Handleiding ^4
f
VOOR
AARD EN FOKKER IJ
TEN DIENSTE VAN DEN
Nederlandschen Landbouwer-Paardenfokker, samengesteld
door
C. d. van der Weg,
in leven Inspecteur van het Paarden-Stamboek voor de 3 Noordelijke Provinciën,
uit
1 ' A\ .
/V
A
de op een prijsvraag ingekomen drie bekroonde tiii^wjjöi'dcn ,
van de heeren: , r
... ^ $ ' ji.' * » ,
E. A. L. OUADEKKER t'ö^rcda . r'
A. VAN Ll-EUWEN te L^i^rd^rp ,
'V' i'vtJX ' 'â¢â '! ' cn \ , â¢gt;vv
M. W. V. VAN BIJLEVELT te RilfeitcWiatb.quot;
R
(Met plm. 70 afbeeldingen in den tekst en i titelplaat.)
GRONINGEN.
E R V E N B. V AN DEK KAM P.
1893.
I-' i
Prijs f 1.25.
.
~
»
m
.
⢠â - iïïÃM-VZ â
U-1' y
Handleiding
VOOR
paardenfokker ij.
I
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
2911 073 5
Stoom-Handelsdrukkerij, Erven B. van der Kamp, Groningen.
bij U*
m voor
AARDENFOKKE RIJ,
ten dienste van den
Ncdcrlandschcn Landbouwer-Paardenfokker,
samengesteld
door
C. D. van der Weg,
in leven Inspecteur van het Paarden-Stamboek voor de r wrT.^^ 3 Noordelijke Provinciën ,
wVr--^. S\ uit
tié'.tjp eeil! prijsvraag ingekomen drie bekroonde
gt;,V t t.' C;1,
i antwoorden van de neeren:
1%)) Samp;A. L. QUADEKKER te Breda,
âA.'VAN LEEUWEN te Leiderdorp
en
M. W. V VAN BIJLEVELT te Rilland-Bath.
(Met plm. 70 figuren en afbeeldingen in den tekst en 1 titelplaat.)
ERVEN B. VAN DER KAMP. â GRONINGEN.
1893.
Voorwoord.
Een woord vooraf, bevattende de geschiedenis, op welke wijze deze Handleiding voor de paardenfokkerij ten dienste van den Nederlandsellen Landbouwer-Paardenfokker in de wereld is gekomen, zal zeker niet ongepast geacht worden.
Algemeen werd de behoefte gevoeld aan een populair handboek voor paardenfokkerij, en het was het Hoofdbestuur van het Genootschap ter bevordering van den Landbouw in Drenthe, dat in December 1888 aan de Nederlandsche Maatschappijen en Ver-eenigingen ter bevordering van Landbouw, Veeteelt en Paardenfokkerij een circulaire richtte, om gezamenlijk een prijsvraag uit te schrijven, ter verkrijging van een dergelijk handboek.
De pogingen, van Regeeringswege aangewend om onze nationale paardenfokkerij te verbeteren en te verheffen, zouden zeer zeker krachtig gesteund worden, wanneer de paardenfokker in het bezit werd gesteld van een degelijke populaire handleiding voor paardenfokkerij.
Bedoelde circulaire had het gevolg dat een genoegzaam aantal Maatschappijen en Vereenigingen, de bevordering van de Paardenfokkerij voorstaande, alsmede eenige particuliere belangstellenden instemming betuigden met het geopperde denkbeeld.
Den 28 Juni 1889 werd te Utrecht de eerste vergadering gehouden van afgevaardigden der vereenigingen, welke sympathie hadden betuigd met het denkbeeld, ten einde van gedachten te wisselen over de beste wijze , waarop men het gestelde doel zou kunnen bereiken.
Het resultaat dezer besprekingen was, dat men het benoodigd bedrag der kosten raamde op Æ 900.â, waarvan Æ600.â zou worden besteed aan prijzen voor de antwoorden, terwijl men meende, dat
VI
de jury dat bedrag al naarmate van de waarde der drie beste antwoorden moest verdeden, omdat het zijn kon, dat de drie beste antwoorden elkander niet veel ontliepen en ook zeer konden verschillen. Bovendien werd bepaald, dat wanneer de jury in geen der antwoorden volledige bevrediging vond, op haar advies aan iemand zou kunnen worden opgedragen uit die drie antwoorden ée'n geheel te maken tegen eene belooning van hoogstens f 100.â.
Deze bepaling achtte men vooral wenschelijk, omdat het zeer wel mogelijk was dat de bewerking van een der in de prijsvraag genoemde vereischten voor het antwoord in het eene meer doeltreffend werd bevonden dan in een der beide anderen, waarin misschien aan andere onderdeden meer zorg was besteed. Voor verdere kosten van advertentiën, drukwerken enz. werd het overblijvende bedrag van Æ 200.â voldoende geacht. In deze vergadering werden de ondergeteekenden tot commissie van uitvoering gekozen.
Op de volgende vergadering, den 14 Februari 1890 te Amsterdam gehouden, werd , daar het benoodigde bedrag gevonden was , besloten tot het uitschrijven van de prijsvraag, hetgeen dan ook met 1 Maart d. a. v. plaats vond. Zie onder de bijlagen der Handleiding het programma van de prijsvraag.
De bijdragende vereenigingen en particulieren zijn:
Het Paardenstamboek gevestigd te Leeuwarden;
Het Genootschap ter bevordering van den Landbouw in Drenthe;
De Friesche Maatschappij van Landbouw;
Het Genootschap van Nijverheid in de provincie Groningen;
De Harddraverij-Vereeniging te Groningen;
De Provinciale Vereeniging tot bevordering van Paardenfokkerij in Groningen;
Het Nederlandsch Paardenstamboek;
De Hollandsche Maatschappij van Landbouw;
De Overijsselsche Vereeniging ter bevordering der Paardenfokkerij;
Het Genootschap voor Landbouw en Kruidkunde in Utrecht;
De Maatschappij ter bevordering van Landbouw in Zeeland;
J. E. Scholten te Groningen.
Jhr. Mr. C. van Eijsinga te Leeuwarden;
Jhr. Mr. L. v. d. Berch van Heemstede te Doorn;
De jury voor de beantwoording der ingekomen antwoorden werd op de volgende wijze samengesteld.
Nadat elk der bijdragende vereenigingen eenige personen had op-
VII
gegeven, geschikt voor het jury-lidmaatschap, werd uit een verza-mellijst dezer personen door alle bijdragende vereenigingen een tiental personen aangewezen, aan wie door hen als juryleden de voorkeur werd gegeven. Op deze wijze werd de jury bij meerderheid van stemmen , nadat de heeren W. Beker te Brummen, en E. A. L. Quadekker te Breda voor het jury-lidmaatschap hadden bedankt, samengesteld als volgt: de heeren Herman F. Bultman te Haarlemmermeer, M. v. Wickevoort Crommelin te Heemstede, J. H. Ebels te Stadspolder, prov. Groningen, H. C. Reimers, leeraar aan de Rijkslandbouwschool te Wageningen en C. D. v. d. Weg, inspecteur van het Paardenstamboek te Dongjum, prov. Friesland.
Van de 12 ingekomen antwoorden werden, in de vergadering den 30 September 1891 te Utrecht gehouden, de antwoorden: â5/ jc fais naitre de bonnes idees a d' anires, je n' anrnipas tont a fait perdu moil tempsquot;, van den heer E. A. L. Quadekker, militair paardenarts te Breda,
^Hippophilnsquot;, van den heer A. van Leeuwen, rijksveearts te Leiderdorp bij Leiden, en
âHij, die vele zaken in een klein bestek weet samen te vatten, zich onthoudt van technische termen en het nuttige aan het aangename paart, schrijft voor ieder', van den heer M. W. V. van Bijlevelt te Rilland Bath, door de jury bekroond en wel ieder met Æ200.â, daar de waarde dier 3 antwoorden gelijk werd geacht.
Daar geen der bekroonde antwoorden geacht werd aan alle eischen der prijsvraag te voldoen, werd besloten aan het jurylid C. D. van der Weg bovengenoemd, ingevolge het programma der prijsvraag op te dragen uit die drie antwoorden cén geheel te maken, onder nadere goedkeuring van en vaststelling door tie gehcele jury.
En het resultaat van die omwerking door den heer van der Weg is de handleiding, die hierbij aan de Nederlandsche landbouwers-paardenfokkers ter bestudeering wordt aangeboden.
Moge de bedoeling, met de prijsvraag beoogd, bereikt zijn en deze handleiding een vertrouwbare vraagbaak zijn voor den paardenfokker en hem nimmer het antwoord schuldig blijven!
Eenige waarborgen daarvoor levert zeker de wijze, waarop ze tot stand is gekomen.
De Erven B. van der Kamp, uitgevers te Groningen, hebben de uitgave voor hunne rekening genomen. Hun gevestigde naam als uitgevers is ons een waarborg voor een keurige uitvoering van het werk, dat ongeveer 200 bladzijden zal beslaan en een zeven-
VIII
tigtal teckeningen . deels in houtsnee deels in zincographie zal bevatten , terwijl de prijs voorzeker niet te hoog gesteld is.
Voor leden van landbouwmaatschappijen en vereenigingen, de bevordering van de paardenfokkerij voorstaande, zal het werk gedurende drie jaren na de uitgave op aanvrage van de penningmeesters dier maatschappijen en vereenigingen verkrijgbaar zijn voor/quot;0.80, terwijl de prijs voor particulieren op Æ 1.25 gesteld is. De prijs is zoo laag gesteld kunnen worden, daar men gerekend heeft op een groot debiet. Moge deze verwachting niet ijdel zijn!
Alvorens dit voorwoord te eindigen, meent de Commissie van uitvoering, dat zij aan den plicht der dankbaarheid te kort zou doen, wanneer ze niet met een enkel woord namens de bijdragende vereenigingen en particulieren grooten dank betuigde aan de juryleden, die in dezen zeker een zeer moeielijke taak hebben volbracht.
De overtuiging door deze werkzaamheid te hebben medegewerkt tot verheffing onzer nationale paardenfokkerij, zal zeker voor hen cene aangename voldoening zijn.
Het jurylid C. D. van der Weg mocht helaas de vrucht van zijne omwerking der drie bekroonde antwoorden niet in het licht zien verschijnen. De onverbiddelijke dood rukte dien waardigen man, in het noorden des lands als een autoriteit op het gebied der paardenfokkerij beschouwd, te midden zijner vele werkzaamheden uit de rij der levenden weg.
De correctie, welke hij welwillend op zich had genomen, werd toen door de Commissie van uitvoering opgedragen aan den heer Oua-dekker te Breda, die belangeloos en met groote bereidvaardigheid die opdracht aanvaardde. Ook daarvoor zij den heer Quadekker onzen hartelijken dank gebracht.
Met deze introductie meent de Commissie van uitvoering, dat dit werkje verder zijn weg zelve moet vinden, zich zelf aanbevelend als onmisbaar voor eiken Nederlandschen paardentokker.
Groningen,] ^ i J. E. Sriioi.ten.
lloovrcvceu, i C ^' l'S'^v Mr. Mknno O. Gratama.
Inleiding.
Onder onze huisdieren is het paard onbetwistbaar mede een der nuttigste; niet zoo zeer door zijn producten, zijn vleesch of andere deelen van zijn lichaam, als wel door zijnen arbeid.
Bij velerlei werkzaamheden toch is het paard den mensch een niet te versmaden hulp en een getrouwe metgezel. Het is dit door zijn kracht, vlugheid en volhardingsvermogen; en al wordt het op velerlei gebied verdrongen door het aanwenden van stoom-
of andere beweegkracht,......nooit zal het geheel overbodig
worden, maar steeds ecne eervolle plaats blijven innemen, vooral op het gebied van landbouw; want zonder het paard is landbouw bijna niet denkbaar.
Niet alle paarden evenwel hebben voor het doel, waarvoor men ze houdt, gelijke waarde; er zijn er zelfs die (men vergeve ons het woord) het leven niet waard zijn, wier arbeidsvermogen in waarde verre beneden de kosten van hun levensonderhoud blijft.
Aan wie daarvan de schuld?
In verre de meeste gevallen aan de onoordeelkundige wijze, waarop menig landbouwer-paardenfokker de paardenfokkerij bedrijft.
De keuze der fokdieren, de verzorging van het moederdier gedurende den dracht en zoogtijd , de verzorging van het jonge paard van af den tijd der geboorte tot aan het einde der tandwisseling, het onvoldoende verschaffen van licht en frissche lucht, het toedienen van te weinig of bedorven voedsel en drank, en meer andere zijn zoovele oorzaken, waardoor de fokker zich dikwijls in zijne verwachtingen ziet teleurgesteld en niet verkrijgt wat hij
verlangt,.......een best paard voor zijn bedrijf, tevens een
paard van groote handelswaarde.
Geen wonder dan ook, dat vele practische paardenfokkers uitzien naar betere regelen der paardenteelt en, door ervaring geleerd, die reeds in beoefening weten te brengen; geen wonder ook, dat land-bouwmaatschappijen en andere vereenigingen , zoowel als bijzondere personen, er zich op toeleggen de wijze van fokken te verbeteren door doeltreffende, op ervaring gegronde regelen voor de paarden-
X
teelt te verbreiden, opdat die teelt meer en meer worde wat zij kan en zijn moet, eene rijke nevenbron van bestaan voor den landbouwer-paardenfokker.
Aan die edele zucht, de zucht om nuttig en werkzaam te zijn aan de maatschappelijke welvaart van velen, heeft dit boekske zijn ontstaan te danken.
Ju het jaar 1890 werd er door verschillende landbouw-maatschap-pijen en vereenigingen eene prijsvraag uitgeschreven over paardenfokkerij ; de antwoorden moesten behelzen eene beredeneerde, populaire handleiding voor paardenfokkerij ten dienste van den Neder-landschen landbouw, niet een uittreksel daarvan, en bevatten:
1. Algemeene grondregelen, waarop paardenfokkerij berust.
2. Extérieur (uiterlijke vorm) van een goed gebouwd paard, met vermelding der redenen, waarom die vorm zoo moet zijn.
3. Beschrijving van paarden in 't bizonder geschikt voor de voortteeling, met mededeeling waar en op welke wijze kruising wenschelijk is.
4. Opsomming der gebreken, welke een paard ongeschikt maken voor de voortteeling.
5. Tijd van paring en verzorging van hengsten.
6. Verzorging van veulendragende merriën.
7. Geboorte van- en eerste zorg voor veulen en moeder.
8. Behandeling van moeder en veulen gedurende de eerste 5 maanden.
9. Verdere opvoeding en africhting van het veulen.
10. Stalling, voedsel en verzorging van den hoef (hoefbeslag).
Op die prijsvraag zijn 12 antwoorden ingekomen, die in volgorde
bij de daarvoor door de contribuanten benoemde jury zijn rondgezonden en door deze nauwkeurig onderzocht en beoordeeld.
Op den 20stun September 1891 kwamen de leden dier jury te Utrecht bijeen, daartoe opgeroepen door cle, door de contribuanten gekozen commissie van uitvoering, zijnde de Heeren J. E. Scholten te Groningen en Mr. Menno O. Gratama te Hoogeveen, ten einde over de ingekomen antwoorden eene beoordeeling uit te spreken en zoo mogelijk tot de bekroning over te gaan. Het resultaat daarvan was dat de antwoorden van drie der inzenders gelijkelijk, ieder met Æ 200.â werden bekroond , n.1.:
âSi je fais naitre de bonnes idees a d'autres, je n'aurai pas tout a fait perdu mon tempsquot; van den heer âE. A. L. Quadekkerquot;, militair paardenarts te Breda;
XI
âHippophilusquot; van den heer ,,A. van Leeuwenquot;, rijksveearts te Leiderdorp bij Leiden; en
âHij, die vele zaken in een klein bestek weet samen te vatten, zich onthoudt van technische termen en het nuttige aan het aangename paart, schrijft voor ieder,quot; van den heer M. W. V. van Bijlevelt te Rilland-Bath.
Daar de drie bekroonde antwoorden door de jury in waarde nagenoeg gelijk geacht werden en geen er van geacht werd alle eischen der prijsvraag te bevredigen, werd besloten aan het jurylid C. D. van der Weg te Dongjum, inspecteur van het Paardenstamboek voor de drie noordelijke provinciën, ingevolge het programma der prijsvraag, op te dragen uit die drie antwoorden één geheel samen te stellen, onder nadere goedkeuring van- en vaststelling door de geheele jury. De vrucht daarvan vindt in navolgende bladzijden eene plaats (').
(â ) Alleen van die stellingen, die der jury aan. twijfel onderhevig schenen, zijn in noten de bronnen aangegeven, waaruit zij zijn geput.
HOOFDSTUK I.
De algemeene grondregelen waarop paardenfokkerij berust.
Dc algemeene grondregelen waarop de paardenfokkerij moet berusten zijn:
1. Het vooraf beramen van een bepaald omschreven doel.
2. Eene juiste kennis van die eigenschappen, die men voor dat doel noodig heeft.
3. Bekendheid met bodem, klimaat en voedsel.
4. Eene juiste kennis van de regelen der vererving.
5. Het begrip van alleen te mogen fokken met gezonde dieren.
6. Kennis van fokken in eigen ras, van bloedverwantschapsteelt en van kruisen.
7. Eene juiste kennis van eene goede voeding en doelmatige verpleging.
I. Het vooraf be r a men van e e n bepaal d omschreven doel.
Een doellooze handeling leklt bijna zeker bij elk bedrijf tot schade, bij eiken strijd om het bestaan zeer zeker vroeg of laat tot teleurstelling. Niet het minst is dit het geval bij het bedrijf der paardenfokkerij. Wie doelloos de eerste de beste merrie, of laat ons liever zeggen, de eerste de slechtste laat paren bij den naast-bijzijnden hengst of bij dien hengst, waarvoor het geringste dek-geld gevorderd wordt, onverschillig hoe slecht van gehalte, vormen of geaardheid hij ook moge zijn, handelt zeer dwaas. Er moge een levend wezen uit ontstaan, dat den naam van veulen draagt, in de meeste gevallen zal het een wangedrocht zijn, dat de kosten der voeding niet waard is.
Mtn moet daarom steeds het beste met het beste laten paren. Men kieze nooit eene merrie met erfelijke gebreken en late zich nooit verleiden, om ter wille van den afstand of ter besparing van eenige guldens dekgeld, een slechten of ook maar een minder goeden hengst te kiezen.
Handleiding Paardenfokkerij. I
Wij komen hier later op terug. In engeren zin moet dc paardenfokker zich voor oogen stellen, wat voor soort van paard hij wil fokken. Wenscht hij een paard voor zijn bedrijf, b.v. een werkpaard , een paard geschikt om zware lasten te verplaatsen, of een koets-, ren- of krijgspaard of wat ook , steeds moet hij er op bedacht zijn voor iedere bijzondere soort eene daarvoor passende merrie te kiezen en die met een gelijksoortigen hengst te laten paren. Wordt cr eindelijk een veulen geboren, dan meene de fokker niet, dat hij zijn doel reeds heeft bereikt, dat cr uit dc vrucht van die met zorg gekozen ouders een paard zal groeien .zooals hij zich heeft voorgesteld, . . . dc levensvoorwaarden waaronder het jonge dier opgroeit, moeten aan het doel, dat men zich voorstelt, beantwoorden. Wel ligt zeer waarschijnlijk in het jonge dier de kiem van datgene, wat men wenscht dat het worden zal, maar opvoeding en voedsel, klimaat, arbeid, rust enz. hebben zooveel invloed op de ontwikkeling van het dier, dat de paardenfokker noodzakelijk met een en ander rekening dient te houden, wil hij de uitkomst aan het doel zien beantwoorden.
Vormen veranderen, naarmate de levensvoorwaarden , waaronder een dier verkeert cn opgroeit, gewijzigd worden, . . . men ziet dit reeds in dc natuurteelt.... veel spoediger echter kan men die veranderingen verkrijgen bij eene kunstmatige teelt.
Men moet daarom de levensvoorwaarden zoo wijzigen, dat dc daaruit voortkomende veranderingen de vormen verbeteren, veredelen , ten goede komen; bovendien, verandering van vormen blijft bij opvolgende geslachten altijd min of meer bestaan, constantheid bestaat hier in den engeren zin des woords niet, omdat tusschen het ouderpaar, bij alle overeenkomst in vormen, ook nog altijd verschil bestaat, welk verschil niet zelden in het veulen wordt vereffend en tot nieuwe vormen aanleiding geeft. Gaat nu met die natuurlijke verandering van vormen tevens gepaard eene verandering , voortkomende uit eene ondoordachte of aan toeval overgelaten wijziging van levensvoorwaarden, dan ligt het voor de hand, dat de vormenverandering zeer ten nadeele kan uitvallen.
In algemeenen zin zal het wel waar zijn, dat het fokken van die paarden het meest rentegevend is, die de meeste geschiktheid hebben voor het landbouwbedrijf en waarnaar tevens in den handel de meeste vraag is.
Bij de keuze dan van voor het doel geschikte fokdieren moet men trachten de levensvoorwaarden van het jonge dier zoo te
3
regelen, dat men eenmaal de zelfvoldoening moge smaken zijn doel te hebben bereikt.
Maar daarvoor moet men hebben :
II. Eene juiste kennis van die eigenschappen, die men voor dat doel noodig heeft.
Volgt daaruit dat zij, die geen kennis hebben van die eigenschappen , zich ook niet met de paardenfokkerij moeten bemoeien, geen paarden mogen fokken ? Wij willen dat niet beweren, omdat zij de paardenfokkerij ook nog wel met voordeel kunnen bedrijven, als zij maar niet te eigenwijs zijn om te erkennen, dat zij nog zeer weinig weten, en wijs genoeg om partij te trekken van de meerdere kennis en goeden raad van buren en vrienden of van welken paardenkenner ook.
Toch moet men trachten zich die kennis zoo goed mogelijk eigen te maken, want eigen hulp zal ook hier wel het beste zijn.
Daartoe is noodig zijn schoonheidsgevoel te oefenen cn het beeld van een goed gebouwd paard in zich op te nemen; men leerc alle lichaamsdeclen bij name kennen en ieder op zich zelve nauwkeurig beoordeelen, om daarna te zien of zij in vereeniging met elkander een goed harmonisch geheel uitmaken.
Men moet de ouderdomskennis leeren kennen uit de wisseling en vormverandering der tanden. Men leerc alle mogelijke gebreken kennen en lette vooral op de erfelijke.
Vergelijk dikwijls het eene paard met het ander en tracht het verschil op te merken in de verschillende deelen, doet dat tevens met verschillende soorten, rassen enz.
Raadpleeg daarbij goede boeken en tracht nuttige leering te trekken uit gesprekken met paardenkenners van naam en met veel ervaring.
Heeft men zich nu de hier in ruwe trekken omschreven paardenkennis eenigermate eigen gemaakt en eene oordeelkundige keuze der fokdieren gedaan, dan is men wellicht in staat een goed veulen te verkrijgen, dat de kiem voor een goed paard in zich heeft, maar dan heeft men nog niet een goed paard gefokt. Daartoe is ook vooral noodig, wij hebben er reeds niet een enkel woord op gewezen:
4
III. 15 e k e n d h e i d m e t bodem, k 1 i ni a a t en voedsel.
Een ras is eene verzameling van dieren van gelijke vormen, ontstaan onder gelijke levensvoorwaarden; een product alzoo van bodem, klimaat en voedsel. Dit komt zelfs zoo sterk uit, dat als men een ras overbrengt naar een ander land, het de vormen en eigenschappen der in dat land te huis behoorende paarden langzamerhand zal overnemen en die van eigen vaderland zal verliezen. Zelfs streken van hetzelfde vaderland , waar de levensvoorwaarden verschillend zijn met die uit andere streken, produceeren een bijzonder slag van paarden (onderras) van hetzelfde oorspronkelijk ras.
Zoo produceert ons land, ten eersten, een tuig- en werkpaard voor den lichteren landbouw, dus een paard dat geschikt is zoowel voor snellere gangen in draf als voor lichten trekdienst. Onder de paarden hier bedoeld zou men ook kunnen rekenen het paard geschikt voor de artillerie. Ten tweede, een zwaar trekpaard voor den zwaarderen landbouw en voor het verplaatsen van zware lasten in de groote steden ; ten derde een koetspaard en ten laatste een paard voor den uitvoerhandel bestemd.
Het spreckr van zelf, dat de genoemde vormen niet overal scherp onderscheiden zijn, zoodat b.v. een koetspaard ook wel voor lichteren trekdienst kan gebezigd worden. Wij vinden in het algemeen door ons geheele land een matig zwaar paard, dat in de noordelijke helft iets lichter en in de zuidelijke helft iets zwaarder gebouwd is.
Het Friesche paardenslag heert als kenmerkende eigenschappen waardoor het eenigszins verschilt van andere rassen: de zwarte kleur die men in het buitenland weinig vindt; een smal lang hoofd, ter hoogte van den neus iets gebogen ; een veelal hoog opgerichten, soms sierlijk gebogen hals; een dik, rond, soms meloenvormig, soms gespleten kruis, veroorzaakt door een kort kruisbeen en dikke, korte kruisspieren; dikke volle beenen met zwaar behang, korte kooten, en groote, soms platte hoeven, waarvan de hoorn-schr en eer te week dan te hard is.
Wat de beweging in draf aangaat, ziet men over het geheel meer actie in de voor- dan in de achterbeenen, de voorbeenen worden soms zter hoog opgebeurd (âsteppen '), terwijl de achterbeenen veel minder veerkracht vertoonen; de snelheid is in dra
5
tamelijk groot, wat vooral ontstaat door dat de tempo's zich zeer snel herhalen.
Sommige van deze genoemde eigenschappen zijn goed en moeten alleen tot meer volkomenheid gebracht worden, andere zijn afkeurenswaardig en moeten dus zooveel mogelijk vermeden worden.
De zwarte kleur moet behouden worden , omdat deze kleur voor het buitenland soms gezocht wordt; de schoone halsvorm en de hooge actie der voorbeencn moeten eveneens behouden blijven, vooral waar men fokt voor het buitenland, daar men deze voor sommige diensten verlangt. Vooral de Engelschen koopen voor hunne lijkkoetsen gaarne onze zwarte inlandsche hengsten, met statigen tred, fiere houding en zwaar behang.
Bepaald afkeurenswaardig in ons paard is de weekheid der bee-nen en hoeven, hetgeen wel is waar meer een eigenschap der laaglandsche paarden is, maar wat toch zeer veel verbeterd zou kunnen worden.
Alles wel beschouwd hebben wij in onze fokkerij noodig:
Verbetering cn veredeling.
Verbetering, door in eigen ras steeds het beste met het beste te laten paren; veredeling door rationeel uitgevoerde kruising.
Bij het doen van het laatste kieze men bij herhaling zijn dekhengsten uit een ras, dat niet te veel van het onze verschilt en uit een land waar bodem, klimaat en voedsel met die bij ons de meeste overeenkomst hebben.
Bij dat alles wordt vereischt:
IV. Eene juiste kennis van de regelen der vererving.
Alle levende wezens hebben het vermogen zich voort te planten, doch hoe een dier zich ook moge vermenigvuldigen, de regel is, dat elke soort hare eigenaardigheden, zoowel de intellectueele als de lichamelijke op haar nakroost overdraagt.
Nooit echter zijn de kinderen in alle opzichten aan hunne ouders gelijk. Bij eene nauwkeurige beschouwing komen kleine afwijkingen aan den dag; zelfs verschillen tusschen kinderen van het zelfde ouderpaar worden al spoedig waargenomen.
Een ongeoefend oog zal kleine verschillen niet spoedig zien,
8
oorzaak niet tot ontwikkeling is gekomen, totdat op een gegeven oogenblik, zonder bepaalde redenen, die kiem wel tot ontwikkeling komt.
Deze eigenschap, waarbij de natuur één of meer geslachten schijnt terug te gaan, heet atavisme of terugslag.
Men moet verder doordrongen zijn van:
V. Het begrip van alleen te mogen fokken met gezonde dieren.
Tegen dezen regel wordt misschien nog wel het meeste gezondigd. Niemand kan dit beter weten dan de houders van voor den publieken dienst ter dekking staande hengsten. Tal van merriën met allerlei uit- en inwendige gebreken, spatten, gallen, overhoe-ven, hazenhakken, paarden met cornage (snuivers), dampige, kwaadwillige, oude, afgeleefde en van slechte vormen voorziene paarden worden nog dikwijls goed genoeg geacht om er een veulen van te trekken; en te verwonderen is het, dat er nog niet meer slechte veulens geproduceerd worden dan werkelijk het geval is.
Hij, die eenigszins met de hiervoren aangehaalde leer der vererving bekend is, zal ons toestemmen, dat hierdoor elk paardenras, ook het onze, zeer wordt benadeeld, misvormd en in discrediet gebracht bij den buitenlander, zeer tot nadeel van de maatschappelijke welvaart, al is het ook , dat de fokker van zoo'n veulen, door het dadelijk na de spening te verkoopen, er een tijdelijk voordeel mee behaalt.
De .paardenfokker trachte verder te verkrijgen:
VI. Kennis van fokken in eigen ras, van bloedverwantschapsteelt en van kruisen.
Wij hebben reeds gezien, dat elk dier in staat is zijne goede zoowel als zijne slechte hoedanigheden op zijn nakomelingen over te dragen.
Op deze eigenschap der dieren berust de geheele vooruitgang der paardenteelt. Bestond zij niet, dan zou iedere goede eigenschap van een dier met den dood te gronde gaan en was eene doelmatige keuze der fokdieren eene onmogelijkheid.
Nu wij echter overtuigd zijn van de overerving der hoedanigheden zijn wij in staat onze fokdieren zoo te kiezen, dat wij het doel bereiken , dat wij ons voor oogen hebben gesteld. De verschil-
9
lende wijzen , waarop men de fokdieren uitkiest om ze te doen paren heet: âwijze van veeteelt.quot; Zij bestaat in drie hoofdvormen en verschillende onderdeden.
Wij zullen alleen de hoofdvormen in het kort behandelen; de door het spraakgebruik geijkte benamingen voor verschillende onderdee-len drukken niet alle even duidelijk uit, wat er mede bedoeld wordt cn zullen wij derhalve, als minder geschikt voor ons doel, achterwege laten. Wie daar meer van weten wil, verwijzen wij naar daarvoor bestemde handboeken.
Zoo komt dan in de eerste plaats in aanmerking de teelt in eigen ras. Zoodra wij in eigen ras tcelen , vervalt de groote ongelijkheid in vormen. Wij hebben daarbij ook geen rekening te houden met den invloed van klimaat enz.
In elk ras, onverschillig welk, worden goede eigenschappen aangetroffen. Wel is waar, treden slechte hoedanigheden somtijds meer op den voorgrond, maar goede eigenschappen, al zijn 't ook maar enkele, zijn in elk ras te vinden. Die goede eigenschappen komen bij enkele individuen goed uit, bij anderen schijnen ze echter geheel te ontbreken.
Worden nu die individuen opgezocht, waar de eigenschappen die voor het doel noodig zijn goed uitkomen, dan krijgen wij misschien na lang zoeken een ouderpaar, dat zijn goede eigenschappen zeker in meerdere of mindere mate op zijn jongen zal overdragen. Wordt een op deze wijze verkregen veulen later gepaard met een dergelijk gefokt paard, dat ook die goede eigenschappen bezit, clan zal daarvan waarschijnlijk een veulen komen, dat die eigenschappen al weer in grootere mate bezit.
Zoo voortgaande zou het ras wel langzaam, maar zeker verbeterd worden. Het gebeurt echter vaak, dat de verbetering in eigen ras niet vruchtdragend genoeg is of door haar langen duur den fokker begint te vervelen.
In dat geval zou eene voortteeling in nauwe bloedverwantschap de eenige weg zijn, die nog bewandeld zou kunnen worden om misschien in het ras zelf iets goeds tot stand te brengen.
Onder het teelen in nauwe bloedverwantschap verstaat men het paren van dieren, die de.zelfde vader en moeder hebben, met en door elkander, b.v. vader met dochter, zoon met moeder, enz. Zoo gaat het ook in de natuur, daar paren ook de dieren regelmatig , die uit hetzelfde nest afkomstig zijn.
Deze wijze van teelt moet echter niet lang volgehouden worden,
10
want dan leidt zij tot onvruchtbaarheid, verzwakking en achteruitgang van liet ras.
Openbaren zich door de voortteeling in nauwe i)locdverwantschap slechte eigenschappen , dan kan men zeker zijn , dat dit in het ras zelve ligt.
Zitten er werkelijk slechte hoedanigheden in het ras, ook al werden ze niet opgemerkt, dan zullen die zeker bij een bloedverwantschapsteelt te voorschijn komen.
Zitten er evenwel goede eigenschappen in het ras verborgen, d. w. z. zijn zij aanwezig, zonder dat zij direct aan den dag komen, dan voert deze wijze van fokken zeker naar het doel en dit spoediger dan op eenige andere wijze, daar de goede eigenschappen van geslacht tot geslacht nog aanmerkelijk worden verbeterd en bevestigd.
Faalt echter ook deze wijze van teelt, in weerwil van de zorgvuldigste keuze der fokdieren en van de zorgvuldigste vetpleging en voeding der jonge dieren en is geen gewenschte verbetering te bespeuren â of heeft men de eigenschappen der dieren tot in den hoogsten graad verbeterd en zou men nog gaarne eenige andere en betere wenschen die het ras niet eigen zijn , dan moet men tot kruisen overgaan.
Kruisen in het algemeen noemt men het paren van dieren uit verschillende rassen.
Wij hebben er op gewezen, dat cr aan het overbrengen van een ras naar eene andere streek groote bezwaren verbonden zijn, wegens verandering van bodem , klimaat enz.
Evenwel kan aan een enkel dier meer zorg worden besteed, dan aan meerdere tegelijk en zijn die bezwaren alzoo bij een enkel dier beter te overwinnen. Bovendien hebben wij opgemerkt, dat mannelijke dieren hunne goede eigenschappen sneller doen overerven dan vrouwelijke en zoo wordt dan ook, waar men van kruisen spreekt, bedoeld het invoeren van een mannelijk dier, dat tot een edel ras behoort, om door paring daarmede eigen ras te veredelen.
Onder omgekeerde kruising verstaat men een vrouwelijk dier uit een vreemd ras paren met een hengst uit eigen ras om daardoor verandering in den vorm en in de eigenschappen zijner dieren te verkrijgen. Deze wijze van kruising is slechts nog hielen daar in toepassing gebracht en de resultaten er van zijn nog te gering, om daarover een oordeel te kunnen uitbrengen. Dit is echter eene zekerheid, dat die verandering veel te lang-
11
zaam geschiedt en daarom niet zoo spoedig voert tot liet ge-wenschte doel.
Een edel ras munt uit door goede eigenschappen en een het volmaakte naderenden lichaamsbouw.
Een edel ras is ook standvastig, d. w. z. het bezit in hooge mate het vermogen zijn eigenaardigen bouw en hoedanigheden op zijne nakomelingen over te planten.
Wil men nu tot kruisen overgaan, dan zoekt men een ras, dat de eigenschappen, welke men in eigen ras wil overbrengen, in hooge mate bezit.
Gebreken die bij het eigen ras zich voordoen , mogen nooit bij den in te voeren hengst gevonden worden. Ook mag, wij wezen er reeds vroeger op, geen al te groot verschil tusschen beide rassen bestaan en evenmin tusschen mannelijk en vrouwelijk dier. Op de voorouders dient mede gelet te worden cn het kruisen dient door het steeds invoeren van degelijke nieuwe hengsten zoo lang volgehouden te worden, tot men het gewenschte resultaat heeft verkregen en een genoegzaam aantal jongen heeft, die de gewenschte eigenschappen in voldoende mate bezitten en men met deze jongen kan doorfokken, zonder do kans te beloopen, dat men door terugslag weder langzamerhand den ouden vorm zal zien terug-keeren. Is dat in 2, 3 of meer generation niet gelukt, dan moet men daarom den moed niet opgeven cn het kruisen laten varen; kleine verbeteringen moet men niet over het hoofd zien, maar zoo mogelijk vasthouden en tot grootere volkomenheid trachten te brengen. Sommigen vinden vijf geslachten eerst voldoende om met volbloed overeenstemmende dieren te verkrijgen, anderen gaan nog verder en willen acht generatien laten voorbijgaan.
Zij stellen daarvoor de volgende tabel:
Volbloed hengst gekruist:
Inl. merrie geeft '/2 bloed veulen isU: geslacht. % bloed ,, ,, quot;li ,, ,, 2d,!
met;
3/ 7/
/i tl f) li /8 11 11 J 11
/}{ . 11 n 11 ' /1 G 11 11 4de 11
15; 3 1/ r de
1 /1G 11 l*» /3 2 11 11 D 11
i 3 1/ 0 3/ /^de
j /31 V» li 11 /6 4 11 11 u 11
f 03/ 127/ «de
I /0! 11 11 11 /12 8 11 11 / 11
12 7/ 2 5 5/250 Qste
/12 8 11 11 1*» / 11 11 0 11
De paring alzoo in het 8ste geslacht zou een veulen verwekken,
dat nog '/200 bloed van een inlandsche merrie in zich heeft.
12
Deze wiskunstige berekening heeft oogenschijnlijk weinig waarde; toch is dat niet het geval.
De bekwame fokker kan nu zelf uitrekenen op welken trap zijn gekruiste dieren staan, kan dan ook zelf nagaan of de verkregen eigenschappen min of meer standvastig zullen zijn en zal zooveel te minder een onberaden stap wagen, door halfbloed hengsten voor de teelt te gebruiken, daar het hem duidelijk wordt, dat de goede eigenschappen van een hengst uit het 8ste geslacht beter moeten vererven dan b.v. van een uit het eerste of tweede (').
Is de kruising eenmaal genoegzaam doorgevoerd, dan kan men door onderlinge paring der verkregen producten de gewenschte middenvorm behouden, of ook wel zekere eigenschappen sterker doen uitkomen door paring der verkregen producten met de ouderlijke stamvormen.
Moet men nu bij kruising het oog hebben op de vorming in de toekomst van een âideaal paardquot;, een paard voor alle diensten geschikt? Dit behoort tot de onmogelijkheden en moeten wij ons daarom tevreden stellen met paarden te fokken geschikt voor deze of gene bijzondere dienstverrichting, en dat zoo goed mogelijk.
Dit hebben ook vroegere Engelsche fokkers zich tot taak gesteld, vandaar hun enorm succes. Waar zij een renpaard verlangden, daar kruisten zij met het lichte Arabische paard; waar zij een zwaar werkpaard wenschten, daar kruisten zij met het zware werkpaard uit Vlaanderen; hadden zij gebrek aan snelle en niettemin krachtige en duurzame oorlogspaarden, dan voerden zij Spaansch- ofItaliaansch bloed in. Zoo is het den Engelschen gelukt, om voor eiken bijzonderen dienst een bijzonder geschikt paard te verkrijgen, zelfs voor verschillende soorten van jacht en sport.
Stellen wij ons dus de Engelschen tot voorbeeld, in zooverre zij hierin niet te ver zijn gegaan; zij toch hebben hun streven naar het verkrijgen van sommige eigenschappen wel eens wat hoog opgevoerd en daardoor de harmonie der vormen nu en dan uit het oog verloren (ï).
Gaan wij na wat uit het Hollandsche paard te maken is door oordeelkundige kruising en doelmatige opvoeding, dan komen wij vooreerst alweer terecht in Engeland.
(1) Van liijlcvclt.
(2) Van Leeuwen.
13
De Engelschen toch hebben in den loop der tijden veel Hollandsch bloed ingevoerd, om zoowel goede dravers als zware werkpaarden te verkrijgen. Zoo heeft zeer waarschijnlijk de schoone Norfolk-draver, die in Engeland als koetspaard gebruikt wordt en snellen draf aan fiere houding en liooge knieactie paart, veel Hollandsch bloed, dat zorgvuldig gekozen en gekruist is. Verder is in de kolossale bierbrouwerspaarden , die door hun enormen lichaamsbouw en groote kracht ieders bewondering opwekken, veel Hollandsch-naast Vlaamsch bloed vertegenwoordigd.
Eindelijk het ideaal van een werkpaard, de even schoone als deugdzame Clydesdaler, is ontstaan uit kruising van de zware Vlaamsche hengsten met Schotsche (Lanert-) merriën , waarvan de producten nu en clan weer gekruist werden met Hollandsche paarden.
Maar ook in andere landen vindt men op hoogen prijs gestelde paarden, die van ons Hollandsch ras afstammen.
Wij hebben hier op het oog de beroemde Orloff-draver in Rusland ('â¢).
Het zij ons vergund hier op het voetspoor van den heer Van Leeuwen ecne kleine uitweiding te maken door het ontstaan van dat beroemde ras iets uitvoeriger tc beschrijven; dan kan wellicht deze beschrijving mede dienen als leiddraad voor den fokker, die kruising wil toepassen, en vinde daarin het geduld van den aan-dachtigen lezer zijne belooning.
In het jaar 1778 werd door Graaf Alexei Orloff de stoeterij Khrenoway in het gouvernement Woronesch opgericht.
De Arabische schimmelhengst, Smetanka, werd daar gepaard met verschillende merriën. Twee zijner zonen, Volkersahm en Polkan, de eerste uit eene Engelsche-, de tweede uit eene Deensche merrie, volgden hem al spoedig op. Polkan werd gepaard met eene Hollandsche merrie en verwekte daaruit in 1784 den hengst Pars I, die als de stamvader van het eigenlijke draverras erkend wordt.
Deze hengst dekte 17 jaren lang in de stoeterij, deels hem naverwante merriën met minder goed resultaat, deels merriën van Hollandsch-, Arabisch-, Perzisch- en Engelsch ras, waarvan vooral de Arabische merriën goede veulens leverden.
De hengsten werden voortdurend uit dezen stam gekozen, nadat
(1) Van Leeuwen.
14
zij vooraf door proeven bewezen hadden de eigenschappen van bekwame dravers te bezitten.
In 1825 werden ter bloedverfrissching weer op nieuw een aantal Hollandsche merricn ingevoerd. Omstreeks dezen tijd werden ook nieuwe draver-stoeterijen in Rusland opgericht, die alle evenwel niet even goede resultaten opleverden, door het aanbrengen van te veel vreemde bijmcngselen. In 1845 werd de oorspronkelijke stoeterij van Graaf Orloff door den Staat overgenomen.
De Orioff-dravers hebben dus, wat afkomst aangaat, veel oos-tersch bloed, doch hun uitwendig voorkomen herinnert sterk aan de Hollandsche stammoeders.
Zij hebben eene hoogte van omstreeks 1.65 M. (stokmaat), een smal, droog, ter hoogte van den neus veelal iets gebogen hoofd; een hoog opgerichten en schoon aangezetten hals. De borst is lang, doch niet bijzonder breed en diep; de rug vertoont geen bijzondere kracht, is soms zelfs iets ingezonken.
Het kruis is iets afhangend en gewelfd, doch niet gespleten zooals men bij ons Hollandsch paard wel kan waarnemen; intus-schcn is het toch goed gespierd, even als de lange onderarm. De hoekstelling in de gewrichten is voortreffelijk, de beenen zijn matig sterk, de kooten kort.
In draf wordt deze gestalte één en al leven, de hals kranig gebogen en vast op het gebit steunende werkt zij zoo gelijkmatig als eene machine.
Naast enorme snelheid bezitten deze paarden een groot uithoudingsvermogen (').
Nu komt echter de vraag, hoe zal men het voorbeeld in het buitenland gegeven, zich in Nederland op de beste en meest uitvoerbare wijze te nutte maken? De aankoop van goede hengsten kost geld â veel geld soms â en dat moet ergens gevonden worden......
Waar echter een wil is, daar is ook een weg.
Reeds beginnen vele particulieren zoowel als vereenigingen er zich op toe te leggen in het gebrek aan goede ter kruising geschikte hengsten te voorzien, door aankoop in het buitenland, en worden zij in hun streven om het paardenras te verbeteren en te veredelen, krachtig gesteund en geholpen door het aanleggen en bijhouden van stamboeken, door het ontvangen van rijke gel-
(1) Van Leeuwen.
15
delijke bijdragen, zoo van onze provinciale besturen, landbouw-en andere maatschappijen als van den Staat.
In waarheid kan dan ook worden betuigd, dat men hier en daar reeds aanmerkelijke verbeteringen begint te bespeuren in ons wel wat verwaarloosd en vervallen paardenras.
Om ook iets bij te dragen tot de meerdere veredeling en verdere verbetering onzer paarden, achten wij 't hier eene geschikte plaats op ccnige rassen te wijzen die naar onze bcschciclcn meening tot het verkrijgen van verschillende doeleinden geschikt zijn, om met het onze gekruist te worden. Zoo zouden wij, om met hoop op goeden uitslag artillerie-paarden te fokken, misschien het beste te recht kunnen in Hannover en Oost-Pruisen, de hoofdbronnen ook van de Duitsche remonte. Men vindt daar een sterk, vlug en edel gevormd paard, dat bij deze eigenschappen ook eene flinke maat heeft.
Bij het verbeteren en veredelen onzer tuigpaarden moeten wij zorgen niet. te vervallen in het kwaad der overgroote verfijning ten koste van de massa, d. i. de grootte en zwaarte van den lichaamsbouw. Men zal dus moeten zoeken naar een edel, maar tevens massief paard. Vooral voor koets- en luxepaarden verlangt men in het algemeen paarden met Hinken maat.
Onder de rassen die voor dit doel ter kruising in aanmerking zouden komen, rekenen wij in de eerste plaats het Oldenburger ras; dit ras vertoont de eigenschappen van een prachtvol koetspaard.
Hoogte omstreeks 1.65 M.; kleur meestal bruin; de hals is goed gespierd en wordt hoog opgericht; de borst is breed en diep; het kruis rond en sterk gespierd met tamelijk hoog aangezetten staart; terwijl de beenen soliede zijn.
Het temperament is goedig en moedig; de gang krachtig en levendig.
Ook het Anglo-Normandisch-ras levert uitstekende koetspaarden, liet valt echter te betwijfelen of de paarden in ons land nog wel rijp zijn voor de kruising met paarden van hooger bloed, m. a. w. of de overgang niet te groot zoude zijn.
De hoogte van het Normandische ras is omstreeks i.óo M.; de kleur is meestal bruin; de hals kort en gespierd; de borst breed en tliep; schouders en kruis sterk gespierd. De beenen zijn over het geheel kort, doch er komen weinig gebreken aan voor. De gang is krachtig en regelmatig; eene geliefkoosde eigenschap van dit ras is de hooge kniebeweging, (âsteppenquot;).
i6
Tot veredeling van lichtere tuigpaarden vermelden wij de Orloff-en de Norfolk-draver, boven reeds eenigermate besproken; terwijl wij, waar een zwaar trekpaard wordt verlangd, het Clydesdalerras, eveneens boven reeds genoemd, ter kruising aanbevelen (').
Rest ons nog te bespreken:
VII. Eene juiste kennis van eene goede voeding en doelmatige verpleging.
Heeft men op alle vorenstaande grondslagen gelet en bovenstaande voorwaarden getrouwelijk in acht genomen, dan mag men eindelijk â misschien â op een goed veulen hopen. Misschien zeggen wij, want dat is niet altijd zeker; veel hangt hier ook nog van den fokker zelf af.
Heeft men een mannelijk en een vrouwelijk dier met elkander laten paren en blijven daarvan de gevolgen niet uit, m. a. w. is het kenbaar, dat de merrie bevrucht is, dan zorge de fokker dat de vrucht tot den vollen drachttijd bij het moederdier bewaard blijve, dat er geen verwerpen plaats hebbe.
Daartoe dient iiij alle schadelijke invloeden te vermijden en te verwijderen. Men gebruike het paard slechts voor lichte vrachten en liefst in stap; men late het dier niet in de nabijheid van andere kwaadwillige dieren, noch op stal noch in de weide, om ze zoo voor ongelukken te behoeden. Men zorge voor eene zachte behandeling en verwijdere den oppasser, die door noodelooze wreedheid, door schoppen, slaan en wat dies meer zij een nadeeligen invloed zou kunnen uitoefenen. Zelfs bij het poetsen zij men om dezelfde reden voorzichtig, vooral met het gebruik van den roskam. Men zorge voor licht en frissche lucht en geve het paard gezond, licht verteerbaar en voedzaam voedsel; geen schadelijke invloeden van weer, enz. mogen ten nadeele van de goede hoedanigheden op het voedsel hebben ingewerkt; het mag niet muf of schimmelig of gebroeid zijn, maar moeNecne aangename aromatische geur hebben. Men voedere op gezette tijden, maar geve nimmer nieuw voedsel voor dat het oude is verbruikt.
Het drinkwater moet eveneens steeds frisch en zuiver zijn en in voldoende hoeveelheid , bij kortere tusschenpoozen, worden gegeven, alzoo niet te veel in eens.
(i) Van Leeuwen.
'7
Men bedenke, dat de toestand van de moeder gedurende den drachttijd van veel invloed is op het jonge dier. Van het oogenblik der bevruchting af hangt de vrucht in haar verdere ontwikkeling in hoofdzaak van de moeder af en deze oefent dus tot aan de geboorte uitsluitend invloed uit op het jonge dier; /.ij is de bodem waarin de kiem hare voedende kracht vinden moet, waarin zij gedijt. De vrucht zal daarom meer of minder volkomen zijn naarmate zij voedsel ter harer volmaking aanwezig vindt. Zeker is het dat ouderdom, lichamelijke kracht, temperament, ziekte, overvloedige of onvoldoende voeding, vervvaarloozing en mishandeling, enz. van de moeder van zeer grooten invloed zal zijn op het in wording zijnde dier. Is dit reeds zoo bij de teelt in eigen ras en bij bloedverwantschapsteelt , nog veel meer komt dit uit, waar men zich op veredelen door kruisen toelegt. Daarom moet bij alle kunstmatige veredeling steeds gelet worden op voeding, bodem, klimaat enz., omdat deze tic kunst van fokken moeten ondersteunen.
Heeft men eindelijk in zoo verre zijn doel bereikt, dat men een goed en gezond veulen heeft verkregen, dan zorgc men, zoo mogelijk, dat dat goede veulen opgroeit tot een goed paard. Men ga daartoe voort met een goede zorgvuldige behandeling. Voedsel en drank moeten beide van goede gehalte blijven.
De stal zij zindelijk, van voldoend licht en frissche lucht voorzien , echter zonder tocht. Vlijtig poetsen der dieren, eiken morgen, met roskam en borstel of stroowisch, met den eersten echter niet te sterk, zij zeer aanbevolen. Voor eenc matige beweging, ook in den staltijd, worde zorg gedragen. Te zeer vermoeiende arbeid worde bij het opgroeien vermeden, evenzeer als onafgebroken rust. Men ga bij dat alles met bedaardheid en zachtheid te werk, maar evenzeer met beslisten ernst.
Zw alleen heeft men kans een goed paard te fokken en volkomen tot zijn doel te geraken.
Bij de verdere ontwikkeling van dit werk hopen wij hierop nader terug te komen.
Handleiding raardenfokkenj.
â
HOOFDSTUK II.
_
Extérieur (uiterlijke vorm) van een goed gebouwd paard met vermelding der redenen waarom de vorm zoo moet zijn.
F D
Fig. 2,
De behandeling van een uiterlijken vorm is eene beschrijving van de verschillende lichaamsdeelen, zooals ze⢠behooren te zijn; terwijl er tevens aan toegevoegd wordt eene aanduiding van de fouten en gebreken van elk der deelen.
19
Bij de beoordeeling eener zaak, welke ook, heeft men een maatstaf van vergelijking noodig. Zoo moet men, om een goed paard goed te leeren kennen, vele paarden zien en in hunne dienstverrichtingen gadeslaan, ten einde door onderlinge vergelijking, zoo van de afzonderlijke deelen als van het geheel, zich een goed beeld van een harmonisch gebouwd paard te kunnen voorstellen. Wel heeft men voor en na verschillende stellingen en stelsels uitgedacht, die als maatstaf bij de beoordeeling van het paard dienst moesten doen en meestal berusten op afmetingen, maar al die bcoordeelin-gen hebben weinig waarde. Ze zijn in de meeste gevallen te tijd-roovend en leveren het gevaar op dat iemand, die zich op paardenkennis wil toeleggen, te veel aan dergelijke metingen zou gaan hechten, terwijl het toch veel beter is zich in de beoordeeling van het paard in zijn geheel te oefenen en wel. zooveel mogelijk zelfs op een afstand.
Bovendien gaan die metingen niet in alle gevallen op; voor een renpaard toch verlangt men andere afmetingen dan voor een ploegpaard. Wel is het een vereischte, dat er in de verschillende lichaams-deelen van het paard eene zekere harmonie, onderlinge overeenstemming heersche, doch er zal maar weinig oefening toe noodig zijn om eenigszins belangrijke afwijkingen hiervan met den eersten oogopslag te kunnen zien. Daarbij staan de zeer belangrijke dienstverrichtingen van een paard in waarde verre boven de vormen, hoe harmonisch die ook ontwikkeld mogen zijn en op de waardeering van ons schoonheidsgevoel aanspraak kunnen maken.
Dit laatste eischt in het algemeen harmonie der deelen onderling, afronding der vleezige deelen en geleidelijke overgang van het eene deel in het andere; evenwel zijn de schoonheidsbegrippen ten opzichte der paarden, even als in vele andere zaken, afhankelijk van de mode.
Er zijn b.v. tijden geweest dat men alleen sterk gewelfde hoofden (ramskoppen, fig. 8, 2) mooi vond. In andere tijden stelde men als eerste vereischte voor een fraai paard, een zeer hoog gedragen staart. Dan eens wilde men den staart kort, clan weer wilde men hem lang.
Ook van persoonlijke opvattingen hangen de schoonheidsbegrippen af; . . . de een ziet liever een plat, goed gevleeschd en afgerond paard, een ander daarentegen liever een fijner gevormd dier waaraan men alle onderdeelen goed kan onderscheiden.
Wil men echter niettegenstaande dit alles opgave van verschil-
20
lende afmetingen, dan willen wij trachten cenige der voornaamste op te geven.
De lengte van het paard gemeten van uit de punt van den boeg tot aan de uiterste punt van de bil (fig. 2 Aâ15) mag 2 cM. meer zijn dan de hoogte, gemeten van het hoogste punt der schoft tot op den grond (CâD). Deze lengte moet echter in hoofdzaak gevormd worden door voor- en achterhand en gepaard gaan met korten rug; men zegt dan, dat paard staat over veel grond, wat â verondersteld dat het paard overigens goede proportion heeft â ('een langen, schuinen schouder en een lang kruis) zeer gezocht is, daar een paard, dat over veel grond staat, met eiken stap ook over veel grond gaat en daardoor vlugger is in zijne bewegingen. Het hoogste punt van de schoft moet 2 cM. hooger liggen dan het hoogste punt van het kruis, is de schoft lager dan het kruis, dan noemt men zoodanig paard overbouwd, wat niet alleen een gebrek is in den schoonheidsvorm, maar bij rijpaarden ook voor-uitschuiving van den zadel veroorzaakt en daardoor de voorhand van het paard te veel met het gewicht van den ruiter belast. De hoogte van liet paard (CâD) in twee gelijke helften verdeeld, moet de samenvoeging der twee helften juist vallen onder het borstbeen (G) zoodat de hoogte van CâG gelijk is aan die van DâG.
In dit geval heeft men een paard met diepe borstkas en lage beenen. Eene diepe borstkas is noodig om krachtige longen en
eene ruime ademhaling te hebben.....laag op de beenen zijn,
geeft korte pijpen en sterke pezen en vermeerdert de vooruitstu-wende kracht van de achterbeenen.
Een zeer goede maatstaf voor de beoordeeling van de lengte der verschillende dcelen van het lichaam is de schouder.
De schouder is lang genoeg als de afstand van de schoft tot aan den boeg (fig. 2 CâA) gelijk is aan den loodrechten afstand van den boeg A tot onder de voorknie H.
Deze lange schouder moet nu zoo schuin liggen, dat hij met den opperarm een hoek vormt van ongeveer 90 graden, of een zoogenaamden rechten hoek, m, a. w. schouder en opperarmbeen moeten zoo met elkander verbonden zijn, dat de eerste als 't ware haaks staat op den laatstcn.
Nu moet verder de lengte van den hals (Fig. 2 IâK) gelijk zijn aan de lengte van den schouder; de lengte van rug en lendenen same a gemeten van af het midden van den schouder
2 I
(L), tot aan de heup (M) en de lengte van de heup (M) tot aan de punt van de bil (B) ook gelijk zijn aan de lengte van den schouder.
Wat de breedte betreft moet men rekening houden met verschillende paardentypen. Een rijpaard b.v. moet een breed kruis hebben, maar kan met eene smalle borst volstaan; een rij-tuig- of trekpaard daarentegen moet eene breedc borst hebben en bovendien eene met zijne grootte overeenkomende zwaarte; bij karpaarden is dit nog meer het geval.
Een zeer groote beteekenis voor de juiste samenstelling van het mechanisme en ten gevolge daarvan ook voor de bruikbaarheid van het paard, in zooverre dit van den lichaamsvorm afhangt, heeft de lengte en hoekvorming van schouder en heupgewricht.
De theorie daaromtrent zegt en de ondervinding leert, dat de schouder lang moet zijn en daarbij zoo schuin liggen, dat hij met eene loodrechte lijn een hoek vormt van 45 graden.
In fig. 2 moet dus de schouderlijn AâC met de loodlijn CâD in C een hoek vormen van 45 graden. Met kan niet betwijfeld worden, dat zulk een hoekvorming voor snelheid zeer ge-wenscht is, want een door den schuinen stand der beenderen gevormde gewrichtshoek kan zich zeer gemakkelijk openen, waardoor de beenen meer ruimte voor hunne bewegingen krijgen. Dat die bewegingen nu des te krachtiger zullen zijn als zij ondersteund worden door goed ontwikkelde spieren , zal wel niet behoeven verklaard te worden. Wanneer de schouder een hoek van 90 graden met den opperarm vormt, dan zal de buiging van het gewricht naar voren en naar achteren zoo gemakkelijk geschieden, dat zoowel de arm als het geheele been de richting van den schouder volgende, zich ver naar voren kan strekken. Heeft daarentegen de schouder een stelleren stand, dan zal de buiging moeilijker geschieden en eene groote snelheid zou in dit geval alleen verkregen kunnen worden door eene zeer versnelde en hoogst inspannende werking der spieren.
In figuur 3 is getracht dit door eene teekening duidelijk te maken.
Nemen wij aan, dat in figuur 3 de vette lijn AâB de richting van den schouder aangeeft, zijnde zoodanig, dat hij met de opperarm AâC een rechten hoek vormt, dan zal het been, de richting van den schouder volgende, zich zoover naar voren strekken, dat het onderbeen in het verlengde van den schouder komt te liggen,
alzoo in de richting van dc vette lijn AâD. De afstanden GâI
E B
D F C
Figuur 3.
en IâH zijn aan elkander gelijk. Ligt dc schouder echter steiler, b.v. in de richting van de stippellijn AâE, dan zal het been, de beweging van den schouder volgende, zich zoover naar voren strekken dat het onderbeen eveneens in het verlengde van den schouder komt te liggen, dat is: in dc richting van de stippellijn AâF. Op de teekening ziet men dat IâK kleiner is dan GâI, en het geheele voorbeen dus niet zoover vooruitgebracht is als bij de eerste ligging.
Daar er echter in de natuur geen ideale paarden zijn, zullen wij dikwijls in den uiterlijken vorm wat moeten toegeven. Het komt er hoofdzakelijk op aan om te weten in welken graad de bruikbaarheid van het paard minder is.
De kunst van paardenkennen moet men dan ook niet alleen zoeken in het leeren kennen cn vinden van gebreken, maar tevens in het wikken en wegen van de voordeden tegenover de gebreken.
Zoo kan b.v. een tc lange romp vergoeding aanbrengen voor een steilen schouder, als daarbij de borstkas maar diep is cn de beenen geen gebreken hebben. Zit daarentegen een tc steile schouder aan een te korten romp, dan worden de gangen zoowel in voorals in achterhand tc kort, en daaronder lijdt de bruikbaarheid. Daarom moet men een langen rug (natuurlijk niet overdreven lang), niet onvoorwaardelijk voor de fokkerij afkeuren. Is n.1. zoo'n rug breed en krachtig gespierd, hebben de laatste ribben eene goede
lengte, bezit het paard bovendien sterke beenderen, zijn de schouders goed lang en schuin, is evenzoo het kruis zeer lang, dan kan een dergelijk dier, ondanks zijn langen rug, een uitstekend fokdier zijn. Eveneens verdient het vermelding, dat een afhangend kruis voortreffelijk bij slechte lendenen past, daarentegen een horizontaal of recht kruis de zwakte van zulk een slechten rug en slechte lendenen nog verhoogt. Zoo dient men er ook steeds aan te denken, dat een hoogbeenig paard, welks hoogbee-nigheid gelegen is in te geringe diepte van de borstkas, en waarbij soms ook nog steile schouders komen , ongeschikt is voor de fokkerij. Ook is een overbouwd paard, waarover wij reeds met een enkel woord hebben gesproken, minder geschikt voor de teelt. Zoo'n paard verplaatst den last te veel naar voren, weet in beweging het evenwicht niet te bewaren en heeft een onzekeren, waggelenden gang; â wel wordt liet ergste van dit gebrek aanzienlijk verbeterd als de schouder eene goede ligging heeft en de vooruitdrijvende kracht der achterbeenen, dank zij den gunstigen hoek in het heupgewricht, op de horizontale lijn kan inwerken, maar is het overbouwde paard daarentegen kort en heeft het bovendien een steilen schouder, dan zullen de nadeelen van overbouwd zijn nog meer uitkomen (').
Voor dat wij nu verder de afzonderlijke deelen van het lichaam gaan bespreken, zullen wij tie namen van die deelen opnoemen, opdat ook de minder ingewijde fokker het besprokene beter leere verstaan en ons gemakkelijker kunne volgen in ons verder betoog. Wij willen daaraan toevoegen een kort overzicht van de leer der beenderen die te samen het geraamte (skelet) vormen en van de gewrichten, banden, spieren en pezen.
Het paard wordt verdeeld in drie hoofddeelen , in voorhand (Fig. 4 A), romp (B) en achterhand (C).
Tot de voorhand behooren: oog, oor, neus, mond , voorhoofd , aangezicht, lippen, kaken, nek, hals, schoft, schouders, opperarm, onderarm, voorknie, voorpijp, kogel, koot, kroon en hoef.
De romp wordt verdeeld in: rug, ribben, borst, lendenen, flanken, koker en balzak.
De achterhand in: kruis, staart, dijen, schenkels; sprongge-wrichten en achterpijpen. Kogel, koot, kroon en hoef als bij de voorbeenen.
(') Quadekker.
24
|
|
Het skelet of geraamte is de beenige steun van de weeke deelen en dient tevens om de meer edele deelen, de ingewanden, die het als in een korf omsluit, te beveiligen. I Iet bestaat uit de volgende beenderen: {Figuur 5)
Pijpbeen.
Griffelbeen.
Kootbeen.
Kroonbeen.
Hoefbeen.
Sesamsbeende-
26
Het geraamte bestaat uit 252 beenderen, die men verdeelt in beenderen van het hoofd, van den romp en van de ledematen.
Het hoofd bestaat uit twee afdeelingen, n.1. de schedel en de achterkaak; in beide zijn de tanden en kiezen, 36â40 in getal, geplaatst. De schedel bestaat echter niet uit één stuk, maar in de jeugd uit 37 beenderen, die later als het paard ouder wordt samengroeien. Deze beenderen vormen vele holten, n.1. de kaak- en voorhoofdboezems, alsmede de hersenholte, waarin de hersenen zijn gelegen.
De beenderen van den romp zijn 7 halswervels; 18 ruggewer-vels; 6 lendenwervels; het kruisbeen en 18â20 staartwervcls; alsmede het borstbeen, de ribben en het bekken. De wervels zijn zoodanig met elkander verbonden, dat tusschen deze slechts eene geringe beweging mogelijk is, door hunne verbinding onderling wordt de zoogenaamde wervelkolom gevormd, die het ruggemergkanaal in zich sluit, waarin het ruggemerg is gelegen.
De wervelkolom, die aan het hoofd begint en met de staart-wervelen eindigt, vormt een kromme lijn, die zeer verschillend gebogen is zooals de afbeelding, (Fig. 5) aantoont, en waarbij vooral in het oog valt, dat de ruggewervelen een boog naar boven (als een gewelf) vormen, terwijl het er bij het levende paard eer omgekeerd uitziet. Aan het voorste einde van de wervelkolom is het hoofd bevestigd, terwijl zijdelings aan de rugwervelen de ribben (18 paren) bevestigd zijn, die de zijwanden, cn het borstbeen dat de onderwand van de borstholte daarstellen. Het bekken bestaat uit twee helften en elke helft heeft drie beenderen; een öfer;«been, een zithccn en een se haamheen; zij vormen de bekkenholte.
Van den romp loopen de ledematen naar beneden; er zijn voor- of borst- en achter- of bekkenbeenen. Elk voorbeen bestaat uit 20 beenderen; het begint met het schouderblad dat schuins op de ribben ligt en niet door een gewricht, maar alleen door spieren met den romp verbonden is. Hierop volgt het opperarmbeen dat schuin naar achteren en naar beneden geplaatst is, en in verbinding met het eerste, het boeggewricht, en met het volgende, het ellebooggewricht vormt.
Het onderarmbeen staat loodrecht onder het opperarmbeen en is aan het boveneinde met het elleboogbeen te zamen gegroeid. Hierop volgen de beenderen van de voorknie (handwortel) die het voorknie-(handwortel) gewricht vormen; het bestaat uit 7, in 2 rijen gelegen beenderen. In de bovenste rij ligt naar achteren het haak-
27
beentje; naar buiten het veelhoekigbeeutje; naar binnen het dob-bclsteenvonnigbceiitje en in het midden liet zvigvorinigbeentje; in de onderste rij liggen, van buiten, liet kegelvonnigbeentje; in het midden het schuitvormige- en van binnen het halvemaanvonnigc-beentje.
Op de beenderen van de knie volgt weder een loodrecht staand been, het voorpij'p-heen; aan het boveneinde er van, op de achtervlakte, liggen de beide griffelbeenderen, en aan het ondereinde, van achter, de beide sesamsbeenderen.
Het kootbeen ligt schuins naar voren en vormt met het ondereinde van het vorige been en de sesamsbeenderen het kogel- of kootgewrieht.
Het kroonbeen ligt evenzoo schuin en vormt met het daarop volgende hoef been en het tegen de achterzijde van deze beide beenderen gelegen spoel- of straalbeentje het hoefgewricht. De laatste 2 beenderen zijn geheel â, het kroonbeen gedeeltelijk in den hoef gelegen.
De aehterbeenen bestaan uit 19 beenderen, zij nemen een aanvang met het dijbeen of boven schenkelbeen, dat schuin naar voren en naar beneden ligt en met de heupkom van het bekken het heupgewricht vormt. Aan het ondereinde van het dijbeen ligt, van voren, de knieschijf of smeerschijf.
Daarop volgt het groote schenkelbeen, dat schuin naar beneden en naar achteren is geplaatst en aan welks buitenvlakte, van boven , het kleine schenkelbeen ligt. Het groot schenkelbeen vormt met de knieschijf en het ondereinde van het dijbeen het ware- of achterste kniegewricht.
De beenderen van het spronggezvricht volgen daarop, zij zijn 6 in getal en liggen in 3 rijen. In de bovenste rij liggen het hielen. katrolbeen; in de middelste rij het groot schuitvormige- en een gedeelte van het dobbelsteenvormigebeentje, en in de onderste, het andere gedeelte van het dobbelsteenvormigebeentje, het klein sch uit vorm igebeentje en het piramidale beentje.
De op het spronggewricht volgende beenderen zijn dezelfde als aan de voorbeenen.
Reeds hebben wij bij de bespreking der beenderen van het geraamte ook eenige gewrichten genoemd. Wij willen daarop terugkomen.
Onder den naam van gewricht verstaat men een bewegelijke verbinding der beenderen met elkander, waartusschen eene holte wordt
28
aangetroffen. Men kan deze wijze van vereeniging der beenderen verdeelen in:
Volkomen of ivare gcwrichten en in onvolkoincn of Jialfgc-ivrichte7t. 15ij de eersten zijn de beenuiteinden, die bijdragen tot de vorming van een gewricht, met kraakbeen omkleed, waartus-schen soms nog kraakbeenige schijven, de tnsschcn kraakbecnschij-vcn, ook wel halveiuaanswijze kraakbeen genoemd, worden gevonden. Die beenuiteinden worden door een vliezigen koker, bestaande uit een lidvocht- of gewrichts-vlics en een vezeligen benrs-band, luchtdicht omsloten. In de meeste gevallen worden de been-* Viiteindon ⦠iamp;g* Stêvlgér tegen eik-ander bevestigcl cfoor zijc'leTin'gsclió ' gewrichtsbanden, terwijl in de gewrichtsholte een eigen vocht, het lidvocht, gewrichtsvoeht of gezvrichtslijm aanwezig is. Het uitvloeien van dat vocht (het smeer als 't ware voor het gewricht) door in de gewrichtsbeurs ontstane verwondingen is een gevaarlijk verschijnsel en cjient zoo spoedig mogelijk te worden tegengegaan.
Naar den bouw of de gesteldheid van de gewrichtsvlakten kan men de gewrichten verdeelen in;
a. Het vrije of komgewricht, dat vrijheid van beweging naar alle zijden toelaat. Het ontstaat doordat een gewrichtshoofd in een gewrichtskom wordt opgenomen. De rand van een gewrichtskom is voorzien van een kraakbeenigen ring die zich soms als aanvullingsband over de insnijding van de gewrichtskom voortzet. Men verdeelt de vrije gewrichten nog in diepe en ondiepe koingcwrichten.
b. Het schar nier gewricht laat slechts buiging en strekking toe. Men verdeelt ze in volkomen en onvolkomen scharnierge-wrichten. Bij de eerste zijn geene, bij de laatste nog eenige zijdelingsche bewegingen mogelijk. In deze gewrichten zijn de tusschengewrichtskraakbeenderen gelegen.
c. Het draai- of spilgezvricht bestaat als een cilindervormig gewrichtsuitsteeksel, in een gewrichtsholte wordt opgenomen , zoodanig, dat slechts eene draaiende beweging mogelijk is.
d. Het vlakke of platte gezvricht, ook wel beperkte geleding genoemd, ontstaat wanneer twee vlakke of platte gewrichts-
29
vlakten met elkander in aanraking komen, waardoor dan slechts eene zwakke of geringe beweging mogelijk is.
De onvolkomen of halfgewrichten zijn in getal zeer beperkt, men vindt ze tusschen de wervelen en tusschen het kruisbeen en darmbeen. Zij laten, zooals wij bij de beschrijving der wervelkolom reeds hebben gezien, onderling zeer weinig beweging toe.
De gezvrichtshanden, die als een aan beide zijden geopenden koker verschillende beenuiteinden omvatten , bevestigen deze beenuiteinden steviger tegen elkander. Op slechts enkele uitzonderingen na bestaan zij uit sterke uit bindweefsel gevormde bundels , waarvan de vezels in e'ene richting verloopen, weinig elastisch zijn en den vorm hebben van pezige strooken, vliezen, platen of koorden.
Spieren en pezen. Onder den naam van spieren verstaat men de roodgekleurde, vezelachtige, weeke deelen (het vleesch) van het dierlijk lichaam, die bestemd zijn om de deelen te bewegen. Zij volbrengen die- beweging willekeurig of omvillekeurig en worden naar die werking dan ook in twee hoofdgroepen verdeeld. Elke spier bestaat uit bundels van vezelen, die meer of minder innig door bindweefsel omkleed zijn en daardoor met anderen te samen hangen, terwijl deze nog grootere bundels daarstellen die de geheele spier vormen. Wij hebben voor ons doel alleen op de willekeurige spieren te letten, dat zijn die spieren die door den wil van het dier worden beheerscht en die verschillende namen dragen naar de werking die zij volvoeren. Zoo heeft men onder anderen buigers, strekkers, draaiers, spanners, opheffers , sluitspieren enz. Zij verschillen zeer in lengte, breedte, dikte en in samenstelling.
Lange spieren komen vooral aan de ledematen voor en zijn van meer of minder lange pezen voorzien. Met begin of uiteinde is al of niet in twee of meer gedeelten verdeeld. {Samengestelde of eenvoudige spieren). Men onderscheidt aan deze spieren een boveneinde, dat het dichtst bij de wervelkolom is gelegen en meestal de oorsprong der spier is, en het ^/wofdquot; genoemd wordt, voorts een middelstuk of buik en een onderstuk of staart. Ontspringt een spier met twee of meer afzonderlijke deelen die zich later vereenigen, dan krijgt zij den naam van 2, 3 of meerhoofdig. Wordt het lichaam van een spier door eene pees in tweeën verdeeld , dan heet zij tweebuikig,
Br cede spieren zijn plat en dun en soms van grooten omvang. Zij gaan niet in strengvormige pezen, maar aan een of beide zijden of einden in peesvliezen over.
30
Korte dikke spieren zijn die, waarbij lengte, dikte en breedte vrij wel gelijk zijn of weinig verschillen.
Ring- of kringvormige spieren omgeven eenige openingen van het lichaam, die zij gesloten houden. De einden dier sluitspieren gaan meestal ringvormig in elkander over.
Door de witte glinsterende strengen of vliezen (peesvlie-zeii) waarin de spieren gewoonlijk op bepaalde plaatsen overgaan , verbinden zij zich met andere deelen. Zoo wordt b.v. eene zelfde spier met hare peesachtige uiteinden aan twee verschillende beenderen vastgehecht , tusschen welke aan-hechtingspuntcn de beenderen samen een gewricht vormen.
Door de samentrekking nu der spieren en de wijze van .aanhechting is het mogelijk beweging voort te brengen.
Ziehier op welke wijze dit plaats heeft. {Fig- 6).
A en B stellen twee beenderen voor die in C door een gewricht zijn verbonden. De lijn DâF stelt eene spier ± ^ ^ voor. Trekt die spier zich
samen, d. i. wordt zij korter, clan zal het gevolg daarvan zijn, dat de beide beenderen A en B tot elkander naderen. Staat daarentegen A vast, dan zal B zich naar A bewegen en omgekeerd zal A zich naar B bewegen, als B vaststaat.
Hier valt nog bij op te merken, dat de spier D 1' , heel wat meer kracht zou kunnen uitoefenen, wanneer zij met een einde in E was verbonden, zooals de lijn DâE aanduidt.
Dat zou evenwel niet plaats kunnen vinden, of de spier zou langer moeten zijn. Hieruit volgt, dat tot meerdere krachtsontwikkeling het zeer gewenscht is, dat lange beenderen van lange spieren zijn voorzien.
A! liggen beide beenderen A en B in elkanders verlengde, dan kan men uit Fig. 7 toch zien , dat door samentrekking der spier DâF het been B zich naar boven zal bewegen zoo A vaststaat.
Moe meer echter de plaatsing der spier DâF van den loodrechten stand afwijkt, hoe gemakkelijker zij zal werken. Eenige afwijking van dien loodrechten stand bestaat er dan ook altijd min of meer, doordat de beenderen waarlangs de spieren loopen, bij de gewrichtseinden dikker zijn dan aan het middelstuk. Hieruit valt te besluiten, dat zware gewrichten gemakkelijkheid aan de beweging geven.
Na deze algemeene beschouwingen willen wij thans het lichaam van het paard meer in zijn afzonderlijke deelen nagaan; beginnen wij daartoe met het:
Hoofd. Met hoofd bevat in zich de edelste organen van het lichaam, de hersenen , waarin de wil en het denkvermogen zetelen en waarin elke gevoelsindruk tot gewaarwording komt. Zij vormen met het rnggenterg het centrale zenuwstelsel, waarin alle zenuwen hun oorsprong vinden, wier functie het is alle gevoelsindrukken van buiten af naar het middenpunt [centrum) te voeren, en omgekeerd â ^ alle uitingen van den wil, die de uitvloeiingen zijn van het denkvermogen, naar de bewegingsorganen Fig. 7. te geleiden. Die zenuwen worden dan ook verdeeld in gevocls- en bewegingszenuwen.
Verder zetelen in het hoofd vier zintuigen: het gezicht, het gehoor, de reuk en de smaak. Men onderscheidt van buiten aan het hoofd het oog; het oor; de ncus\ de mond; het voorhoofd; het aangezicht; de lippen en de kaken.
Men verlangt het hoofd klein en droog; d. w. z. dat de verschillende onderdeelen van buiten goed zichtbaar zijn; groote vette en dikke hoofden zijn niet gewenscht, ze worden niet zoo goed gedragen. Evenmin gewenscht zijn magere hoofden waar de spier-ontwikkeling slecht is.
Wat de richting der profiellijn aangaat, ziet men de rechte en de zacht ingebogen lijn bij de edelste rassen.
Figuur S laat ons eenige verschillende hoofden zien.
Het rechte hoofd vormt, zijdelings gezien, van het voorhoofd tot aan de bovenlip een rechte lijn. Heeft dit hoofd tevens de eigenschappen van het droge hoofd, dan gekit dit zoo.üs wij reeds hebben opgemerkt voor schoon; men vindt dit vooral bij
Arabische en Engelsche paarden.
Het ossenhoofd, de ossenkop heeft wel Leen rechte profie hjn, maar tevens een breed voorhoofd, breede neus en dikke kaken,
het is over het geheel plomp van bouw.
Bij de ramsneus, het ramshoofd is de _ zooeven genoemde lijn naar voren gebogen, voorhoofd en neus zijn gewelfd. Is de neus alleen gewelfd en het voorhoofd recht, dan is het een half ramshoofd of halve ramsneus.
Het schapenhoofd, de schapenkop daarentegen heeft een sterk
gebogen voorhoofd en is ook zijdelings gewelfd.
Het snoeken hoofd is eigenlijk het tegenovergestelde van den ramsneus. Het heeft in het midden van den neus, onder het voorhoofd , een sterke inbuiging en daarbij een smallen neus; dit hoofd
33
wordt voor schoon gehouden; men vindt het veel bij Oostersche paarden.
Het varkenshoofd heeft een breed plat voorhoofd , dat bij den overgang in den neus iets gedrukt is; de kaken zijn breed, het hoofd is groot en lang; het geldt voor leelijk.
Verder spreekt men naar den vorm van ezels-, oudeivijvejt- en xvig-voruiige hoofden.
Behalve de vorm is ook de stand of houding van het hoofd van belang. Deze wordt hoofdzakelijk bepaald door dc verbinding met den hals (dc aanzetting). Men noemt het hoofd goed aangezet, wanneer het gemakkelijk een verticalen (loodrechten) stand kan aannemen. Hiertoe is noodig een lange brcede en horizontaal (waterpas) staande nek.
Bij een te hoog aangezet hoofd is de nek kort en vertoont een helling van voren naar achteren; het hoofd wordt hierbij meer horizontaal gedragen, soms zelfs in de hoogte gestoken (sterre-kijken). Door dit gebrek kan het gebit bij het rijden tegen de kiezen komen te liggen, waardoor die paarden soms moeilijk te besturen zijn. Bij een te laag aangezet hoofd is de nek lang en vertoont eene helling van achteren naar voren. Het hoofd wordt hierbij te sterk afgebogen, soms zelfs met de kin op de borst. Ook door dit gebrek kan een moeilijkheid in het besturen ontstaan.
Paarden, hiermede behept, kunnen gemakkelijk bijtoomea en er met het hoofd tegen de borst van doorgaan , zonder dat men ze kan inhouden, omdat ze dan âachter het bitquot; zijn.
Het oog (Figuur 9) is gelegen in de oogholte, beschut door de oogbogen, die het voorhoofd met de kaken verbinden.
Boven de oogboog ligt dc oogkuil, die bij oude of magere paarden soms zeer diep is. Bedriegers in den paardenhandel hebben deze wel eens opgeblazen met lucht om een paard een jonger voorkomen te geven.
Men onderscheidt aan het oog 1, bovenooglid; 2, ouderooglid; 3, binnen of groote ooghoek; 4, traanheuveltje; 5, wenkvlies; 6, nitivendige ooghoek; y, oogharen; 8, ondcorschijnend hoornvlies; 9, regenboogvlies; 10, drinfpitten; 11, oogappel of pupil.
3
Handleiding Paardenfokkerij.
34
Dc oogleden dienen om het oog te beschutten; evenzoo do oogharen , alsmede ook de lange harde voelbaren, die men rondom het oog vindt. In den binncnooghoek vindt men het wenkvlies (5), dat tot de helft van den oogbol kan komen en mede tot beschutting dient.
Naast het wenkvlies en dus ook in den inwendigen ooghoek ziet men een klein, rond, zwart, lichaam, het traanheuveltje (4) waardoor de tranen in liet traankanaal worden geleid.
Onder bet bovenooglid en den oogboog ligt de traanklier, waardoor de tranen worden afgescheiden. Zij vloeien over den oogbol naar beneden en naar binnen en worden door de beweging dei-oogleden gelijkmatig over den oogbol verdeeld en deze daardoor vochtig en glanzend gehouden. De overtollige tranen vloeien naaiden inwendigen ooghoek, waar zij door het traanheuveltje naar het traankanaal worden geleid. Is dit traankanaal verstopt dan vloeien de tranen over den binnenooghoek naar beneden en veroorzaken op die plaats uitvallen der haren.
De uitdrukking van het oog kan zeer verschillen; men verlangt het flink geopend, niet uitpuilend of diep liggend en de uitdrukking er van verstandig en moedig. Het kan n.1. ook vreesachtigheid , nijdigheid enz. uitdrukken.
Gebreken van het gezichtsvermogen, vooral bijziendheid, geven dikwijls aanleiding tot schrikachtigheid. Dat er zoowel bijziendheid als verziendheid bij het paard voorkomt, kan men uit den verschillenden bouw van het oog afleiden. Oogen waarbij het doorschijnend hoornvlies te sterk gewelfd is zijn bijziende, die met een zeer vlak hoornvlies verziende.
De kleur der oogen kan verschillen; normaal is de donkerbruine kleur; kakkerlak- of albinoquot; s-oogen zijn rose gekleurd; glasoogen lichtbruin , lichtgrijs of blauwachtig; terwijl ook bonte oogen voorkomen.
Ring oogen zijn de zoodanige, waarbij rondom het doorschijnend hoornvlies het wit van het oog zichtbaar is.
Behalve de reeds besproken gebreken komen nog eenige ziekelijke veranderingen aan de oogen voor, die meer of minder het zien belemmeren en die gemakkelijker of moeielijker te herkennen zijn; bij de behandeling van hoofdstuk IV zullen wij daarop terugkomen.
Het oor; vorm, stand en beweging van het oor quot;zijn van invloed op het uiterlijk aanzien van bet paard. Het oor moet in overeenstemming zijn met de overige licbaamsdeelen: het moet goed ge-
35
dragen worden en tamelijk bewegelijk zijn. Te groote ooren zijn leelijk evenals zeer kleine.
Ezelsoor en zijn zeer groot, ver uit elkander staande, doch goed gedragen.
Mnizenooren zijn zeer klein en staan dicht bij elkander, even als hazenooren, die daarbij lang en puntig zijn.
Lobooren of varkensoor en zijn breed en dik en hangen min of meer af.
Het oorenspel is bij vurige paarden zeer bewegelijk, bij kalme gelijkmatig. Traag en onregelmatig oorenspel wijst soms op stillen kolder; buitengewoon levendig oorenspel op vreesachtigheid; worden de ooren dikwijls in den nek gelegd, dan is dat een bewijs van kwaadaardigheid en is het geraden buiten het bereik der tanden en achterbeenen te blijven.
Ophooping van vuil in de ooren geeft soms aanleiding tot kopâ schudden.
Het voorhoofd is het vierkante stuk, dat begrensd wordt door de lijnen, die oogen en ooren onderling verbinden. De afhellende zijgedeelten vormen den schedel, die aan beide zijden begrensd wordt door de slapen.
Men verlangt het voorhoofd vlak en in alle richtingen goed ontwikkeld, tot berging van groote hersenen. Vooral een breed voorhoofd is zeer gewenscht; dit wordt bij de edelste rassen (Arabische) gevonden. Het schedelgedeelte verlangt men gewelfd; dit wijst op sterke ontwikkeling van de slaapgroeven.
Het aangezicht (de wangen) moet fijn zijn, zoodat men spieren en bloedvaten door de huid zien kan. Bij jonge dieren is 't meer gewelfd, bij oude meer ingevallen.
De neus wordt begrensd boven door het voorhoofd, onder dooide bovenlip, aan weerszijden door de wangen. Men verlangt den neus groot en plat en met groote neusgaten voorzien, die ver naar voren liggen, opdat de ademhaling gemakkelijk kan plaats hebben. De neusgangen kunnen soms door een gezwel verstopt zijn, waardoor bij de ademhaling een snorkend geluid ontstaat. Op uitvloeiing van slijm moet mede gelet worden, omdat dit somtijds wijst op droes. In den bovensten hoek van het neusgat virtdt men een door eene huidplooi gevormden blinden zak, het valsche neusgat genaamd, terwijl op de grens van huid- en neus-slijtnvlies eene opening voorkomt, die de uitmonding is van het traankanaal en levensteeken genoemd wordt.
36
Dc lippen moeten fijn en bewegelijk zijn voor gemakkelijke opname van het voedsel en goed gesloten. Bij oude paarden vindt men soms slappe, hangende lippen; dit wijst op gedeeltelijke verlamming en is bij het eten hinderlijk.
De achterkaak wordt verdeeld in een recht (onderste) en een gebogen (bovenste) gedeelte en wordt van voren begrensd door de wangen.
Men ziet ook hier gaarne fijnheid van huid, terwijl het gebogen gedeelte niet te breed mag zijn, want dan kan het hoofd niet loodrecht gehouden worden; om dezelfde reden moet ook de afstand tusschen de beide kaaktakken (schaar of keelgang) groot zijn. Daardoor wordt eene groote weeke ruimte gevormd, waarin het strottenhoofd vrij ligt, als het hoofd âbijgebrachtquot; wordt, wat ook noodig is voor de ademhaling.
De keelgang is bij jonge paarden een weinig gevuld , bij oude meer hol of uitgesneden. Eene sterke zwelling kan hierin optreden bij goedaardige of veulendrocs; terwijl kleine, harde, vast zittende knobbels verdenking kunnen opleveren van kwaden droes. Beide vormen van zwelling gaan uit van de keelgangsklieren.
Dc mondholte bevat de tong, tanden en kic:;en, en de lagen of gebitranden. De laatsten zijn open ruimten tusschen de voorste of snijtanden en de kiezen. Het aantal tanden en kiezen is bij de merrie respectievelijk 12 en 24, terwijl het bij den hengst of ruin nog vermeerderd wordt met 4 haaktanden, die tusschen kiezen en snijtanden instaan; deze laatste vindt men ook bij enkele merriën.
De vorm der snijtanden levert een tamelijk betrouwbaar kenmerk van den ouderdom. Soms echter worden de melktanden vroegtijdig uitgetrokken (gebroken) om daardoor de paarden, vooral zware, een ouder aanzien te geven.
De 1-igen zijn bij jonge paarden scherper dan bij oude, vandaar dat jonge paarden meestal âzachterquot; in den mond zijn dan oude. Door 't gebruik slijten ^e meer en meer af en worden als 't ware afgerond, waardoor de drukking van het gebit minder gevoeld wordt. Door slechte gebitten of bij paarden, die zeer hard in den mond zijn, kunnen verwondingen aan de lagen ontstaan.
De tong is soms zesr dik, zoodat zij boven de lagen uitsteekt; hierdoor ontstaat ook hardheid in den mond, omdat het gebit dan op de tong en niet op de lagen drukt.
Sommige paarden hebben de slechte gewoonte, als zij ingespannen zijn, dc tong uit den mond te laten hangen.
Een verlamming van de wangspieren kan oorzaak zijn van
37
âpruimenquot;, d. w. z., dat een gedeelte voedsel halfgekauwd weer uit den mond valt. Ook kunnen âhakenquot; op de kiezen het voedsel in de mondholte doen ophoopen.
De hals; behalve de 7 halswervelen en vele spieren die den hals vormen, vindt men aan den voorrand ook nog de luchtpijp, den slokdarm en voorname bloedvaten en zenuwen. De bovenrand van den hals, die de drager is van de manen en âkamquot; genoemd wordt, moet lang â de onderrand kort zijn. Aan het hoofd moet de hals smal â en voor de borst breed zijn. De eischen, die men aan den hals stelt, zijn echter afhankelijk van de diensten, die van het paard verlangd worden. Hij is behalve de drager van het hoofd, bij eiken dienst, die het paard moet verrichten , ook de vooruitbrenger der voorbeenen.
Dit laatste doet hij door spieren, die aan het hoofd beginnen langs de zijvlakten van den hals loopen en aan de opperarmbeencn eindigen. Letten wij nu op hetgeen wij over de samenstelling en werking der spieren hebben geleerd, dan zullen wij ontwaren, dat bij samentrekking dezer halsspieren de opperarmen en schouders en daardoor de geheele voorbeenen dichter bij het hoofd komen: dus vooruitgebracht worden. Hoe langer nu de hals is, des te langer zullen ook de halsspieren zijn, des te langer ook de gang en sneller de vooruitschrijding. Voor snelle gangen moet dan ook de hals lang zijn voor de aanhechting van lange spieren, en daarbij droog.
Verlangt men groote kracht, dan is een korte dikke hals meer gc-wenscht; dan zijn wel is waar de halsspieren niet zoo lang, maar wat men aan lengte verliest wint men aan breedte en daardoor aan kracht
Ook de stand van den hals is van belang; bij gestrekten hals kan het paard langer stappen nemen , dus sneller vooruit komen: bij hooggeplaatsten hals daarentegen zijn de stappen korter, doch vaster en wordt de gang aangenamer. De aanhechting van den hals aan den romp kan ook zeer verschillen, deze kan hoog of laag zijn. De hooge halsaanzetting gaat veel gepaard met een zacht gestrekten halsvorm, zij is bruikbaar voor snelle gangen; doch voor het verplaatsen van zware lasten is de lagere aanzetting meer verkieslijk.
Het bovenste gedeelte van den hals, waarmede de verbinding met het hoofd plaats vindt en dat den eersten halswervel tot grondslag heeft, noemt men den nek] deze moet lang zijn en horizontaal staan, voor gemakkelijke beweging. Van onderen wordt de verbinding gevormd door de keel; deze moet diep uitgesneden zijnen
tevens verlangt men daar een goed uitkomen van de onderliggende deelen, als : luchtpijp, adergroeve enz.; dit wijst op droogheid van den hals. Afwijkingen in stand en vorm zijn de volgende;
De magere hals wijst op slechte spierontwikkeling; dit is een groot nadeel, zulk een hals is slap en zeer bewegelijk, zoodat het paard, dat daarmede behept is, het gebit niet goed aanneemt en deswege slecht te besturen is.
De tegenstelling van den mageren hals is de speknek, waarbij de manenkam zeer dik is, zoodat hij soms zijdelings overhangt, wat geen voordeel is, omdat het alleen wijst op eene overtollige hoeveelheid kam- of manenvet, dat maar hinderlijk is in de beweging. Men ziet dit het meest bij hengsten.
De zzvanenhals (Fig. 10) is lang en in het bovenste gedeelte sierlijk gebogen, wat vooral ontstaat doordat het nekgedeelte uitermate lang is. Vroeger was deze halsvorm zeer gewild, hij geeft een fiere en trotsche houding; tegenwoordig keurt men hem
Zwanenhals, te laag aangezet hoofd. Hertenhals, te hoog aangezet hoofd, meer af, omdat een dergelijke hals veelal gepaard gaat met een slappen rug en te laag aangezet hoofd.
De tegenstelling van den zwanenhals is de hertehals of verkeerde hals (Fig. ii); deze komt zeer diep uit de borst en wordt sterk opgericht, zoodat de onderrand gewelfd wordt en de bovenrand daarentegen een uitgesneden vorm verkrijgt.
De nek is hierbij kort en de aanzetting van het hoofd aan den hals hoog, zoodat de neus in de lucht gestoken quot;wordt, (âsterre-kijkersquot;) en een paard met dit gebrek behept moeilijk te besturen is.
De schoft is dat gedeelte van den rug, dat de verbinding met den hals daarstelt. Zij wordt gevormd door de doornvormige uit-
39
steeksels van de eerste rugwervels; haar hoogste punt is doorgaans de 5de wervel. De hoogte van de schoft hangt dus af van de lengte der doornvormige uitsteeksels, terwijl de lengte der schoft zelve afhangt van het meer of minder snel korter worden van die uitsteeksels. Nemen deze laatsten snel in lengte af, dan is de schoft kort, nemen zij langzaam in lengte af, dan is de schoft lang. Zie daarover figuur 5.
De schoft moet zijn tamelijk hoog, maar vooral lang. De lengte van de schoft staat in omgekeerde verhouding tot de lengte van den rug; is n.1. de schoft lang, dan is de rug kort, is omgekeerd de schoft kort, dan is de rug lang. De schoft dient tot aanhechting van de rugspieren even als van eenige schouder- en borstspieren; de spieren nu , wij weten dit reeds, werken des te krachtiger hoe grooter de hefboomsarm is waaraan zij werken. Daar vandaan dan ook de groote waarde van eene hooge en lange schoft, wat veelal met ruime schouderbeweging, zoo onmisbaar voor snelle verplaatsing , gepaard gaat. Paarden die niets anders als stappend werk behoeven te doen, hebben dan ook zoo'n hooge schoft niet noodig. Behalve nu de hoogte en groote lengte , behoort de schoft ook vrij breed te zijn, vooral aan haar basis, naar boven toe kan zij allengs iets smaller en scherper worden.
De rug en lendenen. Het gedeelte van het paard , dat gelegen is tusschen de schoft en het kruis , noemt men rug, waaronder ook de lendenen begrepen zijn.
Een goede rug is kort en recht. Kort, omdat daardoor de werking der achterbeenen zeer vergemakkelijkt wordt. De vooruitdrijvende kracht toch der achterbeenen wordt door de op de nig-gegraat inwerkende spieren op de voorhand overgebracht, waardoor deze bij de bewegingen in de hoogte wordt gebeurd (opgelicht). Zoo is in zekeren zin de achterhand de bedrijvende partij, de voorhand de lijdende. De achterhand doet iets, oefent kracht uit, tilt op; . , . de voorhand moet daaraan gehoorzamen en laat zich oplichten. Dit gaat echter niet altijd even gemakkelijk. Hoe zwaarder de last is , die moet worden opgelicht, hoe moeilijker dat in zijn werk gaat, maar vooral is dit ook het geval naarmate de last verder is verwijderd van het punt waar de krachtsontwikkeling plaats heeft. Een voorwerp van eenig gewicht laat zich, hangende aan het einde van een korten stok , veel beter oplichten, dan wanneer dat zelfde voorwerp hangt aan het uiteinde van een langen stok. Zoo verklaren wij ons ook de lichtere werking van eén korten rug.
42
strengste af te keuren; hij wijst op slechte spierontwikkeling en een kort borstbeen, twee zeer groote gebreken.
Beter is dan nog de kippeborst, die wel is waar te ver naar voren uitsteekt, doch waarbij men een betere spierbedekking heeft.
De haviksborst steekt eveneens te ver naar voren uit, doch heeft weer minder spierontwikkeling, zoodat de voorste punt van het borstbeen duidelijk zichtbaar is. Deze vorm is slecht, vooral voor trekpaarden.
De buik wordt verdeeld in onderbuik en flanken.
Men verlangt den buik slank, zoodat hij nergens buiten de rib-wanden of onder den onderwand der borst uitsteekt, terwijl de flanken kort en gesloten moeten zijn.
De onderwand van den buik is elastisch; men kan dezen door verschillende wijzen van voeding verschillende vormen doen aannemen.
Van gesloten of gevulde flanken spreekt men, wanneer de afstand tusschen de achterste rib en den uitwendigen heupknobbel zeer kort is (âhoogstens vier vingersquot;).
Door veel slap voedsel wordt de buikwand uitgerekt en steekt de buik hier of daar uit; men spreekt dan van dikke-, hooi- of grasbuik.
Bij veulcndragende merricn is de buik eveneens dik, maar meer a fhangend [hangbuik).
De opgeschorte buik is de tegenstelling hiervan; deze kan ontstaan door te weinig volumineus voedsel of ook wel door ziekte. Men ziet dezen vorm veel bij renpaarden.
Te lange flanken vindt men bij te lange lendenen, bij mindere welving der ribben of het ver achteruitstaan van het kruis; dit zijn alle drie slechte eigenschappen. Lange flanken zijn meestal holle flanken, wat aan het paard een armoedig voorkomen geeft. Bij de beoordeeling der flanken dient vooral ook te worden gelet op de beweging bij de ademhaling; is daarbij de flankenslag dubbel, dan moet men op dampigheid bedacht zijn.
Het knus of de kroep heeft tot beenigen grondslag het kruisbeen en het bekleen, welke laatste door eene massa spieren bedekt is, zoodat men van buiten daarvan alleen den uitwendigen heupknobbel en den achtersten zitbeensknobbel kan onderscheiden. Het bekken heeft ten opzichte van het kruis een hellenden stand en wel van voren en boven naar achteren en beneden. Het kan ten opzichte van de wervelkolom draaien, dit is goed te zien als men een paard in de lendenen knijpt; het heupbeen gaat dan naar beneden, het zitbeen naar boven. Dit is van belang voor de opheffing van het
43
voorstel. Do richting van het kruisbeen is onafhankelijk van die van het bekken. Het kruis is meestal hellend, bij fijne rassen meer horizontaal met hoogaangezetten staart.
Een eerste eisch, die men aan het kruis stelt, is voldoende lengte; deze moet gelijk zijn aan een derde van de lichaamslengte. Het is hier niet zoozeer te doen om de lengte van het kruisbeen , als wel om die van het bekken. Het bekken vooral moet lang zijn voor de aanhechting van lange spieren, maar ook om een grooter effect van de kruis- of bilspieren te hebben.
Bij elke beweging toch moet de romp opgeheven worden en eene grooterc of kleinere draaiing om het heupgewricht maken ; de grootste bij steigeren of hoogtesprongen. De draaiing wordt in hoofdzaak bewerkstelligd door het naar beneden trekken van dat gedeelte van het bekken dat achter het heupgewricht ligt, dus van het zitbeen.
In het heupgewricht ligt het draaipunt en liet zitbeen doet dus de werking van een hefboom; hoe langer nu een hefboom in het algemeen is, des te grooter zal het effect zijn van de kracht die daarop wordt uitgeoefend.
Men stelle zich een wagenwip voor; deze heeft twee armen, een korte vóór- en een lange achter het steunpunt; hoe langer de laatste is, hoe gemakkelijker men daarmede een last kan opheffen die op de voorste drukt. Nemen wij nu aan dat bij een paard de werking van het kruis gelijk is aan die van een wip of hefboom, dan wordt het ons duidelijk, waarom de achter het steunpunt (het kruis) gelegen arm (het bekken) lang moet zijn en de voor het steunpunt gelegen arm (de rug) kort; de zwaartelast van den romp wordt dan gemakkelijker omhoog gebeurd.
Vooral voor rij- en jachtpaarden is een lang kruis van veel gewicht. Bij werkpaarden verlangt men bij eene goede lengte ook eene zeer groote breedte. Bij een breed bekken kan men zware spieren verwachten, dit is dus een voordeel voor het verplaatsen van zware lasten.
Voor snelle gangen is het te breede kruis ongeschikt, daar het eene waggelende beweging veroorzaakt waarvan krachtverspilling het gevolg is.
Ook de richting van het kruis is van belang, het moet voor alle diensten een weinig hellend zijn, terwijl de bovenste of profiellijn een recht verloop moet hebben.
Het horizontale kruis is niet doelmatig, daar het gepaard gaat me
44
een minder sterken rug en lendenen; deze zakken eerder door als ze belast zijn, b.v. met een ruiter en ook de achterbeencn hebben een minder voordeeligen stand; zij staan te veel naar achteren en kunnen dientengevolge het lichaam niet goed in evenwicht houden.
Het sterk afhangend kruis is eveneens nadeehg; men heett daarbij korte spieren met eene onvoordeelige werking, daar het zitbeen door de sterke helling betrekkelijk korter wordt.
Verder vindt men nog verschillende kruisvormen tusschen de twee laatstgenoemde invallende en wier meerdere of mindere waarde afhangt van de meerdere of mindere afwijking der eerstgenoemde
goede richting. . .â
Zoo spreekt men van het spitse of scherpe kruis, het gespleten-,
ovale-, meloenvormige-, varkens-, ezelskruis enz.
De staart kan, wat de beenige grondslag betreft (de staar wervels) beschouwd worden als eene voortzetting van het kruisbeen. Men verlangt den staart in rechte lijn met het kruisbeen en hoog aangezet. De ingestoken staart is te laag aangezet.
De r^/^'staart is dun behaard; dit staat zeer leehj , c e g -breken van den staart zijn echter alleen schoonheidsgebreken.
De mannelijke geslachtsorganen bevinden zich voor verre het grootste gedeelte onderaan den buik. Zij moeten goed ontwikkeld zijn en met eene fijne huid bedekt. De ballen moet beide even groot zijn en duidelijk in den balzak te voelen. De roede moet bij opgewekte geslachtsdrift recht zijn en er mogen geene wratten of zweren aan voorkomen. Ook moet hij gemakkelijk uit en inden koker gaan (uitschachtenj.
De vrouwelijke geslachtsorganen zijn voor het meerendee ge e-gen in de buik- en bekkenholte en dus van buiten met zichtbaar. De uier ligt alleen onder aan den buik, terwijl de uitwendige geslachtsopening (vulva) achter aan het lichaam onder den staart gelegen is.
De uier moet fijn, doch goed ontwikkeld zijn en er mogen geene knobbels of zwellingen in voorkomen. De tepels moeten eveneens goed ontwikkeld zijn en eenigszins kegelvormig, terwijl er in iedere ^ twee, soms drie openingen aanwezig zijn, waaruit de melk gemakkelijk te voorschijn kan worden gebracht. Bij veulenmernen zijn de tepels altijd langer dan bij merriën die nooit drachtig geweest zijn.
De vulva of kling moet in niet drachtige toestand fijn, doch goed ontwikkeld zijn; in het laatst der dracht wordt dit orgaan grooter, evenals de uier. Ook moet de vulva goed gesloten zijn en niet te veel rimpels vertoonen, wat men veel bij oude mernen aantreft. De aars (anus) ligt boven de kling, eveneens bedekt door den
45
staart. Hij moet in normalen toestand goed gesloten zijn. Bij dampige paarden gaat hij door de moeielijke ademhaling onophoudelijk voor- en achteruit.
Wij zijn met onze beschouwingen genaderd tot de ledematen, die bestaan uit 2 voor- en 2 achterbeenen. Wij hebben in het begin van dit hoofdstuk geleerd, dat die ledematen uit verschillende deelen zijn samengesteld, die onderling verbonden zijn door gewrichten en banden en in beweging worden gebracht door verschillende spieren en pezen. Wij weten reeds, dat de vooruitdrijvende kracht uitgaat van de achterhand, die door hare spierwerking den romp oplicht en vooruit drijft. Die romp valt echter door zijne eigene zwaarte telkens weer naar beneden en wordt daarbij opgevangen en gesteund door de voorste vooruitgrijpende ledematen, de voorbeenen. Wij willen nu trachten den bouw en de werking; dier ledematen nog iets nader te verklaren.
De schouder is het bovenste gedeelte der voorste ledematen; hij heeft tot steun het schouderblad en het opperarmbeen; deze twee beenderen vormen met elkander een gewricht, het schouder- of boeggewricht. Het opperarmbeen is door een gewricht weer met een ander been (het onderarmbeen) verbonden. Het schouderblad dat tegen de schoft ligt, is met den romp slechts door spieren verbonden. Daardoor kan er eene groote beweeglijkheid in den schouder verkregen worden. Deze spieren noemt men hangspieren, omdat de romp door hunne bemiddeling als 't ware opgehangen is aan en tusschen de voorste ledematen. Dergelijke hangspieren loo-pen ook van de borst naar het opperarmbeen.
Een goed gebouwde schouder moet, wij hebben dit reeds gezien , eene behoorlijke lengte van de schoft tot aan den boeg bezitten, moet schuin en ver naar achteren liggen en bedekt zijn met vaste, harde, droge spieren. Vormt het schouderblad met het opperarmbeen een rechten hoek, dan is men van een goeden schoudcrstand verzekerd. Figuren II en III met wat wij daarbij hebben omschreven zijn er, om ons daarvan te overtuigen. Wij zien daaruit, dat de bewegingen die de schouder maakt, alle slingerbewegingen zijn. Men kan zich dit gemakkelijk voorstellen als men weet, dat het schouderblad draait om een punt, gelegen in den overgang van het bovenste derde gedeelte, in het middelste derde gedeelte. De verbinding met den borstwand is ongeveer in dat punt gelegen. Dat punt is dus het ophangpunt \ an den slinger. Hoe grooter nu de afstand is van het ophangpunt tot aan
46
het ondereinde van den slinger, m. a. w. hoe langer de slinger wordt, hoe grooter de slingerboog kan zijn, die het onderste einde van den slinger maken kan. Daar nu het gcheele voorbeen aan het onderste einde van den slinger bevestigd is, zoo zal ook het geheele been bij een langen slinger een grooteren boog maken, dus verder vooruitgebracht worden.
Al naarmate nu de beweeglijkheid van den schouder meer of minder groot is, spreekt men van een vrijen of van een stijven schouder. Een vrije schouder is dan ook eene groote deugd.
Niet alleen wordt de ruimte van gang er door verzekerd, maar ook de gemakkelijkheid van den gang; want bij e^n langen schuin liggenden, vrijen schouder worden door zijne elastieke, veerkrachtige werking de harde stooten, die de voorbeenen anders bij eiken stap zouden maken, veel meer onderbroken.
Als afwijkingen kent men den platten of kalen schouder, met te weinig spieren, en den vetten of overladen schouder, met te veel vet. Verder den stijven schouder, ontstaan door langdurig en geforceerd gebruik. De losse schouder vindt men bij veulens en verzwakte paarden. De romp zakt dan, tengevolge van zwakte dei-spieren , tusschen de schouders door, wat een leelijk gebrek is. Paarden met losse schouders drukken de ellebogen vast tegen den borstwand aan tot steun , maar daardoor gaan de onderbeenen verder uit elkaar staan, zoodat men den bodemzvijden stand krijgt, die zeer nadeelig is voor de beweging.
De voorgesehoven schouder kan ontstaan bij paarden die voortdurend zwaar moeten trekken. Door het sterk vooruitbrengen van hoofd en hals wordt ook het bovenste gedeelte van het schouderblad naar voren getrokken, zoodat dit steiler komt te staan. Dit gebrek is te herkennen aan eene holte, vlak achter den achtersten of rug-hoek des schouderblads. Worden schouder en opperarm beide naar voren getrokken, dan komen de ledematen voor te dicht bij elkaar en ontstaat de holle voorborst.
De korte steile schouder vindt men veel bij zware, grove rassen. Voor werkpaarden zijn ze dan ook, ofschoon volstrekt niet wen-schelijk, toch nog het bruikbaarst.
Tusschen het opperarm- en het onderarmbeen vindt men het ellebooggewricht, dat deze beide beenderen met elkander verbindt. De ellebogen moeten zoover van den borstwand verwijderd staan, dat daardoor de opperarmen evenwijdig aan elkaar kunnen loopen. Worden zij te dicht aan den borstwand gedrukt, dan ontstaat, wij
47
dit boven reeds gezien, de hodeinwijde stand (Figuur 12). In het tegenovergestelde geval,
m. a. w. zijn de ellebogen te ver van den borstvvand vervvij- V derd, dan heeft men den bodem-natiwen stand (Figuur 13).
De elleboog moet lang zijn,
schuin naar achteren geplaatst en met die der andere zijde evenwijdig loopen. De lengte van het elleboogbeen is van belang voor de werking der spieren die er zich aan vasthechten.
Deze werken aan het elleboogbeen als aan een hefboomsarm van kracht, hoe langer nu deze is,
wij hebben dit reeds bij de beschrijving van het kruis geleerd, hoe meer kracht zij kunnen uitoefenen, moet in zijn bovenste gedeelte vooral breed en
zwaar zijn, omdat daar al de buig- en strekspieren voor den ondervoet zich bevinden. Verder moet hij lang zijn, ten eerste voor de aanhechting van lange spieren, wat, zooals wij reeds weten, een groot voordeel is, en ten tweede, omdat de boog die hij bij buiging in het ellebooggewricht beschrijft grooter wordt, waaruit volgt, dat ook de pas die het paard maakt
hebben
Fig. 14.
grooter
48
De handwortel of voor knie is een zeer samengesteld gewricht, bestaande uit twee boven elkaar liggende rijen beentjes, waarvan één uitwendig duidelijk gezien en gevoeld kan worden. Dit is het haakbeen, dat aan de buitenzijde der achtervlakte van het gewricht recht naar achteren uitsteekt en waarvan de lengteas loodrecht staat op de genoemde vlakte. Dit haakbeen vormt, evenals het elleboogbeen , een hefboom, waaraan spieren werken; men verlangt het daarom lang, terwijl het noch naar binnen noch naar buiten mag afwijken. Staat het naar buiten dan loopt het licht gevaar om gestooten te worden, terwijl bij binnenwaartschen stand de âknie-ringquot; d. i. de ruimte waarin de buigpezen van den ondervoet gelegen zijn, verkleind wordt. Verder moet de handwortel droog en zijn stand volkomen loodrecht zijn.
Vóór het paard staande, verlangt men de knie boven breed, naar onderen langzaam smaller wordende en niet te scherp overgaande in de pijp; dit wijst op eene goede ontwikkeling en een voordeeligen stand van het haakbeen. Achter het paard staande, ziet men de knie gaarne afgerond, dit wijst op een ruimen kniering. Afwijkingen in stand zijn de volgende; Bokbccnig/tcid, (Fig. 16)
waarbij de knie te veel naar voren uitwijkt en dus haar middelpunt valt vóór de loodlijn uit het middelpunt van het schouderblad. Dit is een zeer groot gebrek, vooral voor rij- en tuig-paarden, omdat liet aanleiding geeft tot struikelen. Het ontstaat veel door
49
overwerken en wordt daarom meest bij oude paarden gevonden; toch kan het gebrek ook aangeboren zijn. Het wijst op eene verslapping in de pezen zoowel van de buig- als van de strekspieren van den ondervoet. Ook kan er aan ten grondslag liggen eene verkorting van de buigpezen ; de bokbeenigheid gaat dan gepaard met steile kooten.
Bij holle knieën heeft men eene doorbuigiug naar achteren. (Figuur 17). Dit gebrek is ook ongunstig te beoordeelen, ofschoon het niet zooveel gevaar oplevert. Het wijst op zwakte en geeft aan het paard een ellendig, krachteloos uiterlijk, terwijl het sterk belemmerend op de beweging werkt.
Bij kalverknieën of nauwe knieën heeft men eene afwijking naar binnen, terwijl bij tonbeenigheid of wijde knieën eene afwijking naar buiten voorkomt. Beide zijn gebreken, ofschoon, als zij niet te erg zijn, niet zoo ongunstig te beoordeelen als de beide voorgaande.
Bij al deze gebreken wordt de lichaamslast ongelijk over het gewricht verdeeld, wat een nadeel is.
Verder spreekt men nog van gekroonde knieën. Dit merk wijst evenwel niet op echtheid of deugdelijkheid, integendeel wijst het op de omstandigheid, dat het paard vroeger al eens gestruikeld is en zich daarbij de knieën bezeerd heeft; van daar de ontvellingen , kale en witte plekken die onder deze benaming bekend zijn.
Ingesneden, worden eindelijk de knieën genoemd, waar de afstand tusschen knie en pijp van ter zijde gezien, scherp is. Dit is een gebrek, dat wijst op eene slechte ontwikkeling van de banden waarmede het haakbeen aan de onderliggende deelen verbonden is.
De pijp heeft aan het voorbeen ongeveer â¢1/4 van de lengte der achterpijp. Men verlangt de voorpijp, zoowel terzij de als van voren, breed; dit wijst op eene goede ontwikkeling van het been en van de daarachter liggende buigpezen, terwijl van de laatste tevens een goede stand verzekerd is. Verder moet de pijp droog zijn en een verticalen stand hebben, terwijl de overgang in de knie geleidelijk moet plaats vinden. De lengte moet men beoordeelen in vergelijking met die van den onderarm; daar men dezen nu, zooals wij reeds hebben gezien, lang verlangt, zoo zal noodwendig de pijp daartegenover kort moeten zijn, zal het geheele been eene normale lengte behouden. Veulens hebben altijd naar verhouding te lange pijpen, omdat bij de geboorte de pijp al bijna even lang is als op volwassen leeftijd.
Het kootgewricht of de kogel is een volkomen scharniergewricht,
4
Handleiding Paardenfokkerij.
5u
dat alleen buigen en strekken toelaat. Te sterk doorbuigen wordt verhinderd door de buigpezen.
De kogel moet droog en naar alle richtingen breed zijn en geleidelijk overgaan in pijp en koot. De hoekstelling in het gewricht is van zeer veel belang.
De loodlijn die door pijp en kogel valt, moet met het kootbeen een hoek van 135 graden maken. (Fig. 18).
Hierop heeft men afwijkingen die in richting en graad verschillen. Is de genoemde hoek aanmerkelijk grooter, dan is het paard steil in de koot en; dit is vooral voor rijpaarden nadeelig, omdat de schok die door het neerzetten der beenen veroorzaakt wordt, dan minder gebroken en de gang minder elastisch wordt. Is dit gebrek zoo erg, dat bijna van geen hoek meer sprake is, dan spreekt
pijp
Fig. 21.
men van steltvoet; (Fig. 19) dit ontstaat door sterke verkorting der buigpezen en werkt zeer belemmerend op de beweging. De hoogste graad van dit gebrek is, dat de kogel in plaats van naar achteren, naar voren doorbuigt; het paard is dan over koot (Fig. 20). Is de hoek in den kogel daarentegen kleiner dan de normale, dan heeft men tien doorgezakten kogel en dit is een bewijs van zwakte in de buigpezen. Bij hooge graden van dit gebrek, soms zelfs zoo, dat de koot een horizontalen,stand aanneemt, spreekt men van beervoetigen stand, (Fig. 21); in dit geval lijden de pezen sterk en heeft het paard een onaangenamen gang.
SI
wordt, met ruwe overeindstaande egelvoet. (Figuur 22 C).
en kloof-vorming ontstaan (âmokquot;); is dit gebrek verouderd , zoodat de huid dik en hard als leder men van den
haren, dan spreekt
De kroon is de gladde gelijkmatige verhevenheid, die zich boven den bovensten rand van den hoef bevindt en naar achter in de ballen overgaat. Tusschen koot en kroon ligt het kroongewricht.
De lengte van het kroonbeen staat in verhouding tot de lengte van het kootbeen. Bij korte kooten staat het kroongewricht ook dichter bij den hoef dan bij lange kooten, omdat bij korte kooten ook het kroonbeen korter is. De voorste vlakte van het kroongewricht wordt door de strekpees, de achterste vlakte door de buigpezen bedekt. Het kroongewricht moet breeder zijn dan de koot zelf. Een steile stand van het kroonbeen heeft dezelfde nadeelen als een steile koot.
' De kroon is een van de gevoeligste plaatsen van het lichaam; ontstekingen op deze plaats geven licht aanleiding tot kreupelheid.
De hoef is de hoornige beschutting van het onderste uiteinde van den voet. Men verdeelt den hoef in:
De zvand, waaronder men verstaat al hetgeen men van den hoef ziét, wanneer men zich voor of van terzijde van het vierkant staande paard plaatst. Aan den wand onderscheidt men een bovensten of kroonrand en een ondersten of draagrand; verder een voorste of toongedeelte, een middelste of zijgedeelte en een achterste of drachtgedeelte.
Tot den wand rekent men ook nog de stenusels die op de ondervlakte van den hoef, naast den straal gelegen zijn en met dezen in richting ongeveer overeenkomen.
Waar de wand zich ombuigt om de steunsels te vormen vindt men den dracht- of steuuselhock.
De zool vormt de ondervlakte van den hoef, doch is van achteren wigvormig uitgesneden tot opname van den straal en de steunsels. Men onderscheidt er daarom aan een lichaam, naar achteren overgaande in twee takken.
Op de plaats, waar de zool zich met den wand verbindt, vindt men de witte lijn.
De straal is een wigvormig stuk hoorn, gelegen op de ondervlakte van den hoef tusschen de twee steunsels in. Het voorste smaller gedeelte noemt men de punt, het achterste breeder gedeelte is door de middelste straalgroeve verdeeld in twee takken of schenkels. Van de steunsels is de straal gescheiden door de zijdeling-sche straalgroeven. De beide straaltakken gaan van'achteren over in de ballen.
De draagrand van den voorhoef heeft een ongeveer cirkelronden
S3
vorm, die van de» achterhoef meer een langwerpiger! vorm.
De richting van den toonwand moet met den vlakken bodem een hoek van ongeveer 45 graden maken. Naar achteren wordt die hoek grooter en wel meer aan den binnen- dan aan den buitenzijwand.
De wand- en zooihoorn moet vast en tevens een weinig elastisch zijn, de straalhoorn moet taai en zeer elastisch zijn, de laatste moet ongeveer de consistentie van gom-elastiek hebben.
Men verlangt den hoef verder in zijn geheel groot met flink ontwikkelden straal en wijde zijdelingsche straalgroeven.
De zool moet eene tamelijke welving naar boven vertoo-nen die aan de punt van den straal het sterkst is. In gang moet de hoef over zijn geheele ondervlakte gelijktijdig op den grond gezet worden.
Hoefgebreken zijn er een enorm aantal. De vorm van den hoef richt zich evenwel veel naar dien van het bovenliggende been; kleine afwijkingen, die zich richten naar eene abnormale stelling van de bovenliggende deelen, rekent men daarom niet tot de hoefgebreken. De fout zit dan niet in den hoef maar op een andere plaats. Zoo ziet men bij bodemwijden en Franschen stand, den binnenwand van den hoef, laag en steil; omgekeerd heeft men bij toontredersstand hetzelfde aan den buitenwand. (') Bij ge-strekten stand en holle knieën vindt men aan de voorhoeven lage drachten en een langen toonwand, die een te kleinen hoek met den bodem maakt; bij onderstandigheid, bokbeenigheid of steile kooten integendeel hooge drachten en korten toonwand, die met den bodem een te grooten hoek maakt.
Bij beervoetigen stand komt een eigenaardige hoefvorm voor, dien men, oppervlakkig beschouwd, daarbij niet zou verwachten. De hoef is n.1. daarbij stomp van vorm met zeer hooge drachten. Evenals sommige oogziekten zullen ook de meer echte vormgebreken der hoeven behandeld worden bij hoofdstuk IV.
Het achterbeen, bestaat uit de volgende deelen: Bovenaan het dijbeen, dat door middel van het heupgewricht verbonden is aan het bekken. Het heupgewricht laat behalve buigen en strekken ook eenige zijdelingsche en draaiende bewegingen toe.
Het onderste einde van het dijbeen is door middel van het knie-gewricht verbonden aan het schenkelbeen.
(1) Van Leeuwen.
54
Vóór of op het kniegeivrickt ligt de knieschijf. Het schenkel-been grenst van onderen aan het spronggewricht, dat evenals de handwortel bestaat uit verschillende kleine beentjes, waarvan vooral het hielbeen van belang is als aanhechtingspunt der pezen van zeer sterke spieren en als beenige onderlaag van den hak of hiel.
Verder naar beneden gaande vindt men dezelfde deelen als bij het voorbeen, van den handwortel afgerekend.
De stand van het achterbeen moet zoo zijn, dat eene loodlijn uit den achtersten zitbeensknobbel van het vierkant staande paard neergelaten, vlak achter den hak heengaat; de loodlijn uit het heupgewricht moet in het centrum van den hoef vallen; en de loodlijn uit den uitwendigen heupknobbel moet vlak voor de achterknie heengaan.
Bij afwijkingen naar voren of naar achteren, krijgt men weer een onder zich staanden of gestrekten stand. (Figuren 23 en 24). De nadeelen van den eersten zijn: verkleining van het on-
dersteuningsvlak, verkorting van den pas en klappen in de voorijzers; terwijl bij ge-strekten stand een te groot gedeelte van den lichaamslast op de voor-beenen overgebracht wordt en de pezen en peesscheeden veel te lijden hebben door de voortdurende rekking.
De dij wordt van boven begrensd door het kruis, van onderen door de knie. Beide dijen worden van elkaar gescheiden door de spleet. Het achterste bovenste gedeelte noemt men wel de bil, het onderste de broek.
Men verlangt de dij , vooral voor rijpaarden, lang, ook al weer tot aanhechting van lange spieren en het verder vooruit brengen van het onderbeen.
De stand moet zoo zijn, dat de lengteas van het dijbeen loodrecht staat op die van het bekken. Lengte en richting zijn te beoordeelen door de loodlijn uit den heupknobbel; valt die op groo-ten afstand voor de knie, dan is óf de dij te kort, 6f de hoek tusschen dijbeen en bekken te groot.
55
Een derde vereischte is, dat de beide dijen ten opzichte van elkaar iets uiteenloopen. Uit dit alles volgt, dat de dij lang moet zijn en flink naar voren liggen en met het onderste gedeelte eenigszins naar buiten moet uitsteken.
Ten slotte verlangt men de dij naar alle richtingen breed, dit wijst op goede spierontwikkeling en schuinen stand der knieën. De spleet moet laag beginnen , dit wijst op dikke spieren; terwijl de broek lang moet zijn, dit wijst op lange spieren. De korte dij wordt vooral gevonden bij ons Hollandsch paard, de lange bij het Engelsch renpaard. Voor werkpaarden kan de dij korter en steiler zijn, doch moet dan vooral sterk gespierd zijn.
Kme en schenkel. De schenkel moet lang zijn cn de richting zoodanig, dat de as van het been ongeveer loodrecht staat op die van het dijbeen, de hoek in het kniegewricht moet dus alweer gelijk aan een rechten hoek zijn; meestal is hij grooter. Lengte en richting zijn ongeveer te beoordeelen naar de loodlijnen uit heup en zitbeensknobbel; de raakpunten, knie en hak , geven ongeveer de lengte van den schenkel aan. De lengte is vooral weer van belang voor snelle gangen; alle snelloopende dieren. (windhonden , hazen, herten enz.) hebben lange schenkels.
Verder moet de schenkel van boven breed zijn, hetgeen wijst op goede spieren en goede hoekstelling in de knie; liet onderste gedeelte moet langzamerhand smaller worden, doch alleen maar tot zekere grenzen , want men verlangt ook van onderen den schenkel zoo breed mogelijk; dit wijst op een lang en naar achteren uitstekend hiclbeen, daar dit laatste gedeeltelijk achter den schenkel gelegen is.
Ten slotte moeten de schenkels naar onderen toe samenloopen , zoodat de afstand tus-schen de beide hakken even groot is als tus-schen de beide achterste zitsbeensknobbels. Wordt die afstand te klein, dan kan men last krijgen van strijken, als n.1. de pijpen recht onder de spronggewrichten staan.
Loopen de pijpen evenwel weer uiteen, dan krijgt men den koehakkigen stand, (Fig, 25) die zeer leelijk is en een zeer beweging veroorzaakt. Eene dravende koe
56
geeft van deze beweging een typisch beeld. Staan de sprongge-wrichten te wijd uiteen, dan heeft men den tonbeenigen stand,
(Fig. 26) die leelijk is en waarvan een waggelende gang en daardoor verspilling van kracht het gevolg is. Tevens veroorzaken beide standen eene ongelijke verdeeling van den lichaamslast over de sprongge-wrichten, waardoor deze veel meer hebben te lijden.
Het spronggewricht is een van de belangrijkste deelen van het lichaam , waarop men zeer moet letten.
Vorm en stand van dit gewricht zijn van het hoogste gewicht voor âde beweging, terwijl er vele gebreken aan voorkomen , doordat het zooveel FiS- 26- te verduren heeft.
De eischen die men aan goede spronggewrichten stelt zijn; Sterke bouw, droogheid, goede hoekstelling, geleidelijke overgang in de pijpen, en gelijk- en gelijkvormigheid aan elkaar.
Ofschoon men tamelijk breede en lange afmetingen verlangt, zijn toch de dikke weeke spronggewrichten niet zoo sterk als de fijne en droge. Bij de bèoordeeling van de sterkte moet tevens met het ras rekening gehouden worden.
Men verlangt het spronggewricht lang, boven breed en naar onderen smaller wordende, terwijl ook de dwarsdoorsnede, d. i. de breedte van voren gezien, eene flinke afmeting moet hebben. Deze afmetingen wijzen op goede ontwikkeling van de voorkomende beenderen, en de daaraan bevestigde banden. Vooral het hielbeen moet lang zijn en ver achteruit staan, omdat het een hefboom vormt, waaraan sterke spieren werken.
De lijnen tusschen de verschillende deelen moeten daarbij scherp zijn. De hoek moet iets meer zijn dan anderhalve rechten hoek, (135 graden) voor werkpaarden vooral moet de hoek wat grooter zijn, dus de stand van het gewricht steiler.
Men noemt het spronggewricht vet, vol, week of grof, wanneer de beenmassa dik en sponsachtig is en de vormende deelen niet goed van elkaar te onderscheiden zijn. De huid ligt'los over een dergelijk gewricht.
57
Deze vorm is slecht, omdat er licht allerlei gebreken bij optreden. Het kleine, smalle en dunne spronggewricht is ook af te keuren, daar het geen kracht genoeg bezit om sterke stooten en schokkenquot;te verduren, terwijl de pezen en banden te weinig plaats voor aanhechting hebben.
Wanneer de hoek in het gewricht te klein is (minder dan 135 graden) dan noemt men het paard sabelbcenig. (Fig. 27); deze
58
afscheiding te scherp is; men noemt het ingesnoerd, wanneer een scherpe overgang tusschen beide deelen ontstaat. Het eerste gebrek ziet men voor of achter het paard staande, het tweede van terzijde. Beide zijn aftekeuren, daar het gewricht een te klein ondersteuningsvlak heeft.
De overige gebreken van het gewricht verdeelt men wel in harde en zachte. De harde zijn beenwoekeringen, d. w. z. er is door ontsteking nieuw (abnormaal) been gevormd op het oude (normale). De zachte zijn verwijdingen of uitzettingen van het gewricht, de peesscheeden, de slijmbeurzen of bloedvaten. De behandeling van deze vindt evenals die van vele andere gebreken mede eene plaats onder Hoofdstuk IV.
De ouderdonts-V(im\\(tx\\G\\ worden hoofdzakelijk afgeleid uit den vorm en stand der tanden en verder uit den lichaamsvorm.
Het veulen, wij hebben dit reeds opgemerkt, is hoog op de beenen en heeft kroezig haar, manen en staart, welke laatste in het eerste levensjaar niet over de hakken komt. Het twee-jarige paard is glad van haar en heeft meer overeenkomst met het volwassen dier, evenwel is de keelgang meer gevuld, het voorhoofd gewelfd en zijn de kaken dikker. Het zeer oude paard krijgt witte haren, vooral aan het hoofd, diepe oogkuilen, een meer ingevallen hoofd enz.
Het uitbotten, wisselen en afslijten der tanden vormen den maatstaf waarnaar men den leeftijd beoordeelt. Het laatste gaat niet geheel op, daar door het eten van veel hard voeder, kribbenbijten enz. de tanden eerder afslijten.
In het voorste gedeelte van elke kaak (het snijtandsbeen) vindt men 6 snijtanden die verdeeld worden in 2 binnen-, 2 midden- en 2 hoektanden. Daarop volgen bij het mannelijk dier, en ook bij zeer enkele vrouwelijke, de 4 baaktanden; aan beide zijden van elke rij snijtanden een, en dan de 24 kiezen, in elke kaaktak 6. Het veulen komt ter wereld met de helft der kiezen en 4, 2 of geene snijtanden. De andere kiezen en snijtanden komen eerst later.
De eerste snijtanden noemt men veulen- of melktanden. Deze vallen op lateren leeftijd uit en worden vervangen door de paarden- of wisseltanden.
De melktanden zijn te onderscheiden van de wisseltanden doordat de eerste op hun voorvlakte glad of geribt zijn, de andere daarentegen één of twee overlangs verloopende groeven hebben; quot; en ook is bij den melktand de afscheiding tusschen kroon en wortel veel scherper
59
dan bij den wisseltand. (Fig. 28 en 29). Boven in de kroon
Fig. 28.
van den tand vindt men eenc holte (de kroonholte) en ook een in het ondereinde (de wortelholte). Beide holten staan niet met elkaar in verband. In de baaktanden en kiezen komt geen kroonholte voor. Door de slij- 29
ting van de bovenvlakte der snijtanden wordt tie holte hoe langer hoe kleiner; men noemt dit het âvullenquot; der kroonholte.
Melktanden.
Het uitbotten der melktanden heeft zoodanig plaats, dat binnen 8 dagen na de geboorte de 2 binnentanden (Fig. 30) en na 6 weken ook de 2 middentanden er zijn. (Fig. 31). Op den leeftijd van 6â9 maanden ontwikkelen zich de hoektanden. (Fig. 32), De voorrand der tanden is liet hoogste; deze komt dus het eerste door het tandvleesch heen en komt daardoor ook het eerst in slijting; dan volgt de achterrand en eerst later wordt de kroonholte gevuld. Het uitbotten der melktanden noemt men de ceiste periode; dan volgt de tweede periode, de vulling daarvan;
6o
de derde periode heeft betrekking op het wisselen; de vierde op de vulling der paardetan-den, en de vijfde of laatste op de verandering in vorm van deze.
De eerste periode loopt in het eerste levensjaar af; de tweede na ruim anderhalfjaar; de derde loopt van 3 â 5 jaar ; de vierde van 5â8 jaar; de vijfde van 8 jaar en daarboven.
Men heeft van de eerste vier perioden de volgende tabel. 1« Periode {melktanden).
8 dagen j i 2 binnentanden.
^ zijn er
16 maanden ,
2 jaar ' hoektanden
3* Periode {paardetcinderi).
3 jaar ^ ( 2 binnentanden.
4 ,, / zijn er , 2 middentanden.
5 â '2 hoektanden. 4e Periode {paardetanderi).
30â40 dagen
6â9 maanden 1 \ 2
2« Periode {melktanden). 1 jaar tot ) 1 binnen
I binnentanden zijn de , middentanden ( hoektanden
zijn de \ middentanden / gevuld.
en
De vulling van een paardentand neemt dus 3 jaren in beslag, terwijl ze van den veu-lentand maar één jaar duurt.
In de 5e of laatste periode heeft men hierop te letten, dat de tand in zijn bovenste gedeelte van voren naar achteren smal en van links naar rechts breed is, zoodat de grootste afmeting wordt waargenomen van links naar rechts.
Op den leeftijd van
, 2 middentanden. ' 2 hoektanden.
Op den leeftijd van
Op den leeftijd van
Op den leeftijd van
/
6 jaar
7
gevuld.
6i
Naar onderen toe wordt deze verhouding juist omgekeerd, zoodat men
Wisseltanden.
3 jaar. 4 jaar.
driehoekigen, en eindelijk den verkeerd-ovalen vorm. Dit alles is het best te zien als men een ge-heelen paardentand neemt en dien langzamerhand van dat gemiddeld 7 jaar.
F'g- 34-
hier ten laatste de grootste afmeting waarneemt van voor naar achteren. Daar de tand nu bij het vorderen van den leeftijd, naar boven uit de tandkas gedreven wordt, zoo zal de wrijfvlakte, die steeds afslijt, nood- 5 jaar
wendig van vorm moeten
veranderen.
De wrijfvlakte van jonge tanden is langwerpig ovaal,
dan krijgt men den ronden,
daarop den Fig. 36.
boven naar beneden afslijpt. Rekent men nu
6 jaar.
Fig. 37-
ieder jaar ongeveer 2 m.M. van de bovenvlakte afslijt, dan kan
62
men daaruit den vorm der tanden voor iederen leeftijd berekenen.
Verder kan me» op den leeftijd van 8â12 jaar den bodem der kroonholte nog tegen den achterrand van den tand zien, daar hij hoo-ger staat dan de omgeving, omdat het email daarvan iets harder is en daarom minder afslijt. Van 12â16 jaar ziet men ook veelal een donker gekleurd puntje, het wortelsterretje opkomen; dit komt omdat dan het tandbeen in slijting komt, dat onmiddellijk rondom de wortelholte ligt; dit is zachter dan de omgeving en wordt dus iets meer gekleurd door het voedsel.
Nog herkent men den ouderdom aan den stand der tanden; op vijf-jarigen leeftijd b.v. beschrijven de voorranden der snijtanden van boven- en onderkaak een fraaien boog, terwijl op ouderen leeftijd de tanden meer recht en nog later meer naar voren gaan staan, zoodat de hoek, waaronder ze samen komen, allengs scherper wordt.
De bepaling van den leeftijd boven de 8 jaar is evenwel iets onzeker.
Bedriegers trekken de veulentanden wel eens uit om het dier een ouder voorkomen te geven, terwijl men wel nieuwe kroonholten in de tanden vijlt en deze zwart brandt met zwavelzuur ; dit laatste geschiedt natuurlijk om het paard jonger te doen schijnen, doch dan is de vorm der wrijfvlakte een zeker kenmerk om de bedriegerij te ontdekken.
De kleuren en afteeken ingen.
De huid heeft meestal eene grauwe tint, op enkele plaatsen soms afgebroken door rose kleurige plekken. Op de huid vindt men bijna overal de dekharen die bij het veulen wollig zijn; verder de man cn en staartkaren; de beschuttende haren aan de vet lok, die bij grove rassen tot handwortel en spronggewricht oploopen; en de 'üoelharen om den mond, de oogen enz. De kleur van de dekharen , manen en staartkaren bepaalt het haar (de robe). Bij dun behaarde paarden hebben de haren veel glans die soms metaalachtig is; in het najaar echter wordt de beharing dikker en doffer.
Men onderscheidt 3 hoofdkleuren: bruin, rood en zivart, in welke verschillende schakeeringen voorkomen. Om die schakeeringen aan te duiden heeft men verschillende namen uitgedacht die hier evenwel om der beknoptheidswille, achterwege gelaten worden.
Van bruin spreekt men alleen wanneer manen, staartkaren en onderbeenen donker gekleurd zijn.
63
Rood is de kleur der vossen, hierbij zijn manen en staart licht gekleurd.
Zwarte paarden, die 's zomers ongedekt in de weide loopen, krijgen soms een valen of rossigen gloed.
Tusschen deze hoofdkleuren heeft men de witte haren; bij weinig wit haar spreekt men van stekelhaar, bij veel wit haar van schimmel. De witte haren komen pas na de eerste verharing en wel het eerst op het voorstel. Uit wordt evenwel ieder jaar erger, zoodat alle stekelharige- en schimmelpaarden langzamerhand lichter van kleur worden, ten laatste zelfs wit, als hun maar tijd van leven gegund wordt. Witte paarden zijn dus nooit jong of ze moeten wit geboren zijn. De laatste zijn als spelingen der natuur te beschouwen, evenals de echte isabelkleurigen.
Echte tijgerpaarden zijn ook als zoodanig geboren; de witte vlekken worden afgewisseld door donkere, die van verschillende kleur kunnen zijn.
Eindelijk heeft men nog de bonte paarden, die vroeger in ons land veel voorkwamen.
Bruine paarden worden vaal of grauwbruin geboren; lichte vossen komen met eene geel- of grauwachtige kleur ter wereld; donkere, meer donker of grauwbruin; terwijl de zwarte paarden in hun prille jeugd muisvaal of vaalblauw zijn. Ten slotte: de schimmels worden geboren met de kleur die op lateren leeftijd met het wit afwisselend voorkomt b.v. zwart, zwartbruin, roodbruin, enz.
Afteekeningen noemt men de op verschillende lichaamsplaatsen voorkomende witte plekken of plekjes, die meestal aangeboren maar ook verkregen kunnen zijn.
Onder de aangeborene heeft men de bles, kol, snuit, witvoet , enz.
HOOFDSTUK III.
Beschrijving van paarden bijzonder geschikt voor de voort-teeling, met mededeeling waar en op welke wijze kruising wenschelijk is.
Voor hem die de beide vorige hoofdstukken met aandacht heeft gelezen, zou de behandeling van het 3e vraagpunt schier overbodig geacht kunnen worden, omdat het antwoord daarop geheel in het reeds gelezene ligt opgesloten. Geeft ons dit aan den eenen kant het voordeel, dat wij bij de behandeling van dit punt kort kunnen zijn, aan den anderen kant zal het ons moeielijk vallen, niet in herhalingen te treden. Echter vleien wij ons met de hoop, dat het ons werk niet zal schaden en onze aandachtige lezers niet zal vervelen , wanneer wij ten tweeden male eene enkele leering, waarschuwing of terechtwijzing onder hunne aandacht moeten brengen.
Wij willen het vraagpunt in twee gedeelten splitsen en eerst beantwoorden de vraag, welke paarden voor de voortteeling bijzonder geschikt zijn ? om daarna aan te tooncn, waar en op welke wijze kruising wenschelijk is.
I. Welke paarden z ij n voor de voortteeling b ij z o n d e r geschikt?
Letten wij bij de beantwoording dezer vraag eerst op de fok-hengsten. Zeer veel gewicht moet er gehecht worden aan hunne eigenschappen, vormen en hoedanigheden, daar deze van overwegenden invloed zijn op de fokkerij van eene bepaalde streek. Immers het feit alleen, dat een hengst per jaar ongeveer een honderdtal veulens doet geboren worden, zal ons voldoende doen begrijpen , dat zoo de hengst niet uitstekend is, geen enkele van die veulens goed kan zijn.
Bij den hengst komt het in de eerste plaats aan op een goed verervingsvermogen, d. i. op eene groote gave om zijne eigenschappen, zijn model, zijne gangen, over te doen gaan op zijne veulens.
65
Met het oog hierop moet men dan ook zeer omzichtig zijn met den aankoop van hengsten. Indien het reeds een bejaarde hengst is, dien men koopt, of een hengst die, al is het ook maar eenige malen, gedekt heeft, tracht dan altijd een of meer van zijne veulens te zien te krijgen, beschouw die nauwkeurig en kunt ge in den vader en het veulen eene treffende gelijkenis vinden , â welnu â dan bezit die hengst een goed verervingsvermogen.
Vindt ge echter geen of zeer weinig gelijkenis tusschen vader en kind, dan is het met het verervingsvermogen zeer slecht gesteld ; koop in dat geval zoo'n hengst niet, want hij is ongeschikt voor de fokkerij.
Daar dit verervingsvermogen, volgens sommige practische fokkers, afhankelijk schijnt van den toestand en de goede ontwikkeling der voortplantingsorganen, van roede en ballen, zoo lette men bijzonder op deze zaken. Het geslacht moet als 't ware in de ge-heele uitdrukking van het dier aanwezig zijn. De ervaring leert, dat men alleen die hengsten moet kiezen, waarvan men het geslacht op een afstand reeds zien kan. Een hengst bij wien men de geslachtsdeelen als 't ware eerst moet zoeken om te kunnen constateeren of het wel een hengst is , zal slecht in zijne vererving zijn. Het is verder strikt noodig, dat de hengst volmaakt gezond is en geene storende gebreken heeft. In het algemeen moet de hengst uitmunten door eene goede lengte en krachtverhouding dei-beenderen , en goede hoekstelling dier beenderen tot elkander; zoomede door eene goede lengte der spieren en pezen, want dit alles vererft vrij zeker. Hebben deze goede eigenschappen reeds in eenige geslachten bestaan, des te zekerder vererven zij. De hengst moet hebben eene sterk gemarkeerde uitdrukking in spieren en beenderen, daar dit evenzeer vast vererft.
Vooral moet hij in het bezit zijn van eene diepe borstkas, waarbij het borstbeen lager ligt dan de ellebogen; voorts vooral korte en zeer breede lendenen, ronde ribben, schuine lange schouders, gespierde armen en schenkels , zeer breede gewrichten, lange onderarmen en lange schenkels; daarbij korte pijpen. Nauwkeurig moet men de kooten bezien, daar deze voor de geschiktheid en zekerheid van gang de zekerste kenteekenen zijn. Nooit kieze men lange steile kooten, evenmin korte steile. De laatste doen soms sterkte en kracht vermoeden , doch zij missen den langen elastischen stap en zijn doorgaans eerder versleten dan weeke kooten.
Dubbel ongunstig is eene steile koot als zij niet op de juiste
Handleiding Paardenfokkerij, r
66
plaats zit, maar te ver naar voren in den hoef. De koot moet alzoo matig lang zijn en tamelijk schuin liggen. De hoeven moeten eveneens nauwkeurig nagezien worden; niet alleen platte hoeven zijn slecht, maar steile nauwe hoeven zijn dikwijls nog veel slechter. Een groot sieraad en ook van practische waarde is een regelmatige gang niet vrijen ruimen stap. Doorgaans moet men dit zoeken in eene goede lengte en schuine ligging en goede hoek-stelling van schouderblad en opperarm, evenals van dij en schenkel. Vrij zeker vererft dit, althans het is hoogst moeilijk om van een hengst met stijve schouders een veulen te fokken met ruime gangen. Vandaar, dat een zeer ruime stap eene der hoofdeigenschappen van een besten dekhengst is. Een ander sieraad voor een fokhengst is een hoog gedragen staart. Ook dit vererft vrij zeker en onttrekt bij den handel veel gebreken aan het oog.
Er komen bij een paard soms zaken voor, die aan eene omvorming door teeltkeus hardnekkig weerstand bieden; zoo b.v. de verhouding der lengte der beenderen tot de spieren en pezen, een stijve gang, een ingetrokken staart, een verkeerde hals, te scherp of te stomp gehoekt achterbeen, te steile of te kromme voorbeenen.
Wat de maat der fokhengsten betreft, zoo mag deze in het algemeen niet te hoog zijn; 1.60 tot 1.65 M. (stokmaat) is voldoende.
De fokhengst moet alzoo de volgende eigenschappen bezitten: uitstekende gezondheid, levendig temperament, eene zwarte, donkerbruine of voskleur zonder veel witte afteekeningen; goed ver-ervingsvermogen; niet te onstuimig bij het dekken maar vooral ook niet te traag; een recht hoofd, dat niet al te groot en zwaar, maar breed is, met groote oogen, wijde neusgaten, middelmatig groote mondspleet, zeer ruime keelgang, recht opstaande niet te groote ooren; een langen horizontalen nek; tamelijk langen hals met lange gebogen bovenlijn en rechte, korte onderlijn, aan het hoofd smal en bij de schouders breed; sierlijke niet te grove manen; de hals goed uit de schoft komende, zoodat het hoofd goed gedragen wordt; schoft tamelijk hoog, zeer lang en vrij breed; rug niet te laag, recht en tamelijk kort; lendenen kort en breed; de afstand van de heup tot aan de laatste of achterste rib zeer klein; het kruis een weinig afbellend en zeer lang en breed; staart hoog aangezet ; aars goed gesloten; borst zeer diep en tamelijk breed; ronde en lange ribben; buik tamelijk rond; de koker moet vast tegen den buik aanliggen, tamelijk ver naar voren; de roede moet voldoende lang zijn en niet scheef gehouden worden, zij mag geene
6/
zweren, blaasjes of wratten bevatten en de piswegopening mag niet gezwollen zijn; zij moet gemakkelijk stijf worden en flink uit den koker te voorschijn kunnen komen. Men overtuigt zich, dat de hengst twee ballen heeft; deze moeten rond, glad en tamelijk groot zijn en niet te ver van den buik afhangen; een sterk afhangende balzak duidt op eenc slappe constitutie of op overmatige geslachtsuitoefcning. Noch aan den buik, noch in den balzak, mogen breuken voorkomen.
Het schouderblad moet lang en breed zijn en schuin liggen, de opperarm lang, met het schouderblad een rechten hoek vormende; elleboog lang; onderarm lang en zeer breed, bezet met dikke spieren en loodrecht onder den opperarm staande; de voorknie eveneens loodrecht, vlak en zeer breed; het haakbeentje aan de achterzijde moet zeer groot zijn; de pijp ook al weer loodrecht maar kort en zeer breed; pezen kort, breed en glad, niet de minste zwelling mag hieraan voorkomen; het kootgewricht moet groot, breed en diep zijn; de koot matig lang en in eene bepaalde schuine richting liggen ; de hoef moet groot zijn, met eene holle zool, hooge verzenen en een breeden straal met breede straalgroeven.
De dij moet lang en zeer breed zijn en zoo ver naar voren liggen , dat de knie loodrecht onder de heup valt; de schenkel lang en zeer breed , bedekt met dikke spieren en zoo schuin naar achteren liggen, dat als de knie onder de heup ligt, de hak juist komt te liggen onder de punt van de bil; het spronggevvricht moet in al zijn afmetingen groot, breed en diep zijn en vrij van alle gebreken; de enkel (gelegen aan het bovenste gedeelte van de binnenvlakte) goed ontwikkeld, verder mogen er aan het spronggewricht geen knobbels of zachte zwellingen voorkomen; het hielbeen liefst zoo lang mogelijk en schuin naar achteren liggend; de pijp moet kort zijn en overigens als aan het voorbeen; zoo ook de hoeven.
Iedere fokhengst moet verder hebben een zuiveren, vierkanten stand; een vrijen, zuiveren stap; een eleganten, verheven draf, met tamelijk hoogoplichten en ver vooruitbrengen der voorbeenen; een krachtig en ver onder het lichaam brengen der achterbeencn; voorts een onberispelijken adem.
Zoo mogelijk, lette men op eene goede afstamming en kieze men bij voorkeur die hengsten, die, of zelf reeds, of wier ouders bewijzen gegeven hebben van kracht, van snelheid en van volhardingsvermogen.
De fokmerriën; deze moeten ook in al hare eigenschappen zoo goed mogelijk zijn, d. w. z.: zonder gebreken. Zij moeten in
68
haren uitwendigen vorm dien van den hengst nabijkomen, al mogen zij ook wat minder sterke uitdrukking in spieren hebben. Men vergete nooit, dat alleen goede paarden de kosten en moeiten loonen die het groot brengen vereischt.
Het gebruik maken van slechte merricn voor de fokkerij is dan ook zeer aftekeuren, want slechte merriën kunnen nooit goede veulens voortbrengen: immers, de vererving komt niet alleen van den hengst, maar ook wel degelijk van de merrie ; van daar, dat slechte en gebrekkige merriën steeds een slecht en gebrekkig veulen moeten voortbrengen. Stelt u nooit tevreden met de illusie, dat de gebreken, die de merrie bezit, door den hengst in het veulen vereffend zullen worden; die illusie doet menigmaal bedrogen uitkomen. Minstens genomen, blijft het altijd twijfelachtig of de mate van vererving van den hengst daartoe groot genoeg is; de slechte eigenschappen ecner merrie zijn bijna altijd in hare veulens terug te vinden; 't is daarom altijd onraadzaam met slechte merriën te fokken, te meer ook, omdat de kosten van onderhoud van een slecht veulen even hoog loopen als die van een best veulen.
Een fokmerrie moet in het model ongeveer overeenkomen met het model van den hengst, hiervoren omschreven. Ook de merrie mag geen verkeerden hals hebben, geen steile schouders en slecht geproportioneerde beenen; in een woord, het model moet goed zijn en boven alles moet de merrie voldoende lang en vooral diep zijn. In de eerste plaats komt het bij de fokmerrie ook op volkomen gezondheid aan. Volgens ervaring toch van practische fokkers vererven beengebreken lang zoo zeker niet als een scrophuleus en rheumatisch lijden der merrie.
Vooral dient men te letten op gezonde moedermelk, want dit is het eenige voedsel voor het veulen gedurende zijn eerste levensweken. Ontbreekt het nu aan moedermelk of is die melk slecht, dan lijdt het veulen hier zoo onder, dat het in zijne ontwikkeling geheel ten achteren geraakt. Ook de graad van geslachtsdrift vererft doorgaans. Vaak wordt beweerd, dat van moederszijde ongewone gebreken of abnormiteiten in den bouw zekerder vererven dan de gewone. De ondervinding leert echter het tegendeel, n.1. dat de dagelijks voorkomende gebreken, zooals Fransche stand, platte ribben, lange pijpbeenderen, scherphoekige spronggewrichten, steile kooten, kleine hoeven enz. gemakkelijker vererven, dan een scheef hoofd, het gemis van een oog, eene sciiceve heup, enz. Bij de erfelijkheid moet men ook altijd rekening houden met de ouders en grootouders.
69
De merrie moet ook vooral, en wel zeer duidelijk, het uitzicht van haar geslacht hebben ; merricn die zich voordoen als een hengst. zijn doorgaans slecht voor de fokkerij. Er zijn merricn met haak-tanden, zoo groot ontwikkeld als bij hengsten; voor dergelijke merricn wachte men zich; ook brengen hoogbeenige korte merriën geen aanzienlijke jongen voort. Men lette vooral ook op de bewegingen , want ook bij de fokmerrie is hoogst noodig een ruime vrije stap en een regelmatige verheven draf, met hoog oplichten der voorbeenen. Over het algemeen moet men bij fokmerriën meer letten op korte breede lendenen dan op den rug, omdat de draagkracht van het paard het meest van de lendenen afhangt. Een bekende goede afstamming der merrie is zeer gewenscht. Wat de gebreken der merrie betreft moeten wij er op wijzen, dat wij geen enkel gebrek kennen, dat bij paarden niet vererft. Het gebrek-zelf vindt men wel niet altijd dadelijk terug, maar de constitutio-neele zwakte, die dit of dat orgaan voor eene bepaalde ziekte vooral gevoelig maakt. Niemand zal b.v. zeggen, dat koliek een erfelijk gebrek is, en toch leert de ervaring, dat eenige paarden veel meer aan die ziekte lijden, dan sommige anderen.
II. Waar en op wel k e w ij z e is kruising w e n s c h e 1 ij k ?
In het algemeen zouden wij antwoorden: kruising is daar wensche-lijk, waar het aanwezige fokmateriaal, (hengsten en merricn) bf niet beantwoordt aan het doel, dat men zich bij de fokkerij heeft gesteld, bf daar, waar in beide geslachten dezelfde gebreken voorkomen. Ter verduidelijking moge dienen, dat als men b.v. koetspaarden met hooge gangen wil gaan fokken en men vindt dergelijke exemplaren niet onder de hengsten en ook niet onder de merriën, dan is daar kruising aangewezen.
Als in een bepaald ras, b.v. Groninger of Geldersch, gebreken voorkomen die men in de nakomelingen niet wil hebben en alle dieren uit dat ras lijden aan hetzelfde gebrek, dan is ook daar kruising noodzakelijk.
Met uitzondering van een gedeelte der provincie Zeeland, kan men in ons land bijna overal fokken het zoo gewilde koetspaard met hooge gangen; en das te zekerder in die streken, die over eenen kleibodem of gemengden kleigrond beschikken. De bodem toch, wij hebben er reeds meermalen op gewezen, is van zeer
70
grooteu invloed op het product; men kan een veulen op een klci-bodem in Friesland of Groningen veel grooter en krachtiger doen worden, dan op heidegrond in Drenthe.
Als wij de wijze van kruisen gaan bespreken, dan valt daarbij op te merken het wenschelijke er van, dat de te kruisen dieren niet te veel in ontlcedkundigen bouw verschillen, want is dit het geval, dan ziet men vaak in de veulens een soort van tusschen-vorm, die alles behalve gewenscht is.
Het antwoord op de vraag met welke rassen men moet kruisen, hangt af van het doel, dat men wil trachten te bereiken. Of men b.v. wil fokken, koets- en luxepaarden, lichte tuigpaarden, zware trekpaarden, paarden geschikt voor den handel, voor de remonte enz.
Ook komen bij het verschil van bodem in de verschillende provinciën verschillende rassen in aanmerking; wat voor deze provincie goed is, zou voor gene misschien minder bevallen en omgekeerd. Overigens verwijzen wij hier naar datgene, wat wij in het eerste hoofdstuk over de teelt- en raskeuze hebben gezegd. Welke keuze men echter ook doet, men denke er wel aan dat, hoe beter hengsten men kiest, ieder in zijn ras, hengsten uit eene goede afstamming, hoe beter ook de resultaten zullen zijn. Wij kunnen ten slotte niet nalaten er nogmaals aan te herinneren, dat kruisen alle'én dan is aan te raden, als men in eigen ras geen deugdelijke exemplaren kan vinden; zijn die er wel, dan is kruisen een gevaarlijk spel, vooral in handen van den minkundige.
HOOFDSTUK IV.
Opsomming der gebreken, welke een paard ongeschikt maken voor de voortteeling.
De gebreken van een paard zou men kunnen splitsen in 2 soorten, in erfelijke en in verkregen gebreken; onder de laatste verstaan wij die gebreken, die ontstaan zijn door ongelukken, door uitwendig geweld, slaan, stooten, glijden enz. In hoeverre ook deze erfelijk kunnen zijn, of worden, is niet altijd met zekerheid uit te maken, omdat men niet altijd de oorzaken of de aanleiding tot de gebreken weet op te sporen. Waar men dat niet kan, gaat men het zekerste te werk elk paard met gebreken, onverschillig welke ook, aan de fokkerij te onttrekken.
Bij de behandeling van het exterieur van het paard hebben wij reeds op verschillende gebreken gewezen gebreken in den vorm, in den stand, in den gang enz. Om al deze gebreken, de geringste ook, een paard af te keuren voor de teelt, dat zal wel niet gaan; er zouden dan geene goede fokdieren te vinden zijn, want altijd valt cr wel iets te verbeteren; een ideaal paard bestaat slechts alleen in de verbeelding. Toch blijft het zeker waar, dat de geschiktheid toeneemt, naarmate een paard het ideaal, dat wij ons hebben gevormd , meer nabij komt. Men zij er daarom steeds op bedacht, om zoo weinig mogelijk toe te geven, vooral met betrekking tot stand en bewegingen. Een paard met zuiver vierkanten stand en ruime vrije gangen heeft altijd veel voor; bij dezulken heeft men in den regd ook geen grove afwijkingen in den vorm.
Ongezonde paarden, zij die scrophnlens, kwaadsappig zijn en lijden aan besmettelijke ziekten, kivade droes en huidwonn , dek- of blaasjesuitslag, ziekte der geslachtsdeelen, of aan rhemnatisine, moeten ten strengste geweerd worden, want zij brengen dergelijke, dus slechte veulens voort. Slechte moedermelk is mede een groot gebrek, want alle melkgebreken vererven. Een kleine uier met
72
zeer kleine- soms gesloten spenen is eveneens af te keuren, zoo ook de behaarde nier. Ongeschikt maakt verder eene ingescheurde se he ede, in den regel ontstaan bij eene moeilijke verlossing. Mer-ricn, die reeds eenmaal verworpen hebben, zijn ook niet aan te raden. Korte en hoogbeenige merricn zijn sterk af te raden, evenals die met groote baaktanden. Men wachte er zich voor kwaadaardige of nijdige paarden te laten paren, eveneens zijn lucht zuigen en kribbenbijten gebreken die eigenlijk ongeschikt maken voor de fokkerij.
Luchtzuigen en kribbenbijten gaan dikwijls met elkander gepaard, echter treft men ook ieder afzonderlijk aan. De toon, het geluid, die bij het kribbenbijten met luchtzuigen en bij de vrije luchtzui-gers gehoord wordt, ontstaat doordien lucht in de zwelgkeel geraakt, waarvan een gedeelte wordt doorgeslikt en dan in de maag komt. Bij sommige wordt zooveel lucht ingeslikt, dat maag en darmen zoo sterk worden uitgezet, dat daardoor koliek en zelfs de dood kan ontstaan. In allen gevalle lijdt de spijsvertering er onder. Sterke luchtzuigers zijn dan ook veelal mager en hebben een op-geschorten buik en glansloos haar. En nu mogen deze gebreken in strikten zin niet erfelijk zijn, zooveel is toch zeker, dat de paarden ze gaarne van elkander overnemen, zé als 't ware van elkaar leeren.
Kolder. Dit is een langdurig , meestal onherstelbaar hersenlijden , waarmede storingen van het bewustzijn, ongevoeligheid, verkeerde handelingen enz. gepaard gaan. Paarden aan deze ziekte lijdende, staan met hangende hoofden droomerig in een hoek te staren. Zij zijn voor de meeste indrukken ongevoelig. Noch bij het trappen op de kroon, anders zoo'n gevoelige plaats, noch bij het steken van den vinger in het oor, geven zij een teeken van gevoel. Zij zijn onregelmatig in 't gebruik van hun voedsel en eten niet gaarne uit de ruif. Bij het drinken steken zij het hoofd diep in het water en slorpen niet met de lippen, maar schijnen het water door de neusgaten naar binnen te werken.
Niet altijd is de graad der ziekte even hoog. Soms zou men het dier geheel gezond wanen. Juist daarom dient men er zooveel acht op te slaan en het als ongeschikt voor de fokkerij te brandmerken.
Dampigheid; bestaat meestal in eene moeilijke, zeer versnelde ademhaling, die zich, vooral bij snelle beweging en zwaar trek-werk, openbaart.
In den toestand van rust is de ademhaling vaak weinig verschillend van de gewone. Alleen de bewegingen van den buikwand
73
zijn in' 't oogvallend. In draf openbaren de verschijnselen zich meer. De ademhaling is dan zeer versneld, meer dan 16 ademhalingen in de minuut en er doen zich soms stikkingsverschijnselen voor. Gaat deze dampigheid gepaard met een piepend geluid, dan spreekt men van comage of muziek maken.
Oogvlekken. Bij hevige oogontsteking wordt het geheele doorschijnende hoornvlies wit en ondoorzichtig, dat na de herstelling der onsteking soms weder verdwijnt; dikwijls echter blijven ondoorschijnende plekken achter, die dan eens blauwachtig, dan weder geheel wit zijn en die men oogvlekken of hoornvliesvlekken, noemt. (Fig.! 40). Hoe meer die vlekken over het midden der pupil zijn geplaatst, hoe erger, omdat zij het zien dan meer belemmeren. Onder den naam van: Grauwe staar (Fig 41) verstaat men eenige troebelheid of ondoorschijnendheid van de kristallens. Deze staar
komt niet zelden bij paarden voor en men herkent het gebrek daaraan, dat de ruimte tusschen de randen van de pupil, die anders donkerblauw gekleurd is, eene blauwwitte kleur heeft en de pupil zelf meestal onbeweeglijk is. In dit geval is het paard aan dat ong geheel blind.
Ook zivarte staar veroorzaakt blindheid, doch is van buiten aan het oog niet zichtbaar. Beide, grauwe en zwarte staar, zijn erfelijk en ongeneeslijk, even als maan blindheid.
Deze ziekte tast nu eens het eene dan weder het andere oog aan. Het aangestoken oog wordt gesloten en blijft in dien toestand zoolang de ziekte duurt. Bij opening der oogleden ontwaart men, dat het geheele oog is aangedaan en alle inwendige deelen aange-
74
tast zijn. Dit duurt van 6 tot 8 dagen in ergen graad, waarna het oog weder langzaam normaal wordt. Na nog lt;S dagen is het oog schijnbaar geheel hersteld. Deze gunstige wending duurt evenwel niet lang. De ziekte keert dikwijls na eene maand, soms na 3 maanden terug, en ieder nieuw geval is ernstiger dan het voorgaande. h.indelijk wordt het oog kleiner en zakt dieper in zijne holte terug, terwijl het bovenooglid eenigszins geplooid gaat liggen , zijne boogsgewijze ronding eenigszins verliest en een hoek (derde ooghoek) gaat vormen ; ten laatste wordt het oog volslagen blind.
Vroeger dacht men algemeen, dat deze ziekte in verband stond niet de schijngestalte der maan, van daar haren naam. Onder alle rassen komt zij voor, echter niet in alle streken in even erge mate; zij is in alle graden erfelijk.
De nek buil of varen, (Fig, 42) is een moeilijk te genezen gezwel, dat zich tusschen de ooren of juist daarachter bevindt,
hetzij in het midden of eenigszins zijwaarts. De oorzaken zijn dikwijls kneuzingen, die het paard zich zei-ven toebrengt, b.v. door het stooten met den nek tegen zolder of balken bij wild steigeren in den stal. Soms roept een algemeene slechte toestand der lichaamsvochten eene geneigdheid te voorschijn, die bij eene zich aanbiedende gelegenheid een zeker lichaamsdeel aantast, dat aan bijzondere inspanningen onderhevig is, en waarvan vorming en samenstelling dat aantasten begunstigt. De vorming
van den nek, wegens de gesteldheid van den nekband en zich in den nek veelvuldig kruisende peesachtige uitbreidingen, geeft derhalve veel aanleiding tot het ontstaan van den nekbuil. (')
De legger, (Fig 43) is een meer of minder groot, week of verhard gezwel, dat gelegen is op de punt van het elleboogbeen. Hij ontstaat bf door drukking en beleediging door de kalkoenen van 'thoefijzer als het paard in liggende houding, even als de koe, de voorbeenen onder het lijf trekt, bf door een harden, met te weinig stroo bedekten, oneffenen stalvloer.
(quot;) Zipperlin, Ba vink.
75
het
van
Fig. 43-
langwerpige, elastieke weeke,
deegachtige, vaak meer of minder gespannen zwellingen;
verouderd zijnde, worden ze minder week, meer deegachtig. Naar de plaats onderscheidt men:
De peesgal (Fig. 44);
De kniegal (Fig. 45) is een rond, zacht gezwel aan de uitwendige en soms ook aan de voorvlakte der voorknie; zij ontstaat door te sterke krachtsinspanningen,
door uitzetting der pees-scheeden, of van den beurs-band. Men verwarre deze niet met de kniezwam eveneens eene dikte op de voorvlakte der
Paarden die zwaar van bouw, en in lage, vochtige streken
geboren en opgevoed zijn, ziet men doorgaans meer aan leggers lijden, dan de lichtere soorten en die van edeler rassen.
Gallen (Fig. 44) bestaan in een
te overvloedige ophooping
peesscheedevocht of het lidvocht , ook ledewater of gewrichtssmeer genoemd, en veroorzaken aan de gewrichten en langs den loop der pezen rondachtige,
76
knie (Fig. 46). Bij deze laatste is de huid en het daaronder gelegen
bindweefsel verdikt, door vroegere beleedigingen of kneuzingen. 1 I De kootpeesgal, (Fig. 44) die
men aan voor- en achterbeenen kan aantreffen. (').
De voor koot gal (Fig. 44) komt op de voorvlakte van den kogel voor. Zij stoort in den regel meer het uitwendig aanzien, dan dat zij van nadeeligen invloed is.
De vlot gal (Fig. 47 A) is een
Fig. 46.
gewrichtsgal aan het ondereinde van den schenkel, zij puilt niet zelden uit aan beide zijden van het hielbeen en kan het paard zeer hinderen in zijne bewegingen.
Rasp; door rasp verstaat men â de naam duidt het reeds aan â dwarsloopende spieeten in de huid,
die op de plaats der kniebuiging en aan het sprong-gewricht worden gevonden. Zij kunnen veel pijn en kreupelheid veroorzaken.
Pecsklap (Fig. 22 A) bestaat in eene ongesteldheid der achter het pijpbeen liggende buigpezen. Zij is eene langdurige, pijnlijke en onder zekere ongunstige omstandigheden, moeielijk te genezen kwaal, die dikwijls terugkomt. De oorzaken zijn soms van rheumatischen aard , kou-devatting, soms nablijvende ongesteldheid van andere belangrijke ziekten, b.v. der influenza; dikwijls ontstaat de peesklap ook door lang en sterk loopen op harde wegen, vooral als het paard dat lang niet gedaan heeft; door stoeten en slagen op de pees enz. Ook is de oorzaak soms gelegen in een onder de pees liggend onzichtbaar overbeen, waardoor de pees bij de be-weging beleedigd en ontstoken wordt.
Het over- of schuif clbeen, (Fig. 48 a) is een beenwoekering meestal op de binnenvlakte van cle pijp; de oorzaken van dit gebrek zijn gewoonlijk beleedigingen, die eene beenuitstor-(') Zipperlin, Hekmeijer, van ISijlcvelt.
Tig- 45-
77
ting teweegbrengen en pijn en kreupelheid kunnen veroorzaken, vooral als het dicht bij de knie of onder de pezen ligt. Sommige schrijvers beweren de erfelijkheid van dit gebrek ópgemerkt te hebben.
Over hoef, (Fig. 22 B) is eene beenwoekering vlak boven den hoef, waardoor vergroeiing van het kroongewricht wordt teweeggebracht. De aanleg tot het krijgen van een overhoef is vaak reeds in de jeugd aanwezig, en wordt dan ook de erfelijkheid algemeen als eene der hoofdoorzaken erkend. Het gebrek veroorzaakt meestal voortdurende kreupelheid.
De spat (Fig. 49 en 50) is zeker wel het voornaamste gebrek, daar het eene meestal hevige en ongeneeslijke kreupelheid veroor-
«zaakt. Het is eene beennicuwvorming W] op de binnenvlakte van het gewricht.zaakt. Het is eene beennicuwvorming W] op de binnenvlakte van het gewricht.
' Het is het best te zien wanneer men zich plaatst naast de voorbeenen. Tus-schen de voorbeenen door van het vier-1 â¢cant staande paard, kan men de beide gewrichten ook vergelijken; twijfelt men,
dan maakt men de haren aan de bin-1Squot; nenzijde van het gewricht een weinig 50-
vochtig, zoodat de haren glad komen te liggen; alle verhevenheden worden dan beter zichtbaar. De spat kan zich over de ge-heele binnenvlakte van het gewricht uitbreiden, men krijgt dan vergroeiing van de beenderen onderling en dus een stijf gewricht. Soms bespeurt men volstrekt geene uitzetting, maar ziet men aan den aard der beweging, dat het paard spatkreupel moet zijn; men spreekt dan van verborgen of onzichtbare spat.
Hazenspat of Reebcen (Fig. 51) is een gebrek dat zit aan de buitenzijde van het spronggewricht. Het is evenals de spat een beenuitstorting op de plaats, waar dit gewricht in de pijp overgaat; daar ter plaatse ziet men dan ook een min of meer sterke verhevenheid van tamelijke lengte.
Dit gebrek is niet zoo ongunstig te beoordeelen als de spat; toch blijft het eene afkeurenswaardige eigenschap.
F 51 â Bloedspat is een spat van een geheel ander soort.
Zij bestaat in eene verwijding van de spatader, die aan de voorzijde van het spronggewricht loopt; zij heeft niets met de andere spatten te maken, hoewel zij wel eens verkeerdelijk er voor wordt aangezien.
78
Ook de bolspat, (Fig. 47 B) die aan de binnenvoorzijde van het spronggewricht is te vinden, is geen eigenlijke spat. Zij bestaat uit eene zachte zwelling door lidvocht. Wij voegen hier nog aan toe: de hanespat of hanctred; deze bestaat in eene krampachtige, trekkende, lichts:hokkende beweging van cén, zeer zelden van beide achterbeenen; welk been dan in den gang zeer hoog opge-beu rd en dan weer met eene krampachtige, sterke beweging neergezet wordt. Het geheel heeft in den stap veel gelijkheid met den tred van een haan, waaraan het den naam ontleend heeft.
De dikke hak, (Fig 52) heeft veel overeenkomst met den legger ; het is eene ronde, zachte zwel-ling op de punt van den hiel en ontstaat veel door kneuzingen.
De hazenhak (Fig. 53) wordt gevonden aan de achterzijde van ^ het spronggewricht. Het is een gevolg van ontsteking, soms ook van beenuitstorting. Fig. 53-
nadeelige hoef gebreken noemen wij in de eerste plaats: De plat hoef, (Fig. 54) waarbij de hoek met den bodem te klein is, en de zool niet genoeg gewelfd. De straal is hierbij meestal goed ontwikkeld, doch de drachten zijn laag. Deze
r ig. 52. Onder de
Dwarse doorsnede van den plathoef. Fig. 54quot;. Fig. 54!'.
vorm wordt veel bij het Hollandsche paard en ook bij andere laag-landsche rassen gevonden. Bij den volhoef zijn al de genoemde afwijkingen in hoogeren graad aanwezig, de zool is naar beneden in plaats van naar boven gewelfd. Hierbij ontstaat licht kreupelheid, vooral bij gebruik van het paard op steenen.
De stompe- of bohhoef (Fig. 55) heeft te hooge drachten en te steilen hoornwand. Fig. 55. De knolhoef (Fig. 56) is een gevolg van
vroeger bestaan hebbende hoefbevangenheid. Men ziet hierbij hooge
79
drachten, een weinig gewelfde zool, en op den wand een aantal ringen, die van voren dicht bij elkander liggen en van achteren wijder uitcenloopen; de toonwand is van boven als 't ware ingezonken. Door dit gebrek ontstaat een moeie-lijke gang, in draf wordt de voet te ver gestrekt, zoodat het paard van voren de kalkoenen laat zien. Als het gebrek in hooge mate bestaat, is het paard zoo goed als waardeloos.
De klem hoef, (Fig. 57) is in zijn achterste helft te nauw, dc straal is daarbij smal Fi-. 56, en klein, de zijdelingsche straalgroeven nauw
en de drachten hoog. Soms is de vernauwing slechts aan een wand, bijna altijd aan den binnenwand , aanwezig; mei: spreekt dan van eenzijdige klemhoef. Dit is een zeer groot gebrek, dat dikwijls aanleiding geeft tot kreupelheid, liet komt meestal voor bij fijne rassen, met hooge, smalle, harde hoeven.
l^ij den scheven hoef is een der beide wand-helften te steil, de andere te veel hellend. De binnenwand is meestal de steilste; dit kan zoo erg zijn dat de wand hier eene helling naar binnen in plaats van naar buiten heeft. Dit gebrek geeft aanleiding tot stcengallen en hoornschcnren en zoodoende tot kreupelheid.
Afwijkingen in den ouderlingen samenhang van den hoorn zijn de volgende:
De losse zuaud; hierbij is de wand van de zool gescheiden in dc witte lijn ; bij hollen wand heeft men eene afscheiding tusschen de verschillende lagen van den wandhoorn. Beide zijn soms te onderkennen aan eene sterke welving van den wand en eene holle toon bij bekloppen van dit gewelfd gedeelte. Door beide gebreken kan kreupelheid ontstaan. Kloven en scheuren in den hoorn geven ook licht aanleiding tot kreupelheid. De hoorn kan te week of te hard zijn ; door beide kunnen hrokkelhoeven ontstaan. Het eerste vindt men bij grove paarden met lage, wijde hoeven; het laatste bij fijne paarden met smalle en hooge hoeven.
VV ij hebben, zoo wij meenen, hiermede de voornaamste gebreken
8o
opgesomd en kortelijk toegelicht. Nog zouden wij vele andere zooals tandfistels, hoefkraakbeenfistels, tuigdrukkingen enz. kunnen opnoemen, maar daartoe is ons bestek te kort; deze behooren ook meer in een veeartsenij kundig handboek te huis.
Of ze dan niet erfelijk zijn en daarom niet nadeelig voor de teelt ?
Wij zullen het niet wagen deze vraag geheel in toestemmenden zin te beantwoorden, evenmin als wij willen beweren, dat de door ons opgenoemde gebreken wel allen erfelijk en nadeelig zijn. Ieder gebrek toch dient in verband met zijn plaats, zijn omvang en zijn ouderdom vergeleken te worden. Zooveel is echter waar , dat , zondert men het weinig gebrekkige zoowel als het zeer gebrekkige uit, men dan zeker is, alleen reine dieren voor de teelt te gebruiken.
Daarom ook moet men vooral letten op lidteekens, witte haren enz., daar deze wijzen op vroeger plaats gehad hebbende operatiën, (aderkorten, drachten zetten, branden) tegen spat- of andere kreupelheden.
HOOFDSTUK V.
Tijd van paring en verzorging van hengsten.
Zoowel in volstrekten als ia betrekkelijken zin verstaat men onder den tijd van paring, de bepaling van:
a. het tijdstip der eerste paring, of van den leeftijd waarop men de fokdieren mag laten paren;
b. het tijdstip van iedere volgende paring of van den dag, waarop de merrie het zekerst zal bevrucht worden.
Het is niet gemakkelijk om den leeftijd te bepalen, waarop het mannelijk dier geschikt is om voor bet eerst, zonder nadeel voor zichzelven, zijne functiën te verrichten, of waarop het vrouwelijk dier voor het eerst den hengst kan ontvangen. Alles hangt af van het ras, van het klimaat, van de voeding en van het doel des fokkers.
Edele rassen zijn niet vroegrijp, zij ontwikkelen zich langzamer dan minder edele, maar zijn dan doorgaans ook duurzamer. Zoo wordt het Engelsche volbloed paard niet voor het 4dlt;! jaar gebruikt, terwijl het Oldenburger en Ardenner paard reeds met het 3de kan worden toegelaten. In landen waar het klimaat kouder is, b.v. in Rusland, wordt het 5de levensjaar afgewacht eer men den hengst laat dekken. Laat echter de gezondheid van den hengst niets te wenschen over, zijn zijne geslachtsdeelen in volmaakte orde, dan is er bij ons te lande geen bezwaar om van een driejarigen hengst een matig gebruik te maken. Evenwel behoort dan de bediening der merricn zeer regelmatig te geschieden met gelijke tusschenpoozen en vooral het noodeloos bespringen vermeden te worden. Wacht men zich voor overdrijving, dan kan een driejarige hengst op deze wijze van Februari tot Juni zonder nadeel een twintigtal merriën dekken.
De hengstenhouder heeft bij vroeg dekken ook veel belang. Hij kan uit de wijze van dekking, later uit het aantal drachtige merriën min of meer opmaken of de hengst waard is verder aangehouden
6
Handleiding Paardenfokkerij.
82
to worden. Vooral ook lette men op de eerste veulens, om te kunnen zien of de hengst zich goed in zijne veulens vererft. Blijkt het, dat de veulens hoegenaamd niets op hem gelijken, dan bezit hij geen voldoende verervingskracht en is het veel beter hem niet langer als hengst aantehouden, maar tot andere doeleinden te gebruiken , waartoe hij dan nog jong genoeg is.
Om deze proef reeds vroeger te nemen en daartoe reeds 2-jarige of nog jongere hengsten enkele merriën te laten dekken, is niet aan te raden. Het te vroeg laten dekken houdt jonge hengsten in hunne ontwikkeling tegen.
Tot welken ouderdom men een hengst met goed succes kan laten dekken, hangt af van velerlei omstandigheden. Hoe meer merriën een hengst dagelijks, en gedurende iederen dektijd, moet bedienen, hoe spoediger hij is versleten.
Twee merriën per dag, in drukke tijden hoogstens vier, meer mag een hengst niet hebben; maar daarmede kan hij het bij eene goede verzorging en verpleging (want ook daar hangt veel van af) jaren lang volhouden. In het algemeen houden hengsten van edele rassen het langer vol, dan die van minder edele. Blijkt het, dat het bevruchtingsvermogen van den hengst sterk afneemt, of dat de vroegere kracht der vererving op zijne veulens begint te verminderen , dan is het tijd hem weg te doen.
Ook merriën moeten behoorlijk ontwikkeld zijn, voordat zij tot den hengst worden toegelaten. Men beweert wel en niet geheel zonder reden, dat elke drachtigheid schade veroorzaakt aan het niet volkomen ontwikkeld dier, maar toch staan de belangen van den fokker de strikte toepassing dezer leer vaak in den weg. Wij meenen dan ook, dat b.v. eene 4-jarige merrie genoegzaam ontwikkeld kan zijn, om zonder veel hinder in haren groei, eene zwangerschap te verduren. Ja zelfs gelooven wij, dat het paren voor 3-jarige merriën geen kwaad kan, mits zij voor haren leeftijd voldoende ontwikkeld zijn.
In den natuurstaat ziet men, dat eene jonge merrie den hengst zal toelaten zoodra zij hengstig is; toch vindt men daar geen verzwakking van het geslacht, want anders zouden zij reeds lang uitgestorven zijn. 't Is waar, onze teeltrassen vallen niet te vergelijken met die uit den natuurstaat; wat voor de eerste goed is, kan voor de laatste schadelijk zijn.
Dit is dan ook in werkelijkheid min of meer het geval; maar daar tegenover staat, dat eene nimmer bevredigde geslachtsdrift
83
voor het dier evenzeer nadeelig kan zijn, als eene te vroege zwangerschap.
De vraag blijft nu maar, wat geeft op den duur het meeste voordeel ?
't Best zal wel zijn de geslachtsdrift door gepaste voeding en geregeld werk, als ook door 't uit het oog houden van den hengst, zoo lang mogelijk te laten sluimeren.
Is echter eenmaal de geslachtsdrift aanwezig en de aandrang hevig en het paard goed ontwikkeld, dan is eene paring wel aan te bevelen, zij het dan ook op 3-jarigen ouderdom. Immers, niet altijd heeft er eene bevruchting plaats en zoo deze niet plaats heeft, is de geslachtsdrift toch bevredigd. Eene voortdurende onthouding van den hengst kan de merrie niet alleen zeer prikkelbaar, maar ook voor het vervolg onvruchtbaar maken.
In eenige privaatstoeterijen in Duitschland heeft men sinds eenige jaren drie-jarige merriën, die zeer hengstig waren, laten dekken en is men over de uitkomsten zeer tevreden geweest. Ook hier te lande vindt men fokkers die met goed gevolg van hunne jonge merriën, tot de zware rassen behoorende, eerst één of twee veulens fokken en ze daarna voor den handel bestemmen.
De grens van den leeftijd waarop merriën uitstekende veulens kunnen voortbrengen, schijnt gelegen te zijn tusschen 12 en 16 jaar. Bij werkpaarden, door zwaren arbeid afgebeuld en door slechte voeding verwaarloosd, moet die grens nog vroeger gesteld worden. Wel zijn er voorbeelden, dat sommige merriën, vooral zij die tot edele rassen behooren, tot op 30-jarigen leeftijd en ouder zelfs, nog drachtig kunnen worden, maar de veulens van zulke oude merriën zijn in den regel niet veel bijzonders. In Engeland zijn zij nooit goede renpaarden geworden. (')
Zonder juist door ouderdom ongeschikt te zijn geworden, kunnen ook meer jonge merriën door verschillende oorzaken onvruchtbaar blijken. Over 't algemeen zijn die merriën onvruchtbaar, welke door eene rijkelijke voeding, gepaard aan weinig beweging, vet zijn geworden. Maar ook in het tegenovergestelde geval zijn merriën, wier voeding en verzorging veel te wenschen overlaat, vaak onvruchtbaar, soms wel tot 50 0/u. Ook merriën, die voor het eerst op gevorderden leeftijd worden gedekt, zijn dikwijls â¢onvruchtbaar.
(') Van Bijlevelt.
S4
De oorzaak der onvruchtbaarheid moet ook dikwijls gezocht worden in den toestand van sommige organen, in algemeene zwakte enz. Het eenige geneesmiddel tegen dezen toestand is de oorzaak weg te nemen, zoo die is op te sporen.
Sommigen vinden baat, na vele middelen vergeefs beproefd te hebben, in het kort op elkander laten dekken hunner merriën door twee verschillende hengsten. Anderen beproefden met goed gevolg om zoogenaamde hoer-merricn, (merriën, die bijna altijd hengstig zijn) dagelijks te laten dekken, totdat zij eindelijk afslaan.
Maken sommige paardenkenners van naam bezwaar tegen een te vroeg gebruik van den hengst of do merrie, er zijn er ook die dit doen tegen het telken jare veulenen der merrie. Toch heeft men zich over het algemeen daaraan niet gestoord; dit vindt zijn grond zeker ook wel daarin, dat de achteruitgang der merriën, bij goede voeding en verpleging, ook al brengen zij elk jaar één veulen ter wereld, nog niet is gebleken. Ken fokker kan trouwens ook moeielijk een merrie twee jaar er op na houden om hem slechts één veulen te schenken. Vooral dan niet, als hij slechts maar een enkele goede fokmerrie bezit. Beter is het, haar bij eene goede voeding en oppassing ieder jaar te doen veulenen en haar overigens niet te kort te doen.
In de meeste streken van ons land is men gewoon de merrie 11 dagen na het veulenen bij den hengst te brengen. Na eenige dagen laat men den hengst weder toe en probeert verder om de drie weken. Anderen kiezen voor het eerst na het veulenen den 9du dag ter paring en nog anderen den 5de. Vroeger mag het in geen geval, omdat voor dien tijd de merrie nog niet volkomen heeft gezuiverd. Wij zouden, om zeker van die zuivering te zijn, liever den 9de dag kiezen, of nog liever den iidc, als men niet bevreesd behoefde te zijn, dat dan reeds de hengstigheid zal zijn verdwenen. Men mag die eerste tochtigheid, die bij de eene merrie veel langer duurt dan bij de andere en waarmede men rekening moet houden, niet laten voorbijgaan, want de ervaring heeft geleerd , dat dan de merrie het zekerste bevrucht wordt.
Zoodra men iets van hengstigheid waarneemt, moet men niet dadelijk den hengst toelaten, maar wachten daarmede '/i tot i 'i2 dag; alzoo 12â36 uren na het begin der hengstigheid. De ochtend- en avonduren zijn de beste dektijden.
Gewoonlijk laat men 9 dagen later weer dekken, of liever, pro-beeren. Slaat dan de merrie den hengst af en wordt zij niet meer hengstig, dan houdt men haar voor drachtig.
§5
De hengstigheid treedt gewoonlijk liet duidelijkst op in het voorjaar, waarom in dezen tijd, van Maart tot Juni, de meeste merriën bij den hengst gebracht worden. Dit is ook de meest geschikte tijd uit een landhuishoudelijk oogpunt, daar dan het laatst van den drachttijd valt in de wintermaanden, wanneer men de paarden in den regel de meeste rust kan geven; en men na de geboorte van het veulen den zomer ophanden heeft, waardoor de merrie met haar veulen in de wei kan gaan, waar de eerste voedsel vindt, dat uitmuntend op de melkafscheiding werkt, en de tweede eene ruime speelplaats.
De hengstigheid keert bij niet drachtige merriën gewoonlijk om de drie weken terug en duurt soms tot 8 dagen. De mate van hengstigheid is verschillend. Sommige koudbloedige paarden teekenen zeer weinig, aan andere van vuriger gestel, of beter gevoed, is het zeer goed te zien.
De verzorging der hengsten kan gevoegelijk in twee tijdperken gesplitst worden:
a. gedurende den dektijd;
b. buiten den dektijd.
Een eerste vereischte voor hen die een dekhengst houden is, te zorgen dat het dier zich niet beschadigt, waardoor hij waarschijnlijk voor den dienst ongeschikt zou kunnen worden. Door slechte behandeling en verzorging is reeds menige hengst voor goed ongeschikt geworden en dit baart geen verwondering als men de vreemde sprongen ziet, voordat goed en wel de hengst de merrie bespringt.
Vooral bij jonge hengsten ziet men dingen gebeuren, die niet toegelaten behoorden te worden.
Is de hengst jong en vurig van aard, dan richt hij zich gaarne op de achtcrbeenen op, zoodra hij de merrie gewaar wordt, en nadert haar, in dien stand vooruit loopende. 't Spreekt van zelf, dat zulk loopen, waarbij de geheele zwaarte van het lichaam op de achterbeenen rust, zeer nadeelig op de gewrichten moet werken. Zoo'n beweging moet dan ook in geen geval geduld worden.
't Gebeurt nog al eens, dat jonge hengsten moeielijk tot dekken zijn te bewegen; vooral wanneer de omgeving niet rustig is, durven zij niet op de merrie. De oorzaak schijnt in zekere vreesachtigheid te liggen, doch zij kan ook zetelen in gebrek aan geslachtsdrift. Toch moeten zulke hengsten niet spoedig kunstmatig tot den sprong aangezet worden. Ook met geweld brengt men het niet ver.
86
Het best doet men om een jongen hengst, die niet vurig is, bij eene merrie te brengen, die in hooge mate liengstig is. Helpt dit niet, dan kan men hem het werk door andere hengsten laten zien doen. Ook kan men hem eenigen tijd nevens eene merrie plaatsen, zoodat hij er eenigszins op goeden voet mee komt te staan, want de paring moet, wil zij behoorlijk in haar werk gaan, eene wederzijdsche neiging van twee geslachten wezen.
Het behoeft zeker niet opgemerkt te worden , dat alles zoo rustig mogelijk in zijn werk moet gaan, en er niet meer personen moeten worden toegelaten , dan strikt noodzakelijk is. Dit slaat niet alleen 0P jonSe hengsten , maar ook op oudere. Heeft de jonge hengst maar eerst éénmaal gedekt, dan gaat het de volgende keeren wel beter. Toch blijft het altijd zaak op alles goed acht te geven. Men heeft met zooveel verschillende humeuren en eigendommelijk-heden van hengsten en merriën te doen, dat elk paard op zich zelf reeds eene bijzondere waarneming behoeft, wil men er mede vertrouwd raken.
Vóór elke dekking behoort men zich te overtuigen of de merrie werkelijk hengstig is. Toont de merrie zich niet afkeerig van den hengst en vertoont zij de bekende verschijnselen, dan eerst dient men tot dekken over te gaan. Vooraf dient men eerst tot meerdere veiligheid van den hengst, de merrie te spannen, hetgeen daarin bestaat, dat aan elk achterbeen bij het kootgewricht een touw wordt vastgemaakt, dat tusschen de voorbeenen wordt doorgehaald en op de schoft met losse strik wordt vastgelegd. Hier en daar wordt dit geheel nagelaten; toch blijft dit altijd een goede maatregel, vooral voor edele hengsten, en is te weinig omslachtig om nagelaten te worden.
Heeft dit alles behoorlijk plaats gehad, dan ligt het grootendeels aan den hengst om spoedig klaar te zijn.
Sommige hengsten dekken uiterst langzaam, anderen maken zich reeds klaar, zoodra zij den stal verlaten, maar hoe het ook zij, men dient in alles kalm te werk te gaan en waar het noodig blijkt, den hengst te helpen. Zoo moet men om maar iets te noemen, den staart der merrie ter zijde trekken zoodra de hengst opspringt, of bij het dekken van eene kleine merrie bij een grooten hengst, of omgekeerd, den stand der dieren wijzigen. In het eerste geval plaatst men de merrie iets honger â in het tweede iets lager dan den hengst.
De hengst, zoowel als elk ander fokdier, behoort krachtig gevoed
«7
te worden, zonder bepaald vet te worden gemest, aangezien het overmatig afzetten van vet de dieren ongeschikt maakt tot dekken.
Haver blijft daarom het hoofdvoedsel, dat wel gedurende den dektijd, in aanmerking genomen de buitengewone diensten, die van hem gevergd worden en gepaard gaan met onvermijdelijk kracht-verlies , met ecnig ander krachtvoeder mag versterkt worden. Eieren zijn in dat geval zeer aantebevelen. Regelmatig voederen is daarbij eene eerste vereischte. Vier maal daags is voldoende, telkens zooveel als hij behoorlijk lust.
Bij goede voedering behoort ook goede beweging.
Bezoekt een hengst de merrie, dan krijgt hij in den dektijd nog beweging, anders moet zijn oppasser hem dagelijks eenigen tijd afstappen , zoo mogelijk één of twee uren.
Is de dektijd voorbij, dan behoort de hengst te werken; stilstaan is het grootste bederf voor hem. De spieren moeten geoefend blijven, anders is het verschil te groot tusschen de krachtsinspanning in â en het niets doen buiten den dektijd. Matige arbeid oefent tevens een goeden invloed uit op de gehoorzaamheid van den hengst, afgezien nog van de grootere geschiktheid om betere en begaafder veulens te verwekken. Geen landbouwer zal het moeie-lijk vallen passend werk voor zijn hengst te vinden; dan behoeft ook zijn voedsel niet sterk verminderd te worden, daar men dan voor te groote vetvorming niet bevreesd behoeft te zijn.
Nevens dit alles dient, zoowel in als buiten den dektijd, voor een goeden stal en eene behoorlijke reiniging van de huid, door rossen , afwrijven met stroowisschen en wasschen gezorgd te worden.
HOOFDSTUK VI.
Verzorging van veulendragende merriën.
Als eene vruchtbare paring heeft plaats gehad, dan volgt het tijdperk der drachtigheid. In de eerste helft der dracht is hiervan meestal nog weinig te bespeuren, doch in de laatste helft heeft men zekere kenteekenen, waaraan men den toestand volkomen kan herkennen.
Het eerste kenteeken is het uitblijven der hengstigheid. Dit is n.1. het meest van belang bij anders erg hengstige merriën.
Geheel zeker kan men hierop evenwel niet gaan, daar aan sommige guste merriën gedurende geruimen tijd gcene hengstigheid gezien wordt, terwijl omgekeerd sommige drachtige merrien op den duur den hengst nog toelaten.
Daarop volgt eene meer of minder in 't oog loopende verandering in gedrag en houding, de dieren worden trager en voorzichtiger in hunne bewegingen en nijdiger tegenover andere paarden. Na afloop van de eerste helft der dracht ziet men eene toename in den omvang van den buik, deze wordt zoowel naar onderen als van ter zijden dikker; dit is het best te zien, als men zich op eenigen afstand achter de merrie plaatst. In de zesde maand van de dracht kan men de bewegingen van het veulen zien en voelen, vooral in de rechter onderflank. Eene goede proef is, om , liefst 's morgens, de hand voor tien uier te leggen terwijl de merrie koud water drinkt, dan zal men licht de bewegingen van de vrucht voelen.
Daar de veulendragende merrie voor meer dan e'en leven te zorgen heeft, zoo zal men ook vermeerderden eetlust bij haar zien optreden, terwijl in het laatst der dracht, wanneer het veulen het meeste groeit, toch ondanks dien meerderen eetlust, eenige vermagering waarneembaar is. In de laatste maanden der dracht ziet men ook een invallen van buik- en kruisspieren; de spieren en banden van het kruis worden slapper; dit is vooral daaraan te herkennen, dat men gemakkelijker den staart in de hoogte kan
89
brengen; dan volgen zwelling van den uier en dikwijls zuchtige zwellingen aan buik en achterbeenen.
De duur der dracht is meestal ruim elf maanden. Intusschen kunnen hierop afwijkingen voorkomen en het paard toch zeer gezond zijn; sommige merriën dragen een vol jaar, enkelen nog langer, terwijl anderen na verloop van tien maanden zich al van het veulen ontdoen. In het laatste geval spreekt men van vroeggeboorte. Wordt het veulen geboren op een tijd, dat het nog niet levensvatbaar is, dan spreekt men van verleggen oiverwerpen (abortis).
Aan dit laatste kunnen verschillende oorzaken ten grondslag liggen. Alles wat sterk op de baarmoeder inwerkt, zoodat deze zich gaat samentrekken, of m. a. w. alles wat weeën kan veroorzaken, kan verwerpen ten gevolge hebben. Op dezelfde wijze werken alle invloeden die den dood der vrucht teweegbrengen.
Tot die oorzaken rekent men sterke beweging van het moeder-dier , het maken van groote en vermoeiende reizen, en het loopen in snelle gangen; te lagen stand van achteren, uitglijden, zwaar werken, stoot en, slaan of schoppen tegen den bnik; sterk bloedverlies , b.v. door groote aderlatingen of verwondingen; het opnemen van te heet, of te kond (bevroren) voedsel of drinkwater; verder beschimmeld, of bedorven of gistend voedsel; het snel verwisselen van verschillend voedsel; het gebruik of liever misbruik van verschillende stoffen en kruiden, 't zij het voedsel daarmede bezwangerd is, 't zij ze als medicijn door onervaren artsen worden toegediend , moeder koor u, zevenboom , spaanschevlieg, carbol-zuur, erotonolie, potasch en groene zeep. Te nauwe verwantschapsteelt , zeer nat en kond weer; hooge graden van koliek, en ziekten der baarmoeder en vruchtvliezen hebben mede verwerping tengevolge. Sommige merriën verwerpen regelmatig zonder dat daarvoor een oorzaak te vinden is; die neiging tot verwerpen schijnt ook erfelijk te zijn.
Ten slotte moet als oorzaak van abortus nog besmetting genoemd worden. Zoodra eene merrie gaat verwerpen, verwijdere men de overige drachtige merriën, zoo die er zijn, uit den stal; men verwijdere tevens de doode vrucht, en reinige en ontsmette den stal.
Is de merrie eenmaal bevrucht, dan hangt de ontwikkeling der vrucht, van het eerste oogenblik tot aan de geboorte toe, af van den toestand, zorg, verpleging en voedsel der merrie. In en door haar moet de vrucht geheel tot haar recht komen.
90
Daar nu eenc merrie geen zelfstandig handelend wezen is, maar geheel en al van den mensch afhankelijk is, zoo ligt het ook aan hem, de invloeden, die ten kwade kunnen werken, af te weren en zij, die ten goede komen, aan te wenden. Den meesten invloed van alles oefent wel het voedsel uit. Alleen uit het voedsel kunnen de bouwstoffen gehaald worden, die tot vorming van een normaal veulen moeten dienen. Men wil zelfs, dat de hoeveelheid voedsel invloed uitoefent op het voortbrengen van mannelijke of vrouwelijke dieren. Eene schrale voeding zou meest mannelijke, eene ruime voeding meest vrouwelijke veulens voortbrengen. Hoe dit echter ook zij, men moet niet vergeten dat voor de vorming van eene goede vrucht niet alleen tijd, maar ook kracht noodig is en dat de laatste alleen door eene goede voeding is te verkrijgen. De moeder moet haar kind kunnen voeden ; houdt men haar schraal, dan doet men aan twee individuen te kort.
Heeft zij alreeds voor eigen onderhoud te weinig, hoe zal zij dan iets aan hare vrucht kunnen afgeven ter volmaking daarvan?
Eene drachtige merrie moet dus eene behoorlijke hoeveelheid gezond en krachtig voedsel ontvangen.
Het beste krachtvoeder is haver, een weinig haksel daarbij is gewenscht, doch vooral geen haksel voor en haksel na, want daardoor wordt de buik te veel opgevuld en de plaats die de vrucht moet innemen verkleind. Dikwijls voederen en drenken met zuiver water, evenwel niet als dc merrie bezweet is, is zeer aan te bevelen.
Kort voor het werpen dient men wat kariger te voederen; de laatste week b.v. wat minder haver en de laatste dagen ook minder hooi.
Het vermengen van het voedsel met fijn krijt, beenderenmeel of andere in den handel voorkomende middelen tot bevordering der beenderenvonning van het veulen, is niet aan te bevelen. Ten eerste zijn zij niet alle onschadelijk en ten tweede werken zij vaak na-deelig op de spijsvertering.
Is de merrie altijd goed gevoed en verzorgd geweest en wordt zij, ook gedurende haren drachttijd, goed gevoed , dan heeft zij zulke middelen niet noodig. Het toedienen van zout kan alleen dienstig zijn. Zout bevordert de spijsvertering, is bloedzuiverend en levert niet licht bezwaar bij het te veel toedienen. Ook het gebruik van zoutliksteenen is aanbevelenswaardig.
Drachtige merriën kunnen in 't begin van den drachttijd haren gewonen arbeid verrichten; alleen dienen ze niet overmatig gebruikt
9i
te worden. Komen zij van den arbeid thuis, dan moeten zij niet dadelijk drinken. Eerst dienen zij wat bekoeld te zijn.
Allengs moet de merrie minder werk doen, geheele onthouding echter van den arbeid zouden wij niet durven aanbevelen, tenzij men daarvoor in de plaats stelle eene dagelijksche wandeling van minstens één uur.
HOOFDSTUK VII.
Geboorte van- en eerste zorg voor veulen eri moeder.
Als de drachttijd ten einde is, volgt het tijdstip der geboorte. Dit tijdstip wordt meestal enkele dagen te voren aangekondigd door verschillende verschijnselen, zooals het verslappen der kruis-
Fig. 6o.
spieren, het sterk spannen van den uier, en het daaruit droppelen van eenige melk, en soms ook door het optreden van eenige voorbereidende weeën. Alsdan wordt het tijd, als het niet reeds eerder
Normale ligging van het veulen in de baarmoeder kort voor de geboorte.
Fig. 59. Fig. 61.
is gebeurd, de merrie van de andere paarden te verwijderen en in eene afgeslotene ruimte te brengen, die zoo groot is, dat zij er
93
zich gemakkelijk in kan keeren en wenden, en waar zij een zacht leger vindt.
Over het algemeen duurt het dan niet lang meer of de tijd van geboorte breekt aan. De merrie wordt onrustig, trippelt heen en weer, legt zich telkens neer om spoedig weer op te staan. Zij verandert dikwijls van stand, trekt den staart krampachtig op zijde, ontlast dikwijls eenige mest en urine, wordt nat van zweet en kijkt telkens naar den buik, tot ze zich eindelijk voor goed neerlegt (slechts weinige merriën blijven in dien toestand staan) en onder heftig steunen en persen het veulen tracht te doen geboren worden. Bij de eerste krachtige weeën ziet men meest reeds de vruchtvliezen (waterblaas) te voorschijn komen in den vorm van eene roodachtige dunne blaas, die langzamerhand grooter wordt, eindelijk berst en haar glibberigen inhoud ontlast, wat niet weinig de geboorte vergemakkelijkt.
Hierop volgen dan de voorbeenen, waarop het hoofd gelegen is.
Dit is het pijnlijkste oogenblik voor de moeder; als het hoofd geboren is, volgt liet andere meestal gemakkelijker en zeer snel. Soms gebeurt het, dat het veulen geheel door de waterblaas omgeven ter wereld komt. Men moet dan oogenblikkelijk de vliezen verscheuren, daar het veulen anders zou stikken; want onmiddellijk na de geboorte moet het kunnen ademhalen. Soms ook berst die blaas te spoedig en wordt zoo haar glibberige inhoud te vroeg ontlast; de geboortedeelen worden dan te droog en de geboorte niet weinig bemoeilijkt.
Zoodra het veulen geboren en van de vruchtvliezen ontdaan is, moet de navel in orde gebracht worden. Is de navelstreng niet afgebroken, dan moet zij afgeknipt worden. Dit geschiedt op de volgende wijze:
Een kleine handbreed onder den buik onderbindt men de navelstreng met een dun bandje en knipt dan daaronder de navelstreng af. Het aangebleven einde verdroogt later en valt af. Evenzoo verdrogen ook de hoornachtige ballen aan de hoeven van het veulen en vallen mede af. Zij dienden bij het nog ongeboren veulen tot bescherming van inwendige organen der moeder en kunnen daarom, wanneer zij niet meer van dienst zijn, gemist worden. Evenwel mogen zij niet door den fokker verwijderd worden, maar men late dit aan de natuur over.
Zoodra alles bij het veulen in orde is gebracht, brenge men het voor de moeder, opdat deze het droog likke. Doet zij dit
94
niet uit eigen vrije beweging, dan bestrooie men het veulen niet zemelen, haver of iets anders, dat de moeder gaarne lust. Helpt ook dit niet, dan blijft er niets anders over, dan dat men zelve het veulen droog wrijve. Is het met alles zoo ver klaar, dan Iaat men de merrie opstaan, zoo zij dat niet reeds uit zich zelve heeft gedaan. Gewoonlijk komt dan de nageboorte. Men wachte zich daaraan te draaien of te trekken; dit kan beleediging van de baarmoeder ten gevolge hebben en onvruchtbaarheid voor het vervolg , zoo niet erger.
Een sterk veulen tracht al spoedig op te staan en zoekt dan den uier op. Gelukt dit niet dan helpe men het en brenge het aan den uier. Is de uier te sterk gespannen dan moet men eerst een weinig uitmelken, maar vooral niet te veel, want de eerste melk is door hare purgeerende eigenschap onontbeerlijk voor het veulen ter verwijdering van het darmpek.
Kittelige merricn zoekt men te winnen door ze zachtkens te streelen, kwaadaardige tracht men door gepaste tuchtmiddelen, b.v. door het opzetten van een praam , te dwingen hare veulens te laten zuigen.
Zoowel moeder als kind dienen bij de geboorte voor tocht bewaard te blijven.
Meestal is de geheele gebeurtenis met een half uur afgeloopen, en als de naweeën wat hevig zijn, nog vroeger.
In den regel brengt de merrie slechts één veulen ter wereld, tweelinggeboorten zijn zeer zeldzaam, en ook niet wenschelijk, daar ze meestal worden verworpen en worden ze al op tijd geboren, men toch maar zelden twee veulens bij ééne merrie ziet groot worden.
Afwijkingen op het normale verloop van de geboorte zijn over het algemeen zeldzaam, en daarom is het ook slechts zelden noodzakelijk daarbij hulp te bieden. Dit neemt echter niet weg, dat men op de merrie, welke verschijnselen van de naderende geboorte vertoont, voortdurend toezicht moet houden om bij de hand te zijn, teneinde als het noodig mocht zijn verloskundige hulp te kunnen verleenen. Is de waterblaas reeds eenigen tijd gebarsten en vordert de geboorte niet, dan onderzoeke men met den ont-blooten arm, na die rijkelijk met olie te hebben besmeerd , wat daarvan de reden zij. Ontdekt men nu dat eene verkeerde ligging van de vrucht daarvan de schuld heeft, dan is het de taak van een ervaren verloskundige daarin verbetering te brengen en het veulen te doen geboren worden. De eerste dagen na de geboorte
95
dient de merrie slap gevoederd te worden niet wat havermeel, zemelen, geurig hooi, enz.
Eerst na 4 a 5 dagen kan men krachtiger gaan voetieren en behoort men daarmede den geheelen zoogtijd door te gaan. Geeft de merrie geen melk- genoeg, dan geve men haar wat lijnzaad en late haar wat koemelk drinken.
Het kan gebeuren dat eene merrie, tijdens of kort na de geboorte, komt te sterven. In dat geval moet men eene andere merrie, eene min, voor het venlen zoeken; is daartoe geen gelegenheid, dan voedt men het veulen met koemelk op. De koemelk' moet dan om de twee uren bij kleine hoeveelheden te gelijk, liefst door denzelfden persoon gegeven worden, na eerst een weinig verdund en warm gemaakt te zijn als pas gemolken melk.
HOOFDSTUK VIII.
Behandeling van moeder en veulen gedurende de eerste vijf maanden.
Van de geboorte van het veulen af tot den tijd dat het voor goed van de moeder wordt gescheiden, moet de fokker op de drie volgende zaken letten:
a. Het jonge dier de moedermelk lang genoeg te doen genieten.
b. Zorgen, dat de merrie eene goede hoeveelheid goede melk geeft.
c. Het spenen zeer geleidelijk doen plaats hebben.
Zoolang het veulen nog in het lichaam der merrie vertoefde werd het gevoed door het bloed van de moeder, m. a. w. de voedingsstoffen , noodig voor den opbouw van het veulen, werden uit het moederbloed getrokken. De verhouding van de voedingsstoffen in het bloed is bijna dezelfde als die van de melk. Hoe nuttig dc biest (de eerste moedermelk) om hare laxeerende eigenschappen voor het veulen is, hebben wij reeds in het vorig hoofdstuk gezien.
De melk nu is, even als het bloed, rijk aan eiwitstoffen, eene stof zeer dienstig voor den bouw van zenuwen, pezen en spieren. Zij bevat ook de stoffen, noodig voor dc beenderen. Door geen andere stoffen is de melk te vervangen en alle mengselen die in hare plaats worden toegediend, kunnen niet anders dan schadelijk werken. Dit zoo juist samengestelde voedingsmiddel dient het veulen zoolang mogelijk te genieten, en het is eene onvergeeflijke fout van den fokker, zoo hij het veulen zoo vroeg mogelijk van de moeder tracht te verwijderen. De melk is het eenige voedsel, dat het veulen gedurende de eerste 4 a 5 weken gebruikt.
Zij is geheel voldoende voor de voeding en past volkomen voor de gesteldheid van de maag van het jonge dier.
Dc merrie die men in de eerste 4 a 5 dagen na de geboorte,
97
wat schraler dan gewoonlijk voedert, moet naar gelang haar veulen in krachten toeneemt en meer voedsel verlangt, ook meer haver hebben. Vele merriën, vooral jongere, geven niet de noo-dige hoeveelheid melk om het veulen krachtig te kunnen voeden ; daarom moet men dergelijke merriën krachtig voederen en bij eene slobbering van tarwezemelen, tevens eene goede hoeveelheid haver toedienen. Weldra begint zich nu bij het veulen het verlangen naar meer vastere stoffen te openbaren.
't Moet den rationeelen fokker dan ook een groot genoegen zijn te zien, hoe het reeds met de moeder mee begint te knabbelen, hier aan een strootje, daar aan een hooihalmpje, en hij is er op uit om het verlangen naar ander voedsel dan tot nu toe, op te wekken en te bevredigen. Hij plaatst daartoe een voederbakje voor het veulen in den stal, zoo ingericht, dat de moeder er niet bij kan. 't Is wel leelijk voor een moederpaard, haar kind te be-nadeelen, maar men bedenke, dat een paard geen mensch is. Uit dat voederbakje dan moet het veulen aan zijne behoefte naar voedsel kunnen voldoen, en daarin altijd haver vinden. Al etende leert het veulen haver eten en krijgt daaraan ook meer behoefte, naarmate de moeder minder melk geeft of uit is om te werken, en naarmate de maagwand van het veulen meer verdikt.
Natuurlijk behoort het veulen niet altijd bij den voederbak te staan.
Zoodra het weder het maar eenigzins toelaat gaan moeder en kind in de weide. Is die wei uitmuntend â de beste is niet te goed â dan vinden beiden daar een voortrefifelijk voedsel. Eene goede wei geeft aan het veulen een voedsel, dat de moedermelk zeer nabij komt, en eene speelplaats waarin het zijne dartelheid kan bot vieren, terwijl zij de moeder in staat stelt een goeden melk-voorraad van beste kwaliteit voort te brengen. Vooral het gras van Mei en Juni kan niet genoeg op prijs worden gesteld. In September en October is de kwaliteit heel wat minder. Hoe goed echter de weide ook is, toch moet het veulen niet uitsluitend in de wei groot gebracht worden. Op zoo'n jeugdigen leeftijd kan er nog weinig sprake zijn van het veulen te harden. Daarom behoort het veulen gedurende het eerste levensjaar bij voorkeur alleen des daags in de wei te zijn en des nachts binnen 's huis. 's Avonds op stal gebracht, moet het weer zijn bakje met eten vinden.
Ondertusschen heeft het veulen niet altijd het genoegen mogen smaken zijne moeder bij zich te hebben. Een paar weken na het
7
Handleiding Paardenfokkerij.
98
veulenen is de moeder reeds in staat wat licht werk te doen. Zij mag liet evenwel niet lang achter elkander volhouden, daar liet veulen het gemis van de moeder dan te veel zou gevoelen. Als de moeder voorloopig tweemaal daags een paar uren werkt, dan zullen beiden er niet veel hinder van hebben. In Zeeland volgt men het gebruik en ook elders ziet men het wel, dat men onder het werk het veulen met de moeder laat meeloopen, men verschaft daarmede het veulen dagelijks in de vrije natuur ook eenige be-weging , wat zeer nuttig en noodzakelijk is.
Is het werk niet heel ver van huis en behoeft het veulen daarom geen groote vermoeiende reizen te doen, dan is dit een zeer goede maatregel.
Komt de moeder bezweet van het werk bij haar t'huis gelaten kind terug, dan moet zij eerst wat uitdampen eer zij â of het veulen â iets ontvangt, 't Is goed de merrie dan wat uittemelken voor het veulen aanvalt. Komt de merrie niet bezweet thuis, dan is het nog niet geraden het veulen maar zijn gang te laten gaan. Het heeft dan dorst en zou zonder ophouden kunnen doordrinken , wat niet goed te keuren is. Een paar keer met de hand over den neus van het veulen te wrijven is voldoende om het even te doen ophouden.
Zoo langzamerhand heeft het veulen den mensch reeds eenig vertrouwen geschonken. Dit is evenwel voor eene latere dressuur niet geheel voldoende. Men moet trachten het veulen geheel vertrouwelijk met den mensch te leeren omgaan; daartoe is evenwel eene groote mate van geduld noodig.
Men geve evenwel den moed niet te spoedig op. Om te beginnen , trachte men het veulen een zachten halster aan te doen. Is dit gelukt, dan heeft men altijd eene geschikte plaats waar het veulen kan vastgehouden worden, echter mag het nog niet met den halster worden vastgebonden. Langzaam aan en ongemerkt leert men het veulen alles verdragen. Men begint met hem hier en daar te betasten; eerst op die plaatsen waar hij het minst gevoelig is en eindelijk op andere lichaamsdeelen, zoodat hij gewend wordt, dat men hem overal betast. Het heeft dan ook al den roskam en liet wrijven met eene stroowisch leeren verdragen. Het moet den poot leeren oplichten en verder alles wat later dienstig kan zijn. Zeker zal het den fokker genoegen doen, als hij alleen, zonder hulp van anderen, alles van zijn veulen kan gedaan krijgen.
Is het veulen vóór het spenen aan al deze handelingen gewoon geraakt, dan valt de latere verdere dressuur zooveel te gemakkelijker.
99
Is het veulen reeds sinds eenigen tijd gewend dat de moeder dagelijks eenige uren werkt, dan valt eindelijk het spenen, waarbij het voor goed van de moeder wordt gescheiden, niet meer zoo zwaar.
Het spenen , wij hebben er reeds op gewezen, dient niet te vroeg te geschieden. Het veulen dient eerst 5 maanden oud te zijn, soms kan het wat vroeger, maar soms ook moet het wat later plaats hebben.
Is de merrie weder drachtig en moet zij veel werk verrichten, dan zal hare hoeveelheid melk zeer verminderen. Is bovendien het veulen goed gezond, verkeert het in een goeden voedingstoestand, is het in staat genoeg vast voedsel te gebruiken en te verteren, dan is er geen bezwaar het spenen reeds iets vroeger te doen plaats hebben. Het kan daarentegen ook zijn, dat de moeder zeer meikrijk blijft, het veulen maar zwak of ziek is , het jaargetijde guur en koud en dan zou het dwaasheid zijn, het veulen van de moeder te nemen.
In den natuurstaat spenen de dieren zelf hun jong. Zij hebben het langzamerhand leeren eten, wat zij elf eten, en zien zij dat de jongen daarvan kunnen blijven bestaan, dan stooten zij hun kind af, als het langer komt zuigen.
Bij onze landbouwhuisdieren is dit geheel anders.
Vooral in stoeterijen, waar het jong nog nimmer eenige uren van de moeder is verwijderd geweest, valt het spenen niet zoo gemakkelijk. Bij den landbouwer waar de moeder meermalen daags afwezig is, kost het spenen minder moeite. Toch vereischt het ook daar eene bijzondere zorg. Langzaam aan moet het veulen aan de moeder ontwennen en deze laatste van haar kind. Even langzaam moot de maag van het veulen gewennen aan vast voedsel; eene geleidelijke overgang moet bij alles regel zijn.
Men beginne het spenen met het veulen dagelijks iets langer van de merrie verwijderd te houden, eerst eenmaal, later tweemaal daags, en eindelijk ook des nachts; ten laatste onthoude men het geheel. Men geve van den beginne af, ter vergoeding voor de te ontbeeren moedermelk, dagelijks bij de haver eene slobbering van 3'U K.G. gerste- of roggemeel. Met die slobbering houde men vol en geve allengskens wat meer haver en tevens goed fijn en geurig hooi, totdat het veulen op een rantsoen is gekomen van 1'/2 K.G. haver, 2'^ K.G. hooi en wat boonen als toegift.
Natuurlijk zijn er die dezen voedingsregel niet volgen, maar die van den beginne af het veulen zooveel haver en hooi geven
lOO
als het verlangt en dan plotseling tot spenen overgaan. Anderen geven het veulen eene vergoeding voor het gemis der moedermelk, in den vorm van koemelk. Men geeft dan de melk in den beginne een weinig verdund, 2 a 3 maal daags, en daarbij haver naar verkiezing.
Wij willen op deze methoden niets afdingen, maar meenen toch de onze boven deze te mogen aanbevelen, omdat zij naar ons gevoelen meer met de natuur en met eene goede gezondheidsleer overeenkomt.
HOOFDSTUK IX.
Verdere opvoeding en africhting van het veulen
De geheele paardenfokkerij kan in twee groote deelen gesplitst worden :
a. Keuze der fokdieren en paring daarvan;
b. Opfokking van het daaruit verkregen veulen.
De eerste baan is bij de geboorte van het veulen afgelegd , de tweede begint daarmede. Deze laat zich verdeden in twee tijdvakken : den tijd vóór- en na het spenen.
Wij hebben het eerst bedoelde tijdvak, den tijd vóór het spenen reeds mede door gemaakt, ons rest nu den tijd na het spenen te bespreken en wat daarin voor den fokker valt te doen. Wij beginnen met er aan te herinneren, dat een goed veulen komt van goede ouders, maar een goed paard door den fokker, of m. a. w. uit de haverkist.
Al is het veulen ook uit de beste ouders verkregen, al kan men ten opzichte daarvan bogen op een schoonen stamboom, al is het onder de gunstigste omstandigheden geboren, toch zal het zijne goede eigenschappen, die reeds aanwezig of als kiem in hem zijn gelegd, niet behouden of ontwikkelen, zoo aan zijne voeding en opvoeding niet zorgvuldig de hand wordt gehouden.
De beste veulens kunnen door slechte voeding en verpleging verwaarloosd en bedorven worden , en wat het ergste is , dit is nooit meer goed te maken.
De jeugd is het gewichtigste tijdperk tot vorming van liet aankomende paard. Dan moet er volgens een vast plan gewerkt worden , waarvan men nooit mag afwijken. Denkt de fokker, dat hij reeds genoeg gedaan heeft met eene goede keuze van fokdieren, dan kan het zijn dat hij later niets dan tegenspoed ondervindt en dat menig veulen van heel wat slechtere afkomst, den welgeborene vooruitsnelt.
I02
In de jeugd heeft men het in zijne macht kleine onvolkomenheden op te heffen en aangeboren goede eigenschappen te ontwikkelen. Dit gaat evenwel niet zoo vlug, want de weg dien men af moet leggen, is lang, maar komen zal men er, als men maar recht op zijn doel afgaat. Ook is de weg niet gemakkelijk; 't opfokken, 't is reeds meermalen gezegd, is eene groote kunst. Wel valt het niet moeilijk een veulen tot een paard te laten komen, dat kan iedereen die maar zorgt, dat het niet verhongert.
Maar van een goed veulen een goed paard te maken, een paard dat de kosten en moeiten der opvoeding loont, wij zeggen het nog eens, dat is eene groote kunst.
Twee zaken beheerschen de heele rationeele fokkerij; voeding en dressuur.
De eerste staat in nauw verband tot den groei, de lichamelijke -â⢠de tweede tot de intellectueele, de verstandelijke ontwikkeling.
Groeien, lichamelijk ontwikkelen is alleen mogelijk, als er eene toereikende hoeveelheid bouwstoffen, door het voeder, in het lichaam worden gevoerd. De groei wordt dus bevorderd door goede voeding.
Niet minder echter draagt daartoe ook bij , de inademing van zuivere frissche lucht en vrijheid van beweging. Wij zouden haast zeggen, frissche lucht en beweging zijn meer noodig dan voedsel, want vergelijk maar eens twee veulens met elkaar, het eene, dat gedurende den winter goed gevoed is, maar in een onfrisschen stal zonder eenige beweging heeft moeten verblijven, en het andere, dat minder goed gevoed is maar veel beweging in de vrije natuur heeft gehad. Het eerste kan dik en rond zijn, maar is slap en wordt dikwijls en spoedig ziek, of krijgt beengebreken Het andere daarentegen kan misschien mager schijnen, maar is taai en vlug, en voorzien van harde vaste spieren en solide beenderen.
Beweging in de vrije open lucht is absoluut noodzakelijk voor de gezondheid, en voor de geregelde goede ontwikkeling van beenderen, spieren en inwendige organen. Breng daarom uwe veulens gedurig, zoo mogelijk gansche dagen, in de frissche, niet metstal-dampen bezwangerde lucht. Een veulen dat in den stal gehouden en sterk met graan gevoederd wordt zonder daarbij gelegenheid te hebben in de open lucht rond te kunnen loopen, is gelijk aan eene plant, gekweekt in eene warme kas, eveneens zonder kracht of macht en niet gehard tegen invloeden van elders. Laat ze dan rondloopen, uwe veulens, laat ze spelen, zich wentelen, laat ze rollen en tuimelen , opdat hunne spieren tot het uiterste ingespan-
103
nen worden en zich kunnen uitrekken. De longen zullen zich daarbij zoover mogelijk uitzetten, de ademhaling vrijer worden, het bloed zal door het aderennet krachtiger stroomen, en de hartslag sterker zijn.
Natuurlijk moet men de zaak niet overdrijven en niet meenen, dat men bij frissche lucht en goede beweging het veulen wel aan eene hongerkuur kan wagen, dit zou even nadeelig zijn als een voortdurend op stal staan, bij rijke voeding. Een half verhongerd en daardoor in zijn groei teruggebleven dier, zal nooit een zoo volkomen ontwikkeling meer krijgen als een, die goed gevoed en zorgvuldig behandeld is geworden.
Het paard groeit slechts over weinige jaren van zijn leven; zelfs is uit verschillende metingen gebleken, dat de groei van jonge paarden vermindert naarmate zij ouder worden.
Een goed gevoed veulen bereikt in het eerste levensjaar dee-len, in het 2de deel, in het 3de '/s gt; en i'1 het 4lle jaar deel van zijn volwassen hoogte. Hieruit blijkt, dat het veulen in zijn eerste jaar meer groeit, dan in de andere te zamen. De grootste groeikracht nog wel, heeft het veulen de eerste 3 a 4 maanden. Het kan dan wel eiken dag één K.G. zwaarder worden. Na de vierde maand , tot op den leeftijd van 1 '/2 jaar, bedraagt de gemiddelde gewichtsvermeerdering ^ K.G. daags. Van dien tijd af tot op driejarigen leeftijd , '/, K.G. Na dien tijd is de gewichtsvermeerdering zeer gering.
Uit deze opgaven blijkt ons ten duidelijkste de groote invloed die eene goede voeding in de jeugd, op het paard kan uitoefenen; immers, waar zooveel gewichtstoename kan plaats hebben, daar moet ook de toevoer van voeder daaraan gecvenredigd zijn.
Welk voedsel dient men nu aan het gespeende veulen te geven ?
Wij antwoorden: haver en hooi, en hooi en haver, niets anders.
Wel zijn er surrogaten, ander voedsel, dat bij gebrek aan haver en hooi deze kunnen vervangen, maar men vergetequot; nooit, dat geurig fijn hooi, jong gemaaid en goed gewonnen, niet van lage zure landen, maar van hooge kleilanden en frissche blanke haver, het paardevoeder is bij uitnemendheid.
De hoeveelheid haver die men dagelijks moet toedienen, wordt zeer verschillend opgegeven.
In de stoeterij Trakhenen voedert men wel tot 7 K.G. Deze hoeveelheid zou echter in onze streken en voor onze paarden veel te duur komen. (')
(') Van Bijlevelt.
io6 \
het zich kunnea bewegen, draven , galop;;eeren , stoeien , springen of wat ook; daardoor wordt liet stofverbruik vermeerderd, de behoefte aan voeder grooter, de gezondheid verbeterd en het ge-heele individu gehard.
Heeft het jonge paard zich zei ven geoefend in de wei, de mensch moet het meer bijzonder oefenen en volmaken.
Wij hebben er reeds op gewezen wat de fokker al vóór het spenen kan tot stand brengen; nu ga hij verder. Aan het halster waaraan hij reeds gewend is, verbindt men een riem of eene lijn, om het veulen te brengen waar men het hebben wil. De eerste lessen worden nu gegeven in stappen, eerst aan de zijde van een ander vertrouwd paard, dat hij de kunst kan afzien, en dat wordt zoo lang herhaald tot hij zijn lesje kent en het alleen kan doen. Men legt hem op stal het tuig op en het gebit aan en leert hem zoo daaraan te gewennen.
Dan gaat men met hem, opgetuigd, naar buiten en leert hem de strengen verdragen door deze langs de achterbeenen te laten afhangen. Eenige malen per week neemt men de beenen op, krabt de hoeven uit, klopt er met een hamer tegen en tracht hem zoo in alles mak te maken. Men leert hem bruggen zien en pas-seeren, schepen, stoombooten, spoortreinen, stoom-tram's, hondenkarren en andere vreemde voertuigen.
't Wordt nu ook tijd de jonge hengsten, die men niet voor de teelt wil aanhouden, te castreeren, tenzij men deze eerlang in den handel wil brengen, waar b.v. naar Engeland, althans voor de zwarten, altijd wel gelegenheid is. Den juisten tijd daarvoor aan te geven is niet gemakkelijk. Het ligt er ook maar aan tot welken dienst het paard bestemd is. Zal het jonge dier later voor trekpaard dienen, dan behoeft het niet zoo vroeg gecastreerd te worden. Moet het evenwel als rijpaard dienst doen, dan zou het een te zwaren hals krijgen als men niet vroeg genoeg tot die operatie overging, 't Komt ons voor, dat het in het 2de jaar moet plaats hebben, het paard heeft dan kracht genoeg en het lijdt er het minst onder.
Langzamerhand begint men het jonge paard nu ook aan werken te gewennen. Daarmede moet men echter omzichtig te werk gaan ; men late het dier trekken , dat is beter dan dragen. Een jong paard is in den regel vurig van aard en wil gewoonlijk meer doen dan het eigenlijk kan. Onnadenkende fokkers meenen- dan, dat het
io7
ditr het gemakkelijk kan doen, en gebruiken het vandaag hiervoor en morgen daarvoor en al heel spoedig overal voor.
Een jong paard mag niet zwaar trekken, het moet slechts leeren trekken, leeren aan de zijde van een oud bedreven paard. Men ga daarbij steeds met geduld, liefde en zachtheid te werk, nooit zij men wreed of hard tegen het paard en kastijde het nimmer, als het geen kastijding heeft verdiend. Moet men soms een onwillig paard tot gehoorzaamheid dwingen, dan doe men dat met zachten ernst, maar tevens met beslistheid. Nooit sla men er onbesuisd op in met stokken en struiken, het allerminst vóór- of tegen het hoofd. Meent men lichamelijk te moeten straffen, dan zij daartoe de praam of de karwats het werktuig, met welke laatste men een paar slagen toedient over den rug of om de billen.
Het zij den bewerker dezer handleiding vergund, hierbij nog een tuchtmiddel aan de hand te doen, geheel op eigen ervaring gegrond , en dat hem nimmer in den steek heeft gelaten.
Dat tuchtmiddel bestond in tijdelijke onthouding van voedsel en drinken, na het onwillige dier eerst op eene donkere plaats in den stal te hebben vastgebonden. Na het zoo een uur te hebben laten vasten, werd het weer tot den arbeid geleid en was het dier dan nog onwillig, dan werd andermaal die maatregel toegepast en zoo meermalen, als het bleek noodig te zijn. Zijn stelregel bleef: die niet werkt zal ook niet eten.
Legde eindelijk het paard zijne kopppigheid af en begon het gewillig te werken, dan mocht dit niet lang duren, een half uur hoogstens, en vond het paard daarna eene rijke belooning in keur van voedsel en drinken.
HOOFDSTUK X.
Stalling, voedsel, en verzorging van den hoef, (hoefbeslag).
De stal. (')
Aan een goeden stal worden de volgende eischen gesteld:
a. Hij moet goed verlicht zijn en geventileerd kunnen worden, zonder tocht.
b. Hij moet met zuivere lucht gevuld zijn, van eene goede temperatuur.
c. Hij moet voldoende ruimte bezitten en van boven gedekt zijn.
d. De bodem moet ondoordringbaar zijn voor vocht en lucht en de noodige helling tot afvloeiing bezitten.
Zorgen wij over het algemeen dat in onze woonhuizen zooveel mogelijk licht en lucht quot;kunnen binnen dringen, niet minder is zulks noodzakelijk voor den paardenstal.
Vele stallen zijn slechts voorzien van een of twee vensters van zeer kleine afmetingen en zijn daardoor van binnen veel te somber, waardoor de opgewektheid, de energie der paarden niet in de hand wordt gewerkt.
De eenige ruime licht- en luchtstroomen, die somtijds den stal binnendringen, vallen in bij het openen der deuren.
Dat deze plotselinge overgang van het half duister tot het volle licht, gezwegen nog van de tocht, niet ten voordeele werkt, behoeft zeker geen nader betoog.
Een stal behoort van goede ruime vensters voorzien te zijn, die voldoende licht en als het noodig is, lucht inlaten zonder tocht te veroorzaken.
Daartoe kunnen zoogenaamde tuimelramen dienen, die zoodanig
(') Met de omschrijving van den stal wordt een maximum bedoeld, dat n.1. kan worden gewijzigd, naarmate verschillende omstandigheden zulks vorderen.
log
geplaatst zijn, dat het licht niet in de oogen valt. 't Best is dus van achteren, zoo mogelijk in 't Oosten of Westen. In 't Zuiden kan vooral des zomers de zon zeer hinderlijk zijn, in 't Noorden de koude noordewind. Voor luchtverversching kan men ook dicht bij den zoldering luchtgaten maken, die door middel van eene schuif, naar verkiezing geopend en gesloten kunnen worden. Een venster of luchtgat mag niet lager staan dan het paard; het beste is, dat zij van matglas voorzien zijn tot tempering van te helle lichtstralen.
Ventilators boven door het dak, kunnen ook zeer goed dienst doen; zij bestaan uit luchtkokers, waarvan men slechts cén behoeft te plaatsen midden in den stal. Over het algemeen dient men te zorgen, dat er eene luchtstroom naar boven kan ontsnappen; wij bedoelen het ammoniak gas, dat is die scherpe lucht, die hoofdzakelijk uit de urine opstijgt en ons vaak bij het binnenkomen van een stal tegemoet komt en voornamelijk op de slijmvliezen der oogen inwerkt.
Om die gassen van boven te doen ontsnappen, dient er van beneden frissche lucht in den stal aangevoerd te worden en daarom moeten van onderen in den buitenmuur der stallen luchtgaten aangebracht worden, waardoor de frissche lucht kan binnenstroomen. Lucht , frissche lucht, daaraan hebben onze paarden op iederen leeftijd behoefte. Ze is zelfs dringender noodig dan voedsel, want zonder lucht kan een dier niet leven, het sterft onmiddellijk, zonder voedsel leeft het nog 10 a 14 dagen voort. Een ander bewijs voor de hooge noodzakelijkheid van gezonde lucht bewijst het feit, dat in de stallen onze paarden dikwijls ziek zijn en vooral lijden aan ziekten der luchtwegen, terwijl zij in de weide bijna nooit ziek zijn; ja wat nog sterker is, wij zenden dergelijke zieken naar de weide om te herstellen.
Hoe menig paard is reeds voor zijn geheele leven blijven hoesten, hoe menigeen dampig geworden; hoe velen hebben stillen kolder gekregen, alleen door voortdurend te staan in slecht geventileerde stallen.
Behalve op eene goede ventilatie, moet men ook nog letten op eene goede temperatuur.
Een paardenstal behoort niet te koud te zijn, maar vooral ook niet te warm; dit laatste vooral dan niet, als de paarden bij alle weer en wind uitgehaald worden om dienst te doen. Eene warmte van 10â120 Celsius is dan ook voldoende in den winter.
no
Ook is het noodzakelijk dat er voor de paarden voldoende ruimte in den stal zij; staan ze tusschen beschotten, dan mag ieder voor zich wel eene breedte hebben van 1.50 tot 2 Meter, tusschen latierboomen kunnen ze het stellen met 1.25 tot 1.75 M. De lengte der standplaatsen moet nagenoeg 3 M. zijn, en de breedte van het gangpad achter de paarden 2 M., opdat men ongestoord achter de paarden kan loopen.
Zijn de standplaatsen zoo groot als wij hier hebben opgegeven, dan zullen de paarden eenen voldoenden luchtvoorraad vinden, zoo de zolder 3 M. van den stalbodem verwijderd is.
Staan de paarden dichter op elkander, zooals helaas bij vele landbouwers-paardenfokkers het geval is, en waar de beperkte ruimte ook geene verbetering toelaat, zelfs niet omhoog, daar dient men voor eene geregelde goede ventilatie zooveel te meer zorg te dragen.
De staldeuren moeten breed en hoog zijn en de deurkozijnen van ronde hoeken voorzien, opdat de paarden als ze uit- of ingaan zich de heupen niet afstooten of zich anders bezeeren.
De beschotten tusschen de standplaatsen der paarden, behooren bij de ruif hooger te zijn dan van achteren, waar eene hoogte van ruim een meter voldoende is te achten.
Tusschenschotten is de beste afscheiding, maar ook de duurste; heel wat goedkooper zijn de latierboomen. Toch kunnen deze ook zeer goed zijn, zoo zij maar op eene goede wijze vastgemaakt zijn. Hetzij de latierboomen aan latierpalen zijn bevestigd, of aan kettingen hangen, in ieder geval moeten zij gemakkelijk uitgenomen kunnen worden, zoo de paarden er over heen of er onder geraken.
Een goede stal behoort gedekt te zijn, wil er 's winters eene gelijkmatige warmte heerschen; 't is ook zeer bevorderlijk aan de zindelijkheid van den stal en bovendien kan dan boven den stal beter hooi of ander voedsel bewaard worden, daar dit dan niet heeft te lijden van de uitwaseming der dieren.
De vloer van den stal moet water- en luchtdicht zijn, opdat er geen urine (pis) in doordringe en er van uit den bodem geene na-deelige en stinkende gassen omhoog stijgen. De beste vloer is dan ook die , welke bestaat uit hardgebakken klinkers op den kant in cement gelegd. Maakt men gemetselde vloeren in stallen, dan wijzen wij er hier met nadruk op, dat het sterk af te keuren is, die vloeren onder eene sterke helling te leggen. Men doet dat
111
soms opdat de urine dan gemakkelijk afvloeit en toch is het hoogst nadeelig voor den gezonden toestand der beenen, Vaak ziet men dan ook die paarden uit hun vak (standplaats) zoover achteruit treden als hun halsterketting dit toelaat; zij doen dit om aan die helling te ontkomen. Het beste en gemakkelijkste zou voor de paarden zijn, de vloer geheel waterpas te leggen, maar dan zou de urine niet voldoende kunnen afvloeien; men geve dan slechts â¢eene helling van 5 cM. van voren naar achteren gerekend. Achter de standplaatsen moet men eene niet te diepe goot maken, om mest en urine naar buiten te kunnen vegen en met water na te spoelen.
Nooit moet men in een stal een riool onder den grond maken; al wat daarin geveegd wordt gaat daarin rotten en tot ontbinding over, en de schadelijkste gassen stijgen uit zoo'u riool op, waardoor de paarden gemakkelijk ziek kunnen worden. Reinheid en zindelijkheid, hoe dan ook de stallen zijn ingericht, blijven altijd de eerste zorgen van den fokker.
Daarom zij er ook altijd voldoende stroo tot strooiing in of bij den stal aanwezig, Wel worden er ook vele andere strooisels geroemd en aanbevolen, onder anderen turfmolm en wij willen de waarde daarvan niet verkleinen; toch blijft stroo het strooisel bij uitnemendheid. Stroo is hol en kan daardoor veel vocht opnemen, en daarbij gaat het ook niet gauw rotten; voor de hoeven kan men geen beter strooisel vinden; rogge- en tarwestroo zijn nog wel de beste.
Heeft men slechts weinig stroo ter zijner beschikking dan kan het gebruikte over dag weer gedroogd worden, nadat het vuile er uit verwijderd is, om het daarna weder te gebruiken.
De kribben kunnen zijn van hout, steen, ijzer of cement. Hout is niet verkieslijk, het gaat licht rotten en wordt door de paarden te veel beknabbeld. Door beslaan met plaatijzer of zink gaat men dit wel tegen, doch dit geeft weer licht aanleiding tot verwondingen. Hardsteen is zeer goed, doch tamelijk duur. Cement is ook goed, maar men geeft aan ijzeren kribben de voorkeur, omdat ze duurzaam zijn en licht gereinigd kunnen worden. De kribben moeten van binnen niet hoekig maar afgerond zijn; het paard kan eene rondhoekige krib beter leegeten cn deze kan ook gemakkelijker schoongemaakt worden. Zij moeten verder zoo ingericht zijn, dat ieder dier eene afzonderlijke afdeeling heeft.
De hoogte van den bovenrand der krib tot den stalvloer moet omstreeks 1.10 M. zijn, voor veulens nog lager; te hoog is lastig.
I 12
vooral voor jonge dieren. De afstand van de kribbe tot aan deit vloer, moet dicht gemaakt zijn en schuin van boven naar voren en beneden loopen.
Voor ruiven neemt men het liefst ijzer. De ijzeren korfruif is best, als de tralies ongeveer 5 cM. van elkaar verwijderd en niet te sterk gewelfd zijn. Zij mag hoogstens 20 cM. boven de krib geplaatst worden; tegenwoordig plaatst men ze veelal onmiddellijk op de krib. Hooge ruiven zijn lastig voor de paarden om het hooi er uit te krijgen, zij krijgen daarbij veel hooizaad en stof op het hoofd en in de oogen, wat n.1. tot oogziekten aanleiding geven kan. Voor veulens vooral zijn ze, om reeds bekende redenen, ten strengste aftekeuren.
Tot bevestiging der paarden heeft men liefst een klos onder aan het touw of aan den ketting, welke laatste door eenen ring loopt, zoodat die klos met elke beweging van het hoofd des paards al naar gelang dier bewegingen , op- of nederwaarts gaat en het touw of den ketting steeds gespannen blijft, zoodat het paard er niet gemakkelijk met den voet overheen komt. Veulens of jonge paarden laat men het liefst in een box loopen, zoo daartoe gelegenheid is.
Het voeder.
De wijze waarop gevoederd moet worden, de hoeveelheid van het toetedienen voedsel, alsmede de verhoudingen der voederstoffen in het toetedienen voeden, in 't kort de voedingsleer, is eene wetenschap , die ieder veehouder zich moest trachten eigen te maken. Hoewel geen gemakkelijke, is zij toch eene aangename studie, die met de practijk hand aan hand gaande, een ruimen blik doet slaan in de verrichtingen en behoeften van het dierlijk lichaam en den weg aangeeft, welke moet worden gevolgd om zijn vee goed en voordeelig te voederen.
Aangezien echter de behandeling van dit onderwerp in zijn ge-heelen omvang buiten ons bestek ligt, daar wij slechts spreken tot den practischen landbouwer-paardenfokker en niet tegen den theoreticus , willen wij hier en daar slechts eene greep doen en ons gevoelen in eenige vaste regels uitspreken, welke wij nader zullen verklaren.
Haver is het beste voedsel voor paarden; wel kan het gedeeltelijk door een ander voedsel vervangen worden, toch is de
i13
gunstige werking van haver als voedingsmiddel, al sinds eeuwen bekend en thans is er nog niemand die daaraan twijfelt. Het is dan ook ongetwijfeld het beste krachtvoeder, dat er bestaat.
Haver bevat gemiddeld 12 procent eiwit, 6 proc. vet, 56 proc. suikerachtige stoffen, 3 proc. minerale bestanddeelen, 12 proc. cellulose en het overige water.
Haver verteert het snelst van alle graansoorten; reeds 2 uur nadat zij gegeten is, is de haverkorrel door het maagsap bijna geheel verteerd. Het is ook daarom voor paarden zoo'n uitstekend voedsel, omdat het in kleine hoeveelheden reeds eene groote kracht representeert, iets wat het paard zeer noodig heeft, vooreerst , omdat het, naar evenredigheid van het lichaam, eene kleine maag heeft, ten anderen, omdat het voedsel er niet lang in blijft, hoogstens 4'/4 uur; en eindelijk, omdat het volwassen paard, door het gebruik dat wij er van maken, in den regel niet veel tijd gegeven wordt om te eten. Het komt er dus op aan het paard een weinig omvangrijk, zeer snel verteerbaar en toch hoogst krachtig voedsel toe te dienen. Aan al deze eigenschappen beantwoordt de haver volkomen. Bovendien komt er nog dit bij, dat paarden gaarne haver eten en men er zelfs zeker van kan zijn, dat, indien zij de haver laten liggen, hunne gezondheid gestoord is. Men geve dan ook de haver aan het veulen vanaf zijn 5du levensweek en aan het paard tot aan den hoogsten ouderdom.
Dat haver veulens zoogenaamd branderig zou maken, is een zeer misplaatst denkbeeld.
Haver geeft kracht en sterkte, voedt voldoende, zonder dik en vet te maken.
Haver bevat in zich voldoende hoeveelheid phosphorzure zouten voor de beenvorming der jonge dieren, zoodat ze de verschillende beengebreken tegengaat, veeleer dan dat ze die zou bevorderen , zoo als wel eens ten onrechte wordt beweerd.
Haver geeft nooit aanleiding tot trommelzucht, of tot digestie-stoornissen. Bij havervoedering behoort echter eene flinke beweging en zoo men die niet toepast, ziet men er al spoedig nadeelen uit ontstaan. Die beweging hebben veulens bovendien strikt noodig, willen zij goed opgroeien, en volwassen paarden hebben die evenzeer noodig, willen zij gezond blijven. Een beter voedsel voor paarden kennen wij niet.
Daar er echter verschil is tusschen haver en haver, kieze men
8
Handleiding Paardenfokkerij.
114
bij voorkeur die haver, welke dikke, korte korrels heeft niet een dunnen bast en een soortgelijk gewicht; niet beneden de 45 kilo per Hectoliter.
Haver moet blank zijn, stroogeel van kleur, zonder reuk, zonder stof, zonder zwarte punten of vlekken; het meel moet op de breuk wit zijn en eenige haverkorrels in den mond genomen moeten den smaak van hazelnoten geven. Verder moet haver vrij zijn van vreemde zaden, niet schimmelig en niet duf.
De hoeveelheid die men aan paarden geven kan verschilt zeer. Wij zouden aanraden aan veulens van eenige maanden oud 1 a 1 '/j Kilo per dag te geven, aan veulens van 1âa'j jaar 2,/j a 3 Kilo per dag. Paarden die licht werk doen geve men 4 a 4'l2 Kilo per dag,; voor zwaar werk 6 a 6 '/a Kilo per dag, harddravers en renpaarden, als zij in training zijn, 6 a 8 Kilo per dag. Men geve de haver in eenige portion verdeeld, b.v. 3 a 4 maal per dag en dan liefst zoodanig te verdeelen, dat des avonds de grootste portie gegeven wordt.
Zal de haver werkelijk nut doen, dan moet zij heel gevoederd worden.
Fijn malen van graan is wel bevorderlijk voor de vertering, voor dieren die te gulzig eten en ongekauwd doorslikken, maar paarden met een goed gebit behooren de haver te kauwen, waardoor er groote speekselafscheiding plaats heeft en de vertering zeer bevorderd wordt.
Bonte- of zwarte haver is evengoed als zoogenaamde blanke, men lette er echter op, dat zij zonder reuk zij, want de' ervaring heeft geleerd, dat zij spoediger duf wordt dan andere (').
Gerst bevat aan eiwit 11, aan vet 2, aan suikerachtige stoffen 66, aan cellulose 5, aan minerale bestanddeelen 2 en aan water 14 procent. Het staat als krachtvoeder beneden haver, het werkt evenwel meer vet aanzettend. Ook wordt gerst moeielijk gekauwd, en gaat in het darmkanaal in zure gisting over. Men vervangt soms de helft van het haverration door gerst. Bij verkoudheden geeft men wel gekookte gerst, die zeer slijmig is, en daarom verzachtend op het keelslijmvlies werkt.
De bolster van de gerst, die overblijft na de bereiding van geparelde gort, wordt ook wel gevoerd; het bestaat uit de zaadhuid
(') Zie artikel over haver in Hippos 1893, No. 8.
IIS
en de buitenste laag van den korrel. Die buitenlaag bevat meer eiwit dan de binnenste lagen, het is daarom een goed voeder.
Gerstemeel heeft eene stoppende werking.
Rogge bevat aan eiwit 12 , aan vet 2 , aan suikerachtige stoffen 66 , aan cellulose 4 , aan minerale bestanddeelcn 2 en aan water 14 procent. Dit graan is wel een goed krachtvoeder, doch het is moeilijk verteerbaar, verzuurt spoedig en werkt verhittend.
Na het voeren van veel rogge kan koliek, verstopping en opgeblazenheid ontstaan. De korrels worden weinig gekauwd , blijven lang in het darmkanaal en zwellen daarin sterk op. Hiervan kan zelfs maagbersting het gevolg zijn.
Bij zeer zwaren arbeid kan evenwel rogge gevoerd worden, en dan b.v. de helft van het ration haver vervangen. Men laat het evenwel vooraf de eene of andere bereiding ondergaan, b.v. weeken of koken en voert het dan met haksel. Veel beter is het het tot brood te bakken. Roggemeel met gebroken boonen half om half en door elkaar gebakken, geeft een heerlijk brood, dat een deel van de haver kan vervangen. Roggezemelen bevatten veel cellulose en zijn moeilijk verteerbaar. Paarden hiermede gevoerd zijn altijd slap.
Tarwe bevat aan eiwit 13 , aan vet 2, aan suikerachtige stoffen 66, aan cellulose 3 , aan minerale bestanddeelen 2 en aan water i4 procent. Dit graan in zijn geheel, werkt zeer vet aanzettend.
Meer gebruik maakt men van de tarwe-zemelen, die veel meer eiwit en minder zetmeel bevatten, en tevens veel goedkooper zijn. Dit is een zeer goed voedsel, maar het mag niet op den duur gegeven worden; dan werkt het verslappend op het darmkanaal. Men maakt van de zemelen met water eene slobbering, die eene laxeerende werking heeft. Zulk eene slobbering een a tweemaal 's weeks gegeven is zeer goed voor paarden die veel zwaar voedsel gebruiken. Men geeft het dan op dagen, dat niet of minder gewerkt wordt, b.v. 's Zondags en vermindert dienovereenkomstig het rantsoen haver of ander krachtvoedsel.
Mats bevat aan eiwit 10, aan vet 6, aan suikerachtige stoffen 61, aan cellulose 8 , aan minerale bestanddeelen 1 en aan water 14 procent. Dit graan bevat te weinig eiwit om een krachtvoedsel te zijn. Het is verder moeielijk te kauwen en moeielijk verteerbaar. Grof gebroken
116
cn met water en haksel gegeven, kan het goed werken. Ook maakt men er paardenkoeken van , waarin de mais gemengd is met boenen en haver. Door het voeren van veel mais worden de paarden wel vet, doch tevens slap. Wil men zijn paard naast kracht, een welgedaan voorkomen geven, dan is een mengsel van '/.i mais en 2j3 haver aantebevelen.
Men kan van dit mengsel aan een werkpaard 6 kilo per dag geven.
Lijnzaad bevat aan eiwit 22, aan vet 36, aan suikerachtige stoffen 19, aan cellulose 8 , aan minerale bestanddeelen 3 en aan water 12 procent. Dit is een zeer intensief en tevens vet aanzettend voedsel. Het is evenwel om het hooge vetgehalte (olie) zeer duur, daarom voert men meer het lijnmeel, waarin slechts 9 procent vet zit. Zaad en meel voert men wel in kleine hoeveelheden om de paarden een welgedaan voorkomen te geven, en ze glad in het haar te houden.
Voor drachtige en zogende merriën en voor veulens die pas gespeend zijn, is het een goed voedsel, dan kan lijnmeel goede diensten doen als bijvoer, om het te kort te dekken.
De peulvruchten ; deze zijn rijker aan eiwit dan de granen, doch hun zetmeel is moeilijk verteerbaar. De peulvruchten zijn over het geheel moeilijk te verteeren , ze zijn hard cn hebben een taaien bast. Ze werken ook verhittend op het dierlijk lichaam, de melkafscheiding wordt er door verminderd, doch de geslachtsdrift meer opgewekt, terwijl er in den bast eene stof voorhanden is, die verstopping en koliek kan veroorzaken.
Van de peulvruchten voert men het paard boonen, erwten, wikken, linzen en lupinen, doch altijd slechts als bijvoer, nooit als hoofdvoedsel.
Boonen bevatten aan eiwit 25, aan vet 2, aan suikerachtige stoffen 46, aan cellulose 10, aan minerale bestanddeelen 3 en aan water 14 procent.
Erwten bevatten iets minder eiwit en meer zetmeel, wikken bevatten nog meer eiwit, 27 procent. Overigens zijn de samenstellende bestanddeelen tamelijk gelijk, behalve bij de lupinen, die tot eene afzonderlijke groep van de peulvruchten behooren. Deze bevatten het kolossale gehalte van 34 procent eiwit.
Van alle peulvruchten zijn boonen het verkieslijkst., doch men zij er voorzichtig mede en geve geene groote hoeveelheden. Zware
117
trekpaarden voert men soms voor de helft met boonen , doch op rusttijden moet men ze hun onthouden. Men geeft ze gebroken door de haver, aan lichte werkpaarden b.v. '/4 gedeelte van het ration, of in brood gebakken (').
Knol- cn ivortclgewassen. Deze behooren tot de slappe voedsels, ze bevatten veel water, van 70 tot go procent en dus weinig voedende bestanddeelen. De laatste behooren bijna geheel tot de rubriek suikerachtige stoffen (zetmeel, suiker en pectine) en hebben de eigenschap zeer gemakkelijk verteerbaar te zijn. Eiwit, vet, en cellulose zitten er bijna niet in. Op den duur gegeven werken ze verslappend op de spijsverteringsorganen; een vereischte is het daarom, dat men er voldoende eiwit aan toevoegt. Zij kunnen dienst doen als bijvoer bij zeer zwaar voedsel, b.v. peulvruchten. Het meest voert men witte en roode wortelen, en wel aan veulens en aan door ziekte verzwakte paarden.
Aardappelen zijn voor paarden niet aan te bevelen.
Halm- en bladgewassen ; deze worden groen of als hooi gevoerd. Goed weidegras, wij hebben het reeds opgemerkt, vormt een uitstekend voedsel voor het paard, het is gemakkelijk verteerbaar en de verhouding waarin het eiwit tot de overige bestanddeelen er in voorkomt, is eene zeer gewenschte. Het scheelt evenwel veel van welken grond het gras komt; men verlangt voor paarden hooge, droge en vruchtbare weiden. Hooge kleigronden, vooral zeeklei, leveren meestal uitstekende weiden voor het paard. Ook maakt het verschil of het gras jong of oud is; jong gras is veel gemakkelijker verteerbaar dan oud; bij oud gras treedt ten laatste te veel houtvezel op, die moeielijk verteert en niet veel voedingswaarde heeft.
Voor veulens, drachtige en zogende merriën heeft goed gras eene groote waarde; paarden die zwaren arbeid moeten verrichten, vooral die in snelle gangen gebruikt worden, moeten daarbij eene flinke hoeveelheid krachtvoeder hebben.
Ook is ditzelfde noodzakelijk voor paarden die lang, dat is tot in het najaar, in de weide moeten loopen, immers wij hebben gezien dat het gras in voedingswaarde verliest, naarmate het ouder wordt.
Men kan groen voeder ook op stal geven; hiervoor komen in
(') Van Leeuwen.
118
aanmerking gewoon weidegras, verschillende klaversoorten, lucerne, spurrie, seradelle en lupinen.
Bij deze stalvoedering moet vooral in aanmerking genomen worden , dat de voorraad dagelijks versch worde aangevoerd, en zelfs waar het kan, tweemaal daags. Door lang op elkaar liggen, gaat het groenvoeder broeien, het verliest daardoor vele goede bestand-deelen en den aangenamen smaak; terwijl het tevens koliek en opgeblazenheid kan veroorzaken. Bedauwd, bevroren of beregend mag het ook niet zijn, doch ook niet verflenst door sterke zonnewarmte. Het wordt daarom het beste 's morgens een uur na zons-opgang, of 's avonds, vóór het vallen van den dauw, ingezameld. De beste oogsttijd voor dit groenvoer is kort voor den bloei.
De overgang van droog- op groenvoeder en omgekeerd, wij hebben dit reeds meer opgemerkt, moet langzamerhand, niet plotseling geschieden.
Het hooi. Door drogen van de verschillende halm- en bladgewassen verkrijgt men het hooi, dat verschillende benamingen erlangt, naar de samenstellende bestanddeelen, naar de streek waar het vandaan komt, enz. Naar de bestanddeelen onderscheidt men grashooi, klaverhooi, wikkenhooi enz.
Van âjong hooiquot; spreekt men in twee beteekenissen, ten eersten bedoelt men er mede, hooi dat jong gemaaid is, dus nog voor den bloei der meeste planten, of men bedoelt er mee ânieuw hooiquot; d. i. hooi, dat nog kort geleden gewonnen is.
âZoet hooiquot; is hooi waarvan het hoofdbestanddeel uit goede grassen bestaat; âzuur hooiquot; bevat vele zure of schijngrassen. Deze laatste (zuring, heeremoes of paardenstaart, biezen enz.) groeien vooral op lage, vochtige, arme weiden, ze bevatten zeer veel cellulose en minerale bestanddeelen (kiezelzuur), waardoor ze hard van stengel en moeilijk verteerbaar zijn.
Groote hoeveelheden zure grassen veroorzaken ziekten in het darmkanaal. Zoet hooi komt van goede, droge bodems; zuur hooi en zoet hooi zijn van elkander te onderscheiden, doordat het eerste donkerder van kleur, harder en scherper en minder veerkrachtig is dan het laatste. Ook onderscheidt men nog grof en fijn hooi, het eerste heeft minder waarde dan het laatste, daar de grove stengels moeilijk verteerbaar zijn. Zeer fijn hooi echter krijgt men van schralen zandgrond; dit is n.1. ook niet verkieslijk, omdat het weinig voedende bestanddeelen bevat.
ii9
Om goed hooi te winnen moet het gemaaid worden in het begin van den bloeitijd. Bij het vruchtzetten der planten gaat veel eiwit naar de zaden; is het gras nu uitgebloeid en maait men het dan, dan zit de meeste kracht in het hooizaad, en hiervan gaat door de bewerking veel verloren ; ook eten de dieren het niet gaarne. Een tweede nadeel van laat maaien is, dat de stengels der planten verhouten, en dus moeilijker zijn te verteren. Maait men het gras evenwel te jong, dan bevat het minder eiwit.
Het gras verliest bij het drogen 40 a 45 procent water. Bij zeer sterke zonnehitte âverbrandtquot; het hooi, waardoor de voeder-waarde vermindert.
Valt er veel regen op het hooi, dan worden er vele oplosbare bestanddeelen uitgespoeld, en men houdt voornamelijk houtvezel over, die- weinig waarde heeft. Als het hooi binnengebracht is en er zit nog te veel vocht in, gaat het broeien. Dit is eene scheikundige werking, waarbij door zelfverhitting nog een massa water uit het hooi verdampt. Het hooi wordt hierbij slap, warm en vochtig, welke eigenschappen evenwel na de broeiing weer verdwijnen.
Door de scheikundige omzettingen heeft evenwel de specerijachtige aromatische geur plaats gemaakt voor een brandigen reuk. Ook de blanke kleur is verdwenen, het hooi wordt bruin in alle schakeeringen, tot koolzwart toe. Een lichte graad van broeien is niet hinderlijk, maar sterk gebroeid hooi is voor paarden niet wenschelijk.
Goed hooi moet eene blanke kleur hebben en eenen aangenamen aromatischen geur; het moet veerkrachtig zijn, zoodat als men het in elkaar draait, het van zelf weer in den ouden vorm terugspringt; verder moet het matig fijn zijn, geen schimmel of zure grassen, en ook geen vergiftige planten bevatten.
Hooi waar veel regen op gevallen is, heeft eene grauwe kleur en is slap.
Hooi van overstroomde weiden is stoffig, grauw, slap en heeft een onaangenamen reuk.
Schimmel in het hooi is te herkennen aan grauwe spikkels of strepen op de halmen, en bij schudden komt er stof uit. Beschimmeld hooi is voor paarden ten strengste af te keuren, maar heeft men niet anders, dan moet het goed gedroogd, uitgeklopt en met wat pekel besprenkeld worden.
Klaverhooi en hooi van spurrie enz. bevalt meestal ni^t, of het
I 20
moet met veel zorg bewerkt en goed gewonnen zijn. Het droogt slecht, en door veel er in te werken verliest het de voedzame blaadjes en men houdt de ruwe houtige stengels over. Ook bederft klaverhooi licht door ziekten, die door sommige parasitaire planten, warkruid en bremra, veroorzaakt worden.
Stroo is afkomstig van granen en peulvruchten en wordt ook als voedsel gebruikt. Het stroo van de peulvruchten bevat de meeste voedende bestanddeelen, doch dat van de granen is lichter verteerbaar. Het beste is wel haverstroo; dit bevat het meeste eiwit en vet en de minste houtvezel. Het is bladrijker dan andere stroosoorten, wordt gemakkelijk en gaarne opgenomen en goed verteerd.
Erwten- en boonenstroo wordt ook veel gevoerd, en dit bevalt ook goed naast ander meer intensief voedsel, ofschoon boonenstroo nog al eens aanleiding geeft tot verstopping en koliek, vooral bij jonge paarden.
De andere stroosoorten worden meer voor ügstroo gebruikt, doch vooraf stelt men de paarden meestal in de gelegenheid er eerst nog wat aartjes enz. uit te zoeken. Roggestroo heeft de minste voedingswaarde. âVuil strooquot; bevat vele bijmengselen, zooals wikken, erwten , kamillen, grassoorten , enz. Deze bijmengselen verhoogen de voedingswaarde, doch er kunnen ook schadelijke in voorkomen, zooals klaprozen, ratel, enz., men verlangt daarom het stroo liever âschoonquot;.
Het drinkwater. Wij meenden aan de voedingsleer het beste eene bespreking over het drinkwater te kunnen toevoegen.
Water is zeker de beste of liever de eenige drank voor het volwassen paard. Water is eene hoofdvoorwaarde voor het dierlijk leven; het wordt voortdurend uit het lichaam afgezonderd in alle stofwisselingsproducten, dus moeten ook dikwijls weer versche hoeveelheden worden opgenomen. De hoeveelheid die een paard opneemt is verschillend naar ras , ouderdom, gewoonte, den aard van het voedsel, de temperatuur der omgeving, den arbeid, enz,
In het algemeen rekent men op een deel droog voeder, 3 a 4 deelen water. De gesteldheid van het water is van groot belang voor de gezondheid van het paard. Men onderscheidt âhardquot; en âzachtquot; water; hard wordt het water, wanneer er veel minerale stoffen , vooral koolzure kalk , in opgelost zijn. Deze zouten worden
121
opgelost gehouden door eene overmaat van koolzuur, en deze voorwaarde vindt men vooral in frisch bron- of pompwater.
Stroomend rivierwater en regenwater is zacht; deze bevatten weinig of geen zouten.
De paarden gebruiken het liefst stroomend rivierwater en dit is dan ook het beste.
Te veel minerale stoffen in het water kunnen schadelijk werken, doch het water kan ook andere schadelijke stoffen bevatten, en wel levende (organische), ziektekiemen en gassen. Deze laatste vindt men in stilstaand water, als: ammoniak, zwavelwaterstof en moeras-of mijngas.
Verder kunnen in het water zweven wieren, schimmelsporen, rottende plantendeelen enz. Al deze bijmengselen zijn schadelijk, vooral voor drachtige merriën. Het drinkwater moet zijn: helder, kleurloos en reukeloos, verder moet het frisch zijn, d. w. z. het moet eene temperatuur hebben van ongeveer 8 a lo0 C.
Ijskoud water, vooral na verhitting, kan schadelijk zijn, lauw water verfrischt niet en werkt verslappend.
De toediening van drinkwater moet 3 maal daags en altijd vóór de voedering plaats hebben; keert men de volgorde om, dan wordt de haver uit de maag gespoeld en niet goed verteerd, of door de zwelling van het voeder ontstaan kolieken.
Vooral dadelijk na het eten van gerst, rogge of groenvoer mag om de laatstgenoemde reden geen water gegeven worden. Is een paard door inspannenden arbeid sterk verhit, dan moet met het drinken eenigen tijd gewacht worden, of men legt op den emmer eenig hooi, waardoor het drinken minder schielijk gaat. Te koud water kan men eenigen tijd in den stal laten staan, de temperatuur er van wordt dan hooger. (âbeslagen waterquot;).
Verzorging van den hoef (hoefbeslag).
Wij zijn met onze beschouwingen gekomen tot ons laatste punt van behandeling, de verzorging van den hoef (hoefbeslag).
Er mogen er zijn, die beweren dat het hoefbeslag niet direct in verband staat tot de paardenfokkerij; toch zal het gezond zijn van een paard indirect wel afhankelijk zijn van eene goede gesteldheid der hoeven. Niets toch is gemakkelijker te begrijpen dan dit. Immers, het paard steunt met zijn geheele lichaam op zijne vier hoeven en als nu aan dien steun een gebrek voorkomt, dan lijdt
I 22
daaronder het geheele lichaam. Van de goede gesteldheid der hoeven hangt dus zeer veel af; de gezondheid, de bruikbaarheid en de waarde van het dier staan hiermede ten nauwste in verband.
Het hoefbeslag is eene benaming, waarin verschillende handelingen begrepen zijn, als; het maken van ijzeren draagranden, hoefijzers genaamd , het vormen en passen van die ijzers op den hoef, waarvan de rand vooraf door kunstmatige besnijding in overeenstemming met den natuurlijken stand der beenen bereid is, en eindelijk in het bevestigen der ijzers aan dien hoef door middel van nagels.
Het nut van hoefbeslag bestaat in;
in. Den hoef te beschuiten tegen afslijting en zoodoende on/e paarden bruikbaar te houden voor onze harde straatwegen;
2°. Het uitglijden en vallen bij sneeuw en ijs te voorkomen;
3°. De nadeelen van slechte standen der beenen in zooverre te verbeteren, dat de paarden er mede gebruikt kunnen worden;
4°. Zieke hoeven te genezen of te verbeteren.
Het hoefbeslag verbergt onder eene schijnbare eenvoudigheid eene massa moeielijkhcden, veroorzaakt door de omstandigheid dat de hoef geen onveranderlijk lichaam is, maar naar vorm, groei, samenstelling en veerkracht zeer varieert; waarbij nog komt: de verschillen in bodem, in straten, in het gebruik en in het feit, dat het beslag bij onvolkomen uitvoering de hoeven ziek en het paard kreupel maakt.
Behalve nu een goed en kunstig uitgevoerd beslag, vereischt de hoef eene bepaalde verpleging, wil hij gezond blijven.
De hoef, zooals wij die aan het ondereinde van ieder been bij het paard zien, bestaat uit zeer verschillende deelen. Datgene wat
wij er uitwendig aan kunnen zien, zijn deelen die gevormd zijn uit hoorn; de wand, de zool en de straal', deze zijn onderling aan elkander verbonden en vormen een hollen schoen, de hoornschoen geheeten (Fig. 6i).
In dezen schoen zitten de zoogenaamde levende deelen, meer F'S- 6i. bekend als het leven van den
voet (Fig. 62). Die hoornschoen is werkelijk ook niets anders als eene beschutting voor datgene wat er binnen in ligt. Hij vrij-
123
wand met zool geschiedt door een hoorntnassa, die wat lichter van
kleur is, dan het overige hooniweefsel, en de witte lijn vormt. (Fig. 63«).
Die witte lijn is dus de grens tusschen zool en wand en wordt gevormd door de onder-uiteinden van de hoornplaatjes, die aan de binnenvlakte van den hoornwand zijn gelegen , en door wat vormlooze hoornstof. Zij is de plaats waar de smid de hoefnagels in moet slaan.
Aan het achterste gedeelte van den hoef slaat de hoornwand zich mede om, verbindt zich met den straal en vormt daar de hallen van den hoef (Fig. 63/;.)
Naast den straal zet de hoornwand zich voort in de zool als een rechtopstaanden balk van hoorn die men strunsels noemt. Deze geven aan den hoef steun en vastheid en moeten beschouwd worden als verbindingsplaatsen tusschen wand en zool. Zij loopen in eene richting van achteren naar voren en verliezen zich ongeveer ter hoogte van het midden van den straal in de zool. Daar waar de hoornwand zich aan het achterste gedeelte van den hoef ombuigt om de steunsels te vormen, ontstaat een hoek, dien men stennselhoek noemt.
Buiten op den hoornwand ligt nog een afzonderlijk dun laagje hoorn, dat men glazuur noemt, omdat het aan den hoef een zekeren glans geeft. Dat glazuur beschut de daaronder liggende hoorn
124
voor tc veel vocht, voor te veel warmte en koude. Het wegraspen van dat glazuur is meermalen de oorzaak van scheuren in den hoef.
De binnenvlakte van den hoornwand is bekleed met een zeer groot aantal (600 a 700) fijne witte plaatjes, die als de bladen van een boek naast elkander liggen. Tusschen 2 plaatjes is eene opene ruimte, die door vleezige plaatjes opgevuld zijn; dientengevolge krijgt men eene zeer innige verbinding van den hoornschoen met de levende deelen van den hoef.
Van buiten moet de hoornwand glad zijn; somtijds vindt men er ringen op; loopen deze zeer ongelijk d.w.z. dan hoog en dan weer laag, dan is dit een bewijs dat het paard vroeger geleden heeft aan hoefontsteking. De richting van den wand is verschillend aan een en denzelfden hoef zoowel als ook tusschen voor-en achterhoef. De wand in het toongedeelte loopt het schuinst bij de voorhoeven; naar de drachten toe wordt de wand steiler; bij sommige hoeven is hij aan de ballen zelfs binnenwaarts gericht. De buitenste wand van den hoef is doorgaans schuiner dan de binnenwand; de dikte van den wand is aan den toon het grootst en aan de drachten het dunst. De onderrand van den wand, die waarmede hij op het ijzer rust, heet draagrand.
De hoonirjool bedekt den voet aan het onderste gedeelte, deze is ongeveer zoo dik als de hoornwand en moet, van onderen gezien, h 1 zijn. Wanneer die ondervlakte werkelijk goed hol is, is de bovenvlakte natuurlijk bol of gewelfd; het is juist dat gewelf, wat wij hier dringend noodig hebben. Immers een gewelf heeft meer draagvermogen dan een plat vlak en daarom kan ook eene gewelfde zool de lichaamslast het beste torsen.
Bij het koopen van paarden dient men er goed op te letten of de zool goed hol is, want door slechte verpleging in de jeugd en door slecht besnijden op lateren leeftijd, als ook door hoefont-stekingen , verdwijnt dit gewelf dikwijls en maakt dan helaas plaats, voor een vlakke doorgezakte zool; voor plat- of volhoef.
Somwijlen zitten er van onderen aan de zool losse stukken hoorn, dat zijn afgestorven stukken die men er gerust uitnemen kan.
De hoornstraal vult de rest aan van de ondervlakte van den hoef ea schuift zich als een wig tusschen de steunsels en de zool in, waarmede hij verbonden is. Hij wordt verdeeld in de beide schenkels die door eene groeve, middelste straalgroeve, van elkander gescheiden zijn en langzaam in de ballen overgaan. Het overige
125
noemt met het lichaam, dat in een punt eindigt; zijn hoorn is zacht en veerkrachtig.
Binnen in den hoornschoen vindt men in de eerste plaats de zvceke of levende of vleezige deelen genoemd. Levend worden zij genoemd , omdat er gevoel in zit en er bloed doorheen stroomt; en vleezig, omdat zij eene roede kleur hebben evenals het vleesch.
In hoofdzaak dienen die vleezige deelen tot het produceeren van hoorn, en ten anderen dienen zij tot verbinding van den hoornschoen aan het been. In eigenlijken zin zijn die levende deelen voortzettingen van de lederhuid. Men kan er 5 van onderscheiden, n.1. de vleeschzoom (fig. 62^) van waaruit het glazuur ontstaat; de vleeschkroon (fig. 62c) van waaruit de 2lt;le laag van den hoonnvand of de eigenlijke hoornwand ontstaat; dan de vleesehzvand (fig. 62c/) die de hoornplaatjes produceert; voorts de vleesehzool die de hoornzooi en de vleeschstraal, die den hoorn-straal voortbrengt.
126
of veerkrachtige deelen, waarvan het straal kussen en de hoef-kraakbeenderen de meeste veerkracht bezitten.
Binnen deze vleezige deelen liggen nu nog beenderen en wel in het onderste gedeelte, het hoef been (fig. 64''); daarboven het kroonbeen (fig. 64â¢1) en achter tegen kroon en hoefbeen aan het straalbeentje. (fig. 645).
Hoef- en straalbecn liggen geheel en al binnen in den hoef, het kroonbeen daarentegen voor een groot gedeelte. Aan de achtervlakte van het kroonbeen hecht zich een buigpees vast, de kroon-beenbuigsr (fig. 641 quot;j, en aan de ondervlakte van het hoefbeen hecht zich eene andere buigpees vast, n.1. de hoefbeenbniger (fig. 64°). Aan het bovenste gedeelte van de voorvlakte van het hoefbeen hecht zich de strekpees (fig. 647) vast.
Al de hoorn van den hoef groeit van boven naar beneden af, en de straal van achteren naar voren.
De stof hiervoor wordt aangevoerd, door het in groote hoeveelheid , naar de vleezige deelen stroomend bloed. De groei wordt geregeld door de zenuwen; in den regel groeit de hoef gelijkmatig, d. i. overal even snel; ongelijke groei komt echter ook voor en wel bij ongelijke belasting van den hoef; zooals bij scheeve hoeven.
Dat de hoef groeit, kan men zien aan het toenemen der hoogte en wijdte. Veel beweging, goede verpleging, regelmatig inkorten van den wand en onbeslagen loopen bevorderen den groei, terwijl weinig of geen beweging, droogheid en groote lengte van den hoornschoen den groei benadeelt. Wordt bij het inkorten van den wand een gedeelte er van uit onbedrevenheid in het vak te hoog gelaten of de eene hoefhelft in verhouding tot de andere buitengewoon veel lager gemaakt, dan krijgt men een ongelijk nederzetten. Het paard raakt met den te hoog gelaten wand het eerst den bodem, zoo lang, totdat de ongelijkheid door meerdere afslijting van dien hoogen wand vereffend is. Bij onbeslagen hoeven gaat dit nog al snel, doch bij beslagen hoeven is het doorgaans onmogelijk. In den regel groeit nu het te hoog gelaten gedeelte sneller, de wanden verliezen hunne natuurlijke rechte richting en worden krom.
Is b.v. de uitwendige wand geruimen tijd te hoog, dan ontstaat een scheeve hoef, Blijft de toon langen tijd te lang, dan kromt deze zich opwaarts en zijn de drachten te lang, dan snoeren deze zich dikwijls beneden de kroon in, of buigen zich aan den draagrand naar voren en binnen om.
127
De hoef is geen lichaamsdeel dat steeds denzelfden vorm bezit, want al naarmate hij volkomen belast of ontlast is, al naar dien verschilt niet alleen de ligging der inwendige deelen, maar ook de vorm van den hoornschoen. Een belaste hoef heeft een anderen vorm dan de onbelaste, 't verschil is echter gering en bestaat hierin, dat de belaste hoef bij elke neerzetting op den grond zich in zijn achterste helft wat uitzet en bij elke opheffing of ontlasting weer vernauwt. Bij deze hoefverwijding zakt of buigt de hoornzooi tegelijk iets door.
Een en ander ontstaat op de volgende wijze: Op het oogenblik van doortreden in de koot, zakt het bovenste achterste deel van het kroonbeen tusschen de hoef kraakbeenderen in, drukt de hoef-beensbuiger naar beneden op het straalkussen; dit zet zich naar ter zijden uit en dringt de hoefkraakbeenderen met de drachten uit elkander.
Het hoefbeen zakt door den lichaamslast eveneens, daardoor drukt het straalbeentje ook op den hoefbeensbuiger en op het straalkussen. Gelijktijdig nu werkt de tegendruk van den bodem op de ondervlakte van den straal, die zich zijnerzijds tegen de steunsels aanlegt en hierdoor de verwijding der drachten, voornamelijk aan den draagrand bewerkt. Door den van het hoefbeen op de hoornzooi voortgeleiden druk, zakt deze een weinig en het zooigewelf wordt daardoor vlakker.
Drie, in hoogen graad veerkrachtige, organen zijn het, die hielde hoofdrol spelen, n.1. de hoefkraakbeenderen, het straalkussen en de hoornstraal. Om nu die veerkrachtige organen tot goede werking te brengen, is regelmatige en veelvuldige beweging dringend noodig, want de bij iederen stap zich herhalende verwijding en vernauwing der drachten is voor de gezondheid van den hoef noodzakelijk. Door storingen van dit mechanismus worden een groot aantal hoefziekten geboren. Het nut van dit hoefmechanismus bestaat in :
Het breken van den schok, waardoor de gang veel gemakkelijker (elastisch) wordt. Het bevordert de snelheid van het geheele been en draagt daardoor zeer veel bij tot lichte, vrije, elegante bewegingen.
Het onderhoudt krachtig den bloedstroom in de vaten der levende deelen, wat weer een flinken groei van den hoornschoen tengevolge heeft. Dit nut van het hoefmechanismus wordt wel eenigszins verkleind door het hoefbeslag, wat bij eenig nadenken duidelijk
128
wordt; immers het ligt voor de hand, dat een onbeslagen hoef zich gemakkelijker verwijdt en vernauwt, dan een beslagen hoef. Om dezen laatsten hierin te gemoet te komen, worden dan ook bij het beslaan de nagels alleen in de voorste helft van den hoef aangebracht , teneinde nog zooveel mogelijk vrije beweging aan de drachten te laten.
Bij het beslaan moeten de oude ijzers langzaam en voorzichtig worden afgenomen en wel zoodanig, dat nagel voor nagel er uitgetrokken wordt, en nooit het geheele ijzer in eens wordt verwijderd , waardoor gemakkelijk een gedeelte hoorn mede verloren gaat.
Nu wordt de hoef gereed gemaakt voor het nieuwe beslag, wat voorzeker het moeilijkste van het werk is. Het heeft ten doel den onder het ijzer te lang of te hoog geworden hoef te verkorten. De hiertoe noodige gereedschappen zijn: hoef-rasp, de houwkling en het snijmes of renet. Allereerst moet nu de hoef gezuiverd worden van zand, steentjes enz. en ziet men hoeveel hoorn er weggenomen moet worden. In allen gevalle moeten alle loshangende hoorndeelen, waar ook gezeten, verwijderd worden.
Van den draagrand wordt zooveel weggesneden, dat deze gelijk komt met de ondervlakte van de zool, daar waar deze zich verbindt met den wand. Hij wordt geheel vlak gemaakt, binnen en buiten even hoog, doch aan het toongedeelte wordt iets meerweggenomen, voor het aanbrengen van een opzet aan het ijzer. Van de steunsels wordt slechts zooveel afgenomen, dat ze niet boven den wand uitsteken.
Tegen het sterk besnijden van zool, straal en steunsels moet ernstig gewaarschuwd worden; de zool mag niet verzwakt worden,
129
mechanismus, om ze ongestraft aan hun werkkring te kunnen onttrekken.
Besnijdt men den straal te sterk, zoodat hij den grond niet meer kan raken, dan wordt de uitzetting van den hoef daardoor verhinderd, waarvan het ontstaan van klemhoeven het gevolg kan zijn.
Ook de steunsels hebben, zooals wij reeds hebben opgemerkt, op die uitzetting invloed.
Over het algemeen snijden de hoefsmeden eerder te veel weg dan te weinig. Geheele lappen hoorn ziet men soms met het onprac-tische veegmes van zool en straal wegsnijden, en dit is verderfelijk, vooral voor jonge paarden; daardoor kunnen vormgebreken ontstaan, die gedurende het geheele verdere leven voor het dier hinderlijk zijn, en ernstige, soms ongeneeslijke kreupelheden ten gevolge hebben.
Heeft men den hoef in orde gebracht, dan wordt het ijzer pasklaar gemaakt.
De vorm van het ijzer moet in overeenstemming zijn met dien van den draagrand, in zooverre dat het in het toon- en zijgedeelte geheel met dezen overeenkomt, doch in het drachtgedeelte iets daarbuiten uitsteekt, en wel ongeveer 3 m.M. aan den buiten- en 2 m.M. aan den binnendrachtwand. Deze grootere wijdte daar ter plaatse dient om bij de zijdelingsche beweging der drachtwanden elk punt daarvan een steun op het ijzer te verleenen.
De uiteinden der ijzertakken mogen niet tegen of op den straal drukken, men kan ze ten dien einde aan den binnenkant eenigszins schuin wegnemen.
De breedte richt zich naar die van den draagrand, zoodanig, dat draagrand, witte lijn en een klein gedeelte van de zool door het ijzer bedekt worden. Het ijzer moet dus tweemaal zoo breed zijn als de draagrand.
De dikte hangt van verschillende omstandigheden af, b.v. van den dienst die de paarden moeten verrichten, de gesteldheid van den bodem enz. In den regel maakt men het ijzer zoo dik, dat het vijf a zes weken kan liggen.
De lengte moet een paar mM. langer zijn, dan die van den draagrand. De bovenvlakte moet zoodanig zijn, dat het gedeelte, in breedte overeenkomende met witte lijn en draagrand, volkomen horizontaal zij, terwijl het overige gedeelte eene zoodanige helling naar binnen moet hebben, dat de zool nergens gedrukt wordt. De horizontale en de afhellende vlakte moeten aan de binnenzijden der nagelgaten scherp van elkaar gescheiden zijn. De onder vlakte
9
Handleiding Paardenfokkerij.
i 30
moet vlak zijn en in haar midden cene groeve (rits) vertoonen,
, , â waarin de nagelgaten aangebracht wor-
Ritsnzer zonder l^cilVcoenen. c , i**i
Kitsijzcr den- ]-)e diepte der rits moet gelijk
zijn aan ij3 der geheele ijzerdikte, tot opname der nagelkoppen. Zij moet loopen van de voorste of toon-nagel-gaten, tot even achter het laatste nagelgat.
De ondervlakte moet een weinig smaller zijn dan de bovenvlakte, de buitenrand moet daartoe een weinig bodemnauvv gesmeed worden. De nagelgaten worden van 6 tot 8 in de rits aangebracht. Het aantal isVhankelijk van de grootte van den hoef, en van den dienst die van het paard verlangd wordt. In den regel slaat men een nagelgat meer in het ijzer, dan men voornemens is nagels in den hoef te slaan. Het opengebleven gat dient tot reserve. Voor lichte rijpaarden zijn vijf nagels voldoende, n.1. drie in den buiten en twee in den binnenwand. De vorm der gaten moet overeenkomen met dien der nagelkoppen, d. w. z. ze moeten wigvormig toeloopen opdat de koppen daarin gedeeltelijk besloten worden en dus tegelijk
Fig. 67. Fië' 6S'
met het ijzer afslijten. De plaats der nagelgaten moet hoofdzakelijk in de voorste helft van het ijzer zijn. Hoe meer ze naar achteren ziin geplaatst, des te meer zullen de nagels het hoefmechamsmus belemmeren. Men plaatst ze daarom zoo, dat het achterste nagel-
I3i
gat in den buitentak hoogstens i cM. over het midden van het ijzer komt; in den binnentak echter juist op het midden. Dit geldt vooral voor de voorhoeven ; bij de achterhoeven heeft men eenige meerdere speelruimte, maar ook daar mag in het achterste '/.i gedeelte geen nagel voorkomen.
Daar de nagels in de witte lijn moeten worden ingeslagen , zal men de gaten ook dienovereenkomstig moeten plaatsen. De richting der nagelgaten hangt af van die van het overeenkomstige wandgedeelte; het voorste of toonnagelgat zal dus schuiner naar binnen moeten staan dan het eerste of tweede zijnagelgat; terwijl een dracht nagelgat, als dit aanwezig is, bijna verticaal moet staan. Het kan voorkomen, dat de voorste helft van een hoef zóó brokkelig is, dat geen enkele nagel daarin te bevestigen is, dan moet men zich tot de achterste helft bepalen, ondanks de belemmering van het hoetmechanismus.
De lippen dienen om verschuivingen van liet ijzer, onder den hoef, tegen te gaan; gewoonlijk ziet men er slechts één in het midden van den toon van het ijzer.
Soms is het noodig ook zijlippen aan te brengen, men bedenke hierbij evenwel, dat hoe meer zij naar achteren gelegen zijn, des te meer ook zij het hoefmechanismus zullen belemmeren.
De lip moet zoo hoog zijn als het ijzer dik is, zij moet buigzaam genoeg zijn, om ze te kunnen omslaan, en tevens stevig genoeg , vooral aan haar basis, om haar doel niet te missen. De kalkoenen zijn de rechthoekige, naar beneden gebogen uiteinden der ijzertakken. Over het nut hiervan is men het niet geheel eens, meer en meer begint men gebruik te maken van ijzers zonder kalkoenen. Voordeel kunnen kalkoenen alleen doen bij het verplaatsen van zware lasten over ongelijke straatwegen, om n.1. het uitglijden eenigszins tegen te gaan; in alle andere gevallen doen ze nadeel.
De nadeelen zijn: ongelijkmatige verdecling van den lichaams-last over het been, door verandering in den natuurlijken stand van den hoef en belemmering van het hoefmechanismus, doordien de straal verder van den bodem wordt verwijderd. Het gebruik van kalkoenen moet dus zooveel mogelijk beperkt worden, en geldt in het algemeen als regel, dat ze niet hooger mogen zijn, dan het ijzer dik is. De nadeelen zijn ten opzichte der achterhoeven minder overwegend dan voor de voorhoeven, terwijl ze aan de achter-
132
hoeven ook meer voordeel doen; men geeft daarom achter nogal veel kalkoenen, terwijl men ze voor weglaat.
Een stoot is te beschouwen als een derde kalkoen, onder het toongedeelte van het ijzer. Hooge stooten en kalkoenen kunnen liet uitglijden wel eenigszins voorkomen , zoodat ze voor zware trekpaarden 'in groote steden dienstig kunnen zijn, doch zij veroorzaken spoediger verslijten der beenen. In de winterijzers make
men schroef- of wel H vormige insteekkalkocnen, om de paarden bij ijs en sneeuw voor uitglijden te bewaren.
De nagels moeten slank, wigvormig, glad en effen, dubbel zoo breed als dik, 3â6 c.M. lang en in 6 verschillende soorten aanwezig zijn, om bij het beslag de meest passende te kunnen uitkiezen. Zij moeten uit taai ijzer vervaardigd zijn. Men kiest de nagels liefst zoo fijn mogelijk en richt en zwikt ze naarmate men ze hooger of lager uit den hoornwand te voorschijn wil laten komen. De zwik is de wigvormige schuin van binnen naar buiten gerichte punt van den nagel.
Bij het beslaan is het noodig de paarden zoo zacht mogelijk te behandelen, vooral jonge, die er nog niet aan gewend zijn. Het beslaAn uit de hand verdient altijd de voorkeur boven den noodstal. Wanneer de paarden aan het uit de hand beslaan gewend zijn, brengt deze methode volstrekt geene bezwaren mede. Door een onverstandig gebruik echter van den noodstal kunnen velerlei gebreken ontstaan. Regel moet dan zijn: uit de hand beslaan, uitzondering, alleen in noodgevallen, een verstandig gebruik van den noodstal. Totaal onhandelbare paarden legt men neder.
Het passen der ijzers geschiedt in matig verwarmden toestand, niet koud, maar ook niet rood gloeiend. Kleine oneffenheden in den hoef worden daardoor bruin geschroeid en met de rasp weg-
133
genomen. Met een koud ijzer geschiedt liet passen moeilijk, met een rood gloeiend zeer gemakkelijk, maar ook zeer ten nadeele van den hoef.
Het inslaan der nagels moet voorzichtig geschieden, doch niet weifelend. Zij worden zoo ingeslagen, dat ze 1.5 a 2.5 c.M. boven liet ijzer uit den wand te voorschijn komen.
Door te hooe inslaan ontstaan veel meer nadeelen dan door te
o
laag inslaan. De punten der ingeslagen nagels worden dadelijk naar onderen omgebogen, om beleedigingen te voorkomen. Zitten ze allen goed, dan worden de punten met den knijptang afgeknepen , de stompjes (nieten) nog sterker omgebogen en in den wand geslagen. Men maakt daarvoor onder de nieten een klein kuiltje.
Kleine oneffenheden aan den draagwand worden nu nog weg-geraspt, doch over den wand boven de nieten, alsmede over de nieten zelf, mag niet geraspt worden.
Hiermede zouden wij kunnen eindigen, doch achten het niet overbodig, hieraan nog ecnige wenken over de verpleging van den hoef toe te voegen.
Men moet voor alles zorgen, dat de hoef zijnen natuurlijken vorm behoudt, veerkrachtig blijft en steeds van een gezonden hoornschoen zij voorzien. Zeer veel beweging op een niet te harden , maar drogen bodem, is daartoe een van de beste middelen.
De bloedsomloop in de hoeven wordt door de beweging verhoogd en daardoor de hoorngroei bevorderd. Tegelijk slijten de hoeven van onderen weer af en men heeft slechts van tijd tot tijd toe te zien dat die aangroeiing en afslijting gelijkmatig geschiedt; waar dit niet het geval is, wordt de rasp gebruikt om het ongelijkmatige weg te nemen. Men begint daarmede reeds bij de veulens en late het ook bij het paard niet na. Dat toezicht mag nimmer ophouden , vooral niet als de paarden weinig beweging hebben. Dan vooral kunnen er licht vormveranderingen plaats hebben. De wand wordt te lang, hij buigt zich om of scheurt hier of daar. Zwakke drachtwanden buigen zich om naar binnen en vernauwen de straalruimte (veulenklemhoef), de toon wordt te lang en hierdoor wordt de stand van den voet te steil en de gang onzeker. Men meene niet, dat men op een onbeslagen hoef niet heeft te letten, integendeel; hoe beter men, b.v. alle 5 a 6 weken, door een doelmatig besnijden den goeden vorm van den. hoef tracht te behouden, hoe beter stand men aan het geheek been zal geven en hoe langer men het hoefbeslag, dat toch altijd
136
rattenstaart. â⢠Dc mannelijke geslachtsorganen. â De vrouwelijke geslachtsorganen. â- üe aars (anus).
â Ledematen, voorste en achterste. Voorbeenen; de schouder, platte of kale, â vette of overladen,
stijve â losse â voorgcschoven â korte steile schouder. â Ellebooggewricht; Bodemwijden, bodem-nauwen stand. â De onderarm, onder zich staande en gestrekte stelling. â Handwortel of voorknie; Bokbeenigheid en holle knieën; kalverknieün of nauwe knieën, tonbeenigheid of wijde knieën, gekroonde knieën, ingesneden knieën. â De pijp. â Kootge-wricht of kogel. Steil in de kooten, steltvoct, beere-voet, Fransche stand, toontrederstand, mok, egelvoet.
â De kroon. â De hoef. â Dc wand. Kroonraad, draagrand, toongedeelte, zijgcdeelte, drachtgedeelte,
steunsels, dracht- of steunselhoek. â De zool. â¢â⢠De straal. Middelste straalgroeve, zijdelingsche straal-groeven, ballen. â Het achterbeen. Dijbeen, heupgewricht, kniegewricht, knieschijf, spronggewricht,
hielbeen. â Onderzichstaanden en gestrekten stand.
â Dc dij, spleet, bil, broek. â Knie en schenkel. Kochakkige stand, tonbeenige stand. Het spronggewricht. Sabelbeenig, steile stand. â¢âVet, vol, weck of grof spronggewricht, klein, smal en dun spronggewricht , geheel recht, ingesneden of scherp getec-kend en ingesnoerd spronggewricht. â Ouderdomskenmerken. Melktanden , wisseltanden , hoektanden, vormverandering der tanden. â Kleuren en aftcc-keningen. Dekharen, manen en staartharen, beschuttende haren, vctlok, voelbaren, bruin, rood- en zwart, wit, tijger, bont, schimmels, isabellcn, bles, kol, snuit, witvoet, enz.
H oofdstuk III: Beschrijving van paarden bijzonder geschikt voor dc voortteeling, met mede-deeling waar en op welke wijze kruising iven-schelijk is............Bladz. 64.
Welke paarden voor de voortteeling bijzonder geschikt zijn: a. fokhengsten; b. fokmerriën. Waar cn op welke wijze kruising wenschelijk is. Aanwijzing
137
van rassen, geschikt om mede te kruisen , voor de afzonderlijke provinciën.
II oofdstuk IV; Opsomming der gebreken welke
een paard ongese/dkt maken voor de voortteeling Bladz. 71
Ongezondheid , scrophuleus lijden , rheumatisme,
kwade droes, huidworm, slechte moedermelk, kleine uier met kleine soms gesloten spenen, behaarde uier, ingescheurde scheede, verwerping (abortus) ,
korte en hooge beenen, groote baaktanden bij merriën, kwaadaardigheid , nijdigheid, luchtzuigen en kribbenbijten, kolder, dampigheid, cornage, oogvlekken , grauwe staar , zwarte staar, maanblind-heid, nekbuil of varen , logger, gallen , rasp, pees-klap , overhocf, spat, hazenspat of reebeen, bloed-spat, bolspat, dikke hak, hazenhak, plathoef, volhoef,
bokhoef, knolhoef, klemhoef, losse wand, brokkel-hoeven, lidteekcnen enz.
Hoofdstuk V: Tijd van paring en verzorging van
hengsten..............â 81
a. Het tijdstip der eerste paring, van hengsten, van merriën.
h. Het tijdstip van iedere volgende paring, of van den dag, waarop de merrie het zekerst zal bevrucht worden.
De verzorging van dekhengsten, a. gedurende den dektijd; b. buiten den dektijd.
Hoof d s tuk VI: Verzorging van venlendragende
merrü'n..............,, 88
Kentcekens van, en duur der drachtighcid , vroeggeboorte, verwerpen, (abortus) oorzaken van abortus:
te sterke beweging, groote vermoeiende reizen, loo-pen in snelle gangen, lagen stand van achteren,
zwaar werken, stooten, slaan of schoppen tegen den buik, sterk bloedverlies, te heet of te koud (bevroren) voedsel en drinken, beschimmeld, bedorven of gistend voedsel, het snel verwisselen van verschillende voedsels, misbruik van verschillende stoffen en kruiden, moederkoorn, zevenboom, spaan-
138
sche vlieg , carbolzuur, crotonolie , potasch cn groene zeep, te nauwe verwantschapsteelt, zeer nat en koud weer, hooge graden van koliek, ziekten der baarmoeder en vruchtvliezen, erfelijkheid, besmetting enz. Hoe drachtige merricn moeten worden gevoed en verpleegd.
Hoofdstuk VII; Geboorte vciit- cn eerste zorg
voor veulen en moeder.......... 92-
Geboorte, hoe daarbij te handelen? voedering gedurende de eerste 4 a 5 dagen.
Hoofdstuk VIII: Behandeling van merrie en veulen , gedurende de eerste vijf maanden 96-
a. Het jonge dier de moedermelk lang genoeg te doen genieten.
b. Zorgen, dat het moederdier eene goede hoeveelheid goede melk geeft.
c. Het spenen zeer geleidelijk doen plaats hebben. Weidegang, voedering en verpleging op stal,
opvoeding of begin der dressuur, enz.
Hoofdstuk IX: Verdere opvoeding en africhting
van het veulen............ 101 â¢
Hoe van een goed veulen een goed paard te maken ?
Algeheele toewijding van den fokker aan het jonge paard, zoo wat zijne voeding en verzorging, als verdere opvoeding en dressuur betreft.
Hoofdstuk X. Stalling, voedsel en verzorging van
den hoef (hoefbeslag)........... IoS-
Hoe een goed ingerichte stal gebouwd moet zijn.
Kort overzicht van de meest voorkomende voedingsproducten betrekkelijk hunne partieele voedingswaarde. Leer van den hoef en het hoefbeslag.
B IJ L A G E.
PRIJSVRAAG â PAARDENFOKKERIJ.
PROGRAMMA.
Verschillende Neclerlandsche Landbouwmaatschappijen cn vcrecnigingcn, die de bevordering der paardenfokkerij voorstaan ('), benevens eenige particulieren, belangstellenden in de paardenfokkerij, overtuigd van het gemis aan eene goede populaire handleiding voor paardenfokkerij voor den Neder-landschen landbouwer, hebben besloten door het uitschrijven van een prijsvraag te trachten in dat gemis te voorzien.
Het doel van tie prijsvraag is te verkrijgen;
eene beredeneerde, populaire handleiding voor paardenfokkerij ten dienste van den Nederlandsehen landbouwer, met een uittreksel daaruit.
Hel antwoord zal moeten bevatten;
1. Algemeene grondregelen, waarop paardenfokkerij berust.
2. Exterieur (uiterlijke vorm) van een goed gebouwd paard, met vermelding der redenen, waarom die vorm zoo moet zijn.
3. Beschrijving van paarden in 't bijzonder geschikt voor de voortteeling, met mededeeling waar en op welke wijze kruising wenschelijk is.
4. Opsomming der gebreken, welke een paard ongeschikt maken voor de voortteeling.
5. Tijd van paring en verzorging van hengsten.
6. Verzorging van veulendragende merriön.
7. Geboorte van- en eerste zorg voor veulen en moeder.
8. Behandeling van moeder en veulen gedurende de eerste 5 maanden.
9. Verdere opvoeding en africhting van het veulen.
10. Stalling , voedsel en verzorging van den hoef (hoefbeslag).
(i) De/.e maatschappijen en vereenigingen zijn:
de Friesche Maatschappij van Landbouw;
de vereeniging ,,hct Paardenstamboekquot;, gevestigd te Leeuwarden;
het Genootschap van Nijverheid in de provincie Groningen;
de provinciale vereeniging tot bevordering van paardenfokkerij in Groningen; de Groninger Haiddraverijvereeniging ;
het Genootschap ter bevordering van den Landbouw in Drenthe ;
de Overijsselsche vereeniging ter bevordering van paardenfokkerij ;
het Genootschap voor Landbouw en Kruidkunde in de provincie Utrecht;
het Nederlandsche Paardenstamboek;
de Hollandsche Maatschappij van Landbouw;
de Maatschappij ter bevordering van den Landbouw in Zeeland.
De beantwoorders zijn vrij in het bepalen van den omvang van hun antwoord, terwijl toch op eene zekere mate van beknoptheid wordt aangedrongen.
De jury zal bestaan uit deskundigen en benoemd worden in eene vergadering van do afgevaardigden van de maatschappijen en vereenigingen, die
de prijsvraag uitschrijven.
Er worden drie prijzen uitgeloofd tot een gezamenlijk bedrag van Æ 600, terwijl de verdceling van dat bedrag voor de drie bestgekeurde en bekro-ningswaardige antwoorden aan de jury wordt opgediagen ( j.
De bekroonde antwoorden worden het eigendom der Hitschrijvers, die daarover de vrije beschikking erlangen, terwijl, wanneer de jury in geen dier drie antwoorden volledige bevrediging vindt, op haar advies aan iemand zal kunnen worden opgedragen uit die drie antwoorden een geheel te maken, tegen eene belooning van hoogstens / 100.â (-).
De antwoorden zullen vrachtvrij moeten worden ingezonden vóór 1 November 1890 aan het adres van den tweeden ondergeteekende. De antwoorden zullen moeten geschreven zijn met eene andere, duidelijk leesbare hand, dan die van den beantwoorder en voorzien zijn van een motto- en correspondentieadres, terwijl een daarbij gevoegd gesloten couvert, van buiten voorzien van het motto, den naam en woonplaats van den schrijver moet inhouden. De antwoorden mogen hoegenaamd geene aanduiding van den schrijver bevatten; alleen van de bekroonde antwoorden zal de jury de daarbij behoorende couverten, inhoudende naam en woonplaats van den schrijver, openen, terwijl de overige antwoorden met de daarbij behoorende gesloten couverten aan het opgegeven correspondentieadres zullen worden teruggezonden.
Nadere inlichtingen zullen gaarne worden verstrekt door de ondergetee-kenden, daartoe in eene vergadering van afgevaardigden van de medewerkende maatschappijen en vereenigingen aangewezen.
1 Maart 1890. , ,T ^
J. E. SCHOLTEN, Groningen.
Mr. MENNO O. GRATAMA, Hoogeveen.
(1) Deze bepaling werd gemaakt, omdat het kon zijn, dat de drie bestgekeurde anlwoorden elkander niet veel ontliepen, en ook zeer konden verschillen, zoodat het alsdan billijker werd geacht, dat de jury het bedrag van / 600 verdeelde al naarmate van de waarde dier drie antwoorden.
(2) Deze bepaling werd wenschelijk geacht omdat het zeer wel mogelijk was , dat de bewerking van een der tien hiervoren genoemde vereischten voor het antwoord, 111 het eene meer doeltreffend werd bevonden dan in een der beide anderen , waar misschien aan andere onderdee.cn meer zorg was besteed.
^ 'f'
â .......... ..........gt; iimynm.iti*
⢠â ...............- - â
⢠I'
Sedert i Januari 1895 verschijnt wekelijks
HIPPOS,
het oude maandblad voor de PAARDENFOKKERIJ, met toevoeging van alles wat op gebied van Sport in verband niet de FOKKERIJ en de PAARDENKENNIS aandacht verdient.
Sedert deze uitbreiding is de kring van lezers verbazend toegenomen, vooral ook om den uiterst geringen prijs,
10 cents per week ongeveer,
van Uit blad.
HIPPOS wordt gelezen door paardenfokkers,
liefhebbers van paarden,
eigenaars en liefhebbers van harddravers en renpaarden,
door koetsiers, palfreniers, pikeurs, jockeys, en ; st daardoor het eenigt goede weekblad te sijn ol het gebied der â rjokkerij en paardensport.
ioder die weten wil
hoe hij een paard kan Tokken,
hoe hij een paard moet behandelen,
hos iiij een paard moet rijden of berijden,
leze HIPPOS.
TIUTOS verschijnt wekelijks en bevat telkens minstens een hoofd-artikel op het gebied van paardenkennis en paardenfokkerij.
Niet minder is gebruik gemaakt van de gelegenheid tot adverteeren.
Die iets te vragen heeft,
Die iets to melden heeft,
Die iets heoft te verkoopen,
Die iets heeft te koopen,
Die alles wil weten wat op het gebied der paardenfokkerij plaats heeft. Die op de hoogte wil blijven van den stand dsr harddraverijen en rennen,
leze HIPPOS en adverteert daarin. Bijzonder bil'jke advertentieprijzen.
Voor het aankondigen van Harddraverijen en Paardenmarkteti, publieke vcrkoopinjjfci! van paarden ,qn ^Jituigen enz. enz. is het eenige goede blad, het W e e k b 1 a d HIPPOS.^ /
In den dektijd voor hengsten-advertentiën speciaal goedkoop tarief.
HIPPOS geeft aankondigingen van eiken aard. De afloop der voornaamste harddraverijen wordt steeds opgenomen.
Uitvoerige mededeelingen over paardenmarkten.