BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
-iiiix;â,,-.:____j,'_____
niimiiaaniiiTi tti i
3088 821 2
Onderofficieren en Korporaals
DER
CAVALERIE en ARTILLERIE
DOOK
A. A. DB MAN,
Pnnnletuivls bij de, Koiiinldijlce MUilnire Academie,
TK BREDA,
TRU STOOM URUKKERtJ VAN GKIiRquot;. OUKOOI'
VOOR REKENING VAN IIR
/
HANDLEIDING
KONINKIJJKK MIIjITAIRU ACADEMIU 1 8 0 0.
BIBLIOTHEEK DIERGENEESKUNDE UTRECHT
. . .... ....... .......... â â â ^ m â
â quot;ï: quot;â¢'Sii â ......5?-......ai| .. w-
gt; â
,
9''t
I
VOORREDE
De inhoud van dit bueLje is iu liu.Jdziuik ontleend aan de âHandleiding tot de Pn ndenkennis vooi- de Cadetten der Cavalerie en Artillerie, door W. C. Schimmelquot;, welke ik bij mijn onderwijn (i(in de Cudetten heb leeren waavdeeven» Niet lt;dleen vevoovloofde de heer Schimmel mij, bij de samenstelliny van deze llnndleidinj, van zijn werk gebruik to utukeii, hij bood mij zijne medewerking dan.
Gaarne bi eiuj ik hem daarvoor ook op deze plaats mijn dank.
H A. DK MAN
HuKiia , April IH89.
IN110 U D.
| |||||||||||||||||||||||||||||||||
|
1880, biz. '280 en volg.) | |||||||||||||||||||||||||||||||||
â ïv*! 1
â .....................
â â â
â
,lgt;'4. '5' '''â â â !'}:4^, 4tógt;- â¢
.
â¢â .:â .â â - â rt«: â â â .v- â .....â â â¢. â ......-........................⢠- '
... , . ........ â . â ⢠â . . . â¢â â â 'â â â ' ⢠â â â â â â .â .
K.W., gt;gt;-â .gt;â¢
N â :â â ^â gt;iV.â ;â :!-
EERSTE AFDEELING.
GERAAMTE, GEWRICHTEN EN SPIEREN.
^ i. IJ et gkiiaa mtk (figuur i). (') l)it vormt den beenignn steun van het lichaam. Door een denkbeeldig overlangsch mid-delvlak wordt liet in twee gelijke zijhelften, een linker en een rechter, gescheiden. Alle beenderen, die niet door dit vlak worden gesneden, zijn dubbel aanwezig (gepaaid); die, welke door het vlak wel worden gesneden, zijn enkel (ongepaard), maar bestaan uit twee gelijke helften.
liet geraamte wordt verdeeld in 4 afdeelingen ; het hoofd, do romp, de voorbeenen en de achlerbeenen.
§ '2. Het hooid (/). Hieraan onderscheidt men: een schedd-(jedeelte (yt) en een aangezichtsgedeelte {B).
De beenderen, waaruit het schedelgedeelte is samengesteld, vormen den wand eener holte, waarin de hersenen zijn gelegen, de schedel- of hersenholte. Hieraan merkt men op: het kniimnt-steelcsel (A, 11), de bovenste punt van het hoofd; de tjehoorjany {A , h), waaraan het oor bevestigd is; en de ooghooy {A, c), die boven het oog is gelegen.
(1) Omtrent de volgende tusschen linakjos geplaatste cijfers en leMers zij verwezen naar fignur 1.
1
2
Aan liet aangezichtsgedeelte {B) neemt men waar: fle oogholte {B, a), die het oog bevat; de jukhoog {B,b) en de kaakboord (B, lt;:); het nensuitsteeksel (Bgt;, d); de hovenkaakheenderm, waarin de bovenkiezen (/J, è), de hovenhaaktanden {B, f) en de bovensnijtanden {B, g) in eigen holten (tandkassen) zijn bevestigd; de neusholte (B, A), die omgeven is door de neus- en de bovenkaakbeenderen, en door de gehemeltebeenderen van de mondholte (5) wordt gescheiden; en de onderkaak {B'), waarvan in het vooreinde de ondersnijtanden {B',i) en de onderhaaktanden {B',k) zijn ingeplant; terw'yl zich in de onderkaaktakkén {li', 11) de onderkiezen (7J', ui) bevinden. Klke tak buigt zich achter de kiezen met een afgeronden hoek, de kaakronding {B1, n) naar boven om en vormt aldaar met een gedeelte van den schedel het kaakgewricht {B', 0).
De beenranden tusschen de baaktanden en de kiezen heeten, zoowel in de boven- als in de onderkaak, de tussvhentandranden (p]gt;). Tusschen de beide kaken ligt de mondholte {q).
ij 3. De romp (//) bestaat uit de ruggegraat of wervelkolom, de ribben met het borstbeen en het bekken.
De ruggegraat wordt gevormd door eene rij van 51â54 achter elkander verbonden wervelen, die men onderscheidt in: halsmervelcn (C), rugwervelen (D) (waarvan de 10â12 voorste schoftwervelen heelen), lendenwervelen (E), kruiswervelen {F) en staartwervelen {G). Het halsgedeelte van de ruggegraat is S-vormig gebogen; het rug-en lendengedeelte is meer of minder gewelfd.
De wervelen zijn ongepaarde beenderen, die in het midden van voren naar achteren doorboord zijn, zoodat zij tot ruggegraat vereenigd, gezamenlijk een doorloopend kanaal, het ruggemergkanaal, vormen. Zij zijn voor- en achterwaarts aan elkaar verbonden, zoodanig, dat tusschen elke twee wervels (behalve tusschen den len en 2nquot;) slechts weinig beweging mogelijk is, terwijl over een grooter gedeelte van de ruggegraat eene meer of minder aanmerkelijke buiging in verschillende richtingen kan plaats hebben.
De halswervelen (C) zijn zeven in getal. De eerste wordt de atlas (1) genoemd ; deze bezit twee breede zijranden, de vleugels (1.«), en neemt van voren in twee zijdelingsche verdiepingen twee bolle uitsteeksels van het hoofd op, waardoor het hoojd- of nekge-ivricht wordt gevormd. In dit gewricht wordt het hoofd voornamelijk op en neer, maar ook eenigszins zijdelings bewogen.
De tweede halswervel heet de draaier (C,2), omdat hij naar voren eindigt in een tand- of spilvormig uitsteeksel, waar de atlas
3
en daarmede het geheele hoofd om draait als om eene spil; hot eenige spil- of draaigewvicht (') (C, 2«).
De overige halswervelen (C, 3â7) zijn door gewrichten aan elkaar verbonden.
De nekhand verbindt den schedel en de halswervelen aan de schoftuitsteeksels der voorste rugwervelen.
De rug- of horstwervelen (D) zijn 18 in getal; zij bezitten van boven elk een doornvormig uitsteeksel (/), re), Het 'lstcâIS11quot; van deze uitsteeksels zijn de langste, vormen den beenigen grondslag van de schoft en heeten schoftuitsteeksels.
De leiidenwervelen {E) zij n G in getal. Zij bezitten van boven doornvonnige uitsteeksels (/lt;/',«) en, aan weerszijden, elk een lang dwars uitsteeksel {E, b).
De kruiswervelen {F), 5 in getal, zijn bij het volwassen paard samengegroeid tot één geheel, liet kruis- of heiligbeen, dat van boven doornvormige uitsteeksels {F, n) bezit, en door banden, benevens door een vlak gewricht, het kruisgewricht, aan weerszijden van zijn breed vooreinde, verbonden is met het bekken (TVl, 2 en 3) en de dwarse uitsteeksels van den laatsten lendenwervel. (J)
De staartwervelen (O) zijn 15â18 in getal. De eerste A zijn in hun midden hol, de overige zijn langwerpige, rolronde beentjes..
De ribben (11), aan elke zijde eveneens 18 in getal, zijn van boven aan de rugwervelen verbonden. Zij eindigen naar beneden in de ribkraakbeenderen {11, a), die wat de eerste 8 of de ware ribben betreft, elk met het borstbeen (IJ') verbonden zijn, doch wat de laatste '10 of de vcdsche ribben aangaat, onderling zijn vereenigd.
Het borstbeen {11') is een langwerpig been, dat tusschen de ware ribkraakbeenderen ligt en naar voren in een sterk vooruitstekend stuk kraakbeen, het snnvelvormig uitsteeksel {11', b), eindigt.
De ribben vormen met de borstwervelen en het borstbeen de borstkas {II, J) en Jl').
Het bekken (iV) bestaat uit het darm- of heupbeen (.V, 1), het zitbeen {N, '2) en het schaambeen {N, 3), die bij het volwassen paard onderling vergroeid zijn.
(1) Zie omtrent deze en volgende namen van gewricliten §0.
(2) Het kruisgewricht laat van nature slechts weinig eweging toe; door oefening echter, waarbij het paard sterk op de achterhand wordt gebracht, gelijk bij den galop, kan zich hierin eene vrij groote beweeglijkheid ontwikkelen. Dit is vooral ook voor den sprong van belang.
4
Aan het darmbeen neemt men waar: den inwendigen darm-beenshoeh (l, a) en den idtwendigen darmbeenshoek of heupbiobbel (1, b), en aan liet zitbeen; den zitbeenshiobbel ('2, d), die naar achteren in de bil uitsteekt. Daar, waar de drie bekkenbeenderen samenkomen, vindt men de he up kom (l,^, die het dljbeens-hoofd bevat. Een sterke vliezige band, de breede bekkenband, is ter zijde tusschen het darmbeen, liet kruisbeen, de eerste staart-wervelen en het zitbeen uitgespannen, waardoor het bekken tot een kanaal {de bekkenholle) wordt.
4. De vooubeenen (///). Aan een voorbeen onderscheidt
men:
Het schouderblad (/), dat in schuinsche richting van achteren naar voren en onderen tegen de voorste ribben ligt en door spieren met den romp is verbonden ('). Het is een plat been, dat van boven door het schouderkraakbeen (/,«) wordt verlengd. Op de buitenvlakte daarvan bevindt zich de schouderbladskam (/, b), terwijl men aan het ondereinde den schouderbladsknobbel (/, c) en daarachter de schoudorbladskom waarneemt.
Het opperarmbeen (A'), dat juist in tegenovergestelde richting van het schouderblad is gelegen en evenzoo door spieren met den romp is verbonden. Het bezit aan zijn boveneinde het gewrichts-lioot'd, dat met de schouderbladskom een komgewricht, het schouder- of' boeggewricht (A', a) vormt, en aan het ondereinde eene gewrichtsvlakte tot vorming van een volkomen scharniergewricht, het ellebooggewricht (L, a), met het onderarmbeen en elleboogbeen.
Het onderarmbeen (A, 1) is samengegroeid met het ellebuogbeen {L, '2); beide stuan loodrecht. Aan het laatste been vindt men den elleboog knobbel (A, '2, b). Het ondereinde van het onderarmbeen heeft eene gewrichtsvlakte tot vorming van een volkomen scharniergewricht met de bovenste rij handwortelbeenderen.
De handwortelbeenderen (M, Dj, ook voorkniebeenderen genoemd, zijn 8 kleine beenderen, die in '2 rijen, elk van 4 beentjes, zijn gelegen, in de bovenste rij ligt aan de buitenzijde het naar achteren uitstekende haakbeentje (a).
De '2 rijen beenderen en de beenderen van dezelfde rij onderling, zijn verbonden door strakke gewrichten.
(1) Hel acliouJerblad mankt bij liet gimii eoiie up- en neergaande beweging, en wel te sterker, imarniate de gang ruimer ia. Die beweging langs de ribben mag nimmer worden belemmerd, gelijk duur een te ver naar voren gelegen zadel zou kunnen geschieden.
Het pijpheen {M, h) en de aan de achtervlakto daarvan, aan weerszijden, gelegen griffelbeenderen {M, 5 en 5') zijn aan luin boveneinde door een strak gewricht verbonden met de onderste rij handwortelbeenderen. Aan het ondereinde loopen de grifl'el-beenderen uit in een knopje {a en a') en heeft het pijpbeen eene gewrichtsvlakte tot vorming van een volkomen scharnior-gewricht met de 2 peesheentjes of sesamheentjes (M, G) en het hootbeen (M, 7). Dit gewricht heet het Icootgeufricht of het kogelgewricht fa).
Het kootbeen {M, 7) heeft aan zijn ondereinde eene gewrichtsvlakte tot vorming van een volkomen scliarniergewricht, liet kroongewricht (b).
Het kroonbeen {M, 8) is aan zijn ondereinde verbonden door een volkomen scharniergewricht, het hoef gewricht (c), met het hoef been (71/, 0) en het straal- of spoelheentjc (^/,10).
^ 5. Dr ACHTERnEKNEN (TV). Aan een achterbeen onderscheidt men:
Het dijbeen (0,4), aan welks boveneinde zich het dijheenshoofd bevindt, dat met de heupkom een kogelgewricht, het dij- of heupgewricht (4, a) vormt. Het bezit drie beenuitsteeksels, draaiers {b, c en d) genoemd. Het ondereinde heeft van voren eene katrolvormige vlakte, waartegen de knieschijf (0,5) ligt en van achteren twee groote, ronde knokkels (4, c).
Het groote schenkelheen (P, 6) heeft op zijne voorvlakte een sterken kam ((), a). Het kleine schenkelbeen (P, 7) is tegen de buitenzijde van het groote schenkelbeen bevestigd. Het ondereinde van het dijbeen vormt met het boveneinde van het groote schenkelbeen en de knieschijf een onvolkomen scharniergewricht, het kniegewricht (6, //).
Het spronggewricht bestaat uit zes beenderen, die in drie rijen zijn gelegen; in de bovenste rij bevinden zich het hielbeen (0,9) en het katrolbeen (Q, 8), die met het ondereinde van bet groote schenkelbeen een volkomen scharniergewricht vormen. De sprong-gewrichtsbeenderen vormen onderling strakke gewrichten, evenals de onderste rij daarvan met de boveneinden van het pijpbeen en de griffelbeenderen.
Het pijpbeen (il) met de gviffelheenderen (12, 12'), de sesam-beentjes (13), het kootbeen (14), het kroonbeen (15), het hoef been (10) en het straalheentje (17), alsmede de door deze beenderen gevormde gewrichten: het kootgewricht (a), het kroongewricht {!gt;) en
6
liet hoefgoiuricht (lt;â ) komen overeen met de gelyknamige onder-deelen van het voorbeen.
§ ('». Dk gewrichten. De genoemde beenderen zijn of' vast of beweeglijk met elkander verbonden, lleci'l liet laatste plaats, dan noemt men die vereeniging een gewricht. Ue beenuiteinden, die daarbij met elkander in aanraking komen, de gewrkhtsvlaklen, zijn glad, met een dun laagje kraakbeen bekleed, zoodat de beweging gemakkelijk kan geseliieden. Zij zijn verbonden door een stevigen koker, den beursband, die van den omtrek van het eene naar dien van het andere beenniteinde loopt en de holte, tusschen beide, de gewrichtuholte, luchtdicht afsluit. Binnen deze holte vindt men liet goivriuhts- of lidvocht, waardoor do gewrichts-vlakten steeds glibberig blijven. Behalve door den beursband zijn de beenuiteinden, die een gewricht vormen, bijna altijd aan elkaar verbonden door streng- of koordvormige handen.
Men kan de gewrichten, naar den vorm der beenuiteinden en de vv'yze, waarop deze tegen elkander kunnen worden bewogen, in de volgende soorten onderscheiden:
1°. Het kom- of kogelgewricht, waarbij een kogelvormig of lialfkogelvormig uiteinde (gewrichtshoo/U) van het eene been in eene komvormige verdieping (gewrichtskum) van het andere is gelegen. Zulk een gewricht laat beweging toe in alle richtingen. Voorbeelden zijn: het schoudergewricht en het heupgewricht.
2U. Het volkomen scharniergewricht, waarbij de meer of minder katrolvormige beenuiteinden volkomen in elkander sluiten. Het laat bij wijze van een scharnier slechts beweging toe in twee richtingen, namelijk buigen en strekken. Daartoe behooren: het ellebooggewricht, het kootgewricht, het kroongewricht, het hoef-gewricht en het spronggewricht.
3°. Het onvolkomoii scharniergewricht, waarbij de beenuiteinden slechts onvolkomen in elkander sluiten, zoodat dit gewricht behalve buigen en strekken, ook eenige zijdelingsche beweging toelaat. Hiertoe behooren: het kaakgewricht, het nekgewricht, het voorkniegewricht en het achterkniegewricht.
4°. Het draai- of spilgewricht, waarbij een spilvormig uitsteeksel in eene holte draait, zooals enkel tusschen den eersten en tweeden halswervel voorkomt.
5°. Het vlakke, strakke of beperkte gewricht, waarbij twee vlakke beenuiteinden slechts zeer weinig over elkander kunnen glijden, zooals het geval is tusschen de platte beenderen van den
7
handwortel en het spronggewricht, tusschen de wervelen, met uitzondering van het juist genoemde draai- of spiigewricht, en in het kruisgewricht.
§ 7. De spieren en hare wekking. Onder spieren verstaat men de roode deelen van liet lichaam, die in liet dagelijksch leven als vleesch bekend zijn. Zij bestaan uit vezelen, spiervezelen genaamd, die, tot kleinere of grootere bundels vereenigd, de spieren vormen.
Zij zijn uitgespannen tusschen de beenderen van het geraamte en hieraan bevestigd door pezen of peesvliezen, die zich door hunne witte kleur onderscheiden. De pezen en peesvliezen zijn niet uitrekbaar noch veerkrachtig; zij zijn zeer innig met de beenderen verbonden.
Naar den vorm onderscheidt men de spieren in groote, kleine, dikke, dunne, lange, korte, ronde, kringspieren, enz. De laatste bevinden zich rondom de natuurlijke openingen, bijv. de kringspier van de lippen, van de oogleden, van den aars, enz.
De spieren hebben het vermogen zicli te kunnen samentrekken of verkorten. Bij samentrekking van eene spier naderen de uiteinden elkander en zoodoende worden tie beenderen, waaraan die uiteinden zijn bevestigd, naar elkander toe bewogen. Trekt eene kringspier zich samen, dan wordt de opening, waar zij omheen is gelegen, verkleind of gesloten.
Bij verplaatsing of beweging van bet paard worden de beenderen bewogen door de spieren; daarom zegt men, dat beenderen en spieren samen den bewegingstoestel uitmaken.
De kracht van eene spier hangt af van het aantal spiervezelen; verder van de geoefendheid, de gevoedheid der spieren en tal van andere omstandigheden. Bij krachtige, goed gevoede paarden voelt men de spieren onder de huid hard en vast, terwijl deze bij krachtelooze dieren slap en week zijn.
TWEEDE AFDEELING.
UITWENDIGE PAARDENKENNIS.
ij 8. Men is gewoon het paard te verdeelen in: 1°. De voorhand of het voorstel,
'2quot;. De middelhand of hot lijf, en 3°. De achterhand of het achterstel.
Tot de voorhand behooren: het hoojd (lig. 2), de hals (fig. l2, nquot;. 19), de schoft (fig. 2, n0. 23), de borst (fig. 2, nquot;. 24) en do voorheenen (fig. 2).
Tot de middelhand: de rwj (fig. 2, nquot;. 37), do lenden (fig. 2, nquot;. 38), de ribben (fig. 2, nquot;. 39), de flanken (fig. 2, n0. 40), do liezen (fig. 2, nquot;. 41), de buik (fig. 2, n0. 42), bij de merrie do nier en bij den hengst de mannelijke goslachtsdoelon (fig. 2, n08. 43 en 44).
Tot do achterhand: het kruis (tig. 2, nquot;. 45), do heupen ([xg. 2, nquot;. 46), de staart (fig. 2, nquot;. 47), de aars (fig. 2, nquot;. 48), de kling, de dam en de achterbeenen (fig. 2).
I. DE VOORHAND.
^ 9. Hkt hoofd. Dit verschilt belangrijk in vorm naar den leeftijd, het geslacht, liet ras, enz. In dit opzicht zij gewezen op bet onderscheid van het hoofd bij een veulen (waarbij schedel en voorhoofd sterk, neus en mond echter weinig ontwikkeld zijn)
Fig, 3. ,Flg4.
VotKCmEN RAKSHOOFD. S Cit AAF SH OOFD .
Fig 5
Sncekshoop-d.
Fig, 6,
Varkenshoofd.
n
on een volwassen paard, eone tnerric en een hengst, een rijpaard en een trekpaard.
Voor een rijpaard wenscht men het hoofd droog, licht, van voren breed en ter zijde, vooral wat de achtcrkaak betreft, smal; het moet recht of een weinig ingebogen zijn en aan de 2gt;nnt van den neus rechthoekig in de bovenlip overgaan. Droog noemt men liet hoofd, evenals trouwens elk ander lichaamsdeel, indien het is bedekt met eene fijne huid, welke op de onderliggende deelen als geplakt schijnt en deze laat doorschijnen.
^ lO. Verschillende hoofdvormen. Hoofdzakelijk naar de richting van de lijn, die van de kruin van het hoofd over het voorhoofd en den neus gaat, de profiellijn, onderscheidt men:
1°. Het rechte hoofd (lig. '2). De profiellijn is daarbij nagenoeg recht en gaat bijna rechthoekig in de bovenlip over; het voorhoofd en de neus zijn breed en recht, de neusgaten wijd en voorop geplaatst. Deze hoofdvorm is de fraaiste, vooral wanneer daarmede gepaard gaan een levendig oorenspel, groote oogen, beweeglijke neusgaten en lippen, smalle kaken en eene wijde keelgang.
2°. Het halve ramshoofd. De profiellijn loopt van de kruin tot het midden van den neus bijna recht en gaat dan zacht gewelfd in de bovenlip over. Dit is de meest algetneene hoofdvorm; hij komt zoowel bij edele als meer gemeene paarden voor.
3quot;. Het volkomen ramshoofd (lig. 3). De profiellijn beschrijft een meer of minder grooten boog; hiermede gaan gewoonlijk gepaard een smal voorhoofd, kleine oogen, breede kaken en eene nauwe keelgang. Men ziet dit hoofd niet gaarne.
4°. Het schaapshoofd (lig. 4). De profiellijn is ook hierbij gebogen, het sterkst aan het voorhoofd, dat tevens breed is; hierdoor komen de ver naar buiten staande oogen eenigszins ter zijde van het hoofd te liggen en krijgt het paard een dom uiterlijk.
5°. Het snoekshoofd (fig. 5). De profiellijn is langs den neus ingebogen, het voorhoofd breed, de neusgaten wijd en voorop geplaatst, de kaken breed en de keelgang wijd. Niet zelden treft men het aan bij paarden met den rijpaardvorm.
(5°. Het varkenshoofd (fig. G). De profiellijn komt met die van het vorige overeen; het hoofd is echter zwaar, met groote, laag aangezette ooren, breed en plat voorhoofd, kleine, diepliggende oogen, zware, breede kaken, nauwe keelgang, opgetrokken
10
mond en Idcine, ter zijde van liet hoofd liggende neusgaten. Deze vorm is liet meest aan trekpaarden eigen en daarvoor ook zeer geschikt.
7°. liet wigvormige hoofd (fig. 7). Dit is van ter zijde gezien van boven breed en loopt naar onderen spits toe, zoodat het den vorm eenei' wig heeft; de kaken zijn breed en zwaar, de neus en de lippen fijn. Men ziet dit hoofd niet gaarne.
8quot;. liet ossen- of stierenhoofd. Dij eene nagenoeg rechte profiellijn is dit hoofd zwaar, grof van beenderen, met kleine oogen, breeden neus, mond en kin, kleine neusgaten cn zware kaken. Tiet komt bij zware trekpaarden voor.
9quot;. liet rhinoceroshoofd (lig. 8) is op het midden van den neus ingedrukt, terwijl diens ondereinde gezwollen en naar boven gericht is.
10°. Het oudwyvenhoofd. Dit kan door ouderdom uit alle hoofdvormen ontstaan. Het is gerekt, schraal, met diepe oog-kuilen, ingevallen oogen, magere kaken, slappe lippen en dikwijls afhangende achterlip en ooren; boven de oogen en aan den neus zijn de haren grijs.
Tusschen deze vormen komen onderscheidene overgangen voor.
§ 11. Men onderscheidt aan het hoofd: den nek, de kruin, den maantop, de ooren, het voorhoofd, de slapen, do slaapgrooven, de oogbogen, de oogen mot de oogleden, do kakon, de ivanyen, hot aangezicht , den neus, do neusgaten, de lippen, de mondspleet, de mondholte, de kin en de keelgang.
Deze zullen achtereenvolgens worden beschouwd.
§ 12. Den nek (lig. '2, nü. 17) noemt men de vereeniging van het hoofd met den bovenrand van den hals. Het kruinbeen en de eerste halswervel maken daarvan den beenigen grondslag uit. Van zijne gesteldheid hangt voor een groot deel de houding van liet hoofd af.
Hij moet lang en bijna horizontaal zijn, zoodanig dat de vereeniging van het hoogste gedeelte van den hals met de kruin eone slechts weinig naar voren ophopende lijn vormt (lig. '2, n0. 17). Het hoofd wordt dan meestal goed gedragen.
Een korte nek (fig. 9) is gewoonlijk tevens sterk naar voren oploopend; terwijl er geen geleidelijke overgang (keeluitsnijding) bestaat tusschen den onderrand van den hals en de keelgang. Hierdoor komt de kruin van het hoofd bijna loodrecht boven het hoogste punt der keeluitsnijding te liggen, hetgeen ten gevolge
Fig 9.
Hertenhals. tb hoog aangezet hoofd
Zwanenhals
te
HOOFD.
% 10.
LAAG AANGEZET
11
heeft, dat liet paard geneigd is den neus in den wind to steken, waardoor rug en achterhand veel te lijden hebben.
In liet omgekeerde geval, waarbij dus de lijn, die het hoogste gedeelte van den hals met de kruin vereenigt, naar voren eu naar beneden loopt (lig. '10), toumt het paard cjemakkelijk te veel bij.
liij kribbebijters en windzuigers zijn de haren op den nek dikwijls wit of afgeschaafd, wat het gevolg is van den vast aan-gehaalden keelband, dien men tot bestrijding dezer kwade gewoonte beeft aangewend.
Door kneuzing van den nek ontwikkelt zich soms een gezwel, nekbuil of varent geheeten, dat tot hardnekkige listels aanleiding kan geven.
§ 13. ük KiiLTiN is het bovenste gedeelte van het hoofd; zij wordt bedekt door den niaantop en van ter zijde door de ooren begrensd.
^ 14. De maantop (lig. 2, n0. 1) is een bosje lange haren, dat op liet voorhoofd afhangt. Men ziet gaarne een lanjen maantop, welke uit fijne, zachte haren bestaat en naar beneden in eeno punt uit-loopt, liij den hengst is hij gewoonlijk zwaarder dan bij den ruin en de merrie.
§ '15. Dk OOREN (fig. 2, n0. 2) ivenscht men betrekkelijk lanj, smal, fijn gerand, met eene dunne, zachte huid en kort, glanzend haar bedekt; zij moeten rechtop worden gedragen, op behoorlijken afstand van elkander verwijderd staan en levendig worden bewogen.
Zeer kleine, afgeronde ooren noemt men muizenooreu; zeer lange en breede: ezelsooren; lange, smalle, te dicht bij elkander staande ooren, waarvan de punten naar binnen zijn gekeerd; hazenooren\ breede, dikke, zware, ver van elkander staande: koeooren; naar beneden en buiten afhangende: lobooren; terwijl men breede, ver van elkander en laag geplaatste ooren, die naar voren en beneden hangen, varkensouren noemt.
Door de beweging der ooren kan men eenigermate den toestand en het karakter van het paard beoordeelen. Gezonde ca vroolyke paarden hebben een levendig oorenspel, terwijl slaperige en trage de ooren bijna niet bewegen; makke paarden wenden de ooren rustig naar vreemde voorwerpen, schrikachtige echter bewegen ze voortdurend voor- en achterwaarts; valsche paarden, die willen slaan of bijten, leggen de ooren in den nek, enz.
Doofheid komt bij het paard zelden voor; in den regel hoort het uiterst scherp en doet de soldaat in den oorlog dus goed zijn
12
paard, in dit opzicht, nauwkeurig gade te slaan en te leeren begrijpen.
Door ruwe behandeling kunnen de paarden oorenschuw worden, zoodat zij zich sleeiits met groote moeite laten opstangen.
§ 16. Het voomioorn (fig. 2, nü. 3) strekt zich uit van de kruin tot de binnenooghoeken en den neus en wordt zijdelings begrensd door de slapen, de slaapgroeven en de oogen. Het moet breed, vim boven eenigszins gewelfd, van onderen vlak zijn. Op liet midden van het voorhoofd vindt men een haarwervel, die bij donkere paarden soms wit gekleurd is en dan kol wordt genoemd.
Sï 17. De slapen (fig. 2, nquot;. 4) liggen Ier zijde van het voorhoofd boven de slaapgroeven. Men ziet niet gaarne, dat zij sterk uitsteken.
§ 18. De slaapgroeven of üovenoogkuilen (fig. 2, n0. 5) bevinden zich boven de oogbogen. Zij mogen slechts weinig verdiept zijn, daar anders het dier een oud uiterlijk beeft. De dek-haren worden hier, evenals op het voorhoofd en den neus, grijs, zoodra het paard ongeveer den 15-jarigen leeftijd heeft bereikt.
§ 19. De ooghogen zijn de harde, uitstekende deelen boven de oogen. Zij moeten fijn en zacht geweld zijn; in dit geval bezit het oog eene levendige en zachte uitdrukking. Bij grove, sterk uitstekende oogbogen liggen de oogen diep en heeft het paard een donkeren, valschen blik,
20. De oogen. Hieraan onderscheidt men: 1°. den oogbol, en 2°. de oogleden met de traanwerktuigen.
1°. De oogbol ligt in de oogholte en kan door talrijke spieren in alle richtingen worden bewogen. Hij wordt van achteren begrensd door een wit, hard vlies, het ondoorschijnend hoornvlies, terwijl de voorste, doorschijnende wand, het doorschijnend hoornvlies wordt geheeten. Onmiddellijk achter dit laatste bevindt zich het waterig oogvocht, terwijl de kleur van het oog bepaald wordt door het regenboogvlies, een bruin gekleurd deel, dat in het oog uitgespannen is en in het midden eene dwarse spleet, de pupil, bevat. In deze pupil ziet men de druif pitten-, dit zijn kleine, bruine verlengselen van het regenboogvlies, die vooral van den bovenrand der pupil uitgaan. Achter de pupil ligt de heldere kristallens, terwijl zich daarachter het glasvocht, het netvlies en het vaatvlies bevinden. De beide laatste vliezen bekleeden inwendig het ondoorschijnend hoornvlies. Het netvlies is de uitbreiding der gezichtszenuw, die aan de achterzijde in den oogbol treedt.
in
Bij het zien dringen de lichtstralen door het doorschijnend hoornvlies, het waterig oogvocht, de pupil, de lens en het glas-vocht, worden hierdoor op onderscheidene wijze gebroken en vormen op het netvlies een verkleind, omgekeerd beeld, op overeenkomstige wijze als dit in eene camera obscura, bijv. van een photograaf, plaats heeft. Zoodra het invallend licht te sterk is, vernauwt zich de pupil; in het omgekeerde geval verwijdt zij zich.
2quot;. De oogleden onderscheidt men in bovenste en onderste ooglid. Deze komen samen in den binnen- en buitamp;ioo(jhoek\ de ruimte tusschen hen noemt men de ooglidspleet. Op de randen der oogleden staan de oogharen, die aan het hovenooglid het meest ontwikkeld zijn. De lange, verspreid staande haren op het onderooglid zijn voelharen. De/.e beschutten het oog eenigermate, en mogen daarom niet worden verwijderd.
Inwendig zijn de oogleden bekleed met een lichtrood, steeds vochtig vlies, dat zich op den oogbol omslaat en bindvlies wordt genoemd.
In den binnenooghoek bevindt zich een met het bindvlies bekleed gedeelte, dat door het dier meer of minder ver over den oogbol kan worden geschoven en het wenkvlies heet.
.'iquot;. Be traanwerktuiyen bestaan vooreerst uit de traanklier, die boven het oog, nabij den buitenooghoek gelegen is. Deze scheidt hei traanvocht af, dat den oogbol bevochtigt, zich naar den binnenooghoek begeeft en van daar langs het traankanaal in den neus wordt afgevoerd. De ronde, zwart gekleurde verhevenheid inden binnenooghoek, traanheuvel genoemd, vormt eenigermate eene verzamelplaats voor de tranen. Bovendien bevinden zich in het bindvlies en aan de ooglidranden talrijke klieren, die slijm en eene vettige stof afscheiden, waarmede de uitwendige deelen van het oog worden ingehuld.
Bij het onderzoek der oogen moet men vooral letten op de volkomen helderheid en doorschijnendheid der deelen en op de beweging der pupil. Indien de laatste zich niet vernauwt bij sterk invallend licht of verwijdt in het omgekeerde geval, dan is het onderzochte oog vermoedelijk blind. De oorzaken voor gebrekkig zien of blindheid kunnen velerlei zijn; niet altijd zijn zij door uitwendige beschouwing te ontdekken. Troebelingen van het doorschijnend hoornvlies, het waterig oogvocht, de lens {cataract), enz. zijn gemakkelijk waarneembaar; ziekten van liet netvlies en het vaatvlies vorderen evenwel een nauwgezet onderzoek. Doch ook reeds door onregelmatige kromming van het doorschijnend hoorn-
u
vlies kan een gebrekkig zien en al/no schrikachtigheid van hot paard ontstaan.
In den blik van liet oog spiegelt zich de zielstoestand van het dier af. Men ziet gaarne een levendigen, vurigen blik, welke zich door eene wijd geopende ooglidspleet en beweeglijke oogen te kennen geeft. De oogleden moeten fijn en dun zijn. Zijn zij zoo dik, dat zij slechts weinig geopend kunnen worden, dan komt de oogbol diep te liggen en schijnt hij kleiner. Men spreekt dan van varkensoogen.
llingoogen noemt men de zoodanige, waarbij aan de grens tusschen het doorschijnende en ondoorschijnende hoornvlies geen bruin gedeelte aanwezig is; zulke paarden laten steeds, zooals men zegt, het wit van hun oogen zien. Voor het gezichtsvermogen is dit zonder invloed. Dit geldt evenzeer van de gladoogeu, waarbij het regenboogvlies voor een grooter of kleiner gedeelte licht gekleurd is, wegens het aldaar ontbreken der kleurstof. Bij afstammelingen van lichtkleurige paarden zijn zy niet zelden.
§ 21. De kaken (fig. 2, nos. 9 en 10) liggen boven de wangen, achter den kaak boord en de oogen en onder de slapen; zij worden voornamelijk gevormd door de bovenste verbreede gedeelten der achterkaak.
/)e kaken moeten fijn, smal en droog zijn. lireede, zware kaken staan leelijk en belemmeren het bijbrengen van het hoofd, vooral wanneer tevens de keelgang nauw is.
§ 22. De wanuen (fig. 2, nquot;. 7) liggen onder de kaken, boven de lippen en achter het aangezicht, i^fen ziet ze gaarne met eene fijne huid bedekt, zoodat de daaronder gelegen spieren en bloedvaten duidelijk zichtbaar zijn. Soms bespeurt men daaraan eene zwelling, veroorzaakt door het verzamelen van voedsel achter de kiezen {het maken van proppen), ten gevolge van eenig tand-l'yden, bijv. eene onregelmatige afslijting (zoogenaamde haken op de kiezen).
§ 23. Het aangezicht (lig. 2, nquot; 8) ligt onder de oogen, tusschen de wangen en den rug van den neus en strekt zich naar beneden tot aan de voorlip uit. Het moet zacht gewelfd en mager zijn en de onder de huid gelegen spieren en bloedvaten duidelijk doen doorschijnen.
De kaakboord behoort tot het aangezicht; deze is bij edele paarden fijn, smal en scherp geteekend.
§ 24. De neus (fig. 2, n0. 11) bevindt zich tussclien het voorhoofd en de voorlip; hij wordt aan weerszijden door het aangezicht begrensd. Het bovenste gedeelte van den neus heet de wortel, het middelste de rtuj en het onderste de punt.
Men vindt den neus fraai, wanneer hij recht, breed en droog is, en naar de punt toe langzamer hemd smaller ivordt.
§ 25. De neusgaten (lig. 2, nquot;. 12) moeten bij het paard, dot alleen door den neus kan ademen, groot zijn en als trechters op de voorvlakte van het hoofd geplaatst; zij moeten scherpe randen hebben, met eene fijne huid en zachte haren bedekt en zeer beweeglijk zijn. Het spel der neusgaten geeft eenigermate eene aanwijzing omtrent de geaardheid van het dier; bij het zien van vreemde voorwerpen is dit levendig en snuift of snuffelt liet paard tevens, dat wil zeggen, tracht liet ook door den reuk zich daarvan kennis te verschaffen. Afgescheiden hiervan moeten de neusgaten bij een in rust verkeerend paard niet merkbaar worden bewogen en na eenige lichaamsinspanning spoedig weer tot bedaren komen. Dit bewijst eene goede ademhaling.
Op de uitwendige vlakte van den neus, nabij de neusgaten, bevinden zich lange voelbaren, die evenals de in de neusholten uitstekende neusharen, tot beschutting dienen en dus niet kort mogen worden afgeknipt. De neusholten zijn bekleed met hot neusslijmviies, dat lichtrood en steeds eenigszins vochtig is. Na snelle beweging en bij ziekten der ademhalingsorganen kan liet donkerrood worden. In het laatste geval scheidt het tevens meer of minder slijm af; het paard werpt dan uit, zooals men zegt.
Bij keelontsteking komen voedsel en drank door den neus terug.
Aan den bovenhoek der neusgaten worden door eene om-stulping der huid twee blind eindigende zakken gevormd, de valsche neusgaten genoemd.
§ 20. De lippen (lig. 2, n0. 14), onderscheiden in boven- en onderlip, zijn door de moudspleet (lig. 2, nquot;. 13) van elkander gescheiden. Zij zijn zeer beweeglijk en gevoelig, en met talrijke voelbaren bedekt. Deze mag men wel verkorten , doch geenszins verwijderen.
Bij edele paarden zijn de lippen dun, zacht en nagenoeg knal, terwijl zij bij grove paarden dik en sterk behaard zijn.
Op de voorlip treft men soms een knevel aan.
If)
§ 27. De mondholte voert naar do keel; zij is met een lichtrood slijmvlies bekleed, dat door speeksel en slijm steeds vochtig wordt gehouden.
In de mondholte bevinden zich de layen, het gehemelte, de tong, het taiulvleesch en de tanden.
De lagen zijn die tandelooze randen der achterkaak, welke zich bij hengsten en ruinen van den baaktand tot de eerste kies en bij merriën van don hoektand tot deze kies uitstrekken. Zij zijn met een dik slijmvlies, het tandvleesch, bekleed, nabij den hoektand afgerond en worden naar de kiezen toe scherper.
Hooge en scherpe lagen kunnen het dier gevoelig in den mond maken, terwijl paarden met lage, ronde en vleezige lagen dikwijls hard in den mond zijn. De gevoeligheid hangt echter niet alleen en zelfs niet in hoofdzaak van de lagen af; de aanzetting van het hoofd, de kracht der achterband oefenen daarop nog meer invloed uit. Door eene goede africhting kan in dit opzicht veel worden verbeterd.
liet gehemelte onderscheidt men in het harde en zachte gehemelte; het eerste vormt de bovenvlakte der mondholte en gaat nabij de ö'1® kies in het zachte gehemelte over. liet bezit vele dwarse groeven, die door eeno overlangsche groef in haar midden gedeeld worden en de tong tot steun dienen.
Het zachte gehemelte scheidt den mond van do keel af; het is bij het paard zoo lang, dat dit dier niet door den mond kan ademen.
Het harde gehemelte kan zoodanig opzwellen, dat het onder de snijtanden uitsteekt; men noemt dit het hangen van den rooster. Hoewel het soms met gebrek aan eetlust gepaard gaat, is het slechts zelden als de oorzaak daarvan aan te merken.
De tong ligt tusschen de achterkaaktakken en is aan haar bovenste (grondstuk) en middelste gedeelte (lichaam) met de omliggende deelen verbonden; alleen de punt is vrij. Onder het lichaam der tong bevindt zich eene slijmvliesplooi, het tonyriemjije genaamd, en ter zijde daarvan twee wratvormige verhevenheden met zeer lijne openingen, ten onrechte de honger tepels geheeten.
Sommige paarden hebben de slechte gewoonte van de tong uit den mond te laten hangen; men noemt dit eene hangtong, terwijl men van slangentong spreekt, indien bet paard de tong telkens uitsteekt en onder een eigenaardig geluid weder intrekt. Het uitsteken der tong is in den regel het gevolg van onvoldoende africhting.
17
Tiet tandvleesch bestaat uit hard weefsel, dat met een slijmvlies is bekleed; het omgeeft den hals dei' tanden en bedekt de la^en.
De tanden worden bij de ouderdomkennis behandeld.
ij 28. De kin (fig. 2, nquot;. 15) is eene ronde verhevenheid , achter en boven de achterlip, die van enkele lange voelbaren, de haard, voorzien is. Bij edele paarden is zij klein, afjerond en met weinige Ijnc haren bedekt. Boven de kin vindt inen eene verdieping, de kiuketetujroeve, welke met eene dunne, gevoelige huid is bekleed. Door te sterke werking der kinketen ontstaan bier soms kneuzing en verwonding.
S 20. De keklgang of schaar ((ig. 2, nquot;. 1G) is de driehoekige ruimte, die gelegen is tusschen de beide achterkaaktakken en zich van de kinketengroeve tot de keel uitstrekt. Zij moet wijd, een weinig verdiept en droog zijn. Bij eene wijde keelgang is het hoofd gemakkelijk in eene goede houding te brengen. In dit geval kunnen de boven de kaken en onder de ooren gelegen oorspeeksei-klieren, of kortweg de klieren, eene plaats vinden tusschen de beide achterkaaktakken.
Bij goed aard igen droes, kwaden droes, enz. zwellen de in de keelgang gelegen watervatsklieren op; men zegt dan, dat het paard geklierd of geladen is.
fcj ^0. De verbinding van het iiookd met den iiai.s, ook wel de aanzetting van het hoofd genoemd, is van grooten invloed op de houding van dit laatste en dus op de geschiktheid van het paard tot dezen of genen dienst.
Men noemt het hoofd goed aangezet (fig. 2), wanneer de nek lang is en naar voren een weinig oploopt; indien verder do voorland van den hals smal is en met eene sterke uitsnijding in de wijde, door smalle kaken begrensde keelgang overgaat. Hierbij is de lijn, die het hoogste punt der keeluitsnijding met de kruin vereenigt. lang en loopt schuins naar voren en naar boven.
Bij een slecht aangezet hoofd (lig. 0) is de nek kort, de voorrand van don hals dik, terwijl deze zonder keeluitsnijding in de nauwe keelgang overgaat. De lijn van de plaats van overgang van den hals in do keelgang tot aan de kruin is kort en loopt bijna i'echt naar boven. Het hoofd mist op den gewoonlijk zwaren, korten hals de vrije beweeglijkheid, welke voor een rijpaard gewenscht is. Voor (rekpaarden kan eene dergelijke aanzetting echter onschadelijk zijn.
Te hoog aangezet (lig. 4, 5 en !)) noemt men het hooflt;l, indien de nok kort is en naar voren sterk oploopt; daarbij zijn de kaken
2
18
en de voorrand van den hals gewoonlijk breed, terwijl de keel-uitsnijding ontbreekt en de kruin loodrecht boven of zelfs achter het strottenhoofd is gelegen. Zulke paarden steken hun neus janrne in tien wind en heeten daarom wel sterrekijkevs.
Men noemt liet hoofd echter te laag aangezet (lig. 10), wanneer de nek lang is en in de richting van de kruin naar beneden loopt; overigens is de bouw doorgaans als bij een goed aangezet hoofd. Hierbij wordt het te sterk gebogen, of zooals men zegt, het paard toomt te veel hij,
§ 31. 1)e hals (lig. 2, nquot;, li)). Hieraan onderscheidt men: den bovenrand of den manenham met de mcuien, de zij vlakten met de halsadergroeven en den onder- of voorrand.
De manenkam (lig. '2, nquot;. 20) is bedekt met de manen en bevat onder de huid meer of minder vet, manenvet genoemd, dat zich naar beneden tot den nekband uitstrekt en daarmede de manenstreng vormt. Indien deze manenstreng sterk ontwikkeld is, zegt men, dat liet paard een speknek heeft.
Voor rijpaarden ziet men gaarne een scherpen inanenkdin met rveiuig ontwikkelde manenstreng; voor zware trekpaarden liever een dikken, z war en manenkam.
IJe maanharen zijn bij edele paarden fijn, zacht en op eene smalle lijn ingeplant; bij grove paarden daarentegen dik en ruw, ontspringen uit eene breede vlakte en hangen niet glad naar beneden.
De zijvlakten van den hals zijn bij edele paarden droog, d. i. de grensscheidingen der spieren zijn aldaar duidelijk door de huid zichtbaar, liij gemeene paarden schijnen die spieren ééne massa uit te maken (vette of vleezige hals)', ondanks den meerderen omvang zijn zij gewoonlijk toch minder krachtig.
De halsadergroeve (flg. 2, nquot;. 22), aldus genoemd, wijl daarin dicht onder de huid, de halsader gelegen is.
De onderrand, waarvan het bovenste gedeelte de keel wordt geheel en, moet eene rechte lijn vormen en aan de keel niet eene sterke uitsnijding, keeluitsnijding (lig. 2, nquot;. 21) genoemd, in du keelgang overgaan; bovendien moet hij smal zijn.
Voor htji'aarden wenscht men een langen, drogen hals, die van onderen, d. i. van de schoft tot de horst, tamelijk breed is en naar hel hoofd toe langzamerhand smaller wordt: de scherpe bovenrand â moet steil uit de schoft naar hoven ijaan en op korten aftstand vair den langen nek met dezen en- de kruin eene bijna horizontale lijn vormen.
u»
lie onderrand moet smal zijn, tot aan de keel recht loopen en hier met eene sterke uitsnijding in de keelgang verdwijnen. De zijvlakten â moeten goed ontwikkeld, doch droog zijnnabij den overgang in de schouders mag geene uitholling bestaan.
Ook voor koetspaarden en artillerie-trekpaarden heeft men gaarne een der gelijken halsvorm, doch over het geheel, overeenkomstig den overigen lichaamsbouw, iets minder lang en wat zwaarder.
3-2. De verschillende li als voiiMEN. Men onderscheidt:
iquot;. De goed gevormde hals (lig. 2); dit is de boven voor rijpaarden aangegeven vorm.
2quot;. De zwanenhals (fig. iO); liierbij gaat de steil oploopendo kam meer of minder sterk dalende in den langen nek en de kruin over. Het hoofd is Inj dezen halsvorm te laag aangezet.
De rechte hals (fig. 4) heeft een nagenoeg rechten boven-en onderrand, zoodat hij recht naar voren is gestrekt. Voor renpaarden ziet men dezen halsvorm gaarne, mits hij lang zij. Overigens is hij beter voor trek- dan voor rijpaarden; hij kan evenwel door africhting worden gewijzigd.
4quot;. De hertenhals (fig. 9) heeft een geheel of nagenoeg rechten, naar boven gerichten manenkam, die door een korten nek met een hoog aangezet hoofd verbonden is en een naar voren gebogen breeden onderrand, die zonder keeluitsnijding in het recht naar voren gestrekte hoofd overgaat. Paarden met dezen halsvorm zijn meestal niet in de hand en stooten dikwijls aan.
5°. De verkeerde hals (Hg. 5) is een lioogere graad van hertenhals. De bovenrand is hierbij namelijk in plaats van recht, naar beneden gebogen en de onderrand is nog sterker naar beneden of eigenlijk naar voren gekromd.
§ üü. IJe verbinding van den hals met den romp noemt men ook de aanhechting van den hals en zegt dan, dat deze hoog aangehecht (fig. 2) is, indien de bovenrand onmiddellijk vóór de schoft in de hoogte gaat, de zijvlakten droog, van onderen smal en lijn, en over de geheele breedte duidelijk van de schouders afgescheiden zijn; daarbij moet de onderrand smal zijn en recht uit de borst naar boven gaan.
Laag of diep aangehecht noemt men daarentegen den hals, als de bovenrand recht naar voren is gestrekt en de breede onderrand laag uit de borst komt en zich met eene buiging in de hoogte begeeft; de zijvlakten zijn dan gewoonlijk dik en gaan zonder duidelijke afscheiding in de schouders over.
liO
§ 34. De schoft (fig. 2, nquot;. 23) moet hoog, hing en smal zijn, naar de basin toe allengs breeder worden en langzamerhand in den rug overgaan.
â¢Men noemt de schoft hoog (fig. 2), indien zij bij een rechten rug ongeveer 2l/.2â4 cM. hooger is gelegen dan het kruis; vooral voor rijpaarden is eene hooge schoft van liet grootste belang.
Ligt het kruis even hoog of zelfs hooger dan de schoft, clan kan dit een gevolg zijn van eene te lage schoft, doch ook van eene te hooge achterhand, zoogenaamd overhouwd zijn van het paard, fn beide gevallen hangt het lichaam naar voren over.
Eene lange, ver naar achteren gelegen schoft (fig. 2) gaat steeds gepaard niet een langen, schuinen schouder en dikwijls ook met een hoog aangehechten hals, terwijl rug en lenden daardoor kort worden, alle omstandigheden voor rijpaarden van het grootste gewicht. Bij eene korte schoft heeft men juist het omgekeerde.
Eene smalle of scherpe schoft (lig. 2), d. i. een zoodanige, die geene grootere breedte heeft dan de dikte der doornvormige uitsteeksels, pleit voor een goed liggenden schouder, zoodat de voorbeenen recht voorwaarts kunnen worden gebracht, 7.om\er maaien, d. w. z. zonder dat de onderbeenen naar buiten worden geworpen (bl. 22). Daarentegen heeft men bij eene ronde schoft veelal losse schouders, zoodat deze bij het neerzetten van het been stijgen en dus de borst tusschen de schouders wegzakt. Hierbij is de gang onregelmatig.
Wanneer de schoft langzamerhand in den rug overgaat, krijgt de zadel eene goede ligging; eindigt zij plotseling, inet eene sterke helling, dan ontstaat licht eene schoftdrukking. Deze heeft niet zelden het ontstaan van witte haren ten gevolge. Bij ver-waarloozing kan daaruit zelfs eene moeilijk te genezen schoftfistol voortvloeien.
^ 35. De borst (fig. '2, n0. 24) strekt zich uit van den onderrand van den hals, tusschen de voorbeenen door, tot den buik; liet gedeelte, dat men ziet, als men vóór het paard staat, heet voorborst, ter onderscheiding van hel andere, dat onderhorst wordt genoemd. Indien men echter alleen van horst spreekt, bedoelt men daarmede gewoonlijk de voorborst.
De verdieping nabij den onderrand van den hals noemt men horstkuil of hartekuil, terwijl de groeve in het midden der borst borstgroeve wordt geheeten.
Men wenscht voor elk paard eene breede borst, doch evenredig aan den overigen lichaamsbouw. Is zij te smul, dan woult het
21
paard nauw van vuren en kruist het gemakkelijk; bovendien zijn dan de longen niet voldoende ontwikkeld.
K.ene holle ot' geitenhorst ontstaat of door spierrheuniatisino öf door een naar voren en binnen geplaatst zijn der schouders; beide kunnen het gevolg zijn van zwaren arbeid en dus bij elkander voorkomen.
Kene zeer breede, zoogenaamde leeuwenhorst, past enkel voor zware trekpaarden. Deze zijn dan wijd van voren, hebben eene waggelende beweging (gamengaiig) en een binnenwaartschen stand met de toonen (toontreder).
Uaviksborst noemt men eene smalle, vooroverhangende borst, met naar elkander gekeerde boegen, zoodat de borstspieren weggevallen schijnen en dus de borstbeenskam sterk te voorschijn treedt. Is dezelfde borstvorm breed, dan spreekt men van kippehorst. Paarden met de laatste kunnen goede trekpaarden zijn; die met eene haviksborst zijn meestal slechte rijpaarden. Is het uitsteken van den borstbeenskam enkel het gevolg van eene sterkere ontwikkeling daarvan, dan is het weinig nadeelig.
Hij trekpaarden ontstaan aan de borst soms drukkingen.
$:?(gt;. Dk voohijkknkn dienen voornaitielyk tot ondersteuning van het lichaam , terwijl de voortschuivende kracht van de achter-beenen uitgaat.
Men onderscheidt aan elk voorbeen; den schouder, den boeg, den opperarm, den elleboog, den onder- of voorarm, den handwortel of de voorknie, de pijp, den kogel, de koot, de kroon en den hoof.
55 ;{7. De scuoudeu (lig. '2, n0. '25) ligt achter den hals, onder de schoft, in eene schuine richting op de voorste ribben en ver-eenigt zich van onderen door een gewricht, de boeg (lig. '2, nquot;. l2t») geheeten, met den opperarm. Gewoonlijk noemt men echter don schouder en opperarm samen , dus het bovenste gedeelte van een voorbeen tot den elleboog, eenvoudig schouder. Wij zullen evenzoo deze deelen samen behandelen.
De schouder moet lang, breed, schuin en ver naar achteren gelegen, vast, droog, krachtig gespierd, vrij en beweeglijk zijn.
Bij een langen schouder kan het paard een ruimen, gestrekten gang hebben; is hij tevens breed, dan bestaat er gelegenheid tot krachtige ontwikkeling der spieren.
Men noemt den schouder schuin, indien de door den kamknob-bel gaande loodlijn den voorsten hoek van het schouderblad snijdt
0'i
(lig. II). I'](!n lange schouder ligt meesliil ook scliuin; in ilit geval is de schouderstreek minstens even lang als de rugstreek en is bovendien de schoft lang en de borstkas diep (lig. 'â 2). Het Kngelsche volbloedpaard kenmerkt zich door een langen en schuinen schouder.
Indien de schouder ver naar achteren, zoogenaamd vast ligt, d. w. z. van boven nauwkeurig tegen de doornvormige uitsteeksels aansluit, dan bestaat de beste waarborg voor het breken van den stoot en voor eene recht voorwaartsche beweging van het geheele lidmaat, zonder maaien of kruisen.
IVy losse schouders daarentegen zakt de romp telkens eeniger-mate tusschen de voorbeenen door, zoodra een been wordt neergezet; deze zijn aan zware trekpaarden eigen en verklaren hun waggelenden gang. Terwijl de losse schouders voor rijpaarden zeer nadeelig zijn, schaden zij voor het zware trekpaard geenszins.
Indien de achterhoek van het schouderblad onmerkbaar in den rug overgaat, gelijk bij een vastliggenden schouder regel is, dan noemt men dezen drooij; gaat bedoelde hoek echter met eene verdieping in den romp over, dan spreekt men van een vetten, vleezigen of overladen schouder. Deze is steeds min of meer naar voren geschoven, soms zelfs iu die mate, dat een groot gedeelte van het schouderblad vóór de eerste rib uitsteekt. Daarbij hangt ook de borst naar voren over en als gevolg van dit alles komen de voorbeenen onder het lijf te staan; eene uit den kamknobbel neergelaten loodlijn zal langs de voorzijde van liet ellebooggewricht en het geheele onderbeen gaan en in liet toongedeelte van den hoef op den bodem komen ((ig. i'i).
Een paard met zulk een overladen schouder komt voor rijpaard wel nooit in aanmerking; het zou alleen dan kunnen geschieden, wanneer de verschuiving slechts gering, en de schouder in zijn geheel naar voren geplaatst was. Dit komt bij lichtere paarden voor, die dan ook wel voorboeguj worden genoemd. Hierbij is de schouder steil en de boeg naar binnen gekeerd, zoodat de borst smal wordt. Het spreekt dus van zelf, dat dergelijke paarden moeten worden afgekeurd.
Indien de schouderspieren weinig ontwikkeld zijn, spreekt men van platte of kale schouders. Dikwijls is dit een gevolg van bevangenheid of sterk gebruik.
Met den naam schouder- of boegkreupelheid bestempelt men in het algemeen een lijden van het boeggewricht of de schouderspieren; hieraan kunnen verschillende ziekten te gronde liggen.
fig.11. ïiormale schouder
. . . . â
â
â â
J
.
â .
^ 38. IJe ioi.i.khoog (lig. 2, nquot;. '27) mud lang zijn, naar achteren (jepUuitst en met die der andere zijde evenwijdig Loepen-, bij edele paarden treft men dit gewoonlijk aan.
Zijn de ellebogen ten opzichte van den boeg naar binnen gekeerd (nauio in de ellebogen), dan staan de onderbeenen naar buiten (Fransehe stand)-, hebben de ellebogen eene omgekeerde richting (wijd in de ellebogen), dan staan de onderbeenen met de toonen der hoeven naar binnen (toontrederstand).
Dooi' de kneuzing met de achtereinden dei1 ijzers ontstaat aan de punt van den elleboog soms een gezwel, legger genoemd; bij paarden, die als eene koe gaan liggen of als deze opstaan, neemt trien veelvuldig een legger waar.
§39. Dio ondkhaum of vooiiABM (lig. quot;2. nü. '28) ligt tusschen den opperarm en de voorknie; hij moet eene loodrechte richting hebben, lang zijn, van ter zijde breed en gewelfd en naar benetien slechts weinig in breedte afnemen. Mij een langen voorarm ziet men eene korte pijp; bij liet Engelsclie renpaard is de voorarm zelfs liinger dan de helft der hoogte van het voorbeen, gerekend van den elleboog tot den bodem.
Hoe langer de voorarm is, des te ruimer wordt de gang; gaat hiermede gepaard een lioog aangehechte hals, dan wordt de knie veelal sterk gebogen, stept het paard zoogenaamd; is de hals daarentegen niet opgericht, doch bijna recht naar voren gestrekt, zooals bij het renpaard, dan wordt de knie weinig gebogen en de hoef nauwelijks van den bodem opgelicht.
Een smalle, magere voorarm wijst op eene slechte ontwikkeling der spieren en dus op zwakte der voorbeenen.
Iets onder het midden van de inwendige vlakte van den voorarm vindt men in dc huid een langwerpig, hoornachtig deel, de zwilwrat (lig. '2, nquot;. '20), die bij bloedpaarden kleiner is dan bij gemeene rassen.
§ 40. De voouknie, knie of handwohtei. (lig. '2, nu. 30) noemt men liet samengestelde gewricht, dat tusschen den voorarm en de pijp ligt. /.ij moet in eene rechte richting van den voorarm in de pijp overgaan en zoowel van voren ais van ter zijde gezien zeer breed zijn. De overgang van de zijvlakte der knie in de pijp moet geleidelijk geschieden ; neemt de breedte aldaar, onder het haak-beentje, plotseling af [uitgesneden voorknie), dan geeft dit zwakheid van een voorbeen te kennen.
Ditzelfde geldt van eene kleine, ronde knie.
Stuan do knieën naar binnen, dan noemt men ze ossenknioca, terwijl men het omgekeerde naar huiteu staaudu knieën lieet. In liet eerste geval maait liet paard gewoonlijk, in liet laatste loopt liet /.eer nauw van onderen, zoodat het zich gemakkelijk strijkt.
Wijken de knieën naar voren van de rechte richting af, dan spreekt men van bokbeenigheid of in de knieën staan (lig. 13). Zijn z'ij daarentegen naar achteren gebogen, als doorgezakt, dan heeft het paard holle knieën (lig. li). Het eerste gebrek is meestal sterker ontwikkeld dan het laatste en daarom meer bekend en gevreesd.
Indien de voorvlakte der knie van haren ontbloot, verwond of met een litteeken bedekt is, noemt men ze gekroond; dit is gewoonlijk een bewijs, dat het paard gevallen is en doet dus zwakheid der voorbeenen vermoeden.
Soms ontstaan aan de voorvlakte de zoogenaamde uourk/iie-(jallen; is de huid aldaar verdikt, dan heet dit kniezwam.
Aan de achtervlakte, in de kniebuiging, neemt men nu en dan dwarsloopende kloven in de huid waar, die een kleverig vocht ontlasten; men noemt dit rasp,
41. De rui' (lig. '2, n0. 31) ligt tusschen de voorknie en de kool; zij moet bij het vierkant geplaatste paard loodrecht staan, van voren smal, van ter zijde breed en droog zijn, d. i. liet pijpbeen moet van de daarachter gelegen buigpezen duidelijk zijn afgescheiden.
Indien de pijp van ter zijde breed is, dan zijn de pezen sterk en ver van het been verwijderd; in het tegenovergestelde geval spreekt men van spillebeencn.
Wanneer dc pezen niet droog zijn, doch met gallen bedekt, die uf onmiddellijk onder de knie 61' aan de benedenhelft der pijp voorkomen, dan bewijst dit dat het paard zwak is ofzwaren arbeid heeft moeten verrichten.
De pezen kunnen door sterke inspanning in ontsteking geraken; soms blijft daarna, iets boven het midden der pijp, eene verdikking der pees, peesklap genoemd, bestaan, die het dier tot herhaalde kreupelheid voorbeschikt.
Schuifeltjes of schuifelbeentjes noemt men beenuitstortingen aan het pijpbeen; meestal komen ze voor aan de inwendige vlakteen het bovenste derde gedeelte. Zij ontstaan gewoonlijk door strijken en zijn daarom van beteekenis; kreupelheid wordt hierdoor slechts zelden veroorzaakt.
!; 42. Df. kogel (lig. '2, n0. 32) en de koot (fig. 2, n0. 34) zijn in vele opzichten van elkander afhankelijk en worden daarom
'25
het best gezamenlijk behandeld. De kogel of het kootyewricht ver-eenigt liet pypbeen met het koot been. Ild laatste moet zóó schuin jepUudst zijn, dat in den kogel een halve rechte hoek wordt (jevornul. In dit geval zal eene door het midden van het kootijeivricht neergelaten loodlijn onmiddellijk achter de ballen van den hoef den bodem raken {jig. li), terwijl de lengte der koot ongeveer gelijk zal zijn aan '/s lengte van de pijp.
Staat de koot schuiner, dan is zij gewoonlijk ook langer, en lieet liet paard tang gekoot; het zakt nu te veel door in de kouten (lig. 15). Vooral voor trekpaarden is dit een groot gebrek.
Geschiedt het doortreden zoo sterk, dat de vetlok met den bodem in aanraking komt, dan noemt men het paard beervoetig. Zulke dieren zijn krachteloos.
Staat de koot echter rechter dan boven als wenschelijk is aangegeven, dan is liet paard steil gekoot (lig. 16) en wórdt de stoot niet voldoende gebroken.
De kogel moet lang, breed en droog zijn, en verder een geleide-lij ken overgang vormen tasschen de pijp en de koot, zóu, dat de voorvlakte van den kogel, van ter zijde beschouwd, eene zacht gekromde lijn beschrijft (flg. 'i). Is deze lijn echter niet uitgehold, doch naar voren gebogen (lig. 17), dan noemt men den kogel rond; gewoonlijk zijn dan ook de zij vlakten gewelfd.
Ken ronde kogel bewijst, dat het paard in dit gewricht veel heeft geleden. Hierbij bestaat tevens meer of minder een over-koute stand; het kootbeen is dan naar achteren en boven geschoven, zoodat de pijp naar voren uitsteekt (lig. 17). Het paard treedt nu niet meer in den kogel door, doch knikt in dit gewricht telkens naar voren over. Staat daarbij de koot geheel of bijna lood-recht, dan zegt men, dat het paard een steltvoet heeft; in dit geval zijn de buigpezen belangrijk verkort.
Zoowel aan de voor- als aan de zijvlakten van den kogel kunnen gallen ontstaan; deze hebben echter slechts zelden kreupelheid ten gevolge.
Door overknikken in dit gewricht kan de voorvlakte van den kogel met den bodem in aanraking komen en aldus verwond worden (gekroonde kogel).
Indien een paard zich strijkt, kan de binnenvlakte van den kogel verwond geraken; blijft het strijken lang aanhouden, dan wordt hierdoor niet zelden een dikke kogel gevormd, welke op zijne beurt het strijken weer bevordert,
26
Meer dan eenig ander gewricht is de kogel aan verstuiking onderhevig.
Aan de achterzijde hiervan bevindt zich een bosje lange haren, ^
de uetiok (lig. '2, n0. X5) genoemd; daarin treft men een hoornachtig deel aan, de spoor of' het vethorentje geheeten.
Het is gewenscht, dat de beide kooten evenwijdig aan elkander loopen; staan de ondereinden naar buiten, dan ontstaat de Frausche stand, terwijl het paard in het omgekeerde geval een toontreder wordt.
Aan de koot ontstaat soms eene'eigenaardige huidontsteking,
mok genoemd.
$ W. Dk kroon (lig. '2, n0. 1)5) is hot zacht gewelfde gedeelte, dat onmiddellijk onder de koot en boven den hoef is gelegen en naar achteren in de ballen overgaat, /.ij is bedekt met lange,
(ijne haren, de kroonhareu, die over den bovenrand van den hoef hangen en niet mogen worden afgeknipt.
De kroon moet breed en drooij zijn en een zacht tjewelfdcn ooergamj vormen tusschen do koot en den hoef. Niet zelden vindt men daar eene beenuitstorting, ouerhoef genoemd, die eene hevige kreupelheid kan veroorzaken.
Aan de binnenzijde van de kroon ontstaat soms eene fistel, ^
waarlangs uit de diepte, van het h oef kraak been, etter naar buiten wordt gevoerd. Zulk eene hoe/krankbeenlistel veroorzaakt gewoonlijk hevige kreupelheid en is meestal niet in korten tijd te genezen.
II. DE MIDDELHAND OF HET LIJF.
§44. Dk liua (lig. '2. nquot;. ii7) ligt achter de schoft en vóór de lenden, en wordt van ter zijde door de ribben begrensd. Hij moet kort, bijna horizontaal, breed en krachtig gespierd zijn, met goed ontwikkelde dooriworinige uitsteeksels.
liij het militaire paard, hetzij cavalerie-ofaiiilleriepaard. moet de rug kort, doch de afstand tusschen vóór- en achterbeenen groot zijn. Dat deze beide zaken, een korte rug en een lange romp, samen kunnen gaan, ziet men, wanneer de schoft ver naar achteren is gelegen (lig. 2).
Indien rug en lenden samen, dus de afstand van de schoft tot het kruis, minder dan '/.i ('e1, lengte van den romp, gerekend j
van den boeg tot don achtersten zitbeensknobbel, bedragen, dan zegt men, dat het paard een korten rug heeft. Bij rijpaarden ziet men daarbij gaarne een langen romp, veroorzaakt door een
â
'27
scliuiniin sclioudei' oen latifj; kruis. Voor trekpiiarden echter kan ito afstand tusschen voor- en acliterbeenen geringer y.'ijn.
Is de rug naar beneden gebogen, dan zegt men dat liet paard een zadelrug heeft; zulk een dier is voor rijpaard ongeschikt, daar het moeielyk een ruiter kan dragen en daarom veel kracht /al moeten verspillen, enkel, om het te veel doorzakken van den rug te voorkomen.
Ken naar boven gebogen rug noemt men een karperru(j\ duarbij kan tie geheele rugstreek gelijkmatig gewelfd zijn, of de kromming bepaalt zich tot de lenden. Het eerste is in het algemeen veel ongunstiger dan het laatste.
Dubbel of (jespletcn noemt men den rug, wanneer hij in het midden eene overlangsche groeve bezit; deze schijnt den opper-vlakkigen beschouwer veroorzaakt door sterke spieronlwikkeling, terwijl daaraan te gronde ligt eene te geringe lengte der doorn-vofinige uitsteeksels. Hij is niet sterk en geenszins tot dragen geschikt.
Indien omgekeerd de doornvormige uitsteeksels zeer sterk ontwikkeld zijn. dan spreekt men van een ncherpen of ezeUnuj. Deze bezit een groot draagvermogen, doch is meestal onbuigzaam, zoodat dergelijke paarden niet zelden moeielijk zijn te rijden.
ij 45. Dl', LI'.NDKN (lig. '2. nquot;. 1)8) moeten Ivrl en breed zijn, met krachtige spieren bedekt en zacht oploopend in het kruis overgaan (I ig. '2).
Een krachtige bouw der lenden is van groote beteekenis voor het paard; dit gedeelte der wervelkolom wordt zijdelings niet gesteund, zooals met de rug- en kruiswervelen het geval is. Het overbrengen van de voortbewegende kracht der achterhand op midden- en voorhand wordt voor een goed deel bepaald door de gesteldheid der lenden.
Hoe korter de lenden zijn, des te grooter is de draagkracht van het dier; dit bewijst de ezel, die slechts vijf lendenwervelen bezit. Doch ook als trekpaard zijn korte lenden gewen se ht, wijl de beweging der achterband daarbij krachtig en regelmatig wordt. Paarden met lange lenden zijn zwak van achteren. Ditzelfde geldt van smalle lenden, waarbij niet zelden eene waggelende beweging der achterhand plaats vindt.
Gaarne ziet men de spieren op de lenden zóó krachtig ontwikkeld, dat zij aan weerszijden kussentjes vormen; hiermede moeten echter niet worden verwisseld de gespleten oi'dubbele lenden, waarbij de doornvormige uitsteeksels der wervelen zeer laag zijn
'28
en daardoor dus eene overlangsche groeve tusschen de !lt;|)ieren wordt gevormd.
Dat de lenden een weinig naar achteren moeten oploopen. werd reeds bij den rug besproken. Zeer nadeelig zijn lage lenden, die met eene verdieping in het kruis overgaan, zoogenaamde wolf dunden-, daarbij neemt men steeds een waggelenden gang en zwakte van liet achterstel waar. Zulke paarden Happen dikwijls in de ijzers en kunnen zich zelfs vangen.
Gaarne ziet men, dat een paard, indien men het zacht in de lenden knijpt, zijne rugspieren krachtig spant, zoodat het kruis gestrekt wordt.
§ 'ili. Dk inniiKN (lig. '2, nquot;. 39) vormen de zijwanden der borstholte. Zij moeten sterk jcwel/'U en lang zijn. In dit geval kunnen de longen goed ontwikkeld zijn en is het paard in zijne jeugd krachtig gevoed geworden. Zoowel bij de breede borst van het zware trekpaard als bij de smallere van het rijpaard moeten de ribben tonvormig zijn. Het tegenovergestelde daarvan noemt men /)lat (jeribd.
Doch niet alleen de dwarse doorsnede der borstkas moet groot zijn, ook de overlangsche, of zooals men het noemt, de diepte der borst.
Deze hangt af van de lengte der ribben. Men noemt de borst diep, indien de afstand van het hoogste punt der schoft tot het ellebooggewricht gelijk is aan den afstand van dit gewicht tot den kogel. Bij eene ondiepe borst is het paard Iwogbeemg; het is dan in het '2'lc levensjaar, op den tijd, dat de borst zich het meest ontwikkelt, slecht gevoed geworden.
I?ij een regelmatig gebouwd paard vormt de ondervlakte dei-borst eene horizontale lijn; is echter de borst tusschen de voor-beenen gezakt, zoodat het lichaam eene vooroverhangende houding bezit, gelijk bijv. bij het Kngelsche renpaard, dan loopi hare ondervlakte naar achteren in de hoogte.
Gaarne ziet men het borstbeen lang, wijl hiermede schuine schouders gepaard gaan.
De beweging der ribben moet hij het rustige paard nauwelijks zichtbaar zijn; hoe spoediger na eene snelle beweging de ribben tot rust komen, des te beter is het paard op adem. Nimmer mag men een paard ver naar achteren singelen, omdat hierdoor de beweging der ribben en dus de ademhaling wordt belemmerd.
§ 47. De klanken (lig. 2, n0. 40) liggen onder de lenden, tusschen de laatste ribben en de heupen. Zij moeten smal zijn en een gelijhnatigen overgang vormen van de ribben in de heupen. In dit geval noemt men ze goed gesloten en zegt men van zulke paarden, dat zij Lort geribd zijn. Uit gaat steeds gepaard met korte, breede lenden.
Holle of ingevallen flanken zijn breed en komen voor bij lange lenden ; ze zijn dus zeer nadeelig. Zulke paarden, waarvan oneigenlijk ook wel gezegd wordt, dat zij eene rib te veel hebben, verkeeren, onder overigens gelijke omstandigheden, gewoonlijk in slechter voedingstoestand dan kortgeribde; van daar de naam doorjager dikwijls aan hen gegeven.
Opgetrokken noemt men de llanken, indien zij sterk zijn ingevallen, en de huid in het midden een scherp uitstekenden band of koord vormt. Bij magere en zieke dieren zijn zij volstrekt geen zeldzaamheid. Zij kunnen echter ook omgekeerd gewelfd, zoogenaamd opgezet zijn, bijv. bij windkoliek.
De llanken moeten in rust of na eene geringe beweging nauwelijks merkbaar en gelijkmatig worden bewogen; eene sterke, ongelijkmatige, krampachtige beweging der llanken, een slag in het lijf of het Jlankenslaan, is ziekelijk. Hij dampigheid ziet men dikwijls een dubbelen jlankenslag; gedurende één ademtocht gaan de llanken tweemaal op en neer.
§ 48. De lies (lig. 2, n0. 41) vormt eene zeer gevoelige, met korte, lijne haren bezette huidplooi vóór de achterknie.
§ 49. De buik (fig. 2, nquot;. 42) moet nagenoeg horizontaal in de liesstreek overgaan; bij het mannelijk dier echter is de buik van achteren steeds meer opgetrokken dan bij de merrie.
Indien de buik sterk is doorgezakt, dan noemt men hem hooi-, gras- of hangbuik, naarmate hij door gebruik van te veel hooi of gras of door herhaalde drachtigheid is veroorzaakt. De ademhaling en de beweging der achterbeenen worden hierdoor belemmerd.
De opgetrokken buik of het snoekenlijf vormt het tegenovergestelde van een hooibuik; de buik loopt -hierbij naar achteren sterk in de hoogte, zoodat zulke paarden dun in het lijf zijn. Men ziet dit bij geëntraineerde renpaarden; het kan echter ook het gevolg zijn van eene gebrekkige voeding, hetzij door spijsverteringsstoringen [doorjagers), hetzij door onvoldoend voedsel veroorzaakt.
30
Bij doorloop hoort men de darmrommelingen soin.s reeds op een afstand, terwijl die bij verstopping kunnen ontbreken. Zij
mogen niet worden verwisseld met liet klokken, of zoogenaamd kokeren, dat men bij hengsten en ruinen, voornamelijk in draf, kan hooren en dat veroorzaakt wordt door het heen en weer bewegen der roede in den koker.
Op elke plaats van den buik kunnen breuken ontstaan; het meest ziet men echter navelbreuken.
§ 50. De uieu bestaat uit twee melkklieren , die door eene overlangsche groeve van elkander gescheiden zijn. Elk dezer klieren bevat een tepel met twee kleine openingen , waardoor de melk zich naar buiten ontlast.
Behalve voor fohnerriën moet de uier steeds klein, vast en samengetrokken zijn, met korte tepels. Dit is een bewijs, dat het paard nog niet gezoogd heeft. Paarden , die eens of meermalen geveu-lend hebben , zijn (onder overigens gelijke omstandigheden) steeds zwakker dan zulke, welke nimmer drachtig waren.
fcj 51. Ue mannelijke geslaciitsdeelen. Hiertoe behooren: de koker met de roede en de balzak met de hallen.
lie koker (lig. '2, nquot;. 43) omgeeft de roede; hij is met eene 'ijie huid bekleed, die talrijke smeerkliertjes bevat, waardoor een zwartachtig, taai smeer wordt afgescheiden, dat de huid tegen de urine beschut.
Al en ziet gaarne een groeten koker, die zich met eene verhevenheid naar voren, onder den huik uitstrekt; dit wordt als een teeken van kracht beschouwd. liet spreekt van zelf, dat dit niet altijd doorgaat; bovendien moet men rekening houden met het ras.
Somtijds kun de roede niet worden uitgeschacht, zoodat het watei' in den koker wordt ontlast; dikwijls ligt hieraan eene ophooping van vuil te gronde. Gedurige reiniging met lauw zeepwater is daarom gewenscht.
Dezelfde oorzaak kan ook eene zuchtige zwelling van den koker ten gevolge hebben.
Ue roede bestaat uit een sponsachtig weefsel en den pisweg; het voorste gedeelte, dat de monding van den pisweg bevat, heet de eikel.
De pisweg moet zoo ruim zijn, dat het water met een dikken straal wordt ontlast. Niet zelden gebeurt het, dat hengsten en ruinen, die gewoon zijn ook over dag op stroo te staan, gedurende den arbeid niet wateren, zoolang zij niet in een stal op
.
â â
â
â i
.....
mmmmm
â .
I
- . ... .. , :. ..,.. .. . ... . Ijl
Fig 18-
Recht kruis met krachtige ontv/ikkelihc
VAN DEN OORSPRONG DER BUIOERS VAK LEN SCHENKEL.
.â¢31
stroo wonlen geplaatst; hierdoor of wanneer de ruiter liet paard geene gelegenheid geeft om te pissen, loopeu zij ovar het inciter, (I. i. door overvulling der blaas met pis zijn zij niet meer bij machte deze te ontlasten en vertoonen daardoor koliekverschijnselen.
De balzak (lig. '2, n0. 44) is een vliezige zak, waarin de beide van boven door de zaadstreng bevestigde ballen zijn besloten. Hij jiwet hard en lt;jllt;ul zijn en vast te jen het lijf liggen.
De ballen dienen tot bereiding van het mannelijk zaad en moeten daarom, vooral bij dekhengsten, goed ontwikkeld zijn. Zij komen gewoonlijk vóór liet veulen een jaar oud is, uit de buikholte in den balzak. In enkele gevallen gebeurt het, dat zij op tweejarigen leeftijd nog niet zijn doorgezakt; men noemt hel paard dan een klophengst, onverschillig of geen enkele of slechts één bal in den balzak aanwezig is, Klophengsten kenmerken zich gewoonlijk door eene sterk opgewekte geslachtsdrift.
Indien men de ballen wegneemt (het zoogenaamde snijden of castreeren), dan wordt het paard ongeschikt voor de voortteling; de hengst wordt in een ruin veranderd.
III. DE ACHTERHAND.
S 52. Het kuuis (fig. '2, nquot;. 45) strekt zich uit van de lenden tot den staart en wordt aan weerszijden begrensd door de heupen en de dijen.
Voor een rijpaard wenscht men een recht, lang en tamelijk: hreed kruis, dat dan beide zijden gelijkmatig met krachtige, droge spieren bedekt is, en ongeveer 3 cM. lager ligt dan het hoogste punt der schoft.
Men noemt het kruis recht, wanneer de hovenlijn (lauw gebogen is en daarbij de achterste zitbeensknobbels lager zijn gelegen dan de heupen (lig. 18). In dit geval is èn het draagvermogen èn de voortbeweging van den romp door de achterbeenen. zooveel als dit gelijktijdig mogelijk is, verzekerd.
Het kruis is lang ((ig. '2), wanneer de horizontale afstand van de heup tot den zitbeensknobbel minstens gelijk is aan dei-lengte van den romp. Dil is een waarborg voor lange spieren, zoodat de beweging der achterbeenen ruim zal kunnen zijn.
Breed noemt men het, indien de afstand der beide groote draaiers van het dijbeen gelijk is aan de lengte van het kruis.
3'i
Men let dus bij deze beoordeeling op de breedte, die het bezit aan de heupgewrichten, en niet op de voorste breedte van liet kruis, van de eene heup tot de andere.
De breedte van het kruis staat eenigermate in verband met de dikte zijner spieren; hoewel nu dikke spieren voor eiken dienst gewenscht zijn, bestaat daaraan toch grooter behoefte voor het zware trekpaard dan voor snelle gangen. Voor eerstgenoem-den dienst is het kruis zelden te breed; voor een rijpaard echter wel, aangezien eene groote breedte daarvan een waggelenden gang ten gevolge heeft.
De hengst heeft steeds een smaller kruis dan de merrie.
Wanneer het kruis even hoog of hooger is dan het hoogste punt der schoft, dan noemt men het paard overbouwd. (Zie ^ 34).
Men onderscheidt de volgende vormen van kruis:
i0. Het horizontale kruis (lig. li)). Hierbij zijn de zitbeens-knobbels nagenoeg even hoog gelegen als de heupen. Hoewel zeer fraai, is dit kruis minder krachtig dan het rechte.
2°. Het rechte kruin (lig. 18). We beschreven dit reeds als het voor rijpaarden meest gewenschle.
,'i0. Het ovale kruis. Dit is iets meer afgezakt dan het voorgaande, de heupen zijn afgerond en eenigszins naar voren en beneden hellend. Het komt in waarde het rechte kruis nabij.
4°. liet gespleten of dubbele kruis (fig. '2D) is in de middellijn gootvormig verdiept; meestal is het tevens afhangend en breed. Het kan voor zware trekpaarden voordeelig zijn.
5°. Het afhangend kruis is aan ons inlandsche paard eigen. De schuine stand van het bekken is niet bevorderlijk voor de voortbeweging.
(iquot;. Het varkens kruis (fig. '21) zakt van de binnen-darmbeens-hoeken naar achteren en ter zijde af, is kort, smal, mager en dus even slecht als leelijk.
7quot;. Het spitse of hooge kruis bezit sterk uitstekende binnen-dannbeenshoeken; hoewel niet fraai, is het toch niet bijzonder nadeelig, indien zijne lengte, breedte en spierontwikkeiing voldoende zijn.
8quot;. JJet ezelskruis bezit in het midden een verheven kam, is ter zijde afgeplat en eenigszins afhangend. Het is eigen aan het Kozakkenpaard en wel niet fraai, doch meestal sterk.
9quot;. Het ronde of appelvormige, kruis is kort, afgezakt, met laag aangezetten staart en afgeronde heupen, liet is niet deugdzaam.
â¢â¢ : S# ' â
â
.
.
.
B
.
n
...
â â â jiiiiMWiiiiiiiii
, 4 -v-n
«foh-
. ' . .. ...
â ⢠â - ..... Vv-,
U
'iïW': v
ï'1'.'â â â
â
â
33
ij 53. De heupkn (fif», 2, n0. 40) worden gevormd door de uitwendige darmbeenshoeken. Zij moeten afgerond zijn, met de omliijgende deeleu. zacht meenvloeien, beide op gelijke hoogte liggen en geheel met eUcander overeenkomen.
Steken zij bij een goed gevoed paard sterk uit, dan noemt men dit breedheupig of eenvoudig heupig. Zulk een paard schijnt steeds magerder dan een met ronde heupen.
Indien van eene heup een stuk been afgestooten en dit dooide spierwerking naar beneden getrokken is, dan noemt men het paard ontheupt of cenheupig; het kruis is dan sciieef.
])it laatste ziet men echter ook door andere oorzaken, hijv. door eenzijdige vermagering der spieren, gelijk men bij onderscheidene vormen van kreupelheid waarneemt.
§54. De staart (fig. 2, n0. 47) beslaat uit den wortel en den waaier. Hij moet bij rijpaarden hoog zijn aangezet, zoodat hij bij beweging goed wordt gedragen (fig. 2).
Laag aangezet (lig. 21) noemt men den staart, indien hij veel lager ligt dan de bovenlijn van het kruis en naar beneden valt, zonder in een boog te worden gedragen.
Door sterkere werking der spieren aan ééne zijde wordt de staart scheef gedragen.
De gedaante van den staart wordt dikwijls gewijzigd naar de heerschende mode. Vroeger verkortte (j'oupeerde) men den staart tot een klein stompje en sneed tevens do benedenwaarts trekkende spieren door (uieteeren), zoodat de kortstaart sterk in de hoogte werd gedragen.
Tegenwoordig coupeert men veelal den wortel of verkort alleen de haren; deze worden dan gelijk afgesneden, zoodat de staart den vorm van een bezem verkrijgt.
Loopt een lange staart naar beneden in eene punt uit en wordt hij goed gedragen, dan noemt men hem fazantenstaart (lig. 2).
Wanneer de staartwortel nagenoeg van haren ontbloot is, spreekt men van een rattestaart; deze kan aangeboren of door huidziekte verkregen zijn.
§ 55. De aars (fig. 2, nquot;. 48) is het achterste uiteinde van het darmkanaal, waardoor de mestballen naar buiten worden ontlast. Bij jonge, gezonde paarden is hij gesloten en wordt hij bij eene bedaarde ademhaling niet bewogen. Wanneer een paard echter oud en zwak is, staat de aars open en gaat hij bij de
3
'M
ademlialing voor- en acliterwaarts. Vooral bij dampigheid neemt men dit laatste waar.
De slijmvliesplooi, die bij het uitpersen der laatst^ mestballen te voorschijn treedt, heet de roos-, hieraan hangen in den zomer dikwijls larven van do paardcnhorzel, indien het paard het voorafgaande jaar in de weide heeft geloopen.
5G. De dam is de fijne, weinig behaarde huid, welke zich hij het mannelijk dier van den aars tot de geslachtsdeelen, en hij de merrie tot den nier uitstrekt.
Sj 57. De kling is de uitwendige opening der vrouwelijke geslachtsdeelen en piswerktuigen. Bij jonge, nog niet geveulend hebbende paarden is zij vast gesloten, terwijl bij oude, zwakke dieren, vooral hij veulenmerriën, de schaamlippen slap afhangen.
Dij hengstigheid wordt gedurig eene geringe hoeveelheid slij-mige pis ontlast. Keert deze toestand dikwijls terug, dan kan de waarde van het dier, vooral als rijpaard, daardoor belangrijk verminderen.
ij 58. De acuïeiuieenen. Hieraan onderscheidt men: de dij, de Luie, den .Kihenkel, het .tproitgijemnrJU, de pijp, den kogel, (le koot, de kroon en den hoef.
^ 59. De dm (fig. '2, nquot;. 50) heeft tot grondslag het dijbeen, dat met het bekken het heupgewricht en met het schenkelbeen en de knieschijf het kniegewvicht vormt, liet achterste gedeelte der dij heet de bil of de broek (lig. '2, nquot;. -iO).
De dij moet voor rijpaarden lang zijn en nchuin ii'i'ir voren liggen , terwijl zij in lengte en ttchuine richting behoort af te nemen, naanndte het dier minder in. snelle gangen moet arbeiden. In elk geval moeten de buide dijen evemvijdig loopen of naar beneden een weinig van elkander w/jken en gelijkmatig met krachtige spieren zijn bedekt.
Men noemt de dij lang, wanneer eene uit den achtersten hoek der heup neergelaten loodlijn het kniegewricht raakt. In dit geval zijn ook de dijspieren lang, hetgeen voor een ruimen gang nuttig is, VVenscht men echter meer eene langzame, krachtige beweging, zooals hij het zware trekpaard, dan moet de dij kort zijn en rechter staan.
Indien een paard iets boven de knieën breeder of minstens even breed is als in de heupen, dan noemt men hel goed gebroeid (flg. '2'i). Neemt daarentegen de breedte van de heupen tot het midden der schenkels langzamerhand af, dan is het paard krachteloos van achteren.
Fig 22
GOED GEBROEKT,
'
Fi?. 23.
O
SLECHT C KB ROERT.
.T)
De inwendiifi; vlakten dei' achterbeenen moeten elkanrler tot onder de knieën aanraken en eeist daarna gelijkmatig vaneen-wijken. lüj een slecht gebroekl paard echter (lig. ïi) verwijderen de spieren ziuli reeds zeer hoog van elkander.
De hillen strekken zich verder naar beneden uit dan de dijen; hoe lager zij aan den schenkel eindigen, des te beter. Zulk een paard, dat men nu met nog meerrecht goed gebroeid Cfig. '22) noemt, zal zich gemakkelijk zoogenaamd op de achterhand kunnen verzamelen. Eindigen de billen dicht onder de knie, dan beeft het paard windhonds billen en is het zwak van achteren (fig. 2.'!).
^ 00. i)l' knip: (Hg. 2, nquot;. 51) moet hij cavalerie- en. avtilierie-panrden ver naar voren, under hel lijf liggen, zoadat de lies, hij het vierkant staande paard, zeer kort is; zij dient zich met het ellebooggewricht op gelijke boogie lu bevinden en heide knieën moeten evenwijdig aan elkander of een weinig naar bulten gekeerd zijn.
S 01. De schenkel (lig. '2, nquot;. 52) moet hij cavalerie- en artilleriepaarden schuin naar achteren liggen, lang, breed en van onderen een iveinig naar binnen gericht zijn.
Men noem! den schenkel lang en behoorlijk schuin gelegen, indien â het paard vierkant geplaatst zijnde â terwijl de loodlijn uit den zitbeensknobhel juist langs de punt van den hiel valt, die, welke uit den achtersten hoek dor heup wordt neergelaten, het kniegewrichl raakt. Do laatste valt ongeveer oen handbreed vóór den hoef op den hodem. Gemeten langs deze lijn zal de afstand van het knie- tot het spronggewricht gelijk zijn aan den afstand van dit laatste tot den grond.
Wanneer de knie en de punt van den hiel, of alleen de laatste, binnen de genoemde loodlijnen liggen, dan is de schenkel steil en kort. Valt de achterste loodlijn echter vóór de punt van hel hielbeen, dan is de schenkel te schuin en staat het paard van achteren gestrekt, of wel de hoek in het spronggewricht is te scherp, zoodat het paard sabelhecnen heeft.
In het laatste geval is de knie dikwijls ver naar achteren ge-legen en dus de hoek, gevormd door het dij- en schonkeibeen , te stomp. Dit kan geenszins worden vergoed door eene grootere buiging in het spronggewricht; het laatste zal nu bovenmate te lijden hebben, zoodat zich daaraan gemakkelijk eene bazenhak ontwikkelt.
36
Bij een langen schenkel ziet men gewoonlijk ook eene lange pijp, lietgeen voor lt;le snellieid der beweging gunstig is.
De schenkels moeten naar beneden elkander zoodanig naderen, dat de afstand tusschen de beide spronggewrichten slechts '/3â'/» bedraagt van dien tusschen de kniegewrichten. Zijn zij van onderen te weinig naar binnen gericht, dan is het paard wijd in de Melen: bet gaat dan van achteren waggelend en strijkt zich dikwijls.
Naderen de schenkels elkander van onderen te veel, dan staat bet paard nnuw ia de hielen -, zijn hierbij de punten der hielen naar binnen gedraaid, dan noemt men den stand koehakkig. In het laatste geval worden de achterbeenen bij beweging buitenwaarts gevoerd.
Steeds is echter een koehakkig paard te verkiezen boven een. dat wijd in de hielen is; hierbij neemt men vooral in stap een draaien in de hakken waar, dat van krachteloosheid getuigt. Oorspronkelijk regelmatig staande paarden worden door zwaren arbeid dikwijls wijd in de hielen.
Verwondingen aan de binnenvlakte van den schenkel, bijv. dooi' een naaststaand paard, heeft dikwijls een berst in het schenkelbeen ten gevolge, die in eene volkomen breuk kan veranderen, indien niet dadelijk de grootste behoedzaamheid in acht wordt genomen.
Rij het springen over slooten enz. verscheurt soms de buiger van het pijpbeen; de verschijnselen daarby gelijken eenigermate op eene breuk van het scbenkelbeen.
^ (gt;2. Het spronggewrtcht (fig. 2, n0. 54) wordt gevormd door het schenkelbeen, zes in drie rijen gelegen spronggelids-beentjes, en het pijpbeen met de beide griflelbeenderen.
Het moet hij cavalerie- en artillerie-paarden zoowel van voren alu van ter zijde gezien breed zijn, een hoek van 140'â150' vormen, en droog, zonder gebreken zijn.
De zijdelingsche breedte van dit gewricht is afhankelijk van do lengte van het hielbeen; deze is van gunstigen invloed op de snelheid, waarmede het dier zich kan verplaatsen.
Gelijk werd opgemerkt, moet de boek in het spronggewricht 140'â150° bedragen; daarbij moet echter de pijp loodrecht staan of slechts een weinig naar voren zijn gel icht.
Sahelheenig noemt men een paard, wanneer door groote lengte van schenkel en pijp de spronggewrichtshoek tè klein wordt; hierbij is dus de schenkel schuin naar achteren en de pijp schuin
37
naar voren gelegen. Het spronggewriclit l eeft dan veel le lijden; daaraan ontwikkelt zicli gemakkelijk eene liazenliak.
Wanneer schenkel en pijp loodrecht of bijna loodreelil boven elkander zijn gelegen, staat het paard recht in het spronggewricht.
Dit is voor snelle gangen ongeschikt, vooral wanneer tevens de knie ver naar achteren ligt en het hielbeen kort is. Het paard treedt hierbij sterk door in den kogel {bearvoetig).
De rechte stand in het spronggewricht is voor het militaire paard nog veel nadeeliger dan de sabelbeenige.
Van groot belang is een droog spronggewricht, dat wil zeggen, waarbij de huid fijn is en alle verhevenheden en verdiepingen van het gewricht duidelijk kunnen worden onderscheiden. Het tegenovergestelde noemt men een vol spronggewricht; in dit geval is het door gallen of beenuitstortingen meer of minder afgerond. By edele paarden ziet men het meest droge sprong-gewrichten.
Aan het spronggewricht kunnen talrijke gebreken voorkouien, die men gewoon is in zachte en harde te onderscheitien.
Tot de zachte behooren:
1°. De bolspat. Dit is eene uitzettting van het spronggewricht door lidvocht, welke aan de voor-binnenzijde van het gewricht eene zachte zwelling vormt. Zij kan kreupelheid ten gevolge hebben.
Waai- of vlutgnl noemt men eene dergelijke zwelling tusschen liet hielbeen en het ondereinde van het schenkelbeen, die evenzeer kreupelheid kan veroorzaken.
3°. De Achillespeesgal komt voor boven de punt van den hiel, aan de Achillespees; zij is zeldzamer dan de voorgaande.
4°. De hielbeensgul vormt eene zachte zwelling aan de achter-vlakte van het spronggewricht, ongeveer 7â10 cM. onder de punt van den hiel, dus op de plaats van de hazenhak, waarmede zij dan ook dikwijls wordt verwisseld.
5°. Do uitwendige strekpeesgal ligt uitwendig, dicht onder het spronggewricht; zij is zeldzaam en veroorzaakt geene kreupelheid.
6°. De dikke hak ontstaat door kneuzing van de punt van den hiel. Het gevolg hiervan is eene meer of minder belangrijke omvangsvermeerdering, die echter nagenoeg nooit met kreupelheid gepaard gaat.
7°. Rasp noemt men eene huidontsteking in de spronggelids-buiging, waarbij kloven en uitzweeting ontstaan; hierdoor kan een paard hevig kreupel loopen.
38
Tot de harde gebreken behooren:
1quot;. De spat ol' Icoenpdt', deze bestaal in eene ontsteking aim lt;le binnenzijde en liet onderste gedeelte van liet.spronggewriclit, welke in den regel eene beenuitstorting aan de inwendige vlakte van dit gewricht en kreupelheid ten gevolge heeft. De beenverdikking kan meer ol' minder groot zijn en ligt onmiddeHijk boven de pyp , onder of achter de spatader, zoodat deze niet zelden naar voren wordt gedrongen; men spreekt dan wel van bloed- of aderspat.
De spat kan zeer verschillend in grootte zijn , zonder dat de kreupelheid daaraan steeds evenredig is.
Men overtuigt zich het best van de aanwezigheid eener spat, door, ter zijde van de schouders staande, de beide binnenvlakten der spronggewrichten met elkander te vergelijken.
Indien enkel eene spatkreupelheid bestaat, zonder spatknobbel, spreekt men van onzichtbare spat.
'2°. De hazenhak is eene harde verhevenheid aan de aclitei-vlakte van het spronggewricht, ongeveer 7âlü cM. onder de punt van den biel. Meestal ligt hieraan te gronde eene verschuiving naar achteren van het ondereinde van het hielbeen en bet boveneinde vim het dobbelsteenvormig been (dat zich onmiddellijk onder het eerste, aan de achterzijde van het gewricht, bevindt), zoodat deze twee beenderen niet meer recht boven elkander zijn gelegen . doch een hoek vormen.
liij sabelbeenen komt dit gebrek niet zelden voor. De paarden behoeven daaraan niet steeds kreupel te loopen, doch worden het gemakkelijk na eenige inspanning.
!(quot;. Het reebeen is eene beenige zwelling aan liet onderste en achterste gedeelte van de uitwendige vlakte van het spronggewricht. Dikwijls komt aan beide gewrichten een reebeen voor. Kreupelheid wordt daardoor niet veroorzaakt; toch is een reebeen gevreesd, wijl het dikwijls bewijst, dat het dier zwak van achteren is of veel in zijne spronggewrichten heeft geleden.
ij 03. Dl-: pi,li' 0ig. '2. nquot;. 55) is gewoonlijk '/t langer dan die der voorbeenen. Zij moei loodrecht staan of mag iets naar voren en naar buiten ijcricht zijn; ouerhjens moet zij niet de voor pijp in eigenscluippeii uvereen/.vmeti.
Aan de binnenzijde dei1 pijp, juist onder het spronggewricht, ligt de zwilwrat (lig. n0. 53).
(ii. Dk kodki, (lig. '2, nu. 50) en m. koot .(lig. 1', nquot;. 58) moeten dezelfde eigeiuschappen hebben als die der voorbeenen;
39
alleen moet de koot korter zijn en liet dier iets steiler in den kogel staan.
Dit gewriclit is meer aan verstuiking onderhevig dan de voorkogel, terwijl door strijken niet zelden een dikke kuyel ontstaat.
jjc vetlok (lig. -2, nquot;. 57) is gewoonlijk iels zwaarder dan die der voorbeenen.
^ ü5. Dk kroon (lig. 'i, nquot;. 59) komt geheel niet die der
voorbeenen overeen.
Dk noKi' (lig. '2, nquot;. 60) wordt later alzondeiTyk belumdeld.
D1CKDE AFDKKLING.
DE OUDERDOMKENN1S.
S (i(). De tanden leveien de zekerste kenmerken voor de bepaling van den ouderdom, liet gedeelte van den tand, dat in de mondholte uitsteekt, noemt men de kroon en dat, wat zicli in de tandkas bevindt, den wortel.
Men onderscheidt: snijtanden, haaktanden en kiezen, liet paard heeft 12 snijtanden en '24 kiezen; de haaktanden komen, ten getale van 4, alleen bij hengsten en ruinen voor.
De snijtanden vormen twee bogen, ieder van (i tanden. Hiervan worden tie twee middelste de binnenste of (jvcisbi/jters, de aan weerszijden hiervan gelegene de middelste, en de twee buitenste de hoektanden genoemd.
Naar hunne nitbotting worden ze verdeeld in melk- of veulensnijtanden en in paardenstiijtanden. Ue eerste zijn klein, smal bcitelvormig, wit, op de voorvlakte geribd, terwijl hunne kroon door eene insnijding, dc hals genoemd, van den wortel is afgescheiden (flg. 24). De paardensnijtanden bezitten geen hals, zijn sterk gekromd, vooral aan de kroon, lang en breed, geelachtig en schijnen aan de kroon van voren naar achteren en aan de wortels van ter zijde platgedrukt (fig. 25).
De snijtanden der achterkaak zijn meer dan die dei' voorkaait geschikt tot bepaling van den ouderdom, in het bijzonder naden 5-jarigen leeftijd.
Zij bestaan uit eene harde, witte, uitwendig gelegen zelfstandigheid, het glazuur, en eene meer gele massa, die het hoofdbestanddeel van den tand uitmaakt en het ivoor wordt genoemd.
pi gr 24
ö
Een melktand
A, ooorolakte /j1,(tcht/'riüakllt;'
fip, 25 o
a »
lvkn eaabdbk£5nijn^.n.d /I noori'/al /r /I, (ichlcroUthlc.
|
Paardensnijtard waar- quot;vawde achterwand verwijderd is teneinde de kro onhoiite te doen ziew. a.kvoonholte. b. wortel hol te c. landpulpe. Overlangs kk van vcrkh naaraoh.-terendo gr gesneden paardentand. |
a. biUtenglaxuur. b. bitinenalaxiiur o. tand sterretje d taadwoor üg. 2 8 |
|
Snijtanden der aohtep;kaak op dendbeftijd van 6-8 dagen. |
Snijtanden der achterkaak op den ijeeetito van 30-40 dagenquot;. |
Snijtanden dee achterkaak opdenlbbftüd van 6-10 quot;maanden.
M
Het glazuur slaat zich van boven op den taml om on vormt eene trechtervormige holle, do kroonholtc. die naar bereden nauwer wordt en in eene punt van glazuur eindigt, welke nabij den achterrand van den tand is gelegen (fig. 26 en '27, a). Deze holle is in de bovensnijtanden veel dieper dan in de onderste.
Zoolang een tand nog weinig is afgesleten, bestaat zijne wrijfvlakte uit twee scherpe randen, die door de kroonliolte gescheiden zijn. Later ziet men op de wrijfvlakte twee ovale ringen van glazuur, namelijk een uitwendigen, het huitenglazuur (quot;4ig 28, «) en een inwendigen, die de kroonliolte begrenst en het binnen-(jlazuar (fig. 28, h) wordt genoemd. Deze zijn door ivoor (lig. 28, tl) van elkander gescheiden, dat door zijne mindere hardheid meer is afgesleten dan liet glazuur, waardoor dit laatste zich steeds boven de wrijfvlakte verheft.
De wortel van een pas uitgekomen snijtand is klein en geheel hol; deze wortelholte strekt zich tot in de kroon uit en ligt vóór de kroonliolte (lig. 27, b). Zij wordt langzamerhand, naarmate do tand groeit, opgevuld met bruinachtig gekleurd tandivoor, dat eerst in den vorm eener streep, nabij den voorrand van den tand, zichtbaar is, later, naarmate de tand afslijt, korter wordt (lig. 28, c) en tevens meer zijn achterrand nadert. Dit gaat zoo voort, tot de streep in een nagenoeg rond punt is veranderd, dat op het midden der wrijfvlakte of zelfs dicht bij den achterrand van den tand is gelegen. Reeds de streep, doch meer nog liet ronde punt, noemt men het tandsterretje; dit blijft gedurende hel geheele leven van het paard aanwezig en onderscheidt zich door zijne eenigszins verdiepte ligging van het binnenglazuur.
§ ()7. Uitbottinq en slijting der veidensnijtanden. Gewoonlijk komen de binnenlanden tiâ8 dagen (fig. 29), de middeltandcn IK)âià dagen (fig. 30) en de hoektanden (iâ10 maanden na de geboorte (lig. 31). Dit doorbreken heeft zoowel aan de boven-als aan de onderkaak plaats, zoodat met 1 jaar alle veulensnijtanden aanwezig zijn.
De slijting der melktanden geeft slechts onzekere kenmerken voor de beoordeeling van den ouderdom. In den regel is do kroonliolte der onder-binnentanden door afslijting verdwenen, of, zooals men het oneigenlijk noemt, zijn deze tanden gevuld op den leeftijd van 10 maanden, de middellanden met 1 jaar en de hoektanden met 15â24 maanden. Op 2-jarigen leeftijd zijn alle veulensnijtanden , zoowel van voor- als achterkaak, gevuld.
42
§68. De tandwuseling. Nu het 'i« jaar worden de veulen-tanden allengs vervangen door de paardenlanden. Jtil geschiedt met de binnentanden o|gt; 2I/Jâ3 jaar. de iniddeltaiulen op .$'/«â*lt;â jaar en de hoektanden op 4'/jâ5 jaar.
Een 'ï-jurij /xiard 152) heeft dus in de boven- en onderkaak samen 4 paardensnijtanderi, die nauwelijks in siljling zyn; de middel- en hoektanden zijn nog veulentanden.
ny een i-jariijen mond (lig. :!:!) zijn de binnentanden duidelijk in slijtinâ¢Â», de middeltamlen evenals de binnentanden op ^-jarigen leertijd, en alleen de kleine hoektanden zijn nog veulentanden.
Oj) b-jurigen leeftijd (lig, 34) zijn alle veulentanden dooi'paardentanden vervangen; de binnentanden zijn nu reeds voor 2/3 gevuld, de middellanden voor '/3 lt; terwijl de hoektanden nog van een scherpen voor- en afthterrand zijn voorzien.
De snijtanden van beide kaken vormen een regelmatigen halven boog; hoe ouder hel paard wordt, des te meer strekken zich de tanden, dal wil zeggen, zij nemen langzamerhand eene schuinere richting naar voren aan. Dit strekken is hoofdzakelijk hel gevolg van de sterkere kromming der snijtanden aan de kroon dan aan den wortel; indien nu hel bovenste, gekromde gedeelte van den land is afgesloten, komt het onderste, rechtere, te voorschijn. Dit geschiedt vroeger aan de onder- dan aan de bovenkaak.
§ tii). De vuliiiiij der paardentanden. Gelijk reeds werd opgemerkt, verdwijnen de kroonholten langzamerhand door afslijting der tanden, In den regel heeft een paardentand drie jaren noodig om gevuld te worden.
Bij een igt;jari(jeti mond (lig, 35) zijn de binnenlanden geheel gevuld, de middellanden voor en de hoektanden voor 'l3. üe laatste hebben thans eene duidelijke wrijfvlakte.
Met het 7e jaar (lig, 36) zijn de binnen- en middellanden geheel en de hoektanden voor 2/3 gevuld. Door het strekken der tanden van de achlerkaak ontslaat aan de bovenhoeklanden meestal een haak.
Op 8-jarigen leeftijd (lig. 37) zijn alle snijtanden der onderkaak gevuld; in plaats van eene kroonholte ziel men op de wrijtvlakte een ovaal van glazuur, de bodem der kroonholte genoemd. Deze dringt zoo diep in den tand, dal hij nog ongeveer 7 jaren na hel verdwijnen der holle zichtbaar blijft. Langzamerhand vei-andert de bodem der kroonholte echter van vorm, naarmate de
|
öi^UTAKDEN DER ACHTERKAAK OP 3-JARIGETT LEEFTIJD |
o.n ij tandem der achterkaak OP h JARIGEN LEEFTIJD |
|
Snijtanden der aghtekkaak OP 5-JAR,13EH LEEFTIJD |
Snijtanden der achierkaak op 6-jari0en leeftijd |
|
Snijtanden der achtebkaak OP 7-JAR1GEW LEEFTIJD . |
Snijtanden der achterkaak op ö-jarigen leeftijd. |
WoRM-VEK AS DEBT N OEW HER 'WBIJF,, VLAKTJü NAAKMATE Xgt;E TAND TvIEEE AFSLIJT
43
tand afslijt. Dit kurnt overeen met de gedaante der wrijfviakte, dit; dour de a Is lij ting allengs wordt gewijzigd, gelijk straks nader zal worden aangetoond.
Op liet 8slc jaar breidt de bodem der kroonliolte zich nog over de geheele wrijfviakte uit; daarna wordt hij kleiner, nadert meer den ronden vorm en bevindt zich dichter nabij den achterrand van den tand. Men noemt het paard nu aftands, welke benaming men intusschen ook wel voor veel oudere paarden bezigt.
De tanden der bovenkaak zijn gewoonlijk jaren later gevuld dan de gelijknamige der onderkaak; dit geschiedt evenwel minder regelmatig, zoodat mei;, ter bepaling van den ouderdom, beter van de ondertanden gebruik maakt.
^ 70. Keiiinurlea na den H-jariijen leeftijd. Aangezien de snijtanden aan hun bovenste gedeelte van voren naar achteren samengedrukt schijnen, en van onderen zijdelings zijn afgeplat, verandert de wrijfviakte voortdurend van vorm, naarmate do land afslijt (lig. 38).
Terwijl namelijk de breedte-afmeting (van de eene zijde van den tand tot de andere) van een pas uitgekomen snijtand zich tot zijne diepte (of lengte van voren naar achteren) verhoudt als 10 : 3, ziet men, dat de breedte langzamerhand af- en de diepte daarentegen toeneemt, zoodanig, dat deze verhouding, zoodra de kroonliolte gevuld is (voor de binnentanden op (i-jarigen leeftijd), gelijk ()::{ wordt, na de vulling der kroonliolte en vóór de bodem hiervan geheel verdwenen is \voor de binnentanden op I quot;i 13-jarigen leeftijd) 5:4 bedraagt, ongeveer op het midden van de lengte van den tand (den 15-jarigen leeftijd) gelijk 4:4 wordt, en naar het worteleinde toe, vervolgens 4:5 (op 17âIS-jarigen leeftijd voor de binnentanden) en eindelijk (op ongeveer'24-jarigen leeftijd) 3: () wordt (lig. 38).
Overeenkomstig deze veranderingen in de verhouding van dc breedte tot de diepte is de gedaante van de snijtanden der achterkaak ovaal tot het 8ste jaar, wordt van het 9° tot het 13quot; jaar rond of rondachthj, vervolgens van het 14° tot het 18° jaar drie-hooLitj, en eindelijk van het lU0 jaar af, gedurende den verderen levensduur verkeerd ovaaL (lig. 38). Het eerst beginnen deze veranderingen steeds aan de binnentanden, een jaar later aan de middel-, en nog een jaar later aan de hoektanden.
De bodem van de kroonliolte, die op 8-jarigen leeftijd nog bijna de gelieele wrijfviakte inneemt, wordt langzamerhand kleiner en
u
nadert steeds meer den achterrand van den tand, totdat li'y op 13-jarigen leeftijd aan de binnenlanden verdwenen of nog slechts ter grootte van een speldekop aanwezig is. Een jaar later geschiedt ditzelfde aan de middel- en nog een jaar later aan de hoektanden. Men zij echter voorzichtig met het bepalen van den ouderdom enkel uit deze kenmerken.
Het tandsterretje neemt men het eerst waar op (iâ7-jarigen leeftijd, in den vorm van eene lange streep, welke zich nabij den voorrand van den tand bevindt. Naarmate de tand afslijt, wordt deze streep allengs korter en nadert zij meer het midden van den tand, totdat zij op ongeveer 15-jarigen leeftijd in een rond punt is veranderd, dat op het midden der wrijfvlakte is gelegen. Na het 15e jaar komt het tandsterretje langzamerhand iets dichter bij den achterrand van den tand, en wordt hel, evenals de geheele wrijfvlakte, driehoekig en eindelijk zelfs verkeerd ovaal. Het is steeds gemakkelijk van den bodem der kroonholte te onderscheiden, omdat het nooit boven de wrijfvlakte uitsteekt.
Na den 8-jarigen leeftijd wordt het strekken der tanden en hel versmallen van den tandboog langzamerhand duidelijker en bij de bepaling van den ouderdom meer in rekening gebracht. Kimlelijk schijnen alle tanden op eene nagenoeg rechte lijn ingeplant en steken zij recht vooruit. Men zegt dan, dat het paard lange tanden heeft en houdt dit, meestal terecht, voor zeer oud.
Door al de genoemde omstandigheden in acht te nemen en in onderling verband te beschouwen, is het mogelijk den leeftijd van het paard met voor hel doel voldoende zekerheid te bepalen tot in de twintig jaren. Eene vergissing toch van 1 a '2 jaren doel na het 8ste jaar weinig ter zake.
Op d-jarifjen leeftijd (lig. 39) beginnen de binnenlanden rond te worden, terwijl hun bodem der kroonholte niet meer de geheele wrijfvlakte inneemt. De middel- en hoektanden zijn nog ovaal. De haak aan de boven-hoektanden is gewoonlijk nu het grootst.
Bij een \0-jarigen mond zijn de binnenlanden rond en beginnen de middellanden dit te worden; de bodem der kroonholte wordt in alle tanden steeds kleiner.
Met het Me jaar zijn de binnen- en middellanden rond en beginnen ook de hoektanden dezen vorm aan te nemen. De bodem der kroonholte is op eerstgenoemde tanden klein en nadert hun achterrand. Nabij hun voorrand ziet men het laml-sterretje als een kort, bruin streepje.
snijtanden der aohterkaak. op 12-jarigen leeftijd.
snutandbn der achterkaak. op 19-ja h( gen lek f tijd.
45
Op 11-jariijen leeftijd (fi^. 40) zijn alle tanden rond en vormt de bodem der kroonholte slechts een klein punt, nabij den achterrand van den tand. De haak aan de boven-hoektanden is in slijting.
Bij een \3-jarirjen mond is de bodem der kroonholte op de binnentanden gelieel of bijna verdwenen, terwijl het tandsterretje op die tanden een langwerpig-rond punt vormt. De middellanden komen te dien opzichte overeen met de binnentanden op het l'2e jaar. Ue breedte van den tand is reeds bijna gelijk aan zijne diepte. De haak aan de boven-hoektanden is gewoonlijk verdwenen.
Met het Ut0 jaar (fig. 41gt; beginnen de binnentanden driehoekig te worden, terwijl de bodem der kroonholte van hunne wrijfvlakto verdwenen is, en het tandsterretje een bijna rond punt vormt. De middeltanden zijn nog rond en hebben niet zelden ook reeds den bodem der kroonholte verloren.
Op 15 jaar zijn de binnentanden driehoekig en beginnen de middeltanden dit te worden; de breedte van den binnentand is nu gewoonlijk gelijk aan zijne diepte. De bodem der kroonholte is meestal van alle tanden verdwenen, terwijl het tandsterretje een rond punt vormt op het midden van de wrijfvlakte der binnentanden. Dikwijls ontstaat aan de hoektanden der bovenkaak opnieuw een haak.
Op V(\-jari(jen leeftijd zijn de binnen- en middeltanden driehoekig; het tandsterretje vormt een rond punt op het midden van hunne wrijfvlakten.
Met het 17quot; jaar (fig. 42) zijn alle tanden driehoekig; de binnentanden hebben nu van voren naar achteren reeds grooter afmeting dan naar ter zijde.
Op het '19e jaar (lig. 43) is de juist genoemde verhouding zoodanig toegenomen, dat de binnentanden verkeerd ovaal worden genoemd; dit is een jaar later met de middeltanden en nog een jaar later ook met de hoektanden het geval (lig. 44). Het tandsterretje is naar achteren verlengd, als het ware evenzoo verkeerd ovaal geworden.
Na dezen tijd neemt de breedte van den tand af en daarentegen ile diepte toe; bovendien komen de tanden rechter naar voren te staan en wordt de tandboog smaller. Door deze veranderingen is het mogelijk den verderen leeftijd van hot paard, bij benadering, te bepalen.
40
^ 71, De haalctandeii (fig'. â iB) komen alleen l)ij den hengst en den ruin voor; zij bevinden zich, ten getale van 4, in de lagen, namelijk aan iedere zijde in de boven- en onderkaak één. Niet zelden treft men ze, in geringe mate ontwikkeld, ook bij de merrie, voornamelijk in de achterkaak aan.
Zoowel bij merriën als hengsten komen melk-haaktanden voor, doch dit zijn kleine, nauwelijks v2 mM. lange, ronde, witte tanden, die op de plaats der toekomstige blijvende hoektanden zijn gelegen en meestal door het tandvleesch worden bedekt. Zij ontstaan in het eerste levensjaar en worden op het 4eâ5° jaar door de eigenlijke baaktanden vervangen. De bovenste breken gewoonlijk iets later door dan de onderste.
ITet afslijten der baaktanden geschiedt door het gnbil, het voedsel, de tong, enz., doch zóó onregelmatig, dat het niet kan dienen ter beoordeeling van den ouderdom.
^ 72. De kiezen. Keu volwassen paard heeft '24 kiezen , namelijk 12 in iedere kaak, aan weerszijden 0.
De l8te en 2de kies van elke rij brengt het veulen gewoonlijk mede ter wereld; de Hquot; kies is steeds vóór het einde der 'lquot;tc maand doorgebroken. Dit zijn echter nielL - of wisseltiezen, wiiarvan de â¢lquot;1'' en 2° gemiddeld met 2l/2 jaar en de .'iB op â t-jarigen leeftijd door blijvende kiezen worden vervangen.
De Aquot;, 5quot; en 0° kies zijn blijvende kiezen; daarvan komt de 4quot; ongeveer met It) maanden, de 5C met '20 maanden en de O1 met :iâ4 jaren of iets later.
Voor de bepaling van den ouderdom zijn de kiezen van ondergeschikt belang.
71!. AfwijldiKjen van den reyehndthjen toestand. Talrijke omstandigheden kunnen oorzaak zijn, dat de bovengenoemde kenmerken van den ouderdom falen; zoo kunnen de tanden te hard ofte zacht zijn, en daardoor te weinig of te veel afslijten; de kroon-bolten kunnen te diep of te ondiep, de tanden onregelmatig gevormd zijn, enz.
Soms komen de snijtanden niet behoorlijk met elkander in slijting, bijv. bij het varkensijehit, waarbij de achterkaak te kort, of bij het moehgebit. waarbij hot omgekeerde het geval is.
Ook door Lribbebyten en weven kan eene onregelmatige afslijting der tanden ontstaan.
Niet zelden trekt men lt;le middel-en boekveulenlamlen, ja soms zelfs reeds de binnenveulenlanden uit, opdat do paardentanden
Al
spoediger te voorschijn zuilen treden en het dier dus ouder zal schijnen dan het werkelijk is. Men noemt dit het breken der tanden.
I!ij oude paarden tracht men soms door het maken wm kunst-mathje b-oonholten op de wrijfvlakten en het verkorten der tanden , den mond een jonger aanzien te geven. Dit bedrog is gemakkelijk te ontdekken, vooreerst door den vorm der vvrijfvlakken, en dan door het niet boven den omtrek verheven zijn van den rand der kroonholte. gelijk onder natuurlijke omstandigheden steeds hel geval is.
VIERDE AEDEEL1NG.
DE GANGEN,
§ IA. 1)f. oanof.n. Deze verdoelt men in goede en gebrekkige, en rekent tot de eerste: tie /ito/), do draf en de galop, terwijl tot de laatste behooren; de telgang, de overijlde slap, de middelgalop en de drieslag.
Men noemt de gangen gestrekt of kort, hoog of laag, verheven, steppend of zmeveiul, hard of zacht, licht of zwaar, fraai of gebrekkig, naarmate zij met de hoedanigheden door een dezer woorden uitgedrukt, overeenkomen.
Wij zullen thans tie gangen elk afzonderlijk behandelen en daarbij van de eenvoudigste tot de meer samengestelde opklimmen.
^ 75. Dk pas of telgang. Hierbij worden voor- en achterheen van dezelfde zijde gelijktijdig opgelicht en neergezet, zoodat men dus telkens slechts twee hoefslagen hoort. Men kan dezen gang vergelijken met dien van twee menschen, welke op korten afstand achter elkander, zoogenaamd in den pas, gaan.
Daar de beenen weinig worden opgelicht, is de beweging voor den ruiter zacht; het gevaar voor struikelen wordt hierdoor echter verhoogd. Hoewel de snelheid van den telgang groot is, deugt deze toch niet voor militaire paarden.
§ 70. Df, gebroken telgang onderscheidt zich van den vorigen daardoor, dat hierbij vier hoefslagen worden gehoord,
Een vorwAssKN waaktand.
A, ailwendige vicikli . fi. imoendiqe â
⢠quot; ' iffjf ' â¢â¢â¢â¢'
â ⢠.....
⢠â¢
.....⢠⢠â¢- â gt; - 1
-.....^ ,j- ...
: ' ' quot; -.....,â ; quot; W
49
veroorzaakt door liet iets vroeger op den grond komen der achterhoeven. Het voor- en achterbeen van dezelfde zijde worden dus niet gelijktijdig, doch zeer kort na elkander opgelicht en neergezet. Deze gang is nog zachter dan de vorige en kan ontstaan, indien men een telganger tot steeds grooter snelheid aanzet.
^ 77. De t)rai'' is eene beweging, waarbij beurtelings de over-kruische beenen worden opgelicht en neergezet. ITij geschiedt dus in twee tempo's, en evenals bij den telgang neemt men bij eiken volkomen pas (dat is, wanneer de vier beenen zich hebben bewogen tot verplaatsing van het lichaam) twee hoefslagen waar.
Men onderscheidt:
'1°. Den korten draf. Daarbij blijven de hoefindrukken der achterbeenen achter die der voorbeenen; de gang is dus langzaam.
2quot;. Den (jewonen draf. De achterhoeven komen neer op de plaatsen, die de voorhoeven hebben verlaten; er ontstaan dus bij een volkomen pas slechts twee hoefindrukken.
3°. Den langen, sterken of ge.strekten draf. De achterhoeven worden vóór den hoefslag der voorhoeven neergezet.
4°. Het harddraven. Daarbij komt de achterhoef soms 2â2'/j M. vóór den gelijkzijdigen voorhoef op den bodem.
De lengte van een volkomen pas bij den draf is van zooveel omstandigheden afhankelijk, dat hare schommeling zeer groot is. De gemiddelde lengte daarvan bij den gewonen draf bedraagt echter, voor een paard van 1.60 M. hoogte, ongeveer 2.40 M.
De gemiddelde snelheid van een goeden draver is 240 meier per minuut, dat is dus de kilometer in ruim 4 minuten. Harddravers leggen een kilometer weg afin 2 minuten, en uitstekende dravers zelfs in 1 '/j minuut.
Alle paarden draven niet op dezelfde wijze; vandaar verschillende namen aan den draf gegeven, als:
Be stekende draf, waarbij de voorbeenen met weinig kniebuiging zoodanig worden gestrekt, dat de hoef vóór hot neerzetten een oogenblik zweeft. Deze gang werd vroeger hooggeschat en nog is dit, vooral voor rijpaarden, het geval, indien hij met krachtig onderzetten der achterbeenen, groote schoudervrijheid en matige kniebuiging gepaard gaat. Ontbreekt de laatste, dan stooten de paarden op onell'en terrein dikwijls aan.
De steppende draf kenmerkt zich door hooge en krachtige buiging van de voorknie; deze is, wanneer hij met ruime schouderbeweging gepaard gaat, voor koetspaarden zeer gezocht.
4
50
7)6 ongelijke draf, wanneer het paard uit traagheid, floor zwakte, doch vooral door dwang, één been minder ver vooruitbrengt dan het andere, zonder echter kreupel te zijn. Ontstaat deze gang door zoogenaamd op één teugel ^te loopen, dan noemt men het paard wel teugelkreupel.
Be overijlde draf, waarbij eene te snelle opeenvolging der beenen plaats vindt, komt voor of bij driftige, heete paarden met goeden bouw of bij versleten en slecht gebouwde paarden.
Ue zoogenaamde schenkeldraf-, daarbij gebruikt het paard hoofdzakelijk zijne beenen, zonder den rug in te spannen.
Bij den zoogenaamden rugdraf daarentegen werkt de rug krachtig mede tot de voortbeweging.
§ 78. De GEBiiüKEN draf ontstaat door het niet meer gelijktijdig oplichten en neerzetten der overkruische beenen, zooals men bij sterk aanzetten van den gang niet zelden waarneemt. In dit geval namelijk wordt de beweging der voorbeenen verhaast, ten einde, bij de ruime voortstuwing der achterhand, het vallen te voorkomen. De harddravers nemen dezen gang dikwijls aan, als men ze bovenmate aanspoort, en verkrijgen aldus meer snelheid. Velen veroordeelen hem evenwel, daar hij geen echte draf meer is.
De gebroken draf is voor den ruiter zeer zacht, wanneer hij snel wordt uitgevoerd; minder, indien hij het gevolg is van uitputting.
§ 79. Het doorslaan in' draf noemt men het af en toe maken van een sprong met het achterstel, met het doel om den gebroken draf, die allengs door overhaasting is ontstaan, te verbeteren, op dezelfde wijze als de soldaat doet, die uit den pas is geraakt. De voorbeenen zijn zich namelijk langzamerhand sneller gaan bewegen dan de achterbeenen, en het aldus ontstane verzuim tracht het paard te herstellen door een sprong met de achterhand.
§ 80. De drieslag is die gebrekkige draf, waarbij het paard van voren schijnt te galoppeeren en van achteren te draven.
Men kan den drieslag het best vergelijken met den gang van twee achter elkander loopende menschen, waarvan de een zoogenaamd galoppeert en de ander draaft. Galoppeert de voorste en draaft de achterste, dan heeft men hetzelfde als loopt het paard van voren in een drieslag; in het omgekeerde geval van achteren.
De drieslag is een gebrekkige gang, veroorzaakt door kreupelheid, zwakte, traagheid of slechte gewoonte.
81. l)i', 0VEUi.ir.nK stap vormt den overgang tusschen den stap en den draf; de beenen worden overkruis bewogen gelijk bij den draf, doch volgen op elkander zooals bij den stap, en evenals bij dezen hoort men vier hoefslagen.
Het meest ziet men dezen gang bij heete, driftige of ook bij versleten paarden; in het laatste geval is de beweging schommelend of wiegend.
55 8'2. Dk stap is een langzame gang, waarbij het lichaam beurtelings wordt gesteund door de beenen, welke overkruis of aan ééne zijde zijn gelegen; men hoort daarbij vier hoefslagen met nagenoeg gelijke tusschen tij den.
Een paard, dat behoorlijk is afgericht, zal, vierkant staande, steeds aangaan met een voorbeen. Gaat een paard uit dezen stand aan met een achterbeen, dan bewijst dit, dat het nog niet voldoende het gewicht op de achterhand heeft leeren overnemen. Gesteld, dat het den stap begint met het rechter voorbeen, dan zullen de hoefslagen elkander aldus opvolgen: lste hoefslag, rechter voorheen; 2lle hoefslag, linker achterbeen; hoefslag, linker voorbeen; 4lll! hoefslag, rechter achterbeen.
Men onderscheidt:
1quot;. Den korten stap; hierbij blijven de hoelindrukken der achter-beenen steeds achter die der voorbeenen.
2quot;. Den ge wonen stap, waarbij de indrukken der achterhoeven die der voorhoeven bedekken.
.iquot;. Den langen stap, ook wel overstappen genoemd, omdat de indrukken der achterhoeven vóór die der voorhoeven komen. Daarbij wordt het achterbeen weinig gebogen voorwaarts gebracht.
liet achteruitgaan is zeer vermoeiend voor het paard; de beenen worden daarbij, indien het langzaam geschiedt, ongeveer in dezelfde orde verplaatst als bij den stap.
fi 83. De gai.oi' is een gang in drie tempo's, waarbij de gelijktijdige hoefslagen van twee overkruische beenen geschieden tusschen de opeenvolgende hoefslagen van de beide andere overkruische beenen, die den galopsprong beginnen met het daartoe behoorend achterbeen. Bijvoorbeeld: het linker achterbeen komt het eerst op den grond, daarna het rechter achterbeen en linker vooi'been te gelyk, en vervolgens hot rechter voorbeen. In dit
52
geval noemt men den galop rechtsch; linlsch daarentegen, wanneer het rechter achterbeen het eerst en het linker voorbeen het laatst den bodem raakt. Bij den rechtschen galop grijpen de rechter, bij den linkschen galop de linker voorbeenen voor.
Men hoort dus drie hoefslagen met bijna gelijke tusschenruirn-ten; tusschen den derden hoefslag en den eersten van den volgenden galopsprong bestaat eene stilte, welke ongeveer gelijk is aan den duur der drie hoefslagen samen.
Ue arbeid der beenen is bij den galop lang niet gelijk; bij een rechtschen galop hebben rechter voor- en linker achterbeen de zwaarste taak, en bij den linkschen galop het linker voor- en rechter achterbeen. Het is daarom goed, indien de ruiter nu en dan het paard van galop doet wisselen.
fcj 84. Uk sprong behoort niet tot de eigenlijke gangen; hij vordert te veel kracht, om telkens te worden herhaald, vooral wanneer hij hoog en tevens ver moet geschieden.
Men onderscheidt:
1°. Den hoogte-spromj, waarbij het lichaam geheel of bijna op dezelfde plaats weder neerkomt.
2quot;. Deu breedte-sprong. Deze geschiedt niet als bij den galop, dooi' het strekken van één achterbeen, doch van beide achter-beenen te gelijk. De lengte van den sprong hangt voor een groot deel af van de snelheid, die het paard op het oogenblik van den sprong bezit. Engelsche jachtpaarden springen niet zelden Gâ7M. ver; men maakt zelfs gewag van sprongen, die 10, ja 11â12 M. lang waren.
§ 85. Gkisukkkn dek gangen. Als zoodanig onderscheidt men:
'iquot;. Het onvoldoend oplichten der voorbeenen; hierdoor loopt het paard gevaar aan te stooten of zelfs te vallen.
2quot;. Te hooije kniebeweglnj, waardoor onnoodig kracht wordt verspild.
3°. Stijve schouders. Deze zijn dikwijls slechts in schijn aanwezig, en dan het gevolg van pijn in de hoeven.
4°. Het maaien. Men spreekt daarvan, indien de ondereinden der beenen bij de beweging naar buiten worden geworpen. Dit quot;â¢aat óf van den handwortel óf van den kogel uit; evenwel kunnen de paarden ook van achteren maaien, al valt dit minder duidelijk in het oog. Het staat leelijk en doet veel kracht verspillen, zoodat zulke paarden betrekkelijk spoedig vermoeid en versleten zijn.
5n
5°. liet strijken. Men zegt dit van oen paard, indien de lioef van een opgelicht been met eenig gedeelte van liet daarnaast .steunende been in aanraking komt. Daardoor kunnen van den handwortel of het spronggewricht tot den hoef' kneuzingen en verwondingen in verschillenden graad ontstaan, liet komt meer voor aan de achter- dan aan de voorbecnen,
6'J. Het waggelen. Het paard kan van voren of van achteren of ook over het geheele lichaam een waggelenden gang hebben. Moe sterker dit het geval is, des te minder is het dier voor snelle beweging geschikt.
7°. Het leiuleiilmii zijn noemt men een waggelenden gang der achterband, veroorzaakt door eene lendenverstuiking, bijv. door achteruitglijden, het onder een latierboom geraken, enz. Door zulke omstandigheden kan ook eene werkelijke verlamming der achterhand worden teweeggebracht.
8°. Den hanentred of hanenspat. Deze kenmerkt zich door plotseling, stootend buigen van het achterknie- en spronggewricht, soms zoodanig, dat de voorvlakte van den kogel bijna den buik aanraakt. Men neemt dit nu aan één, dan aan beide achter-beenen waar. Een paard met hanentred vertoont in rust niets bijzonders; alleen in beweging, en voornamelijk in stap, ontdekt men dit gebrek. In den regel neemt het langzamerhand toe.
9quot;. Draaien in de hakken. Hieromtrent zij verwezen naar §01.
'10°. In de ijzers klappen en vangen. (Zie § 45.)
11quot;. Het kreupel loopen. Naar den graad daarvan zegt men, dat het paard mijdt, dat het kreupel loopt of dat het op drie beenen springt.
Om na te gaan aan welk been een paard kreupel loopt, moet men het onderzoeken in rust, in stap en in draf, meestal aan de hand, zelden gereden.
In rust gaat men na of het dier op één been minder steunt dan op de overige; daarop let men ook bij beweging, het bestin korten, vrijen draf, en op een harden bodem.
[ndien het paard van voren kreupel is, bijv. links, dan zal het op het linker voorbeen korter steunen dan op het rechter en is de hoefslag van eerstgenoemd been zachter; bovendien zal het hoofd telkens opgelicht en naar rechts gekeerd worden, als het linker been op den grond komt, ten einde dit zieke been te verlichten en den stoot daarvan te verminderen.
Als een paard van achteren kreupel is, zal evenzoo de hoefslag van het zieke been minder sterk zijn en het steunen korter
54
iluren, terwijl de pus gewoonlijk kleiner is tlan die van liet gezonde been. Het kruis gaat of in de hoogte of in de laagte, als liet zieke been op den grond komt; dit bangt van de zitplaats der kreupelheid afquot;.
Het kreupel loopen van voren oefent ook op de beweging der achterbeenen invloed uit en omgekeerd. Daardoor schijnt een paard dikwijls overkruis kreupel te loopen en kost eene juiste onderscheiding soms groote moeite.
De laatste wordt in enkele gevallen nog vermeerderd door het kreupel loopen aan twee of meer beenen. Wanneer echter een paard kreupel is aan twee vóór- of tvyee achterbeenen, dan schijnt het meestal slechts kreupel aan dat been, waar de kreupelheid het hevigst is.
Dikwijls is de kreupelheid het eigst, wanneer het paard pas uit den stal komt; in andere gevallen begint zij eerst, zoodra het dier warm is gereden.
VIJFDE AFDEELING.
DE KLEUREN EN AFTEEKENINCEN.
§ 8(5. De hahen. Deze worden onderscheiden in dekharen, beachuttende harm en tast- of voelharen.
De dekharen zijn over het geheele lichaam verbreid en, met weinige uit/.ondeiingen, van voren en boven naai' achteren en beneden gericht. Zij zijn het langst en staan het dichtst op die plaatsen, welke het meest aan weersinvloeden zijn blootgesteld.
De lengte, dikte en glans der haren verschillen naar het ras, het geslacht, de gezondheid, de verpleging, hot jaargetijde en liet klimaat.
Edele paarden hebben kortere, iijnere dekharen dangemeene; ditzelfde onderscheid neemt men eenigermate waar tusschen mer-riën en hengsten.
De gezondheidstoestand is van grooten invloed op den glans der dekharen. In ziekeüjken toestand zijn ze dof en staan ze overeind, terwijl de huid vastligt.
De verpleging spiegelt zich evenzoo in het voorkomen der dekharen af. Goed gevoede, gepoetste en op stal warm gehouden paarden hebben gewoonlijk korte, fijne, glanzende dekharen.
Van groot belang is het jaargetijde en de daarmede gepaard gaande haar wisseling. In het najaar krijgt het paard zijne winter-haren, terwijl het deze in het voorjaar weder verliest. Op dit verharen oefenen gezondheid, verpleging en leeftijd een grooten invloed uit. Hierdoor wordt de kleur dikwijls belangrijk gewijzigd:
56
sdiiinmels zijn in don winter doorgaans lichter, bruinen, vossen en zwarten gewoonlijk valer dan in den zomer.
Niet zelden oefent het verharen invloed uit op de gezondheid; vooral in liet najaar ziet men soms dikke beenen, gestoorden eetlust, loomheid, enz.
Op enkele plaatsen zijn de haren op eene bijzondere wijze gericht en vormen zij haarwervels, korenaren of Romeinsche degens. De eerste ziet rnen steeds op het midden van het voorhoofd; de korenaren aan de voorborst, de flanken, de liezen, enz., terwijl men de Romeinsche degens dikwijls aantreft langs den kam en aan don koelrand van den hals, in den vorm van eene meer of minder lange lijn, waar de haren naar elkaar zijn toegekeerd en elkander als degens kruisen.
Tot de beschuttende haren behooren: de maan- en maantop-haren, de staartharen, de vetlok, do neus-, ooi- en oogharen.
De tast- of voelharen zijn lange, borstelachtige, stijve, recht uit de huid opstijgende haren, die met gevoelszenuwen verbondon zijn. Zij staan als schildwachten in den omtrek van mond, neus en oogen, om de nadering van vreemde lichamen aan te geven. Daarom mogen zij niet worden uitgetrokken.
Soms treft men op de bovenlip oen sterk ontwikkelden hnevel aan; zeldzamer is het voorkomen van h-oeze dekharen of het geheel ontbreken van dokharen {kale paarden). Van buitengewone lougte der maan- on staartharen bestaan vele voorbeelden.
^ 87. Df, verdef.ling deii kleuren geschiedt in:
1quot;. Effen of eenkleurig haar, en 2°. gemengd of samcmjcsteld-kleurij haar.
Tot het effen haar behooren: het bruine, roode (vos), gele, (') vale, zwarte en witte haar (bij witgeboren schimmels).
Tot hot gemengde haar: het stekelhaar, liet onveranderlijke schim-mclhaar, het veranderlijke schimmelhaar, het tijgerhaar en het bonte haar.
Nagenoeg bij elke kleur kan men óf over het geheele lichaam verbreid of op enkele plaatsen, ronde vlekken, zoogenaamde appels aantreffen, die aanduiden, dat het paard in goeden voedingstoestand verkeert.
§ 88. Het ishuine haar. De dekharen zijn licht- of donkerbruin, terwijl do manen, staart en onderbeenen meestal zwart
(1) Het gele, witte (scliimraol-), bonte en tijgerlisar zullen verder niet worden behandeld, wijl paarden met deze kleur voor het leger niet worden aangenomen.
57
zijn; de huid en hoeven zijn donker; aan oogen, mond, neus en buik zijn de haren gewoonlijk lichter gekleurd.
Men onderscheidt, van de lichtere tot de donkere bruinen overgaande:
1°. Lichtbruin of geelbruin. De dekharen zijn licht, dikwijls geelachtig bruin; de beenen zijn meestal donkerbruin of geelachtig.
'2quot;. Goadbruln. Hel dekhaar is licht- of geelbruin met goudglans; manen, staart en beenen zwart.
3quot;. Reebruin. De dekharen zijn aan de bovenzijde van liet lichaam licht- of eenigszins donkerbruin, terwijl neus, oogen en buik veel lichter zijn gekleurd. Is de lichte kleur van den neus scherp afgescheiden, dan noemt men het paard wel een reesnuit.
4quot;. Kertsbruin. De kleur is licht bruinrood, met zwarte manen, staart en beenen.
5quot;. Roodbruin, wanneer de dekharen deze kleur hebben.
0quot;. Kastanjebruin, met donkerbruine dekharen, doch aan neus, oogen en buik geelachtig.
7quot;. Spiegelbruin of appelbruin is een gcappelde kastanjebruine; door goede voeding en verpleging kan de laatste dus spiegelbruin worden.
8quot;, Donkerbruin, niet nog donkerder kleur.
9°. Zwartbruin. De dekharen zijn van boven zwart, aan lippen, flanken en buik koperkleurig. Is de neus fraai koperkleurig, dan noemt men het paard een kopersnuit.
ij 89. Het vosiiaau. De grondtoon van dit haar is rood, doch met schakeeringen in het gele en bruine. Manen, staart en beenen hebben de kleur van het lichaam, evenwel soms iets lichter of donkerder. Een vos verandert meer dan ander haar van kleur door jaargetijde, voeding, enz.
â ]quot;. De lichtvos heeft geelroode dekharen; manen en staart van dezelfde kleur.
2quot;. De Hei- of leemvos is grauwgeel, vuil leemkleurig.
I!quot;. De goudvos heeft goudroode dekharen met glans; manen, staart en beenen donkerrood.
4n. De roodvos en 5quot;. De kopervos zijn koperkleurig en verschillen enkel daardoor, dat de eerste een iets rooderen glans bezit.
6quot;. De sabelvos heeft bruinroode dekharen met glans, terwijl de flanken geelbruin zijn. Manen en staart zijn zwartgrauw.
7°. De donkervos heeft donker bruinrood dekhaar, eenigszins in het grauwzwarte spelend.
58
8°. De brand- oï levervo* komt met den vorigen overeen; de uiteinden der haren zijn ecliter van lichte punten voorzien, alsof ze verzengd waren.
9quot;. De bruin- of bronsvos heeft glanzend, geelroodbruin dek-haar met grauwen weerschijn, als het brons.
10quot;. De zweetvos. Het dekhaar is donker bruinrood, dikwijls geappeld; manen en staart zijn witgrauw of wit.
liquot;. De zviartvos is donkerder dan de vorige; manen en staart komen daarmede overeen.
12°. De koolvos heeft zwartroodbruin dekhaar en bijna zwarte manen en staart, met een rossigen gloed.
§ 90. Het muisvai.e maar is eigen aan het paard in wilden toestand; muiskleurige dekharen, met donker hoofd, aalstreep met kruis, gevlamde beenen, zwarte onderbeenen en donkergrauwe manen en staart. Naarmate de kleur lichter of donkerder is, onderscheidt men:
1°. Licht muisvaal, 2°. (jewoon muisvaal, en 3°. donker muisvaal,
ij 91. Het zwarte haar. Alle haren zwart, huid en hoeven donker. Door inwerking van het zonlicht, en door slechte voeding en verpleging wordt de kleur vaalzwart. Merriën zijn gewoonlijk lichter zwart dan hengsten. Men onderscheidt:
1°. Vaalzwart, licht- of zomerzwart, met rossigen gloed , zoodat men het soms met voshaar verwart.
2°. Koolzwart; zuiver zwart, zonder glans, dikwijls geappeld.
3quot;. Git- of gloedzwart; donkerzwart met fraaien metaalglans.
^ 92. Het stekelhaar. Donker dekhaar, slechts hier en daar met witte haren vermengd, het dichtst gewoonlijk aan de llanken en den staartwortel. Naar de kleur van het grondhaar onderscheidt men:
'1°. Stekelbruin, 2quot;. stekelvos, 3quot;. stekelzwart, en 4°. stekelmuisvaal.
^ 93. De afteek en ino en. Aldus noemt men de aan het hoofd en de beenen voorkomende witte haarpiekken, waaronder de huid niet zwart is. Zij zijn of zuiver wit en dan scherp van den omtrek gescheiden, óf gemengd, en gaan lt;l;in langzamerhand in het grondhaar over; in het laatste geval is de onderliggende huid ook niet volkomen licht gekleurd.
De afteekeningen zijn aangeboren; verkregen witte plekken, bijv. door drukking, hebben eene donkere huid. Alleen de eerste worden in het signalement van het paard opgenomen.
59
ij 94. Aktkkkkningkn aan het hoofd. Deze zijn:
1quot;. Eenige witte haren voor het hoofd, indien deze op het inidiien Viin liet voorhoofd worden aangetrofl'en.
2quot;. Een stipje of bloempje: eene kleine, witte vlek op het midden van het voorhoofd.
liquot;. Kene kol: eene groote, witte vlek op dezelfde plaats. Komen daarin donkere haren voor, dan heet de kol grijs; bevinden deze zich enkel aan den rand der kol, dan is zij geboord.
Naar de grootte en gedaante onderscheidt men:
a. Kleine en groote kol.
b. Jlalve kol, indien slechts de helft van een dergelijke vlek wit is.
c. R'mgkol, wanneer de witte haren een ring vormen om het donkere grondhaar.
d. Druipkol, als de witte vlek naar beneden in eene punt uitloopt.
e. Oploopende kol, wanneer zij naar boven in eene punt eindigt.
Æâ-k. Vertakte, stervormige, halvemaanvormige, ronde, ovule, onregelmatige kol, enz. als zij den vorm lieeft, door een dezer namen uitgedrukt.
4quot;. .Uene bles is eene meer of minder breede, witte streep, die van het voorhoofd tot de neusgaten loopt. Evenals de kol kan ook deze grijs of geboord zijn. Verder onderscheidt men;
a. Eene smalle bles.
h. Kene breede bles.
c. Een blaarkop, wanneer het wit zich rondom de oogen uitstrekt. Geschiedt dit slechts aan céne zijde, dan spreekt men van een huiven blaarkop, liet oog, door de witte haren omgeven, is gewoonlijk een glasoog.
d. Eene doorloopende bles, als zij tevens de bovenlip of zelfs ook de onderlip inneemt,
e. Eene ludve bles, wanneer zij, bij eene steeds gelijkmatige breedte, op het raidden van den neus eindigt.
Æ. Kene druiphles, als zij smal uitloopt en niet tot aan de neusgaten reikt.
g. ICme afgebroken bles, indien zij op eenige plaats door hot grondhaar in tweeën is gescheiden.
hâl. Kene vertakte, seheeve, rechte, regelmatige of onregelmatige bles. enz., zooals deze woorden voldoende aanduiden.
Soms bestaat er alleen eene witte streep over den neus.
()ü
5quot;. Ketio sneb, snip of snuitje noemt men eone witte vlek van vei'scliillende grootte iiuri ile punt van den neus en op tie bovenlip. Men onderscheidt deze in :
a. Kleine of groote sneb.
b. Op/oopende sneb, wanneer zij zich tot boven de neusgaten verheft.
c. JIoo/j oploopende sneb, als zij zich tot ongeveer de helft van den neus uitstrekt.
d. Gemarmerde sneb, indien er zwarte of blauwachtige vlekken op voorkomen, gelijk bij schimmels niet zeldzaam is.
()quot;. Eene witte boven- of onderlip; gewoonlijk zijn deze eene voortzetting van de bles of de sneb, soms komen zij echter zelfstandig voor. Men kan ook onderscheiden eene halve witte hoven- of onderlip. Soms is het wit zóu klein, dat men spreekt van eene witte vlek op boven- of onderlip.
Sj 0;). Aitkekeningkn aan dk bkenen. Ook deze kunnen zijn: grijs of vaal, geboord en gevlekt of gestipt. Naar de uitbreiding der witte haren onderscheidt men:
a. Witte vlek op de kroon.
I). Witte ballen of witten binnen- of buitenbal.
c. Witten kring om den hoef. als de kroonharen wit zijn.
d. Sokje, wanneer de witte haren de kroon innemen.
e. Sok, als zij zich tot den kogel uitbreiden.
f. Witvoet, als de witte haren zich tot juist boven den kogel uitstrekken.
g. Half wit been, als het wit tot halverwege de pijp reikt.
h. Witbeen, indien het zich tot de voorknie of het sprongge-wricht uitstrekt.
i. Jloog wit been, als ook deze gewrichten wit zijn.
j. Hoog geschoeid of gelaarsd, indien de witte haren zich nog hooger uitbreiden.
Deze afteekeningen kunnen allerlei afwijkingen aanbieden; zij kunnen zijn: half, afgebroken, binnen-, buiten-, achterwaarts of naar voren oploopend, enz. Zoo spreekt men van eene halve, binnenwaarts oploopende sok, een witvoet met eene zwarte vlek op de baiten-kroon, enz. en tracht dergelijke onderscheidingen steeds zoo kort mogelijk uit te drukken.
Tegenwoordig ziet rnen de afteekeningen niet gaarne meer.
......
-
- '
' â -' ⢠'......
hhhbwhbmbh
hhh hhihhhi
i^h^h |hhhb||hh| â wh hhhhhhi
, ,,.. ... â .â ..â¢â¢â¢ . .,â ...... -â â i
.... .
. -. -, ,. ... ..
^mfc;
ü
.
... . .-â. :. .. ...... ..-t. .. - : .
mmmmamp;i * â *quot; iv wwf$
INWENDIGH 1TELFT VAN EEN IN DE MIDDELLIJN VERTICAAL DOORGESNEDEN RECHTER VOORHOEF.
A, h/'oimhcen; B, hoof'heen, C, slraalhocii; u, hrooti gewricht, /), hoejcji'toriclit; t', h'CHmuitstcekscl oiui Iwt lioefbcfii. d.pocs oan den hoefhooiibnujcr,- c en c, hours-ImhuI oan hel UocJqoioriclil;J, süvkjiocs; (j^ibwal-liocj- boonhand. h,slijmbourvt van don hoofbconbiiujoi'. i.aUns.ioat iol holslfanlkusson behoort, als:l, celoor-vortnUfo straal; i'.celoorniufc ballon; l'toonl acui hoe'oer xioh hol stranlJfassou, dat hiei' (jedecltulijk door don kanon ham oan don .straal hod oh! us, naar bono -den uitstrekt; if^deoschhroou, i,ulcoscJmnind, m, nloosrh xool, tl, vloesohstrao l. O. hoorntvand; fi.hooru xool, (f hoornstraal ;i\ imoondujo helft nan don hfi/ion kam nun den hoorttiStraal,dir in do cfrocuo voji hol slraalkusson lujt.
.ïicr 46
O
ZESDE AFDEELING.
DE HOEF EN HET HOEFBESLAG.
A. DE HOEF.
§00. De inwendige deei.en van den hoef. De grondslag van den hoef wordt gevormd door het onderste gedeelte vim het kroonheen, door het hoef been en het straalbeen (fig. 40, A, 1! en C).
Het kroonheen (fig. M), A) is kort, dobbelsteenvormig en vormt met de beide andere beenderen bet boefgewricht (fig. 4(gt;, b).
Het hoef been (fig. 46, li) komt in gedaante met den boef overeen en ligt in den boornigen koker in eene schuine richting, van achteren naar voren en beneden. Het eindigt aan weerszijden, in uitstekende gedeelten, de hoefheenstakken.
Het straalbeen (fig. 4fi, C) is een smal, langwerpig beentje, dat de achtervlakte van bet boefgewricbt helpt vormen.
Deze beenderen zijn door handen beweeglijk met elkander verbonden. Hunne beweging geschiedt door spieren, die boven de voorknie en liet spronggewricht zijn gelegen, en door middel van pezen met genoemde beenderen in verbinding staan. De aan de voorzijde liggende pezen dienen om te strekken; die aan de achterzijde zijn buigpezen.
De boefbeenstakken gaan naar achteren over in de hoefkraak-beenderen. Dit zijn zeer veerkrachtige deelen, waaraan de achterste hoefhelft voor een groot deel hare elasticiteit te danken heeft. Dat blijkt duidelijk, indien op hoogeren leeftijd eene verbeening dier kraakbeenderen ontstaat, gelijk niet zelden het geval is.
fi'2
Doch niot mimler ilraagt het vet- of strnnlkussen (fis- hü, i)'gt;lj tot de veerkracht van den hoef. Dit is eene voornamelijk uit elastisch weefsel bestaande massa, die de ruimte tusschen de heide hoefkraakbeenderen opvult, zich naar voren onder het hoefbeen uitbreidt en aldus den grondslag vormt voor den straal. Het voorste gedeelte van het straalkussen heet daarom cellige straal (fig. 46, i), terwijl dat, wat naar achteren gelegen is, en de ballen helpt vormen, de cellige hallen (fig. 46, i) wordt genoemd. â¢
In den hoef bevinden zich vele bloedvaten, wat niemand kan bevreemden, als men nagaat, hoeveel nieuwe hoorn voortdurend moet worden gevormd. De bloedvaten, die het tot hoornvorming geschikte bloed aanvoeren, heeten slagaderen; de aderen leiden het verbruikte bloed weder weg.
Ook zenuwen zijn in groote hoeveelheid aanwezig; vandaar de groote gevoeligheid bij bel eed i gingen. De hoorn zelf bevat echter noch zenuwen noch bloedvaten.
Al deze deelen worden omgeven door een dun, roodgekleurd vlies, dat eene voortzetting is der huid, die thans evenwel geene haren meer voortbrengt, doch hoorn. Dit vlies kan men daarom hoornvormende huid (lig. 47 en lig. 48) noemen. Wijl het eenigs-zins op vleesch gelijkt, heeft men het wel de vleezige deelen van den hoef geheeten; de smid betitelt het meestal met den naam leven, omdat het zoo gevoelig is.
Aan die vleezige deelen kan men onderscheiden : den vleesch-zoom, de vleeschkroon, den vleeschwand, de vleeschzool en den vleesc/i-straal. Deze brengen elk een afzonderlijk gedeelte van den hoef voort.
De vleeschzoom (Jig. 47, b) vormt eene 5â6 tnM. breede streep, onmiddellijk onder de huid; hij gaat naar achteren in den vleesch-straal over. Op zijne oppervlakte neemt men talrijke kleine vlokken waar. Hij vormt den hoornzoom, dat is do bovenrand van den hoef, en de glazuurlaag van den wand; de laatste is eigenlijk niets anders als eene voortzetting van den eersten.
De vleeschkroon (lig. 47, c) ligt onder den vleeschzoom, is 16â'20 mM. breed, en slaat zich van achteren naast den vleesch-straal om, loopt vervolgens een weinig naar voren en versmelt dan met de vleeschzool. Dit omgeslagen gedeelte helpt de stennsels vormen. De vleeschkroon zelve brengt de middelste laag van den hoornwand voort. Zij bevat op hare oppervlakte vlokken, die langer zijn dan die van den vleeschzoom.
â Jia.47.
o
Hoef, waarvan de ho.oknige koker verwijderd is
ahaavledorhuid,voaavoan dó how{i hm dodo vetwmht'd xijn. h. vleosch xootu.
c. ulecschkroon.
d. vlcoschroaiid.
O. vlokken aan don onderrand aan don uloo.schnuiud.
Pig. 48.
Ondervlakte: van een hoef,waarvan
de hoornige koker verwijderd 13.
a.slounsolyeiieeUe mui dan vlccscinvand,
b, olcesch jool;
C, oloeschstrtial;
d,(jnu'tgt;o rum hof .HraaUfusscn mol don
dnnnon uloesoJuvfoaa t hekleed;
O, bulgedooilo van den vfaesch xocan, dai on middel ij h in den vleosehslviial aneryaut.
HOORNIGE KOKEP. 7AM TER ZIJDE EN EENiG?;ZINS VAN VOREN GEZIEN. a hüornxoom,(!w bi/ a'hveclev worth en ut Ji'lwomige hollen ooorgacd.hij a'i.s een x/uAje uit Jtn hoornxoomyc.sueden en metihhierniL anlstaandti ylawnrlatuj untt de mnUe!«t» Inayvan
,ilt;// wamUjescheideu Van tii' jmnl M 0 Uxmgetamp;elU tuur den âHtnd.tmnhlotr xijmmd.oan c lol d draddmeaid.. e,hoorn -slradi;J'hrooiifjvporgt;a rnef lf' Ir'/kr Cjatiijes^j, jilt7tt(Jcsl(i(r/j
lig. 49.
(53
lie vleeschwnnd (fip;. -47, d) i.s veel grooter dan (ie vorige on onderscheidt zich daarvan, doordat hij bedekt i.s met plaatjes, die evenwijdig aan elkander, van boven naar beneden loopen, en vleeschplaatjes worden genoemd. Alles wat zich onder de vlee.scli-kroon bevindt, behoort tot den vleeschwand. Deze slaat zich evenals eerstgenoemde van achteren oin, onmiddellijk naast liet gedeelte der vleeschkroon. Die beide omgeslagen gedeelten (dg. 48, a) vormen samen de steunsels.
Het overige, grootste gedeelte van den vleeschwand brengt de imvendiye lang of de plaatjeslaag van den hoornwand voort.
JJe vleeschzool (fig. 48, b) bedekt het voorste derde gedeelte der ondervlakte van het hoef been; zij bevat weder vlokken en brengt de hoornzooi voort.
De vleeschstraal (fig. 48, c) bekleedt den celligen straal, en is door deze onderlaag verheven boven de omliggende deelen. ()p zijne oppervlakte neemt men evenzoo vlokken waar. Hij scheidt den hoornstraal af.
§ 97. De hoornigk deelen (fig. 49, 50 en 51). De genoemde vleezige deelen worden onmiddellijk omgeven door den hoorn; zooals reeds werd opgemerkt, ontstaan de hoornige deelen uit de eerste. De hoornige deelen alleen bestempelt men wel met den naam hoef. Daaraan onderscheidt men: den hoornwand, de hoorn-zool en den hoornstraal.
De hoornwand (fig. 49) omgeeft het ondereinde van het been van voren en van ter zijde, en is grootendeels zichtbaar, wanneer het been op den bodem rust. Van achteren buigt zich de wand aan weerszijden naar voren om, waardoor de steunsels (Mg. 50, e) worden gevormd. De plaats van ombuiging heet de steimsel-hoet (fig. 50, d).
Men onderscheidt aan den hoornwand eene uitwendige, gewelfde, en eene inwendige uitgeholde vlakte, verder een bovensten of kroonraad (fig. 49, aa') en een ondersten of draajrand (fig. 50, a, h, c).
Door een denkbeeldig, den hoef van voren naar achteren in het midden snijdend vlak, wordt hij in eene uit- en inwendige wandhelft (huiten- en hinnemuand) verdeeld. Door vier dergelijke lijnen, die den hoef in vijf gelijke stukken scheiden, verkrijgt men de onderscheiding in den toonwand en de zij- en drachtwandcn.
De toon (fig. 50, nâa) wordt gevormd door de beide wand-helften en omvat '/b gedeelte van den uitwendigen wandomvang.
(vi
De zijden of kwartieren (fig. 50, aâb) beginnen aan de grens van den toon, en strekken zich naar achteren uit over een afstand, gelijk aan '/s van ('en wandomvang. Zij komen aan beide zijden voor en worden nader onderscheiden in binnen- en buitenzij wand.
Be drachten of verzenen (lig. 50, bâlt;;) liggen achter de zijden en worden evenzoo in binnen- en buitendrachten onderscheiden.
üe hoornwand bezit aan den toon de grootste helling en wordt naar de drachten toe langzamerhand steiler; de buitenwand is steeds iets schuiner dan de binnenwand. Evenzoo is de toon der achterhoeven altijd steiler dan die der voorhoeven.
De toonwand is het langst en het dikst; naar de drachten toe nemen lengte en dikte gelijkmatig af. De binnenwand is dunner dan de buitenwand.
De steunsels (lig. 50, e) liggen in eene schuine richting naast den straal; ongeveer nabij het voorste derde gedeelte van den laatsten gaan zij onmerkbaar over in tie zool.
De hoornwand bestaat uit drie lagen, waarvan de buitenste de uitwendige of deklaag wordt genoemd. Deze door den vleesch-zoom afgescheiden laag bestaat uit zeer weeken hoorn, die bij langen tijd vochtig gehouden hoeven sterk opzwelt en wit wordt. Zij wordt onderscheiden in den hoornzoom (lig. 41), a) eu het glazuur. De eerste is het bovenste gedeelte van den hoef, ongeveer een vinger breed, dat zich van achteren, breeder wordende, omslaat en dan de hoornige ballen (lig. 50, k) vormt.
De hoornzoom zet zich naar beneden in eene zeer dunne, glanzende laag voort, die de volgende lagen van den wand bekleedt en het glazuur wordt genoemd. Deze laag gaat door het raspen van den hoef bij het beslag of door andere uitwendige invloeden, meestal ten deele verloren.
De middelste laag wordt door de vleeschkroon voortgebracht en vormt den eigenlijken hoornwand. Zij bezit uitwendig ondiepe dwarse groeven of ringen, die bij sommige hoefziekten zeer diep kunnen zijn.
De plaatjeslaag (lig. 49, g) is de inwendige; deze wordt dooiden vleeschwand voortgebracht. Zij bestaat uit talrijke evenwijdig naast elkander liggende hoornplaaljes (tig. 51, f), die tusschen de vleeschplaatjes worden opgenomen; de vereeniging van de hoornige en vleezige deelen is op deze wijze zeer vast.
De hoornzooi (fig. 50, f) wordt afgescheiden door de vleeschzool en vormt grootendeels de ondervlakte van den hoef. /ij bestaat uit een minder harden hoorn dan de wand. Hare onderste lagen
Ondervlak te van den rechter voorhoef.
a-fi, dvaagvand oan den fooitnxuid; a h, die mm don xij -wat ui ; h - C, die oan don drndiltoatid; d, sttunscüiodi ,0. stenn â sclwajidif.hootni xool J] Uikhtai daaruani'ü, wille lijn, (J', wille lijn (lorstfiuucls, Ihlhoowistvaal;i,schonkoLs war doiuslracd, h/Iiootnige ha Hou, tjnuJdol.slo slvanllt;frootgt;c ; ///, xijdolÃKj.sdw stractlaroevo,
pig p
Hoef,waarvan de buitenwand is weggenomen,
(t. lioomxaom. ,0, hroonaroevo; C,bovenrand (lev slowiscls; dd,doorsneden der middelste huuf oan den hoorn ivo nd, o, hovixontale. doormedr mut den wand boven den droayvand, (f,iilcudjcslaa/j^f3, 'slciuiscLjvdee /ie der ji laaijeslxuigifjiooim xool/h,wille lijn,-^kleine hoot'noo.rdUekiiuj in hel iniclde.iv van den toon; k,gcdeclIe van den straal,dal uiel den hoven fond der steansels versinelf; l, luaienkani van den ItoornstvaaL; ill, de inroenditje- slraa Ujvoevon,
Pig. 61.
(gt;5
brokkelen steeds in meer of minder groote schubben of platen af, die soms zoo broos zijn, dat men ze tusschen de vingers tot poeder kun wrijven. Deze zoogenaamde doodc hoorn wordt bij liet beslaan verwijderd.
De hoornzooi moet uitgehold zijn. Zij is door middel van de ruitte lijn ((ig. 50,;/) met den hoornwand verbonden en bezit aan de voorhoeven eene ronde, aan de achterhoeven eene ovale gedaante.
De witte lijn beslaat uit naar beneden gegroeide hoornplaatjes, wier tusschenruimten zijn opgevuld met eene gele, weeke hoorn-stof, die voortgebracht wordt op de grens tusschen vleeschwand en vleeschzooi. De witte lijn duidt de dikte van den wand aan. Eene scheiding van hoornwand en hoornzooi in de witte lijn wordt een losse wand genoemd.
De hoornstraal (fig. 50, li) wordt door den vleeschstraal afgescheiden. Hij bestaat uit eene zeer elastische hoornstof, die niet als de zooihoorn afbrokkelt, doch in meer of minder groote stukken loslaat. De ondervlakte ligt bij een gezonden hoef in hetzelfde vlak met den draagrand van den wand. Men onderscheidt daaraan een achterst, breed gedeelte, het lichaam genoemd, dat naar voren smaller wordende, in eene punt uitloopt. Het lichaam wordt door eene in het midden aanwezige ovale groeve, de middelste straal-nroeve (lig. 50, i). in de beide schenkels (fig. 50, i) verdeeld. Jk zydelingsche straalgroeven (fig. 50, m) scheiden den straal van de steunsels.
§ 08. De groei van den hoef geschiedt van boven naar beneden en steeds gelijkmatig aan alle deelen van don hoornwand. Dij verschillende paarden echter is de wasdom zeer uiteenloopend, zonder dat hiervoor steeds eene verklaring is te vinden. De go-middelde tijd voor liet naar beneden groeien van den hoorn, van den kroonrand tot den draagrand is: voor den toon 9âli maanden, voor de kwartieren 5â6 maanden en voor de drachten .'1â4 maanden. In het algemeen groeien onbeslagen hoeven sneller dan beslagene, en achterhoeven sterker dan voorhoeven; bij hengsten groeit de hoornwand iets langzamer dan bij ruinen en meniën.
De hoorn van de zool en den straal groeit sterker dan die van den wand, vooral wanneer de straal met den bodem in aanraking komt.
De hoorngroei wordt bevorderd door regelmatig besnijden van den wand, veel beweging op een geschikten bodem, en door zacht houden van den hoorn; belemmerd daarentegen door slecht beslag,
5
06
door rust, door beweging op een harden bodem en in mul zand, en door een gebrekkigen stand, waarbij de boef ongelijkmatig of te weinig wordt belast.
§ 99. 11 kt hoktmecuanismus noemt men de veranderingen, die de boef ondergaat, wanneer daarop een grooter of kleiner deel van den licbaamslast komt te rusten. Dit geschiedt in bet laatste tijdperk van het steunen, wanneer bet been achterwaarts is geplaatst, ten einde den romp voort te duwen. Hoe sneller de gang is, met des te meer kracht heeft dit afduwen plaats, en des te grooter drukking wordt dus op den boef uitgeoefend.
Deze wordt dan van voren en boven naar achteren en beneden samengedrukt; het gevolg daarvan is, dat de hoef lager, doch naar evenredigheid breeder wordt. Uie grootere breedte betreft voornamelijk de achterste hoefbelft; de drachten en kwartieren zetten zich zoowel aan hun kroon- als aan hun draagrand naar ter zijde uit. Aan den toondraagrand ontstaat geene verwijding. De uitzetting aan den draagrand der verzenen is afhankelijk van den straal; komt deze met den bodem in aanraking, dan geschiedt zij naar behooren, in bet tegenovergestelde geval echter verwijdt de draagrand zich niet.
Hieruit volgt, dat een groote, met den bodem in aanraking komende straal van groote beteekenis is voor het boefmechanismus, en dit is, gelijk nader zal worden aangetoond, onmisbaar voor de gezondheid van den hoef.
Zoodra de hoef van den bodem is opgelicht, en de licbaamslast alzoo daarop niet meer drukt, neemt bij zijn vorigen vorm weder aan, en vernauwt zich dus. Dit verwijden en vernauwen gaat bij beweging onafgebroken voort.
Docli behalve deze beweging maakt de draagrand van verzenen zijwand nog eene vóór-achterwaartsche, gelijk de blank geschuurde groeven nabij de uiteinden van een pas afgenomen ijzer meestal te zien geven. In het laatste tijdperk van het steunen wordt genoemde draagrand iets naar voren geschoven; daardoor ontstaat eene groote mate van spanning, evenals bij elk ander elastisch lichaam, dat samengeperst wordt, zoodat de boef ook in dit opzicht zijquot; gewonen vorm tracht terug te krijgen. Het oplichten van den hoef wordt daardoor zeer bevorderd.
Dit is reeds één voordeel van het boefmechanismus: het bevorderen van een elastiscben, snellen gang namelijk. Is bet boefmechanismus opgeheven, dan stooten de paarden gemakkelijk aan, terwijl de gang zeer gebrekkig is.
rgt;7
Doch ook voor de voeding is het van gewicht; door het afwisselend verwijden en samentrekken van den hoef wordt de bloedsomloop daarin geregeld onderhouden, en dus een gunstige invloed op de voeding uitgeoefend. Wanneer het mechanismus beperkt is, dan worden de hoeven klein, ineengeschrompeld, met harden, drogen hoorn, zoodat de vleezige deelen worden gedrukt en gekneusd. Kreupelheid is daarvan het onvermijdelijke gevolg.
Men ziet hieruit, dat het van groot belang is den hoefin den natuurstaat te houden, opdat hij in zijne verrichtingen niet worde belemmerd. Dit gaat echter moeielijk, daar het paard arbeid moet verrichten, en nog wel op wegen, die de hoeven meer doen afslijten dan zij aangroeien. Zij moeten daarom worden beslagen, en elk beslag, hoe goed ook, belemmert eenigszins de uitzetting en vernauwing van den hoef, moet dus op tien duur aanleiding geven tot ziekte, indien geen andere omstandigheden dit voorkomen.
liet is daarom gewenscht het beslag zoo goed mogelijk te maken, terwijl men er verder naar moet streven de hierdoor desondanks veroorzaakte nadeelen door eene zorgvuldige verpleging onschadelijk te maken.
B. HET HOEFBESLAG.
§ lüü. Eigenschappen van een goed iioeeijzku. Het ijzer, waarmede het militaire paard wordt beslagen, moet zijn vervaardigd, overeenkomstig het voorschrift, voorkomende in het Ilecueil Militair '188G, bladz. 28i) en volg. (Zie de Bijlage, aan het einde dezer Handleiding), liij de beoordeeling daarvan komen de volgende zaken In aanmerking:
1quot;. Vorm. Een hoefijzer moet in vorm overeenstemmen met den draagtand van den hoef, waarvoor het bestemd is.
'2°. Breedte. Deze mag niet meer bedragen dan het dubbele der dikte van den draagrand aan het toongedeelte. Voor groote hoeven zal men naar dezen maatstaf in den regel breedere ijzers noodig hebben dan voor kleine. Zijn de ijzers belangrijk breeder dan de opgegeven maat, dan worden zij te zwaar, belemmeren een snellen gang en verhinderen den straal met den bodem in aanraking te komen.
3quot;. Diite. Deze moet zoodanig zijn, dat het beslag eerst na 5â0 weken behoeft te worden vernieuwd. Op dien tijd is het tevens noodig den wand te besnijden, waar deze onder het ijzer te lang is geworden. Een vroeger vernieuwen van het beslag zou
(18
Voor den hoef nadeelip; zijn , omdat de hoornwand door de vele rijen nagelgaten brokkelig zou worden.
4quot;. Vlakten. Aan de bovenvlakte van liet ijzer onderscheidt men eene draujvlakte en eeue af hellende vlakte. De eerste moet geheel ellen zijn en zóó breed, dat zij den draagrand van den hoornwand, de witte lijn en nog '2 millimeter van de hoornzooi bedekt.
De afhellende vlakte strekt zich uit van de draagvlakte tot den binnenrand van het ijzer. Zij verhindert het ijzer met de zool in aanraking te komen, en voorkomt alzoo eene pijnlijke drukking van de laatste. De grootte der afhelling dient dus geregeld naar de uitholling der zool.
Uzers, waarvan de geheele bovenvlakte naar binnen afbelt, zijn slecht.
De ondervlakte vciu het ijzer moet volkomen vlak zijn en eene diepe, breede, van de toonnagelgaten naar de uiteinden der takken loopende groeve, rits genoemd, bezitten, waarin de nagelgaten worden aangebracht. De rits moet eene diepte hebben gelijk aan twee derde der ijzerdikte, opdat de wigvormige nagelkoppen daarin kunnen worden opgenomen.
Zeer nadeelig voor het boefmechanismus is, wanneer bet ijzer in plaats van vlak, zoodanig omgebogen is, dat hel binnenge-deelte der ondervlakte het eerst op den grond komt en het buitengedeelte daarvan meer of minder verwijderd blijft.
5quot;. Randen. Do buitenrand van het ijzer moet van onderen iets naar binnen loopen, waardoor de kans tot strijken wordt verminderd.
De binnenrand moet glad en ellen zijn.
()quot;. Najelgaten. Deze worden ten getale van zes in bet ijzer aangebracht, namelijk drie in den buiten- en drie in den binnen-tak. Het meest naar voren geplaatste nagelgat in eiken tak heet tooniuKjehjat, daarop volgt hot eerste zij- of kwartiernagelgat en dan het tweede zij- of kwartiernagelgat.
13e afstand der beide toonnagelgaten moet bij het voorijzer gelijk zijn aan 1'/j maal de breedte van het ijzer, bij het achterijzer gelijk aan tweemaal de bedoelde breedte.
Aan den buitentak moet het laatste nagelgat juist op het midden van de lengte van het ijzer komen; aan den binnentak moet dit '/a cM. verder naar voren zijn geplaatst.
L)e nagelgaten moeten, als het ijzer .onder den hoef wordt gepast, op de witte lijn komen; bevinden zij zich daarbuiten, dan noemt men ze te mager, in het omgekeerde geval te vet gestampt.
f)f)
7°. Kmc Up noemt men een klein uitstekend gedeelte aan den boven-buitenrand van liet ijzer. Gewoonlijk komt deze alleen in liet midden van den toon, soms echter ook elders voor. /ij dient om het verschuiven van het ijzer onder den hoef tegen te gaan; zij ondersteunt dus de nagels.
De hoogte eener lip moet gelijk zijn aan de dikte van hot ijzer; hare breedte aan tie basis ongeveer gelijk aan het dubbele der hoogte. Zij moet van boven afgerond en zoo buigzaam zijn, dat zij zich gemakkelijk tegen den wand laat aanslaan.
Ten einde de lip te kunnen uittrekken, moet het ijzer aan den toon, nabij den buitenrand, iets verdikt zijn; voor hetzelfde doel laat men de rits in den toon niet doorloopen.
8°. Opzet noemt men eene opbuiging van het toongedeelte van het ijzer. Deze begint gewoonlijk aan het eerste zijnagelgat en wordt, wat de hoogte betreft, in het algemeen geregeld naar de afslijting van het toongedeelte der oude ijzers. Hoe sterker deze is, des te hooger maakt men den opzet.
De opzet maakt de beweging gemakkelijk en voorkomt het aanstooten; bij onbeslagen hoeven vormt hij zich van nature. Alleen aan de voorijzers brengt men een opzet aan. De hoogte daarvan is gewoonlijk gelijk aan de helft der ijzerdikte; bij paarden, die aanstooten, maakt men den opzet dikwijls hooger dan de dikte van het ijzer.
0°. Kalkoenen noemt men de rechthoekig naar beneden gebogen uiteinden van een ijzer. Deze zijn bij het leger afgeschaft, omdat de voordeden geenszins konden opwegen tegen de nadoelen daaraan verbonden, /.ij belemmerden namelijk het in aanraking komen van den straal met den bodem, wat voor het hoefmecha-nismus, gelijk we in § 99 zagen, zeer schadelijk is. liet ontstaan van klemhoeven wordt daardoor bevorderd. Bovendien gaat door kalkoenen de natuurlijke stand en de gelijkmatige verdeeling van den lichaamslast over den hoef verloren, terwijl het glijden van den hoef op den bodem, dat in lichten graad steeds moet kunnen geschieden, hierdoor wordt belemmerd.
Vroeger meende men, dat de kalkoenen onmisbaar waren, om het uitglijden tegen te gaan; de ervaring heeft echter geleerd, dat zij in dit opzicht volstrekt niet betrouwbaar zijn. Het beste middel daartegen is een groote straal, die met den grond in aanraking komt, en deze is voor paarden, welke voortdurend op een harden bodem staan en gaan, alleen dan mogelijk, wanneer zij zonder kalkoenen zijn beslagen.
71)
10°. Km stoot noemt men een kalkoen in hel toongedeelte van het ijzer. De/e wordt alleen gebruikt bij /ware trekpaarden in de groote sleden. Eene snelle beweging is daarmede onmogelijk.
§ 101. Winterdeslag. Wanneer de wegen met sneeuw en ijs zijn bedekt, dienen bijzondere maatregelen te worden genomen, om het uitglijden der paarden le voorkomen. Op verschillende wijze heeft men getracht hieraan te voldoen en nog steeds zoekt men naar middelen, om in het winlerbeslag verbetering te brengen. Dit vindt hoofdzakelijk zijn grond in het voortdurend streven naar goedkoopheid, gemakkelijke aanwending en duurzaamheid, vereischten, welke dikwijls moeielijk vereenigbaar zijn.
Van de vele wijzen, waarop men de paarden op scherp hun zetten, vermelden wij enkel de volgende:
1quot;. De ysnagels. Dit zijn nagels met groote puntige of wigvormige koppen, bestemd om de plaats in te nemen van twee of meer der gewone nagels aan elk hoefijzer. Die koppen zijn echter spoedig afgesleten, en men kan de ijsnagels niet steeds door nieuwe blijven vervangen, omdat de wand, door het telkens hooger inslaan, brokkelig wordt. Deze wijze van scherpen kan dus alleen worden gebezigd, om, bij gebrek aan andere hulpmiddelen, in een oogenblikkelijken nood le voorzien.
'2quot;. Het scherpen der gewone kalkoenen. Indien het paard met kalkoenen is beslagen, dan kunnen deze, door er een stukje staal in te wellen, worden gehard en vervolgens aangepunt. Dit is zeer omslachtig, daar de ijzers iederen keer moeten worden afgenomen, en bovendien nadeelig voor den hoef.
3°. De schroef kalkoenen zijn van een schroefdraad voorzien, zoodat zij in de schroefgaten, die nabij de uiteinden der takken zijn aangebracht, kunnen worden geschroefd. Deze waren vroeger ook bij het leger in gebruik, doch sedert 2 November 1880 door de insteekkalkoenen (zie hieronder) vervangen.
40. De insteekkalkoenen. Het thans bij het leger gebruikelijke winterbeslag bestaat uit hoefijzers met kegelvormige gaten en daarin passende scherpe en stompe insteekkalkoenen. De gaten worden geboord in de uiteinden der takken van het hoefijzer, die daar minstens de dikte moeten bezitten van het hierbij gebruikt wordende nagelijzer. Voor de trekpaarden maakt men tevens een gat in het toongedeelte van liet ijzer.
De insteekkalkoenen worden vervaardigd uit ronde staven staal, ter dikte van 10 millimeter. Dit staal moet bij voldoende hard-
71
heid gonoegziime taaiheid be/.itten, zoodat de kalkoenen niet afbreken.
Wanneer do scherpe kalkoenen niet noodig zijn, worden de n;aten met de stompe gevuld; hierdoor voorkomt men liet afslijten van of het zich verzamelen van vuil in de gaten.
Indien deze kalkoenon overeenkomstig de voorschriften zijn vervaardigd, voldoen zij goed.
§ 102. Behandeling der paarden du het deslag. Het beslaan moet steeds zoo kalm mogelijk geschieden; vooral bij jonge paarden vermijde men alle geraas en ruwheid. Deze mogen in den regel niet aan een ring in den muur worden vastgemaakt; een geschikt persoon moet ze bij de trensteugels houden, en door zacht toespreken en streelen of het geven van een geliefkoosd voedsel trachten ze gerust te stellen.
Het oplichten van een been moet met ééne hand, bij de pijp, geschieden, terwijl de andere een steunpunt vindt tegen het lichaam van het dier. Vooral lichte men de beenen niet te hoog op; bij vele paarden ontstaat het verzet juist door de beenen te hoog van den grond te beuren.
De militaire paarden worden steeds zoogenaamd uit de hand beslagen, dat wil zeggen zonder noodstal. Het geschiedt ook zonder ophouder. De smid plaatst den voorhoef tusschen zijne beide beenen, terwijl hij den achterhoef op zijne dij laat rusten. Dit biedt onder anderen het voordeel aan, dat de beenen niet hoog van den bodem worden opgelicht en het paard niet wordt geknepen, minder dwang voelt en daardoor rustiger staat.
Dwangmiddelen, als een praam, een kaptoom mogen alleen dan aanwending vinden, indien zonder hen het doel niet is te bereiken; zij moeten dan echter met beleid in toepassing worden gebracht.
§ 103. Onderzoek van den hoef en het oude ijzer. Een goede smid moet zich, vóór hij de oude ijzers afneemt, nauwkeurig rekenschap geven van den stand van het paard, of de hoefvorm met dezen stand overeenkomt, hoe de oude ijzers zijn afgesleten en hoe het paard zich in stap en draf beweegt.
De vorm van den hoef regelt zich geheel naar den stand van het been; bij een regelmatigen stand heeft men ook een regel-matigen hoefvorm , bij een scheeven stand daarentegen een scheeven hoef. Deze behooren bij elkander; een paard met een scheeven
1-1
stand zou met regelmatige lioeven slechter gaan dun met daarbij passende sclieeve.
Een regelmatige hoef wordt bij het gaan recht naar voren bewogen en komt met zijn geheelen draagrand gelijktijdig op den grond.
Bij den Framchen stand is de binnenwand der hoeven steiler, de buitenwand schuiner dan gewoonlijk. De buitenhelft der oniler-vlakte van den hoef is nu grooter dan de binnenhelft; op de laatste valt het grootste gedeelte van den lichaamslast.
Zulk een sclieeve hoef wordt bij het gaan in een boog van buiten naar binnen en daarna weder eenigszins naar voren en buiten bewogen, liet neerzetten geschiedt bijna regelmatig; de buitenwand ontvangt den stoot iets vroeger dan de binnenwand, waardoor ook het ijzer van buiten wat sterker afslijt.
Is het paard toontreder, dan is de buitenwand steiler, de binnenwand schuiner dan gewoonlijk. Het grootste gedeelte van den lichaamslast valt nu op de uitwendige helft van den hoef. Deze wordt bij beweging in een boog naar buiten, om den op den bodem staanden hoef, gevoerd. De binnentoon wand komt gewoonlijk het eerst op den grond.
Ook andere afwijkingen van den normalen stand, die men beter waarneemt, als men liet paard van ter zijde beziet, oefenen invloed op den hoefvorin uit. Zoodra namelijk de hoef ver naar voren is geplaatst, als bij hulk knieën, sterk doortreden in de kogels, sahelbeenigheid, enz. neemt men een langen toon en een korten drachtwand waar. De achterste hoefhelft wordt nu het meest belast.
Staat een paard van voren onder zich of van achteren gestrekt, dan is de toon kort en zijn de drachten hoog. Het heeft dan een stompen hoef, die zelfs tot een hokhoef kan worden. De last valt daarbij het meest op de voorste hoefhelft.
Een regelmatige onbeslagen hoef slijt aan den toon steeds meer af dan aan de drachten; de eerste is vooral in de laatste periode van het steunen aan sterke wrijving onderworpen. Om dezelfde reden slijt het ijzer gewoonlijk ook aan zijn toongedeelte liet meest af.
Indien de hoef onregelmatig wordt neergezet, ontstaat ongelijke slijting van het ijzer. De wand boven den meest afgesleten ijzertak is gewoonlijk te hoog, die boven het minst afgesleten ijzergedeelte te laag. De te hooge wand komt, zoowei in beslagen als onbeslagen toestand, het eerst met den bodem in aanraking en ondervindt den sterksten stoot.
73
De hoef slijt ook op liet ijzer af, doch enkel aan de zij- en drachtwanden en dan nog slechts indien het hoefmeclianismus ongestoord plaats vindt. In dezelfde mate als de zij- en dracht-wanden afslijten, wordt de toon wand betrekkelijk te hoog en slijt het ijzer aldaar dus meer af. De afslijting van den hoef op het ijzer heeft alzoo noodwendig eene ongelijkmatige slijting van dit laatste ten gevolge.
Do wijdte der hoeven hangt af van het ras en de opvoeding der paarden. Een wijde hoef is meestal rond, met schuinen wand, eene weinig uitgeholde zool en een grooten straal. Een nauwe hoef echter is langwerpig-rond, met steilen wand, holle zool en zwakken straal. Terwijl de eerste neiging heeft om in een plathoef te veranderen, ontstaat uit den laatsten gemakkelijk een klemhoef.
§ 104. Het gkukkdmakkn van den hoek voor het nieuwe beslag. Het afnemen der oude ijzers moet voorzichtig geschieden; tracht de smid een ijzer met groote kiacht af te rukken, zonder dat eerst behoorlijk de nieten afgeslagen en de nagels verwijderd zijn, dan kan gemakkelijk kreupelheid ontstaan.
Nadat vervolgens de hoef van vuil is gezuiverd, moet hij worden besneden, dat wil zeggen, daar worden verkort, waar'hij door de beschutting van het ijzer te lang is geworden. Dit komt evenwel alleen aan den draagrand voor; aan de overige deelen, als zool en straal, stoot de doode hoorn van zelf af, zoodat daarvan niets behoeft te worden weggenomen.
Van den draagrand moet zooveel worden afgenomen , dat hij gelijk komt met de verbinding van hoornwand en hoornzooi; die vereeniging mag in geen geval worden verzwakt. Draagrand, witte lijn en '2 millimeter van den omtrek der zool moeten samen de draagvlnkte vormen.
Steeds zal men den toon meer moeten verkorten dan de zijden en drachten, daar de beide laatste, door het hoefmeclianismus, op het ijzer afslijten. Hoe langer daarom het ijzer onder den hoef ligt, des te meer wijkt deze van den gewonen vorm af. De toon wordt lang en schuin, zoodat hij niet meer evenwijdig loopt aan do koot, gelijk bij een goeden stand het geval is. Het grootste gedeelte van den lichaamslast valt daarbij op de achterste hoefhelft.
Men ziet gaarne, dat de straal bij den besneden hoef iets onder de verzenwanden uitsteekt, of minstens daarmede gelijkkomt; dit is bij een gezonden hoef werkelijk het geval. is deze
74
echter vernauwd in zijne achterste helft en de straal dus kleiner geworden, dan kan niet zonder nadeel de verzenwand zoodanig worden besneden, dat de straal bij het beslagen dier met don bodem in aanraking komt.
Bij een regelmatiger) stand en gang moeten buiten- en binnenwand even hoog worden gehouden. In alle andere gevallen wordt de hoornwand het meest verkort op die plaatsen, waar het ijzer het sterkst is afgesleten; hierdoor bevordert men het vlak neerzetten van den hoef. Wilde men bij scheeve hoeven do schuine wanden even kort maken als de steile, dan zouden de vastheid van den stand en de gang van het paard daaronder lijden.
Do draagrand der dracht- en zijwanden moet volkomen vlak en effen, die van hot toongedeelte iels naar boven gewolfd zijn ton behoeve van den opzet. Zijn uitwendige, scherpe rand moet door loodrechte streken met de rasp worden afgerond, ten einde afbrokkelen op het ijzer te voorkomen. Vooral by wijde hoeven is dit noodig.
Van de sfeunsels mag slechts zooveel worden afgenomen, dat zij in hetzelfde vlak van den draagrand komen te liggon.
Vooral dient er op gelet, dat de naast elkander staande hoeven na hot besnijden even groot zijn.
Behalve van eene rasp, maakt men bij de bewerking van den hoef gebruik van oene linksche en rechtsche renot, on bijbelang-rijke verkorting van den hoornwand ook van eene houwkling. Het veegmes, vroeger algemeen in zwang, is terecht bij liet leger verboden.
§ 105. Het passen keu mzers. Iu het algemeen neme men de ijzers zoo licht mogelijk, echter mot dien verstande, dat het beslag eerst na vijf of zes weken behoeft te worden vernieuwd. Lichte of jonge paarden moeten dus lichtere ijzers hebben dan zware of oude en stijve. Ook met het gebruik op harden ofzach-ten bodem moet rekening worden gehouden.
Afgescheiden van de slijting van het ijzer dient do vernieuwing na 5â6 weken te geschieden, wijl de toon van den hoef dan te lang is geworden (zie voorgaande §).
Indien het beslag binnen den vastgestelden tijd moet worden vernieuwd, dan zijn de ijzers gewoonlijk ongelijkmatig afgesleten; door beter besnijden van don hoef of door inwellen van staal in het ijzer kan dit snelle verslijten in vele gevallen worden voorkomen. Het steeds zwaarder maken der ijzers heeft meestal niet
75
liet gewonsclite gevolg, daar hierdoor de gang naar evenredigheid moeielijker, meer slepend en stootend en dus de afslijting bevorderd wordt.
De ijzers moeten 2â3 millimeter langer zijn dan de hoef, opdat zij gedurende al den tijd, dat zij onderliggen, en waarin, gelijk bekend is, de hoef groeit, blijven passen. Bij hoeven met een zeer schuinen toonwand is dikwijls eene nog grootere lengte gewenscht, doch hieraan kan bij rijpaarden, wegens het gevaar voor afrukken, niet steeds naar wensch worden voldaan.
Hoe langer de ijzers zijn, des te meer wordt de voorste hoef-helft belast; bij te korte ijzers geschiedt het omgekeerde.
Heeft men de lengte van het ijzer bepaald, dan moet het worden gericht, dat wil zeggen; alle gebreken aan de vlakten, nagelgaten, enz. moeten opgeheven, eene lip en opzet aangebracht en de wijdte nauwkeurig vastgesteld worden.
De ijzers worden zwart warm gepast; -daardoor teekenen zich de onelïen plaatsen aan den hoef duidelijk af, welke dan met de rasp kunnen worden verwijderd. Bovendien kunnen kleine gebreken aan het ijzer gemakkelijk worden opgeheven, en bestaat er dus alle kans, dat het paard op deze wijze van goed passende ijzers zal worden voorzien. Dit is met het koude beslafj minder het geval. Hieraan moge het voordeel verbonden zijn, dat het paard op stal kan worden beslagen, dit weegt niet op tegen do voor de hand liggende mogelijkheid, dat de hoef besneden wordt naar het medegebrachte ijzer, of anders, dat het ijzer slecht passend wordt ondergelegd. Is het ijzer iets te kort, te wijd, enz., dan gaat de smid daarmede niet naar zijne smederij terug, doch fatsoeneert dienovereenkomstig den hoef, natuurlijk ten nadeele van stand en gang.
De wijdte van hot ijzer moet aan zijne voorste helft gelijk zijn aan ilie van de voorste hoefhelft; naai' achteren toe moet het ijzer echter iets wijder zijn dan de hoef. De reden daarvan is, dat de voorste hoefhelft zich niet uitzet, wanneer do lichaamslast daarop drukt, de achterste hoefhelft wel; en bet is van belang, dat het ijzer den hoef niet alleen beschut, indien hij in de lucht zweeft, doch ook en vooral wanneer hij op den grond staat.
Gewoonlijk maakt men het ijzer zoo wijd, dat het van binnen 2, van buiten 3 millimeter buiten den draagrand der dracht-wanden uitsteekt. Hoe meer de drachtwanden van onderen naar het midden van den hoef zijn gekeerd, des te wijder, en hoe meer deze wanden naar beneden uitsteken, des te nauwer moeten de
Tfi
ijzers zijn. Men is dikwijls genoodzaakt den inwendigen ijzerlak iets nauwer te leggen, oin strijken te voorkomen (1).
In liet algemeen kan men zeggen, dat de hoef langzamerhand den vorm van het ijzer aanneemt; is deze dus iels vernauwd, dan kan men beproeven hem door allengs wijdere ijzers den gewonen vorm terug te geven.
Jiij het passen lette men er verder op, dat de nagelgaten juist op de witte lijn komen te liggen, en dat het ijzer met zijne draagvlakte gelijkmatig en ellen drukt op de draagvlakte van den hoef.
De uiteinden der ijzers mogen den straal niet aanraken, ten einde zijne uitzetting niet te belemmeren; men neemt daarom den binnenkant daarvan schuin weg.
Tusschen de afhellende vlakte van het ijzer en de zool moet een afstand van 3â4 millimeter bestaan, ten einde eene kneuzing der vleeschzool en dus kreupelheid te voorkomen.
§ 100. De hoei'Nagels en het onderslaan dek ijzers. Ter bevestiging van het ijzer aan den hoef worden rilsnagels gebruikt. Daarvan moet de smid verschillende soorten in voorraad hebben, ten einde bij het beslag den best passenden nagel te kunnen kiezen.
Hoe fijner nagels men gebruiken kan, des te beter is dit voor den hoef; zware nagels kunnen den wand gemakkelijk splijten, zoodat zij het ijzer volstrekt niet meer bevestigen.
Opdat de nagels recht door den hoorn zullen dringen, buigt men ze aan hunne, naar het midden van den hoef gekeelde vlakte, iets naar buiten dooi'; men noemt dit het richten. Rechte nagels gaan gewoonlijk krom door den wand en veroorzaken alzoo niet zelden verwonding van den vleeschwand (vernageling).
Aan de punt van den nagel maakt men een zwik, dat is men hamert ze totdat zij eene korte, eenzijdige, schuin van binnen naar buiten loopende wig vormt. Het doel daarvan is de nagels op de gewenschte plaats aan den hoornwand naar builen te kunnen brengen. Een korte zwik maakt de nagels geschikt om laag op den wand te voorschijn te komen, terwijl een lange zwik een hooger uitkonaen der nagels mogelijk maakt.
Welke nagel het eerst wordt ingeslagen, is van ondergeschikt
(1) Tot ditzelfde doei kat meu dikwijls den buitenwand lioog en verkort den binnenwand of verdikt men den buitentak van liet ijzer.
11
belang; gewoonlijk neemt men het eerst een binnentoon- en dan een buitenkwartiernagel. Van nieei1 gewicht is ilen zwik in liet midden van het nagelgat aan te zetten, om verschuiving van het ijzer te voorkomen. Bij eenigszins belangrijke verschuivingen moeten tie nagels weder worden uitgetrokken.
De nagels moeten, naar den vorm en de grootte der hoeven, 15â25 millimeter boven den draagrand uitkomen. In liet algemeen is het wenscheJijk, dat zij laag worden ingeslagen, wijl dan bij het nieuwe beslag de oude gaten kunnen wegvallen of althans niet eenige rijen gaten boven elkander aan den wand ontstaan. Bovendien zitten niet hoog ingeslagen nagels vaster en bestaat er minder gevaar voor vernageling.
liet inslaan van den nagel moet krachtig, doch voorzichtig geschieden; op den gang van den nagel en den klank bij het slaan dient nauwkeurig te worden gelet. Mocht eenige nagel het leven raken, dan wordt hij dadelijk uitgetrokken en dooi' geen anderen vervangen, ten einde, zoo mogelijk, kreupelheid te vermijden.
Gaarne ziet men, dat de nagels in dezelfde lijn aan den wand te voorschijn komen.
De punt van iederen goed zittenden nagel wordt dadelijk na het inslaan naar onderen omgebogen. Zijn alle nagels ingeslagen (in den regel bij het voorijzer slechts vijf, namelijk drie in den buiten- en twee in den binnentak), dan worden zij aangehaald, dat is: de koppen worden dieper in de gaten gedreven, zoodat hunne bovenvlakken met de onderste hoefijzervlakte gelijkkomen. Daarna worden de reeds omgebogen nagelpunten nog sterker gekromd en vervolgens dicht aan den wand afgeknepen. Onder de overblijvende punten, nieten genoemd, worden niet de houwkling of rasp kleine verdiepingen gemaakt, waarin de nieten, door zachte slagen, komen te liggen. De lengte der nieten moet gelijk zijn aau de breedte der nagels op die plaats.
Het aanhalen, afknijpen en omnieten geschiedt bij voorhoeven op den bok, bij achterhoeven echter uit de hand.
Kleine oneffenheden aan den draagrand worden met de rasp verwijderd, doch overigens mag aan den wand volstrekt niet worden geraspt. Zeer nadeelig zou het zijn, indien men op deze wijze de glazuurlaag verwijderde.
Oude nagelgaten worden dicht gemaakt.
§ 107. De veupleqino v\m den hoef. liet best voor de hoeven zou zijn ze niet te beslaan eu den paarden zooveel be-
78
weging te geven, liefst op een zachten bodem, dat de groei der hoeven met de afslijting gelijken tred hield. Dit zou echter niet strooken met de bedoeling, waarvoor men paarden houdt. Waar het intusschen kan worden toegepast, mag het niet worden nagelaten. De gunstige invloed van een weidegang op de hoeven is bekend.
Zooals in § KM werd opgemerkt, slijten onbeslagen hoeven meestal niet gelijkmatig af; zij dienen dus gedurig bijgeraspt of besneden te worden, daar anders scheeve hoeven zouden ontstaan.
Ook wanneer paarden langen tijd stil in den stal moeten staan, is het nuttig de ijzers af te nemen. Itet beslag is een noodzakelijk kwaad; op den duur heeft het steeds vernauwing van de achterste hoefhelft ten gevolge. Yooral is dit het geval bij veel rust; het hoefinechanismus komt dan niet tot ontwikkeling en daardoor wordt minder bloed in den hoef gedreven, alzoo de voeding gestoord.
Wanneer een goed beslag reeds nadeelig voor den hoef is, hoeveel te meer zal hot dan een slecht zijn, dat de uitzetting van den hoef belemmert en den straal verhindert met den bodem in aanraking te komen. Vooral op de voorhoeven oefent het een schadelijken invloed uit; dit is ongetwijfeld daaraan toe te schrijven, dat deze lichter uitdrogen dan de achterhoeven, die aan de vochtigheid van den stalbodem (door urine en mest) zijn blootgesteld.
Om dit uitdrogen te voorkomen, is het nuttig de voorhoeven nu en dan met vaseline in te smeren, nadat zij vooraf gewasschen en daarna weder zoogenaamd lachtdrooij zijn geworden. Het insmeren zonder dat liet laatste is voorafgegaan, brengt eer na- dan voordeel aan.
Evenzoo verdient het aanbeveling, wanneer men de paarden van voren nu en dan op eenigszins vochtig gemaakt wit zand laat staan.
De achterhoeven moeten dagelijks uitgekrabd en gereinigd worden, om de ontwikkeling van rotstraal te voorkomen.
Dat eeno zachte, zuivere standplaats voor de hoeven gewcnscht is, valt gemakkelijk te begrijpen; het staan op de steenen is zeer nadeelig, vooral ook, omdat de straal dan niet in werking komt.
Het inslaan der hoeven niet koemest, zuurdeeg, enz. kan voor sterk uitgedroogde, ineengeschrompelde hoeven heilzaam zijn, wanneer zij daarna met vaseline worden ingesmeerd. Dikwijls echter wordt dit inslaan misbruikt.
Herhaald verwecken der hoeven zonder opvolgend insmeren, leidt nog eerder tot brokkeligheid dan hel onafgebroken uitdrogen.
79
Met de bedoeling de rmdeelen van liet beslag te verminderen, iieeft men daarbij op verschillende wijzen guttapercha aangewend. Van de talrijke soorten van guttapercha-beslag voldoen intusschen slechts enkele aan billijk gestelde eischen; deze zijn echter te duur voor algemeene toepassing. De voordeelen, hieraan verbonden, kunnen zijn, dat zij den stoot breken, het uitglijden belemmeren en het hoefinechanismus meer tot zijn recht laten komen. Vooral het laatste is van groot belang. Het best wordt dit bereikt door leeren zolen, die van achteren, aan hare onder-vlakte guttapercha kussens bezitten, en waarbij ijzers met zeer verkorte takken, zoogenaamde halvemaanvormige ijzers, worden gebruikt.
De ruimte tusschen de leeren zool en den hoef vult men op met vlas of jute, welke met bruine teer is gedrenkt; hierdoor worden straal en steunsels gedrukt, evenals bij paarden, die op zachten bodem arbeiden. Bovendien kan de achterste hoefhelft zich vrijelijk uitzetten; het halvemaanvormige ijzer geeft daartoe gelegenheid. Hij nauwe hoeven verdient deze methode aanbeveling.
ZEVENDE AFDEEL ING.
GEZONDHEIDSLEER,
§ 108, Kkxmehkf.n- van qezondiieid. De gezondheidsleer {hygiëne) beoogt de bevordering van de gezondheid der paarden, zooveel do omstandigheden dit veroorloven. Eigenlijk behoort dus ook het hoefbeslag hiertoe.
Bij gezonde paarden moet de huid los liggen en zacht zijn. met glad, glanzig haar bedekt, dat op den behoorlijken tijd wordt gewisseld. De lichaamswarmte is bij hen gelijkmatig verdeeld, met dien verstande, dat de ooien en beenen steeds een weinig kouder zijn dan het overige gedeelte van het lichaam.
De eetlust moet opgewekt zijn, de dorst, bij hetzelfde voedsel, niet belangrijk gewijzigd; de mest moet goed verteerd afgaan, zonder eenigen vreemden reuk of ongewone bijmengselen, als slijm, bloed, enz. en gemakkelijk worden ontlast. In vastheid en kleur moet hij met den aard van het voedsel overeenkomen; bij het op de gewone wijze gevoederde troepenpaard dienen de mest-ballen op den bodem uit elkander te vallen en lichtgeel gekleurd te zijn.
Bij het gezonde paard geschiedt de ademhaling, in rust, langzaam en bedaard. Hoorbaar, moeielijk ademhalen, met buitengewone beweging der neusgaten, der borst- en buikwanden, is ziekelijk. Bij beweging mag men geene bijzondere inspanning der ademhalingsorganen waarnemen; houdt zij op, dan moet de adem-
81
haling spoedig rustig worden. De hoest moet moeielijk op te wekken en dan kort en krachtig zijn; gaarne hoort men daarna een krachtig proesten.
Gezonde paarden dragen hals, hoofd en ooren opgericht, zij zijn vroolijk en opmerkzaam, hun blik is vrij, het oog helder en levendig, hunne bewegingen geschieden zonder moeite en met kracht, alle levensverrichtingen vinden gemakkelijk plaats, lüj ziekte is het een goed teeken, indien de gewone manieren en ondeugden terugkeeren.
Tal van omstandigheden oefenen op de gezondheid invloed uit; men kan ze onderscheiden, naarmate zij binnen of buiten het lichaam zijn gelegen, in inwendige en uitwendige. Tot de eerste behooren: afstamming van gezonde ouders, regelmatige ontwikkeling, goed geëvenredigde, krachtige lichaamsbouw, goede spijsvertering en ademhaling, eti een rustig temperament. Van de laatste zijn voor de gezondheid zeer bevordeiTyk: goed voedsel en drinkwater, zuivere lucht, gepaste arbeid en rust, behoorlijke verpleging en eene regelmatige leefwijze. Deze kunnen door ons naar omstandigheden worden gewijzigd, iets, wat met de eerste niet, of eerst langzamerhand het geval is. Het is daarom, dat wij ons in het vervolg meer met de uitwendige invloeden zullen bezighouden.
§ 109. Voeding en voedingsmiddelen in het algemeen. Het paard heeft eene bepaalde hoeveelheid voedsel noodig, om in den toestand te blijven, waarin het verkeert; van daar de naam onderhoudingsvoedsel hieraan gegeven. Het kan dan echter geen arbeid verrichten zonder in voedingstoestand achteruit te gaan; daartoe is een grooter rantsoen, zoogenaamd voorthrengingsvoedsel, noodig. Ook wanneer men den voedingstoestand wil verbeteren , zal dit verstrekt moeten worden.
De hoeveelheid ondeihoudingsvoedsel is voor elk paard niet dezelfde; zij is afhankelijk van den leeftijd, het geslacht, het temperament, den lichaamsbouw, de grootte, enz. Zelfs ziet men dikwijls, dat twee paarden, die met elkander overeenkomen on denzelfden dienst verrichten, bij eene zelfde hoeveelheid voedsel, volstrekt niet in denzelfden voedingstoestand blijven verkeeren.
Behalve een gebrekkig en voedingstoestand onderscheidt men;
1 . I'.ene krachtige (intensieve) en '2quot;. eene vetvorineii.de {extensieve) voeding. De eerste beoogt de grootst mogelijke spierontwikkeling, zonder op gevleesdheid te letten; de laatste daarentegen heeft
i
8'i
eene hooge mate van vetvorming ten doel, â waarbij de licliaams-krachten echter naar evenredigheid afnemen.
Voor eene krachtige voeding zijn noodig; lu voedsels, welke rijk zijn aan eiwitstofTen, bijv. granen en peulvruchten; 2° verstrekking daarvan zonder eenige toebereiding, zoodat zij goed worden gekauwd ; en 3° bevordering der stofwisseling door arbeid in de vrije lucht.
Geeft men granen of peulvruchten als meel, met veel water aangeroerd, dan voeden zij minder krachtig, doch geven meer aanleiding tot vetvorming. Evenmin echter zal een paard krachtig worden, wanneer het stil op stal blijft staan, in plaats van de spieren, de klachten te ontwikkelen. In dit geval kan bij zulk eene rijkelijke voeding zelfs gevaar voor de gezondheid ontstaan.
De vetvonueiule voeding bereikt men het best door veel, met water aangemengd, gemakkelijk verteerbaar voedsel te geven en, door rust en warmte, voor een beperkt stofverbruik te zorgen. Men krijgt dan wel vette, doch tevens slappe paarden, die gemakkelijk zweeten en spoedig vermoeid zijn.
ïot de bestanddeelen der voedingsmiddelen behooren de eiwit-stollen , de vetstoffen, de koolhydraten, het water en de zouten.
Met uitzondering der melk komen in alle voedingsmiddelen onverteerbare of althans moeielijk verteerbare organische zelfstandigheden voor. Daarvan is de houtvezel de voornaamste. Deze is intusschen door hare mechanische werking zeer nuttig voor de spijsvertering; zonder haar zijn de voedsels Hauw en verslappend, en verzwakken de spijsverteringsorganen.
Hooi en stroo bevatten de meeste, knollen en wortelen de minste houtvezel. Deze is te moeielijker verteerbaar, naarmate de voedsels ouder zijn.
In alle voedingsmiddelen komen stikstofhoudende en stikstof-looze voedingstoffen met elkander verbonden voor. Deze samenstelling is noodzakelijk, daar geen enkel dier kan leven van eene der voedingstolfen afzonderlijk. Het is echter niet voldoende, dat zich in een voedingsmiddel beide voedingstolfen bevinden, zij moeten daarin ook in eene juiste verhouding tot elkander staan. Deze verschilt naar het stofverbruik; wil men een volwassen paard alleen in gezonden toestand houden, zonder meer, dan is de omzetting en het verbruik der stikstofhoudende stollen het geringst en op 1 deel eiwitstolfen worden 7â8 deelen koolhydraten vereischt, zooals ongeveer in het hooi. Verricht het dier echter arbeid, dan moet deze verhouding 1 : .'3â4 worden.
83
liet beste voedsel voor het paard is een zoodanig, dat bene-vens veel voedingstoll'en tamelijk veel houtvezel bevat. De vertering geschiedt dan het best, terwijl de dieren krachtig en tevens gevleesd worden. Dit is vooral bij haver en hooi het geval, geenszins bij knollen en wortelen.
Gemakkelijk verteerbaar voedsel is voor de gezondheid voor-deelig; het moet echter steeds een prikkel op de spijsverteringsorganen blijven uitoefenen. Geschiedt dit niet, zooals bij gebrek aan onverteerbare zelfstandigheid of bij veel slijmige, melige stoffen en weinig eiwit, dan noemt men de voedingsmiddelen Hauw, prikkelloos of verslappend. Deze maken wel gevleesd, doch verminderen de lichaamskrachten.
De prikkelloosheid der voedingsmiddelen wordt verhoogd door alle toebereidingen, die het kauwen onnoodig maken, door een groot watergehalte en door het lauw toedienen; lauwe, slijmige dranken en slobberingen bijv. zijn zeer prikkelloos. Deze mogen dus nooit het eenige voedingsmiddel uitmaken.
Hoe grooter eiwitgehalte een voedsel bevat, des te krachtiger zal het voeden; granen en peulvruchten zijn daarom krachtvoeders. Krachteloos daarentegen heet een voedsel, waarin de eiwitstoffen slecht vertegenwoordigd zijn, zooals in wortels.
§ 110. Rations en voedertijden. Het paard heeft dagelijks eene bepaalde hoeveelheid voedsel en daarin een zekere massa voedingstollen noodig; de eerste voor eene behoorlijke vulling der spijsverteringsorganen, de laatste tot herstel van het stof-verbruik.
Kenige vulling der verteringsorganen door het voedsel is beslist noodzakelijk; het daartoe benoodigde volume verschilt echter naar de ruimte van maag en darmkanaal, en deze hangt voor een groot deel af van de vroegere voedingswijze van het dier.
Bij enkel havervoedering heeft men het kleinste volume, waarmede men kan volstaan. Dit geschiedt soms bij rijpaarden , als men eene krachtige voeding en zoo weinig mogelijk buik wenscht. Van eene volkomen vertering der haver moet men dan echter afzien; daartoe zou eene toevoeging van volumineus voedsel noodig zijn.
De hoeveelheid voedingstoffen, die een paard dagelijks moet ontvangen, is berekend naar de grootte, den leeftijd, het lichaamsgewicht en den arbeid. Zij laat zich slechts benaderend bepalen.
De dagelijksche hoeveelheid voedsel voor de paarden van het Nederlandsche leger is bepaald als volgt:
84
|
KI L 0 G R A M. | |||
|
V 0 0 R | |||
|
Hooi. |
Sthoo. |
Haver. | |
|
a. Officiers- en Rykspaarden bij de | |||
|
Regimenten Huzaren en het Es | |||
|
kadron Ordonnansen, niet uitzon | |||
|
dering van die, welke dienst doen | |||
|
bij Depot-eskadrons en bij de Rij | |||
|
en Iloefsmidscliool ; | |||
|
Van 1 November tot en met 31 | |||
|
Maart.......... |
31/8 |
41/2 |
4 |
|
Van l April tot en met IU Mei. ! | |||
|
Van 10 September tot en met 31 |
3 Va |
4 |
4V2 1 |
|
October.........; | |||
|
Van 1 Juni tot en met 15 September |
31,« |
4 |
5 |
|
h. Officiers- en Rijkspaarden , dienst | |||
|
doende bij de Rij- en Hoefsmid- | |||
|
school, en Rijkspaarden, dienst | |||
|
doende bij do Koninklijke Militaire | |||
|
Academie, over het geheele jaar . |
31/2 |
4 |
41/2 |
|
c. Rijkspaarden bij de Veld- en de | |||
|
Rijdende Artillerie: | |||
|
Van 1 November tot en met 31 | |||
|
Maart.......... |
31/2 |
41/3 |
4 |
|
Van 1 April tot en met 31 October |
31/3 |
4 |
5 1 |
|
d. De overige Officiei's-en Rijkspaar | |||
|
den : | |||
|
Van 1 November tot en met 31 | |||
|
41/3 |
4 | ||
|
Van l April toten met 31 October |
3 |
1 3 Va |
41/2 |
|
Hiervan dient het stroo grootendeels voor |
ligstroo. |
De Mi- | |
|
nister van Oorlog is gemachtigd liet ration stroo ten deele | |||
|
door turfstrooisel te doen vervangen. | |||
|
1 Het verzwaarde ration, dat bij najaarsoefeningen als anders | |||
|
zins wordt verstrekt, bestaat in den i |
egel uit het gewone ration | ||
|
hooi en stroo en 6 kilogram haver. | |||
85
Natuurlijk moet bij de beoonleeling van een ration rekening worden gehouden met tal van omstandigheden, vooral ook met de hoedanigheid der verstrekte voedsels.
Wat de verdeeling der rations en de voedertijden aangaat, valt op te merken, dat het verkieslijk is telkens kleine hoeveelheden voedsel toe te dienen; maag en darmen worden op deze wijze beziggehouden en het voedsel wordt het best verteei'd. Het grootste gedeelte van het ration wordt steeds na den arbeid verstrekt. Tevens is het wenschelijk zich, zooveel mogelijk, aan de eenmaal vastgestelde hoeveelheden en voedertijden te houden; de verteringsorganen gewennen zich er aan en arbeiden dan het krachtigst.
Na elke verzadiging is rust aanbevelenswaardig, in het bijzonder, wanneer eene groote hoeveelheid is opgenomen; kan zij niet worden verstrekt, dan moet tie beweging in den aanvang althans langzaam zijn.
Elke eenigszins aanmerkelijke verandering van voedsel moet langzamerhand geschieden; vooral geldt dit bij den overgang tot meer en krachtiger voedsel, en ook van droog tot groen voedsel of omgekeerd.
§ Hl. Het tokhkueiukn deu voedingsmiddelen geschiedt om de verteerbaarheid te bevorderen.
Het pletten der haver maakt de korrels plat en hard, zoodat het paard er langer op moet kauwen, evenals of'zij met baksel waren gemengd. Daardoor wordt meer speeksel bij de haver gevoegd, en dus de vertering bevorderd.
Het breken en malen der voedsels heeft echter ten gevolge, dat zij niet meer gekauwd en dus niet met speeksel worden vermengd; het maakt eene ruime toevoeging van water noodzakelijk. Uet gevolg is, dat de vetvorming wordt bevorderd , doch dat de krachten afnemen.
Het mijden van hooi geschiedt tegenwoordig ook bij het leger; daardoor zou eene niet onbelangrijke besparing worden verkregen. Een gedeelte van het ration wordt, gesneden, onder de haver gemengd. Zeer nuttig is het ook gesneden stroo (baksel) bij de haver te .geven, daar deze dan beter wordt verteerd. Daartoe moet het baksel echter minstens '2 cM. lang zijn; bovendien moet het voedsel, na vermenging, iets worden bevochtigd, zoodat het paard hel lichtere baksel niet kan wegblazen.
Het snijden van wortels behoort in overlangsche richting te ge-sc h ieden, opdat niet zoo licht stukken in den slokdarm blijven zitten.
86
Het weeken is gebruikelijk by peulvruchten en rogge en daarbij zeer aan te bevelen.
112. De haveu is van alle granen het gemakkelijkst verteerbaai' en voedt tevens het gelijkrnatigst, dat is voortbrenging van kracht en massa zijn hierbij het meest geëvenredigd. Dooide gunstige verhouding van de voedende tot de onverteerbare stollen is de haver onder alle omstandigheden het beste korenvoedsel.
Het aantal haversoorten is zeer groot; van de in ons land verbouwde onderscheidt men: witte voerhaver, fijne Friesche haver, dikke of bronwhaver, de iets fijnere musschenhekhavev, zwarte en bonte haver, zandhaver, enz. In den laatsten tijd zijn ook veel vreemde haversoorten, als Deensche, Prohsteijer, enz. verbouwd geworden.
Bovendien wordt veel haver uit het buitenland aangevoerd.
Goede haver heeft een dunnen, glanzenden bast en bestaat uit droge, vaste, gladde korrels; zij is dan goed rad, dat wil zeggen, dat de korrels bij het toedrukken der hand gemakkelijk door de vingers glijden. De haver mag bijna geen reuk hebben en moet een meelachtigen, aangenamen, eenigszins met dien van hazelnoten overeenkomenden smaak bezitten.
De witte haver moet blank zijn, dat is of lichtgeel, zooals bij tie fijnere haversoorten, óf donkergeel, gelijk aan de dikke, zware haver eigen is, doch zonder vlekjes of verschil in kleur. Nimmer mag de kleur dof-grauwachtig zijn, zooals bij overzeesche haver kan worden aangetroffen, indien zij in het schip dooi' broeiing heeft geleden.
Eene verschillende kleur der korrels wijst op vermenging van twee of meer soorten. Op den bast mogen geene donkere stippen of vlekken worden aangetroffen; is ook overigens de kleur donkerder geworden, dan wijst dit er op, dat de haver gebroeid heeft en verschillende omzettingen heeft ondergaan.
Is de haver, door vochtigheid en warmte, begonnen te ontkiemen {geschoten haver), dan is hare voedingswaarde verminderd en kan zij zelfs nadeelige eigenschappen hebben verkregen. Zij is dan donkerder geworden, bezit hier en daar zwarte stippen, de korrel is gezwollen, lichter, dof en gerimpeld, de reuk is muf en prikkelend en de smaak bitter. Zij kan tot verschillende ziekten aanleiding geven, in de eerste plaats tot [outerstaj.
87
Vreemde zaden, steentjes, stukjes klei, zand, kaf of stof mogen niet of slechts in onbeduidende mate in de haver worden aangetroilen; is dit het geval, dan heet de haver vuil.
Stof ontstaat in de haver meestal door omzetting, zoodat de voedingswaarde in elk geval afneemt. Dikwijls tracht men aan mulle, schimmelige haver den gewonen reuk en de blanke kleur terug te geven door ze te zwavelen; het spreekt echter van zeil', dat hierdoor de voedingswaarde niet weer verbetert.
/00 mogelijk moet men de haver 3â4 maanden oud laten worden, alvorens ze aan de paarden te geven.
Eene vermenging der haver met baksel bevordert haar voedend vermogen; vooral bij gulzige eters is eene toevoeging hiervan vocir-deelig.
§ 113. De overige granen, a. De gerst. In het Oosten en ook in Zuidelijk en Zuidwestelijk Europa vervangt de gerst bij het paard de haver; zij kan dit in ons klimaat echter niet doen. Onze paarden worden daardoor zwak, zweeten licht en lijden dikwijls aan koliek en diarrhee.
Gekookte gerst is een doelmatig voedsel bij zwakte en vermagering, welke door ziekte of bovenmatigen arbeid zijn ontstaan.
Gebroken gerst brengt het spoedigst van alle voedingsmiddelen eene zekere gevleesdheid teweeg; zij maakt het haai1 glad en glanzig en verbetert het geheele uiterlijk. Daartoe wordt zij met veel warm water aangeroerd en na een half uur gestaan te hebben, afgegoten; het vloeibare wordt als drank, het overblijvende met baksel als vast voedsel gegeven. Kracht moet men hiervan echter niet verwachten; vooral na ziekte met belangrijke vermagering wordt dit voedsel verstrekt. Het is gemakkelijk verteerbaar.
Gerstemeel voedt op dezelfde wijze; dit wordt gewoonlijk met de basten der gerst of met tarwezemelen als slobbering, dat is, met veel water aangeroerd, gegeven. De zemelen oefenen een zachten prikkel op de verteringsorganen uit en voorkomen daardoor de verslappende en verstoppende werking van het meel.
Is het echter minder de bedoeling om den voedingstoestand te verbeteren dan wel de mestontlasting te bevorderen, dan geve men liever enkel tarwezemelen. Eene slobbering hiervan, nu en dan verstrekt, is bij langen tijd werkeloos in den stal staande en steeds krachtig gevoede paarden als zeer nuttig te beschouwen.
88
(iocd gerstemeel is grauwachtig, droog, vettig op liet gevoel, reukeloos en nagenoeg smakeloos, zonder klonters of bijmengsels. Gewoonlijk bevat het, zooals het aan de paarden wordt gevoederd, tevens de basten der gerst. Vreemde basten mogen er niet in voorkomen. Eene vermenging met zand kan men ontdekken door het meel met water te mengen en te laten bezinken; het zand zal dan de laagste plaats innemen.
Gerstemeel moet steeds versch gemalen worden gevoederd; men kan het niet lang bewaren, vooral niet, wanneer het aan vochtigheid is blootgesteld. Hierdoor klontert het, krijgt donkergrauwe vlekken, een scherpen reuk en smaak, en wordt voor de gezondheid nadeelig.
b. Ue rogge voedt krachtig, doch is van alle granen het moeie-lijkst verteerbaar en daarom het gevaarlijkste korenvoedsel. Dit geldt vooral, indien de paarden weinig arbeid verrichten.
Is men genoodzaakt rogge te voederen, dan geve men ze gekookt; aldus toebereid, kan zij bij paarden, die veel dienst doen, in dezelfde hoeveelheid worden verstrekt als de haver.
Ongekookte rogge geeft gemakkelijk aanleiding tot het ontstaan van hoefbevangenheid.
Ook het roggemeel is gevaarlijk, indien het niet zorgvuldig doorweekt en met veel baksel gevoederd wordt; het verteert dan zee)' moeielijk.
De zemelen zijn evenzoo minder gemakkelijk verteerbaar dan tarwezemelen.
c. ])e tarwe bezit van alle granen de meeste voedingstoffen; zij maakt echter meer gevleesd dan krachtig. Zij is even moeielijk verteerbaar als de rogge, doch minder verhittend dan deze. in geval van nood kan men de haver voor de helft door tarwe vervangen, mits deze gekneusd wordt en de paarden veel arbeiden.
Het tarwemeel is, met veel water aangeroerd, gemakkelijk verteerbaar en wordt daarom veel gegeven aan zwakke, magere, vermoeide paarden.
De tanvezemelen oefenen eene zacht afvoerende werking uit, vooral wanneer ze grof gemalen worden verstrekt.
d. Be boekweit houdt, wat betreft hare voedingswijze en verteerbaarheid, het midden tusschen haver en gerst. Zij bevat echter eene eigenaardige stof, die vergiftiging ten gevolge kan hebben. Daarom kan slechts een klein gedeelte van het ration haver door boekweit worden vervangen. Deze moet dan óf gebroken óf gemalen zijn.
8!)
c. He maïs is betrekkelijk arm iian eiwitstoll'en, docli rijk aan vet en zetmeel. Zij is bijna even moeielijk verteerbaar als ile rogge en moet daarom en om hare hardheid gebroken, en met veel water en haksel gemengd, gevoederd worden.
Zij kan slechts voor een klein gedeelte de haver vervangen; geschiedt dit voor meer dan de helft, dan neemt wel de gevleesd-hoid toe, doch de kracht en opgewektheid verminderen.
In warme streken zag men echter van maïs-voedering betere resultaten.
^ 114. Ue peulvruchten bezitten gemiddeld dubbel zooveel eiwitstoffen als de granen en staan daarom als krachtvoeder bovenaan. Zij komen, wat hare bestanddeelen en eigenschappen aangaat, meer met elkander overeen dan de granen.
Zij zijn moeielijk verteerbaar en brengen licht verstopping teweeg; gemakkelijker dan eenig ander voedsel kunnen zij, in groote hoeveelheid gegeven, spijsverteringsstoornissen, hoefbevan-genheid, enz. ten gevolge hebben. Daarom worden ze alleen gevoederd aan paarden, die zwaren arbeid moeten verrichten en dan nog slechts in geringe hoeveelheid, bijv. 1â'1 handenvol op een ration haver. Steeds geeft men ze gebroken of geweekt, en lette men op eene goede mestontlasting.
In ons land voedert men hoofdzakelijk paarden- en duivanhuonan\ erwten, wikken, Hazen, enz. worden aan de paarden bijna niet verstrekt.
g 115. Andere voedingsmiddelen.
«. Knollen en wortels, als aardappelen, knollen , yele wortels, mangel-wortels, enz. bezitten weinig voedende bestanddeelen en zijn daarom bij paarden enkel als toevoeder geschikt. Zij zijn in het algemeen gemakkelijk verteerbaar; evenwel moeten aardappelen vooraf worden gekookt, daar zij anders tot belangrijke ziekteverschijnselen aanleiding kunnen geven.
Wortels lust het paard gaarne, en deze doen, zelfs in vrij groote hoeveelheid gegeven, geen nadeel. Bij sommige ziekten van maag en darmkanaal en bij verkoudheidsziekten kunnen zij nuttig zijn. Men verwachte daarvan echter geene krachtsontwikkeling.
b. Het brood is gemakkelijk verteerbaar, zoodat het spoedig de krachten herstelt; het is daarom op reis een goed voedsel. Het is echter volstrekt geen krachtvoeder; als bijvoeder, naast haver, kan het zeer nuttig zijn.
90
Het brood moet van goede granen of peulvruchten, liefst niet de zemelen, bereid, goed doorbakken on minstens 3â4 dagen oud, zoogenaamd oudbakken, zijn. Week en versch brood blijft aan de kiezen zitten en is moeielijk te verteren; zeer nadeeligis ecbter beschimmeld brood, daar het tot vergiftiging aanleiding kan geven.
c. Fahrieksafval. Daarvan worden lijn- en raapkoeken nog liet meest aan de paarden gevoederd, namelijk met veel water aangeroerd, als drank. Men ziet daarvan soms gunstige gevolgen bij magere, verzwakte paarden, die slecht verharen en eene vastliggende huid hebben. Zij voeden extensief; hoewel gemakkelijk verteerbaar, zijn zij op den duur, en in groote hoeveelheid verstrekt, nadeelig voor de verteringsorganen.
Ditzelfde geldt van spoeling, draf of bostel en piilpe.
d. Melk en eieren. De melk is het natuurlijke voedingsmiddel voor jonggeboren veulens; zij is gemakkelijk verteerbaar en voor het jonge dier zeer heilzaam. Ook volwassen paarden bonden van melk, wanneer zij daaraan eerst gewoon zijn. Vooral om ze vet te maken, is melk zeer geschikt.
Ook versche karnemelk wordt door vele paarden gaarne genuttigd; men zij echter voorzichtig met zure.
Eieren geeft men soms met melk geklutst, om spoedig de krachten te herwinnen, bijv. bij dekhengsten. Nimmer mogen ze geheel worden toegediend.
§ 116. Het groene vorcriEn en de weiden. Het groene voeder is voor het paard een natuurlijk en geliefd eten; het kan het eenige voedsel zijn, en wanneer het uit de beste planten, bijv. klaversoorten, bestaat, dan kan het dier daarbij zelfs matigen arbeid verrichten. Groote krachtsuiting en volharding mag men daarvan evenwel niet verwachten.
Het groene voeder zet, door zijn groot watergehalte en de aanzienlijke hoeveelheden, die de paarden daarvan tot hunne verzadiging moeten opnemen (gemiddeld 50 Kg. per dag), de verteringsorganen uit en geeft tot de zoogenaamde grasbuiken aanleiding. Het maakt gevleesd, doch slap; de paarden zijn spoedig vermoeid, zweeten gemakkelijk en zijn buitendien door hunne grasbuiken voor geen snelle gangen geschikt.
Dij ziekelijke paarden oefenen de sappige planten, voornamelijk zooals zij in het voorjaar ontspruiten, een weldadigen invloed uit. Deze treedt echter eerst in volle werking bij bet weiden; de beweging in de vrije, zuivere lucht bevordert dan de stofwisseling
91
en de paarden kunnen de meest geliefde planten uitzoeken. De weiden zijn daarom in liet algemeen, en vooral bij veulens, boven stalvoedering te verkiezen; de paarden zijn dan wel aan allerlei weersinvloeden blootgesteld, doch zij gewennen hieraan spoedig.
De overgang van droog tot groen voeder en omgekeerd moet langzamerhand geschieden.
De beste weiden vindt men op de zoogenaamde zavelgronden; zij moeien tamelijk hoog zijn gelegen en benevens zoete grassen, verschillende klaversoorten opleveren.
Het best is de paarden in Mei of Juni in de weide te doen; de voedzaamheid der weideplanten is dan het grootst, terwijl bovendien in den nazomer de nachten dikwijls reeds te koud worden voor de dieren, welke daaraan niet zijn gewend.
Bij de keuze der weiden dient behalve op het gras ook op het drinkwater te worden gelet, of dit zuiver en gemakkelijk bereikbaar is, verder op de afscheiding der weiden, de hekken, of de dieren zich daaraan kunnen beleedigen, op steenen ot glas in de weide, enz. Men vereenige niet te veel paarden in eene weide, daar dit de onrust bevordert, en onderzoeke nauwkeurig oi' alle paarden wel behoorlijk kunnen grazen.
Dat het loslaten en opvangen der paarden in de weide zeer kalm moet geschieden, spreekt van zelf. Het laatste kan den dieren worden geleerd, door hun in de weide telkens wat brood of haver te verstrekken.
§ 117. IIeï hooi. Geen voedingsmiddel biedt zulke groote verschillen aan als het hooi. Zijne hoedanigheid hangt voornamelijk af van de planten, waaruit het bestaat; bovendien oefenen de wijze van oogsten en de duur en manier van bewaring grooten invloed uit.
Behalve minder water, bevat het hooi steeds ook eene kleinere hoeveelheid voedingstoffen dan de groene planten, waaruit het is ontstaan.
Het nieuwe hooi heeft een sterken, doordringenden reuk en smaak en bevat veel vocht, ook al schijnt het geheel droog. Nadat het geoogst is, ontstaat eene zelfverhitting, waarbij het warm, zacht en vochtig wordt; het begint dan te zweeten of te broeien. Hierdoor wordt een gedeelte van het water als damp uitgedreven; het hooi wordt daarna langzamerhand weder droog en hard, de warmte verdwijnt en ook de sterke reuk en smaak Verminderen. Dit broeien geschiedt te heviger, naarmate het
92
liooi vochtiger is binnengebracht; soms is de ontwikkeling van warmte zoo aanzienlijk, dat het in brand geraakt of later in rotting overgaat. Tiet duurt 4â6 weken; het hooi verliest hierdoor aan gewicht, krijgt eene lichtbruine kleur en een eigenaardigen, eenigszins specerijachtigen smaak.
In het algemeen eten de paarden het hooi het liefst, als het een lichten graad van broeiing heeft ondergaan. Tleeft het echter sterk gebroeid, wat men aan de donkerbruine kleur en den prikkelenden reuk kan waarnemen, dan is het minder voedzaam en wordt soms zelfs dooi' de paarden geweigerd.
liet oude hooi, waaronder men zoodanig verstaat, dat ouder is dan een jaar, verliest langzamerhand meer zijne kleur, reuk, smaak en vochtigheid; het wordt droog, stoffig, vermindert in voedingswaarde en kan, bij ruim gebruik, tot verteringsstoornissen on dampigheid aanleiding geven.
Het hooi is een goed en gemakkelijk verteerbaar voedingsmiddel; het kan het eenige voedsel zijn en de paarden kunnen daarbij zelfs matigen arbeid verrichten, vooral wanneer het van goede hoedanigheid is. Bij zwaren arbeid kan men hiermede evenwel niet volstaan. Omgekeerd mag het bij haver en haksel niet ontbreken; het brengt het noodige volume aan, houdt de vertering gaande en maakt gevleesd.
Goed paardenhoüi bestaat uit de beste zoete grassen en talrijke klaversoorten, terwijl er overigens weinig planten in voorkomen. De kleur moet blank zijn, dat is groen-blauwachtig, de reuk aangenaam, de smaak zacht, suikerachtig, vrij van eiken zuren, bitteren of samentrek kenden nasmaak. Het moet een langen, fijnen, buigzamen stengel met smalle bladeren hebben en bloemen bezitten, waarin nog geen zaadvorming heeft plaats gevonden; bloemen en bladeren moeten zooveel mogelijk bewaard zijn gebleven.
Het beste paardenhooi wordt in ons land gewonnen op de zware kleigronden, langs de rivieren en aan de Zuiderzee en het Y. Vooral het Kampereilandsche hooi is beroemd. Het langs de rivieren geoogste onderscheidt men in binnenveldsch en uiter-waardsch hooi, terwijl men het langs de Zuiderzee voorkomende in binnen- en buitendijksch verdeelt, naarmate het binnen of buiten de dijken gewassen is.
Het Kampereilandsche- en uitenvaardsche hooi heeft lange, fijne, ronde halmen, fijne bladeren en groote bloempluimen, het is hard en vast op het gevoel, zonder ruw te zijn. Het bevat de beste grassen en klaversoorten.
93
liet Lanrjstraatsc.he hooi heeft minder en korter halm en meer blad, waardoor liet iets zachter is; de beste grassen treden meer op den achtergrond. Het kan onderling zeer verschillen, doch in het algemeen eten de paarden het goed gewonnen Langstraat-sche hooi gaarne.
Het zilte hooi is afkomstig van gronden, die buitendijks aan zee zijn gelegen; daarvan komen het A'uincler-, Marker- en Eem-nesserhooi het meest in den handel voor. Men herkent het aan zijne bruine kleur en aan de daarin aanwezige planten, als het zeezoutgras, de zeeweegbree, de ronde bloembies, enz.; het is gewoonlijk kort en fijn.
Het vette of zware houi is dik, grof en kort van halm, breed van blad en zacht op het gevoel. Wanneer het op hooge gronden gewonnen is, geldt het nog als goed paardenhooi; treft men er echter de planten in aan, die voor lage gronden kenmerkend zijn, dan bestempelt men het met den naam van Icoeienhooi.
Het zure hooi is afkomstig van lage, moerassige gronden en doet zich kennen door zyn rijkdom aan zure en scherpe planten, daarentegen slechts door weinige grassoorten. Vooral heermoes, zegje, rnsschen, biezen en ratels treft men er in aan. Het is ruw en scherp, grof van blad en bezit weinig halm; het behoort met het hooi van veengronden, dat echter weinig in den handel komt, tot de minst voedzame soorten.
Naar den tijd, waarop het hooi gemaaid is, onderscheidt men: het gewone hooi of dat van de eerste snede, en het nahooi of dat van de ticeede snede, ook wel etgroen of toemaat genoemd. Dit laatste, dat veel minder voedzaam is dan hooi van de eerste snede, is gemakkelijk te herkennen aan zijne donkergroene kleur, zijn doorgaans sterken, somtijds walgelijken reuk en eenigszins scherpen smaak; bovendien is het steeds zacht en slap op het gevoel en bezit het gewoonlijk geene bloemen.
Door heslijken, roest en schimmel kan het hooi voor de gezondheid schadelijk worden. Men tracht dikwijls de nadeelige eigenschappen van zulk hooi te verminderen door het uit te schudden, te luchten, te wasschen en met pekel te besprenkelen; hierdoor kan het echter niet altijd onschadelijk worden gemaakt, en in geen geval kan de afgenomen voedingswaarde worden hersteld.
In do bossen, zooals ze voor militaire paarden moeten worden gereedgemaakt, vindt men niet zelden het samenraapsel uit de hooischuren; hoewel dit de voedzaamste deelen van hot hooi, de fijne bladeren, de bloemdeelen en het zaad bevat, is er dikwijls
04
ook eene groote hoeveelheid zand in, waardoor het voor de gezondheid nadeeiig wordt. Bovendien gaat dit fijne gedeelte bij de distributie meestal verloren.
Het ter distributie bestemde hooi mag niet vochtig zijn, daar hierdoor het gewicht wordt verhoogd en de aanwezigheid van stof kan worden verborgen.
^ 118. Het stroo bevat van alle voedingsmiddelen de meeste houtvezel en de minste eiwitstoiïen. Kvenwel verschilt het gehalte aan voedingstoffen naar den grond, waarop het stroo gegroeid is, de bemesting daarvan, den tijd, waarop het graan is gemaaid, enz.; hoe vroeger dit laatste is geschied, des te meer voedingstoffen zal het bevatten. Do toppen der halmen en de ledige aren bevatten veel meer voedingstoffen dan de onderste gedeelten.
In het algemeen is het haverstroo voedzamer dan het tarwe-stroo, en dit weer voedzamer dan het roggestroo; het eerste is het zachtst, hel laatste het hardst en dus het moeielijkst te verteren. Gerstestroo wordt, wegens zijne kafnaalden, liever niet aan paarden gegeven.
Indien zich in het stroo vele andere planten bevinden, noemt men het vuil. Zijn dit vnederplanten, dan verhoogen zij de voedingswaarde; in andere gevallen echter kunnen zij het stroo voor do gezondheid nadeeiig maken.
Het stroo kan enkel een bijvoeder zijn, hetzij als iiaksel bij de haver, hetzij lang in de ruif gegeven; in dit laatste geval verschaft het den paarden bezigheid.
Goed stroo is gelijkmatig geel van kleur en bestaat uit lange, buigzame halmen, die hunne bladeren en aren behouden hebben; het moet vrij van stof zijn, weinig of geen reuk hebben en, vooral aan de knoopen, zacht en suikerachtig van smaak zijn. Het mag niet veel andere, en vooral geene schadelijke planten bevatten.
Evenals het hooi kan ook het stroo door beslijken, roest en schimmel voor de gezondheid nadeeiig worden.
Wat betreft de geschiktheid als ligstroo komen rogge- en tarwe-stroo en hiervan het eerste liet meest in aanmerking; haverstroo is daarvoor te zacht, liet is te spoedig in mest veranderd. Roggestroo is harder dan tarwestroo en biedt dus het langst weerstand.
§ â 119. Dk drank. Ue beste drank is het water; geene vloeistof kan den dorst lesschen, indien water daarvan niet het voornaamste bestanddeel uitmaakt.
05
Goed drinkwater is ook voor het paard van overwegend belang. Er ontstaan veel meer ziekten dooi' slecht water dan men in het algemeen vermoedt. De nadeelige eigenschappen daarvan zijn dikwijls niet gemakkelijk te ontdekken; vooreerst, omdat het water onberispelijk kan schijnen, zonder kleur of reuk en zelfs van aan-genamen smaak kan zijn en toch voor de gezondheid gevaarlijk, en vervolgens omdat de schadelijke werking zich meestal eerst langzamerhand openbaart.
Vooral het water uit pompen in de nabijheid van oude stallen, waarvan de bodem besmet is, bevat niet zelden voor de gezondheid schadelijke bestanddeelen. De deugdelijkheid van het drinkwater kan alleen worden bepaald door een nauwkeurig scheikundig en microscopisch onderzoek.
Het is gevaaii'yk de paarden zeer koud water te laten drinken, vooral indien zij verhit zijn en de maag ledig is. Het gulzig drinken belet rnen door hooi op het water te leggen of het paard over de stang of de trens te laten drinken.
Het verdient aanbeveling aan zeer verhitte paarden, op marsch, eenig droog voeder te geven, alvorens ze te laten drinken en ze daarna dadelijk weer in beweging te brengen. Ken koude dronk doet in den regel geen nadeel, wanneer de huid goed werkzaam blijft. Dit laatste bezigt men daarom soms als geneesmiddel; bespeurt men namelijk na het drinken koortsrilling, overeind staan der haren en koliek, dan geve men het paard matige beweging, ten einde de huid werkzaamheid aan te zetten.
Onder gewone omstandigheden lesscbe men den dorst niet dan een half uur vóór of na het voederen.
Het best is water uit eene waterleiding; goed pompwater is zeldzaam. Water uit open putten bevat dikwijls in omzetting ver-keerende stollen. Regenwater is niet zelden met stof, schadelijke gassen, enz. verontreinigd. Vooral nadeelig is stilstaand water uit vijvers en moerassen, evenals rivier- en brak water. Zeewater is als drinkwater volkomen ongeschikt.
Hard water, dat veel kalk bevat, geeft op den duur tot ziekte aanleiding.
De behoefte aan drank is zeer verschillend en regelt zich naar het watergehalte van het voedsel, de temperatuur, den arbeid en vooral naar de gewoonte. Zij kan hiernaar vier- tot zesvoudig verschillen; gemiddeld wordt echter per dag, bij droog voeder, 20âüü liter water gebruikt. Bij sommige ziekten, bijv. louterstal, is de dorst belangrijk verhoogd, soms zoodanig, dat een paard
96.
))or dag !) emmers water zou uitdrinken. In dergelijke gevallen mag hij nimmer volkomen worden gelescht.
Paarden, die steeds veel drinken, zijn gewoonlijk slap. Het is niet goed onmiddellijk na het gebruik van haver water te geven, orndat dit de haver uit de maag spoelt.
In het algemeen laat men een paard driemaal daags drinken; op reis echter meer, en gewoonlijk totdat het verzadigd is.
ij 120. De specerijen. Hiertoe behooren voornamelijk het l-eukenzont en hittere specerijachtige middelen.
Het keukenzout komt in de gewone voedingsmiddelen in genoegzame hoeveelheid voor, zoodat eene afzonderlijke toevoeging daarvan minstens overbodig is.
Bij zeer moeielijk verteerbaar of omgekeerd verslappend voedsel, of ook. wanneer de spijsvertering verzwakt is, kan eene tijdelijke verstrekking van keukenzout nuttig zijn.
Het geven van zoutliksteenen in de krib kan aanleiding geven tot kribbebyten.
De bittere specerijachtige middelen zijn bij eene gezonde krachtige spijsvertering onnoodig, en kunnen zelfs schadelijk worden.
§ 121. Dk lucht. De dampkringslucht bestaat hoofdzakelijk uit twee gassen, stikstof en zuurstof, waarbij in geringe en veranderlijke hoeveelheid koolzuur en waterdamp voorkomen. Bovendien kunnen als toevallige en dikwijls schadelijke bijmengsels aanwezig zijn: ammoniak, kooloxyde, koolwaterstof, zwavelwaterstof, reukstoffen van planten en stof van allerlei aard.
Daarvan is de zuurstof noodig tot behoud van het leven, de stikstof tot verdunning der lucht; in enkel zuurstof ware geen leven bestaanbaar. Het gehalte der lucht aan zuurstof is, ondanks haar verbruik dooi- menschen en dieren, nagenoeg ovei'al hetzelfde; het zijn de planten, die hierin voorzien, daar zij, onder den invloed van licht, zuurstof vormen. Slechts zeer zelden komt zij in onvoldoende hoeveelheid voor; in overvulde stallen, nabij verzamelplaatsen van meststoffen, enz. kan dit echter het geval zijn. De gevolgen daarvan komen op den duur met die van geheele onthouding der lucht overeen.
Waterdamp ontbreekt nooit in de lucht; zijne hoeveelheid verschilt echter naar de temperatuur en de drukking der lucht. Hoe warmer deze is, des te meer waterdamp kan zij opnemen.
Het koolzuur ontstaat, behalve bij de ademhaling (menschen en dieren ademen namelijk zuurstof in en koolzuur uit), door
97
gisting, rotting, verbranding, enz. Geschiedt de ademhaling in eene afgesloten ruimte, dan verliest de lucht allengs meer hare zuurstof en krijgt daarvoor koolzuur in de plaats. Eindelijk wordt zij zoo overladen met koolzuur en arm aan zuurstof, dat zij het leven niet meer kan onderhouden; zij veroorzaakt ademhalings-bezwaren en ten slotte den dood.
Ammoniak komt steeds in de lucht voor, doch in zeer geringe hoeveelheden; de stallucht kan daaraan echter betrekkelijk rijk zijn. Hare aanwezigheid verraadt zich door eene prikkelende quot;werking op de ademhalingsorganen en de oogen.
De zuiverste lucht bevat eene menigte microscopische deeltjes, die het zoogenaamde stof vormen. Daarin kunnen allerlei zaken voorkomen van mineralen, plantaardigen en dierlijken oorsprong, en daaronder zelfs smetstofTen. Slechts op hooge bergen vindt men eene stofvrije lucht. Meestal dringen met iedere inademing duizenden stofdeeltjes in de longen.
Die kleinste deeltjes zijn in den laatsten tijd nauwkeurig onderzocht geworden en in het algemeen onder den naam van bacteriën beschreven; sommige daarvan komen in de meest zuivere lucht voor en zijn oorzaak van gisting en lotting, andere bevinden zich slechts in meer of minder afgesloten ruimten en zijn dikwijls als ziekteoorzaken te beschouwen.
In alle met paarden gevulde stallen wordt de lucht onzuiver en bedorven; zij neemt namelijk de uitademingsstoiïen van longen en huid op en tevens de omzettingsproducten van urine en mest. In slecht geventileerde en overvulde stallen ontstaat die bedorven lucht spoediger dan onder de tegenovergestelde omstandigheden. Zijn de dieren daaraan langen tijd blootgesteld, dan ontwikkelen zich gemakkelijk allerlei ziekten.
Van groot belang is de temperatuur tier lucht, vooral in de stallen. Deze mag van \Tâ-I70C. schommelen. Grootere warmte werkt verslappend en geeft tot verkoudheid aanleiding; eene lagere temperatuur echter vermindert den voedingstoestand en de krachten, tenzij hierin dooi' eene ruimere voeding wordt voorzien. Een warme stal is gevaarlijker dan dezelfde of eene hoogere temperatuur der buitenlucht. Het sprenkelen van zuiver water, beter nog van caibolwater, in de stallen verdient bij eene hooge temperatuur aanbeveling.
Eene matig koude lucht prikkelt en versterkt; alle levensprocessen vinden met opgewektheid plaats. Eene hooge temperatuur echter werkt afmattend en verslappend.
98
Wanneer de paarden zich vrij kunnen bewegen en genoeg voedsel bekomen, kunnen zij tamelijk groote koude verdragen; edele paarden zijn daarvoor echler gevoeliger dan gemeene rassen. Zeer gevaarlijk is steeds een plotselinge overgang van warmte tot koude.
^ 122. De stal dient zoodanig ingericht, dat hij zuivere lucht bevat, behoorlijk verlicht en rein is, en den nadeeligen invloed van dierlijke uitwasemingen en ontlastingen niet doet gevoelen; eindelijk moet hij voldoende ruimte bezitten en de noodige inrichtingen, ojtdat de dieren zich zelf of elkander niet beleedigen. Wat daartoe noodig is, zal achtereenvolgens, doch zeer beknopt, worden behandeld.
Ken stal moet droog liggen en de vloer iets hooger zijn dan de naaste omgeving, opdat het water behoorlijk afvloeie en geen vocht ^van binnen indringe. Nimmer mag hij door groote gebouwen ingesloten zijn, omdat daardoor lucht en licht worden geweerd; evenwel is eene beschutting aan de noord- en oostzijde voordeelig.
De (jroutte van den stal, in het bijzonder zijne inwendige hoogte en ruimte, is van onmiddellijken invloed op de zuiverheid der daarin aanwezige lucht, op haar temperatuurs- en vochtigheidsgraad. Ken zeer groote stal is te koud, een kleine, lage te warm, en geeft licht tot luchtbederf aanleiding. De hoogte moet worden geregeld naar het aantal paarden; in kleine stallen is eene hoogte van 15.5 M. voldoende, in stallen voor löâ-20 paarden moet zij 4.5 M. bedragen en in nog grootere stallen zelfs 5 M.
De buitenmuren moeten uit poreuze, droge steenen zijn opgebouwd, zoodat de lucht er doorheen kan dringen, terwijl zij desniettegenstaande de warmte slecht geleiden.
De zolder moet zoodanig zijn, dat de stal in den winter warm blijft, maar toch de uitwasemingen behoorlijk kunnen ontwijken. Mouten zolders zijn in dit opzicht het best; zij mogen dan echter niet als bewaarplaatsen van voedsel worden gebezigd.
Wat het dak betreft, zijn, wegens de luchtverversching, pannen en leien daken boven zinken te verkiezen. Rieten daken zouden nog beter zijn, indien ze brandvrij konden worden gemaakt; daaronder is het 's zomers koel en 's winters warm.
Den hudem der standen heeft men liefst zoodanig, dat hij, bij weinig ligstroo, eene gemakkelijke, warme ligging verschaft, het beslag beschut, hel water goed laat afvloeien, gemakkelijk kan worden gezuiverd en eindelijk duurzaam en goedkoop is. Op zeer
99
verscliillende wijzen heeft men getracht aan die eisclien te voldoen, doch het is niet mogelijk al deze eigenschappen te vereenigen.
Het best is nog een gemetselde vloer van hard gebrande klinkers, of in eene enkele, of, wat te verkiezen is, in eene dubbele laag. In het laatste geval legt men de onderste laag plat, de bovenste op den kant.
l)e bodem van den stal moet naar achteren slechts zooveel afhellen, dat hel water behoorlijk kan afvloeien. Daartoe is een verval van '2â30/u of ongeveer 6â9 cM. op de geheele lengte voldoende. Is de helling sterker, dan krijgt het paard een gedwongen stand.
De (joten en riolen zijn voor de gezondheid van groot belang, daar zij dienen tot spoedige verwijdering van het door de paarden geloosde water. De eerste loopen achter de standen; het best zijn vlakke, goed met cement bestreken goten, met een genoegzaam verval. Deze moeten in goed gemetselde riolen voeren, welke de pis snel naar buiten geleiden, zonder dat de omzettingsproducten hiervan zich in den stal kunnen verspreiden. De pis mag in de open goten geen langen weg afleggen ; voor elke 6 M. goot is daarom één rioolput gewenscht. De goten en riolen dienen rein te worden gehouden.
De deuren moeten, met het oog op brandgevaar, in voldoend aantal aanwezig zijn. Voor groote stallen heeft men gaarne deuropeningen van 3.2 M. hoogte en '2.5 M. breedte, zoodat een ruiter desnoods, zonder gevaar, in den stal kan rijden en een gezadeld paard gemakkelijk kan in- en uitgaan. Voor kleine stallen stelt men zich gewoonlijk tevreden met eene deur van '2.8 M. hoogte en 1.5 M. breedte.
liet best is eene dubbele deur, daar eene enkele van de ge-wenschte breedte te zwaar zou worden. Zij moeten goed sluiten, naar buiten opengaan, met haken vastgezet kunnen worden, doch niet van zelf toevallen, wijl dit tot beleediging aanleiding kan geven.
De deurposten worden afgerond, ten einde verwondingen bij het tegenloopen te voorkomen. Al het ijzerwerk der deuren moet ingelaten zijn.
Worden zij tot luchtverversching opengezet, dan moeten de deuropeningen dooi' middel van boomen kunnen worden afgesloten.
De vensters of ramen belmoren zoodanig te zijn aangebracht, dat zij eene goede verlichting van den stal toelaten, zonder dat het licht onmiddellijk in de oogen valt. Het best is ze nabij de zoldering te plaatsen; dit is gunstig voor de luchtverversching,
ioo
daiir de opstijgende warme lucht dan dadelijk kan worden uitgedreven, en niet, na aan de zoldering te zijn afgekoeld, weder neervalt.
Daar de ramen niet alleen dienen om licht, maar ook om lucht in te laten, moeten zij gemakkelijk geopend en ook weer goed gesloten kunnen worden. Het best zijn die, welke in hunne bovenste helft schuin of horizontaal naar binnen en van boven naar beneden kunnen worden geopend (zoogen. scharnierramen), voornamelijk wanneer de zijgedeelten hiervan door plaatijzer blijven afgesloten. Deze kan men by alle weer en wind gebruiken , zonder dat het tocht.
Een hoofd vereischte voor een goeden stal is de luchtverversching. De bedorven lucht moet steeds af- en versche aangevoerd kunnen worden, zonder dat de paarden aan tocht zijn blootgesteld.
Uij een stal, die in alle opzichten, wat ligging, bouwmateriaal, ruimte, hoogte, riolen en ramen betreft, aan de vereischten voldoet, is liet zelden noodig voor eene bijzondere luchtverversching zorg te dragen. In eiken stal vindt eene bestendige luchtwisseling plaats, die door de poreusheid der muren en het niet nauwkeurig sluiten van deuren en ramen wordt veroorzaakt.
Er zijn echter stallen, waarbij deze natuurlijke luchtverversching niet voldoende is, en dit is steeds het geval bij zulke, welke met een groot aantal paarden zijn bezet. Dan is eene kunstmatige luchtverversching noodig. Daarvan zijn voor en na verschillende methoden beproefd geworden, zonder dat men er eene heeft gevonden, die steeds aan alle eischen voldoet.
In hoofdzaak zijn twee stelsels in gebruik, namelijk het horizontale en het verticale. Het eerste bestaat in het aanbrengen van ronde of vierhoekige openingen in de buitenmuren onderden zolder. Deze worden van buiten van traliewerk voorzien en inwendig van eene inrichting, om ze naar willekeur te kunnen sluiten.
Het verticale stelsel bestaat uit loodrechte buizen, zoogenaamde luchtkokers, die van den zolder uitgaande, op het dak uitmonden en aldaar van eene kap zijn voorzien.
Van niet minder belang dan zuivere lucht is eene regelmatige, gewenschte temperatuur. Deze mag, zooals reeds werd opgemerkt, tusschen 12° en 17° C. schommelen. Nooit mag men trachten den warmtegraad te verhoogen door het dichtstoppen van deuren of vensterreten.
De stemden worden bij groote stallen gewoonlijk aan de lange zijde aangebracht en wel in ééne of twee rijen. Een stal met twee rijen is het best, wijl deze steeds kan worden gelucht, ook
101
als de wind op eene der lange zijden staat, verder omdat liet tou/icht daarin getnakkelijker kan plaats hebben en zij ook overigens liet minst kostbaar zijn. Bovendien heersclit in alle stallen eene gelijkmatige temperatuur, want alle hebben ééne zijde, die naar het noorden of oosten gekeerd, en ééne, die daarvan afgewend is.
Een lange, doorloopende stal is meestal koud en tochtig; het best is hem zoodanig in afdeelingen te splitsen, dat eene enkele rij hoogstens 4Ã paarden kan bevatten.
De paarden worden door latierboomen of door houten heschottcu van elkander gescheiden; soms ook staan zij in boxen. Hiernaar verschilt de grootte der standen; bij latierboomen moeten ze gemiddeld 1,6â1,75 M. en bij houten beschotten 1,75â'2 M. breed zijn, terwijl de lengte onder beide omstandigheden, de krib medegerekend, 3,2â3,5 M. moet bedragen. De boxen moeten minstens 3 M2. beslaan.
De latierboomen moeten zoodanig tusschen de paarden zijn opgehangen, dat zij zooveel mogelijk beschutten tegen het slaan van naast elkander staande paarden en tegen beleedigingen dooi' het onder of over den latierboom geraken. Zij moeten evenals de latierpalen rond en glad geschaafd zijn; de latierboomen worden aan hunne voorste gedeelten, om bet daarop bijten der paarden te belemmeren, met plaatijzer of platkoppige spijkers bedekt, terwijl men ze van achteren, ter voorkoming van beleedigingen, evenals de ondereinden der latierpalen, gewoonlijk met gevlochten stroo omwikkelt.
Houten beschotten zijn boven latierboomen te verkiezen, doch vorderen eene grootere ruimte.
De boxen zijn aan alle zijden afgesloten, zoodat de paarden daarin los kunnen loopen. De bouten beschotten daarvan moeten 1,5 M. hoog en met ijzeren traliewerk van nagenoeg gelijke hoogte bedekt zijn.
Onder paddocks verstaat men boxen, die in gemeenschap staan met omheinde ruimten in de buitenlucht, waarin de paarden zich vrij kunnen bewegen.
De (jang achter de paarden moet bij eene enkele rij minstens 3 M. en bij eene dubbele rij 4,5 M. bedragen. Vooral voor militaire stallen is eene breede gang noodig.
De voeder zolder mag niet in onmiddellijke gemeenschap staan met de stalruimte, ten einde voederbederf door de opstijgende dampen te voorkomen.
102
Het bevestigen der paarden moet zoodanig geschieden, dat zij zich eenigermate kunnen bewegen, gemakkelijk kunnen gaan liggen en zich niet kunnen beleedigen. Op verschillende wijzen vindt het plaats.
Het best is een halster, waaraan een korte ketting of riem is bevestigd, die zich door middel van een ring vrij langs eene ijzeren stang beweegt, welke zich onder de krib bevindt. Vooral dient er op gelet, dat de staaf' zoodanig onder de krib is verborgen, dat het paard met zijne beenen niet tusschen haar en den muur kan geraken. De ketting mag niet langer zijn dan 0,60 M.
De ruiven zijn uit hout of ijzer vervaardigd. De-laatste zijn de beste, omdat hierbij ieder paard zijn voeder afzonderlijk ontvangt en ze gemakkelijk kunnen worden gereinigd. Z'y moeten zich ^0â40 cM. boven de krib bevinden, terwijl de spijlen 5â8 cM. van elkander verwijderd behooren te zijn. Met eten uit eene hooge ruif is echter slecht voor rug en lenden; daarom is de plaatsing er van in eene nis, die bijna onmiddellijk boven de krib kan komen, aan te bevelen. Natuurlijk moet de laatste dan op hare gewone plaats blijven, indien de krib zich niet onder de ruif bevindt, zal veel lijn voedsel verloren gaan. Dit is het geval met de voeder taf els, die de plaats van de krib innemen. Zij bestaan uit ijzer en bezitten naast elkander twee bakken , voor haver en water, en eene ruif.
De kribben worden uit hout, ijzer, graniet, vasten zandsteen, enz. vervaardigd. Het best zijn steenen kribben, doch ook ijzeren zijn zeer voldoende. Men geeft ze, om het reinigen gemakkelijk te maken, eene langwerpig-ronde gedaante. Zij moeten 20â25 cM. diep, 35 cM. breed en 50â00 cM. lang zijn.
De hoogte der kribben, gemeten van den grond tot haar bovenrand, bedraagt gewoonlijk 1,1â1,3 M.; tie bovenrand der krib moet gelijkkomen met den boeg van het paard.
De stal moet, zoodra het donker is, op eene doelmatige wijze, zonder gevaar voor brand, kunnen worden verlicht.
§ 123. Het strooisel. Als zoodanig worden voor de leger-paarden gebezigd rogge- en tarwestroo en turfstrooisel. Dit laatste wordt enkel bij de artillerie, gedurende de zomermaanden, gebruikt.
Over de voor- en nadeelen van beide strooisels is veel strijd gevoerd, en nog is men het niet op alle punten eens. Daaromtrent schijnt men thans echter eenstemmig, dat het turfstrooisel inden winter te koud is.
103
Het is s06'! ('e paarden voortdurend op strooisel te plaatsen, opdat zij naar helieven kunnen gaan liggen en anders een zacliten stand hebben. Dit is heilzaam voor de beenen en het geheele dier. Indien de paarden bijna den geheelen dag, nagenoeg onbeweeglijk, op de steenen moeten staan, worden zij stijf en trekken de hoeven zich samen en drogen uit.
Het permanente stroo ot' matrassenstroo vormt eene soort van matras, waarop dagelijks het versche stroo wordt uitgespreid.
Indien de mestballen steeds met zorg worden verwijderd en het uittrappen van het stroobed wordt voorkomen, kan het zes weken of zelfs langer blijven liggen. l)e pis wordt daarin opgezogen, en kan, wijl zij van de lucht is afgesloten, geene schadelijke dampen in den stal verbreiden.
Bij de cavalerie is voorgeschreven óf het permanente ligstroo te bezigen, of het stroo alleen gedurende den tijd, dat de paarden afwezig zijn uit den stal te verwijderen en uit te zoeken. Wanneer de paarden te huis worden verwacht, moet het stroo weder in den stal liggen.
124. De verpleging der huid. Het poetsen is een belangrijk middel om de werkzaamheid der huid en daarmede de gezondheid te onderhouden. Doch ook op meer verwijderde organen, op de spieren, werkt het poetsen gunstig; het is eene soort massage, die vooral bij vermoeide dieren heilzaam is.
Het poetsen is voornamelijk noodig voor op stal gehouden paarden, daar hierbij van de omgeving veel vuil aangevoerd en, zonder hulp, slechts weinig wordt afgevoerd. Bij in het vrije levende dieren droogt dit op en wel te meer, naarmate de lucht en de zon sterker inwerken; daarna verstuift het of schilfert het af, of wel het wordt door schuren, door regen, enz. verwijderd.
De militaire paarden worden op werkdagen tweemaal en des Zondags eens gepoetst. Daarvoor gebruikt men een roskam, een horstel, eene stroowisch, een wollen lap, eene spons en een manenkam.
De roskam moet alleen dienen, om de aaneengekleefde haren los te maken en het stof van den borstel te verwijderen. Ken krachtig gebruik van don borstel op alle lichaamsplaatsen, vooral ook aan de beenen en in alle richtingen, werkt veel nuttiger dan het enkel afkrabben van het vuil met den roskam. Ook de wisch, uit samengedraaid stroo of hooi bestaande, moet sterk op de huid worden gedrukt. Met den manenkam worden de manen langzaam en voorzichtig uitgekamd; geschiedt dit haastig en ruw.
104
dan trekt men te veel haren uit. Om dit te vermijden, beziet uien voor den staart liever een borstel.
Het is doelmatig bezweete paarden zoolang te laten stappen, tot zij droog zijn geworden en eerst dan op stal te zetten. Het wasschen der beenen is zeer nuttig, mits ze daarna goed droog worden gewreven. Neus en oogen moeten met eene vochtige spons worden gereinigd.
De geslachtsdeelen, voornamelijk de koker, moeten nu en dan met lauw zeepwater worden gewasschen; ook staart en manen dienen deze bewerking gedurig te ondergaan. Steeds drage men hierbij zorg door droog wrijven, bedekken, enz., het ontstaan van verkoudheid te voorkomen.
Zwemmen of haden is zeer nuttig, indien gezorgd wordt, dat de paarden niet bezweet in het bad komen en men ze na het bad zoolang laat stappen, tot zij droog zijn geworden.
Het scheren, dat is het verkorten der lange winterharen, is in den laatsten tijd ook bij militaire paarden toegepast. Het heeft ten gevolge, dat de dieren minder zweeten, vooral ook minder nazweeten, hetgeen anders zeer ten nadeele van de krachten geschiedt. Daardoor blijven zij bij hetzelfde ration in een beleren voedingstoestand. Het maakt de paarden opgewekter, de eetlust verbetert, terwijl dikke beenen minder voorkomen. De dieren moeten echter, vooral in den eersten tijd na liet scheren, tegen groote koude en tocht worden beschut; het gebruik van dekens kan daarbij nuttig zijn.
De beste tijd voor het scheren is October en November; het paard heeft dan na eenige weken weder een voldoenden pels, zoodat het gebruik van dekens onnoodig is, terwijl het toch het lange en dichte winterhaar mist.
De dekens houden warm, maken het haar glad en glanzend en beschutten tegen insecten. Staan de paarden voortdurend onder dekens, dan wordt de huidwerkzaamheid verhoogd, de huid zacht en het haar kort, dun en glad, het uiterlijk verbetert dus, doch tevens ontstaan verslapping en gevoeligheid voor weersinvloeden. Zij moeten daarom slechts bij uitzondering worden gebruikt.
De dekens reiken van den boeg tot de broek of zij hebben ook verlengsels langs de voorborst; soms gebruikt men tevens oor- en manenkappen, en bij vervoer van paarden op spoorwegen enz. dikwijls nog knielappen en staartkokers, om deze deelen te beschutten,
105
De zivauhteU bestaan uit flanel, katoen of linnen; zij zijn gewoonlijk lt;2â2,5 M. lang en 10â13 cM. breed, en worden aan de voorbeenen tot de handwortels, aan de achterbeenen tot de sprong-gewrichten aangelegd. Ken zwachtel moet zoo vast zitten, dat hij niet afzakt, doch zoo los, dat hij geene schadelijke drukking teweegbrengt en den bloedsomloop niet belemmert. Hij moet steeds van beneden naar boven worden aangelegd.
Door liet gebruik van zwachtels kan do stramheid in pezen en gewrichten worden opgeheven, terwijl gallen, zuchtige zwellingen, peesverdikkingen, enz. niet zelden verdwijnen. Het zwachtelen moet echter dikwijls lang worden voortgezet, eer het gewcnschte gevolg is verkregen.
Het is van groot belang het zwachtelen door massage te doen voorafgaan; daaronder verstaat men het wry ven, kneden en strijken van beneden naar boven. Dit moet telkens gedurende ongeveer 10 minuten met de vooraf ingeoliede handen geschieden. De huid mag hierdoor niet in ontsteking worden gebracht.
§ 125. Beweging en uust. De beweging oefent grooten invlöed uit op het lichaam; zij kan naar haren graad nu heilzaam dan schadelijk zijn.
Eene matige beweging is een der belangrijkste gezondheids-middelen; zij wekt den eetlust op, bevordert de vertering en stofwisseling, zet den bloedsomloop aan, versterkt de spieren en de longen, kortom zij verhoogt alle levensverrichtingen.
Eene te lang voortgezette beweging heeft een geheel ander gevolg, zelfs al geschiedt zij in een langzaam tempo. Zij vermindert den eetlust en stoort de vertering; al gaan hare gevolgen dikwijls spoedig voorbij, toch brengt zij tijdelijk verzwakking teweeg.
Eene geforceerde snelle beweging is nog nadeeliger, tenzij de dieren daartoe zijn voorbereid. Door oefening kan in dit opzicht veel worden verkregen.
Zal eene dagelijksche beweging nuttig zijn, dan moet zij eene bepaalde maat houden, nooit tot uitputting worden voortgezet, en vooral niet onmiddellijk na verzadiging in een snel tempo geschieden, Na een snellen gang moet men het paard (door het te laten stappen) gelegenheid geven eens te proesten, en bij lang voortgezette beweging, bijv. op reis, zou het wenschelyk zijn alle l'/jâ2 uren te voederen.
Op de beweging moet rust volgen; daardoor herstellen de Krachten, liet paard slaapt slechts kort, soms zelfs staande.
106
doch dan rust liet niet voldoende. Vooral na verzadiging is rust, gewen.sclit; alleen dan wordt van het opgenomen voedsel zooveel mogelijk partij getrokken.
Rust is dus, evenals beweging, een gezondheids- en versterkingsmiddel, evenwel op geheel verschillende wijze: het gebruik verhoogt de kracht, de rust herstelt ze. Rust alleen geelt geene kracht, integendeel, zij verslapt, wanneer zij lang duurt.
ACHTSTE AFDEELING.
HET SIGNALEMENT,
§ -Mi. Tiet signalement moet, zoo kort mogelijk, de onderscheidingskenmerken van een paard bevatten. Daartoe beliooren: geslacht, hoogte, ras, ouderdom, kleur, afteekeningen en bijzondere kenteekenen. In den signalementstaat van troepenpaarden worden tevens stamboek- en hoefnummer vermeld.
Onder hoogte of maat verstaat men den afstand van liet hoogste gedeelte der schoft tot den bodem. Deze kan op verschillende wijzen worden gemeten; daarnaar onderscheidt men de galgmaat, de bandmaat, de lichaamsmaat en de oogmaat.
Het meten met de galg is het zekerst; wanneer de wijze van meten niet is aangegeven, wordt deze stilzwijgend bedoeld. De galg bestaat uit eene staaf van ongeveer '2 M. lengte, welke in cM. is verdeeld en waarover eene nagenoeg 50 cM. lange dwars-staaf gemakkelijk op en neer kan schuiven.
Om met de galg te meten. plaatst men het paard vierkant op een vlakken bodem; de lange staaf rust op den grond, juist acliter de ballen van een voorhoef, terw'yl de dwarsstaaf horizontaal op het hoogste punt der schoft moet liggen. Men leest nu op de plaats van vereeniging der beide staven de hoogte van liet paard al.
Indien men de hoogte wil bepalen door middel van een band, touwtje, koord, ketting, enz., meet men daarmede den afstand van bet hoogste punt der schoft tot den bodem. Die afstand wordt daarna in cM. bepaald. Deze maat is afhankelijk van de ronding der schouders en daarom onzeker.
108
De bepaling der hoogte door naast liet paard te gaan staan en te zien met welk licliaamsdeel van den onderzoeker, bijv. den neus, het hoogste gedeelte der schoft gelijkkomt, is uit den aard der zaak slechts benaderend. Ditzelfde geldt ook van de oogmaat, waarbij men op het gezicht, enkel door oefening, de hoogte aangeeft.
liet ras vermeldt men in bet signalement zoover dit doenlijk is; hiervoor wordt bij rijkspaarden de landaard opgenoemd, bijv. inlandsch, lersch, enz.
Den ouderdom bepaalt men zoo nauwkeurig mogelijk; kan men den leeftijd niet met zekerheid aangeven, dan vermeldt men dit, bijv. âongeveer 17 jaar.quot;
Omtrent kleur en afteekeningen geldt het in de Vijfde Afdee-ling vermelde.
Bezit een paard bijzondere kenteekenen, bijv. verlies van een snijtand of een gedeelte van een oor, heeft het een knevel, enz., dan kunnen deze in het signalement worden opgenomen, vooral indien de overige kenmerken gering in aantal zijn.
Eigenlijke gebreken, als eene spat, een legger, enz. behooren daartoe niet. Steeds moet onder het signalement de datum worden geplaatst, waarop het is gemaakt. Dit is noodig, omdat de leeftijd voortdurend verandert, hetgeen ook met de hoogte en de kleur liet geval kan zijn.
Van groot belang is de meest mogelijke kortheid; met bet minst aantal woorden moet men trachten alles te vermelden, wat tot het signalement behoort.
NEGENDE AFDEELING.
IETS OVER ENKELE UIT- EN INWENDIGE ZIEKTEN,
§ l'i7. KriEUPF.LHEin. Wanneer een paard op marsch kreupel wordt, dient, bij afwezigheid van een paardenarts, door den miter onmiddellijk te worden onderzocht waar de kreupelheid is gezeteld , ten einde zoo mogelijk dadelijk hulp te veileenen. Daartoe moet worden gelet op den aard der kreupelheid, namelijk welk gedeelte van het been minder dan anders wordt gebruikt. Treedt een paard bijv. in den kogel niet door, dan is het waarschijnlijk, dat de oorzaak der kreupelheid is gezeteld in de buigpezen of in het deel van het boen, dat onder de pijp is gelegen.
Ken nauwkeurig hoefonderzoek is steeds nuttig. Men lette er op, of het paard een nagel heeft ingetrapt, betgeen meestal geschiedt aan de middelste of zijdelingsclie straalgroeven, of het vernageld is, waarbij het dier dikwijls pijn te kennen geeft, wanneer men op een of meer nagels (koppen of nieten) klopt, of de zool gekneusd is, wat het geval kan zijn na verlies van een ijzer, enz. In al zulke gevallen is de hulp, die verleend moet worden, bijna van zelf aangewezen; in de beide eerste omstandigheden zal men de nagels verwijderen, de ontstane openingen iels verwijden en uitspuiten met eene oplossing van carbol of creoline (l deel carbol of creoline op 100 deelen water). Dit laatste moet dikwijls worden herhaald; bovendien zorge men, dat geen vuil indringt. Men bedekke daarom de openingen met vlas, hennep, jute of watten, welke in eene carbol- ofcreoline-oplossing
110
zijn gedrenkt en bevestige dit materiaal door middel van een velband.
Hij zoolkneuzinp; legge men een ijzer onder; dit is liet beste middel om elke drukking van de zool verwijderd te houden.
Indien andere verwondingen aan den boef mochten voorkomen, steeds is het aangewezen alle onreinheid daarvan te weren en de wonden met jute, in eene carboloplossing gedrenkt, te bedekken.
13 lij kt het bij nader onderzoek, dat de kreupelheid in eene verstuiking van een der gewrichten bestaat, dan is rust van bet paard eene eerste voorwaarde voor genezing. Bovendien zon men omslagen van klei of modder kunnen aanwenden, hetgeen vooral nuttig kan zijn, wanneer eenig lichaamsdeel (zonder verwonding) heet en gezwollen is. Ook bij eene peesontsteking (zie 130), eene spierrekking of verscheuring verdient de aangegeven wijze van behandeling aanbeveling.
S} l'28. Drukking. Daaronder verstaat men eene kneuzing of gekneusde wond, door het harnachement teweeggebracht. In bet eerste geval heeft de huid schijnbaar niet geleden; in het laatste geval is deze duidelijk verwond.
De drukkingen komen het meest voor aan de schoft en op de ribben, en zijn gewoonlijk het gevolg van een gebrek aan den zadel of van het geplooid liggen van de deken. Zij openbaren zich dikwijls reeds dadelijk na het afzadelen, wijl de paarden zich op die plaatsen trachten te bijten of te schuren. Spoedig ontstaan zwelling, verhoogde warmte en pijnlijkheid, zoodat het bestaan eoner drukking geen twijfel meer overlaat.
Belumdelhuj. Wanneer de huid niet verwond is, wende men op de gedrukte plaats eene graszode of spons aan, welke nu en dan met koud water wordt begoten. Die graszode of spons mag niet te sterk drukken; men zorge, dat de singel, welke tot hare bevestiging dient, niet elders eene drukking veroorzaakt. Dit kan men voorkomen door stroowisschen onder den singel, welke telkens worden verplaatst.
liet is verkeerd, wanneer graszode of spons voortdurend wordt begoten. De plaatsen rondom de drukking besinere men, zoover daarlangs het water vloeit, met vaseline, waszalf of desnoods met ongezouten reuzel.
Men kan bel doel: drukking en broeiing, ook bereiken door een linnen lap, welke eenige malen is samengevouwen (compres), en die, na in lauw water te zijn gedoopt en uitgewrongen, op
Ill
de gedrukte plaats en een paar vinger breed van haren omtrek vlak wordt uitgespreid. Dit compres bedekt men met eene wollen deken, en bevestigt deze door middel van een singel. l)e laatste mag niet meer drukken dan strikt noodig is, om het verschuiven van deken en compres te voorkomen.
Zoodra het compres begint op te drogen, moet het opnieuw in lauw water gedrenkt en uitgewrongen en het vorenstaande herhaald worden.
Indien eene verwonding aanwezig is, mag geene zode worden aangewend en boude men ook liever de spons achterwege, daar deze zelden rein genoeg is. Men bedekke de wond met vlas, jute of watten, gedrenkt in carbol of creoline (1 op 100 water), en bevochtige haar nu en dan, bijv. om het half uur. met het laatste.
Het bost is geen harnachement weer op te leggen, vóór de drukking is genezen; kan hieraan onmogelijk worden voldaan, dan legge men de gekneusde plaats en den omtrek vrij. Daarbij zorge men voor overigens gelijkmatig dragen, opdat geene nieuwe drukkingen ontstaan; het best geschiedt dit door een dik vilten dek, dat op de plaats der drukking is uitgesneden. Legt men stukken vilt naast de gedrukte plek, dan dragen de deelen onder hel vilt uitsluitend en ontstaat aldaar gemakkelijk eene nieuwe drukking.
De gedrukte plaats zelve smere men in met vaseline of boorzalf (1 deel boorzuur op (gt; deelen vaseline).
^ 129. Vf.rwoniung. Deze kan óf alleen de huid betrelVen óf ook de spieren, pezen, bloedvaten, zenuwen, enz. /ij geeft zich te kennen door eene scheiding der huid, zoodat de wondranden meer of minder ver van elkander verwijderd staan, door bloeding, pijn en stoornis in het gebruik van het deel.
De verwondingen kunnen levensgevaarlijk zijn, wanneer zij bijv. tot in de borst- of buikholte doordringen of indien groote bloedvaten zijn getroffen.
üehandelimj. Wanneer de bloeding belangrijk is., moet deze in de eerste plaats worden gestild. Dit kan op onderscheidene wijzen geschieden. Indien de bloeding aan een lidmaat voorkomt, legge men boven de verwonde plaats vrij vast een louw of band aan. Bovendien vuile men de wond op met vlas, jute of watten, gedrenkt in carbol of creoline (1; 100) en bevestige deze op de-plaats door een verband. Is de bloeding hevig, dan oefene men met dit materiaal eene sterke drukking uit. Verder zorge men voor rust van het dier en vooral van het verwonde lichaamsdeel.
il'i
Het aanwenden van onreine zaken, als spinnewebben, enz. late men liever achterwege; van het veel gebruikelijke water met azijn is weinig te verwachten. Liever legge men den reinen vinger op het bloedende vat en oefene daarmede eene zoodanige drukking uit, dat de bloeding ophoudt.
Is de bloeding hevig geweest, dan verwijdere men het stolsel niet spoedig, daar zij anders opnieuw begint.
Vervolgens zorge men er voor, dat geene onreinheden in de wond dringen. Daartoe bedekke men ze met vlas, jute of watten, gedrenkt in eene oplossing (1:100) van carbolzuur, creoline of boorzuur, en bevochtige de wond zoo dikwijls mogelijk met eene dezer oplossingen.
Steeds is het nuttig de haren in den omtrek der wond vooraf nauwkeurig te verwijderen en de huid aldaar eerst met lauw zeepwater en daarna met eene der genoemde oplossingen te reinigen. Ook voor zindelijkheid van den stal moet worden zorggedragen. Het is goed dezen telkens uit te schrobben met water, waarbij eenig ruw carbolzuur is gevoegd.
Somtijds moeten de wonden worden gehecht; dit late men echter liever aan den paardenarts over. Door op de aangegeven wijze doelmatig te verbinden, dat wil zeggen, door de jute of het andere materiaal met een verband op de wond te bevestigen, kan men de wondranden elkander eenigermate doen naderen, en tevens verhinderen, dat de schadelijke kiemen, welke steeds In de lucht aanwezig zijn, tot de wond doordringen. Deze worden door carbol, creoline, enz. gedood of althans onschadelijk gemaakt.
Wanneer een paard zich door vallen de knieën heeft verwond, geschiedt de behandeling op dezelfde wijze. Men knipt de haren In den omtrek der wond nauwkeurig af, reinigt ze met hare omgeving door middel van carbol- of creoline-oplosslng en legt daarna op de wond watten, jute, houtwol, turfvezelwatten, enz., gedrenkt met dc juist genoemde middelen. Bovendien kan men boorzalf op de wond aanwenden, d. w. z. jute of ander materiaal, op de aangegeven wijze gedrenkt, besmere men met boorzalf en legge dit op de verwonde plek. Het geheel wordt door een verband bevestigd, dat steeds aan den hoef moet beginnen en zich tot halverwege den voorarm dient uit te strekken. Nooit mag een verband van boven naar beneden worden aangelegd, doch ook is het reeds verkeerd, Indien men boven den kogel begint. Er ontstaat dan zwelling van de deelen beneden het verband, wat voor de genezing der wond als ongunstig Is te beschouwen.
113
ü lltO. Peesontsteking. Daaronder verstaat men gewoonlijk eene ontsteking iler buigpezen, welke meestal voorkomt aan de achtervlakte van de pijp der voorbeenen. Zij is veelal liet gevolg van eene bovenmatige rekking der pezen, door springen, uitglijden, enz. veroorzaakt.
Dikwijls lijden de peesscheeden mede; In sommige gevallen heeft de peesscheede-ontsteking eene zoodanige zwelling ten gevolge, dat het moeielijk kan worden uitgemaakt of de pees zelve ontstoken is.
FFet paard durft niet doortreden, het houdt knie en kogel gebogen, terwijl aan de achtervlakte der pijp zwelling, pijnlijkheid en verhoogde warmte worden waargenomen. De laatste verschijnselen zijn gering bij eene eigenlijke peesontsteking, sterker ontwikkeld bij eene peesscheede-ontsteking. Bovendien zal men bij de eerste het lijden in den regel tot eene kleine plaats beperkt aantreffen.
De peesscheede-ontsteking geneest verreweg het gemakkelijkst, en meestal zonder dat iets achterblijft. Dit kan van eene peesontsteking niet worden getuigd. In vele gevallen bespeurt men na afloop hiervan, iets boven het midden der pijp, een vast knobbeltje, ter grootte van eene erwt of grooter, wat men een peeshlap noemt. Paarden, welke hiermede behept zijn, krijgen, na eene onbeduidende oorzaak, gemakkelijk opnieuw peesontsteking.
Behandeling. [Jetzij het lijden der pees, dan wel dat der scheede op den voorgrond treedt, in alle omstandigheden is rust een eerste vereischte. Het paard wordt op veel stroo geplaatst; wanneer warmte en zwelling belangrijk zijn, kan men gedurende een paar dagen leemomslagen aanwenden, die telkens worden ververscht.
Zijn de ontstekingsverschijnselen gering, zooals bij eene eigenlijke peesontsteking, dan wende men veel jute, in water gedoopt en uitgewrongen, aan en bevestlge deze met een verband, dat aan den hoef begint en tot den handwortel of liever nog tot don voorarm reikt. Dit moet alle drie uren worden vernieuwd.
Wanneer het paard het verdraagt, masseere men vóór het aanleggen van liet verband telkens de pezen; dit bestaat in zacht wrijven of kneden der gezwollen plaats, van beneden naar boven, met de vingers of de vlakke hand, nadat deze vooraf met olijfolie of boorzalf is ingesmeerd. Nooit mag men het hij eene versche peesontsteking met geweld doorzetten, indien hot dier zich verzet.
Meestal gelukt het op deze wijze volkomen genezing te verkrijgen. Het is gevaarlijk het paard binnen 14 dagen weder te gebruiken.
8
114
Ook luj peeaklap is ile aangegeven behandeling nuttig; men masseere dan echter krachtiger en soms met gebruik van jodium-zulf. Met broeien onder de vochtige jute en het drukken door middel van het verband, zijn hierbij echter van groote beteekenis. Door ruime aanwending van jute krijgt men vooreerst sterker broeiing, en vervolgens wordt hierdoor het vaster aanhalen van het verband mogelijk gemaakt, zonder dat de bloedsomloop wordt belemmerd, en dus verwonding der huid of het ontstaan van witte haren te vreezen zijn.
§ 131. Gallen. Gallen noemt men uitzettingen van gewrichts-zakken, peesscheeden en slymbeurzen. Zij komen het meest voor achter en boven de kogels en zijn dan peesscheedegallen.
Men onderscheidt versche en verouderde gallen. De eerste gaan gepaard met verhoogde warmte en pijnlijkheid, zoodat het paard daaraan dikwijls kreupel loopt. Lang bestaande gallen kenmerken zich enkel door eene zwelling, welke meer of minder vast kan worden. Zij hebben meestal geene kreupelheid len gevolge, tenzij zij zeer hard zijn geworden; gewoonlijk bestaat er dan evenwel meer dan eene gal.
De behandeling der gallen komt met die der peesontsteking overeen. Hij pas ontstane heete gallen kan men 1â'2 dagen leem-omslagen aanwenden, of wel men begint dadelijk met zachte massage, bedekken met veel jute, die in water is gedoopt en uitgewrongen, en daarover een verband, van beneden naar boven. Uit hernieuwt men elke !3 uren.
Hoe meer de warmte en pijnlijkheid verdwijnen, des testerker kan men masseeren en drukken.
Verouderde gallen masseere men met jodiumzalf, tweemaal daags, telkens gedurende '/, uur, en verbinde daarna als boven.
Waar ook gallen mogen voorkomen, en van welken aard zij mogen zijn, steeds moet men er naar streven de aangegeven wijze van behandeling in toepassing te brengen; bij het spronggewricht echter ontmoet het aanwenden van een verband soms onoverkomelijke bezwaren.
§ KJ'i. I Ia zen ha k. In 0'2 is reeds vermeld wat men onder hazenhak verstaal, liet is eene zwelling, welke aan de achtervlakte van het spronggewricht, ongeveer 3 vingers breed onder de punt van den hiel voorkomt.
115
Soms ontstaat eene hazenhak plotseling, bijv. bij liet springen. Sabelbeenige paarden zijn daartoe bijzonder voorbeschikt. Die zwelling kan óf eenigszins week zijn (weeke liazenliak) en Is dan eene gal, ot' hard (harde hazenhak) en dan meestal het gevolg eener uitwijking naar achteren van het ondereinde van hel biel-been en het boveneinde van het daaronder liggende dobbelsteen-vormige been.
Eene weeke hazenhak (die echter nimmer zoo zacht is als eene gal, bijv. aan den kogel) is veel gunstiger te beoordeelen dan eene harde,
Behaiuldiiig. Het is zaak het dier rust te geven. Men mas-seere met boorzalf of eene slappe jodiumzalf, tweemaal daags, telkens gedurende '/^ uur, of minder, als het dier dit niet kan verdragen. Onmiddellijk na de massage bedekke men de hazenhak met jute of'watten, in water gedoopt en uitgewrongen, en trachte deze op de plaats te houden door een verband, dat van beneden zoo hoog mogelijk naar boven wordt afgewikkeld. Met aanleggen van een verband aan het spronggewricbt ontmoet steeds bezwaren; bij eenig overleg gelukt het echter dikwijls dit hoog genoeg aan te wenden. Nooit late men het langer liggen dan ongeveer 3 uren, ten einde doordrukken der huid te voorkomen.
Naarmate de hazenhak harder en ouder Is, masseere men sterker en gebrulke men krachtiger jodiumzalf. De vochtige warmte en drukking door de Prlessnitz'sche omslagen blijven echter een gewichtig deel der behandeling uitmaken.
^ 133. Het vatten van koude. Wanneer de paarden bezweet zijn, kunnen zij door een konden wind, door tocht, een kouden dronk water, enz. gemakkelijk koude vatten. J)lt uit zich op verschillende wijzen, liet ééne dier zal daardoor hoef-of schouderbevangen worden, terwijl het andere koliek krijgt of verkouden wordt.
De bevangenheid geeft zich te kennen door groote stijfheid van het paard, zoodat het nauwelijks kan staan of gaan. Lijdt het dier aan hoefbevangenheid, dan rust het op de ballen van den hoef, terwijl de toon, bij kloppen met een hamer, zeer pijnlijk blijkt. In dit geval is bet zaak zoo spoedig mogelijk deskundige hulp te zoeken.
Wanneer de pijnlijkheid aan den hoef ontbreekt, terwijl het dier de gewrichten nauwelijks kan buigen en daarbij soms kraakt.
116
il.m verdient liel aanbeveling liet paard in een warmen slal op veel stroo te plaatsen, de liuid in te wrijven met brandewijn o(' carnpherspiritus, deze daarna te bedekken met uitgewrongen natte zakken , die overal gelijkmatig aansluiten, en daarover eenige dekens te leggen. Gewoonlijk bespeurt men weldra, dat bet dier gaat zweeten. Deze behandeling herliale men om de zes uren.
Heeft het paard eene neus- of keelverkoudheid, hetgeen zich openbaart door hoesten, roodheid van het neusslijmvlies, weldra door neusuitvloeiing, soms klierzwelling, door pijnlijkheid in de keelstreek, moeielijk slikken, zoodat liet water langs den neus terugkomt, enz., dan plaatse men het in een reinen, warmen stal, op veel stroo en bedekke het met een of twee dekens. Wanneer de beenen of ooren koud zijn , late men het geheeie paard wrijven met stroowisschen, na voorafgaande besprenkeling met brandewijn of carnpherspiritus. Bij pijnlijkheid der keel wende men, na wrijving van ilit lichaamsdeel met de juist genoemde middelen, een in water gedompelden en uitgewrongen doek aan, spreide dezen gelijkmatig uit en bedekke hem met wollen lappen, zoodat het in de keelstreek weldra gaat broeien. Deze omslagen worden elke zes uren ververscht.
Men geve het paard lauwe slobbering van gekookte gerst of tarwezemelen, en zoodra er vloeiing uit den neus ontstaat, wende men dampbaden aan van kokend water. Steeds late men het paard naai' believen den mond spoelen in zuiver, koud water; daartoe plaatse men een emmer water in de krib en verversche dit gedurig.
Men zij bij keelaandoening voorzichtig met het ingeven van geneesmiddelen; de paarden verslikken zich dan licht, d. w. z. dat de geneesmiddelen in de luchtpijp kunnen geraken en alzoo den dood veroorzaken.
S 134. Kolikk. Koliek of buikpijn gaat meestal uit van eenig gedeelte van het darmkanaal; zeldzaam ligt hieraan eene over-vulling der blaas te gronde.
De oorzaken van dannkoliek zijn veelvuldig; meestal bestaan zij in gevatte koude of overvulling met voedsel of lucht. Het laatste neemt men dikwijls bij luchtzuigers waar.
Uet is niet altijd gemakkelijk te onderscheiden met welken vorm van koliek men te doen heeft. Verstoppingskoliek kan beslaan, ook wanneer het paard gedurig heeft gemest; immers kan de mest uit hel achterste gedeelte van het darmkanaal
117
worden ontlast, terwijl meer naar voren eene verstopping aanwezig is.
Dat een paard in het algemeen koliek heeft, ziet men daaraan, dat het onrustig is, het krabt met de voorbeenen, ziet om naar het lijf, eet niet door, gaat liggen, wentelt zich, staat weer op, enz. In hevige gevallen blijft het lang op den rug lig^on . met samengetrokken beenen of gaat hot op het achterstel zitten als een hond.
IkliaudeliiKj. Men geve het dier eene ruime, zachte ligplaats, zoodat het zich niet kan beleedigen; verder wrijve men den buik met brandewijn of campherspiritus, waarbij een weinig geest van salammoniak is gemengd, en trachte de mestontlasting te bevorderen. Dit laatste kan geschieden door zeer voorzichtig met de hand den mest uit het achterste gedeelte van het darmkanaal te verwijderen en een lavement te zetten van koud of lauw water. Het best geschiedt dit met een trechter, dien men in de hoogte houdt, waaraan een gutta-percha buis is verbonden, welke men In den aars duwt. Met water vloeit gemakkelijk uit den trechter langs de buis en dringt des te verder in de darmen, naarmate de eerste hooger wordt gehouden.
Wanneer de onrust van het paard niet te groot is, kan men Priessnitz'sche omslagen aanwenden, d. w. z. na het wrijven der huid met genoemde middelen, bedekke men het lijf met een linnen laken, dat in koud water is gedoopt en uitgewrongen, en zorge dat dit gelijkmatig wordt uitgespreid. Het moet overal tegen de huid gesloten liggen. Daarover wende uien twee wollen dekens aan en trachte deze met singels, enz. te bevestigen.
Bij windkoliek, vooral wanneer deze door luchtzuigen is ontstaan, geve men den paarden beweging tot de buitengewone welving in de tlanken weder is verdwenen. Dit kan ook bij verstoppingskoliek nuttig zijn, wanneer de paarden door hunne groote onrust op stal een ongeluk dreigen te krijgen.
Is een paard over het water gereden , wat bij ruins wel voorkomt, echter veel zeldzamer dan uien dikwijls meent, dan plaatse men het dier op stroo, late het den buik wrijven en boude het overigens zoo rustig mogelijk.
^ 135. Kwade droes en worm. Dit is eene zeer besmettelijke ziekte, welke bij het paard dikwijls voorkomt, en ook op den mensch overgaat. Zij moet als ongeneeslijk worden beschouwd.
8*
-118
Men spreekt van kwaden droes, wanneec de ziekte zich open-baart door klier/welling in de keelgang, door uitwerpen van een geelgroenachtig, soms met bloed gemengd slijiii uit den neus, dat aan de neusranden tot korsten opdroogt, en dikwijls dooi' zweren op het neusslijmviies. Wanneer echter op verschillende plaatsen van het lichaam, vooral aan de beenen, knobbels, strengen en zweren voorkomen, dan noemt men liet lijden worm of huidworm. Beide vormen dezer ziekte zijn even besmettelijk en even gevaarlijk voor het dier.
Het is van grout belang vreemde paaiden nauwkeurig ten opzichte van deze ziekte te onderzoeken vóór men ze bij de andere plaatst. Daarbij verzuimt men nooit in de keelgang te voelen of er ook klierzwelling bestaat; komt deze aan ééne zijde, vooral links voor, is de klier hard, weinig gevoelig, zit zij vast aan den achterkaaktak van die zijde, dan moet het paard als verdacht van kwaden droes worden beschouwd. Eene verschuifbare, pijnlijke, weeke, beiderzijdsche klierzwelling daarentegen kan bij verkoudheid of (joedaardigm droes voorkomen en heeft dan veel minder beteekenis. Wel is waar moet goedaardige droes ook als besmettelijk worden beschouwd, doch alleen voor jonge paarden en dan nog slechts onder bijzondere omstandigheden. Bovendien is goedaardige droes in verreweg de meeste gevallen voor genezing vatbaar.
liet is mogelijk, dat paarden kwaden droes hebben, zonder dat zulke duidelijke verschijnselen zijn waar te nemen. Dit is het geval bij longen-kwadedroes. Ue paarden zien er dan gewoonlijk slecht uit, zijn dor in de haren, hebben eene vastliggende huid, lijden nu en dan aan gebrek aan eetlust, hoesten, en zijn meer of minder dampig. Men zij dus met zulke paarden voorzichtig.
Paarden, welke aan kwaden droes lijden, kunnen er soms hingen tijd goed blijven uitzien en opgewekt zijn; men late zich hierdoor niet misleiden.
Herhaalde neusbloedingen, zij het ook in lichten graad, zijn steeds verdacht.
ÃI.ILAOK
Voorschrill nopens hel hoefbeslag.
{Recueil Militair quot;1880, blz. '289 en volg )
/I. Hel ijzer.
1. Hot ijzer moot uls oon kunstmatige di-aagrnnd wonion bosc.honwd. Hot bolioort dan ook nntnvkeurig naar bot beloop van dezen te worden gesmeed, doch twee a drie millimeter langer te zijn.
Do uiteinden der ijzers moeten diclit togen den straal aanliggen, maar dezen niet aanraken. Tot dat einde kan men do uiteinden dor takken aan don binnenkant schuin wegnemen.
2. Do wijdte van bet ijzer moet in don toon en bot zijgedoolto volkomen mot den hoef overeenkomen, en voor do uitzetting van don voot naar acbtoren toe iets wijder zijn.
3. Do breedte van bet ijzer hangt af van do dikto van den boom-wand aan don toon. Men kan als regel stollen, dat bot ijzer niet breeder mag zijn dan tweemaal bedoelde dikte.
4. Aan bot ijzer moot zoodanige dikte worden gegeven, dat bet beslag eerst na vijf a zes weken zal behoeven te worden vernieuwd.
5. Aan de bovenvlakte van het ijzer onderscheidt men oeno draag-vlakte en eeno afbellende vlakte.
Do draagvlakte moot zóó breed zijn, dat zij den draagrand van don boornwand en nog 2 millimeter van de hoornzooi bedekt; verder mag het ijzer niet niet de zool in aanraking komen. De afbellende vlakte behoort van de draagvlakte duidelijk afgescheiden te zijn.
(j. Hot ijzer beeft aan do ondervlakte eeno rits, twee derde gedeelte van de geheelo ijzerdikte diep, waarin zes nagelgaten worden aangebracht: drie in don buiten- en drie in den binnontak. Dozo rits zal, zoowel bij het vóór- als bij hot achterijzer, in den toon niet doorloopen en oen weinig vóór do uiteinden der takken eindigen.
7, In don regel worden hij het voorijzor slechts vijl' nagels ingo-slagon, drie in den buiten- en twee in den binnontak. Daardoor blijft een nagolgat beschikbaar, voor hot geval oon der nagels niet goed mocht
â¢120
kunnen worden ingeslagen. Do afstand fier tounnagelgaten moet bij het voorijzor anderlmlfniaal, bij liet acliterijzer tweemaal de breedte van bet ijzer bedragen.
Aan den buitentak moet het laatste nagelgat op het midden, doch aan den binnentak een halven centimeter meer naar den toon aangebracht worden.
8. IJe buitenrand van bet ijzer wordt naar de rits toe eenigszins rond bijgewerkt en beeft in het midden eene kleine verdikking tot het maken van de lip, die dun, glad en zoo buigzaam moet zijn, dat z.ij zich goed tegen den wand laat aanslaan.
fl. Do opzet, dien men aan het ijzer geeft, begint gewoonlijk aan het eerste zijnagelgat, en wordt in bet algemeen geregeld naar den opzet, die door do afslijting van het oude ijzer wordt aangegeven.
10. liet ijzer moet met de draagvlakte overal gelijkmatig tegen den draagrand van den hoornwand aanliggen; het moet derhalve aan de dracht- en zijgedeelten volkomen vlak en aan het toongedeolte in dezelfde mate opwaarts gebogen zijn, als de draagrand van den wand opwaarts gewelfd is.
Elke ongelijkheid van den draagrand of der draagvlakte moot vóór het onderleggen zorgvuldig worden weggenomen.
11. Hot passen geschiedt zwart warm.
â¢12. De ijzers van het winterbeslag zijn in alle deeleu gelijk aan die van hot gewone beslag, met uitzondering echter, dat, tot hetilaarstellen van het kegelvormige gat, de uiteinden der takken minstens de dikte moeten hebben van het nagelijzer of van den controleur.
B. Bevestiging van het ijzer.
13. Ter bevestiging van het ijzer aan don voet worden ritsnagels gebruikt, /.ij worden zoodanig ingeslagen, dat zij 15 a '25 millimeter boven den draagrand uitkomen â afhankelijk van den vorm en de grootte der hoeven â en voorts in eene lijn liggen.
Do bovenvlakte der nagelkoppen moet met de onderste hoelijzervlakte gelijkkomen.
C. Bewerking van den hoef.
14. De bewerking van den hoef bestaat alleen in het inkorten van don draagrand en wel inzonderheid aan het toongedeelte, omdat de beslagen boel aldaar afgroeit zonder at' te slijten, terwijl hij aan de drachten dooi' de uitzetting van den voet voortdurend in slijting is.
Van den draagrand moet zooveel worden afgenomen, dat hij gelijk-komt met de verbinding van de zool en 2 millimeter van deze laatste mode draagvlakte wordt.
15. Bij normalen gang en stand van het paard moeten tie buitenen de binnenwand op dezelfde hoogte worden gehouden.
1'2t
In alle iindore {iovallen wordt van dat gedoolto van den liootnwand het inoest afgenotnen, ter plaatse waar liet ij/or liet meest is afgesleten, zoodat vóór alles moet worden gestreefd naar liet vlak nederzetten van den voet, niet name, dat de beido takken van het ijzer gelijktijdiji o|i den bodem komen.
10 Van do stciinsels mag slechts zooveel worden afgenomen, dat zij in hetzelfde vlak van den draagrand komen te liggen.
17. De zool en do straal mogen in geen geval worden besneden.
De doode hoorn scheidt zich van zelf af en mag niet kunstmatig
worden verwijderd.
18. De draagrand der dracht- en zijwanden moet volkomen vlak, die van het toongedeelte naar boven gewelfd zijn, ten behoeve van den opzet.
Nadat de besnijding van don hoef is geschied, worden do uitwendige scherpe kanten van den draagrand door loodrechte streken met do rasp weggenomen en do draagvlakte van den hoef ellen gemaakt.
19. liet gebruik van een renet is voor het besnijden van don hoel verplichtend, dat van een veegmes verboden.
liet gebruik van do houwkling is slechts bij uitzondering geoorlould, namelijk alleen voor eene belangrijke verkorting van hot hoorngedeelte van den hoef.
'20. De buitenzijde van den hoornwand mag niet worden geraspt of gevijld.
Oude nagelgaten worden dicht gemaakt.
'21. liet is am do hoofsineden verboden de hoeven na hot beslag â voordat dit is nagezien â niet eenig smeer te bestrijken.
M'f M ' n «^ «-â j^, -»iJf . ^,) (V^,-07 I# «1»'' ^^'V-' 1 ^quot;fl i â¢( ^r J« nr, â ⢠quot;- H i f gt; I ^ ' (S
-
. ..... . .
⢠. â ; . ;,:i'' â â . . v :-' .. . '. ^ .,-.. â â â . ... . iftfiil IÃ%ÃV- '. ..â â â â â â â ......
quot; hs* ^1 ^Vi''â¢quot; ,f'01^' ii*.gt;ti^ {M
^ ^ 1 quot;M v , i'U'. sti'^f
, . â . :â , ,, . . â ...........
â¢tMii. ........â â â â
â â -
...â - -
.....
$0 . -wyu ............â â
-
⢠: -
.. . . . â - - .........
. ......
|
â ,â 'quot;â !; â ' ' â ' -â â â ., â ...⢠^ â .... .. r â,- . ..................... ......... .. . n {0 â - â¢- â ⢠' ....... S'i' ' ' ' |
w â I tti Mi â 1 I i ! â ! â ül' â i E 11 bi l...--' ⢠, ».v . ..,,.,i..;:.^, ,:. W....;... ..... â I â i â ' Ifü â i'l â¢quot; i Wmm ........ - mSsism J â v-V--^^- ,;-.V^: quot;.'â â â ' â â { .....,. |
|
...., ,.. â ⢠....... - ......â â ..fv:-,--^ ...... â ' |
â ' H wm m f , , , . , . WÃÃÃÃÃÃKÃÃÃÃÃÃÃÃÃÃÃÃÃÃÃÃÃÃÃÃÃÃmmmmÃmÃlmlmmÃÃÃÃKIÃÃI^^ . , . . . - ⢠⢠- ......... â . - ' â. â ...... ............. - .- . â â â â - - â¢â â â â â¢â¢ â â - â .....- â â - â â â¢â ,....â .â¢.. .. - â â ' â â f'..'U^:-. :â¢....^ ..i.-.v, , i .. ::.,-i ^ ;=^ ⢠-.1, ; -quot;-j ; .; . ! V 'quot;l; â - .â ⢠:;;'r V .i'1-'; ^ . :-'â , . ..... ., :, ... ⢠â ^ â â - . -^ .â ..â â¢â¢ â â â¢.â¢.â ... â â¢â â .. '⢠â â â â â¢â ..â¢â -â â â . ....â .- . ..â â :.. â : ; ⢠......â¢:.-..â . .... .-...â .,' . . ..:....., . . â ... . -. ⢠. . ⢠...... ⢠. quot; ' ' ' ' â ⢠â¢â ' - ' ..... ⢠. . â â â ⢠' â ' â â ⢠⢠,.,.'. ....... . ,. : . :. ...... .. ..; . ïiMt 'Msi mmmam] mm â â â ' mm- : - â quot; : â â â â â â - - 'â ⢠;-..... M$$®w IB ............... | |
.......
â
⢠......... â¢. .............- â . . .....
.... . â ⢠- .â :.:â ,
. . ... . . . . ........ ...
... ,.,..â¢...
. â , ' . â , s
; ....... ! - . ... v
: gt; â â â : C .â â . ;: , . . â â ; â . -V.J
â , ^ â ... â â ...V?
â¢i
: â : rj
quot;quot; ,s â ' '. : , .:5
ÃM. â , A
â . . â ; â ;