
Daer ickene zere dede slaen Tes papen huus, daer hi spranc int slrec. 1350 Ic hebbe ghedaen groet ongherec Canticleer an sine kindre,
Waren si meerre ofte mindre. (NIJ)
Oec hebbic (NB) Ysengrijn mee (NB) bodroghen. Dan ic di sonde ghesegghen moghen. 1355 Omdat ic te bet hem dada quaet,
Hietic/cc/t oem dor baraet.
Ic maectene moonc ter Elmaron,
Daer wi beede begheven waren;
1340 i/et wilt]. J. Een uitdrukking, met den zin âuls 't u belieftquot;, is hier even juist van pas als de woorden van den tekst v-i- âzoo gij iets begeertquot; onzinnig mogen heeten.
1349 net.']. J. De weglating van huus (zie J.) is hier echter onnoodig; het metrum van ons vs. is, ook met genoemd woord, in orde.
1351 endé]. Bij deze kleine verandering wordt, naar ik meen, de dictie veel juister en nauwkeuriger. Ont/herec = âschade, nadeelquot; past uitstekend in verband met Canticleer, maar zou te zwak zijn met betrokking tot de vermoorde kinderen des haans.
13.')2 Tusschen dit en het volgende vs. staat in het hs nog;
Dicken makedicse tos.
Dor recht bectaghel hi den vos.
Die coninc en es mi oec niet ontfjaen;
1c hebbe hem toren oec (jhedaen Ende mesprijs der coninghinne,
Dat si spade sullen verwinnen Also vele eeren van mi.']. Zie A.
1353 In plaats van dit vs. leest men in ons ms.;
Oec hebbic, dat ser/ghic di,
Grimbeert, mee liede bedroghen |. Zie A.
1355 Ende Ysengrijn, dat verstaet]. Zie Tsehr. 5, 252. Ende, dat ik aldaar behouden had, meen ik thans als onpassend te moeten verwijderen.
Men lette voorts op de overeenkomst in gedachte tusschen de lezing der vertaling en de volgende plaats uit den Ysengrimua 1, II en 12;
âDicebat patruum falso Eeinardus, ut illa ïamquam cognato crederct usijuc suoquot;.
1356 Hietic]. Zie Txchr. 5, 2r)2.
45
Dat wart hem al te zere te pinen:
1360 Ie (lede hem au die olnckelijnen Binden beode sine voete.
Dat ludon wart hem doe so soete,
Dat hijt emmer wilde lecren.
Dat verghinc hem tonneeren;
13C5 Want hi luudde so utermaten,
Dat alle, die ghingen bi der straten Ende Ihocrdm, worden dac.r af in vare Ende wacnden, dat die duvel ware,
Ende liepen daer si luden hoerden.
1370 Eer hi doe consto in cortcn woerden Ghespreken: »ic wille mi beghevcn«,
Hadsi hem na ghenomen tleven.
Sint dedic hem die crune gheven;
Hem maechs ghedinken al zijn leven,
1375 Dat weetic wol over waer:
Ic dede hem afberneu dat haer.
So dat hem die zwaerde cramp.
Sint dedic hem meerren scamp Up tliijs, daer icken loerde visscheu,
1380 Dat hi (NB) niet conste ontwisschen;
Hi ontfincker moneghen slach.
Sint leeddickine up oenen dach Tote dos papen van Ambloys.
In al dat lant van Vermendoys 1385 So en woende gheen pape rikcr.
Die solve pape hadde oenen spijker,
Daer menich vet bake in lach;
Des haddic d icken goot ghelach.
Onder dien spijker haddic een gat 1390 Verholonlike ghemaect; in dat
{NB) Dedic Ysingrijn [NB) crupen.
Daer vant lü rentvleesch in cupon Ende baken hanghende vele.
Des (NB) dedi dor sine kele 1395 So vele gheliden utermaten:
Als hi weder luiten gate
1367 Ende waren binnen der Elmaré]. Zie A.
1308 Ende ontbr.]. Zie A. 1373 die ontbr.]. .1.
1380 Daer lii mi niet]. De weglating vim mi was reeds door W. voorgeslagen. 1383 Umi- of Unubloys (het eene zoowel als liet undent kan men in ons lis. lezen)]. Knorr in diens PraeJ. X.
13U1 Daer dedic Ysingrijn in crupen.]. Vgl. li. II, 1553; âDedic Isogrim gaen er.'quot; 1394 Des vleesch']. M. naar li. 11, 1536: âDie (1. Dies) liet hi given door sijn keelquot;.
46
Waende keeren, so verboet Hem (NB) dat liden sijn buuc {NB) groet, Dat hi beclaghede zijn ghewin, 1400 Daer hi was common hongherich in, Ne condi zat niet {NB) huut daernaer. {NB) Nu hoert, wat ic toebrochte daer (O).
Ie liep al daer die pape zat Te ziere taflen ende hat.
1405 Die pape hadde eenen cappoen;
Dat was dat aire vetste hoen,
Dat men in al dat lant vant; (.1)
Hi was ghewent al toter liant.
Dien prandic in minen mont 1410 Voer die tafle, daer hi stont,
Al daer die pape toesach.
Doe riep die pape: »Nu vanc, slach! Helpe, wie sach dit wonder nye? Die vos comt daer ic toezye 1415 Ende roeit mi in mijns selves liuus. So helpe mi sancta spiritus.
Te wers hem, dat hire quam!« Dat tafelmes hi upnam Ende stac de tafle, dat so vloech 1420 Verre boven mi arde hoech In middcwaerde up den vloer.
Hi vloecte zere ende zwoer Ende hi riep lude: «slach ende va!« (/1) Ende ic voeren ende hi na {NB) 1425 Up Ysingrijn, al daer hi stont.
Ic hadde dat hoen in minen mont.
1397 huter noet\. Zie A. 1398 Hem was dien leecleu buuc so groet.]. Zie A. 1401 en 1402 in plaats van deze twee verzen heeft het hs.:
a Ne eondi niet eommen huut.
/3 Ic liep, ic maecte groet yheluut y Int dorp ende maecle groet yherochle.
3 Nu hoert, wat ic daer toe broclite.]. Zie A.
1406 beste]. Mi- op vs, 1532.
1411 dnert], Vgl. ook ben. 1414. 1412 vant],
1415 selves ontbr.]. G. Vgl. 't Lat. 710: âIn propria vulpes iam praedo domo spoliat mequot;. 1421 midden waerde']. Vgl. boven 479 en zie ook te middewaerde, Hijmb. 29788, 30G10, ter midderwerden, Kijmb. 107, in die middewaerde Rijmb. 470, 548!, enz.
1424 Tusschen dit en het volgende vs. heeft het hs. nog;
Sijn tafelmes haddi verheven Ende hrochte mi ghedreveti]. Zie A.
1425 al ontbr]. Metri enusa (het wederpaar bevat vier heffingen).
47
Dat arde groet was ende zwaer;
Datso moestic laten vallen daer Ende waest mi leet ol'te lief {NE) daer laten,
1430 {NB) Ende ic ghine miere straten Danen, daer ic wesen woudo.
Alse die pape upheffon sonde Dat hoen, sack hi Ysingrine.
Doe naecte hem eene grote pine:
1435 ïïi warpene int hoeghe metten rnesse.
Den pape volchden si zesse,
Die alle met groeten staven quamen;
Ende als si Ysingrijn vernamen,
Doe maecten si su groet ghelnut,
1440 Dat die ghebuere quamen huut,
Ende maecten Item mare,
{NB) Dat daer een wulf ware In spapen spijker ghevaen (O),
Die hem selven hadde ghedaen 1445 Bi den buke in een gat.
Als die gbebuere ghovreoscheden dat, {NB)
48
So (NB) ghinclt; hom (0) al huten spele; Want hi ontfincker arde vele Groote slaghe oiule grocto worpe 1450 Van den lieden van clou dorpo, {NB)
Diene haten gate traken (O)
Knde zeere slocyhen oude staken, (O, NB) Sc langhe dat hi ghelove was.
Doe viol hi neder up dat gras,
1455 Of hi ware al steeudoot.
Doe was der liede bliscap groot,
(Nil) Eude sleeptcne met groten ghehuke . Over steeue eude over struke Buten dien dorpo in eeue gracht. (A) 14C0 Daer bleef hi ligghende al dien nacht. Inne weet, hoe hi danen voer.
Sint verwarvic, dat hi mi zwoer Sine hulde een jaer al omtrent.
Dat dedi up sulo convent,
14G5 Dat icken viaecte hoenro sat. Doe leoddickeue in eene stat,
Daer ic hem dode te verstane,
Dat seven hinnen eude oenen liane In een groot huus an ere straten 1470 Up oenen aenbalke saten Recht ecre valdore bi.
Daer dedic Ysingrijn met mi Up dat huus clemmon boven.
Ic seide, ic wilde hem gheloven, 1475 Wildi crupen in die valdore,
Dat hire soudo vinden vore Van vetten hoenren sijn ghevoech. Ter valdore ghinc hi ende loech,
Endo croep daer in mot vare 1480 Ende began tasten harentharo.
1456 kvidre]. Vgl. de A. op 1446â1453.
1457 In plaats van dit vs. heeft het hs.:
Ghindre was (jrotc niemare:
Si namene cn leiclcne up eene bare Ende drouyhene met groten ghehuke]. Zie A.
1460 Daer ontbr.]. ^'gl. de A. op 1459.. 1465 sonde maheii]. Om 't metrum. 1468 twe], Vgl. R. 11, 1624: âsereu henneir''; en de Lat. vert. 683: âter quater altiliaquot;, dat in verband met de laatste lezing als ter -f quater is op te vatten.
1471 teere']. J. 1472 bi], Vgl. R. II, 1628: âelommen en ,t Lat. 685:
âibi scandimusquot;.
49
Elide als hi taste (O) ende niet on vant, Sprae hi: »Neve, hets hier bewant Te zorghen; ic ne vinder niot«. (-1) Ic sprae: »Oom, wats (Nit) ghesciet, 1485 Cruuptor een lettel bot in;
Men racet wol pijnon om ghewin. Ic hebso weoh, diere saten voren«. Dus so liet hi hem vordoron,
Dat hi die hoenre te verre soohte. 1490 Ie sach, dat icken hoenen raochte,
Ende slielene so, dat hi voor Van daor boven np den vloer Endo gaf oenen groeten val,
Datsi ontspronghen over al,
1405 Die daer in dien hnse sliepen.
Die bi den viere laghen, si riepen, Dat ware in huus, sine wisten wat, Qhevallen doer dat valdoregat.
Si worden up ende ontstaken leeht. 1500 Doe sine al daer saghen, echt Wart hi ghewont toter doet.
Ic hebben brocht in menegher noot.
Meer dan ic ghesegghen mochte.
Nochtan, al dat ic nye ghewrochte 1505 Jeghen hem, des ne roecke ic niet Zo zere, als dat ic verriet Vranwc //erswenden, sijn scone wijf, (A) Die hi liever haddo dan sijns selfs lijf. Grod die moet mi vergheven!
1510 Haer dedic, dat mi liever bleven
1481 Hi taste ende als hi niet en vantjlt; Zie A.
M84 wats hu ghesciet]. J. Vgl. ft. li, 1G4U: âJe sprac: oeck (/. oem), wats ghescietquot;.
14(Jl hoendene], M. naar li. II, 1G47 : stieten.
1498 voer dat oyuergutj. Vgl. li. II, 1653: â(/oor dat vaklocryaf. (Dat Guütku hier juist heeft gelezen en de vorm viuergat een lictie is, zij hier terloops aangemerkt, in verband met de noot onder aan pag. 110 mijner Miit. Sjtrk.)
1500 al ontbr.] Om quot;'t metrum.
1505 6'one].
1507 i'swenden]. G.
1510 en 1511: Haer dedic, dat mi liever ware bleven
Te doene, dant es ghedaim.].
*f. Metri causa,
â¢I
50
Ware (O) te cloene, dant es ghedaen«.
Grirabeert sprae: »Of wilt gaen
Claerliken to biechten tote mi,
1514 Sohc suldi sijn van huwen zonden vrij (O). (JV7/) 1514*Ic hebbe ieghen sijn wijf meadaen,
1515 Oem, dat en can ic niet verstaen;
1515* Jn rreet, waer ghi dose tale koert«.
Reynaert sprac: »Neve Grimbeert,
Ware dat niet o/thoofschede groot,
Of ic hadde glieseit al bloot;
Ic hebbe ghoslapen bi uiiere moyen?
1520 Ghi zijt mijn maech; hu souts vernoyen,
Zeidic eeneghe dorperheit.
Grimbeert, nu hebbic hu ghoseit Al dat mi mach ghedinken nu.
Gheeft mi aflaet, dat biddic hu,
1525 Ende settet mi, dat hu dinct goet«.
Grimbeert was wijs ende vroet Ende brac een rijs van ere haghe Ende gatter hem mede XL slaglio Over alle sine mesdaden.
1530 Daer na in gherechten rade Biet hi hem goet te wesene Ende te wakene ende te leseno Ende te vastene ende te vierne Ende te weghe waert te stierno 1535 Allo, die hi buten wcghe saghe;
Ende hl hem voert alle sine daghe Bescedenlike soude gheneeren,
Knde diere soude verzwoeren
151 2â1 Tilfi* : a Grimbeert sprac: âOf j^lii wilt gacii
/3 Claerliken te biechten tote mi â / Ende sijn van huwen zonden vrij,
S So snldi spreken ombedect.
t In weet, waerwnert f/hi dit tred,
; ic hebbe ieghen sijn wijf mesdaen,
y) Oem. dat en ean ic niet verstaen.
0 Waer ghi dese tale keertquot;.]. Zie A.
1517 Ware dat hoofschede groot). Vgl. It. II, IGT7: âWaer dat met scande groot .
Uij J,. Comb, lezing zon bet adject, groot geen reden van bestaan hebben.
1528 hem ontbr.]. W. 1530 raden], G. 1536 hem ontbr.J.
1537 Beliendelike], J.
]538_1542; Hier na so dedi hem verzweeren
Ueede roven ende stelen.
iVu moet hi siere sielcn p leg hen
Keynaert bi Grimbeerts rade,
Ende ghinc te hove up ghenade.]. Zie A.
m
Beode roven emle stolen.
1540 Dus moet hi siere sielen lelm,
Reynaert, bi Grimbeerts rade,
Ende ghaen to hove up ghenade.
Nu so os die biechto ghedaen.
Die heron hohbon den wech bosfaen-1545 Tote des eonincs hove waort.
Nu was buter rechter vaert,
Die si te gano hadden begonnen, Een pryoreit van zwarten nonnen,
Daer meneghe gans ende menich hoon, 1550 Meneghe hinne, menich cappoen Plaghen to weedene buten muoro.
Dit wiste die felle creatuero, Die onghetrauwe Reynaert,
Ende sprac: »Te ghenen hove waert 1555 So leg hot onse rechte strate».
Met dusdanen barate J joeddo hi Grimbeert bi dor scueren,
Daer die hoonre buten muoro Ghiughen weedon harenthare.
1500 Der hoenre wart Reynaert ghowaro;
Sine oghen begonden omme to gano.
Buten den andren ghinc eon hane,
Die arde vot was ende jonc;
Daer na gaf Reynaert oenen spronc,
1505 So dat dien liane de plumon stoven.
Grimbeort sprac: »Oem, ghi dinct mi doven, Onsalich man, wat wildi doen?
Wildi noch weder om een hoen In alle die groeto sonden slaen,
1570 Daer ghi te biechten af zijt ghegaen'? Dat moet hu wel zero rauwon«.
Reynaert sprac: »Bi rechter trauwen,
Ic hads vergheten, lieve nove.
Bidt Gode, dat hijt mi vergheve;
1575 Het no ghosciot mi nemmermeer».
Doo daden sie oenen wederkeer
1543 so ontbr.]. Metii causa, dewijl het wederpaar vier arseis bevat. 1560 Den]. O.
1568 weder ontbr.]. Vgl. li. H, 1734 en 1735:
âWildi weder om een hoen In alle die grote sonden slaen
1547 Dtcu\.
4*
r.2
Over eene smale brnggho.
Hoo ilickeu sueli Reynaort achter rug'ghe Weder daer die hoenre ghinglion! 1580 Hine consto hem niet bedwinghen,
lline moeste ziere seden pleglieu. Al haddemon thooft hem (O) afghesleghon, Het ware ten hoenren waert ghevloghe i Also verre, alst luidde ghemoghen. 1585 Grimbeert sach dit ghelaet Ende seide: »Onreyno vraet,
Dat lm dat hoghe so omme gaet!« Eeynaert andwoerde; »Glii doet quaet, Dat ghi met Imwe harde woort 1590 {NB) Mine bede dus verstoort.
Laet mi doch lesen ecu pater nooster Der hoenre zielen van den cloester Ende den gansen te ghenaden,
Die ic dicken hebbe verraden,
1595 Doe icse desen lieleghen nonnen
Met miere lust hebbe af (0) ghewonnon«. Grimbeert baloh; newaer Reynaert Hadde emmer zine oghen achterwaert, ïes si quamen ter rechter straten,
UiOO Die si le voren hadden ghelaten.'
Daer keerdesi ten hove waert. (0) (NU) Arde zere beefde Reynaert, (O) Doe hi began den hove naken,
Daer hi waende seere mcsraken. 1005 Doe in sconinx hoi' was vernomen. Dat Reynaert ware te hove comen, Met Grimbeerde den das,
Ic wane, daer niemene was (/I)
1582 hem thoeft]. Metri ciiusa.
1589 on 1590 : Dut glii mine herle so vcrsmaet
Ende mine bedo dns ncrstorheert.]. /ic A.
1591 II]. Vgl. li. II, 1757: âeen pr ni'quot;.
1595 Jjien']. Vgl. It. II, 1701: âDoe icse (lese heiligho nonnenquot;.
1596 al' hebbe]. Metri causa.
1(100â1603: Doe heymi hem drouve ghelaten
Ende arde /.ere beel'de Heynaert Daer keerde si ten hove waert].
De verandering is van G. Vgl. Ji. II, 170Gâliü8;
âDie si Ie voren luidden ghelaten:
Daer keerden si ten hove waert.
Och, hoe zeer hoefde Uoinacrt,quot;
I
So arem no van so craneken maghon, 1G10 Ilino ghereodcle horn up een claghen,
Ende aliemale ioghon Reynacrde.
Nochtan dedi als die onvervaerde, (vl)
Hoe so liom to moede was,
Ende hi sprac to Grirabeert don das: 1615 »Lacl ons gam die lioeoliste striite«.
Reynaerd ghinc in dien ghelate Ende in also bonden ghebare,
Ghelijc of hi seoninx sono ware (A)
Ende hi niet on hadde mesdaon. 1C20 Boudeliken ghinc hi staen Voer Nobele dion coninc,
Ende sprac: »God, die alio dine Gheboet, hi gheve liu, coninc here,
Langho bliscap onde eere.
1025 Jc grocle hu, coninc, ende hcbhr.x recht: En hadde nyo coninc eenen cnecht So ghetranwe ieghen hem ,
Als ic oyt was ende bem;
Dat es dicken worden anschijn.
1 (iHO Nochtan die sulko, die hier zijn,
Souden mi {NB) gherne luiwer hulden roven (O) Mrl logheH, wildi hem gheloven.
Maer neen, ghi niet; God inoeto hu lonen! Hot no betaemt oen niet der cronen,
1(J35 Dat si den scalkon ende den feilen Te lichte ghelove, datsi vertellen.
IGll Dil was n[\. Vgl. Jl. II, 177quot;: âEnde. nltemalc teglion iiriniM'rtquot;.
1615 Lcedet ons]. Do lozing van liet lis. is onzinnig. Op do vorknooiing vim Utd tot lecdel had vanzelf de uitlating vim (joeu moeton volgen.
1G2.') (jroel en hchbc]. Do laatsto vei'andoving ia van AV., naar It. II, 1791: âic hebs rcchtquot;.
1631 en 16.12: Sonde mi vochtar gherne roven
Iliiwer hidden, vilde 'fhi hom gheloven.J.
Vgl. II. 11, 17!iS I7!MI; âSuuden mi gherne u hulde roven
Mil loi/hen, won cl ijs hem ghelovenquot;,
on do vertal. 814âSlf): â(jiii mo jirivaro labomnt
Fraude favoro tnoquot;.
on zie ook Mi,, in diens l'roof'sclu-., bl. fifi. Een vorm wilde (jln is te jong, om uit AVillom's pon gevlooid to kunnen zijn (vgl. mijn Mul. Sjirl,-. § 2IS).
1634 oce onthr.]. Vgl. It. II, 1S00: âHet ou betaemt oce niet dor croiioiiquot;. 1636 f/hcloecu'].
Nochtan, ic willes Godo claghon,
Dier os te vele in onsen daghen,
Die metier scalcheit, die si connen,
1040 Die vorderhnnt hebben ghewonnen Over al in heren hoven.
Dion sal men niet gholoven;
Die scalcheit es hem binnen ghoboren.
Datsi den goeden lieden doen toren, (.1)
1045 Dat irille God wrekew (O) np haer leven,
Ende moote hem eeweliko gheven Al sulken loon, als si sijn waort«.
Die coninc sprac: »0 wy Eeynaert,
O wy Eeynaert, onreyne quaet,
Ui50 Wat condi al scone ghelaet!
Maer dat en can hu (NB) ghehelpen een caf.
Nu comt huwos smeekens af;
In worde bi smeekene niet hu vrient.
Dal ghi (NB) ml dickcn heb/ ghedient,
1055 Dai weri hu nu te rechte ghegouden.
(NB) Qualic so hebrft ghehoudon Dien vrede, die ic hadde ghozworen«.
â »0 wy, wat hebbic al verloren 1«
Sprac Canticleer, die daer stont.
1060 Die coninc sprac: »Hont huwen mont.
Here Canticleer, nu laet mi spreken,
Laot mi antwoorden sincn treken.
Ay, here dief, Reynaort,
Dat ghi mi lief hebt ende waort,
]l)(J5 Dat hebdi mei sonderlingher pino Minen boden ghedaen anschine,
1637 willies]. Do conjunctie nochtau behoort kennelijk in den /.in: âDier es te vele en/..quot;, niet bij âwillies en/..quot; Onjuist is daarom de woordschikking in het hs., welke alleen ten gevolge eener foutieve verbinding van het laatstgenoemde verb, met nochtau kan ontstaan zijn.
1(539_1640: Bcr sen Ike, die xorowjhen connen,
Die met Ier rechter hunt hebben ghewonnen]. Zie A.
1641 riké\. Vgl. ii. II, 1807: âin heren hovenquot;.
1645 wreke God]. Metri eimsa, naar li. II, 1SU: uil tiod wreken .
1651 Dat en can hu niet ghehelpen een cai'.j. Vgl. It II, 1817: âMer ten baet u niet een cafquot;. De weglating van niet wordt, door het metrum geëischt.
1054â1656 : flets waer, ghi suut mi hebteii ghedient
Vnn ere sah: in den woucie,
jDner ijhi qualic in heb( ghehoudon]. /ie A.
1657 Die cerfe]. G. Vgl. R. II, 1822 (zie bov. de ^. op 1654 â 1656).
1665 «onder huxvé]. Zie A.
1666 Mine boden laten anschine]. Vgl. 11. II, 1832: âMinen (gc)boden qhedaenaenschijnquot;.
Arom man Tybeert, hero Bruno, Dio noch bloedich es zijn cruno.
Ic ne sal hu niet vela sceldon;
1070 Ic waent hu kele sal ontghelden Noch heden al up eeno wijle*. â »Nomine patrum christum file!«
Sprac Heynaert, »of mijn hero Bruno Noch al bloedich es die crime, 1075 Ihre coninc, wat bestad mi dal?
Of hi Lamfroyls honich at Kndc hem die keerl luchter drde,
Noch heeft Brunc so stereke lede, quot;Was hi teblauwen of versproken, 1080 Ware hi goot, hi hadt ghewrokon. Eer hi noint vloo int water.
Bander zijde Tybeert die catcr.
Dien ic herberghede ende ontflnc,
Of hi hute om stelen ghinc 1085 Tos papen, sonder minen raet,
Ende hem die pape dede quaet, Bi Godo, soudic dat ontghelden, (^l) So moehtic mijn gheluc wel scelden«. Voert sprac Eeynaert: «Coninc lyoen, 1090 Wien twifelt des, ghine moghet doen, Dat glü ghebiot over mi,
Hoc (joet mine sake zi?
Ohi moghet mi vromen ende scaden.' quot;Wildi mi zieden ofte braden 1095 Ofte hanghen ofte blonden,
Ic no mach hu niet ontwenden;
Alle diere zijn in hu bedwanc.
Ohi zijt groet endo ic bom cranc;
Mino hulpc os cleone endo dhuwe groet 1700 Maer bi Oode, al sloechdi mi doot,
1069 vele ontbr. j. W. nsuir A*. II , 1835: âIc en w il niet reel scheldenquot;.
1672 jilye']. (i.
1675â1678 ontbreken en zijn hier ingevoegd naar Ji. Jl, 1811 â1814. Zie ouk Fr. in Tschr. 1 , 16 en 17.
1680 Waer en irnre], /. bov. bij 148 en vgl. /i. II, 1846: âWair bi goet, lii had ghe\\ rokeir\ 1692 r/root mine sa keu \. .1., W. Vgl. R. 11, 1858: âHoe groot, hoe r/oe^ mijn sake siquot;.
1699 liulp\,
1700 Maer ontbr.]. Vgl. H. II, 1866: âJwaren al sloechdi mi dootquot;, waar dit hoaren weliswaar niet past, maar toch gemakkelijk genoeg als een verbastering der hier vcreischte conjunctie te herkennen is.
56
Dat ware eene crancko wrake;
Lichte men daer af kilde sjjrako.
Doc spranc up Bclijn de ram Ende sine liye, die met liem quam, 1705 Dat was dame Hawj.
Bclijn sprac: »Gawij Allo voert met onser claghen.«
Bruun spranc up met sinou maglicn Ende Tybeert die felle,
1710 Ende Ysingrijn sijn gheselle;
Forcondet dat everzwijn,
Ende die raven Tyeceljn,
Paneer die bever, ooc Bruneel,
{NB) Ende dat eencoren here Rosseel, 1715 Ende Dieweline, die vrauwe fine.
Cantecleer ende die kind re zine Makeden groten vedorslach.
Dat Ibret Cleenebeiaeh Liep ooc mede in dose scare.
1720 Alle dose ginghen openbare
Voor haren here den coninc staon Ende daden Reynaerde vaen.
Nu ghinct gliindre up een playdieren. Nye»» hoerde man van dieren 1725 So scone tale, als nu es hier
Tusschen Reynaerde ende dandre dier. Voertbringhen, f/a/men seide daer,
Hot ware mi pijnlijc ende zwaer;
Daer omme corte ic hu de woort.
1730 Die boste redenen ghinghen daer voort. (J) Die claghen, die de dieren ontbonden, Proefden si met goeden orconden.
Als si scnldieh waren te doene.
Die coninc dreef die hoeghe baroene
1702 Rechte in dcsc selne sprakcj. tl. Zie A. 1703 Bclin\. 1705 ha tot;'].
1706 DeUn\. 1712 lyocelijri]. 1713 ocK\. O. 1714 Vóór (lit vs. hoeft
liet hs. iii)^: Dn! water var, dal hutseal, M.
iMen lotte er op, dat. terwijl do dieren anders een eigennaam dragon, juist in dozen regel die eigonaardiglieid ontbreekt, oen omstandigheid, welke do vortronw-baarhoid dor verworpen lezing niet aanmerkelijk verhoogt.
1715 1'hidc ontbr.].
1719 Liepen alle]. M. Vgl. J\. II, 1887; âDie liepen ooc mede in doser scaorquot;.
1724 ne ontbr.;. Om 't motrnm. 1 727 rftcmen brochle], J.
1735 Te vonnesse van Reynaerts sakon.
Doo wijsden si, datmen soudo maken Eene galghe store ondo vast,
Ende men Reynaerde, den feilen gast,
llaer an hinghe bi ziero kelen.
1750 Nn gaet Reynaerde al luiten spcle.
Doe Reynaert verordeelt was,
Orlof nam Grimbeert die das Met Reynaerts naeste maghen;
Sine consten niet verdraglien, (Nil)
1745 Datmen {NU) voer haren oglien liinr/he alse eenen diel (Noohtan waest hem somen lief).
Die conino hi was arde vroet:
Doe hi mercto ende verstoet,
Datso menich ionghelinc 1.750 Met Grimbeerte huten hove ghiiic,
Die Reynaerde na bestoet,
Doe peinsdi in sinen moet:
Hier mach ie loeien andren raet.
Al es Reynaert solve qnaet,
1755 Ui hevet menoghen goeden maech.
Doe sprac Tyheert: »twi sidi traoch,
Her Ysingrijn ende here Dninn?
Hier es {NB) monleh hagha endr timn Ende hots den avondo bi.
1760 Ilior es Reynaert; ontsprinct hi.
Gomt hi III voote huter noot.
Sine lust die es so groot Ende hi weet so menoghen keer,
Hine wort ghevanghon tsiaermoor.
1765 Salmon hanghen, twine doet ment dan,
So men eerst eene galghe ghrreedon can (0)?« (A7gt;)
1745 In plaats van dit vs. heeft het hs.:
â i No sine consten niet f/hedofihen,
/3 Datmen liei/nnercle voer haren oghen V Sonde hanglien also lt;!eneii diet';]. Zie A 175.'! i» loejoen,. Bij deze geiinge wijziging wordt het hier onmogelijke werk« door een alleszins passende lezing vervangen.
1756 hi], W. Zie ook Tschr. 5, 252, op vs. lilOO.
1757 Her onthr. j Ml., in diens l'roel'sehr., hl. fiü, op vs. liUU.
1758 Kejinnerde es eonl menich tnunj. Zie A.
17Ã0 en 1707 In plaats van deze twee vss. leest men in 't ms.:
Ker men m ghereeden can (bij Mart. l'.HO Eene galghe, so eist nachtquot;. (l'.Hl)
Ysingrijn tons icel bedacht (1012 Knde sprac, âHier es een galghe biquot;. (1013)].
Zie Tschr. 5, 253, op vs 1909â1013.
58
Ysingrijn {ND) sprac; «Hier os een galgho bi«; Endo mettien woerde versuchte hi.
Doe sprac die cater, here Tybeert: 1770 «Here Ysengrijn, hu os verzeert Hu herte; in ivancans hu niet Nochtan, want Reynaert dal al beriet Endo solve mede ghinc,
Daermen huwo twee broeders hinc, 1775 Rumen endo Wijdelancken;
Hets tijt, wildijs hem dancken.
Waordi goet, het ware ghedaen,
Hine ware niet noch (O) onverclaen«. Ysingrijn sprac tote Tybeert:
1780 »Wat glü ons al gader leert!
Ne ghobrake ons niet een strop,
Langhe heden wiste zijn erop,
Wat zijn achterhende mochtc woghen«. Reynaerd, die langhe hadde gheswogiieii, 1785 Sprac: »Glü heren, cort mine pine.
Tybeert heeft eone vaste line.
Die hi beiaghede an sine kele,
1788 Daer hi vernoys hadde vele
1788*Int huus, daer hi den pape beet,
1789 Die voor hem stent al sonder cloet.
1789*Hi mach oec clemmen, lü mach do lijnc (O)
1790 Updraghen sender pine. (O)
Her Ysingrijn, nu maect hu voert,
En sidi niet, diet toehehoerl,
Ende ghl, Bruno, dat ghi suit doodeu (â¢Vil) Huwen novo, den feilen roden? (NB) 1795 Tybeert, gaet voren ende maect ghorcet; Dat ghi yet let, dats mi leot«.
Doe sprac Ysingrijn toto Bruno:
»So helpo mi do cloestercruno,
1771 wanconst], (i. 1 772 Nochtan Reynaert diet al beriet]. Zie A.
1 778 noch niet]. »J. Vgl. in ''t Lat. U1 ; âSiispcndenclns ad hue, non tbret ille malus
I 782 lüisi], G.
1789*â1704 In jilauts van deze vs. geeft het hs. te lezen:
« Her Ysingrijn, nn mueet hu voren (bij Makt. 1937)
/3 Ende sidi na daer toe vercoren, (1938)
y £nde ghi, Hrune, dat ghi suit dooden (.939)
ö Rei/naert, hinven nove, den feilen roden? (1940;
« Doe so sprac die coninc saen: (1941)
? ^Doet 'Jybeerte mede fjaen; (1942)
y) Ili much clemmen, hi mach de lijnc Tl943)
0 l'p draghen sonder hmve pinc. (1944)]. Zie A.
50
Die boven up mijn hoeft staot,
1800 In hoerde nye so goeden raet,
Also Reynaert selve hevel hier gheghevcn. Hem langhet omme laten dieven; Nu gaenwi (NB) ende nament hom!« Bruun sprac: »Neve Tybeert, nem 1805 Dio lijne, du salt mede loepen.
Reynaert die salt nu becoepen (.-1)
Mijn scone liere ende dine hoghe;
Gawi ende hanghene so hoghe,
Dats lachter hebben al sine vriont!« 1810 «Ghawi, hl heves wel verdient»,
Sprac Tybeert, ende nam de lijne.
Hine dede nye so lieve pine. {A)
Nu waren die drie heeren ghereet, Die Reynaert had de arde leel. {NB) 1815 Meur eer Ysingrjn van den hove seiet, Hine wilde des laten niet,
Hine vermaende vrienden ende neven Ende allo, die binnen den hove bleven, Beede ghebuere ende gaste,
1820 Dat si Reynaerde liilden vaste.
Ende vranwe Arsenden, zinen wive, (.1) Beval hi bi haren live,
Datso stonde bi Reynaerde Ende soono name bi den baerde 1825 Ende van hem niet no sciede No dor bede no dor miede. (NB)
1801â1803: AIsc Ucyiiacrt sclvc yhevel hier.
Ucm langhet ommo cloestcrbiert X u gaenwi roeren oiulo brutven hem.]. Zie A.
181-1 Voor de invoeging van rte/.en in ons lis. oiitbrekendcn regel /.ie men Ml. s Proefsclir. bl. fi2, op vs. 1964.
1815 In plaats van dit vs. leest men in 't bs.;
Dat teas die xoul/' ende Ti/bcert (bij Makt. I!)65)
Ende der Brum, die hndde gheleert (1 OfiC)
Honich stelen te ~igt;ien waden. (11167)
Ysinyrijn was so hemden, (1068)
Kei' In van den hove sciet, (HI6!t)J.
Zie Tsrlir. 5, 255, op 1963â1970.
1817 nichten]. Zie A.
1826 In plaats van dit vs. beeft het ms.:
No dor r/oct no dor miede. (bij Mart. 1980)
No dor niet, no dor noel, (1981)
AV) dor zorghe van der doet. (1982) !.
Zie 'J'schr. 5, 255 en 256, op vss. 1980â1983.
CO
Eoynaort remain al drsr woorden Endc sprae, dat alle dier waren horden: (AT?)
»Maer lior Ysingrijn, soeto oom,
1830 Ghi neemt huwes neven cranckcn goem,
Ende here Brune ende liere ïybeert,
Dat ghi mine hede dus liebt omfeert. (NB)
Gheonneert werden moetti alle drie,
Ghine haest, dat gescie 1835 Al dat ghi begaert te doene.
Mi os dat herte noch also eoenc:
Ie dar wel sterven teser waerf.
Ne waert mijn vader, doo hl staerf.
Van allo sinon xorghen vrij?
1840 Gaet, ghereet die galgho (NB) ghi. (bij Mart. 2008) Een twint mi langher niet ne spaert, (2009)
Of varen moetti indorwaert!« (NB) (2010)
»Amen«, sprac Ysingrijn, »hinderwaert (2013)
Moet hi varen, die langher spaert! (2014)
1845 ïybeert, Brune, nu haesten wij«. (2015)
Ende mettien woordo //aighen zi
1827 en 1828 In plaats van dozc twee vss. leest men in 't lis.;
Reynacrt andivoerde in corlen woorden, (bij Ma ut. IDS,'))
Dut alle die dncr waren horden: (1984)
âHere Ysingrijn, ha 1/ (/hemde! (19851
Al ware hu lief mijn (jrote scade (1080)
J'Jnde al brincdi mi in vernoi/e, (1087)
Ic u-eet u-el, sonde mijn moye (^1088)
Te rechte ghedinchen ouder dael, (1080^
Sone dade mi nemmermeer quaet. (1000)]. Zie 'J'schr. 5, USO. 1832â1833 In plaats van deze vss. heeft ons lis.;
Dat ghi mi dus hebt onjieert. (bij Mart. 1004)
Ghi drie qhi hebbel cjhednen al, (1005)
Datmen mi ontliven snl: (1006)
Daer toe hebdi r/hemalet ( 1007)
Dalsoirie die mi nhennket, (1008)
Sceldel mi dief af here! led. (1000)
Daer omme moetti. God weet, (2000)
Gheonneert werden allo drie, (2001)]. Zie Tschr. 5, 256 en 257. 1837 eeue . Zie Tsrhr. 5, 257, op vs. 2005.
1830 'widen . Zie Ml. in diens )'rocfscllr., bl. 03, oj) vs. 2(107.
1840 fiaet, ghereet die galgho o/'ghi . Zie Tsehr. 5, 257, o|i vss. 2008â2012.
1842 Tiisschen dit en het volgende vs. leest men in quot;t hs. nog;
âAlle huu-e voele ende huwe been.quot; (bij Makt. 2011)
£)lt;ie sjirac Ysingrijn: l/imeenu, (2012)]. Zie 'J'schr. 5, 258.
1843 lil line endej. Zie 'J'schr. 5, 258, op vss. 2013ââ 2015.
1845 s/'/wj. Zie 'J'schr. 5, 258, op vss. 2013â2015.
1840 .syironghen]. het op vs. 1840, waar âte springhellequot; ter juister plaatse vermeld is.
.
V-
M
fil
Ende liepen voert arde blide Ende pijnden hem le, stride Te springhene over meneghon tuun,
1850 Ysingrijn ende here Hruun.
Tybeert volelide lieiu naer;
Hem was die voet een lettel zwikt Van der lijne, die hi droech.
Nochtan was hi rasch gheuoeeh;
1855 Dat dedo hom al die goede wille.
Reynaert stont ende zweech al stille Ende sach sine viandeloepen( NB) eride( NB) spri nghon.( jV/j) Hi peinsde: »Deus, wat jonghelinghen.'
Nu laetse springlien ende loepen;
18GÃ Levic, si sullent nocli becoepen Hare overdaet ende hare scampye,
Mine ghebreke reyuaerdye.
Nochtanne zijn si mi Liever verre dan bi,
1805 Die ghene, die ic meest ontsach.
Nu willic proeven, dat ic mach Te horcde bringhen een baraet,
Dat ic vore/» in minen rad In groter zorghen vant te nacht.
1.870 Hevet mine lust sulke cracht,
Alsic noch hope, dat so doet;
Al es hi lustich ende vroet,
Ic wane den coninc noch verdoren®.
Die coninc dede blasen eenen horen 1875 Ende hiet Reynaerde huutwaert leeden.
Reynaert sprac: »Laet teerst ghereeden Die galghe, daer ic an hanghen sal,
Ende daer binnen so salie al Don volcke mine biechte conden 1880 In verianessen van minen zonden.
A.
,
i
1857 In plaats van rlit enkele vs, lezen wc in 't hs.; a Knde sach sine viande loepen,
/3 Die hem dat strec an waenden cuoepen.
â¢/ ^Maer hel snl bliven''', sprac Jiejinaert,
o Die staet ende scauwet daenvaert,
t Knde si springlien ende si keien,]. Vao
1858 jonc/icmwj. Zie de A. op 1857.
18G4 danue\. Metri causa; 18G3 bevat drie heflingen.
1807 hove']. Veuw. in den Taalbode, 5, 125.
|i|
il
r \;
's', , I»'. (
Vl\\
f Si
il/ Ife.. if f If).
If
I k
1808 voer de dayhevwA \. /ie A.
1848 toi l. -1.
62
Hots beter, dat al ü'olc verstaet Mine diefte en mine ondaet,
Dan si naniaels eeneghen man Mine overdaet teghen an«.
1885 Die coninc sprac: »Nii segghet dan«.
Reynaert stont als een droeve man Endc sach al omme harenthare.
Daer so sprac hi al openbare:
»Helpo, {ND) spiritus dominj,
1800 Nu en es hier niemen Ai,
No vrient no viant, ie ne bem Een deel mesdadich ieghen hem.
Noehtan, horet allo ghi hoeren, (NU)
Wasic een hovesch kint tuilen ere. (bij Makt. 2072) 1805 Doemen mi spaende van der mammen,
Ghino ie spelen metten lammen Dor te hoerne dat ghebleet,
So lang he, dat ie een verbeet.
Ten eersten lapedic dat bloet;
1000 Het smaecte so wel, het was so goet,
Dat ie dat vleesch mede ontgan.
Daer leerdic leekornie an So vele, dat ie ghino ten gheeten Int wout, daer iese hoerde bleeten.
1905 Daer verbeetic hoekine twee.
So dedie des ander daghes mee,
Ende ic wart bonder ende coenre Ende verbeet haenden ende hoenre
1889 on 1890: âHclpequot;, seit hi, âdominusquot;,
Nu en es hier niemen in dit huus, \.
Vtfl. H. 11, 2097 en 2098;
âiNn helpt mi, spiritus domini:
Want ic en sic hier niemen bi,quot;
189.3 Tussehen dit en het volgende vs. lezen we in 't ms. nog;
La et wijsen ende leeren, (bij Mart. 2068)
Hoe ic Jiei/nnerl aermi/nc (2009)
Eerst an die hoesheit vine. (2070)
In allen tijden spade ende moe (2071)]
Zie Tschr. 5, 2r)8 en 259. De aldaar voorgestelde verandering van heeren in heerr was onnoodig, dewijl een rijm, als heeren: ere, in de Mnl. poëzie zeer gewoon is. 1894 noch doequot;]. Zie Tschr. 5, 2r)9, op vs. 2067â2072.
1898 lang he ontbr.]. W. naar li. II, 2106; âSo lang he dat ic daer een verbeetquot;. 1900 derdes}. 1907 cooiej. G.
1908 hoenej. G. Voor haenden in dit vs. = âeendenquot; vgl. men 't Lat. 994; âducas sic et anetasquot;. Zie ook Ml. op 2086.
r,3
Elide gansen, daor icse vant.
1910 Dog mi bloedicli wart mijn taut,
Was ic so Iel ende so wreet,
Dat ic zuvor up verbeet Al dat ic vant ende wat mi dochte,
Dat mi bequam ende dat ic vermochte.
19IH Daer na quam ic an Ysingrime,
Te wintro in oenen couden rijmo,
Bi Beselc onder eenen boem.
IIi rekende, dat hi ware mijn oem,
Ende began sine sibbe tollen;
1920 Al daer worden wi ghesellen.
Dat mach mi te rechte rauwen.
Daer gheloofden wi bi trauwen Recht gheselscap manlic andren;
Dat wi begon sten (O) to gader wandran;
1925 Hi stale tgroete ende ic dat cleene;
Dat wi beiagheden, ware ghemeene.
Ende als wi doelen souden, soe Waric ghewcsen in hueghen ende vroe,
Mochtic mijn deel f/hehat hebben halt'.
1980 Alse ic beiaghede een call'
Of eenen weder of eenen ram,
So grongierdi en maocte hem gram, (NIS)
Dat hi mi daermet van hem verdreef (.1)
Ende hem mijn deel al gader bleef.
1935 {NB) Also hi {NB) beiaghede eenen osse of eenen bake, Soe ghinc hi sitten met gheinake
1915 ende Ysingrine]. Vgl. voor de eerste wijziging li. II, 2123; âDaer mi (nmm ie aen Isegrijnquot;. Voor Ysingrime zie men Tschr, 1, it, op vs. 2101.
1919 eiié\. Natuurlijk moet Ys. liier zijn eigen, niet in't algemeen een verwmitsclnip uiteenzetten. 1924 Doe begonsten wi te gader wandelen). Zie A.
1925 stal]. Zie A. I92G wart}. Zie A.
1927 doé\. Deze wijziging beveelt zich vanzelf aan.
1928 en 1929; Ic was in hueghen ende vroe,
Mochtie mijn deel hebben half.]. Zie A.
1930 Ysingrijii\. Zie A.
1932 Tussehen dit en het volgende vs. leest men in 't lis. nog;
Knde loechde mi een fjiielael,
Dal so zuer was ende su i/uael,]. Zie A.
1935 lu plaats van dit vs. leest men in 't hs.;
« Nochtan hachtic niet van dien.
/3 So menie!i waerven hebbic versien:
â / Alse tui een groete proi/e lagheden,
3 Die ic ende mijn oem beiaghede'.,
j Kenen osse of eenen bake,]. Zie A. 193G Duc^. .1.
(i4
Met sinen wive, vrauwe Harsinden,
Ende mot sinen Vil hinden]
Sone mociitic cume deene liobbon 1040 Van den aire minsten rebben,
Die sine kindre hadden (jheenaghen. Dus nauwe hebbic mi bedraghen.
Noclitan dat was mi lettel noot.
Want ic hehbe een scat so groot (A7gt;') 1945 Beede au solver ende gout,
{Die al es in miere ghewout),
(NB) Dat/cM sonde cume oen waghen Te VII waorven (O) ghedraghen«.
Alse die coniuc dit verhoorde,
1950 Gaf hi Reynaerde snelle andwoerde: »Keynaert, wanen quam hu die seat?« Reynaert andwoerde: »Ic segghii dat,
Wyldijt weten, also iet weet;
No dor lief no dor leet 1955 Sone salt danno blivon verholen.
Conine, dien scat was bestolen.
Ne ware hi oec ghostolon niet,
Daer ware die moert bi ghescict An hu lijf in rechter trauwen,
19G0 Dat alle huwen vrienden mochte rauwem. (.1) Die coninghinne wart vervaert Ende sprac: »0 wy, lieve Reynaert, O wy, Reynaert, o wy, o wy! O wy, Reynaert, wat sochdi?
19G5 Ic mane hu, Reynaert,
Bi der laugher vaort (O, NU),
1937 Harsenden]. Zie 'Jschr. 1, 9, op vs. 2129.
1938 kimlrenj. Zie Tschr. t. a. pl. 1940 mintsten]. O.
1941 flhecnaghet]. V. in Tschr. I, 18 en 19, op vs. 2131 vlg.
1942 beiayhet]. J. Vgl. li. 11, 2152; âHier op most ic mi doe Imlrdf/henquot;. 1944â1948 In plants van deze vss. heeft het hs.:
a Newaer dat mijn zin so groot S Die Here drouch Ie minen oem,
â¢/ Die mijns nonet crancken goem.
S Ic luidde qheivonnen wel tetene.
i Conine, dit doe ic hu Ie welene:
S 1c hehbe noch selver ende gout,
« Dat al es in mier ghewout,
0 So vele, dat eumc een waghen
1 Te Vil waerven sonde ghedraghen.J. Zie A. 1950./W/«]. V. in Tschr. 1, 19 en 20, op vs. 2140. 1957 Newaer], 1905 en 196C; le mane hu bi der selver vaert,
Dat lt;jhi mi ons srcht, lieynaert,]. Zie A.
05
Die hu siele varen sal,
Dat glü ons secht de waerhei); al Openbare ende brinct voort:
1970 Of glü weet van eenogher moort Of enen mordeliken raot,
Die ieghen minen here gaet,
Dat laet hier openbare horen!«
Nu hoert, hoe Reynaert sal verdorou 1975 Don coninc entie coninghinne Ende hi bewerven sal met zinne Jlaerc beider vrienseap ende {NB) hulde,
Ende hi buten liaerre seulde Brune ende Ysingrijn {NB) bringhen sal 1980 In led ende in ongheval {O).
Die hoeren, die nu waren so lier,
Dat si Reynaerde waenden bier Te sinon lachtre hebben ghebrauwen,
Ie wane wel in rechter trauwen,
1985 Dat hi hem sal weder mede blanden.
Dien si sullen drineken met scanden.
In eenen ghelate van droeven zinne Sprac Reynaert: »Edele coninghinne.
Al haddi mi nu niet ghemaent,
1990 Ic bem een, die sterven waent:
In laet niet ligghen up mijn ziele.
Ende waert so, dat mi gheviele.
Mi stonder omme in de helle te sine,
Daer die torment is entie pine.
1995 In dien dat die coninc milde Een ghestille maken wilde,
Ic soude sogghen met ghenadon,
Hoe iammerlike hi was verraden Te mordene van zinen liden.
2000 Noch tan, diet aire meest berieden,
Sijn som van minen liefsten maghen.
Die ic noede soude bedraghen,
1977 Des coninx vrienseap endo sine hulde]. Vgl. R. 11, 2I8G; âEnde haen-e heuler hulde ghcwiunenquot;; en quot;t Lat. 1033: âquod erat fuctus amicus eisquot;.
I97lt;.t en 1980: Brune ende Vsingrijn heeclc
Uji hief in groter onghereede IJtide in veelcn ende in ongheval Jeghen cleu coninc bringhen sal.]. Zie A.
1985 hem ontbr.].
1987 Hie/J. .1. Vgl. ouk J{. 11, 2197: âIn enen ghelate m/i droeven svnquot;.
06
Ne daet die zorghe van der hellen,
Daermen seit, dat si in quellen,
2005 Die hier sterven ende moort
Weten, sine bringhense voort«. (.1)
Dien coninc waert die herte zwaer Ende sprac: »Eeynaert, seohstn mi waer?« â »Waer?« sprac Keynaert, »vraechdi mi des? 2010 (AT?) Ghi weet (O) duck wel, hoot met mi es. Ne bewaont niet, edel here:
Al bom ic besondicht sere,
Hoe moehtic sulko moert ghetemen! (yl) Waendi, dat ic wille nemen 2015 Eene loghene up mine langhe vaert? Entrauwen neon ic«, sprac Eeynaert.
Bi der coningtüimen rade,
Die zere ontsach (NB) sconinx scade,
Glieboet die conino openbare,
2020 Dat daer niomen so coene en ware.
Dat lii oen wordekijn yot sprake Toto dien, dat Eeynaert met ghemako Hadde vulseit al sinen wille.
Doe zwoghon si alle gader stille;
2025 Die coninc lüet Eoynaerdo spreken.
Eeynaert, die was van feilen treken. Hem dochte scone sijn ghoval;
Hi sprac: »Nu zwighet over al,
Na dien dat es den coninc lief;
2030 1c sal hu leson sonder brief Die verradenesse openbare.
Zo dat io niemene en spare.
Dien ic te wroeghono sculdich bem;
Dies lachtor hovet, scaems hom«.
2035 Nu verneemt alle gader,
Hoe Eoynaerd sinen erdschen vader Met verradenesson sal hedraghen Ende oenen van sinen liefsten maghen,
2U10 .Taiie weet glii wel]. Vgl. A'. 11, 2220; â(üii sict doch vfl .
2011_2013: Ne bewaent niet, edel coninc;
Al bem ie een aerim/nc,}. Zie A.
2018 des seoninx].
2U26 die ontbr.]. Vgl. li. II, 2240; âlievnaert, ilie vol was loser treken'. 2031 verraderen], W. naar II. 11, 224rgt;: âtlio verradenissequot;. 2037 hedrieijlieitj. .1.
1 !
^: rVt
li ; ?! I
(il
Uiit was Grimberte den das,
2040 Die hem liout van herten was.
Dat dede Reynaert omme dat,
Dat hi wilde, dat men te bat Sinen woerden gheloeven soude Van sinen vianden, of hi wonde 2045 Die verranesse hem tyen an.
A'u hoert, hoe hi dies began.
Hi sprac; »Wilon tere stonden Hadde mine here mijn vader vonden (/I) Des conines Ermelincx scat 2050 In eeno verholm stat.
{NB) Doc, wart hi so overdieh ende (NE) fioi Dat hi veronweerde alle dier,
Die sine ghenote te voren waren.
Hi dede Tyberte don kater varen 2055 In Ardennen, dat wilde lant.
Al daer hi Brunen den bere vant. Hi ontboet Brune grote Gods houde (.1), Ende hi in Vlaendren commen sonde, Ende hi coninc wilde wesen. (/1) 2000 Bruun wart vro van desen;
Hi hadt meneghen dach begaert.
Daer maecte hi hem te Vlaendren waert Ende qnam in Waos, int soete lant,
Daer hi minen vader vant.
2065 Mijn vader ontboet Grimberte den wisen Ende Ysingrijn den grijsen,
Tybeert die kater was die vijf/e,
Ende quamen tonen dorpe, hiet Jlijl'te. Tusschen Hijfte ende Ghent 2070 Hilden si luier paerlement In eere belokenre nacht.
Daer quamon si bi sduvels cracht
t-i'
y
I
f . 1
I
I
â W0
1 i Ik
f\ 'c.
'â 1^;' K
|i
i
i1
I
2()4.r) hem ontbr.]. Vgl. de vertui. 1006 (gt;n 1(107; âj7/us l'i'odere si tninptot. titqno gravave velitquot;. 2047 Ueipmert «n (m-|.
2049 /lei/melihenj. Al. Vgl. ben. 23.'i0 en 2.'17r). 2050 verholue» .
20:')! In ])laats van dit vs. lezen we in quot;t lis. ;
Die mijii rader hadde ronden Den seal, wart hi in corteu stonden So ouerdadich ende so lier,]. Zie A.
205,') Artlinen'j. W. naar Ji. II, 2271: âIn Ardennen, dal wilde lantquot;.
2007 Vijls/t']. (i.
jW f.
2
08
Ende bi spenninx ghewelt Ende zwoeren daer an twoeste velt 2075 Alle vivo des coninx doot.
Nu hoert wonder alle groot;
Si swoeren up Ysingrijns crime Alle vive, dalsi Brune Conine ende here souden maken 2080 Ende nellen in den stoel lAken Ende hi crone sonde drag hen.
Wilde yement van sconlnx maghen Dat wedersegghen, mijn vader sonde Met sinon solvere, met zinon goudo (/1) 2085 So den ghenen steken achter,
Dat sijs souden hebben laehter. Dit weetic ende seggho hu hoe.
Eens morghins arde vroe Ghoviel, dat mijn novo die das 2000 Van wino een lettel droncken was,quot; Ende hijt in verholnen rade minon Wive {NB), vrauwen Hermelinen, {NB) Al van pointe te pointe seide, Daer si liepen an die heyde.
2095 Mijn wijf es oene vroede vrauwe,
Ende gaf Grimborte hare trauwo, Dat verholen bliven sonde.
Ten eersten datso quam ten woudo, Daer ic was ende so mi vant,
2100 So telde zoet mi te hant,
Newaer het was al stillekino.
Oee seide zoet bi sulkon lijetoekine, {A) Dat iet kende so waer, (yl)
Dat mi alle mine haor 2105 üpwaert stonden van groten vare.
Mine herto wart mi openbare
2073 sduvels.] Fr. in Mi-'s Dissert., bl. G'.l, op vs. 226.0,
2077_2U81 In plaats van deze vijt vss. heelt liet hs. er sleclits écn ;
Wat si noch orcr een draghen.]. Zie A. 2085 en 2086 achlre, lachtre'].
2091 lyet]. De Vb. in Mi..'s Proefsehr., bl. 26».
2092 miere vrauwen]. .1.
2093 Ende al]. .1.
2095 rreinde]. Zie A.
()(J
Also cant nis eon hijs,
Dies zijt soker ende wijs. (NB)
Ic kenne Brunen valsch ende quaet (/I) 2110 Ende vul van aire overdaet;
1c peinsde: worde hi onse here, Dan ontvruchtic arde sere.
Dat wi alle waren verloren.
Ic kenne den coninc so wel gheboron (/I) 2115 Ende soete ende goedertiere Ende ghenadioh allen dieren;
Het dochte mi bi allen dinghen Eene quade manghelingho,
Die ons ne mochte comen 212U Noch theeren noch te vromen. (.1)
Hier onimo pijndic ende poghede (Ende mine herte grote zorghe (O) ghedoghede),
2IU8 Tusschcn dit om het volgende vs. leest men in 't hs. nog;
Die pude wijlen waren vrij Knde oc.c so hcclaec]hden hem zij,
Dnfsi waren sonder hedwanc :
Ende si ma eet en een (jhemanc Ende so (/roet g heer ai/ up Gode,
Dat hi hem (/ave bi sin en r/helmie Kenen coninc, die se dwonrfhe.
Dies baden die honden ent ie iom/he Met groten (/heer ai je, met groten g heinde.
God ghehoerde die pude Teen en tijde van den jare Knde sende hem den coninc hodevare,
Diese verbeet ende vers la nc Jn allen landen, da er hi se vant Beede in water ende in velt,
Daer hise vant in sine ghewelt.
Hi dede hem emmer onghenade.
Doe claechden si; het was te spade.
liet was te spade, ic secht hu twij :
Sij, die voren waren vrij,
Sullen sonder wederkeer Sijn ei/ghin bliven emmermeer Knde leven ee we like in vare Van den coninc hodevare.
Ghi heeren, a er me ende rilce,
Ic vr uchte oer dies g he like,
Dat nu van hu sonde gbevallen :
Doe droughic zorghe voer ons allen.
Dus hebbic ghezorghet voer hu.
Dies dancti mi lettel gt;m.].
Zie »1. on ook V. in Tschr. 1 , 22 on 23. 2112 Dat]. W.
2114 kennen so]. .7. Vgl. H. II, 2362: âIc kondc den coninc wc! glKiborcn11; en't Lat. 1120: âego cognovi regemquot;.
2121 peinsdic], W. naar /»'. 11, 2369: âNauwe pijnde ic ende poghcflev\
2122 Mine herte grote /orghc ende ghedoghede].
70
(NU) Dat so erghe oonc sako (O) üheseort worde cndo ic brake 2125 Mijns vaders bosen raet,
Die eeuen dorper, eeneu vraet,
Conine endc heere maken waende. Emmer badic Gode oude maendc,
Dat lii den eoninc minen here 2130 Hehilde sine wareltere,
liodi ic Lrnde wol dat,
Behilde mijn vader sinen scat,
lli sonde wel des raets ghetolen Onder hem endo sinen ghespelen, 2135 Dat die con ine worde verstoten.
In diepen ghepeinse endo in groten Was io dicken, hoe ic die slat Sonde vindon, waer die seat Lach, die mijn vader hadde vonden. 2140 1c waehte nauwe tallen stonden {NB) Beede in velde endo in wonde,
quot;Waer mijn vader, die lusteghe houde, Henen trac ende honen liep.
Was het droghe, was het diep, 2145 quot;Waest bi nachte, waest bi daghe, Ic was emmer in die laghe. [NB] Up eone stont gheviel daer nare.
Dat ic mi decto met groten varen Ende lach ghestrect nevon dheerde, 2150 Ende van den scatte, die ic begheerde, Gherne yewet hadde vernomen. Doe saghic minen vader comen Toten halse hute eenen hole ghe,sloepen. Doe began ic ten scatte hopen
2123 en 2124: Hoe so erghe eene sake
Datso ghescort worde ende brake].
De invoeging van ie was reeds door J. voorgesteld. 2131 keniic]. W.
2133 Si souden]. Vgl. ook R. 11, 2381: âUi soade mit sinen valschcn ghespelenquot;; en 'l Lat. 1127: âConsummare potens haee sna \oia, JoreC, 2137 rfo/J. Zie A.
2140 Tusschen dit en het volgende vs. leest men in 't lis.:
Minen vader ende leide laffhen (bij Maiit. 2.'l(i3)
In meneqhen bosch, in meneghe hayhen (2364)]. Zie Tschr. 5, 250. 2146 Tusschen dit en het volgende vs. beeft het bs. nog:
Waest bi daijtie, waest bi naehle, (bij Maut. 2371)
Ic was emmer in die machte. (2372)]. Zie Tschr. 5, 2.V,).
2148 narenj. M. Vgl. het Lat. 1134: âAst inlra Jilicem cnm (juondam iaceremquot;. 2151 i/ewer]. 2153 Ilute eenen hole yheloejien]. Zie A.
71
2155 Hi Jon banite, dal io hom such Drijven, als ie hu segghen mach;
Want ic sacli wol ondo vernam; (Oj F,er lu huten hole quam, (O) . I/ ommesiendc morkedi,
2160 Of hem yemono ware bi; (.1)
Ende als lü niomeno on saoh, Doe queddi den sconen dacli Ende stoppede dat hol mot sande Endo maectet ghelijc den andron lande. 2105 Dat ic dat sacli no wiste hi niet. Doe saghio, oor hi danen sciet,
Dat hi don stoort liet neder gaon,
üaer si no voeie hadden ghestaen,
Ende decte sijn spore motter monden. 2170 Daer leerdic an den vroeden houden Een lettel mccslerliker listo,
Die ic to voren niet no wiste.
Aldus voor mijn vader danen Ten dorpo waert, daer die lianen 2175 Ende die vette hinnen waren.
Teerst dat ic mi durste baren,
Spranc ic up ondo liep ten hole; In wilde niet langhor zijn in dole, (.1) Endo ic gheraecler toe te hant. 2180 Sciero scrael'dic up dat zant
Met minen voeten ende croop in. Al daer vandic groet ghewin (/1) Van diere solver endo goud.
Hier nes niemon nu so houd, 2185 Dies nye so vele te gader sach.
Doe no spaerdic nacht no dach,
Ic en ghine trecken ende draghen Sender karro endo waghen. (NU)
2185 als. 21f)7â215!): Want lu huten hole quam,
Such ic vel onde verimm,
Dat hi ommcsrfcA ende merkedi,]. Zie A.
2167 medé]. «I.
2108 vore haddé\. G. Vgl. ook R. II, 24KJ: âDaer sijn voelen hadden ghcstaen',\ 2171 meester like]. »1. 2179 (jheraecte doé]. »J. 2183 Daer vandic]. Zie A.
2188 Tiisschcn dit cn het volgende vs. leest men in 't ms. nog:
Over dac/i ende over nacht (bij Mart. 2415)
Met a l(f ader mi er a cracht. (2416)]. Zie Tschr. 5, 251).
72
Mi halp mijn wijf, vrauwe Hermeline. 2190 Des dogheden wi grote pine,
Eer wi den overgroeten scat Brochten in een ander gat,
Daer hi bot lach tonsen ghelaghe. Wi droeghene onder eenen haghe 2195 In een hol verholenlike.
Doe was ie van scatte rike.
Nu hoert, watsi hier binnen daden, Die den eoninc hadden verraden.
Bnme die bere sendde hunt 2200 Verholenlike zijn saluut Achter lande ende omboet Alden ghenen rijcheit groot,
Die dienen wilden omme tsout.
Hl beloofde hen selver ende gout 2205 Te ghevene met milder hant.
Mijn vader liep (NB) al dat lant Ende droech ser Brunen brieve.
Hoe lettel wiste hi, dat de (lieve ïe sinen scatte waren gheraect,
2210 Dies hein so quite hadden ghemaect.
Dal hi des een penninc niet hadde vonden, Doer hi met hadde (O) die stat van Londen Alte gader moghon coepen.
Dus wan hi an zijn ommeloopcn. 2215 Doe mijn vader al omme ende omme Tusschen dier Elve entier Zommo Haddo gheloepen al dat lant,
Ende hi meneghon coenen seriant Hadde ghewonnen met sinen goude, 2220 Die hem te hulpen commen sonde,
Also die zomer quam int lant,
Keerde mijn vader, daer hi vant Brune ent ie ghesellen zino.
Doe teldi die groete pi no
22U6 liep m al dat lantj. V. in 'Tschr. I, 28, o|i vs. 2412.
2207 des Brunen lunnere . M. en G. 2208 diere]. O.
2211 en 2212; h'menre die scat niet ontgonnen, (bij Makt. 2439;
UI tmdder met die stat van Lonneii (2440)].
/ie Tschr, 5, 259 en 200, op vs. 2436â2441. In plaats van het daar voorgeslagen hijs lees ik thans echter hi des, dewijl het antecedent van Daer hi met hadde en/,, hier te veel nadruk vercischt om enclitisch gebezigd te zijn.
78
2225 Endo die menichfoudeghe zorghe,
Die hi voer de hoghe borgho Int lant van Sassen hadde loden,
Daer die iagheren na hem reden Alle dagho met haren honden,
2230 Die hom vervaerden te meneghen stonden.
Dit telde hi te spele algader.
Daer na so toghede mijn vader Brieve, die Brunen wel Lequamen,
Daar XIIC al bi namen 2235 Slieren Ysingrijns maghen in stonden.
Met scerpen claeuwen, met diepen monden,
Sonder die catte ende die baren,
Die alle in Bruuns zoude waren,
Ende die vosse motten dassen 22-10 Van Doringhen endo van Sassen.
Dese hadden alle ghezworen.
Indien datmen hem te voren Van XX daghen ghave haer sout,
Si souden Brunen met ghewout 2245 Seker wesen tsinen ghebode.
Dit benam ie al, danc Godo!
Doe mijn vader hadde ghedaen Sine bodscap, hi soude gaen (A)
Ende scauwen zinen scat;
2250 Ende als hi quam torselver stat,
Daerhine ghelaten hadde to voren,
Was die scat al verloren Ende sijn hol was upghebwken.
Wat holpe vele hier af ghesprokon ?
2755 Doe mijn vader dat vernam.
Wart hi zeerich ende gram.
Dat hi van torne hem selven liinc.
Dus bleoef achter Brunen dinc Bi miere bohendichede al.
2260 Nu meerct hier mijn onghoval:
Here Ysinrjrijn ende Bruno do vraet Hebben nu den nauwen raet
2228 hadden ghelede,n~\. .1, naar R. 11, 24 74; âDacr die jaghers va hem redenquot;.
223.') Shere\. 2238 souden]. G. 2241) danct]. ,1.
22.'i3 tijj tebroken']. liet zonderlinge van ee» gelijlitijdige samenstelling met uj) en Ie nog daargelaten, vertegenwoordigt tebroken een begrip, dat bij liet liul niet to pas komt.
2261 G.
74
Metten coninc openbare,
Endo arom man Reynaeni es die l)lare«.
2265 Die coninc entie coninghinne Die beoclo liopeden ten ghewinne,
Si loodden Reynaerde buten te rade Ende baden hom, dat hi wel dado Endo hi hom wijsdo sinen scat.
2270 Ende also Reynnerd horde dat,
Sprac hi: »Sondic hu wijson mijn goot,
Here coninc, dio mi hanghen doet?
So tvaeric al hunt minon ziune«.
»Neen Reynaert«, sprac die coninghinne,
2275 »Mino hero sa! hu laten leven (A)
Ende sal hu vriondelike vergheven Alle gader sinen ovelon moet,
Endo glii snit voort meer sijn vroet Ende goot endo ghetramve«.
2280 Reynaord sprac: »Dit doe ic, vranwo.
Indien dat mi do coninc nu Vaste ghelove hier voer hu,
Dat hi mi gheve sine hulde Ende (NB) allo mine broken endr. neuldc 2285 Wille vergheven; ende ommo dat So willic hem wijson minen scat Den coninc, al daer hi leghet«.
Die coninc sprac: »Ic ware ontweghet,
Wildic Reynaerde vele gholoven;
2290 Hem es dat stelen endo dat roven Ende dat lieghen gheboren int been.«
Die coninghinne sprac: »Here, neen;
Ghi moghot Reynaerde gholoven wel:
Al was hi hier te voren fel,
2205 Hi nos nu niet, dat hi was.
Ghi hebt ghehoert, hoo hi den das Endo sinen vader hovot bedreghon Met morde, die iii wel beteghen Mociito hebben andron dieren,
2300 Wildi moer zijn argherlieren Oi'to fel ol'to oughotiauwc».
Doe sprac die coninc: «Gentel vrauwe,
2273 ivaer ic\. Vgl. de noot bij 148; de invoeging van al is noodig wegens het metrum.
2284 Ende Brum ulle mine ovscuklc]. G. Vgl. /»*. 11, 2534: âKnde alle mine broken ende alle sculdequot;.
2286 den»1. Metri cansa, daar vs. 2285 vier arseis bevat. 230U arrjheulieren .
75
Al wuoiidic dut mi soudo acadeu,
Eist dat gliijt mi dorret raden,
2305 So w i ÃWckcM m' iaten met glienent Knde doso vorworde ende dit co vont Up Reynaorts trauwe lalen staen.
Nowaer ic sogglio hom souder wacn,
Doet lii meer eerchedo,
2310 Allo die hem ten tienden lede Sijn helcinc, sullont becoepcn®.
Rcynaert snch den couino beloepeu Ende wart blido iu sincn moot Ende sprao: »Hero, ic ware onvroet,
2315 No (jheloofdicl niet also«.
Doe uam die coniuc een stru Ende vergaf Royuaordo algader Die wanconst van sinen vader Ende zijns solvos mesdaet toe.
2320 Al was Reynaert blido doe,
Dat en dinct mi ghceu wonder wesou.
Jane was hi van der doot ghenesen?
Doe Reynaert quite was ghelaten,
Was hi blido litermaten 2325 Endo sprac: »Coninc, edel here.
God moeto hu loonen al der ere,
Die ghi mi doet, endo mijn vrauwo.
Ic secht hu wel bi miere trauwe, (A7j)
Dat niemen nes onder die zonne,
2330 Dien ic also walo jonne Mijns scats ende hetramvc,
Als ic lm doe endo miere vrauwen®.
Reynaert nam een stroe voer hem Endo sprac; »IIere coninc, nem:
2335 Hier ghove ic di up den scat.
Die wijlen Ermelinc besat«.
Die coninc ontflnc dat stroe Endo danete Reynaerde zoe
2305â'2.3(17 ; So willie/ Uiten u/i lm gliononl
l)es(^ vorworde en dit covcnt l p lioyimerts trauwe .stuenj. Zie A.
2311 beland']. ,1.
2315 (jheloojdir hu], ,1. Vgl. ook Mi./s Troclsehr. 75, op vs. 2543. 2320 dir],
2328 Tussclien dit en liet volgende vs. leest men nog in 't lis.:
JJtil i/hi mi i'cle ceren (tori, (bij Mart. 2557)
So groet cere ende so (jroet tjoet, (2558) .
Zie Tschr, 5, 2()ü. 2331 miere IrnuwCDj. Zie A.
7ü
Als quansijs: »Doso maect mi horo«. 2340 Reynaerts herte locch so zeere,
Dat ment wel na an hem vernam,
üoe die eoninc so gheorsam Al gader was te sinen wille.
Reynaert sprac: »Hore, zwighet stille; 2345 Merket, waer mine redone gaet.
Int eestende van Vlaendren staet Een bosch, endo heet Hulsterloe.
Conine, ghi inoghet weten alsoe;
Moeghdi wel onthouden dit?
2350 Een borne, heet Kriekepit,
Gaet zuutwest niet verre dan. (Nil)
Daer en commet somwijlen (Nli) wijf no man No creature in een half iaer (O, Nil) (So (jrote wildernesse es daer)
2355 Sender die hule entie seuvuut. {NB)
Ende daer in leghet mijn scat ghchuul. Verstaet wel ditto, les hu nutte:
Die stede heetet Kriekeputte.
Ghi suit daer gaen ende mijn vrauwe. 2300 In wete oec niemene so ghetrauwe,
2348 vesen vroé], Vgl. R. II, 2600: âSijn rechte naem is alsoquot;. Dat liet bosch Hulsterloe heet, kan voor den koning kwalijk een grond tot blijdsehap wezen.
2349 Mochti], Vgl. R. II, 2G02 : âPijnt u icel tonthouden ditquot;.
2350â2355 In plaats van deze vss. leest men in 't hs.:
« Ken borne, heet Kriekepit,
/3 Gaet zuutwest niet verre (lanen,
y Here coninc, ghine dor ft niet vanen,
5 Dat ic lm de waer heit yet messe,
s Dats een de meeste wildernesse,
^ Die men hevet in eenich rile.
rj Je. serje/he hu oec gheioaerlike,
0 Dat somwijlen es een half iaer,
t Dat toten borne commet daer x No weder man no wijf,
X No creature, die hemt lijf,
fx Sonder die hule entie seuvuut,]. Zie A.
2356 In plaats van dit vs. vinden we in 't hs.:
Die daer nestelen in dat cruut, (bij Mart. 2502)
Of eenich ander voyhelijn, C2593)
Dat daer waert r/herne wilde zijn (2594)
Ende daer hi avontaere lijdet: (2595)
Ende daer in leghet mijn scat fjhehidelt. (2596)]. Zio Tschr. 5, 260. De weglating van het emphatisehe Ende in dit vs. (zie O., W., »J. en M.) is ongemotiveerd; vgl. Verü. in de TaalJc. Bijdr. i, 126 vlgg., en de noot onder aan bl. 110 in de Vondel-gr. 2357 e.v].
2360 Ne wet et]. M. Vgl. R. II, 2612; â/c en wer.t oec niemen also ghetrouquot;.
77
Die ghi suit laten wesen hu bode (Vorstaet mi wel, coninc, dor Oode),
Maer gaot daer selve; ende alse ghi Dien selven putte commet lii,
23G5 Ghi suit vinden iongho baerken.
Here coninc, dit suldi maerken:
Die aire naest den putte staet,
Conine, tote dier baerken gaet;
Daer leghet die scat onder begraven. (A) 2370 Daer suldi delven ende scraven Een lettel mos in deene zijde;
Daer suldi vindon raenich ghesmide Van goude, rijkelijc ende scone.
Daer suldi vinden oec die crone,
2375 Die Ennelync die coninc droech,
Ende under chierheit ghonoeeh.
Edele steene, guldin waerc;
Men cocht niet omme dusent maerc.
Ay coninc, als ghi hebt dat goet,
2380 Hoe dicken suldi in huwen moet
Peinsen (O): »Ay Keynaert, ghetrauwe vos. Die hier grooves in dit mos Desen scat bi dijnre lis I,
God gheve di goet, waer du bist*.
2385 (A'/y) »Ghi moet zijn mede an die vaert«,
Sprac die coninc, »liere Eeynaert,
Ende ghi moet ons(O) helpen den scat ontdelven. Ic ne warn bi mi selven Aldaer nemmermcer gheraken.
2390 Ic hebbe ghehoort nomen Aken Ende Parijs; eist daer yet na?
Maer also als ic versta
2374 oec ontbr.]. Vgl. li. 11, 262G: âGhi suit duel- vinden ooc die; croonquot;. 2.t80 en 2381 : Hoe dicken suldi peinsen in huwen moet;
âAy Keynaert, ghetrauwe vosquot;,]
Mctri causa naar li. 11, 2634 en 2635;
âHoe dicke soldi in uwen moet Denken; âReynaert, ghotriiwe vosquot;.
2383 en 2384 lust, bes!1. 2387â2389 In plaats van deze drie vss. heeft het hs. er v k Dor. andwoerde die coninc men;
/3 ..Hc.jjnnert, snl ic die vaert hestaen,
â¢/ Ghi moet sijn mede in die vaert,
5 Kndc ghi moet ons, Hcynaert,
s Helpen den scat ontdelven.]. Zie A. 2388 wanen'], W 2302 h'ndej, Vgl. Ji. 11, 2C4C; âMer, nlso ic mi verstaquot;.
78
So smeokodi, Reynaert, eiulo roomt.
Kriekeputte, dat ghi liior noomt,
2395 quot;Wanic, es eeu ghovoinsdo name®.
Dit was Reynaerde ombequarae,
Ende verbalch hem ende seide; ».Ta, ja,
Conine, ghi zijter also na Also van Colne toto Moye.
2400 Waeudi, dat ie hu die Leye
Wille wijsen in die flume Jordane?
lo sal hu wel toeghen, dat ic wane,
Oreonde ghenoeeh al openbare«.
Lnde riep hi: »Cuwaert, eoomt hare, 2405 Comet voer den eoninc, CuwaerU.
Die diere saghen dose vaert; {NB) (bij Mart. 2648) Ilem wonderde, wat die conino woude. (2C5i) Reynaert sprao: »Cuwaert, hebdi eoude? Ghi bevet; zijt {NB) al sender vaer 2410 Ende secht minen here den coninc waer,
Dies mane ic hu bi der trauwen.
Die ghi zijt scuidioh miere vrauwen Ende wincn here, van des ic hu vraghe*.
â igt;Al sout mi (jaen an mine craghe,
2415 Dal aventuerde ic, eer ic loghc;
Old heht mi ghc-maenl also hoghe.
Hi der trauwen, die ic hem Minen here ende miere vrauwe scnldich hem, So segghicli, sprac Cuwaert (O), »of iet weet«. (O) 2420 â »Weetstu, waer Kriekeputte steet? (0) No staet hi niet bi J helster loeiquot; (O)
â »Ja hi, hoewR sout wesen sooV (O)
2405 voert ], 6. Vf;l. H. II, 2Cri!): âCoomt cour den cuninc, hacss Cuwaertquot;.
2406 Tusachen dit en het volgende vs. lezen we in quot;t lis.:
Hem nilcii wonderde, gt;ant daer ware, (bij Maut. 2G4'.I;
Cuvmert die c/hinc met vare, (2650)]. Zie Tsehr, 5, 200 en 201. 2409 Ididc alj. Vgl. ook J{. il, 2003; âHoe beefdi so? Hebt ghenen vuerquot;. 2411 maeut hï]. Vgl. li. II, 2005; âDies manie uquot;. Veel juister toch is de voor stelling, waarbij de vermaning van Keyn. zelf uitgaat, dan die, waarbij do vos al bet orgaan dient om een door Nobel met geuite vermaning bekend te maken. 2413â2422 In plaats van deze tien vss. geeft het hs. alleen te lezen;
a /iWe die ie den coninc sculdich hem''1'.
/3 Doe sprac l{ei/7iaerl: ^So sechl hem.
â¢/ Weetstu wacr Krieke jmtte steet?quot;
5 Cuwaert sprac; âOf iet weet ?
i Ja ic, hoe sout wesen soe?
? Ne staet hi niet bi Hulst ter toe?]. Zie A.
70
Up dien moor, in die west ine.
Ie hebber ghedoghet groeto pine 2425 Ende meneghen. hongher ende menich eoudo Ende aermoede so menichtbude Up Kriokenputte so mcneghon dach,
Dat ics vergheten niet ne inach«. (NB) â »Dat was te voren, doe ic met Rijne, 2430 Sprac Rcijnaert, yhesellc. mine ,
Mijn gheselscap makede vast.
Die di ghedede meneghen last«. »0 wy«, sprac hi, »8oeto Rijn,
Lieve ghoselle, scone hondekijn, 2435 Vergave God, waerdi nu hier!
Glü sout toeghen voer de.se dier Met huwen sermone, waers te doene,
Dat ic noint ne wart so cocne.
Dat ic eeneghe saken dede,
2440 Daer ie den conino mochte mede
Te mi waert belghen doen met rechte.
Gaet weder onder ghene knechte»,
Sprac Eeynaert, »haostelic, Unwaert;
Mijn here de conino no heelt thuwaert 2445 Gheene sake te sprekene meer«.
Cuwaert dede eenen wederkeer Ende ghinc van sconinx rade daer.
Reynaert sprac: »Coninc, eist waer,
Dat ic seide?lt;' â «Reynaert, jaet. 2450 Verghevet mi, ic dodo qnaet,
Dat ic hu mestroude yet.
Reynaert, goede vrient, nn hesirl
2428 -'2432 In plsuits van deze vss. leest men in quot;l, lis.:
« JIoc mochte ic verpheten dies,
/3 Dat aldaer liei/nout de ries y Die valsche penning he slouch ,
S Daer hi hem mede bed roach s h'ntie fi hese lien sine,
$ Dat was t(; voren eer ie met rijne Yi Mijn gliesclscap makede vast,
0 Die ??n (jheguijtte meneglien Zic A.
2433 Reynaert]. Vgl. ook de Ann teek. op 2438â2432.
243G wee desen], Vgl. Ji. II, 2696: âvoor desen dieren iier'quot;, en zie o. rJsc.hr. 1, 25, op vs. 2GGI vlg. 2437 none rijne'}. Zie A.
2438 ne ontbr.J. Metri causa ingevoegd, omdat vs. 2437 vier heffingen telt.
2452 sief]. Vgl. R. II, 2712: besiet. liet hier vereischte begrip âoverwegen',, was namelijk wol eigen aan hesien, maar niet aan het simplex van dat verbum.
80
Den raot, dat ghi mot ons gaet Ten putte, al daor dien burne staet,
2455 Daor die scat loghet begraven onder».
Reynaert sprac: »Ghi secht wonder;
Waendi, in waers arde vro,
Conine, oft mi stonde also,
Dat ie met hu wandelen mochte 'J4()0 Also als ons beeden dochto,
Endo ie, here, ware al sonder zonde?
Muer neent heti es, ulse ic hu orconde Ende ic lm segghe, al eist scamo:
Doe Ysingrijn in sduvels name 24Go In de ordino ghinc hier te voren Endo hi te moonke waert beseoron,
Doe no conste hem do prevende (iVB) ghenoegheu, Daer VI moonke hem bi bedroeghen.
Hi claghede van honghere ende carmede 2470 So zere altoes, dats mi ontfaermede.
Doe hi crane wart ende (O) traech.
Doe baddies rauwe als een zijn maech Ende gaf hem raet, dat hi ontran;
Daer omme bem ic in spaeus ban. 2475 Maergbin, als die zonne upgaet,
Willie te Roeme om aflaet;
Van Eoeme willic over zee.
Danen ne keeric nemmermee,
Eer ic so vele hebbe ghedaen,
2480 (NB) Dat ic met eeren met hu mach gaen (O, Nil). Het ware een onscone dinc,
Souddi, here coninc,
2401 ghi, here, xonert]. Zie A.
2462 Neent, het es, also ic hu orconde]. Zie A.
2463 kt].
2467 de prevende niet]. Zie Fr. in Mi.'s Proefsclir., bl. 78, op vs. 271.r).
2470 altoes ontbr.]. Vgl. J{, 11, 272!) en 2730:
âUi claechde altoos ende kermde So seer, duts mi ontfermdequot;,
en quot;t I.at. 1335; âQuin semper queritnrquot;.
2471 carmede ende wart]. J. Vgl. R. II, 2731; âWunt hi wart crauc ende tnu 2480 Jn plants van dit vs. heeft liet hs.;
a Coninc, dat ic met hu mach gaen /3 Thuwer eeren ende fhuiver oromen,
1 Of ic te lande weder come,]. Zie A.
81
Maken huwo wandelinghe Met eenen verwatonen ballinghe». (NIt)
2485 Die con ine sprac: *{NIi) Na dat glii zijt Te hannr,, men aouts mi doen verwijt, Heynaort, lietic hu met mi wandrm.
Ie sal Cuwaerde ofte eenen and ren Toten scatte doen gaen met mi;
2490 Ende ie rade hu, Beynaert, dat glii Niet ne laet, ghine vaert,
Dat ghi hu vim don hanne claert«.
â »Sone doe ic«, sprae Keynaert;
»Ic ga morghin te Homo waert,
240.') (laet na den wille mijn®.
Die conine sprac: »Ghi dinct mi zijn Bevaen in arde goeden dinghen;
(iod jonne hu, dat ghijt moet vulbringlien«. (ND) Doe dese tale was ghedaen,
2500 Doe ghinc Nobel die conine staen
Up eene hoghe stage van steene. (NU) Die dieren saten al yherneem Al oratne ende omme in dat gras,
Na dien dat elc gheboren was.
2505 Reynaerd stont bi der coninghinne,
Die hi Ie rechte wel mochte minnen.
2484 Tusschcn dit on het volgende vs. lezen wc in 't lis. nog;
Als ic nu hem, God betere mi.'quot;
Die coninc sprac: ^Ileynaert, zicli Yet lang he verbannen/11 Doe sprac llejinaerl:
ic, hels 111 iaer, dat ic wart Koer den deken Hermantie hi vullen zeinde loart Ie Jonnenquot;.]. Zie A.
2485 sprac; liei/naerl], .1. Vgl. li. II, 2745; âDie coninc sprac; ^Nii dut glii zijtquot;.
2486 6annen]. G.
2487 Kandelen}. J.
2498 Tusschen dit cn het volgende vs. geeft het lis. nog te lezen;
Itei/naerl, alse hu ende mi Knde ons allen nutte zi.'j. Zie A.
2501 Acliter dezen regel volgt in het ms. nog;
Daer hi up plach te statie alleene.
Als hi sat in zijn hof te dinghe.}. Zie A.
2502 teenen rinyhej. Zie A.
2506 Dit vs. ontbr. in 't lis., doch is door \\. ingevoegd mmr Jt. II, 27GC.
82
(NB) Die eoninc die sprac vriendelike: (O) »Hoert haer, diere, aerrae ende rike, (0) Reynaert es hier commen te hove 2510 Ende wille, dies ic Gode love,
Hem betren met al zinen zinnen,
Ende mijn vrauwe de coninghinne Hevet so vele ghebeden voer hem,
Dat ic zijn vrient worden bera 2515 Ende hi versoent es ieghen mi,
Ende ic hem hebbe ghegheven vrij Beede lijf ende lede;
Ende daertoe biedic hem vullen vrede {N't!) Ende ghebiede hn allen bi huwen live, 2.quot;20 Dat ghi Reynaerde ende zinen wive Ende zinen kindren eere doet,
Waer si commen in hu ghemoet,
Sijt bi nachte, zijt bi daghe.
In wille occ meer gheene claghe 2525 Van Reynaerts dinghen horen.
Al was hi roeckeloos hier voren.
Hi wille hem betren; ic segghe hn hoe; Reynaert wille maerghin vroe I'alster ondo seerpe ontl'aen 2530 Ende wille te Roeme gaen;
Ende van (Nil) danen wille hi over zee Ende hier commen nemmermee.
Eer hi heeft vul aflaet Van aire zondelikor daot«.
â
2.r)07 en 2508 In plaats van dc?.e vss. leest men in 't lis.:
a voer mi, edele vrauwe,
/3 Dat ic hu met lieve weder scauwtP.
â / Soe sprac: ^Die here, daert al nn slaet, 3 Doe hu van zonden vul a/laet1'-.
t Die coninc en fie coninghinne £ Ghinghen met eenen hliden rinne ri Koer haer diere, uerme ende rike.
0 Me conine die sprac vriendelike:]. Zie A. 2518 In plaats van dit vs. heeft de Comb, tekst:
lieijnaerde ghebiedic vnllen vrede,
Anderwaerf ghebiedic hem vrede Ende derde wacrven mede,], /ie A.
2324 oec ontbr.]. Vgl. It 11, 2788; âIc en wil ooe geen meer claghequot;. 2531 van Rome danen]. M. 2535 Cirlin]. lt;!.
â
83
2535 Dese talo hevot Tiecelijn vernomen Ende vloech, daer hi es comen Ende hi vant die III ghesellen.
Nu hoert, wat hi hem sal tellen.
Hi sprac: «Keytive, wat doedi hier? 2540 Reynaert es meester bottelgier
Int hof ende moghende utermaten.
Die coninc heeftene quite gholaten Van alle sinen mesdaden,
Ende ghi zijt allo III verradcn«.
2545 {NB) »Ic wane, ghi lieghet, here raven», Sprac Isingrijn ende mottien ginc hi scaven, Ende Brune (NB) mede (NB), tm coninc waert. Tybeort bleef daer zere vervaert; (NU) Hl was (NB) in zorghen so groot litermaten, 2550 Dat hi gherne wilde laten Sino oeghe varen over niet,
Die hi in spapen scuere liet.
Indien dat hi met liei/naerl verzoent ware.
Hine wiste wat doen van vare,
2555 Dan hi ghinc sitton up die mieke.
Hi claechde vele endo arde dicko.
Dat hi Keynaordo yc bolcinde.
Isingrijn quain met groeten ghenindo dhespronghen voer de coninghinne 2500 Ende sprae met cenen feilen zinno Te Reynaert waert so verre.
Dat die coninc waer' al erre
2536 dnnen. Fr. in Ml,.quot;» Proefsclir., hl. 81 en 82, op vs. 2804.
2545â254quot; In pliiat» vim deze vss. lezen wc in 't hs.:
a Isingrijn began aiidwoenleu /3 Te Tieceline met corten woerden:
â / â1c wane, ghi lieghet, here ravenquot;.
ö Mettien woerde began hi scaven,
« Ende Brune die volchde mede.
? Si ghinghen recken har e lede ri Loepende des coninx waert.]. Zie A.
2548 en 254fl In plaats van deze twee vss. heeft het hs.:
a Tybeert bleet' zere vervaert fi Ende hi bleef sittende u/t die galglte.
â / 11 i was van sinejt ruwen balg he 5 In zorghen so groet utermaten,]. Zie A.
2550 wille], W.
2553 met Reynaert ontbr.]. Vgl. Ji. II, 2811); âOp dat hi lieinaerts vrient waerquot;.
2559 Ghedronghenj. Vgl. het Lat. 1402; âtsengrimcia adest et jirosilit impete inagnoquot;.
G»
84
Eudo Met Ysingrijne vaen Ende Brune. Also saen 2565 Worden si ghevanghen ende gliebonden.
Gliine saghet nye verwoedden honden Doen meer lachters dan men hem dede: (NB) Men bantse daer so vaste bede (O),
Datsi binnen eerp nacht 2570 Met gheenrande cracht
Een let niet en mochten roeren.
Nu hoert, hoe hise voert sal voeren.
Reynaert, die hem was te wreet,
Hi dede, datmen Brunen sneet 2575 Van sinen rnggho een velspot af,
Datmen hem teere scerpen gaf,
Voets lanc ende voets breet.
Nu ware Reynaert al ghereet,
lladdi IIII vaste scoen.
2580 Nu hoert, wat hi sal doen,
Hoe hi sal IIII scoen ghewinnen.
Hi ruunde toter coninghinnen:
»Vrauwe. ic bcm hu peelgrijn.
Hier es mijn oem Ysingrijn,
2585 Hi hevet wren II vaste scoen;
Helpt mi, dat icse an mach doen.
Ic neme hu siele in mine plecht;
Want het es elcs peelgrins recht.
Dat hi ghedinket in sine ghebeden 2590 Al tgoet, dat men hem noyt dede.
Ghi moghet oec{NB) Haersenden miere moyen (.1) Hare achterste voete doen ontscoyen Ende mi gheven twee van haren scoen. Dit moghedi wel met eeren doen;
2560 verwoedde]. 2567 Tusschcn dit en het volgende vs. vindt men in't ms. nog: Ysingrine ende liraue mede.
Men voerese als leede gastei], -A.
2568 Men bantse bede daer so vaste,]. Zie A.
2579 versdié]. Mi,, nnar It. II, 2845; âHad hi vier mste schoenquot;.
2585 IlIIj. Vgl. ben. vs. 2612 en let ook op 't Lat. 1420 en 1421; âsoleas fae nnleriores Aptas nempe mihi det lupus ipse duas''.
2588 mant en ehs ontbr.]. Metri causa. Vgl. ook li. II, 2854; â Want het is elc goet pelgrijns rechtquot;.
25!Uâ2593: quot; (ihi moghet hu siele an mi scoi/eu.
/3 Voet Haerccnden miere moyen â¢/ Gheven twee van haren scoen.]. Zie A.
85
2595 So blivet thuus in haer ghemac*.
â »Gherne«, die coninghinne sprac; sRoynaert, gliino moechts niet omharcn, Crhine hebt scoen; ghi moetet varen Iltiten lande in (NB) Gods ghewout 2G00 Over berghe ende int wont
Ende terden struke ende steone;
Huwen aerbeit wert niet cleene. (ND) Die scoen waren hu wel gheniieke,
Want si zijn so vaste ende so dicke, 2G05 Die Ysingrijn draghet onde zijn wijf. Al sout hem gaen an haer lijf,
Elkerlijc moet hu ghevon twee scoen, Daer ghi hu vaert mede moet doen. Dus hevet die valsche peelgrijn 2C10 Heworven, dat dlier Ysingrijn Al toten knien hevet verloren An beede sine voeten voren Dat vel al gader metten claouwen.
Ghine saechtew niet een let m'braeuwen; 2015 Nie en hilt iemen stilre (O) al sine lede, Dan Ysingiijn de zine dede,
Doemen so iammerlike ontscoydc. Dat hem dat bloet ten teen afvloyde.
Doe Ysingrijn ontscoyt was, 2G20 Moeste gaen liggen up dat gras Vrauwe Hersuint die wulvinne Met eenen wel droeven zinne Ende liet haer afdoen dat vel Ende die claeuwen also wol 2025 Bachten van beede haren voeten. (.1)
Dese daet dede wel sooten
af)!»quot; mochtes niet omheten], M. en V. in Tschr. 1, !l, o|gt; vs. 2851.
2599 (les gods|. J.
2CU2 Dincn], terwijl lichter dit vs. in quot;t hs. nog volgt:
Hels dijn iioet, dnllu hebs scoen,
Ie wilre (jherne mijn machl toe (/och.].
Beide vss. bevatten niets dun een zinledige lierlialing van hetgeen alreede boven in 2596â2598 is gezegd. 2C03 Ksimyryiis].
2604 H-ant ontbr.]. Vgl. li. U, 2870; âWant si sijn vastende die'quot;.
2612 Eti], 2613 tuleii]. Ml., in diens Dissert., bl. S.l, op vss. 2889â2891.
2614 Ghine saeelit noiut voghel braeuwen,]. Zie A.
2615 Die stilre hilt al sine lede]. Zie A. 2621 wuljinne]. .1.
80
Keynaordo sinon evden moot.
Nu hoert, wat claghen hi nocli doet:
»Moye«, seit hi, Meve moye,
2C30 In hoo meneghen vernoye
Hobdi dor minon wille ghewesen!
Dats mi al leot; sondor van desen Eist mi lief, ic segghe hu twi;
Ghi zijt (des ghelovet mi)
2G'?5 Een die liefste van minen maghen;
Bedi sal io hu sooen andraghen {NU)
Kmk ghi suit (NU) deelen {NU) an al dat pardoen, Lieve moye, dat ic in hu scoen Sal beiaghen over zee«.
2040 Vrauwe Hersuinden was so wee, (vl)
Uatso cuine mochte spreken:
»Ay Reynaert, (rod mocte noch wreken.
Dat ghi over ons siet huwen wille!«
Ysingrijn balch ende zweech stille 2645 Ende zijn gheselle Bruno, neware Hem was te moede arde zware:
Si laghcn ghebonden ende ghewont.
Hadde oee doe ter solver stont Tybeert die cater ghewesen daer,
2050 1c dar wel segghen over waer
(Hi hadde so vele ghedaen te voren),
Hine waers niet bleven sonder toren.
Wat helpt, dat iet hu maecte lanc? (,l) Des ander daghes voor der xonnen upganc 2055 Dodo Reynaert zijn scoen smarm. Die Ysingrijns te voren waren {())
Ende zijns wijfs, vrauwe Hersenden, {A)
Ende liadse vaste ghedaen benden
2627 drouven']. Het begrip âti-istisquot; stemt noch met lïoyn.'s gemocflstoestand no(!li met het gebruik van quot;t voorafgaande wiv. âsoetenquot; overeen. Bij de gelijkheid van liet begin van erelc en het einde van droeve is een verknoeiing van het eerste woord tot het laatste daarenboven niet onbegrijpelijk. A'. II, 28(13 heeft dezelfde onjuiste lezing. Het Lat. wijkt in de gehcele redactie af (zie aid. 1434 en 1435).
2029 lier» ontbr.]. W. naar R. ii, 28!).r); âMoeie, soit hi, lieve moeie'quot;.
2637 lu plaats van dit enkele vs. heeft het hs. er drie;
Godweet, dnts al huwe bale;
Cihi suit an hoyhen njlnle
Deelen ende an al dat pordoen,]. Zie A.
2642 )m]. 2054 de zontlé],
2055 smeren]. Fr. in Tschr. 1 , 20, op v. 2921.
2056 waren te voren]. Fit. in Tschr. 1, 26, op vs. 2921.
87
Om zino vooten ende ghinc,
26C0 üaer hi vant den coninc
Ende zijn wijf, die coninghinno.
Hi sprac met eoncn soeten zinno:
»Here, God ghevo hu goeden dach Ende miere vrauwcn, die ie mach 2GG5 Prijs gheven met groten rechte.
Nu doet Reynaert gheven, huwen knechte. Palster ende scerpe ende laet mi gaen«. Doe dede die coninc halm saen Den capelaen, Belijn den ram.
2070 Ende als hi bi den coninc quam,
Sprac die coninc: »Bclyn, hier es Dese peelgrijn; leest hem een gheles Ende ghevet hem scaerpe ende staf«.
Belijn den coninc andwoerde gaf: 2075 »Here, in dar des doen niet.
Reynaert hevet selve beghiet.
Dat hi es in spaeus ban«.
Die coninc sprac: «Belijn, watlan?
Meester Jufroet doet ons verstaen, 2ö8() Hadde een man alleene ghedaen
Also vele zonden, also alle die leven,
Ende wiltli aercheit al begheven,
Ende dan te biechten gaen Eude penitencie daeraf ontfaen,
2G85 Dat hi over zee wille varen.
Hi mochte wol hem (O) selve claren». Belijn sprac ten coninc echt:
»Io en doere toe erom no recht Van gheesteliker dinc altoos,
2090 Ghine hout mi quite ende scadeloes
leghen bisscop ende ieghen (A7)) deken». Die coninc sprac: »Iii VIII weken Sone wane ic hu bidden so vele. Oec haddie liever, dat lm we kele
2604 mier'].
2605 (/rolcn ontbr.J. Metii ciuisa imar II 11, 2031; âGheven prijs mit jeoie» rechte'quot;. 2608 haeslen]. Vgl. 't fjiit. 1402 t âUex mcersiri Belimim ]iraeci])it illue'quot;. 2009 liclin]. 2071 Belijn ontbr.]. Vgl. R. II, 2!I37: âSprac die coninc; ^Bellijn, hier esquot;. 2674 Selin]. 2678 JSelin, wals dan']. J.
2683 rlnn ontbr.]. Metri causa, naar Ji. II, 2!I4!I: âEnde wonde (Inn te bieehte gaenquot;. 2086 hem wel]. 2687 Beliii], 2C9(J wilt mi quilcu scadeloes].
Ml,, naar li. II, 2!»,,)7; âGlii en hout mi (/uijt ende scadeloosquot;. 26111 den deken]. M.
88
L'G'JQ Hinglio, dan ic u hoden bat«.
Ende also Belijn hoerde dat,
Dat die coninc balch te hem waert,
Wart hi so vervaert,
Dat hi beefde openbare 2700 Ende ghinc gherecden xinen autare Endo began zinghen ende lesen AI dat hein goot dochte wesen.
Doe Belijn die capelaen Oemoedelike hadde ghedaen 2705 Dat ghetijde van den daghe,
Doe hinc lil an Reynaerts craglie Eene scaerpe van Bruuns veile.
Oee gaf hi den feilen gheselle Don palster in do hant daer bi 2710 Te zinen ghevoeghe. Doe was hi Al ghereet te ziere vaert.
Doe sach hi ten coninc waert;
Hem liepen die ghoveinsde tranen Neder neven zine granen,
2715 Also oft hem jammerde in sine herto Van rauwen; haddi grote smerte.
Dit was bedi ende anders niet,
Dat hi hem allen, die hi daer liet.
Niet hadde beraden al sulke pine, 2720 Also Brunen ende Ysingrine
Fan hem hadde moghen ghevallen. Nochtan stont hi ende bat hem allen, Datsi over hem bidden souden Also ghetrauwelike als si wouden, 2725 Dat hi over hem allen bade.
Voert orlof nemen wart, duchti, te spade.
2696 Jleliu [. 2608 Beliri],
2699 mn «ore]. Zou deze wijziging niet tu verkiezen zijn , niettegenstaande de overeenkomst tnsschen den Comb, tekst en It. II, waar wc (zie vs. 2969j in i/roteu mer lezen? âHij was zoo bevreesd, dat hij beefde van vreesquot; luidt wel wat zonderling.
2700 zine]. J. 2703 Beliu].
2706 zine]. Vgl. It. II, 2978: âaen Reinaerls cragliequot;.
2715 hi jnmmertike], Vgl. li. II, 2987; âals oft hem jnmerde in siju hertequot;.
2716 hnd(t()\. Zie A. 2721 Haddel], J.
2724 hi wonde]. G. Vgl. It. II, 2996; âAlso ghetrouwe als si toonden'quot;.
2726 Dat orlof nemen dochte hem spade]. Vgl. het Lat, 149C; âTardus turbat einn diseessusquot;. De lezing van 't hs. levert geen zin, evenmin als de bijna gelijkluidende van R. II, 2998: âDat orlof nemen docht hem te spadequot;.
89
Want hi ghorne danen ware;
Hi was altoes zere in vare Als die hem selven sculdich weet. 2730 Doe sprac die coninc: »Mi es leet, Keynaert, dat ghi dus haestich zijt«. â »Neen, heere, het es grote tijt; Men sal gheene weldaet sparen.
Huwen orlof! ie wille varen».
2735 Die coninc sprac; »Gods orlof«.
Doe gheboet die coninc, dal al dat hof Met Reynaerde huutwaert sonde gam, Sonder alleene die waren glievaen. Nu wart Keynaert peelgrijn, (vl) 2740 Ende zijn oem Ysingrijn
Ende Brune die ligghen ghebonden Ende ziec van zeeren wonden.
Mi dinct ende ic wane des,
Dat niement so onspellic es 2745 Tusschen Pollanen ende Scouden,
Die hem van lacheno hadde onthouden Dor rauwe, die hem mochte ghescien, Hadde hi Reynaerde doe ghesien, Hoe wonderlic hi henen ghinc 2750 Ende hoe ghematclic dat hom hinc
Scaerpe ende palster omme den hals, (.1) Ende die scoen als ende als.
Die hi droech an zine been Ghebonden, so dat hi sceen 2755 Een peelgrijn licht ghenoech.
Reynaerts herte binnen locch,
Dor datsi alie met hem ghinghen Met so groter zameninghen,
27/12 i/role ontbr.]. lt; gt;m den zin cn om't metrum (vs. 2731 bovat vier huflingen), naui' Jl. II, 3004: âliet is ijtole tijtquot;.
2736â2738 : Doe gheboet die eonine al dat liol'
Met Reynaerde limit waert te r/hane,
Sonder alleene die iihevnué].
Men vgl. li. 11, 3008â3010;
âDoe glieboet hi over al dat hof.
Dat si met Heinaert imt .soude(ti) yjeu,
Sonder die daer wareti yhemeiquot;.
cn bedenke, dat yhebieden, met een infinitief geconstrueerd, het nomen in den datief bij zich vercischt.
2747 Die]. M. 2750 yhemakelic]. Zie A.
90
Die hem te voren waren wreet.
27C0 Doe sprac hi: «Conine, mi es leet,
Dat ghi so verre met mi gaet;
Ic vruchte, het mach hu wescn quaet.
Ghi hebt ghevaen II mordenaren;
Ghevalt, dat si u ontvaren,
2705 Ghi heht hu te wachtene meer,
Dan ghi noint hadt eer.
Blijft ghesont ende laet mi gaen«.
Na dese tale ghinc hi staen Up sine II achterste heenc 2770 Ende maende die diere grote ende cleeno (0) Datsi alle voer hem baden,
01' si an alle (()) sine weldaden Recht deel nemen wouden.
Si seidon alle, datsi sonden 2775 Sijns ghedinken in haer ghebede.
Nu hoert voert, wat Reynaert dede;
Daer hi van den coninc sciet.
So droevelijc hi hem ghelict,
Dat hem somen zere ontfaremde.
2G80 O/i Cuwaert den haze hi caremdc: »0 wy, Cuwaert, sullen wi sceeden?
Of God wilt, ghi suit mi gheleeden Bnde mijn vrient Belijn de ram;
Ghi twee ghine daedt mi noint gram, 2785 (NB) Ghi zijt (NB) onberoepen ende goedertieren Epde ombeclaghet van allen dieren.
Ghcstade es huwer beoder zede:
Ghi leefl, als ic doe ten tijden, dede,
Als ic clusenare was; (A)
2790 Hebdi lovern ende gras,
Ghine doet negheenen heesch Noch om broet, no om vleesch.
2760 voeten']. J. 2770 clccnc ende grote]. J. 2772 alle au],
2780 Cuwaert den haze hi hecaremclé], Vgl. H. 11, 3052: ,,Oygt; Kuwort den hase hi kermedcquot;. Becarmen beteckende alleen âbeklagenquot;quot;' of âdoor moeite en arbeid ve^^vervcn,^ 2783 Belui], 2785 In ])laats van dit enkele vs. heeft het hs.:
a Ghi moe! mi hel voert briny hen.
/3 Ghi zijt van zoeter loandelinqhen y Ende onberoupen ende goedertieren]. Zie A.
2788 Ghi leeft ontbr.]. Vgl. R. II, 3062: âGhi leeft beide als ic dcdev,, en 't Lat. 1536 en 1537: âqnia nivitis, olim Sicnt ego vixr1; en zie ook Ml.'s rrocfschr., bl. 87.
91
Noch om sonderlinghe spijse«.
Met aldus ghedanen prijse 2795 Hevot Reynaert dese II verdoort,
Datsi met hem ghinghen voort,
Toto dat hi quam voer zijn huus,
(AUl) Voer den casleel Maupertuus.
Alse Reynaert voer de porto quam,
2800 Doe sprac hi: »Neve Belijn (O) dc ram,
(rlü moet alleene buten staen;
Ie moot in mine voste guen,
Cuaert sal ingaen met mi.
Hero Uelijn, bidt hem, dat hi 2805 Troeste wel vrauwe Hermelinon Met haren cleenen welpkinen,
/Vis ic orlol' an liem neme«.
Belijn sprac: »lc l)ids heme.
Dat hise alle troeste wale«.
2810 Reynaert ghinc met scoenro tale So smeekon ende losengieren In so menegher manieren.
Dat hi bi barate bróehto Cuwaorde in sine hagliedochte. {ND)
2815 Daer vondensi vrauwe Hermelinen
Ligghen met haren cleenen welpkinen.
Die was in /.orghen ende in vare,
Want so waent, dat Reynaert ware Verhanghen. Ende als so vernam,
2820 Dat hi weder thuuswaort quam Ende palster ende scerpe droeoh.
Dit dochte hacr wonders ghenoech.
So was blidc ende sprac sacn:
«Reynaert, hoe sidi outgaen?«
2798 l'.'udc voer de jjorlc rmi. Vgl. 7f. II, ;t072: ..Am dal cnslcel van Malpcrtuusquot;; en , voor (11.' weglating der pracpos. van, vss. -(82 en 1201 van ons gedicht. Ook zie men Ml.'s l'roefschr., bl. 88, waar evenwel ten onrechte aan dc noodwendigheid dezer wijziging wordt getwijfeld.
2800 Belin neve ram]. M., naar li. 11, 3(174: âiicre Bellijn den ramquot;.
2804 Belin}, 2808 Belin], 2809 alleene]. De Cornb. lezing levert geen zin.
281 4 Tusschen dit en het volgende vs. leest men nog in 't ms ;
Als si in dal hol quamen Cuaert ende liei/naert fsamen,]. Zie A.
28If) Doe}. Vgl. H. 11, 3088: âDaer vonden si legghen op die aerde'.
2816 Ligghen ontbr. j. Fr. in Dissert., bl. 88, op vs. 3100.
2819 als ontbr.]. .1,
92
2825 â »/c ?lt;/â «««, sprac hi, »inl hof ghevaen, Maer die coninc liet mi yaen;
Ic bem worden peelgrijn.
Here Brune ende here Ysengrijn Zijn worden ghisele over mi.
2830 Die coninc hevet (danc hebbe hi!)
Cuaerde gheghoven in rechter zoenc Al onsen wille mede te doene.
Die coninc die lijede das,
Dat Cuaert die eerste was,
2835 Die ini verriet ieghen hem;
Ende bi der trauwen, die ic bem -â¢Sculdioh, u, vrauwe Hermeline,
Cuaerde naket eene groete pine;
Ic bem up hem met rechte gram«. 2840 Ende alse dat Cuaert vernam,
Keerdi hem omme ende waende vlien; Maer dat ne conste hem niet ghescien, (J) Want Reynaert hadde hem ondergaen Die porte ende ghegreepene saen 2845 Bi der kelen mordadelike,
Ende Cuaert riep ghenendelike:
«Helpt mi, Beljn, waer sidi?
Dese peelgrijn verbijt ini«.
Dat roepen was sciere ghedaen, 2850 Bedi Reynaert hadde saen Sine kele ontwee ghebeten.
Doe sprac Reynaert: »Nu gaen wi heten Desen goeden vetten hase«.
Die welpine liepen ten ase 2855 Ende ghinghen heten al ghemcene;
Haren rauwe was wel clcene,
Dat Cuaert hadde verloren tlijf'.
Ermeline, Reynaerts wijl',
2825 en 2826 Vooi- de invoeging dezer vss., die in 't Comb. lis. ontbreken, /,ie men Fit. in Tschr. 1, 2G, o]) vs. 308(1, en Ml., op vs. .'!108.
2835 ons]. Vgl. het, Lut. 1570; ..Miu[iic giiivnsse rel'ert illumquot;. Kwalijk kun de vus de ziiak zoo hebben voorgesteld, alsof ook lleirnelinc bij den koning aangeklaagd ware.
2846 ijhe.nndelike], Voor yheiwnilclike, in den zin van â âhaastig, snelquot;, vgl. men o. a. Alex. 3, 1156, en 7, 258, ]5m. 8, 451, 110. 2847 Bcliti],
2854 basé], J. Vgl. li. II, 3128; âDie jonghe welpen liepen te nsequot;. Voorde mogelijkheid van een deminutief we.l/iijn ((!,, W., ,1. en M. lezen hier tvel/ikinc) vgl. men de noot onder aan png. 52 mijner Mtil. Sjjrk.
03
Hat dat vlensch endo dranc dat bloot.
2860 Ay, hoe dicke bal so goet
Den coninc, die dor sino doghot Die cleeue welpkiuo hadde verhoghet So wel mot eenen goeden male.
Reynaert sprac: »Hi jans hu walo.
2805 lo weet wel, moet die coninc leven,
lli sonde ons gherno ghiften gheven,
Die hl selve niet no wonde Hebben om Vil maorc van goudo«.
â »Wat ghifton es dat?« sprac Hermelino. 2870 ifeynaert sprac: »Hets oeno lijne
Endo eene vorst onde tweo micken;
Maer, maghic, ic sal hem ontscricken, (vl)
Hopio, oer lijden daghen twoo,
Dat ic omme zijn daghen mee 2875 Ne gave, dan hi omme tmijn«.
Soe sprac: «Keynaert, hoc, mach dat zijn?»
Reynaert sprac: quot;Vrauwe, ic secht hu:
Ic woet een wildorncsse nu Van langhen haghen endo van heede;
2880 Ende daer so nes ghem onghereede
Van goeden ligghen^ ende van spijson.
Daer wonen hoenre ende pertrijsen Ende menegherande vogheline.
Wi moghen daer, vrauwe Ermeline,
2885 Willen wi, wandelen onder die scade (O)
Ende kobben daer groete ghonade, (O)
Eist dat ghi gaen wilt mot mi daer. (O)
Wi moghen daor wonen VII jaer, (O)
Eer wi worden daer bespiet.
2890 Al seidic meer, in loghe niet«.
â »Ay, Reynaert», sprac vrauwo Hermelino,
»Dit dinct mi wesen eene pine.
Die al gadcr ware verloren;
Nu hebdi dit lant verzworen (yl)
28G0 ddnete], Vgl. li. II, 31.')4; âRen coninc tjetd si ilickc goetquot;.
287C tw((]. Ml. op vs. 3158. Vgt. het Lat. 1600; âQualiter esse potest istudquot;. 2880 Knde die so nes niet onghereede]. Zie Tschr. 1, 27, op vs. 3140, en 5, 2G1, op vs. 3102.
2884â2888; a Wildi doen, vrauwe Ermeline,
/3 Dat ghi ghaen wilt met mi daer,
â / Wi moghen daer wonen Vil jaer,
5 Willen wi, wandelen onder die scade i Ende hebben daer groete ghenade,]. Zie A.
94
2895 In. te woonnc, nemmermee,
Eer ghi comt van over zee,
Ende hebt palster ende scerpe oiitfaen?« Reynaert andwoerde vele saen:
»So meer ghezworen, so meer verloren. 2900 Mi seide een goet man hier te voren (In rade waest dat hijt mi riet):
Bedwonyltme trauwe en diedet niet.
Ende al vuldade ie dese vaert,
En holpe mi niet«, sprac Eeynaert;
2905 »In waers een ey niet te bat:
Ie hebbe den eonino eenen scat (/I)
Belovet, dio mi es ongkereet;
Ende als hi des de waerheit weet,
Dal hi bi mi es bodroghon,
2910 Ende dat ie hom al hebbe gheloghon,
So sal hi mi haten vele meere,
Dan hi noint en dede ere.
Daer bi peinsic in minen moet,
Dat varen os mi niet so goot 2915 Also dal luscem, sprac Reynaert;
«Ende so helpe mi mijn rode baert (bij Mart. 3198) (Ghedoe hoe io ghedoe), (3199)
(NB) Mme troestot niemen daer toe (3200) (NB) No dor ghewin no dor scade, (3204) 2920 Dat io in sconinx ghonade (3203)
(NB) Come, dat ie leve lancst; (3205)
Ie hebbe leden so meneghen anxt.«
2895 woneii}. Vgl. § 214c mijner Mul. Sjjr. 28,.i(i van ontbr.]. .1.
2901 In rade dut hi mi riet], /ie Tschr. 5, 261, op vs. 318.quot;).
2902 /iec/i neyhevné]. M. muir li, II, 3208; âDat bedwonrjhen ode en duden nietquot;.
2903 Ende ontbr.J. Zie Tschr. 5, 2G1 en 262, op vs. 318r) en 3186.
2909 Etuh en 2910 Dat\, Deze omzetting is eenvoudiger dan de verplaatsing der beide vss. in hun geheel, zooals W., J. en M. die hebben noodig geacht.
2912 en ontbr.]. Metri causa, dewijl 2911 vier arseis bevat.
2914 also}. Zie A. 2915 dit bliven}. Zie A.
2916 Knde (jodsat hehbe\. Zie Tschr. 5, 262 en 263, op vs. 3198â3205.
2918 Of mi troestet mee]. Zie Tschr. ib.
2919 Tusschen dit en het voorgaande vs. heeft het ms. nog:
A'o die cater, no die das, (bij Mart. 3201)
A'o Bruun, die na mijn uem was, (3202)].
Zie Tschr. 5, 263. De omkeering der volgorde van dit en het volgende vs. (zie G., W., â ). en M.) is niet aan te bevelen, dewijl 2919 zich uitnemend met 2918 laat verbinden. 2921 Ne come]. Zie Tschr, 5, 263.
95
Zeere so (O) baloh die ram Belijn, Dat Cuaert, dio gheselle zijn,
2925 In dat hol so langhe merrede.
Hi riep als die hem zere errede:
»Cuaert, dats die duvel woude,
Hoe langhe sal lm daor Reynaert houden? Twine comdi hunt? Eudo laet ons gaen«. (A) 2930 Alse Reynaert dit hadde verstaen,
Doe ghinc hi hute tote Boline Ende sprae al stillekine:
»Ay here, twi so belghedi?
Al sprac Cuaert ieghen mi 2935 Ende ieghen ziere moyen,
Waer omme mach hu des vennoyen?
Cuaert dede mi verstaen,
Ghi moghet wel sachte voeren gaon,
Ne wildi hier niet langher zijn.
2940 Hi moet hier merren een lettolkijn Met siere moyen Hcrmelinen Ende met haren welpkinen,
I )ie seere weenen ende mesbaren,
Om dat ic hem sal ontfaren».
2945 Hdijn sprac: »Nu seoht mi.
Here Reynaert, wat hebdi ('iiaorde te leede ghedaen?
Also als ic conste verstaen.
So riep hi arde hulpe up ini«.
2950 Reynaert sprac: »Wat sechdi,
Helijn ? God moete hu beraden.
Ic segghe hu, wat wi doe daden:
Doe ic in huus gheghnnghen quam Ende Ermeline an mi vernam,
2955 Dat ic wilde varen over zee,
Int herte wart haer doc so wee,
Datso langhe in ommacht lach.
Ende alse Cuaert dat ghesach,
2923 So zeere]. De noodwendigheid dezer omzetting springt te zeer in 't oog om eenig betoog te vorderen.
2927 lalcs den duvel ivoudcn . Een vloek, met hot karakter eener aansporing, is onmogelijk. De wenschende vorm is hier een volstrekt vereischte.
2936 dus]. J. 2945 Beliii], 2951 Belinj.
295(1 Ten eersten wart haer so wee], Vgl. li II, 3254; âDat hert wart hoer due so weequot;, en zie Fr. in Ml.'s Proefsehr., op vs. 3240.
9G
Doe riep hi hide: llelet vrij,
2000 Oomt hare ende helpt mi
Miere moyen laven, so es in ommacht. (A) Sop. riep hi met groeter cracht;
Dit -waron die woerde ende niet el«. â »Entrauwen ie verstont oec wel, 2965 Dat Cuaert dreef groet mesbare;
Ic waendo, hem yet mesvallen waro«. Keynaert sprao: »/klijn, neent niet;
Mi ware liever, mesquamo mi yet,
Minen kindren ol' minen wive 2970 Dan mijns neven Cuwaerts live*.
Reynaert sprac: »Vernaemdi yot,
Dat mi de coninc glüstren liiet Voer arde vele hoeghe liede.
Als ic luiten lande sciede,
2975 Dat ic hem een paer lettren screve?
Suldise hem draghen, Belijn neve?
Si sijn ghescreven ende al ghereet*.
Belijn sprac: »Ende ic ne weet;
Ma er Reynaert, wistic, dat hu ghedichte (O) 2980 Ghetrauwe ware, ghi mochtet lichte Ghebidden, dat iet den coninc Droeghe, haddic eeneghe dine,
Daer icse mochte in steken*.
Reynaert sprac: »Hu ne sals niet ghebreken; 2985 Eer des coninx lettren hier bleven,
Ic sonde hu dese scerpe eer gheven, (/I) Here Belijn, die ic drag-he,
Ende hanghense an huwe craghe Ende des conincs lettren daer in.
2990 Ghi sulter af hebben groet ghewin, Des conincs danc ende groet ere;
Ghi suit den coninc, minen here,
Harde willecome zijn*.
Dit loofde mijn here Belijn.
29CÃ Cora], fl. 2962 Doe]. J. 2967 Belin].
2968 led, mesqiiiime hem yet]. Zie Tschr. 5, 263, op 3252.
2976 Suldijt en Belin']. 2977 Het es],
2978 Belin]. Het emphutisehe Ende (vgl. Taalk. Bijdr. I, 126, en I). II, bl. 110, der Vondel-r/r.), hier door G., W., J. en M. uitgeworpen, moet zonder den minsten twijfel worden behouden. 2979 Maer ontbr.]. Zie A.
2979 en 2980 hu ghedichte Dat]. Zie de A. bij 2979. 2984 so/]. 2987 Belin].
07
2995 lieynaert ghinc in die aghedoohte Ende keerde weder onde brochte Sinen vrient Beline ieglien Dat hoeft van Guaerde ghedreghen,
In die scerpe ghesteken,
3000 Ende lünc bi sinen quaden treken Die scerpe Belijn an den hals Ende beval liem als ende hals,
Dat hi die lettren niet ne sonde Besien, of hi gherno wonde 3005 Den conino teenen vriende maken;
Ende wildi, dat boven alle salcen (NB) Sijn here de coninc hem hadde liol',
Dat hl seide, dat desen brief Bi Itejinaerl alleene ware ghescreven,
3010 Ende hiere den raet toe hadde ghegheven;
Die coninc souts hem weten danc.
Dat lioerde Belijn ende spranc Up van der stede, daer hi (O) stoot,
Meer dan awderhalven voet, (.V/V)
3015 Ende sprac: «Reynaert, wel lieve here.
Nu weetic wel, dat ghi doet eere Mi hebben bi die zijn int hof.
Men saels mi spreken groeten lof,
Alsmen weet, dat ie can dichten 3020 Met sconen woerden ende met lichten,
Alsi dat ics niet ne can.
Men seit dicken, hets menich man Groete eere ghesciet, dat hem God ionste. Van dinghen, die hi lettel conste«.
3001 heliti]. 3005 vrienden(!.
.quot;ioilG en 3007 In pluats van deze beide vss. heeft het hs. er vier:
at Knde seide hem, da! die leltren staken /3 In die scerpe verholenlike,
â / Ende of hi xoesen wilde rike
3 Ende sinen here den eonine luidde liel',]. Zie A.
3009 hem]. Zie A. 3010(/c?) ontbr. . li. II, 3310: âEnde den raet daer toe yhegheveirquot;',
3012 Belin\. 3013 Van der stede daer hi up stoetj.
3014 eenen halven J. Fk. in Mi..quot;s Dissert, bl. 91, op vs. 3300.
.lol.1) In plaats van dit enkele vs. leest men in 't nis.:
a Su blide was hi van der ditic,
/3 Die hem Ie toerne sint verghinc.
y Doe sprac Kevnaert: ^Belin herequot; ,. Zie A.
3017 hu seleen ende die zijn int hof.]. Zie Tschr. 5, 2(;4, op vs. 3304 en 3305.
3018 hu], .1. 3019 (/h' coonl]. .1,
98
3025 Hier na sprac Belijn: »Reynaert,
Wats hu raet? Wille Cuaert Met mi weder te hove gaen?«
â »Neen hi«, sprac Reynaert, »hi sal lui saon Volghen bi desen selven paile;
3030 Hine hevet noch negheene stade.
Nu gaet voren met ghemake;
Ic sal Cuaerde sulke sake Ontdecken, die noch es verholen».
â «Reynaert, so blivet Gode volen«, 3035 Sprac Belijn ende dede hem up de vaert.
Nu hoert, wat hi doet Reynaert.
Hi keerde in sine haghedochte Ende sprac: »Uier naect ons gherochte, Bliven wi hier, ende grote pine. 3040 Ghereet hu, vrauwe Hermeline,
Ende mine kindre also al gader; (.1)
Volghet mi, ic bem hu man, hu vader, Ende pinen wi ons, dat wi ontfaren».
Doene was daor (NB) gheen langher sparen, 3045 Si daden hem alle up die vaert:
Ermeline ende hore Reynaert Ende hare ionghe welpkine üese anevaerden die woestine.
Nu hevet Belijn die ram 3050 Soe gheloepen, dat hi quam
Te hove een lettel na middach.
Als die coninc Belijn ghesach,
Die de scerpe weder brochte,
Daer Brune die bere so onsochtc 3055 Te voren ommo was ghedaen,
Doe sprac hi te Belijn saen:
»Uere Belijn, wanen comedi i Waer es Reynaert? Hoe comt, dat hi Dese scerpe niet met hem draghet?« (yl) 3000 Belijn sprac: »Coninc, ic maghet Hu segghen, also iet weet.
Doe Reynaert al was ghereet Ende hi den casteel rumen soude.
Doe seide hi mi, dat hi hu wonde
3025 ÃWiVJ. 3035 Belin\.
3042 hu man ontbr.]. Zie Tschr. 5, 204, op vs. 3330. 3044 danr due\, W.
3049 Bclin\. 3052 lielin]. 3050 en 3057 Beliii]. 3000 Betin].
99
3065 Een paer lottren, coninc vrij,
Senden, ende doe bat hi mi,
Dat icse droeghe dor huwe lieve.
Ie soide, meer dan VII brieve Soudic dor huwen wille draghen, 8070 Ende ie conste (NB) iel beiaghen,
Daer ic den brief in draghen inochto.
Dese scorpe hi mi doe brochte En.do die lettren daer in ghestekon.
Coninc, ghine horet noint spreken 3075 Van betren dichtre, dan ik bem;
Dese lettren dichte ic hem (NIS)
Ende sijn aldus ghemaect ende ghescrovnn». Doe hiet hem die coninc gheven Den brief Botsaerde sinen clerc;
3080 Dat was hi, die an dat were
Bet conste dan yement, die daer was,
Ende plach emmer, dat hi las Die lettren, die te hove quamon,
Bruneel ende hi die namen 3085 Die scerpe van den halse Jlelhw,
Die hier toe bi der dompheit xine (O)
Hadde gheseit al so verre.
Dat hijs snieme sal werden erre.
Die scerpe onldede Botsaert die clorc; 3090 Doe moeste bliken Reynaerts were.
Alse hi dat hoeft voer Ir ac,
Botsaert ende dat sach (O), hi sprac:
3070 Due tie conste Jie'iuaert niet beiaghen,]. Vgl. de veel betere lezing in 't Lat. 1722 en 1723: âIsta libens t'aciam, dixi, si sit inihi pvxis
Sive i|uid banc in i|iio iam queo ferre dneiquot;.
3071 lt;/e hrieoe].
3072 ilue ontbr.]. Vgl. U, II, 3356: âDue brochte hi mi ghedraghenquot;.
3077 In plaats van dit enkele vs. leest men in 't hs.:
a Gael mi Ie (jor.de of te (/wide.
/3 Dese lettren dichte ic bi minen rade 7 Aldus ghemaect ende gheseroven.j. Zie A.
3080 an ticercj. Zie A. 3082 Botsaert j. 3085 Helijns], ,1.
3080 en 3087 ; Die bi der dompheit zijns
Hier toe haddu glicscit so verre,]. De omzetting' en de invoeging van al metri eausa naar /1. 11 3372 en 3373.
3088 /tij. Vgl. /£. 11, 3374: âDat /lijs lieht mach warden erreM.
3089 o/it/incj. Vgl. Ji. 11, 3375: âDie scherpe ontlede Uokaert die elerequot;. In verband met hetgeen in 3084 gezegd is, kan ontjinc niet juist zijn.
3091 roert trac]. V. in Tschr. 1 , 28 en 29, y|) vs. 3359. 3092 sach dat].
7»
100
»llelpe, wat lettren zijn dit!
Heere coninc, bi raiere wit,
3095 Dit es dat hoeft van Cuaerde.
O wach, dat ghi noint Reynaerde,
Coninc, ghetrauwet so verre!«
Doe mochtemen droeve sien endo erre Dien coninc entie coninghinne.
:nOO Die coninc stont in droeven zinno Ende sloech zijn hoeft neder.
Over lanc hief hijt weder Up ende begonste werpen huut Een dat vrosolicste gheluut,
;U05 Dat noint van diere ghehoort waert.
Alle dieren waren vervaert.
Doe spranc voert Fyrapeel Die lubaert; hi was een deel Des coninx maech, hi mocht wel doen.
:!110 Hi sprac: »Here, coninc lyoen,
Twi drijfdi dus groet onghevoecli?
Ghi mesliet hu ghenoech,
Al ware de coninghinne doot.
Doet wel ende doei wijsheit groet 3115 Ende slaect huwen rauwe een deeU.
Die coninc sprac: »Here Fyrapeel,
Mi lie vet een quaet wicht so verre Bed roghen, dat ic dus bem erre,
Ende int strec gheleet l)i barate,
31'20 Dat ic recht mi selven hate
Ende ic mine eere hebbe verloren.
Die mine vriende waren te voren.
Die stoute here Brune ende here Ysingrijn , (yl)
Die rovet mi een valscli peelgrijn.
3125 Dat gaet miere herten na so zere«. (NI!)
Doe sprac Fyrapeel echt: »Here,
3106 Ghené]. O. Vgl. U. II, 3392: âAlle dierenquot;; en't Lat. 1 739; âCuiiclac fernequot;.
3107 Si/rajjeeC]. G.
3114 doel ontbr.]. Voor het gebruik van doen met een verbaal substant. als obj. (hier met wijsheit â âverstandige handelingquot;) vgl. men het Mul. Wh. 11, 238; voor duel
wel ende â âwees zoo goed om.....zoo verstandig dat gij....quot; I11, 248.
3110 Sierajieel]. G.
3118 ics]. Vgl. Ji. 11, 3405; âPat ie mi dus myslaetquot;.
3125 'riisschen dit en het volgende vs. lezen we in 't ms.:
a Dal hel i/iten sal an mine eere 3 linde an mijn leren, hel es rechl,]. Zie A.
3120 Syrajieel; lieve ontbr.]. Zie de A. op 312.').
101
Es daer mesdaen, rrion saolt zoonon: Men sal don wulf onton bere doou scone Ãndo vrauwo Hersenden also wol (.1) 3130 {NB) Betren (NB) hare mesdaet snol
Ende over hacr toren ende over haer pino Versoenen metten ram Beline,
N:i dat hi selve hoet't ghelyet,
Dat hi Cuaerdo verriet;
3135 Hi hooft mesdaen, hi moot becoopon. (O) Ende daer na sullen wi alle loepon (O) Nn Reynaorde ende sulno vanghen Ende sullen bi sijnre kele hanghen Sondor vonnesse etidr sonder recht«. 3140 Doe andwoordo die coninc hecht: »0 wy, heere Fyrapeel,
Mochto dit ghescion, so ware eon deel Ghesoeht den rauwe, die mi slaot«. Fyrapeel sprac: igt;Hore, jaet;
3145 1c wille ghaon maken die zoeno«.
Doe ghinc Fyrapeel die coono,
Daer hi die ghovanghone vant.
Ie wane, dat hise teerst ontbant;
Endo daor na sprac hi: »(ilii heron bocdo, 3150 Ie bringho hu vrede endo gheleede:
Mine here de coninc groet hu (y|)
Ende hem berauwet zore nu.
Dat hi ieghen hu lieoft mesdaen.
Hi biet lm soene, wildï'sc ontfaen, 3155 Wie soes blido si ofte gram;
Hi wille hu ghovon Belijn don ram Ende alle xiuc maghe Van nu toten domsdagho,
't I '17 q he. dn ent inesdnel\. J. Vgl. /l'. II, .'M21 : âIs daor misdaenquot;.
3128 vomen]. Zie A. 3130 etidc betren heinj.
3131 haren en hnre]. Jletri causa.
3135 en 313G in omgekeerde volgorde]. â ).
3138 sullen sine kele]. J. Vgl. li. II, 3432; âEnde bi sijnrc kolen hanghenquot;.
3139 hels recht]. Vgl. A'. II, 3433: âSonder vonnisse etide zonder rechtquot;. 3141 Syrapeerj. 31t4 Sf/rnjieeQ. 314G Si/ra/ieeQ.
3154 Hi biet hu, wildyi ontfaen,). Vgl. li. II, 3444 en 3445: âEndo daer voor seldi ontfaen Scoen soenequot;quot;.
3155 soj. 3156 Belin\.
3157 shere Deiins']. Vgl. li. II, 344T : âEnde daor toe alle sine maghequot;.
102
(Kist int %Tolt, eist int wout,
aitiO Ilelisc alle in hu ghewout), (MB)
lip dat ghi hem zweert vaste hulde.
lli wille oee bi sinen sculde (.()
Nenunermeer ieghen hu mesdoen.
Dit biedt hu de conine lyoen.
3105 Dit neemt ende leeft met ghenaden;
Bi Gode, ie dart hu wol raden«.
Ysingrijn sprac toten beero:
»Wat sechdire toe, Brune here?«
-gt;lc hebbe liever», sprac Brune (O), »in de ryser 3170 Dan hier te ligghene int jscr.
Laet ons toten conine gaen Ende sinen pays daer outfaen«.
.Met Fyrapcel datsi ghinghen Ende maecten pays van allen dinghen. (A)
,')160 'russchcii dit en hot volgende vs. heeft hot ms. nog:
ot AWc q/ii.ie (/hetvillefihelike verhit.
/3 Die conine onthiel hu roer nl dit,
â / Dat 'Jhi sonder eenerjhe mesdnet
0 Uei/naerde moe/het toren ende ijunel e Doen ende alle zine maghen,
^ Waer so fjhise. inofihet belatihen.
r Dese twee r/roete rreden
fgt; Wille lm die conine (Jheren heden
1 Te vrijen leene eeivelike.
* Ende hier binnen wilt die coninc rike,]. /ie A.
3161 Up on tbr. , Zie de A. op 3160.
3160 Bnmo sprac: gt;%Ic hebbe liever in de rijscrequot;]. De omzetting is noodig wegens
het metrum. 317(1 ijscre]. 3173 S/jmjieelj.
AANTEEKENINGEN.
Vs. 1. Vele boukey in het ms. door een jongere hand en met kleinere letters geschreven, staat blijkbaar in de plaats van een uitgekrabd woord, dat korter was dan de interpolatie. Madoc (of liever Madock), hier door M. naar R. I, 1, hersteld, verdient de voorkeur boven .J/s lezing den Madoc-, want, zooals eerstgenoemde uit fjiuc. 2, 42560 (âdiegene die Lnncelote maccte,,), en Tj'oj/. 57â58 (âdichte hi Aler-lijn ende Alexander uten latijn, Toereckequot; enz.), heeft bewezen, werd de eigennaam als titel van een gedicht eertijds zonder lidw. gebezigd
Vss. 5 en 6. Het springt in quot;t oog, dat de lezing Die Willem niet hevet valse reven van een eopiist afkomstig is, die wilde te kennen geven, dat er buiten de door Willem gedichte âavonture'quot; ook nog andere histories van Keynaert waren te vertellen geweest. Hoe intusschen de hierdoor verdrongen woorden van het oorspronkelijke gedicht hebben geluid, is natuurlijk niet met volkomen zekerheid vastte stellen; zeer waarschijnlijk mag het evenwel heeten, dat ze een gedachte hebben bevat, gelijk er wordt teruggevonden in de door mij voorgeslagen wijziging, welke daarenboven ook uit een graphisch oogpunt de verknoeiing van den afschrijver niet onbegrijpelijk maakt (vgl. willem met wel, niet met nutte). Voor een gebruik van het adject, nutte en onnutte met een praedicaatsdeelw. zie men b.v.; âdese woort. Die hem onnutte seijnen (jhehoorCy Hein. I, 16; âDat nutter after waer (/he la tenquot;, Mlp. 4, 1633; âDat veel nutter waer ontborenquot;, Mlp. 1, 2748; âdingen, die niet nutte sijn r/eivetenquot;, Jiienb. 320; en vergelijke daarmede âDese hoeftsonde ware (joet omborenquot;, N. Doctr. 1154; âwat donct u (joet (jedaen f Lanc. 3, 13524 en 21518; âList ende const sijn goet g he leer Mlp. 2, 3147; âbedi ware soe (/oet ivederstaenquot;, Praet. 1038; si en sijn alle menschen niet (joet (/hehoertquot;, Ar. Bosman 13 v.; âdat niet goet en
^ In een noot onder aan pag. XXX11I zijner Inleid, op den Rein. deelt »1. mee, hoe hij nauwkeurig op het hs. had uitgemeten, dat de plaats van het uitgewischte in het schrift van den codex door het enkele woord Madoc niet ware aan te vullen» maar wel door de woorden dë Madoc. Volkomen waar. Daarentegen is het mij, na een eveneens nauwkeurige meting, als niet minder waar gebleken, dat de bedoelde ruimte ook behoorlijk wordt aangevuld door den besproken eigennaam, zonder het artikel, doch met een spelling ck.
104
ware (/he la tenquot;, Lev. v. Jcs. 2: âHarde fjoet waert offy he laten, Datmen besuyrt buten baten,,,, V. llild. 46, 08; daerbi es fjoet respijt (jeuomenquot;, Salad. 56; âdat waer bctcr nf fjhespletenquot;, Ibid. 218; âwat mi best es gedneiC, Tor. .quot;iOOO; âdese woort, Of si hem dunken niet (joel (jhehoorf, Hein. II, 1G; âDat beter achter waer ff heb Ie ven'''', Mlp I, 2822; âsi is noehtan best (jhescuivef, 1b. 3, 633; enz., alsmede de gelijksoortige constructies, in § 247a der Vondel-yr. behandeld.
In plaats van met J. in vs. 4 die avonture in da vont uren te wijzigen, heb ik voorts gemeend dit nomen liever als singularis te moeten behouden, om dan in verband hiermede vóór âonghemaket bleveir'' het hulpww. was in te voegen; vgl. namelijk ben. in vs. 7 het enk. âdie vijtequot;quot;, en daarnaast in Hein. 11, 4 en 7, âdie ghceste â is ghescrevenv', en âdie vite.v'
De omgezette volgorde der vss. 5 en G, welke zich als vanzelf aanbeveelt, wordt daarenboven gesteund door den tekst van Hein. 11:
âNiet te recht en is (/hesereven.
Ken deel is daer after f/heblevenquot;
Vs. 10. Een zeer gewoon bestanddeel van den proloog onzer Mnl. gedichten was de inroeping der hulp van God of Maria voor het welslagen van den aangevangen arbeid; z. b.v. Sji. H. Prol. 87â91, Troif. 21â23, Nat. BI. Prof. 153 â158, Rijnib. Prol. Iâ8, V. Heelu 78â81, Limb. 1, 1Gâ28, Me lib. 1â6, Theoph. I en 2, D. Doctr. 1, 52â54, Segh. 1â19, enz. Een gelijke strekking is ook in ons vers in questie niet te miskennen. Vandaar de noodwendigheid eener verandering van het onpassende ons in mi (d. i den dichter).
De eigenaardigheid van onzen auteur, om van zich zelf eerst in den 3den en onmiddellijk daarna in den Isten pers. te spreken (vgl. de vss. 1â9 met reg. 11 en vlgg.), vindt haar wederga in den Franc. 74â82. In Merl. 1â50 heeft hetzelfde in een tegenovergestelde volgorde plaats; in den Flor, begint de poëet met ic (vss. Iâ15quot; en gaat daarop voort met hi (vss. 25â28), om later (vss. 85 â88) weder tot ic terug te keeren.
Vss. 17 en 18. Noch uit een beteekenis âversleterr'', âkaarquot;', âberooid1, waarin het Mnl. bescaven werd gebezigd, noch uit het begrip âafgeschaafd*'', dat aan die eerste opvatting heeft ten grondslag gelegen, laat zich een adject, on bescaven verklaren, in den zin van âonaangevochtenquot;, âungetadeltv,, daaraan door .1. en M. toegekend. Heeft Willem hier, wat aan geen twijfel onderhevig is, het laatstgenoemde begrip willen uitdrukken, dan moet hij zich ontegenzeggelijk van een ander woord hebben bediend, en wel, naar we mogen vermoeden, van een in dien zin volkomen begrijpelijk bijvoeg, nw. onbesj/roken, dat door een afschrijver tot on bescaven kan verhaspeld zijn; (vgl. het Dietsche besftreken â âberispenwaarvoor de bewijsplaatsen in het Mnl. Wb. zijn te vinden).
Met gemelde verknoeiing moet natuurlijk een verandering van het rijmwoord in vs. 18 zijn gepaard gegaan. Vandaar ons recht om kwaad vermoeden te koesteren tegen het in genoemden regel aangetroffen raven. En hoe zou bovendien de vermelding van dezen vogel hier ter plaatse te pas komen? Bestaat er eenige grond om aan te nemen, dat juist dit roofdier bij uitstek als de type zou hebben gegolden van overmoed en vitzucht? Is het niet veel waarschijnlijker, dat de dichter zijn mogelijke bedillers heeft gelijkgesteld met een categorie van menschen, die âemmer sijn al even malschquot; (= overmoedig), dus met een soort van wezens, waaraan de Dietscher den naam
105
van fjocc placht te geven? (Voor dit (]oec, dat oorspronk. .,kült;^küek*, heeft beteekend, vgl. men Wal. 8716 en Tor. 2216, waar de samenhang duidelijk genoeg de bijzondere opvatting âwaanwijze dwaasquot;quot;' laat te voorschijn komen).
Vs. 24 en 25. De inhoud der zeven regels, die in het ms. op dit vs. volgen, staat in lijnrechte tegenspraak met de uiting, in vs Iâ9 vervat. Heelt Willem de laatstgenoemde woorden geschreven, dan kunnen de eerstgemelde onmogelijk uitzijn pen zijn gevloeid, en omgekeerd. Van onechtheid der vss. 1â9, van een ontleening dier regels uit den proloog van R. 11, kan geen sprake zijn; want had zoo iets, gelijk Willkms in zijn in/c/r/. op den ''pag XXVI -XXVIII) meende, werkelijk plaats gehad, hoe zou het dan te rijmen zijn, dat daarbij ook niet te gelijker tijd de eigenaardige elementen van li. II waren overgenomen, nam. de voortzetting van quot;t gedicht na liruun's en Ysingrijii's bevrijding en de hiermede samenhangende wijziging in quot;t verhaal van Heynaerfs veiligheidsmaatregelen na zijn terugkeer van het hof? Kan men daarom wel een oogenblik aarzelen de woorden Dat cn scfighic uict â Dcsc avoutuere nan Rei/uaerde aan de hand toe te kennen van een afschrijver, welke de trouwens in onze Mnl. litteratuur niet volstrekt ongewone) beleefdheid heeft gehad zich met den oorspronkelijken dichter te vereenzelvigen en die hier bepaaldelijk de neiging gevoelde den volke bekend te maken, hoe een of andere dame hem tot het ter wereld brengen van zijn zoogenaamd papieren kind had aangespoord?
De behoefte aan een rijmwoord op Reynaerde verklaart ons verder de wording van die (jronyaerde} dat we als een onnut inlapsel uit den tekst zullen moeten verwijderen, met overbrenging van âAl begripic,, naar vs. 25.
De verwijdering van het eerste eride iu laatstgenoemden regel spreekt thans vanzelf.
Vss. 69 71. So verre comen levert hier niet den minsten zin, geeft althans geenszins weer, wat volgens den samenhang noodzakelijk vereischt is: het verhaal van de bijeenkomst der partijen om den zuiveringseed respectief te hooien of af te leggen. Met de door mij voorgestelde, in hoofdzaak ook uit een graphisch oogpunt eenvoudige wijziging in vs. 69, wordt dat onmisbare element in den tekst gebracht; (de verandering van wi waren in het icas mag als een noodzakelijk gevolg gelden der verbastering van OlVCf iquot; fOD'rC).
De invoeging van Naer, ter inleiding van den tijd of den grond der samenkomst, de verwijdering van het volstrekt onpassende af en de vervanging van Endc door Dat wijzen zich als vanzelf aan. (Vgl. voor de beide laatste emendaties: âHierbinnen so was dach (jhenomen, dat tvolc te wighe sonde comen'quot;; âwi vort... hadden r/cwowicw dach, dat wi te gadre souden somenquot;quot;'; âso werd daer.. . een dach (jenomen ... dat men te perlemente sonde eomeirquot;1; âDoe namen si dach, dats'i wouden dat haer liede vergaderen souden'quot;; citaten uit Parth., Lanc., Velth. en Merl., in het Mnl. Wb. bijeengebracht).
Ji. II (z. aid. 89â91) bevat dezelfde verknoeiing als de Comb, tekst. liet Lat. heeft in dezen passus een lacune.
Vs. 93. Ofschoon men, te oordeelen naar het standvastige mann. geslacht van Jrost, koude, in de verwante oudere dialecten, âeenen of een vorst'quot; i. pl. v. âccjjc vorst'1'' zou verwachten, zoo waag ik te dezer pl. toch geene verandering: 1° wegens het voorkomen derzelfde lezing in vs. 236; 2° wegens de lezing ,.r/ro/e vorstquot; (als accus.) in R. 11, 2682, tegenover âin eenen vorstquot;quot;, in vs. 113 van datzelfde gedicht.
Vs. 113 en 116. Tegenover J.'s en M/s wijziging van âdie claghe'quot; in ârfcr claghe,,,
106
Iaat ik hier de lezing van hot hs. onaangetast. Vgl. naast de meer gewone constructie van outhcren c. genitivo ook: âDese vier... Kn moehte aertrijc ontberen niet'quot;, Lsp. 3, 18, 45; âMelioers... Die hi so langhe hevet ombeertquot;, I'arth. 2120; âKnde Gods loon daer omme ontberenquot;, Plagli. 22] 3; âHine wilde in ghcre wijs die vaert Ouberenquot;, Wal. 27 7G; enz.
Vs. 123. Jonckbl.'s niet geringe verandering van eere lag he in omberen clay he berust op willekeur. Hij de kleine door mij voorgestelde wijziging krijgt het vs. een goeden zin: âWat dunkt u van de volgende beschuldiging?,,
Vs. 136. G., W., .1. en M. lezen hier siyiyhen voor te zmjhene. Men bedenke echter, dat in het Mul. de van beghinnen afhangende onbep. wijs facultatief met en zonder te werd geconstrueerd.
Vss. 141 en 142. J. en M. veranderen hier racrde in raert, Hei/naerde in lieynaert. Men vgl. echter mijne Mnl. Spraakk. § 275 en 291 en z. ook Fu. in Ml.'s Proefschrift, bl. 23.
Vs. 146 en 152. Ik waag het niet de hier in quot;'t hs. voorkomende lezing Coewaerde, Coewaert, te wijzigen; want, zoo men in onze Dietsche teksten capoen, caproen, jiusoen, enz. (Ofra. capon, capron, puson, enz., met een als oe uitgesproken o), nevens capuun, capruun, jiasuun, enz. aantreft (z. mijne Mnl. Spr. § 45), behoort ook het meer oorspronkelijke Coewaert (Ofra. Coart, Couart) naast den gebruikelijker, met een gelijk klankwijziging ontwikkelden vorm Cu(w)aert tot de mogelijkheden.
Vss. 175 en 176. 1 Tit de lezing van ons ms. verwerp ik den tweeden, derden, vierden en zesden regel, t. w. die verzen, welke op het âsoendinequot; betrekking hebben ; ongerijmd toch zou liet mogen heeten, zoo Grimbeert, bij het uitspelen van een troef tegen den wolf ter beseherming den vos, zijn aanval begon met een voor-stol tot verzoening der beide vijanden. Ware hier daarenboven niet veeleer een behoorlijk vervolg te verwachten op het in vss. 171â174 gezegde, nam. een verwijt, tot Ysengrijn gericht wegens diens onbeschaamdheid om , terwijl hij zelfde meeste schuld tegenover Reyn. had, zijn verhouding tot dezen ter sprake te brengen? En een zoo-danigen zin verkrijgen we na de gemelde uitwerping op een allereenvoudigste manier: lquot; door de beide geringe veranderingen, in den vijfden regel aangebracht, waarbij die woorden in een behoorlijk verband met het voorafgaande f/lci komen tc staan â 2' dooi' de invoeging van een bij âangaenquot; behoorend en blijkbaar uitgevallen object, 'twelk tevens vasten grond verleent aan de bepaling âVan minen oem ende van hu', die anders (ook bij het behoud der interpolatie) in de lucht hangt.
In het Lat. (z. aid. vs. 93 en !i4quot;) wordt van het âsoendine'quot; met geen enkel woord gerept. Evenmin in li, II, 194â197:
âHeer Isegrijn, waert u selver lief Knde ghijt dorst also aengaen,
Die den anderen meest had misdacn Van minen oom ende van uquot;;
waar de tekst intussehen gelijksoortige sporen van bederf vertoont, die eveneens de gevolgen zijn van het uitvullen van't oorspronkelijk bij âaengaenquot; behoorendc voorwerp. Misschien mag men aldaar evenwel in nlso nog een spoor van het vroeger aanwezige Inle, erkennen.
De verandering van wildi in wilt yhi is noodzakelijk wegens de verbinding van het personale met een relativum.
107
Vs. 185. De door G., W., J. cn M. voorgestelde weglating van .So vóór âdicwilequot; wordt noch door den zin noch door het metrum gevorderd.
Vs. 196. Tegenover de vroeger (/,ie Tsch. 1, G, en 2, 2üfi) in dit vs. gemaakte wijzigingen:
ââ¢Doe ghi dacr anc hadt iihcascf,
en
âDoe ghi ii daer une hadt verasef,
heb ik gemeend een eenvoudiger verandering te moeien voorslaan, welke den tekst nader bij R. II, 216: âDacr ghi selve mede asetquot;, en de Lat. vert, 102; âQuamvis his nimium tn satnratus erasquot;, doet blijven.
Met betrekking tot de tweede der genoemde eonjeeturen zij voorts nog opgemerkt; 1° dat het Mlt. nimium ook âzeerquot; en niet uitsluitend âal te zeerquot; beteekent; 2° dat oen voorstelling in Reinke, welke van die der oudere redacties afwijkt, geen recht verleent do laatste in don zin dor eerste te veranderen.
Vs. 210. Over het onjuiste van J.'s en M.'s lezing was z. men Fit. in Mi.'s Dissertatie , bl. 25.
Vs. 213. .1. en M. voranderon hier loarpene in ivarj), doch ten onrechte, dewijl de herhaling van hot pronom. person., dat in gelijken casus en vorm bij twee ge-coürdineerde verba behoort, juist tot do cigonaardighoden der Mnl. grammatica behoort.
Vs. 218. De invoeging van eist naar R. II, 240, âNoehtan is( moorre onghcvoechquot;, is van de hand van M.
Do verandering van om meer in emmer heb ik, niettegenstaande laatstgenoemde lezing âist meerrequot; on het Lat. âmayis est mirandumquot; (vs. Ill), noodzakelijk geacht, dewijl oen door dien comparat. uitgedrukte voorstelling in dezen samenhang volstrekt niet te pas komt, en daarentegen een door emmer â âin ieder gevalquot; aan de gedachte verleende kleur hier uitnemend op hare plaats is. Verkoolde opvatting van ânochtanquot; {â âdaarenbovenquot;) als âevenweVquot; on de mooning, alsol'op hetgeen in vs. 217 gezegd was nog een nieuw schelmstuk van K. zou volgen, haddon een afschrijver waarschijnlijk tot do malle correctie meer verleid.
Vss. 221 on 22C. Hot onbeduidende van den inhoud der beide regels, die in ous hs. op vs. 221 volgen, en hot ontbreken van deze in R. 11 ') geven hot reclil hier oen interpolatie aan to nemen.
Ook het Lat., 113 on 114:
âQuod dilexit oum lupa per tompus seio longum.
Tali fervontes igne dodere lidomquot;,
waaraan vermoedelijk oen afwijkende lezing in het Mnl. origineel hoeft ton grondslag gelegen, wijst niet op do aanwezigheid der gewraakte zinssnoden.
Do Comb, lozing van vs. 222 hangt kennelijk samen met de besproken interpolatie, de verandering in onzen tekst met het verdwijnen van dat inlapsel.
') aldaar vss. 241â24.');
âDat gi laot elaghou over sijn wijf. Die Uoinaert al haer lijf Hooft ghomint; so doet hi haer, .la het is langer dan seven jaer. Dat mijn oom heeft haer trouwe.quot;
108
Vs. 236. Z. bov. dc aantcek. op vs. 93.
Vs. 261. Voor hot onnoodigc ocncr door V. in dit vs. voorgestelde omzetting « zie Tschi'. I , 7, oj) vs. 270) verwijs ik naar de noot onder aan ])ag. 101 van mijn Mul. Vcrsbomo.
Vs. 269. Voor het behoud der lezing van het ms. âciidc hiet Coppe'''', tegenover G.'s, W.'s, .J/s en M/s verandering in âhiet Coppev,, vgl. men de Vondel-yr. 11, bl. 03.
Vs. 270. Ken dat. s. tem. die van het pron. relat. wordt, ofschoon betrekkelijk zeldzaam, toch vaak genoeg aangetrotien , om ons het recht te ontzeggen hier met ,ï. en M. dier i. pl. v. die te lezen. Vgl. mijne Mnl. Sj)r. § 364/i
Vs. 273. Noch het metrum noch de zin noodzaken ons in dit vers tot de door
aangebrachte wijziging van âwcr dc hare gaende',', in ,,/we gaende.',',
Vs. 285. Voor het behoud van tegenover G/s, W.^s., J.^s en M^s lezing een, verwijs ik naar mijn Mul. Spr. § 3676.
Vs. 287 -289. Bij de lezing van ons ms. komt dc persoonlijkheid van Tinte en Sprocte niet duidelijk genoeg uit en wordt van Cantaert en Crayant dubbel en dwars verteld, dat ze uiterlijke teekenen van rouw vertoonden, terwijl we omtrent de beide hennen alleen vernemen, dat âHem was te moede arde sware Van der suster, die si hadden verloreir' (z. vss. 280* en 200N. Daarom heb ik het hier gewaagd, niettegenstaande de overeenkomst tusschen li. 1 en li. 11 *), twee verzenparen om te zetten, âCoppen broeders''' door âCoppen sustreuquot; te vervangen en achter waren het woordje oer en vóór droe(ihen het relatieve ende in te voegen, wijzigingen, waarbij de twee dames niet alleen behoorlijker en duidelijker aan den lezer worden voorgesteld, maar ook haar wettig aandeel in de weeklachten erlangen, en tevens het hinderlijke en plompe verdwijnt, waardoor zich het tweede âCoppenquot; in de Comb, lezing kenmerkt. Vgl. ook in het Lat. 130â141 :
âPintaque cum Sprota feretrum gestat, dolor harum Non modieus tuerat, flent nimis atque gemunt:
Germanae Coppae tuerant.v,
Vs. 299. Onbegrijpelijk is mij dc door .1. en M, aangebrachte verandering âSere tharen on^ville,,, daar toch de lozing van ''t hs, in dit vers zoo zuiver mogelijk is.
Vs. 307. De hier door M. naar /i. 11, 357, voorgeslagen verandering van jong her in schoner is volstrekt onnoodig. .Tougher levert een uitstekenden zin.
Vss. 313, 321 en 1070. Zie; voor een mann. substant. muer Ve. 4, 101), Al. 0, 076, Sp. I5, 55, 18, La. 1, 31612, 31802, Limb. 2, 1105; 5, 1020; Ko. 5032, Sto. 0, 356, Bpl. 2 v., Bs. Y. 1, bl. 153 en 473, II, bl. 56, VI. 2, 71, D. B. Ezech. c.
]) Z. vss. 333â337:
âDie waren Coppens broeders twe Ende riepen wach ende we Om hacre suster Coppens doot. Si dreven rouwe ende droef heit groot, Pinte ende Sprocte droeghen die baer.',',
109
4, enz. (Ags. mür masc.), naast een temin. mure Sto. 9, 350, 511, Mlp. I, 22.38, 2245, Br. Y. III, bl. 56, Ps. 67 r., Dbvt. 129 r., J36 v., 143 r., 144 v., 239 v.. Hi. 294, Vb. 137 r., St. 92 r., Ap. 22 r., Sw. 56 v., Ot. 158 r., Okr. 67 v., 68 r., enz. (Ohd. mura vrouw.) At' te keuren is mitsdien de hier door en M. gemaakte verandering ere, een mure en de mure.
Vs. 321 en 322. De door G. voorgeslagen, door W., ,1. en M. overgenomen omzetting van de volgorde dezer vss. is onnoodig. Alleen sehrappc men in 322 het in ieder geval onpassende Want. Zie ook op vs. 313.
Vs. 323. Onnoodig is hier natuurlijk de door .1. en M. noodwendig geaehte weglating van om. Vgl. ook in ii. 11, 373: âKnde leide om ons sijn laghen.,,
Vs. 333 en 334. G., W., .1. en M. veranderen hier quijte en kerm ij te in lt;/uijt en hermijt. Voor het goede recht der eerste vormen vgl. men intnssehen § 2 78 en 318, opm. 2, mijner Mnl. Sjgt;rk.
Vss. 348 en 349. In plaat s van J/s en M .quot;s verandering van (jhedaen vele zint re in ghedoghet twnren, heb ik gemeend, met engere aansluiting aan li. II, 398 en 399;
âEnde leefde in penitencien stvaer,
Hi had onttaen om die souden sijn.''''
liever een reconstructie te moeten voorstellen, waarbij het eerste vs. onaangetast blijft, en, in verband met âghedaen vele (d. i. zeer) zware'quot;', het nomen peniteucie overgenomen, meneghe pine verwijderd en sine sonden in die souden sine gewijzigd wordt. Begrijpelijker toch dan een verbastering, gelijk ze naar .I/s conjectuur ware aan te nemen, mag de verknoeiing genoemd worden, welke bij de oorspronkelijkheid van mijn lezing moet hebben plaats gehad : er behoefde in het origineel van een of ander copiist slechts het woord penitencie te zijn uitgevallen om dezen tot een redactie te brengen, zooals ze tot ons gekomen is. Zonder behing is het ook niet op te merken, dat de penitencie op deze plaats veel beter van pas is dan de pine. Vgl. ook Ml. op vs. 370.
De uitwerping van hi, in 348, door fl. en M. noodig geacht, is volstrekt af te keuren (vgl. de Aant. bov. op 213).
Vs. 356. De beteek. âafstand doen van,'gt; is in het Mnl. even goed eigen aan ven/heven als aan heg heven. Vandaar het onnoodige van M.'s lezing betjheven, ter vervanging van de Comb, lectio vergheven.
Vs. 370. Voor het goede recht van quot;t behoud der lezing van ons hs., tegenover â¢J/s en M.'s wijziging âmet al minen broede,,, vgl. men de citaten, in het Mnl. Wh. onder Al, als bijw., rubr. yquot;, bijeengebracht, en inzonderheid de plaats uit den Hl). 1705 âa/ sonder kint.v'
Vs. 383*. 1( â¢est hier: âdes laet u ontfaermen.M Naast de gewone constructie van on ij hermen met den datief des persoons en den geuit, der zaak ontmoet men evenwel nu en dan ook een woordvoeging, gelijk aan die van onzen tekst. Zie b.v.: âhaer ontfaermet dine etu/eenquot;, Mart. I, 99; âgod, mijn (/rod seer Moet n ontfarmen,^ Limb. I, 839; âdat mi meer ontfermde Huren rouwe (uom.) e)ide hare
') Voor de hier gebezigde verkortingen zie men de /.Ijst v. verhort, vóór mijn Mnl. Spr.
110
imiimerhede1', Limb. 1, 2r)lt;,)9; âGhi ontfarmt mi herde serequot;, Limb. 4, 9r)2; âMaar hem unttermde ilese valsce daelquot;, V. Velth. 1, 49, slot.
Vs. 390. Voor de verandering van heej'se in heej'tse (quot;zie G., W., .1. en M.) bestaat hier niet de minste grond (vgl. § 213(7 mijner Mnl. Sjtrlc., waar men een tont, dooiden zetter begaan, verbetcrc door achter âpersoonl. vnw.quot; in te voegen: ol' het enclit. pron. se, si, soe).
\'ss. 447 -449. Bij een vergelijking van den tekst van 't Comb. ms. met dien van li. 11, 503â505:
âDat bi dor scade noch dor vrome Des en laet, ten hove hi come Totten coninc, tsyne ghedinglicquot;;
blijkt het zonneklaar, dat de laatste den eersten in vloeiend- en zuiverheid verre overtreft. Het kwam mij daarom aanbevelingswaardig voor eerstgenoemde redactie mutatis mutandis naar de andere te verbeteren (vgl. ook Mi., op vs. 473), te meer daar het bij een oplettende beschouwing onmiddellijk blijkt, hoe licht de minder juiste lezing bij verknoeiing uit de vermoedelijk oorspronkelijke had kunnen te voorschijn komen: bij het afschrijven van den inhoud des bevels vielen een copiïst de woorden âsoude te hove rumenquot; in 't oog; deze kwamen hem als de hoofdzaak voor en werden daarom in de eerste plaats opgenomen: en toen dit eenmaal was geschied, bleef er, om den tekst althans eenigszins weer in orde te brengen, wel niets anders over dan het laten volgen van de overgeslagene woorden âno dor scaden â ne lette binequot;, het invoegen ecner achter ânc lettequot; onmisbare subordinatie en het verwijderen van de bepaling Toten coninc, wier behoud het derde vs. thans te lang zou hebben doen worden.
Voor de verandering van het uitnemend passende telle in Hele (vgl. .7. en M.) bestaat er geen billijke grond.
Vss. 451, 455, 1239, 2248. Het herhaaldelijk voorkomen van dit bodscaji ontzegt ons liet recht dien vorm door het normale boedscaji te vervangen. Veeleer zullen we hier aan en wisselvorm hebben te denken, waarin de oorspronkelijke zuivere voc., onder den invloed van het subst. bol, mededeeling, bekendmaking, door een onzuivere was vervangen.
Vs. 467. J. en M. werpen hier liet pron. uit voor âsul naken,^ Men vgl. echter hetgeen in de Aant. bij vs. 213 is in 't midden gebracht.
Vss. 474 cn 475. Ter aanvulling van het in Tschr. 5, 249 en 250, opgemerkte, wijs ik er op, dat de volgorde in R. 11 voor het oorspronkelijk ontbreken van âhadde'quot;, in 474 en voor de oorspronkelijke aanwezigheid van dat hulpww. in 475 pleit.
Vs. 482. Waarom hier met J. en M. naar de prozabewerk. âvan Maup.v, te lezen?
Vs. 483. Natuurlijk zijn we verplicht hier, tegenover W., »1. en M., het woordje Dat in den tekst te handhaven. Men lette op de voorbeelden, voor een dergelijk gebruik van dat, in het Mnl. Wh. 11, 83, en de Vondel-(jr. § 208 gegeven; in het voorlaatste werk wordt dit demonstrative pron. evenwel minder juist een âvoeg-woord^ dat genoemd.
Vs. 488. De hier door W. gemaakte, door .1. en M. overgenomen verandering van Daer in Dov. is volstrekt onnoodig. Vgl. Fu. in Ml.'s Dissert, op vs. 520.
Vs. 496. Voor het gebruik der zegswijze voer hem brhujhen == âmeebrengeirquot; vgl.
Ill
men het Mnl. ]Vb. 1, 1442, en Mor. 1004. Ten onrechte heeft daarom M. in dit vs., tegenover J., de praepos, voer in mei veranderd.
Vss. 515 en 516. Tusschen het te voren verhaalde en den volgenden dialoog van den vos met Bruun missen we in /i'. I de onontbeerlijke vermelding van Uevmiert's te voorschijn treden uit zijn hol; kwalijk toch kan men aannemen, dat onze slimmerd, die, om ongestoord zijne plannen te kunnen smeden , zich âin sine donckerste haghedochte'quot; had teruggetrokken, van daaruit zijn gesprek met des konings bode voerde. Zeer juist geeft dan ook A'. II, in plaats van de beide in quot;t Comb. hs. onmiddellijk achter 514 staande regels, het volgende te lezen (585 en 58C): âNa desen ghedochten hi nut trat Tot Brimen deu beer ende spracquot;.
En vinden we nu dc twee hiermede overeenkomstige verzen werkelijk in R. 1 terug '), doch eerst na afloop dor onderhandeling tusschen dc beide dieren (zie dc ed.'s van J. en M., 627 en 028), alzoo op een volstrekt ongepaste plaats, zijn we dan niet verplicht in dat distichon een naar beneden verdwaalden passus te zien, die jure suo in zijn oude rechten dient hersteld te worden, welke de schepping eens afschrijvers Doe sjmic Jiei/nnerl - hebbel daiic zich had aangematigd ?
Vs. 530. Vgl. voor de hier aangebrachte interpunctie Ml. op vs. 562.
Vs. 546. Bij het afdrukken van den tekst meende ik, dat de beide vss., welke in liet ms. op 546 volgen, als onnutte herhalingen een athetese verdienden. Uij nader inzien komt het mij evenwel thans voor, dat die veroordeeling onjuist was en integendeel de herhaling hier ter plaatse uitnemend in overeenstemming is met de opgewondenheid, waarin Bruun geraakt bij het vooruitzicht om misschien zijn lievelingsspijs te kunnen genieten.
Ook in R. 11, 633â634 vindt men diezelfde regels. Dat het Lat.') eu lie/inke *) hier korter zijn, bewijst slechts, dat dc vertalers de strekking der herhalingen niet begrepen hebben.
Vs. 554â556. In plaats van deze drie verzen en de beide in ons lis. tusschen 555 en 556 staande regelen vindt men in 7i. 11, 642â644:
â1st u eeru.itquot;, sprac die rode,
sefft mi; moochdi lionich eten ?
1c seis u so vol doen meten'quot;'.
Aan de hand dezer lectio herkennen we in vs. 554 van li. I als den oorspronke-
') Zie ; âNa dit peinsen ghinc Ueynaert buut
Ende sprac al over lunt1quot;:
â ) Zie aldaar 240â248:
âDulcius bis nihil est, nil amo melle magis. O bone Keynardel tu procura mihi mclln, Ad linein vitae dulcis amicus croquot;. quot;) Zie aldaar 567â570:
âHouich is ene so söte spyse.
Die ic vor alle gherichte prvse.
Ueinke, helpet my dflrby to komen,
Ic wil wedder schallen juwen vromenquot;.
112
lijken aan ht u eernst beantwoordenden term een uitdrukking, die in volkomen overeenstemming is met den inhoud der voorafgaande verzen (551â553 van onzen tekst), nam. ^meendijs yet?quot;. Evenzoo helpt gemelde lezing om de onechtheid meer dan waarschijnlijk te maken van den passus Bi huiver trauwe)i, laet mi weten, die niets zegt, en van het daarop volgende Mochtijs yet, ic souts hu saden, dat vs. 55G tot een lamme herhaling zou stempelen; terwijl ook het middel om heraden, van 55C, door het oorspronkelijke rijmwoord op heten te vervangen, uit diezelfde plaats kan worden ontleend; (vermoedelijk had Willem hier het ww. meten in een opvatting gebezigd, welke het Mhd. mezzen meermalen vertoont, t. w. die van âtoemeten, verschaffen, bezorgel^,; de zegswijze vol doen meten althans, die in li. 11 voorkomt, past noch in deze noch in de oudere redactie bij hetgeen in de daarop volgende vss, gezegd wordt).
Voor de invoeging, naar li. II, 643, van Dat secht mi pleiten de woorden der interpolatie laet mi weten-, uit deze toch mag men opmaken, dat er ook in het origineel een dergelijke aansporing zal gestaan hebben.
Vs. 572. Het verb, (/uani is te dezer pl. ten eenen male ongepast en hoogst denkelijk alleen hierdoor in ons vs. gekomen, dat een copiïst, die in zijn voorbeeld âDoe ghinc Brunev, las, doch niet op het volgende âgheloveirquot;' lette, dit ghinc als âging wegquot; opvatte en, het mitsdien onjuist achtend, in quam veranderde, alzoo een lezing in den tekst bracht, welke een later afschrijver aanleiding kon geven om door de invoeging van ende (jhinc een zoogenaamde verbetering aan te brengen.
Vs. 588. De door J. gemaakte en door M. overgenomen wijziging mi daronture is onnoodig. Vgl. ook in li. 11, 6154: âWaer mijn aventure goetquot;.
Vss. 627 en 628. Voorzeker kon Keyn. het laten voorkomen, iilsol' hij voor schande vreesde, wanneer door ziju toedoen ISruun een ongeluk overkwam. Maar wat zou daarmede de mogelijkheid van verlies van have te maken hebben, waarop de woorden âware unthervetquot; wijzen? De lezing van li. II geeft ons hier den weg aan ter verbetering; vgl. aldaar vs. 719 en 720;
âSo dattet uwen live iet deert;
Want ic waer dacrme.de outeerC.
Vs. 640. Noch de zin noch het metrum vordert de door W. voorgestelde en door .1. en M. overgenomen weglating van Knde.
Vs. 642. De lezing van ons hs. kunnen we, tegenover en M.'s wijziging van Die daer in Dien hi, onveranderd laten. Die, als relatief met âHevnaertquot; (in C4o) in verbinding gebracht, geeft een uitstekenden zin.
Vss. 659 â661. De bescherming, hier vroeger door mij aan de haevde verleend (zie Tschr. 5, 251, op vs. 701), meen ik thans te moeten opgeven, en dat wel, aangezien het uit den verderen loop des verbaals duidelijk blijkt, dat Lamfroit, zonder uog iets van den beer af te weten, naar zijn âceckcquot; komt loopen, en alzoo wel een haex, als timmermansgereedschap, doch geen bnercle (â âstrijdbijlquot;; op diens nek zou passen. Met de betrekkelijk geringe wijzigingen, door mij aangebracht, wordt de tekst zoowel van de boerde als van het daarmede samenhangende heide bevrijd. Voor niet en «pnerde vgl. men in li. II, 748; âDat Lamfroit miller hiesl ((uam uutquot;.
Vs. 664. Voor de uitnemende verbetering uumeere zij verwezen naar Tschr. 1,11â1.1. In plaats van het aldaar gereconstrueerde vasten zou ik echter de ietwat grooter
113
verandering in e/e;* willen voorslaan, daar we toch aan eerstgenoemd verbum moeilijk de door D. V. aangenomen beteekenis âophouden te etenquot; kunnen toekennen, en zelfs, al ware dit liet geval, in verband met'den samenhang van Reyn/s woorden hier eer een aansporing om flink te eten dan een aanmaning in tegenovergestelden zin zou te verwachten zijn; (vgl. ook het Lat. 295: âGaude, manduca. mi Brune P'*). Zou dat vaste van den Comb, tekst niet eenvoudig een gevolg kunnen wezen van de verknoeiing mineeren 1
Vss. 674 en 675. Do onzinnige vermelding van dat naeste dorp geeft ons alle recht om argwaan te kot^steren ten opzichte van de echtheid der twee verzen, die in liet hs. op 674 volgen. Ze ontbreken daarenboven in R. 11; vgl. aldaar, 769 -771:
âDaer hi wist sijn gheburen naest,
Ende riep al doe mitter haest:
In mijn hof is een beer ghevaen.,,
Het verwijderen van dit emblema maakt in 075 de herstelling noodig van Ende riep, dat na de invoeging der interpolatie uit den oorspronkelijken tekst had moeten wijken.
Vs. 699. Voor de verbinding van dit vers met het voorafgaande in pl. van met het volgende zie men Ml/s. juiste opmerking op vs. 7.38.
Vss. 702 en 703. Vgl. de veel kortere manier van uitdrukking in H. 11, 7!tC en 797 :
âDus broeht hi thoofl met pinen uut;
Daer bleven die oren ende beide die lier.quot;
Moet die bij ons niet liet vermoeden wekken, dat ook in li, I oorspronkelijk een overeenkomstige le/.ing gestaan hecl't en de verdeeling der woorden over vier regels het werk was van een minder handig eopiist ?
De invoeging van re achter âhiquot; is noodig ter aanwijzing van de plaats, waar dat oor en die wangen werden achtergelaten (vgl. in li. II âDaerquot;). Sijn voor sine wordt door het metrum geeischt.
Vs. 711. Voor het onnoodige eener omzetting in dezen regel (z. Vekdam in Tschr. 1, 7, op vs. 753) vergelijke men de noot onder aan bl. 101 van mijn Mnl. Versbouw.
Vss. 716â718. Van de verzen in het Comb. hs., die ik door 716 -718 van onzen tekst heb vervangen, bevatten yâ0 een lamme en plompe herhaling van hetgeen we aireede te voren (z. bov. 084âG!)5) hadden vernomen, en maken tâA een element uit, dat oorspronkelijk achter 092 thuis hoorde (z. de noot onder aan den tekst bij fi92â694) en in ons hs. ot' in eenig daaraan ten grondslag liggend ms. bij ongeluk naar dit gedeelte van het gedicht was verdwaald geraakt.
In /3, met zijn vreemde bepaling smt onder die :oiiiie, en in a, met zijn onzinnigen inhoud (= hij durfde niet blijven noch vluchten), kunnen we, bij de groote waarschijnlijkheid der interpolatie van â¢/. ^equot; kwalijk iets anders zien dan afschrijversfabricaten, waarvan hot eerste in den tekst was gebracht ter wille van â¢/, het andere ter wille van vs. 71.'), dat bij 't ontstaan van bedoeld emblema zijn rijm-wi'derpaar had verloren.
In plaats van den geheelen passus vindt men in li, II, 8(18â81(1;
8
114
âEnde Lanfreit (jutnn tot hem mettien,
Dio pnc]) met ui sinon prochiaen linde begonden hem Ie s/nei?quot; ')
waarvan enkele bestanddcelen, nam. de vermelding van âLamfroytquot;, den âpriesterquot; (âpaepquot;)en de âproohiaiiequot;, in het besproken inlapsel worden teruggevonden, een omstandigheid , die ons tot het vermoeden wettigt, dat de gewraakte verzen door een eopiist waren samengeflanst uit de disjecta membra van den oorsnronkelijkon, met de lezing van /{. 11 overeenkomentlen tekst en de herinneringen aan hetgeen vroeger omtrent de aanstormende dorpsbewoners verhaald was. Vandaar dat wc mogen trachten aan de hand van 7', II de oude redactie van Willem althans ongeveer te herstellen, door met de elementen van li. 1, welke hoogst denkelijk uit de origineele lezing waren overgebleven, de pracdicaten te verbinden, die naar allen schijn in /?. 11 op oorspronkelijkheid kunnen aanspraak maken 3).
Bat Bulduinns' origineel reeds het eerste gedeelte van quot;t emblema (a -â¢/) heel't bevat, zien we nit vss. 325 en 32G der vertaling. Het andere zoekt men aldaar echter even vruchteloos als in R. II.
Vs. 724. De vss. a en /3, welke in het hs. op regel 724 volgen, behelzen een dwaas inlapsel, dat in It. II ontbreekt (z. aldaar na 818) en uit de pen van een poëtaster moet zijn gevloeid, die âdreechdem nu an sijn velquot; niet in de werkelijke beteekenis âwilden hem te lijfquot;, maar in den zin van âdreigden hem met woordenquot; opvatte. Het Lat. stemt blijkens vs. .li4 âqui non anderent, si suns ipse Ibretquot; met K. I overeen).
1)i' regels â /â0 zoekt men vergeefs zoowel in It. II als in het Lat. Ook hier schittert de dichtgave van een of ander leuterend en woordenrijk eopiist, die met zijn opmerking over eere riviere zijn geachte hoorders en lezers op do volgende geschiedenis, bij en in het water, begeerde voor te bereiden.
Met deze uitwerping staat de wijziging in verband, welke we in 724 naar /»'. II, 818, hebben aangebracht; want Sulc en nu, in R. I, zijn kennelijk alleen de gevolgen der besproken interpolatie.
Vs. 725. Ook dit vs. wordt in R. II gemist. Wegens de vertrouwbaarheid van zijn rijmwederpaar (726), in Tl. I, aarzel ik evenwel niet dien regel in onzen tekst te handhaven.
Vss. 730 732. Niettegenstaande Kaislhk's opmerking in het Hde 1). zijner Denkmaler, bl. XXII, en het daaraan door 1). V. (Mnl. Taalzuiv. bl. 124), J. en M. gehechte zegel, kan ik toch niet nalaten tegen de lezing scerjie Uujhe koken â âslaag gevenquot; bezwaar te maken. Weliswaar bezigt en bezigde het Nhd. de termen einen (of einem)
') Deze laatste regel ontbreekt in het lis. van li. II, maar is in den tekst terug te brengen naar het proza II r.: âLantfert, die quam tot hem met den pape ende voert met alle den perrochianen ende begonnen te slaen.quot;'
2) De verzon, welke men in li. II aantreft tusschen 810 en den regel, die aan 719 van onzen tekst beantwoordt, t. w.:
âEnde te steken wel ghcdichte Op dat hoofd ende bi sijn aensichte:
Hi ontfenc menighen steec ende slach quot;
heb ik niet durven overnemen, dewijl ze van ongeveer denzelfden inhoud zijn als de later volgende beschrijving van den aanval op Uruun.
115
mil schar/'er lauyen waschen, zwarjen, einen mil lawje übergieszcn en dergel., in den zin van âiemand den mantel nitvegel^,, âzieh op iem. wreken'quot;', maar in geen enkel der citaten, in liet Deutsche Wib. op lauye vermeld, vindt men een voorbeeld van het gebruik der uitdrukking met een werkw. hochen ol' steden of, in verbinding m(;t een instrument om te slaan, in de beteek. van âslaag geven.^ Kn zouden we dan tegenover deze feiten het recht hebben een zoodanig scerpe log he leuken aan te nemen als een Mnl. spreekwijze, met de opvatting, door bovengenoemde geleerden daaraan toegekend ?
Dat men trouwens in de Reiuaert-hss. dat scerpe loghe als een eigennaam beschouwde, leeren we uit het daarvoor in de plaats gekomene Baerdeloghe, in U. II, 832. En hoe begrijpelijk is hier daarenboven de vereeniging van twee contrasten, van een dame Scerpe log he, d. i. âvrouw Maltentigquot;'', en een dame Vuelmaerte (zoo leze men hier natuurlijk in pl. van het zinlooze Vulmnertc), d. i. âvrouw Vnilpoes,, 1
Mogen we voorts in een der bestanddoelen van de beschrijving dezer historie in R. 11, nam. in :
âBac.rdeloghe ende Ave Soete Abel Quae ende vrou Bave,
Die paep mit sinen crnusstave',', (832â834)
nog een spoor van den besproken passus uit li. 1 herkennen, dan ligt het voor de hand hier âAbel Quacv, en âvrauwe Ijavequot; met de beide vooraf genoemde personen Wiel-maerte en Scerpaloghe te eoördineeren en alle vier lui te zamen als de subjecten van het gezegde âGhinckenev, enz. oj) te vatten, iets wat bij de door mij voorgeslagen omzetting eenvoudig kan geschieden.
Met het verdwijnen der log he moet natuurlijk ook het verb, koken vervallen, dat waarschijnlijk niets anders dan een verknoeiing van stoten is geweest.
Vs. 733 Ten gevolge van de zoo even toegelichte omzetting gaat de vermelding verloren der personen, die zich met het bakkeleien vermaakten, waarvan de vss. Laf/hen - cloete een verhaal geven. Maar is dit verlies zoo te betreuren? Zou deze episode zelve wel aan Willem zijn toe te kennen?
in het Lat. en in li. II is niet het geringste spoor van dit gevecht te ontdekken; en de mogelijkheid , dat het bewuste element niets meer is dan het verzinsel van een afschrijver, die voor de twee van Vuelmaerte en Scerpeloghe afgeraakte luitjes eenige werkzaamheid zocht, is voorzeker niet al te ver weg te werpen.
Vs. 740. Dat hier de singularis van het subst. heen en niet, gelijk J. en M. meenden, de pluralis bedoeld was, zien we uit A*. 11, 820: âHughe mitten crommen been''''.
Vs. 744. Vgl. de plaats uit de Iste (of XXste) branche van den Henart, waarvan een vage herinnering Willem zonder twijfel voor den geest heeft gezweefd (vss. G77â680 in de ed. van Martin, 1, bl. 20, en vss. 10303 â1039G in Mkon's uitgaaf, deel II): âCil qui fet pinnes et lanternes ^
Ateint Brun Fors entre deus cesnes:
ITune corne de buef qull porte Li a tote rescine tortequot;.
Tegenover J.'s en M.'s voorslag -makerigge, behoud ik de lezing van het hs. Vgl. nam. doerwerdigge, Kb. 26131, doerwachtighe, lb. v., poertigghe, Rose 10843 v. clappighe, Hose 13859 v., minnighe, vert roost ig he, rerlichtighe, Praet. 276, 322, 408 ,
8*
116
3963, 3999, verlossif/he, Tschr. 1, 123, 78, enz., naast morderiyye, Rb. 15380 v., Segh. 9061, 9071, portericghe, I5m. 7, 85, 91 en 93, enz.
Vss. 748 en 752. Geen der beide hier door J. en M. gemaakte veranderingen waren noodig. Waarom zou zijn hloet, in het eerste vs., niet minstens even goed zijn als dhloet y en slaen, in het tweede, als yaen'i
Vss. 755 en 756. Zoowel in het Lat. ^zie 338 en 339) als in li. II (zie 852 en 853; is het niet Lamtroyt zelve, die Bruun den beslissenden slag toebrengt. Jk heb daarom uit de laatste redaetie, die minder dan quot;t Lat. van li. 1 afwijkt, Lain/royts broeder overgenomen, en in verband met die wijziging metri causa âquamquot; naar het volgende vs. verplaatst.
Vs. 790. De weglating van hi (zie .J. en M.) is hier onnoodig.
Vs. 796. Ofschoon dit vs. op zich zelf een behoorlijke verklaring toelaat, moeten we toch zonder voorbehoud de voorkeur geven aan een lezing, welke overeenstemt met die van R. II, 898 :
âDaer hem Lantfreit vani ter stupenquot;,
d. i. waar L. hem (als 't ware) aan de stupe = âgeeselpaar' vond; en dat wel, aangezien het relatieve adverb, âdaerv, in vs. 797 (van onzen tekst) nog duidelijk genoeg o]) de vroegere aanwezigheid wijst van een substant., waar dit woordje mee in betrekking heeft gestaan.
Vss. 799 en 800. De kortere, soberder en onzen Willem meer waardige vorm, waarin li. 11 het verhaal van Bruuirs zwemtocht geeft (zie 900â902); âIn aldustaniger ghebede Is hi wel een inyl gedreven Van daer die dorpers waren bleven,,,
wijst den weg aan ter verbetering van de waterachtig gestileerde, blijkbaar van een copiist afkomstige redactie in li. 1.
Vs. 801. Niet zonder gewicht is het op te merken: 1° dat âbloedquot; hier niet in zijn gewone beteekenis kan zijn gebezigd , maar in verband met âondercommenM de opvatting moet hebben gehad van een verbaal substant. . âbloedcir'' (vgl. het Mhd. door Lexer vermelde bluot â âblut^luss,,); 2° dat Balduinus den zin der twee woorden niet goed begrepen heeft blijkens zijn vertaling âsanguine plenusv,, volgens welke vondercommeI^, een beteekenis zou moeten hebben, die, zoover mij bekend is, aan dit partic. niet eigen was.
Vs. 807. Voor het behoud van den vorm beede, door G., W., .1. en M. veranderd in beeden, verwijs ik naar mijne Mnl. Spr. § 382«.
Vss. 813 -815. Vgl. li. II, 914â917:
âHad hi een vet hoen ghevaen.
Dat hi heimelic mit hem droech Buten wechs, daert eenlic was genoech,
Dat (/. Daer hijt) voor niemen dorste rumenquot;quot;.
en let in de zeven vss. der Comb, lezing: 1° op den zonderlingen berch in «, die kennelijk alleen ten gevolge eener verkeerde opvatting van het ben. (in 818 van onzen tekst) volgende âneder te dale'quot; door een afschrijver was binnengesmokkeld; 2° op het lang nat van o en s; 3° op het ongebruikelijke der uitdrukking sine proj/e rumen (ruinen toch werd als transit, alleen met den naam eener plaats als object gebezigd).
117
Mot het oog op dit alles heb ik niet geaarzeld over «,5 en e het vonnis der onechtheid te vellen.
De invoeging in 813 van hijt droech (naar li. 11) zal vel geen bezwaar ontmoeten; evenmin als de weglating van liet blijkbaar door (jnnc in 't leven geroepen hedxvanc en de daarmede samenhangende wijziging van niemens in niemen 1).
Dat rumen in onze lezing als intrans. âweggaan'quot;' is op te vatten, beboert nauw-lijks te worden vermeld.
Vs. 818. De beide regelen, die in quot;t Comb. hs. op dit vs. volgen, kenmerken zich door kinderachtige beuzelpraat. Ze ontbreken daarenboven zoowel in li. II (vgl. aldaar na vs. 020) als in het Lat. (vgl. aldaar vs. 373 en 374\ dat anders in deze episode do inlapselen van It. 1 vrij getrouw pleegt weer te geven.
In ons vs. zelve voegden J.en M. achter âneder,, het Avoordje in, waarschijnlijk naar vs. 832: âSacli hi nederwaert te dale,^ Men vergelijke evenwel in vs. 872: âUi liet hem neder daer te dalequot;.
Vss. 822 823. Men lette:
op de volstrekte overbodigheid van vs. a, dat trouwens niet alleen tevergeefs in /i. 11 wordt gezocht (vgl. aldaar na 921), maar ook in quot;t Lat. (zie aid. 375), quot;twelk in dit gedeelte van ons gedicht anders gewoonlijk dezelfde inlapsels als I\. 1 vertoont;
op het gevolg, dat we uit deze noodwendige athetese voor arde menichjoude in vs. /3 moeten trekken ;
op het doellooze van Keynaert^s verwachting, uitgedrukt in vs. quot;'twelk, evenals a, in A'. 11 zijn wederga mist.
Na de verwijdering der meer dan verdachte bestanddeelen blijft er van het zestal vss. in (jiiestie alzoo over:
In bliscap was sijn herte doe bevaen:
Hi hopede wel al sonder waen,
Dat Lamfroyt hadde den bere versleghen,
een lezing, die of ten gevolge van het wegvallen eens regels verminkt is en alleen door hei invoegen daarvan zou te herstellen zijn, of, wat in de gegeven omstandigheden waarschijnlijker mug heeten, te gelijk met de boven aangewezen interpolatie een rekking heeft ondergaan en alzoo tot een enkel verzenpaar ware terug te brengen.
Ter rechtvaardiging van de manier, waarop door mij ten behoeve van dit laatste een poging is gedaan, wijs ik op het volkomen ontbeerlijke van den stoplap icel al souder ivaeu en op den passus der vertaling: âCor laetum gestat et gaudia corde volutat,, (vs. 376), welke voor het origineel een dubbelen term ter aanwijzing van Heyn/s vreugde laat vermoeden.
Vs. 827. Voor het behoud van die t. d. pl., tegenover J/s en M/s lezing dien, vgl. men mijn Mnl. Spr., § 312.
Vs. 837. De vervloeking van het hart eens gehaten persoons is natuurlijk volstrekt onzinnig.
1
) Dat Hal duin US'1 origineel reeds door genoemde interpolaties bezoedeld was, zien we uit vs. 3G9â371: âhunc defert, abdita montis adit.
Nullius hoc iter est; placet hoc ipsum quia nemo Arceat, ut praedam deserat ipse 8â¢!!!!''''.
118
Slordige lectuur vim liet voorbeeld, liet verkeerd lezen vim een oorspr. emmer als erte kan de ontwikkeling vim het nomen herte on in verband daarmede de wijziging vim een vroeger moelstu tot moei dijn hebben te voorschijn geroepen.
Vgl. ook in de vertaling (.tSG); âLiint'reidc miser, lu sis maledictusquot;, en in li. 11 (942): âSo waer du biste, god schcynrfiquot;, waar de bepaling âso waer du bistequot; vermoedelijk het surrogaat voor een oorspronkelijk emmer is.
Vs. 838. Dat Heynaert op grond van Lamfroyts's gebrek aan energie mm diens eer meent te mogen twijfelen, is even ongerijmd , als het verwijt van domheid, om diezelfde reden aan des laatsten adres gezonden (zie vs. 838 van onzen tekst), volkomen ad rem mag worden genoemd.
In het Lat. (zie vss. 38Gâ'9) en in K. 11 (zie vss. 940â'49) wordt deze schimpscheut vruchteloos gezocht.
Vs. 842. De vier regels, die in quot;t Comb. lis. op dit vers volgen, zijn ongeveer een herhaling van het daaraan voorafgaunde viertal. Ze worden met een ige afwijking ook in li. 11 (94Gâ948) aangetroffen, doch ontbreken in de vertaling (zie aid. 389 en 390 , welke anders in dit gedeelte van ons epos met de lezing van li. 1 tamelijk trouw overeenstemt.
Vs. 860. Voor het behoud der lezing Uore zie men Ml.'sjuiste opmerking, bl. 40, op vs. 94G.
Vs. 868. J. en M. werpen so uit. Natuurlijk moeten we dit zeer gebruikelijke explctivum hier evenwel onvoorwaardelijk behouden.
Vs. 872. ,l.'s weglating van daer is in dit vs. even onjuist als M.quot;s wijziging van dat woordje in waert. De partikel is bier als tijdsbepaling = âtoenquot; uitnemend op haar plaats.
Vs. 874. Vgl. het Lat. 405 âEt venit ad ripnm ulterioris aquaequot;, en A'. 11, 984 en 985:
âI li swam nedenvaert te dael Mitten stroom an dat ander lanC
Vss. 877 en 878. De herinnering aan de eecke is te dezer plaatse volkomen on-noodig en verraadt duidelijk de eopiistenliefliebberij om door herhalingen overduidelijk te zijn; de vermelding toch van Brnnn's ongeval heeft hier alleen reden van bestaan als verklaring der ongeschiktheid van 't beest om zich op zijn voorste pooten voort te bewegen.
Ten gevolge der hierom noodzakelijke uitwerping van Hi was â eecke krijgt âdaerquot; -f het volgende âvanquot;quot; zijn karakter terug van een relatief pronomen, en blijkt alzoo tevens de onoorspronkelijkheid der beide op âvan'1'' volgende woorden twee7i voeten.
Alleen Uetvnaert\s voorste voeten zijn verder verhinderd hun dienst te doen. Een bepaling, welke daarop wijst, is derhalve niet overbodig te achten; en het bijw. voren, dat zulk een functie vervult, levert te gelijker tijd het rijm, quot;twelk noodig is om de verbinding te herstellen, die er oorspronkelijk tusschen dezen en den volgenden regel moet hebben bestaan.
De verandering van sine in sijn wordt door het metrum vereischt.
Ter rechtvaardiging van de bovenstaande wijzigingen verwijs ik naar de correspon-deerende plaats in de vert. (406 en 407):
âQualiter ignorat iam regem possit adire,
Suntque pedes aegri, stare vel ire nequit.'n
11»
en in 72. II (986âquot;quot;Ol,: âNu is hem seer sorghclic bewant,
Jloc lii te hovc eomon sul:
Want hi had verloren al Dat vel van beiden voeten noren Knde die claemven ende die oren.
Al sloeeh men doot, hi en eond niet gaen.',,
aar de le/.ing evenwel blijkens het onmogelijke âoienv' ook niet volkomen van bederf is vrij te pleiten.
Vs. 886. W aarom zou men in dit vs. met M. en V. (zie Tsc.hr. 1,14) het woordje dus in des moeten veranderen? Levert dus = âop die manier,,', hier niet een voortretfelijken zin ?
Vs. 918. De door .). metri causa voorgeslagen invoeging van doer is niet noodzakelijk. Ons vers laat zich met vier hetHngen lezen als: âDoe rieden die meeste heerenv'; vgl. mijn Mul. Versb. § 28 r/.
Vs. 926. ,1. en M. hebben hier het adverb, weck uitgeworpen. Men lette echter op de gelijke lezing ben., in vs. 1240, en vergelijke daarenboven:
âriatns meester, desen raet es goet,
Gaet henen ende haest u metter vaert.,,
Es mor, 130 en ,1.
âNn gaet henen ende haeltse mi.',,
Ibid. 352.
âGaet he7ien ende haeltse mi ghereet.v,
Ibid. 720,
Vgl. ook het Lat. 432: âCate â ah ito, TTt tecum veniat tac',\
Vs. 933 en 934. Wat kan de gedachte zijn, die hier na het in 1)32 gezegde op haar plaats zou wezen? Die, welke in vs. 033 en 034, naar de Comburgsche lezing, wordt gevonden: Men zal hem ten derden male tot schande zijner verwanten indagen ? Me dunkt in geenen deele; want zulk een derde indaging ware juist het tegenovergestelde van een vijandige handeling en kon daarenboven in geen geval Ueyn/s magen tot oneer verstrekken. Beter zullen wij daarom WillenTs meening nabijkomen, wanneer we 1° in vs. 033 de positieve uiting door een negatieve vervangen, die met de voorafgaande bedreiging . hets hem (inaef in overeenstemming is, en 2' in 034 de door mij voorgeslagen invoeging laten gelden, welke ons ten deele aan de hand wordt gedaan door den tekst van Ji. 11, 1047âquot;49 (die overigens in twee opzichten een gelijke verknoeiing als Ji. 1 vertoont):
âEnde men sellen derde warf daghen (/. niet daghen)
Te scande (/. Maer te scande) allen sinen maghen Ende over (/. Over) hem rechten met onghenaden'11.
Voor âr/m/ewervenquot; vgl. men, behalve de geciteerde lezing van li. 11, ook hetgeen bij vs. 010 onder aan den tekst is opgemerkt.
J. en M. achten een andere wijziging noodig [âhanghen sonder daghenquot; in plaats van âdriewerven dagheir'') en beroepen zich in verband daarmede op het Fr. (zie Mison's cd. 10452, Mart/s uitg. I, 73g); ze vergeten hierbij echter, dat de boodschap, welke den koning in den mond gelegd wordt, in den Renart een geheel ander karakter draagt dan in Willem,s gedicht.
Vs. 943. M/s invoeging van en wordt noch door het metrum noch door de syntaxis geëischt.
120
Even oniioodig is ook .I.'s voniiifloring van nochlan in iraftnn. l)c voorlaatste partikel past hier uitstekend, wanneer men ze slechts met de woorden van !)44 946 verbindt. Vgl. ook Mi., op vs. 1033.
Vs. 948. Waarom zon hier met .1. en M. het pronom. mi zijn uit te werpen?
Vss. 950 en 951. De veel betere zin van den tekst van /i'. 11, 1064â1Ã(')T:
âNa dat wesen moet,
Heer, so moet ics bestaen Te goede so moeiet mi vergaen!
Mer mi is herde swaer te moede.quot;
geeft ons het recht tot de hier gemaakte wijzigingen. Van swaer doen als analogon van Mc doen, onsochtc doen - - âhard, wreed behandelenquot;, alzoo âpijn, smart veroorzakenquot;, is mij geen tweede voorbeeld bekend; maar zelt's al ware deze zegswijze volkomen te vertrouwen, hoe zonderling mocht zij dan nog te dezer plaatse heeten, waar geen andere opvatting mogelijk zou zijn dan âeen (dezequot;) tocht, die mij smart veroorzaaktquot;!
Voor de lezing dese vgl. men bovenstaand âicsquot; en het Lat. 442: ,jam mittor ad i's/iirf.quot;
Vs. 952. Met de voorgestelde veranderingen wordt ons gedicht van een hinderlijke herhaling bevrijd (vgl. vss. !I48 en !I4!I van onzen tekst) en daarentegen met een uiting verrijkt, welke in dezen samenhang voortreffelijk te pas komt. Hoe licht had een afschrijver, die slordig las en wien de even te voren geslaakte verzuchting nog in bet hoofd speelde, uit een vers, gelijk we hier als het oorspronkelijke wagen te vermoeden, den bedorven regel van 't Comb. ms. kunnen te voorschijn doen komen!
Vs. 953. Vgl. in II, 1068: âTibeert maecte hem gt;\recli met sjtoedequot;, en in quot;'t Lat. 448: âlamque iter afjfjreditur currensquot;. Een op zich zelf reeds verklaarbare verkeerde lezing van maecte als moet was hier des te lichter mogelijk, omdat Tybeerfs tocht in het voorafgaande als gedwongen was voorgesteld. De verdwijning van het reflexivum en de vervanging der eertijds vóór âdie vaertquot; staande praepositie door een van moet afhangenden infinitief waren de noodwendige gevolgen dier verbastering.
Vss. 955 en 956. Onder het viertal vss. van 't Comb, hs., in onzen tekst tot een enkel paar teruggebracht, bevat a een bepaling, die, na hetgeen in 953 en 954 is gezegd, overbodig mag genoemd worden en, in verband met de wijziging dei-oorspronkelijke lezing van 953, in den tekst moet zijn ingeslopen, toen een copiist (en niet ten onrechte) meende, dat bet uit de woorden âmoe/ doen die vaertquot; niet voldoende bleek, of de tocht werkelijk aireede of nog niet was ondernomen, lieg. o verhaalt ons van Tybeerfs vreugde, welke vóór de waarneming der richting van des vogels vlucht ten eenen male ongemotiveerd is. Naar de wederga van beide vss. zoekt men tevergeefs zoowel in het Lat. (zie aid. 448 en 449) als in li. II (zie aid. de regels 1069 en 1070, welke door bun rijmen waert : Heinaert op vroegere identiteit met 953 en 954 van onzen tekst wijzen en onmiddellijk gevolgd worden door de beide beneden aan te halen vss.).
Voor de herstelling van quot;t rijm tusschen de beide overblijvende regels volstaat de omzetting der twee laatste woorden van â¢/. De voorvoeging van Doe vindt haar steun in 't Lat. 448 en 449: âprocul inde venire Fatalem larum prospicitquot;; de inlas-scbing van xmer {â âdat ergensquot;) en de weglating van ende in de lezing van li. 11, 1071 en 1072: âHi sach van verre ende vernam,
Wner sinte Mertens voghel quamquot;.
Een minder gewijzigde lezing âSente Martins voghel endc ghevloghen i|iiainquot; zon, wat de constructie betreft, uitnemend in den haak zijn, maar uit een metrisch oogpunt bezwaar opleveren.
Vs. 958. Voor de verandering der lezing van R. II ,,dinen vloghelquot; in den plural, âdine vloghcP vgl. men het Lat. 4r)0 en 4r)lT âlatus ad dextrum milii peimas verte tuasquot;.
Vs. 984. Voor het behoud van Hei/nnerd als datiefvorm, tegenover .I.quot;s lezing Jieijnaerde, verwijs ik naar § 291 mijner Mnl. S/ir.
Vss. 987 en 988. Bij de gebleken oorspronkelijkheid van het woordje wel, aan quot;t slot van vs. 9S.r) (zie de noot onder den tekst aldaar), en van een rijmverbinding tusschen het laatste vs. en 980, geraakt de regel, die in'tComb. hs. onrni'idellijk op vs. 086 volgt (j), buiten het verband van den poctischen vorm. Aan de voormalige aanwezigheid van een daarmede verbonden, doch weggevallen wederpaar, of aan het vermoedelijke cener interpolatie van het vs. zelve valt bij een vergelijking met /{. 11 (zie 1103 en 1104) en de vertal. (47(1 en 471) niet te denken. Vandaar slechts de mogelijkheid, dat een afschrijver, toen hij na de verknoeiing van n-et tot irale een rijm op J'el meende te moeten zoeken, hier ter plaatse aan het veranderen van do oorspronkelijke lezing is geweest.
De door mij voorgeslagen voorzeker niet al te radicale wijzigingen (de verplaatsing van f5, de invoeging aldaar van âten hendequot;, de samentrekking van '' en /, alsook de hiermee gepaard gaande weglating van wel en omzetting van âBit wert'quot;) brengen den tekst waarschijnlijk nader bij Willem's redactie.
Ken vervanging van lijne door rijme (z. J.) is aan te bevelen in verband met Lane. 3 22574 en 22575: âMaer eer die rime werd gelesen,
So sal hi ondervinden wel,quot; enz.
Voor line = âversreger1 heb ik althans tevergeefs naar een stellig bewijs uitgezien.
Vss. 989â991. ])e onechtheid van regel 5 in de Comb, lezing blijkt; 1quot; uit de omstandigheid, dat hij met zijn rijm op -07/ie als een ingedrongen âfacheux troisièmequot; staat tusschen do vss. 901 en 902 (van onzen tekst), aan wier onmisbaarheid niet kan worden getwijfeld; 2quot; uit het onbetwistbaar onbeduidende van de uitdrukking zonder saghe, een stoplap, die klaarblijkelijk door een afschrijver is uitgedacht âpour la besoin de la causequot;, d. i. om den regel vol te maken en een rijmverbinding met het voorafgaande vs. in 't leven te roepen. Kan het daarom aan geen twijfel onderhevig zijn, of we 5 als invoegsel hebben over boord te werpen, zoo zijn we evenwel te gelijker tijd onvoorwaardelijk verplicht een conservatieve houding aan te nemen tegenover de woorden âte hove waerf , die eveneens in A'. II, 1105, en in't Lat. 475 (als âAd regis domosquot;) worden aangetroffen.
Doch hoe deze bepaling dan op hare plaats in den tekst te brengen, indien zij uit vs. â /, waar ze volgens de redactie van l{, 1, wat den zin betreft, alleen kan thuis hooren, door het metrum wordt geweeid? Eenvoudig, naar ik meen, door een gedeeltelijke overneming der lezing van 1{. 11 1104â1107):
âHeinaert sprae: âNeve, onder ons beiden Willen wi (beide) le hove tvaerl.
Mer fnvont tuil ic sijn u wnerl Tot morghen: dan gav/i mitten daghequot;.
Is de hier waar te nemen gedachtengang, 1° ik ga naar 't hol, 2'' vanavond moet
122
gij mijn pisl zijn, 3quot; dan gaan wc morgen vroeg op reis, oorspronkelijk ook in /i*. I Hiinwczig geweest, dan heeft âte hove waortquot;, als bepaling bij âic willequot;, liuogst waarschijnlijk eenmaal in vs. a gestaan en wijst zieh, in verband daarmede en met do lezing van /{. II, de manier waarop de tekst te herstellen is als vanzelf aan.
De vervanging van lieifnaerl door hi wordt door het metrnm gevorderd.
âCiowiquot; voor âwilleu wiquot; is een verandering, aireede door M. voorgesteld.
Vs. 1013 en 1061. Voor een lezing nemmer (zie .1. en M.) bestaat hier niet de minste grond.
Vs. 1015. Dit vs. laat zich uitnemend scandeeren en heeft daarom niet de minste behoefte aan de door .1. en M. voorgeslagen verandering Ghi moet herbereken in Herbcrcjhet,
Vs. 1019. Zou liet niet meer op den weg van Heyn. hebben gelegen om, wanneer hij den kater lot blijven aanspoorde, den schijn aan te nemen, alsof hij zijn gast een heerlijke gelegenheid tot soupeeren kon aanbieden ? Door het tegenovergestelde te doen liep hij immers gevaar zijn doel niet te bereiken. Kn hoe ware bovendien met een uiting, als we in den Comb, tekst vinden, in overeenstemming te brengen, wat de vos iets later in vs. 1021 en 1022 (van onzen tekst) zegt (âKen stic van eere honichraten. Die bequamelic es litermatenquot;) ? Kennelijk was het dan ook alleen de misvatting der uitdrukking âDaer omme zorghe icquot; als âdaarvoor heb ik vreesquot;, die een copiist tot het neerschrijven van qunden in plaats van (joeden had bewogen ; ontwijfelbaar toch heeft Willem met âDaer ornmequot; enz. willen zeggen: âdaarvoor (voor uw eten) neem ik de zorg op mijquot;. Dat de corruptie intusschen reeds van vrij ouden datum is, zien we uit de vertal. 483 (ârara nunc .. . esca mihiquot;) en uit /i. 11, 1135 (âhier is goedeer) spise quaden tijtquot;, waar evenwel het bij âspiscquot; staande âgoedequot; nog een spoor der vroegere aanwezigheid van dat adject, in den tekst vertoont).
Vs. 1027. Moeten we hier niet de voorkeur geven aan de uitstekende lezing van /i. II, 114.3, âDaer mede waeric vel hewaerf, d. i. ware ik van H noodige voorzien, tevredengesteld (vgl. het MnL Wh, 1, bl. I204J? Op welke gronden zal men een Mul. yewnert, met de dooi- J. daaraan toegekende beteekenis âmet rust, met vredequot; ook maar in de verste verte aannemelijk maken ?
Vs. 1029. Waarom hier Tij beert te vervangen door nere (zie J. en M.)? Vgl. ook li. II, 1145, âGoede Tibeert, wat segdi?quot;
Vss. 1030 en 1031. Noch is in geen der beide vss. op zijn plaats; wel daarentegen no, dat zoo gemakkelijk tot no had kunnen verknoeid zijn, om dan later een nieuwe verbastering noch te voorschijn te roepen. (De verbetering in 1030 was aireede door M. voorgesteld).
Vs. 1049. Metrum noch taal eischen de hier door »1. en M. voorgeslagen uitwerping respect, van Reynaert sprac of Neoe.
Ook de wijziging van hu in (hauwen is volstrekt onnoodig (vgl. mijn Mnl. Sjgt;r. § 305a).
Vs. 1061. Zie boven op vs. 1013.
Vs. 1070. Zie boven op vs. 313.
Vs. 1072. Gr. W. J. en M. vervangen hier tebroken door (jhebroken, de laatste met verwijzing naar het proza, f. IG r.: âEnde hier was Heynaert des nachts te voren in ghebroken gln^weest.quot; M. i. vergeet m(;n bij deze wijziging evenwel: 1° dat tegenover dit (jhebroken niet alleen in R. 1, maar ook in Ji. II (1188) de lezing tebroken wordt aangetroffen; 2° dat het behoud of herstel eener oorspronkelijke lectio
123
in het proza, tegenover lt;le beide blijkbaar identische verknoeiingen in H. I en II, iets zeer onwaarsehijnlijks is; ,1quot; dat de woorden van liet I-at. (408) .Jriirluratu fecerat illicquot; tot het vermoeden wettigen, dat liiildiiiniis in zijn origineel een werkw. gevonden heeft, quot;twelk niet âinbreken'quot;, maar âstukbrekenquot; beteekende. Door deze redenen voel ik mij genoopt de font voor ons vers niet in âtebrokenquot; te zoeken, maar in het uitvallen van een verb, hadde en de verbastering tot in tras van een vroeger een vac. Weliswaar kan ik het bestaan van dit vac voor het Mnl. niet bewijzen, maar, wanneer Kn.. een subst. rad', pars strncturae aut aeditieii, vermeldt en wanneer uit het oude Frieseh cim Jee, Jac, spatinm domus, en uit het Mhd. een rar/i, stuk van een muur, enz., bekend is, dan zal men het gewis niet te stout noemen, zuo we de aanwezigheid van hetzelfde nomen ook in het Dietseh voor mogelijk houden.
Vs, 1087. Met uitzondering van /3 kenmerken zieh de vss. oâlt; door beuzelpraat of onnoodigen omhaal. Wat voor zin en beteekenis toch kan er liggen in liet verzoek, in vs. a gedaan? Waarom moet in â / nog eens hetzelfde worden gezegd als in /5? Waartoe dient in S en ' de vernieuwing der betuiging en der belofte, die reeds in
â',191 (van onzen tekst), en daar van pas, aan Tvbeerfs adres waren gericht? Wat zou wel het doel kunnen zijn van de herhaling der aansporing om te gaan eten en van de uitnoodiging en verzekering in ?âi? O heerlijk talent van een woordenrijk en leuterend afschrijvertje 1 Behalve /3, dat een in Reyn.'s mond begrijpelijke uiting ter geruststelling van Tvbeert bevat, mogen we die vss. daarom als een letterkundigen voddenboel met een gerust geweten uit Willem's gedicht verwijderen.
Ter wille der interpolatie van a had genoemd vs. /3 echter blijkbaar een kleine wijziging ondergaan en den vorm verloren, dien het eertijds als wederpaar van regel 1088 moet hebben gehad. Met de door mij voorgestelde omzetting en de invoeging van s/aen wordt het intusschen in zijn vermoedelijk oorspronkelijke gestalte hersteld.
In /i'. II wordt ongeveer hetzelfde emblema teruggevonden (vgl. aldaar 1204â1211). In de vertaling ontbreekt het evenwel (zie aldaar 505 en 506).
Vs. 1091. De beteekenis âaanvallenquot;, in het Mn/. W/gt;. aan besteken in dit vs. toegekend, wordt door geen tweede bewijsplaats bevestigd en moet dus voor uite.st problematisch gelden. De lezing van H. II (1215) âic bèstaelsequot; is volstrekt onzinnig. Die van bet proza âic bestoecsequot;', welke M. en Ml. voor de oorspronkelijke houden, schijnt beter te zijn, maar is bij nader inzien toch evenzoo te verwerpen, dewijl geen der opvattingen van bestoken, âbestormenquot;, âteisterenquot; noch âoverweldigen'quot;, hier op hare plaats zou zijn. Volkomen passend ware daarentegen ecu lectio âie bestoetsequot;' als imprf. conjunct, van bestaen, aantasten (vgl. ook in het Lat. r)08 nttemjjtaré), dus â âik zon ze aantastenquot;, en dat te meer, dewijl uit zulk een prototype do ontwikkeling der drie aangetroffen lezingen zich graphisch uitmuntend laat verklaren.
Vs. 1102. Van de beide door mij verworpen regels zegt de tweede nog eenmaal precies hetzelfde als we reeds in 1102 vernomen hadden, terwijl de eerste iets vertelt, dat in de hier geschilderde omstandigheid volstrekt onwaarschijnlijk is, aangezien de gevangen kater op 't oogenblik, dat hij in den strik verward raakte, wel niet in een stemming zal hebben verkeerd om zich zelf verwijten te doen. Vgl. ook het Lat. 519 âClamorem miserum protulit illequot;, evenwel tegenover It. II, 1227 en 1228, waar hetzelfde invoegsel te vinden is.
Vs. 1109, Voor de verwijdering van het onzinnige Ier lajlen satel, van de
124
dwaze herhaling Unt r/hi rerleerl en van den ongeliikkigen stoplap in weet hoe, en voor de kleine wijzigingen, welke met die athetesc samenhangen, wordt ons de weg gewezen door /gt;'. 11, 1235 en 1236;
âDat ghi aijn wilbraet aet nlso,
Hi sonde li sans brenghen daer toe.quot;
Vs. 1127. Wanneer de dichter hier Martinet licht heeft laten miikcn, dan zal hij er wel niet aan gedacht hebbe aan Jnlocke diezelfde werkzaamheid toe te schrijven 1138 en 113(.l van onzen tekst), ot' omgekeerd. Aan de oorspronkelijkheid van hot laatste element valt niet te twijfelen; het wordt gevonden in twee verzen, wier verwijdering den geheelen tekst hier ter plaatse zon in duigen doen vallen, ontbreekt noch in li. II (z. 1268 en 1269) noch in de vertal. /. 525'i, en herinnert ook duidelijk aan een bestanddeel van deze episode in het Ofra. voorbeeld (z. bov. de Inleid, bl. xvn). Niet geringe gronden alzoo om WiUem's vaderschap te wantrouwen met betrekking tot de eerstgenoemde voorstelling, die wel in It. II (z. 1255 en 1256), maar niet in 't Lat. (z. 520) wordt aan ge troffen.
Vs. 1131. Voor het behoud der lezing huus in pl. v. huse (z. ,1. en M.) verwijs ik naar mijn Mul. S/ir. § 246e.
Vss. 1153â1188 Het omslachtige van Dedi hem /innl en de flauwheid der uitdrukking alsoel wel scheen nog daargelaten, missen we in den (,'omb. tekst de beschrijving vnn hetgeen Tyb. eigenlijk met die âbursequot; uitvoert. Veel dichter bij het oorspronkelijke komt daarom zonder twijfel de lezing van R. 11, 1283â1285;
âScoot hi den paep tnsschen die been Ende knelde hem dat een Van den Iween, dat ronde dincquot;,
en de vertal., 530â532 ; âruit illi
Inter utrumque femur, dentibus, migue lero Extrahit hic unum de tcstibus.quot;
Moet het in verband met deze omstandigheden dan niet een verbetering heeten, wanneer de redactie van ons hs. in zooverre wordt gewijzigd, dat Iquot; reg. f mi't J'Jncle van /3 wegvalt, 2quot; in ,3 achter âSprancquot; het woordje In, cn 3° tnsschen /5 en y de uit A' II overgenomen woorden l'Jrde hnelcle tween worden ingelascht?
De noodzakelijkheid der wijziging Uier in â / volgt vanzelf uit het bovenstaande.
Het veel zeggende nlsoel wel scheen, dat zoo sprekend gelijkt op het kort te voren, eveneens te onpas gebezigde nis hem ivel sceen (?,. de noot onder den tekst bij vs. 1143), maakt het zeer waarschijnlijk, dat beide interpolaties van een zelfde bekwame hand afkomstig zijn.
Vs. 1167. Ghewande, in zijn beteek. âtuig, tuigage, uitrusting'quot;', is hier het juiste woord, en niet (jheuade, gelijk M. (z. diens Errata) cn Mi., (z. diens Proefschr. bl. 48) naar /i. II, 1299, willen lezen.
Vss. 1180 en 1182. Ten gevolge der invoeging van het vs., dat in 't Comb. hs. op reg. 1178 van onzen tekst volgt (z. aldaar de noot onder aan den tekst), had dit emblema zich in zake rijmverbinding de rechten van vs. 1180, het oorspronkelijke wederpaar van 1179, aangematigd, oen omstandigheid, welke den copiist, indien hij een rijm van drie verzen wilde vermijden, weder tot een nieuwe interpolatie had moeten nopen. Vandaar dat in het drietal regels hier in questie vers /3 reeds op zich zelf ons wantrouwen gaande maakt. Hoeveel te meer moet dit echter het geval zijn.
125
wanneer wc daarenboven op de flauwheid letten der opmerking, in dat ji ten beste gegeven, en tevens in 't oog houden: 1quot; dat de vss. 1310â1313 van A' II, niettegenstaande belangrijke afwijkingen, hun oorspronkelijke identiteit met vs. 1178â 1181 van onzen tekst nog meer of min duidelijk laten herkennen, terwijl voor /3 in genoemde redactie geen equivalent gevonden wordt 2° dat de hoofdgedachte van U. II, 1311 en 1312, overeenstemt met die der vss. 1170 en 118(1 van onzen tekst; 3quot; dat ook in de vertaling (z. .r)40â549), welke zich evenzeer niet onbelangrijk van li. 1 verwijdert, van het in /3 staande pineu geen enkel spoor voorkomt.
De vervanging van zimgt;i door voren in a (1180) herstelt de oorspronkelijke rijmverbinding met 1179, die bij het boven beschreven proces in 't ongcreede had moeten raken.
Vss. 1188â1192. Bij verschil tusschen li. 1 en II moet natuurlijk de lezing, die ontegenzeggelijk de beste blijkt te zijn, zonder voorbehoud als de redactie gelden, welke het minst van den oorspronkelijken tekst afwijkt. Gewis zal ons daarom liet recht niet worden ontzegd om in H. I de boven voorgestelde veranderingen of liever verbeteringen aan te brengen naar den veel gezonder, zakelijker en vloeiender tekst van H. II (1320â1324)t âSi hielen op endc heeften ghebracht Te bedde. Doe ghinc Reynaert Weder tot sinen castele waert Ende liet Tibeert iu qroter noot .-Hi was in vresen van dor doot.quot;
Hoe weinig vertrouwen ten opzichte van Willem's auteurschap kan ons immers een uitdrukking inboezemen, als met hnerre cracht (z. vs. a), of een voorstelling, gelijk men in r aantreft, volgens welke Tvbeert's -oei/Zie (/roet een mogelijke hindernis zou zijn geweest voor de poging des gevangenen om zich uit den strik los te werken !
Vs. 1196. Voor de zuiverheid van den vorm zine (door G., .1. en M. in sinen veranderd) zie men de Opmerk, bij § 343 mijner Mnl. Sj/rk.
Vs. 1199. J.'s wijziging van âhute tenquot; is onnoodig. Wat zou er tegen de hier aangetroffen lezing âspranc weder hule (â naar buiten) ten f/ale (= door het gat)quot; zijn in te brengen?
Vss. 1211â1312. De verandering van /ie/inaert in liejinaerde (â /,. M.) is af te keuren, want: 1quot; zou âden dief lieymert'quot; op zich zelf reeds een datief kunnen zijn (vgl. mijn Mnl. S/irk. § 24ü/( en 291 â ), en 2° werd ook dreif/lien in quot;t Mnl. somwijlen reeds als een transitivum gebezigd, gelijk we zien uit: âHoe dat hi was yedreiyet van harequot;, Lanc. 2, 19521; â(si) dreriheden die poorters daerquot;, lib. 31889: â.leremias dreechde die stntquot;, 1b. 14731 ; âwas Krnout ghedreyet serequot;, 1'arth. 6694.
Voor de verbinding in sub- en coördinatie van een historisch praesens met een historisch imperf. vindt men voorts in ons gedicht, evenals in andere Mnl. teksten, elk oogenblik de meest stellige bewijzen. Onaangetast blijve derhalve ook de lezing âspaertquot; van het Comb. nis.
') Vgl.: 1310 âLaet sinken uwen groten rouwe.
1311 Al heeft hi een kul verloren u heer,
1312 Dat en scaet hem min noch meer.
1313 111 sel wel dienen van achter.quot;
12fi
Op het onnooctige der omzetting, door V. in dezen regel voorgeslagen (z. Tsrhr. 1, 7, op vs. 1332), is reeds in de noot onder aan pag. 101 van mijn Mnl. Versb. gewezen.
Vs. 1219. Tegen de lezing van 't hs. is niet het minste bezwaar in te brengen. Voor de door Ml. (z. bl. 4'.!) voorgeslagen verandering van sprac in spranc voert, naar li. II, 1351, en 't Lat. 572 (âconsurgil ad illosquot;), bestaat hier dns geen voldoende grond.
Vs. 1228, De hier door V. noodzakelijk geachte lezing (z. Tschr. 1, 7) wordt werkelijk in liet hs. gevonden.
Vs. 1235. J. en M. veranderen uiemene in niemen. Voor het gebruik van een nominatief in eerstgenoemden vorm zie men evenwel mijne Mnl. Sjirk. § 379.
Vs. 1239. Zie de aanteek. op vs. 451.
Vs. 1240. Voor de wenschelijkheid vim quot;t behoud des bijwoords wcch (dat door J. en M. is uitgeworpen) zie men de Aanteek. bov. op vs. 926.
Vs. 1248. 7 hi eersten wordt als wisselvorm van teerst of teersten tc vaak in het Mnl. aangetroffen om hier J/s en M\s verandering van ten eersten in teerst te wettigen.
Vs. 1274. Zie over dit vs. Ws juiste opmerking in llschr, l, 15, op vs. 1392.
Vss. 1278 -1281. De middelen ter verbetering van de Comb, lezing, welke te dezer plaatse volkomen onverstaanbaar is, vinden we in 't Lat. 603â604:
âIre tarnen tecum iamque timesco satis,
Xam enneti qui sunt illic mihi sunt inimiei.',,'
Ook in R. IE, welks tekst overigens aanzienlijke afwijking en uitbreiding vertoont 'z. vj?s. 1412â1435), is de tweede der door mij ingevoegde bepalingen nog bewaard (vgl. vs. 1412. âTis best dat ie mit u ga daer,,).
Vss. 1300 en 1301. .1. en M. veranderen hier harde in a/.so en Jn als i/emeut in nis iemen; evenwel zonder eenigen behoorlijken grond.
Vss. 1302â1305. Bij de wijzigingen, door mij te dezer pl. noodzakelijk geacht, heb ik, mij zooveel mogelijk aan den âworthuitquot; der Comb, lezing houdende, de gezonde gedachten in den tekst pogen te brengen, die we vinden in li. 11 (14(10 I4G3); âDoecli tnitieu kinderen (joet Knde gans mi God dat ie ontga,
So selt mi ganghen also na,
Dn! iet u weder sel lonen.quot;
en in 't Lat. (Clfi en 617):
âSi(|ne bonum facias nat is, si venero sospes.
Grates eondignas reddere promptus ero.quot;
Zooals ook reeds door Mr., (z. diens proefschr. bl. 49 en 50) werd opgemerkt, mist de heilwensch, in li. 1 tot Orimb. gericht, allen grond en mag, hetgeen in de beide laatste redacties den vos bij zijn afscheid van Hermeline in den mond is gelegd, heel wat meer van pas heeten dan de beuzelpraat, die men in het Comb. hs. aantreft.
Vs. 1307. Dat de metriek van dit vs. (âNam Kéynaert an de sine orlófquot;) volkomen in orde is, leeren we uit: âKvax nam órlof an si'ere vróuwenquot;. Limb. 5, 1399; âNam die cóninc au Lancelote orlófquot;, Lanc. 2, 14259; âNeemt órlof, lieve vader mijnquot;, Lorr. 2, 1562; âOrlof nam Huge van Marnóetquot;, Lorr. 5, 126; Knde Bave nam órlof an hem allenquot;, Am. 1, 5395; Knde nam órlof an den góeden manquot;, Am. 1 , 5907; âKnde nam órlof iin sine móncken góetquot;, Am. 2, 4455.
127
Vs. 1326. Voor het behoud der lezing siju, tegenover J.'s en M/s verandering in mijn of mine, verwijs ik naar Fr. in Ml.'s Proel'sclir. vs. 1417.
Vs. 1332. ,1. en M. veranderen hier oj) voorgang van (J. de lezing of in ujï, blijkbaar om aan het ww. âdiGt,,, een subj. te bezorgen; ten onrechte evenwel, daar de weglating van t of het als subject van een negatief gebezigd werkw. in quot;t Mnl. lang niet ongewoon is.
Vs. 1334. De waterachtige uitbreiding, welke in de door mij achter dezen regel uitgeworpen vss. wordt aangetroffen , ontbreekt in ii. il (zie aid. 1491 en 1492). Blijkens het I^at. 633, âaudi me., iam rogo, consulo te,^ is ze echter, ten minste wjit de eerste helft betreft, aireede in quot;t origineel van Balduinus aanwezig geweest.
V's. 1347. De verandering van dede in leerde (zie M.) is hier geheel onnoodig.
Vs. 1352. Van het zevental vss., die in ons hs. op 1352 volgen, is het eerste rijmpaar (evenals ook Ji, II, 1511 en 1512, en reg. 757 der Lat. vertal.) de misgeboorte van een brutalen en onhandigen poëtaster. Dat blijkt: 1° uit het onmogelijke der uitdrukking los maken, in den zin van âontroovenquot;; 2° uit het ondoordachte der uiting Dor recht hbclayhet hi den vos, want daar Willem ons nergens in liet voorafgaande verhaald heeft, dat de vos door een van quot;s konings afgevaardigden omtrent Canticleer's aanklacht was ingelicht, kan hij hier Hevn. kwalijk als met dat feit bekend hebben voorgesteld.
Evenzoo rijst er bij een nauwgezette beschouwing geen geringe verdenking tegen de echtheid der vijf andere verzen (alsmede van R. II, 1513â1518, en de Lat. vertal. 750â753). Waarom die vage uitingen mot betrekking tot het plegen van misdadige handelingen tegenover Nobel en diens gemalin, te midden van andere bekentenissen, waarin de ondeugende streek duidelijk en klaar is aangewezen ol uiteengezet? Ware het niet te verwachten, dat onze dichter, wanneer hij een bepaalde daad had op quot;t oog gehad, dit op gelijke wijze als bij de andere punten der biecht door Keynaerfs mond had te kennen gegeven? Voeg daarbij, dat Nobel nergens te voren van eenig onrecht heeft gewag maakt, quot;twelk hem of zijn echtgenoote dooiden vos zou zijn aangedaan, en dat ook de misdrijven van lleynaert tegenover den leeuw en de leeuwin, waarvan in de ons bekende Fr. branches wordt gemeld, nam. de verkrachting der koningin (in de 2de helft der 1ste, resp. XXste br.), de voor den leeuw zoo noodlottige geneeskundige behandeling (in de Mhd. bewerking dei-oudste br.), de fopperij met betrekking tot het sluiten van een huwelijk met de gewaande erfdochter van koning Vvoris (z. de XXHIste br. bij Martin), en de intrigues in het verhaal âcom Kenart fu Kmpereresquot;, (z. de Xlde br. bij Mart., de XXXste bij Meon), te zeer buiten het kader der hier geschilderde âavonture'quot;, liggen, dan dat Willem bij het dichten der biecht aan een of meer daarvan kan hebben gedacht.
Vs. 1353. Te gelijk met den laatsten regel van het zooeven besproken emblema (z. de naast voorafgaande aanteeken.) moet natuurlijk het daarmee verbonden wederpaar verdwijnen, althans wat de tweede helft daarvan, den stoplap dat segijhic di, betreft. De andere helft âOec hebbie*,â , keert bij vereeniging in een vers met het partic. âbedroglieirquot;' zonder twijfel op haar oorspronkelijke plaats terug.
Voor de vervanging van Grimbeert door i sencjrijn zie men Ws opmerk, in Tschr. 1, 16.
Vss. 1367 en 1368. Voor de wijziging der leuterachtige woorden van 1367 fbuiten kijf de ontijdige herinnering van een afschrijver aan het te voren genoemde âKImarequot;)
128
vgl. men li. II, I5.t3; âDiet hoorde», worden (liter off in vare.quot; Ende, in I3fi8, vóór âwuendenquot;, wordt door het zinsverband vereischt.
Vs. 1397 en 1398. De echtheid van het /.onderlinge leeden bij âbnucquot; en van het onzinnige huler mot is aan gegronde bedenking onderhevig. Bij het eerste rijst onmiddellijk de gedachte aan verknoeiing uit een oorspronkelijk luien, een werkwoord, dat hier zoo uitstekend te pas komt. Het andere mag hoogst waarschijnlijk gelden als een verbastering uit no verboet (= âtoen verhinderdequot;), welks equivalent wordt aangetrolïen in het verb, benam van li. 11, 1500 (âDat hem sijn grote buuc benamquot;).
De lezing âsyn buuc groetquot; wordt gerechtvaardigd door het zooeven genoemde vs. uit li. 11. De weglating van ims en de verandering van dien in dal vereischcn geen toelichting.
Voor het gebruik van verbieden in den zin van âverhinderenquot;, âbelettenquot; vgl. men:
â1 deel hilt hi met hum lieden,
Daer hijt den Joeden mede wilde verbieden ,
Dat si den berch nemmer winnen.quot;
Jiijmb. 30994.
âTytuse quams mare te waren.
Ten temple liep hi te hant Om te verbiedene den brant.quot;
liijmb. 33556.
Vss. 1401 en 140.2. De beide verzen, die in quot;t hs. tusschen 1401 en 1402 staan, kunnen onmogelijk van den oorspronkelljken dichter afkomstig zijn. Het geven van een blijk van tegenwoordigheid, op de hier voorgestelde wijze, zou niet in overeenstemming te brengen wezen met den beraamden aanslag op des âpapenquot; kapoen. Kn wanneer in het dorp thans aireede zooveel gerucht was gemaakt, hoe ware het dan te verklaren, dat de dorpsbewoners eerst na het geroep van des priesters gevolg in beweging komen (zie vs. 1440 van onzen tekst)?
In R. II, 1564 en 1565, wordt dezelfde interpolatie aangetroffen. Het origineel van Ualduinns was echter nog niet met dezen aanwas versierd (vgl. 't Lat. 706â708).
De invoeging van daernaer in a en de verplaatsing in 5 schenen mij de eenvoudigste middelen om tusschen deze beide vss. het oude rijm te herstellen, dat ten gevolge der besproken inlassching in de war was geraakt.
De weglating van commen, in verband met het Mul. taalgebruik veroorloofd, is noodig ter wille van quot;t metrum.
Voor het reeds door AV. ingevoegde vgl. men R. II, 1563: âEn mocht hi sat niet comen uutquot;, en de vert. 703 en 704: âsic ... reverti Non valct salitrquot;.
Vs. 1407. Voor het onnoodige cencr hier door V. noodzakelijk geachte omzetting (zie Tsehr. 1, 7, op vs. 1539) vgl. men de noot onder aan bl. 101 van mijn Mul. Vers//.
Vs. 1423. De verwijdering van /ii (zie W., ,1. en M.) wordt hier noch door de grammatica noch door de metriek gecischt.
Vs. 1424. Van de twee achter dit vs. uitgeworpen regels doet ons de eerste een mededeeling, die na het boven in 1418 gezegde tamelijk overbodig was. Het andere bevat een klaarblijkelijke leugen; want het is niet de priester, maar Ueynaert, die de richting der drijfjacht aangeeft. Vgl. ook A'. II, 1580 1580, waar van de gewraakte vss. geen spoor te vinden is; en vooral 't Lat. 720 en 721:
129
,gt;11 ac Isengi imus qun stabat. parte citciim,
Ipsis nam volui visus ut illc (Wetquot;.
Vs. 1429. Vgl. li. II, 1593 en 1594;
âDes most ies mijns ondanx laten (1429 van onzen tekst)
Knde ie liep henen mijnre stratenquot; (= 14.10 van onxcn tekst).
Gewis verdient een zieh hieraan aanslnitende kortere lezing in A'. 1 verreweg de voorkeur boven hetgeen we in het Comb. hs. in plaats van vs. 1429 (van onzen tekst) aantreden; (vgl. âmijns ondanxquot; van 11. 11 â âwaest mi leet ofte liel'quot; van It. 1). Hoe lal' en flauw klinkt daarenboven een uitroep, als ni/ here dief cm., in den mond des vcrvolgenden priesters!
De inlassehiug van Knde. en de vervanging van hier door daer vereisehen geen toelichting. De aanleiding tot liet labriceeren der interpolatie is vermoedelijk in het verlorenj?aaii van quot;t woordje rallen (in 1428 van onzen tekst) te zoeken. Ten gevolge daarvan toeli moest de passage een eoöl'dinatie gaan vertoouen van ,.latrn duerquot; en âdaer latenquot;, wat een of ander afselmjver op de gedachte had kunnen brengen om die onjuiste lozing te verbeteren door âdaer latenquot; uit 1429 te verwijderen en vervolgens datgene in te voegen, wat er noodig was om zoowel een rijmregel op âliefquot; als op het volgende âmiere stratenquot; te verkrijgen.
Dat hot inhipsel ook in het origineel der vertal. werd gevonden, leert ons vs. 722: âPresbyter exelamat: banc praodam desine, praodoquot;.
Vss. 1441â1443. Kwalijk kunnen do âghebuerequot;, die naar buiten komen loopen, nog vóórdat ze weten , wat er gaande is, elkaar op de hoogte brengen van YsingrijnV ongeval. De verspreiders van dat bericht zijn, gelijk ons zonneklaar blijkt, alleen de priester met zijn volgelingen, terwijl de âghebuerequot; naar het getuigenis van vs. I44fi (âAls die ghebuere ghcvreescheden datquot;) als toehoorders optreden. Vandaar het onbetwistbare dor onechtheid van maulic midren (dat trouwensin A'. 11 en 't Lat. ontbreekt) en hot noodzakelijke der invoeging van hem.
Aangenomen voorts, dat bet taalgebruik don Dietscher werkelijk de vrijheid verleende om een uitdrukking niemare maken, in den zin van âgerucht makenquot;, met een volgenden objeetszin te verbinden. zoo mag een zoodanige term hier evenwel uiterst onwaarschijnlijk heeten. Want wat zou dit âmaeeten r/role niemare''' anders zijn dan een plompe herhaling van het bijna onmiddellijk voorafgaande âmaeeten groot gheluutquot; (in 1439)? Tegen de kleine wijziging , welke dat onmogelijke grote niemare door een iuiste, hier uitstekend passende lezing vervangt, zal derhalve wel geen gewichtig bezwaar zijn te maken, te minder dewijl ze daarenboven wordt gesteund door /{. 11, 1607; âEnde maeeten cont over al geheelquot;.
De verplaatsing van âeen wulfquot; dient tot herstel van het in verwarring geraakte metrum.
In li. II zijn achter vs. 1607 blijkbaar eenige regels uitgevallen, liet Lat. 727 en 728 ; âExoritur clamor famaque talis erat,
âPresbyteri camoram subiit lupus,quot;
stemt in hoofdzaak met onze lectio overeen.
Vss 1446 -1453. Alleen een ijlhoofdig afschrijver kan gezegd hebben, wat we te dezer plaatse volgens de Comb, redactie in â¢/â? lezen; Ys. word geslagen, zoodat het er slecht voor hem begon uit te zien, want hij kreeg voel slaag. Of do eerste öf de tweede vermolding der âvapulatioquot; staat hier dus onder zwaar vermoeden van
9
130
onechtheid. Ten opzichte van vss. lt; en ? nu ware zulk «en wantrouwen voorzeker misplaatst, want in li. 11, waar deze geheele episode aanzienlijk korter is en aan eenige interpolatie niet tlt;; denken valt, ontbreken de met dat « en ? overeenkomende vss. niet (zie aid. 1008 en ^1609). Vandaar de wensehelijkheid eener uitwerping van â¢/ en met dit van zijn wederpaar /3, beide; regels, waarvan in U. II niet het minste is terug te vinden.
De onbeduidendheid der uiting in i en der herhaling daarvan in // en de onmogelijkheid van het in p gezegde geven niet slechts alle recht deze vss. met den stempel der onoorspronkelijkheid te brandmerken, maar doen ook voor de respectief daarmede verbonden wederparen, nam. voor 0, v en tt, in de hoogste mate twijfel omtrent Willem's vaderschap ontstaan. Kn met deze bestanddelen van het verhaal der heldenfeiten van de dorpsjeugd vervalt natuurlijk te gelijker tijd ook de rest dezer episode, nam. de vss. f en o.
In het nu overblijvende zullen de uit de lucht gevallen âkindre van den dorpev'(zie wel moeten wijken voor de âiiede v. d. d.quot;; moet de betrekking tusschen deze li ede en de door hun toegebrachte slagen door een praepositie worden aangewezen; en behoort * natuurlijk in een onmiddellijk verband te komen met lt;7, wat de omzetting van / en A en, in samenhang hiermede, de kleine door mij aangebrachte wijzigingen in die beide vss. noodzakelijk maakt.
De geringe verandering in 0 vereischt geen toelichting.
In Ji. 11, waar dit gedeelte van 't verhaal zich door groot»; beknoptheid kenmerkt (zie aid. 1007â1C11), ja zell's nog korter is dan in den door ons vermoeden oorspronkelijken tekst van /i. 1, ontbreekt het intermezzo van de kinderen geheel en al. De vertaling heeft het evenwel iu de vss. 7.10 7.S8.
Vs. 1457. Vgl. in Ji. II, IOIO-1014:
âSo dat hi neder viel ende hiel» ^4- = /i' I, 1454)
In onmacht ende over doot. ( = /i. I, I4.r)r))
Daer wasser menich, die aen hem scoot, (Hh = Ji. l, 1450)
Ende sleepten mit grooten gheruchte (/. ghehuke) ( = A*. 1, 1457)
Over steen ende over struuck (1. struke)'quot;' (± = I, 1458),
waar, zooals men ziet, van een hare noch van een daarmede verbonden niemare gerept wordt. Had Willem den wolf op een baar willen laten vervoeren, dan zou de vermelding der âsteene',, en âstrnke,, (zie li. I , 1458) alle reden van bestaan hebben gemist.
Met het oog op dezelfde bepaling zijn we ook onvoorwaardelijk verplicht sleeplene voor drouf/heue in de plaats te stellen.
De lezing van quot;t origineel der vertaling moet blijkens de vss. 7.30â7.t8 weinig of niet van de redactie van li. I verschild hebben.
Vss. 1469 en 1460. In het hs. begint een nieuwe rubriek met vs. 1450. Verkieslijker is het evenwel dezen regel met het voorafgaande te verbinden en, na invoeging in 1400 van Daer, de volgende afdeeling met dit laatste vers te doen aanvangen. Vgl. ook li. 11, 1013 1010: âEnde sleepten......
Over steen ende over struke
Buten den dorp in ene graft (/. gracht).
Daer lach hi alle die nacht^ enz.
en in 't Lat. 738: âTandem proiciunt in fossam.quot;1'
131
Vs. 1481. Mot de voorgeslagen omzetting en de vervanging van het tweede hi door emk verdwijnt het onbeholpene der dictie van ons ins.
Vss. 1482 en 1483 in het Mul. Wh. (I, bl. 1213) wordt de uitdrukking hets hier bewant te zoryhen ten onrechte vertaald door âhet ziet er hier treurig (voor mij) uit.quot;quot; Te zorcjhen is in deze zegswijze in geen geval met âtreurigquot; gelijk te stellen; de woorden kunnen alleen âom zorg, vrees (te koesteren)M hebben beteekend, zoodat de geheele zegswijze moet worden weergegeven met âde toestand is hirr zoodanig, het ziet er hier zoo uit, dat men moet vreezeir*', d. i. âhet ziet er hier (jevnarlijk uit.quot; In verband hiermede hebben we dus âie ne vinder nietquot;quot;' niet als een redengevende, maar als een eenvoudig verbindende coördinatie op te vatten.
Vs. 1507. Zilt;' beu. op vs. 2621.
Vs. 1512 1515*. De vss. a o der ('omb. lezing behelzen unziu: zoo gij duidelijk wilt biechten eu absolutie will verdienen, moet gij duidelijk spreken.
Vs. i zegt hetzelfde als 0 (met een uaar li. J1 , l(i7.r», ingevoegd in iveet); en aan de echtheid van dit laatste valt niet te twijfelen zoowel iu verband met het daarop volgende volkomen vertrouwbare wederpaar als bij een vergelijking met bovenge-melden reg. uit H. II: âIe «'ii weet, wjier ghi die tale keert.,, Vandaar gewichtige gronden tot wantrouwen tegenover e en het daarmede verbonden o.
Wat voorts de gedachte moet zijn geweest, door den dichter in a y uitgedrukt, is ongeveer op te makeu uit de correspondeerende pluatseu van de vertal. en van U. li (wier teksten overigens in de volgorde en de redactie der onderdeelen van Orim-beert's speech zoowel ouderling verschillen als van H, 1 mI'w ijken) :
uDic et aperta mihi quod scire qiieam fua facta,
Si vis consilium quod tibi dem super his.u
74Gâ747.
en c^bi biecht recht of ghi een scive
In die hant hilt achter mede aen te gaen.u
1072â1073.
Kn hoe eenvoudig is die zin iu de drie besproken regels terug te brengen, wanneer men slechts aanneemt , dat âSo suldiquot;, de eerste helft der interpolatie o, een element is, dat aan het vorige vers was ontleend, en voorts aan den hoofdzin en diens conditioneelen bijzin een negatief karakter geeft !
Vss. 1538 1542. In H. II en 't Lat. wordt het slot der vermaningen, de aanbeveling om het roovcn en stelen af te zweren , op gelijke wijze geconstrueerd als het voorafgaande Cvgl. iu !{. II, 1708 en 170«» met 1704 -1707, en in de vertaling 704 met 702 en 703). Mogen we dan niet datzelfde evenzoo hoogst waarschijnlijk achten voor Willem\s tekst, dus ook hier in vs. IMS en hVW de woordvoeging in de oratio obliqua aanueinen, die in de vss. 1530 en 1537 wordt aangetrolfen ? Ik meen van ja, en dat te meer, dewijl de verknoeiing eener lezing, als de door ons gereconstrueerde, tot hier na so iledi hem alleszins begrijpelijk mag worden geacht; (vgl. diere: hier en sonde: so dedi, verbasteringen, welke natuurlijk de invoeging van )ia achter hier en van hem vóór âverzweeren',, hadden moeten, en de uitwerping van iïude hadden kunnen ten gevolge hebben.
De vervanging van Nu. in vs. 1540, door Dus wordt geëischt door het karakter der betrekking, waarin de volgende woorden tot het voorafgaande staan. De verandering van igt;le(ihen in tele)i was reeds door »1. voorgesteld.
9*
132
T)c rcchtvmmliging mijnoi' lezing, in l.r)42) vindt mnn bij onn vergelijking van dat vs. met l.r)44 en 1545.
Vss. 1589 en 1590. De verandering van versmaet in vcrduort (= âbedwelmtquot;1 of âfoptquot;), door G. voorgeslagen en door W., J. en M. overgenomen, levert geen zin. Voor het terugvinden der juiste lezing ontvangen we een vingerwijzing in li. II, 1755 en 1750: âDat glii met uwen oner lopende woort
Mi nut mijn ghebede dus sloorl.quot;
Het aannemen van hnrde in plaats van orerlo/ieiide vindt zijn grond in liet woordje hcrle van J{, 1. Vgl. ook in 't Lat. 78'.1 âdarts verbisquot;.
Vs. 1(108. Voor hot bohoud van den vorm niemenc, togen over en M /s lezing niemen, verwijs ik naar § 379 mijner Mnl. Sprk.
Vs. 1612. De verandering in dourer dn er de (zie J. en M.) wordt niet door het metruni gevorderd.
Vs. 1618. Onnoodig is hier zoowel .Vs [weglating van Ghelijc als M/s wijziging van dit woordje in Als.
Vss. 1639 en 1640. Deze beide vss. zijn zoo schromelijk in wanorde geraakt, dat we aan hot te recht brengen daarvan zouden moeten wanhopen, indien ons niet de volkomen gezonde lezing van Ji. 11 te ludp kwam. Naar deze (1805 en 1800): âDie mt/t boosheit, die si connen ,
Die vorder hunt hebben ghewonnen,quot;
mogen we namelijk, zoo ik meen, den tekst van li. I op de bovenstaande wijze lierstollen, vooral ook, dewijl dl' gang der verknoeiing zich hier met vrij groote waarschijnlijkheid laat aanwijzen. Een eenvoudige verdwaling toch van metier naar het volgende vs. was voldoende om dc aanleiding te worden: Iquot; tot een verandering van het overblijvende Die scnlcheil in Der sentke (als appositie van het in 1038 staande âDierquot;); 2quot; tot een vervanging van het onmogelijk geworden si door een werkw., dat in verband met het voorafgaande op deze plaats niet ongepast scheen; en 3° tot een wijziging van het in dezen samenhang volstrekt onverstaanbare âmetier norder bantquot; in een weliswaar evenmin begrijpelijk, maar toch minder vreemd âmetter rechter bantquot;.
Vs. 1644. Dc vervanging van lieden doen in beraden (J. en M.) is niet noodzakelijk. Het vers van den Comb, tekst levert noch wat zin of taal noch wat metriek betreft het geringste bezwaar op ^vgl. ook mijn Mnl. Verst/., bl. 100).
Vss. 1654 -1656. Ook deze drie regels onderscheiden zich in de hoogste mate door afschrijversonzin. Hoe zou hier die erkenning van een dienst in ere sake in den iroude te rijmen wezen met do daarmee verbonden beschuldiging ten opzichte van het verbreken des vredes in diezelfde aangelegenheid? Wat hier oorspronkelijk, althans ongeveer, gestaan heeft, leert ons alweder Jt. 11 (1820 1822) en ten deele ook de vertaling (832 en 833):
⢠âDat ghi mi dicwijl hehl ghedient,
Dat wart u nu te reehte ghetjouden.
Ghi hebt oec wel den vrede ghehoudenquot; enz.
en âlt;/uod sernieras tibi reddam.
Grates condiqnas, praemia nempe feres.quot;
liij de overeenstemming dezer beide redacties en bij den gezonden zin, daarin vervat, wordt het immers meer dan waarschijnlijk, dat Willem te dezer plaatse niet in quot;t
133
minst min coiiigc sake 171 den wonde heeft gedaeht, maar den koning, met betrekking-tot het te voren door Reyn. beweerde, eenvoudig d(; verzekering in den mond heelt gelegd, dat die zoogenaamde diensten naar behooren zouden worden beloond. . Springt het daarenboven niet duidelijk in quot;quot;t oog, dat de geheele passus, volgens de Comb, lezing, alleen uit de pen van een eopiist is voortgekomen,, wien het later volgende relaas over Krieken putte hier door het hoofd heeft gespeeld?
Vs. 1056 moet blijkens R. II, 1822, het begin der verwijtingen hebben bevat, die, na in vs. 1058 -1662 (van onzen tekst) door Canticleer te zijn onderbroken, in 1663 worden voortgezet. Bij de veranderingen in dezen regel heb ik, als gewoonlijk, zooveel mogelijk van de Comb, lezing gered. De invoeging van so is noodig wegens het metrum.
Vs. 1665. De lezing van ons hs. levert klinkklaren onzin. Niet zonder, maar juist met bijzondere moeite had Ueyn. bij de ontvangst der beide eerste boden des konings van zijn zoogenaamde genegenheid voor Nobel doen blijken.
Na de verminking van sonderlinrjher tot sonder had een oorspronkelijk daarvóór staand met natuurlijk moeten verdwijnen, terwijl verkeerde opvatting van Willeirfs meening tot de invoeging van het possessivum had kunnen verleiden.
Vs. 1687. M/s verandering van dat in des was natuurlijk onnoodig.
Vs. 1702. Ik neem hier de woorden over, waarmede »1. zijne eonjectuur indertijd heeft toegelieht:
âIn C. (het Comb, ms.) vangt het volgende vers met eene kapitale letter aan; intussehen laten Gr. en wr., die overigens de lezing van C. behouden, de nieuwe alinea met 1850') beginnen. In de aant. p. 276 zegt Ou.: âWenn dieser vers noeh von Reinaert gesproehen wird (vgl. lieineke 1762, 63), wozu der grosse buehstabe der hs. bei 1851 1) stimmen konnte, so fehlen zwei verse vorher. die prosa ist für die gewiilte abteilung.,,
De zin schijnt intussehen gewrongen, als men wil lezen:
Recht in dese selve sprake Doe sprane up Belijn, de ram.
1850 2) moet wel degelijk tot de vorige periode behooren. Dat er in geknoeid is valt terstond in quot;t oog; maar is het zoo noodzakelijk met Gil. aan te nemen, dut er twee verzen zijn uitfjenallen ? liet Fransch geeft hier licht. Er is de grootste overeenstemming tusschen onze verzen 1837â1850quot;) en Hr. 20, 11014 -11020, waar men leest: Or sui devant lui [mesire], si me tiegne,
Kt si me face ardoir ou pendre,
Qar ne me puis vers lui delfendre.
Ge ne sui pas de grant puissance,
Mes ce seroit povre venjanec,
STen parleroient ineinte (jent,
Se ren sanz jugement me pent.
1
*) Volgens onze lezing 1703.
2
) Volgens onze lezing 1702.
^) Volgens onze lezing 1689â1702.
i :u
Het woord sprake in C. 1850 â¢) wijst duidelijk aan, dat er iets moet gestaan hebben overeenkomende met de twee laatste Fransehe verzen. Itechl ontstond uit de verwisseling van de kapitale L en H, en in kan eene vergissing zijn voorw^^
Vs. 1730. .l/s en M/s weglating van daev wordt niet door quot;t metrum geëiseht. \rs. 1745. Vs. a van de ('omb. lezing, een bijna letterlijke herhaling van 1744, kan niets anders zijn dan een emblema.
De inlassehing van dit vs. maakte het labrieeeren van een daarmee verbonden wederpaar noodig; en naar allen sehijn heelt de interpolator in die behoefte voorzien door den onmiddellijk volgenden regel van den oorspronkelijken tekst in tweeën te scheidon (âDat men voer haren ogen llinghe alse eenen dief1'1;, waarbij dan, opdat ook de metriek haar eiseh zoude krijgen , in het eerste vs. de invoeging van lie)inaerde, in het tweede de vervanging van him]he door sonde ham/hen werd noodig geacht. (Het woordje âmenquot; is hier natuurlijk op te vatten als âmenquot;quot; â ⢠â0^', het enclit. person, pronom.).
Vs. 1758. Met Ml. (zie diens Dissert., bl. üo; geef ik de voorkeur aan een lezing, die beantwoordt aan li. 11, 1934:
âUier is menieli hag!te eude tuun,',2),
en aan vs. 902 der vertal.:
âJ'ralex mnltus quoque sepis ubique.,',
niet evenwel op den door Ml. aangegeven grond (aan een âhaghev' of âtuun'quot;, kan men moeilijk iemand ophangen), maar dewijl de bekendheid van Hevn. met âmenigh(cn) tuun,M Tiiet van zooveel gewicht is als de nabijheid van struikgewas, dat den vluchteling tot schuilplaats zou kunnen strekken.
Vs. 1772. De invoeging van want 9 als inleiding van den redengevenden zin, wordt gesteund door het Lat. 909: âAam tibi Kcinardus fidus amicus eratquot;. De partikel âNochtairquot; behoort kennelijk bij de voorafgaande woorden van 1771, niet bij die, welke den grond van het niet kwalijk nemen aangeven en waar zulk een conjunctie volkomen te onpas zou zijn. De verandering van diet in dat vereischt geen rechtvaardiging.
Vss. 1789*â1794. Voor de hoofdzakelijke veranderingen in deze vss. zij verwezen naar Tschr. 5, 253 en 254. Alleen merke men bovendien nog op: dat in het eerste der naar boven verplaatste verzen (*i = 1789*) door den samenhang de invoeging vereischt wordt van oec; en dat in het tweede {0 â 1790), niettegenstaande Baldui-nus'' lezing ''926) âvestra sine poena'1'', het schrappen van 't possessivum is aan te raden, aangezien de gedachte hier blijkbaar niet zoozeer is âhij kan wegens zijn geschiktheid in 't klimmen het touw naar boven brengen, zonder dat (jij u behoeft in te spannen'''', als wel âhij is wegens die geschiktheid in staat die taak zonder rjroote moeite, dus vrij snel te volbrengenquot;2).
1
J). i. in het vers âHecht in dese selve sprakequot;'1.
2
) V\s\' u0^ (^c correspondecrende plaats in A'. 11 (1968 en 1969):
âUi can wel dimmen , hi sel (j her eet Die lynde opdraghen ; hi is ^o snel.''''
185
Vss. 1801â1803. Enen (in dativo) bier brouwen, hlanden, schinken waren In 't Mnl. zeer gebruikelijke termen, in figuurlijke toepassing gebezigd voor âiemand kwaad berokkenen.Maar wat moet hier in vs. 1802 dat zonderlinge clooslerlrier beduiden? Kan dit nomen en het daarmee samenhangende bruiren, in 1803, wel iets meer zijn dan het voortbrengsel der phantasie van een eopiist, die een origineel vóór zich had, waarin vs. 1801 een oorspronkelijk op âhierquot; volgend woord miste, en wien, terwijl hij naar een rijm op dat âhier'quot; zocht, de even te voren genoemde âcloostercrunequot; van den beer nog versch in quot;t geheugen lag? Ware het sil te onbegrijpelijk, zoo bij die gelegenheid de bovengemelde gewone zegswijze de aanleiding was geworden tot het scheppen van een bij uitstek ongewone uitdrukking, gelijk de term âenen doesterbier bruwenquot;'' mag heeten?
Wat Willem zelf hier geschreven heeft, is evenwel in geenen deele met zekerheid vast te stellen, vooral ook omdat we te dezer plaatse de hulp missen van K. II, waar de tweede helft van Ysingriji^s uiting en de geheele daarop volgende aansporing van Brune en Tvbeert zijn uitgevallen (vgl. R. II, 1078â1984 met 1707 1820 van onzen tekst). De door mij ex mera conjectura voorgestelde wijzigingen , de invoeging van (j heg heven, de daarmee gepaard gaande verandering van q he vet in hevet, en de vervanging van cloesterbier en bruiven door lateu dieven en nemen t, kunnen daarom alleen als een hypothese gelden, welke slechts deze verdienste heeft, dat ze een volkomen on verklaarbaren tekst verstaanbaar maakt.
De weglating van voeren in 1803 was reeds door »1. voorgeslagen.
Vs. 1806. Het schrappen der t van ,^11^ (z. W., .1. en M.) verdient afkeuring* Het pron. is hier de niet ongebruikelijke voorlooper van een volgend object.
Vs. 1812, âHinequot; is in dit vs. volkomen juist als subject van een zinswending, waar de dichter, in pl. van Tvbeert te laten spreken, zelve aan quot;t woord is. J.'s en M.'s lezing ln{ii)e is daarom t(^ verwerpen.
Vs. 1817. Het zonderlinge nichten zal gewis zijn bestaan alleen te danken hebben aan de vergissing van een afschrijver, die het substant. âneveir' in zijn origineel niet als âverwanteuquot; (vgl. het aan ânevenquot;quot; beantwoordende âmaghen'quot;,, in li. 11, 1081), masir als âconsobrini,, opvatte. In li. 11, 1081 , vinden we naast âmaghenquot;'' het nomen vrienden vermeld; in quot;t Lat. 040 nevens ânotis''quot; evenzoo amicis. Zouden we dan behoeden te aarzelen in li. I dat nichten door vrienden tlt;! vervangen?
Vs. 1821. Ni tast den vorm Arsenden in dit vs., leest men in 224 Haersint, in 2501 Ha er sen den, in 2657 en 3120 Hersenden gt; en in 1037 Harsenden, dat wegens het rijm op landen in Harsinden te veranderen is. Niettegenstaande deze verscheidenheid heb ik mij hier toch, wegens de gestadige afwisseling tusschen de letterverbindingen er, ar, aer en en, in in andere vormen, aan geen normaliseering gewaagd. (Voor het behoud van een vorm, zonder h, verwijs ik naar hetgeen dienaangaande in de noot op pag. XXXIX der Inleiding is in quot;t midden gebracht).
Vs. 1857. Van de vss. der Comb, lozing is /3 het vijfde wiel mm den wilgen en kan (hiitiom buiten kijf door een talent als Willem niet zijn gedieht. Vs. ? kenmerkt /.ich als een lamme en dwaze herhaling van hetgeen reeds in vs. a. en 185(1 is gezegd en moet als zoodanig uit den tekst verdwijnen. Vs. â / treft dezelfde veroordeeling, niet alleen als wederpaar van 3, maar ook als het onmiskenbare uitvloeisel van de interpolatie /3; (let ook op de praehtige overeenstemming tusschen sprnc en het
UJÃ
voüiatguiitido âzwcechquot; ii« ISüCi). âKnde si springhcnquot; in e vertelt nog eens, gt;viit we ui oe'nmiial direct en eenniiuil indirect hebben vernomen j endc si kerm in hetzelfde vers pust hier in de voorstelling als Jan Klaaszen in een treurspel.
Zoowel de volgende verbinding âspringhen endc loepenquot;' (in vs. 18.59 van onzen tekst) als het bestanddeel âEnde springhenquot; van s wijzen ons voorts den weg tot de herstelling van « in zijn oorspronkelijke gestalte en tevens tot de daarmee samenhangende wijziging van joucheeren in jongheliughen.
liet origineel der vertal. bevatte reeds de besproken emblemata (z. aid. 9G2â965j. H. II wijkt hier ten gevolge van 't verschil der voorstelling aanmerkelijk af.
Vs. 1868. Niettegenstaande het Lat. âante diemquot; (vs. 071), moeten we in de allerzonderlingste tijdsbepaling voer de dniihernel zonder voorbehoud het resultaat zien eener verknoeiing, die trouwens in verband met hot volgende âte nachtquot; in (1869) en met het oog op de bcstanddcelen dor door mij als oorspronkelijk vermoede lezing (voren .... met) alleszins begrijpelijk mag heeten.
Vss. 1924 1986. De voorstelling in deze vss. kan onmogelijk juist wezen, evenmin als do daarmee overeenkomstige in 7i'. 11') en de vertal.2) Vooreerst toch verwachten we na do woorden van 1923 een verklaring van dat ârecht gheselscapquot;, d. i. de uiteenzetting der voorwaarden, waarop de vennootschap werd aangegaan; en ten tweede zou met do Comb, lezing âBat wi beiagheden , irns ghemeenequot; liet onmiddellijk daarop volgende (in 1927 en vlgg.) in lijnrechte tegenspraak zijn. Dit laatste bezwaar is door een of meer afsohrijvors hij hot copiëeren der besproken plaats niet over t hoofd gozien, zooals blijkt uit de verandering van vs. 2135, dat iu /{. II met 1927 van li. 1 correspondeert (âEndc ooc niet gemeen alsoquot;) en uit de lozing der vertal. (1004) âNee sic publica sunt quin.quot; Hoe plomp deze zoogenaamde verbetering evenwel is, vereischt geen betoog.
Met het luttel aantal geringe wijzigingen, door mij voorgeslagen, wordt zoowel aan cerstgenoemden cisch voldaan, als de onhandige verandering der copiisten onnoodig gemaakt.
De wijziging van wandelen in minderen vordert geen bespreking.
Vss. 1928 en 1929. Volgons de lezing van ons hs. kwam het nu en dan voor, dat Uoyn. bij de doeling dor buil ten minste de helft van zijn aandeel ontving; naar hetgeen hou. (1930â1941) volgt, moest de vos zich daarentegen of mof niets öf met alleen wat meer dan niets tevredenstellen. Voor een twijfel aan de echtheid dei-laatste voorstelling ontbreekt allo grond. Vandaar de noodwendigheid om met ecu wijziging in 1928 en 1929 de tegenspraak tussehen die beide uitingen van Reyn. te doen verdwijnen, d. i. mot een vervanging van het imperf. indic. der beide verba door een plusquamperf. conjunctivi, 'twolk de voorwaarde eu de daarvan afhankelijk
â¢) Vgl. 2132â2134:
âEnde ghinghen tsamen mit herten koon. Ui stnl dat groet eude ie dat cleen ,
Dat wi creghen dat was gemeen quot;
2; Vgl. 1002 en 1003;
âEt quae furamur communia sunt; ego parva Furor et hie magna, publica sunt tarnen haec.quot;
137
gestelde omstandigheid voorstelt als iets, v ut in een verleden tijd niet tot de werkelijkheid behoorde.
Dat intussehcn voor de boven aangewezen tegenspraak niet ieder afsehrijver blind is geweest, blijkt üit de pogingen om ze weg te nemen, waarvan /i. 11 (2136â2137) en de vertal. (1004â1005) getuigenis afleggen. Vgl. aldaar:
âUi (en) was in hueghen vro (/. endc vro);
Mer ie en had mijn deel niet hnlfquot;.
en
âquin laetor, si mihi posset Illorum minima eedere partieiila',\
De verplaatsing van ''t subj. in 1028 is het gevolg van de wijziging in 1927.
Vs. 1930. In verband met de overeenkomst, waarvan in vs. 1925 gewaagd is, kunnen we billijkerwijze verwachten bij de vermelding van den roof van quot;'t klein vee Heynaert als den jager te hooien noemen.
Vs. 1932. De meer dan overbodige uitbreiding in de beide op 1932 volgende vss. van quot;quot;t hs. wordt in R. II niet gevonden (zie aid. 2140 en 2141).
Vs. 1933. «7. en INI. hebben hier daermci uitgeworpen; mijns bedunkens evenwel zonder eenigen behoorlijken grond.
Vs. 1935. Van de vijf vss., in onzen tekst tot een enkelen regel samengekrompen, bevat « een volstrekte leugen. Wanneer Heyn. zich namelijk in het volgende (zie 1935â1942 van onzen tekst en 2144â2152 van R. II) er over beklaagt, dat hij van een buitgemaakte âossevgt; of âbakev, slechts een klein ribbetje kreeg, dan kan hij een geval, waarin hem niets ten deel viel en Ys. alles voor zich zelf behield, niet als een zaak van geringe beteekenis hebben voorgesteld. Vermoedelijk heeft dan ook eenig copiist bij het afschrijven van dit gedeelte des gedichts de uiting voor den geest gezweefd, welke de vos op het tweede verhaal laat volgen (zie 1943 van onzen tekst), en was het deze omstandigheid, die hem er toe verleidde een dergelijke ontboezeming ook met de beschrijving van des wolfs optreden , bij de eerstgenoemde dergelijke gelegenheid , te verbinden ').
De onhandige inleiding op het tweede verhaal (zie vs. /3) ontsiert noch R. 11 (zie aid. 2144 en 2145) noch Halduinus'* vertaling (zie aid. 10 12).
De waterachtige uitbreiding in y en «, de volstrekt overbodige aankondiging van den âossequot; en den âbakequot; als een (jroete jirojie en de alleszins noodelooze omschrijving van wi door ic ende mijn oem zoekt men evenzeer tevergeefs in R. II. Aan de daar aangetroffen lezing (2144 2140):
âMer als wi hadden al sulc gheval ,
Dat wi een os of een koe Ghevanghen hadden1''.
1
In het Lat., waar we een aan a beantwoordenden passus vinden (âNon tamen inde querorvo), is die uitdrukking in verband met de wijze, waarop de tweede historie aldaar wordt voorgesteld, op zich zelf niet onmogelijk. Maar de redactie der geheele plaats is hier in die mate verward, dat ze niet het minste gezag verdient.
In R. II vinden we aan quot;t slot van de beschrijving der zoogenaamde deeling van 't âcleenequot; een andere lezing (âDoch was dit van deri minsten alquot;, 2143), welke echter evenzeer de kenmerken van een emblema vertoont.
188
beantwoordt in liet Comb. hs. alleen:
âAlse w i.....beiagheden Kenen osse of eenen bake,n l).
Volgens 11)25 (van onzen tekst) is hier voorts alleen fle vermelding van Ysingrijn als jager te verwachten (vgl. ook de Aant. op vs. 1030) en zal daarom de wijziging âhi bciaghede'quot;' Willem\s redactie gewis meer nabij komen dan de lezing âwi beiaghede?^,| âwi .... ghevanghen haddenquot; in /i. 11 2x).
Vs. 1937. Vgl. over den vorm Harsinden bov. op vs. 1821.
Vss. 1944 1948. In plaats van de hier te bespreken ( omb. lezing vinden we in li» II , 2154â-2157; ,, Wout ie heh nofj den scat so groot Beide aen silver ende aen gonde,
Dattet een waghen niet en sonde Mit seren rei sen (niet) wech voeren',\
Kan men bij een vergelijking dezer beide redacties een oogenblik in twijfel staen, aan welke der beide de voorkeur moet worden gegeven, aan de lezing van/i. 11, die
zoowel op zich zelf als in verband met den voorafgaande!» versregel âNochtan.....
ie en hads gheen noot'quot;' (=z âNochtan dat was mi lettel nootquot;, van R 1) volkomen gezond mag heeten . of aan die van /gt;'. 1, waar de vier eerste vss. althans werkelijke krankzinnigentaai bevatten ?
Zonder aarzeling verandere men om die reden (*.(â =. li. 1, 1945) naar li. II, 2154, en brenge, na schrapping van /3âo en van «, het soeperige aanhangsel van o, in C, , 0 en i de boven voorgeslagen wijzigingen aan, welke ten decle door de lezing der respectieve vss. van li. II aan de hand worden gedaan = H. 11, 2155, 0 â U. II, 2156, i â li. II, 2157), ten deele als de verbeteringen mogen gelden der verknoeiingen, die ten gevolge der interpolatie waren ontstaan.
De verplaatsing van âsollde,, is noodig wegens het metrum : wilde men volstaan met de verwijdering van het inlapsel iS'o vele (dat ten gevolge van het verlorengaan dei-betrekking met âecu scat so grootquot; in den tekst was gekomen), dan zou vs. 1047 drie arseis bevatten, tegenover vier hettingen van zijn wederpaar.
Vs. 1960. J. werpt hier alle nit, terwijl M. huiven verandert in uire. Voor fle eerste dezer lezingen ontbreekt alle grond. Tegen de andere verzet zich de Mnl. syntaxis, zooals o. a. kan blijken uit: âAllen sonderen, dien haer sonden beronweirquot;', Kuusbr. .3,206: âdat tleu (jnaden rouwen machquot;, Sto. 6,340; âberouwet den Acmiquot;, Sp. 4 37,42; âso herons den kinderen \ Bj. 2,4577; âdattet (/en w/Xc berouwen mochtequot;, Bvt. 30 v.
Vss. 1965 en 1966. De woorden Dat (jhi (mi) ons secht, die eerst een paar regels later ter gelegener plaatse volgen (zie 1008 van onzen tekst), staan hier in 1066 niet alleen hinderlijk overbodig, maar verbreken ook de behoorlijke betrekking tusschen het relatief (van 106 7) en het daarmee verbonden antecedent âvaertquot;.
Het middel tot een afdoende verbetering levert ons li. 11, 2175 en 2176:
1) De Lat. vertaling, met haar dwaze lezing in vs 1013, kan hier niet in aanmerking komen.
2) Men lette ook op het echt epische karakter der parallellen âAlse ic beiaghede een calf enz.quot; (1030) en âAisc hi beiaghede eenen osse enz.quot; (1035), bij onze reconstructie in den tekst gebracht.
l-*9
âlc vermaen u, Reinnert,
Op die laiu/he ho.nanaerr, en/,.
Vgl., wat de verandering van sc.lmr in lnnlt;]he.r aangaat, ben. vs. 2015 ânp mine Imiffhe vaertquot;.
Vs. 1977. UpIn'ef' als |)i,aetcritnm te midden van twee geeoördineerde fiituni, datzelfde verbum, met de zonderlinge beleekenis âbrengeirquot;' en in verbinding met snbstantiva, als veeien en âonglievar'', onijlu-.re.ede met zijn opvatting âgebrekquot;, die bier niet te pas komt, Jelt;jhcn den tviiinc in betrekking met âonghevar', ziedaar elementen, die in de lioogste mate ons wantrouwen moeten wekken (vgl. ook V. in Tschr. 1,20 en 21;. Met de verwijdering dezer steenen des aanstoots en van het daarmee samen).angende heede en Ende, on met de verplaatsing van âbringhen sar*' geeft men intnsselien aan den tekst een gestalte, welke voorzeker meer aan WillenTs pen zal herinneren dan de lezing vun het Comb. lis.
Met het oog op de niet ongewone verbinding âleet ende onghevaP verdient tevens de vervanging van reeteu door leel aanbeveling.
Vekdam's voorslag ten opziehte dezer plaats heft evenzeer de genoemde bezwaren op, doeh dwingt tot liet aanvullen van een bij die verandering ontstaande laenne. Vandaar dat ik het waag aan bovenstaande eenvoiifliger behandeling onzer vss. de voorkeur te geven.
Vs. 2006. In plaats van de lezing van 't ms. âbringllenscv, vindt bij M. âbringhenc',,, ofschoon de vss. 41t3, 1070 en 201.3 voor het vrouw, geslacht van âmoort,, getuigen.
In .l.-s uitgave lezen we âbrincse1quot;', met een onnoodige verkorting van 't werkw.
Vss. 2011â2012. Voor de veranderingen in 2011 2012 vgl. men /i*. II. 2221â222.3: âWant waendi des, edel heer,
Al bein ie anders hesundichi seer,
Dat ie mijn zied wil verdoemen y'quot;
Besondicht sere levert in dezen samenhang een heel wat beteren zin dan een aennipic = âongelukkig, ellendig wezenvgt;. (Vervanging van hete, in 2011, door zijn eipii-valent Conine had begrijpelijkerwijze de genesis van een onoorspronkelijk aermjinc kunnen veroorzaken).
Vs. 2013. Natuurlijk staat hier âmoert'quot;' niet in den zin van âcacdes'gt;'', maar met een beteek. âdoodschuld, zware misdaadquot;quot;' (vgl. de glossaria op den Lksp., den J//ygt;., de fjorr. en de JJ. Uoctr.).
Vs. 2048. Vgl. voor het behoud van mine mijn Mnl. Sjn\ § 3431).
Vss. 2051â2053. Wie zal het wagen onzen Willem van een zoo onbeholpen wijze van uitdrukking te verdenken, als we in de beide eerste regels der ('omb. lezing aantrelfen? Ken dergelijke herhaling van een geheel partijtje onmiddellijk voonifgaande Moorden ware zelfs bij den sleehtsten onzer Mnl. rijmers ternauwernood aan te wijzen. (Vgl. ook de vertal. 1068â1070:
âAes Ermerici dudum pater inveniebat â
Incpiit Ueinardus siccpie superbus erat Et sic elatus, similes sibi despicit omnes.''''
welke voor de voorgestelde uitwerping pleit. /»*. 11, 2265 â2260, verschilt in redactie te zeer van li. 1, om hetzij tegen hetzij voor de echtheid der bewuste vss. te kunnen getuigen).
Van do woorden âDoe wurt hiquot;, welke i» 2051 oiimisbaar zijn, «orden de twee
140
laatste in hot voorargiULiule emblema teruggevonden en mogen alzoo als bestunddeelen gelden, welke bij het ontstaan der interpolatie hierin uit het volgende vs. waren opgenomen.
Voor de lezing overdich zie men V. in Tschr. 1,21 en 22, op vs. 2251. De weglating van het tweede so wordt door het metrum gevorderd.
Vs. 2057. Tegenover J. en M. heb ik hier het adjeet. yrote behouden, en dat wel met het oog op:
âDaer na seide hi hem (/roet saluut,quot;
Fl. e. BI. 2003 ')â¢
âDaer na seiden si groet saluut Florise enz.quot;
Ib. 2916.
Vs. 2089. Natuurlijk is hier Ende â âindienquot; niet met G. W. J. en M. in of, oil te verandoren.
Vs. 2077 -2081. Voor de wijziging van â 11(7/ si iior /i oner een draghenquot; en de opneming der vier voorafgaande regels naar J{. 11, 22!)n -2297 ') zie men .l.'s aan-teekening op bl. 87 zijner uitgave:
âBlijkbaar is tot den samenhang noodig, dat Heinaert niet alleen zegt , dat de saamgezworenen den koning wilden vermoorden: maar ook, dat zij Bruin in zijne plaats wilden kroonen. Van 's konings magen toeh behoefde men niet te vreezen, dat zij zich zonden verzetten tegen Nobels dood, die wel zonder hunne voorkennis zou plaats grijpen; maar zij konden âwedersegghenquot; dat hij door den beer werd opgevolgd. Ik heb daarom die vier regels uit de omwerking overgenomen, waar dan deze regel volgt:
Op zijn hooft die croon van goude,
waarvoor ik heb in de plaats gesteld:
Ende hi crone sonde draghen,
waaruit denkelijk in C. de regel verbasterd is:
Wat si noch over een draghen.
Dat deze verzen werkelijk in den ouden tekst behoorden, mag men ook opmaken uit de vergelijking van 232 7quot; (volgens onze lezing 2127).
Ook vgl. men hierbij de vertaling 108G--1089:
âConspirant, iurnnt inibi supraque coronam
Hoe Isengrini constituere ratum.
In solio regni Brunus statuetur ab ipsis
Kex et Aquisgrannm regia sceptra gerot.quot;
Vs. 2084. In het hs. leest men niet, gelijk .1. en M. opgeven, netidc met zincn goudequot;, maar âmet zinen goudequot;. En in verband met het welbekende gebruik in
') Ten onrechte is dit rjroel eertijds door mij (zie Mul, Versb. 104) als een glosseem beschouwd.
s) Nam.: âSi swocren op Isegrijns cruun
Alle vive, datse Bruun Conine ende heer souden maken Ende settcn hem in den stoel tAken Op sijn hooft die croon van goude.quot;
141
quot;t Mnl. cener verbinding âmetquot;ââmetquot;, waar wij thans âmetquot;â-âenquot; bezigen, ware een wijziging dior Comb, lezing volstrekt ongepast.
Vs. 2095. Niet riemde, maar moede is bet woord, dat het begrip uitdrukt, hierin den samenhang vereisebt. Ook vgl. men het praediciuit, 'twelk in een der Ol'ra. branebos (zie Maiit.'s ed. II, bl. 311, vs. llfiT en 1108) aan llermeline wordt toegekend:
âdame llermelino Qui molt. par fn saye mescbine.quot;
Vss. 2102 en 2103. Waarom hier, bij ecu uitstekenden zin der Comb, lezing, met W., .T. en M. veranderingen aan te brengen, naar H. 11, 2.'i22 en 2.'12.'il), en Jieineke, 2UI72)?
Vss. 2109 en 2114. ,1. eu M. lezen in beide vss. kende, voor keniie(n). Voor het praesens, dat hier een zeer goeden zin oplevert, getuigt eehter het Lat. cor/How'(iu reg. 1118 eu 112(1), en, wat de eerste plaats betreft, ook de lectio van A'. 11 âie keuquot; (reg. 2357\
\rs. 2120. ,):s verandering der beide iioclfs in no mist allen grond.
Vs. 2137. De verknoeiing is hier oud. Getuige /i*. II, 2.385â2.387, waar we hetzelfde dat aantrefVen, doch in verbinding met een ww. icetcn, Hwelk stellig ten behoeve van het verbasterde object in de pl. van het oorspronkelijke vinden (zie H. 1, 21.38) in den tekst was gebracht.
Vs. 2153. Volgens de Comb, lezing (en U. II, 2400 en 2401 3) zou de oude vos hier uit zijn hol (fhcloejjcn komen, wanneer hij wil uitkijken , of een onbemerkt verlaten van zijn schatkamer voor hem mogelijk ware. Ken zonderlinge slimheid voorwaar! Begrijpelijker ware 't gewis, zoo ons door den jongen lleyn. werd medegedeeld, hoe diens waarde papa, vóór hij in zijn geheel te voorschijn kwam, vóór hij âden sconen dach*quot;' begon te ,,(|ueddcne,, (z. ben. 2IG2), alleen den kop uit het hol stak, of, naar de bewoording der Lat. vertaling (1136) âSe levat ex antro genitor collo teunsquot;, zich alleen toten halse vertoonde.
De verandering van (jhcloepcn in (jhesloejien, reeds door M. voorgesteld, wordt met betrekking tot gemelde omstandigheid natuurlijk des te wenschelijker.
Vss. 2157â2159. Bij een wijziging dezer verzen, zooals ze door Fr. is voorgeslagen (z. Ml/s. Proefschr. bl. 72) naar li. 11, 2405â2407:
âWant ie aen hem dit vernam:
Dat hi uten hole (juam,
Al om siende mercte hr1,
wordt in den chaos der Comb, lezing een behoorlijke orde gebracht; een goeden zin zal de tekst echter eerst dan leveren, wanneer men vóór de verplaatst!! woorden âhi hutcn hole quamquot; niet doe, maar eer invoegt (vgl. het bov. op 2153 aangemerkte).
Vs. 2160. Voor het behoud van den vorm i/emene, tegenover M., verwijs ik naar mijne Mnl. S/trJc. § 379.
Vs. 2178. De bezwaren, door Fr. (Ml.'s Proetschr., bl. 72 en 73) tegen dit en het volgende vs. ingebracht, zal men niet dcelen, zoo men let op de beteek.
|
') |
Vgl.: |
âMede seidc si mi sulc litteyken, |
|
Die ic kende also (ende) waer.quot; | ||
|
!) |
Vgl.: |
âSe sede 6k en wiVrtèken dflrby.quot; |
|
') |
Vgl.: |
âDoe sach ic mincn vader comen |
|
Uut enen bole oec scr ghclopen.quot; |
142
âin onzekerhei(lv', welke; nan do uitdrukking in dole eigen was (vgl. liet Mnl, Wh. i. v. dole).
Vs. 2182. J/s en M/s omzetting ic rant is hier volstrekt overbodig.
Vs. 2183. Dat in pi. v. een oorspronkelijk van diere door een gedachteloos alschrijver zeer licht nandic kan gelezen zijn, zal wel niemand willen ontkennen. De invoeging van Da er moest dan het noodzakelijk gevolg dier verknoeiing wezen
Vs. 2248. Voor den vorm bodscaj) zie men de aanteek. boven op 4rgt;I. J.'s en M/s omzetting van âhi soudequot; is onnoodig.
Vs. 2275. Voor het behoud van den vorm mine, tegenover .I/s en MAs lezing mijn, verwijs ik naar § 34.36 mijner Mul. Sprk.
Vs. 2305 2307. ât/ygt; /lt;« ghenent'quot;, â âop uw moed, vertrouu cirquot; is hier in den sumen-hang even dwaas als âmet ghenen^'', â âmet vertrouwen'quot;, ei'ii goeden zin oplevert.
Voor de lezing âwillicA.'e;i rri laten^ vgl. men het Lat. 1222: âHeinardum solvam nunc tali conditioue.,,
De invoeging van h'nde en laten vereischen geen toelichting.
Vs. 2331. Van het schenken der trauiven kan hier natuurlijk geen sprake zijn geweest. De âscat'quot;, en de âscat,', alleen is te dezer plaatse de cardo (|uaestionis. Voor bet ran wen in de opvatting âter beschikking stelhMr'1, een begrip dat als coördinatie van âjonneir'' in dezen samenhang voortreflelijk past, zie uien het Mnl. Wb. i. v. betrouwen y rubr. II, I.
Vss. 2350 2356. Vgl. H. 11, 2602 2G07:
âKen water, heet Kriekenpit ,
Het stact daer bi, niet ver van dan.
Daer en coemt wijl' no man,
2605 Dicke in enen halven jaer (So if rote wildernis is daer)
Sonder ule (l. die ule) ende die scn^uut.,1 een lezing, die hetzelfde zegt als de daarmee eorrespondeerende elf verzen van den Comb, tekst, doch dit veel korter en eenvoudiger doet, vooral omdat ze niet verwaterd is door den hinderlijken en onhandigen omhaal van reg. â¢/, o en van v, met zijn aanhangsel C. Zonden we met het oog daarop niet verplicht zijn deze plaats in /{. 1, natuurlijk zoo conservatief mogelijk, naar /». II te wijzigen of liever te verbeteren? Vgl. vs. /3 met fi. II, 2603 i â 23r)l v. onzen tekst); 0, i, * en /, ontdaan van hun stoplappen, met /i. II. 2604 en 2605 (= 2352 en 2353 v. o. t.); en c met /i II, 2606 (= 2354 v. o. t.); en let op het behoud van âsomwijlenquot; in 2352, naar 0 (A'. II heeft als surrogaat daarvan âDickequot;, in 2605), en van âcreaturev, in 2353, naar gt;.
Vs. 2369. Voor het onnoodige eener omzetting in dit vs. (z. Tschr. 1,7, op vs. 2587) verwijs ik naar de noot onder aan pag. 101 van mijn Mnl. I ersb.
Vss. 2385 2387. Het onbeholpen gebruik van een dubbel raert en Jieiinaert in den Comb, tekst en de kortere lezing in Ji. II, 26311 -2641:
JWn moet mcd«' aen onse vacut'4 Sprac die coninc Jieer Uevnaert,
Knde helpen ons den scat ondelven.quot;
waar die storende elementen ontbreken, dwingen ons tot de verwerping van a en 5 en tot de wijziging van yâs naar laatstgenoemden tekst.
De praepos. an (vgl. R. 11, 2639), vóór âvaertquot;1, verdient de voorkeur boven in.
148
Vss. 2413 -2422. In pi. van do vss. «âo der Comb, lezing vinden we in A*. IJ als vervolg op
2665 kJDes manic n bi der trouwen, (= 2411 v. on/., tekst)
Die glii minen heer ende mljnre vrouwen (4: â 2412 v. o. t.) de regels: Sculdich sijt, van des ic f/vu/Ae41.
^Al so ml mi (jaen (ten mijn crny/ie,
Dat aoentuurde ic eert (1. eer) ic Unjla1.;
2(170 Ghi hebt mi i/hemaent also hoyhe,
Bi der truwen, die ic hem
Minen here en mijn vrouwen sculdich ben (1. bem)quot;,
Sprac Cuwaert, tfcist dat iet weet.quot;
â ^So segt hem: weet glii iet wacn* sleet 2075 Kriekenpit? 1st u iet cont?quot;
Hij een vergelijking der beide teksten blijkt het /.onneklaar: 1° dat de vier vss. van H. 11, 2007 2G70, mutatis mutandis tot dr uorspronki^lijki' rtidaetie vau ons gedicht behoord hebben (z. ook J.'s opmerking omtrent deze plaats)1): 2quot; dat de vss. 2071 â 207f) van ii. II, op een enkele uitzondering na, een voortrelVelijke lezing vertegenwoordigen, welke terdeglt;* afsteekt tegenover die van « o in Ji. 1, waar kennelijk, na het onstaan der lacune, op een deerlijke wijze verknoeiing en verwarring aan de orde zijn gekomen.
Tegen de aanvulling van /!. I met de vier eerstgenoemde verzen (2007 -2070) van /». II zal dus wel geen bezwaar bestaan, evenmin als tegen de vervanging van aâo door 2071 -2074 der zoogenaamde omwerking '2075 is aldaar sleehls een onoorspronkelijke uitbreiding). Alleen honde men hierbij in quot;l oog: ln dat, aangezien in A*. 1 reeds in vs. 2412 (van onzen tekst) de uitdrukking âzijl. seuldieirquot; voorkomt, maar daarentegen de bep:iliiig minen here (tegenover âminen heerquot;quot;' van U. II, 2000) gemist wordt, bij onze reeonstruetie het âSculdieh sijt'quot;' van A'. II in li. 1 voor Ende minen hc-e moei wijken; 2° dal in vs. 207'{ van A'. II klaarblijkelijk hel vei bnm was uitgevallen, waarmede Cuwaert zijn bereidwilligheid Ie kennen gal om te zeggen wat hij wist, doch dit verlies zich eenvoudig hint herstellen door So set/1 hem mt dew volgenden regel 2074 (â«So set/t hem, weet ghi iel waer steet'quot;,) met een kleine wijziging als So se(ilt;/hirt op te nemen: .1quot; dal genoemd vs. 207.S ook in de Comb, lezing, doeh een regel lager dan o, wordt aangetrolVen en de n^eonstruetie daarvan in /?. I, de gemelde invoeging en de omzetting van âCuwaert spracr, niet nn!lt;legerek»md, alzoo eigenlijk bestaat in de verplaatsing van o voor y; -l0 dat in /Ji der tr(a)uwen sculdich hem (in Ji. II, 2071 en 2072, en in 2417 en 2418 van onzen tekst) in ( uwaerfs mond duidelijk een als eedsformide dienende herhaling l»' herkenni'U is van de bewoording, waarin Ueynaert den haas bezworen had de waarheid te spreken.
Nji de boven besproken verwijdering van So sclt;]t hem uit vs, 2074 van li. ii houden we aldaar de woorden âWeet ghi iel waer steetv, over, welke in vereeniging met âKriekenpit',^ in 2075, de juiste vraag uitmaken, die de vos op Cuwaert's verzekering kou laten volgen. Ken daarmede overeenkomstige lezing nu hebben we reeds voor li. I verkregen door de boven voorgestelde omzetting van y en o.
') Kn vgl. daarenboven in de Lat. vertaling 1.100; âlam /'/«» jtelle men jicrdenda non reticebo,\
144
Onmiddellijk nu gemelde vraag omtrent âKriekopitquot; of âKriekeputtequot; volgt in li. II, 2070â2078;
â1c wist wol over twairjaer, waert stontquot;
Sprae Cuwaert, âlioe vraeelidi so?
Hot staet int boseh van Unlstcrlo.quot;
en in t en ? van It. 1:
âJa ie, hoe sout wesen soe ?
Np staet hi niet bi Hulst ter loo?quot;
Knnnen wo hier de werkelijke redactie van Willem of iets, wat daarop gelijkt, vóór ons hebben? Hoe kan Cuwaert zoo maar, -onder eenir/c de tninsle nnmuijzini/, begrepen hebben, welk antwoord de vos begeerde te vernemen? Kriekeputte is een verzonnen naam, door Uevn. buiten de tegenwoordigheid en buiten het gehoor der andere dieren alleen aan Nobel en diens gemalin medegedeeld (vgl. hetgeen men leest in vs. 2207 en 2400â2407 van onzen tekst). Had do slnwerd, zoo hij geen gevaar wilde loopen met ('nwaort's getuigenis fiasco te maken, liet antwoord op zijn vraag den haas niet vooraf als 't ware in den mond moeten geven? Hat kan, dunkt me, aan geen twijfel onderhevig zijn. Kn hoe gemakkelijk valt hot dat onmisbare bestanddeel in de voorstelling van onzen dialoog te brengen! Hoe licht komt alles in orde, wanneer we slechts de volgorde van « en £ omkeoren, zoodat hot laatste vs. als oen tweede vraag van Uevn. onmiddellijk op de eerste (in 2420 v. onzen tekst) volgt en rog. ï (met de vervanging van ic door hi en de roods door O. voorgestelde wijziging van hoe in hoene) het begin van Cuwaert's antwoord vormt!
Vs. 2430 â2434. He vermelding der valscho munters in «âi der Comb, lezing treedt hier zoo ongemotiveerd op en hangt zoozeer in de lucht, dat we nauwlijks behoeven te aarzelen het auteurschap van Willem met betrekking tot deze tirade ten ernstigste te betwijfelen, niettegenstaande ze ook in H, II, 208!)â2080, on do Lat. vertal., I10â1313, met meer of minder wijziging wordt aangetroffen. Welk verband toch blijkt er of zou er kunnen blijken te bestaan tnsschen Cuwaerfs armoe lijden bij Kriekeputte en do werkzaamheid van âReynout de riesquot; (of âSimonet dien Vriesquot;)?
He vss. ?â0 van donzelfdon tekst, als een uiting van Cuw. voorgesteld, zijn ten oenen male ongerijmd te noemen; 1quot; op zich zelf, dewijl hot tegen de natuur- en de waarschijnlijkheid zou strijden, zoo de haas gemeenschap had gehouden met den hond en tegenover dozen wegens verlichting van zijn kommer en last tot dankbaarheid verplicht was (juist het tegenovergestelde toch zou men billijkerwijze kunnen verwachten '); en 2° ook in verband met het volgende (z. 2433â2441 van onzen tekst), omdat wc daaruit loeren, dat het Hoyn., en niet Cuwaert was, dien banden der vriendschap met Rijn verbonden. Opgevat als door den vos gesproken, verkrijgen deze regels daarentegen na een paar wijzigingen oen volkomen gezonden zin; ja dat was (die ellende word door jou geleden) in den tijd, toen ik samendeed met; Rijn., die je heel wat last heeft veroorzaakt.
') Vgl. ook in Heineke, 2514â2517;
âIk hebbe dflr vaken geleden pyu
Van hunger undo van groteme vroste,
Wan ik in noden lopen moste
Vor Ryno demo hunde, de my was hart.quot;
145
De tweede helft van den door mij ingevoegden regel 2430, den yheselle mine*), wordt ons ten deele aan de hand gedaan door het laatste vs. der interpolatie, quot;twelk zelve hierin vermoedelijk, met eenige wijziging, uit den oorspronkelijken tekst was opgenomen. Sprac lici/naert, in diezelfde inlassehing, vertegenwoordigt een in dezen samenhang onmisbare aanwijzing van den spreker. Een verknoeiing mi yequijtte voor dl yhedede kan het natuurlijk gevolg zijn geweest van de onjuiste toekenning der bespro. ken uiting aan den haas. Voor de overige veranderingen is toelichting onnoodig.
Dat de aangetoonde misvatting niet van jongen datum was, zien we uit een vergelijking met li. 11, 2690â2602, en quot;t Lat., 1314 en 1315.
Vs. 2437. Omtrent de onjuistheid van den Comb, tekst in dit vs. is alle twijfel buitengesloten. 15ij een lezing als jier rlu/llnnicd verba (vs. 1318 der vert.) en i?i sconen rhneu (2698 R. 11), welke Makt. in li, 1 wil opnemen, is het onbegrijpelijk, waarom Rijn zijn getuigenis voor Hevn.'s onschuld juist in mooie verzen zou moeten afleggen, liij fl/s lectio âMet huwen sone,', komt die welp van Hijn al te onverwacht uit de lucht vullen. Ik vermoed , dat in dit sonc de verbastering schuilt van sermonc (= âredequot;) en dat rijne een dwaas aanhangsel is vande verknoeiing sone.
Vs. 2461. Van eenigen zondenlast, die op den koning zou drukken, kun hier geen sprake zijn. Vgl. ook de vert. 1328â1331 :
^ habit are
Si tecum possem, laetus et ipse forem,
Et sine peccato con versari modo possem Tecum.quot;
De weglating van here, door J. noodig geacht, wordt niet door quot;t metrum geeischt.
Vs. 2462. Na de voorafgaande vraag is als inleiding op het vervolg van Kevn/s woorden een tegenstellende conjunctie onmisbaar.
Met betrekking tot de lezing â/«??; esv,, merk ik op, dat een wijze van zeggen, als âMaar neen, dat is het geval niet, gelijk ik u zal uiteenzettenv,, heel wat vloeiender mag heeten dan âMaar neen, het geval is gelijk ik u zal uiteenzetten.quot;
Vs. 2480. De vss. /3 en y der lezing van het hs. ontbreken, op een kleine uitzondering na, zoowel in Ji. 11 (z. aid. 2740 en 2741) als in de Lat. vertaling (z. aid. 1343 en 1344).
Heg. /3 spreekt van quot;'s konings vrome(ii), die met het geheele geval niets te maken heeft; reg. y bevat een volkomen overbodige bepaling, die blijkbaar alleen was ontstaan uit de behoefte aan een rijm op het voorafgaande vers. Gelijk we leeren uit U. 11, 2740:
âDat ic mil eren bi u mach gaenV),
moet de bepaling met het subst. âeeren',quot;, oorspronkelijk in « hebben gestaan, doch niet als t/mwer eeren (want ,s konings eer was met Keyn/s aangelegenheid niet gemoeid), maar als met eeren, d. i. âals eerlijk man, op wien niets te zeggen valt.quot;quot;
De weglating van Conine in a wordt door het metrum gevorderd.
Vs. 2484. Dat het dwaze intermezzo, vervat in de vss. Die coninc â le bannen, een inlapsel is, behoeft voorwaar geen betoog. Het ontbreekt trouwens, evenals de
l) Voor den vorm mine vgl. men § 363, opm., mijner Mnl. Sjir.
10
14(5
daaraan voorafgaande regel, die âpour le besoin de lu eausequot; was gefabriceerd, zoowel in K. II (z. aid. 2744 en 12745) ills in 'l Lat. i,z. aid. 1345 en 1346).
Vs. 2498. Noch dc koning noch de andere dieren hebben bij bet volbrengen van Uevn.'s bedevaart een zoodanig belang, dat hetgeen in de beide op '241.i8 volgende vss. van quot;t hs. wordt gezegd de minste reden van bestaan kan hebben. In A'. II Cz. aid. 2758 en 2759) worden deze regels dan ook te. recht niet aangetroffen. (Hot Lat. wijkt hier belangrijk at'; z. aid. I3quot;gt;8 en 1359).
Vs. 2501 en 2502. Volkomen juist is M.'s bezwaar met betrekking tot de tegenspraak tnsschen tc statie en hi sot, in de beide regels, welke naar de Comb, lezing op 2501 volgen, in /I. II vinden we die zonderlinge uitweiding over de âstage van steenequot; niet (z. aid. 27(il en 2762), maar wel een vers (2762)
âKnde biet die dieren nt f/Zicniceiiquot;,
quot;twelk ills vingerwijzing kan dienen om in 2502 het oorspronkelijke rijm op âsteenequot; te herstellen, dat ten gevolge der interpolatie was verlorengegaan.
Vss. 2507 en 2508. De leuterpraat in «âS der Comb, lezing ontbreekt in Ji. II (z. aid. 2766 en 2767) en in quot;t Lat. (z. aid. 1365 en 1366)l).
Kvenzoo zoekt men in laatstgenoemde redacties vruchteloos naar de vss. i en C, die van een wandeling des gekroonden echtpaars verhalen, welke al bitter weinig met het te voren sin 2.,)0U, 2501 en 2505) gezegde overeenstemmen.
De regels /, en 0 vertoonen vrij groote gelijkenis met de beide vss., die in li. II onmiddellijk volgen op âDie lii tc recht wel mochtc minnenquot; (zie aid. vs. 2706 en vgl. ook vs. 2506 van onzen tekst):
âDoe sprac die coninc sonder gbelljc;
âHoert alle gadcr, arme ende rljc.quot;
Aan hun herkomst uit een zelfde oudere lezing valt daarom niet tc twijfelen. Terwijl echter li. II hier, met uitzondering van het onverstaanbare âsonder gbelljc'quot;, een gezonden zin oplevert en mitsdien zeker niet al te zeer van den origineelon tekst zal afwijken, kenmerkt zich li. I, gelijk in 'toog springt, door een verwarring, waarbij het oorspronkelijk tweede vs., vóór het eerste geplaatst, met het voorafgaande inlapsel was in verband gebracht. Herstellen we infnsschen in de laa ste redactie de vroegere volgorde, dan volstaat een enkele geringe wijziging (die van l oer en Hoert) om ook aan den Comb, tekst een lezing te bezorgen, welke Willem's eigene woorden vrij wel nabij moet komen. (Voor het gebruik van een term Hoert haer vgl. men bov. de vss. 401 en 1334).
De invoeging der verschillende epitheta achter âaerme ende rikequot;, door Fit. naar liet Lat. en li. II voorgeslagen (z. Mi..'s. Dissertatie, bl. 80 en 81), is m. i. niet aan te bevelen, dewijl zulk een zinledige breedsprakigheid meer aan de liefhebberij eens afschrijvers dan aan de dichterlijke werkzaamheid van onzen antenr doet denken.
Vs. 2518. Uit den samenhang moet het ons ten duidelijkste blijken, dat er van vrede ghebiedeii in den zin, waarin we die uitdrukking boven in vss. 247 en 343 gc-
1
; Wie misschien ten behoeve van dc echtheid der vss. x en /3 een beroep zou willen doen op een boven vermelde passage uit het Ondfr. gedicht (z. bet slot dei-noot, onder aan bl. XX VIII der Inleid.), die bedenke, dat de overeenkomst tusscben die beide plaatsen veel te gering is, om de eene als het voorbeeld van de andere te laten gelden.
147
bezige! zagen, in dezen passus oorspronkelijk geen s])i,ake is geweest. Wat Nobel hier doet, kan blijkbaar niets anders zijn dan liet aanbieden aan Heyn. van datgene, â wat door vrede, als synoniem van fiheieede, wordt uitgedrukt (vgl. ben. 3150), d. i. van âbescherming, vrijstelling van vijandelijke vervolging.,, Vandaar dat te dezer plaatse noch een door (jhebieden uitgedrukt begrip âbij afkondiging beveleir'1 te pas komt, noch ook, in verband daarmede, de plechtigheid eener zoodanige tot driemasil toe herhaalde afkondiging.
Meer vertrouwen dan 11. 1 verdient de lezing van H. li, welke, tegenover de drie vss. der eerstgenoemde redactie, slechts uit ecu regel (2782) bestaat:
âZiWe daer toe fjceJ' ic hein een vollen vrede.,,
en van het (jhebieden zoowel als van de genoemde ceremonie niets weet. En ik aarzel derhalve geen oogenblik om den Comb, tekst naar den anderen te reconstrueeren, d. i. het eerste der gemelde vss. te wijzigen door Ende daei'lue voor /tei/naerde, hiedic hem voor fjhebiedic in de plaats te stellen en de twee andere als een emblema uit te werpen.
Vss. 2545 2547. De vss. a en /3 der Comb, lezing worden in Ji. 11 noch in 't Lat. aangetroffen (zie aldaar 2800 2812 en 1394) en vertoonen een uiterst onbeholpen en bovendien volstrekt overbodige inleiding van de paar woorden, door Ysingrijn gesproken; (let ook op het zonderlinge began nndwoerden, dat ons een heele stroom van welsprekendheid zou doen verwachten
Dat een oorspronkelijk in o aanwezig Sprac hing rijn bij het indringen van gemeld emblema had moeten verlorengaan, is duidelijk.
De invoeging van ende in datzelfde vs. (2540) wordt door den zin, de weglating van het niet onmisbare ivoerde door het metrum geëischt. Voor de vervanging van began door (jinc, eveneens ter wille van den rvthmus, vgl. men hing hen scaveir'' in R. 11, 2812.
Vs. % en zijn appendix Loeiende, in /5, ontbreken eveneens in 'tLatijn en in A*. II (zie 2812 en 2813, en 1395); en wat in die woorden gezegd wordt, is niet veel meer dan een herhaling van hetgeen reeds in ó en s was medegedeeld.
De weglating van die volehde in « ( = 2547 van onzen tekst) is noodzakelijk zoowel wegens den zin als wegens het metrum. De uitdrukking des coninx in r, behoort te worden veranderd in ten coninc (niet in les coninx), aangezien het doel der beide vertoornde dieren niet de woning, maar de persoon des konings is 2).
r Wel vindt men in /{. 11, evenals in het Comb. ms., nog een rijmpaar tus-schen vs. 2808 (respect. 254G van onzen tekst) en de beide met âraveir'' en âseavenvgt; eindigende regels, maar blijkbaar was ook hier dat viertal door interpolatie uit een oorspronkelijk tweetal voortgekomen. Vgl. aldaar:
âIsegrijn sprac: k(,IIoe mach dat sijnV 2810 1c waen, ghi ons lieghet, Tyselijnu.
fcklc en doe sekerquot;, sprac die raven.
Doe ghinghen die derwaert sc(r)aven.,,
waarvan 2809 en 2811 in H. 1 noch in 't Lat. hun equivalent vinden.
2) \rgl. met de beide door ons gereconstrueerde vss. ook nog de lezing van li. I I, 2812â2813:
âDoe ghinghen die derwaert sc(r)aven.
Die wolf ende Bruim , fen coninc waert.
\0*
148
Vss. 2548 en 2549. De inhoud van /3 en y der Comb, lezing staat in lijnrechte tegenspraak met hetgeen beneden in 2554 en 2555 van onzen tekst wordt gezegd. De voorstelling, in de beide laatste vss. gegeven, wordt, ofschoon meer naar voren verplaatst, in HLatijn teruggevonden '); die der eerstgenoemde regels niet2). Welke der beide redacties hier op oorspronkelijkheid mag aanspraak maken, is daarom boven allen twijfel verheven.
De vermelding van den ruwen halghe is, gelijk men begrijpt, liet werk van eon copiist, wien de volgende lotgevallen van Bruun en Ysingrijn door het hoofd speelden!
Vs. 2567 en 2568. De beide vss., in ons hs. op 2567 volgende, het eerste met zijn meer dan overtollige appositie bij hem, het andere met zijn onbeteekenende opmerking omtrent Bruuirs en Ysingriju's behandeling, worden in li. II en in de Lat. vertaling vruchteloos gezocht (zie aid. 2833 en 2834, en 1407).
Voor de herstelling van het oorspronkelijke rijm tusschen 25G7 en 2508 volstaat een kleine omzetting in het laatste vs. (Vgl. ook li. 11, 2834: âMen bantse vnsl. nlle bedeM, en zie voor een rijm, als dede\ bede, § 24 mijner Mul. Sprk.
Vs. 2591â2593. Niettegenstaande W/s bewondering voor de Comb, lezing van 2591 (vgl. diens uitroep âeene stoute, maar fraaie figuurquot;) en de verklaring, door M. daarvan gegeven (âin meiner Person eurer Secle für ihre letzte Wanderung Schuhe besorgen,,,), voel ik mij toch genoopt tegen de echtheid der woorden hu sieleâscoyen geen geringe mate van argwaan te koesteren; want zelfs bij de grootste toegevendheid ten opzichte van het gebruik van stoute tropen , kan men aan een beeld, als âuw ziel zal mij, den pelgrim, tot schoeisel hebbel^,, geen ander praedicaat dan âonzinnig,, toekennen. Ik waag het daarom bij deze plaats aan verknoeiing te denken en in scoyen de rest te zien van een oorspronkelijk ontscoyen, dat als slot kan hebben gestaan van een vers, quot;twelk misschien, na de uitwerping van hu sieleâscoyen, op de boven voorgestelde wijze is aan te vullen (vgl. het Lat. 1422: fc(Fac Ilircen amitam soleas dare posterioresquot;).
liet schrappen van Doet in 2591 en de invoeging van A'm/e mi in 2593 hangen met gemelden voorslag ten nauwste samen.
De conjunctie oec kan in 2592 onmogelijk gemist worden.
li. II, 2857â2859, stemt overeen met den Comb, tekst: de vertaling vertoont evenwel van dat scoyen der siele niet het geringste spoor (zie aldaar 1420â1423).
Voor den vorm Haersenden zie men boven op vs. 1821.
Vs. 2614â3615. De beteekenis, door .1., M. en V. (in quot;t Mnl, Wh.) alhier aan het verbum braeuwen toegekend, berust op geen enkel behoorlijk gegeven. Voor een dergelijke opvatting ontbreekt elk bewijs zoowel uit het Mnl. zelve als uit de verwante dialecten; en tusschen de begrippen âvolstoppen^ en âkalfaterenquot; (zie quot;t Mnl. Wb.) ligt een kloof, die zich maar niet zoo eenvoudig laat dempen. Mijns bedunkens hebben we in vs. 2014 het knoeiwerk vóór ons van een of ander copiïst, die een oorspronkelijke lectio verbrnemoen = âbewegen, verroerenquot; (vgl. âDat hi
') Zie aldaar 1390 en 1397:
âTibertus nescit quid agat muitoque timore Territus alta crucis scandit ibique sedet.quot; *) In li. 11 ontbreekt zoowel de eene als de andere.
149
cume mochte spreken No (jheen let verbrawenquot;, Wal. 513) of niet goed gelezen bf niet goed verstaan heeft. Met een paar wijzigingen toch, die behalve de vervanging van ooglid door een let, niet radicaal mogen heeten, verkrijgt ons vers een gezonden inhoud, welke in verband met liet verhaal eener bewerking, vroeger door Ysingrijn ondergaan (zie boven 2568â2571) , alleszins begrijpelijk is.
De verhaspeling van 2614 had noodzakelijk op het onmiddellijk volgende vs. een nadeeligen invloed moeten uitoeienen. De gevolgen daarvan laten zich intusschen op de boven voorgestelde manier gemakkelijk en eenvoudig verwijderen.
De lezing in 71. II (zie aldaar 2880 en 2881) komt met de Comb, overeen; het Latijn weet echter van zulk een vergelijking met een vet te mesten vogel niets (vgl. aldaar 1429: âNee tarnen os aperit, membra nulla muvetquot;).
Vs. 2621. In dit vs., evenals beneden in 2040 , wordt de voor Ysengrijn's vrouw gebezigde naam in 't hs. met een u (d. i. w) aangetroffen, terwijl gt;'swenden, in 1507, op de waarschijnlijkheid van een vroegere lezing Herswenden wijst en R. II overal Eerswijnde(i\) ol' Kerswijn te lezen geeft (z. aid. 1664, 2887, 2906, 6451, 73.35, 761.3 en 246, 6409). Deze omstandigheid wettigt de meening, dat in de Nederlanden eertijds naast H(a)ersent, enz. (zie de Aant. bij vs. J82I) ook een vorm, met w, in zwang was, en verbiedt ons, met »!., op bovengenoemde plaatsen Hersent in den tekst te brengen; (M. verwijdert de n in 2621 en 2640, doch leest met G. in 1507 Herswendeii). Of dit Hersioint (tegenover Hersent) misschien de oude Dietsche vorm is geweest, welke in de Vlaamsche sage als benaming der wolvin gebruikt werd, evenals ^se(n)-(jrijm en Jieynaert (tegenover het Fr. Ysemjrin en Uenart) ? Ik durf hierop geen beslissend antwoord te geven. Alleen dit staat vast, dat het aan quot;quot;t Fr. ontleende Hersent door mij in § 1296 der Mnl. S/trk. ten onrechte uit een ouder Hers wint is afgeleid.
Vs. 2625. Voor het behoud van den vorm heede, tegenover M/s wijziging daarvan in beden, vgl. men § 382rf mijner Mnl. Sjjrk.
Vs. 2637. Vgl. 7i. 11, 2902, waar âDaerom wil ic n schoen draghen'11 {â 2636 van onzen tekst) onmiddellijk gevolgd wordt door
âEnde ghi snit delen aen perdoen (1. dat perdoen),,,
en alzoo, evenals in 't Lat. '), de overtollige en onbeduidende passus Godweet â bate, met het daaraan vastgelapte an hog hen af late, ontbreekt.
Vs. 2640. Zie boven op vs. 2021.
Vs. 2653. Voor de zuiverheid van een vorm helpt als imprf. conjunct, vgl. men § 140 mijner Mnl. Sprlc, M/s verandering in holpt is daarom niet goed te keuren.
Vs. 2657. Zie boven op vs. 1821.
Vs. 2686. Voor het behoud van den vorm selve in dit v«. verwijs ik naar § 357 mijner Mnl. Spr.
Vs. 2716. Dat ik hier in de interpunctie van mijn voorgangers afwijk ') en hadde
Zie aldaar 1442: âTu partem capies ennetorum nempe bonorum.1quot;'
*) G. W. en M. lezen:
Al se oft hi jammerlike in sine herte Van rauwen hadde grote smerte.
Dit was bedi enz.
Alse oft hi jammer in siere herte Van rouwe hadde ende grote smerte.
Dit was bedi enz.
150
in haddi verander, vindt zijn grond in een vergelijking met het Lat. 1492 en 1493: âNee dolor ullus erat, aut lt;iuod qnos deserit omnes Non gravatquot;, en met Reinke, 2754 en 2755: âMen luidde lie van rnwen jennige smerte, Dat snlve anders onz.,, Ook lette men op de lezing van R. II, 2986â2989 ^waar W. en M. eveneens onjuist hebben afgedeeld):
âDie (nam. de tranen) liepen over sijn rode granen,
Als ol't hem jamerde in sijn herte Van rouwen; had hi al den smerte.
Dat was daer om, enz.1',
Vs. 2739. Ik behoud hier de lezing warty doeh merk uitdrukkelijk op, dat het verb, te dezer plaatse een u voor h vertoont (vgl. § 13 mijner MnL Sjjv.) en als praesens moet gelden.
Vs. 2750. Clhemokelic, met zijn beteek. ârustig, bedaard, op zijn gemakquot;quot;', kan hier het juiste woord niet zijn; wel daarentegen (jhematelle, in den zin van âpassend, netjesquot;; vgl.:
âMettien .lonet hem uteliet Ende eleedene vriendelike Ende scoydene (ihemntclike.quot;
Limb. G, 334.
Vs. 2751. Zonderling mag het ons voorkomen, dat in dit vs. de âpalsterquot;' wordt voorgesteld als om Keynaert's hals hangende, terwijl die stok toch anders niet op zulk een wijze gedragen werd en boven, in vs. 2709, den vos ook werkelijk âin de hantquot; was gegeven. (Z. o. R. II, 3018 en 3019: âhem hine Seerp ende palster om den halsv,; en 't Lat. 1514: âColla gerunt peram, baeulus (juoque de prope iiendef). Desniettemin zou ik hier geen verandering in den tekst durven voorstellen, dewijl het meer dmi waarschijnlijk is, dat gemelde minder juiste voorstelling haar ontstaan te danken heeft aan de slordige woordvoeging der Ofra. passage, welke Willem hier voor den geest moet hebben gezweefd (z. de ed. v. Makt. I, bl. 40, 1423 en 1424): âEz vos Kenart le pelerin Eserepe au eol, hordon l,resnin.rgt;')
Vs. 2785. Vs. a der Comb, lezing zegt onnoodig nog eenmual, wat reeds in 2782 was uitgedrukt, en verdient derhalve een athetese.
Te gelijk met « moet ook /3 verdwijnen, althans wat het laatste en grootste gedeelte daarvan betreft.
Ende in y vervalt bij het schrappen dei' bepaling, in /3, vanzelf.
') G. Paris, dien ik door tusschenkomst van mijn collega Van Hamel over deze plaats raadpleegde, deelt als zijne meening het volgende mee: â.Ie croirais assez dans le passage de Renurt a une simple negligence du poète, qui a suivi le mouvement de phrase, commence par âEserepe an colquot;. De même aujonrd'hni on dirait familièrement: âII partit giberne au dos, sabre fusil etc.',',; ce ne serait pas correct, mais on le comprendrait. Ou encore: â.Je sortis mon chapean sur la tcte, mes gnnts etc.quot; Je ne puis admettre, (|ue le bourdon ent etc pendu au col; c^est âen la mainquot;, qui est sousentendu, faisant pendant naturel a âau colquot; après âeserepequot;. Cette explication est pent-être trop simple, mais je la crois vraie. Peut-être anssi âfresninquot; est predicatif: âeserepe â au colquot;, âbordon â fresninquot;.
151
Ook li. II bevat deze interpolatiequot; (z. aid. 3057 en 3058); in de vertal. wordt ze echter niet gevonden (z. aid. 1535 on 1536).
Vs. 2789. De vervanging van Als door Doc (z. M.) is onnoodig.
Vs. 2814. De achter dezen regel uitgeworpen vss. bevatten een uitbreiding, welke na hetgeen in quot;t voorafgaande gezegd is nutteloos mag genoemd worden en ook te recht in II. II ontbreekt (z. aid. 3087 en *3088). Balduin US'1 origineel was daarentegen wel van dit inlapsel voorzien (z. de vert. 1558;.
Vs. 2842. Het woordje hem, door »1. en M. verwijderd, is in dit vs. volkomen op zijn plaats.
Vs. 2872. leest hier â«a/.s ontscrickenrgt;; M. âsa/ ontscrickel^^ Het hs. heeft â«a/ hem ontscrickenv,; en er bestaat geen enkele grond, waarom hier een verandering wenschelijk zou mogen heeten.
Vss. 2884 2888. Bij een nauwkeurige beschouwing van de vss. der Comb, lezing kan het onze aandacht niet ontgaan, dat de volgorde der gedachten te dezer plaatse niet zoo is, als ze bij een logischen samenhang ware te verwachten. De opmerking toch over het goed en lekker leven (z. de reg. o en e) zou ons wel zoo gepast voorkomen in onmiddellijke vereeniging met de voorafgaande mededeeling omtrent Heyn/s land van Kokanje en in nauwe betrekking met Hermeline^s gewenschte bereidwilligheid om mee te gaan, terwijl de vermelding der mogelijkheid van een langdurig verbliji (z. y) veel juister in directe verbinding zou staan met âeer wi worden daer bespietv, [z. vs. 2889). En zie, wat we het recht hebben als een betere lezing te beschouwen , wordt werkelijk ten deele aangetroffen in 11. li (3152â3155):
âDaer moriheu wi wesen onghevreest Seven jaer ende meer noch tan,
Eer men ons daer vinden cair''.
en geheel en al in de vertal. (1606â1600):
âHue, liermelina, si mecum tendere captes,
Possunius hir magnis vivere deliciis.
Per muitos annos nos possumus bic habitare Et sciri nullis in latebris(|ue fore',^
Zonder twijfel geeft ons een en ander te zamen genomen de volle vrijheid om de Comb, redactie in dien zin te wijzigen, dat o en £, door een regel met Wi mof/heu daer (= Possumus hir der vertal.) voorafgegaan en door /2 met een conditioneele constructie gevolgd, zich aan 2883 van onzen tekst aansluiten (alzoo de vss. 2884â2887 overeenstemmen met 1606 en 1607 van de vertal.), en y daarop als hoofdzin in onmiddellijke betrekking met 288!» komt (alzoo met het laatstgenoemde vs. te zamen aan 1608 en 1609 van ''t Lat. beantwoordt). En behalve de omzetting der regels, is er ter bereiking van dat doel niets meer noodig dan de vervanging van Wildi doen, in a (= 2884), door het bovengenoemde onmisbare H7 moyhen daer en de invoeging in /3 (.=. 2887) van Eist, ter aanwijzing van het voorw aardelijk karakter der woorden âDat ghi gaen \vilt,\
Vs. 2894. Voor het behoud der lezing Nu, tegenover .I.'s wijziging Ne, vgl. men de vertal. (1610 en 1611):
âsicut reor, haec, lt;juia terram Nunc abiurasti, perdita poena foret.'quot;
Z. o. Ml. op vs. 3176.
152
Vs. 2906. Bij nader inzicht is het mij gebleken, dat de vroeger door mij voorgestelde invoeging van Want (z. Tschr. 5, 261 en 262, op vss. 3185 en 3186) onnoodig is, aangezien de vermelding van den grond der voorafgaande bewering niet onvoorwaardelijk door een conjunctie behoeft te worden ingeleid.
Vss. 2914 en 2915. Zie Tschr. 5, 262, op vss. 3190 en 3197. Alhoewel van de beide door mij voorgeslagen wijzigingen de tweede zich nauwer aan het Lat. aansluit, zoo heb ik hier tocli aan de eerste, die zich graphisch beter laat rechtvaardigen , de voorkeur gegeven.
Vs. 2929. Mijne interpunctie doet, tegenover die mijner voorgangers (âTwine eomdi hunt ende laet ons gaen?,,), de woorden âEnde laet ons gaen,', tot hun volle recht komen. De inleiding eener aansporing met de emphatische partikel Ende (z. Taallc. Bijdr. I, 126, en de Vondcl-yr, 11, bl. 110) was immers in het Mul. even gewoon, als het bezigen eener woordvoeging, met laet ons, in den vorm van een vraag onmogelijk is te achten.
Vs. 2961. Noeh de weglating van laven uit dit vs. (z. .1.) noch de verplaatsing van dat verb, naar 2960 (z. M.) wordt door het metrum geëischt.
Vs. 2979. âEnde ic ne weetquot;, in 2!t78, is blijkbiiar tii'I antwoord op dc vraag, in 2971â2975 gedaan (dus â van dat verzoek is mij niets bekend), lie betrekking, waarin de daarop volgende woorden, in 29'7!lâ298.'!, met de eerstgenoemde staan, moet al zoo die eener beperkende tegenstelling wezen (dus = evenwel ben ik bereid dien brief over te brengen). Vandaar het onmisbare in 2979 der partikel maar, die zoowel hier als in It. II, 327tgt;, kan zijn uitgevallen, toen de afschrijvers âlinde ie ne weetquot; op de vraag âSuldise hem draghen?quot;, in 2976 (3274 van R. II), lieten slaan en ten gevolge daarvan het oorspronkelijke karakter van 2979â'83 uit het oog werd verloren.
Do verplaatsing van âdatquot; uit 2980 naar het voorafgaande vs. wordt gevorderd dooide Mnl. syntaxis, welke eeu gebruik van het subject des voorwerpszins als object in den hoofdzin niet anders dan bij relativa kent (â /.. § 219 der Vondel-gr.). Ook vgl. men in H. II, 3277 en 3278:
âWistic wel, dnt n ghedichte fioet waerquot; enz.
Vs. 2986. Voor de verwijdering van car (z. G., AV., .1. t'n M.) is geen behoorlijke grond aan te wijzen.
Vss. 3006 en 3007. Na hetgeen in de voorafgaande regels verhaald is, behelzen a en /3 der Comb, lezing niets meer dan een beuzelachtige herhaling. Vs. â¢/ verraadt zich reeds bij den eersten oogopslag als een onhandig inlapsel. De tekst van J{. II, 3303â3307:
âDat hi niet die brieve en sonde (Niet) besien, of hijt(/. hi) ghernc wonde Tot des conincs vrientscap (sonde) naken.
Ende wildi, dnt hoven alle naken Die coninc u scl hebben lief, enz.quot;
welke, zooals men ziet, door geen der genoemde fraaiigheden ontsierd wordt, wijst den weg tot de boven voorgeslagen reconstructie in K. 1.
Vs. 3009. Volgens de Comb. lezing van dit vs. moest dc ram zich zeil' bij den
153
koning als dengene noemen, die den brief op schrift had gebracht. Ken zoodanige voorstelling ware evenwel in brutale tegenspraak met den inhoud van reg. 3010 en .3074â3076, waar de auteur aan genoemd dier als den voorgewenden uitdenker, den âdichter,, der letteren gedacht hoeft. Zonder de minste aarzeling mogen wc daarom het woordje hem in 3009 onecht noemen en door liejinaert vervangen; want, wanneer Belijn de eer van het intellectueele vaderschap op zich nam, dan kon hij als den machinalen schrijver van den brief niemand anders aanwijzen dan den vos. (Dat we âalleene',, hier als âslechtsquot; hebben op te vatten, behoeft geen betoog).
Voor den betrekkelijken ouderdom der besproken misvatting in Ji. I getuigt de overeenkomstige verkeerde voorstelling in it. II, 3309, en 't Lat. 1675.
Vs. 3015. liet ontbreken van a en /3 in /i. II (z. aid. 3314 en 3315) en de vert. (z. aid. 1683 en 1084) en het volkomen ontbeerlijke van den inhoud dezer vss. maken het hoogst waarschijnlijk, dat we hier een emblema vóór ons hebben.
De vervanging van Doe, in y, door Ende hangt samen met de uitwerping van genoemd inlapsel. De verbastering van een te dezer plaatse uitstekend passend vel Here tot helin is graphiseh alleszins verklaarbaar.
Vs. 3041. De weglating van also, door M. voorgeslagen, is onnoodig. Z. o. Fk. in ML.'s. Proefschr., op vs. 3329.
Vs. 3059. In het ms. staat niet, gevolgd door een m, met de abbreviatie voor et; niet, gelijk G ha et er las, een ny met genoemde verkorting.
Vs. 3077. Niettegenstaande de equivalenten der vss. « en /3 in R. II, 33G0 en 3361, en de vertal., 1726 en 1 727 , worden aangetroffen, durf ik die beide regels toch niet in den tekst behouden; /3 is, ook na de door »1. voorgeslagen vervanging van dichte ie door sijn, een lamme herhaling van 3076, ontstaan onder invloed van hetgeen in 3010 was gezegd, terwijl a een stoplap is te noemen, welke een gedachte bevat, die hier in den samenhang te pas komt als een vlag op een modderschuit.
De invoeging van Eude sijn wordt noodzakelijk ten gevolge van gemelde athetese.
Vs. 3080. Aan de oorspronkelijkheid eener lezing an dat were (later veranderd in ant were) valt niet te twijfelen, indien men let op de Mul. constructie van eonnen met de praepositie au (= âverstand hebben van, zich verstaan opquot;), een gebruik, waarvan het Mnl. Wh. (I, 68) eenige voorbeelden geeft, als o. a. âdie bat an geve-nijnde wonden canquot;, Lane. 3, 23778; ^Aen die orloghe connen si bet dan wiquot;, I'arth. 1478; âDie wel consten aen de wapenquot;, Grb. O. 1, 2611 ; enz.
Vs. 3123. De verwijdering der beide here's, door J. voorgesteld, wordt niet door het metrum geëischt (vgl. § 11 van mijn Mnl. Versh.),
Vs. 3125. Op het verlies der eere had Nobel aireede gewezen in reg. 3121, een vers, dat te nauw met den geheelen contextus samenhangt om eenig kwaad vermoeden omtrent zijne echtheid te wettigen. Gerust kunnen we om die reden reg. a der ('omb. lezing, met zijn herhaalde betuiging omtrent den hachelijken toestand van ,s konings eer, op de rekening van een interpolator zetten, evenals ook vs. /i, waar de leeuw zonder grond op het gevaar doelt, dat zijn leven ten gevolge van den beschreven loop van zaken zou kunnen loopen ').
l) Dat reg. a ook in Ji. I I wordt aangetroffen (z. aid. 3411), doet niets ter zake. .luist in dit gedeelte van ons gedicht is laatstgenoemde redactie uiterst rijk aan interpolaties.
154
Het rijm tusschen 3! 25 en 3126, wordt hersteld door een eenvoudige invoeging van Here aan quot;'t slot van het laatste vs.
Vs. 3128. Naar lieinke, 3173, âunde Bruue dein konen'' is hier door .1, en M. enten here doen comen veranderd in cnde Brane den coenen, Hoe verlokkelijk deze eonjectunr ook moge zijn, zoo voel ik toch geen vrijheid ze over te nemen. Men bedenke namelijk, dat ook H. 11, 3422, dezelfde lezing vertoont als het Comb. hs. en alzoo, bij de nauwe aansluiting van Heinke aan U. 11, het erkennen der oorspronkelijkheid van de lectio der Nederduitsche bewerking ons zou dwingen om aan te nemen: dat de gewraakte woorden in het exemplaar, quot;twelk aan de vertaling ten grondslag had gelegen , niet voorkwamen, en de verknoeiing in een der andere afschriften van U. 11 eerst uit A'. 1 ware overgenomen, een onderstelling, die voor quot;t minst genomen zeer gewaagd ware te achten. Veiliger zal het derhalve wezen, wanneer we in den passus Brune dein konen een wijziging zien, door den vertaler ter verwijdering van het onzuiver rijm gemaakt , en de blijkbaar traditioneel; fout van li. 1 en I I trachten te verbeteren door de geringe verandering van comen in hel adverbium scone, dat in zijn beteek. ânaar behooren, passendv, volkomen juist de gedachte weergeeft, welke in het Lat. op de correspondeerende plaatsâICmendam laeias illis difinani'* (vs. 17(50) door het laatstgenoemde adject, wordt uitgedrukt. (Voor een rijmverbinding coenen : scone vgl. men § 56 mijner iMnl.
Vs. 3129. Zie bov. op vs. 1821.
Vs. 3151. Voor het behoud der lezing Mine, tegenover G.'s, WVs, .I/s en M/s verandering Mijn, verwijs ik naar § 3436 mijner Mnl. S/trk.
Vs. 3160. In de vss. 3128 â3135 van onzen tekst heeft Fyrapeel aan Nobel den raad gegeven vrede met den wolf en den beer te sluiten en dezen voor het geleden onrecht schadeloos te stellen door hun Belijn en diens geslacht als vrij bezit te schenken. Dat het luipaard alzoo, nadat Nobel dien voorslag heeft goedgekeurd, in vss. 3156â 3160 den verongelijkten in den naam des konings de beschikking over den ram en diens familie aanbiedt, is volkomen in den haak. Maar hoe het te rijmen, dat die onderhandelaar in naam van zijn lastgever aan Bruun en Ysingrijn ook de bevoegdheid wil verleenen om Ueynaert en diens magen ongestraft alle mogelijke kwaad te doen ? Van zoo iets toch wordt in het voorafgaande zelfs met geen enkel woord gerept. Of zou er eenige grond zijn om aan te nemen, dat het in des dichters plan heeft gelegen Fvrapeel op zulk een zonderlinge wijze zijn volmacht te laten overschrijden? Me dunkt van neen; en ik maak daarom geen gering bezwaar om in de tien verzen, welke in de Comb, lezing op reg. 3160 (van onzen tekst) volgen, het werk van onzen Willem te zien. Zoowel de vss. /3âC als het aanhangsel daarvan »jâi en de respectieve wederparen van /3 en nam. a en x. kunnen alleen uit de pen van een hersenloos interpolator zijn voortgekomen. (De vervanging van Dat, in 3161, door Uigt; dat zal in verband met de bewuste uitwerping wel aan geen bedenking onderhevig wezen).
Dat overigens de besproken interpolatie reeds van oude dagteekening is, leert ons Vi. 11, waar de vss. 3451â3460, en de vertaling, waar de vss. 1784â1788 met de door ons verworpen Comb, lezing overeenstemmen.
Vs. 3162. In het hs. staat âbi sinen sculdc,,; O., W., .1. en M. lezen âbi sinen sculde;r\ Voor het onnoodige eener verandering van het eerste vgl. men echter § 276 mijner Mnl. Sjjtk.
155
Vs. 3174. Fyrapeers raad, boven in 3128â.3130 gegeven, bestaat uit twee deelen men moet primo vrede sluiten met den wolf en den beer en die dieren vergoeding verschaffen voor het door hen geleden onrecht, en secundo den misdadigen vos in zijn kasteel opzoeken en zonder vorm van proces te recht stellen. Voor het ten uitvoer leggen van het eerste plan wordt gezorgd blijkens 314(5â3173; doch van de verwezenlijking of een poging ter verwezenlijking van het andere vernemen we in onzen Comb, tekst niet het minste. Zou Willem hier dan dermate slordig zijn geweest, dat hij eerst een zoo gewichtige aangelegenheid door het luipaard hoeft ter sprake laten brengen, om ze bijna onmiddellijk daanui geheel te vergeten en er verder niet het geringste gewag van te maken? Dat ware kwalijk te denken; dat is kortweg onmogelijk. Welnu wat blijft er dan over dan aan te nemen, dat aan ons gedicht, naar de Comb, lezing, het oorspronkelijke slot ontbreekt, 'twelk op zijn minst het verhaal moet hebben bevat van een tocht naar Maupertuus, waar Nobel den galgebrok gemeend had te kunnen vinden?
Ken krachtige bevestiging van de juistheid dezer meening verkrijgen we bij een vergelijking met de Lat. vertaling. Daar eindigt de geschiedenis niet met de verzoening tusschen den koning tui de beide gewezen gevangenen, maar vernemen we nog verder:
« hoe Belijn uit angst voor den wolf en den beer bij de mensehen zijn heil zoekt en van dezen tegen jaarlijkschen afstand van zijn vel bescherming erlangt (zie ] 798â1807;;
/3 hoe aan den kater, die de galg verlaten heeft en naar quot;t hol is teruggekeerd, ter vergoeding van het verlies van zijn oog de muizen tot voedsel en de huizen der menschen tot woning worden aangewezen (zie 1820â1825) *);
y hoe Nobel met zijn dieren naar â^lalepertusiumv, trekt, den aldaar niet aangetroffen vos vogelvrij verklaart en voor eeuwig verbant, en diens kasteel met den grond gelijkmaakt (zie 182Gâ18*54);
3 hoe het hof uiteengaat (z. 1834;.
Nu mogen van deze episoden zonder voorbehoud a en /3 het karakter van een emblema verraden, datzelfde is met y en 5 zeker niet het geval. Voor een twijfel aan de oorspronkelijkheid dezer elementen ware geen enkele redelijke grond aan te wijzen. Veeleer sluit zich het eene voortreffelijk aan bij den tweeden voorslag van Fvrapeel, terwijl het andere uitnemend op zijn plaats is als slot van een geschiedenis, die met het bijeenkomen van 't hof aanvangt. (Vandaar de groote waarschijnlijkheid der aanwezigheid ook van dit bestanddeel in het Mnl. gedicht).
Dat zoowel de tocht naar Maupertuus als de ontbinding der hofzitting in A'. 11 ontbreken, is in verband met het vervolg dezer historie volkomen begrijpelijk.
') De vss. 1808â1819 behelzen een der vele moralisatiën, waarmede Halduinus zijn vertaling doorspekt heeft.