ocr page 1
ocr page 2

i

ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5
ocr page 6
ocr page 7

EEN STOERE NOORAAN.

ocr page 8

Edna liyall's Werken.

EEN STOERE KOORMAK.

CARLO DOKATI. IK DE GULDEK DAGEK. DOOR LIEFDE GEWOKKEK OKRECHT GEWROKEN. DOREEK.

Ing. f 2.40; geb. f 2.90 per stuk.

ocr page 9
ocr page 10
ocr page 11

i'.B. MTPECMT

EDNA LYALL'S WEEKEN. 646 3

Ceu Sloeïe Xoomaxi

DOOR

EDNA LYALL.

2DE DRUK.

Met Portret van de Schrijfster.

BIBLIOTHEEK DER

RIJKSUNIVERSITEIT •-UTRECHT

'Ij

I

HAARLEM

DE ERVEN LOOSJES 1896.

RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT

0256 7000

ocr page 12
ocr page 13

EERSTE HOOFDSTUK.

ENGELSCHE GASTEN.

„Gij hebt uwe bagage gepakt, niet waar Cecil? Dan ga ik even naar beneden om mijn valies te sluiten en in uw hut te zetten. Wij zullen spoedig te Bergen zijn, hoor ik.quot;

De spreker was een jonge Engelschman van drie of vier en twintig jaar, en zijne zuster, tot wie hij had gesproken, was nog een jong meisje; een paar dagen te voren had zij haar negentienden verjaardag gevierd.

„Ik zal wel voor uw valies zorgen, Roy,quot; zeide zij. „Het is zonde, dat gij dit mooie stukje van het fjord zoudt missen en ik doe het in den halven tijd.quot;

„O, die inbeelding van de vrouwen!quot; riep hij met een glimlach, die niet minder broederlijke genegenheid dan lust tot plagen verried. „Neen, neen. Cis; ik wil niet, dat gij mij bederft. In tien minuten ben ik terug. Hebt gij geene kennissen hier gemaakt? Is er niemand op het dek, met wien gij kunt praten.quot;

„Om de waarheid te zeggen, verlang ik er naar, van al die Engelschen af te zijn. Erg ongezellig, niet waar?quot;

Roy Boniface glimlachte en ging heen; hij begreep zeer goed, wat zij bedoelde en Cecil, met haar rug naar de bab-

1

ERX STOERE NOORMAN I.

ocr page 14

2

belende touristen, liet hare oogen gaan over het glinsterend water van het fjord, naar de steile bergen daar achter, wier steeds afwisselende vormen zij sedert den ochtend met verrukking had gadegeslagen.

Zij zelve was, zooals zij daar stond, eene bevallige figuur, ofschoon zij niet eene schoonheid was, die dadelijk de aandacht trekt. Er was niets bijzonder in het oogvallend in hare regelmatige gelaatstrekken, haar blanken tint en haar lichtbruin haar; een oppervlakkig beschouwer zou haar voor een gewoon Engelsch meisje hebben gehouden, beschaafd, welopgevoed en van een aangenaam uiterlijk. Alleen een opmerkzaam waarnemer kon haar waar karakter bespeuren; slechts somwijlen flikkerden hare kalme, grijze oogen in plotselinge schoonheid door het genot van eene zeldzame en onverwachte sympathie; alleen onder bijzonderen drang kon haar van nature stille aard een grooten invloed uitoefenen.

Cecil had een jaar van vrijheid genoten; een geheel jaar was zij hare eigen meesteres geweest, had zij kunnen beschikken over tijd en geld; geen voorgeschreven taak was haar in plaats van het schoolwerk opgelegd. Het was de tijd geweest, waarnaar zij heel haar leven verlangend had uitgezien, de heerlijke tijd van vrijheid der volwassene en toen hij was aangebroken, was 't een teleurstelling. Of de schuld aan haar of aan de omstandigheden lag, wist zij niet; maar als voor zoovele meisjes van haren leeftijd, was voor haar het leven iets onbegrijpelijks; zij wist niet precies, wat niet in orde was, maar zij gevoelde een gemis, eene onbestemde ontevredenheid, die niet was weg te redeneeren.

„Cecil begint er slecht uit te zien,quot; zoo luidde de uitspraak t'huis; en hare moeder, die de oorzaak niet recht begreep, maar met een juist instinct het geneesmiddel vond, had voorgesteld, dat broeder en zuster een maand buitens-

ocr page 15

3

lands zouden doorbrengen. Het speet haar, dat zij bij haar jaarlijksch bezoek aan eene zeeplaats Cecil's gezelschap zou moeten missen, maar met de zelfverloochening eener moeder zag zij in. dat het tijd was voor haar vogeltje, zooals zij zich uitdrukte, eens op eigen wieken te drijven.

Het groote stoomschip vervolgde zijn weg naar het fjord en bracht Cecil met hare kleine zorgen en hare onvoldaanheid, naar het gezonde, oude Noorwegen, om daar nieuwe krachten én een helderder inzicht in dat raadselachtig iets, het leven, te vinden; om vrienden te maken, ten spijt van hare erkende ongezelligheid; om de schoonheid der schoonheid, de vreugd der vreugde en de smart der smart beter te leeren verstaan.

Met de studie van het menschelijk karakter had zij zich nooit opgehouden; thans wendde zij met meisjesachtig ongeduld zich af van de touristen, ronduit bekennende, dat zij hen vervelend vond. Zij was geneigd in hare verbeelding zich het leven voor te stellen van een denkbeeldig paar, Eolf en Erica, die misschien in een van de eenzame huisjes met rood dak woonden, die men hier en daar tegen de bergen kon zien; maar het gewone Engelsche leven op dek liét haar geheel onverschillig. Zij had de passagiers even ingedeeld in groepen en verder niet meer aan hen gedacht. Daar was de photographische groep, die zich schaarde om de camera's, die voor op het schip waren opgesteld. Daar was de geestelijke groep, welks middenpunt niet minder dan vijf bisschoppen waren. Daar was de sport-groep, kenbaar aan de lichtbruine, geruite kleeding en aan de gemakkelijke mutsen. Daar was de gewone bezending, bleeke, overwerkte mannen en vrouwen, die een ontspanning hoog noodig hadden. En daar was de coquetteeren-de groep — evenwel zeer klein, want een reis in Noorwegen is ruw werk en voor dat soort van menschen niet geschikt.

i*

ocr page 16

4

„Zie eens hier, Blanche,quot; riep een Engelschman met een grijzen baard, terwijl hij naar eene kleine, mooie brunette ging, die er allerbekoorlijkst uitzag en die zoo dichtbij den vouwstoel stond, waarop Cecil was gezeten, dat zij het gesprek duidelijk kon hooren; „zie eens, of gij dit kant lezen; uwe oogen zijn beter dan de mijne. Het is van den heer Falck, den Noorweegschen agent van onze firma; uw vader heefc u zeker van hem gesproken.quot;

„Ja; papa zeide, dat hij een van de grootste kooplieden hier was en ons zou zeggen, wat wij moeten zien en waarheen wij moeten gaan.quot;

„Juist. Ik kreeg dezen brief, toen ik van huis ging. De heer Falck schrijft, dat hij ergens in een hotel kamers heeft genomen. Ik kan het redelijk goed lezen, behalve de namen; de man maakt zulke wonderlijke krullen. Lees dien zin eens, die begint: „Mijn zoon Frithiof.quot; quot;

„Oom! oom! wat een uitspraak. Gij moet de „thquot; niet als in het Engelsch uitspreken. Hebt gij nooit van de Frithiof-sage gehoord? Gij moet uitspreken Friet-jof.quot;

„Een romantische naam,quot; zeide de heer Morgan. „Nu zie ik, waarom gij zoo ijverig Noorsch hebt geleerd. Gij wilt een beetje coquetteeren met den heer Frithiof — dat is het. Maar ik zal een oog in het zeil houden!quot;

Blanche lachte, zij was volstrekt niet ontstemd door die gissing, ofschoon zij haar mooi gezichtje over den brief boog en deed alsof het haar veel moeite kostte het uitstekend Engelsch van den heer Falck te ontcijferen.

„Wilt gij dien zin hooren?quot; zeide zij, „dan zal ik hem voorlezen.quot;

„„Mijn zoon Frithiof zal de eer hebben u, bij uw komst te Bergen aan de landingsplaats te wachten en zal met u naar Holdt's Hotel rijden, waar wij de door u verlangde kamers hebben besteld. Mijne dochter Sigrid verlangt kennis te maken met uwe dochter en uw nichtje en zoo gij

ocr page 17

5

allen Vrijdag ten 2 ure met ons op mijne villa in Kalvedalen wilt eten, zult gij ons een groot genoegen doen.quot;quot;

„Om twee uur eten!quot; riep Florence Morgan, die nu eerst zich in het gesprek mengde: „wie heeft ooit zoo iets gehoord!quot;

„O, alles is hier primitief eenvoudig,quot; zeide de heer Morgan. „Gij kunt geene Londensche gewoonten verwachten.quot;

„Ik denk, dat Frithiof Falck een soort jonge Viking zal zijn, met grove beenderen en statig, met een soort van goedhartige brutaliteit,quot; zeide Blanche, den brief op vouwende.

„Neen, neen,quot; zeide Florence, hij zal een bloode, domme boerelummel zijn, die met zijn gebrekkig Engelsch niet durft voor den dag komen en gij zult hem voorthelpen met uw vloeiend Noorsch en uw vriendelijkheid zal zijn hart winnen. Dan zal hij op zijne ongekunstelde en primitieve manier Vaar ma god (als het u belieft) zeggen en uw hand grijpen. Dan zegt gij Mange tak (veel dank) en wij zullen allen vroolijk op uw bruiloft dansen.quot;

Allen lachten en kleine weddenschappen werden aangegaan over Frithiof Falck's uiterlijk.

„Nu,quot; zeide de heer Morgan, „hier moogt gij lachen, zooveel gij wilt; maar ik hoop, dat gij vriendelijk zult zijn tegen de Falcken, als wij hen ontmoeten. En gij, Cyril,quot; ging hij voort, zich tot zijn neef, een schraal jongmensch van een en twintig jaar wendend, „tracht zoo veel mogelijk uit den jongen Falck te krijgen; maar zeg hem in geen geval, dat uw vader er ernstig aan denkt, u aan het hoofd van een filiaal te Stavanger te plaatsen. Als dat gebeurd, zal de heer Falck natuurlijk onze connectie verliezen en dat kan niet anders dan een slag voor hem zijn. Spreek er dus geen woord van en gij ook niet, meisjes. Wij behoeven onze vacantie niet met zaken te bederven en bovendien, men moet altijd eens anders gevoel ontzien.quot;

Cecil klemde hare tanden op elkander en het bloed steeg

ocr page 18

6

haar in het aangezicht. Zij stond op en ging naar den anderen kant van het dek om niet meer te hooren.

„Wat hatelijke menschen! Zij hebben geen gevoel voor de vriendelijkheid en de gastvrijheid van die Noorwegers. Zij willen alleen van hun voordeel trekken, zoo veel zij kunnen.quot; En toen haar broeder weer bij haar kwam, riep zij uit; „Eoy, wie zijn die onuitstaanbare menschen, daar aan den anderen kant?quot;

„Met die twee knappe meisjes in blauwe ulsters? Ik geloof, dat zij Morgan heeten — rijke Londensche kooplui. De oude man is zoo kwaad niet, maar de jonge is een geboren ploert. Wat denkt gij, dat ik hem hoorde zeggen, toen hij zijn naam in het boek schreef en de onze zag? „He! Robert Boniface — dat moet de muziekwinkel zijn in Regent Street. Er zal spoedig niet veel meer aan Noorwegen zijn, als zulk volk er heen gaat.quot; Ik was geen twee passen van hem af.quot;

„O, Roy! dat kan hij niet hebben geweten, of hij zou het nooit hebben gezegd.quot;

„Hij wist het heel goed. Hij wilde mij op mijn plaats zetten; een verwaande winkelier, die zijne vacantie in Noorwegen dorst doorbrengen, in plaats van te Margata garnalen te gaan eten, zooals zulk volk past!quot; en Roy lachte vroolijk. Zulke lompheden gleden langs hem af als water van een eend.

„En wat deed. gij?quot; vroeg Cecil.

„Niets; ik studeerde in Baedeker met een onverstoor-baren ernst en ik dacht met Willem van Wykeham, dat geen geboorte of beroep, maar manieren den man maken. Maar zie! dat moet Bergen zijn. Wat een prachtig gezicht. Hadt gij maar den tijd hier er een schets van te nemen!quot;

Cecil uitte een lichte kreet van verrassing en bleef toen zwijgen. Weinige menschen inderdaad kunnen onaangedaan dat heerlijk landschap aanschouwen, dat voor hen opdoemt,

ocr page 19

als zij om het fjord varen en den eersten blik slaan op de schoonste stad van Noorwegen. Als zij alleen was geweest, zouden tranen van geluk in hare oogen zijn gekomen, maar nn zij op een volle stoomboot was, onderdrukte zij hare aandoening en staarde zij als in een gelukkigen droom op de schilderachtige houten huizen met roode daken, de vreemde torens, het heldere, kalme fjord met zijn bosch van masten en de steile bergen die de stad omringen, als zoovele grijze reuzen, die haar tot wachters strekken.

Intusschen klonken op het dek de opmerkingen, die zoo pijnlijk hen aandoen, die natuurschoon weten te waardeeren; een langharige schoonheidsapostel uitte om de minuut een nieuw bewonderend bijvoegelijk naamwoord, totdat Roy en Cecil het niet langer konden uithouden en zich van hem verwijderden, om een toevlucht te zoeken bij de sport groep, die wel meermalen zeide, dat het prachtig was, maar overigens het anderen niet lastig maakte.

„O, Roy, wat zullen wij genieten!quot; zeide Cecil, toen zij de kade, die vol menschen was, naderden.

„Ik geloof dat het aan ons is besteed, Cis,quot; zeide hij glimlachend. „Gij geniet, Goddank niet op de manier van dien kerel. Als ik zijn reisgenoot was, zou ik hem binnen een week worgen.quot;

„Zou een muilband niet even goed zijn?quot; hernam Cecil lachend.

„Geef mij uw sleutel,quot; zeide hij, toen zij den houten stijger naderden. „De commiezen komen aan boord en ik zal mijn best doen, dat zij ons goed spoedig nazien. Wacht hier, dan raak ik u niet kwijt.quot;

Hij snelde weg en Cecil liet nieuwsgierig hare oogen gaan over de menschen op den stijger, totdat zij bleven rusten op een jongen Noor, in een licht grijs pak, die met een ander stond te praten. Hij was lang en breedgeschouderd, met een rechte en energieke houding; zijn gelaat had

ocr page 20

8

de zuiver Gn'eksche type, die men in Noorwegen niet zelden vindt, terwijl zijn blanke huid en blonde haren en knevel evenzeer zijn Noorsche afkomst verrieden als zijne open, eerlijke, blauwe oogen, die met jongensachtige tevredenheid en geluk in de wereld uitzagen.

„Dat moet Frithiof Falck zijn,quot; dacht Cecil. Een oogen-blik later werd haar vermoeden bevestigd, want toen de plank van het schip naar de wal was gelegd, groette een der officieren van de boot hem bij zijn naam en de jonge Noorweger antwoordde in goed Engelsch, kwam aan boord en zag rond, alsof hij iemand zocht. Onwillekeurig volgden Cecil's oogen hem. Zij had een vreemd gevoel, dat zij hem kende, veel beter kende, dan de menschen, die hij zocht.

Hij scheen iets dergelijks te ondervinden, want hij kwam recht naar haar toe, nam zijn hoed af, boog en zeide beleefd:

„Vergeef mij, heb ik de eer mejuffrouw Morgan te zien?quot;

„Ik geloof, dat de dames Morgan aan de andere zijde van het dek zijn. Ik zag haar daar een oogenblik geleden,quot; zeide zij, een weinig kleurende.

„Ik vraag u verschooning voor mijne vergissing,quot; zeide Frithiof Falck. „Ik kom die Engelsche familie afhalen, maar ik heb hen nooit gezien.quot;

„Daar is juffrouw Morgan,quot; riep Cecil uit, „die dame in eene blauwe ulster; en daar is haar oom, die juist naar haar toe gaat.quot;

„Wel bedankt voor uwe terechtwijzing,quot; zeide Frithiof, en na nog eene buiging en een dankbaren blik uit zijne heldere oogen, ging hij naar dén heer Morgan.

„Ah, hoe vaart gij, mijnheer Falck?quot; zeide deEngelsch-man hem van het hoofd tot de voeten opnemende, terwijl hij hem de hand schudde en zeer luid sprekend, alsof de vreemdeling doof was. „Het is heel vriendelijk, dat gij hier zijt gekomen. Mijne nicht, juffrouw Blanche Morgan.quot;

ocr page 21

9

Frithiof boog en zijn hart begon snel te kloppen, toen een» paar schoone, donker grijze oogen hem zulk een blik schonken, als hij nooit te voren had ontvangen.

„Mijne zuster verlangt zeer naar het genoegen, uw kennis te maken.quot;

„O!quot; riep Blanche uit, „wat spreekt gij goed Engelsch! Wat zult gij mij uitlachen, als ik u vertel, dat ik Noorsch heb geleerd, omdat ik vreesde, dat ik met niemand hier zou kunnen praten.quot;

„Niets kan ons aangenamer zijn, dan dat gij onze taal hebt geleerd,quot; zeide hij glimlachend. „Mijn Engelsch is juist nu op zijn best, want ik heb den winter doorgebracht bij een Engelschman in Hannover.quot;

„Waarom zijt gij dan niet in Engeland gekomen ?quot; vroeg Blanche.

„Ik was vroeger al te Hannover geweest bij eene Duit-sche familie om mij in het Duitsch te bekwamen en de stad was mij goed bevallen. Als ik in Engeland kom, zal het voor pleizier zijn, alleen voor pleizier.quot;

„Laat mij u mijn neef voorstellen,quot; zeide de heer Morgan, toen Cyril naderde. „Hier is mijne dochter. Hoe is het, Florence, hebt gij uwe koffers gevonden?quot;

„Vergun mij,quot; zeide Frithiof. „Als gij mij wilt zeggen, hoe zij er uit zien, zal ik zorgen, dat de knecht van het hotel alles meeneemt.quot;

Weldra zaten zij in het rijtuig van Frithiofs vader en reden zij door den langen, schilderachtigen Strandgaden.

Slechts weinige rijtuigen kwamen zij in de hoofdstraat tegen, maar voetgangers wandelden er op hun gemak of stonden in groepen te praten en te lachen. De vrouwen droegen meest donker blauwe sergen rokken, korte jakjes en ronde, blauwe, sergen hoedjes op een heldere witte muts; ook de mannen waren in donker blauw met breedgerande vilten hoeden.

ocr page 22

10

Voor Engelsche reizigers is er iets onbeschrijfelijk bekoorlijks in de primitieve eenvoudigheid, en in de onregelmatigheid der stad. Prithiof had genoegen in de uitroepen van bewondering zijner nieuwe vrienden.

„Wat aardige, kleine paardjes! riep Blanche. „Zie eens, hoe vreemd hunne manen zijn geknipt — korte manen en lange staarten! Hoe grappig! Wij doen juist andersom. En allen lijken isabellen te zijn.quot;

„Aan dezen kant, Blanche, snel! Een troep boeren op klompen en o! kijk, die mooie roode gevels!quot;

„En wat zien de menschen er netjes uit! — heel anders dan de menschen in eene Engelsche straat. Hoe komt het, dat gij hier allen zoo gelukkig lijkt?quot;

„Waarom zouden wij .ongelukkig zijn?quot; zeide Frithiof. „Wij hebben ons land en onze stad lief; wij zijn het meest vrije volk van de wereld en het leven op zich zelf is een genot, vindt gij niet ? Maar ginds in de bergen is ons volk veel ernstiger. Het leven is er te eenzaam. Hier in Bergen is het alles, wat men kan wenschen.quot;

Cyril Morgan zag den spreker aan met een blik van medelijden en zou hem misschien zijn dwaze onwetendheid onder het oog hebben gebracht en hem van Pall Mali en Piccadilly hebben verteld, als zij niet juist aan Holdt's hotel waren aangekomen. Frithiof bleef even om te vernemen of zij met hunne kamers tevreden waren, gaf hun nog eenige inlichtingen, ontving van den heer Morgan de belofte, dat zij morgen allen bij den heer Falck zouden komen eten en ging, nadat hij het rijtuig had weggezonden, met een vlugger stap dan gewoonlijk, naar huis.

Hij moest even lachen om Blanche Morgan's verbazing, dat de menschen er zoo gelukkig uitzagen. Was het dan iets vreemds, dat de menschen van hun leven genoten?

Wat hem betrof, het was voor hem reeds een genot te bestaan. Maar hij was ook nog onbekend met zorg en

ocr page 23

11

verdriet. De dood zijner moeder, toen hij elf jaar was, was een bittere smart geweest, maar had later geen schaduw geworpen op zijn leven — hij was toen nog niet oud genoeg geweest om de grootheid van zijn verlies te beseffen. Het had de uitwerking gehad, dat hij zich te inniger hechtte aan hen, die hem waren gebleven — aan zijnen vader, aan zijne tweelingzuster Sigrid en aan zijn zusje Swanhild, wier geboorte zoo duur was gekocht. Zijn huiselijk leven was bijzonder gelukkig en nu hij een jaar afwezig was geweest en zijne opvoeding was voltooid, dacht hij bij zichzelf, dat alles precies zoo was, als hij verlangde. Flauw, in de toekomst, verwachtte hij verderen voorspoed en geluk; een vurig vaderlander, hoopte hij eenmaal minister te worden — het toppunt van eerzucht voor een Noorweger; ook droomde hij van een ideaal van eene vrouw en van een eigen t'huis. Maar met den politieken loopbaan had het geen haast en met de vrouw evenmin. Doch toen hij snel over Kong Oscar's Gade, door de stadspoort en langs de fraaie kerkhoven aan beide zijden van den weg ging, zag hij een visioen van de mooie, donker grijze oogen, die hem dien namiddag zoo dikwijls hadden aangezien en hij dacht aan een gedicht van Björnson:

Dit is een dag, zooals ik weusch.

Met zonlicht voor en achter.

Over de heide.

Maar het slot van het gedicht had hij vergeten.

ocr page 24

12

TWEEDE HOOFDSTUK.

DE VILLA IX KALVEDALEN.

De heer Falck woonde in een van de nette, eenvoudige huizen in Kalvedalen. die meest aan de rijke kooplieden van Bergen toebehooren. Het huis stond ter rechterzijde van den weg, omringd door een aardigen tuin. Het was lichtbruin geschilderd en als de meeste huizen te Bergen, van hout opgetrokken. In de vensters zag men bloemen en, achter deze, witte mousselinen gordijnen. Het dak was met donkere pannen gedekt. Dicht er achter verhief zich een begroeide heuvel, met hier en daar een grijs rotsstuk, dat tusschen het zomergroen der boomen uitstak, terwijl de ramen aan de voorzijde uitzagen op een fraai terras met zorgvuldig onderhouden bloembedden en verder langs eene begroeide glooiing, beneden op het meer — de Lun-gegaarsvand — met purpere en grijze hoogten aan den anderen oever en aan eenen kant eene opening tusschen de bergen met een vriendelijke strook open land. Aan de linkerzijde verhief zich in de verte de reusachtige Ulriken, soms glanzend en schitterend, soms donker en somber, maar altijd schoon, terwijl rechts Bergen was te zien met zijn eigenaardigen kerktoren en in de verte het fjord dat als een glimmend zilveren lint in de zon schitterde.

Toen Frithiof over het grasveld van het terras ging, kon hij uit het huis de tonen van een piano hooren; iemand speelde een zeer vroolijke wals en zoodra hij aan het openstaand lage raam van zijns vaders kamer was gekomen, zag hij een vreemd paar dansers. Een slank, klein meisje van tien jaar met korte rokjes e.n lang gouden haar in een enkele vlecht, hield bij zijn voorpooten een fraaien Eskimoschen hond vast, die er pleizier in scheen te hebben

ocr page 25

13

en heel netjes danste en sprong, terwijl hij gedwee zijn kop op den schouder van het kind liet rusten. Het was zulk een grappig gezicht, dat Frithiof lachend bleef staan kijken, totdat hij, zijn eigen lust om te dansen niet meer kunnende bedwingen, plotseling Lillo den hond riep en met de kleine Swanhild in de snelle wals, waarin de Noorwegers genoegen scheppen, met haar ronddraaide. De lustelooze bevalligheid van een Londensche balzaal zou hem niet hebben kunnen bekoren; hij danste onstuimig, vol vuur en Swanhild danste ook zeer goed; het was hun aangeboren.

„Dat is beter dan Lillo,quot; verklaarde het kind. „ITet is wel wat lastig om hem rond te krijgen. Zijn de Engelschen gekomen? Hoe zien zij er uit?quot;

„O, dat gaat nog al,quot; zeide Frithiof, behalve het nichtje — zij is allerliefst.quot;

„Is zij mooi?quot;

„Mooier dan iemand, die gij ooit hebt gezien.quot;

„Toch niet mooier dan Sigrid,quot; zeide het kleine zusje met overtuiging.

„Wacht, totdat gij haar ziet,quot; zeide Frithiof. „Zij is eene brunette en ziet er werkelijk bekoorlijk uit. Daar hebt gij het al!quot; toen de muziek ophield. „Sigrid heeft haar linker oor voelen suizen en weet nu, dat wij kwaad van haar hebben gesproken. Laat ons naar haar toe gaan en vergiffenis vragen.quot;

Met zijn arm om het kind geslagen, ging hij de nette, vroolijke kamerman de rechterzijde binnen. Sigrid zat nog voor de piano, maar zij had zijn stem gehoord en zich omgewend met eene uitdrukking van ongeduldige verwachting op haar gelaat. Broeder en zuster leken veel op elkander: beiden hadden dezelfde fijn besneden, Grieksche trekken, maar Frithiof s gelaat was breeder en forscher en men kon duidelijk zien, dat hij de ontwikkeldste was van de twee. Daarentegen bezat Sigrid een natuurlijk, kalm gezond ver-

ocr page 26

14

stand en zelden faalde haar oordeel, terwijl zij, als de meeste ISToorweegsche meisjes, bekoorlijke, eenvoudige manieren en eene ongemaakte opgeruimdheid bezat, die het goed deed te zien.

„Wel! welk nieuws brengt gij?quot; riep zij uit. „Zijn zij goed aangekomen? Zijn het aardige menschen?quot;

„Aardig is het woord niet. Bekoorlijk, schoon! Morgen zult gij zien, of ik te veel heb gezegd.quot;

„Hij zegt, dat zij nog mooier is dan gij, Sigrid,quot; zeide Swanhild ondeugend. „Mooier dan gij ooit hebt gezien.quot;

„Zij? wie is zij?quot;

„Juffrouw Blanche Morgan, de dochter van het hoofd van de firma.quot;

„En de andere?quot;

„Dat weet ik niet recht, ik heb niet veel naar haar gekeken; de anderen leken mij gewone Engelsche touristen te quot;zijn. Maar zij — nu ge zult haar morgen zien.quot;

„Ik wenschte wel, dat zij reeds van avond kwamen! Gij hebt mij nieuwsgierig gemaakt, en vader is zoo opgewonden over hun komst. Ik heb hem in langen tijd niet over iets zoo in zijn schik gezien.quot;

„Is hij t'huis?quot;

„Neen, hij is gaan wandelen; hij had weer hoofdpijn. Dat is het eenige, wat mij ongerust over hem maakt. Die hoofdpijn schijnt in het laatste jaar bijna chronisch te zijn geworden.quot;

Een schaduw kwam over haar vroolijk gelaat en ook Frithiof zag ernstig.

„Hij werkt veel te hard,quot; zeide hij; „maar zoodra ik meerderjarig ben en in de zaak kom, zal hij meer tijd hebben om rust te nemen. Thans zou ik evengoed in Duitschland kunnen zijn, want hij wil ter nauwernood mij iets laten doen om hem te helpen.quot;

„Daar komt hij! daar komt hij!quot; riep Swanhild, dienaar

ocr page 27

15

het venster was gegaan en allen liepen zij naar buiten om het hoofd van het huis te begroeten, terwijl Lillo voor hen uit holde en vroolijk tegen zijn meester opsprong.

De heer Falck was een man van ongeveer vijftig jaar met een aangenaam uiterlijk; hij had dezelfde trekken als Frithiof, het breede voorhoofd, scherp getrokken wenkbrauwen en buigzame lippen, maar in zijne oogen was meer grijs en minder bruin en een scherp opmerker zou in zijn blik een zorg hebben ontdekt, dat hij niet geheel kon verbergen. Zijn haar en baard werden grijs en hij was een paar duim kleiner dan zijn zoon. Zij stonden allen samen te praten aan de deur en de Engelsche reizigers maakten het onderwerp uit van hun gesprek; de uitdrukking van zorg in de oogen van den heer Falck maakte plaats voor eene hoopvollere, toen Frithiof nogmaals den lof verkondigde van Blanche Morgan.

„Hebben zij al een plan gemaakt voor hun tour?quot; vroeg hij.

„Neen, zij wilden daarover met u spreken en uw raad vragen. Zij zeiden allen, dat zij een afkeer hadden van Baedeker, maar ik geloof niet, dat zij, zelfs met uwe hulp, zonder hem ver zullen komen.quot;

„Het is zeker, dat zij geen lust zullen hebben heel lang in ons Bergen te blijven,quot; zeide de heer Falck, „dat doen de Engelschen nooit. Wat zoudt gij er van zeggen, als gij allen nu dadelijk uw zomer uitstapje deedt en een paar weken naar Ulvik of Balholm gingt, daar zoudt gij onzen vrienden gezelschap kunnen houden,totdat zij verder reizen?quot;

„Dat is een heerlijk plan, vadertje!quot; riep Sigrid; maar gij moet ook meegaan, anders hebben wij geen van allen pleizier.quot;

„Ik zal misschien Zondags overkomen — langer kan ik niet uitbreken; maar Frithiof zal op u passen. Wat zoudt gij hebben aan een ouden man met zijn hoofd vol zorgen, zooals ik, nu hij weer t'huis is!quot;

ocr page 28

16

„Gij vischt naar een compliment, vadertje,quot; zeide Sigrid en zij stak haar arm onder den zijne, terwijl zij hem een dier stille liefkozingen gaf, die veel welsprekender zijn dan woorden. „Maar onder ons gezegd, al heb ik niets tegen Frithiof, zonder u is het toch niet pleizierig.quot;

„Ja, ja, vaderlief,quot; zeide Swanhild, „gij moet meegaan, want aan Frithiof zullen wij niets hebben; hij zal altijd met de mooie juffrouw Morgan dansen en den geheelen dag haar op het fjord rond roeien, precies zooals hij met die mooie meisjes te Norheimsund en Falade heeft gedaan.quot;

De onschuldige scherts van het kind deed hen allen lachen. Frithiof dreigde haar te straffen en liep haar dooiden tuin achterna. Hun lachen klonk den heer Falck en Sigrid in de ooren, toen zij het huis binnen gingen.

„Die kleine heks!quot; zeide de heer Falck. „Wat zeide zij het onschuldig. Maar ik geloof toch niet, dat onze jongen aan iedereen het hof maakt. Voor zoover ik mij herinner, was het op die twee plaatsen niets meer dan een jongensvriendschap.quot;

„O, neen,quot; zeide Sigrid glimlachend. Frithiof was nog te veel een schooljongen, ieder hield veel van hem en hij hield van een ieder. Ik geloof niet, dat hij iemand is, die gemakkelijk verliefd wordt.quot;

„Neen, maar als het hem overkomt, zal het ernst zijn. Ik verlang er naar dat hij gelukkig getrouwd is.quot;

„O, vader! maar nu toch nog niet. Hij is zoo jong, wij kunnen hem nog niet missen.quot;

De heer Falck leunde achterover in zijn stoel en bleef eenige minuten in gepeins.

„Wij behoeven hem daarom nog niet te missen,quot; hernam hij. „Gij weet, Sigrid, dat ik van vroege huwelijken houd — tenminste voor mijn zoon: ik wil niet veel zeggen van u, vrouwtje, want inderdaad, ik weet niet, hoe ik het zonder u zou stellen.quot;

ocr page 29

17

„Wees maar niet bang, vadertje; gij kunt er op aan, dat ik niet zal trouwen, zoolang ik erniet op kan rekenen, dat ik gelukkiger zal zijn, dan ik bij u t'huis ben. En wanneer zal dat zijn, denkt gij?quot;

Hij streek zacht over haar gouden haar.

„Nog niet dadelijk, Sigrid, laat ons hopen — nog niet dadelijk. Maar zal ik Frithiof vertellen, welke luchtkasteelen ik voor hem bouw?quot;

„Niet, dat hij moet trouwen met de mooie juffrouw Morgan, zooals Swanhild haar noemt,quot; zeide Sigrid bedrukt.

„Waarom niet? Ik hoor, dat zij een lief meisje is, verstandig zoowel als mooi en waarlijk, ik geloof, dat hij in staat is op het eerste gezicht op haar verliefd te worden. Natuurlijk zou ik niet willen, dat hij trouwde, als hij niet werkelijk verliefd was; maar ik beken, dat zulk een band tusschen de twee firma's voor mij een groot genoegen zou zijn — eene groote gerustheid.quot;

Hij zuchtte en voor het eerst trok de uitdrukking van zorg in zijne oogen Sigrid's aandacht.

„Lieve vader,quot; riep zij uit, „wilt gij mij niet vertellen, welk verdriet gij hebt. Er is iets, dat u hindert, geloof ik. Vertel het mij, vadertje.quot;

Hij zag verschrikt op en een lichte blos bedekte zijn gelaat, maar toen hij sprak, was zijn stem geruststellend.

„Een man van zaken heeft dikwijls zorgen, waarover hij niet kan spreken, lieve kind. God weet, sommige men-schen trekken zich die weinig aan. Ik word oud, geloof ik, Sigrid, en misschien heb ik nooit geleerd, alles zoo licht op te vatten als de meeste kooplieden doen.quot;

„Maar vader, gij zijt pas vijftig; gij moet niet spreken van oud worden. Hoe doen andere menschen, denkt gij, om alles licht op te vatten?quot;

„Door niet te willen luisteren naar hun eigen geweten,quot; zeide de heer Falck met plotselinge heftigheid. „Door een

EES STOEEE KOORMAN. I. 2

ocr page 30

18

andere eer in zaken te hebben, dan in hun particulier leven. O, Sigrid! Ik zou heel wat willen geven, als Frithiof iets anders kon beginnen. Ik vrees dit leven voor hem.quot;

„Denkt gij, dat het wezenlijk zoo moeielijk is, streng eerlijk te zijn in handelszaken? Maar zij moeten toch gedaan worden. En is het dan niet beter, dat een man als-Frithiof het doet - iemand met een fijn eergevoel?quot;

„Gij weet niet, wat er in den handel voorkomt,quot; zeide de heer Palck. „Frithiof is een brave, eerlijke jongen, maar • hij heeft niets gezien van het leven. En ik zeg u, kind, wij komen dikwijls te kort, als wij meenen het sterkste te zijn.quot;

Hij stond op van zijn stoel en liep de kamer op en neer. Het was Sigrid, alsof een schaduw, die zij geen naam kon geven, op hun gelukkig huis was gevallen. Voor het eerst in haar leven was zij bevreesd, ofschoon de vrees onbepaald en onbestemd was.

„Kom, kleine meid,quot; zeide haar vader, zich weder tot haar wendende; „gij moet u dat niet aantrekken. Ik word zenuwachtig en somber, dat is alles. Zooals ik u zeide, ik word oud.quot;

„Frithiof zou gaarne meer helpen, als gij het veroor-loofdet,quot; zeide Sigrid haastig. „Hij heeft het zoo even nog gezegd.quot;

„En dat zal hij ook in het najaar. Hij is een brave jongen en als alles goed gaat, hoop ik, dat hij mettertijd mijn rechterhand op het kantoor zal worden, maar eerst moet hij nog eenige maanden vrijheid hebben. Er is één ding, Sigrid, dat ik u van mijne zorgen kan vertellen, indien gij het waarlijk wenscht te weten.quot;

„Dat doe ik waarlijk, vadertje!quot; riep zij uit.

„Er zijn vele dingen, die gij niet zoudt begrijpen, zelfs als ik er over kon spreken; maar gij weet natuurlijk, dat ik in Noorwegen agent ben van de firma gebroeders Morgan. Nu, ik heb een gerucht vernomen, dat zij de betrek-

ocr page 31

19

king -willen afbreken en den oudsten zoon aan het hoofd van een fliliaal te Stavanger willen plaatsen. Het is maar een gerucht en ik ben het toevallig te weten gekomen. Ik hoop, dat het niet waar is, maar het valt niet te ontkennen, dat Stavanger in de meeste opzichten beter voor hen is gelegen. En mijn vriend, die mij het gerucht mededeelde, zeide dan ook, dat zij hadden begrepen, dat het verkeerd was geweest, hier het agentschap te hebben en dat zij het alleen hadden gedaan, omdat zij Bergen en mij kenden.quot;

„Waarom is Stavanger beter gelegen dan Bergen?quot;

„Omdat de meeste zalmen en kreeften in de buurt van Stavanger worden gevangen en de makreelen ook, ten zuiden van Bergen. Ik hoop, dat het gerucht niet waar is, want het zou een groote slag voor mij zijn, dat Engelsche agentschap te moeten missen. Toch is het niet onwaarschijnlijk, en de tijden zijn moeielijk — zeer moeielijk.quot;

„En denkt gij, dat uw luchtkasteel voor Frithiof den heer Morgan zou beletten de betrekking af te breken?quot;

„Ja; een huwelijk tusschen de twee firma's zou van groot belang zijn; het zou dat nieuwe denkbeeld doen vergeten. Ik ben dankbaar, dat daarop nu eenige kans schijnt te zijn. Laat de twee ongezocht elkander ontmoeten en leeren kennen. Ik zal tegen Frithiof geen woord er van spreken, het zou maar kwaad doen; maar u, Sigrid, beken ik, dat ik mijn hart er op heb gezet. Indien ik u een oogenblik de toekomst kon laten zien, zooals ik haar zie, zoudt gij gevoelen, van hoe groot belang het is.quot;

Op dit oogenblik kwam Frithiof zelf binnen en het gesprek werd plotseling afgebroken.

„Wel, is het beslist?quot; vroeg hij op zijn onstuimige, jongensachtige manier. „Is het Rilvik of Balholm? Wat! Hebt gij daar niet eens over gesproken! O, dan weet ik waarover gij het hadt. Sigrid wist niet, wat zij voor het diner

ocr page 32

20

van morgen moest klaar maken. Ik zal het u zeggen, laat de romekolle weg; wij moeten geheel en al Engclsch zijn. Nu ik er aan denk, de heer Morgan lijkt wel wat op een wandelende osserib met een hoofd van plumpudding.quot;

Broeder en zuster verlieten pratend en lachend de kamer; maar toen de deur achter hen was gesloten, bedekte'' de heer des huizes zijn gelaat met zijne handen en bleef onbeweeglijk zitten. Welke zorgen, welke angstige gedachten hem drukten, vermoedde Sigrid niet. Het was slechts een klein bezwaar, waarvan hij had gesproken; wat hem langzaam den dood deed, daarvan kon hij geen woord tegen een sterveling zeggen, maar nu in zijn gemoedsangst bad hij instinctmatig.

„Mijne arme kinderen!quot; zuchtte hij. „O, God, behoed hen voor schande en armoede! Ik heb getracht voorzichtig en eerlijk te zijn; alleen deze eene keer ben ik onbezonnen geweest. Laat mij slagen om hunnentwil o God! Den zelfzuchtige gaat het overal goed. Geef mij dit eene geluk! Laat mij hen niet voor hun leven ongelukkig maken!quot;

Maar den volgenden dag, toen hij zijne Engelsche gasten te gemoet ging om hen te begroeten, zou men den ge-drukten, zorgvollen man niet hebben herkend, van wiens lippen die bekentenis en dat gebed waren geperst. Al zijne aangeboren voorkomendheid en vroolijkheid waren teruggekeerd; indien hij al dacht aan zijne zaken, dan was het vol hoop en de Morgans zagen in hem slechts een ouderen Frithiof en waren verbaasd, dat hij onder de zorgen en de onzekerheid van een koopmansleven zulk een goed humeur had behouden. Het middagmaal ten twee ure liep goed af. Sigrid, die een verstandige huishoudster was, had niets willen weten van Frithiofs raad, wat het gebraden rund-vleesch en de plumpudding betrof en had een Noorweegsch maal klaar gemaakt.

„Want ik dacht,quot; zeide zij later tot Blanche, toen de

ocr page 33

21

twee meisjes vriendinnen waren geworden, „dat, als wij in Engeland kwamen, wij gaarne precies zouden zien, hoe gij daar leeft en daarom liet ik het eten klaar maken, zooals het hier gewoonte is en liet ik de romekolle niet weg, zooals Frithiof wilde.quot;

„Was dat de schotel, die veel van wei met krenten had?quot; vroeg Blanche, die overal belang in stelde.

„Ja, het is zure room met. broodkorst er over geraspt. Wij eten altijd 's middags een bord vol er van; het is bij ons een vast gebruik. Maar alles is hier natuurlijk zeer eenvoudig, niet zoo voornaam als bij u. Wij houden hier geen groot aantal dienstboden, wij eten niet laat, wij klee-den ons niet in avondtoilet — hier is niets, — zij zocht naar een woord en zeide eindelijk: „niets ceremonieels.quot;

„Dat maakt het juist zoo bekoorlijk;quot; zeide Blanche op hare lieve, aardige manier. „Het is alles zoo degelijk en eenvoudig en ik vind het allerliefst, dat gij wist, dat wij liever uw huishoudelijk leven wilden leeren kennen, dan een vervelend partijtje hebben. Mama houdt van niets zooveel als vertooning maken, of de gasten het pleizierig vinden of niet.quot;

Sigrid voelde zich pijnlijk getroffen; zij had van Blanche Morgan gehouden, zoodra zij haar had gezien, maar het hinderde haar, dat het Engelsche meisje zoo afkeurend over hare eigene moeder sprak. Voor Sigrid's fijn gevoel was er als een valsche klank in die laatste woorden.

„Wilt gij en uw nichtje ons huis eens zien?quot; vroeg zij om op een ander onderwerp te komen. „Maar ik moet u zeggen, dat men te Bergen ons in sommige opzichten voor nog al Engelsch houdt. Dat komt, omdat vader zaken met Engeland doet, geloof ik. Hier, in zijne kamer staat een Engelsche haard, zooals gij ziet, wij vinden dien aangenamer dan kachels en mettertijd hoop ik, dat in iedere kamer er een zal staan.quot;

ocr page 34

22

„Maar er is iets, dat volstrekt niet Engelsch is,quot; zeide Blanche. „Er zijn geene gangen; de eene kamer komt altijd in de andere uit. En wat hebt gij veel mooie planten. Wij hebben niet zoo veel smaak, wij zetten de onze op rijen in een serre. Dat is ook iets nieuws voor mij, hoe aardig uitgedacht!quot; en zij bezag een net gewerkte tasch, die aan den muur hing en voor het bergen van couranten was bestemd.

Zij was natuurlijk te beleefd om te zeggen, wat haar werkelijk verraste — dat het geheele huis haar zoo eenvoudig en kaal voorkwam en dat zij zich had voorgesteld, dat een van de voornaamste kooplieden van Bergen op beter voet zou leven. Het geheele huis zou, als Cyril zich uitdrukte, voor een appel en een ei zijn te maken; de kamers waren gemakkelijk en met smaak ingericht, maar zij waren blijkbaar bestemd om te worden gebruikt en niet om vertooning te maken en behalve eenig fraai oud Noor-weegsch zilver en enkele goede schilderijen, bezat de heer Falck niets, dat kunstwaarde had.

Vergeleken met het ruime en rijk gemeubelde huis in Lancaster Gate, met zijn overvloed van smaakvolle kunstvoorwerpen, met al het schoons, wat voor geld was te krijgen, zag de Noorweegsche villa er inderdaad armoedig uit, maar toch had zij iets dat Blanche aantrok.

Later, toen het geheele gezelschap was gaan wandelen en toen Blanche en Frithiof toevallig saam gingen, liet zij iets daarover uit.

„Ik verwonder mij niet meer, dat gij gelukkig zijt,quot; voegde zij er bij, „met de lucht ademt men hier geluk in. Ik wilde wel, dat gij mij kondt zeggen, hoe dat komt.quot;

„Hebt gij dan de gaaf alleen anderen gelukkig te maken?quot; zeide Frithiof. „Dat is vreemd.quot;

Gij zult misschien zeggen, dat ik erg onvergenoegd ben,quot; zeide zij met een droefheid in haar stem, die hem trof.

ocr page 35

23

„maar als ik zie, hoe frisch, hoe eenvoudig, hoe gelukkig uw leven hier is, word ik nog minder dan ooit met mijn eigen t'huis ingenomen. Gij moet niet denken, dat ik pruttel; zij zijn t'huis zeer goed voor mij en geven mij alles, wat voor geld te koop is; maar ik weet niet, hoe het komt, er is veel,quot;dat mij hindert en hier schijnt niets te zijn dan hartelijkheid, kalmte en vrede.quot;

„Ik ben blijde, dat ons leven u bevalt,quot; zeide hij, „zeer blijde.quot;

En toen zij nog meer vertelde van haar leven te Londen en van de weinige voldoening, die het haar schonk, schenen hare woorden en nog meer hare manieren en zachte «ogen hem te betooveren, te wijzen naar eene heerlijke toekomst, een nieuw leven in hem te wekken.

„Ik mag hem gaarne lijden,quot; dacht Blanche bij zich zelve. „Misschien zal deze Noorweegsche reis nog zoo vervelend niet zijn. Ik mag zijne oogen gaarne zien schitteren; hij heeft inderdaad mooie oogen. Ik geloof haast — ja, waarlijk ik geloof haast, dat ik een weinig verliefd op hem ben.quot;

Op dit oogenblik haalden zij op den weg twee Engelsche toeristen in en in het voorbijgaan nam Frithiof met Noor-sche beleefdheid zijn hoed af.

„Gij kent toch dien man niet? Hij is maar een winkelier,quot; zeide Blanche, zonder zelfs de moeite te nemen, zachter te spreken.

Frithiof werd rood tot over zijn ooren. „Ik vrees, dat hij gehoord heeft, wat gij zeidet,quot; riep hij uit en hij versnelde zijn pas. „Ik ken hem in het geheel niet, maar tegen vreemdelingen moet men beleefd zijn.quot;

„Ik weet heel goed, wie hij is,quot; zeide Blanche, „want hij en zijne zuster waren op de stoomboot en Cyril is alles van hem te weten gekomen. Hij is Boniface uit den muziekwinkel.quot;

ocr page 36

24

Frithiof behoefde niet te antwoorden, want zij hadden het doel van den tocht bereikt en voegden zich bij de anderen, die reeds van het heerlijke gezicht genoten. Beneden hen beschut door een grooten berg aan de andere zijde, lag een klein eenzaam meer, dat er zoo verlaten uitzag, dat het bijna niet was te gelooven, dat het uit de stad makkelijk kon worden bereikt. Dreigend uitziende wolken begonnen zich op een te hoopen aan den hemel, een pur-pere schemering scheen over den berg in het meer te worden uitgespreid en iets van die somberheid scheen ook Frithiof te hebben aangegrepen. Hij had de eerste onvolmaaktheid ontdekt in zijn ideaal, maar het had slechts gestrekt om hem te toonen, hoe groote macht, hoe sterken invloed zij over hem bezat. Nu wist hij, dat hij voor het eerst van zijn leven blind, wanhopig verliefd was.

„Het begint te regenen,quot; zeide de heer Morgan. „Ik geloof, dat het geraden zal zijn, terug te keeren, mijnheer Falck. Het is een zeer aangename wandeling geweest, maar indien wij het hotel bereiken, voordat wij een regen-achtigen avond hebben, zal ik blijde zijn.quot;

„De regen is het hinderlijkste, wat er te Bergen is,quot; zeide de heer Falck. „Te Christiania zijn zij gewoon te zeggen, dat het hier driehonderd zes en zestig dagen in het jaar regent. Maar ten slotte raakt men er aan gewend.quot;

Op de terugwandeling was het gesprek meer algemeen en ofschoon Frithiof naast Blanche ging, sprak hij zeer weinig. Zijne gedachten waren vervuld van het nieuwe denkbeeld, dat voor hem was opgerezen en hij hoorde als in een droom haar vroolijk gepra,at met Sigrid en Swan-hild. Maar spoedig zag hij tot zijn schrik vóór zich de twee Engelsche touristen en ofschoon zijn gemoed onstuimig was vervuld met het nieuwe gevoel zijner liefde voor Blanche, toch gevoelde hij behoefte hare ongepaste opmerking weder goed te maken, en het verlangen te toonen, dat hij haar

ocr page 37

25

vooroordeel niet deelde, was bij hem ook sterk. Hij verbeeldde zich, dat het voornamelijk was om hem te ontwijken, dat de Engelschman, toen zij hem hadden ingehaald, naar den kant van den weg ging om een bloem te plukken, die hoog boven zijn hoofd groeide.

„Wat kan dat zijn, Cecil?quot; zeide hij.

„Vergun mij, mijnheer,quot; zeide Frithiof, die zag, dat de bloem even buiten het bereik van den vreemdeling was.

Hij was twee of drie duim grooter en met een vluggen sprong vatte hij de bloem. Inmiddels waren de anderen hem een weinig vooruit gegaan. Hij zag verlangend naar Blanche en meende in haar houding afkeuring te zien.

„Het is de Linnaea,quot; legde hij uit. „Gij zult die veel vinden in den omtrek. Het is de bloem, die Linnaeus naar zich zeiven noemde. Sommigen zeggen, dat hij zijne nederigheid toonde door zulk een algemeene en onbeduidende plant te kiezen, maar ik heb altijd gedacht, dat het zijn goede smaak bewees. Het is een mooie bloem.quot;

Roy Boniface dankte hem hartelijk voor zijn hulp. „Wij hoopten juist de Linnaea te vinden,quot; zeide hij, de bloem aan zijne zuster gevend, terwijl hij een botaniseertrommel opende.

„Welke fijne, kleine klokjes!quot; riep zij uit. „Ik ben het geheel met u eens, dat Linnaeus een bewijs heeft gegeven van zijn goeden smaak.quot;

Frithiof zou waarschijnlijk verder zijn gegaan, als hij niet op dat oogenblik in Cecil het Engelsche meisje had ontdekt, dat hij het eerst op de stoomboot had aangesproken.

„Vergeef mij, dat ik u niet dadelijk heb herkend,quot; zeide hij, zijn hoed oplichtend. „Wij hebben elkander gister namiddag reeds gezien, niet waar? Ik hoop, dat gij u te Bergen hebt geamuseerd.quot;

„Heerlijk, dank u. Wij vinden het de liefste stad, die wij nog ooit hebben gezien.quot;

ocr page 38

26

„Behalve de regen,quot; zeide Roy, „en wij zijn dwaas genoeg geweest, niet daarop te rekenen.quot;

„Ga nooit uit zonder uwe parapluie, is een eerste levensregel in dit gedeelte van de wereld,quot; zeide Frithiof glimlachend. „Ho! nu begint het ernst te worden. Ik vrees, dat gij erg nat zult worden,quot; zeide hij met een blik op Cecil's net, grijs reiscostuum.

„Willen wij een oogenblik daar onder die poort gaan schuilen,quot; zeide Cecil, naar een villa ziende, die zij juist voorbij gingen.

„Neen, neen,quot; zeide Frithiof, „doet mij het genoegen bij ons in huis te komen. Mijns vaders villa is dicht bij. Doet het maar.quot;

En daar Cecil werkelijk blijde was, niet door en door nat te zullen worden en daar Roy, ofschoon hij niets gaf om de regen, blijde was, dat hij het inwendige van een Noorweegsche villa zou kunnen zien, namen zij het vriendelijk aanbod aan en volgden zij hun geleider In het gastvrije huis.

Roy had veel hooren praten over licht en zachtheid van toon, maar hij dacht, dat hij nooit de beteekenis van die uitdrukkingen had begrepen, voordat hij die Noorweegsche zitkamer had gezien, met den geschilderden vloer, groepen bloemen, de licht roode wanden, waarlangs de klimop schilderachtig groeide, hier gewonden om een spiegel of den lijst eener schilderij, daar een onregelmatige draperie om de geheele kamer vormend, terwijl de wortels netjes in hoeken of achter een ornament waren verborgen. De goede geest van het huis, het middenpunt van al wat aantrok, stond bij een venster, waar het licht op haar gouden haar viel. Zij had haar hoed afgenomen en sloeg met haar zakdoek er de regendroppels af, toen Frithiof de beide Bonifaces binnen leidde; en Roy, dien de ontmoeting een weinig in verlegenheid bracht, was spoedig op zijn gemak door

ocr page 39

27

hare bekoorlijke natuurlijkheid en ongeveinsde voorkomendheid.

Haar groet en glimlach waren zoo bevallig mogelijk; zij scheen het gebeurde volkomen natuurlijk te vinden; men zou hebben kunnen denken, dat zij lederen dag aan natte touristen een schuilplaats verleende.

„Ik ben blijde, dat mijn broeder u heeft ontmoet,quot; zeide zij. „Gij zoudt door en door nat zijn geworden, als gij door waart gewandeld naar Bergen. Swanhild, haal gauw een doek; o, gij hebt er reeds een — dat is braaf. Laat mij nu uw japon afvegen,quot; zeide zij tot Cecil.

„Waar zijn al de anderen gebleven?quot; vroeg Frithiof.

„Vader is met de Morgan's mede gewandeld naar Holdt's hotel,quot; zeide Swanhild. „Zij wilden hier niet blijven, ofschoon wij het vroegen. Vader zal met hen over hun reisroute spreken.quot;

Cecil zag, dat een oogenblik eene uitdrukking van teleurstelling ov^. zijn gelaat kwam; maar een minuut latei-sprak hij weer opgewekt met Roy en weldra werd over het reisplan gesproken en zoodra Frithiof eene plaats aanbeval, noemden Sigrid en Swanhild andere, die in geen geval mochten worden voorbijgegaan.

„En hebt gij werkelijk niet langer tijd dan een maand?quot; vroeg Sigrid. „Dan zou ik er niet aan denken, naar Chris-tiania of Trondheim te gaan, als ik u was. Zij zullen u niet half zoo bevallen als deze zuidwestkust.quot;

„Maar, Sigrid, zij kunnen onmogelijk Kongswold en Dombaas overslaan. Want gij zijteen botanist, zijtgij niet?quot; zeide Frithiof, zich tot den Eogelschman wendende, „en daar vindt gij de meeste bloemen.quot;

„Dan moet gij er stellig heengaan,quot; zeide Sigrid. „Kongswold is eene aardige plaats. Maar als gij geene botanisten waart, zou ik u raden, liever de Vöringsfas of de Skjaeg-gedalsfos te gaan zien, het zijn onze mooiste watervallen.quot;

ocr page 40

28

„De Skedadle fos, zooals de Amerikanen zeggen,quot; merkte Frithiof op.

„Er komen hier vele Amerikanen, geloof ik,quot; zeideRo5r.

„O ja, zeer velen en wij mogen hen goed lijden, ofschoon niet zoo als de Engelschen. Met de Engelschen voelen wij ons nader verwant.quot;

„En gij spreekt onze taal zoo goed,quot; zeide Cecil, voor wie deze ontdekking eene verlichting was geweest.

„In Noorwegen wordt veel voor het onderwijs gedaan.. Onze scholen zijn zeer goed; wij leeren allen Duitsch en Engelsch; Fransch, dat bij u het eerst komt — is het niet zoo ? is bij ons het derde.quot;

„Vertel mij iets van uwe scholen,quot; zeide Cecil. „Ik ben benieuwd, of zij op de onzen gelijken.quot;

„Wij gaan al op ons zesde jaar naar school en ik hoor, dat deze scholen veel overeenkomst hebben met de Engelsche; mijn broeder en ik hebben te Bergen school gegaan. Toen wij zestien jaar waren, gingen wij twee jaar naar Christiania — hij naar de handelsschool en ik naar de school van juffrouw Bauer. Mijn zusje gaat nu hier school, maar nu is het vacantie.quot;

„En in de vacantie,quot; zeide Swanhild, die minder vloeiend en gemakkelijk Engelsch sprak, „gaan wij weg. Wij gaan morgen misschien naar Balholm.quot;

„Misschien zullen wij u daar ontmoeten,quot; zeide Sigrid. „O, daar moet gij heengaan. Het is zulk een mooie plaats.quot;

Toen volgde een gesprek over bloemen, waarin Sigrid ook belang stelde en daarop kwam de heer Falck t huis en voltooide de gastvrije groep, die den Engelschen reizigers altijd in het geheugen zou blijven ; eindelijk werd thee gedronken, een nieuw punt van overeenkomst, en men sprak weder over Engelsche en Noorweegsche gebruiken met veel opgewektheid, vroolijkheid en gelach.

Toen eindelijk de regen had opgehouden en het Eoy

ocr page 41

29

en Cecil werd vergund te vertrekken, was het hun, alsof de vriendelijke Noorwegers oude vrienden waren.

.„Zal het u erg spijten, als wij niet naar de Skedaddle fos gaan ?quot; vroeg Roy. „De eene waterval is precies als de andere, maar wij zullen niet licht overal zulk eene familie vinden.quot;

„O, wij denken niet meer aan den waterval,quot; zeide Cecil vroolijk. „Ik zou veel liever een paar kalme dagen te Balholm doorbrengen. Ik heb er een hekel aan, alles af te loopen, wat iedereen gaat zien. Bovendien, wij kunnen den waterval altijd in Noorwegen terug vinden, maar wie weet, waar die lieve menschen blijven.quot;

DERDE HOOFDSTUK.

BLAHCHE.

Balholm, het liefelijkste plaatsje aan het Sogne Fjord, is misschien het stilste plaatsje op aarde. Er is een hotel, dat gehouden wordt door twee brave Noorweegsche broeders; er is een badhuis, eene kleine landingsplaats en kleine houten huisjes met roode pannen daken liggen er verspreid. Het is alleen over water te bereiken; geen stof-ligen straatweg vindt men daar, geene karren of wagens. Indien gij rust en stilte wenscht, kunt gij die vinden op de bergen of aan de kust; verlangt gij u te vermaken, vervoeg u dan bij de vroolijke Noorwegers in de salon; zij zijn altijd] gereed om te zingen of te spelen, te dansen of te praten, of indien het slecht weer is, met den ijver en de volharding van kinderen aan gezelschapsspelen mede te doen. Zelfs een zoo ongevoelig mensch als Cyril Morgan, vond dat het leven in dit primitief land zijne bekoorlijk-

ocr page 42

30

heden had, terwijl Blanche naar waarheid zelde, dat zij haar leven lang niet zoo had genoten. Er was voor haar iets aangenaam pikants, zoowel in het stadje als in het volk; en ofschoon zij gewoon was aan bewondering, vond zij, dat Frithiof geheel anders was dan de mannen, die zij in gezelschap had ontmoet; hij had iets ongewoon frlsch over zich — geheel in overeenstemming met de omgeving en, met hem vergeleken, schenen alls mannen, die zij zich kon herinneren, gewoon en prozaïsch. En Frithiof — hij-maakte geen geheim van zijne liefde voor haar; iedereen merkte het op — de vroolijke Noorwegers, die het goedkeurend aanzagen; Cyril Morgan, die niet kon begrijpen, wat Blanche in zulk een eenvoudigen knaap kon zien; de heer Morgan, die, zijne breede schouders optrekkend, opmerkte, dat er niets aan was te doen, Blanche was nu eenmaal niet anders; Roy Boniface, die meende, dat die twee goed bij elkander pasten; Cecil, die als zij hen beiden gadesloeg, in haar hart dacht, wat zij nooit aan eenig mensch zou hebben gezegd, „ik hoop, ik hoop maar, dat zij genoeg van hem houdt.quot;

Eens op een morgen, toen zij een weinig vermoeid waren van den tocht van den vorigen dag naar de Suphelle Brae, voeren zij gemakkelijk op het fjord; Frithiof roeide, Swan-hild lag, zoo lang zij was, in den voorsteven met Lillo, die over haar de wacht hield en Blanche, Sigrid en Cecil in den achtersteven.

„Gij zijt al zoolang te Balholm en nog hebt gij koning Bele's graf niet gezien!quot; had Frithiof uitgeroepen, in antwoord op eene vraag van Blanche. „Zie, daar is het, die groene heuvel bij den boom.quot;

„Is het niet aardig,quot; zeide Sigrid, „dat wij op de plaats zijn, waar de Frithiof sage werkelijk is gebeurd?quot;

„Ik dacht, dat het slechts eene legende was,quot; zeide Cecil.

ocr page 43

31

„O, neenquot;, zeide Frithiof, „sagen zijn geene legenden, maar ware geschiedenissen, die van mond tot mond worden overgeleverd.quot;

„Dan zon ik gaarne willen, dat gij uwe sage ons uit uwen mond overleverdet,quot; zeide Blanche, hare mooie oogen tot hem opheffend. „Ik zal mij nooit de moeite geven, haar in een droog, vervelend boek te lezen. Vertel ons de geschiedenis van Frithiof, terwijl wij voortdrijven in de boot, met zijne oude woning, Pramnaes, in het gezicht.quot;

„Ik geloof niet, dat ik haar goed kan vertellen,quot; zeide hij, „maar ik kan u den inhoud mededeelen.quot;

„Frithiof was de eenige zoon van een rijken landman, die zijn land te Framnaes had liggen. Zijn vader was een groot vriend van koning Bele en de koning wenschte, dat zijne eenige dochter zou worden onderwezen door den wijzen man, die Frithiof had opgevoed. Zoo kwam het, dat Frithiof en Ingeborg als kinderen altijd samen waren en het was natuurlijk, dat zij elkander leerden liefhebben. Dat gebeurde dan ook en Frithiof zwoer, dat al was hij maaide zoon van een landman, niets hen zou scheiden of hem van haar zou doen afzien. Toen gebeurde het, dat koning Bele stierf en Frithiofs vader, zijn groote vriend, stierf in denzelfden tijd. Toen ging Frithiof te Framnaes wonen, dat daar ligt. Hij had vele bezittingen, maar de beste waren deze drie; een tooverzwaard, een too verarmband en een wonderschip, dat een zeegod aan een zijner voorvaderen, die een Viking was, had geschonken. Maar ofschoon hij dat alles bezat en de machtigste man in 't koninkrijk was, was hij altijd treurig, want hij kon de vroegere dagen met Ingeborg niet vergeten. Zoo stak hij eens op een dag het fjord over naar Bele's graf, dicht bij Balholm, waar Ingeborg's twee broeders, Helge en Halfdan, eene volksvergadering hielden en vroeg Ingeborg's hand. Helge, de Konins:, was woedend en wees minachtend hem af; en

ocr page 44

32

Frithiof, die zelfs niet kon dulden, dat een koning hem 2

beleedigde, trok zijn zwaard en hieuw niet eenen slag het j

schild des konings, dat aan een boom hing, in tweeën. z

Kort daarna liet koning King uit het hooge Noorden, die j-

zijne vrouw had verloren, Ingeborg ten huwelijk vragen; £

maar Helge en Halfdan beschimpten zijne gezanten. Een j

oorlog was daarvan het gevolg. Toen Frithiof van den 'j c

oorlog hoorde, zat hij met zijn vriend schaak te spelen; gt; r

hij weigerde Helge en Halfdan te helpen, maar toen hij | j-

had gehoord, dat Ingeborg, om haar in veiligheid te bren- j

gen, naar het heilige woud van Balder was gezonden, | 2 ging hij in zijne Ellida haar opzoeken, ofschoon er een wet

bestond, dat ieder, die over water het woud naderde, moest f,

worden ter dood gebracht. Nu had Ingeborg hem altijd ^ lief gehad, zij verloofde zich met hem en Frithiof nam

afscheid van haar en ging het zoo spoedig mogelijk aan h

hare broeders vertellen. Er was juist weder eene groote 5

vergadering bij Bele's graf en weder vroeg Frithiof de hand a

van Ingeborg; hij beloofde, dat hij, als Helge de verloving j

goedkeurde, voor hem zou vechten. Maar in plaats van rj[

hem te antwoorden, vroeg Helge hem, of hij niet in het n

heilige woud van Balder was geweest. Al het volk riep: d

„Zeg neen, Frithiof! Zeg neen, en Ingeborg is de uwe!quot; d

Maar Frithiof zeide, dat al hing zijn geluk af van zijn b

antwoord, hij niet wilde liegen — dat hij werkelijk naar e;

den tempel van Balder was gegaan, maar dat zijne aan- :| t;

wezigheid dien niet had ontwijd; dat hij en Ingeborg j si

samen hadden gebeden en hadden afgesproken, dat hij h

verzoening zou aanbieden. Het volk zweeg en koning gi

Helge verbande hem, totdat hij de schatting zou meebren- e

gen, die koning Angantyr van de Westersche Eilanden o]

schuldig was. Iedereen wist, dat als hij daarvan het leven | it

afbracht, het een wonder zou zijn. ïsTog eens zag Frithiof h

Ingeborg en hij vroeg haar, met hem mede te gaan in v;

ocr page 45

33

zijn schip Ellida; maar Ingeborg, ofschoon zij hem lief had, meende, dat zij aan hare broeders moest gehoorzaam zijn en zij namen afscheid van elkander ; maar vóór hij heen ging, maakte Frithiof den tooverarmband om haar arm vast. Zoo scheidden zij dan en Frithiof zeilde weg. Hij had meer avonturen dan ik kan vertellen, maar eindelijk kwam hij terug met het geld van de schatting en nu dacht hij, dat Ingeborg de zijne zou worden. Maar toen hij in het gezicht van Framnaes kwam, zag hij dat zijn huis en alles wat zijn eigendom was geweest, tot den grond was afgebrand.

„Neen, neen, Frithiof; zijn paard en zijn hond waren nog over,quot; verbeterde Sigrid. „Herinnert gij u niet, dat zij hem te gemoet kwamen?quot;

„Ja, dat is waar, maar al het andere was weg en wat het ergste was, zij vertelden hem, dat Ingeborg door hare broeders was gedwongen te trouwen met Koning Ring, die, als zij niet zijn vrouw had willen worden, aan Helge en Halfdan de helft van hun koninkrijk zou hebben ontnomen. Toen was Frithiof wanhopend en hij riep: „Wie durft nog spreken van de trouw eener vrouw?quot; Het was dien dag toevallig het feest van den zonnestilstand en hij wist, dat Koning Helge, Ingeborg's broeder, in den tempel van Balder was. Hij zocht hem op en ging recht op hem aan en zeide: „Gij hebt mij gezonden om de schatting te be talen en ik heb haar medegebracht, maar gij of ik moet sterven. Kom, vecht met mij! Denk aan Framnaes, dat gii hebt verbrand! Denk aan Ingeborg, die gij ongelukkig hebt gemaakt!quot; En in toorn wierp hij het geld van de schatting Helge naar het hoofd en Helge viel bewusteloos neer. Juist op dat oogenblik zag Frithiof den armband, dien hij aan Ingeborg had gegeven aan het beeld van Balder; hij rukte hem af, maar daarbij viel het beeld om en in de vlammen van het altaar; het vuur breidde zich snel uit, totdat

een Stoere xoormas,-. i. 3

ocr page 46

34

de tempel was verbrand met alle boomen van het woud.

„Den volgenden dag wilde koning Helge Frithiof nazetten, maar gelukkig hadden Prithiof's vrienden des nachts alle schepen van den koning laten zinken en Frithiof ontkwam in zijne Ellida. Toen werd hij een Viking, had een hard leven en behaalde vele overwinningen. Eindelijk kwam hij terug in Noorwegen en ging met Kersttijd, als een oud man vermomd, naar het hof van koning Ring; maar zij ontdekten spoedig, dat hij jong was en schoon en hij wierp zijne vermomming af en Ingeborg beefde, toen zij hem herkende. Ring kende hem niet, maar ontving hem als zijn gast. Eens redde hij Ring, die met sleede en paard in het water was gevallen. Maar op een anderen dag gingen zij samen jagen en Ring, die vermoeid was, viel in slaap; Frithiof hield over hem de wacht. Toen kwam een raaf, die zong en hem aanspoorde, den koning te dooden, maar een witte vogel vermaande hem, de verzoeking te ontvluchten en Frithiof trok zijn zwaard en wierp het weg, zoo ver hij kon. Toen opende de koning zijne oogen en hij vertelde Frithiof, dat hij hem al eenigen tijd had gekend en dat hij hem eerde, omdat hij de verzoeking had weerstaan. Maar Frithiof voelde, dat hij niet langer kon leven in de nabijheid van Ingeborg, als zij niet de zijne was en hij wilde afscheid nemen van haar en haren gemaal. Maaide goede koning Ring zeide, dat het uur van zijn eigen dood was gekomen en verzocht Frithiof zijn koninkrijk met Ingeborg te nemen en goed te zijn voor zijn zoon. Toen stiet hij zijn zwaard zich in de borst en stierf. Spoedig daarna kwam het volk bijeen om een nieuwen koning te kiezen en zij zouden Frithiof hebben gekozen, maar hij wilde niets dan regent zijn, totdat de zoon van Ring meer. derjarig was. Toen ging Frithiof naar zijns vaders graf en bad tot Balder en bouwde een prachtigen nieuwen tempel voor den god, maai toch had hij geen vrede. En de pries-

ocr page 47

35

ters zeiden, dat de reden daarvan was, dat zijn hart nog was vervuld van toorn en haat tegen Ingeborg's broeders. Helge was dood, maar de priesters spoorden hem aan, zich met Halfdan te verzoenen. Zoo stonden zij te praten in den nieuwen tempel, toen Halfdan onverwachts binnen kwam en toen hij zijn vriend zag, werd hij bleek en beefde. Maar Prithiof, die nu voor het eerst begreep, dat vergeven beter is dan zich wreken, ging naar het altaar, legde daar zijn zwaard en schild neder en bood toen Halfdan de hand en zij werden verzoend. Op hetzelfde oogenblik kwam iemand, die als eene bruid was gekleed, den tempel binnen en toen Frithiof opzag, herkende hij Ingeborg. En Halfdan, wiens trots en ;oorn waren verdwenen, geleidde zijne zuster naar Prithiof en gaf haar hem tot vrouw en in den nieuwen tempel van Balder, den lichtgod, ontvingen de minnenden den zegen des priesters.quot;

„Wat vertelt gij goed! Het is eene wondervolle geschiedenis,quot; zeide Blanche en er was echte, ongeveinsde bewondering in haar blik, toen zij hem aanzag.

Het was zulk een contrast met haar gewone leven, dit kalme Noorwegen, waar alles zoo eenvoudig, eerlijk en vertrouwbaar was, waar niemand scheen te jagen naar effect; en in Frithiofs kracht en vluggen geest was iets, wat haar bijzonder aantrok. „Mijn Viking is verrukkelijk !quot; zeide zij bij zich zelve en langzaam kwam in hare manier jegens hem eene teedere vereering. Zij hield op. schertsend hem te plagen en hunne gesprekken in deze lange zomerdagen waren minder vol vroolijkheid en gelach, maar ernstiger en dieper.

Cecil zag dat alles en zij ademde vrijer: „Zij heeft hem zeker lief,quot; dacht zij.

Ook Sigrid twijfelde niet langer; Blanche had geheel haar hart gewonnen en als zij samen waren, liep het gesprek altijd uit op Frithiof's verleden, of Frithiof's toekomst,

3*

ocr page 48

36

of Frithiof's meening. Zij was er zeer gelukkig mede, want zij was overtuigd, dat Blanche eene allerliefste schoonzuster zou zijn en de liefde en de hoop schenen Frithiof wonderbaar te ontwikkelen; hij was mannelijk en flink geworden en Sigrid kon niet bespeuren, dat. zoo als zij had gevreesd, door zijne nieuwe liefde zijne liefde voor haar verminderde.

Het waren voor iedereen heerlijke dagen, die dagen te Balholm, met de vroolijke tochtjes naar den tuin van den geestelijke en de sparrebosschen, naar den saeter in de bergen en naar den grootschen Munkeggen, wiens hoogten boven het kleine houten hotel uitstaken. De heer Palck, die in het laatst der week was gekomen en even onvermoeid als iemand Munkeggen had beklommen, was zeer in zijn schik met den loop, dien de zaken hadden genomen. Iedereen was vriendelijk en liet Frithiof en Blanche aan henzelven over, als zij de bergen beklommen ; ja, Knut, de broeder van den hotelhouder, die als gewoonlijk beleefd zijne diensten als gids had aangeboden, dreef eene dikke Amerikaansche dame meedoogenloos voort, toen hij zag, dat de twee gelieven achterbleven.

„Is er morgen kerk?quot; vroeg Blanche, toen zij halverwege rustten. „Ik zou zoo gaarne een Noorweegschen kerkdienst bijwonen.quot;

„Er zal wel dienst zijn in een kerk in de buurt,quot; zeide Frithiof; „maar ik kan u niet sterk aanraden, er heen te gaan; het zal er warm en vol zijn.quot;

„Waarom ? Zijt gij zulk een godsdienstig volk ?quot;

„De boeren zijn het,quot; hernam hij, „en natuurlijk de vrouwen. Godsdienst en naar de kerk gaan is voor vrouwen; mannen hebben zulke dingen niet noodig.quot;

Zij was een weinig onthutst door zijn onverschilligen toon.

„Hoe, zijt gij een ongeloovige — een atheïst?quot; riep zij uit.

ocr page 49

37

„Neen, neen, volstrekt niet,quot; zeide hij bedaard. „Ik geloof in eene goede Voorzienigheid, maar dat is voor mij voldoende. Wat heeft men meer noodig? Voor ons mannen zijn kerkgaan en godsdienst eene groote last.quot;

„Wat spreekt gij Noorwegers rondborstig,quot; riep zij uit „Vele Engelschen denken het, maar weinigen zouden het ronduit zeggen.quot;

„Zoo! Ik dacht, dat de Engelschen juist zoo oprecht waren. Ik voor mij zie geen reden, mij er over te schamen. Wat kan men meer verlangen, dan zijn leven te genieten? Dat is mijn godsdienst. Ik heb gehoord, dat in Engeland een boek is uitgekomen, dat de vraag behandelt, of het der moeite waarde is, te leven. Zoo iets begrijp ik niet. Het is eene vraag, die bij mij nooit zou zijn opgekomen. Leven alleen is reeds geluk. Het leven is zulk een goed ding. Zijt gij het niet met mij eens?quot;

„Somtijds,quot; zeide zij met een zucht.

„Somtijds slechts? Neen, neen altijd — tot den laat-sten ademtocht!quot; riep Frithiof.

„Dat zegt gij, omdat alles naar uw zin gaat, omdat gij gelukkig zijt,quot; zeide Blanche.

„Dat is waar, ik ben zeer gelukkig,quot; antwoordde hij. „Wie zou niet gelukkig zijn, als hij met u wandelde?quot;

Er was iets in zijn manier, dat haar deed schrikken. Aarzelend en verward zeide zij:

„Gij zoudt niet zeggen, dat het leven een goed ding was, indien gij waart als de arme menschen in Oostelijk Londen.quot;

„Neen, waarlijk niet,quot; zeide hij ernstig. „Dat moet een groote vlek zijn op het Engelsche leven. Hier in Noorwegen hebben wij zulke uitersten niet. Niemand is doodarm en onze rijkste lieden bezitten niet meer, dan wat men in Engeland een redelijk inkomen zou noemen.quot;

„Misschien is het daarom, dat gij zulk een gelukkig volk zijt.quot;

ocr page 50

38

„Misschien,quot; zeide Frithiof, maar hij gevoelde weinig lust, het vraagstuk der verdeeling van den rijkdom op dit oogenblik te behandelen en het gesprek liep weldra weder over minder diepzinnige onderwerpen.

Eindelijk hadden zij den top van den berg bereikt en een vroolijk picnic ving aan. Frithiof was de ziel van de partij; menigmaal werd eene gezondheid gedronken en met de glazen aangestooten en ofschoon het scherp koud was, scheen ieder pleizier te hebben en over ongemak te lachen.

„Kom!quot; zeide Sigrid tot Cecil Boniface, „gij en ik moeten ook een steen op de cairn leggen. Laat ons dezen groo-ten optillen en op den top plaatsen als eene herinnering aan onze vriendschap.quot;

Lachende en hijgende stonden zij in de schaduw van den steenhoop, toen zij haar taak hadden volbracht en de vroolijke stemmen der overigen bereikten haar.

„Denkt gij niet, dat wij vreeselijke babbelaars zijn, wij Noorwegers?quot; zeide Sigrid.

„Ik denk, dat gij heerlijke menschen zijt,quot; zeide Cecil eenvoudig.

Er was iets in haar manier, dat Sigrid trof en beviel. Zij had dit stille Engelsche meisje lief gekregen. Beiden zwegen enkele minuten en staarden naar de blauwe fjords en de ruwe bergen, hier en daar met sneeuw gekroond. Ver beneden haar was op het water een roeiboot te zien, nauwelijks grooter dan een speldeknop; en terwijl Cecil het schoone landschap, in den gouden zonneschijn van dien zomernamiddag beschouwde, rezen beelden uit de Frithiof sage voor haar op, totdat het haar was, als moest aanstonds het drakenschip Ellida over het effen, blauwe water opdoemen.

Maar weldra gaf Knut te kennen, dat, als zij bij tijds voor het avondeten wilden zijn, zij nu moesten vertrekken

ocr page 51

39

en de vroolijke partij verdeelde zich in kleine groepen. De heer Falck was diep in gesprek met den heer Morgan, Cyril en Florence bleven als gewoonlijk bij elkander. Knut was vooruit met de Amerikaansche dame, terwijl Eoy Boniface zich bij zijne zuster en Sigrid voegde, soms even ophoudende om van de versch gevallen sneeuw sneeuwballen te maken. De kleine Swanhild aarzelde een oogenblik; zij had gaarne met Blanche willen gaan, voor wie zij eene vereering en gehechtheid koesterde, als wel meer voor volwassen meisjes bij kinderen van haren leeftijd voorkomt; maar zij werd lachend medegenomen door eenige goedhartige vrienden uit Bergen, die haar voornemen hadden geraden en Frithiof en Blanche werden weder alleen gelaten.

„En moet gij waarlijk Maandag vertrekken ?quot; vroeg Frithiof met een zucht.

„Nu,quot; zeide zij, snel naar hem opziende, „ik heb u last genoeg veroorzaakt, geloof ik — bij het klimmen had ik altijd hulp noodig. Gij zult blijde zijn, als gij mij kwijt zijt, al zijt gij te beleefd, het te erkennen.quot;

„Hoe kunt gij zoo iets zeggen?quot; riep hij uit en weder was er iets in zijn manier, dat haar een weinig verontrustte. „Gij weet — gij moet weten, wat deze dagen voor mij zijn geweest.quot;

Een bekoorlijke blos bedekte hare wangen en zij sprak, om iets te zeggen:

„Ik geloof, dat ik het met mijn Alpenstok alleen wel kan wagen !quot; En lachend begon zij het ruwe pad af te springen, een weinig trotsch op hare vlugheid en behendigheid en ook een weinig blijde, dat zij hem eenige oogenblikken kon teleurstellen en plagen.

„Wees voorzichtig! Wees voorzichtig!quot; riep Frithiof, haar naijlende. Toen, met een gesmoorden kreet sprong hij voorwaarts om haar bij te staan, want de Alpenstok was op een steen uitgegleden en zij rolde langs de steile helling

ocr page 52

40

naar beneden. Zelfs in dit verschrikkelijk oogenblik vond hij den tijd, aan twee verschillende gevaren te denken — zij kon met haar hoofd tegen een steenblok stooten of — nog vreese-lijker gedachte — zij kon, als zij niet werd gestuit, over den rand van het pad in den afgrond storten. Hoe het geschiedde, wist hij later zelf niet, maar de liefde scheen hem vleugelen te geven en het eerste, waarvan hij zich weder bewust was, was dat hij slechts twee of drie voet van den afgrond op het gras knielde en Blanche in zijne armen hield.

„Hebt gij u bezeerd?quot; vroeg hij ademloos.

„Neen,quot; zeide zij, bevende. „Ik heb mij niet bezeerd, maar ik ben alleen wat geschrokken.quot;

Hij tilde haar een weinig verder van den kant. Een poosje lag zij onbewegelijk, toen hief zij hare oogen tot hem op.

„Wat zijt gij sterk,quot; zeide zij, „en wat hebt gij mij handig gegrepen. Maar nu alles voorbij is, ziet gij angstig en bleek. Ik heb mij waarlijk geen zeer gedaan. Het was mijn verdiende straf, omdat ik heb gedacht, dat ik zonder u kon. Gij ziet, het ging niet!quot; en eene bekoorlijke, teedere glimlach vergezelde deze woorden.

Zij richtte zich op, nam haar hoed af en streek hare verwarde haren glad. Een schrik beving Frithiof, dat zij het volgend oogenblik zou voorstellen, verder te gaan en, door zijn vrees gedreven, sprak hij snel en onstuimig.

„Indien ik slechts altijd u mocht dienen!quot; riep hij uit. „O, Blanche, ik heb u lief! Ik heb u lief! Wilt gij u aan mij toevertrouwen?quot;

Blanche had reeds verscheidene huwelijksaanvragen gehad ; zij waren in veel beter uitdrukkingen gedaan, maaide hartstochtelijke onstuimigheid van Frithiof had er aan ontbroken. Onmiddellijk was zij overwonnen, zij kon zelfs niet schijnbaar tegenstand bieden, maar legde hare hand in de zijne.

„Ik zal u altijd vertrouwen,quot; stamelde zij.

ocr page 53

41

En toen zij zijnen sterken arm om haar voelde en op hare wangen zijne kussen, toen schoot haar eensklaps de beschrijving te binnen, die zij eens had gelezen van

Een sterke man van 't Noorden,

Blondgelokt en met oogen, grijs en gevaarlijk.

Zij kon trotsch zijn op die liefde.

„Maar Frithiof,quot; zeide zij eindelijk, „wij moeten het een tijdlang geheim houden. Mijn vader is niet hier en —quot;

„Laat mij hem schrijven en zijne toestemming vragen,quot; riep Frithiof.

„Neen, neen, niet schrijven. Kom naar Engeland en spreek met hem; dat is veel beter.quot;

„Moeten wij zoolang wachten?quot; zeide Frithiof, terwijl zijn gelaat betrok.

„Slechts enkele weken; papa is niet eert'huis. Iedereen is nu uit Londen, zooals gij weet. Zie niet zoo bedrukt; ik herken uw gelaat niet, als het niet gelukkig is — gij zijt er niet naar, om ernstig te zijn. En wat papa betreft, ik kan met hem doen, wat ik wil; gij behoeft niet bang te zijn, dat hij zijne toestemming niet zal geven. Kom, ik heb beloofd u te vertrouwen en gij twijfelt aan mij.quot;

„Aan u twijfelen!quot; riep hij. „Nooit! Ik vertrouw u boven allen en als gij zegt, dat ik moet wachten — nu — dan moet ik gehoorzamen.quot;

„Wat heb ik u lief, omdat gij dat zegt!quot; riep Blanche zich aan hem vastklemmende. „Dat gij, die zoo sterk zijt, dat tot mij zegt, dat komt mij zoo vreemd voor. Maar, waarlijk, gij behoeft niet aan mij te twijfelen. Ik heb u lief met mijn geheele hart. Ik heb u lief, zooals ik nooit had gedacht, te kunnen liefhebben.quot;

Op nieuw drukte Frithiof haar in zijne armen en hij dacht aan de zoete woorden van Uhland:

ocr page 54

42

Erwachet \var ich Von ihren Küssen: Den Himmel sah ich In ihren Augen.1)

VIERDE HOOFDSTUK.

AFSCHEID VAN NOORWEGEN.

„Wij vreesden reeds, dat u een ongeluk was overkomen,quot; zeide Sigrid, die aan de deur van het hotel stond te wachten.

„Dat Is ook zoo,quot; zeide Blanche lachend. „Ik geloof, dat ik mijn hals zou hebben gebroken, als uw broeder er niet was geweest. Het was de schuld van den alpenstok, die mij in den steek liet.quot;

Omringd van een groep deelnemende toehoorders, deed Blanche toen het verhaal van haar gevaar en hare redding.

„En hebt gij u waarlijk niet bezeerd ? Zijt gij niet te veel ontsteld om heden avond te dansen?quot;

„In het geheel niet,quot; zeide Blanche vroolijk. „En gij hebt beloofd uw boerinne-costuum aan te trekken en ons den springdans te leeren.quot;

Gestorbeu war ich Vor Liebeswonn, Begrabeu lag ich In ihren Armen;

„Dat is waar. Dan moet ik mij haasten om mij aan te kleeden,quot; en Sigrid liep de trappen op. Zij keerde spoedig terug in een eenvoudigen, donkeren rok, witte mouwen

Ontwaakt was ik Door hare kussen. Den hemel zag ik In hare oogen.

1

) Gestorven was ik Van liefdeszaligheid, Begraven lag ik In hare armen.

ocr page 55

43

en chemisette en een rood lijf, rijk met goud geborduurd. Haar prachtig haar droeg zij in twee lange vlechten op haar rug en het costuum kleedde haar uitmuntend. Er was een vroolijk maal in de dependance, waar altijd werd gegeten en toen gingen allen naar de salon van het hotel; tafels en stoelen werden op zijde geschoven en het dansen begon.

De oogen van den heer Falck rustten met voldoening op de tengere gestalte in een licht geel kleedje, die zoo dikwijls met zijn zoon danste; en inderdaad Blanche zag er dien avond lieflijker uit dan ooit, want het geluk en de opgewondenheid deden hare donkere oogen schitteren en kleurden dieper den gloed op hare wangen. De vader gevoelde ook trots op zijne kinderen, toen op algemeen verzoek Frithiof en Sigrid den springdans met zijne bevallige wendingen en eigenaardige gebaren samen dansten. En toen hield men niet op, of Frithiof moest op de viool spelen, waarna Blanche aanbood iedereen Sir Roger de Goverley te leeren en oud en jong deed vroolijk mede aan den lande-lijken dans: zoo ging de avond al te snel voorbij. Het was een avond, dien Cecil nooit kon vergeten: de vroolijke dansers, den vriendelijken logementhouder, Ole Kvikne, die bij de deur naar hen zat te kijken; de uitdrukking van tevredenheid op het gelaat van den heer Falck, die naast hem zat; de aardige gezichtjes en de schilderachtige kleeding van Sigrid en Swanhild; de schitterende schoonheid van Blanche Morgan; de onbewolkte zaligheid van Frithiof.

De avond had Cecil goed gedaan; de ongedwongen toon, de hartelijke, ongeveinsde vroolijkheid maakten een sterk contrast met alle andere danspartijen, die zij zich kon herinneren; maar toch was er eene kleine schaduw. Zij kon de woorden niet vergeten, die zij toevallig op de stoomboot had gehoord; zij kon zich niet ontdoen van het gevoel, dat eene ramp de familie Falck bedreigde en dac ook in

ocr page 56

44

dit Noorweegsch paradijs de slang ergens schuilde. Terwijl zij zoo zat te peinzen, kwam Frithiof naar haar toe en vroeg haar ten dans. Zijne oogen straalden van geluk, het sprak uit zijne stem, het bezielde zijn dansen; zij dacht, dat zij nooit iemand zoo volmaakt tevreden had gezien. Zij spraken over Noorweegsche boeken en hare belangstelling in zijn land scheen hem genoegen te doen.

„Gij kunt gemakkelijk Engelsche vertalingen van onze beste schrijvers krijgen,quot; zeide hij. „Gij moet de werken van Alexander Kielland lezen en van Björnson. Een gedicht van Björnson maalt mij den geheelen dag door het hoofd; wij zullen Sigrid vragen of zij het voor ons wil opzeggen, want ik ken alleen het refrein.quot;

Toen de wals was geëindigd, bracht hij haar naar zijne zuster, die met Roy bij de piano stond.

„Wij komen u vragen, het gedicht van Björnson op te zeggen, waarvan het refrein is: „Het is juist een dag naar mijn zin.quot; Ik herinner er mij niets anders van.quot;

„Maar het is eigenlijk een akelig gedicht,quot; zeide Sigrid aarzelend.

„O, laat het ons hooren, toe, doe het maar,quot; zeide Blanche, die zich bij hen voegde. „Gij hebt mij nieuws gierig gemaakt.quot;

Sigrid wilde niet langer weigeren en zeide eerst het gedicht zelf en daarna de Engelsche vertaling op.

The fox lay under the birch-tree's root Beside the heather;

And the hare bounded with lightsome foot Over the heather;

„To-day is just a day to my mind.

All sunny before and sunny behind Over the heather!quot;

And the fox laughed under the birch-tree's root Beside the heather;

And the hare frolicked with heedless foot Over the heather;

„1 am so glad about everything!quot;

ocr page 57

45

„So that is het way you dance and spring Over the heather!quot;

And the fox lay in wait by the birch-tree's root Beside the heather;

And the hare soon tumbled down her foot Over the heather;

„Why bless me! is that you my dear?

However did you come dancing here Over the heather?quot; ')

„Ik had vergeten, dat het zoo treurig eindigde,quot; zeide Frithiof, even zijne schouders ophalende. „Maar dat doet er niet toe, het is maar een gedicht; wij zullen de treurigheid aan dichters en romanschrijvers overlaten en het werkelijke leven genieten.quot;

Er werd een polka gespeeld en hij vroeg Blanche.

„En toch moet er iets tragisch zijn in het leven,quot; merkte zij op, „of het wordt schrikkelijk prozaïsch.quot;

„O,quot; zeide Frithiof, toen hij met haar wegging, „laat ons dan in 's hemels naam prozaïsch zijn tot het einde dei-dagen.quot; Cecil hoorde deze woorden: het scheen haar toe, dat zij ongelukkig overeenstemden met de woorden van het gedicht; zij zou het niet hebben kunnen verklaren en zij trachtte niet te doorgronden, waarom die gedachte haar zoo pijnlijk aandeed; evenmin had zij zich rekenschap kunnen geven van de rilling van afkeer, die zij gevoelde, toen Cyril Morgan haar naderde en haar belette Frithiof en Blanche verder te zien.

') De vos lag aan den voet van den berkeboom op de heide en de haas sprong met vluggen voet over de heide. „Het is juist een dag naar mijn zin, met zonneschijn voor en achter, over de heide.quot;

En de vos lachte aan den voet van den berkeboom op de heide; en de haas sprong vroolyk met luchtigen voet, op de heide; „Ik ben over alles zoo blyde. Dat is het dus, waarom gü danst en springt over de heide!quot;

En de vos lag op de loer aan den voet van den berkeboom op de heide; en de haas tuimelde neer aan haar voet op de heide. „God zegene my! Zijt g\j dat mijn vriend? Hoe kondt gü ooit komen dansen hier. op de heide.quot;

ocr page 58

46

„Mag ik de eer hebben u dezen dans te vragen?quot; zeide hij, op zijn nederbuigenden toon.

„Ik dank u, ik ben vermoeid,quot; antwoordde zij, „te vermoeid om nog te dansen.quot;

„Ja,quot; zeide Sigrid, haar aanziende, „gij ziet er afgemat uit. Het is een vermoeiende tocht geweest. Ga mede naar boven, het is hoog tijd, dat mijn zusje in bed komt.quot;

„Dat is het loon der deugd,quot; zeide Cyril Morgan, toen hij bij zijn nichtje Florence terug kwam. „Ik ben beleefd geweest tegen dit burger schepseltje en het heeft mij niets gekost. Op eene plaats als deze is het altijd goed, met iedereen op een goeden voet te zijn. Wij zullen die men-schen waarschijnlijk nooit meer ontmoeten; de kennismaking zal dus niet lastig worden.quot;

Hij sprak de waarheid. Die verzameling van verschillende nationaliteiten zou nooit weer vereenigd zijn, maar toch zouden deze dagen van vertrouwelijke gemeenzaamheid een blij venden invloed oefenen, ten goede of ten kwade, op het leven van ieder hunner.

Den geheeleu Zondag was Blanche in bed gebleven, want ofschoon de opgewondenheid haar den vorigen avond had staande gehouden, gevoelde zij toch de gevolgen van haar val. Eerst Maandag morgen, kort voor het aankomen van de stoomboot, kon Prithiof de gelegenheid vinden, naar welke hij ongeduldig had verlangd. Zij wandelden in den kleinen tuin, schijnbaar om uit te zien naar de stoomboot en zij zagen ook inderdaad op de hoogte, waar de vlaggestok stond, de onwelkome, zwarte stip. Aan de andere zijde van de hoogte, tusschen boomen en struiken was eene beschutte zitplaats. Daar brachten zij de laatste oogenblikken door, daar luisterde Blanche naar zijne vurige liefdesbetuigingen, daar verzocht zij hem nogmaals te wachten tot October en gaf zij hem te gelijkertijd zooveel hoop en bemoediging, als zelfs den meest eischenden minnaar moest tevreden stellen.

ocr page 59

47

Al te spoedig bereikte hen de drukte en de stoomfluit — het akeligste en wanstemmigste van alle geluiden — weerklonk tusschen de bergen.

„Ik moet gaan,quot; zeide zij. „of zij zullen mij komen zoeken. Dit is ons eigenlijk afscheid. Op de stoomboot kunnen wij elkander slechts de hand geven, maar nu —quot;

En zij hief een bekoorlijk, blozend gelaat tot hem op.

En toen zij vervolgens naar de boot wandelden, sprak zij druk en vroolijk over alles, wat zij zouden doen, als hij in Engeland kwam; zij praatte door, omdat hij bleef zwijgen en omdat zij bang was, dat haar oom hun geheim zou raden; misschien was het voor haar eene verlichting, toen Frithiof aanbood terug te gaan naar het hötel om den kijker van den heer Morgan, die bij vergissing in de salon was gebleven, te gaan halen, zoodat er inderdaad slechts vooreen zeer kort afscheid op de stoomboot tijd was. Hij deed het kort af, werktuigelijk glimlachende bij de goede wenschen en met een bezwaard gemoed stapte hij aan land. De heer Falck, die met dezelfde boot naar Bergen terugkeerde, was niet onvergenoegd, toen hij zi.ins zoons neerslachtigheid zag; hij stond bij de verschansing naar hem te zien en sprak van tijd tot tijd een paar woorden tot Blanche, die naast hem stond.

„Wel kijk!quot; riep hij uit, „de jongen komt waarlijk weer aan boord. Wij zullen hem meenemen, als hij niet oppast.quot;

„Duizendmaal verschooning!quot; had hij uitgeroepen, toen hij Cecil en Eoy Boniface de hand drukte. „Ik had u niet vroeger gezien. Een goede reis! Gij moet weer eens in Noorwegen komen en ons opzoeken.quot;

„Vaer sa god!quot; riep een matroos en Frithiof moest zich haasten om van boord te komen.

„Op ons volgend vroolijk weerzien!quot; zeide Roy, met zijn hoed wuivend en toen volgde een algemeen gewuif van zakdoeken van de vriendelijke groep op de landingsplaats en

ocr page 60

48

van de vertrekkende gasten en te midden van al die drukte had Frithiof alleen Blanche's helder „Auf Wiedersehn!quot; verstaan en niets gezien dan de mooie, zwarte oogen, die tot het laatst op hem bleven gericht.

„Dat is voorbij,quot; zeide hij tot Sigrid, zich afwendendeen een zucht onderdrukkende.

„Misschien komen zij het volgend jaar terug,quot; zeide Sigrid om hem te troosten.

„Misschien ga ik het volgend najaar naar Engeland,quot; zeide Frithiof glimlachend.

„Zoo spoedig!quot; riep Sigrid onwillekeurig uit.

Hij lachte, want de woorden waren zoo merkwaardig in strijd met zijne gedachte.

„O, noemt gij twee maanden een korten tijd!quot; riep hij uit; „mij lijkt het eene eeuwigheid. Gij zult veel geduld met mij moeten hebben, want ik waarschuw u, het bevalt mij volstrekt niet, dat ik zoolang moet wachten.quot;

„Waarom hebt gij nu dan niet gesproken, voordat zij heenging?quot;

„Wat een goede raadgeefster,quot; zeide hij met een glimlach. „Ik heb haar gisteren gevraagd.quot;

„Gister!quot; riep zij verrast. „Gister, op Munkeggen!quot;

„Ja; en nu blijft nog slechts over de toestemming van den heer Morgan tot onze verloving te verkrijgen.quot;

„O Frithiof, ik ben zoo blijde! zoo erg blijde! Wat zal dat vader een genoegen doen! Gij moet het hem dadelijk schrijven.quot;

„Als hij het streng geheim houdt,quot; zeide Frithiof; „er moet natuurlijk geen woord over worden gesproken, voordat haar vader zijn toestemming heeft gegeven. Het is nog geen engagement, maar wij weten, dat wij elkander liefhebben.quot;

„Dat moet voldoende zijn, om u tot het najaar tevreden te stellen. En het was lief van u, Frithiof, dat gij het mij

ocr page 61

49

hebt verteld. O, ik geloof niet, dat ik had kunnen uitstaan, als gij een meisje hadt willen trouwen, van wie ik niet hield. Maar Blanche — niemand is liever en beminnelijker dan zij.quot;

Het scheen, dat Frithiof's geluk de geheele familie gelukkig maakte. Zelfs de kleine Swanhild giste, hoe het stond en begon zich beelden te scheppen van de gelukkige toekomst, als het schoone Engelsche meisje hare zuster zou zijn. Wat den heer Palck betreft, het nieuws scheen de diepe neerslachtigheid, onder welke hij in den laatsten tijd gehukt had gegaan, geheel te hebben verdreven. En zoo ging, ten spijt van het wachten, voor Frithiof de tijd spoedig voorbij: de gedachte aan Blanche's liefde maakte hem reeds gelukkig en in de villa te Kalvedalen was veel gelach en vroolijkheid, muziek en gezang — veel vurige verwachting en hoop en vele plannen werden gemaakt voor eene toekomst, die nog gelukkiger zou zijn.

Eindelijk, toen de avonden langer werden en de nadering van den langen winter was te bespeuren, vertrok Frithiof van huis en ging op een Zaterdag in October op reis. Het was in zekeren zin de groote gebeurtenis van zijn leven en allen gevoelden instinctmatig, dat het eene crisis was, zoodat Sigrid op het laatste oogenblik Swanhild ter zijde nam en vader en zoon alleen hunne afscheidswoorden konden zeggen.

„Ik reken op u, Frithiof,quot; zeide de vader ernstig, „om te volbrengen, wat mij niet is gelukt — te leven, zooals ik had gewenscht, te kunnen leven- Moge God u de vrouw geven, die het best u bijstaat in dien strijd! Soms denk ik, Frithiof, dat alles heel anders had kunnen gaan, wanneer uwe moeder voor mij was gespaard gebleven.quot;

„Geeft gij niet te veel toe aan die neerslachtigheid, vader?quot; zeide Frithiof. „Waarom hebt gij zulk eene sombere opvatting van uw leven? Ik zal heel blijde zijn, als ik doe,

EEN STOERE NOORMAN. I. 4

ocr page 62

50

wat gij hebt gedaan. Ik zou wel willen, dat gij mede kondt gaan naar Engeland; ik geloof, dat gij verandering en rust noodig hebt.quot;

„Zoo!quot; zeide de heer Falck lachend, „als gij eenmaal daar ginds zijt, zult gij het niet meer wenschen. Neen, neen; het is het beste, alleen te zijn, als men uit vrijen gaat, mijn zoon. Bovendien, ik zou nu onmogelijk van huis kunnen; over eenige dagen komt de haringvloot van IJsland terug.quot;

Het sein werd gegeven, dat allen, die de reis niet mede-maakten, de stoomboot moesten verlaten; hij nam Frithiof's hand en hield die in de zijne.

„God zegene u, mijn jongen — ik geloof, dat gij onzen naam eer zult aandoen, voeger of later. Nu, Sigrid, zeg hem goeden dag, wij moeten weg.quot;

Hij riep de kleine Swanhild, verliet vlug de boot en stond toen op de kade, vroolijk pratende; zijne neerslachtigheid scheen geheel verdwenen. Weldra zette de boot zich in beweging en Frithiof, vol van vroolijke verwachting, gevoelde toch eene smartelijke aandoening, toen hij hun, die hij achterliet, vaarwel toewuifde.

„Een gelukkige terugkomst in Gammle, Nor ge /quot;schreeuwde de heer Falck.

En Sigrid en Swanhild wuifden met hare zakdoeken, totdat de stoomboot buiten gezicht was.

„Het is dwaas van mij, mij het weggaan zoo aan te trekken,quot; dacht Frithiof. „Over drie weken ben ik weer thuis. En als ik dan weer Bergen verlaat, wie weet, of het dan niet zal zijn om mijn eigen bruiloft te vieren.quot;

En hij ging het dek op en neer en floot „het bruidslied van den Hardanger.quot;

ocr page 63

51

VIJFDE HOOFDSTUK.

Te Londen.

Eene gebeurtenis, die wij lang ongeduldig hebben te gemoet gezien, is zelden geheel zoo, als wij hadden verwacht en Prithiof, die in de twee laatste maanden bijna ieder uur zich zijn aankomst in Engeland had voorgesteld, voelde zich een weinig gedrukt en teleurgesteld, toen hij op een killen Maandagmorgen het eerst den voet zette op Engelschen grond. De zuiderling, die te Folkestone of Dover met hunne witte rotsen en zonnig licht aankomt, ontvangt een aangenamen indruk, als hij aan wal stapt; maar de Noorweger, die zijne bergen en fjords heeft achtergelaten en regelrecht naar de morsige en leelijke stad Huil gaat, treft het zeer slecht.

Er viel een fijne regen: in den vroegen morgen zagen de smerige, verwaarloosde huizen er zoo slecht mogelijk uit. Hoopen morsige kinderen waren de straat op gejaagd en begaven zich naar school en honderden mannen en vrouwen liepen door de straten, allen met zorgvolle, angstige gezichten. Toen Prithiof naar het spoorwegstation wandelde, was hij geheel onder den indruk van de akelige omgeving. Geheel alleen tusschen drukke, dringende men-schen, die hem ter zijde stieten en zich haastten, alsof hun leven er van afhing; om hem heen de snel gesproken vreemde taal, met het eigenaardig accent — alles deed hem scherp gevoelen, dat hij een vreemdeling was in een vreemd land. Hij was blijde toen hij weder in een spoor-wegwaggon zat, die ten minste hem niet vreemd leek. Maar weldra verdwenen al deze indrukken bij de alles beheer-schende gedachte — dat hij op weg was naar Blanche, dat hij mocht hopen, haar den volgenden dag te zien.

ocr page 64

52

Gelukkig was 't dien volgenden dag prachtig najaarsweer. Hij wilde niet voor den namiddag naar den heer Morgan gaan, hij dacht ook, dat hij hem vroeger niet t'huis zou vinden; hij slenterde dus door Londen en zag viermaal in het uur op zijn horloge, totdat eindelijk de tijd aanbrak, dat hij een rijtuig kon nemen om naar Lancaster Gate te rijden.

Er zijn huizen, die zoodra gij ze binnen treedt, u aan veel geld doen denken. Zoo was het huis van de Morgans; alles was onberispelijk in orde; v.we voeten zonken in de zachtste vloerkleeden; gij werdt bediend door de beleefdste dienstboden; niets, wat goedkoop of gewoon was, trof uw oog en gij voeldet, dat de stoel, waarop gij zat, een van de beste soort was, dat alle schilderijen en ornamenten, de beste waren, die voor geld waren te krijgen en dat gewone menschen, die geen zeer groot inkomen hadden, in deze in het oog springend prachtige woning slechts op voet van dulding werden toegelaten. Maar met al dat fraais was het geen huis, dat u in verzoeking bracht het tiende gebod te breken; het boezemde een soort verbazing in en als de gasten eerlijk hadden gezegd, wat zij dikwijls dachten, zou het zijn geweest: „Ik zou wel eens willen weten, wat hij er voor heeft gegeven ; het moet schatten hebben gekost.quot;

Toen Frithiof in de groote, ledige zijkamer met hare weelderige meubelen en bonte kunstwerken was gelaten, voelde hij even sterk als in de vuile straten van Huil, dat hij een vreemdeling en niet op zijne plaats was. In de ge-heele kamer was niets, dat hem aan Blanche deed denken; integendeel, alles was in strijd met de herinnering aan de dagen te Balholm en hun vrijen omgang. Hij voelde zich benauwd en ging onwillekeurig naar het raam en zag naar het groene gras van Kensington Garden en de hooge olmen, met hun afwisselende najaarstint.

Maar er waren slechts weinige minuten verloopen, of de

ocr page 65

53

heer Morgan kwam binnen; hij groette beleefd, doch een weinig stijf. „Het doet mij genoegen, kennis met u te maken,quot; zeide hij, nieuwsgierig hem opnemend. „Ik heb natuurlijk van u gehoord van mijnen broeder. Zij waren allen u veel verplicht, gij hadt hun zulk een mooi reisplan door Noorwegen aan de hand gedaan.quot;

Had Blanche dan niet over hem gesproken? Had zij haren vader niet voorbereid? Of zou zijn verzoek eene verrassing zijn? Dat waren de gedachten, die bij Frithiof opkwamen, toen hij tegenover den Engelschman zat en zijne regelmatige trekken, netten grijzen baard, kort gesneden haar en wel wat koude oogen opmerkte.

Wie hen beiden had gezien, zou zich geen grooter contrast hebben kunnen voorstellen; de jonge Noorweger, ongeduldig en vol hoop, op zijn gelaat de uitdrukking van iemand die de geheele wereld nog voor hem heeft; de Engelschman van middelbaren leeftijd, die zijne ervaring had betaald en in wiens hart de geestdrift, het onbezorgd genieten van het leven en het vertrouwend geloof in anderen lang waren gestorven. Toch, ofschoon de heer Morgan een hardvochtig en koel man was, had hij een weinig medelijden met zijn bezoeker en hij dacht ook, dat deze flinke jonkman beter dan zijn zoon Cyril geschikt was voor de betiekking te Stavanger.

„Het is vreemd, dat gij juist heden komt,quot; merkte hij op, nadat het gewone praatje over het weer en de reis en den eersten indruk van Engeland was afgeloopen. „Eerst heden is definitief beslist, wat wij al lang hadden overwogen, dat wij een tak van onze zaak te Stavanger zullen vestigen. Misschien hadt gij er al van hooren spreken.quot;

„Ik heb er niets van gehoord,quot; zeide Frithiof, „mijn vader heeft er geen woord van gesproken.quot;

„Het is haast niet denkbaar, dat hij niets van het plan zou hebben vernomen,quot; zeide de heer Morgan. „Toen ik u

ocr page 66

54

zag, dacht ik eerst, dat hij u daarom had gezonden. Maar gij zijt, geloof ik, nog niet in de zaak.quot;

„Ik zal dit najaar er een aandeel in krijgen,quot; zeide Fri-thiof. „Ik ben pas meerderjarig geworden, daarop heeft het gewacht.quot;

„Vreemd,quot; zeide de heer Morgan, „dat juist dezen morgen het telegram aan uwen vader is gezonden. Had ik geweten, dat gij in Engeland waart, dan had ik gewacht. Men kan zulke dingen beter mondeling afdoen. Maar er was toch eigenlijk geen tijd te verliezen, want wij konden onverwacht goede localiteiten te Stavanger krijgen en uitstel was onmogelijk. Ik zal natuurlijk dadelijk uitvoerig aan uwen vader schrijven en gij zult hem zeggen, dat wij met groot leedwezen de betrekking met hem afbreken.quot;

Frithiof was zoo onthutst door dit onverwachte nieuws, dat hij een oogenblik aan niets anders dacht.

„Het zal hem erg spijten, dat hij niet langer uw agent is,quot; zeide hij.

„En mij spijt het, hem te moeten verliezen. De heer Falck heeft ons altijd goed behandeld. Ik heb de grootste achting voor hem. Maar zaken zijn zaken. Wij mogen niet aan ons gevoel toegeven. Het is voor onze zaak ongetwijfeld beter, een eigen huis te Stavanger te hebben. Mijn zoon zal er spoedig heengaan.quot;

„Het telegram is pas verzonden, zegt gij ?quot; vroeg Frithiof.

„Heden morgen vroeg,quot; hernam de heer Morgan. „Gisteravond werd het besloten. Op dit oogenblik weet uw vader het al; het verwondert mij zelfs, dat wij nog geen antwoord hebben. Maar daarom kunnen wij toch goede vrienden blijven. Ik zal eens aan mevrouw Morgan vragen, welke avonden wij vrij zijn. Dan moet gij bij ons komen eten. Ik zal het u schrijven. Hebt gij iets bijzonders in Londen te doen, of reist gij alleen voor uw pleizier?quot;

ocr page 67

55

„Ik ben gekomen om u te spreken, mijnheer,quot; zeide Frithiof, wiens hart sneller klopte, ofschoon zijn stem even helder was als gewoonlijk. „Ik ben gekomen om uwe goedkeuring te vragen op mijne verloving met uwe dochter.quot;

„Met mijne dochter!quot; riep de heer Morgan uit. „Uw verloving! Wat, in 's hemels naam bedoelt gij?quot;

„Ik bedoel natuurlijk niet, dat er een formeel engagement tusschen ons bestaat,quot; zeide Frithiof op vasten toon. „Natuurlijk konden wij daaraan niet denken, voordat wij uwe toestemming hadden gevraagd. Wij spraken af, dat ik tegen het najaar zou overkomen om met u te spreken. Te Balholm hebben wij alleen elkander onze liefde verzekerd.quot;

„Uwe liefde verzekerd!quot; herhaalde de heer Morgan verbaasd en geërgerd, terwijl hij onrustig de kamer op en neer liep. „Welke dwaasheid zal zij nog meer doen?quot;

Ook Frithiof was opgerezen met een blos van toorn op zijn gelaat. „Ik zou nooit tot uwe dochter van liefde hebben gesproken, als ik niet in staat was geweest, eene vrouw te onderhouden,quot; zeide hij driftig. „Naar uwen Engelschen standaard ben ik misschien niet rijk, maar onze firma is een der voornaamste van Bergen. Wij zijn van eene goede, oude, Noorweegsche familie. Waarom zou het eene dwaasheid van uwe dochter zijn, mij lief te hebben?quot;

„Gij begrijpt mij niet,quot; zeide de heer Morgan, „ik heb niets tegen u. Maar nu gij er van hebt gesproken, moet ik u zeggen, dat ik verwacht, dat mijne dochter een geheel ander huwelijk zal doen. Geld kan ik haar geven; haar man zal haar een titel verschaffen.quot;

„Wat!quot; riep Frithiof woedend, „wilt gij haar dwingen met een ellendigen aristocraat te huwen, dien zij niet kan liefhebben? Om den wil van een titel zult gij haar ongelukkig maken.quot;

„Zoo iets zal ik zeker niet doen,quot; zeide de Engelschman niet zonder waardigheid. „Ga zitten, mijnheer Falck, en

ocr page 68

56

luister naar mij. Ik had u dit willen sparen, als het mogelijk was geweest. Gij zijt zeer jong en gelooft licht alles. Gij geloofdet, dat het eerste mooie meisje, dat met u co-quetteerde, uwe vrouw moest worden. Ik kan mij voorstellen, dat Blanche het pleizierig heeft gevonden, dat gij haar in Noorwegen het hof maaktet, maar het was haar geen ernst; zij geeft niets om u.quot;

„Dat geloof ik niet,quot; zeide Frithiof driftig.

„Meen niet, dat ik haar verontschuldig,quot; zeide de heer Morgan. „Zij is zeer te berispen. Maar zij is mooi en innemend. Zij kent haar macht en maakt er gaarne gebruik van; alle vrouwen zijn ijdel en zelfzuchtig. Wat bekommeren zij zich om de smart, die zij veroorzaken!quot;

„Zeg zoo iets niet van haar!quot; riep Frithiof wanhopend. „Het is niet waar, het kan niet waar zijn!quot;

Zijn gelaat was doodsbleek geworden en hij trilde van opgewondenheid. De heer Morgan had medelijden met hem.

„Mijn arme vriend,quot; zeide hij vriendelijk, „trek het u niet zoo aan. Gij zijt niet de eerste man, die bedrogen is. Het doet mij van harte leed, dat de dwaze lichtzinnigheid van mijn kind er de oorzaak van is, maar het is een les, die een ieder moet leeren; gij waart jong en onervaren.quot;

„Het is niet mogelijk!quot; herhaalde Frithiof in vreeselijke opgewondenheid; hij herinnerde zich levendig hare beloften, hare liefdesbetuigingen, hare kussen, de uitdrukking van hare oogen, toen hij haar zijne vurige liefde had verklaard. „Ik zal nooit gelooven, dat het mogelijk is, als ik het niet van hare eigen lippen heb gehoord.quot;

Met een verdrietig gebaar ging de heer Morgan de kamer door en belde. „Het zij zoo,quot; zeide hij koel. „Blanche heeft u slecht behandeld; daaraan twijfel ik geen oogenblik en gij hebt het recht, hare verantwoording van haar zelve te hooren.quot;

En tot den knecht, die binnenkwam, „zeg aan juffrouw

ocr page 69

5 7

Morgan, dat ik haar verzoek hier te komen. Zeg haar, dat zij dadelijk komt.quot;

De minuten, die Frithiof moest wachten, waren de ergste, die hij ooit had doorleefd. Twijfel, vrees, verontwaardiging en hartstochtelijke vrees kampten in zijn gemoed, terwijl daarmede was vermengd het drukkend bewustzijn der tegenwoordigheid van den heer Morgan en van de vreemde kamer met haar rijken inhoud.

Het wachten was ook niet aangenaam voor den heer Morgan; hij pookte in het vuur en ging onrustig op en neer. Voetstappen op de trap werden gehoord en toen Blanche binnenkwam, wendde hij zich tot haar met een zeer ontevreden gelaat.

Zij droeg een kleed van roodachtig bruin met veel pluche er op en het vormde het grootst mogelijk contrast met het eenvoudig reiscostuum, dat zij in Noorwegen had gedragen. Hare oogen waren helder en vroolijk en zij zag er even bekoorlijk uit als altijd.

„Hebt gij mij laten roepen, papa?quot; begon zij, toen zij binnenkwf^K, maar toen zij Frithiof zag, ontstelde zij en een brandend rood bedekte hare wangen.

„Ja, ik heb u laten roepen,quot; zeide de heer Morgan. „Hier is de zoon van den heer Falck.quot;

Zij deed haar best om zich te herstellen.

„Ik ben zeer blijde, u weer te zien,quot; zeide zij, met een gedwongen lachje en hare hand uitstekend.

Maar Frithiof had haar eersten schrik gezien en dat had hem in ijs veranderd; hij wilde hare aangeboden hand niet nemen, maar boog slechts. Er volgde een pijnlijke stilte.

„Dit is niet de eerste maal, Blanche, dat gij ondervindt, wat er van komt, als gij met scherp wapentuig speelt,quot; zeide de heer Morgan. „Ik had al van anderen gehoord, dat gij in Noorwegen met den zoon van den heer Falck hadt gecoquetteerd; nu hoor ik, dat hij op uw raad naar

ocr page 70

58

Engeland is gekomen om mijne toestemming tot een engagement te vragen en dat gij hem hebt laten gelooven, dat gij hem lief hadt. Wat hebt gij daar tegen te zeggen?quot;

Terwijl haar vader sprak, had Blanche gestaan met gebogen hoofd en neergeslagen oogen; op die directe vraag zag zij een oogenblik op.

„Ik dacht, dat ik van hem hield, toen ter tijd,quot; stamelde zij. „Het — het was eene vergissing.quot;

„Waarom hebt gij dan niet geschreven en het hem ge- ' zegd? Dat was wel het minste, wat gij kondt doen,quot; zeide hare vader.

„Het was zoo moeielijk zoo iets te schrijven,quot; zeide zij aarzelend. „Ik stelde het altijd uit en ik hoopte, dat hij ook zou inzien, dat hij zich had vergist. En dan dacht ik ook, dat ik het beter kon uitleggen, als hij hier was.quot;

Fiithiof deed een paar stappen voorwaarts; zijn gelaat was bleek en onbeweeglijk; het blauw scheen uit zijne oogen te zijn verdwenen - zij geleken staal. „Ik wacht op uwe verklaring,quot; zeide hij met een stem, die, in weerwil^ van hare vastheid eene hevige gemoedsbeweging ver-

De heer Morgan verliet zonder een woord te zeggen de kamer en de twee bleven alleen. Weder volgde een drukkend zwijgen. Toen wendde Blanche met een snik zich af, zonk neder op eene sofa en bedekte haar gelaat met de handen. Hare tranen ontroerden Frithiof; zijne verontwaardiging en gekwetste trots maakten plaats voor liefde en teederheid; een onredelijke hoop rees bij hem op.

„Blanche! Blanche!quot; riep hij. „Het is immers niet waar? Het kan niet alles uit zijn! Anderen hebben u gedwongen een voornaam huwelijk te doen - de vrouw te worden misschien van een groot edelman. Maar hij kan u niet lief hebben, zooals ik u lief heb. O, hebt gij vergeten, dat gij mij hebt gezegd, dat ik u kon vertrouwen? Er is geen

ocr page 71

59

oogenblik na dien tijd geweest, dat ik niet aan u heb gedacht.quot;

„Ik had zoo gehoopt, dat gij mij zoudt vergeten,quot; snikte zij.

„Hoe kon ik u vergeten? Welke man zou niet dag en nacht zich u herinneren? O, Blanche, begrijpt gij dan niet, dat ik u lief heb — dat ik u lief heb?quot;

„Ik begrijp het maar al te goed,quot; zeide zij, hem aanziende met hare donkere oogen vol tranen.

Hij kwam nader bij haar.

„En gij zult mij weder liefhebben,quot; zeide hij hartstochtelijk. „Gij zult niet rang en rijkdom kiezen; gij zult —quot;

„O, zwijg! zwijg!quot; riep zij. „Het is alles eene vreeselijke vergissing geweest. Ik heb u nooit werkelijk lief gehad. O, zie mij zoo niet aan. Ik vond het zoo vervelend in Noorwegen — er was niemand dan gij. Het spijt mij, het spijt mij erg.quot;

Hij deinsde terug, alsof zij hem een doodelijken slag had toegebracht, maar Blanche sprak voort, snel en onsamenhangend, zonder hem aan te zien.

„Toen wij weg waren gegaan, zag ik zoo duidelijk alle bezwaren — wij waren niet uit hetzelfde land, onze gewoonten verschilden. Maar ik geloofde waarlijk, dat ik van u hield, totdat wij te Christiania kwamen. Toen op de terugreis, op de boot, ontdekte ik, dat het niet zoo was.quot;

Zij hield op. Al dien tijd had zij zorgvuldig de vingers van haar linkerhand verborgen; die houding was te gedwongen om niet Frithiof's aandacht te trekken.

Hij herinnerde zich, dat in Engeland de verlovings- of huwelijksring anders werd gedragen dan in Noorwegen en bijna woest riep hij:

„Waarom tracht gij dat voor mij te verbergen? zijt gij reeds verloofd met dien andere?quot;

„Het is eerst Zondag gebeurd,quot; snikte zij. „En ik had u willen schrijven, waarlijk.quot;

ocr page 72

60

Weder bedekte zij haar gelaat met hare handen en ditmaal poogde zij niet voor Frithiof het prachtige ringetje met brillanten aan haar derden vinger te verbergen.

Het was hem, of eene reuzenhand hem aanvatte en hem verpletterde, maar toch gevoelde hij de smart van te leven en als op verren afstand hoorde hij Blanche's stem.

„Ik ben verloofd met lord Romieux,quot; zeide zij. „Hij was in Noorwegen geweest om te visschen, maar op de stoomboot hebben wij elkander het eerst ontmoet. En toen zag ik dadelijk, dat alles op Munkeggen eene vergissing was geweest en dat ik u waarlijk nooit had lief gehad. Wij ontmoetten elkander weder op eene badplaats in September, maar het werd eerst eergisteren beslist. O, had ik u maar geschreven!quot;

Zij stond eensklaps op en ging naar hem toe.

„Is er niets, wat ik kan doen om het goed te maken?quot; zeide zij en zag hem met smeekende oogen aan.

„Niets,quot; zeide hij bitter.

„O, denk toch niet slecht van mij! Haat mij niet!quot; „U haten! riep hij uit. „Het zal de vloek zijn van mijn leven, dat ik u lief heb - dat gij gemaakt hebt, dat ik u lief heb.quot;

Hij wendde zich van haar af om heen te gaan.

„Ga niet weg zonder een woord van afscheid,quot; riep zij uit; en hare oogen zeiden duidelijker dan woorden: „ik vergun, dat gij mij nog eens kust.quot;

Hij stond stil, het eene oogenblik ijs, het volgende vuur, maar hij bleef zich bewust, dat het geweten hem aanspoorde, onverwijld te gaan.

Blanche sloeg hem angstig gade; zij kwam nog nader. „Kunnen wij geene vrienden blijven?quot; zeide zij met eene kleine trilling in haar stem.

„Neen!quot; riep hij heftig, maar toch met waardigheid; „neen, dat kunnen wij niet.quot;

ocr page 73

61

En voordat Blanche zich van haar gevoel van vernedering door die barsche weigering genoeg herstelde om te spreken, verliet hij het vertrek.

Zij wierp zich op de sofa en verborg haar gelaat in de kussens. „O, wat moet hij van mij denken? wat moet hij van mij denken? Had ik hem maar dadelijk geschreven en mij deze vreeselijke ontmoeting bespaard! Hoe kon ik zoo dwaas zijn, zoo vreeselijk dwaas! Mijn arme Viking! wat zag hij er fier uit, toen hij weg ging. Ik had wel gewild, dat wij vrienden hadden kunnen blijven. Het was toch wel aardig in Noorwegen; hij was zoo anders als andere menschen — dat trok mij aan. En nu is alles voorbij en ik zal hem nooit meer kunnen ontmoeten. O, wat ben ik dom geweest! Als ik op Munkeggen niet zoo onvoorzichtig was geweest, had hij mijn geheele leven mijn cavalier kunnen geweest zijn en ik zou het pleizierig hebben gevonden, hem hier te hebben laten zien. Ik zou hem gaarne van alles op de hoogte hebben gebracht.quot;

De klok op den schoorsteenmantel sloeg vijf. Zij sprong op, liep naar een spiegel en zag bezorgd naar hare oogen. „Goede hemel, wat zal ik doen?quot; dacht zij. „Algernon zal dadelijk hier zijn en wat zie ik er uit van dat schreien.quot; Er werd aan de voordeur gebeld. Zij wierp zich op de sofa en dekte zich schilderachtig toe. „Er zit niets anders op dan te zeggen, dat ik erge hoofdpijn heb,quot; zeide zij bij zich zelve.

ocr page 74

62

ZESDE HOOFDSTUK.

Weerhouden.

Aan de trap werd Frithiof door den heer Morgan opgewacht. Het verbaasde hem zelf, dat hij kalm kon antwoorden op de beleefde woorden van den Engelschman, op de betuigingen van leedwezen en op de vraag, wanneer hij naar Noorwegen dacht terug te keeren, want al dien tijd wist hij nauwelijks wat hij ze 1de, en het was Inderdaad vreemd, dat hij nog een Engelsche zin kon vormen. Plotseling kwam het bij hem op, dat de heer Morgan blijde zou zijn, als hij weg was en met welk een gevoel van verlichting de Engelschman naar zijn prachtig vertrek zou terugkeeren en bij zichzelven zeggen: „Arme drommel! ik ben blij, dat hij weg is! Eene onaangename geschiedenis, van het begin tot het eind.quot; Want voor de Morgans zou de geschiedenis waarschijnlijk ten einde zijn, zoodra de deur achter hem was gesloten, maar voor hem zou zij eeuwig duren. Werktuigelijk liep hij voort langs de hooge huizen, die in zijn onervaren oogen paleizen schenen; ieder onbeduidend ding scheen zich in zijn geheugen te prenten: hij lette op den hongerig uitzienden straatveger, die wanhopig poogde iets weg te vegen op dien drogen, stillen dag; hij lette op den fraaien toren van een kerk en hoorde de klok vijf uur slaan en hij dacht, dat een kort uur voldoende was geweest, om zijn geheele leven te veranderen — om van het toppunt van hoop en gelukkige verwachting hem in de diepste ellende te storten. De eindelooze, eentonige opvolging van groote huizen werd ondragelijk; hij sloeg Kensington Garden in en toen de eerste wilde opgewondenheid begon te bedaren, voelde hij eene koude leegte, die hem zeiven angst aanjoeg. Wat beduidde dat

ocr page 75

63

alles ? Hoe zou hij het kunnen dragen ? Eerst bij tusschen-poozen werd het hem duidelijk, dat Blanche's trouweloosheid hem van veel meer dan hare liefde had beroofd. Zij had hem naakt en gewond gelaten op den weg des levens; zij had hem het geloof in de vrouw ontroofd; zij had zijn belijdenis der vreugde van het bestaan voor altijd onmogelijk gemaakt; zij had zijn jeugd gedood. Moest hij nu trachten zich op te heffen en moedeloos voort te leven? Wat was het leven thans hem waard ? Hij was een dwaas geweest, dat hij er ooit aan had geloofd; het was, zooals het zijn moest, omdat hij nooit ongeluk had gekend.

Zijn hart was zoo geheel en al dood, dat hij niet eens kon denken aan zijn vaderlijk huis; noch zijn vader, noch Sigrid rezen op voor zijn verbeelding, toen hij zich het treurige leven voorstelde, dat voor hem lag. Hij kon alleen zien, dat hij Blanche had verloren; dat de Blanche, die hij had bemind en vertrouwd, eigenlijk nooit had bestaan; dat hij bedrogen, misleid, verongelijkt was en dat hem iets was ontnomen, wat hij nooit zou terugvinden.

„Ik wil geen dag langer leven,quot; zeide hij bij zichzelf, „geen uur langer.quot; Het verlichtte hem, dat hij iets bereikbaars kon wenschen, al was het slechts dood en vernietiging; hij versnelde zijn pas en voelde energie en leven terugkeeren om het eenige doel, dat nog waarde voor hem had, te bereiken. Snel zou hij aan alles een einde maken; hij zou niet een ellendig leven voortslepen, zijn lot beklagende of zijne geboorte vervloekend, omdat het leven zijn hoop had bedrogen. Of zijn voorgenomen daad goed of slecht was, daaraan te denken, kwam zelfs niet bij hem op; blindelings ging hij voort, hopende, dat eene gelegenheid zich zou voordoen, aangevuurd door de onzinnige verwachting, dat de dood hem troost zou schenken.

Hij had nu Hydepark bereikt en eene onbestemde herinnering kwam bij hem op; hij herinnerde zich, dat, toen

ocr page 76

64

hij des namiddags naar Lancaster Gate was gereden, hij een brug was overgegaan. Daar was water; daarheen moest hij gaan. Hij ging nog sneller voort, altijd de onbeduidendste kleinigheden opmerkend, de kleur van den drogen, stof-figen weg, het groene gras, de kleeding der voorbijgangers, het geluid hunner stemmen, hunne onverschillige, tevreden gezichten. Hij moest een stiller plaats opzoeken — wachten tot den avond, wanneer hij ongezien naar het water kon sluipen. Bemoedigd door deze laatste hoop van verlossing, ging hij langs den noordelijken oever van de Serpentine, voorbij het locaal van de koninklijke reddings-maatschappij, onverschillig er aan denkende, dat zijn lijk waarschijnlijk daarheen zou worden gebracht: voorbij het schuithuis, met de vurige hoop, dat niemand zou pogen hem te redden. Eindelijk vond hij een bank onder een boom aan den waterkant; hij ging zitten om de duisternis af te wachten. Het zou niet lang meer behoeven te zijn, want de zon ging bijna onder en in het Westen kon hij achter het warme oranje en bruin der boomen de gloeiende, purperen lucht zien. Het fraai begroeide eilandje en het groene schuitenhuis kwamen scherp uit; zwanen en eenden zwommen vergenoegd heen en weer; aan den anderen kant van het water was eene donkere rij boomen, links drie bogen van een grijze steenen brug. Het was in het, avondlicht eene lieflijke schilderij, maar hare schoonheid scheen hem slechts verstokter te maken, want zij herinnerde hem aan vervlogen geluk; hij wendde ter pijnlijke verademing zijne blikken naar de koel glinsterende Serpentine dicht voor hem en naar het eentonige pad, dat hier en daar met gele bladeren was bedekt. Een vogel zong boven zijn hoofd in den beukeboom; dat gezang hinderde hem even sterk als de schoonheid van den zonsondergang: het scheen hem aan te sporen de plaats te verlaten, waar hij overbodig was, een wereld vaarwel te zeggen, die niet gemaakt was voor

ocr page 77

65

schoonheid en geluk, die geen gevoel had voor mislukking of lijden. Hij verlangde er naar. dat het gezang zou zwijgen, dat de glorie van de ondergaande zon zou verbleeken — hij' verlangde ongeduldig naar het einde; het wachten werd ondragelijk, alleen de vrees te worden gered, hield hem terug.

Hij hoorde voetstappen op het pad en zag op, een armoedig gekleed meisje ging langzaam voorbij; zij was verdiept in een stuk van een dagblad en lette niet op hem; evenmin lette zij op een bleek meisje met donkere oogen, ongeveer zes jaren oud, dat haar op een kleinen afstand volgde, een eentonig deuntje zingende, terwijl zij een wagentje voorttrok. Prithiof nam, met de bovennatuurlijke opmerkingsgaaf, die hij dien dag bezat, in een oogenblik de kleinste bijzonderheid op van het gelaat, de kleeding, de houding van het kind, den vreemden vorm van het houten paardje en de gele bladeren in het wagentje. Toen het kind nader bij kwam, kon hij de woorden van haar liedje goed verstaan. Zij zong zeer langzaam, en als onbewust, als kon zij het niet helpen,

„Troost hem, die lijdt.

quot;Wakend van pijn.—quot;

Zij hield op om nog een handvol bladeren op het wa-^ gentje te leggen. Zij schikte ze zorgvuldig, streelde het houten paard en ving weder aan, alsof zij niet had opgehouden.

„Houd al wie kwaad bedoelt,

Van zonde terug.quot;

Frithiof had een gevoel, alsof een mes in zijn borst werd gestoken; hij trachtte meer te hooren, maar de woorden stierven weg; hij kon nog slechts den eentonigen deun en het ratelen van het wagentje op den weg vernemen. Het

EEN STOERE NOORMAN I. 5

ocr page 78

66

kind verdween uit het gezicht en hij zag het niet meer.

Hij was weder alken en de duisternis, waarnaar hij had verlangd, begon te vallen; een blauwe damp omhulde het park; het werd nacht. Welke nieuwe strijd ving aan in zijn boezem? „Kwaad,quot; „zondequot; - kon hij dan niet doen wat hij wilde met zijn eigen leven? Mocht hij niet vernietigen, wat hopeloos was bedorven? Was zelfmoord niet een geoorloofd einde van een leven?

Een stem in zijn binnenste antwoordde hem;

„Voor een mensch met gekrenkte hersenen, - iemand, die niet weet, wat hij doet, is het geen slechter einde dan in bed aan de koorts te sterven. Maar voor u — voor u, die bevreesd zijt voor het lijden des levens, voor u, die zeer goed weet, wat gij doet — voor u is het zonde.''

Hij mocht er zich tegen verzetten, zooveel hij wilde, hij kon die stem niet smoren. Wat had hem, zoo vroeg hij met toornige verbazing zich af, bewogen, juist deze plaats te kiezen om te wachten? Wat was de oorzaak, dat dat kind hem voorbij moest wandelen? Wat had het gedreven, die woorden te zingen? Kon die onbewuste Eerste Oorzaak, in welke hij op zijne manier geloofde, zich inlaten met zulke kleinigheden? Dat kon hij onmogelijk gelooven. Alleen vrouwen of kinderen konden dat aannemen; of zij, die onschuldig en onwetend leefden. Maar een man — een man, die pas had ondervonden, wat dé wereld werkelijk was, die zag, dat de zwakste onderging en de macht zegevierde over het recht — een man, die eens had geloofd in de schoonheid des levens en bitter was teleurgesteld — hij kon nooit gelooven in een God, die alles ten beste schikte. Het was niets dan een ongelukkig toeval, maar toch hadden de woorden van het kind het hem onmogelijk gemaakt, gerust te sterven.

De waarheid was, dat het ondergaan van de zon en het verbleekend licht het kind hadden herinnerd aan den ge-

ocr page 79

67

wonen avondzang met zijne aanschouwelijke beschrijving van den avond en zijn schoon uitgedrukt gevoel van men-schelijk lijden; en dat groote mysterie des levens dat ons samen verbindt, al weten wij het niet, gaf aan het kind de macht, den invloed op te heffen van Blanche Morgan's trouweloosheid en het hart te treffen van iemand, bij wien het gezicht van dienzelfden zonsondergang niets dan wanhopige gedacMen had gewekt.

Herinneringen, in woeste verwarring, overstelpten hem en daar tusschen hoorde hij altijd de onwelkome woorden en het kalme, zwakke gezang. Hij was weder t'huis en sprak met den ouden predikant, die hem voor zijne belijdenis had voorbereid; hij was weder een knaap, die zonder aarzelen alles aannam, wat hem werd geleerd; hij stond weder in de groote, volle kerk van Bergen en legde belijdenis af van zijn geloof in Christus en zijne ernstige bereidheid af te zien van het kwade; hij beklom een berg met Blanche en trachtte haar te overtuigen, dat het leven — het bestaan op zich zelf — schoon en begeerlijk was.

Als hij later terug zag op den vreeselijken tweestrijd, kwam het hem voor, dat hij eene eeuwigheid was geslingerd geworden in dien akeligen twijfel; inderdaad kon het niet langer dan een kwartier hebben geduurd. De gedachte aan zijn vader rees bij hem op, zooals hij hem het laatst had gezien, staande op het dek van de stoomboot en hij herinnerde zich den toon van zijne stem, toen hij zeide:

„Ik reken op u, Frithiof om het doel te verwezenlijken dat ik niet heb bereikt, het leven te leven, dat ik heb willen leven.quot;

Hij zag weder de uitdrakking in zijns vaders oogen, trots, liefde en zorg te gelijk, waarmede hij hem had aangezien, toen hij ongaarne van hem afscheid nam en toch hem gaarne liet vertrekken. Zou hij die hoop teleurstellen? Zou hij opzettelijk en in het volle bezit van al zijne ver-

ocr page 80

68

mogens iets doen, wat vreeselijk lijden moest brengen over hen, die hem lief waren? En toen dacht hij er voor het eerst aan, dat zijn vader reeds door zorg, verlies en verdriet was getroffen; hij wist zeer goed, hoezeer hem het verlies van het Engelsche agentschap zou spijten en hij stelde zich het huis te Kalvedalen voor als getroffen dooreen nieuwe en ongewone ramp, totdat, ia plaats van naar den dood te haken, een edeler verlangen in hem opkwam — het verlangen, terug te keerer. en te helpen, het verlangen, zijn vader het verlies en het verdriet te vergoeden. Hij begon zich te schamen over dat ander verlangen, hij begon in te zien, dat er nog iets was, waarvoor hij kon leven, ofschoon het leven hem even droevig toescheen, als het in duisternis gedompeld pj^k met de grauwe mist en de doodsche verlatenheid.

Maar toch wilde hij leven; die andere gedachte verlokte hem niet meer; zijn mannelijke kracht keerde terug; vastberaden maakte hij zich los van het visioen van Blanche, dat spottend voor hem oprees. Hij stond op en verliet het park.

Toen hij weder buiten Hydepark in het drukke verkeer kwam, gevoelde hij veel sterker zijne verlatenheid dan op het stille voetpad aan de Serpentine. Voor de eerste maal voelde hij pijnlijk, dat hij in eene vreemde stad was; een ziekelijk verlangen naar Noorwegen, naar het dierbare, oude Bergen, naar de bekende gezichten, de vriendelijke groeten der voorbijgangers. Eenige minuten stond hij stil, onzeker welken weg hij zou inslaan, niet wetende hoe hij de akelige uren van dien avond zou doorkomen. Dicht bij hem stond een jonge man te praten met iemand in een brougham: hij hoorde, bijna onbewust, een paar woorden van hun gesprek.

„Is het vonnis al bekend?quot;

„Ja, vijf jaren gevangenis; het is niet meer dan hij verdient.quot;

ocr page 81

69

„De arme kinderen! Wat moet er van hen worden!quot;

„Zijt gij tegen tien uur thuis?quot;

„Ja, zeker. Zeg aan vader, dat Sardoni den avond dien hij hem wil hebben, vrij is; ik heb hem zoo even gesproken. Goeden avond.quot; Toen, tot den koetsier: „Naar huis!quot;

Dit woord schrikte Prithiof op en deed hem weer aan zijne eigen zaken denken; hij wist niet waar hij was en moest den weg vragen. Hij wilde dezen man aanspreken, die iets minder haast scheen te hebben dan de rest van de wereld.

„Wilt gij de goedheid hebben mij te zeggen, hoe ik naar het Arundel hötel moet gaan?quot;

De jonge man keerde om op het geluid van zijn stem, zag hem een oogenblik scherp aan en stak hem toen zijn hand toe.

„Hoe vaart gij?quot; riep hij uit. „Wat een gelukkig toeval, dat wij elkander hier in het donker tegen het lijf loopen! Zijt gij al lang in Engeland?quot;

Bij de eerste woorden dezer hartelijke begroeting zag Frithiof verschrikt op en in het beneveld gaslicht zag hij het eerlijk Engelsch gelaat en de vriendelijke oogen van Roy Boniface.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Rowan Tree House.

Intusschen was de brougham snel weg gereden en de twee dames, die er in zaten, hadden het zich gemakkelijk gemaakt, alsof zij een langen rit voor zich hadden.

„Zijt gij warm genoeg, kind? Laat mij aan dezen kant

ocr page 82

70

het raampje neerlaten en haal gij het uwe op,quot; zeide mevrouw Boniface met moederlijke zorg naar het lieve gezichtje naast haar ziende.

„Gij bederft mij, lieve moeder,quot; zeide Cecil. „Waarlijk gij behoeft u over mij niet ongerust te maken. Ik ben sterk, als gij het maar wildet gelooven.quot;

„Nu, nu, wij willen het hopen,quot; zeide mevrouw Boniface met een zucht, „maar gij ziet er niet naar uit.quot;

En de moeder dacht aan de twee graven op het verre kerkhof, waar Cecil's zusters rustten; en zij herinnerde zich met bittere smart, dat slechts een paar dagen geleden een vriendin met de onnadenkende openhartigheid van eene babbelaarster had gezegd: „Cecil ziet er tegenwoordig heel lief uit, maar zij heeft iets teringachtigs.quot; Deze woorden maakten de moeder ongerust, ofschoon de dokters haar hadden verzekerd, dat volstrekt geen reden tot ongerustheid bestond.

„Ik ben blijde, dat wij dr. Royston hebben gesproken,quot; zeide Cecil, „want nu zult gij niet ongerust meer zijn, moeder. Het zou vreeselijk zijn te moeten denken, dat men zijn geheele leven een soort halve invalide zal zijn, ofschoon sommige menschen het niet onaangenaam moeten vinden, want dr. Royston zeide, dat de helft van de meisjes in Londen ziek zijn, omdat zij niets verstandigs hebben te doen. Ik geloof haast, moeder, dat dit ook mijn kwaal is,' en zij lachte.

„Met u, mijn lieve kind!quot; zeide mevrouw Boniface. „Gij zit zeker thuis niet ledig. Dit kan niemand van u zeggen.quot;

„Maar ik moet telkens iets bedenken om mij bezig te houden,quot; zeide Cecil. „Moeder, ik heb een plan bedacht, dat mij vijfjaren werk zou geven en ik zou het zoo graag hebben, dat gij „jaquot; zeidet.quot;

„Gij wilt toch geene liefdezuster worden?quot; vroeg me-

ocr page 83

71

vrouw Boniface, terwijl de tranen in hare zachte oogen kwamen.

„O, neen, neen,quot; zeide Cecil dadelijk. „Hoe zou ik van huis kunnen gaan en u, lieveling, verlaten, nu ik juist oud genoeg word om u van nut te kunnen zijn. Het is geheel iets anders en het ergste er van is, dat het vader veel geld zou kosten.quot;

„Dat zal hij gaarne geven,quot; zeide mevrouw Boniface. „Uw vader zou alles doen, om u genoegen te geven. Wat is het plan? Laat eens hooren.quot;

„Wel, toen ik verleden avond alles van die arme Grant-leys tegenover ons hoorde — dat de moeder haar man en hare kinderen had verlaten en weggegaan was, niemand weet waarheen en toen, dat de vader een.valschen wissel had gemaakt en zeker in de gevangenis zou komen, dacht ik er over na, wat er van de kinderen moest worden. Dat scheen niemand te weten of zich er over te bekommeren, behalve vader, en hij zeide, dat wij moesten zien, hen in een gesticht of op een kostschool te krijgen.quot;

„Er zijn niet veel gestichten, die hen zullen willen hebben, denk ik,quot; zeide mevrouw Boniface. „Arme kleinen, het is een zwaar leven, dat hen wacht! Maar wat is uw plan?quot;

„Moeder, het is, vader over te halen, dat hij gedurende die vijf jaren de kinderen bij ons laat wonen. Natuurlijk zou het hem geld kosten, maar ik zou hun kunnen leeren en op hen passen: en zou het niet aardig zijn, kinderen In huis te hebben? De tijd valt nooit lang, waar kinderen zijn.quot;

„Ik wist wel, dat zij zich t'huis verveelde,quot; dacht de moeder. „De verandering was te groot, toen zij van school kwam, van zoovele goed opgevoede menschen en vriendinnetjes, bij eene onwetende, oude vrouw als ik en in een stil huis. Maar het kind zou het nooit willen bekennen.quot;

ocr page 84

72

„Maar lieve moeder,quot; zeide Cecil, „ik zal er geen woord meer over spreken, als gij denkt, dat het voor u te lastig zal zijn of het huis te druk zal maken.quot;

„Er is ruimte genoeg voor hen, arme kleine dingen,quot; zeide mevrouw Boniface. „En het is juist een plan voor u, lief kind. Ik heb er slechts een bezwaar tegen. Het bevalt mij niet, dat gij u voor zoo vele jaren bindt — nu gij nog zoo jong zijt. Ik zou u gaarne getrouwd hebben gezien.quot;

„Maar ik geloof niet, dat dit waarschijnlijk is,quot; zeide Cecil. „En ik vind het zoo dwaas, den tijd te laten voorbijgaan en jaren lang stil te zitten, omdat er een kans is, dat een man, dien gij zoudt willen nemen, u zal vragen. De kans is even groot, dat het niet gebeurt en dan hebt gij een groot gedeelte van uw leven verkwist.quot;

„Ik had gewenscht, dat gij van Herbert White hadt kunnen houden,quot; zeide mevrouw Boniface. „Hij zou een goed echtgenoot zijn geweest.quot;

„Ik hoop, dat hij het voor eene andere zal zijn. Maar het was onmogelijk, moeder — heel, heel onmogelijk.quot;

„Cecil, liefste, is er — is er iemand anders?quot;

„Niemand, moeder,quot; zeide Cecil bedaard en de kleur op hare wangen werd niet hooger en mevrouw Boniface voelde nu zich gerust gesteld. Maar toch kwam plotseling Cecil tot het bewustzijn van de ware reden, die het haar had onmogelijk gemaakt de huwelijksaanbieding aan te nemen, die haar een paar weken geleden was gedaan. Zij zag, dat Frithiof Falck voor haar altijd als een maatstaf zou zijn, waarnaar zij alle andere mannen beoordeelde en zij bleef daarbij kalm, want tusschen hen was van liefde nooit sprake geweest; hij zou waarschijnlijk trouwen met de mooie juffrouw Morgan en er was weinig kans, dat zij hem ooit weer zou zien.

„De man, dien ik zou kunnen nemen, moet zulk een soort van man zijn,quot; dacht zij. „En er is iets vernederends

ocr page 85

73

in de gedachte, te moeten staan wachten op den onzeke-ren kans, dat zoo iemand zich zal voordoen. Wij meisjes zijn toch niet in de wereld gekomen om op een rij te staan wachten, totdat iemand ons wil trouwen.quot;

„Het is zeker, dat ik niet zou weten, wat ik moest beginnen zonder u, als gij getrouwd waart,quot; zeide mevrouw Boniface, terwijl zij de tranen onderdrukte, die in hare oogen opwelden. „Ik weet waarlijk niet, waarom ik er op gesteld ben, dat het gebeurt, behalve omdat ik u zoo gaarne gelukkig zou zien.quot;

„En ik ben gelukkig — volmaakt gelukkig,quot; zeide Cecil en zij boog zich naar hare moeder en kuste haar. „Een meisje zou al heel slecht moeten zijn, als zij niet gelukkig was met u en vader en Koy.quot;

„Ik wenschte wel, dat gij niet van zooveel waart verstoken,quot; zeide mevrouw Boniface. „Ziet gij, liefste, als gij alleen waart in de wereld, zouden de menschen u aanhalen, ik bedoel zulke menschen, met wie gij gaarne vrienden zoudt willen zijn; maar zoolang als de winkel er is, zoolang als gij eene moeder hebt, die niet kan meepraten over de nieuwste boeken en die niet altijd weet, of zij de woorden wel goed uitspreekt.....quot;

„Moeder, moeder!quot; riep Cecil, „hoe kunt gij zoo iets zeggen! Zoolang ik u heb, heb ik niemand anders noodig.quot;

Mevrouw Boniface streek zacht de hand van het meisje.

„Ik spreek gaarne over boeken met u liefste,quot; zeide zij; „gij hebt er slag van. Mets doet mij meer pleizier dan u 's avonds te hooren voorlezen en ik stel veel belang in die arme mevrouw Carlyle, ofschoon ik het een troost vind, dat wij niet beroemd zijn en geene levensbeschrijvers alle onze dwaze gezegden en twisten zullen oprakelen, als wij al lang dood en begraven zijn. Wei, wij zijn al t'huis. Wat is van avond de weg mij kort gevallen! En over uw plan, liefste, zal ik, zoodra er gelegenheid is, met uwen vader spreken.quot;

ocr page 86

74

„Dank u, moeder. Ik hoop maar, dat hij het goed vindt.quot; En Cecil sprong uit het rijtuig met meer opgewektheid op haar gelaat, dan mevrouw Boniface in lang had gezien.

Mevrouw Boniface was uit Devonshire en ofschoon zij vijf-en-twintig jaren in Londen had gewoond, had zij nog iets van hare westersche uitspraak behouden; zij bezat ook de zachte manieren, de kalme beleefdheid, die den meesten menschen in de westelijke graafschappen schijnt te zijn aangeboren. Hare opvoeding was de beste geweest, die in hare jeugd de dochter van een winkelier had kunnen bekomen, maar zij wist zeer goed, dat die niet voldoende was voor hetgeen tegenwoordig werd verlangd, en zij had gezorgd, dat Cecil geheel anders werd opgevoed. Er was iets zeer aantrekkelijks in haren gemoedelijken eenvoud en ofschoon zij niet kon nalaten er spijt over te gevoelen, dat Cecil door hare positie van veel was verstoken dat andere meisjes genoten, zou niets haar hebben kunnen bewegen zich in te dringen in vreemde kringen; daarvoor was zij eene te verstandige vrouw en had zij met al hare zachtheid, ook te veel gevoel van waardigheid en onafhankelijkheid van karakter. Zoo was het gekomen, dat zij een stil leven leidden, met enkele goede vrienden en niet te veel kennissen; maar misschien waren zij daarom niets minder gelukkig. Zeker was het, dat in hun huis vrede en rust heerschten, zooals niet dikwijls in deze drukkende negentiende eeuw wordt gevonden.

De gelegenheid om over Cecil's plan met den heer Boniface te spreken, bood zich spoedig na haar tehuiskomst aan. In dit huis was het gewoonte alles snel af te doen; zij hielden niet van lang praten, en misschien droeg dit niet weinig bij tot den huiselijken vrede. Niets veroorzaakt meer familietwist dan het onophoudelijk praten over huiselijke of persoonlijke schikkingen; menige gezonde spijsvertering en menig humeur moet zijn bedorven door de

ocr page 87

75

ongelukkige gewoonte om het voor en tegen van eene moeielijke quaestie onder het ontbijt of het middagmaal te bespreken.

Cecil was in de huiskamer en speelde eene ballade van Chopin, toen haar vader binnenkwam. Hij bleef voor het vuur staan, tot dat zij had geëindigd en sloeg, in ernstige gedachten verdiept, haar gade. Hij was een bejaard man, lang en mager, met een klein, goed gevormd hoofd, witte haren en een korten, witten baard. Zijne grijze oogen waren eerlijk en vriendelijk, als die van zijn zoon, en zijne fijne gelaatstrekken drukten goedheid uit. Hij was diaken van eene afgescheiden gemeente en hij stamde af van eene familie, die, geslachten achtereen, had gekampt en geleden voor godsdienstvrijheid. Robert Boniface was aan zijne beginselen getrouw gebleven en toen zijne kinderen grooter werden en oud genoeg waren geworden om een eigen oordeel te hebben en zij hun verlangen te kennen gaven, tot de kerk van Engeland over te gaan, maakte hij daartegen geen bezwaar. Wat meer was, hij liet hen zelfs niet bespeuren, dat het voor hem een verdriet was.

„Het is niet te verwachten, dat allen van hetzelfde standpunt zullen zien als wij,quot; had hij tot zijne vrouw gezegd. „Wij zien allen dezelfde zon; dat is het voornaamste.quot;

Zulk een verschil van meening is altijd meer of min bedroevend, maar wederkeerige liefde en wederkeerige achting maakten het in dit geval tot een voordeel. Twisten kwamen niet voor, maar ieder leerde in den ander zien en bewonderen, wat goed was in diens opvatting, standvastig zich houden aan hetgeen waar werd geacht en leven in die liefde, die alle kleine geschillen en verdeeldheid effent.

„Ik hoor, dat gij een moedertje wilt zijn voor de kleine kinderen aan de overzijde,quot; zeide de heer Boniface, toen het stuk ten einde was.

Cecil stond op en ging naast haren vader staan.

ocr page 88

76

„Hoe denkt gij er over, vader?quot; vroeg zij.

„Ik denk, dat, voordat gij een besluit neemt, gij wel moet weten, dat het eene groote verantwoordelijkheid is.quot;

„Dat heb ik overwogen,quot; zeide zij, „en dan zijn er nog de kosten.quot;

„Over de kosten behoeft gij u niet ongerust te maken; die neem ik voor mijne rekening, als gij de verantwoordelijkheid op u neemt. Hebt gij wel bedacht, dat zelfs lieve kleine kinderen soms lastig en stout en ziek kunnen zijn?quot;

Zij lachte.

„Ja, ja; ik ken deze kinderen al; zij zijn een weinig bedorven. Maar ik kan de gedachte niet verdragen, dat zij naar eene groote inrichting zullen worden gezonden, waar niemand behoorlijk voor hen zorg draagt.quot;

„Dus zijt gij bereid, uw deel van de taak op u te nemen?quot;

„Ja, vader.quot;

„Goed, dan is dat afgesproken. Laat ons naar de overzij gaan en zien, of iemand ons is voor geweest.quot;

Cecil liep opgewonden de trap op om het aan hare moeder te vertellen en kwam weldra weder terug, gekleed om te gaan. Vader en dochter staken de stille straat over naar het huis, waar zulk een geheel ander leven was geleid. Eene kindermeid deed voor hen de deur open; blijkbaar had zij geschreid en zoo dra zij de gang binnen traden, schenen zij de treurigheid van het huis te voelen.

„O, juffrouw, hebt gij het vonnis gehoord?quot; zeide de dienstbode, die Cecil van aanzien kende en naar sympathie haakte. „En wat er van mijne kleinen moet worden, schijnt niemand te weten.quot;

„Dat is juist, wat wij kwamen vragen,quot; zeide de heer Boniface. „Wij hadden gehoord, dat er geene familie is, die voor hen wil zorgen. Is dat zoo?quot;

„Er is geen schepsel in de wereld, dat zich om hen bekommert,quot; zeide de kindermeid. „De advocaat is bezig in

ocr page 89

77

de papieren van onzen mijnheer te snuffelen en hij zegt, dat hij een goedkoope kostschool voor hen zal zoeken. Een kostschool voor die kleine wurmen, mijnheer, is het niet genoeg om iemands hart te breken ? En die kleine jonge juffrouw Gwen is 7,00 teer — en dan een advocaat, die de school moet uitzoeken, iemand, die alleen verstand heeft van oude papieren en in zijn heele leven zeker nooit met kinderen heefc omgegaan.quot;

„Indien de advocaat van den heer Grantley hier is, zou ik hem gaarne een oogenblik willen spreken,quot; zeide de heer Boniface. „Ik ben dadelijk bij u terug, Cecil; misschien kunt gij nu de kinderen zien.quot;

Hij werd in de kamer gelaten, waar de advocaat was, en deelde hem het plan van Cecil mede; de advocaat was een veel gemoedelijker man dan de kindermeid had verteld. Hij was overtuigd, dat zijn cliënt hoogst dankbaar zou zijn.

„Het is den armen Grantley niet meegeloopen,quot; merkte hij op, „en zulk een aanbod zal de grootste verrassing voor hem zijn. De arme drommel is ongelukkig; men kan het hem bijna vergeven, dat hij kwaad heeft gedaan, als men weet, welk eene vrouw hij heeft gehad. Ik spreek hem morgen nog en ik zal u laten weten, wat hij heeft gezegd. Maar er kan natuurlijk slechts één antwoord zijn; hij zal dankbaar uwe hulp aannemen.quot;

Intusschen was Cecil naar boven, naar de kinderkamer, gegaan; daar zag het er minder treurig uit dan in het overige van het huis; maar op de tafel tusschen speelgoed zag zij een courant met het verslag van het proces en de veroordeeling van John Grantley.

De kindermeid was in eene kamer daar naast gegaan, maar zij kwam spoedig terug.

„Zij slapen, juffrouw, maar gij zult hen zeker willen zien; wilt gij?quot;

ocr page 90

78

Cecil verlangde er naar en volgde de dienstmaagd in de Hauw verlichte slaapkamer, waar in twee kleine kribben de kinderen lagen. Het waren mooie kinderen en toen zij hen, in hun ongestoorden slaap, gadesloeg en aan de moeder dacht, die hen had verlaten en haar naam had geschandvlekt en aan den vader, die op dit oogenblik zijne vijf jaren gevangenisstraf aanving, deed het hart haar zeer en voelde zij meer dan ooit het verlangen de kinderen te helpen.

Lancelot, de oudste van de twee, was vier jaren oud; hij had een lief, blozend, flink gezichtje, met eenigermate Joodsche trekken; zijn krullend bruin haar was lang genoeg om op het kussen te vallen en in zijn mollig handje hield hij een paard vast, dat dag en nacht zijn onafscheidelijke metgezel was. Het meisje was veel kleiner en zag er zwakker uit, ofschoon zij veel op elkander geleken. Haar kindergezichtje zag er bekoorlijk uit, met zijne uitdrukking van volkomen vrede, en het verwonderde Cecil niet, dat de kindermeid tranen stortte, toen zij er van sprak, dat de kleine tweejarige Gwen naar een kostschool zou worden gezonden. Zij spraken er nog over, toen de heer Boniface en, tot verbazing van de kindermeid, ook de advocaat binnenkwamen. Hij zag even naar de slapende kinderen, „precies als een mensch,quot; zooals zij later aan de keukenmeid vertelde.

„Maak u niet bezorgd over de kinderen,quot; zeide hij vriendelijk. „Het zal voor hen wel terecht komen. Waarschijnlijk zullen zij slechts de straat behoeven over te gaan. Wij zullen het morgen zeker weten. Deze heer heeft edelmoedig aangeboden, voor hen te zorgen.quot;

De snikkende dankbaarheid der kindermeid werd afgebroken door een geluid uit een van de kribben. Lance, misschien door het spreken onrustig geworden, praatte in zijn slaap.

ocr page 91

79

„Vort!quot; riep hij, precies als een voerman, en hij hief zijn paard omhoog.

Ieder lachte en gehoorzaamde; de advocaat ging weder aan zijn werk en de heer Boniface en Cecil namen afscheid van de gelukkige dienstmeid en staken de straat weder over.

„O, vader, wat is het goed van u,quot; zeide Cecil, haar arm onder den zijne stekend. „Ik ben in lang zoo gelukkig niet geweest.quot;

„En ik ben gelukkig,quot; hernam hij, „dat het zoo iets is, dat mijne dochter gelukkig maakt.quot;

Er volgde een heerlijke avond; plannen en verwachtingen werden besproken. Mevrouw Boniface vertelde, welk kindergoed er nog was, en wel vijftigmalen werd de kinderkamer gemeubeld. En dit bracht haar op het verleden en zij deed grappige verhalen van Roy en Cecil, toen zij nog kinderen waren, en zij herinnerde zich zelfs nog allerlei dingen uit hare eigen kindsche dagen, waarbij eene strenge kindermeid, die medicijnen met een lepel ingaf, een groote rol speelde.

„Ik geloof,quot; zeide de lieve oude vrouw lachend, „dat ik het aan die oude kindermeid heb te danken, dat ik geene theologische redeneeringen kan uitstaan. Wij waren nog zoo jong, toen zij er mede begon, dat wij er een afkeer van kregen. Ik herinner mij nog heel goed, dat ik als straf in de kinderkamer moest blijven, terwijl de anderen gingen spelen, en dat ik wenschte, dat Adam en Eva niet hadden gezondigd.quot;

„Het schijnt hier vroolijk toe te gaan,quot; zeide Roy binnen komende, terwijl zij nog zaten te lachen over het verhaal.

„Dat is lief van u, dat gij zoo vroeg komt, Roy!quot; zeide Cecil. „Moeder heeft ons allerlei geschiedenissen verhaald; gij hadt hier moeten zijn en ze hooren. En Roy, wij krijgen

ocr page 92

80

■waarschijnlijk die kleine kinderen van de overzijde bij ons, zoo lang hun vader in de gevangenis is.quot;

Roy scheen ernstig en afgetrokken, maar Cecil was te gelukkig om het op te merken en praatte maar door. Hij luisterde nauwelijks naar haar, maar een gevoel van sterke tegenstelling maakte het huiselijk tooneel voor hem bijzonder aanschouwelijk. Hij zag naar zijn vader, die achterover leunde in zijn grooten leuningstoel, met zijn studeerlamp en papieren voor zich, maar met zijne oogen gevestigd op Cecil, die op een bankje aan zijne voeten zat, terwijl het vuur flikkerde op heur haar; hij zag naar zijne moeder aan de andere zijde van den haard, gekleed, zooals bijna altijd — een zwart zijden japon met witte kant aan den hals en een kanten muts. Zij zat ijverig te breien, maar van tijd tot tijd zag zij naar hem op.

„Gij zijt vermoeid van avond,quot; zeide zij. toen Cecil haar verhaal had geëindigd.

„Wel een beetje,quot; erkende hij. „Er is mij iets vreemds overkomen. Het was gelukkig, dat gij mij aan den hoek van Hydepark hadt gezien en op liet houden om naar het vonnis te vragen, Cecil, want anders zou het nooit zijn gebeurd. Wien denkt gij, dat ik gesproken heb, toen gij waart weggereden?quot;

„Dat kan ik niet raden,quot; zeide Cecil opstaande, daar de klok voor het avondeten luidde.

„Een van onze Noorweegsche vrienden,quot; zeide Roy, „Frithiof Falck.quot;

„Wat! Is hij werkelijk in Engeland?quot; zeide Cecil en zij nam de studeerlamp op om haar naar de andere kamer te brengen.

„Ja, de arme jongen!quot; zeide Roy.

Er was iets in zijn toon, dat Cecil's hart sneller deed kloppen; zij zou zich geene rekenschap hebben kunnen geven van het gevoel, dat haar plotseling beving; zij wist

ocr page 93

81

niet, wat zij zoo sterk vreesde of welk een schrik haat-had aangegrepen; zij beefde van het hoofd tot de voeten en was blijde, dat Roy in het portaal de lamp van haar overnam. Zij zag angstig naar hem op.

„Waarom zegt gij: arme jongen?quot; vroeg zij. „O, Roy, wat is er gebeurd? Wat — wat is hem overkomen?quot;

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Waarom .. .. ?

„Het is stil in huis, nu Frithiof er niet is,quot; merkte de heer Falck op, 's Maandags na het vertrek van zijn zoon.

Op hetzelfde oogenblik wandelde Frithiof eenzaam en neerslachtig door de straten van Huil. Te Bergen misten zij hem; zij spraken over zijn terugkeer, zij waren nieuwsgierig, wanneer de bruiloft zou zijn, en overlegden, welke geschenken zij aan Blanche zouden geven.

De eetkamer zag er aantrekkelijk uit, dien October-mor-gen. Slgrid, ofschoon zij nooit volkomen gelukkig was, wanneer haar tweelingbroeder er niet was, zag vroolijk zijn terugkomst te gemoet en was zoo blijde met de verbetering van de gezondheid en de 'stemming van haren vader, dat zij zich geruster voelde dan zij in langen tijd was geweest. De kleine Swanhiid, wier vereering van Blanche bij den dag steeg, was in den zevenden hemel van geluk; ofschoon haar niet alles werd verteld, wist zij toch, dat iedereen verwachtte, dat Frithiof verloofd zou zijn met haar ideaal. De heer Falck was opgeruimd en vol hoop, alsof een donkere wolk van zorgen was weggetrokken. Hij sprak meer dan hij in den laatsten tijd gewoon was

EEN STOERE NOORMAN. T.

ocr page 94

82

geweest, plaagde Swanhild en hield de twee meisjes aan het praten en lachen, totdat Swanhild hard weg liep, zeggende dat zij anders te laat op school zou komen.

,,Gij moet zulke grappige verhalen niet's morgens vroeg doen, vadertje,quot; zeide zij lachend, toen zij hem een kus had gegeven en de kamer ging verlaten.

„O, lachen is goed voor de spijsvertering,quot; zeide de heer Palck. „Gij zult er te beter op leeren; dat zult gij zien.quot;

„Hebt gij het druk vandaag?quot; vroeg Sigrid, toen de deur achter het kleine meisje was gesloten.

„In het geheel niet. Ik zal eene wandeling doen, voordat ik naar het kantoor ga. Wil ik u eens wat zeggen, Sigrid? ga met mij mede, dan kunt gij bij Beyer een nieuwen Engelschen roman halen om u te troosten in Frithiof's afwezigheid. Welke roman was het ook weer, dien gij gehoord hebt, dat de beste beschrijving gaf van het huiselijk leven in Engeland?quot;

„ Vrouwen en dochters,quot; zeide Sigrid.

„Nu, dan zullen wij dien nemen en dan gaan wij naar Walkendorf's Toren om te zien, of er al iets vati onze schepen van IJsland is te bespeuren.quot;

„Gij hebt verleden maand goede tijding van hen gehad, niet waar?quot; vroeg Sigrid.

„Niets zekers, maar de vooruitzichten stonden goed. Zij hebben het door een stoomboot te Granton laten weten en van daar is het aan ons station te Oeïfjord getelegrafeerd.quot;

„En wat was de tijding?quot;

„Dat zij nog niet veel haring hadden gevangen, maar dat alles een goede vangst voorspelde, want zij hadden lederen dag vele walvisschen gezien. O, ik ben gerust. Na dat bericht heb ik mij niet meer bezorgd gemaakt.quot;

Vader en dochter gingen samen uit. Het was helder, vriezend weer, de lucht was versterkend en Sigrid dacht, dat haar vader er nooit zoo goed had uitgezien; zijn stap

ocr page 95

83

was veerkrachtig, zijn gelaat opgeruimd, zijne oogen stonden helder. Beyer's winkel had voor beiden iets aantrekkelijks; zij hield zich lang op bij de planken, waar de Tauch-nitz-edities stonden, terwijl de heer F'alck met iemand achter de toonbank praatte en de tentoongestelde schilderijen beschouwde.

„Zie eens, Sigrid!quot; riep hij uit. „Hebt gij ooit een mooier aquarel gezien, dan deze? Bergen in den winter, uit de haven gezien. Wat kost zij? Honderd kronen? Dan moet ik haar hebben. Het zal een geschenk aan u zijn als eene herinnering aan deze wandeling.quot;

Sigrid was in haar schik met de teekening en de heer Falck schepte er evenveel behagen in als een kind in een nieuw stuk speelgoed. Zij gingen verder, er over pratende, waar zij het t'huis zouden ophangen, en zeggende, dat het juist iets was, dat Frithiof genoegen zou doen.

„Het is erg jammer, dat wij het niet hebben gezien, toen hij in Duitschland was; hij zou het gaarne hebben gehad, toen hij aan heimwee leed,quot; zeide Sigrid.

„Nu, zoo iets is voor hem voorbij, hoop ik,quot; zeide de heer Falck. „Hij behoeft nu Bergen niet meer te verlaten, behalve nu en dan voor zijne uitspanning. En als gij ooit met een vreemdeling trouwt, zult gij Bergen als eene herinnering kunnen mede nemen.quot;

Zij sloegen den weg in naar een heuvel boven het fort, waar zij een ruim en prachtig uitzicht hadden.

„Ah!quot; riep de heer Falck, „zie eens, Sigrid! zie eens, daar komt een schip aan.quot;

Zij zag zeewaarts.

„Gij hebt betere oogen dan ik, vader. Waar ergens? O, nu zie ik het, heel in de verte. Denkt gij, dat het een van onze schepen is?quot;

„Dat kan ik nog niet zeggen,quot; zeide de heer Falck en toen zij hem aanzag, bespeurde zij, dat hij verging van

ocr page 96

84

ongeduld en dat de oude zorgvolle uitdrukking op zijn gelaat was teruggekeerd.

Weder greep de naamlooze vrees haar aan, die zij verleden zomer had gevoeld. Zij wilde hem niet met vragen lastig vallen, maar bleef stil naast hem staan, nieuwsgierig wat hem zoo aandeed, wenschende dat zij verstand had van zaken; verlangende naar Frithiof, die misschien op de hoogte zou zijn geweest en haar zou. hebben kunnen gerust stellen.

„Ja! ja!quot; riep eindelijk de heer Palck. „Ik ben bijna zeker, dat het een van onze schepen van Oeïfjord is. Ja! het is de Solid. Nu is maar de vraag, voert zij eene lading of ballast?quot;

Sigrid zag-, met haar hand boven hare oogen, onafgebroken naar het naderende schip.

„Ik geloof, dat zij nog al zwaar is geladen, vader — gij ook niet?quot;

„Ik hoop het — ik hoop het,quot; zeide de heer Palck; hij nam zijn bril af en wreef met bevende vingers de beslagen glazen.

Het schip kwam nader en nader en ieder oogenblik zag Sigrid duidelijker, dat het niet was, zooals zij eerst had gedacht. Er was geen twijfel aan, het schip stak hoog boven het water uit. Bezorgd zag zij haar vader aan.

„Ik kan het niet langer uithouden, Sigrid,quot; riep hij uit. „Wij zullen naar Tydskebryggen gaan en een boot nemen om haar te gemoet te roeien.quot;

Zij gingen haastig weg en spraken geen woord meer. Sigrid vreesde, dat haar vader haar naar huis zou zenden, omdat het voor haar op het water te koud zou zijn, maar zwijgend liet hij haar in het bootje gaan; misschien lette hij nauwelijks op haar, zoo waren zijn gedachten door andere dingen in beslag genomen. Toen zij de drukke haven doorvoeren, werd zij een weinig geruster. Misschien

ocr page 97

was het niet een zaak van groot gewicht. De zon scheen helder op het flikkerend water; de matrozen en werklieden op de kaden schreeuwden en praatten onder het werk; op een stoomboot, die zij voorbijgingen, poetste een man het koperwerk en zong vroolijk „Sönner af Norgequot;.

„Wij zullen het beste hopen,quot; zeide de heer Falck, misschien ook onder den indruk van het opwekkend lied.

Juist toen zij de Solid naderden, liet zij het anker vallen.

„Wacht hier,quot; zeide de heer Falck, „terwijl ik aan boord ga. Het zal niet lang duren.quot;

Maar angstig wachten duurt altijd lang en Sigrid, ten spijt van haar sealskin jacquette, zat te rillen in het bootje. Het was niet zoozeer de koude, die haar deed beven, als die akelige, namelooze vrees, die angst, die haai' te zwaarder drukte, omdat zij niet duidelijk begreep, wat haar boven het hoofd hing.

Toen haar vader terugkeerde, werd hare ergste vrees bewaarheid. Hij sprak niet tot haar en zag haar niet aan; hij gaf een kort bevel aan den roeier en ging zitten met over elkaar geslagen armen en gesloten oogen. Zij zag dadelijk, dat een vreeselijke ramp was gebeurd, maar zij dorst niet vragen, wat het was; zij bleef stil zitten luisteren naar den eentonigen slag der riemen in angstige verwachting van hetgeen verder zou gebeuren. Zij waren dicht bij den wal en eindelijk sprak haar vader.

„Betaal den man, Sigrid,quot; zeide hij en met een onvaste hand gaf hij haar zijne beurs. Hij stapte het eerst uit de boot en zij verbeeldde zich, dat zij hem zag wankelen, maar hij herstelde zich dadelijk en wendde zich om, om haar te helpen. Zij sloegen samen den weg in naar het kantoor.

„Gij moet u niet te ongerust maken, lieve kind,quot; zeide hij. „Heden avond zal ik u alles uitleggen. Ik heb een zwaar verlies geleden.quot;

„Maar, vadertje, gij ziet er uit, alsof gij ziek waart,quot;

ocr page 98

86

zeide Sigrid. „Moet gij naar het kantoor gaan? Wilt gij niet liever naar huis gaan en wat rusten?quot;

„Rusten!quot; zeide de heer Falck als droomend. „Rusten? Neen, nog — nog niet. Zend mij van middag het rijtuig en zeg niemand iets. Later zal ik het u uitleggen.quot;

Vader en dochter namen afscheid en Sigrid ging naar huis om, zoo goed zij kon, dien dag van spanning door te brengen. Toen de heer Falck t'huis kwam, zag hij er vermoeid uit en klaagde hij over hoofdpijn. Zij overreedde hem een poos te gaan liggen, en weerhield de vraag, die op hare lippen lag. Maar toen het avond was, sprak hij tot haar.

„Gij zijt een goed kind, Sigrid — een goed kind,quot; zeide hij, haar hand streelend. „En nu moet gij alles weten, ofschoon ik veel zou geven, als ik het u kon besparen. De tocht naar IJsland is mislukt, de schepen zijn ledig terug gekomen.quot;

„Is dat een groot verlies voor u, vader?quot; vroeg zij.

„Ik zal het u uitleggen,quot; zeide hij levendiger; „ik wil, dat gij weet, hoe het is gekomen. In den laatsten tijd ging het slecht met den handel en verleden jaar en het jaar te voren heb ik veel verloren bij onze zaken in de Lofoden.quot;

Het was, alsof het hem verlichtte, haar allerlei bijzonderheden mede te deelen, die zij niet half begreep; zij hoorde van drie stoomschepen, die in den zomer met leege vaten en zout voor de haringen naar Nordland waren gezonden; zij hoorde van groote inkoopen op de beurs te Bergen, zoodat de heer Falck tien duizend vaten te gelijk had gehad en genoodzaakt was geweest, tot lage prijzen te verkoopen.

„Gij kunt alles niet begrijpen, Sigrid,quot; zeide hij, glimlachend om haar verwonderd gezicht. „Ik zal het overige duidelijker vertellen. Het vooruitzicht was zoo slecht mo-

ocr page 99

87

gelijk en toen ik dezen zomer hoorde, dat Hangesund duizende vaten haring in de baaien van IJsland had gevangen, besloot ik, dat ook te beproeven en alles op een laatsten worp te zetten. Ik rustte zeilschepen uit, huurde volk, kocht netten en de expeditie vertrok. Ik wist, dat als zij met volle vaten terug keerde, ik een rijk man zou zijn en dat, als zij mislukte, er niets aan zou zijn te doen — dat mijn zaak te gronde moest gaan.quot;

Sigrid kon een lichte kreet niet onderdrukken. „Zijt gij failliet?quot; riep zij. „O dat kan niet zijn, vader — het is onmogelijk!quot;

Zij herinnerde zich maar al te duidelijk, hoe een bekend houthandelaar eenige jaren geleden was failliet gegaan; zij wist, dat hij geld had opgenomen van de Noorweegsche bank en van de spaarbank te Bergen en zij wist, dat het de gewoonte was van de banken, om geen gevaar te loo-pen van verlies, twee borgen te eischen en dat het faillissement van eene groote firma wijd en zijd ongeluk verspreidde.

„Er is nog één hoop,quot; zeide de heer Palck. „Indien hetgeen ik dezen zomer heb gehoord, onwaar blijkt en ik het agentschap van de Morgans behoud, is dat voor mij 7200 kronen in het jaar; in dat geval zou een openlijk faillissement kunnen worden vermeden.quot;

„Maar hoe ?quot; zeide Sigrid. „Ik begrijp het niet.quot;

„De Morgans zouden nooit mij als hun agent willen behouden, als ik failliet was verklaard; en om dit te voorkomen, geloof ik, dat mijne schuldeischers zich tevreden zouden stellen met al wat ik bezit. Ik zou, wat men noemt, een accoord kunnen sluiten; dat is een gewone manier om een zaak te liquideeren, die achteruit is gegaan. Op den langen duur zouden zij er bij winnen, want zij zouden natuurlijk mij de 7200 kronen niet geheel laten houden. In ieder geval, mijn kind, heb ik u in armoede gestort.quot;

ocr page 100

88

Hij bedekte zijn gelaat met zijne handen; Sigrid merkte op, dat de aderen van zijne slapen blauwe koorden leken, zoo dik waren zij.

Zij sloeg haren arm om hem heen en kuste zijn haar, zijne handen, zijn voorhoofd.

„Ik geef niet om armoede, vadertje; mijn eenige zorg is, dat gij zooveel verdriet hebt,quot; zeide zij. „En zij zullen zeker het agentschap u niet ontnemen, na zoovele jaren! O, armoede is niets, als wij maar bewaard blijven voor schande — als anderen er maar niet door ongelukkig worden.quot;

Zij werden gestoord door een kloppen aan de deur en Swanhild kwam zachtjes binnen ; zij neeg netjes, zooals ieder wel opgevoed kind in Noorwegen doet, als het in of uit eene kamer gaat.

„Mag ik binnen komen om u goeden nacht te zeggen, vadertje?quot; vroeg zij. „Het is heel goed gegaan op school, net zoo als gij hadt gezegd, na ons vroolijk ontbijt.quot;

Het gezicht van het onbezorgde, gelukkige kind was meer dan hij kon verdragen; hij sloot zijne oogen, opdat zij de brandende tranen niet zou zien.

„Wat ziet vader er akelig uit!quot; zeide Swanhild ongerust.

„Hij heeft erge hoofdpijn.quot; zeide Sigrid. „Geef hem een kus, lieve, en ga dan gauw naar bed.quot;

Maar de heer Falck herstelde zich.

„Ik ga ook naar boven,quot; zeide hij. „In bed is het het best, niet waar, Swanhild? God zegene u, mijne kleine! goeden nacht. Wat! wilt gij mijn steun zijn ?quot;

En leunende op het kind, ging hij naar zijne kamer.

Den volgenden morgen aan het ontbijt zat hij op zijne gewone plaats, maar hij zag er vermoeid uit en later sprak hij er niet van, naar het kantoor te gaan, maar lag hij lusteloos op de sofa in zijne kamer, en staarde wezenloos in het vuur van den Engelschen haard. Sigrid verrichtte

ocr page 101

89

hare huiselijke bezigheden als gewoonlijk en had het daarmede zoo druk, dat zij bijna de ramp vergat, die haar bedreigde. Tegen elf uur werd er aan de deur gescheld: de dienstbode bracht een telegram voor den heer Falck. Zij hoopte, dat het van Frithiof zou zijn. Indien iets haren vader dien dag kon opbeuren, zou het zijn, dat hij vernam, dat alles met hem naar wensch was gegaan. Zij nam het telegram van de meid aan en ging er mede naar haars vaders kamer. Hij stond van de sofa op, toen zij binnen kwam.

„Ik ben beter, Sigrid,quot; zeide hij. „Ik geloof, dat ik naar het kantoor zal gaan. Ah ! hebt gij een telegram voor mij ?quot;

„Het is juist gekomen,quot; zeide zij, hem gadeslaande, toen hij ging zitten, zijn bril opzette en den omslag open scheurde. Als Frithiof nu maar een bericht had gezonden, dat hem opbeurde! Als maar een kleine straal van vreugde dezen droeven dag verlichtte! Zij had zich zoo overtuigd, dat het telegram van Frithiof was, dat de gedachte aan de handelsbezwaren er geheel bij ten achter stond. Het telegram was zeer lang.

„Wat een verkwister is de jongen,quot; dacht zij. „Het was immers voldoende, als hij maar had geseind: „alles in orde.quot;

Eensklaps slaakte zij een gil; haar vader had het hoofd laten zakken, als een man, die verpletterd is.

„Vader! vader!quot; riep zij. „O, wat is er gebeurd?quot;

Een oogenblik zwegen beiden en bewogen zich niet. Eindelijk hief hij met inspanning zich op. Hij zag haar aan met een gelaat van radelooze wanhoop, met oogen, welker smartelijke uitdrukking haar hart deed ineen krimpen.

„Sigrid,quot; zeide hij met een stem, zooals zij nooit van hem had gehoord, „zij hebben mij het agentschap afgenomen. Ik ben bankroet!quot;

Zij legde hare hand in de zijne, zij was te ontroerd om te spreken.

»

ocr page 102

90

„Arme kinderen!quot; kreunde hij. „O, God! o, God! waarom — ?quot;

De volzin werd nooit voltooid. Hij viel zwaar voorover; of hij dood was of bewusteloos, wist zij niet.

Zij liep naar de deur en riep om hulp en de dienstboden kwamen haastig de kamer binnen. Zij hielpen hun heer op de sofa leggen en Sigrid vond een soort troost in de verzekering van hare oude kindermeid, dat het niets was dan een aanval van beroerte en dat hij spoedig weder zou bijkomen. De goede, oude ziel wist er niets van en was ook niet zoo hoopvol, als zij voorgaf, maar hare woorden hielpen om Sigrid staande te houden; zij sloeg er geloof aan zonder na te denken, zooals men in zware droefheid altijd luistert naar hetgeen zelfs maar eene flauwe hoop geeft.

„Ik zal Olga naar den dokter zenden,quot; zeide zij zacht.

„Ja, en ook naar uwen oom,quot; zeide de meid. „Hij is de broeder van uwe moeder; hij behoort hier te zijn.quot;

„Misschien,quot; zeide Sigrid aarzelend. „Ja, Olga, ga naaiden heer Grönvold en zeg hem, dat vader ziek is geworden. Maar eerst naar den dokter — zoo gauw als gij kunt.quot;

Toen volgde een akelige tijd van spanning en wachten. De heer Falck was volkomen bewusteloos; er kwamen trekkingen op zijn bleek gelaat, zijne oogen bleven gesloten, het hoofd was ter zijde gekeerd. Sigrid nam zijne koude handen in de hare en hield haar vinger op zijn pols ; zij kon hem nog voelen, maar hij was flauw en gejaagd. Zoo wachtten zij, totdat de dokter kwam. Hij was een oud vriend en Sigrid gevoelde zich bijna gerust, toen zij hem alles had verteld, wat hij moest weten over den aanval en zijne oorzaak.

„Gij moet dadelijk om uwen broeder zenden,quot; zeide hij. „Hij is zeker op het kantoor?quot;

„O, neen,quot; zeide zij bevend. „Frithiof is in Engeland.

ocr page 103

91

Wij zullen dadelijk telegrafeeren, dat hij t'huis moet komen.quot;

„Arm kind,quot; zeide de oude dokter vriendelijk, „als hij in Engeland is, baat het niet. Hij kan niet bij tijds terug zijn.quot;

Zij bedekte haar gelaat met de handen; nu eerst overstelpte haar de smart.

„O, is er dan geen hoop?quot; snikte zij. „Volstrekt geen hoop ?quot;

„Denk er aan, hoeveel hem is bespaard,quot; zeide de dokter zacht. „Hij lijdt niet. Hij zal in het geheel niet meer lijden.quot;

Zoo was het. Terwijl velen kwamen en gingen, terwijl de heer Grönvold, toen hij van het faillissement had gehoord, de kamer op en neer ging en terwijl Sigrid en Swanhild hare treurige wacht hielden, lag de heer Falck, stil, zonder pijn — zijn gelaat zoo kalm, dat als niet van tijd tot tijd eene trilling door het verlamde lichaam was gegaan, zij zouden hebben gedacht, dat hij reeds dood was.

De uren kropen voort. Eindelijk bespeurde de kleine Swanhild, die op den vloer was neergezonken met haar hoofd in Sigrid's schoot, dat er eenige beweging kwam. Zij zag op en zag, dat de dokter zich over haren vader boog.

„Het is voorbij,quot; zeide hij met gedempte stem, terwijl hij oprees en naar de twee meisjes zag.

En Swanhild, die nooit iemand had zien sterven, maar in hare boeken van doodsstrijd had gelezen, was verwonderd.

„Het is zoo stil gegaan,quot; zeide zij later tot hare zuster. „Ik wist niet, dat menschen zoo stierven; ik geloof, dat ik nooit meer bang zal zijn voor sterven. Maar, o, Sigrid!quot; en het kind barstte uit in hartstochtelijk weenen, „nu moeten wij alleen leven — geheel alleen!quot;

Sigrid's boezem z woegde. Helaas! weinig wist het arme kind van de zorgen, die haar wachtten; zooveel mogelijk moest zij het er onbekend mede houden.

ocr page 104

92

„Wij drieën moeten elkander heel lief hebben, lieveling,quot; zeide zij, Swanhild in hare armen drukkende. „Wij moeten ons best doen om alles voor elkander te zijn.quot;

Deze woorden deden haar denken aan Prithiof en met een smartelijk verlangen naar zijne tegenwoordigheid ging zij naar beneden om te zorgen, dat hem een bericht werd gezonden. De heer Grönvold had nooit veel op gehad met zijn schoonbroeder en dit had hem van zijn neef en zijne nichtjes vervreemd. Maar hij was de eenige der familie, tot wien Sigrid zich kon wenden, en zij wist, dat hij haars vaders executeur was en bij alle beschikkingen moest worden geraadpleegd. Als zij en Prithiof niet, juist een week geleden. hun een-en-twintigsten verjaardag hadden gevierd, zou de heer Grönvold hun voogd zijn geweest en het was natuurlijk, dat hij er aanspraak op maakte, de eerste stem in den familieraad te hebben.

Zij vond hem in de zitkamer. Zij was nog bleek en zenuwachtig. Zij wist maar al te goed, dat, al zou hij geen woord van afkeuring over haren dooden vader zeggen, hij in zijn hart hem toch altijd zou veroordeelen en dat hij de schande voor de familie meer dan iemand anders voelde. Zij weerhield hare tranen, ging zitten en begon bijna kalm met hem te spreken. Het gevoel van hare jeugd en hulpeloosheid was verdwenen ; — zij gevoelde zich oud, onbegrijpelijk oud; hare stem klonk haar in de ooren als de stem van iemand anders — koud en hard.

„Hoe moeten wij het Prithiof mededeelen, oom ?quot; zeide zij.

„Daar heb ik over gedacht,quot; zeide de heer Grönvold. „Hij kan onmogelijk bij tijds terug zijn voor de begrafenis. Het is nu Dinsdag namiddag; hij kan de wekelijksche stoomboot, die heden avond ten negen uur van Huil vertrekt, niet meer halen. Wij moeten het hem telegrafeeren — arme jongen ! Het beste, wat hij nu kan doen, is in Engeland te blijven en te trachten, daar iets te vinden,

ocr page 105

93

want hier is voor hem in het geheel geen vooruitzicht.

Sigrid ademde zwaar.

„Bedoelt gij, dat hij zelfs niet moet terugkomen?quot;

„Ja, ik geloof, dat in Engeland alleen nog kans voor hem is,quot; zeide de heer G-rönvold, misschien niet vermoedende, welk een slag hij zijn nichtje toebracht. „Hij bezit niets meer in de wereld en hier zal zelfs de naam Falck zoo in minachting zijn, dat hij nooit vooruit zal komen. Ik zal gaarne voor u en Swanhild zorgen, totdat hij een te huis voor u heeft; maar hij moet in Engeland blijven, daar is niets aan te doen.quot;

Zij kon hem niet verder tegenspreken; de woorden van haar oom hadden haar te duidelijk doen gevoelen, wat het beteekende failliet te zijn. De stoel, waarop zij zat, behoorde haar zelfs niet meer. Eene rilling ging door hare leden, toen zij de kamer rondzag. Op een schrijftafel lagen hare huishoudboeken en zij dacht, dat er geen geld meer was om die kleine schulden te betalen ; op een boekenkast stond de klok, die de kantoorbedienden een paar jaren geleden aan haren vader hadden geschonken — ook die moest weg; al wat haar heilig, wat haar dierbaar was, alles wat haar aan hare gelukkige kinderjaren herinnerde, moest weg om de aanspraken van haars vaders schuldeischers slechts gedeeltelijk te kunnen bevredigen. Als in een benauwden droom staarde zij haren oom aan, toen hij het telegram aan Prithiof schreef, langzaam overwegende hoe hij het best de treurige tijding kon meidenen telkens met zijn pen de woorden tellende. Het zou veel geld kosten, dat telegram naar Engeland. Sigrid wist, dat haar oom het zou betalen, en deze gedachte weerhield haar te spreken. Het was dwaas, haar verlangen, betuigingen van liefde en medelijden te zenden tegen dertig öre het woord! Zij bezat immers geen dertig öre meer! Haar persoonlijk eigendom mocht misschien wettig haar toebehooren, maar er was iets in haar, dat haar altijd

ocr page 106

94

zou verhinderen, het als haar eigendom te beschouwen. Alles moest worden overgelaten aan hen, die door haars vaders faillissement zouden lijden; Frithiof zou er ook zoo over denken - daarvan was zij zeker.

„Daar, arme jongen!quot; zeide de heer Gronvold, „dat is voldoende om hem op de hoogte te brengen. Nu moet gij hem schrijven, Sigrid, en ik zal hem ook een brief schrijven met de volgende post.quot;

„Ik vrees, dat hij niet vóór Maandag een brief kan hebben,quot; zeide Sigrid.

„Neen, daar is niets aan te doen,quot; zeide de heer Gronvold. „Ik zal alles doen, wat noodig is om de zaken te regelen; dat zal hij ook wel weten en als hij later terugkwam, zou het slechts tijd en geld verspillen zijn. Hij moet dadelijk werk in Londen zoeken; dat heb ik hem gezegd. Gelooft gij, dat het zoo duidelijk is?quot;

Hij liet haar lezen, wat hij had geschreven; zij las het door, ofschoon ieder woord een dolksteek voor haar was.

„Zeer duidelijk,quot; zeide zij, toen zij hem het papier teruggaf.

Haar stem was zoo vermoeid en dof, dat het zijne aandacht trok.

„Mijn lieve kind,quot; zeide hij vriendelijk, „het is een vreeselijke dag voor u geweest. Gij moest naar bed gaan en wat rusten. Laat alles maar aan mij over. Ik beloof u, dat voor alles zal worden gezorgd.quot;

„Gij zijt zeer vriendelijk,quot; zeide zij, maar toch haakte zij onstuimig naar iets anders dan dit soort van vriendelijkheid, naar iets, dat de heer Grönvold misschien niet in staat was te geven.

„Zoudt gij willen, dat uwe tante of een uwer nichtjes dezen nacht bij u bleef?quot; vroeg hij.

„Neen,quot; zeide zij, „ik ben liever alleen. Zij zullen morgen komen. Ja — ik heb rust noodig.quot;

ocr page 107

95

„Zeer goed. Goeden nacht dan, lieve. Ik zal het telegram dadelijk zenden.quot;

Zij hoorde met een gevoel van verlichting de deur achter hem sluiten, maar er waren slechts enkele minuten ver-loopen, of de vreeselijke stilte in huis was meer dan zij kon dragen.

„O, Frithiof! Frithiof, waarom . zijt gij naar Engeland gegaan?quot; steunde zij.

Zij zat ineen gedoken in een grooten stoel en het was haar, alsof de physieke zwakheid, het gevoel, dat alles haar begaf, slechts eene schaduw was van de bittere werkelijkheid. Zij schrikte op, toen de deur open ging. Hare oude kindermeid kwam binnen.

„Hoor eens, Sigrid,quot; zeide de oude vrouw, „de predikant is er, wilt gij hem hier ontvangen?quot;

„Ik geloof niet, dat ik kan,quot; zeide zij moede.

„Hij is in de eetkamer en hij spreekt met Swanhild,quot; zeide de meid. „Gij moest hem ontvangen.quot;

Maar nog bewoog Sigrid zich niet. Eerst toen de kleine Swanhild zacht binnen kwam met haar verlangend, betraand gezichtje, trachtte zij op te staan.

„Sigrid,quot; zeide het kind, „de heer Askevold is den ge-heelen dag bij een stervende geweest; hij is zeer moede en hij heeft geen eten gehad; hij vraagt, of hij hier mag uitrusten.quot;

Dadelijk stond Sigrid op; dat was eene afleiding voor haar eigen verdriet — de gedachte, dat de goede oude predikant, hoe vermoeid en hongerig ook, was gekomen, trof haar hart. Andere vrienden zouden haar misschien verlaten in haren nood en hare schande, maar niet de heer Askevold. Later, toen zij er over nadacht, begreep zij, dat het was geweest om haar te bewegen iets te eten en om haar bij te staan bij dien vreeselijken eersten maaltijd zonder haren vader, dat hij op dat oogenblik was gekomen.

ocr page 108

96

Nu voelde zij alleen den troost van zijn bijzijn, was zij zich slechts bewust, dat zij zich minder verlaten gevoelde, omdat de grijsaard, die haar als klein kind had gedoopt en haar als jong meisje had bevestigd, met haar aan tafel zat. De weinige woorden, met welke hij haar begroette, waren de eerste troostwoorden geweest, die haar hart hadden getroffen, en terwijl zij het brood sneed en de visch rond deelde, was er iets in zijn kiesche zorg voor haar, wat haar hart met meer dankbaarheid vervulde, dan de aanbieding van den heer Grönvold, haar in huis te nemen. Zij spraken niet veel gedurende dien maaltijd, maar de kleine Swanhild vroeg niet langer zich af, of het verkeerd was, honger te hebben op zulk een dag, en schaamde zich niet meer over haar eetlust; terwijl Sigrid, met haar sterk gevoel van Noorweegsche gastvrijheid, ter wille van haar gast at en om hem te bedienen zich aan haar toestand van hopeloosheid ontrukte.

Later bracht zij hem in de kamer van haren vader; stil vloeiden hare tranen, toen zij het kalme gelaat vol vrede zag, dat nooit meer de uitdrukking zou dragen van ingespannen zorg, die zij in den laatsten tijd zoo dikwijls er op had gezien.

De heer Askevold knielde neder en bad. Zij kon zich later nooit herinneren, wat hij had gezegd; misschien had zij zijne woorden niet eens duidelijk verstaan; maar iets in zijn toon of in zijn manier gaf haar het gevoel van de tegenwoordigheid van iemand, die verheven was boven alle veranderingen, die er waren geweest of ooit konden komen. Dit nieuwe bewustzijn scheen haar te vervullen met kracht en eene groote teederheid voor Swanhild: zij begreep niet, dat zij zich had kunnen verbeelden, dat alles haar was ontnomen.

Toen zij waren opgerezen en de oude predikant hare hand nam om haar vaarwel te zeggen, zag hij haar een

ocr page 109

97

weinig bezorgd in de oogen. Maar hij zag daar iets, dat hem gerust stelde.

„GoJ zegene u, mijn kind!quot; zeide hij.

En wederom, toen zij de voordeur voor hem opende en hij naar buiten ging in den donkeren winternacht, zag hij om en zeide:

„God trooste u!quot;

Sigrid stond op den drempel, achter haar het verlicht portaal, voor haar de sombere, starlooze buitenwereld; zij sloeg haar arm om Swanhild en toen zij haar goeden nacht zeide, kwam op haar gelaat een glimlach, die droeviger was dan tranen.

„Achter haar het licht en voor haar de duisternis.quot; sprak de oude predikant in zich zelf, toen hij moede huiswaarts ging. „Het is als haar leven, arm kind! En toch ben ik niet bang voor haar. Het is voor Frithiof, dat ik bang ben.quot;

NEGENDE HOOFDSTUK.

HET OUDE BAADSEL.

Toen Frithiof zag, dat hij in plaats van een vreemdeling Roy Boniface aan den hoek van Hydepark had aangesproken, was zijn eerste gewaarwording sprakelooze verbazing. Toen wenschte hij, dat hij alleen was, en vervloekte hij zijn lot, dat hem eerst in aanraking had gebracht met het kleine kind bij de Serpentine, en hem nu tegen iemand liet aanloopen, die zou praten en verwachten, dat hij ook praatte. Maar dit gevoel ging voorbij; want toen hij zijne oogen liet gaan door de onbekende straten, voelde hij

EEN STOERE NOORMAN. I. 7

ocr page 110

98

weder de verlatenheid van een vreemdeling in een vreemde stad en hij moest erkennen, dat het aangenaam was, Roy's bekende stem te hooren en te weten, dat er in Londen een wezen was, dat belang stelde in zijne zaken.

„Ik wilde wel, dat ik u een paar minuten vroeger had gezien; mijne moeder en mijne zuster waren in het rijtuig,quot; zeide Roy, „en het zou haar plezier hebben gedaan, u te ontmoeten. Gij moet eens bij ons aankomen. Of hebt gij het te druk om naar zulk een afgelegen buurt als Brixton te gaan?quot;

„Dank u. Mijne plannen zijn nog zeer onbepaald,quot; zeide Frithiof. „Waarschijnlijk zal ik hier slechts een pa-ir dagen blij ven.quot;

„Hebt gij de Morgans al gezien?quot; vroeg Roy, „ofiemand anders van ons gezelschap te Balholm?quot;

In zijn hart was hij overtuigd, dat de overkomst van den jongen Noorweger in verband stond met Blanche Morgan, want te Bornholm had iedereen gezien, dat zij elkander lief hadden, en zelfs hun voorloopig engagement was door velen vermoed.

Dit wist Frithiof en de vraag sneed als een zwaard hem door de ziel. Als het niet bijna donker was geweest, had Roy wel moeten opmerken, dat de kleur en de uitdrukking van zijn gelaat veranderden. Maar hij bezat veel zelf-beheersching, en zijn stem was vast, ofschoon een weinig koud en eentonig, toen hij antwoordde:

„Ik ben juist bij de Morgans geweest en ik heb daar vernomen, dat zij de handelsbetrekkingen met onze firma hebben afgebroken. Wij hebben zoovele jaren samen zaken gedaan, dat het, vrees ik, een zware slag voor mijn vader zal zijn.quot;

Roy begon iets te vermoeden en bespeurde, wat hij eerst niet had opgemerkt, dat Frithiof veel was veranderd, sedert zij afscheid hadden genomen in het Sogna Fjord;

ocr page 111

99

misschien hadden de handelszaken invloed gehad op zijn leven en het engagement onmogelijk gemaakt.

„Dit was eene slechte tijding, waarmede gij werdt ontvangen,quot; zeide hij, met het onaangenaam gevoel, dat hij iets moest zeggen, maar niet goed wist wat. „Den heer Falck zal zeker de verandering spijten. Wat heeft hen er toe bewogen?quot;

„Eigenbelang,quot; zeide Frithiof, altijd op denzelfden toon. „Zeker zijn zij dezen zomer gekomen om het land te verkennen. Zooals het hoofd van do firma tot mij zeide, het gaat niet aan, sentimenteel te worden over oude betrekkingen — zaken zijn zaken. Het spreekt van zelf, dat zij voor zichzelven zorgen: wat er van ons wordt, gaat hen natuurlijk niet aan.quot;

Het sarcasme in deze woorden zou Roy nauwelijks hebben getroffen, als hij ze van iemand anders had gehoord, maar in den mond van Frithiof verrasten zij hem.

Zii gingen nu door Piccadilly, ieder bij zichzelf denkende, hoe hij het best van den ander kon afkomen, maar met eene gewaarwording, dat zij aan elkander waren gebonden door hun kort samenzijn dezen zomer en dat, als zij nu scheidden, zij er berouw van zouden hebben. Roy, meer en meer overtuigd, dat de ander verdriet had, was hoe langer hoe minder op zijn gemak. Hij poogde zich eene voorstelling te maken van hetgeen omging in het gemoed van den Noorweger en terwijl zij zwijgend voortgingen, kwam een flauw denkbeeld bij hem op van den vreemden indruk, dien de Londensche omgeving op den pas aangekomene moest maken. Wat een contrast was alles met het stille Noorwegen! De helder verlichte winkels, de drukke straten, de haast en het gedrang, de altijd afwisselende menigte vreemde gezichten.

„Kent gij vele menschen in Londen ?quot; vroeg hij, zeer bereid, als het kon, zijne verantwoordelijkheid over te doen.

ocr page 112

100

„Neen,quot; zeide Frithiof, „ik ken hier geen sterveling.quot;

Zij zwegen weder. Roy's gedachten keerden terug tot-zijn eersten dag te Bergen; hij scheen alles weer te doorleven; hij herinnerde zich, hoe Frithiof de Linnaea had geplukt, hoe hij hen had laten schuilen in zijns vaders huis; de eenvoud en het geluk in die woning kwamen hem duidelijk voor den geest; hij zag Frithiof aan. Het licht van een straatlantaarn viel juist op hem en Roy schrok; de Noorweger had misschien vergeten, dat hij niet alleen was; ten minste er lag eene uitdrukking op zijn gelaat, die er tot nu toe niet op was te zien geweest. Er was iets op dat bleeke, strenge gezicht, dat Roy ongerust maakte en eensklaps een einde maakte aan zijne beschroomdheid en zelfzuchtige gedachten.

„Dan gaan wij samen eten,quot; zeide hij, „als gij geen andere afspraak hebt.quot;

En Frithiof, die wenschte alleen te zijn, maar tegelijk de eenzaamheid vreesde, nam de uitnoodiging aan.

Toen het ijs eens was gebroken en toen zij aan tafel zaten, wachtte Roy zorgvuldig zich er voor, van de dagen te Balholm te spreken, maar hij vroeg naar Sigrid en Swanhild en den heer Falck, praatte over den Noorweeg-schen winter, over schaatsen rijden, over Noorweegsche politiek, over alles wat hem in het hoofd kwam en de gedachten van zijn vriend van de Morgans kon afleiden.

„Wat zullen wij nu doen?quot; zeide hij, toen zij weder op straat waren. „Daar gij zoo spoedig weder vertrekt, moeten wij van den tijd profiteeren. Zullen wij naar de opera gaan?quot;

„Daarvoor ben ik van avond niet in de stemming,quot; zeide Frithiof. „En ik dacht juist, dat mijn vadei misschien heeft getelegrafeerd — hij moet Morgan's telegram heden morgen hebben ontvangen. Ik wilde naar het Arundel hotel gaan om te hooren, of er iets voor mij is gekomen.quot;

ocr page 113

101

Deze gedachte scheen hem op te wekken. Hij voelde zich weer als gewoonlijk en terwijl zij het strand opgingen, haperde het gesprek minder dan vroeger. Hij sprak nu over het werk, dat hem te Bergen wachtte, en Roy begon te denken, dat zijn plan om hem afleiding te bezorgen van zijn verdriet, vrij wel was geslaagd.

„Wij moeten afspreken, wanneer gij te Brixton bij ons komt,quot; zeide hij, toen zij de Arundel straat insloegen. „Zoudt gij morgen kunnen?quot;

„Voor zoo ver ik weet, ja,quot; zeido Frith lof, „maar als gij even met mij in het hotel wilt gaan, zullen wij hooren, of er een boodschap van mijn vader is. Als er niets is, ben ik geheel vrij. Maar het is mogelijk, dat hij mij iets opdraagt.quot;

Zij gingen dus samen naar het hotel en Frithiof hield in het portaal een kellner aan.

„Is er iets voor mij gekomen, terwijl ik uit was?quot; vroeg hij.

„Ja, mijnheer, ik geloof het wel. Mijnheer Falck, niet waar?quot;

Hij kwam dadelijk terug met een telegram, dat hij aan Frithiof overhandigde, die het haastig openscheurde en begon te lezen. Terwijl hij las, verdween alle kleur van zijn gelaat; het telegram was in het Noorweegsch en de gedrongen, koele zinnen verpletterden hem. Als in een droom las hij de woorden: „Vader failliet door mislukken IJsland expeditie en verlies Morgan's agentschap.quot; Er was nog meer, maar hij was zoo ontsteld, dat hij opzag van het noodlottig rose papier met eene onzinnige hoop, dat zijne omgeving hem zou geruststellen — dat hij zou vinden, dat het eene vergissing was. Zijne oogen ontmoetten den nieuwsgierigen blik van een bediende, hij zag twee meisjes in avondtoilet de vestibule doorgaan.

„Wij hadden al in het Lyceum moeten zijn,quot; hoorde hij een van haar tot de andere zeggen. „Het is onaangenaam, dat vader zoo laat komt.quot;

ocr page 114

102

Het meisje, tot wie dit werd gesproken, had een lief, opgeruimd gelaat.

„O, hij zal spoedig hier zijn,quot; zeide zij glimlachend, maar toen zij toevallig naar Frithiof zag, werd zij plotseling ernstig en voelde diep medelijden met hem; van zijn gelaat gingen hare oogen naar het telegram in zijn hand en dit bracht hem tot het bewustzijn, dat hij waakte en dat alles werkelijkheid was. Het was werkelijk een telegram, wat hij in de hand hield. Het was alles waarheid, eene afschuwelijke waarheid. Zijn vader was failliet.

Schaamte, smart, bittere verontwaardiging over de Morgans, eene martelende gewaarwording, dat, als Blanche hem was getrouw gebleven, het ergste had kunnen worden verhoed — dat alles overstelpte hem. Met een wanhopige inspanning hief hij zijn hand mot het telegram op en dwong zich het nog eens te lezen. O, geene vergissing was mogelijk; hij las nog eens de noodlottige woorden: „Vader failliet door mislukte IJsland expeditie en verlies Morgan's agentschap.quot; Hij had zich nu een weinig hersteld en hij wilde ook het overige lezen. Misschien zou hij iets kunnen doen om zijn vader te helpen. Hij las met een enkelen oogopslag: „Schok veroorzaakte bloeduitstorting hersenen. Hij stierf heden namiddag.quot;

Het was Frithiof, alsof zijn keel werd dicht geknepen; als hij niet in de open lucht kon komen, zou hij sterven en instinctmatig deed hij een paar stappen naar de deur; toen wankelde hij en greep hij Roy Boniface vast om niet te vallen.

Roy ondersteunde hem en zag bezorgd hem aan.

„Hebt gij slechte tijding ontvangen?quot; vroeg hij.

Frithiof poogde te spreken, maar hij kon geen woord uitbrengen, hij hijgde naar adem, hij voelde dat zijn ledematen hem begaven, hij zag, als in een mist, het portaal met allen, die er in waren — den kellner, de twee meis-

ocr page 115

108

jes, een bejaard heer, die naar haar toe ging — toen voelde hij, dat hij op den vloer werd gelegd, niet geheel bewusteloos, maar niet in staat te spreken of zich te bewegen.

„Het is in het Noorweegsch,quot; hoorde hij Roy zeggen. „Slechte tijding van huis, vrees ik.quot;

„Arme man!quot; zeide een andere stem. „Open de deur. Hij moet lucht hebben.quot;

„Ik zag, dat hem iets scheelde, vader.quot; Dit was eene meisjesstem. „Hij werd zoo bleek, toen hij las.quot;

„Gij zult te laat komen in het Lyceum,quot; dacht Frithiof; hij deed eene poging om op te staan, maar verloor nu verder zijn bewustzijn; de stemmen stierven weg; hij voelde nog, dat handen zijne schouders en voeten aanvatten, dat hij werd opgeheven en weggedragen.

Toen hij na weinige oogenblikken de oogen weder opsloeg, bespeurde hij, dat hij op een bed lag. Het raam was wijd open en een enkele kaars flikkerde wild in den tocht. Roy Boniface stond bij hem en hield een glas aan zijn lippen. Met moeite dronk hij.

„Gaat het beter, mijnheer?quot; vroeg de kellner. „Is er iets, dat ik voor u kan doen? Is er een antwoord op het telegram?quot;

„Het telegram? Wat bedoelt gij?quot; riep Frithiof. Toen schoot alles hem weer te binnen en met een gesteun, als had hij pijn, wendde hij zijn gezicht af van het licht.

„Zou het niet goed zijn, als mijnheer een dokter liet halen?quot; zeide de kellner tot Roy. Maar Frithiof richtte zich driftig op. „Ik ben beter. Ga weg. Ik wil alleen zijn!quot; riep hij.

De kellner ging, maar Roy bleef nog. Hij kon het niet van zich verkrijgen, iemand in zulk een toestand te verlaten; hij ging aan het raam staan en zag naar de donkere rivier met de twee rijen lichten en hunne lange flikkerende weerkaatsing. Een gedruisch in de kamer deed hem om-

ocr page 116

104

zien. Frithiof was opgestaan : niet een gebaar van ongeduld blies hij de kaars uit, ging met onvaste stap naar het raam en liet zich op een stoel neervallen.

„Zijt gij nog hier?quot; zeide hij, op een toon, die voldoening te kennen gaf.

„Ik wilde u niet verlaten, voordat gij beter waart,quot; zeide Roy. „Wilt gij mij zeggen, wat er is gebeurd, Falck?quot;

„Mijn vader is dood.quot; zeide Frithiof met eeu onnatuurlijk kalme stem.

„Dood!quot; riep Roy uit en in zijn toon was meer schrik dan leedgevoel. Hij kon het niet gelooven, dat de krasse, vriendelijke Noorweger, die, pas eenige weken geleden, met hem Munkeggen had beklommen, niet meer onder de levenden was.

„Hij is dood,quot; herhaalde Frithiof bedaard.

„Maar hoe is dat gekomen!quot; vroeg Roy. „Het moet zeer plotseling zijn geweest. Hij was immers wel, toen gij, drie dagen geleden hem verliet?quot;

„Zijn expeditie naar IJsland is mislukt,quot; zeide Frithiof. „Dat was een zware slag voor onze firma; toen heeft hij heden morgen het telegram van Morgan over het agentschap ontvangen. Dit was zijn dood.quot;

„Goede God!quot; riep Roy met verontwaardiging in zijn stem.

„Laat het bijvoegelijk naamwoord weg,quot; zeide Frithiof bitter. „Indien er een God is, is Hij wreed en hard. Zaken zijn zaken, weet gij en men kan niet sentimenteel worden over oude betrekkingen. God laat toe, dat menschen als Morgan vooruitkomen — zij komen altijd vooruit — en mannen als mijn vader laat hij in schande en oneer ondergaan.quot;

Roy zweeg, hij had geen gladde, conventioneele frasen bij de hand. Bij zich zelf erkende hij onbewimpeld, dat het vraagstuk hem te hoog was. Hij wist zeer goed, dat in zaken vaak de voortstrevende, gewetenlooze, zelfzuchtige man slaagde en een fijngevoelig, nauwgezet, eerlijk man,

ocr page 117

105

als de heer Falck zich met kleine winst moest vergenoegen of eindelijk in een onberaden oogenblik alles waagde en te gronde ging. Het was een raadsel, dat hem lederen dag van zijn leven even onoplosbaar scheen; het oude, oude raadsel, waartegen Job's hart in opstand kwam en waarop geen ander antwoord is dan dat van Job. Hij had een onbestemd gevoel, dat er een andere maatstaf van slagen moest zijn dan de maatstaf dezer wereld; hij geloofde, dat het slechts het eerste bedrijf van het drama was, dat wij hier kunnen zien; maar hij erkende eerlijk, dat dit eerste bedrijf dikwerf zeer onbegrijpelijk was.

Het was intusschen juist zijn zwijgen, dat Prithiof aantrok. Had hij gesproken en geredeneerd, de gewone versleten argumenten aangevoerd, dan waren de twee voor eeuwig gescheiden geweest. Maar hij bleef tegen het raamkozijn leunen en zag naar de donkere rivier, nadenkende over de geschiedenis, die hij zooeven had gehoord en zich te vergeefs afvragende, waarom het zoo was gebeurd. Het „waarom?quot; dat de laatste gebroken uitroep was geweest van den overledene weerklonk in de harten van hen, die zoo vreemd waren samengebracht. Roy dacht aan den versregel: „Men zegt dat smart ons wijsheid schenkt.quot; Maar hij was overtuigd, dat in Frithiofs geval de smart verstokt, en verbitterd zou maken; ja het scheen hem toe dat Frit-hiofs geheele aard was veranderd. Het was haast niet te gelooven, dat hij dezelfde opgeruimde jonkman was, die de ziel was geweest van het gezelschap te Balholm, die zoo aardig in de villa van Kalvedalen hen had ontvangen. En toen hij die vroolijke, huiselijke kamer te Bergen vergeleek met het donkere, ongezellige vertrek in het Londensche hotel, voelde hij, dat hij Frithiof in eene minder drukkende omgeving moest brengen.

„Gij moet hier niet alleen blijven,quot; zeide hij op eens. „Ga met mij mede naar huis.quot;

ocr page 118

106

„Gij zijt zeer goed,quot; zeide Prithiof, „ maar ik geloof niet, dat ik het kan doen. Ik ben liefst alleen; ik moet van avond een besluit nemen voor de toekomst.quot;

„Gij gaat zeker terug naar Noorwegen?quot; vroeg Roy.

„Ja, ik denk het wel; zoo spoedig mogelijk. Morgen zal ik zien, wanneer ik kan wegkomen. Het is ongelukkig te laat om met een Wilson boot te gaan; zij vertrekt op dit oogenblik van Huil.quot;

„Ik zal morgen eens aankomen, om te hooren, wat gij hebt besloten,quot; zeide Roy. „Is er niets, dat ik voor u kan doen?quot;

„Niets, dank u,quot; zeide Frithiof.

Roy voelde, dat zijne tegenwoordigheid geen nut meer kon doen en misschien zijn vriend lastig werd. Hij wenschte hem goeden nacht en vertrok.

Den volgenden dag werd hij door zaken opgehouden en kon eerst laat in den namiddag in het Arundel hotel komen. Hij zag denzelfden kellner, die den vorigen avond er was geweest en vroeg hem, of Frithiof thuis was.

„De heer Falck is weg, mijnheer,quot; zeide de man; „hij is een half uur geleden vertrokken.quot;

„Weg!quot; riep Roy verwonderd. „Heeft hij geen boodschap achtergelaten ?quot;

„Neen, mijnheer; niets. Hij zag er zeer slecht uit, toen hij van morgen beneden kwam, maar hij is dadelijk na het ontbijt uitgegaan en eerst ten vier ure terug gekomen. Toen vroeg hij zijne rekening en liet hij zijn koffer naar beneden brengen en op een rijtuig zetten. Toen hij wegging, gaf hij mij eene kleinigheid en zeide, dat hij dacht, dat hij gister ruw tegen mij was geweest en hij dankte mij voor hetgeen ik voor hem had gedaan. Toen is hij weggereden, mijnheer.quot;

„Hebt gij niet gehoord, waarheen hij ging?quot;

„Neen, mijnheer; dat kan ik niet zeggen. Als ik mij

ocr page 119

107

goed herinner, reed het rijtuig de kade op, in de richting van Charing Cross.quot;

„Ik dank u,quot; zeide Roy. „Waarschijnlijk is hij over het vasteland naar Koorwegen terug gegaan.quot;

En met een gevoel van teleurstelling verwijderde hij zich.

TIENDE HOOFDSTUK. Eeke veraxderixg tex kwade.

Toen Roy Boniface vertrokken was, bleef Frithiof langen tijd zitten zonder zich te bewegen. Hij had er naar verlangd, alleen te zijn, maar zoodra zijn verlangen was vervuld, overstelpte hem een verpletterend gevoel van verlatenheid; ook hij was zich bewust van de verandering van zijn aard, die voor Roy volkomen duidelijk was geweest. Het was hem, alsof alles hem met eenen slag was ontnomen — liefde, hoop, zijn vader, zijn huis, zijn onbevlekte naam, zijn werk, zijn geld en zijn eigen wezen. Hij was geheel veranderd en een geheel nieuw leven lag voor hem. Hij moest zien zich er in te schikken en op de eene of andere wijs dat leven te dragen. Dit was het eenige, wat hem duidelijk was. Het kleine kind bij de Serpentine had hem die overtuiging gegeven, maar verder denken kon hij op dit oogenblik niet. Alles om hem heen was een droeve, sombere, grauwe mist. Eindelijk bespeurde hij dat de kille wind van de rivier niet langer hem verfrischte maar hem deed rillen van koude en hij sloot het venster. Werktuigelijk liet hij het gordijn vallen en stak hij het licht

ocr page 120

108

aan. Toen zag hij, dat op het bed het verkreukelde rose papier lag, dat hem de slechte tijding had overgebracht: hij nam het op, streek het glad en las het nog eens.

Er stond nog iets, dat hij na den eersten vreeselijken schok van het vernemen van zijns vaders dood niet had gelezen. Met gefronsde wenkbrauwen las hij de woorden, die de heer Grönvold zoo zorgvuldig had overwogen en zoo dikwijls had geteld.

„Ik zal voor uwe zusters zorgen, totdat gij dit kunt. Mijn raad is, zoek werk in Londen; hier geen vooruitzicht voor u, te veel ingenomen tegen familie.quot;

Eerst nu werd het hem duidelijk, dat hij niets bezat, dat hij gebukt ging onder een last van schulden, die, al konden zij wettig niet van hem worden ingevorderd, daarom hem niet minder zwaar drukten. Er waren er, dat wist hij, die met een onbezorgd hart failliet gingen en dadelijk weer een zaak begonnen, maar hij was te veel zijns vaders zoon, om de ramp zoo op te vatten. De schande en het bewustzijn, dat hij verkeerd had gehandeld, die den heer Falck den dood hadden berokkend, troffen thans hem met verpletterende kracht; als een radelooze ging hij de kamer op en neer, zich voorstellende, wat er thans te Bergen gebeurde, denkende aan het lijden en de ellende, die een gevolg moesten zijn van het faillissement van een firma zoo oud en zoo geacht als die van zijnen vader.

En toch putte hij troost uit de marteling van die voorstelling — zulk een troost ten minste, als waarvoor hij op het oogenblik vatbaar was. Wij moeten allen eene toekomst, een doel voor oogen hebben, anders zou het leven ondragelijk zijn. De ongelukkigste bedelaar op straat vestigt zijne gedachten op het geld, dat hij zal ontvangen, op een onderkomen voor den volgenden nacht. En bij Frithiof, verlaten, arm, bedrogen als hij was, kwam gelukkig een sterk verlangen, een onwrikbaar besluit op. Hij zou zijns vaders

ocr page 121

109

schulden betalen, tot de laatste cent; hij zou werken en zwoegen; hij zou zich alles, behalve het hoog noodige, ontzeggen. De naam Falck zou in eere worden hersteld; de hoop herleefde in zijn hart, toen hij zich zijns vaders afscheidswoorden herinnerde; „Ik reken op u, Frithiof, om te volbrengen, wat mij niet is gelukt — te leven, zooals ik had gewenscht, te kunnen leven.' Hoe anders was alles geweest, toen deze woorden werden gesproken. De herinnering aan die woorden deed hem goed — zij bracht hem als 't ware terug tot het werkelijk leven — maar tegelijk deed zij hem bittere smart.

Hij zag weder de haven van Bergen — de schepen, de bergen, de drukke kade; hij zag zijn vader zoo duidelijk, als stond hij op dit oogenblik voor hem; zijn stem klonk hem in de ooren, hij scheen nog den druk van zijn hand te voelen.

Geen wonder was het, dat het nog zoo versch in zijn geheugen lag. Het was slechts drie dagen geleden! Maar als hij er aan terug dacht, leek het wel drie jaar. Met ontzetting dacht hij, zooals wij gewoonlijk doen bij plotselinge rampen, hoeveel in weinig tijd kan gebeuren. Dat merken wij niet op, als alles voorspoedig gaat, evenmin als wij op een schip bij goed weder er aan denken, dat er slechts een plank is tusschen ons en de ongepeilde diepte. Wij houden het er voor, dat alles goed zal gaan en als de ramp ons overvalt, verbaast ons haar plotseling opkomen — zooveel wordt veranderd door een onverwachten, verplet terenden slag.

Hij herinnerde zich, dat hij het „Hardinger bruiloftsliedquot; had gefloten, toen hij opgeruimd op het dek heen en weer ging, zijne gedachte vervuld met Blanche en de gelukkige toekomst, die voor hem lag. De wijs klonk hem voortdurend in de ooren. Hij bedekte zijn gelaat met zijne handen en gaf zich over aan zijne smart, zonder eene ge-

ocr page 122

no

dachte aan troost of aan hetgeen hem nog was gebleven. Indien Blanche hem slechts trouw was gebleven, zou alles anders zijn geweest; haar vader zou het agentschap niet hebben opgezegd, als zij bij hare terugkomst hem alles had verteld; al was dan de IJslandsche expeditie mislukt, zijn vader had toch eene schikking kunnen treffen met zijne schuldeischers en hij zelf had misschien aan het hoofd van het filiaal te Stavanger kunnen worden gesteld — alles zou dan nog goed hebben kunnen afloopen.

In bittere tegenstelling riep hij zich het droeve huis te Kalvedalen voor den geest; hij stelde zich voor, hoe de heer Grönvold de laatste beschikkingen maakte en beurtelings medelijdend of afkeurend zich uitliet over zijn schoonbroeder; hij dacht aan Sigrid en Swanhild in haar smart en verlatenheid; hij dacht aan zijn vader, die koud en stil daar lag. Verstikkende snikken rezen op in zijn keel, toen het hem hoe langer hoe duidelijker werd, dat alles voorbij was, dat hij nooit meer zijnen vader zou zien. Maar zijn oogen waren droog, zonder tranen; de eenige troost, die hem nog bleef, was dat hij zoo spoedig mogelijk zou trachten, het besluit uit te voeren, dat hij zoo even had genomen.

Misschien begreep hij dit, want hij stond op en wilde niet langer denken aan de voorstellingen, die zoolang hem hadden bezig gehouden; hij ging denken aan hetgeen hij nu het eerst moest doen. Hij wilde geen tijd verliezen, hij zou dadelijk aanvangen. Het eerste moest natuurlijk zijn, zuinig te leven; hij moest het Arundel hötel morgen veriatenen de goedkoopste kamer, die bij kon krijgen, nemen. Op de tafel lag dat nuttige boek, Dickens' gids van Londen. Hij had het den vorigen dag te Huil gekocht en had er reeds veel genoegen en inlichting uit geput. Nu bladerde hij met bitteren ernst het door, tordat hij kwam aan de rubriek „kamers te huur,quot; hij liet zijne oogen gaan over de blad-

ocr page 123

m

zijden, totdat hij stuitte op deze mededeeling; „Zij, die nog goedkooper gelegenheden verlangen, moeten verder van het midden der stad gaan; de laagste prijzen zijn in de noord-oostelijke en zuid-oostelijke wijken, waar een kamer met bed te krijgen is voor een huur van tien shillings en zelfs minder, tot dertig shillings.quot;

Hij sloeg de kaarten op, die voor in het boek staan en besloot in de buurt van Vauxhall en Lambeth te gaan zoeken.

Nu kwam de vraag, wat hij zon kunnen verrichten. Hij had er geen flauw begrip van. Misschien zou Dickens hem iets aan de hand kunnen doen. Hij sloeg weder de bladen om, totdat zijn oog viel op de woorden: „Amerikanen in nood (Vereeniging tot bijstand van)quot;. Hij ging de opgaven na, maar er scheen voor ieder hulp te zijn, behalve voor Noorwegers. Er was een te huis voor Fran-schen; een ondersteuningsfonds voor Hongaren; een liefdadige instelling voor Italianen; zestien liefdadige instellingen voor Joden, eene vereeniging tot ondersteuning van Polen, een voor Ieren, een voor Nederlanders, een voor Spanjaarden en Portugeezen, een voor Belgen. De eenige kans voor hem was de „Algemeene vereeniging van weldadigheidquot;, een naam die hem bitter deed glimlachen, of de „Vereeniging der vrienden van noodlijdende vreemdelingen.quot;

Hij besloot eerst in den uitersten nood zich tot die ver-eenigingen te wenden en zocht de rubriek Zweden en Noorwegen om het adres van den consul te vinden. Naar hem moest hij het allereerst gaan, om raad te vragen. Er was in Fleetstreet ook een Scandinavische club; daar zou hij een lijst van de leden zien te krijgen; misschien vond hij een bekenden naam en in ieder geval zou hij daar zijn moedertaal hooren, hetgeen op zich zelf reeds een troost zou zijn. Toen hij dit had besloten, trachtte hij te slapen, maar het gelukte hem slecht. Hij was te overspannen en

ocr page 124

112

de vreeselijke omkeer in zijn lot, het verdriet, dat dien dag over hem was gekomen, lieten hem geen rust.

Telkens als hij een paar minuten was ingesluimerd, werd hij vervolgd door akelige droomen en toen de morgen aanbrak, was hij koortsig en ziek, maar nog altijd vast besloten, het programma uit te voeren, dat hij zich had gesteld.

De Zweedsche consul ontving hem zeer vriendelijk en luisterde met geduld naar zijne geschiedenis, voor zoover hij haar kon vertellen. „Het is een hard geval,quot; zeide hij. „Het was misschien voordeelig voor dé Engelsche firma deze nieuwe schikking te maken, maar zoo plotseling eene oude betrekking af te breken en, zooals blijkt, op zulk een ongelukkig oogenblik, was bar. Wat soort van menschen zijn die Morgans? Kent gij hen?quot;

„O, ja,quot; zeide Frithiof, terwijl hij een kleur kreeg. „Een van de broeders was dezen zomer in Noorwegen; hij kwam bij ons aan huis, hij at bij ons en was heel vriendelijk en al dien tijd moet hij hebben geweten, wat de firma voornemens was te doen.quot;

„Hij kwam zeker de gelegenheid opnemen,quot; zeide de consul. „En de andere broeder?quot;

„Dien heb ik gisteren gesproken,quot; zeide Frithiof. „Hij was zeer beleefd; hij vertelde mij, dat het telegram dien ochtend was verzonden, omdat het geen uitstel kon lijden en sprak met grooten lof van mijn vader. quot;Woorden kosten niets.quot;

De consul merkte den bitteren toon op en zag uitvor-schend zijn bezoeker aan. „Arme jongen!quot; dacht hij. „Hij begint het leven met een bitteren grief en niets is zoo slecht voor een man als dat. Hij ziet er flink uit ook. Als hij hier blijft met die verbittering, is hij verloren.quot;

„Maar,quot; zeide hij, „al zijn die Morgans scherp in zaken, zij zijn toch menschen. Als zij hooren, op welk een ongelukkig tijdstip hun telegram is aangekomen, is het niet

ocr page 125

113

meer dan natuurlijk, dat het hun zal spijten. Hun eerste gedachte zal zijn, u te helpen. Ik zou raden, dadelijk naar hen toe te gaan en met hen te spreken. Indien zij fatsoenlijke menschen zijn, zullen zij u bij hun filiaal te Sta-vanger aanstellen of misschien kunnen zij u hier, te Londen, gebruiken.quot;

„Ik kan niet naar hen toe gaan,quot; zeide Frithiof met gesmoorde stem. „Liever sterf ik.quot;

„Ik kan begrijpen,quot; zeide de consul, „dat gij tegen hen verbitterd zijt, na de behandeling, die gij van hen hebt ondervonden; maar toch geloof ik, dat gij het moet beproeven. Zij waren niet op de hoogte van de zaken van uwen vader; zij hebben hem niet opzettelijk gedood. Dat de twee rampen zoo onmiddellijk op elkander volgden, is een toeval.quot;

„Ik kan niets van hem aannemen; het is onmogelijk.quot; zeide Frithiof.

„Neem mij niet kwalijk, als ik ronduit spreek,quot; zeide de consul. „Gij zijt nog jong en gij kent de wereld niet. Indien gij u laat beheerschen door zulk een hoogmoed, kunt gij niet hopen vooruit te komen. Denk er nog eens over na en als gij inderdaad deze menschen niet kunt gaan spreken, schrijf hun dan ten minste.quot;

„Ik kan u niet alles uitleggen, mijnheer, maar er zijn bijzondere redenen, die het geheel onmogelijk maken.quot;

Het bloed was hem naar het voorhoofd gestegen; in een rechte lijn sloten zich zijne lippen; misschien was het, omdat zij trilden, dat hij ze zoo samen drukte.

„Er is eene vrouw in het spel,quot; dacht de consul. „Dat maakt de zaak ingewikkelder. Een reden te meer voor hem om Londen te verlaten.quot; Toen zeide hij, „indien gij het onmogelijk vindt, u tot hen te wenden, zou ik u sterk aanraden, naar Amerika te gaan. Iedereen komt naar Londen om werk te vinden, maar de straten van Londen zijn

EEN STOERE NOORMAN. 1.

ocr page 126

114

tegenwoordig volstrekt niet met goud geplaveid; het is een slechte tijd, ga waar gij wilt, gij zult overal hooren, dat er weinig te verdienen en te leven duur is.quot;

„Indien ik eenig vooruitzicht had in Amerika, zou ik dadelijk gaan,quot; zeide hij. „Maar kort geleden heb ik te Bergen nog gehoord, dat het ook daar niet gemakkelijk is werk te vinden. Het is de reiskosten niet waard, om daar in denzelfden toestand te zijn als hier en bovendien eenige honderden mijlen verder van huis.quot;

„Wat kunt gij?quot; vroeg de consul. „Hoe staat het met uw Engelsch?quot;

„Ik kan het gemakkelijk schrijven en spreken. En Duitsch natuurlijk ook. Ik kan boekhouden.quot;

„Eenige lust voor het onderwijs?quot; vroeg de consul.

„Volstrekt niet,quot; zeide Prithiof met overtuiging.

„Dan geloof ik, dat er voor u niets over blijft, dan iemands secretaris te worden of kantoorklerk, of misschien zoudt gij kunnen vertalen, maar dit werk is niet gemakkelijk te krijgen. Alles is overvol, vreeselijk overvol. Maar ik zal natuurlijk aan u denken en gij zult uw best doen. Wacht, ik kan u een introductiebrief voor den heer-Si vertsen geven. Hij is de schrijver van een bekend boek over Noorwegen. Kunt gij den weg vinden in de stad?quot;

„Dat gaat vrij wel,quot; zeide Frithiof.

„Dan hebt gij hier zijn adres — Museum street. Neem een omnibus naar de Bank en stap af aan den hoek bij den winkel van Mudie. Laat mij hooren, hoe het met u gaat. Ik stel er veel belang in het te weten.quot;

Met een vriendelijken handdruk liet hij Frithiof gaan en een weinig opgebeurd door dit onderhoud, begaf hij zich naar het adres, dat hij had ontvangen.

De kamers van den heer Sivertsen waren zoo somber mogelijk; zij stonken naar tabak, zij waren slecht verlicht en Frithiof dacht, dat de vensters zeker in een week niet

ocr page 127

115

waren open geweest. Mudie's boekwinkel, aan de overzijde, was het eenige merkwaardige, wat men kon zien. Hij wachtte eenige oogenblikken, zich verwonderend, hoe een schrijver van naam het kon uithouden in zulk een hol en trachtende uit de kamer op te maken, wat soort van een man de bewoner was. Eindelijk ging de deur open en een man van vijf en-vijftig jaar met grijze haren, een hoog voorhoofd en ietwat stug, vierkant gelaat, trad binnen.

„Ik heb den brief van den consul gelezen,quot; zeide hij, terwijl hij Frithiof groette en hem uitnoodigde plaats te nemen. „Wat gij wilt hebben is moeielijk te krijgen. Weet gij wel, dat duizenden te vergeefs naar eene betrekking zoeken?quot;

„Ik weet, dat het moeielijk is,quot; zeide Frithiof, „maar hier heb ik nog meer kans dan in Noorwegen en ik moet ietsquot; vinden.quot; De nadruk, waarmede hij deze woorden sprak, maakte, dat de schrijver met meer aandacht hem aanzag.

„Het verveelt mij al lang, dat jonge menschen bij mij komen om hulp te vragenquot;, merkte hij openhartig op. „Gij allen zijt een ontaard geslacht, gij jongelieden van den te-genwoordigen tijd. Ik houd het er voor, dat gij niet weet, wat werken is. Geld wilt gij hebben, geen werk.quot;

„Ja,quot; zeide Frithiof bedaard. „Gij hebt volkomen gelijk. Ik wil geld hebben.quot;

Nu had de heer Sivertsen nog nooit die eerlijke bekentenis gehoord. In antwoord op de toespraak, die hij al tot menig sollicitant had gehouden, had hij altijd de vurige betuiging ontvangen, dat de spreker niets liever deed dan werken; dat hij belang stelde in taalstudie; dat de liefhebberijen van den heer Sivertsen ook de zijne waren. Die rondborstige bekentenis beviel hem, ofschoon hij het niet wilde laten blijken. „Precies, wat ik zeide,quot; riep hij uit. „Dit geslacht haakt alleen naar pleizier en naar geld. En wat is het gevolg? Ik geef werk en zoolang gij geld krijgt,

8-

ocr page 128

11G

bekommert gij u er niet over, hoe het wordt gedaan. Zie hier!quot; Hij nam een handschrift van de tafel. „Ik heb den kerel betaald, die dit heeft gedaan. Hij levert het niet alleen te laat af, maar als het eindelijk gereed is, is het knoeiwerk ; het schrift alleen is eene schande voor onze beschaving. Dat komt, omdat de man geen hart heeft voor zijn werk, omdat hij geen belang stelt in het onderwerp. Het beteekend voor hem slechts zooveel shillings, dat is alles.quot;'

„Ik schrijf ten minste een duidelijke hand,quot; zeide Fritbiof.

„Dat kan zijn; maar zult gij eenig hart hebben voor uw werk? Geeft gij iets om beschaving? om literatuur? Stelt gij belang in den vooruitgang? Verlangt gij nuttig te zijn voor uwe tijdgenooten?quot;

„Voor zoover het van mij afhangt,quot; zeide Fritbiof bitter, „zullen mijne tijdgenooten voor zich zeiven moeten zorgen. Van literatuur weet ik weinig en ik stel er nog minder belang ia; al wat ik wil, is geld verdienen.quot;

„Heb ik het niet gezegd?quot; schreeuwde de heer Sivert-sen. „Het is dat vervloekte goud, waarnaar gij allen haakt. Gij wilt geld hebben om aan uw zelfzuchtig verlangen naar genot te voldoen. Gij zijt allen hetzelfde! Allen! Een nietswaardig geslacht!quot;

Fritbiof stond op.

„Hoe nietswaardig wij ook zijn, wij moeten ongelukkig leven,quot; zeide hij koel. „En daar ik niet kan voorwenden, dat ik belang stel in ontwikkeling, zal ik u niet langer ophouden.quot;

Hij boog en ging naar de deur.

„Wacht even,quot; zeide de heer Sivertsen; „bet kan geen kwaad, dat gij mij uw adres geeft.quot;

„Dank u. maar op het oogenblik heb ik geen adres,quot; zeide Fritbiof. „Goeden morgen.quot;

Hij was vertoornd en gegriefd, toen hij Museum street afging. Zulk een ruwe ontvangst van een landsman viel

ocr page 129

117

hem hard, vooral nu hij zooveel verdriet had. Hij had niet genoeg menschenkennis om den excentrieken, ouden man te begrijpen en hij vergat, dat de heer Sivertsen niets wist van zijne omstandigheden. Hij was te kort af, te onafhankelijk, misschien ook te fijngevoelig, om als vreemdeling in een groote stad zich een weg te banen. Hij was ten eenen male ongeschikt om eene schilderachtige beschrijving van zijn ongeluk te geven, hij had a'leen een soort hardnekkigheid, een vast voornemen werk te vinden en hoe dikwijls hij ook werd teleurgesteld, dat verliet hem nooit.

Hij wandelde door naar Vauxhall en begon eene woning te zoeken. Eindelijk kwam hij aan een net huisje in een straat, die er nieuw uitzag, een paar honderd passen van Vauxhall. Er stond een papier voor het raam, vermeldende dat er kamers te huur waren. Hij schelde en was een weinig verwonderd, toen hem werd opengedaan door eene vrouw van middelbaren leeftijd, die zonder eenigen twijfel eene dame was, ofschoon haar diep gerimpeld gelaat van zorgen en ontberingen, misschien ook van een slecht humeur getuigde. Hij vroeg den prijs der kamer.

„Een zitkamer en een slaapkamer; vijftien shillings in de week,quot; was het antwoord.

„Dat is mij te veel en ik heb ook maar één kamer noo-dig,quot; zeide hij.

„Wij kunnen haar niet afzonderlijk verhuren.quot;

Hij zag haar teleurgesteld aan.

„Er is nog een kamertje boven in het huis; dat zoudt gij kunnen krijgen,quot; zeide zij, alsof haar dat eensklaps te binnen schoot. „Maar het is niet zeer gerieflijk. Het kost maar vijf shillings, met bediening.quot;

„Mag ik het zien?quot; zeide Frithiof.

Hij voelde zich zoo moede en ziek, dat als zij hem een varkenskot had laten zien, hij het waarschijnlijk zou hebben genomen. Maar de kamer, ofschoon kaal en zonder gemak-

ocr page 130

118

ken, was kraak zindelijk en de juffrouw beviel hem, ten spijt van haar streng gezicht.

„Mijn goed is in het Arundel hótel,quot; zeide hij. „Ik zou gaarne dadelijk de kamer betrekken. Komt u dat gelegen ?quot;

„O, ja,quot; zeide zij, terwijl zij hem scherp opnam. „Bij wien kunnen wij naar u informeeren?quot;

„Gij kunt, als gij wilt, u wenden tot den Zweedschen consul, Great Winchester Street, 24.quot;

„O. dus zijt gij een Zweed,quot; zeide zij.

„Neen, ik ben een Noorweger en ben eerst sedert gister in Londen.

De juffrouw scheen voldaan te zijn. Hij betaalde zijn vijf shillings vooruit en ging zijn koffer halen. Tegen vijf ure had hij zijne nieuwe woning betrokken.

Het was goed, dat hij geen tijd had verloren om zijn hotel te verlaten, want de volgende twee dagen was hij niet in slaat uit zijn bed te komen en kon hij zich slechts troosten met de gedachte, dat hij tenminste goedkoop woonde en de huur hem niet zou ruïneeren.

Misschien had hij den vorigen avond door de dampen van de rivier koude gevat, of misschien hadden de inspanning en het verdriet hem overmand. Hoe dit zij, hij had de koorts en wentelde zich die lange dagen en nachten onrustig in zijn bed, zich zelf tot last en een bron van ongerustheid voor de dames van het huis.

Hij ontdekte dat zijn eerste indruk juist was geweest. Juffrouw Tumour, die hem de kamer had verhuurd, was van deftige afkomst. Zij en hare twee zusters — alle drie thans vrouwen van middelbaren leeftijd — waren de dochters van een grondbezitter, die door speculeeren of bij wedrennen zijn vermogen had verloren. Hij was reeds lang dood en had drie hulpelooze vrouwen achtergelaten. Zij waren al lager en lager gedaald op den maatschappelijken ladder, totdat zij niets schenen te hebben overgehouden dan een verfijnd go-

ocr page 131

119

voel, dat haar het ongeluk des te erger deed gevo3len, en den stamboom der familie, op welken zij trotsch waren. Zij lieten zich ook voorstaan op de bijzondere spelling van haar naam en leefden vol zorgen in haar klein huis, veel met elkander twistend, maar vast besloten, dat niets ter wereld haar zou scheiden. Frithiof noemde haar de drie schikgodinnen. Hij dacht er soms over, of, na lange jaren van armoede, hij en Sigrid en Swanhild het ook zoo treurig zouden hebben, zulk een hopeloos, koud, eentonig leven.

De drie schikgodinnen namen niet veel notitie van hun huurder. De oudste juffrouw Turnour ergerde zich, dat zij niet had gezien dat hij ziek was. voordat zij hem de kamer had verhuurd. Juffrouw Carolina, de jongste, wilde hem niet bedienen, omdat dit streed met hare denkbeelden van betamelijkheid. Juffrouw Charlotte, de tweede zuster, die meer menschelijk gevoel had dan de anderen, trachtte hem te overreden, een dokter te laten komen.

„Neen,quot; antwoordde hij. „Over een paar dagen ben ik weder in orde. Het is slechts een beetje koorts. Ik kan geen doktersrekening betalen.quot;

Zij zag hem medelijdend aan; zij wist zelve, wat armoede was.

„Misschien is de ziekte u gezonden, opdat gij tijd zoudt hebben, na te denken,quot; zeide zij bedeesd.

Zij was een klein, tenger vrouwtje, dat veel had van eene witte muis, maar Frithiof had spoedig bemerkt, dat zij de eenige was van de drie, van wie hij eenige hulp kon verwachten. Zij werd steeds door de anderen beknord, gedeeltelijk omdat zij zacht en bedeesd was, gedeeltelijk omdat zij in den laatsten tijd zekere godsdienstige meeningen had omhelsd, waorop de twee anderen met de diepste verachting neerzagen.

Frithiof was in geene stemming om aan hare welgemeende pogingen, hem te bekeeren, te gemoet te komen en

ocr page 132

120

luisterde gewoonlijk naar hare redeneeringen over den jong-sten dag met de koelste onverschilligheid. Zij wanhoopte er aan, zijne belangstelling op te wekken.

„Ach!quot; zeide zij dan, bedroefd haar hoofd schuddende als zij de kamer verliet, „ik heb de zekerheid, dat ik op den jongsten dag tot de uitverkorenen zal behooren, maar van u ben ik volstrekt niet zeker.quot;

De oudste juffrouw Turnour bekommerde zich volstrekt niet om zijn zieleheil; zij dacht alleen aan het gevaar dat zij liepen, dat hij de huur niet zou kunnen betalen.

„Ik hoop maar, dat het geene besmettelijke ziekte is,quot; zeide zij minstens twaalf maal op een dag.

Juffrouw Charlotte zeide niets, maar in stilte dankte zij den hemel, dat zij het niet was geweest, die hem de kamer had verhuurd.

ELFDE HOOFDSTUK.

EENE CRISIS.

Geen lijden is zoo bitter als hetgeen wij gevoelen, dat een gevolg is van ons eigen verkeerd besluit Lijden tengevolge van onze zonde is geheel iets anders; wij gevoelen eenigermate, dat wij het hebben verdiend. Maar te overhaast een besluit te hebben genomen, of te hoopvol, of onder eene verkeerde voorstelling, en dan te vinden, dat het besluit smart en verdriet veroorzaakt, dit is erg hard.

Het was het bewustzijn van zijn eigen misslag, wat Frithiof martelde in deze lange, eenzame uren. Als hij er maar op had aangedrongen, dat hij te Barnholm dadelijk met Blanche's oom moest spreken, of haren vader schrijven, dan zou misschien alles goed zijn gegaan — zijn vader zou nog

ocr page 133

121

hebben geleefd, het faillissement zou zijn voorkomen, Blanche zou de zijne zijn geweest. Telkens opnieuw overdacht hij, wat had kunnen gebeuren, als hij niet zoo vol hoop en vertrouwen geweest was. Hij kon zich nu niet begrijpen, waarom hij niet te gelijk met Blanche naar Engeland was gegaan. Het kwam hem ongelooflijk voor, dat hij in Noorwegen was gebleven, alleen om zijn een-en-twintigsten verjaardag te vieren, of dat hij zich had laten bewegen niet met de Morgans mede te gaan, omdat de heer Morgan tot October uit de stad zou zijn. Zijn vertrouwende natuur had hem bedrogen, evenals zijn vader was bedrogen geworden, door zijn vertrouwen op de IJslandsche expeditie. Vertrouwende menschen moeten hunne ervaiing met smart en verlies betalen.

Op Zaterdag morgen was hij bijna weder als vroeger, wat zijn physieke kracht betrof en zijn verstand was helder genoeg om van het vruchteloos denken over het verledene af te zien en met zekere belangstelling zich af te vragen: „Wat moet er nu worden gedaan ?quot; Alles is nog niet verloren, wanneer wij ons deze vraag kunnen stellen; het vragen alleen prikkelt ons tot handelen, al weten wij nog niet, welke richting wij moeten inslaan.

Toen juffrouw Charlotte naar haren patiënt kwam zien, vond zij hem tot hare verbazing op en gereed.

„Wat!quot; riep zij uit. „Zijt gij weder wel?quot;

„Heel wel, dank u,quot; antwoordde hij op den ietwat koelen toon die hem in den laatsten tijd tot gewoonte was geworden. „Hebt gij een courant in huis, die gij mij zoudt willen leenen ?quot;

„Zeker,quot; zeide juffrouw Charlotte en haar gelaat helderde op, toeu zij haastig de kamer verliet. Zij kwam terug met het orgaan van de godsdienstige secte, tot welke zij behoorde. „Ik geloof, dat dit uw belangstelling zal opwekken,quot; zeide zij bedeesd.

ocr page 134

122

„Ik gevoel voor niets belangstelliDg,quot; zeide Frithiof droog. „Al wat ik verlang, is de advertenties door te zien. Ik bedank u voor uwe moeite, maar dit is niet wat ik noodig heb.quot;

„Zijt gij wel zeker, dat gij weet, wat gij werkelijk noodig hebt ?quot; vroeg zij ernstig.

Als zij niet blijkbaar zoo oprecht was geweest, zou hij hebben uitgesproken, wat hem op de lippen lag, „geld heb ik noodig,quot; maar er was geen zweem van huichelarij bij haar en ten spijt van zijne bitterheid had hij nog veel van zijne Noorweegsche beleefdheid behouden.

„Gij begrijpt,quot; zeide hij met een flauwen glimlach, „als ik geen werk vind, kan ik mijn huur niet betalen, ik moet dus geen tijd verliezen om eene betrekking te zoeken.quot;

Het woord „huurquot; deed juffrouw Charlotte denken aan hare oudste zuster en zij besloot voorloopig over het andere onderwerp te zwijgen. Zij bracht hem een dagblad en met een zucht van teleurstelling nam zij het „godsdienstigquot; weekblad weder mede, Frithiof overlatende aan de weinig opvroolijkende studie van de rubriek „vacante betrekkingen.quot;

Helaas! wat was zij kort in vergelijking van de „Aanbiedingen !quot;

Er werd een reporter voor een dagblad gevraagd, „geheel op de hoogte van zijn taakquot;; Frithiof gevoelde, dat hij dit niet was. Een heer werd gevraagd voor de verspreiding van een weekblad, doch hij moest niet alleen ijver, maar ook ondervinding bezitten. Agenten werden gevraagd voor stalen pennen, toiletzeep en jongenskleederen, maar zij, die niet reeds in het vak werkzaam waren geweest, behoefden zich niet aan te melden. Zelfs eene advertentie voor een billardmarkeur bevatte de noodlottige woorden, „aan dit werk gewoon.quot;

„Een correspondent op een handelskantoor gevraagd,quot;

ocr page 135

123

deed hem hoopvol de volgende regels lezen, maar ongelukkig werd de kennis van Portugeesch vereischt. Daarop volgde een koornhandelaar, die een jongmensch van fatsoenlijke familie zocht, maar „er zal geen acht worden geslagen op hen, die geene voldoende premie kunnen betalen.quot;

In de geheele lijst waren slechts twee betrekkingen, voor welke hij zich kon aanbieden, maar hij ondervond weldra, dat voor iedere honderden liefhebbers waren. Toch gaf hij nier. spoedig de hoop op; lederen morgen ging hij uit met het moedige voornemen, niets onbeproefd te laten, maar toen dagen en weken waren voorbijgegaan met het troosteloos zoeken, begon de moed hem te begeven; in sombere wanhoop ging hij de kleine straat uit met het afmattend altijd sterker wordend bewustzijn, dat hij een onbeduidend atoom was in een wereld, waarin zelfzucht en gelddorst heerschten.

Iedere week kreeg hij brieven uit Noorwegen. Zijn oom zond hem aanbevelingsbrieven aan Londensche firma's, maar iedere brief berokkende hem eene teleurstelling. Zooals de consul hem had gezegd, de markt was overvoerd en ofschoon hij den vorigen zomer, toen de tegenspoed hem nog niet had getroffen, misschien gemakkelijk werk had kunnen krijgen, thans scheen niemand den zoon van een gefailleerden koopman te willen helpen, die bovendien zich bitter uitliet en zich trotsch gedroeg; deindruk, dien hij op ieder maakte, was, dat hij een Ismaëliet was, wiens hand tegen ieder was opgeheven en zeker had het er veel van, dat ieders hand tegen hem was.

De menschen schrijven zooveel over de gevaren van voorspoed en geluk en de rampzalige gevolgen van de weelde, dat zij soms in het geheel niet denken aan de keerzijde. Tegenspoed wordt altijd verondersteld, een mensch geduldig en nederig en goed te maken, maar dat doet hij zelden, tenzij reeds zijn geest uit den slaap is ontwaakt. Hi;,

ocr page 136

124

■wiens geloof slechts oppervlakkig is, of hij, die evenals Frithiof, zijn hoop had gevestigd op het leven, wordt altijd bitter en hard, wanneer alles hem tegenloopt. En juist als iemand hard en bitter is, juist als alles hem heeft begeven, treedt de booze op en biedt hem genietingen aan, die hij in gelukkiger tijden niet zou hebben begeerd.

In het eerst hadden sommige zijden van het leven in Londen Frithiof onthutst, maar hij werd er spoedig gewoon aan; zoo hij er al aan dacht, was het eer met onverschilligheid dan met afgrijzen. Eens evenwel kwam hij, schijnbaar plotseling, in eene geheel andere gemoedstemming. Terneergeslagen door teleurstelling na het mislukken van een plan, dat door een dergenen, aan wie zijn oom had geschreven, hem was aan de hand gedaan, ging hij dooide volle straten, te hopeloos en ellendig om er aan te denken, waar hij heen ging en met een verdoovend gevoel, dat hij zijn laatste kaart had uitgespeeld, dat alle hoop op slagen was verdwenen. De toekomst was geheel en al duister, het tegenwoordige een biltere smart, het verleden te groot eene tegenstelling om er aan te kunnen dertken.

En was hij niet een dwaas geweest, zoo lang tegen zijn noodlot te strijden? Alles liep hem tegen. Hij zou niet langer strijden — hij zou het denkbeeld, het overdreven, onpractisch denkbeeld, de schulden zijns vaders te betalen, laten varen. Eerlijk zijn brood te verdienen, was blijkbaar onmogelijk, de wereld bood geene gelegenheid daartoe aan, maar er stonden andere wegen voor hem open. Waarom zou hij niet nemen, wat hij kon krijgen? Dit leven zou jammerlijk en waardeloos zijn, maar aan de akelige eentonigheid van het zoeken naar werk zou tenminste een einde komen.

Het was een dier najaarsdagen, als schaduw en licht snel afwisselen; op het oogenblik zag de straat er vroolijk uit in het zonlicht. Het was hem, alsof ook in de duisternis

ocr page 137

125

van zijn leven een zonnestiaal was doorgedrongen. Misschien was het eene kortstondige genieting, maar waarom zou hij er geen gebruik van maken? Maar het lag niet In zijn aard, gedachteloos zich aan de zonde over te geven. Indien hij zondigde, zou het willens en wetens zijn. Hij overwoog nu beide levenswijzen en hij kon zich niet ontveinzen, welke hem het meest aantrok. De ontdekking joeg hem schrik aan. De sluier, die 's menschen wezen voor hem zelf verbergt, scheurde. Zijn schrik was die, welke de meesten onzer hebben gevoeld, als „in het schitterend licht van een enkel oogenblik het slechtste en het beste in ons wordt onthuld.quot;

„Waarom niet? Waarom niet?quot; drong de verzoeker. Zijn instinktmatige afkeer scheen te verminderen; alles in den hemel en op de aarde scheen zijne werkelijkheid te verliezen; hij voelde, dat hij om niets meer gaf. Waarom niet het een of het ander? Waarom niet?

Het was een beslissend oogenblik in zijn leven. Even als op oude afbeeldingen een engel en een duivel worden' voorgesteld met elkander strijdende, scheen het, dat zijn lot zou afhangen van den eersten invloed, die zich zou kunnen doen gevoelen.

Waarom zou hij zich niet overgeven aan het booze en voor altijd een einde maken aan den vruchteloozen strijd? Die gedachte bleef hem bij, terwijl hij langzaam voortging over het Strand, zeker eene plaats, waar het minst was te verwachten, dat de goede engel de schaal zou doen overslaan. De drukte hinderde hem, hij bleef even staan onder de toeschouwers, die altijd te Londen voor de uitstalling van een kunstkooper zijn te vinden. Het waj eigenlijk niet zijn voornemen om naar de schilderijen te zien, hij wilde slechts even buiten het gedrang zijn. Zijne oogen dwaalden zonder belangstelling van de eene schilderij naar de andere, totdat hij eensklaps een bekend

ocr page 138

126

tafereel zag, dat hem ontroerde. Het was eene afbeelding van den Romdalshorn; hij herkende hem dadelijk met zijn vreemden en schoonen omtrek, hoog oprijzend tegen den blauwen winterhemel. Duizend herinneringen overstelpten hem; alle bijzonderheden van eene maand, die hij met zijn vader en Sigrid en Swanhild in zijn omtrek had doorgebracht. Hij wilde heengaan, maar hij kon niet. Sigrid's gelaat rees voor hem op als een protest tegen het „waarom niet?quot; dat hij altijd nog hoorde.

„Als zij hier was,quot; dacht hij, „zou ik op den goeden weg kunnen blijven. Maar dat is alles voorbij en dit leven kan ik niet langer dragen. Ik heb alles beproefd en alles is mislukt. En wat doet het er toe ? Het gaat nu eenmaal niet anders in de wereld. Ik zal niet slechter zijn dan duizend anderen.quot;

Maar toch hield de gedachte aan Sigrid hem tegen. Hare heldere blauwe oogen schenen hem te dwingen dieper door te dringen, in de verbittering en de teleurstelling, die hem tot een leven van zonde dreven. En was het wel waar? Had hij inderdaad alles beproefd?

Een paar malen, als hij door Londen rond zwierf, had hij aan Roy Boniface gedacht en zich afgevraagd, of hij hem niet zou opzoeken; maar hij had er tegen op gezien, in zijne omstandigheden naar vreemden te gaan en het was ook niet waarschijnlijk, dat Roy hem aan eene betrekking zou helpen. De overige familie kende hij niet, misschien was de vader een ongevoelig koopman, trotsch op zijn geld — en aan zulk een man wilde hij geen verplichting hebben.

Opnieuw kwam de vreeselijke verzoeking, op nieuw de angst voor zich zeiven. Hij wendde zijn oogen weder naar de schilderij van den Romdalshorn; zij scheen het eenige ie zijn, wat tot hem kon spreken van waarheid en schoonheid, van een leven, verheven boven dat van een dier.

Zeer langzaam en gaandeweg begon hij de dingen te

ocr page 139

127

zien, zooals zij werkelijk waren; hij zag, dat als hij voor deze verzoeking bezweek, hij Sigrid nooit meer met een gerust geweten onder de oogen zou kunnen komen. Hij zag ook, dat zijne eenige veiligheid lag in iets, wat hem aan zich zelf ontrukte. „Ik moet werk vinden,quot; zeide hij, bijna toornig. „Om Sigrid's wil zal ik het nog eens beproeven.quot;

En nu verdwenen de wanhopige voorstellingen en in haar plaats verrees een beeld van hetgeen de toekomst zou kunnen zijn, van eene woning, die hij met Sigrid en Swan-hild zou deelen, hier in Londen, waar hij nu zoo treurig rondzwierf; van een leven, dat in alle opzichten de tegenstelling zou zijn van zijne tegenwoordige ellende. Maar hij voelde, wat duizenden vóór hem hebben gevoeld, dat zijne verlatenheid tegen hem was in den strijd, en misschien was het meer dit bewustzijn dan de verwachting werk te vinden, wat hem bewoog zijn trots te onderdrukken en zijne schreden naar Brixton te richten.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

EEN BLIK IN EEN FAMILIELEVEN.

Toen hij Brixton bereikte, was het reeds donker. Roy had hem nooit zijn adres nauwkeurig opgegeven; hij vroeg in een winkel, men gaf hem een adresboek, en toen hij daarin had gevonden wat hij noodig had, bereikte hij spoedig den goed onderhouden rijweg, die naar Rowan Tree house leidde. Hij was vermoeid door de wandeling en door den langen dag van verloren arbeid en teleurstelling. Toen hij het groote, solied gebouwde huis in het duister voor zich

ocr page 140

128

zag, wenschte hij, dat hij er niet heen was gegaan, want hij dacht, dat het precies zulk een huis zou zijn als van de Morgans, dat overal deed denken aan veel geld.

Tot zijne verbazing werd de deur eensklaps geopend, toen hij nabij kwam en een knaapje in een fluweelen kieltje sprong den stoep af hem te gemoet.

„Roy! Roy!quot; riep het ventje. „Ik kom u halen!quot; Maar toen hij zijne vergissing bemerkte, liep hij hard weer de deur in en verborg zijn gezicht in de rokken van Cecil.

Daar stond zij met een kleiner kind op haren arm; en hare zachte, grijze oogen en de donkerblauwe kinderoogen staarden zoekend in de duisternis. Frithiof dacht, dat de kleine groep geleek op eene schilderij van de Heilige Familie. Hij schroomde niet langer het huis binnen te treden. Voor het eerst sedert weken gevoelde hij die rust, die verwant is aan geluk, toen Cecil hem herkende en met bekoorlijke vriendelijkheid hem te gemoet kwam, te veel verbaasd over zijne plotselinge verschijning om zich door beschroomdheid te laten weerhouden.

„Wij dachten, dat gij naar Noorwegen waart teruggekeerd!quot; riep zij uit. „Ik ben blijde, dat gij ons komt opzoeken! De kinderen dachten, dat het Roy was. Hij zal dadelijk t'huis zijn en hij zal ook blijde zijn, u te zien.quot;

„Ik zou u reeds vroeger een bezoek hebben gebracht,'quot; zeide Frithiof, „maar ik heb het zeer druk gehad en dan wist ik ook niet precies uw adres.quot;

Hij volgde haar in het helder verlichte portaal en sloot met een gevoel van voldoening den vochtigen, donkeren Novemberavond buiten.

„Wij hebben dikwijls over u en uwe zusters gesproken,quot; zeide Cecil; „maar toen Roy aan het Arundel hotel was geweest en had gehoord, dat gij waart vertrokken zonder een adres achter te laten, dachten wij, dat gij naar Bergen waart teruggekeerd.quot;

ocr page 141

]29

„Is hij nog aan het hotel geweest?quot; zeide Frithiof. „Nu ■herinner ik mij, dat hij het had beloofd; ik had er aan moeten denken, maar dien avond was ik van streek en daarna ben ik ziek geweest.quot;

„Het moet vreeselijk zijn geweest, alleen in een vreemd land,quot; zeide Cecil, terwijl de tranen haar in de oogen kwamen. „Maar ga binnen bij moeder; zij heeft dikwijls gehoord, hoe goed gij allen voor ons in Noorwegen zijt geweest.quot;

Zij opende een deur en liet hem in een van de gezelligste kamers, die hij ooit had gezien; het zacht roode vloerkleed, de ingelegde rozehouten meubelen, de boekenkast met fraai ingebonden boeken, het scheen alles bij elkander te hooren en een heerlijk gevoel van huiselijkheid beving hem, toen hij bij het vuur zat en de vriendelijke vragen van mevrouw Boniface beantwoordde; bijna had hij zich kunnen verbeelden, dat hij in zijns vaders kamer te Bergen was — de kamer, waar hij zoo menigen langen winteravond had doorgebracht.

Zij zaten reeds meer dan een half uur te praten, toen Eoy en zijn vader binnen kwamen, maar voor Frithiof was -die tijd in een oogenblik voorbijgegaan. Hij wist niet, wat hem zoo bekoorde; het gesprek was alledaags geweest, maar toch had het zijne belangstelling gewekt.

Mevrouw Boniface was een dier natuurlijke huiselijke menschen, wier gewoonste opmerkingen een eigenaardige bekoorlijkheid hebben en Cecil bezat iets van dezelfde gaaf. Zij legde het er nooit op toe, indruk te maken, maar ging zoo bedaard haar gang, dat dikwijls eerst als zij was weggegaan, de menschen begrepen, wat zij aan haar hadden gehad. Misschien was wat Frithiofs somberheid verdreef en de uitdrukking van den Ismaëliet van zijn gelaat deed verdwijnen, de overtuiging, dat deze menschen werkelijk belang in hem stelden, dat hunne vriendelijkheid niet ■voorgewend, maar echt was; hij had nu zoolang alleen

9

EEX STOERE NOORMAN. I.

ocr page 142

130

geldmakers onmoet, dagelijks het schreeuwend contrast van armooede en rijkdom gezien, zich gewend aan het gezicht van ieder soort van kwaad; dit was juist, wat hij noodig had.

En, zeker, het is vreemd, dat in onze dagen, terwijl de menschen zooveel geld en moeite over hebben om goede werken te doen, slechts enkelen hun huis maken tot de toevluchtshaven, die het kon zijn. Het huiselijk verkeer is soms een onverschillige omgang, of wel men maakt het er zich gemakkelijk, zonder te denken aan hen, die alleen zijn in de wereld. Menigeen zou iemand, in Frithiofs omstandigheden, een avondje hebben gevraagd, maar slechts zeer weinigen zouden zoo iemand waarlijk als een huisgenoot hebben behandeld. Zij spreken medelijdend van de verzoekingen eener groote stad, maar zij zullen geen vinger uitsteken om haar tegen te gaan.

Mevrouw Boniface's aangeboren gastvrijheid en goedhartigheid maakten haar bijzonder geschikt voor dat soort van vriendelijkheid; zij wist bovendien, dat haar dochter haar daarin zou ondersteunen, want zij kon Cecil in alle opzichten vertrouwen; zij was een meisje, dat goede vrienden kon zijn met mannen zonder met hen te coquetteeren. Eindelijk ging de voordeur open, voetstappen klonken in het portaal en de kleine Lance liep heen om den heer Boniface en Roy te begroeten en Frithiof voelde zich plotseling beschaamd toen hij dacht, hoe hij zich den heer Boniface had voorgesteld, als een koopman trotsch op zijn geld, zoo geheel anders als de vriendelijke, eenvoudige man die hem nu de hand drukte en dadelijk scheen te weten, hoe het met hem was gesteld.

„En dus zij gij toch al dien tijd in Londen geweest,quot; riep Roy. „Waar woont gij nu?quot;

„Dicht bij het Vauxhall-station,quot; antwoordde Frithiof. „Een paar malen was ik reeds voornemens u op te zoeken,, maar ik had altijd zooveel te doen.quot;

ocr page 143

131

„Hebt gij clan werk gevonden?quot;

„Neen; ik wenschte, dat het waar was. Ik geloof, dat men in deze stad van honger kan omkomen, voordat men iets vindt.quot;

„Gwen wil u goeden nacht zeggen, mijnheer Falck,quot; zeide Cecil, het kind naar hem leidende; de verbitterde uitdrukking verdween een oogenblik van Frithiof's gelaat, terwijl hij zich boog om het kleine meisje te kussen, dat haar mondje naar hem ophief.

„Het zou toch al erg zijn, als er in heel Londen niets zou zijn te vinden,quot; zeide de heer Boniface. „Welk soort werk verlangt gij?quot;

„Ik zou alles aannemen,quot; zeide Frithiof; „straatvegen, des noods.quot;

Allen lachten.

„Dat zegt menigeen,quot; zeide de heer Boniface, „maar als het tot uitvoeren komt, trekken zij terug. De modder en de bezem zien er alleen op een afstand aardig uit.quot; — Een bel in het portaal werd geluid. — „Laat ons eerst thee drinken en daarna, als gij in mijne kamer wilt komen, zullen wij er eens over praten. Wij zijn ouderwetsche men-schen en houden ons aan het oude gebruik van thee en avondeten. Ik weet niet, hoe gij in Noorwegen er over denkt, maar ik geloof, dat het stevige maal midden op den dag moet worden gebruikt.quot;

Zoo het maal, dat hen in de eetkamer wachtte, al niet „stevigquot; was, het was zeer aanlokkend; van het damasten tafellaken, tot den zilveren bouilloir — van de smaakvol geschikte chrysantemums tot de fijne porceleinen kopjes — alles getuigde van goeden smaak en het persoonlijk toezicht van iemand, die een waar gevoel had voor schoonheid en orde. De spijzen zelve zagen er niet uit als gewone spijzen; het fijne brood, de frissche boter, de versche honig en de schoone trossen druiven uit de broeikas, alles scheen iets

o*

ocr page 144

132

bijzonders te zijn. Voor het eerst sedert weken voelde Frithiof eetlust. Geen woord werd meer gezegd over schaarschte van werk en zij spraken ook niet veel over hunne herinneringen aan Noorwegen, omdat zij wisten, dat dit op het oogenblik voor hem een pijnlijk onderwerp moest zijn.

.,A propos Cecil,quot; zeide de heer Boniface, toen er een pauze kwam in het algemeen gesprek, „ik heb dezen morgen een van uwe helden gezien. Doet gij ook aan helden-vereering in Noorwegen, mijnheer Falck ? Mijne dochter is er eene naar het hart van Carlyle.quot;

„Wij lezen Carlyle tenminste,quot; zeide Frithiof.

„Maar wie is het geweest?quot; riep Cecil. „Toch niet Signor Donati?quot;

„Juist, hij,quot; zeide de heer Boniface.

„Maar ik dacht, dat hij te Parijs zong.quot;

„Dat doet hij ook; hij is slechts een paar dagen oveige-komen voor zaken en hij kwam heden morgen in den winkel met Sardoni, die iets moest afspreken over een lied dat wij van hem uitgeven.quot;

„Sardoni lijkt mij volstrekt geen man om liederen te

schrijven,quot; zeide Roy.

„En toch zal zijn lied opgang maken,quot; zeide de heer Boniface, „of ik moet mij erg vergissen. Dan is zijn fortuin gemaakt, want, ziet gij, hij kan liederen voor tenor en contra-alt voor zich en voor zijne vrouw schrijven, zoodat het mes aan beide kanten snijdt.quot;

„Maar Signor Donati, vader, wat zeide hij! Hoe ziet

hij er uit.quot;

„Nu, hij is zoo eenvoudig en bedaard, dat gij nooit zoudt denken dat hij de man is van wie iedereen den mondvol heeft. En behalve dat is hij ook als een gewoon mensch - hij spreekt heel verstandig over zaken en hij stelde evenveel belang in het lied van Sardoni, alsof in zijn eigen leven nooit iets buitengewoons was geweest.quot;

ocr page 145

133

„Kunt gij hem niet krijgen om den volgenden zomer te zingen ?

„Ik heb het beproefd, maar er was geen kans op. Hij heeft een overeenkomst met Carrington geteekend om alleen voor hem te zingen. Maar hij heeft beloofd, het volgend jaar op een van onze concerten te zingen.quot;

„Verbeeld u eens — zich zoo lang te voren te moeten verbinden!quot; rlep Cecil uit. „Gij moet hem stellig hooren, mijnheer Palck, als gij kunt; zij zeggen, dat hij de mooiste baryton in Europa is.quot;

„Hij maakte ons allen aan het lachen, van morgen,quot; zei de heer Boniface. „Ik weet niet meer, hoe hij er op kwam, misschien door de woorden van het lied, maar hij vertelde ons, dat hij gister met een vriend naar buiten was geweest en toen zij tusschen de velden wandelden, kwam een grappige oude man, met een hoogen hoed op, hen tegen.

„Hola!quot; riep zijn vriend, daar is de oude Sykes, de mol-lenvanger en hij heeft alweer een anderen hoed op! Hoe komt hij er toch aan?quot;

Zij besloten het hem te vragen en zijn vriend sprak den ouden man aan.

„Hoor eens, Sykes, ik zou wel eens willen weten hoe gij aan al die hoeden komt. Dit is alweer een andere, sedert Ik u Maandag zag.quot;

„De oude mollenvanger knipoogde sluw en zeide:

„Wel, mijnheer, ik heb gister mijne kleeren geruild met die van een heer, die midden in het land stond.quot;

„Uwe kleeren met een heer geruild!quot; riepen beiden. „Hoe bedoelt gij dat?quot;

De mollenvanger begon hardop te lachen; hij bracht hen bij eene opening in de heg.

„Daar staat hij, mijnheer, daar staat hij,quot; zeide hij, bijna stikkende van het lachen. „Het is maar een vogel verschrik-

ocr page 146

134

ker, maar de vogelverschrikkers hebben mij al sedert jaren van kleeren voorzien.quot;

Frithiof lachte, een helderen, jongensachtigen lach, zooals hij sedert weken niet had gedaan. Cecil vermoedde dit en zegende Signor Donati, die er de oorzaak van was, maar toen zij zich herinnerde, wat de jonge Noorweger slechts een paar maanden geleden was geweest, werd zij treurig gestemd — zij kon zich niet begrijpen, dat het verdriet hem zoo droevig had veranderd. Was Blanche Morgan hem trouw gebleven? Of had de verandering in zijne positie hem vervreemd? In ieder geval moest het hem diep grieven, dat zijn vader zoo was behandeld door de Engelsche firma en dit alleen moest reeds de verhouding tusschen de minnenden moeilijk maken.

Terwijl zij hierover dacht, werd zij stil en afgetrokken en toen zij in de zitkamer terug kwam, nam zij een dagblad op en zag het doelloos in, terwijl zij benieuwd was wat haar vader en Roy Frithiof zouden aanraden en hoe het gesprek in haars vaders kamer zou afloopen.

Plotseling begon haar hart onstuimig te kloppen, want haar oog was gevallen op een paar regels, die een onverwacht licht wierpen op Frithiofs veranderde houding; een paar regels, die haar ook haar eigen hart openbaarden.

„Het huwelijk van Lord Romiaux met mejuffrouw Blanche Morgan, eenige dochter van den heer Austin Morgan, zal worden gesloten den SOten dezer in de Christus-kerk, Lancaster Gate.quot;

Zij schrok van de plotselinge woede, die haar overmeesterde - van de bittere verontwaardiging, die in haar hart kookte. Met welk recht speelde Blanche met de harten van mannen, verlaagde zij de liefde tot een tijdverdrijf, maakte zij van het heiligste ter wereld een speelgoed voor een dag, richtte zij om zich te vermaken, mannen te gronde.

ocr page 147

135

lokte zij een jonkman, haast nog een knaap, vleide en bedroog zij hem?

„En gij dan?quot; vroeg eene stem in haar binnenste. „Zijt gij geheel vrij van hetgeen gij in Blanche afkeurt? Zult gij niet in de verzoeking komen te hopen, dat hij van u zal houden? Zult gij niet pogen hem te behagen? Zal het u geen genoegen doen, als hij u gaarne hoort zingen?quot;

„Dat is alles waar,quot; gaf zij toe. „Ik zou hem gaarne behagen; ik kan het niet helpen, maar, o God, laat mij liever sterven, dan hem kwaad doen!quot;

Haar kalm leven, met het onbestemd gevoel, dat haar iets ontbrak, was inderdaad door de Noorweegsche reis veranderd. Nu voor het eerst werd het haar duidelijk, dat haar stil meisjesleven voorbij was; zij was eene vrouw geworden en als eene vrouw nam zij moedig de smart aan, die de liefde in haar leven had gebracht en zag zij, misschien treurig, maar zonder schrik in de toekomst, die waarschijnlijk haar weinig anders zou brengen dan zorg en droefenis. Want zij beminde een man, die aan haar niet dacht. De liefde had haar een duidelijk inzicht gegeven. Zij zag, dat hij een man was, wiens geloof in liefde, goddelijke en menschelijke, was gedood door een groot onrecht; een man, wiens geheele natuur was ontaard en verder zou ontaarden, tenzij er iets onvoorziens gebeurde en zijne geheele levensbeschouwing veranderde.

Maar de brandende tranen, die in hare oogen opstegen, golden niet haar eigen lot; zij waren tranen van medelijden met Frithiof, met zijn vergiftigd leven en met smar-telijken deemoed dacht zij: „o, als ik slechts in staat was hem te helpen!quot;

In dien tijd werd in de kamer van den heer Boniface een zeer prozaïsch gesprek gevoerd.

„Wat ik wil weten,quot; zeide de heer Boniface, „is, of het u werkelijk ernst is met hetgeen gij over werken zegt. Er

ocr page 148

136

zijn duizende jongelieden, die precies hetzelfde zeggen,, maar als men zich de moeite geeft, na te gaan wat zij eigenlijk willen, dan is het niet: „Geef mij werk, opdat ik eerlijk mijn brood kan verdienen,quot; maar „Geef mij werk,, dat naar mijn smaak is — dat ik gaarne doe.quot;

„Ik heb geen bijzonderen smaak,quot; zeide Frithiof koel. „Welk werk het is, is mij volkomen onverschillig, mits' ik slechts geld verdien.quot;

„Zijt gij werkelijk bereid, van onder af te beginnen en u zelf naar boven te werken? Ziet gij er niet tegen op,, eene betrekking aan te nemen beneden uw stand ?

„Iemand, die leeft van de liefdadigheid van een bloedverwant, die hem iedere cent misgunt, omdat zij ten koste-van zijne eigene kinderen wordt gegeven, bekommert zich-

niet veel om zijn stand.quot;

„Zeer goed. Dan zal ik u iets voorstellen en zien wat gij er van denkt. Als gij het aanneemt, totdat iets beteis zich voordoet, kan ik u eene plaats geven in mijne zaak. Uw salaris zal in het begin slechts laag zijn; de man, die aanstaande Maandag weg gaat, had vijf-en-twintig shilling in de week en ik kan niet zonder onbillijkheid, dadelijk u meer geven. Maar ieder heeft den kans vooiuit te komen-en ik ben overtuigd, dat gij, zooals gij zijt, dat zult doen. Gij begrijpt, dat, zooals ik zeide, ik u alleen werk aanbied. Achter een toonbank te staan, zal u zeker weinig bevallen, na de opvoeding, die gij hebt genoten; maar gij zoudt het erger kunnen treffen en ik kan u ten minste beloven, dat gij zult worden behandeld als een mensch — niet, zooals gij het op vele plaatsen zoudt ondervinden, als eenknecht.quot;

Misschien zou Frithiof, toen hij pas in Londen was gekomen, zulk een aanbieding met verachting hebben afgewezen, maar nu was zijn eerste vraag, of hij wel geschikt was voor de betrekking. De harde woorden, die hem zoo.

ocr page 149

137

dikwijls hadden aangestaard, „alleen zij, die op de hoogte zijn,quot; schoten hem te binnen.

„Ik heb een goede opvoeding gehad,quot; zeide hij, „en ik kan natuurlijk boekhouden, enz., maar ik heb geen ervaring.quot;

„Dat begrijp ik,quot; zeide de heer Boniface. „Maar gij zult spoedig op de hoogte komen. Mijn zoon zal u alles uitleggen, wat gij te doen hebt.quot;

„Zeker zal ik dat,quot; zeide Eoy. „Denk er over na Falck, want het kan in ieder geval een tijdlang u boven water houden, terwijl gij naar iets beters uitziet.quot;

„Ja, het is volstrekt niet noodig, dat gij reeds dezen avond een besluit neemt. Slaap er eens op en laat mij morgen weten, wat gij wilt doen. Indien gij de betrekking wilt aannemen, kom dan morgen tusschen half twee en twee uur in Regent Street bij mij. Des Zaterdags sluiten wij ten twee ure. Maar in ieder geval, of gij haar aanneemt of niet, hoop ik, dat gij den Zaterdag en Zondag bij ons doorbrengt.quot;

„Gij zijt zeer goed,quot; zeide Frithlof; hij dacht hoe weinig deze menschen geleken op de anderen, die hij in Londen had ontmoet. Juffrouw Charlotte Tumour had gepoogd hem goed te doen. De Boniface's daarentegen waren eenvoudig, vriendelijk en gastvrij voor hem geweest, zij hadden getoond, dat zij werkelijk belang in hem stelden, dat zij deelden in zijn verdriet en in zijn zorgen. Hij ging dien avond naar huis met een gevoel van warmte in zijn hart en juffrouw Charlotte had hem altijd stugger en verbitterder gemaakt. Misschien was het, omdat zij aan het verkeerde einde begon en, als zoovele menschen, den harden korst der dogma's aanbood aan iemand, die alleen kon worden gevoed met de kruim van het brood — iemand, die niet kon leven zonder liefde en die evenmin behoefte had aan een uitgewerkt theologisch stelsel, als de

ocr page 150

138

hongerende in de woestijn aan fraaie redevoeringen.

God openbaart zich door den mensch, maar wij willen altijd Zijn methode verbeteren en pogen anderen te bekee-ren door formulieren, in plaats van door de schoonheid der heiligheid.

Toen Frithiof naar Vauxhall wandelde, voelde hij meer rust dan in vele dagen het geval was geweest. Zij hadden niet tot hem gepreekt; zij hadden hem geen ongevraagden raad gegeven. Zij hadden hem een der beste giften gegeven, die in deze wereld kunnen worden geschonken, het gezicht van eene familie, waar het koningrijk der hemelen reeds is aangevangen, — waar gerechtigheid en vrede en blijmoedigheid heerschen en al wat met dit rijk van liefde strijdt, eene zeldzame uitzondering is.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

EEN PROEFTIJD.

Hij vond zich erg verlaten, toen hij met den huissleutel de deur van zijn sombere woning opende en de krakende trap naar zijn schaarsch gemeubelde kamer opging. Blijkbaar hadden de drie juffrouwen Turnour een zeer leven-digen twist, want hare stemmen klonken in den hoogen toon, die een storm verkondigt; hij kon zelfs eenige woorden verstaan, toen hij haar slaapkamer, die het strijdperk was, voorbij ging.

„Maar mijne lieve Caroline —quot;

ocr page 151

139

„Praat geen onzin, mijn lieve; gij weet immers heel goed....quot;

„Wilt gij zeggen, mijne lieve....quot;

„Ik zou wel willen weten,quot; dacht Frithiof, „of zij ooit elkander laten uitspreken. Het is als in het refrein, dat zij te Balholm plachten te zingen van „Celia's bekoorlijkheden.quot; Als iemand ooit een lied schrijft over „het kibbelenquot;, moet er dikwijls „lievequot; inkomen.quot;

De dames Turnour waren zuinig op gas en Frithiof moest rondtasten naar lucifers. Onder „bedieningquot; was blijkbaar niet begrepen het dichtmaken der ramen. De kamer zag er kaal en ongezellig uit; het sombere, grijze behangsel, dat graniet moest voorstellen, was juist geschikt om iemand neerslachtig te maken.

Hier te blijven en niets te doen te hebben — den ge-heelen dag zich af te tobben met vruchteloos zoeken naaiwerk en des avonds hier terug te komen, wat een droevig vooruitzicht. Zou het inderdaad niet voor hem het beste zijn, dat hij zijne trotschheid onderdrukte en de aanbieding van eerlijken arbeid aannam? Het denkbeeld stond hem om verschillende redenen tegen, maar toch dorst hij het niet verwerpen.

Hij gevoelde, dat hij geen kans op werk mocht afslaan, opdat niet door nieuwe mislukking en teleurstelling de lust tot werken bij hem zou verdwijnen en hij in een toestand zou komen, waarvan hij gruwde. Hij hoorde nog altijd de stemmen beneden. Hij trok zijne laarzen uit en liet ze een voor een met een doften slag vallen. Hij was benieuwd, of de storm zou bedaren, als de zusters bespeurden, dat hij haar kon hooren en zette zijne laarzen met veel leven buiten de kamer en wierp de deur toe. De strijd duurde voort. Hij wierp zich op het bed, denkende hoe families van elkander verschilden. Geld was het niet, wat den toon gaf bij de Bonifaces. De Morgans waren

ocr page 152

140

oneindig rijker. Vertoon van godsdienst was het ook niet. De dames Turnour waren vurig en twistziek godsdienstig.

Wat was het dan?

Hii viel in slaap, voordat hij het raadsel had opgelost en hij droomde verward. Hij droomde, dat hij den Romdals hom beklom en dat de duisternis hem overviel. Beneden hem was een diepe afgrond en hij kon het brullen hooren van wilde dieren, die dorstten naar zijn bloed.

„Zij moeten mij krijgen,quot; dacht hij, „want ik kan het niet volhouden, totdat de dag aanbreekt. Ik zal mij laten vallen.quot;

De angst van dien val was zoo groot, dat hij er bijna door wakker werd. Maar iets scheen hem weder gerust te stellen. Gedeeltelijk was het nieuwsgierigheid, wat het licht beteekende, dat was opgegaan en al helderder werd. Eindelijk zag hij, dat het was veroorzaakt door het openen van een deur en in de deur, omstraald met licht, zag hij de Madonna met het kind. Een pad van licht ging voor haar uit op den berg, tot de plaats, waar hij stond; hij streefde voorwaarts, zonder vrees en zonder te denken aan de dieien en aan den afgrond, totdat alles zich verloor in een vloed

van licht en geluk.

Het schuiven met stoelen in de kamer onder hem deed hem ontwaken. Hij lag op zijn hard bed en hoorde de

kijvende stemmen.

„Nog al aan den gang,quot; zeide hij bij zich zelf met een bitteren glimlach. En toen dacht hij aan de schilderij van den Romdalshorn, die hij dien namiddag had gezien - hij herinnerde zich de vreeselijke verzoeking; hij herinnerde zich Cecil, zooals zij had gestaan in de open deur met het kind op den arm; hij herinnerde zich de hartelijke ontvangst van het geheele gezin. Moest hij door zijn dwazen trots in den toestand komen van deze arme juffrouwen Turnour

en een leven lijden van hopelooze armoede, omdat zijn stand

ocr page 153

141

hem verbood het werk aan te nemen, dat hem werd aangeboden ?

Die arme dames zouden gelukkiger zijn, als zij dienstboden waren, dan hier, nu zij zeggen, dat zij onafhankelijk zijn, dacht hij. Ik neem de betrekking aan; het is de eerste stap op den weg naar hooger.

Den volgenden morgen ging hij naar den Zweedschen consul om nog eens raad te vragen.

„Ik ben blijde, dat ik u zie,quot; zeide de consul. „Ik hoopte, dat gij terug zoudt komen, want ik heb den ouden Sivert-sen gesproken en hij wilde uw adres weten. Hij zeide mij, dat gij boos waart weggeloopen en hem niet eens hadt laten uitspreken.quot;

Frithiof glimlachte.

„Hij deed niets dan schelden op het jongere geslacht en ik had geen lust daarmee den geheelen ochtend te verliezen.quot;

„Gij zijt te weinig diplomaat,quot; zeide de consul. „Maar gij schijnt Sivertsen te zijn bevallen en ik raad n, ga nog eens naar hem toe; ik geloof, dat hij u werk zal geven. Als ik in uwe plaats was, zou ik mij voornemen alle eerlijk werk aan te nemen, dat ik kon krijgen. Geef mij uw adres en als ik van iets hoor, dat u past, zal ik het u laten weten.quot;

Een weinig onwillig ging Frithiof weder naar Museum street. Hij werd in het bedompte vertrek gelaten, waar de Heer Sivertsen zat te schrijven en te rooken. Hij groette koel, maar was verrast, toen hij de plotselinge verandering op het gelaat van den ouden Noorweger zag.

„Zoo! zijt gij teruggekomen!quot; riep hij en schudde hem hartelijk de hand, alsof zij als de beste vrienden hadden afscheid genomen. „Dat doet mij pleizier. Waarom hebt gij niet ronduit gezegd, hoe het met u was gesteld ? Waarom hebt gij mij niet verteld, dat ook gij een slachtoffer waart van den vervloekten gouddorst ? Waarom hebt gij mij niets

ocr page 154

142

verteld van de hardvochtigheid en de schraapzucht van die Engelsche firma? Maar gij zijt allen hetzelfde — allen! Jonge menscben kunnen tegenwoordig geen fatsoenlijken volzin uitbrengen; zij zijn zoo zuinig op hunne woorden, alsof zij heel wat waard waren. Een nietswaardig geslacht! Ga dan toch zitten en zeg mij, wat ik voor u kan doen.quot;

Frithiof bespeurde, dat wat hij eerst voor lompheid had gehouden Inderdaad slechts een aanwendsel was en nam den aangeboden stoel aan. Hij trachtte zelfs z:.ch te ontdoen van de koele onverschilligheid, die hem in den laatsten tijd eigen was geworden.

„Ik zou kunnen vertalen,quot; zeide hij, „Engelsch, Duitsch of Noorach. Ik ben bereid te copieeren, maar ik geloof, dat de schrijfmachines het vlugger doen. In ieder geval heb ik 's avonds vier uren over en ik wensch die te besteden.quot;

„Hebt gij dan al eenig werk gevonden?quot;

„Ja! ik heb werk, dat mij vijf-en-twintig shillings in de week opbrengt, maar het laat mij na acht uur vrij.quot;

De heer Sivertsen gaf door een geknor zijne goedkeuring en aanmoediging te kennen. Hij begon te rommelen in zijne papieren, die in verwarring over de tafel verstrooid lagen. „Dit- zijn de gerevideerde proeven van het nieuwe boek van Scanbury; neem deze bladzijde, en laat mij zien, hoe gij haar in het Noorsch overbrengt. Hier hebt gij papier en een pen. Beproef het nu maar.quot;

Frithiof gehoorzaamde. De heer Sivertsen scheen met den uitslag tevreden.

„Vertaal nu dezelfde bladzijde in het Duitsch,quot; zeide hij.

Frithiof werkte stil door en de oude schrijver ging, zijn pijp rookend, op en neer en wierp van tijd tot tijd ter sluiks een blik op het voorovergebogen hoofd met het blonde, stugge haar, dat op Noorweegsche manier in de hoogte was geborsteld. De oude man zag, dat de bitterheid, die teleurstelling in Frithiof had gewekt, eigenlijk vreemd

ocr page 155

143

was aan zijn karakter — dat daaronder de dappere en edele natuur van den stoeren Noorman lag. Hetgeen de consul hem van de geschiedenis van zijn jongen landsman had verhaald, had hem diep getroffen en hij had besloten, voor hem te doen, wat hij kon. Hij belde en beval aan de Noor-weegsche dienstbode voor twee personen ontbijt te brengen en voegde er een krachtig strax! (dadelijk) bij, dat Frithiof van zijn werk deed opzien.

„Zijt gij gereed?quot; vroeg de heer Sivertsen.

„Nog niet geheel. Ik kan dezen laatsten zin niet goed krijgen. Ik geloof niet, dat die uitdrukking in het Duitsch kan worden weergegeven.quot;

„Gij hebt gelijk, het kan niet. Ik zelf heb er niets voor kunnen vinden. Wat hebt gij gezet? Goed! heel goed! Het is beter, dan ik het had gedaan.quot;

Hij nam het papier en knikte goedkeurend, terwijl hij het las.

„Goed! gij hebt er verstand van,quot; zeide hij eindelijk. „Nu gaan wij ontbijten en met een over de voorwaarden spreken. Ha! wat heeft zij daar gebracht? Iets dat er aanspraak op maakt, een Duitsche worst te zijn! Goede hemel! De verdorvenheid van onzen tijd! Dit zou Duitsche worst zijn! Ik moet uwe verontschuldiging vragen, maar dienstboden zijn tegenwoordig allen hetzelfde — allen! Er is geen een, die begrip heeft van boodschappen te doen. Een nietswaardig geslacht!quot;

Frithiof begon flauw vermaak te scheppen in den ouden man en toen hij Museumstreet verliet, met het werk vooreen week onder zijn arm gevoelde hij zich opgeruimder, dan hij in langen tijd was geweest.

Hij gevoelde niet weinig nieuwsgierigheid, toen hij den volgenden dag in Regent Street den winkel van den heer Boniface binnen trad. Hij zag er goed geordend en voorspoedig uit; dubbele deuren sloten den tocht af, het ge-

ocr page 156

144

heele lokaal was goed verwarmd, aan beide zijden van de deur was een toonbank met een lessenaar en een stoel, de heer Boniface dacht dat zitten even goedkoop was als staan. De lange rijen planken met portefeuilles werden gebroken door borstbeelden van Beethoven, Mozart, Wagner en andere groote toonzetters. Een lokaal achtei den winkel was vol instrumenten van allerlei soort en door dit vertrek werd Frithiof in de kamer van den heer Boniface gebracht.

„Wel,quot; zeide deze, terwijl hij hem vriendelijk groette, „hebt gij een besluit genomen?quot;

„Ja, mijnheer,quot; zeide Frithiof; „ik heb besloten uwe aanbieding aan te nemen.quot; En zijn gelaat en houding getuigden, dat het hem had goed gedaan.

„Ik weet niet, of ik u over de werkuren heb gesproken,quot; zeide de heer Boniface. „Van half negen 's morgens tot 'half acht 'savonds; een uur voor het middageten en een half uur voor theedrinken. Op de gewone beursrust-dagen zijt gij natuurlijk vrij en wij schikken het zoo, dat ieder des zomers veertien dagen vacantie heeft.

„Gij zijt zeer goed voor uw personeel,quot; zeide Frithiof. „Er zijn niet velen, die hun dat gunnen.quot;

„Dat weet ik niet,quot; zeide de heer Boniface. „Ik geloof, dat menigeen het beproeft en ik ben zeker, dat het altijd goed werkt. Het strijdt met de menschelijke natuur, altijd door hetzelfde te doen — ieder moet eens afwisseling hebben. Het leven wordt een tredmolen, als men niet eens rust neemt, en ik zie gaarne, dat mijn volk hart heeft voor het werk. Indien gij dat hebt, zult gij mij van veel nut zijn en zeker vooruit komen.quot;

„Zie,quot; zeide Roy en hij liet hem een net geschreven rooster met namen en datums zien; „dit zijn ieders va-cantiedagen van dezen zomer. Het kost mijn vader veel tijd, het zoo in te richten, dat het ieder het best schikt.

ocr page 157

145

Zij praatten nog eenige oogenblikken over bijzonderheden van de zaak en toen nam Roy Frithiof mede naar den winkel en In de ongestoorde rust van den Zaterdagnamiddag wees hij hem, wat zijn werk zou zijn. Hij moest voor de afdeeling „zangquot; zorgen en Roy leerde hem, hoe de composities in de portefeuilles waren gerangschikt, wees hem zijn lessenaar aan met zijn kasboek, bestelboek en geldlade. Hij liet hem zelfs probeeren de muziek op te rollen in het witte papier, dat op de toonbank lag — iets. wat hem in het begin niet zeer handig afging.

„Ik vrees, dat dit alles niet erg naar uw zin is,quot; zeide Roy.

„Misschien,quot; zeide Frithiof; „maar het is even goed als iets anders. En waarlijk,quot; voegde hij met warmte er bij. „iemand zou heel wat verdragen om onder zulk een man, als de heer Boniface te staan.quot;

„Het groote geheim van den bloei van deze zaak is, dat hij zelf alles tot in kleinigheden nagaat,quot; zeide Roy. „Allen, die in zijn dienst zijn, houden van hem; hij verwacht dat zij hun best zullen doen voor hem, zooals hij voor hen zijn best doet. Ik geloof, dat gij u hier wel zult schikken, ofschoon het natuurlijk niet is zoo als uwe opvoeding u grond gaf te verwachten.quot;

Beiden dachten onwillekeurig aan hunne eerste ontmoeting en aan Blanche's ongepaste uitroep, „hij is maar een winkelier!quot; Roy begreep zeer goed, wat de bittere uitdrukking op het gelaat van den ander veroorzaakte en daar hij meende, dat Frithiof nu genoeg op de hoogte was om Maandag zijn werk te kunnen beginnen, stelde hij hem voor samen naar huis te gaan. Hij gevoelde niet meer het zelfzuchtig verlangen van de verantwoordelijkheid te zijn ontslagen, die uit den omgang met den Noorweger kon voortvloeien; zijn eerste onhandige schuwheid was evenwel natuurlijk geweest, want zij, wier leven altijd effen is ge-

EEN STOERE NOORMAN I. 10

ocr page 158

146

weest, hebben zelden den slag met menschen, die zorgen hebben, om te gaan en trekken licht zich zwijgend terug, omdat zij zeiven niet door bitteren nood hebben geleerd, waaraan de mensch in zijne droefheid behoefte heeft. Maar ieder keer, dat hij Frlthlof nu ontmoette, voelde hij, dat de vreeselijke avond in het Arundel hotel den slagboom had opgeheven, die hem van vriendschap met iemand buiten zijne familie had afgesloten. Medeüjden had hem toen doen blijven om de eenige getuige te zijn van eene verpletterende droefheid en zoo had hij eene kennis van het leven en eene sympathie voor Frlthlof verkregen, die vroeger voor hem onmogelijk waren geweest.

Instinctmatig begon hij te begrijpen, hoe alles Frithiof moest aandoen en toen zij samen naar Brixton gingen, bereidde hij hem voor op hetgeen hij dacht, dat hem het onaangenaamst in zijn nieuwen werkkring zou zijn.

„Ik geloof, dat gij niet weet,quot; zoo ving hij aan, „dat er nog een deelgenoot in onze firma is — een neef van mijnen vader — James Horner. Gij zult waarschijnlijk niet veel met hem in aanraking komen, maar hij houdt er van soms zich met alles te bemoeien, en als mijn vader er niet is, kan hij wel eens lastig en onaangenaam worden. Hij is niet bemind in den winkel en ik meende u vooraf te moeten waarschuwen, ofschoon gij zeker toch niet een bed van rozen verwacht.quot;

Het zou moeielijk zijn geweest te zeggen, wat Frithiof eigenlijk verwachtte; zijn geheele leven was gebroken en deze nieuwe aanvang was voor hem slechts eene zekere hoeveelheid eentonig werk tegen den prijs van vijf-en-twintig shillings in de week.

Toen zij bij Rowan Tree House kwamen, zagen zij een rijtuig voor de deur stilstaan.

„Als gij van den duivel spreekt, ziet gij zijn staart,'' zeide Roy. „De Horners maken eene visite. Hoe vervelend.quot;

ocr page 159

147

Frithiof stemde hiermede in stilte in, toen hij weder in de gezellige zitkamer was en eene opzichtig gekleede vrouw en een opgeblazen kleinen man met cotelette baard en speurende oogen zag, wiens houding van een beschermer grappig zou zijn geweest, als het zijn Noorweegsch gevoel van onafhankelijkheid niet had gekwetst. Het was goed, dat Roy hem had gewaarschuwd, want niets kon hem meer hebben geprikkeld, dan de domme eigenwaan, de aangeboren platheid van James Horner. Mevrouw Boniface en Cecil groetten hem hartelijk en mevrouw Horner boog met waardigheid haren grooten hoed, toen hij aan haar werd voorgesteld en zeide iets over het weder op een toon van aanmoediging, die evenwel spoedig veranderde, toen zij hoorde, dat hij „een van den bediendenquot; was.

„De Boniface's hebben geen idee van het geen betamelijk is,quot; zeide zij later tot haar man. „Denk eens, een winkelbediende aan mij voor te stellen! Ik kom nooit bij Love-day of ik gevoel lust, haar een handboek van wellevendheid present te geven.quot;

„Och, zij is eene goede ziel,quot; zeide James Horner, „maar nog een beetje boersch en onbeschaafd. Het is vreemd, zij heeft toch zoo lang in Londen gewoond.quot;

„Volstrekt niet vreemd,quot; zeide mevrouw Horner scherp. „Zij tracht nooit, goede voorbeelden na te volgen. Hoe kan zij dan goede manieren krijgen? En met Cecil heb ik ook niet veel op. Zij zullen van haar nooit een meisje maken, zooals het behoort, met hunne belachelijke denkbeelden over corsetten en zulke dingen. Ik wil wedden, dat zij om haar midden wel vijf-en-twintig duim is.quot;

„Nu, nu, mijn beste, op Cecil heb ik niet zooveel aan te merken.quot;

„Maar ik wel,quot; zeide mevrouw Horner met nadruk. „Zoo bedaard zij er uitziet, is zij toch geducht stijfhoofdig. Ik zou wel eens willen weten, wat zij voor heeft met de kin-

10*

I

ocr page 160

148

deren van dien boef, die zij in de familie heeft opgenomen! Ik heb een hekel aan menschen, die altijd overspannen dingen doen — het is net iets als haar dwaasheid, geen corset, maar wel Jaegerwol te dragen. Ik houd mij aan de oude gewoonten en liever dan zoo dik te worden als Loveday, zou ik mij dag en nacht inrijgen.quot;

„Ja, een mooi figuur heeft ze niet.quot;

,.Een figuur!quot; riep zijne vrouw. „Een veeren bed met een band er om gebonden — dat is zij.

„Maar zij is een goede huishoudster en het eten is altijd lekker klaar gemaakt.''

Zijne vrouw wierp haar hoofd in den nek en een toornige blos kwam op haar gelaat, want zij wist zeer goed. dat, ofschoon het huishouden van de Bonifaces niet meer kostte dan het hare, hunne maaltijden altijd keuriger en beter waren. Zij had er ongelukkig den slag niet van gezellige kleine dineetjes in te richten

„Het is precies,quot; zeide James Horner, „of wij het ge-heele jaar dag aan dag hetzelfde rundvleesch en schapen-vleesch eten.quot;

„Waarlijk, mijnheer Horner,quot; antwoordde zij bits, „indien gij wild en allerlei lekkernijen van het seizoen wilt eten. moet gij mij een beetje meer huishoudgeld geven.quot;

„Ik spreek niet van lekkernijen. Loveday doet ook geene buitensporigheden, maar altijd schapenvleesch en rundvleesch wordt op den duur eentonig. Zij moesten een ander

dier uitvinden.quot;

„Zoolang zij dat niet hebben gedaan, zult gij mij plei-zier doen niet te morren. Als er iets is, wat ik voor onchristelijk houd, is het te morren tegen zijn eten. Waar rijdt die ezel van een koetsier ons nu naar toe? Hij heeft zich al weer vergist. Hij moet vertrekken; ik kan het niet uitstaan, iemand in dienst te hebben, op wien men niet kan vertrouwen quot;

ocr page 161

149

Zij liet driftig het raampje zakken en riep den koetsier iets toe, maar toen zij haar hoofd terugtrok, kwam ongelukkig haar hoed in eene onzachte aanraking met den rand van het venster. „Och, hoe ongelukkig!quot; riep zij. ..Het mooie vogeltje is geheel plat.quot;

„Cecil zou zeggen, dat het uw verdiende straf was,quot; zeide de heer Horner. „Hebt gij niet gehoord, wat zij zeide? — Zij dooden de oude vogels en laten de jonge van gebrek omkomen. Het is alleen in den broeitijd, dat die kleuren worden gevonden.quot;

„Bah! wat gaan mij die vogels aan?quot; zeide mevrouw Horner, zacht over haar gedeukten hoed strijkende. „Ik zal Maandag een ander koopen, al was het alleen om te too-nen, dat ik niet geef om haar praatjes; zij heeft het altijd over mishandelde menschen en beesten. Dat zijn dingen, die mij niet aangaan. Ik zeg maar; leven en laten leven en ik houd er niet van op alles te vitten.quot;

Frithiof ademde ruimer, toen de Homers waren vertrokken; trouwens iedereen was het, alsof een last van hem was genomen.

„Nicht Georgina zal vogeltjes op haar hoed blijven dragen, zoolang het mode is,quot; zeide Roy. „Gij zult haar nooit overtuigen, dat iets wat zij pleizierig vindt, wreed is voor anderen.quot;

„De meeste menschen zullen die hebben gedragen, zonder dat zij wisten, dat het wreed was,quot; zeide Cecil, „maar ik kan mij niet voorstellen, dat zij het daarna nog doen.quot;

„Ik geloof, dat over het algemeen de menschen zich niet bekommeren over smart, die zij niet zien. Duizende vogeltjes worden dood gemarteld; de menschen weten het, maar zij denken er niet aan; maar breng een van hen bij die marteling en hij zal zich niet kunnen begrijpen, hoe iemand zoo barbaarsch kan zijn om die veeren te dragen.quot;

„De menschen voelen inderdaad geene behoefte een einde

ocr page 162

150

te maken aan smart,r die hen persoonlijk niet hindert,quot; zeide Frithiof.

„Dat klinkt vreeselijk zelfzuchtig.quot;

„Het meeste kan worden teruggebracht tot zelfzucht, als gij het van naderbij beschouwt.quot;

„Gelooft gij dat inderdaad? Ik kan niet denken, dat het waar is, omdat men niet aan zich zelf denkt, wanneer men poogt het lijden in deze wereld te verzachten; hervormers weten altijd, dat zij veel zullen moeten lijden en het is de gedachte, het lijden van anderen te verminderen, die hun den moed geeft voort te gaan.quot;

„Maar gij zult moeten erkennen,quot; zeide Frithiof, „dat. als gij veel geld wilt bijeen brengen, gij een hartverscheurend verhaal van een ongeluk moet hebben. Gij moet werken op het gemoed van de menschen, zoodat zij niet op hun gemak zijn, voordat zij een guinje hebben gegeven; het is hun eigen leed, dat hen dwingt te handelen — hun eigen ongemak.quot;

„Dat kan misschien zijn; maar het is toch niet geheel en al zelfzucht, indien zij werkelijk bijstand verleenen; het moet iets goddelijks zijn, dat hen noopt, smart te lenigen — een duivel zou zich er In verheugen. Waarom noemt gij het zelfzucht, als iemand er behagen in schept, goed'te doen?quot;

„Maar is het niet voorgeschreven, te doen, wat gij liever niet doet?quot;

„Maar dat is juist, wat ik voor verkeerd houd,quot; zeide Cecil. „Wij moeten toch zeker leeren liefhebben, wat goed en onbaatzuchtig is en te haten, wat alleen het lagere in ons voldoet?quot;

„Maar dat gaat bij de meesten van ons langzaam,quot; zeide de heer Boniface. „Daar hebt gij een voorbeeld,quot; en hij wees naar de deur, waar de kleine Lance zich gewelddadig verzette tegen de kindermeid, die hem naar bed wilde brengen.

ocr page 163

151

„Kom, Lance, maak niet zulk een leven,quot; zeide Cecil, naar de deur gaande om een einde te maken aan den oorlogsdans, dien het driftige kereltje uitvoerde. „Wel, wat denkt gij wel, dat met u zou gebeuren, als gij laat opbleeft.quot;

„Wat dan?quot; vroeg Lance, bij wien nieuwsgierigheid de bovenhand kreeg boven zijn boosheid.

„Gij zoudt een ongelukkig, klein, boosaardig, bleek kind worden en nooit opgroeien tot een sterk man. Wilt gij niet groot en sterk worden om voor Gwen te kunnen zorgen?quot;

„En ik zal ook zorgen voor u,quot; zeide hij goedig. „Ik zal u allen medenemen naar Noorwegen en in de boot roeien en beren schieten.quot;

Frithiof glimlachte.

„De vraag is maar, of men beren kan vinden.quot;

„En Cecil heeft gezien, waar een beer op Munkeggen heeft geslapen; is het niet waar, Cecil?quot;

„Ja, ja en wij gaan samen heen,quot; zeide zij en bracht Lance uit de kamer, omdat zij dacht, dat het noemen van Munkeggen Frithiof misschien pijnlijk kon aandoen.

Roy was op het punt, door te gaan over Noorwegen, maar zij haastte zich te zeggen;

„Ik weet niet, hoe wij Lance dat dansen van woede zullen afleeren; het is iederen avond hetzelfde.quot;

„Gij waart daar zoo even op den goeden weg,quot; zeide de heer Boniface. „Gij hebt hem doen begrijpen, waarom aan zijne wenschen niet kan worden toegegeven en gij hebt gezien, dat hij bereidwillig geloofde, wat gij hem verteldet. Gij hebt een levend bewijs gehad van hetgeen gij hebt beweerd — hij heeft gedaan, wat hem niet beviel, omdat hij zag, dat het de weg was tot iets hooger en inderdaad begeerlijker, dan hier te blijven spelen. Mettertijd zal hij van den weg houden, dien hij eens haatte.quot;

„Maar het ongeluk is,quot; zeide Frithiof, dat hij dien weg kan volgen, zonder dat hij hem brengt, waar hij hoopte te

ocr page 164

152

komen; hij gaat misschien naar bed als een engel, maar misschien verliest hij toch zijne gezondheid of groeit hij op, zonder ooit gelegenheid te hebben, u mede te nemen naar Noorwegen of beren te schieten.quot;

„Wat doet er dat toe?quot; zeide Cecil bedaard. „Het zal hem in de goede richting hebben geleid en als hij in enkele dingen wordt teleurgesteld,moet hij hoogerenhooger streven.quot;

Frithiof dacht aan zijn droom en zweeg.

„Ik ga thee zetten, Roy,quot; zeide mevrouw Boniface, haar breiwerk neerleggend „Gij moest nu den heer Falck zijne kamer wijzen. Ik hoop, dat gij dikwijls den Zondag met ons zult doorbrengen,quot; voegde zij er bij met een vriendelijken blik naar den Noorweger.

Des avonds maakten zij muziek. Roy en Cecil zongen goed; hunne stemmen waren niet buitengewoon, maar geene zorg was gespaard om ze te oefenen en Frithiof beviel de ongedwongenheid, waarmede zij het een na het ander zongen en dat ieder hem behandelde, alsof hij tot de familie behoorde.

„En nu is het uwe beurt,quot; zeide Cecil na een poos. „Vader waar is die Amati, dien iemand u heeft gezonden om te onderzoeken? Misschien wil de heer Falck dien beproeven.quot;

„O, speelt gij viool?quot; zeide de heer Boniface. „Dat is uitstekend. Gij zult hem in de kast op mijn kamer vinden. Wacht, hier is de sleutel.quot;

Frithiof betuigde, dat hij sedert weken zijn viool, die in Noorwegen was gebleven, niet in handen had gehad; maar toen hij den Amati voor zich zag, kon hij niet langer weerstand bieden en het gevolg was, dat hij de rest van den avond speelde, terwijl Cecil hem accompagneerde.

Voor Cecil scheen de tijd te vliegen en mevrouw Boniface, die even de kamer was rond gegaan om het een en ander op te redderen, kwam naast haar staan en zag met

ocr page 165

153

moederlijke tevredenheid naar haar opgeruimd gelaat.

„Het is tijd voor het avondgebed, lieveling,quot; zeide zij, toen de sonate geëindigd was; „het is Zaterdag en het moet dus niet te laat worden.quot;

„Is het reeds tien uur?quot; riep zij uit. „Ik wist niet, dat het al zoo laat was! Welk gezang wilt gij hebben. Vader?quot;

„De avondzang,quot; zeide de heer Boniface en Frlthiof, die niet begreep wat er zou gebeuren, ging gehoorzaam zitten op de plaats, die hem was aangewezen en zag met verbazing, dat vier vrouwelijke dienstboden met witte mutsen binnen kwamen en bij de piano gingen zitten en dat de heer Boniface de bladen van een dikken bijbel omsloeg. Hij had een flauwe herinnering, dat hij eens in een Engelsch gedicht iets over eene dergelijke gewoonte had gelezen, maar hij poogde vergeefs zich te binnen te brengen, wat het eigenlijk was, totdat de woorden van een bekende psalm de stilte verbraken en hem tot de werkelijkheid terug riepen.

„Ik hef mijne oogen op naar de bergen, vanwaar mijne hulp komen zal,quot; las de heer Boniface en toen hij voort ging, gevoelde Frithiof onwillekeurig zich getroffen door het schoone oude gedicht, zoo feeder geruststellend, zoodat toen zij opstonden om te zingen, „u zij de eer, mijn God, dezen avond,quot; hij niet op lederen regel wat had aan te merken, zooals vroeger het geval zou zijn geweest, maar hij eerbiedig stond te luisteren, met eene onduidelijke begeerte naar iets, dat hij voelde, dat hem ontbrak. Het oude geloof, dat hij zoo lichtzinnig had laten varen, had toch zijn eigen schoonheid en kracht.

„Ik wenschte wel, dat ik was als deze menschen,quot; dacht hij, toen hij, voor het eerst sedert vele jaren, knielde.

En ofschoon hij geen woord hoorde van het gebed en er niet mede had kunnen instemmen, als hij het gehoord had, was zijn gemoed vervuld van een verlangen, waarvan hij zich geen rekenschap kon geven. De waarheid was, dat

i

ocr page 166

154

hij tot nu toe weinig had nagedacht over zulke dingen; hij had zich onverschillig laten voeren door den tijdgeest en op het voorbeeld van zoovolcn zijner tijdgenooten, had hij het oude geloof laten varen met het geruststellend bewustzijn, dat hij het niet noodig had.

Hij bekende dit den volgenden dag aan Cecil, toen zij na het ontbijt toevallig een paar oogenblikken alleen waren.

„Hebt gij een Noorweegsche kerk in Londen gevonden, of gaat gij met ons mede?quot; vroeg zij.

„O,quot; zeide hij, „daaraan doe ik reeds sedert lang niet meer en terwijl gij naar de kerk zijt, zal ik werken aan eene vertaling, die ik onder handen heb.quot;

„Vergeef mij,quot; zeide zij, een kleur krijgende; „dat wist ik niet, ik zou het u anders niet hebben gevraagd.quot;

Maar op het gelaat van Frithiof was geen zweem van ergernis te bespeuren; hare verwarring scheenhem te verbazen.

„Ik verveelde mij in de kerk,quot; zeide hij als ter opheldering.quot; Hij zeide er niet bij, zooals hij tegen Blanche had gedaan, dat hij den godsdienst alleen voor vrouwen nuttig vond; misschien was het moeielijk zoo iets tegen Cecil te zeggen, misschien was hij nog onder den indruk van den vorigen avond.

„O,quot; zeide Cecil glimlachend om de jongensachtigheid van zijne opmerking, „ik geloof, dat iedereen een tijd heeft, dat het hem verveelt. Toen Eoy klein was, had hij een hekel aan den Zondag; hij had eene Zondagsziekte, die altijd opkwam, als wij naar de kerk zouden gaan.quot;

„Gij zult mij zeker voor een ergen zondaar houden, als ik thuis blijf om dat boek te vertalen.quot;

„Neen, dat zullen wij niet,quot; zeide Cecil bedaard. „Indien gij dacht, dat het goed was naar de kerk te gaan, zoudt gij het natuurlijk doen. Gij hebt eene andere opvatting dan wij.quot; Hij was een weinig verrast door hare verdraagzaamheid.

ocr page 167

155

„Gij schijnt te veronderstellen, dat ik altijd doe, wat ik denk dat goed is,quot; zeide hij glimlachend, „op welken grond doei gij dat?quot;

„Dat kan ik niet precies zeggen; maar gelooft gij niet, dat men als bij instinct over een ander kan oordeelen? Zonder dat men iets van iemand heeft gehoord, kan men dikwijls weten, of hij goed of slecht is.quot;

„Ik geloof, dat men zich in de menschen dikwijls vergist,quot; zeide Frithiof somber.

„Ja, soms is men vooringenomen, misschien alleen omdat iemand gelijkt op een ander, die ons niet bevalt. O, ik geef gaarne toe, dat dat instinct niet onfeilbaar is.quot;

„Gij loopt meer gevaar, te goed dan te slecht te denken van anderen,quot; zeide Frithiof. „Gij zijt eene vrouw en hebt slechts weinig van de wereld gezien. Wacht totdat gij u in iemand bitter hebt bedrogen; dan zullen uwe oogen worden geopend en zult gij zien, dat de meeste menschen in hun hart gemeen, zelfzuchtig en verachtelijk zijn.

„Maar is er iets, dat onze oogen opent om te zien, wat goed is in anderen,quot; zeide Cecil. „Gij kunt niet de geheele menschheid liefhebben en de menschen voor gemeen en verachtelijk houden; gij ziet spoedig, dat zij zeer veel goeds hebben.quot;

„Het is zooals gij zooeven zeidet,quot; zeide Frithiof na een poos te hebben gezwegen. „Wij hebben niet dezelfde opvatting. Gij ziet de wereld met liefdevolle oogen; ik zie hare laagheid en veracht haar. Eens zult gij ondervinden, dat ik gelijk heb; gij zult zien, dat uw gunstig oordeel verkeerd is. Misschien zal ik de eerste zijn, die u dat doet inzien, want gij beoordeelt mij geheel verkeerd. Gij denkt, dat ik goed ben, maar net is tien tegen een, dat ik den slechten weg op ga; het is stellig het gemakkelijkst en 't aangenaamst.quot;

Hij had onbesuisd door gesproken, maar Cecil voelde

ocr page 168

156

te diep om zich te laten weerhouden door eenige vormelijkheid.

„Gij zijt onbillijk jegens de wereld, gij zelf daaronder begrepen!quot; riep zij uit. „Ik geloof dat gij te veel een stoere Noorman zijt om ooit te hunkeren naar een leven van gemak en genot, dat uw ondergang moet zijn.quot;

„Wat gij daar zegt, bewijst alleen, dat gij eene te hooge gedachte hebt van ons volkskarakter,quot; zeide Frithiof. „Misschien weet gij niet, dat vele Noorwegers dronkaards zijn?quot;

„Dat kan wezen; vele Engelschen zijn het ook, maar is niet in weerwil daarvan hun karakter oprecht en edel en vervuld van plichtgevoel? Wat ik bedoelde, was, dat ik geloof, dat gij beproeft te doen, wat gij denkt, dat goed is. Ik heb nooit gedacht, dat gij volmaakt waart.quot;

„Als ik doe, wat ik zie dat goed is, kan ik slechts zeer weinig zien,quot; zeide hij luchtig,

„Juist,quot; zeide zij en zij kon niet nalaten even te lachen om zijn toon. „En ik geloof, dat gij te lui zijt geweest om te beproeven meer te doen. Maar nu komen wij weder op dingen, die u vervelen. Wilt gij aan deze tafel bij het raam schrijven? Gij zult daar geheel ongestoord zijn tot etenstijd.quot;

Zij haalde pennen en papier voor hem, legde een vloeiboek voor hem neer, liet het gordijn half vallen en liet hem toen aan zijn vertaalwerk.

„Wat een vreemd meisje is zij,quot; dacht hij. „Openhartig en rondborstig als een jongen en toch heeft zij iets zachts. Zij zou Sigrid bevallen; ik herinner mij, dat zij te Balholm al veel op hadden met elkander.

Toen kwam de bittere herinnering aan eene, die alle anderen had overschaduwd gedurende die gelukkige week aan het Sogne fjord en de stroeve uitdrukking kwam weder op zijn gelaat. Hij nam een pen en begon te werken aan het handschrift van den heer Sivertsen.

ocr page 169

157

Den volgenden morgen begon zijn nieuw leven. Hij sloot het verleden af en deed moedig zijn stap benedenwaarts op den maatschappelijken ladder, die evenwel een stap hooger was op den ladder van eerlijkheid en welvaren. Toch viel het niet te ontkennen, dat de verandering van zijne positie hem bitter griefde; het hinderde hem een man als James Horner als zijn meerdere te moeten behandelen, het hinderde hem, dat de andere bedienden hem als hun gelijke aanspraken. De heer Horner, die iemand was, die een aartsengel genadig zou hebben behandeld om zijn eigen vriendelijkheid te laten uitkomen, was ongelukkig die week den meesten tijd in den winkel en bemoeide zich veel met den nieuweling. Frithiofs aangeboren heuschheid kwam hem goed te stade, maar eindelijk kreeg zijn trots de bovenhand en hij liet het opgeblazen mannetje zoo duidelijk gevoelen, dat hij liefst met hem zoo weinig mogelijk wilde te doen hebben, dat James Horner's genadige bescherming spoedig veranderde in spijtigen afkeer.

„Hoe zijt gij er toch toe gekomen, dien Falck in de plaats van Smith te nemen ?quot; zeide hij op morrenden toon tot den heer Boniface.

„Hij is een vriend van Roy,quot; was het antwoord. „Wat hebt gij tegen hem? Ik geloof, dat hij zeer goed zal voldoen.quot;'

„O, ja, hij is bij de hand genoeg, misschien wel te veel; maar ik kan de belachelijke airs niet uitstaan, die de jongen aanneemt. Als gij hem iets beveelt, doet hij het op een manier, alsof hij de meester en ik de knecht was; en hem vriendelijk te behandelen — dat is onmogelijk, hij is zoo stug, alsof hij een Croesus was en niet een arme schooier zonder een cent op zak.quot;

„Hij is een stil mensch,quot; zeide de heer Boniface; „en gij moet bedenken, dat zijn werk hem waarschijnlijk zeer •onaangenaam is. Hij is eene geheel andere positie gewoon.quot;

ocr page 170

158

„En zijn vader was niets dan een vischkoopman, die bankroet is gegaan.quot;

„Maar daar in Noorwegen staat zulk een koopman veel hooger aangeschreven dan bij ons. En deFalcks zijn bovendien eene oude familie.quot;

„Wel, ik had nooit gedacht dat een radicaal als gij, iets om eene oude familie en al zulken onzin zou geven,quot; zeide James Horner. „Maar ik zie, dat gij dien jongen in uwe bescherming neemt; ik zal dus maar niets meer van hem zeggen. Ik hoop, dat gij u niet bedriegt. Ik voor mij, verwacht niet veel van hem: er is iets brutaals in zijn gezicht en zijne houding, dat mij volstrekt niet bevalt. Een gevaarlijk, eigenzinnig karakter, in het minst niet geschikt voor de positie, die gij hem hebt gegeven.quot;

Met deze scherpe woorden verliet de heer Horner de kamer en Roy, die gedurende het gesprek wijselijk had gezwegen, legde zijn pen neder en gaf toe aan zijn lachlust.

„Gij moet hen samen zien, vader; het is eene komedie!quot; riep hij uit. „Falck neemt zijn deftigste houding aan en is verpletterend beleefd, zoodra neef James verschijnt en dit hindert hem en hij wordt hoe langer hoe platter en ongeduldiger en iedere minuut wordt het erger.quot;

„Het is zeer onverstandig van Falck,quot; zeide de heer Boniface. „Als hij vooruit wil komen, zal hij moeten leeren zich te verheffen boven zulke kleine onaangenaamheden.quot;

Intusschen dacht Frithiof in den winkel al niet meer aan James Horner; terwijl hij alles in order bracht, voordat de winkel dezen Zaterdag werd gesloten, waren zijne gedachten ver afgedwaald. Hij zocht muziek uit en werktuigelijk nam hij de eene portefeuille na de andere, terwijl het hem al dien tijd was, alsof hij met Blanche wandelde door een geurend dennenbosch, hare frissche, heldere stem hoorde, in hare bekoorlijke oogen zag, die zijn hart hadden gestolen. Zoodra de klok van twee ure hem verkondigde,

ocr page 171

159

dat hij vrij was, greep hij zijn hoed en haastte hij zich weg te komen; zijn droom van het verleden had zich zoo van hem meester gemaakt, dat hij wilde beproeven nog eenmaal het gelaat te zien, dat hem altijd voor den geest zweefde.

Hij had sedert 's morgens vroeg niets gebruikt, maar hij kon op dit oogenblik evenmin iets eten, als een anderen weg inslaan. Hij voelde een macht buiten zich, die hem voortdreef en hij volgde bijna zonder er op te letten, waar hij ging, totdat hij bij Lancaster Gate was gekomen. Een rood en wit gestreepte zonnetent was boven de treden van den stoep gespannen; door de boomen zag hij het en zijn hart stond stil. Haastig ging hij de breede straat over naar de kerk, waar hij een beter gezicht had op het huis van den heer Morgan; smerige straatkinderen klommen tegen het ijzeren hek op en kindermeisjes met wagentjes stonden aan weerszijden van den rooden looper, die van de deur naar het gereedstaand rijtuig was gelegd. Duizelend wendde hij zich af.

„Het zal heel mooi zijn, mijnheer,quot; zeide een straatveger, die de herfstbladeren wegveegde, evenals toen Frithiof na zijn laatste gesprek met Blanche, hem was voorbijgegaan. „Zij zeggen, dat de bruid eene erfdochter is en dat zij heel mooi moet zijn. Nu, het goede is ongelijk verdeeld in de wereld!quot; De oude man werd door een hoestbui overvallen, toen stak hij een bevende hand uit.

„Hebt gij niet eene kleinigheid voor mij, mijnheer?quot; vroeg hij.

Omdat hij die opmerking over de ongelijkheid in de wereld had gemaakt, schonk Frithiof hem een shilling.

„God zegene u, mijnheer!quot; zeide de straatveger en hij begon met meer goeden wil dan vroeger te vegen.

„Viooltjes, mijnheer; frissche viooltjes!quot; riep een meisje, dat het glinsteren van het zilverstuk had gezien.

ocr page 172

160

Zij bood hem haar mandje aan, maar hij schudde zijn hoofd en liep haastig naar de kerk. Maar hij vergat nooit die kleinigheid en tot het einde van zijn leven kon hij de lucht van viooltjes niet uitstaan. Als in een benauwden droom kwam hij aan de kerkdeur. Het orgel speelde een vroolijken marsch; een half gesmoord gedruisch van ongeduldige nieuwsgierigen kwam hem te gemoet.

„Zijt gij een vriend van de bruid, mijnheer?quot; vroeg een kerkdienaar.

„Neen,quot; zeide hij kortaf.

„Dezen kant dan, als het u belieft. Het midden van de kerk is alleen voor de vrienden.quot;

Hij ging bedaard naar de plaats, die hem was aangewezen en wachtte.

„O, het is wel de moeite waard, het te zien,quot; zeide eene vrouw, die naast hem zat, tot eene andere. „Zij doen het altijd zoo mooi in deze kerk. De laatste keer, dat ik hier was, was het voor de begrafenis van lady Graham. Wat een pracht! Er haalt toch niets bij eene mooie begrafenis. Het doet iemand zoo aan, doet het niet?quot;

Een ijskoud gevoel beving hem, een vreeselijk bewustzijn van verlatenheid. „Het is als sterven,quot; dacht hij. En toen omdat allen opstonden, rees ook hij met moeite op. De marsch veranderde in een lofzang. Koristen, in het wit gekleed, schreden door de kerk; hij kon de woorden van hun gezang verstaan;

„Heilig en rein is het huwelijk Van christen man en maagd.quot;

Toen zag hij plotseling een gelaat, dat meer dan eens tegen het zijne was gedrukt geweest, de oogen, die hem zoo wreed hadden aangelokt. Het was slechts een oogenblik. Zij ging voorbij met haar stoet bruidsmeisjes en zwarte duisternis scheen voor hem neer te dalen, ofschoon hij uiterlijk kalm als een onverschillig toeschouwer bleef staan.

ocr page 173

161

„Hebt gij haar gezien?quot; riep zijne buurvrouw. „Lieve Heer! wat zag zij er prachtig uit! Zeker satijn — haar japon.quot;

„Wel, Heere beware mij, neen!quot; hernam de andere; „'t was brocaat, een guinje de el op zijn minst.quot;

Maar boven al het gefluister en het gegons van de groote menigte toeschouwers hoorde hij Blanche's heldere stem: „Ik zal u altijd vertrouwen,quot; had zij tot hem op Munkeg-gen gezegd. Nu hoorde hij haar antwoord op eene andere vraag.

Daarna volgden gebeden en gezangen, die hij niet verstond, maar soms kon hij door de dichte menigte heen een oogenblik eene slanke, witte gestalte zien. Nu werd Mendelssohn's Bruiloftsmarsch gespeeld en hij wist, dat zij weder de kerk zou doorgaan. Zonzij haar gelaat naar zijnen kant wenden? Ja, want een klein kind strooide bloemen voor haar en zij keek er naar met een gelukkigen glimlach. Frithiof stond onbewegelijk en niemand die op hem had gelet, zou iets hebben bespeurd van de bittere smart, die zijn hart verscheurde. Maar niemand lette op hem; temidden van menschen was hij verlaten. Hij verliet de kerk om den last des levens weer te dragen al zuchtend, „'thad anders kunnen zijn.quot;

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

De winter te Bergen.

Het kerkhof buiten de Stadspoort te Bergen, dat den vorigen zomer de bewondering van Blanche Morgan had gewekt, zag er misschien nog lieflijker uit, nu de winter het met zijn zacht, wit kleed had bedekt. De boomen had-

11

EEN STOERE NOORMAN. I.

ocr page 174

162

den hunne groene bladeren verloren, maar strekten hunne met rijp bedekte takken uit tegen den helderen hemel; aan de kruisen op de graven hingen ijskegels, die robijn rood schitterden, waar de stralen der ondergaande zon hen troffen of in de schaduw als diamanten glinsterden tegen een achtergrond van mulle sneeuw. In de verte verhief Ulri-ken majestueus zijn hoofd; donkere stroken rots staken af in het witte kleed, dat zijn zomertooi bedekte. Rechts in het dal was de schoone Lungdgaardsvand een effen ijs-spiegel, waarover de schaatsenrijders vroolijk voortgleden.

Het lijk van Sigurd Falck rustte naast dat van zijne vrouw, te midden van die schoone natuur, en op een win-ternamiddag kwamen Sigrid en de kleine Swanhild kransen en kruisen op het graf brengen, want het was de geboortedag van hunnen vader. Zij waren van het huis van hunnen oom gekomen, beladen met alle bloemen, die zij hadden kunnen verzamelen en stonden nu aan het hek van het kerkhof, dat door de vorst stroef open ging. Sigrid zag er ouder en zelfs treuriger uit dan zij had gedaan na den eersten schok van haars vaders dood, maar de kleine Swanhild had hetzelfde lieve, blozende gezichtje als vroeger en er was eene slecht verheelde opgewondenheid in hare manier, toen zij het hek openduwde; zij kon nog een soort genoegen scheppen in het brengen van deze verjaarsgeschenken en zij gevoelde zelfs voldoening bij de gedachte, dat „haar grafquot; er mooier zou uitzien dan een van de andere.

„Niemand anders heeft aan zijn verjaardag gedacht,quot; zeide zij, toen zij het stille kerkhof betraden. „Zie, er is geen enkele voetstap in de sneeuw. Sigrid, wanneer komt vaders naam op den steen?quot; En zij wees op den steenplaat, die tegen het kleine kruis leunde. „Moeders naam is er nog alleen. Zullen zij er niet een grooter steen zetten, waarop voor beide namen plaats is?quot;

„Nog niet,quot; zeide Sigrid, wier stem beefde.

ocr page 175

163

„Maar waarom niet, Sigrid? Ieder ander heeft zijn naam. Het is, alsof wij hem hadden vergeten.quot;

„O, neen, neen!quot; zeide Sigrid met een snik. „Dat is het niet lieveling; het is omdat wij ons alles zoo goed herinneren en weten, wat hij zou hebben gewenscht.quot;

„Dat begrijp ik niet,quot; zeide het kind.

„Ik zal het u uitleggen,quot; zeide Sigrid, de hand van haar zusje vattende. „Ik kan geen geld uitgeven voor een grafsteen, omdat hij het niet gaarne zou gehad hebben. O, Swanhild — eens moet gij het toch vernemen, gij zult het nu hoeren — het was niet alleen zijn eigen geld, dat verloren is, maar ook het geld van andere menschen. En hoe kan ik iets doen, zoolang dit niet is terugbetaald?quot;

Swanhild opende wijd hare oogen.

„Dat was het dus, waarom hij is gestorven,quot; stamelde zij. „Hij had zulk een spijt om die arme menschen. O, Sigrid, ik zal altijd braaf zijn; ik geloof, dat ik nooit meer ondeugend zal wezen. Waarom hebt gij het mij niet vroeger verteld, dan zou ik niet boos zijn geweest, als gij iets niet voor mij wildet koopen.quot;

„Ik wilde het voor u verzwijgen om u geen leed te doen,quot; zeide Sigrid. „Maar het is toch beter, dat gij het van mij dan van een vreemde hoort.quot;

„Gij behandelt mij als een klein kind, Sigrid, en ik ben toch al tien jaar •— oud genoeg om iets te weten. En, o, Sigrid, zult gij mij helpen om geld te verdienen en de menschen te betalen?quot;

„Dat is, wat Frithiof poogt te doen, maar het gaat zoo moeielijk en zoo langzaam,quot; zeide Sigrid. „En ik kan niets bedenken, wat wij zouden kunnen doen om hem te helpen.quot;

„Arme, goede Frithiof!quot; zeide Swanhild. En zij staarde over het bevroren meer naar de besneeuwde bergen, alsof zij er door heen wilde zien naar den grooten Londenschen winkel, waar een blonde Noor weger achter de toonbank

ir

ocr page 176

164

stond en dapper werkte om de schulden te betalen, van welke zij pas had gehoord. „Op de twee laatste verjaardagen van vader was Prithiof in Duitschland, maar toen verwachtten wij hem t'huis. Nu hebben wij niets te verwachten.quot;

Sigrid kon niet antwoorden. Treurig zag zij het kind aan, terwijl zij zich neerboog, deels om hare tranen te verbergen, deels om een bloem weer op zijn plaats te brengen, die in een krans was losgeraakt. Het was juist het gevoel, dat zij niets had te verwachten, dat in deze maanden zoo zwaar op Sigrid had gedrukt; zij had zich dapper gehouden onder alle verdriet, zoolang zij iets had te doen; maar thans, nu alles was afgeloopen, de villa in Calvedalen en de meubelen waren verkocht, zij t'huis was geworden in haar ooms woning, begon de moed haar te begeven en iederen dag gevoelde zij bitterder, hoe verlaten zij was. De eerste hartelijkheid van hare tante en hare nichtjes had tijd gehad een weinig te bekoelen en zij werd zich bewust, dat hare opneming in de familie Grönvold voor deze een last was.

Het huis was gemakkelijk ingericht, maar niette groot; de twee zusters hadden de eenige kamer gekregen, die vrij was, zoodat geene logeergasten meer konden worden gevraagd. De heer Grönvold had een redelijk inkomen, maar reeds voordat zij in dat huis waren opgenomen, had zijne vrouw eenige kleine bezuinigingen ingevoerd en dat ging voort in den winter en werd door iedereen opgemerkt. Dit was erg genoeg, maar bovendien, zooals Swanhild had gezegd, zij hadden niets te verwachten, want Frithiofs vooruitzichten schenen zeer treurig en zij was overtuigd dat hij vooreerst niet meer kon verdienen dan hij zelf hoog noodig had, zoodat hij onmogelijk voor zijne zusters zou kunnen zorgen. Somber gestemd verliet zij het kerkhof ; Swanhild hield de ledige bloemenmanden vast, terwijl zij poogde het stroeve hek te openen.

ocr page 177

165

„Kunt gij het niet gedaan krijgen?quot; riep het kind. „Welk een vervelend hek! Maar kijk, daar komen de Lundgrens aan. Zij zullen ons helpen.quot;

Sigrid zag om; zij bloosde diep, toen hare oogen die van Torvald Lundgren, een schoolvriend van Prithiof, ontmoetten. De begroeting was hartelijk van beide zijden, en Madale, een aardig, slank meisje van zestien jaar, met het haar in een lange, dichte vlecht, nam Swanhild bij do hand en ging met haar voort.

„Laat ons die twee samen voor hot hek laten zorgen,quot; zeide zij glimlachend. „Het is veel te koud om op hen te wachten.quot;

Torvald Lundgren was een jaar of twee ouder dan Fri-thiof en zeer bedaard voor zijn leeftijd. Als een vriend mocht Sigrid hem gaarne lijden, maar in den laatsten tijd had zij half en half gevreesd, dat hij meer zou willen zijn dan een vriend en zij vond het daarom niet zeer aangenaam, dat, toen het hek eindelijk was gesloten, Madale en Swanhild reeds ver weg waren.

„Hebt gij al iets gehoord van Frithiof?quot; zeide zij, terwijl zij stevig doorstapte.

„Neen,quot; zeide Torvald. „Wilt gij hem voor mij beknorren, als gij hem schrijft? Hoe gaat het hem? Is hij iets minder neerslachtig?quot;

„Ik weet het niet,quot; zeide Sigrid. „Ook mij schrijft hij zeer zelden. Het is treurig, dat hij zoo vér weg is en dat wij niet weten, wat met hem gebeurt.quot;

„Ik wilde wel, dat ik iets voor hem kon doen,quot; zeide Torvald; „maar hier schijnt voor hem in het geheel geen vooruitzicht te zijn.quot;

„Dat zegt mijn oom ook. En toch was het niet Frithiof's schuld. Het lijkt hard, dat hij het moet boeten. Ik geloof, dat de wereld zeer wreed is. Gij en Madale zijn bijna de eenige vrienden, die ons niet hebben verlaten; gij waart

ocr page 178

166

bijna de eenigen, die dennegroen op den weg hebben gestrooid, toen mijn vader werd begraven.quot;

„Hebt gij dat opgemerkt?quot; vroeg hij, terwijl hij een kleur kreeg.

„Ja; toen ik zag, hoe weinig er was gestrooid, deed het mij zeer, te zien, dat de anderen zoo weinig achting voor hem hadden getoond en ik was u en Madale dankbaar.quot;

„Sigrid,quot; zeide hij bedaard, „waarom wilt gij niet, dat ik meer voor u zal zijn dan een vriend? Al wat ik heb, zal het uwe zijn. Gij zijt niet gelukkig in het huis van den heer Grönvold. Laat mij voor u zorgen. Kom en maak mijn huis gelukkigen breng Swanhild mede; zij zal mijne jongste zuster zijn.quot;

„O, Torvald!quot; riep zij uit. „Ik wilde, dat gij mij dit niet hadt gevraagd. Gij zijt zoo goed en vriendelijk, maar — maar —

„Antwoord mij niet dadelijk, dan; neem den tijd om na te denken,quot; zeide hij. „Waarlijk, ik zou mijn best doen om u gelukkig te maken.quot;

„Dat weet ik,quot; zeide zij, terwijl de tranen haar in de oogen sprongen. „Maar het kan niet. Ik zou u nooit kunnen liefhebben, zooals eene vrouw haren man behoort lief te hebben en ik houd te veel van u, Torvald, om te willen, dat eene vrouw u neemt om uw gemakkelijk huis.quot;

„Uw tante gaf mij hoop, dat gij, misschien later, als uwe droefheid was bedaard —

„Dat was zeer verkeerd van haar,quot; zeide Sigrid heftig. „Gij zijt altijd mijn vriend geweest — een soort van tweede broeder — en, o, laat het zoo blijven! Houdt niet op mijn vriend te zijn, want, waarlijk, ik kan het niet helpen.quot;

„Mijn eenige wensch is, u te helpen,quot; zeide hij treurig. „Het zal zijn, zooals gij verlangt.quot;

Daarop wandelden zij voort onder een pijnlijk zwijgen, totdat zij de anderen inhaalden aan de deur van den heer

ocr page 179

167

Grönvold, waar Torvald een oogenblik haar hand drukte. Toen zag hij op zijn horloge, nam Madale haastig mede, zeggende, dat hij te laat zou komen.

Ongelukkig had tante Grönvold uit het raam gezien en had zij de kleine groep opgemerkt. Zij deed de huisdeur open, toen de twee meisjes de stoep opkwamen.

„Waarom zijn de Lundgrens niet binnengekomen?quot; vroeg zij met eene uitdrukking van teleurstelling op haar mager, zorgvol gelaat.

„Ik heb hen niet gevraagd,quot; zei Sigrid blozend.

„En Torvald had zulk een haast,quot; zeide Swanhild, zonder het te weten hare zuster te hulp komend.

„Gij zijt lang uit geweest, Swanhild, ga nu gauw aan uwe lessen,quot; zeide hare tante op een toon, die het kind altijd hinderde. „Kom hier binnen, Sigrid; ik moet u spreken.quot;

Tante Grönvold had een goed hart, maar zij was erg onhandig; dikwijls stiet zij de menschen af, wien zij oprecht wenschte goed te doen. Voor Sigrid, die zoo lang gewoon was geweest te doen wat zij goed vond en haars vaders huis te bestieren, was hare manier bijna ondragelijk. Zij was veel te jong en te onervaren om onder het afstootend uiterlijk de verborgen vriendelijkheid te zien. Hare blauwe oogen schitterden uittartend, toen zij de zitkamer binnen ging, hare handschoenen uittrok en hare handen bij den kachel warmde.

„Waarom hebt gij Torvald Lundgren niet gevraagd, binnen te komen?quot; vroeg mevrouw Grönvold, terwijl zij haar breiwerk opnam.

„Omdat ik het liever niet deed, tante.quot;

„Maar gij moet denken aan hetgeen anderen gaarne hebben en niet altijd aan u zelve.quot;

„Dat heb ik gedaan,quot; zeide Sigrid snel. „Ik wist, dat hij liever niet binnenkwam.quot;

„Wat praat ge daar voor onzin, kind!quot; zeide mevrouw

ocr page 180

168

Grönvold, terwijl zij nog ijveriger breidde dan vroeger, als liet zij haar ongeduld uit aan de kous. „Gij weet heel goed, wat Torvald wil; het is affectatie voor te wenden, dat gij niet ziet, wat voor iedereen duidelijk is.quot;

„Ik wend niets voor,quot; zeide Sigrid boos, „maar gij hebt hem aangemoedigd te hopen; hij heeft mij gezegd, dat gij met hem hadt gesproken.quot;

„Wat! heeft hij u gevraagd?quot; zeide mevrouw Grönvold, haar breiwerk latende vallen. „Heeft hij heden gesproken, lieve?quot;

„Ja,quot; zeide Sigrid en zij werd bloedrood.

„En gij hebt gezegd, dat gij hem later uw antwoord zoudt geven. Nu begrijp ik het. Natuurlijk kondt gij hem niet vragen, binnen te komen.quot;

„Ik heb niets dergelijks gezegd,quot; zeide Sigrid heftig. „Ik heb hem gezegd, dat ik nooit met hem kon trouwen, maar wij zullen dezelfde goede vrienden blijven, die wij altijd zijn geweest.quot;

„Mijn lieve kind,quot; zeide mevrouw Grönvold, met oprechte droefheid in haar stem, „hoe kondt gij zoo dwaas zijn, zoo blind voor uw eigen geluk? Hij Is een uitstekend jongmensch, goed, braaf, rijk — al wat uw hart kon wenschen.quot;

„Dit ben ik niet met u eens,quot; zeide Sigrid halsstarrig. „Ik zou wenschen, dat mijn man anders was. Hij lijkt op zijn naamgenoot in Ibsen's Ett Dukkehjem; wij hebben het hem dikwijls gezegd.quot;

„Kom mij, als het u belieft, niet aan met dat hatelijke tooneelstuk,quot; zeide mevrouw Grönvold. „Iedereen weet, dat de dwaze denkbeelden van Ibsen, dat de vrouwen gelijk staan met de mannen en in alles door hen moeten worden vertrouwd, niets dan ongeluk en ellende veroorzaken. Torvald Lundgren is een goed, eerlijk, achtenswaardig man en van u is het dwaas, dat gij hem hebt geweigerd.quot;

„Hij is goed, dat erken ik,quot; zeide Sigrid. „Hij is mijn

ocr page 181

169

vriend; hij is het altijd geweest en zal het altijd blijven. Maar al was hij de eenige man op de wereld, niets zou mij kunnen bewegen, hem te trouwen. Wij zouden beiden ongelukkig worden.quot;

„Nu, ik verzoek u, zulke dwaze denkbeelden over gelijkheid en idealen van liefde niet aan Karen te vertellen,quot; zeide mevrouw Grönvold nijdig. „Als gij zoo dom en on-practisch zijt, hoop ik dat Karen ten minste de eerste goede partij, die zich aanbiedt, niet zal afslaan.quot;

„Er is weinig kans, dat wij daarover zullen spreken,quot; zeide Sigrid, die opstond en snel de kamer verliet.

Zij liep naar boven, toornig hare tranen bedwingende. De laatste woorden harer tante klonken haar nog in de ooren en hoemeer zij er over nadacht, hoemeer zij haar kwetsten.

„Zij verlangt er naar, dat ik trouw, om ons niet langer te moeten onderhouden,quot; dacht het arme meisje. „Zij houdt in het geheel niet van ons, want het spijt haar, dat wij haar geld kosten. Maar ik zal Torvald niet zoo slecht behandelen, dat ik hem trouw, omdat ik hier ongelukkig ben. Liever sterf ik van honger. O, ik haat haar stelregel, dat men moet nemen, wat men kan krijgen. Waarom zouden liefde en gelijkheid en eene ware vereeniging ongeluk en ellende veroorzaken ? Het is de onrechtvaardigheid, de vrouw te vernederen tot eene aangename huishoudster, die de helft van het ongeluk in de wereld veroorzaakt, geloof ik.quot;

Maar tegen dat Sigrid den langen avond was doorgekomen en zich zoo goed mogelijk had geschikt in de gedachte, dat zij hare tante had teleurgesteld en geërgerd, begon eene andere gedachte bij haar op te komen. En toen zij dien avond naar hare kamer ging, stortte zij niet langer tranen van toorn, maar van treurige verlatenheid en radeloosheid.

Zij zag naar de kleine Swanhild, die gerust sliep en

ocr page 182

170

vroeg, welken invloed hare weigering zou hebben op het leven van het kind.

„In ieder geval,quot; dacht zij, „zou Swanhild gelukkiger zijn geweest, als ik hem had genomen. Zij zou een veel aangenamer tehuis hebben gehad en Torvald zou haar nooit hebben laten voelen, dat zij hem tot last was. Hij zou voor ons beiden zeer goed zijn geweest en ik denk, dat ik hem gelukkig zou hebben kunnen maken — zoo gelukkig, als hij zou hebben verwacht. En ik had Frithiof kunnen helpen, want wij zouden rijk zijn geweest. Misschien offer ik voor een droombeeld op, wat voor alle anderen goed zou zijn geweest. O wat moet ik doen? In ieder geval zou hij zeer vriendelijk zijn geweest en hier zijn zij niet vriendelijk. Hij zou veel voor mij over hebben gehad en het zou prettig zijn, als iemand weer iets voor mij over had.quot;

En toen dacht zij weder aan de woorden van hare tante Zou er misschien niet eenige waarheid in zijn? Toen de volgende dag aanbrak, was zij geheel onzeker en zoo Torvald Lundgren haar weder had gevraagd, zou hij misschien zijn aangenomen uit een verward begrip van haar plicht, dat zij practisch moest zijn en aan anderen meer dan aan zich zelve moest denken. Gelukkig verscheen Tor vald niet en later op den morgen ging zij naar de oude mevrouw Askevold, de vrouw van den predikant, die nadat zij vroeg en laat voor hare tien kinderen had gewerkt, tegenwoordig voor evenveel kleinkinderen werkte en bovendien altijd bereid was, eene vriendin te zijn voor ieder meisje, dat haar opzocht. Ten spijt van hare zestig jaren had zij een opgeruimd, nog blozend gelaat, met eene jeugdige uitdrukking, die eene merkwaardige tegenstelling vormde met hare witte haren. Zij was klein en dik. maar was gewoon zich vlug te bewegen.

„Wel, dat is lief van u, dat gij mij juist nu komt opzoeken, Sigrid,quot; zeide mevrouw Askevold en zij kuste het

ocr page 183

171

meisje, wier gelaat tengevolge van zorgen en slapeloosheid vermoeider leek dan het hare. „Ik heb juist het nieuwe japonnetje voor Ingeborg geknipt en nu moet ik even gaan zitten rusten. Wat dunkt u van de kleur? Mooi, niet waar?quot;

„Heel mooi,quot; zeide Sigrid. „Laat mij het voor u in elkander rijgen.quot;

„Neen, neen; gij ziet er vermoeid uit, mijn kind. Ga daar bij de kachel zitten en ik zal het rijgen, terwijl wij praten. Hoe komt gij aan die donkere vlekken onder uwe oogen?quot;

„O, dat is niets. Ik heb van nacht niet kunnen slapen; anders niet.quot;

„Omdat gij over iets hebt getobd. Dat is verkeerd, kind. Het is eene slechte gewoonte.quot;

„Ik geloof niet, dat ik er iets aan kan doen,quot; zeide Sigrid. „Wij hebben allen aanleg daarvoor. Weet gij niet meer, dat Frithiof nooit kon slapen vóór een examen?quot;

„En gij maakt u misschien over hem ongerust? Was het dat?quot;

„Gedeeltelijk,quot; zeide Sigrid, hare oogen nederslaande en zenuwachtig sprekend. „Het is zoo gesteld — ik had een kans rijk te worden, in eene positie te komen, die mij zou hebben in staat gesteld, de anderen te helpen; en omdat het niet strookte met mijn begrip van geluk, heb ik dezen kans laten voorbijgaan.quot;

En zoo, langzamerhand en zonder een naam te noemen, vertelde zij aan de moederlijke dame het geheele geval.

„Kind,quot; zeide mevrouw Askevold, „ik heb u slechts eenen raad te geven — blijf getrouw aan uw eigen ideaal.quot;

„Maar misschien is zulk een ideaal onbereikbaar in deze wereld.quot;

„Misschien, en dan is er niets aan te doen. Maar indien gij wilt, dat uw huwelijk gelukkig zal zijn, blijf er dan

ocr page 184

172

aan getrouw. De helft van de ongelukkige huwelijken zijn een gevolg er van, dat de menschen zich verlagen om te nemen, wat zij kunnen krijgen. Indien gij dezen man hadt aangenomen, had gij misschien een meisje verongelijkt, dat werkelijk in staat is, hem lief ie hebben zooals het behoort.quot;

„Wilt gij zeggen, dat sommigen onzer hoogere idealen hebben dan anderen?quot;

„AVel zeker; het is hiermede als met alles; wat gij moet doen, is uwe ooren te sluiten voor alle welgemeende, maar onware levensregelen en te luisteren naar de stem van uw eigen hart. Wees er zeker van, gij zult meer kunnen doen voor Frithiof en Swanhild, indien gij u zelve niet verloochent, dan u als eene ongelukkige, rijke vrouw zoude mogelijk zijn.quot;

Sigrid zweeg eenige minuten.

„Dank u,quot; zeide zij eindelijk. ..Ik zie alles nu veel duidelijker; gisteravond zag ik door de oogen van tante Grönvold en ik geloof, dat zij kortzichtig is.quot;

Mevrouw Askevold lachte vroolijk.

„Dat is volkomen waar,quot; zeide zij. „De huwelijken, die door bemoeizieke betrekkingen tot stand komen, mogen in den beginne gelukkig schijnen, op den duur berokkenen zij altijd verdriet en ellende. De ware huwelijken worden in den hemel gesloten, Sigrid, al willen de meeste menschen het niet gelooven.quot;

Sigrid ging getroost heen, maar desniettemin was het in dien tijd voor haar geen aangenaam leven, want ofschoon zij de voldoening had, dat Torvald door de straten van Bergen wandelde zonder buitengewone droefheid te verraden, toch had zij voortdurend het bewustzijn, dat hare tante over haar ontevreden was en gevoelde zij bij iedere kleine bezuiniging in het huishouden, dat zij niet zou zijn ingevoerd, als zij had gehandeld overeenkomstig

ocr page 185

173

den wensch van mevrouw Grönvold. Het was over het geheel een onpleizierige kersttijd, maar er kwam toch eene lichtstraal in door eene hartelijke beleefdheid, die zij nooit vergat, zoolang zij leefde. Wat zeldzaam is, maakt steeds op ons een diepen indruk. Een woord van aanmoediging bij het begin van onze loopbaan gesproken, blijft ons altijd bij, terwijl de toejuiching in later jaren spoedig wordt vergeten. Eene kleine vriendelijkheid in dagen van tegenspoed blijft in onze herinnering, als grooter welwillendheid in voorspoedige dagen al lang is vergeten.

Het was kerstavond. Sigrid zat, in een donzen dekbed gewikkeld, op hare koude slaapkamer. Zij las nog eens den brief over, dien zij het laatst van Frithiof had ontvangen, een moedeloozen, korten brief, zooals hij in den laatsten tijd gewoon was te schrijven. Uit Duitschland had hij altijd aardig geschreven, maar deze Londensche brieven maakten dikwijls haar nog ongelukkiger dan zij reeds was, niet zoo zeer door hetgeen er in stond, als door hetgeen zij lieten vermoeden. Sedert de vorige kerstdagen was alles haar ontnomen en nu scheen het haar toe, alsof zelfs Frithiofs liefde verkoelde en hare tranen vielen op het kleine velletje papier, toen zij vergeefs had getracht liefde en hoop tus-schen de regels te lezen.

Een kloppen aan de deur deed haar haastig hare tranen afdrogen en het viel haar mede, dat het niet haar nichtje Karen was, die binnenkwam, maar Swanhild met een vroo-lijk gelaat en dansende van opgewondenheid.

„Zie, Sigrid!quot; riep zij, „hier is een pakje, dat wel een present lijkt. Maak het gauw open.quot;

Zij sneden het touw door en vouwden het papier open en Sigrid uitte een kreet van verrassing, toen zij de aquarel van Bergen zag, die haars vaders laatste geschenk aan haar was geweest op den dag vóór zijn dood. Daar zij het niet had kunnen betalen, had zij den kunstkooper ver-

ocr page 186

174

zocht, het terug te nemen, waartoe hij dadelijk was bereid geweest. Zij greep snel naar het briefje, dat er op lag en zag, dat zijn naam er onder stond. Het luidde als volgt:

„Mejuffrouw, — Wilt gij mij de eer aandoen, deze schets van Bergen, die de heer Falck in October 11. heeft uitgezocht, aan te nemen? Op uw verlangen heb ik dien teruggenomen, alsof hij niet was verkocht. Nu verzoek ik u dien aan te nemen als een kerstgeschenk en een klein bewijs van mijne achting voor de nagedachtenis van uwen vader.quot;

„O!quot; riep Sigrid, „wat is dat goed van hem! En hoe aardig, dat hij tot Kerstmis heeft gewacht, in plaats van het dadelijk terug te zenden. Nu heb ik iets om aan Fri-thiof te schenken. Hij kan het juist tegen Nieuwjaar hebben.quot;

Swanhild klapte in hare handen.

„Dat is mooi bedacht! En op de kerstdagen kunnen wij het hier ophangen. Wat is het mooi! De menschen zijn

toch wel goed!quot;

En Sigrid voelde haar kleinen arm om haar midden en terwijl zij samen het geschenk beschouwden, streek zij zacht over het gouden haar van het kind.

„Ja,quot; zeide zij glimlachend, „de menschen zijn goed.quot;

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

EEN EENZAME STRIJD.

Zooals de predikant Askevold had gevreesd, viel Frithiof zijn leed bitter zwaar. Hij bezat niet Sigrid's zachten aard, haar geduld en gelatenheid. Hij was ook veel gevoeliger en was bovendien onder den invloed der behandeling, die hij van Blanche Morgan had ondervonden. Het gevoel van

ocr page 187

175

bitterheid, dat zij had gewekt, maakte, dat hij God en de menschen haatte. Sigrid, met haar kalm gezond verstand, haar geloof, dat niet minder innig was, omdat zij er zelden van sprak, kwam den winter en het voorjaar door, zonder dat hare gezondheid leed; maar Frithiof, op zijne ongezellige Londensche kamer, met zijn verstoord gemoed en weerbarstige stemming, werd iedere dag verharder en somberder. Waren de Bonifaces er niet geweest, hij zou geheel verloren zijn geweest, maar de enkele dagen, die hij nu en dan in die kalme, eenvoudige familie doorbracht, redden hem van geheelen ondergang. Altijd loopt door het donkerste gedeelte van ieder leven, al zien wij het niet „de gou den draad der liefde,quot; zoodat zelfs de slechtste mensch niet geheel is afgesneden van God, want Hij zal door het een of ander middel altijd trachten hem van den dood tot het leven te brengen. Wij zijn soms verbaasd, als wij lezen, dat een moordenaar, een groot misdadiger, in zijne laatste oogenblikken verlangt naar een kind, dat hem lief had, en dat hij ook lief had. Wij zijn verwonderd, omdat wij de liefde niet begrijpen van Onzen Vader, die aan den ver-stoktsten zondaar de liefde schenkt van een brave vrouw of van een kind. Zoo waar is het oude Latijnsche gezegde, lang bekend, maar weinig geloofd: „mergere nos patitur, sed non submergere Christusquot; (Christus moge ons laten zinken, hij laat ons niet onder gaan).

In dezen tijd was er slechts een ding, dat Frithiof voldoening schonk, het weinige geld, dat hij van tijd tot tijd kon in de spaarbank brengen. Hoe het ooit zou kunnen aangroeien tot een som, groot genoeg om zijns vaders schulden te betalen, daarover gaf hij zich niet de moeite te denken, maar week op week groeide het aan en met dit eenige doel van zijn leven worstelde hij voort, van vroeg tot Iaat aan het werk en levende van eene hoeveelheid voedsel, waarvan een Engelschman zou zijn geschrok-

ocr page 188

176

ken. Gelukkig had hij in Oxfordstreet een huis ontdekt, waar hij lederen dag voor zes stuivers kon eten en dit was eigenlijk zijn eenig maal. Na een paar maanden was het hem aan te zien, zoodat zelfs de dames Turnour bespeurden, dat hem iets scheelde.

„Ik geloof, dat de jonge man niet genoeg kan eten,quot; zeide juffrouw Caroline eens. „Ik ben hem zoo even tegen gekomen op de trap en hij lijkt nog bleeker en magerder te zijn geworden. Wat heeft hij voor zijn ontbijt, Charlotte? Eet hij even goed als de andere huurders?quot;

„O, hemel, neen!quot; zeide juffrouw Charlotte. „Ik geloof, dat hij niets anders eet dan scheepsbeschuit. Hij heeft ze in een trommel op zijn kamer met een bus chocolaad, die hij zelf aanmaakt. Al wat ik hem breng, is 's morgens en 's avonds wat kokend water.quot;

„Arme man,quot; zeide juffrouw Caroline en zij zuchtte terwijl zij een stuk kant, dat al wel honderd maal was gewasschen, op een japon hechtte.

Groote zorg voor zulke kleinigheden van hare kleeding was een eigenschap van de drie dames — het was overgeërfd, evenals de spelling van haar naam en andere bewijzen van eene goede afkomst.

„Het spijt mij voor hem,quot; voegde zij er bij. „Hij groet altijd zoo beleefd, als ik hem tegen kom en hij heefc een merkwaardig gunstig uiterlijk, ofschoon zijn gelaat eene onaangename uitdrukking heeft.quot;

„Als iemand honger lijdt, ziet hij er zelden aangenaam uit,quot; zeide juffrouw Charlotte. „Ik wenschte, dat ik het vroeger had opgemerkt,quot; en zij herinnerde zich met eenige wroeging, dat zij hem meer dan eens had onderhouden over zijn ziel, terwijl zij al dien tijd te onoplettend en afgetrokken was geweest om te zien, wat hem inderdaad mankeerde.

„Als ik,quot; zeide zij onbeschroomd, „als ik hem eens wat

ocr page 189

177

van het Amerikaansche vleesch bracht, dat wij voor ons avondeten hebben?quot;

„Stuur het met de meid,quot; zeide de oudste juffrouw Tur-nour, „zij is nog in de keuken. Ga niet zelve; het zou voor beiden gegeneerd zijn.quot;

Juffrouw Charlotte gehooi'zaamde en zond met de meid een lekker avondeten naar boven. Ongelukkig was de meid een lomp schepsel en haar hard kloppen op de deur maakte Frithiof reeds boos.

„Binnen!quot; riep hij knorrig.

„Kijk eens,quot; zeide de meid, „hier is iets, dat u misschien in een beter humeur zal brengen. Het compliment van de dames en of gij dit wilt hebben,quot; en zij hield hem met een spottende lach het blad voor.

„Wees zoo goed het weer mede te nemen,quot; zeide Frithiof, in een aanval van onverstandige woede. „Ik wil niet worden behandeld als het schoothondje van uwe juffrouw.quot;

Er was iets in zijn manier, dat haar schrik aanjoeg. Zij ging haastig heen en dacht er juist over na, hoe zij het moest aanleggen om het geweigerd avondmaal zelf te kunnen opeten, toen zij beneden aan de trap juffrouw Charlotte ontmoette en haar geheele plan in duigen viel.

„Het helpt niets, juffrouw, hij wil er geen mond aanzetten,quot; zeide zij. „Hij was verschrikkelijk boos en zeide, „neem het maar weer mee, ik wil niet behandeld worden als een schoothondje quot; Ik liep gauw weg, want ik werd bang.quot;

Juffrouw Charlotte schudde haar hoofd en toen zij later, als gewoonlijk, het kokend water naar boven bracht, voelde zij zich zenuwachtig en volstrekt niet op haar gemak en klopte bedeesder dan ooit. Maar nauwelijks had zij het water neergezet, of zij hoorde haastige voetstappen en Frithiof trok de deur open.

„Ik vraag u vergiffenis,quot; zeide hij; „gij meendet het. goed, daarvan ben ik overtuigd, maar de meid was lomp

12

EEN STOERF, NOORMAN'. T.

ocr page 190

178

en ik verloor mijn geduld. Wilt gij het mij vergeven?quot;

Er was te gelijk iets aandoenlijks en iets grappigs in dit tooneel; de zachtmoedige juffrouw Charlotte stond te beven, alsof zij een geest had gezien en zag den grooten Noorman aan, die in de haast had vergeten, den natten handdoek af te doen, dien hij als hij 's avonds laat werkte, gewoon was, om zijn hoofd te binden.

„Het spijt mij erg, dat de meid lomp was,quot; zeide zij. „Had ik zelve het maar gebracht. Ziet gij, het is zoo gekomen: wij dachten allen, dat gij er slecht uitzaagt en wij hadden van avond warm vleesch en wij dachten, dat gij er misschien trek in zoudt hebben, en—en —quot;

„Het was zeer goed van u,quot; zeide hij in weerwil van zich zelf getroffen door de vriendelijkheid. „Het spijt mij, wat ik heb gezegd, maar gij moet geduld hebben met iemand, die uit zijn humeur is en erg hoofdpijn heeft.quot;

„Bindt gij daarom dien doek om uw hoofd?quot; vroeg juffrouw Charlotte.

Hij lachte en rukte den handdoek af.

„Het houdt mijn hoofd koel,quot; zeide hij, „dan kan ik meer werken.quot;

Zij keek naar de tafel en zag, dat zij bedekt was met boeken en papieren.

„Is het wel verstandig, zoo hard te werken, als gij den geheelen dag het druk hebt gehad?quot; zeide zij. „Het komt mij voor, dat gij er slecht uit ziet.quot;

„Het is niets dan hoofdpijn,quot; zeide hij. „En werken is het eenige genoegen, dat ik in de wereld heb.quot;

„Ik ben bang, dat, naar uw uiterlijk te oordeelen, gij een hard leven hebt,quot; zeide zij aarzelend.

„Uiterlijk is 'tniet hard. Het werk op zich zelf is gemakkelijk genoeg, maar het is doodelijk vervelend.quot;

„Ach! indien gij slechts —quot; begon zij.

Hij viel haar in de rede.

ocr page 191

179

,,Ik weet zeer goed, wat gij wilt zeggen; gij wilt mij aanraden een van die godsdienstige samenkomsten bij te wonen, waar de menschenzoo pleizierig worden geprikkeld. Greloof mij, zij zouden op mij niet den minsten invloed hebben. Maar als gij er op zijt gesteld, zal ik gaan. Het zal mijne boetedoeningzijn voor mijn onbeleefdheid van zoo even.quot;

Juffrouw Charlotte was het met haar zelve niet eens of zijn glimlach sarcastisch was of niet. Maar zij hield hem aan zijn woord en den volgenden avond nam zij hem mede, naar eene groote helder verlichte zaal, waar eene samenkomst van revivalisten werd gehouden.

Het was eene warme Juniavond. Hij kwam daar, vermoeid van het lange werk van den dag en zijn hoofd was zwaar en dof. Uit beleefdheid voor juffrouw Charlotte poogde hij belang te stellen in hetgeen voorviel, onderdrukte hij van tijd tot tijd zijne neiging tot lachen en lette op alles, ofschoon hij het erg vervelend vond. Voor hem verhief zich een breed platform met rijen stoelen achter elkander. De mannen en vrouwen, die daar zaten, zagen er allen opgewekt uit. Eenige schenen over zich zeiven voldaan, verscheidene vrouwen leken zenuwachtig en overspannen, maar anderen hadden een zoo tevreden uiterlijk, dat het indruk op hem maakte. Lager zat eene wonderlijke verzameling muzikanten met trompetten, horens, trommen, tamboerijnen en fluiten. Een gezang begon, waarbij een koor inviel; de woorden waren stichtelijk, maar de wijs was het volstrekt niet; doch het scheen het publiek te bevallen, dat bij ieder vers driemalen in koor het refrein zong, eerst luide, dan luider en eindelijk als razend; de trommen donderden, de tamboerijnen raasden, de fluiten gilden, de trompetten schetterden en iedereen zong of schreeuwde met alle kracht zijner longen. Hij had eenigen tijd noodig om van dat vreeselijk spektakel te bekomen en inmiddels was eene vrouw beginnen te

ocr page 192

180

bidden. Hij lette niet veel op hetgeen zij zeide, maar het publiek scheen het met haar eens te zijn, want iedere paar minuten verhief zich een koor van „amen,quot; dat als verre donder door de zaal dreunde. Daarna las een jonkman iets uit den bijbel voor en sprak daarover duidelijk en eenvoudig. Het beduidde niet veel, wat hij zeide, maar ieder woord meende hij. Het zou kunnen zijn samengevat in drie volzinnen: „Er is slechts één weg om gelukkig te zijn. Ik heb dien beproefd en ben geslaagd. Wie het nog niet heeft beproefd, beginne dadelijk.quot;

Maar de woorden, die voor hem zulk eene diepe be-teekenis hadden, waren voor Frithiof slechts klanken. Hij luisterde en kon niet begrijpen, dat iemand van zijnen leeftijd zulke dingen kon zeggen. Wat had hij eigenlijk gevonden? Hoe had hij het gevonden? Indien de spreker de minste ijdelheid had verraden, zouden zijne woorden volstrekt geene uitwerking hebben gehad, maar zijne bedaard uitgesproken overtuiging maakte indruk op de hoorders en het was een ieder duidelijk, dat hij vertrouwde in een kracht, die de zijne niet was. Er volgde veel, wat Frithiof vervelend en nutteloos vond; ongeveer dertig menschen op het platform stonden een voor een op en spraken eenige woorden, die altijd begonnen met; „Ik dank den Heer, dat ik op dien en dien avond ben gered.quot; Hij kon niet begrijpen, wat zij daarmede bedoelden en ging tevergeefs alle leerstellingen na, van welke hij ooit had gehoord. Er werd een gezang gezongen en er was veel beweging in de zaal; de menschen kwamen en gingen en eene bejaarde vrouw was naast hem komen zitten.

„Broeder,quot; zeide zij tot hem, „zijt gij gered?''

„Mevrouw,quot;antwoordde hij koel, „ik weet hetwaarlijkniet.quot;

„O!quot; zeide zij met eene kleine beweging, die hem aan juffrouw Charlotte herinnerde, „dan smeek ik u, kom dadelijk tot Christus.quot;

ocr page 193

181

„Mevrouw,quot; zeide hij, nog met een koel beleefde stem, „ik vraag u excuus, maar ik weet niet, wat gij bedoelt.quot;

Zij was zoo verbaasd en van haar stuk gebracht zoowel door de woorden als door de manier, dat zij niet dadelijk kon antwoorden; en Frithiof, die er niet van hield, te worden ondervraagd, nam zijn hoed, groette haar en verliet de zaal. Op straat voegde juffouw Charlotte zich bij hem.

„O!quot; riep zij uit, „het spijt mij zoo, dat gij dat hebt gezegd. Gij hebt de arme vrouw vreeselijk ongelukkig gemaakt.quot;

„Het is haar eigen schuld,quot; zeide Frithiof. „Waarom bemoeide zij zich met mijne zaken? Als zij werkelijk geloofde, had zij het verstandig kunnen uitleggen in plaats van woorden te gebruiken, die niets dan holle klanken zijn.quot;

„Gij hebt haar geen tijd gelaten iets uit te leggen. En wat haar geloof betreft, denkt gij, dat, als het niet oprecht was geweest, die kleine, zwakke vrouw tweemalen den moed zou hebben gehad naar de gevangenis te gaan, om. dat zij op straat had gepreekt? Denkt gij, dat zij dan de verdorvenste dieven had kunnen bekeeren en hen overhalen het gestolene te vergoeden, door wekelijks een gedeelte af te doen uit hetgeen zij eerlijk hadden verdiend.quot;

„Heeft zij dat gedaan? Dan heb ik eerbied voor haar. Als gij haar weer ziet, wilt gij dan zoo goed zijn, haar mijne verontschuldiging te maken en haar zeggen, dat haar vorm van godsdienst mij te luidruchtig en te onlogisch is.quot;

Zij gingen zwijgend naar huis. Juffrouw Charlotte was bedroefd, omdat de samenkomst niet had te weeg gebracht, wat zij had gehoopt. Zij had nog niet geleerd, dat verschillende naturen verschillend, voedsel behoeven en dat het ongeveer even verstandig was te verwachten, dat Frithiof de leer zou aannemen, die voor zekere personen geschikt was, als een klein kind met hooi te willen voeden.

ocr page 194

182

Maar eene eerlijke poging, goed te doen, mislukt nooit geheel en al. Het was onmogelijk, dat de Noorman ooit de leer der revivalisten kon aannemen, maar hun vurige toewijding, hun practisch handelend leven maakten toch indruk op hem en wierp een niet zeer aangenaam licht op zijn eigen zelfzucht. ïen deele hierdoor en ten deele door physieke oorzaken, was hij in de volgende paar weken ontevreden met zich zelf. Zijne gezondheid was erg geschokt en hem ontbrak de eenige macht, die prikkelbaarheid kan in toom houden — de sterke macht der liefde. Behalve dat hij oprecht op had met de Bonifaces, was er niets, wat zijne gedachten afleidde van zich zeiven en hij was volkomen bereid het met intrest te vergelden, dat de andere mannen in den winkel hem niet mochten lijden, — vooreerst omdat hij een vreemdeling was, maar vooral om zijne trotsche manieren en driltigen aard. Soms meende hij het leven niet langer te kunnen dragen; enkele malen ontstond uit het gevoel van zijn eigen ongelukkigen toestand een onbestemd medelijden met hen, die in denzelfden toestand waren. Als hij achter de toonbank stond, zeide hij in zich zelf: „Er zijn duizenden en duizenden in deze stad, die alleen staan en dag aan dag deze vreeselijke eentonigheid moeten verduren, klanten moeten bedienen, die lomp zijn en die beleefd zijn, de gehaasten, die een en al ongeduld zijn en de vervelenden, die staan te dralen en u zooveel moeite veroorzaken, als zij kunnen, vaak voor niets. De een volgt op den ander en het is altijd hetzelfde. Ik ben er honderdmaal beter aan toe dan de meesten — er is hier tijd om te eten, er zijn geene boeten en wij worden niet onbillijk behandeld, — maar toch is het een vreeselijk lot.quot;

En toen hij naar buiten zag in de zonnige straat en het klinken der paardenhoeven op de steenen hoorde, greep een onstuimig verlangen hem aan naar het vrije, afwisse-

ocr page 195

183

lende leven in Noorwegen en opnieuw kwam hij in opstand tegen zijn lot en bij de geringste aanleiding was hij gereed driftig op te vliegen.

Eens liet de heer Boniface hem op zijne kamer komen. Hij was zich wel bewust, dat hij zelfs tegen Roy, van wien hij veel hield, erg onaangenaam zich had getoond en de gedachte kwam bij hem op, dat hij zou worden weggezonden.

De heer Boniface zat aan zijne schrijftafel; het zonlicht viel op zijn edel, fijn gevormd gelaat, verlichtte zijne witte haren en korten baard en maakte zijne vriendelijke grijze oogen vriendelijker dan ooit. „Ik wilde u even spreken, Falck,quot; zeide hij. „Ga zitten. Ik verbeeld mij, dat gij er in den laatsten tijd niet goed uitziet en nu dacht ik, dat het misschien beter zou zijn, dat gij thans uwe vacantie naamt dan in de derde week van Augustus. Ik heb met Darnell gesproken en hij is bereid u zijn beurt af te staan en later te gaan. Wat denkt gij er van?quot;

„Gij zijt zeer goed, mijnheer,quot; zeide Frithiof, „maar de vacantie in Augustus schikt mij heel goed. Eigenlijk be-teekent zij voor mij niets anders dan dat ik meer vertaalwerk zal doen.quot;

„Zoudt gij niet eens naar huis willen gaan? Denk daarover eens na. Indien gij naar Bergen wilt, zal ik u drie weken geven.quot;

Het was Frithiof, alsof er iets in zijn keel schoot; hij had den geheelen ochtend gedroomd van zijn vroeger leven, met een rusteloos, smartelijk verlangen.

„Dank u,quot; zeide hij met inspanning, „maar naar Noorwegen kan ik niet gaan.quot;

„Zeg mij eens oprecht, Falck, is het de quaestie van het geld, die u tegenhoudt?quot; zeide de heer Boniface. „Want als het niets anders is, zal ik u het geld gaarne voorschieten. Gij moet bedenken, dat gij in den laatsten tijd veel hebt

ocr page 196

184

moeten doorstaan en ik geloof dat rust u goed zal doen.quot;

„Ik dank u.quot; zeide Frithiof, „maar eigenlijk is het niet het geld. Ik heb genoeg om de reis te betalen, maar ik heb mij voorgenomen, niet terug te keeren, voordat Ik de laatste schuld kan betalen van — van onze flrma,quot; besloot hij met een lichte trilling in zijn stern.

„Dat is een edel besluit,quot; zeide de heer Boniface „en ik wil u volstrekt niet ontmoedigen. Maar gij moet wel weten, dat het een zware taak is en als gij niet gezond blijft, kunt gij nooit slagen. Ik geloof, dat gij niet genoeg beweging neemt. Waarom wordt gij geen lid van onze cricket-club ?quot;

„In Noorwegen doen wij niet veel daaraan,quot; zeide Frithiof; „over het algemeen nemen wij weinig beweging, alleen ter wille van de beweging. Zoo iets doen alleen de Engelschen.quot;

„Dat kan zijn; maar als gij in ons klimaat leeft, doet gij verstandig, onze gewoonten te volgen. Kom, laat mij u overhalen, lid te worden van onze club. Gij ziet er uit, alsof gij meer afwisseling noodig hadt.quot;

„Ik zal er het volgend jaar aan denken; maar op het oogenblik heb ik werk voor den heer Sivertsen onderhanden, dat niet kan worden uitgesteld.quot;

„Nu dan is er niets aan te doen,quot; zeide de heer Boniface; „maar gij kunt ten minste uw werk medenemen naar Rowan Treehouse en uw vacantie bij ons doorbrengen.quot;

„Gij zijt heel vriendelijk,quot; zeide Frithiof en een oogenblik kwam de jongensachtige uitdrukking weder op zijn gelaat. „Dat zal ik zeer gaarne doen.quot;

Het gesprek scheen hem te hebben goed gedaan, want gedurende de eerstvolgende dagen was hij minder prikkelbaar en zijn werk stond hem dus minder tegen.

ocr page 197

185

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

Het laatste strootje.

Maar de verandering ten goede duurde niet lang, want Frlthiof miste den beweeggrond, die het vervelendst werk goddelijk maakt. En het was niet te ontkennen, dat zijn werk vervelend was.

Het is in den laatsten tijd mode, veel werk te maken van de ellende in steegen en sloppen, en de meesten van ons zijn bereid zich tot handelend medelijden te laten opwekken met de ergste armoede, met honger en nood. Het is evenwel te vreezen, dat slechts weinigen denken aan het veel minder romantische, minder sensationeele leven van den middenstand, van de duizenden en duizenden, die dag aan dag zich afsloven achter een toonbank of een lessenaar. En toch verdient hun leven weinig minder medelijden! Maakt hunne opvoeding hen niet oneindig gevoeliger? Hood heeft ons in een schoon gedicht het lijden geschilderd van een hemdennaaister; maar wie geeft zich de moeite in de zorgen en de uitputting van winkelbedienden poëzie te vinden. Men heeft gezegd, dat het vak zelf alle poëzie doodt, dat geen dichter of romanschrijver zulk een onderwerp aan durft; en toch is overal het menschelijk hart hetzelfde en het leven in een winkel sluit liefde en haat niet uit, evenmin als de vreugde en de zorgen, die het leven vervullen van ieder menschelijk wezen en uit welke ieder romantisch verhaal is geput. Niemand zal tegenspreken dat arbeid adelt, maar toch weten wij, dat terwijl sommige arbeid den mensch verheft, er ander werk is, dat moet worden geadeld, door de wijze, waarop het wordt verricht.

ocr page 198

186

Een kunstenaar en een zakkedrager werken beiden ten nutte van het algemeen, maar de meeste menschen zullen toegeven, dat de kunstenaar veel boven den ander voor heeft. Indien er in het werk zelf van den winkelbediende veel prozaïsche eentonigheid is, dan is het des te waarschijnlijker, dat hij meer behoefte heeft aan onze warmste sympathie, omdat hij zelf geen machine is, maar een man of eene vrouw, met dezelfde hoop en dezelfde wenschen als andere menschen. Het is, omdat wij hen beschouwen als van eene andere soort, dat wij de werkuren dulden, dat wij toelaten, dat vrouwen den geheelen dag staan om ons te bedienen, ofschoon het is bewezen, dat vreeselijke ziekten daarvan het gevolg zijn. Het is omdat wij eigenlijk niet ge-looven, dat zij van hetzelfde vleesch en bloed zijn, als wij, dat wij met iets als minachting denken over de personen, die juist met ons het meest in aanraking worden gebracht en wier zware arbeid dikwijls ons beschaamd maakt.

Tegen het midden van Juni gingen de Bonifaces naar Devonshire om hun gewone zomeruitspanning te nemen en Frithiof ondervond, zooals Roy had voorspeld, dat de heer Horner zeer onaangenaam was en overal zich mede bemoeide. Nu is er niets lastiger dan zulk een kleingeestige bemoeizucht, vooral van een man. Het was of de heer Horner alles wat slecht was in Frithiof opwekte en Frithiof alles wat slecht was in den heer Horner. Een onbeduidend voorval maakte het nog erger. Een magere verwaarloosde hond kwam ongelukkig op een morgen in den winkel, waar de heer Horner zat.

„Wat beteekent dat?quot; riep hij Frithiof toe. „Kunt gij dien hond niet buiten de deur houden? Nu vooral, nu men zooveel van hondsdolheid hoort?quot; En hij dreef met schoppen den hond de straat op.

Nu is er één ding, dat een Noorman nooit kan verdragen en dat is wreedheid jegens dieren. Frithiof lette in

ocr page 199

187

zijne woede niet op zijne woorden, hij sprak niet als een bediende tegenover zijn meester betaamt en van af dat oogenblik haatte de heer Horner hem tienmaal erger. En bij al die ellende werd het ondragelijk heet: Londen was als een gloeiende oven. Ieder dag vond Frithiof zijn werk hatelijker, ieder dag was hij minder in staat tegen zijne liefde voor Blanche te kampen. Hij verviel snel in den toestand, dien hardvochtige menschen zeggen, dat niets dan verbeelding is, — in de zeer wezenlijke en gevaarlijke ziekte, die zwaarmoedigheid wordt genoemd. Telkens op nieuw moest hij strijden tegen de verzoeking, die hij lang geleden in Hydepark had gevoeld en ieder woord van James Horner, iedere onbeleefdheid van hen, die hij moest bedienen, maakte de strijd zwaarder.

Hij was eens op een ochtend bezig aan zijn lessenaar met het optellen van eene kolom cijfers waarin hij tweemalen was gestoord en waarbij hij drie raaien een verschillende uitkomst had gekregen, toen weder de deur open ging en een schaduw op zijn boek hem waarschuwde, dat een klant voor de toonbank stond. Wrevelig en ongeduldig legde hij zijne pen neder, dwong zich tot de koele beleefdheid, die hij tegenwoordig aannam en die zooveel verscnilde van de natuurlijke, warme welwillendheid, die vroeger een deel uitmaakte van zijn natuur.

De klant was blijkbaar een Italiaan. Hij was jong en _ had een buitengewoon innemend voorkomen. Als hij u aanzag, gevoeldet gij, dat hij tot in uw binnenste zag. maar toch was zijn blik vriendelijk; hij drong door, maar verwarmde te gelijk. Naast hem stond een levendige knaap, die naar den Noorman opzag, als verwonderde hij zich, dat iemand op zulk een zonnigen dag zoo somber kon kijken.

Frithiof was juist in eene stemming om iedereen onaangenaam te vinden en vooral een man. die jong, knap. goed gekleed en vergenoegd was: maar zoodra hij de stem

ocr page 200

188

hoorde van den Italiaan, voelde hij een ongekenden invloed; zijne oogen werden zachter en zonder dat hij zelfs begreep waarom, voelde hij eene sterke begeerte dezen man te helpen het lied te vinden, waarnaar hij vroeg en waarvan hij alleen de woorden en de wijs, niet den naam van den componist kende. Frithiof, die anders zou hebben gemord over den last van zulk een zoeken, deed het met hart en ziel en hij was even blijde als zijn klanc, toen hij na eenigen tijd het lied had gevonden.

„Ik dank u duizendmaal,quot; zeide de Italiaan hartelijk. „Ik ben zeer in mijn schik, dat ik het heb. Het is voor een vriend, die lang heeft verlangd het nog eens te hooren, maar die alleen de eerste regels kon opschrijven.quot;

Hij vergeleek de gedrukte muziek met een stukje papier, dat hij aan Frithiof had laten zien. „Was het alleen een gelukkig toeval, dat u op den naam bracht van Knight?quot;

„Ik ken van hem een ander lied en ik dacht, dat dit er op geleek,quot; zeide Frithiof, verheugd dat hij was geslaagd.

„Gij weet waarschijnlijk veel meer van Engelsche muziek dan ik,quot; zeide de Italiaan. „Maar gij zijt zeker ook een vreemdeling!quot;

„Ja,quot; zeide Frithiof, „ik ben een Noorweger. Ik ben nog slechts negen maanden hier en ik tracht iets te leeren van de muziek; het is het eenige van mijn werk, wat mij eenig belang inboezemt.quot;

De vreemde hoorde uit die woorden veel tegenzin, ontevredenheid en heimwee.

„Ach, ja,quot; zeide hij; „ik veronderstel, dat zoowel het werk als het land u vervelend moeten voorkomen, als gij tusschen uwe fjords en bergen hebt gewoond. Ik ken zeer goed de moedeloosheid, die u het eerste jaar in een vreemd land bevangt. Houd moed! het eerste gaat voorbij. Ik heb dit Engeland lief gekregen, dat ik eens haatte.quot;

„Het gemis aan frissche lucht in Londen drukt iemand

ocr page 201

189

ter neer,quot; zeide Frithiof, terwijl hij de muziek oprolde.

„En vandaag is het zeker al heel drukkend,quot; zeide de Italiaan. „Het spijt mij, dat ik u zooveel moeite heb gegeven. Wij zullen het maar dadelijk mede nemen, Gigi, wij gaan toch naar huis.quot;

Met een vriendelijken groet verliet de vreemdeling den winkel; hij liet er eene herinnering achter, die beter Fri-thiofs sombere gedachten verdreef, dan iets anders had kunnen doen. Maar toen Frithiof op zijn gewoon etensuur wegging, gevoelde hij niet de minste eetlust en hakend naar eenige afwisseling van de brandende straten, wandelde hij naar Regents park, in de hoop, daar versche lucht te vinden. Hij dacht aan den vreemden klant en lachte bij zich zelf over den diepen indruk, dien eene toevallige ontmoeting op hem had gemaakt en die in hem het verlangen had gewekt, dat hij nooit te voren had gevoeld, naar een leven, hooger, edeler, mannelijker dan zijn verleden.

„Kom, loop door, hoort gij niet!quot; riep een ruwe stem achter hem. Hij keek om en zag een gemeen uitzienden vagebond, die tot een ongelukkigen, kleinen jongen sprak, die achter hem liep.

Het kind scheen op het punt, in een te zakken, maar met eene uitdrukking van vrees en inspanning, allertreurigst om op zulk een jong gelaat te zien, haastte hij zich voort, op een sukkeldrafje achter zijn vader. Frithiof bekommerde zich tegenwoordig weinig om hen, die hij ontmoette op zijn levenspad; zijn gemoed was te veel verbitterd door Blanche's behandeling, hij was nu gewoon alles onverschillig aan te zien en schouderophalend te zeggen, dat het zoo ging in de wereld. Maar heden was hij onder den invloed van een edel leven; een man, die hem ten eenenmale onbekend was, had eenige vriendelijke woorden tot hem gesproken, had hem als het ware opgeheven in een reiner sfeer. En zoo kwam het, dat ook hij iets begon te gevoelen van

ocr page 202

190

dezelfde goddelijke sympathie en zijn eigen ellende bij het lijden van het kind vergat. De vagebond bleef voor een kroeg stilstaan.

„Wacht mij daar in het park,quot; zeide hij rot het kind en gaf het een duw in die richting.

En het kind ging gehoorzaam, totdat het, juist bij het hek de kruiwagen van een fruitverkooper in het oog kreeg, waarop frissche groene bladeren en roode aalbessen verlokkend waren uitgespreid. Frithiof bleef een oogenblik staan om te zien, wat er zou gebeuren, maar er gebeurde in het geheel niets; het kind wachtte geduldig. Er was geene verwachting op het moede, kleine gezichtje, niets dan bewondering voor eene lekkernij, die nooit zou kunnen worden genoten.

„Hebt gij ze ooit geproefd?quot; zeide Frithiof naderbij komende.

De jongen schudde zijn hoofd.

„Zoudt gij ze willen hebben?quot;

Hij sprak ook nu niet, maar eene uitdrukking van verrukking kwam in zijne oogen en hij deed een sprong, die welsprekender was dan woorden.

„Geef mij voor een paar stuivers,quot; zeide Frithiof tot den fruitverkooper. Toen wenkte hij het kind hem te volgen en ging naar de naaste bank, waar hij het blad met bessen naast zich nederlegde en zijn kleinen metgezel aanzag.

„Kom, ga hier naast mij zitten en smul nu eens.quot;

Het kind had geene tweede uitnoodiging noodig, maar begon dadelijk te eten met een lust, dien het goed deed te zien. Na een poos hield hij op en schoof aarzelend het blad een weinig naar zijnen weldoener. Frithiof in zijn eigen gedachten verdiept, lette er niet op, maar hij voelde eene kleine hand op zijn mouw en zag op.

„Eet ook,quot; zeide het kind en wees op het bessenblad.

En Frithiof, om hem genoegen te doen, glimlachte en nam een paar bessen.

ocr page 203

191

„Nu is de rest voor u,quot; zeide hij. „Houdt gij er van?quot;

„Ja,quot; zeide het kind snel; „en ik houd van u.quot;

„Waarom houdt gij van mij?quot;

„Ik was moede en gij waart goed voor mij en het is zoo lekker.quot;

Maar na deze hartelijke verklaring zeide hij niets meer. Hij gaf niet, zooals een Noorweegsch kind zou hebben gedaan, een hand als teeken van dankbaarheid of zeide in het zoetklinkend Noorsch „Tac for madenquot; (dank voor het maal); hem had nooit iemand de vormen der beleefdheid geleerd en aangeboren waren zij hem niet. Hij zag alleen zijnen vriend aan met schitterende oogen, zooals een dier dat dankbaarheid gevoelt, maar niet kan uitspreken. Toen verscheen de vader en het jongetje liep, na-even met het hoofd te hebben geknikt, weg, maar van tijd tot tijd zag hij nog eens om naar den vreemde, dien hij zijn leven lang niet zou vergeten.

Den volgenden dag gebeurde er iets, dat de laatste druppels wierp in den bitteren beker van Frithiof en dien deed overloopen. Het verdriet van het vorige jaar en de eenzaamheid en de armoede, die hij had doorgestaan, hadden langzaam zijne gezondheid ondermijnd en nu ontving hij den genadeslag. Hij at in zijn gewoon eethuis. Te vermoeid om veel te eten had hij een dagblad opgenomen, dat iemand had laten liggen en zijn oog viel op een van die afschuwelijke berichten, die op den verdorvensten smaak van het publiek zijn berekend. Namen werden er niet in genoemd, maar ieder, die iets van haar wist, moest dadelijk ontdekken, dat de vrouw, die werd bedoeld, Blanche Romiaux was. De aanstootelijkste bijzonderheden, de verachtelijkste praatjes eindigden met de woorden, „een belangwekkend echtscheidingsproces kan nu spoedig worden verwacht.quot;

Frithiof werd doodsbleek. Hij poogde zich diets te maken,

ocr page 204

192

dat alles gelogen was; hij poogde woedend te worden op de redactie van het blad; hij poogde zich te overtuigen, dat wat Blanche ook vóór haar huwelijk had gedaan, zij daarna rein en braaf moest zijn geworden. Maar in zijn hart bleef de vreeselijke overtuiging, dat het verhaal in hoofdzaak moest waar zijn. Verward en duizelig ging hij Oxfordstreet door, op niets lettend, als iemand die droomt. Voor een winkel stond een victoria en een man van een bijzonder goed uiterlijk stond er naast en sprak met iemand, die er in zat. Frithiof zou zijn voorbij gegaan zonder het te zien, als niet eene bekende stem hem tot bezinning had gebracht.

Haastig zag hij op en hij zag lady Eomiaux — niet die Blanche, die in Noorwegen zijn hart had gewonnen, want de lippen, die eens tegen de zijne waren gedrukt geweest, hadden een harde, uitdagende uitdrukking en de oogen, die hem hadden verlokt, bevestigden maar al te duidelijk het verhaal, dat hij pas had gelezen. Hij hoorde haar gemaakt lachen, waarin geen zweem van vroolijkheid was te bespeuren en daarna was het hem, alsof een donkere wolk op hem was neergedaald. Werktuigelijk ging hij verder en hij wist zelf niet, hoe hij in den winkel was terug gekomen.

„Goede hemel! mijnheer Falck, gij ziet er uit, alsof gij ziek waart!quot; zeide de oudste bediende, toen hij hem aanzag. „Het is maar goed, dat mijnheer Robert spoedig terugkomt. Ik zou mij erg vergissen, als hij u niet onder dokters handen stelde.quot;

„Het komt van de vreeselijke warmte,quot; zeide Frithiof en om het gesprek niet behoeven voort te zetten ging hij naar zijn lessenaar en begon te schrijven, ofschoon ieder woord hem pijnlijke inspanning kostte en als met geweld uit hem werd geperst. Toen het tijd was van thee drinken ging hij de straat op, nauwelijks wetende wat hij deed

ocr page 205

193

en altijd met het treurig veranderd gelaat van Blanche voor oogen. Toen hij terug kwam, ontdekte hij, dat de jongen, die den winkel schoon maakte, inkt had gemorst op zijn bestelboek. Hij werd daardoor zoo driftig, dat hij zijne zelf-beheersching geheel verloor, zoodat zij, die er getuigen van waren, zich over hem ongerust maakten. Dit bracht hem tot bezinning, hij ergerde zich over zichzelf en verzonk in een toestand van wezenlooze wanhoop. Hij begreep zichzelf niet meer; hij wist niet, wat hem gebeurde en vroeg zich af, hoe zulk eene kleinigheid hem tot onzinnige woede had kunnen verleiden. Hij zat met zijne pen in de hand, te ellendig en te ziek om te schrijven, terwijl in wilde verwarring allerlei gedachten hem door het hoofd gingen. Hij reed langs dtn Strangaden met Blanche en sprak vroolijk over het genot van te bestaan; hij roeide haar rond op het fjord en vertelde haar de Frithiof sage; hij redde haar op den berg en luisterde naar de bekentenis harer liefde; hij zat met haar in het prieel bij den vlaggestok te Balholm en zij klemde zich aan hem vast bij het afscheid, dat voor altijd was geweest

„Ik kan het niet langer uithouden,quot; zeide hij bij zich zelf. „Ik heb gepoogd dit leven te dragen, maar vergeefs — vergeefs.quot;

Maar na een poos kwam eene gedachte bij hem op, die het martelend gevoel van mislukking en het verlangen naar den dood verdreef, hij dacht aan het gelaat, dat den vorigen dag zulk een grooten indruk op hem had gemaakt en weder klonk hem het woord in deooren: „Houd moed! het ergste gaat voorbij.quot;

Wie was die man? Wat verschafte hem dien ongewonen invloed? Hoe had hij zijn inzicht, zijn sympathie, zijn geestkracht verworven? Indien één man dat alles zich had kunnen eigen maken, waarom zou een ander het ook niet kunnen? Zou het leven ook voor hem nog niet eens iets

EEX STOERE NOORMAN

ocr page 206

194

kunnen bevatten, waarvoor het de moeite waard was te ]even ? De herinnering rees hij hem op aan het laatste genoeglijk oogenblik, dat hij had genoten — de herinnering aan het kind, dat gelukkig was geweest met zijne bessen.

Eindelijk kwam de tijd om den winkel te sluiten. Met moeite bereikte hij Vauxhall; hij sloot zich op zijn ongezellig kamertje trok de tafel aan het raam en begon te werken aan de vertaling van den heer Sivertsen. Avond op avond had hij doorgewerkt met den stuggen moed van de oude Vikings, zijne voorvaderen, gesteund door denzelfden fleren, strijdhaftigen aard, die hen tot de schrik van het Noorden had gemaakt. Maar zijn kracht was eindelijk uitgeput; zijne spieren trilden. Het was onmogelijk, nog langer te werken; hij strompelde naar bed met het verschrikkelijk bewustzijn, dat hij den strijd niet kon volhouden, iets wat voor een man zoo zwaar valt te dragen.

Neergedrukt door het verdoovend gevoel van zijne eenzaamheid, verlamd door lichaamssmart, gemarteld door de gedachte aan Blanche's schande, was er toch nog iets, dat hem oogenblikken van verademing schonk — als een kind spande hij zijne oogen in om de afbeelding van Bergen te zien, die naast zijn bed hing.

Later, toen de schemering van den zomeravond was overgegaan in den nacht en hij niet langer de haven en de schepen kon onderscheiden, verborg hij zijn gelaat in zijn kussen en snikte luide, zoo droevig wanhopend, dat zijne

moeder, zelfs in het Paradijs er door moest hebben geleden.

*

* *

Roy Boniface kwam den volgenden dag uit Devonshire terug. Hij had zijne vacantie een week moeten bekorten, omdat een oom van den heer Horner was ziek geworden. Daar er alle grond was om een legaat van den ouden bloedverwant te verwachten, had de heer Horner naar hem

ocr page 207

195

toe willen gaan, om te zien, of hij hem in eenig opzicht van dienst kon zijn; en daar de winkel nooit zonder een van de chefs werd gelaten, moest de arme Roy, die het geheele geslacht der Horners verwenschte, terugkomen en zoo goed hij kon de Augustus maand in Londen in een ledig huis doorbrengen.

Evenals vele mannen van zaken verbrak hij de eentonigheid van zijn dagelijks werk met een of andere liefhebberij. De zucht tot verzamelen was in Rowan Treehouse altijd aangemoedigd geworden en op het oogenblik was plantenkunde zijne liefhebberij. Misschien wijdde hij er zelfs te veel tijd aan en Cecil zeide lachend, dat hij er meer mede op had, dan met alle mannen en vrouwen van de geheele wereld. Hij was op den avond van zijn terugkomst genoegelijk bezig met zijne verzameling, toen James Horner, door het vooruitzicht op het legaat nog deftiger en drukker dan gewoonlijk, bij hem kwam.

„Ah! zijt gij terug; dat is uitstekend!quot; riep hij uit. „Ik had gehoopt, dat gij bij ons zoudt zijn aangekomen. Maar dat doet er niet toe. Ik geloof niet, dat er iets bijzonders is, dat ik u moet zeggen en de treurige tijding heeft natuurlijk mijne vrouw geheel van streek gemaakt.quot;

„Ja,quot; zeide Roy, die in zijn hart niet geloofde aan hare diepe droefheid, „het doet ons leed, het te vernemen.quot;

„Wij gaan morgen met den eersten trein,quot; zeide James Horner, „en wij zullen natuurlijk blijven. Ik hoor, dat er geen hoop is op herstel.quot;

„Wat zegt gij hiervan ?quot; zeide Roy op een nietig bloempje wijzende, dat hij juist had gepraepareerd. „Ik geloof, dat het nog nooit in Engeland is gevonden.quot;

„Zoo, inderdaad!quot; zeide James Horner en hij bezag het met de voorgewende belangstelling en de slecht verholen onverschilligheid, die Roy altijd het ondeugend genoegen had uit te lokken. „Ik heb er geen verstand van, zooals gij

ocr page 208

196

weet,quot; voegde hij er bij, „en ik begrijp niet, hoe een verstandig man als gij belang kunt stellen in die nietigheden. Wat zijn uwe bloemen waard? Als gij autographen ver-zameldet, zou het nog eenigen zin hebben, want ik hoor, dat eene mooie verzameling autographen een aardige som opbrengt op eene veiling.quot;

„Dat zou nog meer schrijfwerk vorderen,quot; zeide Roy lachend. „Het schrijven om er om te vragen zou voor mij even vervelend zijn, als het beantwoorden voor de arme beroemde mannen.quot;

„A propos,quot; zeide de heer Horner, „ik vergat nog u te vertellen, dat die lastige Falck er vandaag in het geheel niet is geweest. Hij heeft niet eens de beleefdheid gehad, te laten weten, dat hij niet kon komen.quot;

„Dan moet hij ziek zijn,quot; zeide Roy ongerust. „Hij is er de man niet naar, weg te blijven, zoolang hij zich staande kan houden. Wij dachten al, voor dat wij naar buiten gingen, dat hij ziek was.quot;

„Of hij ziek is, weet ik niet,quot; zeide James Horner en zette zijn hoed op, „maar ik weet wel, dat hij het onaangenaamste humeur heeft, dat ik ooit heb ontmoet. Het was zeer lastig, dat hij er niet was, want wij komen al handen te kort.quot;

„Het kan nu toch zoo druk niet zijn,quot; zeide Roy. „Londen is geheel verlaten. Maar ik zal eens naar Falck gaan zien. Waarschijnlijk is hij morgen weer beter.quot;

Maar hij was nauwelijks weer pleizierig aan het werk, toen James Horner was weg gegaan, of hij werd onrustig, toen hij aan Frithiof dacht. Het was toch niet waarschijnlijk, dat een kleinigheid iemand met het karakter van den Noorweger kon weerhouden zijn plicht te doen. Misschien was hij wel te ziek, om eene verontschuldiging te schrijven, En hoe hulpbehoevend en eenzaam moest hij dan zijn.

Evenals de meeste menschen was Roy zelfzuchtig. Als

ocr page 209

197

hij alleen had geleefd, zou hij het lederen dag meer zijn geworden, maar het was onmogelijk in Rowan Tree house te leven en in het geheel niet aan anderen te denken. Met eenige inspanning verliet hij zijne verzameling en ging naar Vauxhall, waar hij niet zonder moeite de kleine zijstraat vond, waar, precies gelijkend op een dozijn andere, het huis der dames Turnour stond.

Een oude juffrouw deed hem open en antwoordde zenuwachtig op zijne vraag.

.,De heer Falck is ziek,quot; zeide zij. „Ik geloof, dat hij erg de koorts heeft; maar hij is nog eens zoo geweest, toen hij pas in Engeland was; toen is het in een paar dagen over gegaan.quot;

„Mag ik naar boven gaan?quot; zeide Eoy.

„Nu, hij houdt er in het geheel niet van, dat iemand bij hem komt,quot; zeide juffrouw Charlotte. Hij duldt mij nauwelijks in zijn kamer. Maar als gij eens bij hem wildet gaan, zou het mij waarlijk pleizier doen. Gij zoudt kunnen zeggen, of hij een dokter moet hebben of niet.quot;

„Dank u, dan ga ik. Geef u geen moeite.quot;

„Hij kan geen gedruisch verdragen,quot; zeide juffrouw Charlotte. „Als gij dus alleen den weg kondt vinden, zou dat het beste zijn. Het is de eerste deur als gij boven zijt.quot;

Eoy ging stil naar boven, opende zoo zacht als hij kon de deur en trad binnen. De ondergaande zon scheen door het venster, zoodat het nog vrij licht was in de kamer en de armoedige inrichting duidelijk was waar te nemen.

„Ik wilde, dat gij niet terugkwaamt,quot; zeide een ongeduldige stem uit het bed. „De zachtste voetstap hindert mij.quot;

„Ik kwam eens zien, hoe het met u was,quot; zeide Roy, die ontstelde, toen hij zag, hoe ziek zijn vriend scheen te zijn.

„O, zijt gij het,quot; zeide Frithiof, zijn opgezet gelaat naar den spreker keerend. „Goddank, dat gij zijt gekomen! Die

ocr page 210

198

vrouw zal nog mijn dood zijn. Zij doet niets dan vragen.quot;

„Ik ben pas uit Devonshire terug, maar ik hoorde, dat gij vandaag niet in den winkel waart geweest en toen dacht ik, dat ik eens naar u moest gaan zien.quot;

Frithiof richtte zich een weinig op en dronk koortsig uit den kom met water, die op een stoel naast zijn bed stond.

„Ik kon niet komen,quot; zeide hij. „Ik was zoo duizelig, dat ik niet kon staan; ik moest het opgeven. Mijn hoofd is van streek.quot;

„Arme jongen! gij hadt het vroeger moeten opgeven,quot; zeide Roy. „Doet uw hoofd u veel pijn?quot;

„Ja, het is als een gloeiende ijzeren band,quot; steunde Frithiof. Toen sprong hij plotseling woest op. „Daar is Blanche! daar is Blanche! Laat mij naar haar toe gaan! Laat mij gaan! Ik wil haar nog eens zien — nog eens slechts!quot;

Het kostte Roy moeite hem in bed te houden en na een poos scheen hij weder bij zinnen te zijn. „Heb ik onzin gepraat?quot; zeide hij. „Het is een vreeselijk gevoel niet meer meester over zich zelf te zijn. Als ik gek word, laat mij dan maar sterven, als het u belieft. Het leven is al bitter genoeg, dan zou het ondragelijk zijn. Daar is zij weer! Zij lacht mij toe. O, Blanche! — gij hebt toch van mij gehouden! Kom terug! Hij kan u niet liefhebben, zooals ik u lief heb! Maar het helpt niet — het helpt niet! Zij is erger dan dood. Ik zeg u, dat ik het gezien heb in die vervloekte courant en ik heb het gezien op haar eigen gelaat. En ik had het kunnen weten! Alle vrouwen zijn zoo. Wat bekommeren zij zich er om, zoolang hare ijdelheid wordt voldaan.quot; Het is, zooals Bjornsen zegt:

,.Als gü mij niet toegelachen hadt „Dan weende ik niet om u.quot;

Toen begon hij onsamenhangend te praten, meest in het Noorweegscli, maar telkens herhaalde hij in de vertaling de verzen van Bjornsen.

ocr page 211

199

Intusschen overwoog Roy allerlei plannen. Eindelijk besloot hij Prithiof, zoodra hij wat rustiger was, te verlaten, om een dokter te halen. Juffrouw Charlotte zou voor de deur wacht houden en beloofde binnen te gaan, als hij iets noodig mocht hebben.

Dr. Morris, die een oud vriend was van de Boniface's, ging, toen hij Roy's verhaal had gehoord, dadelijk roet hem mede, tot groote verlichting van de arme juffrouw Charlotte, die buiten zich zelve was van angst, na eene nieuwe woeste uitbarsting van Frithiof.

„Gelooft gij, dat er gevaar is?quot; zeide Roy, toen Fiithiof daarna in eene soort van verdooving lag en niet scheen te bespeuren, wat er om hem gebeurde.

„Indien wij hem in slaap kunnen krijgen, zal het wel gaan,quot; zeide dr. Morris. Zoo niet, dan is het over eenige dagen afgeloopen. Gij moet om zijne moeder zenden, als hij nog eene moeder heeft.quot;

„Hij heeft niemand dan eene zuster en zij is in Noorwegen.quot;

„Nu, laat haar dan komen, want hij moet eene zorgvuldige verpleging hebben. Zegt gij, dat gij hem wilt oppassen? Heel goed; morgen ochtend zal ik eene pleegzuster zenden, dan kunt gij eenige rust hebben. Hij moet den een of anderen schok hebben gehad. Weet gij, wat het was?quot;

„Ik geloof — neen, ik weet — dat verleden jaar een Engelsch meisje, op wie hij erg verliefd was, hem heeft bedrogen. En dat kwam bij die andere zorgen en het verdriet, waarvan ik u heb verteld.quot;

„En hoe is het met die courant, waarover hij praat? Hoe heet dat meisje? Misschien kunnen wij daardoor eenig licht krijgen.quot;

„O,quot; zeide Roy, „zij is eenige maanden geleden getrouwd. Zij is nu lady Romiaux.quot;

De dokter onderdrukte een uitroep.

„Dan is alles duidelijk. Ik veronderstel, dat de arme

ocr page 212

200

jongen oprecht van haar heeft gehouden en nu heeft gelezen, wat er van haar in de couranten staat. Uw vriend moest blijde zijn, dat hij van haar af is, als hij het maar kon inzien, want de man van dat lichtzinnige schepsel zonder hart, moet de ongelukkigste man op de wereld zijn. Wij zullen spoedig weder eene van die afschuwelijke causes celebres hebben en de couranten, in ieder huis, zullen vol zijn van giftige bijzonderheden.quot;

Toen Roy gedurende de lange dagen en nachten, die volgden, de wacht hield aan het ziekbed, toen hij luisterde naar het woeste ijlen van den patient en begreep, hoe zijn leven en gezondheid waren vernietigd door de trouweloosheid van een meisje, werd hij zoo gehecht aan Frithiof,. zoo met hem ingenomen, dat hij zijne planten en zijn microscoop vergat. Hij dacht, dat Blanche Eomiaux' zelfzuchtig verlangen naar bewondering, misschien nog meer slachtoffers had gemaakt en hij wenschte haar in deze kamer te hebben, haar te wijzen op den man, die in slaaplooze ellende zich wentelde in zijn bed en haar toe te roepen: „Daartoe heeft uwe afschuwelijke coquetterie hem gebracht.quot;

Maar lady Romiaux dacht niet meer aan de kleine Noorweegsche episode. Als men haar had gevraagd, zou zij waarschijnlijk hebben geantwoord, dat de werkelijkheid hard genoeg was om geen tijd te laten voor de herinnering aan droomen.

Maar Frithiof leed bitter onder dien droom. Slaapmiddelen hadden geene uitwerking op hem en zijn temperatuur bleef zoo hoog, dat dr. Morris het ergste vreesde.

Roy kon de gedachte niet van zich afzetten, dat hij aan Sigrid Falck had getelegrafeerd over te komen en dat hij haar zou moeten opwachten met de tijding, dat alles voorbij was. En als hij dan dacht aan het opgeruimd gelaat en de hartelijke manieren van het Noorweegsche meisje, werd hij nog treuriger gestemd. Maar Frithiof wist niet eens,

ocr page 213

201

dat om haar was gezonden. Niets maakte meer indruk op hem. Slaap alleen kon hem redden, maar de slaap wilde niet komen en de doodsengel was hem reeds nabij, gereed hem de rust te schenken, waarnaar hij zoo wanhopig had verlangd.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

STILTE EN STORM.

Ofschoon het midden in Augustus was, woei er een bitter koude wind aan het eenzame kleine poststation te Hjerken op het Dovrefield en terzelfder tijd dat Frithiof stervend lag in de ondragelijke hitte van Londen ging Si-grid, rillende van koude, met hare tante over den stellen bergweg. Zij waren veertien dagen geleden te Dovrefield gekomen, maar het weder was ongunstig geweest en, ver van huis, zonder iets om den tijd door te brengen, schenen mevrouw Grönvold en Sigrid elkander meer dan ooit af te stooten. Blijkbaar was het onderwerp van haar gesprek volstrekt niet naar den smaak van Sigrid, want, terwijl zij voortwandelden, waren er rimpels op haar voorhoofd en de schaduw op haar gelaat kwam niet alleen van haren zwarten bonten hoed.

„Ja,quot; zeide mevrouw Grönvold met nadruk, „het spijt mij, dat ik zoo iets moet zeggen, Sigrid, maar het komt mij inderdaad voor, dat gij alles in de war stuurt. Gij geeft voor, dat iedere man dien gij ontmoet, u volkomen onverschillig is, maar toch trekt gij ieders aandacht en ütaat gij Karen in den weg en dat is zeer onaangenaam voor mij, dat verzeker ik u.quot;

Sigrid's wangen gloeiden.

ocr page 214

202

„Ik heb niets gedaan, wat u het recht kan geven, zoo iets te zeggen,quot; zeide zij toornig.

„Watr riep mevrouw Grönvold. „Heeft die Zweedsche botanist niet altijd met u gesproken? Loopt die Engelsche officier u niet overal na?quot;

„De botanist sprak met mij, omdat wij ons voor hetzelfde interesseerden,quot; antwoordde Sigrid. „En waarschijnlijk praat de Engelsche officier het liefst met mij, omdat ik vlugger Engelsch spreek dan Karen.quot;

„Dat was zeker ook de reden, waarom gij het waart, die hem den springdans moest leeren en het bruidslied van Hardanger zingen?quot;

„O!quot; riep Sigrid en zij stampte ongeduldig met haar voet, „moet ik dan altijd denken aan dat ongelukkige plannen maken om een man te krijgen? Mag ik niet eens een Engelschman, die niet jong meer is en teleurgesteld was, omdat hij niet kon jagen, bezig houden in een vervelend klein logement, waar hij niemand kent. Ik ben beleefd tegen hem geweest — meer niet; en als ik gaarne met hem praat, is het alleen omdat hij uit Engeland komt.quot;

„Ik wil u volstrekt niet hard vallen,quot; zeide mevrouw Grönvold, „maar ik ben moeder en ik vind het niet plei-zierig, dat Karen wordt achter gesteld. Ik beschuldig u van niets ergers, mijne lieve, dan dat gij u te veel op den voorgrond dringt — een klein gemis van tact. Daarom behoeft gij niet boos te worden.quot;

Sigrid beet op haar lip om het antwoord tegen te houden, dat zij had willen geven en zwijgend gingen zij verder, naar een groep houten huisjes aan den voet van den berg. In het benedenste waren de slaapkamers, terwijl iets hooger, links de keuken en de eetkamer en rechts de gezellig ingerichte gezelschapszaal stonden. Bij warm weer is Hjerken een klein paradijs, maar op dezen guren dag, onder een looden hemel, scheen het de treurigste plaats van de wereld.

ocr page 215

203

„Ik ga naar binnen om aan Frithiof te schrijven,quot; zeide Sigrid eindelijk. En blijde dat zij van mevrouw Grönvold af kwam, ging zij naar hare kamer.

„Wij zijn nu te Hjerken voor een maand,quot; schreef zij, „en ik kan u niet zeggen, hoe treurig het hier is. Oom en Oscar zijn den geheelen dag op de jacht en er is bijna niemand, met wien men kan spreken; want de meeste Engelschen zijn verjaagd door het slechte weder en twee meisjes uit Stockholm, die hier waren voor hare gezondheid, zijn heden ochtend heen gegaan, omdat zij de verveling niet langer konden uitstaan. Indien er niet spoedig iets gebeurd, geloof ik, dat ik wanhopig zal worden. Maaier zal zeker iets gebeuren. Het kan toch ons lot niet zijn, op dezelfde akelige manier, gescheiden van elkander, voort te gaan. Het is eene groote teleurstelling voor mij, dat gij denkt, dat er voor mij in Londen niet iets is te krijgen. Als het niet om Swanhild was, zou ik werk — behalve les geven — in Christiania zoeken. Maar ik kan haar niet verlaten en oom zou er op tegen hebben, dat ik zoo iets te Bergen beproefde. Ik moet altijd denken aan den tijd, toen wij kinderen waren en aan onze zomer-vacanties. Herinnert gij u nog, toen wij het eiland geheel voor ons zeiven hadden en den dennenheuvel afholden en de goede oude Gro angst aanjoegen?quot;

Zij hield op met schrijven, want de herinnering aan die vervlogen dagen hadden de tranen in hare oogen doen komen en de gedachte aan haren vader vervulde haar; zij waren alles voor elkander geweest, er was geen uur op den dag, dat zij hem niet miste. De gure wind, die om het houten huisje floot en loeide, was geheel in overeenstemming met hare droefheid en toen de etensbel, voor haar veel te vroeg, begon te luiden, sloeg zij haar shawl om en ging langzaam en onwillig het steile pad naar de eetkamer op, met eene uitdrukking op haar bleek gelaat,

ocr page 216

204

die het treurig was van iemand, nog zoo jong, te zien.

Swanhild kwam dansend haar te gemoet. „Majoor Brown heeft zulk een prachtige zalm voor het avondeten gevangen, Sigrid, en oom zegt, dat ik ook eens mee mag gaan visschen. En dan gaat gij ook mede, niet waar?quot;

„Vraag liever Karen,quot; zeide Sigrid lusteloos. „Gij weetr ik houd niet veel van visschen. Gij zult ze vangen en ik zal ze opeten,quot; voegde zij, flauw glimlachend, er bij. En gedurende den avondmaaltijd sprak zij bijna geen woord en zoodra zij kon, verwijderde zij zich stil, maar Swanhild volgde haar.

„Wat scheelr er aan?quot; zeide het kind, haar arm om hare zuster slaande. „Gaat gij niet mede naar de gezelschapszaal?quot;

„Neen,quot; zeide Sigrid, „ik ben vermoeid en het is er zoo koud. Ik ga naar de keuken om postzegels te koopen. Frithiofs brief moet morgen weg.quot;

Terwijl zij sprak, opende zij de deur van de groote,, oude keuken, die de trots is van Hjerken. Zijne drie vensters waren behangen met helder witte gordijnen, de zindelijke vloer was bestrooid met bladeren van den jeneverbes en aan de blauwe muren stonden borden, schotels en allerlei keukengereedschap. Er stond een hooge, oude klok in een zwarte vergulde kast, een aardig donker bruin hoekkastje en een groot ouderwetsch kabinet, met kunstig gemaakte laadjes en vakken, rood en blauw en groen en met zooveel verguldsel, dat het een Oostersch aanzien had.

„O, hoe lekker is dat vuur!quot; riep Swanhild, naar de antieke stookplaats loopend, die een geheelen hoek van het vertrek vulde en er zeker aanlokkelijk uitzag met de koperen pannen en ketels, op welke het vuur flikkerde.

„Kom hier, lief kind!quot; zeide de vriendelijke, oude vrouw des huizes, „ga zitten en warm u.quot;

ocr page 217

205

En een van de dienstmeisjes met witte mouwen bracht een laag stoeltje en zette het voor het kind bij 't vuur: en Sigrid, toen zij de postzegels had gekocht, ging bij haar zitten en warmde hare handen. De warmte deed haar goed en het was eene verlichting, dat hare tante niet bij haar was. De oude vrouw vertelde sprookjes aan Swan-hild, en Sigrid zat droomerig te luisteren, terwijl hare gedachten telkens afdwaalden naar Frithiof, of in het ver-ledene of naar de toekomst, die zoo droevig scheen. Maar de vriendelijkheid van deze menschen en de nieuwheid van hunne levenswijze beurden haar toch een weinig op. Daar bij het vuur voelde zij zich meer op haar gemak, dan zij sedert vele maanden was geweest.

„Kom, Swanhild,quot; zeide zij eindelijk met een zucht; „het is tien uur en tijd om naar bel te gaan.quot;

De twee zusters dankten de oude vrouw voor hare vriendelijkheid ea gingen de plaats over naar de gezelschapszaal, waar mevrouw GrOnvold zat te kijken naar eene whistpartij, waarin Karen de partner was van majoor Brown en juist zijne verontwaardiging had opgewekt door troef te verzaken.

„Waar ter wereld zijt gij toch zoo lang gebleven,quot; zeide mevrouw GrOnvold, driftig breiende. ..Wij wisten niet waar gij kondt zijn.quot;

„Ik ben in de keuken geweest om een paar postzegels te koopen,quot; zeide Sigrid koel. Zij werd aitijd boos. als hare tante haar ondervroeg.

„En het was daar zoo prettig en zoo warm,quot; zeide Swanhild vroolijk, „en vrouw Hjerken heeft mij mooie geschiedenissen verteld van Trolls. Hare moeder heeft er een gezien.quot;

Daarna werd een koel afscheid genomen voor den avond en mevrouw Grönvold's gelaat betrok nog meer, toen majoor Brown uitriep: „Hoe, gaat gij al zoo vroeg weg, juffrouw

ocr page 218

206

Falck? Wij hebben u den geheelen avond erg gemist.quot; En toen zeide zij iets van de Engelsche post. „Ja, ja, gij hebt gelijk. En ik moet ook naar huis schrijven.quot;

„Dat beteekent, dat hij niet langer wil spelen,quot; dacht Sigrid, toen zij de hoogte afging, „en ik zal er weer de schuld van krijgen.quot;

Zij verviel in eene stompe moedeloosheid en lang nadat Swanhild reeds vast in slaap was, schreef zij nog aan haren brief, maar hoezeer zij ook haar best deed, zij kon er geen opgewekten toon in brengen.

„De eenige troost is,quot; dacht zij, „dat het ergste ons reeds is overkomen; wat nu nog komt, kan zoo erg niet zijn. Wat huilt de wind om het huis en rammelt aan de vensters! En, o wat is het leven hier treurig en onaangenaam.quot;

In eene zeer neerslachtige stemming blies zij de kaars uit en zij poogde den slaap te vinden in het bed, dat schudde door den storm.

Er was zeer veel edels in Sigrid's aard, maar daarbij had zij eene fout, die zij zelve zeer goed kende. Zij kon enkelen liefhebben met eene vurige en onbaatzuchtige liefde, maar hare genegenheid bepaalde zich tot die enkelen; verreweg de meesten, die zij kende, waren haar onverschillig en ofschoon van nature voorkomend en beleefd en be-geerig anderen genoegen te doen, was zij toch te terughoudend om hartelijk met al hare bekenden om te gaan; zij mocht hen gaarne lijden, maar zij zou het zich niet erg hebben aangetrokken, als zij hen nooit terug had gezien. Slechts zeer weinigen waren in staat de diepte van haar gemoed te peilen, de vrouwelijke lieftalligheid, die zij inderdaad bezat, terwijl velen voor haar iets afstootends hadden en de harde zijde van hare natuur te voorschijn lokten.

Zoo was het met mevrouw Grönvold. Voor hare tante was Sigrid als ijs en haar afkeer van de kleine komplotten speculaties en zorgen, die mevrouw Grönvold vervulden,

ocr page 219

207

maakten haar blind voor alles, wat waarlijk bewondering verdiende. Maar, evenals alle Falcks, was Sigrid nauwgezet en gedurende het geheele voorjaar en den zomer had zij haar best gedaan en telkens weder gepoogd haar afkeer te overwinnen van iemand, die over het algemeen toch vriendelijk voor haar was; maar juist omdat zij het zoo ernstig had beproefd, wanhoopte zij er aan, dat het haar ooit zou gelukken.

„Mijn leven gaat voorbij,quot; dacht zij bij zich zelve, „en ik trek er geen partij van. Ik ben harder en onverschilliger, dan voordat ik al dit verdriet had; ik hield mij goed, toen ik gelukkig was, maar tegen tegenspoed ben ik niet bestand. Als ik voortga, niet van tante te houden, zal ik misschien Swanhild even onhartelijk maken, als ik ken. O! waarom moet iemand leven met menschen, met wie men onmogelijk kan overeenstemmen?quot;

Zij viel in slaap, voordat zij dit vraagstuk had opgelost, maar zij werd vroeg wakker met een rusteloos verlangen, waarvan zij zich geen rekenschap kon geven. Zij kleedde zich snel aan, deed alle doeken om die zij bezat en ging naar buiten in de frissche morgenlucht.

„Ik zal mij moeten schikken in dit leven,quot; zeide zij bij, zich zelve, „en eene flinke wandeling zal mij misschien in eene andere stemming brengen. Wat niet kan worden verholpen, moet worden verdragen. Hoe heerlijk is het in den vroegen morgen alleen buiten te zijn! Ik ben blijde, dat de wind is bedaard; hij heeft juist genoeg de lucht afgekoeld, dat het is, alsof men ijswater drinkt, als men haar inademt. En het leven moet dragelijk zijn, als men dit nog kan genieten.quot;

Zij verliet den steilen weg en sloeg links af om den top van Hjerkinshö te bereiken. Geen huis was te zien, geen spoor van een levend wezen; zij ging snel voort, want ofschoon de helling hier en daar steil was, was zij dik

ocr page 220

208

bedekt met mos, als met een elastisch kleed, waarop het een genoegen was te loopen. Zij gevoelde geene vermoeienis. Toen zij den top van den heuvel had bereikt, gloeiden hare wangen en zij was blijde te kunnen gaan zitten en uit te rusten naast de groots steenen, die een vergeten voorgeslacht daar had opgestapeld. Om haar heen strekte zich eene golvende, grauwe landstreek uit, waarop de heldere zon van den zomermorgen een warmen tint wierp, die hier en daar werd verbroken door den purperen schaduw van een wolk. Verder op verrezen achter elkander met sneeuw bedekte bergspitsen. Snehaetten stak fier daar boven uit en langs den gezichteinder waren ongeveer 80 andere bergen geschaard, als waren zij de hovelingen van den machtigen monarch van het land. Eerst was Sigrid zoo verrukt door dit prachtig schouwspel, dat zij aan niets anders kon denken; maar na een poos trof haar de door niets gestoorde stilte; voor het eerst in haar leven, was zij in de volmaakte stilte gekomen, in de stilte der oneindige ruimte.

„Wanneer men altijd in zulk een vrede kon zijn,quot; dacht zij, „hoe schoon zou het leven dan wezen! Boven de bekrompenheid en de kleinheid van zijn eigen hart, stil en kalm zijn, zonder alle onaangenaamheden en disharmonie van het leven! Misschien heeft het veilangen daarnaar vrouwen naar het klooster gedreven; nog gaan er naar plaatsen, waar zij nooit spreken. Dat zou mij niet bevallen; alleen uit koppigheid zou ik dadelijk aan het praten gaan. Maar als ik altijd eene groote open ruimte had, als hier, zou ik er heen gaan, als ik onaangenaam werd

Maar de geregelde loop barer gedachten werd plotseling afgebroken, omdat de natuur en haar eigen behoefte een sluier hadden weggerukt. Plotseling werd zij zich bewust van eene oneindige kalmte, in welke altijd een toevlucht kon worden gevonden. Het gevoel van die tegenwoordigheid, die zich aan haar had geopenbaard op den avond van

ocr page 221

209

haars vaders dood, was nu sterker teruggekeerd en voor het eerst van haar leven genoot zij volmaakte rust.

Na een poos stond zij op en zij ging bedaard naar huis, vervuld van nieuwe hoop en besloten een nieuw leven te beginnen. Onderweg plukte zij eenige bloemen voor haar tante; zij glimlachte, toen zij dacht aan de ergernis, die zij den vorigen avond over eene kleinigheid had gevoeld en bijna vroolijk ging zij de oude onaangenaamheden te gemoet, die slechts een paar uren geleden ondragelijk hadden geschenen, maar haar nu licht en onbeduidend voorkwamen.

Arme Sigrid! zij zou nog moeten leeren, dat voornieuwe kracht zwaarder strijd was bewaard en dat van hen, aan wie veel is gegeven, veel zal worden geëischt.

Zij waren dien morgen opgeruimd aan het ontbijt; mevrouw Grönvold scheen In haar schik met hare bloemen en alles ging naar wensch. Later, toen zij samen buiten de deur stonden, stak zij zelfs heel vriendelijk haren arm onder dien van Sigrid en sprak zij zoo aangenaam, als men maar kon wenschen. over een uitstapje, dat zij naar Kongswold zouden maken.

„Kijk! kijk!quot; riep Swanhild vroolijk; „daar komen reizigers aan, twee carriolen en een stolkjaerre komen de hoogte op! O! ik hoop, dat het aardige menschen zijn en dat zij hier blijven.quot;

De komst van nieuwe gasten veroorzaakte eenige drukte; gissingen werden gemaakt in welke betrekking de twee heeren in de stolkjaerre tot elkander stonden. Majoor Brown kwam naar voren om hen te ontvangen, daar de huisheer toevallig afwezig was.

„Is hier iemand, die Falck heet?quot; vroeg een der reizigers, terwijl hij van het voertuig stapte. „Wij waren gisteravond te Dombaas en beloofden dit te bezorgen; wij hadden den logementhouder verteld, dat wij te Fokstuen wilden overnachten, maar hij zeide, dat er geen kans was

14

KEN STOERE NOORMAN. I.

ocr page 222

210

het vroeger te bezorgen. Een vreemde manier, telegrammen te bestellen!quot;

„Dat is voor u, juffrouw Falck,quot; zeide majoor Brown, toen hij het adres had gezien.

Zij ging snel naar hem toe om het telegram van hem aan te nemen, met verhoogde kleur en bevende handen; het leek haar eene eeuwigheid, voordat zij den omslag had opengescheurd en de weinige woorden deden haar verstijven. Een oogenblik scheen alles om haar heen te draaien, toen hoorde zij stemmen in hare nabijheid.

„Wij zijn bijna weggewaaid te Fokstuen,quot; zeide iemand.

„Maar wat bakken zij daar een heerlijk fladbrodV' zeide een ander. „Wij hebben een heelen trommel vol medegenomen.quot;

„Toch geene slechte tijding, mijn lieve, hoop ik?quot; zeide mevrouw Grönvold. „Kind! kind! wat is het? Laat het mij lezen!quot;

Toen kwam een bijna onweerstaanbare drang, in een vloed van tranen uit te barsten, alleen tegengehouden door de tegenwoordigheid van zoovele vreemden en door de noodzakelijkheid, aan hare tante eene uitlegging te geven.

„Het is in het Engelsch,quot; zeide zij met bevende stem. „Er staat alleen: „Prithiof gevaarlijk ziek. Kom dadelijk. Boniface.quot;quot;

„Arm kind! Gij moet dadelijk gaan,quot; zeide mevrouw Grönvold. „Wat kan er zijn gebeurd met Frithiof? Gevaarlijk ziek! Zie, het is gister uit Londen verzonden. Gij moet geen oogenblik verzuimen, mijn lieve. Daar is uw oom; ik zal het hem wel vertellen, ga gij maar naar binnen en pak alles in, wat gij noodig hebt.quot;

Sigrid gehoorzaamde; het was haar, toen zij zich eenmaal had bewogen, alsof zij slechts vatbaar was voor vrees, de vrees, dat zij te laat zou komen voor de En-gelsche stoomboot. Het was al te laat voor de Donder-

ocr page 223

211

dagsche stoomboot van Christiania naar Londen en zij zou haar uiterste best moeten doen om met de volgende te kunnen gaan. Als in een bangen droom pakte zij haren koffer, terwijl Swanhild heen en weer liep om boodschappen te doen, hartverscheurend schreiend, want zij, arm kind, moest achter blijven; zij durfden haar niet laten gaan naar Londen, waar Frithiof slechts een enkele kamer had en misschien aan eene besmettelijke ziekte leed. ïe midden van haar verschrikkelijken angst, gevoelde Sigrid medelijden met het kind en met bitter berouw bedacht zij, dat zij het niet altijd het beste voorbeeld had gegeven en dat al hare plannen een nieuw leven te beginnen en inschikkelijker te zijn voor hare tante, nu waren verijdeld. Het oude leven, met alle verzuimde gelegenheden, was voor bij — en zij gevoelde, dat zij te kort was geschoten.

„Ik heb gemord en ben in opstand gekomen,quot; dacht zij bij zich zelve, „en nu ontneemt God mij de kans om het goed te maken. O, hoe vreeselijk is het, als het te laat is!quot;

„Wij hebben nagezien, hoe gij het best zoudt kunnen gaa,n, lieve,quot; zeide mevrouw Grönvold, de kamer binnen komende. „Het beste zal zijn, dat gij beproeft, of gij te Christiania nog de boot van Vrijdag kunt bereiken; zij komt gewoonlijk nog vroeger te Huil aan, dan de Zater-dagsche boot van Bergen, zegt uw oom.quot;

„Wanneer kan ik vertrekken?quot; vroeg Sigrid ongeduldig.

„Gij moet dadelijk naar Lilleelvedal gaan: het zal een vreeselijk vermoeiende rit voor u zijn, vrees ik - tachtig kilometer en een slechte weg. Maar het kan nog en dat is het voornaamste. Te Lille-elvedal moet gij den nachttrein nemen naar Christiania; het is een sneltrein, die u daarin tien uren brengt, nog bij tijds om de namiddagbout te nemen. Uw oom zal meegaan en u op den trein brengen en als gij wilt, zullen wij aan een vriend te Christiania tele-

14*

ocr page 224

208

bedekt met mos, als met een elastisch kleed, waarop het een genoegen was te loopen. Zij gevoelde geene vermoeienis. Toen zij den top van den heuvel had bereikt, gloeiden hare wangen en zij was blijde te kunnen gaan zitten en uit te rusten naast de groote steenen, die een vergeten voorgeslacht daar had opgestapeld. Om haar heen strekte zich eene golvende, grauwe landstreek uit, waarop de heldere zon van den zomermorgen een warmen tint wierp, die hier en daar werd verbroken door den purperen schaduw van een wolk. Verder op verrezen achter elkander met sneeuw bedekte bergspitsen. Snehaetten stak fier daar boven uit en langs den gezichteinder waren ongeveer 80 andere bergen geschaard, als waren zij de hovelingen van den machtigen monarch van het land. Eerst was Sigrid zoo verrukt door dit prachtig schouwspel, dat zij aan niets anders kon denken; maar na een poos trof haar de door niets gestoorde stilte; voor het eerst in haar leven, was zij in de volmaakte stilte gekomen, in de stilte der oneindige ruimte.

„Wanneer men altijd in zulk een vrede kon zijn,quot; dacht zij, „hoe schoon zou het leven dan wezen! Boven de bekrompenheid en de kleinheid van zijn eigen hart, stil en kalm zijn, zonder alle onaangenaamheden en disharmonie van het leven! Misschien heeft het veilangen daarnaar vrouwen naar het klooster gedreven; nog gaan er naar plaatsen, waar zij nooit spreken. Dat zou mij niet bevallen; alleen uit koppigheid zou ik dadelijk aan het praten gaan. Maar als ik altijd eene groote open ruimte had, als hier, zou ik er heen gaan, als ik onaangenaam werd —quot;

Maar de geregelde loop hater gedachten werd plotseling afgebroken, omdat de natuur en haar eigen behoefte een sluier hadden weggerukt. Plotseling werd zij zich bewust van eene oneindige kalmte, in welke altijd een toevlucht kon worden gevonden. Het gevoel van die tegenwoordigheid, die zich aan haar had geopenbaard op den avond van

ocr page 225

209

haars vaders dood, was nu sterker teruggekeerd en voor het eerst van haar leven genoot zij volmaakte rust.

Na een poos stond zij op en zij ging bedaard naar huis, vervuld van nieuwe hoop en besloten een nieuw leven te beginnen. Onderweg plukte zij eenige bloemen voor haar tante; zij glimlachte, toen zij dacht aan de ergernis, die zij den vorigen avond over eene kleinigheid had gevoeld en bijna vroolijk ging zij de oude onaangenaamheden te gemoet. die slechts een paar uren geleden ondragelijk hadden geschenen, maar haar nu licht en onbeduidend voorkwamen.

Arme Sigrid! zij zou nog moeten leeren, dat voor nieuwe kracht zwaarder strijd was bewaard en dat van hen, aan wie veel is gegeven, veel zal worden geSischt.

Zij waren dien morgen opgeruimd aan het ontbijt; mevrouw Grönvold scheen in haar schik met hare bloemen en alles ging naar wensch. Later, toen zij samen buiten de deur stonden, stak zij zelfs heel vriendelijk haren arm onder dien van Sigrid en sprak zij zoo aangenaam, als men maar kon wenschen, over een uitstapje, dat zij naar Kongswold zouden maken.

„Kijk! kijk!quot; riep Swanhild vroolijk; „daar komen reizigers aan, twee carriolen en een stolkjaerre komen de hoogte op! O! ik hoop, dat het aardige menschen zijn en dat zij hier blijven.quot;

De komst van nieuwe gasten veroorzaakte eenige drukte; gissingen werden gemaakt in welke betrekking de twee heeren in de stolkjaerre tot elkander stonden. Majoor Brown kwam naar voren om hen te ontvangen, daar de huisheer toevallig afwezig was.

„Is hier iemand, die Falck heet?quot; vroeg een der reizigers, terwijl hij van het voertuig stapte. „Wij waren gisteravond te Dombaas en beloofden dit te bezorgen; wij hadden den logementhouder verteld, dat wij te Fokstuen wilden overnachten, maar hij zeide, dat er geen kans was

KE\ STOERE NOORMAN. I. 14

ocr page 226

210

het vroeger te bezorgen. Een vreemde manier, telegrammen te bestellen!quot;

„Dat is voor u, jufifrouw Falck,quot; zeide majoor Brown, toen hij het adres had gezien.

Zij ging snel naar hem toe om het telegram van hem aan te nemen, met verhoogde kleur en bevende handen; het leek haar eene eeuwigheid, voordat zij den omslag had opengescheurd en de weinige woorden deden haar verstijven. Een oogenblik scheen alles om haar heen te draaien, toen hoorde zij stemmen in hare nabijheid.

„Wij zijn bijna weggewaaid te Fokstuen,quot; zeide iemand.

„Maar wat bakken zij daar een heerlijk fladbrodlquot; zeide een ander. „Wij hebben een heelen trommel vol medegenomen.quot;

„Toch geene slechte tijding, mijn lieve, hoop ik?quot; zeide mevrouw Grönvold. „Kind! kind! wat is het? Laat het mij lezen!quot;

Toen kwam een bijna onweerstaanbare drang, in een vloed van tranen uit te barsten, alleen tegengehouden door de tegenwoordigheid van zoovele vreemden en door de noodzakelijkheid, aan hare tante eene uitlegging te geven.

„Het is in het Engelsch,quot; zeide zij met bevende stem. „Er staat alleen: „Frithiof gevaarlijk ziek. Kom dadelijk. Boniface.quot;quot;

„Arm kind! Gij moet dadelijk gaan,quot; zeide mevrouw Grönvold. „Wat kan er zijn gebeurd met Frithiof? Gevaarlijk ziek! Zie, het is gister uit Londen verzonden. Gij moet geen oogenblik verzuimen, mijn lieve. Daar is uw oom; ik zal het hem wel vertellen, ga gij maar naar binnen en pak alles in, wat gij noodig hebt.quot;

Sigrid gehoorzaamde; het was haar, toen zij zich eenmaal had bewogen, alsof zij slechts vatbaar was voor vrees, de vrees, dat zij te laat zou komen voor de En-gelsche stoomboot. Het was al te laat voor de Donder-

ocr page 227

211

dagsche stoomboot van Christiania naar Londen en zij zou haar uiterste best moeten doen om met de volgende te kunnen gaan. Als in een bangen droom pakte zij haren koffer, terwijl Swanhild heen en weer liep om boodschappen te doen, hartverscheurend schreiend, want zij, arm kind, moest achter blijven; zij durfden haar niet laten gaan naar Londen, waar Prithiof slechts een enkele kamer had en misschien aan eene besmettelijke ziekte leed. Te midden van haar verschrikkelijken angst, gevoelde Sigrid medelijden met het kind en met bitter berouw bedacht zij, dat zij het niet altijd het beste voorbeeld had gegeven en dat al hare plannen een nieuw leven te beginnen en inschikkelijker te zijn voor hare tante, nu waren verijdeld. Het oude leven, met alle verzuimde gelegenheden, was voor bij — en zij gevoelde, dat zij te kort was geschoten.

„Ik heb gemord en ben in opstand gekomen,quot; dacht zij bij zich zelve, „en nu ontneemt God mij de kans om het goed te maken. O, hoe vreeselijk is het, als het te laat is!quot;

„Wij hebben nagezien, hoe gij het best zoudt kunnen gaan, lieve,quot; zeide mevrouw Grönvold, de kamer binnen komende. „Het beste zal zijn, dat gij beproeft, of gij te Christiania nog de boot van Vrijdag kunt bereiken; zij komt gewoonlijk nog vroeger te Huil aan, dan de Zater-dagsche boot van Bergen, zegt uw oom.quot;

„Wanneer kan ik vertrekken?quot; vroeg Sigrid ongeduldig.

„Gij moet dadelijk naar Lilleelvedal gaan: het zal een vreeselijk vermoeiende rit voor u zijn, vrees ik — tachtig kilometer en een slechte weg. Maar het kan nog en dat is het voornaamste. Te Lille-elvedal moet gij den nachttrein nemen naar Christiania; het is een sneltrein, die u daar in tien uren brengt, nog bij tijds om de namiddagbout te nemen. Uw oom zal meegaan en u op den trein brengen en als gij wilt, zullen wij aan een vriend te Christiania tele-

14*

ocr page 228

212

grafeeren om u aan het station af te halen. Het ergst Is maar, dat op het oogenblik de meeste menschen uit de stad zijn.quot;

„O, ik heb niemand noodig,quot; zeide Sigrid, „als ik de boot maar kan halen, doet al het andere er niets toe.quot;

„En maak u niet al te ongerust,quot; zeide mevrouw Grön-void; „wie weet, misschien vindt gij hem beter.quot;

„Zij zouden niet om mij hebben getelegrafeerd, als zij niet haden gevreesd —quot; Sigrid hield plotseling op, niet in staat den zin te voleindigen. En toen met eenige onsamenhangende woorden omhelsde zij hare tante, vroeg haar vergiffenis voor haar lastig humeur en dankte haar voor al hare goedheid. En mevrouw Grön void, wier geweten ook sprak, kuste het meisje, weende met haar en was de goedheid zelve.

Toen kwam de smart van het afscheid van Swanhild, die niet tot bedaren was te brengen en in de eenzame slaapkamer achterbleef, snikkende, alsof haar hart zou breken, terwijl Sigrid met hare tante naar beneden ging en haastig afscheid nam van majoor Brown, Oscar en Karen; toen klom zij, bleek, maar zonder een traan te storten, in de stolkjaerre en reed langzaam weg in de richting van Dalen.

Haar oom sprak vriendelijk met haar; hij maakte gissingen over de oorzaak van Frithiofs ziekte en zij antwoordde ontwijkend, dewijl zij in haar hart overtuigd was, dat Blanche Morgan de oorzaak er van was. Zou er dan nooit een einde komen aan het ongeluk, dat de ijdelheid eener zelfzuchtige vrouw had veroorzaakt? Een ding stond bij haar vast, als Frithiof gespaard bleef, zou zij hem nooit meer verlaten; en de gedachte, dat zij misschien Noorwegen niet terug zou zien, deed haar met pijnlijke belang stelling naar de omgeving zien, die zij verliet. Snehaetten's hooge toppen rezen op in de verte, schitterend wit tegen den

ocr page 229

213

helder blauwen hemel; wat een lange tijd scheen het geleden, sedert zij op Hjerkinshö hem had aanschouwd in de diepe stilte, die vooraf was gegaan aan den groeten storm! Beneden haar, rechts, lag eene schoone lachende vallei met berke- en sparreboomen en verderop rondgetopte bergen, hier en daar met witte plekken sneeuw in de donkere rotsspleten.

Maar weldra werd iedere gedachte aan hare tegenwoordige omgeving verdrongen door den alles beheerschenden angst, te meer daar haars vaders snelle dood alle hoop voor haar scheen te vernietigen en het haar was, alsof een stem in haar binnenste haar zeide, dat haar reis te vergeefs zou zijn. Telkens als die vrees haar hart beving, werd de langzame gang van het voertuig on verdragelij k en de kalme lieden te Dalen, die op hun gemak een paard haalden, dat kreupel bleek te zijn en, na veel heen en weer praten op hun gemak een ander haalden, stelden haar geduld op een zware proef. Met hare eigen handen hielp zij het paard inspannen en aan het eenzame station te Kroghausen, waar alles stil was als het graf, dreef zij niet alleen de menschen aan tot haast, maar toen zij hoorde, dat zij daar iets moest gebruiken, haalde zij zelve brandhout en rustte niet, voordat alles, wat het huis kon opleveren, voor den heer Grön-void was gereed gemaakt.

Eindelijk waren zij gereed. Zij reden door Ryhaugen en legden zoo snel mogelijk het laatste gedeelte van hun weg af. Op ieder anderen tijd zou het schoone bosch, waar zij door gingen, haar hebben in verrukking gebracht en de zilveren stroom in de vallei beneden, met zijne vele kronkelingen en melodieus gemurmel zou haar hebben genoopt, daar te vertoeven. Thans zag zij dat alles ter nauwernood en toen midden in het bosch de voerman verklaarde, dat zijn paard een half uur moest rusten, was zij wanhopend.

„Maar gij hebt nog overvloed van tijd, lieve,quot; zeide haar

ocr page 230

214

oom vriendelijk. „Kom, wandel een eindje met mij op; het zal u goed doen.quot;

Zij ging met hem mede en poogde het razend ongeduld, dat haar overmeesterde te bedwingen.

„Zie,quot; zeide hij eindelijk, toen zij zaten te rusten op een met mos begroeiden steen, „ik zal u, nu wij hier rustig en alleen zijn, het geld voor uw reis geven. Hier is een wissel van vijftig pond; gij hebt den tijd dien te Christia-nia in te wisselen;quot; en toen zij betuigde, dat het veel te veel was, „neen, neen, gij zult het wel aoodig hebben in Engeland. Het kan misschien eene langdurige ziekte zijn; en in ieder geval,quot; voegde hij onhandig er bij, „zullen er kosten zijn.quot;

Sigrid was het, alsof haar keel werd dicht gesnoerd; zij bedankte hem, maar dat „in ieder gevalquot; klonk haar in de ooren gedurende het overige van hun rit, toen zij wachtten in het logement te Lille-elvedal en gedurende haar eenzame reis in den trein.

Eerst toen zij aan boord van de Angela was, vond zij verlichting in tranen. Eene groote menigte was bijeen op de kaden, want een aantal landverhuizers staken over naar Engeland, op weg naar Amerika. Sigrid stond daar alleen en aanschouwde menig afscheid; zij zag sterke mannen, snikkende als kinderen, op het dek komen; zij zag vrouwen weenen, alsof haar hart zou breken. En toen de menigte, die op de kade was achtergebleven, vaderlandsche liederen begon te zingen, kwamen ook haar de tranen indeoogen. Met gedempte stem zongen zij „For Norge, Kjaempers foder-landquot; en „Det Norske Flag.quot; En het laatst, toen de groote stoomboot langzaam weg voer, zongen zij met een innig gevoel, dat zelfs de onverschillige vreemdelingen aan boord aandeed: „Ja vi elsker dette landet.quot;

De drukte en de beweging op de boot, de werkende matrozen, de weenende landverhuizers, de zwarte massa

ocr page 231

215

menschen aan den wal, wuivende met hoeden en zakdoeken, sommigen schreiend, sommigen zingend, om de ver-trekkenden op te beuren en daarachter de schoone stad Christiania — het kwam Sigrid voor als een droom, maar toch was het iets, dat niemand, die het had gezien, kon vergeten. Wakker zongen de vrienden aan den wal, terwijl hun stemmen over het wijder wordende water klonken, de lieflijke wijs, die zoo goed bij de innige woorden past:

„Ja/' wü beminnen met innige liefde Noorwegen's bergen.

„Door stormen gegeeselc^ zich verheffend boven den Oceaan een woonplaats voor duizenden.

„Wü beminnen ons land, als wü denken aan onze groote vaderen.

„Kn aan de duistere sagen, die droomen doen neerdalen.

„Harald, die den troon bestygt, door zijn machtig zwaard gewonnen.

..Hakon, Noorwegen's recht beschermend, door Oyvind's zwaard geholpen.

„Uit het bloed des heiligen Olafs, Christus' kruis omhoog geheven.quot;

Maar de afstand werd te groot, om de woorden te verstaan; alleen de aangrijpend schoone melodie bereikte nog het westwaarts stevenende schip en menig man luisterde met ingehouden adem naar stemmen, die nooit meer door hem zouden worden gehoord en menige vrouw verborg haar gelaat en snikte in hartstochtelijke droefheid.

ocr page 232

216

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

Cecil.

Den volgenden Maandagnamiddag stapte Roy Boniface, bleek en vermoeid door alles, wat hij had doorgestaan, op en neer aan het station van aankomst van King's Cross. Reeds was de trein van Hull in zicht. Hij verlangde naar Sigrid's komen, maar zag tegelijk vreeselijk op tegen de eerste ontmoeting, tegen de gejaagde vragen en de treurige antwoorden, die er op moesten volgen. De reis van de stoomboot was door mist vertraagd en de reizigers waren eerst dien morgen te Huil geland, zoodat Sigrid nauwelijks den tijd had gehad, het uur van haar komst te teiegrafeeren en niet had kunnen wachten op een antwoord, dat haarFrithiofs toestand meldde. Hij zou haar nu alles moeten vertellen, te midden van het gedrang van onverschillige menschen, die hem nu reeds hinderden; want gedurende de laatste dagen had hij zoo geheel voor zijn patient geleefd, dat de drukte vreemd scheen. Zijn hart klopte sneller, toen de trein het station binnen reed en rijtuig na rijtuig hem voorbij snelde. Hij zag haar niet dadelijk, maar toen hij haastig de rijtuigen langs liep en scherp de reizigers opnam, vielen hem eindelijk het gouden haar en de zwarte kleeding in het oog, die hij zich zoo vaak had voorgesteld, en hij hoorde eene heldere stem, met iets van Frithiof's kalm gezag zeggen: „Het is een zwarte kofifer van Huil en de naam is Falck.quot;

„Frithiof?quot; vroeg zij, terwijl zij hare hand in de zijne legde.

„Hij leeft nog,quot; zeide Roy: hij dorst geen uitwijkend antwoord geven aan de blauwe oogen, die tot in zijn hart

ocr page 233

217

schenen te zien. Of zij het ergste had gevreesd, of beter nieuws had verwacht, kon hij niet zeggen; zij werd doodsbleek en hare lippen beefden.

„Ik zal voor uwe bagage zorgen,quot; zeide hij, „maar voordat gij bij hem gaat, moet gij iets gebruiken. Ik zie, dat de lange reis u heeft vermoeid en als gij niet bedaard zijt, zult gij hem nog onrustiger maken.quot;

Zij antwoordde niet, maar liet gewillig zich door hem naar de eetzaal leiden, waar hij brood en thee voor haar bestelde; zij deed zelfs eene poging om het brood te snijden, dat voor haar was neergezet, maar zij was te afgemat om het te doen. Roy zag het, trok bedaard het bord naar zich toe, sneed een paar dunne sneedjes af en smeerde er boter op. Het was al maanden geleden, sedert zij als toevallige reisgenooten afscheid had genomen, maar toch leek het Sigrid de natuurlijkste zaak van de wereld, dat hij voor haar zorgde, terwijl bij den eersten blik op haar vragend gelaat, bij den eersten druk van hare hand Roy had gevoeld, dat hij haar lief had. Na haar eenzame reis, waarbij niemand zich om haar had bekommerd, was het onbeschrijfelijk vertroostend, iemand naast zich te hebben, die dadelijk hare wenschen scheen te raden. Om hem genoegen te doen, deed zij haar best iets te eten en te drinken en weldra reden zij naar Vauxhall en was alle vrees verdwenen, dat zij zich niet goed zou kunnen houden.

„Vertel mij nu van zijne ziekte,quot; zeide zij eindelijk. „Wat was de oorzaak?quot;

„De dokter zegt, dat zij het gevolg moet zijn van een grooten schok; het schijnt dat hij treurig nieuws had gehoord van lady Romiaux.quot;

„Ik wist, dat dat ellendig schepsel er de schuld van was.quot; riep Sigrid, hare handen samen klemmende. „Ik wenschte, dat zij dood was.quot;

De bitterheid van die woorden verbaasde hem, want

ocr page 234

218

zij was van nature zacht en zulk eene heftigheid had hij van haar niet verwacht.

„Zij is, zooals Frithiof telkens zegt, erger dan dood,quot; hernam Roy. „Het is eene ongelukkige geschiedenis. Hij schijnt het In een courant te hebben gelezen en hij is bijna dadelijk er onder bezweken. Ik hoor, dat hij geheel buiten zich zei ven was, toen hij dien avond den winkel verlieten toen ik hem den volgenden avond zag, was hij ijlende.quot;

„Is zijn hoofd dan van streek?quot; stamelde zij.

„Ja; hij was al een geheelen tijd niet gezond geweest, maar hij wilde niet toegeven. Al het verdriet van verleden najaar had hem sterk aangegrepen en dit was, zooals zij zeggen, het laatste stootje. Maar als wij hem maar in slaap kunnen krijgen, is er nog hoop op herstel.quot;

„Hoe lang heeft hij niet kunnen slapen?quot;

„Ik ben Dinsdagavond bij hem gekomen; Maandag had hij die courant gelezen; het is heden al acht dagen geleden en daarna heeft hij niet meer geslapen. Wanneer hebt gij mijn telegram ontvangen?quot;

„Eerst Donderdag; het moest ons van Bergen worden nagezonden. Wij waren op een afgelegen plaats op het Dovrefleld.quot;

„En gij zijt sedert dien tijd op reis geweest? Gij moet vreeslijk vermoeid zijn.quot;

„O, de reis was niets; het was de vreeslijke angst, die mij bijna krankzinnig maakte. Maar dat is nu voorbij en ik ben ten minste bij tijds, om hem nog te zien.quot;

„Hier is het huis, waar hij woont,quot; zeide Roy, toen de cab stil hield. „Zijt gij in staat om naar hem toe te gaan, of wilt gij eerst wat rusten?quot;

„Neen, neen; ik moet hem dadelijk zien,quot; zeide zij. En het scheen inderdaad, dat de spanning haar hare vermoeienis deed vergeten; hare wangen gloeiden, hare oogen schitterden van verlangen. Zij volgde hem in het sombere

ocr page 235

219

huis, zeide eene beleefdheid tot juffrouw Charlotte, die in het portaal stond om haar te ontvangen, liep toen haastig de trap op en trad de donkere kamer binnen, waar in plaats van de beweging, die zij zich had voorgesteld, eene doodsche stilte heerschte. Eene pleegzuster, wier vriendelijk, kalm gelaat een eigenaardige tegenstelling vormde met hare sombere kleeding, zat naast de matras, die om de verpleging gemakkelijker te maken op den vloer was gelegd. Frithiof lag in de volkomen onbeweeglijkheid, die een gevolg is van uitputting, en Sigrid, die hem nooit ziek had gezien, was een oogenblik overstelpt door haar gevoel Dat hij, die altijd zoo sterk, zoo moedig, zoo levenslustig was geweest, hiertoe was vervallen! Het scheen haast niet mogelijk, dat het vermagerde, afgematte, bleeke gelaat op dit kussen, hetzelfde gelaat was, dat haar op het dek van de stoomboot voor het laatst had toegelachen, toen hij vertrok om dat noodlottig bezoek aan de Morgans te brengen. Hij sprak onsamenhangende woorden en twee malen hoorde zij den naam Blanche.

„Als zij hier was zou ik haar kunnen vermoorden,quot; dacht zij bij zich zelve, maar haar woedende toorn verdween dadelijk, want al hare vrouwelijke teederheid werd gewekt door Frithiofs hulpbehoevendheid.

„Beproef eens, of gij hem kunt bewegen, dit te nemen,quot; zeide de pleegzuster, haar een kopje bouillon gevende.

Hij nam het lijdzaam in. maar blijkbaar herkende hij haar niet. Eerst na verloop van eenigen tijd scheen het geluid van haar stem en de klank van zijn moedertaal hem te treffen. Zijne oogen, die dagen achtereen alleen de schijnbeelden zijner verbeelding hadden gezien, vestigden zich op haar gelaat en allengs kwam hij er toe, haar te herkennen.

„Sigrid!quot; riep hij uit op zulk een toon van verlichting, dat de tranen haar in de oogen sprongen.

Zij boog zich en kuste hem.

„Ik ben gekomen om u op te passen en als gij geslapen

ocr page 236

220

hebt, hebben wij veel te praten,quot; zeide zij zacht. „Laat mij uwe ku«sens opschudden.quot;

Hare tegenwoordigheid verwekte bij hem geene verwondering, lokte geene vragen uit, maar had alleen eene bedarende werking.

„Spreek,quot; zeide hij. „ Het doet mij zoo goed, weder Noorsch te hooren.quot;

„Ik ztl spreken, als gij uw best doet om te slapen. Ik ga bij u zitten en zal een paar liederen van Björnsen voor u opzeggen.quot; En met zijn hand in de hare zeide zij met kalme stem op „Jeg har sogtquot; en „Olaf Trygvasonquot; en „Prinsessen.quot;

Het laatste scheen vooral hem genoegen te doen en toen zij het voor de zesde maal had herhaald, gaf Roy, die hem aandachtig had gade geslagen, haar een kleinen wenk en neerziende, bespeurde zij, dat Frithiof sliep. Niemand bewoog zich, want zij wisten, hoeveel afhing van dien slaap. De pleegzuster, die een van die opgeruimde men-schen was, die altijd in het tegenwoordige — en meest voor anderen — leefde, overlegde, hoe zij het best Sigrid kon aflossen zonder den patient te storen.

Sigrid zelve leefde in het verleden en hield droevig haar blik gevestigd op Frithiof's veranderd gelaat. Zou hij ooit weder zoo sterk, onverschrokken, opgewekt zijn, als hij was geweest? Zij herinnerde zich, hoe hij in vroeger tijd frisch en gesterkt van de jacht was teruggekeerd, als de anderen dood moede waren. Zij dacht aan zijne kamer in hun oud huis te Kalvedalen met de geweren en het vischtuig, met de herte- en beerenhulden, en opgezette vogels, zegeteekenen van zijn tochten. En dan zag zij deze akelige Londensche kamer rond en zij dacht, hoe treurig hij moest zijn gestemd geweest, als hij er 's avonds terugkeerde en daar zat te werken aan vertalingen, in welke hij hoegenaamd geen belang kon stellen.

ocr page 237

221

Maar Roy, die verscheidene dagen in die ziekenkamer had geleefd en nauwelijks aan iets anders had gedacht, voelde dat een groote last van zijne schouders was genomen. Sigrid was gekomen en als met een tooverslag opende zich voor hem eene blijde toekomst, in welke hij altijd het schoone vrouwengelaat, dat hij nu voor zich zag, zou zien; eene toekomst, in welke hij het recht zou hebben haar te dienen, haar te beschermen en hare armoede in rijkdom te veranderen. Maar deze laatste gedachte verwekte eenige vrees. Want hij dacht, dat Sigrid niet zonder iets van Frithiofs trotschheid was. Indien zij hem eens kon liefhebben, zou de geldquaestie natuurlijk geen verschil maken; maar hij vreesde, dat hare trots misschien uit zijn rijkdom en hare armoede een slagboom zou maken, die voor altijd de gedachte aan liefde buitensloot.

Van allen, die in deze kamer bijeen waren, genoot Frithiof de volmaakste rust, want eindelijk was de onwaardeerbare gift, een onafgebroken slaap zonder droomen, gekomen. Want even als het geestesleven in ons sterft, wanneer wij ondergaan in de dingen dezer wereld en de tijdlooze kalmte verzaken, die onze ware toestand is, evenzoo zinken lichaam en ziel, indien zij niet een poos kunnen ontvluchten in het rijk van den slaap. De anderen leefden in het verledene, het tegenwoordige of de toekomst, maar Frithiof was in dien gezegenden toestand van rust, die — ons zeiven onbewust — ons geheele wezen herstelt. Wat gebeurt met ons in den slaap, dat wij als nieuwe menschen weder ontwaken? Niemand kan het verklaren. Wat gebeurt met ons, als:

„Zwak wij knielen om sterk weer te rijzen?quot;

Niemand kan het verklaren. Maar het is zoo. Door deze middelen worden lichaam en geest hernieuwd.

De volgende paar dagen merkte Frithiof weinig op. Tot

ocr page 238

222

verrassing en vreugde van allen, sliep hij bijna altijd door, alleen ontwakende om voedsel te nemen, om zich te vergewissen, dat Sigrid |bij hem was en een heerlijk gevoel van rust en verlichting te genieten.

„Hij is het nu te boven,quot; zeide dr. Morris opgeruimd. „Gij zijt juist bij tijds gekomen, juffrouw Falck. Maar laat mij u een raad geven; als gij kunt, blijf dan in Engeland en ga met hem samen wonen; hij moet niet zoo veel alleen zijn.quot;

„Denkt gij, dat hij weer zulk een aanval zou kunnen krijgen?quot; vroeg Sigrid angstig.

„Neen, dat zeg ik niet. Hij heeft een wonder sterk gestel en er is geen grond voor de vrees, dat hij weer zal instorten. Maar hij loopt meer gevaar melancholiek te worden, als hij alleen is en gijk unt verhinderen, dat zijn leven te eentonig wordt.quot;

Terwijl zij die stille dagen in de ziekekamer doorbracht, martelde Sigrid haar brein om een middel te bedenken om geld te verdienen en doorzocht, zooals zoovele vrouwen vóór haar hadden gedaan, de advertentiön in de couranten en won vruchteloos inlichtingen in en verkwistte daarmede tijd en geld. En toen Roy op zijn gewone uur 's morgens kwam om haar af te lossen, gaf hij haar eene grove enveloppe aan haar adres, die hij in het portaal had vinden liggen. Zij opende die haastig en uitte een kleine kreet van teleurstelling en ergernis.

„Scheelt er iets aan?quot; vroeg hij.

Zij begon te lachen, maar hij verbeeldde zich, dat hij tranen in hare oogen zag.

„O,quot; zeide z\j. „het lijkt zoo dwaas, nadat ik er zooveel van had verwacht. Gij weet, dat ik heb gehoopt, werk te vinden in Londen en nu stond er eene advertentie in de courant, inhoudende, dat twee pond in de week gemakkelijk kon worden verdiend door een man of eene vrouw, zonder

ocr page 239

223

hunne gewone bezigheden te hinderen en dat alle bijzonderheden zouden worden medegedeeld na de ontvangst van anderhalve shilling. Ik heb het geld gezonden en nu krijg ik dit leelijke aluminium potlood en ik moet de twee pond in de week verdienen door er bestellingen op te vragen.quot;

De dwaasheid van de geheele geschiedenis werd haar nog duidelijker en zij lachte nu vroolijker en Roy lachte ook.

„Hebt gij nog iets anders beproefd?quot; vroeg hij.

„O, ja,quot; zeide Sigrid; ik begon al in Noorwegen: ik schreef een verhaaltje en zond het aan een van onze beste romanschrijvers om zijn oordeel te vernemen.quot;

„En wat zeide hij?quot;

„Nu,quot; hernam zij glimlachend; „hij antwoordde mij heel vriendelijk, maar hij schreef, dat hij in gemoede iemand, wien het alleen om geld was te doen, niet kon aanraden te schrijven. Ik heb het nooit weer beproefd. Toen heb ik nog op eene advertentie geschreven en ik ontving een pak borduurpatronen. Het is geld weggooien, op dergelijke dingen te schrijven. Ik hoor, dat een vrouw met honden te scheren, een guinje kan verdienen, maar ik kan niet met honden omgaan,quot; en zij lachte vroolijk.

Roy verzonk in gepeins over de raadsels van het dage-lijksch leven. Hier zat hij met meer geld, dan hij kon uitgeven en hier zat de vrouw, die hij lief had, te vergeefs haar best doende om een paar shillings te verdienen. Maar juist omdat hij haar lief had, verhinderde een ridderlijk gevoel hem haar aan zich verplicht te maken. Hij wilde alles voor haar doen wat hij kon, maar in deze geldquaes-tie, die voor haar een levensquaestie was, moest hij een werkeloos toeschouwer zijn. En hij durfde haar ook nog niet de waarheid te bekennen, want hij zag duidelijk, dat zij geheel opging in Frithiof en dat zij vooreerst nog niet vrij zou zijn om aan zich zelve te denken. Het was duidelijk, dat zij hem nog beschouwde met dezelfde openhar

ocr page 240

224

tige welwillendheid, als te Balholm, en dat zij in zijne hulpvaardigheid niets had gezien, dat als de oplettendheid van een verliefde kon worden beschouwd. Hij was immers haars broeders eenige vriend in Engeland en het was dus natuurlijk, dat hij voor hen deed, wat hij kon.

„Mijn vader en moeder komen heden avond 't huis,quot; zeide hij eindelijk, „en als gij het mij veroorlooft, zal ik hun vragen, of zij niets weten, dat u past. Cecil zal er zeer naar verlangen u weer te zien. Zoudt gij morgen namiddag niet met haar kunnen gaan rijden? Dan zou ik hier bij uwen broeder kunnen blijven.quot;

„O, ik zou haar gaarne willen wederzien,quot; zeide Sigrid. „Wij hielden allen veel van haar, verleden jaar. Ik geloof niet, dat ik haar al waarlijk ken, want zij is niet gemakkelijk te kennen; maar juist daardoor trok zij mij aan.quot;

„Ik geloof niet, dat iemand Cecil kan kennen, die niet lang met haar heeft geleefd,quot; zeide Roy. „Zijis zeer terughoudend.quot;

„Ja; eerst dacht ik, dat zij alleen zacht en lief was, zonder veel karakter, maar eens toen wij samen uit waren, poogden wij een paar wilgentakken af te breken; het ging niet gemakkelijk en ik gaf het op, maar zij hield vol met een uitdrukking van vasten wil op haar gelaat, die mij verbaasde en zij zeide: „Ik wil mij niet laten overwinnen door dien tak.quot;

„Dat is Cecil, geheel en al,quot; zeide Roy glimlachend. „Zij wilde zich nooit laten uit het veld slaan. Mag ik haar zeggen, dat gij goed vindt, dat zij u morgen komt afhalen ?quot;

Sigrid stemde gaarne toe en den volgenden dag reden mevrouw Boniface en Cecil naar het kleine huis in Vaux-hall. Roy bracht Sigrid beneden naar het rijtuig en met een gevoel van geluk en voldoening stelde hij haar voor aan zijne moeder en zag hij de warme begroeting van Cecil.

„Ik weet waarlijk niet, wat er van Frithiof zou zijn geworden, als gij niet zoo goed voor hem waart geweest,quot;

ocr page 241

225

zeide Sigrid. „Uw zoon heeft inderdaad zijn leven gered, geloof ik, door hem in zijne ziekte op te passen.quot;

„En het ergste is nu voorbi.i, hoop ik,quot; zeide mevrouw Boniface. „Dat is zulk een troost.quot;

Al dadelijk voelde Sigrid zich aangetrokken tot de goedhartige, moederlijke oude dame; zij stortte haar hart voor haar uit; zij spraken over de treurige oorzaak van Prithiof's ziekte; over het verleden in Noorwegen en over de toekomst, die hem wachtte, terwijl Cecil luisterde met de volmaakte heerschappij over zich zelve, die een sterk karakter verraadt en de anderen volstrekt niet vermoedden, dat hare woorden, die zoo gretig werden aangehoord, als zoovele dolksteken voor haar waren. De nette brougham van den rijken winkelier mocht prozaïsch schijnen en volstrekt niet de plaats voor een roman, maar de drie, die er in zaten, met haar vreugd en haar verdriet, haar hoop en haar vrees, doorleefden toch ieder eene aangrijpende levensgeschiedenis. Want ieder hart heeft zijn roman en of men leeft in een paleis, in eene stille woning of in een kamertje van een achterbuurt, het is alles hetzelfde. De bijzonderheden verschillen, de bijkomende omstandigheden zijn geheel anders, maar de liefde, de groote drijfveer des levens, is in de geheele wereld hetzelfde.

„Wat mij het ongelukkigst maakt,quot; zeide Sigrid, „is, dat het leven, als het ware, voor hem geheel weg is, al is hij nog zoo jong: het is bedorven en rampzalig gemaakt en hij is pas een-en-twintig jaar.quot;

„Maar juist, dat hij zoo jong is, geeft mij hoop, dat een blijder toekomst voor hem is weggelegd,quot; zeide mevrouw Boniface.

„Dat geloof ik niet,quot; zeide Sigrid. „Dat meisje heeft hem iets ontnomen, wat hij nooit terug zal vinden; ik houd het niet voor mogelijk, dat een man tweemaal in zijn leven zoo kan lief hebben.quot;

15

EEN STOERE NOORMAN. I.

ocr page 242

226

„Misschien niet geheel op dezelfde manier,quot; zeide mevrouw Boniface.

„En bovendien,quot; zeide Sigrid, „welk meisje zou zyn gesteld op eene liefde, als hij nu zou kunnen aanbieden? Ik geloof dat mij niets zou kunnen bewegen, zulk een tweede liefde aan te nemen.quot;

Zij sprak als een meisje, wier hart geheel vrij was, onbewimpeld en oprecht. En wat zij zeide, was waar. Zij zou zich niet met minder dan het geheel hebben kunnen tevreden stellen; zij kon warme liefde gevoelen, maar zij zou naijverig daarvoor eene gelijke toewijding verlangen.

Maar Cecil was van een geheel anderen aard. De liefde had zich van haar reeds meester gemaakt; zij was bijna onbewust in haar hart geslopen en had een ernstige schaduw geworpen op haar kalm leven — de schaduw van eens anders leed. Hare opvatting van liefde was eenvoudig de vrijheid lief te hebben en te dienen; om die vrijheid lief te hebben moest er natuurlijk ware liefde aan de andere zijde zijn, maar over de soort of den graad van deze liefde bekommerde zij zich niet. Want hare liefde was zoo rein en diep, dat zij niet meer dacht aan zichzelve.Sigrid's woorden hinderden haar een paar oogenblikken; als een meisje zoo sprak, waarom zouden allen het niet doen? Was het misschien onvrouwelijk, dat zij niet dacht aan hetgeen zij aan zichzelve verplicht was?

„Het kan zijn,quot; gaf zij toe, doch met een ongeformuleerd bewustzijn, dat iets zoo oneindig als liefde, niet aan vaste regelen kon zijn gebonden. „Maar ik kan het niet helpen. Of het onvrouwelijk is of niet, ik zou willen sterven om hem gelukkig te maken.quot;

„Zeg Harris, dat hij ophoudt, Cecil,quot; zeide mevrouw Boniface. „Wij zullen eenige druiven koopen voor den heer Falck.quot;

Blijde dat zij een oogenblik het rijtuig kon verlaten en ook blijde, dat zij, al was het maar door eene kleinigheid,

ocr page 243

227

van nut kon zijn, ging Cecil den fruitwinkel binnen en keerde weldra terug met een mandje met fraaie druiven en bloemen.

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

Onder hetzelfde dak.

„Zie eens, wat ik u heb medegebracht,quot; zeide Sigrid, toen zij een poos later de ziekekamer weder binnen kwam.

Frithlof nam het mandje en beschouwde het met een genoegen, als weinige weken te voren hem onmogelijk zou zijn geweest, de bloemen en vruchten.

„Gij komt juist van pas, want hij wil over de verbor-genste dingen in den hemel en op aarde praten,quot; zeide Roy, „en dit is eene goede afleiding.quot;

„Dat komt van mevrouw Boniface. Is het niet lief van haar? En, hoor eens, Frithiof, zij en dr. Morris hebben een plan gemaakt; zij willen ons in Rowan Tree House hebben, en dr. Morris denkt, dat het vervoeren u geen kwaad zal doen, nu gij zooveel beter zijt.quot;

Zijn gelaat verhelderde, zoodat het iets van zijn vroegere uitdrukking kreeg.

„ Wat zou ik gaarne deze akelige kamer nooit terug zien !quot; riep hij uit. „Gij weet niet, hoe ik haar haat. Er is niets hier, dat ik kan zien, behalve uw schilderij van Bergen, die mij meer dan eens goed heeft gedaan.quot;

Gedeeltelijk om te voorkomen, dat hij te veel sprak, gedeeltelijk omdat zij gaarne dat bewijs van vriendelijkheid vertelde, deelde Sigrid aan Roy de geschiedenis van de schilderij mede. Frithiof verzonk in gedachten over de vreemde relatieve macht van goedheid en wreedheid, en was,

ocr page 244

228

ofschoon tegenstrevend, verplicht bij zichzelf te erkennen, dat een weinig goedheid een zeer grooten en niet verwachten invloed kan uitoefenen.

Zijn lichamelijke toestand had veel bijgedragen tot de sombere levensbeschouwing, die hij in de laatste maanden had gekoesterd, maar nu het toppunt was bereikt en hij tot rust was gedwongen, stelden zijne zwakheid en hulpbehoevendheid hem in staat eene zijde van het leven te zien, die hij vroeger nooit had opgemerkt. Hij was veel zachter gestemd geworden. Het was, alsof, terwijl alles wat het laatste jaar was gebeurd, hem had verbitterd en hard gemaakt, het bezwijken van zijn lichaamskracht iets van zijn ouden aard had terug gebracht. Het vroolijk genieten van zijn bestaan kon hij natuurlijk niet terug vinden, maar toch, in weerwil van het litteeken van zijn oude wond, gevoelde hij in deze dagen van zijn herstel een levendige vreugde in Sigrid's tegenwoordigheid, in den langzamen terugkeer van zijne krachten en in de tallooze bewijzen van vriendelijkheid, die een ieder hem betoonde.

Zijne overbrenging naar Rowan Tree House scheen wonderen te doen. Het huis had altijd veel bekoorlijks voor hem gehad en de herinnering aan de eerste maal, dat hij het had betreden, toen hij er tegen den storm des levens eene beschutting had gevonden, ongeveer als Roy en Cecil in zijns vaders huis voor den stortregen te Bergen waren beschut geweest, kwam telkens weder bij hem op gedu rende de kalme weken, die nu volgden. Het afgeloopen jaar was thans voor hem, wat de nachtmerrie is voor een man, die in helder daglicht ontwaakt. Het was hem, alsof hij lag op den drempel van een nieuw leven, wel uitgeput en afgemat door het oude, maar met steeds toenemende belangstelling in hetgeen vóór hem was en een inzicht, dat er vele dingen waren, van welke hij tot nu toe geen flauw begrip had gehad.

ocr page 245

229

Sigrid vertelde hem alle bijzonderheden van haar leven in Noorwegen, sedert zij elkander het laatst hadden gezien; van haar afslaan van het aanzoek van Torvald Ludgren; van haren omgang met hare tante; van den vroegen morgen op Hjerkinshö. En haar verhaal deed hem aan. Toen zij, door al wat was gebeurd, in eene ongewone ernstige stemming verkeerende, hem bekende, dat na dien ochtend op den berg alles haar anders was voorgekomen, bracht hij niet lachend, zooals hij vroeger zou hebben gedaan, het gesprek op een ander onderwerp, of zeide hij dat de godsdienst alleen goed was voor vrouwen.

„Het was juist, alsof ik mijn geheele leven een gazen sluier had gedragen,quot; zeide zij, een oogenblik van haar werk opziende met hare heldere, blauwe, verstandige oogen. „En op dien berg was het, alsof iemand dien sluier mij plotseling afnam.quot;

Hare woorden wekten in hem een onaangenaam gevoel van onvoldaanheid, een onbestemd verlangen, zooals hij reeds vroeger een enkele maal had gevoeld. Hij bleef eenigen tijd zwijgen, terwijl hij uitgestrekt in zijn stoel lag en haar aanzag, terwijl zij werkte.

„Sigrid!quot; zeide hij eindelijk met een onderdrukte spanning in zijne stem, „Sigrid, gij gaat niet weer terug naar Noorwegen en laat mij hier alleen, niet waar?quot;

„Neen, Frithiof, ik zal u nooit verlaten,quot; zeide zij harte-lijk. „Ik zal trachten werk te vinden. Nog dezen avond zal ik er met den heer Boniface over spreken. In zulk eene groote plaats moet toch wel iets zijn, dat ik kan doen.quot;

„Het is juist die grootte, die iemand tot wanhoop brengt,quot; zeide Frithiof. „Goede God! wat heb ik verleden jaar uitgestaan! En duizenden verkeeren in hetzelfde geval, die willen werken, maar geen werk kunnen vinden.quot;

„Spreekt gij over het lastige vraagstuk der werkzoekenden ?quot; zeide de heer Boniface, die binnenkomende de laatste woorden had gehoord.

ocr page 246

230

„Ja,quot; zeide Sigrid glimlachend, „ofschoon ik eene ongelukkige vreemdelinge ben, die hun getal komt vergrooten. Maar wat kan de oorzaak zijn van dien nood?quot;

„Ik geloof dat dit de oorzaak is,quot; zeide de heer Boniface: „de bevolking neemt voortdurend toe, maar de christelijkheid neemt niet toe in dezelfde mate.quot;

„Zijt gij, wat men een Christelijk socialist noemt?quot; vroeg Sigrid.

„Neen; ik houd er niet van een onderscheidenden partijnaam aan te nemen en de socialisten schijnen mij toe, te veel van dwang te verwachten. Gij kunt de menschen niet tot practische christenen maken door een wet; gij hebt het recht niet de rijken te dwingen de armen bij te staan. Het land lijdt en alles hapert, omdat zoovelen van ons onzen plicht verzaken. Indien wij wat minder praatten over hetgeen moet worden gedaan en eenvoudig deden, wat wij zouden willen, dat ons werd gedaan, geloof ik dat de nood spoedig voorbij zou zijn.quot;

„Bedoelt gij particuliere weldadigheid?quot; vroeg Frithiof; „zij bestendigt immers de armoede.quot;

„Ik bedoel zeker geene onnadenkende weldadigheid,quot; zeide de heer Boniface. „Ik bedoel alleen dit: Begin met uw eigen gezin, doet daarvoor uw plicht. Dienstboden komen en gaan in uw huishouden; wees een vriend voor hen. Gij hebt mannen en vrouwen in uw dienst; neem deel aan hunne zorgen. Misschien hebt gij menschen, die van u afhangen; doe uw best het leven van hun standpunt te beschouwen. Indien wij allen poogden dat te doen, zou het geneesmiddel zijn gevonden en een brug geslagen over de kloof tusschen rijken en armen.quot;

Hoe eenvoudig en zonder eenig vertoon de heer Boniface zijn theoiie in toepassing bracht, wist Frithiof zeer goed. Hij bedacht, dat al de goedheid, die hij zelf had ondervonden, niet had gestrekt, om zijne armoede te bestendigen,

ocr page 247

231

zijn onafhankelijkheid niet had geschaadt, aan zijn gevoel van eigenwaarde geen afbreuk had gedaan. Integendeel, zij had hem van geheelen ondergang gered en eene dankbaarheid bij hem opgewekt, die zou duren, zoolang hij leefde. Maar daarbij kon niet op eene nieuwe belasting of op den staat worden gerekend, alles moest de groote invloed doen, die op ieder individu wordt uitgeoefend. Dit bracht hem tot nadenken en zijn eigen onwetendheid hinderde hem.

Eens op een morgen, toen hij onder de warande aan de achterzijde van het huis zat, hoorde hij toevallig Lance zich oefenen in het lezen. De moeielijkheden, die het kind daarbij ondervond, maakten hem duidelijk, hoe moeielijk het voor een mensch is, iets te leeren, dat hem vreemd Is en hoe zwaar alle eerste beginselen zijn. Toen hoorde hij de snelle voetstappen van een klein kind.

„Gwen! Gwen!quot; riep Lance, „kom hier, Cecil zal ons wat voorlezen uit den bijbel, dol prettig.quot;

Hij hoorde Cecil lachen.

„O, Lance,quot; zeide zij, „Gwen is veel te jong om het te begrijpen. Kom, doe de deur dicht, dan zullen wij beginnen.quot;

Weer hoorde hij het getrippel van kleine voetjes en daarop Cecil's heldere, zachte stem: „Welke geschiedenis hebt gij het liefst?quot;

„Lees van de drie mannen in den oven en de too vergodin, die bij hen kwam,quot; zeide Lance dadelijk.

„Het was geene too vergodin, Lance.quot;

„O, ik meen een engel,quot; zeide hij, zich verbeterend.

Zij las hem de geschiedenis voor van koning Nebucad-nezer, het gouden beeld en de drie mannen, die het niet wilden aanbidden.

„Gij ziet,quot; zeide zij tot besluit, „zij waren brave mannen; zij wilden niet doen, wat zij wisten dat zonde was. Zoo moet gij ook worden.quot;

ocr page 248

232

Er volgde eene stilte die door Lance werd afgebroken.

„Ik zal alleen in hout spijkers slaan,quot; zeide hij ernstig.

„Wat bedoelt gij?quot; vroeg Cecil, die den samenhang niet goed begreep.

„Niet in tafels en stoelen,quot; zeide Lance, die blijkbaar had gezondigd op dit punt en met vermakelijken eenvoud de geschiedenis op zich zeiven toepaste.

„Dat is braaf,quot; zeide Cecil. „God zal over u tevreden zijn.quot;

„God ziet ons, maar wij kunnen Hem niet zien,quot; zeide Lance op kinderlijken toon, in volle vertrouwen de waarheid uitsprekende, die menig man wenscht te kunnen gelooven.

Een oogenblik later kwam hij den tuin inspringen, in zijne korte krullen speelde het zomerkoeltje, zijne wangen gloeiden, zijne bruine oogen straalden van geluk.

„Hij ziet er uit als een verpersoonlijking van onbezorgdheid,quot; dacht Frithiof.

En toen herinnerde hij zich, wat Eoy hem van zijn vader en moeder had verteld en hij dacht er over, hoeveel verdriet het arme kind wachtte ; hij voelde denzelfden vurigen wenèch, dien Cecil had gevoeld, dat zijne opvoeding hem in slaat zou stellen de booze neigingen, die hij misschien had geërfd, te overwinnen. „Indien iets hem kan redden, is het het leven in zulk een huis als dit,quot; dacht hij.

Cecil kwam naar buiten onder de warande; hij voegde zich bij haar, en samen wandelden zij langs een der beschaduwde paden van den tuin.

„Ik heb uw leerling zooeven beluisterd,quot; zeide hij en beiden lachten zij over de eigenaardige opmerkingen van het kind. „Dat was zeer goed, dat hij van de geschiedenis practisch partij trok voor zichzelf. Hij is waarlijk gelukkig, dat hij u tot onderwijzeres heeft. Ik zou wel willen weten, hoe het komt, dat een kind de onbegrijpelijkste dingen in den hemel en op aarde zoo gemakkelijk aanneemt.quot;

„Ik denk, dat het is, omdat hij weet, dat hij ze niet

ocr page 249

233

geheel kan begrijpen en bereid is op goed vertrouwen te gelooven,quot; zeide Cecil.

„Indien iets hem op den goeden weg kan houden, als hij groot is, zal het zijn, wat gij hem hebt geleerd,quot; zeide Prithiof. „Gij verwondert u, dat ik dat erken. Een jaar geleden had ik het niet kunnen zeggen, maar ik begin te gelooven, dat er toch eene sterke tegenhoudende kracht is in het oude geloof. Het moeielijke is, belangstelling te gevoelen in dat soort van dingen.quot;

„Gij spreekt, alsof het eene wetenschap was,quot; zeide Cecil.

„Dat is juist, wat het mij toeschijnt; evenals de een geboren wordt met eene neiging tot botanie, een ander tot sterrekunde zich voelt aangetrokken en een derde geheel geen aanleg heeft voor een wetenschap, maar van jagen en visschen houdt, zoo is het, dunkt mij, ook met den godsdienst. Gij allen hebt misschien de geschiktheid geërfd van uwe puriteinsche voorvaderen, maar ik heb de tegenovergestelde neiging geërfd van mijne voorvaderen, de Vikings. Evenals zij heb ik mijn vriend lief en haat ik mijn vijand en ik leef, zooals mij het best bevalt. Ik lees niet veel en ik stel volstrekt geen belang in die godsdienstige dingen.quot;

„Wij spreken van verschillende zaken,quot; zeide Cecil. „Gij spreekt alleen van het geraamte van den godsdienst. Het zal wel waar zijn, dat velen worden geboren zonder smaak voor theologie, voor preeken of voor kerkelijke geschiedenis. En wij zijn zeker niet verplicht ons geweld aan te doen om er belang in te stellen.quot;

„Maar als dat alles geen godsdienst is, wat is het dan? Gij zijt niet als juffrouw Charlotte, die frasen gebruikt, zonder zich rekenschap te geven van hare beteekenis. Wat verstaat gij onder godsdienst?quot;

„Ik versta er onder. God te kennen en lief te hebben,quot; zeide zij, na een oogenblik te hebben nagedacht.

ocr page 250

234

Zij sprak zeer eenvoudig en volstrekt niet op een kate-chiseerenden toon.

„In God geloofd heb ik altijd — in zekeren zin,quot; zeide Frithiof langzaam, „maar hoe kunt ge Hem leeren kennen?quot;

„Ik geloof ongeveer zooals de menschen elkander leeren kennen,quot; zeide Cecil. „Neef James Horner, bij voorbeeld, ziet mijn vader iederen dag; hij heeft dikwijls met hem in hetzelfde huis gewoond en, in zekeren zin, hem gekend zoolang hij leeft; maar eigenlijk kent hij hem in het geheel niet. Hij geeft zich nooit de moeite, iemand te leeren kennen. Hij ziet het uitwendige van mijn vader — dat is alles. Zij hebben nauwelijks iets gemeen.quot;

„De heer Horner is zoo ingenomen met zich zelf en met zijne eigene meeningen, dat hij een man als uw vader nooit naar waarde kan schatten.quot; Toen bespeurende dat zijn eigen mond hem veroordeelde, zweeg hij. „Wat is uw middel om iemand te leeren kennen?quot; zeide hij daarop met een glimlach.

„Vooreerst,quot; zeide zij ernstig, „het verlangen hem te kennen en de bereidwilligheid, gekend te worden. Dan, geloof ik, moet men zooveel mogelijk zich zelf vergeten en trachten de gevoelens, de woorden, de handelingen van dengene, dien men wil kennen, in het licht van zijn ge-heele leven, of van zooveel als men kan te weten komen en niet alleen uit het tegenwoordige, te begrijpen. En dan moet men ook, hiervan ben ik overtuigd, met elkander alleen zijn, want anders kan men over ernstige zaken niet vrijspreken.quot;

Hij zweeg en poogde hare woorden toe te passen op zijne behoefte.

„Dus gelooft gij niet, als sommigen, dat als wij maar eerst ons ernstig iets voornemen, al het overige gemakkelijk is en wij het zonder inspanning kunnen verkregen?

„Neen,quot; zeide zij, „dat geloof ik niet. Als wij niet zoo traag waren, geloof ik, dat wij allen God beter zouden

ocr page 251

235

kennen. Maar het schijnt moeielijk te zijn zich daarvoor evenveel moeite te geven, als voor iets anders.quot;

„Het kan toch zeker niet moeielijk zijn voor u; het schijnt altijd voor vrouwen gemakkelijk te zijn, maar voor ons, mannen, is het dat niet.quot;

„Weet gij dat zeker?quot; vroeg zij bedaard.

„Ik heb het mij altijd verbeeld,quot; hernam hij. „Alleen de gedachte, zich alleen op te sluiten om te bidden — het is zoo iets onnatuurlijks voor een man.quot;

„Ik veronderstel dat het des te noodiger is, omdat het zoo moeielijk valt,quot; zeide Cecil. „Maar onze Heer bad niet altijd op bergen; hij leefde bedaard als een gewoon mensch en hij moet he1; even druk hebben gehad als gij.quot;

Hare woorden troffen hem; alles, wat betrekking had op het Christendom, was voor hem zonder leven, onwezenlijk, niets dan een vorm geweest — iets dat geheel buiten het dagelij ksch leven lag van een man in de negentiende eeuw. Zij had hem gezegd, dat voor haar de godsdienst was „wetenquot; en „liefhebbenquot; en hij bespeurde nu, dat zij met „liefhebbenquot; bedoelde het handelend leven van een christen, het voortdurend streven, den wil van God te doen. Zij had het niet uitdrukkelijk in zoovele woorden gezegd, maar hij wist beter, dan indien zij het had uitgesproken, dat dit hare bedoeling was.

Zwijgend gingen zij het belommerde tuinpad op en neer. Voor Fiithiof was de geheele wereld ruimer geworden, dan zij vroeger was geweest. Over de doodelijke verveling van zijn leven was een licht opgegaan dat het geheel veranderde. Hij deed zelfs nu nog zijn best om dat licht te verduisteren en zeide tot zich zelf: „Dit houd geen stand; ik zal de lessenaar en de toonbank en al het andere even sterk haten, als ik er weer aan terugkeer.quot; Want het was zijne gewoonte, sedert Blanche hem had bedrogen, te twijfelen aan de duurzaamheid van alles wat hij wenschte te

ocr page 252

236

behouden. Maar toch, ofschoon hij geen vertrouwen had in de toekomst, was het tegenwoordige wonderlijk veranderd en de nieuwe gedachten, die in hem waren opgewekt waren het beste geneesmiddel, dat hij had kunnen bekomen.

Sigrid zag met vreugde het terugkeeren van zijne krachten ; misschien kon hij zich niet voorstellen, hoe hij gedurende zijn eenzaam leven in Londen was geweest. Zij had de bitterheid, de neerslachtigheid, de verstoktheid, de maar al te duidelijke verbastering van zijn natuur, die Cecil gedurende den winter en 't voorjaar hadden bedroefd, niet gezien; zij kon niet zien, wat Cecil nu zag, hoe hij kampte om zich tot een edeler manneleven te verheffen. Roy voelde het instinctmatig. De heer Boniface ontdekte door zijne warme sympathie en zijn menschenkennis er iets van, maar Cecil alleen wist het. Zij had het meeste geleden gedurende die lange maanden en het was niet anders dan billijk, dat zij de vreugde kon genieten.

Frithiof zou niet kunnen zeggen, welk gedeelte van den dag voor hem het aangenaamst was, de stille ochtenduren, als de heer Boniface en Roy naar de stad waren en hij en Sigrid aan zich zeiven waren overgelaten, het prettige kleine tweede ontbijt ten elf ure, als mevrouw Boniface binnen kwam en hun zeide, dat fruit vooral des ochtends gezond was en peren en druiven voor hen nederzette en Cecil met de twee kinderen uit den tuin kwam, die frisch-heid en' vroolijkheid medebrachten ; de warme namiddag als hij met een roman zat; het njtoertje, als het wat koeler was geworden of de genotvolle huiselijke avond, als er muziek werd gemaakt of voorgelezen.

Stil was dit leven zeker, maar volstrekt niet vervelend. Iedereen had altijd iets, maar nooit te veel te doen. De heer Boniface had een afkeer van de nieuwerwetsche manie, zich met allerlei liefdadige ondernemingen druk te maken; hij wilde niets te doen hebben met bazars, hij morde in

ocr page 253

237

stilte, als hij, door een gevoel van plicht werd genoopt eene openbare vergadering bij te wonen en kon hevig uitvaren tegen het toenemend aantal vereenigingen.

„Ik heb mijne eigen vereeniging,quot; zeide hij dan glimlachend. „Het is de t'huis-blijf vereeniging. Het hoofd van het huis is president en de leden van het gezin vormen het bestuur.quot;

Hij was desniettemin een liefdadig man en altijd gereed, een ander bij te staan; maar hij hield ervan in stille te werken en al de zijnen hadden dat van hem overgenomen, zoodat er nooit in huis de gejaagde drukte van goede werken was, in welke vele menschen tegenwoordig leven; en ofschoon zij misschien niet aan veel te gelijk deden, deden zij hetgeen zij hadden ondernomen, daardoor des te beter en hun huis bleef, wat het moest zijn — het middenpunt van liefde en leven, niet slechts eene gelegenheid om te eten en te slapen.

In dit huislijk leven waren nu vreemde elementen gekomen. Drie verschillende romans werden onder hetzelfde stille dak afgespeeld. Vooreerst was daar Frithiof met zijn verbrijzeld leven, zijn verleden een doodstrijd waaraan hij nauwelijks dorst denken, zijn toekomst een wanhopige strijd met de omstandigheden. Dan was daar Cecil, wier leven zoo met het zijne was verbonden, dat zi] leed, als hij leed, maar die een kalm uiterlijk moest behouden en zich door geen teeksn mocht verraden.

Eindelijk was daar Roy, vurig verliefd op de blauwoogige, blondharige Sigrid, die, in de blijde tegenstelling met haar geleden verdriet, een geheel ander mensch scheen te zijn geworden en de opgewektste van het gezelschap was. En, in weerwil van de onvermijdelijke smart dei-liefde, waren het gelukkige dagen voor hen allen. Gelukkig voor Frithiof, omdat zijne kracht terug keerde; omdat hij met ijzeren wilskracht, zooveel hij kon, de herinnering aan

ocr page 254

238

Blanche verbande; omdat het leven zijner ziel langzaam zich ontwikkelde en omdat hij voor het eerst het bewustzijn van zijn werkelijk bestaan gevoelde. Gelukkig voor Cecil, omdat hare liefde geene sentimenteele dwaasheid was, geen zelfzuchtige droom, maar eene edele liefde, die haar ophief, meer dan iets anders had kunnen doen; omdat in plaats van te kwijnen bij de gedachte, dat zij Frithiof geheel onverschillig was, zij op God vertrouwde, die haar niet zou onthouden, wat goed voor haar was en zij hem thans, al was het ook maar in kleinigheden, nuttig kon zijn. Roy was misschien dé gelukkigste omdat zijne liefde vol hoop was — een hoop. die iedere dag sterker werd.

„Robin,quot; zeide mevrouw Boniface eens des avonds tot haren man, toen zij onder de warande heen en weer wandelden, terwijl Frithiof in den tuin werd ingewijd in de geheimen van lawntennis, „ik houd Sigrid Palck voor een van de liefste meisjes, die ik ooit heb gezien.quot;

„Zoo denkt iemand anders er ook over, als ik mij niet sterk vergis,quot; hernam hij.

„Hebt gij het ook opgemerkt? Ik ben zoo blyde. Ik hoopte dat het zoo was, maar ik was er niet zeker van. O, Robin! zou hij eenigen kans hebben ? Zij zou zulk een aardig vrouwtje voor hem zijn.quot;

„Wij kunnen niet weten, of zij niet haar hart in Noorwegen heeft gelaten.quot;

„Dat geloof ik niet,quot; zeide mevrouw Boniface. „Neen, ik geloof zeker, dat dat het geval niet is, uit de manier, waarop zij van haar leven daar spreekt. Als er een mededinger is te vreezen, is het Frithiof. Zij zijn alles voor elkander, en dat is natuurlijk ook, na al hun verdriet en de scheiding en zijne ziekte. Wat wordt hij weder sterk en hoe gemakkelijk gaat hem dat spelen af! Hij ziet er zoo flink uit, dat hij iedereen overschaduwt,quot; en zij wendde

ocr page 255

239

haar hoofd naar den anderen kant van den tuin, waar Eoy, met zijne meer gewone lengte en bouw, zeker een weinig voor hem moest onderdoen. Maar toch was in de oogen zijner moeder dat open, eerlijk, Engelsch, door de zon gebruind gelaat, het schoonste gezicht in de wereld.

Toch was zij niet eene blind liefhebbende moeder, zij wist, dat hij zijne gebreken had; maar zij wist ook, dat hij de vrouw, die hij trouwde, zou gelukkig maken.

Zij waren zoo vervuld met de gedachten aan de roman, die onder hunne oogen werd afgespeeld, dat het niet bij hen opkwam er aan te denken, wat er kon omgaan in het gemoed van de twee aan de andere zijde van het net. En misschien was dat goed, want het schouwspel was droevig en zou hen zeker met zorg hebben vervuld. Cecil was te dapper en te kordaat en had te veel zelfbeheer-sching om hare liefde hare gezondheid te laten ondermijnen ; zij gaf niet zoo sterk toe aan droeve gedachten, dat zij overigens het leven niet kon genieten. Veel was haar nog gebleven en ofschoon somwijlen alles voor haar geur en kleur had verloren, die stemming ging voorbij en zij kon de voorrechten van haar leven waardeeren. Maar het kon toch niet worden ontkend, dat het geluk, dat voor Roy en Sigrid scheen te dagen, den twee anderen was ontzegd ; zij hadden in het leven alles tegen zich, evenals thans in het spel — de ondergaande zon scheen hen recht in het gezicht en maakte het ipel voor hen moeielijk, terwijl de anderen in de schaduw veel boven hen voor hadden.

„Wel? Is het uit?quot; vroeg de heer Boniface, toen de twee meisjes naar hem toe kwamen.

„Ja,quot; riep Sigrid vroolijk, „en onze kant heeft waarlijk gewonnen! Ik ben er trotsch op, dat wij Cecil en Frithiof hebben geslagen, want in den regel is Frithiof een van die onuitstaanbare menschen, die altijd winnen. Er

ocr page 256

240

was nooit aardigheid aan, met hem te spelen, toen wij kinderen waren. Hij was altijd zoo gelukkig.quot;

Terwijl zij sprak, was Frithiof achter haar de trappen opgekomen.

„Mijn geluk is gekeerd, zooals gij ziet,quot; zeide hij met een glimlach, die iets droevigs had. Maar zijn toon was schertsend; het scheen dat hij al geheel vrij was van de bitterheid, die eens ieder woord en iederen blik had vervuld.

„Gekheid,quot; zeide zij, hare hand onder zijnen arm stekend. „Uw geluk komt terug; het is alleen, dat gij nog niet sterk genoeg zijt. Wacht maar een paar dagen en ik zal geen kans meer hebben tegen u. Gij behoeft mij deze kleine overwinning niet te misgunnen.quot;

„Het heeft u toch niet te veel vermoeid,quot; vroeg mevrouw Boniface, naar Frithiof opziende. Er was een glans van gezondheid op zijn gelaat, dien zij er vroeger nooit had gezien en de stugge uitdrukking was veel zachter geworden. „Maar ik zie,quot; voegde zij er bij, „dat het eene dwaze vraag is, want ik geloof, dat gij er nooit beter hebt uitgezien. Het is juist de lichaamsbeweging, die gij noodig hebt. Wij hebben u vroeger veel te lang over uw vertaalwerk laten zitten.quot;

„Ja,quot; zeide Sigrid, „ik weet niet, of ik moet lachen of schreien, als ik er aan denk, dat iemand als Frithiof geleerde vertalingen maakt voor zulk een man als de heer Sievertsen. Hij kon nooit zittend werk uitstaan.quot;

„En toch,quot; zeide de heer Boniface, terwijl hij met haaide warande op en neer ging, „heb ik te vergeefs gepoogd, hem over te halen, aan cricket te doen; hij zeide, dat gij in Noorwegen niet ophadt met ons Engelsch begrip van lichaamsbeweging ter wille van de beweging alleen.quot;

„Dat kan zijn,quot; zeide Sigrid, „maar hij was altijd bereid tot de wildste avonturen en kon nooit smaak vinden in boeken. Arme Frithiof! het bewijst alleen boe dapper en

ocr page 257

241

volhardend hij is; hij heeft er zoo zijn hart op gezet, die schulden te betalen, dat hij daaraan alles zal opofferen en het werk volhouden, dat hij haat.quot;

„Hij is een flink jongmensch!quot; zeide de heer Boniface. „Ik had er nauwelijks aan gedacht, wat zijn vroeger leven was geweest, ofschoon ik natuurlijk begreep, dat zijn werk in den winkel hem erg moest tegenstaan.quot;

„Sedert hij oud genoeg was om met een geweer om te gaan, ging hij in de maand Augustus altijd naar de bergen van Nord Fjord op de rendierenjacht. Mijn vader zeide, dat het eene goede oefening voor hem was en als hij den ouden Nils, zijn bootsman — bootroeier, zegt gij, geloof ik — bij zich had, maakte vader zich nooit ongerust, als hij uitbleef. Maar soms was ik ongerust en de oude Groonze kindermeid, zeide altijd, dat hij nog eens zou verdrinken. Kom eens hier, Frithiof en vertel den heer Boniface van den nacht op het fjord bij Bukken.quot;

Zijne oogen glansden bij deze woorden.

„Ja, dat was de moeite waard,quot; zeide hij, „ofschoon er van onze jacht niets kwam. Ik was op een Zaterdag met den ouden Nils uit Bergen gegaan naar Bukken, daar namen wij als gewoonlijk een boot om naar Gjelleslad te roeien, waar ik meestal overnachtte om tegen vier ure op te staan. Nu, dien avond gingen Nils en ik weer aan 't roeien, maar wij waren nog niet ver, toen een vreeselijke storm opstak. — Ik heb nooit vroeger of later zulk bliksemen gezien en de wind was verschrikkelijk; het was waarlijk wonder, dat wij niet zonken. Gelukkig dreven wij terug naar het land; wij haalden de boot aan wal, keerden haar om en kropen zoo goed het ging er onder, terwijl de oude Nils vloekte en zeide, dat ik nog eens zyn dood zou zijn. Zoo zaten wij daar vier lange uren en de storm bedaarde niet. Eindelijk vond ik vier flinke mannen, die het dorsten wagen, ons naar Bergen te roeien. Wij

EEN STOERE NOORMAN I. 16

ocr page 258

242

staken van wal; Nils zeide dat wij zouden verdrinken en veel scheelde het niet. Ik heb nooit zulk een woesten nacht beleefd en het roeien was een zwaar werk, maar eindelijk kwamen wij behouden t'huis.quot;

„En gij had hem moeten zien!quot; riepSigrid. „Hij maakte ons allen wakker. Daar stond hij, door en door nat, maar vroolijk en frisch en hij maakte ons allen aan het lachen door het verhaal van zijn tocht. En ik geloof werkelijk, dat die hem goed had gedaan, want na een paar uren te hebben geslapen, kwam hij beneden opgeruimder dan ooit. En weet gij nog wel, Frithiof, dat gij de geheele geschiedenis op uw viool hebt gespeeld?quot;

„En dat ik alleen het brommen van Nils verstaanbaar kon maken,quot; zeide Frithiof lachend.

Het spreken over de viool herinnerde hen, dat het tijd was voor de gewone avondmuziek en zij gingen in de andere kamer, waar Sigrid Noorweegsche liederen speelde, terwijl Eoy naast haar stond en zijne blikken hield gevestigd op haar lief en schoon gelaat, dat nog gloeide van de herinnering aan de vervlogen dagen, waarover zij hadden gepraat.

„Zou het mogelijk kunnen zijn,quot; dacht hij, „dat zij, die zoo gehecht was aan haren broeder, dat zij, die vol geestdrift was voor gevaarlijke avonturen en zoo vurig de onversaagde, gevaar zoekende oude Vikings bewonderde, ooit een gewoon, huislijk, prozaïsch Londenaar, zooals hij, kon liefhebben.quot; Hij was zeer neerslachtig en benijdde Frithiof zijn Noorschen aard, zijn flink uiterlijk en zijn moedigen geest.

Dat juist door dien aard het leven zijns vriends veel moeielijker werd gemaakt — daaraan dacht hij niet en al deed Frithiofs verdriet hem leed, hij kon niet vermoeden met welke kracht het den trotschen op zich zelf bouwenden Noorweger drukte.

ocr page 259

243

Geheel ingenomen door de gedachte aan zijne eigenliefde, vond hij geen tijd voor zulke waarnemingen. Eén vraag beheerschte hem geheel. Soms vroeg hij hoopvol: „kan zij mij lief hebben?quot; Soms in wanhoop antwoordde hij, dat het onmogelijk — geheel en al onmogelijk was.

TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Madame Lechertier.

Indien iemand Roy ooit had verteld, dat de heer James Horner een ernstigen invloed zou uitoefenen op zijn lot, zou hij het niet licht hebben geloofd. Maar een roman van het werkelijk leven wordt gewoonlijk niet gedwarsboomd door den traditioneelen valschaard, maar geheel onwetend door gewone menschen, die zonder kwade bedoeling de hoop vernietigen en in gelukkige onwetendheid hun weg gaan, zonder te begrijpen, dat zij iets hebben te doen met het leven van hen, die zij ontmoeten. Indien het leven in Rowan Tree House ongestoord ware voortgegaan, indien Sigrid geen werk had kunnen vinden en den tijd had gehad, Roy's liefde op te merken, zou waarschijnlijk na weinige weken hun vriendschap op eene verloving zijn uitgeloopen. Maar mevrouw Horner gaf eene kinderpartij en dat veranderde alles.

„Het is, zooals gij zegt, wel wat vroeg na den dood van mijn armen oom, om een danspartij te geven,quot; zeide mevrouw Horner, toen zij aan mevrouw Boniface een bezoek bracht. „Maar, ziet gij. het is de verjaardag van onze Mamie en ik wil haar niet gaarne teleurstellen; en male*

ocr page 260

244

dame Lechertier was er zoo mede ingenomen en zij heeft beloofd te komen kijken. Zij heeft ons ook aangeraden er een gecostumeerd bal van te maken.quot;

„Wie is madame Lechertier?quot; vroeg Sigrid, die met al de belangstelling van een vreemdeling naar die bijzonderheden luisterde.

„Zij is eene zeer geachte dansonderwijzeres,quot; antwoordde Cecil; „ik zou willen, dat gij haar ontmoettet, want zij is eene eigenaardige vrouw.quot;

„Juffrouw Falck zal, hoop ik, zoo goed zyn ons klein feest bij te wonen,quot; zeide mevrouw Horner. Want ofschoon zij Frithiof verafschuwde, was zij tegen wil en dank door Sigrid bekoord. „Het is maar een kleine partij — ongeveer vijftig kinderen tusschen zeven en tien jaar. Ik zou om alles ter wereld onze gemeente geen ergernis willen geven, Lovedoy, ik zal daarom alles zoo eenvoudig mogelijk maken. Ik weet nog niet, of ik wel ijs zal nemen.quot;

„Ik geloof niet, dat ijs ergernis zal geven,quot; zeide mevrouw Boniface, „maar ik vrees, dat het niet goed zal zijn voor kleine kinderen, die warm zijn van het dansen.quot;

„Eigenlijk geloof ik ook niet, dat onze gemeente zich zal ergeren,quot; zeide mevrouw Horner glimlachend. „James kan haast doen, wat hij wil. Hij doet zooveel goed aan de kerk, weet gij, en hij heeft zooveel invloed ; zij zouden het niet kunnen stellen zonder hem.quot;

Mevrouw Boniface antwoordde iets onverstaanbaars. Het was volkomen waar, dat wist zij. James Horner was het rijke en milddadige hoofd der gemeente, alles moest voor hem wijken, hetgeen voor den predikant nogallastig was. Misschien was het, omdat hij dit begreep, dat de heer Boniface — niet minder rijk en edelmoedig — veel stiller optrad. Hij werkte even hard om het welzijn der gemeente te bevorderen, maar hij liet het veel minder blijken en hij toonde nooit het verlangen naar macht, dat James Horder bezielde.

ocr page 261

245

Of de heer Boniface dit gecostumeerd bal van kinderen geheel goed zou keuren, betwijfelde Sigrid. 2ij verbeeldde zich, dat hij in weerwil van zijnen toegevenden, verdraagzamen geest, innig was gehecht aan de oude vormen van het puritanisme en dat zijne stille, huiselijke aard het genot van dansen of maskerades niet kon begrijpen. Behalve op het gebied van muziek was de artistieke zijde van zijne natuur niet sterk ontwikkeld en terwijl de afstammeling van puriteinsche voorvaders hem ontzaglijk tot voordeel was geweest en er zeker toe had bijgedragen hem tot den nauwgezetten, vrijheidlieven-den, godvreezenden man te maken die hij was, had zij hem toch ook de puriteinsche neiging gegeven, met wantrouwen vele onschuldige genietingen te beschouwen. Hij was altijd ongerust over hetgeen uit die verschillende vormen van genoegens kon volgen. Maar hij vergat te bedenken, waartoe verveling en gemis aan genoegens konden leiden, en hij had niet begrepen, wat de Engelschen zeker hadden moeten leeren uit de hevige reactie der restauratie, na de gestrengheid van het gemeenebest.

Maar verschil van opvatting veroorzaakte nooit eenige onaangenaamheid in dit gelukkig huishouden. Eenvormigheid was er niet, want zij dachten zeer verschillend en ieder hield vast aan zijne eigen meening; maar er was iets veel hooger dan eenvormigheid, er was eenheid, die voortspruit uitliefde. Kleine afwijkingen in de praktijk kwamen van tijd tot tijd voor;zij gingen des Zondagsnaar verschillende kerken en Roy en Cecil gingen om Donati te hooren naar de opera, terwijl vader en moeder wachtten, totdat de beroemde baryton in St. James Hall zong ; maar in de groote doeleinden des levens waren zij geheel eensgezind en leefden en werkten zij in volkomen harmonie. Eindelijk was de groote dag gekomen en toen de heer Boniface en Roy uit de stad terugkwamen, werden zij op de trap begroet door een alleraardigste verschijning in rood fluweel met goud afgezet.

ocr page 262

246

„Wel, wie is dat?quot; zeide de heer Boniface, zijns ondanks vermaak scheppende in de maskerade.

„Ik ben de prins van Asschepoetster,quot; riep Lance vroolijk en opgewonden sprong het ventje naar binnen om Prithiof zijn kostuum te laten zien; hij huppelde door de kamer in de onverdeelde kinderlijke vreugd, waarvan het gezicht een van de reinste genietingen van goede menschen is. Frithiof, die den geheelen dag zich moede en lusteloos had gevoeld, vroolijkte dadelijk op, toen Lance, die veel van hem hield, op zijne knie kwam zitten in die opgewondenheid van gelukkig ongeduld, welke men alleen bij kinderen ziet.

„Hoe laat is het nu?quot; vroeg hij om de twee minuten. „Denkt gij niet, dat het haast tijd wordt om te gaan ? Hoort gij het rijtuig nog niet?quot;

„Ik voor mij,quot; zeide Sigrid, „heb een gevoel, alsof ik asschepoetster was, voordat de toovergodin kwam. Weet gij zeker, dat mevrouw Horner niets tegen mijne eenvoudige zwarte japon zal hebben ?quot;

„O, hemel, neen,quot; zeide Cecil; „zij is immers zelve in den rouw en behalve dat, gij ziet er allerliefst uit, Sigrid.quot;

Het compliment was waar, want Sigrid in haar eenvoudige zwarte kleeding, die volmaakt bij haar slanke figuur paste, met het geplooide witte kraagje om haar hals en de zacht roode rozen, die Roy voor haar had geplukt, zag er inderdaad bekoorlijk uit.

„Ik wenschte, dat gij kondt mede gaan,quot; zeide Cecil, Frithiof aanziende, terwijl zij den kleinen Lance in een dikke plaid wikkelde. „Het zal werkelijk aardig zijn, al die gecostumeerde kinderen te zien.quot;

„Ja,quot; zeide hij, „maar mijn hoofd zou het leven en de warmte niet kunnen uitstaan. Ik ben beter hier.quot;

„Wij zullen goed voor hem zorgen,quot; zeide mevrouw Boniface, „en gij zult later ons alles vertellen. Laat Lance niet te lang

ocr page 263

247

opblijven, als hij moede is, lieve kind. Goeden avond en veel pleizier.quot;

„Daar gaat een gelukkig kwartet,quot; zeide de heer Boniface, toen hij de deur achter hen had gesloten. „Maar hier is, houd ik het er voor, een benijdenswaardiger trio. Kent gij dit boek, Frithiof?quot;

Sedert zijne ziekte hadden zij de gewoonte aangenomen, hem bij zijn voornaam te noemen, want hij behoorde bijna tot de familie. Zelfs in zijn bitterste dagen hadden zij allen van hem gehouden en nu in de dagen van zijn herstel, nu lichamelijk lijden de zachtere zijde van zijne natuur liet uitkomen en de sterkte van zijn karakter meer bleek door stil geduld, dan in verstokt en wanhopig volhouden, had hij aller harten gewonnen. De trotsche, eigenzinnige afzondering, die gemaakt had, dat zijne medewerkers hem haatten, was eindelijk bezweken; de dankbaarheid voor al de goedheid, die hij in Rowan Tree House had genoten, had hem zoo veranderd, dat het niet waarschijnlijk was, dat hij ooit weer in zulk eene bitterheid zou neerzinken. Zijn lachen over het boek, dat de heer Boniface hem had gebracht, was voor zijn gastheer en zijne gastvrouw een gelukkig teeken en met „Met ons drieën in Noorwegenquot; brachten de drie in Engeland den aangenamen avond door, dien de heer Boniface had voorspeld.

Intusschen smaakte ook Sigrid veel genoegen. Het is waar, de heer en mevrouw Horner waren geen aangename menschen, en zeiden soms dingen, die haar hinderden, maar zij meenden vriendelijk te zijn en deden zich op dien avond het voordeeligst voor, al hunnen gasten genoegen te doen. Een kinderpartij doet gewoonlijk al wat in de menschen goed is, uitkomen; hatelijke praatjes worden zelden gehoord, en niemand verveelt zich, want ieder is onder den invloed van de ongeveinsde pret der kleinen — de dansers veinzen niet als volwassenen, hun glimlach is de uitdrukking

ocr page 264

248

van geluk, hun lachen is hartelijk. Bovendien was het het eerste vroolijke tooneel, dat Sigrid sedert bijna een jaar had bijgewoond en zij schepte behagen in de aardige kleine ridders, de nog kleine hofdames met poeder en mouches; en de Koodkapjes en Klein Duimpjes, de toovergodinnen en boeren. Het dansen was vroolijk aan den gang, toen mevrouw Lechertier werd aangediend en Sigrid zag belangstellend op om te weten, hoe de dame, die „eene merkwaardige vrouwquot; moest zijn, er uitzag. Zij zag eene lange, maar bijzonder bevallige vrouw, met een gelaat, niet schoon, maar vol uitdrukking. In rust was deze gebiedend, maar zij had een bekoorlijken glimlach en hare manieren waren innemend. Het Noorweegsche meisje was dadelijk met haar ingenomen en de indruk was wederkeerig, want de beroemde madame Lechertier, die men zeide, dat alle fouten opmerkte, vroeg dadelijk aan de gastvrouw, wie zij was.

„Wat een lief gezichtje heeft dat meisje met het goudblonde haar,quot; zeide zij op hare rondborstige, maar toch beschaafde wijs. „Met al hare eenvoudigheid heeft zij eene bekoorlijke waardigheid. Zij neiat onverbeterlijk! Hoe heet zij? Wilt gij mij aan haar voorstellen?quot;

„Zij is eene vriendin van mijn nichtje,quot; zeide mevrouw Horner, blijde dat zij een soort eigendomsrecht kon laten gelden op iemand, die een compliment had uitgelokt van zulk een strengen rechter. Zij is eene Noorweegsche en zij heet Falck.quot;

Sigrid hield van de opgewekte, scherpzinnige, majestueuse Pransche vrouw, zoodra zij samen hadden gesproken. Madame Lechertier had inderdaad veel innemends. Hare grootste bekoorlijkheid was, dat zij niet was als anderen. Zij bezat eene zeldzame individualiteit en als gij haar hoordet spreken hadt gij denzelfden indruk van iets nieuws en ongewoons, die het eerste gezicht van een vreemd land opwekt. Zij op hare beurt was bekoord door Sigrid's natuurlijkheid en

ocr page 265

249

levendigheid en zij waren reeds vriendinnen geworden, toen het ophouden van de muziek beiden deed opzien.

De pianiste, eene bleeke, vermoeid uitziende dame, wier zwart zijden japon een verdachten glans op den rug had, die van armoede getuigde, scheen niet verder te kunnen spelen. Haar bleek gelaat trof Sigrid.

„Ik geloof, dat zij vermoeid is,quot; riep zij uit. „Denkt gij, dat ik voor haar zou mogen spelen?quot;

„Dat is eene vriendelijke gedachte,quot; zeide madame Le-chertier en zij zag met belangstelling, dat het mooie Noor-weegsche meisje dadelijk naar de piano ging en na een paar haastige woorden de plaats innam der pianiste, die naar buiten ging om zich te verfrisschen.

Zij speelde heel goed en daar zij zelve veel van dansen hield, speelde zij de walsen, met een vuur, dat hare voorgangster geheel had ontbroken. Madame Lechertier was verrukt en toen eenigen tijd later Sigrid weder was afgelost, ging zij naast haar zitten en wilde zij zich niet door den heer Horner naar de eetzaal laten brengen.

„Neen, neen,quot; zeide zij; laat eerst het kleine volkje bedienen. Juffrouw Falck en ik hebben nog veel te praten.quot;

Sigrid vertelde haar het een en ander van haar leven te Bergen en van de liefde der Noorwegers voor muziek en dansen en wekte hoe langer hoe meer hare belangstelling.

„En wanneer gaat gij terug naar Noorwegen?quot; vroeg madame Lechertier.

„Dat hangt er van af, of ik werk kan vinden in Engeland.quot; zeide Sigrid. „Ik zou gaarne in Londen willen blijven bij mijnen broeder. Hij is zwaar ziek geweest en ik geloof, dat het niet goed voor hem is, dat hij alleen is.quot;

„En welk werk zoudt gij verlangen?quot; vroeg madame Lechertier,

„Ik wi) alles doen,quot; zeide Sigrid. „Maar er is nergens iets te vinden en ik heb geen bijzonder talent.quot;

ocr page 266

250

„Mijn lieve juffrouw, zeide madame Lechertier, „ik geloof, dat gij wel degelijk een bijzonder talent hebt. Gij speelt dansmuziek beter dan ik ooit van iemand heb gehoord en dat wil heel wat zeggen. Waarom trekt gij daarvan geen partij ?quot;

„Gelooft gij, dat ik het zou kunnen?quot; vroeg Sigrid met schitterende oogen. „Gelooft gij werkelijk, dat ik mijn brood er mede kan verdienen?quot;

„Ik ben er zeker van,quot; zeide madame Lechertier. „En als gij het waarlijk een goed denkbeeld vindt, zal ik bij u komen om er over te spreken. Ik hoor, dat gij eene vriendin zijt van mijne oud-leerling, juffrouw Boniface.quot;

„Ja, wij logeeren in Rowan Tree House; zij zijn voor ons zoo goed geweest.quot;

„Het zijn allerliefste menschen en de vader is een edel man in de ware beteekenis des woords. Ik zal u een bezoek brengen en er nader over spreken — morgen ochtend, als u dat gelegen komt.quot;

Sigrid ging opgewonden naar huis en den volgenden morgen, toen zij en Frithiof als gewoonlijk alleen waren na het ontbijt, vertelde zij hem madame Lechertier's voorstel en terwijl zij er nog over spraken, werd de dame zelve aangediend.

Nu liet madame Lechertier evenals vele menschen zich vaak door den eersten indruk medesleepen. Indien Sigrid minder aantrekkelijk was geweest, zou zij geene moeite hebben gedaan om haar te helpen; maar het Noorweegsche meisje had haar gewonnen.

„Het zal wel weer zijn: kleuren bij lamplicht zien er anders uit bij daglicht,quot; dacht zij, toen zij naar Rowan Tree House wandelde. „Ik zal mijn mooi Noorsch meisje heel gewoon en volstrekt niet interessant vinden en mijn luchtkasteel zal in een storten.quot;

Maar toen zij in de kamer was gelaten, waar Sigrid zat

ocr page 267

251

te werken, was die vrees dadelijk geweken. „Het meisje heeft mij betooverd,quot; dacht zij bij zich zelve. „En wat een gunstig uiterlijk heeft haar broeder. Er is eene geschiedenis achter dat gelaat, of ik moet mij erg vergissen.quot;

„Wij spraken juist over hetgeen gij mij gisteravond hebt gezegd, mevrouw,quot; zeide Sigrid opgewekt.

„De vraag is,quot; zeide madame Lechertier, „of het u waarlijk ernst is, werk te willen vinden en of mijn voorstel u bevalt. Gij moet weten, dat het meisje, dat voor mijne voornaamste klassen speelde, gaat trouwen. Ik heb natuurlijk een ander, die als het noodig is, hare plaats inneemt, maar zij voldoet mij niet; wij kunnen het niet goed samen vinden en haar spel is niet te vergelijken met het uwe. Ik zou u alleen des namiddags noodig hebben en gedurende de drie cursussen van het jaar. Iedere cursus duurt twaalf weken en ik zou u een salaris kunnen aanbieden van 24 pond sterling voor den cursus, dat is 2 pond in de week.quot;

„O, Frithiof!quot; riep Sigrid opgewonden, „dan zouden wij Swanhild kunnen onderhouden. Wij zouden haar uit Noorwegen kunnen laten komen. Uw salaris en het mijne zijn zeker voldoende voor ons drieën.quot;

„Wie is Swanhild?quot; vroeg mevrouw Lechertier.

„Zij is ons zusje, mevrouw. Zij is veel jonger — pas elf jaar; en daar wij weezen zijn, zijn Frithiof en ik hare voogden.quot;

Madame Lechertier zag de twee jongelieden aan en glimlachte als zij dacht, dat zij reeds de zorgen van een voogdijschap droegen. Het deed haar aan, maar tegelijkertijd was het bijna grappig hen ernstig over hun pupil te hooren spreken.

„Ja,quot; zeide Frithiof, „maar er moet voor hare opvoeding worden gezorgd; dat moeten wij niet vergeten.quot;

„Maar op de openbare school is het zeer goedkoop; is het niet, mevrouw?quot; zeide Sigrid.

ocr page 268

252

„Ongeveer tien pond in het jaar,quot; zeide mevrouw Lecher-tier. „Hoe ziet uwe kleine zuster er uit, want als zij een weinig op u lijkt —quot;

„Hier is hare photographie,quot; zeide Sigrid, hare schrijfcassette open makend om er Swanhild's portret uit te nemen. „Dit is genomen in haar boerinnepakje, dat zij soms uit aardigheid droeg, als wij buiten waren. Ik geloof, dat het haar zeer goed staat.quot;

„Maar zij is allerliefst!quot; riep madame Lechertier. „Wat een aardig figuurtje — welke goed gevormde beenen! Ik heb een heerlijken inval, mijne waarde — eene ingeving. Laat uwe kleine Swanhild over komen en als gij lederen namiddag bij mij komt, breng haar dan mede in deze bekoorlijke kleeding. Zij zal mijne kweekelinge zijn; en ofschoon zij natuurlijk niet veel zal kunnen verdienen, zal het toch meer dan genoeg zijn om haar schoolgeld te betalen en zij leert eene goede broodwinning op den koop toe.quot;

Zij zag Frithiof aan en bespeurde duidelijk, dat het denkbeeld hem tegenstond en dat zijn trotsche natuur niet gemakkelijk zulk een aanbieding zou aannemen. Zij zag Sigrid aan en bespeurde, dat de zuster alles ten offer wilde brengen om het kleine meisje in Engeland te hebben. Zij had evenveel tact als goedheid en zij stond op om heen te gaan.

„Gij moet er samen nog eens over praten en mij uw besluit laten weten,quot; zeide zij. „Raadpleegt ook den heer en mevrouw Boniface en zegt mij over een paar dagen uw besluit. Waarom zoudt gij morgen namiddag niet thee bij mij komen drinken — dan zal ik u mijne kanarievogeltjes laten zien. Cecil zal u wel brengen, wij zijn oude kennissen.quot;

Toen zij weg was, kwam Sigrid in de kamer terug met van vreugde stralende oogen.

„Is het niet heerlijk?quot; riep zij uit. „Ik voor mij, Frithiof, kan geen oogenblik aarzelen. Het werk is niet zwaar en zij zal mij goed behandelen.quot;

ocr page 269

253

„Zij heeft een slecht humeur,quot; zeide Frithiof.

„Hoe weet gij dat?quot;

„Omdat geene vrouw, met een goed humeur, zulke smalle lippen en rechten mond heeft.quot;

„Gij zijt een akelige jongen, als gij aanmerkingen op haar maakt, terwijl zij zoo goed voor ons is. Ik zal het aannemen. Maar wat moeten wij met Swanhild doen?quot;

„Het staat mij tegen voor u beiden,quot; zeide Frithiof somber.

Zijn eigen nederdalen op den maatschappelijken ladder was onaangenaam genoeg geweest, maar toch niet zoo ondragelijk, als de gedachte, dat zijne zusters met werken haar brood moesten verdienen.

„Kom Frithiof, wees niet dwaas,quot; zeide Sigrid vleiend. „Als wij ooit een lief, gezellig huis te zamen zullen hebben, dan moeten wij er voor werken en wij zullen niet licht gemakkelijker, pleizieriger of beter betaald werk vinden.quot;

Hij zuchtte.

„In ieder geval moeten wij hooren, wat Swanhild zelve er van denkt,quot; zeide bij eindelijk. „Neem, als gij wilt, de aanbieding voorloopig aan; dan zullen wij haar schrijven en haar alles mededeelen.quot;

„Zeer goed; wij zullen samen een brief schrijven en haar allerlei goeden raad geven, zooals voogden betaamt. Maar gij weet evengoed als ik, dat Swanhild geen oogen-blik zal twijfelen. Zij haakt er naar, in Engeland te zijn en zij is nooit zoo gelukkig, als wanneer zij kan dansen.quot;

Frithiof dacht aan den dag, toen hij was t'huis gekomen, na de Morgans aan de kade te Bergen te hebben ontmoet, toen hij Sigrid had hooren spelen en Swanhild zoo vroolijk had zien dansen met Lillo en het oude refrein schoot hem, nu als bittere spot, weer te binnen:

„Het is hedon juist een dag naar mijn zin;

Mst zonneschvjn voor en achter.

Al over de helde.quot;

ocr page 270

254

Toen Eoy dien avond t'huis kwam, was alles reeds beslist. Frithiof en Sigrid hadden een lang onderhoud gehad met mijnheer en mevrouw Boniface en na een poos vertelde Sigrid hem, wat zij „goed nieuwsquot; noemde.

„Nu kan ik lachen over mijne aluminium potlooden en de borduur patronen en het honden scheren,quot; zeide zij vroolijk. „Was het niet gelukkig, dat wij naar de partij van mevrouw Horner zijn gegaan en dat alles zoo is gebeurd ?

„Zijt gij er werkelijk mede ingenomen?quot; vroeg Roy.

„Zeker ben ik dat. Ik heb mij sedert maanden niet zoo gelukkig gevoeld. Want nu behoeven wij Frithiof nooit te verlaten. En voor hem is het 't beste, wat hem ooit kon overkomen, een gezellig klein t'huis te hebben; en ik zal er wel voor zorgen, dat hij niet te veel werkt. En de Heer Boniface is zoo goed voor ons. Hij zegt, dat Frithiof, als hij wil, eenig extra werk kan krijgen; hij kan bij uwe concerten van dienst zijn en de muziek op de lezenaars leggen; dit zal eene aardige bijverdienste zijn en toen hij hoorde, dat ik vast was besloten, de aanbieding van madame Lechertier aan te nemen, bedacht hij nog wat anders voor ons.quot;

„En wat was dat?quot; zeide de arme Roy, wiens hart werd als lood.

„Wel hij denkt, dat hij ons de gelegenheid kan bezorgen om op kinderpartijen of kleine danspartijen te spelen. Frithiof speelt daarvoor goed genoeg viool, zegt hij. En gelooft gij ook niet, dat dit voor hem beter zal zijn, datf^zoo lang te zitten blokken over dat akelige werk van den heer Sivertsen!quot;

Dat moest Roy toegeven. Hij zag maar al te duidelijk, dat het nutteloos, ja erger dan nutteloos zou zijn, haar thans van zijne liefde te spreken. Zij zou hem zeker afwijzen en dan was er een einde aan hun aangenaam verkeer. Bovendien zou het dan ook vtel moeielijker zijn hen bij

ocr page 271

255

te staan, zooals zij nu door verschillende kleinigheden konden doen.

„Frithiof is er neerslachtig onder,quot; zeide Sigrid. „Ik hoop, dat gij hem zult opbeuren. Het is toch dwaas te denken, dat eerlijke arbeid eene vernedering is. Indien gij hadt ondervonden, wat het is, afhankelijk te zijn van uwe familie, zoudt gij begrijpen, waarom ik van avond mij zoo gelukkig gevoel. Ik zal ook kunnen helpen om de schulden te betalen!quot;

„Moet haar leven ook worden opgeofferd aan die wanhopige poging?quot; dacht Roy droevig.

Als Sigrid niet geheel was vervuld geweest met haar eigen geluk, zou zij zijne neerslachtigheid en misschien ook de oorzaak er van hebben ontdekt. Maar zij wandelde naast hem in den tuin in gelukkige onwetendheid, denkend aan eene toekomst, in welke Roy geen rol speelde.

Zij was zijne vriendin. Zij hield veel van hem; maar dat was alles. Of die vriendschap zich ooit tot liefde zou ontwikkelen, scheen zeer twijfelachtig.

EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

De model woningen.

Gedurende de eerstvolgende dagen was Sigrid verdiept in allerlei ingewikkelde berekeningen. Zij vond, dat, Swan-hild's kleine verdienste niet medegerekend, die voor hare eigen opvoeding en enkele extra's zou noodig zijn, hun jaarlijksch inkomen 150 pond sterling zou bedragen. Frithiof s werk voor den heer Sivertsen en wat zij des avonds nog zouden verdienen, kon worden ter zijde gelegd voor het schuldenfonds en zij geloofde, dat zij van het overige wel

ocr page 272

256

zouden kunnen leven. Mevrouw Boniface zeide, dat het onmogelijk was.

„Ik ben niet voornemens, zoo weinig voor voedsel uit te geven, als Frithiof heeft gedaan, toen hij alleen was,quot; zeide Sigrid, „want hij heefc letterlijk honger geleden en dat mag niet weer gebeuren. Het grootste bezwaar is de huishuur, want die is in Londen zoo hoog. Wij spraken er dezen morgen over en Frithiot had een goeden inval. Hij zegt, dat er goedkoope woningen zijn, de zoogenaamde model woningen voor den werkman, die misschien voor ons geschikt zouden zijn; maar wij moeten natuurlijk eerst zeker weten, dat zij gezond zijn, voordat wij er Swanhild kunnen brengen.quot;

„Zindelijk en gezond zullen zij zeker wel zijn,quot; zeide mevrouw Boniface, „maar ik geloof, dat zij onder een streng reglement staan, hetgeen u misschien zou hinderen. Maar wij kunnen er toch naar gaan zien. In zeker opzicht zoudt gij er beter wonen dan op kamers, waar gij altijd van de vrouw des huizes afhangt.quot;

Denzelfden namiddag gingen zij naar een kantoor, waar inlichtingen waren te krijgen over de model woningen en zij vernamen, dat zij vier kamers konden krijgen voor zeven en een halven shilling in de week. Dat gaf hun nieuwen moed en zij gingen dadelijk naar een blok, dat niet te ver af lag van den winkel en van het huis, waar madame Lechertier hare danslessen gaf.

Het uiterlijk aanzien der model woningen was zeker niet aantrekkelijk. De groote smakelooze huizen, met dezelfde leelijke kleur, de eindelooze rei vensters, alle precies hetzelfde, de met asphalt belegde plaats in het midden, zagen er zindelijk, maar erg vervelend uit. Doch als men dacht, dat men daar voor zoo weinig geld kon wonen en zich dan de morsige stegen herinnerde, waar de huur tweemaal hooger was, dan kon men zich gemakkelijker verzoenen met deze zeer fatsoenlijke woningen.

ocr page 273

257

„Op het oogenblik hebben wij geene woning te huur, mijnheer,quot; was het antwoord van den opzichter op een vraag van Frithiof.

Dit was een teleurstelling, maar zij schepten weder moed, toen hij er bijvoegde: „Maar ik geloof dat er spoedig een open zal komen.quot;

„Zouden wij die kunnen zien?quot; vroegen zij.

„Zij wordt bewoond door een gezin van buitenlieden en Ik geloof wel, dat zij ze u willen laten zien. Daar is een van de kinderen. Jessie, hoor eens, vraag eens aan uwe moeder, of zij nu de kamers wil laten zien.quot;

Het kind zag nieuwsgierig de bezoekers aan en ging hen toen voor, de schoone steenen trappen op, langs open vensters, waardoor frisch de Septemberwind blies, door een langen gang tot aan een deur, die zij open stootte om het bezoek aan te kondigen. Een vrouw, die er knap uitzag, kwam te voorschijn en verzocht hun, binnen te komen.

„Gij moet niet op de wanorde letten,quot; zeide zij. „Mijn man heeft ander werk gekregen en hij heeft mij pas verteld, dat wij binnen een week moeten verhuizen.quot;

Met Rowan Tree House vergeleken, waren de vertrekken natuurlijk bekrompen en zij stonden vol huisraad, behalve dat er nog vijf kleine kinderen in de keuken speelden. Maar alles was uitstekend ingericht en Sigrid meende, dat zij daar heel aardig zouden wonen. Zij sprak over het een en ander met de tegenwoordige bewoonster.

„Er is maar één ding, juffrouw, waarover ik heb te klagen en dat is, dat er niet nog een paar kasten zijn,quot; zeide de goede vrouw. „ Als ik nog maar eene kast had, zou ik al tevreden zijn. Maar ziet ge, juffrouw, er is altijd iets, dat gij anders zoudt willen hebben, waarheen gij ook gaat.quot;

„Ik zou wel willen weten,quot; zeide Sigrid, „als wij de woning namen, of een van de buurvrouwen de trappen zou willen schuren en eens in de week de kamers schrob-

17

EEN STOERE NOORMAN I.

ocr page 274

258

■ben; want dat schrobben zou mij, geloof ik, slecht afgaan.quot;

„O, dat is geen bezwaar, juffrouw, volstrekt niet,quot; zeide de vrouw. „Hier is menigeen, die graag een kleinigheid wil verdienen, en zoo is het ook met wasschen. Daarvoor zult gij gemakkelijk iemand vinden. Daar is bijvoorbeeld vrouw Hallifield, hier vlak naast, zij zou het graag genoeg doen, dat weet ik, en gij zoudt geene betere buurvrouw kunnen hebben. Zij is veel alleen, het arme mensch, want haar man is bijna altijd uit. Hij is een tramconducteur, dat is hij, en hij moet vreeselijk lang werken, des Zondags even goed als in de week.quot;

Door de eigenaardige uitspraak der vrouw, die uit het noorden van Engeland afkomstig was, had Sigrid niet goed alles kunnen begrijpen, wat zij zeide, maar zij had genoeg verstaan om hare nieuwsgierigheid op te wekken en haar te overtuigen, dat hun nieuw leven allerlei merkwaardigs zou hebben. Zij zag uit een van de vensters naar de groote vierkante huizen en poogde zich een denkbeeld te maken van de honderden menschen, die er in leefden.

„Weet gij wel, dat die groote plaats mij al begint te bevallen,quot; zeide zij tot Cecil. „Eerst vond ik het hier vervelend, maar nu komt het mij voor als een groote men-schenkorf; er is hier iets, dat tot werken aanspoort.quot;

„Dan zullen wij hier neerstrijken,quot; zeide Prithiof glimlachend, „en gij zult de koningin zijn.quot;

„Zoudt gij denken, dat het Swanhild geen kwaad zou doen?quot; vroeg Sigrid aan mevrouw Boniface. „Er schijnt hier genoeg frissche lucht te zijn.quot;

„Ja,quot; zeide mevrouw Boniface, „ik geloof, dat het in vele opzichten zeer geschikt voor u zal zijn en gij kunt zeker niets beters vinden, als gij niet veel hooger huur wilt betalen.quot;

Maar toch zuchtte zij even, want ofschoon zij de kordaatheid bewonderde, met welke twee jongelieden zich wilden

ocr page 275

259

schikken in hunne veranderde levenswijs, kon zij niet anders dan gevoelen, dat zij nauwelijks schenen te begrijpen, hoe langdurig en afmattend het moest zijn, van een klein inkomen te sparen, totdat zij van den last, dien zij op hunne schouders hadden genomen, zouden zijn verlost. Zelfs de poging, een schuld van duizenden te betalen uit de langzame en onzekere verdienste, die bij eenheden moest worden berekend, kwam haar hopeloos voor. Haar zachte, goedhartige aard miste de kracht van het onwrikbaar besluit, die de twee Noorwegers staande hield. Zij begreep niet, dat juist de moeielijkheid van de taak hen aanspoorde die te ondernemen, hen staalde voor den strijd en hen de wondervolle energie schonk van het geduld, dat alles te boven komt.

Wat Sigrid betrof, zij was nu in haar element. Hare vrouwelijke neigingen deden haar genoegen scheppen in het denkbeeld, dat zij hare eigen woning zou moeten meubelen en inrichten; zij dacht er des daags aan en droomde er des nachts van; zij studeerde in prijslijsten van winkels en vermaakte allen met hare opmerkingen.

„Bedden zijn verschrikkelijk duur,quot; zeide zij, na eene uitvoerige berekening te hebben gemaakt. „Wij moeten drie gemakkelijke bedden hebben, als wij den geheelen dag hard willen werken en zij moeten stellig nieuw zijn; die drie bedden, met al wat er bij behoort, zullen, vrees ik, niet minder dan twaalf pond kosten. Maar tafels en stoelen kunnen wij oud koopen en wij zullen niets nemen, wat niet hoog noodig is. Het zal wel wat kaal zijn, maar des te minder last hebben wij van schoonmaken en stof afnemen.quot;

„Gij zult zoo huishoudelijk worden, dat wij u niet meer zullen kennen,quot; zeide Frithiof lachend. „Wat denkt gij, dat het zal kosten de kamers te meubelen?quot;

„Wacht even, dan zal ik mijn lijstje optellen,quot; zeide zij

17*

ocr page 276

260

opgeruimd. „Ik heb nooit geweten, dat er in een huis zoovele dingen zijn, die men in het geheel niet kan ontberen. Maar nu geloof ik, dat ik alles heb. Neen, toch niet, ik heb schuiers en bezems en zulke dingen vergeten. Nu gaan wij optellen. Tel gij ook, Cecil, opdat ik mij niet vergis — want het is een angstig oogenblik.quot;

„Acht-en-twintig pond,quot; riepen beide meisjes in eenen adem.

„Daar kunt gij het nooit voor doen,quot; zeide Cecil.

„Het is voor mij eene groote som,quot; zeide Sigrid, „maar ik houd nog over van de vijftig pond, die oom ons heeft gegeven, zelfs als wij dr. Morris hebben betaald. Neen, ik geloof wezenlijk, dat wij met een gerust geweten zooveel mogen uitgeven. Waar ik bang voor ben, is het huishoudboekje; zie, wij moeten van 145 pond in het jaar zien rond te komen, dan blijft er nog vijf pond over voor ziekte of andere onvoorziene uitgaven. Voor liefdadigheid blijft niets over, maar wij kunnen ook niets weggeven, zoolang wij schulden hebben. Twee pond, vijftien shilling voor ons drieën! Arme menschen leven van veel minder.quot;

„Maar gij zijt eene andere levenswijs gewoon,quot; zeide Cecil.

„Dat is waar, maar toch geloof ik, dat het wel zal gaan. Gij moet voortgaan met uw goedkoop middagmaal, Frithiof. Dan zult gij en Swanhild den geheelen dag uit zijn en ik — het grootste gedeelte van het jaar — des namiddags; wij zullen dus niet veel steenkolen noodig hebben; slechts een vuur voor een gedeelte van den dag zal ons niet ruïneeren.quot;

„Laat mij die fraaie berekening eens zien,quot; zeide Frithiof; „ik heb een beetje verstand van goedkoop leven en gij zoudt verstandig doen, als gij mijn raad vroegt.quot;

„Gij weet er in het geheel niets van,quot; zeide Sigrid lachend. „Gij hebt niet goedkoop geleefd, maar goedkoop honger geleden en bij slot van rekening is dit duur.quot;

ocr page 277

261

Hierover wilde Frithiof niet spreken, want hij had inderdaad meermalen gevoeld, wat honger was, maar hij maakte zich meester van het papier en bestudeerde het zorgvuldig. Het bevatte voor hem veel meer dan letters en cijfers; het was vol hoop en groote verwachting, de geringheid van lederen post was een stap verder op den weg der eer, een herstel, ieder dag en ieder uur, van zijns vaders goeden naam. Hij las meermalen deze zorgvuldig opgemaakte lijst over.

p. sh. p.

Voedsel..........1-2-0

Huishuur.........0—7 — 6

Vuur en licht........0— 2—0

Wasch vrouw........0-5-0

Schoonmaakster........0—3-0

Kleederen..........0-14-0

Extra uitgaven........0—1-6

Te zamen . . . .2 — 15-0 „Voor eene zuinige huishoudster is het zeer goed uitvoerbaar,quot; zeide hij, „en voor u is het niets nieuws, Sigrid, want gij hebt de laatste elf jaren huis gehouden.quot;

„Als gij het zoo wilt noemen,quot; hernam Sigrid, „maar eigenlijk bestuurde de oude Gro alles. Maar het is des te pleizieriger, iets nieuws te beproeven. Gij zult mij dikwijls moeten opzoeken Cecil, anders ga ik in niets belangstellen behalve in mijn huishouden.quot;

Cecil lachte en beloofde het en de twee meisjes praatten vroolijk samen, terwijl zij aan het linnengoed voor het nieuwe huishouden zaten te naaien. Van tijd tot tijd zag Frithiof op van zijn courant en luisterde. Hij kon nu zijn leven dragen met geduld, maar hij had toch nog zijne dagen van neerslachtigheid, ofschoon hij, ter wille van Sigrid, zijn best deed er niet aan toe te geven. Het was niet te ontkennen, dat Blanche zijn leven had verduisterd en ofschoon hij nooit haren naam uitsprak en poogde zoo min

ocr page 278

262

mogelijk aan haar te denken en in een boek of in anderen belang te stellen, was haar invloed op hem nog sterk en een der ergste vijanden, die hij had te bestrijden. Telkens tergde hem de ijdelheid van 's menschen hoop, van hel vertrouwen, dat zoo schandelijk was bedrogen; het was een voortdurende verzoeking, slecht te denken van de vrouwen, toevlucht te zoeken in cynische verachtingen in een ongevoelig, vreugdeloos scepticisme te verzinken.

Daarentegen waren Sigrid, als zijne zuster en Cecil, als eene eerlijke en openhartige vriendin, hem geen geringe bijstand in den strijd. Zij konden niet geheel zijne gedachten volgen, noch de verlatenheid en bitterheid van zijn leven geheel begrijpen, evenmin als hii hare moeielijkheden verstond, maar zij maakten toch, dat het leven voor hem anders werd en gaven hem den moed, voort te gaan, want zij waren een levend protest tegen de verachting der vrouw, die Blanche had opgewekt. Eene vrouw had haar best gedaan om hem naar lichaam en ziel te gronde te richten; het was de taak van deze twee, haar invloed tegen te gaan en alles voor hem te doen, wat zusterliefde en reine, onbaatzuchtige vriendschap vermogen.

Indien er iets is, wat meer dan iets anders hem treft, die opmerkzaam het menschelijk leven gade slaat, is het de vreemde compensatie wet in hare onverwachte werking. Wij zien menschen, wier leven gelijkmatig en gemakkelijk is, ongelukkig door eene onbeteekenende oorzaak. Wij zien daarentegen menschen, die zwaar hebben te lijden van onrecht en rampen, genieten ten spijt van hunne zorgen, van kleine vreugde, die als een welkome lichtstraal in hun somber leven dringt. Zoo ging het Frithiof. Hij stelde een belang, zooals mannen zelden gevoelen, in alle bijzonderheden van de inrichting van het huishouden; hij bracht uren door in Roy's werkplaats om allerlei dingen te maken of te herstellen; en nam ijverig deel aan het plannen maken en beschikken.

ocr page 279

263

Eindelijk kwam de dag, dat zij Eowan Tree House zouden verlaten. Iedereen speet het, dat zij gingen en zij gevoelden het afscheid diep, want het was onmogelijk uit te drukken, hoeveel goed deze rustige weken hun hadden gedaan. Zij trachtten beiden iets daarover aan den heer en mevrouw Boniface te zeggen, maar zij slaagden er niet in, want Sigrid brak na enkele woorden in tranen uit en Frithiof gevoelde, dat ernstige dankbaarheid in woorden uit te drukken, een taak was, die zelfs den besten spreker zwaar moest vallen. Maar het was aan beide kanten niet noodig vele woorden te gebruiken.

„En als gij rust of verandering wilt hebben,quot; zeide mevrouw Boniface, terwijl zij hartelijk hem de hand drukte, „dan sluit gij uwe woning maar en komt hier bij ons. Gij alle drie zult ons welkom zijn.quot;

„Laat het uw tweede t'huis zijn,quot; zeide de heer Boniface.

Cecil, die het meest gevoelde, zeide het minst. Zij gaf hem de hand, zeide iets over de aankomst van den trein, met welken Swanhüd werd verwacht en zeide hem goeden dag; toen zag zij met een bedroefd hart broeder en zuster in het rijtuig stappen en wegrijden.

Dit hoofdstuk van haar leven was gesloten en zij wist zeer goed, dat het volgende hoofdstuk weinig belangwekkend en zeer treurig zou zijn. Een oogenblik verontrustte haar die gedachte.

„Wat heb ik toch gedaan,quot; zeide zij bij zich zelve, „om deze liefde zulk een groote macht over mij te laten krijgen ? Hoe komt het, dat geen ander man in de wereld mij eene gedachte waard schijnt, zelfs al was hij beter en leidde hij een edeler leven dan Frithiof?quot;

Zij kon zich zelve niet veroordeelen, want het was haar, alsof deze onweerstaanbare liefde, zooals de dichter zegt:

„als licht was in haar ziel gedrongen.quot;

Zonder dat zij er zich van was bewust geweest, was de liefde

ocr page 280

264

begonnen bij hunne eerste ontmoeting op de stoomboot te Bergen ; zij was oorzaak geweest van de onrust en de onverklaarbare zorg, die haar te Balholm hadden overvallen; zij was haar eerst duidelijk geworden, toen Frithiof in Engeland bij hen was gekomen — arm, met een gebroken hart en wanhopend. De ontrouw van eene andere vrouw had haar het hartstochtelijk gevoel in haar eigen hart geopenbaard en gedurende deze weken van vertrouwelijker omgang was hare liefde oneindig sterker geworden. Zij overdacht dit alles, „zooals voor een meisje volstrekt niet te pas komt,quot; zou mevrouw Horner hebben gezegd.

Gelukkig was Cecil niet gewoon hare gedachten te dwingen in den vorm, dien de wereld in het algemeen voorschreef; zij had deugdelijker beginselen om haar staande te houden dan de conventionaliteit van vrouwen als mevrouw Horner; zij achtte het niet goed, voor zich zelve opzettelijk de waarheid te ontveinzen, of zich eene onwaarheid op te dringen. Bedaard erkende zij, dat zij Frithiof lief had; met eene smart, die het onmogelijk was te onderdrukken, erkende zij, dat hij haar niet lief had en dat het zeer wel mogelijk was — ja, zelfs hoogst waarschijnlijk — dat zij nooit meer voor hem zou kunnen zijn dan eene vriendin.

Dit was de zuivere waarheid en zij moest trachten, zich erin te schikken. Die gedachte sterkte haar. Mocht zij hier in hare kamer blijven schreien, alsof haar hart zou breken? Welk goed konden hare tranen Frithiof doen? Wat konden zij anders dan haar zelve zwak en ongeschikt voor haar werk maken? Zij gaven haar zelfs geene verlichting, want zulk eene smart kan niet door tranen, maar alleen door een werkzaam leven worden verlicht. Neen, zij moest voortgaan te leven, zooals zij tot nu toe had gedaan, gebruik makende van hetgeen haar was gebleven en het overige overlatende

In de hand van Hem,

„Die 's menschen hart als water leidt.quot;

ocr page 281

265

Haar geloof was geen onvruchtbare belijdenis, maar eene zeer practische werkelijkheid; in al hare smart was zij overtuigd, dat hare liefde op de een of andere wijze nuttig zou zijn, zooals alle ware liefde behoort te wezen. Zij bleef eenige oogenblikken aan het open venster staan; een vogel zat daarbij in een boom; zij sloeg hem gade en zag toen hij wegvloog, dat de tak trilde en beefde.

„Het is eigenlijk slechts natuurlijk, dat zijn weggaan mij aandoet,quot; dacht zij, „maar even als de tak zal ik spoedig weder zijn als vroeger.quot; En toen hoorde zij de stem van Mance, die haar riep, en toen zij in de kinderkamer kwam, moest een kinderlijk geschil worden beslist en kleine armen omvatten en zachte kusjes troostten haar.

Intusschen hadden Frithiof en Sigrid de model woningen bereikt en met den sleutel in de hand gingen zij de trappen op. Alles was den vorigen dag in orde gebracht en nu zij de deur openden, was het voor hen een plechtig oogen-blik, want zij zouden een nieuw en onbekend leven aanvangen. Sigrid's hart klopte snel, toen zij de kleine zitkamer binnentraden; de deur ging naar buiten open en dit was niet aangenaam, maar mevrouw Boniface's geschenk, een kamerschut in vieren, verhielp dat grootendeels en ofschoon bij het meubelen de grootste zuinigheid was in acht genomen zag het er gezellig uit. Een vroolijk rood karpet bedekte den vloer: de donkere muren waren kaal, want het was verboden er spijkers in te slaan, maar de schilderij van Bergen stond op den schoorsteenmantel tusschen de photografleën hunner ouders, eene voortdurende herinnering aan het vaderland en aan Noorweegsche vriendelijkheid. Tegenover het vuur stond eene piano, dien de heer Boniface hun had geleend en op de open planken boven een hoekkastje waren de wit met blauwe kopjes en schoteltjes gerangschikt, die Sigrid had gekocht.

„Zij maken een veel te goed effect om ze in de keuken

ocr page 282

266

te zetten, vindt gij niet?quot; zeide zij. „Ik ben overtuigd, dat zij veel mooier zijn dan het oude porcelein, waarmede sommige menschen pronken.quot;

„En het vuur?quot; zeide Prithiof. „Zal ik het aanmaken?quot;

„Ja, doe dat. Wij moeten een beetje vuur hebben om water te koken, en Swanhild zal zeker koud zijn van de reis. Ik zal even deze bloemen in Cecil's vaasjes zetten. Vindt gij ze niet mooi? Weet gij wel, Frithiof, dat ik geloof, dat ons leven zal zijn als de geur van deze chrysanthemums — goed en gezond, als het ware bitter-zoet.quot;

„Ik wist niet, dat zij eenige geur hadden,quot; zeide hij, druk bezig met het vuur.

„Gij zijt nog niet te oud om te leeren,quot; zeide Sigrid lachend en zij hield hem een mandje met fraaie bloemen voor — roode, witte, purpere, gele, blauwe, van allerlei soort.

Hij moest erkennen, dat zij gelijk had. En evenals bij de reuk van viooltjes altijd het tooneel voor hem oprees van de volle kerk en van Blanche in haar bruidskleed, zoo deed later de geur van chrysanthemums hem altijd denken aan de heldere kleine kamer, aan het flikkeren van het pas aangestoken vuur en aan Sigrid's goudblonde haren en lief gelaat.

„Ik zou gaarne meegaan naar het station,quot; zeide Sigrid; „maar misschien is het beter dat ik hier blijf en alles in orde maak. Ik hoop, dat Swanhild goed aankomt. Zij is nog zoo klein om zulk een eind alleen te reizen.quot;

Toen hij weg was, begon zij met groote zelfvoldoening de theetafel gereed te maken; het witte servet was grof, maar zij had zelve het gekocht en gezoomd en zij verklaarde, dat het fijnste damast niet zoo goed zou hebben gepast bij het wit-met-blauwe theegoed. Na heel wat moeite, was het blikje met Amerikaansch vleesch geopend. Toen werden brood en boter en de vazen met chrysanthemums op tafel gezet. Nu moest nog brood worden geroosterd en toen zij

ocr page 283

267

hiermede gereed was, verschikte zij nog het een en ander en ging zij daarna een paar stappen terug om een overzicht over het geheel te hebben, zooals een schilder doet, wanneer hij zijn schilderij heeft voltooid. Hoe zou het Swan-hild bevallen, dacht zij voortdurend. Zij zette alles op zijn plaats in de keuken, waar inderdaad niets stond, wat overbodig was. Zij nam het een en ander uit Frithiof's koffer en maakte daarmede zijne kleine slaapkamer bewoonbaarder; zij talmde lang in de kamer, waar de twee bedden naast elkaar stonden, maar telkens liep zij weer naar de zitkamer om zich te overtuigen, dat zij niets had vergeten.

Eindelijk hoorde zij den sleutel in het deurslot omgaan en Frithiof's stem:

„Gij zult zien, dat zij heel huishoudelijk is,quot; zeide hij; en het volgende oogenblik lag Swanhild in hare armen, volstrekt niet ontstemd door hare eenzame reis, maar toch blijde, dat zij ten einde was.

„O, Sigrid!quot; riep ze met kinderlijke opgetogenheid, „wat een lieve; aardige, kleine kamer! En hoe gezellig hebt gij haar gemaakt? Kijk, daar is de schilderij van Bergen! En o, wat een aardige theetafel! Ik heb vreeselijken honger, Sigrid. Ik dorst niet uit den trein gaan, uit vrees, dat hij zonder mij zou vertrekken. Zij rijden verschrikkelijk hard; iedereen hier schijnt haast te hebben.quot;

„Maar, arm kind, dan moet gij uitgehongerd zijn!quot; riep Sigrid. „Kom, doe gauw uw hoed af. Zij ziet er werkelijk bleek en ingevallen uit; doet zij niet Frithiof?':

Hij zag naar het lieve, vroolijke gezichtje, dat hem onder het gouden haar toelachte.

„De beenderen steken er nog niet erg uit,quot;zeide hij lachend. „O, en ik heb iets gegeten!quot; verklaarde Swanhild nader. „Er was een oude dame, die mij twee gebakjes gaf, maar zij waren zoo vreeselijk vet. Er moest een wet zijn, die verbood er zooveel vet in te doen.quot;

ocr page 284

268

Zij moesten allen lachen, en Frithiof, die den koffer open maakte, dien hij had boven gebracht, zag er zoo opgeruimd en tevreden uit, dat Sigrid begon te denken, dat Swanhild een gelukkigen invloed zou oefenen in hunne woning.

„En wat zegt gij van uwe slaapkamer?quot; vroeg zij.

„O, allerliefst!quot; riep Swanhild. „Wat een aardig rond bad en wat een klein waschtafeltje, precies als van mijn oude pop, op drie pooten. En, o, Sigrid, tante heeft ons drie mooie donzen dekbedden gezonden; het is eigenlijk een kerstgeschenk, maar zij dacht dat ik ze even goed kon medenemen.quot;

Het ging vroolijk toe by dat eerste theedrinken in de model woning. Swanhild had zooveel te vertellen en zooveel te hooren en zij bleven lang aan tafel zitten met het aangenaam bewustzijn, dat het eigenlijke werk eerst den volgenden dag begon.

„Er is een ding, dat wij dadelijk moesten afspreken,quot; zeide Sigrid, toen zij eindelijk opstonden. „Nu wij ons zeiven moeten bedienen, moeten wij er zooveel pret van heb ben als mogelijk is. Kom, Swanhild, ik zal het theegoed afwasschen en gij zult het afdrogen.quot;

„En ik,quot; zeide Frithiof, die plotseling in zijn hemdsmouwen in de keukendeur verscheen, „ik ben de schoenenpoetser van het etablissement.quot;

„Gij! o, Frithiof!quot; riep Swanhild eensklaps ernstig. Zij kon het zich niet voorstellen, dat haar groote broeder zulk een werk zou doen.

„Dat staat in het kontract, ik verzeker het u,quot; zeide hij glimlachend. „Sigrid is huishoudster en keukenmeid; gij zijt tweede meid en ik ben de man voor de kolen, de messen en de schoenen. Ieder fatsoenlijk huishouden heeft een man voor dat werk.quot;

„Ja, ja,quot; zij aarzelde; „maar gij —quot;

„Zij gelooft zeker, dat ik er geen verstand van heb,quot; zeide hij en lachende dreigde hij haar met zijn borstel.

ocr page 285

269

„Bedaard! bedaard! gij beiden, of gij zult mijn theekopjes breken,quot; zeide Sigrid lachend. „Ik geloof, dat hij de schoenen volgens de regelen zal poetsen, want hij heeft het werkelijk bestudeerd. Daar, zet het theegoed in de zitkamer, Swanhild, op de planken in den hoek, en dan zullen wij uw goed uitpakken.quot;

Tegen negen uur stond alles op zijn plaats en zij kwamen in de zitkamer, waar Frithiof de kleine lamp had opgestoken en zat te schrijven aan den heer Sivertsen om hem te melden dat hij gaarne weder wat werk wilde hebben.

„Kom,quot; zeide Sigrid, „de avond zou niet volmaakt zijn zonder muziek en ik verlang er naar, de pianino te pro-beeren. Wat zullen wij het eerst spelen in ons nieuwe huis, Swanhild ?quot;

„Por Norge,quot; zeide het kleine meisje dadelijk.

„Weet gij wel, dat wij over dat lied in Rowan Tree House een dispuut hebben gehad,quot; zeide Sigrid. „Zij dachten allen, dat het eene Engelsche melodie was en zij kenden haar alleen door een lied, dat „de stoere Noormanquot; heet. De heer Boniface noemt Frithiof zijnen stoeren Noorman, omdat hij zoo spoedig weder gezond is geworden.quot;

„Kom, Frithiof, zing mede; toe dan!quot; vleide Swanhild, zijne hand grijpend en hem naar de pianino trekkend. Gewillig gaf hij toe en in hunne nieuwe woning in het vreemde land zongen zij samen het zielverheffend volkslied.

TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK. Een vizioen van het veeleden.

„Mijne waarde, zij is allerliefst, uwe kleine Swanhild! Zij is eene geboren danseres en zij begrijpt alles dadelijk,quot;

ocr page 286

270

zeide madame Lechertier op een najaarsnamiddag, toen Sigrid op den gewonen tijd de groote, kale kamer binnen kwam, waar de danslessen werden gegeven. Zij droeg op verzoek van madame Lechertier hare bekoorlijke boerinne-kleeding en Swanhild had ook voor het eerst de hare aangetrokken, die in tegenstelling van die van Sigrid, zeer korte rokken had, hetgeen, zooals madame zeide, uitstekend was voor eene kweekelinge in de edele danskunst.

„Denkt gij, dat zij u wezenlijk van nut zal zijn, mevrouw?quot; vroeg Sigrid, naar het andere einde der groote kamer ziende, waar het kind voor haar eigen genoegen eenige passen uitvoerde, die zij zoo even had geleerd. „Want anders zouden wij liever niet hebben, dat zij eenig geld kreeg.quot;

„Ja, ja,quot; zeide madame Lechertier, terwijl zij haar liefkozend op den schouder klopte; „gij zijt onafhankelijk en trotsch, dat weet ik wel. Maar ik verzeker u, dat Swanhild eene beste kleine onderwijzeres zal zijn en ik ben in mijn schik, dat ik haar heb. Zij behoeft ook niet meer iederen morgen bij mij te komen, want ik heb haar alles geleerd, wat zij vooreerst behoeft te kennen en gij zult er zeker op zijn gesteld, dat zij geregeld school gaat.quot;

„Ik heb een school voor haar gevonden, waar zij, na kersttijd des voormiddags kan gaan en zij moet tot dien tijd hard werken aan haar Engelsch, anders komt zij in de laagste klasse. Zij zal het zeer druk hebben, maar wij zijn allen sterk, en kunnen heel wat af doen.quot;

„En haar werk bij mij is alleen lichamelijk en zal haar niet te zwaar vallen,quot; zeide madame met welgevallen naar het bevallige figuurtje aan het einde van de kamer ziende. „Wat een lief kind! Zij heeft de bevalligste manieren, die ik ooit heb gezien en wat mij het meest bevalt, is hare eenvoudigheid en natuurlijkheid. Hoe komt gij toch daaraan in Noorwegen?quot;

ocr page 287

271

„In Engeland,quot; zeide Sigrid, „schijnen de menschen twee zijden te hebben, eene ruwe voor huisgebruik en eene beschaafde voor den omgang met vreemden. Bij de Bonifaces is het evenwel omgekeerd, zij bewaren hunne beste zijde voor t'huis en geven weinig om gezelschappen ; maar zij hebben toch, evenals alle Engelschen, die ik heb ontmoet, tweeërlei manieren. Dat kennen wij niet in Noorwegen. Ik geloof, dat wij ons minder bekommeren om den indruk, dien wij maken en dat wij voor elkander meer achting gevoelen.''

Zij had gelijk; het was die achting, die eerbied voor elkanders rechten en vrijheden, wat hun samenzijn in de modelwoning zoo gelukkig maakte; terwijl hare eigen opgeruimdheid en zachtheid van humeur er de atmosfeer gezond maakte, scheen Frithiof in eene omgeving, die hem zoo geheel paste, zijne oude voorkomendheid terug te krijgen; en ofschoon de heer Horner nog altijd een hekel aan hem had, leerden de meesten, met wie hij dagelijks in aanraking kwam, ten minste hem achten en zij vergaven hem zijne vroegere stugheid en trots, toen zij hoorden, hoe ziek hij was geweest en zagen, hoe geheel hij na zijn herstel was veranderd.

Swanhild had een groot succes op dien eersten Zaterdagnamiddag en madame Lechertier was zeer tevreden over haar inval, wat het Noorweegsch costuum betrof; de mooie vreemdelinge aan de piano en het aardige, kleine Noorsche meisje, dat zoo verwonderlijk kon dansen, maakte eene sensatie in de klasse en de beide zusters gingen opgeruimd naar huis, verheugd dat zij hare vriendelijke patrones zoo goed waren bevallen. Zij waren pas t'huis en hadden nauwelijks hare mantels afgelegd, toen er hard aan de deur werd geklopt. Swanhild, nog in haar Hardinger kleeding, liep snel om te zien, wie er was en kon slechts met moeite haar lachlust onderdrukken, toen zij een vreemden ouden man zag, die vroeg, of Frithiof thuis was.

„Nog uit, zegt gij?quot; hijgde hij. „Dat is lastig. Ik

ocr page 288

272

moet hem noodzakelijk spreken en het heeft haast ook.quot;

„Wilt gij niet binnen komen en op hem wachten?quot; zeide het kind. „Frithiof zal dadelijk t'huis komen.quot;

„Zeer gaarne,quot; zeide de heer Sivertsen. „Deze trappen zijn verschrikkelijk. Ik zal blijde zijn, als ik ze niet nog eens behoef op te klimmen. Maar alle huizen zijn hetzelfde in Londen — alle! Verdieping op verdieping totdat zij niet beter zijn dan de toren van Babel.quot;

Sigrid kwam te voorschijn; zij begroette den ouden man vriendelijk en liet hem plaats nemen bij het vuur.

„Frithiof is gaan wandelen met een vriend,quot; zeide zij, „maar hij zal binnen een paar minuten terug zijn. Ik heb hem overgehaald, des Zaterdags een flinke wandeling te doen, als het mogelijk is.quot;

„En dientengevolge werkt hij voor mij niet half zoo veel als vroeger,quot; zeide de heer Sivertsen. „Maar gij hebt groot gelijk. Hij had meer beweging noodig. Is hij nu geheel hersteld ?quot;

„O, ja; dank u; maar ik geloof, dat hij nooit weer zoo sterk zal worden, als hij geweest is,quot; zeide zij treurig. „Al te hard werken en verdriet en een armoedig leven moeten op den duur den sterksten man schaden.quot;

„Er zijn tegenwoordig geen sterke menschen meer, geloof ik,quot; zeide de oude schrijver barsch. „Zij bezwijken allen vroeger of later — een ontaard ras — een nietswaardig geslacht.quot;

„De dokter zegt, dat hij een krachtig gestel moet hebben gehad om zoo snel beter te worden,quot; zeide Sigrid. „Toch ben ik soms bang, dat hij weder te veel doet. Wildet gij hem meer werk opdragen?quot;

„Ja, dat wilde ik; maar misschien is het werk, waarbij gij hem kondt helpen,quot; zeide de heer Sivertsen en hij legde haar uit, wat hij wilde gedaan hebben.

„Als ik er maar tijd voor kan vinden,quot; riep zij uit. „Maar wij hebben het allen zeer druk. Ik moet het huis

ocr page 289

273

in orde houden en altijd is er iets te maken of te herstellen. En Swanhild en ik gaan iederen middag naar Madame Le-chertier's dansschool. Zoo komt het, dat wij ons boerinne-costuum aan hebben; gij zult het wel vreemd hebben gevonden.quot;

„Het is een mooi costuum en herinnert mij aan den ouden tijd, toen ik nog t'huis was,quot; zeide de heer Sivertsen. „En wat het werk betreft, doe er van zooveel gij kunt, er is geen haast bij. Daar komt uw broeder!quot; En de oude man nam dadelijk Frithiof in beslag terwijl Roy, die met hem was binnen gekomen, het zeer aangenaam vond met Si-grid te kunnen praten, die bij het vuur stond en brood roosterde. De kleine Swanhild dekte intusschen de tafel, stak de lamp op en trok de gordijnen dicht.

De heer Sivertsen zat thee te drinken, voor dat hij wist wat hij deed, en het gezicht van het aardig kleine huishouden liet hem zijn gewone knorrigheid vergeten. Lang vervlogen herinneringen rezen voor hem op, terwijl hij luisterde naar het vroolijk praten der twee meisjes en zag, dat zij plotseling door de kamer dansten. Hij verzocht haar eenige liederen voor hem te zingen, die hij in vele jaren niet had gehoord.

„Het spijt mij te moeten zeggen,quot; zeide Sigrid lachend, „dat onze naaste buurvrouw, juffrouw Hallifield mij heeft verteld, dat iedereen hier in huis gelooft, dat wij tot de Christy Minstrels behooren. De Engelschen schijnen niet te kunnen begrijpen, dat iemand t'huis zingt en danst, alleen voor zijn pleizier en niet voor zijn beroep.quot;

Later bezocht de oude schrijver hen nog dikwijls en zij leerden van hem houden en zijne uitvallen over het verbasterd ras vermaakten hen. En zoo ging, onder hard werken, van tijd tot tijd afgewisseld door een bezoek aan Rowan Tree House of door eene visite van de Bonifaces, de winter voorbij, de boomen werden weder groen en zij moesten

KEN STOERE NOORMAN. I. IS

ocr page 290

274:

erkennen, dat het berookte Londen zijne eigenaardige schoonheid had.

„Hebt gij ooit zoo iets moois gezien als deze voorjaarsbloemen ?quot; zeide Sigrid. toen zij en Frithiof op eenen lenteavond westwaarts gingen om op eene partij te spelen, iets waaraan zij thans waren gewoon geraakt.

„Neen; wij hadden te Bergen niets, dat er op geleek,quot; gaf hij toe en opgeruimd gingen zij verder langs de groote, rijke huizen — hij met zijn vioolkast en zij met een dikke rol muziek — voldaan met het succes, waarvoor zij zoo hard hadden gewerkt en volstrekt niet de menschen van het Westend benijdend. Sigrid schepte er inderdaad een behagen in een blik te slaan in een geheel ander leven. Zij had zoo dikwijls vermoeid de steenen trap der modelwoningen beklommen, dat als zij de met een dikken looper belegde trap, in welke hare voeten zonken als in mos, betrad, zij het eene heerlijke afwisseling vond. In haar hoekje achter de piano sloeg zij gaarne de fraai versierde kamers en de komst der feestelijk uitgedoschte gasten gade. Frithiof, die in den beginne een afkeer had gehad van dit soort werk, was er aan gewoon geraakt; het kwetste niet langer zijn trots, want Sigrid was er bijna in geslaagd, hem te bekeeren tot haar leer, dat een edele beweegreden alle werk adelt; en ais iets hem ergerde, dacht hij aan de schulden te Bergen en dan was hij weder bereid alles te verdragen. Dezen avond was hij bijzonder opgeruimd; in den winkel was in den laatsten tijd alles goed gegaan; zijn krachten namen toe bij den dag en de huiselijke omgeving had veel bijgedragen om de pijnlijke beelden van het verleden te bannen, die hij in zijne eenzaamheid altijd had gezien. Zij spraken, in de pauzen, in het Noorweegsch over de menschen, die zij zagen, en vermaakten zich stil, toen eensklaps hun vrede werd gestoord door hetzelfde gelaat, dat Friihiof standvastig poogde uit zijne gedachte te verbannen. Een wals was

ocr page 291

275

juist geëindigd. Sigrid zag op van hare muziek en, slechts eenige passen van haar verwijderd, zag zij de slanke, lenige gestalte, het bekoorlijk gelaat, de zwarte oogen, den verleidelijker! glimlach van lady Eomiaux. Een oogenblik was het, alsof haar hart ophield te kloppen, toen, met de hoop, dat Frithiof misschien haar niet had opgemerkt, zag zij angstig hem aan. Maar zijn gelaat leek uit witten steen gehouwen en zij zag maar al te duidelijk, dat haar hoop ij del was geweest.

„Frithiof,quot; zeide zij in het Noorweegsch, „gij zijt niet wel. Ga even lucht scheppen en drink een glas water, voordat de volgende dans begint.quot;

Hij scheen hare stem te hooren, maar hare woorden niet te verstaan; er was eene wezenlooze uitdrukking op zijn gelaat en zulk een wanhoop in zijne oogen, dat alle moed haar ontzonk. Al de vreeselijke bezorgdheid voor zijne gezondheid keerde terug. Zij dacht, dat niets hem kon bevrijden van den noodlottigen invloed, dien Blanche over hem had verworven.

Hoe gaarne zou zij zijn opgestaan om dit huis te ontvlieden! Hoe haatte zij deze vrouw, die lachend met een onbeduidend jongmensch stond te praten! Als zij er niet was geweest, hoe geheel anders zou thans hun lot zijn!

„Ik kan het niet helpen, ik haat haar,quot; dacht de arme Sigrid. „Zij heeft Frithiof's leven verdorven en nu, in een oogenblik, bederft zij het werk van maanden. Zij is oorzaak van het faillissement van mijnen vader; als zij trouw was gebleven, zouden wij thans niet moeten zwoegen om die vreeselijke schulden te betalen; honderden huisgezinnen in Bergen zouden voor zware verliezen zijn bewaard en hij — mijn vader — zou nog leven. Hoe kan ik anders dan haar haten?quot;

Op dit oogenblik merkte Blanche toevallig hen op. De kleur op hare wangen werd donkerder.

„Zijn zij zoo diep gezonken?quot; dacht zij. „Ach, de arme

is*

ocr page 292

276

schepsels! Wat spijt mij dat! Papa heeft mij verteld, dat de heer Falck failliet was gegaan; maar zoo diep te zinken. Nu, als zij al hun geld hebben verloren, is het maar goed, dat alles uit is tusschen ons. Maar toch, als ik hem trouw was gebleven.quot; —

Haar cavalier begreep niet, waarom zij plotseling zoo stil was geworden. Er was inderdaad reden voor; want Blanche kreeg plotseling een vreeselijk begrip van hare zonden. Daar stond zij in de danszaal, in haar grijs satijn kleed met flikkerende diamanten, en voor het eerst overviel haar het gevoel van verantwoordelijkheid voor het kwaad, dat zij had gewrocht. Frithiof was niet de eenige, dien zij ongelukkig had gemaakt. Zij had veel erger gezondigd tegen haar echtgenoot en ofschoon zij om de wereld te trotseeren, zich poogde diets te maken, dat zij om niets gaf en de uitnoodiglngen aannam van de menschen, die haar nog wilden ontvangen, voelde zij zich toch diep ongelukkig. Zoo vreemd waren goede en slechte neigingen vermengd in haar karakter, dat zij zich soms afvroeg of zij eene vrouw was; den eenen dag kon zij weekhartig en berouwvol zijn en den volgenden dag verstokt en wereldsch; zij kon soms de Blanche zijn van de onbezorgde Noorweegsche reis en dan weder de lady Romiaux, die zich berucht had gemaakt.

„Hoe vreemd, dat ik mijn Viking hier moet ontmoeten,quot; dacht zij. „Wat ziet hij er oud uit! Wat is zijn gezicht veranderd! Men zou hebben gedacht, dat zijn achteruitgang in de wereld hem een weinig deemoediger zou hebben ge maakt; maar hij schijnt meer waardigheid te hebben gekregen. Ik ben werkelijk bang voor hem. En ik kon vroeger alles met hem doen — hij zou voor mij zijn gestorven! Maar ik zou spoedig mijn oude macht over hem terug krijgen, als ik wilde. Ik zal hem aanspreken; het zou lomp zijn, te doen, alsof ik hen in hun tegenwoordige positie niet wilde zien, arme schepsels!quot;

ocr page 293

277

Na een woord van verontschuldiging tot haren cavalier, ging zij snel naar de piano; maar toen hare oogen die van Frithiof ontmoetten, begon haar hart pijnlijk te kloppen en opnieuw beving haar een gevoel van vrees. Hij zag zeer ernstig, zeer somber, zeer vastberaden. De groet, dien zij had willen uitspreken, bestierf op hare lippen en zij zeide verward;

„Wilt gij mij den naam zeggen van den laatsten wals?quot;

Hij boog en zocht in een hoop muziek.

„Frithiof,quot; fluisterde zij, „hebt gij mij vergeten? Hebt gij mij niets te zeggen?quot;

Maar hij deed, alsof hij haar niet hoorde, gaf bedaard haar de muziek, wendde zich af, nam zijn viool en gaf Sigrid een wenk, den volgenden dans te beginnen.

Blanche werd wc ggevoerd door haren danser en met gloeiende wangen en oogen brandende van ongestorte tranen, zweefde zij door de zaal, ofschoon hare voeten als Jood waren en geen maat schenen te kunnen houden met de viool, wier tonen haar hart vei scheurden. „Ik heb geene macht meer over hem,quot; dacht zij. „Hij veracht mij zóó, dat hij mij zelfs niet wil herkennen, niet antwoorden, als ik hem aanspreek! Hoe veel edeler is hij, dan die nietige lieden, met wie ik moet dansen, die huichelaars, die mij vleien, maar in hun hart mij verachten. O, hoe dwaas ben ik geweest, dat ik zulk een man van mij heb gestooten om mij te laten verlokken door een naam en, wat het ergst is, niet alleen zijn liefde, maar zijne achting te verliezen. Als wij daar ginds zijn, zal ik zijn gelaat weder zien. Daar is hij! Wat ziet hij droevig en streng en hoe cordaat speelt hij door! Ik zal deze wijs haten zoolang ik leef! ik heb niets over gehouden dan de macht hem smart aan te doen — ik, die zoo gaarne hem zou willen helpen, die gemarteld word door berouw!quot;

En al dien tijd beantwoordde zij werktuigelijk de flauwe

ocr page 294

278

opmerkingen van haren danser. En de avond verliep en zij praatte en lachte en danste en het viel haar zoo zwaar! Zij dacht aan de beschrijving van den Inferno, die zij onlangs had gelezen, hoe de ongelukkigen moesten doen, alsof zij zich vermaakten, en moesten dansen, zooals zij nu danste, en slechts verlangden te sterven.

„Maar ik kan nog omkeeren,quot; peinsde zij. „Ik ben nog niet in den Inferno — ik geloof het tenminste niet, ofschoon ik niet denk, dat hij erger kan zijn dan dit. Hoe lief en onschuldig ziet dat blonde meisje er uit met — met die lelietjes van dalen — ik geloof dat het haar eerste bal is. Zou zij ooit worden zooals ik? Misschien zegt iemand haar; „dat is de befaamde lady Romiaux! Misschien zal zij de couranten lezen, als de zaak voorkomt en zij moet spoedig voor komen. Dat kan haar veel kwaad doen. O, kon ik het ver-Ie len ongedaan maken! Ik heb daar vroeger nooit aan gedacht. Ik heb vroeger nooit aan iemand anders dan aan mij zelve gedacht.quot;

Zij moest een einde maken aan de treurige veinzerij, zij kon niet langer den schijn volhouden, dat zij zich vermaakte ; zij maakte van de eerste gelegenheid gebruik om te vei trekken. Maar toen de spanning voorbij was, verdween haar kracht. Mismoedig en afgemat rustte zij op eenen ge-makkelijken stoel in de kleedkamer; haar goudgele mantel en de kanten mantille, die zij over haar hoofd had geslagen, deden hare bleekheid nog meer uitkomen. Een dienstbode vroeg bezorgd, of haar iets scheelde.

„Het is niets dan hoofdpijn,quot; antwoordde zij moede. „Laat mijn rijtuig voorkomen.quot;

En toen volgde een verward gedruisch van wielen op straat, van stemmen, die riepen in den nacht, terwijl van boven het geluid kwam van dansers en van de onvermoeide viool, met den eentonigen deun van „Sir Roger de Coverleyquot; als werd hij door eene machine gespeeld en niet door een

ocr page 295

279

man, wiens hoofd zwaar en wiens hart verpletterd was. Blanche dacht aan Balholm; zij zag den vroolijken dans in de herberg; zij zag Ole Kvikne met zijn goedigen glimlach en den heer Falck met zijn vergenoegd gelaat en zij vloog weder door den drom der dansers Frithiof te gemoet — den gelukkigen Frithiof, die zoo vol jeugd en kracht was, met wien zij twee jaren geleden „Sir Rogerquot; had gedanst.

„Het rijtuig van lady Romiaux is voor,quot; zeide een stem en haastig stond zij op, ging door het helder verlichte portaal en stapte met een gevoel van verlichting in haar coupé. Nog altijd speelde de viool en zij klonk met de vreemde treurigheid, die dansmuziek in de verte dikwijls wekt. Blanche kon het niet langer hooren, zij zonk in een hoek van haar rijtuig en barstte uit in hartstochtelijk weenen.

Lady Romiaux kon heengaan, maar het bal was nog niet afgeloopen en Frithiof en Sigrid moesten blijven tot het einde. Sigrid, hoe vermoeid zij zelve ook was, kon aan niets denken dan aan haren broeder. Gedurende dien langen avond scheen het haar, dat zij, als het mogelijk was, hem nog meer lief had dan vroeger; zijne kalme gelatenheid maakte een sterken indruk op haar, maar om zijnentwil verlangde zij naar het einde, want zij kon aan zijn voorhoofd zien, dat hij een verschrikkelijke hoofdpijn had.

Eindelijk was het laatste nummer van het programma afgespeeld. Zij haastte zich naar beneden om haar mantel om te doen en haar hoed op te zetten en was na een paar minuten bij Frithiof in het volle portaal, waar hij in hare oogen duizendmaal edeler en waardiger leek dan een der andere mannen.

Hij slaakte een zucht van verlichting, toen zij uit de hitte van het huis in de koele duisternis buiten kwamen. De sterren waren nog zichtbaar, maar flauw vertoonde zich reeds in het oosten de morgenschemering. De stilte was een genot

ocr page 296

280

na de muziek en het dansen, die hem zoo hadden gehinderd; maar hij bespeurde nu, hoe groot de spanning was geweest en zelfs hier buiten, in den kalmen nacht, scheen het hem, alsof schimachtige figuren om hem draaiden en Blanche's oogen nog altijd hem zochten.

„Zijt gij erg vermoeid?quot; vroeg Sigrid, haren arm onder den zijnen stekend.

„Ja, doodmoede,quot; zeide hij. „Het is vernederend door zulk eene kleinigheid van streek te geraken.quot;

„Ik noem het geene kleinigheid,quot; zeide zij driftig. „Gij weet zeer goed, dat de hitte en het werk u niet hebben vermoeid gemaakt. O, Fjithiof, hoe dorst die vrouw u aanspreken !quot;

„Stil!quot; zeide hij treurig. „Spreken maakt het slechts erger. Ik wilde, dat gij met iets anders de gedachte uit mijn hoofd kondt verdrijven. Zeg een gedicht voor mij op — wat gij maar wilt.quot;

„Ik weet niet, wat ik zou kunnen opzeggen, behalve een oud gedicht, dat Cecil mij heeft gegeven, toen wij te Rowan Tree House waren, maar ik weet niet, of het in uw smaak zal vallen.quot;

„Alles is mij goed,quot; zeide hij.

„Nu, dan zult gij het hooren; het is een oud gezang uit de veertiende eeuw.quot; En met hatr heldere stem zeide zij de volgende verzen op, toen zij huiswaarts gingen dooide verlaten straten:

„Strydend den levensstrüd Moede van hart en hoofd!

Want in den hangen strijd Wappert geen vreugdevaan!

Weg is zy uit het gezicht Toen ik haar bij mij dacht

En de stem van hoop sterft nu In mijn luisterend oor.

ocr page 297

231

Strijdend allien van nacht.

Nu niemand my ziet Die moed in den stryd m\j geeft.

Of hoort als ik schrei:

God alleen is 't die m\j hoort

God alleen die kan zien Den strijd bitter en zwaar in myn borst Hoe kalm ik tok uiterlijk schyn.

„Heer! hoe gaarne zou ik zjjn

Veilig en stil onder Uw schild Maar leer mij kennen Uw wil Opdat ik nimmer bezwijk:

Zooals mijne handen nu

Zoo wacht mijn wil Gevouwen Uw heilig bevel Vrij van lederen angst.

,,Maar als met felle pijn

Mijn banden zich klemmen saam Zoo staat mijn wil weer vast

Sterk als nimmer voorheen.

Niets dan volkomen vertrouwen

En liefde van Uw volmaakten wil Kan my uit het stof verheffen En mijn vrees doen zwijgen.

.,0 Heer! Gij verbergt uw gelaat

En de benauwdheid van den strijd neemt toe O schenk mij Uw dierbre genade

Opdat ik niet bezwijk.

Strijdend alleen van nacht

Met een luid kloppend hart!

O, Heer Jezus in den strijd;

O, laat mij niet alleen !quot;

Hij maakte geen enkele opmerking, toen zij had geëindigd, maar het gedicht had andere g( dachten in hem opgewekt. En de schemerige, stille straten, die zij doorgingen, en het allengs sterker wordend licht in het oosten schenen hem een beeld van zijn eigen leven, want in zijne droefheid daagde voor hem een helderder openbaring van het onzienlijke, dan waarmede hij ooit was begenadigd.

ocr page 298

282

DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Vacantie-dagen.

Sigi id dacht, dat zij pas was naar bed gegaan, toen het tijd was van opstaan. Slaperig wenschte zij, datdeLoade-naars hunne partijen niet zoo laat gaven; toen, zich herinnerende, wat er was gebeurd, vergat zij hare eigene vermoeidheid en wendde zich met een haastige vraag tot Swanhild Het was de dagelijksche taak der kleine zuster, Frithiof te wekken, een taak, die niet altijd gemakkelijk was, want of zijne slechte gewoonte tot laat in den nacht te werken, toen hij nog alleen in de stad woonde, öf anders zijne ziekte, had gemaakt dat hij gewoonlijk tusschen twaalf en twee uur klaar wakker lag en vast sliep tegen zeven uur.

„Gij hebt hem nog niet geroepen, wel?quot; vroeg Sigrid, hare oogen wrijvende.

„Neen, maar het is hoog tijd,quot; zeide Swanhild; zij sloeg haar atlas dicht en richtte zich op in bed, waar zij haar aardrijkskundige les leerde.

„O, laat hem nog een weinig slapen,quot; zeide Sigrid. „Het is van nacht zoo laat geworden en hij had erge hoofdpijn, zoodat Ik niet geloof, dat hij veel heeft geslapen. En Swanhild, gij moet met hem niet spreken over de partij en hem niets vragen. Het ongeluk wilde, dat lady Rotniaux daar was.quot;

Nu was Swanhild een kind met eene levendige verbeeldingskracht en zij was juist op den leeftijd, dat meisjes soms eene vurige vereering voor vrouwen gevoelen. Te Balholm had zij gedweept met Blanche; toen zij later had gehoord, hoe slecht zij Frithiof had behandeld, was toch hare liefde niet verzwakt; zij had alle mogelijke veront-

ocr page 299

283

schuldigingen voor haar afgod bedacht, en, ofschoon zij nooit over haar kon spreken, bewaarde zij zorgvuldig eenige souvenirs van Balholm. Ei is iets belachelijks en te gelijk iets aandoenlijks in deze meisjesvereering en als middel tegen te vroege gedachte aan werkelijke liefde is het zeker goed, haar aan te moedigen. Mannen waren voor haar nog niet anders dan zoovele oude broeders, die soms goede speelkameraden waren. Al de romantiek van hare natuur besteedde zij aan eene ideale Blanche — hoe verschillend deze was van de werkelijke lady Romiaux kon de onschuldige Swan-hild niet vermoeden. Terwijl de wereld hard over haar oordeelde, kuste het kleine Noorweegsche meisje een denne-appel, die Blanche eens op eene wandeling had opgeraapt, of ontpakte zij, als zij alleen was, een verdorde roos, die Blanche bij den vroolijken dans op dien Zaterdagavond in heur haar had gehad. Haar hart klopte zoo hevig, dat zij benauwd werd, toen Sigrid plotseling den naam van lady Romiaux noemde.

„Hoe zag zij er uic?quot; vroeg zij, terwijl zij haar blozend gelaat afwendde met een grappige parodie van de aangeboren neiging der vrouw, hare liefde te verbergen.

„O, zij zag er uit als altijd — even mooi en verleidelijk als vroeger, de rampzalige!quot; Toen, bedenkend dat Swanhild te jong was om de geheele waarheid te hooren, hield zij plotseling stil. „Maar kom, laten wij niet meer over haar spreken. Ik verlang nooit meer haar naam te hooren.quot;

De arme Swanhild zuchtte; zij dacht, dat Sigrid erg hardvochtig was, en dit versterkte haar in hare trouw aan haar ideaal. Het was waar, zij had haar woord aan Frithiof gebroken, maar zij zou er nu zeker berouw van hebben en toen het kind neerknielde om haar morgengebed te doen, bad zij vuriger dan anders voor Blanche.

Frithiof kwam aan het ontbijt, slechts een paar minuten, voordat hij moest uitgaan. Zijne oogen stonden dof en

ocr page 300

284

zijn bleek gelaat had de uitdrukking, die Sigrid maar al te goed had leeren kennen. Zij wist, dat, terwijl zij hadden geslapen, hij wakker had gelegen, kampende met de oude herinneringen, die telkens weder bij hem opkwamen; hij had overwonnen, maar de overwinning had hem afgemat en uitgeput en neerslachtig gelaten.

„Och, was zij hem maar getrouw gebleven,quot; dacht Swan-hild. „Arme Blanche! als hij er gisteravond zoo heeft uitgezien, wat moet zij dan een berouw hebben gevoeld!quot;

Misschien was het kind, met have liefdevolle vergevensgezindheid en hare beperkte kennis der feiten, dichter bij de waarheid dan Sigrid. Blanche was zeker niet het ideaal harer droomen, maar zij was ook niet het hop loos verdorven schepsel, waarvoor Sigrid haar hield; zij was eene vrouw, die zeer zwaar had gezondigd, maar zij was niet geheel zonder hart en er waren spranken van het goede in haar voor welke het Noorweegsche meisje, in hare gloeiende verontwaardiging, geheel en al blind was. Sigrid had ook hare gebreken en evenals op Frithiof was op haar iets van een strengen, geene vergeving kermenden geest overgegaan, die hare viking-voorvaderen had bezield.

Meer dan eens, terwijl zij dien morgen bezig was met haar huishoudwerk, zeide zij bij zich zelve: „Ik wenschte, dat die vrouw dood was! — ja dat zij dood was!quot;

„Gij ziet er niet goed uit van morgen, mijnheer Falck,quot; zeide de oudste bediende, een opgeruimd, goedhartig man, die eene groore familie had groot gebracht met zijn salaris en wien Frithiof dikwijls raad had gevraagd over huishoudelijke zaken. Zij mochten elkander nu gaarne en konden goed overweg; Foster had het vooroordeel geheel overwonnen, dat hij eerst tegen den vreemdeling had gekoesterd.

„Het is gisteren laat geworden,quot; zeide Frithiof bij wijze van opheldering, maar de oude man zag scherp en toen hij

ocr page 301

285

later in de kamer van den heer Boniface was, maakte hij van de gelegenheid gebruik om te zeggen:

„De heer Falck heeft weer een ziekte onder de leden, als ik mij niet vergis; hij ziet er zeer slecht uit van daag.quot;

„Het spijt mij, dat te hoeren,quot; zeide de heer Boniface. „Gij hebt heel goed gedaan het mij te zeggen, Foster. Wij zullen zien, of er niets aan is te doen.quot;

En Foster wist, dat de heer Boniface zoo niet sprak, omdat het een gunsteling gold, want hij achtte de gezondheid van zijne geëmploieerden altijd een zaak van het grootste gewicht; hij was in de eerste plaats christen en daarna koopman en beschouwde geld verdienen niet als het hoofddoel van zijn leven. Menigmaal was Foster zelf met zijne familie naar eene zeeplaats gezonden en het was misschien de herinnering aan de heerlijkheden van West-Codring-ton, die hem, toen hij de kamer verliet, bewoog te zeggen:

„Hij ziet er uit, geloof ik, mijnheer, alsof hij nieuwe krachten noodig had.quot;

De heer Boniface was van dezelfde meening toen hij, later op den dag, op Fiithiof lette.

Een goed verkooper was de Noorweger altijd geweest — vlug van begrip, beleefd en nauwkeurig; maar nu was de inspanning, evenals kort voor zijn ziekte, weder duidelijk zichtbaar, en de heer Boniface maakte van de eerete gelegenheid gebruik om hem alleen te spreken. Tegen vijf uur werd het minder druk'in den winkel; Durnell, de man aan de andere toonbank, was gaan thee drinken en Frithiof stond aan zijn lessenaar en teekende eenige bestellingen op.

„Frithiof,quot; zeide de heer Boniface, naar hem toe komende en den deftigen toon achterwege latende, die in den winkel gebruikelijk was, „gij hebt weder uw zware hoofdpijn.quot;

„Ja,quot; zeide de Noorweger eerlijk; „maar dat verhindert mij niet, te werken. Ik kan alles behoorlijk afdoen.quot;

ocr page 302

286

,,Welke plannen hebt gij voor uwe pinkstervacantle gemaakt?quot;

„Ik geloof, dat wij in het geheel nog geen plannen hebben.quot;

„Dan moet gij allen een paar dagen met ons dooibiengen,

zeide de winkelier. „Gij ziet er uit, alsof gij iust noodig hebt. Kom een week bij ons; ik zal zorgen, dat uw werk

wordt gedaan.quot;

„Gij zijt zeer goed,quot; zeide Frithiof hartelijk, „maai, waarlijk, ik zou liever, als de anderen, alleen van Zaterdag tot Dinsdag vrij hebben. Ik ben volstrekt niet ziek en ik blijf liever niet weg, als het niet noodig is.quot;

„Gij zijt altijd dezelfde,quot; zeide de heer Boniface glimlachend. „Nu, doe, zooals gij wilt. Wij zullen zien, wat de

drie dagen u zullen doen.quot;

Waar en hoe die vrije dagen zouden worden doorgebracht, wisten de heer en mevrouw Boniface alleen en het was voor Roy en Cecil eene groote verrassing, toen des Zaterdags namiddags ten 2 ure een rijtuig voor de deur van Rowan Tree House stil hield.

„Hoe! moeten wij er heen rijden?quot; vroeg Cecil. „O,

vader, hoe prettig: Is het ver?quot;

Ja, wij moeten een heel eind rijden; neem dus doeken enquot; mantels mede, voor het geval dat de avond koel wordt Wij kunnen de kinderen bij ons binnen nemen, als zij moede worden. Zijn wij allen gereed? Dan rijden wij allereerst

naar de modelwoningen.quot;

Zoo vertrokken zij, een vroolijk gezelschap, maar nog vroolijker, toen de drie Noorwegers zich bij hen hadden gevoegd, de meisjes uit zuinigheid als gewoonlijk in het zwart, maar met lieve witte matrozenhoedjes - Sigrid had een gedeelte van den nacht opgezeten om ze te garneeren. Zij was verbazend in haar schik met haar nieuwen hoed, zij was in haar schik, dat zij hare woning kon sluiten en den sleutel aan den portier geven; zij was in haar schik

ocr page 303

287

met het vooruitzicht, dat zij in drie dagen niet behoefde te koken en de kamers te doen en niet aan eten koopen en geld sparen te denken; en zij was in haar schik met Hoy's gezelschap, met het onbezorgde geluk van een meisje, welker hart nog geheel vrij is.

De heer Boniface en zijne vrouw waren zoo gelukkig en opgeruimd als jonggehuwden, ofschoon zij meer dan zes-en-twintig jaren getrouwd waren geweest, en het was uit een gevoel, dat zij gelukkiger zouden zijn, als zij aan zich zeiven werden overgelaten, dat Frithiof. die tusschen mevrouw Boniface en Cecil zat, zich tot de laatste wendde en met haar begon te praten.

Cecil zag er bijzonder goed uit, dezen dag. De zon scheen op hare blonde haren, de frissche wind riep een gezonde kleur op hare wangen; hare oprechte, grijze oogen hadden niet de gewone ernstige uitdrukking, maar straalden van vroolijkheid, want zij was niet een meisje, dat omdat haar wensch niet werd vervuld, niet wilde genieten van het leven. Zij nam alles, wat haar te beurt viel, dankbaar aan, en met een voorgevoel, dat zulk een genoegen als dit rijden met Frithiof haar niet dikwijls zou overkomen, genoot zij haar tegenwoordig geluk en onderdrukte alle zorg en vrees voor de toekomst. Van de achterbank hoorden zij uitbarstingen van luid gelach van Lance, G-wen en Swanhild; vóór, naast den koetsier, konden zij Roy en Sigrid, verdiept in hun gesprek, zien en in zulk eene omgeving zou het inderdaad vreemd zijn geweest, indien deze twee — de Noorweger met zijn treurige geschiedenis en Cecil met de schaduw, die haar leven verduisterde — niet ëen poos hadden kunnen vergeten, wat op hen drukte en als de overigen zich vermaken.

„Dat is duizendmaal beter dan een carriole of eene stolkjaerre,quot; zeide Frithiof. „Wat gaan wij snel voort en wat ziet het land er goed uit! Het is het ideaal van reizen.quot;

1

ocr page 304

288

„Dat meen ik ook,quot; zeide Cecil. „Ten minste op een dag als heden. Onder regen of sneeuw of eene brandende hitte zou het minder aangenaam zijn. En in den ouden tijd hadden wij het rijtuig niet voor ons zeiven gehad, hetgeen een groot verschil maakt.quot;

Hij dacht een oogenblik na over de laatste woorden en bedacht, dat onder „ons zeivenquot; Cecil de kleine kinderen van een misdadiger rekende en de vreemdelingen, die zij nauwelijks twee jaren had gekend. Haar warm, edelmoedig hart trok hem aan. Misschien, als hij niet toevallig Blanche had ontmoet, waardoor de oude wond weder was open gereten, had de gedachte aan eene nieuwe liefde bij hem kunnen opkomen. Nu was hij alleen dankbaar, dat zij de somberheid verdreef, die in de laatste dagen als een mist op hem had gedrukt. Zij was voor hem een opvroolijkende zonnestraal, een gezond koeltje, waardoor de mist werd verdreven, eene vriendin — meer niets.

En zij reden verder, waar geene huizen meer stonden langs den weg, alleen verspreid liggende boerderijen en stille dorpen. De boomen waren in Junipracht en de Noorwegers, aan eentoniger groen gewoon, waren opgetogen van bewondering. Zij hadden nooit te voren geweten, wat het was te rijden langs een weg, bezoomd door schilderachtige heggen, hier en daar met statige olmen en met eiken en linden, platanen en wilgen, populieren en kastanjes over het landschap verspreid.

„Wij hebben onze beagen, maar in boomen moeten wij voor u onder doen!quot; riep Sigrid, wier blauwe oogen schitterden van geluk.

Zij genoot van dat alles, zooals alleen zij, die hard werken in een stad, kunnen genieten, wat zij buiten hoo-ren en zien. De eenvoudigste dingen trokken haar aan en toen zij om thee te drinken stil hielden bij een herberg aan den weg, wenschte zij bijna dat hun rit eindigde, zoo

ocr page 305

289

verlangde zij in de velden te loopen en bloemen te plukken.

Eindelijk, toen veel thee en brood was gebruikt stegen zij weder in het rijtuig en lieten een weerspiegeling van hun geluk achter in het gemoed der menschen van de herberg.

„Er zijn Zondagsgasten en Zondagsgasten,quot; merkte de herbergier op, terwijl hij hen nazag; „maar deze zijn van de goede soort, daar kunt gij op aan.quot;

En nu had de heer Boniface ten volle genot van zijne verrassing. Wat lachte hij, toen zij hem smeekten te zeggen, waar zij heengingen. Wat triumfeerde hij, toen de koetsier, die zoo doof was als een deurpost, geene der listige vragen van Roy beantwoordde.

„Ik geloof, dat wij naar Helmstone gaan of eene dergelijke groote badplaats, waar wij deftig moeten zijn en handschoenen dragen.quot;

Dit werd met algemeene teekenen van afkeuring begroet.

„Om de zee te zien, zou het de moeite waard zijn, handschoenen te dragen,quot; zeide Sigrid. „En wij zouden in ieder geval, geloof ik, kunnen wandelen en bloemen zoeken.quot;

De heer Boniface glimlachte slechts en zeide niets. En toen zij zagen, dat er uit hem niets was te krijgen, begonnen zij te zingen en de tijd ging snel voorbij. Eindelijk sprong Frithiof op.

„De zee!quot; riep hij uit.

En, inderdaad, daar in de verte zagen zij een lange, blauwe streep, die de harten der Noorwegers deed kloppen van verrukking.

„Het is, alsof wij weer t'huis zijn,quot; zeide Swanhild, terwijl Frithiof nieuw leven scheen in te ademen, toen hij weer den frisschen zeewind voelde en aan menig gevaarlijk avontuur dacht in zijn onbezorgde jeugd.

„Eene groote badplaats,quot; zeide Roy klagend. „Ik heb het wel gezegd. Huizen, kerken, eene wandelplaats, een zeebreker; ik kan het van hier zien.quot;

EEN STOERE NOORMAN I. W

ocr page 306

290

„Waar? waar?quot; riep iedereen, terwijl de heer Boniface stil lachte en zijne handen wreef.

„Daar, links voor ons,quot; zeide Roy.

„Gij ongeluksprofeet,quot; riep Cecil vroolijk, „wij slaan rechts af.quot;

En verder gingen zij tusschen groene heuvels, totdat zij aan een klein dorpje kwamen, maar ook dit reden zij dooien eindelijk hielden zij stil voor eene eenzame boerenwoning, die een eind van den weg af stond, met duinen aan beide zijden en nog geen kwart mijl van de zee.

„Hoe hebt gij dit heerlijke plekje gevonden, vader?quot; riep Cecil. „Het is alles, wat men kan wenschen.quot;

„Ik heb het ontdekt, toen gij en Roy in Noorwegen waart, twee jaren geleden,quot; zeide de heer Boniface. „Moeder en ik waren van Southern dezen kant uitgereden en deze hoeve beviel ons zoo, dat wij, evenals Kapitein Cuttle, een aanteekening maakten en het voor een verrassing bewaarden.quot;

In zijne villa buiten Londen klaagde juist op dat oogen-blik de heer Horner over de dwaze verkwisting van zijn neef.

„Het heeft hem altijd aan gezond verstand ontbroken,quot; merkte mevrouw Horner op.

„Maar een koets met vier paarden te huren om met zijn eigen familie en de kinderen van dien misdadiger en die lieve Noorwegers, die denken, dat zij evengoed zijn als de hoogsten in het land, naar buiten te gaan — dat is toch al te erg! Ik denk, dat hij den volgenden keer een paleis voor hen zal huren.quot;

Eigenlijk was de ruimte in de boerenwoning wel wat bekrompen, maar dat hinderde niemand. Ofschoon de kamers klein waren, waren zij frisch en helder en ieder was zooveel mogelijk buitenshuis.

De vrijheid, de ongedwongen omgang en de vroolijkheid

ocr page 307

291

deden hen denken aan de dagen te Balholm. De heerlijke wandelingen over de duinen, het bezoek aan den lichttoren, de aardige praatjes met den kustwachter, de roeipartijen in een bootje, de stille Zondag — het bleef alles hun lang in herinnering.

Voor Eoy waren deze dagen een onafgebroken idylle; en Sigrid begon voor het eerst te gevoelen, dat hij haar iets meer was dan Fritlhofs vriend. De twee waren veel samen en des Maandags middags, toen de anderen, om Lance genoegen te doen, nog eens naar den lichttoren waren gegaan, wandelden zij langs het strand, zoo het heette om schelpen te zoeken, inderdaad veel te veel aan elkander denkend om ze te vinden.

Er was inderdaad een lange tijd noodig om Roy te leeren kennen, want hij was stil en terughoudend; maar allengs had Sigrid ingezien, dat er veel in hem was, wat wel waard was te kennen en hare gemakkelijke, opgewekte manier had altijd zijne stille buien doen verdwijnen. Zij had bespeurd, dat hij zijns vaders ruim oordeel bezat; hij hield in denzelfden geest zich bezig met de vraagstukken van den dag; voor geld was hij betrekkelijk onverschillig; en hij was geheel zonder dien geest van uitrekening, die lage hebzucht, die zoo ten onrechte wordt toegeschreven aan allen, die een winkel houden. Sigrid was met hem ingenomen geweest, sedert zij hem het eerst in Noorwegen had ontmoet, maar eerst in de twee laatste dagen was de gedachte aan liefde bij haar opgekomen. Zelfs nu was de gedachte nog niet geformuleerd; zij was zich slechts be wust, dat zij meer dan gewoonlijk gelukkig was, dat zij een soort extra geluk genoot en het pleizierig vond, dat de anderen van het gezelschap haar met Roy alleen lieten. Waarover zij spraken, wist zij nauwelijks, toen zij over stukken rots en losse steenen voortgingen, hand in hand, want de weg was glibberig, maar toch was het haar, alsof

19*

ocr page 308

292

zij in een nieuw paradijs wandelde. De frissche lucht en al het schoons na het stof en den rook der eindelooze straten; het gevoel beschermd te zijn, na de zorgen van een arm huishouden; bovenal de tegenwoordige vreugde na het treurig verleden, — het stemde alles tot genieten; en in haar geluk zag zij er zoo lief uit, dat alle gedachten aan moeie-lijkheden en bezwaren bij Roy verdwenen.

Zij zaten te rusten in een beschut hoekje onder de hooge kalkrotsen en daar was het, dat hij haar zijne liefde beleed; de woorden vloeiden hem van de lippen, zoodat Sigrid bijna verschrok van zijne onstuimigheid. Dit was anders dan toen Torvald Lundgren haar vroeg! Hoe geheel anders was haar leven geworden sedert zij op dien winterdag van het kerkhof van Bergen terug kwam.

Wat was het, dat haar leven zooveel gelukkiger had gemaakt? Immers de goedheid van den man, die naast haar zat — van den man, die haars broeders leven had gered — die hen weder had samengebracht — die haar lief had en nu hare liefde vroeg!

Toen hij ophield om haar antwoord te hooren, bleef zij een paar minuten zwijgen; maar haar gelaat stelde Roy gerust en hij was niet zonder hoop, zoodat het wachten niet ondragelijk was.

„Indien ik alleen aan mijzelve mocht denken,quot; zeide zij eindelijk, „zou ik u misschien spoediger een antwoord kunnen geven. Maar gij weet, dat ik ook aan anderen moet denken.quot;

De bekentenis, die in die woorden lag opgesloten, vervulde Roy's hart met vreugde. Eenmaal zeker van hare liefde, duchtte hij geen hinderpalen.

„Gij bedoelt Frithiof,quot; zeide hij. „Natuurlijk zou ik nooit van u verlangen, dat gij hem verliet; dat zou ook niet noo-dig zijn. Indien gij mij kunt liefhebben — indien gij mijne vrouw zijt, zoudt gij hem nog meer dan nu kunnen helpen.quot;

ocr page 309

293

De gedachte aan zijn rijkdom rees plotseling bij Sigrid op en veroorzaakte haar een oogenblik smart; maar, daar zij hem lief had, kon dat op den duur geen slagboom tus-schen hen zijn. Zij zag op, over de zee, en zij dacht aan haar ouderlijk huis, aan de schulden en de lange inspanning om die te betalen; maar zij was overtuigd, dat dat alles haar niet kon scheiden van Roy. Zij had hem lief en de lof of afkeuring der wereld waren haar onverschillig. Zij kon er zich niet om bekommeren, hoe zulk een huwelijk door vreemden zou worden beoordeeld. Zij had hem lief en als zij overtuigd was, dat zij hem mocht trouwen — dat het niet zelfzuchtig zou zijn of schadelijk voorPrithiof en Swanhild — was het onmogelijk, dat zij langer aarzelde.

Maar daarvan was zij niet volkomen zeker. Het had haar zoo plotseling overvallen, dat zij meende, dat zij tijd moest hebben om na te denken, voordat zij eene bindende belofte gaf.

„Gun mij veertien dagen,quot; zeide zij, „dan zal ik u mijn antwoord geven. Het zou voor ons beiden onbillijk zijn, als ik overhaast sprak, waar zooveel er van afhangt.quot;

Roy kon zich niet beklagen over dit uitstel; het was al veel, dat hij zijne zaak bij Sigrid kon bepleiten en in hare blauwe oogen zag hij iets, dat hem zeide, dat hij niet langer behoefde te vreezen.

Intusschen vloog de tijd om, zonder dat deze twee er aan dachten, en de vloed kwam op. Zij waren zoo geheel in beslag genomen door hunne eigen zaken, dat zij eerst toen een golf hunne schuilplaats bereikte, en het schuim voor hunne voeten achterliet, het gevaar begrepen. Met een kreet van schrik sprong Roy op.

„Hoe kon ik het vergeten?quot; riep hij wanhopend. „Wij kunnen niet meer weg!quot;

Sigrid stond naast hem en zag naar Britling Gap. Het was helaas waar, zij waren afgesneden.

ocr page 310

294

„Het is onmogelijk, zoover te zwemmen,quot; zeide zij, en zich omwendende zag zij naar de steile, witte rots boven hen.

„En dat is ook onmogelijk,quot; zeide Roy. „Onze eenige hoop is, dat een voorbijvarende boot ons ziet. Wacht, daar valt mij iets in.quot;

Haastig opende hij zijn mes en begon in den kalksteen te hakken. Hij zag, dat hun eenige kans was, een standplaats boven het bereik van het water te hebben en hij werkte met inspanning van al zijn kracht, eerst een plaats makende voor hunne voeten, daarna gaten om met de handen zich vast te houden. Hij sprak niet, hij was geheel vervuld van een martelend gevoel van schuld, een bitteren wrevel over zich zelf, omdat zijne liefde hem had blind gemaakt voor het gevaar.

Sigrid had een scherpen steen gevonden en werkte mede met wanhopige volharding. Zij was van nature dapper en zoolang zij iets kon doen, klopte haar hart nauwelijks sneller dan gewoonlijk. Het was de tijd van wachten, die haar zwaar viel, het vastklemmen aan de rots, waartegen beneden haar de golven sloegen met een gedruisch, dat zij nog dien morgen muzikaal had gevonden, maar dat nu onuitstaanbaar was. Indien Roy's arm niet om haar was geslagen geweest en haar stevig had vastgehouden, had zij het nooit zoo lang kunnen uithouden; zij zou duizelig zijn geworden en in het water zijn nedergestort. Maar zijne kracht scheen bestand te zijn tegen alles en haar volkomen vertrouwen in hem schonk haar eene ongewone kracht en volharding.

In hunnen vreeselijken toestand hadden zij geen begrip meer van tijd; zij konden niet zeggen, of zij uren of minuten daar hadden gestaan, toen eindelijk een roepen boven hun hoofd hunne ooren trof.

„Houdt moed!quot; riep een stem. „Een boot komt u te hulp. Houdt u stevig vast.quot;

ocr page 311

295

De hoop vernieuwde hun kracht en zij waren inderdaad minder te beklagen dan zij, die in vreeselijken angst toesnelden om hen te redden of die de redding aanzagen.

Het was Frithiof, die hen het eerst had ontdekt. De overigen van het gezelschap waren, nadat zij den vuurtoren hadden gezien, over de rotsen gewandeld, pratende met een ouden zeeman, en toen Lance het verlangen uitte om over de rots te zien, was Frithiof om Cecil gerust te stellen aan den kant gaan liggen en had het kind stevig vastgehouden, terwijl hij naar beneden keek. Plotseling zag hij een weinig links tot zijn schrik de twee gestalten aan de rots geklemd en hij herkende hen dadelijk. Hij trok het kind terug, sprong op en den arm van den ouden zeeman grijpende, die aan den heer Boniface een langdradig verhaal deed, riep hij:

„Daar zijn twee menschen beneden, afgesneden door den vloed. Hoe kan ik het snelst bij hen komen?quot;

„Goede God!quot; riep de oude man; „er is niets sneller dan een boot van Britling Cap, of touwen, die gij hier laat zakken.quot;

„Zeg hun dat er hulp komt,quot; zeide Frithiof. „Ik zal naar hen toeroeien.quot;

En zonder een woord verder te spreken, liep hij als de wind naar den post van de kustwacht. Voort ging hij over de groene heuvels langs de witte hoopjes kalksteenen, die den nachtelijken rondgang van den wachter aanduidden, voorbij den vuurtoren en toen naar beneden, naar den kleinen beschutten inham. Ofschoon een goed looper, was hij het ongewoon geworden; hij hijgde zwaar en het was alsof zijn keel brandde en daarbij vervulde een akelige vrees zijn hart. Als hij te laat kwam!

Te Britling Gap was geen sterveling te zien en hij dorst geen tijd te verliezen om hulp te zoeken. De boot lag op hare gewone plaats. Hij schoof haar in zee, sprong er in, trok zijn jas uit en met de kracht der wanhoop roeide hij

ocr page 312

296

naar de plaats, waar Roy en Sigrid met snel afnemende krachten naar hun redder uitzagen.

En in al zijn angst gevoelde Frithiof toch eene vreemde voldoening, eene opgewondenheid, die hem alle spookbeelden van het verleden deed vergeten, een bewustzijn van kracht, dat op zich zelf hem sterkte. Gevaar scheen zijn element te zijn, stoutmoedigheid zijn sterkste karaktertrek en terwijl hij iedere spier inspande en de kleine boot deed springen over het water, was hij meer op zijn gemak, dan hij sedert maanden was geweest, omdat hij in het geheel niet meer dacht aan zich zelf, maar alleen aan den nood van hen, die hij lief had.

Hoe joeg hem het bloed door de aderen, toen hij eindelijk Sigrid in het oog kreeg, en met welk een beleid stuurde hij zijne boot naar de rots, haar woorden van waarschuwing en bemoediging toeroepend! De twee waren zoo stijf en afgemat, dat het geene gemakkelijke taak was, hen in de boot te krijgen, maar hij slaagde er in ; een blijde juichkreet boven hen bewees, dat de toeschouwers angstig iedere beweging hadden gade geslagen.

„Laat ons snel hen te gemoet gaan,quot; zeide de heer Boniface. En van zwaren angst bevrijd liepen zij naar Gat-ling Cab en kwamen daar juist bij tijds om de drie aan het strand te begroeten. Sigrid, ofschoon bleek en vermoeid, scheen geene nadeelige gevolgen van haar avontuur te on dervinden en een blos van blijdschap bedekte haar gelaat, toen de heer Boniface naar Frithiof ging, hem de hand drukte en hem dankte voor hetgeen hij had gedaan. Cecil sprak nauwelijks een woord: zij vertrouwde hare kracht niet, maar haar hart klopte sneller, toen zij Frithiof aanzag en op zijn gelaat de opgewekte uitdrukking bespeurde, die hem weder de Frithiof deed zijn, die zij in Bergen had gekend.

ocr page 313

297

VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Een raadsel.

De heer Boniface stond er op, dat zij allen tot den volgenden dag zouden blijven, toen zij het genot smaakten van 's avonds naar Londen terug te rijden, beladen met bloemen, die het hart verheugden van menigen buur in de modelwoningen.

Eerst Woensdag na Pinkster was Frithiof weder op zijne oude plaats achter de toonbank en het duurde nog eenige dagen, voor dat allen weder geregeld aan het werk waren, want ofschoon de uitspanning hun goed had gedaan, was het niet gemakkelijk het gewone leven te hervatten. Maar des Maandags ging alles weder geregeld als een klok en zelfs de heer Horner, die altijd bereid was aanmerkingen te maken, vond niets te berispen. Toevallig was de heer Horner dien dag meer dan gewoonlijk in den winkel, want Roy had onverwacht voor de zaak naar Parijs moeten gaan en tot zijn groot genoegen kwam, terwijl de heer Boniface was gaan eten, Sardoni iets over een muziekstuk vragen. Hij vond niets aangenamer dan met een beroemd zanger te praten; hij scheen daarin een soort weerkaatste glorie te vinden en Frithiof kon nauwelijks een glimlach onderdrukken, toen zij na afloop van het gesprek door den winkel gingen, zoo grappig was de overdreven beleefdheid van den kleinen man voor den slanken, vroolijken zanger en zoo groot het onderscheid van den onderdanigen toon tegen zijn bezoeker en het korte bevel: „laat mijnheer Sardoni uit, Falck!quot;

Frithiof opende snel de deur, maar de tenor, aan wiens ondeugende oogen weinig ontging, zag duidelijk, dat de

ocr page 314

298

Noorman met zijne kalme manieren en edele houding den heer Horner hield voor een man, die beneden zijne verachting stond.

„O, a propos, mijnheer Horner,quot; zeide hij, plotseling terug-keerende toen hij den winkel had verlaten, „ik vergat nog u te vragen, of gij mij een dienst kunt doen, en een bankbiljet van vijf pond wisselen. Ik heb het dezen morgen al twee malen beproefd, maar klein geld schijnt schaars te zijn.quot;

„Met het grootste genoegen,quot; zeide de heer Horner onderdanig.

En zich voorbij Frithiof dringende legde hij zelf het bankbiljet in de lade en nam er vijf goudstukken uit, die hij met eene buiging aan Sardoni overhandigde.

Met een vriendelijk „goeden dagquot; ging de zanger heen en de heer Horner, met groote voldoening zijne handen wrijvende, begaf zich naar de kamer van den heer Boniface.

De namiddag ging voorbij, zooals honderde namiddagen waren voorbijgegaan; de klanten volgden elkander op als gewoonlijk; het was altijd hetzelfde eentonige werk; niets merkwaardigs viel voor en niemand had een voorgevoel van naderend onheil. Zoo prozaïsch mogelijk ging Frithiof een paar minuten de straat op, hetgeen hij thee drinken noemde. Hij was opgeruimd, hij dacht aan de dagen, die zij aan zee hadden doorgebracht, en hij genoot er nog van in het warme stoffige Londen, waar Juni volstrekt niet bekoorlijk was. Toch deed het hem goed, even in de open lucht te zijn, een paar oogenblikken vrij te hebben en zich te kunnen bewegen. Hij liep vlug voort en hij genoot werkelijk van den korten vrijen tijd, want het zou lang duren, voordat hij weder even onbezorgd van iets genot zou kunnen hebben. Maar niets waarschuwde hem; zorgeloos stiet hij de dubbele winkeldeur open en ging naar binnen; verbaasd, maar zonder veel er zich om te bekommeren, zag hij een kleine groep achter de toonbank staan. De heer Horner had weder

ocr page 315

299

iets aan te merken, maar dat was iets zeer gewoons. Een mager, ernstig man stond aandachtig te luisteren en de heer Boniface met eene uitdrukking van verslagenheid luisterde ook. Opziende, bemerkte hij Frithiof en met een uitroep van verlichting kwam hij naar hem toe.

„Hier is de heer Falck!quot; zeide hij, „die zeker alles zal kunnen ophelderen. Een biljet van vijf pond is uit uwe lade verdwenen. Frithiof, weet gij er iets van?quot;

„Het was in de iade, toen ik haar het laatst heb geopend en dat was een paar minuten, voordat ik ben uitgegaan.quot;

„Dat kan wel waar wezen,quot; zeide de heer Horner. ,,De vraag is, of het er nog in was, toen ik haar sloot.quot;

De toon, nog meer dan de woorden, bracht Frithiofs bloed aan het koken.

„Mijnheer,quot; riep hij woedend, durft gij zeggen —

Maar de heer Boniface legde zijn hand op zijn arm en viel hem in de rede.

„Frithiof,quot; zeide hij, „gij weet dat ik u evenmin verdenk als mijn eigen zoon. Maar dit bankbiljet is verdwenen op eene onbegrijpelijke wijze, terwijl gij en Darnell alleen in den winkel waart, en wij moeten trachten te weten te komen, waar het is gebleven. Ik reken er op, dat gij mij in deze onaangename zaak zult helpen, door u bedaard aan de gewone formaliteit te onderwerpen.quot;

Toen wendde hij zich tot den rechercheur, dien de heer Horner dadelijk had laten halen en stelde voor, dat allen naar zijne kamer zouden gaan. De heer Horner sloot met een vertoon van voldoening de deur. Altijd had hij een hekel gehad aan den Noorweger en hij was blijde, dat er nu een grond voor bleek te zijn. De heer Boniface, die er diep ter neer geslagen uitzag, zat in zijn leuningstoel het resultaat van het onderzoek af te wachten, en de twee mannen, op wie de verdenking rustte, stonden voor den rechercheur, die met zijn geoefend oog dan den een, dan den ander aanzag en den

ocr page 316

300

onschuldige de vernedering, gevisiteerd te worden, wilde besparen.

Darnell was iemand met een knap uiterlijk, meteen korten, donkeren baard en zwaren knevel; hij zag iets bleeker dan gewoonlijk, maar was volkomen kalm. Naast hem stond de lange Noor weger; zijn blanke huid deed de brandende kleur, die hem in het gelaat was gestegen, duidelijk uitkomen. De woorden van den heer Horner deden zijn geheele lichaam trillen en hij zou niets liever hebben gedaan dan den man aan vliegen, want de verdenking, hard voor iedereen, was dubbel hard voor hem. Dat een Noorweger iets anders kon zijn dan streng eerlijk, was voor Frithiof eene onzinnige gedachte. Hij wist zeer goed, dat hij en in het algemeen zijne landgenoo-ten vele gebreken hadden, maar eerlijkheid was zoo onafscheidelijk van zij n Noorschen aard, dat de minste twijfel aan zijn eer voor hem eene ondragelijke beleediging was. De rechercheur had daarvan natuurlijk geen begrip. Hij was een bekwaam en nauwgezet man, maar zijne ervaring was toch begrensd. Hij was nooit in Noorwegen geweest, had nooit het karakter van het volk leeren kennen; hij wist niet, dat gij al uwe bagage buiten een logement op den openbaren weg kondt laten staan, zonder de minste vrees, dat des nachts iemand er aan zou komen ; hij wist niet, dat als gij een Noorweegsch kind een muntstuk ter waarde van een halven shilling voor een groote kom melk wilt geven, het zal weigeren het aan te nemen, omdat de melk eene kleinigheid minder waard is ; hij had nooit de geschiedenis gehoord van de verloren kist met zilver, die op de Noorweegsche kust aanspoelde en hoe deskundigen werden geroepen om het wapen op de lepels te onderzoeken en eindelijk na veel moeite alles aan den eigenaar in een vreemd land kon worden terug gezonden. Het was heel natuurlijk, dat hij den man verdacht,, wiens kleur zoo was veranderd, die zoo heftig zich had geuit, die blijkbaar de visitatie vreesde.

ocr page 317

301

„Ik zal het eerst u visiteeren,quot; zeide de rechercheur en Frithiof, ziende dat er niets tegen was te doen, onderwierp zich met hooghartige bedaardheid aan de vernedering. Een oogenblik wankelde zelfs de heer Horner in zijne meening, er was zulk een duidelijk bewustzijn van onschuld in de geheele houding van den Noorweger, nu het onderzoek was begonnen.

In plechtige stilte werden twee zakken het binnenst buiten gekeerd. De rechtsche vestzak scheen ledig te zijn, maar de zorgvuldige rechercheur keerde ook die om. Plotseling sprong de heer Boniface op met een uitroep van verbazing.

„Heb ik het niet gezegd?quot; riep de heer Horner.

En Frithiof, die nu eerst zijn aandacht schonk aan hetgeen gebeurde, wat hij zich tot nu toe niet had verwaardigd te doen, zag neer en zijn hart stond stil.

Zorgvuldig vastgespeld in de binnenzijde van den zak was een nieuw bankbiljet van vijf pond. Hij sprak geen woord, maar staarde het in wezenlooze verbazing aan. Er was eene pijnlijke stilte. Was het een benauwde droom?

Hij zag naar den onverschilligen rechercheur en naar het opgewonden gelaat van den heer Horner en naar den heer Boniface, die bedroefd en verward was. Het was geen droom, het was eene vreeselijke werkelijkheid —eene werkelijkheid, die hij ten eenenmale onbekwaam was te verklaren. Met een instinct, dat er toch een man tegenwoordig was, die hem vertrouwde, ten spijt van den schijn, deed hij een paar schreden naar den heer Boniface.

„Mijnheer,quot; zeide hij in groote opgewondenheid, „ik zweer u, dat ik er niets van weet. Ik ben even verwonderd als gij. Hoe het daar is gekomen, kan ik niet zeggen, maar ik heb het er zeker niet in gestoken.quot;

De heer Boniface zweeg en omziende bespeurde Frithiof op de dunne lippen van den rechercheur een veel beteeke-nenden glimlach. Dat gezicht maakte hem bijna razend.

ocr page 318

302

Onder den schok der ontdekking was hij doodsbleek geworden nu deed de toorn hem het bloed naar het hoofd stijgen.

„Als gij het niet hebt gedaan, wie heeft het dan gedaan?quot; zeide de heer Horner verontwaardigd. „Verzwaar uwe zonden niet, door te liegen jonge man.quot;

„Ik heb nooit in mijn leven een leugen gezegd; gij zijt het, die liegt, als gij zegt, dat ik de banknoot daar heb gestoken,quot; zeide Frithiof driftig,

„Arme jongen!quot; zeide de heer Boniface, „ik heb diep medelijden met u, maar gij moet erkennen dat de schijn tegen u is.quot;

„Wat! ook gij mijnheer!quot; riep Frithiof en zijne verontwaardiging veranderde in droeve verbazing.

Zijn toon sneed den heer Boniface door het hart.

„Ik geloof, dat gij het hebt gedaan, zonder het te weten,quot; zeide hij. „Ik ben overtuigd, dat gij het nooit zoudt hebben gedaan, als gij wist, wat gij deedt. Gij hebt het in afgetrokkenheid gedaan. Het is misschien een gevolg van uwe ziekte en niemand zal er u verantwoordelijk voor houden.quot;

Een vreeselijke twijfel steeg bij Frithiof op. Kon dat de ware verklaring zijn? Maar hij duurde slechts een oogen-blik. Hij kon het niet gelooven; hij wist, dat de veronderstelling van zwakhoofdigheid niet waar was.

„Niemand kan in afgetrokkenheid die banknoot hebben vastgespeld,quot; zeide hij. „Bovendien mijn hoofd was volkomen helder, ik had zelfs geen hoofdpijn, ik was niet eens vermoeid.quot;

„Juist; ik ben blijde, dat gij zoover de waarheid bekent,quot; zeide de heer Horner. „Beken nu alles maar dadelijk en wij zullen u niet aan de justitie overleveren. Gij zijt voor eene plotselinge verzoeking bezweken en wij weten het allen, gij hebt bijzondere redenen om geld te willen hebben. Kom, beken maar.quot;

ocr page 319

303

„Gij zijt niet verplicht u zelf te bezwaren,quot; zeide de rechercheur. „Maar wat die heer u aanraadt, is het beste, wat gij kunt doen. Er is geen jury in het land, die u niet schuldig zal verklaren.quot;

„Ik zal zeker geen leugen zeggen om aan openlijke schande te ontkomen,quot; zeide Frithiof. „De jury moge doen wat zij wil. God weet, dat ik onschuldig ben.quot;

De toon, waarop hij deze laatste woorden zeide, noopte den heer Boniface, hem scherper aan te zien. Het was vreemd, maar in dit allerbitterste oogenblik, toen hij het hopelooze van zijne positie duidelijk inzag, toen een van zijn chefs hem voor krankzinnig en de ander hem voor een dief hield, toen schande en ellende zijn deel schenen te zijn, werd de flauwe glimp van het Onzienlijke, dien hij van tijd tot tijd had bespeurd, als helder zonlicht. Voor het eerst in zijn leven stond hij in nauwe persoonlijke betrekking tot de Macht, in welke hij altijd vaag had geloofd, werd de goddelijke Tegenwoordigheid voor hem meer eene werkelijkheid, dan voor hen, die met medelijden, verontwaardiging of verachting hem aanstaarden.

Maar de heer Horner was niet een man, die op een gelaat, veel minder in een hart kon lezen; de nadruk waarmede Frithiof had gesproken, maakte hem nog boozer.

„Nu weet ik zeker, dat gij liegt!quot; riep hij, „voeg geene godslastering bij uwe misdaad. Gij zijt de ongods-dienstigste man, dien ik ooit heb gezien - iemand, die zooals ik zeker weet, nooit in een kerk komt; en durft gij dan nog God als getuige aanroepen?quot;

Alleen het sterke bewustzijn van deze nieuwe Tegenwoordigheid weerhield Frithiof een scherp antwoord te geven. Een groote kalmte was over hem gekomen en zijn toon had misschien zelfs den heer Horner overtuigd, als hij niet zoo bevooroordeeld was geweest. „God weet, dat ik onschuldig ben,quot; herhaalde hij; „alleen Hij kan

ocr page 320

304

verklaren, hoe het bankbiljet daar is gekomen; ik kan het niet.quot;

„Ik moet u even alleen spreken,quot; zeide de heer Boniface tot den rechercheur, terwijl hij opstond en zijn stoel achteruit schoof, als kon hij deze discussie niet langer verdragen.

Hij ging naar den winkel en deelde daar den rechercheur mede, wat hij van de zaak dacht. Hij geloofde stellig, dat Frithiof overtuigd was, dat hij de waarheid sprak, maar hij moest wel gelooven, wat hij zelf had gezien en daarom nam hij aan, dat het onbewust was geschied. De rechercheur haalde zijne schouders op en zeide, dat het misschien mogelijk was, maar dat hij den jongen man voor zeer helder van hoofd hield. Hij nam evenwel zijne belooning aan en de heer Boniface keerde bedroefd naar zijne kamer terug.

„Gij kunt weder naar den winkel gaan, Darnell,quot; zeide hij.

De man boog en ging heen. Frithiof stond nog als wezenloos, waar de rechercheur hem had verlaten; de oorzaak van al zijne ellende lag op de schrijftafel voor hem, even frisch en ongekreukeld, alsof zij pas uit de bank van Engeland was gekomen.

„Dit is eene treurige geschiedenis, Frithiof,quot; zeide de heer Boniface, terwijl hij met zijn elleboog op den schoorsteenmantel leunde en met zijne heldere, vriendelijke oogen den jongen Noorweger aanzag. „Maar ik ben overtuigd, dat gij niet geweten hebt, wat gij deedt en ik denk er niet aan, het aan te geven of u weg te zenden.quot;

De arme Frithiof was te veel van streek, om dankbaarheid te gevoelen. Maar de heer Horner liet hem geen tijd tot antwoorden.

„Ik geloof, dat gij uw verstand kwijt zijt, Boniface,quot; zeide hij driftig. „Dat gij den last niet wilt hebben van eene gerechtelijke vervolging, kan ik begrijpen; maar het

ocr page 321

305

is erg onrechtvaardig jegens uwe andere employés, een dief in uw huis te houden. En dat niet alleen, het is de misdaad begunstigen; het is de erkenning van een beginsel, dat, als het werd geduld, allen handel onmogelijk zou maken. Indien er iets is, wat eene onderneming kans geeft te bloeien, is het gestrengheid zelfs voor slordigheid.quot;

„Mijn zaak is tot nog toe niet slecht gegaan,quot; zeide de heer Boniface bedaard, „en ik heb nooit zoo gehandeld en zal het ook nooit doen. Waarom leven wij onder de genade, als wij haar van onze dagelijksche handelingen uitsluiten? Maar zoo doet de wereld. Zij noemt zich christelijk, maar zij weet de meeste voorschriften van Christus te ontduiken.quot;

„En ik zeg u,quot; zeide de heer Horner, die nu woedend was, „dat het ten eenenmale in strijd is met de voorschriften van den godsdienst. Hij heeft geen berouw; hij houdt zijn leugen vol en toch zijt gij zwak genoeg om hem te vergeven.quot;

„Indien,quot; hernam de heer Boniface kalm, „gij Frithiof Falck een weinig beter kendet, zoudt gij weten, dat het onmogelijk is, dat hij willens en wetens het geld heeft genomen. Toen hij het nam, was hij zich zelf niet. Zoo hij het had willen verbergen — het had willen stelen — waarom is hij er dan mede teruggekomen in den winkel. Hij had er gemakkelijk van kunnen afkomen, toen hij uit was.quot;

„Als gij het zoo opvat, dan wil ik iemand niet houden, die aan kleptomanie lijdt. Maar dat is niet waar. Hij is zoo bij de hand en slim als iemand, dien ik ken; hij heeft u weten te bedotten, maar ik heb hem dadelijk doorzien en ik weet, dat hij een listige —quot;

„Mijnheer,quot; viel Frithiof hem in de rede en hij wendde zich tot den heer Boniface — zijne wezenlooze verbazing veranderde nu in hartstochtelijken ernst — „dit is meer dan ik kan verdragen! Om Godswil, roep den rechercheur terug. — Onderzoek dit raadsel verder! Er moet eene verklaring zijn!quot;

EEN STOERE NOORMAN T. 20

ocr page 322

306

„Hoe kunnen wij nog verder onderzoeken?quot; zeide de lieer Boniface droevig. „De banknoot wordt vermist en wordt bij u gevonden. Er is geene andere verklaring, dan dat gij haar hebt genomen, zonder dat gij het weet.quot;

„Dan is het minste, wat gij kunt doen, dat gij hem weg zendt,quot; zeide de heer Horner. Maar de heer Boniface liet hem niet voortgaan.

„Gij zult zoo goed zijn, u te herinneren James, dat gij niets hebt te maken met het aannemen of wegzenden van hen, die in dienst zijn van deze zaak. Dat gaat alleen mij aan; zoo staat het in ons contract.quot;

„En dat contract loopt over zes maanden af,quot; zeide de heer Horner, rood van toorn. „En ik waarschuw u, dat als deze oneerlijke bediende blijft, ik mij uit de zaak terugtrek en mijn kapitaal mede neem.quot;

En met deze bedreiging ging hij heen en sloeg de deur achter zich dicht.

Frithiof had zwijgend alle verwijten en beleedigingen verdragen, waarmede hij was overstelpt; maar toen hij alleen was gebleven met den man, aan wien hij zooveel had te danken, scheelde het niet veel, of hij was ineen gezakt. „Mijnheer,quot; zeide hij en hij poogde te vergeefs vastheid te geven aan zijne stem, „gij zijt zeer goed voor mij geweest; maar het beste zal zijn, dat ik weg ga.quot;

„Om alles ter wereld zou ik u niet willen laten gaan,quot; zeide de heer Boniface. „Herinner u, dat gij voor uwe zusters moet zorgen. Aan haar moet gij vóór alles denken.quot;

„Neen,quot; zeide Frithiof, „ik moet het allereerst denken aan hetgeen ik u schuldig ben. Ik zou de gedachte niet kunnen verdragen, dat ik u verlies had berokkend dooiden toorn van den heer Horner.quot;

„Onzin,quot; zeide de heer Boniface, „ik wil er niet meer van hooren. Hoe zoudt gij eene andere betrekking kunnen

ocr page 323

307

krijgen? Ik, die u goed ken, ben overtuigd, dat ge geen schuld hebt; maar vreemden zouden misschien daarvan niet overtuigd zijn.quot;

Frithlof zweeg; hij dacht aan Slgrld en Swanhild, die door zijn ongeluk zouden lijden; hij herinnerde zich het vreeselijk zoeken naar werk, toen hij pas in Londen was, en hij zag in, dat het voornamelijk zijn eigen trots was, die hem aanspoorde, nooit weer in den winkel te komen. Maar toch, welk een vooruitzicht! Een der compagnons hield hem voor een dief, en de ander voelde zich genoopt, te verklaren, dat hij aan een zekeren vorm van krankzinnigheid leed; en de bedienden in den winkel zouden hem voor een oneerlijken vreemdeling houden! Hoe zou hij dat kunnen verdragen? Maar toch moest hij het verdragen; ja, hij moest nog dankbaar zijn, dat het hem werd vergund, het te dragen.

„Indien gij werkelijk verlangt, dat ik blijf,quot; zeide hij eindelijk, „zal ik blijven. Maar uwe verklaring — de verklaring die u in staat stelt, mij nog te vertrouwen — is niet waar. Ik weet, dat er dezen dag geen oogenblik is geweest, dat mijn hoofd niet volkomen helder was.quot;

„Mijn beste jongen, gij moet mij veroorloven de verklaring aan te nemen, die ik verkies. Er is geene andere en gij zoudt verstandig doen, er in te berusten.quot;

„Dat is onmogelijk,quot; zeide Frithiof droevig.

„Het is even onmogelijk, dat ik aan de getuigenis van mijne eigen oogen kan twijfelen. De banknoot was daar en gij kunt niet verklaren hoe zij er was gekomen. Hoe is het mogelijk, dat Darnell van de overzijde naar uwe lade kon gaan om het bankbiljet er uit te nemen en het in uw zak te spelden ? Bovendien, welke reden zou hij hebben om het te doen?quot;

„Ik weet het niet,quot; zeide Frithiof, „maar zoo lang ik leef, zal ik volhouden, dat ik het niet heb gedaan.quot;

„Het baat niet, er verder over te spreken,quot; zeide de

ocr page 324

308

heer Boniface met een zucht. „Voor mij is het voldoende, dat ik kan verklaren, wat anders een onoplosbaar raadsel zou zijn. Ga nu weer aan uw werk en tob er niet over. Herinner u, dat ik u niet verantwoordelijk houd voor hetgeen is gebeurd.quot;

Daarop bleef er natuurlijk niets meer te zeggen over. Frithiof verliet de kamer met een gevoel, alsof hij jaren ouder was geworden, sedert hij naar binnen was gekomen, en met een somber gemoed ging hij de verdenking en de verachting te gemoet, die nu zijn deel moesten zijn.

VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

In St. James' Hall.

Toen hij tusschen de piano's en harmoniums in den achterwinkel doorging, schoot hem te binnen — hij kon niet zeggen waardoor — wat lang geleden die vreemdeling had gezegd, die zulk een blij venden indruk op hem had gemaakt; „Houd moed! het ergste gaat voorbij.quot; Ofschoon hij niet kon gelooven aan die woorden, klemde hij toch wanhopend zich er aan vast. Toevallig viel zijn oog op de klok en hij volgde den wijzen stelregel van Sydney Smith, „let op het naastbijzijnde.quot; Het waren precies twee uren en een kwartier, voordat de winkel werd gesloten; zoo lang ten minste zou hij het kunnen uithouden en aan de toekomst wilde hij niet denken. Er waren geene klanten in den winkel, maar hij kon fluisterende stemmen hooren en hij wist maar al te goed, waarover gesproken werd. Natuurlijk zwegen allen, zoodra zij hem zagen, en de kleine groep — bestaande uit Poster, Darnell, een stemmer en den jongen — ging dadelijk uiteen, terwijl in de diepste stilte Frithiof naar zijne gewone plaats ging. De eerste oogenblik-

ocr page 325

309

ken waren vreeselijk; hij ging voor zijn lessenaar zitten, sloeg het bestelboek open, nam zijn pen en deed, alsof hij druk aan het werk was, maar hij dacht aan niets, dan aan die akelige stilte en aan de oogen, die hem nieuwsgierig aanstaarden; op nieuw voelde hij een brandenden gloed op zijne wangen van schaamte en afschuw, dat hij van oneerlijkheid werd verdacht. Het was eene verlossing, toen een man binnenkwam, die niets wist van hetgeen was voorgevallen en die alleen dacht aan de plaatsen, die hij voor het concert van den volgenden dag wilde hebben. Carlo Donati, de beroemde baryton, zou zingen en daar hij nog slechts eenmaal in dit seizoen was opgetreden, behalve in de opera, was er groote vraag naar plaatsen, zoodat allen het druk hadden, totdat eindelijk het uur van sluiten sloeg, waarnaar hij zoo vurig had gehaakt. De anderen talmden om nog eens over de groote gebeurtenis van den dag te kunnen praten, maar Frithiof, die met verlangende blikken naar de klok had gezien, voelde dat hij het geen minuut langer kon uithouden in den winkel, hij greep naar zijn hoed en ging naar de deur. Niemand zeide hem goeden avond; zij waren niet met opzet onvriendelijk, maar zij wisten niet, hoe zij zich moesten houden, en zij voelden, dat het voorgevallene een groote kloof had gemaakt tusschen hen en den schuldige. Maar dat was voor Frithiof eene kleinigheid, waarop hij nauwelijks lette, want na het eerste gevoel van verlossing, toen de avondwind hem afkoelde, kwam een andere zorg bij hem op, die alles overheerschte. Hij moest Sigrid zijne schande vertellen — de zorg, die hem drukte in de vreedzame woning brengen, die hem zoo dierbaar was geworden. Zeer langzaam ging hij door de drukke straten, aarzelend ging hij over de groote binnenplaats en de steenen trappen op en voor de deur bleef hij stil staan, nog eens bedenkende, of hij haar dat verdriet niet kon sparen. Hij hoorde Sigrid in de keu-

ocr page 326

310

ken zingen, terwijl zij het avondeten gereed maakte, en er was iets, dat hem zeide, dat het onmogelijk was, haar zijn verdriet te verbergen. Met een zucht opende hij de deinen hij trad de zitkamer binnen, die er vroolijk en gezellig uit zag; Swanhild stond aan het open raam en gaf de bloemen op de vensterbank water — roode en witte geraniums en avereen, van stekjes gekweekt, die Cecil had gegeven. Zij begroette hem met hare gewone vroolijkheid.

„Kijk eens even naar mijn tuin,quot; zeide zij. „Ziet hij er niet prachtig uit?quot;

„Wat zijt gij laat,quot; zeide Sigrid, binnenkomende, haar gelaat wat hoog gekleurd door het keukenvuur. Toen, hem aanziende, „wat ziet gij er vermoeid uit! Kom, ga zitten en eet wat. Ik heb een Duitsche worst, waarop zelfs de heer Sivertsen niets zou aan te merken hebben. De hitte heeft u afgemat; gij zult u beter gevoelen, als gij iets hebt gebruikt.quot;

Hij at gehoorzaam, ofschoon het hem in de keel bleef steken; Swanhild, die dacht, dat hij zware hoofdpijn had, was zeer stil geworden en was later niet verwonderd, dat hij niet als gewoonlijk zijn schrijfgereedschap voor den dag haalde, maar Sigrid vroeg, met hem eene wandeling te doen.

„Zijt gij te vermoeid om aan uwe vertaling te gaan ?quot; vroeg zij.

„Ja, ik zal het later beproeven,quot; zeide hij; „maar laat ons eerst een half uur gaan wandelen.quot;

Zij stemde dadelijk toe en ging haar hoed opzetten, wel wetende, dat Frithiof nooit zonder goede reden zijn werk liet staan. Zij drukte Swanhild op het hart, niet langer dan tot negen uur op te blijven en zij gingen naar beneden in de koele zomerschemering. Enkele kinderen speelden nog op de binnenplaats; Sigrid bleef even staan om er een aan te spreken.

„Is uw vader beter heden avond?quot; vroeg zij.

ocr page 327

311

„Ja, juffrouw; en morgen gaat hij weder naar zijn werk,quot; zeide het kind, vergenoegd opziende naar de vriendelijke Noorweegsche dame, van wie bijna alle buren hielden.

„Dat is een van de kleine Halliflelds,quot; zeide Sigrid, toen zij verder gingen. „De vader is een tramconducteur en zijn werk vermoordt hem langzaam; gij moet wezenlijk eens met hem praten en hooren, hoe verschrikkelijk lang hij dienst heeft. Het maakt mij van streek, als ik er aan denk. Waart gij maar in het Parlement, Frithiof, dan kondt gij iets doen om de misbruiken af te schaffen, die wij overal tegenkomen.quot;

„Er was een tijd, toen wij t'huis zelfs droomden, dat ik minister zou worden,quot; zeide Frithiof.

Er was iets in zijn stem, dat haar hare laatste woorden deed berouwen; zij zag, dat hij weder een van zijne neerslachtige buien had.

„Ja, dat deden wij en wie weet, of-gij het nog niet wordt. Het was altijd na allerlei onaangenaamheden, dat in de oude verhalen, de hoogste wensch werd verkregen. Denk maar aan „de wilde Zwanen.quot; En zelfs in „Assche-poetsterquot; wordt die gedachte uitgedrukt. In onze eerste kindsheid leeren wij het al. En ik geloof, dat, ofschoon het ook zijne bezwaren heeft, zulk een leven onder het volk eene uitstekende voorbereiding is. Men kan zijne zorgen beter begrijpen.quot;

„Ik zou hebben gedacht, dat gij aan uwe eigen zorgen genoeg had,quot; zeide hij somber, „en u niet met die van anderen behoefdet te plagen.quot;

„Maar sedert onze eigen zorgen zijn begonnen, stel ik, ik weet niet waarom, meer belang in die van anderen; ik ben niet meer als vroeger bang voor zieken of voor hen, die pas betrekkingen door den dood hebben verloren. Ik voel mij integendeel tot hen aangetrokken.quot;

„Sigrid,quot; zeide hij wanhopend, kunt gij nog zelve een

ocr page 328

312

nieuwe zorg dragen? Ik heb heden avond slecht nieuws voor u.quot;

Haar hart scheen stil te staan.

„Roy?quot; vroeg zij ademloos; onwillekeurig dacht zij het eerst aan hem.

Op ieder anderen tijd zou Frithiof uit die bevende vraag, die haar onwillekeurig was ontsnapt, de waarheid hebben opgemaakt. Maar hij was te ongelukkig om er nu op te letten.

„O, Roy is nog te Parijs. Zij hebben vandaag gehoord, dat hij niet bij tijds voor het concert kan terug zijn. Ik ben het, die u dit verdriet heb veroorzaakt. Ofschoon, hoe het gekomen is, weet God alleen. Luister, ik zal u precies vertellen, hoe alles is gebeurd.quot;

Zij hadden nu een park bereikt en zij zetten zich op een bank onder een grooten boom. Frithiof kon het niet van zich verkrijgen Sigrid aan te zien; hij dorst de uitwerking zijner woorden niet gade slaan, hij vestigde zijne oogen op de schapen, die op het grasveld tegenover hen weidden. Toen vertelde hij bedaard en uitvoerig alles, wat dien namiddag was gebeurd.

„Ik ben blijde,quot; riep zij uit, toen hij zweeg, „dat de heer Boniface zoo goed voor u was. Maar hoe is het mogelijk, dat hij zoo lets van u kan gelooven?quot;

„Gelooft gij het dan niet?quot; vroeg hij, haar scherp aanziende.

„Wat! gelooven, dat gij het zoudt hebben genomen, zonder het te weten? dat gij het uit de lade hebt genomen en in uw zak gespeld? Natuurlijk niet! Als iemand ijlt, kan hij, geloof ik, alles doen, maar gij zijt gezond. Natuurlijk hebt gij het niet gedaan, niet bewust en niet onbewust.quot;

„Maar het was toch in mijn zak en de logische gevolgtrekking is, dat ik het er in heb moeten steken,quot; zeide hij met spanning haar aanziende.

ocr page 329

313

„Ik geef niets om logische gevolgtrekkingen,quot; riep zij met eene driftige beweging van haar voet. „Ik weet alleen, dat gij het niet hebt gedaan. Al moest ik er voor sterven, ik zou het met mijn laatsten ademtocht volhouden.quot;

Hij greep haar hand en hield die vast.

„Indien gij nog in mij gelooft,quot; zeide hij, „is het ergste voorbij. Voor de rest van de wereld is mijn goede naam verloren; maar daaraan is niets te doen.quot;

„Maar er moet iets aan te doen zijn!quot; zeide Sigrid. „Iemand moet de schuldige zijn. De andere man in den winkel heeft het zeker in uw zak gestoken.quot;

„Waarom zou hij het hebben gedaan?quot; zeide Frithiof treurig. „En hoe zou hij 't hebben kunnen doen, zonder dat ik het bespeurde?quot;

„Dat weet ik niet,quot; zeide Sigrid, die nu de moeielijkheid eener voldoende oplossing begon in te zien. „Wat is hij voor een man?quot;

„In den beginne mocht ik hem niet lijden en hij had natuurlijk een hekel aan mij, omdat ik een vreemdeling was; maar in den laatsten tijd konden wij vrij goed overweg. Hij lijkt een fatsoenlijk man en ik geloof geen oogen-blik, dat hij zou kunnen stelen.quot;

„Een van u beiden moet het hebben gedaan,quot; zeide Sigrid, „en daar ik zeker nooit zal gelooven, dat gij het zijt geweest, moet de ander schuldig zijn.quot;

Frithiof zweeg. Als hij haar dat niet toegaf, moest hij dan niet de verklaring van den heer Boniface aannemen? Het vreeselijk raadselachtige dezer zaak was haast meer dan hij kon dragen; het verleden was treurig genoeg geweest, maar hij had nooit de ellende gevoeld, onschuldig te zijn en toch zijne onschuld niet te kunnen bewijzen. Sigrid, die hem bezorgd aanzag, kon zelfs in het half duister zien, dat eene zorgvolle uitdrukking zijn gelaat overschaduwde. Zij liet de onoplosbare vraag rusten, hoe het

ocr page 330

314

geheim kon worden opgehelderd, en poogde de zaak zoo licht op te vatten als mogelijk was.

„Hoor eens, Prithiof,quot; zeide zij, „waarom zouden wij tijd en moeite verspillen met er over te tobben? Voor ons zeiven maakt het geen verschil. De werkuren moeten natuurlijk zeer onaangenaam zijn, maar t'huis moet gij al het onaangename vergeten; t'huis zijt gij mijn held, onrechtvaardig beschuldigd, die de straf draagt van eens anders misdaad.quot;

Hij glimlachte even, getroffen door haar hartelijken toon en, in weerwil van zich zelf, opgebeurd door haar volkomen vertrouwen in hem. Maar den geheelen nacht zocht hij, in slaaplooze wanhoop, naar eene mogelijke oplossing van het raadsel van dien namiddag en martelde hij zijn brein om zich alles te herinneren, wat hij had gedaan, sedert het ongelukkige oogenblik, dat Sardoni had gevraagd de banknoot te wisselen.

Het natuurlijk gevolg was, dat hij den dag begon met doffe hoofdpijn; hij sprak nauwelijks bij het ontbijt en toen hij uitging, zag hij er zoo ziek uit, dat Sigrid vreesde, dat hij zijn werk niet zou kunnen afdoen. Het was onbegrijpelijk, dacht zij, dat het noodlot zoo onverbiddelijk hem vervolgde en dat, nu eindelijk zijn leven dragelijker scheen te worden, hij het slachtoffer moest zijn van eens anders verkeerde handeling. Maar toen — en het was haar een troost — kwam eensklaps eene gedachte bij haar op, die haar bijna met zijn lot verzoende. Indien eens deze hinderpalen, die zoo zwaar waren te overwinnen, deze moeielijkheden, die hem altijd omringden, het equivalent waren van de physieke gevaren en bezwaren van het leven der oude Vikings? Was er inderdaad niet meer moed en volharding noodig in den Frithiof der negentiende eeuw om al zijne natuurlijke wenschen en neigingen te beteugelen, werk te doen, dat hem tegenstond, om zijns vaders

ocr page 331

315

schulden te betalen, dan in den Frithiof van den ouden tijd, om het hoofd te bieden aan de gevaren der zee, aan de lichamelijke en onlichamelijke vijanden, die hem bestookten, toen hij de schatting ging halen ? Eigenlijk moest de oude Frithiof het een genot vinden tegen de zee en den wind te strijden, maar het was hard voorden modernen Frithiof, dag aan dag achter, een toonbank te staan. En dan was het voor den Frithiof van de Saga niet minder bitter, te worden verdacht van heiligschennis, dan voor Frithiof Fakk te worden verdacht van de laagste en ver-achtelijkste oneerlijkheid!

Zij had gelijk. Al het andere, hoe smartelijk en moeielijk ook, zou de arme Frithiof blijmoedig hebben gedragen, indien hij niet naar zijne plaats in den winkel van den heer Boniface had behoeven terug te keeren. En het prozaïsch dagelijksch werk vereischte grooter moreelen moed dan eenige vroegere dag van zijn leven.

Tegen half tien kwam een telegram, dat de zaak niet beter maakte. De heer Boniface was ernstig ongesteld; hij kon niet in de stad komen, noch 's avonds op het concert in St. James-Hall zijn. De heer Horner zou hem vervangen. Frithiofs hart begaf hem. toen hij dat hoorde; en toen weldra het drukke, verwaande mannetje in den winkel kwam, bereikte zijne ellende haar toppunt. De heer Horner las met een verslagen gezicht het telegram.

„Goede hemel! hij moet erg ziek zijn, vrees ik; anders zou hij zeker heden avond komen. Maar na al wat gister is gebeurd, verwondert het mij niet — in het geheel niet. Zoo iets is nooit gebeurd in onze zaak, nietwaar, mijnheer Forster?quot;

„Neen, stellig niet, mijnheer,quot; zeide de eerste bediende zacht; hij had medelijden met den jongen Noorweger, die ieder woord had kunnen hooien.

„Het was erg genoeg om hem ziek te maken. Welk

ocr page 332

316

een schandelijke geschiedenis voor een zaak als deze. Hij heeft misschien gelijk, dat hij er geen ruchtbaarheid aan geeft, maar ik zal zorgen dat alle behoorlijke voorzorgen ziülen worden genomen; daar sta ik op. Als ik mijn zin had, kwam er niets in van deze misplaatste zachtmoedigheid. Kom eens hier, William!quot; en hij wenkte den jonger, die zonder eenigen eerbied een borstbeeld van Mozart afstofte.

„Wat belieft u, mijnheer?quot; zeide William, die in zijn hart het wel aardig vond, dat er eens iets was voorgevallen.

„Ga dadelijk naar Smith, den ijzerkooper, en zeg hem, dat hij iemand zendt om een bel met een veer aan de lade te maken. Hebt gij mij verstaan?quot;

„Heel goed, mijnheer,quot; antwoordde William en hij kon niet nalaten even over de toonbank te zien.

Frithiof ging voort de muziek uit te zoeken, die zooeven was gekomen, maar hij kreeg een kleur en de heer Horner, blijde een kwetsbaar punt te hebben gevonden, maakte er gebruik van. Nooit werkte een smid zoo langzaam! Nooit besteedde een patroon zooveel van zijn kostbaren tijd om uit te leggen, hoe hij het wilde gedaan hebben en om toe te zien op een werk, waarvan hij geen verstand had! Maar het vast maken van de bel gaf den heer Horner een uitstekend voorwendsel om in den winkel, dicht bij Frithiof, te blijven en ieder woord en blik toonde zulk een beleedigende verdenking van den Noorweger, dat de oude Porster er verontwaardigd over werd.

„Waarom zou ik het mij aantrekken, wat die man zegt of doet?quot; dacht Frithiof en hij dwong zich, aan zijn werk te blijven, met die uitdrukking van wilskracht, die den heer Horner zoo hinderde. Maar toch trok hij het zich aan en het was juist het gemeene van den aanval, wat hem het pijnlijkst trof. Zijn hoofdpijn werd erger en erger, terwijl in den achterwinkel piano's werden gestemd, naast hem

ocr page 333

317

werd gehamerd en gebeld en de onaangename stem van James Horner bedekte beleedigingen sprak. Hoeveel een patroon kan doen voor hen, die in zijn winkel zijn, hoe vertrouwelijk en hartelijk de verhouding kan zijn, had hij van den heer Boniface geleerd. Nu leerde hij de tegenovergestelde waarheid, dat geene positie zoo voortdurend gelegenheid geeft tot de kleingeestigste dwingelandij, wanneer het hoofd der firma gemeen of bevooroordeeld is. De lange uren gingen evenwel voorbij en eindelijk, laat in den namiddag, kwam Forster naar hem toe met eene boodschap.

„De heer Horner verlangt u te spreken,quot; zeide hij. „Ik zal zoolang uw plaats innemen.quot; Toen sprak hij voorzichtig met gedempte stem: „ik houd het er voor, dat hij u zal sarren, totdat gij uw ontslag neemt of hem een lomp antwoord geeft, hetgeen voldoende zou wezen om u weg te zenden.quot;

„Ik dank u voor uwe waarschuwing,quot; zeide Frithiof, en dankbaar en een weinig bemoedigd door het feit, dat de oudste bediende nog genoeg belang in hem stelde om zoo tot hem te spreken, ging hij naar de kamer, besloten op zijne hoede te zijn en zich niet door trots of toorn te laten beheerschen.

De heer Horner antwoordde op zijn kloppen, maar zag niet op, toen hij binnen kwam.

„Gij wildet mij spreken, mijnheer?quot; vroeg Frithiof.

„Ja, als ik dezen brief af heb. Gij kunt wachten,quot; zeide de heer Horner barsch.

Hij wachtte kalm, terwijl hij bij zich zelf dacht, hoe geheel anders de heer Boniface en zijn zoon waren, die altijd hunne geëmployeerden even beleefd als hunne klanten behandelden en er evenmin aan zouden hebben gedacht tegen een bediende op zulk een toon te spreken, als een slavenzweep te gebruiken.

De heer Horner verbeeldde zich, dat hij indruk maakte,

ocr page 334

318

en het verschil tusschen hun beider positie behoorlijk liet uitkomen. Hij schreef zijn brief, teekende den naam met een krul, die zijn eigenwaan uitdrukte, toen draaide hij zijn stoel om en zag Frithiof aan.

„De heer Boniface heeft er niets van gezegd, of gij heden avond als gewoonlijk in St. James' Hall moet zijn,quot; ving hij aan, „maar daar niemand anders met dat werk bekend is, zal er wel niets aan zijn te doen.quot;

Hij hield op, blijkbaar eenig antwoord verwachtende, maar Frithiof bleef bedaard staan luisteren.

„Daar gij het werk kent en er aan gewoon zijt, moet gij maar gaan, want het zou mij spijten, als alles niet in orde was. Maar gij moet wel weten, dat ik het sterk afkeur, dat gij in uwe betrekking blijft, en dat ik u alleen uit noodzakelijkheid duld, want ik houd u voor ongeschikt met fatsoenlijke menschen om te gaan.quot;

Wat de Noorweger ook mocht gevoelen, hij slaagde erin, volkomen bedaard te blij ven. De heer Horner, die eene uitbarsting van verontwaardiging had verwacht, was bitter teleurgesteld.

„Ik zie, dat gij 't met onbeschaamdheid tracht te winnen,quot; zeide hij minachtend. „Maar mij zult gij niet bedriegen. Gij kunt heen gaan en zorg er voor, dat gij heden avond uw plicht doet.quot;

„Ja, mijnheer,quot; zeide Frithiof met de bedaardheid van iemand, die weet, dat hij de bovenhand heeft behouden. Maar daarna, toen hij weder in den winkel was, gevoelde hij de beleedigingen des te dieper en dagen achtereen deden zij hem zeer. Door het concert kon hij vroeger dan gewoonlijk heengaan en het was slechts weinig over zeven uur, toen Sigrid hem aan de deur hoorde.

„Nu hebt gij toch tijd om iets te gebruiken?quot; zeide zij.

„Neen,quot; zeide hij snel haar voorbij gaande. „Ik heb geen honger; ik moet mij verkleeden en dan dadelijk weer gaan.quot;

ocr page 335

319

„Misschien zou koffie hem smaken,quot; dacht Sigrid. „Gauw, Swanhild, maak alles klaar, terwijl ik het water kook. Niets beter dan cafe noir, als iemand vermoeid is.quot;

Misschien deed de koffie hem goed, maar zeker beurde het gezicht van zijne woning hem een weinig op. Toch was hij dien avond op het punt, in wanhoop alles op te geven.

Lichamelijke afmatting had den troost gebluscht, dien hij den vorigen dag had gevoeld. In zijne treurige neerslachtigheid rezen alle oude twijfelingen weder bij hem op. Was er wel gerechtigheid? Was er, in den hemel daar boven of op aarde hier beneden, iets anders dan wreed genot van macht en volslagen onverschilligheid voor lijden? Zijn oude haat tegen allen, die geslaagd waren, vervulde opnieuw zijn hart en ofschoon hij er vroeger naar had verlangd, Donati te zien, en van Cecil had gehoord van den moed en de zelfverloochening van den Italiaan, thans, in bitterheid van ziel, begon hij den man, alleen om zijne populariteit, te haten. „Ik heb een hekel aan die verwaande lievelingen van het publiek,quot; zeide hij bij zich zelf. „Als alle menschen van iemand goed spreken, is het geraden hen te wantrouwen. Zijn goedheid is waarschijnlijk niets dan berekening — een soort reclame.quot;

De bouwmeesters van de meeste Engelsche concertzalen hebben weinig gedacht aan het gemak der artisten. Dikwijls was het Frithiof opgevallen, dat in de Albert Hall zangers, wier gezondheid en kracht eene onschatbare waarde hadden, in tochtige kille gangen, op ongemakkelijke stoelen moesten wachten, terwijl zij in St. James Hall slechts de keus hadden in een koud portaal tusschen ieder optreden op en neer te wandelen of in een vuil hok, dat op het orkest uitkwam, te zitten. Daar zaten op twee rijen tegenover elkander op harde banken eenigen der beste zangers van hun tijd. Daar was Sardoni, de vroolijke Engelsche tenor en componist. Daar waren mevrouw Sardoni-Borelli met haar edel gelaat

ocr page 336

320

en verder nog andere beroemdheden, hoog gevierd, omdat zij jaren achtereen hun beste gaven aan Engeland hadden gewijd. Maar Carlo Donati was nog niet gekomen en de heer Horner zag ongerust telkens door de glazen deur naaide trap, in de hoop den grooten baryton te ontdekken. Frithiof doorleefde dat alles als een man in een droom; zijn aandacht was gevestigd op een jongen Engelschen tenor, die dezen avond voor het eerst zou optreden; hij merkte op dat hij erg zenuwachtig heen en weer liep, hij hoorde dat hij vrij slecht zong en zag hem de trappen weder atkomen, terwijl het publièk flauw applaudisseerde. Daarna kwam mevrouw Sardoni-Borelli aan de beurt. Haar man reikte haar het lied aan, dat zij moest zingen, zij gaf eenige aanduidingen aan den accompagnateur en betrad het orkest met de kalme waardigheid, die merkwaardig in tegenstelling was met de houding van den debutant, die haar was voorafgegaan. Op dat oogenblik wendde de heer Horner zich tot Frithiof.

„Ga eens zien, of Signor Donati er al is,quot; zeide hij. „Zijn lied volgt nu op het programma.quot;

„0!quot; zeide Sardoni glimlachend; „hij is zoo vreeselijk huisvast, hij komt nooit een oogenblik te vroeg en in de opera is hij dikwijls nog later dan hier. Maar ik ken niemand die zich sneller kleedt, en hij is nooit over zijn tijd.quot;

Frithiof begaf zich naar de kleedkamer en toen hij voorde deur van het-kleine vertrek stond, hoorde hij duidelijk de woorden, die binnen werden gesproken. De stem kwam hem bekend voor.

„Slecht ontvangen? Wel, dat ligt alleen aan uwe zenuwachtigheid. Bij uw tweede nommer zult gij er meer aan gewoon zijn en gij zult zien, dat het veel beter gaat.quot;

„Maar gij hebt zeker nooit met die moeielijkheid behoeven te kampen?quot; zeide de jonge tenor, die met een zeer neerslachtig gelaat met den pas aangekomen baryton stond te praten.

ocr page 337

321

„Nooit!quot; riep de ander met een lach, die door de kamer weerklonk. „Vraag het Sardoni eens! Hij kan u mijn eerste optreden vertellen.quot;

Toen Frithiof zijn boodschap deed, keerde de spreker zich om en de Noorweger zag het gelaat, dat hem vóór zijne ziekte zoo vreemd had aangetrokken — een gelaat, niet alleen schoon in lijnen en kleur, maar vol van een onbeschrijfelijken adel, die alle theorieën van verwaandheid én veinzerij van gevierde mannen vernietigde.

„Dank u,quot; zeide hij met een buiging, „ik kom dadelijk.quot; Toen, zich glimlachend weder tot den debutant wendende, „gij ziet, dat gij, omdat gij niet gebisseerd zijt, zooals gij had verdiend, gemaakt hebt, dat ik bijna te laat ben. Maar dat doet er niet toe; met uw volgend nommer zal het beter gaan. Gaat gij met mij mede? Het is in het artisten kamertje veel aardiger dan hier. Clinton Cleve is immers hier? Zijt gij aan hem voorgesteld?quot;

De jonge man antwoordde ontkennend. Frithiof bespeurde, dat deze belofte hem zeer aangenaam was en hij wel wist, dat een woord van den ervaren tenor van groot nut kon zijn voor een beginner.

„Ik zal u voorstellen,quot; zeide Donati, terwijl zij de trap afgingen. Frithiof hield voor hen de deur open en sloeg nieuwsgierig de begroeting tusschen Donati en de andere artisten gade. Zijne manieren waren zoo eenvoudig, dat het inderdaad moeielijk was, zich voor te stellen, dat hij de man was, die door geheel Europa werd vergood; toch had hij iets als een nieuwe atmosfeer medegebracht en zelfs de heer Horner scheen het te voelen, want hij was minder druk dan gewoonlijk en scheen zich zelfs op den achtergrond te willen houden. Er volgde eene hartelijke begroe ting van mevrouw Sardoni, toen zij binnen kwam, en terwijl zij al pratende, zich weder in haar shawl wikkelde, nam Donati zijne muziek en hij ging naar het orkest. Eerst

21

KEN STOERE NOORMAN. T.

ocr page 338

322

toen werd het Frithiof duidelijk, hoe groot zijne populariteit was; hij werd onstuimig begroet en wel verdiende hij de donderende toejuichingen, die weder losbarstten, toen zijn gezang was geëindigd. Frithiof vergat al het andere; hij was weggevoerd boven het bewustzijn van zijn schande en ongeluk, boven de herinnering aan de tegenwoordigheid van den heer Horner; hij kon alleen verbaasd en bewonderend den zanger aanstaren, die met Sardoni stond te praten en te lachen en een paar malen weder naar het orkest ging om te buigen voor het publiek, dat nog altijd applaudisseerde. Toen hij het eindelijk had overtuigd, dat hij niet nog eens wilde zingen, sprak hij Clinton Cleve aan en verkreeg van den goedhartigen ouden zanger, dat hij eenige vriendelijke woorden richtte tot den jongen débutant, wiens gelaat verhelderde, en toen hij weder zong, bracht hij het er zoo goed af, dat hij werd teruggeroepen, zooals Donati hem had voorspeld.

Alles ging goed, totdat in het begin van het tweede gedeelte van het programma de Italiaansche baryton moest zingen met viool-begeleiding. Frithiof had vergeten, den lezenaar voor den violist gereed te zetten en Donati, die het, toen hij opkwam, dadelijk bemerkte, deed het zelf. Het was slechts eene kleinigheid, maar voldoende om den heer Horner wakker te maken. Toen de zanger terugkeerde, overstelpte hij hem met verontschuldigingen en hij deed Frithiof een verwijt, welks toon Donati's oogen deed flikkeren.

„Wees zoo goed, daarvan niet zooveel ophef te maken,quot; zeide hij met waardigheid. En toen hij later weer van het orkest terugkwam en de uitdrukking zag op Frithiof s gelaat, bleef hij staan om even met hem te praten. Het was niet zoozeer, wat hij zeide, als de wijze, waarop hij het zeide, waardoor Frithiofs gelaat verhelderde en James Horner het zijne fronsde.

ocr page 339

323

„Het is mijn plicht, signor Donati te waarschuwen,quot; zeide het mannetje bij zich zelf — „niets dan mijn plicht.quot;

ZES EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Carlo Donati.

Carlo Donati had een scherpen blik voor iemands karakter ; niet alleen was hij met die gave geboren, maar zijn zwervend leven had hem bovendien in aanraking gebracht met menschen van allerlei soort en allerlei stand en dit was een uitstekende leiding geweest voor iemand, die altijd goed had weten waar te nemen. Hij was daarenboven van zulk een sympatieken aard, dat hij meestal dadelijk bespeurde, of iemand verdriet had, en het onbeduidende voorval met den muzieklezenaar, dat op zich zelf geen minuut lang hem in de gedachten zou zijn gebleven, verried hem, welke verhouding tusschen den heer Horner en den Noorweger bestond. Dat er met den laatste iets niet in orde was, had hij reeds bespeurd toen Frithiof in de kleedkamer hem had aangesproken, en nu hij hem onwillekeurig eene strenge berisping had op den hals geladen, besloot hij, zooveel hij kon, dit goed te maken.

Hij sneed de vleiende opmerkingen en herhaalde verontschuldigingen van den heer Horner af.

„Het heeft volstrekt niets te beteekenen,quot; zeide hij. „ A propos, vanwaar komt die jonge man? Zijn gezicht bevalt mij.quot;

„Hij is een Noorweger,quot; zeide de heer Horner, naar Frithiof ziende, die het orkest in orde bracht voor madame Gauthier, de pianiste. „Gij dacht zeker dat ik hem te streng aansprak, maar gij weet niet, wie hij is. Mijn compagnon houdt hem alleen uit medelijden, maar het is gebleken dat hij oneerlijk is.quot;

ocr page 340

324

De laatste woorden kon Frithiof duidelijk hooren, toen hij de trap afkwam; hij werd doodsbleek, zijne lippen werden wit; het was, alsof iemand hem een dolkstoot had toegebracht.

Toen hij het kamertje binnen kwam, en zijne oogen die van den Italiaan ontmoetten, drukten zij zulk een stomme smart uit, dat Donati het nooit kon vergeten. Verontwaardigd over het gemis van gevoel en tact, dat de heer Horner had aan den dag gelegd, liet hij hem staan zonder hem te antwoorden, maar dikwijls dien avond, terwijl Frithiof het een of ander verrichtte, sloeg Donati hem bedaard gade en hoe meer hij hem aanzag, hoe minder hij aan de waarheid der beschuldiging geloofde. Hij poogde den Noor weger te spreken, maar het gelukte hem niet, voordat het concert was afgeloopen, toen hij hem op de trap ontmoette.

„Zijt gij vrij?quot; vroeg hij. „Is uw werk hier afgeloopen?quot;

Frithiof antwoordde bevestigend en bood aan het rijtuig van den grooten baryton te roepen, meenende, dat hij daarom werd aangesproken.

„O, wat het rijtuig betreft,quot; zeide Donati luchtig, „dat wacht op den hoek van Sackville Street. Maar ik wilde u spreken en in de eerste plaats mijn leedwezen betuigen, dat ik mijns ondanks de beschuldiging heb gehoord, die ik overtuigd ben, dat valsch is.quot;

Frithiofs somber gelaat helderde dadelijk op en de oudeglans keerde een oogenblik terug in zijne eerlijke, blauwe oogen; vergetende, dat hij niet in Noorwegen en dat Donati de vergode zanger was, greep hij de hand van den Italiaan met die over-stroomende dankbaarheid, die welsprekender is dan woorden.

„Ik dank u,quot; zeide hij eenvoudig.

„Is het misschien mogelijk voor iemand, die er niet in is betrokken, het raadsel te vinden?quot; zeide Donati. „Want als iemand zooals gij van zoo iets wordt beschuldigd, veronderstel ik, dat er een raadsel is.quot;

ocr page 341

325

„Niemand kan het oplossen,quot; zeide Frithiof en de sombere trek kwam weder op zijn gelaat. „Ik kan in het geheel niet zeggen, hoe het is gebeurd, maar de schijn was geheel en al tegen mij. Het is onbegrijpelijk; maar God weet, dat ik onschuldig ben.quot;

„Ik verlang alles te hooren,quot; zeide Donati met de innemende manier en de warme belangstelling, die hem de liefde van duizenden had doen verwerven. „ Morgen verlaat ik Engeland; kunt gij met mij medegaan en mij alles vertellen, zooals het is gebeurd?quot;

Ook als Frithiof had willen weigeren, had hij het moeielijk kunnen doen; maar hij voelde zich zoo rampzalig, dat hij ook veel minder hartelijke sympathie gretig zou hebben aangenomen. Zij wandelden samen naar Sackville Street en waren bijna bij het rijtuig, toen zij achter zich hoorden spreken.

„Zij maken zooveel ophef van dien Donati,quot; zeide iemand; „maar ik weet toevallig, dat hij een gemeen sujet is. Ik heb het onlangs van iemand gehoord, die hem van nabij heeft gekend. Men zegt —quot;

Het verdere werd onhoorbaar door den afstand en wat de vloek der moderne maatschappij — de almachtige „Menquot; — over Donati's particuliere aangelegenheden had gezegd, kwam hij niet te weten.

Frithiof zag op naar het gelaat van den zanger. Blijkbaar had hij niet de verheven hoogte bereikt, waar belee-digingen en laster niet treffen. Hij was nog jong en had de nadeelen zoowel als de groote voordeelen van een kunstenaars temperament. Een glimp van heftigen toorn vloog over zijn gelaat, snel opgevolgd door een pijnlijken trek, die Frithiofs bloed aan het koken bracht. Zwijgend deed de Italiaan het portier van het rijtuig open, wenkte Frithiof in te stappen en zij reden samen weg.

„Het doet er niet toe!quot; zeide Donati na een poos, in

ocr page 342

326

gedachten, alsof hij alleen was. „Ik zing niet voor een kwaadsprekend publiek. Ik zing voor Christus.quot;

„Hoe durven zij zoo iets van u te zeggen!quot; riep Frithiof uit, wiens verontwaardiging toenam, naarmate de ander zijne bedaardheid herkreeg.

„Voor mij zelf,quot; zeide Donati, „is het niet heel erg; „maar om den wil van mijne naaste betrekkingen is het zeker onaangenaam. Maar ieder, die het publiek in eene openbare qualiteit dient is er aan blootgesteld. Staatslieden, artisten, schrijvers, tooneelspelers moeten allen kwaadsprekendheid verdragen. En eigenlijk schaadt het alleen iemands reputatie en niet zijn karakter. Het maakt iemand niet onzedelijk, als hij voor onzedelijk wordt gehouden en het maakt u niet tot een dief, dat gij oneerlijk wordt genoemd. Maar nu moet ik alles hooren van die beschuldiging van den heer Horner. Wanneer is het gebeurd?quot;

In het flauwe licht vertelde Frithiof zijne geschiedenis; het was hem eene verlichting haar aan een symphatieken hoorder te vertellen. Donati's vertrouwen in hem scheen hem met een nieuw leven te vervullen en ofschoon de vreemde gebeurtenissen van dien ongelukkigen Maandag niet door het vertellen werden opgehelderd, begon hij toch te hopen.

„Het is zeker zeer onverklaarbaar,quot; zeide Donati, toen het rijtuig stil hield voor eene nette villa. Hij hield even op om den koetsier iets te zeggen. „Wij zullen het rijtuig morgen vroeg noodig hebben om met den trein van 9.40 te Charing Cross te vertrekken, Wilson; goeden nacht.quot;

„Maar als gij zoo vroeg vertrekt,quot; zeide Frithiof, „mag ik u niet langer ophouden.quot;

„Gij houdt mij volstrekt niet op; gij hebt mijne belangstelling opgewekt. Gij moet het avondeten met mij gebruiken en daarna moet ik er meer van hooren. Hoe ongelukkig, dat Sardoni juist dien dag een banknoot moest wisselen.quot;

ocr page 343

327

Op dit oogenblik werd de deur geopend; Frithiof zag eene slanke gestalte in een licht rose gewaad en het bekoorlijkst gelaat, dat hij ooit had gezien, werd opgeheven om Donati, toen hij binnen ging, te kussen.

„Dat is lief van u, dat gij zoo vroeg komt,quot; zeide een frissche, vroolijke stem. Toen, een vreemde ziende, bloosde zij en zeide: „Ik dacht, dat gij Jack en Dominica hadt meegebracht.quot;

„Laat mij u voorstellen aan mijne vrouw, mijnheer Falek,quot; zeide Donati, en Frithiof had nu de verklaring van het zuivere Engelsch van den Italiaan, want in weerwil van haren uitheemschen naam, was het onmogelijk een oogenblik aan Francesca Donati's nationaliteit te twijfelen.

Het huis was keurig, maar eenvoudig gemeubeld en het wekte het onbeschrijfelijk- gevoel van huiselijkheid, dat Frithiof zoo dikwijls in Rowan Tree House had opgemerkt.

„Gij moet een zeer eenvoudig avondmaal voor lief nemen,quot; zeide Francesca, terwijl zij zelve nog eene plaats aan tafel gereed maakte; „ik heb de dienstboden naar bed gezonden, omdat zij morgen vroeg op moeten en het reizen hen erg vermoeit.quot;

„Veel meer dan u en mij,quot; zeide Donati. „Wij zijn er tegen gehard geworden.quot;

„Dit is dus niet uwe vaste woning?quot; vroeg Frithiof.

„Het is onze Engelsche woning. Gewoonlijk zijn wij vijf maanden hier en vijf te Napels en de rest van den tijd te Parijs, te Weenen of te Berlijn. Een zwervend leven is zoo onaangenaam niet, als gij alles, wat u lief is, kunt meenemen.quot;

„En onze kleine is de beste reizigster ter wereld,quot; zeide Donati, „en in ieder opzicht een modelkind. Ik geloof,quot; voegde hij er bij, zijne vrouw aanziende, „dat zij niet minder van een zigeuner heeft, dan Gigi,quot;

„Arme Gigi! Hij is zoo bedroefd, dat hij niet mede mag

ocr page 344

328

gaan! Hadt gij vóór het concert nog den tijd hem naar school te brengen of is hij alleen gegaan?quot;

„Ik had juist nog tijd hem te brengen,quot; zeide Donati, die, terwijl hij sprak, Frithiof bediende. „Hij was erg treurig, de arme jongen; maar het vroolijkte hem een weinig op, dat ik hem vertelde, dat hij de zomervacantie te Merlebank zou doorbrengen en met kerstmis bij ons te Napels zou komen. Het is een neefje van ons, over wien wij spreken,quot; zeide hij tot Frithiof, „en zijne opvoeding mag natuurlijk niet worden verzuimd. Gij maakt veel werk van de opvoeding in Noorwegen, hoor ik?quot;

Frithiof werd er toe gebracht, heel natuurlijk en bedaard te spreken over Noorweegsche gewoonten en zijn vroeger leven. Eerst later viel het hem in, dat hij slechts een dag na zijn ongeluk, toen hij, als de heer Boniface niet zoo goedhartig was geweest, misschien in de gevangenis had kunnen hebben gezeten, bedaard en op zijn gemak van den ouden tijd had gesproken.

En, ook eerst later bedacht hij, hoe menigeen, in eene geheel andere positie, hem het onderhoud met den grooten baryton zou hebben benijd; want Donati wilde niet uitgaan in Londen, ofschoon men niets liever wenschte dan hem tot den held van het seizoen te maken. Zijne vrouw hield er niet van en hij zelf zeide, dat zijn kunst zijn huisgezin en enkele vertrouwde vrienden hen geen tijd lieten om feesten bij te wonen. De wereld vond het dwaas, maar hij bleef standvastig, want ofschoon altijd bereid iemand te helpen, die in ongelegenheid was, en zich niet boven anderen verheven achtend, kon hij de leegheid en onbeduidendheid dei-fatsoenlijke wereld niet uitstaan. Bovendien, terwijl de toejuichingen, die door zijn gezang waren uitgelokt, hem altijd groot genoegen deden, vond hij de vleierijen van lieden, die jacht maakten op beroemdheden, onuitstaanbaar, zoodat hij niets verloor en veel won bij het kalme leven, dat hij

ocr page 345

329

leidde. Van den grooten tooneelspeler Phelps is gezegd, dat „zijn schouwburg en zijn huis hem even heilig waren als de tempel van God.quot; Hetzelfde had men van Donati kunnen zeggen; iets van de kalmte des tempels vervulde de kleine villa, waar fijne smaak en eene gemakkelijke inrichting, maar geene overdadige weelde was te vinden. Fran-cesca had de waarheid gesproken, toen zij zeide, dat het zwervend leven voor hen weinig onderscheid maakte, want overal waar zij kwamen, richtten zij zich eene ideale huiselijkheid in.

Het avondmaal duurde niet lang. Frithiof leed te veel om te kunnen eten en Donati had, evenals de meesten zijner landgenooten, zeer weinig eetlust. Francesca wenschte den Noorweger vriendelijk goeden nacht en ging naar boven naar haar kind; de twee mannen namen plaats voor een open raam, dat uitkwam in een kleinen tuin, waaraan het maanlicht eene bekoorlijke geheimzinnigheid gaf.

„Ik heb er over nagedacht,quot; zeide Donati eensklaps en alsof het van zelf sprak, dat de zaak evenzeer zijne gedachten als die van Frithiof bezig hield, „maar ik kan volstrekt geene verklaring vinden. Het is inderdaad een raadsel.quot;

„En dat zal het altijd blijven,quot; zeide Frithiof neerslachtig.

„Dat geloof ik volstrekt niet. Eens zal waarschijnlijk alles worden opgehelderd. En denk er om, het mij te laten weten, want ik zou het gaarne hooren.quot;

Een straal van hoop flikkerde een oogenblik op Frithiof s gelaat, maar de sombere uitdrukking kwam spoedig terug.

„Het zal nimmer worden opgehelderd,quot; zeide hij. „Ik ben onder een ongelukkig gesternte geboren; als alles scheen goed te gaan, overkwam mij altijd een ongeluk — het was met mijn vader hetzelfde. Het was een onverdiende ramp, die hem den dood aandeed.quot;

Daarop vertelde hij, tot zijn eigen verwondering, zijne

ocr page 346

330

geheele geschiedenis aan Donati. De Italiaan sprak weinig, maar hij luisterde aandachtig; hij bezat inderdaad alle eigenschappen voor een vertrouweling—zeldzame sympathie, tact en volkomen goede trouw. Zijn hart uit te storten voor zulk een man, was het beste voor Frithiof, wat hü kon doen, en Donati, die zelf aan ontelbare moeielijkheden het hoofd had moeten bieden, begreep hem, zooals een man, die minder had geleden, niet had kunnen doen.

„En in deze onrechtvaardigheid quot; zeide Frithiof, toen hij zijn verhaal had geëindigd, „in dit schandelijk succes van de intriganten en zelfzuchtigen en het ondergaan van de eerlijken, beveelt het christendom ons te berusten. Dit is het, wat mij tegen den godsdienst inneemt — wat mij alles onwaar en onlogisch, ja immoreel doet voorkomen.quot;

Waarschijnlijk zou Donati niet van godsdienst hebben gesproken, indien zijn gast er niet over was begonnen. Het was zijne gewoonte niet, veel over zulke onderwerpen te spreken, maar als hij het deed, hadden zijne woorden eene bijzondere duidelijkheid en kracht. Het was niet zoozeer, omdat hij iets merkwaardigs of nieuws zeide, maar omdat hf) met innige overtuiging, met zeldzame zelfverloochening en geheel zonder de gewone formules sprak. „Vergeefmij, als ik de vrijheid neem, op te merken, dat uwe redeneering niet geheel juist is,quot; zeide hij bedaard. „Gij zegt, dat ons wordt bevolen, te berusten, goed. Maar wat is berusting? Zij werd eens door een edelen Russischen schrijver zeer goed verklaard; hij zeide, dat zij is „God te stellen tusschen ons en onze zorgen.quot; Daarin is niets onlogisch. Het is geheel overeenkomstig het gezond verstand. Als eindige dingen u afmatten en radeloos maken, wend u dan tot het Oneindige, waaruit zij veilig en in vrede kunnen worden- beschouwd.quot;

Frithiof dacht aan de woorden, die onwillekeurig Donati waren ontsnapt, na de opmerking van den voorbijganger in

ocr page 347

331

Piccadelly. — „Het doet er niet toe! Ik zing niet voor eene kwaad sprekende wereld.quot; Hij begon Donati beter te begrijpen — hij verlangde met vurig verlangen, in staat te zijn het leven met dezelfde oogen te kunnen beschouwen.

„Dat is voor u alles, alsof het bestaat,quot; zeide hij snel, „maar voor mij zijn zij slechts een hoop—of als zij een paar uren eene werkelijkheid zijn, verdwijnen zij spoedig. Het kan misschien goed zijn voor u in uw gelukkig leven, maar voor mij, die alles tegen heb, is het onmogelijk.quot;

„Onmogelijk!quot; riep Donati, met vlammende oogen en met iets in zijn toon, dat voor Frithiof eene openbaring was.

„Zoo al niet onmogelijk, dan toch zeer moeielijk,quot; hernam hij.

„Ja, ja,quot; zeide Donati, met oogen vol sympathie. „Dat is het voor ons allen. Meen niet, dat ik uwe moeielijk-heden gering acht. Het valt zwaar God te zoeken in eene ongeschikte omgeving, onder zware zorgen en miskenning en bij schijnbare mislukking. Maar — laat de hardheid u niet afschrikken — ga maar voort.quot;

De woorden waren alledaagsch, maar zij waren vol wonderlijke kracht, omdat er onder verborgen was de verzekering, zelf dien weg te hebben gegaan.

„Weet gij wel,quot; zeide Frithiof glimlachend, „dat het bijna hetzelfde is, wat gij tegen mij zeidet, toen ik u voor het eerst zag? Gij hebt het vergeten, maar een jaar geleden hebt gij een paar woorden gezegd, die mij hebben weerhouden, in een oogenblik van wanhoop een einde aan mijn leven te maken. Herinnert gij u, dat gij in den winkel zijt geweest om een lied van Knight te vragen?quot;

„Ja, zeker!quot; zeide Donati. „Waart gij dat werkelijk? Ik herinner het mij duidelijk — gij vondt het lied voor mij ofschoon ik er slechts een paar regels van had, zonder den naam van den componist.quot;

„Het was kort vóór mijne ziekte,quot; zeide Frithiof. „Ik heb

ocr page 348

u nooit vergeten en ik herkende u dadelijk, toen ik u van avond zag. Gij hebt mij het leven gered, door mij hoop te geven.quot;

Misschien was er geen grooter contrast te vinden dan deze twee mannen, die door wat niets dan een toeval scheen, zoo vreemd waren samen gebracht. Maar Donati trok altijd menschen van een tegenovergesteld type aan; in den regel was het niet het godsdienstig publiek, dat hem het best begreep of waardeerde; het waren de wereldsche menschen en zij, met wie hij door zijn beroep in aanraking kwam. Zij voelden zich wonderlijk door zijn karakter aangetrokken en menigeen, die zich gewoonlijk schaamde eenige geestdrift te toonen, maakte een uitzondering voor hem, die hem dwong te gelooven in eene goedheid, die weinig strookte met het cynisch geloof, dat hij beleed.

Voor Frlthiof, in zijn ellende, in zijn wanhopigen opstand tegen een lot, dat onverbiddelijk hem scheen te vervolgen, had het geloof van den Italiaan de kracht eener openbaring. Hij zag, dat het succes, waarom hij, slechts een paar uren te voren, den grooten zanger had gehaat, niet het gevolg was van een luim der fortuin, maar van de wijze, waarop Donati zijne gaven had gebruikt; de Italiaan was ook niet op eens beroemd geworden, hij had een bitter harden leertijd doorworsteld en hij had zooveel geleden, dat de grootste populariteit, weelde en persoonlijk geluk zijne sympathie niet hadden kunnen verminderen, want zijn leven lang zou hij de litteekenen dragen van vroegeren strijd.

Zijn oprechte, edelmoedige aard, die hem voor zijn vroegere taak had geschikt gemaakt, maakte hem nu geschikt, Frithiofs vriend te zijn.

Menschen als Donati zoeken niet een opzienbarende zaak of roem: zij gaan door de wereld en helpen hen, met wie zij in aanraking komen. De zorgen van den Noorweger, in zijn prozaïsch winkelleven, waren voor Donati van even-

ocr page 349

333

veel gewicht, als de zorgen van ieder ander waren geweest; stand en positie waren voor hem onbeduidende kleinigheden; hij besteedde niet al zijne menschenliefde aan de bevolking van gemeene buurten, terwijl hij ongevoelig bleef voor de smart van den rijke en beschaafde, en zijne arme Napoli-tanen hielden hem niet zoo geheel bezig, dat hij geen gevoel had voor de moeielijkheden van een Londenschen winkelbediende. Hij zag, dat Frithiof een was van de velen, die door de hardheid en de onrechtvaardigheid der wereld het bijna onmogelijk vinden hun geloof te behouden in God en die door de slechtheid van eene vrouw beroofd zijn van de beste bescherming, welke in het leven bestaat. Hij gevoelde met dien man en juist het contrast van zijn tegenwoordig gelukkig leven maakte zijne sympathie sterker. Wat hij zeide, heeft Frithiof nooit oververteld; hij zou het niet hebben kunnen doen, als hij het had willen beproeven. Toen hij eindelijk opstond om heen te gaan, had Donati hem als het ware gered van den zedelijken dood, hem uit de diepte zijner neerslachtigheid opgeheven en hem nieuwe hoop medegegeven op zijn levensweg.

„Wacht nog een oogenblik,quot; zeide hij, toen zij aan de deur stonden; „ik zal u mijn kaartje geven en er mijn adres in Italië opschrijven. Daar! Villa Valentino, Napoli. Vergeet niet mij te schrijven, zoodra die zaak is opgehelderd.quot;

Frithiof drukte zijne hand, dankte hem nogmaals en ging zijn weg door de stille, door de maan verlichte straten.

ZEVEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

IN TEEUEIGE OMSTANDIGHEDEN.

De gebeurtenissen van Maandag hadden een schaduw geworpen op Rowan Tree House. Cecil zong niet meer, als zij door het huis ging, de heer Boniface leed onder de gevolgen

ocr page 350

334

van het driftig gesprek, dat hij Maandagavond met zijn compagnon had gehad en hield zijne kamer, en mevrouw Boniface keek ernstig en bedroefd, want zij voorzag de moeielijkhe-den, waarin door Frithiofs ongeluk anderen zouden worden gewikkeld.

„Was Roy maar t'huis geweest,quot; zeide zij tot hare dochter des Woensdag namiddags, toen zij samen onder de waranda zaten.

Cecil zag een oogenblik op van bet jurkje, dat zij voor Gwen maakte.

„Als hij t'huis was geweest, geloof ik stellig, dat het nooit zou zijn gebeurd,quot; zeide zij. „En ik hoop nog altijd, dat hij eene verklaring zal vinden.quot;

„Mijn lieve kind, welke verklaring kan er zijn behalve die, met welke uw vader zich tevreden stelt,quot; zeide mevrouw Boniface. „Frithiof moet het in een oogenblik van geestesafwezigheid hebben genomen. Het bewijst duidelijk, dat hij nog niet zoo sterk is, als wij dachten, en ik vrees, dat het een teeken is, dat hij zijn geheele leven de gevolgen van zijne ziekte zal ondervinden. Dat. is het, wat mij zoo bezorgd maakt voor hen allen.quot;

„Ik geloof niet, dat hij het heeft genomen,quot; zeide Cecil. „Niets zal mij ooit daarvan overtuigen.quot;

Zij naaide ijverig aan het jurkje, plotseling bevreesd, dat de tranen, die in hare oogen brandden, door hare moeder zouden worden opgemerkt. Leedwezen en medelijden kon zij gerust toonen, want Frithiof was een vriend en lieveling van ieder in huis; maar van het verdriet, dat haar hart verteerde, mocht zij niets laten blijken, want het zou hare moeder ongelukkig maken, als zij hare smart kon gissen.

„Hebt gij hem gister avond op het concert gezien?quot; vroeg mevrouw Boniface.

„Ja,quot; zeide Cecil, hare tranen onderdrukkende, „toen hij de lezenaars op het orkest zette. Hij zag er ziek en afgemat uit.quot;

ocr page 351

335

„Daar was ik bang voor. Hij zal altijd blijven tobben over deze zaak en dat is het slechtst, wat hij kan doen. Ik wenschte, dat uw vader beter was, dan ging ik Sigrid opzoeken en met haar praten; maar nu ga ik liever niet van huis. Zoudt gij niet kunnen gaan?quot;

„Ik zal het gaarne doen,quot; zeide Cecil dadelijk. „Maar vóór zeven uur kan ik daar niet terecht, want met dit warme weer zijn de lessen van madame Lechertier veel later.quot;

„Nu, ga dan tegen zeven uur en praat eens goed met haar; breng haar onder het oog, dat geen van ons slechter van hem denkt en dat wij allen boos zijn op neef James, omdat 'hij zoo onaangenaam en ruw is geweest. Als gij wilt, kunt gij Roy afhalen; hij komt te half negen aan en dan kan hij u t'huis brengen.quot;

Dit plan beurde Cecil een weinig op; zij nam Lace mede naar den tuin om haar te helpen bloemen te plukken voor Sigrid en zij glimlachte zelfs, toen de kleine jongen haar uit eigen beweging een mooie passiebloem bracht.

„Dit is voor mijn lieven heer Frithiof,quot; riep hij, hijgende van het loopen. „Het is alleen voor hem en ik heb de bloem geplukt, omdat hij er veel van houdt.quot;

„Weet gij,quot; zeide hare moeder, toen zij onder de warande terugkwam en de bloemen in een mandje begon te schikken, „ik heb eene andere opinie over deze zaak. Zij is precies acht dagen na dien dag aan zee gebeurd, toen wij zoo vreeselijk zijn beangst geweest over Roy en Sigrid. Frithiof had een heel eind geloopen in de zon, die dien dag zeer heet was; toen volgde de opgewondenheid van het roeien en hen te redden, en ofschoon het op het oogenblik hem geen kwaad scheen te hebben gedaan, houd ik het voor zeer mogelijk, dat de schok hem weer een aanval van zijn oude kwaal heeft bezorgd.quot;

„Maar het scheen hem integendeel goed te hebben gedaan,quot; zeide Cecil. „Hij zag er zoo frisch en opgeruimd uit,

ocr page 352

336

toen hij terugkwam. Bovendien was voor iemand, die zooals hij aan lichaamsbeweging gewoon was, de redding niet zulk eene groote inspanning.quot;

Mevrouw Boniface zuchtte.

„Het zou mij spijten, te moeten denken, dat het werkelijk daardoor was gekomen, maar als het zoo is, is het een reden te meer, dat zij goed begrijpen, dat het gebeurde geen verschil maakt in onze opinie over hem. Het is ook best mogelijk, dat zijne ontmoeting met lady Romiaux de oorzaak is. Sigrid heeft mij verteld, dat zij toevallig met haar in aanraking zijn geweest en dat hij het zich sterk had aangetrokken.quot;

Cecil stond op om eenige varens te plukken; zij kon het niet van zich verkrijgen over die laatste veronderstelling-te spreken. Later in den namiddag was het met een zwaar hart, dat zij de modelwoningen bereikte en aan de deur klopte, die haar zoo bekend was geworden.

Swanhild vloog naar haar toe en begroette haar even warm als altijd. Het was gemakkelijk te zien, dat het kind niets wist van de zorgen die over het huis hingen. „Welke mooie bloemen! Hoe lief van u,quot; riep zij.

Maar Sigrid kon niet spreken; zij kuste haar en wendde zich toen af tot Swanhild en de bloemen.

„Zij zijn mooi!quot; zeide zij. „Denkt gij niet, dat wij er eenige zouden kunnen missen voor juffrouw Hallifleld? Ga ze haar gauw brengen.quot;

Toen het kind weg was, ging zij met Cecil in haar slaapkamer. De twee meisjes gingen samen op een bed zitten, maar Sigrid, anders altijd het spraakzaamst, was stil en neerslachtig. Cecil zag, dat zij moest aanvangen.

„Ik heb zoo verlangd te komen en met u te spreken,quot; zeide zij, „maar gister hadden wij het erg druk. Vader en moeder spijt het zoo en ze zijn boos op den heer Horner, omdat hij zich zoo onvriendelijk heeft gedragen.quot;

ocr page 353

337

„Zij zijn zeer goed,quot; zeide Sigrid lusteloos. „Natuurlijk zouden de meeste patroons Frithiof hebben vervolgd of minstens hem hebben ontslagen.quot;

„Maar, Sigrid, hoe is het te verklaren? Dat moeten wij uitvinden. Wie kan de banknoot in zijn zak hebben gestopt?quot;

„Wat!quot; riep Sigrid. „Zijt gij niet van de meening van clen heer Boniface, dat hij het heeft gedaan zonder het te weten ?quot;

„Ik!quot; riep Cecil hartstochtelijk. „Nooit! nooit! Ik ben er zeker van, dat hij het niet heeft gedaan.quot;

Sigrid sloeg hare armen om haar heen.

„O, ik heb u lief, omdat gij dat zegt!quot; riep zij uit.

Het was de eerste werkelijke troost, dien zij sedert het ongeluk ondervond, en ofschoon zij zich voor Frithiof goed hield, was zij in zijne afwezigheid vreeselijk bezorgd en neerslachtig. Maar met den troost kwam een nieuwe smart, want op dat oogenblik raadde zij Cecil's geheim. Misschien was het de gloeiende wang, die tegen de hare was gedrukt, of misschien eene trilling in Cecil's stem, toen zij zoo heftig haar vertrouwen in Frithiof uitsprak.

Die gedachte vervulde haar met bitteren toom tegen Blanche. „Heeft zij niet alleen het leven van Frithiof, maar ook dat van Cecil ongelukkig gemaakt?quot; zeide zij bij zich zelve En wanhopig dacht zij aan de toekomst en het treurig verleden. „Als Blanche er niet was geweest, zou hij haar misschien hebben bemind — ik geloof, dat hij het zou hebben gedaan. En o, hoe gelukkig zou zij hem hebben gemaakt! hoe geheel anders zou zijn geheele leven zijn geweest! Maar nu, met schande, schulden en een verzwakte gezondheid is dat alles voor hem onmogelijk. Blanche heeft hem zelfs van de macht, lief te hebben, beroofd; zij heeft zijn hart gedood. Hare afschuwelijke coquetterie heeft het leven van twee menschen rampzalig gemaakt, waarschijnlijk van meer, want Frithiof is niet de eenige man, dien zij

EEN STOERE NOORMAN I. 22

ocr page 354

338

heeft bedrogen. O! waarom geeft God aan vrouwen de macht zulk eene ellende in de wereld te brengen?quot;

Zij werd uit hare toornige gedachten gewekt door de stem van Cecil, die weder zacht en bedaard, niet langer heftig was.

„Weet gij, Sigrid,quot; zeide zij, „mijn hoop is op Eoy gevestigd. Hij komt heden avond t'huis en hij staat er geheel buiten, misschien kan hij het raadsel oplossen. Ik ga hem afhalen van Charing Cross en als wij naar huis rijden, zal ik hem alles vertellen.quot;

„Komt hij van avond t'huis?quot; zeide Sigrid. „O, wat ben ik daar blijde om! Maar daar is Swanhild terug. Gij moet er niet over spreken, als zij er bij is, want wij hebben het haar niet verteld; er was geen reden om haar treurig te maken en Frithiof vindt het aangenaam, dat één ten minste niet door zijne zorgen lijdt.quot;

„Ja, dat begrijp ik,quot; zeide Cecil. „Swanhild is een kind, dat ieder voor verdriet zou willen bewaren. Hebt gij waarlijk er niet op tegen, dat ik blijf? Zijt gij niet liever alleen van avond ?quot;

„O, neen, neen!quot; zeide Sigrid. „Blijf, als het u belieft. Het zal voor Frithiof een bewijs zijn, dat gij niet slechter over hem denkt na het gebeurde — het zal hem zooveel genoegen doen.quot;

Zij gingen terug naar de zitkamer en begonnen het avondeten gereed te maken en toen Frithiof weldra binnen kwam, was het eerste wat hij zag Cecil's lief en ópen gelaat. Zij stond aan de tafel de bloemen te schikken, maar ging hem dadelijk te gemoet om hem te begroeten. Haar kleur was een weinig hooger dan gewoonlijk, haar handdruk een weinig warmer, maar overigens gedroeg zij zich, alsof er niets was gebeurd.

„Ik heb mü zelve zonder' complimenten op het avondeten gevraagd,quot; zeide zij, „want ik moet Roy te half negen afhalen.quot;

ocr page 355

339

„Het is heel goed van u, dat gij zijt gekomen,quot; zeide Frithiof dankbaar.

'Zijn bezoek bij Donati had hem veel goed gedaan en hem door een moeilijken dag in den winkel geholpen; maar ofschoon dit een goed begin was en hij zijn nieuw leven dapper had aangevangen en veel onaangenaams geduldig had verdragen, toch was hij erg moede en terneer geslagen, juist in eene stemming om te verlangen naar menschelijke sympathie.

„Dit heeft Lance voor u mede gegeven,quot; zeide zij, terwijl zij hem de passiebloem gaf, en hij glimlachte, toen zij de woorden van het kind herhaalde.

Hij was aangenaam getroffen en het gesprek aan tafel liep grootendeels over de kinderen. Hij vroeg bezorgd naaiden heer Boniface en toen spraken zij over het concert van den vorigen avond en hij vertelde iets van Donati's vriendelijkheid jegens hem. En toen Sigrid en Swanhild bezig waren in de keuken, verhaalde zij hem, wat zij wist van Donati's vroeger leven.

„Ik heb nooit iemand ontmoet, zooals hij,quot; zeide Frithiof. „Als er heiligen en helden zijn, is hij er een, maar zondereen zweem van het ascetismus, dat iemand bij de meeste goede menschen hindert. Dat de afgod van de opera zulk een man is, lijkt mij een wonder.quot;

„Gij bedoelt, omdat hij aan zooveel verleiding is blootgesteld ?quot;

„Ja; men zou denken, dat zulk eene groote populariteit iemand verwaand en zulk een buitengewone stem hem zelfzuchtig en onverschillig voor anderen zou maken; iemand, die zoo wordt nageloopen, moet zich licht boven anderen verheven achten, in plaats van zooals hij bereid te zijn de vriend te wezen van ieder, die in nood verkeert.quot;

„Ik ben blijde, dat gij van hem houdt en dat gij met hem hebt gesproken,quot; zeide Cecil. „Maar zoudt gij mij nu

22*

ocr page 356

340

naar een cab willen brengen? Het wordt mijn tijd.quot;

Het deed hem genoegen, dat zij hem dat vroeg; en toen zij afscheid had genomen van Sigrid en Swanhild en alleen met hem over de plaats ging, kon hij niet nalaten er over te spreken.

„Het is goed van u,quot; zeide hij, „dat gij mij behandelt, alsof ik niet in zulke treurige omstandigheden was. Gij hebt mij verwonderlijk opgebeurd.quot;

„O,quot; zeide zij. „het is volstrekt niet goed van mij; gij moet niet gelooven, dat ik denk, dat die omstandigheden uw schuld zijn. Niets ter wereld kan mij ooit doen gelooven, dat gij iets te maken hadt met dat bankbiljet. Het is een raadsel, dat eens zal worden opgelost.quot;

„Dat zegt Signor Donati ook. Hij ook vertrouwde mij, ofschoon de schijn tegen mij is. En Sigrid zegt hetzelfde. Met drie personen aan mijne zijde kan ik geduldiger wachten.quot;

Cecil had zeer bedaard gesproken, zonder de hartstochtelijke heftigheid, die haar geheim aan Sigrid had verraden, want zij was nu op hare hoede; maar haar toon drukte voor Prithiof geheel het vertrouwen en de vriendschap uit, die zij had willen uitdrukken, en hij keerde naar huis terug met nieuwen moed en hoop in zijn hart.

Intusschen ging Cecil aan het station van Charing Cross bedaard op en neer. Ook haar had hun onderhoud goed gedaan, maar toch dacht zij voortdurend aan het wanhopig raadsel en te vergeefs martelde zij hare hersenen om eene oplossing te vinden. Misschien had de zorg reeds sporen op haar gelaat achtergelaten; want Roy bespeurde dadelijk, dat haar iets scheelde.

„Wel, Cecil, wat is u overkomen? Gij ziet er slecht uit,quot; zeide hij, toen zij in een rijtuig zaten.

„Vader is niet wel geweest,quot; zeide zij. „En ik geloof, dat wij allen een weinig van streek zijn door iets, dat Maandag namiddag in den winkel is gebeurd.quot;

ocr page 357

341

Toen vertelde zij hem precies wat gebeurd was en wachtte hoopvol op zijne opmerkingen. Hij fronste verlegen zijne wenkbrauwen.

„Ik wenschte, dat ik t'huis was geweest,quot; zeide hij. „Als James Horner er maar niet zijn neus in had gestoken, zou dat alles niet zijn gebeurd. Frithiof zou zijne vergissing hebben bespeurd en alles was in orde geweest.quot;

„Maar gij verbeeldt u toch niet, dat Frithiof het bankbiljet in zijn zak heeft gestoken?quot; zeide Cecil, diep teleurgesteld.

„Maar wie anders kan het hebben gedaan? Natuurlijk heeft hij het gedaan zonder het te weten. Misschien hebben de angst en de inspanning te Britle Cap op de een of andere wijze zijn hoofd van streek gebracht.quot;

„Dat kan ik niet gelooven,quot; zeide zij zacht, „en al was dat zoo, het is het laatste wat hij zou doen.quot;

„Maar dat is juist het geral met menschen, wier hersenen zijn aangedaan; zij doen de onnatuurlijkste dingen. Het is een bekend feit, dat jonge, onschuldige meisjes ijlende dikwijls afschuwelijke dingen zeggen, die zij nooit hebben kunnen hooren. Zoo kan onder zulke omstandigheden een eerlijk man ook een dief worden. Vader denkt er immers ook zoo over?quot;

„Ja,quot; zeide Cecil. „Maar, ik weet niet — ik had gedacht — ik had gehoopt, dat gij vertrouwen in hem hadt gehad.quot;

„Het heeft niet den minsten invloed op mijn oordeel over zijn karakter. Hij was eenvoudig niet zich zelf, toen hij het deed. Maar aan de bewijzen valt niet te twijfelen. Het ding werd vermist uit de lade en in zijn zak vastgespeld gevonden. Hoe kan een redelijk wezen er aan twijfelen, dat hij zelf het daar heeft gestoken?quot;

„Het moge onredelijk zijn, het niet te gelooven — ik kan het niet!quot; zeide Cecil.

„Maar hoe kan het bij mogelijkheid door eene andere

ocr page 358

342

veronderstelling worden verklaard?quot; zeide hij ongeduldig.

„Ik weet het niet,quot; zeide Cecil; „op het oogenblik is het een raadsel. Maar ik ben even zeker, dat hij het niet heeft gedaan, als dat ik het niet heb gedaan.quot;

„Vrouwen gelooven wat zij wenschen, en storen zich niet aan logica,quot; zeide Roy.

„Het zijn niet alleen vrouwen, die hem gelooven. Carlo Donati heeft zorgvuldig alle bijzonderheden nagegaan en hij gelooft hem.quot;

„Dan wilde ik, dat hij mij zijn recept gaf,quot; zeide Roy met een zucht. „Ik ben maar een gewoon prozaïsch man van zaken en ik kan mij zelf niet wijs maken, dat zwart wit is, al wilde ik het nog zoo gaarne. Hebt gij juffrouw Falck gesproken? Heeft zij het zich erg aangetrokken?quot;

„Ja, zij vreest, dat het tobben hem ziek zal maken, maar natuurlijk geloofde zij hem ook. Ik vermoed, dat zij den anderen bediende in den winkel verdenkt - Darnell; maar ik moet bekennen, dat ik niet begrijp, hoe hij het zou hebben kunnen doen!quot;

Beiden zwegen. Cecil zag treurig naar de voorbijgangers — minnende paren, die gelukkig in de koelte van den avond wandelden; werklieden, pas bevrijd van den langen dagelijkschen arbeid; kinderen, die genoten van frissche lucht. Hoe kortstondig waren het geluk en de rust, vergeleken met den harden, afmattenden arbeid van de meesten hunner! De liefde verhelderde misschien eenige minuten van iederen dag, maar in de wereld buiten hen was geene liefde, geene rechtvaardigheid, niets dan eene harde, elkander verpletterende concurrentie, terwijl Smart en Zonde, Ziekte en Dood altijd gereed waren, op hunne slachtoffers neer te storten. Het lag niet in haren aard, alleen de donkere zijde van alles te zien, maar het ongeluk, dat Prithiofzoo hardnekkig vervolgde, stemde haar somber en zij was teleurgesteld door Roy's woorden. Misschien was het onredelijk

ocr page 359

343

van haar te verwachten, dat hij hare opvatting van de zaak zou deelen, maar zij had het toch verwacht; en nu bekroop haar de bange gedachte, dat de man, dien zij lief had, alles en allen tegen zich had. In haar beschut en gelukkig t'huis, waar een bitter woord nooit werd gehoord, waar de onderlinge genegenheid zoo helder gloeide, dat de geheele wereld daarbuiten, door hare opbeurende stralen werd gezien en gedachten aan de macht van het kwade zelden opkwamen, was altijd een krachtige getuige voor de oneindig sterker macht der liefde. Maar nu zij door de ietwat sombere straten reed, greep iets als hopeloosheid haar aan; de gedachte aan die eindelooze rijen huizen, in ieder waarvan menschen zorgen en moeilijkheden hadden, maakte haar ongelukkig. Eigen verdriet helpt ons later het verdriet van anderea begrijpen en leert ons, dat wij allen, al is het nog zoo weinig, kunnen bijdragen om het leven van anderen op te vroolijken — iets af te nemen van dei-wereld zwaren last van smart en kwaad. Maar eerst komt een tijd van ontmoediging en dan is het misschien onmogelijk, niet toe te geven aan de wanhopende gedachte, dat het kwaad almachtig is. Armoede, zonde en verzoeking zijn overal zoo gemakkelijk te zien, en zich altijd bewust te zijn van de groote, onzichtbare wereld, die ons omgeeft, en van Hem, die zoowel het zichtbare als het onzichtbare bestuurt tot ons bestwil — dat is niet gemakkelijk.

Cecil Boniface, evenals een ieder in deze wereld, had in weerwil van haar ideëel t'huis, in weerwil van alles wat liefde en geld konden verschaffen, haar last te dragen.

ocr page 360

344

ACHT EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

roy's meening.

Indien Roy aan zijne zuster geen troost hid kunnen geven, was het niet, omdat hij ongevoelig was. Hij vreesde integendeel te laten zien, hoe diep hij gevoelde, en hij zou alles hebben gegeven, om eerlijk te kunnen zeggen, dat hij ook geloofde in een of ander onopgelost raadsel, waardoor zijn vriend geheel kon worden gerechtvaardigd Maar hij kon er niet eerlijk aan gelooven — hij had even gemakkelijk aan spoken kunnen gelooven. Daar er geen tooverij bestaat en Darnell niet eens bij een goochelaar was in de leer geweest, kon hij niet gelooven, dat hij iets met het bankbiljet had te maken gehad. Zeker kon niemand anders dan Frithiof het uit de lade hebben genomen en in de voering van zijn zak gespeld. Hoe meer hij aLe bijzonderheden naging, des te onverstandiger vond hij het blirde geloof zijner zuster, maar tegelijk ergerde en vertoornde hem zijn verlangen, hare meening te kunnen deelen.

Hij was te diep in gedachten om veel op Cecil te letten en misschien was dit goed, want iemand met gewone opmerkingsgave zou haar geheim hebben ontdekt. Maar Roy, vervuld van hartstochtelijke liefde voor Sigrid en van gloeiende verontwaardiging tegen James Horner, die alle deze zorgen over hen had gebracht, lette niet op anderen.

Waarom was hij ook naar Parijs gegaan? dacht hij wrevelig, daar zijn vader of James Horner het evengoed had kunnen doen. Hij was gegaan, gedeeltelijk omdat hij wel van eene verandering hield en gedeeltelijk omdat hem alles welkom was geweest, wat den tijd kon vullen, terwijl hij op Sigrid's antwoord wachtte. Maar thans verweet hij zich zijn onrust en voelde zich ongelukkig door de gedachte, dat als hij anders had gehandeld, het ongeluk niet zou zijn gebeurd.

Hij sliep dien nacht weinig en ging den volgenden dag

ocr page 361

345

naar den winkel in eene alles behalve aangename stemming, want hij kon nauwelijks zijn verlangen bedwingen, dadelijk naar Sigrid te gaan. Toen hij den winkel binnen kwam, stond Darnell op zijne gewone plaats, achter de toonbank links, maar Frithiof rangschikte eenige muziek en Roy was dadelijk getroffen door de verandering, die hij waarnam; hij kon haar niet omschrij ven, maar hij gevoelde, dat hij niet had verwacht den Noorweger zoo te vinden, na eene gebeurtenis, die zoo bitter voor hem moest zijn geweest. „Hoe gaat het u?quot; zeide hij, zijne hand vattende; maar het was onmogelijk, in tegenwoordigheid van anderen te zeggen, wat hij op het hart had; eerst een paar uren later hadden zij gelegenheid elkander te spreken, toen Frithiof met een boodschap de kamer binnen kwam.

„De heer Carruthers is er om u te spreken,quot; zeide hij, hem een kaartje gevende; „hij heeft twee liederen in manuscript, die hij u wil laten zien.quot;

„Zeg hem, dat ik belet heb,quot; zeide Roy. „En wat zijne liederen betreft, wij zijn voor de eerste twee jaren voorzien.quot;

„Zij zijn niet slecht; hij heeft ze mij laten zien. Zoudt gij ze niet even willen inzien?quot; vroeg Frithiof.

„Ik zal eens een boek schrijven over de beslommeringen van een muziekuitgever!quot; zeide Roy. „Hoevele duizenden componisten zouden er wel zijn in dit dicht bevolkte land ? Neen, ik wil hem niet spreken; ik ben in een te slecht humeur; maar breng mij zijne liederen maar, ik zal ze inzien en dan kan ik te gelijk met u praten.quot;

Frithiof keerde spoedig terug met de nette manuscripten, aan welke de componist zooveel en de uitgever, helaas! zoo weinig hechtte. Roy zag het eerste door.

„De gewone geschiedenis,quot; zeide hij. „De maan, een meisje, heuvels, een beek, twist, kussen. Ik geloof niet, dat het de moeite waard is, verder te gaan. Wat is het andere? Woorden van Swinburne. „Als de liefde was gelijk

ocr page 362

346

de roos.quot; Ja, gij hebt gelijk; dit is origineel, het refrein bevalt mij. Wij zullen het naar Martino zenden en afwachten, wat hij er van zegt. Zeg aan den heer Carruthers, dat hij over een paar maanden antwoord krijgt. Maar geef hem dien maneschijn maar terug. Ga nog niet weg, hij kan nog wel een oogenblik in spanning blijven, Zij hebben mij t'huis natuurlijk verteld wat er Maandag is gebeurd en nu moet gij mij een ding beloven.quot;

„Wat is het?quot; zeide Prithiof.

„Dat gij niet zult tobben over dat ellendige bankbiljet; dat, als gij er weer aan denkt, gij u herinnert, dat mijn vader en ik het beschouwen, alsof het nooit was gebeurd.quot;

„Dus denkt gij er ook zoo over als de heer Boniface?quot; zeide Frithiof.

„Ja, ik houd het voor de eenig mogelijke uitlegging; maar laat ons niet meer spreken over iets, dat vergeten is. Het maakt voor mij hoegenaamd geen verschil en gij moet mij beloven, dat alles tusschen ons hetzelfde blijft.quot;

„Gij zijt zeer goed,quot; zeide Prithiof treurig en bedenkende dat het hopeloos was, te redeneeren met iemand, die deze uitlegging aannam, zeide hij niets meer, maar ging terug naar den armen componist, wiens gezicht langer werd, toen hij zag, dat zijne handen niet ledig waren, maar hoopvol opzag, toen Prithiof hem vertelde, dat een lied werkelijk het zeldzaam voorrecht zou hebben, te worden ingezien. Hij wist, dat verreweg de meeste composities, die aan de firma werden gezonden, een paar weken bleven liggen; dan werden zij weder ingepakt en teruggezonden, zonder dat iemand er naar had gekeken. Zijne tusschenkomst had den heer Carruthers ten minste voor dat harde lot bewaard.

„En toch,quot; peinsde hij, „al wordt het lied van den armen kerel uitgegeven, is het honderd tegen een, dat het geen aftrek vindt en hij er niets aan heeft; waar een slaagt, gaan duizend te gronde; dat schijnt de wet van de

ocr page 363

347

wereld te zijn en ik ben een van de duizend. Ik begrijp niet, waartoe dat alles dient!quot;

Zijne overpeinzingen werden afgebroken door het binnenkomen van twee klanten, blijkbaar een jong getrouwd paar, die een piano kwamen uitzoeken. Weder moest hij Eoy roepen, die geduldig de verdiensten van verschillende pianomakers opsomde, totdat eindelijk de koop was gesloten. Toen, niet langer in staat het koortsachtig ongeduld te weerstaan, dat hem zoo lang reeds had verteerd, greep hij zijn hoed, zeide tot Frithiof, dat hij een uur zou wegblijven, nam een rijtuig en reed rechtstreeks naar de modelwoningen.

Hem overkwam een vreemd gevoel van tegenstrijdigheid, toen hij over de binnenplaats ging; die verzameling van woningen geleek inderdaad, zooals Sigrid eens had gezegd, op een bijenkorf. Vlijt en orde heerschte er en Roy voelde in zijn ongeduld, dat hij geen recht had, daar te zijn. Dit gevoel wierp een schaduw op zijn geluk, toen hij aan de bekende deur klopte. Een stem van binnen antwoordde en toen hij van achter het kamerschut te voorschijn kwam, vond hij Sigrid bezig met strijken. Zij droeg een grooten, witten boezelaar over hare zwarte japon, hare mouwen waren opgestroopt en lieten hare ronde, blanke armen tot aan den elleboog zien, en de tafel lag vol boorden en manchetten.

„Ik dacht, dat het juffrouw Hallifleld was, die kwam om de keuken te schrobben!quot; riep zij uit; „anders zou ik niet zoo in eens „binnen!quot; hebben geroepen. Cecil heeft ons verteld, dat gij gisteravond zoudt t'huis komen.quot;

„Wilt gij mij vergeven, dat ik op dit uur kom?quot; hernam hij haastig. „Ik wist, dat het de eenige tijd was, dat ik u zeker t'huis zou vinden, en ik had geen rust, voor dat ik u had gesproken.quot;

„Het was zeer goed van u te komen,quot; zeide zij een weinig kleurende. „Gij neemt mij niet kwalijk, dat ik mijn werk afmaak, terwijl wij praten?quot;

ocr page 364

348

Het strijken had eigenlijk zeer goed kunnen wachten; maar het hielp haar hare verlegenheid te boven komen als zij het „fijne goedquot; sprenkelde en plooide en streek, hetgeen zij ter wille der zuinigheid zelve deed.

„Ik heb Frithiof gesproken,quot; zeide hij een weinig zenuwachtig. „Hij ziet er beter uit dan ik had gedacht na die onaangename geschiedenis.quot;

„Hebt gij er met hem over gesproken?quot;

„Slechts een oogenblik. Wat viel er anders te zeggen, dan dat de geheele zaak moest worden vergeten en nooit meer door iemand worden aangeroerd? Ik verlang zoo, u te doen begrijpen, dat het voor ons niets beteekent, dat het dwaasheid zou zijn te veronderstellen, dat wij anders over hem denken dan vroeger. Het was juist iets. dat iemand na zijne ziekte kon overkomen.quot;

Sigrid zag hem aan. Haar gelaat toonde dezelfde diepe teleurstelling als van Cecil.

„Zoo vat gij het op,quot; zeide zij langzaam. „Ik had zoo gehoopt, dat gij de ware verklaring zoudet vinden.quot;

„Indien er eene andere was, dan weet gij immers, dat ik er met al mijne kracht naar zou zoeken,quot; zeide Roy. „Maar ik zie niet in, dat er eene andere verklaring kan bestaan.quot;

Zij zuchtte.

„Dat stelt u teleur,quot; zeide hij. „Gij dacht dat ik mij, op hetzelfde standpunt zou plaatsen als Carlo Donati. Ik wilde, dat ik het kon. Maar ziet gij, ik ben van een prozaïscher natuur. Ik kan er niet toe komen, iets te gelooven, als alle bewijzen tegen mij zijn.quot;

„Ik neem het u niet kwalijk,quot; zeide Sigrid. „Het is heel natuurlijk; en natuurlijk zouden de meeste patroons veel strenger zijn geweest en Frithiof dadelijk hebben weggejaagd. Gij en de heer Boniface zijt zeer goed geweest.quot;

„Spreek zoo niet!quot; riep hij uit. „Hoe kunt gij tot mij

ocr page 365

349

van goedheid spreken. Gij weet, dat Frithiof voor mij als een broeder is.':

„Neen,quot; zeide zij, „gij vergist u. Ik weet dat gij van hem houdt; maar als hij voor u als een broeder was, zoudt gij hem beter kennen — gij zoudt hem in alles vertrouwen, zooals ik doe.quot;

Misschien was zij onredelijk. Maar zij was zeer ongelukkig en zeer zenuwachtig; en vrouwen zijn niet altijd redelijk en, wat dat betreft, mannen evenmin.

„Sigrid,quot; zeide hij hartstochtelijk, „gij zult dit toch niet tot een scheidsmuur tusschen ons maken. Gij weet, dat ik u lief heb met geheel mijn hart, gij weet, dat ik alles in de wereld voor u zou willen doen, maar zelfs uit liefde voor u, kan ik mij zelf niet dwingen te gelooven, dat zwart wit is.quot;

„Ik verwijt u niet, dat gij niet denkt, zooals wij denken,quot; zeide zij snel, „maar in één opzicht is het een scheidsmuur tusschen ons.quot;

„Stil!quot; zeide hij smeekend. „Wacht nog een korte tijd. Ik zal u heden niet uw antwoord vragen; ik zal wachten, zoolang gij verkiest; maar spreek nu niet, nu gij geheel onder den indruk zijt van dit ongeluk.quot;

„Als ik nu niet spreek, wanneer zal ik, denkt gij, het beter kunnen doen?quot; vroeg zij koud. „O, u lijkt het zeer gemakkelijk en gij zijt goed en ziet het over het hoofd en wilt er niet meer over spreken; maar gij begrijpt niet, hoe bitter het is voor een Noorweger, dat zulk een blaam wordt geworpen op zijn eerlijken naam. Denkt gij, dat al vergeet gij het, wij het kunnen vergeten? Denkt gij, dat de men-schen in den winkel uw opvatting deelen? Denkt gij, dat de heer Horner het met u eens is?quot;

„Misschien niet. Wat bekommer ik mij om hen?quot;

„Dat is het juist; u is het onverschillig, maar voor Frithiof is het eene dagelijksche marteling. En gij zoudt willen,

ocr page 366

350

dat ik dacht aan mijn eigen geluk, terwijl hij zoo ongelukkig is! Gij zoudt willen dat ik hem verliet, terwijl hij ieder oogenblik zou kunnen bezwijken!quot;

„Ik zou nooit van u verlangen, dat gij hem verliet. Ons huwelijk zou dat niet noodig maken. Het zou voor hem een bewijs zijn, hoe weinig die ongelukkige gebeurtenis invloed heeft op mijne meening over hem; het zou aan de geheele wereld bewijzen, dat wij het niet anders beschouwen, dan als een onbeduidend toeval.quot;

„Denkt gij, dat de wereld zou overtuigd zijn?quot; zeide Sigrid bitter. „Ik zal u vertellen, wat zij zou zeggen. Zij zou zeggen, dat ik u zoo had verstrikt, dat gij u van mij niet los kondt maken, en dat gij, ten spijt van Frithiofs schande, mij had moeten trouwen. En dat zal nooit kunnen worden gezegd.quot;

„Om Godswil laat geen ellendig gebabbel, geen dwaas oordeel van vreemden ons leven ongelukkig maken! Wat gaat ons de wereld aan? Laat zij zeggen, wat zij willen; zoolang het leugens zijn, maakt het voor ons geen verschil.quot;

„Gij weet niet, wat gij zegt,quot; zeide zij en voor het eerst sprongen haar de tranen in de oogen. „Uw leven is altijd beschut en gelukkig geweest. Maar daar in Bergen heb ik koelheid en verachting moeten verdragen en heb ik ondervonden, dat zelfs de dood mijn vader niet beschermde tegen de giftige tongen der lasteraars. Een leugen wordt geene waarheid, al wordt zij geloofd, maar denkt gij, dat leugens u geen kwaad kunnen doen? O, dat hadt gij moeten ondervinden, voordat gij zoo spreekt.quot;

Hare woorden doorboorden hem het hart. Hoe meer hij begreep, hoe moeielijk haar leven was, des te meer haakte hij er naar haar te helpen, te beschermen, het oordeel der wereld om harentwil te trotseeren.

„Maar ziet gij dan niet,quot; voerde hij aan, „dat het slechts een vorm van trots is, aan welken gij toegeeft? Dat alleen scheidt ons.quot;

ocr page 367

351

„En al was het zoo!quot; zeide zij met fonkelende oogen. „Eene vrouw heeft het recht, trotsch te zijn in zulke zaken. Maar het is niet alleen trots; het is dat ik niet kan denken aan geluk, terwijl Prithiof ongelukkig is. Mijn eerste plicht is voor hem te zorgen; hoe zou ik kunnen verdragen, dat hij mijn geluk moest zien? hoe kan ik hem alles, wat hij heeft geleden, weer herinneren?quot;

„Wacht dan ten minste,quot; smeekte Eoy; „laat mij over een paar maanden nog eens uw antwoord mogen vragen.quot;

„Ik zal wachten, tot dat Frithiof's naam is gezuiverd,quot; zeide zij hartstochtelijk. „Dan kunt gij mij weder vragen; vroeger niet.quot;

Maar toen zij de wanhoop zag op zijn gelaat, bezweek eensklaps haar kracht; zij wendde zich af om hare tranen te verbergen. Hij stond op en naderde haar; haar verdriet gaf hem weder hoop en moed.

„Sigrid,quot; zeide hij, „ik zal niet meer bij u aandringen. Het zal zijn, zooals gij verlangt. Anderen hebben moeten wachten; ik veronderstel, dat het mij ook mogelijk is. Ik vraag u slechts één ding, zeg mij dezen eenen keer, dat gij mij lief hebt.quot;

Hij zag een bekoorlijken blos hare wangen bedekken; zwijgend zag zij hem aan, maar hare ziel sprak uit hare oogen. Een oogenblik hield hij haar in zijne armen; hij kon niet denken aan het hopelooze van zijn kans. Sterk door hare bekentenis, kon niet nu of nog uren daarna de koude wanhoop zich van hem meester maken. Zij beminde hem — hij beminde haar met al de kracht, die in hem was. Was het denkbaar, dat een ellendige banknoot van vijf pond hen altijd zou scheiden? Arme Roy! zooals Sigrid zeide, hij had zulk een beschut leven gehad; hij kende de wereld zoo weinig.

ocr page 368

352

NEGEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

EEN NIEUW INZICHT.

Het is bekend genoeg, dat wij, wat wij hebben, nooit ten volle waardeeren, voordat een verdriet of een verlies alles, wat ons alledaagsch is geworden, ons in een nieuw licht toont! Zij, die ons leven lang onze vrienden zijn geweest, worden misschien eerst naar waarde geschat, als een nieuwe vriendschap ons teleurstelt. En ofschoon velen houden van een huiselijk leven, kan het eerst worden op prijs gesteld, zooals het behoort, door hem, die van de buitenwereld verachting, miskenning en een hard oordeel moet verdragen. Frithiof was altijd met zijn huiselijk leven ingenomen geweest, maar nooit had hij vroeger zoo duidelijk begrepen, wat het voor hem was. Als hij iederen avond terug keerde van zijn werk en van de zware beproeving, van een atmosfeer van verdenking en afkeer, voelde hij zich als de zeeman, die na den storm de veilige haven binnenloopt. Sigrid wist, dat hij dat gevoelde en zij had zich voorgenomen, hem nooit haar verdriet te laten raden. Gelukkig had zij veel te doen, zoodat zij niet kon stil zitten en zich overgeven aan haar verdriet. Wel verliet het haar niet, als zij haar huiselijk werk verrichtte, als zij en Swanhild door de warme en volle straten gingen, als zij piano speelde bij madame Lechertier. Maar er was in het werken toch iets, dat verhinderde, dat haar verdriet, haar overmeesterde; zij was treurig, maar niet wanhopend.

Madame Lechertier's scherpe oogen bespeurden echter dadelijk eene verandering in hare lieveling.

„Gij zijt niet wel, chérie,quot; zeide zij; „uw gelaat ziet er vermoeid uit. Ik kan werkelijk rimpels zien op uw voorhoofd. Op uwen leeftijd is dat onvergeeflijk.quot;

Sigrid lachte.

ocr page 369

353

„Ik heb de slechte gewoonte mijn voorhoofd te rimpelen, als iets mij hindert,quot; zeide zij. „Van daag ben ik misschien een weinig vermoeid. Het is zoo warm en drukkend en bovendien maak ik mij ongerust over Frithiof; het is voor hem een ongunstige tijd.quot;

„Ja, deze hitte is lastig voor de sterksten,quot; zeide madame Lechertier, haren waaier gebruikende. „Swanhild, mijn engel, in die doos zijn versche bonbons, bedien u.quot;

Het was dezen avond een les voor kinderen en madame Lechertier had de vaste gewoonte hen in de pauzeeringen te vergasten op het lekkerste Fransche suikerwerk. Het was aardig de groepen kleintjes te zien en Swanhild in haar Noorweegsch costuum, die de lekkernijen uitdeelde. Sigrid sloeg altijd gaarne dit bekoorlijk tooneel gade en misschien was het op het oogenblik haar beste troost, dat Swanhild, hun nieuwe levenswijs, ten spijt van alle ontberingen en vermoeienissen, goed bekwam. Het kind was nooit gelukkiger, dan wanneer zij bij madame Lechertier hard aan het werk was — zelfs op dezen warmen zomerdag klaagde zij in het geheel niet; inderdaad verschaften de namiddagen haar eene afwisseling in hetgeen anders een zeer eentonig leven zou zijn geweest.

„Sigrid,quot; zeide het kleine meisje, toen zij samen naar huis gingen, „is het waar, wat gij aan mevrouw Lechertier hebt gezegd, dat Frithiof zooveel last had van de warmte? Is het waarlijk dat, wat hem in de laatste dagen zoo stil maakt?quot;

„Gedeeltelijk,quot; zeide Sigrid; „maar er is nog veel, wat-hem verdrietig maakt, en gij zijt nog te jong om dat te begrijpen — dingen, waarover wij niet kunnen spreken. Gij moet maar uw best doen om het huis vroolijk en plei-zierig te maken.quot;

Swanhild zuchtte. Het was niet gemakkelijk voor haar alleen het vroolijk en pleizierig te maken; in den laatsten

23

EEN* STOERE NOORMAN. I.

ocr page 370

354

tijd waren Sigrid en Frithiof — zooals zij het op Noorsche wijze uitdrukte — stil geweest als aangestoken kaarsen. De menschen praten veel van de gelukkige zorgeloosheid, die kinderen genieten, maar in werkelijkheid voelt menig kind precies den stand der huiselijke atmosfeer en breekt het zijn hoofd met de onbekende zorgen, die de ouderen drukken; dikwijls maakt het uit kleinigheden de ergste en onrustbarendste gevolgtrekkingen. Maar Frithiof giste noch de bekommeringen der kleine Swanhild, noch het verdriet van Sigrid; als zij t'huis kwam, lachte alles hem tegen en het was misschien evenzeer het verlangen in het gezelschap zijner zusters te zijn, als eene herinnering aan Donati's woorden, wat hem bewoog des Zondags avonds met haar te gaan naar de godsdienstoefening in de Westminster abdij.

Welken indruk de schoone kerkdienst op hem maakte, kon Sigrid niet zeggen, maar de preek was ongelukkig eene, zooals hij liever niet had moeten hooren. De geleerde Oxfordsche professor, die voor eene groote menigte toehoorders preekte, begreep zeker niet, hoe zijne woorden sommigen zijner hoorders moesten aandoen; hij sprak als een pessimist, hij hing een treurig tafereel op van de slechtheid en ongerechtigheid dezer wereld, alles ging verkeerd; maar hij gaf geen geneesmiddel aan de hand; hij zinspeelde er zelfs niet op, dat er nog iets anders was dan slechtheid en ongerechtigheid. De godsdienstoefening was afgeloopen. Diep neerslachtig ging Frithiof naar buiten in de koele avondlucht. Hoe treurig het leven hem vroeger had geschenen, thans kwam het hem nog veel treuriger voor; het was geheel en al een ongelukkig raadsel, waarvan geene oplossing was te vinden, een doelloos gewarrel van koopen en verkoopen, een zelfzuchtige strijd om het bestaan. Zij gingen voorbij het Aquarium. De smerige zijstraten zagen er onooglijk uit, dien zomeravond, en de

ocr page 371

355

sombere woorden, die hij had gehoord, klonken nog voortdurend hem In de ooren. Een rampzalig, verongelukt leven, in eene slechte wereld, rampen die hij nooit had verdiend en hem altijd troffen — en zijn lot was niet erger dan dat van millioenen anderen. Waartoe diende dat alles?

Een stem dicht bij hem deed hem schrikken. Zij waren een hoek voorbij gegaan, waar twee straten elkander sneden en de woorden met groote warmte en tegelijk met diepen eerbied gesproken, die hem hadden getroffen, waren:

„Jezus! heilige Jezus!quot;

Hij keek snel om en zag een kleine groep menschen; de woorden waren uit een gezangboek gelezen, door een man, die met hart en ziel instemde met hetgeen hij las. Zij braken op vreemde wijze Frithiof's gepeins af.

Dadelijk begonnen de menschen het bekende gezang te zingen: „De groote medicijnmeester is nabij,quot; en de bekende wijs, die al lang in Noorwegen was doorgedrongen, wekte bij Frithiof eene menigte oude herinneringen op. Was het dan toch waar, dat het raadsel was opgelost? Was het waar, dat ten spijt van lijden en zonde en ellende, de waarborg der eindelijke overwinning was gegeven? Was het waar, dat hij, wiens hatelijke taak voornamelijk scheen te bestaan in lijdelijk dulden, ook zijn deel had in het verzekeren van de eindelijke zegepraal van het goede?

Van de woorden, door den straatprediker gelezen, kwam hij onwillekeuiig op de woorden, die een tooneelzanger een paar dagen geleden tot hem had gesproken. Donati had gesproken van het leven te leven van den Gekruisigde. Hij had slechts weinig gezegd, maar wat hij had gezegd, had de wonderkracht der waarheid. Hij had niet de gewone al-gemeene frasen gebruikt, maar hij had gesproken, zooals een man, die had gestreden, geleden en overwonnen, kon spreken tot een anderen man, die, in verwarring gebracht door het rumoer van het slagveld, aan zijne zaak begint te twijfelen.

23

ocr page 372

356

En veel meer nog dan aan hetgeen hij had gezegd, dacht hij nu aan Donati's leven, aan hetgeen hij zelf er van had waargenomen en wat Cecil hem had verteld.

Frithiof was nog evenzeer — misschien nog meer dan vroeger — bereid te verklaren, dat de menschen over het algemeen zelfzuchtig waren; zeker was hij meer dan ooit bewust van zijne eigen tekortkomingen en dagelijks ontdekte hij trots, zelfzucht en onwil in zijn eigen leven en karakter. Maar zijne vereering van Donati, zijne groote bewondering voor hem hadden zijne levensopvatting gewijzigd. Donati was te gelijk een heilige en een held; maar niet alleen menschen met aangeboren adel waren geroepen om het leven te leven van den Gekruisigde. Alle menschen waren geroepen. Diep in zijn hart lag de overtuiging, dat het zelfs voor hem niet onmogelijk was. En iets als Donati's ongeloovige minachting, toen hij het woord „onmogelijkquot; had verworpen, beving hem en sterkte hem tot een nieuwen strijd tegen zijn eigen fouten.

De week ging voorbij en de volgende Zondag vond hem wel vermoeid, maar minder neerslachtig en beter In staat zijn ouden vijand, hopeloosheid, het hoofd te bieden.

De morgen was zoo schoon, dat Sigrid hem overreedde, eene wandeling te gaan doen en met het vaste voornemen, over een uur weer aan zijn vertaalwerk te gaan, stapte hij langs de kade. Maar het fraaie weer, of het genot der beweging, of de nieuwsgierigheid kennis te maken met een deel van Londen, waarvan hij veel had gehoord, verlokte hem verder te gaan. Hij ging Blackfriar's brug over en wandelde verder en verder oostwaarts, den loop volgend van de rivier, totdat hij aan de overzijde den Tower zag, sterk en somber, zooals den bewaarder van zoovele geheimen past. Ook daar was eene kalme Zondagsstemming, terwijl iets bekends in het gezicht van het water en de schepen zijne gedachten deden afdwalen naar Noorwegen. Hij gevoelde een

ocr page 373

357

sterk verlangen naar zijn land. Het was een gevoel, dat hem dikwijls beving, en van het plotseling opkomen er van kon hij evenmin eene verklaring geven, als de Zwitser het kan van het onweerstaanbaar verlangen naar zijn geboorteland, waaraan hij dikwijls onderhevig is.

„Het helpt toch niet,quot; dacht hij. „Het beste gedeelte van mijn leven zal er mede heengaan om de schulden te betalen en zoolang zij niet betaald zijn, kan ik Noorwegen niet terugzien.quot;

Hij wendde zijn blik af van de rivier, alsof hij daardoor de gedachte aan Noorwegen kon onderdrukken, toen hij tot zijne verbazing plotseling zijn eigen nationale vlag in het oog kreeg — het welbekende blauwe en witte kruis op rooden grond. Sneller ging zijn adem en hij spoedde zich voort om van dichter bij het huis te zien, waaruit die vlag woei. Haastig stiet hij de deur open en bevond zich in eene kerk, die, in merkwaardige tegenstelling met andere kerken, bijna geheel was gevuld met mannen; de zeven of acht vrouwen, die er waren, merkte hij niet op; hare stemmen kwamen niet uit in het krachtig gezang.

Zij begonnen juist te zingen, toen hij binnenkwam; de wijs kende hij sedert hij een kind was; herinneringen overstelpten hem toen hij het langzame, eentonige zingen hoorde, dat evenwel een diepen indruk maakte door den ernst en de krachtige overtuiging der zangers. Tranen, zooals al zijn verdriet hem niet had kunnen ontlokken, kwamen hem nu in de oogen, terwijl hij luisterde naar de woorden, die hem terug brachten uit het vreemde land naar zijne kinderjaren te Bergen.

Een toeschouwer, zelfs al was hij een vreemdeling, die de taal niet verstond, kon niet anders dan getroffen zijn door het gezicht van deze vergadering in het hart van Londen — het eenvoudige gebouw, het ouderwetsch uiterlijk van den predikant met zijn toga en geplooiden kraag,

ocr page 374

358

de rijen mannen — er waren er ongeveer vier honderd — met hunne ernstige, gebruinde gezichten, meest zeelieden, maar ook mannen die in de buurt woonden en de jonge Noorman, die pas was binnen gekomen, wiens trots was gebroken door oude herinneringen, wiens liefde voor Noorwegen hem begrijpelijk maakte, dat hij ODk burger was van een ander vaderland, wiens stug gelaat zachter werd, totdat het de uitdrukking kreeg, die altijd aandoenlijk is — de uitdrukking van ingespannen luisteren.

In de Noorweegsche kerk is de tekst van de preek voor iederen Zondag van het jaar vastgesteld. Dezen dag werd gepreekt over een zeker mensch, die een groot avondmaal bereidde, en van de genooden, die allen eendrachtig zich verontschuldigden. Er was niets nieuws in hetgeen Frithiof hoorde; hij had het vroeger ook gehoord en voldaan met het gevoel van zelfbehagen, had hij behoord tot hen, die het avondmaal hadden versmaad. Nu kwam hij, arm en behoeftig en vond hij, dat het toch de hongerigen zijn, die verzadigd worden.

Zeer langzaam en geholpen door vele lichtstralen, die in zijne duisterste uren hadden geflikkerd, had hij in de laatste jaren tastend zijn weg gevonden van het vage en gemakkelijke geloof in eene goede Voorzienigheid, dat hij eens aan Blanche had beleden, tot het geloof in den Alva-der. Zijne ontmoeting met Donati had een buitengewonen in vlo ad op hem geoefend en oefende dien nog; maar het was niet vóór dezen Zondagochtend, in zijne eigen lands-kerk, niet voordat hij in zijn eigen taal opnieuw de ,uit-noodiging had gehoord: „Komt, want alle dingen zijn nu gereed,quot; dat hem volkomen duidelijk • werd, hoe hij het leven des Zoons had miskend.

Terwijl eene Oneindige Liefde rechtens hem toebehoorde, had hij weerloos aan ellende, eenzaamheid en bitterheid zich overgegeven. Menig duidelijk gebod had hij

ocr page 375

859

veronachtzaamd. Aan Een, die hem begeerde en zijne liefde had gevraagd, had hij geantwoord in de taal der negentiende eeuw, maar in den geest der oude geschiedenis in den bijbel, dat hij het te druk had met practische dingen, dat hij niet kon komen.

Toen de predikant voortging en sprak van het Avondmaal des Heeren en van het duidelijk bevel, dat allen moesten ingaan, begon Frithiof voor het eerst te bemerken, dat hij dat sacrament slechts had beschouwd als een onbegrijpelijk genieten van een groot voorrecht, maar dat dit inderdaad slechts eene zijde was en hij zich ook moest overgeven aan Hem, die hem riep. Het was geheel overeenkomstig zijn eerlijken aard, dat, toen hij eindelijk de waarheid zag, hij geene tegenwerpingen zocht, maar dadelijk gehoorzaamde zonder te wachten totdat hij alles begreep; hij bekommerde zich niet om betwiste punten, maar deed eenvoudig, wat hij zag, dat zijn plicht was.

En toen bij snel herdenken van het verleden, de herinnering aan Blanche en aan het kwaad, dat zij hem had gedaan, bij hem opkwam, verraste het hem, dat hij bedaard aan haar kon denken, dat het mogelijk was den wrevel en de verwijten te onderdrukken, die hem zoolang hadden vervuld. Voor het eerst vergaf hij haar en door die vergeving scheen hij iets terug te krijgen van de opgeruimdheid, die uit zijn leven was verdreven en iets te verkrijgen, dat beter was dan al wat hij vroeger had gehad.

Alle zelfzucht in zijne liefde voor haar was gestorven, er bleef slechts de droefheid over haar ongeluk en een verlangen, dat zelfs nu nog het goede in haar mocht zegevieren. Was het mogelijk zich op te heffen na zulk een val? Waren hare jeugd en zware verzoeking geene verzachtende omstandigheden? Indien zij waarlijk berouw had, moest haar man haar dan niet weder aannemen en haar de bescherming verleenen, die hij alleen haar kon geven?

ocr page 376

360

Zoo dacht hij, terwijl hij daar knielde, en met oogen, door de liefde verhelderd, met zijn trots geheel gebroken en wetende wat het was te vergeven en vergeven te worden, zag hij dieper dan de wereld gewoon is te doen. Er was geen ontkomen aan de groote wet der vergeving, die door Christus is afgekondigd; „Vergeeft, omdat hij berouw heeftquot;; „Vergeeft opdat ook u worde vergeven.quot; En indien het huwelijk het symbool is van de vereeniglng van Christus en de kerk, hoe was het dan mogelijk vergeving te weigeren voor ontrouw, die oprecht werd berouwd? quot;Ware hij in de plaats geweest van lord Romiaux, dan — hij gevoelde het — zou hij haar hebben vergeven, zou hij, als het noodig ware geweest, de geheele wereld hebben getrotseerd om haar te beschermen tegen het doodelijk gevaar, waaraan zij, alleen, altijd moest zijn blootgesteld.

En zoo gebeurde het, dat de liefde den hartstocht ten goede wendde, die zulk eene verwoesting in zijn leven had veroorzaakt, en die nu gebruikte om hem op te heffen uit de gedachten aan zijn eigen verdriet en onverdiend ongeluk^ om hem op te heffen uit de zelfzucht en de verstoktheid, die zoo lang zijn betere natuur hadden onderdrukt.

DERTIGSTE HOOFDSTUK.

SCHREDE VOOR SCHREDE.

Het was als eene verlichting, zoowel voor Sigrid als voor Frithiof, dat juist in dezen tijd alle verkeer met Rowan Tree House onmogelijk was geworden. Lance en Gwen hadden het roodvonk gekregen en natuurlijk werd alle gemeenschap voorloopig afgebroken; het was onmogelijk, dat alles op denzelfden voet zou zijn voortgegaan als vóór Frithiof's ongeluk; hij was veel te trotsch om zoo iets te gedoogen,

ocr page 377

361

ofschoon de Boniface's hun best zouden hebben gedaan om het gebeurde te vergeten. Voor Sigrid zou het bovendien moeielijk zijn geweest, den vriendschappelijken omgang vol te houden na haar laatste gesprek met Roy. Zoo kwam het, dat Cecil misschien de eenige was, die zuchtte over de scheiding, en zij had het gelukkig zoo druk met hare kleine patienten, dat zij weinig tijd had om veel aan de toekomst te denken. Telkens als de gedachte bij haar opkwam: „Hoe zal dit alles afloopen?quot; voelde zij zich zoo ongelukkig en radeloos, dat zij blijde was tot het tegenwoordige te kunnen terugkeeren, dat, hoe pijnlijk ook, toch dragelijk was. Maaide druk van die geheime zorg en de physieke vermoeienis der verpleging van de tweo kinderen begonnen hunne uitwerking te doen gevoelen. — Zij voelde zich afgemat en verouderd en de uitdrukking, die mevrouw Boniface zoo ongerust maakte, kwam weder op haar gelaat — de uitdrukking, die de arme moeder herinnerde aan de twee graven op het kerkhof van Norwood.

Tegen het midden van Augustus waren Lance en Gwen hersteld en werden meegenomen naar eene zeeplaats, terwijl Rowan Tree House was overgeleverd aan schilders en stucadoors om te worden ontsmet. Maar ten spijt van het heerlijke weder bleek dit uitstapje niet opvroolijkend. Roy was zoo neerslachtig mogelijk en Cecil kwam het voor, dat alles even somber was.

„Robin,quot; zeide mevrouw Boniface, „gij moest met datquot; kind een maand naar Zwitserland gaan; deze plaats doet haar volstrekt geen goed. Zij heeft verandering en berglucht noodig.quot;

Zoo maakten vader en moeder plannen en in September werd Cecil, zeer tegen haar zin, meegenomen naar Zwitserland om sneeuwbergen en watervallen te zien, terwijl zij al dien tijd veel liever de prozaïsche gebouwen der modelwoningen en de verlaten straten van Landen had willen

ocr page 378

362

zien. Maar daar zij een verstandig meisje was, deed zij haar best, te genieten, wat onder haar bereik was en ofschoon zij voortdurend dacht aan Sigrid en Frithiof, aan hun verdriet en hunne zorgen, ondervond zij lichamelijk veel goeds van de reis en zij kwam terug met een klem-op hare wangen, waarover haar moeder gelukkig was.

„A propos, lieve kind,quot; zeide mevrouw Boniface, den dag na hare terugkomst, „uw vader dacht, dat gij gaarne heden avond den Elias zoudt willen hooren in Albert Hall, en hij heeft twee plaatsen voor u gehouden.quot;

„Albani zingt immers, niet waar?quot; riep Cecil. „O, ja, ik zou dol gaarne gaan.quot;

„Dan zal ik u zeggen, wat wij zullen doen; wij zullen mevrouw Horner vragen met u te gaan, want het is heden avond dienst in de kerk en vader en ik kunnen daar niet vandaan blijven.quot;

Cecil kon geen tegenwerping maken, ofschoon haar genoegen wel wat werd getemperd door het vooruitzicht van het gezelschap van mevrouw Horner. Er was tusschen die beiden weinig overeenstemming, want het aangeboren fijn gevoel van de eene was niet overeen te brengen met de eveneens aangeboren platheid van de andere.

Het was even over zeven uur, toen Cecil naar het huis van de Horners reed en in de opgesmukte zijkamer werd gelaten. Zij was daar alleen en door een soort instinct, waaraan zij nooit tegenstand kon bieden, ging zij naar den schoorsteen en keek zij naar de klok, die haar als kind door hare leelijkheid had aangetrokken, evenals een mug wordt aangetrokken door eene kaars. Het was eene zeer groote pendule met een kleine, witte wijzerplaat en een groote gouden rots, waarop gouden varkens graasden onder toezicht van een gouden zwijnenhoeder.

„Goeden hemel,quot; riep mevrouw Horner uit, toen zij met een verstoord gelaat binnen kwam, „hebt gij mijn brief

ocr page 379

363

niet bij tijds gekregen? Ik had er zeker op gerekend. Ik voel mij namelijk niet wel genoeg om heden avond uit te gaan. Kunt gij niemand anders vinden, die u vergezelt ?''

Cecil dacht een oogenblik na,

„Sigrid zou het gaarne hebben willen doen, maar ik weet. dat zij op het oogenblik geen tijd heeft,quot; merkte zij op.

„En o, mijn beste, het is veel beter, dat gij alleen gaat, dan dat gij juffrouw Falck meeneemt!quot; zeide mevrouw Horner. „Ik zal nooit vergeten, wat ik met haar heb uitgestaan, toen ik haar had meegenomen om Corney Grain te hooren; zij lachte hardop — zij lachte, totdat de tranen haar in de oogen kwamen, en zij schaamde zich zelfs niet. In hare handen te klappen. Ik erger mij nog, als ik er aan denk.quot;

Mevrouw Horner behoorde tot het zeer ta1rijke gedeelte van het Engelsche publiek, dat het voor onfatsoenlijk houdt, gemoedsbeweging te verraden. Zij was een tijdlang erg ingenomen geweest met Sigrid, maar het Noorweegsche meisje was veel te eenvoudig en te natuurlijk, veel te openhartig om lang bij mevrouw Horner in gunst te blijven; Sigrid had er geen slag van, koel en alsof zij zich verveelde te genieten en haar vroolijke, heldere lach was op zich zelf al een ergernis voor mevrouw Horner, die zelve nooit verdelging dan een stijve glimlach, of een enkele maal, als zij zich niet meer kon bedwingen, een soort van gorgelen met saam-geperste lippen, die tegen zulk een ongepaste vroolijkheid protesteerden.

„Ik ga altijd gaarne uit met Sigrid, waarheen het ook is,quot; zeide Cecil, die hoe zacht zij ook was, nooit kon verdragen, dat mevrouw Horner haar de les las. „Hare gelukkige eigenschap, van alles genot te hebben, is waarlijk te benijden. Maar er is geen kans, dat zij heden avond meegaat. Ik zal hooren of een van de Greenwoods vrij is.quot;

Na een haastig afscheid vertrok zij. Zij lachte bij zich

ocr page 380

864

zelve, terwijl het rijtuig over de steenen ratelde, toen zij aan mevrouw Horner's ergernis en Sigrid's openlijke toejui-ging van Corney Grain dacht. Maar het noodlot scheen tegen haar te zijn; hare vriendinnen, de Greenwoods waren uit en nu bleef haar niets over dan naar huis te rijden of alleen te gaan in de hoop, Eoy te vinden. Den Elias met Albani als sopraan op te offeren aan denkbeeldige bezwaren, kon Cecil niet van zich verkrijgen. Zij besloot alleen te gaan en nadat zij op een kaartje een paar woorden bad geschreven met het verzoek bij haar te komen, als het oratorium was afgeloopen, zond zij het door een der bedienden naar de kamer der artisten en ging zitten om de muziek te genieten, eigenlijk blijde, dat zij in plaats van mevrouw Horner een ledige stoel naast zich had.

Eensklaps steeg het bloed haar naar de wangen; zij had Frithiof over het orkest zien gaan; zij zag hem den maatstok op den lezenaar van den directeur leggen en zich omwenden om op een vraag van iemand, die achter hem stond, te antwoorden; toen verdween hij weer door de dubbele deur in den achtergrond. Zij peinsde er over, wat hij wel zou denken, terwijl hij dat prozaïsch werk verrichtte, of zijne gedachten in Noorwegen waren, of het najaar, zooals zij wist dat gewoonlijk het geval was, weer een sterk verlangen naar zijn oude levenswijs had opgewekt, het verlangen weder een geweer te dragen, of dat misschien zijn verdriet ook dat verlangen had uitgebluscht en hij maaralleen dacht aan het onoplosbaar raadsel, dat hun allen zooveel smart had veroorzaakt. En gedurende het geheele oratorium scheen zij te hooren met zijne ooren: zich afvragende, wat hij dacht van de koren; of hopende, dat hij een goede plaats had gevonden, om Albani's prachtig: „Hoor, o Israël,quot; te genieten. Zij vond het vreemd, dat Roy nog niet bij haar was gekomen, of ten minste een boodschap had gezonden, en onder het laatste koor begon zij een weinig

ocr page 381

865

ongerust te worden. Eindelijk zag zij, tot haar groote geruststelling, Frithiof naar haar toekomen.

„üw broeder is in het geheel niet gekomen,quot; zeide hij, in antwoord op hare begroeting. „Ik veronderstel, dat de mist hem heeft weerhouden, want hij heeft mij gezegd, dat hij stellig kwam. Ik heb hem elk oogenblik verwacht.quot;

„Is de mist dan zoo erg?quot; zeide Cecil, een weinig ongerust.

„Zij was zeer erg, toen ik kwam,quot; zeide Frithiof. „Maar gelukkig heb ik mijn weg naar Portland Road kunnen vinden en toen heb ik den spoorweg genomen. Wilt gij mij vergunnen, u t'huis te brengen?quot;

„Ik dank u, maar het is zoo vreeselijk uit uw weg. Ik zou het gaarne willen, maar het is zulk een moeite voor u.quot;

Ei- was iets in haar hartelijke en tegelijk beschroomde verwelkoming en in het- gevoel, dat zij eene was van de enkelen, die volkomen in hem geloofden, dat Frithiof vervulde met eene zaligheid, die hij niet zou hebben kunnen verklaren.

„Gij zult mij een zeer groot genoegen doen,quot; zeide hij. „Ik geloof, dat de treinen overvol zullen zijn. Zullen wij zien, een rijtuig te krijgen?quot;

Zij gingen samen naar buiten, in de dikke mist, Cecil met een zalig gevoel van vertrouwen in den man, die zoo behendig haar door het gedrang leidde en zoo verwonderlijk koel en onverschillig scheen te midden van de gevaarlijke wielen en paardehoeven, die altijd te voorschijn kwamen, als men het minst er op was bedacht.

Eindelijk, na veel moeite, werd Frithiof een rijtuig meester en hielp haar er in. Zij voelde zich gerustgesteld, toen hij ook insteeg.

„Ik zal met u mede gaan, als gij het goed vindt,quot; zeide hij, „want ik ben niet zeker, dat rijden niet gevaarlijker is dan wandelen. Ik heb nooit zulk een mist gezien! Ik

ocr page 382

366

kan niet eens het paard onderscheiden, veel minder waarheen het gaat.quot;

„Wat ben ik dankbaar, dat gij er waart. Het zou vree-selijk zijn, alleen te wezen,quot;' zeide Cecil en zij vertelde hem, dat zoowel mevrouw Horner ais Roy haar hadden in den steek gelaten.

Hij zeide daarop niets, maar in zijn hart was hij blijde, dat beiden niet waren gekomen en dat hij Cecil naar huis. kon brengen.

„Gij hebt mijne moeder niet gezien, sedert zij van de zee terug is,quot; zeide Cecil. „Zijt gij bang voor besmetting? Het geheele huis is uitgerookt en geschilderd.quot;

„O, dat is het niet,quot; zeide Frithiof, „maar zoolang alles nog niet is opgehelderd, kan ik niet komen. Gij begrijpt niet hoe alles daarvan afhangt.quot;

Misschien begreep zij het veel beter dan hij dacht, maar zij zeide slechts:

„Het heeft geen invloed op uw huiselijk leven.quot;

„Neen, dat is waar,quot; zeide Frithiof. „Het heeft mij dat beter leeren waardeeren en ook uwe vriendschap. Maar, ziet gij, gij zijt de eenige in Rowan Tree House, die nog in mij gelooft: en hoe gij dat kunt, gaat mijn begrip te boven. Er is geen enkel bewijs van mijn onschuld.quot;

„Niets van alles, wat wij gelooven, kan absoluut worden bewezen,quot; zeide Cecil. „Ik kan mijn geloof in u niet logisch rechtvaardigen, evenmin als ik vroeger, als wij samen spraken, het mijn geloof in eene onzichtbare wereld kon doen.quot;

„Herinnert gij u den eersten Zondag, dat ik bij u was en gij mij vroegt, of ik een Noorweegsche kerk had gevonden?quot;

„Ja, zeer goed. Het speet mij zoo, dat ik er iets van had gezegd; maar, ziet gij, ik had altijd geleefd onder men-schen, die even geregeld naar de kerk gingen als zij hun maaltijd gebruikten.quot;

ocr page 383

367

„Nu, ik had ongelijk; er is eene Noorweegsche kerk, bij de handelsdekken te Eotherhithe.quot;

En toen, aangemoedigd door haar onuitgesproken sym pathie en begunstigd door de duisternis, vertelde hij haar welken sterken invloed het bekende oude koraalgezang op hem had gehad en hoe het hem had teruggevoerd in den tijd van zijne bevestiging — een tijd, die voor alle Noorwegers eene diepe beteekenis en een groot gewicht heeft, zoodat zelfs in het indifferentisme van later jaren en te midden van den twijfel, die smart en zorgen opwekken, hij bij de eerste aanleiding weer levendig voor den geest staat.

„Voor Sigrid en Swanhild is het veel te ver om er dikwijls heen te gaan, maar voor mij is het als een stukje Noorwegen, midden in de wildernis van huizen,quot; zeide hij. „Het was vreemd, dat ik zoo onverwacht die kerk moest vinden, juist op het oogenblik, dat ik er het meest behoefte aan had.quot;

„Maar dat gebeurt immers altijd,quot; zeide Cecil. „Wanneer wij werkelijk behoefte hebben aan iets, krijgen wij het ook.quot;

„Gij hebt eer dan ik het onderscheid geleerd tusschen behoefte en verlangen,quot; zeide Frithiof. „Sommige menschen kennen het van zelf, geloof ik. Maar ik moest voordat ik het kon begrijpen, alles verliezen, — zelfs mijne reputatie van de meest gewone eerlijkheid. En zelfs nu lijkt het mij nauwelijks mogelijk onder zulk eene verdenking voort te leven. En toch gaat de dag voorbij en ik geloof, dat het deze zorg was, die mij dreef tot hetgeen ik waarlijk behoefde.quot;

„Het is zoo goed van u, mij dit te vertellen. Het is alsof daardoor het raadsel, dat mij zoo noodeloos en onrechtvaardig scheen, eene bedoeling krijgt. A propos, ik heb van Koy gehoord, dat Darnell is weggegaan.quot;

ocr page 384

368

„Ja,'' zeide Frithiof, „hij is vertrokken. Daarna scheen alles gemakkelijker te gaan.quot;

„Ik kan het niet helpen, maar ik geloof, dat zijn heengaan in dezen tijd een indirect bewijs tegen hem is,quot; zeide Cecil. „Sigrid en ik hebben hem dadelijk verdacht. Verdenkt gij hem niet?quot;

„Ja,quot; zeide hij, „maar zonder eenigen grond.quot;

„Waarom is hij gegaan?quot;

„Zijne vrouw was ziek en moest in een warmer klimaat wonen. Hij heeft eene betrekking te Plymouth aangenomen. Maar inderdaad is er geen bewijs tegen hem en wel tegen mij. Waarom verdenkt gij hem?quot;

„Omdat ik weet, dat gij er geheel onschuldig aan zijt,quot; zeide Cecil.

Hij had vermoed, wat haar antwoord zou zijn, maar het deed hem goed, de woorden te hooren.

Het kwam hem voor, dat de dikke mist en het langzame stapvoets rijden en de, moeielijkheid om den weg te vinden en alle moeiten en gevaren van dezen avond een beeld waren van zijn eigen leven. En toen dacht hij, hoe vervelend de rit voor hem zou zijn geweest, als Cecil niet naast hem had gezeten; hij zag, welk een groot verschil haar vertrouwen en vriendschap maakten. Hij had altijd van haar gehouden, maar nu wekten dankbaarheid en vereering een nieuw gevoel in zijn hart. Blanche's ontrouw had zijn leven zoo verwoest, dat geene gedachte aan liefde in den gewonen zin van het woord bij hem opkwam. Maar toch werd zijn hart aangetrokken door Cecil en in zijn leven ontstond een nieuwe invloed — een invloed, die zijne hardheid verzachtte, zijn koortsachtig ongeduld tot bedaren bracht, hem k)acht gaf zijn lot te dragen.

„Sigrid en Swanhild zijn met madame Lechertier uit de stad geweest, niet waar?quot; vroeg Cecil, na eene pauze.

„Ja, zij hebben een veertien dagen te Hastings doorge-

ocr page 385

369

bracht. Wij hebben onze woning gesloten en ik ben naaiden heer Sivertsen gegaan, die een optrekje had gehuurd te Warlingham, een allerliefst plaatsje in Surrey.quot;

„Sigrid heeft mij verteld, dat gij bij hem logeerdet, maar ik dacht, dat het te Londen was.quot;

„Neen, eens in het jaar verlaat hij zijn hol in Museum-street en gaat hij naar dat dorp. Wij waren het grootste gedeelte van den dag in de open lucht en des avonds werkten wij vier of vijf uren aan eene vertaling van Darwin, die hij zoo spoedig mogelijk voltooid wil zien. Hola! Wat is dat?quot;

Het paard steigerde en sloeg. Kreten en vloeken weerklonken. Zij zagen den vorm van een ander paard, dat in een rechten hoek met het hunne stond en ook steigerde, waarbij de boom van het rijtuig in het hunne drong en Cecil in het gelaat zou hebben gestooten, als Prithiof hem niet met al zijne kracht op zijde had gedrongen. Toen werd het paard plotseling achteruit getrokken; hun rijtuig werd gestooten en geslingerd en viel eindelijk op zijde.

Cecil's hart klopte onstuimig, zij werd doodsbleek, maar in het vreeselijk oogenblik van vallen was het haar eene geruststelling toen Frithiof zijn arm om haar heen sloeg en haar vasthield; toen verloor zij een oogenblik het bewustzijn, zoo hevig kwam zij neder. Beide rijtuigen wai-en omgevallen en lagen hopeloos in elkander verward; de paarden schenen nog op de been te zijn, te oordeelen naar het slaan hunner hoeven op de steenen. Het gevaar werd vergroot door den mist, die het onmogelijk maakte te zien, waar die hoeven eigenlijk waren.

„Hebt gij u bezeerd?quot; vroeg Frithiof bezorgd.

„Neen,quot; zeide Cecil, naar adem hijgende. „Hoe komen wij hier van daan?quot;

Niet zonder moeite richtte hij zich op en voordat zij tijd had, aan het gevaar te denken, had hij haar in zijne

EEN STOERE NOORMAN I. 24

ocr page 386

370

armen genomen en droeg hij haar buiten het gevaar. Als zij niet zoo geheel in hem had vertrouwd, zou het voor haar een vreeselijk oogenblik zijn geweest; ook nu werd zij duizelig, toen zij werd opgelicht en de paardehoeven in hare onmiddellijke nabijheid hoorde en voelde, datFrithiof voorzichtig in de tastbare duisternis stapte en een weinig-wankelde onder haar gewicht.

„Wilt gij mij niet neerzetten? Ik ben u te zwaar,quot; zeide zij, maar terwijl zij nog sprak, voelde zij hem lachen.

„Ik zou u mijlen ver kunnen dragen, nu wij behouden uit de schipbreuk zijn,quot; zeide hij. „Hier is een paal en gelukkig ook de stoep van een huis. Zullen wij de men-schen opbellen en vragen u in huis te nemen, terwijl ik naar het rijtuig ga zien?quot;

„Neen, neen, het is te laat; ik zal hier wachten. Wees voorzichtig, dat gij geen ongeluk krijgt.quot;

Hij verdween in de mist en zij kende hem genoeg om te weten, dat het hem een genoegen was, het rijtuig weder te helpen overeind zetten.

„Ik geloof, dat ongelukken uw element zijn,quot; zeide zij lachend, toen hij blijkbaar in opgewekte stemming bij haar terug kwam.

„Ik moet lachen als ik denk, hoe gek die twee rijtuigen omvielen en de paarden op hunne achterbeenen stonden,quot; zeide hij. „Het is een wonder, dat er niet meer schade was. Wij schijnen er allen goed te zijn afgekomen en er is niets gebroken dan de boomen van de rijtuigen.quot;

„Laat ons te voet naar huis gaan,quot; zeide Cecil. „Weet iemand, waar wij ergens zijn?quot;

„De koetsier zegt, dat dit Batersea Bridge is, een heel eind van Rowan Tree House; maar als gij niet al te vermoeid zijt, zal het zeker beter wezen, niet op een ander rijtuig te wachten.quot;

Zij gingen op weg en bereikten zeer langzaam Brixton;

ocr page 387

371

eerst na middernacht kwamen zij t'huis. Aan de deur wilde Frithiof afscheid nemen en voor het eerst na het ongeval dacht Cecil weder aan zijn verdriet; zij hadden overallerlei andere dingen gesproken, maar nu schoot het haar weder te binnen met een plotselinge pijn, die te zwaarder was te dragen, omdat het laatste half uur zoo gelukkig was geweest.

„Gij gaat toch niet weg zonder even te rusten en iets te gebruiken?quot; zeide zij.

„Gij zijt wel goed,quot; hernam hij, „maar ik kan niet binnen komen.quot;

„Maar ik zal zoo ongerust over u zijn, als gij den langen weg teruggaat zonder iets te hebben gegeten; kom binnen, al is het alleen om mij genoegen te doen.quot;

Er was iets in haar toon, dat hem trof, en op dat oogen-blik deed de heer Boniface zelf de deur open.

„Cecil!quot; riep hij, „wij maakten ons al ongerust over u.quot;

„Frithiof heeft mij t'huis gebracht, omdat het zoo mistte,quot; zeide zij. „En ons rijtuig is omgevallen te Batter-sea, zoodat wij van daar hebben moeten loopen. Vraag Frithiof, of hij binnen komt, vader; wij zijn vreeselijk koud en hongerig en toch wil hij dadelijk naar huis gaan.quot;

„Dat zal niet gebeuren,quot; zeide de heer Boniface. „Kom binnen! kom binnen! Ik heb nooit zulk een mist gezien.quot;

Zoo was Frithiof dan weder iti het oude huis, dat hem altijd zoo vriendelijk had opgenomen, en voor het eerst na de ongelukkige geschiedenis drukte hij de hand van mevrouw Boniface; zij was de vriendelijkheid zelve, maar toch was de ontmoeting pijnlijk en Frithiof wenschte, dat hij weer op de mistige straat was. Cecil scheen te weten, wat hij gevoelde, want zij sprak veel en vroolijk als om het gevoel, dat er iets haperde, hetgeen hem drukte, weg te nemen.

„Wij zijn u inderdaad zeer dankbaar,quot; zeide mevrouw

21*

ocr page 388

372

Boniface, toen zij het verhaal van het avontuur en van Cecil's redding had gehoord. „Ik weet niet, wat Cecil had moeten beginnen zonder u. Roy heeft hoofdpijn, hij is vroeg t'huis gekomen en ligt nu te bed. Maar kom toch binnen en warm u. Ik weet niet, waarom wij allen hier in het portaal blijven staan.quot;

Zij ging hen voor naar de huiskamer en Cecil uitte een kreet van verbazing, want bij den haard stond een klein persoontje in een roode nachtjurk, zoodat het op een houten Noach uit een speelgoed-ark leek.

„Wat, Lance,quot; riep zij, „gij nog op, zoo laat in den nacht!quot;

Het kind vloog naar haar toe en sloeg zijne armen om haar hals.

„Ik kon het waarlijk niet helpen; ik moest schreien,quot; zeide hij, „want ik kon de tranen niet uit mijne oogen houden.quot;

„Hij is zoo even wakker geworden,quot; zeide mevrouw Boniface, „en toen hij zag dat uw bed ledig was, dacht hij, dat u iets vreeselijks was overkomen. De meid sliep al en ik heb hem maar mede naar beneden genomen, want hij was zoo koud en angstig.quot;

Intusschen had Lance Cecil los gelaten en had zich aan Frithiof vastgeklemd.

„Gwen en ik zijn ziek geweest,quot; zeide hij met zelfvoldoening, „en ik ben een geheelen duim gegroeid, sedert gij het laatst hier zijt geweest. Mijn keel doet mij ook geen pijn meer.quot;

De gelukkige onbevangenheid van het kind miste hare uitwerking op Frithiof niet; de ongelukkige banknoot zweefde hem niet voor oogen, toen hij met Lance op zijn knie zat, en hij gebruikte zonder moeite het avondeten, dat hij had gevreesd, niet door zijn keel te kunnen krijgen. Lance, die ouden vrienden getrouw was, wilde hem niet verlaten

ocr page 389

373

en at een beschuitje en dronk een kopje melk en vulde met zijn kinderlijk gesnap iedere pauze in het algemeen gesprek.

„Wilt gij van nacht niet hier blijven?quot; vroeg mevrouw Boniface. „Ik vind het akelig, dat gij zulk een groot eind door den mist moet loopen.quot;

„Gij zijt zeer vriendelijk,quot; zeide hij, „maar Sigrid zou ongerust zijn, als ik niet t'huis kwam.quot; Hij gafLanceeen kus, zette hem op den grond en rees op om te gaan. Cecil's dank en warme handdruk deden hem goed en hij wandelde, opgeruimder na zijn bezoek in Rowan Tree House, naar huis.

EEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Een tbam conducteur.

Als de mist er niet was geweest, zou de lange wandeling hem misschien slaperig hebben gemaakt; maar de noodzakelijkheid voortdurend op zijne hoede te zijn en op alles te letten, maakte dat onmogelijk. Er was bovendien, nu hij van zijne ziekte was hersteld, heel wat noodig om hem moede te maken, en het was alleen zorg en geen lichamelijke vermoeienis, die hem kon afmatten. Zoo stapte hij welgemoed voort, zelfs een weinig in zijn schik met de nieuwe gewaarwording, maar hij haastte zich toch zooveel mogelijk ter wille van Sigrid. Hij had juist de buitendeur van de modelwoningen bereikt en wilde haar openen met den sleutel, die aan ieder was verstrekt, wiens werk hem later ophield dan het sluitingsuur, toen hij dicht bij zich iemand meende te hooren snikken. Hij bleef staan en luisterde.

„Wie is daar?quot; zeide hij, zijn best doende om door de mist te zien, die hem als een gordijn omringde.

Eene vrouwelijke gedaante kwam naar hem toe.

ocr page 390

374

„O, mijnheer!quot; zeide zij, haar schreien onderdrukkende, „hebt gij een sleutel en kunt gij mij binnen laten?quot;

„Ja, ik heb een sleutel. Woont gij hier?quot;

„Neen, mijnheer; ik ben de zuster van juffrouw Halli-fleld. Misschien kent gij Hallifield — den tramconducteur. Ik was van avond naar hem toe gegaan, omdat hij erg ziek is, en ik heb mij wat lang opgehouden, zoodat ik niet bij tijds terug kon zijn in het magazijn, waar wij ook slapen. Het is een vaste regel, dat na elf uur niemand meer wordt binnen gelaten, en toen ik t'huis kwam, was het vijf minuten over elven.quot;

„En wilden zij u niet inlaten?quot; vroeg Frithiof. „Dat is afschuwelijk — de man moest zich schamen! Kom binnen, gij moet half bevroren zijn. Ik ken uwe zuster zeer goed.quot;

„Ik ben u zeer dankbaar, mijnheer,quot; zeide de arme meid. „Ik dacht, dat ik den geheel en nacht op straat zou moeten blijven. Daar is licht, zie ik in het venster: mijn schoonbroeder is zeker erger.quot;

„Wat scheelt hem?quot; vroeg Frithiof.

„O, hij heeft al lang gesukkeld,quot; zeide het meisje; „het zijn de lange diensturen, die hem den dood aandoen. Hij heeft nooit rust, mijnheer; zomer en winter, in de week en des Zondags, altijd gaat het door. Hij houdt veel van zijne vrouw en kinderen en hij werkt voor hen dag en nacht, maar hij ziet hen haast niet, want hij is iederen dag zestien uur aan het werk. Zij zeggen, dat zij meer vrije dagen en korter werktijd zullen krijgen, maar zij zeggen het al zoo lang en intusschen sterft John.quot;

Frithiof herinnerde zich, dat Sigrid hem in den zomer hetzelfde had verteld, den avond toen hij haar het gebeurde met de banknoot had meegedeeld; hij had toen zijn hoofd te vol gehad met zijne eigen zaken om er op te letten, maar nu gevoelde hij bittere verontwaardiging bij de gedachte aan die jammerlijke verspilling van menschenlevens, aan dat

ocr page 391

375

uitpersen van een hooger dividend ten koste van zooveel lijden. Het was een teeken, dat inderdaad voor hem een nieuw leven was begonnen, toen hij in plaats van alleen te schimpen op de onrechtvaardigheid van de wereld, begon te denken, of hij niet van eenig nut kon zijn.

„Misschien zullen zij gaarne willen hebben, dat de dokter wordt gehaald. Ik zal met u mede gaan, dan kunt gij het vragen,quot; zeide bij.

Het meisje dankte hem en klopte aan de deur van hare zuster. Zij sprak met iemand en verzocht hem toen binnen te komen. Tot zijne verwondering zag hij Sigrid in de kleine keuken. Zij liep heen en weer met een kind van een jaar in hare armen.

„Zijt gij eindelijk t'huis?quot; zeide zij. „Ik maakte mij al ongerust over u. Hallifield is vandaag veel erger geworden en toen ik het kleine kind hoorde schreien, ging ik zien, of ik kon helpen.quot;

„Hoe is het met den dokter? Moet hij worden gehaald?quot;

„Neen, hij is tegen tien uur hier geweest, en hij zeide, dat er niets meer aan was te doen. Het is nog slechts een quaestie van uren.quot;

Op dit oogenblik kwam de arme vrouw in de keuken; zij was nog zeer jong en de stomme smart op haar gelaat bracht de tranen in Sigrid's oogen.

„Hoe, Clara!quot; riep zij uit, toen zij hare zuster zag. „Zijt gij weer hier?quot;

„Ik was te laat,quot; zeide het meisje, „en zij hadden mij buiten gesloten. Maar het doet er niets toe, nu deze heer mij heeft ingelaten. Is John erger?quot;

„Het zal niet lang meer duren,quot; zeide de vrouw, „en hij wil met alle geweld hier bij het vuur zitten, want hij is ijskoud. Maar ik geloof niet, dat hij de kracht heeftom hier heen te komen.quot;

„Prithiof, gij zoudt hem kunnen helpen,quot; zeide Sigrid.

ocr page 392

376

„Wilt gij dat doen, mijnheer? Ik zou u er zeer dankbaar voor zijn,quot; zeide juffrouw Hallifleld, naar de slaapkamer teruggaande.

Frithiof volgde haar en toen hij naar het bed zag, kon hij nauwelijks zijn verrassing en ontzag bedwingen, want het was voor 't eerst, dat hij iemand zag, op wien de schaduw des doods reeds was gevallen. Een paar malen was hij Hallifleld, als hij naar zijn werk ging, 's ochtends vroeg tegengekomen en de flinke, gezonde conducteur geleek niets op dezen man, die door kussens werd gesteund, wiens gelaat verwrongen was door pijn en de aschvale kleur had, die den dood aankondigt.

„De Noorweegsche heer is hier, om u naar de keuken te helpen, John,quot; zeide de vrouw en zij wikkelde hem in een deken.

„Dank u, mijnheer,quot; zeide de man. „Het is niets dan een idee, maar ik zou gaarne daar bij het vuur willen sterven, ofschoon ik niet geloof, dat ik ooit weer warm zal worden.quot;

Frithiof lichtte hem voorzichtig op en droeg hem naar een stoel, dicht bij het vuur; de verandering scheen hem genoegen te doen, hij zag met helderder oogen het vertrekje rond.

„Het is een aardige, nette woning,quot; zeide hij. „Ik zou gaarne willen, dat gij het zoo kondt houden, Bessie; maar met de vier kinderen zal het u hard vallen.quot;

Voor het eerst gaf zij toe aan haar smart; zij verborg haar gelaat in haar voorschoot. Een pijnlijke trek kwam op het gelaat van den stervende; hij sloot en opende zijne handen. Sigrid, die nog altijd met het kind aan de andere zijde van den haard stond, boog zich voorover en trachtte hem te troosten.

„Wees gerust,quot; zeide zij. „Wij zullen goede vrienden voor haar zijn. Wij zijn wel arm, maar wij zullen haar

ocr page 393

toch in menig opzicht kunnen helpen, en ik ken eene dame die haar nooit gebrek zal laten lijden.quot;

Hij dankte haar met eene dankbaarheid, die aandoenlijk was.

„Ik ben in eene begrafenisvereeniging,quot; zeide hij, zijne krachtelooze vingers naar het vuur uitstrekkende; „daarvoor heeft zij dus niet te zorgen; zij zullen mij deftig begraven en dat zal eene voldoening voor haar zijn, arme meid. Ik heb er dikwijls aan gedacht, ais eene rijke-lui's begrafenis den tram tegenkwam, maar ik had nooit gedacht, dat het zoo spoedig zou gebeuren. Ik ben pas vijf-en-dertig en dat is niet oud voor een man.quot;

„Het werk was te zwaar voor u.quot; zeide Frithiof.

„Ja, mijnheer, het is de waarheid, wat gij daar zegt, en menig ander gaat het als mij. Het is een ongelukkig, moeielijk bestaan; maar ziet gij, ik verdiende vier en een halven shilling daags en als ik niet volhield, hadden vrouw en kinderen niet te eten; er zijn duizenden, die geen werk hebben, en dan denkt een man er nog eens over, voordat hij het opgeeft.quot;

„En hij heeft een tijdlang zes shillings gehad,quot; zeide de vrouw opziende; „maar de maatschappij is bitter hard en omdat hij eens twee stuivers niet kon verantwoorden, heb ben zij zijn tractement verlaagd.quot;

„Ja, dat vond ik hard en ik kan niet ontkennen, dat ik dien dag heb gevloekt,quot; zeide Hallifield. „Maar de maatschappij behandelt ons niet als menschen, zij behandelt ons als slaven. Zij hadden kunnen weten, dat ik eerlijk was, maar het lijkt wel, alsof zij er op loeren om iemand te betrappen, en zoolang dat zoo is, zijn er velen, die hun best doen om te bedriegen.quot;

„Maar wordt er niets gedaan om de werkuren te verminderen, om de menschen aan het verstand te brengen, dat het zoo niel^ kan ?quot; vroeg Sigrid.

ocr page 394

378

„O, ja, juffrouw; daar hebt gij mevrouw Reaney, die haar best voor ons doet,quot; zeide Hallifleld. „Maar het gaat niet gemakkelijk. Als wij twaalf uren werktijd en om den anderen Zondag vrij hadden, juffrouw, zouden zij misschien geen negen percent van hun geld trekken, zooals nu.quot;

„Zij zijn niet beter dan moordenaars!quot; zeide Prithiof driftig.

„Nu,quot; zeide Hallifleld, „dat heb ik soms ook gedacht. Maar ik weet zoo weinig; ik heb nooit tijd gehad om te lezen en ook niet om mijn godsdienst waar te nemen, nauwelijks tijd om te eten en te slapen. Ik geloof niet, dat God gestreng zal wezen voor een man, die zijn best heeft gedaan om zijne vrouw en zijne kinderen het noodige te kunnen geven, en ik zal niet klagen, als Hij mij slechts stil laat zitten en niets doen, want ik ben dood moede.quot;

Hij had met eenige kracht gesproken, maar nu zonk zijn hoofd achterover en zijn vingers klemden zich krampachtig aan de dekens.

Met een luiden kreet sloeg de arme vrouw hare armen om hem heen.

„Hij sterft!quot; snikte zij. „Hij sterft! John, o mijn John!quot;

„Negen percent van hun geld!quot; dacht Frithiof. „Mijn God, konden zij dit eens zien!quot;

* »

♦

Nadat hij alles had gedaan, waarmede hij kon helpen, ging hij naar zijn eigen woning, maar liet Sigrid nog bij de arme weduwe. Wat hij had beleefd, had een diepen indruk op hem gemaakt; hij had nog nooit iemand zien sterven en de gedachte aan de aandoenlijke bekentenis van Hallifleld, dat hij geen tijd had gehad voor iets anders dan voor de zorgen des levens, kwam telkens weder bij hem op.

„Dat is een sterfbed, dat er niet had moeten zijn,quot; dacht hij. „Het was een gevolg van het jagen naar rijkdom. En toch zijn de aandeelhouders niet slechter dan andere

ocr page 395

379

menschen; het is alleen, omdat zij niet nadenken, of als zij het al eens doen, zich laten wijs maken, dat de klachten overdreven zijn. De menschen laten zich gemakkelijk overtuigen, als zij gaarne overtuigd willen zijn, als hun belang het meebrengt, dat alles blijft zooals het is.quot;

Hij kon niet slapen en lag te denken over de groote vraagstukken, die zoo dikwijls hem hadden bezig gehouden, het schrille contrast tusschen al te grooten rijkdom en al te groote armoede, het ongelijke levenslot, de verpletterende concurrentie, de onuitsprekelijke jammer der wereld. Maar zijne gedachten waren niet langer bevlekt door bitterheid en wanhoop, want al kon hij het doel niet zien van alle raadselen des levens, hij vertrouwde in Een, die een doel had, en die ten slotte alle kwaad moet overwinnen, en hij wist, dat hij zelf een leven moest en kon leiden, dat er toe zou bijdragen, dat groote doel te bereiken.

Drie dagen later had Hallifleld's „deftige begrafenisquot; uit de modelwoningen plaats en Frithiof, die zijn halven vrijen dag er aan had gegeven om mede te gaan naar het kerkhof, luisterde naar de heerlijke woorden van den lijkdienst en dacht, dat waarschijnlijk de tram conducteur nooit tijd had gehad om te hooren, wat de apostel Paulus zegt van de opstanding.

Was er niet iets verkeerd in een systeem, dat een man zoo uitputte, dat zijn hoogste wensch op zijn sterfdag was, te kunnen rusten en niets te doen? Hoe kon dit groote kwaad, het te lang werken van velen en te groote ledigheid van enkelen worden bestreden? Een socialisme dat allen op een gelijke lijn drong, was erger dan nutteloos. De liefde tot de vrijheid was te diep geworteld in zijne Noorsche natuur, dan dat dit hem een oogenblik zou hebben bekoord. Hij wenschte met geheel zijn hart zekere radicale hervormingen, maar hij zag, dat zij alleen niet voldoende waren — niets dan persoonlijke liefde, niets dan het

ocr page 396

380

bewustzijn van persoonlijke verantwoordelijkheid kon een einde maken aan de rampen en de onrechtvaardigheid van het tegenwoordige systeem — het eenige ware geneesmiddel was het leven des Zoons te leven.

TWEE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Eene verandering in de firma.

Op een Decemberdag werd er beraadslaagd in de kamer van den heer Boniface. De heer Boniface zelf zat in zijn leuningstoel tegenover het vuur en zijn aangenaam goedhartig gelaat was een weinig bewolkt, want de discussie viel volstrekt niet in zijn smaak. De heer Horner stond met zijn rug tegen den schoorsteen en zag er deftiger en verwaander uit dan ooit en Roy zat aan de tafel aandachtig te luisteren en zijn gemoed lucht te geven door zijn pen driftig in het vloeipapier te drukken, waardoor zij volstrekt niet beter werd.

„Het is hoog tijd dat deze zaak wordt afgedaan,quot; zeide de heer Horner. „Hebt gij goed begrepen, dat als ik eens iets heb gezegd, ik mij er aan houd? Die Noorweger moet weg of als ons contract afloopt, ga ik heen om nooit terug te keeren.quot;

„Ik wensch niet met u te twisten over deze zaak,quot; zeide de heer Boniface, „maar ik zal zeker Falck niet laten gaan. Hem nu weg te zenden zou wreed en onverantwoordelijk zijn.quot;

„Dat zou het in het geheel niet zijn,quot; zeide de heer Horner driftig. „Het zou slechts zijn, wat gezond verstand en billijkheid voorschrijven.quot;

„Dit is juist, waarover gij en ik van gevoelen verschillen,quot; zeidé de heer Boniface met waardigheid.

„Het is niet alleen zijne oneerlijkheid, die mij tegen

ocr page 397

381

staat in hem,quot; ging de heer Horner voort, „het is zijne onbeschofte onverschilligheid, zijn onuitstaanbare manier, als ik hem iets gelast.quot;

„Ik heb hem nooit anders gevonden dan een beschaafd man,quot; zeide de heer Boniface.

„Beschaafd! O, ik kan die gekheid niet uitstaan! Ik wil geen beschaafde menschen hebben; ik heb een bediende noodig, die zijn plaats kent en met gepaste bescheidenheid antwoordt.quot;

„Gij verstaat den Noorschen aard niet,quot; zeide Roy. „Hier is een dagblad, dat er eene goede beschrijving van geeft.quot; Hij nam een courant en las met eenig leedvermaak de volgende regels voor.

„Hun edele eenvoud en gemis van alle gemaaktheid getuigen, dat zij nooit onder het juk van veroveraar of onder de roede van een leenheer zich hebben gebogen; een boerenstand, goedhartig, waarlijk nederig en godsdienstig en te gelijk fler, wanneer fierheid eene deugd is, die eene be leediging van zijn eer of waardigheid hoog opneemt. Als een voorbeeld vermelden wij, dat een natuuronderzoeker, toen zijne medewerkers, gehuurde boeren, hun werk niet naar zijn zin hadden gedaan, hun heftig uitschold. De mannen schenen er in het geheel niet op te letten. „Hoe kunt gij daar zoo dom en wezenloos staan, alsof het u niet aanging?quot; zeide hij nog driftiger. „Het is omdat wij denken, mijnheer, dat zulk een taal een teeken van eene slechte opvoeding is,quot; hernam een onbevreesde zoon der bergen, wien zelfs armoede niet van zijn gevoel van eigenwaarde kon berooven.quot;

„Gij beleedigt mij, door zulken onzin voor te lezen,quot; zeide de heer Horner, wiens toorn heftiger werd, omdat hij wist, dat Roy de waarheid aan zijn zijde had en dat hij Frithiof dikwijls ruw had aangesproken. „Maar als gij dezen dief in uw dienst —quot;

ocr page 398

382

„Vergeef mij, maar die uitdrukking kan ik niet toelaten,quot; zeide de heer Boniface. „Niemand, die Frithiof Palck maar een weinig kent, zal hem verdenken van oneerlijkheid.quot;

„Nu dan, dien gek, die de manie heeft geld te nemen, dat anderen toebehoort — dien zoon van een bankroetier — indien gij er bij blijft hem te houden, neem ik mijn kapitaal uit de zaak en ga ik heen. Ik weet wel, dat het juist nu voor u lastig zal zijn, als ik mijn geld uit de zaak neem, maar dit is uw eigen schuld.quot;

„Het zou mij misschien een weinig hinderen,quot; zeide de heer Boniface, „maar wat mij betreft, zal ik dat gaarne dulden, liever dan tegen mijn geweten te handelen met betrekking tot Falck. Wat zegt gij, Roy?quot;

„Ik ben het volkomen met u eens, vader,quot; zeide Eoy, die zich verheugde in de gedachte, dat James Horner's booze plannen zoo kalm werden verijdeld.

„Die listige bedrieger heeft u bedot,quot; zeide de heer Horner woedend; „later zal het u berouwen en zult gij zien, dat ik gelijk had.quot;

Niemand antwoordde en met een toornigen uitroep nam James Horner zijn hoed en verliet de kamer. Frithiof zag toevallig op van zijn lessenaar, toen de verbitterde man door den winkel ging, en hij kreeg zulk een woedenden blik, dat hij dadelijk begreep, wat in de kamer van den heer Boniface moest zijn voorgevallen. Eerst toen het tijd was van sluiten, kon hij met Roy alleen spreken en zoodra zij op straat kwamen, vroeg hij:

„Wat is er met den heer Horner heden gebeurd?quot;

„Hij heeft eene verhandeling over het karakter der Noorwegers gehoord, die toevallig in de Daily News stond,quot; zeide Roy glimlachend; „neem de courant mede naar huis, het zal u pleizier doen.quot; Hij haalde het opgevouwen blad uit zijn zak en gaf het aan Frithiof.

„Hij zag mij zoo woedend aan, toen hij mij voorbij

ocr page 399

383

ging, dat ik dadelijk zag, dat hij iets onaangenaams had ondervonden.

„Het doet er niet toe; het is het laatste dat gij van hem hebt te verdragen,quot; zeide Roy, met voldoening zijne handen wrijvende. „Hij heeft beloofd, dat hij geen voet meer bij ons zal zetten. Denk eens, wat een tijdperk van vrede nu begint.quot;

„Heeft hij werkelijk zich uit de zaak teruggetrokken?quot; zeide Frithiof. „Ik was er bang voor. Maar, Roy, ik mag dat niet toelaten; ik kan niet dulden, dat gij voor mij zulk een offer brengtquot;

„Een offer?quot; zeide Roy opgewonden. „Ik heb mij in langen tijd niet zoo vrij en vroolijk gevoeld. Het is een geluk, dat wij hem kwijt zijn.quot;

„Maar zijn geld?quot;

„Dat neemt hij mede,quot; zeide Roy; „het is voor ons wel een weinig lastig, maar hij zal waarschijnlijk zich zelf meer nadeel doen dan ons en dat is zijn verdiende loon. Als er iemand op de wereld is, dien ik niet kan uitstaan, is het mijn waarde neef, James Horner.quot;

Dit gevoelen werd natuurlijk door Frithiof volkomen gedeeld, maar toch deed het hem leed, dat de heer Horner zijn woord had gehouden en uit de firma was getreden, want het geheele najaar had hij gehoopt, dat hij zou toegeven en dat zijn blaffen erger zou zijn dan zijn bijten. Het gevoel, dat hij zulk een groote verplichting aan de Boniface's had, was hem niet aangenaam; maar daaraan was niets te doen en hij kon daartegenover stellen, dat hij nu voor altijd van James Horner was verlost.

Later, des avonds, ging hij naar den heer Sivertsen om over nieuw werk te spreken en toen hij in de modelwoning terug kwam, vond hij Swanhild alleen.

„Waar is Sigrid?quot; vroeg hij.

„Zij is even naar de Halliflelds gegaan,quot; zeide het kleine meisje, opziende van een courant, die zij las.

ocr page 400

384

„Waar zijt gij zoo in verdiept?quot; zeide hij glimlachend. „Gij moet goede vorderingen maken in het Engelsch, dat gij de Daily News leest. Leest gij de lofspraak op het Noorsch karakter?quot;

Terwijl hij sprak, zag hij over haar schouder, nieuwsgierig of zij het artikel had gevonden, waarvan Roy had gesproken; maar Swanhild las met de grootste belangstelling een reeks vragen en antwoorden, die drie kolommen vulden. Hij sloeg een blik op der. aanvang en zag daar met groote letters de woorden: „ Het echtscheidingsproces Romiaux.quot;

Hij rukte het blad van haar weg, frommelde het saam en wierp het in het vuur. Swanhild zag verschrikt op en ontstelde hevig toen zij zijn bleek gelaat en fonkelende oogen zag en den onnatimrlljken toon van zijn stem hoorde, toen hij sprak:

„Gij moogt zulke dingen niet lezen,quot; zeide hij heftig. „Hebt gij het verstaan? Ik ben uw voogd en ik verbied het u.quot;

„Ik wilde alleen weten, wat er in stond over Blanche,quot; zeide Swanhild, die gevoelde, dat hij onbillijk was, maar het niet kon verklaren.

Ongelukkig was het noemen van Blanche's naam juist hetgeen Frithiof niet kon verdragen. Hij verloor zijne zelfbe-heersching. „Spreek niet tegen!quot; zeide hij barsch. „Gij hadt beter moeten weten! Gij moest u schamen!quot;

Dit was meer dan Swanhild kon verdragen; met het gevoel, dat haar bitter onrecht werd gedaan, verliet zij het vertrek; zij sloot zich op in hare slaapkamer en schreide alsof haar hart zou breken; zij zorgde er evenwel voor, haar snikken in haar kussen te smoren, want zij had ook haar behoorlijk deel van den nationalen trots.

„Het is niet edelmoedig van hem, de arme Blanche zoo te haten,quot; dacht zij; „wat zij ook heeft gedaan, ik zal haar altijd lief hebben — altijd! En hij had geen recht, zoo tegen

ocr page 401

385

mij te spreken; het was onbillijk. Ik wist niet, dat ik het niet mocht lezen. Vader zou er mij niet over hebben beknord.quot;

Hierin had zij gelijk; alleen een zeer onervaren „voogdquot; kon den misslag hebben begaan, haar te verwijten, dat zij in haar onschuld slijk had aangeraakt. Misschien zou ook Frithiof verstandiger zijn geweest, indien niet de plotselinge .schok en de aandoening hem zijne bedaardheid hadden doen verliezen.

Toen Sigrid een paar minuten later terug kwam, vond zij hem in de kamer op en neer loopen, als een wild dier in den zoölogischen tuin.

„Frithiof,quot; zeide zij, „wat is er gebeurd? Hebt gij en de de heer Sivertsen getwist?quot;

„Dit is gebeurd,quot; zeide hij, met een schorre stem en zich geweld aandoende om kalm te blijven; hij leunde tegen den schoorsteen terwijl hij nu sprak. „Ik kom zoo even t'huis en vind Swanhild in een courant het echtscheidingsproces Eomiaux lezende — en met de grootste belangstelling.quot;

„Ik wist niet, dat het was begonnen,quot; zeide Sigrid; „wij zien zoo zelden eene Engelsche courant. Hoe kwam die hier?quot;

„Roy gaf haar mij om een artikel over Noorwegen te lezen; ik wist niet, dat dat er ook in stond. Maar ik heb Swanhild beknord, zoodat zij het niet gauw zal vergeten.quot;

Sigrid zag bezorgd op; zij vroeg hem, wat hij had gezegd, en hoorde zeer ontevreden zijn antwoord aan.

„Gij hebt zeer verkeerd gedaan,quot; zeide zij. „Gij vergat, dat Swanhild nog een kind is; gij hebt haar een zwaar onrecht gedaan en zij zal het voelen, al begrijpt zij het niet.quot;

Frithiof was trotsch en opvliegend, maar hij was niet verwaand of onedelmoedig; zoodra hij bedaard was en de zaak van dit standpunt beschouwde, zag hij in, dat hij ongelijk had.

25

EEN STOERE NOORMAN I.

ocr page 402

386

„Ik zal naar binnen gaan en haar vergiffenis vragen,quot;' zeide hij eindelijk.

„Neen, neen, nu nog niet,quot; zeide Sigrid, met een gevoel, dat mannen te onhandig waren voor dit soort van werk. „Laat haar aan mij over.quot;

Zij klopte zacht aan de deur van de slaapkamer en na een oogenblik hoorde zij den sleutel in het slot ronddraaien. Toen zij binnenkwam, was het donker in de kamer en Swan-hild stond met afgewend gelaat bare handen te wasschen. Sigrid deed, alsof zij iets zocht in haar koffer en wachtte, totdat de handen waren afgedroogd, voordat zij het teedere onderwerp aanroerde. Maar daarna sprak zij zonder omwegen.

„Swanhild,quot; zeide zij, „gij schreit.quot;

„Neen,quot; zeide het kind, de tranen weerhoudende, die haar weder in de oogen kwamen, en haar uiterste best doende om te spreken als gewoonlijk.

Maar Sigrid sloeg haar arm om haar heen en trok haar naar zich toe.

„Frithiof heeft mij alles verteld en ik geloof, dat hij verkeerd heeft gedaan u te beknorren. Gij moet er niet meer aan denken.quot;

Maar dit was te veel gevergd van de menschelijke natuur; al wat zij had gelezen, werd nu van tienmaal meer gewicht voor het kind; zij klemde zich vast aan Sigrid en weende bitter.

„Hij zeide, dat ik mij moest schamen — maar ik wist het niet, ik wist het waarlijk niet.quot;

„Daarom juist heeft hij verkeerd gehandeld,quot; zeide Sigrid bedaard. „Indien hij mij had gevonden, terwijl ik dat verslag las, zou hij gelijk hebben gehad, als hij boos was geworden, want ik ben oud genoeg om beter te weten. De arme Blanche heeft iets gedaan, dat zeer slecht is: zij heeft hare belofte aan haar man gebroken en ongeluk en schande gebracht over alle hare betrekkingen. Maar de bijzonder-

ocr page 403

387

heden van zulke treurige geschiedenissen te lezen, doet veel kwaad; en nu ik u dit heb verteld, weet ik zeker, dat gij ze nooit weer zult willen lezen.quot;

Deze woorden gaven aan de arme Swanhild haar zelfgevoel terug, maar toch bespeurde Sigrid dien avond op haar gelaat eene uitdrukking van onrust, die haar zeer deed. En ofschoon Frithiof alles deed om zijn ondoordacht knorren goed te maken, verdween die uitdrukking niet, en den volgenden dag evenmin; zelfs het dansen van den shawldans, terwijl alle leerlingen toezagen, kon haar niet verdrijven en Sigrid begon te vreezen, dat het gebeurde het kind ernstig kwaad had gedaan. Hare practische, weinig verbeeldingrijke natuur kon Swanhild's droomerijen en overdenkingen niet begrijpen. Zij had enkele menschen lief, maar zij had geene idealen en zij had niet den minsten aanleg voor heldenver-eering. Swanhild's buitensporige liefde voor Blanche, eene liefde zoo vurig, dat zij meer dan twee jaren had geduurd ten spijt van alles, wat zij had gehoord en gezien, was haar onbegrijpelijk; het hinderde haar, dat het kind zooveel liefde besteedde aan een onwaardig voorwerp; zij vond het verkeerd en onnatuurlijk, dat de liefde van dat reine en onschuldige kleine hart werd verspild aan eene vrouw als lady Romiaux. Het was haar niet mogelijk te begrijpen, dat ook deze kinderlijke neiging er toe bijdroeg om Swanhild's karakter te vormen en haar geschikt te maken voor haar werk in deze wereld; nog minder kon zij gissen, dat de liefde van het kind invloed zou oefenen op Blanche zelve en den loop van meer dan een leven zou veranderen.

Toch was het zoo; en terwijl het dagelijksch leven zijn gewonen gang ging — Frithiof in den winkel, Sigrid in haar huishouden of piano spelende bij de danslessen en de gedachte aan Roy verdrijvende met te zorgen voor anderen — deed de kleine Swanhild een stap, die veel gewichtiger was, dan zij kon begrijpen.

ocr page 404

388

Het was een Zondag namiddag. Frithiof was gaan wandelen met Roy en madame Lechertier had met een rijtuig Sigrid afgehaald. Swanhild was alleen en zou waarschijnlijk geruimen tijd alleen blijven. „Nu of nooit,quot; dacht zij; zij opende haar lessenaar en nam er een brief uit, dien zij den vorigen dag had geschreven en nu nog eens nauwkeurig overlas. Hij luidde als volgt:

„Geachte mijnheer! In uw gebedenboek staat, dat als iemand zijn geweten niet tot rust kan brengen, maar behoefte heeft aan troost en raad, hij mag gaan naar een geleerd en bekwaam leeraar en hem zijn zorgen medeleelen, om alle gemoedsbezwaar en twijfel te overkomen. Ik ben een Koorweegsch meisje; geen lid van uwe kerk, maar ik heb u dikwijls hooien preeken; mag ik u, als het u belieft, spreken, want ik weet niet wat ik moet doen.

„Met de meeste hoogachting,

„Uwe dienares „Swanhild Falck.quot;

Zij was vrij voldaan over dit epistel en deed hem in een enveloppe met het opschrift: „Den Weleerwaarden Heer Charles Osmond, Guilford Square.quot; Toen zette zij haar zwarte bonten muts op, deed haar dikken mantel om en snelde de trappen af. Den sleutel gaf zij aan den portier en zoo snel zij kon, ging zij in de richting van Bloomsbury.

Swanhild, ofschoon zij in sommige opzichten erg kinderlijk was, zooals dikwijls het geval is met den jongste in een gezin, was in andere opzichten bij de hand. Zij was altijd met achting en waardeering behandeld geworden, volgens de gewoonte in Noorwegen; zij werd geraadpleegd in de huiselijke aangelegenheden; zij had iederen dag alleen naar school moeten gaan en was dus niet angstig, toen zij door de stille straten ging; trouwens, zij was zoo geheel vervuld met de gedachte aan het onderhoud, dat zij wilde

ocr page 405

3S9

vragen, dat zij nauwelijks lette op de voorbijgangers en slechts eenmaal stil hield, toen zij niet zeker was van den weg en dien aan een politieagent moest vragen.

Eindelijk bereikte zij Guilford Square en haar hart begon te kloppen en haar kleur steeg. Alles was hier stil; geen schepsel was te zien; een verwaarloosd beeld stond onder de boomen; aan alle kanten schenen hospitalen en gestichten te zijn en het huis van den heer Osmond was een van de weinige particuliere woningen, die nog waren overgebleven in een buurt, die tachtig jaar geleden eene zeer deftige was geweest.

Swanhild ging de stoep op en door bedeesdheid overvallen, was zij bijna teruggegaan; maar, ofschoon bedeesd, was zij dapper; na een kort besluit trok zij aan de schel en wachtte bevende van vrees en van opgewondenheid.

Het dienstmeisje, dat de deur opende, zag er zoo vriendelijk uit, dat zij zich een weinig gerustgesteld gevoelde.

„Is de heer Osmond t'huis?quot; vroeg zij, haar best doende zuiver Engelsch te spreken.

„Ja, juffrouw,quot; zeide het dienstmeisje.

„Wilt gij dan zoo goed zijn, hem dit te geven?quot; zeide Swanhild, terwijl zij den net geschreven brief overhandigde. „Ik zal op het antwoord wachten.quot;

Zij werd in een zijkamer gelaten en na een paar minuten kwam het dienstmeisje terug.

„De heer Osmond verzoekt u, op zijne kamer te komen,quot; zeide zij.

Swanhild verzamelde al haar moed en volgde het meisje, hare blauwe oogen wijd open, hare wangen hoog gekleurd, hare geheele uitdrukking zoo aandoenlijk deemoedig, dat de grootste bullebak het niet van zich zou hebben kunnen verkrijgen, haar gestreng te behandelen. Zij zag snel op en zag een gezellige kamer, een brandend vuur en een langen man met witte haren en witten baard, die voor het

ocr page 406

390

vuur stond. Zijn gelaat verried een oogenblik verbazing, toen kwam hij naar haar toe en nam zoo vriendelijk hare hand, dat Swanhild haar vrees geheel vergat en dadelijk zich t'huis gevoelde.

„Ik ben blijde, dat gij zijt gekomen,quot; zeide hij, terwijl hij haar in een grooten stoel bij het vuur liet plaats nemen. „Ik heb uw briefje gelezen en het zal mij genoegen doen, als ik u in eenig opzicht kan van dienst zijn. Maar wacht even. Zoudt gij niet dien mantel af doen; gij mocht eens koude vatten, als gij weder buiten komt.quot;

Swanhild deed gehoorzaam haren mantel af.

„Ik wist niet,quot; zeide zij, „of gij de biecht afneemt, maar ik wilde u iets biechten.quot;

Hij glimlachte even, maar zeer vriendelijk.

„In de gewone beteekenis neem ik geen biecht af,quot; zeide hij. „Dat wil zeggen, ik houd het voor eene slechte gewoonte, regelmatig te biechten. Maar met de woorden, die gij in uw brief hebt aangehaald, ben ik het volkomen eens en indien gij iets hebt, dat u verontrust, en denkt dat ik u kan helpen, ben ik bereid te luisteren.quot;

Swanhild scheen een weinig verrast door de zeer gewone inrichting van de kamer. Zij zag rond, alsof zij iets zocht.

„Wat is er?quot; zeide Charles Osmond, die hare onrust opmerkte.

„Ik weet niet. of de menschen knielen, als zij biechten,quot; zeide Swanhild met eene openhartigheid, die hem behaagde.

„Knielen, als gij met mij praat?quot; zeide hij en zijne oogen lachten. „Neen, zeker niet, mijn kind; waarom zoudt gij dat doen? Blijf daar zitten bij het vuur en warm u en vertel mij dan zoo duidelijk mogelijk, wat uwe moeielijk-heid is.quot;

„Het is dit,quot; zeide Swanhild, die nu geheel op haar gemak was; „ik wilde weten, of men ooit eene belofte mag breken.quot;

ocr page 407

391

„Zeker mag men dat in sommige gevallen,quot; zeide Charles quot;Osmond. „Bij voorbeeld: indien gij mij stellig beloofdet, iemand te bestelen, zoudt gij die belofte mogen breken, die gij nooit hadt mogen geven, of indien ik zeide: „Vertelin geen geval aan iemand t'huis, dat gij mij hebt gesproken,quot; en gij beloofdet het, dan zou die belofte mogen worden gebroken, omdat geen vreemde het recht heeft, zich tusschen ii en uwe ouders te stellen.quot;

„Mijn vader en mijne moeder zijn dood,quot; zeide Swan-hild. „Ik woon bij mijn broeder en mijne zuster, die veel ouder zijn dan ik — ik meen wezenlijk oud — drie-en twintig jaar. Zij zijn mijne voogden; en wat mij hindert, is, dat ik dezen zomer iets heb gedaan en dat ik aan iemand heb beloofd, het hun nooit te vertellen en nu vrees ik, dat ik het niet had moeten beloven.quot;

„Waarom vreest gij dat?quot;

„Omdat het sedert dien tijd t'huis zoo anders is geworden; en ofschoon ik dacht, dat wat ik deed, Frithiof en Sigrid zou helpen en iedereen gelukkiger zou maken, is het juist, alsof iedereen ongelukkiger is geworden. Zij hebben er met mij niet over gesproken, maar van dat oogenblik af is Frithiof altijd treurig geweest.quot;

„Was het iets verkeerds, dat gij hebt beloofd te doen — iets, dat op zich zelf verkeerd was, bedoel ik?quot;

„O, neen,quot; zeide Swanhild, „het eenige, wat kon maken, dat het verkeerd was, was dat ik het voor dezen eenen persoon deed.quot;

„Ik vrees, dat ik u niet goed zal begrijpen, als gij mij niet een weinig meer bijzonderheden vertelt. Aan wien hebt gij deze belofte gegeven? Aan iemand, dien uwe broeder en zuster kennen?quot;

„Ja, beiden kennen haar; wij kenden haar in Noorwegen en zij zou met Fiithiof zijn getrouwd, maar toen hij in Engeland kwam, hoorde hij, dat zij juist met een ander

ocr page 408

392

zou gaan trouwen. Ik geloof, dat het dit was, wat hem zoo heeft veranderd; maar misschien was het gedeeltelijk ook, omdat wij tegelijkertijd al ons geld hebben verloren.quot;

„Gaan uwe broeder en zuster nog met deze dame om?quot;

,,0, neen; zij willen haar niet zien en zij spreken nooit van haar. Sigrid is vreeselijk boos op haar, omdat zij Frithiof niet goed heeft behandeld. Maar ik kan het niet helpen, ik houd nog van haar en ik denk, dat zij er misschien berouw van heeft, dat zij zoo onhartelijk tegen Frithiof was.quot;

„Hoe hebt gij haar dan ontmoet?quot; vroeg Charles Osmond,

„Heel toevallig op straat,quot; zeide Swanhild, „toen ik uit school naar huis ging. Zij deed mij zoovele vragen en zij scheen zoo bedroefd te zijn, toen zij hoorde dat wij arm waren; en toen zij mij vroeg, dat voor haar te doen, dacht ik alleen, dat het goed van haar was, en ik deed het en ik beloofde, dat ik het aan niemand zou vertellen.quot;

„Zij had niet het recht, u dat te laten beloven, want waarschijnlijk zou uw broeder niet gaarne hebben, dat gij-met haar spraakt, en zeker zou hij aan haar geene verplichting willen hebben.quot;

„Neen; dat was de reden, waarom alles een geheim moest blijven,quot; zeide Swanhild. „En ik heb nooit begrepen,, dat ik verkeerd had gedaan, vóór eergister, toen ik las wat in de courant over haar stond en Frithiof, toen hij het zag,, zoo boos werd, dat hij de courant in het vuur wierp.quot;

„Hoe kwam de naam van die dame in de courant?quot;

„Sigrid zegt, omdat zij hare trouwbelofte had gebroken; er stond met groote letters gedrukt: „Echtscheidingsproces Romiaux,quot; quot; zeide Swanhild.

Charles Osmond zag verbaasd op. Eenige oogenblikken zweeg hij. Toen viel zijn oog weer op het verlangend gezichtje, dat zijn best deed om zijne gedachten te lezen; hij glimlachte vriendelijk.

„Weet gij, waar lady Romiaux woont?quot; vroeg hij. Neen,

ocr page 409

393

dat wist Swanhild niet. „Nu, het doet er niet toe; ik geloof, dat ik het kan te weten komen, want ik ken gelukkig den advocaat, die haar heeft verdedigd. Ga gij aan mijne schrijftafel zitten en schrijf haar een paar regels om haar te verzoeken, u van uwe belofte te ontslaan; ik zal haar dadelijk dat briefje brengen en als gij wilt, kunt gij hier op het antwoord wachten.quot;

„Maar dat is zooveel moeite voor u,quot; zeide Swanhild, „en op een Zondag, als gij het zoo druk moet hebben.quot;

Hij zag op zijn horloge.

„Ik heb tijd in overvloed,quot; zeide hij, „en als ik zoo gelukkig ben, lady Romiaux te vinden, zult gij spoedig van uw zorg bevrijd zijn.quot;

DRIE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Charles Osmond's raad.

Toen hij Swanhild aan zijne schrijftafel had gezet, liet hij haar alleen en ging hij naar de huiskamer, een gemakkelijk, ouderwetsch ingericht vertrek, zooals men tegenwoordig weinig meer ziet. Op de sofa rustte een dier oude dames, wier aanvallige zachtheid iets zoo bekoorlijks heeft in het rustelooze einde der negentiende eeuw. Niet minder dan vier menschengeslachten waren in de kamer tegenwoordig, want bij het vuur zat Charles Osmond's schoondochter en zij had op haar schoot haar kindje — de lieveling van het geheele huis.

„Erica,quot; zeide hij, naar den haard gaande, „op een vreemde manier heb ik de gelegenheid gevonden, die ik zocht. Ik moet lady Romiaux spreken op verzoek van iemand, die haar vroeger heeft gekend; gij ziet dus, dat het mogelijk is, dat uw verlangen toch nog wordt vervuld en ik haar kan helpen.quot;

ocr page 410

394

Erica zag verrast op; haar gelaat, dat in rust ernstig ■was, helderde verwonderlijk op.

„Daar ben ik blijde om, vader! Gij weet, dat Donovan altijd heeft gezegd, dat er veel in haar is, dat waarlijk goed is, als iemand het maar te voorschijn kon roepen.quot;

„Hoe is het proces afgeloopen?quot; vroeg mevrouw Osmond.

„De jury kon het niet eens worden,quot; antwoordde haar zoon. „Hoe dat mogelijk was begrijp ik niet, want Ferguson zegt, dat alle bewijzen tegen haar waren. Ik ga nu even bij hem aan, om haar adres te vragen, maar intusschen zit in mijne kamer een lief, klein, Noorweegsch meisje te wachten, totdat ik het een antwoord breng. Wilt gij haar hier bij u hebben?quot;

„Ja, ja,quot; zeide Erica; „zeker, laat zij binnen komen, indien zij engelsch kan spreken. Rae begint wakker te worden; ik ga met u naar beneden om haar te halen.quot;

Swanhild had juist haar brief voltooid, toen de kamerdeur open ging, en opziende zag zij Charles Osmond en naast hem eene dame, die haar nog bekoorlijker dan Blanche toescheen; zij was veel ouder dan lady Romiaux en minder in het oog vallend schoon, maar er was iets in haar mat-witte gelaatskleur en kort bruin haar, iets in de mengeling van droefheid en zachtheid van haar gelaat, dat Swanhild dadelijk voor haar innam.

„Dit is mijne schoondochter, mevrouw Brian Osmond en dit is mijn kleinzoon,quot; zeide Charles Osmond en hij liet toe, dat Rae's kleine vingers met zijn baard speelden.

„Wilt gij boven komen en bij ons wachten, totdat de heer Osmond terug komt?quot; zeide Erica, haar de hand gevende en niet weinig verwonderd, welke betrekking er kon bestaan tusschen het blonde, onschuldige, kleine Noordsche meisje en lady Romiaux. Ziende, dat Swanhild beschroomd was, hield zij hare hand vast en nam zij haar mede naar de huiskamer, waar zij weldra geheel op haar

ocr page 411

395

gemak was, met het kleine kind speelde en druk babbelde, tot groot vermaak van de oude mevrouw Osmond, die de geheele geschiedenis hoorde van de modelwoningen, van de danslessen en van het oude huis in Noorwegen.

In dien tijd had Charles Osmond de woning zijns vriends bereikt en, tot zijne groote voldoening, hem t'huis gevonden.

„Voor zoo ver ik weet,quot; zeide de heer Ferguson, „woont lady Romiaux nog op kamers in George Street.quot; Hij nam «en kaartje uit zijne portefeuille en gaf het den predikant. „Dit is haar adres en ik weet zeker, dat zij gister daar nog was. Haar vader wil niets met haar te doen hebben.quot;

„Arm kind!quot; zeide Charles Osmond, alsof hij hardop dacht. „Wat moet er van haar worden?quot;

De heer Ferguson haalde zijne schouders op.

„Zij heefc het zich zelve op den hals gehaald,quot; zeide hij. „Er is niet den minsten-twijfel, dat zij schuldig is, en hoe de jury het niet eens kon worden, weet ik niet.quot;

Charles Osmond verloor geen tijd met hierover te praten, maar ging dadelijk naar George Street. Hij gaf zijn kaartje en liet lady Romiaux verzoeken, haar over zaken te mogen spreken.

Na eenige oogenblikken werd hij in een vertrek gelaten, dat al het ongezellige van een gehuurde kamer had. Bij den schoorsteen stond eene bleeke, jonge vrouw, hij herkende haar niet dadelijk als de lady Romiaux, wier portret in alle winkels lag, want de zorg had hare schoonheid verwoest en hare oogen waren rood en gezwollen, hetzij door gemis aan slaap, hetzij door tranen.

Zij boog en toen zij zijne vriendelijke oogen ontmoette, de eerste oogen, in langen tijd, die haar niet met lompe nieuwsgierigheid aanstaarden of veroordeelend zich van haar afwendden, ging zij hem te gemoet en legde hare hand in de zijne.

„Wat kan de reden zijn, dat gij komt?quot; riep zij uit; „juist gij.quot;

ocr page 412

396

Hij werd getroffen door de woeste uitdrukking in hare donkergrijze oogen en hij voelde, dat een ander werk, dan het bezorgen van Swanhild'squot; brief, hem wachtte.

„Waarom zegt gij „juist gijquot; op zulk een toon?quot; vroeg hij,

„Omdat gij een van de weinigen zijt, die soms bij mij het verlangen hebben opgewekt goed te zijn,quot; zeide zij dadelijk. „Omdat ik wel eens in uw kerk ben geweest — totdat — totdat ik niet meer dorst komen, omdat hetgeen gij zeidet mij pijn deed.quot;

„Arm kind!quot; zeide hij, „er zijn erger dingen dan pijn; gij lijdt thans, maar dit lijden kan u den vrede brengen.quot;

„Neen, neen!quot; snikte zij en zij liet zich op de sofa vallen en bedekte haar gelaat met hare handen. „Mijn leven is voorbij — er is mij niets meer overgebleven. En toch,quot; riep zij, haar hoofd opheffende, en hem wild aanziende, „toch heb ik niet den moed te sterven, ofschoon mijn leven een last is en een vloek voor ieder, met wien ik in aanraking kom.quot;

„Zijt gij geheel alleen?quot; vroeg hij.

„Ja, mijn vader en mijne moeder willen mij niet meer kennen — er is niemand anders — ik bedoel, niemand, dien ik zou willen hebben.quot;

Hij voelde zich meer gerust gesteld.

„Gij moet niet zeggen, dat uw leven voorbij is,quot; zeide hij. „Uw leven in de groote wereld is voorbij, dat is waar; maar er is een veel beter leven, dat gij nu kunt beginnen. Wees er zeker van, dat als gij het goede wilt, het nog niet onmogelijk is voor u.quot;

„Ach, maar ik kan mij zelve niet vertrouwen,quot; snikte zij. „Het zal zoo moeielijk zijn, nu ik geheel alleen ben.quot;

„Laat dat over aan God,quot; zeide hij. „Uw zaak is het op Hem te vertrouwen en uw best te doen. Gij kent, geloof ik, mijn vriend Donovan Farrant, het parlementslid voor Greyshot?quot;

ocr page 413

397

Zij veegde de tranen uit haar oogen en zag hem iets kalmer aan.

„Ik heb hem eens buiten in Mountshire ontmoet,quot; zeide zij. „Hij en zijne vrouw bleven er slechts twee dagen en zij waren zoo goed voor mij. Ik geloof, dat hij vermoedde, dat ik in gevaar was, want eens, toen wij samen wandelden, sprak hij lot mij, zooals nog niemand het heeft gedaan. Hij zag, dat mijn man en ik hadden getwist, en hij zag, dat ik om hem te plagen coquetteerde met — met — iemand. Hij sprak onbewimpeld en als hij niet zooveel tact had gehad en niet zoo goed was geweest, zou ik woedend zijn geworden. En hij zeide mij, dat, wat zijn geheele leven zijn behoud was geweest, de invloed was geweest van goede vrouwen; een paar dagen wilde ik toen ook eene goede vrouw zijn. Maar de Ferrants vertrokken en ik had weder ongenoegen met mijn man en toen hij was gegaan om de verkiezing van kolonel Adair te ondersteunen, ging ik tegen zijn wil te Belcroft Park logeeren, en toen ik dat had gedaan, was het of ik een steilen weg afliep en niet kon ophouden.quot;

„Maar nu,quot; zeide Charles Osmond, „moet gij den berg wTeder opklimmen. Maar gij zult nu wel gaarne willen weten, waarom ik hier ben gekomen. Ik kwam u dezen brief brengen van een klein Noorweegsch meisje—Swanhild Falck. Bij uw groot verdriet, schijnt het hare onbeduidend, maar ik hoop toch, dat gij haar van hare belofte zult ontslaan, want die drukt haar blijkbaar zwaar.quot;

„Dat is weer een voorbeeld van het kwaad dat ik veroorzaak, wat ik ook doe,quot; zeide de arme Blanche, terwijl zij den brief las, „en in dit geval poogde ik werkelijk het verleden goed te maken — zeer onverstandig, zooals ik nu zie. Zeg aan Swanhild, dat zij niet meer gebonden is door hare belofce en dat het mij erg spijt, als daardoor kwaad is gedaan. Maar ik doe altijd kwaad! Herinnert gij u het

ocr page 414

393

verhaal van Nathaniel Hawthorne van de dochter van den botanist, die gevoed werd met het sap van een vergiftige plant en die met haar adem iedereen vergiftigde, die haar naderde? Ik geloof, dat ik ben als zij.quot;

„Ik herinner het mij,quot; zeide hij. „Een gruwelijk, ongezond verhaal. Maar als ik mij goed herinner, stierf zij liever zelve dan anderen te vergiftigen.quot;

„Ja, en dat is, wat ik ook wensch te doen,quot; zeide zij weder met die uitdrukking in hare oogen, die hem reeds had getroffen. „Maar ik ben een lafaard; ik heb er den moed niet toe.quot;

„Wacht,quot; zeide hij ernstig. „Er is waarheid in hetgeen gij zegt, maar sla niet den verkeerden weg in. Den licha-melijken dood te zoeken, zou slechts een nieuwe verkeerde stap zijn. Niet gij, maar uwe zelfzucht moet sterven.quot;

„Maar als ik niet was, wat gij zelfzuchtig noemt; als ik niet gaarne mannen aantrok en hen liet doen, wat ik verkies ; als ik niet genoot van het gevoel, dat zij verliefd op mij zijn, zou ik niet meer mijzelve wezen.quot;

„Gij zoudt niet meer u zelve in uwe ontaarding wezen,quot; hernam hij, „maar gij zoudt waarachtig u zelve zijn. Meent gij, dat God u schoonheid heeft geschonken om een valstrik te zijn voor andeffen? Hij heeft u bestemd om een vreugde en een zegen te zijn, en gij hebt een van Zijne beste gaven misbruikt.quot;

Zij begon weder te schreien en te snikken als een klein kind.

Charles Osmond sprak nogmaals en er was groote teeder-heid in zijn stem.

„Gij hebt nu ondervonden, dat het toegeven aan uw zelfzucht u en anderen ongelukkig maakt. Ik weet, dat gij verlangt te doen, wat goed is, maar dit is niet voldoende; gij moet u onvoorwaardelijk met lichaam, geest en ziel overgeven aan God en niets anders verlangen dan Zijnen wil te doen.quot;

ocr page 415

399

Zij zag hem weder aan, terwijl zij sprak met de heftigheid der wanhoop.

„O, dat wil ik,quot; zeide zij, „zoolang ik met u spreek; maar ik weet, dat ik weder zwak en de verzoeking te sterk zal zijn. Gij weet niet, wat de wereld is — gij zijt goed en gij hebt geen tijd om met uw eigen oogen te zien, hoe, onder al wat geacht is, zonde en zelfzucht zijn verborgen.quot;

„Het zal uw eigen schuld zijn, als gij niet sterker zijt dan de verzoeking, welke God toelaat, dat u aangrijpt,quot; zeide hij. „Gij verafschuwt en vreest het kwade en dat is een schrede in de goede richting; maar nu moet gij geheeL u er van losmaken en leeren uw oog te vestigen op reinheid en goedheid en liefde. Geloof niet dat de zonde moet overwinnen; dat is een leugen des duivels. De kracht van den Oneindige, de liefde van den Alvader zullen overwinnen — en die kracht en die liefde bestaan ook voor u.quot;

„Wat!quot; snikte Blanche, „vooreene vrouw, die haar naam heeft geschandvlekt — eene vrouw, die door de samenleving is uifgestooten ?quot;

Charles Osmond nam haar hand.

„Ja, mijn kind,quot; zeide hij, „voor u.quot;

Eene lange stilte volgde.

„En nu,quot; zeide hij eindelijk, „tenzij gij andere vrienden hebt, tot wie gij liever zoudt gaan, vraag ik u, in mijn huis te komen. Ik kan u tenminste rust en een ongestoord verblijf beloven en een welkom van mijne lieve oude moeder, die, omdat zij dicht bij eene andere wereld is, de menschen niet naar den maatstaf van deze beoordeelt.quot;

„Maar,quot; zeide zij met eene gemengde uitdrukking van verlichting en schroom, „hoe kan ik van u toelaten, dat gij zooveel doet voor iemand, die u vreemd is? O, ik zou gaarne bij u komen — maar — maar —quot;

„Gij zijt niet langer eene vreemde voor mij,quot; hernam

ocr page 416

400

hij. „En gij moet mij dit niet weigeren. In ons huis hebben wij het druk, maar in zeker opzicht is het het kalmste huis van Londen. Mijn zoon en zijne vrouw wonen bij ons. Ook zij zullen zich verheugen, als wij u van dienst kunnen zijn. Kom, ik kan u niet in deze verlatenheid achter laten.quot;

„Meent gij, dat ik dadelijk moet mede gaan?quot; zeide zij opspringende.

„Ja. als gij wilt,quot; hernam hij. „Ik zal een rijtuig gaan halen en daar ik weinig tijd heb, zult gij wel uw meid uw goed laten inpakken en haar er mede laten komen.quot;

Eenige minuten later reden zij samen naar Guilford Square en Blanche was uit hare treurige eenzaamheid overgeplaatst in een der gelukkigste gezinnen van het land. Charles Osmond liet haar op zijne kamer eu ging Swanhild opzoeken.

„Alles is in orde,quot; zeide hij en gaf haar een briefje van Blanche; terwijl het kind het gretig las, wendde hij zich tot zijne schoondochter.

„Wilt gij de logeerkamer laten gereed maken, lieve Erica?quot; zeide hij. „Ik heb lady Romiaux overreed eenigen tijd bij ons te blijven.quot;

Swanhild hoorde die woorden; zij had gaarne gevraagd, Blanche te mogen zien, maar zij herinnerde zich, dat Sigrid het niet goed zou vinden; zij bedacht ook, dat de namiddag bijna was verstreken en dat zij naar huis moest; zij dankte Charles Osmond, nam met moeite afscheid van het kleine kind, kuste Erica en mevrouw Osmond, die haar liet beloven, dat zij terug zou komen, en haastte zich naar de modelwoningen.

Haar geluk en verlichting en de aangename gewaarwording, eene nieuwe en lieve familie te hebben leeren kennen, werden een weinig getemperd door de gedachte aan de bekentenis, die zij nu moest afleggen. Wat zouden Frithiof en Sigrid wel zeggen ? En hoe zou zij de woorden

ocr page 417

401

vinden voor hetgeen zij meer en meer gevoelde, dat zeer dwaas en kinderachtig was geweest.

„O, was het maar voorbij!quot; dacht zij, toen zij haar onaangename taak te gemoet ging. De klok van het parlement sloeg vijf, toen zij de binnenplaats over ging. Zij was meer dan twee uren uit geweest. Zij liep haastig naar den portier en vroeg ademloos om den sleutel.

„De heer Falck heeft tien minuten geleden hem meegenomen,quot; zeide de man.

Swanhild zuchtte en ging langzaam de steenen trappen op.

„O, wat zal hij zeggen?quot; dacht zij, terwijl zij Blanche's briefje vast in hare kleine koude hand klemde.

VIER EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Wat er van was gekomen.

Ofschoon zij zoo langzaam de trappen was opgegaan, was de arme Swanhild nog buiten adem, toen zij de deur van hare woning bereikte; zij bleef een oogenblik staan om zich te herstellen en toen zij binnen hoorde praten, voelde zij zich nog ongelukkiger, want zij had er op gerekend, Frithiof alleen te vinden. Blijkbaar was Sigrid ook reeds t'huis gekomen en in ie' daad was het nog erger, want toen zij achter het Japansche schut te voorschijn kwam, zag zij Roy bij het vuur staan; hierop was zij volstrekt niet voorbereid; inderdaad kwam hij tegenwoordig slechts zelden in de modelwoningen.

„Eindelijk!quot; riep Frithiof uit. „Wel, Swanhild, waarzijt gi.1 toch geweest? Wij waren juist van plan u te laten omroepen.quot;

„Wij wilden al een advertentie opstellen, die morgen in

REN STOERE KOORMAK. I.

ocr page 418

402

alle couranten zou hebben gestaan,quot; zeide Roy lachend, „maar wij konden het niet eens worden over uw signalement. Wilt gij wel gelooven, dat uw voogd niet eens wist, welke kleur uwe oogen hebben?quot;

Frithiof glimlachte en trok haar naar zich toe.

„Laat het mij eens zien, voor het geval, dat zij weder verloren is,quot; zeide hij, maar toen hij bespeurde, dat er een verdacht vocht was in hare blauwe oogen, plaagde hij haar niet meer, maar nam haar op zijne knie en trok haie handschoenen uit.

„Wat scheelt er aan, lieveling?quot; zeide hij. „Gij zijt koud en vermoeid. Waar zijt gij geweest?quot;

„Ik ben bij den heer Osmond geweest,quot; zeide Swanhild, „gij weet, wij gaan dikwijls bij hem in de kerk, Sigrid en ik, en er was iets, dat ik hem wilde vragen. Dezen zomer heb ik iets beloofd en ik dacht, dat het niet goed was, en nu wilde ik weten, of ik die belofte mocht breken.quot;

„Wat zeide hij?quot; vroeg Frithiof, terwijl Sigrid en Roy in stomme verwondering luisterden.

„Hij zeide, dat eene ongeoorloofde belofte moest worden gebroken, en hij heeft mij de vergunning tot spreken bezorgd van den persoon, aan wien ik de belofte had gedaan. En nu zal ik u alles vertellen.quot;

Frithiof kon voelen, dat het arme kleine meisje beefde.

„Wees maar gerust, lieveling,quot; zeide hij; „vertel ons alles, niemand zal u storen.quot;

Zij gaf zijn hand een dankbaar drukje en ging toen voort:

„Het is gebeurd, toen wij pas van de zee waren gekomen, in Juni. Ik kwam des Zaterdags van school, toen ik hier in de straat lady Romiaux tegenkwam. Het eerste oogenblik herkende ik haar niet, maar zij herkende mij dadelijk en sprak mij aan. Zij zeide, dat zij u en Sigrid op een partij had gezien en zich na dien tijd zoo ongelukkig

ocr page 419

403

had gevoeld, omdat wij arm waren. Zij had ons adres weten te krijgen en wilde nu weten hoe het ons ging. Zij ging mede tot de deur, maar wilde niet binnen komen. En zij zeide, dat zij zoo blijde was, dat zij mij zag, en zij deed mij allerlei vragen en toen zij hoorde, dat gij u had voorgenomen, alle schulden te betalen, keek zij zeer bedroefd en zij zeide, dat het faillissement haar schuld was, en zij vroeg, hoeveel ik dacht, dat gij al bijeen hadt, en zij scheen er van te schrikken, toen zij naging hoevele jaren er voor noodig zouden zijn. En toen zeide zij, dat zij er gaarne ook toe wilde bijdragen, al was het weinig, en zij dacht, dat ik gemakkelijk vijf pond op uw naam in de bank zou kunnen plaatsen, zonder dat iemand het wist. Zij liet mij beloven, het stil te doen en nooit te vertellen, dat het van haar kwam. Gij kunt niet gelooven, hoe vriendelijk zij dat zeide en hoe vreeselijk bedroefd zij er uit zag. — Ik geloof niet, dat ik „neenquot; had kunnen zeggen. Maar later begon ik te begrijpen, dat ik de banknoot niet voor u kon plaatsen, want ik had het boekje niet, dat gij altijd meeneemt, en bovendien wist ik niet, naar welk kantoor gij het geld brengt. Ik heb er den geheelen volgenden dag — het was een Zondag — over getobt en 's avonds in de kerk viel het mij plotseling in, dat ik het bij uw andere geld in den zak van uw vest zou doen.quot; Roy maakte eene onwillekeurige beweging, Sigrid kwam een weinig nader, maar Frithiof verroerde zich niet. Swanhild ging voort: „Den volgenden morgen, toen ik in uw kamer kwam om u te roepen, stopte ik het biljet in uw zak, maar het was zoo licht en dun, dat ik dacht, dat gij het gemakkelijk zoudt kunnen verliezen, en daarom spelde ik het aan de voering. Gij sliept zeer vast en waart moeilijk wakker te krijgen. Eerst was ik in mijn schik en ik dacht, dat als gij het vondt en mij vroegt, of ik het had gedaan, ik „jaquot; zou kunnen zeggen en toch Blanche niet verraden. Maar gij zeidet geen woord

- 20*

ocr page 420

404

en ik zag, dat iets u erg hinderde, en ik vreesde, dat het dat moest zijn, maar ik dorst er niet over spreken, en ik poogde het te weten te komen van Sigrid, maar zij zeide alleen, dat gij veel verdriet hadt en dat ik te jong was om het te begrijpen. Ik was er heel ongelukkig door, maar ik zag niet in, dat ik verkeerd had gedaan, vóór den avond toen gij mij in de courant zaagt lezen, en toen dacht ik, dat ik die belofte aan lady Romiaux niet had moeten doen. Dit Is het briefje, dat de heer Osmond mij van haar heeft gebracht.quot;

Frithiof nam het gekreukelde stukje papier en las:

„Lieve Swanhild. Gij zijt volkomen vrij over de banknoot van vijf pond te spreken. Ik had u nooit geheimhouding moeten laten beloven en ik heb inderdaad het geld op eene ingeving van het oogenblik gegeven. Het was onverstandig, zooals ik nu inzie, maar ik meende het goed. Ik hoop dat gij mij zult vergeven.

„Uwe liefhebbende „Blanche.quot;

Toen lazen Roy en Sigrid samen het briefje en Roy greep Frithiofs hand.

„Kunt gij mij vergeven?quot; zeide hij. „Cecil had gelijk en ik had moeten weten, dat deze ongelukkige geschiedenis eens zou worden opgehelderd.quot;

Frithiof scheen half wezenloos; hij kon zich niet voorstellen, dat de ondragelijke last hem was afgenomen.

„O, Swanhild!quot; riep Sigrid, „hadt gij maar vroeger gesproken, hoeveel smart zoudt gij ons hebben bespaard.quot;

„Zeg dat niet,quot; zeide Frithiof, als uit een droom ontwakende; „zij heeft den juisten tijd gekozen, wees daar zeker van. Ik kan het nog haast niet gelooven. Maar o, te denken, dat mijn eer weder onbevlekt is — dat dit levend dood zijn nu voorbij is!quot;

„Wat bedoelt gij toch ?quot; snikte de arme kleine Swanhild,

ocr page 421

405

die niets begreep van den indruk, dien hare bekentenis had gemaakt.

„Vertel het haar,quot; zeide Sigrid, Roy aanziende.

En hij vertelde haar alles, wat op dien Maandag in Juni in den winkel was gebeurd.

„Wij hebben het stil voor u gehouden,quot; zeide Prithiof, „omdat het gevoel mij goed deed, dat er ten minste een persoon was, die niet leed door mijn ongeluk, en omdat gij nog te jong waart om zulk een verdriet te dragen.quot;

„Maar hoe is het dan gebeurd?quot; zeide Swanhild; „wie heeft de banknoot uit de lade genomen?quot;

„Dat moet Darnell hebben gedaan,quot; zeide Roy. „Hij was er bij, toen Sardoni haar wisselde, hij zag, dat James Horner haar in de Iade legde; hij moet haar er hebben uitgenomen, toen gij beiden alleen in den winkel waart, en als hij het eerst was gevisiteerd zou de banknoot zeker bij hem zijn gevonden. Wat een schurk moet hij zijn, dat hij u voor hem heefi laten lijden! Ik zal de waarheid uit hem halen, voordat wij een dag verder zijn.quot;

„O, Frithiof! Frithiof! ik heb er zulk een spijt van,quot; zuchtte Swanhild; „ik dacht, dat ik u zou helpen en ik heb u niets dan kwaad gedaan.quot;

Maar Frithiof boog zich over haar en deed haar zwijgen met een kus. „Gij ziet het kwaad,quot; zeide hij, „maar het goede kunt gij niet zien. Kom, schrei niet meer en laat ons thee drinken; uw verhaal heeft mij eetlust gegeven en gij zijt zeker na dit alles hongerig en vermoeid.quot;

„Maar had ooit iemand kunnen vermoeden, dat zoo iets onwaarschijnlijks zou gebeuren?quot; zeide Roy. „Dat Sardoni zijn banknoot moest wisselen en Darnell haar stelen op denzelfden dag, dat Swanhild u die ongelukkige bijdrage tot het schuldenfonds had gegeven.quot;

„Het is een van die onbegrijpelijke toevalligheden, die meer in het leven voorkomen,quot; zeide Sigrid. „Ik geloof, dat

ocr page 422

400

hij. „En gij moet mij dit niet weigeren. In ons huis hebben wij het druk, maar in zeker opzicht is het het kalmste huis van Londen. Mijn zoon en zijne vrouw wonen bij ons. Ook zij zullen zich verheugen, als wij u van dienst kunnen zijn. Kom, ik kan u niet in deze verlatenheid achter laten.quot;

„Meent gij, dat ik dadelijk moet mede gaan?quot; zeide zij opspringende.

„Ja. als gij wilt,quot; hernam hij. „Ik zal een rijtuig gaan halen en daar ik weinig tijd heb, zult gij wel uw meid uw goed laten inpakken en haar er mede laten komen.quot;

Eenige minuten later reden zij samen naar Guilford Square en Blanche was uit hare treurige eenzaamheid overgeplaatst in een der gelukkigste gezinnen van het land. Charles Osmond liet haar op zijne kamer en ging Swanhild opzoeken.

„Alles is in orde,quot; zeide hij en gaf haar een briefje van Blanche; terwijl het kind het gretig las, wendde hij zich tot zijne schoondochter.

„Wilt gij de logeerkamer laten gereed maken, lieve Erica?quot; zeide hij. „Ik heb lady Romiaux overreed eenigen tijd bij ons te blijven.quot;

Swanhild hoorde die woorden; zij had gaarne gevraagd, Blanche te mogen zien, maar zij herinnerde zich, dat Sigrid het niet goed zou vinden; zij bedacht ook, dat de namiddag bijna was verstreken en dat zij naar huis moest; zij dankte Charles Osmond, nam met moeite afscheid van het kleine kind, kuste Erica en mevrouw Osmond, die haar liet beloven, dat zij terug zou komen, en haastte zich naar de modelwoningen.

Haar geluk en verlichting en de aangename gewaarwording, eene nieuwe en lieve familie te hebben leeren kennen, werden een weinig getemperd door de gedachte aan de bekentenis, die zij nu moest afleggen. Wat zouden Frithiof en Sigrid wel zeggen ? En hoe zou zij de woorden

ocr page 423

401

vinden voor hetgeen zij meer en meer gevoelde, dat zeer dwaas en kinderachtig was geweest.

„O, was het maar voorbij!quot; dacht zij, toen zij haar onaangename taak te gemoet ging. De klok van het parlement sloeg vijf, toen zij de binnenplaats over ging. Zij was meer dan twee uren uit geweest. Zij liep haastig naar den portier en vroeg ademloos om den sleutel.

„De heer Falck heeft tien minuten geleden hem meegenomen,quot; zeide de man.

Swanhild zuchtte en ging langzaam de steenen trappen op.

„O, wat zal hij zeggen?quot; dacht zij, terwijl zij Blanche's briefje vast in hare kleine koude hand klemde.

VIER EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Wat ee van was gekomen.

Ofschoon zij zoo langzaam de trappen was opgegaan, was de arme Swanhild nog buiten adem, toen zij de deur van hare woning bereikte; zij bleef een oogenblik staan om zich te herstellen en toen zij binnen hoorde praten, voelde zij zich nog ongelukkiger, want zij had er op gerekend, Frithiof alleen te vinden. Blijkbaar was Sigrid ook reeds t'huis gekomen en inicdaad was het nog erger, want toen zij achter het Japansche schut te voorschijn kwam, zag zij Roy bij het vuur staan; hierop was zij volstrekt niet voorbereid; inderdaad kwam hij tegenwoordig slechts zelden in de modelwoningen.

„Eindelijk!quot; riep Frithiof uit. „Wel, Swanhild, waarzijt gi.1 toch geweest? Wij waren juist van plan u te laten omroepen.quot;

„Wij wilden al een advertentie opstellen, die morgen in

KEN STOERE KOORMAK. I.

ocr page 424

402

alle couranten zou hebben gestaan,quot; zelde Eoy lachend, „maar wij konden het niet eens worden over uw signalement. Wilt gij wel gelooven, dat uw voogd niet eens wist, welke kleur uwe oogen hebben?quot;

Frithiof glimlachte en trok haar naar zich toe.

„Laat het mij eens zien, voor het geval, dat zij weder verloren is,quot; zelde hij, maar toen hij bespeurde, dat er een verdacht vocht was in hare blauwe oogen, plaagde hij haar niet meer, maar nam haar op zijne knie en trok haie handschoenen uit.

„Wat scheelt er aan, lieveling?quot; zeidehij. „Gij zijt koud en vermoeid. Waar zijt gij geweest?quot;

„Ik ben bij den heer Osmond geweest,quot; zeide Swanhild, „gij weet, wij gaan dikwijls bij hem in de kerk, Sigrid en ik, en er was iets, dat ik hem wilde vragen. Dezen zomer heb ik iets beloofd en ik dacht, dat het niet goed was, en nu wilde ik weten, of ik die belofte mocht breken.quot;

„Wat zeide hij ?quot; vroeg Frithiof, terwijl Sigrid en Roy in stomme verwondering luisterden.

„Hij zeide, dat eene ongeoorloofde belofte moest worden gebroken, en hij heeft mij de vergunning tot spreken bezorgd van den persoon, aan wien ik de belofte had gedaan. En nu zal ik u alles vertellen.quot;

Frithiof kon voelen, dat het arme kleine meisje beefde.

„Wees maar gerust, lieveling,quot; zeide hij; „vertel ons alles, niemand zal u storen.quot;

Zij gaf zijn hand een dankbaar drukje en ging toen voort;

„Het is gebeurd, toen wij pas van de zee waren gekomen, in Juni. Ik kwam des Zaterdags van school, toen ik hier in de straat lady Romiaux tegenkwam. Het eerste oogenblik herkende ik haar niet, maar zij herkende mij dadelijk en sprak mij aan. Zij zeide, dat zij u en Sigrid op een partij had gezien en zich na dien tijd zoo ongelukkig

ocr page 425

■403

had gevoeld, omdat wij arm waren. Zij had ons adres weten te krijgen en wilde nu weten hoe het ons ging. Zij ging mede tot de deur, maar wilde niet binnen komen. En zij zeide, dat zij zoo blijde was, dat zij mij zag, en zij deed mij allerlei vragen en toen zij hoorde, dat gij u had voorgenomen, alle schulden te betalen, keek zij zeer bedroefd en zij zeide, dat het faillissement haar schuld was, en zij vroeg, hoeveel ik dacht, dat gij al bijeen hadt, en zij scheen er van te schrikken, toen zij naging hoevele jaren er voor noodig zouden zijn. En toen zeide zij, dat zij er gaarne ook toe wilde bijdragen, al was het weinig, en zij dacht, dat ik gemakkelijk vijf pond op uw naam in de bank zou kunnen plaatsen, zonder dat iemand het wist. Zij liet mij beloven, het stil te doen en nooit te vertellen, dat het van haar kwam. Gij kunt niet gelooven, hoe vriendelijk zij dat zeide en hoe vreeselijk bedroefd zij er uit zag. — Ik geloof niet, dat ik „neenquot; had kunnen zeggen. Maar later begon ik te begrijpen, dat ik de banknoot niet voor u kon plaatsen, want ik had het boekje niet, dat gij altijd meeneemt, en bovendien wist ik niet, naar welk kantoor gij het geld brengt. Ik heb er den geheelen volgenden dag — het was een Zondag — over getobt en 's avonds in de kerk viel het mij plotseling in, dat ik het bij uw andere geld in den zak van uw vest zou doen.quot; Roy maakte eene onwillekeurige beweging, Sigrid kwam een weinig nader, maar Frithiof verroerde zich niet. Swanhild ging voort: „Den volgenden morgen, toen ik in uw kamer kwam om u te roepen, stopte ik het biljet in uw zak, maar het was zoo licht en dun, dat ik dacht, dat gij het gemakkelijk zoudt kunnen verliezen, en daarom spelde ik het aan de voering. Gij sliept zeer vast en waart moeilijk wakker te krijgen. Eerst was ik in mijn schik en ik dacht, dat als gij het vondt en mij vroegt, of ik het had gedaan, ik „jaquot; zou kunnen zeggen en toch Blanche niet verraden. Maar gij zeidet geen woord

• 26*

ocr page 426

404

en ik zag, dat iets u erg hinderde, en ik vreesde, dat het dat moest zijn, maar ik dorst er niet over spreken, en ik poogde het te weten te komen van Sigrid, maar zij zeide alleen, dat gij veel verdriet hadt en dat Ik te jong was om het te begrijpen. Ik was er heel ongelukkig door, maar ik zag niet in, dat ik verkeerd had gedaan, vóór den avond toen gij mij in de courant zaagt lezen, en toen dacht ik, dat ik die belofte aan lady Romiaux niet had moeten doen. Dit is het briefje, dat de heer Osmond mij van haar heeft gebracht.quot;

Frithiof nam het gekreukelde stukje papier en las:

„Lieve Swanhild. Gij zijt volkomen vrij over de banknoot van vijf pond te spreken. Ik had u nooit geheimhouding moeten laten beloven en ik heb inderdaad het geld op eene ingeving van het oogenblik gegeven. Het was onverstandig, zooals ik nu inzie, maar ik meende het goed. Ik hoop dat gij mij zult vergeven.

„Uwe liefhebbende „Blanche.quot;

Toen lazen Roy en Sigrid samen het briefje en Roy greep Frithiofs hand.

„Kunt gij mij vergeven?quot; zeide hij. „Cecil had gelijk en ik had moeten weten, dat deze ongelukkige geschiedenis eens zou worden opgehelderd.quot;

Frithiof scheen half wezenloos; hij kon zich niet voorstellen, dat de ondragelijke last hem was afgenomen.

„O, Swanhild!quot; riep Sigrid, „hadt gij maar vroeger gesproken, hoeveel smart zoudt gij ons hebben bespaard.quot;

„Zeg dat niet,quot; zeide Frithiof, als uit een droom ontwakende; „zij heeft den juisten tijd gekozen, wees daar zeker van. Ik kan het nog haast niet gelooven. Maar o, te denken, dat mijn eer weder onbevlekt is — dat dit levend dood zijn nu voorbij is!quot;

„Wat bedoelt gij toch ?quot; snikte de arme kleine Swanhild,

ocr page 427

405

die niets begreep van den indruk, dien hare bekentenis had gemaakt.

„Vertel het haar,quot; zeide Sigrid, Roy aanziende.

En hij vertelde haar alles, wat op dien Maandag in Juni in den winkel was gebeurd.

„Wij hebben het stil voor u gehouden,quot; zeide Frithiof, „omdat het gevoel mij goed deed, dat er ten minste een persoon was, die niet leed door mijn ongeluk, en omdat gij nog te jong waart om zulk een verdriet te dragen.quot;

„Maar hoe is het dan gebeurd?quot; zeide Swanhild; „wie heeft de banknoot uit de lade genomen?quot;

„Dat moet Darnell hebben gedaan,quot; zeide Roy. „Hij was er bij, toen Sardoni haar wisselde, hij zag, dat James Horner haar in de lade legde; hij moet haar er hebben uitgenomen, toen gij beiden alleen in den winkel waart, en als hij het eerst was gevisiteerd zou de banknoot zeker bij hem zijn gevonden. Wat een schurk moet hij zijn, dat hij u voor hem heeft, laten lijden! Ik zal de waarheid uit hem halen, voordat wij een dag verder zijn.quot;

„O, Frithiof! Frithiof! ik heb er zulk een spijt van,quot; zuchtte Swanhild; „ik dacht, dat ik u zou helpen en ik heb u niets dan kwaad gedaan.quot;

Maar Frithiof boog zich over haar en deed haar zwijgen met een kus. „Gij ziet het kwaad,quot; zeide hij, „maar het goede kunt gij niet zien. Kom, schrei niet meer en laat ons thee drinken; uw verhaal heeft mij eetlust gegeven en gij zijt zeker na dit alles hongerig en vermoeid.quot;

„Maar had ooit iemand kunnen vermoeden, dat zoo iets onwaarschijnlijks zou gebeuren?quot; zeide Roy. „Dat Sardoni zijn banknoot moest wisselen en Darnell haar stelen op denzelfden dag, dat Swanhild u die ongelukkige bijdrage tot het schuldenfonds had gegeven.quot;

„Het is een van die onbegrijpelijke toevalligheden, die meer in het leven voorkomen,quot; zeide Sigrid. „Ik geloof, dat

ocr page 428

406

als iedereen eens alle dergelijke vreemde dingen vertelde, die hem zijn overkomen, wij inderdaad zouden zien, dat zij niet zoo vreemd zijn.quot;

„Ik zou wel willen weten of heden avond nog een trein naar Plymouth gaat,quot; zeide Roy. „Ik heb geen rust, voordat ik Darnell heb gesproken. Want alleen zijne bekentenis, door hem zeiven geteekend, z-il James Horner tevreden stellen. Hebt gij een spoorweggids?quot;

„Neen, maar wij hebben nog iets beters,quot; zeide Sigrid glimlachend; „op het volgende portaal woont Owen, een conducteur van den Great Western spoorweg. Ik weet, dat hij t'huis is, want ik ben hem zooeven tegengekomen op de trap; hij zal u alles van de treinen kunnen zeggen.quot;

„Wat een voorrecht is het, in modelwoningen te wonen!quot; zeide Roy glimlachend. „Het schijnt, dat alle beroepen hier zijn vertegenwoordigd. Kom, Frithiof, ga dien conducteur eens uithooren en vraag hem, hoe ik het spoedigst te Plymouth en terug kan zijn.quot;

Frithiof ging, nog met een vreemde uitdrukking op zijn gelaat. „Ik begrijp eerst nu, hoe hij het zich heeft aangetrokken,quot; zeide Roy. „Wat een dwaas ben ik geweest, zoo zeker te gelooven, dat mijne verklaring alleen waar kon zijn! Ik heb mij op mijn standpunt niet kunnen voorstellen, hoe bitter het voor hem was — te weten, dat hij gelijk had, en niemand te kunnen overtuigen.quot;

„Het heeft hem het geheele najaar zwaar gedrukt,quot; zeide Sigrid; „maar ik weet, wat hij bedoelde, toen hij zeide, dat het hem niet alleen kwaad, maar ook goed had gedaan. Herinnert gij u niet, dat hij een tijdlang aan niets dacht, dan aan het betalen van de schuld? Hij werkt er nog even hard voor, maar hij denkt nu ook aan de zorgen van an deren.quot;

En omdat zij wist, dat Roy dacht aan de hoop, die de ontdekking weder verlevendigde, en omdat hare wangen

ocr page 429

407

verraderlijk begonnen te gloeien, sprak zij snel en aanhoudend, bevreesd voor hare eigen gedachten, maar te gelijk zich gelukkig gevoelende, als in de laatste maanden niet het geval was geweest.

Weldra kwam Frithiof terug.

„Ik geloof niet, dat het gaat,quot; zeide hij. „Owen vertelt mij, dat er een trein van Paddington is ten 9 u. 50 m. des avonds; maar hij gaat niet door en gij kunt eerst te 9 u. 28 m. te Plymouth zijn; een ongeschikte tijd, zooals gij ziet.quot;

„Kunt gij Darnell niet schrijven?quot; zeide Sigrid.

„Neen, neen; hij zou uitvluchten kunnen bedenken. Ik wil hem onverwacht overvallen om achter de waarheid te komen,quot; zeide Roy. „Die trein is heel goed. Ik zal onderweg slapen. Maar nu moet ik naar Regent Street om zijn adres te vragen.quot;

Maar dit kon Frithiof hem vertellen en zij bleven nog een tijd aan de theetafel zitten, totdat het Roy inviel, dat hij aan zijnen vader behoorde te vertellen, wat er was gebeurd, voordat hij naar Devonshire op reis ging. Met weerzin verliet hij de modelwoningen, maar hij nam van Sigrid een dankbaren handdruk mede, den lieflijken, helderen glans van hare blauwe oogen en de echo van hare laatste woorden, zacht in haar moedertaal gesproken.

„Farwel! Tak skat De have.quot; (Vaarwel! Dank zult gij hebben.) Waarom had zij in het Noorsch tot hem gesproken? Was het misschien, omdat zij hem wilde laten gevoelen, dat hij geen vreemde meer was? Maar wat ook de reden was, het had hem getroffen en hij verheugde zich, dat zij juist zoo had gesproken, en met een verlicht gemoed haastte hij zich naar Rowan Tree House.

Het licht was niet opgestoken in de huiskamer, maaier was een helder brandend vuur en daarbij zat Cecil met Lance naast haar, gespannen luisterende naar een der ge-

ocr page 430

408

schiedenissen, die zij des Zocdags avonds altijd hem vertelde.

„Is vader naar de kerk?quot; vroeg Roy.

„Ja, al vóór eenigen tijd,quot; antwoordde Cecil. „Is er iets gebeurd ?quot;

Er was iets, dat haar zeide, dat Roy's onverwachte verschijning in verband stond met Frithiof en, gewoon altijd voor hem te vreezen, voelde zij haar hart bijna stil staan.

„Wees niet verschrikt,quot; zeide Roy, toen hij bij het schijnsel van het vuur hare wijdgeopende oogen zag. „Ik breng goede tijding, Frithiof is gerechtvaardigd en de ongelukkige geschiedenis van het bankbiljet is volkomen opgehelderd.quot;

„Eindelijk!quot; riep zij uit, „Wat een geluk! Maar hoe? Vertel mij alles!quot;

Hij herhaalde voor haar Swanhild's verhaal en toen ging hij haastig heen, hopende zijn vader nog in de kerkekamer te vinden en Cecil latende met het eenige gezelschap, dat zij in hare groote vreugde kon dulden — dat van den kleinen Lance.

Maar Roy kwam te laat om zijnen vader nog in de kerkekamer te vinden, er bleef hem niets over dan te wachten. Hij wilde hem zoo spoedig mogelijk spreken en hij ging daarom in de kerk, ten einde dadelijk na het einde van den dienst naar hem toe te kunnen gaan, want anders zou hij zich misschien nog lang met de andere diakenen ophouden, die hem altijd over allerlei dingen raad hadden te vragen.

Roy ging zitten en dacht aan de dagen zijner kindsheid — aan de dagen, toen er tusschen hen nog geen verschil van meening bestond. Hij zuchtte even, want alle verdeeldheid is treurig, daar zij ons herinnert, dat wij nog in onze leerjaren zijn, dat het leven onvolmaakt is en dat niet, zooals wij zouden wenschen, langs denzelfden weg, maar

ocr page 431

409

langs verschillende wegen, wij worden geleid tot eene volmaakte eenheid in eene andere wereld.

De heer Boniface was een van die menschen, die overal hetzelfde zijn, en in de bank der diakenen onder den preekstoel zag hij er niet anders uit dan in zijn huis of zijnen winkel. Dezelfde kalme waardigheid was hem aan te zien, dezelfde welwillendheid, hetzelfde ontbreken van zelfverheffing.

Toen hij daarna Roy's geschiedenis hoorde, die levendig genoeg werd verteld, onder 't naar huis wandelen, kende zijn leedwezen, dat hij Frithiof verkeerd had beoordeeld, geene grenzen. Hij was bijna even ongeduldig om Darnell's bekentenis te hebben als zijn zoon.

„Maar het zal u niet veel baten,quot; merkte hij op, „als gij heden avond gaat; waarom gaat gij niet morgen met den eersten trein?quot;

„Als ik nu ga,quot; zeide Roy, „ben ik morgen avond vroeg terug en Dinsdag is het Kerstavond, een onpleizierige dag om te reizen. Bovendien, ik kan niet wachten.quot;

Zijn vader en zijne moeder wisten zeer goed, dat het de gedachte aan Sigrid was, die hem voortdreef, en de heer Boniface zeide niets meer; hij liet hem alleen beloven dat hij rechtvaardig en edelmoedig jegens den schuldige zou zijn.

„Verhaal niet uw eigen verdriet op hem en spreek niet te driftig,quot; zeide hij. „Beloof hem dat hij niet zal worden vervolgd of van zijnen goeden naam beroofd, als hij een volledige bekentenis aflegt; en vraag hem, wat hem er toe heeft gebracht. Ik kan het nog niet begrijpen. Ik heb hem altijd voor een braaf en achtenswaardig man gehouden.quot;

Roy, die nog jong was en zelf zwaar had geleden door Darnell's daad, gevoelde zich volstrekt niet zacht gestemd, toen hij in den kouden Decembernacht westwaarts reisde; een pak slaag met een hondezweep was nog te goed voor zulk een schurk. Toen stelde hij zich op verschillende wij ■ zen de ontmoeting voor, waarbij zijn aanval altijd schitterend

ocr page 432

410

en Darnell's verdediging zeer zwak was. Daarna viel hij in slaap en droomde van Sigrid, totdat hij koud en uit zijn humeur wakker werd en te Bristol in een ander rijtuig moest overstappen. Eindelijk na al die wederwaardigheden, kwam hij te half negen te Plymouth aan.

Nu hij er was, begon hij op te zien tegen het werk, dat hem wachtte en te twijfelen, of het wel zoo schitterend zou afloopen, als hij zich had voorgesteld. Haastig gebruikte hij iets en ging toen door de natte, morsige straten naaiden winkel, waar Darnell tegenwoordig bediende was. Het viel hem mede, dat de winkel niet zeer groot was en toen hij binnenkwam, zag hij den man, dien hij zocht, achter de toonbank en alleen. Terwijl hij naar hem toe ging, lette hij scherp op zijn gelaat. Darnell was iemand met een vrij gunstig uiterlijk, donker en bleek; hij zag beleefd op naar den vermeenden klant, maar toen hij Roy zag, werd hij nog iets bleeker en deed hij verrast een stap achterwaarts.

„Mijnheer Robert!quot; stamelde hij.

„Ja, ik ben het, Darnell; ik zie, dat gij begrijpt, waarom ik ben gekomen,quot; zeide Roy bedaard. „Het was zeker een vreemd, een zeer buitengewoon toeval, dat de heer Falck, zonder dat hij zelf het wist, dien dag in Juni, een banknoot in zijn zak had; maar het is volkomen opgehelderd. Wat hebt gij mij nu te zeggen?quot;

„Mijnheer?quot; stotterde Darnell; „ik begrijp u niet. Ik — ik weet niet —quot;

„Kom, vertel nu niet nog meer leugens,quot; zeide Roy ongeduldig. „Wij weten nu, dat gij het bankbiljet moet hebben genomen, want er was niemand anders in den winkel. Als gij de waarheid bekent, zullen wij u niet vervolgen en zult gij uwe betrekking hier niet verliezen. Wat heeft u er tos bewogen?quot;

„Val mij niet hard, mijnheer,quot; smeekte de man; „ik

ocr page 433

411

verzeker u, ik heb er al dien tijd bitter berouw van gehad.'

„Waarom hebt gij dan niet alles verteld aan mijnen vader?quot; zeide Roy. „Gij hadt kunnen weten, dat hij u niet hardvochtig zou hebben behandeld.quot;

„Had ik het maar gedaan,quot; zeide Darnell ter neer geslagen. „Ik wenschte, dat ik het had gedaan, mijnheer, want het is een rampzalige geschiedenis geweest, van het begin tot het eind. Maar ik had schulden en ik had niets dan mijne ondergang voor oogen, en ik dacht aan mijne vrouw, die ziek was, en ik wist, dat mijn ongeluk haar dood zou zijn.quot;

„En dus handeldet gij nog slechter,quot; zeide Roy driftig. „Gij poogdet een ander in uwe plaats ongelukkig te maken.quot;

„Maar hij werd niet weggezonden,quot; zeide Darnell. „En zij gaven zijne ziekte de schuld en het scheen, dat hij er geen schade door leed. Het was eene zware verzoeking en toen ik er eens voor was bezweken, was het, alsof ik niet meer terug kon.quot;

„Vertel mij precies, hoe het is gebeurd,quot; zeide Roy, die kalmer was geworden.

„Ik zag, dat de heer Horner het geld aan Signor Sar-doni gaf, mijnheer, en ik zag, dat hij het bankbiljet inde lade legde; en ik wist niet, wat ik moest beginnen om die schuld te betalen.quot;

„Wacht even — hoe waart gij in zulke moeielijkheden gekomen ?quot; zoo viel Roy hem in de rede. „En hoe konden vijf pond u redden?quot;

„Ik was ongelukkig geweest in weddenschappen, maar ik dacht, dat ik het wel zou kunnen herstellen, als ik maar iets had om het nog eens te wagen; en er was geen schepsel, van wien ik kon leenen. Ik dacht, dat ik er weer boven op kon komen, als ik maar vijf pond had en zoo heb ik het gedaan; den volgenden dag won ik weer.quot;

ocr page 434

412

„Ik had kunnen raden, dat wedden u ten val heeft gebrachtzeide Roy „Vertel nu, hoe gij de banknoot hebt genomen.quot;

„Den geheelen namiddag had ik er over gedacht en toen alles stil en alleen de heer Palck met mij in den winkel was en ik juibt dacht, hoe ik hem weg zou kunnen krijgen, deed de heer Horner de deur open van de kamer van den heer Boniface en riep mij. Toen zeide ik „ga gij even, mijnheer Falck; ik moet eene bestelling schrijven, die dadelijk weg moet.quot; En hij ging in mijne plaats en ik liep gauw naar zijn toonbank, nam de banknoot uit de lade en stopte haar in mijn laars: en toen hij terug kwam, stond ik weder aan mijn lessenaar te schrijven, precies als toen hij was weg gegaan. Hij zag er uit, alsof de heer Horner hem niet vriendelijk had ontvangen en hij zeide tot mij, „het helpt niet; gij moet zelf binnen komen.quot; Ik ging naar den heer Horner en liet den heer Falck in den winkel.quot;

„Waart gij niet bevreesd, dat hij de lade zou openen en zien, dat de banknoot weg was?quot;

„Ja, ik was zeer bevreesd. Maar alles liep goed af en ik was voornemens, als het thee tijd was — en het scheelde nog maar enkele minuten — snel weg te gaan en te zien, of ik nog geld of uitstel kon krijgen. Ik dacht, dat ik wel een verontschuldiging kon bedenken, als ik 's avonds niet meer terug kwam in den winkel; ik kon zeggen, dat ik ziek was geworden of zoo iets. Het was de beurt van den heer Falck, het eerst uit te gaan en het ongeluk wilde, dat terwijl hij uit was, de heer Horner binnen kwam om geld uit de lade te nemen en toen was het ongeluk geschied. Ik was overtuigd, dat ik verloren was en niemand was meer dan ik verbaasd over den afloop.quot;

„Maar,quot; riep Roy uit, „toen gij uit uwe schulden waart, waarom hebt gij het toen niet bekend en niets ge-

ocr page 435

413

daan om uw schandelijk gedrag weder goed te maken?quot;

„Ik had er den moed niet toe, mijnheer. Soms was ik voornemens, het te doen; maar ik had er den moed niet toe; ik begon den heer Falck Ie haten en ik haatte hem nog meer, omdat ik zag, dat hij er onder leed en zich goed hield; ik deed alles om het hem lastig te maken en ik hoopte, dat hij zou vertrekken. Maar hij bleef en ik begon te begrijpen, dat het voor mij het best zou zijn, als Ik ging, want ik werd bevreesd voor hem. Daarom heb ik deze betrekking hier gezocht O, mijnheer, denk aan mijne vrouw, maak mij niet ongelukkig! vertel het niet aan mijn patroon!quot;

„Ik heb u al beloofd, dat ik er niet over zal spreken, maar gij moet eene bekentenis aan mijnen vader schrijven en wel dadelijk, want ik moet met den sneltrein terug naar Londen.quot;

Darnell, die nog bleek en zenuwachtig was, nam papier en een pen en schreef eenige woorden van verontschuldi ging en eene duidelijke bekentenis. Het viel hem hard, die te schrijven, maar hij was in zulk een angst, dat zijn patroon zou binnen komen en zijn treurig geheim ontdekken, dat hij niet waagde tegen te spreken of te talmen.

Koy sloeg hem met eenige nieuwsgierigheid gade en verwonderde zich, dat hij hem niet vroeger had verdacht. Maar Darnell had zich volkomen weten te beheerschen, totdat zijne schuld was ontdekt; het was die ontdekking, niet de oneerlijkheid zelve, die hem met schaamte en verwarring vervulde.

„Ik weet niet, hoe ik u ooit genoeg zal danken voor uwe goedheid,quot; zeide hij, toen hij zoo kort mogelijk een duidelijk relaas had geschreven.

„Laat het een les voor u zijn,quot; zeide Roy. „Er wordt altijd gesproken van de dronkenschap als de nationale ondeugd, maar ik geloof, dat wedden de wortel is van de

ocr page 436

414

helft van al het kwaad. Gelukkig is alles nu terecht gekomen, voor zoover het mogelijk is, maar herinner u, dat gij een onschuldig man onrecht hebt gedaan en hem misschien onherstelbaar kwaad hebt berokkend.quot;

„Ik heb er bitter berouw van, mijnheer- inderdaad 'tis zoo.quot;

„Ik hoop het,quot; zeide Roy. „Gij behoort het tenminste te hebben.quot;

En terwijl Darnell opnieuw zijn dank en verontschuldigingen en berouw betuigde, verliet Roy den winkel en ging hij terug naar het station.

„En ik heb dien man kunnen vertrouwen en aan Falck twijfelen,quot; dacht hij met wrevelig zelfverwijt. „Maar kon iemand er achtenswaardiger uitzien dan die Darnell, of vertrouwbaarder ? En hoe kon ik weigeren te gelooven aan de bewijzen, die tegen Frithiof waren? Cecil en Sigrid hebben in hem geloofd; maar het schijnt dat de vrouwen eene bijzondere gaaf hebben, die wij missen.quot;

Toen dacht hij er aan, dat de laatste slagboom, die hem van Sigrid scheidde, was opgeheven en het was gelukkig, dat hij alleen in den wagen zat, want hij begon zoo vroolijk te zingen, dat de reizigers in het aangrenzende compartiment hem voor een schooljongen hielden, die de kerstdagen t'huis ging doorbrengen.

Het was afgesproken, dat als hij met den sneltrein kon terugkomen uit Plymouth, hij zijn vader In den winkel zou vinden en toen hij te half zeven te Paddington aankwam, nam hij een rijtuig en reed hij zoo snel mogelijk naar Regent Street

Frithiof zag hem uitvorschend aan, toen hij door den winkel ging en gerust gesteld door de uitdrukking van zijn gelaat, wendde hij zich weder tot den lastigen en ongeduldigen zangonderwijzer, die hem al een kwartier allerlei muziek had laten opzoeken, die hij niet wilde hebben, als hij haar had gezien.

ocr page 437

415

Hij was begeerig te weten, hoe het te Plymouth was afgeloopen en toen hij eindelijk van zijn klant was ontslagen, kwam Roy terug in den winkel, zoo opgewonden en triurafeerend, dat de oude Foster dacht, dat hij zijn verstand had verloren.

„Vader wil u spreken, Frithiof,quot; zeide hij.

Frithiof volgde hem in de kamer, in welke hij zooveel onaangenaams had ondervonden. Een vreemd gevoel, als een droom, beving hem, toen hij dacht aan dien ongeluk-kigen zomerdag, toen de rechercheur hem had gevisiteerd en hij in vreeselijke, verbaasde wanhoop het bankbiljet op de tafel had zien liggen, een onoplosbaar raadsel en een verpletterend bewijs.

Maar die beelden uit het verleden verdwenen, toen de heer Boniface zijne hand drukte. „Hoe kan ik mij ooit verontschuldigen, Frithiof!quot; zeide hij. „Roy heeft eene volledige bekentenis van Darnell meegebracht en het raadsel is geheel opgelost. Gij moet mij mijne opvatting vergeven — ik kan u niet zeggen, hoe het mij spijt, wat gij hebt moeten lijden.quot;

„Hier is Darnell's brief,quot; zeide Roy, hem dien gevende.

Gretig las Frithiof hem en hij vroeg allerlei bijzonderheden over de reis van zijn vriend naar Plymouth.

„Gelooft gij, dat dit ook voor den heer Horner voldoende zal zijn?quot; zeide hij, toen Roy hem zijn geheele onderhoud met Darnell had verteld.

„Het moet iedereen overtuigen,quot; zeide de heer Boniface. „Het is het duidelijk bewijs van uwe onschuld en dat wij u alle mogelijke verontschuldigingen en vergoeding be-hooren aan te bieden.quot;

„Gelooft gij dus, dat de heer Horner tevreden zal zijn en een nieuw contract van compagnieschap zal teekenen ?quot; zeide Frithiof.

„Hij zal genoodzaakt zijn te erkennen, dat gij geheel zijt gerechtvaardigd,quot; zeide de heer Boniface. „Maar ik zal

ocr page 438

416

hem niet vragen, weder lid te worden van de firma. Hij heeft u zeer slecht behandeld en hij is lomp geweest tegen mij; ik ben blijde, dat ik, wat onze zaak betreft, niet meer met hem heb te doen. Dat is alles reeds geregeld. Maar wij hebben u een voorstel te doen. Wij zouden wen-schen, als zich voor u niets beters voordoet, dat gij jongste compagnon in onze zaak werdt.quot;

Prithiof was zoo verrast door die onverwachte aanbod, dat hij in de eerste oogenblikken niet kon spreken.

„Gij zijt al te goed,quot;' zeide hij eindelijk; „veel te goed en te vriendelijk jegens mij. Maar hoe kan ik toelaten, dat gij zooveel voor mij doet, — hoe kunt gij iemand, die geen kapitaal in de zaak kan brengen, als compagnon nemen?quot;

„Mijn beste jongen, geld is niet hef eenige, wat in zaken wordt vereischt,quot; zeide de heer Boniface en hij legde zijn hand op Prithiofs schouder. „Zoo gij geen kapitaal meebrengt, hebt gij toch groote bekwaamheid, veel geschiktheid tot hard werken, een sterk gevoel van eer en — wat ik op hoogen prijs stel — een hart voor hen, die onder u zijn gesteld, een grondige kennis van hunne positie en de moeielijkheden, die er aan zijn verbonden.quot;

„Ik durf uwe aanbieding niet weigeren,quot; zeide Frithiof. „Ik kan niet anders dan dankbaar haar aannemen, maar ik heb niets gedaan om zulk eene goedheid te verdienen.quot;

„Het zal eene geruststelling voor mij zijn,quot; zeide de heer Boniface, „te weten, dat Roy iemand heeft, met wien hij prettig kan werken. Ik word oud en het zal mij niet onaangenaam zijn een weinig minder te werken en een gedeelte van mijn last op jonger schouders te leggen.quot;

En nadat nog eenige bijzonderheden waren besproken, verlieten de drie den winkel en Frithiof spoedde zich naar huis om aan Sigrid en Swanhild te vertellen, welk een verandering in hunne positie was gekomen.

ocr page 439

417

VIJF EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Een laatst vaarwel.

Opgeruimdheid heerschte weder in de modelwoningen. Toen Frithiof de kamerdeur opende, hoorde hij een praten en lachen zooals daar, in weerwil van Sigrid's lofwaardige pogingen, in maanden niet was geweest. Swaahild kwam hem dansende te gemoet.

„Zie! zie!quot; riep zij, „wij hebben het liefste kleine kerstboompje, dat gij ooit hebt gezien, en mevrouw Lechertier heeft beloofd morgen namiddag te komen thee drinken en wij gaan dadelijk uit om kaarsen te koopen.quot;

„Wat eene verkwisting!quot; zeide hij, naar den kleinen sparreboom ziende, waarin Sigrid de kaarsenhouders bevestigde.

„Niet meer dan een shilling,quot; zeide zij, vergoelijkend. „En dit jaar konden wij het waarlijk niet zonder doen. Maar gij brengt goed nieuws mede — ik zie het aan uw gezicht. O, vertel het mij, Frithiof — vertel mij gauw, wat er is gebeurd.quot;

„Nu, vooreerst heeft Darnell alles bekend,quot; hernam hij. „Gij kunt u niet voorstellen, hoe hartelijk de anderen waren, toen zij het hoorden! De oude Forster heeft mijn hand geschud, dat mijn arm er nog pijn van doet.quot;

„En de heer Boniface?quot;

„Dat kunt gij begrijpen, voor zoo ver het goedheid en zoo iets betreft. Maar gij kunt nooit raden, wat hij heeft gedaan. Wat zoudt gij zeggen, als wij onze spaarpenningen voor het schuldenfonds bij honderden, in plaats van bij eenheden konden rekenen?'.'

„Wat bedoelt gij?quot; vroeg zij.

„Ik bedoel, dat. hij mij heeft aangeboden, jongste compagnon te worden,quot; zeide Frithiof, terwijl hij vergenoegd

EEN STOERE NOORMAN I. 27

ocr page 440

418

haar aanzag en beloond werd voor alles, wat hij had ondervonden, door hare blijde verrassing en geluk.

Swanhild, in de reactie na hare geheime zorg in dit najaar, was uitgelaten; zij lachte en zong, danste en bab belde en zou niets hebben gegeten, als zij niet haar hart er op had gezet, uit te gaan om kerstgeschenken te koopen in een winkel in Buckingham Palace Road, dien zij zeker wist, dat nog open was.

„Want het is juist een winkel voor menschen als wij,quot; verklaarde zij, „menschen, die het den geheelen dag druk hebben en hunne inkoopen alleen 's avonds kunnen doen.quot;

Zij sloten hunne woning en gingen vroolijk uit. Er was een kerstmisstemming in de lucht en de tevredenheid en dankbaarheid in hunne harten scheen op ieder, dien zij ontmoetten, uit te stralen. De winkels schenen aanlokkender dan gewoonlijk, de geschenken prachtiger, de winkeliers beleefder en vlugger van begrip. Swanhild, die van haar eigen verdiend geld, vijf shillings voor kerstgeschenken had bestemd, was in den zevenden hemel van geluk; Sigrid, wier geheim weder eene vreugde en niet langer een zorg was, bewoog zich als in een gelukkigen droom, terwijl Frithiof, nu bevrijd van den last der verdenking en bovendien door al wat hij had doorleefd, bevrijd van het gevoel, dat zijn strijden hopeloos was, van hen allen het volmaaktst gelukkig was. Somwijlen dwong hij zich er aan te denken, hoe diep ongelukkig hij, toen hij pas in Londen was, door deze zelfde straten had gezworven; hij herinnerde zich, waarvoor Sigrid hem had bewaard; deze gedachte vervulde hem met eene nieuwe, vreemde gewaarwording, — er was niets, wat hij niet voor haar zou hebben willen doen.

Zijne overpeinzingen werden afgebroken door Swan-hild's stem.

„Wij zullen iedereen in Rowan Tree House uitnoodigen, niet waar?quot; zeide zij.

ocr page 441

419

„En den heer Sivertsen,quot; voegde Sigrid er bij. „Hij moet stellig komen, omdat hij geheel alleen is.quot;

„En wat er ook gebeurd, wij moeten de oude juffrouw Charlotte vragen,quot; zeide Frithiof. „Maar daar valt mij in, dat wij iedereen zullen moeten waarschuwen, dat hij zijn eigen bord en kommetje meebrengt, als de kinderen, die op school worden getracteerd.quot;

Maar daarover was Sigrid verontwaardigd en zij verklaarde, dat haar wit en blauw servies juist voldoende was, terwijl zij een paar stoelen van de buren konden leenen.

Toen kwam de wandeling naar huis en het tooien van den boom onder veel pret en lachen en het schrijven der uitnoodigingen, die nog dien zelfden avond moesten worden op de post gedaan. In geheel Londen was geen vroolijker huishouden te vinden. Alle doorgestaan leed was vergeten; zelfs de wonden, die niet konden worden geheeld, brandden niet en deze kerstmis scheen inderdaad een feest te zullen zijn van vrede en welbehagen.

Hoe tien menschen, — Lance en Gwen niet eens mede-gerekend — plaats konden vinden in de kleine kamer, was een raadsel voor Frithiof, maar Sigrid wist raad voor alles en terwijl hij den volgenden dag uit was, maakte zij allerlei vernuftige schikkingen, versierde de kamer met groen en verdeelde zoo de meubelen, dat er voor ieder plaats was.

Te half vijf begonnen de gasten te komen. Eerst mevrouw Boniface en Cecil met de kinderen, die de lichtjes aan den boom hielpen opsteken; toen mevrouw Lechertier, beladen met doozen, vol van de heerlijkste bonbons voor ieder der aanwezigen. Kort na haar komst werd er eenmaal hard op de deur geklopt en allen waren het eens, dat het niemand anders kon zijn dan de heer Sivertsen. Swanhild liep naar de deur om hem open te doen en zijn hoed en jas aan te nemen. Hare hartelijke welkomstgroet scheen

27*

ocr page 442

420

den ouden man goed te doen, want zijn breed voorhoofd was buitengewoon vrij van rimpels, toen hij binnen kwam en Sigrld de hand gaf; hij boog en glimlachte heel vriendelijk, toen zij hem voorstelde aan de andere gasten. Toen bezag hij met eene uitdrukking van voldoening den kerstboom en boog zich om er aan te ruiken.

„Zoo,quot; zeide hij vergenoegd, „gij blijft trouw aan de oude gebruiken, zie ik! dat doet mij pleizier — dat doet mij pleizier. Het is jaren geleden, dat ik een behoorlijk versierden boom heb gezien. En de lucht! Goede hemel, zij maakt mij weder jong! Ik ben blijde, dat gij niet mede gaat met de groote menigte, maar de goede, oude kerstgebruiken trouw blijft.quot;

Intusschen had Cecil thee en koffie ingeschonken in de keuken, waar, om ruimte te maken, de tafel was gezet.

„Sigrid heeft mij toegestaan als helpster en niet als visite te komen,quot; zeide zij lachende tot Frithiof. „Ik zeide haar, dat zij in de kamer moest blijven en iedereen aanspreken, zooals het behoort in Engeland, want gij en Swan-hild zult het te druk hebben met bedienen.quot;

„Ik ben blijde, dat ik u even alleen kan spreken,quot; zeide Frithiof. „Zijt gij zeker, dat mevrouw Boniface geen bezwaar heeft tegen het plan van het compagnonschap?quot;

„Wel, zij is er bijzonder mede ingenomen,quot; zeide Cecil. „En zij zal het u zelve zeggen, zoodra er gelegenheid voor is. Ik ben blijde — zeer blijde, dat die zorg van u is genomen en alles is opgehelderd.quot;

„Ik kan het nog nauwelijks gelooven,quot; zeide Frithiof. „Ik ben soms bang, dat ik zal wakker worden en vinden, dat alles een droom is geweest. Maar als ik met u spreek, voel ik dat het werkelijkheid is, want gij hebt in mij geloofd en mij verleden zomer kracht gegeven. Ik zal uw vertrouwen nooit vergeten.quot;

Zij sloeg hare oogen neder onder zijn eerlijken, dank-

ocr page 443

421

baren blik. Zij was vreeselijk bang, dat zij zich zou verraden en om de gloeiende kleur, die zij in hare wangen voelde stijgen, te verbergen, wendde zij zich af en maakte zich druk met de theepot, die in het geheel geen opschenken behoefde.

„Gij hebt Signor Donati vergeten.quot; zeide zij, hare zelfbeheersching herwinnende.

„Ja, ik moet hem schrijven,quot; zeide Frithiof. „Ik verwonder mij hoe langer hoe meer, hoe het mogelijk was, dat hij dadelijk de waarheid zag. Daar komen de heer Boniface en Roy.quot;

Hij ging weder de kamer binnen, terwijl Cecil met eenige nieuwsgierigheid door de open deur de begroeting gade sloeg. Ter eere van den heer Sivertsen en om Frithiof genoegen te doen, droegen Sigrid en Sw.mhild haar Har-danger boerinnekleeding en Cecil dacht, dat Sigrid er nooit bekoorlijker had uitgezien dan thans, nu zij Roy de hand gaf en hem welkom heette met de innemende manier en de levendigheid, die haar eigen waren.

„Thee voor den heer Boniface en koffie voor Roy,quot; kondigde Swanhild aan. „Lance, gij moogt de gebakjes presenteeren, maar pas op, dat gij ze niet laat vallen.quot;

Zij bracht hem veilig door de gasten en Frithiof keerde naar Cecil terug. Zij praatten gezellig bij de theetafel.

„Ik durf nu,quot; zeide hij. „denken aan het geheele bedrag van de schulden, want nu ben ik ten minste zeker, dat ik ze zal kunnen betalen.quot;

„Ik ben er zoo blijde over,quot; zeide Cecil; „het moet voor u zulk een verlichting zijn.quot;

„Ja, het zal zijn, alsof ik van een akelig spook ben verlost,quot; zeide Frithiof; „en het zekere vooruitzicht, dat ik weder vrij zal zijn, is alleen reeds voldoende, om dit den gelukkigsten Kerstdag te maken, dien ik ooit heb beleefd — om van dat andere niet te spreken. Ik verwonder mij soms,

ocr page 444

422

wat er van mij zou zijn geworden, als ik nooit u en uw broeder had ontmoet.quot;

„Als gü ons nooit voor den regen had laten schuilen in uw huis,quot; zeide zij glimlachend.

„Het is in zeker opzicht ontzettend te zien, hoeveel dikwijls van eene kleinigheid afhangt,quot; zeide Frithiof ernstig.

En misschien, als hij in Cecil's hart had kunnen lezen, zou het hem nog meer hebben getroffen.

Weldra voegden zij zich bij het overige gezelschap en, allen om den boom staande, zongen zij G hide lig Jul en een Engelsch kerstlied, waarna de geschenken werden uitgedeeld onder veel gelach en gepraat. Het geheele feest had slechts enkele shillings gekost, maar waarschijnlijk was er geen ooit beter geslaagd, want allen genoten van harte en gaven Lance gelijk, toen hij verklaarde, dat de kerstboom in de modelwoning veel mooier was dan ergens anders.

„Maar het is niet billijk, dat de modelwoning kerstavond en kerstdag beiden heeft,quot; zeide mevrouw Boniface; „komt dus van avond mede naar Rowan Tree House en blijft een paar dagen bij ons. Wilt gij dit doen?quot;

Het was onmogelijk te weigeren en bovendien, nu alles was opgehelderd, verlangde Frithiof er naar, weder in het huis te zijn, waar hij zulk een aangenamen tijd had doorgebracht. Het werd afgesproken, dat zij later in den avond naar Brixton zouden gaan, en toen de gasten waren vertrokken, begon Sigrid, een weinig treurig, de noodige voorbereidselen te maken. Zij ging gaarne, maar iets zeide haar, dat zij nooit weder onder dezelfde omstandigheden het kleine huishouden zou bestieren.

„Ik zal den boom naar de Halliflelds brengen,quot; zeide zij; „het zal den kinderen pleizier doen. En, Frithiof, denkt gij niet, dat het goed zou zijn, als gij nog even naar den heer Osmond gingt om hem te bedanken, dat hij zoo goed

i

ocr page 445

423

voor Swanhild is geweest? Het zal hem genoegen doen. te hooren, dat alles is opgehelderd.quot;

Dat vond Frithiof ook en hij ging naar Guilford Square. Het vroor en de sterren schenen helder. Hij stapte snel voort door de straten, weinig ingenomen met het vooruitzicht een onderhoud te hebben met een predikant en van harte wenschende, dat het achter den rug was, ofschoon hij waarlijk dankbaar was voor hetgeen gene had gedaan.

Charles Osmond ontving hem zoo vriendelijk, dat zijn vooroordeel dadelijk verdween; hij vertelde hem, welkeen Invloed, die vijf ponds banknoot op zijn leven had gehad en hoe alles geheel was opgehelderd.

„Zulk een samenloop van omstandigheden is zeer vreemd,quot; zeide Charles Osmond, „maar het is niet voor het eerst, dat ik zoo iets heb opgemerkt. Ik weet een geval, dat veel overeenkomst heeft met het uwe.quot;

„Indien lady Romiaux nog bij u is.quot; zeide Frithiof een weinig kleurende, „zult gij misschien de goedheid willen hebben, haar te zeggen, dat alles in orde is gekomen en haar bedanken, dat zij Swanhild van hare belofte heeft ontslagen.quot;

„Zij is nog hier,quot; zeide Charles Osmond, „en ik zal het haar zeggen. Ik geloof, dat zij het goed meende, toen zij het geld aan uwe zuster gaf, zonder te bedenken, hoe dwaas zij handelde. Inderdaad is zij, in weerwil van alles, wat zij heeft ondervonden, in sommige opzichten nog een kind.quot;

Hij zag den Noorweger aan, begeerig te weten, wat er school achter dat fraaie gelaat, met Grieksche lijnen en Noordsche kleur.

En als een antwoord op zijne gedachten sloeg Frithiof zijne eerlijke blauwe oogen op en ontmoetten zijn vorschen-den blik.

„Zou lord Eomiaux niet bedenken, dat zij nog zoo

ocr page 446

424:

jong is?quot; zeide hij. „Gelooft ge, dat er nog hoop is, dat hij haar zal vergeven?quot;

Toen werd Charles Osmond's hart verblijd en op zijn gelaat kwam eene uitdrukking van onbeschrijfelijke tevredenheid. Want die woorden openbaarden hem den edelen aard van den man tegenover hem; hij wist, dat niet een uit duizend onder deze omstandigheden zoo zou hebben gesproken. De belangstelling, die hij had gevoeld in den man, wiens geschiedenis hij toevallig had leeren kennen, werd liefde.

„Ja, ik meen grond te hebben, het te mogen hopen,quot; hernam hij. „Maar ik ken lord Romiaux nog niet genoeg om er zeker van te zijn. Hij zou waarschijnlijk zijn openbaar leven moeten opofferen. Ik weet niet, of zijne liefde sterk genoeg is voor zulk een offer en of hij genoeg kracht en moed bezit om de wereld te trotseeren en of hij de wet der vergeving genoeg kent.quot;

„Indien gij hem maar eens kondt spreken,quot; zeide Prithiof.

„Ik hoop, dat ik het zal kunnen doen, en wel spoedig,quot; zeide Charles Osmond. „Ik geloof, dat ik met hem in aanraking kan komen door een gemeenschappelijken vriend — het parlementslid voor Greyshot, — maar wij moeten de zaak niet overhaasten. Wees er zeker van, dat de geschikte tijd zal komen, als wij slechts gereed zijn en wachten. Kent gij het Schotsche spreekwoord: „Als twee zoeken, zullen zij zeker vinden ?quot; Er ligt eene diepe waarheid in deze woorden.quot;

„Ik mag u niet langer ophouden,quot; zeide Prithiof. „Maar ik had geen rust, voordat ik u had bedankt voor uw bijstand en u had verteld hoe het is afgeloopen.quot;

„Deze zaak heeft ons tot iets meer dan oppervlakkige kennissen gemaakt,quot; zeide Charles Osmond. „Ik hoop, dat wij in het vervolg elkander .nog beter zullen leeren kennen. Een gelukkige Kerstmis!quot;

ocr page 447

425

Hij had de kamerdeur geopend en zij stonden in de gang, toen hij de hand van den Noorweger drukte. Op dat oogenblik ging Blanche uit de eetkamer naar de trap; zij wendde zich even om, om te zien, wien Charles Osmond zoo hartelijk toesprak en Frithiof herkennende, ontstelde zij en hield zij zich vast aan de leuning.

Nu hij het karakter kende van den Noorman, speet Charles Osmond die ontmoeting niet; hij bleef zwijgend staan en zag eerst Frithiofs verrast gelaat en toen Blanche's verwarring.

Op dat oogenblik gevoelde Frithiof duidelijk dat zijne eerste liefde was gestorven. In feilen brand was zij uitgedoofd ; de bittere smart was voorbij; de vreeselijke strijd, dien hij zoo lang had gestreden, was ten einde; alles wat was overgebleven, was een ridderlijk gevoel voor de vrouw, die hem zoo zwaar had doen lijden; een vurig verlangen, dat zij zou worden gered.

Hij ging naar haar toe met uitgestoken hand. Het was de eerste maal, dat hij haar aanraakte, sedert zij, lang geleden, afscheid hadden genomen te Bornholm, op de stoomboot; maar daaraan dacht hij niet; het verleden, dat hem zoo lang had gekweld en hem zoo duidelijk voor oogen had gestaan, verdween als het omhulsel van den viking, die in zijn lang bedolven schip wordt opgegraven en aan de lucht wordt blootgesteld.

„Ik heb juist aan den heer Osmond verteld, dat door uw briefje aan Swanhild een vreemd raadsel is opgelost; hij zal u de bijzonderheden mededeelen.quot;

„En gij vergeeft mij?quot; stamelde Blanche.

„Ja, van ganscher harte,quot; zeide hij.

Een oogenblik ontmoetten hare droeve oogen de zijne; toen wist zij, dat hij van zijne oude vereering voor haar bevrijd was, want zij ontmoetten onbeschroomd haren blik en in hunne blauwe diepte was niets dan medelijden en vergeving.

ocr page 448

426

„Ik dank u,quot; zeide zij en drukte nog eens zijn hand. „Vaarwel.quot;

„Vaarwel,quot; antwoordde hij.

Zij keerde zich om en ging de trap op, zonder een ander woord te zeggen. En zoo scheidden op dezen kerstavond, de twee, wier levens zoo vreemd in een geweven waren geweest otn nooit meer elkander te ontmoeten, voordat het helderder licht eener andere wereld hun de volle beteekenis van hunne liefde had onthuld.

ZES EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Een gedenkwaardig kerstfeest.

Een tijd lang was Prithiof stil, maar Sigrid en Swanhild waren bijzonder opgewekt, toen zij raar Rowan Tree House gingen, waar zij juist bij tijds voor het avondeten aankwamen. Een atmosfeer van geluk mist nooit hare werking; hij ontrukte zich aan de gedachten, die hem bezig hielden en vergat de schaduwen des levens in het reine licht van dit huis, dat voor hem zoo groote beteekenis had gehad, sedert hij het het eerst had betreden.

Swanhild strekte hen tot voorwendsel om allerlei spelletjes te doen; maar toen zij eindelijk naar bed was gezonden, bedaarden de pret en het lachen. De heer en mevrouw Boniface speelden als gewoonlijk triktrak; Roy en Sigrid waren stil naar het aangrenzend vertrek gegaan; Cecil zat voor de piano en speelde Mendelssohn's kerstliederen en Frithiof zat dicht bij haar in een grooten armstoel, afgetrokken luisterend, maar met een gevoel, zooals hij nooit had gekend, dat er een rustpunt in zijn leven was gekomen. Hij verlangde niets, hij genoot van het gevoel.

ocr page 449

427

dat hij bevrijd was van eene liefde, die hem zoo lang ongelukkig had gemaakt.

„Dat is schoon,quot; zeide hij, toen de muziek ophield. „Er gaat toch niets boven Mendelssohn, hij is zoo menschelijk.quot;

„Gij lijkt een lotos-eter,quot; zeide Cecil, terwijl zij hem aanzag.

„Dat is juist, zoo als ik mij gevoel,quot; zeide hij glimlachend. „Misschien komt het van de muziek:

„die zachter neerdaalt op den geest dan moede wimpers op het moede oog.quot;

„Ik herinner mij nog goed, dat gij mij dat hebt voorgelezen, toen ik ziek was geweest.quot;

Zij nam een dun, rood ingebonden boekje van het rek naast haar en bladerde er in. Hij boog zich over haar en samen lazen zij het eerste gedeelte van het gedicht, de beschrijving van Noorwegen.

„Gij zult geen ware lotos-eter worden, voordat gij daar weder zijt,quot; zeide Cecil opziende, want zijne droomerige tevredenheid was verdwenen en had plaats gemaakt voor een verlangen, dat zij verstond. „Meent gij niet, nu alles zoo geheel anders is geworden, dat gij misschien den volgenden zomer er zoudt kunnen heen gaan?quot;

„Neen,quot; hernam hij. „Gij moet mij niet in verzoeking brengen. Ik keer niet terug, voor dat ik een vrij man ben en ieder kan in de oogen zien. Het vooruitzicht, zooveel vroeger vrij te zijn, dan ik had verwacht, moet genoeg zijn om mij tevreden te stellen. Maar laat ons eens luchtkastee-len bouwen; op kerstavond is dat niet ongeoorloofd. Als eindelijk de schulden betaald zijn, moeten wij allen samen naar Noorwegen gaan; ik weet, dat de heer Boniface het gaarne zou willen en gij hebt lang niet alles gezien. Gij moet de Romsdale zien en den Geiranger en wij zullen u te Oldören brengen, waar wij dikwijls den zomer hebben doorgebracht.quot;

ocr page 450

428

„Dat zou heerlijk zijn,quot; zeide Cecil.

„Zeg niet „zou,quot; zeg „zal,quot;quot; hernam hij. „Ik zou niet volkomen kunnen genieten, als wij niet allen samen gingen.quot;

„Ik geloof eer, dat wij u lastig zouden zijn,quot; zeide zij. „Gij zoudt vele oude vrienden terug vinden en wenschen van ons ontslagen te zijn. Herinnert gij u nog de oude vrouw te Balholm, die zoo onbewimpeld voor hare meening uitkwam, toen wij vriendelijk voor haar wilden zijn en poogden haar te troosten in hare verlatenheid?quot;

Frithlof lachte bij die herinnering.

„Ja,quot; zeide hij; „zij wilde liefst alleen zijn en hield niet van de drukte, zeide zij. Wij waren „de drukte.quot; Wat hebben wij over haar gelachen!quot;

„Nu, gij zoudt het natuurlijk niet zoo uitdrukken, maar ik geloof, dat gij ook het liefst alleen zoudt zijn, als gij terug keert.quot;

Hij schudde zijn hoofd.

„Neen, gij vergist u geheel en al. Beloof mij, dat, a's de heer Boniface het goed vindt, gij mede zult gaan.quot;

„Goed,quot; zeide zij glimlachend: „ik beloof het.quot;

„Waar gaan zij heen?quot; riep hij uit, toen hij in de andere kamer zag, waar Roy bezig was Sigrid in een shawl te wikkelen.

„Naar den tuin om de klokken te hooren, denk ik,quot; hernam zij. „Dat doen wij gewoonlijk als het goed weer is.quot;

„Laat ons dan ook gaan,quot; zeide hij; en zij verlieten de heldere kamer en gingen naar de duistere warande, waar zij zwijgend op en neer gingen, ieder verdiept in gedachten, terwijl de klokken luidden.

Maar de twee anderen, in een laan, aan het einde van den tuin, zwegen niet en luisterden niet aandachtig naaide klokken.

„Sigrid,quot; zeide Roy, „hebt gij vergeten, dat gij mij in Juni eene belofte hebt gedaan?quot;

ocr page 451

429

„Neen,quot; zeide zij, en hare stem beefde een weinig; „ik heb het niet vergeten.quot;

„Gij beloofdet, dat als Prithiof's goede naam was hersteld, ik uw antwoord zou mogen vragen.quot;

Zij hief haar gelaat naar hem op in het matte starrenlicht.

„Ja, ik heb het beloofd.quot;

„En het antwoord — ?quot;

„Ik heb u lief.quot;

Zij sprak de zachte Noorsche woorden fluisterend uit, maar Roy gevoelde, dat zij zijn geheele leven in zijn hart zouden weerklinken.

„Mijne lieveling!quot; zeide hij, haar in zijne armen nemende. „O, als gij wist, wat dit wachten voor mij is geweest ! Maar het was mijn eigen schuld — geheel mijn eigen schuld. Ik had uw instinct meer dan mijn eigen verstand moeten vertrouwen.quot;

„Neen, neen,quot; zeide zij; „ik geloof, dat ik dien dag hard en bitter was; gij moet het mij vergeven, want ik was zoo erg ongelukkig. Laat ons er nooit meer over spreken. Ik haat de herinnering er aan.quot;

„En nu kan nooit iets ons meer scheiden,quot; zeide hij, zijn arm om haar leest slaande, terwijl zij voortwandelden.

„Neen, nooit,quot; herhaalde zij, „nooit. Ik weet dat ik te trotsch en te onafhankelijk ben en ik geloof, dat het is om mijn hoogmoed te straffen, dat ik tot u kom, zooals ik ben, zonder positie in de wereld, zonder geld —quot;

„Hoe kunt gij daarvan spreken,quot; zeide hij verwijtend. „Gij weet, dat ik dat niet zoek — gij weet, dat ik mij nooit uwer waardig kan gevoelen.quot;

„Zulke dingen lijken gering, als men waarlijk lief heeft,quot; zeide zij zacht. „Ik heb er over nagedacht en ik geloof, dat het zoo is — het bewijs van uwe liefde voor mij is, dat gij mij arm, eene vreemde, die meer of min gebukt

ocr page 452

430

gaat onder het verledene, neemt; het bewijs van mijne liefde voor u is, dat ik mijn hoogmoed overwin en — mij overgeef. Vroeger zou ik het voor onmogelijk hebben gehouden; maar nu — O, Roy, ik heb u lief — ik heb u lief!quot;

* *

*

„En nu over Frithiof,quot; zeide Roy na een poos. „Gij zult hem alles vertellen en hem uitleggen, dat ik voor niets ter wereld van u zou willen scheiden.quot;

„Ja,quot; hernam zij, „ik zal het hem vertellen; maar ik geloof niet, dat ik het nog heden zal doen. Tot morgen is het ons geheim. Luister. De klokken slaan twaalf! Laat ons naar binnen gaan, en den anderen een gelukkigen kersttijd wenschen.quot;

Maar Roy nam den eersten wensch voor zich zelf. Toen hij haar eindelijk had losgelaten, ging hij naast haar naar huis, gelukkig boven alle beschrijving.

En nu maakten andere dingen weder op hem hun indruk; hij hoorde de kerstklokken vroolijk luiden in den stillen nacht, hij zag de sterren schitteren aan den helderen hemel, hij bespeurde het gezellig vertrek met de opgehaalde gordijnen.

Cecil en Frithiof hadden de warande verlaten en waren teruggekeerd naar de piano; zij zongen een kerstlied, welks Duitsche wijs ook in Noorwegen bekend was. Sigrid kende de Engelsche woorden niet, maar zij luisterde er aandachtig naar en zij verzoenden haar gedeeltelijk met het eenige leed, dat zij in haar volmaakt geluk gevoelde — de gedachte, dat die twee waren uitgesloten van de zaligheid, die zij genoot.

Stil ging zij in de andere kamer en zij sloeg hen gade, terwijl zij het oude lied zongen.

Toen het ten einde was, zag Cecil naar haar om en las haar geheim op haar gelukkig, blozend gelaat. Zij stond op van de piano.

ocr page 453

431

„Een gelukkige kerstmis!quot; zeide zij en kuste haar op beide wangen.

„Wij zijn in den tuin geweest en gij kunt u niet voorstellen, hoe lieflijk de klokken luiden,quot; zeide Sigrid.

Weder doorvlijmde de smart haar hart; zij dacht aan Frithiofs verongelukt leven; verlangend zag zij hem aan; zij gevoelde, dat hare liefde voor Roy hare liefde voor haren tweelingbroeder nog inniger had gemaakt.

Zou hij nooit iets hoogers kennen, dan den vrede, die de bevrijding van den zwaren last der verdenking hem had gebracht? Zou hij van de liefde alleen de smart kennen? Haar eerste verlangen, haar geheim voor zich zelve te bewaren, verdween, toen zij hem aanzag. Zij legde hare hand op zijnen arm.

„Beste jongen,quot; zeide zij tot hem in het Noorsch, „wilt gij een paar minuten met mij in den tuin gaan?quot;

Zij gingen samen naar buiten in het starrenlicht en wandelden op het begroeide pad, waar zij en Roy zoo even hadden gewandeld.

„Welk een gelukkige kerstmis is het voor ons allen geweest!quot; zeide zij peinzend.

„Ja, en hoe weinig hadden wij het verwacht,quot; zeide Prithiof.

„Denkt gij,quot; hernam zij aarzelend, „denkt gij, Frithiof, dat het u minder gelukkig zou maken, als ik u een nieuw geluk vertelde, dat mij te beurt is gevallen?quot;

Haar toon, nog meer dan hare woorden zelve, deden een licht voor hem opgaan.

„Al wat voor u een geluk is, is het ook voor mij,quot; zeide hij en poogde haar gelaat te zien.

„Weet gij dat zeker?quot; zeide zij, terwijl de tranen haar in de oogen kwamen. „O, als ik dat zeker kon gelooven, Frithiof, hoe gelukkig zou ik zijn!quot;

sWaarom zoudt gij er aan twijfelen?quot; vroeg hij. „Kom,

ocr page 454

432

ik heb uw geheim geraden; gij wilt mij vertellen, dat—quot;

„Dat Roy over eenigen tijd uw broeder zal zijn, zoowel als uw vriend,quot; zeide zij, den volzin voor hem voltooiende.

Hij nam haar hand en hield die vast.

„Ik wensch u geluk, Sigrid, met geheel mijn hart. Dit voltooit ons geluk op deze kerstmis.quot;

„En Roy heeft zulke plannen gemaakt,quot; zeide Sigrid, hare tranen weg vegende; „hij zegt, dat aan gene zijde van den muur een lief huisje is, groot genoeg voor ons allen, want hij wil natuurlijk niet toestaan, dat wij zullen scheiden. Hij zeide het mij lang geleden, toen hij mij de eerste maal vroeg.quot;

„Lang geleden?quot; zeide Frithiof; „wat bedoelt gij Sigrid? Ik dacht, dat het dezen avond was gebeurd!quot;

„Heden avond heb ik hem eerst mijn antwoord gegeven,quot; zeide Sigrid. „Maar toen wij aan de zee waren, verleden Juni, heeft h\i mij het eerst gevraagd en toen — later — misschien had ik ongelijk, maar ik wilde er niets meer van hooren, voordat gij waart gerechtvaardigd. Ik wist, dat het eens moest gebeuren en ik was boos op Roy, omdat hij u niet geloofde. Het was verkeerd van mij, dat te verwachten, maar ik had het verwacht en hij stelde mij zoo bitter te leur. Hij zegt nu zelf, dat hij u had moeten—quot;

„Het is een wonder, dat hij mij niet doodelijk haatte,quot; zeide Frithiof. „Waarom hebt gij mij het niet vroeger verteld?quot;

„Hoe kon ik dat ?quot; zeide zij. „Het zou u nog ongelukkiger hebben gemaakt. Het was veel beter te wachten.quot;

„Wat een verschrikkelijk najaar is het voor u geweest!quot; riep Frithiof uit. „En alles door de schuld van die ellendige banknoot! Onze levensgeschiedenis was merkwaardig saam-gevlochten, Sigrid.quot;

Zij dacht aan het contrast van beider levensgeschiedenis

ocr page 455

'433

en hare tranen begonnen opnieuw te vloeien; zij ging zwij gend voort, hopende, dat hij het niet zou opmerken, maar een traan viel op zijn hand; hij bleef plotseling staan, nam haar hoofd tusschen zijne handen en zag haar in de oogen.

„Gij, lieve, domme meid!quot; zeide hij, „waarom schreit gij ? Is het, omdat ik zeide, dat onze levensgeschiedenis was saamgevlochten ?quot;

„Het is, omdat ik wenschte, dat zij hetzelfde had kunnen zijn,quot; snikte zij.

„Maar dat kon niet,quot; zeide hij bedaard. „Het is vreemd, dat ik het u nu zeg, nu voor u een nieuw leven begint, maar ik ben ook gelukkig dezen avond, omdat nu ten minste mijn strijd is geëindigd — het vuur is uitgebrand. Ik verlang niets meer dan vrede, zoolang ik leef. Geloof mij, ik ben tevreden.quot;

Haar keel scheen dicht genepen, zij kon geen woord uitbrengen, juist omdat zij zoo veel voor hem gevoelde. Zij streelde slechts zijn hand en nog eens gingen zij samen langs het pad. Maar haar geheele ziel kwam in verzet tegen dat begrip van tevredenheid. Zij begreep het evenmin als de soldaat, die voor het eerst het vuur te gemoet gaat, de koele onverschilligheid van zijn kameraad in het hospitaal. Frithiof kwam zeker iets beter toe dan deze ellendige parodie der liefde. Deze hartstocht, die bijna niets anders was geweest dan smart, kon toch niet het eenige zijn, wat hem werd gegund in de plaats der zaligheid, die de geheele wereld voor haar had veranderd. De kamer van haren vader kwam haar voor den geest en het was alsof zij hem nog hoorde zeggen: „Ik zou gaarne zien, dat Frithiof vroeg trouwde, maar van u zal ik niet te veel zeggen, Sigrid, want ik weet niet, hoe ik het zou stellen zonder u.quot;

Zij zuchtte, toen zij er aan dacht, hoe zijne plannen waren verijdeld en zijn zaak was te niet gegaan en zijn hart was gebroken — hoe hij en Frithiof schipbreuk hadden geleden.

28

EEN STOERE NOORMAN I.

ocr page 456

434

Ea de kerstklokken luidden voort in de wereld, waar vreugde en droefheid zoo vreemd zijn dooreen gemengd en zij brachten haar dezelfde boodschap, die zij had vernomen uit de stilte op Hjerkinshö.

„Er is een beter plan, dat niet kan worden verijdeld,quot; zeide zij bij zich zelve.

ZEVEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

SlGRID.

„Ik heb nieuws voor u,quot; zeide de heer Horner tot zijne vrouw, een paar dagen later, toen hij des avonds de huiskamer binnenkwam. De groote gouden pendule met de kleine witte wijzerplaat wees op acht uren, de gouden varkentjes beklommen nog den gouden heuvel, de gouden zwijnenhoeder leunde nog peinzend op zijn gouden staf. Mevrouw Horner, in een blauw zijden japon gedoscht, zag eerst haar man, toen de pendule en toen weder haar man aan.

„Nieuws?quot; zeide zij, op een toon, die niet bemoedigend klonk. „Komt gij daarom zoo laat ? Voor mij doet het er niet toe, of het eten bedorven is, integendeel; ik zie er zoo nauw niet op. Maar gij zult mij pleizier doen, niet te brommen, als het vleesch geheel verschroeid is.quot;

„Laat het eten zijn, zooals het wil,quot; zeide de heer Horner ongeduldig. „Ik heb wel aan andere dingen te denken dan aan aangebrand vleesch. Die gek van een Boniface houdt mij aan mijn woord en wil de compagnieschap niet hernieuwen.quot;

„Wat!quot; riep zijne vrouw; „niet, nu alles is opgehelderd en gij den jongen Falck uwe verontschuldigingen hebt aangeboden?quot;

ocr page 457

435

„Neen; het is eene schande,quot; zeide James Horner en hij geleek een boozen kalkoen, toen hij heen en weer in de kamer liep. „Ik gaf Palck een hand en zeide hem, dat het mij speet, dat ik hem verkeerd had beoordeeld en aan Boniface bekende ik, dat ik te driftig had gesproken; maar, kunt gij het gelooven? hij wilde er niet op terugkomen. En niet alleen zendt hij mij weg, maar in mijne plaats , neemt hij dien Noorweegschen intrigant.quot;

„Maar hij heeft geen kapitaal!quot; riep mevrouw Horner. „Hij is zoo arm als een rat. Hij kan geen stuiver in de zaak steken.quot;

„Precies. Maar Boniface is zulk een gek, dat hij dat over het hoofd ziet en niets doet dan praten over zijne geschiktheid voor zaken, zijn ijver, zijne handigheid en al zulken onzin meer. Iemand zonder geld beteekent niets -niets.quot;

„Ik heb van den beginne af hem niet kunnen uitstaan.quot; zeide mevrouw Horner. „Ik wist, dat de Boniface's zich in hem vergisten. Ik geloof zeker, dat, al is hij onschuldig aan die geschiedenis met het bankbiljet, hij een gelukzoeker is. Gij kunt er op rekenen, dat hij alles in zijn eigen handen zal zien te krijgen en op een mooien dag zet hij Roy er uit.quot;

„Neen, dat zal hij wel niet doen; het schijnt dat zijne zuster ook goed uit hare oogen heeft gekeken; die ezel van een Roy gaat met haar trouwen.quot;

„Trouwen met Sigrid Falck?quot; riep mevrouw Horner, terwijl zij op sprong. „Durft hij een meisje in de familie brengen, dat op partijen en danslessen speelt — een meisje, dat haar eigen huis schoon maakt en haar eigen eten kookt!quot;

„Ik zie niet in, dat zij daarom iets minder is,quot; zeide James Horner. „Tegen het meisje zelve heb ik niets, zij is aardig en mooi genoeg, maar de connectie; door huwelijk aanverwant te zijn van dien akeligen Falck, die mij zoo

28*

ocr page 458

436

schandelijk heeft behandeld, die uit de hoogte op mij neerziet, alsof hij een prins was.quot;

„Als er iets is, wat ik niet kan verdragen,quot; zeide mevrouw Horner, „dan zijn het indringerige menschen — zij zijn zoo gemeen. Maar gedeeltelijk is het Loveday's eigen schuld. Als de Falck's met mij hadden te doen gehad, zou ik hen wel op hun plaats hebben gezet en dan zou dit alles niet zijn gebeurd.quot;

Op dit oogenblik werd het eten opgebracht en het te hard gebraden vleesch deed geen goed aan het humeur van den heer Horner. Toen de dienstboden waren vertrokken, begon hij opnieuw uit te varen tegen de Boniface's.

„En wanneer zal de bruiloft zijn?quot; vroeg zijne vrouw.

„In Februari, geloof ik. Zij doen al inkoopen voor het huishouden. '

Mevrouw Horner liet een uitroep van ergernis hooren.

„Nu, hoe eer wij uit Londen gaan, hoe beter,quot; zeide zij. „Ik wil met die geschiedenis niets te doen hebben. Wij zullen natuurlijk niet openlijk breken met de familie; maar verhuur in 's hemels naam dit huis en laat ons ergens anders gaan wonen. Daar is dat huis te Croydon, dat mij zoo beviel; gij zoudt vandaar gemakkelijk naar de stad kunnen gaan.quot;

„Wij zullen er over denken,quot; zeide de heer Horner. „Apropos, wij zullen hun een huwelijksgeschenk moeten geven.quot;

„Het treft gelukkig,quot; zeide mevrouw Horner, „dat ik verleden week een canapékussen heb getrokken uit de loterij voor het kerkorgel. Het is mooi genoeg voor hen, denk ik. Eerst had ik gedacht, het te zenden aan de jongste juffrouw Smith, die op Nieuwjaarsdag trouwt, maar zij zijn zulke rijke menschen, dat ik hun iets kostbaardere en dat meer vertooning maakt, dien te geven. Maar voor Sigrid Falck is het mooi genoeg.quot;

ocr page 459

437

Gelukkig deed de meening van anderen het geluk der twee verloofden geen afbreuk. Zij hoorden met genoegen, dat de Horner's Londen verlieten en toen ter behoorlijker tijd het canapékussen kwam, met een kaartje van mevrouw Horner er op, schreef Sigrid, die in het geheel niets had verwacht, een lief briefje om te bedanken, dat bij de geefster een onaangenaam gevoel van schuld opwekte.

„Alles wel beschouwd,quot; merkte Sigrid op tot Cecil, „hebben wij inderdaad veel verplichting aan mevrouw Horner, want als zii mij niet had gevraagd op dat gecostumeerd kinderbal, zou ik nooit madame Lechertier hebben ontmoet en hoe zouden wij dan samen hebben kunnen leven?quot;

„In die dagen had mevrouw Horner, geloof ik, werkelijk met u op, maar sedert hebt gij het bij haar verbruid.quot;

„Natuurlijk; loen ik mijn eigen brood verdiende en in de modelwoningen ging leven; ik schokte haar begrip van fatsoen en als dat eenmaal is gebeurd, komt gij nooit weer bii mevrouw Horner in gunst. Het zou mij hebben gespeten, als ik onaangenaam was geweest tegen iemand van uwe familie, van wien gij hieldt, maar de Horner's — ik kan hen waarlijk niet uitstaan.quot;

De twee meisj' s bevonden zich ia de kleine zitkamer der modelwoning en legden de laatste hand aan het witte cashmere bruidskleed, dat Sigrid zelve had geknipt en genaaid gedurende de kalme dagen in Rowan Tree House. Iedereen stelde belang in de drukke voorbereidselen en Sigrid kon niet nalaten te denken, dat het beste bewijs, dat het verdriet noch Cecil, noch Frithiof had verbitterd, was, dat zij hartelijk konden deelnemen in de vreugde van anderen.

Zij zouden zeer stil trouwen. Des morgens vroeg, toen Cecil kwam zien, of zij nog in iets kon helpen, vond zij de bruid in haar gewone zwarte japon met haar keukenboezelaar voor, bezig Prithiof's koffer te pakken.

ocr page 460

438

„O, laat mij dat voor u doen!quot; zeide zij. „Gij werkt, alsof gij van daag niet moest trouwen.quot;

Sigrid lachte vroolijk.

„Moet een bruid stil zitten en niets doen, totdat zij wordt afgehaald?quot; vroeg zij. „Als het zoo is, spijt het mij, want ik kan niet stil zitten, al wilde ik het. Ik ben zoo blijde, dat Frithiof en Swanhild in Rowan Tree House zullen logeeren, terwijl wij weg zijn! Ik zou geen oogenblik rust hebben gehad, als ik hen hier had moeten laten, want Swanhild is toch nog maar een kind. Het is zeer vriendelijk van mevrouw Boniface, dat zij hen heeft gevraagd.quot;

„Nu gij Roy van ons wegneemt, mogen wij wel eenige vergoeding hebben,quot; zeide Cecil lachend. „Het is een geluk, dat zij heden avond bij ons zijn, want anders zou het zeer stil zijn t'huis.quot;

„En wij zullen op weg zijn naar de Riviera,quot; zeide Sigrid, een oogenblik haar drukke bezigheid stakende; een droomerige uitdrukking kwam in hare heldere, verstandige oogen en zij liet haar hoofd rusten tegen het bed.

„Soms,quot; zeide zij, „kan ik niet gelooven, dat alles wezenlijk zoo is. Ik denk, dat ik het mij verbeeld en dat ik wakker zal worden, terwijl ik den Myosotiswals speel bij madame Lecher tier — het is juist een wijs om op te droomen.quot;

„Wacht,quot; zeide Cecil. „Kan dit u van de werkelijkheid overtuigen ?quot; Zij liep naar de andere kamer en keerde terug met den fraaien ruiker, dien Roy had gezonden.

„Lelietjes van dalen!quot; riep Sigrid uit. „O, hoe prachtig! En myrte en eucharis — het is de fraaiste ruiker, dien ik ooit heb gezien.quot;

„Denkt gij nietf* dat het tijd wordt, dat gij u aankleedt?quot; zeide Cecil. „Kom, ga zitten en laat mij uw haar opmaken, terwijl gij van uwe bloemen geniet.quot;

„Maar Swanhild's goed? Het is nog niet alles ingepakt.quot;

ocr page 461

439

„Bekommer u daar niet om! Ik zal dezen namiddag terug komen en alles in orde maken. Gij moet mij toestaan, u dezen dag een weinig te helpen.quot;

En toen zij het lange gouden haar borstelde, dacht zij, dat slechts weinige bruiden zoo weinig aan zich zelve en zooveel aan anderen zouden denken en zij wenschte, dat Eoy haar had kunnen zien met haar boezelaar voor en te druk met huiselijke beschikkingen om veel tijd te besteden aan haar toilet.

Swanhild, reeds in het wit gekleed, danste de kamer in en uit, dan dit, dan dat aanbrengende en weldra was ook de bruid gekleed, en met haar langen tullen sluier over den sierlijken krans van echte oranjebloesem uit de broeikas van madame Lechertier en haar eigen gemaakte japon, ging zij naar de kleine zitkamer om zich aan Frithiof te laten zien.

„Ik zal uw sleep ophouden, Sigrid, de vloer mocht eens stoffig zijn,quot; zeide Swanhild, die opgewonden was, nu zij voor het eerst bij een huwelijk een rol vervulde en besloten had, niet aan de scheiding te denken, voordat het oogenblik was gekomen.

Frithiof ontsnapte een kreet van bewondering, toen zij de kamer binnen trad.

„Gij gelijkt Ingenborg,quot; zeide hij, „toen zij in den nieuwen tempel van Balder kwam.quot;

„Met vele maagden, die haar dienden.quot;

„Schijnend als de maan, te midden van tallooze sterren,quot; citeerde Swanhild in het Noorsch, uit de oude sage en zij zag daarbij ondeugend haren grooten broeder aan.

Sigrid lachte en wendde zich tot Cecil.

„Zij zegt, dat ik de maan ben en schijn met geleend licht en dat gij de sterren zijt, die hun eigen licht hebben. Maar waar is mijn tweede bruidsmeisje?quot;

„Gwen wacht ons in de kerk,quot; antwoordde Cecil. „Ik

ocr page 462

440

geloof, dat het rijtuig er al is, want ik zie den oudsten kleinen Hallifleld over de plaats hierheen hollen.quot;

„Dan moet ik iedereen goeden dagzeggen,quot; zeide Sigrid en voor het laatst zag zij rond in de kleine woning, die hun allen zoo dierbaar was geworden; toen nam zij Frithiofs arm en ging naar buiten in de gang, waar een groep buren stond om haar voor het laatst te zien en hartelijk geluk te wenschen. Zij had voor ieder een woord en een glimlach en allen volgden haar de trappen af en over de plaats en wuifden met hoeden en doeken, toen het rijtuig weg reed.

Dit hoofdstuk van haar leven was geëiDdigd en de bedrijvige arbeiders van den bijenkorf zouden haar niet meer als koningin begroeten. De zorgen en de pijnlijke zuinigheid behoorden tot het verleden, maar aangename herinneringen nam zij mede en zou zij tot het einde van haar leven bewaren; menige vriendschap zou blijven bestaan en voor haar eene verontschuldiging zijn om later haar eerste woning in Londen te bezoeken.

Zij was zeer stil, toen zij door de drukke straten reden; hare oogen hadden weder die zachte, droomerige uitdrukking, die Cecil dien morgen had opgemerkt; zij scheen, wat haar omgaf, niet te zien, totdat hare oogen die van Frithiof ontmoetten; toen verhelderde plotseling haar gelaat, dat tot nog toe ernstig was geweest en zij ztide een paarwoorden tot hém in het Noorsch, die hij beantwoordde met een blik zoo vol liefdevollen trots en tevredenheid, dat een zonnestraal doordrong in Cecil's hart.

„Dit huwelijk zal hem goed doen,quot; dacht zij. „Hij zal gelukkig zijn in haar geluk.quot;

Inmiddels hadden zij de kerk bereikt. Lance, in het costuum, dat hij had gedragen op de kinderpartij van mevrouw Horner, stond gereed om den sleep van de bruid te dragen en Gwen kwam aanloopen, om hare plaats in te nemen in den kleinen stoet.

ocr page 463

441

Enkele toeschouwers waren aanwezig, maar in de kerk was het zeer stil; in het koor waren alleen Roy en zijn getuige, madame Lechertier, de oude heer Sivertsen en de vader en de moeder van den bruidegom. Charles Osmond las het formulier en zijne mooie schoondochter had gevraagd, het orgel te mogen bespelen, want zij was zeer ingenomen, niet alleen met de kleine Swanhild, maar met de geheele familie, nadat zij op verzoek van haren schoonvader haar een bezoek had gebracht. Toen de huwelijksplechtigheid voorbij was en de stoet weder de kerk was doorgegaan, bleef zij nog voort spelen; het lag in haar aard, alles wat zij ondernam te voltooien. Charles Osmond kwam uit. de kerkekamer en ging naast haar staan.

„Ik ben blijde, dat gij voor hen hebt gespeeld,quot; zeide hij, toen de laatste noot weg stierf. „Het was een huwelijk, waarbij muziek hoorde.quot;

„Het was een van de treffendste huwelijken, die ik ooit heb bijgewoond,quot; zeide zij, „en wat uw Noorman betreft — hij is alles, wat gij van hem hebt gezegd en nog veel meer. Er is iets in zijne oogen, dat mij aan mijnen vader deed denken. O, ik hoop, dat hij de schulden zal kunnen betalen.quot;

„Er is slechts een ding, dat het zou kunnen verhinderen,quot; zeide Charles Osmond.

„Wat is dat?quot; vroeg Erica, snel opziende.

„De dood,quot; hernam hij bedaard.

Zij antwoordde niet, maar het woord had haar niet pijnlijk aangedaan, want zij was een dergenen, die hadden geleerd, dat de dood is de poort des levens.

Zwijgend sloot zij het orgel.

ocr page 464

442

ACHT EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Verandering.

Op een avond in de lente, ruim twee jaren na haar huwelijk, was Sigrid aan het werk in den kleinen tuin, aan welken zij, nu haar huishoudelijk werk licht was, veel tijd besteedde. Hij grensde aan den tuin van Eowan Tree House en er was een opening, afgesloten door een groen hekje, in de heg gemaakt. Op dit hekje leunde Cecil, met haar tennis raket onder den arm, en met het aangenaam gevoel, dat het werk van den dag was afgedaan en dat Roy en Frithiof spoedig zouden komen, om mede te doen aan het spel, dat in dit seizoen zelden een avond werd overgeslagen.

„Zij zijn Iaat van avond,quot; zeide Sigrid. „Misschien heeft de heer Sivertsen Frithiof opgewacht. Ik hoop het niet; want het tennis doet hem goed.quot;

„Werkt hij hard?quot; vroeg Cecil.

„Hij werkt altijd veel en op het oogenblik is hij, geloof ik, aangetast door hetgeen iemand noemde „de lust tot voleindigen.quot; Wij zien hem weinig, want als hij niet voor de zaak bezig Is, werkt hij hard aan het manuscript van den heer Sivertsen. Maar het schijnt hem goed te doen; „werk zonder tobben doet niemand kwaad,quot; zegt een spreekwoord.quot;

„Een zeer deugdzaam spreekwoord,quot; zeide een stem achter haar en omziende, zag zij Frithiof zei ven het pad afkomen.

De twee jaren hadden hem niet veel veranderd, maar hij scheen krachtiger en levenslustiger dan vroeger; voorspoed en hoop hadden een einde gemaakt aan den strijd, die zoo lang was uitgedrukt geweest op zijn gelaat. Sigrid was trotsch op hem, toen zij hem aanzag; er was iets in zijne physieke kracht, dat haar altijd beviel.

ocr page 465

443

„Wij spraken juist over u,quot; zeide zij, „en wij waren nieuwsgierig of gij zoudt willen medespelen.quot;

„Na uwe laatste opmerking, geloof ik haast, dat ik het niet mag doen,quot; zeide hij lachend. „Waarom zou ik er een geheel uur aan besteden, terwijl de heer Sivertsen ongeduldig wacht op de volgende zending.quot;

„De heer Sivertsen is onverzadelijk,quot; zeide Sigrid, hare tuinhandschoenen uittrekkende; „en ik ben niet van plan toe te laten, dat gij tot uwe oude, slechte gewoonten terugkeert. Zoolang gij bij mij zijt, moet gij iets meer zijn dan een werkpaard.quot;

„Sedert Sigrid met de opvoeding van haar kind is begonnen,quot; zeide Frithiof lachend tot Cecil, „hebben wij opgemerkt, dat zij over ons allen den baas wil spelen.quot;

„Als gij apartjes hebt, moest gij niet zoo luid spreken,quot; zeide Sigrid, met een gebaar, alsof zij hem om de ooren wilde slaan. „Ik ga Eoy tegemoet en de raketten halen; en neem gij hem mede in den tuin, Cecil, en zorg, dat hij zich betamelijk gedraagt.quot;

„Hebt gij het werkelijk tegenwoordig zoo bijzonder druk ?quot; vroeg Cecil, toen hij het hekje opende en bij haar kwam, „of zeidet gij het slechts uit aardigheid ?quot;

„Neen, het was bittere ernst,quot; hernam hij; „wantsedert de heer Sivertsen aan het sukkelen is, moet ik het grootste gedeelte van het werk doen. Maar het wordt goed betaald en is een groote bijdrage voor het schuldenfonds. Over tien jaar zal ik geheel vrij zijn.quot;

„Zult gij dan inderdaad alles hebben afbetaald?quot;

„Ik hoop zeker, dat ik het zal kunnen doen.quot;

„Het zal eene groote taak zijn, die dan is volbracht,quot; zeide zij peinzend. „Maar als hij is volbracht, zult gij u misschien gevoelen als de menschen, die hun geheele leven werken om een zekere som bijeen te krijgen en dan stil gaan leven en dan niet weten, wat zij met hun ledigen tijd zullen doen.quot;

ocr page 466

444

„Dat hoop ik niet,quot; zeide Frithiof; „maar ik erken, dat het mogelijk is. Het werk zelf staat mij tegen. Ik geloof, dat er nooit iemand is geweest, die grooter afkeer had van werk binnenshuis dan ik, vooral van schrijfwerk, Maar ik heb geleerd, waarlijk belang te stellen in de zaak en dat zal blijven en het zal nog mijn plicht zijn, als de schulden zijn betaald. Het is eene vreeselijke bekentenis, maar ik beken, dat als ik het werk van den heer Sivert-sen niet langer noodig heb, het voor mij eene verlossing zal zijn en dat ik dat soort van boeken waarschijnlijk nooit meer zal inzien.quot;

„Het moet vreeselijk vervelend werk zijn,quot; zeide Cecil, „wanneer gij er niet van kunt houden.quot;

„De heer Sivertsen heeft mij opgegeven als een hopeloos geval; hij heeft al lang er van afgezien over de Beschaving met een kapitale B te spreken; hij verwacht niet meer, dat ik eeuwig belang zal stellen in de vraag, of regenwormen gevoelig zijn voor geluid, als men ze op een piano zet. Ik zeide hem, dat het denkbeeld alleen voldoende was om iemand, die piano speelt, eene rilling op het lijf te jagen.quot;

Cecil lachte vroolijk Het was volstrekt niet de eerste keer, dat hij haar had verteld, dat hij volstrekt geen smaak had in literatuur en natuurwetenschappenen zij bewoi.derde hem des te meer, omdat hij zoo volhardend aan het werk bleef en zoo moedig zijn persoonlijke neiging beteugelde. Zij hadden bovendien veel gemeen, want er was in hem zoowel als in haar een dichterlijke ader; als de meeste Noorwegers was hij muzikaal en zijne liefde voor de jacht en het leven buitenshuis had hem niet ongevoelig gemaakt voor het fijner gevoel voor de schoonheid van een landschap en de bekoorlijkheid van het huiselijk leven.

„Zie,quot; riep zij uit; „daar is de eerste narcis. Wat is hij vroeg! Ik zal hem aan moeder brengen; zij houdt er zooveel van.quot;

ocr page 467

445

Hij boog zich om de bloem voor haar te plukken en toen zij dien aannam, zag hij haar even aan; zij zag er dezen avond bijzonder goed uit; hare grijze oogen waren buitengewoon helder; een zachte blos lag op hare wangen en blijde tevredenheid sprak uit haar geheele wezen. Weinig vermoedde hij, dat de blijdschap over zijn succes de oorzaak was van dat alles.

Maar nog terwijl hij haar aanzag, verdween hare kleur, hare lippen begonnen te beven, zij scheen op het punt van flauw te vallen.

„Scheelt u iets?quot; vroeg hij, ongerust door de plotselinge verandering van haar gelaat. „Zijt gij niet wel; Cecil?quot;

Zij antwoordde niet, maar liet gedwee toe, dat hij haar naar een tuinbank bracht.

„Het is de lucht van den narcis; zij is te sterk voor u,quot; meende hij

„Neen,quot; hijgde zij. „Maar een akelig gevoel overviel mij. Er zal iets gebeuren, ik ben er zeker van.quot;

Hij zag haar verbaasd aan. Zij liet den narcis uit haar hand vallen; hij raapte hem op en legde hem op het andere einde van de bank, nog vermoedende, dat hij de oorzaak was van hare flauwte. Haar gelaat, dat een oogenblik te voren zoo opgeruimd was geweest, was nu doodsbleek en de lijdende uitdrukking deed hem smartelijk aan.

Zijn hart begon ongerust te kloppen, toen hij een dienstbode uit het huis naar hen toe zag komen.

„Zij heeft gelijk,quot; dacht hij. „Wat ter wereld kan het zijn?quot;

„Mijnheer heeft mij gezegd, u dit te geven, juffrouw Cecil,quot; zeide de meid, haar een met potlood geschreven briefje overhandigend.

Zij richtte zich haastig op en deed eene wanhopige poging om er uit te zien, alsof niets was gebeurd. De dienstbode ging terug naar het huis en Frithiof wachtte bezorgd om

ocr page 468

446

te hooren, wat het briefje inhield. Zij las het en gaf het toen aan hem.

Het luidde als volgt:

„De heer Grantley is gekomen en verlangt zijne kinderen te zien. Hij wil hen nog eenige dagen hier laten, maar het zou het beste zijn, als gij hen beneden bracht bij hem.quot;

„Is hij uit de gevangenis!quot; riep Prithiof uit. „Maar zijn tijd is nog niet om. Ik dacht, dat hij vijf jaar had gekregen.quot;

„De vijf jaren zouden eerst in October om zijn. Ik wist dat hij eens zou komen, maar ik had niet gedacht, dat het zoo spoedig zou zijn en dat hij hen dadelijk zou mede nemen.'quot;

„Ik herinner mij nu,quot; zeide Frithiof, „als een gevangene zich goed gedraagt, wordt hem een klein gedeelte van zijn straftijd kwijt gescholden. Het spijt mij voor u; het is vreeselijk voor u, van Lance en G-wen te moeten scheiden.quot;

Zij klemde hare handen samen, maar antwoordde niet.

„Zoo gaat het altijd in de wereld,quot; dacht Frithiof bij zich zelf. „Hier is een jong meisje, dat innig veel houdt van de kinderen, terwijl de moeder, die nooit heeft verdiend hen te hebben, hen aan hun lot heeft overgelaten. Dat zij, na hen vijf jaren te hebben gehad, hen nu plotseling moet verliezen, is een vreeselijke slag voor haar. Zij hadden er aan moeten denken, voordat zij de kinderen in huis namen.quot;

„Is er niets, wat ik kan doen om u te helpen?quot; vroeg hij haar. „Zal ik Lance en Gwen gaan halen?quot;

Met inspanning stond zij op.

„Neen, neen,quot; zeide zij en zij deed haar best om opgeruimd te spreken. „Stel uw spel er niet om uit. Ik ben al beter en zal zelve naar hen toe gaan.quot;

Maar als door eene ingeving nam hij haren arm onderden zijne en ging met haar naar huis.

ocr page 469

447

„Gij zijt nog een weinig van streek, geloof ik,quot; zeide hij. „Laat mij met u gaan, dan behoeft gij ten minste de trap niet op te gaan. Hoe vreemd, dat gij te voren ge-voeldet, dat dit zou gebeuren. Hebt gij ooit zulk een voorgevoel van iets anders gehad?quot;

„Nooit,quot; zeide zij. „Het was zulk een akelig gevoel. Ik begrijp niet, hoe het is gekomen.quot;

Hij liet haar in het portaal staan en liep de trap op naar de kinderkamer, waar hij altijd een welkome gast was. Beide kinderen liepen hem juichend te gemoet.

„Cecil heeft mij gezonden met eene boodschap voor u,quot; zeide hij.

„Dat wij beneden mogen komen,quot; riep Lance. „Is het dat, mijnheer Frithiof?quot;

„Neen,quot; riep Gwen, om hem heen dansende, „het is om te zeggen, dat wij morgen uitgaan, geloof ik.quot;

„Neen, dat is het niet,quot; zeide hij; „maar uw vader is beneden en Cecil zegt, dat gij naar hem toe moet gaan.quot;

Het gelaat der kinderen betrok. Het was, alsof zij instinktmatig wisten, waaronder hun vader gebukt ging. Zij hadden altijd geweten, dat hij zou komen; maar zijn naam was zelden genoemd. Het was moeielijk van hem te spreken, zonder gevaar te loopen van de lastige vragen, die kinderen kunnen doen. Al de blijdschap en opgewekt heid der kinderen waren verdwenen. Zij waren beiden beschroomd en de ontmoeting met den onbekenden vader joeg hen angst aan. Zij hielden Frithiof vast, toen hij met hen naar beneden ging en toen zij Cecil in het oog kregen, die op een bank in het portaal zat, vlogen zij naar haar toe en zij kustte hen met al de teederheid eener moeder.

„Wij verlangen vader niet te zien,quot; zeide Lance; „wij doen het heusch liever niet.quot;

„Maar gij moet bedenken, dat hij sterk verlangt u te zien,quot; zeide Cecil. „Hij herinnert zich u zeer goed, al hebt

ocr page 470

448

gij hem vergeten; en nu hij bij u is teruggekomen, moet gij beiden hem heel gelukkig maken en veel van hem houden.quot;

„Ik houd in het geheel niet van hem,quot; zeide Gwen koppig.

„Dat is dwaas en verkeerd, wat gij daar zpgt,quot; zeide Cecil. „Gij zult van hem houden, als gij hem ziet.quot;

„Ik houd van u!quot; zeide Gwen en sloeg hare kleine armen om haar hals.

„Kunt gij niet meer dan een persoon lief hebben?quot;

„Ik houd ook van mijnheer Frithiof,quot; zeide Gwen.

Beiden glimlachten en Cecil, ziende, dat redeneeren niet veel baatte, stond op en ging met hen naar de huiskamer; haar bleek en vastberaden gelaat vormde een eigenaardige tegenstelling met Gwen's roode wangen en onwillige houding.

De heer Boniface zat met den vreemde vriendelijk te praten. Zij stonden beiden op, toen Cecil en de kinderen binnen kwamen.

„Dit is mijne dochter,quot; zeide de heer Boniface.

En Cecil reikte den ontslagen gevangene haar hand en zag hem een weinig ongerust in het gelaat.

Hij was iemand van vijf-en-dertig jaar, met een vrij gunstig uiterlijk en hij geleek zoo veel op Lance, dat zij zich vriendelijk jegens hem voelde gestemd. Zij hoopte, dat de kinderen zich goed zouden gedragen en zag ongerust naar Gwen.

Maar Gwen vergat spoedig haar afkeer en zij zat reeds op haars vaders knie, toen Lance nog bedeesd op een afstand stond en zijn vader ernstig opnam. Hij scheen voldaan te zijn en ging stil heen, maar weldra kwam hij terug met een kinderpistooltje en een scheepje, die hij aan zijn vader gaf.

„Wat is dit?quot; zeide de heer Grantley.

„Dat is mijn mooiste speelgoed,quot; zeide Lance. „Ik wilde

ocr page 471

449

het u laten zien. Gauw, Gwen, ga uw pop voor vader halen.quot;

Hij scheen aangedaan en verheugd te zijn; en zij waren inderdaad zulke goed opgevoede kinderen, dat ieder ouder trotsch op hen moest zijn geweest. Voor dezen pas ontslagen gevangene, die in jaren geen kind had gezien, was hun gezicht reeds eene verkwikking. Hij wenschte niets liever dan den geheelen avond met hen te mogen spelen. En Cecil zat er bij als in een droom, terwijl zij hoorde van het nieuwe t'huis, dat den kinderen zou worden bereid in Britsch Columbia — waar land was te krijgen voor een stuiver de bunder en waar de menschen konden leven van druiven en perziken en andere lekkere vruchten. Eindelijk nam de heer Grantley afscheid met vele dankbetuigingen voor alles, wat zij voor de kinderen hadden gedaan en Cecil bracht hen naar bed, het aan den heer en mevrouw Boniface overlatende naar den tuin te gaan en aan Roy en Sigrid te vertellen, wat er was gebeurd.

„Hoe houdt Cecil zich er onder?quot; vroeg Sigrid bezorgd.

„Zeer kalm,quot; luidde het antwoord; „maar ik vrees, dat zij het zich erg zal aantrekken, dat zij zoo spoedig weggaan.quot;

Frithiof, met de pijnlijke herinnering aan hetgeen in den tuin was voorgevallen, twijfelde er aan, of mevrouw Boniface ten volle begreep, wat Cecil gevoelde. Hij verliet hen, terwijl zij spraken over de voor- en nadeelen van het leven in eene kolonie en ging aan zijn vertaalwerk; maar ofschoon hij de eigenlijke oorzaak vergat, was hij zich voortdurend bewust van een storenden invloed en zelfs, toen hij zich geheel verdiepte in zijn werk, had hij een drukkend gevoel, dat er iets niet in orde was.

Hij ging naar bed en droomde den geheelen nacht van Cecil. Haar beeld stond voortdurend voor zijn geest; soms zag hij haar achterover leunend op de tuinbank, met den narcis, die aan haar hand was ontgleden; soms zag hij

EEN STOERE NOORMAN I. 29

ocr page 472

450

haar, terwijl de kinderen zich aan haar vastklemden, zooals zij hadden gedaan In het portaal.

Van dien tijd kwam er eene groote verandering in zijne houding tegenover haar. Tot nog toe was zijne vriendschap voor haar, het moest worden erkend, meest zelfzuchtig geweest. Hij had altijd veel van haar gehouden, hij was gaarne in Eowan Tree House geweest, was gewoon geworden over allerlei dingen met haar te praten en had groote waarde gehecht aan hare meening, maar altijd had hij aan zich zelf gedacht — aan hetgeen zij voor hem kon doen, aan hetgeen hij van haar kon leeren, aan het genot dat haar pianospel, hare openhartige vriendschappelijkheid, haar ongedwongen manier van spreken hem verschafte. Niet dat hij zelfzuchtiger was dan de meeste mannen, maar zij hadden elkander eerst goed leeren kennen in een tijd, toen zijn hart zoo verlamd was door Blanche's ontrouw, zoo verpletterd door langen tegenspoed, dat hij niet in staat was te geven, maar alleen kon ontvangen en zijn voordeel doen met hetgeen zij hem kon schenken.

Maar dat was nu alles veranderd. De oude wonden, ofschoon hij, zoo lang hij leefde, er de litteekenen van zou dragen, waren inderdaad geheeld. Hij had veel doorleefd en daarbij waren de beste trekken van zijn karakter ontwikkeld. Hij had nu eene steeds toenemende waardeering van alles, wat waarlijk schoon was — van reinheid en kracht en teederheid en van die eigenschap, die het thans de mode is altruisme te noemen, maar die hij, met zijn afkeer van alle gemaaktheid, goedheid noemde.

Als hij in deze dagen aan Cecil dacht, begon hij hoe langer hoe duidelijker haar karakter te kennen. Tot nu toe had hij haar eenvoudig genomen, zooals zij zich voordeed; zij had niets in het oogvallends, niets dat zich aan een ander opdrong; indien die vreemde gebeurtenis in den tuin

ocr page 473

451

er niet was geweest, zou hij zich misschien nooit de moeite hebben gegeven, over haar karakter na te denken.

Gedurende de week, die nu volgde, sloeg hij haar gade met belangstelling en levendige sympathie. Dat zij verdriet had — ten minste verdriet, dat een ieder kon bespeuren — was iets geheel nieuws. Hunne verhouding scheen omgekeerd; als van zelf, deed hij alles, wat hij kon vermoeden, dat haar genoegen zou doen of helpen. Haar verdriet scheen hen tot elkander te brengen; hij vond hare hartstochtelijke toewijding aan de kinderen zeer schoon — want het was eene toewijding zonder de minste sentimentaliteit. Zij deed haar werk als gewoonlijk; wel gaf zij soms haar hart lucht in tranen, maar zij zorgde er voor, dat de kinderen zich niet ongelukkig gevoelden door het vooruitzicht der scheiding en maakte alles gereed, wat zij konden noodig hebben, niet alleen op reis, maar ook den eersten tijd in hunne nieuwe woning.

„Zij houdt zich kordaat!quot; dacht Frithiof bij zich zeiven, met een gevoel van bewondering. Want hij was geen man, die hulpeloosheid, of zwakte, of lafheid bewonderde; hij vond die even verwerpelijk in eene vrouw als in een man.

Eindelijk brak het uur der scheiding aan. Cecil had mede willen gaan naar het stoomschip om de kinderen te zien vertrekken, maar na eenig nadenken, besloot zij, dat het beter zou zijn, dat niet te doen.

„Het afscheid zal hen aangrijpen,quot; zeide zij, „en het is beter, dat het hier geschiedt. Dan krijgen zij den langen rit naar de dokken en in dien tijd zullen zij zich kunnen hebben hersteld en genieten van het gezicht van het schip en van al wat daar nieuw voor hen is.quot;

De heer Boniface moest erkennen, dat dit het verstandigste plan was.

In hun eigen kinderkamer, waar zij bijna vijf jaren zoo teedere zorg voor hen had gedragen, kleedde Cecil voor

ocr page 474

452

het laatst de kleinen aan. Zij borstelde G-wen's krullende haren, haalde met eene liefkozing Lance over zich te haasten, en toen niet langer hare tranen kunnende bedwingen, sloot zij beiden in hare armen.

„O, Cecil; lieve, lieve Cecil!quot; snikte Lance; „ik wil niet weggaan, ik wil niet naar het schip.quot;

Zij zat daar met de twee kinderen en de gedachte kwam bij haar op aan de onbekende wereld, die zij gingen opzoeken; aan de moeielijke toekomst, die hen wachtte; zooals zij nu waren, schuldeloos, eenvoudig en gelukkig; zou zij hen nooit weerzien?

„Blijf braaf, Lance,quot; zeide zij door hare tranen. „Beloof mij, dat gij altijd uw best zult doen om braaf te blijven.quot;

„Ik beloof het,quot; zeide de kleine knaap, haar nogmaals omhelzende. „En wij komen terug, zoodra wij groot zijn— wij komen beiden terug.quot;

„Ja, ja,quot; zeide Cecil, „gij moet terugkomen.quot;

Maar zij wist, dat hoe aangenaam het weerzien in latei-jaren mocht wezen, het niet kon zijn als nu; als kinderen en als aan hare zorg toevertrouwde kinderen zou zij hen nooit terugzien.

Het rijtuig stond voor de deur; zij hoorde zware voetstappen en wegslepen van koffers. Cecil ging met de kinderen naar beneden en na eene laatste, lange omhelzing van Lance en kussen, afgebroken door snikken van Gwen, gaf zij hen over aan hunnen vader en wendde zich af om afscheid te nemen van hun kindermeid.

„Ik zal goed voor hen zorgen,quot; zeide het meisje, zelve schreiende; „en ik zal u geregeld schrijven.quot;

Een oogenblik later was het rijtuig weggereden en Cecil bleef achter om zich, zoo goed zij kon, te schikken in een leven, dat zij maar al te goed wist, dat eenzaam zou zijn.

ocr page 475

453

NEGEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Bevrijd.

Nauwelijks was de smart der scheiding een weinig bedaard in Rowan Tree House, of er kwam een nieuwe zorg. De heer Sivertsen, die al lang had gesukkeld, was ernstig ziek geworden en gedurende drie dagen en drie nachten kon Frithiof hem niet verlaten; den derden nacht stierf de oude Noorman zacht en kalm. Tothetlaatst was hij bij zijn bewustzijn en met zijn laatsten ademtocht voer hij uit tegen de verdorvenheid van het tegenwoordig geslacht.

„Frithiof is eene zeldzame uitzondering,quot; zeide hij, zijne matte oogen op Sigrid richtende, die bij zijn bed stond. „Ik heb hem alles vermaakt, wat ik bezit. Maar de jonge lieden in het algemeen — ik wil niets van hen weten — een onwaardig, verdorven —quot;

Zijn stem begaf hem, hij zuchtte diep, nam Frithiof's hand en zonk dood in zijne kussens.

Toen het testament was geopend, bleek het dat de heer Sivertsen, die geene familie had, inderdaad zijn geheele vermogen aan Frithiof had nagelaten. Zijn testament was kort en origineel en eindigde met de woorden: „want hij is een van de weinige eerlijke en hard werkende mannen van een verachtelijk geslacht.quot;

Natuurlijk was er slechts ééne bestemming, die Frithiof aan de erfenis kon geven. Iedere stuiver werd gevoegd bij het schuldenfonds. De heer Horner hoorde het en bromde. „Wat!quot; riep hij uit, „het kapitaal aantasten; duizende ponden weggeven om schulden te betalen, die niet eens zijn eigen zijn — schulden, die zijn goeden naam niet schaden. Hij had nu geld in de zaak moeten steken, Boniface; dat zou slechts een gepast bewijs van dankbaarheid zijn geweest.quot;

„Hij heeft in de zaak gestoken, wat ik veel hooger

ocr page 476

454

schat,quot; zeide de heer Boniface, „zijn eerlijk Noorweegsch hart; en deze erfenis spaart hem menig jaar hard, afmattend werk en zorg.quot;

Toen het zomer werd, besloten zij naar Noorwegen te gaan en Frithiof deed zijn werk met zoo blijkbare verlichting en tevredenheid, dat, als zij niet eene geheime zorg had gehad, Sigrid's geluk volkomen zou zijn geweest.

Haar eigen huwelijk was zoo gelukkig, dat zij minder dan ooit kon berusten in de toekomst, die Cecil scheen te gemoet te gaan. Het geheim, dat zij had ontdekt in den tijd, dat Frithiof het ongelukkigst was, drukte haar nu zwaar; zij wenschte bijna, dat Eoy het mocht raden; maar niemand anders scheen er het minste vermoeden van te hebben en Sigrid kon er natuurlijk niet over spreken: vooreerst omdat zij Prithiofs zuster was, maar ook omdat zij gevoelde, dat zij Cecil niet mocht verraden. Indien zei de neiging had gehad, huwelijken tot stand te brengen, had zij onberekenbaar kwaad kunnen doen; indien zij eene onvoorzichtige babbelaarster was geweest, had zij misschien haar eigen doel kunnen verijdelen; maar gelukkig was zij noch het een, noch het ander en ofschoon zij soms Frithiof wel eens wakker had willen schudden, wanneer zij zag, dat hij geheel verdiept in zijn werk en voor al het andere blind was, hield zij zich stil en wachtte, hoewel ongeduldig, wat de tijd zou kunnen uitrichten. Eens, des avonds, waren broeder en zuster eenige oogenblikken alleen gedurende de pauze van een concert van dilettanten, waarvan de regeling aan Cecil was opgedragen geweest.

„Hoe vindt gij, dat het is gegaan?quot; vroeg zij, toen hij naast haar was gaan zitten.

„Uitstekend; Cecil heeft er alle eer van,quot; antwoordde hij. „Ik ben blijde, dat zij er mede was belast, want het zal hare gedachten hebben afgeleid van de kinderen.quot;

„Ja,quot; zeide Sigrid, „al wat dat kan doen, is goed voor haar.quot;

ocr page 477

455

„En toch geloof ik, dat zij in allerlei dingen belang stelt, zij is nooit ledig; zij leest veel.quot;

„Denkt gij dat boeken ooit eene vrouw als Cecil kunnen voldoen ?quot; riep Sigrid uit met een toon van minachting in haar stem.

Hij zag haar snel aan; die ongewone toon had hem getroffen en hij begreep niet, waarom zij plotseling een kleur kreeg.

„O,quot; zeide hij plagend, „gij denkt, dat ieder uw ideaal van geluk heeft en niet zou kunnen bestaan zonder een Roy en een kind, om niet eens te spreken van het huis en den tuin.quot;

„Zoo denk ik volstrekt niet,quot; betuigde zij, blijde, dat hij hare onvoorzichtige woorden niet op zich zelf had toegepast.

„Noorwegen zal haar goed doen,quot; zeide hij. „Het is het beste middel tegen alle kwalen. Kunt gij het gelooven, dat wij binnen een week waarlijk weer te Bergen zullen zijn?quot;

Sigrid zag zijne vroolijke blauwe oogen; zij dacht aan zijn moedigen strijd en zijne langdurige ballingschap en zij kon het niet van zich verkrijgen, boos op hem te zijn. Hij had bovendien in den laatsten tijd zich bijzonder er op toegelegd, Cecil genoegen te doen en hij scheen er zijn hart op te hebben gezet de Noorweegsche reis zoo aangenaam mogelijk te maken. Voor Sigrid was er een ernstig bezwaar; zij moest haar kind in Engeland achter laten; maar toch genoot zij. Mevrouw Boniface, die gedurende de zes weken van hunne afwezigheid bij eene nicht in Devonshire zou logeeren, beloofde, goed te zullen zorgen voor haren kleinzoon, van tijd tot tijd te telegrafeeren en dikwijls te schrijven. Voor den heer Boniface was het onmogelijk geweest, Londen te verlaten, maar de twee jongste leden der firma met Sigrid, Cecil en de kleine Swanhild vormden een vroo-lijk reisgezelschap; en Frithiof, eindelijk bevrijd van den last der schulden van zijn vader, scheen plotseling tien

ocr page 478

456

jaren jonger te zijn geworden. Sigrid, die zoo lang haar hoop voor Cecil had zien verijdelen door de zorgen en moeiten, welke door deze zorgen waren veroorzaakt, begon nu te vreezen, dat de bevrijding van dien last voor hem voldoende zou zijn en dat hij niets meer zou wenschen.

En zeker, sedert vele jarèn had hij niet zulk een geluk gekend als deze reis, met het heerlijk gevoel van verlichting en aangename verwachtingen. Als hij dacht aan de koortsachtige opgewondenheid van zijn reis naar IJngeland, vijf jaren geleden, was het alsof hij een ander leven achter zich zag; en zoo de wereld hem nu ernstiger en treuriger voorkwam dan in vroeger tijd, had hij ten minste geleerd dat zijn leven niet was beperkt tot enkele jaren hier op aarde en had hij een hooger geluk verworven, dat niemand hem kon ontnemen. In den nacht van Woensdag sliep hij weinig; zeer vroeg was hij op het natte, glinsterende dek, ongeduldig uitziende naar zijn vaderland. Zijn hart sprong op, toen de roode daken van Stavanger in het gezicht kwamen en hij was de eerste, die van de stoomboot sprong, veel te ongeduldig om op de anderen te wachten. Het stille stadje scheen nog te slapen; hij ontmoette bij na niemand in de eenvoudige straten met hare nette houten huizen, die hem allen bekend voorkwamen. In een roes van geluk wandelde hij voort, diep de frissche morgenlucht inademende, totdat hij de kathedraal bereikte en een oud vrouwtje in het oog kreeg, dat met een sleutel in hare hand aan de deur stond.

Hij bleef staan en knoopte een gesprek met haar aan, alleen om het genoegen te hebben zijne moedertaal weder te hooren; hij maakte haar gelukkig met een kroner en haar dankbare handdruk deed hem goed; toen ging hij, gedeeltelijk om haar pleizier te doen, de kerk binnen. In het morgenlicht was de strenge schoonheid van het oude Noordlandsche gebouw indrukwekkend; hij knielde neder.

ocr page 479

457

blijde dat hij de ongestoorde rust van de groote ruimte kon genieten, voordat een tourist er in was doorgedrongen. Het kwam hem te binnen, dat lang geleden zijns vaders laatste woorden tot hem waren geweest: „Een gelukkige terugkeer in gammle Norg;quot; dat die woorden hem lang als eène bittere spotternij hadden geklonken — eene volslagen onmogelijkheid en dat zij ten laatste op eene zeer vreemde en geheel verschillende wijze waren vervuld geworden. f Hij was teruggekeerd en in weerwil van alles, wat tusschenbeide was gekomen, was hij gelukkig.

Later op den dag, toen zij langzaam de haven van Bergen binnen stoomden, en zij de stad terug zagen, naar welke hij zoo dikwijls had verlangd, met hare geliefde, bekende huizen en torens, de schoone bergen, die haar omringen, was zijn geluk niet zonder een gevoel van smart. Want de stad was wel hetzelfde gebleven, maar hij vond er geen t'huis meer en ofschoon de heer Grönvold hen opwachtte op de kade en hen hartelijk welkom heette, voelde hij toch, dat hem iets ontbrak.

Cecil las zijne gedachten op zijn gelaat en begreep, wat hij gevoelde.

„Kom, laat ons naar de bagage gaan zien,quot; zeide z'j tot Roy; zij wilde de drie Noorwegers een oogenblik aan zich zei ven overlaten.

„Dit is anders dan toen wij den vorigen keer hier aankwamen,quot; zeide Roy vroolijk. Hij was zoo gelukkig, dat het niet was te verwachten, dat hij op dit oogenblik aan anderen zou denken; maar toen Cecil het toestemde als iets, dat van zelf sprak, vulden zich hare oogen met tranen, want zij kon niet nalaten te denken aan de omstandigheden van die eerste aankomst; aan Frithiof met zijne jongensachtige vroolijkheid en luchthartigheid; aan de vriendelijkheid en gastvrijheid van zijn vader; aan de lieve villa te Kalvedalen; aan de arme ongelukkige Blanche.

ocr page 480

458

Zij zouden allen eenige dagen bij de Grönvoids blijven logeeren en er was nu voor hen ruimte genoeg, want Karen en de oudste zoon waren getrouwd en hadden het ouderlijk huis verlaten. De ontmoeting van Sigrid en hare tante was hartelijk; alle kleine geschillen en onaangenaamheden waren vergeten; ja. den eersten avond reeds lachten zij hartelijk over haar verschil van meening over Torvald Lundgren.

„En, mijne lieve,quot; zeide mevrouw Grönvold, die als altijd breide aan eene eindelooze kous, „gij behoeft u volstrekt niet bezorgd te maken over hem, hij is zeer gelukkig-getrouwd; en ik geloof, ja, ik moet bekennen, dat hij zijn huishouden met een vaster hand bestuurd, dan u misschien zou zijn bevallen. Hij heeft een heel aardig vrouwtje, die den grond vereert, waarop hij gaat.quot;

„En dat zou ik nooit hebben kunnen doen, zooals gij weet,quot; zeide Sigrid vroolijk. „Arme Torvald! Ik ben blijde, dat hij het zoo gelukkig heeft getroffen, Frithiof moet hem gaan opzoeken. Hoe vindt gij', dat Swanhild er uitziet, tante?quot;

„Heel goed en heel lief,quot; zeide mevrouw Grönvold. „Ik zou hebben gedacht, dat zij op dezen leeftijd er minder goed zou hebben uitgezien, maar zij is even bevallig als vroeger.quot;

„Zij is een braaf, hardwerkend klein vrouwtje,quot; zeide Sigrid. „Ik heb u al verteld, dat zij niet ophield, voordat wij hadden toegestaan, dat zij bij mevrouw Lechertier zou blijven. Het zou inderdaad ook niet mooi zijn geweest, als wij haar dadelijk hadden weggenomen, nadat mevrouw zoo goed en vriendelijk voor ons was geweest. En Swanhild is zeer zelfstandig, zij zegt, dat zij een broodwinning moet hebben en dat het blijkbaar hare roeping is, dansles te geven.quot;

„En als zij groot is, wordt zij mijne huishoudster,quot; zeide Exithiof.

„Neen, neen,quot; zeide Sigrid. „Ik kan haar niet missen.

ocr page 481

459

tenzij zij gaat trouwen; met u beiden zou het nooit goed gaan. Maar ik geloof, dat Cecil met opzet wegblijft, zij is heengegaan om een brief te schrijven, zooals zij zeide, maar het is al een geheele tijd geleden. Ga haar zoeken, Frithiof en zeg haar, dat wij naar haar verlangen.quot;

Hij ging de kamer uit en vond Cecil in de eetkamer, waar zij zat te lezen.

„Hebt gij uw brief geschreven?quot; zeide hij, „wij kunnen niet langer buiten u.quot;

„Ik dacht, dat gij samen zooveel zoudt hebben te praten,quot; zeide zij, haar boek nederleggende en hare zachte, grijze oogen tot hem opheffende.

„In het geheel niet.quot; hernam hij. „Wij smachten naar muziek en zouden willen, dat gij iets zongt, indien gij niet te vermoeid zijt. Welk geleerd boek leest gij na zulk een reis? Plato?quot;

„Eene vertaling van de Phaedo,quot; zeide zij. „Hier is zulk eene merkwaardige passage over de smart, die altijd met de vreugde samengaat.quot;

„Hadden zij dat toen ook al uitgevonden ?quot; zeide Frithiof. „Lees het mij voor; want om de waarheid te zeggen, het stemt overeen met deze terugkomst te Bergen.quot;

Cecil sloeg een paar bladzijden om en las de volgende woorden van Socrates:

„Hoe vreemd is datgene, dat wij genoegen noemen en hoe merkwaardig is het verwant aan de smart, die men zou denken, dat het tegenovergestelde was; want zij komen nooit samen tot den mensch en toch is hij, die het eene zoekt, meestal gedwongen het andere te nemen. Zij zijn twee, maar zij groeien op één stam en ik denk, dat als Aesopus er op had gelet, hij een fabel zou hebben gemaakt over een god, die poogde hun strijd te verzoenen en toen hij het niet kon, hen samen bond, zoodat als het eene komt, het andere volgt.quot;

ocr page 482

458

Zij zouden allen eenige dagen bij de Grönvolds blijven logeeren en er was nu voor hen ruimte genoeg, want Karen en de oudste zoon waren getrouwd en hadden het ouderlijk huis verlaten. De ontmoeting van Sigrid en hare tante was hartelijk; alle kleine geschillen en onaangenaamheden waren vergeten; ja. den eersten avond reeds lachten zij hartelijk over haar verschil van meening over Torvald Lundgren.

„En, mijne lieve,quot; zeide mevrouw Grönvold, die als altijd breide aan eene eindelooze kous, „gij behoeft u volstrekt niet bezorgd te maken over hem, hij is zeer gelukkig-getrouwd; en ik geloof, ja, ik moet bekennen, dat hij zijn huishouden met een vaster hand bestuurd, dan u misschien zou zijn bevallen. Hij heefc een heel aardig vrouwtje, die den grond vereert, waarop hij gaat.quot;

„En dat zou ik nooit hebben kunnen doen, zooals gij weet,quot; zeide Sigrid vroolijk. „Arme Torvald! Ik ben blijde, dat hij het zoo gelukkig heeft getroffen, Frithiof moet hem gaan opzoeken. Hoe vindt gij', dat Swanhild er uitziet, tante?quot;

„Heel goed en heel lief,quot; zeide mevrouw Grönvold. „Ik zou hebben gedacht, dat zij op dezen leeftijd er minder goed zou hebben uitgezien, maar zij is even bevallig als vroeger.quot;

„Zij is een braaf, hardwerkend klein vrouwtje,quot; zeide Sigrid. „Ik heb u al verteld, dat zij niet ophield, voordat wij hadden toegestaan, dat zij bij mevrouw Lechertier zou blijven. Het zou inderdaad ook niet mooi zijn geweest, als wij haar dadelijk hadden weggenomen, nadat mevrouw zoo goed en vriendelijk voor ons was geweest. En Swanhild is zeer zelfstandig, zij zegt, dat zij een broodwinning moet hebben en dat het blijkbaar hare roeping is, dansles te geven.quot;

„En als zij groot is, wordt zij mijne huishoudster,quot; zeide Frithiof.

„Neen, neen,quot; zeide Sigrid. „Ik kan haar niet missen.

ocr page 483

459

tenzij zij gaat trouwen; met u beiden zou het nooit goed gaan. Maar ik geloof, dat Cecil met opzet wegblijft, zij is heengegaan om een brief te schrijven, zooals zij zeide, maar het is al een geheele tijd geleden. Ga haar zoeken, Frithiof en zeg haar, dat wij naar haar verlangen.quot;

Hij ging de kamer uit en vond Cecil in de eetkamer, waar zij zat te lezen.

„Hebt gij uw brief geschreven?quot; zeide hij, „wij kunnen niet langer buiten u.quot;

„Ik dacht, dat gij samen zooveel zoudt hebben te praten,quot; zeide zij, haar boek nederleggende en hare zachte, grijze oogen tot hem opheffende.

„In het geheel niet,quot; hernam hij. „Wij smachten naar muziek en zouden willen, dat gij iets zongt, indien gij niet te vermoeid zijt. Welk geleerd boek leest gij na zulk een reis? Plato?quot;

„Eene vertaling van de Phaedo,quot; zeide zij. „Hier is zulk eene merkwaardige passage over de smart, die altijd met de vreugde samengaat.quot;

„Hadden zij dat toen ook al uitgevonden?quot; zeide Frithiof. „Lees het mij voor; want om de waarheid te zeggen, het stemt overeen met deze terugkomst te Bergen.quot;

Cecil sloeg een paar bladzijden om en las de volgende woorden van Socrates;

„Hoe vreemd is datgene, dat wij genoegen noemen en hoe merkwaardig is het verwant aan de smart, die men zou denken, dat het tegenovergestelde was; want zij komen nooit samen tot den mensch en toch is hij, die het eene zoekt, meestal gedwongen het andere te nemen. Zij zijn twee, maar zij groeien op één stam en ik denk, dat als Aesopus er op had gelet, hij een fabel zou hebben gemaakt over een god, die poogde hun strijd te verzoenen en toen hij het niet kon, hen samen bond, zoodat als het eene komt, het andere volgt.quot;

ocr page 484

460

„Het is vreemd, dat in alle deze honderd jaren de men-schen hun brein hebben gemarteld om eene oplossing te vinden van het groote raadsel, dat het eene geslacht van onvoldane menschen na het andere heeft geleefd en is gestorven,quot; zeide Frithiof.

„Eene arme vrouw uit het oosten van Londen heeft mij eens, zonder dat zij het zelve wist, eene oplossing van dat raadsel gegeven,quot; zeide Cecil. „Zij was voor het eerst van haar leven buiten en zij zeide mij: „Het is hier precies het paradijs, juffrouw, en als het altijd duurde, zou het de hemel zijn.quot; quot;

Hij zuchtte.

„Wilt gij „Princessenquot; voor mij zingen?quot; zeide hij, „indien gij werkelijk niet te vermoeid zijt. Ik ben vrij wel in de stemming van die onrustige dame.quot;

En inderdaad, gedurende de dagen van zijn verblijf te Bergen kwam hem telkens het slot van dat lied in de gedachte.

„Wat mis ik dan, mijn God?quot; riep hij uit.

De zon ging droevig onder.

Hij had genoeg te doen en het betalen der schulden verschafte hem natuurlijk veel genoegen: de hartelijke begroeting zijner oude vrienden was ook een genot, maar toch was er altijd iets, dat hij miste. Want aan iedere straat, ieder uitzicht, ieder plekje van de stad was de herinnering verbonden aan zijn vader en hoe lief hij Bergen ook had, hij voelde, dat hij er niet weder zou kunnen wonen.

Zijn grootste geluk scheen te zijn, Cecil overal te brengen, en soms als hij met haar was, vergat hij het smartelijke van zijn terugkomst en hare bewondering van zijn geboortestad deed hem zoo goed, dat hij het akelig verlangen naar de tegenwoordigheid van zijnen vader niet langer voelde. Zij gingen naar Nestun en wandelden in debosschen;

ocr page 485

461

zij lieten Cecil de oude houten kerk van Fortun zien; zij hadden eene vroolijke buitenpartij te Fjessanger en bezochten 's morgens vroeg de vischmarkt te Bergen, opdat Cecil dat schilderachtig tooneel zou genieten met de verweerde visschers; de afdingende vrouwen met hare blikken emmers; de booten beladen met glinsterende visschen. Herhaalde malen wandelden zij de schoone fjeildveien op, om het wonderlijk fraaie gezicht te hebben op de stad, de haven en de meren. Maar misschien speet het niemand, dat zij Bergen verlieten om over zee hun reis voort te zetten naar Molde en vandaar naar Naes.

Het was laat op een avond, toen zij het Romsdalsfjord instoomden. De groote Eomsdalshorn verhief zijn donker hoofd in de stille lucht en overal scheen vrede te heer-schen. Er waren slechts enkele passagiers op de stoomboot; Prithiof en Cecil stonden alleen op den voorplecht en genoten zwijgend van het schoone gezicht.

Duizend gedachten verdrongen elkander in Prithiof's hoofd; de eerste blik op den Eomsdalshorn had hem de groote crisis van zijn leven te binnen gebracht; in vreemde tegenstelling met deze vreedzame omgeving had hij een vizioen van eene drukke Londensche straat; in nog vreemder tegenstelling met zijn tegenwoordig lot dacht hij in het verleden aan de hopelooze ellende, het doodsgevaar, den strijd, dien hij had doorstaan, aan het toeval, dat hij had stilgestaan voor den winkel van den kunstkooper, waar hij de schilderij van de bergen van zijn geboorteland had gezien. Toen dacht hij er aan, hoe hij voor het eerst in Rowan Tree House was gekomen op dien somberen Novemberavond; en hij dacht aan zijn droom van de dieren en de steile berghelling en de geopende deur met de Madonna en het kind in een schitterend licht Juist op dit oogenblik rees boven de donker purpere bergen de groote goud-roode-maan. Het was een gezicht om nooit te

ocr page 486

462

/

vergeten en de glans en het licht, die over de geheele omgeving werden geworpen, waren onbeschrijfelijk. Veblungs-naes met zijn drukken houten stijger en donkere huizen, in welke hier en daar een lichtje glom; de Romsdalshorn met zijn hoogen top en de schoone vallei, zich badende in de nevelachtige helderheid en den mistigen glans-, die alleen de opgaande maan kan teweegbrengen.

Frithiof wendde zich om en zag Cecil aan.

Zij had haren hoed afgenomen om beter te genieten van de zachte avondkoelte, die hare blonde haren streelde; haar blauw kleed had een tint, die „nieuwquot; wordt genoemd, maar veel gelijkt op het oude blauw, waarin de schilders altijd gaarne de Madonna hebben voorgesteld; haar gelaat was zeer rustig en kalm; het zachte avondlicht bescheen haar met wonderschoonen glans.

„Gij kunt nooit weten, hoe veel ik u ben verschuldigd,quot; riep hij plotseling uit. „Zonder dat alles, wat gij voor mij hebt gedaan, had ik dezen avond onmogelijk hier kunnen zijn.quot;

Zij had in de richting van Veblungsnaes gezien, maar nu keerde zij zich tot hem met een oogopslag, zoo schoon, zoo vol gelukkige verrukking, dat een nieuw leven in hem scheen te worden gewekt. Hij was zoo verrast door de kracht van den hartstocht, die zich van hem meester maakte, dat hij een oogenblik haast niet kon gelooven, dat hij waakte; dit tooverachtige avondlicht, deze prachtige fjord met de bergen, die hij zoo goed kende, konden wel den achtergrond vormen van een droom; en Cecil sprak niet tot hem; zij had hem slechts dien eenen blik en een glimlach geschonken en nu stond zij naast hem, alsof tusschen hen woorden overbodig waren.

Hij was blijde, dat zij zweeg, want hij vreesde, dat iets hem zou doen ontwaken en hem zou terugbrengen in het droeve, kille verleden, — het verleden, waarin hij zoo

ocr page 487

463

lang had geleefd met zijn hart half gestorven, alleen staande gehouden door het voornemen de eer zijns vaders te herstellen. In dien toestand terug te keeren zou vreeselijk zijn; bovendien, zijn levensdoel bestond niet meer. De schulden waren betaald; zijn werk was gedaan en nog lag een geheel leven voor hem.

Zou het een leven zijn, geheel aan het doen van zaken gewijd — een onafgebroken verplicht werk? of was het mogelijk dat de liefde haar glans en haar heerlijkheid zou werpen op het alledaagsch bestaan — dat ook voor hem dat onmetelijk geluk, waaraan hij nog nauwelijks kon ge-looven, zou aanbreken?

En de stoomboot gleed voort in den maneschijn over het kalme water en naderde Veblungsnaus, waar een hoop menschen haar aankomst, de groote gebeurtenis van den dag, afwachtte. Een plotselinge schrik beving Frithiof, dat iemand naar voren zou komen en de betoovering zou verbreken, die hem bond en toen schonk die vrees hem de overtuiging, dat dit geen droom, maar werkelijkheid was. Cecil was naast hem en hij had haar lief — een nieuw leven was voor hem aangevangen. Hij had haar lief en vreesde voor alles, wat dat vreemde gevoel van nabijheid zou kunnen storen, de zaligheid van het bewustzijn, dat eensklaps de geheele wereld voor hem had veranderd.

Maar niemand kwam. Nog stonden zij daar — naast elkander — en de stoomboot bewoog vreedzaam zich voort, haar zilveren kielzog ver zichtbaar op de stille fjord, totdat het schuitje, dat hen te Naes aan land zou brengen, naderde. Hij wenschte, dat zij nog uren lang waren voort gegaan, want vooralsnog was het bewustzijn van zijn eigen liefde hem genoeg; hij verlangde niets meer dan de verrukking van te leven na dood te zijn geweest — van het licht na de duisternis. Toen het niet langer mogelijk was in die vreemde kalmte te blijven, ging hij, als iemand die

ocr page 488

464

maar half wakker ia, naar de bagage zien en kort daarna was hij, verward en zich vreemd gevoelend in zijne omgeving, aan den wal, waar de heer Lossius, de logementhouder, stond om hem welkom te heeten.

„Waar is het logement?quot; vroeg Eoy.

En de heer Lossius antwoordde in het Engelsch met een vreemden tongval: „Daar is het, mijnheer — dat huis vlak onder de maan.quot;

„Hebt gij ooit zulk eene dichterlijke aanwijzing gehoord?quot; zeide Cecil glimlachend, toen zij samen den weg op gingen.

„Zij past goed bij dezen avond,quot; zeide Frithiof. „Ik ben blijde, dat hij niet zeide: „Eerste straat rechts, dan de tweede links en dan recht uit,quot; zooals een Londenaar zou hebben gedaan.quot;

Maar het „huis onder de maanquot;, ofschoon goed genoeg ingericht, bleek geene goede plaats om te slapen te zijn. Den geheelen nacht lag Frithiof helder wakker en eindelijk, toen het hem verveelde langer te zien naar het hert, dat op het gordijn was geschilderd, haalde hij het op en lag nu te staren naaiden donkeren Eomsdalshorn, want het bed was tegen het venster geplaatst en daaruit had men een schoon uitzicht.

Hij kon aan niets denken dan aan Cecil, aan het vreemde, nieuwe gevoel, dat zich zoo plotseling van hem had meester gemaakt, aan het wonder, dat hij haar zoo lang en zoo goed had gekend, maar nu eerst de schoonheid had begrepen van haar karakter, hare teedere, vrouwelijke zachtheid, haar kalme kracht, haar standvastigheid. Toen rees een benauwde zorg op, die den slaap nog meer verdreef. Het was hem niet meer genoeg, dat hij zijne liefde had ontdekt. Hij ging zich afvragen, of het waarschijnlijk was, dat zij hem kon liefhebben. Zij kende zijn geheele leven, zijne tekortkomingen — zou zij ooit zijne liefde willen aannemen?

Hij verviel in diepe neerslachtigheid, maar de herinnering aan dien zoeten, levendigen blik, dien zij hem had geschonken.

ocr page 489

465

als antwoord op zijne onstuimige uitbarsting van dankbaarheid, stelde hem gerust; en toen hij des morgens aan het ontbijt haar ontmoette, werd zijn vrees getemperd en zijn hoop gesterkt, niet door iets, wat zij deed of zeide, maar alleen door hare tegenwoordigheid.

Hetzij Sigrid giste, hoe het was gesteld en daarnaar hare beschikkingen maakte, hetzij het toeval was, het kwam zoo uit, dat het grootste gedeelte van dien dag, toen hij door het schoone Romsdal reisde, Frithiof en Cecil samen waren.

„Wat zult gij doen?quot; dacht Cecil bij zich zelve, „wanneer dit voorbij is? Hoe zult gij wederkeeren tot uw gewone leven na deze reis?quot;

Maar ofschoon zij op die wijze trachtte haar genoegen te verminderen — zij slaagde daarin niet. De zorgen der toekomst konden haar niet kwellen. Zij kon zich nu die niet duidelijk voorstellen; zij zou het tegenwoordige, dat haar toebehoorde, genieten, hare lange gesprekken met Frithiof, het heerlijk gevoel van kameraadschap met hem, het gemeenschappelijk bewonderen van het schoone dal.

Zoo reden zij voort, voorbij Aak, met zijne prachtige boomen en zijn kabbelend water, voorbij den hoogen Romsdalshorn, voorbij den Troltenderne, wiens scherpe lijnen als de kanteelen en torens van eene betooverde stad zich aftee-kenden tegen den blauwen hemel. Des middags bereikten zij Horgheim, waar zij zich hadden voorgesteld den nacht door te brengen. Frithiof was in eene stemming om alles mooi te vinden; hij bewonderde zelfs het posthuis, dat er vrij kaal uitzag — een breed, bruin houten huis met een hooge trap er voor en banken aan belde zijden. In de deur zat een fraai gevlekte kat, die hij verzekerde reeds te hebben gezien, toen hij vroeger in Romsdal was geweest.

„Dat kan zeer waar zijn,quot; zeide de vrouw des huizes, „want wij hebben haar al veertien jaar.quot;

30

EEN STOERE NOORMAN. I.

ocr page 490

466

Ieder wilde nu de bejaarde kat van nabij zien.

„Hoe heet zij?quot; vroeg Cecil in het Noorsch.

„Zij heet Mons,quot; zeide de vrouw, „Mons Horgheim.quot;

Zij lachten allen om de kat, die een familienaam had, toen gingen zij uiteen om kamers te kiezen. Cecil en Swanhild kozen eene, die over eene met gras begroeide glooiing uitzag op de rivier. De Kauma is daar zeer kalm, met een donker groene kleur; daarachter waren kale, grauwe bergen en de moraine van een gletscher, hier en daar met wilgen en jeneverboomen. Een half dozijn huisjes, welker daken met mos waren begroeid, lagen aan den voet van den berg, omringd van geurig hooiland en enkele plekjes goudgeel graan.

Zij aten 's middags vroolijk zalm en aardbeziën met room en daarna werd een wandeling voorgeslagen. Cecil ging niet mede; zij moest brieven schrijven naar huis en zoo kwam het, dat Sigrid en Frithiof, wat in deze dagen niet dikwijls het geval was, kalm samen konden praten.

„Wat hindert u, beste jongen?quot; zeide zij, want nadat zij Horgheim hadden verlaten bespeurde zij, dat hij ernstig en afgetrokken was geworden.

„Niets,quot; zeide hij met een gedwongen lach. Maar ofschoon hij op zijne gewone manier trachtte te praten en haar te plagen, wist zij, dat hij iets op zijn hart had en, half hopend, half vreezend, poogde zij nogmaals zijn vertrouwen te winnen.

„Laat ons hier wat rusten in de schaduw,quot; zeide zij en zette zich gemakkelijk neder onder een boom. „Roy en Swanhild stappen zoo hard door, dat wij hun het eerste gezicht van Mongefos zullen gunnen.quot;

Hij wierp zich naast haar op het gras en beiden zwegen een poos.

„Gij hebt van nacht niet geslapen,quot; zeide zij eindelijk.

„Hoe weet gij dat?quot; zeide hij, even kleurende.

ocr page 491

467

„O, ik zie het aan uw voorhoofd. Gij hebt over iets getobd. Kom, beken maar.quot;

Hij ging zitten en begon gejaagd te spreken.

„Ik moet u een vraag doen,quot; zeide hij in het dal starend en hare oogen ontwijkend. „Gelooft gij, dat een man aan eene vrouw eene liefde mag aanbieden, die niet zijn eerste hartstocht is?quot;

„Er is een tijd geweest, dat ik het niet geloofde,quot; zeide Sigrid; „maar toen ik ouder werd en alles beter begreep, kwam het mij anders voor. Ik geloof, dat er weinig huwelijken in de wereld zouden zijn, indien wij zulk een regel stelden; en eene vrouw, die waarlijk lief heeft, zal niet aan eigenliefde of jaloerschheid denken.quot;

Hij wendde zich om en zag haar in de oogen.

„En als ik aan Cecil vertelde, dat ik haar liefheb, denkt gij dan, dat zij ten minste naar mij zou luisteren?quot;

„Ik zeg niet „jaquot; en ik zeg niet „neenquot; op die vraag,quot; zeide Sigrid, eensklaps zich voor over buigende en hem een kus gevend — eene liefkoozing, die in Noorwegen tusschen broeder en zuster zeer zelden is. „Ik zeg alleen: „Waag het.quot;quot;

„Gij gelooft dus — ?quot;

„Ik geloof in het geheel niets,quot; zeide zij lachend. „Goeden dag; ik ga de anderen tegemoet en gij — gij gaat terug naar Horgheim. Adjö.quot;

Zij wuifde hem toe met haar hand en verwijderde zich snel. Hij zag haar na, zoolang hij kon en bleef toen op het gras zitten denken. Zij had hem niets verteld, maar toch had zij hem een gevoel van rust en vrede gegeven.

Eindelijk stond hij op en keerde terug in het dal.

30*

ocr page 492

468

VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Amor vincit.

De namiddag was niet zoo helder als de ochtend was geweest, maar had toch eene eigenaardige schoonheid, die Frithiof sterk trof. Het blauw des hemels was in zacht paarlgrijs veranderd;, aan alle zijden verrezen ernstige, majestueuze bergen tegen den bleeken achtergrond; groote vlokken mist hingen aan hunne zijden of verborgen gapende afgronden en schenen van het dal een groot amphitheater te maken. De grijze en roode rotsen hadden een zachten tint door het getemperd zomerlicht. Hier en daar schitterde de blanke sneeuw koud in lange, diepe spleten of in breede kloven, waar zij van het eene jaar in het andere, ongesmolten door regen of zon, bleef. Aan iedere zijde van den weg stonden pijnboomen, terwijl heel in de verte de Mongefos met zijn eindeloos gedruisch van vele wateren werd gehoord. Geen ander gedruisch was te hooren, behalve het zachte klinken der bel aan den nek der koeien en een enkele maal het gezang van een vogel.

Plotseling bespeurde hij een eind verder op den weg eene slanke gestalte, leunende tegen een hek, de plooien van een blauw kleed, den glans van lichtbruin haar. Zijn hart begon onstuimig te kloppen en Cecil, voetstappen hoorende, zag op.

„Ik heb mijne brieven geschreven en wilde nu op verkenning uitgaan,quot; zeide zij, toen hij haar had bereikt. „Zijt gij terug gekeerd?quot;

„Ja,quot; zeide hij, „ik ben terug gekeerd tot u.quot;

Zij zag hem vragend aan, verrast door zijn toon, maar voor zijn vurigen blik sloeg zij hare oogen neder en een zachte gloed verspreidde zich over haar gelaat.

ocr page 493

469

„Cecil,quot; zeide hij, „herinnert gij u, wat gij jaren geleden hebt gezegd van raenschen, die hard werkten om fortuin te maken, dan stil gingen leven en zich ongelukkig gevoelden, omdat zij niets hadden te doen?quot;

„O ja,quot; zeide zij, „ik herinner het mij zeer goed; ik heb er dikwijls voorbeelden van gezien.quot;

„Zoo is het nu met mij,quot; ging hij voort. „Mijn taak schijnt te zijn volbracht en ik sta op den drempel van een nieuw leven. Gij waart het, die mij in mijn oude leven van den ondergang hebt gered — wilt gij mij nu ook helpen?quot;

„Denkt gij waarlijk, dat ik dat kan?quot; zeide zij.

Hij zag hare zachte oogen, haar rein gelaat en hij wist, dat zijn leven in hare hand lag.

„Ik weet het niet,quot; zeide hij ernstig. „Het hangt er van af, of gij mij kunt liefhebben — of gij toestaat, dat ik u mijne liefde beken.quot;

Hij zweeg, gedeeltelijk omdat de Engelsche woorden niet snel genoeg wilden komen, gedeeltelijk omdat hij hoopte op een teeken van aanmoediging.

Zij zag hem aan met een gelaat, dat glansde van hemelsch licht.

„Er moeten nooit geheimen zijn tusschen ons,quot; zeide zij eenvoudig. „Ik heb u lief gehad, sedert gij het eerst bij ons zijt gekomen — jaren geleden.quot;

Wat bekommerde het Frithiof, dat zij aan den grooten weg stonden — hij had alle besef van tijd en plaats verloren — de wereld bevatte voor hem alleen de vrouw, die hem lief had — de vrouw, die duldde, dat hij haar in zijne sterke armen sloot — dat hij haar lief gelaat tegen het zijne drukte.

En uit de verte kwam nog het gedruisch van vele wateren en het zachte geluid der koe bellen en het gezang der vogels. De ernstige, grauwe bergen schenen sterke, goede vrienden te zijn, die hen beschermden tegen de wereld buiten hen, maar zij waren zoo geheel vervuld van

ocr page 494

470

elkander, dat zij geene gedachte over hadden voor iets anders.

„Met u heb ik den moed, het leven opnieuw te beginnen,quot; zeide hij na een poos. „Het recht te hebben, u te beminnen — altijd met u te zijn — dat is voor mij alles.quot;

Toen dacht hij aan hare openhartige bekentenis en hij trachtte een weinig beter de bestiering zijns levens te begrijpen en de gedachte, dat die treurige jaren voor hem en voor Cecil niet nutteloos waren voorbijgegaan, sterkte hem. Hij kon er volstrekt niet aan twijfelen, dat hare reine, zelfopofferende liefde hem tallooze malen had behoed voor kwaad; dat gedurende zijn geheele leven in Engeland, met zijn harden strijd en bitter lijden, hare liefde, zonder dat hij het wist, hem had behoed en dat zijn leven, rampzalig gemaakt door de trouweloosheid eener vrouw, ook door eene vrouw was gelukkig geworden. Het oude ziekelijke verlangen naar den dood was verdwenen — hij wenschte nu te leven om met haar te zijn, voor haar te werken, de zorgen van haar af te wenden; naar zijn beste vermogen aan te vullen, wat haar ontbrak.

„Ik zal een postscriptum moeten voegen bij mijn brief,quot; zeide Cecil met dien opgewekten glimlach, dien hij zoo gaarne op hare lippen zag. „Hoe echt vrouwelijk! Wij zeggen namelijk in Engeland, dat het postscriptum van eene vrouw het belangrijkste gedeelte van haar brief is.quot;

„Zullen uw vader en uwe moeder u ooit aan mij willen afstaan?quot; zeide Frithiof.

„Zij zullen zeker gaarne u tot zoon hebben,quot; hernam zij.

„En de heer en mevrouw Horner?quot; vroeg Frithiof ondeugend.

De gedachte aan hun verontwaardiging deed Cecil lachen.

„Nu,quot; zeide zij, „zij hebben op mij altijd even veel aan te merken gehad als op u; misschien zullen zij vinden, dat wij goed bij elkander passen.quot;

ocr page 495

471

„Ik ben benieuwd, of Swanhild hetzelfde zal zeggen,quot; zeide Prithiof glimlachend; „daar komt zij alleen aan loopen. Wilt gij bij de rivier wachten en mij haar het goede nieuws laten vertellen?quot;

Hij ging den weg op, zijne zuster te gemoet, die, ofschoon zij in jaren en in lengte was toegenomen, nog veel kinderlijks had behouden.

„Hoe komt het, dat gij alleen zijt?quot; zeide hij

„O, met die twee is er geen aardigheid aan,quot; zeide Swanhild. „Als Eoy en Sigrid uit zijn, zijn zij precies verliefden; daarom ben ik maar bij u terug gekomen.quot;

„Wat zult gij dan wel zeggen, als ik u vertel, dat ik verloofd ben,quot; zeide hij lachend.

Zij zag hem ongerust aan.

„Dat zegt gij maar om mij te plagen,quot; hernam zij.

„Volstrekt niet; ik zeg u de zuivere waarheid. Nu, wenscht gij mij geen geluk?quot;

„Maar met wie zijt gij dan verloofd?quot; vroeg Swanhild verbijsterd. „Misschien met Madale? Och, wat een naren tijd hebt gij daarvoor uitgekozen! — wij zullen niets meer aan u hebben. Mij dunkt, gij hadt wel kunnen wachten, totdat wij van de reis waren terug gekeerd.quot;

„Misschien had dat kunnen geschieden, indien gij vroeger hadt gesproken,quot; zeide Frithiof met spottende beleefdheid, „maar nu komt gij te laat — het is gebeurd.quot;

„Nu, ik houd Cecil nog om mede te praten; dus eigenlijk doet het er niet veel toe,quot; zeide Swanhild genadig.

„Maar ongelukkig is zij ook al verloofd,quot; zeide Frithiof, met innig genoegen het verbaasde gezichtje gade slaande en bespeurende, dat het plotseling verhelderde.

„Gij zijt toch niet—quot; begon zij weifelend.

„Ja, ja,quot; zeide Frithiof, „gij hebt het geraden. Kom!quot; en hij trok haar mede over de glooiing naar de rivier. „Ik zal alles, wat gij hebt gezegd, aan Cecil over vertellen.quot;

ocr page 496

472

Cecil kwam hen te gemoet en lachend riep hij haar toe: „dit zelfzuchtige kind wenschte dat wij het hadden uitgesteld tot na de reis om haar genoegen niet te storen.quot;

„Neen, neen!quot; riep Swanhild met uitgebreide armen naar Cecil toeloopende. „Ik wist in het geheel niet, dat hij verloofd was met u — en gij zult niet zoo vervelend en mal zijn en altijd in hoekjes apart zitten.quot;

Over deze naïeve felicitatie lachten zij zoo hartelijk, dat Mons Horgheim, de kat, die voor het huis lag te slapen, wakker werd en na zich een paar malen te hebben uitgerekt, naar de rivier stapte om te zien wat er gaande was en de in veertien jaren saamgegaarde wijsheid te pas te brengen.

„Nu, goed dan!quot; zeide Swanhild met eene grappige beweging, „er blijft dus voor mij niets over als, zoo zij in Italië zeggen, t'huis te blijven en op de kat te passen.quot;

Zij pakte de verbaasde Mons op en huppelde weg om de eerste te zijn, die het goede nieuws aan Roy en Sigrid vertelde.

„Het is inderdaad goed bedacht,quot; zeide zij tot groot vermaak van de anderen. „Wij verliezen Frithiof niet. hij behoeft slechts in Rowan Tree House te gaan wonen.quot;

En zoo werd het later inderdaad geschikt, zoodat het huis, dat voor Frithiof een toevlucht was geweest in zijnen treurigsten tijd, zijn woning werd in de tijd van zijn geluk.

Hij was niet in eens het volle licht en het blijvend geluk deelachtig geworden. Zeer langzaam, zeer geleidelijk was het leven, dat in duisternis was gedompeld geweest, in het zwakke schemerlicht gekomen, terwijl hij kampte om zijn vaders goeden naam te herstellen; allengs was de morgenschemering helderder geworden en, soms geholpen, soms gehinderd door de menschenlevens, die met het zijne waren in aanraking gekomen, had eindelijk helderder licht hem omgeven, totdat na lang wachten de zon waarlijk was opgegaan.

Zooals Swanhild had voorspeld, waren zij geene verliefden,

ocr page 497

473

die alleen aan zich zeiven dachten en wel verre, dat zij de reis vervelend maakten, droeg hun geluk er toe bij, dat allen nog meer er van genoten.

Cecil zou niet hebben kunnen zeggen, welk gedeelte voor haar het genotrijkst was — de terugkeer naar Molde en het bezoek van den kleinen goudsmidswinkel, waar zij twee eenvoudige gouden verlovingsringen uitzochten, zooals die in Noorwegen worden gedragen, of de vroolijke tocht naar den Geiranger, of de stille dagen te Oldören, in dat liefelijk dal, waar de rivier in vele kronkelingen zich langs oevers wendt, die dicht met boomen zijn begroeid en de hooge wal van steile, met sneeuw bedekte toppen van de Cicilien-krona, haar eigen berg, zooals Frithiof zeide, zich verheft.

Het was te Oldören, dat zij voor het eerst een der aardigste tooneelen in Noorwegen zag — een boerenbruiloft. De knappe bruid, Pernella, met hare verguld zilveren kroon en bruidssieraden, beviel haar buitengewoon; en Frithiof, die toevallig den speelman bij het hek van het kerkhof zag staan, haalde hem in het logement, waar eene algemeene danspartij begon. Anna Rasmusen, de handige en vriendelijke herbergierster, voerde den spring-dans uit met Halfdan, den gids. Uit het gehucht werden dansers bijeen gehaald voor de hailing en de vrouwen vertoonden de jelster en de tretur.

Eindelijk was de geheele bevolking komen kijken en Johannes en Pernella, de bruidegom en de bruid, drongen door de menigte, ieder met een beker in de hand; zij naderden de vreemden, drukten hun de hand en verzochten hun op hunne gezondheid te drinken. Er was een eigenaardige eenvoudigheid en bekoorlijkheid in dat alles. Zulk een schouwspel had men in geen ander land dan Noorwegen kunnen genieten, waar geen valsche standaard van waarde wordt erkend en wederkeerige achticg en gelijke rechten allen in ware broederschap verbinden.

Den dag na de bruiloft brachten zij door op den Briddals

ocr page 498

474

gletscher; zij roeiden samen op het meer, maar later verstrooiden zij zich. Frithiof en Cecil wandelden samen vooruit naar het schoone dal.

„Er zal spoedig een rijweg zijn naar dezen gletscher,quot; zeide Frithiof, „maar ik ben blijde, dat zij er pas aan zijn begonnen en dat wij nog dit ruwe pad hebben.quot;

En Cecil was er ook blijde om; zij vond het klimmen en klauteren prettig: zij vond het aangenaam den sterken steun te voelen van Frithiofs hand, als hij haar over rotsen en steenen hielp. Eindelijk, na eene lange wandeling, bereikten zij eene grasrijke vlakte met boomen, tusschen welke een beek vloeide; verderop glansde de Brixdalsbrae wit door de boomen, met hier en daar blauwe schaduwen, die zelfs op dien afstand in het ijs zichtbaar waren.

„Dat is als het land Beulah,quot; zeide Cecil glimlachend; „en de gletscher is de hemelsche stad. Hoe schoon zijn die gebroken kanteelen van ijs!quot;

„Zie eens die twee kleine stroompjes, die zoolang naast elkander loopen en eindelijk zich vereenigen,quot; zeide Frithiof; „zij zijn een beeld van ons leven. Vele jaren zijt gij met mij, zooals wij zeggen, fortrölig geweest.quot;

„Wat wil dat zeggen?quot; vroeg zij.

„Het is onvertaalbaar,quot; zeide hij. „Het is iets, waarin men vertrouwen stelt, maar nog veel meer bovendien. Het beteekent precies, wat gij altijd voor mij zijt geweest.quot;

Cecil bezag het ruikertje van vergeet-mij-nietjes en lelietjes van dalen — Noorwegen's nationale bloemen, van welke Frithiof haar altijd voorzag — en de herinnering aan al wat zij in die vijf jaren had geleden, maakte haar tegenwoordig geluk nog grooter.

„Ik zou gaarne willen,quot; zeide zij, „dat signor Donati wist, hoe gelukkig wij zijn; hij was de eerste, die u begreep quot;

„Ja, ik moet hem schrijven,quot; zeide Frithiof; „er is niemand aan wien ik grooter verplichting heb.quot;

ocr page 499

475

Hij zweeg en verzonk in gedachten over het leven en het karakter van den Italiaan en over zijn eigen verleden.

„Hoor eens,quot; zeide hij eindelijk, „er is iets wat gij voor mij moet doen. Ik wenseh, dat gij mij weer eene aangename herinnering aan de Sogne verschaft. Laat ons op de terugreis Bal holm aandoen.quot;

En zoo kwam het, dat zij zich eens op een dag weder op het fjord bevonden, dat zij zich zoo goed herinnerden en toen zij na het middagmaal op het dek kwamen, konden zij de voornaamste plaatsen uit de Frithiof sage zien.

„Zie! zie!quot; zeide Frithiof, „daar recht voor ons in de verte is Kinnafos, als een witte streep op de zwarte rots; en daar, rechts, is Framnaes!quot;

Cecil stond naast hem op het dek en allengs konden zij alles duidelijker onderscheiden. Zij zagen het kleine, begroeide schiereiland, de fraaie bergen om het Fjaerlands fjord, Munkeggen met veel meer sneeuw dan bij hun vorig bezoek, daarna koning Bele's graf en de verspreide huizen met roode pannen daken en het bekende logement, een weinig vergroot, dat honderde herinneringen bij hen opwekte.

In ernstige gedachten verzonken, zag Frithiof naar het kleine plaatsje en Munkeggen. Het was een schouwspel, dat door vreugde in zijn herinnering was geteekend en door smart was ingebrand. Cecil kwam een weinig nader bij hem en ofschoon geen woord tusschen hen werd gewisseld, dachten zij beiden aan eene, die voor altijd was verbonden aan de herinnering aan de vroolijke dagen, die zij lang geleden in het huis van Ole Kvikne hadden doorgebracht. Geene verontwaardiging kwam bij hen op, toen zij aan haar dachten, maar leedwezen en medelijden en belangstelling. Zij hadden wel willen weten, hoe het haar ging in de verre Zuid-Zee, waar zij poogde een nieuw leven te beginnen, waarop toch tot het einde de schaduw van het oude moest vallen. En Frithiof dacht ook aan zijnen vader,

ocr page 500

476

aan zijn eigen jeugd, aan de zorgeloosheid en vreugde, die zoo plotseling waren verdwenen en als ware hij uit de dooden opgestaan, gleed hij voorbij den vlaggestok en de grijze rotsen en de boomen, die getuigen waren geweest van zijn afscheid van Blanche. Een vreemd en geheel onbeschrijfelijk gevoel kwam over hem, maar het was spoedig verdwenen. Er was een schakel, die gelukkig voor hem het verleden met het tegenwoordige verbond — eene herinnering, die door niets kon worden verduisterd — op de kade ontdekte hij den nooit vergeten vriendelijken logementhouder, Ole Kvikne en zijn broeder Knut.

„Zie!quot; riep hij glimlachend, „daar zijn de Kvikne's en zij lijken geen dag ouder; wij moeten zien, of zij ons nog kennen!quot;

Of zij hen nog kenden. Natuurlijk deden zij dat! Er kwam geen einde aan het buigen en handen geven. Zij hadden al van Frithiof gehoord en wisten, hoe edelaardig hij den goeden naam zijns vaders had hersteld. Zij verheugden zich, hem weder te zien.

„Laat mij het genoegen hebben, Kvikne, u voor te stellen aan mijn meisje, die langen tijd geleden ook bij u heeft gelogeerd,quot; zeide Frithiof en hij nam Cecil's hand en legde haar in die van den logementhouder..

Aan de hartelijke gelukwenschen van Ole en Knut Kvikne maakte eerst de scheepsbel een einde, die de reizigers waarschuwde, dat zij zich moesten haasten, aan boord te komen.

„Wij komen terug,quot; zeide Frithiof. „Een volgenden zomer komen wij bij u logeeren.quot;

„Ja,quot; zeide Cecil. „Er is maar één Barnholm. Ik had vergeten hoe mooi het was.quot;

Toen zij wegvoeren, lieten zij het plaatsje zich badende in den zonneschijn. Zij hielden hunne oogen er op gevestigd, totdat een bocht in het fjord het aan het gezicht onttrok.

Frithiof stond in gedachten.

ocr page 501

477

Welk een rol had die eerste, hartstochtelijke liefde in zijn leven gespeeld? Ja, zij was hem tot een vloek geweest — zij had hem neergestort in een afgrond van wanhoop, zij had hem op den rand der zonde gebracht; zij had zijn leven verbitterd en zijn hart van een gereten. Maar een volmaakter liefde was hem bestemd geweest — een hartstocht, niet zoo opbruischend, maar veel teederder; minder heftig, maar veel duurzamer; gedurende alle die jaren had Cecil's hart hem toebehoord, al had hij het niet gegist.

Als op eene schilderij zag hij alle perioden, die hij had door loopen — de verrukking van het physiek bestaan; de ondragelijke vernedering van Blanche's trouweloosheid; de pijn der verlatenheid; de schaamte over het faillissement; de lange inspanning om de schulden te betalen; de langzame terugkeer van zijn geloof in menschen; de moeielijke weg langs welken hij tot een duidelijker inzicht was gekomen van het Onzienlijke, waaraan hij vroeger geene behoefte had gehad; en eindelijk deze liefde, die in zijn leven was ontsprongen als een fontein om zijn prozaïsch dagwerk tot een heerlijke vreugde te maken.

De avond was gevallen, toen zij te Sogndal de stoomboot verlieten, maar zij waren geen van allen in eene stemming om dadelijk ter ruste te gaan en inderdaad was het weder zoo warm, dat zij dikwijls er de voorkeur aan gaven, na het avondeten de reis voort te zetten. Zij besloten dus verder te gaan naar een zeer eenvoudig plaatsje, Hillestad genaamd, daar eenige uren te slapen en vandaar naar Lyster fjord. Cecil, die beter voetgangster was dan Sigrid en Swanhild, zou met Frithiof daar heen wandelen; de anderen namen een stolkjaerre en een carriool en gingen vooruit met de bagage.

De verloofden gingen vlug langs het fjord, maar wandelden langzaam, toen zij den langen zandheuvel hadden

ocr page 502

478

bereikt; de avond was stil en de hemel wolkeloos; boven hen verhieven zich hooge rotsen, gedeeltelijk door struiken bedekt en de lucht was vol van den geur der pijnboomen. Zij waren dicht bij St. Olafs bron, waar sinds onheugelijke tijden het landvolk komt drinken en om genezing van ziekte bidden.

„Vindt gij niet, dat wij op onze toekomstige gezondheid moeten drinken?quot; zeide Frithiof.

Hij glimlachte, maar toch zag zij in zijne oogen nog de droeve uitdrukking, die over hem was gekomen, toen zij Balholm naderden.

In zijn volmaakt geluk herinnerde hem nog de gedachte, dat hij Cecil niet de onverzwakte gezondheid kon aanbieden, die hij eens had genoten. Hij wist dat het verleden sporen had nagelaten, die aan deze zijde van het graf niet konden worden uitgewischt en dat Blanche's trouweloosheid in zekeren zin een schaduw moest werpen op Cecil's leven. Dat was hard, vernederend.

Cecil kende hem zoo goed, dat zij dadelijk zijne gedachten raadde.

„Zie die kleine kruisen eens in het mos op de rots!quot; riep zij uit, toen zij de steilte waren opgeklommen. „Hoevele honderden jaren zou die gewoonte al hebben bestaan? Hoevele menschen, met zorgen beladen, zijn hier al komen drinken?quot;

„En hebben niets gewonnen met hun bijgeloof,quot; zeide Frithiof.

„Het was bijgeloof,quot; zeide zij peinzend. „En toch hebben misschien het gezicht van het kruis en het drinken van het water hun nieuwe kracht gegeven om hun lijden te dragen. Wie weet — misschien zijn sommigen heengegaan, verzoend met hun lijden.quot;

Hij antwoordde niet, hare woorden hadden ernstige gedachten in hem opgewekt. De droefheid verdween van

ocr page 503

479

-gt;

zijn gelaat en zij begreep, dat het niet was uit bijgeloof, maar slechts als een bewijs van dankbaarheid voor eene gedachte, die hem had bemoedigd, dat hij twee rechte takjes nam, uit St. Olafskilde dronk en toen zijn kruisje tusschen de andere plaatste. Daarna klommen zij naar beneden over de groote steenen, totdat zij weder op den zandweg waren. Zacht pratende gingen zij voort, plannen makende voor de toekomst - over de kamers in Rowan Tree House; over het houten huisje, dat zij zouden bouwen te Gödesund, drie uren van Bergen, op een eilandje, dat zij voor weinig geld zouden kunnen koopen; over den vroolijken tijd, dien zij daar ieder jaar zouden doorbrengen ; over het werk, dat zij samen konden verrichten; over de inrichting van hun leven te Londen.

Maar de sterke tegenstelling van de toekomst, die zij zich voorstelden en de werkelijkheid van het verleden moest iemand van Frithiof's aard scherp treffen; het was de gedachte daaraan, die hem noopte te spreken, toen zij onder de boomen op de hoogte boven Hillestad rustten.

„Ik kan bijna niet begrijpen,quot; zeide hij, „dat gij den moed hebt met zulk een ongeluksvogel, als ik altijd ben geweest, te trouwen. Gij zijt wel dapper, dat gij het durft wagen.quot;

Zij antwoordde hem met een blik.

„Zoo,quot; zeide hij glimlachend, „gij denkt misschien, dat na de zorgen de goede tijd moet komen?quot;

„Dat is wel mogelijk,quot; hernam zij, „maar nu wij elkander toebehooren, doet hetgeen buiten ons is, er minder toe.quot;

„Herinnert gij u de verzen over Noorwegen en De prinses?quot; zeide hij. „Uwe liefde heeft ze voor mij tot eene waarheid gemaakt.quot;

„Zeg ze voor mij op,quot; zeide zij; „ik heb ze vergeten.quot;

En opziende naar den hemel, waar in dit nachtelijk uur de gloed van den zonsondergang zich vermengde met het morgenrood, sprak hij;

ocr page 504

480

„Ik was als iemand, tot wien het ongeluk komt, evenals de nacht komt tot hem, die midden in den zomer te middernacht op een heuvel de Noorweegsche zon ziet dalen om dadelijk weer op te gaan.quot;

Zij volgde de richting van zijn blik en zag door de denneboomen op den heuvel, waar zij zaten, tot aan het lieflijk meer, dat beneden hen lag als paarlmoer in het stille licht. Zij zag verder naar de bergen met hun sneeuwtoppen, op welke hier en daar de opgaande zon een licht rooden gloed wierp; toen wendde zij zich weder naar het krachtig Noorsch gelaat, met de scherp geteekende lijnen, met de uitdrukking van zelfstandigheid en edelen moed, en haar hart klopte van vreugde bij de gedachte, dat de harde, bittere uitdrukking voor altijd was verdwenen. Zijne oogen ontmoetten de hare; al de teederheid en de sterkte van zijne natuur en eene oneindige belofte voor de toekomst scheen haar bij dien blik te doordringen. Hij trok haar naar zich toe en over beide kwam de vreemde kalmte, die vaak uit sterke aandoening voortkomt.

De geheele natuur scheen in volmaakten vrede te zijn en met het gezicht der sneeuwbergen en den geur der sparreboomen, die hem verkondigden, dat hij inderdaad in zijn vaderland was, met Cecil en hare liefde naast zich en met een vrede in zijn hart, die in vernedering en zorgen was geboren, was ook Frithiof tot rust gekomen.

Wat zouden nu de beproevingen vermogen, die misschien hem nog wachtten ? Wat was alle aardsche smart ? In het ware licht beschouwd was het lijden immers als deze korte

Noordsche nacht en de dood de heraut van een eeuwigen dag!

* »

*

„Cecil,quot; zeide Frithiof, haar weder in de lieve oogen ziende, „wie zou hebben gedacht, dat de Linnaea, zoovele jaren geplukt, de eerste schakel is geweest van den keten, die ons voor altijd moest verbinden ?quot;

ocr page 505

481

„Het was vreemd,quot; antwoordde zij met een glimlach, terwijl zij een der lange ranken opnam, die dicht bij haar groeiden, en de fraaie witte klokjes met roode aderen beschouwde.

Hij nam hem haar uit de hand en vlechtte hem in hare haren.

„Ik had niet gedacht, die hier te zullen vinden,quot; zeide hij, „en heb een mooie plant van Nord fjord meegebracht. Wij zullen haar meenemen om u tot bruidskrans te dienen.quot;

Zij zag hem twijfelend aan.

„Hoe lang denkt gij, dat zij bloeit?quot; vroeg zij.

„Nog een maand,quot; zeide hij: hij nam haar blozend gelaat tusschen zijne handen en boog zich om haar te kussen.

„Slechts een rmand!quot; stamelde zij.

„Lang genoeg om de geboden te laten aflezen,quot; zeide hij glimlachend. „En gij moet inderdaad de Linnaea geen dag langer laten wachten.quot;

ocr page 506
ocr page 507
ocr page 508
ocr page 509
ocr page 510
ocr page 511
ocr page 512