lijnen lotpiooten in ziekte en lijden tot sticlitin|-en optienring oppdrapn;
nasr de
derde Hoogduitsclie uitgave
|
van („Tante Emmy.quot;) |
Met kerkeiijke goedkeuring en
zeven platen.
ï)pufi en uifgatie tmn ftEF (Dtssieftnis h
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
Baarlo, die 1. mensis Junii 1898.
Dr. J, H. Geenen, Libr. Cens.
Voorrede bij de eerste uitgave.
Aan mijne lezers.
Een halve eeuw heb ik geleefd, en vijf en twintigjaar ben ik aan 't ziekbed gekluisterd.
Geeft zulk een lot geen recht, om op het pad des levens terug te blikken, en even stil te staan bij de herinnering aan het verledene?
Met dit doel verplaats ik mij met mijne gedachten in vervlogen tijden, en haal al deze beelden achtereenvolgens voor mijnen geest.
Geheel anders geschiedde alles, dan ik het gewenscht en mij voorgesteld had — andere plichten moest ik vervullen, dan die, waarvoor ik meende geroepen te zijn — het was geen rozenpad, waarlangs het lot mij voerde, maar een doornige kruisweg, een „via. dolorosaquot;.
Maar God heeft mij dezen weg aangewezen; Hij zelf bewandelde dien, opdat wij Hem zouden navolgen; en wanneer ik nu terugblik op al de liefde en de genaden, die ik ontving, dan prijs ik Zijne oneindige ontferming en zeg: „Hij heeft alles welgedaan.quot;
Hierover wilde ik mij gaarne met mijne lotgenooten onderhouden. Geen opgewekte geschiedenissen,of diepzinnige overwegingen breng ik in schrift, slechts vluchtige herinneringen, zooals die zich bont aaneengeschakeld hebben, gedurende de lange jaren mijner ziekte — opwellende gedachten van eenzame uurtjes — gedich-
ten, waarvan enkele mij zelve op wonderlijke wijze gesticht hebben, terwijl andere mij als vanzelf uit de pen vloeiden; troostspreukjes, die ik hier en daar verzameld heb —- en eindelijk vermaningen aan mijne beminde lezers, om alles beter te verrichten dan ik het deed. Het zijn bloemen, ontloken aan den voet van het Kruis op Golgatha.
Een overoude sage spreekt van eene wonderbloem, die den rotsberg ontsluit, welke goud en edelsteenen en onnoemlijke schatten in zijnen schoot verbergt.
Of misschien bij deze kruisbloemen ook zulk een wonderbloem is, die den hemel kan openen?
Wie weet het?
God geve het, en mogen velen ze vinden !
München, den 30. Mei 1888.
Voorrede bij de tweede en derde uitgave.
Toen ik voor vier maanden mijne „Kruisbloemenquot; het licht deed zien, geschiedde zulks met weinig hoop op een goeden uitslag, edoch met vertrouwen op God, die groot en sterk is in kleinen en zwakken, en ook mijn bescheiden arbeid ver boven mijn verdiensten gezegend heeft.
De Kruisbloemen vonden zoo'n goed onthaal bij vele lijdensgenooten, dat reeds een tweede uitgave noodzakelijk werd.
Behalve eenige kleine aanvullingen bleef de inhoud onveranderd.
Niettegenstaande ik sommige, in het aanhangsel opgegeven gebeden, uit van ouds bekende kerkelijk goedgekeurde boeken overgenomen heb, en de Kruisbloemen van verschillende zijden, niet alleen den leeken, maar ook den zielzorgers, aanbevolen werden, heb ik, om aan aller wensch te voldoen, toch voor mijn boekje de kerkelijke goedkeuring verzocht, die mij ook bereidwillig door het Bisschoppelijk Generaal Vikariaat te Paderborn is verleend.
Aanvaard nu, mijn boekje, uwe reis weder onder Gods hoede en zegen! Breng troost en vrede, waar gij komt, dan schenkt gij mij de zoetste belooning, namelijk die, van niet tevergeefs geleden en gearbeid te hebben.
O. A. D. G.
München, April 1891.
I
Hoe anders vlood mijn leven Dan ik het had verwacht,
Toen nog zijn frissche lente Mij 't hart verrukking bracht'
Hoe heeft bij hi wlijkszegen
De bruidskrans mij gesierd, Wie was, als ik, bevoorrecht, Wie werd als ik gevierd?
Wat droomen van al 't zoete
Der reine hmvlijksdeugd. Van liefde en van vertrouwen Van ware hemelvreugd!
Maar zoo mocht het niet wezen,
Het ideaal vlood heen. De bloesems moesten sneven. Der zonne glans verdween.
'k Aanschouw niet meer de schatten.
De weelde der natuur.
Geen veld, geen dichte bosschen, In 't plechtig morgenuur. —
'k Moest drukkend leed verduren
En meenge zielesmart.
Ontelbare offers brengen,
Ontscheurd aan 't bloedend hart.
-gt;-S 10 Sx-
Vaak dreigde bange vreeze Van 't fel geprangd gemoed
Tot wanhoop mij te brengen,
Maar God heeft het verhoed.
Hij wees mij mijn bestemming Als met den vinger aan;
Hij zal 't ten beste keeren,
Wil ik Hem maar verstaan.
Hij droogt dan ook de tranen,
Geweend in stillen nacht.
Hij hoort mijn smeekend bidden.
Hij is 't, die 't leed verzacht.
Hij kent dat vreeslijk lijden,
Heeft al dien strijd gezien.
Maar tot het heil mijns levens Laat Hij 't alzoo geschiên;
'k Zal eens dit leven derven,
Dan wisselt ook mijn lot;
Hij staat mij bij in 't sterven.
Want rijk en groot is God!
Aanmerking. Alle in dit loek voorkomende gedichten, waarvan de schrijver niet aangehaald is, zijn aan het «Liederboek der zieken» ontleend dooi' Emmy Giehrl.
Tot lijder bestemd. Het Lijden in 't algeme
«Slechts na verloop van tijd leert men lijden; het is hiermede^ als met iedere andere wetenschap, de beginselen zijn het moeielijkst.«
A. Craven.
Pilatus dan oordeelde, dat volgens hun eisch geschieden zou.
Luk as 23. — 24.
Zwijgend, met gebonden handen staat de Goddelijke Heiland voor den troon van den Romeinschen stadhouder. Zijn vonnis is geveld. Het onschuldig bloed heeft reeds bij stroomen gevloeid, valsche tongen hebben reeds het gift van hunnen haat uitgebraakt, en het volk van Israël zelf heeft den vloek op zich geroepen welks gevolgen het zal verduren tot aan het einde der dagen. „Zijn bloed kome over ons en onze kinderen!quot; De lafhartige heiden, Pilatus, wascht echter zijne handen in onschuld, want wel siddert hij voor zijne macht, maar toch wil hij geen deel hebben aan den dood van den Rechtvaardige, dien hij aan zijne beulen overlevert. Dit alles geschiedde slechts, omdat God het zoo wilde. Vrijwillig heeft Christus de heerlijkheid des hemels verlaten, en in het kleed der menschelijke natuur den last van het aardsche leven gedragen; vrijwillig gaat Hij in den dood. Wat drong Hem hiertoe? Liefde eu gehoorzaamheid.
Nadat wij door dc zonde den hemel verloren hadden, noopte de liefde Hem mensch te worden. De gehoorzaamheid van den mensch geworden Zoon Gods heeft ons vergeving verworven, en ons het eeuwige leven wedergegeven. De liefde drong onzen Heiland tot den kruisdood. Door de gehoorzaamheid van één enkele kwam genade en vergeving voor velen.
Ook wij, zieken, zijn door den Heer van hemel en aarde bestemd, om het kruis op ons te nemen, het te dragen en eraan te sterven. Door gehoor-
-gt;•§ 14 g«-
zaamheitl moeten wij den hemel verwerven, als ook het eeuwig leven. Evenals de Goddelijke liefde den Zoon Gods op de aarde zond, om te lijden en te sterven, zoo bracht ook deze liefde ons op het ziekbed en legde ons het lijden op. Wist God dan geen ander bewijs van Zijne liefde te geven, dan alleen het kruis, alleen deze ziekte? Wanneer de eene mensch den anderen van harte lief heeft, zou hij hem zoo gaarne bevrijd willen zien van alles, wat hem eenig leed kan veroorzaken, zoude alle lijden van hem willen afwenden, en het liever zelf dragen dan den anderen lijdend of ongelukkig te zien; hij zou hem op de handen willen dragen, opdat zijn voet niet tegen eenen steen zoude stooten en hem geen leed genake; zoo denkt de mensch en handelt naar de gewaarwoordingen van zijn hart. Jezus echter maakte degenen, die Hij bijzonder lief had, tot zijne apostelen, zijne leerlingen en martelaars, en zijne heilige Moeder tot hunne koningin. „Groot als de zee is mijne smartquot; zegt Maria, en verder: „Komt allen en ziet of eene smart gelijk is aan de mijne.quot; Alle zielen, die naar volmaaktheid streven, hebben een dergelijk geschenk van hunnen Heiland te verwachten, namelijk „Kruis en Jijdenquot;. „Wie mijn leerling zijn wil, neme zijn kruis op en volge Mij.quot; Gaan wij ook even als de Goddelijke Heiland ons vonnis kalm en ootmoedig te gemoet. Verzetten wij er ons niet tegen. Hij zal het best weten, wat ons nuttig is, en heeft voorzeker aan ons kruis den maatstaf Zijner liefde tot grondslag gelegd.
Verkwikkende zon, laat uw lieflijken schijn De sponde der zieken omgeven!
O schenk hun gedachten, zoo zalig en rein, Een voorsmaak van 't Eeuwige leven.
—gt;*§ 15
Niet buiten alleen toon de lente haar pracht, In kiemen, in knoppen en loover.
Maar dat ook haar glans, met weldadige macht,
Mijn ziel door die schoonheid betoover!
Kom, gave des Hemels, verwarm door uw gloed. Het koude en onbuigzame harte;
Dat hoop en vertrouwen in 't lijdend gemoed Een balsem nu stort voor zijn smarte!
— «53^ -Waartoe zijn wij van God geschapen?
Toen ik op zesjai-igen leeftijd op school ging en den catechismus leerde, was de eerste vraag aldus: „Waartoe zijn wij van God geschapen?quot; En het antwoord luidde; „Om God te kennen, te beminnen en te dienen en daardoor eeuwig zalig te worden.quot; Dat klinkt zoo gemakkelijk en eenvoudig, dat men zou meenen, dat dit niemand eenige moeite zou kosten, en toch ligt in deze weinige woorden de geheele philosophic van ons leven, de grondgedachte van ons geloof, en de waarborg voor eeuwige zaligheid opgesloten.
Overal kunnen wij Gods almacht erkennen, overal de bewijzen Zijner liefde en ontferming ontwaren. Hoe meer wij de goede menschen leeren kennen, hoe meer wij ze leeren waardeeren en liefhebben. Moeten wij God niet eveneens meer en meer liefhebben, hoe meer wij van Hem hooren en weten, hoe meer wij Zijne liefde en wijsheid alom waarnemen?
O mijne Ziel! ik geloof, dat eigenlijk niets natuurlijker zijn kan, dan God lief te hebben, ja dat het zelfs onnatuurlijk zou zijn, zich onverschillig jegens Hem te toonen.
-gt;*§ 16 |k-
Hoe spoedig zijn wij niet met goede, deelnemende mensclien ingenomen, en hoe voelen wij ons tot hen aangetrokken om hunne edele inborst! Onze vereering voor hen neemt toe, naarmate wij meer uitmuntende hoedanigheden en deugden in deze uitverkoren zielen waarnemen, en zij wordt ten laatste tot een ware verrukking, die ons met een blijden trots bezielt, zoodra wij van deze vrienden spreken — hoeveel te meer moest dit het geval zijn jegens God!
Wat zijn alle menschelijke deugden, vergeleken bij de volmaaktheid Gods? Wat toch is alle wetenschap der wereld, vergeleken bij Zijne wijsheid? Wanneer de goede God ons slechts deze eenige weldaad bewezen had, wanneer wij Hem niets anders te danken hadden, dan Zijne menschwording. Zijn leven op aarde, Zijn verlossingswerk, dan ware dit alleen reeds het hoogste, want het beteekent voor ons zooveel als, eeuwig leven en eeuwige zaligheid.
lederen dag, ieder uur ondervinden wij nieuwe bewijzen van Gods liefde. Hoe oneindig heeft God de mensclien lief gehad!
De H. Augustinus roept uit: „O Gij, zoo oude als nieuwe schoonheid, ik heb U te laat gekend, ik heb U te laat bemind!quot;
En terwijl de H. Catharina van Genua bij het aanschouwen van haren Heiland uitroept: „O liefde, o liefde, geene zonde meer,quot; vat de H. Serafijn dei-liefde, rranciscus van Assisi, zijnen geheelen liefdegloed tot God in deze enkele gedachte te zanien: „Mijn God en mijn al!quot;
Zoo hebben de Heiligen God bemind, nadat zij Hem hebben leeren kennen, en zoozeer hebben zij Hem liefgehad, zoodanig waren zij van liefde vervuld, dat zij dikwijls in vurig verlangen naar Hem als dood ter aarde vielen!
En die duizenden en duizenden bloedgetuigen, die quot;lanzende heerschaar van martelaren, wier eenige mis-
—^ ] 7 gK-
daad voor de lieideusclie wereld bestond in hun geloof en hunne liefde tot God. voor deze liefde brachten zij onder onnoemelijke smarten hun leven ten offer. Hoe blijmoedig gingen zij allen den kerker en den dood te gemoet! Met hoeveel verachting hebben ze de wereld en hare schatten —- jeugd, schoonheid, aanzien, ja, zelfs de banden der vriendschap met voeten getreden, enkel uit liefde tot God !
Ja, Hij moet ons alles zijn, Hij moet ons alles worden.
Ook ons zieken moet Hij alles zijn; wat zou er van ons worden zonder Hem?
Wij zijn op de wereld, om Hem te kennen en te beminnen.
Deze liefde schijnt zoo gemakkelijk, zij komt als vanzelf en ontstaat onmiddellijk uit de keunis van God.
Hem zelf en de gansche volheid Zijner ontferming te kennen en Hem te beminnen — zoude dat niet hetzelfde zijn? Maar is het voor den zieke zoo heel gemakkelijk en natuurlijk God lief te hebben? Is dit niet in zeker opzicht in tegenspraak met de rechtstreeksche opwellingen zijner natuur? Hij, die door God met vreugde en genade, met zegen en weldaden overladen wordt, heeft zeker alle reden Hem dankbaar te zijn. Zijn hart moet immers den-gene oprecht genegen zijn, die hem leed en kommer bespaart, die hem langs effen wegen leidt, en zijn arbeid met goeden uitslag bekroont.
Bij ons, zieken, zou men van een ander standpunt moeten uitgaan; ten minste dat schijnt zoo. Het is menschelijk en daarom ook vergeeflijk, wanneer wij niet dadelijk in het lijden en de ziekte, die ons treffen, een uitvloeisel der goddelijke genade kunnen erkennen.
Had de goede God ons, zieken, dan geen ander bewijs Zijner genegenheid kunnen geven dan lijden en smart?
2.
Kruisbloemen.
18 §•lt;-
Terwijl Hij anderen met geluk en zegen overlaadde; riep Hij ons tot liet dragen van Zijn kruis. En dat zou Hij uit liefde gedaan hebben? Zoo is liet. Wij mogen ons niet laten misleiden, de ondervinding leverde er menigmaal grondige bewijzen voor, en zoo lang wij daar niet van overtuigd zijn, zoolang is de eerste vraag van den catecliismus nog niet tot ons innerlijk wezen doorgedrongen, en hebben wij de eerste woorden van dat antwoord nog niet goed begrepen d. w. z. wij zijn nog niet zoo ver, dat wij dan goeden God geheel en al kennen.
Laten wij van Hem de genade afsmeeken om te erkennen en in te zien, dat alles, wat Hij doet, zoo en niet anders zijn kan, daar het juist zoo tot ons heil moet dienen. De liefde tot God volgt dan vanzelf uit deze geloovige overtuiging.
Geduldig lijden verzekert ons de eeuwige belooning,
^/l/ij hebben ons in onze eerste kindsheid verplaatst en het boek bij uitnemendheid, den catechismus, samen opengeslagen en zijne eerste vraag en antwoord overwogen. Evenals een keten, waarvan de schakels onafscheidelijk aan elkander geklonken zijn, evenals een logische redeneering, waarbij het eene bewijs een gevolg is van het andere, zoo dringt zich deze overtuiging met onweerlegbare duidelijkheid aan ons op. Zoo wij niet met blindheid zijn geslagen, moeten wij van het bestaan van een God overtuigd zijn. Erkennen wij dezen God, dan moeten wij Hem liefhebben : hebben wij Hem lief, dan moet het ons eene vreugde zijn Hem te dienen, en zóó te dienen, gelijk Hij dit in eiken levenstoestand van ons vordert. De priester dient God door der raenschheid Zijn heiligen
19
wil kenbaar te maker;, de ouders door de christelijke opvoeding hunner kinderen, de kinderen door gehoor-zaamheid aan hunne ouders, de ambtenaar door zijn taak nauwgezet te volbrengen, en de dienstbode dooide stipte vervulling zijner plichten.
Wij kunnen God dienen in onze ziekte, en door alles wat eraan verbonden is. Wanneer wij uir liefde tot God geduldig lijden en ons beijveren voordeel en verdiensten daaruit te trekken, dan mogen wij hopen, dat wij even als ieder, die zijne plichten stipt vervult, de eeuwige belooning daarvoor zullen ontvangen.
Uit al het voorgaande volgt: uit het kennen ontstaat de liefde, uit de liefde de plichtsvervulling en daaruit de eeuwige vergelding. Wanneer wij van dat gebouw een enkele:i steen losrukken, moet het instorten. Het eene volgt uit liet andere, zooals de nacht uit de schemering en de schemering uit het licht. Waarom zouden wij dan weigeren den zegen des geloofs aan te nemen, en ons vrijwillig in den nacht der onzekerheid hullen? Zoude onze toestand daardoor beter, ons lijden dragelijker worden? Neen, voorzeker niet. Alleen door het geloof kunnen wij den vrede onzer ziel behouden.
Overtuigd als wij zijn van Gods liefde, kunnen wij ons ook verzekerd houden, dat Hij ons niet zonder reden zal kwellen, en dat Hij met het lijden, hetwelk Hij ons overzendt, een bijzonder oogmerk moet hebben. Wij kunnen dit reeds hieruit afleiden, dat Hij Zijne dierbaarste vrienden. Zijne moeder zelfs in een zee van ellende gedompeld heeft. In onze ziekte behooren wij een middel te onzer heiliging te zien. Wij hebben een voorbeeld, dat wij eenvoudig moeten navolgen. De Meester gaat voor, de leerling volgt. Laten wij trachten Zijnen heiligen weg te bewandelen en onze handelingen naar Zijn Woord en voorbeeld in te richten. Moge Hij ons licht en wegwijzer, onze vriend en helper zijn!
-gt;^ oo §«:-
Eens hoorde ik in eene preek deze schoone woorden: „Ik heb nu getracht u een bewijs te geven, dat er eene eeuwigheid is, dat ons na den dood liet. oordeel, en na het oordeel óf eeuwige vreugde óf eeuwig lijden te wachten staat. Ook heb ik u een middel aan de hand gegeven, om reeds hier op aarde te midden van moeite en kwellingen in vrede te leven niet God, uwen naaste en u zeiven; zoo doende zult gij dood noch oordeel te vreezen hebben.
Wanneer ik daarentegen aannam, hetgeen voorzeker het geval niet is, dat alles, wat wij gelooven, slechts een waan was, en dat er God noch eeuwigheid na dit leven bestond, dan nog zou ik u denzelfden raad geven. Aannemende zelfs, dat dit zoo is, zou het toch aangenamer en beter zijn in getrouwe jdichtsvervulling, in vrede met zich zeiven en andereu te leven, en zich daardoor bemind te maken, dan een speelbal van zijne hartstochten, en daardoor het slachtoffer der vertwijfeling te worden. Hierbij verliezen wij niets, in de andere opvatting alles.quot;
Wanneer wij de woorden van dezen geestelijke goed overwegen, blijft ons geen twijfel meer over, omtrent hetgeen wij te doen en te laten hebben.
De gedachte aan de eeuwigheid verzacht ons lijden en onze smarten, en houdt onze hoop levendig.
De Mei ontwaakt, der bloemen kleur Verrukt liet oog, de trissche geur Van 't jeugdig .groen in bosch en wei, 't Juicht alles: welkom schoone Mei!
Gekluisterd aan mijn legerstee,
De borst bekneld door naamloos wee,
Derf ik de zoete lentelucht.
Waarnaar mijn hart versmachtend zucht.
Zelts de aanbl k van liet bloemtapeet En der natuur in bruiloftskleed Is mij ontzegd; haar lieflijkheên Aanschouw ik, mijmerend alleen.
Maar ik weet, als 't oog vertrouwend blikt Naar Hem, die heel ons lot beschikt,
Dat ook mijn Mei eens komen zal Met keur van bloemen zonder tal.
Heb 'k aan mijn lijdenstaak voldaan. Dan snelt mijn troostende Engel aan. En voert mij tot de Levensbron Omhoog, naar de Eeuwge Lentezon.
Ifet lijden is een gevolg der zonde. Ware er geen zonde geweest, dan was er geen lijden, er was geen dood.
Het is een van de grootste geheimen der Goddelijke liefde, dat de Zoon Gods de straf der zonde heeft willen verheerlijken en heiligen, en juist dit en geen ander middel heeft uitgekozen tot Zijn verlossingswerk. In liet kleed der zwakke en vergankelijke menschelijke natuur, wilde Hij als onze borg schuld en straf op zich nemen, en gebruikte van alle Hem ten dienste staande middelen, geen ander dan kruis en lijden, om de vertoornde Godheid weder te verzoenen. Hij moest Zijne bijzondere redenen daar-
voor hebben, veel en smartelijk te willen lijden, onder alle mogelijke vormen, zoo in- als uitwendig, in alle deelen van Zijn heilig, maagdelijk lichaam, en zoo wel naar de ziel als naar het lichaam, om ons den Hemel, dien wij door de zonde verloren hadden, weder te openen.
Sedert ons door Christus' lijden de Hemel weder ontsloten is, kunnen wij, door het geduldig dragen van ons kruis, de eeuwige zaligheid verwerven.
Lijden is hoop op den Hemel — lijden is verdienste — lijden is genade!
Ook wij kunnen ons door geduldig lijden bovennatuurlijke schatten verwerven, wij ook kunnen door geduldig lijden den vertoornden God verzoenen, kunnen vergiffenis erlangen voor onze zonden en die van anderen — het onrecht van het verledene uitwisschen en verdiensten vooruitzenden voor de eeuwigheid.
Beschouwen wij het lijden in het licht des ge-loofs, dan verschijnt het voor ons plotseling in een geheel ander daglicht, en. evenals door het geloof onze geestelijke zienswijze verhelderd wordt, zoo ook ontkiemt in onzen somberen zielstoestand, als een verkwikkende dageraad het verheven bewustzijn; Smarten en beproevingen zijn bewijzen van Gods liefde tot ons. Zelfs al wilde men ze beschouwen, als straf voor de zonde, dan nog zijn ze eeu bewijs Zijner genade, omdat de berouwhebbende zondaars, die door den rechtvaardigen Vader gestraft worden, zeker zijn van Zijne vergiffenis. Lijden met geloof brengt troost en zegen, lijden zonder geloof echter kan ons oneindig zwaar worden, ja zelfs den dood en vertwijfeling veroorzaken. Zeker wil God, dat wij lijden, en heeft daar Zijn goede reden voor. Hij kent de waarde van het lijden en het heil, dat aan het kruis verbonden is.
Alle heiligen hebben geleden, naar den geest of naar het lichaam, of naar beide, evenals alle
-xS 23 SK-
vrienden van den lieven Heiland; men zon het zelfs als een teeken kunnen beschouwen, dat zij tot de Zijnen behoorden en Zijne leerlingen en navolgers waren. Meer dan zij allen leed Maria, Zijne heilige Moeder, welke de katholieke Kerk aanroept als de koningin der Martelarer.
En toch heeft Haar nooit de smet der zonde aangekleefd.
Laten wij de diepzinnige waarheid dezer woorden overpeinzen: Christus heeft voor ons geleden en ons een voorbeeld nagelaten, opdat wij in Zijne voet-s tap pen treden en Hem volgen zouden.
De H. Thomas van Villanova zegt; ..Het is een teeken, dat God mij lief heeft, wanneer Hij mij den kelk des lijdens te drinken geeft.quot;
Petrus Damianus schrijft: „Wanneer de mensch vroom leeft en desniettegenstaande iets te lijden heeft, dat hij zich dan trooste in de hoop, dat hij behoort tot de ware lidmaten van Christus, want, zoo wij Hem nu navolgen in het lijden, zal Hij ook met ons zijn in de eeuwigheid.quot;
De H. Paulus spreekt: „Wanneer wij met Chri-tus lijden zullen wij ook met Hem verheerlijkt worden.quot;
op! en richt met vromen zm Uw hart als zonnewijzer in;
En is hot hart naar God gekeerd.
Geregeld is zijn slag, en 't leert Den toets doorstaan; wat het ook beid', 't Houdt stand in tijd en eeuwigheid.
-»? 24 §•lt;-
Kalm als de zonnewijzer gaat,
Zoo kalm zij ook uw hart. Het slaat Niet hard, niet zacht, loopt na noch voor.
Maai tot aan 't laatste tikje door.
Heeft het dan eens zijn loop volbracht,
Maakt God het nieuw door Zijne macht.
Naar Clemens Aug. Vrijheer Droste zu Vischering-,
^Ün AVÜ innig- van Gods liefde overtuigd, dan kan en mag de gedachte aan kruis en lijden ons niet verontrusten. Drie groote waarheden moeten, als 't ware, het richtsnoer vormen van ons gedrag in alle lotgevallen en toestanden des levens.
In de eerste plaats moeten wij aannemen, dat er niets in de wereld geschiedt, quot;wat de goede God niet toelaat ol wat Zijne wijsheid niet beschikt.
Ten tweede moeten wij gelooven, dat alles, hoe het ook gebeure. tot ons welzijn zal strekken, overeenkomstig de onbegrensde barmhartigheid Gods; en eindelijk moeten wij, geheel berustend in ons lot, aan de overtuiging vasthouden, dat God onze beste \ ader is, en dus het schijnbare kwaad ten goede kan keereu, en ons ongeluk in geluk kan veranderen.
Zijn wij van dezen troost doordrongen, dan hebben lijden en smart niets afschrikkends meer. ——
Het Lijden is een Geheim des Geloofs,
Qiis geloof bevat veel groote en gewichtige geheimen, die wij ootmoedig moeten aannemen, maar niet kunnen doorgronden. Naarmate ons geloof grooter en standvastiger is, zal ook ons vertrouwen toenemen.
De drie verheven Goddelijke deugden, Geloof, Hoop en Liefde moeten dus in volle werking in en aan ons geopenbaard worden.
Het eene volgt, als liet ware, uit liet andere, de liefde uit het vertrouwen, het vertrouwen en de hoop uit het geloof; het eene kan niet bestaan zonder het andere. Het geloof echter is eene genade, die men moet afsmeeken, waaraan men zich moet overgeven, en die men zich niet geven kan.
In het geloof en zijne geheimen is iets ongemeen grootsch en verhevens gelegen. Ontegenzeggelijk behoort het lijden onder die geheimen. Waarom bestaat toch zoo veelvuldig lijden? Waarom blijven er weinig menschen van verschoond? Waarom lijden dikwerf de beste het meest, terwijl zij, die zich weinig om den goeden God bekommeren, veel minder of in 't geheel niets te lijden hebben? Waarom moest Christus zelf .200 nameloos lijden? Waarom zond Hij dengenen, die Hij het meest lief had, de zwaarste beproevingen, terwijl Hij in Zijne Almacht hun het kruis van de schouders had kunnen nemen? Waarom dan toch? Wij vragen, doch weten geen antwoord te vinden. Wij mogen niettemin het bestaan van her lijden onder verschillende vormen en duizenderlei afwisselingen niet loochenen, en moeten gelooven! ..Zalig zij, die, zonder te zien toch geloofd hebben!quot; Wij moeten aannemen, dat het lijden nuttig en heilzaam is, en dengenen ten goede komt, die God liefhebben. Zooals ons geluk ontstaan is uit Jezus' kruisdood, zoo ook bevat liet kruis met en voor Hem gedragen, altijd slechts heil en zegen. De Goddelijke woorden zelve en duizenden voorbeelden leveren hiervoor liet bewijs.
-Xg op, gK—
Bemint God ons, Zieken, minder dan de Gezonden
Yoorzeker niet, integendeel! Zeev dikwijls hebben onze ouders eenige voorkeur voor het zieke, zwakke en lijdende kind, en overladen het met grooter teeder-heid dan hunne gezonde kinderen. Door deze liefde willen zij het eenigszins schadeloos stellen, voor wat het missen moet. Dikwijls zelfs zijn zij vindingrijk in geduld en zelfopoffering. Bestaat ook niet tus-schen God en ons een dergelijke verhouding? Mogen wij ook geen troost vinden in Zijne bijzondere liefde. Mogen wij niet gelooven en vertrouwen, dat Hij even groot in Zijne gerechtigheid als in Zijne ontferming, zijne zieke kinderen niet zal verlaten, noch veronachtzamen, maar integendeel evenzeer liefhebben als de anderen. Maar afgezien van dit standpunt en van de vergelijking tusschen Gods liefde en die onzer ouders, zou eene andere noodzakelijkheid, het bewustzijn zich aan ons opdringen, dat God lijden en liefde bij voorkeur in overeenstemming weet te brengen. Terwijl Hij in het armzalige kleed der menschelijke natuur op aarde rondwandelde, heeft Hij zelf lijden en smart gedragen, en het onvergetelijke woord uitgesproken: „Wie mij navolgen wil, verloochene zich en neme zijn kruis op.quot;
Ligt hierin niet een bepaalde uitnoodiging tot het dragen van kruis en lijden? Ook niet de overtuigende zekerheid, dat wij op den lijdensweg God het aangenaamst zijn ? Wanneer wij ernstig er naar streven Zijne leerlingen te worden, in het lijden, zal de Meester ons dan niet bijzonder liefhebben? Moet het kruis, dat hij ons opgelegd heeft, niet een uiting zijner bijzondere liefde zijn? Hoe meer wij den Heer gelijkvormig worden, des te meer kunnen wij ons troosten met de overtuiging. Hem dierbaar te zijn. Wij zullen Hem ook dan verstaan, als de kinderen der wereld Hem niet verstaan. Hem volgen, waar de
gezonden Hem niet kunnen volgen, en leeren kalm het kruis op te nemen, waar anderen voor terugdeinzen. Lijden geeft vleugelen aan de liefde. Zijn wij eenmaal gelieel en al van de liefde tot God, en wel tot den gekruisten God, doordrongen, dan znl het ons gemakkelijk vallen te gelooven, dat Hij ons liet heett. Het verlangen naar Hem zal in ons toenemen, en onze ziel zal roemen in de navolging van onzen Meester.
Alles moet geleerd worden, waarom dan ook niet het lijden? Dit zijn geen woorden zonder heteekenis: ..De leerschool van het ijdenquot; en het is geen nutte-looze bewering, dat de goede God ons in deze school onderwijst en vormt. Is het juist, dat Hij door verschillende middelen en wegen onze opvoeding bewerkt, dan lijdt het geen twijfel, dat Hij die opvoeding vestigt op de hechtste grondslagen. Door de school der wijsheid — per aspera ((■! astra — door strijd tot de zegepraal, door kruis en lijden naar den hemel! Tn de school van het kruis is God zelf onze leermeester.
Wij moeten beginnen met het a. b. c., met die kleine oefeningen in versterving en zelfverloochening, in opoffering en verzaking, die, als :t ware, den grondslag vormen, zonder welken wij volstrekt niet mogen denken aan den geringsten vooruitgang. Vervolgens leeren wij kalme berusting. Wij schikken ons dan in het bewustzijn, dat God het alzoo wil; zoo zal het tot ons welzijn strekken; het weerspannige hart onderwerpt zich en houdt op met zijnen Schepper te twisten. Eindelijk bereiken wij den hoogsten graad, namelijk de gulden wijsheid van het geduld. Lijden, omdat het zijn moet, of omdat men er niets aan veranderen kan, is zeer verschillend van lijden
inet geduld. Dit is reeds de bloesem van Let lijden, dat met berusting gedragen wordt, dus een prijs verworven in de leerschool van liet lijden. Docli liet moet liet werkelijke, Christelijke geduld zijn, niet zwijgende, ■stomme onderwerping, noch stompheid of vertwijfeling.
Gelukkig de leerling, die dezen laatsten lioog-sten graad bereikt, die moedig de hoogeschool van liet kruis doorloopt aan de hand van den Goddelijken Meester! Daar wordt het bittere zoet, het zware licht; daar verandert het lijden in genade, de smart in vreugde; zij, die degelijk in deze school geleerd hebben, en de hoogste klasse bereikten, hebben de wereld overwonnen. Door de bittere schil heen proeven zij reeds de smakelijke kern; zij weten wat lijdensvreugd is, en begrijpen het geluk voor Jezus alles, zelfs het zwaarste te verduren.
De Beginselen in de Leerschool van het Lijden.
Qod heeft mij wonderbaar geleid! Dit zie ik hoe langer hoe meer in, elk verder jaar mijner ziekte, en ik dank Hem daarvoor uit den grond van mijn hart. Sedert mijn dertiende levensjaar was ik reeds min of meer lijdend. Dat deze schaduw zich reeds over mijn vroolijke kindsheid uitbreidde, dat mij het pas opkomend lijden wel geen merkbare smarten veroorzaakte, maar wel menige opoffering van mij verlangde, en mij menige kleine ontbering oplegde, dit komt mij nu als een wonderbare beschikking voor. Het was de voorbereiding tot de ernstige lijdensschool, die ik later binnengevoerd werd. Het waren de eerste schetsen van mijn ziekelijk leven, dat na tallooze wijzigingen van licht en schaduw, onder de leiding van den Goddelijken Meester voleindigd werd.
In mijne jeugd werd ik reeds sjioedig begeleid door een stillen, onzichtbaren Engel „hel lijden11, die mij als metgezel ter zijde stond, die mij leerde drukke liijeenkomsten te vermijden, in mij zelve te keeren, in verheven edele bezigheden mijn vreugde, en in 't verzaken aan mijn eigen ik, mijn geluk te zoeken. Eenzaamheid en afzondering waren geen schrikbeelden voor mij, ik vreesde ze niet.
Merkwaardig was het, dat ik mij bij dat alles hoe langer hoe gelukkiger en tevredener gevoelde. Wat was het voor mijn volgend leven goed, dat ik reeds zoo vroeg leerde ontberen! Hoe goed was het, dat mijne dierbare ouders bij mijne opvoeding, mijn lust en smaak steeds op het innerlijke gericht hielden, en dat zij zich beijverden mijne geestelijke ontwikkeling, de vorming van mijn gemoed en de voorliefde tot ernstige studie en nuttige bezigheid te bevorderen! Wat was ik hun daar steeds dankbaar voor, vooral, omdat zij den godsdienst en de liefde tot Grod als grondslag van alle geluk of ware bevrediging in mijn hart trachtten aan te kweeken, en mij de onwrikbare waarheid leerden, dat Grod alles ten beste schikt, en niemand boven zijne krachten beproeft ! Dit vertrouwen heeft mij in al die jaren niet teleurgesteld. Hoe nameloos ongelukkig ware ik geweest, indien ik slechts voor de wereld geleefd, en alleen in-uiterlijke vreugden en genietingen bevrediging gevonden had! Toen ik nog in het ouderlijke huis, vrij van zorgen was, en slechts door liefde omgeven leefde, leed ik dikwijls aan eene eigenaardige neiging tot zwaarmoedigheid. Dikwijls ook ging eensklaps mijn vroolijke luim in somberen ernst over; en zong of schreef ik, dan waren het treurige liederen, ofschoon ik toen slechts 16 jaar oud was. Al die gewaarwordingen lagen toen nog verward en onbestemd !iii mijn binnenste besloten, en hadden nog geen vast richtsnoer.
30 8K-
Welk zeldzaam geval! hoe langer ik leefde, lioe meer ik leed, eu liet geheimzinnige van liet lijden leerde begrijpen, des te meer verdween de zwaarmoedigheid. Mijne geheele omgeving weet het. Mijn gemoedstoestand werd bedaarder en vroolijker, naarmate ik meer te verduren had, zoodat, nadat ik verscheidene jaren bedlegerig was geweest, zich geen spoor meer van die afwisselende stemming vertoonde.
Uit de verwarde mijmering ontwaakt, doolde ik niet meer in het onzekere. Ik had de trouwe Vaderhand gevonden en gegrepen, die mij van nu af zou leiden, en zeide met vol vertrouwen: „Omdat, en zoo als God het wil.quot; Maar wat wilde God dan eigenlijk van mij? God had mij uitverkoren voor Zijne leerschool des kruises, en wilde mij onderwijzen in de leer, die alle wereldsche wijsheid overtreft. Voet voor voet moest ik Hem volgen, en ik deed het, zoo gaarne!
Ik beminde Hem immers met kinderlijke liefde, en ik vertrouwde op Zijn woord; wat had ik dan te vreezen? wat had mij kunnen overkomen, zoolang ik langs effen weg en met Hem voortging? Ver van Hem was gevaar en onheil, in Zijne nabijheid geluk en zegen, rust en zaligheid. O mijne ziel, waar vind ik woorden, om de innige dankbaarheid uit te drukken, waarmede ik dezen zegen Zijner ontferpiing mocht -ondervinden!
— gt;-05«
Leer toch zwijgen!
Zwijgen, als veel andren klagen Van het leed, dat zij hier dragen.
Sluit in 't diepste van uw hart Zwijgend steeds uwe eigen smart.
Ja, leer zwijgen!
Leer ook lachen!
Glimlach als men doet bemerken,
Dat ge uw tranen moest beperken. Als het bange wee u treft En de wereld 't niet beseft,
Leer dan lachen!
Leer ook lijden!
Zwijgen, lachen onder 't lijden,
Willig elke vreugd vermijden, ledren wensch stil onderdrukt. Zwijgend onder 't kruis gebukt. Leert men lijden!
Leer vergeven!
Tracht u 't onverstand te krenken,
Wil geduldig dan bedenken; „Lijdzaamheid is christenplichtquot; En 't vergeven valt u licht.
Leer vergeven!
Leer ook wachten!
Wil niet weenen, wil niet klagen,
't Licht zal eenmaal voor u dagen; Wat uw lijdend hart ook droeg, Eenmaal, eenmaal is 't genoeg;
Leer dus wachten!
O, leer sterven!
Als der liefde vreugde en leven
Lang aan 't graf zijn prijsgegeven, Blijve uw hoop in eenzaamheid 't Wederzien in de eeuwigheid. Leer hier sterven !
—gt;♦§ 32 S lt;—
T relt u de smart, verdraag die stil. Zeg bij ii zelf: „Zooals God wil!quot; Tot kwelling slechts, zendt Hij geen leed, 't Is altijd goed, zoo als Hij deed.
Naar E. G e i b e 1.
Hoe gced had God het met mij voor!
J^og niet zeer lang- was ik ziek, of het bewust-zijn begon reeds in mij te ontwaken, dat de goede God mij zeker tot mijn welzijn deze ziekte zond. Deze weg tot Hem moge een moeilijke schijnen: maar hij was de zekere. Het is vaak zeer moeielijk in de wereld, in het dagelijksche leven en bij de stipte vervulling van velerlei plichten in vereeniging met God te leven. Dit wil echter geenszins zeggen, dat het onmogelijk is. Velen hebben liet met Gods genade zoo ver gebracht, dat zij in 't bezit eener bloeiende gezondheid, te midden eener woelige en genot biedende wereld zich nochtans heiligen, groote deugden beoefenen en aan de bekoringen weerstand bieden.
De H. koning Lodewijk van Frankrijk, zijne H. moeder Blanka, de H. Franciscus van Sales, bisschop van Geneve en de barones de Chantal leverden hiervan het sprekendst bewijs. Toch is het moeielijk, zeer moeielijk ! !
Ik was jong, levenslustig en volstrekt niet ongevoelig voor loftuitingen; daarbij eergierig en vol ijver om mijne wetenschappelijke kennis te vermeerderen, ik wilde zeer veel leeren. Zoude ik bij dat alles niet van het pad der deugd zijn afgeweken ? Zouden de strenge grondregels mijner jeugdige jaren
--8 33 S*lt;~
standvastig gebleven zijn? Toen ik naderhand zoo ziek lag, zeide op zekeren dag eene dame tot mij; .,Hoe treurig, dat gij ziek geworden zijt. Gij haclt een sieraad der gezelschapskringen kunnen zijn door uwen levendigen geest en uwe vroolijke stemming, terwijl nu uw heerlijk talent voor de groote menigte verloren gaat.quot;
Ik haal dit enkel aan, om weer duidelijk te bewijzen, hoe bekrompen en onbetrouwbaar de menschen in hun oordeelvellingen zijn. Voor zoover ik mij zelf meen te kennen, ben ik ten stelligste overtuigd, dat ik voor de maatschappij van weinig nut zou zijn geweest, wel ware ik daarentegen waarschijnlijk verwend en ijdel geworden en, geleid door mijne levenslust, had de zucht tot vermaak, mij misschien boven alles bezield. In mijne oppervlakkigheid ware ik wellicht verloren gegaan, ik zeg wellicht, want Gods ontferming kon mij te allen tijde en overal behouden en versterken. Op zeer eigenaardige wijze toch geschiedde het, dat ik na verloop van jaren, in de gelegenheid kwam, de talenten, die mijn goede Schepper mij verleend had, ten dienste mijner medemenschen aan te wenden, en dat ik, die mij voor de eenzaamheid geroepen meende, en allen omgang met de wereld had afgebroken, mij meer dan duizend anderen, door een druk verkeer omgeven zag. Lijden en ziekte hebben mij gelouterd, hebben mijne gedachten op het innerlijke gericht, en mij langzamerhand van het aardsche losgemaakt. De lange jaren mijner ziekte verschaften mij gelegenheid om veel te lezen en te leeren, mijne wetenschappelijke kennis uit te breiden en de christelijke liefde te vermeerderen. Zonder dit voorafgaande onderricht en die ondervinding ware ik niet in staat geweest, iets tot stand te brengen of der jeugd iets nuttigs aan te bieden; zoodoende heeft Gods wijsheid beschikt, dat mijne ziekte voor deze latere roeping geen
Kruisbloemen. 3
hinderpaal zou zijn, maar wel tot nut zou verstrekken. Nu weet ik, dat het Gods heilige bedoeling was, mij zoo ter wille van anderen, als van mij zelve deze ziekte toe te zenden. Zijne ontfermende liefde riep mij uit het gewoel der bedrijvige wereld naar de ziekenkamer. Daardoor ook werd ik van menigen plicht ontheven, die aan gezonden is opgelegd. Ik moest zelf lijden, om anderen juister te kunnen be-oordeelen, en, afhankelijk van vreemde hulp, moest ik mijne eigene onmacht gevoelen, en daardoor den juis-ten maatstaf vinden voor de ellende van den armen medemensch. Vroeger had ik geen tijd voor gebed en godvruchtige overwegingen; nu kon ik in menigen slapeloozen nacht mijnen Heiland zoeken; anders had ik in zeker opzicht onder de ketenen van het slavenjuk der wereld te zuchten, zonder den moed te hebben ze te breken, nu was liet God zelf, die het deed! Hij zelf geleidde mij door Zijne ontfermende liefde, en nam mijne opvoeding en toekomst op zich. Ik gevoelde en erkende dit, en begon weldra Zijne heilige bedoelingen te begrijpen.
die van de Aarde tot den Hemel reikt.
Ju zeker huisgezin was een dochtertje, dat van haar tweede jaar leed aan ruggemergontsteking, zoodat zij geen voet kon verzetten. In den beginne werd het arme meisje altijd gedragen, later in een wagentje gereden, en bleef steeds een voorwerp van zorgvuldige verpleging. Eene wonde in den rug veroorzaaktequot; haar vaak verschrikkelijke pijnen, en dan was de kleine lijderes niet anders tot bedaren te brengen.
-gt;*? 35 ^lt;-
dan op den arm van vader of moeder. Meermalen liepen de ouders geheele nachten met liet kermende kind op en neder.
Later, toen de kleine ouder werd, toonde zij eene buitengewone begaafdheid en een vlug bevattingsvermogen voor alles, wat onder haar bereik kwam. Zij leerde den goeden God kennen, verheugde zich in de heerlijke natuur en loofde den Schepper in al Zijne werken.
Ook nam zij levendig deel aan alles wat in de familie voorviel, en onderdrukte met heldenmoed hare smarten, om liet leed harer lieve ouders hierover niet te vermeerderen.
Sprong de lachende schaar der jongere broeders en zusters vroolijk om Leentje, dan zag zij ze wel een oogenblik met hare groote, zielvolle oogen weemoedig aan, maar was niet afgunstig op hunne vreugde en gezondheid.
Ook doorleefde zij liefelijke uren, waarin zij zich met hare boeken, bloemen en prentjes bezig hield; 't liefst echter onderhield zij zich vertrouwelijk met hare moeder: gewoonlijk was Gods liefde het onder-werp van haar gesprek.
Dikwijls was Leentje in gedachten verzonken. „God is zoo goed!quot; zeide zij gaarne tot degenen, die haar bezochten, „ik houd zooveel van Hem!quot; Zijn dat geen raadselachtige woorden in den mond van een kind, dat nooit een gezond uur heeft gekend?
Hier openbaarde de Goddelijke liefde zich blijkbaar in de zieke kinderen.
De genade stuitte hier op geen enkelen hinderpaal. De ouders kweekten in het hart van hun lijdenden lieveling, godsdienst en vroomheid, en dit zaad viel op een goed bereiden akker. Wel verre ■van de kleine van God te verwijderen, bracht het lijden haar hoe langer hoe dichter bij Hem. Eene wonderbare werking der genade kon men in deze
3
-X? 3G
jeugclige lijderes gadeslaan; zij voelde zich niet achtergesteld, niet stiefmoederlijk bedeeld tegenover hare gezonde, vroolijke broeders, zusters en medemenschen; zij sleet een bijna gelukkig, innerlijk leven met en in haren God, zij genoot een veel grooter aandeel van Zijne liefde, dan de gewone menschen, wijl zij Hem ook meer beminde.
Slechts in hardvochtige, van God vervreemde harten heeft het lijden een noodlottige en schadelijke uitwerking — edele zielen maakt het beter en volmaakter, want zij zijn meer geneigd God lief te hebben. Die God beminnen en Hem zoeken, dien zal het duidelijk worden, dat Hij iets bijzonders met hen voor heeft, wanneer Hij hun lijden en ziekte overzendt, en dat Hij hun een grooter aandeel aan de zaligheid geven wil, dan den zoogenaamden gelukkigen der aai'de. Dit begrepen ook de ouders van de kleine Lena, die Godvreezende Israelieten waren, overtuigd, dat hun geliefd kind onder Zijne hoede en bescherming het best geborgen was. Toen Leentje o]) dertienjarigen leeftijd stierf, spraken de diep bedroefde ouders deze schoone woorden: „Nu is onze engel bij den lieven God, en ontvangt de belooning voor al het lijden van haar onschuldig leven. Haar heengaan veroorzaakte ons eene onherstelbare leegte, want ons ziek dochtertje was het aantrekkingspunt van de geheele familie; wij, die gezegend waren met een opgeruimd en gelukkig leven, wij hadden licht hoogmoedig kunnen worden, en den goeden God vergeten. Hij zond ons leed en smarten, opdat wij Zijner indachtig zouden blijven. Leentje was, als 't ware, de magneetnaald, die standvastig naar boven wees, en nu is zij weder de band geworden, die onze aardsche handelingen en gedachten met het eeuwige leven onafscheidelijk vereenigt.
---
-gt;•8 37 S*lt;—
De Overweging van Jezxis' Lijden bevat grooten Troost.
O'quot; zoo volmaakt mogelijk den Heer na te volgen, hebben alle heilio-en zonder uitzondering, de overweging van Zijn lijden en sterven aanbevolen. De H. Paus Leo zegt: „Hij, die zich Jezus' lijden deelachtig maakt, kan zich van de eeuwige zaligheid verzekerd houden,quot; en, de H. Thomas a Kempiszegt: „Hij, die Christus' lijden aandachtig overweegt, zal al liet goede, nuttige en noodzakelijke gemakkelijk vinden.quot;
De H. Bernardus schrijft: „Niets reinigt meer van zonden, dan het herhaald overdenken van Jezus' lijden.quot; De lieve Heiland zelf sprak deze troostvolle woorden tot de H. Angela de Foligny: „Gij zult gezegend worden door mijn Hemelschen Vader, omdat gij medelijden hebt met Mijne smarten.quot;
Men verhaalt van den Serafijn der liefde, den H. Franciscus van Assisi, dat hij Jezus bij herhaling smeekte, hem kenbaar te maken, waarmede hij Hem op de waardigste wijze kon vereeren, en driemaal tot antwoord bekwam: ..Passio Domini nostri Jem Christi,quot; „het lijden van onzen Heer Jezus Christus.quot; Wij zijn dus op den rechten weg en kunnen niet dwalen, wanneer het lijden onzes Heeren aan ons geopenbaard wordt, en wij den kruisweg met Hem bewandelen. Voor wie zou deze oefening dan ook beter geëigend zijn, dan voor ons zieken? Zijn wij door ons lijden niet in zeker opzicht meer gelijkvormig aan den goeden God dan gezonde menschen ? Het menschelijke leven is immers een ongebaand, moeielijk pad, door allerlei gevaren omgeven, en hij, die ernstig naar den hemel streeft, kan niet gemakkelijk en zonder inspanning dezen weg bewandelen. Hij moet ■worstelen en strijden, bekoringen weerstaan, afstand doen van alle begeerlijkheden der wereld, en den
-•gt;*3 B8 in
blik standvastig op zijn doel gericht houden. Het ziekbed inet zijn velerlei vormen van offers en bezwaren is een kruisweg in den waren zin des woortls. Laten wij het bloedige spoor van onzen Heer volgen, dragen wij Hem het kruis na, waarmede Hij ons is voorgegaan, en het zal ons niet aan troost en opbeuring ontbreken. Zijn heilig bloed zal ons zegen brengen.
Wees altoos Nederig en Bescheiden.
Qnze ziekelijke toestand geeft ons geen recht op onbescheidenheid of aanmatiging. Hoort men soms hier en daar eene verontschuldiging daarvoor in 't midden-brengen, dan is dat zeker slechts voor het oogen-blik gemeend, en hij, die de luimen van eenen zieke heden natuurlijk vindt, zal wellicht op een anderen tijd de eerste zijn, die ze afkeurt. Tracht in de leerschool van het lijden het noodzakelijkste te beoefenen, namelijk de bescheidenheid. Regel uwe wen-schen en verlangens naar de omstandigheden uwer omgeving, naar hunne bezigheden en gesteldheid, en berust zonder klagen in uw lot, wanneer gij ziet, dat het toestaan van uw verzoek ongemak of moeite veroorzaakt. Houd evenzeer rekening met de gesteldheid van hen, die u omringen, alsook met den tijd, waarover zij kunnen beschikken. Zij ook kunnen den eenen dag zich minder goed gevoelen dan den anderen. Val ze dus niet zonder noodzaak lastig, wanneer ze een weinig rust nemen, en vooral niet met denkbeeldige kwalen of kinderachtigheden. Mijn onvergetelijke vriend en zielzorger, die zeker reeds lang in den hemel de belooning voor zijne getrouwheid ontvangen heeft, was met bijzondere voorliefde deze
89 ge
ziens wijze toegedaan. Wanneer gij dorst lijdt, mijn kind, of wanneer gij iets anders te uwer opbeuring wenscht, zeide hij mij dikwijls, en deze verkwikking u niet gebracht wordt, omdat uwe verplegers u niet hooren, niet naar uw verzoek luisteren, of het zelfs ondanks uwe herhaling vergeten — o, zwijg dan stil, iloe niemand eenig verwijt, breng geene opschudding te weeg, maar lijd een weinig dorst met Jezus aan het kruis, blijf een oogenblik in een moeielijke houding liggen, wijl ook Hij hard en pijnlijk ter aarde lag; dan beoefeut gij de schoone deugd van zelfverloochening, die gaarne van iedere gelegenheid gebruik maakt, om door opoffering zich een kleine verdienste te verwerven. Terwijl gij afstand doet van eene lichamelijke verlichting, kweekt gij in uwe ziel eene liefelijke deugd, en zij, die u vergeten hebben, en geene berisping daarvoor ontvangen, zullen iuj eene volgende gelegenheid alle moeite aanwenden, om hun verzuim te herstellen. Wie weet, of juist niet de geringe inschikkelijkheid, die gij getoond hebt, een koel hart verwarmd, eene goede gedachte opgewekt en u een trouwen vriend bezorgd heeft. Zoo zijn er ontelbare kleine dingen, die oorzaak zijn, dat wij met onze omgeving in goede of slechte verstandhouding leven. Richt uw gedrag dus daarnaar in; wint gij hunne liefde, gij zult er u goed bij bevinden; kwelt gij hen met luimen en onaangename bejegeningen, dan zal ook eene onheusche behandeling uw deel zijn.
Voor eiken dienst, dien men u bewijst, moet gij dankbaar zijn, alles vriendelijk verzoeken en u zoozeer vernederen, dat gij het niet alleen zelf weet, maar ook aan uwe omgeving bekent, dat gij een last voor hen zijt. Dan alleen kunt gij veel goed maken, uwen medemenschen ten zegen worden, en zelfs aan hunne zaligheid meewerken.
quot;•^S 40
Qeze lieilige was een dier heldhaftige zielen, die de ijdelheid der wereld en hare genietingen verachtelijk met voeten treden, en verder dan de nauwe grens van dit aardsche leven het oog gericht houden, op de heerlijke belooning, die allen te wachten staat, welke hier dapper gestreden hebben. Op zekeren dag, zoo verhaalt hare legende, verscheen Christus zelf aan de maagdelijke heilige, in elke hand eene kroon houdend. De eene bestond uit heerlijke, geurige bloemen, van alle kleuren en soorten; de andere was gevlochten van ruwe, stekelige doornen. „Kies nu,quot; zeide Hij tot Katharina. Zonder zich te bedenken greep zij naar de doornenkroon, en drukte die op haar hoofd.
Ook voor ons zieken legt Christus eene kroon op ons ziekbed; eene kroon met scherpe, stekelige doornen, die pijnlijk aandoen, zeer smartelijk verwonden en scherp in huid en vleesch dringen. Wij hebben ze niet zelf gekozen, wij zouden naar de bloemenkroon gegrepen hebben, als ons de keus ware gelaten. Maar God beschikte het anders; de doornenkroon komt van Hem. Hij zelf heeft ze gedragen, heeft ze als koninklijken diadeem op Zijne H. Slapen gedrukt en daardoor geheiligd voor allen, die ze te Zijner navolging dragen. Wanneer wij ons goed oefenen in het lijden, zal de eene roos na de andere uit den kalen tak ontspruiten, terwijl hemelsche, onvergankelijke bloemen als schitterende diamanten hem in het andere leven zullen versieren.
Hoe heerlijk zal de hemel zijn!
„Geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord, in geen menschenhart is het opgekomen, wat God bereid heeft voor degenen, die Hem liefhebben.quot;
Hoe gelukkig zullen wij dan zijn met en bij God! Wij beminnen Hem immers, wanneer wij geduldig en gaarne voor Hem lijden.
-gt;•3 41 8*lt;-
Lijden is een bewijs van liefde, en wordt dooi liefde beloond. In geluk en welvaart God beminnen is geen verdienste, maar een geheel natuurlijke neiging; volharden in de. ure der beproeving wijst den graad aan van onze deugd, geeft waarde aan onze liefde. God wil ons helpen — God kent alle omstandigheden. alle wisselingen van het lijden; Hij kent uit- en inwendig, lichamelijk en zielelijden. — Hij heeft alles geleden — heeft den kelk tot op den bodem geledigd. — Hij verhoort ons, wanneer wij Hem iets verzoeken, en in Hem zijn wij sterk. Ik vermag alles in Hem, die mij versterkt. (H. Paulus.) In de openbaringen der H. Gertrudis vinden wij de volgende troostvolle woorden van den Heer; „Het vaste vertrouwen van eene ziel, die gelooft, dat Ik al hare behoeften ken, eu den wil en de macht heb haar te helpen, oefent zulk een onweerstaanbaren invloed uit op Mijn Hart, dat Ik Mij gedrongen gevoel haar bij te staan.'-
Wees niet bevreesd, geen Gebed blijft onverhoord.
J^en heeft dikwijls gevraagd, of het den zieke past en of het zelfs niet een plicht voor hem is, alles te doen, wat onder zijn bereik ligt, om zijne genezing te bevorderen. Ik meen met zekerheid „jaquot; te moeten zeggen. De gezondheid is na het leven het grootste en heerlijkste aardsche goed. en om dat te verkrijgen, mogen wij zeker alles in het werk stellen. Wanneer de naastbijzijnde geneeskundige hulp ons herstel niet bewerkt heeft, staan ons nog altijd bovennatuurlijke middelen en wegen ten dienste, en zoolang die niet bijgeloovig of onbillijk zijn, mogen ze zeker aangewend worden. Onze goede Heiland heeft
-gt;*? 42
in Zijn aardschen levensloop aan veel arme zieken de gezondheid wedergegeven; juist in dit opzicht heeft Hij groote wonderen gedaan, en deze kracht ook aan Zijne apostelen geschonken. Hoe vele wonderen zijn sedert reeds geschied door de hulp der H. Moeder Gods, Maria, door de lieve heiligen en hunne reli-quieën, en door hunne voorspraak tijdens verschillende bedevaarten! Waarom zou het dan onbillijk zijn, dat een zieke verlichting en genezing zoekt, en dat hij, na alle menschelijke hulpmiddelen tevergeefs beproefd te hebben, ook tot de hemelsche zijne toevlucht neemt, dat hij de H. Moeder Gods en de lieve heiligen met innig vertrouwen aanroept, om hem te helpen, dat hij zich op deze of gene wijze door eene belofte verbindt, en langs dezen weg zijne genezing tracht te verkrijgen? Dat hij doe, zooals zijn hart hem ingeeft, dat hij om genezing bidde, dat hij be-love zijne herkregene gezondheid tot Gods eere aan te wenden? — Slechts dit eene vergete hij niet: „Doch niet mijn wil, o God, maar Uw wil geschiede!quot; Dit moet de grondslag zijn van ieder gebed, want zonder dat is liet den Heere niet welgevallig. Hebben wij met een vast vertrouwen gebeden, alle mogelijke beloften gedaan, en de hulp der lieve Heiligen ingeroepen, zonder te genezen; hebben daarbij ook veel vrome zielen met dezelfde bedoelingen met ons gebeden, zonder dat deze gebeden verhoord worden, — dan moeten wij niet wanhopen of treurig worden.
Wij moeten stellig aannemen, dat geen „Onze Vaderquot; verloren gaat, en geen goed gebed tevergeefs gebeden wordt.
Worden wij niet verhoord, zooals wij het verwacht hadden, dan zal ons bidden ons op een andere manier helpen, misschien nog beter en voordeeliger. Ook moeten wij ons niet laten misleiden, door de meermalen opgedane ondervinding, dat veel anders geschiedt, dan wij het gewenscht hadden, dat zelfs
-gt;8 43 Ex-
juist liet tegenovergestelde gebeurt, en er niets toegestaan ■wordt van alles, wat wij gevraagd hebben.. Dit zijn de ondoorgrondelijke geheimen der Goddelijke liefde, die ons somtijds nog in deze, maar meestal slechts in de andere wereld duidelijk en begrijpelijk worden. Toch ben ik stellig overtuigd, dat ieder gebed van eene godvruchtige ziel zegen brengt ; evenzoo houd ik het gebed van onschuldige kinderen en de voorspraak der armen voor bepaald onmisbaar.
Worden deze echter, hoe vurig ook, niet naar wensch verhoord, dan mag men zeker aannemen, dat God iets beters en doelmatigers zal schenken, en slechts daarom weigert ons verzoek in te willigen. Het zal niet vermetel schijnen, wanneer ik beweer overtuigd te zijn, dat de menigvuldige gebeden voor mijne genezing, die door vrome priesters, onschuldige kinderen, getrouwe vrienden, dankbare en edele zielen van alle standen gedurende de reeks van jaren mijner ziekte naar den hemel zijn opgezonden, niet tevergeefs waren.
Zelfs geloof ik het naast God alleen aan deze-gebeden te danken te hebben, dat ik niet alleen met geduld en onderwerping, maar ook met een opgeruimd gemoed en gaarne geleden, en daardoor veel troost, veel vreugde en zaligheid ondervonden heb. waarvan gezonde menschen zich geen denkbeeld kunnen vormen. God verhoorde wel niet de gebeden van hen, die mijne genezing afsmeekten, maar van den anderen kant, maakte Hij mij het kruis licht en het lijden zoet. Dit zal ook een ieder ondervinden, die met vertrouwen zijne toevlucht tot Hem neemt.
-gt;*§ 44 §•lt;-
Ik geloof, o mijn God, dat, wanneer ik niet onder-quot;\verping lijd, het lijden van Christus in mij geopenbaard Avordt.
Ik geloof, dat alle schepselen dezer aarde, die onder de gevolgen der erfzonde zuchten, den dag der openbaring van Grod verwachten.
Ik geloof, dat wij hier geen duurzame woonplaats hebben, maar in de toekomst eene andere moeten verwachten.
Ik geloof, dat voor hen, die God liefhebben, alles ten beste zal gedijen.
Ik geloof, dat zij, die in tranen zaaien, in vreugde zullen maaien.
Ik geloof, dat zij, die in den Heer sterven, zalig worden.
Ik geloof, dat onze bezoekingen ons tot de eeuwige glorie zullen brengen, want wij haken naar het onzichtbare en niet naar het zichtbare, daar dit vergankelijk, het andere echter onvergankelijk is.
Ik geloof, dat het stoffelijk lichaam tot onvergankelijkheid zal overgaan, en dat ons aardsche omhulsel zich in onsterfelijkheid kleeden zal, wanneer •de dood vernietigd is door de overwinning des geloofs.
Ik geloof, dat God iederen traan der rechtvaardigen zal drogen, dat er noch dood, noch droefheid, noch verzuchting zal zijn, en dat hunne smarten een ■einde zullen nemen, daar alles in deze wereld vergankelijk is.
Ik geloof, dat wij God van aangezicht tot aangezicht zullen zien.
-gt;*? 45 ?*lt;-Ziek, en zonder Kerk!
Dat is waarlijk niet liet kleinste offer van eene ziel, die God lief lieeft, en gewoon was Hem meermalen in het tabernakel te begroeten, en zich bij den openbaren godsdienst met de aandachtige gemeente te vereenigen.
In de kerk vinden wij alles, wat ons tot godsdienstige gedachten kan opwekken. Het oog ontwaart slechts godsdienstige voorwerpen, die betrekking hebben op God en Zijne Heiligen, het orgel, het gezang, de koormuziek, zelfs het gemeenschappelijke, luide gebed wekt den godsdienstzin. Wel worden wij door deze of gene voorbijgaande gedachten verstrooid ; dat heeft overal en altijd, dus ook in de kerk plaats, doch dan staan ons daar zeer veel middelen ten dienste om deze verstrooiing tegen te gaan. Hoe verheven is ook het gelui der klokken! Nu ernstig en plechtig, dan vroolijk en jubelend verheft haar toon zich hemelwaarts! Hoe krachtig trekken ze een vroom hart tot God, naar Zijn huis, naar Zijnen tempel! Ach, met hoeveel verlangen heb ik in al de jaren mijner ziekte gewenscht slechts zoo dikwijls naar de kerk te kunnen gaan, als trage onverschillige Christenen, die door de klokken bijna verdoofd worden, dien plicht veronachtzamen; om slechts zoo dikwijls de H. Mis bij te wonen, als anderen zulks verzuimen. ofschoon zij zoo goed in de gelegenheid zijn ze bij te wonen. Het is moeielijk te huis aandachtig te bidden, zeer moeielijk zelfs, vooral wanneer men zich niet in een stil vertrek kan afzonderen.
Onze aandacht wordt reeds gestoord, omdat wij in onze dagelijksche omgeving moeten bidden, en wijl wij door de inrichting van onze kamer, de bezigheden en de bedrijvigheid van onze onderhoorigen onmogelijk kunnen vergeten, waar wij zijn. In dit opzicht stellen ook de ons omringende personen ons-
A
geduld dikwijls op de zwaarste proef. Meer uit gewoonte, dan met een kwade bedoeling, komen zij, terwijl wij bidden, met al hunne vragen, voorstellen en wenschen bij ons aan bed, en bespreken luide en ongehinderd in onze onmiddellijke nabijheid hunne verschillende belangen en aangelegenheden, en meenen al spoedig, dat de zieke later nog tijd genoeg heeft om te bidden.
De H. Johanna van Chantal moest dikwijls hare huiselijke Godsdienstplichten onderbreken, om de roepstem te volgen van haren gemaal, die hare tegenwoordigheid verlangde; „daarna,quot; zoo verhalen hare biografen, „hervatte zij steeds kalm en bedaard haar gebed, zonder de geringste ontevredenheid te toonen. Ook wij moeten dit voorbeeld volgen. Onze huiselijke gevangenschap is een groote hinderpaal voor onze volmaaktheid, een groote beproeving voor onze vroomheid. Het moet ons daar vooral duidelijk worden, dat het een groot offer is, onder zulke om-standigheden goed te bidden. Hoe grooter echter het offer, des te rijker ook onze verdienste.
Laten wij doen zoo veel in ons vermogen is. Dat het diepste onzer ziel een bidvertrek zij, waarin wij ons zoo dikwijls mogelijk terug trekken. Bidden wij vurig en aandachtig!
Laten wij de moeielijkheden en verstrooiingen, als offer aan de voeten van onzen lieven Heiland nederleggen! Wanneer wij ons beijveren om goed te bidden, dan zal God dat gebed even goedgunstig verhoeren, alsof wij ons in de kerk rustig en ongestoord met Hem onderhielden.
Hij ziet op het hart — op den goeden wil, en vergoedt het ontbrekende met Zijne toegevende liefde. Zonder twijfel kan men beter bidden in de kerk, waar de ziel door niets profaans wordt gestoord.
Wij mogen en moeten ons zeker troosten met de gedachte, dat een gebed, hetwelk wij met moeite
-gt;*§ 47 S»lt;-
verrichten, misschien daarom juist meer verdienste voor God zal hebben, dan een gebed, uitgesproken met zoetheid en vurigen liefdegloed, zonder eenige stoornis. Wij moeten gelooven, dat het verlangen naar de kerk meer waarde heeft, dan een bezoek, dat enkel uit plicht o.' gewoonte wordt afgelegd. God verlangt deze ontbering van ons, en daartegen mogen wij ons niet verzetten. Onze huiselijke godsvrucht kan waarlijk verzoet worden, wanneer wij ons gewennen, voortdurend met onze kerk voort te leven, ü, welke vreugde, welke afwisseling, welke zoetheid ondervindt het geloovige hart, als het omtrent Kerstmis de heilige Kindsheid van Jezus en Zijn groot verlossingswerk overweegt, wanneer de weder ontwakende natuur aan de opstanding des Heeren en de zomerwarmte omtrent Pinksteren ons de werkingen van den Heiligen Greest in de harten der geloovigen herinnert; als de christelijke liefde zich verheugt in de glorie der Heiligen en ons dan naar de graven onzer dierbare afgestorvenen geleidt ; wanneer tusschen deze groote feestdagen der katholieke Kerk, al die kleine feesten der Heiligen glansen, evenals de sterren, die voortdurend haren loop om de zon volbrengen! Wat al troost en onderrichting, wat al opwekking en verkwikking verschaft dat ons! Het leven onzer H. Kerk is een eeuwigdurende, frissche bron van genade, die nooit uitdroogt en allen laaft en verkwikt, die bij haar komen om zich te verfrisschen.
J|l schijnt mijn blik u blij en hel, Toch kan n die misleiden.
Want 't ziekbed is geen kinderspel. Men smaakt geen vreugde in 't lijden.
Het wil de zinlijke natuur Des menschen niet behagen,
Zoo dag aan dag, des levens zuur. Het zware kruis te dragen.
Terwijl de glimlach u verblijdt.
Moet ik de nachtrust derven.
Ik moet in treurige eenzaamheid, Met tranen dien verwerven.
Sprak God niet dikwijls tot mijn hart Een woord van troost in 't strijden. Wellicht was ik vergaan van smart. Van wee en bitter lijden.
Sprong niet een bron, zeer rein en klaar Uit Zijne heiige wonden.
En werd daar niet zeer wonderbaar Den troost voor smart gevonden!
Bij 't rijzen van het morgenrood Snel 'k naar die bron des levens En put daar hulp in mijnen nood En kracht voor 't lijden tevens.
Dan stort ik in dien heilgen vloed Mijn lieven en mijn leven.
Zoo wordt mij weer vernieuwde moed Voor iedren dag gegeven.
Wees Liefderijk jegens uwe Verplegers!
JJet is zeer begrijpelijk, dat voortdurend lijden ons verbittert en vaak zeer prikkelbaar maakt. Een luid gesproken woord of een schelle stem in onze nabijheid is voldoende, om ons namelooze kwelling te
—gt;*S 49 S-:-
veroorzaken. Toch moeten wij als leerlingen van liet Kruis, toegevendheid en vriendelijkheid jegens onze omgeving en vooral jegens onze verplegers in beoefening brengen.
Niet alle zieken zijn zoo gelukkig, goede verplegers te hunnen dienste te hebben. Ook is het allen menschen niet gegeven, uitstekend te kunnen verplegen. Tot de verzorging van zieken wordt liefde, oneindig veel liefde vereischt. Daarom ook is de moeder de beste en natuurlijkste ziekenverpleegster. De verpleging vordert geduld en zelfverloochening, ook een vlug begrip en dien natuurlijken takt, die niet wacht tot men wat verlangt, maar zelf weet te raden, wat de zieke noodig heeft; tot de verzorging behoort ook een zekere ongedwongenheid in de bewegingen, een welwillende omgang en een vaste hand, die alles behendig weet aan te vatten. Ook eischt zij een opgeruimde gemoedsgesteldheid, kalmte zonder verveling, deelneming zonder hartstocht, en die offervaardigheid, welke geen afkeer of wrevel kent, en zoo wel de moeielijkste als de geringste diensten met welwillendheid en vriendelijkheid verleent. Hoe moeielijk is dat alles echter in eenen persoon vereenigd te vinden.
Wij verlangen dan ook niet het allerbeste, maar willen ons reeds met wat minder vergenoegen, en dankbaar zijn jegens hen, die ons als verplegers gegeven zijn. Wanneer wij weten, dat men ons uit liefde verzorgt, dan is dit veel waard, want de liefde vergoedt alles. Met onze nederigheid moeten wij hun te gemoet komen. Indien wij altijd deze deugd beoefenden, zouden wij weldra tot de overtuiging komen, dat wij eigenlijk geene bijzondere oplettendheid verdienen, en dat wij tevreden zouden moeten zijn, indien men ons hulpeloos liet liggen; zelfs dan zouden wij niet mogen morren. Wij verdienen ze misschien veel minder, dan andere arme zieken, die eenzaam en verlaten, zelfs het noodzakelijke moeten ontberen, en daaren-
Kruisbloemen. 4
hoven op een harde legerstede in eene ellendige woning hun bestaan rekken. Waarom moeten wij het dan beter hebben dan zij ? Waarom willen wij lederen wensch vervuld zien, terwijl anderen alles moeten derven? Wat had Jezus zelf tot legerstede? Waarop rustte dat schoone, maagdelijke lichaam, dat geheel niet wonden overdekt was? Wie ondersteunde dat beminnelijke hoofd? Wie verfrischte dat door doodelijke zwakte verbleekte aangezicht? Wie bevochtigde die droge, door koortsgloed verzengde lippen? Wie verbond die gapende wonden? Wat verdiende Hij en wat ontving Hij? Sedert ik mijn gewonden Jezus gezien heb,quot; roept de H. Bernardus uit, „kan ik niet meer zonder wonden leven !quot; En gij kunt uwen gewonden Jezus zien en nog klagen? Wees dankbaar jegens iedere hand, die zich uitstrekt, om u te helpen, en al was zij nog zoo onhandig, en al schudde zij de kussens nog zoo slecht — wees dankbaar en geduldig! Begin met u te overtuigen van den goeden wil bij allen, die bereid zijn, u bij te staan. Gewen u met alles tevreden te zijn, en te zwijgen, wanneer iets verkeerd wordt gedaan. Dat is groote verdienste, heilisi'e, verborgen verdienste, als niemand er van weet, en men meent dat gij goed verzorgd wordt, en niet denkt, dat gij u in zelfverloochening oefent. Door zoo geduldig te zijn, maakt gij veel goed, wat uwen verpleger aan geschiktheid ontbreekt, eu uv* oifer blijft toch niet onbeloond. Het menschelijk verstand gebiedt ons reeds, niet vijandig gezind te zijn tegen hen, die ons eenen dienst bewijzen. Hoe vriendelijker. hoe dankbaarder wij zijn voor alles, wat men voor ons doet, des de beter zal men op ons letten, des te liever ons helpen. Wij moeten het onzen goeden verplegers dikwijls herhalen, dat zij zich een plaats in den hemel bereiden door den last, dien wij hun veroorzaken, en dat God hen eens zal beloonen voor lederen liefdedienst, voor lederen dronk water
—, 51
en voor ieder werk van barmhartigheid. Zij zouden geen menschen moeten zijn. indien zij deze loftuitingen niet gaarne hoorden, en daardoor verlichten wij hunnen last. Waar vindt men een menschenhart, dat niet gevoelig is voor dankbaarheid, niet toegankelijk voor rechtmatig verdiende erkentelijkheid? Nu spreek ik echter slechts van welgezinde verplegers. Er zijn ook ziekenverplegers, die noch liefde voor den zieke hebben, noch verstand om met hen om te gaan ; die hen als een onclraaglijken last beschouwen, en slechts gedwongen|doen, wat zij te verrichten hebben. Ook jegens hen moeten wij vriendelijk wezen. De onvriendelijkheid is niets anders dan olie in het vuur werpen. Niet zelden overwint men door zachtmoedige liefde den afkeer, en verandert ongeduld en onverschilligheid in het tegenovergestelde. Misschien blijkt de toestand dan ook slechts voorbijgaande. God laat Zijne zieke kinderen niet meer lijden, dan zij verdragen kunnen. Hij beproeft somtijds, maar helpt ook weder, vooral, wanneer wij Zijne hulp dringend noodig hebben. De wijze Bestuurder aller harten neemt ook de menschen en omstandigheden der ziekenkamer onder Zijne hoede; en eveu als buiten Zijn wil geen muschje van het dak en geen haar van ons hoofd valt, zoo waakt ook Zijn oog over ons. Zijne zieke kinderen, en laat ons niets overkomen, wat ons ernstig kan benadeelen. De woorden: „Ik draag ii, in Mijne handen geschrevenquot; hebben mij van jongs af een onbeschrijfelijken troost geschonken, en mij steeds doen vertrouwen, dat ik goed geborgen ben, zoolang mijn Heiland mij steunt.
T
4
-gt;*3 52 is^-
Wees Vriendelijk jegens hen, die u bezoeken.
J£r ziju vele menschen, die sclirikken zieken te bezoeken. Vreezen zij voor de besmetting, hebben zij een afkeer van de slechte lucht of angst iets te zien of te hooren, wat hun zenuwen aandoet? Dit alles kan een bijkomende reden zijn, de hoofdoorzaak moet in iets anders gezocht worden. Zij zijn namelijk beducht voor een ontevreden gezicht, voor klachten en tranen, overmatig gejammer, onaangename opmerkingen, in een woord, zij zijn bevreesd onvriendelijk bejegend te worden. Wij zieken hebben in dit opzicht wel eenigszins een slechten naam. Deze vrees van anderen strekt ons tegelijkertijd tot eene goede les. Indien wij verlangen, dat men ons gaarne bezoekt, dan moeten wij voorkomend zijn; wij mogen niet jammeren of anderen met onze klachten lastig vallen. Zeker zijn er vele goede menschen, die een zachtmoedig en gevoelig hart bezitten; deze vinden het vergeeflijk, ja zelfs natuurlijk, in de ziekenkamer een ongeduldig gemoed aan te treffen, daarom ook verschoonen zij de prikkelbaarheid van onzen toestand. Zouden wij echter hun geduld en hunne toegevendheid te dikwijls op de proef stellen, dan zou immers het beste hart, dat gedurig geklaag gaan vervelen en eindigen met zich niet meer in de ziekenkamer te vertoonen. Het is zeer natuurlijk, dat het medelijden vermindert, naarmate de misnoegdheid en de klachten de bovenhand krijgen. Daarom moeten wij zeer op onze hoede zijn. Wanneer reeds de godsdienst ons verbiedt, ons tegen Gods wil te verzetten, — want de goddelijke wetten zijn even goed gemaakt en bedoeld voor de zieken als voor de gezonden -dan moet nog meer ons eigen verstand ons nopen, dankbaar te zijn voor ieder vriendschapsbewijs. Wij mogen niet uit het oog' verliezen, dat het voor
-gt;4 53 Sc
anderen een offer is ons te bezoeken, en van den beginne af stellig overtuigd zijn, dat daardoor ons eene weldaad of dienst bewezen wordt, en niet dengenen, die komen, om ons te verzorgen. Met zieken omgaan is in alle opzichten een opoffering, die naaide omstandigheden meer of minder groot is. Het verblijf in de ziekenkamer valt niet in ieders smaak. Het past ons dus niet, ons spoedig geraakt te gevoelen; integendeel, wij moeten ons veeleer dankbaar betoonen jegens hen, die geen afkeer van ons hebben. Wanneer zich iemand bij mooi weder eene wandeling ontzegt, om zich een uurtje met ons te onderhouden, of in storm en regen bij ons komt, en ons hulp en bijstand verleent; indien hij uit liefde bij ons waakt of zijn best doet, om onze treurige gedachten door een vroolijk gesprek te doen verdwijnen, vooral wanneer hij ons een gemoedelijk woord toespreekt, ons troost en opwekt, of wel uit een goed boek iets voorleest, moeten wij dan dat liefdewerk niet hoogwaardeeren? Het is schandelijk en zelfzuchtig, indien zieken alleen aan zich zelf denken; zij moeten evengoed als de gezonden den plicht van naastenliefde betrachten. Wij moeten niet denken, dat de ziekte ons een zeker voorrecht geeft, om anderen niet te verschoonen, of ze te kwellen ter wille van onzen lijdenden toestand. Integendeel, wij moeten met de meeste liefde onze smarten op den achtergrond stellen, en zooveel mogelijk zelfverloochening oefenen, opdat ons niemand van onrechtvaardigheid beschuldige. Wij moeten alleen dan van ons zelve spreken, wanneer men ons ondervraagt, en nooit onze vrienden met onze klachten lastig vallen. Zijn wij gelukkig genoeg, bezocht te worden door menschen, die ons onmiddellijk op God wijzen, of die trachten onzen lijdensmoed te versterken; dan hebben wij groote reden tot innige dankbaarheid. Zulke bezoeken zijn gelukkige oogenblikken, die God ons ter vertroosting toezendt; om hunnentwil moeten
wij dan ook bij eene andere gelegenheid gaarne een minder aangenaam bezoek voor lief nemen, en verdragen zonder in eene slechte luim te geraken. \\ ie weet of ons voorbeeld niet een goeden invloed op den een of anderen kan uitoefenen? Daarom ook moeten wij onze bezoekers met voorkomendheid bejegenen. Wilden wij ons gewennen in ieder hunner den lieven Heiland te zien. die aan ons bed komt, of hem ten minste beschouwen, als een afgezant Zijner ontfermende liefde, dan, beminde zieke, zou het niet moeielijk zijn, hen allen welwillend te ontvangen.
Bemin zelf, opdat men ook u Beminne.
Liefde vraagt wederliefde! zegt een oud spreekwoord, en een bijzonder schoon gedicht vangt aan met de woorden: 0, heb lief, zoolang gij liefhebben kunt!
Misschien heeft niemand zoozeer behoefte aan liefde als juist de zieke.
De liefde is, om zoo te zeggen, zijn zonneschijn, zonder welken hij verkleumt, zich ongelukkig en onbehaaglijk gevoelt, en zonder welken hij bijna niet leven kan. Dat niemand zegge: „Ik bekommer mij niet over de genegenheid der menschen; het is mij om 't even, of men mij lief heeft of niet-' — met die bewering zegt hij eene onwaarheid, want in ieder menschenhart ligt het verlangen naar lietde verborgen.
Op den zieke vooral moet het een weldadigen invloed uitoefenen, wanneer hij gevoelt, dat een hart met wederliefde voor hem vervuld is, wanneer iemand hem begrijpt, zijne smart gevoelt, en hem oprecht beterschap toewenscht.
Verandert het medelijden, dat ieder goed mensch naar liet ziekbed van zijn naaste voert, in hartelijke genegenheid, dan mogen luimen, bittere ■woorden noch onhartelijkheid hem afschrikken.
Het is eigenlijk onnoodig te zeggen, dat er zeer veel afhangt van de manier, waarop de zieke zich voordoet. Hij mag niets doen of zeggen, wat den gezonden menschen afkeer kan inboezemen; hij mag niet te veel of te dringend van zijn lijden spreken. Ook moet hij de grootste zindelijkheid aan den dag leggen, niet alleen in kleeding, maar in zijn geheele omgeving, en moet niet slechts ter wille van zich zelf, maar ook van anderen, zorgvuldig voor zuivere lucht zorg dragen. Dit alles kan hen het bezoek gezellig en gewenscht, het tegenovergestelde ook onaangenaam of hinderlijk maken.
Het moet geen al te groot offer zijn, u te bezoeken.
Verwerf u liefde! Wees niet onverschillig!
In eenzame uren moet gij een kleinen voorraad opdoen van lieftallige eigenschappen, en wanneer gij bezoek ontvangt, steeds een vriendelijk gezicht, uw beste luim en de meest opvroolijkende woorden te hulp roepen. Dit moet geen schijnheiligheid zijn, of zucht om anderen te behagen, maar de oprechte wensch om bemind te worden. Heb lief, en het zal u gemakkelijk vallen liefde te verwerven. Het moet een genot zijn u te bezoeken, niet een onaangenaam werk, dat moet gedaan of een plicht, die moet vervuld worden. Men moet u waardeeren, als ook uw woord en glimlach, uw lieftalligheid en onderhoud.
Uw dood moet een gevoelige leegte achterlaten in den kring uwer omgeving, dan zult gij ook niet vergeten worden in't gebed. Denk daar dikwijls aan! Verzoek dengenen, die bij u komen, dat zij voor u bidden, en smeek hen uwer indachtig te zijn na uwen dood. Tracht zooveel mogelijk harten te winnen, die zich
ófi 8*lt;-
tot God zullen wenden, om Zijne ontferming over u af te smeeken. Heeft men u lief, dan zal men u ook zoo spoedig niet vergeten. Godvruchtige voorspraak door gebed heeft veel waarde, beoefen dus daarom steeds persoonlijke zelfbeheersching.
Kent gij hem! Moet ik hem u noemen, dien vijand, die u uwe ziekenkamer tot een kerker, en uw leven tot een hel maakt? Hij zetelt in uw hart, het is uw eigen ik, het egoïsme of de zelfzucht. Dat moet vooral ter zijde gesteld worden, wanneer gij uw leven draaglijk wilt maken, en niet wilt vervallen tot moedeloosheid, die anders gemakkelijk een zekere macht O]) u zou uitoefenen. De zelfzucht ligt als 't ware in de natuur van den zieke.
Zijn niet de meeste zieke kinderen verwend en eigenzinnig? Spreekt men niet van de luimen der zieken, waarmede men rekening te houden heeft; en ligt het niet voor de hand, dat men met zich zelf medelijden heeft, en op grond daarvan, aanspraak maakt op eenige voorrechten? Een Engelsch sclirijver zegt: „In den grond is het natuurlijk, dat alle zieken zelfzuchtig zijn. want lijden en smarten zijn onafscheidelijk aan het eigen ilc verbonden. Wanneer een zieke, in weerwil van deze eigenaardigheid, zijne omgeving met zachtmoedige liefde en welwillende toegevendheid te gemoet komt, en voortdurend dezen stelregel in !t oog houdt, dan moet hij over vele edele grondbeginselen te beschikken hebben.quot; In deze uitspraak ligt even veel geest als waarheid. Een edelmoedige inborst, gepaard aan goedhartigheid, is een genees-
-*•quot;? 57
middel tegen het egoïsme en zijne treurige gevolgen. De zieke moet zorgen, dat hij niet een nog ergere ziekte bij de zijne voege, maar moedig het eigen /Je bestrijden. Zoolang dat niet overwonnen is, zal hij zich steeds ongelukkig gevoelen, en daarom ook zou ik iedereen met de innigste overtuiging willen toeroepen: Vernietig u zeiven, dan wordt u het leven draaglijk en gij zult u in de ziekenkamer tevreden gevoelen. Men moet zich in uwe nabijheid verheugen; uw omgang moet niemand last veroorzaken, uw lijden niemand hinderen; men moet vergeten, dat men aan een ziekbed is, en er niet gestadig door klachten aan herinnerd worden. Dit is voor den zieke een offer, dikwijls grooter dan men zelf denkt, of anderen begrijpen kunnen; maar wat is dan ook het kruis zonder offer! Hoe zou de vooruitgang in het geestelijk leven of het bestaan van den Christen denkbaar zijn zonder offer? Ondanks alle liefde is de zieke altijd een belemmering in het huisgezin.
Hij heeft van alles noodig, is hulpbehoevend, somtijds onbeweeglijk en moet voor verscheidene zaken vaak de hulp van een derden persoon inroepen. Men mag hem niet ergeren of boos maken, men kan hem niet lang alleen laten, daar hij dan geheel zonder verzorging zou zijn. Dokter, apotheker en geneesmiddelen zijn onvermijdelijke, kostbare benoodigdheden, die men hem niet onthouden kan. Schreeuwende kinderen, muziek, zelfs krakende deuren en luide voetstappen kunnen den zieke zeer hinderlijk zijn. Wanneer zijne omgeving op dit alles en nog meer bedacht is, dan is dit zeer veel, en de zieke moet dit nimmer uit het oog verliezen. Hij moet bedenken, dat niet hij alleen een offer brengt, maar dat hem ook menig offer gebracht wordt, en wanneer men hem niet verantwoordelijk kan stellen voor zijnen lijdenden toestand, dan geldt dit ook voor de anderen; zij hebben geen schuld aan zijn lijden, terwijl het
t
.
voor gezonde inensGlieii zeer ui oei el ijk is, zich in den toestand van den zieke te verplaatsen.
Ten gevolge daarvan zegt ons reeds liet gezond verstand, dat wij voor alles, wat men voor ons doet, dankbaar moeten zijn, en liet volstrekt niet moeten liescliouwen, alsot liet zoo behoort, want wij zouden ons toch bepaald diep ongelukkig gevoelen, wanneer men ons opeens alle zorgen en diensten wilde onthouden, die ons ziekbed als een gewoonte, die vanzelf spreekt, omringen.
Wij moeten in onze Ziekte goedhartig jegens andere Zieken zijn.
Het is allen inenschen niet gegeven, moedig en kalm te lijden. Zij echter, die een afkeer hebben van nuttelooze klachten en droevig gekerm, en het zoo ver brengen geduldig te lijden, wat geleden moet worden, zullen allicht tegenover hunne lijdende mede-inenschen, die minder moedig zijn, dan zij, ongeduldig worden en hunne jammerklachten, óf met koude onverschilligheid, óf met grievenden spot beantwoorden. Deze handelwijze, die meer voorkomt dan men denkt, is een gevaarlijke klip, waarop de Christelijke liefde zeer gemakkelijk schipbreuk lijdt.
Zij is het natuurlijk gevolg der ijdelheid en ingenomenheid met zich zeiven, en heeft haren oorsprong in het egoisme, in de zelfzucht. ^ ij moeten, wanneer wij als oprechte leerlingen van den Gekruiste Hem willen navolgen, altijd nederig en liefderijk zijn.
Misschien heeft men onzen heldenmoed reeds te dikwijls geprezen, of ons geduldig lijden zoolang tot een voorwerp van algemeene bewondering gemaakt,
-gt;■*§ 59 Sx-
tot wij ten laatste een te groot denkbeeld van ons zelf en van onze oefening in liet lijden opvatten.
Zoodra het voorbeeldig geduld van eenen lotgenoot en zijn lijden worden aangehaald, zoodra wij hooren, dat hij met deelneming en medelijden bejegend wordt, sluipt ongemerkt eene kleine slang, ijverzucht genaamd, in ons hart, doet het zeer pijnlijk aan en wekt smartelijke aandoeningen in ons op. Waarom toch zoo veel ophef daarvan gemaakt, lispelt zij, waarom al dat medelijden, al dat gejammer, alsof ook wij niet juist hetzelfde, maar nog veel meer en veel langer lijden? Bij een andere gelegenheid verhaalt ons die boosaardige slang, dat zij, die pas sedert eenige weken te bed liggen, zich reeds zoo troosteloos aanstellen, omdat de duur hunner ziekte hun reeds een eeuwigheid toeschijnt. Wat moeten wij dan in vergelijking met hen zeggen, wij, die ons ziekbed reeds bij jaren tellen, en geen hooi) hebben, ooit weer van dat 'zware kruis ontslagen te worden, of ooit weer te genezen? Bij zulke vergelijkingen blinken de dappere, moedige leerlingen van het kruis het meest uit; desniettemin moeten hoogmoed en verwaandheid hun vreemd blijven. Als trouwe navolgers van den Heer, moeten wij ons nooit met zelfvoldoening boven onze medemenschen verheffen, hen niet met eenig verwijt lastig vallen. Na rijpe overweging moeten wij eenvoudig bekennen, dat zij, die voor iedere kleinigheid troost en hulp in het medelijden van anderen zoeken, meestal nog nieuwelingen zijn in de leerschool des lijdens, waarin, zooals overal, oefening de hoofdzaak is, en waarin wij reeds jaren geleerd hebben. Verder schenkt de goede God geduld naar de grootte en zwaarte van het kruis. Ook ons zou het niet gegeven zijn, altijd geduld te oefenen, wanneer Hij niet hielp, of ons Zijne genade onttrok. Wie weet hoe ver zich dan onze zoozeer geroemde heldenmoed zou uitstrekken? Uit het voorbeeld van
—gt;•§ GU
clie klagende zieken zou ons spoedig- blijken, hoe gemakkelijk zij lastig worden voor hunne onderhoorigen, die met eene edele gemoedsstemming bezield zijn, en ^vilden wij hun voorbeeld volgen, clan zou het ons zeker niet beter gaan. Zieken, wier lijden slechts van voorbijgaanden aard is, mag en zal men veel spoediger een onvriendelijke luim vergeven, want de overgang van het gezonde, vroolijke leven naar de ziekenkamer is zeer moeielijk; met het begin der genezing keert de moed vanzelf terug, en weldra zijn de moedelooze tijden vergeten. Dit is echter niet het geval met zieken, die voortdurend lijden. Jaar in jaar uit te bed liggende, hebben wij voor iederen dag nieuwe liefde, nieuwe toegevendheid en nieuw geduld noodig. Juist om deze reden, moeten wij bijzonder voorkomend en toegevend zijn, opdat wij anderen niet tot last worden, en men ons niet als een overbodig huiskruis beschouwe. Eindelijk past het ons het best, medelijden en barmhartigheid te toonen jegens alle lijdende medemenschen. Al kost het ook een kleine overwinning op onze eigenliefde en komt ons de eene of andere klacht of smartelijke aandoening wat overdreven voor, wij willen het aan God overlaten, de waarde van het lijden en de verdiensten van de lijdenden te bepalen, maar voor ons de gelegenheid niet laten voorbijgaan, om zachtmoedige toegevendheid aan den dag te leggen, en daarbij eene overwinning op ons zelve te behalen.
In ieder geval winnen wij door hartelijke deelneming de toegenegenheid onzer medemenschen, terwijl stroefheid of koude onverschilligheid ons van hen vervreemdt.
Hebben wij het met de genade Gods zoo ver gebracht, kalm en gelaten het ons opgelegde kruis te dragen, en toonen wij daarbij den heldenmoed te bezitten, om ons en onze eigenliefde te overwinnen, trachten wij de hartelijke liefde en het vertrouwen van onze
-xS 61 ^
lijdende medemenschen te verwerven door goedhartige deelneming, dan zijn wij door die overeenstemming in de voetstappen van den Goddelijken Meester getreden, en misschien juist daardoor geschikt, ook anderen in de ware onderwerping te onderwijzen.
Wees Gehoorzaam aan den Dokter.
Qeen deugd past den zieke beter dan gewillige gehoorzaamheid. Overtuigd dat allen, die ons omringen, het goed met ons voorhebben, moeten wij ons ook gaarne naar hunnen wil schikken. Op het ziekbed moeten wij leeren ons geduldig te onderwerpen, onzen eigen wil te verzaken en onze wenschen te onderdrukken. Dit heeft echter meer bepaald betrekking op den dokter. Hem moeten wij een zeker gezag over ons laten uitoefenen, van hem moeten wij gaarne raad en terechtwijzing aannemen, hem moeten wij gehoorzamen, in zoover hij iets billijks van ons vordert.
Den dokter moeten wij als onzen weldoener beschouwen, want hij geeft zich moeite om onze smart te lenigen, hij jwil ons helpen, en heeft om onzentwil misschien reeds menig moeielijk uur, menigen slape-loozen nacht doorgebracht. Daarvoor zijn wij hem dank schuldig. Wij moeten hem dus noch door tegenspraak, noch door onvriendelijke bejegening krenken. Eens zeide mij een dokter, dat hij uit het gedrag van zieke kinderen het best kon opmaken, of zij al dan niet goed waren opgevoed. Dit geldt ook voor volwassenen, want onze handelwijs in onze ziekte kenteekent ons karakter. Zouden wij evenals slecht opgevoede kinderen, degenen, die voor onze genezing nf voor de leniging van onze smarten be-
-gt;•§ G2
zorgcl zijn, onverdiend willen grieven ? Zelfs dan, wanneer de pogingen van den dokter zonder goeden uitslag blijven, moeten wij toch niet onbillijkerwijze op hem vertoornd zijn. God gaf aan de natuur de geneesmiddelen, en zendt den dokter om ze te onderzoeken, en nuttig aan te wenden. Hij zal hem het juiste oordeel schenken, om de gepaste middelen te kiezen, die wij noodig hebben. Wil Hij echter dat wij ziek blijven, dan kan geen dokter ter wereld ons van de ziekte bevrijden, en in dergelijke gevallen kunnen wij ons een schoone verdienste verwerven, wanneer wij ons dan toch vriendelijk en dankbaar jegens den dokter betoonen.
Hebben wij de overtuiging, dat hij niets verzuimd, en alles voor ons gedaan heeft, dan heeft hij immers geen schuld. Wij zouden hem tot een God maken, met iets onmogelijks van hem te vergen, hij blijft immers altijd een mensch, die aan dwaling onderworpen is. Om deze reden heb ik het ook volstrekt niet noodig geoordeeld, om in mijne ziekte gedurig van dokter te veranderen. Toonde hij deelneming en verstand, dan trachtte ik in hem een trouwen, hartelijken vriend te verwerven. De vriendschap van den dokter is ook een troost voor den zieke.
Moeielijke operaties, die het leven in gevaar brengen, moeten mijns inziens geheel aan de goedkeuring van den patiënt worden overgelaten. Ik geloof niet, dat wij tegenover iemand, zelfs niet tegenover onze naaste omgeving verplicht zijn, ons aan dergelijke quot;waagstukken te onderwerpen. Het is altijd ons eigen ik, wat wij op het spel zetten, en niets kan ons daartoe dwingen. In zulke gevallen behoeven wij den dokter niet onbepaald te gehoorzamen. Wanneer wij ons echter in een of ander gevaar begeven, moeten wij dit nooit doen, zonder vooraf onze tijdelijke aangelegenheden geregeld, en voor onze ziel gezorgd te hebben. Indien wij het uitei'ste willen
-gt;*è G3 Sx—
Avagen, om door alle mogelijke middelen onze gezondheid terug te bekomen, dan moeten wij oneindig meer het leven en de toekomst van onze ziel op het oog hebben.
Hoe treurig zou het met ons gesteld zijn, indien wij bij slechten afloop het aardsche en het eeuwige leven tegelijk verloren! Eens las ik ergens deze schoone woorden van een zieke: ..Doe met mij wat gij wilt, God heeft mij ter beschikking van den dokter gesteld, opdat ik dezen evenals Hem gehoorzame.quot; Dit is de taal van den vromen, geloovigen zieke. In 't algemeen echter moet de zieke meer dan ieder andere over de grenzen van dit aardsche leven heen in de eeuwigheid blikken. Hij moet de meeste waarde hechten aan zijne ziel, aan haar heil en eeuwig voortbestaan. Daarvoor lijdt hij immers, ligt geduldig dagen lang te bed, en draagt zijn kruis met onderwerping aan Gods wil.
Niemand moet meer dan hij enkel zijn blik op de toekomst, op het hiernamaals, op het betere leven gericht houden. Dit leven, deze wereld biedt ons niets dan kwelling en smarten. Even als in de aarde, die door den ploeg bereid is, moet hij in 't diepste van zijn hart de zaadkorrels van het geduld strooien, doch den oogst met rijpe schooven aan God overlaten; en wel ons, als die rijk en bevredigend is.
Wij moeten den Dokter Dankbaar zijn.
JJet is zeer natuurlijk, dat ongewone en lang aanhoudende toestanden in ziekte en lijden verschillende denkwijzen en meeningen in het leven roepen, waarbij de dokters niet het minst betrokken zijn. Zoo heeft men den dokter, die mij in 't begin van mijn
-gt;•§ 04 S«-
lijden behandelde, herhaaldelijk verweten, dat hij zich onvergeeflijk aan mij bezondigd had, en dat hij de schuld droeg van geheel mijne latere ellende. Alleen uit een menschelijk oogpunt beschouwd, is het misschien niet onbillijk, mij het beklagenswaardig slachtoffer van geneeskundige misgrepen en mislukte proeven te noemen. Niemand kan met zekerheid bepalen wanneer mijn lijden begonnen is, niemand weet of mijne natuur destijds de noodige gesteldheid had, om de vereischte middelen op te nemen, of zij ze niet integendeel hardnekkig tegengewerkt heeft. Niemand kan na verloop van zoovele jaren juist bepalen, wat had moeten gedaan of vermeden worden. Met de reeds bekomen uitkomsten, om liet even of die goed of slecht zijn, kan men wel rekening houden, maar met een nog onopgelost raadsel is dit oneindig moeielijker.
Wanneer ik dikwijls bij den dood van geliefde personen moet vernemen hoe de omstanders eene zekere droevige bevrediging vinden in de veronderstelling, dat de dokter de afgestorvenen slecht behandeld, hunne kwaal niet begrepen, en daardoor hun' dood veroorzaakt heeft, dan doet mij dit steeds smartelijk aan.
Een dergelijk verwijt kan den dokter misschien groote schade veroorzaken, maar kan het een treurig hart troost verschaffen? En wanneer dit het geval niet is, waarom dan met geweld een nieuwe smart ei-bij gevoegd, en zich nog ongelukkiger gemaakt dan men buitendien reeds is? Geen dokter, zelfs niet de bekwaamste, is in staat de Goddelijke Almacht tegen te werken, en het leven, dat volgens Gods H. Wil zijn einde nadert, ook maar met ééne minuut te verlengen. Evenmin is de dokter in staat, met een al-wetenden blik iedere kwaal te doorgronden, elke soort van ziekte op te sporen, of alle kwalen te heelen.
I
-gt;1 Gó S*lt;-
Kon hij dat, clan hield hij op mensch te zijn, en Avare een werktuig, door de Voorzienigheid met goddelijke kracht toegerust. Zoolang hij echter een men-schelijk lichaam heeft, is ook hij, evenals al het menschelijke, aan dwaling en misvatting onderhevig. „iVb» est in medico semper, ut relevetur aeger,quot; ..de genezing hangt niet altijd af van den dokter,quot; zegt Ovidius. Waarom zullen wij dan verbitterd worden, en onzen dokter in verdenking brengen, door te beweren, dat wij zonder de onvergeeflijke misgrepen, die hij begaan heeft, lang genezen waren? Ik kan met volle overtuiging beweren, dat al mijne dokters mij volgens hun beste weten behandeld, en mijne genezing op 't oog gehad hebben. Wanneer de uitkomst niet gunstig en de genezing niet gevolgd is, dan komt geen mijner dokters een verwijt deswegen toe, zij deden allen hun best. Laten wij nimmer met overijling- de beschuldiging werpen op den persoon, die zich moeite geeft, om ons goed te doen; de uitkomst is immers niet in zijne, maar alleen in Gods hand. Bedroeven wij ons niet met zulke onverstandige gedachten; zij zijn niet christelijk en een bewijs van gebrek aan liefde tot God. Wanneer wij kalm en gelaten ons geheel bestaan aan Gods Hand hebben toevertrouwd, dan mogen wij zeker zijn, dat deze trouwe Vaderhand niet ten halve of gebrekkig, maar degelijk en stellig voor ons zorgt. Vertrouwend op Gods macht en goedheid, weten wij, dat Hij den dokter voorlichten, zijne pogingen zegenen en de geneesmiddelen goed kan laten werken, wanneer het Hem goeddunkt. Doet Hij het niet, dan heeft Hij Zijne redenen daarvoor. Zijne eer en verheerlijking kan door mijne genezing bevorderd worden. Indien Hij ze niet bewerkstelligt, weet Hij waarom. Eerst na onzen dood zal ons dat alles duidelijk worden, en ieder „waaromquot; zal zijn antwoord ontvangen. Beminde zieke, beschouw uw geneesheer slechts als het
Kruisbloemen. 5
-gt;-? fiG amp;•lt;-
middel om n te verlichten; misschien ook te helpen; maar wees niet bedroefd, indien met den besten wil het doel niet bereikt wordt, en wees tevreden.
Zoudt gij evenals het onverstandige kind de tafel met een stok willen slaan, omdat gij u aan de punt gestooten hebt? Zoudt gij voor die lange ongeneeslijke ziekte, uwen dokter verantwoordelijk willen stellen, die slechts in zoover hulp aanbracht, als God hem dit toestaat?
Neem nimmer tot Wonderdokters of bijgeloovige hulpmiddelen uwe toevlucht.
Niet alleen het gezond verstand, ook ons heilig geloof, onze katholieke Kerk verbiedt ons in ziekte en lijden onze toevlucht te nemen tot waarzeggers, wonderdokters of geheimzinnige personen, die noch bevoegd, noch in staat zijn ons werkelijk te helpen.
Wij moeten weerstand bieden aan die verlokkingen, en vooral geen gehoor daaraan geven. Hij het begin van iedere ziekte moet het elkeen duidelijk zijn, dat het voor menschen, zonder eenige studie, zonder eenige voorafgaande vorming, geheel onmogelijk is, eene ziekte beter en omzichtiger te behandelen, dan de dokter, die zijn geheele leven aan dit beroep gewijd heeft. Wanneer het niet te ontkennen valt, dat men dikwijls goede uitkomsten ziet van zulke geheime middelen en zoogenaamde wonderdokters, dan zijn daar verschillende redenen voor. Dikwijls bestaat eene kwaal slechts in de verbeelding, waardoor het geloof en het vertrouwen in eene vreemde kracht de genezing mogelijk maakt. Het gebeurt ook, dat de zieke den raad van zijn' dokter niet in 't
—-'*8 67 ■gt;lt;-
minst heeft opgevolgd, zijne voorschriften niet is nagekomen, en zijne middelen niet gebruikt heeft — hoe kon hij dan genezen? Den wonderdokter, die met het waas van het geheimzinnige en tooverachtige omgeven is, weerstreeft hij niet. Hij neemt den bitteren drank op het voorgeschreven uur, in juiste hoeveelheid, en stipt gemeten en toebereid, in, verandert zijne levenswijze, ontzegt zich schadelijke spijs en drank, en doet nauwgezet alles, wat hem voorgeschreven is. Dikwijls levert deze eenvoudige, gepaste leefregel en eene matige levenswijze de schoonste uitkomsten. Had dezelfde zieke den raad van zijn dokter gevolgd, zooals dien van den kwakzalver, zeker zou hij ook dan het doel bereikt hebben. God is altijd de beste dokter! Hij legde de geheimzinnige krachten in de natuur. Hij gaf aan den menschelijken geest het verstand, ze aan te wenden, en tot genezing dienstig te doen zijn; Hij kan den dokter inlichten, kan hein de juiste middelen doen vinden, en zijn pogingen zegenen. Ongewone en verboden middelen, namelijk zulke, die op het bijgeloof gegrond zijn, of schadelijke bestanddeelen bevatten, moeten wij dadelijk afwijzen. Kan de dokter ons niet helpen, die zijn best daartoe doet, dan zal er ook niemand toe in staat zijn, tenzij heilige machten, wier werken tot het gebied der wonderen behooren. Reeds zeer velen, die daartoe hunne toevlucht namen, hebben in moeie-lijke aangelegenheden onverwacht spoedig een wonderbaarlijke genezing gevonden. Zoo kunnen wij dikwijls door de voorspraak der lieve heiligen van een ziekte of smart bevrijd worden, waarvoor wij nergens hulp en verlichting vonden.
De menigte bedevaartplaatsen met hare kerken en kapellen, met hare groote en kleine „Ex-voto's1-, met haren „dank aan de lieve heiligenquot; of „Maria heeft geholpenquot; zijn evenveel welsprekende getuigen van de goddelijke Almacht en Liefde, die zich dik-
-gt;•5 (IS !H-
wijls door de voorspraak van een heilige openbaart. Zijne toevlucht nemen tot deze geneesheereu en helpers is niet alleen geoorloofd, maar ook aanbevelenswaardig, vooral wanneer een onwrikbaar geloof ons naar die eerbiedwaardige plaatsen voert. Maar ook dan mogen wij dat ééne gewichtige woord niet vergeten, het „Fiatquot;, dat is; „Uw wil geschiede, o God!quot; dat ook de heiligen des hemels zoo goed gekend en beoefend hebben. Zoo ons gebed ook dan nog onverhoord blijft, en wij niet herstellen, dan schenkt God ons zeker eene andere genade en anderen inwendigen troost, als vergoeding voor; de genezing, waarop wij tevergeefs gehoopt hebben.
Bedaar mijn ziel, ontstel toch niet. Gij wordt door God bemind!
Zijn oog, dat 't gansch heelal doorziet, Behoedt u als Zijn kind.
Hij kent u beter dan gij meent, Hij weet, wat n ontbreekt,
Hij ziet de tranen, die Gij weent. Als gij om hulpe smeekt.
Hij kent de maat van uwe smart. Hij zelf zond u dat leed;
Hij maakt het heilzaam voor uw hart, Mint meer u dan gij weet.
Hij kan u helpen, Zijne macht Is eindloos uitgestrekt,
Hetzij die wonderbare kracht Hier dood, daar leven wekt.
-gt;•§ go
Hij wil u helpen, Hij is goed,
Is Vader, sterkt Zijn kind Meer dan elk ander vader doet,
Wijl Hij ook sterker mint.
Welaan, mijn ziel, vertrouw op Hem,
„Uw steun en toeverlaat Ben Ikquot;, klonk Zijne troostvol stem, „Niet één, dien Ik verlaat!quot;
,,Wees niet angstig- ot ongerust, God zorgt voor ons.''
Dikwijls is er veel tijd noodig, eer wij het zoover gebracht hebben, dat wij ons kalm door God laten leiden, en dat toch is hoogst noodig voor den vrede van den zieke.
Voornamelijk is er een gevaar, dat ons lijden veel verbitteren kan, dat het treurig en drukkend maakt dit is een onbeteugelde verbeeldingskracht. Zij kan zonder twijfel een gevolg van den lijdenden toestand zeil' zijn, maar kan ook kunstmatig aangekweekt worden, en dit moeten wij vermijden, zooveel in ons vermogen is. Er is eene goedaardige verbeeldingskracht, eene fantasie, die God welgevallig is, en ons het leven in zeker opzicht veraangenaamt, die onze ziekenkamer met bloemen versiert, en liefelijke beelden voor onzen geest toovert, die ons in sommige oogen-blikken eenigszins gelukkig maakt, en ons, ons ongeluk doet vergeten. Eene dergelijke verbeeldingskracht is een waar geschenk des hemels, waarvoor wij dankbaar moeten zijn. Nu is er echter ook eene andere, die ons de toekomst zoo donker mogelijk voorstelt, en ons met vrees en angst bevangt bij de
gedachten nan alles, wat nog komen en gebeuren kan. Hierdoor beangstigd, gevoelen wij ons nameloos ongelukkig, beven voor de toekomst en bespeuren in ons moed noch kracht, om al het moeie-lijke, dat ons nog te wachten staat, te verduren.
Zulke voorstellingen zijn onverstandig en onbillijk. Wij moeten die met geweld van ons verwijderen, want dat is inbreuk maken op de rechten van den alwetenden God, die ons niet zonder reden de toekomst verbergt, en Zich wijselijk voorbehoudt, wat Hij voor ons bestemd heeft.
O beminde zieke! kwel u toch niet met onnoodige zorgen! Laat het heden u voldoende zijn, morgen zorgt God verder. Alles geschiedt toch meestal anders, dan men gevreesd had. Veel van wat men onvermijdelijk achtte, kwam in 't geheel niet, veel werd nog in de laatste oogenblikken afgewend of gelukkig doorleefd.
Waartoe dan al die zorgen'? Waartoe dan deze ongelukkige, kwellende verbeelding, dat twisten met Gods heilige bedoelingen en plannen ? Ten slotte bereiken wij niets daarmede, maar verzwakken reeds bij voorbaat onze geestelijke en lichamelijke krachten, in plaats van ze wijselijk te besparen voor het oogen-blik, waarop de beproeving werkelijk komt, en aanspraak maakt op onze overgeving in Gods wil. Heeft God u tot hiertoe niet liefderijk geleid? Heeft Hij u tot nu toe niet voor ontelbare gevaren gevrijwaard, u in duizenden dingen verlicht, en u in menig moeie-lijk uur bijgestaan? Liet Hij u ooit honger lijden, of zonder troost en hulp, van koude omkomen?
En is Hij niet altijd dezelfde God?
Waarom stelt gij u dan een anderen voor, die u meer zou opleggen, dan gij dragen kunt. Wacht dus slechts of alles werkelijk zoo uitkomt, als gij vreest ! Misschien hebt gij u geheel nutteloos verontrust, en u zonder reden vrees aangejaagd! Wees overtuigd,
-*•§ 71 S*lt;-
dat de Heer u met Zijn Kruis ook kracht zal schenken, om het te dragen. Nu hebt gij deze kracht nog niet noodig, en daarom schijnt u alles zoo verschrikkelijk zwaar. Wacht slechts af, tot het gevreesde uur komt, wacht af, tot het kruis werkelijk op uwe schouders ligt, dan zult ge getroost worden, door de overtuiging, dat de Heiland zelf u ondersteunt, dat Hij het u helpt dragen, en het u licht maakt. Hij doet dit niet te voren. Hij wil uwe onderwerping zien. Zich in uw geloof verheugen, uwen moed en uw vertrouwen oj) Hem en Zijne liefde op de proef stellen.
Misschien hebt gij reeds begrepen, wat ik zeggen wil ? Kwel u niet met onnoodige zorgen, bekommer u niet om de toekomst.
Neem dag voor dag uw kruis op uwe schouders, en draag het; laat het andere aan den Heer over. Wees niet voorbarig. Hij weet het best, wat gij noodig hebt.
dat de Toekomst ons Verborgen is.
Wanneer wij eenmaal met het ziekbed meer vertrouwd zijn geworden, en wij niet ontoegankelijk zijn voor een vroolijke opwelling, dan moeten wij toegeven, dat de zieke volstrekt niet zonder vreugde leeft, of van allen troost verstoken is, wanneer hij dien niet zelf ontberen wil. Ik ga zelfs verder, en beweer, dat de goede God ons zieken dikwijls zeer bijzondere gunsten verleent, waarvoor wij dankbaar moeten zijn. Als ik kalm op mijn leven terugblik, en daarin de eigenaardige leiding Gods bespeur, dan moet ik het altijd als eene der uitstekendste weldaden en liefde-bewijzen beschouwen, dat de toekomst mij verborgen
quot;-gt;*? i '2
bleef. Reeds verscheidene weken gevoelde ik mij ziek en lusteloos, maar had met al het weerstandsvermogen der jeugd daar tegen geworsteld. Xu kon het echter niet langer, ik moest mij te bed begeven. Mijn echtgenoot was op reis, hij moest in de eerst volgende dagen terugkomen, en niet verontrust worden; daarom zei ik tot mijn dokter: „Beste dokter, ik zal uwen raad opvolgen, maar slechts zoolang, als ik alleen ben, mijn man mag mij niet te bed vinden, ik moet binnen eenige dagen weer beter zijn.quot; „Ik moet!quot; Ach. dat kleine woordje, waardoor de ge-heele armzalige kortzichtigheid van het menschelijk hart, en zijn onstuimige wenschen tegenover de goddelijke wijsheid duidelijk worden! „Ik moet binnen een paar dagen weer gezond zijnquot;, had ik gezegd, en in de overtuiging, dat mijn wensch vervuld zou worden, volg ik den raad van den dokter op, en gaf toe aan mijne zwakheid.
Indien de goddelijke Almacht in dit oogenblik den ondoordringbaren sluier van mijne toekomst had opgelicht, en mij die lange reeks van jaren, die vele slapelooze nachten, die smartvolle dagen, de menigte van doodsgevaren, alsook de ongelukken mijner onder-hoorigen, waaraan ik steeds innig deelnam, de treurige verliezen mijner dierbaren, de zware offers — met één woord, al de gebeurtenissen der laatste 25 jaren getoond had, o zeker, ik ware bezweken en overweldigd door schrik en angst, had ik bij de gewaarwording mijner onmacht uitgeroepen: „O Jezus, ik kan het niet dragen, ik kan het niet zonder te bezwijken.quot; Nu echter heeft de goede, wijze Vader Zijn kind dit verdriet bespaard. Langzaam en ongemerkt heeft Hij mijn hart bereid tot stille olfers, en tot lijden geschikt gemaakt. Niet in eens legde Hij den geheelen last van het kruis op de zwakke schouders, neen. Hij omgaf het eerst met liefde en troost, en met de hoop op genezing; zeer langzaam slechts
-gt;*§ 73 3-'-
knakte Hij bloem voor bloem van mijne levenskroon. Dagen, weken en maanden vloden in voortdurende afwisseling voorbij, en, levende tussclien lioop en vrees, werden het eindelijk jaren. Het onmogelijke was met de genade Gods mogelijk geworden. Veel bewerkte de genade, ook veel de gewoonte; lederen dag werd liet geduld vernieuwd.
De banden, die mij met de buitenwereld ver-eenigd hielden, lieten los; in hunne plaats kwamen moed en vertrouwen, en het verlangen om een geestelijk leven te leiden. Zoo zijn 25 jaren voorbijgegaan. Verwonderd blik ik terug op hetgeen overwonnen achter mij ligt, en ik zou willen vragen: Hoe was het toch mogelijk, zoo lang, zoo veel leed te dragen'? Het antwoord is kort en eenvoudig: „God wilde het,'-daarom heeft Hij het onmogelijke toegelaten, en Zijne kracht getoond in Zijn zwak ongelukkig kind. Zijne wijze liefde hield al het afschrikwekkende van de toekomst voor mij verborgen; — het tegenwoordige kon ik verdragen. Hem zij dank voor al die genade.
Gethsemane.
i
,Vader, alles is U mogelijk! Neem dezen kelk van Mij. doch niet Mijn wil geschiede! Markus 14
IL
,,Mijne ziel is bedroefd tot den dood.'1
J£en nachtelijke duisternis overdekt het aardrijk. Men hoort het geheimzinnig ruischen der palm- en olijfboomen; het maanlicht valt op het doodsbleeke gelaat van een eenzamen bezoeker. Hij strijdt in nameloozeu angst, Hij zucht onder het geweld der smart, die Zijn ziel ontroert. Bloedig zweet bedekt voorhoofd en slapen, en verspreidt zich weldra over de geheele gestalte van den Lijder.
..Mijne ziel is bedroefd tot den dood toe,quot; zoo sprak Hij tot de drie mannen, die op eenigen afstand, van Hem in afgematte verdooving, slapend ter nederlagen; toen zonk Hij biddend neder, door doodsangst gepijnigd, beladen met den vloek van onze zonden. Hij, het Offerlam, die de schuld der geheele wereld wilde dragen. „Vader!quot; smeekt Hij nu, „indien het mogelijk is, neem dan dezen kelk van Mij, zonder dat Ikhem drinke.quot; Nu ontsteltHij -—• eenehuiveringbevangt Hem; licht en duisternis voeren een geweldigen strijd. Zijn uur is gekomen; alle troost is Hem ontzegd; de geheele onmacht der menschel ijke natuur omgeeft Hem. Het eene beeld na het andere trekt zijnen geest voorbij, eindelijk blijven liefde en gehoorzaamheid als overwinnaar achter. „Vader! niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede,quot; zoo klinkt het van de lippen en't weergalmt in de hemelen.. Het heil der mensch-heid is gewaarborgd, het woord der verlossing uitgesproken, het offer der overgeving gebracht. „Dooi de ongehoorzaamheid van éénen mensch is de zonde-
-gt;g 78
in de wereld gekomen, door de gehoorzaamheid van eenen enkele kwam genade en vergeving van velen.quot;
Weldra zal Judas, de verrader, komen en zijn Meester en Weldoener naar liet gerechtshof doen slepen. Beminde zieke, wij zijn op den Olijfberg. Wij zijn in den hof van CTCthsemane, den hof van doodsangst en zielestrijd, en Hij, die daar in gebed verzonken, het offer der gehoorzaamheid en der vol-komene overgave brengt, is Jezus, onze Heiland, onze Verlosser! Laten wij in den geest Hem daarheen volgen; laten wij de aarde kussen, die door Zijn dierbaar bloed gedrenkt is. Laten wij leeren bidden — offeren —- gehoorzamen — lijden, zoo als Hij.
freest n'ij niet meer te kunnen dragen,
Vlij u dan neer aan 't Vaderhart,
Zwijg stil, zeer stil, staak toch dat klagen. En draag geduldig uwe smart.
Hoe goed is 't rusten in Gods armen, Beveiligd tegen ramp en druk!
Daar kunt ge op nieuw uw hart verwarmen, Daar moed weer vinden en geluk.
Verberg der wereld uwe tranen,
Zij quot;t hart u nog zoo diep gewond; De klacht, die zich een weg wil banen,, Ontsnappe nimmer aan uw mond.
Bedroef geen andren met uw lijden.
Dring het terug in 't eigen hart;
Wil uwe dierbren steeds verblijden, Met vroolijkheid in leed en smart.
-gt;^ 79 §*lt;-
Slechts op den Heer moogt gij vertrouwen, Als zielesmart aan 't harte knaagt;
Zijn heiige wonden moet ge aanschouwen, Die Hij voor u uit liefde draagt.
Ook Hij heeft gruwzaam eens geleden. Ook Hij heeft voor den dood gebeefd. Zwijg dus, mijn ziel, met moed gestreden. Totdat gij juichend opwaarts zweeft.
- - — :—
Het Getlisemane der Lijdenden.
Ook in het leven der zieken zijn oogenblikken, waarin ons alles oneindig zwaar drukt, waarin wij ons eenzaam en verlaten gevoelen, en allen aangenamen omgang of liefderijke hulp moeten ontberen. Onze omgeving liet ons alleen; de anderen slapen, d. w. z. zij zijn zonder deelneming en vermoeid; voor onzen verontrusten geest staat de zonde met hare vreeselijke gevolgen, de dood en het oordeel; het haar dreigt te berge te rijzen, de polsslag klopt heviger, het zweet droppelt van ons voorhoofd. Dat is Getlisemane, dat is het uur der duisternis, waarin God ons schijnbaar aan de aanvechtingen der liel overlaat, en eenen onoverkomelijken scheidsmuur opricht tusschen Hem en ons, en ons den troost Zijner liefde onttrekt.
„Mijne ziel is bedroefd tot den doodquot; (Matth. 2G. 38.) zoo sprak de Heiland, en dit ondervinden wij ook. „Jezus begon te sidderen en te ontstellen.quot; (Mare. 14. 33.) Eene huivering drong door het merg Zijner beenderen, de smart deed alle ledematen beven. Zijn aangezicht verbleekte, Zijne borst hijgde, Zijne ziel ontroerde.
Wie heeft dit alles niet reeds ondervonden? Wie heeft niet, na eeu geruimen tijd zijn kruis kalm en moedig gedragen te hebben, op eens afschuw van hetzelve gekregen? Wie heeft dan nooit afkeer van de smart, verlangen naar gezondheid en vrees voor den dood ondervonden? „Vader, mijn Vader! zoo het mogelijk is, neem dezen kelk van mij, zonder dat Ik hem ledige!quot; Hoe juist komt dan deze gemoedsstemming van den Heiland met de onze overeen! Ach, zulk een enkel vreeselijk oogenblik verlamt al ons geduld, al onze onderwerping! Dan verafschuwen wij de smart, wij zouden het kruis willen ontvluchten; onze rust, onze moed is verdwenen! Beminde Zieke! dat is Gethsemane! En uw Jezus is er niet. Is Hij er wezenlijk niet? Heeft Hij ons werkelijk verlaten? Neen, het is slechts in schijn; Hij wilde onze liefde, ons vertrouwen op de proef stellen, wilde ons toonen, wat wij zijn en wat al onze moed, al onze standvastigheid is zonder Hem. Hij wilde ons misschien ook een klein aandeel geven aan den vollen lijdensbeker, die Hem door onze zonden werd volgemeten, opdat wij beter zouden leeren begrijpen, wat onze verlossing Hem gekost heeft. Eerst in Gethsemane zien wij al de afschuwelijkheid der beleediging Gode aangedaan, den geheelen omvang der zonde, doch ook de gansche uitgebreidheid van Jezus' liefde. Dit alleen heeft Hij op het oog, wanneer Hij ons in zulken doodsangst-brengt.
Ook Hij heeft gestreden, ook Hij bezweek bijna, doch boven alle leed bleef Hij standvastig in den uitroep der onderwerping: „Vader, niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede!quot; Deze overeenstemming met Gods wil was ons heil, werd eene bekrachtiging voor onze verlossing, die den vloek der zonde wegneemt en de menschheid, die door doodslaap bevangen was, opwekte tot berouw en bewustzijn, alsook tot een nieuw leven in en voor God.
-gt;•? SL S,lt;—
Nauwelijks waren deze woorden gesproken en de daad der volkomen overgeving voleindigd, of een engel verscheen en versterkte Hem; de macht der duisternis verdween; uit den Iiemelschen kelk ontsproot nieuwe, frissclie kracht voor de ingezonken natuur van den lijdenden Godmensch.
Zoo beloont de goede God ons ook liet offer der onderwerping, en het gebed van volkomen overeenstemming met Hem.
De H. Catharina van Siëna leed reeds geruimen tijd aan geestelijke dorheid; in haren zielsangst waande zij zich verdoemd, en zonder hoop op de eeuwigheid. Zij meende de goddelijke ontferming verloren en nooit iets goeds of verdienstelijks verricht te hebben. Zoo werd zij zich zelve tot lasr, want zij hield zich overtuigd. dat God Zich met afschuw van haar afgekeerd en haar verlaten had. Welk een verschrikkelijk Gethse-inane! Welke bittere uren van doodsangst, waarin deze arme ziel, in den strijd met de helsche machten, reeds meende te bezwijken! Doch Catharina riep en bad aanhoudend om ontferming: „Ik verlaat U niet, mijn God! Uw wil boven alles! Ja, o Heer, niet zooals ik wil, maar zooals Gij wilt. moet het geschieden! Doch verstoot mij niet.'- Eindelijk ontfermde God Zich over haar, maakte een einde aan de zware beproeving, en verscheen aan de Heilige vol hemelsche schoonheid en zoetheid. Geheel doordrongen van Zijnen troost, riep zij toen klagend uit: „O Heer, waar waart Gij tocli gedurende dien langen vreeselijken tijd?quot; Hij gaf ten antwoord : ..Catharina, Ik was onzichtbaar voor u, en toch bevond Ik Mij in uw hart.quot; — Dit is als 't ware een zoet bewijs, dat God ons nooit en nimmer verlaat, wanneer wij Hem niet verlaten. Ter wille van alle kwellingen, die Hij leed in den nacht, welke Zijn dood voorafging, zal Hij zeker ook onzer indachtig zijn, wanneer nood en doodsangst ons omgeven. Hij zal de krachteloosheid onzer ziel
Kruisbloemen. G
_gt;f| ^2 ?-lt;-
wegnemen, ons aan de ballingschap onttrekken, opdat wij daarin niet omkomen. Uw wil geschiede, o Heer, niet de mijne! Wanneer wij altijd zoo uit den grond van ons hart spreken, zal de Engel ook tot ons afdalen, en ons troost en vrede brengen.
Wat zal, o Heer, deze aarde geven.
Die Gij zoo mild en rijklijk drenkt?-'
„„ U teelt ze rozen in dit leven.
Terwijl ze Mij slechts doornen schenkt.''quot;
„Bij morgendauw en zonneglansen Prijkt de aard, gelijk een tuin in sier.quot;
,. „Voorwaar! maar ongelijke kranser Zoekt uit dien tuin de hovenier.quot;quot;
„Voor wie, o Heer! zijn dan die kronen Van ongelijke makelij?quot;
„„Voor u — de bloemenrijke schoonen, De scherpe doornenkroon — voor Mij!quot;quot;
Naar het Hoogduitsch van Kardinaal Melchior von Diepenbrock, Prins - Bisschop van Breslau.
D. Scliram.
-gt;*3 S3 ?•lt;-
Vader, niet Mijn Wil, maar üw Wil geschiede!
blaren deze woorden niet gesproken, dan was onze verlossing onvoleindigd en de Hemel gesloten gebleven.
Algelieele, onvoorwaardelijke onderwerping van eigen wil is de eerste en voornaamste plicht van ieder mensch. die naar de volmaaktheid streeft. Wil ook de zieke zich zijne ziekte ten nutte maken, en zich door haar heiligen, dan moet hij dezen plicht- beseften en in beoefening brengen.
De aard der ziekte brengt zeer dikwijls mee, dat niet alles volgens onzen wil geschieden kan, en hoe meer wij ons schikken en leeren ontberen, des te beter zal dit voor ons wezen. Vooreerst moeten wij de wonderschoone verhouding, die er bestaat tusschen God en ons, als die van een Vader tot zijne kinderen, wel in het oog- houden, en wij zullen inzien, dat God overeenkomstig dit wijs opvoedingsstelsel gehoorzaamheid van ons moet eischen, indien Hij over 't algemeen goede, nuttige menschen van ons wil maken. De wil van het kind is dikwijls zeer onverstandig en onbezonnen, zoodat liet goed is, dien te onderwerpen aan het beter en wijzer oordeel . van den Vader. Dit vaderlijk gezag is niet slechts een heilzame noodzakelijkheid, maar in vele opzichten een ware zegen, dien wij voor niets ter wereld moesten willen ontberen. Wij moeten ons onderwerpen zonder aarzeling of onrust, en zonder morren of tegenspraak. Hoe grooter de liefde van het kind is, des te grooter is zijn vertrouwen op den vader en ook zijne overtuiging, dat deze goedhartige vader zeker alle middelen, beraadslagingen en bevelen slechts daarom doet gelden, omdat zij voor zijn lieveling goed en heilzaam zijn.
Ernst en gestrengheid moeten ons niet afschrikken. Onze goede Vader wil ons geen leed aandoen,
6*
84 SH-
vordert niets van ons, wat ons zou kunnen be-nadeelen of schade berokkenen. Hij doet alles slechts tot ons bestwil, en beoogt enkel ons geluk en onzen vrede.
Hoe dwaas zou het dus zijn, ons tegen eene dergelijke liefde te verzetten, en eigendunkelijk onzen weg te gaan. Deze zou misschien naar den afgrond en het eeuwig verderf leiden.
O Vader, niet mijn wil, maar Uw wil geschiede! Deze woorden moeten wij zoo dikwijls herhalen, tot wij er geheel mede vertrouwd zijn. Zij moeten ons zoo goed bekend worden, dat zij ons geen schrik meer kunnen aanjagen. Ook met ons lijden en onze ziekte heeft Hij Zijne wijze bedoelingen.
Hij zendt ons ziekte, ofschoon onze natuur er zich tegen verzet.
De ziekte zal ons in ieder opzicht tot heil verstrekken, anders had God ze ons niet overgezonden.
Zij maakt ontegenzeggelijk een gedeelte van onze opvoeding uit, en moet ons voorbereiden tot de zaligheid des hemels. Geloof dit zeker, beminde zieke, en zoek daarin eene aanleiding te meer om God lief te hebben.
Hij voei-t u om uw bestwil juist langs dezen levensweg. Wees dus onderworpen en vertrouw op Hem; laat u niet afschrikken door den donkeren weg, al gaat die ook over doornen en ruwe rotsblokken naar het paradijs. Houd ze vast, recht innig vast, die zachte beschermende vaderhand, die u trouw geleiden en voor val behoeden zal.
Met vertrouwen en gehoorzaamheid bereikt gij, door haar bestierd, uw doel.
Vader, niet mijn wil, maar Uw wil geschiede!
—gt;*§ 85 §•lt;-
¥uii ongemeen groot belang en beteekenis is dir kort gebed, want het bevat in zich eene onbegrensde onderwerping. Wel is er een geruime tijd en veel genade noodig, eer onze ziel daar eindelijk geheel van doordrongen en bereid is, het aan en in ons openbaar te maken.
De uitvoering wordt voor de arme, zwakke natuur veel moeielijker dan deze misschien in den aanvang verwacht had. Slechts met Gods genade komt zij langzamerhand tot de overtuiging, dat alles, wat geschiedt, al wat u overkomt, lief of leed, geluk of ongeluk, door de hand Gods tot haar heil dienen kan en dienen zal, en dat de goede God verder degenen, die Hem recht kinderlijk om iets bidden, liet alleen dan niet toestaat, wanneer het niet tor hun welzijn strekt.
De mensch meent, dat hij overal en in alles zijn oordeel moet doen gelden, of daaraan zijne goedkeuring moet hechten, en dat zonder zijn toedoen niets goeds tot stand kan komen. Eu toch is het volgende waar: Hoe minder wij op onze eigen krachten en op al het menschelijke bij onze ondernemingen steunen, hoe meer wij ons in alles aan den goeden God overgeven, des te beter zal het voor ons zijn.
Waarom vertrouwt men dan niet op den goeden God en Zijne Almacht? Waarom oordeelen wij steeds het menschelijk verstand en de menschelijke hand bij alles noodig? Alsof wij eenen zandkorrel zouden kunnen verplaatsen, indien God dit wilde verhinderen! Alsof wij bij alle voorzichtigheid het kleinste gevaar konden verhoeden, het geringste ongeluk konden voorkomen!
Oude lieden vertellen dikwijls uit hunne ervaringen, dat bij de meeste voorvallen in het menschelijk leven alles anders geschiedde, dan men gemeend en gevreesd had. Ook weten zij nu, dat door ons toe-
i
86 §•lt;-
doen geen tittel of jota veranderd, of liet geringste ongeluk vermeden, maar wel veel slechter gemaakt en bedorven kan worden.
Leggen wij dus alles, ons zelf en het onze vol vertrouwen in de hand der Goddelijke Voorzienigheid.
Onze Vader weet, wat wij noodig hebben, en zal het ons geven, indien het heilzaam voor ons is.
Dikwijls ook gebeurt het, dat wij den wil Gods slechts onder zekere voorwaarden willen vervuld zien.
Wanneer dit of dat anders was — wanneer dat vermeden kon worden, enz.
Dat is onvolkomen overgeving, onvolkomen begrip daarvan.
Wij mogen Gods handelingen niet onderzoeken, het past ons niet. Hem voorwaarden te stellen of voorschriften te geven.
Wij zieken zijn zeer spoedig geneigd tot dergelijke redeneeringen. Ik zou gaarne te bed willen liggen en ziek zijn, zegt iemand, als ik maar alle dagen de H. Mis kon bijwonen. Een ander is van meening, dat hij zicli gaarne zou onderwerpen, ziek en lijdend te zijii, als maar niet die goede onder-hoorigen ook gekweld werden, en hij hun niet zooveel moeite veroorzaakte.
Zulke redeneeringen en klachten moeten wij ons afwennen.
Volmaakte liefde tot God moet geheel en al met Hem en Zijn H. Hart overeenstemmen.
Ook het ontegenzeggelijk, smartelijk bewustzijn, dat wij anderen moeite en last veroorzaken, evenals het ontberen der H. Mis behooren tot de onvermijdelijke offers van het ziekbed, en vormen als 't ware een deel van het geheel. Het kan ons ongemeen nuttig zijn en tot zegen strekken, wanneer wij in volle overgeving aan Gods wil deze offers met een blijmoedig hart brengen. Ik herhaal het: Hoe minder van ons zelf bij al ons willen en handelen op den
-gt;♦3 87
voorgrond treedt, des te verdienstelijker zal liet voor ons, en des te welgevallige!' uan God zijn.
Ik heb niet het minst onder deze bekoringen geleden.
Gedurende een geruimen tijd was het eene mijner grootste kwellingen, dat zoovelen met mij leden en nog lijden, dat mijne goede, dierbare onderhoorigen door mij zooveel verdragen en opofferen moesten, en dat ik hun moeite en last veroorzaakte. Mijn geestelijke leidsman echter berispte mij ernstig en streng over dergelijke klachten.
„Willen wij Gods wil volbrengen, dan jnoeten wij dit volmaaktelijk doen — willen wij onderworpen zijn, dan moeten wij dit geheel zijn,quot; zeide hij dikwijls. ., Laten wij het onze doen, dan zal de goede God ook het Zijne doen, en Hij zal zeker dengenen, die ons met liefde en zorg verplegen, hun loon niet onthouden.quot;
„Niemand, die voor den goeden God arbeidt, arbeidt tevergeefs, en wanneer uwe verplegers u verzorgen uit liefde tot Hem, dan zullen zij eenmaal voor dit werk van barmhartigheid veel zoete vertroosting smaken.quot;
Zulke woorden hadden eindelijk hunne uitwerking, en deden mijne onrust bedaren. Naderhand zag ik de juistheid daarvan in, en kon toen uit innige overtuiging dikwijls tot mijne omgeving zeggen: „Mijn God, wat veroorzaak ik u toch moeite en last! Maar ik denk bij mij zelf, het zal wel zoo moeten zijn. Ik zou kunnen weenen, als ik u zoo door mij gekweld zie, maar ik ben voor u, goede trouwe zielen, een machtige hulp te uwer volmaking. Gij kunt ontferming, geduld, lankmoedigheid en toegevendheid aan mij beoefenen, en gij kunt op de heerlijkste en rijkste belooning rekenen. Daarmede help ik u den hemel verwerven, en die is toch zeker alles waard. Gij moet mij daarvoor dankbaar zijn.quot; Wanneer wij zieken ons zelf en onze omgeving dikwijls met zulke on-
-gt;^ 88 on
schuldige vroolijkheicl eeuige afleiding bezorgen, dan is dit den goeden God zeker welgevallig, daar liet den last van het kruis wezenlijk verlicht.
't Is middernacht . . . twaalf doffe zuchten
Ontglippen den gewiekten tijd;
En somber, onder 't pijlsnel vluchten.
Stort zich een Jaar in de eeuwigheid.
Wat voert ge in uw gesloten handen ?
Zoo vraagt aan 't nieuwe Jaar mijn blik. Wat bergt gij in uw mantelpanden?
Zoo zucht mijn weiflend hart met schrik.
En geesten zie ik voor mij zweven.
Hun stemmen fluistren zacht en stil:
„Wilt gij op aard tevreden leven.
Zoo leer erkennen, wat God wil!quot;
Is daarin reeds 't geluk gelegen?
Vroeg ik de hemelboden toen.
Vermanend klonk hun stem mij tegen: „O ok naar Gods wil zult gij steeds doen'quot;
Ik vroeg dan nog ten derden male:
Wat 's 't hoogste doel? En plechtig stil Klonk weer der englen zoete tale:
„Bemin — en handel naar Gods wil!quot;
D. Schram.
-gt;*S 89 amp;•lt;-
,,Vader, U is alles mogelijk! Neem dezen kelk van Mij, doch niet Mijn wil geschiede!
Markus I4.
'Wij moeten niets willen afdwingen, niet den goeden God bestormen, opdat Hij ons geve, wat wij zoo vurig verlangen. Hoe dwaas is dikwijls ons verlangen, en lioe dikwijls valt de zaak geheel anders uit, dan wij gemeend en gewild hadden! Wat spijt het ons dikwijls, dat wij God niet alleen lieten handelen !
Eene mijner lieve bloedverwanten vertelde dikwijls, dat zij veel en innig voor het behoud van haren zoon gebeden en den goeden God, om zoo te zeggen, geweld had aangedaan. Het kind was meermalen erg ziek en ellendig geweest, zoodat men niet anders dacht, dan dat het ging sterven; doch het vurige, smeekende gebed der moeder had telkens het dreigende gevaar afgewend. In later jaren echter had juist deze zoon het hart zijner moeder de bitterste smarten en het grievendste leed veroorzaakt, en meer den eens riep de arme vrouw onder tranen uit: „Hoe goed ware het geweest, indien hij als klein kind gestorven ware! Hoeveel leed zou daardoor hem en mij bespaard zijn gebleven!quot;
Zoo toont ons de goede God, somtijds reeds nog op aarde, de wijsheid Zijner raadsbesluiten, en het is zeker altijd het best, ons lot en onze wenschen in Zijne hand te stellen, zonder Hem iets voor te schrijven.
Wijlen de edele koningin Jozejina van Zweden schreef ouder haar portret, dat zij mij toezond, eigenhandig de woorden; „O God! Ik wil, wat Gij wilt, zooals Gij wilt, omdat Gij wilt, zoolang Gij wilt.quot;
-gt;•? 90 8^-
Een voorbeeld uit het werkelijk leven.
\foor vele jaren leefde hier in M. een vrome weduwe van het kleine pensioen, dat haar na den dood van haren man werd uitgekeerd, en van de bescheiden opbrengst van haar handenarbeid.
Deze, naar men meende, arme vrouw kon echter zeer rijk genoemd worden, want zij bezat een zeer groote mate van liefde tot God, een oneindig vertrouwen op Zijne wijze leiding en een geloof, dat bergen verzetten en wonderen uitwerken kon. Een droevig ongeval ti'of haar, zij moest den overgang ondervinden van geluk tot ongeluk, van rijkdom tot armoede, voor recht en geweten buitengewone offers brengen en vernedering en laster verduren.
Zij was een trouwe, oprechte leerling haars Meesters. Zij was met Hem gekruist, en nam even als Hij het kruis met liefde op.
Nooit heb ik dan ook iemand gekend, bij wie de heerlijke uitroep van den H. Franciscus: „Mijn God en mijn alles,quot; zoo in merg en been doorgedrongen en tot een levende waarheid geworden was, als in deze vrouw. Steeds overeenstemmend met den Goddelijken Wil, was zij meestal opgeruimd en tevreden. „Wilden wij maar altijd wat de Heer wil,quot; zei ze dikwijls, „dan zou ook altijd geschieden, wat wij willen.quot; Dikwijls sprak zij, als 't ware, in geestvervoering; „O wat is God toch goed! wat regelt Hij alles ten beste!quot;
Daarbij gloeiden hare bleeke wangen door het vuur der goddelijke liefde, dat in haar brandde.
Gaarne sprak de vrome weduwe van Gods bijzondere gunstbewijzen. Zij deed dan uitkomen, hoe, zij door kruis en lijden verzadigd had moeten worden, om zich geheel tot haren Jezus getrokken te gevoelen.
-xS !J1 amp;•lt;—
.,Eeiis,quot; zoo verhaalde zij mij, „stond ik aan het graf van mijn lieve kinderen, die béiden aan een kwaadaardige koorts waren bezweken. Slechts kort te voren had ik ook mijn echtgenoot verloren, en nog eenige maanden vroeger een ander dierbaar jong pand aan de aarde toevertrouwd. Nu meende ik werkelijk te moeten bezwijken onder het geweld van mijne groote smart. Her. was te veel voor mijn arm zwak hart. Niet in staat te weenen, en mij onuitsprekelijk ongelukkig gevoelende, staarde ik in het open graf, toen ik licht aangeraakt werd. Het was een priester, die mij zacht op den arm tikte en met een ernstige, edoch buitengewoon zachte stem mij toesprak: „Goede vrouw! Gij hebt daar een zeer zwaar kruis te dragen!quot;
Ik gaf geen antwoord en zuchtte, slechts. — „Gij weet immers, dat God onze Vader is?quot;
Ik knikte.
..Ja, en 't is een zeer goede Vader, die Zijn kind lief heeft, en het geen leed zal veroorzaken, wanneer het niet voor zijn welzijn noodig is.quot; Ja, hij had gelijk, ik wist het, en had daar zoo dikwijls over nagedacht, en daarin mijnen troost gevonden voor het drukkend leed der laatste jaren. Ook nu werd ik weder doordrongen van die overtuiging. Het hart barstte los in een tranenvloed; ik kon weenen. „Ach, eerwaarde Heer!quot; snikte ik, „drie lieve kinderen en mijn brave man liggen hier in 't graf!quot; „Wij zullen elkander wederzien,quot; zeide de priester vertroostend.
„Ja, ik weet het, ik geloot' het — God heeft het goed voor gehad. Zijn wil geschiede!—quot;
De woorden der overgeving waren gesproken, het offer was gebracht.
Na dezen uitroep werd ik kalm, de priester echter zeide nog: „Ik zal u een rijmpje leeren, dat
—»% 92
moet gij dikwijls herhalen, het bevat groote troostwoorden.quot; En het rijmpje luidde:
„Uw wil geschiede, Heer!
Hetzij ik rust of ga,
Hetzij ik zit of sta,
Leg ik mij 's avonds neer,
Ontwaak ik 's morgens weer,
Bij kwelling leed en druk,
Bij onverhoopt geluk,
In voor- en tegenspoed.
Zeg ik met vroom gemoed:
„Uw wil geschiede. Heer!quot;
D. S.
Zoo sprak de godvreezende vrouw. Vast en levendig was haar geloof, en daaruit putte zij al haren moed, al haar vertrouwen, al hare onderwerping. Daar zij wist, dat alles van God komt, dat God ons lief heeft, en steeds het beste met ons voor heeft, kon zij kalm en met vertrouwen zeggen: ..Heer, Uw wil geschiede!quot;
„Als wij Gods evenbeeld willen zijn en worden, moeten onze laatste verzuchtingen en blikken niet op den berg Thabor, maar op Golgotha of op den Olijfberg gericht zijn.quot; (Louvigni.)
A?;-
„Wij moeten ons met berusting en bijzondere zachtmoedigheid aan den Goddelijken Wil onderwerpen, en niet alleen bereid zijn te sterven, wanneer God het goedvindt, maar ook om te blijven leven, wanneer Hij het zoo beschikt, al is dat leven ook nog zoo ellendig en ongelukkig.quot;
(De gelukzalige Bisschop van Saint-Pol de Léon.)
—gt;^ 93 §*lt;•
„Niet mijn wil geschiede, o Heer, maar de Uwe!quot;
£en jong meisje, de dochter eener arme weduwe, die zich oj) de studie toegelegd, en aan alle vereischten goed voldaan had, meende eindelijk haar doel bereikt te hebben. Nu zou ook een einde komen aan den strijd met nood en ontbering. Welk oogmerk zou de alwijze God gehad hebben met deze schoone en zeker rechtmatige hoop eensklaps te vernietigen? In plaats van de nieuwe levensbaan wachtte het brave meisje eene geheel andere bestemming; een doodelijke ziekte wierp haar op de lijdenssponde, slapelooze nachten, smartelijke urer, vermeerderde uitgaven volgden elkander op.
Was het dit, wat Frederika gehoopt, verwacht, waarnaar zij gestreefd had?
Vele anderen hadden misschien geklaagd, gejammerd en zich daardoor het opgelegde kruis nog zwaarder gemaakt. — Frederika echter had eene vrome moeder. Geheel overgegeven aan Gods wil, was zij tevreden met alles, wat haar overkwam; gelijk een kind vlijde zij- zich aan Zijn hart, en vertrouwde blindelings, zonder klagen. „Ik heb mij toch wel in mijne roeping vergist,quot; zeide zij, „ik wilde onderwijzeres worden, wilde de kinderen tot Jezus geleiden en voor den hemel opvoeden, terwijl ik nu zelf naar de school word gezonden, en in plaats van te onderwijzen zelf moet leeren, hoe men geduldig moet zijn. en uit de ziekte nut kan trekken. In Gods naam! Men kan immers overal heilig worden, wanneer men lederen zucht, iedere gedachte, iedere handeling aan God toewijdt.quot;
Van week tot week naderde Frederika meer en meer haar einde.
Zij zag wel de diepe smart harer moeder, die met haar den laatsten aardschen steun verloor, maar
94
zij kende ook de grootmoedige ziel dezer moeder en -werd, gelijk zij vroeger haar evenbeeld was geweest, thans haar voorbeeld in vertrouwen en overgeving aan Gods wil.
Op een schoonen lentedag zat de lijdende aan het open venster, en ademde met volle teugen den geur in der bloemen uit den naast bijzijnden tuin. Op hare wangen vertoonde zich een vurige, purperkleurige gloed, terwijl de naderende dood reeds duidelijk op haar gelaat zichtbaar was. Uit hare groote, glinsterende oogen straalde een zoo kinderlijke vrede, dat men onwillekeurig moest denken, dat de goede God aan deze reine ziel den strijd met de wereld en de zonde wilde besparen, en haar dadelijk, nadat zij haar teeder omhulsel had afgelegd, in den hemel zoude opnemen.
Misschien welden dergelijke overwegingen ook in het moederhart op bij den aanblik van haar onschuldig kind, dat zelfs stervende nog zoo schoon en vreedzaam daarneer lag, ofschoon de schaduwen des doods haar reeds omgaven.
„Frederika, mijne dochter!quot; sprak de weduwe diep bewogen, „zoudt gij niet wenschen weder gezond te worden?quot;
De zieke schudde even het hoofd, maar sprak niet. „Maar wanneer op dit oogenblik een engel van den hemel daalde en vroeg: Wilt gij weder genezen? wat zoudt gij antwoorden?quot;
„Moederquot;, hernam Federika met haar zoeten glimlach, „ik zoude ook tot den engel moeten zeggen: Ik verlang niet te leven, ik verlang niet te sterven, ik wil alleen, wat God wil.quot;
Weinige dagen later nam de lieve Jezus het vrome kind tot Zich.
Kan men zich een eenvoudiger en toch grooter overeenstemming met Gods wil voorstellen, dan hier door Frederika's woorden wordt uitgedrukt ?
-gt;-S 95 8«-Het Vrome Herdersknaapje.
jijen verhaalt een zeer schoon voorbeeld, zoowel van moedige onderwerping- als van kinderlijk vertrouwen, van een kleinen, armen herdersknaap. Gedurende langen tijd lag hij zwaar ziek, en hij moest hevige pijnen verduren. Zijn voorbeeldig geduld stichtte allen, die hem kwamen bezoeken. Steeds was hij opgeruimd en vriendelijk, en leed zonder klagen.
Even nadat hij aan zijn been eene zeer pijnlijke operatie had ondergaan, kwam de dorpspastoor, wiens bijzondere lieveling hij was, hem bezoeken. De knaap lag moede en afgemat op zijn kussen, doch er lag zulk een glans van hemelschen vrede op dat bleeke gezichtje, er straalde uit die groote, hemelsblauwe oogen zulk eene onverstocrbare vroolijkheid, dat de grijze priester in plaats van troostwoorden te bezigen, zooals hij zich voorgenomen had. vol verwondering uitriep: „Maar, lief kind, wat gaat er in u om? Ik was reeds bezorgd, u heden heel ter neergeslagen te vinden, en nu zijt gij even opgeruimd als altijd. Zeg mij toch, hoe komt dat? Hoe legt gij het aan, om altijd zoo vroolijk te glimlachen, en steeds zoo geduldig uw kruisje te dragen?quot; Hierop gaf de knaap dit schoone antwoord: „O mijn waarde heer pastoor, dat is eigenlijk zeei' eenvoudig.
Wat mij gisteren pijn deed, voel ik vandaag niet meer, wat morgen met mij gebeuren zal, weet ik immers nog niet, misschien leef ik dan niet meer, en vandaag kan ik mijn pijnen best verdragen.quot;
Is dat niet een treffend antwoord en tegelijk een praktisch bewijs voor de oude waarheid, dat zij, die God zoeken, door Hem niet verlaten worden? Geduldig wees heden,
Schep moed ook voor morgen:
Dan zijt a;e voor heden En morgen geborgen.
9G S«-
„En Hij ging ten derden male heen en bad.quot;
Eens zeide men mij, dat wij zieken niet zoo streng tot bidden verplicht zijn, dat onze ziekte reeds een gebed is, en dat wij, rozenkrans en kerkboek ter zijde leggend, ons door een of ander onschuldig spel of aantrekkelijk boek gerust eenige afleiding of bezigheid mogen verschaffen.
God vergeve zulke woorden! Zij mogen zeer welgemeend zijn, maar juist en goed toegepast zijn ze volstrekt niet. Een vrome priester verzekerde mij kort daarna, dat hij van een tegenovergesteld gevoelen was. Hiervan was ik reeds lang overtuigd, want het is eene onbetwistbare waarheid: Zieken kunnen nimmer te veel bidden. Hierdoor versta ik niet een voortdurend mondeling gebed, een aanhoudend lezen in godsdienstige of stichtende boeken, maar wel dien gestadigen omgang, die onafgebroken vereeniging met God, die Hem alle uren van den dag en den nacht, alle leed en smarten offert, en die zijne ziel kracht schenkt voor den verderen strijd met de menschelijke natuur. De gelukzalige bisschop Wittmann begroette zijnen dierbaren Heiland aan het kruis ieder kwartieruurs — en deze korte verheffing tot God onderbrak geenszins zijn grooten, gewichtigen arbeid.
Hoe gemakkelijk kan ook de zieke eene zoo vrome gewoonte aannemen! Wanneer de klok slaat en hij denkt: „Weder een kwartieruurs nader bij den dood, wederom is een kwartieruurs lijden voorbijquot; — zou hij niet even goed een blik op het kruisbeeld kunnen werpen, een groet opzenden naar den stervenden Heiland, en in den geest Zijne heilige Wonden kussen ? Korte gebeden, die de H. Kerk met aflaten verrijkt heeft, en die zoo gemakkelijk geleerd en gebeden worden, geven veel nut, vooral wanneer wij meer lijden dan gewoonlijk. „Mijn Jezus, barmhartigheid!quot;
-*♦§ 97 §«-
„Zoet hart van Jezus, wees mijne liefde!quot;
„Zoet hart van Maria, wees mijne toevlucht!quot;
„Geloofd en geprezen zij de allerheiligste wil Gods!quot; enz. Gelijk welriekende bloemen ons door haar geur verkwikken, z3o schenken deze korte zielsverheffingen ook nieuwe levenskracht aan onze afgetobde ziel. De zieke moet meer bidden en meer vertrouwen dan andere menschen, hij moet als 't ware van het gebed leven; de omgang met God moet zijn levenselement, zijn liefste geneesmiddel, zijn recht-matigste troost, zijn onontbeerlijk hulpmiddel zijn, opdat hij niet reeds in den aanvang zijner beproeving bezwijke.
Hij moet zijn ziekbed omgeven met gebed en vertrouwen, evenals de dappere, voorzichtige veldheer wallen opwerpt tegen den vijand, die hem bedreigt. Door het gebed moet de zieke geduld verwerven; want zonder geduld zijn wij verloren; zonder geduld bezwijken wij in de hevigheid onzer smarten, die door het geduld gelenigd worden; zonder geduld liggen wij op doornen, het geduld breekt die af, en doet uit den stekeligen struik rozen ontspruiten. Het maakt het onverdraaglijke draaglijk, het overwint alles.
Het gebed is voor ons zieken bijzonder noodzakelijk, daar het ons tot het bewustzijn van onzen plicht brengt.
Niet ieder mensch is zijn weg zoo duidelijk aangewezen als den zieke. Wij behoeven niet eerst te overleggen, of wij deze of die roeping zullen volgen, wij moeten eenvoudig daar blijven, waar God ons geplaatst heeft.
Hoe velen tobben zich af in strijd en twijfel, om hunne bestemming te kennen? Ons zieken is zij duidelijk.
God heeft ons voor Zijn kruisweg, voor Zijne onmiddellijke navolging bestemd; wij moeten lijden en door ons lijden voor onze zonden boeten, en den Hemel verdienen.
7
Kruisbloemen.
-gt;§ 98 Jhlt;-
Wij behoeven ons niet te verontrusten met de gedachte, dat wij in dezen of genen stand God beter gediend, onzen naaste meer tot nut gestrekt of onze betrekking beter vervuld zouden hebben.
God zal ons oordeelen naar ons gedrag in onze ziekte. Helaas, er zijn vele, zeer vele zieken!
Maar ziek zijn in den geest, om God welgevallig te zijn, dat kan niet ieder van den aanvang af, dat moet geleerd worden, daarvoor is de school des lijdons, en daarmede moeten wij vertrouwd worden.
Om ons levensvraagstuk goed op te lossen, is en blijft het gebed voor ons van het grootste gewicht.
Eer de Heiland Zijn lijden aanvaardde, had Hij kracht noodig, en deze verwierf Hij door het gebed.
Verplaatsen wij ons gaarne bij onzen goeden Jezus in Gethsemane!
Leeren wij van Hem — bidden en lijden!
-—03=— —
Steun niet op Menschelijken Troost.
,,Mijne ziel is bedroefd tot den dood.quot;
Be deelneming, die men ons zieken betoont, duurt meestal slechts zoolang, als het medelijden aanhoudt.
Ach, en welk medelijden! Zij het een oppervlakkige opwelling of een meer duurzame gewaarwording, — altijd is en blijft het de uitdrukking van een zwak veel bewogen hart, dat bij vergelijking van gezonde met zieke menschen, al zeer spoedig ten gunste van deze laatsten beslist, en zich gedrongen gevoelt hun zooveel mogelijk troost, hulp en verlichting te schenken.
Dit medelijden is echter slechts zeer zelden een blyvende gewaarwording, en in langdurige gevallen veel spoediger uitgeput, dan de ziekte, die het deed ontstaan.
-gt;•§ 99
Er zijn ziekten, die eene heele reeks van jaren voortduren, die nu hevig, dan meer draaglijk sijn, doch alle hoop op genezing buitensluiten. Dergelijke toestanden vereischen van den zieke, zoowel als van zijn omgeving de standvastigste volharding. In het begin is het mogelijk, dat de lijder zich over niets te beklagen heeft, wat betreft de nauwgezette verpleging, de goede verzorging of de verschoonende toegevendheid.
Men gevoelt en treurt met Hem, men blijft dag en nacht aan zijn bed, men brengt gaarne ieder offer om hem op te beuren. Doch dit alles kan slechts een tijd lang duren. De mensch zelf en al het menschelijke bezwijkt ten laatste onder de ijzeren macht der gewoonte, en met de gewoonte verdwijnt ook de aantrekkelijkheid, die vroeger voor een zaak of bezigheid belangstelling deed ontstaan. Wij willen van al wat wij verrichten, zoo gaai'ne eene uitkomst zien. De mensch is nu eenmaal zoo, dat hij gaarne het zwaarste en moeielijkste onderneemt, als hij slechts hopen kan met deze opoffering iets te bereiken.
Heeft hij een zieken, ongelukkigen broeder aan den dood ontrukt, dan vergeet hij de slapelooze nachten, de moeielijke liefdediensten en de daaraan verbonden bezwaren.
Bij veeljarige ziekten is echter slechts hoogst zelden eenige werkelijke beterschap te bespeuren. Langzamerhand wordt de ziekte, zoowel als de zieke zelf, zijne omgeving tot eene gewoonte, en daarmede verkoelen niet de gevoelens van liefde en deelneming, maar wel hunne uiterlijke vormen. Dan denkt de zieke, dat men koeler en onverschilliger tegenover hem geworden is, en gevoelt zich innerlijk gekrenkt. Dit is eene pijnlijke gewaarwording, daar ze de eigenliefde kwetst. Het bewustzijn door de zijnen met onverschilligheid behandeld te worden, of hun tot last te zijn, is grievend en pijnlijk. Verzamel in
100 iH-
dergelijke oogenblikken al uwen moed, laat geen wrevel of teergevoeligheid daarover in u opkomen, en wees niet boos tegen hen, die uw lijden niet goed begrijpen, en zich alleen door hunne oppervlakkige indrukken laten meesleepen.
Nadat uw Jezus u reeds langer dan aan andere menschen het kruis heeft opgelegd, en u door veeljarige ziekte reeds eenigszins meer heeft bekend gemaakt met de groote geheimen van Zijn heilig Lijden, moet gij niet weenen als kleine kinderen, aan wie men het lekkere stukje suiker ontneemt. Langzamerhand moeten wij door geloof en gebed zoodanig versterkt worden, dat ook eene koelere behandeling ons niet meer onze bedaardheid doet verliezen, dan moeten wij over de smarten van het arme menschenhart heen onze blikken naar den Olijfberg richten. Daar knielt Hij neder om te bidden. Hij, de met bloedig zweet bedekte Godmensch, die door doodsangst gepijnigd, en door de Zijnen verlaten is! „En er is niemand, die Hem troost.quot; Een weinig verder slapen de apostelen, die Hij met weldaden overladen en tot levende getuigen Zijner macht en liefde uitgekozen heeft, en zich nu om Zijn lijden niet bekommeren; reeds nadert Judas, eveneens een der Zijnen, om Hem te verraden.
Waar vindt Jezus troost? Waar oprechte innige deelneming en medelijden? Waar vindt Hij hulp? Hij, die zich in gebed en eenzaamheid voorbereidt om alles te verlaten? Vlij u hier aan Zijn hart, gij, bedroefde en moedelooze zieke, en schaam u over uwe groote lichtgeraaktheid! Zie op tot Hem! Leer van Hem!
Ontbeer zooals Hij, en spreek met Hem. O Vader, niet mijn, maar Uw wil geschiede! Leer om Zijnentwil den troost der wereld en dien uwer omgeving ontberen.
A?»
-gt;-g 101 s^-
0 lijdende Christen, versmaad allen uitwendigen troost, wanneer gij u in Gods liefde verheugen wilt!
De hemelsche verstroosting is een voorrech'*', waarvan allen verstoken blijven, die in iets anders
hunnen troost zoeken. H. Bonaventura. --
En er verscheen een Engel van den Hemel en versterkte Hem. (Lukas 22, 45.)
J^venals in ons zieken het lijden van onzen Heiland vernieuwd wordt, evenzoo hebben wij ook onze troostende engelen.
De beste aller vaders zendt ze ons ook, onder de gedaante van goede vrienden of edele menschen, die ons troost, hulp en verlichting schenken, of wel engelen in den geestelijken zin des woords, die ons dikwijls plotseling te midden van het grootste en bitterste lijden zeer wonderbaar opwekken, versterken en bemoedigen. Zoudt gij dit werkelijk nog niet ondervonden hebben?
Misschien waart gij eens zeer mismoedig en lusteloos, en wist geenen uitweg, geene hulp te vinden, en opeens ontvangt gij een aangenaam bezoek; het opwekkend onderhoud troostte u, en bracht uw bedroefd hart tot bedaren.
Dit was de engel, dien God u zond.
O, zeker komt hij, en vaker dan gij denkt. Let maar goed op hem!
Stil en zonder gedruisch nadert hij uw ziekbed, legt u de hand op het kloppend hart — en het wordt kalmer.
Uwe gedachten worden tot God gericht in de ;ire der beproeving. Strijd moedig, zooals uw Jezus
-gt;§ 102
in den hof van Olijven gedaan heeft; stort tranen van berouw; laat ze vloeien, de bloeddruppelen van uwen angst en uwe benauwheid, maar word niet moedeloos.
Uw engel is nabij. Hij zal u tot kinderlijke onderwerping brengen, hij zal u moed geven, zoodat gij u geheel aan Gods wil onderwerpt. Dan zult gij getroost en gesterkt zijn! Wanneer gij ter leniging uwer smart enkel uwe toevlucht neemt tot aardschen troost of uiterlijke verstrooiing, dan zult gij nooit op den duur bevredigd worden. Er zal eene leegte in u blijven, die door niets aan te vullen is.
Dan verdwijnt uw engel, want met zulken troost heeft hij niets gemeen. Wanneer gij hem roept, zal hij steeds in uwe nabijheid en te uwer hulp gereed zijn, ook wanneer gij kalm lijdt, in onderwerping aan Gods wil.
,,En als Hij van het gebed opgestaan en bij Zijne discipelen gekomen was, vond Hij hen slapende van droefheid.quot; Lukas 22. 45.
Onder al de bezwaren en moeielijkheden, die aan het ziekbed verbonden zijn, valt niets zoo hard als de slapeloosheid; zij is niet zoo gemakkelijk te verdragen, als men denkt, vooral in den beginne niet, als men nog niet getracht heeft, zich, als 't ware, met haar te verzoenen.
Daarbij wordt zij meestal vergezeld door eene hatelijke, verfoeielijke opwelling, den nijd namelijk, die het onrechtvaardig en onbillijk vindt, dat anderen slapen, terwijl wij van die weldaad verstoken zijn.
De Christelijke liefde, die op God gegrondvest is, moet iedere afgunstige neiging weren.
-gt;♦3 103 Sx-
Zij zal het veeleer ieder medemensch van harte gunnen, dat het hem beter gaat, en dat hij minder lijdt, dan hy. Terwijl men zich zoodoende verheugt over het goede, dat men zelf ontbeert, zal men de slape-looze nachten nuttig en verdienstelijk weten te maken.
Ons gedrag in slapelooze nachten is dan ook ongetwijfeld een zekere maatstaf voor ons geduld en onze onderwerping.
Er zijn, helaas! zieken, die bij de geringste pijnlijke aandoening, of om een kleinen dienst te vragen, of zelfs uit verveling zicli niet ontzien, hunne onder-hoorigen uit den slaap te wekken.
Dat moest nooit plaats hebben.
Dat is eigenbelang, waaraan mij niet mogen toegeven.
Wij moeten dat gevoel bestrijden.
Wij mogen nooit van het beginsel uitgaan, dat, wanneer wij zelve niet rusten kunnen, ook anderen niet behoeven te slapen, maar moeten ze zooveel mogelijk ontzien.
Op deze zelfbeheersching berust de geheele wijsheid, om zóó te lijden, dat men Cirode welgevallig is, en zich liefderijk jegens zijn evenmensch betoont.
Groote vermoeienis kenmerkt zich bij zieken niet altijd door afmatting, maar zeer dikwijls door eene pijnlijke opgewondenheid, en daaruit ontstaan veeleer slapelooze, dan w^el rustige nachten. Wie kent en vreest ze niet, die eeuwig angstige nachten?
Laten wij ze vooral met een innig vroom gebed afv/achten, dan hebben wij den angel reeds zijn scherpte ontnomen. Het gebed bedaart en bedwingt, en gaat de inwendige verbittering tegen. Dikwijls echter kan men niet bidden.
-gt;•8 104
Dan is eene korte verheffing des harten tot God voldoende, een van die kleine schietgebeden, die als flikkerende vuurpijlen de wolken doorboren, en den hemel binnendringen. Weet ge, wat de bij doet? Zij vliegt van bloem tot bloem, zoekt nu hier, dan daar, en zuigt het sap uit iederen kelk, uit iedereu bloesem, zelfs uit de onaanzienlijkste planten en bitterste kruiden, en bereidt dit door het wonderbaar instinkt, dat zij van den Schepper ontving, tot koste-lijken honing.
Wij ook kunnen uit onzen hachelijken, onge-lukkigen toestand zeer veel nut trekken, en de slape-looze nachten tot ons heil besteden.
Iedere zaak in de wereld heeft eene licht- en eene schaduwzijde; van elke zaak de lichtzijde te vinden, is ontegenzeggelijk de grootste wijsheid.
Ook de slapelooze nachten hebben hunne lichtzijde, verliezen wij dit niet uit het oog.
Laten wij opzien tot ons Goddelijk Voorbeeld in het lijden, tot den eenzamen Bezoeker in den hof van Gethsemane, tot onzen Heer en Heiland, Jezus, die daar waakt, terwijl op korten afstand Zijne leerlingen rustig slapen.
Hij waakt, bidt en bereidt Zich voor tot het groote verlossingswerk, en tracht door het gebed kracht en lijdensmoed te verwerven; Hij waakt en bidt, en op dit gebed volgt de onderwerping, de troost des engels, de algeheele overeenstemming met den wil van den Hemelschen Vader, en eindelijk dat veelbeteekenende „Fiatquot;, dat oneindig gewichtige woord, dat onze verlossing, ons Heil en onze vergeving bekrachtigd heeft.
Volgen wij ook hierin onzen lieven Heiland na; Hij waakte en bracht dien tijd in gebed door. Wij kunnen ook bidden, wanneer wij niet slapen, en ons biddend voorbereiden op den volgenden dag, en op alles, wat hij ons zal brengen.
105
Hetzij wij veel of weinig bidden, hetzij we ons in woord of in overweging tot God 'wenden, liet gebed zal ons steeds heilzaam zijn.
Terwijl wij bidden, verschijnt Gods beeld aan onzen geestelijken blik; dan vergeten wij ons zelf, en gevoelen door dit vergeten een zekere verlichting in smart en lijden.
Gedurende het gebed zweeft ons geheele leven ons voor den geest; wij herinneren ons alle wederwaardigheden, doch ook al de genaden, die God ons geschonken, de wonderlijke wegen, langs welke Hij ons geleid, en de gevaren voor welke Hij ons behoed heeft; wij berekenen, wat wij van Hem ontvangen hebben, en wat wij Hem daarvoor teruggaven, en maar al te spoedig zal het ons duidelijk worden, dat wij groote schuldenaren van God zijn. Wij zullen inzien, dat Hij oneindig meer heeft gegeven, dan genomen, dat meer zegen, dan onheil, ons geschonken is, en dat op smart en zorgen, lijden en ziekte groote zegeningen volgden.
Dit alles zal ons misschien eerst in de nachtelijke eenzaamheid helder en duidelijk worden. Dan ook zullen wij den goeden God voor Zijne liefde danken, wij zullen Zijne verdere genade afsmeeken, berouw hebben over onze gebreken en onze kleinmoedigheid, en eindelijk beloven, meer geduld te oefenen in het lijden.
Hebben wij dan onzen wil geheel aan den Zijnen onderworpen, dan kunnen wij ook met Hem bidden: „Niet mijn, maar Uw wil geschiede!quot; Dan zullen de klachten over onze slapeloosheid verstommen, want de tijd, waarin wij waakten, was immers niet verloren, en wat wij aan innerlijken troost en stichting gewonnen hebben, zal ons oneindig meer nut aangebracht hebben, dan de heerlijkste slaap.
-•gt;•3 106 fH-
Wanneer ik iets moet derven, troost ik mij met de gedachte, dat anderen hetzelfde ontberen. Dit mag velen een zeer slechte troost toeschijnen, ik zou dien toch gaarne willen behouden. Eeeus het bewustzijn, dat velen hetzelfde lijden, en ontberen, als ik, troost mij; niet zoo zeer, omdat ik weet, dat anderen beproefd worden even als ik, maar wijl zij ook hun kruis hebben, en het weten te dragen. Waarom zou ik het dan niet kunnen?
Toen de heilige Augustinus het verdienstelijke leven der heiligen las en overwoog, riep hij uit; „Als deze het konden, waarom wij dan ook niet?quot;
Dit moeten wij in slapelooze nachten overdenken.
Het zal zeker niet zonder troost of nut zijn, zich de menigte menschen voor te stellen, die zich in denzelfden nood bevinden, welke ons zoo lang en pijnlijk toeschijnt, en die even als wij van slaap en rust verstoken zijn. Denken wij onder anderen aan het groote aantal zieken en lijdenden, die over. de geheele wereld verspreid zijn. Zullen niet honderden van hen oneindig meer lijden dan wij, daar zij, ofschoon zieker en ellendiger dan wij, misschien minder goed verzorgd en niet zoo liefderijk verpleegd worden, omdat zij niet omringd zijn van trouwe verzorgers of goedhartige onderhoorigen, die hen op hun wenken bedienen.
Anderen missen misschien een zindelijk bed, eene aangename woning, eene vriendelijke omgeving; zij liggen eenzaam en verlaten. God alleen kent hunnen toestand, en hoort hunne zuchten! Ook zij zullen Zijnen troost niet derven, ook zij zullen in Zijne liefde eene vergoeding, en hulp tegen de vertwijfeling vinden!
Wanneer echter zulke zieken met een edelmoedig hart het offer brengen van hunne verlatenheid en afzondering, en hun leed in den echten zin des
christendoms zonder klacht of verbittering dragen,, dan zullen uit menig nederig zolderkamertje, uit menig klein vertrekje heerlijke verdiensten opstijgen tot den goeden God. Verdiensten, waarvan enkel de nacht getuige is. Zouden wij ook niet den tijd en de gemoedsstemming kunnen vinden tot zulk een daad van liefderijke overgeving? Als die armen en veriatenen het kunnen, waarom wij dan ook niet? Willen ook wij niet een offer, eene smart, een traan, of ten minste deze slapeloosheid aan onzen beschermengel overreiken, opdat hij die voor den troon van God nederlegge?
Wij zouden dan ook niet tevergeefs gewaakt hebben, en de ontbroken slaap zou rijkelijk vergoed worden door genade en verdiensten!
Behalve wij zieken waken ook nog andere menschen: edele, zelfopofferende zielen, die uit medelijden en menschlievendheid, of uit heilige gehoorzaamheid de zieken in hospitalen, in inrichtingen voor besmettelijke ziekten en krankzinnigengestichten verplegen, die engelen in menschengedaante, die bij stervenden en gevangenen, ijlhoofdigen, verwonden en ongelukkigen van allerlei aard, de zoo moeielijke verpleging op zich nemen. Zij zouden kunnen slapen volgens hunne persoonlijke gesteldheid, zij hebben echter hunnen slaap uit liefde tot God aan de naastenliefde opgeofferd. Beschouwen wij hunnen stichtenden werkkring, die als met den geest der heilige liefde bezield is.
Hier kermt en steent een arme verminkte, schier bezwijkende onder de hevigheid zijner smarten, daar ijlt een koortslijder, hier klaagt een kind, dat zich onrustig in zijn bed heen en weder wendt, en zij, die reeds haren slaap ten offer gebracht heeft, geeft nog veel meer, zij schenkt medelijden en verlichting, troost en opbeuring. Dezen reikt zij eenen ver-frisschenden drank, genen een geneesmiddel, hier wordt een verband vernieuwd, daar leent zich hare
-gt;•? 108 §•lt;-
zachte hand tot een liefderijk werk van barmhartigheid; zij schudt de kussens en brengt alles weer behoorlijk in orde; nu weder een vriendelijk woord, een goedhartige blik, die een bedrukte en moedelooze ziel weder opwekt; hier is een stervende, wien reeds het koude doodszweet op het voorhoofd parelt, hoe angstig zoekt zijn oog naar beiden, die hem in den laatsten strijd trouw ter zijde staan — naar de vrome liefdezuster en den priester! Zij bidden met hem, zij reiken hem het kruisbeeld ter vereering over, en schenken hem daardoor den besten troost! — Ave Crux, spes unica! Wees gegroet, o Kruis! gij onze eenige hoop!
In deze hoop sterft hij. Zalig allen, die uit liefde tot God en den naaste hunnen slaap opgeofferd, en daardoor misschien eene ziel gered hebben! Laten wij denken, dat wij nooit alleen waken. De reiziger te water en te land, de arme soldaten, die in weerwil van storm en koude, van vorst en regen in 't holst van den nacht hunnen dienst moeten verrichten; zij allen waken, en wij konden voor hen bidden gedurende onze slapeloosheid, voor de vervulling hunner wenschen, voor de betrachting hunner plichten, voor het bereiken van hun doel, en het afwenden van alle gevaren, alsook voor de bekeering der zondaren, en voor een zaligen dood. Moet ik eindelijk nog gewag maken van hen, die niet begrijpen, hoe heerlijk en verkwikkend voor ons zieken de slaap zou zijn, dien zij zich zoo lichtzinnig ontzeggen, ter wille van een wuft, vaak zondig vermaak, zooals het voorbijgaand genot in de danszaal?
O, hoe dikwijls drongen de woeste en scherpe tonen der dansmuziek mijne stille ziekenkamer binnen! Met hoeveel huivering moest ik dan denken aan de be-leedigingen, die God werden aangedaan, en aan de menigte van zonden, die in zulk eenen nacht bedreven worden! Voor hen, die aan die walgelijke
-gt;*S 109 Slt;-
feesten deelnemen, is het waken geen opoffering, zij maken den dag tot nacht en den nacht tot dag! Hun hart behoort aan de wereld en hare ijdelheid! Wee hun, indien zij onvoorbereid, in ongerechtigheid en zonde door den eeuwigen slaap des doods overvallen worden! Wee hun, indien zij uit de schitterende gezelschapszaal in da eeuwige duisternis geworpen worden!
Slapelooze zieken, bidt toch voor deze dwazen ! Brengt voor hunne zonden uwe slapelooze nachten ten offer! Schenkt hun een uur van uw lijden; daardoor zult gij meer gelijkvormig worden aan uwen Heiland op den Olijfberg, die Zich 's nachts door gebed tot den dood voorbereidde. Gij boet dan met Hem voor de gevallen menschheid, en hebt niet tevergeefs of nutteloos gewaakt. —
Duizendvoudige zegen over den nacht, die zooveel genade schonk, en zulke besluiten deed nemen ! ——
Met zonnelicht aan 's hemels trans Verbleekt. De laatste matte stralen Doen nog een weifelenden glans — Een straal van hoop — op 't aardrijk dalen.
Het druk gewoel langs straat en gracht Sterft weg. De moede treedt naar binnen.
Om na de rust met nieuwe kracht Een nieuwe dagtaak te beginnen..
En ik, op 't ziekbed uitgestrekt,
Ben aan het aardsch gewoel onttogen.
Doch voel me in 't lijden opgewekt,
Als 't hart door liefde wordt bewogen.
Wen ik op mijne lijdensspond Zoo gansch alleen met God mag koozen, Dan rust ik, o zoo menig stond,
Als lag ik op een bed van rozen.
En lijdend nader ik het doel
Langs 't pad, door God mij aangewezen.
En zeg met innig blij gevoel;
„De wil des Heeren zij geprezen!'
Geduldig draag ik smart en pijn.
Die van de hand des Heeren komen.
Wijl 'k weet, dat deze dorens zijn
Aan 's Heilands doornenkroon ontnomen.
Weldadig is der liefde macht.
Zij geeft mij kracht tot voorwaarts streven Naar 't helder licht des dags ■— door nacht, — Door leed en wei — naar 't zoete leven.
D. Schram.
Wees niet gestoord, als uwe Verplegers slapen,
,,Hy vond hen slapende.quot; Math. 2ó. 43.
Xoen de lieve Heiland van Zijn gebed op den Olijfberg tot Zijne leerlingen terugkeerde, vond Hij hen slapende. Droefheid en moedeloosheid hadden zich van hen meester gemaakt, en hen ongevoelig doen worden. Toch verweet Hij hun deze nalatigheid of onverschilligheid niet. Hij wist, dat het hunne schuld niet was, „want hunne oogen waren bezwaard,quot; zegt het Evangelie. Op weemoedigen, klagenden toon spreekt Hij slechts deze zachte woorden: „Kondt gij dan niet één uur met Mij waken?quot; Het gebeurt .somtijds, dat, terwijl wij daar slapeloos liggen, onze
-gt;*i 111 §«-
omgeving, die ons eigenlijk zou moeten bezig houden en verstrooien, door vermoeienis overmand, in slaap is gevallen, en volstrekt geen begrip schijnt te hebben van de groote kwelling der slapeloosheid. Wij roepen dan onze verplegers, doch krijgen geen antwoord. Zij zijn ingeslapen. Is dit geen reden, om verdrietig te worden? Is dat niet moeielijk te verdragen?
En toch moest dit ons niet neerslachtig maken of bevreemden, het is zoo geheel natuurlijk!
Wij mogen nooit vergeten, dat wij ziek, en dat zij gezond zijn. Wie weet, of wij in hunne plaats niet eveneens zouden inslapen, vooral, wanneer alles om ons heen stil en rustig is.
De meeste verplegers kunnen over dag niet de noodige rust nemen, om den verzuimden slaap voldoende in te halen. Zij moeten het een of ander werk doen, hunne gewone bezigheden verrichten, en toch 's nachts bij ons waken.
In de stilte, die ons omgeeft, gevoelen zij nog meer behoefte om te rusten. Mogen wij hun dit kwalijk nemen? Volstrekt niet, wij moeten hun die rust van ganscher harte gunnen.
Hunne genegenheid voor ons zal daardoor des te sterker worden.
Zouden wij er beter aan toe zijn, indien wij niet alleen waakten?
Lijden wij minder, wanneer iemand er getuige van is? Voorzeker is er een groote troost gelegen in een vriendelijk, opwekkend woord, een liefderijken blik een warmen handdruk en in iederen dienst, die ons uit ware deelneming bewezen wordt. Wij mogen niettemin de zwakke menschelijke natuur niet uit het oog verliezen, wij moeten niet onrechtvaardig zijn tegenover de goedhartige zielen, die ons het beste en kostbaarste, hunne nachtrust, hun verkwikkenden slaap ten offer brengen. Wij begrijpen niet, hoeveel moeite het hun kost, zich met geweld aanhoudend
-gt;*? 112 amp;lt;-
wakker te houden, vooral in de doodelijke stilte van een warme, donkere ziekenkamer, waar niets dan het eentonig tikken der klok gehoord wordt.
Wij zieken liggen somtijds ook in de lichte sluimering der verdooving, koortsachtig, zwak en onbeweeglijk, zonder een woord te uiten. Is het dan te verwonderen, wanneer de natuur van den gezonden mensch haar recht eischt, dat zij den kranke weigert? Dikwijls hoorde ik mijn lieve verplegers zeggen, dat zij gaarne bereid waren, mij hunnen slaap af te staan, om mij te verkwikken. O laat u toch nooit door wrevel en ontevredenheid beheerschen. Tracht liefderijk en geduldig te zijn, en stoor de rust van uwe bewakers niet. Gun hun die van harte, het duurt toch niet den geheelen nacht.
Zij zullen zorgzamer voor u zijn, wanneer zij zwak waren, en gij daarentegen goedhartigheid getoond hebt, om hunne zwakheid te verschoonen.
Wij zieken kunnen nooit te zachtmoedig, nooit te goedhartig zijn, opdat men ook goed met ons zij.
Breng dus het offer der eenzaamheid! Gij weet immers, waarheen gij uwe gedachten te richten hebt.
Houd uwen lieven Jezus op den Olijfberg gezelschap. Hij ook was alleen — Hij ook, vond hen slapende. Zelfs niet dien éénen nacht, dat enkele uur waakten zij met Hem!
Bij u heeft men misschien reeds verscheidene nachten gewaakt. De leerlingen begrepen den Heer niet. En Hij? Hij vergeeft! Hij berispt zelfs niet! Moge bij het hooren van dit voorbeeld geen verbittering uw hart binnensluipen!
Wanneer wij maar altijd wilden, wat God wil, dan zou ook alles geschieden, wat wij willen. Niets verzekert ons meer aanhoudend den vrede en de rust onzer ziel, dan de volmaakte overeenstemming met
Hem in alle omstandigheden des levens.
- — -
-gt;*§ 113 §♦lt;-
^Sfanneer ik somtijds, door smart overweldigd, slapeloos daar neder lag, en mijne verpleegster door vermoeienis was ingesluimerd, hield ik mij met mijn naclitlicht bezig. Het geeft meer stof tot overweging, dan men meent, en wekte bij mij ernstige, diepzinnige overpeinzingen. Het herinnert aan de Godslampen in kerken en kapellen, waarin de olie dagelijks ter eere Gods verteert. Het voert mijne ziel naar den tabernakel, waarin liet ware Licht der wereld, het Licht, dat schijnt in de duisternis, onder de gedaante van brood verborgen, onder de menschen Zijn verblijf houdt.
Welke ondoorgrondelijke liefde! Welk een wonder des geloofs! Welk een overvloeiende bron van troost, genade en zegening! —
Gaarne breng ik een kort bezoek bij mijnen Jezus, die zoo menigmaal alleen en verlaten is, gedurende de lange en bange uren van den nacht.
Het nachtlicht doet mij ook denken aan de wijze Maagden, die hare lampen gereed hielden voor de komst van den Bruidegom.
Is mijne lamp ook gevuld? Heb ik ze ook voorzien van de olie der deugden en goede werken, om niet verrast te worden, wanneer de Goddelijke Bruidegom plotseling mocht komen, om mij voor het eeuwige Bruiloftsmaal af te halen?
Ben ik bereid, Hem te volgen ? Is de vlam helder; schittert het licht van goede werken?
Gloeit het hart door vurig verlangen naar God?
Dan weder denk ik bij het aanschouwen van het nachtlicht aan de vergankelijkheid van al het mensche-lijke en aardsche.
Hoe flauw en onzeker flikkert de kleine vlam daar in het glas!
Kruisbloemen. 8
114 S«-
üfschoon de rozeroode schemering zich over de omgeving verspreidt en zelfs op mijn bleeke wangen een voorbijgaand blosje toovert, het is bedrieglijke schoonheid, evenals het avondrood, dat den zonsondergang voorafgaat, de glimlach eens stervende! O ijdelheid, o ijdelheid! Alles is ijdelheid!
Alles is vergankelijk. Iedere minuut verteert eenen druppel van mijne levensolie, en ach, hoe spoedig misschien is de voorraad uitgeput! —
Dooft echter de flikkerende pit uit, vergaat de vlam in asch — wat dan? waarheen dan, mijne ziel?
Naar God? Naar den Rechter! om rekenschap te geven van ieder woord, van iedere handeling, van iedere gedachte uws levens! O goede Jezus! wees mij geen Rechter, maar een Verlosser!
Dit roep ik uit den grond mijns harten, wanneer ik de vergankelijkheid van al het aardsche overweeg. Bij het zien van mijn nachtlicht denk ik aan den dood en de eeuwigheid.
Een tochtje kan het uitdooven. Evenzoo spoedig kan mijn zwakke levensvlam worden uitgedoofd.
Het nachtlicht predikt ons van licht en duisternis, van dood en leven, van graf en eeuwigheid.
,,De dienaars der Joden grepen Jezus en bonden Hem.quot; Joh. 18. 12.
Jjjen heeft reeds dikwijls gehoord, dat men gevangenen de prachtigste vertrekken ter bewoning aangewezen, de heerlijkste spijzen en dranken voorgezet, en alle mogelijke genot verschaft had, en dat zij al deze voordeelen afwezen, om hunne vrijheid te bekomen. Liever vrij man met water en brood, dan gevangen in koninklijke weelde.
-gt;•3 115
Dit zeggen zonder twijfel de meesten, en zii hebben gelijk.
En de kleine nachtegaal, die zich te midden van uitheemsche gewassen schommelt, en zijne slanke figuur in den vergulden spiegel eener pronkkamer teruggekaatst ziet — verdient hij niet ons medelijden, in weerwil van den glans zijner omgeving?
Ofschoon hij in een rijk paleis woont, ontbeert hij toch de vrijheid van het woud, zijn stil verborgen plekje, en de vroolijke zangerenschaar, waarmede hij naar het zuiden trok, indien hij — ach! niet gevangen was! O gij arm gevangen vogeltje!
Wij zieken zijn ook gevangen!
Wij derven de vrijheid onzer bewegingen, de bekoorlijkheid der vrije natuur, de lucht, het licht en den zonneschijn.
Dat valt hard; het moet door ons geleerd worden, en wij moeten ons daarin zoo lang oefenen, tot het ons niet smartelijk meer aandoet. Er kunnen dagen komen, waarop onze omgeving ons verlaat, en wij geheel alleen te bed achterblijven!
Misschien hebben wij reeds afstand gedaan van hun gezelschap en hun onderhoud, omdat wij inzagen, dat het goed en noodzakelijk voor hen was, zich in de open lucht wat te verkwikken, — daarom bleef het offer voor ons toch even zwaar! Zij zijn nu buiten en genieten, terwijl wij de vrijheid missen! Het is eene oude waarheid, dat ieder genot, waarvan wij verstoken blijven, eene bijzondere aantrekkelijkheid heeft, dit leert ons reeds de treurige geschiedenis van de verboden vrucht in het paradijs. In deze eenzaamheid wordt het ons dikwijls zwaar te moede, de moed dreigt ons te ontzinken, de uren kruipen zoo langzaam voorbij!
Gevangen, opgesloten, van vrijheid beroofd!
8*
-gt;♦« 116
Zulke gedachten moeten nooit in ons opkomen ; de mensch kan, zoo niet alles, dan toch zeer veel, als hij het maar ernstig wil.
Laten wij vooreerst ons verstand te hulp roepen; laten wij ons niet door ons gevoel overmeesteren, en trachten wij de overgroote gevoeligheid door zelfbe-heersching te bestrijden. Meer nog moeten wij luisteren naar de stem des geloofs, dan naar die dei-rede !
„God wil het zoo,quot; God zal het best weten, wat ons nuttig is, en waarom Hij het zoo, en niet anders gedaan heeft. Alles duurt immers slechts een korten tijd, en gaat sneller voorbij dan men aanvankelijk dacht.
Zulke gedachten troosten en verkwikken, zij ontrukken ons aan dat somber, ontevreden gepeins en versterken ons in onze onderwerping.
Door berusting wordt de gevangenschap aangenaam, door berusting worden de banden minder kwellend — door haar behouden wij de macht over onze hartstochten, en wij leeren met vertrouwen het uur te gemoet zien, waarop de gevangenis zich zal ontsluiten aan de ziel. En deze, bevrijd van de boeien der menschelijke natuur, zal vrij en gelukzalig opstijgen naar de eeuwige lustoorden des Hemels.
Kruisweg. Naar Golgotha!
O Jezus, voor onze zonden onschuldig ter dood veroordeeld, ontferm IJ onzer!
„Wij gaan op naar Jeruzalem.quot; Lukas 18, 31.
let schrikwekkendste is geschied! De getrouwste der menschen werd verraden, Hij, die honderden liet leven en de gezondheid had weergegeven, werd zoo mishandeld, dat Hij niet meer te herkennen was. Hij, de Beste, de Heiligste werd bij den moordenaar en straatroover achtergesteld! Heeft men ooit een onrechtvaardiger oordeel uitgesproken? Jezus tot den kruisdood veroordeeld! Welk een schouwspel voor Jeruzalem, ja voor de geheele wereld! De liefde wordt miskend, de hel zegeviert! —
Met het kruis beladen en overgeleverd aan ruwe krijgsknechten, wankelt Hij door de straten der stad, naar de plaats der terechtstelling. Waar zijn de vrienden, die Hij zoozeer heeft liefgehad? Waar is het volk, dat Hij ontelbare malen welgedaan, onderwezen en onlangs nog door een wonder gespijzigd heeft? De vrienden zijn verdwenen; slechts weinigen volgen Hem, en deze vermogen niets tegen de menigte, die als een stortvloed komt aandruischen. Het volk, dat nog vóór weinige dagen Hem het „Hosanna!quot; had toegeroepen, heeft reeds lang zijnen weldoener vergeten, met valsche getuigen ingestemd en Zijnen dood verlangd. Zij, die Hem vroeger zegenden, vervloeken Hem nu, en dorsten naar Zijn bloed, want „deze is uwe ure en de macht der duisternis.quot; (Lukas 22, 53).
Christus, onze Heiland, betreedt den kruisweg. Reeds de naam zegt het: deze weg is niet aanlokkend, niet aangenaam, het is een weg met het kruis, een weg naar het kruis! En toch heeft deze weg ons
-gt;S 120
heil en onze verlossing bekrachtigd. Had Christus hem niet afgelegd, had Hij daardoor onze vergiffenis, onze verzoening en onze eeuwige zaligheid niet bewerkt, dan waren wij beklagenswaardige slaven der zonde gebleven, en aan den eeuwigen dood prijsgegeven. Jezus had nog wel andere middelen en wegen te Zijnen dienste, om de wereld te verlossen, maar Hij heeft juist dezen gekozen. Daar de zonde God zoo vreeselijk beleedigd had, moest ook eene heldhaftige liefde, als de Zijne, eene liefde, die alles overtreft, den beleedigden God verzoenen. Daarom plantte Hij het kruis tusschen de arme menschheid en Zijn vertoornden Vader. Daarom liet Hij Zich daaraan hechten, als het bloedige Offerlam voor de zondige wereld. Sedert Hij tot den kruisdood werd veroordeeld, het Kruis heeft gedragen en den kruisweg bewandeld, heeft het Kruis al het afschrikwekkende verloren, en is een kenteeken van liefde, heil, genade en ontferming geworden. Christus heeft den kruisweg geheiligd, met Zijn bloed geverfd en tot een weg des heils gemaakt. Allen, die God vinden, tot Hem komen, en Zijnen hemel willen binnengaan, moeten dezen kruisweg betreden en zelfs, zoo zij niet moesten, zouden zij hem vrijwillig kiezen. Hij is pijnlijk en oneffen, maar zeker. Hij voert over den Golgotha naar den Thabor, door den nacht des lijdens naar het hemelsche licht. Zeker heeft God menigvuldige andere wegen, om de menschen tot Zich te roepen, doch het zijn omwegen; de rechtstreeksche, de naaste weg tot Hem is ontegenzeggelijk de kruisweg. Sedert Hij hem met de onloochenbare sporen van Zijn Bloed gekenmerkt heeft, hebben alle heiligen en vrienden des Heeren, al de zielen, die naar volmaaktheid streven, en Zijne leerlingen willen worden, dien weg gevolgd! De zieken zijn inzonderheid tot den kruisweg geroepen. Hun kruisweg heeft, evenals die van den Heiland, zijne grootsche oogenblikken, zijn vallen en opstaan tot aan het „Consummatum estquot;.
-gt;•§ 121
Het is volbracht! Wanneer de zieke niet eigenmachtig een anderen weg inslaat of lafhartig vlucht, maar kalm den last des kruises op zich neemt, en de voetstappen van zijn Heer volgt, mag hij genist zijn, hij is zeker van zijn eeuwige zaligheid.
Hij, die de waarde van het Kruis heeft leeren kennen, zal het niet meer afwijzen; hij, die den Heiland in het dragen van Zijn kruis heeft nagevolgd, die met Hem onder het kruis gevallen is, maar ook met Zijn kostbaar Bloed overgoten is geworden, en onder Zijn Kruis gestaan heeft, zal dezen troost, dit door bloed en tranen verworven geluk, niet willen ruilen tegen eenig genot of welke vergankelijke aardsche vreugde dan ook.
—gt;-=K— —
Qroot was het Kruis op Golgotha,'- zegt de gravin Ida Hahn-Halm zoo schoon en waar in haar boek over de navolgers van het Kruis, „groot was het, want het reikte van Golgotha tot aan den Hemel, en strekte zijne beide armen uit, als wilde het de geheele wereld omvatten, en de ruimte innemen tusschen hemel en aarde. Waarheen de voet zijne schreden richtte — waarnaar de hand zich uitstrekte — werwaarts het oog zijne blikken wierp — overal was het Kruis!
Tot het Kruis verhief zich de ziel, naar het Kruis verlangde het hart in vurige geestdrift; het was de ladder geworden, die de aarde met den hemel verbindt, waarlangs niet de engelen, maar de Heer der engelen zelf nederdaalde, om den wereldling met Zijne liefde uit zijne sluimering te wekken. Klein was het Kruis ook, onbeduidend klein, want het paste voor ieder hart, ieder kon het in zijn binnenste opnemen, het omklemmen en er zich door heiligen.
-gt;*S 122 S*lt;~
Wanneer ooit liet Kruis in een hart zijn intrek heeft genomen, dan moet het daar wortel schieten, en dit geschiedt doorgaans slechts onder groote smarten, en al was het ten koste van het licht en de vreugde des hemels, het hart moet alles opofferen, om het te behouden; en mocht de bekoring, om het Kruis af te leggen, blijven aanhouden, dan moet het vast omklemd worden, opdat de zegen van het Kruis niet wijke — want de Hemel lijdt geweld.quot;
Wanneer men het woord „Kruis1' goed begrijpt, moet men het in de beteekenis van genade nemen. Deze mensch heeft een zwaar Kruis — God moet dezen mensch bijzonder liefhebben. Den waren aard der dingen, of zij werkelijk slecht zijn, leeren wij eerst uit hunne werking kennen. Door het Kruis, dat zooveel deugden bevat, worden wij van het gewoel dei-wereld afgetrokken; door het Kruis bepalen wij ons tot innerlijke beschouwing en godsdienstige overweging; ieder stil in zich zelf gekeerd mensch weet, welk nut hieruit voortvloeit. Door het Kruis worden wij ootmoedig, welwillend, geduldig en inschikkelijk. Wij hebben behoefte aan de hulp, en het medelijden van anderen; dit maakt ons vriendelijk en dankbaar, en verwekt wederzijdsche genegenheid; wij kunnen lijden uit liefde tot God of de verdiensten van ons Kruis aan anderen ten offer brengen. Hoe rijk worden wij dus door het Kruis, en hoe dikwijls kunnen wij, die lijden, zonder dat wij zulks vermoeden, anderen tot troost en opbeuring strekken.
123
Er zijn altijd mensclien, die meer lijden dan wij. Dit stemt tot tevredenheid; het Kruis maakt, dat wij onze gedachten naar boven richten. Langzamerhand verachten wij de ij del he id der wereld en hare genietingen, en vinden onze voldoening in den omgang met God.
Zonder Kruis zou ik niet willen leven! Hoe zwaarder het kruis, hoe meer nabij God; hoe zwaarder mijn Kruis, des te gevoeliger, en liefderijker Zijn troost. Ik zondig het minst, wanneer ik veel te lijden heb, want dan verkeer ik dag en nacht alleen met God door het gebed, en zoo beleef ik, ofschoon door allen beklaagd, de heerlijkste uren. Wanneer ik geen Kruis had, zou ik er mij zelf een moeten opleggen, want het behoort tot mijn bestaan, het maakt mij toegevender en beter, en is mij even heilzaam als nuttig.
Eens vroeg men mij, of kruis en lijden, smart en ziekte den mensch werkelijk beter maken, en ik moest hierop een bevestigend antwoord geven. Naderhand hoorde ik menige tegenbewering, als op de waarheid der ondervinding gegrond.
Men verhaalde mij van zwaar beproefden, van menschen, die vele jaren lijdende waren geweest, die-door hunne smarten meer en meer verbitterd, en ontevreden waren geworden, en tegen God waren opgestaan, en zich geenszins gebeterd hadden. Deze bewijsgronden veranderden nochtans mijne zienswijze niet.
Wanneer wij God liefhebben en weten, dat Hij onze goede Vader is, die het altijd goed met ons voor heeft, dan moeten wij alles, wat Hij over ons beschikt, gaarne van Hem aannemen; wij weten dan ook, dat alles tot ons heil zal strekken.
Zijn Kruis zullen wij dan beminnen, Zijne hand kussen, ook wanneer Zij kastijdt of schijnbaar smarte-
124 ge
lijk aandoet — ziekte en beproeving zullen wij geduldig verdragen, omdat zij ons door Zijn Goddelijken Wil worden opgelegd. Door onze onderwerping, onze liefde en onze gelioorzaamlieid zullen wij dan zoeten troost •of innerlijke genade verwerven, — en het woord van den H. Paulus wordt bewaarheid: „Voor hen, die God liefhebben, zullen alle dingen medewerken ten goede.quot;
Hiermede wordt mijne bewering gestaafd. Men zou er altijd bij moeten voegen: het lijden verbetert de menschen, die God beminnen. Die zich van Hem afkeeren, vinden zonder twijfel in alle dingen aanleiding tot verzet. Maar zelfs in verharde naturen werkt de genade der Goddelijke liefde soms zeer wonderbaar, en men heeft reeds meer dan eens gezien, dat lijden en kruis de menschen tot God voerden.
Het Kruis slaat alle wonden, en heelt ze tege-Jijker tijd. De H. Helena genas de zieken door de oplegging van het ware Kruis van Christus, nadat .eerst twee andere kruisen waren opgelegd zonder ■eenig gevolg.
Zoo. dient het Kruis, dat wij niet begrijpen, niet geloovig aannemen of juist opvatten, ons tot niets, het geeft ons troost, hulp noch verzachting; alleen wanneer wij het als het Kruis van Christus liefhebben en dragen, brengt het het eeuwige heil met zich.
Het Kruis is onze tuchtroede — zonder tuchtroede geene opvoeding, zonder deugd geen hemel; hoe dierbaarder de onzen ons zijn, des te gelukkiger zouden wij ze willen zien. Door deugd alleen kunnen wij den hemel verdienen, daarom kruis en tuchtiging, daarom deze opvoeding door het Kruis, om door hetzelve Goddelijke liefde in ons op te wekken, en aan den dag te leggen. — Zonder kruis geene deugd, zonder deugd geen hemel, zonder God geene zaligheid!
-gt;•3 125 S*lt;-
Slechts met Hem, in Hem en bij Hem zijn wij waarlijk gelukkig. Het Kruis is de brug, die tot Hem voert, maar ook de brug over de aarde naar de eeuwigheid.
Dikwijls reeds heeft het woord bezoeking mij in verrukking gebracht. Ik neem dit liefst letterlijk op. Christus komt met Zijn kruis bij ons, en bezoekt ons; Hij legt een bezoek af; — dit doet men toch alleen uit vriendschap of uit liefde? Men brengt geene bezoeken bij vreemdelingen of menschen, die ons onverschillig zijn; 'zulk een bezoek is dus een bewijs van Zijne liefde. Met Zijn Kruis beladen bezoekt Hij ons, want als Godmensch is Hij bijna onafscheidelijk van het Kruis. De wreg, dien Hij op aarde bewandelde, was immers een aanhoudende kruisweg. Eerst na Zijnen dood, na Zijn verlossingswerk legde Hij het Kruis af, en droeg het zegeteeken van den Verrezene. In het laatste oordeel zal nog een laatste maal het Kruis aan den hemel verschijnen als Zijn teeken, het teeken. van Jezus, door wien wij zullen geoordeeld worden! Wel ons, zoo wij het Kruis kennen, en het ons geen. schrik inboezemt.
Ave crux, s^jes unica] Wees gegroet, o Kruis, gij, mijn eenige hoop! — Hoe schoon zijn deze woorden!
Lieve Jezus, geef, dat wij ons deze woorden herinneren in het uur van onzen dood.
„Wilt gij uw kruis gemakkelijk dragen, dan moogt gij het niet sleepen, maar gij moet het met alle kracht opnemen, en er mee voortijlen.quot; (H. Theresia.)
„Wilt gij den Heer bezitten, zoek Hem nergens dan in het kruis!quot; (H. Joannes van het Kruis.)
„Waar in een huis een zieke geduldig lijdt, daar is het Kruis, daar is ook Gods zegen, daar is God zelf.quot; (H. Theresia.)
-gt;•§ 12G SH1-
„Kniel neder voor de majesteit van liet Kruis, want daar, waar een Kruis is, is God zelf, en werkt aan liet heil eener ziel.quot;
Een lijdend hart behoeft niet meer om Gods -zegen te bidden, het heeft dien reeds in het Kruis. In het huis, in het gezin, waar het Kruis is, daar is God zelf. De lijdende kruisdrager is als een tabernakel, waarvoor men zou moeten neerknielen, omdat God zelf er in verborgen is.
Het Kruis is een brief, dien de Heer richt tot het hart, en waarin staat: „Ik heb u lief.quot;
„In hoc signo vinces — In dit teeken zult gij ■overwinnenquot; stond op het Kruis van den grooten ■Constantinus — hij geloofde en — zegevierde.
Het Kruis bewerkt onze zaligheid, wanneer wij het gaarne, ten minste geduldig dragen, zonder morren •en klagen; het strekt ons tot verderf, indien het ons lastig is.
Vaak stel ik mij het Kruis hol voor, gevuld met kostbaar, heerlijk riekend vocht, dat bij de minste «drukking er uit vloeit. Hoe inniger wij het Kruis omhelzen, hoe sterker wij het drukken, des te meer stroomt er uit, en des te meer kunnen wij er van genieten.
O Kruis, mijn hulk op 's levens woeste baren,
O Kruis, mijn hoop in lijfs- en zielsgevaren,
Mijn heil en heul, mijn stut en staf Zijt gij, o Kruis, tot aan het graf.
Het Kruis, de smaad en hoon zoo langen tijd,
Verwerft mij troost, en loon in eeuwigheid!
D. Schram.
-o-lt;D3^:-
127
Uit de Schriften der Heiligen.
IJe H. Johannes van liet Kruis haalt deze woorden aan; „Wie het Kruis van Christus niet zoekt, zoekt ook Zijne heerlijkheid niet. Wilt gij Hem bezitten, zoek Hem niet buiten het Kruis. Christus de Gekruiste, zij u genoeg; lijd en rust met Hem tot uwe gelukzaligheid.quot;
Maria Lataste zegt: „Wanneer het zoet is, bij God te zijn, en wanneer er geen lot is, wat hierbij vergeleken kan worden, dan schijnt mij het grootste geluk hierin te bestaan, dat men ter wille van God lijdt, en Zijnen wil volbrengt.quot;
In de schriften van den heiligen Aloysius vinden wij de volgende aanhaling:
„Er bestaat geen zekerder kenteeken, dat men tot het getal der uitverkorenen behoort, dan wanneer men door moedeloosheid en smarten bezocht wordt, en tevens men een christelijk leven leidt.quot;
De Zeer Eerw. Pastoor van Ars, J. B. Vianney zaliger gedachtenis, zegt: „Wanneer wij de eigenliefde overwonnen hebben, zal het ons niet moeielijk vallen, ons liefderijk jegens anderen te betoonen. Innemendheid en goedhartigheid ontstaan vanzelf uit de vei'zaking en de zelfverloochening, het zijn de bloesems van den ootmoed.quot;
Jozef von Görres verhaalt ons in zijne mystiek op zeer treffende wijze: „Overal in de natuur ontmoeten wij den vorm van het Kruis.quot;
De boom met zijne uitgebreide takken en twijgen gelijkt op een kruis — het schip, dat met uitere-
128 S-lt;~
spannen zeilen den oceaan doorklieft — de vogel, die de lucht doorsnijdt — zelfs de mensch met uitgestrekte armen vertoont ons het beeld van het Kruis.
Onze gelaatsvorm vertoont in zijne enkele deelen den vorm van het Kruis — oogen en neus of mond en neus vormen het Kruis — alles in de natuur, wat niet in een bepaalden vorm gewrongen is, vertoont het Kruis.quot;
]*en jong, eenvoudig boerenmeisje was bij eene voorname familie in dienst getreden.
Het gezicht van al de pracht en heerlijkheid, waarvan zij nu omgeven was, bracht het meisje in den waan, dat in dit kasteel niets dan geluk, vreugde en allerlei genietingen konden zetelen, en was dus zeer verwonderd, hare meesteres somtijds bedroefd en treurig te zien. Op zekeren dag vond zij haar zelfs badende in tranen. Toen zij dit met de grootste verwondering aan hare moeder verhaalde, sprak de verstandige vrouw: „Onthoud dit wel, mijne dochter; Onder fluweel en zijde schuilt dikwijls het zwaarste leed.quot; — Mets is meer waar, dan dat er in 't leven veel kruisen zijn, die de wereld niet kent, en die, juist, omdat zij geheim gehouden worden, des te pijnlijker aandoen. Veler, pronken met hun kruis, zij gaan er groot op, als het ware; zij willen daardoor de aandacht op zich vestigen, ten einde lof en bewondering in te oogsten. Deze bekoring ligt meer voor de hand, dan men denkt, want de ijdelheid sluipt door de verholenste opening naar binnen. Zij veroorzaakt ons zoo gemakkelijk een streelend gevoel. Het medelijden heeft ook zijn aantrekkelijkheid, maar vooral worden wij gestreeld doordien men ons geduld
-gt;•§ 129 S*lt;-
bewondert. Toch veroorzaken de Kruisen, die algemeen bekend zijn, meestal minder smart dan die, welke in het verborgen gedragen moeten ■worden. Deze folteren het hart en drukken hun prikkel dieji in de ziel, zonder eene zichtbare wonde te toonen, want zij bloeden inwendig.
Lichamelijk lijden en ziekten zijn meestal zoo duidelijk zichtbaar, dat ze niet verzwegen kunnen worden; dit is echter geene reden, om er mede te li ronken en ze iedereen te laten zien. Verzoekt men een zieke, iets van zijn langjarigen proeftijd en zijn smartelijk lijden te verhalen, dan doe hij dit, met een zekere bescheidenheid, houde er zich niet te lang bij op, en wijze allen lof op zijn geduld af.
Het is niet zijne verdienste, maar Gods genade, die hem met zooveel onderwerping laat lijden; liet is de goede God, die het lijden verlicht en verzacht. Terwijl wij te bed liggen, doen wij niets anders, en terwijl men ons met lofredenen overlaadt, is er misschien in onze nabijheid een lijder, die met meer verdienste een zwaar kruis torst, waarvan niemand iets weet, en waarvan God alleen de zwaarte kent. Wij moeten dus ons Kruis moedig opnemen, en het dankbaar dragen, in navolging van Hem, die ons voorgegaan is. Niemand heeft zeker een zwaarder en smartelijker Kruis gedragen dan Jezus, en toch pronkte Hij er niet mede. De apostel zegt eenvoudig: .,En Hij droeg Zijn Kruis.quot; Doen wij dit ook met evenveel lijdensmoed en liefde!
God geeft ons Kruis' de maat, den last, Die voor ons kracht en schouders past.
let is zeer troostend te bedenken, dat, wanneer God ons de keus had gelaten, ons Kruis uittezoeken, wij zeker geen ander hadden gekozen, dan hetwelk
Kruisbloemen, 9
wij reeds dragen, daar toch ten slotte alleen dut Kruis voor ons geschikt is, hetwelk Hij voor ons bestemd heeft. Hij kent immers onze kracht, zoowel als onze zwakte, veel beter dan wij zelf.
—o —
De pelgrim heeft den hoogen berg bestegen. Hij overziet in d' avondzonneglans Het heerlijk dal, aan zijnen voet gelegen.
Terwijl de zonneschijf aan 's hemels trans Verdwijnt, strekt hij ter rust zijn stramme leden In 't geurig gras, bevelend zich den Heer.
Hij sluit na korte en vurige gebeden De vaakrige oogen, doch een droomgezicht Heeft zijnen wakk'ren geest deze aarde onttogen.
De zonneschijf met haar verblindend licht
Is 't aanschijn Gods; Zijn kleed de hemelbogen.
En aan dat prachtgewaad strekt de aard tot zoom.
„O Heer, dien wij vol eerbied Vader noemen. Sta toe, dat ik in ootmoed tot U koom!
Laat mij in mijne zwakte Uw grootheid roemen.
Als zoon der vrouw, moet ik mijn kruis hier dragen;
Gij wilt, dat ik het torse met geduld.
Doch ééne gunst, o Heer, laat mij U vragen.
Dit kruis drukt al te zwaar mijn teere leden.
En ik bezwijk, zoo 'k 't langer torsen moet;
Geef mij een ander; ach, verhoor mijn beden'quot;
Toen hij zoo sprak met innig vroom gemoed,
Brak los een felle storm, die hem ontvoerde Aan 't heerlijk oord van 't uitgestrekte dal.
En toen zijn voet weer de aard beroerde,
Was hij omringd van kruisen, zonder tal,
Kingsom in allen vorm hier opgeslagen.
En in zijne ooren klinkt een stem, die zegt;
„Ik hoorde, sterveling, uw smeekend klagen;
Hier ziet gij 's menschen leed aan 't kruis gehecht,
Hier hebt gij keus, doch wil geen tijd verliezen; Gij moogt van al dees kruisen, groot en kleen,
Naar 't u behaagt, het lichtste en kleinste u kiezen.quot;
Hij staart en peinst, hij slaat de hand ineen.
Begint het een na 't ander op te tillen.
Dit kruis was hem te groot en dat te zwaar.
Doch dit, zoo meent hij, zou hij dragen willen;
Maar als hij tilt, wordt hij opeens gewaar Het pijnlijk drukken van de scherpe zijden.
„Dat daar,quot; zegt hij, „dat glanst als goud, is licht.quot; Hij doet het zachtkens op zijn schouders glijden. Maar 't lijkt ook goud ia zwaarte van gewicht.
Hij zet het af, om 't ander op te beuren.
Maar hoe hij wik en weeg, nu dit, dan dat,
Niet één, dat hij voor zich kon passend keuren.
En hoe hij zocht, en hoe hij tilde, mat.
Niet één, dat past. Hij monstert weer de rijen,
Maar vindt niet één, dat dragelijk hem scheen.
o»
•H? 132 3*lt;-
In 't eind blikt hij vertwijflend weer ter zijen; Daar staat een kruis: onooglijk, groot noch kleen; Hij neemt het op, en 't valt hem mee in 't tillen.
Hij wikt nog eens, van vreugde straalt zijn oog; Hij roept; „O Heer, zoo goedig Gij mocht willen, Dan nam ik dit,quot; en heft het blij omhoog.
Maar toen hij, 't nogmaals tillend, vorschend mat, Was dit het kruis, voorheen door hem gedragen, Waartegen hij te morren zich vermat.
Hij nam het op, en droeg het zonder klagen.
D. Schram.
Het Kruis, dat men zich zelf maakt.
Het kruis, dat men zicli zelf maakt, is altijd veel zwaarder en lastiger dan dat, hetwelk God ons oplegt. Hij kent onze lijdenskracht oneindig beter dan wij zelf. Hij berekent onze kracht zoowel als onze zwakte, en verlangt zeker niet, dat wij meer dragen dan onze krachten toelaten.
Om deze reden is ook de vergelijking zoo treffend schoon, dat Christus als mensch geworden God het handwerk van timmerman heeft gekozen, om nauwkeurig de lengte-, breedte- en hoekmaat te kennen. Daardoor kan Hij voor ieder onzer een kruis aanmeten en passen, dat noch te groot, noch te klein of te zwaar voor ieder vau ons is.
— O—-
-gt;-S 133 S-lt;-
Er zijn grootsclie karakters, die zich zonder de minste klacht aan eene pijnlijke operatie onderwerpen, de smarten moedig verduren, en daardoor de bewondering hunner omgeving opwekken. Terwijl patiënten met minder wilskracht zich zelf en hunne omgeving vreeselijk opwinden, bestrijden anderen hunne smart en opgewondenheid, en verlichten zoodoende de medelijdende omstanders in de grootste moeielijkheid van het oogenblik. Niet ieder is met dezen heldenmoed toegerust. Slechts weinigen gevoelen zich lichamelijk en zedelijk sterk genoeg, om door zulke daden te schitteren, misschien komen ook slechts weinig zieken in den toestand, om zulke proeven te doorstaan. Nochtans is het even moeielijk, jaar in jaar uit rustig te bed te liggen, iederen dag opnieuw zijn kruis op te nemen, altijd te lijden, altijd te dragen en te ontberen. God weet, hoe lang! —
Bij operaties is dikwijls één oogenblik beslissend, de keus is niet moeielijk, het mes wordt om zoo te zeggen op de keel gezet, eu laat geen tijd tot overwegen. Achter de dreigende wolk schijnt ons reeds het liefelijke morgenrood tegen, de hoop op een nieuw leven, nieuwe kracht, nieuwe gezondheid; dit alles dringt tot een snel besluit. De langjarige zieke kent zulke gewaarwordingen niet.
Wel zal hij de hoop op genezing behouden, zoolang die gerechtigd schijnt; hij zal zelfs gelooven, dat de Goddelijke Almacht en Barmhartigheid hem van het lijden verlossen en de gezondheid terug schenken kan, wanneer en hoe Hij wil; op den duur zal hij zich echter niet laten misleiden door nieuwe teleurstellingen. Dit hopeloos lijden, zonder beterschap of afwisseling, noem ik het dagelijksch kruis.
Het is zwaar te dragen, en veel gemakkelijker is het, een uur lang hevige smarten te verduren, dan
-xs 134
jarenlang een geringere. Veel gemakkelijker is het, zich voor één keer met heldenmoed te wapenen, dan dag aan dag aan te nemen, wat God over ons beschikt. De volharding kroont ons werk, en door de volharding wordt ook ons lijden volmaakt. Juist deze volharding is zeer moeielijk in de volvoering, vooral wanneer het lijden reeds lang duurt, en geen einde in het verschiet is.
Een godvruchtige ziel vergelijkt deze gemoedsstemming met slecht aangebrachte spelden, waaraan wij ons voortdurend bezeeren, wel niet doodelijk, maar toch hevig en zeer gevoelig.
Ook de Heilige Franciscus van Sales spreekt var de lastige steken van kleine insekten, die ons somtijds bijna razend maken, zonder dat wij in staat zijn, ze af te weren.
Er zijn ziekten, die niet doodelijk zijn, maar die gedurende een lang leven voortgesleept worden. Dit oordeel werd eens door dokters over mij uitgesproken: ,,'tls geen toestand, om er van te sterven, maar wel, om levenslang te lijden.quot; Dit noem ik dagelijks 't kruis dragen, dagelijks aan het kruis hangen, dagelijks aan het kruis versmachten. Om dit met volharding uit te houden, moeten wij vooral volharden in het hidden zonder ophouden, want het gebed is de beste troost voor den zieke. Wij moeten ons ook niet al te bezorgd maken over onze toekomst en denken: — „Ach, welk een lange tijd! Ach, hoevele jaren nog! Weten wij dan, of heden niet ons laatste uur zal slaan; of wij heden misschien niet genoeg geleden en getreurd hebben? Waartoe al de zorgen voor de toekomst? De tijd snelt heen, en die snelle vlucht is ontegenzeggelijk de beste troost der lijdenden. De vergankelijkheid van dit leven, en het bewustzijn, dat een eeuwigheid, en met haar een beter lot allen wacht, die God liefhebben, en op Hem vertrouwen, is de zoetste balsem voor elke wonde.
-gt;•§ 135
Wat zijn uren en dagen, wat zijn zelfs jaren tegenover eene eeuwigheid!
Wanneer dus iedere nieuwe dag u een kruisje brengt, neem het dan vol vertrouwen op uwe schouders!
Zou het niet mogelijk zijn, dat de aanvankelijke vrees in stille onderwerping, en deze ten laatste in heilige liefde tot het kruis veranderde?
Met een dankbaar hart mag ik het voor God bekennen, dat ik, na jarenlang mijn kruis gedragen te hebben, het ook lief heb gekregen, en dikwijls schertsend te kennen gaf, dat ik volstrekt niet zou weten, wat met de gezondheid te beginnen, indien de goede God mij die plotseling terugschonk. Ik zou er slecht aan toe zijn, indien ik op eens uit de rustige ziekenkamer in de woelige wereld werd verplaatst.
Heb dus moed en vertrouwen! Het dagelijksch kruis is dagelijksche genade!
Met dagelijks een weinig te offeren verwerven wij langzamerhand veel verdiensten voor de eeuwigheid.
Met de dagelijksche kruisen gaat het als met de meeste moeielijkheden. Zien wij ze onverschrokken onder de oogen, vatten wij ze moedig aan, clan verliezen zij alle zwarigheden, wijken alle hinderpalen en gevaren.
God is met ons! Hij gaat ons voor, wij volgen
Hem; wat kan ons dan overkomen?
——
Zou de gewoonte ook niet in staat zijn, ons den last van het kruis te doen vergeten? Voorzeker! Evenals de gelijkmatige volharding onze natuur het moeielijkst valt, en juist op de volharding al de
-gt;•? 13G
lieldenmoed der heilige belofte berust, die geen lielden-dadeu verlangt, maar dag aan dag denzelfden stand-vastigen wil, dezelfde trouwe liefde en offervaardigheid — zoo ook verzet onze zwakke, menschelijke natuur zich het allermeest tegen de noodzakelijkheid, om iederen nieuwen morgen weder daar te beginnen, waar wij gisteren opgehouden hebben. Hoe dikwijls grijpt ons het vurig verlangen aan, eens geheel rustig te liggen, zonder eenige ontroering of beweging, zonder eenig verkeer met de buitenwereld! — O, hoe dikwijls vinden wij onzen toestand bepaald onverdraaglijk, en gevoelen wij ons pijnlijk en moede, afgemat en ziek, koud en huiverig, en tot alles ongeschikt! Het gebed zelfs staat ons tegen, de arbeid schijnt ons onmogelijk, tot alles moeten wij ons dwingen, ieder vriendelijk woord, iedere glimlach kost ons reeds eene groote zelfbeheersching. Dan zijn moed en vertrouwen op God onontbeerlijk. Dan moeten wij bewijzen, hoever wij het in de liefde tot het kruis gebracht hebben. O dit dagelijksch kruis! o dit dagelijksch lot! Het is oneindig zwaarder dan eene onvoorziene ramp; want het vordert een vast, kinderlijk geloof en veel genade. God geeft die ook, wanneer wij er Hem dringend om bidden. Hij heeft ook die uiterste afgematheid, die doodelijke uitputting ondervonden en gekend, daarom wil en zal Hij ons helpen.
Wat den zieke ook zeer zwaar valt, is de groote onverschilligheid der ons omringenden, bij het zien van ons dagelijksch kruis; daar het hun geen bijzondere bezorgdheid meer inboezemt, hechten zij er ook minder waarde aan. Zoo staan wij dus meestal geheel alleen voor het vraagstuk, om heden zooals gisteren en morgen en altijd hetzelfde kruis te dragen. Vestig in dergelijke gemoedsstemming, beminde zieke, uwe blikken op den weg, die naar Jeruzalem voert. Beschouw uwen Heiland met het beladen Kruis; hoe moeielijk wankelt Hij voort, onder den last van het
137 SH-
7,ware kruishout. Hij struikelt, valt ter aarde en verft die met Zijn Bloed. Maar Hij blijft niet liggen, neen, met al de kracht, die nog in Hem is, staat Hij op en vervolgt den bitteren kruisweg. O, mijn Jezus! volgens het menschelijk gevoel waart Gij ook gaarne rustig blijven liggen, misschien liefst dadelijk op den weg gestorven. Maar Uw offer was nog niet volbracht. Uw doel nog niet bereikt, daarom sleeptet Gij U zoo afgemat langs de stralen. Daarom ook willen wij niet halverwege blijven liggen. Een korte, vurige verzuchting tot God: „O mijn Jezus, uit liefde tot IJ! O mijn Jezus, barmhartigheid!quot; moet ons hart sterken, en dan: opgestaan, mijne ziel, uit onmacht en ellende tot den dagelijkschen plicht, tot het dage-lijksch Kruis.
Niet ieder draagt zijn Kruis even verdienstelijk.
,,En Hij droeg; Zijn Kruis.quot;
\S^anneer wij een Kruis, d. w. z. eene smart of ziekte in het verschiet zien, verschrikken en sidderen wij. Toch moesten wij tot grondregel nemen: „Nooit onnoodig, nooit vooruit reeds zorgen!quot; Meestal geschiedt alles anders, dan wij gevreesd hadden. Waartoe dan die vooruitloopende bezorgdheid? Als de goede God ons Zijn Kruis wil opleggen, geeft Hij tegelijkertijd Zijnen troost en Zijne genade, om te kunnen dragen, wat ons te voren ondraaglijk toescheen. Even als de goedhartige, menschlievende dokter bij eene zware operatie tegelijk met de scherpe vlijm ook alle verzachtende middelen in gereedheid houdt, zoo ook houdt Gods vaderhand voor de wonde, die Hij ons in Zijne wijze bedoeling moet toebrengen, den balsem Zijner liefde als verzachtend geneesmiddel gereed.
-gt;•3 138 §•lt;-
Zijn wij reeds eenigszins met het Kruis verzoend, dan dragen wij het kalm, zonder klagen of morren. Onder Gods genade wordt het op den duur tot cene stille gewoonte; wij worden er tevreden onder, al koesteren wij ook menigmaal nog den wensch, te herstellen, en van het Kruis bevrijd te worden. Ten laatste krijgen wij die gewoonte lief, wij verlaten ons Kruis niet meer, en blijven vroolijk en onderworpen. Dan hebben wij zijne lichtzijde gevonden en den zegen, dien het bevat. Wij leven in volkomen onderwerping, juist zooals God het wil, kalm en gelukkig, te midden van ons ongeluk. De hoogste volmaaktheid is de triomf in het kruis, de liefde tot het kruis, de vreugde en de geestdrift voor het kruis. Dit wordt dan ons geluk, waarnaar wij verlangen — dat wij smaken, en dat ons alleen bevredigt. Dikwijle is het, alsof God er een genoegen in vindt, ons een vurig verlangen in te boezemen om nog meer te lijden, nog meer smarten te ondervinden.
Dit is zeker niets anders dan een verlangen naar de heilige liefde en de vereeniging met God. Toch ligt er een zeker gevaar in het gebed om het Kruis, het gevaar namelijk van den geestelijken hoogmoed. Somtijds zou het beter zijn, niets te lijden, dan te willen lijden, omdat het ons aangenaam is; altijd is het volmaakter te bidden; „Heer, zooals Gij wilt!quot; dan „Heer, ik wil lijden!quot; Laten wij het aan de wijsheid en liefde van onzen Vader in den Hemel over, wanneer en hoe wij moeten lijden. Het zou ook kunnen zijn, dat wij het lijden afsmeekten, en het daarna erg lastig vonden, iets anders gewild hadden, en ook geen kracht genoeg hadden, om te volharden. Lijden, wanneer en zooals God wil, is altijd het best. Wij mogen geen voorschriften, regels of voorwaarden stellen. Het is oneindig moeielijker, maar ook veel verdienstelijker, altijd in dezelfde stemming te blijven, dan te lijden, wanner men er toe genegen is.
Velen lijden gaarne, wanneer hun Kruis opgemerkt wordt. Onzichtbare kruisen zijn dikwijls veel lastiger, maar nuttiger. Een Kruis, dat wij dragen, zonder medelijden of bewondering op te weken, en dat niet begrepen wordt, werkt veel heilzamer op onze nederigheid, dan het Kruis eener ziekte, waarvan ieder spreekt, en dat voor ieder zichtbaar is. Zwijgen over het Kruis — en er ongevraagd niet over spreken, — dat is ware verdienste, dat is goed en prijzenswaardig, dat moeten wij vlijtig beoefenen.
Mijn hart, schep moed!
Blik op tot God, het hoogste goed!
Het pad is steil, ik voel mijn krachten mij begeven; Van 't moede, zwakke hoofd vloeit mij het kille zweet. Mij drukt de bange zorg en angst, de strijd is heet, En troosteloos voel 'k vaak van wanhoop mij omgeven. Mijn hart, schep moed!
Blik op tot God, het hoogste goed!
Mijn hart, schep moed!
Blik op tot God, het hoogste goed!
Mijn God en Heiland zelf heeft doodsangst willen lijden , En ons ten troost gaf Hij Zijn voorbeeld en Zijn leer: Door donkren nacht tot 't licht, door leed en smart tot eer, En door het droef geween tot 't eeuwige verblijden.
Mijn hart. schep moed!
Blik op tot God, het hoogste goed!
D. Schram
Hoe men het Kruis moet dragen.
,,En Hij droeg1 Zijn Kruis.quot; Joh. iq. 17.
JJoe moet men zijn Kruis dragen? Is deze vraag niet honderden malen geopperd? De beste boeken, en de grootste redenaars hebben dit vraagstuk behandeld, wat zou ik er dan nog van kunnen zeggen? Misschien hoort men liever mijn gevoelen, daar het op ondervinding berust. Er zijn zooveel verschillende manieren, om het Kruis de dragen, toch is en blijft het een Kruis, maar liet kan verschillend werken, al naar men het leert dragen. De beste leermeester is zeker de lieve Heiland. De heilige Schrift zegt van Hem: „Hij droeg Zijn Kruis.quot;
Hij heeft het gedragen, Hij heeft het niet voortgesleept, Hij heeft er niet mede gepronkt, om opzien te baren; Hij heeft het niet afgewezen, ofschoon Hij herhaalde malen onder Zijnen last bezweek. „Hij droeg Zijn Kruis.quot; Ook wij moeten het d.xagen. Velen krimpen bij het gezicht van het Kruis van angst inleen, zij vluchten voor het Kruis, en kunnen niet besluiten het op te nemen.
O, gij zwakke, moedelooze zielen! Het moet toch gedragen worden, hoe gij er u ook tegen verzet; God heeft het zoo ten beste geschikt, en van Hem moet gij het leeren dragen. Het zal een hart, dat God kent, niet moeielijk vallen, den afkeer der natuur te overwinnen, en zich in het onvermijdelijke te schikken.
Het Kruis kan uw heil en uw geluk bewerken. Het is de gouden sleutel, die den Hemel opent; het is het kenteeken van onzen Verlosser, en allen, die Hem beminnen, hebben het gekend en gedragen. Neem gij het ook onbevreesd op, en tracht het in navolging van Hem te dragen. Men verhaalt het volgende: Toen de Heilige Steianus, gedurende een kouden wintertijd, aan de armen warme kleeding, hout en voedingsmiddelen bracht, was zijn dienaar, die hem
-gt;•? 141 ?•lt;-
dagelijks hierbij vergezelde, zoo verkleumd van koude, dat hij vreesde, niet verder te kunnen gaan. Hij was nu op de gedachte gekomen, nauwkeurig in de voet-stappen te treden, die zijn koninklijke meester in de sneeuw achterliet. En wat geschiedde? Zeer spoedig gevoelde hij zich zoo warm en wel te moede, dat hij vorst en storm vergat, en vroolijk en opgewekt zijnen meester volgde, waarheen hij ging. In den Heiligen Stefanus openbaarde zich zoo krachtig en levendig de liefde tot God en de armen, dat hij niet alleen de uitwendige koude overwon, maar die liefde werd ook overgebracht op den bediende, die de sporen zijner voetstappen drukte. Zoo luidt de legende.
Ik spreek van ondervinding, wanneer ik zeg, dat het met het dragen van het Kruis geheel hetzelfde is. Aanvankelijk schijnt het ons moeielijk, lastig en weerzinwekkend. Wanneer wij eenigszins in Gods bedoelingen zijn doorgedrongen, en van Zijne liefde vervuld zijn, zal deze liefde ons meer en meer met een heiligen gloed, met lust en vreugde bezielen, en ons in staat stellen, ons kruis op de rechte wijze te dragen.
Indien wij dit maar altijd voor oogen hielden. De liefde legt ons het kruis op, de liefde maakt het
licht, de liefde helpt het ons dragen.
-—•
Wij moeten het Kruis in Eenvoud dragen.
quot;V^ij moeten het zonder neerslachtigheid, doch ook zonder overmoed eenvoudig opnemen, en er mede voortgaan, zooals Hij gedaan heeft, van wien men zegt: „En Hij droeg Zijn Kruis.quot;
O, hoe dikwijls wordt het ons door God opgelegde kruis verwenscht en verafschuwd, en be-
-gt;•4 142 §-lt;-
scliouwd als hatelijk en walgelijk; beoordeeld als overtollig en afschuwelijk; zelfs noemt men het eene tuchtroede in Gods hand, die niets dan ellende en smarten, jammer en verdriet veroorzaakt!
Hoe dikwijls wordt het niet met blind onverstand ontvlucht, in plaats van het met liefde op te nemen! Haat voor het kruis is den Christen onwaardig en berooft ons van de genade en de zegening, die in het kruis gelegen zijn, en die geschonken worden aan allen, die ze niet met het kruis afwijzen. Zal het kruis ons heilzaam worden, dan moeten wij het niet hoogmoedig of verdrietig van ons verwijderen, maar het liefdevol opnemen. Wie liet onwillig voortsleept en zijnen last verwenscht, verliest den besten troost.
EJene herinnering uit mijne eerste jeugd is mij steeds levendig bijgebleven.
Vaak begaf ik mij in gezelschap van mijne lieve moeder naar de kruiswegstaties, die in eenen lieven tuin rondom de parochiekerk waren opgericht, en juist geschikt waren, om tot godsvrucht te stemmen. Wanneer in de lente de struiken en boomen met zachtroode of sneeuwwitte bloesems prijkten, en de vogeltjes zich in de takken wiegden, en de hekler-blauwe lucht deden weergalmen van hunne heerlijke liederen, hoe aangenaam was het dan, daar te bidden en den Heer op Zijn lijdensweg te vergezellen! De heerschende stilte, het aanvallige beeld der nieuw ontwakende natuur, alles stemde tot innige dankbaarheid jegens God.
In 14 houten kapellen waren de staties van den kruisweg fraai in olieverf geschilderd. Onder al de voorkomende figuren maakte die van Simon van Cyrene telkens eenen diepen indruk op mij. De schilder was gelukkig geweest in de opvatting, dat zag ik later eerst duidelijk in, maar ik gevoelde het reeds in mijne kinderjaren. Op de vijfde statie verschijnt namelijk Simon van Cyrene voor het eerst naast den Goddelijken Heiland. Men ziet, dat hij niet dan gedwongen, en met eene uitdrukking van ontevredenheid op het gelaat, zijnen dienst leent. Het verzoek, dat men tot hem richtte, was hem in ieder opzicht lastig; hij wilde naar zijne pachthoeve gaan, dringende zaken afdoen, en had tijd noch lust, om opgehouden te worden; vooral niet, om een ter dood veroordeelden misdadiger zijn kruis te helpen dragen. Herkent gij u zelf niet in het beeld van den Cyrener, gij moede-looze, ongeduldige zieke? Heeft de Heer u ook niet midden uit het bedrijvige en werkzame leven, uit uw beroep en uwe zaken tot het kruis geroepen? Zeker zoudt gij het zelf niet gekozen hebben, en het niet dragen, zoo gij niet moest. In het volgende beeld is reeds eenige werking der goddelijke genade bij den eenvoudigen landman te bespeuren. Zijne gelaatstrekken drukken zachtheid en gemoedelijkheid uit, hij neemt het kruis op en houdt het in de hoogte, opdat het niet te zwaar op de heilige schouders drukke. Simon, Simon, hebt gij reeds de geheimzinnige voetstappen van den Goddelijken Meester gedrukt ; hebt gij reeds de zoetheid gesmaakt, die verborgen is in het kruis, dat met God gedragen wordt? Kent gij reeds de menschlievendheid van uwen Jezus? Zijn geduld. Zijne onderwerping? Waarlijk! Gij waart getuige, hoe ruwe beulsknechten den armen, bleeken Jezus met geweld voorttrokken, mishandelden en onder het uitbraken van scheldwoorden voortdreven, hoewel de afgematte voeten het lichaam nauwelijks konden
-gt;•3 1U ge
dragen. Deze hemelsche zachtmoedigheid heeft over u gezegevierd; nu volgt gij niet meer gedwongen, want gij bemint den Verlosser reeds, en tracht Zijnen last te verlichten, zooveel in uw vermogen is.
Beminde zieke! wanneer gij of) 't ziekbed eenigs-zins meer in de liefde Gods zijt doorgedrongen, en gij Hem beter hebt leeren kennen, terwijl u dit in gezonden toestand misschien onmogelijk was; wanneer gij de geheime bedoeling inziet, die God bewogen heeft, u in de eenzaamheid des lijdens door den nan-wen weg naar Calvarië te voeren — dan ook wordt het u duidelijk, dat Hij het goed met u voor heeft. Al doet het ook pijnlijk aan — al drukt het kruis met zijn scherpe kanten wat zwaar op de zwakke schouders — uw Jezus meent het goed met u. Hij wil u door het kruis naar den hemel geleiden, langs den harden, maar zekeren, langs den nauwen, maar koninklijken weg, dien Hij, Koning van hemel en aarde, zelf bewandeld, geheiligd en voor immer verheerlijkt heeft.
Volg mij nu, naar een ander beeld, waarvan het gezicht mijn kinderhart sneller deed kloppen, mij in verrukking bracht en tot tranen toe bewoog, en dat nu, na zoo vele jaren, nog zoo helder voor mijnen geest staat, als had ik het gisteren gezien.
Simon, wat is er van u geworden? quot;Wat heeft de liefde, wat heeft uw Heiland in u bewerkt? Ik herken u niet meer! —
't Is de negende statie van den kruisweg, die ons Jezus toont, terwijl Hij voor de derde' maal ter aarde valt.
Met al de uitdrukking van medelijden staat de Cyrener aan Zijne zijde; hij kon den pijnlijken, smarte-lijken val niet geheel voorkomen, het lange, vormlooze kruis trekt den afgematten Heiland met Zijnen zwaren last ter aarde. De beulen schelden en slaan schreeuwend op het tengere, maagdelijke lichaam. Veront-
-gt;•? 145
waardigd houdt Simon de woeste bende tegen; terwijl hij met de eene hand tracht het kruis in de hoogte te houden, poogt hij met zijne breede, krachtige gestalte den neergezonken Heiland te beschutten, en de beulsknechten van verdere ruwheid af te houden. Met schrik ontwaart hij de met bloed bedekte handen, die Hem mishandelen, wiens kruis hij helpt dragen.
Hij kan slechts een schuldeloos offer zijn, dit gevoelt Simon, alsook de grievende gewaarwoording, dat hij Hem geen hulp of verlichting kan bieden. O, hoe 'gaarne liet hij zich nu voor Jezus pijnigen! Hoe gelukkig gevoelt hij zich, nu het hem ten minste vergund is aan éénen kant de ruwheid der onmenschelijke soldaten te voorkomen. Deze ommekeer bewerkt de liefde, die in Jezus' Kruis bevat is, en de zegen, die van het kruis afdaalt op allen, die het met geloof opvatten en het met vertrouwen dragen. — Neem den man van Cyrene tot voorbeeld, beminde zieke! Leer van hem het onvermijdelijke in zegen te doen verkeeren; leer uit het bittere lijden zoete vruchten trekken; leer Jezus' lijden meer en meer in u opnemen, en tot uw heil aanwenden. Bid dikwijls en gaarne den heiligen kruisweg gedurende uwe ziekte. Dat gebed heeft mij steeds bemoedigd — en mij voet voor voet ingewijd in de geheimen van Jezus' liefde tot den dood, en mij de genade van het Kruis leeren kennen. Doen wij, zooals Simon deed, het zal
ons heil en zegen brengen.
-----—-
Ook ons zendt God dikwijls een Simon van Cyrene.
Wanneer goede en medelijdende vrienden, wanneer de dokter, de verpleegster of een vrome geestelijke, onze onderhoorigen en ondergeschikten ons hunne
10
Kru»j»lgt;l09hieiigt;
—gt;*S 14G
diensten aanbieden, of ons door geestelijke en licliame-lijke werken van barmhartigheid verkwikken — wanneer zij de ergste slagen trachten of te wenden, en beproeven de drukking van het kruis te minderen, om ons te helpen en te verlichten, waar en hoe zij kunnen
— dan moeten wij in hen onzen Simon van Cyrene zien, die Gods liefde op onzen kruisweg zendt, en wij moeten hen met hartelijke, oprechte dankbaarheid te gemoet komen.
Zelden treft men eenen mensch aan, die zoo arm en verlaten i-s, dat hij nooit eenen Simon ontmoet heeft. De Heer zendt deze personen, die ons her, kruis verlichten, onder verschillende gedaanten, en op zeldzame wijze. Bijna altijd hebben zij een goed woord, een kleine verkwikking of een liefderijke vertroosting, om ons op te beuren. In mijn eigen ziektetoestand heb ik reeds meer dan eens ondervonden, dat zulk een Simon van Cyrene kwam, juist op een oogenblik, dat ik zeer moedeloos en neerslachtig was, en deze waarneming, hoe de goede God zoo onmiddellijk troost aan mijn hart schonk, heeft mij steeds met een heilige vrees bevangen. Hij zelf heeft kommer en leed gedragen, en is neergezonken onder den last des Kruises. Hij weet zeker nauwkeurig, wanneer het ons te zwaar zal worden, en wanneer wij een steunende hand noodig hebben. Dan zendt Hij haar
— dan laat Hij ons niet van angst bezwijken — maar staat ons bij, om Calvarië te beklimmen en het einddoel te bereiken.
Het is mogelijk, dat onder onze Simons er zich een bevindt, die uit een zuiver menschelijk oogpunt het goede beoefent en weldaden bewijst — welke schoone gelegenheid hebben wij dan, om overeenkomstig het voorbeeld van onzen Goddelijken Meester met hem te bandelen! Gebeurt dit niet dikwijls in 't leven? Was die man van Cyrene ook niet tot die goede daad gedwongen, en beloonde hem Jezus niet daarvoor met
-gt;•8 147 »K~
Zijne liefde; nam Hij iiem niet in Zijn hart op, en werd Hij niet zijn weldoener? Terwijl de andere meende wel te doen, werd hem zelf de grootste weldaad bewezen. Door Gods genade zoude ook onze dankbaarheid eene goede uitwerking kunnen hebben. Ook wij kunnen hen, die ons lichamelijke diensten bewijzen met oneindig beteren intrest betalen, indien wij hun geestelijke munt daarvoor aanbieden. Mocht er onder deze Simons, die ons weldoen, wellicht een ongeloovig en van God vervreemd hart gevonden worden, dan zullen wij grootmoedig den schat met hem deelen, dien wij in al die lijdensjaren hebben opgedaan. Wij zullen dan toonen, wat wij op ons ziekbed in liefde en lijdensmoed hebben aangeleerd, dankbaar jegens God de genade aanhalen, die Hij ons verleende, en zoodoende dit hart tot God voeren. Het zal ons niet moeielijk vallen te verzekeren, dat God ons bemint, al kastijdt Hij ons schijnbaar, en dat al Zijne beschikkingen goed en wijselijk geordend zijn. Wanneer wij in onze ziekte tevreden zijn, ze niet willen ruilen tegen alle aardsche genietingen, en standvastig vertrouwen op de belofte van God, dat geen der Zijnen verloren gaat, en dat alles ten beste geschikt wordt voor degenen, die Hem beminnen, dan valt misschien een enkele zaadkorrel, dien wij met eene goede bedoeling strooien, op vruchtbaren bodem. Dan kwijten wij ons van eene schoone, heerlijke taak, en allen, die ons lichamelijk hebben bijgestaan, beloonen wij met hemelsch manna. Evenals de lieve Heiland enkel met Zijn zachten, liefdevollen blik het hart van den ongeloovigen heiden bedwong, zoo kan het met Zijne genade ook ons mogelijk worden, dat wij een hart voor Hem winnen, en door woord en voorbeeld leeren. Hem beter te erkennen, en inniger lief te hebben.
——
10*
-gt;3 148 S«-
quot;\Sfie kent ze niet, die moedige, dankbare vrouw, die zich op den kruisweg des Verlossers midden dooide vloekende soldaten en ruwe beulsknechten eenen weg baande, om haren Jezus haren hoofdsluier aan te bieden, opdat Hij Zijn door bloed en wonden misvormd gelaat kon reinigen en verfrisschen! Dit was eene op zichzelf onbeduidende handeling, die nu veel waarde had, en voor den doodelijk afgematten Heiland eene werkelijke weldaad was. De legende zegt, dat Veronika de vrouw was, die vroeger aan bloedvloeiing leed, en die door de vertrouwvolle aanraking van Zijn kleed de wonderkracht des Heeren had ondervonden. Sedert hare genezing had zij tot de dankbare verdedigers en aanhangers van den grooten Nazarener behoord, en werd smartelijk ontroerd door het bericht van Zijne gevangenneming en terdoodveroordeeling. Liefde en dankbaarheid verbanden nu elke vrees. Zij verlangde vurig, haren Weldoener te zien, en tot eiken prijs wilde zij Hem naderen. Bij het zien van deze gelaatstrekken, wier schoonheid de Engelen ontroerd had, en die nu misvormd en onkenbaar waren — rukte zij den doek van haar hoofd en reikte hem den Heer met ootmoedige liefde over. Wij weten, hoe Hij deze liefde zichtbaar beloonde, doch de overvloed van zegeningen en genadebewijzen, die Veronika van haren Heer voor dit werk van barmhartigheid ontving, bleef voor de wereld een geheim Zijner Almacht. Wij zieken hebben ook onze Veronika. Dit betuig ik met oprechte, innige dankbaarheid jegens God, want zonder haar ware onze kruisweg treuriger en pijnlijker.
Nu is het onze goede moeder; -— de naam van moeder alleen verraadt reeds al de overmaat van liefde en offervaardigheid, — die zij van het eerste tot het laatste lijdensuur met onvermoeid en onuitputtelijk geduld aan het kranke kind wijdt. 0 beminde
149 S*-
zieke! indien gij ziek zijt, en veel smarten moet verduren, — zoolang het moederoog over u waakt, zoolang nog de moederhand u het geneesmiddel toedient en uw voorhoofd verfrischt — zoolang zijt gij nog niet te beklagen. Gij zijt nog gelukkig, en hebt vele, zeer vele redenen tevreden te zijn.
Op een anderen tijd -zijn het onze bloedverwanten, een echtgenoot, kinderen, broeders of zusters, die ons liefhebben, en ons troost en hulp verleenen, of wel getrouwe dienstboden — zij allen verdienen den schoonen naam van : „Veronika.quot;
Ook de vriendin, die dag en nacht lief en leed, kommer en smart met ons deelt, met ons treurt en steeds een woord van troost voor ons heeft ; die ons den tijd kort met een stichtend gesprek of een hartelijk gebed; de vriendin, die niet alleen ons aardsch, vergankelijk leven op 't oog heeft, maar ook tracht, onze ziekte tot heil onzer ziel te doen strekken, opdat wij door haar reiner worden: zulk eene vriendin wordt waarlijk eene „Veronikaquot;; zij wordt een troostende, ondersteunende engel op onzen kruisweg; zij verdrijft de kleinmoedigheid, droogt onze tranen, verbant den nutteloozen angst en de vrees voor het lijden, en leert ons vrij en onbevangen de heilige bedoelingen van God inzien, en diep Zijn beeld in onze ziel prenten, opdat wij Hem langzamerhand gelijkvormig worden in liefde en lijden. ■—
Hoe kostelijk is deze vriendschap! Zij is in het vuur van het gemeenschappelijk lijden beproefd. „Wel hem, die eenen trouwen vriend heeft,quot; zegt Sirach; „een trouwe vriend is een sterke steun en een troost op onzen levensweg.quot; Laten wij de trouwe vriendschap naar waarde schatten, en laten wij nimmer uit ijverzucht of slechte luim een edel hart van ons vervreemden! Wanneer ons de goede God op onzen kruisweg, in onze moeder of onze bloedverwanten, misschien ook in eene trouwe vriendin, eene Veronika
-gt;•§ 150 §•lt;-
zendt, laten wij Hem daarvoor steeds daaikbaar zijn! Iedereen valt deze zegen niet te beurt, en de troost, dien Hij ons verschaft, is niet te waardeeren en behoort tot de voornaamste weldaden van het ziekbed.
Xoen onze Heiland op Zijnen lijdensweg de wee-nende vrouwen naderde, die Hem, luide jammerend, omringden, zeide Hij: „Weent niet over Mij, maar over u zelf en over uwe kinderen,quot; en wees daarmede haren troost af.
Wij ondervinden ook dikwijls zulk medelijden.
Er zijn vooral twee soorten van nienschen, die ons geduld dikwijls op eene harde proef stellen, en wier voorkomendheid, al is ze nog zoo goed gemeend, toch eene zeer twijfelachtige weldaad is.
In de eerste plaats zijn dat zekere weekhartige, gevoelige nienschen, die dadelijk in tranen uitbarsten, schijnbaar uit louter medelijden en deelneming.
Ofschoon wij hun voor die opwelling dankbaar moeten zijn, mogen wij er geen te groote waarde aan hechten; deze soort van tranen is meestal gemakkelijk te bekomen, en hebben verder geen nut, dan dat zij een ongunstigen invloed uitoefenen en ons in eene gevoelige stemming brengen, die ons onzen toestand al te beklagenswaardig doet voorkomen. Deze nienschen, die nu zoo bitter bij ons ziekbed weenen, lachen misschien in 't volgende uur bij een andere gelegenheid, want het zijn meerendeels oppervlakkige naturen, die het leed van anderen gemakkelijk afschudden en vergeten.
Dit is menschelijk en vergeeflijk.
-»g 151 g«-
De oude waarheid is reeds lang gestaafd, dat men om medelijdend te zijn slechts een goedhartig mensch behoeft te wezen, maar tot gemeenschappelijke vreugde een edele, groothartige, ja zelfs een engelachtige ziel noodig heeft. Het kan oneindig gemakkelijker zijn, met ongelukkigen en treurenden voorbijgaand te weenen, dan zich zonder afgunst te verheugen in het geluk van anderen, wanneer men zelf er van verstoken is.
Wij moeten dus niet te zeer naar troost en medelijden verlangen, of er te veel gewicht aan hechten, maar in tegendeel weinig van ons zelf en van onze smarten spreken, wanneer wij niet van een hartelijke deelneming verzekerd zijn. Welk nut brachten de weenende vrouwen den Heiland? Gaven zij Hem hulp of troost? En wat baten de klagende en jammerende bezoekers, die ons den last van het kruis eer verzwaren dan verlichten ?
Eene tweede soort van twijfelachtige troosters, die tegenover die andere soort staan, zijn de onaangename, vermoeiende en onwelkome bezoekers der ziekenkamer.
Zij, die ons met hartelijke liefde en deelneming helpen lijden en dragen, die ons troost en opbeuring schenken, ons geestelijk opwekken en verstrooien, oefenen een invloed uit, die even weldadig en lief is als de zonnestraal, die de bloemen beschijnt, en ze verwarmt met een weldadig licht. Zij zijn voor ons zieken eene wezenlijke vreugde, eene weldaad.
Geheel anders is het gesteld met personen, die enkel uit oppervlakkige deelneming, enkel uit nieuwsgierigheid of uit behoefte, om den tijd te dooden, ons komen bezoeken; zij, die wereldsche aangelegenheden en gebeurtenissen van den dag, of wel zaken, die voor den zieke geheel nutteloos of onverschillig zijn, in hunne gespreken mengen, en daarbij met de ee-van den naaste niet al te omzichtig te werk gaan.
De zieke, die in en met zijnen Heiland lijdt, moet niet naar dezen omgang verlangen.
Daardoor wordt hij van zijne innerlijke, geestelijke overweging afgetrokken en weder teruggevoerd in de wereld, die hij verlaten heeft, en misschien aan wenschen en genietingen herinnerd, die hij reeds meent overwonnen te hebben.
Na dergelijke bezoeken zal de zieke wellicht ontevreden, moede en afgemat zijn en den verloren, wellicht slecht doorgebrachten tijd betreuren.
Kan men deze, hoewel goed gemeende gesprekken niet geheel vermijden, dan moet men ze mede rekenen onder de lasten en moeielijkheden van het ziekbed, en ze met geduld en zonder ontevredenheid verdragen.
De christelijke liefde heeft immmers een bemoedigend woord voor allen, terwijl gij misschien met de genade Gods door een wel aangebracht gesprek of een opwekkend voorbeeld aan het heil kunt medewerken van hen, die u door hunne tegenwoordigheid en hun onderhoud eenen dienst wilden bewijzer
De eerste Val onder het Kruis.
jje Goddelijke Heiland heeft ons in Zijn smartelijk lijden en sterven de geheele ellende der menschelijke natuur in haar geheelen omvang voor oogen gesteld, zoo dat, wanneer wij Hem aandachtig op Zijn kruisweg volgen, wij zoowel troost als nut en onderwijzing daaruit kunnen trekken.
Alleen om ons tot voorbeeld te strekken, droeg Hij het Kruis, opdat wij zouden leeren het te dragen.
^gt;•3 153 amp;•lt;•-
Alleen voor ons werd Hij slaaf der menschelijke zwakheid en onmacht, en viel herhaaldelijk ter aarde, opdat ook wij niet ontmoedigd zouden worden, wanneer het kruis zwaar op ons drukt, en wij onder zijnen last meenen te bezwijken.
Er komen dagen en uren, en deze blijven zelfs den vroomsten kruisdrager niet bespaard — waarin wij het kruis met wrevel willen afwijzen, waarin het ons walgt en het ons rechtstreeks onmogelijk schijnt, het gewillig op ons te nemen, veel minder het met liefde te aanvaarden. Veel liever zouden wij het ver van ons werpen, dan het met onderwerping te dragen.
Dit zijn zware beproevingen, beminde zieke! Zoolang het kruis, als door Gods hand aangeboden, ons liefelijk toeschijnt, zoolang wij het te Zijner navolging met geduld en kalme berusting dragen, zoolang bevat het ontegenzeggelijk grooten troost. Zoo is het echter niet, indien wij gevolg geven aan de inblazingen van den bekoorder. Hij wijst ons op de groote menigte, die in hare levensbeschouwing den goeden God buitengesloten heeft, die aan Hem, noch aan eeuwigheid, noch aan verdienste, noch aan offer gelooft, alleen aan het blinde noodlot, dat de wereld regeert, en toont ons dan in die bedrieglijke voorstelling, hoe zij, die voor de liefde Gods strijden, het meest met rampen en tegenspoeden te kampen hebben, terwijl anderen, geheel onbekommerd om het wereldberoerende drama van een gekruisten Godmensch, zich overgeven aan de vreugden en genietingen der wereld. Indien wij ons door deze dwaze redeneering laten bedriegen, en geloof hechten aan deze leugenachtige beweringen, dan loopen wij gevaar te bezwijken, en ons in ontevreden gemoedsstemming te verzetten, wij vallen onder het kruis. Wel ons, indien de genade Gods ons in die moeielijke oogenblikken weder van den val opricht, indien wij beschaamd dadelijk weder
-gt;•? 154 §gt;lt;-
uaar het kruis grijpen, dat van onze schouders gleed. Wel ons, indien ons geloof dan vruchten draagt! Bij kalme overweging zullen wij weldra inzien, dat wij alleen de lichtzijde van het verleidelijke beeld zagen, niet het einde van dat broze geluk, alsook, dat volgens de geheimzinnige bedoelingen Gods de weg des kruises toch de eenige, zekere weg naar het eeuwige leven is en blijft. Heil ons, indien wij met vertrouwen op God uit die bedwelming ontwaken en niet er onder bezwijken.
Een andermaal veroorzaken ijdelheid en hoogmoed onzen val.
Wij laten ons misschien iets voorstaan op onze bedrevenheid in het dragen van ons kruis; wij zien met medelijden, zoo niet met verachting neder op anderen, die, minder moedig dan wij, het doornige pad bewandelen; wij hooren ons misschien gaarne prijzen, anderen als voorbeeld voorstellen, en meenen, reeds eene zekere volmaaktheid in het lijden verworven te hebben; wij vergeten daarbij, dat God er het grootste aandeel in heeft, dat Hij ons hielp en dit nog dagelijks doet, en dat wij door Hem bereiken, wat anderen in ons prijzen en bewonderen. Trekt God slechts een oogenblik de hand terug, die ons ondersteunt in het dragen van het kruis, dan vallen wij zwak en onmachtig ter aarde. —•
Het kruis schijnt ons oneindig zwaar toe, het is ons onmogelijk, het voort te sleepen, en wij erkennen vol schaamte en berouw, hoe weinig wij vermogen zonder Gods genade.
God laat dikwijls dezen val toe om ons vertrouwen op de proef te stellen, onzen hoogmoed te straffen en ons in de nederigheid te oefenen.
Bidden wij, opdat wij op onzen lijdensweg niet in plotselinge onmacht ter aarde vallen, en gebeurt dit desniettegenstaande, laten wij dan niet moedeloos blijven liggen, maar opzien tot God, met het bewust-
-gt;•? 155 Sx-
zijn van ons groot en heilig doel, dat wij door het kruis bereiken, ons weder oprichten, en in het kruis niet zoozeer den last zien, die ons ten val brengt^, als wel den staf, den steun, waaraan wij ons staande houden, en die ons tot het onvergankelijke, heerlijke leven zal brengen.
Iets zeer pijnlijks e;a bitters voor het menschelijk hart is de vrees voor de toekomst. Somtijds schijnt het ons, alsof ons een groot ongeluk zal overkomen. Evenals bij een zwaar onweder verschijnen dreigende wolken aan den hemel, de lucht is zwoel en drukkend, en wij bevinden ons in eene angstige, inwendige duisternis; wij kunnen nauwelijks adem halen, wij sidderen, alsof wij ieder oogenblik door den neervallenden bliksem verpletterd zullen worden. In zulke oogenblikken zijn wij zonder moed of bezieling, wij meenen dezen slag niet te kunnen overleven, deze smart niet te kunnen verdragen, het ongeluk, dat ons bedreigt, niet te kunnen uithouden, en — nu liggen wij onder het gewicht van het kruis bijna verpletterd ter aarde. Daai'in toont ons de goede God weder duidelijk de geheele onmacht en ellende van onze natuur. Hoe zwak en weekhartig zijn wij, en tot hoe weinig zijn wij in staat, wanneer Hij ons niet helpt! Toen Jezus na Zijne Verrijzenis Zich van de beide jongeren te Emmaus wilde scheiden, smeekten zij Hem dringend: „Heer, blijf bij ons, het wordt avond, de dag neigt ten einde.quot; Ook wij zijn somtijds door eene sombere nachtelijke duisternis omgeven. Dan strekken wij smeekend onze handen naar Hem uit en roepen: „Ga niet weg, Jezus, in deze angstwekkende duisternis; wij zijn bevreesd, wij weten ons niet te redden of te helpen, onze moed, onze vroolijkheid zijn verdwenen, de dag neigt ten avond.quot; Zeker bidden wij niet tevergeefs, want nooit roepen
-gt;•? 15G amp;lt;-
wij God in zulke oogenblikkeu van zware beproeving ■aan, zonder troost of bijstand te vinden. Velen zullen het bekennen, dat de goede God in buitengewoon lijden of ongemeenen nood ook eene ongewone kracht en genade verleent, wanneer wij daarom bidden. Hoe (dikwijls hoort men zwaar beproefde menschen zeggen, dat God hen zeer bijzonder bijgestaan heeft in hunne grootste beproeving, en dat zij toen vermochten, wat zij nooit gedacht hadden, en konden uithouden, waartoe zij hunne krachten nooit in staat geacht hadden. Dit is de werking der genade in de zwakke natuur; dit is God zelf. die ons bezielt. Voor Hij ons het kruis oplegt, zijn wij geheel alleen, geheel mensch, geheel ellende, geheel zwakte. In het oogenblik daarentegen, waarin Hij, om onze sterkte, ons vertrouwen op de proef te stellen, een lijden voor ons bestemt, staat Hij ons ook bij met al de macht Zijner liefde, en helpt ons dragen en volharden. Nu gebeurt het echter ook somtijds, dat, nadat de gevreesde slag reeds gevallen is, nadat wij in weerwil van de aanvankelijke vrees toch staande zijn gebleven, het onmogelijke gedaan en ons moedig getoond hebben, eensklaps dezelfde onrust, dezelfde onmacht ons overvalt, en wij weder onder het kruis ineenzinken en klagen; „Heer, het was te veel, de last was te zwaar, wij moeten onze poging opgeven, dien te dragen; wij kunnen het niet, wij zijn zwak en onmachtig!quot; Moet ons vertrouwen onder deze poging werkelijk bezwijken? Moet al onze offervaardigheid in dit gevoel van zwakte omkomen? Moet deze kleingeestige twijfeling de schoone verdienste van onze beginnende, aanvankelijke onderwerping verminderen of vernietigen?
Vaak dacht ik onder het bidden van den kruisweg, dat het zeker niet zonder Gods bijzondere toelating geschiedde, dat men den val van den Heiland driemaal in dit oud gebed heeft opgenomen. Deze telkens herhaalde val moet ons een sterk sprekend
-gt;S 157 (hlt;~
voorbeeld zijn van de menschelijke natuur. „Wie staat, zie toe, dat hij niet valle.quot; Telkens moeten wij volhouden met vurig en standvastig te bidden, want zoodra wij ophouden, eindigen wij ook met het veld van ons vertrouwen te bevruchten, dan moet het versmachten, verdrogen en zijne bloesems nog in de kiem doen sterven. Steeds moeten wij het offer weder vernieuwen, dat wij den Heer brachten. Meermalen viel Jezus met het kruis ter aarde, maar ook telkens stond Hij weder op, en ging zoo den dood tegemoet. Misschien beoordeelen wij ons zelf en onze zelfbe-heersching met eene zekere vermetelheid of keeren weder spoedig tot vergetelheid en lichtzinnigheid terug
— nu toont God ons door deze lange, smartelijke, latere gewaanvoording, welken zwaren strijd Hij ons heeft helpen doorworstelen, en wat wij met Zijne hulp vermochten te doen. Onttrekt Hij ons deze, dan keert het onheil in heviger mate terug, en wij moeten bezwijken.
Misschien ook doet de Heer een laatste beroep op onze liefde en ons vertrouwen in Hem.
„Gij hebt tot hiertoe geholpen. Gij zult ook verder
— Gij zult ons altijd, tot aan het einde helpen, o-Heer:quot; zoo zullen wij spreken, en niet onder het kruis blijven liggen, wij zullen het bedwingen, terwijl wij het omvatten en omklemmen. Het is altijd en overal dezelfde trouwe en barmhartige God, die ons vroeger in de moeielijkste ure bijstond, en dit zeker niet deed, om ons later te laten bezwijken. De menschelijke natuur verlangt haar recht, het valt haar hard, met de geestesinspanning gelijken tred te houden, toch mag en zal zij niet ten onder gaan, want God zal haar met srerke hand steunen en haar niet verlaten.
Onze natuur gevoelt zich zoo voldaan, wanneer men haar vleit en haar medelijden betoont, dat het mij
-gt;•? 158 S*-
hindert, mijne smarten voor lijden te moeten aanzien, daar men mij gedurig zegt, dat ik veel lijd.
Men moest mij dit eigenlijk zeggen, om den spot met mij te drijven, omdat men mij bij eene geringe smart zoo teergevoelig ziet. Door de ondervinding heb ik geleerd, hoe aangenaam het der natuur is, ten minste deze verlichting te hebben, zij kan maar niet besluiten, zonder steun of troost onder de vernederingen, de verachting en de algemeene verlatenheid te lijden, en toch is het juist dit, wat de zuivere liefde verlangt, daar een lijden onder andere omstandigheden niet den naam van lijden verdient.
Gelukzalige Margareta Alacoque.
Aan het Kruis Vastgebonden.
Gij zijt de hemelboom op aard, Die ons in leed eu ramp bewaart; Van U wordt troost en vree verwacht En voor den moede levenskracht
„Qebomlen zijnquot; — behoort tot de zware offers van het ziekbed. Veel gemakkelijker droeg ik de eene of andere smart, dan die onbeweeglijkheid, dat stil liggen, ten minste in sommige gevallen. Toen ik trouwde, had ik mij het huiselijke leven zoo heerlijk voorgespiegeld. Alles zou ik in 't werk stellen, om den geliefden echtgenoot een aangenaam te huis te bezorgen, en niets nalaten, om hem te bevredigen en gelukkig te maken. Tot den eigen haard behoort, dat de huisvrouw zelf het heilige vuur onderhoudt, overal zelf de hand aan 't werk slaat, en de geheele inrichting der huishouding zoo niet zelf in beweging brengt, dan toch zorgvuldig bewaakt. Het geluk der jonggehuwden hangt van eene menigte kleinigheden af. De liefdediensten, die men elkander bewijst, geven den graad aan van de wederzijdsche toegenegenheid; veel dingen, die trouwens door iedere vrouwelijke hand kunnen uitgevoerd worden, worden het best door de huisvrouw behandeld; veel spijzen smaken alleen, wanneer zij ze toebereidt ; menige kleine oplettendheid krijgt eerst dan hare waarde, wanneer ze door de liefde mogelijk gemaakt wordt. Het gebied der huisvrouw omvat veel kleine en groote plichten. Ook ik hoopte mij op die trouwe vervulling te mogen beroemen — daar lag ik gebonden, jaar in jaar uit te bed, en moest altijd en overal vreemde handen, ten minste andere dan de mijne, laten werken en heerschen, waar en wanneer zulks noodig was; dit niet alleen, ik moest zelfs nog dankbaar zijn, dat zij
Kruisbloemen. 11
-gt;•3 162 SH-
liet deden, wijl ik er niet toe in staat was. Wat viel mij dit dikwijls hard! Niet enkel mij, maar ook mijnen echtgenoot was het pijnlijk, en zoo zijne groote liefde mij geen verwijt daarvan maakte, of mij deswege niet berispte, toch ontviel hem nu en dan een klaagtoon, die mijn hart trof.
Gebonden zijn, waar de plicht als vrouw en echtgenoot roept, dit is vreeselijk hard! Gebonden zijn, waar persoonlijke opvatting, eigen optreden onontbeerlijk schijnt; gebonden zijn, wanneer een reis, en dus de scheiding van den echtgenoot gevorderd wordt, of de man in geval van ziekte de verpleging en werkzame deelneming zijner vrouw ontberen moet; — o, dit is hard, onbegrijpelijk hard! Niet minder hard was het ook dikwijls, wanneer ik nuttig meende te kunnen zijn, als anderen hulpbehoevend waren, als een mijner verwanten, een lief kind of eene dierbare vriendin ziek lag, en ik van hen verwijderd, mijnen angst moest bedwingen door de berichten, die men mij mededeelde. In die tijden leed ik veel, oneindig veel! Gaarne ware ik ter plaatse gesneld, gaarne had ik willen helpen verplegen en troosten, — nu lag ik „gebonden1'. Zelfs nu nog overvalt mij somtijds een diepe smart bij de gedachte, dat een mijner verwijderde bloedverwanten ziek worden of sterven kan, en het mij ontzegd zou worden, liefderijken bijstand te verleenen aan hen, die mij dikwijls met zelfopoffering ter zijde stonden; tijd en krachten had ik hun willen wijden, misschien hun oogen sluiten in den laatsten strijd. Doch ik ben „gebondenquot; ! Wat blijft er over? Ook het leven der zieken heeft zijn rooden draad, die er doorheen gaat, de gedachte namelijk: God wil het, en omdat Hij het wil, wil ik het ook. Met gepaste nederigheid en geringe meening van ons zelf moeten wij ons troosten met de gedachte, dat men er ook zonder ons komen kan. Menig lief kind, menige lijdende vriend is zeker ook zonder ons toe-
163 §•lt;-
doen weder genezen. Deze op zich zelf goede opwelling moeten wij bestrijden en er in berusten, dat wij gebonden zijn. Deze onderwerping geeft geen voet aan de rjdelheid, die ons misschien zou voorspiegelen, dat wij voor anderen onontbeerlijk zijn. Wil God onze hulp, dan kan een enkele ademtocht Zijner Almacht ons spoedig gezond maken; wil Hij het echter anders, dan moeten wij dezen troost van ons liefdebewijs ontberen, al is het ons nog zoo pijnlijk, hen, die wij lief hebben, niet te kunnen helpen. Ook dit offer kan met Gods genade verdienstelijk worden, en den anderen wellicht van meer nut zijn, dan onze verzorging. Het gebed : „Uw wil geschiede, omdat Gij het wilt,quot; zal hen ook in de verte bereiken, en beter van dienst zijn, dan onze persoonlijke hulp. De plichten der zieken zijn nu eenmaal zoo beperkt; berusten wij daar kalm in, dan zal de Goddelijke troost ons niet ontbreken. Jezus' handen waren ook geboeid. Ook Hij was gebonden. Trachten wij eenvoudig en rustig daar te volharden, waar Hij ons plaatst, en blijven wij juist zoo lang en hulpeloos liggen, als Hij dit goedvindt. Ai het overige mag ons niet grieven; dit betreft onzen Heer.
Is uw hoofd ziek — leg het aan des Heeren borst.
Lijdt uw hart — sluit het in Jezus' Goddelijk hart.
Lijdt gij aan koorts — bedaar haar met eenen druppel van Christus' kostbaar Bloed.
Zijt gij geheel opgewonden en in spanning —-bid dan God, u Zijnen weldoenden, hemelschen troost
te schenken.quot; Landriot (femme forte).
•——
ii*
-»S 1G4 ^
De Omstanders bij het Kruis op Golgotha.
Hoog verheven staat het kruishout, dat de bloedige roos draagt, die door haat en boosheid geknakt werd; de gekruiste, de gewonde, de gemartelde Verlosser der wereld, het heilige Lam Gods, opgeofferd voor de zondige menschheid, is met eene doodelijke bleekheid overdekt.! Welk schouwspel! Welk beeld! En hoe klein is het aantal getrouwen in den omtrek van het kruis! hoe verschrikkelijk klein! Toch zijn zij van veel gewicht, want zij vormen eene levende lijst om de grootsche schilderij van eenen stervenden God.
Bovenaan Maria, de hooggezegende, het ideaal der moederliefde tot in den dood. „Onder het kruis stond Maria, de moeder van Jezus,quot; zoo verhaalt de Evangelist, en dat uur heeft haar tot koningin der martelaren gemaakt. Dan Magdalena, de openbare zondares van voorheen, getroffen door eenen genadestraal van Gods liefde, nu wegsmeltende in berouw, boete en ootmoed. Geheel in berouw verdiept, met hangende haren, met het aangezicht tegen het kruishout geleund, dat hare handen omklemmen, de voeten van haren Heiland met heete tranen besproeiend — bevroedt haar doodsbedroefd hart in dezen smartelijken nacht nog niets van het zalige „Raboniquot; van den Paaschmorgen, dat haar weldra met eene genotvolle huivering zal bevangen. De moordenaar ter rechterzijde, de boosdoener, die in de zonde doorkneed was: in 't laatste oogenblik wordt hij nog dooide genade des Verlossers getroffen, waarvan hij zich niet hardnekkig afkeert, en die hem nog vergiffenis schenkt en de belofte: „Heden nog zult gij met Mij in het paradijs zijn.quot;
Dit is niet alleen een troostend woord voor hem, maar voor ons allen! — Tegenover het kruis de Ro-meinsche soldaat Longinus. In zijne hand houdt hij nog de lans, die voor een oogenblik het heilige Hart
165
doorstak. Reeds heeft liij in zich zeiven de heerlijke uitwerking der genade van het goddelijke bloed waargenomen, want met den uitroep: „Waarlijk, deze mensch was Gods Zoon!quot; (Markus 15. 39.) legt hij luide en openlijk getuigenis af van de Godheid van Jezus. Longinus staat hier in de plaats van het heidendom, dat door de kracht der liefde werd bedwongen en bekeerd.
Jezus had gezegd; „Wanneer Ik zal zijn opgeheven, zal Ik allen tot Mij trekken.quot; Reeds beginnen de profetische woorden in vervulling te gaan. Eindelijk is Joannes, de lieveling zijns Meestei-s, aan de H. Maagd gegeven, om in hem het geheele menschelijke geslacht als moeder te beminnen; Joannes, de toekomstige verkondiger der leer van zijnen goddelijken Meester, de edelste tolk van het evangelie der liefde. Evenals de held Siegfried zich eens door een bad in het bloed eens draaks onkwetsbaar maakte voor zijne geweldige vijanden, evenzoo ontvangt Joannes onder het kruis uit de gapende wonden van Jezus, in naam van alle martelaren en belijders, den bloeddoop. Zeg, beminde zieke, schijnt dit kleine uitgelezen gezelschap op Kalvarië, dat het kruis van den dooden Heiland als met een geheimzinnigen bloemkrans omgeeft, niet waarlijk wonderbaar bijeen verzameld, als ware het reeds lang door de plannen der goddelijke Wijsheid voorzien? Naast Maria, de reinste Maagd en Moeder, Magdalena, het beeld van eene, die door heilig berouw uit een zondig leven tot boete is teruggekeerd; — Longinus, de vertegenwoordiger van het sombere heidendom, in wiens ziel uit de geopende wonde des Verlossers de eerste lichtstraal van kennis en geloof nederdaalde. Joannes eindelijk, des Meesters lieveling, in wien wij het geheele priesterdom begroeten, dat onder Jezus' Kruis tot bloei geraakte.
— lt;35^=
-gt;*S 166 g»lt;~
Dikwijls treffen wij menschen aan, die hun kruis kermend en jammerend ten toon stellen, om het aan de wereld te laten zien, en het door haar te laten bewonderen, of om haar oordeel er over te vernemen. Deze gewelddadige, hartstochtelijke uiting der smart is God zeker niet welgevallig. Door deze handelwijze zouden wij niet alleen aan het kruis het grootste deel zijner verdiensten ontnemen, maar ook, naarmate wij ons ontevredener betoonden, onze lichamelijke zoowel als onze geestelijke kracht verzwakken, en in plaats van staande te blijven, krachteloos ineenzinken. Het is moeielijk, om op 't oogenblik, dat ons eene groote smart treft, ons lijden te bedwingen; het is echter niet alleen billijk en prijzenswaardig, het te doen, maar eene handeling, die den Christen past. Lijden in stilte, zonder klagen, dat is grootmoedig en heldhaftig lijden.
De smart wordt niet kostbaarder en verkrijgt niet meer waarde, wanneer wij ze onder luide klachten tentoonstellen.
Integendeel de smart is heilig, evenals al, wat waarlijk groot en goddelijk is; daarom is het billijk, ze zoo weinig mogelijk met het uiterlijke in aanraking te brengen, en zoodoende daaraan de waarde te ontnemen. Maria, de koningin der martelaren, de Moeder van smarten, wier ziel in eene zee van bitterheid gedompeld werd, stond onder het Kruis.
Er staat in het evangelie; „Onder het Kruis stond Maria, de Moeder van Jezus.quot; Zij lag niet, zij kroop niet weenend en klagend op den grond — zij stond.
Beminde zieke! het is verheven, onder het kruis te staan.
Moge het lijden nog zoo zwaar en bitter, de pijnen nog zoo hevig zijn, wij zullen niet onder dezen
-gt;•3 167 ge
last bezwijken, maar overeenkomstig de groote en onwankelbare waarheid, dat God ons geen zwaarder kruis oplegt, dan wij dragen kannen, in volkomen overeenstemming met Zijnen heiligen wil volharden, het kruis niet verlaten, het niet ontvluchten, maaier onder blijven staan, even als ook Jezus' Moeder den teergeliefden Zoon niet verliet. Onze dierbare Heiland verliet ook Zijn Kruis niet. Reeds in Geth-semane, toen Petrus Hem er van bevrijden wilde, zeide Hij; Gelooft gij dan niet, dat Mijn Vader Mij meer dan twaalf legioenen Engelen zou kunnen zenden, indien Ik Hem dit vroeg?quot;
Hoewel door het bloedverlies der smartelijke geeseling en doornenkroning tot het uiterste verzwakt, ofschoon door honger en de mishandelingen in den nacht geheel uitgeput, nam Hij toch het zware kruis op Zijne schouderen, en droeg het naar Golgotha. Toen Hij eindelijk aan het smadelijke kruishout genageld was, en Zijne vijanden Hem spottenderwijze toeriepen: „Zijt Gij de Zoon Gods, kom dan van Uw kruis en help U en ons,quot; vond Hij geen woorden als tegenwerping, wilde geen gebruik maken van Zijne Godheid, hetgeen Hem zoo gemakkelijk geweest ware; maar Hij wilde volharden tot den laatsten ademtocht. Hij verliet het kruis niet, ofschoon Hij het had kunnen doen, neen. Hij bleef vastgenageld hangen gedurende drie lange, smartelijke uren, uren van marteling naar lichaam en ziel, tot het heilige werk der verlossing voleindigd was. Hij ontvlood het kruis niet, noch de smarten, die er aan verbonden zijn. Hij hield geduldig vol. en met Hem Maria, Zijne Moeder. .,Zij stond onder het kruis.quot;
Zie op tot deze beiden, mijne ziel, en leer van hen standvastig volharden in het lijden.
Zooals Jezus' offerdood der wereld tot heil vei'-strekt heeft, zoo zullen ook wij, indien wij, door Maria gesteund, en onder hare bescherming, zonder
-gt;4s 108 ?*lt;—
wankelen onder het kruis van liaren dierbaren Zoon volhouden, door de genadige weldaad van Zijn H. Bloed verkwikt en versterkt worden tot het laatste oogenblik, dat beslissend zal zijn voor tijd en eeuwigheid.
Verzuchting tot Jezus' Heilig Hart.
Mijn liefde tot Uw Heilig Hart Zij trouw, als de Uwe in pijn en nood, Die zelfs op't bitter lijdenspad Ter dood, de Zijnen niet vergat.
Maar hun nog troost en hulpe bood.
Mijn liefde tot Uw Heilig Hart Zij warm, als't heilig, kostbaar bloed. Dat uit Uw duizend wonden vloot. En heel Uw lichaam overgoot!
Dit smeek ik U, o Jezus zoet!
Mijn liefde tot Uw Heilig Hart Ga dieper dan Longinus' speer.
Die 't na Uw bittren lijdensstond Zoo wreed en smaadlijk heeft gewond, En dat dees liefde mij verteer!
D. Schram.
De Ordebroeder en het Kruisbeeld.
|k herinner mij eene kleine legende van een armen, eenvoudigen ordebroeder, die in zijne cel een houten kruisbeeld had, waaraan hij bijzonder gehecht was
-gt;•8 169 ^
Op zekeren dag plaatste hij op het hoofd van dit kruisbeeld eene dichte doornenkroon niet lange, spitse stekels, en hij stortte bij het aanschouwen van Zijnen met doornen gekroonden Heiland vurige tranen van medelijden.
Zoo dikwijls de vrome Kapucijner van eene edele daad, een goed werk of eene kleine overwinning hoorde spreken, liep hij opgetogen naar zijn kruisbeeld. brak een doorn van de kroon en zeide: „Geloofd zij de genade Gods, weder eene kleine vreugde voor U, mijn Jezus, weer een doorn minder in Uwe kroon.quot; Zouden wij zieken ook niet dikwijls aanleiding vinden, om de doornen van Jezus' gekroond hoofd te verminderen?
Eene in stilte gedragen smart, eene kleine ontbering, ongemerkt en met een opgeruimd gemoed geleden ; eene overwinning op ons zelve behaald, een slapeloos uur, opgeofferd — meer dan eene gelegenheid zouden wij kunnen vinden, om de doornenkroon van Jezus te verlichten en de spitse stekels, die Hem wonden, te vervangen door kleine roosjes, die ontstaan uit het gloed onzer liefde tot het offer.
Verkeerd begrepen worden behoort ook tot de onaangenaamheden en pijnlijke aandoeningen, aan den ziektetoestand verbonden, en voorzeker is het niet eene van de geringste. Er zijn menschen, die ons genoegen meenen te doen, met ons lijden schertsender wijs in twijfel te trekken, die onze frissche kleur bewonderen en betuigen, dat zij bij zulk een gunstig uiterlijk en eene zoo opgeruimde stemming volstrekt niet gelooven aan eene werkelijke ziekte.
Wel bestempelen zij ons met deze bewering als leugenaars, maar daar denken zij niet aan. Ik ben eerlijk genoeg te bekennen, dat ik in het begin mijner ziekte niet zelden bittere tranen stortte, wanneer ik mij zoo verkeerd begrepen en nagenoeg belachelijk gemaakt zag. Later eerst leerde ik de waarde van het lijden kennen, en inzien, dat deze waarde niet zoo zeer in het lijden zelf lag, als in eene menigte omstandigheden en verhoudingen, die met hetzelve verbonden, de beoefening nu van deze deugd, dan van gene van ons vorderen.
Eerst nadat mij dit duidelijk was geworden, gevoelde ik mij verheven boven deze oppervlakkige redeneeringen, onderdrukte den kleinen prikkel der eigenliefde, die mij in 't begin zoo gemakkelijk tot droefgeestigheid stemde, bij de gedachte, dat ik ver keerd begrepen werd.
O, beminde zieke! in de meeste gevallen zult gij verkeerd begrepen worden, naarmate gij u meer aan God overgeeft, en u aan Hem aansluit, want Zijne wegen zijn niet die der wereld, noch zijne taal de hare. Derf gaarne het medelijden van onverschillige inenschen, om de genegenheid van God te winnen; zwijg over uw lijden en over uwe smarten daar, waar gij geen werkelijk oprechte overeenstemming hoopt te vinden, en leg ook dit stilzwijgen als offer neder aan de voeten van uwen Heiland. Als Hij u maar goed begrijpt! Als Hij maar weet, wat gij lijdt, en hoe gij uw lijden draagt! Wat is er u aan gelegen, of de menschen u verkeerd begrijpen! Wie werd minder goed begrepen dan Hij? wie ooit valscher aangeklaagd, wie onrechtvaardiger beoordeeld dan Hij? De misdadige Herodes beschouwde Hem als een dwaas en behandelde Hem ook zoo. Zoudt gij er aanspraak op durven maken, beter behandeld willen te worden dan uw Jezus ?
lis ik hoor de lieve vogels fluiten,
Dan verlangt en smacht mijn hart naar buiten,. Dan ontwaakt in mij een sterke zucht Naar de warme, zoete lentelucht.
Als de lieve bloempjes weer ontluiken,
Als er leven komt in haag en struiken.
Weide en akker, tuin en beemd zich tooit,
Zucht ik: „Komt voor mij de lente nooit?quot;
Als daar buiten alles glanst vol kleuren.
En ik op mijn lijdensspond moet treuren,
Vraagt met weemoed 't diepbedroefde hart: „Wen toch komt verlichting in mijn smart?quot;
Eenzaam peinzend zit ik soms te klagen: Zal voor mij dan nooit een lente dagen? Wen toch slaat het blij, genotvol uur.
Dat voor mij ook gloeit het lentevuur?
Doch wat leed of kwelling mij moog prangen,, Hoe ik voel mijn droevig hart bevangen,
Hoopvol houd ik steeds het oog gekeerd Naar het oord, waar eeuwge lent regeert.
D. Schram.
— —
Weersgesteldheid en Jaargetijde.
(Ontegenzeggelijk oefenen de weersgesteldheid en het jaargetijde eenen eigenaardigen invloed op de zieken uit, niet alleen op hun lichamelijk lijden,, maar oneindig meer nog op hunne gemoedsgesteldheid.
172 §•lt;-
Gedurende al de jaren mijner ziekte heeft mij niets weemoediger gestemd dan de lente.
Als de natuur begon te herleven, werd ik treurig. De schitterende zon, de uitbottende boomen, al dat bloeien en geuren, het zingen en tjilpen der vogels werkte zeer ontmoedigend op mijn hart. Dit-vindt wel zijn grond in de groote macht der tegenstelling. Schijnt niet de ruïne nog bouwvalliger, wanneer de heldere zonneglans hare verbrokkelde muren bestraalt? Is de dood niet het afgrijselijkst, wanneer hij met koude hand in het vroolijke, frissche leven naar zijne prooi grijpt?
Ook ik gevoel de geheele onmacht van mijnen toestand, het geheele offer van mijne gevangenschap, het geheele ongeluk mijner ziekte nooit pijnlijker, dan in de lente, als de natuur weder herleeft, en zich vertoont in al de aantrekkelijkheid van haren weel-derigen rijkdom. Grijze wolken, donkere nevels zelfs, stortregen en najaarsstormen, die met de dorre bladeren hun weemoedig spel spelen, en aan de toppen der boomen rukken, komen veel beter met mijne gemoedsstemming overeen. Wij moeten echter dergelijke aandoenigen bestrijden.
Men begrijpt nauwelijks, voor welke verschillende indrukken de zieke vatbaar is, en hoe die alle in één oogenblik kunnen veranderen in gevaren en bekoringen voor de rust en den vrede zijner ziel. Wanneer gij u gewent, altijd onvoorwaardelijk den ■ eersten indruk te volgen, dan zal spoedig uw gevoel de overhand over uw verstand hebben, en iedere indruk u geheel en al beheerschen. Dan is uwe wilskracht verdwenen. Voor zieken geldt nog meer dan -voor gezonden het wachtwoord, dat zij niet enkel met het gevoel, maar veel meer met het verstand en den vasten wil rekening moeten houden. Zoo b. v. is het -eene zekere waarheid, dat niemand er schuld aan heeft, indien hij verschrikt. Over den schrik zelf
-gt;*§ 173 s-'-
hebben wij geene macht; wel kunnen wij ons in 't volgende oogenblik overwinnen, kunnen liet gebeurde kalm in oogenschouw nemen en bedenken, wat er te doen staat. Evenzoo kunnen wij aan de verschillende gemoedsgesteldheden, welke het weder en het jaargetijde op ons uitoefenen, krachtdadig het hoofd bieden. Geven wij toe, dan zullen wij weldra zoo zwak en ontzenuwd zijn, dat wij door iedere windvlaag ons evenwicht verliezen. Een morrende stem-ming zal dan over ons gemoed heerschen; wij worden, wanhopig; onze vroolijkheid, onze opgeruimdheid en onze tevredenheid zijn weg. Altijd en overal is eene zaak noodig: Uit Gods hand aannemen, wat en hoe Hij het geeft, zonder morren of klagen, en het eigen ik meer en meer onderdrukken, opdat wij innerlijk langzamerhand vrij en onafhankelijk worden.
Indien mooi weder en de liefelijke lente eenen smartelijken indruk op ons maken, dan moeten wij die opkomende verbittering dapper bestrijden. Zoo als God het weder zendt, moeten wij er tevreden mede zijn, daar de wisseling der jaargetijden bepaald noodig is. Die voortdurende eentonigheid zou ons ook gaan vervelen. Duizenden verlangen vurig naar de komst van de lente; stemt zij' ons treurig, omdat zij ons ongeluk met. te veel liefelijkheid omgeeft, dan moeten wij ons toch ter wille van die duizenden over haar terugkeer op aarde verheugen; gedenken wij de eeuwige lente, tot welke wij allen uit dood en graf zullen geroepen worden! Zouden wij anders niet gelijken op de spijt van een ondeugend kind, dat anderen niet gunt, wat het zelf niet genieten kan?
Wanneer storm en regen op 't oogenblik beter met onze gemoedsstemming overeenkomen, dan een, heldere hemel en zonneschijn, dan hebben wij altijd maar ééne stem in 't groote heelal, en zijn, niet gerechtigd, die als een maatstaf voor allen te doen gelden.
-gt;•? 174 §•lt;-
Wij kunnen niet verantwoordelijk gesteld worden voor onze plotselinge g ernaar iv or din gen, noch voor onze •eerste indrukken, maar wij kunnen en moeten in de groote school des levens leeren onze gedachten en onze gevoelens, onze wenschen en verlangens te onderwerpen aan Hem, die alles met oneindige wijsheid bestuurt, en ook voor onze tranen troost, voor ons lijden gevoel heeft. Een hart, dat in God versterkt en gegrondvest is, blijft staande te midden van storm -en onweder.
Mampgenooten, niet gezucht! Zinke ons 't hoofd niet neder, Na het rommelend gerucht In de zwarte donderlucht Keert de stille kalmte weder.
„Consummatiim est!quot; „Het is volbracht!quot;
„Zoo zeer heeft God den mensch lief gehad, dat Hij Zijnen eeniggeboren Zoon heeft opgeofferd, opdat allen, die in Hem gelooven niet zouden verloren gaan, maar eeuwig leven.quot;
IJe schooiiste roode rozen groeien Op geenen Griekschen berg, o neen;
Maar op den Kruisberg, hard van steen,
Waar Jezus' hoofdkwetsuren vloeien Van heilig, var. onnoozel bloed,
Geronnen tot een rozenhoed, ')
Welks blaên, vol geurs gedurig bloeien.
Door den gevlochten doornenkrans;
Waarvan de Goddelijke glans Beschaduwd wordt en overwassen,') De rozedrüppels strekken schoon Robijnen aan de doornenkroon.3)
Do rozevlaag verdrenkt met plassen De leliebloem van 't aangezicht,4)
Waaruit de zonne schept haar licht.
De zon, die, met haar bevende assen,
Terugge rijdt, bezwijmt en sterft,0) Xu 't rozebloed Gods lelie verft;
') De vergelijking van het bloed, dat uit de hoofdwonden van Christus is gevloeid, met een krans van rozen is treffend en sierlijk tevens.
-) De bladeren van den rozenhoed en de doornenkrans overwassen en beschaduwen den Goddelijken glans.
3) De bloeddruppels vormen schoone robijnen.
') Het afstroomende bloed verft het bleeke gelaat van de leliebloem, dat is, van het lichaam van Christus.
M Bij Jezus' dood worden de hemelen beroerd, de zon is met rouwfloers overtogen en weigert haar licht, de aarde wordt tot in hare inwanden geschokt.
Kruisbloemen. 12
-gt;•? 174 §•lt;-
Wij kunnen niet verantwoordelijk gesteld worden voor onze plotselinge gemaarwordingen, noch voor onze ■eerste indrukken, maar wij kunnen en moeten in de groote school des levens leeren onze gedachten en onze gevoelens, onze wenschen en verlangens te onderwerpen aan Hem, die alles met oneindige wijsheid bestuurt, en ook voor onze tranen troost, voor ons lijden gevoel heeft. Een hart, dat in God versterkt en gegrondvest is, blijft staande te midden van storm -en onweder.
..... lgt;—=D3^—
Rampgenooten, niet gezucht!
Zinke ons 't hoofd niet neder,
Na het rommelend gerucht In de zwarte donderlucht Keert de stille kalmte weder.
„Consummatum est!quot; „Het is volbracht!quot;
„Zoo zeer heeft God den mensch lief gehad, dat Hij Zijnen eeniggeboren Zoon heeft opgeofferd, opdat allen, die in Hem gelooven niet zouden verloren gaan, maar eeuwig leven.1'
l/e schoonste rcode rozen groeien Op geenen Griekschen berg, o neen;
Maar op den Kruisberg, hard van steen,
Waar Jezus' hoofdkwetsuren vloeien Van heilig, van onnoozel bloed.
Geronnen tot een rozenhoed, ')
Welks blaên, vol geurs gedurig bloeien,
Door den gevlochten doornenkrans;
Waarvan de Goddelijke glans Beschaduwd wordt en o verwassen,2) De rozedrüppels strekken schoon Robijnen aan de doornenkroon.8)
Do rozevlaag verdrenkt met plassen De leliebloem van 't aangezicht,4)
Waaruit de zonne schept haar licht.
De zon, die, met haar bevende assen,
Terugge rijdt, bezwijmt en sterft,6) Nu 't rozebloed Gods lelie verft;
') De vergelijking van het bloed, dat uit de hoofdwonden van Christus is gevloeid, met een krans van rozen is treffend en sierlijk tevens.
■) De bladeren van den rozenhoed en de doornenkrans overwassen en beschaduwen den Goddelij ken glans.
3) De bloeddruppels vormen schoone robijnen.
*) Het afstroomende bloed verft het bleeke gelaat van de leliebloem, dat is, van het lichaam van Christus.
Bij Jezus' dood worden de hemelen beroerd, de zon is met rouwfloers overtogen en weigert haar licht, de aarde wordt tot in hare inwanden geschokt.
Kruisbloemen. 12
-gt;•3 178 S1-
De lelie, die het hoofd laat hangen En geeft den allerlaatsten zucht,
En vult met rozengeur de lucht.
De Christen bijen') met verlangen Zich spoeden naar dien rozengaard Zoo ras liet licht de lucht verklaart; En zwermen om de rozewangen Van 's levens bloem en lentespruit;
En zuigen zoeten honig uit De gal en gift en bitterheden
En alsem van het doornenbosch.2)
Uit leliewit en rozeblos De aartsengelen man en nektar kneden En hemelsch suiker en ambroos.
De dag, die teelt geen uchtendroos (Zoo dikwijls hij komt aangereden),
Die zoo de flauwe ziel verkwikt En quot;t hart tot wanhoop toe verstikt,
Versterkt, als deze rozengeuren Van 's levens rozetak en hout.
Met bittre tranen nat bedauwd.
Tot troost van al, die eeuwig treuren.
Hier springt, voor ai die dorstig zijn,
Een bron van roode en witte wijn,3) Zoo lekker, als ooit tong kon keuren.
Hier wascht men het bevlekt gemoed In 's levens kostelijksten vloed.
Vergaderd uit vijf zuivre sprongen.*)
Hier leevren de aders purper uit.
Tot pracht der koninklijke bruid.
Wier lof door David werd gezongen.
En door den wijzen Salomon;
Toen ze in dees speer- en spijkerbron
De vijf wonden van Christus.
Bevochtigden hun gouden tongen;1)
Toen David stelde luisterscharjj Op dat geruisch zijn schelle harp, En Salomon zijn hooge klanken.
O bloed- en waterrijke rots!
O hartebron des wijzen Gods!
O artsenij voor alle kranken!
Vergun mij ook een druppel nat,
Bevloei mijn dor en dorstig blad2)
En leer me mijn Verlosser danken.
Op de oevers van dien gulden stroom; In schaduw van dien rozeboom.
Bedekt met cherubijnenvleugelen;
Daar rust het afgejaagde hart;
Daar vindt het stilpijn3) voor zijn smart; Daar nestien alle tamme veugelen En heften tegen 't paradijs Bij beurte een lofzang aan, om prijs: Daar leert de ziel heur lusten teugelen, Met Gods gebit en rozetoom.
Ze ontwaakt er uit den ijdlen droom Der ijdle wereld, om te aanschouwen Den Middelaar van 't Nieuw Verbond. Zij kust Zijn bleeken rozemond.
Men zag er onder 't puik der vrouwen,
Bij 't graf de droeve Magdaleen, Met balsem, tranen en gebêen, God zoeken met een vast betrouwen.
Dat 's nachts gelijk een vuurbaak scheen.
J. van den Vondel.
■——
') David cn Salomon ontleenden de stof van hun treffelijke zangen aan de voorstelling van het lyden des Hoeren.
!) Blad = tong.
■quot;O Stilpijn = pijnstilling.
12*
Eens kreeg ik een bezoek van een goeden bekende, die mij schijnbaar zeer genegen was, en mij reeds verscheidene bewijzen van zijne deelneming had betoond. Het was een man van groot verstand en uitgebreide wetenschappelijke kennis, maar had het zwakke geloof van onzen tijd, en hield gaarne redeneeringen. die daarop betrekking hebben. Eens vroeg hij mij, of ik aan eene eeuwigheid geloofde. Hij zelf kon niet anders, dan telkens weer aannemen, dat met dit leven alles geëindigd was. Mij deed deze denkwijze smartelijk aan. „Hoe zou ik dan,quot; riep ik hem toe, „zooals gij zelf zegt, kunnen lijden met een opgeruimd gemoed en zonder klagen, indien het slechts voor dit vergankelijke leven was?quot; „Gij zijt begaafd met een groot verstandquot; was zijn antwoord. „Ach dat verstand!quot; zeide ik, „dikwijls reeds ben ik overtuigd geworden, dat verstand alleen in lijden en ziekte de meest begaafde mannen en vrouwen teleurgesteld heeft, dat zij zelfs zeer dikwijls kleinmoedig en wanhopend waren, en volstrekt niet die bedaarde wijs-geeren, waarvoor men ze zou kunnen houden. Bij hevige smarten of langdurige ziekten, moeten wij heel wat anders tot onze beschikking hebben, dan dit verstand; ik ten minste hel) altijd ondervonden, dat het geloof alleen mij staande hield in alles, wat mij zwaar en pijnlijk was, en dat ik enkel mijn leed kon verduren, met het oog op een beter leven.quot;
„Dus gelooft gij werkelijk aan een voortbestaan na den dood?quot;
„Voorwaar, gij zoudt mij hier niet zien, indien ik het niet geloofde,quot; hernam ik met grooten ernst. „Ik was nog zeer jong, toen ik aan dit langdurig ziekbed gekluisterd werd. Om mij heen was alles glans en luister, vol verwachtingen en droomen voor de toekomst. Dat alles moest ik ontberen! Vele en
-gt;•3 181 ge
verschillende smarten heb ik geleden, ik heb dikwijls met den dood geworsteld, en toch was alles draaglijk, zoolang mijn echtgenoot leefde, want hij droeg het leed met mij, en wij beiden droegen het met God. lui heeft God mij hem ook ontnomen, dus heb ik van dit leven niets meer 1e hopen of te verwachten. Ik ben weduwe en kinderloos, heb geen vooruitzicht, ooit weder gezond te worden; er blijft mij niets over, dan dag aan dag een ziek en smartelijk leven te leiden, en een van anderen afhankelijk bestaan voort te sleepen. Kunt gij zulk een lot schoon of benijdenswaardig noemen? Zou het der moeite waard zijn, zoo voort televen? Hier staat een glas met morphine. Een paar droppels, en ik ben bevrijd van kommer en leed, van smarten en kwellingen, dan was alles geëindigd, in eenige minuten was het gedaan. Schijn ik u dan niet beklagenswaardig onnoozel toe, dat ik voortga zulk een treurig leven te leiden, terwijl ik er zoo spoedig een einde aan kan maken? Meent gij, dat ik zou leven of willen leven, wanneer ik niet op een eeuwig leven hoopte, dat mij schadeloos stellen moet voor alles, wat ik hier moet derven? Wanneer ik niet de overtuiging had, dat er een Alwijze Rechter leeft, die geene inbreuk op Zijne rechten duldt, en iedere dergelijke aanmatiging vreeselijk straft? Indien ik deze straf niet vreesde, had ik mij reeds lang rust verschaft in 't graf, wees daarvan overtuigd.quot; — Zoo sprak ik; en de ongeloovige had hier niets tegen in te brengen. Of ik hem kon overtuigen, weet ik niet; dat hij later tot andere gedachten kwam, leid ik daaruit af, dat hij na den dood zijner echtgenoote tot mij zeide: .,De scheiding van hen, die wij liefhebben, zou verschrikkelijk zijn, indien wij niet den troost van het wederzien hadden.quot; Ik heb mij wel gewacht, hem ons vorig gesprek te herinneren; in stilte dankte ik den goeden God, dat het geloof ook in dat hart ontwaakt was.
-gt;HJ 182 S*-
Er is een God.
Eer gij een woord zegt tegen de waarheid Gods, overweeg het eerst meermalen; want er komt een dag, — en die komt spoedig, — waarop nwe bevende lippen niet meer tot spotten geneigd zijn. Er komt een dag, waarop gij Zijne eeuwige waarheid noodig hebt voor de arme, naakte en door smart gepijnigde ziel. (Hettinger Apol. I.)
Evenals de zieke voor zijnen lichamelijken toestand de hem geboden geneeskundige hulp niet mag weigeren, maar de middelen moet gebruiken, waarvan hij genezing of verlichting mag hopen, zoo moet hij met nog veel meer zorg het heil zijner ziel op 't oog hebben. Ook zij heeft behoefte aan weldadige vertroosting, evenals de plant aan verkwikkenden dauw, en de bloemen aan licht. Deze troost moet evenals de ziel van bovennatuurlijken oorsprong zijn. De zonnebloem, die, waar men ze ook plaatse, zich steeds naar de zon keert, biedt ons de schoonste en duidelijkste voorstelling voor ons gedrag op het ziekbed.
Tot Hem, tot het opperste Licht, tot onzen God en Heiland moeten wij iederen dag en ieder uur opzien ! Hoog verheven, evenals de lichttoren aan do zee, stond Zijn Kruis op Golgotha, en droeg het licht der wereld! Maar toen dit Goddelijk Hart brak, toen dit Zonnelicht uitdoofde, ontstond er eene duisternis over de geheele aarde. Wanneer wij onzen Jezus niet hadden, zou het in ons binnenste ook duister zijn, en wij zouden door een somberen akeligen nacht omhuld worden.
-gt;•§ 1S3 S«-
Wij zieken vooral, zouden met Hem, met Zijnen troost het beste en ons alles verliezen. Zijne teergevoelige liefde heeft ons heil verzekerd en een middel gevonden, om altijd met ons te blijven en onder ons te wonen. Wij vinden Hem, zoo dikwijls wij Hem zoeken -— Hij komt tot ons, zoodra wij Hem roepen — Hij schenkt zich aan ons in de heilige vereeniging — zoo dikwijls wij zulks verlangen.
Wij zieken en lijdenden begaan eene dubbele fout, wanneer wij geen gebruik maken van het H. Sacrament, dat ons wordt aangeboden, om ons in de vereeniging met Hem te versterken. Dit is een onrecht Hem en ons zeiven aangedaan.
Hoe onbegrijpelijk versterkend is het gebruik van dit Hemelscb Brood! Het verschaft nieuwen moed, nieuw geduld en nieuwe lijdensvreugde. „Komt allen tot Mij, gij vermoeiden en belasten, en Ik zal u verkwikken,quot; zoo zegt Jezus, en op eene andere plaats: „Mijn lichaam is waarlijk spijs.quot; —
Evenals de pelgrim zich somwijlen met lichamelijk voedsel moet versterken voor de verdere reis, zoo moeten wij het ook doen, op onzen pelgrimstocht naar het andere leven.
Ik geloof, dat ik zonder deze vertroostende rustpunten, zonder deze heilige rust aan het Hart van mijnen God, gedurende al de lange smartelijke jaren mijner ziekte zeker zou bezweken zijn. Wij mogen ons vurig verlangen niet tegenwerken, uit vrees voor het oordeel der menschen; ook de verbazing van hen, die zulke gevoelens niet begrijpen, mag ons niet terughouden van dit verlangen. Wat ligt ons aan het oordeel der menschen gelegen ? Bij andere gelegenheden, als wij ons een genoegen willen verschaffen, of iets doen, dat in ons voordeel is, vragen wij toch ook niet naar hun oordeel. Waarom dan hier? Bekommeren wij ons daarover niet. Wanneer zij misschien eenige malen over ons gelachen of over ons
-gt;•§ 184 g«-
gesproken hebben, zullen ze zwijgen, en zich met andere zaken bemoeien. — Wanneer onze toestand verergert en er onmiddellijk levensgevaar schijnt te zijn, — dan, beminde zieke, moeten wij vooral niet verzuimen, den priester te ontbieden. Wij mogen deze noodige zaak niet tot het uiterste uitstellen. Men zou het nog kunnen vergeven aan hen, die door eene onverwachte ziekte plotseling op het ziekbed geworpen worden, dat zij het voornaamste, het heil hunner ziel, hunne eeuwige toekomst uit het oog verliezen, en dat zij aan alles eerder denken dan aan de laatste H. Sacramenten der stervenden; maar bij zieken, die reeds vele jaren lijden, wier geheele ziekte eigenlijk eene voorbereiding tot den dood moet zijn, mag dit verzuim, deze onverklaarbare vrees nooit voorkomen. Al hunne biechten moeten gesproken worden, alsof het de laatste was; iederen dag moet hunne liefde tot God, hun verlangen naar Hem vermeerderen, en wanneer zij zich zelf niet misleid hebben, dan zullen zij volstrekt niet bang zijn. Hem te zien, Hem te bentinnen, tot Hem te gaan, naar wiens bezit zij reeds jaren verlangden! Onbeschrijflijk is de troost, de kracht en rust, die ons het H. Sacrament des olielsels verleent. Wie ooit de heerlijke gebeden leest, die de priester bij het toedienen van deze genademiddelen bidt, moet er door getroffen en van heilige vreugde doordrongen worden.
Ontelbare malen reeds heeft de kracht van dit sacrament bij zieken en stervenden den prikkel der ziekte weggenomen en genezing gebracht, zoodat deze ondervinding door bewijzen gestaafd en niet op verbeelding berust. Ik zelf ontving meermalen het H. Olielsel, toen men mij stervend waande, en mocht daardoor telkens hulp en verlichting ondervinden.
Zoodra onze ziekte merkbaar toeneemt en de waarschijnlijkheid bestaat, dat wij het groote eind-
-gt;•§ 185 S*--
doel nabij zijn, moeten wij alle werelclsclie verstrooiing, iedere gedachte aan nieuwe levenshoop afwijzen, en alleen met God verkeeren. Heil ons, indien dan een godvruchtige priester, eene geestelijke zuster of eene andere vrome ziel onzer omgeving met ons of voor ons bidt, en ons wil bijstaan in den laatsten strijd! Wel ons, wanneer zij dien heerlijken plicht vervullen, en ons ten beste, den raad geven de H. Sacramenten te ontvangen, waardoor zij het grootste heil en nut onzer ziel bewerken.
Zulke vrienden zijn rechtreeksche boden van den hemel, die de goede God ons zendt, om de Heilige zending der geestelijke barmhartigheid aan ons te oefenen.
Hunne nabijheid werkt waarlijk vertroostend, hun bijstand heeft oneindig meer waarde, dan de hulp van den bekwaamsten geneesheer of de troost en omgang van den liefderijksten mensch zou kunnen hebben. Bij het vooruitzicht van den dood verbleeken alle aardsche verwachtingen, en alleen datgene behoudt zijne waarde en kracht, wat ons aan God doet denken, en ons tot Hem voert.
«•
Wanneer'iemand sterft, komen de menschen en vragen; „Wat heeft hij nagelaten?quot;
Doch ook de Engelen komen, en zij vragen: „Wat heeft hij vooruitgezonden?quot;
zijn pelgrims op aarde — en hebben hier geene blijvende woonplaats. — Wij zijn vreemdelingen, en ons hart is onrustig, tot het rust vindt in U, o God!quot;
A1 deze uitspraken, die, ofschoon van verscliilleu-den oorsprong, toch in de eenige laatste bron tezamen vloeien, prediken vergankelijkheid en dood. Dit leven is de loopbaan, is de overgang naar het andere, betere leven. Om die reden moet het ook eene voorbereiding hiertoe zijn, en is ook die plicht den zieke meer bijzonder opgelegd. Zij zijn anderen reeds eenigszins vooruit op den weg naar het eeuwig leven; zij hebben in hun lijden en hunne ziekte het gepaste middel ontvangen, om God te vinden, want de kruisweg is voorzeker de geschiktste en rechtste weg ten hemel, wanneer wij hem bewandelen en geenen anderen willen zoeken.
Het leven van den zieke, uit het verhevenste oogpunt beschouwd, is het voorspel van den dood, is de langzame voorbereiding van onze ziel, om zich in de meest gepaste en beste gesteldheid hiertoe te brengen, en wel door geduld en verdienstelijk lijden. — Is het reeds dwaas, d/it gezonde menschen iedere gedachte aan den dood van zich weren, dat zij dengene, die er hun over spreekt, als 't ware vluchten, als eene besmettelijke ziekte, en zich aan de luidruchtigste verstrooiingen overgeven, om dit afzichtelijke, grijnzende spook te vergeten — den zieke past het volstrekt niet. Voorzeker zijn het niet onze ware vrienden, die trachten dergelijke herinneringen uit ons hoofd te praten, en ons op allerlei wijzen willen verstrooien. Integendeel, wij moeten vaak en gaarne over den dood spreken, wij moeten ons vertrouwd maken met de gedachte, dat hij reeds aan onze deur wacht, en ons reeds als zijn offer ge-teekend heeft met het kruis der ziekte.
Nu en dan moeten wij onze laatste wilsbeschikking en onze tijdelijke aangelegenheden regelen, opdat ons geene zorg voor het aardsche meer verontruste, wanneer wij alleen aan God, en aan de eeuwigheid moeten denken.
lederen dag moeten wij als een genadebewijs van den barmhartigen God beschouwen, die ons weder tijd en gelegenheid gelaten heeft, om ons geheel te bekeeren. Niemand is nader bij het graf en den dood, dan wij zieken; dit moeten wij zoo dikwijls en lang overdenken, tot deze gedachte ons geen schrik meer aanjaagt.
Waarom zouden wij ook al te bevreesd zijn'? Daar boven in den hemel hebben wij vele machtige voorsprekers. Reeds nu moeten wij hunne hulp als die van onze voornaamste helpers en beschermers inroepen ! Verzuimen wij niet ons nu reeds van hunne voorspraak, van hunnen bijstand te verzekeren.
Vooreerst hebben wij de goede Moeder Gods Maria, die al de bitterheid van den doodsstrijd onder het kruis van haren Jezus leed, en die door Hem in Zijne laatste ure den heiligen Joannes en met Hem de geheele menschheid tot moeder geschonken werd. Zij zal ons niet verlaten, wanneer wij haar vurig aanroepen: „Heilige Maria, bid voor ons, zondaars, nu en in het uur van onzen dood. Amen.quot; Zij heeft reeds ontelbare malen de macht van hare voorspraak getoond, en zal ons ook in het laatste, beslissende oogenblik niet verlaten.
Een andere voorspreker in het uur des doods is-de H. Jozef, de voedstervader van den Heiland, die in Jezus' en Maria's armen gestorven is. Welke zoete, zalige dood! Bidden wij hem om een gelukkig afsterven, hij heeft dit reeds voor velen verworven.
Vergeten wij niet den H. Beschermengel, onze heilige patronen, den H. Michael, die de vorsten der duisternis overwonnen, en in den eeuwigen afgrond geworpen heett; den H. Benedictus, die vooral als patroon bij het sterven wordt aangeroepen, omdat hij zelf, als door een wonder, in staat was gesteld, staande den geest te geven; eindelijk de H. Barbara,
-gt;*S 186 amp;lt;-
Al deze uitspraken, die, ofschoon van verschillenden oorsprong, toch in de eenige laatste bron tezamen vloeien, prediken vergankelijkheid en dood. Dit leven is de loopbaan, is de overgang naar het andere, betere leven. Om die reden moet het ook eene voorbereiding hiertoe zijn, en is ook die plicht den zieke meer bijzonder opgelegd. Zij zijn anderen reeds eenigszins vooruit op den weg naar het eeuwig leven; zij hebben in hun lijden en hunne ziekte het gepaste middel ontvangen, om God te vinden, want de kruisweg is voorzeker de geschiktste en rechtste weg ten hemel, wanneer wij hem bewandelen en geenen anderen willen zoeken.
Het leven van den zieke, uit het verhevenste oogpunt beschouwd, is het voorspel van den dood, is de langzame voorbereiding van onze ziel, om zich in de meest gepaste en beste gesteldheid hiertoe te brengen, en wel door geduld en verdienstelijk lijden. — Is het reeds dwaas, d.at gezonde menschen iedere gedachte aan den dood van zich weren, dat zij dengene, die er hun over spreekt, als 't ware vl lichten, als eene besmettelijke ziekte, en zich aan de luidruchtigste verstrooiingen overgeven, om dit afzichtelijke, grijnzende spook te vergeten — den zieke past het volstrekt niet. Voorzeker zijn het niet onze ware vrienden, die trachten dergelijke herinneringen uit ons hoofd te praten, en ons op allerlei wijzen willen verstrooien. Integendeel, wij moeten vaak en gaarne over den dood spreken, wij moeten ons vertrouwd maken met de gedachte, dat hij reeds aan onze deur wacht, en ons reeds als zijn offer ge-teekend heeft met het kruis der ziekte.
Nu en dan moeten wij onze laatste wilsbeschikking en onze tijdelijke aangelegenheden regelen, opdat ons geene zorg voor het aardsche meer verontruste, wanneer wij alleen aan God, en aan de eeuwigheid moeten denken.
-gt;•3 187 ge
lederen dag moeten wij als een genadebewijs van den barmhartigen God beschouwen, die ons weder tijd en gelegenlieid gelaten heeft, om ons geheel te bekeeren. Niemand is nader bij het graf en den dood, dan wij zieken; dit moeten wij zoo dikwijls en lang overdenken, tot deze gedachte ons geen schrik meer aanjaagt.
Waarom zouden wij ook al te bevreesd zijn'? Daar boven in den hemel hebben wij vele machtige voorsprekers. Reeds nu moeten wij hunne hulp als die van onze voornaamste helpers en beschermers inroepen ! Verzuimen wij niet ons nu reeds van hunne voorspraak, van hunnen bijstand te verzekeren.
Vooreerst hebben wij de goede Moeder Gods Maria, die al de bitterheid van den doodsstrijd onder het kruis van haren Jezus leed, en die door Hem in Zijne laatste ure den heiligen Joannes en met Hem de geheele menschheid tot moeder geschonken werd. Zij zal ons niet verlaten, wanneer wij haar vurig aanroepen: „Heilige Maria, bid voor ons, zondaars, nu en in het uur van onzen dood. Amen.quot; Zij heeft reeds ontelbare malen de macht van hare voorspraak getoond, en zal ons ook in het laatste, beslissende oogenblik niet verlaten.
Een andere voorspreker in het uur des doods is-de H. Jozef, de voedstervader van den Heiland, die in Jezus' en Maria's armen gestorven is. Welke zoete, zalige dood! Bidden wij hem om een gelukkig afsterven, hij heeft dit reeds voor velen verworven.
Vergeten wij niet den H. Beschermengel, onze heilige patronen, den H. Michael, die de vorsten der duisternis overwonnen, en in den eeuwigen afgrond geworpen heeft; den H. Benedictus, die vooral als patroon bij het sterven wordt aangeroepen, omdat hij zelf, als door een wonder, in staat was gesteld, staande den geest te geven; eindelijk de H. Barbara,
188 §•lt;-
tie zoo geliefde en bekende voorspreekster in het stervensuur. — De zieke moet deze allen leereu kennen en hen vereeren. en zeer dikwijls aan zijn laatste uur denken.
De geloovige zielen zijn ook machtige voorsprekers.
Mij dunkt, dat wij er niet slecht aan toe zullen zijn, wanneer al deze heiligen ons bijstaan, en eens ons sterfbed zullen omringen. Het kruisbeeld of slechts een enkel kruis, waaraan een aflaat verbonden is, moet altijd in de nabijheid van den zieke zijn. Hoezeer vertroost ons een blik op den Gekruiste. Hoe spoedig kan ons zwak hart ophouden te slaan, en kunnen wij opgeroepen worden voor den eeuwigen rechterstoel! — Wij nemen immers ook voorzorgen voor onze lichamelijke gebreken, voor onvoorziene verzwakkingen en uitputtingen, en wij zouden de oneindig gewichtige, versterkende en opwekkende middelen voor de ziel, het voorbehoedmiddel tegen satan en hel verwaarloozen? Handelen wij niet als de dwaze maagden, die reeds lang met de aankomst van den Bruidegom bekend waren, en toch geene toebereidselen maakten, om hare lampen te ontsteken.
Wee ons, indien wij te laat komen, nadat onze Heer reeds zoo lang aan de deur van ons hart geklopt heeft! De eerste schrede in het leven is ook de eerste naar het graf, en ieder uur, iedere dag-brengt ons nader bij den dood. Vergeten wij niet, dat wij daarmede ook nader bij God komen en bij dat eeuwige leven, waar alle smart en ziekte een einde nemen.
M. Z. heeft lieden het tijdelijke met het eeuwige verwisseld. Heil zij haar! Hoe kort zal haar nu dat ISjarige ziekbed toeschijnen tegenover de eeuwige zaligheid, die haar zeker ten deel valt! Hoe zal zij zich nu verheugen over iedere smart, iedere beproeving, die zij met Clod en uit liefde tot God gedragen heeft!
Men verhaalt mij heden uit eene preek eene zeer schoone vergelijking van het lijden met de geheimen van den droevigen rozenkrans, te weten:
1. Jezus zweet weder egt;i bloed: het zielelijden, de angst, de ontsteltenis, de vrees voor het lijden, de smart en den dood.
2- Dc Geeseling: het lichamelijk lijden.
3. De Doornenkroon: het lijden met en voor anderen.
4. De Kruisdraging: het dagelijksch en onafgebroken, eindeloos lijden, dat velen beschoren is.
5. De Kruisiging: door God verlaten — gebrek aan inwendigen troost en des ondanks met den Heiland aan het kruis gehecht, en uit Zijne wonden, uit Zijn bloed troost en genade ontvangend.
De heiligen waren niet al te bevreesd voor den dood. Zij beschouwden hem als het eenige middel, om bij den goeden God te komen — zij noemden den dood de brug over dit aardsche tranendal naar het hemelsche vaderland. Uit den mond van stervende
-*5 190 ^
kinderen, wier engelachtige loopbaan slechts eeue voorbereiding tot het betere leven scheen te zijn, vernamen wij het verlangen: „Ik wil naar huis! Ik ■moet naar huis.quot; Zij meenden in den vreemde te zijn en erkenden ui,t eene natuurlijke gewaarwording, dat in het andere leven hun eigenlijk vaderland is. De godvreezende Dominikaner P. Lacordaire noemt den dood „het schoone oogenblik van den Christenquot;. (Le heau moment du cJirétien.)
Indien wij God beminnen, en altijd bemind hebben, waarom dan gevreesd ? Waarom dan gesidderd en gebeefd. als wij voor Hem gaan verschijnen?
Uit liefde ontstaat verlangen naar het bezit — hoe meer wij God liefhebben, met des te meer verlangen zullen wij naar Zijne liefdeblijken reikhalzen.
Gunt mij ruste! Ik ben moede En verlang naar 't zalig oord,
Waar ik onder trouwe hoede Eeuwig voortleef, ongestoord.
Weert toch niet met uw gebeden 't Bange sterfuur van mij af;
Laat mij voor den Rechter treden, Gunt mij, arme, 't stille graf!
Dierbre Heiland, al mijn smeeken Legde ik hoopvol voor Uw voet. Altoos is het mij gebleken,
Dat Gij zijt steeds mild en goed.
Mijne hope, mijn vertrouwen, O mijn Jezus! wijken niet.
Tot Gij roept, U aan te schouwen. Dien Gij voor U lijden ziet.
-xs 191 »•lt;gt;-
Moede ben ik, stervensmoede.
Roep mij uit deze enge kluis,
Neem mij onder Uwe hoede Op in 't zalig Vaderhuis!
Doch wat leed of weerspoed prange. Wat ik hier ook lijden moet,
Hoe ik ook naar rust verlange.
Zucht ik: Wat Gij doet, is goed!
D. Schram.
-—--
Het Geloof sterkt ons in ons Stervensuur.
JJadat mijn dierbare echtgenoot de laatste H. Sacramenten met innerlijke godsvrucht ontvangen had, zeide liij mij: „Welk een groot geluk is het toch, wanneer men zijn geloof bewaard en nooit verloren heeft, en liet niet op het sterfbed weder moet zoeken!quot;.
Tot aan zijn laatsten ademtocht behield hij als belooning van dit standvastig, kinderlijk geloof zijne kalmte en vroolijkheid. Niets duidde bij hem den minsten angst of de minste opgewondenheid aan; hij was sterk in het geloof aan zijn Schepper, en daarom ging hij ook den laatsten zwaren strijd vol vertrouwen en met gelatenheid te gemoet.
aren wieken mij gegeven, O mocht ik een duive zijn!
Naar den Hemel wilde ik zweven Regelrecht in volle vaart.
'k Ging aan 't Vaderhart mij prangen; Aan de zoete liefdebron,
Ging ik stillen mijn verlangen,
Nooit gestild in 't aardsche dal.
— O gij dwaze, wees bescheiden, Wie vliegt zoo ten Hemel in?
Slechts door werken, bidden, strijden Stijgt men op naar 't Hemelrijk.
Beter lijden dan te sterven,
Glooven beter nog dan zien.
Zoo gij wilt den Hemel erven.
Hoop, vertrouw, geloof en lijd!
Draag uw leed gewillig verder Langs het smalle doornenpad;
Eens neemt dan de Goede Herder U in Zijnen schaapsstal op.
Hebt gij hier genoeg geleden Op uw aardsche levenspad.
En den goeden strijd gestreden. Dan hecht God u wieken aan.
Dan eerst, zonder band of teugel. Als een duive vliegt uw ziel.
Sneller dan op pen of vleugel Vroolijk naar het Vaderhart.
D. Schram.
gieken, die reeds vele jaren lijden, zouden om zeer verklaarbare redenen kunnen wenschen, nader bij liun doel gekomen te zijn, om dit ellendige leven des te
-»g 193 S-lt;-
eerder tegen een beter te kunnen verwisselen. Deze wensch ontstaat zeer zelden uit zuivere, vurige liefde tot God, van welke liefde doordrongen, de H. Paulus uitriep: „Ik verlang ontbonden te worden en bij U te zijn. mijn Heiland,quot; of eene H. Theresia: .,Of lijden, of sterven!quot; Dit zijn woorden en ontboezemingen van groote heiligen, die met liet verlangen dei-meeste zieken niets gemeen hebben. Hun verlangen naar den dood ontstaat veeleer uit eene zekere moedeloosheid, eene zwakheid, die zeer verklaarbaar, maar niet prijzenswaardig is.
De natuur verzet zich tegen datgene, wat haar reeds lang zwaar viel, en smacht naar rust en verlossing. Sterven is ophouden te leven, volgens den zieke ophouden te lijden. Sterven is het einde van allen strijd en elke inspanning, van kruis en leed; sterven is uitrusten. De vrome Christen moet deze gedachte, als ze bij hem opkomt, afwijzen en onder geene voorwaarden de Goddelijke Voorzienigheid willen vooruitloopen.
God laat ons voorzeker geen uur langer lijden, dan voor het heil onzer ziel noodig is; hiervan moesten wij reeds lang overtuigd zijn. Zonder strijd geen zegen, zonder zegen is er geene kroon te verwachten, wij zullen dus zeker niet tevergeefs geleden hebben.
Wanneer de kampvechter nog in het laatste oogenblik het strijdperk verlaat, wordt hij van de lijst der overwinnaars en mededingers naai' den prijs geschrapt; wanneer de soldaat nog in het laatste oogenblik het wapen in de scheede steekt en het wegwerpt, wordt hij als overlooper en verrader behandeld, en heeft geene belooning te wachten. Zouden wij, nu wij misschien reeds zeer dicht bij ons doel zijn, den moed verliezen? Voorzeker is het moeielijker te leven in lijden, dan te sterven, want om te lijden heeft men meer moed noodig.
Kruisbloemen. 13
-•*3 104 ^
Kauwkeiirig beschouwd, moet ons leven eigenlijk niets anders zijn dan de overgang tot den dood, en liet genot der liemelsche vreugde. Wie zou met zekerheid kunnen zeggen, of zijn verlangen naar den dood rechtmatig, en zijne ziel volkomen bereid is, om voor Gods aangezicht te verschijnen ? Hebben wij reeds genoeg geleden, reeds genoeg verdiensten verworven, om daarvoor de eeuwige belooning te ontvangen? Het kon in de andere wereld nog veel slechter met ons gesteld zijn; en dan hadden wij den tijd van genade, om al onze zonden te boeten, lichtzinnig van de hand gewezen! O beminde zieke! Wenschen wij alleen, wat God wil, in de overtuiging, dat Zijne wijsheid ons kracht naar kruis zal geven. Wanneer wij trouw onzen plicht vervullen, dan is God nog veel stipter in 't vervullen van den Zijnen. 11 ij heeft zich in zeker opzicht door veelvuldige liefdebewijzen aan ons verbonden, en ons door de verdiensten van Zijn lijden en dood het recht op den hemel gekocht. Laten wij moedig voortleven, doch vergeten wij door ons verlangen naar den dood niet den plicht, om te leven. Wanneer wij met innig vertrouwen bezield zijn, hebben wij ook de rechte gesteltenis, om te sterven, en is dit vertrouwen bij ons in merg en been doorgedrongen, cl. w. z. onafscheidbaar van ons, dan mogen wij met een opgeruimd gemoed zeggen: „Wilt Gij dat ik ziek blijve, o God! het zij zoo. Moet ik sterven, dan ben ik IJ dankbaar. Hetzij ik leve of sterve. Uw wil geschiede!quot; Een vroom Engelsch dichter zegt zoo treffend: „When is my time to die?quot; (Heer, wanneer is het mijn tijd, om te sterven?) en geeft zich geheel over in hel antwoord: „My masters time is mine!quot; Gods tijd ii ook de mijne. (Burns.)
Het verlangen naar den dood moeten wij dus veeleer onderdrukken dan aankweeken, wijl het ons niet slechts verhindert, goed te doen, maar ook niet
-gt;*i 195 iH-
strookt met onze onderwerping aan Gods wil. De beste manier van sterven is zich zelf af te sterven, en zijn eigen wil, om alleen met en voor God te leven. Zijn wij van alles los geworden, dan zijn wij rijp voor de eeuwigheid, dan kunnen wij het uur afwachten, waarop de Heer zal komen en ons toeroepen : ..Welaan, goede en getrouwe knecht, treed binnen in de vreugde uws Heeren!quot;
--o—o-
Jfet valt zieken, die jarenlang krank zijn, zeer zwaar, hunnen lijdensmoed niet aan 't wankelen te brengen, en eene groote zedelijke kracht wordt vereischt, wanneer hun toestand plotseling eene ernstige wending neemt, en zij in doodsgevaar verkeerend — meen en stervende te zijn, en zich voor den ernstigen strijd voorbereiden, wanneer zij zich zelf en het smartelijke afscheid van hunne dierbaren den Heere aanbevelen, en het laatste oogenblik nabij zijn, waarop hunne ziel in Gods handen gesteld wordt, — en dan als 't ware op den drempel des hemels nogmaals teruggevoerd worden in het armzalige, aardsche leven. Reeds drong een lichtende straal uit de eeuwigheid door tot in hunne sombere ziel, reeds meenden zij aan het aardsche onttrokken te zijn, de laatste gehechtheid overwonnen en liet laatste offer gebracht te hebben; vol vurig verlangen ontplooide de ziel hare vleugels, om den Heer te gemoet te snellen, eu Hem eeuwig te bezitten, — nogmaals roept Gods wil hen terug, nog hebben zij niet genoeg geleden! Xu is het echter zeer moeielijk, den kruisweg weder te aanvaarden — de zielskracht schijnt na het voorgevallene als verlamd en als gebroken, onder de bittere aanmaning tot
13*
-»S 104 ^lt;-
Nauwkeurig beschouwd, moet ons leven eigenlijk niets anders zijn dan de overgang tot den dood, en het genot der hemelsche vreugde. Wie zou met zekerheid kunnen zeggen, of zijn verlangen naar den dood rechtmatig, en zijne ziel volkomen bereid is, om voor Gods aangezicht te verschijnen? Hebben wij reeds genoeg geleden, reeds genoeg verdiensten verworven, om daarvoor de eeuwige belooning te ontvangen? Het kon in de andere wereld nog veel slechter met ons gesteld zijn; en dan hadden wij den tijd van genade, om al onze zonden te boeten, lichtzinnig van de hand gewezen! O beminde zieke! Wenschen wij alleen, wat God wil, in de overtuiging, dat Zijne wijsheid ons kracht naar kruis zal geven. Wanneer wij trouw onzen plicht vervullen, dan is God nog veel stipter in 't vervullen van den Zijnen. Hij heeft zich in zeker opzicht door veelvuldige liefdebewijzen aan ons verbonden, en ons door de verdiensten van Zijn lijden en dood het recht op den hemel gekocht. Laten wij moedig voortleven, doch vergeten wij door ons verlangen naar den dood niet den plicht, om te leven. Wanneer wij met innig vertrouwen bezield zijn, hebben wij ook de rechte gesteltenis, om te sterven, en is dit vertrouwen bij ons in merg en been doorgedrongen, d. w. z. onafscheidbaar van ons, dan mogen wij met een opgeruimd gemoed zeggen: „Wilt Gij dat ik ziek blijve, o God! het zij zoo. Moet ik sterven, dan ben ik TJ dankbaar. Hetzij ik leve of sterve. Uw wil geschiede!quot; Een vroom Engelsch dichter zegt zoo treffend; „When is my time to die?quot; (Heer, wanneer is het mijn tijd, om te sterven ?) en geeft zich geheel over in het antwoord: „My masters time is mine!quot; Gods tijd is ook de mijne. (Burns.)
Het verlangen naar den dood moeten wij dus veeleer onderdrukken dan aankweeken, wijl het ons niet slechts verhindert, goed te doen, maar ook niet
-gt;•3 195 Sx-
strookt met onze onderwerping aan Gods wil. De beste manier van sterven is zicli zelf af te sterven, en zijn eigen wil, om alleen met en voor God te leven. Zijn wij van alles los geworden, dan zijn wij rijp voor de eeuwigheid, dan kunnen wij liet uur afwachten, waarop de Heer zal komen en ons toeroepen: „Welaan, goede en getrouwe knecht, treed binnen in de vreugde uws Heeren! -
--=—=££r—0-
JJet valt zieken, die jarenlang krank zijn, zeer zwaar, hunnen lijdensmoed niet aan 't wankelen te brengen, en eene groote zedelijke kracht wordt vereischt, wanneer hun toestand plotseling eene ernstige wending-neemt, en zij in doodsgevaar verkeerend — meen en stervende te zijn, en zich voor den ernstigen strijd voorbereiden, wanneer zij zich zelf en het smartelijke afscheid van hunne dierbaren den Heere aanbevelen, en het laatste oogenblik nabij zijn, waarop hunne ziel in Gods handen gesteld wordt, — en dan als 't ware op den drempel des hemels nogmaals teruggevoerd worden in het armzalige, aardsche leven. Reeds drong een lichtende straal uit de eeuwigheid door tot in hunne sombere ziel. reeds meenden zij aan het aardsche onttrokken te zijn, de laatste gehechtheid overwonnen en het laatste offer gebracht te hebben; vol vurig verlangen ontplooide de ziel hare vleugels, om den Heer te gemoet te snellen, en Hem eeuwig te bezitten, — nogmaals roept Gods wil hen terug, nog hebben zij niet genoeg geleden! Nu is het echter zeer moeielijk, den kruisweg weder te aanvaarden — de zielskracht schijnt na het voorgevallene als verlamd en als gebroken, onder de bittere aanmaning tot
13'
-gt;•§ 196 §-lt;-
terugkeeren. Zoo dicht bij het doel en nu weder op nieuw beginnen, ach 't wil bijna niet lukken, het valt zoo hard, nog eens weder te beginnen, o zoo hard, weder te leven en te lijden ! Ik zelf heb dit meermalen ondervonden, en ook is deze terugkeer van den dood tot het leven mij vreeselijk zwaar geweest.
Nooit echter is liet ons geoorloofd, Gods wijze, heilige bedoelingen te beoordeelen. Zeker moet het goed zijn, wanneer Hij het zoo regelt. Misschien wil Hij ons daarmede onderrichten in de volle beteekenis van het stervensuur — misschien moeten wij ons, evenals in het lijden, ook in het sterven oefenen, want door oefening leert men de kunst van alles; misschien zal Zijne barmhartige hulp ons deze verschrikkende oogenblikken in afrekening brengen bij onzen allerlaatsten doodsstrijd, en hem lichter maken.
Mogelijk ook moeten die aanmaningen tot den dood ons opwekken, wakker schudden uit onverschilligheid en gewoonte, en ons brengen tot ernstig nadenken over ons einde, dat, hoe goed men ook bereid meent te zijn, toch onverwacht kan aanbreken.
God weet, wat Hij hiermede voor heeft. Wij daarentegen zijn verplicht, niet moedeloos te worden, maar ook, al kost het ons een kleinen strijd, het wedergegeven leven dankbaar aan te nemen, en opnieuw weder te beginnen. Misschien was het de laatste aanmaning der goddelijke genade! „Carpe diem! Benuttig den tijd!quot; zeiden de oude heidenen. Ook ons roept Gods liefde in dat oogenblik hetzelfde toe. „Er komt een nacht, waarin niemand meer werken kan.quot;
dood is de brug, die ons naar God voert.
Harten, die Hem beminnen, zooals Hij verdient, bemind te worden, moeten den dood niet vreezen, er is nu eenmaal geen andere weg naar God dan deze donkere, geheimzinnige poort. Aan deze zijde dier poort blijft alle smart en leed van het aardsche leven —• zij voert tot Hem, wiens bezit eeuwige gelukzaligheid beteekent, — neen, niet beteekent, maar werkelijk is.
De dood zou dus aan zieken, zoowel als aan zwaarbeproefden, een verlosser kunnen toeschijnen, en zou hun geen schrik moeten aanjagen, want voor hen beteekent „gestorven zijnquot; zooveel als: geene smart meer gevoelen, vrij zijn van de gevangenschap des vleesches, van alle zorgen en kwellingen des levens. Hierdoor versta ik natuurlijk den dood, die op een christelijk leven volgt, dat altijd het bezit van God als zijn eenig doel heeft nagejaagd. Wij zijn niettemin, hoe deugdzaam wij ook geleefd hebben — geheel afhankelijk van de goddelijke barmhartigheid, en de verdiensten van Zijn kostbaar lijden.
Het kan onder vele omstandigheden moeielijker zijn te leven dan te sterven; er is vaak meer moed, meer geduld en onderwerping noodig, om het armzalige, steeds ziekelijke leven voort te sleepen, dan het af te leggen, evenals een afgedragen kleedingstuk. Laiïe, ongeloovige zielen vinden het zelfs aanlokkend, deze wereld te verlaten, en uit te rusten van alle rampen en tegenspoeden. Dit is eene zware zonde en een misdadige inbreuk op de rechten van den goeden God.
En waarin zou dan die vermeende rust bestaan? Zeker is het moeielijk, zoo dag aan dag zijn kruis voort te sleepen, dag aan dag strijd te voeren tegen
-gt;•? 198 ^
(le zwakke, bedorven natuur, en de ellende van het leven! Wanneer echter eens het laatste uurtje slaat, zal ieder doorgestaan leed, ieder den Heer opgeofferde smart, iedere geringe verdienste ons tot grooten troost en onuitsprekelijke vreugde strekken. Dan zullen wij, evenals de rijke, die zijne schatten natelt, met pijnlijke nauwgezetheid terugblikken op iedere goede daad van ons leven, terwijl het geduld en de onderwerping, die wij niet Gods genade gedurende ons lang ziekelijk leven beoefend hebben, eene bron van vreugde voor ons zullen worden, die onzen doodsnood verlicht.
Sterven is hard. Duizenden heiligen en rechtvaardigen hebben voor den doodstrijd gesidderd, en er al de bitterheid van ondervonden. In tranen en smarten komt het kind ter wereld, en ook slechts in strijd en lijden wordt de scheiding onzer ziel van het lichaam voltrokken, dit is de laatste inspanning onzer zwakke natuur, en hoe vuriger en inniger wij God liefhebben, des te meer kunnen wij ons op Hem verlaten. Hij heeft het eens aan de H. Mechtildis geopenbaard: „Zooveel iemand in geloof en vertrouwen van Mij verwacht, zooveel en nog oneindig meer zal hij verkrijgen, want het is onmogelijk, dat een mensch niet ontvangt, wat hij heilig geloofd en gehoopt heeft.quot;
Ligt in deze woorden niet de schoonste, zaligste verzekering, dat God ons zal helpen en bijstaan, en ons in den laatsten zwaren strijd niet zal verlaten?
Wij kunnen de al te sterke vrees voor den dood het best tegengaan, wanneer wij ons gedurende ons leven en lijden zeer dikwijls opwekken tot liefde en vertrouwen; wanneer wij God en Zijne II. Moeder Maria en alle lieve heiligen des hemels dikwijls smeeken, bij ons te komen, en ons in ons laatste uur bij te staan. Dat zal dan ook geschieden; wij mogen stellig op dezen hemelschen bijstand rekenen.
-gt;*? 109
Heeft die trouwe vaderhand ons in al die lange jaren van ons lijden door tallooze gevaren en smarten geholpen, hoe zou zij ons dan in 't laatste oogenblik verlaten? Wij hebben onzen Heiland naar Grethsemane, op Calvarië vergezeld, wij zijn met Hem aan het kruis gehecht, zal Hij ons nu in den dood verstooten ?
O, beminde zieke! Wanneer doodsangst n aangrijpt, wanneer het somber in uw binnenste wordt, en de vrees voor het oordeel, (jngstige twijfeling en moedeloosheid zich van u meester maken, neem dan uw kruisbeeld in de handen, druk het aan uw hart, aan uwe lippen, en zeg met kinderlijk vertrouwen: „Ik verlaat U niet, o lieer! Gij zijt aan het kruis voor mij gestorven. Gij zult mij niet verlaten in het laatste, smartelijkste uur; Uw dood was immers onze verlossing, is het heil der geheele wereld geworden. Uw dood zal mij ook tot het leven voeren.quot; — Na een dergelijk gebed zult gij kalmer worden, uw angst zal in vertrouwen veranderen, en de dood, ofschoon dc straf der zonde en de laatste schatting, die wij allen betalen moeten, wordt ook de eerste schrede naar den goeden God, naar Zijn bezit, waar alle gelukzaligheid in begrepen is.
Het avonduur treedt nader, O Heer, verlaat mij niet,
Maar wees mijn trooster, rader. Bij 't nachtelijk verschiet.
-gt;*S 200
Dc nacht komt de aarde omgeven, Mij vallen de oogen toe,
Ik voel mij 't harte beven En ben des strijdens moe.
't Wordt duister om mij henen, Hou Gij bij mij de wacht.
Dan zeg ik zonder weenen Deze aarde — „Goeden nacht!quot;
D. Schram.
Wie God lief heeft, behoeft Hem niet te vreezen.
0, hoeveel zoetheid ligt er in het geloof! Hoe zalig is liet te gelooven, en hoe goed te hopen! Welke liefelijke gedaante neemt de dood aan, wanneer wij hem beschouwen als den vriendelijken portier, die ons de poort tot het eeuwig leven ontsluit. Hoezeer beklaag ik degenen, die zich zelf veroordeelen, om zonder geloof te leven en te lijden, en zonder geloof, dus ook zonder hoop, te sterven!
Dat nimmer angstige twijfeling in ons hart op-kome, daardoor zijn wij onrechtvaardig omtrent God en ons zelf, en plegen verraad tegenover de goddelijke liefde. Wij mogen niet ontstellen bij de vreeselijke bedreigingen, die tot verharde, ongeloovige zielen gericht zijn. God bedreigt met Zijne ontzetting en Zijne verschrikkingen slechts degenen, die door Zijne liefde niet getroffen worden, en Hem hunne onderwerping weigeren.
Hij wil alle zielen redden; daarvoor moeten wij Hem dankbaar zijn. Wanneer wij het ongeluk niet hebben, te behooren tot degenen, die zich vrij-
201 ge
willig tegen Hem verzetten; wanneer wij aan God gelooven en Hem liefhebben, hebben wij ook het recht, alles van Hem te hopen en te verwachten, want Hij is geheel liefde voor Zijne getrouwen, en geheel ontferming voor hen, die Hem beleedigd, en Zijne vergiffenis afgesmeekt hebben.
Wij moeten alleen omgang zoeken met degenen, die niet liefde van God spreken en ons aansporen. Hem meer en meer lief te hebben, want zoolang wij van goeden wil zijn, hebben wij geene reden, Hem te vreezen.
Is de nood het hoogst, dan is God het meest nabij.
Kent gij, beminde zieke! dien toestand, waarin al uw gebed vergeefsch, de hemeldeur van metaal, en geheel ondoordringbaar schijnt te zijn; waarin gij denkt, dat God u vergeet, uwe tranen niet ziet, noch den bitteren angst, die u bijna tot vertwijfeling brengt?
Dat is zwaar, vreeslijk zwaar zielelijden!
Uw Heiland heeft het eveneens ondervonden, toen Hij, wegstervend aan het kruis hing, en in uiterste moedeloosheid uitriep; „Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?quot; Hij wilde alle graden van het lijden doorloopen, om uit eigen ondervinding, in het kleed der menschelijke natuur, den geheelen omvang der menschelijke ellende te beoordeelen. O, hoe bitter, hoe pijnlijk is deze kwelling! — Steeds blijft Hij een ontfermende, liefhebbende en medelijdende God. Hij wil alleen Zijne genade niet vooraf schenken. Hij wil eerst vertrouwen en hoop zien, wil den graad onzer liefde meten naar onze bereidwilligheid tot het offer.
-gt;•3 202 S*-
Hij schijnt doof voor ouze smeekiiigen, — Hij schijnt koud voor onze smart, — Hij schijnt hard, wreed en onbarmhartig. Doch Hij schijnt slechts zoo. Dit heb ik steeds ondervonden, en wel het meest, wanneer ik mij in den grootsten nood bevond.
Jaren te voren reeds voorzag ik mijn zwaarste leed. Van maand tot maand, van dag tot dag werd de ziekte van mijn echtgenoot zorgwekkender en bedenkelijker; zijn uiterlijk verried meer lijden, zijn toestand werd hopeloozer. Ik had steeds hoop behouden, mijne sterke ziel geloofde aan eene reddende wonderkracht, die den dood zou overwinnen.
Ik stortte vurige tranen, tallooze smeekingen zond ik ten hemel, want ik kon mij geen begrip van de toekomst maken — aan scheiding kon ik niet gelooven.
lui brak de dag aan, waarop men den dierbaren zieke stervende naar zijne woning bracht, en aan mijne zijde nederlegde. — Allen meenden, dat ik dit verlies niet te boven zou komen, en dat de smart mij zou doen bezwijken, toch gebeurde het niet, want dit verdriet moest mij louteren.
„Toon nu, mijn kind!quot; zeide mijn eerwaardige ziel-zorger tot mij, „wat gij in al die jaren in de school van het kruis geleerd hebtquot; — en voor het kruisbeeld tegenover mijn bed bracht ik het offer van mijn geluk. Wat ik in dit uur • leed, weet God alleen, doch ik maakte geene voorwaarden, ik wilde niets voorbehouden — ik bracht het offer geheel en volkomen. En — dit ter stichting en aanmoediging van alle moede-loozen — van dit oogenblik voelde ik de liefderijke hand Gods, die mij steunde. Hij hield mij staande, Hij verleende mij, de arme, zwakke zieke, eene bovennatuurlijke kracht. Ik kon waken en den geliefden stervende mede verplegen; ik kon zonder tranen met hem spreken, en hem naar mijne krachten weldoen.
Nadat hij in mijne armen zalig- afgestorven Avas, erkende ik, niet innige dankbaarheid jegens God, dat Hij mij niet verlaten had, en met mij was in mijne smartelijke oogenblikken, en zich sterk en machtig toonde in Zijn hulpeloos schepsel.
--------
Neem ook tot de Heiligen uwe Toevlucht.
V^anneer de zieke zijn hart dikwijls tot den goeden God verheft en in den geest bij Hem in den hemel vertoeft, zal hij ook gaarne denken aan hen, die de hemelsche glorie deelachtig zijn, en in eeuwige zaligheid den troon Zijner Majesteit omgeven.
Ik bedoel hiermede de schaar der lieve heiligen, die den strijd van het aardsche leven doorworsteld en vleesch en natuur overwonnen hebben. Xu genieten zij duizendvoudig, wat zij misschien in bun aardsche leven moesten ontberen, zij oogsten, wat zij gezaaid hebben. — de belooning voor hun standvastig gebed, hunne deugden en goede werken; zij zijn nu de verheerlijkte lievelingen Gods, en eeuwig gelukkig, want God zelf heeft alle tranen hunner oogen gedroogd, zij kennen geenen dood, geen lijden, geene smarten meer. Daar nu de lieve heiligen in het kleed onzer armzalige natuur gewandeld, als menscheu geleden, en gestreden, het kruis gedragen, smart en ziekte doorleefd, en even als wij voor den dood gebeefd hebben, zoo begrijpen zij ons, en zullen voor ons' bidden en ons helpen.
Vooreerst hebben wij onze lieve Moeder Maria; zij, de vlekkelooze, die zeker nooit de straf voor eenige zonde te dragen heeft gehad, wilde juist in de liefde voor den armen, zwakken, zondigen mensch aan haren Goddelijken Zoon gelijk worden;
een zevenvoudig zwaard doorboorde hare ziel, toen .zij haren dierbaren Zoon zag sterven, toen Zijn H. Lichaam van liet kruis genomen en in haren maagdelijken schoot gelegd werd. „Gij allen, die mij voorbijgaat,quot; staat er van haar, „ziet, of er eene smart gelijk is aan de mijne!quot; Wanneer de zieke eenigszins rustig daarneder ligt, is er voor die kalme uurtjes, of ook gedurende de schemering, geene aangenamer bezigheid dan het liefelijk onderhoud met Maria, onze beste Moeder, of het rozenkransgebed te harer eer.
De rozenkrans met Zijne verschillende geheimen, die op de Kerk betrekking hebben, is een zeer geschikt gebed voor de aanhangers en vereerders van Maria, daar het ons meer met haar vereenigt, en ons tallooze genaden doet verwerven.
Herhaalde malen reeds heb ik gehoord en gelezen, dat niemand verloren gaat, die den rozenkrans trouw en vlijtig bidt.
Hij is ook niet slechts een gebed voor de een-voudigen, zwakhoofdigen of onbeschaafden — onze grootste helden, mannen der wetenschap, koningen en keizers, bisschoppen enz. hebben den rozenkrans dikwijls en met voorliefde gebeden; zoo b. v. Chri-stoffel Columbus, de maarschalk Tilly, Eugenius, de edele ridder, de H. Pranciscus van Sales, enz.
Buitendien vervangt hij voor hen, die niet lezen kunnen, het kerkboek, en vervult de ziel met zoeten troost. Iedere zieke moet eenen rozenkrans bij zich hebben; komt hij er niet toe, hem geheel te bidden, dan kan hij er dagelijks een gedeelte van nemen, het zal hem tot eene aangename gewoonte worden, en hem veel troost en genade verwerven. Christus zelf heeft ons Maria tot Moeder gegeven, en zij, wier hart voor allen liefde gevoelt, die met recht de genezing der zieken, de toevlucht der zonderen genoemd wordt, zal haren troost en hare hulp
-xS 205
aan niemand weigeren, die ze haar afsmeekt. Hoe zoet moet liet zijn, in hare armen te sterven! Behalve haar, zou ik den H. Jozef als patroon voor het stervensuur willen aanbevelen.
Jezus, Maria, Jozef! u schenk ik mijn hart, mijn geest en mijn leven!
Jezus, Maria, Jozef! staat mij bij in den laatsten strijd!
Jezus, Maria, Jozef! dat mijne ziel met u in vrede sterve! Amen.
Deze korte gebeden moesten de zieken dagelijks herhalen, zij zouden hun grooten troost schenken. Verder moeten zij trachten zich de voorspraak te verwerven van die heiligen, welke op hunne wereldsche loopbaan met ziekte en lijden te kampen hadden, en wellicht op het ziekbed den zegepalm der eeuwige zaligheid behaald hebben. Hoe schoon en stichtend is het, hunne legenden te lezen, en door hun voorbeeld bemoedigd en opgewekt te worden! „Konden deze het,quot; roept de H. Augustinus uit, „waarom wij dan ook niet?quot;
Door hun geloof wordt onze kleinmoedigheid versterkt, door hun geduld onze prikkelbaarheid vernietigd. Hoe meer wij dus van hunne heldhaftige deugden lezen, des te grooter nut zullen wij er uittrekken, want ieder mensch heeft eene zekere voorliefde voor hem, wien hetzelfde lot is ten deel gevallen als hem, en wiens levenslot met het zijne in verband staat. Acht en dertig jaren lang was de H. Liduina aan het ziekbed gekluisterd, werd door alle denkbare smarten gefolterd, terwijl geestelijke beproevingen, moedeloosheid, vertwijfeling en bekoringen haar evenmin gespaard bleven, als nood, armoede en ontbering. Toch lag zij daar tot stichting van allen, die haar zagen, meer dood dan levend, dikwijls overstelpt door zoeten troost — als in verrukking, in den geest reeds met haren Goddelijken Bruidegom vereenigd, en steeds
-gt;•3 206 S*lt;-
in ootmoedige onderwerping van haren wil aan den wil Gods. Uit haar leven ziet men duidelijk, hoe kruis en lijden in genadebewijzen kunnen veranderen voor hen, die God liefhebben en wederliefde van Hem ontvangen.
De H. Theresia verhaalt van zich zelve, dat zij zich niet herinnert, in de laatste 40 jaren haars levens één uur zonder pijnlijke smarten te hebben doorleefd. De H. KI ara leed gedurende 28 jaren aan eene hevige lichaamszwakte, maar vond eenen zoo grooten troost in dezen smartvollen toestand, dat zij aan hare geestelijke dochters meermalen verzekerde: „Mag de zwakke, zondige mensch zich wel beklagen, wanneer hij zijn lieven Jezus met bloed overdekt aan het kruis ziet hangen? Niets is onverdraaglijk voor een hart, dat God liefheeft, terwijl daarentegen een hart, dat Hem niet lief heeft, niets kan lijden.quot;
Behalve de hier genoemden, vinden de zieken nog ontelbare andere heiligen, wier leven ons op de eene of andere manier tot voorbeeld en onderrichting kan strekken. Dit is zeker, dat geen hunner zonder kruis, beproeving of strijd den hemel verwierf.
Zoudt gij het dan beter willen hebben, beminde zieke?
Spiegel u aan die verheven voorbeelden, doch neem ook hunne hulp te baat; de gemeenschap der heiligen gerechtigt ons hiertoe, en wanneer wij trachten de geheele beteekenis van dit geheim des geloofs te doorgronden, clan ;.chenkt dit ons ontegenzeggelijk grooten troost.
-gt;♦§ 207 sk-
De hl. Barbara als Patrones in het Stervensuur.
Misscliien zal een voorbeeld uit liet werkelijk leven nog meer tot vertrouwen op de voorspraak der H. Barbara aanmoedigen. Mijn klein neefje Rudolf, de lieveling mijns harten, die reeds in den jeugdigen leeftijd van 9 jaar ten liemel werd opgenomen, had reeds op den schoot zijner moeder dit oude gedichtje geleerd:
O adellijke spruit,
Gij goddelijke bruid,
O heiige Barbara,
Verwerf voor mij gena!
O helpster in den nood,
Beschermster in den dood,
O, wil voor mij de gunst verwerven Niet zonder Teerspijs af te sterven!
Geen avond ging voorbij, waarop Rudolf niet met gevouwen handjes dit versje opzegde. Het was treffend, den grooten ernst van het kind op te merken, waarmede hij het slot van het gebed uitsprak. De jaren vloden heen, en Rudolf ging voort, volgens oude gewoonte de H. Barbara iederen dag te gedenken.
Daar overvalt hem de doodelijke ziekte, die deze jeugdige bloem brak, om ze van de aarde in den hemelschen lusthof te verplaatsen. Rudolf leed als een martelaar, en ging als een heilige zijne verheerlijking te gemoet. De tijd brak aan, waarop men bij het onderwijs in de school, den jongen zou voorbereiden voor de eerste biecht; nu doodziek liggende, was het oogenblik gekomen, dat de H. Barbara, die hij zoo kinderlijk en standvastig aangeroepen had, geheel onverwacht haar woord zou houden. Zijn godsdienstleeraar, die hem dagelijks bezocht en overtuigd was, dat Rudolf bijzonder goed in de waarheden van den godsdienst onderwezen, en er diep van door-
-gt;-? 208 ge
drongen was, deed den ouders liet voorstel, het vrome kind den zoeten troost te schenken, niet alleen te biechten, maar ook de H. Communie als Teerspijs toe te dienen. Met stichtende godsvrucht ontving de engelachtige knaap het H. Sacrament, waarnaar hij reeds zoo lang vurig verlangend had uitgezien, en stierf kort daarna in het heerlijk bezit van zijnen Heiland.
De II. Barbara had den knaap, die in haar vertrouwen stelde, bijgestaan.
Over den Troost, die aan het Ziekbed verbonden is, en hoeveel Vreugde uit het Lijden ontstaat.
n
Kruisbloemen.
„Geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord, nooit is in's menschen hart gedrongen, wat God voor hen heeft bereid, die Hem liefhebben.quot; (i. Kor. 2, 9.)
Geliefden, wilt mij niet beklagen Om 't geen ik hier verduren moet;
Al, wat de Heer mij geeft te dragen,
Draag 'k Hem ter eer, met vroom gemoed.
Wat toch zijn vreugde en aardsche weelden? Wat duurzaams schenkt ons 't zingenot ?
't Zijn ijdle, wufte nevelbeelden,
't Wordt al een prooi van roest en mot.
Doch overzalig is het hopen Van 't vroom, geloovig christenhart'
Voor mij staat heel de hemel open;
En deze hoop verzoet mijn smart.
Ik hoop op zaliger landouwen.
Waar de allerbeste Vader troont.
Die eens mijn hoop, mijn vast vertrouwen Met eeuwge, zaalge wellust loont.
D. Schram.
-—
Het Lijden brengt ons nader tot God,
Dikwijls werd dit onderwerp behandeld, en ook dikwijls werd deze waarheid bestreden.
Men hoorde vaak de bewering, dat kruis en lijden meer geschikt zijn, ons van den goeden God te vervreemden, en ons te verbitteren, dan ons te ver-
14*
-gt;^ 212 is-*
edelen of eenen weklacligen invloed op ons uit te oefenen. Wel is de mensch van nature steeds geneigd te vragen: „of het dan over't algemeen een liefde-bewijs van God kan zijn, indien Hij sommige menschen strenger behandelt, en hun Zijn kruis oplegt, terwijl anderen zorgeloos in vreugde en genot voortleven. Is het lijden werkelijk in staat, ons hart voor God te stemmen?quot;
Uit een natuurlijk oogpunt beschouwd, schijnt het zeer raadselachtig en in strijd met de gerechtigheid Gods. Toch is het dit alleen in schijn, want verscheidene voorbeelden bewijzen het tegendeel. Hoe dikwijls verneemt men de uitspraak: ..Deze of gene is door het kruis handelbaar gewordenquot; — of wel: „Nooit zou ik nader bij God gekomen zijn, en Zijne groote barmhartigheid hebben leeren waardeeren, wanneer Hij mij niet door Zijne tuchtiging tot inkeer, en in de school des lijdens had gebracht.quot;
In de ziekenkamer, onder hevige smarten en langdurende ziekten zinkt de stralenkrans van al het uiterlijk in het niet; daar vertoonen zich alle dingen in hunne waarde en in hunne naakte werkelijkheid.
Zeer velen hadden zonder ziekbed of tegenspoed, wellicht nooit aanleiding gevonden, hunnen God te erkennen, Zijne H. eigenschappen te begrijpen of aan eene eeuwigheid te denken.
Daar overvalt hen plotseling een zwaar, groot ongeluk. Dit ontrukt hen aan hunne zorgeloosheid en onverschilligheid — voor 't eerst zien zij liet kruis. Nu walgt hun de bedwelming der vreugde, waardoor zij zich vroeger zoo gaai'ne lieten meesleepen; nu schijnen vreugde en genietingen hun onbeduidend toe, de nietigheid van al het aardsche vertoont zich aa.i hunnen geest — en icij erkennen tegelijkertijd, dat rijkdom en aanzien in zekere omstandigheden niets vermogen, en hoe onmachtig diegenen zijn, welke- rij tot hiertoe als halve goden vereerd hebben.
-gt;^ 213 §♦lt;-
Nu is er geen uitweg voor hunne vrees en hunnen doodsangst, geene hulp, geen troost voor hunne smart, er blijft hun slechts stomme onderwerping over in het onvermijdelijke, of — vertwijfeling.
Te midden van die geestelijke verlatenheid komt de herinnering aan hunne jeugd en kindsheid bij hen op. Toen sprak men hun over den goeden God, die veel machtiger is dan alle menschen, maar ook heiliger en barmhartiger dan zij. Zou deze zelfde God hen nu ook nog kennen, zou Hij hen nog willen helpen, nu alle menschelijke hulp onmogelijk blijkt?
Zij zoeken Hem, dien zij sedert lang vergaten, en vinden Hem. Ach, Hij laat Zich zoo gaarne vinden ! — Nu houdt de vertwijfeling op.
Hij toch hielp, heelde of troostte, en verbond de wonden van Zijn ziek kind, dat Hem van nu af zeer toegedaan is en blijft.
Soms ook ontmoet men verharde, ongevoelige menschen, die zich in het begin van hun lijden onwillig toonen, en zich tegen Hem verzetten.
Zijn geduld is echter onuitputtelijk. Dag aan dag klopt Hij opnieuw aan de deur van hun hart; dag aan dag doet Hij hen den gloed Zijner liefde inademen, en laat Hij hun de uitgestrektheid Zijner macht ondervinden, tot eindelijk de harde koi'st loslaat, het ijs smelt, en het weerspannig gemoed zich overgeeft.
Anderen behoeven dikwijls slechts een stootje of eene kleine opwekking; spoedig onderwerpen zij zich aan de goddelijke schikking, en maken in korten tijd groote vorderingen in de school van het kruis.
Zij kunnen den strijd met vleesch en natuur niet geheel ontwijken, maar deze bevordert ook hunne geestelijke outkwikkeling, en doet hun de heilzaamheid en noodzakelijkheid van het lijden inzien.
Evenals de magneet op het ijzer werkt, zoo ook trekt de goede God met de magnetische kracht van Zijn kruis de harten op eene onweerstaanbare wijze
-gt;•§ 214
tot Zich, maakt ze langzamerhand los van de wereld en alle aardsche gedachten, en schenkt hun Zijne genade in de beproevingen, die Hij hun overzendt.
Ik meen bepaald te mogen beweren; Goede, edele menschen worden door lijden en wederwaardigheden gelouterd, en tot hoogere volmaaktheid gebracht; — lichtzinnige, oppervlakkige naturen worden door dezelve voorbijgaand opgewekt, misschien zelfs aangevuurd en tot heiligen ijver ontvlamd, — het kleinste aantal zal hardnekkig en gevoelloos volharden tegenover de opwellingen der goddelijke genade, en nooit moet men de hoop op hunne bekeering, hoe gering die ook langen tijd moge schijnen, geheel laten varen.
Gods lankmoedigheid is oneindig, evenals Zijne wijsheid, en dikwijls ontdooit nog in 't laatste oogenblik een zonnestraal der genade de verharde aardkorst, en brengt onverwacht de heerlijkste vruchten voort.
Indien het mogelijk was, dat de engelen in den hemel ons iets konden benijden, zou liet zeker dit zijn, dat wij menschen in staat zijn, voor God te lijden, en Hem door het lijden onze liefde te hetoonen.
Treft gij op 's levensbaan Vaak leed en onspoed aan, Bedenk; het moet zoo zijn; Na lijden komt verblijden, Op wellust volgt de pijn.
215 !;«-
Zij blij of droef uw lot, Vertrouw en hoop op God; Hoe hooger noodgetij Bij 't branden aan de~ stranden, Hoe meer Gods hulp nabij.
Al beukt het golfgeklots Ook voet en top der rots, Onwrikbaar staat ze pal,
Spijt 't tieren en het gieren,
Wijl God haar hoedt voor val.
't Zij pijn of bittre smart Bestorme 't arme hart Op 't donker levenspad,
Bij 't strijden en het lijden Steeds hoop en moed gevat!
Bij 't donkerste verschiet Zelfs wankel, aarzel niet! Al dreigt het helsche rot.
Blijf bouwen vol vertrouwen Op Jezus, uwen God!
Door pijn en leed tot eer! Naar 't voorbeeld van den Heer, Die steeds het doornig pad. Nooit wijkend of bezwijkend. Ten einde toe betrad.
Geduld en niet geklaagd.
Wijl spoedig uitkomst daagt. Wat leed u nederdruk.
Uw jaren moog bezwaren. Steeds zedig is uw juk.
J
Waarom toeft gij zoo lang? Wat toch maakt u zoo bang? Betree de gloriebaan,
Vol eere door uw Heere Heldhaftig voorgegaan.
Al is ook naakt het woud, Natuur ook marmerkoud,
Eens slaat't verjongingsuur. Vol leven zal herleven Het al met jeugdig vuur.
Vol hoop en moed en trouw Op God, uw Heere, bouw; Hij zendt u hulp op tijd. Na 't sterven zult gij erven Een zalige eeuwigheid.
Gelaten draag uw lot.
Met 's werelds rampen spot, Wijl na den harden strijd Beneden, u in 't Eden Wacht eeuwge heerlijkheid.
Schep moed, mijn arme ziel, Wie vaak de moed ontviel! Strijd om de zegekroon;
Door dralen niet te halen Is 't onverganklijk loon.
Mijn Jezus, Heer en God, U zij mijn levenslot Bevolen te allen tijd.
U loven hier boven Zij eens mijn zaligheid!
D. Schram.
217 §•lt;-
Zieken kunnen door Woord en Voorbeeld nuttig zijn.
let ziekbed kan voor ons zelf eu voor anderen nuttig worden, wanneer wij ons de moeite getroosten, het ons door God opgelegde kruis iederen dag opnieuw, zonder klagen en uit liefde tot Hem op te nemen, omdat en zoolang Hij het goedvindt. „Wie Mijn leerling zijn wil, verloochene zich zelf, neme zijn kruis op, en volge Mij!quot; Mijn dierbare echtgenoot had eenige jaren voor zijn dood veel en smartelijk te lijden; hij verdroeg alles met bewonderenswaardig geduld. Toen hem eens iemand daarvoor prees, antwoordde hij eenvoudig: „Ziek zijn en geduldig lijden, heb ik van mijne vrouw geleerd.quot; Indien mijne langjarige ziekte werkelijk geene andere vrucht gedragen had, dan een voorbeeld te leveren voor den proeftijd van mijn echtgenoot, zou dit eene reden geweest zijn, om den goeden God daarvoor te danken. Hierin ook waren Zijne altijd wijze bedoelingen duidelijk zichtbaar, ik prees en dankte Hem, want nu meende ik te weten, waarom juist mij het zeldzame lot moest treffen, om altijd ziek te liggen. De goede God wilde het, en wist ook waarom.
Dikwijls werd ik bezocht door eene jonge vrouw, die in onze nabijheid woonde, en mij steeds veel deelneming bewezen had. Mij zoo zonder klagen te zien lijden scheen die goede ziel iets buitengewoons toe, en dikwijls gaf zij mij hierover hare verwondering te kennen. „Waarom zou ik,quot; zeide ik tot haar, „het op mijne omgeving en mijne onderhoorigen verhalen, wanneer ik smarten te verduren heb ? Daardoor zal mijn toestand niet beter, maar wel erger worden, wijl ik met mijne goede luim ook den innerlijken vrede zou verliezen. Ben ik slecht gestemd, dan schijnt mij alles somber en onaangenaam, maar daarentegen
218 amp;lt;*-
meer vergenoegd en verlicht, indien ik vroolijk te moede ben. Het is hunne schuld niet, dat ik lijdend ben, en als zij mij dankbaar zien, zullen zij mij alle liefdediensten met te meer genegenheid bewijzen. De goedhartigste mensch verliest langzamerhand het geduld, wanneer zijne diensten niet erkend worden; een goed woord wekt op en verschaft altijd genoegen.quot;
Wij spraken hier dikwijls over; eens verliepen er weken, dat ik mijne buurvrouw niet te zien kreeg. Eene zware ziekte had haar getroffen, waardoor zij veel had moeten lijden. Zoodra zij hersteld was, kwam zij mij weer bezoeken. „Wat ben ik u toch groeten dank schuldig,quot; waren hare eerste woorden, nadat wij elkander hartelijk begroet hadden, en toen ik haar verwonderd aanzag, vervolgde zij: „Nimmer zal ik vergeten, welk een dienst gij mij bewezen hebt, hoe innig, hoe goed uw woord en voorbeeld mij gedaan hebben. Daar ik vroeger nooit ziek was geweest, noch lang te bed had moeten liggen, scheen aanvankelijk de moed mij te begeven. Ik vond mij zeer beklagenswaardig en zou zoodoende licht aan de eigenliefde hebben toegegeven. Daar lag ik nu gefolterd door smarten, geheel hulpeloos en slapeloos, toen uw beeld zich aan mijnen geest vertoonde. „Hoe vele jaren reeds,quot; moest ik onwillekeurig denken; „hoe lang reeds zijt gij aan 't ziekbed gekluisterd, moet. de vrije lucht en zonneschijn, iedere vrije beweging, ieder genot missen, en toch waart gij veel jonger dan ik, toen gij ziek werdt, en hadt nog volstrekt niets van uw schoon jeugdig leven genoten!quot; Toch heb ik u nooit hooren klagen of zuchten, en ik was reeds op het punt, in verwijtingen tegen God en mij.i ongelukkig lot uit te barsten; ik gevoelde lust, mij te verzetten tegen de beproeving, die mij hard en onverdiend toescheen; dat hebt gij zeker nooit gedaan? Ik bedacht ook, hoe gij mij eens, toen ik meende, dat de goede God u te wreed behandeld had, lachend
bedreigdet en mij toevoegdet: „Wij allen krijgen, wat wij verdienen, en ik zal mijne beproevingen ook wel verdiend hebbenquot; •—■ dit viel mij in. Toen werd ik beschaamd over mijne kleinmoedigheid, en nam mij voor, deze ziekte recht geduldig te verdragen, tot mijn eeuwig heil. „Gij zult deze tuchtiging ook niet onverdiend ontvangen hebben,quot; zeide ik bij mij zelve, en met uw beeld voor oogen was ik nu in staat, smart, ongeduld en klachten te onderdrukken. Gij hebt reeds zoo lang volgehouden, en ik zou zoo spoedig reeds den moed verliezen! Deze goede stemming leverde mij rijke vruchten op; mijn goede echtgenoot en mijne dienstboden verzorgden mij met groote liefde en opoffering, tot ik hersteld was. Dit alles heb ik aan u te danken, het is geheel en al uw werk.quot;
„Neen, het is Gods werk,quot; voegde ik de jonge vriendin toe; „wij zullen Hem vurig danken, dat het Hem behaagde, dat mijn woord u sterkte in uw lijden. Met een dankbaar hart erkende ik, hoeveel een vriendelijk woord en een goed voorbeeld vermogen.
lis 'k lag op 't ziekbed uitgestrekt,
Scheen mij heel de aard met sneeuw bedekt. De boomen stonden kaal en stom,
En kille winter was 't ringsom.
Des winters nasleep, bij zijn vlucht,
Maakt plaats voor zachte lentelucht.
Dees noodt het bonte zangrenheer Op balsemgeur en bloesem teer.
-»f 220 S^-
De zon ontsteekt het zomervuur En hult het al in golfazuur.
't Is herfst: de landman plukt het ooft,
Door 't lieve zonlicht rijp gestoofd.
En als ik zie, hoe 't werkt en zwoegt, Dan voel ik me in mijn rust misnoegd;
Soms waait me een vlaag van weemoed aan, En 'k zeg: „Wat toch heb ik gedaan?
'k Lag werkloos op mijn legerspond En staarde doelloos vaak in 't rond,
Doch onderwierp mij aan mijn lot!quot;
— Dies telt dees tijd voor mij bij God.
D. Schram.
Hoe Dwaas zijn dikwijls onze Wenschen!
Reeds na de drie eerste jaren mijner ziekte had ik alle hoop op genezing opgegeven. Dit was ook een van Gods genadebewijzen, want het kan pijnlijk zijn, zich voortdurend met nieuwe hoop te streelen, om haar telkens weer onvervuld te zien, en nieuwe teleurstellingen te ondervinden. Ik bevond er mij liet best bij, volstrekt niets meer te hopen. Daarentegen bad ik dagelijks den goeden God. mij van deze wereld weg te nemen, en door mijnen dood mijnen echtgenoot de vrijheid, en daarmede de mogelijkheid te schenken, door een tweede huwelijk al die genoegens te vinden, die hem door mijne ziekte ontzegd werden.
Ach, hoe vurig heb ik daarom gebeden, en hoe gaarne ware ik gestorven! Op zekeren dag maakte ■een vroom priester mij beschaamd met de vraag: „Wat beteekent dit onstuimige verlangen naar den dood.
-xS 221 !^lt;-
mijn kind? Gij wildet zeker zoo dadelijk naar den hemel gaan, om na hier op aarde geleden te hebben, hiernamaals geen smarten meer te verduren?quot; Hierop ■\vist ik geen antwoord te geven, en in mijn binnenste gaf ik hem gelijk, want ik was niet ijdel genoeg, aan te nemen, dat de eeuwige zaligheid reeds op mij wachtte, opdat ik haar dadelijk in bezit zou nemen. Aan het vagevuur had ik, bij mijn vurig verlangen naar den dood, niet gedacht. „Meent gij dan reeds geheel rijp voor den hemel te zijn?quot; vervolgde de edele priester, „en denkt gij, dat men u daar zeer welwillend dadelijk zal binnen laten? Waar zijn onze verdiensten? onze goede werken? Waardoor verwerven wij deze toelating tot de eeuwige zaligheid? Weet gij niet, dat er geschreven staat: „De hemel lijdt geweld, en alleen de geweldigen nemen hem in?quot;
De goede, vrome man had gelijk; ach, eerst later zag ik dat in. — Meer dan twintig jaren zijn sedert verloopen. Heb ik nu meer verdiensten voor den hemel verkregen?
O mijn God! Met het aantal onzer levensjaren vermeerderen ook onze zonden, en nooit breekt de gelukzalige tijd aan, dat wij over ons zelf tevreden kunnen zijn!
Hadden wij niet de oneindige verdiensten van onzen Heiland, onze eigene zouden ons nimmer in staat stellen, de hemelsche gelukzaligheid te erlangen, al leefden wij nog zoo lang.
_Sooit kunnen wij den hemel zelf zonder Gods genade verdienen, daarvan ben ik nu overtuigd, en wanneer ik daaraan denk, gaat er eene rilling door mijne leden. Xa-derhand zag ik ook duidelijk in, waarom ik leven moest, want mijn man werd ziek en had mijne hulp noodig.
Ongeschikt voor allen arbeid en geheel afhankelijk van mijne liefde en hulp, kon hij niemand om zich heen zien, dan mij, en wilde geene andere stem
-xS 222 §•lt;-
hooren dan de mijne. Nu wist ik, waarom mijn gebed onverhoord, en mijn schijnbaar doelloos leven behouden gebleven was. Nu was ik voor mijn armen, zieken echtgenoot, voor wien ik niets meer meende te kunnen zijn, alles geworden, en achtte mij daardoor overgelukkig.
Dat nimmer nuttelooze gedachten zich van uw hart meester maken! Denk niet, dat uw leven doelloos is, en dat gij in den kring der uwen kunt gemist worden. Plotseling kan een tijd komen, die ii eischen stelt, en u plichten oplegt, waarvan gij u geen begrip hadt kunnen vormen.
Vergeet nimmer dat heerlijke „Ecce ancillaquot;. Hier ben ik, uwe dienstmaagd, hetgeen de ootmoedigste en heiligste maagd gesproken heeft, en leg ook gij het tegenwoordige en de toekomst, leven en ziekte, kracht en zwakte, stel u zelf en alles in de hand van God.
Later eerst zien wij in, wat God beoogde, en in en door ons wilde uitwerken. Deze gedachte blijve ons bezielen: Al komt ook alles anders uit, dan wij gedacht en verwacht hadden, wanneer slechts ons laatste, eeuwige heil ons verzekerd blijft!
De mensch wikt, God beschikt. Hij regelt alles, Zijn naam zij geprezen van eeuwigheid tot eeuwigheid!
--SJ-o-
JJoe dikwijls heb ik tranen gestort, omdat ik de eigenlijke roeping der vrouw als echtgenoote, moeder en huisvrouw niet vervullen kon, daar ziekte en lichamelijke zwakte mij de uitoefening van al die plichten belett'en! Nu echter weet ik, dat de ziekte
mij niet belet, mijn lijdenden echtgenoot bij te staan als een trouwe vriendin, dat ik hem kan dienen en bijstaan met troost en opbeuring, en liefdediensten van allerlei aard; nu bid ik: „0 God, laat mij niet sterven, laat mij leven, leven voor liem! Ik weet, dat bij behoefte heeft aan mijne liefde, aan mijn opwekkend woord, aan mijne zorgen en aan mijne oplettendheid; ik weet, dat ik tot iets goed ben, en dank God uit den grond van mijn hart voor dit bewustzijn.quot;
Jfij is niet arm, die op een vriend mag bouwen, In 't aanschijn van den dood aan trouw gelooft. Al is hij ook van have en goed beroofd: Hem bleef een Hart, waarop hij kan vertrouwen.
O Godlijk Hartl toen Ge in de plechtge stonde Des doods de purperroode bron ontsloot. En 't Godlijk Bloed uit Uwe Zijde vloot, Die onverdroogbre bron van Uwe wonde:
Toen werd der zonde banvloek opgeheven, En sinds mag elk aan deze bron zich laven; Verkwikking stroomt uit haar en eeuwig leven;
Zij stilt den dorst van boozen en van braven; Wie 't rouwvol oog verheft tot haar bij 't sneven. Hij landt gewis in de eeuwig zaalge haven.
D. Schram.
Het Ziekbed heeft ook zijne Vreugde.
Een ziekbed en vreugde? Dwaal ik niet, terwijl ik dit schrijf?
Ziek zijn en daarbij geduldig, is reeds veel; ziek zijn, en in opgeruimde stemming met onzen naaste verkeeren, is oneindig meer — maar ziek zijn en vreugde ondervinden, kan men daartoe komen? Is de tegenstelling niet te schril, om in overeenstemming te geraken? Toch is dit mogelijk; er zijn groote en kleine, er zijn zelfs zeer groote, heilige genietingen, die eenen zieke ten deel kunnen vallen.
Menige vreugde komt onmiddellijk van God of van medelijdende menschen, doch ook kunnen wij ze ons zelf bezorgen door goeden wil en verbeeldingskracht.
Dit heb ik vaak ondervonden, en wil het verhalen, omdat ik denk, dat anderen zich misschien geneigd zullen gevoelen, mijn voorbeeld te volgen.
Hoe heerlijk is het, te midden van lichamelijk lijden eene vroolijke stemming te bewaren!
De ondervinding leert ons, dat zieken in vele opzichten op kinderen gelijken, en dat is zeer waar.
De hulpeloosheid van hunnen toestand en het gevoel hunner afhankelijkheid dwingen hen, als 't ware zich nauwer aan hunne omgeving aan te sluiten, met meer volharding op hunne genegenheid aan te dringen, want lijden maakt den mensch meestal weekhartig en gevoelig, en daarin is voorzeker iets kinderlijks gelegen. Maar het is ook even waar, dat kinderliefde licht gewonnen, eene kinderhand gemakkelijk gevuld, en een kinderhart al zeer spoedig gelukkig is.
Men geeft ook gaarne aan kinderen, wijl iedere kleinigheid hen gelukkig maakt.
Een dergelijk gevoel legde God ook in het hart van den zieke.
-gt;•8 225
Ik beschouw het als eene bijzondere genade, als eene schadeloosstelling, die onze hemelsche Vader ons, ter vergoeding van menige andere ontbering, wil schenken.
Vreugde ondervinden is eene zalige gewaarwording.
Maar ook dit moet geleerd worden; niet ieder kan zich even spoedig en hartelijk verheugen, en kan hij het zelfs voor eene oogenschijnlijk geringe zaak, dan moet hij God daarvoor danken, want dan heeft hij veel voor bij veel andere menschen.
Ik voor mij, kan getuigen, dat mijne liefde voor de schoone natuur, mijne verrukking voor wei en boscli, voor veld en tuin, voor berg en dal in al de lange jaren, dat ik hun aanblik moest derven, niet uitgedoofd is, nog steeds word ik opgewekt door iedere bloem, ieder groen takje, dat onder mijn bereik komt.
Hoe gelukkig gevoel ik mij telkens, wanneer ik bloemen zie!
Hoe dank ik de milde hand, die ze voor mij plukte!
Dan weet ik, dat men liefderijk aan de gevangen zieke gedacht heeft, dat men ze niet vergeten heeft; en deze gedachte maakt mij reeds onuitsprekelijk gelukkig.
Wij zieken, hebben meer behoefte aan aanhankelijke liefdebewijzen dan andere menschen.
Wij leven, om zoo te zeggen, van den zonnestraal der liefde, die zich met helderen glans in ons hart verspreidt, en zonder welken het koud en somber zou blijven.
Dikwijls heb ik gedacht en gezegd: „Ik zou zonder liefde niet kunnen leven.quot;
Zieken, die zich hardnekkig in zich zelf terugtrekken, die alle liefde en deelneming afwijzen, vind ik meer dau beklagenswaardig.
Kruisbloemen. J.5
-gt;•3 226 S«-
Zij moeten den last van liet kruis dragen, zoiulei dat iemand hen daarbij helpt.
Door lijden en ziekte moet ons gemoed niet verstokt, maar integendeel gemoedelijker, liefderijker en toegevender worden, enkel ter wille van het voorbeeld. Het ziekbed is een preekstoel, vanwaar geduld, liefde tot God, lijdensmoed en onderwerping, hoop en geloof gepredikt worden. Dut kan de onwillige, kniezerige zieke niet leeren, dat kan alleen een hart, dat zich zelf in vrede bezit.
Een dergelijk gemoed is ook ontvankelijk voor een onschuldig genoegen. Het is ook natuurlijk, dat een zieke zijne kamer liefelijk en vriendelijk inricht. Zijn kamer is zijn alles, zijn tehuis, zijn verblijf bij dag en bij nacht.
Vertoonmakende en opzichtige opsmukking is licht in staat, juist eene tegengestelde uitwerking ten gevolge te hebben. Een ziekbed, omgeven door wereldsche ijdellieid, en beheerscht door de dwaze mode: foei! Dit zou gelijken op eene met bloemen versierde aschkruik, op een gepleisterd graf, waaruit de reuk des doods opstijgt. Inzonderheid moeten orde eu netheid in de ziekenkamer heerschen; eenvoudige versiering mag men er vinden, want de ware schoonheid is van goddelijken oorsprong, en voert het hart tot God. Daarom bloemen in de ziekenkamer! Vooral bloemen! Deze lievelingen van den Schepper, deze heerlijke getuigen Zijner almacht moeten gaarne door den zieke verzorgd en gekweekt worden.
O, hoe heerlijk vond ik het altijd, wanneer kinderhanden mij dejeerste voorjaarsbloemen brachten ; witte anemonen — gele primula's, rood gerande madeliefjes!
Indien sterk riekende bloemen minder geschikt zijn, kunnen die gemakkelijk door veld- en bosch-
227 §♦lt;-
l)loemei) vervangen worden. Ofschoon verschillend in pracht van vormen en kleuren, zijn de liloe-men altijd schoon en sprekende getuigen van de grootheid des Scheppers; niet alleen richten zij onze gedachten en bewonderingen tot Hem; maar zij herinneren ons ook aan de vergankelijkheid van al her aardsche, aan een bloeitijd en een lang verdorren, aan de stille sluimering in den schoot der aarde, waaruit door voorjaarslucht en zonneschijn weer nieuw leven ontspruit. Bloemen behooren tot de gemakkelijk te verkrijgen genoegens van den zieke. Tracht ze steeds in uwe omgeving te hebben. Versier uw kruisbeeld en uw Moeder-Gods-beeld er mede.
Tracht bij de aanschouwing van bloemen uw vertrouwen te versterken, vooral wanneer gij ontwaart, dat de moed u ontvalt.
Hij, die de leliën des velds kleedt, veel schooner dan Salomo in al zijne heerlijkheid — zal ook u niet vergeten!
Hoe bekrompen onze omstandigheden ook zijn, eenige bloemen kunnen wij ons toch wel verschaffen. Zij veraangenamen de ziekekamer en verschaffen den zieke aangename oogenblikken.
Yiooltjes reeds? Is 't voorjaar aangebroken?
Is reeds 't gepluimde zangrenkoor ontwaakt?
Heeft reeds de kleine beek haar boei verbroken,
Zich van heur ijsge kluisters losgemaakt?
Versiert de blanke madelief de weiden?
Zijn struik en bosch en veld met groen bekleed? Och arme, mocht ik ook mijn oog vermeiden Aan zonneschijn en 't prachtig lentekleed!
15quot;
-gt;♦§ 228
O heerlijk geurge. lieve lentevreugden,
O zegt, wat doet gij in mijn ziekecel?
Viooltjes, die al bloeiend elk verheugden,
Verwelken zult gij hier — ik merk het wel.
Toch voel 'k mijn hart tot ingen dank verbonden. Tot Hem, die 't al zoo wonderbaar beschikt,
En ook tot wie dees lieven tuil gewonden.
Die 't zieke hart zoo rijkelijk verkwikt,
D. Schram.
rVv 2,
Niet minder nuttig en aangenaam zijn voor den zieke goede en sticlitende boeken.
O, lioe veel nut hebben goede boeken niet reeds gesticht!
Hoe vele edele gedachten, hoe vele heilige voornemens, hoe vele heldhaftige besluiten zijn wij hun verschuldigd!
De H. Augustlnus hoorde eene stem: „Neem en lees;quot; en dit was het begin zijner bekeering.
Een goed boek is de beste, trouwste vriend van alle menschen, maar vooral van den zieke.
Wanneer hij verlaten daar neder ligt, misschien uren lang geen menschelijk wezen om zich heen ziet —• dan blijft hem het boek — het onderhoudt, en onderricht hem — het voert zijne gedachten in verre streken, zoodat hij dikwijls het tegenwoordige, en het eentonige van de dagelijksche ellende vergeet; het troost hem en verkort hem den tijd, die eerst zoo langzaam voortkroop en nu voorbij vliegt.
Een goed boek heeft voor ons onder sommige omstandigheden meer waarde dan gewone bezoeken.
Dank ieder, die u een goed boek brengt.
Evenals goede boeken nuttig zijn, zoo kunnen slechte een zeer nadeeligen invloed uitoefenen.
—gt;•§ 229 i?x-
De zieke handelt liet best, zoo hij eene keus doet, en met afwisseling leest. Enkel godsdienstige en stichtende boeken of vrome overwegingen zouden vermoeiend, en te inspannend op den zieke werken. Voorzeker mogen wij ons lichte, onderhoudende lectuur verschaffen, maar toch moeten wij zorgvuldig alles vermijden, wat onze verbeelding onnoodig te zeer opwekt en verhit, onze zenuwen overspant, en in ons het verlangen naar de wereld, en hare genietingen zoude kunnen opwekken. Wij zouden daarmee een nutteloozen strijd in het leven roepen, en slechts angstbarende en ongelukkige indrukken opwekken.
Voor dergelijke boeken moet de zieke geen tijd hebben.
Steeds moeten wij de ziekte, het lijden en den kruisweg, waarvoor God ons geroepen heeft, voor oogen hebben.
Nooit mogen wij vergeten, dat wij ons in deze lijdensschool heiligen en veredelen, dat wij niet van het zoete gift mogen proeven, nadat ons de bitterheid der beproeving tot ons heil geschonken werd. Dit moeten goede boeken ons leeren. Weg dus met slechte, lichtzinnige of dubbelzinnige lectuur! Nooit mag zij den zieke genaken.
Hoe spoedig kan ons laatste uur slaan, hoe spoedig kan het oogenblik komen, waarop onze ziel voor den rechterstoel van den alwetenden en rechtvaardigen Rechter gedaagd wordt — zouden wij daarom zoolang geleden hebben? —■ Zouden wij daarom zoo lange jaren het kruis gedragen hebben, om in het laatste oogenblik alles te verliezen, om door een slecht boek slechte gedachten in onze ziel op te nemen, en ons van God te vervreemden ? Hoe spoedig een boek onze gedachten en gewaarwordingen kan beheerschen, bewijst een voorbeeld uit de werkelijkheid.
-gt;•? 230
Eene zeer achtenswaardige, jonge vrouw en moeder lag sedert verscheidene weken te bed, ten gevolge van eene doodelijke ziekte, en vond, merkwaardig genoeg, genoegen en ontspanning in een boeienden roman, die bij wekelijksche afleveringen verscheen.
Meer en meer naderde het einde der arme zieke, haar lijden verergerde, alsook hare zwakte en pijnen; toch onderbrak zij geen enkelen dag de lectuur, die haar zoo aantrekkelijk toescheen, en zeide eens zelfs klagend tot haar omgeving: „Ach, als ik toch maar zoolang mag leven, dat ik het einde van deze mooie geschiedenis nog vernemen kan!quot; Hoe dwaas klinkt deze taal in den mond van een stervende! En toch was zij slechts een bewijs, dat zelfs een vroom, plicht-beseffend gemoed in een bijna slaafsche afhankelijkheid kan geraken van zekere uiterlijkheden, zoolang het niet los is van alles, en alleen gevoel heeft voor God en goddelijke zaken. In deze verheven opvatting-wees eene andere stervende moeder in hare laatste smartelijke ziekte niet alleen den troost van een boek, maar alles af, wat geen betrekking op God had, of haar van Hem kon verwijderen.
Zij liet zich alleen uit geestelijke boeken, uit de levens der heiligen, vooral dergenen, die veel geleden hadden, of wel uit vroolijke kindergeschriften voorlezen, die haar aangenaam onderhielden, zonder haar te vermoeid', en zonder gevaar van te zondigen, zooals zij dit zoo schoon uitdrukte. Wij kunnen zeer goed zelf de waarde van een boek beoordeelen.
Vragen wij ons enkel af: Maakt dit boek mij beter?
Maakt het mij verstandiger?
Voert het mijne ziel tot God?
Of verwijdert het mij van Hem?
Dan zullen wij handelen volgens de inspraak van ons geweten; wij zullen het boek lezen of onzen tijd niet nutteloos of zelfs tot ons nadeel daarmede ver-
-gt;•§ 231
spillen. De tijd is voor den zieke veel kostbaarder dan voor den gezonde; hij moet nitslnitend de veredeling zijner ziel, het verdienstelijke lijden en het verwerven van den hemel ten doel hebben. Overigens kan de zieke niet veelzijdig werkzaam zijn; zijn leven is meer van een lijdenden dan van een bedrijvigen aard.
Voorzeker mogen wij vroolijke, onderhoudende boeken lezen, en al geven zij geen ander nut, dan dat zij ons opwekken en in eene opgeruimde stemming brengen, dan is dit genoeg — zij hebben dan dezelfde uitwerking als de verfrisschende stormwind, die de nedergebogen halmen weder opheft, die door de toppen der boomen ruischt en de wolken verdrijft, die het zonnelicht beletten, de aarde te beschijnen.
Het is zeer nuttig, het leven der heiligen te lezen, maar vooral de uitvoerige levensbeschrijvingen van eenigen hunner.
Bij velen van lien vinden wij zeer groote overeenkomst met ons eigen lot, velen hebben hetzelfde als wij, en nog oneindig meer en beter, veel verdienstelijker verduurd, dan wij het doen, en strekken ons tot voorbeeld en onderrichting te gelijk.
Zij allen, die den eeuwigen vrede genieten, fd zijn ze in het openbaar leven of in de arme kloostercel, aan het altaar, op den troon of in het eenvoudige dagelijksch leven werkzaam geweest — allen hebben denzelfden weg betreden, dien wij bewandelen, den weg des kruises. Zij moesten lijden en strijden, verzaken en ontberen, moesten de wereld met hare • vreugde en haar schijnschoon vaarwel zeggen, om alleen voor God te leven.
Geen leed bleef hun gespaard. Hun kruis, vergeleken met het onze, was veel zwaarder; en daar ze toch door Gods genade en hun goeden wil zegepraalden, moet dit ons aansporen, bemoedigen en vertroosten.
-gt;*8 230 SH-
Eene zeer achtenswaardige, jonge vrouw en moeder lag sedert verscheidene weken te bed, ten gevolge van eene doodelijke ziekte, en vond, merkwaardig genoeg, genoegen en ontspanning in een boeienden roman, die bij wekelijksche afleveringen verscheen.
Meer en meer naderde het einde der arme zieke, haar lijden verergerde, alsook hare zwakte en pijnen; toch onderbrak zij geen enkelen dag de lectuur, die haar zoo aantrekkelijk toescheen, en zeide eens zelfs klagend tot haar omgeving: „Ach, als ik toch maar zoolang mag leven, dat ik liet einde van deze mooie geschiedenis nog vernemen kan!quot; Hoe dwaas klinkt deze taal in den mond van een stervende! En toch was zij slechts een bewijs, dat zelfs een vroom, plicht-beseffend gemoed in een bijna slaafsche afhankelijkheid kan geraken van zekere uiterlijkheden, zoolang het niet los is van alles, en alleen gevoel heeft voor God en goddelijke zaken. In deze verheven opvatting wees eene andere stervende moeder in hare laatste smartelijke ziekte niet alleen den troost van een boek, maar alles af, wat geen betrekking op God had, of haar van Hem kon verwijderen.
Zij liet zich alleen uit geestelijke boeken, uit de levens der heiligen, vooral dergenen, die veel geleden hadden, of wel uit vroolijke kindergeschriften voorlezen, die haar aangenaam onderhielden, zonder haar te vermoeier, en zonder gevaar van te zondigen, zooals zij dit zoo schoon uitdrukte. Wij kunnen zeer goed zelf de waarde van een boek beoordeelen.
Vragen wij ons enkel af: Maakt dit boek mij beter?
Maakt het mij verstandiger?
Voert het mijne ziel tot God?
Of verwijdert het mij van Hem?
Dan zullen wij handelen volgens de inspraak van ons geweten; wij zullen het boek lezen of onzen tijd niet nutteloos of zelfs tot ons nadeel daarmede ver-
-gt;•€ 231 ^
spillen. De tijd is voor den zieke veel kostbaarder dan voor den gezonde; hij moet uitsluitend de veredeling zijner ziel, het verdienstelijke lijden en het verwerven van den hemel ten doel hebben. Overigens kan de zieke niet veelzijdig werkzaam zijn; zijn leven is meer van een lijdenden dan van een bedrijvigen aard.
Voorzeker mogen wij vroolijke. onderhoudende boeken lezen, en al geven zij geen ander nut, dan dat zij ons opwekken en in eene opgeruimde stemming-brengen, dan is dit genoeg — zij hebben dan dezelfde uitwerking als de verfrisschende stormwind, die de nedergebogen halmen weder opheft, die door de toppen der boomen ruischt en de wolken verdrijft, die het zonnelicht beletten, de aarde te beschijnen.
Het is zeer nuttig, het leven der heiligen te lezen, maar vooral de uitvoerige levensbeschrijvingen van eenigen hunner.
Bij velen van hen vinden wij zeer groote overeenkomst met ons eigen lot, velen hebben hetzelfde als wij, en nog oneindig meer en beter, veel verdienstelijker verduurd, dan wij het doen, en strekken ons tot voorbeeld en onderrichting te gelijk.
Zij allen, die den eeuwigen vrede genieten, al zijn ze in het openbaar leven of in de arme kloostercel, aan het altaar, op den troon of in het eenvoudige dagelijksch leven werkzaam geweest — allen hebben denzelfden weg betreden, dien wij bewandelen, den weg des kruises. Zij moesten lijden en strijden, verzaken en ontberen, moesten de wereld met hare ■ vreugde en haar schijnschoon vaarwel zeggen, om alleen voor God te leven.
Geen leed bleef hun gespaard. Hun kruis, vergeleken met het onze, was veel zwaarder; en daar ze toch door Gods genade en hun goeden wil zegepraalden, moet dit ons aansporen, bemoedigen en vertroosten.
-gt;*S 232 §•lt;—
Behalve liet leven der heiligen zijn er nog een aantal schoone, nuttige en leerrijke boeken, die ons kunnen stichten.
Ik noem alleen, na liet lijden van onzen Heer en het Evangelie, het boek der psalmen, Thomas a Kempis en zijn onvergelijkelijk boek over de navolging des Heeren, de geschriften van Pranciscus van Sales; Skupuli, de geestelijke strijd; Lodewijk van Pontus, enz. Zij allen bieden rijke stof voor onze ziel.
Zulke boeken verschaffen ons ontelbare genoegens en sterken door genade en deugd.
Hoeveel tijd gaat met het lezen van een goed boek aangenaam voorbij!
Zijn wij niet in staat, zelf te lezen, dan moeten ■\vij dankbaar zijn jegens hen, die ons dezen liefdedienst bewijzen en ons voorlezen.
Zij beoefenen daardoor een werk van barmhartigheid, waarvoor zij zeker door God beloond zullen worden.
Misschien werkt de genade in hun hart evengoed als in het onze, zoodat het zaad van dat goede boek dan tweevoudige vruchten draagt.
3.
Een ander genoegen, dat de zieke zich kan en mag gunnen, is de keus van zijne onmiddellijke uiterlijke omgeving. Het is zeer juist, dat men daarnaar den mensch geheel beoordeelen kan, want iemand, die een geregeld innerlijk leven leidt, zal ook uiterlijk; eene zekere stiptheid aan den dag leggen. Onzindelijkheid en wanorde moet de zieke vooral vermijden. In eene schoone, met God vereenigde ziel is alles harmonie, en deze overeenstemming zal zich in alles openbaren. Zelfs bij den grootsten eenvoud, in de meest beperkte omgeving zal die harmonie aan den dag komen. De kamer, waarin de zieke zijne dagen
-gt;•§ 233 ^
doorbrengt, moet waarde voor hem hebben; niets mag hem daar ergeren of hinderen, niets zijne teergevoeligheid krenken of hem verontrusten. I)e plaatsing der omringende voorwerpen kan veel tot die aangename inrichting meewerken. Er zijn veel schijnbaar onbeduidende dingen, waaraan wij door eene dierbare herinnering gehecht zijn, en zonder juist eene over-drevene verkleefdheid daaraan te toonen, mag men daarvan genieten. Goede smaak en schoonheidszin kunnen zelfs kale muren versieren, aan geringe kleinigheden waarde geven, aan eenvoudige dingen bekoorlijkheid verleenen. De zieke heeft uren en dagen, dat hij van allen omgang verstoken is, en dat hij moede en onopgewekt te bed ligt; slaat hij dan zijne blikken in het rond, dan kan hij menig genoegensmaken; hij slaat nu dit dan dat gade, bijna ieder stuk heeft zijne geschiedenis, zijne herinnering, en dit is eene quot;reine, zoete vreugde voor zijn hart. Misschien ook gluurt in een kooitje een tam vogeltje met guitige oogen hem aan. Vogels zijn voor veel zieken eene aangename afleiding. Ik heb eene arme, brave naaister gekend, die in hare lange, smartelijke ziekte menig uurtje al pratend met haar lustig sijsje heeft doorgebracht. Het pikte de graankorrels uit hare hand, het stukje suiker van haar lippen, en somtijds, wanneer zij moedeloos was en tranen stortte, pikte het die van haar wangen weg. Het vogeltje schonk aan de arme vrouw eene vergoeding voor de ontbrekende deelneming der menschen. Onze blikken ontmoeten ook gaarne schilderijen aan den wand. Portretten zijn altijd een sprekend gezelschap, zij kunnen verschillende gewaarwordingen opwekken, als godsvrucht en bewondering, troost en vreugde, medelijden en liefde, ook wel haat en afschuw. Deze laatste zijn echter niet geschikt voor de ziekenkamer. Veel heb ik door schoone, zinrijke schilderijen geleerd, en dank daaraan veel edele gedachten, veel vertroosting en goede
-gt;*§ 234 ?«-
voornemens. Geen beeld is zoo onbeduidend, dat het niet eenig nut kan verschaffen, want altijd kan men zich den tijd er mee verkorten en het hart verkwikken. Den vromen zieke zal het houten kruisbeeld van zijn stervenden Verlosser, het zieke meisje in het nederig zolderkamertje, het kunstelooze beeld dei-Moeder Gods, dat zij in haren eenvoud met bloemen versierd heeft, evenveel opbeuren, als de kostbare schilderij in olieverf eens ouden meesters, die het paleis van den rijke smukt, 't Is de liefde, de vindingrijke liefde, die den kouden steen leven geeft, en al wat ons omringt, weet te veraangenamen. Wanneer de zieke zijn hait niet opzettelijk sluit voor liefelijke indrukken; wanneer hij niet vrijwillig de lichtzijde van zijnen toestand van zich verwijdert, kan hij menig aangenaam uurtje smaken, en smart en ziekte daardoor vergeten.
4.
Heb ik bloemen en boeken, platen en eene vriendelijke omgeving als trouwe vrienden van den zieke aangehaald, dan moet er nog een andere daartoe gerekend worden, namelijk de geschilde beziylieicl. Verveling is de grootste ellende — bezigheid het halve leven. Vaak verschafte de bezigheid mij aangename uren en dagen, en zij maakte mijn lijden draaglijk. — Zonder haar ware ik zeker zwaarmoedig of zelfzuchtig, in alle geval zeer ongelukkig geworden.
Wel kan het dikwijls gebeuren, dat zieken niet kunnen werken, omdat hunne ziekte het niet toelaat; of zij echter voor eiken arbeid, zoo geestelijken, als lichamelijken, werkelijk geheel en al ongeschikt zijn. en er niet ééne bezigheid voor hen te vinden zou zijn, valt te betwijfelen. Er zijn toch tal van bezigheden. Misschien zal het ons in het begin eenige zelfbeheersching kosten, iets te ondernemen. Wij zullen spoedig vermoeid zijn, en zonder moeite en in-
-gt;•§ 235
spamiing zal het ons niet gelukken. Geduld en eene opgeruimde stemming maken echter veel mogelijk, en wanneer wij onze moeite op de eene, en het aangename der bezigheid op de andere weegschaal leggen, zal zij zonder twijfel naar dezen kant overhellen. Veroorzaakt zij ons werkelijk nu en dan ook wat meer hoofdpijn, dan moet ons dit niet afschrikken. Wij lijden immers ook, wanneer wij werkeloos zijn en geheel stil liggen. Daar tegenover staat, dat wij zeer dikwijls onze smart vergeten door eenigen aangenamen arbeid, die ons afleiding bezorgt. Ziekten, welke jaren lang duren, zijn niet aanhoudend zoo hevig, dat zij iedere gedachte aan arbeid en bezigheid buiten sluiten; er komen integendeel tusschenpoozingen, die weken aanhouden, waarin de patiënten, ofschoon noch vrij van smarten, noch gezond, toch niet erg lijdende zijn, maar zich toch in eene soort van gevoel-locsheid of verslapping bevinden. Vooral is dan niets beter dan eene kleine inspanning of afleiding. In dezen toestand wordt iedere soort van bezigheid eene weldaad voor lichaam en ziel.
Ontegenzeggelijk is het eene der grootste onaangenaamheden van den ziekelijken toestand, zoo jaar in jaar uit stil te moeten liggen, en dan te moeten'denken, dat men eigenlijk voor niets nuttig is. Tot bestrijding van zulke muizenesten werkt niets zoo heilzaam als arbeid en bezigheid. Zieken kunnen met eenigen goeden wil het een of ander werk ter hand nemen, en hier en daar de behulpzame hand bieden. Groote en kleine handwerken heb ik vervaardigd in al de jaren mijner ziekte. Met genot en zelfvoldoening trachtte ik steeds de behulpzame hand te bieden, en mij nuttig te maken, zoo veel het mij mogelijk was, en ik gevoelde mij daardoor zeer gelukkig.
Men zegt niet tevergeefs, dat de nood vindingrijk maakt. Dit is bij ons zieken in hooge mate het
236
geval. Langzamerliand leeren wij ons in liet onvermijdelijke schikken, omgeven ons ziekbed met de noodigste, en de voor ons gebruik meest geschikte dingen, en richten ons zoodoende eene, wel is waar, beperkte, maar gemakkelijke huishouding in. Een lief meisje, dat gedurende eenige jaren bedlegerig was, ten gevolge eener smartelijke ziekte, en daarbij nog aan beide voeten en aan den rechten arm lam was, verstond het zoo meesterlijk, iedere klacht en alle ongeduld te onderdrukken, en hare verpleegsters alle moeite zoo veel mogelijk te verlichten, dat zij werkelijk een voorbeeld voor duizenden zou kunnen zijn. Nu echter lag het arme jonge wezen soms halve dagen geheel verlaten, en gevoelde het gemis van bezigheid op het zeerst. Maar hoe kan iemand, die verlamd is, aan arbeid denken? Toch deed zij zulks, want met helderen geest en vastberaden moed begaafd, poogde zij iets met de linkerhand te doen; met onverschrokken geduld ging zij voort, en leverde ten laatste zeer verschillende en aardige werkjes. Dit zijn voorzeker wel verdiende genoegens van het ziekbed, die een gezond mensch niet kan begrijpen, veel minder naar waarde schatten. Met zekeren trots herinner ik mij, zelf een groot aantal poppen voor den kerstboom smaakvol gekleed te hebben. Kan de zieke niet tot ernstigen arbeid overgaan, dan zijn er verschillende aangename en aantrekkelijke spelen, waarmede hij den tijd kan doorbrengen. Men moet niet denken, dat het kinderachtig of belachelijk is, wanneer men daartoe zijne toevlucht neemt. Dikwijls heb ik domino en schaak gespeeld, mij met de blokken van een bouwdoos of mozaïekspel bezig gehouden, en aan het leggen van figuren geduld en volharding, zelfs kunstzin en smaak geoefend. Voor ons zieken heeft alles waarde, wat ons den tijd aangenaam en nuttig helpt doorbrengen. Beproef het, beminde zieke, wanneer gij het nog niet gedaan hebt; verschaf u
-X? 237
lichte, gemakkelijke bezigheden, werk nu en clan wat voor cle armen, voor eene arme kerk, of voor een of ander goed doel; zoek vooral afwisseling, en is de bepaalde arbeid te vermoeiend, houd u dan bezig met onschuldige spelen. Zoodoende leert gij een der aangenaamste genoegens van liet ziekbed kennen, en trekt er misschien zelfs nut uit.
iets is gevaarlijker voor een door lijden en smarten ontstemd gemoed, dan geheel werkeloos te zijn, en zich aan droefgeestig en zwaarmoedig gepeins over te geven. Wanneer onze toestand geene ernstige bezigheid toelaat, moeten wij ons door lichte verstrooiingen als spelen, enz., trachten bezig te houden.
Dit tijdverdrijf is voor zieken van meer nut, dan men denkt; ik beklaag dan ook allen, die de eigenlijke waarde daarvan niet weten te beoordeelen.
Schenk moed mij in smart,
En laat mij hier lijden en zuchten;
Nooit wankelt mijn hart,
Maar put zijn kracht uit droefheidsvruchten.
Door lijden en pijn Heb ik U, o Heere, gevonden.
Gij schonkt medicijn,
Die vloeide uit Uw heilige wonden.
-gt;•1 238 S*-
'k Werd vast in 't geloof Door biddend en strijdend te lijden.
Nooit of nimmer doof \V:is, Heer, Uw oor, als 'k riep in 't strijden.
Al regent het smart,
Nooit wil ik kleinzielig meer klagen ;
Blijmoedig van hart Wil pijnen en smarten ik dragen.
In voorspoed en leed Richt hoopvol mijn oog zich naar boven,
Wijl zeker ik weet Te landen in zaliger hoven.
D. Schram.
Zeer vaak herinner ik mij eene zeer schoone gelijkenis, die mijn biechtvader zaliger, gaarne vertelde, wanneer hij van het blinde vertromven op Gods wijze leiding van onze lotsbestemming sprak. ,.DeH. Augusti-ntis,quot; zoo verhaalde de vrome priester, „maakt ergens eene heerlijke gelijkenis; namelijk dat de lotgevallen der menschen boven in den hemel geweven worden, en als de tallooze draden van een weefgestoelte alle in Gods hand samen komen.
Zien wij van de aarde naar den hemel, dan ontwaren wij, helaas! enkel de keerzijde van het werk, dikke en dunne draden, ongelijke, dubbel en dwars, door elkander geslingerde draden, onkennelijke vormen, ineenvloeiende, doffe kleuren, alles verschrikkelijk verward en smakeloos. Zoodra wij aan de andere zijde zijn aangekomen, en ons oog- daar boven Gods werk beschouwt, zal het verwonderd zijn over de
•gt;•§ 239 §«-
schoonheid van het patroon, de overeenstemming dei-kleuren, en de netheid en nauwkeurigheid van het weefsel; dan zullen wij den ahvijzen Schepper in Zijne Almacht prijzen, en vol kinderlijke verwondering bekennen: „O Heer, al wat Gij gemaakt hebt — is pracht en schoonheid van eeuwigheid tot eeuwigheid.''
In een Engelsch boek vond ik eene plaats, die ik hier vertaald wedergeef: ..Het is somtijds een groote en werkelijke zegen, door eene ziekte bedlegerig te worden; want de ziekte brengt het goede, dat in den mensrb is, aan het licht; daarom ook zou ik ze als een der lichtste kruisen willen beschouwen.quot;
(Yonge.)
De Phantasie of Verbeelding bij den Eenzamen Zieke.
Het was een heerlijke zomermiildag. Ik lag op mijn ziekbed, zonder eigenlijke bezigheid aan mijne stille overpeinzigen den vrijen loop latende. In de boomen onder mijn venster wiegden zich de vogeltjes, terwijl de waterstraal van de naastbijzijnde fontein met regelmatig geruisch zich in den zonneschijn op en neer bewoog. Het was niet druk in de straten; al Avie niet door den arbeid in zijn huis teruggehouden werd, was naar buiten, om van de vrije lucht te genieten. Wel moest het daar schoon en heerlijk zijn! Sedert vele jaren had ik niets meer gezien dan de vier muren van mijne ziekenkamer, en nu dringt eensklaps een luchtstroom mijn venster binnen. Hij voert de geurige hooilucht van een versch gemaaide wei bij mij binnen, en verplaatst mijne gedachten in de wijde wereld.
-X? 240 ?lt;■lt;-
Als dartele kinderen van vroeger huppelen wij vroolijk in 't groen, drinken uit den vliet, die de wei besproeit, en plukken de hemelblauwe vergeet-mijnietjes aan de oevers. Vroeger vlochten wij er kransen van en brachten ze aan onze lieve moeder, die dan het groote kruisbeeld in de slaapkamer er mede versierde. Hoe gelukkig gevoelden wij ons toen! En dan dat vogelnestje, dat wij eens vonden! Wij mochten de beestjes niet aanraken, onze ouders hadden het verboden. Een andermaal hadden de ouden een klein vogeltje uit het nestje oj) den grond geworpen; het diertje was dood, en wij begroeven het. Een knaap hield eene lijkrede, wij meisjes snikten van aandoening, en legden eenen krans van madeliefjes op den kleinen heuvel. Hier in mijne eenvoudige ziekenkamer dacht ik aan al deze en nog aan meer dingen. Reeds heeft de wijzer van mijne klok den heelen omkring der wijzerplaat volbracht — nu vallen de gewichten ratelend op den grond — ik schrik op. Bijna een uur ging voorbij met deze heerlijke, vroolijke herinneringen uit mijne jeugd —• ik vergat smart, ziekbed en gevangenschap, en dat alles heeft een luchtstroom bewerkt.
Een andermaal blaast men in mijne nabijheid een waslicht uit. Zit er een kabouter of aardmannetje in de rookende pit of een ander spookachtig kereltje, dat mij betoovert?
Weder ben ik kind geworden; weder bevind ik mij in het ouderlijke huis, en ditmaal is het Kerstavond. De kerstboom prijkt midden in onze groote kamer, en is rijk beladen met appelen, met zilveren en gouden noten, met marsepijn en kleine peperkoeken. Hij breidt zijne takken ver uit over de lange tafel, waarop de geschenken liggen. Is dat alles voor mij'? De eerste pop met lang, echt haar, het prachtige prentenboek, het mooie kerkboek, en het fraaie boek voor de christelijke leer in de school, en daar dat mooi
-gt;*S 241
kribbetje. Nog veel meer ligt liiei' voor ons, kinderen, ik kan liet zelfs niet in eens overzien — maar ik ben zoo opgetogen, zoo vergenoegd, zoo gelukkig! Aan de andere groote tafel is voor het dienstpersoneel gedekt; zij bezwijkt bijna onder den last der vele, nuttige geschenken, en der groote schotels met vruchten en koek. „Die goede dienstboden behooren tot de familie, en nemen deel aan lief en leed:quot; Dit toch wilden onze goede ouders. Ook de arme peetkinderen worden niet vergeten, warme kleederen en schoenen, school-tasschen en boeken, leien en papier — niets ontbreekt, en hunne oogen, die zoo zelden een vroolijken blik vertoonen, stralen van geluk en vreugde. Dit alles zie ik, ook het dierbare beeld der goede moeder, die zacht en vriendelijk opziet naar hem, die de oorzaak is' van al die vroolijkheid, die met milde hand geeft, om velen gelukkig te maken — onzen goeden, edelen vader! — Zijn tafel is schraal voorzien, en dit was ieder Kerstfeest zoo: alleen kleine werkjes van vrouw en kinderen versieren het! Anders wil hij niets, hij, die alles weggeeft aan anderen! Nu geniet hij den zegen, die nooit bedriegt, den zegen, om anderen gelukkig te maken. Zijn oog ziet allen £gt;'lim-lachend aan, en schijnt te vragen: „Zoo, zijt gij nu allen gelukkig? heb ik het goed met u gemaakt?quot; Zoo sprak ilie dierbare, gevierde man, en toch zoo goed en eenvoudig voor allen.
Nogmaals was het Kerstmis, toen wij weenend om zijn bed stonden. Hij lag in doodsstrijd. Zoo dikwijls had hij juist omtrent dezen tijd voor ons allen gezorgd, ons allen bedacht en niets vergeten — nu zal de goede Clod hem wel de kerstgeschenken in de eeuwigheid bereid gehouden hebben. Zoo kalm, zacht en vreedzaam, als zijn geheele leven, was ook zijn heengaan. De ademhaling weid korter, de krachten namen af, nadat hij zich met zijnen God in het heilig Sacrament nogmaals had versterkt; toen een laatste
Kruisbloemen. 10
erns tige blik, die ons allen gold. Daarna legde hij zich, evenals een vermoeid kind aan zijns vaders hart, neder, en sliep in. De kerstklokken luidden hem de eeuwigheid in. Dit alles trok stil en statig aan mijne herinnering voorbij — een uitgeblazen waslicht was hiervan de oorzaak.
Zelf gevangen zijnde, kunnen wij anderen Gevangenen weldoen of van hen leeren.
Qnze gevangenschap heeft menige lichtzijde, die wij ter wille van onzen uitwendigen vrede moeten trachten te vinden. Er zijn veel gevangenen, die onschuldig, maar ook velen, die schuldig in kerker en kluisters smachten. Velen hunner zijn veroordeeld tot veeljarige, anderen tot levenslange gevangenis.
Voor de verlossing van deze ongelukkigen moeten wij bidden, of voor de erkenning van hunne misdaad, hun berouw en bekeering. Hoeveel hebben wij op hen voor! Hoe vriendelijk en aangenaam is onze ziekenkamer, die wij in eene booze luim misschien onze gevangenis noemen, in vergelijking met hun verblijf!
De macht der christelijke liefde is zeer groot! Zij vermag zooveel! Zullen wij niet één uurtje lijdens voor deze gevangenen opofferen ?
Ons geduld, onze tevreden overeenstemming met Gods H. Wil zal Zijne goddelijke ontferming opwekken; Hij zal aan die arme ongelukkigen troost, hulp en bekeering verleenen. Hij zal hun de vruchten van ons lijden schenken, en het mogelijk maken, dat wij, terwijl wij de eigene beperking onzer vrijheid niet alleen stilzwijgend, maar uit liefde tot Hem kalm en tevreden verdragen, onze gevangen broeders en zusters de hunne verlichten.
-gt;•? 2 i;i amp;lt;-
Van andere gevangenen wilde ik nog spreken, die niet door schuld of straf in de gevangenis geraakten, die zelfs tot de edelste en grootmoedigste mensclien behooren, 011 uit eigen verkiezing, uit een heilig verlangen naar volmaaktheid hunne vrijheid opgeofferd, hunnen wil verzaakt, en zich enkel uit liefde tot God verbannen en opgesloten hebben achter sombere kloostermuren, in de vochtige kerkers der misdadigers, in de ongezonde lucht der hospitalen en ziekenhuizen, in de behoeftige hutten der armen en ongelukkigen, om daar dag aan dag hunnen Godde-lijken Heiland in de boosdoeners en zieken, in de stervenden en ongelukkigen te dienen. Dat zijn vrijwillige gevangenen; jeugd en gezondheid, de vreugde der wereld en hare schatten traden zij met voeten, en zij buigen hunnen eigen wil onder de wet der H. gehoorzaamheid.
Van deze moedige offervaardigheid zouden wij kunnen leeren. O, hoe spoedig zouden wij onze vrijheid te gemoet snellen, indien liet in onze macht stond, ze plotseling te verkrijgen! Wilden wij slechts beproeven, datgene, wat ons opgelegd is, ook van ganscher harte te willen !
Vrijwillig, met blijmoedige stemming den lieven Jezus het offer onzer vrijheid brengen: welke geheimzinnige genade zouden wij daardoor verkrijgen ?
Krachtens de gemeenschap des geloofs zonden wij zieken, die heldhaftige ordebroeders en geestelijke zusters met dergelijke offers, met vurige gebeden werkelijk te hulp kunnen komen, hunne verdiensten ondersteunen, en er tegelijk zelf aan deelnemen.
Indien wij, in plaats van over onze gevangenschap te klagen, ze maar dienstig wilden maken voor ons zelf en voor anderen!
Zal zij dan werkelijk niet verlicht schijnen?
16'
-X? '24-1 s-*-
3.
Eindelijk zijn er nog zeer veel gevangenen, die ons medelijden en onze hulp iu 't bijzonder noodig hebben, namelijk de geloovige zielen in 't vagevuur.
Hoe lang moet haar die gevangenschap toeschijnen, in verhouding tot de vluchtige uren van het aardsche leven? Hoe moet het vurig verlangen naar verlossing ze verteren!
Door Gods gerechtigheid in het louterende vuur verbannen, verzuchten zij naar het uur, dat ze eindelijk in den hemel met God zal vereenigen.
Sedert zij het aardsche leven verlaten hebben, kunnen zij niets meer voor zich zelf doen. Zij moeten zich verlaten op het medelijden van anderen, en alleen de heerlijke, op Gods oneindige liefde gegronde gemeenschap der heiligen is haar troost, hare hoop. Evenals de gebeden der heiligen in den hemel, zoo kunnen ook de goede werken en gebeden harer broeders en zusters op deze aarde haar nuttig en dienstig worden.
Hoeveel kwellender, pijnlijker en verschrikkelijker is haar kerker, hare gevangenschap dan de onze! Wij mogen van Gods barmhartigheid hopen, dat wij dien afschuwelijken kerker des vagevuurs ontkomen, of ten minste afkorten kunnen, wanneer wij ons kruis met alles, wat het in zich bevat, recht geduldig dragen. Hoeveel lichter en aangenamer is deze aardsche gevangenschap in vergelijking met die der eeuwigheid! —
Wij kunnen de arme geloovige zielen met een geduldig opgeofferd uurtje van eenzaamheid uit liefde tot God, met een uur lijdens, en met het offer onzer gevangenschap waarlijk helpen — wij kunnen misschien aan hare bevrijding meewerken.
Anderen helpen is zoet! Indien wij er toe kwamen, eene ziel voor Gods aanschijn te geleiden, zou dit eene rijke vergoeding zijn voor alle gemiste vrij-
heid. O, zouden wij de gelegenheid, om aan beide zijden verdienstelijk te lijden, laten ontsnappen?
Welke rijke bron van verkwikkende genade kan van ons ziekbed nederdalen op de arme zielen in het vagevuur, en de heete, verterende vlammen afkoelen, zoo niet uitdooven? Misschien heht gij nog nooit daaraan gedacht, beminde zieke, — welke groote macht in de gevangenschap van uwe ziekenkamer gelegen is?
O, maak er gebruik van! tot heil en troost van u zelf, en van de lijdende kerk.
2lt;ie daar een boom geplant, den boom des levens! Laat ik dien boom, dien Kruisstam nader treden En rusten hier. Mijn kruis draag ik niet verder.
Niet langer dragen mij mijn matte leden.
Aan 't kruishout stierf, als 't offer Zijner liefde, De Heer, wiens bloed ons werd een bron van zegen; Des rust ik hier. Uit 't heilig Hart van Jezus Stroomt 't kranke hart steeds troost en laa'nis tegen.
Ach! zonder Jezus' hulp kon ik niet dragen Mijn bange leed, mijn kommervolle leven;
Ja, zonder Hem ware ik in bittre smarten Ellendig der vertwijfling prijsgegeven.
Hij echter blijft, moge alles mij begeven,
Me een zoete bron van vrede, troost en zegen.
Sinds op den Kruisberg Jezus' liefde vloeide,
Brengt heul en heil het Kruis op al ons wegen.
-gt;•§ 244 §•lt;-
3.
Eindelijk zijn er nog zeer veel gevangenen, die ons medelijden en onze hulp in 't bijzonder noodig hebben, namelijk de geloovige zielen in 't vagevuur.
Hoe lang moet haar die gevangenschap toeschijnen, in verhouding tot de vluchtige uren van het aardsche leven? Hoe moet het vurig verlangen naar verlossing-ze verteren!
Door Gods gerechtigheid in het louterende vuur verbannen, verzuchten zij naar het uur, dat ze eindelijk in den hemel met God zal vereenigen.
Sedert zij het aardsche leven verlaten hebben, kunnen zij niets meer voor zich zelf doen. Zij moeten zich verlaten op het medelijden van anderen, en alleen de heerlijke, op Gods oneindige liefde gegronde gemeenschap der heiligen is haar troost, hare hoop. Evenals de gebeden der heiligen in den hemel, zoo kunnen ook de goede werken en gebeden harer broeders en zusters op deze aarde haar nuttig en dienstig worden.
Hoeveel kwellender, pijnlijker en verschrikkelijker is haar kerker, hare gevangenschap dan de onze! Wij mogen van Gods barmhartigheid hopen, dat wij dien afschuwelijken kerker des vagevuurs ontkomen, of ten minste afkorten kunnen, wanneer wij ons kruis met alles, wat het in zich bevat, recht geduldig dragen. Hoeveel lichter en aangenamer is deze aardsche gevangenschap in vergelijking met die der eeuwigheid! —
Wij kunnen de arme geloovige zielen met een geduldig opgeofferd uurtje van eenzaamheid uit liefde tot God, met een uur lijdens, en met het offer onzer gevangenschap waarlijk helpen — wij kunnen misschien aan hare bevrijding meewerken.
Anderen helpen is zoet! Indien wij er toe kwamen, eene ziel voor Gods aanschijn te geleiden, zou dit eene rijke vergoeding zijn voor alle gemiste vrij-
—245
lieid. O, zouden wij de gelegenheid, om aan beide zijden verdienstelijk te lijden, laten ontsnappen?
Welke rijke Lron van verkwikkende genade kan van ons ziekbed nederdalen op de arme zielen in iiet vagevuur, en de lieete, verterende vlammen afkoelen, zoo niet uitdooven ? Misschien hebt gij nog nooit daaraan gedacht, beminde zieke, — welke groote macht in de gevangenschap van uwe ziekenkamer gelegen is?
O, maak er gebruik van! tot heil en troost van u zelf, en van de lijdende kerk.
j
Z;ie daar een boom geplant, den boom des levens! Laat ik dien boom, dien Kruisstam nader treden En rusten hier. Mijn kruis draag ik niet verder,
Xiet langer dragen mij mijn matte leden.
Aan 't kruishout stierf, als 't offer Zijner liefde. De Heer, wiens bloed ons werd een bron van zegen; Des rust ik hier. Uit 't heilig Hart van Jezus Stroomt 't kranke hart steeds troost en laafnis tegen.
Ach! zonder Jezus' hulp kon ik niet dragen Mijn bange leed, mijn kommervolle leven;
Ja, zonder Hem ware ik in bittre smarten Ellendig der vertwijfling prijsgegeven.
Hij echter blijft, moge alles mij begeven.
Me een zoete bron van vrede, troost en zegen.
Sinds op den Kruisberg Jezus' liefde vloeide,
Brengt heul en heil het Kruis op al ons wegen.
-gt;*? 246
Hier wil ik rusten, innig, vurig bidden, Dat nooit des Knüses heil moog van mij wijken, Dat ik in offer- en in lijdensvreugde Een leerling van den Meester moge blijken!
Ja, onder 't Kruis, hoop steeds ik uit te rusten. Dees Levensboom met zijne rijke vruchten Zal sterken mij, en strekken tot een ladder Naar 't Hemelrijk, vol zalige genugten.
D. Schram.
Menige schoone Zending is ons Zieken opgelegd.
Zou de goede, barmhartige God in Zijn scheppingswerk wel een enkel diertje of plantje, zelfs een stofje of dauwdroppel zonder doel geschapen hebben?
Heeft niet alles volgens de wijze wet Zijner liefde zijn eigenaardig nut? Heeft niet alles, ook het schijnbaar geringste, en onbeduidendste, zijne bestemming in het groote gemeenschappelijke geheel?
En zoude ons zieken dan geen gelegenheid gegeven zijn, van onzen kant eveneens nuttig en werkzaam te zijn? Daarmede bedoel ik niet den arbeid in en aan ons zelf, want het is de plicht van iederen met verstand en vrijen wil begaafden mensch, te arbeiden aan de volmaaktheid en heiliging zijner onsterfelijke ziel — maar ik spreek van ons werken in verhouding tot de maatschappij, tot onze uiterlijke omgeving en onze medemenschen.
De zieke ligt hulpeloos en tegelijk hulpbehoevend naast het gezonde, krachtige, werkzame leven zijner omgeving. Zijne werkzaamheid is grootendeels verlamd. zijne bezigheid, indien er hem eene is opgelegd, is tot eene zekere ruimte beperkt, hij kan noch de
-gt;•3 247 §*lt;-
plichten van eenig beroep, noch die der naastenliefde vervullen, wanneer deze buiten de ziekenkamer moeten uitgeoefend worden. Daar hij zich op den wil van anderen moet verlaten, is zijn wil beperkt, en is hij zelf bijna verlaten.
Hoe weinig kan hij doen! Hoe weinig uitvoeren! — Dit meenen velen, en weten niet, dat in menige familie, waarin zich een langjarige zieke bevindt, de ondervinding juist het tegendeel bewijst!
De zieke, die in het gebruik zijner lichamelijke krachten meestal beperkt, en in zijne vrije beweging verhinderd is, bezit in zijnen goeden wil, in zijn geduld, misschien ook in hoofd en handen eene niet te verwerpen macht, die hem dikwijls zeer goed te stade komt. Is hem door Gods genade zijn eigenlijke bestemming eenmaal duidelijk geworden, dan zal hij dankbaar bekennen: „Zijne ontferming heeft mij ook niet vergeten, ik kan ook hier en daar nuttig zijn, kan het werk mijner afhankelijkheid in zegen doen verkeeren — ook ik ben niet dat geheel werkelooze, betreurenswaardige wezen, waarvoor ik zelf en anderen mij hielden.quot; Dat alles wordt aangeleerd. —
Eene oude sage verhaalt van eenen koning, die de wonderkracht bezat, alles, wat hij aanraakte, in goud te doen veranderen. Dit is eene schoone, liefelijke gelijkenis van de goede stemming. Met deze goede stemming bestrijden wij krachtig alle hinderpalen, en doen onze kleine diensten in echt, werkelijk goud veranderen. Hetzij wij met anderen te zamen of in een klooster leven, of wel bij eene familie inwonen — altijd en overal zullen wij gelegenheid vinden, om, in weerwil van onzen hulpeloozen toestand, aan anderen nuttig te zijn. De slapelooze uren van den nacht, of de eenzame, werkelooze oogen-blikken van den dag, waarover de zieke te beschikken heeft, veroorloven ons vele zaken vooruit, en met omzichtigheid te overdenken, menig gevaar te ver-
)
-»5 248 S*lt;quot;
mijclen; veel rijpelijk te overleggen, en de goede, geschikte uitoefening te bewerkstelligen; — op deze manier kunnen wij veelzijdig voor onze dierbaren zorgen en luui daardoor behulpzaam zijn. —
Bij eene andere gelegenheid kunnen wij een handwerk overnemen van iemand, die met bezigheden overladen is, eene kleinigheid verbeteren of veranderen, en de overspannen dienstboden in het eene of andere verlichten. Vaak moet er spoedig een brief geschreven worden — eene boodschap gegeven — een kind in de kamer bewaakt en bezig gehouden worden. Met een weinig goeden wil kan de zieke in de meeste gevallen in dergelijke omstandigheden van dienst zijn. (Ik spreek natuurlijk niet van hen; die plotseling door eene zware, aanstekende ziekte overvallen worden, maar van veeljarige zieken.) Een uurtje tijd en eenige vlugge steken maken het werk af, de brief is spoedig geschreven, een prentenboek of een aantrekkelijk verhaal houdt de levendige kleinen rustig in onze nabijheid; dit heb ik zelf dikwijls beproefd, en voor dergelijke diensten is men ons steeds dankbaar.
Al schijnen ze onbeduidend, ze zijn het in der daad niet, wanneer men weet, van hoeveel kleinigheden de vrede van het huisgezin, en de ongestoorde voortgang der dagelijksche machine afhangt.
Uit eigen ondervinding geef ik eveneens toe, dat deze liefdediensten niet geheel zonder persoonlijk offgr of zelfbeheersching kunnen bewezen worden; maar waar zou dan ook' de vreugde der verdienste zijn? Ecu goed werk, dat zonder moeite volbracht wordt, is zeker altijd goed, maar oneindig beter, wanneer het met den geest der offervaardigheid bezield en doortrokken is. Men bewere niet,, dat men op het ziekbed niet schrijven of werken kan — dat dit slechts hoofdpijn, vermoeienis of andere ongemakken na zich sleept — ik zal dit volstrekt niet tegenspreken, maar vind het volstrekt niet belangrijk genoeg, om eenige
van deze kleine liefdediensten er voor te verzuimen. In iedere bezigheid ligt een kleine weldaad; nu en dan ter wille van anderen een uurtje zijne ziekte en smarten te vergeten, brengt evenals iedere goede daad zijne belooning met zich, al was het enkel het genotvolle bewustzijn, dat men voor iets deugt.
De zieke kan door zijn goed voorbeeld, door vriendelijke toegevendheid en geduld — een levendig voorbeeld worden, dat zich dag aan dag aan zijne omgeving vertoont, en oneindig beter werkt, dan alle preeken en vermaningen; hij kan menig genoegen, dat anderen hem verschaffen, op zijne naaste omgeving overbrengen, kan veel schoons en leerzaams, wat hij gelezen en gehoord heeft, navertellen en mededeelen; — in honderd kleinigheden kan hij de behulpzame hand bieden, kan zijn vrijen tijd ter beschikking stellen van hen, die meer te verrichten hebben, dan hij; — hij weet misschien beter dan allen, wat smart en zorgen, wat leed en verdriet is, daar hij dat alles zelf ondervonden heeft, en kan daarom beter troosten dan anderen, hij weent met de bedroefden, en tracht ze op te wekken door zijn eigen voorbeeld. Heeft hij waarlijk dit open oor, dit medelijdende hart, — o, dan zal zijn ziekbed onvoorziens tot het dierbaar middelpunt der familie worden. Daar worden de ledige uurtjes verpraat, daar wordt van gedachten gewisseld, daar zal de twijfelachtige raad, de vreesachtige moed, het kind zijn omgang, de dienstboden het verzoenend woord vinden, een ieder zal met zijne aangelegenheden aan dit bed komen, alle kleine genoegens en voorvallen, alle wenschen en geheimen, alle twijfelingen en zorgen daar neder-leggen, en de zieke, aan zich zeiven ontvoerd, één met God, en bezield met oprechten lijdensmoed en groote offervaardigheid, heeft dan de bitterheid van zijn kruis overwonnen, en ziet uit den ruwen doornenstruik rozen in den vorm van heerlijke genoegens ontspruiten.
-gt;•3 250 «-lt;-
Hij weet, dat hij voor de zijnen geen last meer is, en dankt den hemel voor dit zoete bewustzijn. Met innige dankbaarheid jegens God, gevoelt hij, dat men hem lief heeft, dat zijn dood eene gevoelige leegte veroorzaken, en men hem smartelijk betreuren zal. —
Kan men zich eene schoonere zending voortstellen? Bevat zij niet eene overmaat van zoeten troost?
In het jaar 1744 stierf te Kaufbeuren (stad in Beieren, met eene beroemde bedevaart), de Eerw. Maria Crescentia van de Franciskaner orde, die door den goeden God tot langdurig lijden van allerlei aard bestemd was.
Het volgende, naïeve gedicht, dat zij zelf op het ziekbed vervaardigde, en waarvan wij eene zwakke vertaling geven, getuigt van den grooten eenvoud harer liefde, en van den vurigen ijver, waarmede zij het kruis omhelsde.
Hoe zoet en hoe zacht is de vaderhand Gods, Zij maakt, dat ik pijn en kastijdingen trots.
Soms is 't of Hij schertsende bal met mij slaat;
En hoe harder Hij slaat, hoe hooger hij gaat!
Ik moet het bekennen, God schaaft mij vaak hard, Diep snijdt en diep steekt Hij, doch 'k acht niet de smart. En zoo gij wilt weten, waarom ik ben blij:
God snippert en beeldhouwt een engel uit mij.
Vaak leef ik verlaten in kommer en smart.
Dan denk ik: de Heer heeft Zijn doel, als Hij mart; Hij doet als de jager, die wild schieten wil;
Hij laat Zich niet blikken, en houdt Zich muisstil.
Ik ben in de gaarde als het wassende rijs,
En God is de tuinman, die 't buigt naar den eisch. Hij snoeit en Hij reinigt steeds takken en twijg.
Opdat ik meer voortbrenge en hooger steeds stijg.
Ik denk aan geen kommer en lach om verdriet; Het lokken van satan verslingert mij niet;
'k Laat roepen de wereld, me ontzeg haar geneugt, Om namaals te smaken reine engelenvreugd.
Vaak zeg ik: „O bloemken, nog pas hier ontbloeid. Waarom toch zoo ras reeds verwelkt en verschroeid?quot;-Dat pijnt mij soms bitter, doch denk dan daarop'
Laat vallen de blaadren, het zaaisel kiemt op.
Ik lach om het lijden, hoe fel het ook druk',
Zoo Jezus helpt dragen het opgelegd juk;
Want 't staal en het ijzer, hoe feller gesmeed, Hoe sterker en eerder voor 't doelwit gereed.
Wat schaadt het het oog, als een traan het ontvliet. Als straks daar de wijnstok, nieuw ranken weer schiet. Al worden mijn tranen ook nog zoo verraeerd.
Eens worden die tranen in paarlen verkeerd.
AI volgen de slagen geweldig elkaar.
Net als een golfslag, gestuit door hooger baar.
Gewillig zal 'k lijden, wijl God het verlangt, Hoe troebeler water, hoe rijker Hij vangt.
Vaak kwelt mij God pijnlijk, doch schenkt ook geduld; Dan denk ik gelaten; „Ik boet voor mijn schuld.1.
Wie 't ruischen der tonen van 't orgel graag hoort. Hij slaat op de toetsen, zoo als het behoort.
'k Draag plagen en slagen, want dit is ons lot. Het lijden en strijden, het voert ons tot God.
Xiet nut ons de garf, die op d' akker blijft staan,
Maar zij, waar de dorschers de granen uit slaan
-gt;•3 252 is*-
Slechts kort duurt de tijd, dat Gods hand ons kastijdt, Nu stormen, dan kalmte, nu droevig, straks blijd. Dus duld en verdraag ik, wijl God het bestemt,
'k Leer bidden, als mismoed mij 't harte beklemt.
In lijden te leven zij altijd bereid.
Tot God u van pijnen en lijden bevrijdt.
Het vleesch voor de wormen, de beendren voor de aard: De ziel blijft na lijden toch eeuwig bewaard.
Zoo is het besloten, het blijve hierbij ;
,,God snij en kerf, mits eens Hij gnadig mij zij.quot; Vol dank en vol blijheid dan schrijf ik op 't graf; „Dat God mij na lijden de hemelvreugd gaf.quot;
D. Schram.
De bewonderenswaardige vreugde in liet lijden, die in dit gelieele gedicht doorstraalt, wekt mij bijzonder op. Uit ieder vers, uit ieder woord leest men de kinderlijke en blijmoedige tevredenheid, de goede luim van een hart, dat heel en al aan God onderworpen is.
O, gij grooten der aarde! Gij veroveraars; gij helden der wetenschap, gij mannen der uitvindingen — waar blijft bij al het rusteloos zwoegen en werken van uwen grooten geest, dat gelieele berusten in God, die vrede des harten, welke de arme, nederige Cres-centia als een kind in de armen van den goeden Vader legt?.
Dikwijls verheug ik mij, dat wij arme schepselen toch op velen iets voor hebben, zelfs op de lieve engelen in den hemel. Wij kunnen voor God lijden; zij kunnen dit niet. Wij kunnen onzen Hemelschen Vader onze liefde
253 gK-
bewijzen, wanneer wij Hem onze lichamelijke en geestelijke smarten opofferen. Indien wij Hem te midden dezer kwellingen loven en danken, indien wij om Zijnent wil aan alles verzaken, wat liet leven schoons aanbiedt, dan doen wij van onzen kant evenveel, zoo niet meer dan de zaligen in den hemel, die Hem te midden hunner glorie aanbidden. God za! de offers van zijne arme zieke kinderen niet versmaden, want Hij bemint hen, alsook het offer hunner smarten, en schenkt hun tot belooning troost en vreugde in 't lijden. Konde er in den hemel eene opwelling van afgunst bestaan, dan was het mogelijk, dat de H. Engelen, en zalige o-eesten ons stervelingen deze eigenschap, om voor Clod te lijden, benijdden. —
Men heeft niet veel boeken, onderwijs of ernstige studie noodig, wanneer men aan de voeten van het kruis nederligt. De H. Thomas van Aquine zegt, dat hij aan de voeten van het kruis de eigenlijke wijsheid, de christelijke, eenige ware wijsheid gevonden heeft.
Xoen ik op zekeren dag onder hevige smarten, schijnbaar bewustloos, op mijn ziekbed lag, zag de geestelijke zuster, die bij mij waakte, dat mijn gelaat een lachende uitdrukking aannam, dat de pijnlijke trekken weken, en zij hoorde mij zacht fluisteren: „Wat is dat toch? Wat is daarin?quot;
Na eene poos sprak ik weder: .,0, dan wil ik alles drinken, alles, alles!quot; — weder zag zij eene onbeschrijfelijke, vriendelijke, kalme uitdrukking op mijn gelaat.
-gt;*B 25(j ^
Dikwijls stelde ik mij in den loop mijner ziekte de vraag: waarom dit zoo en dat anders gebeurde, waarom God dit liet geschieden, en dat verhinderde.
Verscheidene malen hen ik den dood nabij geweest, ben nu over de helft van het menschelijke leven gekomen, en vind de meeste vragen voor mijnen innerlijken blik opgelost.
c liet moest zoo zijn, het kon en mocht niet anders geschieden. Nu reeds erken ik eene oneindige liefderijke hand, die al mijne lotgevallen regelde, en wanneer eens mijn geest zijn stoffelijk omhulsel geheel zal afleggen, en ik met helderen blik het einde van deze goddelijke beschikking mag aanschouwen, dan zal ook de laatste twijfel voor het eeuwig licht wijken.
Wat wilde Gods liefde dan van mij ? Wat moest er van mij komen?
Het kan geen zondige eigenwaan zijn, als ik met tranen van dankbaarheid betuig: „Mijne bestemming voor de laatste jaren mijns levens liet God mij van de lippen mijns stervenden echtgenoots vernemen. Ik ben overtuigd, dat hij zich gedurende tallooze uren en nachten gekweld had met de gedachte, dat ik nu weldra verlaten, en van zijnen omgang en zijnen steun beroofd zou zijn.quot;
Dikwijls toch had ik tegen hem gezegd: „Hoe zou het mij mogelijk zijn, zonder u te leven; wat moest ik beginnen, wanneer mij de troost uwer liefde, uw raad en bijstand ontviel?quot;
En kort voor zijn dood zei hij, na door de genade der H. Sacramenten gesterkt te zijn, met volle overgeving aan den wil van Zijnen Heiland, en los van alle aardsche gedachten en wenschen: „Ik wensch, dat gij werkt voor de christelijke vorming en opvoeding der kinderen.quot;
-gt;•8 257 a-lt;-
Hij wist, welke heilzame kracht in den arbeid gelegen is, en tot welken arbeid ik op het ziekbed geschikt was. (Kort te voren was ik begonnen mede te werken aan eene kinderconrant.)
Hij wist ook, dat het Gode niet welgevallig kon wezen mijn leven te slijten in droevige klachten over zijn verlies, maar dat ik zijne nagedachtenis beter in eere zou houden door anderen nuttig te zijn.
Nutteloos weenen mocht ik niet, maar ik moest mij op het goede toeleggen, en mij door dit bewustzijn tot die edele roeping opwekken. — Zijne reeds verstijvende hand drong mij als 't ware de pen in de zwakke hand, en ik wist, dat zijne voorspraak, en zijne hulp van hierboven mij niet zouden ontbreken indien ik gevolg gaf aan deze laatste wilsbeschikking.
De dag, die mij het liefste, wat ik in deze wereld bezat, ontnomen heeft, gaf mij tevens den vuurdoop voor de roeping, die tot hiertoe in mij sluimerde. Met vertrouwen op God en te Zijner eer begon ik nu vlijtig tot nut der kleinen te werken.
Verder vroeg ik: „Waarom moest ik voor kinderen schrijven?quot; Ik wist het, om mijne oneindige smart te vergeten, om nog een doel, eene reden te hebben, waarvoor ik leven zou.
Terwijl ik mijne laatste levenskrachten aan een edel, nuttig doel wijdde, arbeidde ik tegelijk voor God en voor de geloovige zielen.
Mijn echtgenoot had het beste middel tegen moedeloosheid en vertwijfeling voor mij gevonden, want in iederen arbeid ligt een zoete troost.
Ook nog andere levensvragen vonden in den loop mijner langjarige ziekte hare duidelijke oplossing.
Zoo kwelde mij dikwijls de gedachte, hoe zwaar mijn weduwenstaat zou zijn, indien ik van de liefde, en grootmoedigheid van anderen zou afhangen. Nu genoot ik den troost, voor anderen te leven en te scheppen, en verzekerde mij daardoor geen rijkdom
Kruisbloemen. 17
en schatten, maar toch eene zekere onafhankelijkheid, die mij ten volle bevredigt.
Ook dit was Gods beschikking. Als de beste en teederste der vaders, zorgde Hij voor Zijn ziek kind, dat uit zich zelf niets vermocht.
Om voor de lieve kinderwereld iets degelijks te scheppen, moest ik zelf studeeren, moest veel leeren, veel kennis opdoen, die ik later verwerken kon.
Was ik gezond gebleven, dan had ik mijne plichten als huisvrouw moeten vervullen, had mijn tijd door den onvermijdelijken omgang, door maatschappelijke en andere plichten versnipperd, terwijl mij het ziekbed, in de eerste 10 jaren van al deze verplichtingen onthief, mij tijd gaf om te lezen en te leeren, op te merken en te overleggen, gevolgtrekkingen te maken en eene overtuiging te vestigen; met een woord een geestelijk, innerlijk leven te leiden.
Wat ik in al deze jaren in mij opnam en verzamelde, wat ik aan ondervinding en zienswijze leerde, dat vormde later de voorraadschuur van mijne scheppingen.
Ware ik gezond gebleven, dan was dit onmogelijk geweest.
Eene zaak had mijn hart dikwijls in hevigen opstand gebracht, en heete tranen aan mijne oogen ontweldigd.
Van mijne jeugd, af hield ik veel van kinderen, ik begreep ze zoo goed, en was altijd bereid, hun mijne rust en mijn tijd ten oifer te brengen.
Eene trouwe vriendin, die mij dikwijls in mijnen omgang met de kleinen bespiedde, beweejyle, dat ik in den huwelijken staat eens tot rijken kinderzegen bestemd was, daar ik alle eigenschappen eener teedere moeder bezat.
Waarom had God mij dit geluk ontzegd? Toen mijn echtgenoot dood, ik ziek en door deze ziekte hulpbehoevend en onzelfstandig was, zag ik weder in.
-x? 259 S*lt;-
hoe goed God liet met mij voor had, dat Hij mij van eene zoo zware verantwoording, om vaderlooze weezen op te voeden, ontheven en mij niet toegestaan had, wat ik vroeger zoo onverstandig gewenscht had.
Misschien wilde Hij mijn hart niet beperken in de liefde voor de eigen kinderen, daar Hij voorzag, dat dit hart in latere jaren nog duizenden kinderzielen aan zich verbinden, en met moederlijke teeder-heid beminnen moest, in de schoone roeping hunner opvoeding en de vorming volgens christelijke grondstellingen.
De psalmist verhaalt van den ontfermenden God, die de onvruchtbare wonen laat in het huis, als gelukkige moeder van kinderen. —
Zoo bestierde God mijn lot en mijn leven; — het meeste had ik anders verwacht — aan veel had ik in de verste verte niet kunnen denken, — doch Gods genade bleef mij steeds bij, en Hij heeft alles welgedaan.
Alles, wat goed en rechtvaardig is in ons, komt van God. Laten wij ons niet verblinden door de loftuitingen op ons geduld — verbeelden wij ons nimmer, dat wij uit ons zelf iets kunnen, en dat wij in die lange jaren geleerd hebben, hoe men moet lijden ten voorbeeld van anderen.
Brengen wij alles in overeenstemming met de genade, die de goede God ons schenkt, dan moeten wij bekennen, dat „liet uurwerk stil staat, wanneer onze Meester het niet opwindt.quot; — Wij zouden moed noch geduld hebben, indien God het ons niet verleende, en zouden kleinmoedig, wanhopig en luimig,
17»
-gt;g 2G0 §•lt;-
zooals andere zieken zijn, als God ons niet kalm hield. Eene zaak kunnen en moeten wij zelf doen, te weten: bidden, recht vlijtig en vurig, om deze kracht en dat geduld te verwerven.
Dagelijks hebben wij ze noodig, iederen dag moeten wij ze opdoen, iederen dag ons offer vernieuwen — en daartoe hebben wij dagelijksche kracht en sterkte noodig. Deze vinden wij alleen in den
omgang met God door het gebed.
—=gt;—-
Eenige Regels tot Troost der Zieken.
Indien, beminde zieke, uw kruis, uwe ziekte, uwe afhankelijkheid u dikwijls zeer zwaar valt, bedenk dan:
1. Dat gij het altijd beter hebt, dan gij verdient.
2. Dat iedere zaak twee zijden heeft, eene lichten eene schaduwzijde, en dat het groote wijsheid is, van alle dingen de lichtzijde te beschouwen.
3. Dat gij, indien gij u met anderen vergelijkt, het altijd nog veel beter hebt, dan zij. En vraag u af, of gij zoo veel beter zijt, dan zij.
4. Gij verzet u tegen uwe boeien! Weet gij, hoe gij zoudt eindigen, indien de goede God u uwe vrijheid gelaten had?
5. Alles duurt slechts korten tijd —- ook uw lijden; alles gaat voorhij — ook uwe ziekte; alles heeft een einde —- ook uw leven — de eeuwigheid alleen heeft geen einde, en onze gelukzaligheid in den hemel bij den lieven God duurt eeuwig.
G. Op deze aarde vroolijk en gelukkig, bevrijd van smart en lijden en hiernamaals eeuwig zalig — dat bestaat niet, dat is onmogelijk. Men gaat niet dansende en zingende den hemel in.
Het eene of het andere.
De hemel op aarde of hier boven.
-gt;? 261
Kan de keuze moeielijk zijn?
7. De H. Augustinus zegt: „Snijd, kerf, brand mij hier, maar spaar mij in de eeuwigheid.quot;
De Goddelijke Heiland heeft niet gezegd: „Zalig zijn zij, die hier vroolijk zijn en lachen,quot; maar: „Zalig zijn zij, die hier weenen en treuren, want zij zullen vertroost worden!quot;
8. Waarom gelooven wij onvoorwaardelijk dengenen, die wij hoogschatten en liefhebben, zonder den minsten twijfel te opperen omtrent de waarheid hunner uitspraak, en twijfelen daarentegen aan het woord des Heeren?
9. De groote liefde, die de zieke ondervindt, de kleine genoegens, die men hem bereidt, de oplettendheden, die men hem tracht te bewijzen, moet hij op prijs stellen. Het zijn lieve bloempjes, die tusschen de doornen ontspruiten, en die hem menig pijnlijk uur doen vergeten?
10. Wanneer gij het kruis, dat een engel u brengt, knorrig afwijst, kan de duivel u wellicht een veel zwaarderen last opleggen. Yonge.
11. Wilt gij een goed middel tegen ijdelheid en zelfbehagen of eigendunk?
Wanneer men u piijst, wees daar niet blijde of treurig om, maar bedenk, dat het wenschelijk is, dat gij zoo goed wordt, als zij meenen. Zeg tot u zeiven: „Wat beoordeelen die goedhartige zielen mij gunstig! Als zij wisten, hoe weinig goeds er in mij is, zij zouden mij verachten; ik wil mij echter beijveren, mij hunne goede meening waardig te maken. Wat goed in mij is, komt van God, wat slecht is — van mij zelf.quot;
Of wel: „Ja, zoo lang God mij steunt, ben ik kalm en geduldig; onttrekt Hij mij één oogenblik Zijne genade en laat Hij mij aan mijn lot over, wie weet, hoe ik dan zal zijn? Misschien even verdrietig en luimig als anderen.quot;
-»8 262 Êhlt;—
12. Het lijden moet zeker iets grootsch en kostbaars zijn, anders had de H. Theresia niet geroepen: „Lijden of sterven!quot; —- en eene H. Magdalena van Pazzi: „Niet sterven, maar lijden.quot; — Anders had niet de H. Ignatius zijnen zonen verzekerd, dat hij God gebeden had, over zijne orde onophoudelijk rampen en tegenkantingen, smart en lijden te zenden; — dan had de gelukzalige stichteres eener nieuwe vrouwelijke orde voor de ziekenverpleging op den dag der inkleeding niet telkens tot de jonge bruiden van den Goddelijken Heiland gezegd: „Nu, mijne dochters, hebt gij u aan den Gekruisten verloofd, en Hem eeuwige trouw gezworen. Ik begroet u met teedere liefde als uwe moeder, en voor ieder uwer geef ik gaarne mijn leven ten offer. Op den huidigen feestdag heb ik volgens mijne innige overtuiging voor u niets beters te wenschen, dan lijden, niets dan het kruis met en voor Jezus. In het lijden alleen, in het kruis alleen is ons heil verzekerd.quot;
Hoe zelden hoort men die woorden uit den mond eener liefhebbende moeder! En toch was die vrome ziel van de juistheid dier woorden overtuigd, en erkende in blijmoedige stemming, verheven boven tranen, leed en klachten, de werkelijke waarde van te lijden voor God.
Aanhangsel:
Gebeden der Zieken.
vZoo dikwijls een priester de H. Mis opdraagt, eert hij God, verheugt hij de Engelen, sterkt de Kerk. helpt de levenden, verkwikt de overledenen en maakt zich zeiven deelachtig aan alle goederen.quot; (Thom. a. Kemp.)
|k aanbid 'ü, o mijn God en Vader! en dank U, dat ik een nieuwen dag beleef. Wat hij mij ook brengen moge, ik neem het ootmoedig aan uit Uwe vaderhand ; ik wil mij voor iedere zonde in acht nemen; ik wil alles, wat ik zal doen, tot Uwe eer, en alles wat ik lijden moet, uit liefde tot U, als boetedoening voor mijne zonden doen en lijden. Ik wil geduldig het kruis mijner ziekte dragen, omdat het Uw wil is; ik wil zeer vriendelijk en dankbaar zijn jegens allen, die mij omringen, mij verplegen, of mij eenigen liefdedienst bewijzen, van welken aard die ook zijn moge. Ik wil ook niet kleinmoedig worden, noch in klachten uitbreken, maar de geringe verdiensten mijner ziekte in onderworpenheid, aan U, o Heer, opdragen tot heil mijner ziel, en tot lafenis van mijne dierbare overledenen. In den geest zoude ik gaarne alle heilige Missen van heden bijwonen, in den geest zeer aandachtig de heilige Communie ontvangen, en alle mogelijke aflaten verdienen. Moge deze ziekte mij strekken tot eeue goede voorbereiding tot den dood.
Laat mij niet buiten Uwe genade, laat mij niet zonder de heilige Sacramenten sterven, o mijn Jezus! Dat bid ik U, en ik hoop, dat Gij mij zult verhooren.
In Uwe hand beveel ik dezen dag met zijn lijden en vreugde en vrede, in Uwe hand beveel ik ook allen, die mij dierbaar zijn, en vooral hen, jegens wie ik eenige verplichting heb.
Maria, heilige Moeder Gods! en heilige Vader Jozef! aan uwe bescherming geef ik mij over! Heilige engelenbewaarders, mijne beschermheiligen en alle Heiligen des Hemels, staat mij bij inleven en sterven! Amen.
-gt;*S 266 S«-
Ik sta op
in Gods kracht,
in Gods macht,
in Christus' angst,
in Christus' rozenroode bloed.
Opdat dit mij behoed'
voor al mijne vijanden,
zichtbare en onzichtbare.
Ik sta op
in Christus' zegen,
dien mijn allerliefste Jezus
op mij en heel de wereld
laat vallen als een zachte regen.
Mij behoede God,
de allerheiligste Drievuldigheid;
God de Vader,
die mij uit niets heeft voortgebracht; mij behoede God de Zoon,
die door Zijn kostbaar bloed
mij heeft verlost;
mij behoede
God de Heilige Geest,
die mij heeft rein gewasschen
in het heilig doopsel.
God, den Vader, onderwerp ik mij.
God, den Zoon, beveel ik mij;
God, de H. Geest, onderwijze mij!
Maria, Moeder van God, sta mij bij!
Alle Heiligen in den Hemel, bidt voor mij !
Alle Engelen, beschermt mij!
Het Kruis van Christus beware mij!
In alle heilige offeranden der Mis,
in alle heilige Communiën,
in den zegen van alle priesters
in alle goede werken.
-gt;•§ 2C7 5*lt;-
die heden in de gelieele christenwereld
volbracht en opgedragen worden,
beveel ik mij,
met lijf en ziel,
vereenig ik mij.
In het algemeene gebed
der katholieke Kerk
beveel ik mij.
Heilige Maria, verlaat mij niet in pijn en nood,
en tot Jezus breng mij na mijnen dood!
O heilige Jozef, gij man Gods,
vol vertrouwen roep ik u aan !
Van ganscher harte bemin ik u,
uit elk gevaar en eiken nood zult gij redden mij.
Mijn Heer en mijn God, hemelsche Vader, verleen mij Uwe Goddelijke genade, opdat alles, wat ik heden begin of volbreng, uit liefde tot U, en in naam van den gekruisigden Heiland, Jezus Christus, moge begonnen en voltrokken worden.
O allergoedertierenste Vader,
in vereeniging met de volmaakte werken,
welke Jezus, Maria en Jozef hebben gedaan,
draag ik U heden op
al mijne gedachten,
woorden en werken,
elke moeite, eiken arbeid,
iedere schrede en trede,
elke ademhaling,
eiken kruimel, dien ik eet,
eiken droppel, dien ik drink,
al de smarten en pijnen mijner ziekte,
al de wederwaardigheden,
die ik heden zal ondervinden,
alle heilige aflaten.
-gt;-S 268 £♦lt;-
waaraan ik deelachtig kan worden,
alle godsdienstoefeningen der gansche christenheid,
tot meerder eer en roem van TJ,
tot troost en zielenheil
van alle christelijke broeders en zusters,
zoo wel levende
als overledene.
Kom, Heilige Geest,
onderricht mijne onkunde,
leer mij, hetgeen ik niet weet,
geef mij, wat ik ontbeer!
Kom, Heilige Geest,
vervul mij met Uwe zeven gaven:
de vreeze des Heeren,
godsvrucht en wetenschap
sterkte en raad,
verstand en wijsheid.
Met Jezus in mijn hart Verduur ik pijn en smart,
En leef steeds blij van zin Met Jezus, Maria, Jozef,
Het heilig huisgezin.
Ik aanbid U en groet TJ, o allerheiligste Drieëen-heid, en ik dank ü uit den grond mijns harten voor elke genade en voor alle weldaden, die Gij mij heden onverdiend bewezen hebt. Ook voor al het lijden, dat Gij mij met liefderijke en ondoorgrondelijk wijze bedoelingen toezondt, dank ik U. Ach, dat ik het geduldiger, vreugdevoller en in volkomener onderwerping gedragen hadde! Ik draag TJ op in vereeniging met Jezus en Maria alles, wat ik dezen nacht zal lijden. Ik bid TJ, lieve Vader in den Hemel! wil mij dezen nacht genadig beschermen, en mij eenen verkwikken-
-gt;•5 269 iH-
den slaap, of althans de genade van waar geduld verleenen. Uw heilige wil geschiede in alles l
O goedertieren hemelsche Moeder Maria, ik, uw ziek kind, roep tot u om erbarming. Neem mij onder uwe hoede; help mij, ojxlat ik noch door ongeduld, noch door kleinmoedigheid mijnen Vader in den hemel be-droeve, maar mij volkomen aan Zijnen heiligen wil overgeve. Verkrijg voor mij, als het den hemelschen Vader behaagt, eenen rustigen nacht, en laat mij tot het aanbreken van den dag in uw moederlijk hart geborgen zijn.
Mijn beschermheilige, heilige engelenbewaarders, verlaat mij niet, draagt mijne smarten en nooden voor den troon Gods, en bidt voor mij, om kracht en sterkte, opdat ik volharde tot aan het einde! Lieve Vader in den hemel! ik bid U vurig om vergeving van al de zonden, die ik, bewust of onbewust, begaan heb, in het bijzonder van die, waardoor ik IJ heden beleedigde. Ik betreur ze van harte, en neem mij ernstig voor, mij te beteren. Vooral
beloof ik II, morgen de zonde van.....niet meer
te begaan.
O Jezus, Maria, Jozef! U beveel ik mijn lichaam, en mijne ziel, nu en in mijn stervensuur. Amen.
Jezus, Maria, Jozef! U schenk ik mijn lichaam, mijn hart en mijne ziel!
Jezus, Maria, Jozef! staat mij bij in den kaatsten strijd!
Jezus, Maria, Jozef! met IJ zal mijne ziel in vrede heengaan! Amen.
O Heer, geef allen, mij dierbaren afgestorvenen de eeuwige rust, en het eeuwige licht verlichte hen! Amen.
270 S«lt;-
In naam der allerheiligste Drievuldigheid,
Des Vaders, die mij uit niets schiep in den tijd,
Des Zoons, die mij heeft verlost van slavernij,
Des H. Geestes. die heeft geheiligd mij.
Leg ik te rusten mij, bevelend mijn verstand,
Mijn ziel en al in 's Heeren milde hand.
U breng ik dank, o Vader wijs en goed,
Wijl Gij mijn ziel en lichaam hebt behoed.
Mijn dagtaak ving ik aan met U, o Heer!
In Uwe hand leg ik mijn hoofd nu neer.
Gij gaaft vandaag mij 't daaglijksch brood,
Behoeddet mij voor bittren nood.
En zoo een kruisje mij ten deele viel,
Dan was dit wis tot heil van mijne ziel.
En heb ik mij belast met nieuwe schuld,
O God, vergeef! en heb nogmaals geduld.
Uw eens vergoten heilig bloed
Maakt onze schulden weder goed.
Heeft iemand tegen mij misdaan,
O, Heer vergeef! en reken 't hem niet aan.
Geen wraak, o Heer, vergiffenis!
Wijl dit Uw heiige leering is.
Met diep berouw klaag ik mij aan,
O Heer, voor wat ik heb misdaan.
Zoet hart van Maria, wees gij mijne redding! Heer, ik geloof.
Heer, ik hoop,
Heer, van ganscher hart bemin ik U. In 't geloof,
In de hoop,
In de liefde steun en sterk mij!
Maria, mijne toevlucht, Moeder van den Heer, Beschut, beschermd door u, leg ik mij biddend neer. Behoed mij voor verhaasten dood.
Voor onheil, ziekte en bangen nood.
-gt;•3 271 §•lt;quot;
En lioud uw mantel uitgespreid,
Opdat ik ruste in veiligheid!
Heiige Jozef schuts in doodsgevaar,
Bid en smeek voor mij d' Alzegenaar!
Engellief, die mij behoedt.
En Gods lieve heilgenstoet,
Heilige englenkoren, houdt van nacht Over mij en 't mijn de wacht.
Op mijn Heere Jezus' leg 'k mij neder,
Op mijn Heere Jezus' leden teeder,
Op mijn Heere Jezus' vleesch en bloed,
Dan ben ik voor helsche macht behoed. En opdat mijn ruste kuisch en rustig zij,
Berg ik in des Heeren heiige wonden mij.
0 God! ik beveel U aan allen, die mij dierbaar zijn, en wien ik dank verschuldigd ben, neem hen allen onder Uwe almachtige hoede!
Wil voor onheil en gevaren Ons behoeden en bewaren!
Hart van Jezus, mijne liefde,
O. wil mijn Verlosser, niet mijn Rechter zijn! Schenk aan de arme dierbre zielen Door Uw lijden troost en kwijtslag van de pijn; Schenk haar rust en 't eeuwig licht In den glans van 't Godlijk aangezicht.
Laat mij rusten aan Uw Hart, o Heer, Om verkwikt met U te ontwaken weer.
D. S.
O p d racht.
O allerheiligste Drievuldigheid ! ik heb een smachtend verlangen, om de viering van den zoendood van Jezus bij te wonen, en de oneindige verdiensten en onschatbare genaden deelachtig te worden, die Hij
-gt;*§ 272 Sp
oils daardoor verworven heeft. Daar ik evenwel aan het ziekbed gekluisterd ben, zoo vereenig' ik mij in den geest met alle geloovigen, welke heden de heilige Mis hooren, en met alle priesters, die de genade hebben, haar op te dragen. Met hen offer ik U op alle heilige missen, die op aarde opgedragen worden. Ik draag ze U op, om Uwe oneindige Majesteit alom te aanbidden, en Maria, de maagdelijke Moeder Gods, en de heiligen van den dag te eeren; om U voldoening te geven voor mijne zonden, en voor die van alle menschen, en voor die, om welke de arme zielen in het vagevuur zuchten; ten einde, U op waardige wijze te danken voor de ontelbare en onuitsprekelijke weldaden en bewijzen van genade, die Gij mij en allen schepselen bewezen hebt, en bewijzen zult. Eindelijk, om voor mij en mijne verwanten, vrienden en vijanden, voor alle zondaars en dwalenden, in het bijzonder voor alle zieken en stervenden, genade en erbarming te verkrijgen. O zegen mijne godvruchtige oefening!
Inleiding.
O Heer, zie neer van uit Uw heiligdom en Uwe verheven hemelsche woning, en aanschouw het hoogheilige offer, dat U door onzen Hoogepriester, Uwen heiligen Zoon Jezus, voor onze zonden wordt opgedragen. Wees niet vertoornd over de menigte boosheden. Zie, de stem van onzen broeder, Jezus, roept tot U van het kruis. Verhoor Hem, o Heer! Laat U verzoenen, o Heer! — Zie neer op Hem, en om Uws zelfs wil draal niet, o God, daar Uw naam over deze plaats en over Uw volk aangeroepen is, en handel met ons naar Uwe barmhartigheid.
Epistel.
Is iemand onder [u in droefheid, dat hij bidde; is iemand blijde van geest, dat hij lofliederen zinge! Is iemand onder u ziek, hij roepe de priesters der
Kerk tot zich, en deze zullen voor hem bidden, en liem met olie zalven in den naam des Heeren; en het gebed des geloof» zal den zieke tot heil zijn, en de Heer zal hem oprichten, en als hij bezwaard is met zonden, zoo zullen zij hem vergeven worden. Bekent dus elkander uwe zonden, en bidt voor elkander, opdat gij heil verkrijgt: „Want veel vermag het volhardende gebed des rechtvaardigen.quot;
Evangelie.
In denzelfden tijd, dat Jezus van den berg afdaalde, volgde Hem eene groote menigte volks, en zie, een melaatsche kwam, bad tot Hem en sprak: „Heer. zoo Gij wilt, kunt Clij mij reinigen.quot; En Jezus strekte Zijne hand uit, raakte hem aan en zeide; „Tk wil, word gereinigd.quot; En aanstonds was hij van de me-laatschheid genezen. En Jezus sprak tot hem: „Draag zorg, dat gij het niemand zegt, maar ga heen, vertoon u aan de priesters en offer de gave, die Mozes bevolen heeft, hem tot getuigenis.
Toen hij echter te Kapernaüm binnengetreden was, trad een hoofdman tot Hem, bad Hem en zeide: ..Heer, mijn knecht is geraakt, en lijdt groote smart.quot; En Jezus sprak tot hem: „Ik wil komen en hem gezond maken.quot; En de hoofdman antwoordde en sprak: „Heer, ik ben niet waardig, dat Gij binnentreedt onder mijn dak, maar spreek slechts één woord, en mijn knecht zal gezond worden. Want ook ik ben een mensch, die aan de Overheid onderworpen is, en heb krijgslieden ouder mij; en wanneer Vk zeg tot den eenen: „Ga,quot; zoo gaat hij; en tot den anderen: „Kom hier!quot; zoo komt hij; en tot mijnen knecht: „Doe dat!quot; zoo doet hij het.quot; Toen nu Jezus dit hoorde, verwonderde Hij Zich en sprak tot hen, die Hem volgden: „Waarlijk, Ik zeg u, zulk een geloof heb Ik in Israel niet gevonden! Maar Ik zeg u, dat velen van het Oosten en het Westen zullen komen, en
Kruisbloemen. 18
-gt;*8 274 amp;•lt;-
met Abraham, Izaak en Jacob in 't Hemelrijk zullen aanzitten; de kinderen des volks echter zullen in de uiterste duisternis geworpen worden, daar zal zijn geween en knarsing der tanden.quot; En Jezus sprak tot den hoofdman; ..Oa heen, u geschiede gelijk gij geloofd hebt.quot; En in hetzelfde uur werd de knecht gezond.
O ffe rt o r i u m.
0 Jezus, Gij waart gehoorzaam tot in den smaad-vollen, smartelijken en troosteloozeu dood des kruises, en hebt daardoor den Hemelschen^Vaderjoneindig geëerd, en ons menschen eeuwig heil verworven. Ook ik wil mijn welzijn, mijne gezondheid en mijn leven opofferen, gaarne lijden, zoolang het God welgevallig is, sterven, wanneer God het wil, om den Vader in den Hemel te eeren, en den Hemel te verdienen! Vereenig mijn offer met het Uwe.
Consecratie.
'k Aanbid U, Jezus, nu — en zonder end In 't Hemelsbrood, in 't Godlijk Sacrament.
Mijn wil, mijn pijn en lijden.
Mijn bidden en mijn strijden Leg ik voor Uwe voeten neer;
Schenk mij Uw rijken zegen. Heer!
Mijn hart zij U gewijd.
Nu en in eeuwigheid!
0 heilig en Goddelijk Sacrament, mogen alle menschen TJ erkennen, aanbidden en eindeloos dankbaar zijn.
0 liefderijke Heer Jezus, Gij, die de zielen teeder bemint, ik bid U door den doodsstrijd van uw heilig Hart, en de smarten uwer vlekkelooze moeder, reinig in Uw bloed alle zonden der gansche wereld, maar vooral die van hen, die ziek zijn, en met den dood strijden.
Hart van Jezus, dat den doodsangst leed, erbarm 1' over mij. over alle zieken en stervenden.
Verlangen naar cl e heilige Communie.
O zachtmoedige en ootmoedige Jezus, dewijl Gij ons toeroept: „Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt, en Ik wil u verkwikken,quot; treed ik tot U met een ootmoedig hart, doch vol van vertrouwen, en verlang door dit heilig offer en Sacrament zooveel mogelijk aan Uw heilig lichaam en bloed, Uwe godheid en menschheid deelachtig te worden, en deze hemelspijze op eene geestelijke wijze te ontvangen.
Kom, o Jezus, kom in mijn hart, vervul en verkwik het met Uwen geest en Uwe genaden. O, Gij lieflijkheid mijns harten, o, Gij leven mijner ziel! Vergeef mij mijne zonden en onvolmaaktheden, neem van mij alles weg, dat mij aftrekt van U! Ik ben gewond, o Jezus, genees mij; ik ben zwak en vermoeid, verkwik en sterk mij; ik ben verblind, verlicht mij; ik ben onwetend, onderricht mij; ik ben hongerig, spijzig mij; ik ben dorstig, geef mij te drinken; ik ben onrein en bevlekt, reinig mij! Ik zie en erken mijne zonden en onvolmaaktheden. O liefderijke Jezus, bekeer mij, leid mij en bestier mij, bereid U in mij eene heilige woonplaats, opdat Gij te allen tijde in mij blijft, en ik in U, Gij, die leeft met den Vader en den Heiligen Geest. God van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen.
Xa de heilige (geestelijke) Communie.
Het lichaam mijns Heeren Jezus Christus beware mijne ziel tot het eeuwige leven. O heilige maaltijd, waarin Christus genuttigd, de herinnering aan Zijn bitter lijden vernieuwd, de ziel met genaden vervuld, en ons het pand der toekomstige heerlijkheid medegedeeld wordt!
O Christus Jezus, wasch mij en reinig mij in Uw heilig bloed van alle zonden, en verleen mij de genade, dat mijne ziel, wanneer zij van het lichaam scheidt, zuiver, rein en onbevlekt voor Uwen rechterstoel verschijne! Amen.
is*
-»? 276 S-lt;-
De ziel van Christus heiige mij,
Het bloed van Christus drenke mij,
Het water van Christus' zijde wassche mij, Het lijden van Christus sterke mij.
Gij, liefderijke Jezus, verhoor mij,
In Uwe heilige wonden verberg mij,
Van U laat nimmer scheiden mij.
Voor den boozen vijand bescherm mij,
In 't uur van mijnen dood roe]) mij,
Tot IT, o Heer, laat komen mij.
Opdat ik hier op aarde U te allen tijd.
En met Uw heilgen love in eeuwigheid!
Amen.
Dankzegging.
O Jezus, lust mijner oogen. liefde mijns harten, vreugde en jubel mijner ziei, U dank ik in eeuwig-heid, U loof en prijs ik met al mijne krachten, omdat Gij mij, onwaardig schepsel, met Uw heilig ^ leesch en Bloed op geestelijke wijze gespijzigd en aan Uw hemelsch Avondmaal deelachtig gemaakt hebt. O mijn Heiland, mijn God en al, neem door deze onmetelijke liefde alles van mij weg, wat U in mij mishaagt; vernieuw Uwen geest in mij, en vervul mijne ziel^met Uwe genade; ontvlam mijnen wil met het vuur van Uwe liefde, en maak haar geheel en al gelijkvormig aan Uwen heiligsten wil, maak mij een met U, opdat ik voortaan kunne zeggen: „Ik leef. niet ik, maar Jezus leeft in mij.quot;
Zegen.
Ons zegene de almachtige God, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest! Amen.
Na de Heilige Mis.
O Hemelsche Vader, neem van mij aan dezen schuldigen plicht, waarvan ik mij door deel te nemen aan Uw heilig misoffer heb gekweten. Vergeef mij
al mijne zonden en nalatigheden, waaraan ïk mij heb schuldig gemaakt. Aan U draag ik mij op, nu en te allen tijde, en ik geef mij geheel over in de handen Uwer goddelijke barmhartigheid. Amen.
Gebed van den Zieke tot den Engel - bewaarder.
0 leidsman op mijn levensbaan,
O Engellief, verhoor mijn beden!
Wijl ik ter kerke niet kan gaan.
Wil gij voor mij daar binnentreden,
O kniel voor mij ter plaatse neer.
Waar ik vandaag zoo graag zou bidden.
Voor mij breng 't offer onzen Heer,
Als zat ik in der schare midden.
Zeg mijnen lieven G od en Heer:
Ik schenk Hem ziel en lijf en leven;
Zeg, dat ik immer meer en meer
Naar deugd en heiligheid wil streven.
En als Hij neerdaalt op 't altaar.
Werp, Engel, u dan voor Zijn voeten,
Eu breng vooi mij d' Alzegenaar Mijn hartewensch en kindergroeten.
Mijn trouwe wachter, Engelzoet,
Breng Jezus mijnen dank en bede.
Dat Hij mij wassche met Zijn Bloed,
Mij, en den mijnen schenke vrede!
En deed mij iemand leed of pijn,
Voor hem wil Jezus extra vragen:
Hij moge hem steeds goedig zijn.
Bevrijden hem van leed en plagen!
En als de priester nutten gaat
Het Godlijk Lam, der Englen spijze,
Mijn Engel, die dit gade slaat,
Voor mij wil Jezus dank bewijzen.
Zeg Jezus, dat mijn ziele smacht,
Hem daaglijks in mijn hart te ontvangen, Hij stille door Zijn wonderkracht-Mijn hartewensch en zielsverlangen.
Dan blijf ik t.it het einde trouw.
Dan wijd ik Jezus lijf en leven Tot 'k biddend eens mijn handen vouw. Als me al het aardsche gaat begeven.
Breng, trouwe gids en wachter zoet,
Met al de zalige Englenkoren d' Oprechten dank van mijn gemoed
Den Heer, wien 'k immer wil behooren!
D. Schram.
O God! Gij weet, dat ik nu niet veel bidden kan, daarom zal mijn hart aanvullen hetgeen mijn mond niet vermag. ik sluit daarom het volgende verbond met ü: Zoo dikwijls mijn pols slaat, wensch ik U te aanbidden, te prijzen en te verheerlijken. Zoo dikwijls ik ademhaal, smeek ik U voor mij en alle schepselen om genade en barmhartigheid. Zoo dikwijls ik smart gevoel, verlang ik te boeten voor mijne zonden, en voor die van alle mensclien. Zoo dikwijls mijn hart zal kloppen, verlang ik U voor de weldaden, die Gij mij en allen schepselen bewijst, te danken, en wensch ik U van harte te beminnen, en in alle mensclien deze liefde op te wekken. Ik bid U vurig, den wil voor de daad te willen aannemen, als ik van smart en zwakte niet aan IJ kan denken.
Verbond met God voor het Stervensuur.
Jezus, mijn Heer, algoede God, Va dei van erbarming ! ik treed voor U met een nederig, vermorzeld en beschaamd hart; ik beveel aan U mijn laatste uur en alles, wat mij daarin te wachten staat.
Als mijne voeten, niet meer in staat zijnde, zich te bewegen, mij zullen herinneren, dat mijn loopbaan op deze wereld ten einde loopt: dan, barmhartige Jezus, erbarm IJ mijner!
Wanneer mijne bevende en verlamde handen Uw kruisbeeld niet kunnen omvatten en vasthouden, maar het tegen mijn wil op mijn leger der smart laten neervallen: dan, barmhartige Jezus, erbarm U mijner!
Als mijne verduisterde en door den naderenden doodsangst gebroken oogen nog eenmaal tot ü de matte, stervende blikken richten: dan, barmhartige Jezus, erbarm Tquot; mijner!
Wanneer mijne koude en bevende lippen Uw aangebeden naam voor de laatste maal uitspreken; dan, barmhartige Jezus, erbarm U mijner!
Wanneer mijne ooren, die nu spoedig voor elke menschelijke spraak gesloten zullen zijn, zich zullen openen, om Uwe stem te hooren, terwijl zij het onherroepelijke vonnis uitspreekt, dat mijn lot voor de gansche eeuwigheid bestemt: dan, barmhartige Jezus, erbarm U mijner!
Als mijn geest, door vreeselijke schrikbeelden beangstigd, in doodelijke treurigheid zal wegzinken; als mijn ziel, benauwd bij den aanblik mijner zonden en bevreesd voor Uw gericht, strijdt tegen de geesten der duisternis, die mij het troostrijke uitzicht op Uwe barmhartigheid willen benemen, en mij in den afgrond der vertwijfeling willen storten: dan, barmhartige Jezus, erbarm U mijner!
Als mijn krachteloos hart, gedrukt door de smarten der ziekte en aangegrepen door de vreeze des doods, door den strijd tegen den vijand mijner ziel
geheel uitgeput zal zijn: dan, barmhartige Jezus, er-barm U mijner!
Als ik mijne laatste tranen, de teekenen der ontbinding, stort, neem ze dan aan als een zoenoffer, opdat ik als een waar zoenoffer van deze aarde scheide; in dit verschrikkelijk uur, barmhartige Jezus, ontferm U mijner!
Als mijne bloedverwanten en vrienden, die om mij verzameld staan, zich over mijn lijdenden toestand bedroeven, en Uwen naam voor mij aanroepen: dan, barmhartige Jezus, erbarm U mijner!
Wanneer de laatste stuiptrekkingen mijne ziel zullen dwingen van het lichaam te scheiden, neem dan deze zuchten aan als teekenen van een heilig ongeduld, om tot U te komen, en dan, o barmhartige Jezus, erbarm IJ mijner!
Als mijne ziel, op mijne lippen zwevend, voor altijd uit deze wereld zal scheiden, en mijn lichaam bleek, koud en stijf zal achterlaten, neem dan deze ontbinding van mijn aardsche wezen aan als eene hulde, die ik uwer Goddelijke Majesteit breng, en dan, barmhartige Jezus, erbarm U mijner!
Wanneer eindelijk mijne ziel voor U zal verschijnen, en voor de eerste maal den onsterfelijken glans Uwer heerlijkheid zal zien, o verstoot mij dan niet van Uw aangezicht, maar verwaardig U, mij op te nemen in den schoot Uwer barmhartigheid, opdat ik U eeuwig psalmzinge. Dan ook, barmhartige Jezus, erbarm U mijner!
Gebed.
O Gij, die ons veroordeeld hebt te sterven, maar het uur en het oogenblik des doods voor ons verborgen houdt, geef, dat ik in gerechtigheid e;i heilig streven alle dagen mijns levens doorbrenge, opdat ik waardig worde, in Uwe heilige liefde uit deze wereld te scheiden, door de verdiensten van onzen Heer Jezus Christus, die in alle eeuwigheid met U leeft en regeert. Amen.
-»S 2S1 §♦lt;-
onze goede Moeder van aitijddurenden Bijstand.
Moeder Gods en Moeder mijn!
Laat mij steeds ganscli de uwe zijn;
De uwe in leven en in dood;
De uwe in ongluk, angst en nood;
Dp mee in kruis en bitterheid;
De uwe in tijd en eeuwigheid.
Moeder Maagd en Moeder mijn,
Laat mij steeds gnnsch de uwe zijn!
Moeder! — op u hoop en bouw ik,
Moeder! — op u steeds vertrouw ik,
Moeder l ■— wees mij arme goed,
Moeder! — steeds uw kind behoed.
Moeder! — gij, deemoedige, heb medelij. Moeder! — gij, zachtmoedige, sta steeds mij bij 0 Moeder! kom, help bidden mij, 0 Moeder! — kom, help strijden mij, 0 Moeder! - kom, help lijden mij,
0 Moeder! hoor mijn noodgeschrei! Gij kunt mij helpen, — o algoedige.
Gij wilt mij helpen, — zachtmoedige.
Gij moet mij helpen, — o zoete vrouwe. Gij zult mij helpen, — gij meest getrouwe! O Moeder van het vleeschgeworden Woord, Des zondaars toevlucht, gij Hemd poort. Der zielen hulp, gij schutsvrouw in gevaar. Der droeven troost, strek ons tot beukelaar! Wie heeft ooit vergeefs u om hijstand gevraagd? Wie vruchtloos, o Moeder, zijn nood u geklaagd? Niet één heeft ooit ijdel om hulpe geschreid: Maria, ons Moeder, zij helpt ons altijd.
Ik roep vol vertrouwen in lijden en nood:
Maria helpt immer, bij leven en dood.
Maria, mijn Moeder, de Bruid van den Geest, Zal brengen mij eens op het eeuwige feest.
-gt;•§ 282
Moeder Clods en Moeder mijn.
Laat mij steeds gansch de uwe zijn! Uc mve in leven en in dood,
De uwe in ongluk, angst en nood, De uwe in kruis en bitterheid, De mee in tijd en eeuwigheid! Moeder Maagd en Moeder mijn. Steeds wil ik gansch de wee zijn!
O mijn Clod en Heiland! ik voel het, mijn laatste uur nadert. Gij hebt mij zoo lang beschermd, geleid en gewaarschuwd, en wanneer ik desniettegenstaande gevallen ben, gij hebt mij opgezocht en opgericht. O help mij, ik smeek IJ, deze laatste schrede te doen, die mij tot U voert. Laat mij recht gevoelen, dat alles, wat ik hier moet achterlaten, niets is in vergelijking van hetgeen ik daar vind; laat mij beseffen en gevoelen, dat mijn hart, hetwelk altijd zooveel behoefte aan liefde had, rust zal vinden in U, die de bron aller liefde zijt. Zie, ik kus uwe heilige voeten, die den kruisweg voor mij gegaan zijn. Ik hef mijne oogen op, tot Uw met doornen gekroond hoofd, dat tot mij nederbuigt en mij zoo vriendelijk aanziet; ik leg mij aan Uwe borst; laat Uwe gewonde handen mij dragen naar den troon Uws vaders, en smeek om medelijden voor mijne zwakke ziel, die zulk een diep berouw gevoelt over hare zonden. Gij hebt mij immers met Uw bloed gekocht, laat mij niet verloren gaan. Zie, ik verlang naar U en begeer-niets meer dan U. De Uwe ben ik in den dood, en wanneer ik het in het leven niet altijd was, zoo leg Uwe verdiensten op de weegschaal van mijne nietswaardigheid, en ik zal met vreugde ingaan in het rijk van Uwen Hemelse hen Vader. Jezus, hier ben ik. Jezus, neem mij aan! Jezus, behoed mij in eeuwigheid! Amen.
Mevrouw de Debordes.
De heilige Kruisweg tot Troost voor Bedroefden en Lijdenden.1)
O mijn Jezus, zie, in mijne bekommernis (in mijnen nood en vooral in deze mijne noodwendigheden), kom ik tot U. Ik zou U gaarne op Uwen kruisweg vergezellen, en door de aanscliomving van Uw kostbaar, maar smartelijk lijden, troost, moed en levensvreugde putten.
Van ganscher harte heb ik berouw over mijne zonden! Zij zijn het, die U tot den kruisdood hebben gevoerd!
Ik geloof aan TJ en aan nil es, wat Gij ons door onze heilige katholieke Kerk beveelt te gelooven; ik hoop op U, op vergeving mijner zonden, en de eeuwige zaligheid; ik bemin U altijd en immer, en boven alles, o mijn God en mijne eeuwige Zaligheid! en in deze liefde wil ik leven, lijden en sterven.
Schenk mij de heilige aflaten der Staties, ik bid U nederig daarom, en vooral wensch ik den eersten vollen aflaat voor mij zelf, en alle overige volle of gedeeltelijke aflaten voor de mij dierbare, afgestorven zielen in het vagevuur (in het bijzonder voor . . . .) te verdienen. En zoo begin ik den heiligen weg
Tot verkrijging van de kruisweg-aflaten is onvoorwaardelijk noodig:
1. dat men bij het bezoek der veertien staties het lijden van Christus aanschouwe, of ten minste met aandacht aan eehe omstandigheid uit het leven van Christus denke;
2. dat men van de eene statie naar de andere gfa, of wanneer men uit zwakte of door eene te groote volksmenigte niet gaan kan, eene kleine beweging make, en zich naar de volgende statie keere, of het hoofd daarheen wende;
3. dat men de veertien staties zonder onderbreking of in eens bezoeke. Zieken, die den kruisweg in huis of op hun bed bidden, en niet
van de eene statie naar de andere kunnen gaan, moeten, om den aflaat te verdienen, het met den kruisweg-aflaat voorziene kruis in de hand houden, en 20maal het ,,Onze Vaderquot; en liet „Wees gegroetquot; bidden. Zij, die zwaar ziek zijn, en deze gebeden niet kunnen bidden, kunnen voor het gewijde kruis een formulier van berouw uitspreken en het schietgebed : „Dit bidden wij l'. kom Uwen dienaar te hulp, dien Gij met Uw kostbaar bloed verlost hebt!quot;
-gt;•? 2Si lo
onde r geleide van de zalige Maagd en Moeder Maria, van mijnen engelbewaarder en alle lieve heiligen, en ik smeek IJ, laat hij mij, o Jezus, tot nut en heil strekken voor tijd en eeuwigheid! Amen.
I. Statie.
Jezus wordt ter Dood veroordeeld.
Wij aanbidden F, o Jezus, en danken U!
Wijl Gij door Uw heilig kruis en onschuldig sterven de heele wereld verlost hebt. Amen.
Betrachting.
Jezus, de reinste, de heiligste, wordt als misdadiger door Zijne onrechtvaardige rechters ter dood veroordeeld — en ik zou meenen, dat ik mijn lijden (mijne ziekte), mijn zwaar kruis niet verdien? Ben ik misschien onschuldig? Wat deed Jezus, dat Hij veroordeeld werd? Wat deed ik? Heb ik geene zonde begaan? Geene straf verdiend? Geschiedt mij geen recht ?
Gebed.
O Heer! Gij hebt gezegd: ..Komt allen tot Mij, die belast en beladen zijt!quot; Zie, ik kom, ik aanschouw Uwe smarten — want mijne ziel is bedroefd en moedeloos!
Stem van Jezus:
Mijn kind! toen Ik Mijn doodvonnis vernam, liet Ik Mij niet ontmoedigen — Ik dacht aan de zondaren, en dat hunne vergiffenis het loon voor Mijn lijden moest zijn — en in Mijne liefde vond Ik kracht tot het lijden. Volg Mij!
Gekruisigde Heer Jezus! erbarm U onzer! (Na iedere statie.) (Zoo mogelijk:) „Onze Vaderquot; enz. ,,Wees gegroet, Maria,quot; enz.
-gt;^ 285 §lt;-
Jezus neemt liet Kruis op Zijue heilige Schouders.
Wij aanbidden U, o Jezus, en danken U!
Wijl Gij door Uw heilig kruis en onschuldig-sterven de heele wereld verlost hebt. Amen.
Betrachting.
Jezus heeft Zijn kruis niet vreugde begroet, heeft het aangenomen en op Zich geladen, en ik zou daarvoor terugschrikken? Is het niet, als het ware, gewijd, door de omarming van Jezus? In Zijne hand werd het toen reeds het teeken van ons eeuwig heil, uit Zijne hand blijft het voortdurend een onderpand Zijner liefde. Het kruis van Jezus, het zij ziekte of lijden, armoede of vervolging, ongeluk of rampspoed, ik wil het liefhebben, aannemen — op mij nemen, en het Hem nadragen.
Gebed.
O, mijn Verlosser! Hoe zwaar was toch Uw kruis! Hoe kondt Gij het aanzien, zonder ervoor te beven! Hoe moedig hebt Gij het op U genomen, zonder U te beklagen!
Stem van Jezus:
Mijn kind! Zoo het kruis u beminnenswaardig schijnt, neem het dan uit de hand uws Vaders, en draag het Hem na in liefde en zelfverloochening!
De eerste Val onder het Kmis.
Wij aanbidden U, o Jezus, en danken U!
Wijl Gij door Uw heilig kruis en onschuldig sterven de heele wereld verlost hebt. Amen.
Betrachting.
Gij valt ter aarde, o Jezus! onder het gewicht van Uw kruis! Dat deedt Gij, opdat geen lijden en geen
-gt;•? 286
kruis ons, Uwe kinderen, zou doen neder zinken. Gij wildet onze zwakheden dragen, opdat wij zouden kunnen volharden; Gij wildet den zwaren last dragen, opdat wij dien minder zouden voelen. Sta op, lieve Jezus! — Wij willen ons door onze kleine kruisen niet ter aarde laten werpen, maar op U vertrouwen en TJ navolgen!
Gebed.
Hoe dikwijls, mijn God! bezwijkt mijne kracht, de moed verlaat mij — het licht van mijn geloof wordt uitgebluscht!
Stem van Jezus:
Arme ziel! Verwondert het u, dat gij zwak zijt? Leer u toch vernederen en blijf vast in de hoop. Job .zeide: „En al wildet Gij mij dooden, o Heer, ik zou niet ophouden met op U te hopen!quot;
Jezus komt Zijne licilige Moeder tegen.
Wij aanbidden IT, o Jezus, en danken U!
Wijl Gij door Uw heilig kruis en onschuldig «terven de heele wereld verlost hebt. Amen.
Betrachting.
O mijn Jezus! He smart, die Gij door Uw bitter lijden Uwe, U boven alles dierbare Moeder moest bereiden, was voor U erger dan al Uwe vreeselijke lichaamssmarten. De deelneming mijner verwanten, het medelijden mijner beste vrienden doet mij dixwijls meer leed dan de smarten der ziekte: maar Gij wilt ons een voorbeeld geven van volkomen overgeving. Uwe heilige moeder nam deel. aan Uw heilig lijden — zij zal ons ook helpen, ons kruis te dragen — zij zal ons medelijdend te gemoet komen — en ons •leeren te lijden, zooals ons betaamt, U te dienen, zoo-.als ons past, immer en in iederen vorm, te allen tijde.
Gebed.
O Jezus! de ontmoeting met Uwe Moeder, hare smart, hare teederheid, hare tranen, hoe moesten zij Uwe ziel bedroeven!
Stem v a n J e z u s.
Mijn kind! de onmacht van onze liefde te voelen is geene zonde, het is eene gelegenheid tot goede werken. Als gij uit liefde tot God strijd voert tegen uw eigen hart, denk dan aan Mij, hoe Ik Mijne heilige moeder te gemoet kwam.
Simon van Cyrene helpt Jezus het Kruis dragen.
Wij aanbidden U, o Jezus, en danken U!
Wijl Gij door Uw heilig kruis en onschuldig sterven de heele wereld verlost hebt. Amen.
B et r a c h tin g.
De uitgeputte Heiland kan Zijn kruis niet langer alleen voortsleepen. Hij is op het punt van te bezwijken — men dwingt den man uit Cyrene, Hem het kruis te helpen dragen. Achten wij ons zelve gelukkig, dat wij een kruis, een lijden (eene ziekte) hebben, die ons tot den Simon maakt, die zijnen Heer het kruis nadraagt. Doen wij het vol ootmoedige liefde. Danken wij ook alle onze vrienden, deel-nemendèn, helpers en troosters in ons lijden — het zijn Simons, die God ons schenkt, opdat zij ons zouden helpen ons kruis dragen. Bedenken wij dat met een hart vol dank en liefde!
G e b e d.
Slechts een heiden vonden zij, om TJ te helpen, o Jezus! Ach, hoe pijnlijk is mij deze ervaring! Laat mij, bid ik U, Uw Simon van Cyrene worden, opdat ik U het kruis nadrage in heiligen ootmoed.
-»8 288 S^-
Stem van Jezus.
De menschen zijn zwak, God is getrouw, mijn kind! Verlaat u niet op de menschen alleen, wees niet verwonderd, als uwe vrienden u verlaten. „Ik heb rondgezien, of niemand kwam om Mij te troosten, en er kwam niemand.quot; Ik lieb u reeds dikwijls gezocht en niet gevonden.
Veronica reikt Jezus den Zweetdoek.
Wij aanbidden U, o Jezus, en danken U!
Wijl Gij door Uw heilig kruis en onschuldig sterven de heele wereld verlost hebt. Amen.
Betrachting.
De vrome vrouw dringt vol medelijden door tot haren Heer; zij is niet bevreesd voor de soldaten, noch voor hun schelden en vloeken. Zij vindt gelegenheid, Hem door het overreiken van eenen doek eenen kleinen dienst te bewijzen. En Hij beloont dien zoo grootsch en heerlijk! Hij droogt Zijn verontreinigd, door bloed en zweet misvormd, heilig gelaat af, en drukt op dien doek voor eeuwig Zijn heilig beeld af. O Jezus, druk ook in ons hart Uw dierbaar beeld, en laat ons niet bevreesd zijn voor vervolging, toorn, woede of verachting, wanneer wij U kunnen dienen en welgevallig zijn.
Gebed.
O Jezus, welk eenen troost schonkt Gij die heilige vrouw door de bijzondere genade, dat zij het aanbiddelijk gelaat van haren goddelijken Meester op haren doek afgedrukt vond!
Stem van Jezus.
Zie, Mijn kind, wat men wint, als men Mij navolgt op den weg der droefenis. Dezen dierbaren vrienden Mijns harten is zulk eene buitengewone genade als loon voor hunne grootmoedigheid voorbehouden.
¥11. Statie Jezus valt tcu tweeden male onder liet Kruis.
Wij aanbidden U, o Jezus, en danken U!
Wijl Gij door Uw heilig- kruis en onschuldig sterven de heele wereld verlost hebt. Amen.
Betrachting.
Lieve Jezus ! Herhaaldelijk werpen onze zonden U ter aarde. Gij ondergaat deze machteloosheid, opdat wij zouden volharden — niet zouden vreezen, kleinmoedig neer te zinken — of moedeloos onder onze smart te bezwijken. Gij staat op en vervolgt Uwen weg ten dood — met Uwe genade willen wij U volgen.
Gebed.
Goddelijke Heiland! Gij valt andermaal ter aarde, en vervolgt nochtans moedig Uwen lijdensweg.
Stem van J ezus.
Herhaaldelijk ben Ik ter aarde gevallen, om den moed der zwakke zielen te doen herleven. Ach, het bedroefde Mij tot in het diepste Mijns harten, als Ik moest zien, hoe gij de barmhartigheid Mijns vaders wantrouwdet, en aan uw eeuwig zielenheil twijfeldet! Spaar mij dit leed.
Wij aanbidden U, o Jezus, en danken U!
Wijl Gij door Uw heilig kruis en onschuldig sterven de heele wereld verlost hebt. Amen.
Betrachting.
De dochters van Jeruzalem, de vrome vrouwen, volgen U — zij geven mij het schoone voorbeeld, dat ik wil navolgen. Mijne plaats is bij Jezus — mijne straat is die van den heiligen kruisweg — niijn weg
Kruisbloemen. 19
-gt;•§ 290
voert tot Hem! — Voortaan vrees ik kommer noch zorg, lijden noch ziekte! u vrees ik niet meer, sedert gij mij met Jezus leerdet weenen.
Gebed.
Mijn liefderijke Heiland, hoe kostbaar waren Uwe woorden voor deze treurende, van iederen troost beroofde zielen! Ach, spreek ook tot mij, te midden van mijne smarten en zielenooden!
Stem van Jezus.
Mijne dochter! Zalig zijn zij, die weenen om hunne zonden —• zij zullen getroost worden. Ik zelf zal hunne tranen drogen.
lgt;e derde Val van Jezus onder het Kruis.
Wij aanbidden U, o Jezus, en danken TI!
Wijl Gij door Uw heilig kruis en onschuldig sterven de heele wereld verlost hebt. Amen.
Betrachting.
Herhaaldelijk bezwijkt Gij onder het vreeselijk gewicht van Uw kruis, o mijn arme, liefste Jezus! Wel helpt Simon van Gyrene U het kruis dragen, maar hij draagt niet den zondenlast, niet het zware gewicht van de misdaden en tekortkomingen, die Gij op U geladen hebt. En deze zijn het, die U ter aarde werpen. En na dit alles zou ik nog zondigen!
_ nog klagen! — nog morren, wanneer ik te lijden
heb! O help mij, liefste Heiland! nooit, nooit weder eene zonde!
Gebed.
O Jezus, ik zie U reeds weder met het heilig aangezicht ter aarde! En nochtans staat Gij met vernieuwden moed weder op.
-•gt;•? 291 S^-
Stem van Jezus.
Geduld! Mijn kind! geduld! Verlies nooit uw vertrouwen. Het leven des menschen is een voortdurende strijd, maar Grod beproeft hem niet boven zijne krachten, en groot zal eens uw loon zijn in den hemel.
Jezus wordt \au Zijne Kleedereu beroofd.
Wij aanbidden U, o Jezus, en danken U!
Wijl Gij door Uw heilig kruis en onschuldig sterven de heele wereld verlost hebt. Amen.
Betrachting.
De soldaten verdeelen Uwe kleederen onder elkander — zij werpen den teerling om Uwen rok — de gerechtsdienaars rukken U alles, wat U bedekt, wreedelijk van het lichaam — uit duizend opengereten wonden druipt Uw bloed — van al het Uwe beroofd, naakt en arm wildet Gij U aan het kruis laten slaan! En ik! Zal ik bij het zien van zulk eene liefde nog van offers, van ontbering, van onbevredigde nooden spreken? Mag ik mij arm noemen tegenover deze naaktheid?
G e b e d.
O mijn Jezus! hoe veel lijdt Gij! Geheel Uw heilig lichaam is nu ééne enkele wonde.
Stem v a n J e z u s.
Ik lijd als verzoening voor alle zondige gehechtheid en om U te leeren, U van alles, het meest van Uw eigen wil, los te maken. Wilt gij eens den hemel bezitten, zoo leer en streef er met volharding naar, u van alles los te maken. De strijd zal lang zijn, en de natuur moet gekruisigd worden, maar Ik zelf zal ii ondersteunen.
■
10'
292 ?«-
Jezus wordt aan het Kruis g-onayeld.
Wij aanbidden U, o Jezus, en danken U!
Wijl Gij door Uw heilig kruis en onschuldig sterven de lieele wereld verlost hebt. Amen.
Betrachting.
O mijn Jezus! Gij, de heilige, de beste, de reinste, hangt smadelijk aan het kruis! Ik sidder voor de grootte Uwer liefde! God aan het kruis, en de zondige menschen zijne beulen! Moet ik niet trotsch zijn, eveneens een kruis het mijne te kunnen noemen? Moet. het den leerling beter gaan dan den Meester? Schaam u lafhartige ziel! Leg u geduldig, ja, vol vreugde op het kruishout! Het is Jezus' legerstede geworden! Laat het ook de uwe zijn! Ik verlang niets anders, dan wat Gij wilt, o Jezus, en wat Gij over mij beschikt.
Gebed.
O mijn trouwe Heiland! Hoe lang was de tijd van Uw lijden! Hoe bitter de kelk, dien Gij te ledigen hadt! En de schrikkelijkste aller pijnen, de nageling aan het kruis, ook die moest Gij verduren!
Stem van Jezus.
Heb moed, mijn kind! Een kort oogenblik van kommer verwerft ons eene buitengewone maat van heerlijkheid. Wanneer smart en ziekte u aan uwe lijdenssponde kluisteren, zoo beschouw dit als uw kruis, en denk aan uwen gekruisigden Verlosser.
Jezus sterft aan liet Kruis.
Wij aanbidden U, o Jezus, en danken U!
Wijl Gij door Uw heilig kruis en onschuldig sterven de heele wereld verlost hebt. Amen.
-gt;*8 293
Betrachting.
Met doodsbleeke lippen roept Gij Uw „Consum-inatum estquot; .,Het is volbracht!quot; Alles, alles is voorbij! Uw lijden is voorbij, Uw liefderijk hart is gebroken. — Help ook ons aan een zalig einde, ik bid er U vurig om! Als wij recht geduldig volharden op ons kruis — wanneer wij met Jezus gekruisigd zijn — met Hem alles gedragen en geleden hebben, wat Hij ons gezonden heeft, — dan zal de dood geenszins zoo verschrikkelijk zijn — dan zal Jezus ons helpen sterven. Hij heeft het zelf ondervonden. Hij kent de smart van den doodsstrijd. Hij zal- ons dien verlichten.
Gebed.
Wat hoor ik? God, mijn heilig voorbeeld, sterft. Gij zijt het, die uitroept: „Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?'- Zijt Gij het, die daar sterft? En voor ons! Voor mij!
Stem van Jezus.
Ach, mijn kind, had Ik die woorden niet uitgeroepen, zoo waart gij niet bekend geworden met die allerbitterste smart, die Mij kwelde, met het zwaarste van Mijn lijden. Als het den Heer behaagt, U te verlaten, zoo geef u geheel in Zijne handen over.
Jezus lt;gt;igt; (leu Schoot van Maria.
Wij aanbidden U, o Jezus, en danken U!
Wijl Gij door Uw heilig kruis en onschuldig -sterven de heele wereld verlost hebt. Amen.
Betrachting.
Op den schoot zijner maagdelijke Moeder heeft men Hem neergelegd, om hare laatste liefkoozing te ontvangen. Hoe schoon zou het voor mij zijn, als ik dood zijnde, aan haar hart mocht rusten tot mijn zalig ontwaken in de eeuwigheid! Ik wil mij m mijn lijden
vastklemmen aan de lieve Moeder Gods, zij is bereid ons allen in haren schoot te bergen, en onder harea dekmantel te behoeden tegen Gods strenge gerechtigheid. De Heilige Kerk is ook het zinnebeeld der goddelijke Moeder, hoe goed zijn wij geborgen in den schoot onzer dierbare Katholieke Kerk!
Gebed.
O zoete Moeder Maria! Het is uw dierbare Zoon, dien gij zoo teeder in uwe armen houdt. Hvj is verslagen — vermoord — vernietigd — een lijk! Eu dat voor mij! voor mij\ie zonden! O, vergeef, en smeek ook Hem voor mij om vergeving!
Stem van Maria.
Zie, mijn kind! zij hebben mijnen eenigen Zoon,, zij hebben mijnen Jezus vermoord! „O Jezus, zachtmoedig, nederig, gehoorzaam tot in den dood des kruises,quot; zoo moet gij tot Hem roepen. Hij heeft mij tot uwe Moeder gemaakt, heeft ons in liefde willen vereenigen, en wenscht, dat gij, mijn kind, op mijnen schoot beter en volmaakter zult worden. Amen.
Jezus wordt in het Graf g-eleg-d.
Wij aanbidden U, o Jezus, en danken ü!
Wijl Gij door Uw heilig kruis en onschuldig sterven de heele wereld verlost hebt. Amen.
Betrachting.
Ook mij wacht een graf. Ook ik zal daar het einde van mijn lijden en mijnen strijd vinden. Zal ik het vreezen? Neen, want Jezus heeft het geheiligd, en den dood zijn prikkel ontnomen. Hij is niet in het graf gebleven, maar weder opgestaan, en ook hierin zullen wij Hem gelijk zijn; wij zmllen, wanneer wij met Hem gestorven zijn, eeuwig met Hem leven in Zijne heerlijkheid.
—295 é^lt;—
Gebed.
O Jezus, help ons moedig strijden tot aan liet einde! Hebben wij volhard, hebben wij geloofd en gehoopt, dan zal ook voor ons de dood een overgang zijn tot een beter leven. Geef ons deze genade door Uwe liefde, door Uwen kruisdood! Amen.
Stem van Jezus.
Volhard, wees moedig, vertrouw! Na het graf komen vrede, rust en glorie. Dar, deze hoop u sterke!
Het geheele geheim der liefde toont zich in de grootte en menigvuldigheid Zijner smarten.
Het gansche geheim der grootmoedigheid, en de overgeving der heiligen toont zich in de kracht hunner liefde tot God !
Hij heeft ons het eerst liefgehad! Hij heeft zich geheel voor ons opgeofferd. O afgrond van liefde!
De trouwe kinderen Gods kennen niets boven Jezus, den gekruisigde. Zij bidden: „Lijden of sterven!quot;
Eeuwige Vader! Ik draag U op deze heilige lijdensoverdenking. Moge ze mij heilzaam zijn!
Ik draag U op alle heilige verkregen aflaten. Mogen ze mij naar mijne in den beginne gemaakte intentie nuttig en werkdadig zijn.
Ik draag U op het kostbare bloed van Jezus Christus, dat tot delging van onze zonden en voor de behoeften van onze dierbare. Katholieke Kerk vergoten is. Amen.
Vij'/ enz., „Onze Vaderquot; en?.., vijf „Wees gegroetquot; enz., vijf „Eere zij den Vader,quot; enz., ter eere van het lijden van Christus. Daarna noy één „Onze Vader,quot; één „Wees gegroet,quot; éên „Eere zij den Vaderquot; voor Zijne Heiligheid den Fans.
7
-gt;8 29G
Gebed van den Aartsbisschop Clemens August von Droste-Vischering-.
(f den 19. October 1845.)
Mijn Heer en mijn God! Vorm mij naar Uw hart en geef, dat ik Uw kruis op mij neme en U volge, waar Gij gaat! Uw weg voert hooger dan het kruis Amen.
t
bladzijde
Voorrede bij de eerste uitgave ..... V Voorrede bij de tweede en derde uitgave . . VII
Preludium . ....... 9
Tot lijden bestemd. - Het Lijden in 't algemeen.
Waartoe zijn wij van God geschapen? . -15
Geduldig lijden verzekert ons de eeuwige belooning 18
Christus heeft ook geleden . . . . . .21
Het Lijden is een Geheim des Geloofs ... 24
Bemint God ons, Zieken, minder dan de Gezonden? . 26
De Leerschool van het Lijden ..... 27
De Beginselen in de Leerschool van het Lijden . 28
Hoe goed had God het met mij voor! ... 32 Het Lijden is een Keten, die van de Aarde tot den
De Overweging van Jezus' Lijden bevat grooten Troost 37 Wees altoos Nederig en Bescheiden . . . .38
De H. Katharina van Siëna ...... 40
Wees niet bevreesd, geen Gebed blijft onverhoord . 4(
Het Credo der Lijdenden ...... 44
Ziek, en zonder Kerk45
Wees Liefderijk jegens uwe Verplegers! ... 48
bladzijde
Wees Vriendelijk jegens hen, die u bezoeken . . 52
Bemin zelf, opdat men ook u Beminne ... 54
De Vijand der Zieken...... . 56
Wij moeten in onze Ziekte goedhartig jegens andere
Wees Gehoorzaam aan den Dokter . . . . 61 Wij moeten den Dokter Dankbaar zijn ... 63 Neem nimmer tot Wonderdokters of bijgeloovige hulpmiddelen uwe toevlucht ...... 66
Oud Lied..............68
God zorgt voor de Toekomst.....69
Welk een Geluk voor ons, dat de Toekomst ons Ver-
|
borgen is..... |
• 71 | |
|
Gethsemane. | ||
|
De Olijfberg ..... |
77 | |
|
„Mijne ziel is bedroefdquot; . |
7S | |
|
Het Gethsemane der Lijdenden |
79 | |
|
Het Loon van den Hovenier . |
82 | |
|
Vader, niet Mijn Wil, maar Uw Wil |
gamp;schiede! . | |
|
,.Uw Wil geschiede!quot; |
«3 | |
|
Gods Wil...... |
88 | |
|
Wij mogen niets Afdwingen . |
89 | |
|
,,Heer, zooals Gij wilt!quot; . |
90 | |
|
Frederika...... |
93 | |
|
Het Vrome Herdersknaapje |
95 | |
|
Zieken moeten veel Bidden |
96 | |
|
Steun niet op Menschelijken Troost |
9S | |
|
En er verscheen een Engel van den |
Hemel en ver- | |
|
sterkte Hem ..... |
101 | |
|
Slapeloos 1 . . . |
102 | |
|
Slapeloos 11 .... . |
I03 | |
|
Slapeloos UI ... . |
106 | |
|
In den Stillen Nacht |
109 | |
|
Wees niet verstoord, als uwe Verplegers slapen . |
IIO | |
|
Het Nachtlicht..... |
113 | |
|
Gevangen ...... |
114 | |
bladzijde
„Wij gaan op naar Jeruzalemquot;.....119
Over het Kruis . . . . . . • . I21
Gedachten over het Kruis I—II.....122
Uit de Schriften der Heiligen ..... 127
Verborgen Kruisen . . . . . . . .128 God geeft ons Kruis de maat, den last, die voor ons
kracht en schouders past . . . . .129
Het Kruis, dat men zich zelf maakt .... 132
Het dagelijksch Kruis I.......133
Het dagelijksch Kruis II . . . . . . . 135
Niet ieder draagt zijn Kruis even verdienstelijk , . 137
Hoe men het Kruis moet dragen ..... 140
Wij moeten het Kruis in Eenvoud dragen . . . 141
Ook ons zendt God dikwijls een Simon van Cyrene . 145
De eerste Val onder het Kruis I.....152
De eerste Val onder het Kruis II.....155
Aan het Kruis Vastgebonden.
De Omstanders bij het Kruis op Golgotha . . . 164
Staan onder het Kruis.......166
Verzuchting tot Jezus'Heilig Hart.....168
De Ordebroeder en het Kruisbeeld .... 168
Weersgesteldheid en Jaargetijde ..... 171
„Consummatum esl!quot; — „Het is volbracht!quot;
bladzijde
Er is een Eeuwig Leven . . . . . iSo
Draag Zorg voor uwe Ziel ...... 1S2
Het Geloof sterkt ons in ons Stervensuur . . . 191
Verlangen naar den Hemel ...... 191
Verlangen naar den Dood ...... 192
Aan den Ingang des Hemels......195
Door den Dood tot God ...... 197
Wie God lief heeft, behoeft Hem niet te vreezen . 200
Is de nood het hoogst, dan is God het meest nabij . 201
Xeem ook tot de Heiligen uwe Toevlucht . . . 203
De H. Barbara als Patrones in het Stervensuur . . 207
God heeft alles wel gemaakt. Over den Troost, die aan het Ziekbed verbonden is, en hoeveel Vreugde uit het Lijden ontstaat.
Het Lijden brengt ons nader tot God . . . .211 Naar een oud Lied . . . . . . . -214
Zieken kunnen door Woord en Voorbeeld nuttig zijn III 217 En wat deed ik? . . . . . . . .219
Hoe Dwaas zijn dikwijls onze Wenschen! . . 220
Jezusquot; H. Hart ......... 223
Het Ziekbed heeft ook zijne Vreugde 1, . . . 224
Het Ziekbed heeft ook zijne Vreugde 2. 3. 4. . . 228
Laat mij de Smart ........ 237
301 Sx-
bladzij dfc
Eens wordt alles opgehelderd.....23S
De Phantasie of Verbeelding bij den Eenzamen Zieke 239 Zelf gevangen zijnde kunnen wij anderen Gevangenen
weldoen of van hen leeren ...... 243
Menige schoone Zending is ons Zieken opgelegd . 245
De eerbiedwaardige Maria Crescentia .... 2^0
Vreugde in het Lijden . . . 253
Alle Vragen opgelost ....... 256
Eenige Regels tot Troost der Zieken 260
Aanhangsel: Gebeden der Zieken.
Morgengebed van den Zieke . . . . 265
Avondgebed van den Zieke ...... 268
De Heilige Mis te huis . . . . . . . 271
Gebed van den zieke tot den Engel - bewaarder . . 277
Verbond met God voor het Stervensuur . . . 279 Gebed in Nood tot Maria, onze goede Moeder van
altijddurenden Bijstand......281
De heilige Kruisweg tot Troost voor Bedroefden en
Gebed van den Aartsbisschop Clemens August von Droste - Vischering.......296
Uittreksels uit beoordeelingen van de „Kruisbloemenquot;
Tante Emmy. (Levensbeschrijving) .... 305
Uittreksels uit beoordeelingen van de „Kruisbloemenquot; van Emmy Giehrl.
Het officieele orgaan voor de aartsdiocesen Münclien en Freising.
De door andere geschriften bekende schrijfster is reeds sedert meer dan vijf en tu intig jaar aan het ziekbed gekluisterd. Daar heeft zij geleerd, met Christenzin ziek te zijn, en was daardoor in staat, een schoonen troost voor zieken te schrijven, en tevens een handboek voor ziekenbezoekers en ziekenverzorgers.
De geest, dien liet geheel ademt, is inderdaad de spiegel van eene reine, aan God gewijde ziel. Voorbeelden uit het dagelijkseh leven, en toonbeelden uit liet leven der heiligen, proza en poëzie, het persoonlijke en het algemeene volgen elkander in bekoorlijke afwisseling op. Het boekje verdient zieken en allen, die met zieken omgaan, aanbevolen te worden. Wij vestigen op dit boekje vooral de aandacht onzer eerwaarde zielzorgers, die heti zelf met nut gebruiken en zeker gaarne verspreiden zullen.
De Bamberger pastorale Courant Nr. 35.
Wij kunnen niet anders dan de verschenen, hoogst gunstige oordeelvellingen uit eigen ondervinding bevestigen. Het boek bevat veel troostrijks voor de zieken, en tevens veel leerrijks voor ziekenbezoekers en verplegers. „Eecds in het eerste gedicht, als liet ware de inleiding, dat een roerend levensbeeld van do schrijfster bevat, straalt de geest dooi', dien het geheel ademt, de spiegel van eenc reine, aan God gewijde ziel. Het bock is vol voorbeelden uit het dagelijkseh leven en dat der heiligen. De aansporingen tot het dragen der ziekte op Christelijke wijze, zijn voortreffel jk en blijkbaar uit eigen ondervinding geput. Wij bevelen het boekje aan ieder, die ziek is en met zieken omgaat, niet name aan de beschaafde kringen aan. Moge het velen worden, wat de vrome schrijfster zoo schoon van het lijden zegt: „eene ladder, die ten hemel reikt.quot;
803 S-lt;-
In vier opzichten nuint dit oorspronkelijke boek uit:
Vooreerst is liet eeu theologisch meesterstuk. Het boek sluit zich, in zijne leer van het lijden, in zes afdeelingen aan bij het groote hoofdstuk des Evangelies, dat in de taal der kerk den roerenden titel draagt: „Passio Domini nostri Jesu Christiquot; — ,,Tot het lijden geroepenquot; — „Getlisemanequot; — „Naar Golgothaquot; — „Aan het kruisquot; — „Het is volbrachtquot; — „God heeft alles welgemaaktquot; of „Hoe veel vreugde uit het lijden ontkiemt.quot;
Ten tweede is de praktische en zielkundige behandeling van het groote onderwerp voortreffelijk. De schrijfster blijft niet op de verheven hoogten van den theoloog. Met de virtuositeit, die eene vijf en twintigjarige ondervinding geeft, met den bekwamen blik van de zuster der barmhartigheid, met zachte vrouwen-liand doorloopt zij alle stadiën en uren van het ziek zijn, alle invloeden van buiten en binnen, alle stemmingen, gevaren, verzoekingen, teleurstellingen, verwachtingen, beproevingen en vertroostingen van den zieke, en daarbij knoopt zc aan alle hoeken zijner kamer tot aan de bloemen aan zijne zijde en het lampje, dat zijne nachten verlicht, onderrichting, bemoediging, voorbeelden uit eigen en anderer leven, zelfs wenken van praktischen en stoffelijken aard vast, om hare lieve lotgenooten, zoo mogelijk reeds als mensch met het lijden te verzoenen, en er hen vriendelijk voor te stemmen. Welk een onmetelijke schat van praktische levenswijsheid uit het groote, uitgestrekte rijk der smart! Deze versehillende deelen behandelt de schrijfster nu met den fijnsten, zielkundigen tact, zooals innerlijke rijpheid en hooge ontwikkeling dien geven, hare zieke lezers nooit bepreekend, overstelpend, overladend, verschrikkend, of zelf verlegen makend, zonder hen te misleiden en de waarheid sentimenteel te verbergen. Een waar meesterstuk van fijngevoeligheid is de afdeeling, waarin zij hare zieken in het aangezicht van den dood brengt, lien zou zich willen neder-leggen en voor eeuwig ontslapen onder de weldadige indrukken van deze zoete betrachtingen.
Ten dorde zijn taal en vorm uitstekend. Overal klassiek eenvoudig en helder als bronwater en zonneschijn, berekend naar het begrip cn do zenuwen van den zieke — nu kabbelend, en onderhoudend in den edelsten tooi van liet gesprek — zich nu eens in de warmte van eigen overtuiging verheffend tot het gematigde, pathos vaul den echten vrouwelijken stijl — zich hier kristallisee-rend tot eene kernachtige spreuk — dan als in eene elfendans zwevend door veld en akker, bosch en weide — dan weer een blad uit liet eigen dagboek er tussehen schuivend, of een gedicht, dat als een nachtegaal uit het half donkere accaciaboschje het lied der liefde des Gekruisigden zingt: zoo glijden de bladzijden
-gt;•§ 304
pn bladen voort, nooit vervelend, nooit, en dat bewonderen wij, de breedte van den stijl der vrouw ol'liet gebrek aan bcheersching des gevoels verradend.
ïen vierde is het individueel oorspronkelijk. Hierin is de schrijfster alleen te vergelijken met Scupoli (Geestelijke Strijd) en Thomas van Lesu (Het Lijden van Christus, die beiden hunne boeken in den kerker schreven. Wat zij schrijft en zingt, en wat zij tot vermaning en vertroosting aanhaalt is door haar doorleefd, doorleden, doorstreden, doorbeden, het is de gouden neerslag van den lijdensstroom, die vijf en twintig jaar door haar leven gevloeid heeft. Zelfs wanneer de schrijfster het ons niet somtijds in bescheiden woorden zeide, zou men overal aan de diepte der gedachten, aan de warmte der gevoelens, aan de natuurlijkheid der taal, en aan do wijze matiging in hare eischen tegenover de zieken gevoelen, dat alles haar oorspronkelijk, eigen innerlijk leven is, dat zich aan de oppervlakte vertoont. Vandaar de verfrisschende oorspronkelijkheid.
Heeft de schrijfster dikwijls in den loop van het boek den zieke op „den Vader der erbarming en den God van allen troostquot; gewezen, zoo brengt een matig aanhangsel van liefelijke gebeden hem als het ware aan hare hand eindelijk tot hare schatkamer: het gebed.
Het is niet te verwonderen, dat deze „Kruisbloemenquot; in vele bisdommen niet alleen den leeken, maar ook den priester dringend aanbevolen zijn. Ook is het niet te verwonderen, dat de eerste uitgave in vier maanden uitverkocht cn een tweede noodzakelijk was, waarin, wat weder zeer begrijpelijk is, eeuige kleine bijvoegsels uitgenomen, de inhoud ©nveranderd bleef.
Moge het boekje zijn weg vinden naar alle ziekenhuizen, hospitalen, gestichten zoowel als naar de stille kamers, waar eenzaam de zieken lijden, op troost wachten, en hunne zielen zich ten hemel willen verheften.
Ph. Loftier, S. J.
is de pseudoniem of pennenaam van de schrijfster der „Kreiizeshliitenquot;, waarvan wij eene vertaling gaven.
Menigeen stelt zich wellicht „Tante Emmyquot; voor, staande of zittende voor haren schrijflessenaar, met losse hand de pen over het voor haar liggende blad latende glijden. Haar ttijl en hare opwekkende taal geven hiertoe gereede aanleiding . . . En toch is zulks geenszins het geval.
In de zkkoikamer, welke zij sedert 1864 niet verliet; op het bed van smarten, waarop zij zich sedert dien tijd niet kon oprichten, houdt zij zich onverdroten onledig met letterkundigen arbeid.
Hoevelen, die in zulk een toestand verkeeren worden tot vertwijfeling gebracht! Tante Emmy beschouwt haren toestand, die volgens de opvatting der wereld een allerellendigste is, als eene bijzondere schikking der Goddelijke Voorzienigheid, die haar langs dezen weg wil brengen tot hare eeuwige bestemming, het aanschouwen van God, van aanschijn tot aanschijn.
Niet altoos was 1 ante Emmy eene arme zieke. Ook haar lachte eens eene vroolijke jeugd, een blijde toekomst tegen, totdat eindelijk de hand des Heeren haar trof.
Tante Emmy is de pennenaam van mevrouw Emmy Giehrl, de weduwe van een arrondissements-rechter. Zij werd te Regensburg, eene stad in Beieren, aan de samenvloeiing van den Donau en de Regen op den 1. November 1837 geboren, en op den 1. November 1897 werd door de Duitsche pers haar 60. verjaardag dankbaar herdacht.
In 1849 werd haar vader Dr. Jozef Aschenbrenner Minister van Financiën, in 1854 nam hij het ministerie van Justitie waar, en werd wegens de vele diensten den lande bewezen, met verscheidene orden begiftigd.
Kruisbloemen. 20
306 §«-
onder welke de orde van verdienste der Beiersche kroon en den persoonlijken adeltitel. Zijn huwelijk met Anna Aschenbrier werd met zeven kinderen gezegend, van welke drie reeds vroeg ten grave werden gedragen. Allen genoten eene echt godsdienstige, en onder alle opzichten zorgvuldige opvoeding.
Emmy was van af hare geboorte zwak, zoodat zij zich menig genoegen, waaraan andere kinderen van haren stand en leeftijd deelnamen, moest ontzeggen. Zij zocht haar genoegen aan den huiselijken haard, en had eene voorliefde voor weemoedige liederen.
In 1858 scheen voor haar een lieve Meizon. Zij huwde met den assessor Rudolf Giehrl — doch nauwelijks waren de eerste maanden na haar huwelijk ver-loopen, of zij stond bij de lijkbaar van haren vader, die op COjarigen leeftijd den 18. December 1858 overleed.
Bij de jeugdige vrouw begonnen zich de eerste sporen van eene gevreesde ziekte te openbaren. In ] 864 werden de ruggegraats- en zenuwpijnen zoo hevig, dat zij haar bed niet meer kon verlaten. — Weldra zag zij zelve in, dat voor haar geen hoop op genezing bestond. Zij bereidde zich op het ergste voor, — zij bad God, dat voor haar weldra de dag mocht aanbreken, waarop haar echtgenoot, van haar verlost, de vrijheid mocht genieten, om een ander huwelijk te sluiten.
Door de onderrichtingen van een geestelijke, die er haar op wees, dat zij zich aan de beschikking der Voorzienigheid moest onderwerpen, en den gezondheidstoestand van haren echtgenoot, die tot herstel naar het zuiden was gereisd, maar zonder hoop op genezing was teruggekeerd, en eindelijk met haar dezelfde ziekenkamer betrok, begon zij tot andere gedachten te komen. Hij, die tot geen de minste bezigheid in staat was, kon niemand bij zich dulden dan zijne vrouw. Haar bijzijn alleen schonk hem troost in zijn lijden, leniging in zijn smart. Nu begon zij in te
307 in
zien, dat haar leven nog eenig nut had. Zij was haren echtgenoot, voor wien zij meende een last te zijn, alles geworden. Deze gedachte maakte haar overgelukkig.
.. Door den mond van mijnen stervenden ecl.tge-noo!,11 zegt de in Gods wil berustende, „liet de Heer mij vernemen, welke mijne bestemming moest zijn in de laatste jaren mijns levens. Ik ben overtuigd, dat de onvergetelijke uren en nachten in zorg en kommer had doorgebracht, denkende, dat ik weldra zijn omgang en zijn steun zou ontberen . . . Kort voor zijnen dood (1874), nadat hij gesterkt was geworden dooide genade der H. Sacramenten, zeide hij met volle overgeving aan de wil van zijnen Heiland, dat zijn wensch was, dat ik zou werken voor de christelijke vorming en opvoeding der jeugd.quot;
Dien wensch is de zieke steeds trouw nagekomen.
Reeds toen was mevrouw Giehrl, die tijdens haar tienjarig ziekbed geleerd had, zich met verschillende zaken onledig te houden, begonnen, hare medewerking te verleenen aan eene christelijke „Kindercourantquot;. Eindelijk gaf zij voor eigen rekening uit: „Kinderhiich-leinj! waarvan in 1886 de derde uitgave verscheen. Daarna „Xeue Mdrchenquot;, dat een derden druk beleefde. Hierop volgden verscheidene kleine verhalen met de Eyinnerungen cms meiner Kindheitquot; en de heerlijke „ Kreuzeshlütenquot;.
De werkkracht van „Tante Emmyquot;, zoo als zij zich zelve noemt, ontwikkelde zich hoe langer zoo meer. Behalve hare bestendige medewerking aan de „Jugendhlütter,11 „ Monicaquot; en andere tijdschriften, schreef zij eene heele reeks vertellingen en sprookjes. Wat zij schrijft, wordt niet enkel gaarne door kinderen, maar zelfs in beschaafde kringen door volwassenen met graagte gelezen. Alles ademt een echt katholieken geest, en heeft steeds eene opvoedende strekking. Eenige opstellen van hare hand zijn zoo echt klassiek,
20*
3 /Jj -gt;*S 308 ?•lt;-
dat zij in eene bloemlezing voor inrichtingen van hooger onderwijs in het geheel niet misplaatst zouden zijn.
In „Allerlei Geschichtcnquot; wisselen wegsleepende, bekoorlijke verhalen met geschiedkundige schetsen elkander af. .. Die, vemnglückten Pastelenquot; is een boeiend verhaal, waarin wij lezen, hoe uit den onbeholpen banketbakkersleerling, Claude Geleé, later de kunstrijke schilder, Claude Lorrain, groeit.
Vele van hare geschriften worden thans uitgegeven onder den titel: „Gesammelte Jugend- und Volksschriften1,1 van welke reeds 8 banden in keurigen omslag verschenen zijn. Zij dragen de volgende titels : Band I. Bic Sternscinger und Meister Iridolin. 11. Des Bruders Schutzgeist und Eine Lüge und Hire Folgen. 111. In harten Zeiten. 1V. Weihnachtsgrüsse. V. Filr Mussestunden. VI. Rosen und Domen. VII. und VIII. Eine lleihe ganz kurzer ErzüMungen far das jnnge Alter.
Naar het oordeel der Duitsche pers is sedert den kinderschrijver Christoph von Schmid op het gebied van kinderlitteratuur niets uitgegeven, wat met de geschriften van haren alom bekenden en door jongen oud graag gelezen landgenoot kan vergeleken worden. Haar naam als voortreffelijke verhaalster echter wordt reeds ver over de grenzen van haar vaderland met eere genoemd. Met onvermoeiden ijver werkt de lijdende, bedlegerige zieke nog steeds te München voort. Wekelijks verschijnen van hare hand ock nu nog (20. Mei 1898) nieuwe pennevruchten. Nog steeds houdt zij zich onledig met de opvoeding der jeugd, haar lievelingsarbeid. Ondanks haar ziekelijken toestand verflauwt haar scheppende geest niet. Moge de Heer haar leniging in haar lijden schenken en steeds nieuwe geestkracht, om voor het heil der jeugd en der heele menschheid werkzaam te zijn!
——
Uitgaven der Drukkerij van het Missiehuis te Steil.
Gouden Genadensleutel. Een Gebed- en Be-
trachtingsboek ter vereering van den H. Geest. 24', 529 bladz. Gebonden in rijk met goud versierden band. linnen met rood op snee fl. 0,90, leder met rood op snee fl. 1,10, leder met goud op snee fl.1,20.
Van niet minder dan dertien bisschoppen bezitten wij
een schrijven, waarin deze in het algemeen de godsvrucht
tot den H. Geest en in het bijzonder dit gebedenboek
met warmte aanbevelen.
Kom, H. Geest! Oefeningen voor de negen dagen, welke het Pinksterfeest voorafgaan, en de acht dagen, die er op volgen, benevens eenige andere Gebeden tot den H. Geest. Naar het Duitsch bewerkt door A. A. Waterreus, R. C. Pr. 24°. 48 bladz. Prijs 8 cent of 15 ctmes.
Een Uurtje van Aanbidding. Vooral dienstig voor de leden van het Broederschap van Gedurige Aanbidding en voor de kinderen van de eerste Communie. Door G. V. C., pastoor. 1S0 bladz. Prijs linnen met goud op snee 50 cent, leder met goud op snee 75 cent.
Treur roosje. Gebed- en Meditatieboek voor de veertigdaagsche vasten. Door A. B. Lijser, pastoor. 220 bladz. Prijs 30 cent.
Handboekje voor den eersten Vrijdag der maand,
ter Vereering van Jezus' H. Hart. Naar het Duitsch
door A. A. Waterreus, R. C. Pr. 240. ió bladz. Prijs 5 cent of 10 ctmes.
Jezus mijne liefde. Negendaagsche oefening tot het liefderijk Hart van Jezus. Door Pastoor Lijser. 240. 66 bladz. Prijs 10 cent of 20 ctmes.
Meibloemen ter eere van Maria de onbevlekte bruid van God den H. Geest. Gebeden en meditatiën op al de dagen van de Meimaand. Door een R. K. Priester. 240. 268 bladz. Prijs 35 cent of 70 ctmes.
Sint Jozefsboekje of Gebeden en Oefeningen
ter vereering van den H. Jozef. Naar het Duitsch door A. A. Waterreus, R. C. Pr. 240. 32 bladz. Prijs cent of 10 ctmes.
Uitgaven der Drukkerij van hef Missiehuis ts Steil.
Eene Lelie onder de Doornen. Levensbeschrijving der Irokeesche maagd, Catharina Tegah-kwita, benevens een Aanhangquot; »Brief over den ongehuw-den levensstaats. 80 bladz. Prijs 25 cent.
Nuntius Sulprizio, de voorbeeldige leerjongen.
Door den kanunnik J. Ponzi getrokken uit het maandschrift »Le Règne du Coeur de Jezus« der priesters van het H. Hart te St. Quentin (Frankrijk), en uitgegeven tot vrijkooping van slaven en negerkinderen in de missie van Togo (Westkust van Afrika). 48 bladz. Prijs 10 cent of 20 ctmes.
Vijfdubbel SCcipuIlGr. Korte onderrichtingen over
zijn ontstaan, voordeelen en verplichtingen. Naar het Duitsch bewerkt door A. A. Waterreus, R. K. Pr. 32 bladz. Prijs 5 cent of 10 ctmes.
De H. Wolbodo van Utrecht Prinz-Bisschop
van Luik. i() bladz. Prijs 6 cent of 12 ctmes.
De oude Jaargangen van den Sint - Michaels-
Almanak zijn in rood, blauw, groen enz. linnen ingebonden verkrijgbaar.
De Moeder van smarten (photographie),
Kabinet fl. 0,50; Folio fl. 1,50.
De Koningin van den H. Rozenkranz
(photographic), Kabinet fl. 0,50; Folio fl. 1,50.
Hot Missiehuis te Steil (photographic), Kabinet
fl. 0,50; Folio fi. 1,50.
't Heilig Hart van Jezus en de H. Geest
(photographic). Kabinet fl. 0,50; Folio fl. 1,50.
't Heilig Hart van Jezus (photographie 1,
Kabinet fl. 0,50; Folio fl. 1,50.
Prentjes van Heiligen in fijnsten kleurendruk, verschillende voorstellingen per 100 fl. 1,40.
Prentjes van Heiligen in gewoon zwart of blauwdruk per 100 fl. 0,60.
Uitgave der Drukkerij van het Missiehuis te Steü.
voorstellende
Groote; 74X5^ cm- Prijs tl. 1,53. In Goudlijst, fl. 6,30.