ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4

BEKNOPT LEERBOEK

Vak 134

n

DER

AARDRIJKSKUNDE,

ITT ON.

\

DOOR

?■ h

DERDE DRUK.

MET IN DEN OEPLAATSTE GRAFtSCHÊ VOORSTELLINGEN,

P. NOORDHOFF. — 1894. — GRONINGEN.

ocr page 5
ocr page 6

VOORBERICHT VAN DEN EERSTEN DRUK.

j rp/ï I,

Dit leerboekje houdt het midden tusschen de nieuwe opvatting, waarbij aan het natuurkundig element eene alles beheerschende plaats wordt ingeruimd, en de oudere methode, waardij eene namengeographie hoofdzaak was.

Voorts zijn niet alle landen of werelddeelen op een zelfden maatstaf behandeld, maar de voor Nederland belangrijke zijn wat uitvoerig besproken; vele andere echter slechts even aangestipt. Nederland en zijne bezittingen en koloniën zijn niet behandeld; het gebruik van een afzonderlijk leerboek is volgens de meening van den ondergeteekende daarvoor noodig.

*De tusschen den tekst geplaatste vragen dienen:

1' om den leerling bij zijne voorbereiding te noodzaken den atlas te gebruiken;

T om hem te oefenen in het raadplegen van kaarten, iets, dat volgens onze meening veel te wenschen overlaat.

Door grafische voorstellingen hopen wij den leerling een juisten indruk van grootte-verhoudingen te geven en, zonder veel van zijn geheugen te vergen, hem enkele belangrijke verhoudingen in te prenten.

Ik heb viij voor het ontwerpen van deze figuren verzekerd van de medewerking van den Heer Jaeger, le er aar aan het Gymnasium alhier.

A.

VOOR DEN TWEEDEN DRUK.

Bij de bewerking van dezen tweeden druk werd van dezelfde gedachten uitgegaan, als ten grondslag lagen aan de eerste uitgave.

Het aantal vragen in den tekst kon worden vermeerderd; de ondervinding leerde, dat 't voorgestelde doel werd bereikt.

ocr page 7

Enkele grafische voorstellingen moesten worden vernieuwd.

Verder zijn, op gelijke wijze als in de „Aardrijkskunde van Nederlandquot; en in die van „Nederlandsch Oost- en West-Indiëquot; — beide herdrukt — hier en daar aanhalingen gedaan uit reisbeschrijvingen of uitvoerige schetsen.

Met erkentelijkheid werd gebruik gemaakt van verschillende opmerkingen. Ook verder houdt zich daarvoor de Schrijver aanbevolen.

A.

VOOR DEN DERDEN DRUK.

Verschillende grafische voorstellingen werden naar jongere gegevens vernieuwd en eenige andere aan de bestaande toegevoegd. Ook werd het aantal geografische schetsen uitgebreid; niet altijd zijn daarbij de grenzen van het „vakquot; streng in V 00% gehouden: door b.v. nu en dan te treden op 't gebied der land- en volkenkunde, kan de stof voor den leerling zooveel aantrekkelijker worden gemaakt en dat mag — ja, moet veel meer dan tot heden veeltijds 'tgeval is — het streven zijn: waar belangstelling wordt gewekt, is de kans groot, dat het onderwijs vruchtbaar is.

ocr page 8

EERSTE HOOFDSTUK.

§ 1. De aarde is eene planeet. Er zijn meerdere planeten. De planeten onderscheiden zich van de sterren o. a. hierdoor:

r. De planeten zijn donkere bollen, die van onze zon licht en warmte ontvangen; de sterren daarentegen zijn lichtende bollen.

2°. De sterren staan zóó ontzaglijk ver van de aarde, dat ze zelfs bij de sterkste vergrooting zich als een lichtend punt voordoen. (De naastbijzijnde ster staat 222.000 maal verder van de aarde dan de zon. 't Licht behoeft, om van de zon de aarde te bereiken , 8 min. 18 sec.; van de naastbijzijnde ster 3^ jaar?)

3quot;- De planeten bewegen zich om onze zon; zij vormen met de zon ons zonne- of planetenstelsel, waartoe nog eenige andere hemellichamen behooren. Van dit zonnestelsel hadden de volken der oudheid eene verkeerde voorstelling.

In de latere tijden kwam men tot juiste inzichten en zijn zelfs de wetten opgespoord, volgens welke de planeten zich om de zon bewegen. (Copernicus, Gallileï, Kepler en Newton; ló'en 17'eeuw.)

§ 2. De aarde heeft eene bolronde gedaante. Eerst in de nieuwere tijden won dit denkbeeld veld, hoewel reeds in de oudheid sommige geleerden den bolvorm aannamen. Herodotus, beroemd geschiedschrijver der Ouden (S1, eeuw v. C.), dacht ondanks zijne verre reizen nog niet anders, of de aarde was eene platte schijf; Aristote-les, mede een Grieksch geleerde, nam den bolvorm aan.

(De le globe, van zilver, in 1154 op Sicilië.)

Bewijzen er voor zijn o. a.:

1'. In 't vrije veld, aan een strand en vooral op zee heeft het voor 't oog zichtbare gedeelte van de aarde steeds eene cirkelvormige grens. Bevindt zich 't oog hooger boven de aarde, dan wordt 't uitzicht wijder; steeds blijft de gezichteinder cirkelvormig (natuurlijke horizon). (Zie fig. 1.)

AlTTON, Beknopt Leerboek. 3e druk. l •

ocr page 9

2°. Als men hooge voorwerpen uit de verte nadert, ziet men eerst 't bovenste gedeelte en al naderend 't geheel; evenzoo blijft bij

3e. De schaduw, die de aarde afwerpt. Die schaduw kan bij gelegenheid van eene maansverduistering worden nagegaan en vertoont eene cirkelvormige grens {meest afdoend, schoon nog geen volstrekt bewijs).

4e. De reizen om de aarde gedaan in verschillende richtingen; voor 'teerst door Magelhaens, een Portugees (1519—22); later door Engelschen (Drake , 1577—80; Cook iS' eeuw), Hollanders (v. Noordt 1598—1601), enz. Na de dagen van James Cook nam 't aantal van dergelijke groote reizen steeds toe.

§ 3. De aarde draait met groote snelheid om eene as; de uiteinden van die as noemt men polen (fig. 3). Noord- en Zuidpool. Bij de polen is de aarde afgeplat; die afplattingen bedragen echter zoo weinig, dat ze bij de meeste beschouwingen buiten rekening worden gelaten. (Stel de aarde voor door eene globe van 1 Meter middellijn, dan bedraagt elk der afplattingen ruim l^m.M., dus veel te weinig , om bij zulk eene globe te kunnen worden aangebracht.)

Voor de aswenteling der aarde bestaan bewijzen, waarvan de meeste op natuurkundige gronden berusten.

ocr page 10

3

§ 4- Zorgvuldige metingen en berekeningen hebben de grootte van de aarde doen kennen. (Snellius in de IJ eeuw in Holland; Condainine in de 18quot; in Peru, Maupertuis in Lapland; later nog vele anderen.) Als men zich een cirkel om de aarde getrokken denkt

op gelijken afstand van de beide polen — dien cirkel noemt men aard-equator of evenaar, in fig. 3 en 4 voorgesteld door den cirkel EE —, dan is de lengte van dien cirkelomtrek ruim 40.000.000 Meter.

Fig, 4.

Daar de evenaar, evenals elke cirkel, 360° bevat, is de grootte van 1° ruim 111 K.M.

Veel gebruikt worden ook de volgende lengtematen:

Uur gaans = graad van den evenaar = 5% K.M.

Duitsche of geographische mijl = yI5 graad van den evenaar = l Va uur gaans.

Zeemijl of Engelsche mijl = 'Z, uur gaans.

ocr page 11

4

(In Oost-Indic spreekt men van een Paal, ruim 'A uur gaans lang.)

Duitsche of geographische mijl.

Uur gaans.

Zeemijl.

Paal.

Kilometer.

(Deze lengten zijn hier voorgesteld op '/lonooo der ware grootte.)

De afmetingen van de aarde zijn zóó groot, dat de hoogste gebergten en de grootste diepten slechts onbeduidende oneffenheden zijn (rimpels, plooien), die men zelfs op eene globe van 1 M. middellijn onmogelijk zou kunnen weergeven. (Zie fig. 5.)

Welke afmeting zou op zulk eene globe aan eene verheffing van 10.000 M. moeten worden gegeven? De aardmiddellijn = 1720 G.M.

Fig. 5. Gedeelte van een aardboog met eene dwarsdoorsnede van Noord-Amerika.

De loodrechte afstanden zijn in deze figuur nog tienmaal grooter voorgesteld , dan zij in verhouding tot den straal van den boog behoorden te zijn.

§ 5. De afstand van eene plaats tot den evenaar wordt de breedte van de plaats genoemd. Over alle plaatsen, die eene zelfde breedte hebben, kan men zich een cirkel getrokken denken: zulk een cirkel heet parallel (in fig. 4 PaP), omdat hij evenwijdig aan den evenaar loopt, of breedtecirkel, omdat hij de breedte aangeeft van de plaatsen, waarover hij is getrokken.

Men meet de breedte op een cirkel, die door de beide polen gaat; zulk een cirkel heet meridiaancirkel (in fig. 4 is NaqZ de meridiaan van a). Over elk punt van de oppervlakte des bols kan een meridiaancirkel worden getrokken; de meridiaancirkels staan loodrecht op den evenaar. De breedte wordt gemeten ten Noorden of ten Zuiden van den Evenaar, (a ligt dus in fig. op Noorderbreedte, b op Zuiderbreedte.)

Op globes en kaarten zijn doorgaans de parallellen getrokken met een ouderlingen afstand van 5 of 10 meridiaangraden.

Evenaar en meridianen noemt men de groote cirkels van den bol; de parallellen heeten kleine cirkels.

ocr page 12

n----—-

, I ,

! 5

...

Onder de meridiaancirkels, die over den bol kunnen worden getrokken , neemt men een bepaalden meridiaan aan, dien men den eersten noemt; men kan alsdan voor elke plaats aanwijzen, hoever zij van dien lcn meridiaan is verwijderd. Dezen afstand noemt men de lengte van de plaats; zij wordt gemeten met graden van den evenaar of van eene parallel. (Zoo zou in fig. 4, indien de cirkel w NPEZ de eerste meridiaan voorstelde, Eq de lengte, aq de breedte

van de plaats a zijn. De lengte van de plaats a kan ook op haar parallel PaP worden gemeten, daar blijkbaar de boog Pa evenveel graden bevat als Eq.) Als men de breedte en de lengte van eene plaats kent, is de ligging van die plaats geheel bepaald. De lengte wordt gemeten ten Oosten of ten Westen van den lcn meridiaan. Men noemt omwoners, bewoners van plaatsen met dezelfde breedte, maar met een verschil van 180° in lengte (in fig. 6 a en 6, c en d); tegenwoners, die van plaatsen met dezelfde lengte, maar tegengestelde breedte (in fig. 6 « en lt;r, /5 en rf); tegenvoeters, die van plaatsen met tegengestelde breedte en 180° verschil in lengte (in fig. 6 a en d, ö en c).

Vroeger werd als i' meridiaan algemeen die aangenomen, welke over de Canarische eilanden (bij de Westkust van Afrika) loopt; men gaf er den naam aan van meridiaan van Ferro; tegenwoordig wordt door de zeelieden vrij algemeen de meridiaan van Greenwich (bij Londen) als le gebruikt, terwijl in navolging van de Fran-schen ook die over Parijs in veel atlassen als 1' meridiaan voorkomt.

Hoeveel verschillen de drie genoemde meridianen met elkander in lengte?

§ 6. Indien de aarde geene aswenteling had, zou de halve bol.

die naar de zon is toegekeerd, altijd in het licht, die, welke van de zon is afgewend, steeds in 't donker zijn. Tengevolge van de aswen-

ocr page 13

6

T

teling hebben dus alle plaatsen eene regelmatige afwisseling van dag- en nacht.

De aswenteling geschiedt van 't Westen naar 't Oosten. (Zie fig. 3.)

Daar de dampkring, die de aarde omgeeft, en al, wat zich op aarde bevindt, in die aswenteling deelt, bespeuren wij deze beweging niet rechtstreeks, maar wij .kunnen haar waarnemen aan de zon en aan al de verdere hemellichamen; al die hemellichamen schijnen in den V

tijd van 24 uren (de duur van eene geheele wenteling van de aarde om hare as) zich om de aarde te bewegen. Zij schijnen dit te doen in eene richting, tegengesteld aan de richting, in welke de aarde zich wentelt. Als wij dus op eenig oogenblik van den dag de zon aan den hemel zien staan en wij kijken eenigen tijd later weer naar de zon, dan heeft deze zich verplaatst en wel in de richting van 't Westen.

De boog, dien de zon voor ons oog aan den hemel schijnt te beschrijven, heet dagboog; 't midden van dien boog, 't hoogste punt,

geeft onzen middag, twaalf uur, aan.

Als de zon 's ochtends in 't Oosten zichtbaar wordt aan den hori-zon, dan zeggen wij, dat zij opgaat.

Evenzoo kan men de sterren zien opgaan, zich bewegen, enz.

Daar de zon bij haar schijnbaren loop om de aarde in 24 uren een geheelen cirkel doorloopt, legt zij in 4 minuten één graad aan den hemel af. Hieruit volgt, dat van 2 plaatsen op aarde, die 1°

in lengte verschillen, de plaats, welke 't meest Oostelijk ligt, de zon 4 minuten eerder zal zien opkomen, en evenzoo 4 minuten eerder middag, 4 minuten eerder zonsondergang zal hebben. Omgekeerd zal l uur verschil in tijd overeenkomen met 15° verschil in lengte.

1. Te berekenen, hoe laat het is in de onderstaande steden,

als het in Amsterdam 12 uur 's midd. is: Berlijn, Batavia, Paramaribo, Kaapstad, New-York, San Francisco.

2. Welk tijdsverschil hebben de omwoners, de tegemvoners en de tegenvoeters van a met a zelf (fig. 6)?

§ 7. De aarde heeft nog eene 2e beweging; zij loopt om de zon en wel in eene richting van W. door Z. naar O. (fig. 7). De tijd,

dien zij voor een geheelen omloop gebruikt, heet jaar.

Deze beweging van de aarde heeft de afwisseling van de jaargetijden tengevolge. De jaargetijden quot;verschillen van elkander o.a. in;

lc. de lengte van den dag en die van den nacht,

2'. de hoogte, die de zon boven den horizon bereikt. Deze ,

verschillende hoogte van de zon geeft ons de meerdere of de mindere *

warmte. [

Daar de as der aarde schuin op het vlak van omloop staat (zij maakt met dit vlak een hoek van 66'A0; zie fig. 7) en het geheele

D

ocr page 14

7

loodrecht op den evenaar (fig. 9); op 21 December loodrecht op de parallel van 23V20 Z. Br. (fïg. 10); op 21 Maart weer loodrecht op den evenaar (fig. 9). In fig. 8 heeft dus de zon den hoogsten stand, in fig. 10 den laagsten stand voor plaatsen van het Noordelijk halfrond bereikt. Uit beide uiterste standen keert zij als 't ware terug tot den stand van fig. 9; men noemt daarom de beide parallellen, op 23'/2° breedte gelegen, Keerkring'en. De Noorderkeerkring wordt ook wel Kreeftskeerkring, de Zuiderkeerkring Steenbokskeerkring genoemd.

Van 21 Maart tot 23 Sept. vallen de zonnestralen voor het Noordelijk halfrond onder den grootsten hoek (zomerhalfjaar); van 23 Sept. tot 21 Maart staat de zon het hoogst boven 't Zuidelijk halfrond.

Welk gevolg zou een loodrechte stand van de aardas, op 't vlak van omloop, voor de aarde hebben?

§ 8. Het gedeelte van de aarde, dat tusschen de keerkringen ligt, noemt men de heete of tropische gewesten; daar schijnt de zon 2 maal 's jaars loodrecht boven. Van 23y^0 tot 66'/2° strekken zich de gematigde gewesten uit; de parallellen van 66'/2° heeten poolcirkels. Binnen de poolcirkels liggen de koude luchtstreken.

In de heete luchtstreek duurt de dag 't geheele jaar door niet veel langer of korter dan 12 uur, in de gematigde gewesten is 't verschil tusschen dag en nacht in den loop van 't jaar groot; b. v. op den 52™ breedtegraad: 21 Maart dag van 12 uur;

„ „ ,21 |uni „ „ bijna 17 uur;

„ „ 23 Sept. „ „12 uur;

„ „ 21 Dec. „ „ ruim 7 uur.

jaar door dien zelfden stand behoudt, schijnt de zon op 21 Juni loodrecht op de parallel van 23'/2° N. Br. (fig. 8); op 23 September

ocr page 15

8

In de poolgewesten is de zon in den zomer heel lang boven den horizon, in den winter heel kort; de plaatsen op den Noordpoolcirkel zelf hebben b.v. 21 Juni een dag van 24 uren; plaatsen op 70° N.B.

Fig. 8.

Fig. 9.

zien in den zomer gedurende 65 dagen de zon niet ondergaan, enz. Uit al 't bovenstaande blijkt;

le. De breedte van eene plaats is van belang, omdat daarvan de

ocr page 16

9

lengte van den dag en den nacht afhankelijk is en omdat de hoogte van de zon er door bepaald wordt.

2e. Met het verschil in lengte van 2 plaatsen op aarde gaat samen een tijdsverschil.

§ 9. Het klimaat of de luchtsgesteldheid van een land hangt dus in de lc plaats af van de breedte, op welke het land ligt. Er zijn nog vele andere omstandigheden, die op 't klimaat invloed uitoefenen, b.v. de hoogte van 't land; de meerdere of mindere nabijheid van de zee, enz.

De bovengenoemde gordels, 1 heete, 2 gematigde en 3 koude.

noemt men daarom wiskundige klimaatgordels of Zones. Voor een nauwkeuriger overzicht neemt men liever nog een grooter getal van die gordels aan (zie fig. ll);

Subtropische 23'/2°—340 N. en Z. Br.

Warm gematigde 340—450 — — .

Koud gematigde 450—580 — — .

Subarctische 580—óó'/j0 — —

Arctische (N. halfrond).

Antarctische (Z. halfrond).

Indien alleen de breedte, waarop eene plaats of een land ligt,

ocr page 17

lO

het klimaat bepaalde, znu men kunnen volstaan met op te ^even in welken gordel de plaats of het land ligt. Hierover meer in § 20. Van de gansche aarde ligt;

50 0/0 in de gematigde luchtstreek, 40 % „ „ heete „ ,

10 % „ „ koude „

TWEEDE HOOFDSTUK.

§ 10. De Werelddeelen en Oceanen.

Bijna % van de oppervlakte der aarde is door water bedekt; niet veel meer dan % van de vaste aardkorst steekt boven het water uit.

Van de vijf landmassa's of werelddeelen zijn er 2 zeer groot, 2 betrekkelijk klein, terwijl t tusschen die groote en kleine ongeveer 't midden houdt. De oppervlakte van Europa = t stellende, wordt de grootte van Azië en Amerika elk door ruim 4, die van Afrika door 3, die van Australië door V10 voorgesteld. (Zie fig. 12.)

De gewone wijzen van verdeeling in halfronden zijn:

T. Door den Evenaar in een N. en een Z. (Welke werelddeelen liggen geheel of gedeeltelijk op 't Z. halfrond?)

2'. Door een der r meridianen in een O. en een VV. (Welke werelddeelen liggen op elk van de twee?)

Op welk der halfronden ligt 't meeste land ?

De wereldzeeën of Ocea/wn zijn:

1. Noordelijke IJszee.

2. Atlantische Oceaan.

3. Groote „

4. Indische „

5. Zuidelijke IJszee.

Opg-aven.

1. Zoek op de kaart de begrenzing van de werelddeelen; daarna die van de Oceanen.

2. Zoek de wegen, langs welke men van den eenen Oceaan in den anderen zou kunnen komen.

3. Welke zijn de groote bochten of binnenzeeën, die de Atlantische Oceaan aan de kusten van Europa en Amerika vormt?

ocr page 18

11

§ 11. De Atlantische Oceaan is nog altijd de belangrijkste wereldzee: de Middellandsche Zee werd al in de vroegste tijden druk bevaren door Phoeniciërs, Grieken , Romeinen; tal van koloniën werden langs deze zee gesticht, b.v. aan de kusten van Klein-Azië, aan

Indische Oceaan.

Zuidelijke IJszee. Noordelijke IJszee.

den Noordrand van Afrika, in Spanje en Zuid-Frankrijk; onder die koloniën b.v. Byzantium , Milete, Carthago, Massilia. Zoo speelt de Middelt. Zee een groote rol in de geschiedenis der beschaving. Noord- en Oostzee werden onder de zeeheerschappij van het Hanzeverbond, vooral in de 13° en 14° eeuw, het tooneel van levendig handelsverkeer en bleven dat sedert dien tijd. Van de 15e eeuw dagteekent de vaart op den Atlantischen Oceaan zelf en die vaart

ocr page 19

12

nam in beteekenis steeds toe, doordat de belangrijkste landen van de wereld hunne kusten aan dezen Oceaan hebben. Portugeezen (Hendrik de Zeevaarder f 1460) en Spanjaarden, later vooral Hollanders en Zeeuwen, Engelschen en Franschen namen aan die vaart deel. Eene reis van Ierland naar Amerika is al wel binnen 6 dagen afgelegd geworden ; stoomvaartlijnen en telegraafkabels verbinden al de landen met elkaar.

De Groote Oceaan werd door Europeanen het eerst bevaren eeni-gen tijd na de ontdekking van Amerika, bij de reis van Magelhaens. Deze gaf er den naam aan van Stillen Oceaan, een naam, die nog wel gebruikt wordt (Océan pacifique). Den naam Zuidzee had de Oceaan eenige jaren vroeger gekregen van Balboa, die in 1513 de landengte van Panama overstak. Daar deze landengte eene richting van 'tOosten naar 't Westen heeft, zag hij de zee in 'iZuiden voor zich liggen. Na de ontdekking werd de Gr. O. lange jaren nog weinig bevaren; de drie reizen, die James Cook deed, tusschen 1768 en 1780, gaven den stoot tot meer scheepvaart aldaar. Andere oorzaken werkten mee: de walvischvangst, de kolonisatie in Australië sinds 'tbegin der 19quot; eeuw, het ontstaan van staten in Amerika in plaats van de vroegere Spaansche koloniën, 't ontdekken van goud in Californië, het openstellen van de havens in China en Japan. Tegenwoordig wordt de Gr. Oceaan dan ook reeds in alle richtingen bevaren, wat ook van belang is voor de eilanden in dien Oceaan (Oceanië).

De IJszeeën hebben voor het verkeer weinig beteekenis; zij worden alleen bezocht door walvischvaarders en door expedities, die zich ten doel stellen wetenschappelijke waarnemingen op die hooge breedten te doen (Nordenskjöld; Nansen; Barentsexpedities en vele anderen.) Vroeger zocht men daar de handelswegen naar Oost-Azië (Noordoostelijke en Noordwestelijke doorvaart).

In de N. IJszee is eene breedte van 83^° al bereikt; op het Z. halfrond drijven de ijsbergen tot op veel lager breedten; daardoor o.a. is de Z. IJszee veel minder bezocht geworden en is men daar nog niet zoo dicht tot de pool genaderd.

§ 12. Bij de beschouwing van de werelddeelen moet, behalve op de ligging met betrekking tot den evenaar en tot de Oceanen, gelet worden op hunnen vorm. Hierbij is het van belang op te merken, oi de zee meerdere of mindere diepe insnijdingen en bochten maakt en dus schiereilanden en eilanden van 't vastland afsnijdt; die schiereilanden en eilanden noemt men leden, in tegenstelling van den romp, het voor de zee ontoegankelijke gedeelte van het land. Hoe meer eene

ocr page 20

13

kust ontwikkeld is (veel inhammen, veel leden), des te beter is het in 't algemeen voor de bewoners van een land of werelddeel.

Behalve voor het verkeer is de nabijheid van de zee en de ontwikkeling van de kust ook van groot belang voor het klimaat van de werelddeelen en landen; door de ligging aan zee zijn de winters minder koud en de zomers minder warm; de lucht is vochtiger; men spreekt van een zeeklimaat in tegenstelling van een vastlandsklimaat. De invloed van de zee op 't klimaat is vooral dan groot, als de winden naar 't land zijn toegekeerd en als geen hooge bergen den toegang landwaarts in voor de winden afsluiten.

Van de 5 werelddeelen heeft Europa den gunstigsten vorm, want de zee dringt in het Zuiden en het Westen diep in dit werelddeel binnen, zoodat verscheiden volken over de zee met elkander in gemeenschap konden staan; (welke binnenzeeën ?). Afrika en Australië hebben den meest gesloten vorm. Azië heeft eene zeer ontwikkelde Zuid- en eene nog meer ontwikkelde Oostkust. Amerika staat door zijne langgestrekte gedaante veel met de zee in gemeenschap en heeft ook eene middellandsche zee, die Amerika eigenlijk in twee werelddeelen scheidt, welke door het smalle Mkklel-Amerika en-door eene brug van eilanden zijn verbonden.

Opgaven.

1. Hoe heet die Amerikaansche middell. zee, hoe die eilandengroep tusschen N.- en Z.-Amerika?

2. Welke bochten en binnenzeeën worden aan de Zuidkust van Azië gevormd?

3. Welke aan de Oostkust?

Er zijn verschillende methoden om de meerdere of mindere kust-ontwikkeling door getallen voor te stellen. De beste is misschien die, waarbij men den vlakte-inhoud van de leden tracht te berekenen en dien vergelijkt met de oppervlakte van den romp; b.v. Europa heeft eene totale oppervlakte van 180.000 □ G. M.; hiervan nemen de schiereilanden en eilanden ± 60.000 D G. M. in, zoodat de romp ongeveer 120.000 □ G. M. bedraagt: de kustontwikkeling van Europa wordt nu voorgesteld door 1 ; 2.

Volgens deze methode krijgt men voor Azië l ; 4

Amerika l : 8 Australië 1 : 36 Afrika 1 ; 47 (zie fig. 13).

Bij de beschouwing van eene kust gaat men na, of zij steil is dan wel vlak; of zij rijk is aan inhammen en havens, dan wel weinig gebroken.

ocr page 21

14

Steile kusten hebben liet voordeel, dat de schepen dichter kunnen naderen; bij vlakke kusten is de zee tot op grooten afstand van de kust ondiep, en liggen er zandbanken. Hierdoor zijn vlakke kusten beter geschikt voor 't ontstaan van badplaatsen.

Bij steile kusten zijn dikwijls klipeilanden en blinde klippen (onder

Europa 1 : 2 Azië 1 : 4 Amerika 1 ; 8 Australië 1 ; 36 Afrika l : 47

Fig. 13. Betrekkelijke kustontwikkeling der verschillende werelddeelen. De verhouding van de oppervlakte van den romp en van de leden is voor elk werelddeel voorgesteld door de inhouden van een cirkel (wit) en een cirkel-sector (zwart) met gelijke stralen beschreven.

water); zandbanken zijn evenwel nog gevaarlijker dan klippen, omdat zij meer aan verplaatsing onderhevig zijn. Bij lage kusten is het vooral van belang, dat er riviermonden zijn; hier trekt het verkeer zich dan samen. De rivieren moeten echter steeds door uitbaggering op behoorlijke diepte worden gehouden; b.v. aan de Nederl. kust, de Fransche Westkust van de Pyren. tot Bretagne, enz. Aan lage kusten werd vroeger vaak 't recht van strandroof uitgeoefend; klipkusten gaven door hunne goede schuilplaatsen vaak tot zeeroof en smokkelhandel aanleiding (Barbarije, Dalmatië, enz.).

Dikwijls wordt aan zeekusten zout gewonnen of naar koraal, spons, barnsteen, parelen gevischt; de schelpen worden wel gebruikt in kalkbranderijen.

Eindelijk heeft de zee, behalve voor de bezigheden der bewoners en voor 't klimaat, ook nog beteekenis door de veranderingen, die zij de gedaante van een land doet ondergaan; hierbij geeft zij aanleiding tot landverlies of tot landaanwinst; terwijl bij steile kusten de voortdurend werkende kracht van het water de rotsen ondermijnt, worden aan lage kusten bij storm dikwijls groote stukken land overstroomd, waarvan vroeger ons vaderland menig voorbeeld gaf.

§ 13. Lig-ging- en omtrek of Horizontale vorm van Europa. Opgaven.

1. Noem de grenzen van Europa.

2. Bepaal het verschil in breedte vail het eiland Malta en van 't N. deel van Scandinavië.

ocr page 22

15

Europa ligt grootendeels (Vut) in de gematigde luchtstreek; slechts een klein deel (van welke landen?) ligt in den kouden gordel.

De ligging aan de Middellandse he Zee was al in de oudheid belangrijk voor ons werelddeel: uit Voor-Azië namen de oudste bewoners van Zuid-Europa veel van de beschaving over. En door alle tijden heen bleef de Middellandsche Zee eene gewichtige zee, al waren er nu en dan ook veel zeeroovers en al onttrok de weg om Z.Afrika , sedert de 15° eeuw ook een groot deel van 't verkeer.

Amerika, aan de overzijde van den Atlantischen Oceaan, oefende sinds de 15quot; eeuw grooten invloed op de lotgevallen der volken van Europa uit; eerst op de Spanjaarden en Portugeezen, later op de Hollanders en Engelschen, terwijl in onze eeuw van stoom en steeds toenemend verkeer de ligging aan den Atlantischen Oceaan allen volken van ons werelddeel in meerdere of mindere mate ten goede komt.

Reeds is gezegd, dat door de diep insnijdende zeeboezems Europa de gunstigste kustontwikkeling heeft (door welke verhouding wordt deze voorgesteld ?). Een groot deel van de Europeesche volken zocht al vroeg op zee middelen van bestaan en meer dan elders kon de zee invloed op 't klimaat der landen uitoefenen.

Aldus waren ligging en horizontale vorm mede oorzaak, dat de volken van dit werelddeel een hoogen trap van beschaving konden bereiken. Duidelijk komt dit uit, als wij Oost-Europa met Zuid- en West-Europa vergelijken.

Opg-aven.

1. Noem de eilanden in de Westelijke helft der Middell. Zee (tusschen Spanje en Italië).

2. Tusschen welke landen is de Aegaeïsche of Grieksche zee gelegen; welke beide eilandengroepen liggen in die zee; hoe staat zij in gemeenschap met de Zwarte Zee?

3. Tusschen welke landen ligt de Oostzee? Noem van de kaart de grootste der eilanden in de Oostzee. Hoe komt men langs Kopenhagen van de Oostzee in de Noordzee?

4. Zoek van de kaart voorbeelden van steile en van lage kusten in Europa.

§ 14. De oppervlakte der aarde is zeer oneffen, hoogere en lagere gedeelten wisselen elkaar af.

De oppervlakte van een land kan effen (vlak), of oneffen zijn; het

ocr page 23

16

land kan hoog of laag liggen (met betrekking tot den zeespiegel) (fig. 14).

We onderscheiden dus;

l'. vlak en hoog: hoogvlakte, plateau, tafelland.

2*. vlak en laag : laagvlakte; lager dan de zee, alsdan

inzinking.

3B. oneffen en hoog; bergland.

Verheft het bergland zich zoo hoog, dat in de hoogste gedeelten de sneeuw en het ijs zelfs 's zomers niet smelten (grens der eeuwige sneeuw , sneeuwgrens), dan spreekt men van hooggebergte.

Azië.

N.-Amerika.

Z.-Amerika.

Afrika.

Europa. Australië.

(Bestaat er ook verband tusschen de hoogte, waarop de sneeuwgrens ligt, en de luchtstreek, in welke 't gebergte zich bevindt ?)

Tegenover hooggebergte staan middelgebergte, voorgebergte en heuvelland.

Het is beter, geen bepaalde hoogtegetallen op te geven bij het onderscheiden van hooggebergte, enz.

Na de hoogte van een gebergte is nog van belang: de richting, waarin het zich uitstrekt; liggen de hoogste punten, toppen, ongeveer in één richting, dan spreekt men van ketengebergte ; groepeeren de toppen zich eenigszins om een middelpunt, dan van berggroep. De vorm van ketengebergte komt 't meest voor; hierbij onderscheidt men wel eens, naar de richting, meridiaanketens en parallelketens.

Opgaven.

1. Geef van de kaart de laagvlakten op van Europa.

2. In te vullen:

Sierra Nevada in

„ Morena in

ocr page 24

17

Grampians in

hoogvlakte van Castiliö in

Balkan op de grens van en

Pyreneën „ „ „

Kaukasisch geb. „ „ „

3. Zoek op de kaart van Amerika voorbeelden van keten-gebergten en laagvlakten.

§ 15. De vorm der oppervlakte van Europa is gekenmerkt door afwisseling; de verschillende terreinvormen (welke ?) komen alle voor; hoogvlakten 't minst (in Spanje ; aan den Noordvoet van de Alpen in Zwitserland en Zuid-Beieren; hier en daar in de gebergten , meest betrekkelijk klein).

Het laagland neemt veel grooter oppervlakte dan het hoogland in (zie fig. 14).

Een groot voordeel is het, dat bij den romp van Europa de gebergten meer in het midden liggen; l. de hooge Alpen, 2. daaromheen een krans van middelgebergten (Fransche, Duitsche en Karpatische) en 3. aan den voet het uitgestrekte laagland,

dat tot aan de zeeën reikt: Sarmatische vlakte van den Oeral tot de Weichsel; Duitsche vlakte tot de Schelde; Fransche tot de Pyreneën. Als gelukkig gevolg van dezen verticalen bouw stroomen de rivieren van het midden des werekideels in verschillende richtingen door de laagvlakten en zijn aldus natuurlijke verkeerswegen.

Opgaven.

1. Zoek Rhone, Garonne, Loire, Seine, Maas, Rijn, Weser, Elbe , Oder, Weichsel, Donau , Po.

2. Geef van elk dezer rivieren op : a. op welk der bovengenoemde bergstelsels zij ontstaat; b. in welke zee zij uitloopt.

Naast dit eerste gunstige verschijnsel bij de rivieren van Europa staat een 2'; de verschillende stroomstelsels konden gemakkelijk door kanalen worden verbonden. Daardoor was het zelfs mogelijk de Zuidelijke binnenzeeën (Middellandsche, Zwarte, Kaspische Zee) rechtstreeks met de Noordelijke (Noordzee, Oostzee, Witte Zee) in gemeenschap te brengen. Onder deze waterverbindingen halen wij als een paar voorbeelden aan : Rhone-Rijn- en Donau-Rijnkanaal. (Welke zeeën worden aldus verbonden ?)

Bij de schiereilanden en eilanden van Europa komt het hoogland veel meer voor dan het laagland.

D. AlTTON, Beknopt Leerboek, 3'' druk. 2

ocr page 25

l8

§ 16. De lijn, die de hoogste punten in een gebergte vereenigt, heet kam; de lage gedeelten van de kam, tusschen de toppen, heeten passen. Soms bestaan ketengebergten uit verschillende ketens, die in eene zelfde richting loopen; de gedeelten, die dan de ketens van elkander scheiden, heeten lengtedalen.

De lengtedalen zijn gelijktijdig met de gebergten ontstaan; de ketens en de dalen op de aardkorst zijn naar verhouding geen groo-ter oneffenheden dan de rimpels en plooien op een appel in het voorjaar (fig. 5.)

Soms is eene bergketen doorbroken b. v. door eene rivier; de rivier heeft dan een dwarsdal gevormd. Lengtedalen loopen ongeveer in de richting van het gebergte , dwarsdalen niet.

Voorbeelden in de Alpen:

Lengtedalen van Rhóne, Voor-Rijn, Boven-Inn of Engadin, e. a. Dwarsdalen : Ticino , Reuss, e. a.

Lengtedalen zijn in den regel veel langer dan dwarsdalen.

Bij dwarsdalen zijn de rotsen in den regel veel steiler dan bij lengtedalen.

De dalen en passen zijn in de bergstreken van groote beteekenis voor het verkeer. Zoo b. v. vormen de Pyreneën veel meer eene scheiding tusschen Spanje en Frankrijk dan de Alpen tusschen Italië en Frankrijk, Zwitserland, Duitschland en Oostenrijk, doordat de Alpen veel toegankelijker zijn.

De gebergten spelen eene groote rol in de natuur ;

1. Zij doen beken ontstaan, die zich tot rivieren vereenigen; zij bepalen de richting, het verval (verschil in hoogte tusschen 2 punten van de bedding), de stroomsnelheid, de bevaarbaarheid van de stroomen.

2. Zij hebben invloed op het klimaat, want de temperatuur of warmtegraad neemt af met de hoogte boven de zee; de winden of luchtstroomen worden door bergketens genoodzaakt op te stijgen, waardoor zij afkoelen en hun waterdamp verdichten en doen neervallen ; in 't gebergte is 't dus vochtig en valt doorgaans veel regen, vooral aan de zijde, van welke de meeste winden waaien.

3. De flora en de fauna hebben een bijzonder karakter (later hierover meer).

4. De gebergten vormen eene scheiding in klimatologisch opzicht en voor flora, fauna en menschen; op kleine oppervlakte verschillen de bewoners dikwijls veel van elkaar in zeden, leefwijze, zelfs in taal en geschiedenis, doordat zij weinig met elkaar in aanraking komen, 't Gebergte oefent stellig invloed op 't karakter der bewoners.

§ 17. Het aantal gesteenten of steensoorten is zeer groot. Daartoe

ocr page 26

19

behooren niet alleen de vaste gesteenten of de rotsen, maar evengoed het zand, de klei, enz.

De geologie of aardkunde bestudeert de samenstelling van de aarde. Veel geologen zijn van nieening, dat er een aardkorst is en een gloeiend vloeibare kern. Die meening berust le op het toenemen van de temperatuur, als men in mijnputten afdaalt, dus zich beweegt in de richting van 't middelpunt der aarde (het diepste boorgat, in een mijnwerk tusschen Leipzig en Halle, reikt tot 1656 M.; op den bodem is het 48 m.M. wijd en wijst de thermometer 48° C.); 2quot; op de uitbarstingen van sommige bergen, die men vulkanen of vuur-spuwende bergen noemt; de opening, door welke de gloeiende massa's zich een weg banen, heet krater; de meeste vulkanen hebben, behalve een hoofdkrater, verscheidene zijkraters.

De werkzaamheid van vulkanen kan zich op zeer verschillende manieren openbaren; onderaardsch gerommel, soms gepaard met harde knallen; damp-ontwikkeling (vooral waterdamp); hooge kolom van rook en vuur; aschregen; instorting b.v. van den kraterrand; vorming van nieuwe kegels en kraters; lavastroomen.

Zware bewolking belet vaak de vulkanische werkzaamheid Waar te nemen; dichte nevels omgeven dan den berg, terwijl heftige regens het beklimmen onmogelijk maken.

Bij aardbevingen geraakt de bodem nu eens in golvende dan in schokkende beweging; boomen slaan tegen den grond, muren scheuren , huizen storten in; wel is waar duurt een schok zelden langer dan eenige sec., doch verschillende schokken volgen elkaar op. Daarbij ontstaan aan zeekusten hooge golven.

Vulkanen in Europa: op en bij Sicilië (Etna, Stromboli, enz.);

in de vlakte v. Napels, de Vesuvius; in de Grieksche zee, Santorini; op IJsland; Hekla en andere; oud-vulkanisch de Eifel, Auvergne, e. a.

Vulkanen in Azië: eene gansche rij op de eilanden langs de

O.-kust en door O.-Indië.

Vulkanen in Amerika: eene rij langs de W.-kust, vooral in Zuiden Centraal-Amerika.

Veel geologen veronderstellen bij deze en de vorige rij, dat zij zich verheffen op en bij eene spleet in de aardkorst.

Talrijke zeevulkanen, eilanden, in den Gr. Oceaan; b.v. Sandwichs (230 N.B.), in den Atl. Oceaan b. v. Piek van Teneriffe, e. a. Zelfs in de gewesten der Zuidelijke poolzeeën ontbreken zij niet (Erebus en Terror).

Het geheel aantal werkende vulkanen bedraagt ruim 400; zij zijn als volgt over de oppervlakte der aarde verspreid:

ocr page 27

20

in

Europa ......

7

in

Afrika.......

3

in

Azië ruim.....

200

in

Amerika ruim ....

100

in

den Grooten Oceaan . .

40

in

den Atlantischen Oceaan

14

in

den Indischen Oceaan .

10.

Zekerheid aangaande den toestand in 't binnenste der aarde geven bovengenoemde twee omstandigheden niet: uit welke diepten b. v. de vloeibare gesteenten bij eene vulkanische uitbarsting voortkomen, is niet na te gaan.

De kennis der grondsoorten (geologische gesteldheid) van een land is van groot belang; immers van de bestanddeelen van den bodem is afhankelijk: 1' de meerdere of mindere vruchtbaarheid; 2e de aanwezigheid van producten uit het delfstoffenrijk; 3quot; van minerale bronnen, enz.

Verschillende krachten werken heden ten dage evenzeer als in lang verloopen tijden aan de verandering van de aardkorst; enkele dier krachten zijn al genoemd: de gletschers en bergstroomen; de rivieren ; de zee; de vulkanen; andere zijn: de planten, die b. v. aan uitgestrekte veenen en steenkoolbeddingen 't aanzijn gaven; dieren, die koraalrotsen bouwden, enz.

Hoewel de geologen den volstrekten ouderdom van de gesteenten niet kunnen berekenen, is het wel doenlijk de volgorde vast te stellen , waarin de verschillende gesteenten moeten worden gerangschikt; die volgorde noemt men den betrekkelijken ouderdom der gesteenten. Deze berust o. a. op de Jossielen (versteende plant- en diervormen), die in verschillende gronden zijn aangetroffen. Doorgaans onderscheidt men: gronden van 't 1% 2quot;, 3quot; en 4quot; tijdperk, of: primaire, secundaire, tertiaire en quartaire gronden. Tot eik tijdvak behooren talrijke steensoorten. De gronden van 't 4C tijdvak vormen 2 afdee-lingen: diluvium en alluvium. Alluviale zijn de jongste van alle grondsoorten; zij worden nog heden ten dage gevormd.

§ 18. Rivieren en Meren.

Opgaven.

1. Zoek op de kaart van Europa de rivieren , die in de Noordzee uitmonden.

2. Die in de Oostzee.

3. Die in de Middellansche Zee.

4. Die in den Atlantischen Oceaan.

ocr page 28

21

Door de stroomlengte van eene rivier verstaan wij de geheele lengte langs de rivier gemeten; zij is grooter dan de afstand van den oorsprong tot den mond. Naarmate het verschil tusschen de stroom-

Amazone-rivier 100.000 □ G. M.

Missisippi

Nijl

165.

Donau

Rijn 4000

Loire

Oder

Rhone

Maas

Schelde

lengte en den laatstbedoelclen afstand grooter of kleiner is, noemen wij de rivier meer of minder ontwikkeld.

De geheele landstreek, die hare afwatering heeft op eene rivier.

ocr page 29

22

heet het stroomgebied der rivier. Naarmate eene rivier ontwikkeld is en zijrivieren opneemt, is haar stroomgebied groot of klein.

Eene vergelijking tusschen eenige stroomen is gegeven in fig. 15; wij zien daarin:

r. De betrekkelijke lengte van deze, de meest belangrijke rivieren (lange zijde van de rechthoeken).

2quot;. De betrekkelijke grootte van het stroomgebied, dus de ontrwik-keling (smalle zijde).

Zoek deze rivieren op de kaart en geef op, in welke zee elk van haar uitloopt.

De beteekenis van eene rivier is verschillend in de verschillende deelen van haren loop. Bij vele groote rivieren onderscheidt men den bovenloop, den middelloop en den benedenloop, b.v. bij den Rijn, de r tot Bazel, de 2e tot Bonn, de 3e tot de Noordzee. (De Duit-schers verdeelen hunnen Rijn anders; bovenloop Bazel-Bingen, middelloop Bingen-Bonn, benedenloop Bonn-Nederland.) De bovenloop is in 't hooggebergte, waar de rivier uit de gletschers haren oorsprong neemt. Deze gletschers pnstaan uit de sneeuw, welke zich in de hoogste gedeelten van de gebergten verzamelt en daar zelfs des zomers niet smelt. Door haar gewicht schuift die sneeuw naar beneden, waar zij door de werking der zonnestralen aan de oppervlakte smelt; zij wordt met water doortrokken, bevriest somtijds opnieuw en zoo ontstaat langzamerhand eene fijn- en grofkorrelige sneeuw- en ijsmassa, die de Alpenbewoners fern of firn noemen en waaruit de grootere en kleinere gletschers of glaciers bestaan. Uit deze gletschers komen de beken en bergstroomen voort, woest bruisend en met talrijke watervallen. Niet alleen ontstaat aldus de rivier; de onstuimige bergstroomen hebben tevens meegewerkt aan de vorming der dalen; zij maken nog steeds het gesteente los (gelijk de gletschers zelf nog meer doen) en voeren rotsblokken, groote en kleine, met zich.

Men rekent, dat de middelloop begint, als de rivier het hooggebergte heeft verlaten en den weg door middelgebergten of door een heuvelland voortzet: het dat wordt breeder, het verval en dus de stroomsnelheid geringer, de bevaarbaarheid grooter en steden verrijzen aan de oevers, vooral daar, waar de rivier eene zijrivier opneemt.

Zoek van de kaart de steden aan den midden-Rijn, waar deze zijrivieren opneemt.

Heeft de rivier de vlakte betreden, dan wordt zij nog breeder en kalmer; men onderscheidt dan veeltijds eene zomer- en eene winter-bedding (verschil?), terwijl dijken noodig zijn om het omliggende land tegen het water te beschermen (uiterwaarden , zomerkaden). Zoowel in den benedenloop als bij den mond vormt de rivier grint- en zand-

ocr page 30

23

banken van 't medegevoerde gruis ; het fijnste slib bezinkt vaak pas een eind in zee , op de plaats, waar 't rivier- en zeewater elkaar ontmoeten. Soms wordt van dit slib een delta-eiland gevormd , ingesloten door verschillende mondingsarmen ; soms heeft de rivier eenen breeden mond , waarin bij vloed het zeewater ver opdringt; clan weer heeft de rivier nauwelijks kracht, om door de duinen te breken of vormt zij strandmeren , haffen of dergelijke binnenzeeën.

1. Zoek voorbeelden van deltavorming bij Europeesche rivieren.

2. 10 breede riviermonden met opgave van de havenstad aan den mond.

Aldus hebben de rivieren de volgende beteekenis;

1. Zij zijn natuurlijke verkeerswegen (ook in 't gebergte , waar het xW^rdal de weg is).

2. Aan de oevers ontstaan steden.

3. Zij hebben vruchtbaarmakende kracht en werken zelfs mede aan de gedaante der aardkorst (losmaken en meevoeren van de gesteenten).

4. In sommige landen, waar de zomers droog zijn , besproeien de bewoners hunne velden ; b. v. de Egyptenaren , de Moeren in Zuid-Spanje , de Babyloniërs , de Chineezen in hunne laagvlakte, de Javanen , de Hindoes, e. a.

5. Als 't verval voldoende is, wordt de beweegkracht aangewend bij watermolens en fabrieken.

De talrijke meren in Nederland zijn , bijna zonder uitzondering, vroegere veenplassen ; elders zien wij Alpennieren en meren in de kraters van uitgedoofde vulkanen ; andere zijn de overblijfselen van eene vroegere zee; weer andere zijn ontstaan door rivieren , die haar weg niet tot aan zee voorzetten, doch in poelen en meren uitloopen.

§ 19. Eilanden.

At het land op aarde is door water omringd. Eilanden zijn die landen, waar de invloed van de zee zich overal binnen in 't land doet gevoelen bij het klimaat en bij den plantengroei. Zoo is Ierland een eiland bij uitnemendheid, want hoewel het in den koudgematig-den gordel ligt, zijn de winters er buitengewoon zacht en de weiden altijd groen. In den regel noemt men zelfs Borneo, Nieuw-Guinea, Madagascar nog eilanden, schoon zij elk wel 2 maal zoo groot zijn als de Britsche eilanden te zamen en de vorm van de oppervlakte den invloed van de zee in sommige gedeelten bepaald tegenhoudt.

De eilanden, die dicht bij de kust van een vastland liggen, heeten continentaal-eilanden.

ocr page 31

24

Zij kunnen zijn;

1. Hooge rotseilanden, b.v. bij Scandinavië; in den Griekscheh Archipel; voor de kust van Dalmatic; ten W. en N. van Schotland; ten W. van Patagoniö (Z.-Amerika); voor de kust van Britsch-Colum-bia (N.-Amerika) en andere.

2. Lage eilanden; bij lage kusten in den regel door overstrooming van het vastland losgemaakt en nog aan veelvuldige gedaanteverandering blootgesteld; b. v. aan de Noordzeekust de Friesche waddeneilanden ; aan de Fransche Westkust tusschen den Girondemond en dien van de Loire en andere.

Tot de lage eilanden behooren ook de delta-eilanden, tusschen de mondingsarmen van vele rivieren en eindelijk nog de rivier-eilanden , die vooral in den benedenloop van breede rivieren veelvuldig voorkomen.

De delta-eilanden zijn doorgaans van groot belang door hunne vruchtbaarheid, doch tevens zijn ze dikwijls ongezond. De riviereilanden hebben vaak groote beteekenis voor den overgang over de rivier; vele zijn de voorbeelden, dat een riviereiland 't punt werd , waar eene groote stad ontstond (Parijs, Keulen).

De continentaal-eilanden hebben over 't geheel dezelfde flora en fauna als 't vasteland , waarbij ze liggen en waartoe zij ook ethnolo-gisch (naar de bewoners) en staatkundig behooren. De Britsche en de Japansche eilanden geven voorbeelden van eilandenstaten; zulk een eilandenstaat heeft veel natuurlijke voordeden; behalve de vroeger al genoemde (scheepvaart en handel, klimaat) behoort daartoe ook de gemakkelijke verdediging.

De oceanische eilanden hebben over 't geheel eene natuur, die in veel opzichten van die der vastlanden verschilt. Dit geldt nog het minst van de hooge of vulkanische eilanden, omdat deze doorgaans ouder zijn dan de lage of koraaleilanden. Het aantal planten diersoorten is doorgaans klein; er zijn somtijds soorten, die men op 't vastland niet aantreft.

De beteekenis van oceanische eilanden berust vooral op hare ligging ; zij dienen tot havenplaats bij de zeevisscherij, vooral van den vvalvisch; zeilschepen doen ze soms aan voor drinkwater, stoomschepen voor steenkool. Engeland heeft in alle zeeën zulke punten in bezit genomen (Malta en Cyprus; Perim bij de Roode Zee; St. Helena, Ascencion, Bermudas, Falklandt in den Atl. Oceaan; Mauritius in den Indischen Oceaan, enz.).

Vooral de Groote Oceaan is rijk aan eilanden, de meeste het werk van koraaldieren, sommige van vulkanischen oorsprong.

Daar de rifbouwende koraaldieren niet in zeewater beneden be-

ocr page 32

35

paalde temperatuur leven, komen de koraaleilanden niet op hooge breedten voor; de Noordl. vorming zijn de Bermudas.

De bijzondere gedaante van koraaleilanden (atollen), ringvormig met water binnenin, is door een Engelsch geleerde, Darwin, verklaard. Zijne theorie wordt echter weer tegengesproken.

Op eilanden in 't algemeen treft men bij de bewoners dikwijls nog oude gebruiken aan; ook in de faal, kleeding, leefwijze herinneren ze soms aan vroeger tijden. Voorbeelden: Marken; de Nonnan-dische eilanden; IJsland.

§ 20. Klimaat.

De dampkring of atmospheer, die de aarde omgeeft, is noodzakelijk voor het leven van planten, dieren en menschen.

De toestand van dien dampkring is verschillend in alle streken der aarde; men drukt dit uit door te zeggen, dat in de lucht nooit volmaakt evenwicht heerscht.

De eerste en voornaamste oorzaak van dit verschijnsel is de ongelijke verwarming door de zon. Die meerdere of mindere verwarming hangt af van de breedte van de plaats, waar men de waarneming verricht.

Van welke zaken hangt het klimaat of de gesteldheid van den dampkring af?

De meerdere of mindere warmte van de lucht meet men met een thermometer in graden van Celsius, Fahrenheit of Réaumur. Vriespunt en kookpunt van water liggen bij C. IOO, bij F. 180, bij R. 80 graden van elkaar. Dus 1° C. = %0 F. = y50 R. Bij 't vriespunt staat bij C. en R. O, bij F. 32.

De lucht wordt niet rechtstreeks door de zonnestralen verwarmd: zij ontvangt de warmte door uitstraling van de aardoppervlakte; deze wordt rechtstreeks verwarmd, zoo als men gemakkelijk kan waarnemen door met de hand voorwerpen aan te raken, die door de zon beschenen worden. Dit verklaart, hoe de lucht dicht aan de aardoppervlakte warnier is dan in de hoogere gedeelten; als men IOO M. stijgt, daalt de temperatuur ±: '/2° C., maar die afneming geschiedt niet regelmatig.

De dagelijksche temperatuur wordt bepaald door 't gemiddelde van 3 waarnemingen ; b.v. 's ochtends om H, 's middags om 2, 's avonds om 10 uur.

De lucht is voortdurend in meer of minder sterke beweging; die

ocr page 33

26

beweging wordt veroorzaakt door de boven besproken ongelijkmatige verwarming; de winden (stroomingen in de lucht) worden genoemd naar den hoek, waaruit ze waaien. Windroos (fig. 16).

In de gematigde luchtstreken waaien veel meer winden uit 't W. dan uit 'tO., fig. 17; in de heete luchtstreken is 't omgekeerd. De W. winden komen in Europa over zee; zij hebben gunstigen invloed op 't klimaat: 's zomers verlagen zij de temperatuur, 's winters ver-hoogen ze die; ze brengen vochtigheid aan (invloed van den vorm

van 't land?). Zoo hebben Ierland, Noorwegen en in mindere mate geheel West-Europa zachte winters, geen heete zomers; op plantengroei , dierenwereld, scheepvaart oefent dit alles natuurlijk invloed uit.

Hoe verder men zich van de kust verwijdert, hoe droger overliet geheel de lucht wordt; in vlakke landen minder dan in bergstreken; in de laatste wordt het achter de bergen gelegen land aan den invloed van de zee onttrokken; zoo ondervindt Zweden den invloed van den Atlantischen Oceaan niet en heeft Stockholm een geheel ander klimaat als Bergen.

Uit het bovenstaande wordt gemakkelijk verklaard;

1. Wat verstaat men door maandelijkschen, wat door jaarlijk-schen warmtegraad ?

In Nederland is Juli 't warmst; Januari 't koudst (fig. 18).

2. Als 2 plaatsen eene gelijke jaartemperatuur hebben, hebben zij daarom nog niet eene gelijke warmte in den zomer en in den winter.

3. Wanneer men den hoogsten warmtegraad voor eene plaats in den loop van een jaar maximum-temperatuur en den laagsten stand van den thermometer minimum-temperatuur noemt, dan is het ver-

ocr page 34

schil tusschen deze beide aan zeekusten doorgaans geringer dan in het binnenland.

li

Naast temperatuur en winden behoort de regren tot het klimaat. Hierbij is niet alleen de hoeveelheid regen van belang ; van meer gewicht is de verdeeling van den regen over de tijden van het jaar.

Er zijn: i6 Streken, waar de reg-en in alle jaarg-etijden valt. Deze liggen vooral in de gematigde gewesten en dan aan de Westelijke kusten, b.v. in West-Europa; zulk eene verdeeling is voor den plantengroei gunstig, vooral voor weiden en ivouden.

2'. Streken, waar de regen in een bepaald jaargetijde, den regentijd, valt; waar deze tegenstelling tusschen nat en droog scherp uitkomt, is zonder kunstmatige besproeiing geen boomgroei mogelijk en vindt men vooral steppen, d. z. vlakten, ten deele met harde, dorre grassoorten bedekt, b.v. in Zuid-Rusland, Centraal-Azië. Doorgaans echter valt in 't droge jaargetijde ook wel eenige regen en wordt verder 's zomers kunstmatig besproeid (zoek voorb. uit § 18).

ocr page 35

28

3quot;. Gewesten, waar zeer weinig of volstrekt geen regen valt,

Graden Celsius.

30

R

xkx

1

i

'V

y

/

\

/

k

/

\

/

\

!

\

/

\

/

\

/

\

/

/

—

—

\

r

—

/

/

/

—

\

/

\

/

*

—1

-- tc

3 m quot;te?

is i ë

10

Ult;

Fig. 18. Gang van de normale temperatuur te Utrecht en te Batavia. Door twee kruisjes is de gemiddelde jaarlijksche temperatuur voor beide plaatsen aangewezen : voor Batavia bijna 26° en voor Utrecht bijna lo0. ')

woestijnen. De bekendste zijn in Afrika; Sahara en Kaliliari; in Azië: Gobi; in Z.-Amerika: Atacama.

§ 21. Klimaat van Europa.

In verband met de ligging — zoo ten opzichte van den evenaar als ten opzichte van den Oceaan — beeft Europa:

1°. een gematigd klimaat; niet zulke uitersten komen er voor als in Azië en in Amerika.

!) De hier opgegeven temperaturen te Utrecht zijn genomen naar de uitkomsten der waarnemingen gedaan aan het Kon. Ned. Meteorologisch Observatorium aldaar; die voor Batavia zijn de uitkomsten van de gemiddelden voor 17 jaren.

ocr page 36

29

2e. De invloed van den Oceaan is groot, dus het klimaat is Oceanisch ; vooral in het Westen: Westl.-Scandinavië, Britsche eilanden, West-Duitschland, Nederland, België, West-Frankrijk, NW.-Spanje en Portugal.

Naar het Oosten neemt de invloed van de zee af en wordt tevens het werelddeel meer eene gesloten massa: in Oostenrijk, Duitschland en vooral in Rusland is 't klimaat daardoor continentaal; de groote landmassa wordt 's zomers sterk verwarmd , doch het land verliest die warmte in 't najaar spoedig en op den heeten zomer vol^t een strenge winter. Deze tegenstelling in de natuur wordt in de 2quot; plaats veroorzaakt, doordat de lucht in O.-Europa veel minder bewolkt is dan in W.-Europa, en dus de uitstraling van de warmte veel sneller plaats heeft.

Het klimaat van W.-Europa verschilt dus van dat in 0.-Europa :

1. In 't W. valt meer regen, want de zeewinden brengen vochtigheid aan.

2. De zomers zijn er niet zoo heet; dus: de lijnen, die plaatsen verbinden met gelijke zornertemperatuur, stijgen in Oostelijke richting.

3. De winters niet zoo streng ; de lijnen, die plaatsen verbinden met gelijke winter temperatuur, dalen in O. richting.

Welke belangrijke gevolgen dit onderscheid heeft voor de natuur en voor het maatschappelijk leven in 't W. en in 't O. is gemakkelijk door voorbeelden te verklaren.

De drie Z.-Europeesche schiereilanden hebben:

le. eene Zuidelijker ligging dan Midden- en N.-Europa.

T. in 't N. hebben zij hooge gebergten , Pyreneën, Alpen, Balkan, die de koude Noordewinden tegenhouden.

In Z.-Europa zijn lange, zeer warme zomers; in sommige streken heet en onaangenaam, b.v. in Centraal-Spanje. Korte zachte winters , in 't voorjaar waait dikwijls een gure N.-wind, de Mistrel; de heete Zuidewinden, als de Sirocco op Sicilië en in Z.-Italië , de Solano in Spanje , zijn over het geheel nadeelig.

Aldus hebben we reeds 3 klimatologische gebieden: 1. het Atlantische , 2. het Sarmatische, 3. dat van de Middellandsche Zee.

Het T biedt door zijne groote uitgestrektheid nog zooveel verschil aan , dat we goed doen met nog te onderscheiden : a. het gebied , dat onder den invloed van de Oostzee staat of het Baltische ; lgt;. het Caspo-Pontische.

In 't Noorden ligt het Sub-arctische gebied, dat niet groot is en naar 't Z. geleidelijk in de gematigde gewesten overgaat.

Wat de reg-enverdeeling1 over de jaargetijden betreft, merken wij nog op:

ocr page 37

30

In West-Europa regen in alle jaargetijden , doch vooral herfstregens ; in het gebied van de Middellandsche Zee hoofdzakelijk winterregens, de zomers zijn droog; in Oost-Europa weinig regen , het meest in den zomer.

§ 22. Plantengroei of Flora.

Deze is vooral afhankelijk: l. van tie geologische gesteldheid en 2. van het klimaat der landstreek. Daar dit klimaat bepaald wordt door ligging , horizontalen vorm en oppervlakte van het land , ziet men dus, dat ook de meerdere of mindere rijkdom van de plantenwereld van al die zaken den invloed ondervindt.

Men zegt daarom , dat elke plantensoort eene bepaalde geographi-sche verbreiding heeft, binnen welke de natuur de voorwaarden vervult . die voor 't bestaan der soort noodig zijn.

Eene belangrijke omstandigheid komt nog hier bij: vele plantensoorten hebben eene oorspronkelijke woonplaats , maar zijn, door den inensch of op andere wijze , buiten dat gebied overgebracht en hebben aldus eene ruimere verbreiding gekregen. Dit is b. v. het geval met vele voedingsgewassen en andere nuttige plantensoorten , die oorspronkelijk meest in Azië thuis waren.

Heeft de mensch aldus invloed gehad op de verspreiding der planten , het omgekeerde is ook het geval: verscheidene gewassen hebben door hunne waarde den mensch uit zijn vaderland naar verre gewesten gelokt; planten gaven stellig in niet mindere mate dan dieren en delfstoffen aanleiding tot het stichten van koloniën in de vreemde werelddeelen ; de specerijen van de Oost-Indische eilanden; kostbare houtsoorten van Brazilië en Centraal-Amerika ; tabak en suikerriet van de West-Indische eilanden ; kokosolie van de kust van Opper-Guinea (Afrika), enz.

De plantengroei kan aan de landstreek een bepaald karakter geven, b.v. bij bosschen, weiden, bomuland, heidevelden; de laatste zijn bijzonder eigen aan de vlakten van Midden-Europa; toendra''s, in 't Noorden van Rusland en Siberië, waar de bodem een groot deel van 't jaar hard bevroren, en als hij ontdooit, dan moerassig is, doordat bij de lage temperatuur weinig water verdampt; hier groeien slechts lage plantensoorten, o.a. rendiermos; prairiën, vooral in Amerika, overeenkomst vertooneiule met de steppen van de oude wereld (zie § 20); woestijnen, waar de plantengroei bijna geheel ontbreekt.

In de allereerste plaats wordt de aanwezigheid van deze hoofdvormen verklaard uit de regenverdeeling en de besproeiing in 't algemeen.

ocr page 38

31

Den plantengroei in Europa wat nader beschouwende, merken wij o. a. op:

1. tot bijna in 't hooge N. is boomgroei, althans aan de Westelijke kusten; hoofdzaak is in N.-Europa naaldhout; in Midden-Europa ook loofhout, vooral eiken en beuken; in Zuid-Europa, waar eigenlijke bosschen minder voorkomen, zijn altijd groene boomen, laurier, kastanje e. a.

2. graansoorten worden tot op hooge breedten verbouwd ; het noordelijkst gerst en haver; wat zuidelijker rogge, boekweit, tarwe; in Z.-Europa zelfs maïs en rijst.

3. In N.- en Midden-Europa komt het bij den landbouw meer aan op het droogleggen van den bodem (draineeren), terwijl in Z.-Europa veeltijds kunstmatige besproeiing (irrigatie) noodig is. In 't N. en midden is de akkerbouw, in 't Z. vooral tuinbouw (§ 18).

4. Aan West-Europa zijn in 't bijzonder goede weilanden eigen, in 't Oosten van het werelddeel komen reeds de steppen voor, die aan Azië herinneren.

Elk dezer punten geeft iets te denken; zoo herinnert de boomgroei in 't hooge N. aan de zachte winters, terwijl de aanwezigheid van de gerst op aanzienlijke breedte 't bewijs is van vrij hooge zomerwarmte, zonder welke geen graansoort rijp kan worden.

Tot welke gevolgtrekkingen geven punt 3 en punt 4 aanleiding?

Op kaarten worden de grenzen van belangrijke gewassen aangegeven; men spreekt b.v. van de poolgrens van de gerst, van den wijnstok, enz., dat wil zeggen: de grens naar de zijde van de pool.

§ 23. De klimatologische provincies, die wij boven bij Europa onderscheidden, zijn natuurlijk ook door verschillenden plantengroei gekenmerkt. Daar echter de plantengrenzen een zeer kronkelend beloop hebben door het werelddeel heen, komen verscheiden gewassen in meer dan een der genoemde deelen voor.

Ten aanzien van 't klimaat en zijne invloeden kan men in Europa onderscheiden:

I. Atlantische gebied. Een vochtige dampkring, veeltijds bewolkte hemel. Regen in alle jaargetijden, vooral in den herfst; aan de hooge kusten, b. v. van Noorwegen en Schotland, groote regen-hoeveelheid (2üOO tot 3000 m.M.). De winters weinig streng, de zomers weinig warm. Veel weiden en, buiten den invloed van den mensch, veel bosschen; boomgroei en akkerbouw tot op hooge breedten. Scheepvaart in alle jaargetijden.

In dit gebied liggen de Isothermen het verst naar 't Noorden.

II. Midden-Europa: in 't bijzonder Duitschland, Polen en Oosten-

ocr page 39

32

rijk-Hongarije. In vochtigheid, onderscheid der jaargetijden, enz. vormen deze landen den overgang tusschen 't Atlantische en 't Sarmatische gebied ; de wisselingen in de temperatuur komen meer overeen met die in 't laatstgenoemde dan die in 't eerste gebied. Vooral voor akkerbouw is dit gebied geschikt; hier liggen de landen, die meer koren voortbrengen, dan zij verbruiken; m 't le gebied is 't omgekeerd. Ook zijn hier reeds enkele wijnstreken ('t Noordelijkst komt de wijnbouw voor in Silezië), vooral in de dalen en tegen de Zuidelijke berghellingen. — Bosschen zijn er nog vele, meest op de bergen. Eindelijk is dit gebied nog gekenmerkt door heidevelden en, in Hongarije, reeds steppen („poesta'squot;).

III. De Baltische landen: Zweden, Finland, de Russische Oost-zee-provincicn, de Noordelijke streken van Pruisen, 't Klimaat heeft hier, evenals in no. 2, een continentaal karakter: groot verschil tusschen zomer en winter; minder vochtigheid, minder regen dan in de Oceanische landen; meer zomer- dan /^«r/i/regens. Bosschen zijn kenmerkend, vooral aan de Zweedsche en Finsche zijde, akkerbouw, vooral aan den Russischen en Duitschen kant: korenschuren, evenals in no. 2, doch geen wijnbouw meer. De scheepvaart maanden lang gestremd.

IV. Midden-Rusland, 't hoofddeel van 't Sarmatisch gebied, komt veel overeen met de beide vorige gebieden, doch met nog sterker continentaal karakter. Akkerbouw hoofdzaak; onmetelijke velden met granen, suikerbieten, vlas ; 's winters maandenlang alles onder de sneeuw.

V. Caspo-Pontische landen. Het grootste verschil tusschen zomer en winter, groote droogte (altijd nog niet zoo erg als in Centraal-Azië). In plaats van bosschen en weiden meest steppen; doch, waar water is, ontwikkelt zich's zomers een rijke plantengroei, b.v. in de Krimlanden, geschikt voor herdersvolken, zicb met het jaargetijde verplaatsend; vooral naar de Kaspische zijde zijn weinig steden.

Terwijl 's winters de sneeuwstorm waait, rijpt 's zomers de druif.

VI. Het Mediterrane g-ebied. Meer zonneschijn, geringer aantal regendagen dan in West-Europa; meeste regen 's winters; overigens een onveranderlijk heldere hemel en ook daardoor hooge zomertempe-ratuur.

De binnenlanden, vooral op groote afstanden van de rivieren, lijden aan droogte, zijn alleen geschikt voor veeteelt; meer schapen dan runderen. Tegen de hellingen der bergen donkere kastanjewouden (waar de mensch ze niet heeft uitgeroeid). Hoofdmiddelen van bestaan geven de Zuidvruchten, vooral olijven en de ivijnbomv; komt het in N- en Midden-Europa bij den landbouw meer aan op droog-

ocr page 40

33

leggen van den bodem (draineeren), hier is veeltijds kunstmatige besproeiing (irrigatie) noodig: is deze verzekerd, dan liggen hier de rijkste landschappen van Europa; in plaats van akkerbouw heeft men hier tuinbouw, in sommige streken reeds rijst, in enkele suikerriet en katoen, van groote beteekenis is de zijde-cultuur.

VII. Geheel het tegenbeeld van 't vorige geeft het, in Europa slechts kleine, sub-arctische gebied te zien: meer nevel dan zonneschijn; neerslag meest in vasten vorm; de bodem maandenlang hard bevroren en na ontdooiing moerassig. De plantengroei is beperkt tot mossen en schrale heesters; waar de boomgroei afneemt, beginnen de toendra s (zie boven).

Aan de tot nu toe beschouwde plantengebieden geeft men den naam van horizontale plantengordels; in de gebergten onderscheiden wij hoog-te- of verticale gordels. Wij zagen vroeger al, hoe in de hoogere deelen van den dampkring de temperatuur afneemt en de lucht vochtiger wordt. Deze beide omstandigheden zijn oorzaak, dat men in de gebergten, al stijgende, eene zich steeds wijzigende Hora aanschouwt: vooral in de heete luchtstreek ziet men op de kleinste ruimte het grootst aantal plantengordels; b. v. in de Andes van Z,-Amerika (reeds in 't begin dezer eeuw beschreven door den beroemden natuuronderzoeker Alexander von Humboldt) of in de Himalaya (eerst in de laatste jaren geheel bestegen door Russische en Engelsche reizigers).

Bij het nagaan van den plantengroei in de Alpen, den Himalaya of andere gebergten, letten we op de volgende hoofdzaken, die het aantal en de soort der plantengordels bepalen ;

1. In welke luchtstreek zich het gebergte verheft, dus de breedte.

2. De volstrekte hoogte (boven den zeespiegel), die 't gebergte bereikt.

3. Aan welke zijde men zich bevindt; dit punt is vooral van belang bij parallelketens. (Waarom?)

Aan den voet der gebergten en in de lagere deelen kan landbouw worden uitgeoefend; vooral de dalen zijn in dat opzicht belangrijk; hooger komen de bosschen voor; waar de boomgroei ophoudt, zijn nog de alpenweiden; eindelijk komen alpenkruiden, alpenrozen, edelweiss tot aanzienlijke hoogte voor en naderen 't gebied der eeuwige sneeuw.

Opgaven.

l. Wat verstaat men door de equatoriale grens van den wijnstok ?

D. AlTTON, Beknopt Leerboek. 3'' druk. 3

■

■'

i

ocr page 41

34

2. Waarom hebben de lijnen, welke eene plantengrens aanduiden , een kronkelenden loop ?

3. De Himalaya (in Azië), de Zwitsersche en de Noorweeg-sche Alpen zijn hooggebergten. In welk van de drie is het aantal plantengordels 't grootst, in welke 't kleinst, en waardoor ?

4. Aan welke zijde van de Alpen, N. of Z., is de plantengroei 't weelderigst en waardoor ?

§ 24. Dierenwereld of Fauna.

Ook de diersoorten hebben eene geographische verbreiding. Deze is o. a. afhankelijk van het klimaat en van hetgeen het dier voor zijn voedsel vereischt; hieruit volgt dus al dadelijk, dat het aanwezig zijn van vele diersoorten nauw samenhangt met den plantengroei van eene landstreek. (Geef voorbeelden hiervan.)

Maar uit de twee genoemde zaken kan men nog niet tot het karakter van de dierenwereld in een land besluiten, omdat (gelijk bij de planten) ook de meeste diersoorten eene oorspronkelijke woonplaats hebben, d. i. eene streek, waar zij meer bepaald thuisbehooren , en vanwaar zij naar elders verbreid zijn. Zoo b. v. was Azië van alle werelddeelen het rijkst aan nuttige diersoorten; Australië bezat bij de eerste kolonisatie bijna uitsluitend diervormen, die nergens elders voorkwamen; de dieren van het W. halfrond verschillen over 'tgeheel veel van die op 't O.

Invloed van den mensch op deze verbreiding. Vooral de nuttige diersoorten zijn door den mensch overgebracht naar andere landen; had Amerika bij de ontdekking paard noch rundvee, thans is het ontzaglijk rijk aan die diersoorten; Australië, thans eene eerste markt voor den uitvoer van wol en vleesch, kende in 't begin dezer eeuw noch het schaap noch het rund; het aantal dezer voorbeelden is gemakkelijk te vermeerderen.

Flora en Fauna op eilanden midden in de Oceanen hebben hun aanxijn soms geheel aan den mensch te danken. Elders zijn zij, gelijk b. v. in Australië, op Nieuw-Zeeland, enz., bijna volkomen gewijzigd en hebben de inheemsche vormen voor de vreemde plaats moeten maken.

Voorbeelden van het omgekeerde, dus van den invloed door diersoorten op de verbreiding der menschen uitgeoefend; de walvisch lokte naar de IJszeeën; zelfs werd door Hollanders op Spitsbergen eene vaste nederzetting gesticht (Smeerenburg) in 1618, dus l jaar vóór de stichting van Batavia in 't verre Oosten; de verplaatsing van de weidegronden van den walvisch deed S. verlaten, lot ontdekkings-

ocr page 42

35

reizen gaf de walvisch verder aanleiding (§ 11). De peisdieren van Siberië, vooral sabeldier en hermelijn, veroorzaakten den verbazend snellen tocht van de Russen door dat onmetelijke gebied lot aan de Beringstraat (166 en 17' eeuw). En evenzoo in 't N. van Amerika, in de landen om de Hudsonsbaai, waar de bever waarde genoeg bezat, om de jagers alle bezwaren te doen trotseeren en forten te doen bouwen tegen de Indianen-stammen; eerst nu in de laatste jaren worden die landen wat meer geregeld onderzocht en in enkele streken beginnen kolonisten den bodem te ontginnen.

In Europa komen wilde dieren weinig meer voor; in 't Oosten de wolf, talrijk, tot in Hongarije en Duitschland; in de bergstreken van Corsika, Sardinië en Morea het wilde schaap; gems en steenbok in de Alpen, de Pyreneën en den Kaukasus; herten en wilde varkens in steeds geringer getal in sommige middelgebergten; de bruine beer in enkele bergstreken, b. v. de Karpathen; het rendier in 't N. van Rusland en Scandinavië, ook als huisdier bij de Lappen, maar eene Lappenfamilie dient, om van veeteelt te kunnen bestaan, minstens 100 stuks rendieren te bezitten.

Zonder bepaalde diergordels in Europa te onderscheiden, merken we op, dat het rundvee het best thuis behoort in de Noordzeelanden en op de Alpenweiden; paarden in de Noordzeelanden, Midden-Europa en Oost-Europa; in Z.-Europa meer ezels en muildieren; schapen, hoofdzakelijk om de wol, maar in sommige landen even zeer om 'tvleesch, in Spanje, Apulië, Midden-Duitschland, Engeland, e. a.

De Europeesche zeeën zijn rijk aan visch. Bepaald van beteekenis voor den mensch zijn; kabeljauw, langs de N.-kusten van Scandinavië (stokvisch, levertraan); haring, aan de W. en Z.-Scandin. en aan de Schotsche kusten; tonijn in de Middellandsche zee; steur in de Kaspische zee.

§ 25. Menschenwereld.

Het geheel aantal menschen wordt tegenwoordig geschat op 1400 a 1500 millioen; daarvan meer dan de helft in Azië. Van de overblijvende kleinere helft wonen er in Europa meer dan elders te zamen.

Azië 850 millioen , N.-Amerika 90 millioen , Europa 380 „ , Z.-Amerika 40 „ ,

Afrika ') 130 „ , Australië 5 „

') De opgave voor Afrika is 't onbetrouwbaarst.

3*

ocr page 43

36

De bewoners van de verschillende deelen der aarde zijn in zoo vele en velerlei opzichten van elkaar onderscheiden, dat eene verdeeling in hoofdafdeelingen of menschenrassen uiterst moeilijk is. Verschil in de natuurlijke gesteldheid der woonplaats en, in verband hiermede, in bezigheden, middelen van bestaan, voeding, historische lotgevallen (invloeden van anderen) hebben in den loop der tijden een zeer groot onderscheid veroorzaakt.

Bij eene verdeeling in menschenrassen zijn dikwijls lichamelijke kenmerken als grondslag aangenomen, b. v. de kleur der huid, de haargroei, de afmetingen van den schedel, enz. In verband daarmede onderscheidde men vroeger;

1. het Kaukasische of blanke pas, dat 'tgrootste deel van Europa en Voor-Azië bewoont en over de gansche wereld koloni-seerend optreedt.

2. het Mongoolsche of gele ras; hoofdzakelijk in Midden- en Oost-Azië; de Chineezen, als kolonisten, ook daar buiten verspreid.

3. het Neger- of zwarte ras, in Midden- en Zuid-Afrika. Sedert de 16= eeuw in groot getal in Amerika.

4. het Maleische of bruine ras, op de eilanden wereld van Zuid-Oost-Azië en van den Indischen en Grooten Oceaan.

5. de Indianen of Roodhuiden, in Amerika.

In lateren tijd is 't gebleken, dat veel meer menschenrassen bestaan ; b.v.:

6. het Zuid-Afrikaansche ras (Boschjesmannen en Hotten-totten).

7. de Nieuw-Hollanders of Australiërs.

8. de Papoea's, op Nieuw-Guinea en eenige eilandengroepen in die streek.

9. De Dravida's, bewoners van Decan en Ceylon.

Uit dit overzicht volgt al dadelijk, dat de dichtheid van bevolking in de 5 werelddeelen lang niet dezelfde is.

ocr page 44

37

Naast volken, wien door lichaamsbouw, kleur, enz. duidelijk eene plaats kan worden aangegeven, staan andere, waarmede dit niet het geval is; gedeeltelijk is dit ook 't gevolg van vermenging. Bij 't steeds toenemend wereldverkeer, bij de vele volkenverplaatsingen gaan in onze dagen verscheiden lichamelijke kenmerken langzamerhand verloren; dit verzwaart het onderzoek.

Tegenwoordig wordt bij de studie der volkenkunde (ethnologie) vooral ook gelet op de verwantschap der talen. Maar juist bij 't nagaan van de taalverwantschap is 't meer en meer gebleken, dat op ethnologisch terrein nog tal van vragen ter beantwoording overbleven (oorspronkelijk vaderland; aantal der rassen; onderverdee-ling, enz).

§ 26. Bewoners van Europa.

Deze behooren grootendeels tot het Indo-Eurepeesch ras: met dezen naam duidt men in hoofdzaak de volken aan, die men vroeger samenvatte als het Kaukasische ras. Een klein gedeelte van Europa's bewoners zijn Mongoolsche volken. Van het Indo-Europeesche ras vormen de Arische of Indo-Germaansche volken eene hoofd-afdeeling.

Indo-Germaansche (Arische) talen:

Perzische en Keltische Komaan- Grieksch. Germaan- Slavi-een deel der talen. sche sche sche

Indische talen. talen. talen. talen,

I. De Keltische volken bewoonden eenmaal West- en een groot deel van Midden-Europa; de voornaamste afdeelingen waren de Galliërs en de Britten. In de dagen van Julius Cesar hadden zij hun bloeitijd al achter den rug; de Gallische volken werden geheel geromaniseerd, d. i. kwamen onder den invloed van de Romeinsche beschaving; de Britten werden wel door de Romeinen onderworpen, doch behielden hun taal, zeden, enz.; later, in de tijden van de volksverhuizing, kwamen Germaansche volken naar Brittanje en zoo werden toen de Britten meerendeels gegermaniseerd. Slechts in de bergen van Wales en in Ierland bleven Keltische taal en gewoonten voortleven ; ook gaven Britsche vluchtelingen aan N.W.-Gallic den naam van Bretagne (Brittannia minor).

II. De Rontaansche volken (Italianen, Spanjaarden en Portugee-zen, Franschen, Roemenen) bewonen landen, die eenmaal niet alleen een deel van 't Romeinsche rijk uitmaakten, maar ook in zoodanige mate zijn gekoloniseerd geworden, dat de taal der bewoners onder den invloed van het Latijn is gevormd.

ocr page 45

38

III. De Germanen zijn; Duitschers, Oostenrijkers, Denen, Scan-dinavicrs (\v. o. de I]slanders), Engelschen, Nederlanders, Vlamingen.

IV. liij de Slaven vormen de Russen eene hoofdmassa; verder zijn er verschillende Slavische volken in Oostenrijk-Hongarije en in het Z.O.-Eur. schiereiland.

De Romanen wonen dus vooral in Zuid-Europa, de Germanen in 't midden en Noorden, de Slaven in 'tOosten. Eenmaal heerschten de Slavische volken verder naar het Westen, tot de Elbe; sedert de lOquot; eeuw drongen de Germanen hen steeds meer terug, zoodat nu de Weichsel de grens aanduidt.

Plaats dezer volkengroepen in de geschiedenis. De Kelten zijn een bijna uitgestorven volk, dat in uithoeken woont. De Slaven staan nog op een veel lageren trap van beschaving dan de Germanen en Romanen; tot in onze dagen hebben zij eene veel minder belangrijke geschiedenis achter zich. Onder de Romaansche volken zijn er, wier bloei achter hen ligt, vooral b.v. de Spanjaarden. De Germanen zijn in onze dagen in veel opzichten de belangrijkste volken; in Europa en daarbuiten, op de zeeën en in de vreemde werelddeelen. Hunne koloniën in Oost en West zijn 't bewijs, hoe de Germanen onder elke natuur kunnen leven en overal geestelijk boven de andere volken staan. En zelfs ontwikkelde eene dier koloniën sedert eene eeuw zich tot een zelfstandigen staat, die op 't gebied van handel, scheepvaart, nuttige uitvindingen met de staten van Europa kan wedijveren. Die staat, de N. Amerik. Unie, wordt wel eens het land der toekomst genoemd.

Tot elke der drie volkengroepen behooren rt loo millioen men-scheti in Europa. Naast deze volgen de Nieuw-Grieken, waartoe ook de bewoners van Macedonië, Thessalië en Epirus behooren.

De ««tf-Indo-Europeesche volken zijn:

1. Hongaren of Magyaren; in de vlakte van de midden-Donau.

2. Finnen; in Finland, doch niet langs de kust, waar in de steden Zweden wonen.

3. Turken of Osmanen; in Constantinopel en een klein gedeelte van 't Z.O.-Eur. schiereiland.

4. Lappen; in 't N. van Scandinavië en op Kola.

5. Samojeden e. a. in de toendra's van Noord-Rusland.

6. Wolga-Finnen en Tartaren; verspreid in kleine afdeelingen in 't gebied van Wolga en Oeral.

7. Basken, in de bergachtige provinciën van de W.-Pyreneën.

8. Zigeuners, vooral in Z.O.-Europa verspreid (door sommigen tot 't Indo-Eur. ras gerekend).

ocr page 46

39

Al dezen met de Kelten en de Grieken samen vormen nog geen V, o van de geheele bevolking van Europa. In poiitischen zin hebben alleen 1 en 3 beteekenis, in taalkundigen zin ook 2.

Germanen.

I--1

Ronianen.

I--1

Slaven.

I-1

Anderen.

I-1

Bevolking van Europa naar de getalsterkte voorgesteld.

Voorbeelden van staten met gemengde bevolking : Oostenrijk-Hongarije.

De staten in het Zuid-Oost-Europ. schiereiland.

België, waar een deel der taalgrens van Ronianen en Germanen is. Zwitserland; het gebied, waar Duitschers aan Franschen en Italianen grenzen.

Hoewel in Rusland tal van vreemde elementen wonen, vormen deze zulk een klein deel van de Russische bevolking, dat Rusland een éénheid sstaat kan heeten.

ocr page 47

DERDE HOOFDSTUK.

§ 27. Staten van Europa. Hoofdsteden.

1.

Keizerrijk Rusland.

St. Petersburg.

2.

Duitsche Keizerrijk.

Berlijn.

3-

Oostenrijksch-Hongaarsche Mona'rchie.

Weenen eiV Boedapest.

4-

Republiek Frankrijk.

Parijs.

5-

Koninkrijk Gr. Brittanje en Ierland.

Londen.

6.

„ Italië.

Rome.

Deze zijn de zes gr00te mogendheden. ')

7-

Koninkrijk Spanje.

Madrid.

8,

Sultanaat Turkije.

Constantinopel

9-

Koninkrijk België.

Brussel.

10.

„ Roemenië.

Bucharest.

ii.

„ Zweden.

Stockholm.

12.

„ der Nederlanden.

Amsterdam.

13.

„ Portugal.

Lissabon.

14.

Zwitsersche Bond.

Bern.

15.

Koninkrijk Denemarken.

Kopenhagen.

16.

„ Griekenland.

Athene.

17.

Vorstendom Boelgarije.

Sofia.

18.

Koninkrijk Noorwegen.

Christiania.

19.

„ Servië.

Belgrado.

20.

Groothertogdom Luxemburg.

Luxemburg.

21.

Vorstendom Montenegro.

Cettinje.

Voorts nog enkele geheel onbeduklende staatjes (Andorra, in de

') Ecu vergelijkend overzicht van de bevolking der zes jj;roote mogendheden kan aldus gegeven worden;

I I Rusland (90 millioen).

I I Duitsche Rijk.

I I Oost-Hongarije.

| I Frankrijk.

I I Gr.-Brittanje en Ierland.

I I Italië (30 millioen).

ocr page 48

41

Pyreneën; Monaco, aan de Provenfaalsche kust; San Marino, in Italië; Liechtenstein, tusschen Zwitserland en Oostenrijk).

De volgorde, hier genomen, berust op de volstrekte bevolking (het geheel aantal bewoners). Geheel anders zou de volgorde dezer staten zijn naar de grootte, maar die maatstaf is lang zoo belangrijk niet als de gebezigde. Fig. 20 geeft een denkbeeld van de grootte van eenige Europeesche Staten :

Rusland. Oost.-Hong. Duitschl. Frankrijk. Spanje.

Zweden. Noorwegen. Gr.-Britt. en lerl. Italië.

Ka ü U 0

Portugal. Griekenland. Zwitserland. Denem. Nederl.

Fig. 2o. Groepeering Van Europeesche staten naar de grootte der oppervlakte.

Daar de volgorde der staten naar de grootte en naar de bevolking zoo verschillend is, moet dus de dichtheid der bevolking (het aantal der inwoners op I □ G. M. of op l K.M2.) zeer niteenloopen. Over het algemeen is de dichtheid het geringst in Oost- en Noord-Europa, het sterkst in Midden- en in West-Europa. Echter moet men wel in aanmerking nemen, dat in groote staten vaak uitgestrekte gebieden met bijna geen mehschen tegenover tamelijk dichtbevolkte deelen staan, zoodat 't gemiddeld cijfer een slecht beeld geeft van zulk een land. Hieraan moet ook gedacht worden bij fig. 19 : in elk der werelddeelen zijn nog groote verschillen.

Uit figuur 20 en de opgegeven volgorde der staten kunnen al dadelijk eenige gevolgtrekkingen worden afgeleid ten opzichte van de bevolkingsdichtheid in de verschillende Europeesche staten.

Die bevolkingsdichtheid geeft een denkbeeld van de meerder of

Turkije.

ocr page 49

42

minder gunstige natuurlijke gesteldheid van het land. Fig. 19 ziende, begrijpen wij, dat Europa in veel opzichten gunstiger natuur moet hebben dan de andere werelddeelen. Vooral ligging en klimaat zijn hierbij hoofdfactoren. Het lage cijfer van Amerika moet b.v. voornamelijk worden toegeschreven aan de omstandigheid, dat eerst in den Nieuwen tijd de kolonisatie van dat werelddeel begon, wat een gevolg was van de afgezonderde ligging; daarom wordt het ook Nieuwe Wereld genoemd , in tegenstelling van Azië, Europa en Afrika.

Landen, die in Europa ongeveer juist de dichtheid van 't werelddeel zelf weergeven, zijn b.v. het Iberische en het Grieksche of Z.O.-luir. schiereiland. Rusland, Zweden, Noorwegen, Finland staan ver beneden dit gemiddelde. De overige landen kunnen dus in Europa weer het dichtst bevolkt heeten; b. v. Groot-Britt. en Ierland, Italic, elk ruim 3 X 't gemiddelde cijfer; Duitschland , Frankrijk, Oostenrijk-Hongarije, 2,/2 a 2 X id.

De kleine staten, als Nederland, België, Denemarken, Zwitserland, zijn slechts een zóó gering deel van Europa, dat hun cijfer geen gewicht in de schaal legt.

§ 28. Zooals uit het tot hiertoe behandelde reeds is kunnen blijken, kan men bij de aardrijkskundige beschouwing van een land de volgende zaken nagaan :

1. Ligging, zoowel met betrekking tot den evenaar als tot de werelddeelen en zeeën.

2. Vorm en wijze van begrenzing (horizontale vorm).

3. Oppervlakte (verticale vorm) en samenstelling van den bodem (geologie).

4. Besproeiing.

5. Klimaat.

6. Plantengroei.

7. Dierenwereld.

Bij de bespreking van elk dier onderdeelen moet het doel zijn; nagaan, welke beteekenis het voor de menschen , die in het land wonen, heeft gehad en nog heeft. Voor een groot deel kan men dan uit de natuur van het land verklaren, wat de bewoners moesten worden, hun bestaan, den trap hunner ontwikkeling, de dichtheid van de bevolking.

Voorbeelden :

De Eskimo's en de overige bewoners der Poolgewesten; de Be-douïnen in de binnenlanden van Arabic en de Touaregs in de Sahara; de Indianen in de jachtvelden van Amerika (vóór de groote uitbrei-

ocr page 50

43

cling van de Europeanen in A.); de herdersvolken van de steppen van Aziö of in de Hongaarsche poesta; en andere voorbeelden, die even duidelijk spreken.

Wij zeiden voor een groot deel, want geschiedkundige gebeurtenissen kunnen dikwijls een belangrijk wijzigenden invloed uitoefenen: dat b. v. in Spanje welvaart en bevolkingsdichtheid niet geëvenredigd zijn aan de natuur en de hulpbronnen van het Spaansche land, is ook te wijten aan den staatkundigen toestand, die daar sinds eeuwen heerscht. Nog veel meer is dit het geval in het Oostelijke van de Zuid-Europeesche schiereilanden, waar onder de eeuwenlange heerschappij van de Turken de bodem werd verwaarloosd en het volk onderdrukt; nu de staatkundige toestand daar veranderd is en, sinds eene halve eeuw, zelfstandige staten zich ontwikkelen , komen de gevolgen duidelijk aan den dag.

KONINKRIJK BELGIË.

§ 29. Grootte: 540 G.M2. Bevolking: 6 millioen.

1. Geef de staten op, tusschen welke België is gelegen.

2. Waar zijn natuurlijke grenzen ?

3. Aan welke rivieren liggen de provinciehoofdsteden?

Provincies;

Hoofdsteden:

1.

West-Vlaanderen.

Brugge.

2.

Oost-Vlaanderen.

Gent.

3.

Antwerpen.

Antwerpen.

4-

Brabant.

Brussel.

5.

Limburg.

Hasselt.

6.

Luik.

Luik.

7.

Namen.

Namen.

8.

Luxemburg.

Arlon.

9.

Henegouwen.

Bergen (Mons).

Ligg'ingquot; en horizontale vorm. De ligging van België tusschen belangrijke landen, als Engeland, Frankrijk, Duitschland en Nederland, is zeer voordeelig voor handel en verkeer. Belangrijke verbindingswegen tusschen de genoemde landen leiden door België. In den loop der tijden waren de Zuidelijke Nederlanden bij herhaling een oorlogsveld.

Eene zeemogendheid was België nooit; het mist natuurlijke havens en riviermonden. De kust heeft hetzelfde karakter als bij ons: dui-

ocr page 51

44

nen , strand , zandbanken ; de Scheldemond werd voor België gesloten en de pogingen in verschillende tijden gedaan om eene goede haven te maken en den zeehandel te ontwikkelen, leden schipbreuk. In de laatste halve eeuw ontwikkelde Antwerpen zich echter tot eene der eerste havensteden van Europa's vastland (zie beneden).

Dat over Ostende een levendig personenverkeer gaat (3 keer in 't etmaal), dankt het aan de gunstige ligging tegenover Engeland ; Dover-Ostende-Gent-Brussel-Luik-Aken-Keulen en verder.

Brugge had eenmaal in Sluis eene voorhaven aan het Zwin , maar deze inham is verzand. Gent heeft een vrij belangrijk overzeesch verkeer, doch is in dit opzicht afhankelijk van kanalen, die onvoldoende diepte hebben.

Nieuwpoort, Blankeuberghe zijn visschersdorpen en badplaatsen ; Ostende is in laatstgenoemd opzicht eene der levendigste plaats en aan de Noordzee, waarmee Scheveningen moeielijk concurreert.

Ook als koloniale mogendheid speelde België nooit eene rol. In quot;1885 werd op een „Congres te Berlijnquot; de Congo-staat erkend en werden de grenzen van dien staat, in 'tbijzonder met Portugal, geregeld. Tusschen dien Congo-staat en België bestaat tot dusver alleen eene „Personeele Uniequot;, cl. w. z. zij hebben denzelfden Vorst. Maar 'tzal wel niet lang meer duren, of de Congo-staat wordt eene Belgische Kolonie (op dit oogenblik, 1893, wordt daarover reeds in de Belgische Kamers beraadslaagd).

§ 30. Bodem.

Naar de hoogte en den vorm van den bodem bestaat België uit:

1. Een hoog en oneffen gedeelte, de Ardennen , in het Z.O. ;

3. een laag en meer vlak gedeelte, in het N.W.

De overgang is geleidelijk door heuvelland op den linkeroever van Sambre en Maas.

Het dal van de Sambre tot Namen en verder dat van de Maas geeft eene natuurlijke grens tusschen de beide deelen aan.

1. In welke provincies is de bodem laag en vrij vlak?

2. In welke hoog en oneffen?

3 In welke vormen heuvellandschappen den overgang?

4. Welke richting heeft het dal van Sambre-Maas?

De natuurlijke verdeeling van België is hoogst belangrijk : gelijk overal gaat met dit verschil in bodem eene tegenstelling gepaard in voortbrengselen , in bezigheden van de bewoners, in bevolkingsdichtheid , verdeeling over stad en land, enz.

De Ardennen, 't Spreekt vanzelf, dat het berg- en heuvelachtig

ocr page 52

45

België veel schooner natuur heeft clan het vlakke land; de Ardennen worden tegenwoordig veel bezocht, zoowel in Belgisch-Luxemburg, als in het Groothertogdom. De reiziger vindt echter nog weinig gemak ; de toegankelijkheid is in de laatste jaren veel beter geworden door den aanleg van spoor- en straatwegen, 't Algemeen karakter is woest; er zijn donkere bosschen en liefelijke dalen. Tot de meest gezochte plekjes behooren; het dal van de Our the; de omstreken van /a Roche; het dal van de Lesse ; de grotten van Han en Ro-chefort; in 't Groothertogdom: Diekirch, Echternach, Vianden, onbeduidende plaatsjes, maar tegenwoordig meer genoemd; Diekirch is meest het station voor de touristen. De stad Luxemburg is door eene schoone ligging bekend.

De hoogste punten der Ardennen zijn ± 700 Meter boven den zeespiegel; 't „gebergtequot; draagt zijn naam in zooverre onjuist: 'tis meer eene „hoogvlakte'met enkele ronde toppen en diep ingesneden dalen; 't voornaamste gesteente is leisteen.

Daarentegen is 't vlakke België vruchtbaarder; in de Vlaanderens en in Noordelijk Henegouwen liggen de alluviale gronden: de kleigronden zijn eene voortzetting van onze Hollandsche en ZeeuVvsche gewesten, vooral in het land van IVaes; niet altijd was de bodem hier vruchtbaar ; eens waren ook hier groote moerassen en wouden.

Deze alluviale gronden gaan naar 'tO. over in diluviale zandgronden: de Kempen, la Canipine (Conscience), eene golvende vlakte, de voortzetting van onze Nederlandsche Kempen in N.-Brabant; onvruchtbare gronden, maar hier en daar al uitstekend ontgonnen. In geen land wordt meer voor de ontginning en vruchtbaarmaking van den bodem gedaan dan in België; de landbouw staat op zeer hoogen trap en is in de Vlaanderens vooreen groot deel in tuinbouw overgegaan.

Vruchtbaar is ook 't Hesbaaische land, met zijn diluviale klei (löss); tarwe en suikerbieten zijn hier hoofdvoortbrengselen.

Ten aanzien van de beide rivieren van België, Schelde en A/aas, en haar stroomgebied, merken wij op :

1. De Schelde is de rivier van de vlakte, de Maas van het bergen heuvelland; de eerste is als zoodanig beter bevaarbaar dan de tweede.

2. Van de Schelde ligt het mondingsgebied vlak bij België en al bezit België den mond niet, toch heeft Antwerpen in verschillendo tijden als eene Noordzeehaven kunnen gelden; de Maas heeft den benedenloop, dus 'tbelangrijkste deel, in Nederland.

3. Beide rivieren zijn door kanalen met het Seinegebied in Noord-Frankrijk verbonden; de Maas bovendien met het Moezelgebied.

ocr page 53

46

4- Elk van de twee neemt in België eene vrij belangrijke linker-zijrivier op: de 1quot; bij Gent, de . . . .; de 2e bij Namen, de , . . .

5. Het Maasgebied heeft meer delfstoffen en daardoor bergbouw en metaal-industrie; in 't Scheldegebied bloeit de textiel-nijverheid.

6. Het Scheldegebied is vruchtbaarder dan 't Maasgebied , 't laatste is veel rijker aan natuurschoon.

7. Het Scheldegebied is in hoofdzaak Vlaamsch (uitgezonderd de provincie.......), het Maasgebied Waalsch.

Talrijke kleine rivieren besproeien het land, dat bovendien nog door vele kanalen doorsneden wordt; iu 't alluvium zijn deze even veelvuldig als bij ons in Nederland, tot afwatering en tot gemeenschap tusschen de dorpen. Onder de grootere kanalen merken wij de Z.-Willemsvaart op, die door Limburg is gegraven en waarin een kanaal uitkomt, dat de Belgische Kempen doorsnijdt en bij Antwerpen in de Schelde leidt. Van Maastricht leidt een kanaal naar Luik. Van Gent een langs Brugge naar Ostende en een ander naar Ter-neuzen.

§31. Bewoners.

België geeft het voorbeeld van een ethnologisch geinengden staat; twee volken: 1. de Walen; 2. de Vlamingen. De eersten spreken Fransch, en naderen in karakter de Franschen; de Vlamingen zijn Germanen, hunne taal is een dialect van het Neder-duitsch, doch in den laatsten tijd verheft dat dialect zich tot eene taal, die ijverig wordt beoefend en waarin zich eene letterkunde ontwikkelt (emancipatie van het Vlaamsch; Conscience e. a.).

De taalgrens loopt in eene West-Oostelijke richting een paar uur ten Z. van Brussel, zoodat wij 4 Vlaamsche, 4 Waalsche en l gemengde provincie zien. Brussel zelf, schoon in 't Vlaamsche België, is meer Fransch.

Bovendien spreekt in Luxemburg en Luik een groot deel der bevolking Duitsch: Arlon kan een Duitsch stadje heeten.

In de godsdienst bestaat deze scheiding niet: België is een Katholiek land; Mechelen is eene belangrijke stad voor de geestelijkheid, Leuven door zijne Katholieke Universiteit.

Middelen van bestaan en dichtheid van bevolking.

De landbouw wordt overal sterk gedreven en is hoofdzaak op 't platteland van de Noordelijke of Vlaamsche provincies; de voornaamste producten zijn over 't geheel dezelfde als in onze Zuidelijke

ocr page 54

47

provincies: haver, tarwe, rogge, aardappelen, spelt, gerst, vlas, meekrap, suikerbieten, koolzaad; voedingsgewassen brengt de bodem

niet voldoende op, in verband met de dichte bevolking, zoodat moet

worden ingevoerd.

ocr page 55

48

De veeteelt staat niet zoo hoog als in ons land; in de Vlaanderens en Henegouwen is 't meeste en beste rundvee; de wol der schapen is hoofdzakelijk alleen voor grovere lakens; de paarden der Ardennen zijn klein, doch sterk; varkens zijn overal in groeten getale, vooral in Luxemburg.

Het mijnwezen levert eene aanzienlijke hoeveelheid steenkolen en ijzer op. Steenkool vooral in Henegouwen, Namen en Luik. België behoort met Engeland, Frankrijk en Duitschland tot de r steenkoollanden. Ijzererts, 't meest in Luxemburg. Lood, koper, zink.

Talrijke steensoorten, in Luxemburg, Namen, Z.-Henegouwen en Z.-Brabant; b. v. marmer, kalk, zandsteen , lei.

Veel meer dan bij ons, is — gevolg o. a. van den steenkolen-rijkdom — in België industrie eene hoofdzaak; bij de Vlamingen bloeit de fabricatie van wollen, katoenen en linnen stoffen, bij de Walen bergbouw en metaalindustrie; bij Mons wisselen tal van steenkolengroeven en ijzerhutten elkaar af; de Sambre stroomt door eene streek van kolenmijnen, ijzermijnen , glasblazerijen ; het dal van de Maas geeft de richting aan , waarin dit alles eene voortzetting vindt.

België is kleiner dan Nederland (B. 540, N. óoo □ G. M.), maar België heeft meer inwoners (B. 6, Ned. ruim 4l/2 millioen); België is dus dichter bevolkt ('t dichtst bevolkte land van Europa).

Vergelijking van de bevolkingsdichtheid in de Belgische en een paar van de Nederlandsche provincies; (in honderdtallen op 1 G. M.2)

Brabant..............188.

Z.-Holland.............175-

O.-Vlaanderen............175.

Henegouwen............155-

Luik...............146.

Antwerpen.............137.

W.-Vlaanderen...........126.

Geheel België.........115.

„ Nederland........76.

Limburg..............50.

Namen..............50.

Drente............................27.

Luxemburg..........................26.

ocr page 56

49

§ 32. Plaatsbeschrijving-.

België heeft veel steden en veel welvarende dorpen, in welk opzicht het b.v. met Saksen en Lonibardije overeenstemt; er zijn 4 steden, die meer dan 100.000 inwoners hebben: Brussel, Antwerpen Gent en Luik.

Brussel (400) ') bestaat uit de bovenstad, het Zuidelijk deel, Fransch, en de benedenstad, waar meer Vlaamsch wordt gesproken. De bovenstad is de zetel van het hof, de regeering, de aristocratie; eene mooie stad met vele nieuwe gebouwen, w. o. vooral het Paleis van Justitie; Brussel heet in veel opzichten Klein-Parijs. De benedenstad is meer de zetel van het nijvere gedeelte der bevolking; allerlei takken van industrie, vooral op 'tgebied van luxe, moeten daar worden gezocht.

In 't midden van deze eeuw werden de vestingwerken van Brussel geslecht; daardoor werden de voorsteden, o, a. Schaerbeek, meer direct met de stad verbonden, zoodat sinds dien tijd 't bevolkingscijfer voor Brussel over 300.000 klom.

In plaats van de wallen zijn breede boulevards gekomen; bij de stad ligt o. a. het Bois de Cambre, een park, en het koninklijk lustslot Laeken.

Aan de Zuidzijde van de hoofdstad begint het Soniën-bosch, dat tot Waterloo reikt; de vlakte bataat verder uit golvend terrein, meest heide of bosch met hier en daar eene hoeve; herinneringen aan den grooten slag zijn er bijna geene; op een der heuvels staat de leeuw van Waterloo, gegoten uit het brons der veroverde kanonnen.

De hoofdwegen van Brussel uit zijn :

1. Brussel — Mechelen — Antwerpen — Esschen — Rozendaal —

Moerdijk — Rotterdam — Den Haag — Amsterdam.

2. „ — Parijs.

3* » — Gent — Brugge — Ostende.

4- „ — Leuven — Luik — Verviers — Aken — Keulen.

5- » — Namen — Luxemburg — Metz.

Antwerpen (250) is eene der eerste koophavens van het vasteland van Europa, schoon België zelf bijna geen handelsvloot bezit en de handel bijna geheel onder Engelsche vlag gedreven wordt.

De Schelde is bij Antwerpen zeer breed, en eb en vloed zijn daar

') De tusschen haakjes geplaatste getallen geven 'l bevolkingscijfer in duizendtal len aan.

D. AllTON, Beknopt Leerboek, 3e druk. 4

ocr page 57

5o

nog merkbaar, zoodat de grootste zeeschepen kunnen binnenkomen.

Onder de invoerartikelen is rmve katoen (boomwol) van belang, niet alleen voor de Belgische industrie, maar ook voor de fabrieken van de Pruisische Rijnprovincie; verder veel petroleum. Vele landverhuizers naar Amerika vertrekken van Antwerpen.

Bij weinig steden was de beteekenis in onderscheiden tijdvakken der geschiedenis zoo verschillend als bij Antwerpen; in den graventijd kwam het langzamerhand op tot het in de le helft der lóquot; eeuw het toppunt van zijn bloei bereikte; toen was 't de grootste koopstad van Noord-Europa, gelijk Venetië van 't Zuiden. Doch in den aanvang van den 80-jarigen oorlog ging zijne beteekenis over op Amsterdam en het zou lang duren, eer Antwerpen weder eene groote koopstad werd. Toen de Z. Nederlanden in de l8e eeuw onder Oostenrijksche heerschappij waren , zijn tot 2 malen toe pogingen gedaan Antwer-pens handel en scheepvaart op te heffen, o. a. door Jozef II; doch eerst in onze dagen, nadat België vrij geworden was, begon Antwerpen opnieuw te bloeien.

Ofschoon door Europa's groote mogendheden bij de zelfstandigheidsverklaring van België is vastgesteld, dat het grondgebied van België in volgende oorlogen steeds als onzijdig zou worden geëerbiedigd, heeft de regeering toch terecht begrepen zelf ook verdedigingsmaatregelen te moeten nemen. Antwerpen is in militairen zin België's reduit (laatste bolwerk, hechtste steunpunt voor de verdediging) en aan de bevestiging is veel ten koste gelegd.

Napoleon I beschouwde Antwerpen als eene haven van groot gewicht; door hem zijn belangrijke havenwerken en versterkingen aangelegd.

Gent (150) was reeds in de 14quot;, 15- en lóquot; eeuw eene zeer belangrijke industriestad (Bourgondisch tijdvak); vooral de lakenweverijen bloeiden; het kanaal, dat G. met den Scheldemond verbond, gaf aan zeeschepen gelegenheid de stad te bereiken. Daarop volgde een tijd van verval, doch tegenwoordig is Gent weer eene drukke stad met veel industrie; het middelpunt van de Vlaamsche beweging.

In 't land van Vlaanderen, zoo goed bebouwd, geeft Gent uitstekende opleiding voor alles, wat op tuinbouw betrekking heeft.

Luik (200) is een middelpunt van belangrijke metaal-industrie; de stad ligt als 't ware op steenkoolbeddingen; ijzererts wordt er in groote hoeveelheden aangevoerd. Vlak bij Luik (Z.W.) ligt Seraing (35) gt; eel1 en a' ijzerfabriek (stichtingen van Gebr. Cocquerill), in welk opzicht het dus met Essen (Rijnprovincie) overeenkomt. — Verviers (50), hoofdzetel van de wolindustrie.

Luik ligt in eene mooie streek, waar Chandfontaine en Spa de meeste reizigers trekken; (minerale bronnen).

ocr page 58

51

De hoofdwegen van Luik uit zijn;

1. Die naar Duitschland, door 't dal van de......

2. Luik — Brussel — Ostende.

3. „ door 't Maas- en Sambredal naar Parijs.

4' « — Luxemburg — Metz.

5- „ — Maastricht — Venlo — Nijmegen — Arnhem.

6. „ — Hasselt — Eindhoven — Boxtel.

De steden van den 2ei1 rang in België zijn het talrijkst in de Vlaan-derens, Henegouwen en Brabant; veel minder talrijk in de overige provincies, terwijl ze in Luxemburg geheel ontbreken. En dit is verklaarbaar, want 't gebied der Ardennen is minder bevolkt en de schrale natuur dwingt tot meer verspreid wonen.

In W.-Vlaanderen Brugge C50), Kortrijk (30) en Ostende (25); in Henegouwen Mons (Bergen; 25), Touruai (Doornik; 35) en Charleroi. Al die steden hebben eene beroemde geschiedenis, dagen van grooten bloei achter zich; uit dien tijd dagteekenen groote gebouwen, meest stadhuizen en kerken. De Vlaamsche steden behoo-ren tot de oudste van Europa. In de laatste jaren is, gelijk reeds gezegd, de herinnering aan vroegere grootheid levendig geworden en voor vele is ook nieuwe bedrijvigheid aangebroken (linnenweverijen en bleekerijen, katoenfabrieken, kantklopperij).

In O.-Vlaanderen zijn meest welvarende plattelandsgemeenten met een groot aantal inwoners, b.v. St.-Nicolaas (30).

Mons is omringd door ijzerhutten, steenkolenmijnen en steengroeven. Charleroi evenzoo; dit heeft ook nog veel glasblazerijen. De geheele streek van Mons tot Charleroi vertoont bergbouw en industrie, evenals 't gebied om Luik.

Antwerpen, Brabant en Limburg hebben verder stadjes, die aan spoorwegen liggen en waar een druk verkeer is, zonder dat ze overigens belangrijkheid bezitten. Van meer beteekenis zijn Mechelen en Leuven (bovengenoemd).

Van de plaatsen in Namen en Luxemburg valt voor ons weinig meer op te merken, dan dat zij de punten zijn, van waar de Ardennen worden bezocht.

4quot;

ocr page 59

52

HET DUITSCHE KEIZERRIJK.

§ 33, Ligging1 en grenzen.

Opgaven.

1. Welke parallel loopt door Zuid-Beieren; welke volgt ongeveer de kust? Hoeveel uren gaans bedraagt dus de afstand van de Noordzee tot de Alpen ?

2. Bepaal 't lengte- en 't tijdsverschil van Berlijn met Am-sterdam.

3. Aan welke staten grenst het Duitsche Rijk?

4. Welke ketengebergten vormen aan de zijde van Oostenrijk de natuurlijke grenzen?

De landen, die door Duitschers worden bewoond, strekken zich uit van de Alpen tot aan de Noord- en de Oostzee. Zij liggen tus-schen West-Europa en de vlakten van het Oosten, die door Slavische volken worden bewoond.

De ligging van West-Duitschland is gunstiger dan die van Oost-Duitschland, want r; W.-D. ligt dichter bij de meest beschaafde landen , de zoogenaamde wereld-zone ; het kan deelnemen aan 't overzeesche wereldverkeer, enz.; 2e: het klimaat van W.-D. staat meer onder den invloed van de zee dan dat van O.-D.

Tegen Frankrijk zijn de Vogezen eene natuurlijke grens; de Rijn is niet langer eene grens, thans Duitschlands rivier; de Moezel heeft voor een deel de taak van den Rijn overgenomen. Sterke vestingen tegen Frankrijk zijn o. a. Straatsburg; Metz, Diedenhofen. Aan de zijde van Oostenrijk vormen verschillende ketengebergten natuurlijke grenzen; bij de verschillende wegen, die daarover leiden, liggen ook vestingen, b.v. Glatz.

Aan de Noordzee is Wilhelmshaven het station voor de Duitsche oorlogsvloot; aan de Oostzee Kiel; er zijn belangrijke maritieme inrichtingen en werken, al staat Duitschlands oorlogsmarine ver beneden die van Engeland en Frankrijk.

§ 34. Grootte , politieke indeeling, enz. Grootte van het Rijk ±l 10.000 □ G. M., dus ruim ló X Nederland, 3e Staat van Europa (zie fig. 20).

ocr page 60

53

Bevolking: 50.000.000 , 2quot; Staal van Europa; to X Nederland.

Saksen. Würtemberg. Overige staten samen.

Fig. '22. Vergelijkend overzicht van de bevolking der Duitsche staten.

M

Beieren.

Samenstellende staten:

4 Koninkrijken: 1. Pruisen, grootte ij van't geheeie Rijk.

2. Beieren, ruim 2 X Nederland.

3. Würtemberg, ruim .| X „

4. Saksen, bijna ^ X „

6 Groothertog- 1. Baden, bijna ^ X Nederland.

Hessen (2 dln.. Opper-en Rijn-Hessen). Darmstadt.

HP iü

■

Hoofdsteden:

Berlijn. München. Stuttgart. Dresden.

Karlsruhe.

(lommen.

3. Mecklenburg-Schwerin.

4. Oldenburg.

5 Saksen-Weimar. 6. Mecklenburg-Strelitz. Brunswijk.

Anhalt.

Saksen-Meiningen. „ -Coburg-Gotha.

Hertoüdom-

'b meii:

Schwerin. Oldenburg. Weimar. Nieuw-Strelilz.


„ -Altenburg.

Waldeck.

Lippe-Detmold.

„ -Schaumburg.

Schwarzburg-Rudolstadt.

„ -Sondershausen.

Reuss-Greiz.

„ -Schleiz.

3 Stedenrepublieken: Hamburg, Breinen, Lübeck.

Van de laatste 15 staatjes liggen er 7 bij elkaar in het landschap Thüringen; zij geven nog een duidelijk beeld van de vroegere Duitsche verbrokkeling; in Thüringen ligt ook een der groothertogdommen [welk P) en ook Pruisen heeft er eenige verspreide perceeltjes (het Bezirk Erfurt).

Bij Elbe en Wezer, op de grens van Midden- en Noord-Duitsch-

7 Vorstendommen :

ocr page 61

54

land, liggen ook 5 staatjes, die elk op zich zelf nog weer verbrokkeld zijn. {Noem se.)

De grootte van deze staatjes is niet aanzienlijk; de kaart toont, hoe zij nog uiteenloopt; de bevolking is van sommige niet meer dan van eene Duitsche stad van den 2quot;' rang.

De in den oorlog van 1870—'71 op Frankrijk veroverde landen Elzas en Lotharingen vormen een Rijkstand; van Lothar. behield Frankrijk ± de helft; van Elzas alleen de vesting Belfort. Grootte en bevolking van het Rijksland stemmen overeen met b.v. die van Baden. Namens den keizer bestuurt een stadhouder het Rijksland; deze resideert te Straatsburg.

De natuur verdeelde Duitschland in een aantal zeer verschillende streken en deze omstandigheid werkte de staatkundige verdeeldheid in de hand. Het aantal der Duitsche Staten, thans 25, was vroeger veel grooter, bedroeg eenmaal zelfs niet minder dan 300 (laatst der middel-eeuwen en begin van den nieuwen tijd).

Door de Kerkhervorming zijn vele geestelijke staatjes in wereldlijk gebied veranderd en daarna langzamerhand door de grootere staten ingepakt, o. a. bij 't eind van den Dertigjarigen oorlog. Het Westfaalsche Congres (1643—'48) bracht vele veranderingen in de kaart van Duitschland.

Nog grooter zijn die, welke dagteekenen uit den Napoleontische!! tijd: toen zijn vele kleine staten geschonken aan die groote Duitsche staten, welke zich voegden naar de politiek van den Franschen keizer. Bij die gelegenheid werden tevens vele der Duitsche vorsten in rang verhoogd, b.v. de keurvorsten van Beieren en Saksen, die een koningstitel kregen.

Na den val van Napoleon werd het oude Duitsche Rijk niet hersteld, doch een Duitsche Bond opgericht van 39 staten. Deze bezweek in 1866, toen tevens Oostenrijk, dat eeuwenlang aan de spits der Duitsche staten had gestaan, ophield tot die staten te behooren (vrede van Weenen).

In 1867 werd een Noord-Duitsche Rond opgericht onder voorzitterschap van Pruisen, dat door de gebeurtenissen van '66 de eerste der Duitsche staten was geworden. Die ten Zuiden van den Main, de Zuid-Duitsche Staten, traden niet toe, waren zelfs Pruisen vijandig gezind, maar de gezamenlijke overwinningen op Frankrijk hadden den IS'quot; Januari 1871 de aanbieding van het keizerschap aan den Pruisischen koning ten gevolge. Die aanbieding geschiedde in de beroemde spiegelgalerij van het Fransche keizerlijke slot te Versailles door vertegenwoordigers van alle Duitsche regeeringen.

Eenige maanden later is te Frankfort de 1« grondwet van dit nieuwe Duitsche Rijk gemaakt. Zij bepaalt, dat de staten één geheel vormen ten aanzien van:

1. het krijgswezen,

2. de buitenlandsche aangelegenheden,

3. het binnenlandsch verkeer (geen in- en uitvoerrechten van den eenen staat in den anderen).

In de regeling der binnenlandsche aangelegenheden is elke staat vrij; de Rijkswetten gaan echter voor.

ocr page 62

55

De keizerlijke waardigheid is erfelijk verbonden aan de kroon van Pruisen (huis Hohenzollern).

De Rijkswetten moeten worden behandeld en goedgekeurd door een Honds-raad en een Rijksdag. De eerste bestaat uit 58 vertegenwoordigers der regeeringen (voorzitter de Rijkskanselier); Pruisen benoemt er 17. De tweede is de eigenlijke vertegenwoordiging van het volk; 1 lid op 100.000inwoners, gekozen met algemeen stemrecht.

Voor het krijgswezen is in Duitschland veel gedaan; in Pruisen was het reeds vóór den grooten oorlog van 1870 uitstekend ingericht; na dien oorlog is nog veel verbeterd.

Den hoogen rang als militaire mogendheid kon Duitschland natuurlijk niet verkrijgen, zonder dat de dienst drukkend werd voor het volk, vooral op het platteland. Vandaar reeds een paar maal een conflict tusschen Regeering en Rijksdag (o. a. in 1893).

Provincies van Pruisen.

1.

Oost-Pruisen.

Hoofdstad

Koningsbergen,

aan

de

2.

West-Pruisen.

55

Dantzig,

55

55

3-

Posen.

55

Posen,

55

55

4-

Siieziö.

Hoofdstad

Breslau,

aan

de

5-

Brandenburg.

55

Berlijn ,

55

55

6.

Pommeren.

55

Stettin,

55

55

7-

Saksen.

55

Maagdenburg, „

55

8.

Hannover.

55

Hannover,

D

*5

9-

Sleeswijk-Holstein. „

Sleeswijk.

10.

Westfalen.

n

Munster.

11.

Rijn-Provincie.

Keulen,

5)

55

12.

Hessen-Nassau.

Cassel,

55

üe provincies zijn onderverdeeld in Kreit zen; dezen naam dragen ook de deelen van de andere Duitsche staten.

§ 35. De Kusten.

Die aan de Noordzee gelijkt op de onze bij Friesland en Groningen; dijken, wadden-eilanden (Oost-Friese!ie, w. o. bad Norderney, en Noord-Friesche). Maar aan de Duitsche kust zijn de belangrijke riviermonden van Elbe en Wezer en de niet onbelangrijke van de Eems.

Hamburg, de T handelshaven van 't vastland, stoomvaartlijnen op alle landen der aarde; het is de in- en uitvoerhaven voor de fabrieksdistricten in Midden-Duitschland, tot zelfs voor Bohemen

ocr page 63

56

toe; voorts belangrijk voor landverhuizers; 600.000 inw. (met gebied); voorhavens Cnxhaven, Harburg en Altona.

Bremen, groote invoer van ruwe katoen (boomwol), tabak, petroleum; veel overeenkomst met H., op kleiner schaal; voorhavens Bremerhaven en Geestemïmde (één); 150000 inw.

Heeft bij Hamburg de „vrachtvaartquot; het overwicht, bij Bremen treedt het „passagiersvervoerquot; op den voorgrond; in 1858 ging de eerste stoomboot uit Bremen naar New-York met één passagier aan boord; tegenwoordig vervoert de Noord-Duitsche Lloyd wekelijks gemiddeld 2 a 3000 landverhuizers; tweemaal 's weeks varen hare booten over Southampton naar New-York; daarnaast bestaat een wekelijksche dienst op Baltimore, zonder tusschenhavens; dan geregelde diensten op La Plata (om de 14 dagen), op Brazilië (om de 4 weken), eindelijk lijnen op Oost-Azië en Australië.

Tegenover den Elbemond ligt het gedeeltelijk rotsachtige Helgoland , dat ten tijde van het continentaal stelsel groote beteekenis had als stapelplaats voor den smokkelhandel; thans is het een geliefkoosd zeebad, doch heeft als handelshaven geene beteekenis.

Betrekkelijk jong, niet lang van 't vasteland gescheiden, verschilt het in flora en fauna niet van het tegenoverliggend land.

Etnbdeu van veel lageren rang dan de beide andere havens, maar toch ook met drukke scheepvaart (o. a. ook haringvangst).

Aan de Duitsche Oostzeekust vormen de rivieren haffen; deze zijn door smalle landtongen, nekrungen, van de zee gescheiden.

Geef de haffen en riviermonden op van de kaart.

Stettin, Dantzig en Koningsbergen zijn de belangrijkste en levendigste havens; hoofdzakelijk uitvoer van producten van landbouw en veeteelt: koren, lijnzaad, vlas, hout, paarden.

Dantzig had vooral in de 17' eeuw een levendigen handel met Nederland en werd de korenschuur der Oostzee genoemd. Koningsbergen , oude kroningstad van Pruisen, is eene sterke vesting tegen Rusland ; aan den weg Berlijn—St. Petersburg.

Lübeck (50) was van de 13'—16* eeuw de hoofdplaats van de Hanze, het machtig stedenverbond, dat heerschappij voerde over de Oostzee en waartoe van Dantzig tot Keulen een 90-tal belangrijke steden behoorden (ook verscheidene van ons land). Toen Nederland en Engeland de Hanze gingen overvleugelen, verviel ook Lübeck. Thans staat het in scheepvaart-beweging reeds achter bij Kiel.

Belangrijk, vooral door hout-uitvoer, is nog Memel. Een aantal

ocr page 64

57

kleinere plaatsen aan de Oostzee bestaat van scheepsbouw (veel hout) en vischvangst.

Ook aan de Oostzee liggen talrijke grootere en kleinere zeebaden, doch zij missen den krachtigen golfslag, de afwisseling van eb en vloed (laag en hoog water), het aanzienlijk zoutgehalte van de Noordzee. Daarentegen zijn de kusten schooner begroeid en hier en daar niet trotsche rotspartijen.

Vergelijking tusschen de Oostzeekust en de Noordzeekust'.

\. Afwisseling van de getijden (eb en vloed) doet zich bij de 1'' bijna niet gevoelen.

2. Achter de i' ligt geen rijke gordel van marschlanden (zeeklei), zooals bij de 2\

3. Ook daardoor zijn de streken achter de 1quot; over 't algemeen minder bevolkt.

4. De le heeft mooier natuur dan de 2e en is op sommige plaatsen hooger. Een der mooiste punten is bij Rügen, waar hooge krijtrotsen zich uit de zee verheffen, begroeid met beukenwouden.

5. De Noordzeekusten liggen meer in 't centrum van 't wereldverkeer; daardoor zijn de Noordzeehavens veel levendiger.

Opgaven.

1. Geef van de kaart de voorhavens op van Stettin, Dantzig en Koningsbergen.

2. Welke kanaalverbindingen bestaan tusschen de Weichsel en de Oder cn tusschen de Oder en de Elbe? (van de kaart).

3. Langs welken weg kan een schip binnendoor van Hamburg naar Dantzig worden gebracht ?

§ 36 Duitschlands bodem.

Hoofdkenmerk : de groote afwisseling in vorm en \w samenstelling; op betrekkelijk kleine ruimte zien we landstreken met geheel verschillende oppervlakte en geheel onderscheiden natuur. Duitschland vormt geen geographische eenheid; de invloed hiervan op de geschiedenis der Duitschers was groot.

Twee hoofddeelen; 1. de streek der Duitse he middelgebergten; 2. de laagvlakte. Geene scherpe grens, over 't geheel langzame overgang, veel heuvelland; 't Maindal kan nog tot verdeeling in Zuid- en Midden-Duitschland dienen.

ocr page 65

58

Opgave.

Geef van de kaart op , waar zich bevinden;

1. Sudetengebergte ; op de grens van......en

2. Reuzen- „ ;

3. Lausitzer- „ ;

4. Elbe-zandsteen gebergte ;

5. Ertsgebergte ;

6. Fichtel- „

7. Thüringerwoud.

8. Bohemer- „ ;

9. Beiersche „ ,

10. Frankische Jura ;

11. Schwabische „

12. Zwartewoud.

13. Neckar-bergland ;

14. Odenwoud.

15. Hardt-gebergte.

16. Rijnsche Schiefer of leisteenplateau (Hundsrück, Eifel, Taunus, Wcsterwald, Sauerland).

17. Teutoburgerwoud.

18. Harz.

19. De Schwabisch-Beiersche hoogvlakte in ......

20. De Boven-Rijnsche laagvlakte „ ......

I. In de Noord-Duitsche laagvlakte zijn schrale zandstreken en heidevelden niet hunne zwerfblokken en grint (Scandinavisch diluvium), b. v. in Westfalen, Hannover (Lüneburger heide), Brandenburg (Flaming); er zijn meergebieden in Mecklenburg, Pommeren, Pruisen; moerassen vooral in 't gebied van Havel en Spree; venen vooral in O.-Friesland. Al deze streken behooren tot de minst bevolkte van geheel Duitschland.

Ook zeer vruchtbare kleigronden: rivierpolders, langs de breede rivieren; zeepolders, als marschland achter de Noordzeekust.

Het algemeen karakter van den bodem in N.-D. is, dat de grond zorgvuldige bebouwing, voortdurenden arbeid verlangt; in veel streken is de opbrengst dan nog maar middelmatig. Al vroeg hebben verschillende vorsten , vooral van Brandenburg, moerassen droog gelegd , zandgronden ontgonnen. Hiertoe lieten ze ook goede landbouwers uit den vreemde komen, waaraan nog namen herinneren, b.v. Flaming.

5)

in

in

»

ocr page 66

59

II. In Midden- en Zuid-Duitschland met hunne menigte van ter-reinvormen zijn de tegenstellingen nog veel scherper geteekend. Zeer vruchtbaar zijn over 't algemeen de overgangsstreken naar de vlakte, h.v. de Goldne Aue ten Z.O. van den Harzj tot in Thiiringen. Uitstekend vruchtbaar en met een heerlijk klimaat zijn ook de dalen van Main en Neckar en de Boven-Rijnsche laagvlakte. De laatste, ter breedte van ± 5 uur gaans, van den voet van 't Schwarzwaid tot dien van de Vogezen; door de lage ligging op enkele plaatsen moerassig.

Beroemd zijn: Rheingau, Maingau en Bergstrasse; de 1° op de Z. helling van den Taunus tot aan den rechter-Rijnoever; de 2quot; 't benede n-Maindal ; de 3° van Darmstadt tot Heidelberg langs de W. helling van 't Odenwoud, Ooft- en wijnbouw.

Er zijn meer bosschen dan in eenig land van West- of Zuid-Europa; Scandinavië en Rusland zijn met Duitschland de le houtlanden; aan de houtcultuur wordt veel zorg besteed; de Nederl. regeering laat de voor Indiö bestemde houtvesters in Duitschland opleiden. Houthandel , kolenbranden, houtsnijwerk zijn in veel bergstreken bestaansmiddelen.

Ongunstige natuur hebben in de eerste plaats de hoogere streken in de gebergten en dan verder de ScJnvabisch-Beiersche hoogvl. met veel moerassen en veen, turfgraverij; veel riet; zij is onvruchtbaar en weinig bevolkt. De ligging van Milnchen is dan ook niet gunstig te noemen. Augsburg, reeds uit den Romeinschen tijd (genoemd naar Augustus) en in de 14° en 15' eeuw eene der belangrijkste markten van Europa, zou die beteekenis niet gekregen hebben als hier niet 2 groote wegen uit Midden-Duitschland naar Italië samenkwamen: de Splügen- en de Brennerbaan (Genua en Venetië). In 't Z. gaat de hoogvlakte over in de Voor-Alpen; hier zijn goede weiden; 't Z.O., naar de zijde van Salzburg, is bekend door zijne schoonheid (Rosenheim, Königsee enz.) en door steenzout.

De Duitsche bergen zijn belangrijk:

1. door hun rijkdom aan ertsen en steensoorten,

2. door de minerale bronnen,

3. door hun houtrijkdom en schoonheid.

Tot de schoonste streken behooren: 't Schwarziuald met zijne donkere dennenbosschen, sombere en liefelijke dalen; de Schwarzwald-baan is de meest trotsche spoorbaan uit Duitschland. Van de dalen in 't Schwarzwaid is van historisch en militair belang, dat van de Dreisam, het Hollenthal. Thiiringen, 't park van D., veel bezocht en met tal van vorstelijke kasteelen en goed onderhouden bosschen;

ocr page 67

6o

door veel kunstwegen zeer toegankelijk. Het Elbe-zandsteengebergte of Saksisch Zwitserland, vooral door grillige rotsvonnen bekend. De Harz, Oberhars met oude zilverbergwerken, trotsche naaldwouden, den hoogen Broeken of Bloksberg, en de liefelijke Unterharz met heerlijke dalen (Bode) en loofhout.

't Meest bezocht van alle plekjes is misschien het Rijndal van Bingen tot Bonn; het hoogland aan weerszijden is een plateau met enkele toppen, schraal en eentonig over 't geheel, maar er zijn veel rivierdalen, met schilderachtige plekjes; Rijn, Ahr, Brohl, Lahn (Nassau , Dillenburg) , Moezel ; tal van plaatsen met historische herinneringen, vooral burchten en ruïnes. Tegenover Bonn

het Zevengebergte, met Königswinter aan zijn voet; tandradspoorweg naar den Drachenfels. Tegenover Bingen het Niederwald met het prachtige gedenkteeken aan den oorlog van 1870—'71 en het nieuwe Duitsche Keizerrijk; uit Rüdesheim tandrad-spoorweg.

Bekendste badplaatsen: Aken, Ems, Wiesbaden, Homburg, Sellers, Baden-Baden, Kissingen, Lippspringe.

§ 37. Gebruik van den Duitschen bodem.

7 pCt. woest of improductief, betrekkelijk zeer weinig; meest nog in de boven als onvruchtbaar opgegeven streken en in de hooge

ocr page 68

6i

gedeelten van de gebergten; bijna 50 pCt. akkerbouw, w. o. de wijnbergen zijn gerekend; geen 20 pCt. weiland; bijna 25 pCt. wouden.

Granen, hoeveel ook verbouwd, moeten nog jaarlijks worden ingevoerd; aardappelen, wel '/3 van de productie van geheel Europa, nog voor uitvoer over. In N.-D. zooveel beetzvortelen, dat bijna geen rietsuiker meer wordt gebruikt. In Z.-D. veel hop voor de bierbrouwerijen. Wijnbouw vooral in dalen (Moezel, Rijn, Main, Neckar); ondanks eenige goede soorten, vooral uit Rheingau, staat D. ver achter in wijnproductie bij Frankrijk, Italië, Spanje, Oosten-rijk-Hongarije.

Voortreffelijke paarden uit Oost-Pruisen (Trakhenen), Mecklenburg, Holstein, Oldenburg; 't beste rundvee in Z.-D. (vooral in de Voor-Alpen) en in Sleeswijk-Holstein; schapen vooral in ongunstige streken van N.-D.; varkens vooral in Westfalen.

neming van spoorwegnet.

Nauwlijks 25 jaar geleden kon D. met recht een akkerbouwstaat heeten; thans zou die naam maar half juist zijn; de industrie nam eene verbazende vlucht; na Engeland en N.-Amerika staat Duitschland hierin met Frankrijk op één lijn; een direct gevolg van de D. groot-industrie is de snelle aanwas van de stadsbevolking, vaak ten koste van 't platteland. Een ander gevolg was de toe

het overzeesch verkeer en de aanleg van een dicht

ocr page 69

62

De industrie-districten vallen grootendeels samen met de

steenkoolbekkens: steenkool en ijzer bij de Ruhr,

„ „ „ in Lotharingen,

v v n v Silezïe,

„ „ „ „ V Saksisch- Ertsg eb.

Het voornaamste steenkool-gebied, het Ruhr-bekken, strekt zich rechts van den Rijn als eene smalle strook Oostwaarts door de Rijn-provincie en Westfalen uit; 3 4 uur gaans breed en over eene lengte van een tiental uren gaans. Ruhrort is de haven, waar de zwarte klompen worden verscheept, terwijl tal-looze spoorwagens van de mijnen uit in alle richtingen de kostbare brandstof afvoeren. In honderden mijnputten werken loo.ooo arbeiders. Alles ziet zwart; de grond, de wegen, de straten, de huizen, de menschen; zwart zijn de talrijke kanalen en spoorwegen, die een net vormen, dichter dan misschien ergens elders; zwart is het uitspansel, door steenkool- en ijzerstof. Want naast de steenkoolwerken staan hier de ontelbare reusachtige schoorsteenen der ijzersmelterijen en kamerwerken van het Siegland. Westfaalsche kolen en Sieg-landsch ijzer vormen den grondslag van de reusachtige industrie dezer landstreek; naast de ico.ooo mijn-arbeiders staan loo.ooo ijzer werkers.

Na het Ruhr-bekken is het Saar-bekken 't belangrijkst steenkoolgebied van Duitschland; 'tis grootendeels pas in den oorlog van '70 verkregen; de mijnen van dit gebied behooren bijna alle aan den Staat.

Het 3'' groote Duitsche steenkoolgebied ligt in 'tOosten des rijks, nabij de Russische en Oostenrijksche grenzen: de Silezische bekkens met Waldenburg en Beuthen als middelpunten.

Ook in de laatstgenoemde districten liggen naast de steenkoolwerken de ontelbare hoogovens voor 't ijzererts.

Voorts zijn in Saksen nog verscheiden niet onbeduidende mijnen voor steenkool en meer nog voor bruinkool.

1. Metaal-industrie, vooral in 't Ruhr-district; Essen (Krupp), Dortmund, Solingen;

in Silezië, het Z.O,, Beuthen, en andere plaatsen;

in Berlijn.

2. Textiel-industrie: katoen in Saksen (Chemnitz); in 'tWupper-gebied (Elberfeld-Barmen);

wol, zijde, fluweel in de Rijnprovincie; linnen in den Elzas (Mühlhausen) en Silezië.

Zilver, koper, zink, lood heeft Duitschland meer dan eenig ander Eur. land (lood in Spanje meer); in de iquot; plaats in 't Saksische Ertsyeb. Voor de industrie worden verder ingevoerd; vooral rmve katoen, zvol, ijzererts.

Belangrijke steengroeven: leisteen aan den Rijn; bouwsteen en porceleinaarde in Saksen; pottebakkersaarde, o. a. in Nassau voor de minerale wateren; lithographische steen in Beieren.

ocr page 70

63

§ 38. Dichtheid van bevolking-; aanzienlijkste steden.

50.000.000

= 5000 op 1 □ G. M.

io.ooü

Er zijn streken, waar dit cijfer tot over 10.000 stijgt, andere, waar het beneden 2000 blijft; dit kan uit het over de natuur meegedeelde gemakkelijk worden verklaard. Als wij op de drie hoofd-deelen letten: 1 Noord-, 2 Midden- en 3 Zuid-Duitschland, is het 1quot; 't minst, het 2' het sterkst bevolkt. Hier liggen de vruchtbaarste streken; hier zijn de delfstoffen en minerale bronnen, en hier ontwikkelde zich de groot-industrie. In deze overgangsstreken van Zuid naar Noord is ook het toenemen der bevolking in deze eeuw het sterkst.

De oorzaken van deze vermeerdering zijn voor een groot deel in de opkomst van de Duitsche groot-industrie te zoeken; verder voor sommige deelen van Pruisen ook in den loop der staatkundige gebeurtenissen. Pruisen werd in 1866 bij de uittreding van Oostenrijk het hoofd van den toen opgerichten Noord-Duitschen Bond en in 1871 hoofd van de vereenigde Duitsche landen.

Dat Zuid-Duitschland een lager cijfer van toeneming toont, komt bovendien ten deele daaruit voort, dat de bevolking over 't geheel daar reeds veel dichter was.

Al vroeger is gezegd, hoe vooral de stadsbevolking aanwies; in 1871 telde Duitschland 8 steden met meer dan loo.ooo inwoners; thans 2Ó. In deze snelle toeneming ligt 't nadeel, dat op den duur de krachten niet toereikend zouden kunnen zijn, welke zich op de ontwikkeling van landbouw en veeteelt toeleggen; en ook, de opeen-hooping van 't ontzettend groot aantal werklieden in kleine districten en groote steden heeft vaak ten gevolge, dat ontevredenheid en woelingen in die klasse van de maatschappij soms een grooten omvang dreigen te nemen.

Opgaven.

1. Noem eenige landstreken in Duitschland met ongunstige natuur en dus niet dichte bevolking.

2. Evenzoo eenige landstreken met gunstige natuur en dus dichte bevolking.

ocr page 71

64

Steden met meer clan lOO.OOO inwoners:

Berlijn,

Hamburg1,

Leipzig Miinchen Breslau Dresden Keulen Maagdenburg Frankfort a/M. \

Hannover gt;

Koningsbergen *

Diisseldorf ^

Allona Neurenberg Stuttgart Chemnitz Elberfeld Bremen Straatsburg Dantzig Stettin Barmen Crefeld Aken Halle Brunswijk j

Geef van elk dezer steden op in welken staat of in welke Pruisische provincie zij is gelegen ; deel verder mede, wat gij van de ligging en van V karakter der stad kunt zeggen.

§ 39. Taal, godsdienst, onderwijs.

De verschillende dialecten (spraak in eene bepaalde streek), die zich altijd in de Duitsche landen hebben gehandhaafd, behooren tot

1.500.000; 't bevolkingscijfer werd in deze eeuw bijna vertienvoudigd. Toch biedt de ligging geen ander groot natuurlijk voordeel aan, dan dat Vcentrum van de vlakte is.

De snelle uitbreiding is in de eerste plaats 't gevolg van politieke en historische gebeurtenissen.

Alle takken van industrie zijn er thans gevestigd.

óoo.ooo; wereldverkeer (zie boven).

300 a 400.000.

200 a 300.000.

150 a 200.000.

100 a 150.000.

ocr page 72

65

de beide hoofdafdeelingen van; het Hoogduitsch en het Nederduitsch.

Als schrijftaal werd sedert de I5e eeuw de Hoogduitsche de alge-meene; voor de ontwikkeling en verheffing dier taal boven de dialecten was de bijbelvertaling door Luther van groot belang.

De voornaamste Hoogduitsche dialecten zijn: Schwabisch in 'tNec-karland en in 't gebied van den boven-Donau; de Lech vormt de grens met 't gebied van het Beiersck (is de Lech ook de grens tus-schen 2 staten ?), dat de spreektaal is in Z.O.-Heieren en in de Oos-tenrijksche Alpenlanden. Een 3quot; dialect, het Frankisch, behoort vooral thuis in het Maingebied.

Tot de Nederduitsche dialecten behoort het Friesch, in de middeleeuwen verbreid van West-Friesland (Holland) tot in Jutland, thans alleen nog gesproken in onze provincie Friesland; dit Friesch is nauw verwant aan het Engelsch.

Het Nederlandsch, oorspronkelijk ook een dialect van het Neder-Duitsch, heeft zich al vroeg door eene rijke literatuur als zelfstandige taal afgescheiden en ontwikkeld.

Overigens wordt in N.-Duitschland zoogenaamd Plat-Duitsch gesproken, dat door germaniseering uit de Slavische volkstalen is voortgekomen. In de Oostelijke provincies van 't koninkrijk Pruisen bespeurt men, vooral op 't platteland, in de taal nog duidelijk het Slavisch. In de middeleeuwen waren de Slaven (Wenden) het heer-schende volk in Noord-Duitschland tot de Elbe; in de dagen van de Ottonen (koningen uit het Saksische huis, lüc eeuw) werden zij langzamerhand tot de Oder teruggedrongen; in later tijd werd de Weichsel de grens.

In Noord- of Neder-Duitschland drong de Hervorming meer door dan in Zuid-Duitschland; in deze laatste landen Würtenburg uitgezonderd — heeft ook nu het Katholicisme de meerderheid, terwijl in het Noorden de. Evangelische Kerk (volgens de leer van Luther) het meest algemeen is.

Het onderwijs staat in Duitschland op zeer goeden trap; de volksklasse is over 't geheel meer ontwikkeld dan b. v. in Engeland of Frankrijk; dit is misschien een der voordeelen van de staatkundige verbrokkeling der Duitsche landen, want de vorsten in grootere en kleinere staten hebben dikwijls veel voor 't onderwijs gedaan.

Men meet de volksontwikkeling wel eens af door na te gaan hoeveel pCt. der in dienst tredende recruten nog geen voldoend lager onderwijs hebben genoten. Bij gebrek aan een beteren maatstaf geven deze cijfers ook wel eenig denkbeeld daarvan. Terwijl zij voor Frankrijk en Engeland nog 20 a 25 0/0 bedragen, vonr Oostenrijk'-Hongarije 50, voor Rusland zelfs 90 %, is het voor 't Duitsche Rijk AlTTON, Beknopt Leerboek, 3° druk. 5

ocr page 73

66

reeds tot 4 0/0 gedaald. De Oostelijke prov. van Pruisen staan in Duitschland 't laagst in dit opzicht; Saksen, Thüringen, Baden, Wür-temberg 't hoogst.

Duitschland heeft uitstekende vakscholen (Gevverbeschulen) op 't gebied van machinerie, mijnbouw, textiel-industrie, houtcultuur, ooftbouw e. a. Ook het Hoog er onderwijs bloeit; een goeden naam hebben vooral de universiteiten van Berlijn, Leipzig, Göttingen, Heidelberg, Halle.

FRANKRIJK.

§ 40. Ligging en Omtrek.

Opgaven:

1. Geef van de kaart op, aan welke staten Frankrijk grenst en waar natuurlijke grenzen zijn.

2. Welke parallel loopt door Noord-, welke door Zuid-Frankrijk? Hoeveel bedraagt de afstand in uren gaans van Duinkerken naar Barcelona P

3. Welke beide schiereilanden heeft Frankrijk in 't N.W.; welke eilanden liggen voor de Fransche kusten ?

Door de ligging aan den Atlantischen Oceaan behoort Frankrijk tot West-Europa; in zijn gebied aan de Middellandsche Zee behoort het tot Zuid-Europa en door eene lange landgrens tot Midden-Europa , waarmee het 't meest in betrekking heeft gestaan.

Deze ligging gaf in verschillende opzichten belangrijke voordeelen; in 't Zuiden konden in de oudheid volkplantingen ontstaan van de volken, die toen handel, scheepvaart, beschaving vertegenwoordigden. In onze dagen heeft Zuid-Frankrijk verbinding met Afrika en het Oosten (voordcelige ligging ten opzichte van het Suez-kanaal); de Oceaan brengt Frankrijk met Engeland, de Noordzeelanden en Amerika in verkeer; aan de Oostelijke, de landzijde, staat het in gemeenschap met Midden-Europa, in de eerste plaats met Duitschland.

De kustontwikkeling is gering, want er zijn weinig leden (schiereilanden en eilanden); Frankrijk is gesloten; van de eilanden behoo-ren nog de belangrijkste (de Normandische) aan Engeland. j|ovendien zijn de Fransche kusten over 't geheel arm aan goede, Natuurlijke havens; twee gedeelten , de Provengaalsche kust en die van Bretagne, bezitten die, maar hier konden om bijzondere redenen moeilijk koophavens ontstaan. Aan de lange kust is overal 't verkeer meest bepaald tot de riviermonden.

ocr page 74

67

De Franschen zijn in veel mindere mate zeemogendheid dan de Engelschen en ook op koloniaal gebied staan zij bij dezen achter. In de 18' eeuw heeft Frankrijk groote zee-oorlogen, hardnekkigen strijd om 't koloniaal bezit, zoo in Voor-lndië als in Noord-Amerika, tegen Engeland gevoerd. Toen is het overvleugeld, doch niet zonder roem. — In onze dagen geldt de Fransche marine als uitnemend georganiseerd; in de vier vreemde werelddeelen heeft Frankrijk bezittingen.

§ 41. Kusten.

1. Die aan de Middell. Zee.

2. „ „ 't Kanaal en aan de Noordzee.

3. „ „ den Oceaan.

I. Deze kust bestaat uit 2 deelen, die van Provence en die van Languedoc.

De kust van Provence is van Nizza tot Marseille steil en van vele inhammen voorzien; maar toch zijn er ten O. van Marseille geene groote koopsteden ontstaan, doordat eene natuurlijke verbinding tusschen het achterland en de kust ontbreekt.

Marseille ligt aan de laatste goede, natuurlijke haven en juist op de plaats, waar de Rhónevlakte het binnenland met de Middel-landsche Zee verbindt; deze beide natuurlijke voordeelen maakten, dat al in de oudheid hier eene bloeiende koopstad ontstond (Massilia-, Grieksche kolonie, 8° eeuw v. C.); niet aan de Rhóne zelf, omdat de monden van de rivier sterk verzanden.

Een oude handelsweg leidt van den Rijn naar Lyon\ bij L. begint de Rhónevlakte, die naar 't Z. hoe langer hoe breeder wordt; een tweede hoofdweg verbindt Parijs met Lyon. De 1', reeds door de Grieksche kooplieden gebruikt, wordt wel aangeduid als barnsteenweg, omdat het barnsteen als kostbaar handelsartikel van de kusten der Oostzee door Duitschland aan den Rijn gebracht werd en dan langs den bedoelden weg de Middell. Zee bereikte.

Thans is M. de grootste koopstad van Frankrijk (de 3° stad van het rijk; 400.000 inw.); hoofdzaak is de handel op Algeriö en den Levant; verder gaan stoombooten naar alle havens aan de Middell. Zee; door 't Suez-kanaal naar Oost-Tndië, China, Japan, Australië; eindelijk naar de Westkust van Afrika (Senegambië en Opper-Guinea). Het verkeer met Amerika moet M. overlaten aan de havens der Westelijke kusten. De Fransch-Indische mail heet „messageries maritimes''

De voornaamste artikelen van invoer zijn: zuidvruchten, wijnen,

5*

ocr page 75

68

ruwe zijde, thee, koloniale waren, wol, kokosolie. Marseille heeft belangrijke zeepindustrie.

Van eene andere der natuurlijke havens heeft de Fransche regeering gebruik gemaakt voor hare oorlogsvloot en al, wat daarbij behoort; To7ilou (80), zeer sterk, reeds door de ligging; bovendien door belangrijke werken. De militaire beteekenis nam zeer toe door de verovering van Algerië (1830—*47).

Verder liggen aan de kust van Provence verscheiden plaatsjes, die druk bezocht worden wegens de heerlijke natuur en het zacht klimaat; Nizza heeft zich daaronder tot eene bepaalde stad weten te verheffen (90); 't is eene luxe-badplaats. Monaco (onafhankelijk vorstendommetje , speelbank), Mentone, Monte-Carlo, Cannes e. a. Al die plaatsjes zijn verbonden door den spoonueg Marseille-Genua; die spoorweg gaat door verbazend veel kleine tunnels; de Alpen hee-ten hier ^ Alp es maritimesquot;.

Ten N. van Provence liggen Dauphiné en Savoye, in de West-Alpen; landen, met weinig gunstige natuur, doch met de wegen van Frankrijk naar Italië, in de r plaats de Moni-Cenis-baan, hoofdverbinding Lyon-Turijn (hoofdtunnel door den Mt.-Fréjus, 13K.M. lang, geboord 1857—'71).

Rhone-delta en kust van Languedoc.

De Rhóne-delta neemt snel in grootte toe; zij bestaat uit moerassige weilanden (la Camargue), waar half wilde buffels weiden (stierengevechten in Z.-Frankrijk evenals in Spanje).

Zoo gunstig gevormd de kust van Provence, zoo ongunstig is die van Languedoc: achter de lage kust liggen plassen, étangs genoemd, door zandige landtongen van de zee gescheiden; deze vorming vertoont overeenkomst met de haffen en nehrungen van de Oostzeekust en met de lagunen en lidi van de kust der Povlakte.

In de Middeleeuwen lagen hier bloeiende havensteden; Cette (40) staat nog met de zee in gemeenschap en heeft veel uitvoer van Bordeaux-wijnen. Uit de haven van Cette leidt een kanaal naar de Rhóne; naar de andere zijde een kanaal naar de Garonne. De Rhone-vlakte wordt aldus verbonden met het gebied van de Garonne, de Middell. Zee met de kust van den Atl. Oceaan, Marseille met Bordeaux.

De Westkust.

Deze bestaat uit 3 deelen, die een verschillend karakter hebben ;

l. van de Pyreneën tot den mond der Gironde;

ocr page 76

69

2. van hier tot voorbij den Loiretnond;

3. de kust van Bretagne.

1. Het r gedeelte is laag; de Westenwinden hebben hooge duinen gevormd, waar door de zorg der regeering in den laatsten tijd dennenbosch is aangeplant, om de snelle verplaatsing en overstuiving tegen te gaan. Achter de duinen liggen groote waterplassen, gevormd door kustriviertjes, die niet door de duinen konden breken. De eenige baai is die van Arcachon, in de laatste jaren eene vrij belangrijke badplaats.

De riviertjes, die van de Pyr. komen, heeten in het algemeen Gaves; ze hebben geen bet eekenis; de grootste is de Adonr, aan wier mond de vesting Bayonne.

Aan den voet der Pyreneën ligt het belangrijke zeebad Biarritz.

Het kon niet anders, of bij zulk eene ongunstige kust moest al het verkeer zich op den breeden Girondeniond samentrekken; Bordeaux is de 3e handelsstad van Frankrijk, (250.000 inw., 4quot; stad van het rijk); ±. 10 uur van zee gelegen, maar nog door zeeschepen bereikbaar bij de afwisseling der getijden; de belangrijkste voorhaven is Pauillac, de haven van de transatlantische stoomschepen (vooral naar Brazilië en Argentina). Alles is hier wijnhandel; de wijnbergen zijn aan de oevers der Garonne en op de heuvels naar de zijde van quot;t binnenland.

Dit gedeelte van Frankrijk bevat de vroegere provincies Guyenne en Gascogne; gedeeltelijk bestaande uit woeste heidevelden en moerassen, de Landes; gedeeltelijk uit de uitloopers van de Pyreneën; gedeeltelijk uit die van de Fr. middelgebergten.

Van Parijs leidt eene hoofd-verkeersrichiing langs Orleans, Tours en Poitiers (507; 732; 135Ó) naar Bordeaux.

2. Bij het 2' gedeelte der Westkust zijn de duinen stuk geslagen; hier liggen eenige eilandjes, die we kunnen vergelijken met de waddeneilanden vóór de Friesche kusten. De zee is ondiep en goede havens ontbreken. Het land achter de kust bestaat uit zware klei in de Vendee, een deel van de vroegere provincie Poitou; de bewoners zijn welvarende boeren.

De mond van de Loire is weer zeer belangrijk, maar de rivier verzandt erg. Nantes is de 4° koophaven van Frankrijk, doch is achteruitgegaan, terwijl vooral de voorhaven St.-Nazaire belangrijk is door den stoombootdienst op Midden- en Zuid-Amerika (West-Indië, Guyana, Centraal-Amerika).

De Charente, in tegenstelling met de 4 hoofdrivieren eene kust-

ocr page 77

7o

rivier, heeft eenige beteekenis met de havens Cognac an Rochefort. Vrij belangrijk is nog la Rochelle, oorlogshaven, achter 't eilandje .....; eens in de Hugenotenoorlogen zeer bekend.

De golf van Biscaye is zeer gevaarlijk door de stormen, die er waaien.

3. De kust van Bretagne is steil en gebroken; met talrijke goede havens, door klippen en rotseilanden afgesloten, moeilijk toegankelijk , maar daardoor sterk. Handelshavens hebben zich aan deze kust niet ontwikkeld, misschien doordat het land arm is en geen goede wegen 't binnenland met de kust verbinden. Eene uitstekende oorlogshaven is Brest (80), alwaar voor de Fransche marine belangrijke uitrustingen plaats vinden.

De natuur van Bretagne behoort tot de minder gunstige; de bevolking woont vooral langs den kastrand.

Kust aan het Kanaal.

In de Normandische golf is de kust steil; er zijn klippen en rotseilanden ; de Normandische eilanden liggen zeer geschikt voor den smokkelhandel, omdat zij Engelsch zijn en vlak bij de Fransche kust liggen, terwijl ze goede havens en veilige schuilplaatsen aanbieden. Deze streek was vroeger berucht door zeerooverij, vooral St. Malo.

Aan 't Kanaal heeft de Fransche regeering met groote kosten eene belangrijke oorlogshaven aangelegd, Cherbourg (40); wat Toulon is voor de Middell. Zee, is Cherbourg voor 'tKanaal

Daar er geen enkele goede natuurlijke haven is — wel zijn er veel klippen, o.a. Calvados — is het ook hier weer de mond van de groote rivier, die al het handelsverkeer tot zich trekt. Havre, met Marseille, de eerste Fransche zeehaven. Havre heeft vooral druk verkeer met Amerika; is eene van de belangrijkste havens voor de landverhuizers (met Hamburg, Bremen, Amsterdam, Rotterdam, Antwerpen en de Engelsche havens). De hoofdinvoer is ruwe katoen (boomwol) voor de katoenindustrie van Noord-Frankrijk. Havre is bovendien de haven van Parijs, wat vroeger Roman was; zeeschepen gaan nu niet meer zoo ver opwaarts. Daarbij is het Seinegebied (Champagne, Isle de France, Normandië) het belangrijkste deel van geheel Frankrijk, zoodat de beteekenis van Havre duidelijk uitkomt.

De havens voorbij den Seinemond zijn uitstekend gelegen voor 't verkeer met Engeland. De kust bestaat uit kalk- en krijtrotsen zonder eenigen inham; zulke kusten heeten \\\w falaises; door 't geweld van de zee worden zij ondermijnd en de havens verzanden: Dieppe e.a., gelijk ook de mond van de Somme en Amiëns, beteekenden vroeger

ocr page 78

71

meer dan tegenwoordig; maar door de gunstige ligging hebben ze toch altijd beteekenis voor den handel met Engeland en de Noordzeelanden. Calais (60) heeft het personenverkeer van Engeland; Boulogne meer het goederenvervoer; Duinkerken (40) heeft nog al verkeer op de Noordzeelanden.

Trouville en Boulogne zijn veel bezochte badplaatsen.

Bij Calais begint reeds het karakter van de Noordzeekust; lage landen, door duinen tegen de zee beveiligd.

Opmerkelijk is in 't Kanaal de sterke afwisseling der getijden; vloedgolven van verbazende hoogte (wel 10 M.) volgen op elkaar; dit verklaart nog meer de vernielende werking van de zee aan deze kusten, zoowel bij Bretagne en Normandië als bij de falaises.

§ 42. Het Binnenland.

Eene lijn van Bayonne naar Luxemburg scheidt in hoofdzaak 't hooge deel des lands van de Fransche vlakte; eene Zuidoostelijke en eene Noorwestelijke helft.

De natuurlijke hoofddeelen, die men kan onderscheiden, zijn;

I. Twee hooggebergten en drie middelgebergten op de grenzen;

a. de Pyreneën,

b. de West-Alpen.

c. de Jura,

d. de Vogezen ,

e. de Ardennen.

II. De vlakte van Languedoc en van de Rhone,

III. Het Centraal Plateau en de Fransche middelgebergten.

IV. De Fransche vlakte.

I. De Pyreneën. Een over 't geheel weinig toegankelijk gebergte ; de hoofdketens van graniet, steil, de toppen met sneeuw en ijs bedekt ; als de sneeuw smelt, worden watervallen van honderden meters hoogte gevormd. Veel pieken, spitse toppen (de naam Pyreneën is van Keltischen oorsprong en beteekent „spitsenquot;).

De vóór-ketens bestaan uit kalk- en krijtgesteenten, zijn rijk aan holen, natuurlijke tunnels, schilderachtige dalen, enz.

Aan de Noordzijde hier en daar vulkanisch, met heete bronnen (badplaatsen; Pan, Bagncres, Lour de s, enz.). Hier is de natuur niet woest en grootsch als in de midden-Pyreneën: met hare weiden en bosschen herinnert zij aan de Duitsche middelgebergten.

ocr page 79

72

De hoogste toppen — Maladetta („monts mauditsquot;), Mont-Perdu, enz. — bereiken 3.000 a 3.500 Meter; de meeste passen zijn boven 2.500 M. Aldus is 't gebergte moeilijk over te trekken, veel meer eene scheiding dan b.v. de Alpen.

Langs de uiteinden verbinden tegenwoordig spoorwegen Spanje met Frankrijk:

1. Bordeaux—Bayonne—San Sebastian, enz.

2. Narbonne—Perpignan—Barcelona.

In aanleg is eene hoofdverbinding; Toulouse—Saragossa.

De West-Alpen. Zij beslaan een gebied, ten deele in Frankrijk, ten deele in Italië, ter grootte van bijna twee maal Nederland. De hoogte neemt naar 't Noorden toe.

Reeds in de Oudheid en de Middel-eeuwen leidde een belangrijk verkeer over deze bergen: Hannibal, Julius Cesar, Karei de Groote, de pelgrims naar Rome, Napoleon. Voornaamste wegen;

Over den Col di Tenda; een rijweg van Nizza naar Turijn. „ „ Mont-Cenis.

„ „ Kleinen St.-Bernhard.

Spoorwegen voeren thans langs de kust; Marseille—Genua; en door den Mont-Fréjus ; Lyon—Turijn.

De hoogste top, de Mont-Blanc, werd in 1786 voor de eerste maal bestegen.

Met de Pyrenecn vergeleken hebben de Alpen;

1. Grooter top-, geringer pashoogte.

2. Meer dalen.

3. Rijker sneeuw- en gletschervorming.

4. Meer weiden en veeteelt.

II en III. De beide hooggebergten zijn door smalle laagvlakten van de Fransche middelgebergten gescheiden;

Welke zijn die laagvlakten?

Welke zvegen leiden er door?

Van uit de Rhóne-vlakte gezien rijzen de Fransche middel-gebergten steil op, als eene hooge muur; eene lange keten loopt, onder verschillende namen, van de Cevennes tot de Vogezen. Op verschillende plaatsen breken lagere gedeelten de keten af en van die lagere gedeelten werd al in vroege tijden gebruik gemaakt voor den aanleg van verbindingswegen tusschen de riviergebieden;

ocr page 80

73

1. Rhone—Rijn. |

2- » Seine. i Kanalen en spoorwegen.

3' quot; — I Aan deze wegen — en aan de kus-

4* quot; Garonne. ( ten — liggen de meeste steden.

5. Seine—Loire. i

6. „ —Rijn. )

De weg van Parijs naar de Midd. Zee gaat eerst door het Seine-dal, dan door het dal van de Jonne en dat van een zijriviertje (Armenfon) door Bourgondïé langs de oude hertogelijke stad Dyon (70). Tusschen de Bourgondische wijnbergen (Cóte d'or) en het Plateau de Langres leidt de weg naar het Saóne-dal en verder langs Chalons s. S. naar Lyon.

De opening tusschen de Vogezen en de Jura, de Bourgondische poort, is de overgang van Duitschland naar Z.O.-Frankrijk. Door deze poort leidt thans een Rhóne-Rijnkanaal en een spoorweg. Aan de Fransche zijde ligt de sterke vesting Belfort (1870). Het Rhóne-Rijnkanaal is van Straatsburg door den Elzas gegraven (de Rijn is hier niet goed bevaarbaar, vormt stroomsplitsingen, zandbanken, eilandjes) naar Mühlhausen; van hier door de poort naar de Doubs, langs Besan(on (60), hoofdstad van Franchecomté, en zoo naar de Saóne.

Door het Marnedal leidt een hoofdweg, door Champagne langs Chalons s. M., door Lotharingen langs Toni en Nancy (90), de oude hoofdstad, over de Vogezen naar den Rijn bij Straatsburg.

Aan de Z.-zijde van de Cóte d'Or verbindt het Canal du centre Saóne en Loire.

De verbinding tusschen 't gebied van de Garonne en dal van de Rhóne (Canal du midi) is gemakkelijk op de kaart na te gaan.

Opg-aven:

1. Langs welke belangrijke plaatsen komt men in Frankrijk, als men van Havre naar Marseille gaat?

2. Langs welke van Bordeaux naar Straatsburg?

3. „ „ „ Calais „ Turijn?

Het Centraal Plateau, voornamelijk Auvergne, vormt eene hoogvlakte (± 1OOO M.) van oude graniet-gesteenten, hier en daar door vulkanische uitbarstingen doorbroken, waaraan nog de kegelvormige toppen herinneren en de heete bronnen (Vichy, enz.).

Over 't geheel is Auvergne arm, met heidevelden bedekt; de bewoners trekken veel naar de groote steden.

ocr page 81

74

Naar 't Noortien en Westen vormen terras- en heuvellanden den overgang naar de vlakte.

IV. De Fransche vlakte. Golvend, door heuvelrijen afgebroken, rijk aan afwisseling evenals b.v. Zuid-Oost-Engeland.

Die heuvellandschappen, soms 3 a 400 M. hoog, vormen de waterscheidingen tusschen de riviergebieden, zoodat men kan onderscheiden:

1. De vlakte van de Seine, of het Seine-bekken; de belangrijkste streken van heel Frankrijk, als isle de France, Normandië, enz. Vruchtbaar, veel industrie, dicht net van wegen; maar ook dikwijls tooneel des oorlogs.

2. De vlakte van de Loire, ook met vele vruchtbare streken, als Beauce — tusschen Orleans en Parijs — korenschuur; Touraine, de tuin van Frankrijk; enz.

De Sologne, ten Z. van de groote Loire-bocht, heeft een dorren, onvruchtbaren bodem.

3. de vlakte van de Garonne : de onvruchtbare Landes; de heuvellandschappen ; de Vóór-Pyrenecn.

Opgaven:

Vergelijk Oost-Frankrijk met West-Fr ankrijk ten opzichte van;

a. De ligging en begrenzing.

b. Den bodem.

c. De rivieren.

(Bij elk van deze vergelijkingen is hoofdzaak; de beteekenis voor de bewoners te doen zien.)

§ 43. Gebruik van den bodem; middelen van bestaan.

Een eigenlijk zee-klimaat, als dat van Groot-Brittanje en Ierland, heeft Frankrijk alleen in't Noordwesten: de kuststreken van Bretagne en Normandië hebben eene gemiddelde winter-temperatuur, die gelijk staat niet die in de subtropische gewesten der aarde; Yersey staat b.v. gelijk met Fiume (aan de Adriatische zee). In deze, de voch-tigste deelen des lands, is dan ook nog al veeteelt, terwijl over 't geheel de akkerbouw hoofdmiddel van bestaan is. De vruchtbare en onvruchtbare streken zijn al genoemd. Vooral de wijnbouw neemt — dank zij den warmen zomer — eene eerste plaats in; eigenlijke wijnstreken zijn; Champagne, Bourgondië en de heuvellandschappen in de streek ten O. van Bordeaux, langs de Dordogne

ocr page 82

75

en andere zijrivieren der Garonne. Langs de Middell. Zee en in de Rhóne-viakte zuidvruchten en zijdeteelt.

In de bergstreken is, gelijk elders, veeteelt hoofdzaak.

Tegenover de zorgvuldige houtcultmir in Duitschland zijn in Frankrijk veel bosschen uitgeroeid.

Delfstoffen; edele metalen ontbreken geheel en daar de Fransche (Parijsche) industrie die juist in groote hoeveelheid gebruikt, moeten zij worden ingevoerd; evenzoo koper.

Uzer en steenkool in vrij groote hoeveelheid;

1. De streek om St.-Etienne, „la terre noire,quot; ijzererts en steenkool beide.

2. Steenkool in de streek om Valenciennes, voortzetting van de Belgische mijnen.

3. Ijzererts in Lotharingen.

4. Steenkolenmijnen bij le Creusot (aan den verbindingsweg tusschen Loire en Saone).

De nijverheid is in eenige deelen van het land hoofdmiddel van bestaan; in die deelen nam de stadsbevolking toe:

1. Parijs en omstreken. In dit gebied overtreft de huis-industrie verreweg de fabrieksnijverheid, wat zeker wel mede te verklaren is uit 't karakter van de Parijsche industrie.

2. Belgisch-Frankrijk: textiel-industrie.

3. Lyonnais; zijde en metaal. De zijdeweverij is voor een aanzienlijk deel huis-industrie.

4. Lotharingen; ijzer. —

Frankrijks bevolkingsdichtheid staat beneden die van Duitschland : de grootte van de beide landen verschilt weinig; 't aantal inwoners — 10 millioen. De dichtbevolkte deelen zijn in Frankrijk kleine districten , over 't geheel de bovengenoemde ; N.-Frankrijk is 't grootste gebied.

De staatkundige indeeling van Frankrijk is in departementen (87). Deze dragen over 't geheel namen , aan de natuurlijke gesteldheid van het land ontleend (naar gebergten , rivieren , enz. ; b. v. Dép. des Ardennes , des Calvados , du Nord). De grootte der departementen kan men zich voorstellen als gemiddeld 2 van onze Neder!, provincies. Corsica vormt ook een departement.

Belangrijker is de historische indeeling, want de namen van deze worden meer algemeen gebruikt en komen steeds voor in de geschiedenis. De meeste van deze oud-provincies (vóór 1790) zijn bij de beschrijving van de Fransche kusten en van het binnenland al genoemd, zoodat nu eene herhaling gemakkelijk is.

ocr page 83

76

In te vullen ; Vroegere provincies in:

a. N.W.- en N.-Frankrijk;

b. N.O.-Frankrijk:

c. Z.O.- „ :

d. Z.W.- „ :

e. Centraal- „ :

Frankrijk is sedert Sept. 1870 eene republiek; de regeeringsvorm is in den loop dezer eeuw vaak gewijzigd geworden. De wetgevende maclit berust bij 2 Kamers; Senaat en Kamer der Afgevaardigden; de uitvoerende macht bij een President en diens ministers. De president staat ook aan het hoofd van de betrekkingen met het buitenland en komt in deze en andere verrichtingen met het gekroonde hoofd in andere staten overeen.

De godsdienst is algemeen de Katholieke. De Fransche taal werd hoofdzakelijk onder den invloed van het Latijn gevormd: volgens afstamming is de bevolking Keltisch (Gallisch), maar in Gallië drong de Romeinsche invloed met de verovering door; vooral Zuid Gallië werd toen Romeinsch en in Provence en Languedoc zijn de betrekkelijk goed bewaard gebleven overblijfselen nog veelvuldig (o. a. te Nimes, Aries , Narbonne e. a ); fondamenten van groote gebouwen, puinhoopen van allerlei aard ; reuzenwerken, als de waterleidingen , die ter lengte van uren gaans uit hardsteen werden gemaakt.

In de dagen der volksverhuizing (5e eeuw) overstroomden van de Germanen 3 volksstammen Gallië; Franken , Bourgondiërs en West-Gothen, maar zij hebben op karakter en taal der bewoners weinig invloed uitgeoefend, althans niet in de Zuidelijke deelen. De Franken gaven aan het land den naam. Belangrijker is misschien de invloed geweest, uitgeoefend door de nederzettingen der Noormannen (loe eeuw).

Het is uit het bovenstaande verklaarbaar, dat tusschen de bewoners van de verschillende deelen des lands veel verschil bestaat; dit is bovendien het gevolg van de natuur, die in Zuid- en Noord-, Westen Oost-Frankrijk nog zeer verschilt.

De bewoners van Bretagne heeten Bretons of Breyzards; zij zijn afstammelingen van Britsche vluchtelingen uit de 5quot; eeuw, dus Keltisch ; hun taal, gewoonten, kleeding verschillen dan ook nog al van die in andere deelen van Frankrijk, maar door de spoorwegen wordt dit verschil gaandeweg geringer.

§ 44 Plaatsbeschrijving.

Parijs. De Seine stroomt midden door de stad; in de rivier li^t een drietal eilandjes, waarop het oudste gedeelte van Parijs gebouwd

ocr page 84

77

is, eenmaal Lutetia (in de dagen van Julius Caesar). Dit gedeelte van de reusachtige stad heet nu „/« cité.quot; Een der merkwaardigste gebouwen is hier de beroemde Nótre-Dame in Gothischen stijl.

Op den N. of rechter oever is het mooiste gedeelte van Parijs, la ville, terwijl op den linkeroever vooral ook inrichtingen van onderwijs en van militairen aard gevestigd zijn.

Tot de bekendste gebouwen van Parijs behooren: het Louvre, met prachtige museums; de Tuilleriën (in 1871 gedeeltelijk verbrand); het Palais Royal; het gebouw der Opera.

Op den linker oever o. a. de Jar din des plant es; de Universiteit {Sorbonne, in de middeleeuwen de beroemdste hoogeschool voor de studie der godgeleerdheid); het Hotel des Invalides; het Champ de Mars.

Onder Napoleon 111 is Parijs bijzonder verfraaid; oude gedeelten van de stad zijn weggebroken en door nieuwe ruime wijken vervangen , de wallen in boulevards veranderd. Op grooten afstand is thans de reusachtige hoofdstad door een kring van forten omgeven.

Het aantal inwoners van Parijs bedraagt tegenwoordig 2millioen; in 't begin van deze eeuw slechts '/4 millioen. Deze snelle toeneming is 't gevolg van de groote aantrekkingskracht, door Parijs op iederen Franschman uitgeoefend. „Paris c'est la Francequot;, en bij geen ander land is inderdaad de hoofdstad zoo bepaald het geestelijk middelpunt als hier. In den loop der geschiedenis kreeg Parijs een overwicht op het gansche rijk.

Sterk is de stroom uit alle deelen van Frankrijk naar Parijs; het aantal Duitschers is ook bepaald van beteekenis.

Op de plaats, waar het oude Lutetia lag, komen natuurlijke hoofdwegen samen : de groote wegen uit het Z. , de een van de Middell. Zee over Lyon; de andere van Bordeaux over Poitiers, Tours, Orleans; de Manie wijst de verbindingsrichting met den Rijn en Duitschland aan; de breede Seine met het Kanaal; door Noord-Fr. kan over Calais het drukke verkeer plaats hebben met Engeland. De streek om Parijs is bezaaid met stadjes en dorpen, de oevers van de Seine zijn bekend door hunne schoonheid. Enkele grootere steden hebben zich ontwikkeld; Versailles (óo), sedert de dagen van Lodewijk XIV residentie en geheel door hem opgekomen; prachtige paleizen, parken, waterwerken (Trianon); tusschen P. en V. ligt Sèvres met de beroemde porceleinfabrieken; bij V. ligt St.-Cyr met de vermaarde militaire scholen; St.-Denis (30), met de begraafplaats der Fransche koningen; St.-Cloud, oude residentie , met groote paleizen, waarvan echter veel in 1871 verwoest; Boulogne (Bois de B.), Vincennes, St.•Germain, ook dikwijls residentie van de Fransche koningen en beroemd door zijne kasteelen en parken.

ocr page 85

78

Wat verder, doch met het spoor gemakkelijk bereikbaar, ligt Fontainebleau, mede eenmaal koninklijke verblijfplaats en met een uitgestrekt park.

Parijs vormt met het Dep, du Seine een der industriedistricten van Frankrijk. De nijverheid beweegt zich vooral op 't gebied van weelde en smaak, waarin Parijs nog altijd den toon aangeeft; de zoogenaamde „articles de Parisquot; geven aanleiding tot een belangrijken uitvoerhandel, waarvoor o. a. de groote magazijnen (Printemps e. a.) zorgen.

Eene hoofdzaak vormen ook de meubelfabrieken, vooral in de voorstad St.-Antoine; in dit opzicht staat Parijs nog ver boven Weenen en Londen. Doch ook op ander gebied, wapens, geweven stoffen, hebben Parijs, Versailles, St.-Germain talrijke fabrieken en staan de Franschen hoog.

De steden van Frankrijk met meer dan 100.000 inwoners zijn verder:

Lyon (400), in de le plaats industriestad; voor de zijdeweverijen staat het in Europa bovenaan. In de 2quot; plaats heeft het door de belangrijke wegen, die hier samenkomen, een druk verkeer en is eene sterke vesting.

St.-Etienne, middelpunt van de metaalindustrie, groote fabrieken voor wapens en machinerieën (het Fransche Birmingham); deze streek bezit het rijke steenkolenbekken der Loire, „/« terre noire''', en kwam in deze eeuw snel op. Met Lyon maakt St.-Etienne dit gebied, Lyonnais, tot een der dichtst bevolkte van Frankrijk.

Marseille (400), Bordeaux (250), Le Havre en Nantes, als de vier groote havensteden des lands.

Rijssel (Lille; 200) is het middelpunt van spinnerijen en weverijen (textiel-industrie) van Belgisch-Frankrijk; deze zijn ook oorzaak van de snelle opkomst van andere steden in Noord-Frankrijk, als Rou-baix. Waar men om zich heen ziet, overal aan den horizont rijzen hooge schoorsteenen, zwart van den rook evenais de daken der gebouwen, waarboven zij uitsteken. Het stof der groote wegen is gruis van steenkool; met steenkoolgruis zijn ook de binnenwegen overdekt, slingerend tusschen de beetwortel- en graanvelden. Bijna nergens ziet men boomen, aan alle zijden golvende vlakten; en de mijnwerkers wonen niet verspreid in dorpen van oude dagteekening of schilderachtig van uitzicht, maar bijeen in lange rijen kale huisjes onder 't zelfde dak, gebouwd voor rekening eener maatschappij.

De stoomvaart, de spoorwegen, de spinnerijen, de weverijen en duizend andere inrichtingen hebben zulk eene vraag naar steenkolen

ocr page 86

79

doen ontstaan, dat het aantal der ontginningen steeds is toegenomen. Het dep. du Nord, vroeger een landbouwdistrict, is een nijverheidsdistrict geworden; het krioelt er van mijnondernemingen en een groot gedeelte der bevolking heeft geen ander middel van bestaan.

De grondstof voor de linnenfabrieken {vlas) kan in de vruchtbare streken zelf worden verbouwd; de invoer van ruwe katoen en andere grondstoffen kan gemakkelijk plaats hebben door de nabijheid van de havensteden en het dichte net van spoor- en waterwegen.

Aan beide zijden van de beneden-Seine ligt een der rijkste en dichtst bevolkte streken van Frankrijk, in 't midden waarvan Rouaan, de oude Normandische hoofdstad, door zijne historische herinneringen en oude gebouwen eene der belangwekkendste steden van Frankrijk.

Vroeger, vóór Havre, meer zeehaven voor Parijs en Noord-Frankrijk, thans, evenals Rijssel en St.-Etienne, eene industriestad; middelpunt van katoen- en lakenspinnerij en weverij, o. a. ook in Eldoeuf.

In t' Noordoosten des lands Reims, evenzeer met historische be-teekenis (oude kroningstad); middelpunt der champagne-fabricatie.

In 't Zuiden heeft Toulouse eene belangrijke ligging (welke verbinding loopt langs T. ?); daarom was het ook al in vroegen tijd van gewicht als verkecrsiniddelpunt en vesting (als Tolosa, hoofdstad van een West-Gothisch rijk). Ook gewichtig als industriestad.

GROOT-BRITTANJE EN IERLAND.

§ 45. Lig-ging- en kusten.

Engeland vormt met Schotland en Ierland een eilandenstaat; de ligging is oceanisch, eene omstandigheid, die zoowel op de natuur des lands als op 't karakter der bewoners, op hunne geschiedenis, enz. grooten invloed heeft uitgeoefend. Maar de afstand tot Europa is slechts kort, die tot Amerika veel grooter; de zeediepten aan Westen Noordzijde zijn veel aanzienlijker dan die aan Oost- en Zuidkant; de best toegankelijke zijde is naar Europa gekeerd; de grootste, bevaarbare rivieren monden aan die kust. Engeland behoort dus tot Europa en kreeg van dit vastland in verschillende tijden zijne bewoners (in de eeuwen van de volksverhuizing de Angelen en Saksers

ocr page 87

8o

van de overzijde der Noordzee; in de 11quot; eeuw de Normandiërs van over 't Kanaal).

Ten gevolge van de ligging der Britsche eilanden was de loop der geschiedenis hier in veel opzichten anders als in 't overige Europa. En vooral gaf die ligging sedert de 15quot; en lóquot; eeuw aanleiding tot de vaart op den Oceaan; tochten naar Amerika werden ondernomen, vooral naar de Noordelijke zeeën (waarom?); een begin werd gemaakt met eene kolonisatie, die in volgende eeuwen aan Engeland de heerschappij over alle wereldzeeën zou verschaffen.

De kustontwikkeling is aanzienlijk: de zee dringt op verscheiden plaatsen diep landwaarts in, van Oost en West tegelijk, en vormt aldus wat men noemt istkmische versmallingen; er zijn punten in Engeland, van waar men tegelijk de lersche en de Noordzee kan zien.

Eilandenvorming is vooral in het W. en het N., alle rotseilanden; lage eilanden heeft Engeland niet, kleine riviereilanden, b.v. in de Theems, uitgezonderd.

Opg-aven.

1. Op welke breedte ligt Londen? Bepaal in Amerika en in Azië eene plaats op dezelfde breedte.

2. Welk eiland ligt voor het midden van Engelands Zuidkust? Welke beide eilanden liggen in de lersche zee? Welke beide eilandengroepen liggen voor de Schotsche N.- en W.-kusten ?

3. Hoe heet het Z.W. schiereiland van Engeland ? In welke beide kapen of rotspunten eindigt het? Welke eilandjes liggen vóór die kapen ?

De Oostkust is laag; hier is dus het verkeer samengetrokken op de riviermonden: Teems, Humber, Tyne, breede riviermonden, gelijk zeeboezems, waar de vloedgolven ver opdringen en den toegang aan de diepgaande zeeschepen mogelijk maken.

Londen is de eerste koophaven der wereld; East-End, het Oostelijk deel van de reusachtige stad, is de zeehaven; hier liggen langs de Theems, een paar uren gaans, de dokken, werven en andere groote inrichtingen, die op het zeewezen betrekking hebben; als voorhavens van Londen gelden Deptford, Greenwich, met zijne beroemde sterrewacht, over welke de meest gebruikte 1'' meridiaan gaat; Woolwich, bekend door zijne artillerie-inrichtingen; Gr avesend; op het rivier-eiland Sheppey liggen Sheer ness, eene vesting, en Queensborough, station voor stoomschepen, o.a. van de maatschappij „Zeelandquot; te Vlissingen. Voor 't personen- en brievenvervoer moeten

ocr page 88

81

verder als voorhavens van Londen beschouwd worden: Daver, eenige malen daags (en quot;s nachts) verbinding met Calais en Ostende; Harwich, geregelde dienst naar den Hoek van Holland en Antwerpen; Southampton, stoomvaartlijnen naar alle deelen der wereld.

Tal van steden en dorpen zijn langzamerhand met Londen ver-eenigd geworden; de City, het oudervvetsche middelpunt, bestaat thans voornamelijk uit kantoren en handelsinstellingen; van de weinige overgebleven oude gebouwen (brand in 1666) is merkwaardig de Tozver, aan de Theems, de beruchte staatsgevangenis, de „Engelsche Bastille.quot;

Vooral naar de Oost- en Zuidzijde, liggen de fabriekssteden, die deel van Londen uitmaken, o. a. Soutkwark; elke tak van industrie is vertegenwoordigd; daar zijn de brouwerijen, de suikerraffinaderijen, de chemische fabrieken; de zijdewevers, de touwslagers, de zeilmakers; de lucifers- en sigarenmakers en zoo vele anderen, die in een tak van nijverheid een bestaan vinden.

De zetel van regeering en hof is Westminster, eens ook eene afzonderlijke stad; merkwaardig zijn hier de beroemde abdy, de St.-Pauls-kathedraal, het reusachtige Parlementsgebouw. — Ook op wetenschappelijk gebied is Londen eene hoofdstad van de wereld: de verzamelingen, die op de oudheid betrekking hebben, de Assy-rische, de Egyptische, de Grieksche kunst, zij zijn nergens rijker vertegenwoordigd dan in het Britsch Museum. En even rijk, op elk gebied, zijn andere musea, als die van Kensington, Chrystal Palace enz.

Vooral naar de Westzijde ontstonden onmetelijke buitenwijken, boven en onder den grond door spoorwegen met de City verbonden, gelijk de beide oevers der Theems vereenigd zijn door bruggen over en tunnels onder de rivier.

De Medway mondt aan de Zuidzijde van den Theemsboezem; hier ligt het sterke Chatham, oorlogshaven.

Onder de talrijke badplaatsen aan Engelands Oostkust is Margate 't bekendst, gelijk onder de visscherhavens Yarmouth.

Hull is de groote haven voor het verkeer met Noord-Europa en de Oostzee; onder de havens, waarmee het verbonden is, zijn voor Nederland; Rotterdam, Amsterdam, Harlingen en Vlissingen. Invoer vooral van koren, vee en hout; voorhaven Grimsby.

Newcastle is de belangrijkste uitvoerhaven voor steenkool; voorhavens N- en Z- Shields.

Sunderland is onder de kleinere havensteden het belangrijkst; deze hebben alle veel scheepsbouw en eene aanzienlijke visschersvloot.

D. AlïTON, Beknopt Leerboek. ;if druk. 6

ocr page 89

82

De Zuidkust.

Deze is op vele plaatsen steil, met verscheiden flauwe bochten. Groote rivieren loopen er niet uit; dit verklaart zeker ten deele, waarom zich aan deze kust geen groote koophaven heeft ontwikkeld.

Maar aan de Zuidkust liggen;

1. De oorlogshavens, waartoe de baaien zeer geschikt zijn;

Portsmouth, het hoofdstation van de Eng. marine. met de groote

reede van Spithead, talrijke arsenalen, tuighuizen, enz.; Portsmouth ligt tegenover Cherbourg. Plymouth, Engelands 2'' krijgshaven ; hier gingen de schepen uit, die de „onoverwinnelijke vlootquot; 7 dagen lang bestreden.

2. De havens voor het verkeer met het vasteland, over Frankrijk: Dover (50), levendigste haven voor het personenverkeer; in ruim één uur overtocht naar Calais; Folkestone, drukke verbinding met Boulogne; Newhaven, verbinding met Dieppe.

3. Southampton, Londens haven aan de Zuidkust, uitgangspunt voor mailbooten naar alle landen buiten Europa.

Onder de kleinere havenplaatsen is Falmouth van beteekenis (aanlegplaats voor de van verre komende schepen)

Als badplaatsen aan de Zuidkust staan bovenaan: Brighton en Wight; dit eiland heeft door de beschutte ligging een uitstekend klimaat en een schier Italiaanschen plantengroei. Hastings (106Ó), Tor bay (1688); enz.

De Westkust.

Deze is steil en zeer gebroken; de havens zijn voor den handel op Europa minder gunstig gelegen dan die van de O.- en Z.-kust; voor de vaart op Amerika gunstiger, en toen in de 16quot; eeuw Engelands grootheid ter zee begon, was dan ook Bristol het uitgangspunt voor ontdekkingsreizen naar N.-Amerika; Bristol was toen Engeland eerste haven.

Engelands 2e haven, Liverpool, ligt alweer aan den breeden mond eener rivier; Bristol aan den . . . ., Liverpool aan de . . . .; voorhaven .... Bristols beteekenis is grootendeels op L. overgegaan, dat Londen als koophaven nabij komt. Hoofdinvoer is ruwe katoen (de groote katoenmarkten zijn Amerika en Britsch-Indic). Liverpool is de eerste haven voor landverhuizers naar Amerika; voor Amerika staat Liverpool trouwens bepaald boven Londen.

Bristol en Liverpool hebben beide druk verkeer met Ierland; het personen- en brievenvervoer gaat per spoor over A nglesea - Holyhead en dan per boot naar Kingstown , de voorhaven van Dublin.

De uitstekende, natuurlijke havens van Wales hebben geen groote koophavensteden doen ontstaan, doordat gemeenschapswegen naar het

ocr page 90

»3

binnenland ontbreken; eerst in onze eeuw kwamen die havens op door den uitvoer der mijnproducten van Wales ; Cardiff en Swansea, vooral uitvoer van steenkolen.

Engelands gunstige ligging en de goede havens gaven al vroeg aanleiding tot visscherij, zeevaart en handel; de opbrengst der Britsche zeevisscherij bedraagt tegenwoordig 60 a 70 miliioen gulden 's jaars.

Waren dit aanvankelijk de oorzaken, dat Engeland handeismogend-heid werd, de koloniën, de rijke mijnen, de grootindustrie maakten het tot den eersten zeestaat. De Eng. handelsvloot staat nog altijd ver boven de Amerikaansche en andere (zie fig. 24).

Belangrijk is het hierbij op te merken, hoe Engeland en Amerika veel stoomschepen hebben, Noorwegen bijna allien zeilschepen.

0*

ocr page 91

84

S 46. Binnenland.

Zuid-Oost-Engeland is heuvelachtig laagland; Noord- en West-Engeland zijn bergachtig. Eene lijn van den Severn- naar den Humbermond kan ongeveer de scheiding tusschen de beide deelen aangeven. Maar de Engelsche laagvlakte is rijk aan afwisseling; op verscheidene plaatsen treden de rotsgronden aan de oppervlakte of zijn zij slechts weinig door jonge gronden bedekt en geven aanleiding tot mooie heuvelrijen, de Dmvns. Zoo langs de Zuidkust, waar de krijtrotsen aan Engeland den dichterlijken naam Albion bezorgden (de afleiding van „Alba-in,quot; d. i. „berg-eilanduit het Keltisch, wordt tegenwoordig als meer juist beschouwd); zoo langs de oevers van de Theems, waar zij tot de schoonste en gezochtste deelen van het land behooren. En de Engelsche vlakte is zorgvuldig bebouwd; landbouw en veeteelt beide staan op hoogen trap; parken en buitenverblijven zijn als gezaaid.

Een laag en ongunstig deel ligt om de Wash-baai; het „Engelsche Hollandquot; met moerassen en venen. Ongunstig is ook de bodem ten N. van de beneden-Humber; hier zijn heidevelden, alleen voor de schapenkudden geschikt, en uitgestrekte venen en moerassen (Yorkshire).

Daar de bergen aan de Westzijde liggen, hebben de rivieren, die naar het O. stroomen, den langsten loop en zijn het belangrijkst; Theems , Trent, N.-Ouse, Tyne en andere.

Die gebergten vormen geen aaneengesloten geheel; Cornwales, Wales, Peak-gebergte zijn door lagere deelen van elkaar gescheiden en daartusschen stroomen bevaarbare rivieren; 1. de Severn, die in een grooten boog om het gebergte van Wales stroomt en met breeden mond in het kanaal van Bristol uitloopt; linker-zijrivier beneden Bristol de.....; 2. de Mersey, met korten loop van het

Peak-gebergte naar de Westkust, doch met breeden, prachtigen mond, waaraan......

Gemakkelijk konden al die rivieren door kanalen worden verbonden , zoodat de scheepvaart in Engeland van kust tot kust door het land heen mogelijk is. Vooreerst zijn aldus de groote zeehavens Londen, Liverpool, Hull, Bristol verbonden; ten tweede staan de groote fabriekssteden op die wijze ook te water in gemeenschap met de havens, die de ruwe stoffen invoeren en de afgewerkte producten naar alle werelddeelen verzenden.

Het Noordwesten of het Engelsche bergland stond vóór de 19quot; eeuw in belangrijkheid altijd ver achter bij het Zuidoosten, het .land-

ocr page 92

«5

bouwende en handeldrijvende Engeland. Maar de toepassing van den stoom heeft daarin groote verandering gebracht: de fabrieksnijverheid nam eene hooge vlucht, vooral in het midden en het Noordwesten van het land, de mijnen werden op groote schaal ontgonnen; uit kleine plaatsen ontwikkelden zich steden als Manchester, Birming-ham , Sheffield, Leeds ; als zeehaven voor dit industriëele Engeland nam Liverpool spoedig een reusachtigen omvang aan en streefde in dit opzicht Londen op zijde.

Groot-Brittanje produceert ongeveer evenveel steenkool als al de andere landen der wereld samen; men heeft berekend, dat de opbrengst van één jaar voldoende zou zijn om geheel Engeland en Wales langs al de kusten en de landgrens te omgeven niet een muur van steenkool, hoog 4 en dik l Meter.

De ligging der kolenbekkens biedt de volgende voordeelen aan;

1quot;. De nabijheid van de zee; dus gemakkelijke uitvoer.

2quot;. „ ,, „ „ ijzermijnen; dus voordeelig voor d« industrie,

(Ook in de productie van ijzererts staat E. bovenaan.)

Er zijn vier groote kolengebieden:

le. Dat van Zuid-Wales; gewichtig voor de smelterijen van ijzer, koper en tin en voor den uitvoer (Cardiff).

2'quot;. Dat van Midden-Engeland, uit verschillende deelen bestaande en dat de industrie voedt van Birmingham, Manchester, Sheffield, Leeds, enz., terwijl 't ook van belang is voor de stoomvaart van Liverpool.

3°. Het Noord- Eng else he steenkolenbekken, 't belangrijkste van alle; 't brengt alleen meer op dan Frankrijk en België samen; zelfs tot onder de zee loopen de kolenmijnen door (bij Newcastle). Hoofdzaak is hier de uitvoer.

4quot;. Dat van Schotland, tusschen de golven van Clyde en Forth; onmisbaar voor de ontzaglijke ijzer-industrie van Glasgow, enz.

De Engelsche nijverheid heeft in hooge mate den rijkdom der Eng. natie vermeerderd; zoovvet rechtstreeks, doordat zij tal van menschen een middel van bestaan verschafte en de bevolking deed toenemen , als indirect door de groote uitbreiding, die de Eng. handel er door kreeg. Het meest was dit het gevolg van de katoen; was zij tot in de 1' helft der i8p eeuw in Europa onbekend, thans neemt misschien geen product een hoogeren rang op de wereldmarkt in: de uitvinding der stoommachine heeft der katoen een gebruik over de gansche aarde verzekerd, terwijl vroeger alleen de inboorlingen van sommige landen van Aziö en Amerika er een beperkt gebruik van maakten. Geene andere gebeurtenis heeft misschien eene zoo groote revolutie ten gevolge gehad ; plaatsen in 't begin dezer eeuw onbekend , zijn thans steden niet '/a millioen inwoners. De geweven stof komt gebleekt of ongebleekt, geverfd en

ocr page 93

86

gedrukt in den handel, zoodat naast de tpinnerijen en weverijen ook nog andere inrichtingen aan duizenden een middel van bestaan geven. De hoofdmarkten voor katoen zijn de Zuidelijke Staten van de Amerikaansche Unie , waar vóór 't uitbreken van den slaven-oorlog de oogst vijf millioen balen of iooo.ooo.ooo K.G. bedroeg; verder Britsch-Indië, Egypte, enz.

Van 300 groote en kleine plaatsen in Manchester (5°°) het micklelpunt; de opkomst van deze streek ging samen met die van Liverpool als reusachtige haven.

Leeds (400), middelpunt voor de fabricatie van laken en andere wollen stoffen; Engeland met Schotland en Ierland levert veel wol* verder zijn de r markten: Australia (Sydney) en Kaapland (Kaapstad en Pt. Elisabeth).

Birming'ham (500) met alle soorten van metaalwerk, van de zwaarste machinerieën tot het fijnste werk. Sheffield (300) , 2quot; middelpunt voor metaal-industrie; vooral staal, de uitstekende Eng. messen, enz.

Nog zien wij in Engeland verschillende andere hoofdafdeelingen der nijverheid vertegenwoordigd, als b.v. te papier-fabricatie. Talrijk zijn tegenwoordig de verschillende takken van deze industrie, van 't grove pak- en 't gewone drukpapier tot de fijne papiersoorten; en schier even talrijk zijn de grondstoffen, voornamelijk plantenvezels, waarvan de fabrikant zich bedient; zoo wordt jaarlijks, uit Spanje en Algerië, ter waarde van zb f 13.000.000 esparto (of alfa) ingevoerd, eene grassoort veel op onze helm gelijkende.

Wales bestaat voor een groot deel uit woeste bergen en heidevalden en herinnert in dit opzicht aan Schotland; groote kudden schapen geven hier een hoofdmiddel van bestaan. De rijke steenkoolmijnen liggen in het Zuiden, waar Merthyr-Tydvill als mijnstad en Szvansea en Cardiff als havenplaatsen dan ook snel zijn vooruitgegaan. Zware steenkool, rijk aan koolstof (anthraciet), levert Wales, en daarnaast ijzererts. Zuid-Wales heeft dan ook tal van ijzersmelterijen.

Cornwales heeft mijnwerken voor koper, tin; al in de oudheid was het er door bekend, gelijk ook de Scilly-eilanden („Tin-eilandenquot; van de Phoeniciërs ?).

Engeland is het land der groote steden; meer dan 20 steden teHen over 100.000 inw.; als wij letten op de beschouwde verdeeling in een landbouwend en een industrieel Engeland (grenslijn bovengenoemd), dan liggen de meeste groote steden in dit laatste. In het landbouwend gedeelte zijn het allccjn de zeehavens, die zich tot groote steden hebben ontwikkeld.

ocr page 94

87

Van het verbazend aantal steden, dat Engeland verder heeft, noemen wij alleen: Oxford en Cambridge, de beide beroemde Universiteiten; Canterbury en York, oudste bisdommen (6' eeuw), thans de belangrijkste steden voor de Engelsche (Anglicaansche) geestelijkheid.

§ 47. Ierland is in 't midden grootendeels laagland; uitgestrekte moerassen en venen nemen een deel van den bodem in. De natuur van Ierland is bij uitstek oceanisch: het „altijd groene Erin.quot; Hoe schoon het echter klinken moge, een altijd groen land te bewonen, toch is de oorzaak, waaraan die altijd frissche bekleeding is toe te schrijven, verre van benijdenswaardig, daar zij ontstaat uit de vochtigheid van het klimaat.

Het binnenland van Ierland is één reusachtige, groene weide, slechts hier en daar afgebroken door eenige tusschenliggende akkerlanden en bruinvale turfvelden; met tragen loop winden zich de rivieren door de vlakten , vaak zich verbreedend tot poelen en meren, terwijl de donkere kleur van 't water zich o. a. verraadt uit den vaak voorkomenden naam „Blackwaterquot;. Op de weiden van Midden-lerland grazen talrijke kudden rundvee en schapen; doch de grond is in handen van Engelsche heeren; de Ier is maar pachter in zijn eigen land en daardoor is de bodem in verscheiden streken niet goed verzorgd en brengt lang niet op, wat hij zou kunnen doen.

Aan de lersche kusten verheffen zich gebergten; deze zijn van nauwelijks middelbare hoogte; het schoonste gedeelte van het land ligt in het Z.W., het lersche Zwitserland,quot; At Kerry-mountains, met mooie dalen en Alpenmeren.

De kusten zijn rijk aan diep in het land dringende insnijdingen en natuurlijke havens; de r havenstad is Dublin (350), voorhaven Kingstown; gelijk reeds gezegd , gaat bijna al het lersch-Engelsch personenverkeer over Dublin- Holyhead —Anglesea—hoofdspoorvveg Londen.

Aan den mond van lerlands grootste rivier, de ...., heeft zich geene aanzienlijke havenstad ontwikkeld; daar ligt slechts eene stad van minderen rang; ....

Valentia, het eilandje vóór de Z.W.-kust, is het station voor de telegraafkabels naar Amerika; Queenstoivn, aan de Zuidkust, voor de Trans-Atlantische stoombooten (passagiers en mail).

Hoofdmiddelen van bestaan in Ierland zijn landbouw en veeteelt.

Aardappelen zijn een hoofdproduct; het mislukken van den oogst heeft al meermalen hongersnood ten gevolge gehad.

Varkens en schapen zijn voornamelijk het lersche vee; Cork, de 3e lersche stad, is uitvoerhaven van producten van landbouw en veeteelt ; het heeft den bijnaam van het „lersche slachthuis''.

ocr page 95

88

Belangrijkste industrie is die van linnen, in Dublin en Belfast; het lersche vlas, de grondstof, is zacht en glanzend als zijde.

§ 48. In Schotland is bijna alles bergland, doch het kleine laagland, hoe klein ook in oppervlakte, is het belangrijkste deel. Dit laagland strekt zich uit van de Noordzee tot de Westkust, dwars door het land; het wordt doorstroomd door Forth en Clyde, die in breede golven (Firth) uitloopen. De vruchtbare Schotsche laaglanden bevatten tegelijk eene grootè en rijke steenkoolstreek. Op de kleine smalle streek, die aldus tusschen Noord- en Zuid-Schotland in ligt, wonen 2 millioen menschen, d. i. meer dan de helft van de geheele bevolking.

Schotland bestaat dus uit 2 deelen, die in bodeinvorm en daardoor in andere opzichten zeer verschillen: de Schotsche Hooglanden en de Laaglanden. Men rekent het woeste, improductieve gedeelte op niet minder dan 75 pCt. van de geheele oppervlakte, terwijl in Ierland en Engeland juist omgekeerd wel 3/4 van den bodem zéér geschikt is voor landbouw en veeteelt.

In de laaglanden liggen ook de groote steden;

Glasgow (600), r fabrieks- en handelsstad; metaal-industrie, vooral scheepsbouw; in de nabijheid rijke steenkolenmijnen. Voorhaven Greenock; fabrieksplaats Paisley. — Edinburg-h (300), hoofdstad met prachtige ligging; belangrijke haven met de voorhaven Leith. — Perth aan de . . . ., als oude hoofdstad veel genoemd in de Schotsche geschiedenis. —

Dundee aan de Taygolf (Firth ofTay); belangrijke linnenindustrie. — Aberdeen en alle plaatsen van beteekenis in Nd.-Schotland liggen aan de Oostkust en bestaan van vischvangst «n scheepsbouw. Alleen Aberdeen is eene aanzienlijke stad en heeft industrie; ook eene academie.

De Hooglanden komen in natuur meer overeen met Scandinavië dan met Brittanje. Ofschoon van zeer middelmatige hoogte — de hoogste toppen, als de Ben-Newis, reiken tot ± 1300 M. —, zijn zij voor een groot deel bedekt met heidevelden en venen; zij missen over tgeheel de afwisseling in wouden en weiden, die b.v. de Alpen kanmerkt en hebben een meer somber karakter, gevolg van t meer gure klimaat. Daarentegen zijn zij trotsch in hunne rotspartijen, hunne diepe en donkere kloven, hunne schuimende en bruisende wateren; talrijk zijn da meren („lochs''), waarvan dat van Lomond 't grootst is. Aan Noorwegen herinneren eindelijk ook de fjorden („firths'') en de tallooze rotseilanden, die de Schotsche kusten vergezellen en op welke laatste de eenzame en woeste Hooglanden nog eene voortzetting vinden. {Staffa, met de Fingals-grot; enz.).

ocr page 96

89

Wordt in de laatste jaren Schotland veel bezocht, talrijk zijn ook de adellijke kasteelen met hunne schoone parken; eene zomerresidentie van de koningin is Balmoral, in het hartje van de bergen.

Tusschen de Grampians en de Caledonische bergen is door rotskloven („Glen More,quot; d. i. „groote kloofquot;) een kanaal aangelegd, dat echter geen groote scheepvaartbeteekenis heeft.

Peterhead en Wiek zijn onder de talrijke visschershavens de drukste; de bewoners van de menigte eilanden leven ook van schapenteelt en vischvangst.

Zijn de meeste eilanden onbewoond, op sommige wonen arme visschers; de oude zeden en kleederdracht zijn hier bewaard. De Hooglanders leven van hunne schapenkudden; hoofdproduct voor de voeding is haver. Deze Hooglanders maken een uitstekend bestanddeel van de Engelsche krijgsmacht uit.

Bevolking, enz.

§ 49. In oppervlakte en in bevolkingscijfer overtreffen de Britsche landen 9 a 10 maal ons vaderland.

De dichtheid der bevolking is natuurlijk het aanzienlijkst in Engeland, het minst in Schotland; natuurlijk, want Engeland bestaat (Wales uitgezonderd) grootendeels uit goed bebouwde gronden, het heeft den aanzienlijksten handel der wereld en ook industriëel staat het bovenaan , alle redenen, die een hoog bevolkingscijfer verklaren; Schotland daarentegen bestaat voor % uit woeste gronden.

30 Millioen.

Engeland.

Fig. 25. Vergelijking van liet geheel aantal inwoners.

De bevolking in Ierland is afnemende (zie fig. 26); de oorzaken zijn niet in de natuur van het land, maar in de maatschappelijke omstandigheden te zoeken. Ligging en kusten zijn uitstekend; het klimaat is gunstig; de bodem is bijna geheel voor bebouwing en veeteelt geschikt. Maar de kwaal zit in het agrarische vraagstuk, d. i. het vraagstuk van het grondbezit (zie boven).

ocr page 97

9°

Gelijk de afstamming van Engelschman en Ier eene verschillende is, openbaart zich ook nu nog een groot onderscheid: terwijl de Engelschman zich kenmerkt door eene deftigheid en afgemetenheid, die spreekwoordelijk zijn geworden, heeft de Ier't meest kwikzilverachtig en levendig karakter, dat men zich kan voorstellen.

Millioen.

3

2

1

O O O O O O

r}- iC vO i— co O

00 00 00 00 00 00

Fig. 26. Afneming van de lersche bevolking van 1840 tot 1890.

Ook in de godsdienst zijn de Engelschen en de leren gescheiden ; Engeland heeft eene staatskerk, Protestansch in de leer, Katholiek in den eeredienst; de Ieren zijn meerendeels Roomsch-Katholiek.

Historische indeeling.

Engeland.

A. De Angelsaksische koninkrijken (in 827 vereenigd), wier namen nog wel worden gebruikt, schoon steeds minder:

Kent, Essex, Sussex, Wessex, Oost-Angeln, Mercia, Northumberland.

B. Het Keltische Wales.

De historische indeeling is in Ierland en Schotland nog onbeduidender. De tegenwoordige indeeling is in graafschappen, shires, voor de

ocr page 98

91

drie landen samen 126, dus te veel om op te noemen ; de grootte komt gemiddeld met die van de kleinere Nederlandsche provincies overeen.

De wetgevende macht berust bij hel Parlement; dit beslaat uit het Hoog er huis of dat der Lords en het Lagerhuis of dat van de afgevaardigden der Gemeenten. Gelijk bij alle staatsinrichtingen van den nieuvveren tijd, is het laatstgenoemde huis het belangrijkst en vormt de eigenlijke volksvertegenwoordiging.

Engeland bezit drie uitgestrekte koloniale gebieden in de gematigde luchtstreek, waar landbouw en veeteelt bloeien: Canada, Australië en Zuid-Afrika. Deze koloniën bezitten eene groote mate van zelfstandigheid , doch hebben met 't moederland een belangrijk handelsverkeer en verschaffen menigen Engelschman eene goede positie als ambtenaar, officier, enz.

Verder zijn in de tropische gewesten talrijke „plantage-koloniënquot; gesticht: in de Antillen, Guyana, Mauritius enz.; terwijl mede in de heete luchtstreek het groote „Britsch-Indisch keizerrijkquot; is gelegen.

Eindelijk heeft Groot-Brittanje in alle zeeën belangrijke punten in bezit genomen en ingericht tot marine-stations; in Europa: de Nor-niandische eilanden, voor de Fransche kust; Gibraltar (sedert 1704), rotsvesting, waarop de Spanjaarden bij verschillende gelegenheden tevergeefs hun kracht beproefden om het te hernemen; de Malta-eilandjes, belangrijk station in het midden van de Middell. Zee; Cyprus, eigenlijk volgens de natuur tot Azië behoorend, hier genoemd als station in de Oostelijke Middell. Zee. Aden en Perim, bij de Roode Z«e; de Straits-Settlements (Singapore), aan de Straat van Malakka; Hongkong, vóór de Zuid-Chineesche kust; Laboean, enz. in den Oost-Indischen Archipel; St. Helena, Ascension, de Bermuda's en de Falklands in den Atlantischen Oceaan; enz.

Voorstelling van Engeland als koloniale mogendheid:

ocr page 99

92

SCANDINAVIË.

Grootte ; 15 x Nederland.

Bevolking: 5 millioen inwoners.

Grootte : 8 X Nederland.

Bevolking: 2 millioen inwoners.

§ 50. Lig-ging- en horizontale vorm.

Dit land, na Rusland 't grootst in oppervlakte in Europa, behoort door de ligging tot Noord- en West-Europa, tot de koude en tot de koudgematigde luchtstreken.

Daar de Scandinavische gebergten als hoofdrichting van N.O. naar Z.W. loopen, is het land lang gestrekt (wel over......breedtegraden) en smal van vorm. De Noordkaap, op Magerö, .... N.B., is eene mooie rotspartij van 300 Meter hoogte; de langste dag duurt hier ruim twee maanden. Lindesnas is op .... 0 N.R.

De kustontwikkeling is de rijkste ter wereld door de ontelbare, diep indringende baaien, fjorden ; onder deze dringen enkele 30 a 40 uur gaans ver het land in, met steile wanden tot honderden M. hoogte, diepe zee, goed vaarwater en eene mooie natuur.

En nog talrijker zijn de rotseilandjes, skeeren, voortzetting van de Scandinavische bergen in den Oceaan. Hier, bij de fjorden en skeeren, woont een volk van visschers; haring en kabeljauw maken een deel van Noorwegens rijkdom uit.

De volgende schildering der Noorweegsche fjorden is ontleend aan „Keiler, Een zomer in het Noordenquot;:

«Ik geloof niet, dat in eenige streek van Europa de natuur zoo grootsch en schoon is, als op de fjorden tusschen de Lofoden-eilanden. Er is geen schouwspel, dat vergeleken kan worden met die drie- en vierduizend voet hooge klippen, die hier maanden lang in nacht zijn gehuld, maar thans door een onafgebroken daglicht beschenen worden. Tachtig of honderd rotsen teekenen zich tegen de heldere lucht, met vormen zóó scherp en hoekig, dat men de geijkte vergelijking met de tanden eener haai begrijpen kan, ofschoon slechts de uitstekende punten dezer eilanden die vergelijking rechtvaardigen, terwijl bovendien niet daarin juist hunne indrukwekkende schoonheid is gelegen. Het zijn niet die hoeken en spitsen, die loodrecht afgehouwen wanden alleen, maar vooral de uitgestrekte hoogvlakten, die het karakter der bergen in Noorwegen vormen; die onafzienbare sneeuwvelden, tegen en tusschen de hellingen, die diepe kloven, waarin het oog zich verliest, die glinsterende wanden, waarlangs de waterval zich nederstort en verstuift vóór hij den bodem bereikt heeft. Hier en daar strekt zicli eene zwarte rotsplaat in de zee uit en het schrale gras , dat er, onder beschutting der hooge bergen, ontsproten is, strekt tot voedsel van eenige geiten of schapen. Op enkele punten, maar slechts zelden, ziet men op die platen of tusschen de kloven een schamel ge-

Zweden . . Noorwegen.

ocr page 100

93

bouw, dat thans onbewoond is, maar gedurende den winter soms tot verblijf dient van de visschers op de Noorlandsche kusten.

Thans echter, gedurende de laatste zomermaanden, is hier geen spoor van vischvangst te ontdekken. Alles is stil op de Lofoden en langs de kusten,

op de fjorden en de rotsplaten..... Toch zijn zij niet zonder bewoners.

Neen, het wemelt er; duizenden, millioenen eidereenden zweven en zwemmen tusschen de klippen. Soms was onze boot door honderden dezer vogels om-

ocr page 101

94

ringd, die statig voor ons uitdreven, tot zij allen tegelijk oprezen en zich op eene rotsplaat nederzetten.

Maar dan vooral zijn de Lofoden schoon, als de nachtzon boven de kimmen staat; als de sneeuwvelden met een rossen gloed zijn overtogen; als de blauwe gletscher, die zich uitstrekt tot den waterspiegel, waarin hij zich verliest — een onbekend schouwspel in elke andere luchtstreek —, de purperen stralen opvangt en met de groene velden, die hem omzoomen, aan eene andere wereldorde doet denken, waar de zomer zich huwt aan den winter; als de stuivende watervallen regenbogen vormen tegen de rotswanden, terwijl op het kalme fjord de eidereend voortdrijft en de meeuw in pijlsnelle vlucht over de klippen scheert; dan vooral zijn zij schoon, als in een afgelegen baai de wal-visch zijn reuzenkop verheft, die hier, bij de onmetelijke rotsen, een nietig puntje vormt, en zijne waterstralen opzendt, die geen honderdste deel bereiken van de hoogte der watervallen nevens hem.quot;

Van het Westen naar het Oosten neemt het land in hoogte af, en bestaat uit: hooggebergte, middelgebergte, heuvelland, laagland ; het 1' in Noorwegen, de drie laatste meer in Zweden. Dit verklaart hoe men de scherpe tegenstelling in de natuur in Scandinavië evenzeer opmerkt bij eene reis van de Atlantische kust door Noorwegen en Zweden naar de Oostzee, als wanneer men zich beweegt in de richting van de breedtegraden.

Over 't geheel bestaat Noorwegen uit eene golvende hoogvlakte met diep ingesneden dalen. Er is slechts weinig bouwland (zie fig. 28); meest moerassen, venen, gletschers. In sommige dalen is 's zomers een weelderige plantengroei.

Groot is de invloed van de zee op het klimaat aan de Westzijde; de heerschende winden waaien uit het Westen, maken den dampkring in Noorwegen vochtig, verhoogen 's winters de temperatuur aanmerkelijk. Bovendien schijnen warme stroomingen in den Oceaan dien gun-stigen invloed te verhoogen (de invloed van den Golfstroom doet zich echter lang niet zoo sterk gevoelen, als men het vroeger voorstekle).

De havens aan de Westzijde vriezen dan ook niet dicht.

Terwijl de regenhoeveelheid, die gemiddeld jaarlijks b.v. bij Bergen valt, meer dan 2000 m.M. bedraagt, is zulks voor Stockholm slechts 500. Een oud spreekwoord zegt: „als het nergens regent, regent het in Hergenquot;; langdurige zonneschijn is daar zoo buitengewoon als elders eene zonsverduistering. De wintertsmperatuur is bij B. 00, bij S.—5°; 's zomers daarentegen is het in Zweden veel warmer.

De richting der heerschende winden laat de Oostzee bijkans buiten invloed op 't klimaat van Scandinavië. Noorwegens natuur is dus veel meer oceanisch dan die van Zweden.

De vochtigheid aan de Noorweegsche zijde begunstigt ook de giet-

ocr page 102

95

schervorniing; uitgestrekte ijsvelden kenmerken Scandinavië, talrijke bergstrooinen met groot verval storten zich aan de Westzijde onmid-delijk in den Oceaan; aan de Oostzijde kunnen zij zich meer ontwikkelen, vormen talrijke bergmeren, hooge watervallen; voor de scheepvaart zijn zij van weinig beteekenis, als beweegkracht temeer en ook voor den houtafvoer uit 't hoogland.

Kenmerkend is het gemis aan lengtedalen, waaraan de Alpen juist zoo rijk zijn; hierdoor is de bewoonbaarheid van de Scandinavische gebergten nog geringer.

De Z.-waarts loopende stroomen hebben een grooteren loop, o. a. de Glommen en Gotha-elf; de laatste vormt de beroemde Trolhatta-water vallen.

§ 51. Gebruik van den bodem; bewoners, enz.

De onmetelijke woeste gronden worden ingenomen door de bergstreken, fjelden, schrale grasstreken met veel rendiermos; verder moerassen en hooge venen; eindelijk uitgestrekte gletschers en sneeuwvlakten.

Landbomv is alleen mogelijk (ten minste van beteekenis) in Z.-Zvveden en in de Westelijke dalen van Noorwegen; in deze dalen komt boomgroei voor tot op hooge breedte en koren, in 't bijzonder gerst, rijpt tot over den poolcirkel. Toch vormt graan een hoofdartikel van invoer.

De veeteelt is een hoofdbestaansmiddel; de natuur van het land brengt dit mee; goed rundvee en sterke paarden; maar voor het Noorden is het vee tot rendieren bepaald.

ocr page 103

96

Delfstoffen; rijke bergwerken, vooral van :

ijzer (Dannemora), het beste in Europa,

koper (Falun),

zilver (Kongsberg, Sala).

Bevolking: Zweden, Noren, Lappen, Finnen.

De geheele bevolking van Zweden is ± die van Nederland; Noorwegen iets minder dan de helft.

De Lappen en Finnen, de oudste bewoners, volgens sommige ethnologen van Mongoolsch ras, werden door de Zweden en Noren steeds meer naar de woeste streken van het Noorden teruggedrongen en leven nu nog van vischvangst of van hunne rendierkudden; zij zijn echter Christenen.

De taal van de Noren en Zweden verschilt; de eerste behoort tot het Deensch en het IJslanclsch. De godsdienst is uitsluitend de Luthersche; eerst sedert 1845 is in Noorwegen vrije openbare godsdienstoefening voor niet-Lutheranen. De volksontwikkeling is goed, wat te meer opmerkelijk is, daar de bevolking verspreid woont en het verkeer dikwijls zoo moeilijk is. Eene zeer bekende academie is te Upsala.

Tusschen Zweden en Noorwegen bestaat alleen eene personeele unie, d. i. eene vereeniging onder één vorst; Noorwegen behoorde tot 1814 bij Denemarken, kwam toen bij Zweden, doch behield zijne grondwet en andere rechten gewaarborgd. In Noorwegen is de geest van de bevolking zeer democratisch, in Zweden aristocratisch.

De Noren waren en zijn uitstekende zeevaarders; de Noordsche handelsvloot is aanzienlijk (zie fig. 24). De belangrijkste havens zijn: Bergen, Drontheim, Gothenburg, C/iristiania, Stockholm. Uitvoer: ijzer, hout, koper, leder, pelzen, visch, levertraan, ijs, lucifers.

Stockholm (250); prachtige ligging aan het......meer (Noordsch-

Venetië), maar de haven is doorgaans 5 maanden 'sjaars dichtgevroren.

Gothenburg, aan den mond van de ... . -elf en aan het ; met S. de le industrie- en handelsstad van Zweden.

Malvtó (50), belangrijk voor het verkeer met Kopenhagen, Lubeck en Stettin. Norrkóping, Jónk'oping, Upsala, Karlskrona , Kalmar en de reeds genoemde stadjes bij de Zweedsche mijnwerken.

Tn Noord-Zweden is Gejle 't aanzienlijkst middelpunt.

Op Gothland ligt Wisby, eens eene bloeiende Hanze-stad, thans onbeduidend.

Christiania, hoofdstad en koophaven; Bergen (50), het Noorweegsche Hamburg; vooral hout- en vischhandel en reederij; Drontheim (oude kroningstad\ ook levendige handel en scheepvaart. Christian-sand, Stavanger en verscheiden kleinere havens aan de Zuidelijke

ocr page 104

97

kusten van Noorwegen; vooral scheepsbouw en uitvoer van hout; Laurvig ook van zilver (Kongsberg).

De voornaamste weg, thans spoorweg, door Noorwegen loopt van Christiania naar Drontheim; o. a. door het dal van fa Glommen.

Troms'ó, Hammerfest, Var dó, havenplaatsjes nog binnen den poolcirkel; uitgangspunten voor expedities naar de IJszee.

DENEMARKEN.

Grootte: 700 □ G, M. Bevolking: 2^ millioen.

§ 52. I. Jutland. II. Deensche eilanden.

De Westkust van Jutland is zonder goede havens: daar zijn de duinen en de N.-Friesche wadden-eilanden; in verschillende tijden zijn, evenals aan onze kusten, bij N.W. stormen de duinen doorgebroken en is de zee over het land gestuwd.

Naar 't Noorden eindigt de kust in kaap......(eigenlijk meer

eene lantong dan eene kaap).

De zee is voor deze kust nog gevaarlijker dan bij ons (ijzeren kust).

De Oostkust heeft uitstekende havens, eene mooie natuur, en achter de kust liggen vruchtbare gronden, heuvelachtig en hier en daar met beukenwouden begroeid. Overigens bestaat Jutland groo-tendeels uit heidegronden en venen; 't hoogste punt is de Henielsberg (140 M.).

De eilanden zijn hier en daar heuvelachtig (krijtrotsen), maar bestaan over 't algemeen uit vruchtbare alluviale gronden, behalve Bornholnt, dat rotsachtig is. Seeland is het belangrijkst, de korenschuur van Denemarken.

Landbouiu en veeteelt zijn voor de Denen de eigenlijke middelen van bestaan en beide bloeien zeer; rundvee op de eilanden, schapen in Jutland. Delfstoften bezit Denemarken bijna niet; Jutland levert veel turf; verder alleen kalk, krijt, gips.

De bevolking is lang niet zoo dicht als in Nederland: Denemarken is iets grooter en heeft half zooveel inwoners. De eilanden zijn veel beter bevolkt dan Jutland; Seeland staat bovenaan.

De hoofdstad Kopenhagen (300), met St.-Petersburg de eerste stad van het Noordsch-Europa (rijk Noordsch museum), eene der

D. AlTTON, Beknopt Leerboek, 3e druk. quot;7

ocr page 105

98

mooiste residenties van het geheele werelddeel; door de ligging eene belangrijke koophaven (de Sondtol is in 1858 door de handeldrijvende mogendheden afgekocht; wel 40.000 schepen varen gemiddeld jaarlijks door de Sond). Amager, de tuin van Kopenhagen, door Hoilandsche boeren (l6e eeuw) uitstekend bebouwd. Seeland is bekend door zijne vruchtbaarheid, zijne heerlijke wouden en een paar levendige badplaatsen.

Kopenhagen is de eenige groote stad van Denemarken; zelfs heeft dit land geene enkele stad van den 2Equot; rang, eenige kleine steden, alle met minder dan 20.000 inw., de meeste zijn zeehavens; sommige waren vroeger van meer belang, toen Denemarken de le Noordsche mogendheid was. Van militaire beteekenis b.v. Elseneur (Helsingör), vroeger voor de afsluiting van de Sont en den overtocht naar Zweden. Merkwaardig is in de Deensche geschiedenis, o.a. als begraafplaats der koningen, Röskilde.

Aan den hoofdverkeersweg van Hamburg naar Kopenhagen: Fr ede-

ricia, Odensee, Niborg, Korsör, het eerste in.....aan de Kleine

Belt, de beide volgende op.....bij de Groote Belt.

Aan Denemarkens vroegere grootheid en uitbreiding als Noordsche mogendheid, waartoe Scandinavië en zelfs een korten tijd Engeland behoorde (l le eeuw), herinnert nog het bezit van IJsland en de Far-Oer.

IJsland, 3 X Nederland in grootte. De bodem bestaat bijna geheel uit vulkanische gesteenten en vele bergen zijn nog werkzaam, b.v. de Hekla (1500 M.), terwijl ook talrijke heete bronnen, Geysirs, d.i. „kokendequot;, van dit vulkanisme getuigen. Een groot deel van het land is met gletschers en sneeuwvelden bedekt; voor 't overige is de natuur toch arm; wat heide of mos, soms wat schrale weiden. En even somber is de zee, die 't land omgeeft; nevels, ijsbergen, drijfijs; het laatste blokkeert de kusten soms maandenlang. Toch zijn juist alleen de kusten bewoond, voornamelijk in 't Zuidwesten ; de zeestroomen voeren soms wat drijfhout aan en de fjorden vormen goede havenplaatsen; in den zomer is 't zelfs betrekkelijk levendig met schepen van vreemde natiën: visch vangen en drogen , traan-kooken, enz. geeft velen werk. Overigens is veeteelt hoofdmiddel van bestaan voornamelijk schapenteelt; het kleine, sterke paard (de poney) is onmisbaar; voor den IJslander, wat voor den Laplander 'trendier, voor den Eskimo de hond is.

De IJslanders zijn zuivere Noren, Luthersch, goed ontwikkeld; IJsland was in de middeleeuwen voor de Noordsche hoven, tot Engeland en Rusland toe, wat Provence voor Z.-Europa was: „het land, van waar de dichters („skaldenquot;) kwamenquot;.

ocr page 106

99

In de laatste jaren hoort men veel van landverhuizing onder hen, vooral naar Britsch Noord-Amerika; de natuur op IJsland schijnt bepaald nog ongunstiger te worden. Hoofdpunt aan de kust: Reik-javik.

De Far-oër, d. i. Schapen-eilanden, zijn eveneens van vulkanische natuur, ten deele onbewoond, ten deele zeer geschikt voor schapenteelt. Ook liggen ze gunstig voor de visscherij.

In Amerika bezit Denemarken een paar van de kleine Antillen benevens Groenland.

RUSLAND.

Grootte: lo x Duitschland. Bevolking: 2 x Duitschland. § S3- Ligging en Horizontale vorm.

Opgaven.

J. Welke zijn de natuurlijke grenzen van Rusland? Aan welke provincies van Pruisen en aan welke deelen van Oostenrijk-Hongarije grenst het ?

2. Bepaal het verschil in breedte tusschen Archangel (aan de Witte Zee) en Sebastopol(aan de Zwarte Zee); dus ongeveer den afstand in Rusland van Noord tot Zuid. Geef dien afstand ook op in uren gaans.

3. Het verschil in lengte en in tijd tusschen Warschau en Orenburg, en van die beide plaatsen met Amsterdam.

Rusland neemt Oost-Europa in en is ten opzichte van West-Europa afgelegen. Daar West-Europa sedert eeuwen de beschaafde wereld vertegenwoordigt, is dus de ligging van Rusland in dit opzicht na-deelig voor de ontwikkeling van het Russische volk.

In de laatste jaren hebben de spoorwegen Rusland al nader tot de beschaafde wereld gebracht, en dit verklaart het belang van Warschau, de groote stad, die in velerlei opzicht den overgang vormt van het Westen tot het Oosten.

Rusland is in eenige opzichten meer Aziatisch dan Europeesch; vooreerst de reeds genoemde afgezonderde ligging in het Oosten van Europa; verder het groote verschil in den trap van ontwikkeling tusschen het Slavische ras en de Germanen en Romanen (de Slaven staan over het geheel veel lager en komen in dit opzicht meer met

r

ocr page 107

loo

de Aziaten overeen); eindelijk heeft Rusland door kolonisatie zijne grenzen Oostwaarts over geheel Noord-Azië tot aan den anderen Oceaan uitgebreid.

Hoewel Rusland aan 4 zeeën eene kust bezit, is het door zijne groote oppervlakte toch gesloten of continentaal. Dit continentale karakter van Rusland wordt verscherpt door den grooten afstand van Europa's Westelijke kusten, waardoor de Atlantische Oceaan op het klimaat van Rusland geen invloed uitoefent. Voorts vermindert ook de beteekenis der zeeën voor Rusland doordat: le. de havens zoovele maanden bevroren zijn: voor de Witte Zee wel IO, voor de Oostzee 6, voor de Zwarte en Kaspische Zee een paar maanden; 2e. de Russische zeeën staan niet of weinig met den open Oceaan in verbinding; Kaspische en Zwarte Zee vooral zijn binnenzeeën. Toch hebben zich natuurlijk belangrijke havens ontwikkeld; natuurlijk, omdat een zoo groot land als Rusland een deel zijner bodemproducten kon uitvoeren en daarvoor voorwerpen van West-Europa terug erlangen.

De belangrijkste uitvoerhavens zijn;

1. St. Petersburg', aan den mond der , . .

2. Riga, » » « » • • •

3. Odessa.

4. Archangel, » » » » • • •

5. Astrakan, „ „ „ „ . . . (voor het verkeer met Centraal-Azië en Perzië).

De havens van het N. voeren vooral uit: hout, pelzen; die aan de Oostzee; lijnzaad, vlas, graan; die aan de Zwarte Zee; graan, huiden, leder , petroleum, zout.

§ 54. Bodem, enz.

Rusland heeft op de grenzen 2 hooggebertgen: Oeral en Kau-kasus en bestaat overigens uit de Oost-Europeesche of Sarmatische laagvlakte, die van den Oeral tot Noord-Duitschland reikt.

I. De Oeral is een meridiaangebergte; de naam beduidt trouwens „gordelquot; of „ketenhij vormt eene natuurlijke grens met Siberië, slechts ten deele eene politieke, want de Russische gouvernementen reiken over den Oeral heen tot in Azië.

Men onderscheidt bij den Oeral:

1. Den Woe sten Oeral, van de IJszee tot ± 58° N.B.

2. Den Ertsrijken of Midden-Oeral, het belangrijkste gedeelte, waar rijke bergwerken liggen; goud, platina en vooral allerlei edelgesteenten ; ontgonnen sedert de dagen van Katharina II, waaraan de mijnstad Jekaterinenburg herinnert.

ocr page 108

101

3. Den Woudrijken Oeral, die in de Kirghizensteppen uitloopt.

De hoofdwegen tusschen Europa en Siberië zijn:

a. Die van Nw.-Nowgorod over Kasan, Perm, Jekaterinenburg; van hier verder langs de grensstad Tjoemen Siberië in, zooveel mogelijk langs de rivieren, langs talrijke min of meer belangrijke steden (Russische kolonies) tot de Chineesche grens.

b. Die van Niv.-Nowgorod over Samara naar Orenburg; van hier verder door de eindelooze steppen der Kirghizen.

II. De Kaukasus is ook een ketengebergte, dat tusschen de Zwarte en de Kaspische Zee de natuurlijke begrenzing van Europa aan deze zijde uitmaakt. Staatkundig reikt het gouvernement Kaukasië ook over het gebied, dat de Russen aan gene zijde van don Kaukasus bezitten.

Deze landen zijn rijk aan Alpenweiden; de bewoners zijn vrijheidlievende bergvolken, die zich in deze eeuw lang tegen de Russen hebben verdedigd; zij behooren tot verschillende stammen en worden samengevat als Kaukasische volken; o. a. Tscherkessen, Georgicrs, Armeniërs e. a., allen ook bekend door hunne lichamelijke schoonheid.

De bekendste Alpenweg, thans grootendeels spoorweg, leidt van Stavropol langs de bergvesting Wladikawkas („heer van den Kaukasusquot;) naar Tiflis. Een andere spoorweg verbindt de beide zeeën; van Bakoe, aan de ... . Zee, naar Poti, aan de ... . Zee.

III. De groote Russische laagvlakte biedt weinig afwisseling in hoogte aan, is over het geheel effen en dikwijls eentonig.

In enkele dcelen verheft de bodem zich wat meer en worden breede landruggen gevormd, die echter geene groote volstrekte hoogte bereiken; de aanzienlijkste hoogten van de geheele Russische vlakte liggen in het boven-Wolga-gebied, de Welga- of Walddi-hoogten (300 a 400 M.), bronnenland van Wolga, Duna, Dnjeper e. a.

Bovendien loopt de bodem nooit plotseling, altijd onmerkbaar op, waardoor de indruk nog verzwakt wordt.

Aan den voet van den Oeral beginnen landruggen, die Rusland Westwaarts doorsnijden tot in Polen en de Oostzee-prov., onder den algemeenen naam van Oeralisch - Balt is ch en landrug. Verder onderscheiden wij den Duna-Donschen en den Zuid-Rus sis chen of Oer.-Karpathischen landrug.

Daar parallelgebergten in Rusland niet voorkomen, gaan de tegenstellingen in de natuur van het Noorden naar het Zuiden langzaam, niet scherp geteekend, in elkaar over. Toch kunnen wij onderscheiden;

1. De streek der Toendra's. Hier is de bodem een groot deel van het jaar hard bevroren en uren ver, onafzienbaar, met wit rendiermos begroeid; slechts hier en daar afgebroken door enkele lage

ocr page 109

102

heesters, enkele roode bezien. Gedurende de zomermaanden, als de zon haar hoogsten stand bereikt, verandert het karakter: de grond ontdooit enkele voeten diep, maar is dan moerassig, want het water verdampt in die streken weinig, zoodat de bodem eigenlijk van water verzadigd is.

Deze toendra's komen ook voor op Nova-Zembla, dubbel-eiland, ter grootte van 2 % x Nederland en 's zomers door jagers en visschers bezocht. Niet alleen van de natuur van Nova-Zembla, maar van die der Pool-gewesten in 't algemeen, krijgen wij een denkbeeld door de volgende schets (van de hand van Dr. J. Mar. Ruys, Album der Natuur, 1888);

».........En toch, hoe verbaasd zouden zij, die zoo denken, zijn,

wanneer hun verzekerd werd, dat ook Nova-Zembla zijn zomer heeft; kort wel is waar, maar toch een zomer in de volste beteekenis van het woord; een zomer, waarin niet alleen de thermometer zich in de schaduw meer dan 45° C. boven het vriespunt kan verheffen, maar waarin ook onweders kunnen woeden van eene hevigheid, die men eerder in de tropen dan op zulk eene hooge breedte zou verwachten; een zomer eindelijk, waarin zich wel niet overal, maar dan toch op sommige plaatsen eene zoo ongemeen weelderige vegetatie kan ontwikkelen, dat het den verbaasden reiziger voorkomt, als betrad hij een tuin, prijkend met duizenden blauwe vergeet-mij-nieten, gele boterbloemen en papavers, witte Cruciferen en Saxifraga's en tallooze andere bloemen, die afwisselen met ontelbare Lichenen en met het groen van grassen en mossen.

Ja, hij is schoon, die arctische zomer; wonderschoon, althans hij kan het zijn, want niet overal en niet altijd zijn het van die lieflijke, vriendelijke indrukken, die ons oog boeien: er zijn ook plaatsen op Nova-Zembla, waar langs de berghellingen de sneeuw nimmer wegdooit en waar de geheele flora zich beperkt tot spaarzame Lichenen en enkele dunne grashalmen, die zich hier en daar op de rotsen en den ternauwernood ontdooiden bodem vertoonen; maar, beschenen door de eigenaardige tinten van eene middernachtszon, kan de omgeving zelfs daar schoon zijn en de indruk, dien onder die omstandigheden het landschap met zijn doodsche, door niets gestoorde stilte, die het tot een beeld van eenzaamheid en verlatenheid doet worden, op ons maakt, is grootsch en overweldigend. Maar soms — wanneer de zon, al staat zij ook onafgebroken boven den horizon, dagen lang aan het oog onttrokken blijft, wanneer de temperatuur tot bij of zelfs tot onder het vriespunt daalt, wanneer koude, vochtige nevels ons omringen en de kille adem van de over het kustijs waaiende, met waterdamp bezwangerde winden den mist dichter en dichter maken, d;\n, ja dè.n is Nova-Zembla eene troostelooze woestenij, dan huivert men, trekt de kleeren dichter om de lenden en doet niets liever dan een warm plekje opzoeken, dat dan voor 't oogenblik nergens anders te vinden is dan aan boord van het schip, dat ons op Nova-Zembla's kust heeft gebracht en ons vandaar weer naar het ver verwijderd vaderland zal terugvoeren.

................Als gemiddelde jaarlijksche temperatuur werd op

het Russische overwinteringsstation te Karmakuly —60.6'2 C. gevonden. De koudste maand was Januari, —210.48; de warmste Juli, -1- 5°. 71.quot; (Zie blz. 28.)

ocr page 110

lo3

De Samojeeden, die de Toendra's bewonen, bestaan grootendeels van vischvangst langs IJszee en Witte Zee; op het schiereiland Kola wonen Lappen.

2. De streek der naaldwouden. Noord-Rusland, tot ib 58° N. Br. toe, wordt nog bijna geheel door uitgestrekte dennenbosschen ingenomen. Steden behoeft men daar niet te zoeken. Hier en daar wordt gerst verbouwd en in het Zuidelijkst gedeelte bij de streek van den landrug ook reeds rogge. Overigens moeten de bewoners van Nd.-Rusland leven van de jacht op allerlei pelsdieren (o. a. veel wolven).

Archangel is de eenige stad van dit en het vorige gebied; scheepsbouw en handel in pelterijen.

3. Het zoogenaamde Centraal-bekken, d. i. de landstreek om Moskou.

Dit gebied is in de laatste 25 jaar snel vooruitgegaan en is een

der belangrijkste deelen van het rijk; eene groote nijverheid heeft zich ontwikkeld, die de massa's voortbrengselen, welke Rusland levert, verwerken kan; Moskou, Toela, Rjasan zijn de belangrijkste middelpunten, Niemv-Nowgorod, Kasan, Twer de voornaamste handelssteden.

Spoorwegen zijn aangelegd, die M. en de andere fabriekssteden verbinden met: 1. Warschau en dus W.-Europa; 2. de havens aan de Oostzee; 3. met Zd.-Rusland en de Zwarte Zee; 4. met Orenburg en Jekaterinenburg en de groote wegen naar Siberië, waarlangs belangrijk handelsverkeer plaats heeft.

4. De uitgestrekte moerassen in West-Rusland bij de Pripetz, de Berezina en andere rivieren in het Dnjeper-gebied. Groote steden liggen hier niet; er komen nog groote, dichte wouden voor, waar vroeger de auer-os zijn verblijf hield; het zijn de jachtgebieden van de Poolsche grooten, terwijl de boeren een armoedig bestaan lijden.

5. De streek der Zwarte aarde, een van de belangrijkste deelen van geheel Rusland; korenschuur, die door de havens aan de Zwarte Zee West-Europa kan voorzien; evenals in Centraal-Rusland heeft zich hier de industrie gevestigd: suikerfabrieken (beetwortel), brandewijn-stokerijen (graan), leerlooierijen (vee uit de steppen), geweerfabrieken.

Kjew, Charkow e.a.

6. De Zuid-Russische of Pontische steppen en naar het Z. O. de Kaspische. Een land, boomloos en alleen voor veeteelt geschikt; rijk aan paarden en schapen. Rusland heeft een grooteren rijkdom aan paarden dan eenig ander land; men kan tennaastebij zeggen, dat voor elk volwassen man een paard aanwezig is. Het rijkst aan paarden zijn de gouv. Samara, Orenburg, Astrakan: op ioü inw.

ocr page 111

104

paarden; klein, snel, onvermoeid, weinig behoeften kennend. ,t Klimaat in Z. O.-Rusland is streng continentaal: heete zomers,

ocr page 112

105

waarin bij Astrakan de wijndruif rijpt; strenge winters, waarin de sneeuwstorm waait.

De bodem is hier rijk aan zout; vroeger was de Kaspische zee tot op grooten afstand zee, waaraan nog zoute meren en moerassen herinneren.

§ 55. Vepkeersweg-en; gebruik van den bodem.

De vorm van den bodem brengt mee, dat bij de rivieren het karakter van den bovenloop weinig of niet ontwikkeld is. Zoo wordt de hoofdrivier, de Welga, de „moeder van Ruslandquot;, al bij Twer bevaarbaar. Zij is de natuurlijke weg, die van N.W. naar Z.O. het land doorsnijdt en waar belangrijke zijwegen op uitkomen: bij Nieuw-Nowgorod de. . ., de weg van Centraai-Rusland; beneden Kasan de ..., van de zijde van den Ertsrijken Oeral.

De Newa, kort maar zeer belangrijk, is alleen de afwatering van de groote Russische meren, vooral Urnen, Onega en Ladoga. Het gebied van de Newa en dat van de Wolga, vlak bij elkaar, zijn door kanalen verbonden.

De rivieren van de Noordelijke en van de Oostzee-kusten zijn een groot deel des jaars dicht. Verder lijden zij, en vooral ook die in het Zuiden, veel aan stroomversnellingen en watervallen, waar zij door de landruggen breken.

Toch zijn over het geheel de Russische rivieren bevaarbaar en van groot belang, daar zij in het onmetelijke rijk de natuurlijke wegen vormen. Belangrijke kanaalverbindingen zijn tot stand gebracht, o. a. door Peter I en Katharina II.

B.v. 1. Newa—Wolga.

2. Dwina—Kama—Wolga.

3. Weichsel—Bug —Pripetz—Dnjeper, enz.

Verbazend is de uitbreiding van het Russische spoorwegnet in de laatste 25 jaar, waarvoor vooral de regeering van Czar Alexander II veel heeft gedaan; de totale spoorweglengte in Rusland bedraagt thans ruim 30.000 K.M. (15 maal zooveel als in Nederland). Toch blijven op zijde van de hoofdwegen, die Rusland doorsnijden, de verkeersmiddelen nog erg gebrekkig en zijn langs ongebaande wegen de sleden de gewone vervoermiddelen.

De woeste streken zijn hoofdzakelijk de toendra's en de moerassen;

de wouden zijn vooral in het Noorden;

de weiden en steppen vooral in het Zuiden en Zuid- Oosten;

het akker- en bouwland vooral in 't midden, 't Zuid-Westen en bij de Oostzee.

ocr page 113

Van groote beteekenis is ook, misschien meer dan in eenig ander land, de vischvangst: de arctische zeeën hebben buitengewoon rijke vischgronden; de Wolga geldt, bij acne lengte van meer dan 600 uren gaans, als de vischrijkste rivier van Europa; behalve de reuzenstroomen heeft Rusland honderden rivieren , die met Moezel of Schelde in lengte overeenkomen; dan de meren, in grootte afwisselend van Taima en Ladoga, elk ruim zoo groot als de helft van Nederland, tot de tallooze kleine, die met onze vaderlandsche plassen tnisschien in grootte zijn te vergelijken, zeker niet in diepte: deze toch bedraagt honderden Meters. En is al dit zoetwater onuitputtelijk in verschillende vischsoorten, dan komt daarbij de Kaspische Zee, de grootste zoutwater-binnenzee der aarde, zoo groot als Frankrijk; geregelde vischoogsten hebben hier plaats, waarbij elke denkbare vischwijze wordt toegepast, van de speer en harpoen tot het haakje, van het sleepnet tot de fuik. Astrakan betaalt aan 't gouvernement jaarlijks meer dan f 10.000.000 voor 't vergunningsrecht op de visscherij.

Blijkens het meegedeelde brengt Rusland voornamelijk voort;

granen, lijnzaad, vlas, beetwortelen;

hout, pelzen;

wol; paarden; huiden;

petroleum;

ertsen en edelgesteenten;

zout;

visch.

§ 56. Dichtheid van bevolking, enz.

De Russische Monarchie beslaat eene oppervlakte van 400.000 G.Ma. en heelt 110 millioen inwoners:

io6

De middelen van bestaan en de verdeeling der bevolking over het Russische land houden met deze bodemverdeeling gelijken tred.

ocr page 114

107

Eigenlijk Rusland Polen

82 millioen inw.

Finland

Kaukasië

Siberië

Russ. Centr.-Azië „

De dichtheid van bevolking in £ur. Rusland bedraagt 900 a 1000 per □ G. M. Uit het over de natuur meegedeelde volgt, dat in het onmetelijke Russische gebied aanzienlijke verschillen voorkomen. Het minst zijn bevolkt de streken genoemd onder l , 2,4, en 6; de meeste menschen en steden zijn in de Oostzee-provincies, in Centraal-Rusland en in het gebied der Zwarte aarde.

De meeste steden boven lOO.OOO inwoners zijn ook daar te zoeken;

St.-Petersburg (900).

Moskou (750).

Warschau (500).

Odessa (300).

Riga.

Kjew.

Charkow.

Kasan.

Kisjenew.

Saratow.

Lodz.

Wilna.

Tifiis (in Trans-Kaukasië).

Taschkend (in Russ. Centr.-Azië).

Samenstelling van de bevolking naar de taal:

1. Russen.

2. Polen.

3. Letten (in Litthauen en Koerland).

4. Duitschers, vooral in de Oostzee-provincies.

5. Ziveden, vooral in de Finsche steden.

6. 7, 8. Finnen, Lappen, Samojeeden in het Noorden.

9. Israelieten, vooral in Polen, West-, Klein-, en Zuid-Rusland.

10 Afdeelingen van Aziatische volken in het Oosten en Zuiden; vooral van Tartaarschen stam.

Rusland is, ondanks de vele kleinere vreemde elementen,quot; in eth-nologischen zin een eenheidsstaat, evenals ook in godsdienstig opzicht. De godsdienst is voor de Russen de Grieksch-Katholieke; eene

2i i) 7i , 4i „

ocr page 115

io8

staatskerk, waarvan de Czar zelve het hoofd is. Roomsch-Katholieken zijn het meest in Polen; Protestante» in de Oostzee-provincies en Finland; Israëlieten, zie boven; Mohammedanen zijn de meeste Kau-kasische en Tartaarsche stammen; heidenen zijn o. a. de Samojeeden.

De staatsinrichting is onbeperkt monarchaal; in de laatste jaren zijn wel eens hervormingen ingevoerd, vooral in de dagen van Alexander II, maar van eene grondwet, die aan Rusland eene volksvertegenwoordiging zou geven, schijnt het nog ver af te zijn. Trouwens de groote massa van het Russische volk, op het platteland, staat nog op te lagen trap om veel belang in de politiek te stellen.

Onder de maatschappelijke hervormingen van den laatsten tijd was de afschaffing der lijfeigenschap de groote zaak.

§ 57. Rusland is staatkundig in gouvernementen (60) verdeeld. Belangrijker is de

Historische indeeling':

„ , „ , , i Noord-Rusland .

Groot-Rusland ^ . .

I Centraal- „

Hier ligt het oudste deel van den Russischen Staat met de oude hoofdstad Moskou (750). Boven St.-Petersburg heeft Moskou de centrale ligging voor, waardoor het beter tot hoofdstad geschikt was; in veel opzichten is het dan ook de echt-Russische hoofdstad gebleven, waar de Russische maatschappelijke toestanden veel zuiverder bewaard zijn tegen Westersche invloeden dan in St.-Petersburg. Moskou vereenigt het Aziatisch karakter met het Europeesch; men ziet er, evenals in Nw.-Nowgorod, de groote marktplaats, allerlei Aziaten; het is 't middelpunt, waar de groote wegen op uitloopen; 1. van St.-Petersburg; 2, van Warschau; 3. van den Ertsrijken Oeral over Kasan en Nw.-Nowgorod; 4. van Siberië en Centraal-Azië over Orenburg; 5. van het Z. uit de industrie- en graanstreken der Zwarte aarde.

Moskou is na Londen de uitgestrektste stad van Europa; de omtrek bedraagt 50 wersten. De stad is op zeven heuvelen gebouwd, 100 a 200 Meter

boven den zeespiegel; zij wordt door de.....doorsneden. Het oudste deel

is het Kremlin (d. i. „vestingquot;), aangelegd in de 12' en 13'' eeuw en versterkt met het oog op de steeds terugkeerende aanvallen van de Tartaren; het heeft een omtrek van i'/s ul,r gaans en is door een muur van de omliggende wijken gescheiden; 't bestaat uit paleizen, kerken en pleinen; bevat monumenten uit alle perioden der Russische geschiedenis, in Byzantijnschen, Gotischen en Oos-tersche stijl, een rijkdom van historische herinneringen, waarvan als 't merkwaardigst de keizerlijke schatkamer geldt, als misschien nergens elders ter wereld.

ocr page 116

log

Voor den Rus is Moskou nog altijd de «heilige stadquot;, de «moederdes Rijks.quot; Dit geestlijk overwicht dagteekent uit de 14quot; en i5' eeuw.

Bovendien is Moskou 't grootste industrieele middelpunt van Rusland en 't centrum van de verkeerswegen. Uit de verte gezien, maakt de stad een treffenden indruk met de honderden vergulde koepels en de verscheidenheid van kleuren. Maar als men doordringt in de eigenlijke stad, nauw, slecht geplaveid, vuil, dan gaat de illusie verloren.

Geheele wijken van de stad zijn van hout gebouwd, zoodat niet zelden brand een groot deel verwoestte.

De jaartemperatuur bedraagt 4^° C.; Januari — 10° C, Juli 19J0 C.

Op de belangrijke ligging van Twer en Niv.-Nowgorod (75) is al gewezen; op de jaarmarkten van laatstgenoemde stad komen tienduizenden menschen, van den meest verschillenden landaard, samen en worden al de producten van 't onmetelijke rijk — tot van de Chineesche , de Indische, de Perzische en de Turksche grenzen toe — verhandeld. '

Levendige fabriekssteden zijn, alle in het industriëele Oka-gebied, Toe la (o. a. geweerfabrieken), Kaloega, Orel e. a. Die nijverheid omvat elk onderdeel en ook in deze opzichten is Rusland steeds meer onafhankelijk van 't overige Europa; het brengt zelf de grondstoffen voort: vlas voor de linnens en wol voor de lakens; de Kaukasus levert zeer goede zijde en de katoenteelt daar en aan den Amoe neemt toe; beetwortelen, aardappelen , graan zijn andere grondstoffen en in de overblijfselen van de naphta vindt Rusland eene goedkoope inlandsche brandstof.

In Noord-Ruslafid is alleen aan den Dwina-mond eene stad ontstaan ; Archangel: uitvoer van hout en pelzen ; walvischvangst.

2. De Oostzee-provinciën (Koerland, Lijüand, Esthland, In-germannland), hoofdzakelijk in den tijd van Peter den Groote (-[-1725) bij Rusland gekomen , met de nieuwe hoofdstad: St.-Petersburg1 (900), in 1703 door Peter gesticht en tot hoofdstad gemaakt, vooral met het doel de gemeenschap met het Westen te openen en den handel op te wekken. St.-P. is dus, in tegenstelling met Moskou, de jonge, de moderne hoofdstad, regelmatig en ruim gebouwd, eene der mooiste steden van Europa; lquot; handels- en 2quot; fabrieksstad van het rijk.

In de nabijheid de keizerlijk residenties; Oraniënbaum, Peter hof, het Russische Versailles, en Gatschina; verder tallooze landgoederen en zomerverblijven, want 's zomers gaat alles naar buiten; St.-Peters-burg is dan als uitgestorven. Een drietal uren gaans van de hoofdstad verwijderd (15 wersten), staat op een heuvel de beroemde sterrewacht van Pulkawa.

ocr page 117

110

In de Finsche golf vóór St.-P., het sterke Kroonstadt (in 1855 door Engelschen en Franschen te vergeefs beschoten); waar de Newa uit het Ladogameer komt het slot Sleutelburg.

Als voorhaven van St.-P. kan aan de Oostzee gelden Baltischport, waarvan de naam de beteekenis trouwens aanduidt.

Riga, 2' havenstad van het rijk; uitvoer van ruwe producten; vlas, lijnzaad, graan , hout.

Reval is handelshaven van lageren rang; Narwa, eens eene sterke Zweedsche vesting (1700), is na de stichting van St.-P. achteruitgegaan.

Ten opzichte van de bevolking zijn de Oostzee-provincies zeer gemengd: St.-Petersburg is voor V, 0 Russisch, verder zijn in de steden veel Duitschers. De eigenlijke bevolking, die op het platteland , bestaat echter uit Esthen en Liven of Letten; ook zijn er naast de Duitsche talrijke Joodsche elementen. In de laatste jaren hoort men dan ook hier, evenals in Z. W.-Rusland, herhaaldelijk van agrarische moeilijkheden en van rassenhaat.

3. West-Rusland: de vroeger Poolsche landen Lit hauw en, Volhynïe en Podolië. Ten deele zijn hier uitgestrekte wouden en moerassen zonder menschen; ten deele is er evenals in de Oostzee-provincies belangrijke vlasbouw. Het belangrijkste middelpunt is Wilna.

4. Polen. Na de groote opstanden van 1830 en 1863 verloren de Polen hunne laatste zelfstandige rechten; de Russische regeering doet alles om het nationaliteitsgevoel in dit land te breken. Polen is akkerbouwland en over 't geheel zeer vruchtbaar, maar heel veel kan nog gedaan worden om den landbouw meer productief te maken; de toestanden van het landvolk waren altijd ongelukkig.

Warschau (500), de 3'' stad van het Russische rijk; het heeft eene belangrijke ligging als middelpunt van het verkeer met Duitschland; bekend is de voorstad Praga.

5. Klein-Rusland of Ukraine heeft groote graanproductie; hier ontwikkelde zich eene levendige industrie, als in Centraal-Rusland, vooral in Kjew, Charkow, Berditsjew (bijna geheel Joodsch) e. a.

6. Zuid- of Nieuw-Rusland, hoofdzakelijk in de dagen van Ka-tharina de Groote op de Turken veroverd; in 1878 is Bessarabtë uitgebreid tot aan de Proeth, de grens met Roemenië.

In dit deel des lands liggen de Pontische, de Donsche en de Tau-

ocr page 118

Ill

rische steppen, maar ook de belangrijke steden Odessa en Kisjenew, Odessa is de beste natuurlijke haven, daar de breede riviermonden (limans) sterk verzanden; stapelplaats en uitvoer van de granen; Kisjenew is industriestad. Sebastopol, als vesting en oorlogshaven na den Krimoorlog (1856) sterk achteruitgegaan, is thans weder belangrijk als oorlogs- en handelshaven beide; Nikolajew is het belangrijkste maritiem station voor de Zwarte Zee.

7. Oost-Rusland, bevattende de gouvernementen Kasan en Astrakan.

Oost-Rusland is in ethnologischen zin nog het meest gemengd van het geheele Russische rijk: hier wonen, tusschen de Russen in, talrijke afdeelingen van Aziatische volken. Sedert 't laatst der vorige eeuw werden bovendien koloniën van Duitschers en van Russen gesticht ; ten deele om de Oeralische bergwerken te gaan ontginnen, ten deele om in dit nomadengebied den landbouw te brengen; het le meer in de landen van Kasan, het 2' meer in die van Astrakan, b, v. Saratow, Samara (75), Sarepta (Hernhutters).

Kasan is eene wat oudere stad (ló* eeuw); de universiteit is belangrijk voor de studie van Noord-Aziatische talen. Perm en Jeka-terinenburg zijn de mijnsteden.

In 't onmetelijke Kaspische steppenland, waar Kalmukken en Kir-ghizen rondzwerven, is Astrakan de eenige vrij aanzienlijke stad, oorlogshaven voor de Kaspische Zee en middelpunt van de rijke vis-scherij op de beneden-Wolga en in de zee.

Eindelijk loopen door deze beide gouvernementen de belangrijke verbindingswegen tusschen Rusland en Azië; de lquot; over den Midden-Oeral (reeds genoemd); de 2e door de Kaspische poort over Orenburg.

8. Finland, in 't begin dezer eeuw door Zweden afgestaan, is staatkundig niet geheel met Rusland vereenigd; het heeft eene afzonderlijke regeering. Het bestaat in het binnenland grootendeels uit woeste hoogvlakten en moerassen, samengevat onder den naam van Finsche meer- en rotsplateaux; er zijn ook hier onmetelijke dennenwouden.

De kusten zijn wat beter bevolkt; de steden zijn nog grootendeels Zweedsch : Helsingfors (50) , academiestad; Sweaborg, oorlogshaven, een Noordsch Gibraltar; Abo; Tornea, op den poolcirkel, een klein maar veel bezocht plaatsje (21 Juni, dag van 24 uur).

9. Kaukasië, bestaande uit Cis- en Trans-Kaukasië; voor-

ocr page 119

112

naamste stad Tiflis, waarlangs de handelsweg naar Perzio loopt.

Kars, sterke vesting, tijdens den Krim-oorlog op de Turken veroverd. Verder Bakoe, aan de Kaspische Zee.

Vóór een twintigtal jaren was Bakoe nog een onbeduidend Perzisch plaatsje, thans overtreft het in scheepvaart en levendigheid zelfs Odessa; honderden stoombooten voeren de petroleum, waarmede ook de machines worden gestookt, over de Kaspische Zee naar de Wolga-landen, terwijl eene buizenleiding enorme hoeveelheden naar de havenplaatsen aan de Zwarte Zee brengt. Het aantal boorgaten en bronnen bedraagt ± 500; de olie spuit bij sommige tot eene hoogte van 00 M. en vormt bij 't neervallen uitgestrekte zeeën; van uitputting schijnt geen sprake te zijn.

Reeds Marco Polo, beroemd Venetiaansch reiziger der '13e eeuw, spreekt in zijne reisberichten over 't „eeuwige vuurquot; en de bedevaarten der Parsi's, die toen echter reeds zeldzaam waren geworden.

OOSTENRIJK-HONGARIJE.

Grootte: 19 x Nederland. Bevolking: 40 millioen (9 x Nederland).

§ 58. Staatkundig is deze monarchie uit 2 hoofddeelen samengesteld:

a. de Oostenrijksche landen of die van de Oostenrijksche keizerskroon.

b. de Hongaarsche landen of die van de Hongaarsche koningskroon. Tot elk der beide deelen behooren verschillende landen; voor elk

land heeft de vorst een afzonderlijken titel (koning, aartshertog, hertog, graaf e. a.), op gelijke wijze als eenmaal de Bourgondische en de Oostenrijksche heeren in de Nederlandsche gewesten; voor alle te zamen heet de vorst Keizer en Koning.

Door den loop der geschiedenis zijn al deze landen onder één vorstenhuis vereenigd geworden, het Habsburgsche, oorspronkelijk in Zwitserland tehuisbehoorend, waar de ruïne van het stamslot in 't kanton Aargau ligt.

Opgaven.

1. Noem de staten aan welke O.-H. grenst.

2. Geef de natuurlijke grenzen op.

ocr page 120

n3

Staatkundige deelen:

Hoofdsteden (belangrijkste)

a. 1.

Neder- .

.....Weenen.

Oostenrijk; en

Opper- .

2.

Bohemen ....

3-

Moraviö.....

4-

Silezië.

5-

Gallicië......

6.

Bukowina.

7-

Stiermarken . . . .

.....Graz.

8.

Salzburg......

9-

Tyrol......

lO.

Karinthië.

il.

Krain.

12.

Kustenland . . . .

... Triest.

13-

Dalmatiö.

b. i.

Hongarije.....

2.

Zevenbergen . . . .

3-

Kroatië en Slavonië

Tijdelijk (?) door Oostenrijk bezet het Turksche: Bosnië met Her-zegowina.

Opg-ave.

Van de hier genoemde hoofdsteden de ligging nagaan en trachten van die ligging iets mee te deelen.

§ 59- Natuur in de verschillende deelen.

Wel y, van 'tland is bergachtig, slechts '/4 laagland; de bodem-vorm loopt in de verschillende deelen zeer uiteen.

Een even groote verscheidenheid biedt het klimaat aan. Eene alge-meene eigenschap voor de meeste gedeelten is het meer continentaal karakter dan in West-Europa en in Duitschland; hierin, evenals in andere opzichten, gelijken de Hongaarsche landen reeds meer op Oost- dan op West-Europa.

Vormt O.-H. in staatkundigen zin geene eenheid, naar de natuur of in aardrijkskundigen zin doet het dat dus evenmin, 't Begrip van de natuurlijke deelen, die in bodenvorm, klimaat, middelen van bestaan der bewoners, in de dichtheid van bevolking, enz. verschillen, heeft meer waarde dan het onderscheiden van de staatkundige deelen.

Het aanduiden van die natuurlijke deelen is echter veel moeilijker, doordat Oostenrijk-Hongarije zoo groot is, de bodem zooveel verschilt, 't getal dier deelen aanzienlijk is.

D. AlTTON, Beknopt Leerboek. 3« druk. 8

ocr page 121

114

Voorbeelden;

1. Het Alpengebied.

2. De Hongaarsche vlakten.

3. De Terraslanden bij Elbe en Moldau.

4. De ketengebergten, die laatstgenoemde insluiten. (Welke zijn dat ?)

5. 't Karpatische woudgebergte.

6. De Karpatische bergstelsels in 't N. van Hongarije.

7. Het kustgebied aan de Adriatische Zee.

Het aantal dezer landschappen is met behulp der kaart niet moeilijk uit te breiden.

De vruchtbaarste landstreken liggen in Rohemen, in de Hongaarsche vlakten en in Gallicië; de beste weiden vooral in de Alpen, b.v. in Tyrol, Stiermarken, Oostenrijk; uitgestrekte weidegronden in de vlakten van Hongarije, maar met een dor karakter, de poesta, overeenkomst vertoonend met eene steppe; in de Alpen is uitstekend rundvee, in Hongarije zijn veel paarden en schapen.

Moerassen liggen op tal van plaatsen langs Donau en Theiss, waar ook vaak overstroomingen plaats hebben; door de talrijke kronke-liiiL'en van de rivieren is de waterafvoer onvoldoende; door het cor-

O

rigeeren van de rivierbedding (afgraven van bochten o. a.) kan de regeering trachten dit te verbeteren.

Woeste streken, waar slechts weinig middelen van beslaan zijn, liggen vooreerst in de hooge gedeelten van de Alpen; verder in verscheidene streken van de Karpatische en andere middelgebergten. 't Rijkst aan natuurschoon zijn vooral Tyrol, Salzkammergut (in Salzburg en Opper-Oostenrijk), Stiermarken; talrijke mooie streken in andere gedeelten zijn meer afgelegen en minder bekend. Belangrijke badplaatsen liggen in Bohemen, als Karlsbad, Marienbad, Teplitz; in Salzburg, als Gastein e. a.

Aan delfstoffen is Oostenrijk-Hongarije rijk; steenkool, in Bohemen bij Praag en bij Pilsen; in Stiermarken; in Hongarije bij Fünf-kirchen; bruinkool, zeer veel, in Bohemen aan den voet van het Ertsgeb.; ijzer, vooral in Stiermarken; in Bohemen; in Oostenrijk; goud en zilver in de Hongaarsche en Zevenburgsche Ertsgebergten; lood, koper, kwikzilver, tin, alles voornamelijk in de Hongaarsche landen; petroleum, in Oost-Galiicië. En de totale waarde van al de genoemde producten wordt nog overtroffen door die van het zout, waarvan de jaarlijksche opbrengst 40 a 50 millioen gulden vertegenwoordigt; vooral in Salzburg en Gallicië (de laatste naam beteekent „Zoutlandquot;).

ocr page 122

115

§ 6o. Bewoners.

Ook ten opzichte van de bevolking is Oostenrijk-Hongarije geen eenheidsstaat, ja kan zelfs meer gemengd heeten dan eenige staat t«r wereld.

Behalve eene staatkundige en eene natuurkundige, kan dus eene ethnologische indeeling (naar de volken) worden gemaakt;

1. Duitschers: Oostenrijkers, Stiermarkers, Salzburgers, Tyro-lers; Saksers, ais kolonisten in de dagen van Maria Theresia (4- 1780), hier en daar in Zevenbergen.

2. Slaven: Czechen, Roethenen, Polen, Kroaten, Siovenen, Serben.

3' Magyaren of Hongaren.

4- Romanen: Roemenen in Zevenburgen, Italianen in de Z. Alpendalen en in Triëst.

In 't geheel worden wel 10 talen gesproken; bij de godsdienst is de R.-K. overwegend (ruim V3); voorts Grieksch-Katholiek ('/4); Protestanten in Oostenrijk haast niet, in Hongarije nog al in aanmerkelijk getal.

Dikwijls was er woeling en strijd, doordat tusschen de verschillende volken, die hier staatkundig zijn vereeni^d, volstrekt geen natuurlijke band bestaat en de meesten elkander haten.

De Duitschers zijn eerst genoemd, omdat zij heerschers zijn en de meeste beschaving bezitten. De Slaven zijn numeriek (naar 't aantal) verreweg de l'n (bijna de helft van 't geheel):

Slaven 20 millioen,

I-1

Duitschers.

I-1

Hongaren.

I-1

Romanen.

I-1

Anderen.

I-1

Vergelijkend overzicht van de bevolking van Oostenrijk-Hongarije.

De regeering over zoo onderscheiden nationaliteiten heeft met groote moeilijkheden te kampen. De naam Oostenrijk-Hongarije duidt aan, dat de Hongaren eene zekere zelfstandigheid en gelijkheid met de Duitschers hebben verworven; dikwijls hebben zij daarvoor gevochten; eerst uit onze dagen (1867) dagteekent die zelfstandigheid.

8*

ocr page 123

116

Dat de Slaven 't zoo ver niet brachten, is verklaarbaar; l. de Slaven staan over 't geheel nog op lagen trap van ontwikkeling, de Czechen uitgezonderd; 2. tusschen de verschillende Slavische volken in O.-H. bestaat groot onderscheid, zij zijn niet één; er zijn twee groepen; Noord-Slaven en Zuid-Slaven; 3- de Slaven staan nog scherper tegenover de Hongaren dan tegenover de Duitschers.

Behalve deze volken zijn in O.-H. nog Israelieten, vooral in Gal-liciö; ook zijn er, meest in Zevenburgen en Hongarije, Zigeuners, die geene vaste woonplaats hebben.

De middelen van bestaan en de dichtheid van bevolking hangen nauw samen met de natuur des lands; bergbouw en industrie in de Oostenrijksche landen veel meer dan in de Hongaarsche; textielindustrie , vooral van katoen en wol, in Bohemen, Moravië {Brümi) en Silezië; ijzer- en staalfabrieken, in Bohemen, Oostenrijk {Steyer, het „Oostenrijksche Birminghamquot;) en Stiermarken; glas, waarvoor Bohemen een der eerste landen van Europa is; artikelen van weelde en smaak, waarin Weenen in eenige opzichten met Parijs wedijvert.

De hoofdproducten van den landbouw zijn in Hongarije; koren (o. a. maïs), tabak en wijn (o. a. Tokayer); veel kan nog worden gedaan voor de ontginning van gronden, het droogleggen van moerassen, enz.; geheele streken worden gebruikt voor veeteelt, vooral paarden en schapen.

In verband met de middelen van bestaan is het duidelijk, dat in Hongarije de bevolking meer verspreid woont en zich geene groote steden hebben ontwikkeld; wel aanzienlijke vlekken, marktplaatsen, waar de ruwe producten worden aangebracht. De eenige stad van den ien rang is dan ook Boedapest. Onder die van lageren rang is Szegedin het belangrijkst.

Bevolkingscijfer der aanzienlijkste steden;

Weenen 1 millioen.

Boedapest '/2 millioen.

Praag Triest

Leinberg Graz

Brünn Szegedin

Maria Theresiopel

Krakau

Presburg

Debrezin

ocr page 124

117

§ 6i. Hoofdwegen.

De Donau is een hoofdweg, die van het Westen naar het Oosten door de monarchie leult en aldus eene natuurlijke verbinding tusschen de verschillende deelen vormt. Op dien hoofdweg loopen de meeste groote en kleine wegen uit. De zijrivieren, die van verschillende zijden den Donau toestroomen, geven de richting van die wegen aan.

De Donau zelf is hier geheel bevaarbaar, behalve bij de zoogenaamde Donau-poorten (dit zijn vernauwingen van de rivier, doordien de bergen de oevers naderen; de bedding is hier rotsachtig, de stroom snel en onstuimig); bij de meeste van deze vernauwingen zijn echter de rotsen zoodanig opgeruimd, dat de scheepvaart er niet meer door lijdt; bekend en gevaarlijk is de Yzeren Poort bij Orsowa, op de plaats, waar de Donau de monarchie verlaat.

De Donau is dus van groot, natuurlijk belang en dit verklaart den naam van Donau-staat bij uitnemendheid.

Vragen 1. Welk koninkrijk heeft den beneden-Donau en kan dus ook een Donau-staat heeten?

2. Welke drie koninkrijken grenzen bij de IJzeren poort aan elkaar ?

3. Waar komt de Donau op Oostenrijksch gebied, waar op Hongaarsch, waar op Roemeensch ?

4. Welke rechterzijrivier neemt de Donau op bij Pass au; welke linkerzijrivier even boven Presburg!'

5. Welk riviereiland vormen de Donau-armen beneden Presburg ?

6. Welke is de hoofdrichting van Donau en Theiss in de Hongaarsche vlakte?

Belangrijke verbindingen:

1. Tusschen den Donau en Noord-Duitschland: van Weenen langs de March over 't zoogenaamde Marchfeld en verder door 't dal van de boven-Oder. Deze weg is in de geschiedenis bekend.

2. Donaugehied—Adriatische Zee: van Weenen gaat deze weg door verschillende Alpendalen langs Graz naar Triest. Naar een pas , over welken de spoorweg is aangelegd, heet hij Semnieringbaan. (Zie fig. 30.)

3. Donaugebied met het boven-Rijngebied: een jonge Alpenspoorweg, de Arlbergbaan, verbindt het Inndal, van Innsbruck uit langs Landeck, met liet Bodenmeer (Bregenz). (Zie fig. 30.) Innsbruck was al vroeger door een spoorweg met Weenen verbonden.

4. Uit het Inndal bij Innsbruck leidt een beroemde Alpenweg over

ocr page 125

118

den Brennerpas naar het dal van de Etsch en dus naar Italië; thans ook spoorweg {Brennerbaan). Deze weg heeft zijne hoofdbeteekenis ais ééne van de verbindingen tusschen Duitschlatid en Italië (als handelsweg reeds belangrijk in den bloeitijd van Venetië). (Zie fig. 30).

Behalve dit viertal hoofdwegen, waarlangs het meeste verkeer plaats heeft, zijn er nog eenige, welke evenwel op de kaart meer van zeiven in 'toog vallen. Het spreekt, dat b. v. het Elbedal eene voorname

verbinding aanwijst met.....(invullen); evenzoo is bij Eger

(N.W.-Bohemen) een belangrijke weg naar.......; enz.

Eene zeemogendheid is Oostenrijk-Hongarije natuurlijk volstrekt niet. Triest is door stoomvaartlijnen vooral verbonden met de Oostl. helft der Middelt. Zee; de mededinging met Venetië is moeilijk. Verder Fiunie, Pola, enz.

ZWITSERLAND.

§ 62. Natuurlijke gesteldheid.

Van .de Europeesche landen, die een deel van het Alpengebied innemen, is Zwitserland het Alpenland bij uitnemendheid, want van de 3 hoofddeelen, die men bij de Alpen kan onderscheiden, ken-

ocr page 126

119

merkt het middelste, de Ceutraal-Alpen , zich in 't bijzonder door zijne Alpennatuur (hoogte, gietschervorming, Alpenflora enz.). De Oost-Alpen zijn ook bekend door hun natuurschoon, gelijk wij reeds bij Oostenrijk opmerkten; Tyrol, Salzburg enz.; maar de Oost-Alpen zijn veel lager, vertoonen minder het karakter van hooggebergte; daarentegen worden de Alpen in Oostlijke richting steeds breeder, beslaan grooter gebied en loopen, door talrijke dalen gescheiden, waaiersgewijze uit in de Hongaarsche vlakte.

Zwitserland bestaat dus in de 1' plaats uit een Alpengebied; in de 2quot; plaats heeft het de Zzvitsersche hoogvlakte, aan den N. voet der Ccntraal-Alpen en 3e de Zwitsersche Jura, op de Fransche grenzen.

Deze natuurlijke deelen verschillen aanzienlijk; de kleinere hoogvlakte is goed bebouwd en beter bevolkt dan het grootere Alpenland ; op de hoogvlakte liggen de steden en is de industrie.

In de Zwitsersche Alpen met hunne uitstekende weiden is veeteelt hoofdmiddel van bestaan; daarnaast houtsnijiverk en jacht.

Van het geheele land (750 □ M.; l 'A X Nederland) rekent men wel Vs tot de weiden; '/3 kan zuoest, d. i. improductief, heeten; dit gedeelte ligt in de hooge Alpenstreken en in 't gebied der eeuwige sneeuw; de rest zijn wouden en bouwland.

Koren moet worden ingevoerd; producten van veeteelt kunnen worden uitgevoerd.

Delfstoffen bevat de bodem niet; de Alpen zijn daaraan arm (in de Oost-Alpen is het beter; mijnzout en ijzererts, zie Oostenrijk).

Tot de streken, die het meest bezocht worden, behooren;

Het Berner-Oberland, een trotsch Alpenland met hooge toppen (Jungfrau, Mönch, Finsteraarhorn e. a.); hier zijn de uitgestrektste sneeuw- en ijsvelden (groote Aletschgletscher voor de Rhóne); bekende watervallen als Staubbach, Giessbach, enz. Interlaken, bij de meren van Briënz en Thun, is het voorname station voor dit gebied.

De omstreken vati het meer van Geneve, met zacht klimaat en heerlijke natuur; Lausanne, Vevey, Montreux en talrijke plaatsjes.

Het Vierwoudsteden-meer, met Lucern, den Rigi, den Pilatus, enz.; in een historisch opzicht is dit gedeelte van Zwitserland bekend: in de Woudkantons (Uri, Schwijz, Unterwalden, Lucern) begon in de 14° eeuw de vrijheidsoorlog tegen de Oostenrijkers (Habsburgers).

Het aan wonderen der Alpenwereld overrijke kanton Gramvbun-der land, vanwaar Noordwaarts Europa's schoonste rivier naar Duitsch-land den weg neemt, terwijl 't Zuiden de bekoorlijkheden der Ita-liaansche natuur vertoont.

ocr page 127

120

Hoog boven en in de wolken verheffen zich de met eeuwige sneeuw bedekte toppen van het hooggebergte; lager liggen de groene weiden, waar de herder zijn eenzaam leven leidt, en daar beneden de donkere bosschen. In 't dichte oerwoud leeft nog de beer en in 't gebied van sneeuw en ijs wordt nog de gemsbok gejaagd. Van de verschrikkingen der Alpennatuur getuigen de donderende sneeuwstortingen {lawines), die in snelle vaart boomen, huizen, rotsblokken en al, wat in den weg ligt, met zich voeren tot ze in een dal neerstorten of, in eene bergkloof vallend, zich zelf verpletteren; de gletschers, velden van ijs, blinkend of bedekt met steenhoopen {moraines).

Duizenden en nog eens duizenden trekken jaarlijks op naar de Alpen; in Juli en Augustus zijn sommige plekken in Zwitserland, Tyrol en Noord-Italië schier onbereikbaar door een leger van touristen van alle natiën; te voet en te paard, in een rijtuig en in een draagstoel, per spoor of op een twee- of driewieler worden de schoonste plekjes opgezocht; maar alleen de voetreiziger is volkomen vrij in de keus van den te volgen weg en alleen hij geniet van

al de grootschheid van 'tbergland; voor wie goede beenen en goede longen bezit, is dat de ware manier. Ook kan hij 't gemakkelijkst de plaatsen vermijden, waar die menschenzwermen gonzen, bij Interlaken en Zurich, bij Vevey en Genève, enz.

Over eene lengte van 18 uren doorstroomt de Inn een der hoogste dalen van Europa: gemiddeld ligt Engadin op gelijke hoogte met den Rigi en heeft in tal van dorpen eene welvarende bevolking. Door de beschutte ligging reiken de korenvelden hier hooger dan elders in Zwitserland, terwijl op sommige plaatsen de gletschers bijna tot aan de heerbaan afdalen. Boomgroei reikt tot 2000 M. en als in de lente de sneeuw gesmolten is en 'thoogge-

ocr page 128

121

bergte de verschrikkingen van den winter vergeet, is 't, alsof de plantenwereld haar kortstondig leven in zonneschijn en warmte dubbel gebruikt door snelleren groei, door grootere afwisseling en door rijkdom van kleuren; de Scandinavische en de Italiaansche Hora reiken hier elkaar de hand. Voortreffelijke wijn wordt in de Zuidelijke dalen verbouwd, terwijl hier de heerlijke lucht en ook minerale baden tot menig gezondheidsoord aanleiding gaven {Davos, e. a.); tot bijna 2000 M. hoog liggen bekoorlijke plaatsjes als St.-Moritz en Silvaptana.

§ 63. Bewoners, enz.

Zwitserland heeft 3 nationaliteiten; Duitschers, Franschen en Italianen; de eersten hebben de meerderheid.

Van de 22 Zwitsersche kantons zijn er 3 Fransch; Geneve, Waadt-land [Pays de Vaud) en Neuchatel (Neuenburg); aan de zijde van Italië liggen de 3 Italiaansche of gemengde kantons; Wallis (le Valais), Tessino, Grauwbunderland. Wel ló kantons zijn dus Duitsch.

De 22 kantons vormen een Bond; de bondsregeering is gevestigd in Bern; de zelfstandigheid der kantons is zeer groot.

De bewoners van het Alpenland zijn Katholiek; die van de hoogvlakte meerendeels Protestant.

De geheele bevolking bedraagt 3 millioen; de betrekkelijke bevolking is veel aanzienlijker (3 a 4000) dan de natuur zou doen verwachten ; zeer groote tegenstellingen komen voor, gelijk uit het over de natuur meegedeelde verklaard wordt.

Belangrijk is de industrie, die zich ontwikkeld heeft ondanks de bezwaren, die in Zwitserland moesten worden overwonnen ; invoer van steenkool en van grondstof beide.

Textiel-industrie: katoen, zijde en linnen, in 't gebied van Zurich en bij het Boden-meer; ook belangrijke kantklopperijen.

Horloge-industrie: Geneve en in de Jura (Chaux de Fonds e. a.).

De middelen van bestaan volgen verder uit de natuur van het land; veeteelt als hoofdzaak en andere Alpenbedrijven.

Een hoofdmiddel van bestaan brengt voor de Zwitsers het vreem-denbezoek jaarlijks mee; in den zomer is alles levendig, de herders gaan naar de Alpenweiden, de gidsen en jagers naar het gebied van sneeuw en ijs.

Evenals de Tyrolers en andere Alpenbewoners, kenmerken de Zwitsers zich door hun vrijheidsgevoel, liefde voor hun land, godsdienstzin en andere goede eigenschappen. De volksontwikkeling is gunstig. Een staand leger kennen de Zwitsers bijna niet, zoodat het krijgswezen niet jaarlijks aanzienlijke uitgaven vordert; toch is de weerbaarheid van het volk uitstekend.

ocr page 129

122

Steden: Geneve (80), Zürich, Bazel (80); de 3 grootste steden van Zwitserland; Geneve is het middelpunt van het Fransche Zwitserland en heeft eene heerlijke ligging en belangrijke verkeerswegen ; Zürich is het middelpunt van het Duitsche Zwitserland, is eene belangrijke fabrieksstad (textiel- en metaal-industrie) en heeft al het Duitsch-Italiaansch verkeer; G. en Z. hebben beide bekende hoogescholen. Bazel is het middenpunt van groote wegen tusschen Duitschland, Frankrijk en Zwitserland.

Bern (50), aan de . . . ., zetel van de bondsregeering; aanzienlijkste stad van de hoogvlakte; middelpunt van verkeer.

Dan telt Zwitserland eenige stadjes met tusschen IO en 20.000 inw., meest gelegen in de nabijheid van de schoonste deelen des lands en in het industriëele gebied bij het Boden-meer.

In het Alpengebied liggen de aanzienlijkste plaatsjes in de lengtedalen en aan de wegen naar Italiü; verder zijn daar talrijke Alpendorpjes , met weinig bevolking, vooral 's zomers.

3. Arlberg-

4. Brenner-

5. Semmering-

§ 64. Voornaamste wegen door de Alpen.

De dalen en passen zijn door de natuur aangewezen voor het verkeer ; geen gebergte is er rijker aan dan de Alpen; lengtedalen als van Rhóne, Rijn en Inn; dwarsdalen als van Reuss, e. a.

Oos ten rijk—Meer van Constanz.

Zuid-Duitschland—Venetië.

Weenen en het Donaugebied—Triëst en de

Adriatische Zee.

ocr page 130

123

In onze dagen letten wij bij het verkeer, ook in de Alpen, in de eerste plaats op de hoofdspoorwegen; deze dragen den naam naar den langsten van de vele tunnels, die bij den aanleg moesten worden geboord, of naar den bergpas, waarover zij voeren.

Bij het beschouwen van de vijf aanzienlijkste Alpenspoorwegen kan het ons in 't oog vallen, dat er 4 in tegenstelling van den 5en eene hoofdrichting gemeen hebben : „zij verbinden Midden-Europa met Italië en het gebied der Middelt. Zeequot;; welke van de 4 het belangrijkst is, valt nu nog nauwelijks te beslissen; nquot;. 1 wordt gebruikt voor de Eng. mail (Londen-Dover-Calais-Parijs-Lyon-Brindisi); n°. '2 is door de natuur aangewezen als de weg voor het Rijngebied en Nd.-Duitsland ; ook heeft de St.-Gothardbaan reeds veel beteeke-nis voor Parijs en Nd.-Frankrijk.

De Arlbergbaan, de jongste, is aangelegd om den handel van Oostenrijk met het Rijngebied op te wekken; deze weg zal misschien groote beteekenis krijgen en kan de kortste verbinding zijn tusschen Weenen en Parijs.

Het aantal wegen is verder groot in de Alpen; breede kunstwegen en smalle voetpaden; tot de hoofdwegen behooren zeker die over den Sintpion en die over den Splügen, beide ook in de Centr.-Alpen; over den eerstgenoemden pas legde Napoleon een breeden straatweg aan, waaraan zijne soldaten 5 zomers arbeidden (1801—'05).

De Simplonweg uit het Rhone dal, van Brieg naar Lago Magiore.

De Splügen uit het Rijndal „ Lago di Conto.

ITALIË.

§ 65. Het koninkrijk Italië komt in grootte vrij wel overeen met Groot-Brittanie en Ierland (zie fig. 20), ongeveer 9 X Nederland; aantal inwoners 7 X dat van Nederland.

Door zijne ligging behoort het tot Zuid-Europa en heeft dus een gunstig klimaat; 46^° —36^° N.-B. Venetië, Rome en W.-Sicilië liggen onder één meridiaan. De Middellandsche Zee schonk in de Oudheid den invloed van de Grieksche wereld, daarna de heerschappij over 't gansche Middell. Zee-gebied; in de Middel-eeuwen den handel op 't Oosten, die in onze dagen herleefde.

De kusten , ofschoon van groote lengte, zijn over 't geheel ongunstig, laag en moerassig, zooals aan de Po-vlakte, in Toscane en

ocr page 131

124

Latium; hooger en gunstiger zijn die van de Riviera, Campanië, Sicilië.

Naar de natuur kunnen wij bij Italië onderscheiden:

l. Het Alpengebied.

2 De Povlakte.

3. Het gebied tier Appenijnen.

4. De vlakte van den Arno.

5. De kustvlakten van Toscane, van Rome en van Napels.

6. De eilanden Sicilië en Sardinië (elk ±1 % Ned.); Elba en eenige kleinere kusteilanden, waarvan de belangrijkste bij de golf van Napels.

Het Alpengebied bevat de Oostelijke dalen der West-Alpen en de Zuidelijke dalen der Centraal-Alpen. Vooral de Z. Alpendalen zijn bekend door natuurschoon, de Italiaansche meren met daarin gelegen eilandjes, het zachte klimaat, dat wijnbouw en zijdecultuur toelaat. Vergelijkt men b.v. 't klimaat van Bellinzona (staatkundig tot Zwitserland, naar de natuur tot Italië behoorend), in het dal van de.....,

met dat van Milaan, dan zijn de winters in B. veel minder streng, de zomers veel minder drukkend.

Opgaven.

1. Zoek op de kaart de grootste meren in de Zuidelijke Alpendalen en geef op, welke rivier door elk dier meren stroomt.

2. Door welke dalen loopen de Mt.-Cenis-baan, de St.-Got-hard-baan en de Brenner-baan, aan de Italiaansche zijde ?

3. Welke spoorweg voert uit Italië naar Weenen, welke naar Parijs en Londen, welke naar het Rijngebied?

4. Welke spoorweg verbindt langs de Riviera Italië en Frankrijk ?

De Povlakte, een voormalige inham van de Adriatische Zee, is gevormd door aanslibbing van de Po en vele kleine rivieren van Alpen en Appenijnen. De bodem bestaat daardoor bijna geheel uit alluvium en is zeer vruchtbaar; Lombardije is met Sicilië eene korenschuur voor Italië; tarwe, maïs, op enkele plaatsen zelfs rijst.

Een merkbaar verschil valt op te merken wat den bodem betreft; naarmate men dichter bij den voet der Alpen komt, wordt de grond minder vruchtbaar , meer steenachtig; 't midden der vlakte heeft dus besten grond. (Tracht dit te verklaren.)

ocr page 132

125

Er zijn soms geweldige overstroomingen en in Lomb. zijn, niet minder dan in Nederland , kostbare dijken noodig.

Het klimaat in Noord-ltalië is zacht, maar de winters kunnen erg kond zijn en de zomers erg warm.

De kust neemt in uitgebreidheid snel toe; Ravenna, in den Rom. keizertijd eene oorlogshaven, is thans door een groot bosch van de zee gescheiden.

De lagunen zijn binnenzeeën, door eene strook zandgrond van de zee gescheiden; die zandbanken en eilanden heeten lidi. Sommige lagunen zijn vischrijke, zoute meren en ongezonde poelen; andere, die met kanalen zijn doorsneden , dienen voor de scheepvaart, b. v. bij Venetië , en staan door openingen met de zee in gemeenschap (Porti).

§ 66. De Appenijnen zijn over 't geheel dichter bij de Oost-, dan bij de W.-kust, zoodat de grootere rivieren naar deze stroomen en de grootere vlakten met hare dichte bevolking aan de Westzijde liggen.

De Westkust van Italië is dan ook altijd veel belangrijker geweest dan de Oostkust, omgekeerd dus als bij Griekenland; aan de W.-kust ontwikkelden zich de groote steden. Terwijl verder Grie-kenlands Oostkust naar Klein-Azië en Egypte is toegekeerd, wees Italic's belangrijkste kust naar de Westelijke helft der Middl. Zee; Sicilië, Zuid-Gallië , Spanje, N.W.-Afrika.

De belangrijkste wegen in de Appenijnen zijn;

1. Genua—Povlakte.

2. Florence—Bologna.

3. — door het Arnodal naar het Tiberdal—Rome.

4. Rome—Oostkust (Ancona).

Het hoogste en woestste gedeelte van de App. zijn de Abruzzen (Gran Sasso, 2900 M.), steil, moeilijk toegankelijk, vol holen en kraters. Dit was het gebied der Sabijnen, een krachtig volk van herders en boeren, zoo moeilijk door de Romeinen bedwongen. Nog heden behoort deze streek tot de minst bekende van Italië; toch is de regeering er in geslaagd aan het bandietenwezen een einde te maken.

Tusschen de hoofdkam der App. en de W.-kust liggen talrijke lagere ketens, Sub-Appenijnen. Terwijl de hoofdketens hoofdzakelijk uit kalkgesteenten bestaan, dat de aanwezigheid der vele grotten en holen en den rijkdom aan marmer verklaart, zijn de Sub-App. vooral vulkanisch, evenals de voortzetting der App. op Sicilië. Al zijn thans alleen de Vesuvius, Etna en Stromboli meer werkzaam, op vele plaatsen bestaan kratermeren, heete bronnen, gasopstijgingen, b.v. op de Phlegraeïsche velden bij Napels.

ocr page 133

126

De Apnovlakte is een der vruchtbaarste en best bebouwde deelen van Italië, Lombardije in het klein, maar met nog meer Italiaansch klimaat; het hoofdproduct zijn clan ook de olijven (uitvoerhaven Livorno).

Bij Pisa reeds beginnen de om hare moeraskoortsen (malaria) gevreesde maremmen, die de W.-kust vergezellen. In 't koele jaargetijde zijn in de eentonige grasvlakten talrijke kudden, vooral halfwilde buffels met bereden herders; in den zomer keeren deze naar de bergen terug en zijn de maremmen geheel verlaten. Dat in de oudheid de kustvlakten in beteren toestand verkeerden, bewijzen talrijke bouwvallen. De hooge duinen maken, dat de riviertjes onvoldoende afwatering hebben.

De Campagna felice, =h 15 uur gaans lang en ±: 5 uur breed, was al in de Oudheid en is nog eene prachtige, vruchtbare streek; de tuin van Italië, zorgvuldig bebouwd en met stadjes en villa's bezaaid. Hier groeien vooral de zuidvruchten en de kostbare wijnsoorten (Falerner, Lacrimae Christi); in de laatste jaren is er katoen-bouw. Op de hellingen der bergen zijn dichte kastanjewouden; in de vlakte cypressen en reeds eenige palmensoorten.

De Vesuvius (1268 M.) staat geïsoleerd. Zijn groote krater, de Somma, was oudtijds met dichte bosschen begroeid en Spartacus had eenmaal daar zijn legerkamp (73). Toen gold de vulkaan als rustend; de tegenwoordige eruptie-kegel ontstond in 79 n. C.

Sedert zijn weder eeuwen van rust gevolgd, afgebroken door kleinere en grootere uitbarstingen.

In de Phlegraeïsche velden had nog in 1538 eene groote uitbarsting plaats en ontstond binnen enkele dagen de Monte Nuovo.

Sicilië heeft in lateren tijd veel verloren van 't belang, dat het in de Oudheid bezat, toen aan de kusten levendige handel bloeide en van den bodem beter partij werd getrokken. Vooral Sicilië heeft veel geleden door de kwaal van Italië: de aanhoudende wisseling in de heerschappij en de voortdurende oorlogen. De bosschen zijn er verdwenen en dit had nadeeligen invloed op de besproeiing; het vruchtbaarst en best bebouwd is de vlakte van Catania, aan den voet van den Etna.

Aan de uitstekende kust zijn de beste havens; Palermo en Messina en in de oudheid vooral Syracuse; dit is thans eene vuile, onbeduidende stad.

De Liparische en Aegatische eilanden zijn ook vulkanisch {Stromboli).

De Etna (3300 Meter) is niet één enkele vulkaan, maar een berggroep; hoog boven de talrijke kleine eruptie-kegels verheft zich de hoofdtop. De

ocr page 134

127

werkzaamheid is zeer onregelmatig, eene groote tegenstelling met den Strom-boli ( 500 Meter), die — gadegeslagen gedurende meer dan 20 eeuwen — nooit een kwartier uurs rust, zóó dat zijn arbeid vergeleken is met de ademhaling van een dier (von Humboldt).

De aanzienlijke zwavelgroeven van Sicilië liggen aan de Zuidzijde; zij brengen jaarlijks l.j 2 millioen centenaars op.

Sardinië is in de binnenlanden woest en weinig bekend; de bewoners zijn er nog natuurmenschen. In den laatsten tijd brengen de mijnwerken, vooral in Z.-S,, verandering in de toestanden. Zink en lood, vooral bij Iglesias; uitvoerhaven Cagliari.

Corsica werd in 1768 door de republiek Genua aan Frankrijk afgestaan. Onder de kleinere eilanden; Elba (zoo groot als Texel), met Porto-Ferrajo; Caprera, bekend als woonplaats van Garribaldi; de Napolitaansche eilandjes.

§ 67. Middelen van bestaan, enz.

Italië is in de eerste plaats akker- en wijnbouwstaat.

Van de vroegste tijden af bestonden de bewoners van het Italische schiereiland uit boerenvolken: de landbouw was geheiligd, de oudste wetten waren akkerwetten. Zoolang groote grondbezitters ontbraken, heerschte welvaart; de bodem werd goed besproeid en schonk, dank zij 't heerlijk klimaat, koren, ooft, wijn aan eiken bewoner. In lateren tijd lagen groote streken woest en verlaten; ook tegenwoordig nog toont Italie's bodem op vele plaatsen 't beeld van verval, gelijk men dat waarneemt in de tallooze overblijfselen van verwoeste steden, heerbanen , waterleidingen, die bewijzen, dat Italië eens —-als thans Engeland — uitnemend was gecultiveerd.

De volken, die Italië bewoonden, toonden in veel opzichten het tegenbeeld van de Hellenen: bij hen was allermeest de practische zin ontwikkeld; zij zijn 't meest bewonderd in hun talent van wetgeving, zoo op maatschappelijk gebied, als in 't staats- en 't volkenrecht. Zij misten den oorspronkelijken aanleg voor beeldende kunsten en waren op dit gebied evenals in de litteratuur, navolgers der Grieken.

Niet zoo belangrijk als de akkerbouw is de veeteelt; rundvee in de Z. Alpendalen en hier en daar in de Povlakte, b. v, in de Aeniilia; de schapenteelt^is belangrijker, vooral in Apulië.

Voor den handel zijn hoofdzaak; zuidvruchten, wijnen, maïs, tarwe, zijde, wol.

Uit het delfstoffenrijk; zwavel op Sicilië (% van al de Eur. zwavel); zink en lood op Sardinië; ijzer op Elba; marmer van Carrara (Toscane).

Fabrieksnijverheid is in Italië nog geene hoofdzaak; zij is voornamelijk gevestigd in Lombardije; zijdefabrieken, stroovlechterijen , glasfabrieken. Maar hoog stond altijd de kunstnijverheid; beroemde vazen en bronzen (Etruscen); beeldhouwkunst in marmer; terra-cotta en fayence.

ocr page 135

128

Ondanks de ongelukkige geschiedenis behoort Italië tot de dichtbevolkte landen; dit komt door zijne natuurlijke gesteldheid : eene uitstekende ligging, een op veel plaatsen vruchtbare bodem, een heerlijk klimaat, dat van het klimaat in W.-Europa vooral verschilt door den meerderen zonneschijn en het geringer aantal regendagen.

De tegenwoordige indeeling in provincies (69) heeft weinig belang; gewoonlijk gebruikt men de namen der historische deelen.

Eerst in 1861 zijn de verschillende deelen van Italië opnieuw tot één rijk vereenigd geworden. Eeuwen lang was het land verbrokkeld en grootendeels onder heerschappij van vreemden.

Onmiddellijk vóór l8ól waren in Italië de volgende staten:

1. Het koninkrijk Sardinië, bestaande uit; het eiland Sardinië, Piëmont, Ligurië, Savoye en Nizza.

2. Het Lombardisch- Venetiaansch koninkrijk onder Oostenrijksch bestuur.

3 en 4. De hertogdommen Parnia en Modena, tezamen vormende het landschap Aemilia, ten Z. van de IV).

5. Het groothertogdom Toscane, het gebied van den Arno,

6. De Kerkelijke Staat, waartoe behoorden: Latium (Patrimonium Petri), de Marken, Umbrië en Romagna.

7. Het koninkrijk der beide Siciliën.

Savoye en Nizza moesten in 1861 aan Frankrijk worden afgestaan voor de hulp van Napoleon III. Venetië is eerst in 1866, Rome in 1870 aan den jongen staat gekomen.

Het Italiaansch taalgebied omvat verder nog Corsica (Fransch), de Maltagroep (Eng.), Triest (Oostenrijksch), de Z. Alpendalen (gedeeltelijk Zwitsersch en Oostenrijksch grondgebied).

In 1861 werd Turijn de hoofdstad, in '66 Florence, in '70Rome.

De gevolgen van de vroegere geschiedenis zijn nog duidelijk zichtbaar, o. a. in de verwaarloozing van de hulpbronnen van het land, den grooten schuldenlast en daardoor de hooge belastingen, den verschillenden trap van ontwikkeling en de weinige gehechtheid tus-schen de bewoners van de verschillende deelen.

§ 68. Steden met meer dan lOO.OOO inwoners:

Napels (500). Ligging in eene prachtige natuur en gunstig voor den handel; stoombootvaart op alle havens aan de Middell. Zee en station voor de stoomschepen op Indië. Vóór de golf de eilandjes; Capri, Ischia en Procida. Dicht bij N. de stadjes: Portici, Resina , Castellamare, Torre del Greco, enz.

Aan de 2' mooie bocht Salerno, handelsstad van den 2™ rang ; aan de 3C bocht Gaëta, het Italiaansche Gibraltar.

ocr page 136

129

Rome (400), met den bijnaam de Eeuwige Stad; merkwaardig voor geschiedenis en kunst en nog altijd het geestelijk middelpunt voor de Katholieke Christenheid. De museums bevatten schatten, uit Griekenland geroofd, in den Rom. Keizertijd geschapen en van de Italiaansche kunst van de I5e en l6e eeuw (Renaissance).

Nog altijd zijn er veel kloosters en geestelijke inrichtingen; het volk in Kome doet weinig en leeft grootendeels van de vreemden.

De St.-Pieterskerk met omgeving, vv. o. het Vaticaan, is alleen onder het bestuur van den Paus gebleven.

Rome heeft geen haven meer aan den Tibermond; Civita Vecchia kan als haven gelden.

Rome ligt op de plaats, waar de Teverone (Anio) in de Tiber valt en zich aan beide zijden der rivier de laatste heuvels verheffen; oorspronkelijk was 't eene havenplaats, wel voor kleine zeeschepen bereikbaar, 't Werd de plaats, waar de groote heerbanen samenkwamen; o. a. de via Apfiia, de drukste van alle, die Zuidwaarts leidde, waar nu de Pontijnsche moerassen zijn, vervolgens naar Capua en vandaar naar Tarente en Brundisium.

Twee mijlen ten Z.O. van Rome verheffen zich de schoone Albaner bergen, eene groep uitgedoofde vulkanen, misschien één groote krater, waarvan de bodem thans wordt ingenomen door talrijke meertjes en jongere eruptie-kegels. Hier lag eens Alba Longa; thans zijn er talrijke dorpen, bosschen, villa's, waar de Romeinen 't kwade jaargetijde (malaria) doorbrengen.

„De groote aantrekkingskracht, door Rome op de gansche beschaafde wereld uitgeoefend, bestaat in zijne monumenten en bouwvallen; de triumfbogen, de gebroken zuilen , de puinhoopen van paleizen, het Colosseum, zij zijn wonderwerken van bouw- en beeldhouwkunst en spreken van antieke grootheid. De opgravingen brengen steeds meer aan 't licht, doch veel van 't oude is vernield of verminkt: steen en metaal zijn gebruikt voor den bouw van Christenkerken en andere middel-eeuwsche gebouwen, totdat verlichte Pausen de voortzetting van dat Vandalenwerk hebben belet.

En ook het moderne Rome dankt veel, schier alles, aan het Pausdom: de hooge Italiaansche geslachten, waaruit de pausen der laatste 300 jaren zijn voortgekomen, hebben niet alleen paleizen gebouwd voor zich zeiven, maar ook waterleidingen voor het volk. Aan pausen komt de eer toe, terwijl zij met de eene hand museums stichtten en de kunst aanmoedigden, met de andere de stad gezond gemaakt en het leven van hare bewoners tegen de pest der moeraskoortsen beschermd te hebben.

Het Pauselijk Rome met zijne paleizen, muesums, zijne tuinen en villa's, zijne St.-Pieterskerk, wier koepeldak misschien het grootste van alle wonderen der menschelijke bouwkunst is , vormt echter een scherp contrast met Rome als wereldstad, met nauwe en kromme straten, onregelmatige pleinen, 011-oogelijke huizen, verwaarloosde openbare gebouwen.quot; (Busken Huet.)

Florence, la Bella (200); gunstige ligging in de Arnovlakte. Prachtige kunstverzamelingen; sedert de I5e eeuw middelpunt van de Italiaansche beschaving.

Livorno is de haven; Pisa, in de dagen der kruistochten mede-AlTl'ON, Beknopt Leerboek. 3quot; druk. 9

ocr page 137

130

dingster van Venetië en Genua, is vervallen. Livorno is betrekkelijk jong, opgekomen in den tijd der Medici (15° en l6e eeuw); 'tis minder Italiaansch dan eenige andere stad van Italië (er vestigden zich kolonisten uit alle landen).

Genua, la Superba (200); amphiteatersgewijze gebouwd in de heerlijke kuststreek der Riviera. Tegenwoordig le handelsstad van Italië ; weg over de Appenijnen en St.-Gothardbaan.

Aan de Riviera gezondheidsoorden als San-Remo. Oorlogshaven Spezzia.

Turijn (300), middelpunt van het Fransch-Italiaansch verkeer; T. onderscheidt zich in bouworde van de overige Ital. steden , daar het meer modern is aangelegd; de Ital. steden zijn anders over het geheel vuil en oud, met nauwe bochtige straten.

Milaan, la Grande (400), middelpunt van het Duitsch-Italiaansch verkeer; St. Gothardspoorweg en Sim.plonstraatweg; grootste fabrieksstad van Italië , vooral zijde-industrie.

In Lombardije liggen aan de moerassige rivieren sterke vestingen; als Mantua, Verona, e. a. (overeenkomst met Nederland).

Venetië (150), lang niet meer zoo belangrijk als vroeger, maar toch nog eene aanzienlijke koopstad.

Bologna, beroemde academiestad en eene van de steden, waar de hoofdverkeerswegen samenkomen.

Palermo (250), bijna Oostersche stad , eene der eerste koophavens van de Middell. Zee; tegenwoordig veel levendiger dan Venetië.

Messina, levendige handelsstad; de ligging was altijd gunstig voor het verkeer tusschen Italië en Sicilië; de stoomschepen van Genua, Napels enz. naar den Levant, Suez e. a. gaan door de Straat van Messina.

Catania, in de vruchtbare vlakte aan den voet van den Etna.

Aanzienlijk is het aantal steden in Italië van den 2en en lageren rang; meer dan 20, die boven 50.000 inw. tellen; de meeste steden zijn van ouden oorsprong; vooral Lombardije is er rijk aan; sommige zijn reeds genoemd en de andere hebben geen algemeen belang.

ocr page 138

131

Z.O.-EÜROPA OF HET BALKANSCHIEREILAND.

§ 69. Staatkundig-e indeeling-. Hoofdsteden.

1. Sultanaat Turkije. Constantinopel.

2. Koninkrijk Roemenie. Boekarest.

3- » Griekenland. Athene.

4' )) Servië Belgrado.

5. Vorstendom Boelgarije (schatplichtig aan Turkije). Sofia.

6. Oost-Roemeiïè, autonome, d. i. zelfstandige provincie van Tur-

Philipopel.

?• Vorstendom Montenegro. Cettinje (een dorp).

8. Bosniè (en Herzegowina); Turksch , maar tijdelijk (?)

door Oostenrijk bezet, Serajewo.

9. Dalmatië, een der landen van de Oostenrijksche kroon. Zara.

Deze indeeling dagteekent van het Congres te Berlijn (1878), waar

''de vertegenwoordigers van de voornaamste Europeesche mogendheden de zaken in dit gedeelte van het werelddeel hebben geregeld na den jongsten Russisch-lurkschen oorlog (1877)- In geen deel van Europa heeft de staatkundige kaart in de laatste eeuw zoo herhaalde en zoo groote veranderingen ondergaan, wat ons duidelijk zal zijn , als wij straks letten op de verschillende nationaliteiten, die hier wonen en die allen sedert meer dan 4 eeuwen onder de Turken waren. In t begin van deze eeuw begonnen de pogingen, om aan dat juk een eind te maken; de Grieksche vrijheidsoorlog, opstanden in alle deelen verzwakten den Turkschen staat en deze heeft thans niet meer in Europa, doch in zijn Aziatisch gebied zijn zwaartepunt.

Ligging en horizontale vorm.

Van de Z.-Eur. schiereilanden kenmerkt het Westelijke of Iberische zich door zijn gesloten vorm, waardoor het, gelijk in andere opzichten , met Afrika overeenkomt; het Oostelijke daarentegen door zijne rijke geleding: schiereilanden en eilanden, gunstige kusten.

De natuurlijke begrenzing is aan drie zijden door de zee; aan de 4', de Europeesche zijde, is zij minder scherp geteekend dan dit b.v. door de Pyreneën en de Alpen bij Spanje en Italië het geval is. Gewoonlijk neemt men de dalen van Sau en Donau als natuurlijke grens, waarbij Roemenië dan buiten valt.

Bij Italië zijn de Westelijke kusten het belangrijkst; bij deze landen de Oostelijke: deze toch zijn 't meest geleed, talrijke baaien dringen landwaarts in en eene schier ontelbare eilandenmenigte ligt

9*

ocr page 139

132

er voor. De scheepvaart ontwikkelde zich van zelf, waar land en zee zoo veelvuldig met elkaar in aanraking zijn, dat de zeevaarder de kust nooit aan den horizont verliest: Griekenlands kustontwikke-ling doet niet onder voor die van Noorwegen of Schotland en de stroomen en nevelen , welke ginds den zeeman dreigen, ontbreken hier.

In de meerdere kustontvvikkeling aan de Oostzijde ligt de verklaring , dat de Grieken vooral met Klein-Azië, Phoeniciö, Egypte in betrekking stonden; de Romeinen meer met het Westen.

Eilandengroepen: l. Euboea en de Cydaden, d. z. die, welke meer in een kring liggen; o. a. Syra, Paros, Delos, Santorini.

2. De Sporaden, meer verspreid (meerendeels nog Turksch); o.a. Chios en Rhodes.

3. De Jonische eilanden, o.a. Corfoe, Zante, Thiaki (Ithaka).

4. Creta (nog Turksch).

Zoowel de kusten van het vastland als deze eilanden zijn rijk aan uitstekende havens; scheepvaart was altijd in de Aegaeïsche en Jonische zeeën hoofdmiddel van bestaan. Deze beide zeeën waren, tot op zekere hoogte, in de oudheid Grieksche binnenzeeën, want aan de Oostelijke zijde der Aegaeïsche en aan de Westelijke der Jonische Zee lagen juist de talrijke en bloeiende koloniën (Kl.-Azië en Groot-Griekenland). Toch stonden, gelijk reeds boven gezegd, de Grieken meer met het Oosten dan met het Westen in betrekking: uit het Oosten kreeg Griekenland eerst zijne bewoners, daarna zijne beschaving ; naar het Oosten vooral zond het later zijne kolonisten uit, die der Helleensche cultuur tot ver in Azië den weg baanden.

Bij de Adriatische Zee bestond tusschen de W.-kust van het Balkanschiereiland en de Oostkust van Italië niet zulk een druk verkeer, evenmin als tegenwoordig (Durazzo-Brindisi).

§ 70. Bodem, rivieren enz.

Groote afwisseling kenmerkt den vorm van den bodem; de vorm van gebergte komt het meest voor; de volgende natuurlijke deelen kunnen wij hierbij onderscheiden:

1. Het Dalmatisch Bergland (o. a. Dinarische Alpen).

2. „ Bosnisch-Servisch „ .

3. „ Boelgaarsch „ (o. a. Balkan).

4. „ Macedonisch „ .

5. „ Albaneesch „ (o. a. Pindus).

6. „ Peloponnesisch „ .

Twee richtingen zijn kenmerkend; 1. in het Westen van N.W. naar Z.O. en 2. in het Oosten van W. naar O.

ocr page 140

133

In de r richting loopen b. v. de Dinarische Alpen, de Schar Dagh (Dagh = gebergte), Bora Dagh, Pindus; in de 2C richting vooral de Balkan.

In het Z. verheffen zich op zichzelf staande berggroepen; O eta, Parnassus, Taygetos.

Het Laagland bestaat vooreerst uit de beneden-Donauvlakte en verder uit de belangrijkste rivierdalen: Maritza, Toendja, Var dar, Salambria en kleinere.

Deze dalen onderscheiden zich door hunne gunstige natuur: een heerlijk, warm gematigd klimaat, geschikt voor zuidvruchten en wijn, tabak, maïs en zelfs voor rijst en katoen; zijdewormen.

De berglandschappen zijn ten deele guur en woest, vooral in het N.W., alleen geschikt voor veeteelt, b. v. Montenegro (Czernagora, Zwarte Bergen, in den zin van donker, woest), Albanië e. a. In de Dinarische Alpen zijn holen, grotten, verdwijnende rivieren (gevolg van de kalkgesteenten).

Gelijk alle warm-gematigde en sub-tropische landen lijden vele streken aan gebrek aan water en kan zonder kunstmatige besproeiing de bodem weinig opbrengen. Veeteelt (van schapen) is in zulke landen hoofdzaak (overeenkomst met Spanje , sommige streken van Italië , Klein-Azië , e. a ).

De eilanden zijn alle bergachtig; de meeste zijn oud-vulkanisch en dat vulkanische werkingen in die streken nu nog mogelijk zijn, bewezen in deze eeuw de uitbarstingen van Santorini en de aardbevingen op Chios en Zante. De natuur der meeste eilanden is uiterst gunstig; zij zijn dan ook over 't geheel dichter bevolkt dan het vastland. Zuidvruchten (olijven, rozijnen, krenten) en wijnen zijn de uitvoer-artikelen uit de goede, natuurlijke havens.

§71. Bevolking.

Het geheel aantal bewoners van het Balkanschiereiland bedraagt ruim 18 millioen, dus op rt 10.000 □ G. M. eene niet aanzienlijke betrekkelijke bevolking, in welk opzicht dit schiereiland overeenstemt met het Iberische en verschilt van het Italiaansche, Die 18.000.000 menschen verkeerden van de 15' tot de tgquot; eeuw in een staat van onderworpenheid aan een slecht ïurksch bestuur en dat niettegenstaande het aantal Turken maar zoo klein is; op 't oogenblik zijn er niet veel meer dan 2 millioen Turken of Osmanen.

ocr page 141

134

Overzicht van de verschillende volken:

Roemeniërs (5 millioen).

Servische volken (Serviërs, Bosniërs, Montenegrijnen).

Grieken.

Boelgaren.

Turken.

Albaneezen (Arnauten).

Israelieten.

Zigeuners.

De godsdienst is over 't geheel de Grieksch-Katholieke of de Mohammedaans che.

De staatkundige grenzen vallen in dit deel van Europa nog lang niet samen met de ethnologische: zoo b. v. wonen de Grieken ook langs den rand van de Aegaeïsche zee tot onder de muren van Con-stantinopel; vandaar in de laatste jaren het streken der Grieken naar vergrooting van hunnen staat. Ook in andere opzichten zijn de toestanden in deze landen nog niet duurzaam geregeld en rassenhaat kenmerkt de verhouding van al deze volken.

De Serviërs namen een tijdlang eene plaats van gewicht in onder de Slaven: hun czarenrijk strekte zich behalve over 't tegenwoordige Servië ook uit over Bosnië, Boelgarije , Macedonië, Epirus en Albanië. Maar zij bezweken voor de Turken ; hun land werd bezet, 't volk onder zware lasten verdrukt en vernederd ; doch in heldenzangen leefde de vrijheidsgeest voort, tot in de 19' eeuw de diep gewortelde Turkenhaat in opstand en vrijheidskrijg losbarstte.

De Albaneezen zijn dapper en vrijheidlievend, storen zich in hunne bergen weinig om den sultan; gedeeltelijk zijn zij Muzelman en vormen dan een der beste bestanddeelen van het Turksche leger.

Middelen van bestaan: Landbouw en veeteelt zijn hoofdzaak, doch de bodem brengt in de verste verte niet op , wat hij bij betere verzorging zou kunnen doen.

De Roemenen en Boelg-aren verbouwen vooral koren (Turksche tarwe) en tabak; de Turken: zuidvruchten, reukwerken (vooral rozenolie), tabak, maïs; verder is er zijdeteelt; bij de Serviërs, Bosniërs, Montenegrijnen en Albaneezen is veeteelt hoofdzaak, vooral schapen.

De Grieken aan de kusten en op de eilanden zoeken voor 't meerendeel hun bestaan op zee; goede matrozen (vroeger zeeroovers),

ocr page 142

135

duikers , sponsvisschers. De Grieksche sponsvisschers hebben in da Oostelijke helft der Middell. Zee een monopolie ; vooral die van Aegina en Hydra zijn sedert de oudste tijden bekend als goede duikers; eerst in de laatste jaren maken zij bij hun gevaarlijk bedrijf van toestellen gebruik. De visscherij heeft plaats van Mei tot September; gewoonlijk in volzee, eenige mijlen buiten de kust; bij voorkeur op een rotsbodem, waar op eene diepte van 30 a 40 M. de schoonste sponzen groeien. Als de spons gevischt is, ziet ze er vuilzwart uit; de eenige bereiding bestaat in 't trappen met de voeten in water, dat herhaaldelijk verfrischt wordt; vaak wordt ze daarna kunstmatig gebleekt, doch dit is soms ten nadeele van de kwaliteit. Bij weinig takken van handel heerscht zooveel bedrog; de fijnste sponzen komen uit de wateren bij den Levant en Syrië, de meeste uit die bij Barbarije.

Griekenland is op de meeste plaatsen weinig vruchtbaar; rotsen, meest van graniet, geven aan de natuur 't karakter van schoonheid, doch zij zijn vaak alleen met een dunne laag zand bedekt. De hellingen der bergen zijn niet met bosschen begroeid, wat een groot nadeel is voor 't ontstaan en vooral voor eene regelmatige voeding van de rivieren.

In 't binnenland is de bodem dan ook haast alleen voor veeteelt geschikt; in de dalen is landbouw ; wijnbouw, olijven , moerbezie-boomen , bijen , zijn belangrijk , ook op 't vastland van Griekenland. De eilanden zijn echter vooral 't gebied der olijven, wijnen, rozijnen en krenten : bijna ieder boer heeft een wijngaard , groot genoeg om hem den wijn te verschaffen , dien hij elk jaar noodig heeft, en zelfs de armste man heeft een olijfboom, ten einde in de behoefte aan olijven en olie voor zich en zijn gezin te voorzien. Wie op den harden rotsgrond geen tarwe kan verbouwen om zijn eigen brood te bakken , gaat op zee en vangt visch voor de tafels der rijken.

Fabrieksnijverheid is in deze landen weinig, maar de Turken staan hoog als handwerkslieden; in den handel komen; tapijten en andere kostbare geweven stoffen, wapens , leder, reukwerken , pijpen enz.

De handel is zeer belangrijk: Constantinopel behoort tot de eerste koophavens der wereld ; verder, gelijk reeds genoemd, Salo-niehi, Varna, Hermopolis, Piraeus , Patras , Korinthe, Zante, Corfoe. Na het meegedeelde is het duidelijk , dat uitgevoerd worden : olijven, rozijnen, krenten, Grieksche wijnen, amandels, koren, dat in nog grooter hoeveelheden zou kunnen worden verbouwd, tabak, reukwerken, zijde; producten van de ïurksche industrie, sponzen.

ocr page 143

136

§ 72. Steden, enz.

1. Turkije (Thracië, Macedonië, Albanië en gedeeltelijk Thes-salië en Epirus).

Constantinopel, wat ligging aangaat eene der mooiste hoofdsteden der wereld, amphiteatersgewijze gebouwd aan den Gouden Hoorn, een inham van den Bosphorus; op deze plaats lag, hoe dikwijls ook verwoest, altijd eene aanzienlijke koopstad; aan den weg van de Zwarte Zee naar de Middell., tegenover Kl.-Azië, waar Skoetari eene voorstad is.

't Aantal inwoners van Constantinopel bedraagt zeker wel een millioen, doch 't grootste deel dor stad bestaat uit ellendige houten hutten, vooral in de Turksche gedeelten: Stamboel en Skoetari. Boven deze kleine huizen verheffen zich de tallooze minarets, de hooge kazernes, de keizerlijke paleizen door prachtige tuinen omgeven en de fraaie huizen van rijke bankiers, diplomaten, enz. Op eene hoogte ligt Yildiz Kiosk, de residentie van den Sultan. Zoo rijk en prachtig als dit gedeelte, zoo vuil en arm is 't grootste deel van de Turksche stad, waar in de straten duizenden honden, door niemand beheerd , rondloopen.

Geheel onderscheiden gedeelten zijn PJianar, dc wijk der Grieken, meest rijke bankiers en handelaars; Pcra, de voorstad, waar aanzienlijke Franken (Westerlingen) en Europ. gezanten wonen; Galata, waar de Frankische matrozen enz. zijn.

Stoomvaartlijnen verbinden Const, met alle havens aan de Middell. en Zwarte Zee.

De hoofdverbinding met West-Europa is de groote weg; C.—Adri-anopel, door het Maritzadal naar Philipopel, door de Porta Trajana naar Sofia—Belgrado—Boedapest—Weenen—Parijs.

De 2° Turksche stad is Salonichi, belangrijke uitvoerhaven; de hoofdweg, die hier aankomt, loopt door het dal der Var dar.

De 3e stad is Adrianopel, met gunstige ligging aan de samenkomst der groote wegen door het Maritza-dal (zie Const.) en door het Toendja-dal; deze laatste leidt over een der bekendste Balkan-passen (Sjipka) naar den beneden-Donau. De streek om Adrianopel is misschien de gunstigste van het land; klimaat en bodem zijn in de Maritza-vlakte uitstekend.

Gallipoli, belangrijke ligging tegenover Kl.-Azië, aan den Hellespont (Xerxes, Alexander, de Turken); de naam der Dardanellen is ontleend aan de forten aan weerskanten van de straat.

Zoowel deze straat als de Bosphorus is in vóór-historische tijden gevormd door de kracht van het water.

2. Roemenië gaat als staat vooruit. Boekarest (200) is de hoofdstad van het talrijkste volk in het schiereiland.

ocr page 144

137

Op eene oppervlakte 4-inaal zoo groot als Nederland heeft Roemenie 5 6 mill, inwoners. Het land bestaat uit 3 natuurlijke hoofd-deelen; Wallachije, Moldavië en Dobroedsja.

Roemenië is een rijk land; vruchtbaar bouwland, goede weiden, rijke wijnbergen en ooftboomen; op den duur kan het met Z.-Rus-land op de korenmarkt wedijveren; groote kudden van runderen en schapen trekken rond over de uitgestrekte velden; een deel des lands is nog met dichte bosschen bedekt. Daarbij komt nog de vischrijkdom van den Donau en de talrijke andere rivieren en meren.

De Donau-scheepvaart wordt steeds belangrijker; van de 3 hoofd-monden is de Kilia-mond de beste; Galatz (60) en Braila (50) zijn de belangrijkste havens. De Donau-delta is grootendeels met biezen en riet bedekt; in het geheele beneden-gebied zijn uitgestrekte moerassen en de bodem bestaat overal uit fijne slibgronden.

Kóstendje, uitvoerhaven: tarwe, maïs, huiden, vee, tabak, wijn.

Jassy (90), grootste stad van 't Noorden, heeft vooral 't verkeer met Rusland; er wonen veel Israelieten.

3. Boelgarije en Oost-Roeraelië. Dit zijn de Balkan-landen, in 't Noorden afdalende naar den Donau: de rechter of Bulgaarsche oever is, in tegenstelling van den Roemeenschen of linkeroever, hoog en bewoond. In Boelgarije ontmoetten Russen en Turken elkaar in hunne oorlogen: eerst bij de overgangen van den Donau, dan bij de wegen over den Halkan. Plewna (maandenlange strijd, de Turken onder Osman Pacha, de Russen onder Gurko en Todt-leben); Sjoemla, hoofdvesting; Tirnova (oude Boelgaarsche koning-stad) ; Sjipka-pas. De Donau-vestingen, Nikopolis e. a., hebben hare militaire beteekenis in 1878 verloren.

Op eene oppervlakte, welke ruim 3 maal zoo groot is als Nederland, tellen Boelgarije en Oost-Roemelië ruim 3 mill, inwoners; de

dichtheid van bevolking is ginds.....maal geringer dan bij ons.

Toch is 't land zeer geschikt voor akkerbouw en veeteelt; Varna is de voornaamste uitvoerhaven.

Nog geen enkele stad heeft 100.000 inwoners; de middelen van bestaan brengen trouwens in de meeste dezer landen mee, dat de groote massa van het volk op het platteland woont. De aanzienlijkste plaatsen als Sofia, Philipopel en Varna tellen ruim 30.000 iuvv., zoodat vooral de Boelgaren een volk van boeren zijn.

4. Griekenland: a. Thessalië met een deel van Epirus.

b. Livadië (Hellas).

c. More a (Peloponnesus).

d. De Eilandeti.

ocr page 145

138

Griekenland heeft ééne groote stad; op eene oppervlakte van 2 X Nederland is het geheel aantal inwoners slechts 2 millioen.

Tusschen het vastland en de eilanden bestaat groot verschil; het onderscheid komt uit, als wij letten op de volgende cijfers:

Livadie en Morea, looo tot 2000 op 1 □ G. M.

Cycladen, 3«» „ „ .

Jonische eilanden, 5000 „ „ .

a. Thessalie is het landschap, over welks bezit Turken en Grieken

nog lang na 1878 twistten; hoofdstad is Larissa, aan de.....,

in eene gunstige streek. Voor de Grieken is dit land vooral veel waard, omdat er veel koren kan verbouwd worden.

b. Athene is in de laatste tijden snel vooruitgegaan; bij het begin van den Griekschen vrijheidsoorlog was het maar een ellendig dorp, thans is het eene levendige stad, middelpunt voor de Grieksche wereld , zoo in geestlijk opzicht (de Hoogeschool te Athene telt ruim 3000 studenten), als voor den handel. De in 1869 geopende spoorweg Athene-Piraeus bleef jarenlang de eenige; thans zijn er verscheiden lijnen, tot gezamenlijke lengte van ruim 1000 K.M. (in Nederland 2000); de belangrijkste zijn;

1. Athene-Piraeus.

2. „ -Korinthe-Patras,

3. „ -Argos.

4. „ -Laurion (van belang voor de mijnwerken, zilver, enz.).

5. „ -Thessalië.

6. Een paar lijnen in Morea.

De havenstad Piraeus is in den snellen bloei van Athene begrepen en thans in druk verkeer met de meeste havens aan de O. Middell. Zee (Levant, Constantinopel, Alexandrië). Door de doorgraving van de landengte van Corinthe zal 't belang toenemen (in 1882 begonnen, is de arbeid een paar malen gestaakt; voor 't tijdstip van opening van het kanaal is 1894 bepaald).

Van Athene's vroegere grootheid zijn nog het best bewaard de bouwvallen van den Acropolis. Ook heden ten dage is Griekenland rijk aan marmergroeven; o.a. in de Pentelikon. Op de laatste wereldtentoonstelling te Parijs waren niet minder dan 54 soorten van marmer door Griekenland bijeengebracht: in steen was hier een bouquet van de schoonste kleuren tentoongesteld. En, gelijk een dichter 't eenmaal uitsprak, „de geschiedenis van den Griekschen geest is in marmer geschrevenquot; (Pierson).

Onder de landstadjes in Livadië is er geen enkel, dat uit een oogpunt van handel of geestlijk leven iets beteekent; geen hunner heeft meer dan enkele duizenden inwoners. (Thebe, Missolonghi e.a.)

ocr page 146

139

c. Patras , Nauplia , Navarino , Argos , havenplaatsjes met uitvoer van wol, olijven, wijnen, krenten.

Alleen Patras (25), kan eene stad heeten; Nauplia beteekende gedurende den vrijheidsoorlog meer dan tegenwoordig en was zelfs de le hoofdstad van het jonge koninkrijk.

In 't binnenland is geen enkel plaatsje met meer dan 5 a 6000 inwoners ; Arcadie is een wolland; het dal van den Eurotas (Nieuw-Sparta) is vruchtbaar.

d. Hermopolis , Corfoe . Zante , havenplaatsen met aanzienlijken uitvoer.

De volgende schets, ontleend aan eene reisbeschrijving'), herinnert ons cn Italië en Griekenland;

„Nadat wij per spoor in 32 uren van Boedapest naar Florence waren gestoomd, daarna Rome en Napels hadden bezocht, gingen we van uit laatstgenoemde plaats naar Brindisi, om ons daar naar Korinthe in te schepen. Om quot;11 uren 's ochtends zette zich te Napels de trein in beweging en gaf ons weldra gelegenheid de heerlijke omgeving volop te genieten, 'tland, waar de wijndruiven zich tegen de hoogste boomen winden en waar oranje en citroen met bloem en vrucht prijken; daartusschen tuin aan tuin, met zorg onderhouden. Bij Maddaloni rijdt de trein onder eene waterleiding door, ter hoogte van 65 meter, een werk, gelijk alleen 'toude Italië ze even trotsch kon aanwijzen, en bereikt weldra 't breede en schoone dal van de Volturno; 't landschap wordt steeds bergachtiger, 't dal vernauwt zich en talrijke tunnels sporen we door.

Onder de weinig talrijke, maar vaak door schoone ligging uitmuntende plaatsjes langs dezen weg, merken we 'toude Beneventum op. Nog eene woeste bergstreek doorgespoord en wij komen in de vlakte van Foggia, die tot aan de Adriatische Zee zich uitstrekt, boomloos en aan de Hongaarsche poesta herinnerend. Reeds zien we in de verte enkele zeilen en na den Offranto te zijn overgegaan, waar in de nabijheid bouwvallen van Cannae aan lang vervlogen dagen herinneren, bereiken wij de kust bij Baretta: 4 uren zijn voldoende geweest om Italic van kust tot kust door te sporen. Afwisselend langs wijngaarden, tuinen met olijven, amandelboomen en perziken en langs verscheiden aardige plaatsjes komen wij te 11 uren 'savonds te Brindisi, waar in de haven de „Saturnusquot; van de Oostenrijksche Lloyd reeds onder stoom gereed ligt.

Als in een mierenhoop krioelde 't weldra op het ruime schip, tot spoedig ieder zich zoo gemakkelijk mogelijk had ingericht. De gebruikelijke signalen worden gegeven en als „alle man aan boordquot; is, worden de ankers gelicht, de machine begint te werken en in zuiver Oostlijke richting ploegt weldra ons schip bij helderen maneschijn de wateren der schoone Adriatische Zee. Eerst de koelte van den nacht doet ons de hut opzoeken, om den volgenden ochtend al vroeg te trachten den zonsopgang te genieten. Een prachtige ochtend, 'tgezicht op de bergen van Albanië, leidt ons naar 'twonderschoone

') Das Ausland, 1885.

ocr page 147

HO

Corfoe. Aan den voet harer beide rotsvestingen doemt de stad, rondom eene donkerblauwe bocht gelegen, plotseling voor 't oog op. De drukte op de boot wordt door een aanval van de landzijde gevolgd: een zwerm bootjes omsingelt onze Saturnus en vóór nog 't anker is neergelaten, klontert eene bende schippers langs touwen en kettingen naar boven. De fez of de gelapte muts op 't ravenzwarte haar; met broeken, voor de eene helft uit gaten en voor de andere uit lappen bestaande en de bloote bruine voeten in schoenen, waarvan niemand zou gelooven, dat ze eens heel zijn geweest — zoo verschijnt de geheele bende op het dek, alsof wij door een' troep zeeroovers worden aangevallen.

Een bezoek van drie uren geeft ons gelegenheid kennis te maken met de stad, die een Oostersch karakter vertoont.

In den nacht varen we langs Paxos, Itbaka, Cephalonia; bij 't aanbreken van den dag zijn wij ter hoogte van Zante en volgen dan de kusten van Ar-cadië, doorgaans eentonig kaal door 't ontbreken van bosschen, nu en dan 't gezicht op met sneeuw bedekte bergen in 't binnenland; vóór de kust talrijke rotseilanden en bij 't schip troepen begeerige dolphijnen, die ons vergezellen. De Zuidelijkste punt, kaap Matapan, voorbij, langs de Oostzijde van den Peloponnesus, bereiken wij den volgenden ochtend vroeg het doel der reis: de werken bij de doorgraving der landengte.

In de oudheid reeds herhaaldelijk een plan, o. a. onder Nero, die op verschillende plaatsen grondboringen liet doen, zag eerst onze tijd de verwezenlijking. Eene fransche maatschappij voltooit, onder leiding van den Hongaar-schen generaal Turr, het kanaal, dat eene lengte heeft van 5 kwartier gaans.

Het nieuwe Korinthe ligt eenige K.M. ten Noorden van het oude, dat in 146 v. C. door de Romeinen werd verwoest; sedert leed de streek herhaaldelijk door aardbevingen; slechts enkele overblijfselen wijzen de plaats aan, waar eenmaal de beroemde isthmische spelen werden gehouden, doch waar thans alles eenzaam is.quot;

IBERISCHE SCHIEREILAND.

§ 73. Ligging en omtrek.

Van de 3 Z.-Eur. schiereilanden heeft dit den ongunstigsten vorm, het is gesloten, continentaal en komt in dit opzicht meer overeen met het werelddeel, waar tegenover het ligt, dan met dat, waartoe het behoort.

De ligging van Spanje en Portugal was altijd voor de bewoners zeer voordeelig: in Zuid-Europa ondervonden zij al vroeg den invloed van de beschaafde volken en konden op de Middell. Zee varen; in West-Europa, zoodat zij aan de scheepvaart op den Atlantischen Oceaan konden deelnemen. De reizen om de Kaap de Goede Hoop naar Indie en over den Oceaan naar Amerika gingen van de Spanjaarden en Portugeezen uit, en daaraan is het toe te schrijven , dat zij een tijdlang de eerste koloniale mogendheden waren.

ocr page 148

141

Spanje is van Europa meer gescheiden clan van Afrika; over de Pyreneën is het verkeer niet zoo gemakkelijk als over de straat van Gibraltar.

De Noordelijke rand is op dezelfde breedte (43°) als de Romeinsche Appenijnen en de Balkan; de Zuidpunt, Kaap . . . is op . . . . N.B.,

zoodat 't schiereiland van N. naar Z. zich over.....uren gaans

uitstrekt.

De kusten zijn over 't geheel steil; het meest gebroken zijn die aan de golf van Biscaye en in het Noordwesten; de talrijke inhammen, rias, hebben levendige havenplaatsjes doen ontstaan, zonder dat deze echter groote koophavens zijn geworden; misschien niet, doordat juist in dit gedeelte van het land de gemeenschap met de kust het moeilijkst en de scheepvaart in de zee ten N. van Spanje gevaarlijk is. Corunna en Ferrol zijn oorlogshavens; vroeger (17quot; eeuw) was Vigo van beteekenis. Bilbao is de belangrijkste uitvoerhaven voor Noord-Spanje, vooral metalen, uit de nijvere Baskische provinciën; invoer van steenkool; Santander, haven van Castilie.

Aan de Westkust zijn de belangrijkste havensteden aan de riviermonden gelegen; Lissabon aan den . . . .; Oporto aan den . . . .; beide Portugeesch.

In het Z.W. liggen de oude havensteden, vanwaar de groote ontdekkingsreizen der 15° en lóquot; eeuw uitgingen: Palos, Lagos, e. a., thans onbeduidend. Huelva, (sedert i860) eene belangrijke uitvoerhaven geworden door de exploitatie der mijnen in die provincie: koper (Rio Tinto; Eng. maatschappij).

De groote koopstad, die zich in Spanje's bloeitijd ontwikkelde, was

echter Sevilla, aan den breeden benedenloop der.....; hier was

de Kamer van Koophandel gevestigd, die, gelijk in Nederland de O.-I. Comp., al het verkeer en den handel op de koloniën in handen had. Sedert is Sev. echter zeer achteruitgegaan, hoewel het nog tot de groote Spaansche steden behoort. De kusten zijn hier laag en ongezond ; marisnids, moerassen.

Cadix had eenmaal met Sevilla het monopolie van den handel op de Amer. koloniën; het is nu belangrijk voor de stoombootvaart op West-Indië (Havanna).

Jerez, niet ver van de kust, aanzienlijk door wijnhandel.

Gibraltar (zie blz. 91).

Middellandsche-Zeekust: Aan de Middell. Zee heeft Spanje evenals aan de N.- en de W.-kust goede en belangrijke havens; niet aan den slechten mond van de eenige groote rivier aan deze kust, den Ebro, maar meerendeels aan natuurlijke inhammen. Bij sommige

ocr page 149

142

havens zijn, om verzanding te voorkomen, kostbare werken noodig, molos, havendainmen, die met de kribben aan onze zeegaten overeenkomen.

Barcelona (250), Spanjes le zeehaven en handelsstad, in het nijvere Cataloni'c, een der welvarendste deeien van het land; uitvoer van ertsen, producten van de industrie, ruwe zijde, wijnen, brandewijn, vruchten, oliën, zeep.

Valencia, 2' handelshaven van Spanje, hoofduitvoer van zuidvruchten en Spaansche wijnen; evenzoo; Malaga en Murcia.

Ook de havensteden van den 2'quot; rang voeren deze artikelen uit: Alicante, Carthagena en Almeria; de beide laatste zijn bovendien de uitvoerhavens voor de belangrijke mijnen van Z. 0,-Spanje: lood, zilver en ijzer.

Carthagena is Spanje's voornaamste oorlogshaven aan de Middell. Zee.

Tarragona, 2B haven van Catalonië, was in den Romeinschen tijd eene hoofdstad met misschien 1/2 millioen inwoners.

§ 74. Verticale vorm, enz.

Grens- en kustgebergten: Pyrene'én, Cantabrischgebergte, Astu-rischgebergte, Sierra-Nevada.

Het binnenland is hoog en voor een groot deel vlak: de Castili-aansche hoogvlakte; deze omstandigheid, gevoegd bij den gesloten vorm van het land , maakt het klimaat, de geheele natuur continentaal en in vele streken bijna alleen voor schapenteelt geschikt; vooral het Zuidelijk deel der hoogvlakte, la MancJia, bestaat uit onafgebroken doodsche steppen.

De beide Castilicn zijn woestenijen; een Spaansch spreekwoord zegt: „als de leeuwrik over de vlakten van Castilie komt, moet zij onder hare vleugels haar graankorreltjes medebrengen.quot; Eentoonige, zandige vlakken heeft Spanje en in zijne kale bergen eene woeste, wilde natuur, somber is het Spaansche landschap , maar dikwijls grootsch in die woestheid.

De bosschen zijn verdwenen en de waterarmoede is daardoor nog erger geworden: de Spaansche rivieren zoeken, als magere spranken, den weg over een rotsig bed, langs meest steile, naakte, stoffige oevers; de Taag stroomt door 't wildste en armste gedeelte van Spanje; de Duero wordt pas belangrijk,

als zij Spanje verlaat (bij.......); de Ebro gelijkt de Rhöne, zij stroomt

snel over haar rotsig bed en laat schier geene scheepvaart van beteekenis toe; de Guadiana, die door schier onbewoonde streken haren weg langs La Mancha zoekt, begraaft zich voor een goed deel in heuvelachtige zandwoestijnen; de Guadalquivir is nog de beste, een zegen voor de landstreek tusschen Cordova en Sevilla, waar honderden dorpen aan zijn water hunne welvaart danken.

Aan den O.-rand der Spaansche hoogvlakte verheffen zich gebergten , doorgaans sameiigevat als het Iberische bronnen-land: uit dezen bouw van het land volgt, dat de riviaren, die

ocr page 150

143

naar den Atlantischen Oceaan stroomen, langeren loop, grootere ontwikkeling hebben dan die van het Midcleli.-Zeegebied. Dit geldt vooral voor: Duero, Taag, Guadiana, Guadalquivir.

Dat de Ebro (Iberus), de eenige groote rivier aan de Oostkust,

zulk een langen loop heeft, komt doordat zijne bronnen, reeds bij de Cantabrische bergen, aan de buitenzijde van het Iberische bron-nenland liggen; verder krijgt de Ebro een groot deel van zijn water van de Pyreneen. De zijrivieren, die dit aanbrengen, hebben een

ocr page 151

144

onstuimigen loop (korten afstand van de Pyreneën), vormen grint-banken en zijn, gelijk de Ebro, voor de scheepvaart van weinig waarde. Reeds onder Karei V werd langs en in de bedding van den Ebro een flink kanaal gegraven; dit zou tot de zee gaan, maar is nog niet klaar. De Ebromonden zijn verzand.

Laagvlakten heeft Spanje weinig: l. de Andalusische; 2. de Arragonische; en kustvlakten als die van 3. Valencia en 4. die van Murcia.

De vlakten 1 , 3 en 4 zijn vruchtbaar en kunnen, mits geïrrigeerd, goed bebouwd worden; in de dagen van de Mooren, toen voor kunstmatige besproeiing zorg werd gedragen, heerschte hier groote welvaart. Wat door inspanning van het land is te maken, bewijzen de huertd's (tuinen) en vega's (vlakten) van Valencia en Murcia; met bergen omkranste velden, door een net van kanalen en waterleidingen gesneden, bloeien door eene heerlijke cultuur, alles het werk van de Mooren. In de Andalusische vlakte zijn tegenwoordig echter ook uitgestrekte steppen, waar het esparto-gvds groeit, waarvan sterk touw gevlochten wordt en dat als grondstof voor de papier-fabricatie van belang is (bl. 86); hier zwerven kudden verwilderde paarden en runderen.

Naast de overstroomingen, veroorzaakt door den ongeregelden waterafvoer der Spaansche rivieren, teisterden ook aardbevingen in de laatste jaren op nieuw Zuid-Spanje; in 't bijzonder in de Alpujarras en in de Squot;-Nevada.

Klimaat en Voortbrengselen; De hoogvlakte heeft lange en heete droge zomers met koude winters; schapenteelt op de uitgestrekte, woeste heidevelden; wol (merino's) behoort tot de hoofdartikelen van uitvoer. De beste paarden zijn de Andalusische; verder meest muildieren.

De Noordelijke kustlanden hebben het klimaat van Zuid-Engeland; het Westelijk kustgebied (Portugal) is ook zeer vochtig; Alpenweiden in 't Spaansche Zwitserland (Asturië en Gallicië).

In de Z. en O. kuststreken is een heerlijk, zacht klimaat met bijna altijd durende lente; de vega's van Granada en Murcia, de huerta's in Valencia munten uit door vruchtbaarheid, mits kunstmatig besproeid; wijnbouw, zuidvruchten, zijdewormen; rijst, kastanjes, maïs, tarwe; op enkele plaatsen katoen en suikerriet.

Het delfstoffenrijk is belangrijk: lood (Alpujarra's); kwik (Alma-den d. i. „de mijnquot; in de S»-Morena); ijzer (Biskaye, Catalonië, e. a.); zilver, koper. De mijnwerken zijn verwaarloosd en brachten vroeger (in den Phoenicischen en in den Romeinschen tijd) meer op.

ocr page 152

145

In de laatste jaren neemt Spanje's handelsbeteekenïs zeer toe en is veel gedaan voor den aanleg van een spoorwegnet, voor havenwerken en voor mijnbouw.

§ 75. Indeeling-, Bewoners enz.

Spanje en Portugal zijn tegenwoordig in provincies verdeeld. De historische deelen van Spanje zijn:

Castilik (Oud-C., Nieuw-C., Leon), Arragon, Catalonië, Navarre , Baskische provinciën, Austurië, Gallicië. Deze waren Christen-rijken, die in den strijd tegen de Mooren ontstonden.

Andalusiii, Granada, Mure ia, Valencia zijn de namen der deelen van het vroeger Moorsche Spanje.

De Balearen en de Canarische-eilandengroep vormen elk eene provincie.

De oudste bewoners waren de Iberen (Iberia), waarvan men de afstamming niet nauwkeurig kent; misschien waren zij Kelten. Aan de kusten werden al vroeg koloniën gesticht, vooral van Phoenicischen oorsprong, b.v. Carthagena, Cadix e. a. Later werd het land eene Romeinsche provincie.

In de dagen van de volksverhuizing werd een West-Gotisch rijk gesticht, hoofdstad Toledo; de Vandalen trokken door Spanje, waaraan de naam Andalusië misschien herinnert.

De Arabieren veroverden het land in de 8e eeuw (Gibraltar 711); de Christenen hielden zich staande in de bergen van het Noorden, vanwaar uit zij later voet voor voet het land heroverden.

Het hoofdvolk waren dus achtereenvolgens; de Iberen, de Romeinen en de Arabieren of Mooren.

De Castilianen en Arragoneezen zijn de „geromaniseerde Iberiërsquot; (de invloed van de Germaansche Gothen was gering). Van hen verschillen de Portugeezen, ook in taal, weinig, hoewel zij elkander haten; van 1580—1640 was Portugal aan de Spaansche kroon onderworpen. In het Zuiden overweegt meer het Moorsche bloed: het hoofdvolk zijn hier de Andalusiërs.

Behalve de nu genoemde Arragoneezen, Castilianen, Andalusiërs, Portugeezen, onderscheiden wij nog de Catalonïërs en de Basken, beiden volken, die op het punt van werkzaamheid als de beste bewoners van het land gelden, zoodat hunne provinciën het welvarendst zijn. Volgens sommige ethnologen zijn de Basken onvermengde afstammelingen van de Iberen.

D. AlTTON, Beknopt Leerboek. 3° druk. 10

ocr page 153

146

De godsdienst is algemeen de Katholieke; Joden zijn in Spanje en Portugal weinig, daar zij er vroeger zijn verdreven.

Spanje heeft in deze eeuw meermalen van staatsinrichting verwisseld , dikwijls met eene revolutie gepaard. Thans is het weer een constitutioneel koninkrijk; de volksvertegenwoordiging draagt den naam Cortes.

Portugal is eveneens een constitutioneel koninkrijk.

Tusschen de verschillende nationaliteiten heerscht weinig sympathie; in verschillende tijden stonden zij vijandig tegenover elkaar. Deze omstandigheid is eene der oorzaken, dat de Spaansche landen lang niet zoo bloeiend en dichtbevolkt zijn, als de natuur in vele streken zou mogelijk maken.

De Spanjaard gevoelt eene superioriteit boven al het geschapene; hij heeft een natuurlijken trots, eene aangeboren fierheid. Er was een tijd, dat Spanje's legers en vloten de wereld beheerschten, dat Spaansche taal, mode, etiquette den toon der beschaving aangaven, toen het Spaansche zwaard in 't Oosten de macht der Turken stuitte, in 't Westen nieuwe werelden veroverde en groote dichters in roemrijke feiten de stof vonden voor nationale heldenzangen.

Door zijne ligging tusschen de beide drukst bevaren zeeën, werd 't Iberische land de stapelplaats van den handel; de bodem bevatte de rijkste verscheidenheid in delfstoffen, de hemel rijpte schatten van ooft en wijn.

Doch in de 17° eeuw verflauwde de volksgeest en tot op 't midden der 19« eeuw bleven de Spanjaarden staan op de hoogte der beschaving, die zij hadden bereikt. De hulpbronnen des lands werden verwaarloosd en thans kan men bij iederen stap, dien men in Spanje doet, zich verbazen over de achterlijkheid der dingen. Het volksonderwijs ontbreekt niet geheel, er zijn eenigen onder de lagere klassen, die wat lezen en schrijven kunnen; maar 't is er toch slecht mede gesteld, het staat uitsluitend onder de leiding der geestelijkheid, die op 'tpunt van verdraagzaamheid nog vrij wel tot de middeleeuwen behoort. De fraaiste zaken in Spanje vindt men in de kerken.

Voor geheel het schiereiland is het cijfer der betrekkelijke bevolking: 1800, dus ongeveer dat van Europa.

Beneden dit getal staan: in 't algemeen geheel Centraal-Spanje, dus de hoogvlakte van Oud- en Nieuw-Castilië, Leon en vooral Estremadura, landstreken, die niet veel beter bevolkt zijn dan b. v. Rusland; verder Arragon.

Boven het gemiddeld cijfer, dus voor Spanje dichtbevolkt, zijn in 't algemeen de kustlanden, dus: Noord-Spanje (Gallicië, Austurië, Baskische prov.); Catalonië; Valencia; Granada; de Balearen. Ook in deze streken echter worden maar zelden bevolkingscijfers bereikt, zooals wij ze in Midden- en West-Europa kennen. De best bevolkte provincie is Barcelona; de minst bevolkte Cuen(a.

Dezelfde tegenstelling tusschen binnenland en kusten, die wij

ocr page 154

147

bij de verdeeling der bevolking opmerken, zien wij ook bij de steden;

Madrid op de centrale hoogvlakte ;

Stede,, beven wax, inwcmrs: B^fona VaJeneia Burcla,

Malaga, Sevilla, alle in t gebied der kusten.

Madrid (500), aan de; van al de Eur. hoofdsteden misschien het ongunstigst gelegen; door Philips II tot hoofdstad van het toen vereenigd Spanje gemaakt, heeft de stad in tegenstelling met de meeste Spaansche steden een modern aanzien met mooie, groote gebouwen, maar het ligt als eene oase in de woeste omgeving. Als geographisch middelpunt van Spanje, werd Madrid in onze eeuw door den aanleg der hoofdverkeerslijnen ook in commercieel en geestelijk opzicht het middelpunt.

Hoofdwegen:

1. Madrid—Bayonne.

2. „ —Saragossa.

3. , —Valencia.

4. „ —Sevilla—Cadix.

5. „ —Portugal.

Aranjuez, voorjaarsresidentie, heerlijk aangelegd; Escoriaal, sombere herfstresidentie.

Toledo, oude hoofdstad, rotsvesting met belangwekkende herinneringen aan den West-Gothischen en oud-Spaanschen tijd; het is nog geestelijk middelpunt voor Spanje en heeft grootsche kerken.

Valadolid (60) en Burgos, ook oude hoofdsteden in het Christelijk Spanje (V. van Leon, B. van Oud-Cast.); eenmaal veel belangrijker dan nu, met interessante Gothische bouwwerken. Dicht bij V. de belangrijke staatsarchieven in Simancas en wat lager aan den Duero het uit de dagen van den Cid bekende Zamora.

Salamanca, eveneens in het Gothische tijdperk eene bloeiende stad, met eene der beroemdste Europeesche hoogescholen.

De meeste dezer plaatsen zijn zoogenaamde „villes mortesquot;.

Niet alleen de groote steden, maar ook die beneden 100.000 inwoners zijn in de kustlandschappen talrijker, aanzienlijker en levendiger :

Tarragona, Alicante, Almeria, Carthagena; Cadix en Jerez; Santander, Bilbao, San Sebastian, levendige havensteden.

In 't binnenland zijn voorts nog merkwaardig:

Saragossa, oude hoofdstad van Arragon, in de geschiedenis zeer bekend (o. a. door de dappere verdediging tegen de Franschen in

10*

ocr page 155

148

l8o9); belangrijke en bloeiende stad, middelpunt van het Ebro-gebied. In aanleg is een spoorweg van Saragossa naar Toulouse.

Cordova, eens, als hoofdstad van het kalifaat, bloeiend en met meer dan '/2 millioen inwoners, middelpunt der Moorsche beschaving; thans vervallen. Granada (75), met grootsch verleden, als hoofdstad en laatste steunpunt der Mooren (in 1492 genomen); sedert vervallen. Hier, gelijk in Cordova, zijn nog Moorsche bouwwerken (Alhambra e. a.).

Op de Middell.-Zee-eilanden: Palma (60), uitvoerhaven: wijn, olijven, oranjeappelen enz.; Port Mahon, versterkt.

Tegenover Gibraltar heeft Spanje aan de kust van Marokko eenige versterkte punten, de Presidios; het minst onbelangrijke is Ceuta.

De Canarische eilanden, vóór de Sahara-kust, worden als Eur. provincie gerekend; zij zijn vulkanisch; hoogste top de piek van Tener iff e of Pic de Teyde; bekend is Ferro.

Belangrijkste steden in Portugal: Lissabon (250), met Barcelona de aanzienlijkste handelshaven van het schiereiland; belangrijke stoombootvaart vooral op Z.-Amerika (Brazilië). In schoonheid van ligging wordt L. vergeleken met Napels en Constantinopel; de Taag is hier bijna 3 uur gaans breed en vernauwt zich dan weder tot eene gewone riviermonding. De omstreken zijn mooi; Cintra is zomerresidentie.

Oporto, 2° handelshaven en 2' stad van Portugal; hoofduitvoer; wijnen. Setubal (St.-Ubes), bekend door den grooten uitvoer van zeezout. Faro, Tavira, Lagos, alle vroeger meer beteekenend dan nu (zie bij de kusten).

De Portugeesche handel is in de eerste plaats op Engeland ; voorts op Z.-Ainerika (Brazilië) en Afrika.

De As or en en de Madeira-£ïoe\) worden niet als kolonie, doch als provincie van het rijk in Europa beschouwd; zij zijn bekend door hun gunstig klimaat; de natuur is vulkanisch.

§ 76. Koloniale mog-endheden van Europa.

Hoewel de koloniën bij de vreemde werelddeelen worden behandeld , waar zij behooren tot goed begrip harer natuurlijke gesteldheid, worden zij hier aangegeven ;

Engelands koloniën zijn reeds vermeld op blz. 91.

Die van Rusland liggen uitsluitend in Azië: Siberië, Centraal-Azie, Kaukasië met Armenië.

Die van Nederland liggen in Oost- en West-Indie.

ocr page 156

149

Frankrijk heeft koloniën en bezittingen in alle 4 vreemde wereld-deelen; wij geven hier alleen de voornaamste op : Alyeric, Tunis , een deel van Senegambië, Réunion; Fr. Cochin-China; Cajenne.

Spanje heeft van zijne vroeger uitgebreide koloniën betrekkelijk weinig behouden;

1. Een paar belangrijke eilanden, Cuba en Portorico, in West-Indic.

2. De belangrijke Philip pijnen (o. a. Manilla) in Oost-Indië.

3. De reeds genoemde punten aan de kust van Marokko en eenige weinig beduidende eilandjes bij Afrika en bij Australië.

Veel grooter is, als herinnering aan Spanje's vroegere beteekenis, het taalgebied van het Spaansch; in Z.- en Midden-Amerika wordt het nog algemeen gesproken.

Ook Portugal zag zijne bezittingen grootendeels overgegaan (meer bijzonder in Azie). Het heeft nog behouden;

1. In Afrika; nederzettingen aan de kust van Senegambio, de Kaap-Verdische eilandjes, een paar Cww^vz-eilandjes, een uitgestrekt gebied aan de W.- en O.-kusten van Z,-Afrika.

2. In Azie; enkele punten in Voor-lndië; in den Ind. Archipel de helft van Timor; vóór de Chineesche kust de stad Macao (naast het Eng. Hongkong).

ocr page 157

i5o

Turkije is hier niet als kolon. mogendheid voorgesteld, omdat, gelijk reeds vroeger gezegd, de Turksche staat zelf meer Aziatisch dan Europeesch is.

De Duitschers streven in onze dagen naar koloniën, ter uitbreiding van hunne handelsbetrekkingen; de Rijksregeering moedigt dat streven aan, verleent de bescherming van het rijk en heeft daartoe al verscheiden punten in bezit genomen aan Afrika's kusten en in de Australische eilanden-wereld.

De Engelschen hebben den besten naam op het gebied van organisatie van koloniën (inrichting van bestuur, ontginning van de hulpbronnen , enz.).

In de Eng. koloniën (niet te verwarren met bezittingen) is het stelsel van zelfregeering: Nw.-Zuid-Wales, enz.; Kaapland; Canada.

ocr page 158

VIERDE HOOFDSTUK.

AFRIKA.

§ 77. Ligging-, horizontale vorm enz.

De Noordelijke landen liggen aan de Middellandsche Zee en komen het vroegst in de geschiedenis voor; de volken van Noord-Afrika staan reeds in de oudheid met die van de andere Middell.-Zeekusten in betrekking. Daar liggen koloniën van Grieken en Phoeniciërs (Cyrene, Carthago, e. a ); daar treden de Romeinen als veroveraars op en daar ontstaan in de Middel-eeuwen Mohamme-daansche staten.

Het Middellandsche-Zeegebied van Afrika behoort eigenlijk niet tot het werelddeel; zoowel in geschiedenis als in natuur vormt het een afzonderlijk deel en bovendien; de scheiding van het overige Afrika door de onmetelijke woestijn der Sahara is meer volkomen dan die door de zee van Z.-Europa.

De Oostelijke kusten behooren tot het gebied van den Indischan Oceaan; zij bleven voor de Europeanen het langst onbekend en stonden altijd meer onder Arabische en Maleische invloeden (Madagascar is grootendeels door Maleiers bewoond).

Afrika's 3e zijde, de Atlantische, bleef evenzoo eeuwen lang onbekend, tot de groote reizen, die de Portugeezen in de 15e eeuw ondernamen , de Westelijke kustlanden in de bekende wereld opnamen. Dat die reizen elkander zoo langzaam opvolgden en de geheele eeuw verliep, eer Bartholorneo Diaz in i486 de Zuidelijke kapen bereikte, moet o. a. worden toegeschreven aan 't nog altijd heerschende bijgeloof aangaande den toestand van den dampkring binnen de keerkringen (waar alles zou verschroeien) en ten aanzien van de gedaante der aarde (plat). De ziel van alle ondernemingen was Prins Hendrik van Portugal (de Zeevaarder, -f- 1460), die den goeden afloop niet beleefde.

ocr page 159

152

De Nieuwe Tijd begint voor Afrika bij den tocht van Bonaparte naar Egypte (1798); de oprichting van Afrikaansche genootschappen cn musea was daarvan 't gevolg.

In 1800 werd een Schotsch reiziger, Mungo Park, bij den Niger vermoord; in 1823 werd voor 't eerst door een Europeaan de Sahara doorkruist: Clap-pcrton, die van Tripolis uit het Tsad-meer bereikte. Vijfjaren later slaagde een Franschman, Caillie, er in van Senegambic over Timbocktoe naar Marokko te komen.

Na 1850 zijn alle deelen van Afrika met ijver doorzocht geworden, voornamelijk door Duitschers en Engelschen. Onze kennis van 't gebied der Sahara berust vooral op de reizen van Barth, die ook Soedan bezocht, vooral in 't Westen. In geen deel van Afrika vonden meer reizigers hun graf dan in O.-Soedan; zoo o. a. Vogel, wel eens de „Afrikaansche Franklinquot; genoemd, in 1856 in Wadai vermoord. Eindelijk gelukte het aan Nachtigal, 1870—'74, van 't Tsad-meer uit door Wadai en Darfoe den Nijl te bereiken.

Van de Oostkust uit werd het bestaan bevestigd van reusachtige sneeuwbergen even ten Zuiden van den evenaar (het „Maan-gebergte der Griekenquot;) en daarachter groote meren, 'tbrongebied van den Nijl. Terwijl een Hanno-veraansch officier, V. d. Dec ken, bij het onderzoek van deze streken in 1805 aan de Djoeba was vermoord, hebben Engelschen, Speke en Burton, daarna Baker en Grant, hunne namen verbonden aan het vraagstuk der Nijlbronnen. Zij bevoeren voor 't eerst de groote wateren en toonden den onderlingen samenhang aan.

In Zuid- en Centraal-Afrika, in 't gebied van Zambezi en Congo, was Li-vingstone de baanbreker; 28 jaren bracht hij er als zendeling door en toen men jaren lang over zijn lot in 't onzekere was, werd hij opgespoord door den man, die weldra de bekendste aller Afrika-reizigers zou zijn, Stanley. Diens eerste groote reis — ondernomen voor rekening van een paar groote dagbladen en door hem zelf beschreven, „Hoe ik Livingstone vondquot; — werd gevolgd door jarenlange tochten, voornamelijk in de bosschen en prairiën van 't Congo-gebied. In dienst van den koning van Belgic en den „Congo-staatquot;, sloot hij tractaten met Neger-vorsten en vestigde hij stations, gewapende posten tot in 't hart van 't werelddeel; die posten, waarvan vele namen aan Stanley en anderen herinneren, kregen de bestemming den slavenhandel tegen te gaan en den handel met de kust te bevorderen, doch de uitslag beantwoordt tot dusver niet aan de verwachtingen.

Talrijke reizigers, hier niet genoemd, doorkruisten verder het „zwarte werelddeelquot;; ook Nederland schonk zijn aandeel: eene freule Tinne werd vermoord door Toearegs in 't landschap Fezzan, een Schuver door Galla-negers in 't gebied van den Blauwen Nijl, terwijl tropische koortsen een einde maakten aan het leven van onzen laatsten Afrika-reiziger, Daniël Veth.

Afrika beslaat eene oppervlakte van Vs van het land der aarde (zie fig. 12); het staat tusschen de beide grootere en de kleinere werelddeelen in.

Maar Afrika staat bij de andere werelddeelen achter, doordat het zoo gesloten is (fig. 13); er zijn geen binnenzeeën, bijna geen diep indringende baaien; aan de N.-kusten de golf van de beide Syrteti, aan de W.-kust de golf van Guinea. Azië heeft ten minste sterk ontwikkelde kusten in het Oosten en Zuiden; Amerika staat in zijn

ocr page 160

153

geheel meer met de zee in genieenschap, door zijne langgestrekte gedaante en door de Amerikaansche Middel!. Zee.

Bovendien is Afrika's geslotenheid het gevolg van de armoede aan groote rivieren, die van uit zee naar de binnenlanden natuurlijke wegen zouden kunnen zijn, en bij de groote rivieren, die Afrika bezit , is de vorm van den bodem oorzaak, dat prachtige doch gevaarlijke watervallen worden aangetroffen: Nijl, Congo, Niger, Zambezi, de groote rivieren lijden alle aan dat gebrek. En met de rivieren van den 2cn rang is hetzelfde het geval; bovendien lijden deze een gedeelte van het jaar aan waterarmoede, de kleinere drogen zelfs somtijds geheel op, vooral in N.- en in Z.-Afrika. In het N. noemt men zulke rivierbeddingen wadi's. Zij vertoonen eenige overeenkomst met de kreeken in Australië en ook, naast punten van verschil, met de stepp en-rivier en in sommige deelen van Azie.

Kenmerkend zijn derhalve:

1. Afrika's geringe kustontwikkeling of geslotenheid;

2. de armoede aan aanzienlijke, goed bevaarbare rivieren en het bijzonder karakter van Afrika's stroomen.

In de 3' plaats heeft Afrika tegen zich, met de andere wereld-deelen vergeleken; de ligging ten opzichte van den evenaar : 4/5 van Afrika behoort tot de heete luchtstreken; Amerika strekt zich over alle zones uit, alleen niet over de Z. koude; Azie ligt voor % in de gematigde, Vs in de arctische en '/s 'n de tropische; van Europa, ook in dit opzicht 't gezegendste van alle werelddeelen, behoort y, „ tot de gematigde, slechts '/, o tot de koude luchtstreek.

Aldus stond ook het klimaat de ontdekkingsgeschiedenis van Afrika's binnenlanden in den weg.

Behalve de hinderpalen, door de natuur gesteld, hadden de reizigers te kampen met de wilde volken, die wellicht vooral daardoor den vreemdeling zoo vijandig tegentraden, dat zij hem van zoo ongunstige zijde hadden leeren kennen in de Arabische en Euro-peesche slavenhandelaars, die de negerdorpen verwoestten en de bewoners wegvoerden.

Toch, of misschien juist tengevolge van dit alles, heeft geen werelddeel of oceaan belangwekkender ontdekkingsreizen te vermelden.

§ 78. Verticale vorm en rivieren.

De kusten van Afrika tusschen de keerkringen bestaan meestal uit een smalle, lage streek, met een ongezond klimaat; de bodem stijgt

ocr page 161

154

terrasvormig naar de binnenlanden, waardoor 't verkeer hoogst moeilijk is. Deze béide omstandigheden zijn oorzaak, dat de Eur. koloniën aan die kusten zooveel zorgen eischen en tot voor enkele jaren bijna geen andere uitvoerproducten hadden, dan die welke uit de binnenlanden door de inboorlingen worden aangebracht (ivoor, goud, struis-vogelveeren , katoen, copalhars); in de laatste jaren neemt de aanbouw vooral van katoen en suikerriet toe.

.M-ika's binnenlanden liggen over 't algemeen hoog (zie fig. 14); het laagland neemt waarschijnlijk niet meer dan % van de oppervlakte in.

Ten deele bestaat dit laagland uit de reeds aangehaalde smalle kustvlakteti; ten deele neemt het eenige gedeelten in van de Sahara, in 't bijzonder in het W.- en aan den N.-rand; hier, aan dien N. woestijnrand, liggen zelfs streken beneden den spiegel der Middell. Zee; eindelijk in 't midden van Soedan de streek om het meer ïsad.

Bij Afrika's hoogland overweegt de vorm van hoogvlakte of plateau; de aanzienlijkste bergstelsels zijn; in het N.-W. de Atlas; in het Nijlgebied het Alpenland van Abessinië; in West-Soedan en in Opper-Guinea het Kong (in een der Negertalen „gebergtequot;); hooge randgebergten in O.-Afrika, o. a. bij de Nijlmeren : Kenia en Kili-mandscharo (5 a 6000 M.); de randgebergten van Kaapland en Z.Afrika.

Kenmerkend zijn dus, vooral voor Afrika ten Z. van de Sahara; l. de smalle kustvlakten; 2. de terrassen en randgebergten en 3. de hooge vlakten in de binnenlanden.

Hoofdrivieren:

1. De Nijl. Het brongebied van den Witten Nijl (Bahr el Abiacf), onder den evenaar, is thans bekend; hier liggen de groote , lang gezochte en onderzochte Nijlmeren, die haren waterovervloed aan de tropische regens danken : Victoria- en Albert-meer, namen door Eng. reizigers (Baker, Speke, Stanley e. a.) gegeven; in dit gebied worden al dadelijk talrijke watervallen gevormd.

Herhaaldelijk verwisselt de rivier van naam, neemt van de Westzijde een geheel rivierstelsel in zich op (Bahr el Arab, B, el Ghazal, of Arabieren-rivier, Gazellen-rivier, enz.); nu eens zijn de oevers rotsachtig en worden stroomversnellingen en watervallen gevormd, dan weer verwijdt de rivier zich tot een moerassig meer, vormt eilanden met riet en allerlei waterplanten begroeid en 't vaderland van talrijke moerasvogels.

Een gewichtig Nijlpunt is Chartoem; vroeger de hoofdstad van Egyptisch Soedan, langen tijd een vooruitgeschoven post van de beschaafde wereld; hier vereenigt zich de Blauwe Nijl (B. el Azrek), uit het Abessinische Alpenland, met den hoofdstroom.

ocr page 162

155

Van Chartoem tot aan de Middell. Zee kunnen wij bij den Nijl 2 hoofddeelen onderscheiden: a. den Nubischen Nijl, tot Assoean; dit gedeelte is de streek der bekende Nijl-cataracten ; de rivier stroomt door rotswoestijnen, de scheepvaart is de meeste maanden onmogelijk, maar langzamerhand wordt het dal breeder; b. den Egyptischen Nijl, goed bevaarbaar en in een vruchtbare, dichtbevolkte streek; meer en meer verbreedt het dal zich tot de vlakte van het mondings-gebied.

2. De Congo of Zaïre; niet bekend in de geschiedenis als de Nijl, maar tegenwoordig veel besproken en in de toekomst waarschijnlijk zeer belangrijk.

De strooinlengte is wat kleiner dan die van den Nijl; stroomgebied en water-afvoer, door de zijrivieren, zijn grooter (fig. 15). Het bovengebied is het eerst meer bekend geworden door den be-roemdsten van alle Afrika-reizigers, Livingstone; de loop van de hoofdrivier, de richting van de talrijke zijrivieren, de mogelijke samenhang met de Nijlmeren waren vraagstukken, die Stanley meerendeels beantwoordde op de groote reis, toen hij Livingstone opzocht.

De talrijke namen in de verschillende deelen van den loop, de namen der vele Congo-meren zijn meest van de Negervolken overgenomen ; voorloopig hebben die namen nog niet de minste waarde.

Opmerkelijk is het verschijnsel, dat de zijrivieren alle, evenals de hoofdrivier, van Z. naar N. loopen; dit bewijst hoe Z.-Afrika over 't geheel hooger ligt dan Soedan.

3. De Niger, de rivier van Hoog-Soedan en Opper-Guinea ; het brongebied, de Djoliba, ligt bij dat van de Senegambische rivieren; bij het Noordelijkste punt, op den rand der woestijn, ligt het belangrijke station Timboektoe; bij den benedenloop komt de aanzienlijke linkerzijrivier uit Midden-Soedan, de Binoeé, een handelsweg; in het mondingsgebied ligt eene groote, moerassige, ongezonde delta.

4. De Zambezi, in lengte en gebied de 4.' der Afr. rivieren, maar in beteekenis voor het verkeer ver beneden de andere staande; stroomversnellingen en hooge watervallen wisselen elkaar af. In den bovenloop de prachtige Victoria-watervallen, die in grootschheid den Niagara nog zouden overtreffen (de inlandsche naam „Mosi-oa-Toenjaquot; beduidt, volgens Livingstone, „rook raast hierquot;).

Even ontstuimig is de waterrijke zijrivier, de Sjire, uit het groote Njassa-meer. In 't beneden-gebied is de breede stroom tot nu toe ook nog weinig belangrijk.

De Senegal, de Gambia en de Rio Grande behooren in lengte en ontwikkeling niet, doch in beteekenis stellig tot de hoofdrivieren van 't werelddeel; zij zijn over aanzienlijke lengte bevaarbaar en de

ocr page 163

156

nederzettingen aldaar hebben reeds druk verkeer niet het binnenland; vooral die van de Franschen, aan den Senegal, waarbij reeds sprake is van het tot stand brengen van een verbindingsweg tusschen dit gebied en den Niger.

Onder de rivieren zijn verder het meest opmerkenswaard; de Limpopo of Krokodillen-rivier en de Oranje-rivier, in Z.-Afrika; de Ogowe en de Gaboen, aan de W.-kust bij den evenaar, met breede monden, waaraan Fransche nederzettingen; de Sjari, die als afwatering van een rivierstelsel in het Tsad-meer valt.

§ 79- Klimaat, enz.

Afrika ligt voor % in de heete, voor % in de sub-tropische en warm gematigde gewesten.

Het Middell.-Zeegebied en Zuid-Afrika hebben winterregens; zij lijden over 't geheel aan waterarmoede: in het Nijldal valt bijna nooit regen; Suez heeft eene regenhoeveelheid van ±; 30 m.M. 's jaars.

Regenloos zijn de Sahara en de Kalihari, de woestijn van Z.-Afrika.

In het tropische Afrika valt over het geheel veel regen, vooral in de landen, welke om den evenaar liggen. De meeste regens vallen in den tijd, dat de zon den hoogsten stand bereikt, dus ten N. van den evenaar in ons zomerhalQaar en ten Z. van den evenaar in ons winterhalfjaar, terwijl sommige streken twee regentijden kennen.

Vooral aan de kusten, waar de zeewinden tegen de randgebergten opstijgen, vallen zware regens.

In nauw verband met deze regenverdeeling staat de plantengroei en, tot op zekere hoogte, ook het dierlijk leven.

Zoo kunnen wij dus in Afrika de volgende natuurlijke hoofddeelen onderscheiden ;

1. De woestijn-gebieden, Sahara en Kalihari, arm aan planten. De grenzen van deze groote woestijngebieden verschillen met de tijden van het jaar; als Zuidrand van de Sahara kan ongeveer 18° N.Br. worden aangegeven.

2. De subtropische gewesten van Afrika's Noordrand met uitgestrekte steppen van alfa, die in den regentijd in goede weidegronden veranderen; verder komen deze gewesten overeen met het Middell.-Zeegebied van Z.-Europa; altijd groene boomen, zuidvruchten enz.

3. De subtropische gewesten van het Zuidelijk deel; ook hier komen uitgestrekte steppen voor, als de Karroo-\\skXz. in Kaapland, welke steppen een deel van het jaar goede weiden zijn. In Z.-Afrika zijn talrijke Europeesche en Indische plantensoorten ingevoerd.

4. Het tropische Afrika, Soedan en Centraal-Afrika, met een

ocr page 164

157

even weelderigen plantengroei als in Indië en Z.-Amerika; palmen, bananen, rijst, suikerriet, koffie, katoen kunnen bij de tropische temperatuur en regens hier voortreffelijk groeien. Dichte wouden nemen nog een groot deel van het werelddeel in, terwijl de cultuur van den bodem nog veel te wenschen overlaat.

Ook met betrekking tot de dierenwereld sluiten de landen ten N. van de Sahara zich geheel bij Z.-Europa aan, al zijn de roofdieren, als de Barbarijsche leeuw, de hyena, thans ook uit Z.-Eur. verdwenen; de jakhals en het wilde schaap komen in Morea, op Sardinië en Corsica trouwens nog voor. Kenmerkend zijn in den Atlas 2 soorten van gieren in zeer groot getal, die met halfwilde honden tot in de straten der steden aas zoeken. De nuttigste diersoorten zijn; kameelen, schapen en paarden, alle in uitstekende soorten.

De Sahara vormt weer eene wereld op zich zelf; zij is gekenmerkt door armoede, al ontbreekt het dierlijk leven volstrekt niet.

In geheel Afrika ten Z. van de Sahara (in het Kaapland echter verdwenen) behoort de Afrikaansche olifant thuis; in de rivier- en meergebieden de rhinoceros, het rivierpaard en de krokodil. Groote apensoorten, o. a. gorilla', schimpansee, baviaan, gibbon, vooral in Opper- en Neder-Guinea. Talrijk zijn de slangen.

De struisvogels, vooral in de woestijnen en steppen, in Z.-Afrika huisdier; antilopen, zebra's, giraffen, vooral in de steppen van Z.Afrika. In het N. de leeuw, de hyena, de jakhals, meest in de overgangsstreken der woestijnen.

Voor het Z. bestaat de rijkdom in schapen, rundvee, paarden en bij de boeren ook in struisvogels.

Afrika wemelt van kwaadaardige vliegen; van sommige schijnt de steek voor tamme dieren doodelijk te zijn; vooral van de tsetse-vlieg wordt dit gezegd.

Een groot bezwaar is in geheel Afrika, de uiterste deelen in N. en Z. al weder uitgezonderd, het ontbreken van eenig lastdier, zoodat alle lasten op de hoofden der negers moeten worden vervoerd; voor het N. zijn het de kameelen, voor het Z. de ossen.

§ 80. Bewoners van Afrika.

Deze behooren grootendeels tot het Negerras („Zwarte werelddeel''); een klein gedeelte, in 't Noorden, zijn verwant met de bewoners van Europa en Voor-Azië, doch zij zijn sterk onder Semi-tischen (Arabischen) invloed.

Naar het geheel aantal bewoners, waarschijnlijk ±: 130 mill., staat Afrika ongeveer met Amerika (Noord- en Zuid- samen) gelijk.

ocr page 165

158

In betrekkelijke bevolking staat het boven Zuid-Amerika en Australië (fig. 19).

Overzicht der volkengroepen ;

Middellandsche- Zuid-Afr.

Zeevolken. Neger-ras. ras.

Egyptenaren. Berber- Soedan- [ Kaffer- Hotten- Boschjes-

volken. volken. Congo-volken. volken. totten. mannen.

De l8 groep bewoont den Noordrand van Afrika en is doorgedrongen in de oasen der Sahara; in taal en godsdienst overweegt het Arabisch element in geheel N.-Afrika, niet echter in het bloed.

De landen, door de Negers ingenomen, beslaan 't grootste deel van Afrika; voor de verschillende stammen komen talrijke afzonderlijke namen voor.

De Boschjesmannen en Hottentotten zwerven in het Zuidwestelijk deel.

De Europeanen zijn nog meest beperkt tot de nederzettingen aan de Afrikaansche kusten.

De godsdienst is of de Mohammedaansche öf de Heidensche; de Islam drong in de 7' eeuw in Noord-Afrika door en van Egypte tot Marokko was spoedig alles onderworpen. De Arabieren hebben in lateren tijd ook bij de negervolken talrijke bekeeringen gemaakt; de Arabische koopman, slavenhandelaar, zendeling, trokken gelijktijdig door het werelddeel, vooral van de Oostelijke kusten uit (Zanzibar). Thans kunnen Noord-Afrika tot en met Soedan als Mohammedaansch worden beschouwd.

De Heidensche godsdiensten bij de negervolken behooren tot den laagsten trap en zijn gekenmerkt door ruw bijgeloof, angst, men-schenoflfers, grooten invloed van de priesters (slangenbezweerders); men vat sommige samen onder den naam van Fetischisme.

Staatkundige indeeling.

De staatkundige toestanden in de grootste deeien van Afrika zijn nog onzeker; er zijn wel negerkoninkrijken, zelfs zeer groote en machtige, maar van bepaalde grenzen kan 'geen sprake zijn en in verscheiden streken voeren de negers voortdurend oorlogen en doen invallen op elkanders gebied.

Op de maatschappelijke toestanden heeft de slavenhandel den ver-derfelijksten invloed uitgeoefend; niet alleen, dat er landstreken door ontvolkt zijn, maar vooral ook doordat aldus bij de bewoners een geest van haat en wantrouwen tegen de vreemden ontstond, die nu de vreedzame ontwikkeling en het verkeer soms bemoeilijkt.

ocr page 166

159

Van eene bepaalde politieke indeeling kan eigenlijk alleen sprake zijn bij; i. Noord-Afrika; 2. Zuid-Afrika; 3. de Afrikaansche kusten en eilanden.

Noord-Afrika;

Egypte; in naam Turksch , doch sedert 1882 door Engeland bezet. Tripolis; „ „ „ .

Tunis; onder Fransch protectoraat.

Algerië; Fransch.

Marokko; onafhankelijk; enkele punten aan de kust zijn Spaansch. Oost-Afrika :

Abessinië (niet aan de kust grenzend).

Het Duitsche gebied.

Zanzibar; onder Engelsch protectoraat.

Het Portugeesch gebied.

Zuid-Afrika :

Britsche bezittingen (Kaapland, Natal en een deel der Kafferlanden). Oranje-Vrijstaat (niet aan de kust grenzend).

Z.-Afrikaansche republiek (Transvaal); niet aan de kust grenzend. West-Afrika:

Senegambië : Fransche, Portugeesche en Britsche nederzettingen. Opper-Guinea (Ivoor-, Goud- en Oliekust), bijna geheel Engelsch. Neder-Guinea: grootendeels Portugeesch; ten deele van den Congo-staat en een paar Fransche punten. Meer naar 't Zuiden zijn enkele gedeelten Duitsch.

Eilanden :

Azoren en Madeira-groep; Portugeesch.

Kaap-Verdische eilanden : „

Canarische „ en de daarachter liggende kust: Spaansch.

Guinea- „ Spaansch en Portugeesch.

St. Helena en Ascension; Engelsch.

Mauritius: „

Réunion en eenige eilandjes bij Madagascar: Fransch.

Op Madagascar wordt de belangrijkste, Oostelijke, helft ingenomen door een onafhankelijk rijk van Hova's (Maleiers); de Franschen hebben getracht zich hier te vestigen.

§ 81. De Barbarijsche landen.

Deze zijn;

1. Marokko.

2. Algeriè.

3. Tunis.

ocr page 167

i6o

De natuur is in de drie deelen over het geheel dezelfde, zoodat Bar-barije een natuurlijk geheel vormt, met een klimaat, eene flora , eene fauna, geheel verschillend van die in 't overige Afrika en meer overeenkomst vertoonende met de natuur in Z.-Spanje, op Sicilië en in Morea.

Den naam „Barbarijequot; dragen de landen naar de oorspronkelijke bevolking, „Berbers', die behooren tot de Chamitische volkengroep (Indo-Europeesche ras).

Meermalen zijn deze landen gekoloniseerd of veroverd geworden: Phoeniciërs, Romeinen, Arabieren, Turken en in onze dagen de Franschen; in meer dan een tijdperk waren deze streken getuige van eene bloeiende cultuur, die later weer onderging , doch waaraan nog bouwvallen herinneren, vooral uit den Kalifentijd (Middel-eeuwen); ook hebben belangrijke opgravingen plaats uit het Carthaagsch en het Romeinsch tijdperk.

Geen invloed is blijvender geweest dan die van den Islam; de Berbers moesten wijken naar de bergen en naar de woestijn; in de bergstreken hebben zich nog krachtige stammen zuiver gehouden, als Kabylen, Kkroumirs e. a., in de woestijnen zijn zij vermengd met het negerras en met Arabieren.

De taal is in de steden algemeen de Arabische; de godsdienst is hier meer dan ergens eene scheidsmuur tusschen de dweepzieke Muzelmannen en de gehate Christenen en Joden.

Bodem: De Atlas bestaat uit verscheidene ketens en plateau's ; de hoofdketen (Groote of Hooge Atlas) komt in hoogte overeen met de Sa-Nevada, waartegenover zij zich verheft. Doorgaans onderscheidt men de volgende streken;

1. Het Rif, het steile en rotsige kustgebied.

2. Het Tell (van „tellusquot;), 't beste deel des lands , de vruchtbare, goed besproeide landstreken; misschien '/4 van de geheele oppervlakte ; 't meest bewoond en gekoloniseerd.

3. De hoogvlakten, tusschen den Kleinen en den Grooten Atlas; een steppenland, zoodat veeteelt al weder het hoofdmiddel van bestaan is: schapen, kameelen en paarden. Hier en daar liggen zoute meren, sjots.

De overgangsstreken in het Z., naar de woestijn, vertoonen al spoedig het karakter van deze laatste; in den Kalifentijd waren zij in beteren toestand, besproeid en bebouwd; men geeft er den alge-meenen naam aan van „dadellandquot;.

Gebrek aan water is een algemeen verschijnsel; de rivieren drogen in de meeste maanden op (wadi's). De Fransche regeering tracht, al op verscheidene plaatsen, door het boren van artesische putten de landstreek bloeiender te maken.

ocr page 168

ról

Voortbrengselen: wol, paarden, kameelen; de natuur is zeer geschikt voor zuidvruchten, o. a. olijven, en wijnen; in Algerië neemt de uivoer reeds zeer toe; dadels en koren, voor de volksvoeding; kurk (heele bosschen van kurk-eiken) en esparto-gras zijn verder de voornaamste uitvoer-artikelen; tabak en katoen worden steeds meer verbouwd. Marmer, in kostbare roode soorten. Aan de kusten spons en koraal (zie blz. 135),

De bewoners zijn verder in de steden uitstekende handwerkslieden: broderieën, geweven stoffen, wapens.

Topographie.

Tunis (150), de 1'quot; handelsstad van Barbarije; voorhaven la Goleita.

Kairivau, eene heilige stad met prachtige moskeeën en levendig handelsverkeer.

Algiers (80), met prachtige ligging en heerlijk klimaat; regeerings-zetel en le uitvoerhaven van Algerië ; een telegraafkabel en geregelde stoombootdienst verbinden A. met Marseille; de overtocht duurt ±1 36 uur.

Andere havens, handelsstadjes, zijn Or au, Philippeville, enz., vroeger de uitgangspunten der Barbarijksche zeeroovers. Spoorwegen verbinden de genoemde havens met de gunstigste streken van 't binnenland, het Tell, o. a. langs Constantine, het oude „Cirtaquot; van de Numidiërs.

Algerië gaat wel vooruit (de spoorweglengte bedraagt reeds 2000 K.M.); de kolonie wordt echter nog grootendeels op militaire wijze bestuurd, wat de vrije kolonisatie tegenhoudt. Het land is eene oefenschool voor het Fransche leger (Zouaven, Turco's, Spahis e. a.).

Marokko (50), hoofdstad van het slecht bestuurde keizerrijk; de naam is overgegaan op het land, dat eigenlijk Maghreb el Aksa, d. i. „het uiterste Westenquot;, heet.

Fez, de grootste stad, met veel industrie (de naam dezer stad is gegeven aan het bekende hoofddeksel der Muzelmannen). Fez is een zetel van Mohammedaansche geleerdheid, als zoodanig het „Caïro van het Westen.'' Eene mooie residentie, niet ver van Fez, is Mekines.

Tanger, de haven tegenover Gibraltar, aan den W. ingang der straat (Gibr. aan den Oostelijken); het is , evenalsTripolis, Karthoem , Zanzibar, de Congo-mond, een der hoofduitgangspunten bij de ontdekkingsreizen in Afrika. Het is eene levendige handelsstad, waar talrijke karavanen aankomen en vertrekken; hier resideeren ook de Europeesche consuls.

Ceuta is Spaansch (zie blz. 148).

D. AlTTON, Beknopt Leerboek. 3e druk. U

ocr page 169

102

EGYPTE EN DE OMRINGENDE LANDEN.

§ 82. Bij Egypte onderscheiden wij:

1. Eigenlijk Egypte.

2. Nubië.

3. Egyptisch Soedan.

1. Dit bestaat uit het Nijldal, ter lengte van ±; 150 uren gaans , van de laatste cataracten bij Assoean af, langzamerhand zich ver-breedend tot eene vlakte, aan weerszijden door woestijnen ingesloten en overgaande in de Delta.

De historische deelen Opper-, Midden- en Neder-Egypte worden nog vaak onderscheiden.

Neder-Egypte of het Delta-gebied, maar weinig boven den spiegel der Middl. Zee, is geheel door Nijlslib gevormd; het wordt door talrijke Nijlarmen en besproeiingskanalen doorsneden en is buitengewoon vruchtbaar. Vooral katoen groeit er uitmuntend , rijst en andere korensoorten.

Ook het verdere Nijldal gelijkt één akker met koren, katoen, suikerriet en dadelpalmen ; scherp is de tegenstelling tusschen dit gebied en de rest, alles woestijn en rotsplateau's, en die tegenstelling verklaart den ouden naam van Eigenlijk Egypte; Chemi, d. i. „Zwart land.quot;

Bij de Egyptenaren was eene verdeeling des jaars in 3 jaargetijden in gebruik; deze eigenaardige wijze van verdeeling had haren oorsprong in de omstandigheid, dat de Nijl met zijne regelmatige overstroomingen de werkzaamheden van den landbouwer regelde. De 3 jaargetijden waren: 1. dat der overstrooming, beginnende als de zon in den Noorderkeerkring is gekomen; 2. dat van den groei en wasdom; 3. dat van den oogst.

In de 2» maand van de overstrooming bereikt de Nijl de grootste hoogte; geheel het Nijldal is dan als 'tware één groot meer, waaruit slechts enkele hoogere gedeelten met steden en dorpen zich verheffen.

In de 3quot; maand begint het water te dalen en laat in de lagere gedeelten des lands meren en vijvers achter, welke gaandeweg kleiner worden en van visschen wemelen, die in massa worden gevangen.

Akkerbouw is het groote middel van bestaan; de handel nam zeer toe sedert, ten gevolge van den slaven-oorlog in Amerika (l86l—'65), de katoen-cultuur een grooten omvang aannam en door de opening van het Suez-kanaal (1869).

De bewoners — 7 millioen — zijn voor het meerendeel óf Arabieren of afstammelingen van de oude Egyptenaren; deze laatsten

ocr page 170

163

zijn; l. de Kopten (Christelijke stadsbevolking); 2. de Fellahs (Mohammed. plattelands-bewoners).

Naast de Arabieren en de Kopten wonen in de steden; Turken, Europeanen en Joden.

Sedert 1517 is Egypte Turksch en ook hier is de heerschappij der Turken een vloek voor het land geworden. De arme Fellahs vooral hebben een hard lot, daar de grond niet de hunne is en zij zware lasten moeten opbrengen.

In 't midden dezer eeuw had Egypte een energieken onderkoning (khedive), Mehemed Ali, die het Turksche juk wilde afschudden en een vrijen, bloeienden Egyptischen staat stichten. Veel is door hem tot stand gebracht, al is het hoofddoel mislukt.

Het gezag van den Sultan beduidt in Egypte weinig meer. In 1882 brak een opstand uit, die tengevolge had, dat de Europeesche mogendheden, in 't bijzonder Engeland en Frankrijk, tusschenbeiden kwamen. Sedert heeft Engeland, naar 'theet tijdelijk, de gansche regeling van zaken in handen genomen en Egypte is daarbij wel gevaren: land en volk zijn in 't laatste tiental jaren ontzaglijk vooruitgegaan, in df eerste plaats door de zorg voor besproeiing; deze is 'teerst noodige om Egypte welvarend te maken: het water moet, bij wijze van spreken, tot voor de deur van den Fellah gebracht en deze aldus genoopt worden het voor zijn akker te gebruiken.

Voorts is veel gedaan op 't gebied van spoorwegen, post en telegraaf, leger en politie, en vooral rechtspleging, die onder 'tTurksch bestuur zoo goed als niet bestond.

Steden: Kaïro (400), de grootste stad van Afrika, heeft een geheel Oostersch aanzien; de plaats, waar Kaïro ligt, was altijd belangrijk: bij het begin van de splitsing van den Nijl lag het oude Memphis en liggen nog bouwvallen, waaronder de pyramiden (bij het dorp Gizeh, op den rand der woestijn).

Van Kaïro leidt de spoorweg opwaarts in het Nijldal; de totale spoorweg-lengte in Egypte bedraagt reeds bijna evenveel als die in Nederland.

In Opper-Egypte liggen bij de dorpjes Karnak en Luksor de bouwvallen van de groote stad Thebe, „de honderdpoortige stad,quot;

Alexandrië (250), de haven van Egypte en belangrijk voor het verkeer tusschen Europa en Indië. Vóór de opening van het Suez-kanaal bestond hier de overlandweg naar Suez en de Roode Zee. In tegenstelling met Kaïro is Alexandrië meer Westersch.

Port Said, jonge stad, waar aan een Arabisch kamp, groote Europeesche en Amerikaansche hutels grenzen. Suez, aan 't andere uiteinde van het bijna 30 uur gaans lange kanaal; dit kanaal werd met groote moeite gegraven door het woeste, zandige schiereiland van Sinaï (herhaalde verzanding en gebrek aan drinkwater); 't getal sche-

ocr page 171

164

pen, dat er door stoomt, bedroeg in de laatste jaren gemiddeld 3 a 4000; de reis duurt gemiddeld een etmaal; de totale opbrengst was 60 a 70 millioen francs 'sjaars. Het voornemen bestaat een tweede kanaal naast het eerste te graven.

De Egyptische havens aan de Roode Zee zijn weinig belangrijk; alleen is het vervoer van pelgrims naar de heilige steden in Arabië in de heilige maanden aanzienlijk; Kosseir, Soeakin.

§ 83. Nubië is het land van den Midden-Nijl, of van de Nijl-cataracten, tusschen Khartoem en Assoean. Door geheel Nubië is het bed van den Nijl een paar honderd voet diep in de golvende rotswoestijn ingesneden , zoodat 't schijnt, alsof de rivier tusschen eene dubbele rij van rotsheuvelen stroomt. De karige strookjes land langs het water zijn beplant met welige palmbosschen, afgewisseld door groene velden. De dorpjes zijn op steenachtige, dorre plekken gebouwd , om toch geen grond te verliezen. Nu eens vertoont zich de Nijl als eene breede, statige rivier, dan weder schuimt de kronkelende stroom tusschen steile rotswanden door; altijd wisselen liefelijke oasen met woeste rotsplateau's af.

Khartoem (40), hoofdstad en belangrijk station voor de karavanen; aan de samenvloeiing van Blauwen en Witten Nijl. Het werd vooral gewichtig sedert den tijd, dat de Egyptenaren hun gebied in de richting der Nijlmeren trachtten uit te breiden. Thans is het (sedert 1885, Gordon -f-) in handen van den Mahdi.

Berber is 't belangrijkste station tusschen Assoean en Khartoem; Soeakim is de haven.

Egyptisch Soedan, omvat de landen in het stroomgebied van den Witten Nijl, grootendeels bewoond door Negerstammen, maar waar de invloed der Arabieren zeer aanzienlijk is. De strijd, in de laatste jaren hier gevoerd, draagt een karakter, dat tegelijk godsdienstig is (haat van de Muzelmannen tegen de Christenen), politiek (poging om den vreemdeling, Egyptenaar of Europeaan, te verdrijven) en maatschappelijk (het behoud van den slavenhandel).

Tripolis, Barka en Fezsan. Deze landen staan in naam nog onder Turksche heerschappij.

Zij beslaan eene oppervlakte van 2 x geheel Duitschland, doch bestaan grootendeels uit woestijnen. Barka was in de oudheid gekoloniseerd door de Grieken (Cyrene), waaraan nog talrijke bouwvallen herinneren; wijn en olijven werden er toen uitgevoerd. Thans ligt er eene onbeduidende havenstad, Bengasi.

Enkele gedeelten van Tripolis zijn vruchtbaar land; het hoofdproduct vormen daar dadels. In het Z. liggen rotswoestijnen, Hamnta-

ocr page 172

165

das. Eene groote oase — naar een Egyptisch woord, dat „woningquot; beteekent — vormt het landschap Fezzan met de stad Moer zoek; Negers en Arabieren maken de bevolking uit.

Een drukke karavaanweg leidt van Tripolis over Moerzoek naar Koeka (aan het Tsad-meer).

§ 84. De Sahara.

De oppervlakte is ruim Vs van die van Europa. Het vroeger denkbeeld, dat de geheele woestijn de bodem van eene vóórhistorische zee zou zijn, moest worden opgegeven, nadat het wetenschappelijk onderzoek was begonnen.

In deze eeuw hebben moedige en bekwame reizigers licht verspreid over den vorm van den bodem en de geologische samenstelling, de temperatuur, de winden en andere atmospherische verschijnselen (b.v. luchtspiegeling: fata morgana); over de ligging der oasen en dus de richting der karavaanwegen; over de flora en de fauna, voor zoover die in sommige streken aanwezig zijn en ten slotte over de volksstammen, die op de groote oppervlakte leven.

De bekendste reizigers zijn: Barth, Rohlfs, Nachtigall, Vogel. Eene Nederlandsche reizigster, freule Tinne, die, na reizen aan den Nijl, eene woestijnreis begon, werd spoedig door Toearegs vermoord.

Het is gebleken, dat de woestijn slechts gedeeltelijk lager dan of weinig boven den zeespiegel ligt; er is ook veel hoogland: steenachtige plateau's, als de boven reeds genoemde Hammada's, en berglandschappen.

Niet overal voert het zand heerschappij; rotswoestijnen komen ook voor, o. a. bij den Nijl en langs de Roode Zee, in de Nubische en Arabische streken.

Het eigenlijke stuifzand, eene van de verschrikkingen der woestijn, behoort vooral thuis in het W. deel: El Djoef, d. i. het lijf der woestijn; ook is zeer woest juist het gedeelte aan de tegenovergestelde zijde, dus bij het Nijldal, de Lybische woestijn.

Bij den Atl. Oceaan verheft het woestijnzand zich tot zeer hooge duinen (wel tot 200 M.), die zich uren ver in zee als gevaarlijke banken voortzetten, waar de bewoners in strandroof hun bestaan vinden.

Oasen worden steeds daar aangetroffen, waar op natuurlijke of kunstmatige wijze water opborrelt; doorgaans ligt dan ook de oase laag en ten opzichte van de omstreken komvormig. De grootte van de oasen is zeer verschillend, evenals de afstand, waarop zij van elkaar verwijderd zijn; er zijn oasen, die b. v. de oppervlakte beslaan van eene Nederl. provincie, maar er zijn er ook zeer kleine;

ocr page 173

i66

sommige liggen een paar dagreizen van eene volgende, andere zijn zoover van de naastbijzijnde verwijderd, dat de karavanen een paar weken of langer noodig hebben. Wanneer door eene of andere omstandigheid het water in eene oase gaat ontbreken of onbruikbaar wordt, ontstaat voor de karavanen groot gevaar; zoo is in 1805 in 't W. gedeelte eene karavaan van meer dan 3000 menschen en ka-meelen omgekomen onder zulke omstandigheden.

In den regel waait de N.O.-passaat; velen schrijven juist daaraan de aanwezigheid toe van deze onmetelijke woestijn, die deel uitmaakt van den grooten woestijngordel, welke bij 't Alpenland van Mantsjoerije begint en waartoe de Gobi, de steppen en woestijnen van Iran en de droge landen van Arabië behooren. Toch is het uitgemaakt, dat ook winden van de zijde der Middell. Zee waaien, doch deze komen aldus in streken van hooger temperatuur en brengen dus geene vochtigheid aan.

De heete winden in Z.-Europa, b.v. de Sirocco op Sicilië en in Z,-Italiö, de Solano in Spanje en de Fóhn in de Alpendalen, werden vroeger verklaard als Zuidewinden, droog en heet, doordat zij van over de woestijn kwamen; eene volkomen zekerheid bestaat ten aanzien der beide eerste niet; de Fólm echter is stellig geen woestijnwind, hij is een plaatselijk verschijnsel, dat vooral in bergstreken thuis hoort, waar b.v. een vochtige wind aan de eene zijde van 'tgebergte opstijgt, zijn waterdamp verdicht en afgeeft, om vervolgens als droge wind aan de andere zijde neer te dalen.

In Afrika heeten de Samoem, de Chamsin en de Harmattan „vergiftige winden;quot; de 1quot; is stellig een woestijnwind en vormt met het stuifzand de grootste verschrikking voor de karavanen; de 2quot; waait in Egypte en ontleent den naam aan 't oud-Egyptisch woord voor 't getal 50 (omstreeks Juli); de 3e komt voor naar de zijde van Opper-Guinea.

De temperatuur in de woestijn kan verbazend hoog zijn, gelijk trouwens in Afrika ten N. van den evenaar, vooral naar de zijde der Roode Zee, de hoogste temperaturen gemeten zijn, die men kent. In de nachten is het soms zeer koud tengevolge van de verbazend snelle uitstraling (de lucht is bijna altijd zonder wolken); daardoor is 't verklaarbaar, hoe 's nachts een sterke dauw kan neerslaan.

De grenzen der Sahara naar de zijde van Barbarije en van Soedan zijn niet scherp geteekend; er zijn overgangsstreken, in het Noorden b.v. de Algerijnsche Sahara; in die overgangsstreken zijn de „wadi's'quot;, boven bedoeld. Ook liggen hier eenige zoute meren, de lage sjotts (niet te verwarren met de hooge sjotts, op de plateau's van den Atlas); daar de spiegel dezer meren beneden dien van de Middell. Zee ligt,

ocr page 174

167

is door de Franschen wel eens het plan geopperd, de landengte tus-schen de sjotts en de golf van Gabes door te steken en zoo eene binnenzee te vormen, in de verwachting, dat hierdoor een gunstige invloed op het klimaat der verdere Alger. Sahara zou worden uitgeoefend , in welke verwachting echter lang niet algemeen gedeeld wordt.

Ook aan den Zuidrand der woestijn vormen steppenlandschappen den overgang, ongeveer tusschen 18° en 150 N.B.; deze breedte verschilt, in verband met den regentijd in Soedan (zie boven).

In sommige deelen van de woestijn groeien hard gras en doornstruiken, veel acasia's; eenige beteekenis heeft de Arabische gomboom en ook de zoogenaamde mannastruik, eene soort van tamarinde, wier sap verzameld wordt en voedende eigenschappen bezit.

In de oase wordt elk plekje bebouwd; de dorpen liggen daarom niet in de oase, maar op den rand. Er wordt katoen verbouwd, verder eene soort van koren, doerrha of kaffergierst genoemd; zelfs worden perziken en abrikozen gekweekt, maar het voornaamste is de eigenlijke boomsoort van N.-Afrika, de dadelpalm. Op het water is men zuinig, het wordt door kanaaltjes verdeeld; het groen der oase vormt eene scherpe tegenstelling met de woestijn.

De dierenwereld is mogelijk nog armer dan die der planten; de kameel, rij- en lastdieren onderscheiden, door de Arabieren in de 7' eeuw in Afrika gebracht en in beteekenis voor N.-Afrika niet onderdoende voor de spoorwegen in Europa (verspreidingsgordel van deze kameelensoort van Marokko tot Dekan). Verder enkele struisvogels en op de randen de leeuw en de antilope en hier en daar de hyena.

De bewoners bestaan van het begeleiden en van het plunderen der karavanen; van het inzamelen van zout, van ruilhandel en roof. In 't midden wonen de krijgshaftige en sluwe Toearegs, in 't O. de Tib-boe's; in de Lyb. woestijn en naar de zijde van Egyptisch Soedan treedt het Arabische element op den voorgrond; in het Westen van de Sahara zijn Moorsche stammen. Het is zeker, dat de genoemde volken geen zuiver bloed bezitten, maar door vermenging zijn ontstaan , waarbij het neger-element eene groote rol heeft gespeeld; de Toearegs zijn nog 't zuiverste aan de oude Berbers verwant gebleven (Chamiten); de Mooren naderen meer tot de Arabieren, de Tibboe's meer tot het negerras.

§ 85. Soedan.

Door Soedan verstaat men in 't algemeen het groote gebied ten Z. van de Sahara en Nubic en ten N. van Centraal-Afrika. In het

ocr page 175

168

Westen gaat het over in Senegambië en Opper-Guinea, in 'tOosten omvat het nog het Nijlgebied boven Khartoem.

Die landen vormen even als de beide vorige deelen, die wij bij Afrika onderscheidden — „de Noordrandquot; en „de Sahara'' —, weer eene wereld op zich zelf; de naam is ontleend aan de bewoners; Beled es Soedan, „land der Zwarten.quot;

In het gebied van den Niger ligt „Hoog-Soedan'\ in het midden, om het Tsad-meer, Laag- of Midden-Soedan; de Oostelijke landen, die in het Nijl-gebied, heeten Egyptisch Soedan, sedert zij in deze eeuw door de regeering van Egypte werden veroverd (expeditie van 1839—43 onder Mehemed Ali); de naam is thans echter niet zonder ironie (waarom niet?).

Gelijk boven reeds gezegd, is het klimaat in deze landen heet; overvloedige regens en talrijke rivieren maken het land zeer vruchtbaar; maïs, tarwe, kaffergierst, katoen, koffie, palmen groeien uitstekend. Groote diersoorten zijn talrijk; in de dichte wouden jagen de negers op de olifanten; bij het Tsad-meer (in grootte ruim % van Nederland) en de rivieroevers zijn krokodillen en rivierpaarden. Het vee der negervolken bestaat uit runderen.

In 't gebied van den Boven- en den Midden-Niger liggen de belangrijke Fellatah-staten: de Fellatahs of Foelie's zijn begaafde volken, staan onder al de oorspronkelijke Afrikaansche stammen wel het hoogst, beoefenen uitstekend den landbouw en de handwerksnijverheid (ijzer smeden, katoen weven en verwen), hebben veel gedaan voor de verbreiding van den Islam. Of het eigenlijk Negers zijn, is niet uitgemaakt; zij zijn wat lichter van kleur, mooie menschen. Hunne grootste steden zijn Sokoto, Jacoba en Kano, hoofdsteden van staten, wier grenzen echter in bloedige oorlogen gedurig veranderen.

Om het Tsad-meer liggen negerstaten, als Bornoe, Wadai, e. a.; eene der belangrijkste steden van aankomst is Koeka, maar er zijn ook nog andere steden , alle met een groot aantal inwoners en die een levendi-gen karavaanhandel drijven met de landen aan gene zijde van de Sahara.

Deze streken, Midden-Soedan, zijn meermalen door belangrijke reizen onder de aandacht gebracht; de omvang van het meer verschilt aanmerkelijk met den tijd van het jaar, zoodat de berichten van de reizigers aanvankelijk vaak met elkander in strijd waren, en, waar de één een meer meende gezien te hebben , beschreef de ander soms plantengroei en menschen (op gelijke wijze wordt b.v. het vroeger betwijfelde moeras-meer „Kina Baloequot; in N.-Borneo verklaard). Men noemt het land om 't meer wel eens het „Afrikaansche Nederland.quot; Wadai is het meest genoemd, o. a. door het tragisch uiteinde van Vogel.

Ook hier zijn de negervolken van eene ontwikkelde soort; hunne

ocr page 176

169

middelen van bestaan zijn landbouw en veeteelt (rundvee), terwijl zij ook handwerken verstaan. Een groot bezwaar voor de geregelde toestanden zijn echter de oorlogen en de invallen, die de volken op elkanders gebied doen en waarbij de talrijke gevangenen gedood of tot slaven gemaakt worden. Voor den Kur. reiziger is de dweepzucht gevaarlijk, die al deze volken van Soedan (Muzelmannen) even goed als die van N.-Afrika kenmerkt; een aanbevelingsbrief van den Sultan uit Con-stantinopel kan zelfs hier in deze verre landen soms van veel dienst zijn.

De karavaanwegen verbinden in 't algemeen de havens aan de Middell. Zee met de negersteden van Soedan; belangrijke wegen zijn;

1. Van Tanger en van Mogador over Marokko naar Toeat, waar ook een weg uit Algerië aankomt; en van hier uit door de woestijn naar Timboektoe. Deze laatste plaats heeft voor den handel eene zeer gunstige ligging: op den rand der woestijn en bij den Niger; maar de ligging gaf ook aanleiding, dat de stad meer dan eens verwoest werd in de oorlogen, die Mooren, Toearegs en Fellatah-negers hier voerden (de stad is reeds in 1213 gesticht). Evenals bij de meeste steden in N.-Afrika en in Voor-Azië verschilt het aantal inwoners nog al in verband met de maanden, waarin de meeste karavanen

ocr page 177

i7o

komen. Timboektoe was ook altijd eene slavenmarkt, want slaven vormden altijd hier en elders het voornaamste handelsartikel en het verval van den slavenhandel heeft voor vele streken in dit gedeelte van Afrika kwijning ten gevolge had. Men moet ook niet gelooven, dat slaven en slavenhandel in Soedan geheel zouden zijn verdwenen.

2. Van de stad Algiers gaat een hoofdweg over de oase Wargla (Alg. Sahara) en van hier naar Timboektoe. Andere hoofdwegen leiden naar Midden-Soedan (de landen om het Tsad-meer).

3. Uit Tripolis naar Moer zoek, eene der belangrijkste steden op den rand van of in de woestijn, groote slavenmarkt; ook een uitgangspunt voor de ontdekkingsreizigers.

De tot hiertoe bedoelde wegen zijn in 't W. en vooral in het midden der Sahara; ook de Oostiijke woestijn, de Lybische, heeft hare oasen, maar deze behooren cn staatkundig èn naar het verkeer tot Egypte; eene belangrijke oasenrij begint bij Assoean, dus op de Egyp-tisch-Nubische grens, loopt van het Nijldal in N.W. richting op Zfor/fo en Tripolis aan. De bekendste oase aan dezen weg is die van Siwah (Jupiter Ammon).

De handel, die langs de beschreven karavaanroutes gedreven wordt, draagt nog het karakter van ruilhandel. Voor allerlei snuisterijen, spiegeltjes, glazen kralen, maar vooral gekleurde katoentjes, krijgen de Arabische kooplieden ivoor, stofgoud, struisvogelveeren, was, gom, katoen; maar de negers zijn in de laatste jaren reeds meer doordrongen van de waarde hunner artikelen en bovendien blijft de handel door de woestijnen altijd met vele gevaren verbonden.

§ 86. Seneg-ambië en Opper-Guinea.

In 't mondingsgebied van drie rivieren — Senegal, Gambia en Rio Grande — liggen nederzettingen van Europeanen; Frankrijk, Engeland en Portugal oefenen er gezag uit. In 't bijzonder die aan den Senegal zijn belangrijk: de Franschen — de regeering en vooral ook de zending — hebben hier veel tot stand gebracht en de han-delsbeteekenis van St.-Louis is niet onaanzienlijk. Langs de rivier zijn de Fransche zendingsposten tot ver in 't binnenland vooruitgeschoven. Meermalen reeds is het plan ter sprake gebracht Fransch-Senegambië door een spoorweg te verbinden met Algerië, doch er bestaat weinig kans op verwezenlijking van dit plan; zulk een Trans-Saharische spoorweg zou niet alleen met groote technische bezwaren gepaard gaan, 't handelsbelang en de militaire beteekenis van den weg zouden aan de kosten niet geëvenredigd zijn. ■

Onder den naam Opper-Guinea wordt het geheele kustgebied

ocr page 178

171

samengevat, ter lengte van ruim 400 uur gaans, van Sierra Leona tot aan de Nigerdelta. Over het geheel lage kustlanden niet talrijke kustriviertjes, die van het Kong stroomen; tropische regens (hier meer dan in eenig deel van Afrika, waardoor ?) en de hooge temperatuur voeren wel de vruchtbaarheid van den bodem tot ongekende hoogte en geven het aanzijn aan prachtige oerwouden, maar maken het klimaat voor den Europeaan hoogst ongezond.

Naar de hoofdartikelen van uitvoer onderscheidt men dikwijls;

1. De Peperkust; hier ligt eene negerrepubliek Liberia, door de Amerikaansche Unie gesticht in den tijd, toen de slavenquaestie alles beheerschte; Monrovia heet naar den Unie-president Monroe. Belangrijk uitvoer van koffie.

2. De Tand- of Ivoor-kust en de Goudkust. Hier had in de 17 eeuw de Nederl. West-Indische Compagnie hare nederzettingen; hier was 't tooneel der oudste koloniale ondernemingen van Duitschland (in den tijd van den Grooten Keurvorst). De Nederlanders hadden er tot 1871 nederzettingen; toen zijn deze verkocht aan Engeland, dat thans bijna deze geheele kust heeft.

3. De Slavenkust, tegenwoordig is de naam O He kust reeds beter; de olie gaat o. a. veel naar Marseille (zie blz. 68); Lagos is de voornaamste haven.

Aan en achter deze kusten liggen negerrijken, o. a. van de Mandingo''s en Ashantijnen, krachtige volken, maar met wreede natuur en door despotische koningen geregeerd. (Onze Ned.-Indische regea-ring rekende hare troepen, uit negers van de Afrikaansche kust bestaande, tot de beste, schoon wreede soldaten; thans zijn er nog maar enkelen over.) Engeland en Frankrijk hebben hier reeds herhaaldelijk militaire expedities ondernomen (1873—'74. Generaal Wol-seley tegen de Ashantijnen; 1893. De Franschen tegen Dahomeh).

§ 87. Centraal-Afrika of het Cong-o-gebied.

De Congo (of Zaire) behoort tot de grootste rivieren der aarde (fig. 15); bij eene stroomlengte van ±. 4 maal den Rijn heeft zij met haar uitgebreid stelsel van zijrivieren een stroomgebied wellicht zoo groot als Europa. Dit stroomgebied wordt doorgaans onder den naam van „Centraal-Afrikaquot; samengevat; tusschen Soedan in het N., en Z.-Afrika in het Z.; Neder-Guinea is het Westelijke kustgebied, met den breeden riviermond.

Geen deel van Afrika bleef langer onbekend, maar ook geen deel wordt juist in de laatste jaren meer besproken; er bestaat nog wel verschil van gevoelen over de natuur en de mogelijke handelsbetee-

ocr page 179

172

kenis van het Congo-gebied, maar volgens Stanley zijn hier rijke en dichtbevolkte landen. Hij heeft er herhaaldelijk gedurende jaren gereisd ; zijne beschrijving van de groote Afrikaansche wouden komt in hoofdzaak geheel overeen met die, welke men kent van de tropische wouden in Midden- en Zuid-Amerika;

„Ook hier ontmoet de reiziger de verschrikkingen van den schier ondoor-dringbaren plantengroei, de zonlooze somberheid, de vochtigheid en ongezondheid der huiveringwekkende wildernis. De rijkdom der insectenwereld, zoowel in hare schoonste als in hare afschuwelijkste vormen (doch in de laatste wel het meest) bleek onbeschrijfelijk. Telkens moesten diepe poelen en geulen doortrokken worden; daarbij schier aanhoudend regen of zwaar bewolkte hemel, overal klamheid en vocht, giftige of kwellende gedierten, eene door wind noch zonneschijn gezuiverde lucht, zwaar van de walmen der verrotting, en telkens van achter een boomstam een snorrende pijl, die, zelfs na eene lichte verwonding, den getroffene aan bloedvergiftiging of aan mondklem smartelijk deed bezwijken.quot;

Verscheidene stations zijn door Stanley aan en bij de rivier opgericht, als Stephanie-ville, Stanley-pool e. a. De koning van België (Leopold II) is hoofdpersoon bij de bemoeiingen om den handel tus-schen Europa en de onmetelijke binnenlanden van Afrika te verlevendigen. In 1885 werd op een Congres te Berlijn door verschillende Mogendheden de Congo-staat erkend. Krachtens onderscheiden verdragen heet 't gebied van dien staat eene oppervlakte te beslaan van i 4 x Duitschland, met wellicht 14 a 15 millioen inwoners. De hoofdstad is Boma; eene kuststrook heeft de Staat aan den Noordelijken Congo-oever.

De voornaamste artikelen van uitvoer zijn tot nu toe palmpitten, ivoor, caoutchouc, aardnoten (voor olie); in mindere mate struis-vogelveeren, gom, hars; voor de toekomst verwacht men de cultuur, vooral van koffie en katoen. Vóór alles zijn noodig; wegen en vervoermiddelen; tot nu toe zijn uitsluitend de menschen lastdragers en volgens Stanley zijn zij daarin onovertroffen; paarden en ezels schijnen hier niet te kunnen leven en de Afrikaansche olifant is niet getemd.

Tot nu toe zijn in bijna geheel Afrika de Arabieren verreweg de eerste handelaars en vormen slaven 't meest gewilde handelsartikel. Eerst wanneer de Arabische koopman 't veld zal hebben geruimd voor den Europeeschen handelaar, zal de slavenhandel tot 't verleden gaan behooren; doch voorshands bestaat daarop weinig uitzicht, al is reeds veel gewonnen, nu meer en meer langs Afrika's kusten de havenplaatsen onder Europeesch bestuur komen.

Eene zaak van groot belang is verder het verkrijgen van goede verbindingswegen tusschen de binnenlanden en de kust: de Congo-

ocr page 180

173

stroom is over groote lengten uitstekend bevaarbaar; van de monding af kunnen zelfs diepgaande schepen varen tot aan de Living-stone-watervallen (Yellala) dicht bij 't station Vivi, over eene lengte dus van 40 uren gaans; daarna is de rivier onbevaarbaar en ook verder wisselen bevaarbare gedeelten af met andere, waar 't bergachtig terrein den stroom woest en ongeschikt maakt.

Portugal is souverein aan den linker (Z.) Congo-oever en over de verder Zuidwaarts gelegen kustlanden; deze worden bestuurd van Angola, Benguela en andere nederzettingen uit; naar 't binnenland zijn de grenzen onbepaald.

In 1885 vertrok uit Nederland eene expeditie onder leiding van den Sumatra-reiziger Veth. Van Mossamedes uit zou men trachten eene reis door de binnenlanden naar Zanzibar te maken, maar reeds in 't begin stierf Veth door tropische koortsen.

Handelskantoren zijn aan deze kusten van Neder-Guinea nog gevestigd; o.a. van de Nieuwe Afrik. Handelsvennootschap, wier nederzettingen Banana tot middelpunt hebben; verder van eenige Hamburgsche firma's.

De handelsartikelen, die door de negers aan de kustplaatsen worden gebracht, zijn dezelfde, als boven werden genoemd; de inboorlingen krijgen daarvoor van de Europeanen katoenen stoffen, snuisterijen , sterke dranken, oude geweren enz.

De eenige grootere muntstukken, in Afrika geldig, zijn eene Spaan-sche munt en de Oostenrijksche Maria Theresia-daalder; de laatste vooral, ter waarde van ± f 2.50, geldt in Marokko zoowel als in Egypte, in Zanzibar gelijk aan de Westkust, en evenzeer ook in 't hart van Soedan, b.v. op de markten van Bornoe. Als belangrijkste pasmunt geldt in gansch Afrika bij den handel de „Kauri-schelpquot;, die vooral in de zeeën bij de Malediven wordt gevischt en eene geringe waarde heeft, doch in groote hoeveelheden wordt ingevoerd; de Duitsche reiziger Barth verhaalt, dat hij eens zijne drie paarden verkocht voor 190.000 mosselen, eene som, waaraan 5 menschen een halven dag moesten tellen.

Op den duur kan Centraal-Afrika voor den handel grooter betee-kenis krijgen, wanneer, gelijk boven werd gezegd, plantage-producten zullen worden aangekweekt.

Ten Z. van het Portugeesche gebied heeft in den laatsten tijd de Duitsche regeering van eenige kustplaatsen bezit genomen tot bescherming van bestaande handelsbelangen in die streken en tot het aanknoopen van nieuwe. Een der punten, die 't meest genoemd worden, is Angra-Pequenna (20° Z.-B.).

ocr page 181

174

§ 88. Britsch Zuid-Afrika of Kaapland (met Natal, enz.).

Niet overal zijn de Afrikaanscbe kusten laag; in Z.-Afrika zijn uitstekende havens; de 2 belangrijkste zijn Kaapstad en Port Elisabeth. Maar ook in het Kaapland is de gemeenschap van het binnenland met de kust uiterst moeilijk: de bodem stijgt terrasvormig; er zijn 3 terrassen, die door bergketens van elkaar worden gescheiden.

Het Zuidelijkste of kustterras is, hoewel smal, het belangrijkste: 't heeft de beste ligging, de gunstigste natuur, de dichtste bevolking; de Zwarte Bergen scheiden dit terras van het hoogere, de Karroo-vlakte, een steppenland, de meeste maanden droog, maar in de regenmaanden welig weideland; deze streek is bekend door hare menigte bolgewassen.

Deze Karroo-vlakte is, evenals het kustgebied, nog smal in vergelijking van het 3quot;, het groote terras ; „de vlakte tot aan de Oranjerivier.'' Hier is het nog droger en woester; de rivieren zijn den meesten tijd slechts beddingen; vrij hooge bergen (tot 2.000 M.) scheiden deze steppen van de vorige terrassen en van de Westelijke en Oostelijke kusten : Nieuweveldsbergen, Stormbergen, Drakengebergte e. a.

Het klimaat in Kaapland is warm gematigd en gezond, het herinnert aan Italië; uit O.-Indië gaat men wel naar Kaapland tot herstel van gezondheid.

Uit Indië, China en Europa heeft Z.-Afrika plant- en diersoorten gekregen; de inheemsche soorten waren niet rijk.

Rundvee is er thans van alle diersoorten verreweg 't belangrijkst, voor blanken en inboorlingen de waardemeter van hun vermogen; op de lange reizen, den „trekquot;, wordt 't vee bij tienduizenden stuks medegevoerd; vleesch is voedsel in de eerste plaats.

Schapen: inheemsche soorten met lange dunne haren, alleen gefokt tot voedsel; veel belangrijker en talrijker zijn de talrijke ingevoerde soorten, vooral merino's uit Spanje (1773).

Paarden, eerst van Java en Perzië, later uit Amerika; zij lijden veel aan de zoogenaamde „ziektequot;; hebben ze die doorstaan — ze heeten dan „gezoutenquot; —, dan zijn ze duur.

Angora-geiten, uit Klein-Azië, met lang zijde-achtig haar.

Van de in 't wild levende dieren zijn opmerkelijk; zebra's, antilopen, struisvogels; van de antilopen leven geheele kudden in de Karroo-vlakte.

Wat Noordelijker komen reeds de groote diersoorten voor, waaraan Centraal-Afrika zoo rijk is , o. a. olifanten en neus hoor ndier en; maar zij zijn in Z.-Afrika nu al zeldzaam.

ocr page 182

175

De kolonisten wonen hoofdzakelijk in het kustgebied en als veeboeren ook in de Karroo. Schapenfokkerij is hoofdmiddel van bestaan. Landbouw is in Zuid-Afrika nog geene hoofdzaak; toch neemt de cultuur van ooft'en wijn zeer toe. Tabak teelt bijna ieder neger, die zich met landbouw afgeeft; want die plant geeft hem een zijner meest gewaardeerde genoegens; rooken en snuiven zijn hartstochten.

Kafferkoren en maniok zijn voor de zwarten.

Het grootste gebied, dat van de Oranje-rivier, kan nog Bosc/i-jesmanland heeten. De tallooze stammen van 't Zuidoosten worden samengevat onder den naam Kcijffer-wWen („ongeloovigenquot;'; deze naam is, reeds in de middel-eeuwen , door de Arabieren aan al de volken van Oost-Afrika, voorzoover zij den Islam niet aannemen, gegeven).

Het verkeer moet in Z.-Afrika nog veel plaats hebben met den ossenwagen en te paard; de wegen zijn vaak niet meer dan eene kloof in 't gebergte en er worden maar kleine afstanden afgelegd. Doch reeds heeft de Kaap-kolonie een spoorwegnet van 3000 K.M. in 't kustgebied zijn spoorwegen en verder leiden zij naar de gouden diamantvelden, in 't gebied van de Vaal en van de Oratije-rivier; deze zijn rijk en trekken in de laatste jaren veel kolonisten.

De belangrijkste uitvoerartikelen van Z.-Afrika zijn : Kaapsche wol, wijnen , struisvogelveeren : de uitvoer van 't laatste artikel vertegenwoordigt eene jaarlijksche waarde van dz ƒ 15.000.000; hadden vroeger , om de kostbare veeren machtig te worden, verwoestende jachten plaats, thans bestaat eene teelt op groote schaal: in 1865 waren in de Kaapkolonie 80 tamme vogels, nu zijn er meer dan tienduizend, al behoudt ook de veer van den wilden vogel grooter handelswaarde; voor goede vogels wordt soms duizenden geboden. Verder: goud en diamanten.

Kaapstad (60) is gebouwd op een schiereiland ingesloten door 2 mooie baaien, Tafelbaai en Palsbaai; vlak bij de stad verheft zich de Tafelberg (±: 1IOO M.). De bevolking is van den meest verschillenden landaard: Engelschen en Hollanders zijn het heerschende element; Portugeezen, Amerikanen e. a.; Kaffers, vooral als bedienden.

Sedert de opening van het Suez-kanaal is de stad niet meer zoo levendig; zeilschepen nemen nog in den regel hun weg om de Kaap, en Kaapland zelf krijgt steeds meer eene belangrijke verbinding en beteekenis voor den handel (geregeld stoombootverkeer van Southampton en Plymouth uit).

Van de 17quot; eeuw, den tijd, toen Engelschen en Hollanders ook in dezeefin van 't Zuidelijk halfrond met de Spanjaarden en de Portugeezen gingen wed-

ocr page 183

176

ijveren, dagteekent ook het Engelsch bezit van St.-Helena (1673). Zijne be-teekenis voor de scheepvaart is niet meer zoo groot en 't eiland kost Engeland betrekkelijk veel; doch het wordt om strategisch belang, als „citadel van den Zuidl. Atl. Oceaanquot; gehouden. Het aantal bewoners is 5 a (iOOO.

De Engelsche gouverneur der Kaapkolonie resideert in Kaapstad; de kolonie heeft zelfregeering, d. i. een zelf gekozen parlement. Voor de rechtbanken en in de regeeringstukken heeft sedert eenige jaren het Hollandsch gelijke rechten als het Engelsch.

Pt.-Elisabeth (genoemd naar de gemalin van een der Gouverneurs) is 2e haven en ook belangrijke wolmarkt.

Merkwaardig is 't, dat, terwijl in 't district om Kaapstad heen het Hollandsch element overweegt, hier, in 'tZuidoosten der kolonie, alles Engelsch is; de geschiedenis der Kaap-kolonie geeft de verklaring: toen 'tland Engelsch werd (180ü) lag 't Zuidoosten nog nagenoeg geheel braak, daar bracht de Engelsche regeering landverhuizers heen, eenmaal zelfs 5000 tegelijk (1825).

Kimberley is na Kaapstad de aanzienlijkste plaats, het middelpunt der diamantvelden. Andere plaatsen, als Stellenbosch, Beaufort, Graaf Reinet enz., zijn ver uiteengebouwde dorpen, die meerendeels hun naam dragen naar Hollandsche en Fransche families, die door zich neder te zetten tot de stichting aanleiding gaven.

Natal; grootte ± x Nederland; bevolking ± millioen. Deze kolonie, ingelijfd in 1843 en thans geheel Engelsch, ligt in het gebied der Kafferstammen, welke geheel Z.O.-Afrika bewonen. De naam Natal herinnert aan het le bezoek van Europeanen (Vasco da Gama, Kerstmis 1497).

Vóór de 19= eeuw werd dit van nature rijk gezegende land niet gekoloniseerd. Toen de „Groote Trekquot; der Boeren uit de Kaap-kolonie plaats had (1835—'38), zagen al spoedig „voortrekkersquot;, als Pieter Retief, de voordeelen, die deze landstreek aanbood. Dat de machtige Kaffer-koning Dingaan hier heerschte, schrikte niet af: Retief wist zelfs eene koop-acte van een bepaald gebied te krijgen, doch viel toen met een C0-tal tochtgenooten als ofifer van een verraderlijken moord. En die moord was Dingaan niet genoeg: zijne benden overvielen de in aantocht zijnde Boeren-afdeelingen en op de plaats, waar nu het dorpje Weenen ligt, vonden talrijke huisgezinnen in enkele dagen een bloedigen dood. Wraak op Dingaan werd genomen in den slag aan de Bloed-rivier; de herinnering aan dit feit wordt nog altijd in de meeste kerken van Zuid-Afrika op den 16en December, „Dingaansdagquot;, gevierd.

De stichting van de vrije Bóeren-republiek Natalia volgde, doch de regee-ring der Kaapkolonie trad al spoedig op met de verklaring, dat zij de uitgetrokken Boeren bleef beschouwen als onderdanen der Britsche kroon en, hoezeer daartegen ook werd geprotesteerd, Natalia kreeg eene Britsche bezetting en Britsche ambtenaren (1843). Weldra besloten de Boeren andermaal te trekken: de onder bloed en tranen verkregen woonplaatsen werden prijs gegeven; op nieuw het Drakengebergte over, de wildernis in, eene onzekere

ocr page 184

177

toekomst tegemoet, dat alles liever dan geregeerd te worden door den toen zeer gehaten Engelschman.

Van dezen nieuwen uittocht zou de stichting der Republieken in 't gebied der Oranje-rivier een gevolg zijn.

Bodem en klimaat zijn zeer gunstig. De Kaffers zijn hier meeren-deels Christenen en maken het hoofddeel der bevolking uit.

Sedert een paar jaren worden ook Indische en Chineesche koelie's op de plantages gebruikt.

De beduidendste plaatsjes zijn Port Natal en Pieter Maritzburg — de laatste naam herinnert aan een tweetal der beste voortrekkers; Pieter Retief en Gerrit Maritz. — De spoorweg leidt van Port Natal langs de hoofdstad en verder naar de grenzen van Vrijstaat en Transvaal.

Onder de naburige Kaffervolken zijn het meest bekend de Zoeloe s met hun oorlogzuchtigen aard; zoowel de Eng. regeering als de Boeren hebben telkens expedities tegen hen af te zenden.

§ 89. De Zuid-Afrikaansche Republieken.

In 1652 stichtten de Hollanders voor het eerst in Z.-Afrika een vast station en legden aldus den grond tol vrij belangrijke koloniën; toen de Engelschen in 't begin dezer eeuw meester werden in Kaapland, trokken de Hollandsche boeren al spoedig met al hunne bezittingen N.-waarts en uit dezen trek ontstonden in 't gebied der Oranjerivier 2 republieken; de le, naar de rivier, Oranje-Vrijstaat genoemd; de 2% als gelegen aan gene zijde van de Vaal: de Transvaal, thans ^Zuid-Afrikaansche Republiekquot;.

Dikwijls rezen er verwikkelingen tusschen de Eng. regeering en de Boeren, tot in 1850 en '52 de later zoo veel besproken verdragen gesloten werden, waarbij de Eng. regeering de onafhankelijkheid der republieken waarborgde.

Naast deze le moeilijkheid in Z.-Afrika, „de verhouding van het Engelsche en het oud-Hollandsche elementquot;, staat eene tweede: de Boeren kwamen meermalen in botsing met de stammen, die in de buurt wonen: Kaffers, Hottentotten en Boschjesmannen; deze leefden vaak van veeroof en dan zochten de Boeren weerwraak door expedities tegen die lieden (hetzelfde zien wij tegenwoordig nog; op dit oogenblik, 1893, hebben de Engelschen zich genoopt gezien tot eene militaire expeditie in Mashona-land),

In 1877 lijfde Engeland de Transvaal bij Kaapland in en Oranje-Vrijstaat scheen een dergelijk lot te wachten, doch sedert zijn de omstandigheden veranderd; de Transvalers toonden hun afkeer van het

D. AlïTON, £1 knopt Leerboek, 3' druk. 12

ocr page 185

178

Engelsche bestuur en hun ernst zich te verzetten, waarna het kabinet Gladstone de inlijving ongedaan maakte. De vrijheidskrijg openbaarde, hoe in de gesloten natuur van den Afrikaanschen boer de geest der Geuzen-vaderen niet is uitgedoofd en terwijl de geweerschoten knalden, schreef de pen een Volkslied neer, dat wel waard is _ ook om een denkbeeld te geven van de taal, door onze stam-genooten gesproken — hier een plaatsje te vinden:

TRANSVAALSCH VOLKSLIED.

1880.

Dl vierkleur van ons dierbaar land,

Di waai weer o'er Transvaal;

En wee di Godvergeten hand,

Wat dit weer neer wil haal!

Waai hoog nou in ons helder lug,

Transvaalse vrijheidsvlag!

Ons vijande is weggevlug,

Nou blink 'n blijer dag.

2. Veul storme het jij deurgestaan.

Mar ons was jou getrou;

En nou die storm is o'ergegaan.

Wijk ons nooit weer van jou.

Bestormd deur Kaffer, Leeuw en Brit,

Waai jij steeds o'er hul kop.

En tot hul spijt anskou hul dit.

Ons hijs jou hoger op!

3. Met lage lis haal Albion

Ons vlag verraadlik neer.

En doet toen net al wat hul kon

Dat ons hul vlag moes eer,

»Ons sou dan alles daarbij wen,

»'n Telegraaf en spoor,

»Als ons di Rooivlag wil erkenquot; —

Mar dit wou ons ni hoor.

4. Vier jaar lank het ons mooi gepraat.

Om weer ons land te krij;

»Ons vraag jou, Brit, geen goed of kwaad,

«Gaat weg, en laat ons blij!''

Mar toen di Brit ons nog vererg,

Toen vat ons di geweer;

Ons was al lank genoeg geterg;

Nou kan ons toch ni meer.

5. En met Gods hulp het ons di juk

Van England afgegooi;

Ons is weer vrij, geluk, geluk!

Nou waai ons vlag weer mooi!

ocr page 186

179

Dit het ons heldebloed gekos,

Mar England nog veul meer;

So het di Heer ons weer verlos;

Ons geef Hem al di eer.

G. Waai hoog nou in ons heldre lug,

Transvaalse vrijheidsvlag!

Ons vijande is wegge vlug,

Ons blink 'n blijer dag.

Waai hoog nou o'er ons dierbaar land,

Waai, Vierkleur van Transvaal!

En wee di Godvergeten hand,

Wat jou ooit neer wil haal!

Eene gewichtige zaak is voor de Z.-Afr. republieken de spoorwegaanleg : de reiziger in de Transvaal is vooralsnog aan de ongenade van de ossenkarren overgeleverd. Het is waar, dat de wegen soms mijlen ver over zacht golvende velden loopen, met een vrij glad oppervlak; maar nu en dan staat men plotseling voor een „spruit,quot; een bergstroom, die met woeste vaart tusschen hooge oevers spoelt en somtijds een iO- of 20-tal wagens dagen lang ophoudt, omdat men wachten moet, tot hij minder gezwollen en doorwaadbaar is.

Langen tijd was Port Natal de haven voor Bloemfontein en Pretoria (hoofdplaatsen der republieken). De weg leidt door Natal en daarna over het Draken- of Kathlamba-gebergte (Laings Nek en Majuba of Spitskop; gevechten van de Boeren tegen de Eng.), De spoorweg van Lorengo Mar que z aan de Delagoa-baai naar Pretoria is bijna voltooid, evenals die van Pretoria Zuidwaarts naar de Vrij-staatsche grens.

Bloemfontein, Pretoria, Potchefstroom, Harry smith, Lijdenburg, e. a. zijn alle landstadjes, ver uiteen gebouwd, sommige in eene mooie streek, doch waar men van de wereld weinig merkt.

Veeteelt is ook in dit deel van Afrika hoofdzaak; de natuur is voor schapenfokkerij dan ook zeer geschikt. Wol, huiden, struis-vogelveeren waren tot vóór eenige jaren uitsluitend de artikelen van uitvoer.

Er zijn uitstekende paarden; de groote afstanden tusschen de bewoonde plaatsen worden dan ook steeds te paard afgelegd, evenals de jacht te paard geschiedt. Deze levert antilopen en kleiner wild, in 't Noorden van Transvaal zelfs nog olifanten.

Waterarmoede is voor vele streken het ongeluk. Het klimaat is anders over 't geheel zeer gezond en katoen, suiker, koffie, tabak kunnen in verscheidene streken worden verbouwd. Gemis aan voldoende bevolking en 't ontbreken van verkeerswegen staan echter de ontwikkeling dezer landen nog in den weg. In den Vrijstaat is

ocr page 187

i8o

het, door de hooge ligging des lands, voor Europeanen zeer geschikt; in Transvaal is het op het „Hooge Veldquot;, d. i. de hoogvlakte, die de waterscheiding tusschen de hoofdrivieren des lands uitmaakt, even goed; maar komt men Noordelijker, dan heeft men soms last van de hitte als in de Oost, soms van koortsziekten, gelijk die aan de kusten van het tropische Afrika zulk een boozen naam geven.

In het Transvaalsche woont men doorgaans nog ver uiteen; niet weinigen leiden daar voor goed of bij wijlen een jagersleven; in 't algemeen is hier meer dan in Vrijstaat nog strekking tot „verwilderingquot;.

Eene groote verandering in de Zuid-Afrikaansche toestanden is echter begonnen zich te openbaren: voornamelijk ten gevolge van de ontdekking der goudvelden nam 't aantal landverhuizers in de laatste jaren plotseling toe en, evenals in 't midden dezer eeuw sommige streken van Californiö en Australië, werden verscheiden gedeelten van Transvaal in korten tijd betrekkelijk dicht bevolkt, ontstonden levendige stadjes, van welke er een thans reeds de aanzienlijkste plaats des lands is; Johannesburg (40; genoemd naar een schoonzoon van den Staatspresident Kriiger).

§ 90. De grootte van de politieke deelen van Z.-Afrika wordt nog zeer uiteenloopend voorgesteld. Transvaal, juist onlangs vergroot door de aanhechting van Swaziland (1893), is stellig wel zh 10 X Nederland (dus b.v. als Italië), Oranje-Vrijstaat is ongeveer half zoo groot als Transvaal; Kaapland overtreft beide te zamen.

Het aantal inwoners is aan die grootte lang niet geëvenredigd:

1. Europeanen, in elk der beide republieken ±. 80.000, meest van Hollandsche afkomst, de „Boerenquot;; in Kaapland ± 300.000, voor de helft Engelschen, verder meest afstammelingen van Hollandsche en Fransche kolonisten; in Natal ±. 50.000, bijna uitsluitend van Engelsche afkomst.

2. Kaffers, 1% a 2 millioen; zij vormen naar de getalsterkte het hoofdelement der bevolking in Z.-Afrika, vooral in het Z.O.; zij leven in stammen onder despotische koningen, nomadiseeren , behalve in Kaapland en Natal, waar zij Christenen en meest in dienst bij de blanken zijn.

De hoofdstammen zijn: de Beetschoeanen, meer naar de zijde der binnenlanden; de Zoeloe's, in Zoeloeland, ten N. en de Basoeto s, ten W. van Natal.

3. Boschjesmannen en Hottentotten, ten W. van de Kaffervolken. Zij leiden een zwervend leven in de steppen en woestijnen aan weerszijden der Oranje-rivier; de Boeren hebben hen van hunne beste weidegronden en jachtvelden beroofd en zij staan dikwijls aan vervolging bloot.

ocr page 188

l8l

De groote woestijn van Z,-A(rika ten N. van de Oranje-rivier, de Kalihari, wordt ook door enkele stammen van deze volken bewoond, de Namas en de Damards.

Wat de dichtheid van bevolking betreft, staat Z.-Afrika ongeveer op eene lijn met den Noordrand van het werelddeel; beide deelen zijn zeer schraal bevolkt,

Oost-Afrika.

§91. I. Portugeesch gedeelte. Van de bovengenoemde Delagoa-baai tot Kaap Delgado, 10° Z. Br., heet de kust onder Portugeesche heerschappij te zijn.

De lage kustlanden zijn ongezond, moerassig, nog minder bewoond dan het tropische Afrika aan de Westzijde.

Er zijn enkele nederzettingen, meest op koraal-eilandjes vóór de kust. Mozambique is het hoofdpunt, de zetel van den Portugeeschen gouverneur en onder de handelsstadjes 't aanzienlijkst. De handelsartikelen moeten ook hier door de negers uit de binnenlanden worden aangebracht; ivoor, kopal, was, gom, stofgoud.

Aan de Beneden-Zambezi zijn enkele forten gebouwd, o. a. bij Que lint ane.

Daar de grenzen naar het binnenland onbepaald zijn, kan de grootte niet worden opgegeven; evenmin is het juiste bevolkingscijfer bekend, doch men krijgt een denkbeeld van een en ander, als men weet, dat op een gebied van 15 a 20.000 □ G. M. wellicht nog geen '/2 millioen menschen wonen. Van het Europeesch element krijgt men een idee door op te merken, dat in Mozambique, de hoofdstad, zh 50 Europeanen wonen.

De bevolking is dus uiterst schraal; zij bestaat uit negers van Sofala en van Mozambique] dikwijls worden deze negerstammen, met die meer Noordwaarts samengevat als Soeaheli, d. i. „kustmen-schen''; zij zijn sterk met Arabieren vermengd en belijden den Islam. Verschrikkelijke slavenjachten hebben hier de binnenlanden ontvolkt; Arabieren en Portugeezen worden gelijkelijk gevreesd en gehaat.

II. Zanzibar. Wat de natuur betreft geldt veel van het boven medegedeelde ook voor de kust van Zanzibar: tropisch, laag, moerassig, ongezond.

Wat de bevolking aangaat, het Arabisch element treedt hier nog meer op den voorgrond, zoo in taal en godsdienst als bij de maatschappelijke toestanden: de ambtenaar, de koopman, de zeevaarder, zij zijn Arabier. Doch de Europeesche invloed is hier in de laatste jaren zeer toegenomen, eerst van de Duits citers, daarna van de En-

ocr page 189

182

gelschen, die thans een protectoraat over Zanzibar uitoefenen (sedert 1891, ruil met Helgoland).

08

I §

gt;

S

•Ö §

I

De grootste stad van geheel Oost-Afrika is Zanzibar, de sultans-stad. Stoomvaartlijnen en telegraafkabels hebben Zanzibar opge-

aaufefedfli

ocr page 190

183

nomen in het wereldverkeer, terwijl de haven verder vol is met Arabische, Indische en Perzische schepen. Een vrij geregeld kara-vanenverkeer gaat naar de merenstreek.

Onder al de handelsartikelen van Centraal-Afrika is nog altijd ivoor het meest gezochte, 't hoogst in waarde. Nog is gansch Centraal-Afrika, van de Sahara tot in 'tZambezi-gebied, rijk aan olifanten, vooral in de streken bij groote rivieren en meren, in de Oostelijke streken meer dan in de Westelijke. Naar berekening worden jaarlijks 60 a 70.000 olifanten gedood ; 50 K.G. is 'tgemiddelde gewicht der tanden, enkele wegen 100 of daarboven. Zanzibar is de hoofdmarkt; Arabieren, Perzen, Indiërs zijn de handelaars.

Zanzibar was 't voornaamste uitgangspunt voor de ontdekkingsreizen naar het gebied van de Nijlmeren en de Congo-landen. Al een paar malen werd de reis dwars door Afrika gelukkig volbracht.

Evenals Zanzibar zelf liggen ook de meeste andere steden in deze streken op eilandjes voor de kust; zij blijven in beteekenis verre bij Zanzibar achter: Kiloa, Mombas e. a. De bevolking is overal bont gemengd : Negers, Arabieren, Indiërs.

III. Het gebied der groote meren. In deze streken hebben Engelsche maatschappijen, onder den steun van het Britsche gouvernement, in de laatste jaren getracht vasten voet te krijgen, door tractaten te sluiten met de Negervorsten en daarna handelsstations op te richten. Deze stations zijn forten en de handel moet door de wapens worden beschermd.

Een Britseh gebied bij de meren Nyassa en Tanganjika wordt door een Duitsch gebied gescheiden van een ander uitgestrekt Britsch gebied bij 't Victoria-meer, waar Oeganda de voornaamste plaats is. Stoombooten bevaren reeds deze meren.

Ook zendelingen, Roomsche zoowel als Protestantsche, zijn in deze streken werkzaam, doch onder de grootste moeilijkheden van Mo-hammedaansche zijde, en herhaaldelijk (o. a. in 1892) geeft godsdienstig fanatisme aanleiding tot aanvallen op de blanken en tot too-neelen van moord.

De volken in dit gedeelte van Afrika zijn in een groot aantal afzonderlijke stammen verdeeld; de meeste leiden eene nomadische levenswijze: waar zij water en gras vinden, legeren zij zich dikwijls maanden lang en bouwen groote steden van hutten, die met ossenhuiden of gras bedekt en met eene heg van doornen en groeven otngeven worden, teneinde tegen een overval beveiligd te zijn. Zij leven doorgaans van melk, boter, honig en vleesch ; van den akkerbouw hebben sommige dezer volken een grooten afkeer, dewijl zij meenen, dat het gebruik van granen den mensch verzwakt en slechts voor verachte volksstammen past. Wanneer het hun aan vee ontbreekt, dan ondernemen zij rooftochten, waarbij zij alles verdelgen, wat hun in handen komt; hunne wapens zijn spietsen, groote, lange schilden en knodsen, waar-

ocr page 191

184

mede zij met de grootste zekerheid werpen. Van tabak houden zij hartstochtelijk, doch gebruiken dien meer tot snuiven dan tot rooken; als drank is het honigwater algemeen.

In deze landen is het leven van een mensch van geringe waarde; jaarlijks voeren, ook nu nog, slavenschepen honderden weg naar de markten van Arabië: de negerdorpen worden door slavenjagers overvallen; den gevangenen wordt een stuk hout, in den vorm van eene vork, om den hals gedaan en met gebonden handen worden zij aan elkaar geketend ten getale van zes tot tien, waarbij ze nog zware lasten op het hoofd moeten dragen. Wel tracht vooral Engeland, en in den laatsten tijd ook Duitschland, den uitvoer van slaven te bemoeilijken, doch deze taak schijnt tot nu toe onuitvoerbaar.

§ 92. IV. Abessinië is een oud rijk, dat zich eenmaal zelfs tot over Zuid-Arabië uitstrekte; thans is het van de zee zoo goed als afgesloten.

Een trotsch Alpenland; de hoogste toppen reiken tot zh 5000 M. De natuur geeft duidelijk verschillende gordels aan:

1. De tropische wouden, jachtgebieden der reusachtige diersoorten ; hier vallen zware regens: een deel van het water, dat den Nijl later in Eigenlijk-Egypte doet overstroomen; katoen , suikerriet, koffie kunnen in dit en het volgend terras worden verbouwd.

2. Dit volgend gebied komt in klimaat met Z.-Spanje en Italië overeen; van dichte bevolking of groote steden is echter geen sprake bij de slechte politieke toestanden, de onvoldoende verkeerswegen, enz.

3. In de hoogere landen zijn uitgestrekte weiden en is veeteelt; deze is het hoofdmiddel van bestaan.

Op eene oppervlakte zoo groot als die van Frankrijk wonen nauwlijks zooveel menschen als in Parijs, 'tls echter een krachtig volk, in naam sedert oude tijden Christenen.

In 1868 heeft Engeland oorlog gevoerd met Abessinië (merkwaardig beleg van Magdald) en gelijk militaire expeditien in de vreemde werelddeelen zoo dikwijls de aardrijkskundige kennis uitbreidden, is bij die gelegenheid de bekendheid met het land veel vermeerderd. In dien oorlog kwam de „Negusquot;, d. i. Keizer, om.

Daarna zijn er burgeroorlogen geweest; strijd met de naburige, krijgshaftige Galla-stammen en tweemaal oorlog met Egypte. In de langdurige verwikkelingen der laatste jaren in Egypte en Soedan heeft Abessinië zich echter niet gemengd.

Italië tracht in dit deel van Afrika invloed te krijgen, doch zonder veel succes tot dusver.

Gondar was doorgaans de hoofdstad; tegenwoordig is het Debra Tabor, niet ver van het Tana-meev; maar meestal hebben zich de

ocr page 192

185

deelen van het groote Alpenland als zelfstandige rijken beschouwd; Jigré, Amhara en Sjoa. Als haven voor Abessinië kan Massoea gelden.

V. De havens aan de Roode Zee hebben geene groote handels-beteekenis; aan de kusten zijn koraalklippen en achter de kusten beginnen dadelijk de woestijnen. Uitgevoerd worden o.a. wilde dieren voor de menagerieën in Europa; Arabische gom is een hoofdartikel; koraal.

De Noordelijke havens Soeakim en Kosseïr zijn belangrijk als de plaatsen, waar de Mekka-gangers zich inschepen.

Van de rotseilandjes in en bij Bab-el-Madeb, d. i. „Poort der Tranen'', heeft Engeland Perim bezet en versterkt. De Franschen hebben voor een paar jaar aan deze straat ook een punt bezet, Obock, thans eene strafkolonie, in de eerste plaats voor Arabische gedeporteerden.

Sokotora is niet belangrijk; het wordt door Arabieren bewoond.

VI. Madagascar behoort met Borneo en Nieuw-Guinea tot de grootste eilanden der aarde. De oppervlakte overtreft die van geheel Duitschland, Nederland en België samen.

Slechts schijnbaar behoort Madagascar tot Oost-Afrika: het vertoont daarmede in zijne planten, dieren en menschen weinig overeenkomst ; in waarheid is het Oceanisch en behoort meer tot den Maleischen Archipel van Zuidoost-Azië. Dikwijls is beweerd, dat Madagascar en Oostwaarts daarvan gelegen eilandjes de overblijfselen zouden zijn van een verzonken vastland, waartoe ook Ceylon zou hebben behoord; men gaf aan dat verdwenen werelddeel den naam „Lemuriaquot;, naar een dierengeslacht, de Lemu-riden, half-apen. Met zekerheid is dienaangaande echter niets te zeggen.

In de bergachtige binnenlanden zijn tropische, dus dichte wouden; een deel van het eiland echter bestaat uit dorre steppen, gevolg van den verticalen vorm des lands in verband met de heerschende windrichting.

In het W. wonen Negerstammen, de Sakalaven; in de grootere en belangrijke O. helft wonen Maleiers, w. o. de Hova'S, dappere en krijgshaftige volken, die in de laatste jaren zich tegen de Franschen hebben verzet; hunne grootste stad is Atanananvo.

De talrijke eilandjes om Madagascar heen zijn deels vulkanisch, deels koraal-rotsen. Mauritius (Eng.) Réunion zijn bc-

ocr page 193

186

langrijke landen voor rietsuiker; de plantages worden tegenwoordig door Indische koelie's bebouwd.

De Engelsche kolonie bloeit veel meer dan de Fransche, waarschijnlijk het gevolg van den meerderen lust, dien de Engelschen gevoelen om buiten hun vaderland te gaan koloniseeren.

Deze op de kaart zoo onbeduidende eilandjes hebben nog de grootte van eene Nederl. provincie, als Zeeland of Limburg; zij zijn veel dichter bevolkt; het bevolkingscijfer voor Mauritius doet zelfs niet onder voor dat der Europeesche industrie-districten.

ocr page 194

VIJFDE HOOFDSTUK.

AZIË.

§ 93. Ligging: en Horizontale vorm.

Opgaven:

1. Geef van de kaart de grenzen van Azië op. In welke opzichten verschilt aan de zijde van Europa de natuurlijke begrenzing van de staatkundige ?

2. Op welk halfrond ligt Azië ten opzichte van den evenaar, op welk ten opzichte van den l™ meridiaan? Welke is de noordelijke parallel, die door Azië loopt?

3. Welke 5 binnenzeeën vormt de Groote Oceaan aan de Oostzijde , welke 4 de Indische Oceaan aan de Zuidzijde van Azië ?

4. Hoe heeten de 3 Zuid-Aziatische schiereilanden; welke zijn de eilandejigroepen, die de Oost-Aziatische binnenzeeën van den Gr. Oceaan afsnijden?

Azië is het grootste der vaste landen en overtreft Europa wel bijna 5 maal in oppervlakte (fig. 12).

Van de lange kustlijnen, die Azië heeft, zijn de Oostelijke en Zuidelijke zeer gebroken ; de 3 groote schiereilanden aan de Zuidzijde, de gordel van eilanden aan den Oostkant hebben groote binnenzeeën gevormd. Toch is het werelddeel in zijn geheel beschouwd eene gesloten massa en veel minder gunstig ontwikkeld dan Europa (fig. 13); dit is een gevolg van de groote oppervlakte, die het beslaat.

De betrekkelijk korte Aziatische kust langs de Middl. Zee was reeds in de oudheid zeer belangrijk: in dat gedeelte van Azië woonden reeds vroeg beschaafde volken; deze hebben over de zee hunne beschaving aan Z.O.-Europa meegedeeld; omgekeerd ontstonden later talrijke koloniën aan de Aziatische kust en drong de Grieksche invloed in Voor-Azië door (later ook die van de Romeinen, doch in veel mindere mate).

Aldus hadden de landen en volken in dit gedeelte van Azië eene geheel andere geschiedenis als die in het grootere Achter-Azië. De

ocr page 195

188

verdeeling in Voor- en Achter-Azië berust dan ook op dit verschil in ligging ten opzichte van Europa en Afrika, met al de gevolgen, die er voor de volken uit voortvloeiden. Toen Voor-Azië reeds lang geheel bij de Europeanen bekend was, had men tot in de Middeleeuwen , ja tot in den Nieuwen Tijd geheel onbepaalde ideeën van de landen en volken aan de andere zijde van het werelddeel.

De grens tusschen Voor- en Achter-Azië kan men het best aannemen bij het Indus-gebied, waar zelfs de tochten van Alexander den Groote een einde namen.

De volken in de Oostelijke en Zuidelijke landen konden van de ligging aan zee voordeelen trekken; die in het groote midden bleven daarvan geheel afgesloten. In het Oosten van het werelddeel ontwikkelden zich beschaafde staten, China, Japan, terwijl in het midden de volken moesten blijven nomadiseeren.

De lange kust aan de Noordl. IJszee heeft door de hooge breedte lang niet zooveel beteekenis als de drie overige kusten; zij is door ijs bijna altijd afgesloten. Al heeft de beroemde Zweed Nordenskjöld op zijne reis met de Vega de mogelijkheid aangetoond om (volgens het oude plan van Heemskerck, Barentsz en zoovele anderen na hen) van uit Europa door de IJszee Oost-Azië te bereiken, kan men thans niet meer in ernst meenen, dat deze weg ooit een handelsweg naar den Grooten Oceaan zou zijn. Gesteld zelfs, dat alle omstandigheden zeer gunstig zijn en ook het toeval aan volgende reizigers behulpzaam is, dan nog heeft eene reis langs Noord-Azië te groote bezwaren. Nordenskjöld zelf moest overwinteren, toen hij zijn doel, de Bering straat, tot op enkele mijlen genaderd was en hij grond had te hopen zijne reis in één jaargetijde te volbrengen. Door zijne vroegere reizen (naar den Jenisseimond) had hij eene groote kennis verzameld van de ijstoestanden, de stroorningen, de windrichtingen in de Kar a-Zee; hij was ook meer dan iemand anders op de hoogte van de kansen om door eene der Karapoorten toegang tot de Kara-Zee te verkrijgen (om Nova-Zembla heen, tusschen de beide eilanden door, of tusschen N.-Z. en Waigat of Waigat en het vastland).

Maar de weg naar Nd.-Siberie kan wellicht beteekenis krijgen voor den handel met Siberië zelf en den uitvoer van de massa's ruwe producten, die Siberië in staat is te leveren: Siberië is grooter dan geheel Europa en naast de onmetelijke woeste streken, die bijna onbewoond zijn, heeft het ook wouden, bebouwbaar land en rijke bergwerken. Het zal noodig zijn, dat de schepen, die naar Ob of Jenissei stoomen, de handelswaren daar gereed vinden, ten einde in éénen zomer uit- en thuisreis te kunnen volbrengen.

ocr page 196

189

Zijn Azie's Noordelijke kusten ontoegankelijk door 't ijs , ook die van 't Oosten zijn niet zonder gevaren: de Chineesche en Indische Zeeën worden gekenmerkt door zware stormen, ^typhonen', d. i. „groote windenquot; (sommigen leiden den naam af van den Chineeschen naam voor Formosa, waar deze wind vaak waait); evenals de orkanen in de West-Indische Zeeën bewegen zij zich kringvormig voort („kringstormenquot; of cyclonen).

Verticale vorm en rivieren.

§ 94. Terwijl in Amerika de vormen van ketengebergte en laagvlakte voornamelijk voorkomen en terwijl Afrika vooral door hoogvlakten wordt gekenmerkt, biedt Azië even menigvuldig afwisselende terrein-vormen aan ais Europa, maar alles op veel grooter schaal.

In tegenstelling echter met Europa overweegt in Azië het hoogland (fig. 14); bijna Va van het werelddeel ligt hoog (boven den zeespiegel) ; ruim '/i bestaat uit verschillende groote laagvlakten.

Een tweede punt van vergelijking leert: Europa is arm aan hoogvlakten of plateau's, die ongunstige, continentale en doorgaans schrale landstreken; bij Aziö's hoogland neemt de plateauvorm de grootste afmetingen aan.

Azië heeft dus lang niet zulk een ongunstigen bodemvorm als Afrika, maar staat bij Europa toch ver achter.

De groote Aziatische laagvlakten zijn;

1. De Siberische; in het N. toendra's; daarna onmetelijke naaldwouden en hier en daar landbouwstreken; eindelijk uitgestrekte steppen (Kirghizen).

2. Die van Toeran; grootendeels steppe en woestijn; in enkele streken is echter kunstmatige besproeiing en rijke cultuur.

3. De Chineesche. jZeer vruchtbaar eu dicht

4. Die van den Ganges of Hindostan, j bevolkt.

5. Die van den Indus.

6. Het laagland van Euphraat en Tigris,

7. De laagvlakten van de Achter-Indische rivieren.

Overzicht van het hoogland:

I. Hoogland van Centraal- en Achter-Azië. II. Hoogland van Voor-Azië.

Deze verdeeling in twee hoofddeelen stemt overeen met de verdeeling, die bij de ligging der Aziatische landen kon gemaakt worden. Wij zagen toen, dat Voor- en Achter-Azië bij het Indus-gebied

ocr page 197

190

aan elkaar grenzen; door de Hindoe-koesch, d. i. „het Indisch gebergtehangt ook het W. Hoogland met het O. Hoogland samen.

I. De groote bergstelsels van Azie verheffen zich als randgebergten op de hoogvlakten; dit blijkt bij het nagaan van de volgende hoofd deelen;

1. De hoogvlakte van de Gobi of Schamo d. i. „zandzee.quot;

2. De hoogvlakte van Turkestan of het Tarim-bekken.

De Gobi en het Tarim-bekken heeten bij de Chineezen te zamen „Han-haid. i. „opgedroogde zee''; de bedoeling van deze uitdrukking is duidelijk en ook waar, want de bodem is nog op de meeste plaatsen geheel met zout doortrokken en bestaat op veel plaatsen uit fijn zeezand met overblijfselen van zeeschelpen, enz.

De Gobi is overigens niet overal eene woestijn; er zijn streken, die meer het karakter van steppe vertoonen en waar de Mongoolsche nomaden genoeg voedsel voor hun vee vinden. Wij wijzen er hier reeds dadelijk op, dat in ethnologischen en staatkundigen zin de Gobi Mo7igolu heet.

3. De hoogvlakte van Tibet, kleiner, maar wel tweemaal zoo hoog als de beide vorige; woest en in de meeste streken bijna niet bewoond; er liggen groote zoutmeren.

4. De Kuen-Lun, een ketengebergte met misschien nog grooter kamhoogte dan de Himalaya; Noordelijk randgebergte van Tibet en Zuidelijk van Oost-Turkestan.

5- Tiën-Schan, d. i. „Hemelsch gebergtequot;, ten N. van Oost-Turkestan. Aan de Noordzijde van den Tiën-Schan ligt het Alpenland van Dsoengarije; dit land en Turkestan zijn de gewichtige passagelanden, door welke in de dagen der volksverhuizing en later in de Middeleeuwen de Mongoolsche volken Westwaarts trokken; hier loopen ook de groote verkeerswegen van China naar Voor-Azic en Z.O.-Europa (Theestraat, Zijdestraat). Sinds de openstelling der Chineesche havens hebben echter deze karavaanwegen hunne grootste beteekenis verloren.

6. De talrijke bergstelsels, die den N.-rand van Achter-Azië vergezellen ; deze verheffen zich meerendeels in Z.- en Z.O.-Siberie. Het belangrijkste gedeelte is de ertsrijke Altai; verder o. a. het Sajanisch geb. en het Daoerische Alpenland, mede met rijke mijnen.

Hier aan dezen Noordrand liggen talrijke meren, w. o. de grootste Baikal en Balchasch; hier ook ontstaan de bronrivieren van de 3 groote Siberische stroomstelsels.

7. De Oostelijke randgebergten. Hierbij onderscheiden wij: het Alpenland van Mantsjoerije en het Chineesche bergland. Voor

ocr page 198

191

de talrijke bergstelsels, die zich in China verheffen, bestaan geen algemeen erkende namen.

Eerst in den laatsten tijd is de kennis van China aanmerkelijk vermeerderd door een belangrijk werk „China,quot; door een Duitsch geleerde, v. Richthofen, die er jaren lang reisde.

Daar deze randgebergten het eigenlijke China nog niet voldoende beveiligden tegen de volken uit Centraal-Azië, werd de Chineesche muur gebouwd; de bouwvallen liggen nog in het Hoangho-gebied; de muur verloor in de 17quot; eeuw hare beteekenis, toen China door de Mantsjoes (Tartaren) werd veroverd.

8. De Himalaya, die als een ontzaglijke muur den Zuidrand van het groote Aziatische hoogland vormt en de Indische landen en volken van het overige werelddeel afsnijdt.

Tusschen den scherp geteekenden Indus-doorbraak en dien van den Brahmapoetra heeft dit ketengebergte eene lengte van meer clan 400 uur gaans; maar het is minder deze lengte, die het kenmerkt, want daarin staat het nog ver achter bij de Amerikaansche ketengebergten ; doch de talrijke hooge toppen, de hoogste der wereld; de steile hellingen, bijna dubbel zoo steil als bij de Zwitsersche Alpen; en bovenal de scheiding, die de Himalaya teweegbrengt, maken dit gebergte zoo belangrijk.

De indruk is van de Zuidzijde veel trotscher dan van den Noordkant: aan de le rust het op de Indische laagvlakte, aan de 2quot; op de zelf reeds ontzaglijk hooge vlakte van Tibet.

De gletschervorming is verbazend, vooral aan den Zuidkant, waar de vochtige winden, die over den Indischen Oceaan zijn gekomen, opstijgen en aanleiding tot aanzienlijken neerslag geven. Aan de zijde van Tibet, waar het klimaat droog is, maakt ook in dit opzicht het gebergte een geheel anderen indruk. De ligging der sneeuwgrens levert dan ook een opmerkelijk, doch gemakkelijk verklaarbaar verschijnsel op; het gebied der eeuwige sneeuw begint aan de Zuidzijde reeds 4 a 500 M. lager dan aan den N.-kant.

Reeds in § 23 werd opgemerkt van welke beide factoren het aantal der plantengordels afhankelijk is, die wij op de hellingen der gebergten kunnen onderscheiden. De Himalaya vereenigt alles in zich voor een groot aantal gordels en voor de scherpste tegenstellingen; van de tropische wouden tot aan de eeuwige sneeuw; doorgaans onderscheidt men hier de gordels van; a. palmen en bananen; b. boomvarens, vijgeboomen, palmen; c. myrthen, laurieren en altijd groene boomen; d. wisselende loofboomen en Alpenweiden ; e. naaldwouden; ƒ. Alpenrozen en Alpenstruiken ; g. enkele Alpenkruiden en lage plantensoorten; h. de eeuwige sneeuw.

ocr page 199

192

Na de hoofddeelen van Centraal- en Achter-Azië te hebben opgemerkt , valt het op, hoe de bodemvorm in Azië in de hoogste mate hinderlijk was bij het verkeer der volken: de Indische landen in het Zuiden, de Chineesche landen in het Oosten, de Mongoolsche in het midden, de Siberische in het Noorden, zij waren altijd geheel afzonderlijke deelen. In geen werelddeel meer dan in Azie ontwikkelden dan ook de volken zich meer op zich zeiven, bleven zij meer buiten elkanders invloed. Dit is een groot nadeel van Azië's physische gesteldheid, terwijl de vroeger opgemerkte geslotenheid deze strenge scheiding in de hand werkte.

§ 95- II- Bij het Hoogland van Voor-Azië merken wij hetzelfde verschijnsel op; talrijke plateau's of hoogvlakten en op de randen hooge ketengebergten.

1. Hoogvlakte van Iran (o.a. Perzie); randgebergten: de Soli-man-keten; de voortzetting van de Hindoe-koesch; de Elboers e. a.

2. Armeniseh Hoogland, bij de bronnen van Euphraat, Tigris en kleinere rivieren, als Aras en Koer. Hoogste top de Ararat.

3. De Kaukasus.

4. Het Hoogland van Klein-Azië.

5. De Syrische hoogvlakte met den Libanon en den Anti-Libanon,

Aldus loopt van de Middellandsche Zee tot aan de Japansche Zee

door geheel Azië een gordel van hoogland, die het N. en het Z. van het werelddeel bijna onoverkomelijk van elkander scheidt; veel sterker dan zulks in Europa het geval is.

Het smalste gedeelte van dien hoogen gordel vormt de Hindoe-koesch en op deze omstandigheid berust de groote beteekenis van dit deel van Azië en van den Bamian-weg, die over dit gebergte leidt. Deze Bamian-weg en de Kaboel-weg zijn het, die Toeran en dus Rusland met Indië verbinden; langs dezen weg was het, dat in de Oudheid de Ariërs, in de Middeleeuwen de Mongolen naar de vruchtbare vlakte van den Ganges trokken en hier staan in de laatste jaren de Russen en de Engelschen reeds op korten afstand van elkaar.

Op zich zelf staande hooglanden. Deze maken geen deel uit van het tot nu toe beschouwde hoogland, al hangen zij er ten deele ook onmiddelijk mede samen;

1. De ketengebergten van Achter-Indië, die onmiddellijk uit het Chineesche bergland voortkomen.

2. De hoogvlakte van Dekan met de randgebergten.

3. De Arabische hoogvlakte, hier en daar met woeste randgebergten.

De talrijke groote en kleine eilanden aan de O.- en Z.O.-zijde

ocr page 200

193

zijn ook bergachtig, evenals de schiereilanden Kamsjatka en Korea. Deze geheele O.-rand is vulkanisch.

Bij de centrale ligging van het groote Aziatische hoogland is het duidelijk, dat naar alle zijden zich aanzienlijke stroomstelsels kunnen ontwikkelen. Azie is dan ook rijk aan reuzenstroomen; in fig. 15 zijn onder de voorgestelde rivieren drie Aziatische genomen; even groote en nog grootere heeft het werelddeel er vele, maar deze drie zijn gekozen, omdat zij ook in beteekenis bovenaan staan.

Opmerkelijk is het, dat in Azië verscheiden zoogenaamde tweelingrivieren voorkomen: deze hebben hare bronnen dicht bij elkaar, volgen één zelfde hoofdrichting, behooren tot één mondingsgebied.

Verder zijn aan Azië in het bijzonder ook steppen■ rivieren eigen, wat het continentaal karakter van het werelddeel medebrengt.

Opgaven.

1. Zoek voorbeelden van tweeling-rivieren.

2. Welke soort van monding hebben de groote Siberische rivieren; welke de Chineesche; welke de Indische?

3. Welke zijn de Achter-Indische rivieren, die in de lengtedalen tusschen de meridiaanketens stroomen?

4. Geef 3 voorbeelden van steppenrivieren met vermelding van het meer, waarin zij eindigen.

§ 96. Klimaat, planten- en dierenwereld.

Azie ligt voor 3/4 in de gematigde luchtstreek en slechts voor % in de heete en voor Vs in de koude. Maar toch hebben het Noorden en het groote midden een veel kouder klimaat, dan in Europa op dezelfde breedten voorkomt; de zee kan lang niet dien matigenden invloed uitoefenen als bij het zooveel kleinere en zooveel meer ontwikkelde Europa; Azië is gesloten en in de binnenlanden zijn onmetelijke hoogvlakten; eindelijk heeft Europa eene Westkust, Azie eene Oostkust.

1. Noord-Azië. Voor het grootste deel van Azië is dus het karakter van het klimaat continentaal; dit neemt nog toe in de richting van W. naar O., zoodat de jaartemperatuur b.v. in West-Siberië nog niet zoo laag is als in Oost-Siberiö; de natuur in het gebied van Ob en Jenissei is nog wat gunstiger dan in dat der Lena. Bij de laatste is de grootste koude gemeten, die men kent; men gaf aan de streek der waarneming den naam van „Siberische koudepoolquot; (jfakoetsk: Januari-temperatuur — 40° C.).

AlTTON, Beknopt Leerboek. 3' druk. 13

ocr page 201

194

Evenals in Europa volgen in Noord-Azië de gordels van toendra's, wouden en steppen elkaar op; in den gordel der bosschen is ook de landbouw.

Van de fauna zijn de rendieren en de pelsdieren merkwaardig; belangrijk ook is voor de bewoners de rijkdom aan visschen, zoo zelfs, dat men van „visch-oogstenquot; spreekt.

II. Centraal-Azië. Hoofdkenmerk de groote droogte ; de winden , welke over den Grooten of den Indischen Oceaan komen, hebben reeds lang hunne vochtigheid bij de Chineesche of de Indische bergen afgegeven, vóór zij als droge winden over de vlakten van den Gobi enz. strijken.

De beroemde Russische reiziger Prshewalski, die in den winter reisde van Kalgan (bij den Chineeschen muur) over Oerga, zag nergens de sneeuw hooger dan een voet; op vele plaatsen was de bodem zelfs geheel vrij, op andere plaatsen nauwelijks bedekt met eene sneeuw zoo droog als zand. De koude bedroeg 20° a 40° C., en daarbij waaiden onafgebroken gure N.W.-winden.

Hier liggen dus vooral steppenlanden; alleen langs de oevers der rivieren ontwikkelt zich in Toeran eene rijke flora, sub-tropisch van karakter; bij het meer Aral en bij de Kaspische Zee sluiten deze streken zich aan bij de Z.-Siberische en de Russische steppen. De Gobi, de Perzische, de Arabische woestijnen hebben aan de andere zijde der Roode Zee onmiddellijk eene voortzetting in de woestijnen van Afrika (zie blz. 166). Alleen de oasen hebben hier eene minder armoedige, soms eene rijke flora.

Bij de hier nog altijd nomadiseerende volken bestaat de veeteelt uit paarden, schapen en kameelen; de tweebultige kameel (Bactria-nus) bewijst onschatbare diensten voor 't verkeer ook in de met sneeuw bedekte gebergten, gelijk zijn eenbultige naamgenoot in de woestijnen van Voor-Azië en Afrika. Ook in 't wild zwerven hier nog verscheidene van deze en andere diersoorten.

III. Zuid-Azië en Zuid-Oost-Azië. De Indische landen, China en Japan, tezamen het Aziatisch moesson-gebied: een half jaar talrijke regens in den natten moesson, in de andere maanden veel minder; groot onderscheid bestaat hierbij echter nog tusschen het eene land en het andere.

Het Chineesch-Japansch gebied is zeer vruchtbaar; het karakter van den plantengroei is hier over 't geheel tropisch en in sommige streken sub-tropisch, gelijk in Z.-Europa.

Bij China en Japan treedt de dierenwereld in beteekenis ver achter bij de plantenwereld; vooral is dit het geval in de dicht bevolkte vlakten. Kenmerkend zijn: de groote vischrijkdom in rivieren en kanalen (visch is hoofdvoedsel met de rijst); de zijderups, waaraan

ocr page 202

195

in China het bestaan van millioenen menschen is verbonden; goud-visschen; faizanten; pauwen. Van de wilde dieren komt de tijger in geheel O.-Azie voor.

IV. De Indische plantenwereld is buitengewoon rijk; rijst, sago; talrijke palmsoorten, w.o. de zoo nuttige kokospalm; specerijen; koffie, suiker, katoen, nuttige houtsoorten.

Indië's dierenwereld (Voor-Indië, Achter-Indië, Westl. Insulinde) is in verscheidenheid en talrijkheid waarschijnlijk de rijkste der aarde (niet in beteekenis voor den inensch). In insecten en vogels alleen, schijnt zij nog onder te moeten doen voor die van Brazilië.

De olifant is in Indic sedert overoude tijden getemd en bij de Hindoes de koning der dieren, in de dichtkunst verheerlijkt; op Ceylon leven olifanten nog in kudden.

Onder de talrijke roofdieren treden panter en tijger op den voorgrond ; het verbreidingscentrum ligt in Dekan, maar de tijger komt zelfs voor tot in den Altai.

Apen komen hier niet alleen in verschillende soorten, maar ook in groote troepen voor; sommige worden godsdienstig vereerd.

De vogels munten uit door kleurenpracht, meer dan door stemgeluid. Talrijk en belangrijk zijn de hoendersoorten.

De Indische dierenwereld in haren rijkdom gaat Westwaarts tot Iran, Oostwaarts ongeveer tot het eiland Timor; daar begint het armoedig karakter van Australië.

§ 97. Bevolking en Staten.

Azië heeft meer menschen dan de 4 andere werelddeelen samen. In bevolkingsdichtheid volgt het op Europa (fig. 19).

De volken van Azië hebben altijd den grootsten invloed uitgeoefend op den gang der beschaving en den loop der geschiedenis; met het volste recht heet vooral Voor-Azië, met Z.-Europa en N.-Afrika, in dit opzicht de „oude wereldquot;.

De Chineesche en Indische volken waren wel in even vroegen of nog vroegeren tijd tot op eenen zekeren trap van ontwikkeling gekomen, maar zij stonden meer op zich zeiven, oefenden minder invloed naar buiten uit.

I. Het Mongoolsche ras bewoont het grootste deel van Azië; het Oosten, midden en Noorden.

II. De Arische volken, in Voor-Azië en 't grootste deel van Voor-Indië.

III. De Semitische volken, eveneens in Voor-Azie.

IV. Het Maleische ras, in Zuid-Oost-Azië, d. i. in den Archipel, voor zoover deze physisch tot Azië behoort (de Oostlijke eilanden

13*

ocr page 203

igó

zijn meer Australisch); voorts in Achter-Indiö, maar hier steeds meer verdrongen door en vermengd met de Chineezen.

V. De Dravidds; inheemsche bewoners van Dekan en Ceylon.

I. Belangrijkste Mongoolsche volken: Chineezen; de met de Chineezen verwante Annamiten, Siameezen, Birmanen, Tibetanen; Japanneezen; Mongoolen (volksnaam in engeren zin); Turksche volken, als Osmanen, Turkmenen, Kirghizen e. a. ; Noord-Aziaten, als Toengoezen, e. a.

II. Belangrijkste Arische volken: Hindoes; Perzen; Armeniërs e. a.

III. Belangrijkste Semitische volken: Arabieren; Israëlieten.

IV. Belangrijkste Maleische volken: Javanen; Soendaneezen; Ma-leiers (volksnaam in engeren zin; verspreid over den geheelen Archipel , liefst levende van visscherij, zeeroof en zeehandel; tot hen behooren o. a. de Atchineezen), Boegineezen, e. a.; van de nog bepaald wilde volken: Dajaks (Borneo) en Bataks (Sumatra).

Hoewel Azië het vaderland is van de monotheïstische godsdiensten,

zijn nog ruim % van de bewoners, dus meer dan 700 millioen menschen. Heidenen. De zoogenaamd „ontwikkeldequot; Heidensche godsdiensten zijn die van Brahma en van Boeddha; de le bij de Hindoes, de 2' bij de meeste Mongoolsche volken.

Veel lager staan de heidensche godsdiensten van de N.-Aziatische volken, in 't algemeen „schamanendienstquot; genoemd.

De Mohammedaansche leer heeft in Azië veel meer aanhang gevonden dan het Christendom; de volken van Voor-Azië, Toeran, den Indischen Archipel en een deel van Br.-Indië belijden den Islam.

Vergelijkend overzicht van de voornaamste Staten in Azië;

naar de geheele of volstrekte bevolking:

Chineesche Rijk 400 millioen.

Britsch-Indië (waaronder de onat-hankelijke Indische rijken).

— Japan.

— Staten van Achter-Indië (Annam; Siam; Eng. en Fransch gebied).

— Ned. Oost-Indië.

Aziatisch-Turkije.

Aziatisch-Rusland.

Korea.

Perzië.

Spaansche bezittingen.

Afghanistan.

Onafhankelijk Arabië.

Onafh. gedeelte van den O.-I. Archipel (3 millioen).

ocr page 204

197

§ 9amp; Turksch-Azië.

Het zwaartepunt der Turksche monarchie ligt in deze eeuw niet meer in Europa, maar in Azië. De natuurlijke verdeeling — in dit geval naar de ligging —, die wij bij het Turksch-Aziatisch gebied kunnen volgen, is :

I. Klein-Azië. (Anadolië).

II. Turksch-Armenië en Koerdistan.

III. Syrië met Palestina.

IV. De vlakte van Euphraat en Tigris.

V. Turksch-Arabië.

Voor het bestuur is Turksch-Azië verdeeld in vilajets. De regeering is slecht, al die landen verkeerden vroeger in bloeienden toestand en hadden talrijke belangrijke steden, nu liggen vele streken woest en zijn de meeste plaatsen vervallen.

I. Klein-Azië (Anadolië, Levant) heeft de grootte van een land als Frankrijk; de bevolking bedraagt nauwelijks '/4 van die van Frankrijk. Het dichtst zijn bevolkt de West- en de Noordkust. Deze kusten zijn steil en hebben uitstekende havens, maar van de vele bloeiende steden uit het Grieksche tijdperk is weinig meer over.

Smyrna is de eenige groote handelshaven; uitvoer van; Perzische waren; producten van Turksche industrie, vooral geweven stoffen; wol; zuidvruchten (vijgen) en wijnen; opium en tabak; spons en koraal.

Aan de Zwarte Zee is de aanzienlijkste haven Trebizonde; eene stapelplaats voor belangrijken Perzisch-Europeeschen handel.

Broessa, vóór Stamboel de hoofdstad van het sultanaat Turkije; toen veel grooter dan nu, maar nog altijd belangrijk. Skoetari, de groote Aziatische voorstad van Constantinopel.

In het N.W., niet ver van den Hellespont, liggen de ruïnen van Troje (Schliemann).

Het hoofdbestanddeel der bevolking aan deze kusten en op de eilanden zijn de Turken en de Grieken. Onder de eilanden merken wij op; Cyprus; de kopermijnen, waarnaar het eiland reeds in de oudheid werd genoemd, zijn geheel verwaarloosd; onder Engelsch bestuur (sedert 1878) gaat het land reeds wat vooruit: eene groote plaag zijn de sprinkhanen. Rhodos, eens zoo bloeiend, maar waar de gevolgen van het Turksche bestuur vooral duidelijk uitkomen. Chios, in de laatste jaren geheel door aardbevingen verwoest.

De binnenlanden herinneren aan de hoogvlakten in Spanje. Hoofdmiddel van bestaan is de veeteelt: schapen, Angora-geiten, kamee-len. De besproeiing laat in de meeste streken veel te wenschen

ocr page 205

!quot; ■ 11

198

over, er zijn uitgestrekte steppen. De rivierdalen zijn gunstig; daar , zijn in de laatste jaren ook de spoorwegen aangelegd, die de producten van het binnenland naar de havenplaatsen zouden vervoeren, maar zij zijn nog te kort; wat ondernomen wordt, blijft in deze landen meest half voltooid liggen. De langste rivier is de Halys, Kisil Irmak of Roode rivier.

De bodem is op verscheiden plaatsen vulkanisch en aardbevingen zijn een gewoon verschijnsel. De hoogste vulkaan is de Erdschas (bijna 4000 M,). Als randgebergten verheffen zich; de Taurus in het.....de Anti-Taurus in het . . . ., het Pontisch geb. in het . . .

Op een paar plaatsen zijn meerschuimgroeven, o. a. bij Kjoetahia.

II. Turksch-Armenië is in deze eeuw aanmerkelijk verkleind door de veroveringen der Russen, die o. a. in den Krim-oorlog de sterke vesting Kars innamen. Erzeroem bleef nog Turksch.

Armenië en Koerdistan zijn berglanden, het brongebied van Eu-phraat en Tigris; op de grens van Russisch, Turksch en Perzisch Armenië verheft zich de met sneeuw bedekte Ararat (iets hooger dan de Mt.-Blanc).

De Armeniërs zijn ten deele rijke herdersvolken; zij heeten Christenen. Gelijk de Israëlieten leven ook Armeniërs te midden van verschillende natiën; waar handel gedreven wordt, zijn zij op hunne plaats, talrijk vooral in de landen van Voor-Aziii en Z.O.-Europa; te Con-stantinopel o. a. zijn vele handels- en bankinstellingen in hunne handen.

De Koerden zijn berucht door hunne roof benden, o. a. op Perzisch gebied, waar de bewoners in den Sjiïtisch-Mohammedaanschen godsdienst van hen verschillen.

De Turken vormen het 3e bestanddeel der bevolking; tot hen be-hooren de ambtenaren, enz.

Diarbekir, aan den . . . ., is met Erzeroem de belangrijkste plaats, over welke druk karavanenverkeer met Perzie plaats heeft.

III. Syrië is een langgestrekt, hoog kustland; het heeft in het W. de zee met tegenwoordig alleen slechte havens; in het O. de groote Syrisch-Arabische woestijn.

Evenwijdig aan de kust verheffen zich de ketens van den Libanon en den Atiti-Libanon; de in de oudheid beroemde cederwouden van den Libanon zijn bijna geheel verdwenen.

In het lengtedal tusschen de ketens stroomt de Orotites.

Een smal kustgebied ten W. van den Libanon is het oude Phoe-nicië; de zeestroomen van de Afrikaansche kust hebben het Nijlslib medegevoerd en de havens van Phoenicië verzand.

Bij deze natuurlijke gesteldheid van het land heeft het verkeer hoofdzakelijk plaats in de richting Noord-Zuid; naar het N. voert de

j

.

ocr page 206

199

wey naar Klein-Azië door de belangrijke Cilicische passen (Alexander de Groote, de Kruisvaarders); de bloei van Antiockië, zoowel in de Oudheid, toen de Phoenicisch-Perzische handel over A. liep , als in het tijdvak der Kruistochten, berustte op dezen weg en op het dal van den Orontes, die bij A. door het gebergte breekt, om zich na korten loop bij Seleucia in zee te storten. Seleucia was de belangrijke toegangspoort van de kust naar Mesopotamië. Reeds de oude „Perzische koningsstraatquot; liep van Antiochië over Aleppo naar Thapsacus, d. i. „de brugquot;, aan den Euphraat.

Van al die grootheid is niets overgebleven; gelijk bijna alle Syrische steden is A. vervallen.

Even groote beteekenis had door zijne ligging Damascus, en dit heeft die beteekenis, ten minste gedeeltelijk, door alle eeuwen heen bewaard. Het is met Smyrna de grootste stad van Turksch-Azie en 't middelpunt van de karavaanwegen naar N., Z. en O.; naar het N. leiden zij naar Klein-Azië en Stamboel, naar het Z. naar Mekka, Oostwaarts naar Bagdad. De zoogenaamde „Syrische Hadsj'' (pelgrimswegen) komen in Damascus samen; de woestijnreis van daar naar Mekka duurt 30 dagen. De „heilige maandenquot; der Mohammedanen maken, dat langs dezen weg een druk verkeer plaats heeft en de steden hebben dan soms 3 a 4 maal zooveel inwoners als in de andere maanden van het jaar.

Al dikwijls heeft de Turksche regeering beloofd tusschen Damascus en Bagdad een geregelden postdienst te zullen openen, maar men bespeurt er weinig van. Eene der bekendste oasen in de Syrische woestijn was Tadmor (Palmyra), de palmen-oase, eens met prachtige paleizen en wereldberoemd, thans verlaten; van deze oase bereikte men den Euphraat bij Circesium, langs een weg in de geschiedenis ook zeer bekend (Nebucadnezar).

§ 99- Palestina, het Z. gedeelte van Syrië, heeft eene oppervlakte van % van die van Nederland. De kust was hier reeds in de dagen van het oude Israël vlak en zandig, waardoor de Israëlieten van de zee waren afgesloten.

Het land is bergachtig, zonder hooge toppen; in het midden strekt zich van N. naar Z. een lengtedal, eene diepe kloof, el Ghor, uit; hier stroomt de J or daan door; de bodem van het dal daalt terrasvormig en daardoor ontstaan in de wijdste gedeelten de meren, die de rivier achtereenvolgens doorloopt; Merom, Genezareth of meer van Tiberias, Doode Zee.

(Om een denkbeeld te geven van de afstanden op de kaart, deelen wij mede, dat de lengte van den Jordaan 60 uren gaans bedraagt, dus iets meer dan b.v. die van de Oostelijke grens van Nederland.)

ocr page 207

200

De spiegel van de Doode Zee ligt bijna 400 M. beneden dien der Middell. Zee; el Ghor vormt dus wat men eene inzinking noemt.

De volgende schets is ontleend aan 't verhaal eener reis in Syrië '): „Te paard van Jeruzalem vertrokken, vroeg in den ochtend, kwamen wij tegen twee uur in den namiddag bij den mond van den Jordaan aan. Een oogen-blik later namen wij een bad in de Doode Zee, 400 M. onder den spiegel der Middell. Zee; ondanks al ons pogen konden wij er niet in slagen ons eens flink onder te dompelen: de dichtheid van het water is hier grooter dan in eenige andere bekende zee; drijvende stukken aardpek (asphalt) konden wij verzamelen en toen wij uit het water kwamen, was ons heele lichaam met een zoutachtig vernis als besmeerd. De temperatuur van het water was aan de oppervlakte 22 C.; die van den Jordaan, een paar uren later en opwaarts gemeten, bedroeg slechts 17°. Inderdaad is de Doode Zee niets dan een groot zoutmeer, door de Arabieren zeer eigenaardig Bahr-Louth, d. i. „zee van Lothquot;, genoemd. De gansche streek, waardoor wij gekomen waren, heeft een treurig, doodsch aanzien; op enkele schrale weidegronden na is van cultuur geen sprake. Onze weg leidde langs Nebi Mouca, het graf van Mozes. Daar Jeruzalem 779 M. boven den spiegel der Middell. Zee ligt, waren wij bijna 1200 M. gedaald, waarbij wij verscheidene keeren duidelijk 'tbestaan van vroegere meren konden waarnemen, zoo aan den bodemvorm als aan nog aanwezige poelen. Het groote hoogteverschil is voor 't eerst aangetoond in 1837 en wel door barometrische waarnemingen.quot;

jfudea, Samaria, Gallilea, Peraea zijn de historische namen van de .dealen van het Heilige Land.

Jeruzalem ligt in eene ongunstige streek, woeste en rotsachtige omgeving; onder de heuvels is die in het Z., Sion, het meest bekend. De stad heeft een oud en vuil aanzien; het aantal inwoners bedraagt ±; 25.000, waarvan '/5 Christenen. Jaarlijks komen nog altijd veel pelgrims: Christenen (kerk van het H. Graf en andere heilige plaatsen), Muzelmannen (beroemde moskee van Omar), Joden.

Tiberias, Nazareth, e. a. zijn uit een aardrijkskundig oogpunt onbeduidende dorpjes.

Syrië en Palestina hebben als middelen van bestaan voor de bewoners eigenlijk alleen veeteelt; de korenaanbouw is gering, wijndruif, olijf, vijgen en dadelpalm tieren uitstekend. De taal, die in Syrië gesproken wordt, is algemeen de Arabische.

IV. Het vilajet Bagdad, het oude Mesopotamië, is tegenwoordig grootendeels eene boomlooze, dorre steppe. Het klimaat wisselt af tusschen gloeiende hitte over dag en koude in den nacht.

Bij voldoende besproeiing, zooals in den tijd der Babyloniers, toen talrijke besproeiingskanalen het water van Euphraat en Tigris overal brachten, vormt de vlakte een vruchtbaar, heerlijk cultuurland.

') La Nature, 1887.

ocr page 208

201

De bevolking bestaat uit Arabieren, Koerden en Turken.

Bagdad is eene belangrijke plaats voor den karavaanhandel tus-schen Indië en Perzië aan de eene zijde en de havens aan de Zwarte-en Middell. Zee aan den anderen kant. In den bloeitijd van het kalifaat der Arabieren was het eene stad met misschien 2 mill, inwoners , middelpunt van de Arabische beschaving („stad des vredesquot;; 9quot; eeuw n. C.).

Niet ver van Bagdad, doch aan den Euphraat, liggen de bouwvallen van Babyion.

Mosoel aan den Boven-Tigris, eens beroemd door zijne fijngeweven stoffen {moesseline); in de nabijheid liggen de bouwvallen van Ninivé.

Aan den mond van den Shat-el-Arab, „Stroom der Arabierenquot;, ligt Bassora, lang zoo belangrijk niet, als het met eene zoo uitstekende ligging kon zijn.

Al deze landen zouden misschien nieuwe beteekenis krijgen, als nog eens het denkbeeld werd verwezenlijkt van wat men den „Eu-phraat-spoorwegquot; noemt: deze zou, in verbinding met een Klein-Aziat. spoorweg, aansluiten aan den grooten weg, die door Europa naar Constantinopel leidt en aldus zou de wensch van eeüe overland-reis naar Indië de vervulling nabij zijn.

V. Turksch-Arabië (Hedsjas en Jemen) bevat de rijkste en beste landschappen van het groote schiereiland: Gelukkig Arabic, zoo ongelukkig, doordat het sinds eeuwen Turksch is.

Voor den handel levert het kostbare producten: reukwerken, fijne koffiesoorten, gom en uit de binnenlanden de Arabische paarden en de kameelen.

Dsjidda is onder de havens de levendigste, vooral in de heilige maanden; duizenden pelgrims komen hier over zee aan uit IndiO en van geheel Noord-Afrika; broeinest voor de cholera.

Mekka en Medina, de heilige steden (de laatste naam is eigenlijk „Medinet en nabi'', „stad van den profeetquot;). Daar aan niet-Moham-medanen 't bezoeken dezer plaatsen verboden is, wist men er tot voor korten tijd weinig zekers van. Enkele, met Arabische taal en wetenschap goed vertrouwde personen zijn er in geslaagd korter of langer te Mekka te vertoeven; onder dezen een Nederlander, Dr. Snouck Hurgronje, die zijne belangrijke bevindingen heeft medegedeeld o. a. in een groot werk „Mekkaquot;.

Andere belangrijke plaatsjes zijn nog: Mokka en Hodeida.

In het Z.W. de Britsche punten: Aden, onbelangrijk als handelshaven, maar steenkolenstation; Perim, sterk bevestigd rots-eiland.

De onmetelijke binnenlanden (geheel Arabic = gt;/3 van Europa), het onafhankelijk Arabic, bestaande uit woestijn en steppe, alleen

ocr page 209

202

bewoond door Bedouïnen, roovers of karavaanbegeleiders. De machtigste stam is die der fanatieke en krijgszuchtige Wahabiten, in het landschap Nedsjed; hoofdoase Jïiad.

Van deze binnenlanden is zoo goed als niets bekend; de reizen, daar in de laatste jaren ondernomen, eindigden meest ongelnkkig.

In het Z.O. kustgebied ligt het onafhankelijke Arabische rijk van Oman, met de handelsstad Mask ate; belangrijk verkeer op Indië, Zanzibar, enz.

§ 100. Iran.

Van den Sjat-el-Arab tot den Indus-mond, d. i. over eene lengte van meer dan 400 uur gaans, strekt zich eene woeste, zandige kust uit, bijna zonder één haven. De smalle kust wordt door een hoog en steil gebergte, door geen enkel dwarsdal doorsneden, van het binnenland gescheiden.

Dit binnenland bestaat uit: Perzië, Afg'hanistan en Beloedsjistan. De bewoners dezer landen hebben nooit aan zeevaart gedaan; misschien komt dit ook, doordat in Iran geen hout is voor het timmeren van schepen. De eenige havens van Perzië, die iets beteekenen, zijn Aboesjir en, aan de Kaspische Zee, Bal/roesj.

Reeds in de Oudheid — Romeinsche schrijvers maken er melding van — was aan de Perzische golf eene levendige parelvisscherij; en nog heden houden, tusschen Juni en Sept., een 30.000 menschen zich hier met het visschen naar pareloesters bezig. De Perzische parels gelden als de beste; zij zijn harder dan die van Ceylon en de Westersche parels; de laatste, hoewel groo-ter dan die van 't Oosten, schilferen spoedig af, zijn niet zeer rond en eenigs-zins loodkleurig.

Perzië vormt den overgang van de Turksche naar de Indische wereld. In dit groote land (3 x Duitschland), komen uitgestrekte steppen en woestijnen voor, tegenover landschappen met de heerlijkste natuur; dadels, druiven en zuidvruchten, katoen en koren, rozen, opium en tabak zijn de voortbrengselen. De beste provincies liggen vooral in het W. en het N., op de hellingen en aan den voet der bergen aldaar; die streken heeten „de tuin van Perziëquot;; de winden zijn genoodzaakt tegen de bergen op te stijgen, waardoor deze landen besproeid worden, terwijl het groote binnenland aan dorheid lijdt. De rivieren loopen dood in de steppen en vormen moerassen en meren.

Even groot onderscheid als de natuur in Perzië vertoont in klimaat en flora, bestaat er ook tusschen de bewoners; de Bedouïnen ver-keeren nog geheel in denzelfden toestand als vóór lOOO jaren, no-madiseeren, zijn roofziek en lastig voor de naburen; de stadsbewoners leven vooral van handvverksnijverheid en zijn ook goede kooplieden. De Perzen zijn orthodoxe Mohammedanen (Sjiïten); de oude

ocr page 210

203

vuurdienst bestaat nog slechts bij een gering aantal personen, die Parsïs heeten. Die Parsi's komen ook wel voor in de groote steden van Eng.-Indië, b.v. Bombay, waar zij tot de rijkste families behooren.

Teheran is de tegenwoordige hoofdstad; Tebris is de aanzienlijkste koopstad. De handelsweg voor het Perzisch-Europeesch verkeer loopt van Teheran langs Tebris en zoo of naar den Kaukasischen spoorweg (blz. lOl) of over Diarbekir naar Klein-Azië.

Eene der belangrijkste steden van het binnenland is nog Ispahan, vóór Teheran de residentie van den Shah.

Een der mooiste gedeelten van het land is het gebied van Sjiras (wijn, vruchten, rozenolie); daar liggen ook de bouwvallen van Per se polis.

Afghanistan, het overgangsland tusschen Indie en Toeran. Dit land is in de laatste jaren tengevolge van deze ligging belangrijk geworden ; het eenige gebied, dat de Russen en Engelschen hier nog van elkander scheidt. Langs de hoofdstad Kaboel leidt de weg door het Kaboel-dal naar het Indus-gebied; de bekende pas is de Khyber-pas en de Eng. vesting Pesjawer is voor de Engelschen een gewichtig militair punt.

Herat, 2' stad; een levendige karavaanhandel heeft over K. en H. tnsschen Perzië en Indië plaats.

Beloedsjistan is veel minder belangrijk dan de beide vorige landen; de woestijnen nemen hier nog meer bijna den geheelen bodem in. De bewoners zijn grootendeels roofzieke nomaden, die den Khan van Kelat in naam als heerscher erkennen. De Britsch-Indische Regeering oefent feitelijk eene soort van toezicht uit op de zaken in dit grensland; volgens de laatste berichten (1893) had zij den Khan, wegens diens wreedheden, afgezet.

§ 101. Russisch Azie.

I. Kaukasië.

II. Russisch Centraal-Azië.

III. Siberië.

I. Zie blz. 101 en lil.

II. Dit bestaat uit 2 deelen : a. de Kirghizenlanden of het Step-pen-gouvernement; b. het gouvernement van West- Toerkestan of Transkaspië.

a. De eerste vormen de voortzetting van de Z.-Siberische en van de Kaspische steppen. De Kirghizen heeten het rijkste en talrijkste der Aziatische nomadenvolken; er zijn nog onderscheiden stammen; hun vee bestaat uit: schapen, paarden, kameelen.

ocr page 211

204

De Russen hebben hier militaire stations; in tegenstelling vooral met het Turksche Azië heeft de Russische regeering veel gedaan voor deze bezittingen; het bestuur is echter nog geheel in militaire handen.

b. Hier hebben de Russen in deze eeuw steeds meer gebied geannexeerd , tot schrik en spijt van de Engelschen.

De landen bestaan grootendeels uit steppe en zelfs woestijn; Kaspische Zee en Aral-meer worden als overblijfsels eener vroegere zee beschouwd. Langs de rivieren liggen goed bebouwde streken; vroeger waren bij kunstmatige besproeiing sommige gedeelten zelfs in 't genot van heerlijke cultuur, en bij de hooge zomerwarmte tieren wijndruiven , vijgen, perziken, abrikozen hier uitstekend.

De Transkaspische spoorweg of „Centraal-Aziatische lijnquot; loopt van de Oostkust der zee (bij Oesoen Ada, eene goede haven) naar Sa-markand. De lijn doorsnijdt de vlakte van Toeran, woestijnen (Oest-Oert en Karakoem), maar ook oasen; de Turkmenen zijn deels woeste herders, deels nijvere landbouwers en handelaars.

De spoorweg heeft eene lengte van 1450 werst; wachthuizen met militaire detachementen bewaken de lijn. 't Is duidelijk, dat deze spoorweg in de le plaats voor een militair doel is aangelegd; verbinding van Rusland en Herat. Tot Samarkand fluit reeds de locomotief ; over den Amoe is een brug gebouwd van 2 K.M. lengte.

De verschillende Turksche stammen zijn meest alle sedert het midden van deze eeuw door de Russen onderworpen en worden thans op militaire wijze bestuurd, terwijl ook hier het Russisch gezag berust op sterke garnizoenen in eene rij van forten.

Taschkend en Kokhand zijn belangrijke steden; de groote handelswegen van China komen hier aan.

Samarkand was eens (15e eeuw) eene bloeiende Oostersche stad; hoofdstad van een groot Mongoolsch rijk, maar, gelijk in zoo vele streken van Azië, verdween dit groote rijk even plotseling als het was opgekomen.

De Khanaten van Khizua en Boekhara hebben nog een schijn van onafhankelijkheid behouden; reeds in Merw zijn de Russen, tot Herat dringen hunne voorposten op.

III. Siberië (aldus genoemd naar eene stad Sibir, die waarschijnlijk even ten Z. van Tobolsk aan den Irtisj heeft gelegen). In 't laatst der lóquot; eeuw kwamen de Russen het eerst in Siberië, ten tijde van de regeering van Iwan den Verschrikkelijke, onder een Kozakken-hoofdman Jer mak. En gelijk in de Nieuwe Wereld goud en zilver de Spaansche veroveraars, avonturiers, naar Mexico en Peru lokten, gaf in Siberië het sabeldier aanleiding, dat in enkele jaren groote gedeelten werden afgejaagd en voor de regeering in bezit genomen,

ocr page 212

205

waarbij de inboorlingen even schandelijk werden behandeld als ginds de Indianen. Binnen 70 jaren was Siberië van den Oeral tot den Grooten Oceaan — een afstand van 1300 uren gaans — doorkruist; zelfs staken de Russen (l8e eeuw) de Bering-straat over en jaagden in Aljaska, dat nu (in 1867) aan de Amerikaansche Unie is verkocht.

Tot de oudste teekeningen van Azic's Noordkust behooren die van Tscheljoeskin in het midden der l8e eeuw; uit denzelfden tijd zijn ook de opmetingen van den scheepskapitein Bering. De reis van Nordenskjöld heeft vele verbeteringen in de kaart van N.-Azië aangebracht. Opmerkelijk is het, hoe rijke Russische particulieren, b.v. Sibiriakoff, groote sommen besteden voor gelijk doel.

Op grond van de ervaring, bij zijne vroegere reizen opgedaan en van eene ijverige studie van alle tot dusver naar die streken ondernomen reizen, had zich bij Nordenskjöld het geloof gevestigd aan de mogelijkheid langs 't Noorden der Oude Wereld heen het Oosten te bereiken. Hij was van meening, dat op eenigen afstand van de kust eene ijsvrije strook moet zijn en, evenals eens Columbus, vast overtuigd van zijn succes, zag hij uit naar de middelen om zijn plan ten uitvoer te leggen.

Die middelen werden hem verschaft door Koning Oskar van Zweden, den Russischen koopman Sibiriakoff en den Zweedschen handelaar Dickson.

Een stoomschip, de Vcga, werd aangekocht en op alle mogelijke wijzen voor de ijsvaart toegerust. Eene kleinere stoomboot, de Lena, werd gebouwd, die als transportschip — voor levensmiddelen en steenkolen — den halven weg mede zou afleggen en daarna de rivier de Lena zou opvaren. Bovendien gingen voor rekening van Sibiriakoff nog twee schepen mede naar dén Jenisseï-mond.

Den 25en Juli 4878 verliet deze vloot, uitnemend bemand, eene kleine haven nabij de Noordkaap, passeerde zonder noemenswaardig oponthoud de straat, die het eiland Waigatsj van Rusland scheidt, doorsneed in zes dagen de zoo beruchte Kara-zee en wierp het anker uit in Dicksonshaven, aan den mond der Jenisseï. De schepen van Sibiriakoff laadden hier een deel van hun voorraad in de Vega en de Lena over en voeren daarna met hunne verdere lading, uit een aantal tonnen spijkers, hoefijzers, staafijzer, tabak, zout en petroleum bestaande, de Jenisseï verder op. Eene maand later voeren zij weer stroomafwaarts en brachten eene retour-vracht van koren en talk behouden naar Europa over.

Intusschen hadden de Vega en de Lena onder gunstige voorteekenen hunne reis naar het Oosten voortgezet. Zoo ver het oog reikte, vertoonde zich geen spoor van ijs en de temperatuur van 10° C., zoowel van lucht als van water, voorspelde eene ongestoorde vaart. Nu eens langs de kust zeilende, dan weer stoomende werd de reis voortgezet, dikwijls in een dichten nevel, zoodat de schepen om in eikaars nabijheid te blijven telkens met de stoomfluit signalen moesten geven, terwijl van de kust weinig te zien was. De zee was gewoonlijk glad als een spiegel.

Negen dagen na 't vertrek uit Dicksonshaven werd de Noordelijkste punt

der Oude Wereld bereikt; kaap.....welke heugelijke gebeurtenis gevierd

werd door 'thijschen der vlaggen, het lossen van saluutschoten en een bezoek

ocr page 213

206

aan land. Een groote ijsbeer was de eenige inheemsche getuige van dit bezoek.

Van deze kaap werd de koers Oostwaarts gehouden; herhaaldelijk bleek, dat de bestaande kaarten van de kust onbetrouwbaar waren: fouten van wel 5 lengtegraden — IS'/j uur gaans — werden geconstateerd.

Achttien dagen na 't vertrek van Dicksonshaven waren de schepen voor den Lena-mond. Hier scheidde de stoomboot Lena en voer de rivier op, bereikte na een paar dagen de eerste dorpen van de Jakoeten en na eenige weken de hoofdstad van O.-Siberië, Jakoetsk, waar de winterkwartieren werden betrokken. Intusschen stoomde de Vega, sedert den 28fn Augustus onverzeld, verder; na weinige dagen vertoonden zich de eerste voorboden van het einde van den zomer; nu en dan viel er sneeuw; het ijs werd dikker, zonder nog hinderlijk te zijn; de dagen werden korter. Toch werden nog van tijd tot tijd sommige gedeelten van de kust en eenige eilanden opgenomen, terwijl ook herhaalde ontmoetingen met de inboorlingen niet bevorderlijk waren aan den zoo noodigen spoed. In booten, van huiden vervaardigd, kwamen de Tjoektsjen aan boord; lichamelijk flinke menschen, geheel in pelzen gekleed en met broeken van rendierleer; de vrouwen op 'tgelaat met donkere lijnen getatoe-eerd. Dicht bij 't strand lagen hunne dorpen, tenten voornamelijk van rendierhuiden gemaakt. Met de vischvangst gaven de rendieren de noodige bestaansmiddelen ; gebrek scheen er niet te zijn.

Langzamerhand werd de vaart moeilijker, vooral bij stil weder: dan vroren des nachts de ijsvelden vast aaneen. Eindelijk, den 28cn September, sloot het ijs zich voor goed om de Vega, op een afstand van 36 uren gaans van de Beringstraat was men verplicht te overwinteren. Nu en dan greep zulk eene geweldige beweging in de ijsmassa's plaats, dat het schip kraakte; 't werd dus raadzaam geoordeeld aan land een depót van levensmiddelen, geweren en ammunitie op te richten, dat voor 30 man gedurende 100 dagen voldoende zou zijn.

De sneeuw liet men op het dek van het schip liggen, tot zij eene 30 cM. dikke stijf samengeperste laag vormde, die er niet weinig toe bijdroeg het weerstandsvermogen tegen de koude te verhoogen. Ook rondom het schip werden sneeuwdammen opgeworpen. Eene trap werd van het ijs naar boord gebouwd; eene groote tent werd over het voorste gedeelte van het dek opgeslagen ; zij diende als voorportaal, als smidse en als receptie-zaal, wanneer inboorlingen op bezoek kwamen.

De winter, hoe streng ook, bleek toch niet zóó koud te zijn, als op het vaste land van Siberië en op andere Poolreizen wel geconstateerd was. De laagste temperatuur, die werd waargenomen, op den 25™ Januari 1879, was — 45° C., den ■15'n April daalde de thermometer nog eens tot — 38° C. Soms maakte het stormachtige weer de koude zeer gevaarlijk; terwijl bij stil weder eene temperatuur van —40° C. zelfs niet bijzonder hinderlijk bleek, was een geringe wind soms oorzaak, dat bij gebrek aan voorzorg, blootgestelde gedeelten van 't lichaam bevroren.

In de kajuiten teekende de thermometer gewoonlijk 12 èl 17° C., daalde 's nachts slechts tot 5°. Zelfs in het ruim, waar niet gestookt werd, maar dat onder de waterlijn lag, was de warmtegraad gewoonlijk een paar graden boven nul.

De gezondheidstoestand bleef goed. Bij den terugkeer van het zonnelicht, waarvan men eenige weken lang verstoken was gebleven, was 'tdragen van gekleurde brillen noodzakelijk tegen sneeuwblindheid.

ocr page 214

207

De nabijgelegen kust behoorde tot de eentoonigste en onherbergzaamste, die zich laten denken; toch was zij niet onbewoond.

Herhaaldelijk kwamen Tjoekstjen, zelfs uit veraf gelegen dorpen, naar boord. Met 't oog op hunne onzindelijkheid, werden zij niet tusschendeks toegelaten, maar zij kregen wat soep en andere spijzen, toen zij, na 't midden van den winter, groot gebrek hadden. In ruil voor wat snuisterijen kreeg Nordenskjöld langzamerhand eene verzameling van kleederen, wapens en werktuigen van deze inlanders; 't waren goedmoedige lieden, waarvan er een't gezag uitoefende voor de Russische regeering, zonder dat hij echter van 't bestaan van den Czar iets wist.

Hoewel 'tleven aan boord eentonig was, ging de tijd betrekkelijk snel voorbij; de matrozen hielden 't schip schoon en verrichtten ander scheepswerk; de officieren deden meteorologische en magnetische waarnemingen — waartoe een observatorium van ijs was gebouwd —, jaagden, enz.

Eindelijk, na eene gevangenschap van '294 dagen, werd de Vega den 18l'n Juli quot;1879 weder vlot; de reis kon worden voortgezet en 10 dagen later werd de Beringstraat gepasseerd. Na nog een zwaren storm te hebben doorstaan, liep de Vega den 2™ September eene Japansche haven binnen — eenige eilanden waren eerst nog onderzocht — en keerde daarna door de Chineesche zeeen, den Indischen Archipel en het Suez-kanaal naar Europa terug.

§ 102. Natuurkundig onderscheiden wij in de Siberische vlakte; de streek der Toendra's, eene onafgebroken, boomlooze woestenij; eene meestal effene of eenigszins golvende vlakte, hier en daar door lagere moerassige dalgronden onderscheiden. Tallooze in 't zand begraven schelpen bewijzen, dat hier eenmaal de zee was. De ruwe winden van de IJszee, door niets weerhouden, verhinderen schier allen boom-groei ; dennen en pijnboomen komen alleen in enkele beschutte dalen voor en dan nog slechts in wonderlijk verdraaide vormen; dwergberken bedekken uitgestrekte, drogere plekken, terwijl op de lagere vochtige plaatsen de wilg 't meest op den voorgrond treedt, doch maar zelden tot eene manshoogte. Doorgaans is de grond verscheiden voet diep bevroren en maanden lang eene harde steenmassa gelijk. Zoodra de zonnewarmte in de korte zomermaanden den bovengrond ontdooit, ontwikkelt zich overal een kortstondige, maar snelle plantengroei en in de onafzienbare moerassen vertoonen zich zwermen van trekvogels.

Dit gebied wordt alleen door enkele nomaden van de Noord-Azia-tische volkengroep bewoond.

Zuidwaarts volgt een breede gordel naaldwouden, het gebied der pelsdieren, hier en daar voor den landbouw ontgonnen; dit is het belangrijkste gedeelte van Siberië, waar de Russische kolonisten wonen en waardoor de handelswegen loopen van China over Siberië naar Rusland.

Eindelijk beginnen de steppen, welke in die van Centraal-Azië overgaan.

ocr page 215

2o8

Ob en Jenisseï, die met Amazone e. a. tot de grootste rivieren der aarde behooren, vormen in de onmetelijke vlakten, ook als zij bevroren zijn, natuurlijke wegen. Beide nemen een geheel stelsel van zijrivieren op; bij de Ob zijn de Irtisj en de Tobol het belangrijkst; bij de Jenisseï de verschillende Toengoeska's (naar den stam der Toengoezen), van welke er een de afwatering van het grootste Alpenmeer, Baikal, vormt.

In de 2e plaats bestaat Siberië uit de groote berglanden, die den Noordrand der Achter-Aziatische hoogvlakte vormen en die belangrijk zijn door hun ertsrijkdom, hunne schoone Alpenmeren (Baikal is iets grooter dan Nederl.), talrijke gletschers en rivieren.

Voortbrengselen: De mijnen van Siberië, die nog grootendeels door staatsmisdadigers worden ontgonnen, wedijveren in rijkdom met die van Amerika en Australië; zij leveren ijzer, steenkool, graphiet, goud {Altai beteekent „Goud-gebergtequot;), zilver, lood, platina en zout. Voornaamste bergwerken: bij Barnaul, Nertsjinsk, Krasnojarsk, e. a. Zoowel uit die van Oost-Siberië als uit die van het gouv. Irkoetsk gaan de goudtransporten naar de keizerlijke munt in de Peter-Paul-vesting. Eerst worden de goudstaven in kleine kisten gepakt en deze kistjes in grootere gelegd, die met sterke ijzeren banden beslagen zijn. De kisten worden op de tot 't transporteeren bestemde wagens vastgesmeed. Tot het escorteeren worden de vertrouwdste officieren en manschappen der Sib. kozakkenregimenten gekozen. De reis van Irkoetsk naar St.-Petersburg wordt in ± 40 dagen afgelegd; jaarlijks gaan 4 a 6 dergelijke transporten, soms ter waarde van meer dan 10 millioen roebels.

De landbouw kan groote hoeveelheden graan leveren, als de wouden nog meer ontgonnen worden; timmerhout is er in overvloed (voor huizen, scheepsbouw, brandhout; uitgevoerd wordt dit niet, daar Rusland en Scandinavië houtlanden zijn).

Verder eene massa peisdieren, w. o. het belangrijke sabeldier, het hermelijn, verschillende soorten van beren, vossen, eekhorens.

Eindelijk graaft men er voorwereldlijk ivoor van den mammouth, vooral op de Nieuw-Siberische eilanden. Jagers gaan naar deze eilanden in het voorjaar als de ijsbrug nog sterk genoeg is en keeren in 't najaar over het nieuwe ijs terug.

Bevolkingquot;. Deze is zeer gering; op eene oppervlakte grooter dan die van Europa (Siberië = l '/4 X Europa) wonen nog geen 5 millioen menschen. Onder deze zijn reeds meer dan 3 millioen Russen, ten deele vrijwillige kolonisten , ten deele bannelingen. Onder de laatsten komen zoowel erge misdadigers uit de laagste klassen der maatschappij voor, als personen, die om politieke redenen wer-

ocr page 216

209

den verbannen; deze laatsten mogen somtijds als gunst hunne familie medenemen, eene gunst tevens van groot belang voor de kolonisatie van Siberië. Het lot van een groot deel der misdadigers moet verschrikkelijk zijn; in de bergwerken en goudwasscherijen onder streng toezicht en in gevangenissen, die veel te klein zijn en daardoor aanleiding geven tot allerlei ziekten. Een ander deel der ballingen geniet betrekkelijk veel vrijheid.

Tot de oorspronkelijke bewoners, Noord-Aziaten, behooren nog verschillende volken: Samojeeden, Ostjciken, Jakoeten, Toengoezen, Tsjoekstjen, Kamschadalen e. a. De meesten leven van vischvangst en jacht; sommigen zijn rendiernomaden; zij nemen in aantal af en zullen op den duur wel uitsterven. Het hoogst staan de Jakoeten die vaste woonplaatsen hebben aangenomen en zich op landbouw en veeteelt toeleggen.

Vermenging van Russen met Noord-Aziaten komt veelvuldig voor.

Steden. Deze liggen in Midden-Siberië, niet in het hooge Noorden, ook niet in het Zuiden, waar de steppe- en weidegronden zijn.

In West-Siberïé: Tobolsk, Tomsk, Tjoemen (grensplaats), Barnaul (in de bergwerken) e. a.

In Oost-Siberië; Irkoetsk (50), de groote handelsplaats met China; Kjachta, grensplaats; Jakoetsk in het koude Lena-gebied.

In de Kustprovincie of het beneden-Amoer-gebied: Wladiwostok, „heer van het Oosten'', een vrij belangrijk oorlogsstation van de Russische marine. Verder onbeduidende plaatsjes, havens voor de vischvangst, b.v. Peterpaulshaven (500 inw.).

Sachalin, het Tartaren-eiland, heeft belangrijke bergwerken (steenkool) en is ook een der hoofdstations van bannelingen.

§ 102. Japan.

Van de 4 groote eilanden kan Jesso wel buiten beschouwing blijven, omdat het eene niet belangrijke kolonie van het hoofdland is, en de bewoners van Jesso zijn eigenlijk geen Japanners maar Aino's, die veel lager staan. Op het geheele eiland Jesso, dat ruim 2 maal zoo groot is als Nederland, wonen trouwens nauwlijks 150.000 menschen.

Nipon is het hoofdland. De oudste beschrijving ook van dit land is van Marco Polo (zie blz. 112). In de latere tijden, de 17' eeuw, was Japan alleen toegankelijk voor Hollanders en Chineezen.

In 1854 stelde de Japansche regeering voor het eerst eenige havens open en sloot handelsverdragen, aanvankelijk met de Amerikanen , spoedig daarop met Europeesche mogendheden.

D. AlTïON, Beknopt Leerboek. 3e druk. 14

ocr page 217

210

Dit is 't begin geweest van eene revolutie, die den geheelen inwendigen politieleen toestand veranderde: sedert eeuwen was de Mikado slechts schijn-keizer, wien wel is waar een schier goddelijke eerbied werd bewezen, doch die in de strengste afzondering in zijne hoofdstad Miyako werd gehouden en voor wien 't vernederend gold zich met eenige wereldlijke aangelegenheid te bemoeien. De werkelijke macht berustte voor een deel bij den Sjoogun (aanvankelijk militair opperbevelhebber), meer nog bij de verschillende grooten, die als feitelijk onafhankelijke Rijksvorsten in de verschillende deelen van den staat leefden. In dit laatste opzicht geleek de toestand wel wat op het leenstelsel der Middeleeuwen in Europa. Thans is dat alles veranderd: met de hulp van een deel der Rijksvorsten is de Sjoogun op zijde gezet en de macht der grooten gebroken, ten deele na harden strijd. De Mikado regeert als erfelijk Keizer, sedert -1889 volgens eene grondwet.

Terwijl deze omkeer plaats greep (1854—'68), maar meer nog daarna, begonnen zich de betrekkingen met de „barbarenquot; te ontwikkelen en thans neemt Japan in velerlei opzicht reeds eene belangrijke plaats in.

In onze dagen, nu Japan open is gesteld en het reizen er niet meer wordt tegengewerkt, zijn reeds verscheiden beschrijvingen verschenen.

Als eilandenrijk wordt Japan vergeleken met Groot-Brittanje en Ierland, waarmee het in grootte (zonder Jesso) en aantal inwoners ongeveer overeenkomt. Maar de ligging der Japansche eilanden in den Grooten Oceaan was altijd veel minder gunstig dan die van Engeland in den Atlantischen en ten tweede ligt Japan bij eene Oostkust, Engeland bij een Westkust, wat voor het klimaat eene belangrijke zaak is. Japan ligt bovendien aanmerkelijk dichter bij den evenaar.

Opgave:

Bepaal het verschil in breedte tusschen de hoofdsteden Londen en Tokio.

Terwijl dus Groot-Brittanje een Oceanisch en gematigd klimaat heeft, is dat van de Japansche eilanden over het geheel warmer, heeft meer één bepaald regenseizoen en toont grooter verschil in de maximum- en minimum-temperatuur (zie blz. 26), dus een meer continentaal karakter.

De bergen van Japan zijn vulkanisch; zij maken deel uit van den grooten vulkaangordel van Azië's Oostkust; bij de smalle gedaante van Nipon zijn de bergachtige binnenlanden ver uit zee zichtbaar.

Door de langgestrekte gedaante verschilt de natuur in de onderscheiden deelen nog zeer; in sommige streken kan het erg koud

ocr page 218

211

zijn (op Jesso gaan wel Engelschen op de ijsberenjacht), maar over 't geheel is het klimaat sub-tropisch of warm gematigd.

Groote rivieren heeft Japan niet; wel storten talrijke bergstroomen zich na een onstuimigen loop in zee.

De plantengroei is rijk, vooral ook siergewassen ; camelia's b.v. groeien in het wild, bamboe en palmen herinneren aan Indië, gelijk altijd groene boomen aan de landen langs de Middell. Zee. Hoofdproducten van Japan voor den handel zijn: zijde, katoen, thee verder kamfer, bamboe , soja; als voedsel voor de bevolking rijst.

De dierenwereld is evenals bij China lang niet zoo belangrijk voor de bewoners als de plantenwereld. Gelijk in alle landen van Oost-Azië is er een groot aantal varkens; verder zijn er veel vogelsoorten en wemelen de wateren van visch, die met de rijst het hoofd-voedsel der bevolking uitmaakt. Wilde dieren komen er weinig voor, wel verbazend veel slangen; bekend is de Japansche reuzensalamander.

De paarden in Japan zijn slecht, zoodat zoowel in als buiten de steden meest wordt gebruik gemaakt van draagstoelen en karretjes, door menschen getrokken (djinriksa's); het verkeer in de binnen, landen is trouwens heel moeilijk, wat voor de kennis van het land een groot nadeel is.

Uit het delfstoffenrijk levert Japan goud en vooral koper.

De bevolking op Nipon en de 2 Zuidelijke eilanden overtreft in vele streken een gemiddeld cijfer van 7000 (5200 Q G.M.; 40.000.000 menschen). De Japanners worden, wat hun aanleg betreft, door velen nog boven de Chineezen gesteld. Zij zijn de beste handwerkslieden onder alle Aziaten; lakwerk, porselein, papier, zijden stoffen, brons enz.

Veel hebben ze, ten minste een deel der natie, van Amerikanen en Europeanen overgenomen , maar daar dit overhaast is gegaan , ontaardt dat navolgen in naapen.

De zetel der Regeering is Tokio, „hoofdstad van het Oostenquot;; de oude naam Jedo wordt weinig meer gehoord; de stad telt meer dan 600.000 inw., heeft eene prachtige ligging, welke met die van Napels wordt vergeleken: in de vlakte, aan eene ruime baai, in het gezicht van hooge vulkanen, waarvan sommige niet sneeuw.

De haven is slecht, zoodat de schepen meestal liggen in eene der beide groote voorhavens, en wel meest in Jokohama, waar ook de Amerikanen en Europeanen bij voorkeur verblijf houden. In Tokio zelf wonen zeer weinig vreemdelingen; er zijn verbazend smerige wijken in de hoofdstad, gelijk in alle groote Aziatische steden, die in vuilheid de groote Europeesche steden achter zich laten. Een deel der stad is echter zeer mooi en rijk; de huizen zijn meest van eene verdieping.

14*

ocr page 219

212

De mail van Jokohama gaat over Shanghai naar Hongkong; een andere naar San-Francisco. Het personen- en handelsverkeer met Europa en met de Vereenigde Staten neemt snel toe.

Andere Japansche steden hebben voor ons weinig belang; Kioto, d. i. „hoofdstad van het Westenquot;, is nog het geestelijk middelpunt van de Japansche wereld (400.000 inw., prachtige tempels). Op Kioe-Sioe merken wij de haven op van Nagasaki, belangrijk voor den handel; in deze haven ligt het voor de Hollanders merkwaardige eilandje Desima.

Behalve de hoofdeilanden heeft Japan ook de groepen van de Lioe-Kioe en van de Koer Uien; honderden eilandjes, te zamen een vulkanengordel vormende. De Koerillen zijn evenals Jesso weinig belangrijk ; zij worden door walvischvaarders aangedaan. De Lioe-Kioe zijn dicht bevolkt door nijvere menschen.

Korea. Dit land, bijna van de grootte van Italië en met ongeveer half zooveel inwoners, had tot voor enkele jaren voor Europa geen beteekenis; sedert een paar jaar echter zijn ook hier havens opengesteld en handelstractaten gesloten. Duitschland in 't bijzonder tracht hier invloed te verkrijgen, om aldus — waar Engeland in Hongkong, Frankrijk in Annam, Rusland in Wladiwostok hunne stations bezitten — mede te dingen in deze Oostelijke zeeën en landen.

De ligging tusschen China en Japan had voor Korea o. a. ten gevolge, dat die beide staten hier elkander bestreden. Tegenwoordig vormt het een onafhankelijk koninkrijk; de hoofdstad is Seoul of Kjóng.

Van land en volk in Korea weet men nog weinig; de natuurlijke gesteldheid herinnert aan die van Italië: langgestrekt en door eene bergketen van N. naar Z. doorsneden; de Westzijde is ook hier veel belangrijker dan de Oostzijde: van de havenrijke kust der Gele Zee, waarin een tiental aanzienlijke rivieren monden, loopt 't land geleidelijk op. Klimaat, planten- en dierenwereld zijn sub-tropisch; ook de producten komen overeen met die van Japan.

China.

§ 103. Bij China onderscheiden wij;

I. Eigenlijk China.

II. De Nevenlanden.

De laatste zijn ; Mantsjoerije, Mongolië, Dsoengarije, Oost- Toer au en Tibet.

Het geheele keizerrijk overtreft Europa in grootte (China dz l % X Europa), eigenlijk China is iets kleiner dan Europeesch Rusland.

ocr page 220

213

De bevolking van het geheel wordt berekend op ongeveer 400 mil-lioen, dus ruim '/4 van de geheele menschheid; op de Nevenlanden komen hiervan nauwelijks 25 millioen.

Chineesche Rijk.

Fig. 32. Bevolking van hetv Chineesche Rijk en van Europa.

I. Eigenlijk China is dus verreweg het belangrijkst, daar het uit rijke en dichtbevolkte landen bestaat, terwijl de Nevenlanden arm en weinig bevolkt zijn.

In den tijd der eerste Romeinsche keizers had reeds een bloeiende karavaan-handel plaats door Centraal-Azië naar het „Zijdelandquot; (Scricd); maar toch wist men in Europa zoo goed als niets van dat machtige rijk, waar de vorsten over millioenen menschen regeerden, fabelachtige schatten bezaten en waar de volken op het gebied van nuttige wetenschap en kunst Europa zoo ver vooruit waren.

Dit bleef zoo tot op de dagen van Marco Polo; in een tijdvak van 23 jaren is deze stoutmoedige en bekwame koopman eerst van de kusten der Zwarte Zee tot in China doorgedrongen, heeft toen hooge ambten bekleed aan het Mongoolsche hof en reizen gedaan in verschillende deelen van China en is daarna over Achter-Indië en Perzic in zijn vaderland teruggekeerd. Zijn werk (Mirabilia mundi) is nog heden in veel opzichten eene bron voor vele streken in Azië; door zijne tijdgenooten werd hij niet geloofd.

Bij hem wordt ook Japan voor het eerst genoemd („Zipangoequot;) en hij gaf prachtige schilderingen o. a. van den goudrijkdom, die daar zou heerschen.

Alleen een beroemd Arabier, Ibn Baioeta, uit de 44' eeuw, kan in zijne groote en langdurige reizen voor de kennis van Azië met Marco Polo op één lijn worden gesteld: van Tanger uit drong ook hij in een dertigjarig tijdvak tot in Oost-Aziê door. Van hem bestaan evenzeer uitvoerige reisbeschrijvingen.

Aldus had de machtige handelsrepubliek in haar bloeitijdperk gedurende en na de kruistochten groote reizigers gekweekt en evenzoo had de Islam door het voorschrijven der bedevaarten naar Mekka, waarmee de handel gepaard ging, den ouden reislust der Arabieren opgewekt.

De door de kruistochten eenmaal opgewekte zin voor reizen en handelen heeft den stoot gegeven tot de groote reizen en ontdekkingen, die wij kort daarna in alle zeeën en landen zien en waarvan in Azië de betrekkingen met Indië, China, Japan het gevolg waren. Van veroveren kon voor de Europe-

ocr page 221

214

anen bij China en Japan geen sprake zijn, slechts van handelsverdragen; maar overdreven bekeeringsijver van zendelingen, onedele handelingen van de kooplieden maakten, dat de regeeringen en van China èn van Japan in de 171, eeuw hunne landen afsloten.

Sinds het optreden der Europeesche mogendheden in 't midden dezer eeuw is de kennis van de binnenlanden van China wel veel vermeerderd door beroemde reizigers, waaronder in de eerste plaats von Richthofen (boven reeds genoemd); maar van verscheidene provincies is de kennis nog geheel ouvoIt komen.

De Chineesche laagvlakte, het beneden-gebied van de Chineesche reuzenstroomen , Hoangho en Jang-tse-kiang of „Gelequot; en „Blauwequot; rivier, is vruchtbaar, uitstekend bebouwd en waarschijnlijk het dichtstbevolkte land der aarde. Hier zijn de menschen opeengehoopt en een mislukte rijstoogst heeft dikwijls hongersnood en den dood van millioenen menschen ten gevolge gehad; ook burgeroorlogen hadden meermalen hetzelfde gevolg.

De Chinees is in de eerste plaats landbouwer; geen plekje is onbebouwd, voor besproeiing is uitstekend zorg gedragen, zoowel in de vlakten als op de hellingen der bergen; in de steden is hij uitstekend handwerksman ; aan de kusten visscher en gevaarlijk zeeroover; alleen de mijnbouw laat in China nog veel te wenschen over en de bodem is juist zoo lijk; vooreerst aan groote steenkoolbeddingen, misschien grooter dan die van eenig ander land ter wereld, verder ook goud en ijzer.

Hoofdproducten van den uitvoer zijn in China: thee, zijde, katoen, voorwerpen van de Chineesche nijverheid, als papier, lakwerk, porselein , geweven stoffen, braderieën, inkt, reukwerken.

Ingevoerd worden vooral; rijst, opium, goud, producten van Europeesche industrie, zwaluwnesten enz. Opium wordt tegenwoordig op groote schaal ook in China zelf verbouwd.

Van de talrijke havens aan de Chineesche kusten werden er na den „opium-oorlogquot; tusschen China en Engeland (1839—'42) een vijftal, de zoogenaamde „verdragshavensquot;, opengesteld. Na een tweeden oorlog in i860 met Engeland en Frankrijk, waarbij zelfs Peking werd ingenomen, werd bij den vrede van Tientsin het reizen in de binnenlanden toegestaan en de toegang dus eigenlijk eerst goed ontsloten. De bevolking is den Europeaan niet bepaald ongenegen; meer is zulks het geval met de mandarijnen, de Chineesche grooten. Deze zijn van het nieuwe afkeerig en wilden aanvankelijk allen vreemden invloed weren; geweldige burgeroorlogen zijn toen in China uitgebroken; de provincies van het Zuiden dreigden zich van het hof van Peking los te scheuren, daar de Zuid-Chineezen altijd met onwil het Tartaarsch juk hadden gedragen. Eerst met Eng. en Fransche

ocr page 222

215

hulp zijn de opstandelingen (de Taipings) bedwongen (Generaal Gordon ; zie biz. 164). Zelden is ergens ter wereld een burgeroorlog met grooter wreedheid gevoerd; niet alleen door het zwaard, maar vooral door hongersnood zijn geheele streken ontvolkt en toen ook nog opstanden uitbraken in de verste provincies, als Oost-Toeran, scheen het een oogenblik, alsof de oude Chineesche monarchie zou opgelost worden.

§ 104. De groote Chineesche steden zijn veeltijds langs eene rivier gebouwd; de stroom ligt vol drijvende woningen en handelsschepen. De Jangtse, de „middellandsche zee van Chinaquot; en die over eene lengte van IOOO uren gaans bevaren wordt, telt meer dan IOOO steden aan hare oevers; bij Hankow, 150 uren van den mond, is de rivier 4 K.M. breed en dikwijls met meer dan 10.000 schepen en onmetelijke houtvlotten bedekt; uit alle streken van 't rijk komen hier de kooplieden samen en worden de massa's thee, zijde, katoen, papier, rijst, graan, aangevoerd, en in de levendige stad heeft elk product zijn kwartier of zijne straat met zijne magazijnen en winkels. Slechts weinige Europeanen wonen 't geheele jaar door in Hankow ; 't grootste deel des jaars wonen zij in de groote havenstad Shanghai, 20 K.M. van zee aan eene zijrivier; hier is een Euro-peesch kwartier met breede, schoone straten, gasverlichting, clubs, couranten, enz.; de eigenlijke Chineesche stad, met ÓOO.OOO inw., bestaat grootendeels uit morsige, nauwe straatjes en heeft zelfs onder de Chineesche steden den naam van onzindelijk.

De Hoangho wordt wegens zijne vreeselijke overstroomingen wel eens het „ongeluk van Chinaquot; genoemd; hij heeft een woesten loop en is onbevaarbaar, maar voert veel vruchtbaarmakend slib mee uit het lóss-gebied (in het Chineesche bergland).

Evenals de Egyptenaren voor hunne Pharao's, moesten ook de Chineezen reeds in de oudste tijden voor hunne onbeperkte vorsten reuzenarbeid uitvoeren; met den Chineeschen muur aan de N.-W. grens behoorde hiertoe het Keizerskanaal in de laagvlakte; een breed en diep kanaal, ± IIOO K.M. lang, als b.v. de Rijn; oorspronkelijk gegraven om de rijstbelasting te vervoeren, is het in later tijd verwaarloosd en thans grootendeels onbruikbaar.

Langs den rug van 't grensgebergte van eigenlijk China loopt de binnenste Chineesche rijksmuur, hoog ongeveer 10 M., dik 7 M., uit graniet gebouwd en op hoog gelegen punten versterkt door vierkante torens; deze muur is veel sterker dan de buitenste bij Kalgan, die eene lengte van ±: 3000 K.M. — een afstand als van Londen tot Moskou — heeft. Een Russisch reiziger zegt van deze muren:

ocr page 223

2l6

„zij maken een grootschen indruk, vooral wanneer men let op de steilheid der bergwanden, de plotseling dalende rotsen, de gapende afgronden over welke zij loopen; bij deze kolossale bouwwerken vergeleken schijnt de aanleg van den Pacific-spoorweg der Amerikanen ons kinderspel.quot;

Tientsin (i mill, inw.?) ligt aan den Peiho-mond en is de haven van Pekingquot;, dat zelf geen handelsstad is. Peking (l mill, inw.?) bestaat uit twee deelen: de Mantsjoe-stad en de Chineezen-stad; de eerste is de zetel der regeering, daar zijn de paleizen en andere groote gebouwen; de dynastie in China is sinds de 11' eeuw van de Mantsjoes, die toen China veroverden, maar spoedig geheel in de Chineezen opgingen.

Wat Peking en Tientsin voor Noord-China zijn, zijn Nanking (500) en Shanghai (400) voor het groote midden. Nanking betee-kent „Zuidelijkequot;, gelijk Peking „Noordelijkequot; hoofstad.

Voor Zuid-China was Canton (600) en is Hongkong (150) de groote uitvoer-haven. Canton, aan den mond van de ...., heeft sedert de opkomst van Hongkong wel veel van zijne beteekenis verloren, maar is toch nog altijd eene der grootste en belangrijkste Chineesche steden met meer dan % millioen inwoners. Canton geldt voor het type van eene echt-Chineesche stad; geheele wijken zijn op het water gebouwd; de bewoners zijn onvermengd, terwijl Peking en het Noorden toch altijd eenigen invloed van de Mantsjoes hebben ondervonden; voor de Chineesche industrie staat Canton bovenaan.

Vóór den breeden riviermond ligt het rotseilandje Hongkong, in 1842 door de Engelschen bezet, spoedig de belanrijkste stapelplaats voor den Chineeschen handel en thans de drukste haven van geheel Oost-Azie. De groote Europeesche handelshuizen zijn óf hier óf in Shanghai gevestigd. Geregelde mailverbinding van Hongkong met Singapore, Rangoen, Calcutta; naar de andere zijde met Shanghai, Jokohama, San-Francisco.

Eigenlijk heet de stad op Honkong „Victoriaquot;, maar men gebruikt dezen naam weinig.

De opkomst van Hongkong had het verval van het eens zoo bloeiende Macao (sedert ruim 3 eeuwen Portugeesch), ook vóór den Canton-mond , ten gevolge. Uit Macao werden, evenals uit Amoy, in de laatste jaren veel Chineezen als koelie's verscheept, vooral naar Oost- en West-Indië. Dat aanwerven en verschepen ging vaak gepaard met evenveel bedrog en ellende als bij den Afrikaanschen slavenhandel. Op het oogenblik neemt de aanvoer van koelie's af; de vrijwillige Chineesche emigratie is nog sterk, doch bepaalt zich hoofdzakelijk tot arme Chineezen en ook deze behouden het idee

ocr page 224

217

om eenmaal terug te keeren, zoo niet levend clan toch om in hun land te worden begraven. China is een overbevolkt land, waarvan het grootste deel der inwoners zeer arm is en zeer onkundig, doch begaafd met ijver, ondernemingsgeest en natuurlijke scherpzinnigheid. Emigratie is hier zeer gewenscht, vandaar dat uit China de landverhuizers bij stroomen naar andere landen trekken en daar soms veel goeds, soms veel kwaads, meestal goed en kwaad beide doen. Sommige natiën verzetten zich tegenwoordig tegen die immigratie. In den vreemde kenmerkt de Chinees zich door zijn vasthouden aan nationale kleeding en gebruiken; zooveel mogelijk wonen zij bij elkaar; elk bedrijf wordt door hen ter hand genomen en doorgaans met veel succes.

Het aantal steden, ook in de binnenlanden, is verder verbazend groot; dit is verklaarbaar, want eigenlijk China is zoo dicht bevolkt en de Chinees is gezellig van aard. Over de bevolkingscijfers der Chineesche steden had men tot voor enkele jaren een overdreven denkbeeld; de juiste cijfers kent men nog volstrekt niet; zoo loopen de opgaven voor Peking uiteen van % tot l % millioen. Zeker is het, dat vele steden het getal van '/2 millioen nog te boven gaan, maar men moet vooral niet vergeten, dat zulk een groot bevolkingscijfer nog volstrekt niet het groote belang der Chineesche stad bewijst. Dat de opgaven zoo uiteenloopen, komt zeker niet het minst door het feit, dat de Chineesche mandarijnen de onderzoekingen van vreemden op alle manieren tegenwerken.

Ten aanzien van de namen der groote Chineesche steden kan nog opgemerkt worden, dat 't aanhangsel foe bij den naam te kennen geeft, dat de stad regeeringszetel is van den lcquot;rang; evenzoo duidt tsjoe een regeeringszetel van den 2en rang aan.

Eene der belangrijkste provincies van het binnenland is Junnan. Misschien zal deze provincie, tengevolge van het optreden der Fran-schen in Tonkin, weldra een door de natuur aangewezen handelsweg — door het dal van de Songka — naar de golf van Tonkin krijgen.

^ 105. II. De Nevenlanden. Mantsjoerije is grootendeels door Chineezen gekoloniseerd en wordt reeds ten deele tot Eigenlijk-China gerekend; het heeft dus in tegenstelling met de andere Nevenlanden eene Chineesche bevolking.

Mokden, de hoofdstad, heeft voor ons geen beteekenis.

In Mongolië zijn onmetelijke streken, waar geen mensch woont; hier en daar zijn voor den landbouw geschikte streken, maar daar hebben zich Chineesche kolonisten meester van gemaakt ten koste van de Mongoolsche bewoners van Centraal-Azië.

ocr page 225

218

Hier, in de steppen van Midden-Azië, vinden wij nog de aartsvaderlijke tijden, toestanden en verhoudingen bij de als nomaden levende stammen; die meest uit vier geslachten bestaande familiën, welke, bestuurd door en onvoorwaardelijk gehoorzaam aan haar oudste lid, haren patriarch, rondtrekken met de tenten, die tot woonplaats strekken, om de kudden paarden, kameelen, schapen en runderen te weiden op de onafzienbare grasvelden, welke, zonder ooit bewerkt te worden, meer dan voldoende in 't onderhoud dezer kudden voorzien, terwijl deze op hare beurt weder schier alles leveren, wat hare eigenaren behoeven; het voedsel der patriarchale familie wordt verstrekt door de melk en het vleesch der vier soorten van zoogdieren, de kleeding door de huiden en de wol, de tenten evenzeer door de tot vilt bereide huiden, de brandstof door de gedroogde en samengeperste mest, de verlichting door het schapenvet. Het paard is het middel tot personenvervoer, de kameel tot goederenvervoer. Ossenkarren worden gebruikt in die steppen, die door bos-schen worden begrensd. Deze karren zijn geheel van hout; men vindt er geen spoor van ijzer aan. Slechts enkele voorwerpen tot godsdienstig, huiselijk en jachtgebruik worden meegebracht door de bedevaartgangers, die af en toe uit de steppen naar de heilige plaatsen worden gezonden, naar Mekka (bij de Mohammedaansche nomaden) en naar Groot-Kouren (bij de Boeddhistische nomaden).

De oude handelsweg van China over Siberië naar Rusland loopt over Oer ga, Maimatsjin naar Kjachta, Irkoetsk enz.

Tibet ligt minstens 3000 M. hoog; veeteelt is er het eenige middel van bestaan. Ljassa is de zetel van den Boeddhistischen paus, „Dalaï-Lamaquot;; hier wonen niet anders dan monniken.

In het N.W. ligt, nog hooger, eene plaats, lungs welke de karavanen naar Voor-Azië gaan; Gar tok.

Dsoengarije en Oost- Toerkestan zijn in de eerste plaats belangrijk als passagelanden, waar reeds in vroege tijden de groote wegen tus-schen Europa en China liepen. Deze groote handelswegen hebben veel van hunne beteekenis verloren sedert de openstelling van China.

Door Oost-Toerkestan gingen altijd de belangrijkste karavanen {Kasjgar, Jarkand); langs die wegen hebben ook herhaaldelijk de groote volkenbewegingen uit de steppen van Centraal-Aziö naar Voor-Azië en Europa plaats gehad.

In Dsoengarije is vooral in de laatste jaren de verhouding tusschen Rusland en China gespannen geweest en dreigde een oorlog, die is afgewend door het verdrag van Koeldja.

ocr page 226

219

De volgende bijzonderheden ten aanzien van China's handel, enz. zijn ontleend aan een Duitsch tijdschrift (van het Aardrijksk. Genootschap te Koningsbergen);

uTerwijl tot vóór dertig jaren de thee uitsluitend over land werd vervoerd, neemt thans — eerst door de openstelling van China's havens, dan ook door de voltooiing van het Suezkanaal —- !)/|0 van de thee den weg over zee, naar de markt van Londen en die van Koningsbergen, dat van alle havens van Europa's vastland de meeste thee invoert; dan volgt Odessa, dat ook eene geregelde stoombootverbinding met China heeft.

De Engelschen staan in thee-verbruik bovenaan, overtreffen de op hen volgende Russen 3 maal, en de Duitschers niet minder dan 60-maal. Maar terwijl de Engelschman zijne thee zoo sterk als porter drinkt, giet de Kus er zoolang water bij, als zij maar even kleur houdt en beiden drinken dus ten slotte evenveel. Van de 400 millioen Chineezen drinken, volgens von Richthofen, alleen de rijken werkelijke thee; de middelklasse drinkt een aftreksel van gedroogde bladeren van verschillende inheemsche plantensoorten; voor de groote massa is thee eene weelde: zij sluipt warm water, volgens een eeuwen-oud gebruik , dat waarschijnlijk ontstaan is , doordat in 0 van de 10 gevallen geen ander water te krijgen is, dan dat, hetwelk over rijstvelden gevloeid heeft en door opname van rottende stoffen ongezond is geworden. Hierin ligt zeker ook de oorsprong van het drinken van thee: uit verschillende soorten van getrokken bladeren voldeden die van de theeplant 't best.

In China worden de bladeren van de theestruik driemaal geplukt: de le maal in April, als zij nog klein zijn en den fijnsten geur hebben; verder in Juni en in Augustus; qualiteit en prijs zijn bij den 3 quot; pluk 'tlaagst. De theeplantages liggen voornamelijk in Midden-Cbina, in 't stroomgebied der Jaugtsc, waar Hankow 't middelpunt is. Jaar op jaar echter wordt de aanbouw van thee-plantages in Indiö grooter, vooral ook op Ceylon ; reeds krijgt Engeland '/s van zijne thee uit zijne bezittingen, terwijl alle in Rusland gebruikte thee van Chineesche afkomst is.

Merkwaardig is de verklaring van Koningsbergens aanzienlijken thee-handel: tot 1862 had Rusland allen thee-invoer streng verboden anders dan over den landweg langs Kjacht a, aan de Chineesche grens; daarbij was tevens bepaald, dat de thee slechts in ruil tegen Russische voortbrengselen mocht worden ingevoerd. In genoemd jaar werd ook de invoer langs de Westelijke, de Europeesche grens toegestaan, maar met verschillend invoerrecht, hooger aan de zee- dan aan de landgrens, zoodat het, na den aanleg der Russische spoorwegen, 't voordeeligst was de thee per schip naar Koningsbergen en vandaar per spoor naar de markten van Petersburg, Moskow en Nowgorod te vervoeren.

Sedert nam de invoer der skaravanen-theequot; af, nog meer na 1869: de pas geoogste thee, die China in Mei verlaat, was op de groote mis van Nowgorod in 't begin van Augustus aanwezig, een vol jaar vroeger dan eertijds. Hoofdzakelijk zijn 't mindere soorten, die langs den ouden weg worden aangebracht en daarbij eene zeer eigenaardige soort, de »tegel-theequot;; deze wordt gemaakt, ook in Hankow, uit stengels, takjes, stof van de theestruik, onder warmen damp geperst in den vorm van baksteenen, tegels van 3 4 pond; als zij droog zijn wordt elke tegel in papier gewikkeld; 36 tegels worden samen, met droge geurige bladeren, in matten tot eene «korfquot; verbonden.

ocr page 227

220

Bij de nomadische volken van Centraal-Azic wordt deze thee gekookt met merrie- of ezelinnemelk, onder toevoeging van stukjes schapenvet en als eene soep gegeten.

De weg, dien de karavanen-thee volgt, is weinig of niet gewijzigd sedert het Russisch-Chineesch handelsverdrag van 1728: van Hankow in stoomschepen naar Tientsin, in 8 ft, 10 dagen; van hier den Peiho op, in door ossen gesleepte booten, waarbij een afstand van nauwlijks 50 uren gaans verscheiden dagen, soms een paar weken vordert. Daarna begint het steppen-transport; over het Achter-Aziatisch gebergte, door de woestijn Gobi, langs Oer ga naar Maimatsjin en Kjachta, dragen onvermoeide kameelen '2 maanden lang de thee op hun rug, alleen op de nachtelijke kampplaats van hun last bevrijd. Leidt de weg eerst nog langs talrijke Chineesche steden, dan door nog tamelijk bevolkte streken , eindelijk begint het eenzaam gebied der Chalka-Mon-golen; door de dorre woestijn voert soms alleen 't kameelpad; water- en boomloos is het land, door de zomerzon geblakerd en door den wintervorst geteisterd; geheel plantenloos is de bodem, die in de eigenlijke Gobi uit grof rood zand bestaat, zelden; hier groeit gras, g'nder de erica, die met de gedroogde koe- en paardenmest aan de sporadische bevolking brandstof levert. Onafzienbare vlakten, geel gekleurd door verdroogd gras, wisselen af met donkere, grillig gekloofde rotspartijen en heuvels, op wier top zich soms de vorm eener snelvoetige antilope afteekent. Is na den eentoonigen dag de zon ondergegaan, dan legeren zich de vermoeide lastdieren om de tenten der drijvers, die hun onsmakelijk maal bereiden en weldra heerscht rondom eene doodsche stilte.

De Gobi maakt plaats voor de steppen; wij naderen Ocrga, de tentenstad en residentie van den paus der Noordelijke Boeddhisten en van het Chineesche bestuur. Nog 2 weken en 't voorloopige doel der reis is bereikt. Moeilijk zal men ergens elders grooter tegenstelling tusschen twee vlak bij elkander gelegen plaatsen kunnen vinden dan in Maimatsjin en Kjachta: 'teerste, in uiterlijk eene voorstad van Peking, met zijn Chineeschen, haast kinderachti-gen opschik, zijne poorten met beeldhouwwerk, zijne vergulde vlaggestokken, zijne opgeschikte tempeltjes; klokjes, die door den wind geluid worden; in alle woningen zingende vogels. Een breed portaal met zuilen, waarboven de Russische adelaar, voert direct van de grens Kjachta binnen, welks 60 of 70 huizen het sombere, eentoonige Russische type vertoonen; de hoofdkerk is eene der rijkste van Siberië. Tusschen de beide plaatsen hebben de Chineezen groote planken in waaiervorm opgericht, om hunne huizen voor de onheilbrengende Russische atmosfeer te beschutten.

In Kjachta worden de houten kisten in schapenvachten genaaid, want nu begint het maandenlange transport op sleden of wagens; de weg tot Nieuw-Nowgorod is nog 5 ft. COOO K.M. lang; zooveel mogelijk wordt daarbij van 't water gebruik gemaakt, 's zomers in stoombooten, 's winters in sleden, o. a. over 't meer Baikal, de grootste zoetwater-zee van Azië, honderden M. diep en omgeven door hooge bergen, met pijnbosschen bedekt. Over Irkoetsk en Tomsk gaat het naar de grensplaats 'Ijo emeu, vanwaar een deel juist op tijd komt voor de groote Siberische jaarmarkt, die in Februari te Irbit wordt gehouden. 't Grootste deel gaat verder per spoor over Jekaterinenburg naar Perm, om dan per boot de Kama af, na eene reis van 0 maanden, eindelijk zijne bestemming te bereiken.quot;

ocr page 228

221

§ io6. Achter-Indië.

Staatkundige indeeling;

[. Anuam, Tonkin en Neder-Cochin-China; Fransch.

II. Siam, een onafhankelijk Keizerrijk.

III. Straits-Settlements;...............j

(punten in en bij de straat van Malakka). / Britsch.

IV. Birma......................'

Natuurkundig bestaan deze landen uit een aantal ketengebergten, wier hoofdrichting van het N. naar het Z. is. Tusschen die meridiaanketens stroomen rivieren, die vruchtbare alluviale vlakten hebben gevormd. In het mondingsgebied der rivieren liggen ongezonde moerassige delta-eilanden, met dichte tropische bosschen bedekt. De plantengroei is trouwens in geheel Achter-Indië zeer weelderig en het reizen ook daardoor uiterst moeilijk, zoodat reizigers nog niet dikwijls overal zijn doorgedrongen. Engelsche en Fransche legers — voor een groot deel uit inlandsche troepen bestaande — zien wij reeds jarenlang in deze streken optreden.

Op den duur is het wel mogelijk, dat de rivieren van Achter-Indië de natuurlijke wegen worden, waarlangs de binnenprovinciën van China, in 't bijzonder Junnan, hare producten afvoeren. Voor den handel kan ook Achter-Indië zelf eene massa producten leveren; de hoofdzaak is tot nog toe rijst, waarvoor de moerassige vlakten zoo geschikt zijn. De rijst gaat vooral naar China en naar Engelsch-Indië. Zeer belangrijk is ook het teak-hout; verder kunnen thee, zijde, katoen, suiker in den handel worden gebracht.

De bewoners, de Siameezen zoowel als de Birmanen en Anna-miten , worden samengevat onder den naam van Malay a- Chinee zen, omdat zij ontstaan zijn uit de gemengde huwelijken van Maleischen en van Chineeschen stam. De Maleiers toch, oorspronkelijk in de bovenlanden van Sumatra thuis behoorende, hebben zich van daar ook over Achter-Indië verbreid. De godsdienst is die van Boeddha.

Annam. Annam stond sinds lang onder rechtstreekschen invloed van China, maar nu heeft die invloed plaats gemaakt voor dien der Franschen, die zelfs garnizoen hebben in de hoofdstad Hoeé. Of op den duur de Franschen het protectoraat over Annam zullen behouden, wordt zeer in twijfel getrokken, omdat Frankrijk er zeer veel soldaten en geld voor moet geven en de Fransche handel er tot nu toe weinig voordeel van trekt.

Het Noordelijk deel van Annam heet Tonkin; daar was vooral het oorlogstooneel van Franschen, Chineezen en Annamiten, in het

ocr page 229

222

gebied van de.......of Roode rivier. De belangrijkste stad is

Hanoi (Kesjo).

Saigoen is de hoofdstad van het Fransche Achter-Indie. De moord op eenige Fransche zendelingen was in 1862 de onmiddellijke aanleiding, dat de Franschen het delta-gebied der......in bezit namen, maar deze Fransche kolonie kreeg niet de beteekenis, welke men daarvan verwachtte, vooral ook doordat het klimaat er voor Europeanen zeer ongezond is. Hoofdartikel van uitvoer uit de haven van Saigoen is vooral rijst.

Achter dit Fransche gebied ligt Kambodja, een koninkrijk, dat ook geheel onder Franschen invloed staat.

Siam. Van Siam, een staat nog grooter dan het Duitsche rijk, heeft de hoofdstad eene groote beteekenis; Bangkok (500), wel eens het „Aziatisch Venetiëquot; genoemd, bij den mond der .... Evenals bij vele der Achter-Aziatische steden, vooral b.v. Canton, woont hier een groot deel der bevolking op het water. Stoomschepen bezoeken Bangkok geregeld, vooral Fransche; de uitvoer bestaat in: rijst, suiker, kostbare houtsoorten (teak-, sandelhout e. a.) en verschillende oliën.

Birma. Het onafhankelijke Birma had reeds veel van zijne beteekenis verloren, doordat het geen enkel gedeelte van de kust meer bezat. De regeering was, gelijk nog in de meeste Aziatische rijken, Oostersch despotisch en herhaaldelijk kwamen juist uit Birma berichten van willekeur en wreedheid van den koning. De residentie was al eenige malen verlegd naar plaatsen hooger aan de rivier, om de komst van vreemdelingen tegen te houden; 't laatst was zij gevestigd te Mandalay, dat door de Engelschen bezet is.

Langs de golf van Bengalen liggen verscheiden havens, in den regel „rijsthavensquot; genoemd. In 't begin dezer eeuw nog onbeduidende plaatsjes, als Rangoen, Akyab, Malmein, zijn nu levendige handelssteden, die ontzaglijke hoeveelheden rijst uitvoeren. Teakhout is een 2e artikel van uitvoer; robijnen in Opper-Birma.

Malakka. Het schiereiland Malakka wordt gedeeltelijk door woeste Maleische stammen bewoond en gedeeltelijk behoort het tot het Eng. gebied der Straits-Settlements.

De bezittingen der Eng. dagteekenen hier uit het eerste gedeelte dezer eeuw en kregen vooral groote beteekenis, omdat Engeland aan ons den O.-I. Archipel moest teruggeven. Door toedoen van Lord Raffles, die tijdens de Eng. heerschappij onze Oost had bestuurd, werd Singapore gesticht, met hoofdzakelijk Chineesche bevolking. Spoedig kreeg het groote handelsbeteekenis en tegenwoordig zijn de dokken en andere maritieme inrichtingen belangrijker dan die van eenige andere haven in de Indische wateren.

ocr page 230

223

Britsch-Indië.

^ 107. Het Britsch-Indisch Keizerrijk beslaat eene oppervlakte van ± 13-maal die van de Britsche eilanden in Europa, maar slechts een deel is rechtstreeks onderworpen, terwijl er verder nog een aantal schatplichtige of onderhoorige Indische rijken bestaan.

De heerschappij der Britsche kroou dagteekent van 1858. Vóór dien tijd behoorden de bezittingen aan de Eng. O.-l. Comp. (opgericht in 1600). Deze had natuurlijk hoofdzakelijk gedacht aan hare handelsbelangen en weinig gedaan voor de organisatie in het uitgestrekte gebied. Hoewel zij reeds in de 17quot; eeuw bezittingen had, dagteekent hare groote uitbreiding toch van de 2' helft der l8e eeuw, dus van den tijd, toen Engeland èn in Amerika èn in Azië de Fransche koloniale macht aantastte.

De geweldige opstanden, die in 1857 en 1858 in verschillende deelen van Hindostan tegelijkertijd uitbarstten en een oogenblik het verblijf der Engelschen in Indie onzeker maakten, werd de naaste aanleiding, nadat de opstand was onderdrukt, dat de Comp. werd opgeheven en de Staat de bezittingen overnam. De tegenwoordige inrichting, waarbij Victoria keizerin is, dagteekent van het laatste ministerie Baeconsfield (Disraeli).

Frankrijk en Portugal hebben nog enkele punten in Voor-Indic; Nederland stond de zijne af.

De algemeene naam „Indiëquot; is misleidend: van 't Himalaya-ge-bergte tot aan de Zuidspits van Voor-Indie is niets te zien, dat op eenheid gelijkt; in ras, in taal, in godsdienst, in geschiedenis zijn al de volken, tezamen ten getale van meer dan 250 millioen onder Britsche heerschappij vereenigd, verschillend.

Tegenover de ontzaglijke inlandsche bevolking, 250.000.000 of % der geheele menschenwereld, staat een betrekkelijk klein aantal Engel-sche soldaten en ambtenaren; daarnaast staat een talrijker leger van inlanders , Sipoy s. Dit feit staat eenig in de geheele geschiedenis: een zoo groot volk geregeerd door een vreemde, die nog wel zoo ver af woont (de verhouding is ongeveer: op 2000 Hindoes l Engelsch-man).

Een deel der inboorlingen van Britsch-Indië staat op een vrij hoogen trap van ontwikkeling: industrie en handel zijn in hunne handen, in ondernemingsgeest en uitgebreidheid hunner zaken wedijveren zij met de Europ. ingezetenen; groote winkels, zelfs in de drie grootste steden, zijn veeltijds in handen van inboorlingen, zij drijven zaken, waarin tonnen gouds omgaan. En in Nedl.-Indië?

Grooter contrast — trouwens uit 't verschil in ras licht verklaar-

ocr page 231

224

baar — is nauwlijks denkbaar; bij ons schier alle neringen en bedrijven, die eenige ontwikkeling of eenig kapitaal vereischen, in handen van niet-inlauders; kleine warongs, ambulante winkeltjes, neringen gedreven op de openbare wegen en pleinen, een zeer enkel handwerk, dat weinig kennis en luttel kapitaal vordert, in handen van de inlanders; overigens, vooral op java, onder hen niet anders dan kleine landbouwers, koelies en bedienden.

Geographisch onderscheiden wij:

I. Het beneden-Gangesgebied of Beng-alen.

II. De Ganges-vlakte of Eigenlijk Hindostan.

III. Het Vijfstroomenland (Indus, Setletsj e. a.) of Pendsjab.

IV. Het beneden-Indus-gebied, of de yVw-woestijn.

V. Dekan.

VI. Ceylon.

I. Bengalen is een vruchtbaar, vlak land; over 't geheel één onafzienbaar rijstveld, waar 15.000 menschen op 1 □ G. M. wonen. De delta zelf is grootendeels ontoegankelijk, een moerassig woudgebied, het verblijf van roofdieren, vooral van den Bengaalschen koningstijger; verder heeft Bengalen eene massa slangen, waaronder zeer gevaarlijke; tengevolge van slangenbeten verliezen in Britsch-Indië jaarlijks 20 a 25.000 menschen het leven. Daarentegen worden per jaar 4 a 500.000 vergiftige slangen gedood, waarvoor het Gouvernement premie betaalt. Tijgers en andere roofdieren dooden ieder jaar 2 a 3000 menschen.

Hoofdproducten van Bengalen zijn: rijst, indigo, suikerriet. In Assam, meer naar de zijde der bergen; thee en kina.

Calcutta, met een millioen inwoners, waaronder nauwelijks 20.000 Christenen, heeft eene ongezonde ligging aan een der minst slechte Ganges-monden, den Hoegli. Het is de zetel van den onderkoning en van een der 3 presidentschappen, waaruit Britsch-Indië bestaat. Calcutta is de le handelshaven van Z.O.-Azie, uitvoerhaven van de menigte producten der Ganges-vlakte en geregeld verbonden met Singapore, Hongkong, Shanghai, enz.

II. De Ganges-vlakte is evenals Bengalen dicht bebouwd en dicht bevolkt; de plantengroei is weelderig, zooals misschien in geen ander tropisch land. In Hindostan en Bengalen hebben jaarlijks overstroomingen plaats.

Hoofdproducten zijn; rijst, maïs, tarwe, opium, indigo, katoen, djute; 't laatste levert vezelstoffen, die in de laatste jaren groote be-teekenis in de textiel-industrie hebben gekregen.

ocr page 232

225

Onder den uitvoer neemt na de katoen opium eene l6 in.

Gelijk de Levant de Turksche, zoo voorziet Bengalen de Indische en Chineesche landen van dit artikel.

Aan den voet van den Himalaya ligt eene ondoordringbare woud-streek, moerassig door de zware tropische regens; deze streek heet Tardi. De moessons, zeewinden, over de golf van Bengalen komende , moeten tegen het hooge gebergte opstijgen, waarbij de wind afkoelt, de waterdamp zich verdicht en een groote regenval wordt veroorzaakt, op sommige plaatsen dien in Nederland 20-maal overtreffende (gemeten o. a. aan het Eng. station Cerrapoenjï).

Himalaya, zie blz. IQl. Onafhankelijke Himalaya-staten zijn: Nepal en Boetan. Een der mooiste gedeelten in den Himalaya is zeker Kashmir, een Alpenland met prachtige dalen , donkere bosschen en talrijke watervallen. De fijnste wol en beroemd geitenhaar komen uit Kashmir.

Een aantal groote steden ligt in Hindostan: Britsch-Indië telt een 60-tal steden met meer dan 50.000 inwoners en daaronder zijn er 23 met meer dan IOO.OOO; de grootste liggen aan den Ganges-spoorweg. Een der oudste en grootste is Delhi, eenmaal residentie van den Groot-Mogol en toen met 2 millioen inwoners; het Rome van Indië en nog met tal van groote gebouwen. Eene heilige stad is ook Benares (200), met beroemde Indische tempels of pagoden. — Aan de samenvloeiing van Ganges en Dsjamna, de aanzienlijkste zijrivier, ligt Allahabad. — Onder de vestingen en militaire punten in Hindostan is Lucknow belangrijk (300).

§ 108. III. De Ganges-spoorweg gaat verder door Pendsjab, een belangrijk en dichtbevolkt gebied, maar door zijne meer Noordelijke ligging met andere gewassen en diersoorten dan in Indië; in plaats van den olifant is de kameel hier lastdier; in plaats van den kokospalm groeit de dadel. Voor den Belgaalschen tijger is hier de leeuw. Meer dan aan Indië herinnert Pendsjab aan de natuur van Iran.

Een belangrijke weg gaat naar Afghanistan, belangrijk, omdat Afghanistan het eenige gebied is, dat de Russen en de Engelschen hier nog van elkander scheidt (blz. 203). Langs de vesting Pesjawer gaat de weg door het Kaboel-dal naar Kaboel; de bekende pas is de Khyber, waar in den laatsten oorlog het meest gestreden werd.

Lahore is in Pendsjab het belangrijkste middelpunt voor handel en verkeer.

IV. Het beneden-Indusgebied bestaat grootendeels uit eindelooze steppen en woestijnen, Thur. Hier en daar zijn uitgestrekte zout-moerassen, die periodiek opdroegen en dan door hunne miasmen de omgeving onbewoonbaar maken.

Aitton, Beknopt Lecerboek, 3' druk. 15

ocr page 233

226

De beteekenis van Ganges („Gangaquot;, cl. i. rivier) en Indus is geheel verschillend: het Ganges-gebied is zeer vochtig, dat van den Indus (Pendsjab of Vijfstroomenland uitgezonderd) zeer droog; het eerste heeft een tropischen plantengroei en is dicht bevolkt, het laatste heeft eene armoedige flora en weinig menschen. Het Ganges-gebied is in de geschiedenis altijd het beloofde land, de beneden-Indusvlakte speelt in de geschiedenis geene rol.

Niet alleen behoort Pendsjab physisch meer tot Hindostan dan tot liet Indus-gebied, 't was ook altijd het land, waar veroveraars en volken door moesten trekken om in de Ganges-vlakte te komen (de Hindoes of Ariërs en in lateren tijd de Mongolen).

Ligt in het beneden-Gangesgebied eene wereldstad, de marktplaats voor de producten van de rijke vlakte, aan de Indus-monden heeft zich eerst laat eene groote plaats ontwikkeld; Karatschl, niet een druk verkeer tengevolge van den aanleg van het Suez-kanaal en de groote Indische spoorwegen.

V. Dekan, het „Zuidlandquot; ligt hoog; langs de kusten verheffen zich nog randgebergten, de „Gatesquot; genoemd, naar de passen, waarvan gebruik gemaakt is voor de andere hoofdlijnen van het Indische spoorwegnet: Bombay—Allahabad—Calcutta en Bombay—Madras. De reis van Bombay naar Calcutta duurt 3 dagen.

De hoofdproducten van uitvoer zijn voor Bombay; katoen en teakhout; bovendien is Eng.-Indië sedert eenige jaren het Is land voor kinacultuur. Bombay is met Nieuw-Orleans (in de Vereenigde Staten van Amerika) de eerste katoenmarkt.

Hoewel de fabrieksnijverheid van katoenen stoffen in Indiö niet onbelangrijk is (±: 150 katoenspinnerijen en weverijen zijn in werking, sommige toebehoorende aan en onder uitsluitende directie van inlanders), wordt toch nog verreweg 't grootste deel der katoenen stoffen uit Europa ingevoerd, gelukkig voor de Engelsche nijverheid. Het is reeds voorgekomen, dat binnen 3 maanden de boomwol uit Dekan als gedrukte katoen in Engelsch-Indië terug was, zoodat de fabrikant het groote voordeel heeft van de grondstof te kunnen betalen met een gedeelte van het fabrikaat.

De grootste stad van Dekan en een druk spoorweg-middelpunt is Hyderabad (400) , met een kenmerkend Mohammedaansch karakter.

Sedert overouden tijd heeft Dekan ook veel diamanten in den handel gebracht; eene bekende diamantmarkt is te Golkonda. Groote diamanten als de Koh-i-nor, de Prins Regent e. a. zijn tegenwoordig niet meer zoo zeldzaam; bovendien bestaat voor sommige de waarde meer in de kunst van bet slijpen dan in de grootte. De goud-T\]\lt;.lt;\om van de Indische landen was reeds in de oudste tijden bekend (gelijk

ocr page 234

227

uit de Veda's blijkt). Over 't geheel beteekent echter de ontginning der delfstoffen nog weinig.

Bombay (800) en Madras (400) zijn de hoofdsteden van het 2e en het 3e presidentschap van het rijk. Bombay heeft eene betere haven dan Madras — de naam Bombay, „goede havenquot;, herinnert nog aan den tijd der Portugeezen —; het ligt bovendien veel gunstiger sedert de opening van het Suez-kanaal en is dan ook levendiger koophaven. In de nabijheid van Bombay zijn beroemde rotstempels (Salsette en Elephante).

Van de Portugeesche punten is Goa het belangrijkst; Franschzijn: Pondichery, Chandernagore e. a.

VI. Ceylon (2-niaal Nederland in grootte; ruim half zooveel inw.) wordt het mooiste land der wereld genoemd; het schijnt althans voor Sumatra's en Java's binnenlanden niet onder te doen.

In de binnenlanden zijn dichte wouden niet nog kudden van olifanten.

Voor den handel levert Ceylon : kostbare specerijen , vooral kaneel * thee; in de hoogere streken koffie en zuidvruchten; daarbij is het onuitputtelijk in edelgesteenten en aan de kust wordt jaarlijks op bepaalde tijden eene levendige parelvisscherij uitgeoefend.

Point de Galle is een station, dat in de Indische zeeën algemeen door stoomschepen wordt aangedaan; Colombo is hoofdstad en met P. d. G. uitvoerhaven.

De oorspronkelijke bewoners van al deze landen waren de Dravida's, die door de Ariërs werden onderworpen. De Dravida's, donkere menschen, bewonen nog Dekan en Ceylon en worden door Peschel (een bekend Duitsch ethnograaf) als een afzonderlijk ras beschouwd.

De algemeene godsdienst der Hindoes is die van Brahma; de hervormer Boeddha maakte in zijn land wel aanvankelijk vee! bekeerlingen, maar deze werden ten slotte verdreven; op Ceylon is de bevolking Boeddhistisch.

De Mohammedanen, die omstreeks het jaar looo binnenvielen, hebben eene talrijke bekeering gemaakt, vooral in Pendsjab. De Brahmanen schijnen veel minder afkeerig van den Islam dan van het Christendom; terwijl 50 millioen Inlanders Muzelmannen zijn, telt het Christendom nauwlijks zoovele duizendtallen.

§ 109. Oost-Indische Archipel ').

Aan weerszijden van den evenaar ligt deze krans van groote en van ontelbare kleine eilanden, als eene brug tusschen Azië en Australië, met welke werelddeelen zij in een vroeger geologisch tijdperk ook

') Eene afzonderlijke behandeling van deze eilandenwereld is gegeven in „Neder-landsch Oost- en West-Indië,quot; 3'' druk.

-15*

ocr page 235

228

waarschijnlijk verbonden waren. Flora en fauna getuigen daar nog voor en de zeediepten zijn er over 't geheel minder aanzienlijk dan in de groote Oceanen.

Philippijnen en Groote Soenda-eilanden, Molukken en Kleine Soenda-eilanden zijn de hoofdgroepen, die wij kunnen onderscheiden; de Oostelijke komen in natuur meer met Nieuw-Guinea en Australië overeen dan met Z.O.-Azië.

De hooge temperatuur, de groote vochtigheid, de vruchtbare, meest vulkanische bodem riepen een weelderigen, heerlijken plantengroei in 't leven; tropische wouden bedekken zelfs de hooge gebergten. Een rijkdom van voortbrengselen, koffie, rietsuiker, tabak, katoen, specerijen, verfstoffen, w. o. vooral indigo, kostbare hout- en bamboesoorten, thee, kina, maken deze landen van het grootste belang als koloniën en voor de Europeesche markt in 't algemeen; terwijl rijst en sago, vruchten, w. o. vooral van kokospalm en pisang, eene dichte bevolking kunnen voeden.

Deze bestaat in de grootere Westelijke helft uit Maleische volken, waaronder in de r plaats de Javanen, Soendaneezen, Madoereezen, Boegineezen, Makassaren; in de kleinere, Oostelijke helft, behooren zij tot het ras der Papoea s, maar op vele eilanden is vermenging duidelijk aangetoond.

Op eene geheele oppervlakte van ruim 30.000 □ G. M. tellen de gezamenlijke eilanden ruim 30.000.000 menschen, waarvan Java meer dan de helft.

De Philippijnen zijn Spaansch. Manilla (200) is de hoofdstad, op een eiland bijna even groot als Java en met de heerlijkste tropische natuur.

Overigens is de Archipel eene Nederlandsche bezitting, afgezien van de enkele streken, die Engelsch, Portugeesch of onafhankelijk zijn.

ocr page 236

ZESDE HOOFDSTUK.

AMERIKA.

Opgraven:

1. Welke is de meest Noordelijke, welke de meest Zuidelijke parallel, die Amerika snijdt; welke parallel gaat over de landengte van Panama; welke landen van Amerika liggen onder den evenaar?

2. Bereken de uitgestrektheid, die Amerika dus van het Noorden naar het Zuiden heeft, in uren gaans.

3. Welke zijn de eilandengroepen, die bij de Amerikaansche kusten liggen? Welke schiereilanden worden bij Amerika gevormd ?

4. Tracht van eene wereldkaart den afstand te berekenen van Ierland tot Newfoundland (in uren gaans en in zeemijlen).

5. Bepaal het verschil in lengte en in tijd tusschen New-York en Londen.

6. Zoek bekende plaatsen in de andere werelddeelen, die op gelijke breedte liggen met New-York, daarna met den Mis-sissippi-mond, eindelijk met Panama.

§ 110. De eerste ontdekkingsgeschiedenis van Amerika valt in de lOquot; eeuw, toen de Noormannen, na eerst op IJsland volkplantingen te hebben gesticht, door overbevolking en twist weldra ook Groenland bezochten. Van uit de nederzettingen aan Groenlands Westkust werden de N.O.-kusten van Amerika bezocht tot aan Newfoundland toe, door hen Winland genoemd, omdat zij er den wijnstok in het wild aantroffen.

Zoowel de nederzettingen in Groenland als die op Amerika's vastland bezweken spoedig, door de zwarte pest en den strijd tegen de Eskimo's en de resultaten van de eerste ontdekkingsgeschiedenis van Amerika gingen verloren (Columbus is nog op IJsland geweest met het doel daar berichten en inlichtingen in te winnen).

Tot de tweede ontdekking, die van Columbus, gaf aanleiding de dubbele dwaling, ten aanzien van den afstand in graden tusschen

ocr page 237

230

Europa's Westkust en Azië's Oostkust en de grootte van die graden; maar bovendien; de tijd, waarin Columbus leefde, was die der groote reizen en ontdekkingen, waartoe en de kruistochten en de uitvindingen , die op het zeewezen betrekking hadden, zeker ook den stoot hadden gegeven.

Verrassend snel volgde in Amerika de eene ontdekking op de andere; meestal werden de reizigers slechts door het toeval geleid (Cabral o. a.), of gingen af op inlichtingen van Indiaansche bewoners (Cortez, Pizarro e. a ). Nauwlijks óü jaren na de ontdekking had Spanje het belangrijkste deel van het werelddeel in bezit genomen (West-Indië, Mexico, Centraal-Amerika, Peru, Chili) en begon de Spaan-sche invloed, die zich in deze landen nu nog zoozeer in taal, ontwikkeling en maatschappelijke toestanden doet gevoelen. Alleen Brazilië was Portugeesch.

In de I7e eeuw traden naast de Romanen de Gennaansche kolonisten op en uit de geschiedenis van de koloniën door de laatsten gesticht, blijkt duidelijk de verderfelijke invloed van de Roniaansche veroveraars tegenover den hoogen bloei van de streken, waar de Germanen de meerderheid vormen en waar zich een staat ontwikkelde, die schier op elk gebied 't beschaafd Europa ter zijde streeft.

Tot in de Amerikaansche IJszeeën drong de ondernemingsgeest door; de namen van Hudson, Davis, Baffin, die men op de kaart leest, zijn die van Engelsche reizigers uit het laatst der 16quot; en begin der 17quot; eeuw.

Een meer nauwkeurig onderzoek in deze streken volgt eerst in 't laatst der 18° eeuw, als de reizen van James Cook den stoot geven tot ontdekkingen en nasporingen in alle zeeën (zie blz. 12). In de 19quot; eeuw werd de groote arctische eilanden-zee ten Noorden van Amerika een gebied van expedities te water en te land. In quot;t gebied der ijsschotsen en onstuimige golven ontmoeten elkander in den maandenlangen dag, tusschen Eskimo's, ijsbeeren en zeehonden, zeelieden der meest verschillende natiën, bouwen er winterstations, observatoria, magazijnen, bespieden de geheimen der poolwereld en de natuurkrachten, die daar werken, 't Bekendst zijn de reizen van Ross („magnetische poolquot;), Franklin (N.W. doorvaart) en de op dezen laatste gevolgde Franklin-expedities. Eene van deze heeft in der daad aangetoond, dat eene N.W. doorvaart bestaat, maar voor de scheepvaart geheel onbruikbaar; zij heeft evenmin practisch nut als of zoo mogelijk nog minder dan de weg langs het N. van Azië. Al deze eilanden ten N. van Amerika vormen een gebied van sneeuw en ijs met een doolhof van straten; het vaarwater is er moeilijk te vinden en dikwijls gesloten; het is zelfs moeilijk land en zee te onderscheiden.

ocr page 238

231

§ 111. Vergelijking tusschen de Atlantische kust en die van den Grooten Oceaan. Tot in de 19quot; eeuw was alleen de eerste van groot en algemeen belang en zij is thans nog het belangrijkste door hare ligging tegenover West-Europa en het drukke verkeer, tegenwoordig niet alleen niet zeilschepen, maar met talrijke geregelde wekelijksche stoombootverbindingen. In 1865 werd de 1quot; trans-Atlantische kabel gelegd; thans liggen er verscheidene van Valentia naar Newfoundland, van Brest naar St.-Pierre (bij Nevvf.), van Lissabon naar Pernambuco (Brazilië).

Eerst in de 19quot; eeuw kreeg de Pacifique kust, o. a. door de volgende redenen, meer beteekenis :

1. De algemeene toeneming van de scheepvaart op den Grooten Oceaan sedert de reizen van Cook en de walvischvangst in dien Oceaan; later de openstelling van China en Japan en de snelle opkomst der Eng. koloniën in Australië.

2. De ontdekking van goudmijnen in Califurnië en de snelle opkomst van dezen staat; San-Erancisco is de aanzienlijkste haven van Amerika's geheele W.-kust.

3. De vooruitgang in de republieken van Centraal- en Zuid-Amerika; nadat deze vrij waren geworden van Spanje, waren zij steeds aan politieke woelingen, zelfs revolution ten prooi; langzamerhand kwamen er geregelde toestanden; thans komen deze landen, Chili, Peru, Columbia, reeds met hunne producten op de wereldmarkt; zilver, salpeter, guano, kina.

4. De aanleg van den spoorweg op de landengte van Panama, later gevolgd door meerdere Pacific-spoorwegen.

Door al deze oorzaken bestaan thans ook in den Grooten Oceaan talrijke stoomvaartlijnen en de beteekenis van de havens aan Amerika's Westkust zal ongetwijfeld nog zeer toenemen, als de landengte van Panama doorgegraven zal zijn.

Verschilt dus de Oostkust van Amerika in de altijd veel belangrijker ligging met de Westkust, een tweede even belangrijk onderscheid bestaat in den vorm en de gesteldheid van de beide kusten ; langs den Gr. Oceaan verheft zich over eene lengte van meer dan 2000 uren gaans het uitgestrektste ketengebergte van de aarde: de steile en trotsche Andes, als een hooge muur in het Westen van Amerika. De gemeenschap van de W.-kust met het binnenland is daardoor hoogst moeilijk, zoodat het grootste gedeelte van het werelddeel als vanzelf naar de Oostelijke, de Atlantische zijde is gericht. De groote rivieren konden zich alleen ontwikkelen aan de Oostelijke hellingen en uitgebreide stroomstelsels vormen, terwijl aan de Westelijke hellingen het water onmiddellijk in den Oceaan uitloopt.

ocr page 239

232

§ ii2. Verticale vorm en rivieren.

In geen der werelddeelen treedt meer dan in Amerika de vorm van ketengebergte en van laagvlakte op den voorgrond, zoodat in dit opzicht Amerika de scherpste tegenstelling vormt met het werelddeel ........

Het laagland overtreft in uitgestrektheid het hoogland (zie fig. 14).

Een onmiddellijk gevolg van dezen bodemvorm in Amerika is de ontwikkeling van groote rivieren, want in de hooge gebergten valt veel neerslag (sneeuw, regen) en in de laagvlakten kunnen de kleinere rivieren zich tot groote stroomstelsels vereenigen.

Heeft vooral Z.-Amerika een weinig ontwikkelden vorm, eene geringe kustontwikkeling, geene diep het werelddeel binnendringende zeeën, geene eilandenvorming en komt het hierin overeen met Afrika en Australië; 't is veel rijker dan deze twee werelddeelen in bodem-vorm en in verband daarmede bezit het rivierstelsels, die even goed de binnenlanden toegankelijk maken als eene betere kustontwikkeling 't zou kunnen doen.

Een 2° gevolg van Amerika's bodemvorm is, dat de rivieren vooral twee gedeelten van haren loop bijzonder ontwikkeld hebben.

Welke zijn dat, en van welk werelddeel verschillen dus de rivieren zeer met deze? i,{'; i/-

De algemeene naam voor het hoofdbergland is Cordilleras de los Andes; voor Nd.- en Midden-Amerika is de naam Cordilleras, voor Z.-Amerika meer die van Andes in gebruik. In geheel Britsch N.-A. en de Unie is de algemeene naam voor de hoofdketen Rotsgebergte; dit Rotsgebergte wordt vergezeld door talrijke ketens, meest als kust-gebergten, en deze sluiten met de hoofdketen plateau's in, b. v. het plateau van Utah; hetzelfde is het geval in Mexico, waar, tusschen verschillende sierra's (ketens), het plateau van Mexico ligt.

De afzonderlijke namen voor de Andes van Z.-Amerika zijn ontleend aan de landen, waar zij zich verheffen; Andes van Chili, van Bolivia, enz. Ook hier bestaat het gebergte op verscheiden plaatsen uit meerdere ketens; deze sluiten lengtedalen of smalle plateau's in. In tegenstelling met de plateaus op hoogere breedten, zooals die in Br. N.-A. en in de Unie, zijn de plateau's binnen de keerkringen gezegend met eene heerlijke natuur en het waren dan ook juist deze gedeelten van het werelddeel, waar de ontdekkers van de lóquot; eeuw beschaafde staten aantroffen; plateau's in Peru en in Mexico.

ocr page 240

233

Afzonderlijke bergstelsels verheffen zich aan de Atlantische zijde

van Amerika: 1. Alleghanies in......; 2. het bergland van

Guyana\ 3. het Braziliaansche bergland.

Reeds is boven gewezen op de gevolgen van de omstandigheid, dat het lange en hooge ketengebergte geheel in het Westen van het werelddeel zich verheft.

Opgaven:

1. Welke zijn de bedoelde gevolgen: a. voor de havens aan den Grooten Oceaan; b. voor de landen ten O. van de Andes; c. voor de groote rivieren in Amerika?

2. Zoek op de kaart de volgende rivieren: Mississippi, Missouri, St.-Laurens, Mackenzie, Amazone, Rio de la Plata, Orinoco, Colorado, Columbia.

3. Geef van den St.-Laurens op, van welke 5 groote meren hij de afwatering vormt. Van welk dier meren ligt de waterspiegel het laagst, van welk het hoogst ?

4. Welke is de hoofdrichting van de Mississippi, welke van de Amazone? Tracht na te gaan, welke dier richtingen het belangrijkst is, en oorzaken voor het verschil in beteekenis op te geven.

5. Waardoor zijn de beide rivieren, die van de bovengenoemde in den Grooten Oceaan uitloopen, voor de scheepvaart minder geschikt dan de andere?

De groote Amerikaansche laagvlakten dragen den naam naar de groote rivierstelsels. Ten deele worden zij ingenomen door dichte wouden, ten deele zijn zij met lang gras bedekt en vertoonen het karakter van steppen, met een weelderigen plantengroei in het eene halfjaar en dorheid in het andere.

De Hudsonsbaai-vlakte komt, wat klimaat en plantengroei aangaat, overeen met de Siberische vlakte; maar hier, in de Nieuwe Wereld, is de overgang naar het Zuiden geleidelijker; want het laagland loopt onafgebroken door, in het midden van het werelddeel, „van de IJszee tot aan de gloeiende West-Indische zeeënquot;.

De Mississippi-vlakte heeft ten deele uitgestrekte prairiën, ten deele wouden en landbouwstreken. In hoofdzaak liggen de eerste ten W., de laatste ten O. van de groote rivier.

Zuid-Amerika heeft zijne Ljano's van den Orinoco, vlakten in het eene halfjaar doodsch en dor, zonder eenigen regen en daardoor zonder plantengroei, in 't andere halfjaar door aanhoudende, zware regens, in verband met de hooge temperateur, in welige

ocr page 241

234

grasvlakten met groote kudden veranderd; de Selvas, ondoordringbare wouden, in 't gebied van den Amazone-stroom en zijne groote zijrivieren; de Pampas, grasvlakten en steppen van de La Plata-rivieren.

§ 113. Bewoners.

Zoowel in volstrekte bevolking als in bevolkingsdichtheid staat Amerika nog altijd ver beneden Azië en Europa en zelfs nog niet op ééne lijn met Afrika (fig. 19), al is ook de toevloed van de Oude naar de Nieuwe wereld vooral gedurende deze eeuw zeer aanzienlijk geweest. y

De geheele bevolking wordt gesteld op 13© millioen: 9^ millioen in Noord-, 40 millioen in Zuid-Amerika. Volkomen zekerheid heeft men niet ten aanzien van de sterkte van sommige Indianenstammen, maar dit legt niet veel gewicht in de schaal, want men rekent, dat nauwlijks '/,0 van Amerika's bewoners nog zuivere Indianen zijn.

Opmerkelijk is het, dat Amerika bij zijne ontdekking geen herdersvolken had; de onbeschaafde volken waren óf jagersvolken óf visschers. Maar naast deze wilden troffen de Spanjaarden ook volken aan, die zich door een hoogen trap van ontwikkeling onderscheidden, al hadden zij daarbij tevens barbaarsche instellingen. Hiertoe behooren in de le plaats: de Azteken in Mexico en de Inca's (eigenlijk de naam der vorsten) in Peru. Deze volken leefden van landbouw, mijnbouw en handel; zij hadden dus vaste woonplaatsen, vormden staten, waarin groote steden lagen ; uitstekende kunstwegen waren aangelegd, ook over de hoogste bergen; de vorsten regeerden geheel despotisch, evenals in de Oostersche rijken van de oude wereld; bloedige oorlogen werden gevoerd, in welke de gevangenen als men-schenoffers aan de krijgsgoden werden gewijd, waarbij ook het eten van menschenvleesch voorkwam.

Tegen de Spanjaarden waren ook deze volken niet opgewassen, maar in de landen, door hen bewoond, vormen de Indianen nog een hoofdbestanddeel der bevolking.

Onder de wilde Indianen stonden en staan vooral die van Z.-Amerika zeer laag; in 't bijzonder die, welke in de onmetelijke vlakten van de Amazone zwerven; elke stam heeft eene taal, die geheel van die der anderen is onderscheiden; nauwlijks 100 menschen vormen soms reeds zulk een stam. In Guyana zijn de talrijkste stammen de Caraïben en de Aroivaken. Wat hooger stonden de jagers volken van de Andes, waaronder b.v. de dappere Araucaniers (thans ook nog in Chili). ,Eene derde groep vormen de Pampa-volken, waartoe ook de Patagoniërs en Vuurlanders worden gerekend.

ocr page 242

235

In Noord-Amerika zijn in het uiterste Noorden de Eskimo's; deze verschillen zeer èn van de Mongoolse he volken in het N. der Oude wereld èn van de Indianenstammen, waaraan zij in de Hudsonsbaai-landen onmiddellijk grenzen.

Talrijk en nog zeer onderscheiden waren eindelijk de jagersvolken in de tegenwoordige Unie en in Britsch-Amerika; hun aantal verminderde sneller dan dat van de Indianen in Z.-Amerika; verscheiden stammen zijn reeds uitgestorven.

De volgende bijzonderheden zijn van de hand van een wetenschappelijk onderzoeker ');

„Er is wellicht geen Indiaansche stam in geheel Amerika, die — ook in het beschaafde Europa — meer algemeen bekend is dan die der Apaches. Werkelijk behooren zij dan ook tot een der merkwaardigste volken van het Westelijk halfrond. Zoover de overlevering teruggaat, tot op den huidigen dag, hebben ze hun bestaan gekenmerkt door een ontembaren aard, door strijd en plunderzin. Hun aantal bedraagt thans nog enkele duizenden, verdeeld over verschillende reservations („een aan hen afgestaan gebiedquot;) van de Unie en Mexico.

Ik kan niet nalaten eene zekere bewondering te gevoelen voor die handvol wilden, die van uit hot ijzige Noorden zich een weg hebben gebaand tot de heete woestijnen van Mexico, altijd strijdend en in beweging, vallend en opstaand , steeds volhardend tot het einde toe. Ontegenzeggelijk hebben de Apaches eene belangrijke rol gespeeld in de geschiedenis van Mexico en van de Vereenigde Staten en hun naam zal blijven voortleven, lang nadat de laatste hunner krijgers naar de „gelukzalige jachtveldenquot; zal zijn gegaan.

In niet geringe mate hebben de Apaches hunne populariteit te danken aan de romanliteratuur, waarvan zij, meer dan andere hunner rasgenooten, de helden zijn; het romantisme der Amerikaansche wildernis, zooals wij dat kennen door werken van Cooper, Aimard. Ferry, Mayne Reid en anderen. De tijd van dat romantisme in het Westen is voorbij: de ongerepte wildernis van weleer is ingekrompen tot een gebied, zóó gering, dat het niet eens genoeg wild bezit, om aan de jagende zwervende stammen het levensonderhoud te verzekeren. De fiere moed, de kracht der eens machtige stammen is gebroken en bijna overal heeft reeds do „beschaving'' post gevat en, tot het uiterste gedreven, schoot er voor de „zonen der wildernisquot; niets over dan zich te onderwerpen en genadebrood te eten, of te strijden en te verhongeren. Lang hielden vele stammen den ongelijken strijd vol , volhardend met den moed der vertwijfeling; doch hunne rijen dunden van jaar tot jaar, hun gebied kromp meer en meer in en zoo werd gaandeweg de toestand in hot leven geroepen, dien wij thans onder de Indianen in het Westen vinden: het meerendeel zijn door het gouvernement bedeelden.

De hutten der Apaches zijn slechts ellendige afdaken van boomstammen, waarover een deken of een stuk zeildoek var boven is uitgespreid. Ze zijn in 't midden zoo laag, dat men er nauwlijks rechtop in kan staan; om den ingang binnen te komen, moet men zich diep bukken. Verhuist een gezin, dan

') Dr. H. F. C. Ten Kate. Reizen en Onderzoekingen in Noord-Amerika.

ocr page 243

236

wordt de hut in elkaar getrapt en gedeeltelijk verbrand. Het weinigje huisraad , dat voornamelijk uit een paar maalsteenen en kruiken van mandewerk bestaat, wordt op de paarden geladen of door de vrouwen gedragen.

Een gedeelte der Apaches bebouwt den grond; voornamelijk worden maïs en watermeloenen aangekweekt. Voorts zijn zij verzot op vleesch en velen zijn dan ook met veeteelt begonnen, waartoe het gouvernement hun schapen heeft verstrekt. Deze Apaches zijn, gelijk ook sommige andere Indianenstammen, langzaam vooruitgaande op den weg der beschavingquot;.

Een tweede bestanddeel van Amerika's tegenwoordige bevolking vormen de Negers. In 1517 werden op voorstel van den Spaanschen priester Las Casas voor het eerst negers van de Afrikaansche kusten in West-Indië ingevoerd, om in plaats van de minder geschikte Indianen in de mijnen, goudwasscherijen en plantages te arbeiden; de slavenhandel nam steeds toe, bereikte zijn hoogsten bloei in de 18quot; eeuw, toen ten gevolge van verdragen (assiento's) Engeland het monopolie van den slaveninvoer kreeg. — Bijzonder sterk is het negerelement in de landstreken, waar plantages zijn, terwijl het daarentegen in de Andes minder voorkomt. — Gedurende den langen tijd hunner slavernij leerden de negers vrijheid en niet werken als van dezelfde beteekenis beschouwen; hunne invrijheidstelling is in de meeste deelen van Amerika te snel, te onvoorbereid geschied en heeft daardoor kwade gevolgen na zicht gesleept.

Meer dan de helft van de tegenwoordige bevolking van Amerika vormen de sedert de dagen van Columbus geïmmigreerde Europeanen en hunne afstammelingen. Als wij hierbij letten op den Ger-ntaanschen stam en dien der Romanen, merken wij punten van verschil op:

1. Ten aanzien van de plaats, want de Romanen kwamen vooral in Zuid- en Midden-Amerika, de Germanen in Noord-Amerika.

2. Ten aanzien van den tijd: de Romaansche volken stichtten groote koloniën in de 16' en 17° eeuw; hoewel reeds in de 16' en 17' eeuw, vooral door godsdienstige en staatkundige redenen, de eerste Germaansche volkplantingen verrezen, dagteekent de groote stroom van Germaansche landverhuizers uit onze eeuw.

2. In het Germaansch-Amerika is het Engelsch de meest gebruikelijke taal, in het Romaansch-Amerika wordt meest Spaansch gesproken , maar daar wint het Engelsch toch ook veld; Brazilië maakt hierin, gelijk in meer opzichten, op het Romaansche Amerika eene uitzondering : Portugeesch is hier de taal.

De afstammelingen van de blanken in het Romaansch-Amerika heeten Creolen; die van de Engelschen in de Unie Yankee's.

Naast de tot nu toe beschouwde, drie verschillende rassen heeft Amerika verder eene bevolking van gemengd ras: de afstammelingen

ocr page 244

237

van Europeanen en Indianen vormen de Mestiezen; die van Europeanen en Negers heeten Mulatten, j t ^ f •

Eindelijk stroomde in deze eeuw nog een nieuw bevolkingselement

plantages van W.-Indië en Guyana, terwijl talrijke Chineezen zich gevestigd hebben bij de goudmijnen in Califomië, op de Guano-eilanden ten W. van Peru, enz.

§ 114. Staatkundige indeeling.

A. Onafhankelijke Staten.

Alle Staten van de nieuwe werèld zijn republieken, de meeste van een „federatief karakter, d. i. zij vormen „bondstaten.quot;

1. Republiek der Vereenigde Staten Washington.

2. Mexico. Mexico.

ocr page 245

238

3- De republieken van Centraal-Amerika (Guatemala, S.-Salvador,

Honduras, Nicaragua, Costarica).

4. Columbia

5. Venezuela

6. Brazilië

7. Ecuador

8. Peru

9. Bolivia

10. Chili

11. Argentina of La Plata

12. Uruguay

13. Paraguay

14. De republieken van Haïti

Bog-ota.

Caracas.

Rio Janeiro.

Quito.

Lima.

La Paz.

Santiago.

Buenos Ayres.

Montevideo.

Ascuncion.

(Haïti en S.-Domingo).


B. Koloniën en bezittingen.

Britsch :

l. Britsch Noord-Amerika | Dominion of Canada.

fv INewfoundland.

! Bermudas. Bermudas.

E^kleine Antillen. Bahama-eilanden.

3. In Z.-Amerika

In Z.-Amerika j Guyana.

( r alklands-archipel.

Spaansch:

1. Cuba.

2. Portorico.

Fransch:

1. Een paar eilandjes bij Newfoundland.

2. Guyana.

3. Eenige Kleine Antillen.

Nederlandsch :

1. Gouvernement van Suriname.

2. id. van Curasao en onderhoorigheden.

Deensch:

1. Groenland.

2. Eenige Kleine Antillen.

Tusschen de grootte van deze staten of bezittingen en het aantal der inwoners moet eene ongunstige verhouding bestaan, indien wij

ocr page 246

239

letten op het meegedeelde aangaande grootte en bevolking van het geheele werelddeel.

Om een denkbeeld te geven van de ontzaglijke uitgebreidheid der meeste staten, merken wij op:

a. Vereen. Staten van N.-A., b. Britsch N.-A., c. Brazilië zijn ongeveer zoo groot ais Europa (b. en c. ieder % x Europa).

d. Argentina is grooter dan geheel West- en Midden-Europa (Scandinavië, Britsche eil., Duitschland, Frankrijk, Iber. schiereil.).

e. Mexico = Oostenr.-Hong. Duitschland Frankrijk.

/. De Z.-Amer. republieken, als Venezuela, Columbia, Peru, Bolivia , Ecuador, Chili kunnen wij ons voorstellen als verschillende van 2 tot 1 Vj en l maal het Duitsche rijk.

En in welke mate de grootte der bevolking hiermee in contrast is, leert de onderstaande voorstelling, waaruit wij o. a. kunnen zien, dat slechts één staat eene „groote mogendheid'' kan heeten in den zin, dien wij gewoon zijn in Europa daaraan te hechten.

Vereenigde Staten van N.-A.

65 millioen. (De helft van de bevolking van geheel Amerika.) ________ Brazilië.

__ Mexico.

—— Engelsche bezittingen.

— Vereenigde Staten van Columbia.

Peru.

— Argentina.

__ Bolivia.

— Chili.

— Venezuela.

Spaansche bezittingen.

_ Guatemala.

1 Ecuador.

Vergelijkend overzicht van de bevolking der staten en der voornaamste Europeesche bezittingen in Amerika, voor zoover zij meer dan één millioen inwoners hebben.

Vereenig-de Staten.

•

§■115. Deze Unie telt thans 44 staten, 5 gebieden of territorial en 1 bondsdistrict. Het verschil tusschen een staat en een gebied is gelegen in de staatkundige rechten: wanneer het laatste 60.000 inw. heeft, wordt het tot een staat verklaard.

Bij het uitbreken van den vrijheidsoorlog (1774) waren er 13 koloniën, mee-rendeels gesticht in de 17° eeuw door Engelschcn, die om godsdienstige of

ocr page 247

240

politieke redenen hun land hadden verlaten; deze koloniën verklaarden zich in Juli 1776 op een congres te Philadelphia plechtig vrij. In 1783 erkende Engeland bij den vrede van Versailles die onafhankelijkheid.

Eerst in '1788 stelde men den regeeringsvorm vast voor de Unie der 13 staten: het hoogste bewind berust bij het Congres, dat de wetgevende macht heeft en uit 2 Kamers bestaat, den Senaat en de Kamer der Volksvertegenwoordigers. In den Senaat zendt elke staat 2 afgevaardigden ; de Kamer der Volksverte-genw. wordt gekozen volgens algemeen stemrecht zonder census of onderscheid van kleur. De uitvoerende macht berust bij den President, die voor 4 jaren wordt gekozen; de rechten en de werkkring van den President komen in hoofdzaak met die van een constitutioneel vorst overeen.

De presidentsverkiezing heeft altijd plaats in November; het bewind wordt aanvaard in Maart d. a. v. Voor de verkiezing worden in eiken staat „kiezersquot; gekozen en wel zooveel, als de staat afgevaardigden in het Congres heeft.

Millioentallen inwoners.

00 50 40 30 20

10

5

/

/

/

/

/

J

/

/

/

/

/

/

o

O» igt;

O

00

O

rM 00

O

co 00

O r-

00

O 05

oo

Fig. 34. Toeneming van de bevolking der Vereenigde Staten van 1790—1890.

In het 4-jarig tijdperk van eiken President is zoo noodig als opvolger aangewezen de Voorzitter van den Senaat, vice-president der Unie. In Nov. 1892 is Cleveland tot President gekozen.

De afzonderlijke staten genieten de grootst mogelijke vrijheid in de regeling hunner regeering; alleen de algemeene belangen, als de buitenlandsche aangelegenheden, handel en verkeer in de Unie, marine en krijgswezen, worden door de regeering te Washington behandeld.

Langen tijd ging het kabinet van Washington uit van het beginsel zich niet te bemoeien met politieke vraagstukken in Europa, maar aan den anderen kant eischte de Unie dan ook, dat geene Europ. mogendheid zich in Ameri-

ocr page 248

241

kaansche zaken zou mengen; dit beginsel is nader uitgewerkt in de „leer van Monroequot; (een der Presidenten, die op het groote belang van die leer uitdrukkelijk wees). Slechts eenmaal heeft dan ook de Unie oorlog tegen eene Eur. mogendheid gevoerd (tegen Engeland, '1812—'14).

Het aantal staten is zoo snel toegenomen, doordat de pioniers der Unie steeds verder naar het Westen doortrokken, geheele landstreken koloniseerden , die eerst tot territorien, dan tot staten werden; in de 2e plaats door uitbreiding naar het Zuiden, waarbij dan ook oorlog moest gevoerd worden met Mexico, waardoor Texas en California aan de Unie werden toegevoegd.

De verbazend snelle ontwikkeling der Unie blijkt, meer dan uit iets anders, uit de sterke toeneming harer bevolking.

Uit de voorstelling in fig. 34 zien wij, dat binnen eene eeuw de bevolking toenam van 5 millioen tot 65 millioen; deze toeneming

11.

Blanken GO millioen.

Kleurlingen (Negers en Mulatten).

n.

fquot; Indianen.

e

Fig. 35. Bestanddeelen van de bevolking

Aziaten (bijna uitsluitend Chin.), der Vereenigde Staten.


was vooreerst het gevolg van de sterke immigratie; jaren van Vj millioen landverhuizers zijn niet zeldzaam. Verder kunnen wij uit de D. AlTTON, Beknopt Leerboek. 3' druk. 16

ocr page 249

242

fig. ook zien, dat de toeneming lang niet altijd gelijken tred hield; hoe sterk ze b.v. vooral was na 1840 en nog meer na 1850; dit staat in verband met bijzondere gebeurtenissen, als b.v. het vinden van het eerste goud in Californië, het mislukken van den oogst in Ierland, e. m.

Uit de geschiedenis der Unie is ook de tegenwoordige samenstelling van hare bevolking — zie fig. 35 — te verklaren:

De blanken bestaan voornamelijk uit de afstammelingen van En-gelschen, Ieren en Duitschers; zij zijn de zoogenaamde „Yankee'squot;; de Engelsche taal is de heerschende.

De zwarte bevolking, in getalsterkte de tweede, bevond zich vroeger bijna uitsluitend in de plantagestaten, dus in de Zuidelijke helft der Unie; maar tegenwoordig ziet men Negers ook al veel in de groote steden, waar de meesten niet veel uitvoeren. Veel zal nog gedaan moeten worden voor de ontwikkeling van de zwarten, vóór zij zich vrijwillig aan geregeld werk zetten. De Z. Staten der Unie zijn dan ook na den oorlog niet weer tot den vroegeren bloei gekomen ; een groot aantal plantages bleef verlaten, maar nu in de laatste jaren komt er eenige verbetering.

Dan leven er in de Unie natuurlijk veel menschen met gemengd bloed; in de eerste plaats Mulatten; daar deze lichamelijk en geestelijk meer Neger dan Europeaan zijn, behooren ze met de eersten in dezelfde rubriek.

De Chineezen wonen vooral in het W., in Californië; maar tegenwoordig toch ook reeds in de groote steden van het Oosten. De regeering der Unie heeft, om den toevloed van Chineezen te stuiten, een hoofdgeld op deze landverhuizers ingesteld.

De Indianen, wier aantal niet met juistheid bekend is, leven nog hoofdzakelijk in de prairie, ofschoon men ook reeds wel een gevederden Roodhuid in de steden ziet. De naam Roodhuid is maar in zooverre juist, dat slechts eenige stammen rood zijn, terwijl die kleur misschien nog meer aangebracht, dan natuurlijk is. Het aantal Indianen is in deze eeuw steeds afgenomen, vaak ook door onredelijke vervolging, daar bij de geringste aanleiding de regeering der Unie eene expeditie tegen hen afzond; maar bovendien, waar de blanke doordringt en zich nederzet, schijnt de oorspronkelijke bewoner te moeten uitsterven, niet bestand te zijn tegen het nieuwe. De voornaamste stammen in quot;t gebied der Unie zijn: Hurons, Irakezen, Da-kotahs of Sioux, Algonkinen.

§ 116. Voor een geregeld overzicht van de verschillende deelen der Unie en van de grootste steden, kunnen de staten en territoriön in groepen worden samengevat; die groepen kenmerken zich dan

ocr page 250

243

door hunne ligging, hunne natuurlijke gesteldheid en de middelen van bestaan voor de bewoners.

I. De Noord-Atlantische staten (het zoogenaamde „Nieuw-En-gelandquot;).

II. De Midden-Atlantische staten en het Alleghanie-gebied.

III. De staten om de Canadasche meren en bij den boven-Mis-sissippi.

IV. De Zuid-Atlantische staten en die aan de golf van Mexico.

V. De ten O. van het Rotsgebergte liggende prairiegebieden.

VI. De staten in het Rotsgebergte en op de Hoogvlakten.

VII. De staten aan den Grooten Oceaan.

I. Deze staten zijn nog rijk aan wouden en weiden, hebben houthandel en veeteelt; maar ook ligt hier een der belangrijkste industrie-districten van de Nieuwe Wereld: Massachusetts, met de 5quot; stad der Unie, Boston (500).

Bijna uitsluitend van Engelsche afkomst (Yankee's) is de bevolking in deze groep; in 't begin der Nieuwe Geschiedenis (onder de Tudors) gaan van Bristol uit de ontdekkingsreizigers: de Venetiaan Jan Cabot en vooral zijn in Engeland geboren zoon Sebastiaan zoeken de N.W. doorvaart naar China. Onder Elisabeth begint de kolonisatie, die in de IVquot; eeuw door godsdienstige en politieke omstandigheden belangrijk wordt. Een sterke vrijheidsgeest leefde in 't nieuwe vaderland voort , en hier begon later de vrijheidsoorlog tegen het moederland.

Boston is tegelijk eene der levendigste handelshavens op Europa (uitvoer van producten van landbouw en veeteelt) en middelpunt van katoen-spinnerijen en weverijen.

Providence, Newhaven, Portland zijn belangrijke havens, zoowel voor den handel als voor de Amerikaansche zeevisscherij; de Ameri-kaansche walvischvangst is uitgegaan van het eilandje Nantucket.

II. Hiertoe behooren de volkrijkste en belangrijkste staten: New-York en Pennsylvania.

Industrie en handel hebben hier een reusachtigen omvang bereikt; goede, natuurlijke havens; hoofdwegen uit het W.; rijke steenkoolbeddingen; ligging tegenover Europa.

New-York (l'/2 mill, inw.), de eerste en belangrijkste stad van Amerika, met eene prachtige haven aan den breeden Hudson-mond.

(De rivier is in lóio door Hudson ontdekt; de stad is enkele jaren later gesticht, als Nw.-Amsterdam op het eilandje Manhattan, dat voor ƒ60 van de Indianen was gekocht; bij den vrede van 1667 bleef het aan de Eng.)

Hier komen de hoofdwegen uit de binnenlanden samen en dit ver-

16*

ocr page 251

244

klaart met het zeeverkeer de verbazende opkomst in deze eeuw; hier komen minstens % van alle landverhuizers aan; meer dan 100 stoomschepen zijn in de geregelde vaart op Europa (Liverpool, Londen , Hamburg, Antwerpen, Rotterdam, e. a.).

Hoofdwegen: i. De weg naar het boven-gebied van den Missis-

sippi en naar het Verre Westen: New-York—Cleveland—Chicago— Omaha.

2. Naar het AUeghanie-gebied en naar den Ohio; van N.-Y. naar Pittsburg, het middelpunt van de enorme steenkool- en ijzerbeddingen; verder langs den Ohio, naar St.-Louis en het Verre Westen (Denver).

3. Door het Hudson-dal langs Albany, naar den St.-Laurens. Met New-York is Brooklyn (900), op Long-Island, door eene

beroemde brug verbonden. Verder is de wereldstad door een krans van steden omgeven en zoo kan de Hudson-mond in dit, gelijk in meer opzichten, met den Theems-mond worden vergeleken.

Philadelphia (I mill, inw.), de 3e stad der Unie; hoofstad en uit-voerhaven van Pennsylvanië, den staat bij uitnemendheid voor berg-bouw en industrie: steenkool, ijzer, petroleum; Pittsburg (250); Cincinnati (300), middelpunt van het Ohio-gebied, aan den grooten

ocr page 252

245

weg, die van New-Y ork naar den midden-Mississippi leidt; voorts ook groote marktplaats, o. a. van varkensvleesch (bijnaam „Por-copolisquot;).

Met Boston heeft Philadelphia de belangrijkste inrichtingen op het gebied van wetenschap en kunst („Amerikaansch Athene'').

Drie kleinere staten, New-Jersey, Delaware en Maryland, behoo-ren verder tot deze groep; ook hier zijn aan de kust riviermonden, breed als zeeboezems. Met Maryland begint langzamerhand het gebied van het Zuiden: de bevolking bestaat wel voor % uit kleurlingen, tabak is het hoofdproduct; Maryland was in den slavenoorlog aan de zijde der Zuidelijken. Baltimore {500) was tot voor enkele jaren de 3quot; stad der Unie , maar wordt thans door Chicago en Boston in aantal inwoners overtroffen; het drijft vooral handel met Breinen; hoofduitvoer meel en tabak. Ook is B. de eerste oestermarkt der wereld.

In het bondsdistrict Columbia ligt de zetel van de bondsregeering:

Washington (200), aan de..... Het is eene ambtenaren-stad,

geene groote koopstad.

§ 117. III. In dit gebied rust tegenwoordig reeds bijna het zwaartepunt der Unie. Hierheen was sedert 40 jaren de hoofdstroom der landverhuizers gericht, zoodat de bevolking verbazend snel toenam. In deze landen vinden de Europeanen, in 't bijzonder ook Duitschers en Nederlanders, veel van hun vaderland terug.

Akkerbouw en veeteelt, op reusachtige schaal, zijn hoofdzaak; hier ligt de grootste korenschuur der wereld, vooral tarwe en maïis groeien uitstekend; de onmetelijke eikenwouden geven voedsel aan de varkens. De talrijke waterwegen maken den uitvoer gemakkelijk; Chicago (l mill, inw.), 2' stad der Unie, is het groote middelpunt; 17 spoorweglijnen voeren het koren aan; zeeschepen gaan van hier direct naar Londen.

Milwaukee (250), Buffalo (250), Detroit, Cleveland, groote marktplaatsen en door tal van wegen met de Atlantische havens en met Canada verbonden.

In geen land ter wereld zijn meer spoorbanen gelegd, kanalen gegraven, havenwerken gemaakt dan in de Unie; vooral deze staten-groep heeft een dicht net van wegen. Mississippi, Missouri, Ohio en Illinois zijn de 4 natuurlijke hoofdrichtingen. De spoorwegen der Unie hebben eene grootere lengte dan die van 't geheele Europeesche net; zes malen overtreffen zij den omtrek der aarde in lengte, en terwijl in West-Europa de spoorwegen werden aangelegd door bevolkte streken, moesten zij in Amerika in de wildernissen worden gebouwd om deze bewoonbaar te maken.

ocr page 253

Gezicht op de Niagara.

ocr page 254

247

Reeds bij St.-Paul bevaren stoombootea den „vader der waterenquot;' (Mississippi is een Indiaansch woord) en over eene lengte van honderden uren is de rivier bevaarbaar en leidt door zooveel verschillende, alle belangrijke streken. En ook de Missouri („vuile stroomquot;) is over een gedeelte bevaarbaar; St.-Louis (400) is dan ook het belangrijkste kruispunt der hoofdverkeerswegen en dankt aan zijne ligging opkomst en tegenwoordige beteekenis.

Opgaven:

1. Bepaal het verschil in breedte tusschen St.-Paul en de Mis-sissippi-monden.

2. Zoek plaatsen in de Oude Wereld, op de breedte van St.-Paul, van St.-Louis en van Nieuw-Orleans.

3. Welke hoofdwegen komen in St.-Louis samen?

IV. Gelijk gezegd is, ligt Baltimore aan dat gedeelte der kust, waar het N. in het Z. overgaat. De Zuid-Atlantische Staten hebben niet zulke groote steden: terwijl in de Midden-Atlantische staten 't cijfer der stadsbevolking 50 % van de geheele bevolking bedraagt, is 't in dit Zuidelijke gebied slechts IO %. Doch van groote beteekenis zijn de uitvoerhavens; de plantageproducten zijn (van Noord naar Zuid): tabak, boomwol, suiker, rijst.

Maryland, Virginië, Kentucky zijn bekende tabakstalen; Richmond is de hoofdstapelplaats. Hier was de hoofdstad der Zuidelijken in den oorlog.

Zuid-Carolina, Georgië, Alabama en Mississippi zijn de katoen-staten; Charleston, Savannah e. a. zijn de uitvoerhavens.

In de moerassige streken is belangrijke rijstbouw (Carolina-rijst); in de heete vlakten aan de Mex. golf vooral het suikerriet.

Deze groep bevat dus de echte plantagestaten; in verband daarmee veel Negers en Mulatten. Niet alleen de natuur, ook de toestanden zijn in deze staten geheel anders als in die van het Noorden.

Nieuw-Orleans (250), de eerste marktplaats, is tevens de groote haven van het Mississippi-gebied. (Plan tot doorgraving van Florida, welks kusten door koraalvorming zeer gevaarlijk zijn.)

§ 118. V en VI. Deze landen bestaan uit: a. prairiën; ^.streken in het hooggebergte; c. hoogvlakten.

Zij vormen de minder gunstige gedeelten van de Unie en hebben nog bijzonder weinig inwoners: op eene oppervlakte van '/3 der geheele Unie wonen nauwlijks 1 millioen kolonisten en daarnaast misschien '/4 millioen zwervende Indianen; dus eene bevolkingsdichtheid van nauwlijks 20 op 1 □ G. M.

ocr page 255

tfjevodéingsdicfUfteid

^ereenigde Staten/.

ocr page 256

250

a. Het onbebouwde prairiegebied wordt steeds kleiner; de spoorwegen hebben ook hier reeds landverhuizers gebracht en aan de wegen ontstaan reeds de blokhuizen en de marktplaatsen, o. a. in Kansas en Colorado: maïs en tarwe, huiden en horens vormen den uitvoer. De bisons nemen af, in kudden komen ze haast niet meer voor. De grootste stad, die zich tot dusver hier ontwikkeld heeft, is Denver.

b. In het Rotsgebergte liggen de mooiste streken van Amerika; o. a. een uitgestrekt gebied, dat in 1871 werd ontdekt en door de regeering tot domein van den staat verklaard onder den naam van Nationaal Park, eene streek, wellicht half zoo groot als Nederland, waar talrijke watervallen en bergstroomen worden aangetroffen naast heete springbronnen en versteende lavabeddingen.

De hcete bronnen van IJsland zijn slechts een flauwe afdruk van die in 't gebied der Yellowstone; zoowel in aantal, menigvuldigheid der uitbarstingen, hoeveelheid opgespoten water, duur der werking, breedte en hoogte der waterkolom, hoeveelheid en schoonheid der daaruit achtergebleven stoffen. Toch is bij beiden het karakter hetzelfde: geysers mogen als vulkanen worden beschouwd, die water in plaats van gesmolten gesteenten uitwerpen. Immers ook hier worden de uitbarstingen door gassen , voornamelijk door waterdamp, veroorzaakt. Zoowel in Amerika als op IJsland neemt de werkzaamheid der geysers af. — De groote hoeveelheden waterdamp, die de uitbarstingen veroorzaken , ontwikkelen zich beneden in de buis door 't verschil in warmtegraad boven en beneden.

c. De hoogvlakten tusschen de ketens van het Rotsgebergte zijn doodsch en woest; groote zoutsteppen bedekken o. a. het plateau van Utah. Hier wonen slechts enkele Indianen, naast de Mormonen; (de Mormonen zijn eene godsdienstige secte, die zich beschouwt als „Heiligen van den jongsten dagquot;). Hunne hoofdstad noemen zij „Nieuw-Jeruzalemquot;; de gewone naam is Groote Zoutmeer stad 't is een station aan den Pacific-spoorweg.

De weg in het Mormonenland en naar de Mormonenstad is buitengewoon woest en vervelend; niets dan naakte, steile rotswanden en dorre hoogvlakten met het loodkleurig „brushquot; begroeid en gedurende honderden en honderden mijlen ziet men slechts een wolkenloozen, blauwen hemel; eene woestenij van de treurigste soort; gedurende den zomer brandt er eene gloeiend heete zon, 's winters waaien er ijzig koude winden.

Juist in zulke woestijnen echter traden van oudsher profeten en heiligen op.

Heeft men de groote woestijn tusschen Denver en 't Zoutmeer achter zich, dan komt men in eene streek, die door hare weelderige vruchtbaarheid een waar paradijs is; eene oase, in het midden van het Rotsgebergte: de dorpen en steden omringd door boschjes van vruchtboomen, perzik en abrikoos, appel en peer; tarwevelden , wier groen een treffend contrast vormt met de besneeuwde bergtoppen, die den horizon begrenzen en met het blauwe meer, waaraan „Great-Salt-Lake-cityquot; ligt, dat zeker tot de schoonste Amer. steden behoort.

ocr page 257

251

v-'

VII. Californië. Deze staat vormt een scherpe tegenstelling met vele andere streken van het Verre Westen en dat pas sedert eene halve eeuw. De Spanjaarden hadden dit land als waardeloos beschouwd ; de Russen hadden er een korten tijd eene nederzetting, maar deze werd weder verlaten.

In 1848 werd het eerste goud gevonden en dit had eene snelle toestrooming van landverhuizers van de meest verschillende naties ten gevolge. Tooverachtig snel ontstonden talrijke steden: San-Francisco, in 1845 eene nederzettng van 30 blanken, thans de eerste havenstad aan Amerika's geheele Westkust en niet ruim 300.000 inw.; grooter mengelmoes van verschillende nationaliteiten, kleur en taal is ondenkbaar.

De hoofdproducten van den staat vormen nog wel de edele metalen; goud, zilver en kwikzilver; maar daarnaast hebben ook veeteelt en landbouw een verbazenden omvang aangenomen. Californië behoort nu reeds tot de eerste wollanden en als korenschuur wedijvert het met de landen van den boven-Mississippi.

Het klimaat in Californië is heerlijk; zuidvruchten en wijnen tieren er uitstekend. De natuur is prachtig; tot de mooiste streken behoort het dal van de Sacramento. In 't Zuiden is Los Angeles het middelpunt van eene belangrijke streek geworden.

De voltooiing van den eersten Pacific-spoorweg was mede een factor voor de snelle opkomst: 5 dagen duurt thans de reis dwars door het geheele werelddeel, door de sneeuwstreken van het Rotsgebergte, over hooge passen , door uitgestrekte prairiën , naar Omaha aan de Missouri: in 1869 — 'tjaar, waarin 't Suez-kanaal werd geopend — is de Union-Pacific voltooid; de geheele weg heeft eene lengte van ruim SOOOK.M.; New-York—Pittsburg—Chicago—Omaha— Ogden—San-Francisco.

Thans zijn in de Unie reeds verscheiden trans-continentale spoorwegen, die alle den Grooten Oceaan met 't Mississippi-gebied verbinden ;

1. de genoemde weg van Omaha—San-Francisco.

2. de weg van St.-Louis door 't Indianen-gebied en Texas, over den Colorado-canon — een honderden M. diep dal, waar de rivier tusschen steile wanden den weg neemt — naar Californië.

3. de Zuidelijke Pacific, van Nieuw-Orleans eerst door't land van den katoenbouw, dan door 't golvend prairieland met zijn veerijkdom, eindelijk door zoutsteppen en woestijnen, naar Los Angeles en San-Francisco; zijwegen leiden naar Mexico.

4. de Noordelijke Pacific , van St.-Paul naar Olympia , door 't land van den korenbouw en 't gebied der naaldwouden, naar de prairiën;

ocr page 258
ocr page 259

253

dan door 't dal van de Yellowstone, op korten afstand langs 't Nationaal Park, over de hoofdketens van 't Rotsgebergte, naar de N.W. staten, rijk aan edele metalen, kolen, ijzer, uitgestrekte bos-schen en waar landbouw en veeteelt snel vooruit zijn gegaan.

Aanzienlijk is de handel op Oost-Azië; geregelde stoombootverbindingen leiden naar Jokohama, Shanghai, Hongkong; reeds neemt een groot deel van de thee en zijde den weg naar Europa over San-Francisco en de „Gouden Poort'', aldus heet de toegang tot de prachtige bocht van S.-Fr., is een der levendigste stations van het wereldverkeer.

Britsch Noord-Amerika.

§ 119. Het Dominion of Canada, bijna zoo groot als Europa, reikt van Oceaan tot Oceaan en Zuidwaarts tot 420, Noordwaarts tot 70° N.B. of van eene breedte als Zuid-Frankrijk tot aan de boorden der IJszee.

Voor 't bestuur is 't verdeeld in :

I. Opper-Canada (Ontario).

II. Neder-Canada (Quebec).

III. Nieuw-Brunswijk met Nieuw-Schotland.

IV. Manitoba.

V. De Hudsonsbaailanden.

VI. Britsch-Columbia.

Het geheele gebied staat onder een Gouverneur, door de Kroon benoemd; doch de wetgevende macht berust in hoofdzaak bij het Parlement te Ottawa; bovendien heeft elk der opgenoemde deelen een eigen parlement (op gelijke wijze als in de Vereenigde Staten).

Canada. Dit gedeelte, het gebied van den St.-Laurens, is verreweg het belangrijkst van geheel Br. N.-Amerika, doordat het sedert de 17' eeuw gekoloniseerd is, eerst door Franschen, later door En-gelschen.

Het land bevat nog groote wouden en prairiën, maar waar de bodem door de landverhuizers (settlers) is ontgonnen, is hij uiterst vruchtbaar en levert groote hoeveelheden graan. Vooral Opper-Canada, naar de zijden der meren, is door zijne Zuidelijke ligging voor den akkerbouw uitstekend geschikt; Neder-Canada is veel ruwer en leent zich beter tot veeteelt. De onmetelijke Canadasche wouden zijn echter op zich zeiven reeds een rijkdom; pelsdieren vormen ook nu nog een kostbaar hoofdartikel, dat Canada op de markt brengt.

De streek om de Canadasche meren is, zoowel in de Unie als in Canada, wat de natuur betreft, het best te vergelijken met het Ger-maansch-Europa en trok daardoor in deze eeuw bijzonder veel kolo-

ocr page 260

254

nisten. De groote stroom was daarbij gericht naar het gunstiger en juist nog minder gekoloniseerde Opper-Canada; dit verklaart hoe hier de bevolking bijna geheel Engelsch is, terwijl in Neder-Canada het Fransche element nog het hoofdbestanddeel vormt; in den godsdienst openbaart zich hetzelfde verschil: ginds Protestantsch, hier Katholiek.

Naast de Engelschen en Franschen heeft Canada veel Ieren; deze hebben al een paar malen getracht de Engelsche regeering omver te werpen; hunne geheime genootschappen, in 't bijzonder de Fenians, woelen en stoken, en nog in den laatsten tijd (1885) hebben zij weer een opstand bewerkt.

Heeft de blanke bevolking reeds het aanzienlijk cijfer van 5 mil-lioen bereikt, in de wouden en prairiën zwerven nog Indianen; in den regel drijven zij vreedzaam handelsverkeer en komen op gezette tijden aan de forten, die de Britsche regeering overal ter bescherming der kolonisten heeft, hunne pelzen inruilen; van tijd tot tijd echter doen zij hier of daar een aanval.

Montreal (250), de grootste stad van Britsch-Amerika, op een eilandje in den St.-Laurens, waar deze de .... . opneemt. Hier komen tal van spoorwegen samen, o. a. van New-York, langs . . . .; van Halifax; van den Grooten Oceaan.

De grootste zeeschepen kunnen tot Montreal varen, schoon dit meer dan 125 uren van de monding af ligt; langs de oevers van de breede rivier zijn talrijke scheepstimmerwerven en hout is nog een hoofdartikel van uitvoer.

Toronto (150), marktplaats voor granen; deze stad is 't wetenschappelijk middelpunt van Britsch-Amerika.

Quebec (70) is beroemd door zijne verrukkelijk schoone ligging, met geheel Noordsch karakter (hoffeesten in ijspaleizen); voor het verkeer met Europa ligt het gunstiger dan Montreal, doch juist Opper-Canada levert de massa's producten: granen, huiden, pelzen, zoodat Montreal daarvoor de stapelplaats is. Quebec is historisch de belangrijkste plaats en thans de sterkste vesting van de Eng. in Amerika.

Nieuw-Brunswijk en Nieuw-Schotland waren bij de Franschen Arcadië, om welks bezit in den zevenjarigen-oorlog zoo verwoed is gestreden.

Het zijn landen rijk aan wouden en weilanden, in de x*]' eeuw reeds vrij belangrijke kolonies. Zij hebben ijzer- en steenkolenmijnen , die goed ontgonnen worden.

Halifax (50), de haven voor de Atlantische stoomschepen en 't uitgangspunt van den Canadian Pacific-spoorweg.

St. John (30); veel scheepsbouw, visscherij, uitvoer van visch.

ocr page 261

255

§ 120. De visscherij op de banken van New-Foundland is even levendig als die bij de Noorsche en Schotsche kusten; jaarlijks komen meer dan lo.ooo schepen voor de kabeljauw- en robbenvangst. Alleen om deze reden hebben de Franschen, toen zij hun gebied in Canada bij de vredesverdragen van 1713 en 1763 (Utrecht en Parijs) aan Engeland moesten afstaan, een paar eilandjes, St. Pierre en 'J Miquelou, in deze buurt behouden.

Newfoundland werd als „Terre neuve'' het eerst door de Franschen bezet; in 1713 werd het Engelsch.

Van de grootte dezer landen krijgt men een denkbeeld, door op te merken, dat Newfoundland ruim 3 x Nederlands oppervlakte heeft (Newf. = l '/3 X Ierland); daarbij telt het ± 200.000 inwoners.

De binnenlanden zijn pas in de laatste jaren doorzocht; het land is rijk aan water, wouden en weiden; tallooze meren, terwijl de rivieren in lengte overeenkomen met Theems of Schelde. De bevolking is geheel eene kustbevolking, samengedrongen in het Z O. De levendigste haven is St.-John (40).

Aan een Engelsch tijdschrift zijn de volgende bijzonderheden ontleend ;

„In Maart worden de schepen voor de vangst der zeehonden uitgerust; stoombooten hebben ook hierbij de plaats der zeilschepen ingenomen, omdat zij meer onafhankelijk zijn van weer en wind. Van St.-John vertrekken jaarlijks 6 of 7 stoombooten, elk uitgerust met 'i a 300 robbenvangers, mannen, gewoon de ruwheden te trotseeren van een klimaat, dat in zijn' kouden mist eene treurige vermaardheid bezif. De robben zijn te vinden op de groote velden van drijfijs, die zonder deze dieren eene eentoonige woestenij vormen, van elk teeken van leven ontbloot. Door het dunne ijs rammen de schepen zich een weg; de robbenvangers op het dek en boven in den mast, in 't „kraaiennestquot;, een man op den uitkijk. In tallooze troepen komen de robben voor in de zeeCn tusschen Newfoundland en Groenland; elke rob krabt en bijt voor zich zelf een gat in 'tijs, waardoor zij van 't water op het ijs kan komen en naar goedvinden weer onderduiken en in den koudsten winter slagen de dieren er in deze gaten open te houden. De jonge robben, naar hun dik, wit bont „witjassenquot; genoemd, liggen de eerste zes weken hulpeloos op het ijs; de dikke laag spek, die hun lichaam omgeeft, houdt hen warm en belet, dat zij in hunne wieg van ijs doodvriezen; over dag zwemt de moeder heen en weer om visch te vangen en 't is aardig te zien, dat, hoewel zij soms mijlen ver wegzwemt, elke rob tot haar eigen plekje in deze eentoonige ijs-wereld terugkeert. Zoodra het schip te midden van zulk eene kudde stil ligt, begint eene afschuwelijke slachting, afschuwelijk, want 't groot aantal robben maakt, dat de jagers niet altijd den tijd nemen de dieren te dooden, alvorens hen van huid en vet te ontdoen. In één jaargetijde zijn wel eens 500.000 robbenhuiden thuisgebracht; in '1888 bracht één schip er 42.000. Het voornaamste gevaar, waaraan de robbenvanger blootstaat, is, dat de schots, waarop

ocr page 262

256

hij zich bevindt, door plotseling opkomenden wind naar zee wordt gedreven; de ervaren robbenjager moet dan eene klomp ijs gebruiken als een vlot, dat hij stuurt met zijn met ijzer beslagen en van een haak voorzienen stok; die stok is ook zijn wapen en is hem verder behulpzaam bij 't springen van de eene schots op de andere. Is hij te ver van 'tschip verwijderd, zijn geene ijsschotsen binnen zijn bereik, dan worden de medegenomen zakken, die ieder vijf of zes robbenvellen met het vet bevatten, te water geworpen, de jager stapt er op en roeit naar het schip.quot;

Labrador is slechts op enkele punten van de lange kust bewoond; in 'tgeheel ± 4000 menschen, waarvan de helft Eskimo's, onder wie Moravische zendelingen werkzaam zijn.

De uitgestrekte Hudsonsbaai-landen behoorden tot voor enkele jaren aan de Hudsonsbaai-Compagnie en gingen toen over aan den staat. De Compagnie had hier en daar forten doen bouwen, die de bevervangers (trappers) beschermden tegen de Indianen. De Indianen kwamen overigens geregeld pelzen ruilen tegen wapens, enz. Verder zijn in deze landen geene nederzettingen: de natuur is er niet gunstig; 't klimaat nog ruwer dan de breedte alleen zou veroorzaken , streng continentaal door den massavorm van het land, den geringen invloed der zee, het openliggen voor de winden uit de IJszee. De rivieren vormen in deze streken uitgebreide stroomen meerstelsels, die bijna altijd met elkaar in natuurlijke verbinding staan, of met slechts lage waterscheidingen (draagplaatsen, portages).

Manitoba is tegenwoordig veel het doel voor landverhuizers; het wedijvert in snelle ontwikkeling met vele streken van de Unie. Ten deele bestaat het nog uit prairieland, ten deele uit wouden, maar de ontginning neemt snel toe; landbouw is hoofdmiddel van bestaan en levert vooral granen. De Canadian-Pacific-spoorweg is voor deze kolonie eene hoofdzaak. De hoofdstad is Winnipeg.

Britsch-Columbia is het gebied, dat zich over eene lengte van meer dan 100 uren gaans langs de kust van den Grooten Oceaan en tot aan het Rotsgebergte uitstrekt; zoowel in het N. als in het Z. grenst het dus aan de Unie. Deze kolonie dagteekent eerst uit het midden van deze eeuw en dankt haar ontstaan aan 2 omstandigheden: het vinden van goudvelden aan de Fraser-xWwc en het belang, dat Engeland er in begon te stellen een deel der Pacifieke kust te beheer-schen. Spoedig werd toen ook het plan opgevat voor een reusachtig werk, de verbinding van Columbia met Canada door een Pacific-spoorweg, nog zooveel moeilijker aan te leggen dan de groote wegen der Unie en toch reeds voltooid.

Het klimaat is aan deze Westelijke kusten Oceanisch, evenals en door dezelfde oorzaken als bij Europa's Westl. kusten. Boomgroei

ocr page 263

257

is er uitstekend, Columbia heeft rijke wouden met de beroemde reusachtige naaldboomen.

Hoofdplaats is Victoria op ... . eiland. New- Westminster, eindpunt van den Pacific-spoorweg.

Het aantal Europeanen in de kolonie bedraagt reeds omstreeks 10.000; op de goudvelden zijn natuurlijk ook Chineezen. Verder zwerven ook hier Indianenstammen.

Evenals in het uiterste Zuiden van Amerika is hier het Kustge-bergte in talrijke rotseilanden verbrokkeld, de Koningin-Char lotte- en Van Couvers-eilanden; de belangrijkste Britsche haven is Victoria, uit een politiek oogpunt met aanzienlijke beteekenis; tegenover Rusland, Japan en China; station aan den Gr. Oceaan; voorts aan den Pac.-spoorweg: in 14 dagen kunnen krijgsbehoeften van de Britsche kusten in Europa te Victoria zijn.

Groenland, Deensch Noord-Amerika. In de 14quot; eeuw waren de Noorsche koloniën in Groenland ten onder gegaan, in de iS- eeuw werden nieuwe volkplantingen gesticht door de Deensche regeering. Ook zendelingen van Hernhutters begaven zich derwaarts, om onder de Eskimo's te prediken, en zij deden zulks met goeden uitslag.

Het aantal Eskimo's bedraagt nauwelijks lü.ooo, over ongeveer 200 plaatsen verdeeld, dus zeer verspreid wonende; uitsluitend bij de fjorden der Westkust. De natuur aan de Oostkust is nog ongunstiger dan die der Westkust: koude poolstroomen maken, dat daar het ijs zelfs 's zomers niet wegsmelt. De grootte van Groenland kent men niet; het is een arctisch hoogland, in de binnenlanden met sneeuw en ijs bedekt; de gletschers reiken tot in zee. en doen daar de reusachtige drijvende ijsbergen ontstaan. In de laatste jaren is Groenland ook bezocht geweest door Nordenskjóld en andere na-tuur-onderzoekers.

Walvisch- en robbenvangst, visscherij en jacht op rendieren zijn de middelen van bestaan; de hond is het huisdier.

Onder de talrijke havenplaatsjes merken we o. a. Upernivik (90 inw.) op, het Noordelijkste in Amerika blijvend door Europeanen bewoonde punt.

§ 121. Mexico.

Slechts weinige landen hebben gunstiger natuurlijke gesteldheid dan Mexico: de ligging tusschen de beide Oceanen; de bodem, die door zijn verticalen vorm, verschillende hoogte, in verband met de breedte van het land, de voortbrengselen van alle klimaatgordels kan leveren; de rijkdom aan delfstoffen; dit alles zijn omstandigheden, die eene dichte

D. AlTTON, Beknopt Lurboek. 3« druk. 17

ocr page 264

258

bevolking en eene groote welvaart mogelijk maken. Mexico is een mooi en door de natuur rijk gezegend land.

Treurig zijn echter de politieke en maatschappelijke toestanden; hoofdzakelijk als gevolg van de ongelukkige geschiedenis, die het land achter zich heeft; eerst is het drie eeuwen als Spaansche kolonie verkeerd bestuurd; daarna, toen in 't begin dezer eeuw de Creolen het Spaansche juk hadden afgeschud, werd de jonge republiek door talrijke revoluties geschokt. De schuldenlast was ontzettend hoog; de regeering kon hare financiëele verplichtingen tegenover de Europeesche fondsenhouders niet nakomen, vandaar het optreden der Engelschen en Franschen in Mexico met de ongelukkige gevolgen. (Keizerrijk onder Franschen invloed; keizer Maximiliaan door de republikeinen na 't vertrek der Fr. legers gevangen genomen en doodgeschoten.) In de laatste jaren zijn de toestanden wat gunstiger.

Naar de natuur onderscheiden wij drie hoofddeelen:

1. Het lage, moerassige en ongezonde kustgebied, het vaderland der gele koortsen. In de taal des lands (Spaansch) heet dit gebied tierras calientes, het „warme landquot;. Aan de Atlantische zijde is het uitgestrekter dan aan de Westelijke kusten.

2. De hoogere landen, die achter het kustgebied volgen, meteen heerlijk gematigd klimaat. Deze gordel, die V, van het land inneemt , is de belangrijkste; hier woont bijna de geheele bevolking, hier liggen de groote steden en hier, in de tierras templadas, hebben landbouw en veeteelt een grooten omvang. Ook de mijn-districten liggen in dit gedeelte.

3. De hoogste gedeelten van de hoogvlakte en van de bergen; schier onbewoonde landstreken, de tierras frias, waar enkele Indianen-stammen rondzwerven als jagers.

Op eene oppervlakte, die ruim 3-maal zoo groot is als die van geheel Duitschland, wonen nauwlijks 12 millioen menschen (zie pag. 239). Deze bevolking bestaat uit; 1. Spaansche Creolen, 2. Indianen, 3. Mestiezen. De blanke bevolking, de Creolen, maken nauwlijks Ve gedeelte der natie uit; nog heden vormen de Indianen de hoofdbevolking.

Mexico (300), ligt een paar duizend M. hoog, op het beroemde plateau van Atiahuac, tusschen twee meren en in de nabijheid van reusachtige vulkanen.

Vera Cruz, de haven van Mexico — reeds door Cortez daarvoor uitgekozen — is de belangrijkste handelsstad des lands, maar met een akelig, ongezond klimaat. Voor den uitvoer levert Mexico; zilver (jaarlijks gemiddeld ter waarde van ±. f 60.000.000); koffie en cacao; cochenille en mahonie-hout; huiden.

ocr page 265

259

Een spoorweg leidt van Vera Cruz door de bergen naar de hoogvlakte en zoo naar de hoofdstad, die ook door spoorwegen is verbonden met Nieuw-Orleans en San-Francisco (de totale spoorweglengte in Mexico is ruim 2-niaal die in Nederland, doch . . . Mexico is meer dan 50-maal zoo groot als ons land).

Puebla en alle andere steden van beteekenis liggen evenals de hoofdstad op de hoogvlakte. Queretaro (Maximiliaan -j- 1867).

Potosi en talrijke andere mijnwerkplaatsen, alle in de Sierra Ma-dre. Zilverbergbouw is de hoofdzaak; Mexico is nog altijd het 2quot; zilverland van de wereld (de Westelijke landen van de Unie zijn no. 1; Z.-Amerika is no. 3).

Camp cc he, uitvoerhaven van het bekende hout.

Opgravingen in Jucatan hebben bewezen, dat ook hier, evenals op het plateau van Anahuac en op dat van Titicaca (Peru) reeds beschaafde Indianen hebben gewoond; bouwvallen van steden zijn o. a. ontdekt. Men noemt het volk, dat hier woonde, de Maya's.

§ 122. Centraal-Amerika.

In den regel verstaat men in een natuurkundigen zin door Cen-traal-Amerika het gebied, dat den overgang tusschen Noord- en Zuid-Amerika vormt en rekent het dan van de landengte van Panama tot de landengte van Tehuantepec.

Staatkundig behoort dan het N. gedeelte tot Mexico (Jucatan), het Z. gedeelte tot Co\\imh\a.[Patiama), terwijl het grootste gedeelte wordt ingenomen door 5 republieken en het Britsche gedeelte van Honduras.

Deze republieken hebben een heerlijk klimaat, een vruchtbaren bodem, een weelderigen plantengroei; maar zij tellen op eene oppervlakte, die weinig kleiner is dan geheel Frankrijk of Duitschland, nauwelijks 3 millioen inwoners en worden bovendien nog geteisterd door talrijke revoluties. Deze toestanden zijn het gevolg van de vroegere geschiedenis als koloniën van Spanje en van de rassenverhoudingen in deze landen.

De bewoners zijn voor de helft Indianen, hier gezeten en met geregelde bestaansmiddelen; verder grootendeels kleurlingen en slechts een betrekkelijk klein getal blanken. Het aantal dezer laatsten neemt in de laatste jaren toe; er zijn ook reeds Duitsche landverhuizers, vooral in Costa-Rica en Guatemala. Spaansch is de taal.

Geene streek van Amerika heeft meer geleden van vulkanische uitbarstingen en verschrikkelijke aardbevingen ; van den gordel van vuurspuwende bergen, die langs de gansche kust van den Grooten

17*

ocr page 266

200

Oceaan loopt, verheffen zich alleen in Centraal-Amerika wel 15, waaronder de Fuego, d. i, „vuurbergquot;, het bekendst is.

Midden-Amerika is rijk aan mooie houtsoorten voor meubels, vooral campêche-hout; verder levert het indigo, cochenille, vanille, cacao, koffie, katoen, suiker.

Van al de 5 republieken heeft Costa-Rica , de „rijke kustquot;, in de laatste jaren nog de beste maatschappelijke toestanden; koffie is hier het hoofdproduct.

De hoofdsteden zijn nog niet belangrijk (Guatemala, S.-Salvador, Tegucicalpa, Managua, San-José); de belangrijkste haven is Punta-Arenas.

Britsch-Honduras, ongeveer zoo groot als een paar Nederlandsche provincies, is evenmin van veel belang. Voor den handel levert het rrtahonie-hout. De hoofdplaats is Belize.

Centraal-America trok altijd de aandacht met het oog op eene verbinding tusschen de kusten van de beide Oceanen. Een inter-oceanische spoorweg verbindt Colon (naar Columbus) met Panama, doch wat men verlangt, is een waterweg.

Herhaaldelijk zijn proeven genomen , om een scheepsspoorweg te maken en evenzoo werd dikwijls onderhandeld over een kanaal (reeds in de dagen van Karei V). Eerst eenige jaren geleden werd de uitvoering van de doorgraving der landengte van Panama met kracht ter hand genomen, doch de maatschappij had al spoedig met groote financiëele moeilijkheden te kampen en staakte ten slotte het werk. De aangenomen richting van 't kanaal volgde in hoofdzaak den spoorweg. Dat de bezwaren, bij de uitvoering der Panama-kanaalwerken, in aard verschillen van die, welke bij Suez moesten worden overwonnen , is eigenaardig om op te merken; de verklaring is niet moeiiljk.

Veel kans heeft thans het tot stand komen van eene andere inter-oceanische verbinding in Centraal-Amerika: het Nicaragua-VaxwsX, waarbij van de San-Juan-xWxQr en een tweetal meren zal worden partij getrokken (geef de namen dier meren van de kaart op). ^

§ 123, West-Indië.

Vier Groote Antillen, een groot aantal Kleine Antillen en de groep der Bahama-eilanden.

Cuba, Spaansch, is bijna even groot als Java en een prachtig land, wel eens genoemd de „parel der Antillenquot;. Maar het land heeft verschrikkelijk geleden; gedurende deze geheele eeuw is het eigenlijk in toestand van oorlog of omwenteling geweest; de Spaansche regeering kon meermalen slechts met moeite haar gezag tegen de

ocr page 267

261

opstandelingen handhaven. De vroeger uitgestrekte wouden zijn voor een groot deel uitgeroeid; de bodem ligt op verscheiden plaatsen braak; de mijnen zijn verwaarloosd.

De geheele bevolking bedraagt slechts 2 millioen; de Indianen verdwenen hier reeds grootendeels in den eersten tijd der Spaansche kolonisatie. De verhouding van het blanke en het zwarte element is op Cuba als van 2 tot l; ook zijn er eenige duizenden Chineesche koelies.

Cuba is het eerste land der aarde voor suiker; het 2' hoofdproduct is tabak; verder koffie, katoen, cacao, rijst, indigo, houtsoorten. De mijnen zijn grootendeels verwaarloosd; wat kopererts wordt nog uitgevoerd. Verkeerswegen ontbreken in de binnenlanden schier geheel (de geheele spoorweglengte is nauwlijks '/j van die in Nederland).

Havanna (250) is de eerste stad van geheel West-Indië; geregelde stoombootverbinding met Cadix, Pauillac, Southampton, New-York. De stad heeft wel 700 sigarenfabrieken.

Van de havenplaatsjes is verder Matanzas 't meest bekend, omdat van daar de Zilvervloten naar Europa gingen. Santiago, Puerto-Principe.

Poptorico, Spaansch; uitvoer vooral van; suiker, rum, tabak en koffie. Hoofdplaats San-yuan.

Jamaica, Engelsch, reeds sedert de dagen van Cromwell; hoofdstad Kingston {40); hoofdproducten van uitvoer: rietsuiker, rum en koffie. Onder den gouverneur van K. behooren de overige Eng. bezittingen in West-Indië.

Haïti, eertijds Hispaniola. Dit eiland is in deze eeuw aan velerlei politieke lotswisselingen blootgesteld geweest. Op dit oogenblik bestaat het uit 2 onafhankelijke republieken, een van Negers en een van Mulatten. De hoofdsteden zijn Port-au-Prince en S.-Domingo.

De natuur is uitstekend, maar de maatschappelijke toestanden zijn ellendig; blanken worden ternauwernood geduld en de productie van het eens zoo rijke eiland is gering.

Ten noorden van deze 4 groote eilanden liggen de talrijke lage Bahama-eWaxiAen, door koraalvorming ontstaan en thans met een weelderigen plantengroei. De zee is hier echter vol riffen en klippen; vroeger waren deze moeilijk toegankelijke eilanden de schuilplaats van beruchte zeeroovers. Engeland bezit ze thans; 't belangrijkste eilandje is New-Providence met Nassau. Op IVat/ings-eiland landde Columbus.

ocr page 268

202

De Kleine Antillen en de Virginische- of Maagden-eilanden behoo-ren aan Engeland, Frankrijk, Nederland en Denemarken.

Engelsch zijn; Barbados, Dominica en verscheidene andere.

Neder landsch: St.-Eustatius, Saba en de helft van St.-Martin.

Fr arisch, o. a. Guadeloupe, Martinique, de helft van St.-Martin.

Deensch, o. a. St.-Thomas.

Zij zijn óf hoog en dan vulkanisch óf laag en kalkachtig; sommige zijn zóó klein, dat zij slechts uit den top van een uitgebranden vulkaan bestaan.

Vele dezer eilandjes hebben een heerlijk klimaat en zijn vruchtbaar; vooral is dit de verweerde lavabodem. Het hoofdproduct is suiker; verder wat koffie, katoen, indigo, cacao, arrowroot. Sommige echter lijden aan droogte en hebben daardoor eene vrij armoedige natuur.

Voor 't verkeer is o. a. belangrijk St.-Thomas, als het vaste station voor de stoombooten uit Europa (Southampton, St.-Nazaire, Hamburg) met bestemming naar West-Indië of Midden-Amerika (Havanna, Nieuw-Orleans, Mexico, Colon, La Guayra).

Al deze eilanden, in 't bijzonder de Virginische, hebben veel te lijden van gevaarlijke kringstormen of cyclonen; deze komen in aard overeen met die van de Chineesche zeeën en met de kringstormen van den Indischen Oceaan in de buurt van Mauritius.

In de tweede plaats lijden zij veel van aardbevingen.

Wat meer naar 't Noorden, in eene heerlijke luchtstreek, liggen de Bermudas; een 400-tal koraal-eilanden, waarvan slechts een vijftal bewoond: daar de bodem zich maar weinig boven den zeespiegel verheft is langdurige droogte hier een groot bezwaar. De uitvoer van arrowroot is belangrijk.

§ 124. Eindelijk liggen vóór de kust van Venezuela nog eenige eilanden , die gewoonlijk tot de KI. Antillen worden gerekend; Trinidad (Eng.); de Curagaosche eilanden (Curasao, Bonaire, Aruba en eenige nog kleinere; Ned.). Alle zijn rotsachtig, vooral kalkgesteenten komen veel voor, terwijl Trinidad bekend is door een asphalt-meer.

Door de afschaffing der slavernij hebben ook deze eilanden schade geleden, maar door den koelie-invoer is de bloei weer toenemende.

Geen deel der aarde brengt meer suiker voort dan het tropische Amerika, in 't bijzonder West-Indie, zoodat de volgende schets, van eene suiker-plantage op Trinidad, ons een denkbeeld kan geven van leven en bedrijf in die streken in 't algemeen '):

') Uit «Das Ausland.quot;

ocr page 269

263

„Aanplant en verwerking van suikerriet zien wij in de nu eens vlakke dan heuvelachtige landen in 't gebied van de Caroni, de eenige rivier van'teiland, welke dien naam verdient. Eene wijk van arbeiderswoningen treft bij een bezoek het eerst ons oog; éénvormige huisjes, van die in Europa alleen onderscheiden door waranda's en tuintjes; in deze „kazernequot; — aldus wordt de wijk genoemd — leven honderden arbeiders met hun gezin; groote plantages tellen tot een paar duizend inwoners: veldarbeiders, handwerkers, kuipers, timmerlieden, smeden, stokers enz. De wat grootere woningen zijn van de opzichters.

Een groot, zijwaarts in een fraaien tuin gelegen gebouw wordt ons gewezen als het „hospitaalquot;; door breede , overdekte galerijen omringd, waar herstellenden, ondanks de tropische warmte, van de vrije lucht in den schaduw kunnen genieten.

Suikerriet.

Mede door een goed onderhouden tuin omringd en door eene laan van kokospalmen met de kazerne verbonden, zien wij het huis van den Directeur, wel flink gebouwd, maar toch ook van slechts ééne verdieping (met 't oog op de aardbevingen.)

In de stallen staan een honderdtal flinke muildieren , meest uit Texas afkomstig. Daarbij nog eenige tientallen trekossen, die doorgaans in de naburige savanna weiden.

De dag begint, om 4 amp; 5 uur, met 'tvoederen der dieren; zij krijgen haver en ook stroop, waarop zij verzot zijn ; zelfs hun drinkwater wordt er mee verzoet. Dit werk is spoedig gedaan en ieder haast zich weg, want hier wemelt het van muskieten, waarvan de arme dieren zeer lijden; soms is 't noodig de stallen te berooken, om hun rust te bezorgen.

Een ontbijt van koffie en brood volgt om 5 uur, waarna wij alles in beweging zien: vrouwen zoowel als mannen, op bloote voeten en met breedgerande hoeden op; meest zien wij Oost-Indische koelies, hier en' daar een Chinees;

ocr page 270

264

negers werken na de afschaffing der slavernij liefst niet en zij hebben weinig behoeften; onder de handwerkers zijn zij talrijker. Voor den aanvoer der koelies zorgt de koloniale regeering; zij verbinden zich tegen bepaald loon en arbeidsdag voor den tijd van 5 jaren.

De fabriek werkt alleen in 't droge seizoen, dat met den Europeeschen winter samenvalt; in den anderen jaartijd worden de velden verzorgd; geploegd en gegreppeld, 'tlaatste voor den afvoer van 't water; in rijen wordenderiet-stekken geplant, op afstanden van een paar Meter; vier maal 'sjaars moeten de velden worden gewied ; het onkruid, hier zoo welig, wordt in de zon gedroogd en dan verbrand. Een schoon gezicht is 't, als, reeds na eenige maanden, in October en November, het riet hoog op 't veld staat en dc pluimen als struisveeren door den wind worden bewogen.

Een gansch ander beeld vertoont de plantage, als de „maal-tijdquot;, die doorgaans van Januari tot Mei duurt, is aangebroken. Dit is de drukste tijd van 't jaar: in talrijke ploegen staan de arbeiders in de velden; met een scherp mes wordt 'triet afgesneden, kort aan den grond; dan met één houw de top er af, ter lengte van '/4» die geen sap bevat, doch waarvan wandelstokken worden gemaakt en die bovendien nieuwe stekken levert; snel wordt daarna door 1 of 2 houwen de stengel in gelijke stukken van 1 M. verdeeld, terwijl anderen die stukken tot bossen binden. Aldus worden duizenden stengels behandeld, terwijl in dien zelfden tijd de karren in vluggen draf heen en weer rijden tusschen de velden en de fabriek ; in de zon toch zou het sap bederven, zoodat onmiddelijk achter de rietsnijders de kan-en volgen onder 't toezicht van bereden opzichters; soms ook worden groote wagens gebruikt met 4 ossen bespannen.

In den molen wordt onder zware metalen cylinders het riet geperst, en terwijl bet sap vuilbnin en vol onreinheden in vaten loopt, valt het gekneusde riet in karren en wordt langs rails afgevoerd naar een terrein, waar het droogt, om later brandstof te vormen; vroeger bleef wel '/3 van 't sap in het riet, doch de Europeesche beetwortel-suiker heeft gemaakt, dat verschillende uitvindingen de fabricatie verbeterden. In groote ijzeren ketels, die 1000 of meer Liters kunnen bevatten, wordt vervolgens het sap verwarmd onder toevoeging van wat kalk, die tot ontleding dient, zoodat straks op 't kooksel eene dikke laag ontstaat, die verwijderd wordt. Herhaaldelijk wordt het aldus afgekookt, tot eindelijk eene geelachtige massa is verkregen, die door andere bewerkingen moet kristalliseeren. Hierbij blijft eene stroop achter, melasse, die vooral gebruikt wordt om rum uit te bereiden en tot veevoeder.

De koloniale suiker, in Europa aangevoerd, moet hier in de raffinaderijen nog zuiveringen ondergaan, vóór zij in voorkomen en kleur met de beetwortelsuiker kan wedijveren.quot;

§ 125. Brazilië.

Brazilië komt in grootte bijna overeen met Europa.

Vs van de oppervlakte wordt ingenomen door het Braziliaansche bergland; % van het land is laag. Hiertoe behoort in de eerste plaats de groote Amazone-vlakte, wier stroomgebied grooter is dan dat van eenige andere rivier der wereld. De Amazone

ocr page 271
ocr page 272

266

is met hare bijrivieren eene Zuid-Amerikaansche Middellandsche zee, niet alleen voor Brazilië, want hare groote bronrivieren liggen in de staten van den Grooten Oceaan (welke?). Onder de bijrivieren zijn het belangrijkst de Madeira d. i. „hout-rivierquot;, de Rio Negro en de Tocantins.

Als wij de Amazone vergelijken met den Noord-Amerikaanschen reuzenstroom, letten wij vooreerst op het verschil in richting en al de gevolgen daarvan; ten tweede op de omstandigheid, dat het Amazonegebied nog grootendeels door ondoordringbare wouden wordt ingenomen , terwijl in de Mississippi-vlakte reeds aanzienlijke streken zijn ontgonnen; in de Braziliaansche wouden zwerven nog alleen wilde Indianenstammen rond, aan en bij den Mississippi liggen groote steden en neemt de kolonisatie van het land steeds toe.

Onder de rivieren van het Braz. bergland is de San-Francisco (2-maal zoo lang als de Rijn) de aanzienlijkste; verder ontspringen daar ook de La /'/«^-rivieren.

Brazilië heeft een weelderigen plantengroei; als wij letten op de ligging van het land, zien wij, dat de evenaar door de Amazone-vlakte loopt, terwijl de hoofdstad van het land nagenoeg op den Zuiderkeerkring ligt. Bij de hooge temperatuur, die dus heerschende is, komt de rijke besproeiing door de tropische regens, die talrijke rivieren in de hooge Andes doen ontstaan. Zelfs Indië doet onder voor de groote en ondoordringbare Braziliaansche wouden, de Selvas van de Amazone, met de talrijke palmsoorten, lianen, woekerplanten.

Ook de fauna is rijk; in 't bijzonder die der vogels, insecten en visschen. In de Amazone-stroom b.v. zijn even veel vischsoorten geclassificeerd als in den geheelen Atlantischen Oceaan (sidderaal). Over 't geheel zijn in het tropisch Amerika niet zulke reusachtige diervormen als in de Oude Wereld; verwante vormen, maar van kleiner afmeting, minder ontwikkeling, heeft de Nieuwe Wereld (vicariëerende diersoorten).

Het hoofdproduct, dat Brazilië voor de Europ. markt levert, is koffie; in dit artikel brengt het zooveel voort als alle andere koffielanden samen. Verder katoen, rietsuiker, tabak, cacao, rijst, kostbare houtsoorten; aan de laatste dankt het land zijn Portugeeschen naam; Brazil = vuurhout. De veeteelt levert voor den handel tot nu toe alleen huiden.

Uit het delfstoffenrijk; diamanten, edelgesteenten, goud en zilver; de rijkste mijnen liggen o. a. in de provincie Minas Geraes, d. i. „de algemeene mijnenquot; (Diamantina, Ouro Preto e. a.).

De bevolking van Brazilië bedraagt 14 millioen, dus ± 100 op l

ocr page 273

267

□ G. M. (in Europeesch Rusland looo); maar deze bevolking woont bijna geheel in de kustprovincies ; in de binnenlanden, in 't bijzonder in de onmetelijke Amazone-vlakte, wonen bijna geen menschen.

In geen deel van Amerika overweegt zoo sterk als in Brazilië het «^r-element; Vs der bevolking zijn negers of mulatten; de slavernij is geleidelijk afgeschaft (definitief in 1888). De plantagebouw wordt nog bijna geheel met negers gedreven.

Verder zijn er talrijke Indianen-stammen, allen zoogenaamde „wildequot; Indianen, waarvan sommigen op den allerlaagsten trap staan, als de Botocoeden, e. a.; hunne geheele sterkte wordt op 600.000 geschat.

De blanken zijn meest van Romaanschen stam, dus Creolen; be-belangrijk zijn echter in de Zuidelijkste provincie Duitsche kolonie's, die in betrekkelijk korten tijd een grooten omvang aannamen en wier bloei in 't bijzonder op de koffiecultuur berust.

Rio de Janeiro (0po) is beroemd door zijne prachtige ligging aan de binnenzijde van eene groote baai, die aan alle zijden door het steile Orgelgebergte is ingesloten. Ook in rijkdom van bouworde enz. behoeft deze hoofdstad voor de meeste Europeesche hoofdsteden niet onder te doen. Bekend is de sterrewacht.

Als handelshaven heeft Rio een druk verkeer met Lissabon, Pauillac, Southampton, New-York enz., maar de handel zou een verbazenden omvang kunnen aannemen, als het binnenland geregeld met de kust in verkeer stond. Dit is voor Brazilië trouwens een der belangrijkste vraagstukken.

Bahia is de 2e handelsstad des rijks; Pernambuco (200), bijzonder gunstig gelegen voor het verkeer met Europa, jj Q

Santos en Porto Alegro (50), 't laatste de haven voor de Duitsche koloniën in het Zuiden.

Para (75) in het mondingsgebied van de Amazone, stapelplaats voor de producten uit het woudgebied; op den duur misschien met eene groote toekomst. Onder de kleine havenplaatsen, die zich beginnen te ontwikkelen in het reusachtig gebied, noemen wij Manaos (±1 IO.OOO inw. en de grootste plaats binnen een omtrek van 70.000 □ G. M. of bijna half Europa).

§ 126. Columbia, Venezuela en Guyana.

Deze landen nemen het Noorden van Zuid-Amerika in; zij liggen ongeveer tusschen den evenaar en de parallel van 10° N.B.

Columbia heeft het voordeel van de ligging aan de beide Oceanen en van het bezit der landengte van Panama.

Naar den verticalen vorm bestaat het land uit een drietal langge-

ocr page 274

268

strekte ketens van de Andes, waartusschen de dalen van Magdalena en Cauca; daar deze dalen naar het Noorden geopend zijn, breeder worden en in tropische laagvlakten overgaan, zijn voor het verkeer de havens der Atlantische zijde van Columbia belangrijker dan die van den Grooten Oceaan. De bevolking echter woont wel voor % in de hoogste gedeelten van de genoemde dalen en in de hoogvlakten van de Andes, omdat de mondingsgebieden zeer ongezond zijn. In het O. heeft Columbia reeds de grasvlakten, Ljanos, die bijzonder aan Venezuela eigen zijn.

Voortbrengselen: tabak, koffie, indigo, katoen, die echter in veel grooter hoeveelheid zouden kunnen worden verbouwd; kina en caoet-sjoek, die in de bosschen kunnen worden verzameld; fijne stroohoe-den, waarvan de industrie vrij belangrijk is; huiden, van het vee der steppen; goud, terwijl nog andere metalen aanwezig zijn.

In politieken zin vormt Columbia tegenwoordig een bondsstaat. Hoofdstad Bogota. Belangrijkste havens; Sabanilla en Carthagena.

Een der staten van Columbia is el Isthmo of Panama, met den spoorweg Colon (Aspinnwal)—Panama. Deze laatste stad werd door de Spanjaarden gesticht (1521), kort na hunne komst in Amerika, en bloeide spoedig zeer; in later tijd verloor zij de beteekenis , totdat in het midden van deze eeuw de Groote Oceaan belangrijk werd: Panama is het station voor stoomvaartlijnen naar San-Fran-cisco, Valparaiso en Callao; de Pacific-spoorwegen der Unie hebben Panama echter veel kwaad gedaan.

Venezuela bestaat uit een hoog kustgebergte en uit de breede vlakte van den Orinoco; deze vlakte is niet in cultuur gebracht, waarvoor het klimaat ongeschikt is en de menschen ontbreken, maar zij is met lang gras begroeid en bevat goede weidegronden, Ljanos, voor runderen, paarden, muilezels; enkele maanden in het jaar echter verschroeit het gras en lijdt alles onder ontzettende dorheid; alleen bij de rivieren is dan het dierlijk leven mogelijk, de steppe is dan doodsch.

De onmetelijke vlakte kent geen andere menschen dan de Ljanero's, de bereden, verwilderde herders.

Rijker is het kustgebergte; daar is heerlijke plantengroei, een gezond klimaat en kunnen belangrijke cultuurgewassen worden gekweekt ; hoofdproducten zijn: koffie, cacao, suiker, katoen, tabak (Varinas). Hier, in het gebergte, woont dan ook het grootste deel der bevolking.

Hoofdstad is Caracas (75), in 1812 geheeel door eene aardbeving verwoest. Belangrijkste handelshaven is La Guayra, volgens de kaart schijnbaar vlak bij de hoofdstad gelegen, doch inderdaad daar-

ocr page 275

269

van door eene bergketen gescheiden; de weg tusschen de havenstad en Caracas leidt nog over een pas van ruim looo M. hoogte.

Ook Venezuela vormt op dit oogenblik een bondsstaat; maar gelijk reeds meer opgemerkt is, de politieke toestanden zijn in Mexico, Centraal-Amerika en Zuid-Amerika niet duurzaam, de strijd tusschen federalisten en unitaristen breekt steeds op nieuw los, ja zelfs de presidentskeuzen gaan veelal met omwentelingen gepaard.

Guyana. Hier is bij den vorm van den bodem juist het omgekeerde waar te nemen van wat wij bij Venezuela zien; in Guyana vinden we langs den Oceaan een laag, moerassig en ongezond kustgebied, dat naar het binnenland langzaam oploopt; op eene vlakte van 15 tot 20 uur gaans breedte volgen de heuvels, dan de blauwe, met dichte bosschen bedekte, nog weinig bekende bergen.

Deze mooie berglanden. El Dorado van de Spanjaarden, scheiden Zuid-Guyana van Brazilië; zij vormen de waterscheiding van de Amazone-landen met het gebied van den Orinoco en van de rivieren van Guyana. Deze, w. o. de Suriname, de Essequibo, kunnen geen langen loop hebben, doch vertoonen in 't mondingsgebied 't karakter van machtige stroomen.

Indianen, van de stammen der Caraïben en der Arowakken, zwerven in de groote bosschen van Guyana; daar zijn ook talrijke afstammelingen van weggeloopen Negerslaven, doorgaans Mar ons genoemd.

Engeland, Nederland en Frankrijk hebben sedert de 17' eeuw in Guyana gekoloniseerd. Engeland bezit thans de helft, de kolonie Berbice; de Nederlandsche kolonie Suriname en de Fransche Cayenne nemen samen de andere helft in.

Deze koloniën bestaan bijna uitsluitend van den plantagebouw; uit den aard der zaak zijn de plantages in het ongezonde, heete gedeelte van het land (waarom?); de afschaffing der slavernij had gebrek aan werkkrachten ten gevolge, waarin men tracht te voorzien door den aanvoer van Britsch-Indische koelies.

Britsch-Guyana verkeert verreweg in den gunstigsten toestand; Suriname gaat gelukkig vooruit; aanmoediging van de immigratie, bijzonder die van Indische koelies, schijnt hierbij de groote zaak.

Hoofdproduct van uitvoer is de suiker, daarnaast de cacao; zeer goed kunnen katoen en koffie worden aangebouwd, wat vroeger echter meer dan tegenwoordig gebeurde.

De rijke wouden en de stellig aanwezige delfstoffen zijn nog zoo goed als niet geëxploiteerd. Cayenne heeft goudwasscherijen, welke eene bepaald vrij aanzienlijke hoeveelheid goud aan de markt brengen; die in Suriname zijn mede niet zonder beteekenis (jaarlijksche uitvoer ter waarde van ±: ƒ1.400.000).

ocr page 276

210

Hoofdsteden: Georgetown, Paramaribo en Cayenne. Sedert korten tijd is ook Paramaribo gelukkig door een rechtstreekschen stoom-bootdienst met het moederland verbonden (Kon. West-Indische Maildienst te Amsterdam; dienst om de drie weken).

Op eene oppervlakte van 8400 Q G. M., dus slechts iets minder dan b.v. Frankrijk, tellen de drie kolonies samen slechts 400.000 inwoners, waarvan Berbice 3/4 heeft.

Het Eur. element is sterk vertegenwoordigd in vergelijking met Oost-Indie, daarom ook spreken we hier, in West-Indië, van koloniën. Negers vormen echter het talrijkst bestanddeel. Verder de reeds genoemde koelies, de Indianen en de Marons.

Engelsch is de gebruikelijke taal.

§ 127. Ecuador, Peru, Bolivia, Chili.

Deze republieken nemen, met het reeds behandelde Columbia, het Andes-gebied van Zuid-Amerika in. De bodem bestaat vooreerst uit de hooge, trotsche Andes, waar zich talrijke nog werkende vulkanen verheffen; uitbarstingen en aardbevingen richten dikwijls hunne verwoestingen aan. Verder de hoogvlakten, waar vooral de steden liggen; eindelijk de lengtedalen, in 't bijzonder in Peru, door welke de lange bronrivieren der Amazone stroomen.

Bij dezen verticalen vorm en in verband met de breedte, waarop deze landen liggen, is het duidelijk, dat wij er elk klimaat en de voortbrengselen van elke luchtstreek kunnen verwachten; van de tropische kusten en de dichte wouden op de hellingen der Andes, tot de gematigde hoogvlakten en de met sneeuw bedekte toppen.

Over eene lengte van meer dan IOOO uren gaans liggen deze staten aan de Pacifieke zijde van het werelddeel, hebben daar hunne havens, doch zouden voor de ontwikkeling van het handelsverkeer bijzonder gebaat zijn door goede verbindingswegen met de landen aan de Oostzijde der Andes en dus met de Atlantische kust. Voor den aanleg van zulke wegen wordt trouwens veel gedaan, in 't bijzonder in Chili. Bovendien zijn scheepvaart en uitvoer van deze landen over den Grooten Oceaan niet onaanzienlijk en zouden bij geregelde politieke toestanden en behoorlijke ontwikkeling der rijke hulpbronnen, die de natuur hier aanbiedt, stellig nog veel belangrijker zijn. Chili staat in deze opzichten verre bovenaan.

Ook in ethnologischen zin vormt dit Westelijk Zuid-Amerika een gebied, dat van het Oostelijke zeer verschilt: zagen wij bij Brazilië, Guyana, Venezuela, dat daar het zwarte element in de bevolking zeer overweegt, hier ontbreekt het bijna geheel; daarentegen zijn

ocr page 277

271

hier de Indianen van beteekenis naast de Creolen en vooral de ge-mengden van deze beide rassen.

Die Indianen en kleurlingen zijn wel grootendeels gezeten, maar zij zijn indolent en dit is mede voor deze landen eene groote ramp.

Dat in Chili het blanke element verreweg overwegend is, geeft dan ook al weder eene van de verklaringen, waardoor, gelijk boven gezegd, deze staat zich 't meest in vooruitgang mag verheugen.

Ecuador; de kleinste, minst bevolkte en minst belangrijke onder de Westelijke vrijstaten.

De handel kan zich moeilijk ontwikkelen , daar de plateaus in de Andes slechts weinig in gemeenschap staan zoowel met het Amazonegebied als met de kust.

De hoofdstad is Quito; de beste haven Guayaquil. Quito ligt 2800 M. hoog op een plateau, aan den voet van een dubbel zoo hoogen vulkaan.

Geen deel van Amerika heeft, gelijk Ecuador, zulke hooge bergtoppen en in zoo groot getal; nergens hebben de Andes schooner natuur dan juist hier onder den evenaar. De Chimborazo gold lang voor de hoogste berg der aarde en , moet hij in dit opzicht ook onderdoen voor de Himalaya-toppen, hij is zeker een der mooiste kegelbergen , die door natuuronderzoekers ooit zijn aangetroffen. In de eerste jaren van deze eeuw, toen de tijd van wetenschappelijke ontdekkingsreizen eerst pas was aangebroken, deed hier in het tropische Amerika de later zoo beroemde Alexander von Humboldt zijne onderzoekingen.

Ecuador is het vaderland van den kinaboom, die van hier o.a. naar Engelsch en Nedl. Oost-Indië werd overgebracht. Thans komt uit Ecuador bijna geen kina meer in den handel; cacao is het eenige, waarvan de uitvoer wat beteekent.

Peru. Voor geen der Amerikaansche landen is wellicht de tegenstelling tusschen de geschiedenis en den hedendaagschen maatschap-pelijken en politieken toestand grooter dan voor Peru. Toen Pizarro er kwam vond hij een bloeiend rijk; later was het de goudmijn voor de Spaansche kroon; in de 19e eeuw getuigt alles er van verval.

Zilver, goud, kwik, koper zijn nog heden uitvoerartikelen. Daarbij is gekomen en heeft eene belangrijke plaats ingenomen de guano; deze wordt sedert jaren op tal van eilandjes vóór de kust verzameld.

Van groote beteekenis is in de Andes van Z.-Amerika in 't algemeen, maar in Peru in 't bijzonder, de lama; onmisbaar lastdfer in de bergstreken en tevens fijne wolsoorten, als alpaca, voor den uitvoer gevend.

Een deel van de kustprovincies is volkomen geschikt voor den

ocr page 278

373

aanplant van suikerriet, katoen, rijst; maar werkkrachten ontbreken, en dat is hier, gelijk op zooveel plaatsen van Z.-Amerika, het groote ongeluk.

Zuidwaarts wordt het kustgebied hoe langer hoe drooger, de bos-schen maken plaats voor steppen, die ten slotte in eene doodsche woestijn overgaan: de Atamaca. In 't gezicht van den Oceaan, de grootste watermassa der aarde, valt hier over eene uitgestrektheid (Noord-Zuid) van een paar honderd uren gaans, zelden eene regenbui : de windrichting is uit 't Oosten, zoodat de Oostelijke hellingen der Andes alles krijgen en hier de bergstroomen ontstaan, die in de vlakten zich tot groote stroomstelsels ontwikkelen.

Toch kreeg dit woeste kustgebied in de laatste jaren groote be-teekenis: rijke salpeterbeddingen gingen de aandacht trekken , zeeschepen uit verre landen werpen thans het anker uit in de eertijds eenzame havenplaatsen (zie de kaart).

De oude hoofdstad der Inca's, „Zonen van de Zonquot;, was Cuzco. Kunstwegen van bewonderenswaardigen aanleg verbonden reeds in dien vroegeren tijd de hoogvlakte met de kust. Die wegen waren aangelegd over eene veel grootere hoogte dan de trotsche Alpenwegen in Europa.

Thans verbinden eenige spoorwegen , meesterstukken van bouwkunst, de steden van de hoogvlakte met de havens; tot vergelijking kan deze opgave dienen :

Hoogste punt van den hoogsten Alpenspoorweg in Europa (Brenner)

bijna 1400 M. ruim 2500 „ ruim 2500 M. » 4500 »

Pacific-baan (Unie)

Vera Cruz-Mexico Twee spoorwegen in Peru

De laatste overschrijden dus den kam der Andes op eene hoogte, die bijna gelijk is aan die van den Mt.-Blanc.

Aan de ontwikkeling van Peru zou zeker de uitbreiding van de stoombootvaart op de groote bovenrivieren van het Amazone-gebied ook zeer ten bate komen.

Lima, reeds door Pizarro gesticht, behoort tot de schoonste steden van Z.-Amerika. De ligging is gunstig, het klimaat gezond; met Callao, de haven, is het per spoor verbonden.

Onder de talrijke mijnplaatsen is Cerro de Pasco 't belangrijkst.

Bolivia. Bolivia verloor zijn kustgebied aan Peru en Chili, een verliés dubbel groot, nu deze kuststreken in de laatste jaren zeer belangrijk zijn geworden door zilvermijnen en salpeterbeddingen.

ocr page 279

273

De producten der bergwerken, in 't bijzonder koper en zilver, zijn ook in dit land de hoofdzaak; de rijkste mijnwerken liggen bij Potosi. De toestanden in Bolivia zijn echter treurig; revolutie is op revolutie gevolgd, de twee millioen inwoners, waarvan de grootste helft Indianen en kleurlingen, missen alle geestkracht. La Paz is de tegenwoordige hoofdstad.

In de Andes is ook hier wat veeteelt, maar goede Alpenweiden ontbreken; ook de plantengroei geeft geen rijke producten, kina is het belangrijkste.

Chili. Geene der Z.-Amerikaansche republieken heeft zich sedert de vrijverklaring beter ontwikkeld en heeft van meer geregelden politieken toestand genoten dan Chili; toch werd ook dit land in de laatste jaren door een langdurigen burgeroorlog geteisterd.

De kolonisatie in Chili is aanzienlijk. Het land bezit een rijkdom van producten uit de drie natuurrijken; delfstoffen, koper, zilver, goud, zwavel, evenals de andere landen; maar bovendien, dank zij het heerlijke, zachte en vochtige klimaat, een weelderigen plantengroei; granen, vruchten en wijn; ook de veeteelt is belangrijk.

In de Zuidelijke provinciën wonen nog de krachtige Araucanièrs, die onder de wilde Indiaansche stammen van Zuid-Amerika het hoogst staan.

De handelsbetrekkingen van Chili met Europa nemen steeds toe; de aanzienlijkste havenstad is Valparaiso, met San-Francisco de belangrijkste haven aan de Westzijde van Amerika; geregelde stoombootverbinding o. a. met Liverpool.

Santiago (200) is de bloeiende hoofdstad en behoort tot de schoonste en welvarendste steden van Amerika.

Valdivia, Conception e. a. zijn levendige havenstadjes.

§ 128. De La Plata-Staten.

Deze landen bestaan vooreerst uit de groote vlakten van de Paraguay en van de Parana; verder uit heuvellanden en voorgebergten van de Andes. In de onmetelijke Pampas is veeteelt het groote middel van bestaan. Ontzaglijke kudden van paarden, runderen en schapen weiden hier; diersoorten eerst in de l6c eeuw ingevoerd, maar in deze onbewoonde streken zoo snel vermenigvuldigd.

De veehoeders der steppen, de ruwe Gaucho's, zijn afstammelingen van Indianen en Spanjaarden. In el Gran Chaco, „het groote jachtveldquot;, ongeveer half zoo groot als Duitschland, wonen nauwlijks 10 menschen op l □ G. M.

Aitton, Beknopt Leerboek, 3e druk. 18

ocr page 280

274

Voor den handel op Europa hebben deze landen beteekenis door den overvloed van ruwe producten, die zij kunnen uitvoeren: wol en huiden zijn hoofdzaak, ook vleesch in verschillenden vorm; werden vroeger alleen de beste deelen gekookt en in bussen verzonden, tegenwoordig tracht men 't vleesch door bevriezing versch te houden en in dien toestand in opzettelijk daartoe ingerichte schepen naar Europa over te brengen.

Fijne wol levert de inheemsche alpaca, terwijl eindelijk ook de struisvogel tegenwoordig in Argentina op groote schaal wordt geteeld.

De landbouw staat bij de veeteelt in belang ver achter; toch liggen aan den Oostvoet der Cordillera's zeer vruchtbare gronden. Dat deze juist hier liggen staat in verband met de regenverdeeling (verticale vorm en windrichting).

Het klimaat in Argentina is — in verband met de uitgestrektheid, van Vuurland tot Bolivia — zeer verschillend; vooral echter is de wanngematigde luchtstreek heerschend. Is het Noorden geschikt voor suikerriet, het Zuiden kan tarwe, maïs, suikerbieten leveren; alle wijn- en ooftsoorten gedijen uitstekend.

Rijke beddingen van goud, zilver, koper, steenkolen wachten op ontginning; doch overal wordt gebrek aan werkkrachten gevoeld. De immigratie is in de laatste jaren aanzienlijk; over het algemeen is de landverhuizing naar Argentina uit Zuid-Europa, in 't bijzonder uit Italië, veel sterker dan uit Noord-Europa. Verder bestaat de bevolking uit de bovengenoemde Gaucho's en uit Indianenstammen (Pam-pas-Indianen). Evenals in de staten aan de Westkust komen hier bijna geen „Zwartenquot; voor. Het cijfer der bevolking is in de verste verte niet geëvenredigd aan de grootte dezer landen.

Buenos Ayres (500), levendige handelsstad, waarmee het binnenland reeds door spoorwegen is verbonden; stoomvaartlijnen verbinden het met Liverpool, Antwerpen, St.-Nazaire, Bordeaux, Hamburg enz. Cordova, T stad des lands en met eene universiteit.

De Argentijnsche regeering heeft in de laatste jaren veel gedaan op het gebied van havenwerken, spoorwegaanleg, onderwijs enz.

Montevideo , aan den ingang van den breeden La Plata-mond, is de hoofdstad van üraguay; het heeft gunstiger ligging dan Buenos Ayres en is dan ook het hoofdstation van de transatlantische stoomschepen. Ook hier bestaat de bevolking vooral uit Italianen en Spanjaarden.

Te Fray Bentos zijn o. a. de groote inrichtingen van Liebig tot bereiding van vleeschextract en andere vleescharlikelen.

gt;1 ii-f;

Paraguay. Deze republiek — met Bolivia de eenige Zuid-Ame-rikaansche staat, die niet aan zee grenst — is de ongelukkigste van

ocr page 281

275

alle Z.-Amerikaansche staten, ofschoon de bodem door vruchtbaarheid uitmunt. Het land werd door de regeering altijd in de strengste afgeslotenheid gehouden en later werd een langdurige oorlog gevöerd tegen Brazilië en Argentina.

Op eene oppervlakte eenige malen zoo groot als Nederland wonen nauwlijks zooveel menschen als in Amsterdam.

In de laatste jaren zijn tengevolge van immigratie de toestanden wat beter geworden. Hoofdstad is Asuncion. , v

Tot Argentina wordt ook gerekend Paiagonië ten O. der Andes, een land bijna zoo groot als geheel Scandinavië, doch grootendeels uit kale rotswoestijnen bestaande en bewoond door enkele rondzwervende Indianen en eenige Amerikaansche struisvogels. Den naam „Patagoniers , d. i. „grootvoeten'', kregen de bewoners van de zeelieden van Magelhaens (zie blz. 2), die 't eerst kennis met hen maakten; zij wikkelen beenen en voeten in vellen van wilde dieren, die in 't zand geweldige voetstappen achterlaten.

De eilanden-groepen, waarin 't Zuidelijk uiteinde van Amerika overgaat , waren mede geen gunstig oord voor de ontwikkeling van volken, hoe groot ook in sommige punten de overeenkomst met de Scandinavische wereld bij Europa is. Ondanks de lage breedte vertoonen zij meer 't karakter der pool-wereld; geen bosschen of weiden als in Scandinavië, slechts met mossen bedekt. De talrijke zeestraten zijn rijk aan klippen , bedriegelijke inhammen , vooral gevaarlijk voor zeilschepen , een wonderlijke doolhof van diepe rotskloven, waar 't peillood geen grond vindt en waar groote zeevaartkennis en veel zeemanschap vereischt worden om den weg te vinden. Hier was 't, dat Magelhaens op den 27 Nov. 1519, na langer dan eene maand in 't gevaarlijke vaarwater te hebben doorgebracht, aan een der uitgangen den onmetelijken Oceaan vóór zich zag liggen. Bewoners had hij in deze streken niet gezien; alleen had men aan de linkerzijde 's nachts vuren zien branden, waaraan het land den naam van Vuurland („Tierra del Fuegoquot;) dankt.

18*

ocr page 282

276

O o o

Milwaukee. Buffalo. Montreal.

Fig. 36. Vergelijkend overzicht — naar't bevolkingscijfer — van eenige Amerikaansche steden (naast Londen en Nederland).

ocr page 283

ZEVENDE HOOFDSTUK.

AUSTRALIË en POLYNESIË.

§ 129. Ontdekking. In denzelfden tijd, dat Amerika werd ontdekt en Portugeezen, Spanjaarden, Hollanders en Engelschen wedijverden in hunne verre tochten, werd ook Australië het eerst gezien. Het bestaan van het werelddeel werd reeds in de oudheid vermoed en de geleerden noemden het „Terra Australisquot;, waarmede zij een groot „Zuidlandquot; bedoelden, en dat zich zou uitstrekken tot over den Zuidpoolcirkel, evenals de oude wereld ver naar het N. reikt.

Was Amerika 60 jaar na de ontdekking reeds in verscheidene dealen bekend, met Australië ging het geheel anders. Wel hebben Portugeezen en Spanjaarden eene menigte eilanden in den Grooten Oceaan ontdekt, wel hebben de Hollanders in den bloeitijd der O.-I. Compagnie den omtrek van Nieuw-Holland gezien, waaraan namen als De Wittsland, Arnhemsland, Nieuw-Zeeland , van Diemensland , Tasmania enz. herinneren, maar van kolonisatie was geen sprake; Amerika en Indië waren toen alles, Australië beschouwde men als zonder waarde, zonder goud of andere schatten.

Eerst 2 eeuwen later, toen de Gr. Oceaan zelf wat meer werd bevaren, maakte men ook beter kennis met Nieuw-Holland ; de stoot hiertoe werd gegeven door de l' reis van Cook, in 1768 (op last van de Eng. regeering, ter waarneming van een voorbijgang van de planeet Venus langs de zon, welk verschijnsel zich van tijd tot tijd herhaalt en geschikte gelegenheid aanbiedt, tot het doen van astronomische metingen en berekeningen).

Ongeveer in dienzelfden tijd verplaatste zich ook de walvischvangst van de kanten van Groenland en Spitsbergen naar de zijde der Zuidelijke IJszeeën.

Niet lang duurde het, of de eerste Europeanen zetten voor goed den voet op den bodem van Australië, aanvankelijk alleen gedeporteerden, spoedig ook vrije kolonisten.

De ontdekking der uitgestrekte weidegronden, daarna die van de rijke goudmijnen, waren hoofdgebeurtenissen in de geschiedenis van Australië en geven de verklaring van de verbazend snelle opkomst van de Z.O. landen van dit werelddeel.

ocr page 284

278

De ontdekking der binnenlanden vorderde niet snel; er bestond langen tijd verschil van gevoelen over de natuur van het land; volgens velen zou het één uitgestrekte woestenij zijn, wat men reeds daaruit afleidde, dat de uit het binnenland komende winden overal droog en warm zijn. Voor een groot deel heeft zich dit gevoelen bevestigd. De Australische woestijnen worden gekenmerkt door dicht, doornachtig struikgewas, dat de kolonisten scrub noemen, en einde-looze vlakten met harde stekelige grassoorten, spinifex. Jongere ontdekkingen spreken dit ten minste voor vele streken tegen.

De iquot; reis dwars door Australië was die van Stuart in 1862, van het Z. naar het N. Langs den door hem gevolgden weg, de Stuart-route, ligt thans eene telegraaflijn van Adelaide naar Port-Darwin. (Adelaide sluit aan bij het telegraafnet van Z.O.-Australië en Nieuw-Zeeland, terwijl Port-Darwin door een kabel is verbonden met Oost-Java en aldus met Batavia, Singapore e. v.)

Stuart is door eenige reizigers, vooral Engelschen en Duitschers, gevolgd, maar de reizigers in Australië hebben met groote gevaren te worstelen cn van de zijde der inboorlingen èn door het bijna volslagen gebrek aan water.

§ 130. Natuurlijke gesteldheid. Australië heeft, evenals Afrika, eene uiterst geringe kustontwikkeling (fig. 13); geene of weinige diep indringende zeeboezems.

De Oostkust is de belangrijkste en van deze weer de Zuidelijke helft; hier liggen talrijke goede havens, van Botany-bay (bij Sidney), waar James Cook landde , af tot aan Port-Adelaïde toe. Langs de N. helft der Oostkust en overal in de Torresstraat is de zee vol koraalrotsen en de kust moeilijk te naderen {Groot-Barriere-rif ) \ de scheepvaart is in die streek gevaarlijk en daarom is op een eilandje in de straat eene voorraadschuur opgericht voor schipbreukelingen (het onbewoonde „Dinsdag-eilandquot;).

De Z. en W. kusten van Australië zijn eveneens veel minder geschikt dan de kust van Adelaide tot Sidney ; langs sommige gedeelten zijn zij laag en zandig, langs andere zijn klippen ; het beste is nog het Z.W.

In N.-Australië is de belangrijkste haven Port-Darwin.

De gebergten van Australië bereiken geene groote hoogte. Zij verheffen zich vooral in het Z.O., een groot voordeel voor de daar liggende landen , omdat de zeewinden aldus tot opstijgen worden gedwongen en dit deel van het werelddeel dus voldoende regens heeft, wat met de andere deelen niet het geval is.

De hoogste verheffingen zijn in de Australische Alpen en in de Blauwe Bergen, maar ook deze zijn , met uitzondering van enkele

ocr page 285

279

toppen, als de Mt. Kosciuszko (ruim 2000 M.), tot bovenaan begroeid.

Als Liverpool- en Nieuw-Engeland-ketens zetten deze gebergten zich langs de Oostkust voort en aldus heeft het werelddeel een groot scheidingsgebergte tusschen het betrekkelijk kleine gekoloniseerde kustgebied en het groote overige gedeelte. Juist deze kustlanden met hunne goede havens en hun heerlijk klimaat, deze bergen met hun rijkdom aan delfstoffen en hunne goede weiden zijn het gedeelte, dat de Europeanen tot zich heeft getrokken , terwijl nog heden ten dage in de binnenlanden slechts de weinige inboorlingen rondzwerven.

Wat de natuur in Australië betreft, gelden verder nog de volgende opmerkingen: in het N. is het klimaat tropisch; zoo is bij Kaap York de gemiddelde jaartemperatuur gemeten als 25° C., terwijl zij voor Z.O.-Australië 11 a 12° bedraagt (Batavia 26°; Utrecht 10°).

Is N.-Australië dus Indisch, het Z.O. kan met Italië , het Kaapland , Californië of Chili worden vergeleken.

De regenhoeveelheid is in Australië over het algemeen gering; in 't N. veel geringer dan in Insulinde, gelijk trouwens de Indische Archipel uit een Indisch en een Australisch gedeelte bestaat, waarvan het onderscheid o.a. voortkomt uit het verschil in klimaat.

Z.O.-Australië heeft, gelijk boven reeds gezegd, voldoende besproeiing ; hier valt regen in alle jaargetijden ; vooral echter in zomer en herfst.

Het groote binnenland van Australië is regenarm ; de zeewinden , in 't bijzonder de Z.O.-passaat, die het meest waait, hebben hunne vochtigheid reeds afgegeven, vóór zij de binnenlanden bereiken.

In verband met het karakter van Australië's natuur is het werelddeel arm aan groote rivieren; de aanzienlijkste is de Murray en zelfs deze is niet gedurende het gansche jaar voor stoomschepen bevaarbaar ; onder de zijrivieren is de Darling langer dan de Murray zelf.

Aan de Oostelijke kust zijn, wat gemakkelijk verklaarbaar is, talrijke kleine, waterrijke rivieren.

De meeste rivieren van de binnenlanden hebben het karakter van kreeken, rivierbeddingen , die soms tot geweldige stroomen aanleiding geven, doordat de waterafvoer zoo slecht is geregeld; vele loopen dood in groote poelen en meren.

Van de groote meren , die men op de kaart van Australië ziet en welke meest naar reizigers den naam dragen , zijn vele rijk aan zout en ook is in de streek, waar zij liggen, de bodem met zout doortrokken.

Planten en dieren. Toen de Europeanen in Australië kwamen , waren V,0 van de plantensoorten hun vreemd. Behalve door dit

ocr page 286

280

oorspronkelijk karakter is de flora ook gekenmerkt door armoedigheid en eenvormigheid; voedingsgewassen waren er bijna niet.

Australische typen zijn; acasias, eucalypten ofgomboomen, casna-rinen; verder de zoogenaamde woud-savannes, waar de hoornen verspreid groeien, terwijl de bodem met gras is bedekt, streken dus, die goede weidegronden aanbieden en den kolonisten het voorttrekken gemakkelijk maakten , in dezelfde mate als het boven reeds genoemde spinifex en scrub hunne grootste vijanden waren.

Evenzoo was de dierenwereld door haar bijzonder karakter gekenmerkt ; buideldieren, w.o. de kangoeroe, die in kudden voorkomt en voor de jacht van belang is; de dingo , een Australische wilde hond, lastig voor de schapenkudden; de emeu of Australische struisvogel; zwarte zwanen , paradijsvogels, papegaaien, liervogels enz.

Een geheele omkeer is echter ingetreden; schapen, rundvee, paarden , nauwelijks ingevoerd , vormden in hun nieuw vaderland spoedig den rijkdom der kolonisten ; veeteelt is in Australië het hoofdmiddel van bestaan geworden (er zijn thans 20-maal zooveel schapen als menschen).

Koren- en ooftsoorten , zuidvruchten, wijnen zijn met uitstekend gevolg ingevoerd. In Queensland legt men zich toe op den aanbouw van katoen en suikerriet.

§ 131. Het geheele vastland is Britsch, doch de regeering in het moederland benoemt alleen de Gouverneurs en houdt toezicht op de wetgeving, die overigens bij de koloniën zelf berust; in elk gouvernement is een zelfgekozen parlement. Slechts in enkele gevallen, b.v. in de betrekkingen tot het buitenland, treedt de regeering van het moederland wetgevend op.

I. Nieuw-Zuid-Wales, hoofdstad Sydney.

II. Victoria, „ Melbourne.

III. Queensland, „ Brisbane.

IV. Zuid-Australia, „ Adelaide.

V. West-Australië, „ Perth.

De beide eerste zijn verreweg het belangrijkst; daar liggen de weidegronden en de goudvelden, daar zijn de steenkool- en metaal-mijnen , en daarheen was sedert omstreeks 1850 de groote stroom der landverhuizers gericht. Zij hebben de ontelbare kudden van schapen, runderen en paarden.

Victoria is 7-maal zoo groot als Nederland , Nieuw-Zuid-Wales is nog veel grooter.

Melbourne (500) en Sydney (400) zijn wereldmarkten voor wol

ocr page 287

281

en goud; zij zijn de middelpunten van de talrijke stoomvaartlijnen die Australië thans reeds met Engeland, Marseille, Indiö, China, Japan en Amerika verbinden; zij hebben geheel het karakter, de inrichting van onze groepte Europeesche steden en zagen reeds eene wereldtentoonstelling.

Newcastle is de belangrijkste haven voor steenkolen; het ligt in het mijngebied; Ballarat in Victoria en Bathurst in Nw.-Z.-Wales liggen bij de goudvelden en hebben de belangrijkste bergwerken en wasscherijen. Spoorwegen verbinden de woldistricten en de mijnge-bieden met de kust.

Queensland, 3-maal zoo groot als heel Duitschland, is tropisch; de plantagebouw van katoen en suikerriet neemt toe en ook Chinee-zen en Indiërs komen hier aan. Van uit deze kolonie zijn pogingen gedaan om Nieuw-Guinea te koloniseeren , maar zonder gevolgen. Ook de mijnbouw in Queensland is van beteekenis. Hoofdstad is Brisbane.

In Z-Australië zijn landbouw en ooft- en wijnbouw hoofdmiddel van bestaan; ook liggen er weidedistricten. Voorts heeft deze kolonie koper-mijnen, misschien de rijkste der wereld. De hoofdstad, Adelaide, heeft eene uitstekende haven. In deze kolonie wonen betrekkelijk veel Duitschers.

Australië's binnenlanden zijn nog volstrekt niet gekoloniseerd; daar zwerven nog de laatste Australiërs, bijna volkomen zonder middelen van bestaan.

Ook Noord-Australië is nog bijna geheel zonder menschen; er zijn enkele nederzettingen, w. o. Port-Darwin.

West-Australië. Dit gouvernement neemt de geheele, kleinere Westelijke helft van het vasteland in. Slechts enkele □ mijlen zijn in dit onmetelijk gebied gekoloniseerd; het aantal inwoners is onbeduidend en bestaat nog grootendeels uit gedeporteerden. Perth (6.000 inw.) is zonder beteekenis. Albany, station der mailstoombooten.

Tasmania beslaat eene oppervlakte van 2 x Nederland. In een vroeger geologisch tijdperk was het met het vastland verbonden; planten, dieren en menschen had het met Australië zelf gemeen, menschen nu niet meer, want hier zijn de inboorlingen reeds geheel uitgestorven, of liever voor de vervolging bezweken. De Bass-straat is ondiep en vol eilandjes en klippen.

Onder de havenplaatsjes van Tasmania, die hun ontstaan aan de walvischvaarders danken, is Hobarttown het belangrijkst en kan thans als vrij aanzienlijke stad (40.000 inw.) gelden, met uitvoer van wol.

ocr page 288

282

Het eiland bevat belangrijke mijnen van tin, ijzer, koper; ook goud-wasscherijen.

Australië's oorspronkelijke bewoners staan op veel lageren trap dan Papoea's, Maleiers of Afrikaansche negers. Zij zijn met bijzondere snelheid in aantal afgenomen en vertoonen zich maar zelden meer in de buurt der door Europeanen bewoonde districten.

De tegenwoordige bevolking van 't werelddeel, naar hare sterkteverhouding, blijkt uit de onderstaande figuren;

Fig. 38. Bevolking van Nieuw-Zeeland.

Fig. 39. Melanesië.

ocr page 289

283

§ 132. Nieuw-Zeeland is bijna even groot ais Groot-Brittanje en Ierland; de beide groote eilanden worden onderscheiden als Noordeiland en Zuid-eiland; een derde, veel kleiner, is het Stewart-eiland.

Met de Britsche eilanden ligt Nieuw-Zeeland bijna antipodisch. (In hoeverre is dit niet volkomen het geval?)

De vorm van den bodem herinnert aan de Alpen in Europa: vooral het Zuid-eiland is rijk aan gletschers, Alpenmeren, bergstroo-men; daar zijn uitstekende weiden. Het Noord-eiland is van vulkanische natuur: hooge vuurspuwende bergen, warme springbronnen (geysers), als op IJsland,

Het klimaat is uitstekend, even Oceanisch als in Brittanje, maar met hooger temperatuur,

Nw.-Zeeland kan een rijkdom van voortbrengselen uit het dierenrijk en het plantenrijk opleveren. Ook bevat het Zuid-eiland goudvelden. De kolonisatie nam ten gevolge der ontdekking der laatste snel toe, maar tegenwoordig is de uitvoer van dierlijke en plantaardige producten reeds hoofdzaak: wol, vleesch, tarwe, vlas, hout.

De eerste kolonisatie is evenals bij Tasmania het gevolg geweest van de walvischvangst; spoedig ontstonden aan de goede havens van het Zuid-eiland nederzettingen; zendelingen volgden om onder de vatbare, krachtige inboorlingen werkzaam te zijn, en niet zonder goed gevolg.

De groote stroom der landverhuizers dagteekent echter eerst uit den laatsten tijd (1873); jaarlijks nam de bevolking wel met 40.000 toe, vooral op het Zuid-eiland (ook Chineezen, doch uitsluitend in de gouddistricten). Het cijfer der bevolking bedraagt thans ruim 600.000.

De inboorlingen zijn niet uitgestorven, doordat hun land bergachtig is en zij bovendien een zooveel beter ontwikkeld volk zijn dan de Australiërs. Hun naam is Maoris; zij behooren waarschijnlijk tot het zoo verbreide ras der Maleiers, wonen in kleine, meest versterkte dorpen en waren op groote schaal menscheneters; hun aantal, in verhouding tot de Europeanen, blijkt uit fig. 38.

De aanzienlijkste stad van Nw.-Z. is Auckland (60); de belangrijkste havens zijn Dunedin (50), in de nabijheid der gouddistricten (prov. Otago), Christ church, Wellington. De laatstgenoemde stad is de zetel van het gouvernement.

De eilanden, die van Nieuw-Guinea in het N. tot en met Nw.-Zeeland in het Z., in een wijden boog het Australisch vastland omgeven, worden wel samengevat als de binnen-Australische gordel.

Ook worden ze, Nieuw-Zeeland uitgezonderd, wel genoemd Mela-

ocr page 290

284

nesië („eilanden door zwarten bewoondquot;). De inboorlingen verschillen in ras van die der overige eilanden in den Gr. Oceaan. Men rekent hen tegenwoordig doorgaans tot het ras der Papoea's, dus ethnologisch tot Nieuw-Guinea.

De belangrijkste groep er onder zijn de Fidji-eilanden, ruim half zoo groot als Nederland; de bevolking wordt als bijzonder begaafd geschilderd; Engelsche zendelingen zijn er werkzaam en de eilanden zijn in naam Engelsch.

') »De handel der Fidji-eilanden neemt snel toe; immigranten komen van alle kanten; meer dan zestig zeil- of stoomschepen worden gebruikt voor de kustvaart langs of tusschcn de eilanden; rietsuiker is het hoofdproduct. Eene maandelijksche pakketvaart verbindt den Archipel met Australië en Nieuw-Zeeland; dank zij den onderzeeschen telegraafkabel zijn de nieuwstijdingen uit Europa, die in de Fidji-Times worden opgenomen, niet meer dan 8 dagen oud. Een vluchtig verblijf op deze eilanden is voldoende , om ons op nieuw te overtuigen van het zeldzaam talent, waarmede het Anglo-Saksische ras in weinige jaren ook zelfs volstrekt onbeschaafde landen weet te koloniseeren en te exploiteeren.

Viti-Levoe is het voornaamste eiland. Het midden van dit eiland wordt geheel ingenomen door bergen, wier indrukwekkende massa oprijst boven de omringende wouden en de met zoogenaamde brush overdekte vlakten. Men zou zich eene geheel verkeerde voorstelling maken van de wouden van Oceanic, indien men ze vergeleek met die van Amerika of Afrika: ondoordringbare wildernissen van hoog en laag geboomte, van kreupelhout en struikgewas, door verscheurende of giftige dieren bewoond en bezaaid met poelen en moerassen, die doodelijke uitwasemingen verspreiden. Op de eilandengroepen van den Stillen Oceaan vertoont de natuur een geheel ander karakter: zij mist dat geweldige, dien overstelpenden rijkdom van altijd nieuw leven, die voor onze verbeelding haast iets pijnlijks heeft. Op de Fidji-eilanden herinneren de bos-schen aan die van Europa: zij bevatten prachtige boomen, maar daar is ruimte tusschen de stammen; in het bosch vindt ge open plekken; heldere beekjes wandelen er tusschen het groen ; de heerlijke geuren van oranje- en citroen-boomen doorademen de lucht; bevallige lianen slingeren zich om stammen en takken.

De zoogenaamde brush levert daarentegen een ernstig beletsel op, niet alleen voor de reizigers, die 't binnenland willen bezoeken, maar ook voor de planters, die den grond moeten ontginnen. Zij vormt eene schier ondoordringbare massa van doornige struiken, van kreupelhout, van doode stammen, van gras en hoog opgeschoten kruiden, van wortels, die zich om uw beenen slingeren en waarvan ge u slechts met behulp van uw bijl of uw jachtmes kunt bevrijden.

De inboorlingen van de Fidji-eilanden behooren tot het ras der Papoea's; zij zijn van slanke, rijzige gestalte; tatoeeeren zich of, omdat de figuren op de zwarte huid minder goed uitkomen, branden zich verschillende figuren in; de krijgslieden hebben daarbij de gewoonte, zich voorhoofd en wangen met roet te besmeren, om er toch maar schrikwekkend uit te zien; zij zijn

') Aarde en haar Volken, -1888,

ocr page 291

285

gewapend met den onmisbaren knods van ijzer-hout. De kleeding is zoo eenvoudig mogelijk, geweven uit vezels van boomschors; jongelieden tooien zich bovendien met een gordel van gedroogd zeegras en met een witten tulband met lange franje omzoomd. Hoofdbestanddeel van de voeding is eene soort van brei van de vruchten van den broodboom, vermengd met kokosmelk; bovendien varkensvleesch en vooral ook visch, die in overvloed langs de kusten wordt aangetroffen.quot;

Nieuiv-Caledonia is Fransch en werd in 1871 gebruikt als verbanningsoord voor de communards, maar de regeering in Frankrijk heeft hen, na verleende amnestie, in de laatste jaren geleidelijk weer teruggehaald.

Nieuw-Guinea, grooter nog dan Borneo en Madagaskar, heeft eene oppervlakte van l % X Duitschland.

Vóór de kusten liggen talrijke groepen van kleine eilanden, deels vulkanisch, meer aan de Indische zijde, deels koraalvorming, vooral in het Oosten en Zuiden.

In 't begin der 17c eeuw door Hollanders ontdekt, wordt de Westelijke helft nog altijd als Nederlandsch gebied beschouwd; vóór de 19' eeuw zijn nooit ernstige pogingen gedaan tot onderzoek, veel minder tot kolonisatie; in de eerste helft dezer eeuw werd door de zorg der Indische regeering een fort gebouwd, du Bus (naar den toenmaligen bewindhebber), en ontstond eene nederzetting; maar reeds in 1836 moest deze poging tot kolonisatie worden opgegeven, daar het klimaat aan de lage, moerassige kust in de hoogste mate ongezond is. Nu, in onze dagen, komt Nw.-Guinea dikwijls ter sprake; herhaalde reizen zijn gedaan, om in de zoo gebrekkige kennis van het groote land te voorzien, maar de reizigers leeren in de binnenlanden de inboorlingen als zeer gevaarlijk kennen en de rivieren zijn slechts over een kort gedeelte, van de monding af, bevaarbaar.

Die binnenlanden hebben, in tegenstelling van Australië's vastland, een weelderigen plantengroei, dichte wouden van rhizophoren, palmen (sago, areca, e. a.), pandanen en andere tropische boomsoorten; de natuur zou den kolonisten vooral aanplant van suikerriet en katoen mogelijk maken; de handelsbetrekkingen, die nu reeds bestaan tus-schen onze Moluksche eilanden en enkele kustpunten, zijn alleen voor notemuskaat van belang.

De dierenwereld is arm aan nuttige soorten; kenmerkend zijn de paradijsvogels en papegaaien in vele soorten; de buideldieren, echter in soort weer verschillende met die van Australië.

De Papoea s worden, o. a. door Wallace, den bekenden Engelschen

ocr page 292

286

natuur-onderzoeker in Nederlandsch Oost-Indie, beoordeeld als met gunstigen aanleg, maar zij zijn veel minder dan de volken van Ma-leisch ras met vreemden in aanraking gekomen en staan daardoor thans bij dezen ver achter. Een deel der bevolking van Nw.-Guinea woont in kustdorpen in paalwoningen; zij zijn zeer ruw, en van invloed van het Christendom is bij hen nog weinig sprake.

In 1885 is 't O. deel van Nieuw-Guinea door 't Duitsche rijk in bezit genomen als „Keizer-Wilhelms-land.'' Evenzoo de voor de O.-kust liggende eilandengroepen van Nieuw-Brittanje, als „Bismarck-Archipel.quot;

Polynesië.

§ 133. Onder dezen naam vat men de menigte eilandengroepen samen, die over eene ontzaglijk groote ruimte verspreid zijn, tusschen Amerika aan de eene zijde en Melanesic en Micronesië aan den anderen kant. Zij liggen hoofdzakelijk tusschen de keerkringen.

Deels zijn ze van vulkanische natuur, deels het werk van koraal-dieren; de eerste hebben door hare aanzienlijker hoogte het voordeel van meer wind te vangen, worden daardoor beter met regen bedeeld en zijn van weelderiger plantengroei voorzien. De hooge temperatuur wordt door de heerschende passaten en den invloed der zee gema-

Een atol.

tigd, en aldus verheugen vele eilanden zich niet alleen in een eeuwigen zomer, maar is deze tevens altijd aangenaam, niet drukkend.

De koraal-eilanden, atollen, liggen maar even boven de oppervlakte van den Oceaan: slechts een smal strand trotseert eene

ocr page 293

387

eeuwigdurende branding en de naaste omtrek is onveilig door een doolhof van klippen. De meeste zijn onbewoond en de zeeman vermijdt de nabijheid zooveel mogelijk. Eentonig is de natuur op deze eilanden; een ring van koraalrotsen omgeeft eene lagune; soms bedraagt de omtrek verscheidene uren gaans, bij eene breedte, die vaak slechts enkele, zelden meer dan een paar honderd meters is. De kokospalm is de voornaamste, zoo niet de eenige boomsoort; over alle eilanden verbreid, is hij voor de bewoners van het grootste nut. Op de hoogere en grootere eilanden zijn vreemde cultuurgewassen ingevoerd.

Opvallend is het, dat zoowel bij de planten- als bij de dierenwereld het aantal soorten in deze eilandenwereld afneemt in de richting van West naar Oost. Maar in onze dagen worden de voor den mensch nuttige dieren en planten met groote snelheid overal overgebracht ; zoo komen paarden en rundvee tegenwoordig reeds op vele eilanden voor.

De bewoners zijn nog weer onderscheiden van Australiërs, zoowel als van Papoea's. Vrij algemeen rekent men hen tot het Maleische ras en duidt hen aan met den naam van Malayo-Polynesiërs. Wel bestaat er nog groot onderscheid, vooral in lichaamsbouw, tusschen de bewoners van de eene groep en die van de andere, maar en in taal èn in zeden toonen zij toch overeenkomst met elkaar en met de Maleische volken van Z.O.-Azie, ja zelfs met die van Madagascar. Hoe dit ras zoo ver verbreid werd, is tot nu toe een ethnologisch raadsel.

Bij allen werd een groot aantal goden aangetroffen, zeker als gevolg van de gewoonte afgestorvenen onder de goden op te nemen ; aan allen gemeen is het verderfelijke taboe, een godsdienstige instelling , waardoor voorwerpen , waarop het taboe door den priester is toegepast, aan het algemeen gebruik werden onttrokken ; dit gebruik moest natuurlijk tot erge misbruiken aanleiding geven.

Ook menschenoffers kwamen veelvuldig voor. Maar reeds sedert het begin dezer eeuw zijn zendelingen opgetreden en verrassend snel is op vele der eilanden het Christendom aangenomen.

Zoowel in den bouw van woningen als gereedschappen toonen de Polynesiërs groote kunstvaardigheid , maar vooral komt deze uit bij hunne vaartuigen.

In naam zijn reeds vele der eilandengroepen in bezit genomen door de Engelschen , Franschen , Amerikanen , terwijl ook de Duitschers in den Grooten Oceaan beginnen op te treden. Toch is het aantal blanken, die zich tot nu hebben nedergezet, zeer gering. De sterkte der Polynesische bevolking berust op schatting van de zijde van de

ocr page 294

288

zendelingen en schijnt ±: '4 millioen te bedragen. Fig. 40 stelt de bevolking voor op dezelfde schaal als zulks met die van Melanesië, Nw.-Zeeland en Australië gedaan is.

Vele der eilandengroepen zijn geheel onbewoond en hebben slechts als voorraadschuren van guano eenige beteekenis.

De belangrijkste groep van geheel Polynesië is die der SandzvicJi-eilanden. Hier heeft de inheenische bevolking zich tot een staat geconstitueerd , die naar Europeesch model is ingericht. De ligging der groep is bijzonder belangrijk ; in het midden van den Oceaan, als een station voor de vaart tusschen de groote havensteden van Oost-Azië , Amerika's Westkust en Z.O,-Australië.

Op welke breedte liggen deze eilanden f

Stellig geeft die belangrijke ligging mede de verklaring van het feit, dat geene der zeevarende mogendheden de Sandwichs in bezit heeft durven nemen.

De naam Sandwic/i-a.rchipe\ is in 1778 door Cook gegeven ter eere van Lord S. van de Britsche admiraliteit; „Archipel van Hawdiquot; is de ofiïciëele en inheemsche naam. Er zijn 8 eilandjes , waarvan Hawaï 't grootst is; 3 bergreuzen, hooger dan de Mt.-Blanc en met eeuwige sneeuw , verheffen zich hier; zij zijn vulkanisch en nog in 1868 bouwde de Kilauea bij eene uitbarsting door zijne lavastroomen een voorgebergte in zee ter lengte van 1 uur gaans en ter hoogte van ruim 150 Meter. Wouden en vooral weiden bedekken de bergen; in de dalen zijn suikerplantages; cocos, pandaan, oranje en andere boomen der warme luchtstreken tieren uitmuntend.

De gezamenlijke grootte der eilandjes bedraagt ruim de helft van Nederland. De bevolking, ±; 100.000 zielen, bestaat voor de helft uit inboorlingen van Maleisch-Polynesischen oorsprong; deze noemen zich Kanaken („menschen'); zij zijn zeer vatbaar voor ontwikkeling. De hoofdstad is Honoloeloe, eene levendige haven, station van talrijke stoomschepen, eene stad op Europeesche wijze ingericht en waar talrijke Amerikaansche en Europeesche handelshuizen zijn gevestigd.

Onder de vele groepen noemen wij verder nog den Gezelschaps-Archipel, die Fransch is, met Tahiti; de .SVwwöa-eilanden en de 7ö«^«-groep, onafhankelijk. In al deze streken zijn reeds verscheiden kolonisten gevestigd: Franschen, Chineezen, Amerikanen, Engelschen, Duitschers.

ocr page 295

INHOUD.

Paf;.

Hoofdstuk I. Enkele hoofdzaken uit de Wiskun

dige Aardrijkskunde..........1—10.

II. Enkele hoofdzaken uit de Natuurkundige Aardrijkskunde .... 10—40.

III. Europa..........40 — 151.

IV. Afrika..........151 — 187.

V. Azië......................187 — 229.

VI. Amerika....................229 — 277.

VII. Australië en Polynesië .... 277 — 288.

ocr page 296

Uitgave van P. NÜORDHOFF tc Groningen.

D. AITTO N,

BEKNOPT LEERBOEK DER AARDRIJKSKUNDE.

Met in den tekst geplaatste graphische voorstellingen.

xjeride DRXTK;.

Prijs f 1,30.

BEOORDEELINGEN.

„De Redactie van S. en S. verzocht me, bovenstaand werk tc beoor-deelen. Gaarne voldoe ik aan dat verzoek, omdat me bij het doorlezen gebleken is, dat er veel in het werk te prijzen valt. Ik zal dat nader aanwijzen.

Mijne conclusie is, dat het werk voor schoolgebruik zeer moet aanbevolen worden.quot;

{School cn Studie.) J. j. Ten Have.

„Men beweert wel eens, dat de schrijflust in onze dagen langzamerhand zoo groot is geworden , dat men geneigd zou zijn, van eene schrijfmachine te spreken. Hoe dikwijls zal het niet voorkomen, dat een leeraar, die geen vrede heeft met de voor zijn vak bestaande leerboeken, fluks het besluit neemt, zelf er een te schrijven. Ziedaar naar mijn inzien eene der redenen, waarom de markt tegenwoordig overvoerd wordt, zoodat het dikwijls moeilijk valt eene keuze te doen. Zoo dacht ik, toen ik bovengenoemd werkje, dat mij ter beoordeeling werd toegezonden, vluchtig doorliep. Bij eene meer aandachtige beschouwing bleek mij echter, dat de heer Aitton geen nutteloo-zen arbeid heeft verricht. „Dit leerboekjequot;, zegt hij in de voorrede, „houdt het midden tusschen de nieuwe opvatting, waarbij aan het natuurkundig element eene alles beheerschende plaats wordt ingeruimd, en de oudere methode, waarbij eene namengeographie hoofdzaak was,quot;

Druk en papier zijn goed, en 't groot aantal figuren, meerendeels zeer duidelijk, kunnen strekken om de leerstof gemakkelijk tot het eigendom van den leerling te maken. Aan de wiskundige Aardrijkskunde werden 10, aan de natuurkundige 30 bladzijden besteed. De stijl is onderhoudend en bevattelijk.

Ik aarzel niet te erkennen, dat het boekje door rekening te houden met de nieuwste inzichten, voor zoover een klein bestek het toelaat, door alles, wat belangrijk mag heeten, ook wat land- en volkenkunde betreft, aan te stippen , en vooral door 't verschaffen van juiste inzichten met behulp van oorspronkelijke grafische voorstellingen . ruimschoots aanbeveling verdient. Moge spoedig een tweede, verbeterde druk noodig zijn!quot;

Brielle. Dr. R. Sinia.

ocr page 297

■•■, . • i a; • • • •

'-■y N 's ' - ■ ■ -r-^ .. ., ; v ■ • -'. -i

Vquot;, . ,'. ]:■ ^ . V •■..

-■ - 1 ' s quot; , Vlf. - ^ ■ ■»■

ïquot; vtji - • «.■«; • ' • «9

^ V • - ■ - ; • : v' /■ ■ .'1

■ • ./• :-a ■• ■ - -.•■-■ • -'v *■'

_ ■■- ' gt;■ • . quot; V - , - quot; ; ■'. , • • '/J

■ j. —1 ■ -quot;■ ./ i-r.-s: . . , - - gt;. f , ■ -/V- 'I

: • ■ ^ j' j, VI

■ ■ ;?■ ; ■■ ' I

.■■■■ .v /V. ■ ,.i;

' t 'quot;.frï ■'quot;■•: '•■ V 'f ■ quot; - ••■ ■ HV/. ■ -■ v.^.. • -Ai- r- • ' .■•■' gt;• v ; 'U

. v, ■ s • ■ •' ■ - ' - •, r ■' quot; j|

ocr page 298

■i: ■ - ' vv . ;A ' , . -. -r - ff%

. ' j. : V-'- | '

.-:v.-■ ^ i.. I

ocr page 299
ocr page 300