ocr page 1
ocr page 2

r

H *

ll h

ï

Het zal binnenkort eene eeuw geleden zijn, dat aan Ds. Doedes te Langerak bez. de Lek een zoon geboren werd, die de namen ontving van Jacob Izak. Dat „boieliugskequot;, zooals onze Vlaamsche broeders een pas geborene noemen, is de man geworden, wiens naam boven dit opstel staat. Prof. Doedes was niet een van die mannen, van wier geboorte- of sterfdag men een eeuwfeest viert, omdat zij in het leven van hun tijd diepe voren getrokken hebben, die zich in het nageslacht verlengen, van die groote geesten, wier nagedachtenis men eert door een standbeeld. Maar toch ook geen man om vergeten te worden. En zij, die gelijk schrijver dezes, het voorrecht gehad hebben aan zijne voeten onderwezen te worden, zullen hem niet vergeten. Want hij heeft in hun leven, in hun geestelijk leven althans, sporen nagelaten, die niet zullen worden uitgewischt, en hen gedurig met dankbaarheid aan hem doen terugdenken.

Daarom heb ik ook gaarne gehoor gegeven aan het verzoek van den Redacteur van dit tijdschrift om in enkele bladzijden het leven en de beteekenis van prof. Doedes te schetsen. Ik maak daartoe voornamelijk gebruik van 's mtuis eigen Biografische herinneringen, door hem in 1S94 uitgegeven.

Uit het ouderlijk huis, destijds te Medemblik, vertrok Doedes in 1830 naar de Latijnsche school te Amsterdam, vanwaar hij in '34 naar deUtrecht-sche akademie ging. Daar studeerde hij o.a. met zijn lateren vriend en ambtgenoot v. Oosterzee onder de hoogleeraren Bouman en Vinke in de theologie. In Juni '41 promoveerde hij op eene Latijnsche dissertatie over de opstanding van den Heere Jezus. In Augustus van datzelfde jaar werd hij proponent. En nu begon het wachten op een beroep, wat in die dagen zeer lang placht te duren. Maar hij bracht den wachtenstijd niet werkeloos door, en zond op eene prijsvraag van Teylers genootschap over de tekstkritiek van het N. Testament een antwoord in, dat in '42 met den gouden eereprijs werd bekroond. Niet veel minder vreugde was het voor hem, toen hij uitge-


43 2)

i 'iu rr^

1

ocr page 3

2

noodigd werd om als eeu van 24 can-didaten eene preekbeurt op beroep te vervullen te Hall bij Zutphen, waar hij eenige weken later zich nog eens mocht laten hooren, nu als een van de drie uitverkorenen. Het einde was dat hij het beroep ontving. Na gehuwd te zijn met mejuffrouw Wilhelmina Kemink, deed hij 9 Juli '43 zijne intreê. De niet groote gemeente liet den jongen leeraar, die toch zijn kansel en zijn herderlijken arbeid niet verwaarloosde, genoeg vrijen tijd over om zijne godgeleerde studie ijverig voort te zetten. Behalve dat hij bijdragen leverde aan de Vaderlandsche Letteroefeningen en de Gids, richtte hij in '45 met v. Oosterzee, Kemink en de Geer van Jutphaas, voor wien later Harting in de plaats trad, het tijdschrift op „Jaarboeken voor Wetenschappelijke Theologie,1' waarvan dertien jaargangen verschenen zijn. In '46 trad hij op als apologeet van hel Christendom tegen de ongeloovige wijsbegeerte van Opzoomer, naar aanleiding van diens geschrift: de Gevoelsleet van v. Oosterzee beoordeeld. Het volgende jaar zond hij in het licht een lijvige verhandeling over de Leer van het H. Avondmaal. Een tweede stuk, dat de leer van den Doop had moeten behandelen, is nooit verschenen.

In '47 verwisselde de Hallsche leeraar zijn stille standplaats met liotterdam, waar v. Oosterzee kort tevoren uit Alkmaar was gekomen. Gelukkige jaren werden daar door hem doorgebracht in den omgang ook met andere met geestverwante ambtgenooten als Theesing, v. d. Ham e. a., en in drukken arbeid, die van de zijde der gemeente groote waardeering ondervond. Doedes had niet de groote kanselgaven van v. Oosterzee. Toch had hij over de opkomst onder de prediking niet te klagen. Dikwijls bad hij b. v. bij de Avondmaalsviering 30 a 36 tafels te bedienen. Ook de vriendschap van de heeren van Dam v. Noordeloos, H. quot;W. A. v. Oordt, W. G. Ledeboer e. a. verschafte hem veel genot. Het was een tijd van sterk geestelijk leven. Het waren de dagen van het Réveil, de dagen ook van den eersten strijd tegen het opkomende modernisme, dat altijd in Doedes een even beginselvasten als bekwamen tegenstander heeft gevonden. Van heeler harte nam hij deel aan het Zendingswerk, waartoe krachtige opwekking uitging van het bezoek der China-zendelingen Gützlaff en Lobscheid, en van Casalis uit Z. Afrika. Ook aan de kweekelingen van het Zendingshuis gaf Doedes les. Hij verstond in zeldzame mate het woekeren met zijn tijd. Bij het vele ambtelijke werk, dat hij te doen had, vond hij ook den tijd tot het uitgeven van verscheidene stichtelijke geschriften als: Wat dunkt u van uzelveu? (1849), Avondinaalsgids (1851), terwijl hij zeven jaargangen van 52 blaadjes onder den titel van „Evangeliebodequot; voor zeer eenvoudige lezers liet verschijnen. In '51 en '58 gaf hij zijne vraagboekjes „Leer der Zaligheidquot; en „Handleiding bij het onderwijs in de Bijb. Geschiedenisquot;, die beide, ook in verkorten vorm, tal van herdrukken hebben beleefd. Van '54—'59 verschenen drie Preekbundels van zijne hand. In '53 richtte hij met v. Oosterzee, Beets, Hasebroek, v. Rhijn, Barger, v. Toorenenbergen en Theesing een vereeniging op van Nederl. Herv. predikanten tot bevordering van Ohrist.-nationale en kerkelijke belangen. Deze vereeniging. Ernst en Vrede genoemd, heeft slechts tot '56 bestaan, maar is in '65 herleefd in de nog bestaande Ned. Herv. Predikanten vereeniging. De bekende April-beweging van 1853 had aan Doedes een ijverigen medestander. Inmiddels liet hij den wetenschappelij


ocr page 4
ocr page 5

i

ken arbeid niet rusten. Met v. Hengel, Scholten, Hofstede de Groot, Meyboom en Pierson wisselde hij theologische en wijsgeerige strijdschriften. De uitgave der Jaarboeken voor Wetenschapp. theol. ging (tot '58) geregeld voort, en van '53—'55 bevatte het tijdschrift „Ernst en Vredequot; ettelijke bijdragen van zijne hand.

Met veel genot en veel zegen, hoewel onder veel strijd, had Doedes twaalf jaar te Rotterdam gearbeid, toen hij in April '59 benoemd werd tot opvolger van prof. Bonman te Utrecht. Niemand verwonderde zich over die benoeming. Doedes was toen de aangewezen man, en is steeds als hoogleeraar de rechte man op de rechte plaats gebleken. Met eene Latijnsche rede over de kritiek, vlijtig door de theologen te beoefenen, aanvaardde hij zijn ambt. Hij vond er naast zich zijn ouden leermeester Vinke en den toen nog in zijne volle kracht staanden dichter ter Haar. Vinke werd in '63 opgevolgd door v. Oosterzee, ter Haar in '75 door Beets, v. Oosterzee in '82 door Lamers, Beets in '83 door Cramer. In '77 reeds was Valeton Jr. als vierde hoogleeraar aan de Faculteit toegevoegd. De vakken van Doedes waren: Exegese van het Nieuwe Testament, Hermeneutiek (Uitlegkunde) Tekstkritiek, Encyclopaedic der Godgeleerdheid, later ook de geschiedenis der godsdiensten. Hier kon hij nu aan zijn drang tot studie geheel voldoen en al zijne kracht, ontplooien. Voor de akademie, bepaaldelijk voor de theologische faculteit, was het een bloeitijd, toen Doedes en v. Oosterzee er hunne colleges gaven. Wat waren de collegezalen dikwijls stampvol! In de jaren 73—'77, hoeveel vroeger weet ik niet, gaf Doedes zijne colleges op de derde verdieping van het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen, waarom hij

door ons gezegd werd in den letter- 'gt;

lijksten zin hooger onderwijs te geven. Dat sommigen spraken van „de wijsheid van bovenquot; was te begrijpen, al was het niet goed te keuren. Als leerboeken gaf Doedes in het licht zijne Hermeneutiek (1869; 3® druk '78); zijne Inleiding tot de leer van God ('70,

2° druk in '80), en de Leer van God ('71). In '67 gaf hij „den Heidelb.

Catech. in zijn eerste levensjaren geschetst;quot; in '68 zijne „Leer der Zaligheidquot; 2° dr, '76 — het vragenboekje uitgewerkt tot een boek; in '69 Merkwaat-digheden uit den ouden Boekenschat; in '76 gevolgd door: Nieuwe Bibliografische ontdekkingen. Van oude boeken op godgeleerd en kerkelijk gebied was prof. Doedes een eerste kenner en liefhebber. Hij had op zijn studeerkamer een fraaie verzameling van Rariora en Rarissima (tamelijk zeldzame en zeer zeldzame uitgaven) in eene glazen kast.

Wat was hij gelukkig met zijn exom- - ■'/

plaar, het eenige bekende, van den eersten druk van Datheen's vertaling van den Heidelb. Catechismus (1563);

met zijn N. Testament van Jan van Ghelen (1522), met het offer des Heeren (Doopsgezind Martelaarsboek)

en met andere dergelijke vondsten. In '87 beschreef hij zijne collectie (in '92 vermeerderde uitg.) In '80 en '81 verschenen van zijne hand „De Nederl. Geloofsbelijdenis en de Heidelb. Catech.

getoetst en beoordeeld, twee lijvige boeken, geen leerboeken, al is er niet weinig uit te leeren. Wilde ik de lijst der geschriften van prof. Doedes volledig opgeven, ik zou dan nog heel wat titels moeten vermelden, o. a.

zijn „De theologische studiëngang geschetstquot; (2° druk in '82), de 2 jaargangen „Kerkel. Bijdragenquot; ('70—'73), en tal van oraties, toespraken, brochures en artikelen in de Stemmen voor Waarheid en Vrede en in andere tijdschriften. Men


ocr page 6

kan de volledige opgave vinden in den jaargang '98 der levensberichten van de M'J der Nederl. Letterkunde, waarvan D. sinds 1846 lid -was geweest. Ook buiten het ambtelijk terrein is hij herhaaldelijk opgetreden, als bij de vergadering te Amsterdam in 1867 van de Evangelische Alliantie, en op het Zendingsfeest te Wolf hezen in '72, waar hij schertsenderwijs durfde voorspellen dat de weerkundigen nog eens met de Zendingsfeesten zouden moeten rekenen. Wat heeft hij daarover niet moeten hooren!

Voor zijn studenten was prof. Doedes alles. Gemakkelijk was hij niet bij tentamen en examen. Maar nooit wendde men zich tevergeefs tot hem om hulp met raad of daad. En hij deed wat hij kon om hen tot de studie aan te moedigen. Daartoe heeft hij opgericht het gezelschap Philalètheia, in twee jaar-afdeelingen gesplist, waar men onder zijne leiding studcerda en debatteerde. Velen hebben daaraan veel te danken Vóór alles was prof. Doedes in de studie de man van de logische kritiek. De exegese was zijn beste vak, en zijne Hermeneutiek behoort tot het beste, wat hij geschreven heeft.

Altijd begon hij met te vragen: wat staat er? Natuurlijk moest dit eerst met behulp van de tekstkritiek vastgesteld. Maar dan ook moesten wij ons houden aan wat daar stond, en er niet iets anders van maken. Voortreffelijk is ook zijn boek: Inleiding tot de leer van God en was zijn college daarover. Over'tgeheel was prof. Doedes veel beter exegeet en criticus dan dogmaticus. Voor dogmatiek was zijn geest te weinig synthetisch aangelegd, en zag hij te veel naar de boo-men, te weinig naar het bosch. Dat komt vooral uit in zijne kritische behandeling van de Ned. Geloofsbelijdenis en den Heidelb. Catechismus, hoe dikwijls hij daarin ook den spijker op den kop slaat.

Van menschelijk gezag in geloofzaken was hij een verklaard tegenstander. Maar de grondslag zijner beschouwingen was en bleef de waarachtigheid der Heilige Schrift, de genoegzaamheid en de noodzakelijkheid van het geloof in den Heere Jezus Christus als den eenigen en volkomen Zaligmaker van zondaren. Op welke punten hij ook van gevoelen veranderd is, daarin niet. Zijn laatste college (21 Juni '88) eindigde hij met deze woorden: „mijn wensch voor u bij het scheiden is, dat al uwe studiën, onderzoekingen, nasporingen, overdenkingen, bij het volle licht der rusteloos voortgaande wetenschap voortgezet, u ook mogen doen vaststaan in het geloof aan de opstanding van Jezus. Is het waar, dat er onverbreekbaar verband tusschen dat geloof en het Christendom is, dan mag ook wel iederen student in de theologie, die zich voorbereidt voor de Evangeliebediening in de Christelijke kerk, op het hart worden gedrukt het woord, dat thans mijn laatste woord tot u is; gedenkt aan Jezus Christus, opgewekt uit de dooden, opdat gij later, in de Evangeliebediening optredende, niet zonder, maar met het Evangelie van den levenden Christus komen moogt.quot;

Onze tegenwoordige hoogleeraren in de Godgeleerdheid mogen jaloerech zijn op de talrijke schare van leerlingen, die prof. Doedes rond zijn katheder vereenigd zag, en op het groote aantal mannen, dat hij heeft helpen vormen tot Evangeliedienaren. Het is een zijner grootste verdiensten geweest, dat hij bij al zijn onderwijs dit doel steeds in het oog heeft gehouden. Wat hij bedoelde, was de vorming van wei-onderlegde leeraars, van bijbelsche Godgeleerden, die geleerd hadden uit hun eigen oogen te zien, en zelfstandig genoeg konden oordeelen om zich niet door den wisselenden wind der heer-


ocr page 7

6

schende richting te laten meevoeren. Al heeft hij dit doel bij velen geheel gemist, al konden anderen, uit eerlijke overtuiging, bij voortgezette studie, niet met de door hem gevolgde methode meegaan, toch zijn er niet weinigen, die in de gemeente degelijke Schriftkennis en gezonde Schriftbeschouwing hebben voorgestaan en verbreid in den weg, door hun ouden leermeester hun gewezen.

's Levens leed bleef ook aan prof. Doedes niet gespaard. Zijne eerste gade verloor hij in April '02. In '60 hertrouwd met de weduwe van Dr. quot;W. O. L. Clarisse (Catharina van Loenen), werd hij in Sept. '73 voor de tweede maal weduwnaar. Een zeer zware slag trof hem ook door het overlijden van zijn zoon Gualtherus Doedes (30 Jan. '76) predikant te Velzen. De eerste maal dat hij na dien slag college moest geven, overmeesterde hem, bij den aanblik der talrijke jongelingsschare daar voor hem, de aandoening zoozeer, dat hij eenige oogenblikken niet in staat was een woord te zeggen. Nooit vergeten wij den indruk van dat oogen-blik, toen wij onzen beminden professor zagen weenen van zóó diepe smart.

Van 21 Juni '88 tot aan zijn overlijden te Utrecht op 17 December '97, genoot de grijze emeritus-hoogleeraar eene welverdiende, werkzame en aangename rust, onder de liefderijke zorgen van zijne twee dochters. Zijn aandenken blijft in zegening. Hij was een Christen van den echten stempel, een door en door eerlijk man, een degelijk Godgeleerde, een uitstekend docent, in den wijngaard des Heeren een arbeider, die veel vrucht gewonnen heeft.


I

ocr page 8

BIQllO.....ÏA

Kit r-

ocr page 9
ocr page 10
ocr page 11