ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3

Instituut De Vooys / y . voor Nederlandse Taal- ^

en Letterkunde aan de ///9/9 Rijk-sunivessitajt- te Utrecbt .

ocr page 4
ocr page 5

Oe Vooys voor cdc'quot;Icindsc Tfial-

i:

M

IJV, ),

GEDICHTEN

VAN

BERNARD TER HAAR.

ocr page 6
ocr page 7
ocr page 8

0854 6891 A

ocr page 9

quot;4

GEDICHTEN

VAN

BERNARD ÏER HAAR.

DL I

1

Zevende Druk.

Instituut De Vooys voor Nederlandse Taaien Letterkunde aan de Rijksuniversiteit te Utrechf

•è

LEIDEN. — A. W. SIJTHOPF.

\

ocr page 10
ocr page 11

INHOUD.

DE St.-PAÜLUSROTS.

Bladz,

I. De reis naar Java........................................!_

II. De schipbreuk............................................9_

III. De klip.........................18_

IV. De sloep........................32.

V. De redding.......................45_

Aanteekeningen.......................59.

De schipbreuk van het Ned. Barkschip Jan Hendrik.....68.

De reis naar Brazilië....................83.

JOANNES EN THEAGENES.

Aan mijn vriend* *.....................98.

Voorzang..........................102.

Eerste tot zesde zang....................104.

Aanteekeningen.......................141.

DE ZELFOPOFFERING.

Zang............................157.

Aanteekeningen.......................167.

LYRISCHE POËZIE.

Palestina.........................172.

De lofzang der schepping..................176.

Het muzikale in de natuur..................178.

Een landschap bij ondergaande zon..............183.

Leidens ontzet in 1574........................................189.

Napoleons val en vergoding.................194.

Het klooster op den St.-Bernard...............201.

De taal der schilderkunst....................................204.

Aan het strand te Katwijk....................................208.

ocr page 12

VI INHOUD.

Bladz.

Aan een Apostel des ongeloofs................215.

De cholera bij hare wederverschijmng in 1849......... 219.

Het communisme onzer dagen................224.

De zonsverduistering; 28 Juli 1851.............. 232.

GEWIJDE POËZIE.

De opwekking van het dochterken van Jaïrus........ 236.

Jezus wandelende op de zee.................242.

De afneming van het kruis.................. 246.

Petrus en Joannes bij het ledige graf............. 249.

Hanna........................... 250.

De moeder des Heeren.................... 260.

De dochter van Herodias.................. 265.

Thomas.........

Liederen:

I. Bij de inhuldiging des Konings. Mei 1849.

...... 289.

II. In de lente.......................291.

III. In den zomer...................... 293.

IV. In den herfst......................294.

V. In den winter...................... 295.

Ophelderingen........................297.

ELVIRE.

I. Herinnering......................^2.

H. Nachtwaak.......................^ ■

III. Nieuw leven. Bij den aanvang der lente.........305.

IV. Het kwijnende dichtvuur................308.

V. Zucht naar de afwezende................310.

VI. Wederliefde..................... • 312.

VII. Elvires geboortedag, als het feest harer herstelling gevierd. 316. VIII. Vadervreugde...................'■■■

IX. Twintig jaren. Bij de verjaring van onzen huwelijksdag . 325.

X. Bij het portret mijner ontslapene............ 328.

XL Grafbezoek....................... 332.

XII. Weleer en thans.................... 334.

Ophelderingen........................ 338.

Thomas........................... 276.

ocr page 13

DE ST.-PAULÜSROTS.

i.

DE REIS NAAR JAVA.

Nog even glinstert Hollands duin,

Maar duikt, om niet weer op te komen.

Zijn rossig hoofd, zijn vale kruin In 't donkre diep der blauwe stroomen.

De kiel, die zich uit Java's tuin Met geurig kruid moet gaan bevrachten.

Die rank gebouwd te water liep,

Beproeft voor 't eerst op zee baar krachten;

De zwaan, die in haar nest nog sliep. Ontplooit de hagelwitte schachten.

Het schip, dat zwoegende op de ree Zijn' koopren boezem rijzen dee. En hunkrend lag naar 't sein te wachten, Spreidt nu met donderend geluid Een wolkgevaart van zeilen uit.

De wimpel wuift in breede wrongen Het afscheid toe aan 't Vaderland; De scheepling fluit zijn lied in 't want; De Loods is in de boot gesprongen;

Eet laatst Vaarwel rolt van de tongen — De reis gaat naar het Oosterstrand!

o Java! Grootvorstin dier landen!

Die, als met saamgevlochten handen.

Zich slingren over d' Oceaan,

En met hun bosch- en kruidwaranden, In 't bochtig kronklen van hun stranden.

De zee een krans om 't voorhoofd slaan; — o Land der zonne, land der kleuren!

ocr page 14

DE ST.-PAULUSROTS.

Waar 't vuur, dat van den hemel speelt, In de aarde een dubble groeikracht teelt. Of, als de nachtwind 't hoofd gaat beuren. Elk luchtje is bevracht met geuren,

Dat de afgekoelde slapen streelt; —

Waar, in de scheemring van de bosschen.

Met eeuwig groen en goud gekroond. Met bloem en vrucht aan de eigen trossen. De koninklijke tijger woont,

Die rustend op zijn' boomstam troont. Of vleuglen aar. zijn klauw gaat binden. En hongrig langs het rijstveld dwaalt. Om voor zijn welpen roof te vinden; —

Waar hemelhoog de ceder praalt;

Waar naast Banaan en Tamarinden Tot reuzenstam de heester groeit,

En welig de Wat-inga bloeit.

Die tak en vrucht naar 't aardrijk buigend En uit zijn korst weer voedsel zuigend.

Daar wortel schiet, en aan haar voet Weer bloem en vrucht ontspringen doet; — Waar met zijn scherpgepunte loten De Sofiro-palm staat opgeschoten.

En om zijnquot; kruin een' haarbos vlecht. Die sterker dan de vlasdraad hecht:

Die 't merg houdt met zijn' schors omsloten

Dat levensterkend voedsel schenkt,

En met het sap, zijn stam ontvloten.

Als laafdrank den vermoeide drenkt; — Waar 't Bamhoes-riet uit forsche schalmen Zijn mastbosch bouwt en iïoios-palmen Hun blaadren welven over 't hoofd;

Waar suikerplant en Mokka's ooft Door 't keerkringsvuur wordt rijp gestoofd: o Vruchtbre en rijk gezegende oorden!

Welk zoon van 't kil en neevlig Noorden — Schoon hij die bark en Hollands vlag Niet naar uw reede volgen mag.

Schoon hij den rook van uw vulkanen.

Van 't spieglend vlak der waterbanen,

Nooit uit uw bergen rijzen zag,

2

ocr page 15

DE ST.-PAULUSBOTS.

Noch onder palm of Pi!iang-]oover

Uw middaggloed ontschuilen kon — Brengt niet verrukt zijn groete u over, o Land der kleuren, land der zon! Als Neerlands rijkste welvaartbron!

Ja, U, bij d'aanhef van mijn zangen,

Mijn dichtgroet, Morgenlandsche kust! Waar onze schoonste hope op rust; Die, als er dreigend wolken hangen Om 't eens gezegend moederland,

Weer 't eerst, hoe fel de nood moog prangen De vrees voor donkrer toekomst bant. En 't drukken van de veer ontspant Door 't oopnen van uw goud-trezoren;

Die, als ge uw kielen zendt naar 't West, Voor 't laatst een matten straal doet gloren.

Die ons van vroegre grootheid rest!

o, Zag men tot uw verste streken —

Waar thans nog Br am a's outers staan, Waar thans nog Islams halve maan Haar hoornen boven 't kruis blijft steken — Den zilverglans dier maan verbleeken Voor morgenrood van schooner zon. Waarmee voor Java's binnenlanden

Een nieuwe dag des heils begon!

o, Bracht de vreemdling aan uw stranden,

o. Bracht de dankbre Europeaan — Die thans met nooit verzaadbre handen Blijft graven in uw ingewanden.

Die thans Maleier en Javaan,

Om uit uw altijd vloeiende aderen Zich vrucht en rijkdom op te gaderen,

In 't dienstbaar juk gekromd doet gaan — In ruiling voor de ontvoerde schatten, Zóó wijd om 't strand uw golven spatten, U 't hoogre licht des geestes aan!

Zal ook uw oog dat oord begroeten.

Koen scheepsvolk! dat die bodem draagt? 't Is of één hunner quot;t zwijgend vraagt

ocr page 16

DE ST.-PAULUSBOTS.

Aan 't vlokkig schuim, dat voor zijn voeten

Door 't stampend schip wordt opgejaagd. Zie, wat u dreig' of moog ontmoeten, Hoe wreed die hoop bedriegen mocht:

Heel de aanvang spelt ten blijden tocht. Het jeugdig Barkschip, dat den rug Der golven langs glijdt, stout en vlug, Dat met drie-dubblen mast gekroond.

Zich rap en moedig zwemmer toont, Is 't Britsch kanaal reeds ingevaren. Een frissche zeewind krult de baren;

Het bramzeil zwelt om 't klapprend tuig, En met herhaald Hoezee-gejuich Wordt de uithoek van de kust vernomen. Die neevlig opdoemt uit de stroomen.

De wimpel, die om steng en mast Eerst speelde, laat, vermoeid van 't zwieren, Zijn volle lengte westwaarts gieren —

De wind staat in 't Noord-Oosten vast. Het land is vlottend weggedreven;

Brittanjes krijtgebergt verdween En Finisterres kaap vlood heen.

De kiel wendt zuidwaarts nu haar steven. Door hooger golven voortgekruid.

En spant haar breedste vleuglen uit. Om dwars door 't lauw en drukkend Znid, Van lucht en water slechts omgeven.

Naar 't gloeiend Oosten voort te streven.

En sneller bruist zij, sneller voort,

Daar wind en zee haar lendnen spoort, En vroolijk schalt de roep aan boord. Zoo dikwerf in den nacht De op 't dek verdeelde wacht. Aan roer of gangboord, van haar post Met belgeklink wordt afgelost.

Door stilte noch door storm gestoord,

Zeilt ze altijd zuidwaarts voort. Tot waar de gouden druiftros gloeit. Die op Mad et-a's heuvlen groeit;

Tot waar men 't rozenvervig licht

ocr page 17

DE ST.-PAULUSROTS.

Om Ten er iff es piek ziet glanzen,

Als reeds de zon dook voor 't gezicht, En 't purpergroen van de avond-transen

Voor 't donkre bruin van 't nachtfloers zwicht. Doch matter roert de wind zijn vlerken; Hij staakt zijn schor en forsch geblaas,

En fluit niet meer langs stag en raas.

Schoon meerder zeil zgn kracht komt sterken.

't Wordt doodlijk stil en drukkend weer. De rappe kiel vertraagt haar gangen;

De wimpel stoeit niet speelziek meer,

Maar blijft als 't zeil amechtig hangen.

Een warme regen klettert neer.

En hecht zijn drop aan doek of touwen.

En gaart zijn vocht in kreuk en vouwen;

Of 't dompig zwerk vlamt keer op keer. En 't opgescheurd gordijn der wolken Ontsteekt een vuurwerk langs de kolken.

't Gebruis der golven is gestild,

Wier kruin, al steigrend, lager zakte; De waterheuvel wordt een vlakte.

De zee een gladgewreven schild.

Waarop de vingertop kon schrijven.

En de omgekrulde veer blijft drijven,

Niet door een zuchtje omhoog getild; Zóó roerloos schijnt de kiel te blijven.

Als had haar 't anker vastgedrild. Men worstelt nachten door en dagen.

Vergeefs de komst van d' Oost-passaat Getoefd met eiken dageraad.

Die 't schip weer van zijn boei ontslaat. En 't in zijn zuiging mee zal dragen!

Slechts stilte heerscht er mat en loom — De bark is uit haar koers geslagen Of afgedreven voor den stroom.

In 't eind begint de lucht te klaren:

De koelte wakkert aan in 't varen:

Rept nu de hand aan loef en lij!

Brast nu de zeilen, viert de schoten!

Ziet scherp vooruit ter wederzij,

ocr page 18

DB ST.-PAULU8R0TS.

En heft het hoofd weer, Tochtgenooten!

Blijf, wakkre Stuurman, 't roer nabij! Zie hoe uw schip, in 't bonzend slingren. Wanneer de vuist om 't stuurrad klemt, Den greep weel voelt der vaste vingreü

En als een watervogel zwemt!

Als morgen weer aan de Oosterkimmen De Dagvorstin ten troon zal klimmen. Dan voelt gij hoe de linie brandt,

Waar zij om de aard haar cirkel spant; Dan zal ze, als groet van 't zengend Oosten, De ontbloote borst en 't voorhoofd roosten; Dan zult ge u 't gudsend zweet getroosten; Dan snijdt uw boeg de middellijn;

Dan zal 't AVpi^m/s-feestdag zijn!

Zie, bij het eerste stavgefionker.

Bij 't worstlen van het licht en 't donker, Is 't, of gij in het grauw verschiet Den Watergod reeds naadren ziet.

Die half verstoord om cijns komt vragen

Aan elk, die op zijn rijksgebied Voor 't eerst het dobbrend lijf gaat wagen. Hij komt, en voert als staf der zee Zijn scherpgepunten drietand mee;

Maar aan zijn zij' geen Stroomgodes,

Zich wiegende in haar schelpkales.

Door Nimf en Triton voortgedragen. — Een vuurschuit is de koningswagen,

Waarop de Vorst der waatren rijdt, Die, vóór de plecht om, nader glijdt; Een boot, waarin de pekton vlamt.

Als 't outer, dat hem wierook dampt.

Dient tot een rustpunt voor zijn' voet. Van waar hij 't zeilend schip begroet. Hij spelt, zoodra weer d' lichtend gloort. Zijn komst en strafgericht aan boord; Hij dreigt elk' nieuwling op den tocht, Of wie hem stout braveeren mocht, In 't sop te plompen en te doopen.

Tot hij, door 't overstelpend vocht Van hoofd tot voetzool nat bedropen.

ocr page 19

DE ST.-PAULIISROTS.

Al rillend lijfsgena verzucht,

Of van de straf zich vrij mocht koopen.

En 't volk, dat naar de voorplecht spoedt, Of langs den mast is opgekropen,

Schreeuwt luid „Hoerah!quot; zwaait muts en hoed. En brengt Neptnun den zeeinansgroet.

Men Iaat de ton ten prijs der golven. Die hupplend naar hun' maatslag danst.

En als een vuurge kogel glanst.

Tot zij, door 't zwalpend schuim bedolven.

Voor 't laatst met bloedrood schijnsel blinkt, En knettrend naar de diepte zinkt.

Nu heerscht gewoel en vreugde op 't dek, En schoon aan 's hemels koepeldak De nacht haar lampenkroon ontstak.

Nog blijft het bootsvolk in gesprek;

Niet met het drukkend voorgevoel

Van ongekende smart,

Maar deelende in het blij gejoel Bant elk de zorg van 't hart.

Men drinkt met langgerekte togen

Den stroom der frissche zeelucht in, Die wapperend komt aangevlogen.

Men kout en schertst met schalken zin; Men haalt weer op van vroegre tochten.

Van vliegend schip en zeemeermin. Van rooversprauwen in hun krochten.

En zwetst van eigen moed het meest. Men scheidt uiteen, verruimd van geest. Als wien geen naadrend onheil vreest. En 't schomlend leger ingesprongen.

Door 't golfmuziek in slaap gezongen.

Droomt elk reeds van quot;t Neptunus-feest.

Ach! 't is uw blijdste dag geweest.

Hoe 't scherpziend oog vooruit moog staren —

Niet een, die 't schrift der toekomst leest. Of ons haar neevlen op kan klaren; Een handpalm scheidt u van de baren.

Een dunne plank van grondloos diep. Dat nimmer op uw zeereis sliep,

ocr page 20

DE ST.-PAULUSROTS.

Maar grommend steeds ora offers riep:

Toch slaapt ge en droomt van geen gevaren! Zóó huppelt aan :t Javaansche strand. Met argloos uitgestrekte hand,

Het speelziek kind den vlinder na. Die, dartiend over 't bloemenbed.

Op 't blad van een Magnolia Zijn waaiers vouwt en openzet.

Maar ziet de zwarte boomslang niet, Die tusschen 't loof haar zwadder schiet — Zóó slaapt, va;.i geen gevaar bewust. De Hindoe aan Bengalens kust.

Maar hoort de twijgen ritslend kraken,

En ziet (o ijzingvol ontwaken!)

Een tijger, die, op prooi belust,

Den vuurblik van zijn vlammende oogen Strak houdt geveld, en onbewogen

Hem aanstaart; die zijn' vóórklauw rekt. En 't bronzig lijf, eerst laag gestrekt,

Hoog opkrult tot een reuzenwrong,

De lengte metend voor zijn sprong.

Ach, 't vuur, nog in de wolk verborgen,

Scheurt ras als bliksem 't zwerk van een. En tusschen 't heden en het morgen Bruist licht een zee van jamren heen!

Wat spooksel breidt ginds langs de watren Zijn breede vlerken uit, schoon 't niet Door 't oog des wachters wordt bespied? — 't Is of de zeilen boller klateren,

't Is of de winden holler schateren:

Met zwaarder basstem zingt de zee; De golven slaan terug en botsen,

Alsof de schrik ze vluchten dee'.

En razen, in 't weerbarstig klotsen.

Als stemde de echo veler rotsen

Luid schaatrend in dien wildzang mee.

Waar ginds uit waterrook en nevelen Een logge steenklomp op komt hevelen. En onverpoosd de golfslag brandt.

Daar ligt met wit omschuimden rand.

ocr page 21

DE ST.-PAULÜSROTS.

Met scherpgespleten kloof en tand.

Een donker klipgevaart!

Het steekt zijn rug en naakten kop Als een veelhoornig monster op.

Dat schrik en ijzing baart.

't Houdt verre 't schubbig lijf gestrekt, Maar van de waatren overdekt, En geeselt met zijn' staart De golven, wier gekromde pluim Hoog opwaait, en het kokend ruim Der zee bestrooit met schuim. Gelijk een sterk gebouwd kasteel Met torenspits en kapiteel,

Dat, schoon reeds half m puin gezonken. Nog ijzervast blijft saamgeklonken. Getooverd door uw hand, Natuur! — Een citadel met trans en muur. Bestookt door nimmer zwijgend vuur, Waar rustloos op wordt storm geloopen,

Maar zonder dat het golfgeklots Lunet of ravelijn kan sloopen.

Ligt dreigend daar St.-Pau!usrots!

IL

DE SCHIPBREUK.

Reeds ving de tweede nachtwake aan. 't Lag al in d' arm des slaaps gezonken.

Betrokken stond de lucht. De maan Wierp sluimerziek haar matte lonken Langs 't waterbed van d' Oceaan,

Als bleef ze onwillig op te gaan. Of zonder sluiergaas te pronken.

Een enkle ster, die uit de reet Van 't wit omzoomde wolkenkleed Nog hier en ginds te voorschijn gleed. Blonk slechts met blauwe tintelvonken.

Daar klinkt op eens de noodkreet: „Land! .Land vóór, aan lij, en overal!quot; —

ocr page 22

DE ST.-PAULUSROTS.

Geen knetterende donderknal.

Geen schor en heesch geroep van: brand! Geen wapenklank of horenschal,

Dat onraad door de veste blaast,

Bij 't beuken op bestorraden wal,

Als, bij het aaklig noodklok-trekken.

De alarmtrom onder 't venster raast.

Kan zóó onzacht den slaper wekken.

Als 't snijden van dien schrikbren kreet Al 't scheepsvolk weer ontwaken deed En uit zijn hangmat op kwam jagen; —

Dat sluimerdronken, half gekleed, Den doodsschrik reeds om 't hart geslagen, Met duizlig hoofd en naakten voet, Het valluik door naar boven spoedt.

Daar staan ze.... o God, 't is reeds te laat! De hoop op redding ging verloren. Het grijnzend land ligt dwars van voren;

De branding, die er tegen slaat,

Is alles, wat zij zien en hooren.

De rots verheft haar kalen romp,

Maar scherpt, bij 't weiflend licht der starren, De hoeken van haar omtrek niet.

Alleen een grauwe mengelklomp,

Dien uien niet ijzing naadren ziet.

Laat uit de neevlen zich ontwarren.

De zee is zilverwit of grijs,

Als 't veld in 't lijkkleed van den winter; Het schip is 't spel der golven prijs.

En als het op die rotsen stoot.

Dan gruizelt zich de kiel te splinter — En onontwijkbaar is de dood!

Daar staan ze-... in d'eersten oogenblik Als vastgenageld door den schrik;

Toen jamrend over 't dek gevlogen,

Blijft de een van angst verwilderde oogea Op 't loeien van den afgrond slaan.

En de ander schreit den Hemel aan: _u Heer! behoed ons, wij vergaan!quot;

ocr page 23

PE 8T.-PAULUSR0TS.

Maar wanhoopt, dat het moedigst pogen Nog iets ter redding zal vermogen.

De kiel genaakt de branding snel. De Scheepsvoogd heeft het scheepshevel, Al 't volk èn hoop èn moed verloren. — Toch was er op den bodera één.

Die nog op redding dacht, naar 't scheen. Niet door het golfgeraas te smoren,

Als van een held in 't slagrumoer.

Zóó laat des Stuurmans stem zich hooren: „Het schip gewend, aan lij het roer! „De kluiver los en fokkeschoot!

„En licht ontzeilen wij den dood!quot; Hij spreekt, en grijpt de roerpen vast. En schoot en kluiver vliegen los. En 't schip, gehoorzaam aan dien last, Loeft op en giert met boeg en mast.

Maar even als een schichtig ros,

Dat, door des ruiters knie genepen.

Zich sterk voelt in 't gebit gegrepen,

Eerst driftig zijwaarts springt. Dan steigrend rugwaarts dringt: Zóó deinst de kiel in 't schichtig wenden.

Tot ze op een rotspunt raakt. Die forsch haar stoot in rug en lenden. En met een' schok, waar 't al door kraakt. Den spiegel kneust en ledebraakt; En 't schurend bonzen, 't knarsend steunen

Toont, dat het schip is vastgehaakt. En reeds, met dof en aaklig kreunen, In 't diep zijn stervenskreten slaakt.

Een rauwe gil klonk van ontzetting,

Bij d' eersten schok, bij d' eersten krak, Die 't vuur deed springen uit den ketting Van 't roer, dat op den steengrond brak. En voor vermorsling en verpletting

Deed vreezen bij een' tweeden smak. De branding brult met schorren donder En overschreeuwt het angstgeroep: „De mast gekloofd! De sloep, de sloep!quot;

ocr page 24

DE ST.-PAULUSROTS.

Het water stroomt in 't schip van onder En borrelt op uit scheur en lek,

En plonst en golft reeds tusschen 't dek; Klimt hooger steeds en zwalpt en spuit De spiegel in, de gaten uit.

Terug, wie u wilde onderwinden Nog middenscheeps de sloep te ontbinden!

Terug, wie nog met kloek besluit Wilt redden, wat gij ziet verslinden.

Daar 't water aan de zoldring stuit!

Niets staat het van den leeftocht af,

Dien 't klokkend inslokte als zijn buit;

Terug, wie niet omlaag uw graf En in uw hut den dood wilt vinden!

Het werkend schip hangt overzij', En woelt zich om en op en keutelt.

Alsof 't zich in een doodsstuip wentelt.

En voelt: het sterven is nabij!

De mast, die topzwaar overzwiepte,

Reikt telkens lager naar de diepte.

Het scheepsvolk grijpt zich op den tast Aan reep en touwwerk (want geen voet Staat meer in 't hellend gangboord vast, Dat overspoeld wordt door den vloed) En klautert naar den steilsten rand. En hijscht zich op naar 't slingrend want. En houdt eerst in de rusten stand. Die dreigen van beur vracht te breken. — Nog rest de giek! De giek gestreken! En zóó aan 't splijtend wrak ontweken.

En d'overtocht gewaagd naar 't strand! Maar vliegenssnel! Één oogwenk later. Dan barst en scheurt de romp van één; En zij de giek ook broos en kleen, Ach! andre uitkomst is er geen!

Zij daalt, zij plompt en schiet te water; Zij laadt haar vracht in, man voor man. Zoo veel de kranke bodem van Het wagglend huikje dragen kan. De roeiers slaan de riemen op;

Zij ploegt een voor in 't bruisend sop,

ocr page 25

DE ST.-PAULUSROTS.

En is in quot;t wolkend schuim verdwenen.

Men volgt haar met een stil gebed.

Zij strandt — zij schuurt langs klip en steenen... . Een sprong op 't rotsig oeverbed....

De voet is weer op 't droog gezet!

God lof! zij droeg hen veilig henen:

Acht kostbre levens zijn gered!

Maar angstig hopen! vreeslijk wachten! En langste en bangste nacht der nachten!

Voor wie in de bezaans-rust staan,

Met de armen door het want gestrengeld, Dat krakend over dquot; afgrond zwengelt;

Die bij het zilver, dat de maan Laat stroomen uit haar glanzig bekken.

Voor 't eerst eikaars gelaat en trekken.

Waaruit de wanhoop spreekt, ontdekken.

Daar stond een vader naast zijn' zoon; De Stuurman, die een' jongeling Met zijn gespierden arm omving.

Hij ziet de bleekheid van zijn koon;

Hij wil hem moed in 't hnrte spreken,

Maar denkt aan vrouw, aan kind en huis, En hoe hun allen 't hart zou breken,

Als----de oude zwijgt, zijn stem blijft steken.

En met de mouw van 't wollig buis Heeft hij den traan, die 't oog ontspringt. Van 't bruin gelaat weer afgewischt,

Terwijl hij zucht en klacht bedwingt.

Hoor! naakt de giek weer? ja, zij is 't! Zij werpt een lijn! zij worstelt nader!

„Nu gij, mijn kind!quot;

, «Nu gij, mijn vader!quot; quot; „Neen, vlucht, en redt u 't eerst aan 't strand! „Reeds is de giek weer sterk bemand;

„Ik weeg het zwaarst----Ik blijf aan boord.quot;

, „En ik met u!quot; quot;

is 't wederwoord, , „'k Verlaat u niet, maar blijf u bij.quot; quot; „God zegen' u, mijn Zoon! het zij!

„Hij zal het bidden niet beschamen.

13

ocr page 26

DE ST.-PAÜLUSROTS.

„Dat voor mijn kind ten hemel klom; „Of sterven wij, wij sterven samen!quot; —

Ze omarmen zich en blijven, stom Van weemoed, in de diepte staren. — Wat angstgil rees daar uit de baren?....

't Wordt stil____ o God! de giek sloeg om!

„Wel wilde de Almacht ons bewaren; „Van wie van 't wrak zijn afgevaren „Niet één, wis, die den dood ontzwom!quot;

Zijn allen dood? — Neen, zie! daar zweeft En zwalpt iets, wat zich roert en leeft; Een knaap, die worstlend met den dood Vol moed voor 't jeugdig leven kampt En nog aan de omgeslagen boot Krampachtig zich houdt vastgeklampt, Met de ijzren roeipin in zijn vuist,

Hoe 't water om en over bruist.

Dat ziet er één der schepelingen

Aan 't strand, en 't ruwe zeemanshart Geeft antwoord op den kreet der smart, Die uit de verte in 't oor komt dringen. —

Die pas den dood ontdragen werd,

Wil aan den dood die prooi ontwringen. Hij ploft in zee, zinkt aanstonds neer,

Maar heft het druipend hoofdhaar weer; Hij daalt, hij rijst, hij werkt zich voort. Waar hij de stem van 't jongske hoort; Hij grijpt den knaap, die, losgescheurd,

Zich om den rug zijns redders klemt, Terwijl hij 't vaartuig met zich sleurt, En met de voeten trapt en zwemt. Hij geeft niet op, hij laat niet los; Hij zwoegt, hij strijdt en overwint, En entert met zijn hand de rots ... Behouden zijn de sloep en 't kind!

o Menschenliefde, o edel pogen!

Die 't leven voor den broeder waagt, En hem door vloed of vuurstroom draagt, Hoe vloed en vuurstroom golven mogen!

14

ocr page 27

DB ST.-PAULUSEOTS.

Die juicht, waar gij een' traan kunt drogen,

Die 't laatst den moed, de hoop verliest, En 't eerst u voelt tot hulp bewogen,

Waar 't meest de dood zijne offers kiest; Die, waar de noodstorm 't vreeslijkst giert. Op 't heerlijkst uw triumfen viert!

Maar ieder golfslag, elke zee,

Die aanrolt, beukt meer 't schip aan twee, Heeft raas en boegspriet weggenomen,

En spoelt reeds spar en balken mee. — „Weer zijn wij aan den dood ontkomen,

(Barst de oude zeeman uit) „maar nu „De giek te loor ging in de stroomen,

„Wat thans gedaan door mij, door u?

„Hier eindigt menschenkracht tot handlen. „Wie onzer, die op 't schuimend bed „Dier golven stout zijn voetzoel zet, „Om van het dek naar 't strand te wandlen?

„Eén was er, één, maar die was meer „Dan allen, die dat kon.... de Heer!quot; Hij zwijgt en peinst een poos en zegt: „Neen wanhoopt niet! de tros, de lijn — „Die, uitgeworpen op de plecht

„Der giek, aan 't strand gered kan zijn — „Bleef hier aan 't schip nog vastgehecht. „Houdt, mannen, moed! die tros, die lijn „Kan 't pad en 't snoer tot redding zijn, „Van boord gevierd en uitgeschoten,

„Ea ginds weer palmend ingehaald.

„Maar vaardig tot dien tocht besloten! „En, waar 't uw beurt is, lotgenooten!

„Niet laf gesidderd, niet gedraald!

„Moge ook de zee u overstelpen,

„Houdt vast, eer u de lijn ontschiet! „God helpt die trouw elkander helpen, „Wie werkt en bidt----hij wanhoopt niet!quot;

't Geschiedt. Men geeft het sein van boord, En schreeuwt met koopren stem; De doodsangst geeft aan 't roepen klem,

ocr page 28

DE ST.-PAULUSROTS.

En 't rillen van 't gespannen koord Toont, dat men werd aan 't strand gehoord. „De sprong gewaagd nu, één voor één!quot; — Hij vat de lijn, hij rekt zijn leen.

Deinst eensklaps, siddrend voor zijn lot,

Keert weer, beveelt zijn ziel aan God,

En stort zich in de golven.

Hef. wielt en dwarrelt voor 't gezicht; De vuurge golven spatten licht.

Wier schuim hem heeft bedolven. De branding raast steeds even fel;

Hij wordt met wild onstuimig spel

Nu links dan rechts gesmeten.

De scherpe rotspunt kwetst zijn voet; 't Gescheurde kleed, geverfd met bloed.

Wordt half van 't lijf gereten.

Het suist in 't oor, het gonst in 't hoofd; Gevoel en denkkracht zijn verdoofd Bij 't ruglings voorwaarts slepen;

Maar hoe hot gonst en hoe het suist.

Toch houdt de halfgestorven vuist Nog 't slingrend touw gegrepen.

Men palmt het in; hij ligt op 't droog; Men beurt het druipend lijf omhoog:

Hij zwijmt bewustloos neder;

Maar bij nog luider schreeuw en groet, Die ieder zenuw trillen doet.

Ontsluit hij de oogen weder.

Nog was er één aan boord. Hij voelt Den bodem aan zijn voet ontzinken:

Hij ziet het steigrend water blinken, Dat achter hem het wrak doorwoelt. Dd^r woei nog statig Neêrlands vlag; Hij scheurt die flentrend van het stag. En windt haar om zijn lendnen heen. Ontknoopt den tros van 't schip meteen. En voor het echte zeemansbloed En 't Hollandsch hart is 't denkbeeld zoet, Dat, zoo hij wegzinkt vóór den wal.

En in de diepte smoren moet.

16

ocr page 29

DE ST.-PAULUSROTS.

Die vlag zijn lijkhemd worden zal.

Hij ssint zijn makkers in zijn val, En voortgesleurd met kracht,

Die al hun spieten rekt en spant,

Bij 't redden van de laatste vracht,

Wordt ook door hem de tocht volbracht Naar 't onherbergzaam strand.

« Heuglijk, pijnlijk weerontmoeten!

o Bittre vreugd, van smart doormengd. Die zelfs geen weerzien kan verzoeten,

Voor wie hier 't onheil samenbrengt! o Droeve en blijde welkomstgroeten,

Voor hen, die na dien jammernacht. Vol doodsgevaren en verschrikking, In duldloos lijden doorgebracht.

Niet weten, welk een lot hun wacht! o! 't Was hun weldaad, 't was verkwikking, liet hoofd, tot stervens afgemat. Op 't glibbrig strand, van 't zeeslijm nat. En d'ijzren rotsgrond neer te strekken.

Waar niets het rillend lijf kon dekken.

Staag van de golven overspat.

Maar schoon geen oog de sluimring vat. Schoon veler wond nog gaapte en bloedde. Die klip of branding in haar woede 't Gekneusde lijf geslagen had!

Geen, die niet vurig dankte en bad!

Geen hart bleef koud, geen oog bleef droog; Wie nooit geroerd zijn knieën boog,

Hief thans geroerd de dankbre handen. En zonk voor 't eerst aanbiddend neer; En nimmer rees, bij 't wierookbranden En orgelbruisen tot Gods eer.

Langs hoog-verwulfde tempelwanden Een schooner loflied tot den Heer!

17

a

ocr page 30

DE ST.-PAULUSROTS.

III.

DE KLIP.

De soheemring dunt — liet zwerk gaat blozen; De morgen daagt. Het kleurloos grauw Der lucht versmelt in lieflijk blauw; Het blauw in 't rood van purpren rozen, Die versch geplukt riijn van haar steel; Het rood wordt hoog-oranjegeel:

Het geel wordt goud; het goud vat vuur — Daar rijst de zon, die 't vlammend hoofd Uit lichtweerspieglend golfazuur Ten hemel beurt; de sterren dooft;

De rots haar nevelkleed ontrooft.

En met ontelbre regenbogen

De wolken kleurend van kristal.

Hun 't oord van schrik ontrolt voor de oogen. Wat thans hun woonoord worden zal.

Daar lag de rotsklip, arm en naakt,

Wier rng de zee doorzaagde en kloofde;

Zwart als de kool, in 't vuur geblaakt, Die pas in 't sissend nat zich doofde,

Dat kokend opdampt wijd en zijd;

Zwart als een uitgebrande krater.

Die eens zijn vlammen spoog in 't water,

Maar wien reeds sinds onheugbren tijd De gorgel weer was toegewrongen.

En die, bij d' onderaardschen strijd Van 't vuur, dat lucht zocht door zijn longen, In stukken is vanéén gesprongen.

Hier rijst geen boom, geen struik omhoog, Geen bloemgewas der Keerkringslanden Verrukt met bonte pracht hier 't oog. — Hoe fel van d' onbewolkten boog 't Loodlijnig zonnevuur moog' branden. Het wekt geen leven in de borst Dier rotsen, met een ijzren korst Als harnas van metaal omschorst.

ocr page 31

DE ST.-PAULUSBOIS.

Geen scheutje worstelt door de reten, Als splintrend glas van één gespleten.

Geen half-ontsloten oesterschaal Wil op dien dorren rotsgrond kleven.

Geen krans van breed getakt koraal — Als loofwerk in albast gedreven,

Of als borduursel saamgeweven.

En ragfijn uitgewerkt als kant —

Schenkt aan dit doodsch en vreugdloos strand Een zweem van plantengroei en leven.

De krab alleen, die als de spin De wandelende pooten zet Maar voort zich sleept met loomer tred, Kruipt ieder rotsholte uit en in.

En aan den bovenrand der klippen,

Wier glinstrend zwart met witte stippen Is dicht bezaaid en oversneeuwd,

Ddar huist en joelt, diiar tiert en schreeuwt Een talloos heir van zeegevogelt.

Met gele sneb en bont gevlogelt.

Reeds liet het, toen 't nog duister was.

Door naar gekrijsch en schrillen kreet,

Door dwarlend zwieren langs den plas. En soms door scherpen snavelbeet,

Zijn schrik en onrust klaar bemerken,

Alsof op zwarte vleermuis-vlerken

Een spokendrom de lucht doorreed.

En nu, bij de eerste morgenstralen,

De rots in 't volle licht gaat pralen,

Nu vliegen dichte zwermen op En drijven, ouder rustloos snateren,

In witte wolken langs de wateren.

Men ziet er met gepluimden kop.

En toornig opgezwollen krop,

Steeds fladdren om den hoogsten top.

Men ziet, met angstig vleugelkleppen. De gaaikens naar het nest zich reppen,

Waar t piepend jong werd uitgebroed.

Men ziet ei, 't fonklend oog in gloed.

Die van de steilste rotspunt turen Op 't scheepsvolk, klautrend aan hun voet.

ocr page 32

DE ST.-PAULUSROTS.

En sluiks daar van hun wachtpost gluren.

Alsof hun schrander oog reeds gist,

AVelk lijfsgevaar hun valt te schromen,

Nu zij het rijk zien ingenomen,

Nooit door een stervling hun betwist!

Thans ziet, thans weet ge waar gij zijt. Geredden! tot wat prijs het leven.

Zóó duur gekocht, u is verbleven!

Ach, have en leeftocht, alles kwijt,

Aan duizend noodsn prijsgegeven.

Slaat gij uwe oogen rond met beven!

Gij ziet het slinkend wrak van 't schip Tot gruis vermalen op de klip!

Gij blikt de woeste rotsen over.

Gij kruipt ze op knie en handpalm rond.

Maar vindt geen plek beschauwd met loover. Geen bronaar, zijplend uit den grond.

Die u de lippen laafquot;. Wel blinkt Van verre een heldre plas u tegen;

Maar 't is geen bronnat, 't is geen regen,

Wat ge opschept en zóó gretig drinkt: 't Is zeevocht, dat den mond verwringt; Dat walglijk zout en bitter smaakt,

En, pas geslorpt, wordt uitgebraakt.

Thans weet gij, Droeven! waar gij zijt; En 't denkbeeld zinkt als lood op 't harte,

Hoe al de doodsangst, dien gij tartte,

üoe al de ellende, die gij lijdt,

Slechts een beginsel is van smarte!

(Ach, 't is niet ijdel, wat gij vreest!) En 't schrikbeeld spookt reeds voor uw' geest, Hoe gij, met toegeschroefde borst.

En half verstikt van hitte en dorst,

De voeten kwetsend aan die scherven. Om voedsel gillend daar zult zwerven;

Hoe gij, gekluisterd aan die rots.

Gedoemd kunt zijn om daar te sterven,

En, eer ge uw laatste kracht gaat derven, Den dood zult wenschen duizendwerven.

Tot hij verschijnt als Engel Gods!

20

ocr page 33

DE ST.-PAULUSEOTS.

Toch leent de hoop op redding krachten, Hoe weinig haar ook 't hart vertrouwt; De zucht herleeft tot zelfbehoud,

Bedwingt de half geslaakte klachten, Hoe reeds de droge lippen smachten, En spoort tot d' arbeid jong en oud. De Scheepsvoogd wenkt de rapste knapen, In 't springen vlug, in 't klimmen stout, Om eiers van de rots te rapen;

En dikwerf heeft een sluwe gast Een vogel, suffende ingeslapen,

Of wakend bij zijn nest, verrast.

Die wel met strakgespannen veeren. Met sneb en klauw zich blijft verweren, Doch, bij de vlerken neergehaald.

Dien weerstand met den dood betaalt. — De giek, in 't slingren lek geslagen.

Wordt leeggehoosd en dichtgesjord, Met touw gestevigd en omgord.

Half voortgezeuld, half voortgedragen.

En weer van 't strand in zee gebracht. De kloeksten gaan er 't lijf in wagen, Zij maken op het drijfhout jacht. En achterhalen 't dobbrend vat.

Waarin nog 't vleesch begraven zat, En keeren met een rijke vracht. Die, telkens uitgezet aan wal.

Tot redding van hun kwijnend leven,

Voor 't minst een poos nog strekken zal. Een wacht wordt beurtlings uitgezet. Die op het zwalpend scheepstuig let, En wat van 't wrak komt aangedreven Wordt, daar men dreg en handboom mist. Met plank en roeispaan opgevischt. De vlag, op 't hoogste punt geheven. Den scheepling tot een sein en baak, Waait uit van d'opgerichten staak. Ach! niet, gelijk in vroeger eeuwen —

Toen ze, als blazoen der Waterleeuwen, Bij pulverdamp of stormgeloei. Met fierheid uit haar kreuken woei,

ocr page 34

BE ST.-PAULUSROTS.

En nimmer laf werd neergestreken,

Maar vaak op 't nieuw veroverd land, Als 't vreugdeschot werd losgebrand, Oud-Neêrlands zee-triumf ten teeken, Als zegestandaard stond geplant, —

Gaat zij van Hollands glorie spreken.

Maar angstig-wuivend redding smeeken

Aan elk, wie in het bleek verschiet Haar driekleur in de lucht ziet steken. En 't wappren van haar dundoek ziet.

Maar ginds aan een der steilste kloven,

Diep door de golven uitgehoold.

Daar staat het scheepsvolk saamgeschoold. Zie, wat de zee van 't wrak gaat rooven, (o Wonder!) driift daar zwalpend boven, En borrelt uit den wijden mond Der draaikolk, die er giert in 't rond.

Daar heeft, door rustloos voort te delven In de onderwoelde rotsgewelven,

De branding, die de klip bestormt. Een diepe loopgraaf zich gevormd, Die, alles dreigend met vernieling.

Zich hier een uitgang heeft geboord. En wat zij aangrijpt in haar wieling. Dat zuigt zij door de draaikolk voort. Men vischt er latwerk, zeil en koord, 't Gordijn-festoen der scheepskajuit. Gebroken raas en planken uit, Dooreengeward met doek en tijk.

Maar als de hand weer plompend daalt, Vat ze in de kleedren van een lijk. Een drenkling wordt er opgehaald. Een blonde knaap nog jong van jaren.

Het bol gelaat nog vriendlijk rood. Die droevig hen scheen aan te staren,

Als smeekte hij nog in den dood:

Hem niet te wei-pen in de baren.

Zij zoeken hem een legerstee,

Die niet bereikt wordt door de zee. En overstaaplen 't lijk met steenen;

ocr page 35

DE ST.-PAULUSROÏS.

Maar kunnen 't neergezonken hoofd, Dat hangen blijft, van steun beroofd, Een' rotsklomp slechts als peluw leenen. o Jonge doode, aan verre kust!

Gij slaapt uw diepen slaap gerust. Ook zonder grafkuil, wade, of kist;

Maar zoo uw droeve Moeder 't wist,

Zij zat hier dagen lang te weenen;

Zij hield hier bij uw lijk de wacht.

En joeg van 't aas de vogels henen,

En zei u snikkend: goeden nacht!

o Moog' Gods liefde u eens hereenen!

Slaap op dat harde doodsbed zacht!

Zóó was de dag ten eind gebracht; De scheemring viel; doch eer de nacht Haar donkren mantel heel ontplooide.

Waarop de maan haar zilver strooide:

Daar seint en wuift en roept de wacht: „De sloep, de sloep is weergevonden!'-De sloep — die, op 't verdek gebonden,

Gekerkerd bleef als in een graf,

Toen 't schip werd door de zee verslonden — Sloeg de aangelegde kluisters af.

Nu 't wrak vernield was en vergaan. En spoelde in een der kreken aan;

Wel half bezweken voor 't geweld Der golven, maar getuigd, hersteld,

Licht sterk genoeg om zee te bouwen. En 't eenig middel tot behouen,

Waar 't dood of leven geldt!

En als in 't vroeg-ontwakend Oost Weer de eerste straal van d'uchtend bloost, Vereent zich 't volk in groep bij groep. Om de aan het strand geworpen sloep Weer op te timren en te tuigen.

Men trekt uit de aangespoelde duigen De spijkers, die men telt en spaart. Het kromhout, wat zich recht laat buigen. Wordt op een hoop bijeenvergaard.

ocr page 36

DE ST.-PAUWJSROTS.

Het mes wordt uit de scheè getrokken, En dient voor handzaag en houweel; Een stuk van 't puin der rotssteen-blekken.

Voor hamer, zonder greep of steel. Men overtrekt de wijdste spleten,

En vloert den kranken bodem sterk. Of pluist en rafelt touw tot werk.

En stopt en dicht de nauwste reten.

Eén, stout en vindingrijk van aard,

Dio 't mes, door 't kerven botgeschaard. Pas op don grond had scherp geslepen,

Heeft fluks een dunne plank gegrepen,

Die hij. gekloofd, gespalkt tot reepen,

Waar langs het mes weer schaaft en glijdt. Tot licht-beweegbre riemen snijdt. Een roeispaan wordt omhoog gestoken; Hij dient de zeilschuit tot een mast, Den drager van 't kajuit-gordijn Slaat men als ra in 't toppunt vast. Een stok zal 't schip tot boegspriet zijn. Een andre spaan, in tweê gebroken,

Hangt met ver-uitgestoken tand Te bunglen aan den achter-steven, Om 't hobblend vaartuig stuur te geven: En zeilree ligt de sloep op 't strand!

Eén houdt het losgeschroefde glas Eens kijkers 't vonklend zonlicht tegen. Dat vlamt en flikkert langs den plas. En spranklend vuur strooit allerwegen; Tot zich de wijd-verspreide vloed Dier stralen in één punt ontmoet.

En. in één bundel saamgeregen.

Een heldre vonk ontglimmen doet.

Door licht-ontvlambre stof gevoed. — Een blauwend wolkje komt gestegen. Zij dragen snel van wederzij' De weggespatte spaanders bij.

En sprokklen hout, waar de andren kloven — En knettrend klimt de vlam naar boven, Die, 't water kleurend met haar gloed.

ocr page 37

DE ST.-PAULrSKOTS.

Straks als de zon haar vuur gaat dooven, Bij nacht als noodsein dienen moet.

Ginds, waar de zee een baai zich schiep, Verdeelen zich de jongste maats. En kiezen zich hun stand en plaats, Waar 't water driftig zeewaarts liep; En met het toegeworpen aas Verlokken zij den visch in 't diep. Die, snel geslingerd naar omhoog,

Weldra te spartlep. ligt op 't droog. -— Ginds ziet men forsch-gespierde mannen Zich krommen met vereende kracht.

Bij 't zeulen van een zwaarder vracht. — Van 't zeildoek wordt een tent gespannen, Door balk en rondhout onderstut; Zij dient het scheepsvolk tot een hut. Waarin ze een luttel schaduw vinden, Hoe weinig ze ook voor d' aam der winden Of voor den gloed des daags beschut. — Beweging heerscht thans wijd en zijd, Men hakt en klopt en kerft om strijd, En de anders doodsche en stille ree. Die (schoon de branding van de zee Zich als kanonvuur hooien dee')

In doffe rust scheen ingeslapen,

Is in een timmerwerf herschapen.

En de echo klopt en hamert moe.

De derde morgen was verrezen.

Wat is die glinstrend-witte stip'? — Zij galmen 't uit: een zeil! een schip! God! zou er redding mooglijk wezen?

Haalt hooger nog de vlag in top.

Of beurt met staak en al haar op!

Laat golven 't uitgespreide laken!

Licht dat de brik haar koers zal staken, Als zij dat fladdrend noodsein ziet. Vergeefs, zij wendt of nadert niet! „Springt in de sloep dan, vóór de vloed „Weer opkomt, roeit haar in 't gemoet.

25

ocr page 38

DE ST.-PAÜLUSROTS.

„Of in hanr zog baar nagereden!'' De Stuurman heeft het laatste woord Des Scheepskapteins pas half gehoord, Of richt vooruit naar 't strand zijn schreden. Hij floddert met de sloep door 't nat, Dat over knie en schouders spat,

En houdt reeds, de eerste er in getreden, De roeispaan als een roer omvat.

Vier, vijf, zes makkers volgen snel; Nog één — de boot is volgeladen.

Nu houdt men af op zijn bevel.

Maar schudt de hand tot laatst vaarwel Hun, die vol spijt weer rugwaarts traden. De Stuurman draalt — hij zoekt zijn' zoon ,Groet hem!quot; spreekt hij op doffen toon, ,Licht wordt de brik niet weergekregen; „Maar roeien wij nog 't schip op zij', „En redt men ons, dan keeren wij „En redden u met 's Hemels zegen,

„Of vinden in de zee ons graf!quot; —

Daar komt de jongling aangevlogen!

Maar 't is te laat — de boot stak af. De vader, die er 't sein toe gaf.

Staart op zijn zoon met vochtige oogen. Die tot aan d' uithoek van de baai Hem groet, met doek en armgezwaai. Ach! al te wreed wordt gij bedrogen.

Die, op die rotspunt saamvergaard,

Geheel den dag daar tuurt en staart! De brik is uit het oog verdwenen.

En ook de sloep — zij keert niet weer. De zon heeft aanstonds uitgeschenen. En dubbel zwart zinkt de avond neer. Hoopt, Droeven, nu geen redding meer. Die 't waagstuk al te kloek bestonden. Wis, dat zij, door de zee verslonden. Hun graf in 't diep der golven vonden!

Een loome dag kroop weer voorbij. De vijfde zon ving aan te gloren.

Weer laat de vreugdekreet zich hooren:

ocr page 39

de st.-paulusrots.

,Een zeil in 't oog ter linkerzij!quot;

Men ziet het luchtig touwwerk zweven, Als had een spin haar web geweven, En hoe de zon het zeildoek glanst,

Hoe ze over 't blinkend koper danst Der stuurplecht, en aan raas en steven Vergulde lijsten heeft gegeven!

Geen twijfel meer, of 't schip u zag! Het hijscht Brittanjes handelsvlag! Een sloep komt naar het strand gedreven.

Zij naakt, al staat de branding hol; Zij hoort van verre uw raadloos kennen;

Zij laadt haar slanken bodem vol.

En neemt u op met open armen!

En eerlang zal de schelle faam In 't Vaderland, uit duizend monden Uw wonderbaar behoud verkonden.

Bij 't zegenen van roxby's naam!

Neen, niet dat vreugdelied gezongen!

De helft is pas den dood ontwrongen; Zie! hoe, den rotswand langs verspreid, De helft nog steeds op redding beidt! De sloep, zich werkend door de gaten.

Waar 't biokklig rif zich splijt en scheurt. Heeft voor hun oog weer 't strand verlaten. En wordt in de open zee gesleurd,

Hoog door de golven opgebeurd;

De sloep — waarin hun makkers zaten.

Waar moede en zwak de Scheepsvoogd zat. Die aarzlend in het vaartuig trad. En 't laatst wilde op de klip vertoeven.

Maar dien men, krank en afgemat.

Als wie het eerst zou hulp behoeven,

Tot lijfsbehoud gedwongen had;

Die, naast de roeiers opgerezen,

Zijn laatste groeten zendt naar 't strand, Als sprak hij, wuivend met de hand: „Verbeidt hun weerkomst zonder vreezen!

„Straks ziet ge opnieuw de sloep geland!quot; De vlag blijft steeds in top geheschen.

27

ocr page 40

DB ST.-PAULUSROTS.

Als riep zij hun in 't wappren toe: „Al spookt de zee uog zóó verbolgen,

„Ras zult gij die geredden volgen;

„Verwacht dat tijdstip blij te moe!quot;

Maar 't schip, door wind en stroom gedrongen.

Drijft verder af, hoe 't worstlen moog; De sloep, door hooger zee besprongen,

Wordt ver geslingerd uit hun oog, Hoe dikwerf zij te naadren poog';

Tot zij, gestaag terug gesmeten.

Niet langer waagt haar kracht te meten,

In 't kampen met d' ontstoken vloed, Waarvoor zij deinzend zwichten moet. — Ach! elf rampzaalgen blijven achter.

Wier weenend oog, vol raadloosheid En stomme smart, ten Hemel schreit, En angstig heenblikt naar den wachter:

Of hij de vlag nog scheemren ziet? Hij schudt het hoofd, maar antwoordt niet; En vreeslijk graaft de klauw der smarte In 't pas door hoop gebalsemd harte.

Nu, wat hun zeekre redding scheen,

Gelijk een droomgezicht verdween.

Één was er op de klip gebleven.

Die, nu de laatste lichtstraal flauwt, De vonk der hoop nog levend houdt.

Eer ze, uitgegloord, in 't hart gaat sneven;

Die vaak aan 't krankenleger stond, Tot redding van 't bedreigde leven;

Maar thans, nu hij veel dieper wond Dan lichaamssmart te heelen vond,

Zijn broedren raad en troost wil geven. Aan wie hem 't leed te nauwer bond. Hij heft dier moedeloozen krachten

Weer op door menig troostrijk woord. Dat hulp en uitkomst doet verwachten.

Hij spoort tot bidden aan. Hij smoort Der wanhoop woeste jammerklachten.

Hij handhaaft moedig orde en wet.

En als de dorst gaat scherper vlijmen.

ocr page 41

DE ST.-PAULUSROTS.

Of de ingezonken krachten zwijmen,

Springt hij hun voor in 't waterbed.

Waar 't overstorten van de golven Ken breede geul, een veilge kom Als tot een badplaats had gedolven.

Daar wentlen zij het lichaam om,

En vinden in dier golven woeling Voor 't heetgeblakerd lijf verkoeling.

Daar blijven zij soms heel den dag In 't overzwalpend vocht begraven,

Dat niet hun dor gehemelt laven.

Maar slechts 't gelaat besproeien mag.

Zóó vlood een tiental dagen heen.

Daagt thans het licht der redding? — Neen! Steeds wordt de schrikbre toekomst banger! Men stookt des nachts het vuur niet langer;

Men vraagt of neemt geen voedsel meer; Maar ligt, van hitte en dorst bezweken.

Half wakend en half droomend neer.

De tong kleeft vast bij 't rochlend spreken, En aller klacht smelt saam in 't smeeken: „Ai! geef een' druppel regen. Heer!quot;' —

Soms schijnt het stervensuur geslagen,

Maar in 't verkwikkend bad gedragen,

Herleeft de matte lijder weer.

Soms rolt de waanzin wild door de oogen, En één, half ijlend opgevlogen —

Die in het koortsig brein besloot Zijn leed te korten door den dood.

En reeds de polsaar ging ontblooten Om 't roestig mes er door te stooten —

Lacht woest en wreed, en gilt toen luid Zijn razernij en wanhoop uit:

„Zoo u nog kracht tot duldloos lijden

„En vruchtloos hopen overschiet,

„Aan mij verging de moed tot strijden.

,'t Is water, water, wat men ziet!

„Maar schoon ons de Oceaan omspoele, „Hij tergt den dorst, maar stilt dien niet. „Ik steek de heete lippen op:

29

ocr page 42

DE ST.-PAULUSROTS.

„Geen druppel aan een vingertop,

„Die 't branden van de tong verkoele!

„Hoe 't machtloos lijf zich wring' en woele,

„De zon steekt, martelt even fel.

„Wat prevelt gij van 't lot der boozen? ,'t Is hier de strafplaats der godloozen: „Wij lijden hier de smart der hel! —

quot;Maar zoo ik hier toch sterven moet — „'k Zal drinken!quot; roept hij meer verwoed, quot;'k Zal drinken, zwelg ik ook mijn bloed, „Als 't op zal spuiten uit mijne aderen. Én 'k slorp, tot ik den dood voel naderen, „Ha! na die teug is 't sterven zoet!quot;

Ontzinde! zwiig, of hef uw klachten Tot God, die 't al verzorgend leeft.

Die voor het lam, dat blaat en beeft, 't Gesnerp der winden wil verzachten;

Die aan den uitgeputte krachten

En 't hongrend muschje voedsel geelt. Hij schenkt de tranen aan bedroefden. Hij schenkt aan 't smachtend bloempje dauw. En zoudt gij meenen, zwaar beproefden.

Dat u die God vergeten zou?

Blikt opwaarts! in het dampig Zui-en,

Daar stijgt een wolk, daar drijven buien,

De zon schuilt weg, het zwerk wordt zwart. Daar valt een drop, — daar stroomt de regen De hemel geeft voor vloek u zegen.

En smelt van deernis met uw smart.

Het regent! — Hoor dat lieflijk ruischen! 't Is of men harpmuziek hoort suizen!

Zie in het leeggeschudde vat — Den gaarbak van het kostbre nat Het hooger klimmend water bruisen.

Wat zijn die eerste druppels zoet.

Die de opgekrulde lippen vangen.

Die 't oog besprenklen en de wangen! Wat doet die eerste teug hun goed! Wat spreidt zij frischheid door hun bloed.

ocr page 43

DE ST.-PAULUSROTS.

't Is fijne wellust, hemelweelde,

Als nooit hun borst of aadren streelde,

Die 't leven uit den doodsslaap wekt! 't Is Nardus, waar zij 't hoofd in doopen, Die uit de wolken neergedropen. Met balsemgeur 't gewaad doortrekt!

Wie ligt daar dankend neergeknield? — Hij was het, die zijn lotgenooten Had moed en troost in 't hart gegoten.

En met geloof en hoop bezield;

Die thans, in vroom gebed verzonken.

Zijn blik naar de aard geslagen hield;

Maar als hij 't oog Weer hief omhoog.

Waarin twee heldre tranen blonken;

Daar welfde zich een regenboog — Een vlag-guirlande uit licht geweven!

Wier kleurenglans. in 't glinstrend zweven. Als 't beeld der hoop hem tegenloeg,

Nu hij den blik ten Hemel sloeg.

»t Ts 't antwoord, hem van God gegeven, quot;t Belooft hem, wat hij biddend vroeg. Hij schijnt van hooger geest gedreven, En spreekt, terwijl hij rijst met drift. En d'arm houdt naar de wolk geheven:

„Leest Broedren! 't zielvertroostend schrift, „Dat daar Gods vinger heeft geschreven!

,'t Is 't handschrift van des Eeuwgen trouw; ,'t Voorspelt behoudnis, redding, leven,

„Na zóóveel kommer, angst en rouw! — „Neen, dempt dien kreet der razernije!

„Houdt aan in 't stil geloofsgebed!

,'t Is meer dan hoop — quot;t is profecye: „Gij sterft hier niet, maar wordt gered!quot;

„Vreest niet! Gij wordt gered, gij allen! „Geen haar zal aan uw hoofd ontvallen;

„God, wiens ik ben, en wien ik dien. „Deed me, in vertroostend nachtgezichte, „Dat voor mijn oog den sluier lichtte

31

ocr page 44

DE ST.-PAULUSHOTS.

„Der toekomst, Uw behoudnis zien.

„Staat vast in dit geloofsvertrouwen: „Gij zult Zijn macht, Zijn heil aanschouwen!quot;

Zoo sprak in 't grijs verleên een stem, Voor duizend en veel honderd jaren, Bij stormgeloei en doodsgevaren Langs 't ruim der opgezweepte baren.

Zóó klonk profetisch 't woord van hem. Die, keurling van Gods heilgezanten. Getrouw de kruisbanier bleef planten, En, toen hij op het süngrend wrak, Waarvan de kranke bodem trilde.

Terwijl zijn arm een keten tilde.

Die taal vol geestbezieling sprak.

Nog eens de waatren overstak.

Bereid, tot d' eindpaal van zijn leven.

Ook in de trotsche keizersstad,

Getuignis van zijn Heer te geven,

Of door de martelbijl te sneven.

Die hij gestaag voor oogen had.

En 't was of de Echo van dat woord, Dat toen esn lichtstraal schiep in 't duister. Tot troost dier droeven werd gehoord; Zij klonk in dit rampzalig oord. Als geestesstemme, in zacht gefluister

Gesproken door den zendling Gods. Gij, plek in d' Oceaan vergeten.

Gij, klip, die naar zijn naam blijft heeten. Gij vingt haar op, St.-Paulus-iota.

IV.

DE SLOEP.

„Wis heeft de zee de boot verslonden, „En zonk zij kentrend in den vloed! „Wis hebt gij daar uw graf gevonden! „Wis, Vader! was 't de laatste groet, „Dien 'k u met een beklemd gemoed

ocr page 45

DE ST.-PAULUSROTS.

,Hier van de rots heb nagezonden.

„Niet één keert uit de diepte weer,

„En zal in 't Vaderland vertellen,

„Wat lot u en uw bootsgezellen,

„Die zwervend langs 't Atlantisch' meer, „Hun lijf zóó moedig waagden, trof; „Of wdar uw lijk verkeert tot stof,

„Kn aan wat onbewoonde kusten „Uw witgebleekt gebeent zal rusten!quot; — Zóó jammerde des Stuurmans Zoon. Wel stond die traan den jongling schoon. Terwijl hij om en rond bleef staren,

Sinds 't uur van 't overhaast vertrek. Gekluisterd steeds aan de eigen plek, Tan waar de sloep was afgevaren.

En toch, de zee verzwolg hen niet — Het achttal, dat de rots verliet.

Zweeft ginds nog dobbrend langs de baren!

De sloep houdt nog haar gang gericht Naar 't schip, dat wegdrijft voor 't gezicht. En hoopt, als 't over stag zal wenden. De brik te steev'nen in de lenden.

Of dwars te kruisen langs haar baan. Het schip gelijkt een trotschen zwaan; De sloep een kleen en pluimloos kieken.

Nauw zichtbaar boven d'Oceaan,

Dat onder de uitgespreide wieken,

Haar angstig volgend, schuil wil gaan. Het fladdrend zeil, gehaald in top.

Zuigt gretig ieder koeltje op,

En onder 't lustig riemenslaan.

Herhaald met afgemeten klem.

Verheft de Stuurman dus zijn stem:

„Roeit aan. roeit aan!

„De brik gaat straks haar loop versnellen! „Zij brast haar mars- en bramzeil! — toch „Zie ik haar rooden wimpel nog;

„Ik kan in 't want de koppen tellen;

„Wij ploegen met de sloep haar zog.

„Roeit aan! at blijft de dorst u kwellen,

ocr page 46

DE ST.-PAULUSROTS.

„Die mij als u de keel verschroeit;

„Al gaat de riem uw hand ontvellen, —

„Gunt d'arm geen rust, hoe zwaar vermoeid; „Vooit, voort, in Gods naam voortgeroeid!quot;

Zij garen al hun kracht — de braven! En zweeten, zwoegen voort als slaven.

Aan hun galeibank vastgeboeid.

Vergeefs! niets wordt de brik gewaar Van 't hen omzwevend doodsgevaar;

Of toeft niet, om hun hulp te bieden.

Maar haast zich aan de rots te ontvlieden,

Alsof, zóólang de golfslag kookt.

En achter haar de zee blijft zieden.

De dood haar op de hielen spookt.

„Helaas, quot;t is vruchtloos kracht verspillen! „Wij roeien snel, maar vordren niet!quot; Herneemt hij, en zijn kleur verschiet. „Zie, hard en vreeslijk is 't! maar 't schijnt, „Daar meer en meer hel schip verdwijnt, „Dat ze ons niet zien, niet redden willen.

„Legt in de riemen, 't is gedaan!quot;

Verschrikt zien zij den Stuurman aan En springen siddrend op. De spanen Ontzinken hun verstijfde hand.

En slingren ledig aan den rand Van 't schomlend vaartuig. Bittre tranen Ontspringen aan hun oog van spijt,

Dat na zóólang verduurden strijd Hun nog de schoonste zege ontglijdt. Nog strekken zij naar 't schip hunne armen.

Als smeekten die voor 't laatst: „Ai keer! „Of is er redding en erbarmen

„Voor ons bij God noch menschen meer?quot; Maar de arm zinkt moede en machtloos neer. Daar zitten ze op hun roeibank weer. En staren vóór zich — zien gestadig

Weer rugwaarts naar 't verdwijnend schip. Dat wegflauwt tot een vormloos stip;

„Nu zij de Hemel ons genadig!

ocr page 47

DE ST.-PAULUSROTS.

„Nu redt alleen de almacht Gods!

,Terug, terug weer naar de rots!quot;

Terug? — denkt aan geen wederkeeren,

Waar de uitgeputte kracht voor faalt! Rampzaligen, gij zijt verdwaald!

Straks komt de nacht uw schrik vermeeren,

Daar de avondzon in 't westen daalt.

Hoe zou uw arm den stroom braveeren, Die toornig opschuimt voor uw boeg,

En op zijn rug u met zich droeg:

Den stroom, die als een moedig ros, Dat snuivend langs de vlakte jaagt En nauw den last voelt, dien het draagt, Op kracht en vlugheid even trotsch.

Hier voortrent in gestrekten draf? — Hij werpt u van zijn rug niet af.

Maar klotst steeds voort, en draaft steeds harder Terug? zoeke eerst uw hand een toom,

Dien ge om zijn hals werpt! — Zegt dien stroom Tot hiertoe zult gij gaan, niet verder!

Of geeft u over aan zijn macht!

Laat af van wenschen, vruchtloos hopen! De onmeetbre zee ligt voor u open;

Ras zal zij 't krakend vaartuig sloopen;

Dan spreidt de golf u 't lijkkleed zacht; Dan, moede zwervers langs de baren! Die worstlen blijft met doodsgevaren,

Dan is uw lange reis volbracht.

„Neen! hoopt niet meer de rots te winnen!quot;

Zóó barst in 't eind de Stuurman uit.

„Ploft nog dén zware stortzee binnen,

„Dan slokt ze ons in, en zinkt de schuit.

„Hier redt alleen een koen besluit.

„Beraadt u saam met kalme zinnen!

„'k Verzeker u van de uitkomst niet: „De sloep is oud en slecht. Gij ziet „Wat weerstand ze aan de golven biedt! „Het roer, als ik het om ga wringen,

„Dreigt in mijn handen stuk te springen.

ocr page 48

DE ST.-PAXJLUSROTS.

flDe mast gelijkt een bevend riet, En 't zeildoek 'scheurt bij de eerste vlagen. Doch, makkers, broeders! durft gij 't wagen „Uw lot te stellen in mijn hand? —

,Geeft gij uw woord, uw trouw tot pand, ,Om, 't hopend oog op God geslagen,

,Wat Hij ons toeschikt saam te dragen? ,Dan stuur ik in een zestal dagen,

— „Houdt slechts dit lieflijk weder stand — „Dequot; sloep naar 't Braziljaansche strand!quot;

„Ons voedsel? vraagt ge, 't is niet veel! „Een dronk azijn — een handvol meel! „En ziltig vleesch, dat wij hier vonden, „Ons nageworpen in de boot,

„Is luttel ponden zwaar en groot.

„Een karig deel voor zóóveel monden!

.Maar dat één uwer eiken dag („Genoeg is mij een kleine bete)

„Ons in de hand het stukske mete,

„Wat elk als voedsel nemen mag;

„Licht zal het zeven dagen rekken.

„De God, die Zarphats weduwvrouw „Niet liet bezwijken in haar rouw,

.Doch maanden lang haar kruik deed strekken, „Kan ons de kracht ten leven wekken: „Dat slechts op Hem ons hart vertrouw!quot;

„Maar geen kompas? — Ziet aan uw voeten „Den stroom, die voortgiert door de zee! „Hij sleept ons in zijn trekvaart mee; „Hij volgt ons. tot wij stranden moeten. „En dan de zon — zij kent haar baan, „Al wijst die geen kompasnaald aan.

„Zij reist des daags ons voor naar 't Westen, „En roept ons eiken avond thuis! „En 's nachts — het vonklend Zuider-kruis, „Waarop we als poolster de oogen vesten!

„Bij dag en nacht een vuurkolom,

„Die ons — zoo slechts de Heer der winden

ocr page 49

DE ST.-PAULüSKOTS.

„De stormen in zijn vuist blijft binden — „Het pad langs d'Oceaan doet vinden!

„Toch ziet gij treurig zwijgend om.

„Denkt ge aan uw makkers, aan uw vrinden? — „'k Versta u, want nog feller smart „Doorknaagt thans, als een worm, mij 't hart. „Mijn eenge zoon'' — zijn stem werd zachter En beefde, — „bleef daar hulploos achter. „God weet, of ik u wederzie,

„Mijn kind! maar dat zijn wil geschiequot;!

„En zoo wij in Brazielje landen,

„Dan smeeken we om een zeilree schip, „Dat ons terugvoer' naar de klip,

En staven 't woord, dat wij verpandden,

(„o God! die vreugd waar schier te g-.oot!) „En zijn hun redders van den dood!quot;

„Wat antwoordt gij?quot; Doch niemand breekt er Het zwijgen af. De moedloosheid Ligt over 't strak gelaat verspreid.

Één hunner slechts rijst op en spreekt er: „ „Komt, makkers, broeders, moed gevat! „ „De reis gewaagd! gelooft gij, dat „ „Zóó wonderbaar door God ons 't leven

„ „Gered is, om ons aan den dood „ „En 't spel der winden prijs te geven? — „ „Neen! daartoe was de hulp te groot, , „Die Hij, in dien verschrikbren nacht,

„ „Aan ons, rampzaal'gen, bood!

„ „Gesteund nog op zijn liefde en macht! -— „ „Draai om het roer — en wend den steven! „ „Vooruitgezeild op Gods gena!

„ „Ik volg u — naar Amerika!quot;quot;

„ „In Gods naam!quot;quot; roepen allen 't na, „ „Vooruit dan — naar Amerika!quot;quot;

Amerika! — welk dichtrenlied Verheft tot stouter galm zich niet,

ocr page 50

DE ST.-PAULUSROTS.

Waar gij 't geldank uws naams laat hooren? God sprak — toen in colümbds' ziel Het grootsch, bevruchtend denkbeeld viel — Een wereld stond daar, jonggeboren!

Als nieuwe zon, wier dageraad.

Waar de oude zon ter ruste gaat,

Het eerst in 't West begon te gloren:

Als schoone, donkerkleurge bruid,

In volle ontwikkeling geschapen.

Zich bloemen vlechtend om de slapen,

Reest gij den schoot der golven uit, Het hoofd omkranst, de borst bepareld. En 't grijs Euroop ontvlamde in gloed,

Die 't hart eens minnaars jagen doet,

Toen gij voor 't eerst door de oude wereld Als nieuwe wereld werdt begroet.

Het stak begeerig langs den vloed U de armen als zijn weerhelft tegen,

Maar bracht, als bruidsschat, vloek voor zegen. En trapte, na geleschten dorst.

Als zijn slavinne u op de borst.

Maar fier hebt gij u zelf gewroken,

De schalmen van uw boei verbroken.

Uw kluisters tot een zwaard versmeed! Gij wiescht de striemen van uw koorden. En 't Zuid geeft antwoord aan het Noorden,

In d'opgewonden vrijheidskreet!

Nog staat gij daar vol kracht en schoonheid. Die onverzwakte jeugd tentoonspreidt;

En zoo de last van zonde en schuld.

Die 't grijs Euroop weegt op de schouderen, U niet als ons doet vroeg verouderen.

Wie schetst ons wat gij worden zult. Wat nieuwe toekomst u gaat blinken,

Als reeds Euroop in 't graf zal zinken,

Schoon de oude wereld onderga? —

o Jong en schoon Amerika!

Schoon zijt ge, ontzagverwekkend schoon, o Land der liemelhooge bergen!

Gij weigert nooit na d' arbeid loon,

ocr page 51

DE ST.-PATJLUSROTS.

Hoe luttel zweets uw grond blijft vergen, 't Is eeuwig zomer aan uw voet;

En de aard, geprikkeld door dien gloed, Geeft willens steeds verhoogde rente. Uw bloemengaard doorgeurt de lente,

Waar gij uw bergrug rijzen doet. Nog hooger, waar ge uw steenrotsblokken

Reeds in der wolken nacht verliest ;

Daar waait de herfstwind door uw lokken.

Nog hooger waar de lucht bevriest En ijs vormt van de regendroppen;

Waar plant noch dier meei aamt of leeft. Maar soms de ontzagbre condor zweeft; Daar dragen Chimboraxso's toppen,

Nooit van hun blinkend kleed beroofd. Den eeuwgen winter op het hoofd! —

o Land der ontoegankbre dalen!

Zoo veler stroomen wieg en bron, Die hupplend door de velden dwalen;

Waar ook de trotsche Maranhon, De reuzenvloed der Amazonen,

Zijn onbeperkten loop begint,

En eerst als een satijnen lint,

Gestrikt door 't haar dier strijdbre schoonen,

Zich langs zijn boschrijke oevers windt; Maar ras, zich wentlend door de vlakte, Tot een verzilverd vloertapeet Zijn hooggezwollen stroom verbreedt, En op zijn kreuklend golvenkleed De stammen meedraagt, die hij knakte En bij den wortel nedersloeg,

Terwijl hij door uw wouden joeg. —

o Land der onafzienbre wouden!

Die nooit versterven, nooit verouden,

Wier loofgordijn voor 't vuur der zon Eene ondoordringbre tente spon;

Maar aan wier breed-vergulde zoomen.

Maar in wier hoog-gewelfde boomen De vooglen — in hun vederpracht

39

ocr page 52

LIE ST.-PAULUSBOrS.

Wedijvrend met den gloed der kleuren.

Die van uw schoonste bloemen lacht — 't Gepluimde hoofd ten hemel beuren,

Dat als hun halskraag vonkt van goud. Of 't onderdomplen in de geuren.

Die stroomen van uw balsemhout. — Wat keur en rijkdom van metalen,

Brazidje, prachtig avondland!

Rust sluimrend in uw ingewand!

Gij strooit voor schelpen en koralen Smaragd en korlen goud door 't zand, En zaait in 't slijk den diamant. Die schittring spreidt door hoofsche zalen. En in de kroon der vorsten brandt! — Eens stond ge, o rijk gezegend strand! Ook ons een deel af van de schatten.

Die ge in uw aadren blijft bevatten.

Toen Neêrlands vloot den Portugees Bestookte en stout de driekleur heesch Op Salvadors verheerde wallen!

Thans deert u Hollandsch roem niet meer. Braziel je! maar het eerst van allen Als parel aan haar kroon ontvallen.

Roept gij slechts uit het grijs weleer. Van uitgeschenen heldenglorie,

Van nederlaag na krijgsvictorie,

Verbleekte schimmen der Historie En droevige herinn'ring weer!

't Wordt avond op 't Atlantisch meer. De zonneschijf spreidt rooder glanzen. En schijnt de sloep vooruit te dansen.

Terwijl haar vuurbol aan de transen Alet meer dan dubble grootte blinkt, Hoe lager zij in 't westen zinkt.

Soms — door de deining van de golven — Schijnt zij te steigren langs haar baan, En hoog nog aan de kim te staan;

Soms — door de purpren zee bedolven — Verdronken reeds in d'Oceaan,

Om ras, als brak weer de uchtend aan.

ocr page 53

DE ST.-PAÜLÜSROTS.

(Bogoochlend schouwspel, prachtig wonder!)

Opnieuw vol luister op te gaan.

Nu beurt zij 't hoofd, dan duikt zij 't onder.

Tot zij, vergeefs teruggewacht Voor aarde en zee heeft uitgeblonken.

En nu in onbetwistbre pracht 't Gestarnt iaat schittren met zijn vonken,

In dquot; onbewolkten keerkringsnacht!

En lucht en golf en zee en heemlen —■ 't Schijnt in één glans dooreen te weemlen,

En saam te smelten tot. één gloed;

Omhoog een oceaan van zonnen,

Omlaag veel duizend Orionnen,

Die hupplen langs den zilvren vloed!

't, Is nacht. — Voor weinige oogenblikken

Heeft elk, van 't zeildoek overspreid, Zoogoed hij 't kloppend hoofd mocht schikken.

Zich in de sloep ter rust gevleid.

(o Moog' die sluimring hen verkwikken!) 't Is stil en alles slaapt aan boord.

Niets dan een dof gereuteld woord.

Wanneer een droom hen op komt schrikken.

Wat nog hunne ademhaling stoort. De Stuurman waakt slechts; — neergezeten Bij 't roer, houdt hij 't bereeknend oog Gevestigd op den starrenboog.

Of hij der heemlen ruim wil meten. Hij murmelt binnensmonds een lied: „Hij, Isrels Wachter, sluimert niet!quot;

Maar breekt soms af en staart in 't ronde. Alsof hem iemand fluistrend riep;

Dan buigt hij 't hoofd, dan zucht hij diep. Dan voelt hij 't steken van zijn wonde,

Blikt opwaarts naar des Eeuwgen troon. En stamelt zacht: ,o, red mijn' zoon!'

De sloep snelt voort langs d' Oceaan. Zij wandelt eenzaam langs haar baan.

En elke morgenstond.

Die uit een korten slaan hen wekt,

ocr page 54

DB ST.-PAULUSBOTS.

Toont hun, zóó ver het oog zich strekt,

Nog d' eigen horizont.

Zij hooren niets dan 't golfgerucht En 't koeltje dat in 't zeildoek zucht;

Zij zien slechts zee en lucht,

Een kleed van groen en hemelsblauw;

Of als een zeil, bij 't avondgrauw.

Te glinstren schijnt aan 't zwerk; Het bleek een ver-verdwaalde meeuw, Die. naadrend met haar heesch geschreeuw.

De zee tipt met haar vlerk. —■

Soms speelt een purperkleurge troep Dolfijnen om en vóór de sloep.

En spartelt langs den zoom Van 't vaartuig, smakkende aan den rand. Maar als een rappe vuist ze omspant. Dan glippen ze uit des roovers hand

En duiken in den stroom. •—

Soms komt een reuzig zeegedrocht Geschoten uit zijn diepste krocht. En blaaskaakt om den boeg.

Alsof 't daar spijze rook en zocht.

En één tot offer vroeg.

En 't bootsvolk blikt het aan, vervaard, Kn ducht, dat — schiet het dichter bij — De sloep, gebeukt door d' ijzren staart.

Zal tuimlen overzij.

Maar ze aadmen ras weer ruim en vrij;

Want toen een roeier 't even sloeg. Wat schrik toen 't log gevaarte joeg!

Het krult zich snel inéén;

Zijn staart trekt als een anker krom; Het neemt een luchtsprong, duikelt om.

Ploft neer en graaft een kuil rondom,

Spuit hoog een dubble straalkolom. En 't zeegedrocht verdween! —

Soms zweept de wind de baren hoog; Dan blijft geen draad van 't kleed hun droog;

En de overplaste boot,

Die half met water staat gevuld.

Blijft in een wolk van schuim gehuld.

ocr page 55

BE ST.-PAULUSROTS.

En iedre golf, die nader krult,

Dreigt ondergang en dood. —

Soms overtrekt een floers de lucht.

Dan rijst uit ieders hart de zucht:

„Ach, dat er regen daal!

„Zij 't onweer vreeslijk en geducht, „/oo slechts met eiken bliksemstraal „En losgebroken donderknal

„Een druppel nedervallquot;!quot; —

Daar gonst in 't eind de regendrop !

Zij garen 't vocht in 't zeilkleed op;

Maar 't doek, met schuim bespat. Doortrokken van 't gepekeld nat.

Vergiftigt hun nog d' eersten dronk,

Dien God na zóóveel lijden schonk. — Eén, die zijn' breedgeranden hoed Had meegedragen door den vloed,

Heft dien ten hemel op met spoed,

En brengt hem aan den mond; En evenals op 't hoogtijdsmaal De berkemeier of bokaal,

Gaat hier zijn stroohoed rond — Zóó worstlen zij, bij dag en nacht;

Vergeefs nog 't eind der reis gewacht!

De zesde dag vlood heen.

Eén houdt er op de voorplecht stand. Die scherp in 't rond zijn blikken spant.

Doch vraagt men: „Ziet gij ergens land?quot; Dan zegt hij treurig: „Neen!quot;

De laatste bete is reeds gebroken.

Waarbij geen dronk meer 't hart verkwikt, De keel, van gloeiend vier ontstoken,

Heeft, daar zij krachtloos nokt en hikt.

Half weigrend 't voedsel doorgeslikt.

Geen oog wordt meer des nachts geloken De morgen wekt tot nieuwe smert.

Daar weer hun hoop verijdeld werd.

En ze in de schemerende vert'

Niets van 't beloofde land zien dagen.

Dan krimpt hun t hart te zaam van schrik,

ocr page 56

DB ST.-PAULUSROTS.

En scherp verwijt spreekt uit den blik, Die op den Stuurman wordt geslagen,

Alsof hij, heil voorspellend, loog.

En hij alleen de schuld moest dragen

Van 't wee, dat thans zóó plettrend woog. Dat ziet hij, strekt zijn hand omhoog En spreekt: „Ik gis wat gij wilt vragen; „Maar schoon reeds de achtste dag vervloog, „God weet, of ik u wreed bedroog!

„Nog is de hoop mij niet ontnomen.

„Ziet gij, in wijd-gespreide vlucht „Die vooglen zwemen door de lucht? — „Zij roepen 't welkom langs de stroomen, „Zij brengen 't eerste olijvenblad, „Als noachs duif op Ararat;

„Zij spellen, dat wij dichter komen,

„En licht niet ver meer zijn van 't strand. „En — mocht ook heden de uitkomst falen — „Wacht slechts op de eerste morgenstralen; „Rijst weer de zon — dan zien wij land!quot;

Zóó sprak, met onvervaarde ziel,

Ook eens cohjmbus. toen zijn kiel,

Op nooit voorheen beproefden tocht,

Naar overzeesche stranden zocht.

Terwijl zijn hand naar 't Westen wees,

Waar straks de nieuwe wereld rees.

Maar aan columbus dacht hij niet — De Stuurman, die, na 't vallend donker,

Zijn ligplaats in de sloep verliet;

Dien gij, bij 't deizend stargeflonker,

quot;Vóór op de plecht nog waken ziet.

Hij zit daar in gepeins verloren.

Met de armen op de borst gekruist; — Hij luistert, hoe de golfslag bruist.

En 't is hem, of die zachter ruischt, En minder zwaar hem klotst in de ooren. — Wat draagt de zee een wondre kleur! Wat frisschen, vreemd-doormengden geur. Die 't hart versterkt bij 't snuivend rieken. Draagt op haar nat-bedropen wieken

44

ocr page 57

BE ST.-PAULUSROTS.

De zeelucht aan bij 't uchtendkrieken! —

Wat donkre nevel dekt de kim!

Zijn 't bergen, of een krans van wolken,

Die, scheemrend met een flauw geglim. Als torens rijzen uit de kolken? —

Hij scherpt zijn blikken, maar een traan. Dien hij vergeefs zoekt weg te pinken,

Blijft als een wolk voor de oogen staan. Daar gaat de zon in 't oosten blinken!

Neen, God beschaamde 't bidden niet! t Is land, dat hij daar scheemren ziet.

„Rijst makkers, rijst!quot; en opgevlogen,

Wrijft elk den nevel zich uit de oogen, En staart in quot;t rond: , „Wat ziet ge? — waar?quot;' Hij antwoordt niet — zijn borst blijft hijgen Zijn hart is vol — zijn lippen zwijgen; Hij vat hun arm en wijst slechts: daar! 't Is land! nu zien zij allen 't klaar. „ „Geloofd, geloofd zij Gods gena! „ „Brazieljes kust! Amerika!quot;quot;

Zij zien, hoe duinen 't strand omringen,

Dat zachtkens dalend zeewaarts glooit;

Déar achter rijzen heuvelklingen.

Met frisch geboomte in 't groen getooid. Zij meten d' afstand voor hun voeten,

Dien zij nog snel doorklieven moeten. Om 't strand te kussen, dat hen wacht. Zij staren op die bergenpracht.

En breiden de armen in verrukken.

Terwijl hun oog van vreugde schreit. Als wenschten zij uit dankbaarheid Die bergen aan hun borst te drukken; En galmen 't uit, en jublen 't na: „ „Brazieljes kust! Amerika!quot;quot;

V.

DE REDDING.

Geen wolkendrift, geen woelend zwerk Jaagt vliegend voort, al waait het sterk.

ocr page 58

DE ST.-PAULUSBOTS.

Het blauw der lucht is diep en klaar. Een wolkje slechts, dat hier en daar Zijn sneeuw in fijner vlokken deelt,

Of tot een dunne veer penseelt,

Is van den wind het zichtbaar merk.

Maar hooger is de golf gekuifd, En 't schuim, dat wilder opwaarts stuift, Verraadt het klappren van zijn vlerk. Hol staat de zee rondom de klip. Als sprong een deur los van de hel. Zóó kookt en rookt de branding fel. En spelt verderf en dood aan 't schip. Dat ze in haar maalstroom trekken moog'. Zoo 't roekloos hier een landing poog'.

Toch nadert, wind en golf ten trots, Ben schip, dat lijnrecht derwaarts toog. Een schooner, ginds St.-Paulusrots. Het draagt Amerika's blazoen. Beschaduwd door een keizerskroon, Geschilderd over 't geel en 't groen Der Biazieljaansche vlag ten toon. Het ligt, als wachtende op de kust, — De zeilen half gereefd — in rust, Onrustig toch door 't golfgewiegel; En de onbewolkte middagzon Glanst op den wit-gelijsten spiegel Zijn naam: „de Maranhon!quot;

Een sloep roeit met gezwinde slagen Van boord af, die gericht naar wal. Een doorsteek door de branding wagen, En wie daiir nog half stervend lagen.

Maar smachtend nog naar uitkomst zagen.

(Zoo 't niet te laat is) redden zal.

Vier roeiers doen haar voorwaarts snellen. Wier vuisten forsch den riem omknellen, Wier aadren hoog op de armen zwellen,

Bij 't ploffend op- en nederslaan. Eén, die hen gaat als loods verzeilen. Wijst hun de hoogste rotspunt aan.

46

ocr page 59

DE ST.-PAULUSEOTS.

„Daar,quot; spreekt hij, „heeft de vlag gestaan! „En zoo geen schip, door tegenwinden, „Als wij, geslingerd uit haar baan,

„Vóór ons de rots heeft aangedaan;

.Daar zullen wij hen levend vinden, „Of — licht hun lijk, reeds half vergaan 1quot;

Gij vraagt niet, wie dat zuchtend sprak; Maar aan de ontroering van zijn stem Bij 't laatste woord, herkent gij hem; Den Vader, die op 't zinkend wrak.

Toen 't laatste steunpunt voor zijn voet Reeds werd beklauterd door den vloed,

Zijn zoon hield met zijn arm omvat, Die, toen de keus gold, wie van beiden Het eerst van 't splijtend rif zou scheiden.

Op 'sjonglings beê besloten had Om saam te leven, saam te sterven;

Die toch veroordeeld was tot zwerven. En, van zijn zijde weggescheurd.

Reeds lang als doode was betreurd.

Zie, toen hij aan Brazieljes stranden.

Met hen, die de Almacht had gered,

Weer d' eersten voet had uitgezet,

En de eigen plek, die hen zag landen,

Hen ook geknield zag in 't gebed:

Bleef hij die gunst van God begeeren.

Als 't hoogste, wat hij biddend zocht, Om, na dien stout volbrachten tocht,

Naar 't oord des onheils weer te keeren.

Zoo ras hij 't door Gods bijstand mocht; God, die hun 't snerpend leed verzachtte, Die 't oor geneigd hield naar zijn klachte.

Zóó vaak gestegen tot Zijn troon:

God was zijn eerste zielsgedachte.

Zijn tweede: redding voor zijn zoon!

En wie, ter prooi van doodsgevaren,

Nog aan de rots gekluisterd waren.

Met hem te ontrukken aan den dood — Wat hij met vasten moed besloot.

47

ocr page 60

DE ST.-PAULUSUOTS.

Ziet lien, de ve.ese zwervelingen,

Waar strandbewoners hen omringen,

Terwijl ze, neergehurkt in 't groen,

Verkwikt door broodvrucht en meloen, Onmachtig in hun taal te spreken,

Door handgebaar en vingerteeken

't Verhaal van hunne ellende doen!

Ziet hen, de druk- en lotgenooten.

Met hem ten verren tocht besloten,

Door 't brandend zand der barre kust,

Terwijl hun 't zweet langs 't voorhoofd gudst, Door diepe kreek en woudstroom waden, Of onder quot;t dak van kokos-bladen,

Soms 't hoofd gevleid tot korte rust! En voorwaarts spoeden bij 't ontwaken.

Als weer de dag zijn loop begon,

Tot de eerste stad met trans en daken

Te vonklen lag in 't licht der zon!

Ziet hem alleen — toen 't spoor zich scheidde Voor hen. die 't lot zóólang geleidde Langs 't eigen golf- en wandelpad Hoe hij weer moedig voorwaarts trad, En 't hait door van Brazieljes wouden.

Terwijl hij onverwrikbaar 't oog Op 't eigen doel gericht bleef houden, Van Sobral naar Ceara toog.

Doch daar — daar stond de grens van 't lijden; Daar wenkte hem de kroon na 't strijden, En wuifde 't hoofd, van 't zwerven moe, Verkoeling met haar palmtak toe:

Want, toen hij 't onheil had beschreven, Dat have en kiel verzwolgen had,

En om een zeilree vaartuig bad.

En sprak: „Mijn zoon is daiir gebleven ,Erbarming voor zijn jeugdig leven!quot;

Toen werd het oog van tranen nat;

Toen werd dier vreemden hart bewogen, Om hem, uit deernis met zijn rouw,

Als hulde aan zóóveel moed en trouw. Te schragen in 't heldhaftig pogen. — Men windt met spoed het ankertouw,

ocr page 61

DE ST.-PAULUSBOTS.

En schip en volk wordt veil gegeven,

Dat op zijn spoor lerug moet streven, En — redde men zijn broedren 't leven — In zijn triumfen dealen zou.

Ja, u een aandeel aan de glorie,

Brazielje! van 't raenschlievend feit. Waaraan geen krans der krijgs-victorie.

Maar hemelsch loon was toegezeid;

Ja, u de cijns der dankbaarheid Van 't Hollandsch hart, dat roem blijft dragen,

Dat op oud-Neérlands dierbren grond, In Neêrlands schoonste heldendagen. Der menschheid schoonste tempel stond: De balling hier een haardstee vond;

Geen vreemdling hulp of troost kwam vragen, Dien men weer hulploos van zich zond; — Dat nog van zaalge vreugd gaat gloeien.

Bij d' aanblik, hoe menschlievendheid Nooit vruchtloos hier wordt aangeschreid. Maar als een Engel troost bereidt Eu tranen droogt, waar tranen vloeien,

En mild haar gaven strooit in 't rond: — Maar dat, waar 't op der vreemden grond Die liefde in d' eigen glans ziet pralen,

Steeds d' adel in den mensch waardeert. En zich verkwikkende in haar stralen.

Ook 't schoon dier deugd in vreemden eert.

En nu — na twintig bange dagen Is weer de reis volbracht. Daar ligt St.-Paulusrots weer voor 't gezicht. Hoe bonst hem 't hart met hoorbre slagen! Hoe al zijn polsen kloppen, jagen.

Nu hij den vinger derwaarts richt.

En hun, die naar zijn wenken vragen,

Terwijl de sloep nu daalt dan rijst. Het veiligst punt ter landing wijst. Wat vrees en hoop doortrilt hem 't harte! Of vadervreugde of vadersmarte,

Bij de eindbeslissing van zijn lot.

ocr page 62

DK ST.-PAULUSKOTS.

Hem daiir verbeiden zal, weet God! — Zal hij, bij 't snikkend welkomgroeten,

Zijn zoon nog levend daar ontmoeten.

Of, stromplend over steilte en kloof.

Zijn lijk gestrekt zien voor zijn voeten.

Van krab en meeuw de afzichtbre roof? Zal hij zijn zoon van dorst bezweken, Bewustloos vinden, als 't misschien Te laat is om hem hulp te biên;

En als hij 't „Vader!quot; uit wil spreken,

Zijn wang verblauwen, 't ooglid breken.

En in zijn arm hem sterven zien? Een huivring rilt hem door de leden.

Hij bant dit schrikbeeld uit zijn geest; üit is het ijslijkst wat hij vreest.

Wat hij van God wil afgebeden;

Hij durft niet hopen, maar hij gist En voelt, nu zij de rots betreden;

Reeds is hun aller lot beslist.

De scherpe klippen zijn bestegen Geen jublend welkom schalt hun tegen; Alleen een opgejaagde zwerm Van zeegevogelt schreeuwt alarm. Nu 't opgeschrikt zijn rust ziet storen, En fladdert naar de hoogste spits.

Als naar een steilen vestingtoren,

Waar 't zich gelegerd had te voren.

En voor hun naadring veilig is.

Hoe? drong geen kreet hun daar in de ooren Neen, 't is hun eigen stemgeluid,

Dat op den wand dier rotsen stuit, Of 't slaan der branding, wat zij hooren.

Die langs het steenrif schuurt en kruit. Weer luistren zij bij 't hooger stiigen — 't Zwijgt alles. — la dat doodlijk zwijgen De stilte, die er heerscht in 't graf. En brak de dood hier 't kermen af? — Of is 't een heilvoorspellend teeken.

Wat tot hun troost de Hemel gaf:

Dat wie zij zoeken in die streken,

ocr page 63

DE ST.-PAULUSROTS.

Reeds aan de rotsklip zijn ontweken ?

Kn brult die golt van toorn en spijt,

Dat hij, verwinnaar in den strijd,

Hen, die hier in zijn kerker zuchten,

Nog aan zijn woede zag ontvluchten?

Daar staan ze op 't eens bewoonde vlak. Wat zien ze? — Spaanders nog van 't wrak, En sintels der gedoofde vonken.

Waar 't vuur als noodsein had geblonken;

Geen vlag meer om den staak gestrikt; Den stok in 't midden doorgeknikt. Met hangend hoofd ter aard gezonken,

Een leeggeschudden korf en kist;

Jlaar wat de hand met zorg vergaarde.

Toen 't uit de zee werd opgevischt, Hoe luttel 't schijnen mocht in waarde,

Wordt door het zoekend oog gemist. Het scherm voor 't blaakrend zonnebranden.

Het uitgespannen tentgordijn Is weggeruimd door menschenhanden. . . .

Neen! 't Oog wordt niet misleid door schijn! 't Is hier geen rustvertrek van dooden: Zij moeten aan de rots ontvloden

En 't doodsgevaar ontworsteld zijn!

„Zij zijn gered! — Treedt, vrienden, nader!quot;

Zóó wuift met opgeheven hand En jubelt de opgetogen vader;

-Ziet, al wat ons omringt te gader „Is van die redding 't onderpand!

„Zij zijn gered! — Dank, lof en eere „Uw nooit volprezen goedheid, Heere!

„Ik deed 't gegeven woord gestand! „En mocht ik niet mijn zoon begroeten,

„Zijn lot rust veilig in Uw hand!

„Gij zult, bij 't heuglijk weerontmoeten, „Die smart des afzijns mij verzoeten „Door 't wederzien in 't Vaderland!quot;'

51

ocr page 64

DE ST.-PAULtJSKOTS.

En 't was zóó. Weer verrees de morgen Van d'aan den Heer gewijden dag; De derde, dien men rijzen zag,

Bij hooger nood, met banger zorgen,

En luider snikkend weegeklag;

De dag, die Neerlands dankbre zonen.

Die 't vrijgestreden erf bewonen,

In dorp en steden van alom,

Bij 't dof gebrom der kerkklokstonen,

Ter beevaart roept naar 't heiligdom, Dat met zijn spits-gewulfde koren

Ver boven andre daken rijst,

Of met zijn grauw-bemosten toren Als vinger naar den Hemel wijst.

Maar hoe men daar Gods weldaitn prijst, Geen toon dier aangeheven zangen Wordt door de rotsklip opgevangen,

Waar quot;t zuchtend hart den dood verbeidt; Hier blijft een doffe werkloosheid,

Voor heiige Sabbathsrust, verspreid, Een slaperige nevel hangen;

Hier rijst geen tempel of altaar;

Hier ruischen lof- noch jubelpsalmen;

Toch zou, vóór de avond viel. ook ddar In 't danklied der geredde schaar Een stemme des gejuichs weergalmen,

Alsof 't een feest- en dankdag waar'!

Ginds, waar een wolk van vliegend schuim Langs hagelblanke boorden spat,

Drijlt weer de kiel van een fregat Haar zeeploeg dwars door 't golvenruim. De scheepsvoogd, turend langs den plas, Houdt op de klip bet oog gericht,

En haalt door 't sterk vergrootend glas Die rots nog nader voor 't gezicht.

Hij ziet, boe ze als een dreigend spook Hare armen tilt uit schuim en rook.

Maar. (was zijn oog of 't glas bewolkt?) Dat bij die vlek van glinstrend wit Haar kruin met menschen is bevolkt,

ocr page 65

DE ST.-PAULUSKOTS.

Dat daar een schaar in doodsnood zit, En angstig om verlossing bidt,

Eer weer het schip de rots ontvlied',

Dit zegt het scheemrend oog hem niet. Hij richt den kijker keer op keer.

Verlengt den loop, verkleint dien weer,

En sluit de tromp van 't kunstglas weder, En — onverschillig legt hij 't neder.

Een ander scheepling, die van 't dek Met huivring staart op de eigen plek,

Neemt thans de koopren buis in handen.

En wapent met het kunstglas 't oog.

.,Zie, 't is of aan die naakte stranden

„Iets omdwaalt, dat zich snel bewoog! ,Zie, hooger dan de witte kuiven „Dier opgespatte golven stuiven:

„Daar schijnt men met een vlag te wuiven! „Dat is een noodsein! Groote God! „Men smeekt om hulp!quot; — Zóó spreekt hij tot Den Scheepsvoogd, die met schrik de ontroering, 't Verandren van zijn trekken ziet,

En zelf opnieuw de rots bespiedt:

„Ja!quot; roept hij uit in geestvervoering,

„Uw scherpziend oog bedroog u niet!

,'t Zijn menschen, 't zijn schipbreukelingen, „Die raadloos ginds de handen wringen! „God weet hoe vele in zee vergingen,

„Toen zich hun schip te bersten stiet! „Gij, armen, die daar hulp blijft wachten,

„Wel deerniswaardig is uw lot!

„Maar 'k laat u daar niet vruchtloos smachten —-„Ik help — zoo waarlijk help' mij God! — „En berg 't rampzalig overschot!quot;

„Hijscht op de vlag!quot; —■

Ze ontplooit baar banen ; 't Is Englands zeevlag, gloeiend rood;

Zij waait haar kruis in d' uithoek bloot, En wordt met duizend vreugdetranen Door 't scheepsvolk op de rots begroet,

ocr page 66

DE ST.-PAL'LUS ROTS.

Wier hoop ze opnieuw herleven doet; Die, hij dit blij herkenningsteeken,

Elkaar omarmen zonder spreken, Of snikkend juichen: „God is goed!quot; Nu al hun doodsangst is geweken,

Nu al hun leed ten einde spoedt.

Twee sloepen glijden snorrend neder,

En liggen, buiten boord gebracht, ïe sohomlen, licht gelijk een veder. En reppen zich met spoed en kracht Tot lading van zóó kostbre vracht. — Houdt thans uw adem in, gij winden!

Zwijg stille, gij verbolgen zee!

Buigt, golven! thans uw hoofd gedwee. En draagt hen, tot ze een ligplaats vinden.

Op ingedoken schondren mee!

Wie ginds verschenen zijn tot redding.

Zij duiken paarlen uit uw diep;

Maar schooner paarlen, dan uw bedding

Ooit voor de kroon van Vorsten schiep: Zij keeren met gevonden schatten.

Die ze in hun bodems samenvatten, En roeien snel, en naadren weer. Goddank! daar zinkt de valreep neer! Diiar staan ze, de afgetobde lijders, Omringd van redders en bevrijders.

En grijpen snel naar 't slingrend koord, Terwijl, bij 't stromplend opwaarts stijgen,

Een breede zeemansrug hen schoort ; Zwak als zij zijn — de borst moog' hijgen,

De knie bezwijk', — zij wagglen voort; Tot allen, die daar machtloos lagen.

Half in triumf omhooggedragen,

Behouden zijn gebracht aan boord. Dit uur heeft over dood en leven,

Maar tot hun aller heil, beslist.

Aan wie daar red'loos achterbleven, Is 't leven in den dood hergeven:

Niet één wordt uit de schaar gemist!

ocr page 67

DE ST.-PAULUSKOTS.

Wat was 't, dat hun die hulp beschikte, Wat zóóveel doodsangst, zóóveel leed In zaalge vreugd versmelten deed?

Was 't oog, dat door het kunstglas blikte, Die heldrer straal van 't flikkrend licht, Die 't neevlen-floers verscheurde en deelde,

Kn 't onheil opriep voor 't gezicht.

Een spel, dat hier het toeval speelde. Een blinde worp van 't lot geweest? Weg, spooksel van ontstelden geest!

Dat aan zóó dunne spinragbanden De wereld ophangt en haar lot! Dat raderwerk eischt vaster handen!

Die 't lot en 't leven onzer panden In zuivrer schalen weegt, is God!

Die niet ten doode, maar ten leven Hun aller naam had opgeschreven!

Wat, dwazen, arm in hoop en troost!

Blijft gij van 't spel eens toevals droomen?

Blikt naar St.-Panhisrots, en bloost! — Wat zondt gij nog voor de uitkomst schromen Bedrukten, die geen? dag ziet komen!

Zegt nimmer, schoon gij hooploos schreit, En bij het licht van eiken morgen

Vergeefs op 't licht der redding beidt;

„Mijn weg is voor den Heer verborgen!quot; o Kindren der Voorzienigheid!

Ontvlucht op uitgeslagen wieken.

Verbeelding! thans dit eenzaam strand!

Zoek weer de kust van 't Vaderland, De duinen, die naar 't zeewier rieken.

Voor 't oord van 't blozend uchtendkrieken

En overzeesche lustwarand!

De faam, die zich vooruit ging reppen,

Heeft reeds op Nederlandschen grond Alom met vroolijk vleugelkleppen De maar van hun behoud vei kond. Al zwalpen ze op de baren rond;

Al ploegen zij de verste stroomen, Vaneengescheiden en verdeeld.

ocr page 68

DE ST.-PAULUSROTS.

Door andre kielen opgenomen:

Ziet hen toch allen dichter komen

Aan 't oord, dat al hun smarten heelt.

Ziet hen — waar ginds met dondrend beuken

Het gram Noord-West in 't zeildoek slaat, Dat, strakgezwollen uit zijn kreuken,

Met drift Brittanjes kust verlaat;

Of waar, met vuur in pols en aderen.

Bij 't rustloos wentlen van de raderen. Het stoomschip, op zijn rookvlag stout.

Zijn waterwielen klept door 't zout —

Weer Hollands dierbren bodem naderen;

Waar menig oog werd rood geschreid. En menige arm is uitgebreid,

Begeerig om hen weer te ontvangen.

Wier komst met afgepijnd verlangen,

Na zooveel jamren, werd verbeid!

En kraakt daar niet een zware stap Op 't hout van de uitgehoolde trap,

Waarlangs geen venster licht verspreidt. Die naar een donkre vlieringkap In 't nauw beklemde steegje leidt? — Een jonge vrouw, die aan haar borst Haar eerstgeboren zuigling torst,

Schiet naar de deur — maar wind en regen Snuift haar en 't trillend lampje tegen;

Maar in den eigen oogenblik Ligt de echtvriend haar in d' arm gezegen,

Dien ze uit den dood heeft weergekregen.

Ginds houdt, bedwelmd van vreugde en schrik. Een moeder, smart en angst vergetend.

Haar eengen zoon aan 't hart geketend. —

Ginds haalt een jnblend huisgezin Den weergekeerden broeder in. —

En hier, waar de afgebroken klanken Van gade en kroost voor 't weerzien danken, Ontmoet ge een pas hereenigd paar Van de aan den dood ontkomen schaar.

Te lang — hoe nauw in 't bloed verbonden —

ocr page 69

DE ST.-PAULXJSEOTS.

Gescheiden, maar die thans elkaar Aan eigen haardstee wedervonden; Een Vader, wien een jongeling Het eerst aan 't bonzend harte ving; Die voor Gods wonderbaar geleide Zijn eersten dank- en jubeltoon Geknield deed opgaan tot Gods troon. En toen hij snikkend Amen zeide. Opnieuw zijne armen openbreidde. En tranen van verrukking schreide In de armen van zijn Zoonl

Hef midden uit de baren, Als zwarte rookpilaren,

Uw kruin, St.-Paulusrols Blijf daar, o steenkolos!

Terwijl de zonnevonken Zich kaatsen op uw schonken.

Als een kuras van staal. In 't hart der zee geklonken Op 't voetstuk van metaal! —

Gij plek, van de aard vergeten. Daar grimmig neergesmeten.

Alsof Gods toorn u schiep.

Maar worstelperk van 't strijden. Van bidden onder 't lijden.

Toen 't hart ten Hemel riep; Maar oord van zielsverblijden, Van juichtoon na 't gebed;

Waar 't heuglijkst licht ontgloorde. Waar God, die 't bidden hoorde. Verhoord heeft en gered!

Zoolang rondom uw klippen De schorre branding brult.

En om uw mantelslippen De witte stuifzee krult,

Blijft gij een sein en baken Voor wie uw boorden naken.

ocr page 70

DE ST.-PAÜLUSROTS.

Hoe van de starrendaken Het Vaderoog blijlt waken

Van Gods Voorzienigheid;

Dat als een heldre sterre.

Die ons belonkt van verre.

Langs 's levens zee ons leidt!

Gij, zwervers op de baren!

Die d' aardbol rond blijft varen,

In weer en wind vergrijsd; Zoo nog na tal van jaren

De rots voor 't oog verrijst,

Haast dan u 't hoofd te ontblooten. En zegt uw tochtgenooten:

„De steenklomp, dien ge ziet, „Staat daar Gods macht ten teeken; „Die dorre steenen spreken „Van wondren daar geschied!''

En zoo die doodsche stranden Een' uwer zagen landen.

Zoekt wéér den steilsten top,

Niet door den tijd veranderd, En plant daar weer den standerd

Van Hollands zeevlag op!

Die als gedenknaald rijze. En 't oord den vreemdling wijze,

Dat heugnis draagt van 't leed; Maar dat Gods almacht wendde. Die de onverduurbre ellende Tot blijdschap worden deed.

Staat daar geen spreuk geschreven Voor hen, wie later leven,

Met een metalen stift Dien rotswand ingedreven, In onverdelgbaar schrift;

Toch zal de naneef 't weten, Eu hooien uit dit lied (iods daden daar geschied;

ocr page 71

DE ST.-PAULVSHOTS.

Of — wordt dit lied vergeten — Wat God daar werkte — niet!

Geen vruchtbre dauw of regen

Moge op uw toppen zijn,

o Plek, misdeeld van zegen,

Verschroeid door zonneschijn!

Toch blijft ge aan Neerland heilig,

Beschauwd door vleuglen Gods! — Wien God bewaakt, is veilig,

Ook op ST.-PAULUSKOTS!

i

A A NTEEKE N IN G EX.

I.

BI. 3. o Bracht de dankbre Europeaan

In ruiling voor de ontvoerde schatten,

U 't hoogre licht des geest es aan!

De belangrijkheid onzer Oost-Indische Bezittingen tot schraging der stoffelijke welvaart van het Moederland is algemeen erkend. De onderstand, welke ons, bij den benarden toestand van 's Lands geldmiddelen, na de afscheiding van België, uit deze bron is toegevloeid, lag bij de verschijning van dit Gedicht nog zóó versch in het geheugen, dat ik mij veilig, in dezen dichtgroet aan Java, hierop eene toespeling mocht veroorloven. Thans, zoovele jaren later, mag de herinnering niet overbodig worden geacht, dat de financieele crisis, welke ons Vaderland in de jaren 1844 en 1845 heeft doorgestaan, deels door de zoogenaamde vrijwillige leening onder het Ministerie-Van Hall, maar ook deels door den krachtigen steun, dien 's Rijks geldmiddelen in de baten onzer Oost-Indische bezittingen vonden, tot eene gunstige oplossing is geleid. Hoezeer ik mij destijds over deze uitkomst verheugde, zoo sprak slecbts te luider deswege in mij het besef der verplichting, welke op ons als Nederlanders bleef rusten, om ons de bovenstoffelijke belangen der inboorlingen van Java en andere eilanden in den Indisclun Archipel krachtdadiger dan tot hiertoe geschied was, aan te trekken. De bovenstaande wensch, welke met zeker weemoedig gevoel werd ontboezemd, was de uitdrukking daarvan. Mocht ik mij toen reeds verheugen, dat kort nadat ik deze ontboezeming ter nederschreef, onderscheidene stemmen tot bevordering van hetzelfde doel zich hebben doen hooren, waarvau ik in diezelfde aanteekening nauwkeurig verslag heb gedaan, ik meen te veiliger deze thans te kunnen terughouden, daar het lot van den Javaan, beide wat zijne stoffelijke en bovenstoffeliike belangen betreft, zoowel op staatkundig als op kerkelijk gebied, bij toeneming

59

ocr page 72

AANTEEKENINGEN.

aloemeene belangstelling Ingeboezemd en krachtdadiger beBohsrmlni? gevonden beseft Met te biynioediger vertrouwen mag ik daarvan herhalen, wat ik voor drie-ên-twintig jaren aan het slot dierzelfde aanteekening beb geschreven. „Waar zóóvele steramen gedurig luider zich verheffen, daar mogen wij verwachten, dat zü bij het edelste deel onzer natie, en ook by de Hooge Eegeering des Lands, gedurig meer weerklank zullen vinden. Nederland zal de blaam niet op zich laten rusten en de beschuldiging logenstraffen, alsof het aan de vrees voor botsing met raaterieele belangen de hoogste belangen der menschheid en des Christen-doms ten offer bracht. Nedtrland zal het gewicht van zijne taak en roeping gevoelen, ora over die volken, welke de Voorzienigheid zelve onder onze voogdijschap gesteld heeft, met milder hand de zegeningen des Evangeliums te verspreiden, en eene nieuwe en schoone bladzijde voor de Geschiedenis van de op-voeding der menschheid. te openen.quot;

B1 4. Het bramzeil zwelt om 't klapprend tuig.

Het bramzeil ia het zeil. hetwelk tot de derde raas van het schip, bramraas genoemd, behoort, gellik het zeil, dat met de volgende raas, die de mars-raas heelen, verbonden is, het marszeil genoemd wordt.

Zoo dikwerf in den nacht De op 't dek verdeelde tcacht Aan roer of gangboord, van haar post Met helgeklink wordt afgelost.

Het etmaal wordt aan boord der. schepen in zes wachten, en elke wacht weder In acht half-uren verdeeld. Zoo dikwerf het wacht-half-uurglas ia leeggeloopen, wordt op de scheepsklok door een, twee, drie, of meerdere slagen aangekondigd, hoe verre de wacht verstreken is. Acht glazen worden er alzoo geslagen zoo dikwerf de wacht wordt afgelost. Dit diene mede tot opheldering van enkele bijzonderheden, die later in dit gedicht of in het verhaal voorkomen.

BI. 5. En flvit niet meer langs stag en raas.

De stag is een der touwen, die schuins voor den mast gesteld worden, en voornamelijk tot steun der masten strekken.

BI. 6. Dan zal 't Neptunus-feestdag zijn.'

De gewoonte onzer Hollandsche zeelieden, om bij het passeeren der linie het ATep/MnMs-feest te vieren, is te algemeen bekend, om hier eene uitvoerige beschrijving daarvan of van de gebruiken, die op verschillende schepen verschillend gewijzigd zijn, te laten volgen. Hierbij zij alleenlijk herinnerd, dat in het gedicht alleen de toebereidselen tot de viering van dit feest zijn vermeld ge\A orden. Eene zeer frissche en levendige beschryving van dit Matrozenfeest heeft Potgieter ons gegeven in zijne Liedekens van liontekoe,

BI. 9. Ligt dreigend daar St.-Paulusrots!

Eene nauwkeurige beschryving van deze Rots vindt de Lezer in het gt;erhaal van den Heer Hanou, waar ik mede de weinige geographiscLa of geologische bijzonderheden heb aangeteekend, die ik aangaande deze Rots heb kunnen opza-

60

ocr page 73

AANTEEKENINGDN.

melen. Het voorkomen der Rots is getrouw op het titelvignet ') teruggegeven, en ontleend aan eene grootere teekening, welke aan boord van den Bra/.iliaanschen Gouvernements-schooner de rMaranhonquot; door een der officieren is geschetst, later hier ter stede (Amsterdam) is uitgewerkt, en thans in de woning van den Opper-stuurman berust.

IJ.

BI. li. De kluiver los en fokkeschoot!

De kluiver is een der driehoeks-zeilen, die voor op een schip boven den boegspriet geheschen worden. — De fokkeschoot is het touw, dat de onderzyde van de fok als vasthoudt, en de fok het voorste beneden-zeil aan de ra van den fokkemast.

BI. 11. En 't schip, gehoorzaam aan dien last,

Loeft op en giert----

Als het schip zeilt door een wind, die iets schuins van voren Inkomt, zoo zegt men, dat het schip by den wind zeilt; als nu het schip nog iets nader van voren aan den wind gebracht wordt, zoo noemt men dit oploeven.

BI. 12. Nog middens cheeps de sloep te ontbinden!

Door middens cheeps verstaat men het midden van het schip, of dat gedeelte van het dek, dat zich tusschen de masten juist boven de kiel van het schip bevindt.

BI. 12. En houdt eerst in de rusten stand.

De rusten van een schip zyn die houten klampen of borden, welke aan weers-zyden der schepen uitsteken, waaraan de hoofdtouwen, die naar de masten oploopen, zyn vastgemaakt.

BI. 12. Nog rest de giek! De giek gestreken!

De giek is eene der booten, welke men doorgaans op het schip heeft, voorzien van vier of zes riemen, lichter en ranker gebouwd dan de gewone sloep, minder alzoo tegen het geweld der zee bestand, doch, daar zy snel kan worden voort-geroeid, te bruikbaarder tot het doen van kleine watertochten.

BI. 13. Acht kostbre lerens zijn gered!

61

Ik heb het getal opgegeven der schipbreukelingen, die zich het eerst in de giek begaven, en ook gelukkig aan wal kwamen. Niet al de eerst aan het strand gekomenen bleven nochtans behouden. Sommigen hunner (gelijk nog duidelyker zal worden uit het hierachter gevoegde verbaal), die ras weder van het strand afstaken, om naar het schip terug te keeren en de teruggeblevenen af te halen, sloegen met de giek om en verdronken. Tot de verdronkenen behoorde ook de derde stuurman die het zynen plicht rekende, bij het overbrengen der manschappen tegenwoordig te zijn, maar het slachtoffer zijner nauwgezette plichtsvervulling werd.

1) Men zie de uitgave van dit gedicht in Octavo.

ocr page 74

AANTEEKENINGEN.

BI. 13. Voor wie in de hezaans-rust staan.

Door de bezaansrust versta men die rust, welke in verbinding staat met den bezaansmast. Op een driemastschip wordt de voorste mast de fokkemast, de middelste de groote mast, en de achterste de bezaansmast genoemd.

BI. 13. „iVu gy, mijn kind/quot;

gij, mijn vader/quot;quot;

Men boude dit geenszins voor poëtische fictie. Ik heb deze bijzonderheid uit den mond van den eersten Stuurman zeiven en diens zoon vernomen. Zg wordt te treffender, in verband beschouwd met de daarop volgende scheiding van vader en zoon. Ik verheugde mij bij de voorstelling eener gebeurtenis, welke, hoe belangwekkend op zichzelve, wegens de algemeene bekendheid harer byzonder-heden geenerlei intrige toeliet, en waarin IK slechts weinige personen handelend kon doen optreden, hier een draad le kunnen aanknoopen, dien ik kou blijven vasthouden, en welke tot het einde des verbaals doorloopt.

BI. 14. Dat ziet er één der schepelingen Aan 't strand,------

De matroos, die dit moedig en menschlievend bedrijf bestond en zóó gelukkig volbracht, verdient hier wel met eere genoemd te worden. Zijn naam was G. C. Holander, die van den knaap, welke door hem gered werd, J. Zuiderduin.

BI. 16. Daar woei nog statig Neérlands vlag.

De vlag werd door den tweeden Stuurman P. L. Zeeman gered, die nochtans niet, gelijk ik het heb doen voorkomen, de laatste aan boord bleef. Ook was de vlag, gelijk men op de schepen altijd gewoon is des avonds te doen, vermoede-iyk reeds vroeger ingenomen. Hoewel hiervan niet onkundig, meende ik mij hierin gerust, tot verhooging van het effect, eene kleine verandering als dichterlijke vrijheid te mogen veroorloven.

nr.

BI. 18. Zwart als een uitgebrande krater.

Men vergelyke hiermede, wat ik uit Darwins Naturwissenschaftliche Reisen op het verhaal van den Scheepsdokter heb aangeteekend.

BI. 19. De krab alleen, die als de spin

De wandelende pooten zet.

De Engelsche reiziger en natuuronderzoeker Charles Darwin, die eenige uren op de St.-Paulusrots heeft doorgebracht, gewaagt mede van de groote menigte dier schaaldieren, welke hij daar aantrof. Hij verhaalt, hoe eene zeer groote krab (Crapsus) voor zijn oog een vliegenden visch zeer behendig weghaalde, die een der zeevogels in de nabijheid van zijn nest had nedergelegd. Hij merkte er bovendien vele soorten van grootere en kleinere spinnen op. Het verwondert mij eenigszins, dat hiervan in he. verhaal der schipbreukelingen geenerlei melding geschiedt. Toevallig had ik, de krab met de spin vergelijkende, ook beide irr mijn gedicht vereenigd.

62

ocr page 75

AANTEEKENINGEN.

BI. 24. Eén houdt het losgeschroefde glas

Eens kj/kers 't ronklend zonlicht tegen.

Uit het verhaal van den Scheepsdokter zal blijken, dat het dezen, na herbaalde vruohtelooze proefnemingen, eerst op den vijfden dag van z^jn verblijf op de Rots gelukte om vuur te maken. Ik heb mij in dergelijke kleine bijzonderheden niet ang.stig aan de tgds-orde gebonden gerekend, en het verkieslijk geacht, de algemeene bedrijvigheid, die er op de klip geheerscht heeft, in één groot en levendig tafereel, zooveel ik vermocht, aanschouwelijk voor te stellen.

BI. 27. En eerlang zal de schelle faam

In 't Vaderland, uit duizend munden Uw wonderbaar behoud verkondent By 't zegenen van lioxhy's naam!

Z. M. onze Koning, heeft, als blijk zijner hooge tevredenheid, aan den Heer Roxby een gouden doos, waarin eene toepasselijke inscriptie te lezen staat, doen toekomen. — (Hier en later in deze aanteekeningen is aan Koning Willem den Tweede gedacht.)

Het te Amsterdam gevestigde College „Zeemanshoopquot;, hetwelk zich bij voortduring door de loffelijkste en edelmoedigste belangstelling in het lot onzer zeevarenden onderscheidt, heefc insgelijks gemeend de pogingen van den Heer Roxby, tot redding der equipage (welke hem gedeeltelijk gelukte) met een openbaar blijk van erkentelijkheid te moeten vergelden, en hem een zilveren schenkkan aangeboden, door de Heeren Benten bewerkt, met de volgende inscriptie:

In commemoration of saving the eight men belonging to the crew of the shipwrecked dutch ship Jan Hendrik from the St. Pauls Rocks, on the 3de of June 1845. Presented to Capt. Robert Roxby by the Amsterdam society „Zeemanshoopquot;.

De Heer A. Ahlers Jr., reeder van het verongelukte schip, heeft, door gelijke erkentelijkheid gedrongen, den Heer Roxby een zilveren beker vereerd, waarop gegraveerd was:

Remembrance of the saving of eight men belonging to the crew of the shipwrecked dutch vessel Jan Hendrik From the St. Pauls Rocks, the 3de of June 1845. Oflered to Capt. Robert Roxby by A. Ahlers Jr.

Bl. 28. Eén was er op de klip gebleven.

Welkom was mij de gelegenheid deze welverdiende hulde aan den Scheepsheelmeester, den Heer Hanou, te kunnen toebrengen, met wien ik eerst later per-soonlyk kennis maakte, maar wien ik zoowel uit deze ontmoetingen, als uit zijn dagverhaal, van de gunstigste zijde leerde kennen. Dat die lof niets overdrevens behelst, moge blijken uit onderstaand vereerend getuigschrift, dat hem met eene Zilveren Medaille, op last der Maats, happy: Tot Nut van 't Algemeen, is nitgereikt.

rDe Maatschappij: l'ot Nut van 't Algemeen, edelmoedige en menschlievende daden dankbaar willende erkennen en vereeren, heeft gemeend als zoodanig te moeten beschouwen de pogingen van Jan Hanou Jz., door hem ondernomen, bij en na het stranden van het Nederlandsche barkschip Jan Hendrik, op de St.-Paulusrots; daar hij niet aarzelde met den meesten moed en koen beleid, gepaard aan herhaalde zelfopoffering, orde onder de bemanning te bewaren, en daardoor, benevens door andere diensten, zonder eigen behoud of dat van het zijne op den voorgrond te stellen, de redding der scliipbreukelingen te bevorderer.

63

ocr page 76

AANTEEKENINGEN.

„De Maatschappij voornoemd, van deze bare erkentenis een openbaar bewijs willende geven, scbenkt aan genoemden Jan Hanou Jz. dit Getuigschrift, benevens de Zilveren Medaille, als eene rechtmatige hulde aan zyne menschenliefde, met den wensch, dat de streelende bewustheid van belangloos tot heil van zijnen eyenmensch gehandeld te hebben, de edelste belooning van zijne menschlievende pogingen moge zyn.quot;

Op last der Maatschappy,

Algemeene Vergadering, (was get.) hugo beijerman, Voorz.

11 Aug. 1846. p. ar. c. van hees. Seer,

Hoewel de Heer Hanou in zyn journaal met weinig ophef van het door hem verrichte spreekt, en hy de in dit getuigschrift pegevene lofspraak veel te sterk, gekleurd achtte, zal men toch deze eervolle onderscheiding ten volle verdiend rekenen, wanneer men weet, dat de Maatschappy tot dit besluit door de volgende beweegredenen is geleid geworden: „dat hy, hoewel tot geenerlei scheepswerk verplicht, ijverig de behulpzame hand tot het redden van scheepsgoederen geboden, en dientengevolge niets van het zijne behouden heeft; dat hy, zich veel vroeger hebbende kunnen redden, een der laatsten geweest is, die op het schip terugbleven, om daar de orde te blijven handhaven, geliik hij ook later, toen de Kapitein hem aanspoorde, om met de sloep naar het Engelsche schip te vertrekken, dezen heeft weten te overreden, om in zyne plaats te gaan; dat hij ook in de hachelykste oogenblikken eene gelukkige tegenwoordigheid van geest bewaard, en tot het laatste toe, door raad en voorbeeld beide, zijnen lotgenooten moed en vertrouwen Ingeprent heeft, en daardoor niet weinig tot behoud van hun aller leven heeft bijgedragen; eindelijk, dat hij, getrouw aan zyne belofte, om de scheepsjongens onder zijn toezicht en zijne bescherming te nemen, ook na de redding, toen zich de gelegenheid aanbood om met een ander schip naar Europa terug te keeren, hen niet heeft willen verlaten, maar hen behouden in het Vaierland heeft teruggebracht.quot;

BI. 29. Die reeds de polsaar ging onlblooten

Om 't roestig vies er door te stooten.

Ook deze bijzonderheid is mij door mondelinge mededeeling bekend geworden. Zy schetst in een enkelen, maar sterk sprekenden trek te duidelijk, tot welk eene hoogte de ellende der schipbreukelingen, vooral gedurende de laatste dagen vóór dat er regen viel, moet zijn geklommen, dan dat ik niet zou getracht hebben, zooveel mogelyk daarvan party te trekken.

BI. 31. Vreest niet! Gy uordt gered, gij allen/

64

Geen haar zal aan uw hoofd ontvallen;

Gelijk Ik reeds in het naschrift op den derden druk van dit dichtstuk aan mijne Lezers mededeelde, had onze hooggeschatte dichter Dr. Nicolaas Beets In zyne „Herinneringen van eene reis naar Londenquot; in hooge mate zyne bevreemding uitgedrukt, dat !k in dit gedicht, by den naam van St.-Faulusrots niet aan den grooten Apostel der Heidenen en de door hem geledene schipbreuk gedacht heb. Al hecht ik iets minder dan mijn geachte vriend, aan deze toevallige naamgeving, en al ben ik m jzelven volkomen bewust, dat voor het minst geen gebrek aan ingenomenheid met den Apostel der Heidenen eenig aandeel

ocr page 77

AANTEEKENINGEN.

kau gebad hebben aan dit onwillekeurig verzuim — toch vond ik de aanmerking zelve volkomen juist en gegrond. Het is mijzelven tot op den huidigen dag onverklaarbaar gebleven, dat ik daaraan niet gedacht heb, daar toch bij de overlezing van dit dichtstuk als vanzelve de plaats zich aanwees, waar ik van deze naamgeving en de schipbreuk van Paulus gevoeglijk had kunnen gewagen. In het verhaal van den Scheepsdokter Hanou, komt eene toezegging voor, waarmede deze den moed zyner ongelukkige lotgenooten zocht te schragen, welke als vanzelf het voorzeggend en bemoedigend woord, door Paulus tot zijne tocht-genooten gericht (Hand. XXVII vs. 21—25 en vs. 34), in herinnering brengt. En thans (Nov. 1870) nu mijn St.-Paulusrots nogmaals het licht zal zien, grijp ik gaarne de mij aangebodene gelegenheid aan, om deze kleine leemte aan te vullen en te herstellen, al gevoelde ik maar al te goed, dat ik bij het ontwerpen van mijn gedicht, daaraan gedachtig geweest zynde, nog anders en beter van deze kleine byzonderheid partij zou hebben kunnen trekken.

IV.

Ziet aan uw voeten Den stroom, die voortgiert door de zee!

El. 30.

'Het is aan zeevarenden niet onbekend, dat in de nabijheid van den Equator de stroom over eene aanmerkelijke oppervlakte westwaarts trekt. Hieruit alleen acht ik het verklaarbaar, dat deze stout ondernomen reis, met eene gebrekkig getuigde sloep, zonder kompas, zóó gelukkig volbracht is. Opmerkelijk Is het daarenboven, dat dezelfde strooming in het water, welke onze schipbreulielinquot;en naar Brazilië gevoerd heeft, op gelijke wijze bet vaste land van Zuid-Amerika heeft doen ontdekken, daar Pédro Alvarez Cabral, die in het jaar 1499 naar de Oost-Indien stevende, door denzelfden stroom te veel westwaarts gedreven, de kust van Brazilië in het oog kreeg, en die voor de Kroon van Portugal in bezit nam. Wij mogen het alzoo voor meer dan waarschijnlijk houden, dat al ware Columbus in zijnen tocht minder gelukkig geslaagd, die stroom het middel zou geworden zijn, om weinige jaren later de nieuwe wereld te doen vinden. BI. 36. En 's nachts — het vonklend Zuiderkruis,

Waarop tce als poolster de oogen vesten.

Het Zuiderkruis is een zeer schoon sterrenbeeld aan het zuidelijke halfrond van den hemel, dat aan vijf heldere sterren, die kruisvormigzyn geplaatst,zynen naam ontleent. Het heeft zijn standpunt tusschen den Centaurus en de Vlieg, en het is niet verre van de Zuidpool verwijderd. Het ervaren oog van den Stuurman had het daarom terecht tot poolster gekozen.

BI. 38. JVie schetst ons wal gij worden zult,

65

s it

Wat nieuice toekomst u gaat blinken,

o Jong en schoon Amerika!

Toen ik deze regelen nederschreef, was de zucht tot landverhuizing naar Noord-Amerika nog niet zóó sterk als later onder onze landgenooten ontwaakt althans niet tot mijne kennis gekomen. Ik weer dus de verdenking verre van my! alsof ik haar zou hebben toegejuicht; maar wel bevestigt ook dit verschijnsel in onze dagen, hoe belangrijk dit werelddeel in de verre toekomst worden kan.

ocr page 78

AANTEEKENINGEN.

(Al wat na het hier geschrevene in Amerika is voorgevallen, dient slechts om die verwachting nog meer te versterken.)

BI. -iO. Toen Necrlands vloot den Portugees Bestookte-------

Dit geschiedde in het jaar 1624. Later werd genoegzaam de geheele kust van Brazilië door de onzen veroverd, en Graaf Johan Maurits tot Landvoogd over de nieuw veroverde gewesten aangesteld. Maar deze voorspoed duurde niet lang. Nadat Johan Maurits naar het Vaderland was teruggekeerd, maakte een algemeene opstand der Portugeezeu een einde aan dit kortstondig bezit. — Bij den Mun-sterschen vrede behielden de Nederlanders nog slechts drie vaste punten op dö kust van Brazilië', en eerlang (1654) werden ook deze ontruimd en aan de Kroon van Portugal teruggegeven. Wie geen vreemdeling is in de Geschiedenis des Vaderlands, zal erkennen, dat ons Gemeenebest omtrent deze zóó belangrijke bezitting met eene onverklaarbare zorgeloosheid of onverschilligheid gehandeld heeft.

v.

BI. 48. ifiei hen, de veege zwervelingen,

Waar strandbewoners hen omringen. .

Ik heb hier, in eene soort van tusschenverhaal, ingevlochten en in korte en breede omtrekken beschreven, wat men in het Journaal van den Stuurman nauwkeurig en uitvoerig verhaald zal vinden; en zekerlijk zal men hem, niet zonder klimmende belangstelling, op zynen tocht langs de kust van Braxilic vergezellen, wat hier, cm niet aan de eenheid der voorstelling te schaden, alleen van ter zijde vermeld en vluchtig afgeschaduwd mocht worden. BI. 43. Ja, u een aandeel aan de glorie,

Brazielje ! van 't menschlietend feit —

Ja, u de cijns der dankbaarheid Van 't Hollandsch hart---

Daar ons Vaderland zelden of nooit achterlijk is gebleven in het erkennen van menschlievende daden, door vreemden aan Landgenooten bewezen, zoo verstrekte het mij tot innig leedgevoel, dat de menschlievende handelwijze van den President te Sobral, den Gouverneur der Provincie Ceara, en den gezagvoerder op den schooner de Maranhon (welke men eerst recht leert kennen en waardeeren, als men het onopgesmukte verhaal van den Stuurman gelezen heeft) van onze zijde door niet eenig blijk van erkentelijkheid was gehuldigd geworden. — Aangezocht door de dankbare beweldadigden zeiven, die deze menschlievendheid nimmer zullen vergeten, was ik voornemens, een daartoe leidend verzoek aan de Regeering te richten, en de algemeene aandacht opnieuw te vestigen op een feit, hetwelk, naar het scheen, slechts weinig bekend of aireede in de vergetelheid begraven was. Te aangenamer was het mij daarom, onder het afdrukken dezer bladzijden, (bij de derde uitgave) nog tijdig uit de nieuwsbladen te vernemen, dat het den Koning behaagd heeft, de edelmoedige pogingen van de twee laatstgenoemde Vreemdelingen tot redding van Nederlandsche schipbreukelingen beproefd, te erkennen en te beloonen, door den Heer Ignacio Correa De Vasconcellos,die het Braziliaansch Gouvernement te Ceara vertegenwoordigt, het Commandeurskruis der orde van de Eikenkroon te vereeren, en den Luitenant ter zee José Marie

66

ocr page 79

AANTEEKENINGEN.

Rodrigues, die de Maranhon gecommandeerd heeft, te benoemen tot Ridder der orde van den Nederlandschen Leeuw. Zóó rechtmatig en verdiend als nochtans deze hulde is, zoo onnauwkeurig is het in de nieuwsbladen gezegd, dat liet overgebleven gedeelte der bemanniji^ van het verongelukte schip aan deze menschlievende handelwijze zijne redding zou verschuldigd zijn, welke het eeniglijk, naast de Voorzienigheid, aan den Heer Snell te danken heeft. Doch eere zij aan onzen Koning, dat Hij geenszins — omdat deze tocht vruchteloos ondernomen en volbracht is — zijne Vorstelijke belooning heeft teruggehouden, maar ook hier het beginsel heeft toegepast, hetwelk onze Tollens na de terugkomst der Hollanders van ATora Zemüla, zóó schoon aan bet gebeele Vaderland toekent:

„Het rekent d'uitslag niet, maar telt het doel alleen.quot;

Ik heb het evenzeer gewaagd, bij de toezending van een Pracht-Exemplaar, door de Uitgevers daartoe bestemd, Z. M. onzen Koning (Willem II) opmerkzaam te maken op het loffelijk gedrag van den Stuurman en diens merkwaardige lotgevallen: en het verstrekte mij tot een streelend genoegen, bij de derde uitgave, als eene vernieuwde proeve van 's KoninRS belangstelling in al de omstandigheden der gebeurtenis, te kunnen vermelden dat ik, by een Kabinetschrijven van 16 April 1847 ten behoeve van den eersten Stuurman van het verongelukte schip, en diens huisgezin, eene som van/100 heb mogen ontvangen, uit 's Ko-nings eigene fondsen verstrekt.

BI. 52. De dag, die Neérlands dankbre zonen.

Ter beevaart roept naar 't heiligdom.

De dag, ter gedachtenisviering der overwinning van Waterloo bestemd, vroeger algemeen in ons Vaderland als een dankdag gevierd, was de dag hunner redding. Van het vaderlandsch gevoel mijner Lezers mocht ik hopen, dat hunne belangstelling in deze altijd heuglijke en gedenkwaardige gebeurtenis niet zóó geheel zou zijn verflauwd, dat zij deze toespeling in mijn gedicht misplaatst zouden rekenen.

BI. 53. „Ik help — zoo waarlijk help' mij God!

„En berg 't rampzalig overschot.quot;

De Scheepskapitein, die hier sprekend wordt ingevoerd, is de Heer William Snell, gezagvoerder op het schip de Elisa. Zonder iets op den lof te willen afdingen, dien men aan de menschlievende handelwijze van den Heer Roxby heeft toegezwaaid, schroom ik niet openlyk te verklaren, dat de eerstgenoemde tot behoud der schipbreukelingen althans geene mindere opofferingen zich getroost beeft. Veilig mag ik mij, deze verklaring uitende, op het gevoel mijner Lezers zeiven beroepen, wanneer zij het nu volgende omstandige verhaal dezer merkwaardige schipbreuk, tot den einde toe, zullen gelezen hebben. Het kan zijn, dat er geldende redenen bestaan, waarom men gemeend heeft hier eene uitzondering te moeten maken: maar anders waag ik het, hier nogmaals met de meeste bescheidenheid den wensch te uiten, dat ook deze daad, en het menschlievende gedrag van den President te Sobral, welke tot hiertoe onvergolden zijn gebleven, evenzeer openlijk mogen erkend en gehuldigd worden, opdat het ook hierin bij vernieuwing blijke waarheid te zijn, wat ik bezongen heb, dat iVeJer/awc/, hetwelk zulk een lofwaardig voorbeeld van menschlievendheid aan andere volken blijft geven:

„Ook 't schoon dier deugd in vreemden eert.quot;

67

ocr page 80

DE SCHIPBREUK

VAN IIET

NEDERLANDSCHE BAEKSCHIP JAN HENDEIK, in. Eloeim.a,an.d.

[Naar hef Dagverhaal van den Scheepsheelmeester J. HANOU Jz.)

Den 263ten April 1845 verliet liet Kieuw gebouwde Barkschip, de Jan Hendrik, groot ongeveer vijfhonderd lasten, gevoerd door Kapitein H. W. Eickelberg, de Vaderlandsche kust. Het was voor de eerste reis, die het te volbrengen had, naar Batavia, en bij de terugreis naar Amsterdam bestemd. De bemanning bestond uit dertig personen en één passagier.

Des morgens met den voorvloed werd het anker op de reede van Helleroetsluis gelicht. De wind, die in den loop van dien dag meer westelijk liep, was Z. O. Ten elf uren verliet ons de Loods. Wij haalden alle dienstdoende zeilen bij, en zetteden aanstonds koers naar het Kanaal, terwijl alles tot het aanvaarden der groote zeereis behoorlijk in gereedheid werd gebracht.

Het begin onzer reize was door niets gekenmerkt, wat eene bijzondere aantee-kening of vermelding verdient. Het weder was ons aanvankelijk gunstig. Het schip bleek een goed zeiler te zijn. Wjj liepen, zonder iets merkwaardigs te ontmoeten, de Singels, den uithoek van het Kanaal en den vuurtoren van kaap Lezard voorbii, kregen den lOden der volgende maand Madera in het gezicht, lieten Teneriffe op eenigen afstand liggen, en passeerden tien dagen later de Cap-Ferdische eilanden. Nog drie dagen behielden wij tot voortzetting onzer reize eene goede gelegenheid; maar toen waren wij aan het keerpunt genaderd, dat die voorspoed door tegenspoed zou worden afgewisseld. Allengskens verminderde de wind. Stilte en buiig weder volgden. Donder en weerlicht, soms van regen vergezeld, waren aanhoudend aan de lucht. Weldra hadden wij den Passaatwind geheel verloren. De geregelde gang van het schip, waaraan soms kwalijk stuur te geven was, werd door dit alles niet weinig vertraagd en belemmerd, totdat den 26sten Mei eene flauwe koelte uit het Z. O. aanwakkerde, waarmede wij Z. Z. W. konden zeilen. Den volgenden morgen (den Sisten dag onzer reis) praaiden wij het Nederlandsche Barkschip de Maasnivif, Kapitein Muntendam, van Batavia naar Rotterdam, waarmede de laatste groet aan het Vaderland en de tijding werd medegegeven, dat alles bij ons aan boord in goeden staat was. De Z. O. Passaat woei thans stevig door, doch was zeer schraal, hetgeen ten gevolge had, dat men geen Zuid genoeg konde halen, en al meer en meer in eene westelijke richting

ocr page 81

DE SCHIPBREUK VAN HET NEDERL. BARKSCHIP JAN HENDRIK. 69

afdreef. Niets scheen overigens onze zeereis te zullen vertragen. Wind en weder beloofden alles goeds. De gezondheid der equipage liet niets te wenschen over, en het scheepsvolk vleide zich (daar wij in de nabijheid der Linie waren) den volgenden dag, naar oud zeemansgebruik, het feest van Nepiunus te zullen vieren. Werkelijk voer des avonds Nevlumis, of liever zijn vuurschuitje (eene brandende pekton) voorby, hetwelk tot aankondiging moest strekken, dat het feest den volgenden morgen met de gebruikelyke plechtigheden zou plaats hebben.

Indien het waarheid behelsde, dat zware rampen in het menschelijke leven steeds door een beklemmend voorgevoel worden aangeduid, dan voorzeker had men iets van dergelijke gewaarwordingen dienen te bespeuren. Maar niets van dit alles! Verder dan ooit was de zwaarmoedige gedachte aan eenig naderend onheil van ons verwijderd. Duidelijk herinner ik my, in welk eene onbezorgde en opgeruimde stemming men dien avond verkeerde, welke niet weinig verhoogd werd door de goede harmonie, die er onder het scheepsvolk heerschte, en het verrukkelijk schoone weder, dat zich in warme gewesten alleen des morgens en des avonds laat genieten.

En waarlijk, zulk een genot is niet gering. Wanneer gedurende den dag de zon hare stralen bijna loodlijnig nederschiet, dan wordt de hitte aan boord van een schip meermalen onverdragelijk en reikhalst men naar het oogenblik, waarop de zon ter kimme daalt; maar dan ook smaakt men een genot, hetwelk in onze koelere luchtstreek schaars of nooit gekend wordt. Doch hoe snel afwisselend is het lot van den menschl Hoe weinig vermoedden wij, dat wy allen, eenige uren later, te midden van het dreigendste gevaar, in den hoogst geklommen nood zouden verkeerenl

Het was ruim twee uren na middernacht. De wacht was ten twaalf uren door den Opperstuurman, met voorkennis van den Kapitein, aan den tweeden Stuurman overgedragen. De lucht was toen min of meer betrokken. Het schip, dat met eene bovenbramzeilskoelte uit het Z. O. zeilde, had in de laatste wacht zes a zes en eene halve mijl afgelegd. „Land aan ly! Land aan ly!! Overal! Overall! dit was het geroep, waarmede men eensklaps gewekt werd. Nog slechts weinige seconden, en alles ware verbrijzeld geweest, zoo niet de eerste Stuurman, aanstonds op het dek gevlogen, als ervaren zeeman de grootheid des gevaars doorziende, onmiddellijk zijne bevelen gegeven had, om dit te voorkomen. Maar het was reeds te laat. Door zijne tegenwoordigheid van geest ontgingen wij wel den eersten schok, die onvermijdelyk alles tot spaanders zou hebben vergruisd, doch wij waren de Kots te dicht genaderd, om geheel vrij te loopen. ')

1) Daar ik het niet onbelangrijk acht de bijzonderheden dezer merkwaardige schipbreuk, vooral op het beslissende tijdstip der stranding, volgens het bericht van twee ooggetuigen, zóó nauwkeurig mogelijk te doen kennen, neem ik hier uit het verhaal van den Stuurman het volgende over: „De eerste Stuurman van den Kapitein den last ontvangen hebbende om de wacht te doen vervangen, liet op het dek acht glazen slaan (het gewone teeken, wanneer de wacht wordt afgelost) en beval den tweeden Stuurman aan, goed te laten uitkijken, daar men gedurende den nacht de St.-l'aulusruis moest passeeren, en door den harden stroom wel iets westelijker kon zijn afgevoerd, waarom het zaak was op zijn hoede te zijn.quot; — Na vermeid te hebben, dat op deze vermaning te weinig was acht geslagen, vervolgt hij aldus: „Wij zeilden alzoo zorgeloos voort tot twee uren in den morgen, toen er door een man, die aan het roer stond, hard werd geroepen: „Land.

ocr page 82

70 DE SCHIPBREUK VAN HET NEDEBL. BARKSCHIP JAN HENDRIK.

Op het dek gekomeD, zag ik eenige klipgevaarten aan bakboordszijde van het fechip. Zij haddeu, zooveel het oog in het weifelend donker vermocht te onder-Echeideu, eeu schrikverwekkend voorkomen. Het roer was verlaten. Het volk liep kermend dooreen. Het commando van den Stuurman werd niet gehoord. Niemand was bedaard genoeg om eene hand aan het werk te slaan. De weinige kostbare oogeublikken, waarin men wellicht nog het scbip had kunnen redden, gingen hierdoor verloren, en nu stiet het schip op de ouder water zijnde klippen. Deze schok gaf aan allen de bewustheid weder. Men begon te brassen. Het schip loefde goed op. Juichend riepen sommigen: „Het loopt vry! Het loopt vrij!quot; En inderdaad, hadden aller, in plaats van radeloos te kermen, hunne tegenwoordigheid van geest behouden, gelijk do eerste Stuurman, en van de middelen gebruik gemaakt, die ons nog ten dienste stonden, dan ware vermoedelijk nog het schip behouden gebleven. Maar eindeloos beter nog ware het geweest, indien niemand zich aan plichtsverzuim hadde schuldig gemaakt, en de wacht naar behooren was waargenomen, daar men nog twee uren te voren van de nabijheid der Rots was verwittigd geworden, dan zou de ramp zelve, welke ons trof, verhoed zijn gebleven, en geene ouders zouden hunne geliefde zonen beweeuen.

Maar al te spoedig bleek de ongegrondheid der hoop om nog aan het gevaar te ontkcmeu. Het schip, door wind en stroom geperst en gedrongen, was meer en meer naar de Rots gedreven, en op het oogenblik, waarop men waande gered te zijn, brak het roer met een vreeslijken krak op eene blinde klip. Het schip viel nu geheel voor den wind af en geraakte tusschen de klippen in, waar het zich te bersten begon te stooten.

Nu was de wanhoop algemeen. Met ellen stoot, bij eiken schok vreesde men het schip te zien vallen, of het geheele schip vaneen te zien splijten. Wel waren allen overtuigd, dat ons behoud van de groote boot en de sloepen afhing, doch het bleek onmogelijk, te midden van het touwwerk, waaronder zij begraven lagen, die geheel vrij te krijgen. Niemand scheen ook moeds genoeg te hebben, om het want in te gaan en eene lijn in te scheren, ten einde de groote boot te water te brengen.

Men trachtte intusschen eenige provisie te bekomen en de belangrijkste scheepspapieren te bergen.

Maar terwijl ik den Kapitein, die zich beneden onledig hield, om zijne boeken,

en branding aan lij!quot; waai op de benedenzijnde manschappen van schrik wakker wer-cen en naar boven vlogen. De Stuurman op het dek springende, riep terstond uit: „o Gcd, dat is te kat!quot; daar hij de branding tegen de rots aan kon hooren. Hij wilde echter nog eene poging doen om het schip te wenden, en schreeuwde uit al zijne matht: „Aan lij het roer! Los de kluiver en fokkeschootlquot; hetwelk dan ook werkelijk gelukte; maar door den stroom, die naar de rots heentrok, door de verwarring en verslagenheid der menschen en de donkerheid van den nacht, ging het niet vlug. Het schip loefde op, maar achteruit deinzende kwam het met den achtersteven aan èe rots, en daar er eene hooge branding tegen de rotsen sloeg, stiet het schip j.ich zóó geweldig, dat het vuur uit den stnurketling vloog, en met twee stoelen het roer weg en geheel het achtereinde in stukken was geslagen. Het schip van achteren vastziitende, werd nu van voren in de lijzijde gevat en dwars tegen de Rots iian geworpen.

Journaal ran den Stmmnan.

t. H.

ocr page 83

DE SCHIPBREUK VAN HET NEDERL. BARKSCHIP JAN HENDRIK. 71

cnstrumenten en eenig zilvergoed in een kistje bijeen te pakken, behulpzaam zocht te zijn, stiet het schip van onderen lek, en het inzwalpende water stroomde spoedig tusschendeks. De eerste Stuurman, naar beneden springende, om zijne instrumenten te halen, vond zijne hut tot aan de hoogte van de kooi met water gevuld, en moest evenals wy allen, die zich nog tusschendeks bevonden, zich haasten weer naar boven te komen, om niet beneden te verdrinken. Een geopend vat brood, dat voor de hand had gestaan, was drijvende. Al de voorraad, dien men machtig kon worden, bestond in eenige hammen, enkele kruiken bier en seltzerwater, die nochtans later weder verloren gingen. Het gelukte ons evenwel het Journaal, eenige scheeps-instrumenten en het kompas te redden.

Dit alles geschiedde in weinige oogenblikken. Het reeds overhellende schip viel nu zóódanig op zijde, dat men zich niet langer op het dek kon staande houden, waar de branding met hevig geweld overheen sloeg. Vaten en andere drijfbare goederen begonnen reeds uit het ruim te spoelen. Het water, dat ouder instroomde, spoot de luiken weder uit. Er was thans geen deuken meer aan, om de groote boot en de sloepen, die middenscheeps stonden, tot onze beschikking te krijgen. De giek alleen bracht men gelukkig te water, waarin de Kapitein, de derde Stuurman, eenige matrozen en twee jongens zich plaatsten. Men nam de genoemde goederen en een tros of lijn mede, om met behulp daarvan de overvaart met de giek tusschen de Rots en het schip te bespoedigen.

Uiterst moeilijk was het de giek, welke hevig door de branding geslingerd werd, van de klippen vrij te houden eu de rots te bereiken. Eindelijk vond men een geschikt punt om te landeu. Men haastte zich daarvan gebruik te maken, uit de boot te springen en verder tegen de klippen op te klauteren. Zóó waren dan de Kapitein, de Passagier en twee matrozen behouden aan wal gekomen; maar weinige oogenblikken later, toen de boot andermaal eene poging tot redding zou wagen en reeds hare vracht had ingeladen, sloeg de giek om, en de derde Stuurman, twee matrozen en één jongen werden eene prooi der golven. ')

Dit waren de eerste slachtoflers. Wie vermocht te berekenen hoe velen er nog zouden kunnen volgen!

Het laatste redmiddel was nu verloren; en nog waren er zoo velen, die op de zijde van het schip waren gezeten of met moeite in de rusten zich staande hielden, en daar met klimmenden angst hun lot bleven afwachten. In de hoop, dat het schip weer zou rijzen, Indien de masten waren gevallen, die met hunne stengen reeds aan het water reikten, sneed men het want door; doch het duurde lang eer zij vielen, en ook toen bleef het schip niet minder stooten, en evenmin deed het eene poging om zich opwaarts te richten.

Op de kiel der omgeslagen giek had zich een jongen gered, die, hoe dikwerf ook door de overslaande branding bedolven, zich diiar kloekmoedig vasthield, en zelfs ons behulpzaam was, om het geroep van het schip naar de Rots en terug over te brengen. Eerlang zoude hij evenwel in de diepte zijn weggezonken, indien niet een Matroos, die aireede aan wal was gekomen en een goed zwemmer was, op zyn geroep en gekerm zich te water had begeven. Na de uiterste inspanning zyner krachten, gelukte het hem niet enkel den jongen, die onderscheidene kwetsuren bekomen had, maar ook de giek, wier behoud voor ons van het grootste belang was, aan de Rots te brengen. Tot ons aller verwondering bespeurden wij

1) De namen der verdronkenen zijn: A. J. Van der Pluim, 3de Stuurman, O. Hulman en A. Kraft, matrozen, B. Reinouts, scheepsjongen.

ocr page 84

72 DE SCHIPBREUK VAN HET NEDERL. BARKSCHIP JAN HENDRIK.

later, dat het kistje, waarin het scheeps-journaal, twee verrekijkers, twee sextanten en het werk van Horsburgh1) geborgen waren, benevens het kompas, met een glas overdekt, onbeschadigd in de giek waren blyven hangen.

Afgrijslijk was onze toestand, afgrijslijk alles, wat zich aan ons oog voordeed. De rotsen, door het bleeke licht der maan beschenen, vertoonden zich thans in al hare naaktheid en woestheid. Van eene zwarte kleur zijnde, staken zij scherp af bij de kleur der branding, welke met donderend geluid daarop nederviel. Ons schip, een vóór weinige oogenblikken nog zóó schoon vaartuig, was in een wrak veranderd, dat zichzelf verbrijzelde. Met eiken golfslag, die een gedeelte van het boven water zijnde hout met zich nam, waren wij genoodzaakt al meer de wyk naar achteren te nemen, waar ons ten laatste niets meer dan de bezaansrust en verschansing, als steunpunt voor onzen voet, overbleef. Dit alles door het flauwe en weifelende licht gekleurd, 't welk de maan daarover uitgoot, deed gewaarwordingen ontstaan, welke ten eenenmale onbeschrijfelijk zijn.

Alle hoop op redding scheen nu verdweien. Zeven man waren er pas behouden op de Rots gekomen; vier waren er verdronken, twintig bleven er nog op het schip; maar God, die ons steeds in den nood is nabijgebleveu, bewees ook hier hulpe. Nu eerst kwam het ons in de gedachten, dat de tros, dien wij verloren hadden gerekend, met het eene eind aan het schip was vastgehecht, terwijl het andere eind aan wal was gekomen. Wy kwamen alzoo tot het besluit, om dit touw in de hand te nemen en daarmede den overtocht te beproeven. Aan degenen, die op de klip waren, werd telkens als een man zich te water begaf, toegeroepen, naar zich toe te halen, en zij, die zich aan boord bevonden, staken zooveel touw op elkander, dat het tweemaal de lengte had van den afstand tusschen het wrak en de klip, zoodat w\j, bij zijne komst aan wal, het uiteinde in handen hielden. Men klemde zich nu, man voor man, aan de gezegde lijn en sprong in zee. Dadelijk zonk men naar beneden. Door de branding werd men nu ginds dan derwaarts gesmeten, doch men naderde toch allengskens de Rots, totdat men door de aan land staanden daartegen werd opgetrokken. De afetand, die zich moeilijk laat bepalen, was ongeveer twee scheepslengten. Het hevig gedruisch der branding maakte het echter, zelfs op dien korten afstand hoogst bezwaarlijk elkander te verstaan. De overtocht zelf was wegens de rotspunten, welke in zee uitstaken, zeer hachelijk en ging uiterst langzaam. Daar de duisternis van den nacht eer toenam dan verminderde, konden wij wel niet onderscheiden, of hij, die zich aan het touw had vastgeklemd, werkelyk de klip bereikt had of in zee was vergaan. Deze onzekerheid was voor ons, die zich nog op het wrak bevonden, verschrikkelijk, en deed ons nu en dan aan ons eigen behoud wanhopen. Sommigen onzer verloren, onder water zijnde, de lijn, doch waren gelukkig genoeg, die weder aan te vatten en vast te grijpen. Een der jongens werd geheel van de lijn afgeslagen, en herhaalde keeren tusschen de spleten der Rots ingeworpen. Verscheidene wonden had hij reeds, vooral aan het hoofd, bekomen, en zeker ware hy verloren geweest, indien niet een matroos zich tusschen de klippen gewaagd, hem by een arm gegrepen, en zóó op de Rots gesleept had.

Eindelijk hadden wij allen de zoo gevaarlijke reis volbracht en de Rots bereikt. Natuurlyk was ons hart in die oogenblikken met vurige dankbaarheid jegens God vervuld, die, te midden van zóó groote gevaren, ons het leven gespaard had

1

) Horsburgh, India Directory; algemeen bij zeevarenden bekend.

ocr page 85

DE SCHIPBREUK VAN HET NEDERL. BARKSCHIP JAN HENDRIK. 7S

Een gewissen dood hadden wij te gemoet gezien; hij scheen ons onvermijdelijk toe, en tiians stonden wij, aan die gevaren ontkomen, op vasten wal. Van de een en dertig schipbreukelingen waren er — hetgeen in onze eigene oogen al» een wonder moest schijnen — zeven en twintig behouden gebleven.

Sint-Paulusrots of eilaud — gelegen op 0« 55' N. breedte en 29° 15' W. lengte van Greenwich, volgens Horsburgh — heeft het voorkomen van door vulkanisch geweld uit zee te zijn opgeworpen. ^ De rots zelve bestaat uit verscheidene stukken of klompen, die door de zee gescheiden zijn. Deze verheffen zich met hoog opstijgende punten tot zestig voet boven de oppervlakte van den onpeilbaren Oceaan, en rijzen steil uit de diepte opwaarts; alleen aan de zijde vindt men klippen, die geheel of gedeeltelijk onder water zijn, doch zich waarschijnlijk niet verre in zee uitstrekken. Drie van deze rotspunten hebben een piramidalen vorm^ ofschoon in gedaante zeer ongelijk aan elkander. De andere gedeelten zijn aanmerkelijk lager (van 15 tot 20 voeten) en worden nu en dan door de zee, welke haar schuim soms tot de hoogste punten doet opspatten, geheel overstelpt. Eenige

Het bestaan der St.-Paulusrots (ook wel PaMZs-klip, San Paul de Pinedo of 5/.-Pedro-klip genoemd), werd langen tijd als twijfelachtig beschouwd. Door den beroemden zeereiziger Cook, die in Bloeimaand des jaars 1775 op deze hoogt© van den Atlanlischen Oceaan kruiste, werd zelfs nog haar aanwezen betwijfeld; Tuckey daarentegen kende haar, en geeft van haar de navolgende beschrijving: „Niet ver van het eiland Fernando Noronho verheft zich uit den Oceaan de ruwe klippen-groep van .V. Paid de Pinedo, wit van vogeldrek, en van alle groen, zoowel als van een anker- en landingsplaats, geheel ontbloot.quot; (Dit laatste is volgens de nauwkeurige berichten, die wij door de schipbreukelingen hebben ingewonnen, niet volkomen juist, daar de baai, welke tusschen de rotsen inliep, voor het minst eene landingsplaats vormde). — Verg. het door^den Hoogleeraar Lauts over de «Sï.-Pat/fMs-klip meegedeelde in de Verzameling van Berichten hetrekkclyk het Zeewezen en de Zeevaartkunde, door Jhr. G. A. Tindal en Jacob Swart, Dl. VI. St. II. — Aan de beschrijving van Tuckey beantwoordt genoegzaam die, welke Charles Darwin in zijne Naturwissenschaftliche Reisen (Th. I. S. 7. fgg.) geeft. Hij bepaalt hare ligging op 0° 58' noorderbreedte en 29° 15' westelijke lengte, 540 Engelsche mijlen van Amerika en 350 van het eiland Fernando Noronho; hare grootte op ZU Engelsche mijl in omtrek (volgens den Heer Hanou is zij nauwelijks tweemaal zoo groot in omvang als het Damplein in Amsterdam). Onder de talrijke menigte zeevogels onderscheidde hij bepaaldelijk twee soorten; vele waren zóó mak, dat hij ze met zijnen geologischen hamer had kunnen doodslaan. De rotsgrond bestaat volgens dezen schrijver uit verschillende mineralogische bestanddeelen. Hij vond er kwarts en andere glasachtige steensoorten (Feldspath); de laatste met dunne aderen van slangensteen (serpentin) en kalkaarde vermengd. Hoewel de gedaante dezer rotsen zeiven eene vulkanische vorming schijnt aan te duiden, wederspreekt deze schrijver ten stelligste het gevoelen, dat zij uit zulk eene werking zouden zijn ontstaan, en hy zelf acht dit te opmerkelijker, daar anders de meeste eilanden in het midden der groote Wereldzee onbetwistbaar van zoo-danigen oorsprong zijn.

t. H.

ocr page 86

74 DE SCHIPBREUK VAN HET NEDERL. BARKSCHIP JAN HENDRIK.

dezer rotsen hebben gemeenschap met elkander door klippen, die bij laag water boven komen. Het verschil tusschen ebbe en vloed, gelijk dit door ons werd waargenomen, bedroeg meer dan 20 voeten.

Er verliep een geruime tijd, eer wij geheel tot onszelven waren gekomen. De meesten onzer hadden veel zeewater binnengekregen en waren min of meer gekwetst. Den een bloedde het gezicht; den ander waren de handen of voeten opgereten. Deze had zijn borst gekneusd; gene klaagde over hevige pijn in de zijde. Nauwelijks één was er geheel onbeschadigd gebleven. Het meest hinderde ons het gemis van schoenen, die velen onzer in de branding hadden verloren, daar het volstrekt ondoenlijk was, om barrevoets over de scherpe klippen voort te komen. Ook hier echter was de dringende behoefte de moeder der uitvinding.

Onder het tusschen de klippen aangespoelde hout vond men enkele losse duigen €n plankjes. Deze bond men, bij gebrek aan holsblokken, onder de voeten, en zóó geschoeid begon men, toen de morgen aanbrak, de Kots te onderzoeken.

Bij den opgang der zon bespeurden wij, dat de hoogste rotspunten aan honderden van zeevogels tot eene schuilplaats dienden, die, door onze komst in hunne rust gestoord, verschrikt opvlogen, met angstig gekrijsch rondom onze hoofden fladderden, en sommigen onzer zelfs in hunne kleederen beten, als poogden zij ons het bezit dier plaats, welke bij de eerste beschouwing reeds afgrijzen verwekte, nog te betwisten.

Hoe verheugd wy ook over onze redding waren, deze onze blijdschap werd spoedig gematigd, toen wij helder en volkomen van onzen toestand bewust werden. De Rots bestond — werwaarts het oog zich wendde — uit niets dan scherpe steenen. Plant noch kruid was ergens te ontdekken. Wij hadden volstrekt geen voedsel kunnen redden, en nog dieper werden wij ternedergeslagen, toen men nergens een druppel drinkbaar water vond.

Nauwelijks waren wij aan den eenen dood ontkomen, of wij zagen den anderen in nog verschrikkelijker gedaante, als met opgesperde kaken, ons aangrijnzen. Ik duizelde toen ik hierover nadacht. De dorst deed zich nu reeds gevoelen, en enkelen gaven dit in luid^ klachten te kennen.

De jongens wekten vooral mijn medelijden op, en thans nog komen zij mij dikwijls voor oogen, zooals zij op handen en voeten omkropen, zich meester maakten van ieder stukje hout, dat tot schoeisel kon dienen, elke spleet, iedere kuil in de rots nazochten, het daarin staande water, in de veronderstelling dat het regenwater was, gretig met hunne handen opschepten en aan den mond brachten, maar telkens teleurgesteld, het hoofd droevig afwendden. Welkom was hun het bevel van den Kapitein om eieren te zoeken of vogels dood te slaan, waarvan sommige zóó tam of argeloos waren, dat zij zich bij de vlerken lieten grijpen.

Een onzer eerste zorgen was om de giek, welke geweldig veel geleden had, weder in een dryfbaren staat te brengen. De Stuurman, timmerman en enkele andere manschappen sleepten haar naar de linkerzijde van de Rots, sjorden haar met een eind van het touw, waarmede wij aan wal waren getrokken, stopten zoogoed mogelijk de reten, en brachten haar toen weder te water, ten einde van de provisie, die men in de nabijheid der Rots drijvende zag, iets machtig te worden. Eenige vaatjes met spek, kool, boter, meel en jenever gevuld, werden nog gelukkig opgevischt; maar tot onze groote smart vond men er geen enkel met water of bier. Waarschijnlijk waren de watervaten, waarvan men er hier en daar nog één met ingestooten bodem zag dobberen, gelijktijdig met het schip verbrijzeld.

ocr page 87

DE SCHIPBREUK VAN HET NEDERL. BABKSOIIIP JAN HENDRIK. 75

Weinig baatte het dat wij nog twee vaatjes met azijn bekwamen, want dit oogen-schijnlijk uitmuntend middel tegen den dorst deed meer kwaad dan goed, daar liet den mond pijnlijk deed samentrekken en de keel ontvelde.

Een varken, dat zich evenals onze scheepshond, zwemmende aan wal had gered, diende nog om onzen spijsvoorraad te vermeerderen.

Midden tusschen de klippen in, bevond zich een gat of draaikolk, die onder de rots doorliep, en met de zee gemeenschap had. Hier werden met behulp van een der riemen en een langen stok, waarin een spijker geslagen was, eenige lakens, het karpet en tafelkleed van de kajuit, een kluiver en nog eenige andere voorwerpen opgevischt. Hier ook kwam het lijk van een der drenkelingen boven. Het was een lieve jongen, nog geen veertien jaren oud, dien wij allen hartelijk genegen waren. Men bond een steen om het lijk en liet het zóó zinken.')

Eene belangrijke aanwinst mocht gerekend worden, dat men eene der sloepen, die, toen het schip geheel was vergaan, slechts weinig beschadigd om de klip kwam dryven, wedervond: hetgeen bij velen, die daarin het éénige middel ter redding zagen, groote blijdschap verwekte.

Akelig was ons de eerste nacht, die nu inviel. Het geluid der branding was aan bestendig geschutvuur gelijk. Het was alsof zij de rotsen, die men kon voelen schudden, geheel zou verbrijzelen. De zee, die zich wild daarover henen wierp, liet bijna geene plek droog. Hier en daar lagen eenige manschappen op een stuk aangespoeld hout; de overigen hadden zich op puntige klippen neder-gevlijd, en gelukkig was hij te noemen, die een weinig rust kon genieten. Mij was het onmogelijk iets te slapen. Afgemat en gekwetst aan hoofd en handen, met opengereten voeten lag ik daar, en geen wonder was het dus dat al het gebeurde my telkens opnieuw voor oogen trad. Ik dankte God voor mijne redding, voor het behoud mijner tegenwoordigheid van geest, maar besefte nu ook te dieper het ongeluk, dat ons getroffen had. Hoeveel hadden wij verloren! Welk een lot stond ons hier te wachten! Hoe zeer waren wij in onze, was ik in mijne verwachtingen teleurgesteld! Al mijne plannen waren verijdeld. Alles, wat ik bezat, voerde ik op deze reize met mij, en thans had ik niets over dan een hemd, een broek en één schoen. Den anderen schoen en mijne pet verloor ik nog in lt;ie branding. Voor mijzelven zou ik tijds genoeg gehad hebben, om meer van mijne papieren en klerderen te redden, doch ik begreep in die oogenblikken des gevaars den Kapitein tot redding van hetgeen hij nog hoopte te bergen, myne

:) Hier bestaat eene kleine afwijking van het verhaal des Stuurmans. Deze vermeldt, dat men, het niet van zich kunnende verkrijgen den jongen weder in zee te werpen, het lijk op eene droge plek onder opgestapelde steenen begroef. Hetzelfde is mij ook door zijnen zoon en twee andere schipbreukelingen verzekerd. Eerst later, toen het lijk tot een aas voor de krabben verstrekte, die hier in menigte rondkropen, gaf men het aan de golven terug. Dit geringe verschil laat zich gemakkelijk verklaren. De Heer Hanou verhaalde mij, dat hij — daar men den volgenden dag naar de andere zijde van de Rots was verhuisd, niet weder op deze plek was teruggekomen, en alzoo ook niets meer van het lijk vernomen had. Ik maak van deze weinig beduidende bijzonderheid in deze aanteekening melding, omdat ik de laatste voorstelling in mijn Dichtstuk gevolgd heb.

t. h

ocr page 88

76 DE SCHIPBREUK VAN HET NEDERL. BARKSCHIP JAN HENDRIK.

hulp niet te mogen weigeren, en toen ik later aan het myne dacht, was mijne Lamer reeds vol water. En wat zoude ik ook medenemen, daar wij eene kale rots voor oogen en nog eene reis door de branding, aan een slingerend touw, te doen badden.

Toen de tweede morgen aanbrak, richtten ons aller blikken zich onwillekeurig naar de plaats, waar het schip was gestrand, en nog grooter werden onze droefheid en verslagenheid, toen wij bespeurden, dat het geheele lichaam — behalve eenige brokken van masten en gebroken raas, met touwwerk en zeildoek onder-eengeward, wat tegen de Rots was aangeslagen — uit elkander gestooten en weggedreven was.

Wy hadden op den westelijken arm der Rots, die zooveel hooger was dan het gedeelte, waar wij ons thans bevonden, een stuk rotsgrond opgemerkt, dat eene meer piatte oppervlakte vormde en gedeeltelyk althans droog bleef. Deze plek had door den vogelmest eene witte kleur verkregen, terwijl de klippen, welke door de zee overspoeld werden, er zwart uitzagen. Daar besloten wij ons verblijf te vestigen, en alles, wat wij nog van het schip hadden kunnen machtig worden, brachten wij met behulp der sloep (de giek was gedurende den nacht geheel verbrijzeld) derwaarts over. Een zeil, door eenige balken onderschraagd, vormde een dak, hetwelk tegen de nachtlucht en de brandende zon wel eene hoogst gebrekkige, maar toch eenige beschutting opleverde, en voornamelijk zou moeten dienen, om, wanneer er regen viel, het water op te vangen. De provisie werd in de nabyheid geplaatst, een handvol kool, een stukje spek en een slok jenever uitgedeeld, een man op de wacht gezet, en de vlag (welke de tweede Stuurman, toen hij het wrak verliet, om het lijf geslagen en alzoo aan wal gebracht had,) als noodsein op het hoogste punt geplaatst.

Terwijl men zich hiermede bezig hield, had een der jongens, die op de rotsklippen naar eieren zochten, het ongeluk, van eene steilte naar beneden te storten en zijnen rechterarm te breken. Aanstonds werd hij in de half opgeslagene tent gebracht, en gelukkig achtte ik mij, bij dit voorval, dat algemeene ontsteltenis teweegbracht, de eerste zóó noodige hulp te kunnen aanbieden. Een paar duigen als spalken gebezigd, en een lap zeildoek daarom gezwachteld, leverden een zeer geschikt verband.

Men haastte zich de sloep — waaraan het boeisel was afgestooten en aan de eene zijde een groot gat was geslagen — weder op te timmeren, om die, in geval van nood te kunnen gebruiken. De messen, welke de meeste zeelieden altjjd bij zich hebben, de spijkers, welke men uit het aangespoelde hout had kunnen byeenvergaren, en steenklompen, als hamers gebruikt, dienden voor gereedschappen. Over het gat werd een lap van een rood baaien hemd getrokken, en eene breede plank daarover heen gespijkerd. Een eind uitgeplozen touw diende als werk tot het stoppen der reten. Van de dunste planken der bovenverschansing werden riemen gesneden. In den bodem werd een spoor gekorven, waarin een roeispaan als mast zou worden opgezet. Aan den achtersteven werd een gat geboord, om daardoor met een andere gebroken roeispaan te kunnen sturen. De stok of roede, waaraan de gordijn der kajuit had gehangen, zoude voor haak en boegspriet dienen.

Niet weinig moest ik de handigheid dier lieden bewonderen, die met zulke gebrekkige werktuigen dit alles verrichtten. Er heerschte thans eene algemeene

ocr page 89

DE SCHIPBREUK VAN HET NEDEEL. BARKSCHIP JAN HENDRIK.

bedrijvigheid op deze, waarschijnlijk sedert vele jaren niet bezochte Rots.') De hamerslagen weerkaatsten langs de klippen, waar anders niets gehoord werd dan het geschreeuw der vogels en het geklots der golven.

Het was wel te zien, wie op de herstelling der sloep de hoop huoner redding bouwden. Op het gelaat, waarop vroeger niets dan moedeloosheid stond uitgedrukt, was thans weder blyde hoop te lezen.

Men was namelijk op het denkbeeld gekomen, dat eenige manschappen met de sloep, van de noodige levensbehoeften voorzien, in zee zouden steken, ten einde, voor den wind afhoudende, zoo mogelijk het vaste land van Brazilië te bereiken, daar het ongeluk der equipage bekend te maken, en een vaartuig op te zoeken, om de teruggeblevenen af te halen. De drenkeling zoekt zich aan een stroohalm vast te houden. Met ons ging het niet anders. Eene geteisterde sloep, die door weinige spijkers te zamen hing, wier scheuren en naden niet eens behoorlijk waren gedicht — dit broze en kranke vaartuig zou moeten dienen, om eene reis van ettelijke honderden Engelscho mijlen af te leggen! En zoo men al het geluk had het land te bereiken, zou het dan eene bewoonde streek zyn? — Zou men dan aanstonds genegen zijn om ons ter hulpe te komen ? — En indien ook dit alles naar wensch gelukte, hoevele dagen of weken zouden er nog moeten verloopen, eer het vooronderstelde vaartuig de Rots konde aandoen!

Dit plan was echter nog geenszins tot de noodige rijpheid gebracht. Omtrent den tijd van het vertrek, of de x)ersonen, welke de bemanning der sloep zouden uitmaken, was nog niets bepaald, toen wij in den mox-geu van den derden dag een schip in onze nabijheid ontdekten. Het scheen echter, dat wij —niettegenstaande wy aanhoudend met de vlag en een laken aan een hout gehecht, stonden te wuiven — door het schip niti worden opgemerkt. Eenige matrozen brachten nu de sloep te water, waarin zy met den eersten Stuurman en den Passagier zich plaatsten, ten einde zoo mogelyk het schip te bereiken, of zóó dicht te naderen, dat men zich kon doen opmerken. In de haast nam men eenige provisie mede; doch er niet aan denkende om nu de reis naar het vaste land te aanvaarden, vergat men het kompas.

Het schip vervolgde zijnen koers. De sloep, het niet kunnende achterhalen, hield voor den wind af. Weldra hadden wij schip en sloep beide geheel uit het gezicht verloren. Alzoo bleven wij met negentien personen op de Rots achter.

Reeds meermalen had ik beproefd, door middel van een der glazen uit onze verrekijkers, vuur te maken, maar altijd te vergeefs. Eindelijk, op denzellden dag, waarop de sloep de Rots verlaten had, gelukte dit. Het aangespoelde hout kwam nu goed te stade. Een verheugende aanblik was het voor ons, de vroolyk brandende en knetterende vlam te zien. Ons voedsel werd nu ook beter. De gevangene zeevogels werden, na geplukt te zijn, op een stuk hout in de vlam geroosterd. Ook de big werd van hare huid ontdaan, in negentien portiën verdeeld en op gelyke wijze in het vuur gebraden. Eenige dagen later vond men onder het aangedreven hout een stukje koperblad, hetwelk ons tot braadpan diende, en het spek te smakelijker deed worden. Ook vermengden wy eenig meel met wat zeewater, en trachtten daarvan koeken te bereiden. Dit een en ander, gevoegd bij de visschen, die met een stukje spek, als aas aan een krommen spijker gehecht, uit de diepte werden opgehaald, leverde ons meer dan één smakelijk ge-

^ Dat deze klip vroeger was bezocht geworden, bleek ons duidelijk, daar men op een der hoogste punten eene ledige flesch vond, gedeeltelijk door vogelmest omgeven, welke daar door de zee niet kon zijn opgeworpen.

77

ocr page 90

78 DE SCHIPBREUK VAN HET NEDERL. BARKSCHIP JAN HENDRIK.'

recht. Maar dit alles wekte ook te meer het verlangen naar drinken op, en velen werd het hoogst moeilijk de bereide spijzen door te slikken. Mij herinnerende, dat men brak water, door bet inwerpen van beenzwart, kan drinkbaar maken, zoo beproefde ik zulks, door eene groote hoeveelheid houtskool in een vaatje zeequot; water te mengen, doch het bleef geheel onveranderd.

Het was in den morgenstond van den vijfden dag. dat zich weder een schip in de nabijheid der Rots vertoonde. Onbeschrijflijk was bij het zien daarvan onze blijdschap, schoon zij getemperd werd door de vrees, dat dit schip ons evenmin als het vorige zoude opmerken. Die vrees bleek echter ongegrond te zijn, daar weldra, ten blijke dat men ons gezien had, de Engelsche vlag geheschen, en een weinig later ook eene sloep naar ons afgezonden werd. Nu had, gelijk wij waanden, al ons lijden een einde. Wij beklaagden reeds onze makkers, die met de sloep vertrokken waren. „Waarom,quot; zóó spraken wij half berispend onder elkander, „haastten zij zich zóó om zich van de Rots te verwijderen, in plaats van hier op redding te wachten ?quot; — Eerst vleiden wij ons, dat de sloep dit schip kon hebben aangedaan, doch in die hoop werden wij teleurgesteld. Wij vernamen alleen, dat dit schip, the Chance genaamd, door Kapitein Roxby gevoerd werd en naar Londen bestemd was.

Onze Kapitein wilde, krank en uitgeput als hij was, op de Rots terugblijven, totdat de laatste manschappen zouden worden afgehaald. Eindelijk liet hij zich door mij overhalen, om zich met nog zeven anderen in de sloep te begeven, die hen ook behouden aan boord bracht, waar zij op de menschlievendste wijze werden verpleegd en ontvangen. Intusschen zagen wij met reikhalzend verlangen het oogenblik te gemoet, waarop de sloep zou terugkeeren, om ook ons, die nog op de Rots waren achtergebleven, te redden. Doch hoe zal ik wagen de smart te beschrijven, die ons aangreep, toen wjj bespeurden, dat de sloep niet terugkwam, dat het schip zich gedurig verder uit ons gezicht verwijderde, en ons aan ons lot overliet? — Verschrikkelijke teleurstelling! Vreeselijke toestand! vreeselijker nog, dan in die oogeublikken, waarin wij een zekeren dood te gemoet zagen! Wy wisten toch, hoe zelden er schepen in het gezicht dezer Rots kwamen. Het eerste schip had ons reeds niet gezien, en het tweede scheen zich niet over ons te bekommeren. Wat wij hiervan denken moesten, bleef ons een raadsel. In staat te zijn om ons te redden, slechts acht man in te nemen, elf aan dorst en honger ter prooi te laten, nog levensmiddelen van ons ongelukkigen mede te nemen, en geenerlei poging tot redding der achtergelateneu te doen.... Neen, zulk eene handelwijze konden wij ons onmogelijk verklaren. Had het schip te weinig voorraad van water of levensmiddelen, het had immers eene niet ver verwijderde haven, gelijk Ba hi a of Fernambuco, kunnen aandoen. Eerst na onze terugkomst in Europa zou ons dit raadselachtige worden opgelost. Te Londen vernamen wij, dat the Chance nog zes dagen in den omtrek gekruist, maar telkens vruchteloos gepoogd had nogmaals de Rots te bereiken. Het voegt mjj niet de menschlievende bedoelingen van den Kapitein te verdenken, of den roem te verdonkeren, dien hij voor de redding van een gedeelte der equipage heeft inge-oogst; doch evenmin zal men het ons, ongelukkigen, ten kwade kunnen duiden, dat wij in onzen verlaten toestand, zijne handelwijze omtrent ons zeer ongunstig beoordeelen, en dat het ons ook later moeite gekost heeft te gelooven, dat men tot redding van elf menschenlevens niet nog meerdere en andere pogingen heeft kunnen aanwenden.

ocr page 91

DE SCHIPBREUK VAN HET NEDERL. BARKSCHIP JAN HENDRIK.

Groot was de moedeloosheid, welke nu onder ons heersclite; doch ik wekte de halfverstorvene hoop bij mijne lotgenooten op, door de gissing, dat het schip te ver door wind en stroom afgedreven, om ons \an dit punt te naderen, een doorsteek zou maken, en ons na verloop van ettelijke dagen weder zou komen opzoeken. Deze gissing was in zichzelve geenszins onwaarschijnlijk. Het schip liet de vlag waaien, zoolang wij het konden zien, en wij konden dit teeken niet anders vertolken, dan alsof het ons uit de verte wilde toeroepen: „Houdtgoeden moed! Spoedig kom ik u allen redden!quot; Maar dit vooruitzicht werd ijdel bevonden. Geen schip liet zich zien. Des avonds bracht men het vuur op de hoogste punt der Rots, om de plek, waar wij ons bevonden, ook des nachts door de schepelingen te doen onderscheiden; doch na vier dagen liet men dit na, daar onze voorraad van brandhout, welke sterk verminderde, spoedig hierdoor geheel zoude zijn opgeteerd.

Steeds heviger kwelde ons de dorst. De tong was met eeue dikke huid overdekt en kleefde aan het gehemelte vast. De keel was opgezwollen. Het slikken ging van hevige pyn vergezeld. Zelfs het spreken viel ons gedurig moeilijker. Dringend had ik allen aangeraden zich gedurig te baden, als het eenige middel om den dorst te verminderen. Wij allen hebben hiervan de heilzame uitwerking ondervonden, en ik meen het voornamelijk daaraan te mogen toeschrijven, dat wij niet van dorst zijn bezweken, of dat deze moedeloosheid niet tot vertwijfeling oversloeg. Anders zou het volkomen onverklaarbaar kunnen schijnen, dat wij het zonder drinken, bij een zoo hevigen graad van warmte, en het gebruik van gezouten spijzen, vyftien dagen achtereen hebben uitgehouden.1)

Gelukkig voor ons, waren er op dat gedeelte der Rots, waar wij ons verblyf hielden, eenige kuilen, waarin het zeewater bleef staan, en gedurig, daar het door eene spleet in de Rots kon in- en uitstroomen, ververscht werd. Deze kuilen, waarschijnlijk door het sinds eeuwen overstortende water gevormd, leverden eene voortreffelijke badplaats op. Zonder dit ware ook het laden voor ons ondoenlijk geweest, daar men bezijden de klippen eene onpeilbare diepte had. Om de hitte te ontgaan, lagen wij een groot gedeelte van den dag in het water. Hen, die zich te machteloos gevoelden om zich in het bad te begeven, liet ik door anderen daarin dragen, en merkbaar was het, dat zy, na eenige oogenblikken daarin gelegen te hebben, zich weder verkwikt naar het lichaam en meer verruimd en bemoedigd naar den geest gevoelden.

De hitte was somtijds ondragelijk. De invloed daarvan deed zich in eene alge-meene machteloosheid gevoelen. Het geheugen was onderdrukt. Nauwelijks wisten wy meer, welke dag der week het was. Om te voorkomen, dat wij in de telling der dagen geheel verward werden, had ik met een stuk krijt, in een opgevischte broek gevonden, op eene plank eenige aanteekeningen gemaakt. Van sommigen onzer was de hals zóó zeer ontveld, dat de huid er bij lappen nederhing; daar dit deel het meest aan de werking der lucht was blootgesteld, omdat men het gelaat zooveel mogelijk van de zon afwendde.

79

Gedurig hadden wy schepen voor het gezicht. Soms zóó helder en duidelijk, dat een onzer in zee rondziende, verheugd uitriep: „Een schip! Een schip!quot; Het

^ Dat de huid eene groote hoeveelheid waters absorbeerde, was aan sommigen verschijnselen kennelijk. Ik maakte mij echter bevreesd — daar de huid week en wasachtig werd op het gevoel — dat weldra ook dit zoude ophouden, en dan was ook het laatste hulpmiddel uitgeput.

ocr page 92

'30 DE SCHIPBREUK VAN HET NEDERL. BARKSCHIP JAN HENDRIK.

•was niets anders dan het spel der verbeeldingskracht, welke, door het aanhoudend donken en peinzen op een schip, dat zich tot onze redding moest opdoen, in volle werking gebracht, zelfs op het zintuig des gezichts haar misleidend vermogen uitoefende.

Dagelijks baden wij God om regen. Elke wolk, welke zich boven ons vertoonde, bleven wij met gespannen verwachting aanstaren. Soms viel er een enkele droppel neder. Dan zochten wij, op de steenen uitgestrekt, met geopenden mond dien op te vangen; doch de wolken verdeelden zich en de lucht stond weder strak on helder. Des daags hadden wij eene brandende zon en des nachts een prach-tigen sterrenhemel. Hoe zielsverheffend en rijk in genot is de beschouwing van die duizenden van hemellichamen, wier verscheidenheid in kleur, grootte en afstand, onze gedachten opvoert tot Hem, die dat alles met eene onbegrensde macht heeft voortgebracht! Ik ken niets schooners, niets heerlijkers, niets wat den geest hooger boven het aardsehe verheft, niets wat ons meer de grootheid van den Schepper leert bewonderen, niets wat ons meer onze eigene verhevene bestemming doet gevoelen, dan de beschouwing van den sterrenhemel, gelyk deze zich in de nabijheid van de Evennachts-lü'n met ongekende pracht en luister aan het oog vertoont. Hoe gaarne evenwel had ik thans dien aanblik opgeofferd, en al dat schoone met eene donkere, door wolken betrokkene lucht verwisseld gezien! Dikwerf werd door ons de wensch geuit, dat eene hevige donderbui boven ons hoofd mocht losbarsten; ja, de grootste gevaren zouden wij blijmoedig getart hebben, indien het vooruitzicht hieraan verbonden ware geweest, om eenig water tot lessching van onzen dorst te bekomen.

Eindelijk werden onze vurige wenschen en smeekingen vervuld. Op den vijftienden dag van ons verblijf op de klip viel er regen. Geene gebeurtenis kon ons ooit meerdere vreugde verwekt hebben dan deze. Men wierp een vat met spek om, om het water te verzamelen, dat gelijktijdig door ons met het uitge-gespannen zeildoek werd opgevangen. Wij dronken allen, totdat wij ten volle verzadigd waren, en toen scheen al ons leed vergeten. Het vuur was uitge-bluscht, ons brandhout genoegzaam verbruikt; maar dit alles bekommerde ons weinig. quot;Wij gevoelden ons rijk en gelukkig, toen wij een geheel vat net water zagen gevuld, waarvan de voorraad verscheidene dagen zou kunnen strekken.

Eiken morgen, nog voor den opgang der zon, werd de vlag op het eens, gekozen standpunt geplaatst. Ieder was dan in gespannen verwachting, of hii, die de wacht betrok, ook iets zoude opmerken. Ieder legde dan het oor te luisteren en zag verlangend en huiverend, met de gemengde gewaarwording van hoop en vrees, op naar boven, als benijdde men elkander het geluk om de tijding der nabyzynde redding het eerst te vernemen: als schrik te men voor de zekerheid, dat de hoop, weike men op de redding bleef koesteren, wederom zou blijken ydel te zyn.

Onze toestand werd van dag tot dag beklagenswaardiger. Daar het vuur was vergaan, moesten wij ons voedsel, dat reeds aanmerkelijk was ingekrompen, weder Tauw gebruiken. De vogels, gedurende de eerste dagen zóó tam en met de hand te vangen, waren nu schuw geworden, en noch deze, noch hunne eieren konden wij meer machtig worden. Velen onzer lieten den moed geheel zinken en bleven uitgestrekt op den rotsgrond liggen.

Alles had ik reeds te baat genomen om den gezonken moed mijner lotgenoo-•ten weder op le wekken en te verlevendigen. Onder andere daartoe aangewende .middelen, had ik hun den 8sten Juni, zijnde een Zondag, verzekerd, dat wy

ocr page 93

DE SCHIPBREUK VAN HET NEDERL. BARKSCHIP JAN HENDRIK.

den eerstvolgenden Zondag gered zouden worden. Hoe ongerijmd zulk eene voorspelling ook schijnen of wezenlijk zijn mocht, zü had toch eenige nuttigheid; zij weerhield of bedwong de ontboezeming van telkens herhaalde jammerklachten, die enkel konden dienen, om die ze aanhoorden nog meer te ontmoedigen. Maar

het was reeds Zaterdag..... Nog was er niets van een schip te zien. Maar ook

hoe zonderling! Den volgenden morgen werd mijne voorspelling bewaarheid. Die dag was de dag onzer redding!

„Een schip, een schip! Een groot schip!quot; — Dit was de uitroep van den Matroos, die boven de wacht had. Wij allen werden door dit geroep als geëlectriseerd. Ieder snelde naar de vlag. Ieder scheen als in een oogenblik de verlorene krachten terug ontvangen te hebben. Wij wuifden aanhoudend met de vlag om opgemerkt te worden. Een angstig gevoel temperde hierbij onze blijdschap. Twee malen waren wij reeds op de grievendste wijze teleurgesteld. Het schip gaf vooralsnog geen teeken, dat men ons ontdekt had. Geen wonder, dat onze harten zeer beklemd waren. Ongeveer twee uren bleven wij in die folterende onzekerheid ver-keeren, toen eindelijk de Engelsche vlag geheschen werd. O! met welk een vreugdgevoel wij dit ontwaarden, kan ik met geeue woorden uitdrukken. Twee sloepen zagen wij gelijktijdig van boord gaan. Onze redding was nu zeker, en wij behoefden niet te vreezen, da-t eenigeu onzer andermaal zouden veroordeeld zijn om achter te blijven.

De twee sloepen namen ons gezamenlijk op, en brachten ons allen behouden | aan boord van het Fregatschip A'lize, gevoerd door Kapitein William Snell, het-i welk reeds eenige dagen in den omtrek gekruist had. De Elize was den 22sten I April van Greenock in Schotland afgezeild en naar Port-Philip in Nieuw'Zuidwallis | bestemd. Zij had een der Cap-Verdische Eilanden aangedaan, en kwam den loden | Juni in het gezicht der Eots.

Het was — wanneer wij onze redding van de menschelijke zijde beschouwen_

geheel bij toeval, dat men ons ontdekt had. De Kapitein had bij den opganquot; der zon de Eots door den kijker opgenomen, doch van ons niets ontwaard. Iets later nam een der passagiers nog eens den kijker in handen, om dien op hetzelfde punt te richten, en meende toen eene vlag te ontdekken. Men hield op de Rots aan, zag ons wuiven, besloot ons te redden — en ziet daar! voor ons de heug-lijkste uitkomst geboren, nadat wij zeventien bange dagen op den barren steenklomp hadden doorgebracht.

Met voorkomende menschlieveudheid werden wij op de Elize behandeld. Iu onze eerste en dringendste behoeften aan kleederen werd, hoe gebrekkig ook, zoogoed mogelijk voorzien. Inzonderheid trokken de heeren Smitthers en Mac-Ellar, die zich met hunne familiën als Passagiers daar aan boord bevonden, zich onzer aan. Wij bleven nog eenige dagen kruisen, en ontmoetten op den 24sten Juni het Engelsche schip Lintin, dat zich op zijne terugreis van Bombay naar Liverpool bevond. Kapitein Snell begaf zich daar aanstonds aan boord, ten einde te vernemen, of dit vaartuig de elf schipbreukelingen kon en wilde overnemen om hen naar Europa te brengen; maar ofschoon daartoe niet ongezind, verklaarde de Kapitein niet meer dan vyf personen te kunnen bergen. Onze tweede Stuurman maakte met vier Matrozen van deze gunstige gelegenheid gebruik, en tk bleef met vijf jongens, die zich inzonderheid aan mij hadden aangesloten' en

I.

81

ocr page 94

82 DE SCHIPBREUK VAN HET NEDERL. BARKSCHIP JAN HENDRIK.

die ik beloofd had niet te zullen verlaten, aan boord der Elize achter Daar zich verder geene schepen meer opdeden, konden wij niets anders vooronderstellen, dan dat wij genoodzaakt zouden zijn de reis naar Nieuic-Zuidwallis ten einde toe te vervolgen; maar de Kapitein besloot, tot onze groote blijdschap,om onzentwil zich nog een belangrijk oponthoud te getroosten en de naastbij-gelegen haven van Bahia aan te doen, welke wij den 3den Juli gelukkig bereikten.

Ik schreef aanstonds aan den aldaar gevestigden Nederlandschen Consul, verwittigde hem van de plaats gehad hebbende gebeurtenis en onze aankomst in de haven, schetste hem onzen deerniswaardigen toestand, en riep zijne hulp in, waaraan hy dadelijk welwillend beantwoordde.

Hier hadden wij gehoopt iets aangaande onze lotgenooten, die op den derden dag na de schipbreuk van de Rots vertrokken waren, te zullen vernemen; doch men wist niets van hen. Nu begon ik ernstiger dan ooit aan hun behoud te twijfelen; te meer daar ook de Paketboot van Fernumhuco, welke hier juist den volgenden dag aankwam, aangaande hen geene de minste tijding medebracht.

Te Bahia vonden wii een Hollandsch schip, de Agneta genoemd, gevoerd door Kapitein D. M. Van Leeuwen, dat, op zijne reize van Amsterdam naar Batavia, vry beduidende zeeschade bekomen had en daarom hier was binnengeloopen. Tot geene geringe vreugde verstrekte het ons een landgenoot aan te treffen. Deze nam ons dadelijk aan boord, en was ons in alles behulpzaam.

Een Braziliaansch schip lag in de haven zeilree, om naar Z,onde7i te vertrekken. Wij werden, nadat men ons nog eenige hoognoodzakelijke kleedingstukken gegeven had, op dit vaartuig overgeplaatst, verlieten den 5den Juli de reede van Bahia, en kwamen na eene reis van drie en vijftig dagen (waarvan ik de bijzonderheden als min belangwekkend voor mijne Lezers geheel met stilzwygen voorbijga) daarmede te Londen aan. Aldaar werden wij weder door den Nederlandschen Consul verzorgd en verpleegd, en na drie dagen toevens, bracht de stoomboot op Rotterdam ons naar de vaderlandsche kust.

Zóó verheugd als onze betrekkingen over onze behouden terugkomst waren, zóó diep verslagen waren de aanverwanten van hen, die de Rots met de sloep hadden verlaten. Doch drie weken nadat wij in het Vaderland waren teruggekeerd ontving men de verrassende en verblijdende tijding, dat de acht personen, welke de bemanning van de sloep hadden uitgemaakt, behouden op het Braziliaansche grondgebied waren aan land gekomen, en weldra werd deze tijding door hunne wederkomst in het Vaderland ten volle bevestigd. Dezelfde vreugd, welke ons bereid was, viel ook hun ten deel — de verhoogde vreugd des wederziens, na aan zóó dreigende gevaren ontkomen te zijn.

*) Op de Liniin zijn met den tweeden Stuurman overgegaan: de Zeilenmaker H. Nieberding, de Kok H. Klatter en de Matrozen H. Peekskamp en C. Andersen. Op de Elize zijn met den Dokter gebleven de Lichtmatrozen H. H. Vierow en H. Jensen en de Scheepsjongens H. C. Visser, J. A. C. Buhre en J. Breyer. Met den Kapitein hadden vroeger de Rots verlaten: de Matrozen J. Thomson, H. D. Kooiker, de 2de Timmerman J. Van Heys, de Lichtmatroos en Scheepsjongens J. Zuiderduin, A. E. Scheurleer, J. Van Dijk en de Hofmeester S. Wildenberg.

t. H.

ocr page 95

DE REIS NAAR BRAZILIË

DOOR BEN GEDEELTE DER BEMANNING

VAN HET VEEONGELUKTE SCHIP

JAN HENDRIK,

met eene sloep ondernomen, in Zomermaand 1845.

{Naar het Dagverhaal van den Opperstuurman H. VIEROW.)

r

Iu de hoop van de Brik, die wij des morgens in liet gezicht hadden gekregen, op zijde te zullen komen, of haar zóó dicht te naderen, dat zy ons moest gewaar worden, hadden wij in allerijl de sloep te water gebracht. De Stuurman en zeven van de moedigste manschappen 1} hadden zich daarin geworpen. Eenigen, die ook gaarne in de gevaren van onzen tocht wilden deelen, doch op afraden van den Stuurman, om zoovelen in te nemen, zich lieten weerhouden, bleven met betraande blikken op den kant van de Rots staan. Tot de laatsten behoorde ook de éénige zoon des Stuurmans, die een oogenblik te laat op de plek aankwam waar de boot afvoer, of nog, gelijk hy vurig gewenscht had, zijnen vader te vergezellen. — Wij staken dan met ons vaartuig af, haalden ons zeil op, uit twee beddelakens bestaande, met kabelgaren aan elkander geregen. Ieder nam een pagaijer '■) om te roeien, de Stuurman den gebroken riem om te sturen iu de hand, en zóó ging het de baai uit. Aan den uitersten hoek gekomen zijnde, waar de Kapitein met onze teruggebleven makkers bij de vlag stonden om ons na te staren, wuifden zij ons een goed succes toe, hetwelk van onze zijde werd beantwoord: „Indien het Gods wil is, dat wij gered worden, weest dan gerust, dan „halen wy u allen spoedig af!quot; — Wij zeilden en roeiden dan nu zóó hard mogelijk voort, om het schip nabij te komen, hetwelk ons ook in zóóverre gelukte, dat wy de menschen, die in het want naar boven klommen, met het bloote oog zeer goed konden onderscheiden. Ruim twee uren zijn wij alzoo vermoeid bezig geweest. De

') Dezen waren : de Heer A. Waszink, Passagier; P. A. Joen, Timmerman' P. Naurelius, Bootsman; C. G. Holander, J. Holst, C. Oosterhaus en F. C. Kniep, Matrozen.

2) Dus vind ik in het Journaal van den Stuurman geschreven. In het Kunstwoordenboek van Weiland wordt dit woord pagaai, pagaaijen gespeld. Men denke aan een korten, licht beweegbaren riem, met een breede spaan of lepel, waarmede uit de hand geroeid kan worden, zonder dat hij, evenals de gewone riem, aan den rand van het vaartuig is vastgehaakt, of daar zyn steun behoeft te vinden. Tlt; h.

ocr page 96

DE REIS NAAR BRAZILIË.

Matrozen roeiden, dat hun het zweet langs het aangezicht gutste en op de handen droop; altijd in het vertrouwen: „o de Brik zal straks wel wenden en over stag gaan, en dan zijn wij haar te dichter nabij.quot; Maar, helaas! deze hoop was, gelijk al ons werk, ijdel. Zoodra de Brik de klip voorbij was, liep z\j zóó hard voort, dat er voor ons aan geene nadering te denken viel. Nu eerst werd het ons duidelijk, dat men ons niet redden wilde. Immers, ieder, die eene klip of een eiland passeert, is gewoon met eenige opmerkzaamheid uit te zien, en wy konden, op den afstand, waarop wij ons bevonden, nog duidelijk de vlag van de hoogste rotspunt zien wapperen! Er bleef ons alzoo niets anders over, dan ons werk te staken. Moedeloos eu sprakeloos van droefheid, bleef ieder stijf en onbeweeglijk zitten om het schip, dat zich gedurig verder verwijderde, na teoogen, terwijl niets dan het hijgen en zuchten van de vermoeide en beklemde borst gehoord werd. Eindelijk zeide er een: „Het heeft niet zóó mogen zijn, dat die man „ons zou redden; wij moeten in Gods naam terugkeeren, en zien of wij de klip „weerom kunnen krygen. Wellicht worden wij spoedig door een ander schip -gered.quot; Wij wendden alzoo de sloep naar de Rots toe, die wij ten zuiden van ons hadden. Ieder nam weder zyn roeispaan in de hand en hervatte het roeien, nu en dan nog eens omziende naar het schip, of het ook naar ons toewendde.

Maar weldra hadden wij het geheel uit het gezicht verloren. De neerslachtigheid, die deswege in de sloep heerschte, werd nog vermeerderd door de opmerking, dat wij, in weerwil van de uiterste inspanning onzer krachten, gedurig verder van de klip afdreven. Daar de wind toenam en de zee holler werd, konden wij met het wrakke zeiltuig, dat wij hadden, niet dicht bij den wind en dicht aan de zee opzeilen. De roeiers, die reeds van den vroegen morgen af gewerkt hadden, waren geheel uitgeput van kracht, en weldra bespeurden wij, dat alles vruchteloos was, dat wij ook de hoop om de klip weder te bereiken, als geheel ydel moesten laten varen. De laatste vonk van hoop en moed was nu uitgedoofd en alles scheen verloren. Toen sprak de Stuurman: rKomt, Mannen, legt de -riemen maar in! Wij zullen, als het God behaagt, zien, dat wij de kust van ^Brazilië bereiken. Indien wij geen schip onderweg ontmoeten, dan kunnen wij „in zes of zeven dagen land krijgen; dus moeten wij het zoo inrichten, dat wij «met het weinigje provisie, dat wij hebben, zeven dagen rondkomen, en zoo wij „daar mogen landen, dan zullen wij het Gouvernement van Brazilië trachten te „bewegen, dat men ons een schip of stoomboot afsta, om naar de Rots weder te -keeren en onze makkers te redden. Dat zullen zij ons niet weigeren, als wij hun „vertellen, dat de Kapitein met nog achttien man daar is achtergebleven!quot; De Passagier ondersteunde dit voorstel. -Jongens!quot; zeide hij, -gij moet nooit geloo-„ven, dat de goede God ons op die Rots zóó wonderbaar gered heeft, om ons „hier van dorsten honger te laten omkomen. Daarvoor is Zijne Almacht te groot „en te goed. Laat ons vast op Hem vertrouwen, en eenparig naar den raad van „den Stuurman luisteren. Hij is de oudste van ons allen en heeft het meest „ondervonden, dus zullen wij wel gered worden en onze lotgenooten op de Rots „ook.quot; Nog menige droevige blik werd derwaarts teruggeworpen, bij de gedachte aan hen, die wij daar achterlieten. Daar wij geen kompas bij ons hadden, zetten wij onzen koers bij den wind, goed vol zeils. De wind was Z. O. of Z. O. ten Z. en daar deze, op die hoogte en in dezen tyd des jaars op ééne of twee streken staan blijft, konden wij veilig daarnaar onze berekening maken, dat wy in eene W. Z. W. richting met den stroom werden voortgedreven — en zóó moesten wy altijd land krijgen.

84

ocr page 97

DE REIS NAAR BRAZILIË.

Nog hadden wij dien gebeelen dag niets geuuftigd. Bij ons vertrek had men ons een stukje spek, een klompje aangemengd meel, een weinig komkommers en een klein vaatje met jenever medegegeven; een spijsvoorraad, die kennelijk voor niet langer dan één of twee dagen berekend was, maar thans — zeven dagen zou moeten strekken. Wü sneden dan van het spek zoo vele reepjes, dat ieder gedurende zeven dagen des morgens en des avonds er één zou kunnen ontvangen gingen bij elkander zitten en namen ons reepje spek, ter grootte van het lid eens vingers, een stukje komkommer en een weinigje jenever daarby. Dit was ons ontbijt en middagmaal tevens. Hierna verdeelden wü de wacht — één moest er bestendig uitzien en één moest sturen. De overigen legden zich onder in de sloep ter ruste, waar z\i een laken over zich heen haalden, om zich zooveel mogelijk tegen de zon, welke hare stralen loodrecht op ons liet nedervallen, te beschermen. Intus-schen was het avond geworden; de zon begon onder te gaan. Daar de dag zeer schoon en helder geweest was, leverde dit een heerlijk schouwspel op. Ju de kleine sloep, dobberende op den onmetelijken Oceaan, hadden wij de groote zonneschijf recht vóór ons uit, welke door de hooge en sterke deining van het water, nu eens nog hoog boven den gezichteinder scheen te staan, en dan weder in het water was weggedoken, totdat zij eindelijk niet meer dan ter helft weder bovenkwam en op het laatst geheel verdween. Dit was een verrukkend gezicht, maar voor ons, helaas! zeer treurig, die in een klein en open vaartuig den donkeren nacht tegemoet gingen; maar ons oog en hart weder opwaarts verheffende tot Hem, die reeds zóólang ons bewaard had, die ook in den nacht onze Beschermer kon zijn, namen wij getroost ons avondstukje en legden ons te slapen neder. Twee onzer bleven wacht houden en werden geregeld afgelost. Gedurende den nacht richtten wij onzen koers naar het Zuidcr-Kruis, dat wij te loever vooruit hadden.

Zóó zijn wij doorgezeild, zonder iets merkwaardigs te ontmoeten. Den tweeden dag onzer reize (den 2den Juni) hadden wij fraai weder en een gestadigen wind, waardoor onze sloep, die 21/2 a 3 mijlen in één wacht voortliep, een goed eind kon afleggen, en de hoop bij ons verlevendigd werd, van binnen den geraamden tijd het einde van onzen tocht te zullen bereiken. De dorst begon ons gedurig heviger te kwellen, en de jenever werd zóó heet in den mond, dat wy dien nauwelijks meer konden doorslikken. Den volgenden morgen was de lucht met buien bezet. Vurig wenschten wij, dat er zooveel regen mocht nedervallen, dat wij onzen brandenden dorst konden lesschen, maar de buien dreven ons allen voorbij,met uitzondering van eene kleine regenvlaag tegen den middag. Wij haastten ons het laken uit te spannen, om het water op te vangen: doch het was, daar de lakens geheel van zeewater doortrokken waren, even zout,, alsof het uit de zee ware opgeschept. Wij legden ons nu achterover op den rug, om het nederdruppelend vocht met wydgeopendeu mond op te vangen: maar kregen, daar de bui weer spoedig overwoei, slechts weinige droppelen naar binnen. Tegen den avond was de lucht weder opgeklaard, zoodat wij ons sterrebeeld, dat ons tot poolster moest dienen, duidelijk kondon onderscheiden. De wind begon dien nacht gedurig meer aan te wakkeren, en zóó begroetten wij den morgen van den 4den Juni. Als naar gewoonte werd het sobere ontbijt door ons genomen, en terwjjl w\j ons daartoe bij elkander hadden nedergezet, ontdekten wij op kleinen afstand een aantal monsterachtig groote visschen, door de zeelieden Botskoppen genoemd, die wel twee uren lang nabij, rondom en dicht onder de sloep al blazend spartelden en speelden, zoodat wij ze met een riem konden bereiken en vreezen moesten, dat

85

ocr page 98

DE REIS NAAR BRAZILIË.

— zoo één hunrer een slag met den staart naar de sloep mocht doen — wy vol water zouden geraken, of ten onderste boven zouden gekeerd worden. Wij lieten ze daarom stil begaan, totdat één toevallig zóó dicht by den riem kwam, waarmede de man, die aan het roer zat, stuurde, dat hy een slag tegen den kop kreeg, waarna hy een vervaarlyken sprong nam, zoodat het water in de lucht stoof — en in één oogenblik waren al de Botskoppen verdwenen, en niet één liet zich meer zien. Een paar dagen later zagen wij ons plotseling door een troep dolfijnen omringd, die gretig op het roode hemd toeschoten, waarmede wy eene der zijplanken overtrokken hadden. Meermalen hadden wij er eene met de hand gegrepen ; maar het was niet mogelijk ze vast te houden, en weldra hadden ze ons alle verlaten. Na den middag werd de zee zeer onstuimig, zoodat wij veel water Inkregen en gestadig moesten hoozen, waartoe we eene teerputs gebruikten, die wy tot ons geluk hadden met ons genomen. Daar dit echter weinig baatte en onze toestand met ieder oogenblik gevaarlyker werd, bonden wij een brok '),

dat wij bij ons hadden, vóór over de sloep, waarlangs het water gedeeltelijk althans, kon afloopen. Maar de golven begonnen Fteeds hooger te krullen, zoodat wij met de sloep dikwerf recht op de zee moesten aanhouden, om niet geheel overstelpt te worden. Eindelijk bedaarde het weder, en wij namen onze avond-bete, met verhoogd gevoel van dankbaarheid jegens God, die weder dit gevaar van ons had afgewend.

Gedurende den daaropvolgenden nacht kon geen onzer slapen van denonlijde-lyken dorst. Groot was daarom onze vreugde, toen wij met den dageraad van den 5den Juni bemerkten, dat de lucht opnieuw met buien bezet was, en werkelijk waren wij zóó gelukkig van tegen elf of twaalf uur eene goede regenbui te krygen. Daar het zeildoek niet minder dan den vorigen keer van zoutdeelen doortrokken was, zochten wij thans het water in ons komkommervaatje, in een schoen en den Zuidwester*), dien de Bootsman op had, op te vangen en gaarden ten minste zóóveel, dat wij allen eene goede teug konden doen, die ons onuitsprekelijk verkwikte. De jenever bleef van nu aan geheel onaangeroerd. Ieder trachtte, zoolang hy vermocht, den smaak van het frissche en heerlijke water te behouden, en het verhittende geestrijke vocht, dat den mond pynlijk samenschroeide, werd gedurig meer met walging en afkeer door ons aanschouwd. 1) Aan de verkwikking, hierdoor genoten, hadden wij het waarschijnlijk toe te schrijven, dat wy dien nacht Iets meer konden rusten. Een gedeelte van het opgevangen water, dat zich intusschen met pekel vermengd had, hadden wij tot ons ontbijt bewaard. Wij bemerkten toen met schrik, dat ons voedsel ras geheel zoude zijn opgeteerd. Het reepje spek werd daarom nog eens doorgesneden, en was nu weinig grooter dan een dobbelsteen.

Vruchteloos lieten wij gedurende dien dag, terwyl wij gestadig voortzeilden, aan alle zijden onze blikken weiden of wij nog al geen land ontdekten. Niets

86

1

) De in onze dagen dikwerf herhaalde opmerking, hoe hoogst zelden het gebruik van dit geestrijke vocht eene wezenlyke nuttigheid heeft, is bij deze schipbreuk ten duidelijkste gebleken en wordt ook door deze bijzonderheid op eene treffende wijze bevestigd. t. H.

ocr page 99

DE REIS NAAR BRAZILIË.

wisselde onze eenzelvige reis af. De duistere nacht moest al weder door ons worden tegemoet gegaan, en de morgen van den 7den Juni bracht ons nog geenerlei uitzicht op redding aan. Alleen het gezicht van een menigte vogels, die bü zwermen in de lucht rondvlogen (met uitzoudering van twee meeuwen, hadden wij er gedurende al die dagen niet één gezien) verlevendigde onze hoop, dat wij toch allengskens de kust van Amerika genaakten. Daar de lucht zeer helder was, zagen wij een brandend heeten dag te gemoet. De laatste druppel was reeds verbruikt, en de honger dreigde ons niet minder dan de dorst te kwellen. — Dubbel verkwikkend was daarom de avond, en daar de maan een gedeelte van den nacht ons bleef voorlichten, zaten wij nog een geruimen tijd met elkander te praten over onzen eigen toestand, en niet minder over den toestand, waarin onze makkers op de Rots konden verkeeren. Eindelek legde de een na den ander zich neder; maar onophoudelijk hoorde men klagen over den steeds toenemenden dorst, welke ons dien nacht en den daaropvolgenden dag tot eene wezenlijke foltering werd. De keel begon van binnen op te zwellen, en het slikken werd gedurig pijnlijker. TVy beproefden een stukje lood, een bcenen knoop of spijker iu den mond te nemen; maar alles was vruchteloos. Alleen vond men eenige verzachting van den brand, die inwendig heerschte, door de kleederen met zeewater nat te houden, en daarmede telkens opnieuw het geheele lichaam te verkoelen.

De zoo dikwerf reeds teleurgestelde verwachting wekte op den Ssten dag onzer reis — toen ook ons voedsel begon te ontbreken — luide en bittere klachten op. „Gij weet er ook niets van!quot; zóó spraken sommigen tot den Stuurman; „wij zouden gisteren al land gezien hebben, en heden zien wij nog niets!quot; waarop deze antwoordde: „Als wij heden geen land zien, morgen zien wjj stellig land. „Houdt maar goeden moed! wij hebben ons nu reeds zóóvele dagen beholpen, „wij zullen het nog wel een paar dagen langer uithouden, als het wezen moet!quot; Zóó bereikten wij den avond, na weder dien dag niets gezien te hebben. Ons laatste reepje spek moest toen in acht stukjes worden verdeeld, die de grootte hadden van eene erwt, en toch viel het bezwaarlijk die kleine hoeveelheid anders dan zuigend binnen te krijgen. „Eet mijn stukje maar op,quot; sprak de Stuurman, die vóór op den uitkijk zat, — „ik kan niet eten, ik heb zulk een bitteren dorst!quot; — „„Neen!quot;quot; riepen allen te gelijk, „„ook het laatste stukje moeten wijeeriykmet „„elkander deelen.quot;quot; — „Goed zóó!quot; hernam hij weder, „God geve, dat wy dit altyd zullen doen, zoolang wy bij elkander zijn!quot; wierp zijn stukje in de keel en slikte het als eene pil naar binnen. Dit was onze laatste avondmaaltijd.

De zon was even ondergegaan. De Stuurman, die op de kim het oog onbewegelijk gevestigd hield, en met al de kracht, welke er ligt in een oud geoefend zeemansoog, zijne blikken scherpte, verbeeldde zich de schemering van land te ontwaren. De man, die aan het roer zat, merkte dit op. „Stuurman!quot; riep hy overluid, „gij ziet wat!quot; — „ „Nog niets!quot;quot; was zijn antwoord, - -maar ik houd „„het er voor, dat wij morgen, als het dag wordt, wel het land zien zullen!quot;quot; Dit lokte andermaal bij sommigen de bittere aanmerking uit: „Ja, zóó gaat het „van den eenen morgen tot den anderen; wy zullen morgen zóóveel te zieukrij-„gen, als vandaag, en veroordeeld zijn om hier van honger en dorst te sterven.quot; De Passagier nam thans weder het woord op: „Ik kan my niet begrijpen, „dat gy zóó ontevreden zyt; deelen wij niet allen in hetzelfde lot? — Denkt liever aan onzen Schepper, die ons zoovele dagen bewaard heeft en ook nu wel „uitkomst zal geven!quot; Eu het gelukte hem werkelijk, door zyne toespraak, de ge-

87

ocr page 100

DE ÜEIS NAAR BRAZILIË.

moederen te bevredigen. Wij legden ons onder bet laken in de sloep, en alles werd stil, behalve het eentonig klotsen der golven tegen de sloep, welke nog altijd even snel en geregeld 2Va a 3 mijlen in één wacht voortliep. De Stuurman kon echter niet rusten. Door den hevigen dorst en meer nog door de slingering van hoop en vrees gekweld, stond hij tegen middernacht op, waschte zich met zeewater, liet den man, die de wacht had, zich ter ruste begeven, en stelde zich in zijne plaats op de plecht van de sloep. Daar een tijdlang gezeten hebbende, komt hem eene vreemde vischachtige lucht toewaaien. Hij scherpt opnieuw zijne blikken, maar kan nog niets ontwaar worden; alleen bespeurt hij, dat het water iets bedaarder is. Hij legt zich van de eene op de andere zijde, maar ziet niets en moet zich getroosten het aanbreken van den dag af te wachten; doch nu ontwaart hij duidelijk de donkere schemerirg van het land. Nog wacht hij enkele oogenblikken, totdat het nog meer dag zal geworden zijn, en hij zich ten volle overtuigd hebbe, dat de verbeelding hem geenszins bedrogen heeft. Hij ziet met toenemende klaarheid, dat het een berg met lager afloopend land is, wat vóór hem ligt. Thans zich niet langer kunnende bedwingen, roept hij zijne makkers

op: „Jongens! komt allen overeind! Daar.....daar is land, recht vooruit!quot; —

88

Dit was een onuitsprekelijke blijdschap. Honger en dorst, al onze ellende was vergeten! — Als kinderen schreiden wij, terwijl wij onze oogen langs de kust lieten weiden, die met gele zandduinen bezet was. Verder in het binnenland verhieven zich hooger klimmende bergen. Op enkele plaatsen sprong een steenrif vooruit, waar de zee tegenaan brandde: doch meest overal ontdekten wij een vlak afloopend strand. Wij hielden onze boot op eenigen afstand, en voeren eene poos langs het land heen, zeilden een hoek om, waar de zee nog kalmer scheen, en nu rustte ons oog op een bosschage, hetwelk tot in het verre verschiet zich voor ons uitbreidde. Daar, dachten wij, zullen waarschijniyk menschen wonen. Derwaarts richtten wij dan ook de sloep, zetteden die op den wal aan — en omstreeks 8 uren van den 9den Juni, bogen wy onze knieën op het land van Brazilië, met een dankbaar hart onzen Schepper lovende voor wonderbaar behoud, en Hem te gelijk vurig biddende, dat Hij ons verder geleiden en in de gelegenheid stellen mocht, om ook onze arme medemakkers op de Rots te kannen redden! Daarna verwelkomden wij elkander nogmaals op de kust van Brazilië, haalden de sloep zoo hoog tegen het strand op, dat z\] niet kon wegdrijven, en sloegen toen gezamenlijk den weg landwaarts in.

Het voor ons liggende bosch bereikt hebbende, zagen wij eene hut staan, welke nochtans bleek onbewoond te zijn; wel hingen er nog vischschubben en schalen van schildpadden aan den wand. maar zij scheen reeds lang van menschen verlaten te zijn geweest. Achter de hut liep eene rivier het land in, aan beide zijden, zooverre ons oog kon reiken, met struikgewas en hoog opgaand geboomte begroeid. Wij proefden het water, maar het was volstrekt ondrinkbaar. Werwaarts hadden wij nu onze schreden te richten? — Rondom ons zagen wij in het zand het voetspoor van ons onbekende dieren. Het konden wilde en verscheurende dieren zijn. — In weerwil van deze vrees en onze steeds toenemende machteloosheid wandelden wij voort, langs den zoom van het woud, totdat wij aan eene hooge zandduin stuitten. Krachteloos als wij waren, klommen wij daartegen op. Tot onze groote blijdschap zagen wy daar eene kudde schapen grazen! — „Hier zijn schapen! Hier zijn menschen ook!quot; Dit was onze eenparige uitroep

ocr page 101

DE BEIS NAAR BRAZILIË.

Wii verdeelden ons hierop in verschillende richtingen en gingen twee aan twee,. deels het bosch in, deels daarlangs. Zij, die het eerste pad haddon gekozen,, kwamen, na een eind weegs door dicht houtgewas te zijn gedrongen, op eene groene vlakte, met enkele hoornen en kleine heesterhoschjes bezet, waarop eenige koebeesten weidden, en iets verder — zagen wij een meisje van ongeveer zestien jaren, dat op haar hoofd, met een grooten strooien hoed gedekt, een mandje droeg. De kreet van vreugde, dien onze makkers slaakten, gaf ons het sein, om ons zoo snel mogelijk weder met hen te vereenigen, hetwelk echter, daar de-meesten onzer geene schoenen aan de voeten hadden, over de houtstompen, die overal in het bosch uitstaken, niet dan langzaam kon geschieden en de inspanning van al onze krachten vorderde. Het meisje had ons roepen gehoord en was half verschrikt en verlegen blijven staan, niet wetende of zij ons zoude inwachten of wegvluchten. Maar op ons herhaald gewenk en geroep, hield zij stand, totdat wij allen bij haar waren gekomen en zij in ons midden stond. Dit was een roerend tooneel. Wij wezen op onze lippen, en vroegen haar in gebroken Braziliaansch (twee onzer waren vroeger in Brazilië geweest en hadden nog een enkel woord van die taal onthouden), of zij ons niet een weinig water kon bezorgen, dat wij zulk een verschrikkelijken dorst hadden! Aanstonds begreep zij ons, knikte ons vriendelijk toe, en wenkte ons om haar te volgen. Met vluggen tred keerde zij nu langs hetzelfde smalle pad terug, waarlangs zij gekomen was. Wij volgden haar en één onzer nam haar het mandje af, om het voor haar te dragen. Weldra zagen wij twee houten woningen, met rietbladeren gedekt, voor ons liggen. Het geheele huisgezin, bestaande uit haren vader, hare moeder, twee broeders en een slaaf, bevond zich hier bijeen. Met bevreemding vernam men onze komst, maar gaf toch aanstonds te kennen, dat wij welkom waren en ons moesten nederzetten. Jammer was het, dat wij niet anders dan hoogst gebrekkig met die menschen konden spreken. De Passagier sprak zeer goed Fransch; maar zij konden hem niet verstaan. Wij spraken Engelsch — evenmin. Dus moesten wij, zoo goed en zoo kwaad als wij konden, ons in het Portugeesch zoeken uit te drukken, en door teekenen en gebaren vulden wij het ontbrekende aan, en trachtten hun te doen begrijpen, vanwaar wij kwamen, dat wij ons schip verloren hadden, en nu naar eene zeeplaats wilden, waar een Consul woonde. In-tusschen had de mau des huizes eene hangmat gespannen voor den Piloot, gelijk hij den Stuurman noemde, om daarin wat uit te rusten. Zijne dochter, welke aanstonds was heengesneld om water te halen, kwam terug met een aarden pot vol helder blinkend water, dat zij uit een put in de nabijheid had opgehaald. Een schepper, bestaande in de helft van eene kokosnoot, waarin een stokje was vastgemaakt, reikte zij ons als drinknap over. Nooit heeft mij iets heerlijker gesmaakt, dan die eerste dronk, en ik houd mij ten volle verzekerd, zoo ging het mijnen makkers ook; want als de een gedronken had, dan had de ander weer dorst. Tot vijf herhaalde koeren lieten wij den drinkbeker rondgaan. Hoog noodig was daarom de vermaning, die wij tot elkander richtten, om onszolven te matigen, daar wij thans in de gelegenheid zouden zijn, om zoo dikwerf te drinken als wij wenschten.

Torwyl wij een weinig met drinken verpoosden, kwam de vrouw met zeven watermeloenen aandragen, waar de man aanstonds het mes in zette, en na er een paar te hebben opengesneden, aan elk onzer bij herhaling, een goed stuk op de punt van het mes toereikte. Hierdoor geheel verkwikt, gingen wij gezamenlijk naar het strand terug. Man, vrouw, zoons en dochter vergezelden ons, en sloegen,.

89'

ocr page 102

DE REIS NAAR BRAZILIË.

by de sloep gekomen zijnde, hunne handen vol verbazing in elkander, dat wij met zulk een klein en krauk vaartuig zee hadden durven bouwen. Vanwaar wij daarmede gekomen waren — dit bleef hun volstrekt onbegrijpelijk. Wy haalden thans de sloep nog hooger op, en brachten al wat los en draagbaar was naar hunne woning. Aan de vrouw gaven wij de lakens, aan den man het vaatje met jenever, waarmede hij kinderachtig blijde was, daar hij wel veel van dien vreemden drank gehoord, maar nog nooit dien geproefd had. Bij gebrek aan hoeden,hadden wij onzen halsdoek om het hoofd geknoopt; hij gaf ons daarom ieder een strooien hoed ten geschenke, welke ons voortreffelijk te stade kwam. Als een bewijs onzer erkentelijkheid, drongen wij hem, als bij ru'.ling, onzen halsdoek aan te nemen, en twee onzer, die geen doek hadden, namen hunne zilveren ringen uit de ooren, en boden die moeder en dochter aan, Toeu deze kleine geschenken gewisseld waren, begon het allengskens avond te worden — en ziel — daar werd door de goede huisvrouw opeens ons een geurig dampende schotel met vleesch en verrien1) voorgezet. Zy spreidde een paar huiden en een stukje tafellaken op den grond, en noodigde ons toe te tasten. Dit behoefde ons geen tweemaal gezegd te worden; wy hadden ons in één oogenblik op den grond rondom den schotel geschaard, waarvan, binnen weinig tijds, niet veel overbleef. Met een dankbaar hart legden wij ons hierop ter ruste. Ten volle bewust, dat wij bij goede meuschen waren, sliepen wy weldra in, en genoten dien nacht eerst, na vele dagen, eene rust, welke ons ten volle verkwikte.

Het was nog vroeg in den morgen, toen de man des huizes ons weder opriep en ons beduidde, dat het tijd was om onzen weg te vervolgen. Daar de Stuurman niet kon loopen, had hij voor dezen een paard gehaald. Ka ons goed gewasschen en ons weder met een dronk van het heerlijke water verfrischt te hebben, aanvaardden wy onze reis. De man, die ons geherbergd had en ook nu ons tot gids diende, trad voorop en leidde ons langs een smal pad, door bosschen en valleien heen. Zóó kwamen wij den lOden Juni in een klein dorp, uit dertien hutten bestaande. Onze gids bracht ons hier bij een oud, eerwaardig man, Joan Corneiro Da Cunha, een Portugees van geboorte, die zoowat de Chef scheen van die plaats, en over allen, die daar rondom hem woonden en, evenals ook onze geleider zelf, tot zyne familie behoorden, een aartsvaderlijk gezag oefende.

90

Deze eerwaardige grijsaard verwelkomde ons mot de bemoedigende woorden: „Gij zult ondervinden, dat gij onder Christenen zijt. Ik ben bereid, alles voor u te doen, wat in mijn vermogen is!quot; En wij hebben dit ondervonden; hy heeft die belofte getrouwelijk gestand gedaan. Een smakelijk ontbijt, bestaande uit melk en rerrien, werd voor ons gereed gemaakt. Voor den Stuurman en den Passagier werden twee hangmatten gespannen, voor de overigen matten gespreid, opdat wij geheel van onze vermoeienis zouden bekomen, Intusschen onderhield hij zich met onzen gids eu andere bewoners van het dorp over de maatregelen, die er ten onzen behoeven dienden genomen te worden. Sommigen, die hierover m 'de geraadpleegd werden, schenen van elders te zijn ontboden en kwamen te paard aan. Wij gaven door teekenen of gebrekkig Portugeesch hun, zoo goed wij vermochten, de nadere inlichtingen, welke zij van ons begeerden. Des middags werd een schaap geslacht, en de helft daarvan tot onzen maaltyd afgezonderd. Des avonds hadden zij visch gevangen, ook hiervan kregen wij ons aandeel. Na

1

) Verrien, of wellicht beter farien, is eene soort van aardvrucht, welke veel overeenkomst met onze aardappelen heeft, t. H.

ocr page 103

DE REIS NAAR BRAZILIË.

nog een weinig in de heerlyke avondlucht rondgewandeld en over Gods leiding en bewaring, zóó zichtbaar in ons lot, nagedacht te hebben, zochten wtf ons leger op, en sliepen dien nacht zeer gerust.

Daar wij hier een zeer goed leven hadden, keerden ook onze krachten spoedig weder; zoodat wy in het huislijke bedrijf mede de behulpzame hand boden. Wij hielpen de verrien malen en drogen, hetwelk op den oven geschiedde. Des avonds gingen wij mede om de vischnetten na te zien. Eens haalden wij een grooten visch daaruit, wel tachtig pond zwaar, niet ongelijk aan een zalm, doch van zwaarder schubben voorzien. Aan ieder huisgezin van het dorp werd daarvan een proefje gezonden. Eenige stukken werden er voor ons geroosterd, om die op de reis, welke wij eerlang weder zouden hebben voort te zetten, te kunnen gebruiken. Eens, terwijl wy voor de hut met elkander rustig zaten te praten, zagen wij vlak in onze nabijheid eene slang, die den kop ophief en met hare glinsterende oogen in het rond zag. Wij allen schrikten geweldig; maar de oude Da Cunha greep een stok, en bracht haar daarmede zulk een geweldigen slag op den kop toe, dat zij roerloos bleef liggen en genoegzaam in eens dood was; zij had eene lengte van vijftien voeten. Tegen den avond van den derden dag kwam er een Pater in huis. De mis werd gevierd, waarbij jong en oud tegenwoordig was. Wij wilden ons verwijderen, om hen in hunne godsdienstoefening niet te storen, maar de oude wenkte ons te blijven. „Al zijt gij Protestanten,quot; zeide hij, „daar is toch maar één God, die ons aller behoeder is.quot; Die woorden maakten op ons zulk een indruk, dat wij de mis eerbiedig en ook met stichting van het begin tot het einde bijwoonden. Intusschen waren wij te weten gekomen, dat het plaatsje, waar wij ons bevonden, Fernainhucquina heette, en zoo vele mijlen van de bekende zeehaven Fernaiubuco verwijderd was, dat er geene mogelijkheid bestond om ons derwaarts over te brengen. Do grijze Da Cunha bood ons nochtans aan, om ons naar eene andere naderbij gelegen zeeplatits te transporteeren. Wij namen dien voorslag met blijdschap aan, en de volgende dag, de 13de Juni, werd tot onze afreize bestemd.

Na een goed ontbi(t genomen te hebben, ontvingen wij ieder nog een Patak (8 stukken kopergeld, zooveel als zeven stuivers bedragende), opdat wij onderweg niet geheel van geld ontbloot zouden zijn. Van levensmiddelen werden wij rijkelijk voorzien. Hierop schudde de grijsaard, die als een vader voor ons gezorgd had, ons één voor één tot afscheid de hand, en wenschte ons, onder Gods geleiile, eene goede reis en behouden terugkomst in ons vaderland. Een lid der familie, een lang en kloek gebouwd man, was ons als wegwijzer toegevoegd. Allen waren wij reisvaardig; ieder (met uitzondering van den Stuurman, die verschoond bleef van iets te dragen) droeg een pakje op den rug en een stevigen stok in de hand. Zoo volgden wij onzen gids, geheel onkundig werwaarts hy ons geleiden zou, maar ons volkomen op hem verlatende. Uij bracht ons eerst weder naar de strandbewoners terug, die ons het eerst geherbergd hadden. Wij troffen daar een aantal menschen aan, die door den man des huizes op een goed glas jenever onthaald werden. Vandaar ging hij ons vooruit naar het strand, waar de sloep lag. (Waartoe wij deze op onzen tocht zouden behoeven, konden wij volstrekt niet begrypen.) Het vaartuig werd aangegrepen, de visschershut voorbij gezeuld, en zoo in de rivier gedragen. Wij staken die over op een punt, waar een pad midden door het bosch lag. Hier namen de strandbewoners, die ons zoo liefderijk en gastvrij hadden ontvangen, voorgoed van ons afscheid en keerden met de sloep terug, terwijl wy met onzen gids aan het hoofd het pad, dat het

91

ocr page 104

DE REIS NAAR BRAZILIË.

bosch doorsneed, insloegen. Thans eerst vernamen wij, dat deze overvaart van de rivier ons de reis, die wij hadden af te leggen, aanmerkelijk bekortte; datwif thans nog dertien uren te gaan hadden, om de plaats onzer bestemming, welke Acaraco genoemd werd, te bereiken, dat van daiir over één of twee dagen een vaartuig zou vertrekken naar Maranhon, waar een Nederlandsche Consul gevestigd was, en dat wij, neg tijdig daar aankomende, door dit vaartuig konden opgenomen worden, en alzoo het spoedigst het doel van onzen tocht zouden kunnen bereiken. Dit alles was alzoo door den grijzen Da Cunha overlegd geworden.

Aan het einde van het bosch kwamen wij weder aan het zeestrand en de zandige duinen. De avond was gevallen. Spoedig was het geheel nacht geworden. De maan bescheen ons wandelend reisgezelschap. Jat nog steeds zijnen tocht voortzette: maar toen zij ten drie uren onderging en wij ons weder midden in een bosch bevonden, achtten wij het geraden, den dag af te wachten. Vermoeid wierpen wg ons aan den voet van een boom neder en zonken in slaap; doch werden spoedig wakker, verstijfd door al onze leden en rillende van koude. Bij de eerste schemering waren wij reeds marschvaardig; maar de nachtlucht had ons zoo sterk aangegrepen, dat wij nauwelijks een voet konden verzetten. Aan eene beek, welke wij moesten doorwaden, wieschen wij ons gelaat en namen wij ons ontbyt. Hierdoor verfrischt en versterkt, gingen wij weder opweg, door bosschen en wildernissen, waarin wij een kleinen tijger en eene menigte van vossen zagen. Verder op den dag werden wij zoo vermoeid, dat wij gedurig ons moesten nederzetten om uit te rusten. Het zand was zoo mul, dat wij eiken voetstap achteruitgleden. Hijgend en afgemat kwamen wij, des namiddags van den léden Juni, te Acaraco aan.

Acaraco is een dorp met eene kerk en omtrent zestig of zeventig huizen. Wij werden daar in eene soort van herberg gehuisvest, en bij onze aankomst goed van het noodige verzorgd. Het halve dorp liep ledig en schoolde voor onze woning te zauien, uit nieuwsgierigheid om de vreemde schipbreukelingen te zien. Het was Zaterdagavond; den volgenden morgen werd er mis gehouden, en ook wij gingen mede ter kerke. Isa onze tehuiskomst kwamen de Maire en de Pastoor van het dorp ons een bezoek brengen. De laatstgenoemde die een weinig Fransch verstond, knoopte een gesprek met den Passagier aan. Deze zocht hem onzen toestand zoo duidelijk mogelijk te maken. Hij was daarmee zichtbaar bewogen, en beloofde ons, zooveel hij vermocht, behulpzaam te zullen zijn. Kort na hun vertrek werd den Passagier een pakje van wege den Pastoor ter hand gesteld, een stel kleederen bevattende,, dat hij, met de hem eigen goedhartigheid, onder zijne makkers verdeelde. Hierop gingen wij het dorp nog eens rond. Wij werden in de voornaamste huizen ingeroepen. Men schonk ons een glas Spaanschen wijn, en gaf ons hier en daar nog een enkel kleedingstuk. Des anderen daags werden wij bij den Commissaris dier plaats ontboden, en door een tolk, die Engelsch sprak, op het nauwkeurigst ondervraagd. Wij vernamen nu, tot onze spijt, dat de Bark, welke van Acaraco naar Maranhon voer, reeds vertrokken was en niet eerder dan na drie weken op deze plaats terugkwam; dat het dorp arm was,en men bezwaarlijk in staat zoude zijn om ons zoo lang te voeden, maar dat zij doen zouden, wat zij konden. Ten gevolge dier vergunning zijn wij daar gebleven tot den 23sten Juni. Sommigen onzer hebben nog medegewerkt bij het bouwen van een huis, om op die wijze iets te verdienen. Van den Pastoor ontvingen wij twee Spaansche matten, om daarvoor eetwaren aan te koopen. Daar er dagelijks beesten geslacht werden, waren wy hierbij doorgaans tegenwoordig, en dikwijls gaf men ons een Stuk vleesch ten geschenke. Des avonds kwamen vele bewoners van het dorp tot

92

ocr page 105

DE REIS NAAR BRAZILIË.

ons, brachten hunne gitaren mede, die zy met veel gevoel en eenebewonderenswaardige vlugheid bespeelden, en zongen ons van hunne inlandsche liederen voor, waarnaar wij, in de gemakkelijkste houding nedergestrekt en al het verkwikkende der avondlucht genietende, soms uren lang met welgevallen zaten te luisteren.

Onze voeten, door het loopen in het zand verhit, begonnen hier pijnlijk te zwellen. Veel hinder hadden wij daarenboven van eene kleine soort van insecten, die zich vooral aan den voet tusschen vel en vleesch plegen te nestelen. Intusschen had de Commissaris aan den President van Sobral, eene stad dieper landwaarts in gelegen, over ons geschreven, en den last ontvangen, om ons derwaarts op te zenden, waar wy zouden kunnen vertoeven, totdat het Barkschip weder naar jMaranhon afvoer. Aan elk onzer werd een halve Spaansche daalder als reisgeld geschonken. De Pastoor voegde er nog twee geldstukken bij, en bracht een paard voor den Stuurman, wien de voeten zoo gezwollen waren, dat hij onmogelijk gaan kon. Gaarne, voegde de menschlievende man er bij, zou hij aan elk onzer een paard bezorgd hebben; maar h\j had slechts over één te beschikken. ^Vij moesten alzoo in het rijden en gaan, van tijd tot tijd, elkander afwisselen.— Vier in dienst zijnde burgers zouden ons tot geleiders strekken.

Zoo ondernamen wij, des morgens van den 23sten Juni, de reis van gt;1 cara co naar Sobral, welke geheel door bosschen voerde, langs een pad, dat zich soms in de struiken verloor, maar soms zoo breed was, dat het met eene kar, voor welke tien of twaalf ossen twee aan twee gespannen waren, bereden werd. Des middags en des avonds namen wij onzen intrek bij de boeren, die hier verstrooid in de bosschen wonen, en honderden van koeien, schapen en geiten bezitten, die los in het bosch rondloopen. Bij een hunner brachten wij een lustigen en vroolijken nacht door. De boer had al zijne buren tot de viering van het St.-Jansfeest ge-noodigd. Een groot vuur was aaugelegd in de schouw, hetwelk den geheelen nacht door onderhouden werd. Zy maakten dapper muziek op hunne ^ï/aren en dansten rondom het vuur. Aan eten en drinken ontbrak het hierbij niet. — Een andere boer schonk ons nog eenige kleedingstukken, alle van katoen, daar in deze landstreek, welke nabij de Evennachtslijn ligt, geene andere kleederen, dan van zeer lichte stof, worden gedragen. Het reizen geschiedt daarom ook voornamelijk des morgens vroeg en des avonds laat, ook wel bij voorkeur in den nacht, wanneer het lichte maan is. De boeren en inlanders reizen gewoonlijk te paard, bij troepen of karavanen van twintig tot zestig personen, waaronder ook vrouwen en kinderen zyn. Één rijdt er voorop: daarna volgen de losse paarden, die de pakkage hebben te dragen, daarop het reisgezelschap zelf. De vrouwen hebben rijkleederen aan. De mannen zyn, van de schoenzool tot don hoed, geheel in bruin leder gekleed.— Op den derden dag sloegen wij ons leger op onder een dier onmetelijke en ontzagwekkende boomen, welke de Braziliaansche wouden opleveren, kochten een schaap van een boer, maakten vuur en bereidden daarvan ons middagmaal. Onze paarden lieten wy los in het bosch loopen, totdat wij, genoegzaam uitgerust, de reis weder aannamen. Zóó hebben wij twintig Leegs (ruim zoo vele uren gaans) afgelegd, totdat wy den 26sten Juni des voormiddags ten tien uren, in de nabyheid van Sobral, bij een boer aankwamen. Hier lieten wij onze paarden achter, reinigden ons, verwisselden van kleederen, en begaven ons toen de stad in, naar den Commissaris van Politie, aan wien wij een brief hadden te overhandigen.

Niet lang hadden wij hier vertoefd, of wij werden bij den President ontboden en eene groote zaal binnengeleid. Hier zat de President met een schry ver naast zich, omringd van verscheidene heeren, die tot de aanzienlijksten dier plaats behoor-

93

ocr page 106

DE REIS NAAR BRAZILIË.

den, waaronder een Geestelyke en een Dokter, die goed Fransch spraken, een Dokter J. F. Limer, die het Engelsch volkomen machtig was, en zekere heer Van Valkenstein, die zich even gemakkelijk in het Plat- als in het Hoog-Duitsch uitdrukte. De Stuurman verhaalde hierop, wat onze bedoeling was; hoe de Kapitein met achttien man nog op de Rots was gebleven; dat het hun niet aan de noodige levensmiddelen ontbrak, om het daar, indien er slechts regen viel, nog een aantal dagen te kunnen uithouden; dat het thans ons vurig verlangen was, in staat gesteld te worden om onze lotgenooten te redden, en dan weder naar ons Vaderland terug te keeren — hetwelk door den Heer Van Valkenstein in het Braziliaansch werd overgebracht. Er werd van dit verslag eene schriftelijke verklaring opgemaakt en door ons allen onderteekend. Dit stuk zou aan den Gouverneur der Provincie worden opgezonden, die in de zeestad Ceara, zestig Leegs van daar verwijderd, resideerde 1).

De President liet hierop eene lijst voor liefdegiften rondgaan, waarop al de tegenwoordig zijnde heeren teekenden. „Hebt gij al gegeten?quot; vroeg hy met voorkomende vriendelijkheid. — „Neen!quot; was het antwoord. — „Kunt gij koken?quot; vroeg hij weder. — „Ja!quot; — antwoordden wij glimlachend — „zoo wij maar iets hadden, waaraan wij onze kookkunst konden toonen.quot; Dit woord was voor hem genoeg. Aanstonds werd ons een ledig huis, dat aan Dr. Limer in eigendom toebehoorde en tegenover zijn woonhuis stond, als verblijfplaats aangewezen. Even spoedig werden wij van het noodige huisraad voorzien: tafel, stoelen, eene canapé, hangmatten, potten, pannen, vleesch, verricn, rijst, hout, vuur en water, koffie en thee, alles in één woord, wat eene kleine huishouding uitmaakt, werd onmiddellijk te zamen gebracht, — en weldra waren wij bezig met het koken van ons middagmaal. De Passagier werd bij den Pastoor geherbergd; den Stuurman werd logies by den Commissaris aangeboden, maar hij verzocht by zijne makkers te mogen blijven, om somtijds onaangenaamheden voor te komen, hetgeen hem gereedelijk werd toegestaan. Zijn ontbyt moest hij evenwel bij Dr. Limer, en zyn middagmaal bij den Commissaris gebruiken. De veelvuldige blijken van liefde en hulpvaardigheid, welke wij van dezen, ons geheel onbekende menschen genoten hebben, kun nen wij nooit naar waarde roemen, en hun nimmer naar eisch vergelden2). Als eene proeve diene nog het volgende: Aan den avond van den eersten dag komt een bejaard Heer, met een slaaf bij zich, die twee pakken draagt, aan onze woning. Hij vraagt naar den Stuurman. „Hier, mijn vriend!quot; zegt hy in gebroken Engelsch, „is een stuk linnen, en daar een stuk katoen; van het eene kunt gy elk twee broeken en van het andere ieder twee hemden krijgen.quot; Weinige oogen-blikken later verscheen een kleermaker, om ons de maat te nemen. De hemden werden aan huis van den Dokter door twee vrouwen gesneden, en binnen twee dagen hadden wij de kleedingstukken in onze woning. Den derden dag ontving

94

1

3) Ceara, hetwelk ook Seara geschreven wordt, is de Hoofdstad der Provincie van dien naam, tusschen den Oceaan, Rio granda en den Maranhon gelegen. De stad heeft drie Kerken, een Fort, een Gevangenis, een Raadhuis en telt 12000 inwoners. Zie J. Van Wijk Rz. Alg. Aardryksk. JPoordenh. op het woord Seara. t. H.

2

) Vruchteloos heb ik getracht den naam van den President te Sobral uit te vorschen. Dat deze edele menschenvriend geen gering aandeel gehad heeft aan het menschlievend bedrijf, hetwelk van de zijde onzer Regeering naar waarde is erkend en geschat geworden, zal verder uit dit verhaal ten duidelijkste blyken.

t. H.

ocr page 107

DE REIS NA.AR BRAZILIË.

de Stuurman eene boodschap om zich by den President te vervoegen. Deze vroeg hem, of hy In staat zoude zijn, om een toer van zestig Leegs of zes dagen te paard af te leggen, hetwelk hg toestemmend beantwoordde. Nu werd hy met het plan bekend gemaakt, dat hijzelf de overbrenger der papieren aan den Gouverneur zou zijn — die hem ongetwijfeld (op des Presidents schriftelijke en dringende aanbeveling) dadelijk in de gelegenheid zou stellen, om eene poging tot redding zyner achtergebleven makkers te doen; dat de overigen zóólang te Sobral konden blijven, totdat zy naar Maranhon en van daar naar Europa konden vertrekken. Dit voorstel werd met dankbare blijdschap aangenomen. De Stuurman begaf zich hierop naar den edelmoedigen gever van het linnen en naar den Dokter, om dezen van zijn aanstaand vertrek kennis te geven en voor de bewezen weldaden te danken. Beiden drukten hem nog eenige milrecs ^ bij het afscheid in de hand en den 30sten Juni riep hy zijnen lotgenooten, met welke hij zoo vele gevaren had gedeeld, een hartelijk vaarwel toe, om verder alleen, onder het geleide van een gids, zijne reis naar Ccara te vervolgen.

Mijn gids was in den zadel gesprongen, ik zette mij nevens hem te paard, 1) en voorwaarts ging het door bosschen en over bergen. Op het heetste van den dag hielden wy een paar uren rust. Waar wij eene woning aantroffen, keerden wij in, en nooit liet men ons zonder eenige verkwikking verder gaan. Twee nachten hingen wy onze hangmatten in een boom, bonden onze paarden aan elkander vast, en legden een vuur aan om de wilde dieren verwijderd te houden. Des daags zagen wij veel wild gevogelte, honderden papegaaien, een struisvogel, vossen en ander gedierte.

Tegen den middag van den 5den Juli kwamen wij te Ceara aan. Een advocaat, bij wien ik een brief had af te geven, geleidde mij naar het Stadhuis, waar de Gouverneur zitting hield. Mijne papieren werden nagezien. Door tusschenkomst van een Duitscher, die tot tolk moest dienen, droeg ik mijn verzoek voor, en ik vond ook hier de meeste bereidwilligheid om daaraan te voldoen. De Commandant van een vaartuig, hetwelk daar gestationneerd lag, werd ontboden, en dade-lyk moest alles in gereedheid gebracht worden, opdat wij reeds den volgenden dag zouden kunnen vertrekken. Men besloot eene reddingboot aan boord te brengen, die wij zouden kunnen gebruiken, indien het onmogelijk was, met de gewone sloep de Kots te naderen. — Een tolk zoude ons, indien ik dat begeerde, vergezellen, maar ik achtte dit overbodig; want, daar de Commandant een weinig Engelsch sprak, konden wij elkaar genoegzaam verstaan. Dit alles afgesproken hebbende, moest ik mij naar de woning des Duitschers begeven, — een kastenmaker van beroep, Fernando Hitschkey geheeten — totdat het tijdstip zou gekomen zijn, om aan boord te gaan. Den volgenden dag werd ik bij den Neder-landschen Consul, den Heer Mendes, geroepen, waar ik opnieuw van al het gebeurde verslag moest geven, en zeer vriendelijk ontvangen werd. Ten huize van

95

1

De Stuurman, die tot hiertoe in zijn Dagverhaal getrouw van zichzelven in den derden persoon gepproken had, vervolgt van nu af, alleen van zyne eigene ontmoetingen te spreken hebbende, in den eersten persoon zyn verhaal. Ik heb, het eigenaardige van zynen styl zooveel mogelijk bewarende, ook hierin geene verandering gemaakt. t. H.

ocr page 108

DE EEIS NAAR BRAZILIË.

n

l!' j

den kastenmaker wedergekeerd, stelde ik eene verklaring op, welke aan het Ne-derlandsche Ministerie werd opgezonden, en het eerste bericht naar Holland overbracht, dat wy behouden met de sloep in Brazilië waren aangekomen, en dat ik thans gereedstond, met den Gouvernements-schooner de Maranhnn naar de Rots terug te keeren, om de achtergebleven manschappen af te halen. Aan den avond van den 7den Juli begaf ik my aan boord, en nadat de noodige provisie was ingeladen, de reddingboot op het dek was geplaatst, en de Commandant José Marie Rodrigues zich des nachts bij ons gevoegd had, lichtten wij met den dageraad van den 8sten Juli het anker. Nauwelijks waren wij onder zeil gegaan, of ik werd uitgenoodigd, om bij den Commandant te komen ontbijten,* waarvan ik in het vervolg altijd gebruik maakte. Eene kamer werd mij aangewezen bij de Officieren, gelijk eene plaats aan hunne tafel om te eten. Tot den 12den bleven wij langs de kust kruisen; totdat de wind een weinig zuidelijker liep. Wij gingen toen om de O. N. O. en alle zeemanschap werd aangewend, om zóó spoedig mogelijk ons doel te bereiken; doch wij hadden met zeer variabel weder te kampen, en daarenboven het ongeluk, dat de groote mast eene diepe scheur ontving. Het gelukte ons dien zóó te sjorren, dat wy in staat waren om onze reis te vervolgen. Des morgens van den 30sten Juli kregen wij eindelijk de Rots van boven in het gezicht, en ten halfdrie uren lag zij in het Z. O., eene drievierde mijl van ons verwyderd. Alles werd klaar gemaakt, om eene landing te beproeven, ofschoon dit, daar er een stevige wind woei, en de zee zeer hoog liep, hoogst gevaarlijk geacht moest worden. De Commandant vroeg mij of ik het durfde ondernemen met de sloep naar het strand te gaan, hetgeen ik met „Ja!quot; beantwoordde, „indien ik slechts vier sterke en welgeoefende roeiers met mij beb.quot; — Maar hoe mijn hart klopte van het oogenblik af, dat ik de toppen der Rots in het gezicht kreeg, tot het tijdstip, dat ik daar voet aan wal zette, vermag ik onmogelijk beschrijven. Die gedachte: wellicht zijn zij allen dood, of zoo nog eenigen in leven zijn, wellicht liggen zij te sterven, wellicht behoort daaronder ook mijn eigen zoon: — o zij was verschrikkelijk en onuitstaanbaar voor het gevoel! — Nadat de reddingboot was klaargezet, brachten wij de groote sloep te water. Ik plaatste mij met vier goede roeiers daarin. Wij kregen een zak met brood, een vaatje water en eene brandende lont mede, om, indien de schipbreukelingen nog op de Rots waren, aanstonds een vuur te ontsteken, waarnaar het schip gedurende den nacht (want dien zelfden avond zouden zij niet meer te transporteeren zijn) zich zou kunnen richten. Ik had een papier in een doosje, met zeildoek bekleed, by mij gestoken, waarop geschreven stond, dat de schooner de Maranhun, den 3üsten Juli 1845, de St.-l'aulusrots had aangedaan, om de achtergebleven manschappen van het gestrande schip Jaii Hendrik af te halen. Nadat dit alles in de sloep gebracht was, staken wij naar de Rots toe. De overtocht ging van de grootste moeilijkheden vergezeld. Ieder oogenblik kreeg de sloep zóó veel water binnen, dat wij met roeien moesten afbreken, en alle krachten moesten vereenigen, om water uit te scheppen; maar deze gevaren werden gelukkig doorgeworsteld en des avonds ten vijf uren bereikten wij de Rots. Hier werden wij door het geschreeuw van honderden zeevogels begroet, die naar hunne vorige verblijfplaats waren teruggekeerd. Aanstonds begonnen wy de Rots te onderzoeken: mijne angstige verwachting was op bet hoogst gespannen: die spanning duurde echter gelukkig niet lang. Weldra bespeurde ik tot mijne onuitsprekelijke blijdschap, dat daar geen menschelijk wezen meer gevonden werd. Ik verkreeg ten volle de geruststellende overtuiging, dat mijne makkers door een

ocr page 109

DE REIS NAAR BRAZILIË.

ander schip moesten gered zyn. Dit maakte ik daaruit op, dat zy alles, wat van het schip was geborgen, hadden medegenomen. Ik vond niets meer, dan een half vat meel en een vaatje, waarin nog een weinig roode kool was overgebleven, voorts eenige ledige vaten en kisten. Alles zag ik op het nauwkeurigst na, of zy ook eenig geschrift hadden achtergelaten; zette het doosje, van zeildoek omwonden, in een der kisten (waaruit nog na een tiental jaren zou kunnen bly-ken, dat ik, tot redding myner lotgenooten, op de Rots geweest was) en zocht toen weder myne reisgezellen op. Het begon aireede donker te worden. God vuriglyk voor de aangebrachte redding dankende, en biddende, dat het mij gegund mochte zijn, mijnen zoon in het Vaderland in welstand weder te ontmoeten plaatste ik my weder in de sloep. Het schip deed twee schoten, om ons zijne ligplaats te beter te doen onderkennen, en ten zeven uren des avonds waren wij weder terug aan boord. De sloep werd weder opgeheschen. Wy zetteden aanstonds alle dienstdoende zeilen bij, en richtten onzen koers naar Ccara. Onze terugreis was ongelyk voorspoediger: want reeds den 5den Augustus des voormiddags ten tien uren, lieten wy vóór de haven dier stad het anker vallen. De Commandant begaf zich aanstonds met mij aan wal tot den Gouverneur, aan wien wij nauwkeurig verslag gaven, hoe wij alles bevonden hadden. Ik weet in waarheid niet, of ik meer de minzaamheid en de menschlievendheid van den Gouverneur, dan van den Commandant en de hem ondergeschikte Officieren zal roemen en het blijft een myner vurigste wenschen, dat dit hun menschlievend gedrag, meer openlijk, dan tot hiertoe geschied Is, den lof, die daaraan toekomt, moge ontvangen *).

Ik betrok thans weder mijn logies bij den kastenmaker, die mij allervriendelijkst behandelde. Ik zou hier nog een aantal dagen moeten vertoeven, eer aan myn verlangen voldaan werd, om naar mijn Vaderland terug te keeren. Op de kust van Brazilië varen bestendig drie stoombooten, die zich alle twintig dagen aan de voornaamste zeeplaatsen moeten vertoonen. Zóó waren mijne makkers, die met my de reis in de sloep naar Brazilië volbracht hadden, juist op den dag, waarop ik de Rots had aangedaan, Ccara gepasseerd. Zij waren op den bepaalden tyd van Acaraco met de bark naar Maranhon vertrokken. Bij afwezigheid van den Neder-landschen Consul, hadden zy zich tot den Belgischen vervoegd, die hun de gelegenheid verschafte, om met de stoomboot Salvador naar Fernambuco vervoerd te worden, waar zij den 5den Augustus aankwamen. Hier werden de Passagier, Bootsman, Timmerman en twee Matrozen op een Engelschen schooner geplaatst, die naar Anttoerpen bestemd was, vanwaar zy zich naar Amsterdam begaven.

97

Nadat ik zelf nog een-en-twintig dagen te Ceara had doorgebracht, ontving Ik door de tusschenkomst myner edelmoedige weldoeners, de gelegenheid om met de stoomboot Impératrice naar Fernambuco te vertrekken, waar ik den 31sten Augustus voet aan wal zette. De Nederlandsche Consul voorzag my hier van enkele kleedingstukken. De Fransche Brik Les beaux yeux, welke den 6den September van daar afzeilde, bracht my den 16den October te Havre de Grace en de stoomboot de Cycloop naar de Vaderlandsche kust. Den 2Isten October had ik weder Amsterdam bereikt, waar ik het nooit gedachte geluk had, myne huisvrouw en kinderen, en onder dezen ook mynen éénigen zoon, dien ik, wanhopende aanzijn behoud, op de Rots had moeten achterlaten, in welstand weder te ontmoeten.

^ Zie de Aanteekeningen op het Dichtstuk, bl. 63 en 66.

ocr page 110

JOANNES EN THEAGENES.

EENE LEGENDE.

Eine schone Menschenseele zu finden 1st Gewinn; ein schoner Gewinn ist Sie zu erhalten, und der scbönste und schwerste Sie, die schon verloren war, zu retten.

Herder.

Aan mijn Vriend**

Gij hebt dan mijne Legende gelezen, en uw oordeel is aanmoedigend genoeg, om haar onder de oogen van het Publiek te brengen. Niet dan schoorvoetende heb ik echter hiertoe besloten. Met zekere huivering — gij herinnert het u nog uit onzen Academietijd — kwam ik er altijd toe, om één mijner verzen, verder dan mijn gewonen vriendenkring, door den druk te verspreiden: en zóó dikwerf als mijne jeugdige eerzucht mij aanprikkelde, om dien schroom te overwinnen, zóó dikwerf plaatste zich het „mediocribus esse poësisquot; van Horatius, als een grijnzend Meduza-hoofd, voor mijne verbeelding, tusschen mij en het lezend Publiek. „Op dit pad liggen voetangels en klemmenquot;, dacht ik dan bij mijzelven, en ik achtte het de wijste keuze, in het donker verscholen te blijven. Waarschijnlijk zou ik mij wel nimmer verstout hebben, als beoefenaar der Dichtkunst op te treden, indien ik niet vóór eenigen tijd beleefdelijk en dringend was aangezocht, om iets van mijne vroegere voortbrengselen, ter plaatsing in enkele Jaarboekjes, af te staan. Ik heb mij hiertoe laten verleiden; en nadat ik nu eenmaal mijne portefeuille geopend had, is ook de lust, om de harp weder van de wilgen te nemen, opnieuw bij my ontwaakt — en ziedaar, mijn Vriend 1 uwe vraag beantwoord: wat de aanleiding tot de samenstelling van dit Dichtstuk gegeven heeft?

Maar gy verlangt ook te weten, waarom ik mijne keuze (welke gij gelukkig noemt) juist op dit onderwerp heb gevestigd. Ook hiervan wil ik u rekenschap geven. Heugt het u nog, mijn waarde W*! hoe wij éénmaal (of het te Amsterdam of te Leiden geweest is, weet ik niet meer) vriendschappelijk samen redetwistten, over het min of meer gegronde der vooringenomenheid, welke er, vrij algemeen, tegen de Kerkelijke Geschiedenis en hare beoefening bestaat? De redenen dier vooringenomenheid konden wy ons gemakkelijk verklaren. Wij moesten toegeven, dat deze geschiedenis, welke ons een getrouw verhaal van de lotgevallen en de gedaantewisselingen der Christelijke Kerk geven moet, ons doorgaans het treurige tafereel harer verbastering voor oogen houdt; dat het moeite kost, eene nalezing

ocr page 111

JOANNES EN THEAGENES.

te houden van de goede en vruchtbare aren, die op dit uitgestrekte veld voorhanden zijn ; dat ook de dorre en afmattende kroniekstijl, de min behagelijke wyze van behandeling, welke vroegere geschiedschrijvers gevolgd hebben, weinig uit-lokkends heeft. Wy merkten al verder op, dat veel, wat voor de eerste of vroegere Christen-wereld hoogst belangrijk werd gerekend, voor het tegenwoordige geslacht opgehouden heeft dit te zijn; eu dat onze koelere eeuw zich van eene algemeene godsdienstige geestdrift, in de bestrijding of verdediging van een enkel dogme, bezwaarlijk meer een denkbeeld kan vormen. Hieromtrent waren wij het dus met elkander volkomen eens. Maar toen ik verder ging, en beweerde, datookdeKer-keliike Geschiedenis niet enkel voor eene wijsgeerige beschouwing vatbaar is, maar, wegens hare veelvuldige schoonheden, hare dichterlijke zijde heeft; toen naamt gü een tegenovergesteld gevoelen aan; toen hieldt gij u één oogenblik (want, dat gij het niet ernstig meendet, hebben uwe studiën genoegzaam bewezen) alsof gij in die vooringenomenheid deeldet; alsof gij de grondige beoefening dezer geschiedenis mede eene ondankbare studie vondt, weinig geschikt om het gevoel voor het schoone op te wekken, en daarom aan den eigenlijken kamer- of godgeleerde over te laten, maar van den beminnaar der fraaie letteren nauwelyks te vergen! Gy doorliept al de Conciliën, van dat van Nice a tot die van Constanz en Bazel toe, en eindigdet met den uitroep: ..Hoe? en de Dichter zou op zulk een schraal en onvruchtbaar veld, dat schier overal met de distelstruiken van menschelyke dwalingen, of de verwarde doornbosschen der schoolsche twisten bezet is, nog naar echte poëtische bloemen zoeken?quot; — Ik bepleitte, zoogoed ik kou, m'jne stelling, en — daar gij aanstonds voor het ridderlijk en dichterlijk tijdperk der Kruistochten eene uitzondering maaktet — liep ik de meeste tijdvakken door, en zocht de schoonste brokken, die mij voor den geest stonden, onder uwe aandacht te brengen. Ik wees u op den aanhoudenden worstelstryd, dien het Christendom, gedurende zoovele eeuwen van zijn bestaan — met de Goden van Rome en Griekenland, met het Islamismus, met de Goden van Scandinavië — heeft te voeren gehad; en op het treffend schoone contrast, dat, juist uit deze samenvoeging en tegenstelling van verschillende godsdiensten, voor den Dichter geboren wordt. Ik zocht u te overtuigen, hoe zelfs de betreurenswaardige verbastering der Christelyke Kerk heeft medegewerkt, om aan hare geschiedenis zekere dichterlijke kleur by te zetten. Ik maakte u opmerkzaam op het veelzijdig gebruik, dat de Dichter van het bijgeloof en de volksbegrippen der middeleeuwen maken kan; — op de gloeiende kleuren en den schitterenden eeredienst van het Katholicisme; op het kluizenaars- en kloosterleven — en zooveel, waarvan wij de vermelding in eene geschiedenis der Christelijke Kerk wel gaarne zouden willen missen, maar wat toch aan Schilders en Dichters beiden de rijkste bouwstoffen, voertuigen en sieraden aanbiedt.

Nog dikwyls, Waardste Vriend! herinnerde ik mij, na onze scheiding,dit onderhoud, gelijk zoo vele onzer gesprekken. — En hoewel het my nog duidelyk voorstaat, dat ik somtijds door uwe juiste aanmerkingen niet weinig in de engte gedrongen werd — zoo wilde ik u toch niet het strijdperk laten behouden; en nóg ben ik by mijn gevoelen gebleven, dat ook de Kerkelijke Geschiedenis hare dichterlijke zijde heeft. Versta mij wèl! Dit moet beteekenen, dat zij, niet minder dan eenig ander historisch veld, den Dichter de rykste stof ter bearbeiding aanbiedt. Ik heb echter geen lust, om thans dien stryd te vernieuwen (want een getrouw vriend waart gij mij, maar een gemakkelyk kampvechter waart gy niet!), maar wil mij op een veiliger terrein verplaatsen, door namelyk het eerste tydperk dier

99

ocr page 112

JOANNES EN THEAGENES.

geschiedenis, hetwelk het naast aan den leeftijd van den Stichter des Christen-doms grenst, en nog dien zijner Apostelen en van hunne kweekelingen insluit, by uitnemendheid dichterlijk te noemen. Hoe schoon vertoont zich het Christendom, in die dagen, als een pas ontluikende Godsdienst, in de eerste frissche levenskracht van haar bestaan! — Hoe bekoorlijk en achtbaar tevens staat haar dat rein, eenvoudig gewaad, waarin zij, als Dochter des Hemels, het eerst op aarde verschenen is, tegenover den wulpschen tooi en oogverblindenden luister, waarmede zich de Veelgodenleer heeft omstuwd: — Hoe veilig kan de Dichter daar een ideaal voor het Christelyk leven zoeken! Welke algemeen-belangwekkende personen vermag hy by eene dramatische voorstelling op te voeren! Hoeveel proeven van de kracht en den heldenmoed des Chrislelyken geloofs scharen zich voor zijnen geest, waarvan sommigen reeds door liet genie van latere Dichters zyn verheerlijkt en vereeuwigd geworden, maar anderen, nog onbezongen, niet minder eene gelijke vermelding waardig zijn! — Hoeveel kan de Dichter, voor het des-criptive In de poëzie, in de onderlinge samenkomsten, de bediening des Doops, de Llefdemaaltyden, de viering des Avondmaals der eerste Christenen vinden! Hoeveel partij kan hy trekken van sommige toen heerschende denkbeelden en begrippen (gelyk dat aangaande de aanstaande wederkomst van Christus), al zyn die thans niet volkomen goed te keuren! Wij bevinden ons eindelijk, wanneer wy met ons onderzoek in die vroegste eeuwen omdolen (en zóó kom ik eigenlijk geheel, waar ik wezen wilde), bij gebrek aan getrouwe en zekere oorkonden, meer dan elders, op het gebied der overlevering, dat als het ware het midden houdt tusschen geschiedenis en verdichting; en ofschoon de verhalen, daaruit geput, voor de geschiedenis een betrekkelyk geringe waarde bezitten, is het genoeg voor den Dichter, indien de inhoud dier Legende niet tegen de waarschijnlijkheid zondigt, terwijl het aan zyn onderwerp eene dubbele belangrijkheid by zet, dat dit het gezag der hooge aloudheid vóór zich heeft, en de gewichtigste waarheden aanroert, die de heilige voorwerpen van des Christens gelooven en hopen zyn.

Maar Ik wilde geene inleiding tot eene Verhandeling schrijven, en begin reeds te vreezen, dat deze brief te wijdlooplg zal worden. Genoeg moge dit zijn, om het u op te helderen, hoe ik er toegekomen ben, een greep in dit gedeelte der geschiedenis te doen. Ik geloof inderdaad met u, mijn Vriend! dat die keuze niet ongelukkig geweest is, want indien ik wèl zie, vereenigt zy nog twee voordeelen in zich. In een tydperk, hetwelk in voortbrengselen der Historische Poëzie en der Romantiek zóó ongemeen vruchtbaar mag heeten, volgt zij eenigszins den algemeen heerschenden smaak, maar wijkt ook, door den aard van het onderwerp, daarvan af, en neemt min of meer eene nieuwe en andere richting; en ik koester eene te gunstige verwachting van den godsdlenstigen zin mijner landgenooten, om te kunnen gelooven, dat zy dit boekske, ééniglijk om de meer ernstige kleur, die het draagt, zouden ter zyde leggen.

Dat myn werkje eene zedelijk-godsdienstige strekking heeft, wil ik my als geene verdienste toegerekend hebben, want ik zou over mijzelven moeten blozen, en my de heilige bediening, die ik vervulle, moeten schamen, indien myn geschryf aan ééne onheilige gedachte kon voedsel geven. Maar zal ik u in het oor fluisteren, waarom ik my te meer hierover verheuge? Ik weet, hoeveel men van onze hedendaagsche poëzie, zal zij aan de behoeften en eischen des tijds voldoen, mag vorderen; maar koester de stille hoop, dat dit bepaald nuttig en zedelyk doelde gestrengheid der critiek eenigszins zal verzachten of ontwapenen. Ik meen toch deswege een toegevender oordeel te mogen inwachten, dan indien het mijne ééulge

100

ocr page 113

JOANNES EN THEAGENES.

bedoeling geweest ware, myn dichtstuk voor „eéne proeve van kunsttalentquot; te doen doorgaan.

Gij vraagt my, of deze eerste proeve nog door eene andere, aan hetzelfde gebied der geschiedenis ontleend, zal gevolgd worden? — Beste Vriend! wat zal ik u hierop antwoorden? Hoe rijk de stof daartoe zjjn moge, meen ik dit ernstig te mogen betwijfelen. Indien men mijn werk, als te verre beneden het standpunt der hedendaagsche dichtkunst, onbepaald veroordeelde: dit zou mij zekerlykgrieven; maar ik hoop wijsheid en zelfkennis genoeg te bezitten, om alsdan zediglijk terug te treden, en het terrein voor andere pas ontluikende genieën, die waardiger den roem van den vaderlandschen Zangberg kunnen handhaven, open te laten. Maar ook bij een gunstiger onthaal, dan ik mij durf voorstellen, heeft het Publiek niet vele voortbrengselen mijner Muze te verwachten. De veelvuldige en gewichtige bezigheden, aan ons ambt verbonden, verbieden mij ernstig, meer dan als byzaak, eene kunst te beschouwen, welke de meest geliefkoosde uitspanning myner jeugd en jonglingsjaren geweest is, welke ik in mynen manlyken leeftijd (dit heb ik u dikwerf beleden) nimmer zal ophouden te beminnen.

Hoedanig nochtans de uitspraak van bevoegde en bescheidene beoordeelaars over myn werk zyn moge: U en velen onzer vrienden (hiervan boude ik mij ten volle verzekerd) zal dit boekske, als eene aangename herinuering, welkom z^jn! Velen ook, die my in de Gemeenten, waarin ik tot hiertoe arbeidde, hunneachting en liefde bewezen hebben, zullen dit geschrift, nu myn werkkring elders ligt,niet zonder belangstelling in handen nemen. En, dat dezen mij bly ven gedenken — en dat mogelyk deze of gene jongeling van voortreffelijken aanleg, maar half bezweken voor de stem der verleiding, een traan des berouws op deze bladeren zal laten vallen: dat, mijn Vriend! is mij eene zalige gedachtel

Arnhem. b. t. H.

101

ocr page 114

JOANJSIES EN THEAGENES.

VOORZANG.

De sclieemring van een schooner dag, Dan de aard, als 't nachtlijk duister zwicht, Na d' eersten scheppingsmorgen zag, Was aangebroken, 't Rijzend licht,

Waaraan der Englen lofzang klonk.

Toen 't in Judéa's velden blonk.

Scheen Griek en Romer in 't gezicht. De ster, die men in 't Oost zag staan. Als nieuwling aan den hemeltrans, Was steeds naar 't Westen voortgegaan, En wierp op ieder oord haar glans.

Dat zij voorbijstreefde op heur baan. Een nieuwe schepping werd geboren. —

Het tarwegraan, aan de aard vertrouwd. Dat scheen verstorven in de voren,

Droeg vruchten, zestig-honderd-voud; En 't mostaardzaad, het kleenst der zaden,

Dat onbemerkt sproot uit den grond,

Werd reeds een boom met kroon en bladen.

En sloeg zijn takken wijd in 't rond. Het heilgeloof, uit hooger kringen Gedaald, was pas aan de aard verkond; Het was de lieflijke uchtendstond. De schoone tijd der eerstelingen.

De frissche en onbedorven jeugd Van 't Christendom. De kroon der deugd Nog onbezwalkt en rein en edel.

Stond toen te bloeien op zijn schedel; De waarheid, niet van glans beroofd. Omstraalde nog het achtbaar hoofd;

ocr page 115

joannes en theagenes.

't Geloof aan 's Vaders Eengeboornen Stond vastgeworteld in het hart;

De Hoop schiep Hemelvreugde in smart, En zaaide bloemen in de doornen;

De Liefde flauwde en kwijnde niet,

Die 't meest, in 't redden van verloornen,

Haar zaligheid op aarde ziet.

Geen priestertrots van later dagen Deed mitldeleeuwsche kluisters dragen,

Of drong naar 's werelds algebied;

Geen helsche twist, dien de afgrond baarde. Wierp reeds zijn zwaveltoorts op de aarde; 't Was slechts één leus, waar 't oog op staarde,

Waarvoor men willig 't leven liet!

Eén Herder, die de kudde weidde;

Eén spoor, waarlangs zijn staf haar leidde; Eén Doop; één Hemel in 't verschiet!

Waar zijt ge? o uitgebloeid verleden!

Waar vloodt ge, o gulden voortijd! heen? — Wel wies het Godsrijk aan tot heden.

Maar 't licht, dat in zijn tempel scheen.

Bleef 't ook zijn oorsprong waardig? — Neen! — Ach! toen de Liefde in 't hart verkoelde. Verdeeldheids vlam daar blaakte en woelde. En 't vroegre schoon der deugd verdween: Toen is uw luister ras bezweken;

Toen is uw eenvoud ver geweken!

Toen liet men doek en marmer spreken,

En hing 't ontzenuwd Christendom,

Als tooisel der misvormde leden, Van kerksieraan en plechtigheden Den breeden staatsiemantel om!

Herrijst weer uit den nacht der jaren,

Gij schoone dagen van 't verleen.

Wier glans, bij 't vriendlijk uehtendklaren,

De wieg des Christendoms omscheen! Herrijst weer in mijn dicht-tafreelen!

Laat daar van 't eigen vuur in spelen,

ocr page 116

joannes en theagenes.

Dat aan uw kimmen heeft gebloosd!

Voer, Zangster, me in löonjes dreven! —

Doe me, op verbeeldings wieken, zweven.

Waar 't oor 't geruisch verneemt der palmen van het Oost! Ontsteek uw fakkel aan zijn Godgewijde altaren,

En lok een toongalm uit uw snaren.

Die siddering en rouw in 't schuldig hart doe varen,

Maar 't hart des boetelings weer opbeure en vertroost'!

1.

HEBT ACHT OP U ZELVEN EN OP DE GEHEELE KUDDE!

Eén leefde er nog dier Elf getrouwen,

Wier oog Gods Eengen mocht aanschouwen. Vol van genade en Majesteit,

In 't needrig kleed der sterflijkheid;

Die Hem verzeld had op zijn schreden,

Hem volgend, waar Hij vóór mocht gaan;

Wiens oor geboeid was door Zijn reden:

Wiens voet, Calvaiië opgetreden.

Had aan den voet van 't kruis gestaan.

Het was de Apostel, wien te voren,

Van 't uitgelezen jongrental.

Het zaligst voorrecht was beschoren:

Die tot den vriend was uitverkoren,

Dien Jezus liefhad bovenal;

Die, aan den laatsten disch gelegen,

Aan 's Heilands borst was neergezegen.

En vroeg, toen allen smartlijk zwegen:

„Wie is 't, die ü verraden zal?-'

Reeds was er menig tiental jaren Hem stormend over 't hoofd gevaren.

Sinds hij verscheen als Godsgezant;

En thans, der ballingschap ontkomen

Van Patmos' woest en huilend strand,

Had hij zijn kruis weer opgenomen En, zonder doodsgevaar te schromen.

Opnieuw de Heilleer voortgeplant.

104

ocr page 117

joankes en theacenes.

Als tolk der echte Hemelwijsheid. —

Maar schoon het sneeuwwit dons der grijsheid De eerwaarde kruin en wenkbrauwboog Verzilverd had; aan 't manlijk oog Was 't eigen vuur nog bijgebleven.

Als op den middag van zijn leven;

Of zoo dat vuur iets zachter glom,

't Was 't avondrood, dat in zijn trekken Ten voorboö van een dag kon strekken. Die in nog schooner luister klom.

Daar t langs een heldren hemel zwom.

Zóó was hij in zijn ouderdom,

Joannes. Thans had hij zijn schreden Gericht naar Smyrna, de achtbre stad, Weleer Homekus' bakermat.

Weer 't pronkjuweel der Grieksche steden, En was in 't stil verblijf getreden,

Waar Christus werd als Heer beleden.

En zich een schaar verzameld had Tot heilgen lofzang en gebeden.

Toen rees nog, voor der volken oog.

Geen Christentempel fier omhoog. Gerugsteund door arduinen wanden.

Geschraagd door kapiteel en boog;

Geen beeldhouwwerk van 'skunstnaars handen Droeg tot zijn pracht en sieraad bij;

Geen breedgetakte zuilenrij —

Die, aan de kroon gesplitst in blaadren.

Zich in het hoog verwulfsel naadren.

Gelijk een loofgewelf in 't woud —

Stond slank en statig opgebouwd.

Geen kruis van 't edelst der metalen Blonk op zijn gevelspits, noch stak. Het hoofd gekroond met zonnestralen.

Zijne armen uit van 't koepeldak,

Dat, in de wolken opgeheven.

Van de aard ten hemel schijnt te zweven. — Toen boeide 't oog, in 't ruim der kerk.

Geen wapenschild op muur of zerk;

105

ocr page 118

joannes en theagenes.

Geen eertropee, geen praalgesteente;

Geen Heilgen Martelaars gebeente, In 't goud gekast; geen Hoogaltaar, Waarvoor met statig kerkgebaar De priester, in zijn koorgewaad.

Zich neerbuigt als de Vesper slaat. — Toen riep geen sleepend klokgebom. Weergalmend van den grijzen Dom, De Christnen op in veld en steden, Om neer te knielen in gebeden —

Geen orgel goot, als 't Hallel klom,

Zijn vollen stroom van tonen uit.

Noch droeg 't gebed naar hooger sferen, Als op de vleuglen van 't geluid.

Eene opperzaal was 't Huis des Heeren,

Waarin de grijze Apostel trad;

Waar hij. zielroerend en welsprekend. Den gloed der liefde in 't hart ontstekend, Gods heilgena verkondigd had. — Hij hield de hand eens knaaps gevat; En leidde dien tot vóór den Herder,

Wiens zorg de kudde was vertrouwd. Die in 't geloof werd opgebouwd. En sprak met klimmend vuur toen verder:

„IJ laat ik als een kostbaar pand,

Dat ik terugeisch van uw hand, Theofilus! dien jongling achter;

Bewaak hem, als een trouwe wachter. Gelijk een lam der kudde Gods, De macht van zonde en hel ten trots! Reeds liet het hemelsch licht zijn stralen Vertroostend op hem nederdalen. En 't heilgeloof kiemt in zijn borst. Die naar de bron des levens dorst; De ziel (hoe licht zijn voet kan dwalen) Is, als 't gelaat des jonglings, schoon: Een edel maar nog dof gesteente!

En voegt gij 't toe aan Gods gemeente,

ocr page 119

joannes en theagenes.

't Zal heerlijk schittren aan de kroon, Die u verbeidt voor 'sMidlaars troon!quot;

Theofilus zweeg van ontroering,

Terwijl in de eigen geestvervoering Joannes plechtig volgen liet:

.Aanvaardt gij 't geen mijn hand u biedt? Belooft ge 't mij, God zelv', mijn broeder! Dat gij dien jongling tot behoeder

En Vader zijn wilt? — dat ge niet Dat hart door de ondeugd iaat misvormen? Noch hein, wanneer de driften stormen,

Gelijk een krank en bevend riet.

Alleen laat? — maar met teeder pogen Bewaart, als d'appel van uw oogen, Hoe zonde en wereld vleien mogen.

Tot gij me in Smyrna wederziet?quot;

, „Ja! Mijn gemeente is mijn getuige!

Ik zweer het bij Gods Heilgen Zoon,

Voor wien ik diep mijn knieën buige: 'k Aanvaard het pand mij aangeboón. Dat mij de Heer gezonden heeft! (Is 't antwoord dat de Herder geeft) Theagenes, gij zijt mijn zoon!

Word eens mijn blijdschap en mijn kroon!'1

Van vreugd als half aan de aarde onttogen. Hoort hem verrukt de Apostel aan;

Hij ziet zijn vuurgen wensch voldaan! Ten hemel slaat hij dankend de oogen.

En in die oogen blinkt een traan;

En op zijn edel, manlijk wezen Staat iets van 't godlijk vuur te lezen,

Gelijk er blikkerde voor dezen,

Toen 't eerst de heiige Pinkstervonk, In Salems tempel neergestreken.

Als vuurtong op zijn schedel blonk. Nu wenkt de hand het afscheidsteeken; Nog eens groet hij Theofilus,

En drukt op 't hoofd den broederkus; —

ocr page 120

joannes en theagenes.

Maar ijlings treedt de jongling nader En smeekt: „Uw zegen nog, mijn Vader!

Door u, vóór 't laatst Vaarwel beloofd! Uw zegen op mijn jeugdig hoofd!quot;

, „Uw zegen nog!quot;quot; smeekt thans te gader De schaar, van de eigen zucht bezield, En ligt rondom hem neergeknield.

Daar kruist de Godsgezant zijne armen En houdt ze zeegnend uitgebreid;

„De Heer, die leeft in heerlijkheid,

Moog van zijn troon u saam beschermen,

Uw trooster zijn in eiken nood!

Hij make u overwinnaars tevens.

En krone u met de kroon des levens, Aan Hem getrouw tot in den dood! 'k Wensch éénmaal nog u weer te ontmoeten. Vóór zich mijn loopbaan heeft vervuld; Of, zoo het niet Gods wijsheid duldt.

Dat gij mijn aangezicht begroeten

En nog op aard me aanschouwen zult: Wat hier verwissel of verander.

Mijn kinderkbns, bemint elkander!quot;

Hij zwijgt — en vóór zich 't oog ontsluit Der vromen, is hij weggetogen.

Maar knielend nog en diep bewogen.

Spreekt heel de schaar het amen uit.

II.

WAT VERHINDERT MIJ GEDOOPT TE WORDEN?

Theagenes was schoon, versierd Met de edelste bevalligheden.

Waarmee natuur zich weet te omkleeden,

Wanneer zij 'slevens bloeitijd viert;

Wel rank van leest en rap van leden,

Maar rijzig, krachtig; forsch gespierd;

108

ocr page 121

joannes en theagenes.

Zijn gitzwart haar, verdeeld in vlokken,

Dat glinsterde als een ravenveer. Om 't hoofd gespreid in zware lokken.

Viel golvend op zijn sohoudren neer. Wanneer de wind zijn slapen kuste; Op 't hoog en edel voorhoofd rustte Reeds manlijke ernst, maar om zijn mond Zwierf nog de lach der onschuld rond; Verteedrend zacht, of stout en fier. Was heurtlings de opslag van zijn blikken, Wier glans een zuigling kon verkwikken.

Maar somtijds tintiend van een vier. Waarvoor een held terug zou schrikken; En als hij met een forschen greep Zijn jachtboog in zijn vingren neep, En 't bergpad opsteeg met dat wapen: Hij leek in kracht en schoonheid wel Een Godenzoon, van Grieksch model,

Door een Praxiteles geschapen.

Maar met nog ongewoner moed Gewapend was des jonglings ziel. En sneller bruiste hem het bloed.

Dan op 't gelaat te ontdekken viel.

Zijn boezem was een effen vloed, Waarover 't zonlicht vroolijk wiegelt. Waarin de hemel lachend spiegelt.

Maar die, wanneer de stormwind woedt, Diep in zijn kolken slaat aan 't koken,

Zijn kil doet als een krater rooken,

Stout uit zijn sluizen komt gebroken, En woest zijn golven stuiven doet. Verwilderde, ontoeganklijke oorden •— Het scheen of zij hem 't meest bekoorden; En wat de zwakkre sterfling vreest. Was hem voorlang een spel geweest. Hoe vaak had hij de steilste rotsen Beklommen in het nachtlijk uur.

Om naar 't verdoovend golvenklotsen Te luistren, en 't gevaar te trotsen.

Wanneer ge uw Almacht toont. Natuur!

109

ocr page 122

JOANNES EN THEAGENES.

Hoe vaak zocht hij den top der eiken,

Wier armen over steilte en kloof,

Hij diep in d' afgrond neer zag reiken,

Voor 't loeien van de orkanen doof! Hoe vaak had hij, van 't hoogst der bergen, Den aadlaar in zijn nest begluurd.

En hein in 't luchtblauw nagetuurd. En scheen 't zijn iier gemoed te tergen,

Als die zijn vaart koos naar de zon. Dat hij geen aadlaarsvlucht zich vergen, Noch aadlaarswieken leenen kon.

Toch was hij goed, en diep gevoelend,

Niets laags, alleen iets groots, bedoelend. En 't driftenheer, schoon nooit in rust, Maar soms onstuimig 't hart doorwoelend, Had, door de rede in slaap gesust,

Geen vonk der deugd nog uitgebluscht. Geen worm, dien ooit zijn zool vertrapte;

Geen roos, die wasemde aan zijn voet. Waarover hij gevoelloos stapte;

Geen vooglenlied, of 't was hem zoet!

En als hij, bij die heuvelkling, In 't zwijgend uur der schemering.

Aan 't lijkgesteent der Oudren hing, Dan weende hij een tranenvloed. Zóó teeder, als de zuigling doet,

Die, in 't gevoel der hulploosheid.

Zijn moeder zoekt en om haar schreit.

Want hij was wees. Reeds vroeg volendde

Zijn vader hier zijn aardschen loop. En 't oog der droeve weduw wendde

Zich nu tot hem, haar steun en hoop; — Maar zelf, in 't midden van haar dagen, (Als 't graan door 't onweer!) neergeslagen,

Had zij der Ghristnen waterdoop. Op 't vurig uitgedrukt verlangen, Op 't krankenleger nog ontvangen;

fin in dien heilgen oogenblik Sprak zij: „Mijn zoon! word eens als ik!

ocr page 123

joannes e.n' thea.obnes.

Leef als een God- en deugdgeziende!

Opdat ik in dat zalig oord,

Dat slechts den Christnen toebehoort, U eens verheerlijkt wedervinde!quot;

Joannes zag hem — en beminde,

Niet om de fierheid van zijn leest,

Noch 't driftig steigren van zijn geest. Maar om zijn vurig klopppend harte. En 't rein gevoel der kindersmarte, Den schoon ontloken jongling 't meest, 't Was of hij 's Hemels wil doorgrondde.

Zóó vestte hij vol liefde 't oog Op hem, die knielend aan de sponde.

Zich over 't lijk der moeder boog,

En voor de versch geslagen wonde Om heeling en vertroosting bad, En trooster noch bescherming had.

Hij zag hem — en, na 't eerst aanschouwen, Verliet hij hem niet eer, totdat Hij dezen nieuw verworven schat Theofilds kon toevertrouwen,

En ook des Bisschops woord bezat.

Niet vruchtloos had de heilgezant,

Naar 't scheen, Theofilus bezworen. Zoo trouw te waken over 't pand,

Thans weggelegd in zijne hand,

Als of 't den Heer bleef toebehooren:

Ook hij schonk ras den jongeling Zijn liefde, die in open boezem

Het godlijk zand der leering ving.

Hoe ras vertoonde 't kiem en bloesem Die heerlijk prijkend openging!

Hoe ras hij hem zijn liefiing noemde! Theaagnes zich gelukkig roemde.

En leergraag aan zijn lippen hing! Wat sleet hij uren, dagen wel Alleen, in 's grijsaards enge cel,

En sprak dan: „Vader! ei, vertel Mij van den Heiige, den Volman! «'

Ill

ocr page 124

112

joannes en theagenes.

Die ons tot heil zich zelv' verzaakte, Die eiken band des lijdens slaakte,

Als men zijn kleedrenzoom slechts raakte! Verhaal, hoe de opgeruide vloed Ten vloertapeet werd voor zijn voet; Hoe hij de golven dwong te luistren, En stormen in zijn vuist kon kluistren?quot; —

Wat werd hem 't oog van tranen nat. Als hij het hield op 't schrift geslagen,

In quot;t sneeuwwit perkament vervat! Wat licht hegon allengs te dagen,

Terwijl hij daar zoo luistrend zat!

Wat blij vooruitzicht werd geboren! Wat ziele vreugd blonk in zijn oog, En hief zijn geest verrukt omhoog, Tot midden in de zaalge koren.

Waarheen zóó vroeg zijn moeder toog. Die 't feest daar vierde van haar kroning. Die op hem neerzag uit haar woning. En d' eigen krans hem had beloofd! — Hoe schoon, als men dat jeugdig hoofd In diepen ootmoed neer zag buigen,

't Gelaat van de aandacht zag getuigen. Bij 't zacht gemurmel der gebeên!

Geheel de ontembre geest verdween, En 't bloed, gewoon zóó fel te gisten.

Vlood kalmer hem door de aadren heen!

In 't kort — Theagenes werd Christen!

Daar, waar de Hermus-stroom zijn vloed. Met onverpoosd zacht kabblend ruischen. Langs bloemenboorden voort laat bruisen.

En tusschen heuvlen spartlen doet,

Diar liet de plas een plekje over,

Eer hij verbreed zich zeewaarts spoedt, Doorwaadbaar voor des wandlaars voet, Dat, mild beschaüwd door 't hangend loover, Zóó vreedzaam was en plechtig, dat Men 't voor den Doop verkoren had.

Daar steeg hij af in 't waterbad:

ocr page 125

joannes en theagenes.

De zon had mot haar laatste stralen,

Zijn hagelwit gewaad verguld,

Zijn hoofd in vloeiend goud gehuld, En schitterde op het popelblad.

Dadr liet de Bisschop 't paarlend nat Tot driemaal op zijn schedel dalen;

En als nu uit de heldre kom De jongling statig opwaarts klom,

En op het gladde kiezelbed.

Dat als van diamanten glom,

Weer d'eersten voet had uitgezet:

Toen wierp hij zich, vol zaalge ontroering,

In 's grijsaards open armen neer. En borst toen uit in geestvervoering:

Heil mij! ik leef en sterf den Heer!

III.

WAARMEDE ZAL DE JONGELING ZIJN PAD ZUIVER BEWAREN?

O zaalge en schoonste tijd van 't leven!

Als alles lacht, als alles bloeit;

Als 't hart, dat schuldloos is gebleven.

Van rein genieten overvloeit;

Als 'sjonglings borst van eerzucht gloeit. Om al wat grootsch is en verheven.

Of door zijn schoon de zielen boeit.

Vol heiige geestdrift na te streven.

En steeds in hooger kring te zweven.

Op eigen vleuglen voortgeroeid;

Als, bij het schuchter ademhalen Der liefde, in flikkrende Idealen

De geest zijne eerste vonken schiet;

Als ieder oord, waardoor wij treden.

Zich voor ons omschept tot een Eden,

En tonen aangeeft tot een lied;

De wereld zich bevolkt met Englen,

113

ocr page 126

JOANNES EN THEAGENES.

Die met hun armen ons omstrenglen,

En 't oog den Hemel open ziet!

Maar wee hem! wien, in 'slevens lente,

Reeds de aarde werd tot woestenij;

Wien de ondeugd, als een Heiharpij,

Reeds vroeg den klauw in 't harte prentte;

Die, niet meer schuldloos, niet meer vrij. Maar luistrend naar 't gevlei der zinnen.

Zich vastgewoeld heeft in haar net;

En nu, met koortsig vuur van binnen.

Niets hoogers, eediers kan beminnen.

Dan 't geen zijn drift in vlammen zet; Die vroeg komt stranden op de klippen

Des ongeloofs, dat elk gebed Weer doet besterven op de lippen;

Als kanker voortvreet in 't gemoed.

Hem 't bloed in de aadren doet bevriezen. Zijn Hemel en zijn God verliezen.

Zich zelv' en 't menschdom vloeken doet.

O plechtig tijdstip in die jaren!

O driewerf onvergeeflijk uur.

Waarin de mond, met heilig vuur, 't Geloof des harten gaat verklaren:

Waarin men 't eerst tot Gods altaren

Met huivring treedt en 't offer plengt. Dat, als een reukwerk opgevaren,

Den Hemel zijn geloften brengt;

Als 't ruischt langs bogen en gewelven,

In 't statig rollend tempellied:

,Vergeet mijn rechterhand zichzelve.

Dien heilgen eed vorgete ik niet!quot;

Als 't hart, dat in die zangen vliet, Zichzelf te groot voelt voor de wareld;

Als quot;t oog, waarin verrukking parelt.

Met vromen blik naar boven ziet. Als scheen 't den Heer om kracht te vragen

Hem ieder kruis, hoe zwaar het zij, Zichzelv' verloochnend, na te dragen. En, zonder omzien, voort te jagen.

Tot men verwinnaar worde als Hij!

ocr page 127

JOANNES EN THEAGENES.

r

115

Maar ach! noch eer wij 't zei ven weten,

Is ras die heiige stond vergeten,

En 't geen men God beloofde, en wordt Als een onnutte boei versnieten.

Wat vroeger zalig scheen! Hoe kort Blijft 't harte brandende in den boezem

Van hemelvuur! Hoe ras verdort Die schoon ontsloten lentebloesem!

Hoe haastig trekt die pareldrop, In 't zonlicht zich ontbindend, op! —

Gelijk weldra, aan 's hemels transen. De regenboog verschiet in glansen,

Die, als een zevendubble snoer Van zilver of van paarlemoer,

Met purpren weerschijn op komt hevelen,

Maar ondergaat in mist en nevelen:

Zóó ras versterft vaak 't schoonst besluit, En waait de wind de vonken uit!-—

Ach! wordt er niet gewaakt, gebeden In 'sjonglings snelbewogen hart;

Ras kiemt de doren van de smart;

Ras volgt hem de ondeugd op zijn schreden, In weeldrig opgesmukten tooi,

En loert de wellust op zijn prooi.

Wel is den mensch, op 't pad door 't leven. Ten gids een Engel meegegeven,

Die, wakend aan zijn zij gebleven.

Voor elk gevaar hem 't oog ontsluit;

En vóór nog de ondeugd naar haar buit Haar doodlijk treffend wapen slinger'.

Spant die om 't hoofd zijn wieken uit. En fronst den blik en heft den vinger;

Maar zoo hij niet dien wenk verstaat. Of 't dreigen van dien blik versmaadt. Dan dekt die Engel 't rein gelaat.

En groet voor 't laatst hem droef, maar teeder, Ed zoekt het oord der onschuld weder!

Theagenes, ziedaar uw beeld!

Gij hoordet naar 't Sirenenlied,

ocr page 128

joannes en theagene3.

U zóó betoovrend voorgespeeld,

En zaagt den open afgrond niet,

Door't zoet van dat gezang gestreeld! Zóó ging u 't Paradijs verloren Der onschuld! Gij, zóó kort te voren. De wellust nog der Hemelkoren,

En in den Doop als nieuw geboren Tot erfgenaam van 't eeuwig licht!

Staat daar, de schuld op 't aangezicht, Omhangen van een slavenketen.

De krans der deugd van 't hoofd gereten,

En schuldig in Gods hoog gericht! Waarom, verblind voor die gevaren.

Vergat Theofilus zóó ras,

Hoe vurig kloppend, in die jaren,

't Onstuimig hart des jonglings was? Waarom, van geen verleiding droomend. Geen afval of teruggang schromend Van 't spoor, dat hij gekozen had,

Hield hij den Doop voor 't zuivringsbad. Waarna geen smetstof der godloosheid Meer door zou dringen tot zijn ziel. En 't schild, waarvoor de pijl der boosheid

Verstompt en machtloos nederviel? O dwaasheid, dwaasheid! IJdel hopen! Te duur met 's jonglings val betaald, Nu hij langs eigen voetspoor dwaalt! — Weer ligt de wereld voor hem open,

Van valschen flikkerschijn omstraald; Daar zoeken hem de deelgenooten Der kindsche spelen van zijn jeugd; Zij lokken tot verboden vreugd; En hieruit kwam de slang geschoten, De gifdrop hem in 't bloed gevloten.

Die 't hart verpestte voor de deugd.

Eens werd door Smyrna's dartle jeugd. Die 't hoofd met rozen had versierd Tot eer der schoone Cytheeee,

Geboren uit het schuim der zee,

Met blij gejubel feestgevierd.

ocr page 129

joakkes en theagenes.

De rei, die rond haar altaar zwiert, Troont in haar kring Theaaones meo, En noodigt hem op 't offermaal,

Gewijd aan Venus Aphrodite,

Opdat hij zorgloos mee geniete.

En vult voor hem de zilvren schaal. Die rondgaat als de feestbokaal.

Het lö klinkt, de citers ruischen! Verbeelding gloeit! de bekers bruisen! Men zweeft in weelderigen dans. Met duizlend hoofd en wulpschen zin, Om 't beeld van de Godes der min En kroont het met een mirtenkrans. Hij zwelgt dien gifdrop gretig in Die, 't brein bedwelmend, in 't gemoed Onreine tochten gisten doet.

Hij stemt, terwijl met blijde tongen Wordt Cytheréa's lof gezongen,

In 't lied tot eer der valsche Goón. Hij zingt de Dochter van Dioon, Wie, met haar hooggevierden zoon. Hot lieflijk reukwerk, heinde en veer. Met geestdrift nog wordt aangeboón. En werpt voor ?t beeld zijn bloemkrans En blaakt geheel voor 't zinlijk schoon En — diep bezoedeld keert hij weer: Theaagnes heeft zijn kroon versmeten. Zijn naam, zijn rang, zijn Doop vergeten!

Ach! had hij naar 't ontwaakt geweten Geluisterd, en, na d' eersten schred, Op 't spoor der ondeugd uitgezet. Vol huivering teruggetreden,

Hij waar' nog voor de deugd gered! — Nog werd er in zijn borst gestreden;

En als hij poosde in de eenzaamheid. Dan was de knie reeds half gebogen; Dan rees een heete traan in de oogen;

Dan scheen 't gebroken hart bereid, Den Heer vergeving van zijn schulden Ootmoedig af te smeeken — maar

ocr page 130

joannes en theagenes.

Den grijzen Bisschop weer te zien!

Zijn oog te ontmoeten en misschien,

In zak en assche en boetgevaar,

Geknield te liggen bovendien,

Voor 't oog van heel der Christnen schaar Dat kon zijn fier gemoed niet dulden.

Die 3chande woog op 't hoofd te zwaar! — En wat zou rouw of schande baten?

„Voor hen, die 't Clnistlijk waterbad Ontvingen, maar het deugdenpad Te snood afvallig weer verlaten,

(Nog heugt hem, hoe, naar 't Heilig blad. De grijsaard dus gesproken hadj Die, wentlend in het slijk der zonden. Nog dieper zinken dan weleer:

Voor hen wordt hoop noch redding meer, Geen offer voor hun schuld gevonden: Zij kruisigen opnieuw den Heer!quot; — , „Wat komt me, als boetling, dan te stade? Verbeurd, verbeurd is Gods genade!

Bedwing dien traan, hij vloeit te spade!quot;quot; Zóó roept hij uit in wanhoop. Daar Strekt zich de hand naar d' evenaar En weegt. Zal 't deugd of ondeugd wezen? Eén schaal is weiflend opgerezen — Eén zinkt. — de schaal der ondeugd is 't! Hij heeft gekozen en beslist!

En nu — geheel zijn banden slakend, Van heeter dorst naar vrijheid blakend, In 't kwade zelfs naar grootheid hakend,

Sluit hij zich aan een rooversstoet,

Die in 't gebergt' zich hield verscholen.

Door hem te onzaalger uur ontmoet.

Toen hij daar mijmrend om ging dolen.

Hij volgt hen, als een lam, gedwee. Gevoelloos naar hun duistre holen.

Maar sleept in d' eigen afgrond mee.

Wier strik het eerst hem vallen dee'. Thans denkt hij aan geen wederkeeren! Hij wil geducht zijn en gevreesd!

ocr page 131

JpANÜES EN THEAGKNES.

Hij wil in moed hun moed braveeren!

Hun 't spoor tot grootscber daden leeren, En schittren door zijn stoutheid 't meest, En, door de veerkracht van zijn geest.

Staat hij ras aan de spits der bende.

En zaait slechts tranen en ellende. —

Gelijk een fier, hardnekkig ros.

Dat aan zijn ruiter is ontsprongen,

— De manen wild, de teugels los,

De taud in 'f staal gebit gewrongen —

Daarheen stuift, dwars door vlakte en bosch En door zijn stampend hoefgeklots, Den sperwer met gerezen pennen.

De schuchtre ree verjaagt van 't mos, — En rustloos, rustloos door blijft rennen. Den bergrug over, diepten door.

Den afgrond langs, de winden voor —

En op dit nieuw gebakend spoor Geen slagboom vindt, het ergens stuitend; Zóó holt nu, roovend en vrijbuitend, De woestling voort in dolle vaart,

Voor 't wis verderf zich de oogen sluitend. En schrik verspreidend door zijn zwaard! Vraag niet, vol smartgevoel, gij allen.

Die in den mensch de menschheid eert! Hoe 't mooglijk zij, zóó diep te vallen.

Voor 't hart, der deugd eens toegekeerd? Als zich de geest zoo stout ontwikkelt, De zucht naar roem den jongling prikkelt.

En hij vooruitstreeft, in 't gevoel Der aangeboren reuzenkrachten:

Hij kan, geroeid door de eigen schachten,

— Kiest hij een schoon of strafbaar doel — Of, opgevoerd tot hooger orden,

Of, zinkende in des afgronds schoot. Een Engel of een Duivel worden;

Theaagnes viel — zijn val was groot!

ocr page 132

joannes en theagenes.

IV.

GEEF REKENING VAN UW RENTMEESTERSCHAP

De dag brak aan, de nacht zonk neer; De zon verrees en daalde weer,

En had zij 't hoofd, omkranst van goad. Gedompeld in 't Atlantisch zout,

Weer stak zij 't, blozende als een bruid Aan de Oosterpoort haar slaapzaal uit; De storm stak op en schudde 't woud. En knakte met zijn slagwiek 't hout, En gonsde langs 't verbolgen meer.

Of lei', wanneer de Zomer kwam,

Zich, uitgewoed, te slapen neer;

De Lente gaf, de herfst ontnam De blaadrenvracht aan d' eikenstam. Zoo vlood een drietal jaren henen,

Daar is de Apostel weer verschenen.

Omringd van de opgetogen schaar.

Die zich verdringt hem weer te aanschouwen.

Zijn kniên te omhelzen, stond hij daar Weer in den kring der God-getrouwen, En deelde zegen uit en troost.

Gelijk een vader aan zijn kroost. —

Een staf moest thans den grijsaard schragen. Daar over 't hoofd, dat dieper boog.

Weer zwaarder vracht van jaren woog; En daarop steunend, hield hij 't oog (Dat, onder 't scherp en vorschend vragen. Met heller glans en tintelvonk.

Als de avondster opfiikkrend blonk)

Weer op Theofjlus geslagen:

„Geef mij terug mijn kostbaar pand;

Hier liet ik u, o 's Heeren wachter! Een uitgelezen kleinood achter;

Ik eisch het weder van uw hand!

De Heer, voor wien wij saam ons buigen. En uw gemeente zijn getuigen.

ocr page 133

joannes en theagenes.

Hoe gij dat edel diamant Beloofdet om uw hals te snoeren, En 't zuiver eens terug te voeren; Zij hoorden 't, hoe uw lippen 't zwoeren: Doe thans dien heilgen eed gestand! — Wat staat gij half verplet, verslagen? Wat twijfling spreekt er uit uw blik? — Theofilus! waant gij, dat ik U goud of zilver af kom vragen.

Of nog naar wereldsch goed zou jagen? — 't Is meer nog, meer dan heel de schat. Dien Smyrna's havenkom bevat!

De ziel, de ziel is 't van een Broeder! De Heiige Geest heeft u ten Hoeder Verkoren van de kudde Gods!

En 'k weet: het is uw hoogste trots. Zóó voor uw lamrenkooi te waken,

Dat geen het spoor moog' bijster raken:

Groot, Christus' Dienaar, zij uw loon! — Hoe, vraagt gij nog, wat ik begeere ?

Waar is min liefling in den Heere?

Thbagenes, uw troetelzoon.

Uw kweekling in de heiige leere,

Die eens als parel aan uw kroon Zou schittren, voor des Midlaars troon?quot;

Tot marmerwit verstierf de koon Des liisschops; de eerst gespalkte blik. Bevreesd Joannes' blik te ontmoeten.

Zonk treurig neder voor zijn voeten.

En, 't zij van smartgevoel of schrik, De mond bleef spraakloos; 't stemgeluid Scheen plotsling in de keel gestuit; — In 't eind, daar barst hij uit in tranen, Die, lang gesmoord, een doortocht banen, En geeft een diepe en hoorbre zucht Den toegeschroel'den boezem lucht:

„ rDie vraag (ach! had uw mond gezwegen!) Heeft met een zwaard mij 't hart doorregen. En weer een boezemwonde ontbloot, Waaruit het bloed zóó pijnlijk vlood!

121

ocr page 134

joannes kn theagenes.

Dat kleinood van onschatbre waarde,

Waarvoor de zorg mijn ziel bezwaarde, — Ach, wanhoop 't weer te zien op aarde!

Uw rouw zij, als mijn droefheid, groot! 'k Verloor het pand, dat ik aanvaardde; Theagenes, helaas! is dood!quot;quot;

„Dood?quot; vraagt de Apostel, nogmaals, „dood? Zóó jong, zóó schoon, zóó vroeg gestorven! O meld, zoo gij hem de oogen sloot En bijstondt in zijn jcngsten nood,

Heeft hij de zegepraal verworven

Eens Christens? — Zag hij 't morgenrood Van 't eeuwig licht zich tegengloren.

Voor nog zijn adem henenvlood?

En is hem 't zalig lot beschoren.

Om thans in blinkend lichtgewaad.

Gelijk die maagdlijk reine zielen.

Die, vroeg als hij, aan de aarde ontvielen.

Het Lam te volgen, waar 't ook gaat?

O zalig dan, hem weer te ontmoeten!

Vergeef dan. Heer! mijn ouderdom Dien traan, die mij in de oogen klom:

'k Bid slechts, na 't heuglijk welkomgroeten. Met hem te knielen voor Uw voeten,

Maar wensch hem niet op de aard weerom!quot;

„ „Ach! waar' hij zóó van de aard verscheiden.

Ook ik bedwong dien bittren traan:

'k Zou vreugdevol zijn slaapkoets spreiden. En smachtend 't zalig uur verbeiden.

Dat ik tot hem mocht henen gaan.

Maar neen! — Hij is voor God gestorven.

Voor God en voor de deugd! Hij leeft.

Maar Tt hart verkankerd en bedorven. Dat Christus afgezworen heeft En voor geen dag des Oordeels beeft; — Hoe wenschte ik, hij mocht wederkeeren

Als boetling! Maar 't is afgedaan;

Hij zal, naar 't heilig woord des Heeren,

Zijn Koninkrijk nooit binnen gaan:

ocr page 135

joannes en theagbnes.

De ziel des jonglings ging verloren! —

Wilt gij van verre 't oord zien, waar Hij, die zijn lofzang hier te voren

Liet opgaan tot d' Alzegenaar,

Zich thans de werkplaats heeft verkoren

Der snoodheid'? — Sla uw oog slechts dadr, Dat golvend veld, die heuvlen over!

Waar gindsch gebergt', omkranst met loover, Zich teekent tegen 't blauw der locht:

Daar schuilt, in diep verholen krocht,

Daar plondert, woedt en moordt de koovbr! Ja, dat uw ziel van siddring gruw'! 'k Beween zijn eeuwgen dood met u!quot; quot;

Wie schetst het, wat uw hart gevoelde, Wat smart uw ingewand doorwoelde,

Joannes! in dien oogenblik? —

Ontroering, afschuw, toorn en schrik.

Maar opgelost in mededoogen,

't Stond al te lezen in zijne oogen!

Nooit was zijn ziel zoo diep bewogen.

Zijn borst zoo overstelpt van rouw Geweest; als ééns — toen 't helsch verraad Zich voor zijn oog ontslui'ren zou.

En op 't nog blond en zacht gelaat Al de ijzing zich had afgeteekend

Voor Judas' zwarte gruweldaad; —

't Was, toen de Heer, het brood doorweekend. Nog vóór het één der jongren wist. Hem fluistrend hooren liet; „Hij is 't!quot;

Alsof die nacht hem weer verscheen. Als trilde hem de stem door de ooren: „Die mensch.... ach, waar' hij nooit geboren!quot;

Zoo kromp zijn ziel van smart ineen,

Bij 't woord, niet zonder schrik te hooren: „De ziel des jonglings ging verloren!quot;

„Verloken!? Meldt uw mond mij dit. Die eens, in 't u vertrouwd bezit Des jonglings, zich gelukkig roemde,

Hem zoon met teedre omhelzing noemde?

123

ocr page 136

joannes en theagenes.

Spreek! Heb ik dien gevonden schat U daarom afgestaan, opdat Gij in zoudt sluimren op uw post,

Voor u de Heer liad afgelost,

En 't u geleende pand hernam?

Heb ik dat jong, geschoren lam,

Dat, voor den scherpen aêm der winden.

Bij u een toevluchtsoord moest vinden,

Theofilus! aan u betrouwd.

Opdat ge, als gij den volf zaagt naken.

Niet als de goede Herder waken,

Maar als de huurling vluchten zoudt? — En nu is 't lam een wolf, een roover!

Maar 't zij! — Nog blijft er redding over!

'k Betreur zijn val, maar wanhoop niet. Hij leeft! — Nóg staat Gods Hemel open!

'k Blijf nog op eene erbarming hopen.

Die nooit een boeteling verstiet!

Hij leeft! — Ik ga hem wedervinden —

'k Wil de oogen oopnen des verblinden.

Zijn hart versmelten doen, en hem,

(Geeft de Almacht aan mijn woorden klem) Weer rugwaarts keerende op mijn stem. Opnieuw aan 't heilgeloof verbinden!

Waar toeft éen gids? — Hij wijs' mij 't spoor En leide 't paard of muildier vóór.

Dat me op dien tocht ten draagkoets strekke!

En 'k dring in 't woest gebergte door,

Tot ik 't verblijf der zonde ontdekke.

En aan des Satans macht onttrekke,

Wat reeds de Hemel half verloor!quot;

, „Hoe? — Zoudt gijzelf als 't offer vallen Dier boosheid, die Gods wet verkracht.

Dier liefde, die 't gevaar veracht? —

Neen, blijf terug, wij smeeken 't allen!

't Is ailes vruchtloos wat gij tracht!

Geen wolf, die ooit zijn aard verzacht.

Schoon hij in 't schaapskleed zich moog' hullen! Geen leeuw, gewoon om roof te brullen.

Ruilt voor zijn haar de lamrenvacht!

ocr page 137

JOANKES EK THEAQENKS.

Geen tijger, die eens bloed mocht lekken, Verliest zijn moordlust of zijn vlekken.

En wie hem toelonkt dreigt de dood! — En gij, gij hebt de borst ontbloot,

Om zulk een overdierbaar leven.

Als 't uwe is, roekloos prijs te geven? —

Gij, van den last der jaren krom,

Zoudt eenzaam in 't gebergte trekken?

Aan 't roovrenrot ten buit verstrekken?

Met leden, stram van ouderdom.

Door boschruigt' boren, struik en heester. Terwijl in elke diepte een graf Zich opspart aan uw voet....quot;quot;'

„Laat af!

Is, zoo ik dus mijn leven gaf.

De dienaar meerder dan zijn Meester? — Hij, die voor de aard zijn bloed vergoot, (Hij, rein als 't licht en zonder smetten!) Verwierf ons 't leven door zijn dood: En zouden wij dan niet in nood Voor onze broedren 't leven zetten? —

Zoo 'k nooit uit gindsch gebergte keer,

Maar 't hoofd voor doodsgeweld moet bukken; Wat nood! — Ik leg het willig neer; Wat vreugd! — Ik sterf dan als mijn Heer, Of 'k zal 't verderf één ziel ontrukken En breng 't verdoolde schaap u weer!quot;

V.

MIJNE MISDAAD IS GROOTER, DAN DAT ZIJ VERGEVEN WORDE!

Nog hield, vol stille majesteit.

De nacht haar vleuglen uitgebreid.

En door haar aêm in slaap gekust,

Lag heel natuur in diepe rust.

Het grauw en donker berggevaart.

Als wolken hangende over de aard.

ocr page 138

JOANNES EN THEAGENES.

Werd flauw verzilverd door de maan, Die reeds haar schijf liet ondergaan, 't. Gestarnt', haar lijfstaffieren stoet,

Bracht haar, met half verbleekten gloed, Als nachtvorstin zijn afscheidsgroet.

De wagen, wentlend langs zijn spoor. Omstraald van diamanten gloor.

Had meer dan half zijn loop volend.

En reeds zijn dissel omgewend;

En dieper nog aan de Oogterkimmen Zag men een purpren vuurstreep glimmen.

Waar, bij 't hervatten van haar tocht. De dagvorstin zoude opwaarts klimmen. En 't worstlend licht een doorgang zocht.

Er heerschte een stilte, kalm en grootsch. Als, bij den diepen slaaps des doods,

Heerscht onder 't wulfsel van een graf;

Niets brak dat plechtig zwijgen af;

Geen raafgekras, geen wolfgehuil,

Noch 't dompig nachtlied van den uil;

Slechts 't sleepend murmlen van een vliet, Dat flauwde en wegstierf in 't verschiet; — Men hoorde 't kraken zelfs van 't mos. En 't ritslen van 't verschuivend blad. Wanneer een hinde sprong door 't bosch; Men hoorde 't sijplen zelfs van 't nat.

Dat, uit zijne aadren opgeweld.

Naar lager bedding voortgesneld.

De wortels lekte van een boom En op kwam borlen in den stroom. — 't Scheen of geheel de schepping bad, En 't koeltje zelfs, vermoeid van 't fluistren. Om naar de stilte mee te luistren,

Zijn adem ingehouden had.

Eén waakte er in dit oord toch, één.

Wiens oog geen sluimring look, naar 't scheen Wiens hart niets van die kalmte dronk, Die thans de nacht aan 't aardrijk schonk. — Aan d'ingang van een bergspelonk

ocr page 139

joannes en theagenes.

Had zich een jongling neergevleid,

En uit opeengetaste zoden,

Van de opperkleedren overspreid,

Zichzelf een rustbed toebereid.

Zijn helm, met gordelriem en zwaard. Lag achtloos nevens hem op de aard. Ver was de slaap van hem gevloden: Hij woelde 't lijf onrustig om,

En wischte een zweetdrup af van 't haar. Die paarlend op zijn voorhoofd glom. — Soms scheen zijn oor te luistren naar 't Eenzelvig ruischen van de beek,

Terwijl hij angstig rugwaarts keek;

Soms zag hij op naar 't wolkenklaar. En scheen verteederd door de schoonheid, Die 't eeuwig firmament ten toon spreidt.

Maar zocht vergeefs vertroosting ddar. — Alsof hij, met herhaalde omarming. De schepping aanschreide om erbarming,

Zoo breidde hij zijne armen uit.

En lispte op zachten toon: ,Ontferming!quot; Maar eindlijk sprak zijn wanhoop luid. En riep hij jamrend keer op keer:

„Geef mij mijn zaalge kindsheid weer!quot;

Theaagnes was 't, die, in deez' streken, 't Rumoer der rooverbende ontvlucht, Den pestwalm van hun kiuis ontweken, Veraadming zocht in reiner lucht. —

Diep, peilloos diep, was hij gevallen;

Maar, schoon zijn naam, berucht, gevreesd, Steeds de eerste werd genoemd van allen. Zoo vaak men in die sombre hallen, 't Vrijbuiters zegelied deed schallen;

Gelukkig was hij nooit geweest! Wat wondren ook zijn arm verrichtte. Wanneer de flikkring van zijn staal De scheemring van het woud verlichtte. En neerschoot als de bliksemstraal: Hij vond de lauwren dor en schraal! Schoon hij tot. euvlen zich verkloekte.

127

ocr page 140

JOAKNES EN THEAGENES.

Hij beefde inwendig en vervloekte Elk nieuw beraamden gruwelvond, En d' aanleg van heel 't schelmsch verbond, Zoo vaak 't gewisse een misdrijf boekte, En 't zwart register voor hem stond! En thans, nu hij in 't nachtlijk uur,

Bij de eenzaamheid dier rotsgewelven,

Geroerd door d' aanblik der natuur. Het waagt in 't schuldig hart te delven: Thans schrikt de zondaar voor zichzelven.

Thans bidt hij vol vertwijfeling:

„Geef mij mijn jeugd en onschuld weder, Of, Hemel! vel den doemling neder.

En spreke Uw mond vernietiging!quot;

Zoo moegewaakt en afgestreden,

Beklimt de machtloosheid zijn leden. En 't oog, dat zwaarder nederzonk.

Gaat zwichten voor den tooverlonk Der sluimring, en is dichtgegleden.

Hij slaapt! — Maar o, benijdt hem niet, Den man, dien gij zoo slapen ziet!

Die rust is onrust; geen herstelling.

Maar foltring brengt zij aan en kwelling! De koorts vlamt op; een roode gloed Zwemt over 't bleek gelaat, en doet Met korte en afgebroken slagen.

En sneller steeds, zijn polsen jagen;

Zijne aadren zwellen pijnlijk op.

En 't harte bonst met hoorbren klop; En 't wreed en grillig spel der droomen Doet schrikgestalten opwaarts komen!

Hij slaapt! en ijlend in zijn droom Ligt hij aan d' eigen oever neder,

In schauw van een cypresseboom. Gedaanten dwarlen langs den stroom! Zij nadren langzaam — wijken weder — Zij plompen onder — rijzen op;

Geraamten met ontvleesden kop,

Die met hun dorre beendren kleppen!

ocr page 141

joannes en theagenes.

En starend op hun hol gelaat, (Dat eensklaps zich voor 't oog herscheppen,

En weer tot mensch bezielen gaat)

Waant hij er de eigen wezenstrekken Van zijn verslaagnen in te ontdekken; — Zij dreigen met hun oog, en strekken

Hunne armen, wijzende op zijn borst: Hij tast — en vindt, om 't hart zich voelend. Een slang, in breede krinkels woelend.

En ziet zijn hand met bloed bemorst; — Hij wil, door snel zich om te wenden. Het monster van zich weren, maar 't Heeft zich gevlochten door zijn haar. En vast gekronkeld om zijn lenden! — Hij wil zich werpen in den vloed; —

Maar 't water, in welks heldren gloed Nog straks 't cypresseblaadje beefde, Waarover 't maanlicht hupplend zweefde, Wordt, nu hij 't aanroert met zijn voet. Een donkerroode slroom van bloed! —

Daar schrikt hij wakker! — 't Grijnzend beeld. Door 't koortsig brein hem voorgespeeld.

Slaat hem, ontwakend, nog voor de oogen, Onstuimig vliegt hij op, en gilt.

Terwijl heel 't lijf krampachtig rilt:

rls 't waarheid, wat me ontroert, of logen? — Heeft slechts verbeelding mij bedrogen? —

Neen! 'k heb, in 't vreeslijk nachtgezicht. De wekbazuin van 't jongst Gericht Gehoord, en 't vonnis klaar gelezen:

Daar is een stem van broederbloed,

Van 't rookend aardrijk opgerezen!

'k Ben Kaïn, die elk sterflijk wezen (Als balling op heel d'aardboóm!) vreezen

En voor een Wreker siddren moet! Een bloedvlek is me aan 't hoofd gewasschen, Niet af te spoelen door die plassen.

Niet uit te delgen, dan door Hem,

Die eenmaal.....quot;

129

9

ocr page 142

JOANKES EN THEAGESES.

Hier bezweek zijn stem Die naam, gereed zijn mond te ontglippen,

Zoo troostvol voor het schuldig hart, Bestierf vóór de uitspraak op zijn lippen, En weer verdort hij in zijn smart! —

Diep ademt hij; — hij sluimert weder:

Thans straalt een zuivre stroom van licht Van d'onbewolkten hemel neder;

Thans toovert zich voor zijn gezicht 't Bekoorlijk landschap weer, daar hij, Als nieuw bekeerde, op 't feestgetij Den heilgen Doop ontvangen had. —

Weer spiegelt zich zijn beeld in 't nat, Dat om zijn heup en gordel spat:

Alleen, 't is Smyrna's Bisschop niet, Die grijsaard, dien hij voor zich ziet, Als van een dunne wolk omtogen;

Zijn blik, voor hem niet uit te staan.

Staart hem zoo droef en zwijgend aan; En toch, daar blonk iets in zijn oogen,

Als waar' hij met zijn lot begaan, Min gramschap nog, dan mededoogen.

Daar vouwen zich zijn handen saam, En van zijn lippen, zacht bewogen,

Vloeit 's Heilands driewerf heiige naam. Die naam, dien hij niet uiten mocht. Te onrein van lippen en strafwaardig!

Schoon hij daar, weenend en boetvaardig, Voor 't hart vertroosting had gezocht. — Thans voelt hij 't nederstroomend vocht Zijn hoofd en schoudren weer besproeien, En, Hemel! 't is of van 't gelaat De vlek, die daar geteekend staat, In tranen smeltend, weg gaat vloeien: —

Zijn rechterhand, met bloed bespat.

Die hij in 't kleed verborgen had,

Om haar aan 's grijsaards oog te onttrekken.

Die hand, met zooveel zondenkwaad Bezoedeld, waagt hij thans te ontdekken; En ze is, nu hij er 't oog op slaat.

180

ocr page 143

JOANNES EN THEAGENES.

O wonder!-... rein en zonder vlekken! —

Hij is weer schuldloos als weleer! O vreugdgevoel! o kalm gerust zijn! —

Maar hij ontwaakt. — Wat ommekeer!

Geen droombeeld vleit zijn zinnen meer, En, met het schriklijk zelfbewustzijn,

Vindt hij zijn schuld en wroeging weer! —

De zon stond reeds in volle praal.

Hoog boven de Oosterkim gestegen,

En goot, als uit een vuurge schaal,

Haar goud op 't landschap allerwegen,

Toen hij verrees, en afgemat De grot verliet en buiten trad.

Wat prachtig schouwspel boeit zijne oogen!

Hoe zielbetoovrend om te zien!

Hij staat verrukt en opgetogen!

O! zoo hij thans had wagen mogen

Den Schepper 't oft'er aan te biên;

Hij waar' voor Hem in 't stof gebogen,

Hier neergezonken op zijn knién! —

Maar hoor! daar ruischt iets door de blaadren' Daar flikkren wapens! —■ Schreden naadren! —

Een liorenschal weergalmt langs 't hout; En, voor hij vluchten kan of keeren,

Hoort hij 't gerucht alom vermeeren. En 't klinkt „Theagenes!quot; door 't woud.

VI.

BROEDERS! INDIEN IEMAND ONDER U VAN DE WAARHEID IS AFGEDWAALD, EN HEM IEMAND BEKEERT: DIE WETE, DAT DEGEEN, WIE EEN ZONDAAR VAN DE DWALING ZIJNS WEGS TERUGBRENGT, EENE ZIELE VAN DEN DOOD ZAL BEHOUDEN, EN MENIGTE VAN ZONDEN BEDEKKEN.

,Theaagues!quot; klonk 't met scheller roep;

En op den naasten heuveltop,

Ontwaart zijn oog een roovertroep; —

Een woeste vreugdekreet gaat op,

131

ocr page 144

JOANNES F.N THEAGENES.

Nu zij hun opperhoofd ontmoeten;

Zij klettren met hun schild, en groeten

Hem, 't zonlicht klievend met hun zwaard. En klautren haastig nederwaart,

En spoeden met versnelde vaart,

En storten hijgend aan zijn voeten:

„Zoo vinden we u, ons Hoofd en Heer, Na lang en vruchtloos zwerven, weer! Waartoe uw makkers dus vergeten? —

Waartoe gedoold in oe eenzaamheid?quot;

„ „En gij, hoe durft gij u vernieten Te volgen, waar het spoor mij leidt? — Is weer een schelmstuk voorbereid.

Dat gij niet ginds mijn komst verbeidt ? — Wat drift bezielt u? — 'k Moet het weten, Wat op dit uur u herwaarts bracht?quot;quot; —

„Heer!quot; antwoordt één, „mij was, deez' nacht, (Daar 't lot zoo viel) de buitenwacht,

Waar de engste bergpas loopt door :t woud, Met deze dappren toevertrouwd.

De nacht, hoe loom en traag, verdween, 't Bleef alles rustig om ons heen;

Maar toen het pas in 't Oosten lichtte.

En ik, voor de aftocht werd aanvaard, Nog éénmaal 't oog op 't bergpad richtte En 't oor te luistren lei op de aard:

Hoorde ik het snuiven van een paard. — Wij springen haastig op, en duiken Ter weerszij van het pad in struiken,

En staan in hinderlaag geschaard;

En glurend, zien wij door 't gebladert Iets scheemren, wat ons stapvoets nadert; En grijpend — als die lammergier,

(Dien 'k als een stip, onmerkbaar ilauw, ü aanwees) die met breeden zwier Een kring beschreef aan 's hemels blauw. En toen, met wijd gespalkten klauw En vlammende oogen, op zijn buit Terneerschoot — stormen wij vooruit! —

132

ocr page 145

joannes en theacjenes.

Maar gis, wat schaamle prooi wij vonden! 'k Dacht, bij lt;le onsterfelijke Goón! Dat Ciiaron ons uit 't rijk der doön Was door den Helvorst toegezonden! Een grijsaard zat gekromd op 't paard,

Gehuld in 't wollig opperkleed,

Waar langs de dunne zilvren baard In zijden tressen nedergleed;

Een jonger, die ten gids hem strekte.

Omklemde met zijn hand den toom En trad vooruit; — met bangen schroom (Of ook zijn oog gevaar ontdekte!)

Bij ieder struikgewas en boom Ter zijde blikkend. Toegevlogen,

Heb ik het eerst het zwaard getogen.

En houd den Grijs het scherp voor de oogen; — En 'k had dat statig sneeuwwit hoofd Wis tot de schoudren doorgekloofd.

Had niet een nooit ontwaard vermogen De spierkracht aan mijn arm ontroofd; — Hij sprak zóó plechtig: „ „Mensch! vergiet , .Het schuldloos bloed eens broeders niet!quot; quot; — Of dit mij deinzen deed en blozen.

Of 't was, omdat ge ons zelf gebiedt:

, .Stort nimmer 't bloed eens wereloozen!quot;'quot; Dat ik mijn arm weer zinken liet En 't zwaard weer opstak: 'k weet het niet! , ,Welaan!'quot;' hervat ik, , „Eedgenooten! „ „Dat grijshoofd in een kring gesloten!

„ „Voert hein aan uw Gebieder toe!

„ „Dat die zijn schedel tuimlen doe,

„ „Of, zoo 't hem lust gena te geven,

, „Zelf 't vonnis strijk' van dood of leven!quot;'quot; — Maar meent gij, dat dit woord hem beven Of vluchten deed? — Zijn houding droeg Geen blijk van schrik of vrees. Hij vroeg Geen deernis af met zijne ellende.

Maar sprak bedaard: „ „Niets wensch ik meer „ „Voert ijlings mij naar 't Hoofd der bende!

„ „En — zie ik hem nog éénmaal weer —■ „ „Dat dan uw zwaard mijn leven ende.

ocr page 146

joannes un theagenes.

„ „Maar verft het met mijn bloed niet eer!quot;quot; Voldaan is thans dat vreemd verlangen; Hij toeft uw wederkomst gevangen;

Zijn lot hangt af van uw bestel:

Wij wachten hier op uw bevel!quot;

Gelijk weleer, toen Samuel Verschijnen ging aan Isrels Vorst,

Die stout de dooden vragen dorst. De tooverspreuk, die Rama's Wijzen Weer uit het schimmenrijk deed rijzen. Des Konings hart van schrik deed ijzen: Zóó werkte ook op Theaagnes thans Het vreemd en ruw verhaal diens mans.

Zijn nachtgezicht! — die taal des grijzen! — God! zou dat droombeeld meer dan schijn.... Zou 't zelf de heiige Apostel zijn?. .

Neen! kinderdwaasheid — anders niet — Dat denkbeeld, dat hij uit ging staamlen.

Maar even ras weer van zich stiet! —

Hij wil weer al zijn kracht verzaamlen.

Weer man zijn, door geen schrik ontdaan. En spreekt nu luid de roovers aan; , „Gelukkig, dat ge uw arm weerhieldt Van 't bloed des ouderdoms te plengen: 'k Zoude op het lijk. door u ontzield,

Zijn schim een vreeslijk offer brengen.

En, dien gepleegden gruwelmoord Ten zoen. den laffen moordnaar slachten!

Laat thans me alleen! 'k Wil ongestoord De rust genieten van dit oord,

En hier den grijzen vreemdling wachten!quot;quot; —

Zij gaan, Theaagnes blijft alleen —

Weer richt hij naar de grot zijn schreên: Hij zoekt zijn wapenrusting dadr.

En gordt ze om 't lijf. 't Zwartlokkig haar. Weerbarstig aan zijn hand ontsprongen,

Wordt in den helm teruggedrongen.

Waarop een pluim van glanzig wit. Als trillend schuim op 't hoofd der baren

ocr page 147

joankes en theagenes.

Of zilvren duif, te wiegien zit.

Zijn zwaard, vertrouwd met doodsgevaren,

Den kamp beslissend menigmaal.

Gewoon aan 't strijden en bevelen,

Steekt in een gordel van metaal;

En duizend gloênde vonken spelen

Op 't lemmer en de greep van 't staal. — Hij heeft in volle wapenpraal Zich uitgedost, en staat als een.

Die 't sein tot d' aanval uit moet spreken, En werpt, zijn hoog gezag ten teeken.

Een mantel om zijn schoudren heen.

Is hij de held van vroeger? — Neen! Theaagnes was niet, wat hij scheen!

De moed is aan zijn ziel ontweken;

Het vuur is in zijn oog vergaan.

En 't hart. dat uit de borst wil breken.

Met centnaarzwaren last belaan.

Hij houdt zijn hand ontroerd voor de oogen.

En steunt zich wagglend op zijn schild;

Terwijl zijn speer, vol krachtvermogen.

Weleer in de ijzren vuist gedrild,

Thans, als een riet door storm bewogen,

Hem in de onvaste vingren trilt.

Weer klinkt van verre een horenschal.

Door de Echo nagedeund in 't dal;

Weer slaakt het woud een dof gerucht, Dat, voortgedragen in de lucht,

Theaagnes' oor bereikt en kluistert;

Hij ademt niet — hij loost geen zucht —

Maar staart slechts scherp vooruit — en luistert; 't Is of een wolk zijn oog verduistert; —

't Is of de voet zijn steunpunt mist: Of 't bloed, zich stokkende in zijn leen En hoopende in zijn borst opéén.

Zich in den hartkuil heeft vergaderd; Eén oogwenk nog! — Joannes nadert —

Hij ziet hei, deinst, en gilt: „Hij is 't! — Hij is 't! Waar vluchte ik? Groote God!

135

ocr page 148

joannes en theagenes.

Barst open, aardrijks ingewand!

Stort, bergen in uw kruin geknot!

Valt, heeralen, en verbergt mijn schand! Hij komt! — 'k moet aan zijn oog ontvliêul Hij moet, schoon mij 't berouw verteert, Me in eeuwigheid niet wederzien!quot; Hij spreekt, en van den schrik verheerd, Die vleuglen aanbindt aan zijn voet.

Vlucht hij met onbetoorabren spoed, — Als door een spooksel voortgejaagd.

Als door een Fuvie aangespoord, Die geeselroa en pektoorts draagt:

Zóó ijlt hij in verbijstring voort;

Haar de uitgeputte kracht begeeft Den jongling, die, in quot;t voorwaarts streven, Voelt, hoe hem lijf en knieën beven,

En nu zijn loop gebreideld heeft!

Joannks volgt hem. Hij vergat Zijn zwakte en ouderdom, en trad Niet stromplend voort of afgemat.

Maar scheen, door hooger geest gedreven, Met weer verjeugdigd vuur en leven Bezield, als boven de aard te zweven;

En riep op weemoeds diepen toon.

Toen hij weer stem en adem had: , „Tiieaoenes! Mijn zoon, mijn zoon!

Herken de stem uws Vaders! — Vlied Een zwak en weerloos grijsaard niet!

O, zoo ik, door mijn bloed to plengen,

U thans tot God kon wederbrengen; —

Ik zou 't met vreugde en willig duen. En bood den Hemel dat rantsoen!

Houd stand! — Nóg moogt ge erbarming hopen Nóg staat tot God de toegang open! — Heb deernis met mijn grijsheid! — Vlied Uit de armen van uw Vader niet!quot;quot;

Theagenks bedwingt zijn tred,

Nu hij die taal des grijsaards hoort,

En staat van schaamte en smart verplet;

ocr page 149

joannes en theaoenes.

Toch is, bij 't laatst gesproken woord,

Weer flauw de hoop in 't hart ontgloord; 't Was de eerste lichtstraal, die er viel In 't nachtlijk donker van zijn ziel: „Erbarming!quot; zucht hij, „zelfs voor mij? — Wie sprak dat woord? — Joannes! Gij? — Wat deed u herwaarts ijlen? Wie....quot;

, „De Heer, door u verloochend, die Als Redder van verloornen. 't leven Voor 't heil der wereld heeft gegeven; Die ieder afgezworven lam.

Dat op zijn roepstem wederkwam.

Zoodra Hij 't had teruggevonden.

Vol blijdschap op zijn schoudren nam. Schoon doornen hem den voet doorwondden; Hijzelf heeft mij tot u gezonden,

Opdat mijn mond van Gods gena.

Die 't heerlijkst blonk op Golgotha, D* onmeetbren rijkdom zou verkonden.

Neen, blik zoo woest niet! —Vlucht niet! — S Om 't woord des vredes aan te hooren!

Zoo waar zijn bloed om 't kruishout vloot, Zoo waar de hemel heeft gezworen.

Dat Hij geen lust heeft in den dood Des zondaars, maar hem 't leven biedt: Zoo waar gaat daar nooit één verloren. Wie, schuld belijdend, tot Hem vliedt!

Daar is, Theagenes! ook nu Vergeving nog bij God voor u! — Uw schuld is zwaar, uw misdaad snood. Maar niet voor Gods gena te groot!quot;quot;

De jongling aarzelt. Vreeslijk dralen! —

Maar neen! 't berouw gaat zegepralen;

Geen trots kampt in zijn boezem meer;

Daar zinkt hij op zijn knieën neer; Een tranenvloed stroomt langs zijn kaken: (Geen regen, als het dorrend land Geroosterd werd door zomerbrand,

Laait zóó de half verstorven plant,

ocr page 150

joannes en theagenes.

Als hij ten wortel toe mag raken.)

Hij gespt met drift zijn wapens los, En werpt ze slingrend weg in 't bosch, Als kleefde er pestvuur aan dien dos, Dat gloeiend indrong in zijn leden. —

Maar naadrend met versnelde schreden.

Daar 't hart hem brandt van ongeduld, Komt nu Joannes aangetreden,

En houdt, van vreugde en hoop vervuld, In 't smeeken bij den jongling aan. Die bevend, in 't gevoel van schuld quot;Vernietigd de oogen neer blijft slaan. — Theaagnes •— wendt zich om naar hem, En snikt met half gesmoorde stem.

Schoon hij 't gelaat niet heffen dorst:

„Mijn beddek van 't veruekf! -— Mijn vader!quot; Rijst opwaarts — doet een voetstap nader — En — ligt geketend aan zijn borst!

, „Mijn zoon! Mijn weergevonden zoon!'quot;' Zoo barst de grijze Apostel uit,

Terwijl hij hem aan 't harte sluit: , „Gezegend zij dat rouwbetoon,

Waarmee ge u gaat voor God verneeren! Gezegend, in den naam des Heeren,

Mij uw boetvaardig wederkeeren!

't Gebroken hart, de vuurge traan Wordt niet vergeefs Hem aangeboun! De Hemel ziet dat offer aan,

't Stijgt Godgevallig tot Zijn troon!quot;'quot;

Schoon nog Theaagnes' lippen zwegen,

Was 't zichtbaar aan den jongeling, Wat troost zijn lijdend hart ontving: De wolk, die over 't voorhoofd hing, Is weggevaagd, en 't aangezicht.

Waarop de dauw des ootmoeds ligt,

Heeft blijder tint en blos herkregen; —

Gelijk, wanneer de zilvren maan. Bij stormend weder opgegaan, üit donderwolken komt gestegen,

138

ocr page 151

joannes en tiieagenes.

En achter 't dunner nevelkleed, In schemerglans te voorschijn treedt. — 't Scheen Abbadona, voor den troon Zijns Rechters, als des Eeuwgen Zoon Den boetling, voor hem neergestort, 't „Ontvang genade!quot; tegenfluistert;

En op 't gelaat zoolang verduisterd,

Door hemelgloed weer opgeluisterd.

Opnieuw een Engel zichtbaar wordt.

„Mijn Vader!quot; zegt Theaagnes teeder,

,Ik volg u thans — niets scheidt ons weder! Kom. dalen we in de vlakte neder!

Ik wil als wachter met u gaan!quot;

De Movers zien dat zwijgend aan.

En blijven vol ontzetting staan,

En volgen hem met dreigende oogen;

Maar, schoon ze een vloekwoord momplen mog Geen vingertop wordt er bewogen,

Om naar de greep van 't zwaard te slaan. -Maar als zij, 't bergpad afgegaan,

Zijn aan hun starend oog ontweken,

liegint hun woede los te breken.

En klinkt hun vloekkreet scherp en schel. Verkropten toorn en spijt ten teeken:

't Was 't grijnzend tandgeknars der Hel! Maar boven smolt, met reiner galmen,

(Dat wraak- en vloekgeschrei ten trots) Een harpakkoord in jubelpsalmen.

En ruischte zacht door Edens palmen:

't Was 't vreugdelied der Englen Gods!

Vergeefs gepoogd haar uit te drukken,

Die blijdschap, (schier voor de aard te groot Die thans Joannes' borst doorvloot,

Toen hij, met naamloos zielsverrukken, Den zondaar in zijne armen sloot.

Door hem ontweldigd aan den dood.

ocr page 152

joaxnes en theaqenks.

Ên voor den Hemel weergevonden.

Thans nauwer nog aan hem verbonden.

Week hij niet van des boetlings zij',

Maar bleef met raad en troost nabij;

En hield niet op, zijn moed te schragen,

Te ontvonken tot den schoonsten strijd. En waakte met hem nacht en dagen,

Aan boete en vasten toegewijd; —

En als soms scherper smart hem griefde, Uit banger vrees voor quot;s Hemels straf, Dan sprak de Apostel: „ „God is liefde'.quot;quot;

En bad voor hem vertroosting af; Dan schetste hij. bij 't weerontmoeten Van den teruggevonden zoon.

Des Vaders jublend vreugdbetoon;

Dan bracht hij hem aan Jezus' voeten. Dan wees hij hem op Christus dood.

Die nog den boetling aan zijn zijde In 't veege stervensuur verblijdde,

En hem Gods Paradijs ontsloot.

En toen hij 'sjonglings rouw verzacht had. En hein, die, voor der Christnen oog.

Zich schuldbelijdend nederboog.

Weer tot Theofilus gebracht had:

Toen had zijn ziel geen wenschen meer; — Toen sprak hij. God zijn dank betuigend. Aanbiddend op zijn staf zich buigend, (En heel de schaar knielde om hem neer. En bad vol heilige aandacht mede):

, „Nu laat ge Uw dienstknecht gaan in vrede!

'k Wacht op Uw zaligheid, o Heer!quot;quot; Vraagt nooit, vol twijfiing dan, gij allen.

Die 't hart van smart en schrik voelt slaan. Als gij een broeder diep zaagt vallen: Of 't mooglijk blijv', terug te gaan En, groot in zielskracht, op te staan? — Tiieaagnes viel — diep zonk hij neder.

Maar rees vol eedle schaamte weder.

En zwoer opnieuw aan Christus trouw; — En uit den traan van boete en rouw Ontlook een nieuw en glansrijk leven.

140

ocr page 153

JOANNES EN THEAGENES.

Welks vrucht de Hemel erven zou; — Hem is de kroon, daar wij naar streven, Aan 't einde van den strijd verbleven,

(Zoo tuigt het grijs historieblad) En — was hem veel van God vergeven — Hij heeft te vuurger liefgehad!

A ANTEEKEN INGEN.

DE LEGENDE.

Het verhaal, welks dichterlijke bearbeiding wy aan den Lezer waagden aan te bieden, is eene dier Overleveringen, welke tot de vroegste tyden des Christendoms opklimmen, en waaraan de Christelijke Oudheid den rang en het gezag eener ware gebeurtenis heeft toegekend. Volgens de getuigenis van Anastasius, die in de zesde eeuw heeft gebloeid, is deze Legende bet eerst door Irenaeus, wiens leeftyd zeer dicht aan den leeftgd des Apostels Joannes grensde, verhaald. Zij wordt ons het uitvoerigst medegedeeld door Clemens Alexandrinus, in zijn geschrift: Quis dires salveiur! (hetwelk door den Hoogl. Segaar met aanteekenin-gen is verrijkt geworden). Van dien Kerkvader schijnt Eusebius dit verhaal in zijne Kerkelijke Geschiedenissen met eenige bekorting te hebben overgenomen. De beroemde Chrysostomus (Paraen. ad Thcod. sub Jinem) toonde niet enkel den inhoud dezer Legende te kennen, maar betwijfelde ook hare echtheid niet. Vervolgens heeft zij ook in de werken van latere geschiedschrijvers, gelijk Dupin, Baronius en Canisius, vooral van dezulken, die afzonderlijk over de eerste eeuwen des Christendoms gehandeld hebben, eene welverdiende plaats bekomen. Men vindt haar, onder andere, bij: W. Cave, Het eerste Christtndom, deel II bl. 63, die de opgave van Eusebius heeft gevolgd; bij Olshausen, Historiae ecclesiasiicae veteris monumenta praecipua, vol. I pag. 17; bij H. Schott, Bi/zonderheden uit het leren der Christenen in de drie eerste eeuwen; by H. Van Heyningen, Tafereelen uit de geschiedenis der Christelijke Kerk, eerste afl. bl. 8; in het Christelijk Maandschrift voor den beschanfden stand, dl. II bl. 531), onder het opschrift: Proeve ran de zorg en den ijver des Apostels Joannes om menschen te behouden, waar, bij een getrouwe overzetting van Clemens Alex,, enkele oordeelkundige en, voor den geletterden lezer, belangryke aanmerkingen gevoegd zijn. Door den Hoogl. H. W. Tydeman te Leiden, wiens uitgestrekte boekenkennis ook het lang vergetene en weinig bekende weet op te sporen, ben ik bekend geworden met eene wetenschappelijke bearbeiding dezer Legende, welke ten titel draagt: Historia de juvene perverso a Joanne converse, auctore G. L. Ponato, Hehnstadii, 1710. Dit stukje, voor den eigenlijken beoefenaar der taalgeleerdheid en Christelijke archaeologie geenszins van alle waarde ontbloot, behelst ook veel, wat daar ter plaatse minder behoort, en slechts weinig heb ik er in gevonden, wat ik belangrijk genoeg achtte om aan mijne Lezers mede te deelen. Hier en daar zal ik in de Aauteekeningen op dat stukje terugwyzen. Eindelijk is het verhaal nog te lezen in een werkje van F. A. Krummacher, getiteld: Joannes, de Discipel des Heeren, hetwelk door A. Drost, ■S'. Min. Cand. in het Nederduitsch is vertaald en uitgegeven. Toevalligerwijze

Ill

ocr page 154

AAKTEEKENINQEN.

vernam ik onlangs, dat deze (de jeugdige en te vroeg aan de letteren en weten-ecliappen ontrukte Sohryver van Hermingard van de Eikenterpen) het voornemen had opgevat om deze Legende in het gewaad van een Bomanluch verhaal te kleeden. maar daarvan door enkele zwarigheden, welke ook door mi], bij de bewerking van dit Dichtstuk, min of meer zijn gevoeld geworden, was terugge-

h0Over de geloofwaardigheid en het geschiedkundig gezag dezer Overlevering of Leende is veel getwist. Welk eene hooge waarde de Christelijke oudheid daaiaan w il gehecht hebben, blijkt genoegzaam uit de inleiding, welke Clemens Alex, ot zijn verhaal heeft gebezigd, wanneer h(i zegt: .Hoort de yertell.ng, neen niet de vertelling (uvóov,) maar het geloofwaardig verhaal (Uyov) hetwelk 'ons nopens den Apostel Joannes is overgeleverd, en getrouw in het geheugen quot;is bewaard gebleven!quot; - Ponatus rekent de echtheid dezer Legende, wegens het uitwendig gezag van zoovele geschiedschrijvers, als van de vroegste eeuwen voor haar pfeit, genoegzaam gewaarborgd. Ook latere, met roem bekende schr.j-vers en daaronder Olshausen. hebben in dit gevoelen gedeeld en beweerd, da er geen genoegzame grond bestaat, om de geloofwaardigheid dezes verbaals te betwijfelen. Zóó beslissend zou ik niet durven spreken, maar zekerlijk (ofschoon het voor velen een onbeslist vraagstuk blijve, of men zich h.er op het gebied der geschiedenis of der verdichting bevinde) zekerlijk zal men moeten erkennen, dat de inhoud dezer Overlevering in de schoonste overeen-

tviPt liPt karakter van Joannes staat, en den discipel, dien Jezus lief-iTaT^èn volle waardig is. Zekerlijk verdient het opmerking, dat hier niets van dat' gezoebt-wonderbare en bovennatuurliike voorkomt, waarmede vele overlei,e-rlngen, en inzonderheid de Apocriefe Schriften des N. T., zoo wanstaltig zijn e-kleurd zonder daarom voor de echtheid dezer Overlevering, in haar geheel of biizondere deelen. te durven instaan, acht ik bet waarschijnlijker, dat eene «are geschiedenis hierbij ten grondslag llgge, dan dat zij geheel en al uit deonzuivro

bron der aLTseMedeniT oTèr deze legende uit

gestrengen en ® .. als eene bijdrage tot de kennis der godsdienstige

te spre en, a ^j eerste' eeuwen, eene wetenschappelijke waarde blijven be-

zUteif* en wat harT vernieuwde mèdedeeling en inkleeding in den vorm van zitten, en waaromquot; dus zou ik met den eerw. en geleer-

een dichter « ver^a^ M'aamUcltrift mogen zeggen, .waarom zou-

voor dezulken onder mijne Lezers, welke deze kennen, sta zü hier geschreven tot eene juiste beoordeeling mijns werks. Ik volg

hierbij bet T-rM-»Tiquot;

VERHAAL VAN CLEMENS VAN ALEXANDRIE.

grenzen, of aan Nero zeiven te moeten denken.

142

ocr page 155

AANTEEKENINGEN.

„plaaUen. Hier etiohtte en vormde hg eene geheel nieuwo gemeente; duur stelde ^hy een opziener aan haar hoofd; ginds weder koos hij dezulken tot de bedie-„ning der Kerke, die, bij de werping van het lot, door den H. Geest daartoe „werden aangewezen. Alzoo kwam hij, op eene dier reizen, in eene niet ver van vEfeze gelegen stad (wier naam door sommigen wordt opgegeven), om de broe-rderen te vermanen en te vertroosteo. Daar ontmoette hij zekeren jongeling van „eene schoone welgevormde gestalte, een bevallig en innemend gelaat, een vuri-rgen, veelbelovenden geest. Joannes, hem ziende, wendde zich tot den Bisschop, „aan wien het toezicht over deze gemeente was toevertrouwd, en zeide: „„Deze „ Jongeling stel ik onder uw opzicht, en beveel hem u ernstig en dringend aan! „ rDe geheele gemeente en Christus zelf strekken hiervan ten getuige!quot;quot; En toen „de'Bisschop dit bereidwillig op zich nam, en alles, wat van hem geëischt werd, „beloofde, herhaalde hy nog eens zijne vermaning tot getrouwe en waakzame „zorg, met heiligen en plechtigen ernst, en keerde daarop naar Efeze terug. De „grijsaard nam den aan hem toevertrouwden jongeling in zjjn huis, voedde en „verpleegde hem met vaderlijke teederheid, en deed hem, genoegzaam onderwegen zijnde, den doop ontvangen. Thans echter liet de Bisschop allengskens zjjn „nauwkeurig toezicht varen, meenende, dat het zegel des Heeren, hetwelk hy „hem had toegediend, genoegzaam zoude zijn, om hem tegen het gevaar van alle „verzoekingen te beveiligen. Maar, helaas! de jongeling, te vroeg van zijne lei-„ding ontslagen en ter kwader uur zyne vrijheid verworven hebbende, kumt, tot „zijn verderf, in het verkeer met loszinnige, aan lediggang en allerlei kwaad ge-„wende knapen. Eerst verleiden zij hem, om aan weelderige gastmalen deel te „nemen. Vervolgens, des nachts op berooving uitgaande, weten zy hem mede te „sleepen en met zich rond te voeren. Eindelijk zetten zij hem aan, om ook iets „grooters en stouters te bestaan. Maar al te spoedig werd hy ook daaraan ge-„woon. Zelfs de voortreffelijkheid van zyn aanleg, het schitterende van zijne „geestvermogens, het vurige van zyn karakter, deden hem, éénmaal van den „rechten weg afgeweken zijnde, te sneller voortijlen; evenals een fier en ongeremd paard, dat, uit het spoor gesprongen zynde en den breidel afgeworpen „hebbende, teugelloos naar een afgrond heenrent. En daar hij nu eenmaal de -hoop op genade en zaligheid geheel had opgegeven, vergenoegde hij zich niet „met het geringe of gewone, maar stond naar grooter en meer schitterende „euveldaden, en rekende het zijns onwaardig, slechts aan zyn metgezellen gelyk „te zijn. Hij verbond zich dan te nauwer aan zyne makkers, vormde uit hen „eene rooverbende, en plaatste zich aan haar hoofd. Van die allen werd hij de „stoutmoedigste, de geweldigste.

„Na eenigen tyd wordt Joannes, wiens raad men behoefde, weder in deze ge-„meente ontboden; en zoodra hij hare belangen geregeld en aan het oogmerk „zy'ner komst voldaan had, richtte hij andermaal het woord tot den Bisschop: „„Welaan,quot;quot; sprak hy tot hem, „„geef mij nu het u toevertrouwde pand weder, „„hetwelk u door my en den Verlosser zeiven werd aangeboden, waarvan uwe ge-„ „meente getuige geweest is!quot; quot; Deze was in het eerste ontzet en verslagen,meenende „dat hij over gelden, welke hy niet ontvangen had, werd aangesproken, en wist „niet, of hy Joannes moest gelooven of wantrouwen. Maar toen de Apostel, zijne „meening verklarende, daarop volgen liet: „Den jongeling, de ziel eens broeders, „ „eische ik van u!quot; toen sloeg de grysaard zyne oogen neder, zuchtte en antwoordde, in tranen uitbarstende: „Die is gestorven!quot; — „Hoe, welken dood?quot;

143

ocr page 156

AANTEEKENINGEN.

,vraagt Joannes. — „Voor God is hii dood!quot; herneemt hij; „hl) is een booswicht _ rgeworden, een verlorene, een roover! In plaats van de Kerk, heeft hygindsch , quot;gebergte met eene bende, aan hem geliik, tot zjjn verblijf gekozen!quot; — ^Vaar-, .lijk,quot; dus riep hierop de Apostel bitter weenende uit, terwijl by ten teeken van „zijn rouw, zijn gewaad verscheurde en vol smartgevoel zich voor het hoofd ^sloeg. „Waarlijk, ik heb de ziel van dezen broeder aan een voortreffelijken „„wachter toevertrouwd! Maar laat er aanstonds een paard en een wegwijzer quot;quot;gereed zijn, om mij te geleiden!quot; Hiervan vergezeld, verliet hij op staanden quot;voet de gemeente. Nauwelijks is hü op de bestemde plaats gekomen, of hij ^wordt door de buitenwacht der roovers gegrepen, doch, wel verre van te wil-ülen ontvluchten of om genade te smeeken, roept hy met luider stem: „Juist, quot; .daartoe ben ik herwaarts gekomen. Voert mij onmiddellijk tot uw opperhoofd.quot; Deze stond intusschen in volle wapenrusting den gevangene in te wachten; quot;maar zoodra hij in den nadertredende Joannes herkende, keerde by zich schaam-[rood om en begaf zich ijlings op de vlucht. Maar do Apostel, ongedachtig aan ^zijne zwakheid en zijn hoogen ouderdom, volgt hem met versnelden tred, en quot;roept hem na: „Waarom, mijn zoon! ontvlucht gij mij, uwen Vader, een weer-quot; .loozeu en ongewapenden grijsaard? Heb deernis met mij, mijn zoon! Vrees niet! quot; quot;sog is er voor u hope ten leven! Ik wil bij Christus voor u borg staan, ja, quot; quot;indien dit geêischt werd, ben ik bereid voor u den dood te ondergaan, gelijk quot; Ide Heer dien voor ons ondergaan heeft! Voor het behoud uwer ziele wil ik quot;„mijn leven zetten. Sta dan; geloof my: Christus heeft mij tot u gezonden!quot; Toen de jongeling deze woorden vernam, bleef hij eerst met ternedergeslagen .oogen staan, wierp vervolgens zijne wapenen van zich, begon te beven en te ^weenen; en als de grijsaard nu geheel tot hem was genaderd, wierp hy zich „snikkend in diens armen, smeekte, zooveel hij kon uitbrengen om vergeving en quot;werd in den vloed der tranen, die zijn gelaat overstroomden, als ten tweeden male ^gedoopt. Alleen zyn rechterhand hield hij nog in den boezem verborgen. Maar quot;de Apostel bezwoer hem, dat er volkomen vergiffenis by den Zaligmaker voor .hem verkrijgbaar was, wierp zich voor hem neder, kuste diezelfde rechterhand, „welke thans door het berouw was gereinigd, en bracht hem in de gemeente quot;terug. Dikwerf ging hij hem vóór In het gebed, volhardde met hem in vasten en smeekingen, verzachtte de smart van zijn gewond gemoed door het troost-quot;rijke zijner redenen, en week niet eerder van hem, voordat hij hem weder in quot;de gemeenschap der Kerke hersteld zag. Zóó stelde hij een treffend toonbeeld ^daar van ongeveinsd berouw, een krachtig en sprekend bewijs der wedergeboorte, quot;een zegeteeken der zichtbare opstanding tot een nieuw en heilig lever.quot;

DICHTERLIJKE BEARBEIDING DER LEGENDE.

Ziedaar de Legende! — Wie haar voor het eerst heeft gelezen, zal zich door hare zedelijk schoone strekking getroffen gevoelen, en gaarne willen erkennen, dat de teekening der personen en karakters uitmuntend Is, dat er over het geheel een zuivere gloed verspreid ligt, waarin de geest des jeugdigen en onverbasterden Christendoms ons tegenademt. Wie haar meermalen las, zal dit gunstig oordeel geenszins terugnemen, maar opnieuw bekrachtigen, en gereedelijk toestemmen, dat deze Legende boven menig verhaal der Christelijke Oudheid, waaraan de onderscheiding te beurte viel van door Dichters bezongen te worden, eene dichterlijke inkleeding en bewerking ten volle verdiende.

144

ocr page 157

A ANTEEKEN ING EN.

Men heeft wel de bedenkiug geopperd, of de Legende, gelijk de Romantische School haar heeft ingevoerd, een passend gewaad te achten zij voor Poëzie aan de Kerkgeschiedenis ontleend; doch waarom dit genre voor haar minder zou voegen, dan voor Poëzie, welke op eenig ander historisch veld hare bloemen zoekt, is mij tot hiertoe niet helder geworden; indien maar het onderwerp zelf voor eene dichterlijke inkleeding en ontknooping blijkt vatbaar te zijn.

Voor zooverre mijne wetenschap reikt, is eene dichterlijke bearbeiding dezer Legende in onze taal nog door geen ander beproefd. Één uitzondering moet ik hier echter maken. Reeds vóór twee eeuwen is ditzelfde verhaal bezongen of berijmd geworden, maar op eene wijze, welke ons de Psalmen van vader Datheen herinnert. Toen de eerste uitgave van dit werkje ter perse lag, kwam mij namelijk zeer toevallig een boek in handen, getiteld: C. J. Wits, Onledige Ledigheid ofle liuytentydsche stichtelijke Oefeninge; en hierin vond ik, deel II. 252. mijne Legende weder onder het opschrift: „Een vcrlooren schaep, icedergezocht door een' getrouwen Herder.'' Gaarne zou ik mijnen lezers dit stukje, (dat ce gelijk bestemd was, om tot onderlinge stichting gezongen te worden) geheel of gedeeltelijk mededeelen, indien het draaglijker was; maar ik zou moeten vreezen, alzoo eene parodie op het onderwerp van mijn eigen Dichtstuk te leveren. Men oordeele uit dit enkele staaltje! Aldus spreekt Joannes tot den Bisschop:

„Siet tot getuygen noem ik Christum en zyn kerken:

Dat gij met aller vl(jt suit op den jong'ling merken:

De Leeraar 't oock beloofd; de Apostel reyst van daer;

En zegt nog in 't Adieu: Ey neemt de Jong'ling waer.quot;

Wat aan dezen Schrijver of Dichter (armzaliger gedachtenis!) ten eenen male ontbrak: gekuischte smaak, diepte des gevoels en rijkdom der verbeelding dit was op het schoonst en gelukkigst in den onsterfelijken J. G. von Herder vereenigd. Hij, die uit Oostersche Parabelen en Legenden zich een frisschen krans van Palmbladeren wist samen te vlechten, zaa' ook de bloemen niet voorbij, die er op het gebied der oud-Christelijke overlevering waren ontloken. Aan zijne meesterhand danken wij het schoone stukje, dat ik (met schaamte moet ik het belijden) nog niet kende, toen het eerst m\jne Legende in druk verscheen, maar my verheug thans te kunnen opnemen:

DER GERETÏETE JÜN6LING.

Eine schone Menschenseele finden, 1st Gewinn; ein schönerer Gewinn ist, Sie erhalten, und der schönst' und schwerste, Sie, die schon verloren war, zu retten. —

Sankt-Johannes, aus dem oden Pathmos Wiederkehrend, war, was er gewesen.

Seiner Heerden Hirt. Er ordnet' ihnen Wachter, auf ihr Innerstes aufmerksam.

In der Menge sah er einen schonen Jüngling; fröhliche Gesundheit glanzte Vom Gesicht ihm, und aus seinen Augen Sprach die liebevollste Feuersecle.

145

ocr page 158

AANTEEKENINGEN.

„Diesen JüngliDg,quot; sprach er zu dem Bischof, „Nimm in deiiie Hut. Mit deiner Treue Stehst du mir für ihn! — Hierüber zeuge Mir und dir vor Christo die Gemeine!quot;

üud der Bischof uabm den Jüngling zu sich Unterwies ihn, sah die schönsten Früchte In ihm blühn, und weil er ihm vertraute,

Liess er nach von seiner btrengen Aufsicht.

Doch die Freiheit war ein Netz des Jünglings ; Angelockt von süssen Schmeicbeleien,

Ward er müssig, kostete die Wollust,

Dann den Reiz des fröhlichen Betruges,

Daun der Herrschaft Reiz; er sammelt' um sich Seine Spielgesellen, und mit ihnen Zog er in den Wald, ein Haupt der Rauber.

Als Johannes in die Gegend wieder Kam; die erste Frag' an ihren Bischof War: rWo ist niein Sohn?quot; — -Er ist gestorben,quot; Sprach der Greis und schlug die Augen nieder. „Wann und wie?quot; — „Er ist Gott abgestorben; 1st (mit Thranen sag' ich es) ein Rauber 1quot;

„Dieses Jünglings Seele,quot; sprach Johanne?, „Fordr' ich einst von dir. Jedoch wo ist er?quot; —

„Auf dem Berge dort!quot;

— „Ich muss ihn sehen

Und Johannes, kaum dem Walde nahend,

Ward ergriffen, (eben dieses wollt* er).

„Führet,quot; sprach er, .mich zu eurem Führer.quot;

Vor ihn trat er! Und der schóne Jüngling Wandte sich: er konnte diesen Anblick Nicht ertragen. „Fliehe nicht, o Jüngling,

Nicht, o Sohn, den waffenlosen Vater,

Einen Greis. Ich habe dich gelobet Meinem Herrn und muss für dich antworten. Gerne geb' ich, willst du es, mein Leben Für dich bin, nur dich for tan verlassen Kann ich nicht! Ich habe dir vertrauet,

Dich mit meiner Seele Gott verpfandet.quot;

Weinend schlug der Jüngling seine Arme Um den Greis, bedeckete sein Antlitz,

Stumm und starr; dann stürzte statt der Antwort Aus den Augen ihm ein Strom von Thranen.

Auf die Kniee sank Johannes nieder,

Küsste seine Hand und seine Wange,

Nahm ihn neugeschenket vom Gebirge,

ocr page 159

AANTEEKENINGEN.

Lauterte sein Herz mit süsser Flamme.

Jahre lebteu sie jetzt unzertrennet Mit einander; in den schonen Jüngling Goss sich ganz Johannes schóne Seele.

Sagt, was war es, was das Herz des Jünglings Also tief erkannt' und innig festhielt?

ünd es wiederfand, und unbezwingbar Rettete? Ein Sankt-Johannes Glaube,

Zutrau'n, Festigkeit und Lieb' und Wahrheit.

In Duitschland heeft men in de laatste jaren de aandacht meer op de dichter-zijde der Kerkgeschiedenis gevestigd. Twee dichters, die beiden daaraan groo-tendeels de stof hunner gedichten hebben gewijd (F. A. Cunz: Chrislliche Legende und Geschichien, Eisleben 1840, en Moritz Alex. Zille: Geschichten der Chrisllichen Kirche, in Dichlungev, Leipzig 1811) hebben in gelijken trant en vorm, maar met minder genialiteit dan Herder, ook deze Legende bezongen. Hoewel ik aan de bewerking des eersten boven die des laatstgenoemden de voorkeur geve, zoo kan ik aan geen van beide Dichters hoogeren lof toekennen, dan dat zy de Legende vrtf getrouw in gladde verzen hebben teruggegeven, zonder nochtans van al de fijne trekken, welke het oorspronkelijk verhaal zoo overvloedig aanbood tot poëtische uitbreiding en schildering, zooveel partij te trekken, als het onderwerp had verdiend. Beweert men, dat hetzelfde vonnis ook eenigermate den Auteur van dit Dichtstuk treffen moet: ik ben de eerste om toe te stemmen, dat ik beneden mijn model ben gebleven, en ten volle overtuigd, dat deze Legende eene betere en schoonere behandeling dan de mijne waardig is. Men vergete nochtans niet, dat de Auteur, door het nauwkeurige en uitvoerige van dit verhaal wel te rykere stof ter bewerking vond, maar ook te meer is gebonden geweest en op zwarigheden heeft moeten stooten, welke hij bij eigene fictie beter had kunnen vermijden. Waar de opgave van het gebeurde uitermate kort was en veel te gissen overliet, heb ik gemeend dit te moeten aanvullen; overal,waar de duidelijkheid der voorstelling hierdoor winnen kon, vrij te mogen en iets te moeten verdichten; maar het verhaal zelf scheen mij te schoon en te heilig toe, om mij groote en veelbeduidende veranderingen daarin te veroorloven.

Ben ik hier en daar van de oorspronkelijke voorstelling afgeweken, ik zal daarvan meestal in de Aanteekeningen rekenschap geven.

Men heeft de aanmerking gemaakt, dat mijne inkleeding nog meer aan de eischen en regelen der kunst (welke, vooral in onze dagen, intrige vordert) voldaan zou hebben, indien ik mij de vrijheid had vergund, na het geheele verhaal aan één hoofddenkbeeld ondergeschikt gemaakt te hebben, het daar, waar mijn oogmerk dit medebracht, te veranderen; indien ik b v. het Goddelpe raadsbesluit, waardoor des jongelings behoudenis, ondanks zijn schrikkelijken val, voltooid wordt, tot thema gekozen, en van het begin tot het einde op den voorgrond had gesteld. Maar evenzeer ben ik overtuigd, dat de zedelijke strekking des verbaals niet weinig zou geleden hebben, indien ik, evenals in het oude e/w,mijnen Theagenes als het werktuig van een verborgen raadsbesluit had doen handelen. Naar mijn inzien is het eenvoudige thema van dit verhaal — geheel in overeen-

147

ocr page 160

AANTEEKENINGEN.

stemming met den geest en den hoofdinhoud des Evangeliums — „De mensch, hoe voortreffelijk van aanleg, kan allerdiepst vallen, maar, eenmaal gevallen zijnde, wanhope hy nimmer! Door de Goddelijke Liefde kan hy weder terechtgebracht en behouden worden.quot;

VOORZANG.

BI. 103. Waar zyt ge? o uitgebloeid verleden!

Waar vloodt ge, o gulden voortijd, heen? —

Wanneer ik de eerste eeuwen des Christendoms den gulden voortijd noeme, wil ik niet geacht worden, alles voor goud van he'; edelste gehalte te houden, wat toen heeft geblonken. Veel meer ben ik overtuigd, dat wij den oorsprong van enkele dwalingen, die de treurige verbastering des Christendoms, in latere tijden, hebben in de hand gewerkt, niet te vroeg in de geschiedenis kunnen zoeken. Maar ofschoon ik het daarom geenszins wage, als de onbepaalde Lofredenaar dier eerste eeuwen op te treden, zoo ligt het toch, dunkt mij, in den aard der zaak, dat wij den stroom het dichtst bij z\jn oorsprong het zuiverst zullen vinden. quot;Wanneer toch kon het Christelijk geloof meer zyn heiligenden invloed op hart en zeden bewijzen, dieper in het menschelijke leven ingrijpen, hooger geestdrift voor de zaak van den godsdienst doen ontwaken, dan toen dit geloof nog niet eene erfenis der Vaderen was geworden, maar uit eigen vrywillige overtuiging werd omhelsd en beleden; toen de groote gebeurtenissen nog versch in het geheugen lagen, waardoor de eerste vestiging des Christendoms was verheerlijkt geworden; toen men nog dezulken kon ontmoeten, wier oogen den Verlosser der wereld op aarde hadden aanschouwd, of op wier hoofd Zyne Apostelen zegenend de handen hadden gelegd ? Den beoefenaar der geschiedenis en der godgeleerde wetenschap blijve het dan aanbevolen, ook hier het kaf van het graan te ziften — den Dichter voorzeker zal het blijven vrystaan, de Apostolische eeuw bij voorkeur de gulden eeutc des Christendoms te noemen.

i.

BI. 105. — Thans had hij zijn schreden

Gericht naar Smyrna, de achtbre stad.

Weleer Homerus' bakermat.

Weer 't pronkjuweel der Grieksche steden----

„Hoe toch de latere geschiedschrijvers aan de wetenschap gekomen zijn, dat Smyrna, de beroemde handelsstad van Klein-Aziê, het tooneel van den inhoud dezer Legende geweest zy?quot; zóó vroeg ik langen tijd mijzelven af, daar Clemens van Alexandria wel ons mededeelt, dat de stad door sommigen wordt genoemd maar goedvindt den naam zeiven voor zijne lezers verborgen te houden. Maar eindelijk zie ik, dat de Schryver van het Alexandrijnsche Chronicon als deze stad Smyrna heeft aangeduid, een gezag, waarin de Auteur van een dichtstuk veilig kan berusten. — Ik heb haar Homerus' bakermat genoemd, niet, omdat ik dit voor onbetwistbaar zeker hield, maar omdat zij onder het aantal steden heeft behoord, welke zich die eer hebben toegekend, en men zelfs in hare nabyheid

148

ocr page 161

AANTEEKENINGEN.

den vreemdeling een grot aanwees, waar de onsterfelijke Dichter zijne onsterfelijke liederen zou hebben opgesteld. In het tijdperk, waarin Barthélémy zyn jeugdigen Anacharsis deze stad laat bezoeken, verkeerde zy in het diepst verval: later, omtrent het begin der Christelijke jaartelliug, verhief zy zich weder tot een nooit gekenden luister en bloei, waardoor zy al hare vroegere mededingsters overschaduwde.

BI. 106. U laat ik als een kostbaar pand,

Theofilus 1 dien jong ling achter.

Beide namen, van den Bisschop en van den jongeling, worden in de Overlevering verzwegen. Het stond mij alzoo vrij die te verdichten. Sommigen (ook Ponatus 1. c. p. 19), van de onderstelling uitgaanrle, dat Smyrna de in dit verhaal bedoelde stad zij geweest, willen aan Polycarpus, den beroemden leerling en kweekeling van Joannes, als den hier voorkomenden Bisschop, hebben gedacht. Dat noch Clemens Alex., noch Eusebius, hem uitdrukkelijk noemt, bewyst (wij belijden het) nog geenszins het tegendeel, daar dit stilzwijgen genoegzaam zou kunnen verklaard worden uit zekeren schroom, om den heiligen Martelaar in een min gunstig licht te doen verschynen. Maar het mag onze aandacht niet ontgaan, dat de bedoelde Bisschop of opziener der gemeente in dit verhaal reeds als een grijsaard voorkomt. Nemen wij thans aan, dat de Apostel Joannes omtrent het jaar 100 der Christelijke jaartelling, of kort daarna, is gestorven, en dat Polycarpus, tydens de vervolging van Marcus Aurelius in het jaar 169, als een zes en tachtigjarig grijsaard den marteldood heeft ondergaan, dan is dit verschil in leeftijd te groot, om het met den inhoud dezes verbaals te kunnen overeenbrengen. Ik kon het daarom niet over mij verkrijgen, Polycarpus met de rol dezes Bisschops te bekleeden. Ja, ik zou het eene heiligschennis hebben gerekend, zoowel aan de geschiedenis als aan zijne nagedachtenis begaan, alzoo eene vlek te hebben geworpen op het historisch karakter van een man, wiens leven en sterven de hooge voortreffelijkheid des Christendoms zóó luide heeft verkondigd. — Dat Cunz dezen Bisschop, evenals ik, Theofilus heeft genoemd, kan ik voor niets dan eene toevalligheid houden, daar ik bezwaarlijk kan onderstellen, dat deze dichter mijne Legende heeft gekend en gelezen.

BI. 108. En krone u met de kroon des levens,

Aan Hem getrouw tot in den dood!

Deze woorden zijn hier met opzet gekozen. Zóó toch wordt de verhoogde Heiland zelf, tot de gemeente van Smyrna sprekende, ingevoerd: Openh. II vs. 10.

BI. 108. Mijn kinderkens, bemint elkander!

Het is eene algemeene bekende overlevering, welke ons door Hieronymus {ad Galat. VI) is medegedeeld: dat de hoogbejaarde Joannes, toen hy reeds dicht aan zyn einde was genaderd, zoodat zijn hoofd op zijne borst lag gezonken en zijne voeten hem den gewonen dienst weigerden, zich door twee jongelingen in de vergadering der Christenen te Efeze liet dragen, en niet meer in staat zijnde eene aaneengeschakelde redevoering te houden, alleen deze woorden uitsprak: Kinderkens, hebt elkander lief! — Ofschoon de onbedrieglijke zekerheid ook hier moet blijven ontbreken, zoo heeft men toch geoordeeld, de echtheid van dit ver-

149

ocr page 162

AANTEEKENINGEN.

haal nauwelyks te mogen betwijfelen, omdat het zoo geheel de afspiegeling van de inborst en het karakter des edelen Apostels is. Ik wü hierop niets hebben afgedongen : maar voeg alleenlijk er bij, dat hetzelfde ook ten voordeele van den hoofdinhoud dezer Legende pleit.

II.

BI. 110. ---------

Had zij der Christnen tcalerdoop,

Op 't vurig uitgedrukt verlangen,

Op 't krankenleger nog ontvangen.

Keeds zeer vroeg schgnt het in de Christelijke Kerk gebruikelijk te zijn geweest, aan gevaarlijke kranken, wanneer dezen hunne vurige begeerte daartoe te kennen gaven, den Doop op hun leger toe te dienen. Dezulken werden, indien zy herstelden, clinici (iv r// yyivtj fianruó/nevoi) genoemd. Men hechtte nochtans aan zulk eene bediening dier plechtigheid ongelijk mindere waarde, dan aan die, welke op de gewone wijze door indompeling geschiedde.

BI. 111. Joannes zag hem — en beminde

Den schoon ontloken jongling 't meest.

Clemens Alex, beschrijft ons alleen den diepen indruk, door den eersten aanblik des jongelings bij Joannes teweeggebracht, en de gevolgen dier ontmoeting. Ik heb in deze en de volgende verzen, de belangstelling, welke de Apostel in zijn persoon liet blyken, op eene ongezochte wijze zoeken te «io/ireeren, en hieraan de voorkeur gegeven boven eene plotselinge en buitengewone verlichting des H. Geestes. Het onbegrijpelijke en stuitende van het denkbeeld, dat een jongeling, die zulk een voortreffelijken aanleg bezat en daarenboven, voor eene poos, de leiding en het onderwijs van een Joannes genoot, naderhand zoo diep heeft kunnen zinken, wordt, dunkt mij, geheel opgeheven, als men in het oog houdt dat Theagenes' eerste afwijking meer van zwakheid dan van bedorvenheid des harten getuigt. Het komt er dus slechts op aan, dat zijn versnelde voortgang in het kwade en zijn diepe val op eene menschkundige wijze worden verklaard.

BI. 112. Daar, waar de Hermus-stroom zijn vloed, enz.

Meles heette eigenlijk het riviertje, dat bij Smyrna zeewaarts vloeide, terwijl de Hermus, iets verder vandaar door de velden kronkelende, zijne wateren bij Phocéa in de zee ontlastte. Door de ouden werd echter ook de Hermus, als het grondgebied dezer stad besproeiende, nu en dan Smyrnensium amnis geheeten. (Men zie Pomponius Mela, de situ orbis, lib. I. c. 17, en aldaar de aanteekeningen van Vossius.) Ik heb daarom aan den meer aanzienlijken stroom de voorkeur gegeven. — iD de eerste dagen des Christendoms, eer men algemeen in de heiligdommen de doopvonten had ingericht, werden veelal de oevers van stroomen en rivieren tot de bediening des Doops uitverkoren. Velen der eerste Christenen, die niet te ver van Palestina verwijderd woonden, betoonden zelfs eene groote gezetheid, om in diezelfde rivier gedoopt te worden, waarin de Zaligmaker der wereld eenmaal die plechtigheid had ondergaan; gelijk blijkt uit het gezegde van Tertullianus: De haptismo, c. 4: „Het doet niets ter zake, of wij tot die gedoopten „behooren, welke Joannes in de Jordaan, of Petrus in den Tiber gedoopt heeft.quot;

150

ocr page 163

AANTEEKENINGEX.

BI. 113. De zon had mei haar laatste stralen,

Zijn hagelwit gewaad verguld....

De avond werd, meer dan de morgen of eenig ander gedeelte van den dag, tot de bediening des Doops gekozen. Niet enkel, omdat dit tijdstip, wegens de kalmte, alsdan in de Natuur heerscbende, voor zulk eene plechtige handeliug bij uitnemendheid geschikt was, maar ook omdat het aan de begrafenis van Christus deed deuken, waarvan de doop, of onderdompeling in het water, een zinnebeeld en afschaduwing gerekend werd. Verg. Rom. VI vs. i.

De doopelingen werden in het wit gekleed. Men zie nog andere merkwaardige bijzonderheden, omtrent de verrichting dezer plechtigheid onder de eerste Christenen, by W. Cave, t. a. p. deel I. bl. 316—349.

nr.

Bl. 116. Hield h'y den Doop voor '/ zuivringsbad,

Waarna geen smetstof der godloosheid Meer door zou dringen tol zijn ziel.

Zóó dacht Theofilus werkelijk, volgens hetgeen door Clemens Alex, in zijne vertelling verzekerd wordt; zóó dacht deze beroemde Kerkvader zelf, daar hij (in zijn Paedagogus, lib. I. c. 6.) den Doop, het eenige en al genoegzame geneesmiddel noemt, waardoor ons onze zonden vergeven, en w\j zeiven vernieuwd en geheiligd worden. En deze mystieke voorstelling van den Doop, ofschoon zij met het opgeklaarde leerbegrip der Protestanten ten eenen male strijdig is, hadden beiden met de meesten hunner tijdgenooten gemeen. Men vindt eene schoone uiteenzetting van het gevoelen der vroegste Christelijke Kerk omtrent den Doop, en van den invloed, welken dit op de geheele geloofs- en zedeleer der Christenen, ook in latere tijden, heeft geoefend, in het zoó belangrijke en lezenswaardige geschrift van den Eerw. J. A. Streso: Over den vroegeren staat van het Christendom; en vergelijke hiermede vooral de aanmerking des geleerden Schrijvers, in zijne verhandelingen over Constantjjn den Grooie en Charlemagne, bl. 66.

Bl. 116. Eens werd door Smyrna's dartle jeugd.

Die 't hoofd met rozen had versierd

Met blij gejubel feestgevierd.

Men heeft gevraagd, waarom men Theagenes by en na zijn val niet veel meer ziet handelen? — Ik heb gedeeltelik de gegrondheid dier aanmerking gevoeld en erkend, en daarom hier de beschrijving van een Heidensch offerfeest ingelascht, welke ons van Theagenes' eerste afwijking eene meer aanschouwelijke voorstelling geeft. Maar ook hierbij heb ik gemeend mij te moeten bepalen, en mij te onthouden van zyne wandaden, die hij verder ondersteld kan worden te hebben bedreven, en detail te beschrijven. Overigens moge op de hier opgeworpen vraag het volgende als antwoord dienen, omdat ik, door Theagenes als Roover te schilderen — óf vreezen moest, meer het gevoel van afgrijzen dan van deernis voor den jongeling op te wekken — óf aan de hoofdtrekken des verbaals geheel ontrouw wordende, den Rooverhoofdman tot een denkbeeldigen held had moeten vormen, die meer in de negentiende dan in de eerste eeuw van onze Christelijke jaartelling tehuis behoort.

151

ocr page 164

AANTEEKENINGEN.

BI. 118. -----en misschien,

In zak en assche en boetgebaar,

Geknield te liggen —--

Ofschoon de vier onderscheidene graden of trappen der boetedoeningen en de daarbij vastgestelde gebruiken en plechtigheden, van lateren oorsprong zijn, zoo behoeven wij niet te twijfelen, ot de kerkelijke tucht, reeds in de Apostolische eeuw, op vele plaatsen, met de meeste gestrengheid zij uitgeoefend geworden, en vele harde en vernederende voorwaarden aan de wederopneming der boetelingen in den schoot der gemeente zijn verbonden geweest. Na de schildering, welke ik van Theagenes' fier en eerzuchtig karakter had gegeven, kwam mij dit als een der gewichtigste bezwaren voor, welke aan de terugkeering en verbetering des jongelings in den weg stonden.

BI. 118. ^'oor hen, die 't Christljjk waterbad

Ontvingen, maar het deugdenpad Te snood afvallig ueer verlaten....

De hier bedoelde plaats is Hcbr. VI. vs. 4. Daar lezen wij: „Want het is onmo-„gelijk, degenen, die ééns verlicht geweest zijn — en afvallig worden, wederom „te vernieuwen tot bekeering.quot; Opmerkelijk is het, dat Clemens Alex., waar hij ons den doop des jongelings mededeelt, hetzelfde woord bezigt, dat ook daar voorkomt. Eigeniyk toch staat er in ons verhaal: hjj verlichtte {ecpchtióe), voor: hy doopte hem. Meer, dan waarschijnlijk is het alzoo, dat ook deze plaats door de eerste Christenen op den Doop werd toepasselijk gemaakt; ofschoon hieruit nog geenszins volgt, dat dit werkelijk de bedoeling des gewijden Schrijvers geweest zij. Zie Abresch, Paraphras, Ep. ad Hebr. t. a. p. — Ik heb bij Ponatus (1. c. p. 22) een aantal aanhalingen gevonden, waaruit blijkt, dat dit woord {(pcuziamp;iv) in de oudste Christelijke Kerk veelvuldig van den Doop werd gebezigd, en dat de doopvont nu eens [iaTtttóti'jQLOv dan weder (pcvtiót/joiov werd genoemd.

BI. 118. „/Fut komt me, als boetling, dan te stade/

„ f 'erbenrd, verbeurd is Gods genade/quot;

Wat hier door mij aan Theagenes in den mond wordt gelegd, zegt Clemens Alex, zelf met zoovele woorden: „Daar hij nu eenmaal de hoop op genade en „zaligheid, zooals die bij God te verwerven is, geheel had opgegeven, vergenoegde hij zich niet met het geringe of gewone.quot; De oorzaak van deze vertwijfeling, en het noodlottig besluit, dat daaruit voortvloeide, valt, na het vroeger aangeteekende, terstond in het oog. Daar men toch de plechtige toediening des Doops niet voor een zinneUeeld, maar voor de werkende oorzaak van vergeving en zedeiyke reiniging hield, zoo volgde hieruit vrij natuurlijk, dat hij, die desniettegenstaande tot afval van het Christendom, of andere ergerlijke zonden, verviel, als geheel van Gods genade vervallen verklaard werd. Zeer juist zegt daarom de Schrijver: Over den vroegeren staat van het Christendom: „Wie ziet niet, hoe „het één der onvermijdelijke gevolgen van deze leer zijn moest, dat een reeds „gedoopte, aan eenige grove misdaad zich schuldig makende, zichzelven als verboren moest beschouwen en dus tot wanhoop moest vervallen, of ook, in zijne „wanhoop, zich nu maar aan de ondeugd gewetenloos ten prooi moest geven?quot;— Op deze aan vertwijfeling grenzende moedeloosheid of (men vergunne mij dit

152

ocr page 165

AANTEEKENINGEN.

woord) baloorigheid van den jongeling, als geheel voortvloeiende uit de denkbeelden, die hem op dit punt waren ingeprent, wil Ik hier bijzonder de aandacht mijner Lezers gevestigd hebben. Zij dient toch, om zijn zóó diepen val, welke by zoovele goede en loOelijke eigenschappen lichtelijk een menschkundig raadsel schijnen kon, op eene bevredigende wijze te verklaren. Zij dient tevens, om het karakter van Tüeagenes in een gunstiger licht te plaatsen, en niets van de belangstelling, welke hij vroeger mocht hebben ingeboezemd, te doen verloren gaan. Bevindt men bovendien, dat ik het wangedrag des jongelings, dat in het verhaal zelf zeer scherp geteekend en sterk gekleurd is geworden, met eenige verzachting beschreven heb, men zal dit, indien men zich met de boven door mij aangevoerde aesthetische gronden vereenigen kan, ongetwijfeld billijken ')

BI. 119. Gelijk een fier, hardnekkig ros..

Dat aan zyn ruiter is ontsprongen.

Ik zou huiverig geweest zijn eene vergelijking, welke zóó dikwerf reeds gebruikt en daardoor algesleten is, hier te bezigen, indien niet Clemens Alex, zelf (gelijk uit zijn verhaal te zien is) mij daartoe aanleiding had gegeven. Ik heb daarom dit beeld behouden, in de hoop, dat de uitwerking niet zoodanig moge bevonden worden, dat ook op haar het vonnis der alledaagschheid evenzeer van toepassing zy!

IV.

BI. 122. Om thans in blinkend lichtgewaad

Gelijk die maag dl ijk reine zielen.

Die, vroeg als hy, aan de aarde ontvielen.

Het Lain ie volgen, waar 't ook gaat/

Men vindt hier eene zinspeling op Openh. XIV, vs. 4, waar Joannes, volgens de opvatting van sommigen, het oog op kinderen en vroegtijdig gestorvenen heeft. Over het geheel heb ik mij toegelegd, om den Apostel bij voorkeur zulke bewoordingen in den mond te leggen, als in zijne eigene schriften voorkomen. Het zal nochtans niet noodig zijn, den Lezer hierop gedurig terug te wijzen.

') De Auteur van het boven aangehaalde Nederduitsche vers schijnt van een tegenovergesteld gevoelen geweest te zijn, en gemeend te hebben, den jongeling niet zwart genoeg te kunnen maken: waarschijnlijk met het vrome doel, om het wonder zijner bekeering des te grooter te doen worden. Men hoore de (kieschel) beschryving van zijn val:

„Hij quam in vuyle lust en hoererij te vallen.

153

En voort in Dronkenschap en Gulsigheid te mallen;

Dies socht hij slechts vermaak in zijn godlose leven. En ging hem tot het schuym der boeven overgeven. Hij wierd haar Capiteiu; een schelm en moordenaar; Ja, door des Duivels list, van tijd tot tijd noch qua'er,

ocr page 166

AANTEEKENINGEN.

BI. 123. /fïe scJietsi het, wat uto hart gevoelde.

Joannes! in dien oogenblikf

Bij eene vergelijking van deze plaats met het oorspronkelijke verhaal van Clemens Alex., moet aanstonds een groot verschil in het oog vallen. Daar toch is de droefheid van Joannes nog veel hartstochtelijker en luidruchtiger dan van den Bisschop. By mij is dit geheel omgekeerd. Ik rekende het namelyk eenigs-zins beneden de waardigheid des Apostels, op zulk eene wijze aan zijn smartgevoel den vrijen teugel te vieren, en heb eene andere droefheid daarvoor in de plaats gesteld, welke, naar mijn inzien, meer met het fijn en diepgevoelende karakter van Joannes overeenstemde. De Lezer oordeele, of ik hierin wèl heb mogen slagen.

v.

BI. 127. En riep hij jan trend keer op keer:

„Geef mij mijn zaalge kindsheid weer/quot;

Velen myner Lezers zullen zich, bij deze woorden, den Nieuwjaarsnacht van een ongelukkige in de Gedachten van Jean Paul, en een tooneel uit die Rauber van Schiller herinneren. Gaarne belijde ik, dat beide plaatsen ook mij voor den geest hebben gestaan. Te ongelijk is nochtans mijne teekening aan de hunne, en te verre staat zij daar beneden, dan dat ik voor de beschuldiging eener slaafsche navolgiug zou behoeven te vreezen. In dit gedeelte mijns Dichtstuks heb ik my geheel van het veld der Overlevering op dat der Verdichting verplaatst, en my alzoo te vrijer kunnen bewegen. Beide droomen van den jongeling heb ik hier ingelascht, niet enkel om die ter opsiering van mijn verhaal te doen strekken, maar ook om den snellen overgang tot de ontknooping der gebeurtenissen te verzachten, en het antwoord op de vraag, waaruit zijne zóó plotselinge terugkeering en geheele zinsverandering te verklaren zij, eenigszinsgemakkelyker te maken.

BI. 130. Thans roeit hij 't nederstroomend vocht

Zijn hoofd en schoudren weer besproeien,

Ent Hemel.' 't is of van 't gelaat De vlek, die daar geteekend staat,

In tranen smeltend, weg gaat vloeien.

Men houde dit niet enkel voor eene dichterlyke speling. Clemens Alex, zegt in zijn verhaal, dat de jongeling in een vloed van tranen als ten tweeden male gedoopt werd. De schrijver in het Christelijk Maandschrift roemt zeer het schoone der vergelijking van de tranen des heroines met den Doop, en wijst ons op Valois, in zijne Aant. op Eusebius. Zij is echter minder het uitvloeisel van het vernuft des Schrijvers, dan van de begrippen van dien tijd, en daaruit geheel te verklaren. Men hield het namelijk daarvoor, dat de vergeving, welke men bij den Doop deelachtig was geworden, opnieuw verzondigd zijnde, niet weder te verkrijgen was, dan door den marteldood, of eene buitengewoon gestrenge boete. Daarom wordt de marteldood meermalen door de Kerkvaders de bloeddoop geheeten. Daarom wil Clemens de tranen des jongelings, als in kracht aan een tweeden Doop gelijk beschouwd hebben. Dit gaf mij aanleiding tot zoodanige voorstelling van den herhaalden Doop, als ik, hier ter plaatse, heb gebezigd.

154

ocr page 167

AANTEEKENINGEN.

Zijn rechterhand, met bloed bespat,

Die hy in 't kleed verborgen had,

Om haar aan *sgrijsaards oog te onttrekken, enz.

155

BI. 130.

Ik ben hier den inhoud van het oorspronkelijke verhaal vooruit. Eerst na de ontmoeting van Joannes wordt de jongeling voorgesteld, zijne rechterhand, daar deze met roof en moord bezoedeld was, in zijn gewaad verborgen te hebben gehouden; totdat de Apostel hein bewoog, haar weder te ontsluieren, en, zich voor hem nederwerpende, haar met kussen overdekte: aangezien (zegt onze geschiedschrijver) deze thans door het berouw gereinigd was. Of nochtans deze handelinquot; van Joannes het verheven karakter en den helder verlichten geest des Apostels ten vólle waardig zij, meende ik eenigszins te mogen betwijfelen. Ik wilde echter deze bijzonderheid (welke Eusebius in ziin verhaal onvermeld heeft gelaten) niet ganschelijk voorbijgaan, en heb haar daarom als een droombeeld, in de ziel van Theagenes opkomende, ingekleed.

BI. 139.

VI.

'/ Scheen Abbadona voor den troon Zijns rechters, als des Eeuwgen Zoon Den boetling, voor hem neergestort, 't ^Ontvang genade!quot; tegen/luistert.

Wat mocht ik eerder als algemeen bekend bij mijne Lezers onderstellen dan de treffende en beroemde Episode van Abbadona in Klopstocks Messiade; van Abba-dona, den gevallen Engel, in wien toch altijd de sporen van zijn voortreffelijken aanleg, van z\]n oorspronkelijke, verhevene bestemming zichtbaar blijven, en die eindelijk, wanneer zyne ziel door het, berouw is gelouterd, weder in zijn vorigen rang wordt hersteld? — Vinden wij in den Dichter der Messiade, waar h\j zijn Satan en Adramelech schildert, een reusachtig genie te bewonderen: zijn Abbadona herinnert ons, dat hij diepgevoelend en edeldenkend mensch en Christen was. Veilig achtte ik daarom eene vergelijking hieruit te mogen ontleenen. De echoone plaats, welke ik op het oog had, vindt men in den XIXden Zang vs. 130—200.

Bij het ter perse leggen van deze bladeren krijg ik in handen: „De Apostel Joannes in Klein-Azië. Critisch onderzoek van J. H. Scholteneene verhandeling, welke door den Hoogleeraar in de Koninklijke Academie van Wetenschappen is voorgedragen, en in het November-nommer van het „Theologisch Tydschrift, jaarg. 1871quot;, Is geplaatst. Waar, als resultaat van dit onderzoek, het beeld des Apostels, zooals de Christenheid zich dit tot hiertoe heeft gedacht, geheel in het niet terugzinkt, en zijn verblijf in Klein-Azië als geheel onhistorisch moet geschrapt worden, daar spreekt het wel vanzelve, dat van de echtheid en geloofwaardigheid of ook van zekere historische kern dezer Legende geenszins sprake kan zyn. Ik heb mjj hieromtrent in het bovenstaande met zooveel behoedzaamheid uitgelaten, dat ik zelfs, indien ik mij geheel aan de zijde des Hoogleeraars plaatste, daarin slechts betrekkelijk weinig zou te veranderen vinden. Bij al de grondige studie, welke wederom aan deze verhandeling is besteed, meen ik het nochtans bescheidenlijk daarvoor te mogen houden, dat het critisch onderzoek naar het verblijf van Joannes in Klein-Azië, wel verre van hiermede voorgoed

ocr page 168

AANTEEKENINGEN.

gesloten le zyu, pas geopend kan heeten, en dat tegenover het resultaat eener critiek, welke Laar scepsis tot het uiterste drijft, nog altyd zwaarwichtige bedenkingen zijn in te brengen. — Het is hier allerminst de plaats om een historisch-critischen strijd te openen, toch veroorloof ik mij een paar aanmerkingen, die geheel op deze legende betrekking hebben.

De Hoogleeraar acht het hoogst onwaarschijnlijk (bl. 65G), „dat de oude man (o IJqcju,) die na den dood van Domitiaan (t 98) nagenoeg honderd jaren telde, op dezen hoogen leeftyd nog te paard gezeten, en zelfs den vluchtenden roover-jongeling nagezet en achterhaald hebbe.quot; Intusschen heeft hijzelf zijne lezers er op gewezen, dat de dwingeland, na wiens dood Joannes zich van Patmos naar tyeze begeven hebbe, door Clemens niet wordt genoemd, en daaruit de gevolgtrekking afgeleid, dat de Domitiaan-legende zich eerst later hebbe gevormd. Is dit nu zóó, en nemen wij met den Hoogleeraar aan, dat de Apocalypse omstreeks het jaar G8 is opgesteld, dan zouden wij hier een ruim areren/f^-jarigen in plaats van een /lontZt-rci-jarigen grijsaard voor oogen hebben. Bovendien lees ik nergens in het verhaal van Clemens, dat Joannes den rooverjongeling heeft nagezet (?) en achterhaald, maar wel dat deze, worstelend met het gevoel van schaamte en smart, is blijven staan en den grijsaard heeft ingewacht.

Eeeds vóórlang was ik op het gevoelen gekomen, dat het vertelsel van Apol-lonius (zie bl. 6-21) als zou Joannes te Eftze een doode hebben opgewekt, en onze Legende in den grond voor identisch zyu te houden, dat namelyk de geestelyke opwekking van den jongeling tot een//Aymc/t wonder zal zyn vergroeid. Ik meende in dit verhaal zelve, in het antwoord op de vraag des Apostels „waar is de jongeling?quot; door den Bisschop gegeven: „Hij is doodquot;, eene niet onbelangrijke aanduiding en natuurlijke aanleiding tot deze veranderde voorstelling te vinden. Uit Scholtens verhandeling zie ik, dat ditzelfde gevoelen ook door Steitz („der Mon-tanismusquot;) is omhelsd en verdedigd geworden. De Hoogleeraar noemt dat gevoelen vernuftig maar toch onaanneembaar, omdat het verhaal van Clemens jonger is en als verhaal eener geestelijke opwekking, volgens den aard der Sage, aan hare versteening tot een lichamelijk feit moet voorafgaan. Het laats'.e wil ik gereedelijk toegeven, zonder daarom den bewijsgrond zeiven te mogen toelaten. De redeneering zou ten volle opgaan, indien Clemens zelfs voor den Auteur der legende te houden ware, in dien zin dat dit verhaal door hem ware verdicht geworden. Maar dit wordt door hemzelven met de sterkste bewoordingen weersproken, en zal kwalijk door iemand ondersteld worden. En nu vragen wij: is het niet juist om de genesis van het gelijksoortig wonderverhaal te verklaren, verreweg het waarschijnlijkst, dat aan onze Legende de prioriteit der wording is toekomende, en kan zij niet, zonder dat wij haar, by de schaarschheid van berichten uit de Christelijke oudiieid, vroeger geboekt vinden, reeds jaren lang in de Christenwereld als volkssage hebben voortgeleefd en rondgewandeld? — Zonder daarom voor hare echtheid te strijden, blijf ik aan deze Legende eene hooge aloudheid toekennen, en als zoodanig blijft zij mede tour Joannes* verblijf in Klein-Azië spreken.

•156

ocr page 169

DE ZELFOPOFFERING.

..... at' cT uoióal el; etog ig éteog AyvHSQihTeQaieisv tesiósiv icvamp;Qcbjtoig.

......Hoe hoog de tijd verjaart,

Steeds zij er schooner stof tot zoeter zang voor de aard!

Apolloniüs van Rhodus.

Omneveld als de zon, die, als de rukvlaag huilt,

Met dicht omsluierd hoofd in zwarte wolken schuilt;

Gehuld in duisternis, die zee en bajert dekte,

jtjer de adem van Gods mond den eersten morgen wekte; Geteekend met het merk des doods op 't aangezicht:

Zóó stond de mensch voor God, vervallen van het licht! Ach! Edens schoonheid was met Edens jeugd verzwonden; De zonde, die het beeld der Godheid had geschonden,

A erstoorde in t scheppingslied de zuivre harmonie.

En de eerste wanklank viel in 't rijk der poëzie!

Ach! zinlijkheid deed hier den mensch zijn beeld ontvallen; Nog is haar bloeiend schoon 't verlokkend ooft voor allen! Ach! zelfzucht bracht op aard den eersten gruwel voort. Die nog ons hart belaagt en nog onze onschuld moordt. Wat zag de sterfling nu, waar hij zijn blikken wendde? 't Ontspringen slechts van ramp en 't borlen van ellende! De hemel scheen niet meer met purpren glans omvloeid.

Maar als een ijzren schild verstaald en toegeschroeid.

De roos verschoot van kleur; vrij mocht de morgen gloren. Haar waas werd in den gloed des uchtends niet herboren. Of waar zij 't blozend hoofd door kruid en blaadren stak,

Daar schoot zij dorens uit, als men haar stengel brak.

Geen zefir blies; 't geruisch der afgestormde blaren Verkondigde den mensch, dat de aard zijn stof zou garen;

ocr page 170

de zelfopoffering.

En wroetende in haar boom, zijn moederschoot en graf,

Reet hij haar boezem op, of die nog laafnis gaf.

En gilde om voedsel. God! is dit de vorst der aarde?

Waar liet Gij hem zijn kroon, zijn ordeband, zijn waarde? Bezielde hem Uw blik, die aan den stofklomp hing?

Wend dan Uw aanschijn af, en spreek vernietiging!

Neen, anders wilde 't God! Uit de ongeschapen glansen.

Waar zich der sferen gloed in spiegelt aan de transen,

Koos Hij zich dienaars, schiep hun ziel en denkkracht in,

En vormde onsterfelijke geesten. Bij quot;t begin

Der wereld zongen zij in huppelende koren.

En zweefden nader bij, toen de aarde werd geboren.

Op 't ruischen van Gods geest, maar bogen 't aangezicht

Ter neder op hun harp, bij 't machtwoord: „Daar zij licht!quot;

Deze Englen, die onze aard beminden, zond Hij neder:

Zij brachten laafnis aan, de mensch beraamde weder;

Zij leerden hem den God, die in Hem spreekt, verstaan.

Als een verborgen stem onrustig 't hart doet slaan;

Zij schetsten in 't verschiet weer 't Paradijs ontsloten;

Zij lokten d'eersten traan uit meegevoel vergoten;

En de eerste traan, ontweid aan 't volgestroomd gemoed.

Versmolt den hemel weer, hergaf de roos haar gloed!

Zij leerden broedeimin den mensch tot grootheid priklen,

En zelfopoffering zich uit die sprank ontwiklen:

En zóó voert hier de mensch, waar hij haar vlam ontwaart,

Schoon hem zijn kroon ontviel, den schepter weer op de aard!

Omneveld als de zon, die aan besneeuwde kimmen.

Waar de avond vlokkig dons in wolkjes op deed klimmen.

Door purpren zoomen lacht, weerspieglend in den vloed,

Zóó straalt de mensch ons aan, die tintelt van uw gloed,

O ZelfopofMng, reine hemeltelg, die de armen

Geslagen houdt om de aard, waar gij haar kroost hoort kermen

De bronaar, waar ge uit vloot, is zuivre menschenmin.

En wat ge in 't harte werkt is deugd en hemelzin;

Het heil, dat de aarde u dankt, is leven, redding, zegen.

Die, waar ge nederdaalt, ontluiken op uw wegen!

Dat van uw heiige vlam één vonk mij 't hart doordring'.

En heel mijn lied doorgloei', als ik uw werking zing!

Vertoon me uw wezen! Blink in 't lichtgewaad, welks luistei

158

ocr page 171

DE ZELFOPOFFERING.

Wat in uw tooi zich momt, wegkrimpen doe in 't duister! Licht dat één traan te meer op aard wordt afgewischt.

Zoo ge uitblinkt in mijn zang, ook als die lauwren mist!

Maar hoe! wat schrikbeeld spookt, waar ik op lauwren oogde.

En bindt mijn geestdrift in bij de opvaart, die ik poogde?

Aanschouw dien vuurgloed aan Bengalens blakend strand!

De hemel kleurt er van, de zee weerkaatst den brand;

Aanschouw dien woesten drom barbaren, die er joelen.

Het zwangre zwerk gelijk, waardoor de stormen woelen;

Zij meerdren als de rook, die staag in 't klimmen wast.

En breeder wolken op verdikte zuilen tast:

Hun tierend feestgebaar is als 't geloei der vlammen,

Nu 't vuur de houtmijt scheurt en barst uit laag en dammen;

Zij mengen bij hun kreet schalmei en rinkelbom,

En de Echo van 't gebergt' geeft elk geluid weerom.

Als riep haar schorre kreet, door woud en rotsgewelven

Versterkt, aan de aarde toe: hier moordt de mensch zichzelven! —

Verdoolde, die zoo fier de houtmijt opstijgt, keer!

üw zuigling schreit van dorst; hij heeft geen vader meer;

Dit uur zal met uw gade u in den dood vereenen,

Maar op uw beider zerk zal 't kind van kommer stenen

En quot;t graf omkruipen. Word weer moeder! Zie, hoe grimt

Het doodlijk vuur u aan, dat langs de sporten klimt!

't Heeft, lekkend aan de schors, het ziedend pek verslonden;

Het knaagt de twijgen los, die lat en schraag verbonden;

Het spat in vonken uit; 't slaat golvend in de lucht;

Het speelt uw lokken door — voor 't laatst, rampzaalge, vlucht!

Vergeefs! zij slaat haar blik feestvierend nog in 't rondo.

Als stond ze in fakkellicht en bruidstooi aan haar sponde,

Als waar' de stervenskreet, die haar de borst ontschiet

Tot haar de damp verstikt, haar tweede bruiloftslied!

Vlam op nu, raatlend vuur, vlam op voor aller oogen!

Gun hun den wellust niet, dat zij 't aanschouwen mogen!

Een roode weerschijn gloeit op aller woest gelaat.

Maar geen, waarop de smart of schrik geteekend staat.

De uiteengerolde rook doet zelfs het zonlicht tanen;

De zee slaat doffer aan; de mensch.... blijft zonder tranen!

Mijn zangster, smoor die klacht van deernis; hoor, de lucht Weergalmt van woest geschrei en daavrend volksgerucht!

159

ocr page 172

DE ZELFOPOFFERING.

Zie, tripplend danst men aan met rinkels en niet vanen, Om d'afgod en zijn troon 't bebloemde spoor te banen;

Herken aan 't hoog ge vaart den god van Indostan!

Hij geeselt menschen, als het lastdier in 't gespan;

Zij grijpen zeel en koord en krommen zich in 't naadren . . Daar kneuzen zij zich 't hoofd te pletter aan de raadren! Ontwaak, geschokte geest, en gij, begoochling, vlied!

:k Zie zelfmoord, waar ik staar, maar zelfopoffring niet!

Gewis, wiens teedre ziel in 't wezen overvloeide

Der dierbre, die zijn hart als jongling reeds ontgloeide;

Voor wie hij bloemen, vrij van doornen, samenzocht,

En, dronken van gevoel, om lok en boezem vlocht;

Van wie hi] heldenkracht tot elke deugd ontleende;

Met wie hij vuurger bad, met wie hij zachter weende;

Aan wier aanminnig oog hij vol verrukking hing.

Als hem een hemel in haa\' aanblik openging;

Met wie hij blij de hoop der eeuwigheid zag blinken,

Maar met wier lijk 't heelal hem scheen in 't graf te ontzinken

Gewis, wie in dien strijd de dubble zege won.

Aan God gelooven en zijn aanzijn zeegnen kon,

Had meer besef van 't schoon, dat van uw wezen straalde,

Verheven deugd! dan hij, wien kracht ten leven faalde:

Oneindig grooter hij, die bij de rouwbaar knielt.

Dan wie met koortsig brein zich boven 't lijk ontzielt! —

Gij kiest uw woonplaats niet in sombre kloosterkrochten. Waar 't siddrend bijgeloof zich geesels heeft gevlochten; Gij eischt niet, dat de ziel door liehaamsmartling boet'

Voor wat er menschlijks spreekt in 't raenschelijk gemoed; Gij stichttet niet de zuil aan Nijl- en Tigerboorden,

Op wier verheven rand, in halfverstorven oorden.

De vrome bidder waakte in starreloozen nacht. Met overkruiste borst, en bede en boeteklacht.

Neen! schooner blinkt uw kroon en eedier is uw pogen: Gij brengt geen offer, dan om tranen af te drogen!

Ook 't leven is u zoet, waar gij voor andren leeft.

En om der kranken sponde als zeegnende Engel zweeft; Vraagt gij een martelkroon — het is voor 't heil der aarde. Of, wordt het leven zelf ontaadling van uw waarde,

160

ocr page 173

DE ZELFOPOKFEKING.

Dan staart gij door den nacht van d' ijdlen doodsschrik heen, Hoort slechts wat plicht gebiedt, en volgt die stem alleen.

Ja, lieflijk is dat beeld en hemelsch zijn die glansen,

Maar zoek geen starregloed aan overvvolkte transen!

Wacht niet, dat de aard haar kenn' of aan wijze aan haar boog! Hier leeft ze in poëzie, maar woont bij God omhoog;

Ot als ze, in neevlig licht, de aard van nabij omstraalde,

Geleek ze een vreemd gestarnt', dat uit zijn sfeer verdwaalde, ■Dat door den lichtstroom, die zich kronkelt aan zijn voet. Omlaag ontzetting baart, en woudren wachten doet!

Rijs hier, mijn zang; tuig hier, hoe mild zij werkte op aarde!

Schiet heller vonken uil! Hier geldt het menschenwaarde!

Zweef d' aardbol om, schouw tot zijn beide polen door,

En lok op 't maatgeluid de Zelfopoffring voor!

In 't Oosten, waar het licht van d'eersten morgen gloeide;

Waar Edens lusthof stond; waar 'smenschen kindsheid bloeide,

Als de eerste veldroos, die, door d' uchtenddauw bestrooid.

De losse zwachtels van haar boezem had ontplooid;

Waar hij als jongling 't eerst een steiler voetspoor drukte.

Den slagboom, die hem knelde, ontsloot en openrukte.

Zijn geest zich ophief en gestaag zich hooger wrong;

Waar de eerste liefde lachte, en de eerste dichter zong,

Die, door natuur gevormd, zijne ongekorte wieken

Deed blozen in den gloed van 's werelds ochtendkrieken:

Daar, Zelfopoffring, vloot ge in al uw volheid neer.

En gaaft, wat hij verloor, den mensch zijn adel weer!

Daar blonkt ge met een glans, die alles overstraalde.

Als nieuwgeschapen Zon, waar elke zon voor daalde.

Waar al, wat de aarde als groot bewondert, bij verdween.

Toon de Eengeboren Gods in 't sterflijk kleed verscheen;

Daar vierdet ge uw triumf, bij 't vlekloos Hallel menglen

Der in aanbidding om het Kruis gebogen Englen,

Toen 't Godgewijde lam als 't offer werd geslacht.

Dat ons, met God verzoend, den Hemel nader bracht;

Daar zien we uw wezen, bier slechts uw gekaatste schimmen,

Ddar Oostersch middagvuur, hier kwijnend avondglimmen.

Nog vaak, wanneer mijn oog zich ketent aan het strand,

Waar Palestina blauwt in 't vruchtbaar Morgenland,

Meen ik, in 't zacht geruisch der klaterende palmen.

161

ocr page 174

de zelfopoffering.

Den lof te hooren, dien de dichter van haar psalmen

Deed opgaan van zijn harp, toen hij uw broedertrouw,

Uw vriendschap, Jonathan, uw dood vermelden zou! —

'k Wil mee den schoonsten krans op Damons eerzuil drukken;

Ik staar zijn grootheid aan, met gloeiend zielsverrukken;

Maar eedler was uw feit, nog vromer uw gemoed:

Gij gaaft den vriend uw kroon, en 't vaderland uw bloed!

Nog hoor ik, bij 't geknars van de ijzren foltertuigen,

De moeder, die haar kroost bij 't martlen stemt tot juichen:

Zij tart in lofgezang uw goOn Epifanbs!

En telt u de offers toe, waaraan uiv wraak zich lesch'!

O wonder, dat haar God, u, dwingland, toen gespaard heeft.

Wiens naam ten eeuwgen vloek 't geschiedblad ons bewaard heeft!

Eer wordt het beeld bezield, waarvoor ge uw wierook spilt!

Eer vat de bliksem vuur, dien machtloos de afgod drilt:

Eer één der broedren hem de reukschaal toe zal walmen.

Een knie zal buigen, of geen Hallels uit in psalmen:

Sneeft, eedlen, sneeft gerust! uw bloed bevrucht den grond —

Een heldenteelt verrijst, waar vuur en pijnbank stond;

Reeds speelt uw eigen bloed om 't hart der Asmoneërs!

Reeds waart de doodsschrik rond voor 't zwaard der Makkabeërs!

't Geweld verlaat zijn prooi, waar 't aan de hartaar zoog.

Met feller martling in het moegefonkeld oog:

Daar klinkt weer Isrels God, die schepters deelt en kronen,

In 't schaatrend zegelied van Matatuias' zonen.

En meldt het heinde en veer, wat de aard met schrik vervult,

Hoe Juda's leeuw in schaaüw van Romes aadlaar brult!

Zóó zinkt de korenhalm, vertrapt en plat getreden.

Maar laat de korlen los, die zich met de aarde omkneden.

En de uitgeschoten kiem, bezwangerd met de vrucht,

In honderd halmen weer doen golven op de lucht.

Zóó zag men rijker oogst in milder wasdom bloeien.

Sinds Rome 't martelvuur op plein en markt deed gloeien.

En tallooze offers greep, wie vrij van plooi en glimp

Hun God aanbaden — niet den Dondraar van d'Olymp!

Hun naam stoof met hunne asch niet uitgegloeid daar henen:

De vlam, die hen verslond, heeft d' aardbol rondgeschenen!

'k Noem Polycarpus. ... en de traan, die 't oog ontschiet. Meldt eindloos meer zijn lof dan 't gloeiendst dichtrenlied!

162

ocr page 175

be zelf0p0ffek1ng.

Zie, in een kerker, zijn met dicht-oraschanste holen.

Waar slechts de menschheid weende, of vloek en lastring scholen,

De kreet der wanhoop gilde, op wuli'sels afgestuit.

Straalt Zelfopofïring 't schoonst de sombre hallen uit!

Daar ledigt Socrates de gifkelk op zijn sponde;

Zijn vrienden, in hun kleed gedoken, staan in 't ronde;

Hij toont hun 't ijdel spook, waarvoor men stervend schroomt-

Bewijst de onsterflijkheid, die reeds zijn ziel doorstroomt;

Onthult de waarheid, die, wie nog haar recht mocht schennen.

De wereld vroeg of spade in voller glans zou kennen.

Hij zwijgt.... zijn kleur versterft in stuipen van den dood: —

Bleekt ook de graflamp niet bij 't rijzend morgenrood?

Al zweegt gij hier, mijn zang! heel de aard verving uw klanken!

En zou haar bloeiendst heil aan zelfopoffring danken;

Haar lof doen staamlen, wat omlaag haar heeft aanschouwd;

Zóó houdt haar adel proef, zóó blinkt de keur op 't goud!

Wat redde n, Attika! van 't juk der Herakliden?

Wat leerde 't jeugdig Rome aan de aarde 't hoofd te bieden?

't Was, Codkus, 't was uw bloed, dat voor uw burgers vloot!

't Was, Curtius, uw graf; 't was, Deciüs, uw dood!

Wat God deed Sparta's arm die heldenveerkracht erven?

Gijzelf, Lycukgus, die een vaderland kondt derven!

Wat beuklaar stiet den schok van Xerxes' donders af?

Gijzelf, Leonidas, en de aanblik op uw graf!

(Nog waart zijn heldenschim, waar Hellas' dappren sneuvlen,

Die, vreeslijk in hun val, hun dooden op doen heuvlen.

Zoodat elk stortend lijk opnieuw een bolwerk is;

Tuig, Missolonghi's schaar! Tuig, Makco Bozaris!)

Wat gaf het Rome in 't hart, Porsenna's macht te trotsen ?

Waart gij het, Tiberstroom, of gij, Tarpeja's rotsen!

Neen, de arm van Cocles, die den stormram zal weerstaan.

Zichzelf zal offren of de vrijheid op doen gaan!

Uw grootheid, Scevola! die op uw wezen blikkert.

Veel sterker dan de vlam, die boven 't altaar flikkert!

V/at hett haar kapitool, dat de aard zijn schepter kuss'.

En sleept Karthaag in puin? Uw offer, Regulus! —

Ja, Rome en Griekenland, nog staren we op uw wonder! De zon, die ge op deedt gaan, ging voor de wereld onder,

Toch blijft uw schooner lucht, uw geest, uw volk ons bij.

163

ocr page 176

T

de zelfopoffering.

Kn wat de tijd verslond, horschept de Poëzij!

Zóó ziet men, waar uw puin vergruisd ligt en versmeten, Een bloeiende cypres soms wortlen door de reten.

Een lauwer groenen, die zich slingert om een graf,

En toont, hoe later tijd u hulde en lauwren gaf.

Gewis, het edelst schoon is op heur boom ontloken;

Maar schonk Ausoonjes lucht, die 't bruisend bloed aan 't koken, De deugd en de ondeugd zet aan 't vlammen in 't gemoed, Den mensch niet de eigen kracht, waarmee zij de aarde voedt? (Die in den wijnstok speelt en de olmen heeft omwingerd.

Waar langs zich tros bij tros, met gloeiend purper slingert, Dat schittert door het groen, den gouden tak gelijk,

Dien eens Eneas plukte in 't scheemrend doodenrijk).

Heeft niet het warmend vuur (dat in liionjes luchten Het koeltje dat er zweeft van teederheid leert zuchten, Dat schaars den hemel met een donker floers omwolkt.

Dat de aard, gelijk d' Olymp met goden heeft bevolkt.

En, in een dubblen vloed van stralen neergeschoten.

Homeer en Pindarus in de aadren is gegoten).

De zelfopoffring, 't meest gekoesterd door haar vlam. Die schaars in schraler lucht tot de eigen grootheid kwam? — Blik om naar doodscher streek, waar nooit de lente dartelt; Waar 't blaakrend vuur der zon door 't lijnrecht vonklen martelt, Of, waar in 't ruwe Noord de stormwind snerpt en raast. En voor de winterkou het stollend vocht verglaast;

Blik om u, of gij daar haar tempels aan kunt wijzen.

Of daar haar godheid troont, of daar haar outers rijzen? Welaan, verheven deugd, omzweef mij van nabij,

Opdat, waar ge u vertoont, uw lof voldongen zij!

Ginds, waar die woudstroom bruist en jaagt, in 't rustloos snellen Langs steile rotsen, die aan de oevers nederhellen.

Daar spant de middaglijn zich vlak om d'aardbol heen'

Daar brandt de lucht het felst, want heeter blaakt er geen! Hoe, heeft dit oord van schrik den mensch gedoemd ten leven? — Zie slechts, daar schijnt een boot de rotsen langs te zweven, Die met de golven kampt, nu afdrijft, dan weer wint; Een wilde roert de spaan; de moeder torst het kind,

Dat aan haar borst geklemd om hoofd en schouder dartelt, Of 't oog vest op den riem, die door het water spartelt;

C

164

ocr page 177

DE ZELFOPOFFERING.

Het luikt zijn oog en lacht, bevochtigd door een drop Van 't opgestoven schuim, en steekt zijne armen op,

En smeekt zijn vader mee in 't bruisend vocht te plassen; Maar zie, de wind steekt op, de golven slaan en wassen En rollen stuivend aan op 't vaartuig, dat zich heft.

Tot weer een hooger baar het overstelpt en treft,

En zwalpend inploft: God, nog wordt de hemel droever!

Daar staren man en vrouw met wanhoop weer naar d'oever! .,'t Is uit,quot; dus gilt hij, daar de spaan zijn vuist ontschiet, „Geen worstlend roeien.... maar ook quot;t jamren baat hier niet! „Veel zoeter is 't, mijzelf in 't gapend diep te smoren, „Dan eerst de stervensklacht van vrouw en kind te hooren!.... „Te toeven tot de boot nog éénmaal water drinkt:

„Wacht dan geen redding meer; dan kantelt ze om. of zinkt. „Mijn licliaam weegt het zwaarst, en, legt de storm zich neder. . „ „Houd op, erbarm u mijn'!quot;quot; zóó gilt de moeder weder, , „ Ik heb mijn kind gebaard, ik heb mijn kind gezoogd, „ „Thans is die bronwel in mijn borsten opgedroogd! „ „Bas leere uw hand uw zoon den taaien boog te omklemmen, , „Op rotsen kloutren en de branding door te zwemmen. ... „ „Mij voegt dit offer! mij....quot; quot; doch 't laatst gesproken woord Heeft niet de man verstaan — 't werd in den vloed gesmoord! Nu heft de boot zich op, dwars door de golven henen. En naakt weer d'oever, tot zij schuurt op klip en steenen; De vader beurt zijn kind aan land, van zielssmart stom, En 't knaapje vraagt ontsteld: „Komt moeder nooit weerom?quot;

Zelfs hoog op de Alpen, die geen struik of heester dragen. Waar 't eeuwig wintren blijft in lente- en zomerdagen. Aan wier verzilverd hoofd geen vlok of kegel dooit.

Schoon aan hun voet natuur gebloemte en halmen strooit;

Daar zoekt de kloosterling, den Gle,tscher opgetreden, Van d'Alpenhond verzekl, die snuffelt op zijn schreden, Den moeden wandlaar op. eer hij van kou bezwijmt;

Hij voelt niet, hoe de lucht door borst en longen vlijmt; Hij zoekt den broeder slechts den wissen dood te ontrooven. Die onder 't sneeuwdek schuilt en grijnst uit diepte en kloven. Daar draait hem 't duizlend hoofd, 't verstijvend bloed staat stil: Hij zinkt den mensch in d'arm, dien hij nog redden wil; Een windvlaag blaast een wolk van jachtsneeuw om hem henen. En rolt de lijken in, nu voor altoos verdwenen! —

165

ocr page 178

DE ZELFOPOFFERING.

Zóó Zelfopoffringl lacht uw hemelschoon gelaat,

Waar zelfs natuur versterft, maar 't menschlijk hart nog slaat!

Stijg Neerland, stijg van uit uw neevlen, uit uw dampen! Natuur gebood uw erf met storm en zee te kampen;

Gij mist den zuidergloed, waarop Ausoonje boogt;

Gij hebt uw kostbre have op welzand aangehoogd:

De zee bruist, maar gij slaat een gordel om uw leden;

Gij roert uw tooverstaf, en de aard bloeit voor uw schreden; Gij eert de menschheid en de Godsvrucht: zóó verrijst De zon, die 't schittrend spoor tot elke deugd u wijst. Nu wordt uw erf te klein om zooveel groots te omvamen: Uw zelfopoffring blinkt, zoover uw wimpels kwamen, Die Neerlands grootheid, reeds voor de aarde zóó geducht. Met Neerlands heldendeugd verkonden door de lucht: Als Claassens in het vuur, dat opslaat uit de kolken.

Zijn schip en Neerlands vlag mee opvoert naar de wolken; Als Schaffelaaiï den sprong neemt van den torentop; Als Rüyteb 't barstend puin smakt op Kastieljes kop; Als Hambboek 't manlijk hoofd, dat buigen wil noch vlieden, Der moordbijl, als 't rantsoen voor velen, aan komt bieden; Als Beiling, 't woord gestand, dat hij zijn haters gaf. Den doodsslaap inslaapt in het versch gedolven graf. —

Waarheen, mijn zangeres? wat voorwerp zoudt gij kiezen?

Gij telt die eedlen niet, gij zoudt u zelf verliezen!

Tel eerst de golven, die zich breken aan dit strand,

Tel eerst hun paarlen op, eer gij uw vleuglen spant!

Wat stort ge u in den roem van zaalger voortijd neder?

De Zelfopotfring rees met Neerlands volksnaam weder!

Waar ginds het heuvlig strand den woesten storm weerstond,

Eer de ingeplaste zee ons open erf verslond:

Toen de ongetemde orkaan de hooggepluimde baren

Op kust en dammen dreef, als dichte legerscharen;

Toen hij de wrakken strooide als neergepletterd puin;

En d'eersten geesel sloeg en brak op Hollands duin:

Daar stond ze in d'ouden gloed en schitterde als voor dezen;

(Hij, wie den mensch veracht, ga daar zijn grootheid lezen!)

Wie Naekebout vermeldt, vergete of zwijge 't niet.

Wat aan uw zandig klif. Huisduinen! is geschied.

Wie tot der vaadren lof nog Claassens' naam blijft noemen,

166

ocr page 179

de zelfopoffering.

Hoe zou hij u, van Speyk! uw heldendood niet roemen? TJ blijft, al de eeuwen door, een gloriezuil gesticht.

Zoolang aan Egmonds kust uw vuurbaak 't strand verlicht! Daar vind ik Neerland weer en op mijn erf mijn vaadren! Daar kan ik ongeschokt ook Neerlands val zien naadren; Toon' slechts dezelfde deugd, op 't ons ontzinkend vlot. Nog trekken in den mensch van 't heerlijk beeld van God!

Wanneer, bij 't flauwend licht en 't deinzend kleurgewemel, 't In weelde zwemmend oog zich opheft naar den hemel. En rustloos starend zich verlustigt in de pracht,

Waarmee de Orion gloeit in een Octobernacht; — Dan schijnen star bij star met tintiend vuur te heevlen. En stelsels groeien aan uit dun gezaaide neevlen;

De vlotte ziel vaart op, tot haar een duizling wekt, 't Bewustzijn haar hergeeft, en weer naar de aarde trekt — Keer zóó, mijn zangster, keer! reeds is uw pleit voldongen; Gij stamelde op uw luit, wat boven de Englen zongen: Wèl hem, die de aard verlaat, omdat hij de aard bemint. En bij haar lofgeschal den hemel open vindt! —

A. ANTEEKEN INGEN.

Dit gedicht werd door het Genootschap: Tot nul en heschaHng te Amsterdam, in het najaar van 1826, met den tweeden eereprijs bekroond. De eerste was aan den heer E. M. Calisch toegekend, wiens gedicht op ditzelfde onderwerp vroeger mede in het licht is verschenen. Het werd in de Jaarlijksche algemeene vergadering (Jan. 1827) door mij voorgedragen (bij welke gelegenheid ook de uitreiking der zilveren medaille plaats had), en later in het derde deel van de werken des Genootschaps opgenomen.

Bij de inzending van dit dichtstuk verklaarde ik ten volle van zijne onvolledigheid en het gebrekkige dezer jeugdige dichtproeve overtuigd te zijn. Behoef ik te verzekeren, dat die overtuiging zich met vernieuwde kracht aan mijn geest heeft opgedrongen, nu ik — na eene tusschenruimte van zoovele jaren — nogmaals myn arbeid overzie, en dien aan eene gestrenge herziening onderworpen heb? — Zoo aan dit dichtstuk geenszins alle waarde mag worden ontzegd, het zal die het minst aan de volledige of wijsgeerige behandeling vanditzoo schoone en veelzijdige onderwerp kunnen ontleenen. Zoo dezelfde stof thans door mij moest bezongen worden, zou zy lichtelijk van eene geheel andere z\jde door mij opgevat en beschouwd worden. Voor zooverre mijzelven nochtans eenig oordeel over de voortbrengselen van mijn jeugdigen leeftijd toekomt, schroom ik niet te belijden, dat ik voor dit gedicht altijd eene bijzondere genegenheid heb behouden, niet enkel omdat daaraan streelende herinneringen voor mij verbonden zijn.

167

ocr page 180

AANTEEKENINGEN.

maar ook omdat dit gedicht, in weerwil van zijne wezenlyke gebreken, in mijn oog de blijken draagt van de volle uitstorting te zijn geweest des dichterlijken gevoels, en zich door zekere frischheid der verbeeldingskracht onderscheidt. — Het daarin uitgedrukte hoofddenkbeeld is dit: „Zelfzucht bracht de zonde voort en verlaagt den sterveling het diepst. Zelfopoffering verheft hem het hoogst en doet hem weder het dichtst aan het ideaal der menschheid naderen, waartoe hij naar zyn oorspronkelijken aanleg was bestemd.quot; Nadat is aangewezen, wat niet,

wat wèl met den naam van zelfopoffering in den edelen en verheven zin des woords mag bestempeld worden, wordt dit door een vloed van voorbeelden gestaafd, zooals die, in de oude en nieuwe geschiedenis, en over de geheele aarde zyn verspreid.

BI. 161. Daar, Zei fop offring, rloot ge in al uw volheid neer.

En gaa/t, tcat hij verloor, den mensch zyn adel tceer f

De Christen blijft den dood van den verheven Stichter van zijn godsdienst als het schoonst en alles overtreffend voorbeeld van ware zelfopoffering beschouwen.

Zonder beleediging en trotseering van anderer godsdienstige overtuiging (het Genootschap vindt z\|n werkkring het meest onder beschaafde en geletterde Israëlieten) kon of mocht nochtans deze hoogst teedere snaar hier niet worden aangeroerd. De bewustheid van alzoo voorbij te zyn gegaan, wat anders in de eerste plaats had dienen vermeld te worden, liet zeker gevoel van onvoldaanheid by mij achter, en dit was eene der redenen, waarom ik later nimmer tot de plaatsing of afzonderlijke uitgave van dit gedicht heb kunnen be.-luiten, waartoe mij. door de heuschheid van H.H. Bestuurderen gereedelijk de vergunning zou zyn verleend. ~ Thans is dit bezwaar opgeheven. Te luide hebik elders in mijne gedichten myne christelijke overtuiging doen spreken, dan dat ik het verwyt zou behoeven te duchten,

dat in mijne poëtische voortbrengselen het christelijk element te veel wordt ge-mfst. Maar ook thans behoefde ik niet langer geheel daarvan te zwijgen. Ik heb daarom de snaar, die in de hierboven aangehaalde regels even begon te klinken,

luider doen hooren, en het denkbeeld, dat toen reeds in mijne ziel aanwezig was, in de nu volgende regels ten volle uitgesproken.

BI. 166. JFie Naerebout vermeldt, vergele of z te ij ge 't niet,

Jf'at aan tiw zandig klif, Huisduinen/ is geschied.

Toen ik dit gedicht in 1827 voordroeg, was er zekerlijk niemand onder mijne tcehoorders, die niet, ook zonder dat de naam van Huisduinen genoemd was, ten volle begreep, dat in deze regels gezinspeeld werd op het merkwaardig en schitterend voorbeeld van zelfopoffering, 't welk, even vóór den ontzettenden watersnood van 1825, te dier plaatse bij de redding van schipbreukelingen was ge- lt; geven. Wat toen algemeene geestdrift had verwekt, ia thans reeds uit veler ge-heugen gewischt. Wat toen versch in de herinnering lag, vereischt thans dringend eene aanteekening tot opheldering.

Wij deelen daaromtrent, als uittreksel uit de Haarlemsche Courant van 23 October 1824, het volgende mede:

Op den 14deu October 1824 werden niet verre van Huisduinen een schip en een brik door den hevigen storm van hunne ankers gerukt en aan het strand geworpen. Nauwelijks had deze treurige maar zich door het dorp verspreid, of eene sloep (toebehoorende aan J. De Groot) werd, door paarden getrokken, nabij de plaata des ongeluks gebracht, om het bedreigde leven der bemanning te red-

168

ocr page 181

A AN T E EK EN ING EN.

den. Zeven van de wakkere sloeplieden sprongen daarin en staken met dit oogmerk van wal, maar ten gevolge van de hevige branding en het verlies van enkele riemen, waren zy genoodzaakt weldra weder het strand te kiezen; dat zy niet dan met de uiterste moeite en krachtsinspanning bereikten. Hierdoor echter geenszins afgeschrikt, wilde men eene tweede poging wagen. Ariën Cornz. Kramer en Corn. Zuidewind snelden met andere riemen aan, die zij, tot meerderen spoed, aan de staarten hunner paarden hadden gebonden. Nevens hen plaatsten zich vijf anderen (L. De Wit, R. Kruk, R. G-roeneveld, J. Bun en W. J. Bergman) in de boot, en werkelyk gelukte het hun thans de branding meester te worden, het schip op zijde te klampen en elf schepelingen behouden aan wal te brengen. De kapitein, stuurman en bootsman waren alleen nog achtergelaten. Tot hun behoud zou eene derde poging dienen. Maar toen men voor de tweede maal het schip bereikt, en reeds de achtergeblevenen ingenomen had, werd de sloep door eene IJselijke stortzee beloopen en omvergeslagen, met dit ontzettend gevolg, dat allen die zich daarin bevonden (met uitzondering van Reindert Kruk) als loon hunner menschlievende pog ngen hun graf in de golven vonden. Onder het hartbrekend gejammer van vrouwen en kinderen stak wel aanstonds eene andere boot af, tot redding van hen, die men nog zag dobberen op de golven, maar vruchteloos zocht men hen te bereiken. In deze boot bevond zich ook de vader van Ariën Kramer. Toen hij, bij het tweede vertrek der sloep, in plaats van zijnen zoon daarin wilde springen, werd hij door dezen met geweld teruggehouden. flZou een vader voor zynen zoon gaan?quot; sprak de heldhaftige jongeling. „Neen! mijne krachten zijn nog toereikend genoeg!quot; — En nu ontwaarde hij zijnen moedigen zoon, die zich nog op een riem wist boven te houden, worstelende met de golven. „Vaderlquot; riep de jongeling hem toe, „kunt ge nog een ander redden, beproef dit dan eerst, want ik kan het nog wel wa uithouden.quot; — „Neen, mijn zoon!quot; was het wanhopig antwoord des vaders, rwij kunnen noch u, noch anderen redden.quot; — „Nu,quot; riep hierop de jonge Kramer hem toe, „groet dan de mijnen! In de eeuwigheid vinden wij elkander weder!quot; — Wij noemen dit daden, eenen Woltemade en Naerebout waardig.

BI. 167. U blijft, al de eeuwen door, een gloriezuil gesticht,

Zoolang aan Esmonds kust utc vuurbaak 't strand verlicht!

Bij het besluit van Koning Willem I, werd de noordelijkste vuurtoren te Eg-mond aan Zee bestemd, om. met gepaste verfraaiingen en opschriften versierd, tot een gedenkteeken der zelfopoffering van Van Speyk te dienen, en bepaald, dat dit gebouw den naam zou dragen van Jan Fan Speyks Toren. Een deel dier versieringen moest bestaan uit een standbeeld van den Nederlandschen Leeuw, door den heer Royer gebeeldhouwd. De leeuw, met den voorpoot op een stuk geschut, dreigt eiken aanrander dood en verdelging, en rust met de achterpoo-ten op de Nederlandsche vlag. — Het onder dit dichtstuk geplaatste jaartal maakt de herinnering schier overbodig, dat deze vermelding van Van Speyk van latere dagteekening is. Zeer gemakkelijk viel het mij echter die vermelding hier in te lasschen, daar ik, zonder aan Van Speyk te kunnen denken, genoegzaam toen nog reeds hetzelfde denkbeeld had uitgedrukt. Vroeger luidden de hier aangehaalde regels dus:

Daar ziet der vreemden oog, op Hollands duin gericht,

Hoe zelfopojfring hier als baken 't strand verlicht!

169

ocr page 182

AANTEEKEN1NGEN.

Ten slotte laat ik bier nog de dichtregelen volgen, na het ontvangen der zilveren medaille door mü uitgesproken. Zy vormen met het dichtstuk, waarvan zy in korte trekken den hoofdinhoud opgeven, één geheel, en mogen aan Be-stuurderen des Genootschaps (voor zoo velen zij nog in leven zyn) de dankbetuiging vernieuwen, bun vroeger toegebracht, voor de vereerende aanmoediging welke de zanger dezer bladen, bij de eerste intrede zijner poëtische loopbaan,, by hen gevonden heeft.

Wat gaart ge een handvol lauwerblaren.

En strooit ze een jongling voor den voet.

Die bier, in eerstontloken jaren.

Met ruwen zang uw koor begroet?

Mij voegt het u het hoofd te oniblaadren;

Gij schoot mij de eerste vonk In de aadren;

Gij schiept den grondtoon van mijn lied;

Ik heb van 't beeld, mij voorgehangen.

Één lichtstraal aan 't penseel gevangen.

Maar schetste 't in zijn volheid niet.

Daar staarde ik op de Hemeltrekken,

Der zelfopoffring toegedeeld,

En zag den adel zich ontdekken.

Die afblonk van 't oorspronklijk beeld;

Ik zag hoe schoon ze in 't Oosten straalde.

Het licht gelijk, dat nederdaalde,

En op de ontplooide vleuglen glom Der neergebogen Cherubinen,

Geschaard om de ark des Ongezienen,

Als troonwacht in Zijn heiligdom.

Ik zag in 't Zuid haar luister glimmen.

Den glans gelijk, die Tempe omvloeit,

Als 't morgenrood van de Oosterkimmen

Penéus zilvren stroom ontgloeit:

Ik zag haar boven zandwoestijnen,

In halfverstorven oorden schijnen,

Als 't tintien van den regenboog:

Ik zag haar tot in 't Noorden vonklen,

Gelijk de stralen, die zich kronklen,

Als 't Noorderlicht ontspringt voor 't oog!

Toen riep ik: Dichtren, zwijgt niet langer!

quot;Wèl hem, die hier naar de eerkroon dingt En met al 't vuur van d' echten zanger

Het edelst schoon der menschheid zingt!

Heil mij, wiens borst dit doelwit blaakte!

Heil hem, die booger 't beeld volmaakte

In trouwer scbildring, stouter lied!

quot;Wie 't schoonst die grootsche taak vervulde —

Ziedaar, wie recht heeft op uw hulde.

Maar flauwer schets en zangtoon niet!

170

ocr page 183

AANTEEKENINGEN.

Deed hier die zang mij 't eerloof winneu: Ontwaakt tot hooger vlucht myn geest! Zweer hier verrukt den raensch te minnen!

Dit offer tuigt uw dank het meest!

Hier, waar Beschaving werkt ten zegen,

Hier straalt de menschenliefde ons tegen En 't rein gevoel voor 't Schoone er bij; En waar van beider vuur te gader De werking gloeit in hart en ader,

Diiar stijgt de mensch zijn oorsprong nader. Daar, Zelfopoffring, flonkert gij I

ocr page 184

LYRISCHE POËZIE.

PALESTINA.

Wat herdren zie ik eenzaam dwalen, De heuvlen langs, de velden door?

De lach der blijdschap siert de dalen. De vrede graast de kudden voor;

In scha:luw van palm en dadeltrossen.

Of Mamres statige eikenbosschen.

Heeft de eenvoud hun een tent gesticht;

Eu ouder 't wulfsel van de blaadren

Staat voor d' onzichtbren God der Vaadren Het geurend outer opgericht.

Wat heerlijk oord! wat vloed van kleuren Omstraalt en glanst der bergen top!

Het koeltje wasemt ambergeuren En de aarde heft een Eden op.

Hier schijnt de dagtoorts niet te wankeu;

Hoe schittrend kaatst de vloed haar spranken En 't wolkloos blauw des hemels weer!

'k Aanschouw, verplaatst in vroegere eeuwen,

't Gezegend erfdeel der Hebreeuwen, —

Thans d' erfgrond van hun kroost niet meer

Do voortijd wijkt — de blijde schimmen Versmelten met dien heldren glans;

Het morgenrood ontvlucht de kimmen. En droevig schemert de avond thans;

Nog speelt de Kison langs zijn boorden;

Nog siert hij de eertijds vruchtbare oorden. Door 't zilver van zijn vloed bespat:

ocr page 185

palestina.

Zóó sierde in lang vervlogen jaren Een zilvren band de vorstenharen,

Toen Juda nog ten zetel zat.

Wat wondren ook de tijd moclit sloopen;

Wat roof werd der verganklijkheid, — Nog rolt het vergezicht zich open,

Waar vol verrukking 't oog in weidt: Nog zwiert ge, aan Hermons heup ontwrongen. Met losse en dartle watersprongen

In de eigen kronkling voort, Jordaan! Nog ziet het oog den Karmel klimmen, Nog blijft, schoon de eeuwen hem begrimmen. Zijn kruin in jeugdig feestgroen staan.

Waartoe, Natuur! vol pracht ontloken?

Hier straalt geen vroegre luister meer! Ach! Juda's schepter ligt verbroken,

Zijn ster verrijst in 't Oost niet weer!

Verlies dan, Sarons roos, uw geuren!

Verbleek', verschiete uw waas van kleuren.

Zóó vroolijk door het groen geward!

Vergeet, Jordaan, u voort te spoeden.

En draag niet meer uw breede vloeden.

Zóó fier de Doode Zee in ?t hart!

Waar schrik en dood dat oord ontvolken,

De orkaan steeds nieuwe kracht vergaart; Waar neevlen rijzen uit de kolken.

Wier solverdamp de lucht bezwaart;

Waar 't rijsje, aan den grond ontsproten, Verkwijnt, eer 't wortel heeft geschoten.

En de aard verstuift, uit asch geteeld:

Daar spiegelt zich in 't vlak der baren,

Die vaal en doodsch om de oevers waren, O Palestine, uw droevig beeld!

Maar hoe? zou smaad uw erfgrond drukken.

Al zonk uw Tempelstad in puin;

Al sprong de diadeem aan stukken.

Geslagen eens om Sions kruin?

173

ocr page 186

palestina.

Neen! Hoe u 't woên des tijds bejegen',

Hier stroomde 't licht den volken tegen,

Dat nog met middagluister blinkt:

Hier rees de zon aan quot;s Hemels bogen,

Die 't aardrijk heeft den nacht onttogen. En nimmer weer ten avond zinkt !

O heil, Kapernaüm, uw oorden.

Voor 's Heilands voet de plek der rust!

O heil, Genézareth, uw boorden,

En 't stroomnat, dat uw stranden kust! Vermeld mij in een lieflijk ruischen.

Wat lied ge uw golven leerdet bruisen.

Toen Jezus langs uw oevers trad;

En leid mij naar die heiige streken,

Waar Jezus, 't volksgewoel ontweken, In 't heiligdom der schepping bad!

O, mocht mijn oog dat oord begroeten.

Door d'aanblik van Gods Zoon bezield! Ik bond de schoenen van mijn voeten,

Waar Jezus eens heeft neergeknield.

Mocht daar Natuur me een toon herhalen Van 't lied der Hemelsche Koralen,

Dat fluistrend zacht aan de aarde ontsteeg, Toen slechts hun vleuglen, die ze ontspreidden, Lofruischend Jezus' roem verbreidden.

Maar heel de schepping bad en zweeg!

Nog zegt men, als door 't groen der palmen

Het avondkoeltje luwt en beeft.

Dat soms hun loof een stroom van galmen

En harpakkoorden van zich geeft;

Dat soms een lied wordt aangeheven Door Englen, die lofzingend zweven

Om Bethlehem en Golgotha.

De Thabor kroont zich 't hoofd met stralen; De Olijfberg viert zijn zegepralen En galmt het „driemaal heiligquot; na!

ocr page 187

palestina.

Een rijsje, aan den tronk ontsproten

Van Jesses uitgedorden stam,

Dat, snel en krachtvol opgeschoten. Den rijksten blaadrentros bekwam. Spreidt thans zijn schaduw op de volken, Verbergt zijn toppunt in de wolken.

En ruischt den dag van heil ons aan, Wanneer, zoover de zon zal blinken. Het Hallel voor één God zal klinken, Aan Christus 't loliied op zal gaan.

Dan heeft uw glorie uitgeschenen.

Gij, weiflend licht der halve-maan! En waar nu Sions dochtren weenen,

Zal de eertropee des Kruises staan; Dan vindt gij, wat uw ziel kan troosten, Gij, droeve ballingen van 't Oosten,

Gij zwervend kroost van Abraham! Als :t Godsrijk komen zal tot allen.

Dan is de blinddoek weggevallen.

Die aan uw zielsoog 't licht ontnam.

Verhef dan, Libanon, uw ceder.

Zijn blaadrenkroon uiteengespreid!

Rijs, Jüda's leeuw, herrijs dan weder,

Maar slaap, zoolang die glorie beidt! Tier, Sarons roos! Bloei, groen der dalen! Dat dan een dubble bundel stralen O Palestine! uw erf beschijn! — Of —• blijft u langer nacht omringen — Toch zult ge in 't lied der Hemellingen, Als zij van Gods genade zingen, Het lustoord van de Schepping ziju!

175

ocr page 188

de lofzang der schepping.

DE LOFZANG DER SCHEPPING.

na het bezoek der hots te **.

Ja, 'k heb de rots gedrukt, die de eeuwen heen zag vlieden.

En 't was. alsof die rots me ontzonk;

Alsof, toen ik, geknield, haar Schepper de eer zou bieden,

Gods heerlijkheid me omscheen, en mij in de oogen blonk: Ik zag Natuur zich 't hoofd met feestgebloemte omtuilen; Ik woog de krachten af, die in haar wondren schuilen; — Een rond en blauwend schild geleek de hemel nu;

'k Zag de aarde als doek ontrold voor de oogen;

(Zacht huivrend als een harp, zóó werd mij 't hart bewogen!) Ik peinsde, o Eeuwigheid, op U!

Beklaagbre sterveling, bij wien nooit spronken gloorden Van 't heiligst zielsgevoel, van 't reinst verheffend vuur! Hij is een wanklank in de akkoorden

Van Gods eenstemmige Natuur!

Hij kan, de Godheid lastrend, zwijgen,

Maar niet den Hymnegalm verbieden op te stijgen.

Die hier uit rotskloof rijst en dal:

Eer zal de tand eens worms het hart der rotsen schenden. Eer slaat een spelend wicht den gordel van heur lenden. Eer hij dien lofzang smoren zal!

Maar hoe? — zingt alles d'Ongeschapen?

Hief ooit dat zwijgend rotsgevaart Zijn kale en grijsgekleurde slapen (Als de aard haar Psalmen slaakt) feestvierend hemel waart? Ja, als bij 't raatlen van Jehova's donderwagen,

De hemelen zijn naam, in vuur geschreven, dragen,

Herhaalt de rots de stem, die de aarde ontzag gebiedt; Ook, als de heesche stormen spreken.

En op den rug dier rotsen breken.

Leent zij een toon te meer aan 't rollend Scheppingslied.

En als de Nacht voor 't uchtendkrieken

(Haar sluier samenplooiend) vliedt, En 't stargeflonker op baar wieken Door goud en purper dooven ziet:

176

ocr page 189

DE LOFZANG DEK SCHEPPING.

Dan steekt die rots, met morgenstralen Omkranst, liet offer aan, waarmee de bergen pralen.

En wekt den galm der aarde alom;

Gelijk bij 't gloên der offeranden.

Een priester 't reukwerk zwaait, in onbesmette handen, En voorgaat in het heiligdom.

Herroep, mijn geest, nog ééns den aanblik, die u streelde!

En zwijm dan weer, mijn starend oog!

't Was meer dan Englenlach, die door de Schepping speelde. En 't hart sloeg aarde en ramp te hoog.

Roep weer wat zoo mijn ziel verrukte:

't Gebergt', waarop een krans veelkleurig loover drukte!

Die beemden, rijk in tooi, bezield door d'adem Gods!

Dat slot, met torenrand en uitgesleten hallen.

Waarop de zon haar licht deed vallon.

Geslagen als een kroon om 't voorhoofd van een rots!

Ziedaar 't bedwelmend schoon, wat zoo mij schokte en roerde. En 't oog mij scheemren deed, als van den gloed der zon;

Wat mij geheel mij zelv' ontvoerde.

Daar 'k nauw de Schepping zelv' mijn hulde weigren kon! — Licht zag ik u voor 't laatst, o weeïge lustwaranden!

Maar — sloop' de tijd hier boog en wanden,

Knakk' hij dien band van 't slot, dien gruizend als een riet: Die rots, wat haar de tijd ontplonder',

Staat rustig, ongeschokt er onder.

Ze is 't beeld van God, en wankelt niet!

'k Verlies me in U, Natuur! hoe zich mijn denkkracht keere;

'k Hervind me in 't middelpunt, waarom quot;t Heelal zich kringt. Sla hooger tonen aan! vermeld des Eeuwgen eere!

Of — rust, mijn speeltuig, zwijg! —Hoor wat de Schepping zingt! Verstommen zegt hier veel — en mag aanbidden heeten!

Zoo 'k tonen tot Gods lof wil weten:

'k Beluister u. Natuur — uw taal is Poëzie!

En hoe die schepping Gods, in grootscher bloei en orden,

177

Voor mijn verklaarden geest, veel schooner nog zal worden. Verkondt ge in heiige Profetie!

i.

12

ocr page 190

HET MUZIKALE IN DE ÜATÜÜH.

HET MUZIKALE IN DE NATUUR.

Natuur heeft ook haar taal, vol van bezielde woorden, En spreekt door mengeling van klanken tot de ziel; Ze omvat het vol geluid van stoute en zachte akkoorden,

En Eden was de toon, die 't zuiverst haar ontviel.

't Zij 't voorjaar zich omkranst niet versche rozelaren;

Hetzij de herfstwind speelt met de afgestormde blaren;

't Zij de ademtocht van 't Noord de sneeuw blaast door de lucht; 't Zijn trillingen van één der snaren.

En 't aanslaan van één toon, die van het speeltuig vlucht.

I.

Wanneer de nacht reeds huivert door het loover,

En nog de dag van de avondkim ons groet;

Wanneer de maan de blauwe bergen over

Verteedrend drijft met zachtgekleurden gloed;

Wanneer haar blik van 't ruim der stargewelven

Den dauwdrup glanst, die aan den bloemstruik weent. En heel Natuur, half klagende in zichzelve.

Zich tot een Elegie vereent.

Als 't is of de aard, bij 't deinzend lichtgewemel.

Meer 't lijden voelt, dat op haar bodem drukt, En weemoedvol en smachtend naar den Hemel,

Zich uit haar sfeer nabij den Hemel rukt; In 't scheppingsuur van dwepende idealen, —

Dan brengt Natuur de sombre tonen uit (Gelijk men soms hoort om een heuvel dwalen)

Der zacht gestemde herdersfluit.

II.

Als de zee, van drift aan 't koken,

Heuvlen naar de kusten draagt.

En den stranden, dio gaan rooken,

Om een ruimer erfgrond vraagt.

En haar golven voort doet zwalpen,

Als een keten drijvende Alpen,

178

ocr page 191

HET MUZIKALE IN DE NATUUK.

Waar de sneeuw van nederstnift,

Maar terugstuit op de rotsen,

Die zij sloopen moog door 't klotsen,

Maar geen voetbreed verder schuift;

Of bij Laufens stroomgeklater,

Waar ge in 't prachtig bergverschiet 't Nederploffend romlend water

Over rotsen tuimlen ziet;

Dat, in d' afgrond neergestoven,

Schuimend opspat weer naar boven.

Met schor-ruischend stroomgeschal;

Waar het licht der zon op vonkelt,

Waar een regenboog zich kronkelt Door de wolken van kristal:

't Is of schallende tiompetten.

Bij 't geroep der krijgsklaroen.

Daar ons bloed in oproer zetten

En welluidend bruisen doen;

't Is of de echo's van de dalen 't Daavrend krijgsmuziek herhalen

Van een joelende' oorlogsdrom,

't Is of fluit en schel en horen In het dof geratel smoren

Van een forsch geroerde trom.

III.

Maar 't beekje, dat, bang voor dien plundrenden roover. Des winters zich schuilhoudt eu koud is als lood;

Maar — fluistert de lente zijn aftocht er over —

Weer spartelt en wegduikt langs 't hangende loover, Of dartel zijn spieglende golfjes ontbloot;

Dat zachtkens zich rimpelt als 't rimplen der blaren, Die de avondwind afschudt en strooit langs zijn stroom;

Maar schuimt het langs rotsen, dan opkrult in 't varen,

Oelijk soms de zefir do krullende haren

Der veldjeugd doet wappren, die danst aan zijn zoem.

179

ocr page 192

HET MUZIKALE IN DE NATUUK.

Dit beekje is 't speelblad met de elpen klavieren,

Dat zielloos als marmer en roerloos daar staat;

Maar als er de vingers op spartlen en gieren,

Dan opbruist in tonen, en klanken doet zwieren.

Die 't hart ons doen trillen en slaan naar de maat.

Zoo vroolijk speelt Natuur, als heuvlen en valleien

Zich baden in den uchtendgloed;

Wanneer 't gevederd koor, in zangerige reien,

D'ontwaakten dag begroet;

Maar 't zij haar speeltuig 't lied der vreugde stemt, of zachter Een zoet gevoel van weemoed baart.

Steeds voert zy 't harte hemelwaart.

En laat de wereld achter.

IV.

Waar in ontzagbre rust dat woud te grijzen staat.

En een gewelf van loof op forsche zuilen laadt.

En, waar 't zijne armen breidt en naar den hemel slaat, De lucht verdonkert;

Waar bruine schemering den vollen dag verkondt,

Waar soms het licht der zon, geworsteld tot den grond. Verlichte plekken zaait, als starren in het rond,

Waar goud in flonkert;

Een trotsch gebouw gelijk, van middeleeuwsch gewrocht. Waar 't flikkrend avondrood een wanklen doorgang zocht; Om welks bemoste kruin, waar lang de storm mee vocht. Zich 't klimop strengelt;

't Is daar of 't kerkgezang langs tempelwanden ruischt. Als met zijn vol geluid het statig orgel bruist.

Waarin een tusschentoon, die langs 't verwulfsel suist.

Zich murmlend mengelt.

V.

Wat speeltuig klinkt langs 't meer,

Als pas de storm bedaart, na buldrend najaarsweer?

ocr page 193

het muzikale in de natuur.

Als de ondergaande zon haar stralen op de zoomen

Van zwarte donderwolken schiet,

Wier rommelend geluid dof heenrolt langs de stroomen, En morrend sterft in 't riet?

't Is of aan 't Lesbisch strand Zich Satto's lier beweegt naar 't tokklen van haar hand; 't Is of uw speeltuig klaagt, o Harpenaar van 't Noorden,

Op Osoaks graf, o Ossiaan!

Toen reeds de onsterflijkheid, waarvan d? kimmen gloorden. Haar hooger toon deed slaan.

Nog kalmer is die rust,

Als de ingeslapen zee de sluimrende oevers kust;

Heel de aard drijft vlot daarheen, nu wordt de hemel lichter!

Nu lispt de nacht uw tonen na:

(Bij d' aanblik van 't gestarnt luid hoorbaar voor den dichter!) Harmonica!

VI.

Ausoonje! vruclitbre gaarde.

Waar heller zonnegloed Aan milder lucht zich paarde, En de altijd bloeiende aarde Olijf en druiven voedt!

Wat lispelt door uw dreven?

Wat roert de ziel zoo zacht, En doet haar hooger zweven. Daar schimmen haar omgeven Van 't roemrijk voorgeslacht?

Wat fluistert door de blaren.

Die welven langs den grond. En in een krans zich scharen Om 't puin der hoofdpilaren, Waer eens een tempel stond?

Hoor (heel de schepping luistert) Hier gaat de windharp slaan!

181

ocr page 194

HET MUZIKALE IN DB NATUUR.

Het oord, waarin zij fluistert,

Dat ze aan haar tonen kluistert, Grijpt de eigen trilling aan:

Hetzij ze in d' aanhef suize.

Als 't koeltje zacht haar streelt; Hetzij ze driftig ruische,

En stout een wildzang bruise.

Door d'avondwind bespeeld:

Ik hoor haar in uw dalen. Het zachtst, Parthénopé!

Maar d' eigen klank herhalen.

Waar wild uw heuvels dwalen,

Als de aarde 't spel wil malen Van de opgestoken zee!

VIL

Waarheen, waarheen, ontroerde zinnen. Waartoe dit zangrig oord ontvlucht. Wat laat ge een schriktooneel er binnen Uit doodscher streek, uit hooger lucht? Kweelde ooit Natuur hier zuivre akkoorden. Lei ze ooit aan uw geschroeide boorden,

Vesuvius! het lijkkleed af?

Of zou haar speeltuig bij haar sterven. Nog voller klank en kracht verwerven, Gelijk de dichter bij zijn graf?

Barst uit dan, doe uw krater branden!

En breek' de stroom, met maatgeluid Keeds raatlend in uwe ingewanden,

Zijn sluizen en fonteinen uit! —

Jaag uit de zwartgeblaakte kolken.

Tot aan de roodgevlamde wolken.

Uw golven voort van bruisend vuur! Doe hun geloei door 't luchtruim dondren, Maar laat ons d' aanblik van uw wondren. En luistren wat gij speelt. Natuur!

182

ocr page 195

HET MUZIKALE IN DE NADDUfi.

Heft gij het schriklijk lied nog langer.

Dat ge opzondt bij Pompeji's val? —

Neen, de aard ging van een Hymnus zwanger,

Die losbarst niet bazuingeschal!

Zqó klonk, in stout, verheven galmen, Bij offervlam en wierookwalmen.

Bij paukgeluid en rinkelbom; —

Zóó klonk, bij 't schaatren der cimbalen Door Salems weidsche tempelzalen.

De Psalm van 't Oost in 't Heiligdom.

Natuur heeft ook haar taal vol van bezielde woorden. En spreekt door mengeling van klanken tot de ziel; Ze omvat het vol geluid van stoute en zachte akkoorden, En Eden was de toon, die 't zuiverst haar ontviel; En 't hoogst is haar gezang gestegen.

Toen 't eerst, aanbiddend neergezegen,

De mensch haar Schepper eerde, en haar muziek een stem Verkreeg, om 'sEeuwgen lof te galmen;

Toen smolt heel de aard in Psalmen En lofmuziek voor Hom!

EEN LANDSCHAP BIJ ONDERGAANDE ZON.

AVONDWANDELING IN DE OMSTREKEN TAN OOTMARSCM,

MIJNEN VRIEND WERNERUS IMMINK TOEGEWIJD.

Et me meminlsse juvabit.

VIEG.

r.

De regenvloed plast minder sterk En 't licht der zon breekt door;

Het koopren kruis op 't hoofd der kerk Steekt f'onklend af bij 't donker zwerk En 't blauwe dak van 't koor.

Geen druppel meer! de lucht wordt klaar.

En — was de middag zwoel.

Woog straks het zwerk nog drukkend zwaar Nu is de lieflijke avond daar;

Nu wordt de dampkring koel.

183

ocr page 196

EEN LANDSCHAP BIJ ONDERGAANDE ZON.

Naar buiten, eer het duister daalt!

Nu bosch en beemden rond!

Thans nog, zoolang de dag het haalt,

Den (op der heuvlen omgedwaald,

En aan den Schepper dank betaald,

Die ons dien avond zond!

Die donkre lucht, die afdrijft ora ons henen,

Dat heldre blauw, dat langs den hemel vloeit:

Dit zij ons 't beeld, hoe, na mistroostig wcenen. De dankbre traan 't verhelderd oog besproeit; Zoo blinkt de vreugd, die, bij het blij hereenon.

Na scheidenssmart het vriendenhart doorgloeit. Die avondzon, die duikend aan de kimmen.

Met vollen glans het torenkruis omstraalt.

En 't veld bestrooit met schaduwen en schimmen,

Nu diep in 't dal alreé de scheemring daalt:

Dit zij ons 't beeld, hoe, aan de grens van 't leven,

Als 't droef vaarwel van veege lippen klinkt.

Voor 't brekend oog, van schaauw des doods omgeven,

In zonneglans nog 't kruis van Chuistus blinkt. Zóó blijft de Hoop als lichtende Engel zweven.

Als al het aardsche in neevlen ons ontzinkt.

II.

Heel de schepping ademt vrijer,

Nu de omwolkte lucht zich klaart:

Bloera en heester heffen blijer

't Neergekromde hoofd van de aard.

Treurig lieten twijg en takken De overstelpte blaadren zakken.

Waar het drupplend vocht op woog.

Maar het nederhangend loover Giet het nat op de aardkorst over.

En springt ritslend weer omhoog.

Welkom, speelziek murmlend water.

Dat u uitstort in het dal,

Onder 't onverpoosd geklater Van dien kleinen waterval!

ocr page 197

EEN LANDSCHAP BIJ ONDERGAANDE ZON.

Welkom, groene vijverzoomen!

Witgevlekte beukeboomen,

Aan wier voet het beekje plast;

Die ons komt ter rustplek nooden,

Daar een frissche bank van zoden

Schier om iedren wortel wast!

Die kleine beek, half onder 't gras verscholen.

Lekt ginds aan de overgroeide spil Van een bemosten watermolen,

Maar laat het rustend scheprad stil:

Zóó effen als die beek zijn de onbezorgde jaren Der zaalge kindsheid weggevaren;

Zóó werkeloos vervloten zij;

De halmen aan den rand, die 't vlietje knikkend streelen.

Of stoeiend met den wind krakeelen.

Herroepen ons den tijd der kinderlijke spelen En 't wild gejoel der vreugd daarbij!

III.

Vangt uw oor dat zoet gemommel Bij de zilvren boekweitzee?

Ieder bijtje, ieder hommel

Draagt zijn vracht van honig mee.

Zaagt ge daar het zonlicht dooven Op die hooge vensterruit?

Blauwend rolt de rook daarboven Zijn gekrulden wimpel uit.

Mildbebloemde veldtapeten

Weven zich langs dquot; effen grond;

Beekjes, die hun spoor vergeten.

Kruisen weide en akkers rond.

Zacht gebogen heuvelwrongen Leiden naar den hoogsten top;

Door de struiken heengedrongen Staan wij op d'omkransten kop;

Door een tooverroede ontsprongen,

Rijst daar 't prachtig landschap op.

185

ocr page 198

BEN LANDSCHAP BIJ ONDERGAANDE ZON.

Wat schetst gij bloeiend oord? — Den schoonsten bloei van'tleven. Voor wie dat schoon geniet met onbedorven zin;

Den krans der bruid door 't golvend haar geweven, Den teedren lach der eerst ontloken min.

Wat spreekt dat vergezicht vol heuvelen en dalen,

Zacht fluistrend aan ons oor in hoorbre melodie? — Het spreekt van 't stout verschiet der stijgende idealen, Die slechts in 't zalig tijdperk stralen Der eerste liefde en poëzie!

IV.

O wat is 't gezicht betoovrend op dit plekje bovenal.

Glad van 't fijne dennenstrooisel, als men neerziet in het dal! Zie, hoe stout van hier de heuvel glooit en afgolft naar beneên! De avondwind blaast distelvlokken langs zijn ruige kloven heen. Zie, hoe rustig gindsche molen d' eens gevormden kring beschrijft. En met strak gespannen vleuglen zwierend op den luchtstroom drijf!. Zie, hoe hij langs struik en velden telkens donkre schimmen jaagt. En bij 't opslaan van zijn wieken, half vergulde toppen draagt! Zie, hoe statig zich de toren opheft uit de roode kom.

En op quot;t stadje vriendlijk neerziet, dat zich aansluit van rondom. Als een herder, die zijn kudden aan zijn voeten ziet geschaard; Als een Priester, wiens gemeente biddend nederknielt op de aard.

Hier rees in vroeger eeuw, uit de opgetaste zoden,

Een outer (zegt de maar) het Godendom ter eer;

Zij zijn niet meer, de Noordsche fabelgoden;

Hun geest is uit dit oord gevloden,

Geen Bardenlied bezingt hen meer!

Maar heilig ons de zucht, die 't voorgeslacht bezielde!

Die, als bij de offervlam het lied des Priesters klom,

Liefst onder 't koepeldak des blauwen hemels knielde.

En liefst der heuvlen top zich koos ten Heiligdom!

Ook wij, wij hooren hier Gods adem om ons suizen,

Als sprak de Godheid ons, in 't statig mastbosch-ruischen.

Uit t' onverzengde braambosch aan;

Ook wij, wij voelen 't hart van huivrende' eerbied slaan, Als had een hemelstem hier uit de wolk gesproken. En — moest d' onzichtbren God nog 't zichtbaar outer rooken — Hier moest een offer zijn ontstoken! —

Hier moest een altaar staan!

186

ocr page 199

een landschap eu ondergaande zon.

V.

Meld ons, aarde, daar we op treden.

Werd de grond voor onze schreden,

In der Vaadren worstelstrijd,

Niet door heldenbloed gewijd?

Heugt u, hoe langs gindsche wegen

Maurits' wapenrusting blonk;

Toen de schaal reeds was gestegen,

Maar door 't wicht van Nassau's degen Weer naar Neerland overzonk? —

Verder, waar, gehuld in neevlen.

Grauwe Hunnebedden heevlen,

Wordt, in urnen saam vergaard.

De asch van 't Heldenkroost bewaard. Dat veel vroeger eeuw zag rijzen; —

Ruige toppen, die daar grijzen,

Toonen nog hun heuvlig graf,

Maar geen zerken, die hen prijzen,

Schildren ons hun daden af.

Slechts als de avondwolken dalen,

Nederhangende over de aard.

En daar schijngestalten malen,

Is het, of daar schimmen dwalen.

Die geloften gaan betalen In een doodsche bedevaart.

Wat is dan 't heil, waarom we op aarde smachten? De glans des roems, waarnaar we als jongling trachten.

Zoo 't duurzaamst graf verganklijk is als wij? — 't Verwaaide stof van voor- en nageslachten Joeg licht dat zand op gindsche graven bij.

Eens dalen we ook hewustloos in de groeve

Licht is mijn naam, eer dan mijn zerk, vergaan; O, dat er zijn wie toch mijn dood bedroeve!

En 'k weet, een mannelijke traan — Zoo ooit uw voet op mijne rustplaats toeve —

Zal u in de oogen staan.

187

ocr page 200

EEN LANDSCHAP BIJ ONDERGAANDE ZON.

In zulk een oord, waar heuvlen staan in 't ronde En de aarde bloeit, zij in zulk oord mijn graf! Die heuvlen staan als wachters aan mijn sponde.

Zij wachten mee Gods toekomst zwijgende af. Men dek' mijn graf met versch gegroeide zoden,

Of strooi' daarop een handvol tarwegraan;

En hef' daar, aan het aardsch gewoel ontvloden. Het „Stille rustplaats van Gods doodon!quot;

Als 't lied der hoop en der verrijsnis aan!

VI.

Nu, zoo ver ons oog kan dragen,

Nog de blikken rondgeslagen;

't Landschap staat in d' avondblos!

Hoort gij 't onbestemd geschater,

't Loeiend vee, het murmlend water En dat wild muziek in 't bosch?

Hier op 't gras nog pareldroppen!

Daar ontgloeide heuveltoppen.

Waar de zon voor :t laatst op schoot! In het blauw verschiet een toren,

Die het uur der rust doet hooien.

Met de spits in 't avondrood!

Hooger, waar die wolken dalen,

Dooven zich de purpren stralen

Van een dubblen regenboog;

En in 't zeegroen van de kimmen.

Waar de maan reeds op gaat klimmen,

Heft zich Bentheims rots omhoog.

Gelijk die rota ons wenkt, van wolkenschaftuw omgeven, Zóó trekt ons oog de toekomst aan;

Zóó zien wij 't heerlijkst doel van 't leven,

Nog halt omneveld, voor ons staan! Zóó plechtig rees in kindsche jaren

Het eerste denkbeeld in de ziel,

Steeds naar den bergtop heen te staren,

Waar 't Godgehoiligd vuur gebracht wordt op de altaren, Hoe zwaar het klimmend spoor ons viel.

188

ocr page 201

EEN LANDSCHAP BIJ ONDERGAANDE ZON.

Ras is die droom vervuld; ras is die berg bestegen; Ras wijzen we aan zijn steilen rand,

Langs kruiswegpaal en kronkelwegen Den vreemdling op zijn Vaderland.

Vaarwel, aanminnig oord; — 'k Zal van uw schoon gewagen. Van d' ongedwongen lach, die in uw dalen klinkt!

Hier sleet ik blijde en onbewolkte dagen,

Nog kalmer dan de dauw, die op uw velden zinkt!

O, zoo een blik in 't stormend leven Mij voor een zwart verschiet deed beven,

Of 't onheil op mijn schoudren woog:

Keert weer dan, zacht bestraalde dreven!

Keept weer dien zilvren regenboog.

Die aan uw Hemel stond geschreven.

Met de ondergaande zon voor 't oog!

LEIDENS ONTZET

IN 1571.

...... Hispane fuge et non respice terras.

Pro quibus Oceauus pugnat et ipse Deus.

Jahü» Dodza.

De wind blijft Oost en 't water vallen:

Het laat weer weide en akkers droog; —

Toch staart gij, droeven! van de wallen.

En zoekt de vloot met vorschend oog.

Waartoe nog eens de vest beklommen?

Diiar hoort gij 't schutgevaarte grommen.

En, als uw blik weer stadwaarts ziet.

Ontroert u 't schriklijk wee-verduren:

Keert weer, rampzaalgen, van de muren,

En wekt in 't hart de wanhoop niet!

De gouden leeuw, die op uw daken.

Als wachter op uw torentin.

Voor 't wapenschild der stad blijft waken.

189

ocr page 202

leidens ontzet in 1574.

Stuurt met zijn zwaard 't Zuidoosten in, Vergeefs ontgrendelt gij uw stranden, En roept de zee in 't hart der landen

En drenkt met haar uw erf en goed; Licht dat haar springvloed op zal steken, Als Leiden, voor den storm bezweken, Te smeulen ligt in asch en gloed.

De hongersnood, van pestgif zwanger.

Heeft duizende offers neergeveld.

Spilt, eedlen! spilt uw bloed niet langer,

Eer gii ontroerd de laatsten telt.

Blikt opwaarts naar de starrendaken!

Als 't mooglijk is hun tin te raken

Met d'opgestoken vingertop,

Zal ook dat wonder Gods gebeuren: Den Kastiljaan zijn roof te ontscheuren, En leed te slingren op zijn kop!

Is 't waar, die kreet? Is 't uit met hopen?

Heft Vaidez dit triumflied aan? Zal leeuwenmoed slechts martling koopen.

En Leiden voor Gods oog vergaan? Neen! — staaplen zich in 't rond de lijken Uw Doüza weet van geen bezwijken.

Hij wierp de veder weg voor 't staal; Hij heeft den krijgsrok aangetogen, En wacht, uw bolwerk opgevlogen. Der helden dood of zegepraal!

Met d' op zijn borst gerichten degen,

Staat Van der Werf nog rustig daar. Al blaft hem ook de honger tegen Van de uitgevaste burgerschaar;

Al moet hij, in dien nacht van rampen. De wanhoop of 't verraad bekampen,

Hij spreekt met onverschrokken moed; „Wie hongrig daar om spijs komt brullen, Begeert gij 't ramlend lijf te vullen,

Verzaadt u met mijn vleesch en bloed!quot;

ocr page 203

leidens ontzet in 1574.

Neen! Liever op uw wal te sneven,

Dan slaaf te sterven — blijve uw keus! Reeds heeft de redding 't sein gegeven;

Reeds naakt de vlieboot van den Geus! Ziet ginds, waar veertig wimpels wapp'ren, Daar schuilt de vloot, bezield door dapp'ren.

En aan haar steven staat Boizot.

Ras gaat het licht der uitkomst dagen. Of, wordt ook hij teruggeslagen.

Dan rest u de almacht nog van God!

Grijpt moed, volhardt en blijft gelooven!

Reeds staan van ver de wimpels krom; Reeds werkt het water meer naar boven: —

Godlof! Daar slaat de weerhaan om. De leeuw zwenkt nu den gouden degen. En keert zijn zwaard den vijand tegen, En roept de golven op van 't strand. En wenkt den God der Noorderbaren, Die aanroeit niet zijn waterscharen.

Zich uit te storten over 't land!

Begroet verheugd nu quot;t uchtendkrieken!

't Is van uw redding de eerste gloor! Bindt vlaggen aan uw molenwieken,

En roeit er mee den luchtstroom door! Ontwaakt voor 't nieuw herboren leven! Stroomt saam, schoon lijf en knieën beven.

En waggelt naar uw vesten toe.

Om daar de handen saam te vouwen. Dat God die laatste hoop niet fiauwen.

Maar uw verlossing naadren doe!

Nu wenkt Boizot zijn bootsgezellen.

En hijscht de zeilen in den top. Die buldrend als de golven zwellen, En dondert met zijn Zeeuwen op. De golven, die van 't koken schuimen. Verheffen witte waterpluimen.

Als wezen zij vol vreugd hem 't spoor.

191

ocr page 204

LKIDENS ONTZET IN 1574.

Hier dwingt hij 't Spaansch gebroed tot wijken, Ginds overzeilt hij stout de dijken En stuift er met zijn kielen door.

De nacht keert over 't aardrijk weder,

Doch smachtend uitziend naar 't ontzet,

Zinkt Leiden niet in sluimring neder.

Maar ligt te waken in 't gebed.

Daar knalt en trilt een schok in de ooren. En doet het siddrend „Amenquot; smoren.

En jaagt de maar de wijken rond,

Hoe een der felbestreden wallen, Dooreengeknakt en saamgevallen,

In puin gestrooid ligt langs den grond.

Laat af! Hier is geen hulp te ramen!

Waarheen d'ontstelden arm gericht? Al droegt gij al uw lijken samen.

Gij stelpt en hoogt die breuk niet dicht. Opnieuw door doodsangst aangegrepen,

Door feller hongersnood benepen.

Van 't smeulend vuur der pest doorwoed. Ligt Leiden voor zijn moordenaren, — Een wrak gelijk in 't hart der baren! — Met open bres in d' open vloed.

De dag breekt aan en kleurt de transen,

En, turend door de nevels heen.

Staart angstig 't oog naar Lammens schansen,

Maar Spaansche vlag en wacht verdween. O wonder, Neêrlands volk ten zegen!

Die schok dreunde ook den vijand tegen.

Die Leidens muren heeft verplet.

En is, door de Almacht voortgedragen. Den Kastiljaan om 't hart geslagen.

Maar Leiden, Leiden is ontzet!

Wat vreugd! de vloot mocht d'oever winnen.

Die 't brood aan duizend armen biedt; Zij palmt zich door uw bolwerk binnen.

192

ocr page 205

LEIDENS ONTZET IN 1574.

En werkt zich voort langs kaai en vliet. Wat vreugd, den Zeeuwsclien vlotelingen 't ,Wilhelmusquot; schaatrend toe te zingen,

Hun nader worstlend door het nat,

Of van de dicht omzoomde grachten Verrukt uw redders in te wachten. Die wuivend dobbren voor de stad.

Galmt uit 't ontzet van God verkregen.

Geredden! die op 't puin herleeft. En, gade en kroost in dquot; arm gezegen,

Schier overstelpt van blijdschap sneeft! De levensblos heeft op uw wangen De blauwe verf des doods vervangen.

Stroomt, jong en oud, Gods tempel in! Laat dreunen daar gewelf en wanden. En 't reukwerk tot Gods lof ontbranden. Dat opklimt boven dak en tin.

Laat ruischen door uw tempelkoren

Uw Psalmtoon, schoon hij haaprend beeft. En 't nokkend snikken 't lied gaat smoren.

Dat Gode de eer der redding geeft; ,Wiens troon als Rechter van de volken, Gezolderd staat hoog op de wolken;

Die over de aard zijn vierschaar spant; Die onderdrukten 't hoofd doet beuren, Hun slavenboeien stuk kan scheuren, En 't dwangjuk brak van Nederland!quot;

Ja, bleef uw stem in tranen steken.

Dan droeg elk bolwerk hier een stem Dan zouden hier de steenen spreken

En zenden 't loflied op tot Hem!

Pot Hem, den God der Legerscharen, Die voor u streed met wind en baren. Den Spanjaard van uw vest verjoeg; Uw vloot, met donderbus en lansen.

Dwars door den ringmuur van zijn schansen, Als de arke langs de waatren droeg.

ocr page 206

LEIDENS ONTZET IX 1574.

De Psalmtoon zwijgt, maar langs de bogen,

Ruischt weer de wind door 't luistiend koor. En spreekt als stem van 't Alvermogen,

En giert de breede wulfsels door.

Hij dunt den vloed, ontbloot de lauden. Hij zweept de golven naar beur stranden.

Hij drijft de zee terug in 't bed;

Als moest zij quot;t ver aan de aard verkouden: Kastieljes strijdkracht is ontbonden.

Maar Leiden, Leiden is ontzet!

En in uw vrijgevochten muren

Rijst wijsheids achtbaar Kapitool,

Als 't loon voor wat ge moest verduren,

En 't Pallasbeeld van Leideus school. Het blijv', gekroond met sterrevonken,

Hier aan zijn voetstuk vastgeklonken;

En tuig' geheel de wereld door;

Wat stroom van licht, wat stroom van zegen Werd door der Vaadren moed verkregen. Bij vrijheids eersten morgengloor!

NAPOLEONS VAL EN VERGODING.

BIJ DE HEKIXNERIKQ VAN NEDEKLANDS TEBLOSSINQ IN 1813.

I.

1812.

Neen! 't was geen morgenrood, dat reeds den dag voorspelde. Als soms een laaie gloed in 't Oost een flikk ring meldde;

't Was 't blozen van de kim om krijg en menschenmoord. Een tastbre nacht hing neer — en langs het erf der Vaadren Klonk dof 't gedreun der raadren Van oen triumfkar voort.

Napoleons gestarnt had 's hemels pool bestogen;

En de aard lag uitgeblaakt, en smachtte om dauw en regen.

Maar 't spuwt op de aard slechts vuur, hoe meer bet tintiend gloeit Het hondsgestarnt' gelijk, dat staag te heller flonkert,

Hoe meer de lucht verdonkert En hitte 't aardrijk schroeit.

194

ocr page 207

NAPOLEONS VAL EN VERGODING.

Hij droomt — de laatste troon ligt reeds omvergestooten; Hij droomt — en 't blauw gewelf des hemels vrordt ontsloten;

Hij zelf is Jupiter; zijn aadlaar Ganymeed!

Hij droomt —- en hoort een stem uit d'afgrond opgezonden: „Gij zijt te licht bevonden En staat ten val gereed!quot;

Daar schrikt hij wakker, — 't hoofd nog van dien zwijmel dronken; Hij voelt zich 't koortsig brein van feller gloed ontvonken;

Hij rijst —- ea strekt zijn arm krampachtig uit naar 't staal, En werpt het met het zwaard van Frankrijks legerbenden Zijn vijand in de lenden En :t noodlot in de schaal.

Vergeefs! zijn oev'naar rijst naar Beresina's boorden;

Zijn bliksem schiet zich stomp op 't eeuwig ijs van 't Noorden,

En Moskou's blaakrend vuur, dat losbarst in de lucht.

Slaat, bij het stormgeloei der bulderende vlammen.

Zijn zetel uit zijn krammen,

Zijn aadlaar op de vlucht.

11.

1813.

Hef, Neerland! thans de ontrolde vaan

En ruk er mee te velde,

Tot wapens moet ge uw keten slaan.

Die u zóó drukkend knelde.

Hoort gij in 't opgeklaard verschiet Dien zegezang der vrijheid niet.

En krijgstrompetten steken? — De dageraad, zóó lang voorspeld,

Is reeds de kimmen uitgesneld,

En wacht uw teeken af in 't veld. Om voller door te breken.

Te lang reeds hebt ge aan koord en zeel Voor 'sdwinglands voet gekropen, En, voortgestuwd in 't strafgareel. Op tronen stormgeloopen.

195

ocr page 208

napoleons val en vergoding.

Neen, buig den hals niet vuig en laf!

Gij naamt den Rijn zijn kluisters af,

Gereed in 't zand te smoren!

Wie duinen voor zijn schreden plet,

Rivieren uit haar kil verzet,

En afleidt langs een ruimer bed,

Is niet tot slaaf geboren!

De alarmkreet trekke uw steden om,

En roepe uw kroost te wapen!

Daar achter groeie een heldendrom,

Met jeugdig vuur herschapen!

Niet slaafs uw redding ingewacht!

Zij Neêrland vrij door eigen kracht! —

Om Nassau's oorlogsstanders Thans weer uw armen saamgehecht,

Nu 't pleit der volken wordt beslecht : Herneemt uw naam, uw erf, uw recht. Uw glorie, Nederlanders!

Neen! houdt nog de zwaarden terug van den slag! Uw vrijheid ontluikt en de scheemring wordt dag! De leeuw had zijn klauw pas gerekt naar den gier. Of 't roofnest vloog leeg, en zijn broedsel van hier!

Ginds viert men zijn aftocht en lijkvaart aan 't IJ, Met llikk'rende vuren en toortslicht er bij.

Die gloed zet de borst als den hemel in vlam. En 't dreunt tot de wolken: de dageraad kwam!

Daar rijst hij met goud en robijnen in 't Oost De morgen, die de aard met zijn glimlach vertroost! De Hemel gaat open en lacht als een bruid. Die sluimrend op rozen haar oogen ontsluit!

Heel Neêrland valt God als zijn redder te voet ; Met tranen van vreugd wordt Oranje begroet; De wimpels verzetten zich luistrend naar 't strand, Waar hoog van de duinen liet „welkom'quot; ontbrandt.

196

ocr page 209

5apoleons val en vergodiho.

Hoort toe! hoe de feestklok, die vroolijker bomt, Der schaatrende menigte toeroept: „Hij komt!quot; Zie 't regent weer bloemen en looverfeston.

Alsof met den winter de lente begon.

Heel Neerland spant vlaggen om daken en tin, En draagt hem op de armen zijn erfgoed weer in. Wiens aanblik een toekomst vol zegen voorspelt. En Neerland is schooner dan eertijds hersteld!

III.

1815.

Hersteld? — Ach, dempt die jubelzangen. Te vroeg geslaakt door 't argloos hart! Het zwerk gaat loodzwaar nederhangen. En kleedt weer aarde en lucht in 't zwart.

Blikt naar Sicieljes strand? Daar bleef een Etna rooken.

Wier gloênde lavastroom, haar krater uitgebroken,

Al wat hem weerstand bood, verslond!

Daar gist en werkt en kookt de grond.

En barst weer open! Hoor! daar gilt het langs de stranden;

Hij keert ten troon, •— Napoleon Ontgrendelde zijn kooi, verscheurde als rag zijn banden. En zocht weer Frankrijks oeverzanden,

En landde — en overwon!

Heel Frankrijk schijnt een woud, dat, door den storm bewogen. Zijn takken over houdt gebogen.

En Neerland dreigt te plett'ren in zijn val;

Een woest en holstaand meer, waar diep de kolken woelen. Dat dam en bedding weg zal spoelen.

197

En Neerland 't eerst verzwelgen zal.

Bataven! Belgen! vliegt ten strijde. En volgt vereend de Oranjevlag! De vorstentelg kampt aan uw zijde. En voert uw drommen aan ten slag.

ocr page 210

198 NAPOLEONS VAL EN VERGODIKG.

Snelt aan, gij saamgedrongen scharen!

Ten strijd voor haardstede en altaren,

Voor gade en kroost, voor land en vorst!

Vliegt Frankrijks benden aan als tijgers.

En rukt de in 't staal beproefde krijgers Marengo's lauwren van de borst.

Juicht, dapp'ren! de aadlaar deinst '.net stukgeschoten schachten;

Hij fladdert ver naar 't Zuiden voort.

Heil u! die onversaagd uw vijand in dorst wachten.

En hem de slagwiek hebt doorboord!

Heil u! die u de borst van 't heilig vuur voelt zwellen Der weer ontgloorde vrijheidsvonk.

En d' aadlaar uit de lucht mocht vellen.

Die tegen 't zonlicht in dorst snellen,

Dat na een nacht van jamm'ren blonk!

*

IV.

DE LEEUW VAN WATERLOO.

Rijs, uit metaal geklonken.

Rijs, Neêrlands Leeuw, omhoog! Spat snuivend vuur en vonken

Elk dwingeland in 't oog! Sta daar op 't graf der helden, Hoog boven bosch en velden Fier zwijgend in de lucht!

Waar God ons erf behoedde. Oranjes schouder bloedde.

En de aadlaar is gevlucht.

Slaapt, Belgen en Bataven,

Wier bloed voor Neerland vloot! Slaapt daar, in de eigen graven,

Vereend tot in den dood! De wind, in 't loof aan 't spelen. Zal beider rustplaats streelen, Waait beider stof dooreen. Ras golven korenaren.

Alsof het lauwren waren.

Langs beider graven heen.

ocr page 211

NAPOLEONS VAL EN VERGODING.

Thans slaan wij lans en zwaaiden

Tot spade en sikkels krom, En drijven door de gaarden

Den ploegstaart knarsend om; Maar zoo een dwingland daagde, En weer ons erf belaagde,

En ijzren kluisters gaf: Pan gorden wij de lenden, En dwingen wij zijn benden Te strijden op uw graf.

En gij, wier hoofden vielen.

Zult waren om ons heen,

En weer den strijd bezielen;

Nog met uw broedren één! De Leeuw zal met zijn blikken Des vijands arm verschrikken,

Bij 't klettrend krijgsgeschreeuw! En wij, in 't staal gevlogen, Wij kampen, wat wij mogen. Of heffen dreigend de oogen In 't sterven op den Leeuw!

V.

APOTHEOSIS.

O Neerland, jeugdig rijk, omkranst met morgenstralen.

Wat vierdet gij uw opgang schoon!

God sprak — de Heerscher viel — zijn algeweld had palen

Opnieuw bevestigd stond uw troon.

En hij, die kronen schonk en vorsten schepters deeldo, Die met der volken lot als met een teerling speelde —

Wat bleef hem over van dien glans?

Een rots in d' Oceaan was 't erfgoed dat hem restte.

Zijn laatste zetels-veste —

En in die rots een graf — ziedaar zijn rustplaats thans!

Zijn rustplaats! —- Neen! zijn schim blijft waken.

Die spokend over de aarde zweeft;

Zijne asch schijnt weer bezield; zijn dorre beendren kraken

ocr page 212

napoleons val es vekgüding.

Zijn graf ontsluit zich — hij herleeft!

't Geraamte heft zich op met lauwren om de slapen; De ontvleesiie knokkel tast naar 't lang verroeste wapen.

En wist er elke bloedvlek af.

Zie, toornig staart hij nog naar de Europeesche kusten Daar wil hij, dat zijn stof zal rusten,

Zoo hij nog rusten kan in 't graf.

Hij eischt, zijn schim ten zoen, dat Frankrijk 't praalgraf houwe! 't Geschiedt — 't vermolmde lijk keert met Hosanna's weer. De Lelie-vaan buigt zich vol rouwe,

Door 't slijk gesleurd, voor d' aadlaar neer. Het volk, in geestdrift opgetogen,

Heft, voor zijn katafalk gebogen.

Geen sleepend lijkgezang, maar 't lied des levens aan; „De ster, gevallen van de transen.

Ging weer verheerlijkt op met nieuwgeboren glansen! — De doode is weder opgestaan!quot;

De doode is opgestaan! — Hoort die triumfgezangen,

Die 't koortsig Frankrijk rijzen dee',

Waardoor het vloekgeschrei der wereld is vervangen! —

Heel 't jong Europa schatert mee.

't Vlecht eerfestons en lauwerkronen,

Voor 't beeld des mans, die eens 's lands zonen Ter glorie van zijn naam, als Lamm'ren heeft geslacht. Wat vergt ge, dat Euroop bij die heiiming bloze? —

Napoleons Apotheose Voegt de eeuw, die aan 't Genie de hoogste hulde bracht.'

Maar gij, mijn Vaderland! zoudt gij, ook gij, vergeten,

Hoe ge onder 't looden wicht zijns schepters hebt getreurd. En d' opgeladen slavenketen

Vol moed hebt van uw hals gescheurd?

Neen! wien die koortsdrift moog bezielen — Wie slavenkluisters vloekt, kan voor geen dwingland knielen.

Al boog heel de aard voor hem de knie;

Al wordt in zijn blazoen de vrijheidsleus gedragen;

Al beurt men 't afgodsbeeld weer op een zonnewagen;

Al kroont hem de eerkrans van 't Genie!

ocr page 213

HET KLOOSTER OP DEN ST.-BEEKARD.

HET KLOOSTER OP DEN ST.-BERNARD.

I.

Wat beurt ge uw zilvren kruin hoog boven 't floers der wolken! Wat blikt gij fier en trots op de omgelegen volken,

Die ge aan uw voeten ziet geschaard! Gij berggevaarten! die het luchtgewelf blijft schoren,

Die 't eerst van uit den schoot des baaierds zijt geboren, Als oudste zonen van deze aard.

Gij Alpenreuzen! die de wereld zaagt veroudren.

Maar niet verouderd zijt, schoon ge op uw breede schoudren

Der eeuwen wentling hebt getorst;

En, schoon do lentezon moge aan uw schotsen knagen, Uw diamanten kroon van sneeuw en ijs blijft dragen. En 't blinkend pantser om uw borst.

Daar is de wieg des storms; de bakermat der stroomen, Die, door een zoeler lucht in koestrend' arm genomen,

Een weg zich snijden door 't kristal;

Zich vormen tot een meer in ontoegangbre zalen.

Of, als een reuzenslang voortgolven naar de dalen.

En rotsen scheuren in hun val.

Daar vindt de gems alleen in diepte en kloof haar woning; De ontzagbre lammergier heerscht daar alleen als koning-

Verwoesting voert daar heerschappij;

En 't raatlen van d' orkaan, en 't dondren der lawinen Verkondt, in wild' muziek, de macht des Ongezienen,

En zet natuur verschrikking bij.

Terug, wie u verstout dit ijzig oord te naadren!

Gevoelt gij niet, hoe 't bloed zich stremmen gaal in de aadren,

De lucht door borst en longen vlijmt'? —

Gij, wien een afgrond, wien een sneeuwval dreigt van boven, Ontwaart gij niet den dood, die opspookt uit de kloven; — Terug, eer ge in zijn arm bezwijmt!

11.

Ziet gij den Wintervorst, ginds op zijn troon gezeten.

Waar om 't verglaasde meer eene onafzienbre keten

201

ocr page 214

HET KLOOSTER OP DEN ST.-BEliNAKD.

Van hooger klimmende Alpen sluit?

Daar heft een gevelspits zich boven 't sneeuwvlak uit,

Half, voor het zoekend oog, in neevlenschaüuw verloren - -Daar ziet ge een flikk'rend licht door boog en glasruit gloren; Het lonkt, als star der hoop. den moeden zwerver toe, Als hem de sneeuwjacht zweept en geeselt met haar roe.

Daar vangt het oor den toon van Godgewijde zangen, Die ruischen door de kloostergangen.

En vindt ge een Broedrenschaar, van heilgen ernst bezield, Rondom een kruisbeeld neergeknield; —

Die op de grens, waar Aarde en Hemel scheiden,

En 't keerpunt schijnt van eeuwigheid en tijd,

In God getroost hun stervensuur verbeiden;

Wien slechts de vreugd van weldoen 't hart verblijdt; — Wier zegenende hand, voor eiken broeder open,

Heul, troost en laafnis schenkt, als balsem neergedropen; Den lijder opneemt, die, door de ongena der lucht Vervolgd, naar d' adem hijgt, en in hunne armen vlucht; — Wier voet langs 't sneeuwdek dwaalt, of d' ijsklomp opgetreden, Den afgedoolde zoekt, uit d' indruk van zijn schreden, Die levend zich begroef en uit de diepte kermt.

Of duizlend door den slaap des schijndoods wordt omarmd.

O zalig hun, den dood dien kostbren buit te ontwringen.

De boei te brijzien van het versch gedolven graf;

Elkander 't zegelied des levens toe te zingen. Dat menschenliefde een broeder wedergaf!

Ziet, hoe ze in hoop en vrees zich om den lijder dringen:

Zij wijken niet van 't leger af —

Maar waken aan zijn zij' — en bidden vóór zijn sponde — En prikk'len 't stilstaand bloed — en zwachtlen elke wonde — En luistren op de borst, of 't flauwend hart nog slaat — En juichen, nu weer zwaar en diep zijn adem gaat!

O liefde, schooner dan in lager lucht wil bloeien!

Gij schudt de kluisters af, die hier den sterv'ling boeien;

Verpacht u voor geen aardsch, maar beidt een hemelsch loon! Gij vraagt niet, wie hier om koom dwalen —-Wat erf hem 't aardrijk wees ter woon:

Germanjes heuvlen of Auaoonjes vruchtbre dalen —

Dan of de zon hein schroeit met ongebogen stralen?

202

ocr page 215

HET KLOOSTER OP DEN ST.-BERNARD.

Of hij, zich buigend voor Gods troon,

De leer van 't Vaticaan. van Mekka of Genève,

Als richtsnoer zijns geloofs belij? —

Genoeg, dat niet een niensch, een mensch in doodsnood sneve. Maar, door uw hulp gered, herleve,

Tot uw triomf volkomen zij!

III.

Driewerf gewijd gesticht, der menschheid schoonste tempel! Ik zend mijn vredegroet eerbiedig naar uw drempel,

Waar nooit vergeefs de moede een kalme wijkplaats zocht. Een Glorie om een Kruis doet ge in de wolken stralen, Dat zulk een hemelsch vuur deed in den boezem dalen, En zooveel wondren heeft gewrocht!

't Is grootsch en schoon, zijn blik (wegduizlend in 't besefTen Van eigen nietigheid) naar de Alpen op te heffen;

Op de ongenaakbre spits dier rotsen 't oog te slaan;

Die, als trawanten van den allerhoogsten Koning, Als drempelwachters, vóór den ingang van Gods woning, In priesterlijke kleeding staan.

Maar schooner nog, in 't oord, verwijderd van heel do aarde. Welks vreeslijke eenzaamheid den geest ontzetting baarde.

Een sprank te ontwaren van des Eeuwgen liefdegloed. Die, waar de kou des doods de schepping door gaat zweven. Onsterflijk als de mensch, nog in den mensch blijft leven. En hem der Godheid naadren doet!

't Was grootsch en stout, toen 't hoofd van Frankrijks legerscharen. Met vleuglen van den storm die Alpen opgevaren,

Op 't kantiend ijsgevaart zijn aadïaars had geplant,

Toen hij, voor wien Euroop als halve Godheid knielde. Die heldendrommen door zijn ademtocht vernielde, Een heirbaan sloeg door Simplons wand.

't Was grootsch, toen hij van daar den bliksem met zijn vingren Bestuurde, en op uw hoofd, Itaalje! neer dorst slingren. Dat sidd'rend opsprong, door zijn reuzentred vervaard;

203

ocr page 216

het klooster op den st.-bernard.

Maar wie hier 't eerst zijn voet en staf als kluiz'naar richtte, Bij kruis en bedecel dat weldoend klooster stichtte,

Heeft schooner dank verdiend van de aard!

Al blijft uw heldennaam der Alpen top omzweven.

Gij hebt hem met de punt van 't zwaard in bloed geschreven;

Gij kocht uw glorie duur — te duur, Napoleon!

Maar schooner lauwer dan Marengo's krijgslaurieren,

Dan de eertropeeën, die Vendomes zuil versieren,

Kroont de asch van Bernard van Monthon.

DE TAAL DER SCHILDERKUNST.

Verhef, o Poëzie, uw goddeljik vermogen!

Roem vrij op de almacht van uw taal.

Die 't hart verteedrend, ons de tranen lokt in de oogen, Of vuur slaat uit de borst van staal;

Die elk, wie koel uw kunst verachtte. Tot luistren dwingt, als gij de onstoflijke gedachte

Verstoflijkt wedergeeft, in 't schittrend kleed getooid. Of 't diepst gevoel ontleedt van 't diepgevoelend harte; En hemelvreugde en hoop, of siddrende' angst en smarte; Als vonken in de zielen strooit!

Maar niet alleen in 't rijk der klanken,

Bij 't stout of streelend maatgeluid Der dichterlijke lier, schiet gij uw gloènde spranken, En stort ge uw taal in beeldspraak uit! De Schilder stort haar uit in verven,

Die niet, als 't stemgeluid, ras in de lucht versterven. Maar spreken van 't bezield paneel;

Die door haar gloed het hart veroovren,

Door kracht van taal de ziel betoovren:

De taal van 't kunstgewijd penseel!

Die wondre taal, op doek geschreven.

Die niet, zich prentend in 't gemoed.

De zenuw des gehoors doet beven,

Maar 't snarenspel van 't hart welluidend trillen doet! Wie meester is van die akkoorden.

Hij zet zijn beelden adem, woorden

ocr page 217

DE TAAL DER SCHILDERKUKST.

Kn zielsgevoel en denkkracht bij;

Hij stort muziek uit in zijn kleuren,

Die beurtelings het hart doet huppelen of treuren:

Hij spreekt uw taal, o Poëzij!

Welsprekend is het oog; — een wereld van gedachten

Drijft in die zachte tintling om;

Wie zou, in koude taal, dien blik beschrijfbaar achten.

Waarin, door tranen heen, een open Hemel glom?

Wie d' opslag van dat oog vertolken, Dat, overschaauwd door zwangre wolken,

't Al door zijn gloed verzengt, waarop het schitt'rend viel? Gij, Schilders, kunt de ziel, in 't oog weerspieglend, malen! Eén lichtvonk! ... en het oog spreekt in een vloed van stralen, En opent ons 't geheim der ziel!

Daar is een teedre taal, die, zonder klank of teeken,

Dat voor het oor wordt aangeduid.

De moeder en het kind in zoete omhelzing spreken.

Maar die niet zwicht voor 't schoon van 't schoonste stemgeluid : Als 't afgebeden wicht, in 't uur der smart verkregen.

Haar diep in de oogen staart en, aan haar borst gelegen.

Speelt met haar halskraag of haar lokken van satijn;

Als zij 't in sluimring poogt te sussen.

Maar telkens 't wakker roept, door weer herhaalde kussen. En 't dartel kindje vleit om meer gekust te zijn.

Vergeefs die rijkdom van de moederlijke weelde Geschetst in 't weeldrigst dichtrenlied!

Wien ooit die zalige aanblik streelde —

In woord en zangen uit hij 't niet!

Gij, Schilders, doet die spraak van vrouw en zuigling hooren! Gij toovert ons hun taal in de ooren;

Zij galmde door uw ziel, toen ge uw Madonna schiept,

Toen gij, Coereogio! de zaligste aller vrouwen En 't heilige gezin, verloren in 't aanschouwen Van 't Goddelijke Kind, op 't doek te voorschijn riept.

En als ge, o Rafaël! 't gelaat van den Messias

(Waar Thabors bergkruin blinkt van meer dan aardschen gloed, Die 't achtbaar hoofd omstraalt van Mozess en Elias)

205

ocr page 218

de taal dek schilderkunst.

Verheerlijkt ons aanschouwen doet;

Als gij dien lichtstroom maalt, die rondspeelt om zijn lokken, Die stralen, tot een krans van zonnen saamgetrokken. Dat schitt'rend golven van zjjn kleed:

Dan hoeren we, in de taal der Englen,

Een nieuwgezongen lied bij 't harpmuziek zich menglen, Dat neerruischt uit het wolktapeet.

Of als ge, o Rubbens! ons den Kruisberg op doet treden,

Die huiverend het bloed van Gods Gezalfde drinkt;

Als 't nederhangeud lijk, den moordstaak afgegleden.

Zijn vriendenschaar in de armen zinkt:

Wie strekt dan niet ontroerd de handen Tot schraging van dien last? — Wie voelt dien traan niet branden.

Die druppelt op het kleed? — Wie hoort geen heiige stem Zacht fiuistren om zich heen: „Gij, die dit oord komt groeten, „Ontbloot het hoofd! ontschoei de voeten!

„Verloste Menschheid, kniel voor Hem!quot;

Ja, roerend is de taal, die zóó het doek kan spreken;

Geen reednaar, die zóó schokt, zóó doorgrijpt in 't gemoed, De sluizen des gevoels zoo ras doet openbreken.

Of 't ijs des boezems smelten doet. —

Hij moog, als 't heilig vuur zijn lippen aan kwam raken, De borst van d' eigen gloed doen blaken.

Doen slaan en golven naar den golfslag van zijn taal;

Maar 't doek ontrolt zich voor onze oogen:

Eén blik heeft ons onszelf onttogen.

Die, sneller uan 't geluid, werkt als de bliksemstraal!

Roem, Neêrland! op uw taal, waar Vondels lied in vloeide,

De taal van Van der Palji, in kleurschakeering rijk!

Zacht murmlend als de toon, waar Bellamy door boeide!

Stout bruisend als de snaar van d' ééngen Bildebdijk ! Al klinkt zij zoet in Hollands beemden —

Zij derft haar schoon in 't oor der vreemden.

En kleen is quot;t erf van haar gebied!

Ach, Vondels onnavolgbre zangen —

Zij blijven, om zijn graf, op Hollands luchtstroom hangen. En 't lied van d'Amstelzwaan versterft in Hollands riet!

ocr page 219

de taal der schilderkunst.

Maar wie zijn vlammende Idealen,

Op 't scheppingswoord van 't stout penseel,

Met de almacht van de kunst, voor 't oog weet af te malen,

Kn op kan roepen van 't paneel:

Hij speelt zijn liedren in alom verstaanbre woorden;

Aan Seine, Theems en Tiberboorden Leent men verrukt zijn spraak gehoor.

En blijft men Rembrandts naam en Rubbeks' lof herhalen; Hij heeft de wondergaaf der talen!

De naklank van zijn stem ruischt ieder volk in 't oor!

Wel hem, wiens eedle ziel, in reine kunstgewrochten,

De taal van 't eeuwig schoon voor 't oor der wereld spreekt! Wee hem, en nogmaals wee! wie aan onheiige tochten Een vreugdetoorts der hel ontsteekt.

En, om zich zwaaiend, duizend vonken Doet spatten in verboden lonken.

Die 't pestvuur spreiden door het bloed!

Moog zijn genie onsterflijk wezen —

Een schaudzuil is hem opgerezen.

Waarbij vermoorde deugd en onschuld weenen moet!

Keen, kent uw roeping, kent uw adel! kent den oorsprong

Der hemelvlam, u toegedeeld.

Gij allen, in wier borst het godlijk kunstvuur doordrong.

Dat in uwe aadren bruist en door uw verven speelt!

Zijt de echo's, die den roem der Vaadren doen weergalmen! Voert ons in 't heilig loof der Idumeesche palmen.

Naar Juda's tempelstad en de oevers der Jordaan!

Ziet, als ge op vleuglen zweeft in 't rijk der Idealen,

Den geest van Rafaél in lichtglans om u dwalen.

En volgt hem op zijn gloriebaan!

Staaf zóó, o Schilderkunst, uw goddelijk vermogen!

Volding zóó de almacht van uw taal!

Wij luistren — waar gij spreekt — diep in de ziel bewogen.

Als naar de harmonie van 't zuiverst zangkoraal.

De dichter legt zijn harp, door u verwonnen, neder —■

üf neen! — hij vat de luit met hooger aandrift weder.

Schept nieuwe beelden voor zyn lied,

Hij doet uw kleuren in zijn zangen overvloeien;

207

ocr page 220

DE TAALDER SCHILDERKUNST.

Hij schildert voor het oor, 't geen 't oog in verf zag gloeien, En doet een lauwer opwaarts groeien.

Dien hij aan 't hoofd des kunstnaars biedt.

AAN HET STRAND TE KATWIJK.

I.

DE ZEE.

Hol staat de zee. Van ver doet zich haar golfslag hooren, Als een dof naadrend krijgsgerucht;

Schoon reeds de zon door 't waatrig zwerk kwam boren. En 't onweer afdreef van de lucht.

Zie! toornig schijnt zij nog haar golven voort te dragen. En 't oproer duurt nog voort in d'ongetemden vloed; Gelijk het bloed nog bruist en met versnelde slagen De pols onstuimig voort blijft jagen.

Als reeds de storm der drift in 't hart heeft uitgewoed.

Wat bracht u, o Zeel zóó verbolgen aan 't bruisen;

Wie geeselt uw lenden met kracht. Nu 't zomersche koeltje door 't loover gaat suizen.

En de adem van 't Noord is verzacht? — Gij hoordet Gods wagen het luchtruim doorklaatren, De stemme des Heeren, die klonk langs de waatren.

De stemme des Heeren met macht!

Dit deed, vol ontzetting, u oeverwaarts snellen.

Dit deed uwe golven, al bevende, zwellen,

Die ge ophieft als wolken van stof!

Uw schrik komt de stranden Gods grootheid vertellen! — De donder bazuinde Zijn lof!

Hier, waar het oog in 't rond uw waterbaan kan meten. Bracht ook een Zanger, op dit glinstrend duin gezeten.

Aan u zijn dichterlijken groet;

Bevolkte uw ledig ruim met schimmen der historie; — quot;■k Hoor nog, als hij, het lied van Hollands krijgsvictorie. Dat opdreunt uit uw vloed.

208

ocr page 221

aan het strand te katwijk.

Die steigerende baren

Met pluimen op den kop,

Zijn dichte ruiterscharen.

Die naadren in galop.

'k Zie in 't gebruis der golven,

In wolkend schuim bedolven. Het brieschende genet.

Dat — klinkt de krijgstrompet — Van oorlogsmoed gaat stampen.

En — klemt de ridderspoor —

Gehuld in gloed en dampen.

Gaat stuiven 't strijdperk door.

Die duinen, die zich scharen

Als wachters langs het strand,

Waar de opgestoven baren

Zich krullen over 't zand;

Op wier vereenwde kruinen.

Die Hollands erf omtuinen,

De zee haar woede spilt.

Zich brekend op hun schild;

Zijn krijgers, grijs van slapen.

Die — vangt de stormloop aan —

Daar rustig staan in 't wapen En d' aanval fier weerstaan.

Die wolken aan de kimmen,

Waaruit, met vlammend rood.

Bij 't dreigend opwaarts klimmen

De bliksem slangen schoot:

Zijn Hollands oorlogsvloten.

Van kruitdamp zwartgeschoten.

Toen hoog zijn driekleur woei.

Bij 't dartiend windgestoei;

Toen 't sein tot zegepralen Rolde over 't watervlak.

Dat Rüyter of Van Galen Uit koopren kelen sprak.

Wat zijt gij oud, o Zee! — Wat eeuwen zaagt gij komen Eu ondergaan van deez' uw oeverrand,

li

209

ocr page 222

AAN HET STKAND TE KATWIJK.

Als kielen zinkende in uw stroomen,

Wier rif verpletterd werd aan 't strand! —

En gij, o grijze Rijn! die hier uw waatren uitstort,

En na uw kronkeltoeht aan d' Oceaan ten buit wordt, 0, stroom, verheerlijkt door 't onsterflijk Diohtrenlied! Op hoeveel oorden moogt gij staren.

Van daar, waar, bij uw wieg, uw golfjes spelevaren, Tot hier, waar ge, in den schoot der zilte Noorderbaren, U 't laatste rustbed spreiden ziet!

II.

DE BUN.

Wat zijt gij, o Rijn, op de bergen ontsprongen!

Waar gij, aan de borsten der Alpen gevoed.

Voor 't eerst door de rotsen komt schuiflend gedrongen.

En vroolijk naar Zwitserlands dalen u spoedt?

Daar zijt gij een wicht, dat nog huppelt en spartelt. Dat speelziek en roekloos langs afgronden dartelt.

Met de Alproos door 't haar en gevleugelden voet!

Wat zijt ge, o Rijn! waar gij, met daverend geweld. Bij Laufens bergkasteel naar lager bedding snelt, En meesleept wat uw stroom heelt in zijn vaart getroffen? Waar gij der rotsen rug doorklooft En, in het zwalpend nederplofien

Een wilden sneeuwstorm doet ontstaan.

Die 't golfmuziek van d' Oceaan En 't buldrend gonzen van d' Orkaan In stroomgedruisch verdooft!

De jongling met ontwaakte krachten, Die voorwaarts, voorwraarts steeds, blijft trachten, En, trotsch en zalig door de min.

Een Eden voor zich ziet ontsloten.

En eiken slagboom weg wil stooten.

Stormt zóó met drift de wereld in.

Wat zijt gij, waar uw stroom trots tusschen bergen wiegelt. Omwingerd tot de kruin, of 't ridderslot weerspiegelt.

ocr page 223

AAK HET STRAKD TE KATWIJK.

Dat schijnt, gehouwen uit den rotswand, die het draagt;

Waar de echo der vervlogen eeuwen,

Als 's nachts de heesche stormen schreeuwen, In d' uitgehoolden bouwval klaagt?

Daar zijt ge een man, tot mannenkracht ontwikkeld,

Wien zucht naar roem als brandend koortsvuur prikkelt. Een strijdbaar held, die sterkte aan schoonheid paart. Die met omkransten helm steeds voortstreeft ter victorie.

Maar, na verzadiging van glorie.

Met sombren blik op 't puin van aardsche grootheid staart.

Wat zijt gij, waar uw stroom, verheugd ons erf te ontmoeten. Twee armen openbreidt voor 't oord, dat hij komt groeten. Waar 't helder zilver van uw nat Den kleederzoom kust en de voeten Der grijze Veluwstad?

Waar 't slank en rijzig dennenwoud Op 't hoofd der heuvlen staat gebouwd,

Waar aarde en hemel lacht;

En, steeds in hnogtijdsdos getooid,

Natuur haar bruidsgewaad ontplooit,

Eu kleuren door de dalen strooit. Met morgenlandsche pracht.

Daar, waar ik mijmm'rend om mocht dwalen, In 't zielverteedrend schemeruur,

Wanneer me uw stroom, geglansd door zachte maanlichtstralen. Een zilvren melkweg scheen, vol tintiend starrenvuur. Omlaag zich kronklend door de dalen,

Als boven door het luchtazuur.

Daar schijnt gij weer jong, als een oude van dagen, Die, schoon hij de rimpels op 't voorhoofd moog dragen

En dicht is genaderd aan 't einde der baan,

Toch. als hij het feest van zijn kindren mag vieren. Nog lustig en vroolijk den beker ziet zwieren.

En 't hart weer verjeugdigd van vreugde voelt slaan!

Wat zijt gij hier, waar 't blinkend zand der duinen Ter weerzij rijst en heenstuift langs uw vlood?

211

ocr page 224

AAN HET STRAND TE KATWIJK.

Waar dunne helm op kaalgeschoren kruinen In d'avondwind zijn pluimen wieglen doet:

Waar gij, gewoon plechtstatig voort te bruisen,

Nauw hoorbaar zucht en murmelt langs uw zoom;

Waar men uw kil heeft saamgeklemd in sluizen —

Wat zijt gij hier? o machtige Alpenstroom!

Hier zijt ge een grijze, aan d' oeverrand van 't leven,

Wien 't moede hoofd zinkt op zijn pelgrimsstaf,

Die 't kruipend bloed steeds trager om voelt zweven.

Die met den voet reeds waggelt over 't graf.

Hier, Stroommonarch! ziet ge u de kroon ontrukken;

Onttroonde Vorst! — hier eindt uw rijksgebied,

Moog half Euroop voor uwen schepter bukken,

De zee, uw graf, ontwijken, kunt gij niet!

Maar schoon go uw kracht en luister hebt verloren. Dit reuzig sluisgevaart' dwingt eerbied voor u af! 't Getuigt; „Gij waart te groot, om in het zand te smoren!quot; Het staaft ook hier uw rang: rals Vorst te zijn geboren!quot; Daar 't dankbaar kroost, waaraan uw stroomkruik voedsel gaf, Dit Mausoléum heeft doen rijzen op uw graf!

III.

AVONDSTILTE.

Kalmte zeeg met d' avond neder, 't sluimrig koeltje, dat er suist. Schijnt de zee in slaap te wiegen, die alleen aan d'oever bruist. Effen ligt de waterspiegel met zijn wit omschuimden rand.

Blinkend als de zilvren maanschijf, die haar hoornen slaat om t strand. Slechts do zeemeeuw, die in 't zwieren met haar strak gespannen vlerk, Als het wit dier blanke zeilen afsteekt tegen 't dompig zwerk. Teekent krinkels met haar wieken over 't onberoerde glas.

En de blozende avondwolken jagen schimmen langs den plas. 't Plechtig ruischen van de stranden wekt nog dieper stilte alom, Als eerbiedig stemgofiuister in een hooggewelfden dom.

Toen de storm op breede vleuglen straks de grauwe lucht doorvoer. Schetste 't wilde spel dier baren ons der volken woest rumoer,

212

ocr page 225

AAJJ HEI STUAKD TE KATWIJK.

Eeuwige onrust, woeling, werking! —- thans zien wij hier 't beeld

[der rust.

Die, in 't stil gebied der graven, de oogleên der vermoeiden kust.

Zie, de Dagvorstin in 't dalen, raakt de zoomen van den vloed! Aarde en hemel, lucht, en golven smelten samen in één gloed! Rustende op een sprei van wolken, buigt zij 't vlammendragend hoofd — Nog één ooglonk! — nog één flikk'ring! — en haar straalkrans is

[gedoofd!

Slechts de zee blijft vlammend glinstren, waar haar vuurbol nederzonk. 't Is als 't sterven van den dichter, in wiens hand de lier nog blonk! Neen, als 't sterven van den Christen, die gestreden heeft als held. En verwinnaar is gebleven op de baan hem voorgesteld!

Die op 't strijdperk, waar hij kampte, nog een oog vol weemoed slaat, En den weerglans van zijn deugden aan de wereld achterlaat!

't Prachtig vuurwerk is verdwenen;

Tt Kwijnend licht heeft uitgeschenen;

En de nacht zinkt stil en grootsch;

En de schepping om ons henen Draagt de blauwe tint des doods.

't Is de voorboó van den nacht,

Die ons wacht,

Als, na lachen en na weenen,

Onze dagloop is volbracht!

Onder weenen en genieten,

Blijft het zand door 't uurglas schieten.

Blijft de kruik haar water gieten.

Tot heel de urn is leeggestort.

En de stroom in 't strandwaarts vlieten Door de zee verzwolgen wordt!

Wat predikt ge ons, o Zee! — Welk lot is ons beschoren? Wat doet uw stem profetisch hooren?

Gaat eens — gelijk de Rijn de waatren, die hij brengt. Onwillig met uw vloed dooreenplast en vermengt.

Ons leven in de zee der eindloosheid verloren?

Zijn we, in ons vluchtig aardsch bestaan.

Niets meer dan olfers der vernieling.

Dan waterbellen, uit de wieling Gerezen van den Oceaan?

213

ocr page 226

AAN HET STKAJID TE KATWIJK.

Die bobb'len op de zee des levens,

Maar barstend, na een luttel bevens,

In 't grondloos diep weer ondergaan? —

Neen! schoon ons aanzijn bier, bij de eeuwigheid berekend, Geen druppel bij uw volheid zij;

Mijn geest, zichzelf bewust, voelt dat hij meer beteekent, Ontzaglijke Oceaan, dan gij!

Kan 't scbeemrend oog uw grens niet merken,

In 't breed bewolkt verschiet —

Gij, wijde Zee! hebt nog uw perken,

Maar mijn bestemming niet!

Zien wij hier slechts neevlen grijzen,

Niets dan wolken, schuim en vloed,

Verder gaat het land weer rijzen.

Door den scbeepling onder 't wijzen,

Vaak met blij gejuich begroet! —

O, zoo hevelt uit do stroomen Voor de vromen Eens de kust.

Door geen sterflijk oog te aanschouwen,

Maar die zeker op komt blauwen,

Met haar zalige landouwen Als 't beloofde land der rust.

Zalig, zalig, wie 't gelooven!

Wien die hoop straalt in 't gezicht.

Als de vuurbaak, die daar boven

't Hooge duinzand brandt en licht,

Door geen stormwind uit te dooven! —

Kalm ziet hij zijn levensstroom Snel verschieten langs zijn zoom;

Bij de wentling van zijn jaren,

Blijft hij hopend, smachtend staren Op de kust, die ginds hem beidt,

En 't pi jfetisch lied der baren Ruischt hem toe; .Onsterflijkheid!quot;

Zoo strekt aan de uitheemsche stranden Vaak de balling, die daar treurt,

214

ocr page 227

a ax het strand te katwijk.

Naar het avondrood de handen,

Dat het zeegroen purper kleurt;

Naar de wolken aan de transen, Die als vuurge bergen glanzen.

Reikt hij de armen als naar 't beeld, Dat hem in zijn droomen streelt; 't Koeltje uit de lucht gezegen,

Waait hem balsemgeuren tegen Van het overzeesche strand:

ledre golf, die aan zijn voeten Neerspat, brengt zijn oor de groeten Van 't gezegend Vaderland.

AAN EEN APOSTEL DES ONGELOOFS.

bij het portket van dr. d. f. strattss.

Is dat die twijflaar, die een wereld der verdichting

Van uit zijn brein te voorschijn riep? —-De held des ongeloofs, de apostel der verlichting.

Die 't Christendom uit faablen schiep? —

De afvallige, die hoog de strijdvlag uit laat waaien.

Die elk, wie voor 't geloof 't beschermend zwaard wil zwaaien

Ten kruistocht uitdaagt door zijn stem?

De martlaar, die een kroon van distels draagt en palmen, Die zich „Hosanna!quot; toe hoort galmen En: „Anathema! weg met hem!quot;

Is dat zijn beeltnis? — 'k Wil dat fier gelaat betrachten;

'k Wil staren in dat vorschend oog.

Of mij die aanblik dwingt tot deernis of verachten,

Of Strauss zichzelf, of de aard bedroog?

'k Wil zien door 't sluiergaas dier fijngevormde trekken,

Of ik den reuzengeest in 't stofkleed kan ontdekken,

Die huivren en bewondren doet.

En — schoon de lichtkrans om zijn lokken is verdwenen Om den gevallen engel weenen,

Of den verleider vloeken moet?

Hoog rees het Godsgebouw, dat naar des aardrijks polen Zijn breed ontplooide vleuglen slaat,

215

ocr page 228

aan een apostel des ongeloofs.

Zijn kruin in 't welvend dak der wolken houdt verscholen,

En in een rots geworteld staat.

Wie zijt ge, die, omgord met sterfelijke krachten,

Zijn pijlers aangrijpt en als dunne riethalmschachten

Wilt schudden, tot ze aan 't wagg'len slaan?

Om van het brokk'lend puin eene eerzuil u te bouwen.

Vanwaar gij lachend neer kunt schouwen En zeggen; ,Dat heb ik gedaan!quot;

Zijt ge een Herostkatus, die in genepen vingren

Een toorts waanzinnig zwaait om 't hoofd, En 't heiligschennend vuur durft in den tempel slingren.

Dat d' eeuwenouden luister rooft ? —

Kunt ge. als de roode vlam opflikkert uit de daken.

Met wellust in dien gloed u koestren en vermaken

Bij 't zelfbewustzijn, dat uw naam,

Vereeuwigd door den vloek, onsterflijk voort zal leven, En spokend over de aard zal zweven,

Bij 't vleugelkleppen van de Faam?

Of zocht ge waarheid in het rijk der Idealen? —

Waart ge in uw vlucht een aadlaar, die De zon in 't aanzicht vloog, maar aan haar gloênde stralen

De vleuglen zengde van 't Genie? —

Een dweper, die den boom der kennis waant gevonden, 't Slachtoffer eener eeuw, die alles wil doorgronden,

En neerstormt, wat haar twijfling baart?

Een golfslag in den stroom, die voortbruist tot vernielen.

En in zijn draaikolk om doet wielen

Wat hij omarmd heeft in zijn vaart?

't Is winter in uw ziel. 't Gevoel, tot ijs bevroren.

Versmelt nooit tot één traan. Gij ziet Een wereld vol geloof, vol liefde en hoop verloren;

Haar ondergang beweent gij niet!

Gij treurt niet — schoon de borst, die heel de menschheid zoogde Met frissche levenskracht, voor u verdorde en droogde.

Gelijk een wees bij 't moeder-lijk;

Maar trekt koelbloedig 't staal door borst en ingewanden. En graaft er 't hart uit met uw handen,

En werpt het op den grond in 't slijk.

ocr page 229

AAN EEN APOSTEL DES ONGELOOFS.

Neen, zeg niet: „'t Is een droom, wat de aarde als waarheid huldigt. De blinddoek valt, die 't oog bedekt!quot;

En ware 't ook een droom! -—Wat dank waant ge u verschuldigd. Als ge uit den slaap een lijder wekt?

Waartoe de toovermaeht dier sluimring wreed te slaken?

Als ge aan een grondloos meer ons duiz'lend doet ontwaken, Als ge alles rooft en niets hergeeft:

Niets, wat voor de ongena van 's levens storm beveiligt.

Niets, wat ons troost, niets, wat ons heiligt.

Niets, wat ons 't graf ontnomen heeft!

En toch — geen helsche vreugd is in uw blik te lezen.

Geen stugge trots uit uw gelaat;

Daar drijft een wolk der smart langs uw diepdenkend wezen. Die weemoed in uw ziel verraadt.

Al strooide nog de tijd geen zilver om uw slapen,

Al tradt ge als krachtvol man pas uit de rij der knapen, Hij gist het, wie uw beeltnis ziet:

Een last, veel zwaarder dan der jaren, drukt uw schoudren, En doet u 't harte vroeg veroudren —

Gelukkig?---- neen, gij zijt hot niet!

Gij peinst.... Ach peinst gij soms, in mijmring half verloren, Hoe 't al veranderd is in u?

Hoe gij, met blijde hoop, ook hebt geloofd te voren,

En hoe 't u zaalger was dan nu?

Wat liefelijker glans toen 's Hemels kim omvloeide,

Hoe de aarde voor uw voet als onschulds Eden bloeide, Vol licht, vol liefde en poëzij!

En hoort ge in 't uur des nachts geen stem soms om u zweven: ,Gij, Moordenaar van quot;t zieleleven!

„Waarom, waarom vervolgt gij mij?quot;

Ach, peinst gij, hoeveel schoons uw adem deed versterven ? — Gelijk de orkaan, die snerpend woedt.

De schepping in haar bloei haar bloeiend schoon doet derven. En vóór den herfst verwintren doet!

Hoe ge onder 't tarwegraan het giftig kruid gaat zaaien,

En d' oogst, dien de Englen eens voor 't Godsrijk zouden maaien. Met wreevle hand vernielen gaat?

Gelijk een hagelbui, die uit de wolken klettert.

217

ocr page 230

AAN EEN APOSTEL DES ONGELOOFS.

De volle garven dorscht en plettert,

En halm en vrucht te morzel slaat!

Ach, peinst gij, wie u licht in 't uur van sterven vloeken. Om 't aan hun ziel gepleegd verraad?

Als zij voor 't brekend hart vergeefs den Christus zoeken. En gij als Démon voor hen staat:

Die 't laatst gebed hun van de lippen weg zal stooten.

En in hun zielsoog, voor de waarheid half ontsloten,

De vonk, die opgloort, weer verdooft!

Als zij u vragen, of ze in d' eeuwgen doodsnacht zinken, Of welk een licht ge in quot;t graf doet blinken.

Die hun een Hemel hebt ontroofd'?

Dat droomde uw Moeder niet, toen ge in uw kindsche dagen Zoet sluimrend in haar armen hingt;

Toen ge als onnoozel wicht den Heer werdt opgedragen, En 't sacrament des doops ontvingt;

Toen ze u, voor 't eerst gebed, de handen saAm deed vouwen,

Voor 't eerst het godlijk beeld des Heilands gaf te aanschouwen Met lijdenskelk en doornenkroon:

Dat gij den wapenkreet des afvals uit zoudt spreken, En dreigend de armen op zoudt steken.

Om Hem te bonzen van Zijn troon!

Licht wenscht ge u nog weer kind, of vroeg te zijn gestorven, Eer u Geloof en Hoop begaf.

Geen krans van bliksemvuur had dan uw naam verworven; Geen donder rolde u na in 't graf!

Licht, als ge een stervende den adem ziet ontglippen.

Die 't zilvren kruisbeeld kust en vast drukt aan zijn lippen, (Schoon u zijn rust begoochling schijn'),

Wenscht ge u aan hem gelijk, en — in uw laatste stonde, Als doodsschrik legert om uw sponde —

Een kind nog in 't geloof te zijn!

En diidrom, 'k vloek u niet, maar staar vol mededoogen En diepgeroerd uw beeltnis aan;

En peins, hoe 't u zal zijn, als gij onsterflijk de oogen,

En vrij van blinddoek, op zult slaan;

Als zich de nevel scheurt, en als ontzagbre waarheid.

ocr page 231

aan een apostel des ongeloofs.

Wat ge u als fabel dacht, daar glanst met zonneklaarheid;

Als, bij het jongst bazuingeschal,

En op zijn wolkenkoets door Englen voortgedragen,

Gods Zoon u voor zijn vierschaar dagen En zelf uw lot beslissen zal.

Hij richte u, Hij alleen, wiens naam, wiens bloed gij hoonde,

Wien gij, niet ongebogen knie (Schoon Aard en Hemel Hem als Gods Gezalfde kroonde).

Slechts d'eerkrans toewijst van 't Genie!

Hij richte u, Hij alleen, die, zoo ge nw trots wilt boeten, Zoo gij uw waapnen breekt en neerlegt aan zijn voeten,

U nog zijn Hemel opensluit!

Hij kan verdoemen — Hij wil zaalgen en vergeven!

Hem zij het oordeel Gods verbleven —

Geen sterv'ling spreke uw vonnis uit!

O, dat Hij voor zijn troon u eens gebogen vinde!

Dat in uw hart een vuursprank viel Van d' eigen hemelglans, die Saulus de oogen blindde.

Maar 't licht deed opgaan in zijn ziel! —

Geen macht des ongeloofs stormt Christus van zijn zetel. Het Godsgebouw staat vast. Geen sterv'ling, hoe vermetel.

Rammeit zijn poorten van metaal.

De kampstrijd onzer eeuw, het worstlend licht en duister, Is licht de dagheraut van schooner uchtendluister En 't wordingsuur der zegepraal!

DE CHOLERA

bij hake wederverschijning in 1849.

I.

Een stemme des geweens wordt over de aard vernomen,

Een bange en langgerekte klacht:

,Ze is weer nabij! Zij komt! Zij is teruggekomen! De ziekte, sidd'rend ingewacht!quot;'

Pas scheen haar loopbaan afgeronnen.

Of ze is haar tweede reis van 't Oosten uit begonnen; Zij stapt de landen door met steeds verhaasten tred; Zij volgt de stroomen in de kronkling van hun bed;

219

ocr page 232

de choleka.

Zij sluipt de wegen langs als de afgerichte roover:

Zij trekt de zeeën om en de Alpen springt zij over; En rustloos wandlend dag en nacht,

Heeft zij haar wereldreis volbracht.

Pas dreigde zij van ver, of ze is ons erf genaderd.

Zij keert, maar als de storm, die loeiend storm vergadert, Met aangegroeide kracht En doodelijker macht;

Verstikkend als de gloed der Libyaansche zanden:

Sirocco, die niet overwaait.

Eer zij haar wandelpad in de afgereisde landen

Met lijken heeft bezaaid; —

Een gloeiende komeet met uitgespannen roede. Die voortdraaft langs haar spoor en vuur spuwt in haar woede, En 't aardrijk geeselt met haar staart; —

Een Engel met een vlammend zwaard.

Gelijk aan d'Engel, die, in lang vervlogen eeuwen. Het vreeslijk tlikk'rend lemmer droeg.

En tot verlossing der Hebreeuwen Egyptes eerstgeboornen sloeg;

Die Juda's tempelstad omheuveld heeft met lijken.

Toen hij 't Assyrisch heir deed wijken En Sakhehib verjoeg! —

Zie! hoe hij op een koets van zwangre donderwolken,

Voor 't oog der opgeschrikte volken.

Weer dreigend door het luchtruim vaart:

Bij ieder vleugelslag drupt doodszweet van zijn vlerken, En waar zijn lemmer wijst naar de aard.

Daar zijn — omdat ze een lijklucht merken —

Ras de arenden vergaard!

Haar naam? — Haar naam alleen doet, waar zij komt, verbleeken;

Een gil, een dof gekreun volgt dien als echo na. Men huivert, wat men vreest, nauw hoorbaar uit te spreken. En zwijgend schudt men 't hoofd als doodsvoorspellend teeken, Of mompelt: „Cholera!quot;

De Cholera! Ze is weer verschenen

En, scheen ze nogmaals ons te ontvliên En als een bange droom verdwenen,

220

ocr page 233

de cholera.

Haar afscheid klonk: „Tot wederzien!quot;

Zij sprak: „Schoon nu reeds de aard van 't wee veraadming hope, Veraadraing gun ik slechts in schijn:

Dit jaar zal voor 't geschokt Europe Een moord- en sterfjaar zijn!quot;

Daar ligt een maagdelijn in bruidstooi op haar sponde: Als koningin van 't feest begroet,

Vloog zij met snelgewiekten voet,

In 't ruischend zijden kleed, de feestzaal büj in 't ronde:

Thans — ligt ze amechtig neergestort,

Met wild ontsnoerde vlecht en losgeregen boezem.

Zij bloeide schoon; haar bloei was kort;

Haar levensbloem valt af, eer nog de oranjebloesem.

Die uit haar tressen viel, verdort!

Hier mocht een jongeling den hoogsten lauwer plukken; Hij zoekt, bedwelmd van vreugd, der oudren woning weer. Gij, grijsaard! die hem toeft, gij hebt geen wenschen meer! Met overstelpend zielsverrukken Moogt gij uw zoon in de armen drukken!

Hoe dankend heft gij 't oog, een Simeon gelijk!

Wat was de dag voor u in vreugde en zegen rijk!

Maar de avond daalt — daar treedt opnieuw de morgen nader. God zij uw steun, rampzalig vader!

Gij wringt de handen bij zijn lijk!

Ginds, waar reeds zóó veel tranen vloten!

Waar pas zich over 't oudrenpaar Het eigen graf had dichtgesloten.

Staat weer een lijkkist op de baar;

En nogmaals komt de dood de ellende en rouw vergrooten.

Wie neemt het overschot van 't vroeg verweesd gezin. Eer heel de woning leegsterft, in.

En wischt die tranen, bij der oudren lijk vergoten? — De poorte van het Godsgesticht,

Ten steun der weezen opgericht,

Schoof reeds haar grendel weg om 't weenend kroost te ontvangen; Maar de onverbidbre Cholera Tast langs die wanden, door die gangen.

En sluipt de ontvloden offers na.

221

ocr page 234

DE CHOLERA.

Laat los! hoe vast gij klemt, gij teedre voedster-arraen, Die 't moederlooze wicht wilde aan uw borst verwarmen; Zij moordt de kindren op uw schoot, —

In hunne omarming is de dood!

II.

De stem eens roependen wordt over de aard vernomen:

„Voorwaar, al 't menschdom is als gras! En 'smenschen heerlijkheid, waarvan nog dwazen droomen. Een nevel, die verzwindt, zoodra ze is opgekomen.

Een hand verstuivende asch!quot;

Zij spreekt: ,Ik ben de stem des roependen: , .Bekeert u!quot; De stem des machtigen: „ „Verneêrt u!quot;'quot;

De stem des doodenden: , „Verweert u!quot;quot; De boetgezant in 't harig kleed.

Die met ontvolking dreigt, hoe ook uw sleden kermen, En waar 'k mijn last volbreng, van deernis noch ontfermen, Veelmin van uitstel weet!quot;

„Vergeefs uw kiel gewend naar schaars bezochte landen;

Ik volg u na; ik reis onzichtbaar aan uw zij;

Ik sta als spooksel u te wachten aan die stranden,

Ik ben er eer dan gij!quot;

„Weer is de krijg ontvlamd; en waar hij bloed gaat zwelgen

Slaat ook de Schrik zijn tenten neer.

Doch zoo 't de leus moet zijn: te slachten en verdelgen, Erken ik boven mij geen Meester en geen Heer.

Hij moog nog duizende offers vragen,

Maar ik heb in één nacht tienduizenden verslagen,

En vel er daaglijks meer!quot;

„Ik voer mijn strijdkar rond, met zwaarden aan haar wieion. En wie moog weigren voor een vorstentroon te knielen.

Den nek te krommen voor het dwangjuk eens despoots, Ik handhaaf nog op aard — wat vorstenzetels vielen — De Koningsmacht des doods!quot;

„Gij waagt in stoute vlucht der heemlen boog te meten, En wijst de vlekken aan, die ge in het zonlicht ziet;

ocr page 235

DE CHOLERA.

Wat zou voor u verborgen heeten,

Bij 't licht der wetenschap? 't Heelal is haar gebied!

Maar ik vernieuw de grens van 't kennen en van 't weten, Want mij doorgrondt gij niet!quot;

„Gij noemt mij wreed. — Ik ben 't, als ik de teerste banden Des bloeds verscheur; als ik uw duurgekochte panden Terug eisch, als van God geleend:

Toch blijf ik de Engel uit den hoogen,

Die vaak den laatsten traan meedoogend af komt drogen,

Door 't menschlijk oog op aard geweend;

Die niet slechts scheidt maar ook hereent,

't Verloorne samenbrengt, soms binnen luttel dagen: —

„Ik heb het schreiend wicht zijn moeder nagedragen.

En toen met dankbren hemellach De zalige haar kind verengeld wederzag.

Toen scheen het moederoog te vragen:

, „Wie zijt ge, o boó van Gods gena?quot;quot;

„Ik wendde 't streng gelaat en sprak: de Cholera!quot;

„Gij noemt mij 's Hemels straf; — en 'k ben een grimmig wreker. Voor wien de zicht des doods in onrijp koren slaat.

Voor wie zijn ziel verkocht aan 't kwaad.

Of haar met aardsch genot verzaadt.

En voort blijft zwelgen uit den beker.

Als dreigend aan den wand het „Mene Telcelquot; staat;

Voor wie in 't slijk der aard blijft woelen Om de opgevischte korlen goud.

En in het welzand, dat de golfslag weg zal spoelen,

't Huis zijner hope bouwt;

Maar niet, voor wie in dood en leven Weet op wat rots hij heeft vertrouwd,

Wien hij zijn zielsgeloof met blijdschap heeft gegeven ;

Maar niet voor wie in 't aardsche dal Als vreemdling 't zoekend oog ten hemel hield geheven, Eu daar in quot;t starrenschrift de hope zag geschreven.

Die niet beschamen zal!quot;

„Gij vraagt, hoe lang ik blijf? — O sterv'ling, van die ure Weet mensch noch Engel, God alleen;

223

ocr page 236

DE CHOLERA.

Maav 't zij mijn heerschappij één dag of jaren dure.

Mijne offers zijn geteld en 'k vel er anders geen.

Bid slechts, dat uit de tranenplassen.

Waarmee ik de aard doorweek, een plant moog opwaarts wassen, Die voor don hemel bloesems draagt,

Waaraan geen worm der zonde knaagt.

En nooit zal u mijn komst verrassen; —

Ja, 't smetgif, dat ik stort in de aadren, zal misschien De koorts zijn, die 't gebeenf van 't ziek Euroop doorhuivert, Maar 't doodlijk kranke lichaam zuivert:

Dan zult gij op gebogen kniên In 't lijden, dat nu de aarde in weduwkleed doet rouwen,

Gods heerlijkheid aanschouwen,

De liefde eens Vaders zien!quot;

HET COMMUNISME ONZER DAGEN.

LIERZANG,

BIJ DEN AANVANG VAN DE TWEEDE HELFT DER

NEGENTIENDE EEUW.

Gij tweede helft der eeuw! Wat brengt ge ons; vloek of zegen?

Wat spelt ons de aanbraak van uw eersten morgengloor? — Draagt ge om 't gesluierd hoofd een krans van goudenregen, Of sluit gij in uw hand de pestdoos van Pandoor? —

Gaat. op uw vleuglen voortgedragen.

Een nieuwgeboren zon als blijder toekomst dagen?

Of bergt gij in uw zwangren schoot Een tijdperk, in de macht van zonde en waan gekluisterd, — Een hemel, door de hoop veelkleurig opgeluisterd.

Of, dio zich ras tot nacht verduistert,

En reeds van d'aanvang droevig rood!? —

Ras is het ijzren web van 't spoornet afgesponnen:

Een nieuwe wereld rijst, zoo ver de stoom gebiedt!

'k Zie met zijn pluim van rook den trekker voortgeronnen.

Zoo wijd naar Oost of West de star haar stralen schiet. De muren storten om, die nog de volkren scheiden — Een stroom van koestrend licht daalt zeegnend op den Heiden —

ocr page 237

HET COMMUNISME ONZER DAGEN.

En de electrieke vonk, die bliksemt langs de lijn,

Zal de overbrengster der ontsluierde gedachte,

Die nog haar volle ontwikk'ling wachtte,

Bij 't reeds ontluikend nageslachte.

Naar 't grenspunt der beschaving zijn!

De Wetenschap snelt voort met meer dan reuzenschreden;

Ook 't pas ontgonnen veld draagt vruchten, bloem en knop; Zij zwaait haar tooverstaf, bezweert het grijs verleden. En Ninivé staat uit het graf der eeuwen op.

Maar bij de schepping veler wondren.

Dreigt ook van verre een storm, die heel dien gaard zal plondren.

En 't angstig vorschend oog, dat zich ten hemel richt,

En in 't verzegeld schrift der tijden tracht te lezen,

Vraagt telkens met onrustig vreezen:

„Wat zal, Europe! uw toekomst wezen? -—

„Het worde nacht!quot; of „'t worde licht!quot;

Euroop herademt weer van d' aardschok, die het schudde.

Die d' onderwoelden grond deed golven als een zee. De bergen opjoeg, als een opgeschrikte kudde,

En ze op hun voetstuk daavren deê.

Met stroomen bloeds betaald, schijnt toch de vreê herkregen —• En — blijft ze amechtig nog op 't krankbed neergezegen —

De kranke (zoo het heet) is van den dood gered. De forschgespierde klauw van Duitschlands adelaren Heeft de opgewonden vrijheidsscharen.

Het heldenvolk der Magyaren En 't jong Itaalje :t hoofd verplet!

Keert thans de ruste weer? — Ach! eindloos ver gevloden,

Schijnt ze ons alleen in 't graf bewaard!

In catacomben slechts, in 't zwijgend rijk der dooden

Woont zij, niet óp maar ónder de aard.

Die vrede en schijnbre rust is als het woelziek ronken Eens dronkaards, die, verhit, den slaap in d'arm gezonken,

Kas weer met neevlig brein ontwaakt;

Ras, als hij in den kroes den zwijraelwijn ziet blinken.

Opnieuw het vloeiend vuur zich zal in de aadren drinken, Tot hij den slaap in d' arm gaat zinken.

Waar 't jongst gericht uit wakker maakt.

225

ocr page 238

het communisme onzer dagen.

Van onweer zwanger, bleef een wolk in 't Westen hangen. Wier aanblik 't voorgevoel van nieuwe jamm'ren wekt; Die soms, doorkruist van bliksemslangen.

Haar vleermuiswiek verbreedt, en dreigend nadertrekt.

Haar witgevlokte sneeuw is bloesem van den donder.

Die soms van ver reeds gromt, als riep een stem er onder:

„Europe is ongeneeslijk ziek!quot;

Soms scheurt het wolkgordijn, en aan de omfloerste transen, Zien we, als in dwarlend schrift, dat voor het oog blijft dansen. De vuurge lett'ren glanzen:

„De Roode Republiek!quot;

„De Roode Republiek!quot; — 't gekroonde Communisme,

Dat sloopt en neerwerpt al wat hoog staat opgericht.

En, na den beeldstorm van het gruwzaamst Vandalisme,

Het Kabel der Gelijkheid sticht.

„De Roode Republiek!quot; — de kleur der guillotine,

Die 't schrikbewind als werktuig diene.

Waar trager foltring licht te ras liet moorden stuit. — Heb dank! gij legt voor 't minst uw doel, uw leuze ons open! Gij laat aan de aard geen keus van vreezen of van hopen. Gij wilt uw hand in bloed gaan doopen.

En rolt daai'om uw moord vlag uit! —

Of wacht Euroop van u verkwikking en herstelling.

Gij Wijsbegeerte, met den Tijdgeest in verbond?

Brengt ge ons genezing of vermeerdring aan van kwelling. Als go uw oraaklen van uw drievoet ons verkondt?

Ach, als gij 't Pantheïsme huldigt.

Waar is in 't leed de troost, door't menschdom u verschuldigd? Wat roemt ge, alsof door u eene eeuw des heils begon! —

Door u, tot zingenot met fijner prikkel, noodend,

't Onsterflijke in den mensch, zijn ziel en zielskracht doodend. Maar de onbezielde stof vergodend.

En Godverloochnend als Proüdiion.

Proudhon, die op haar troon de Godheid durft bestrijden.

Met de eeuwge oppermacht twist om het algebied;

In God den geest des kwaads, die 't menschdom doemt tot lijden,

Of 't spooksel der verbeelding ziet;

Pkoüdhon, wiens addertong een lastertaal durft schuiflen,

226

ocr page 239

HET COMJIUNISJIE ONZEll DAGEN.

Die siddring jaagt dooi 't hart der duiv'len,

Die met een lach zijn naam aan d' afschuw geeft ten prijs Proudhon, die aan het hoofd van wriemelende wormen, Met zinloos wraakgeschreeuw den hemel wil bestormen, Terwijl hij de aarde gaat hervormen.

En omschept tot een Paradijs!

O Chaos, Chaos! nacht van onafzienbre rampen!

Zoo 't logenstelsel van Cabet, Leroux, Pkoudhon,

Op hen, die 't wangedrocht vol riddermoed bekampen,

In 't eind de schrikbre zege won;

Zoo elke worstling om de stortzee af te weren.

Die, als een zondvloed, de aard verdelgend om gaat keeren.

Slechts ijdle krachtsverspilling bleek;

Totdat de laatste dam, die nog het hoofd deed beuren,

Gelijk een schutsluis, die haar deuren Voelt door 't geweld der waatren scheuren.

Voor d'aangezwollen vloed bezweek; —

Dan zaagt ge, o Wetenschap! uw laatste templen sloopen! Geen lauwer voor de Kunst! Geen eerzuil voor 't Genie! Geen wedstrijd sloot zijn slagboom open!

Geen prikkel meer voor de Industrie!

Wat zoudt ge, o denkend brein, in't rijk der lett'ren zwoegen? Leer als uw os uwe akkers ploegen,

En krom den nek in 't jukgespan!

Wat zoudt gij woekren met uw gaven?

Gedoemd in 't dwanggareel des arbeids voort te draven! —

Ga diep in de aard met stof begraven,

Wat hooger nog dan 't stof uw ziel verheffen kan!

Vergeefs dan vrucht gehoopt met rijk-vermeerde rente.

Gij zorgend vader, die na onverpoosde vlijt.

Waarvan zich 't zegelschrift in 't rimplig voorhoofd prentte,

Moogt juichen, hoe ge mild door God gezegend zijt! „Uw eigendom is roof!quot; — Gereed zich uit te strekken.

Gaat de opgespalkte klauw alree de vingren rekken —

En — legt ge uw hoofd ras op de stervenspeluw neer — God moge uw jongst gebed voor wees en weeuw verhooren! Maar de oogst van wat gij zaaide' is voor uw kroost verlor En, — welk een lot hun zij beschoren —

Geen erfgoed rest uw kindren meer!

ocr page 240

HET COMMUNISME ONZER DAGEN.

Zaagt ge ooit een schooner beeld dan hinvlijksliefde stralen ?

Wat meer den geest verzoend met de ondermaansche ellend Als ge in uw zonen, in hun flikk'rende idealen,

Uw eigen levensbloed, uw eigen jeugd herkent;

Als ge in uw dochter 't beeld ziet van uw uitverkoorne, Der nog beminde of — vroeg verloorne!

Kent gij een heilger band, dan dien der huwlijksmin? Het harp-akkoord, waar aarde en hemel zich in mengelt, Wat hier de zinlijkheid doorloutert en verengeit.

Den band, die 't huisaltaar en gade en kroost omstrengelt. Den heilgen band van 't huisgezin? —

En nu — ruk los den band dier lang versleten boeien!

Verbreek het ijzren juk, dat de echt te dragen gaf!

Vergeet, hoe de eerste liefde u eens de borst deed gloeien!

En sta den naam van vader af! —

üa, dolende in uw lust, met staag verruilde kussen Uw gloed in vreemde omhelzing blusschen,

Wordt Otaheites wilde of 't boschdier weer gelijk! — Vergeet, veracht den schoot der moeder, die u baarde!

Verstik de laatste vonk van deugd, van mannen waaide! En werp uw kroon, o vorst der aarde!

Met iedre koningskroon in 't slijk! —

Is dat de wijsheid, die onze eeuw aan de aard verkondde? —

Zendt zij daartoe Apostlen rond?

De heerschappij van 't vleesch, de strafloosheid der zonde,

Gepredikt met den lach der wulpschheid om den mond! — Vloek op uw hoofd dan, gij onreinen en ontzinden!

Zoo niet een spotlach of een traan voor u, verblinden!

Gij slaat uw hand aan de ark in 't binnenst Heiligdom! Ge ontrooft der maatschappij 't onwrikbaar hoekgesteente! Gij doodt haar 't lichaam! Gij ontwervelt haar 't gebeente! Ge ontwijdt de doopvont der gemeente.

Rukt huisaltaar en tempel om!

Doch, waar uw gruwelleer op de aard moog zegevieren,

Waar bloem of wierook voor uw afgod word' gestrooid: Zoolang van 't Neerlandsch bloed één droppel om blijft zwieren

Op Neerlands dierbren erfgrond nooit!

Elk vader zou, als 't uur des worstelstrijds ging naadren,

Zijn gade en kroost om zich vergaadren.

ocr page 241

het communisme onzer dagen.

Bewust dat hij den hoorn des altaars hield omvat!

En met dien levensschat in de armen,

Niet raadloos aan uw knie u smeeken om erbarmen,

Maar 't dierbaarst eigendom met leeuwenmoed beschermen, Zoolang hij bloed in de aadren had!

Zie, 'k weet, dat aan mijn mond 't verzoeningswooru van vrede

(Mij, dienaar van Gods Kerk en 't Evangeliewoord!)

Dat aan mijn hand geen zwaard, dat bliksemt uit de scheede. Maar 't zwaard des geestes slechts behoort!

Maar wie die onveibreekbre banden.

Mij dierbrer dan het zwart der oogen, aan kwam randen: Ik vroeg hem oog voor oog, en wond voor wond ten zoen!

De ram zou in een wolf verkeeren!

Ik zou als 't everzwijn mij met mijn slagtand weren,

En, in de mogendheid des Heeren,

Ook 't zwaard des krijgers blikk'ren doen! —

Schim van Napoleon! Blijft ge om uw tombe dwalen?

Zoekt gij den stoel terug, die eens uw zetel was?

En rijst uw aadlaar, 't hoofd gekroond met zonnestralen,

Weer als een Feniks uit uwe opgerakelde asch?

Fronst gij uw blik, gereed opnieuw de knots te heffen.

Die 't monster op den kop moet treifen.

En vraagt ge een vuist slechts, die uw knots te slingren weet? Kiest Frankrijk, kiest Euroop, voor 't dreigend Anarchisme, Uw ijzren handschoen en den dwang van 't Despotisme? — Vloek dan op 't hoofd van 't Communisme,

Dat ons die boeien heeft hersmeed! —

O Communisten! droeg' de stroom der landverhuizing. Die, wassend jaar op jaar, zijn golfslag stuwt in zee.

Bij 't driftig jagen, in zijn wieling, in zijn bruising.

Ver van Europa's kust u in zijne armen mee!

Ziet, hoe van de aangezwommen kielen Aan San Francisco's ree de stille waatren krielen

Van d' onbezochten Oceaan,

En daar, — waar zwerm bij zwerm komt gonzend neergestreken. Die momm'lend bromt en woelt, waar 't goud stroomt door de Een wereldstad in luttel weken, [beken, —

Als Jonas' wonderboom, ontstaan!

229

ocr page 242

HET COMMUNISME ONZER DAGEN.

Kiest daar uw woning, op die aardplek zóó gezegend!

In 't land der wondren, 't land van wassende' overvloed! Waar 't goud springt uit den grond en in do vingren regent,

Dat door den jubelkreet der volkren wordt begroet !

Hoort, Comumnisten, boort! Snelt aan, snelt aan, gij allen! Naar California! — Ontwijkt bij duizendtallen

Ons stervend werelddeel! — Vlucht naar Amerika!

Daar wacht u arbeid in haar bosschen neer te bouwen!

Daar ruimte en pleinen om learia's te bouwen;

Sticht daar, wat eens Euroop bewondrend moet aanschouwen, Uw republiek Utopia!

Of neen! Schrikt wakker uit uw droom, gij droef-verblinden!

Vlucht, vlucht voor d' afgrond, aan welks bloemenrand gij staat! Waarin gij duiz'lend stort, als 't luchtbeeld zal verzwinden.

Dat gij vol drift omhelzen gaat!

Speelt niet, terwijl ge uw dolk tot broedrenkrijg blijft wetten, Met Christds' naam op feestbanketten! —

Kiest niet zijn heiige liefdeleer Tot masker voor uw wezenstrekken,

Om uw misvormd gelaat te dekken,

Maar laat zijn stem: „Ontwaakt!quot; ook u ten leven wekken. En vindt, met Hem verzoend, in ons uw broedren weer!

O heilige eenvoud! schoone en onbewolkte dagen

Des eersten Christendoms, te ras volbloeide tijd!

Toen willig 't eigendom ten offer werd gedragen.

Wie heeft, uw deugd ten hoon, uw achtbaar beeld ontwijd? Rein, als het licht des daags, bij 't blozend uchtendkrieken. Was de opslag van uw oog en 't zilver van uw wieken;

Rein als de liefdevlam, die op uw altaar glom!

Wie durfde u stout in 't aanzicht schennen? -—

Wie zou aan 't uitslaan van hun pennen Den havik en de duif niet kennen —

Het Communisme en 't Christendom?!

Gezegend Christendom! gedaald uit hooger kringen.

Als 't heilgeloof, dat van der zonde heerschappij

De slavenboei in stuk doet springen.

Gij, gij schenkt vrijheid, doch de driften ketent gij!

Gij stort uit milden hoorn uw rijkste Hemelgaven!

Uw levend water, dat de kranke ziel moet laven.

ocr page 243

HET COMMUNISME ONZEU DAGEN.

Biedt gij aan elk wie dorst, om niet, 't zij arm of rijk! En waar we, om 't kruis geschaard, dat met Hosanna's eeren, Of knielend voor den Heer der Heeren,

Als zondaars 't hoofd in 't stof verneêren,

Maakt ge allen voor Gods troon gelijk!

O Liefde! Hemeltelg, die weldoet, troost en zegent!

Gij deelt, naar 't hoogst gebod, aan elk uw gaven uit! Het druppelt wijd in 't rond, als 't op uw akker regent!

Het regent balsem, waar uw handpalm zich ontsluit!

Wien 't hongert, reikt gij brood — wie naakt is, spreidt gij kleedren. Gij leent aan 't pluimloos jong het sneeuwdons van uw veedren,

Aan 't pas geschoren lam het hulsel van uw vacht;

Waar gij uw glimlach toont, daar zoekt het zwaard de scheede: En drongt ge alomme door, heel de aard weergalmde: Vrede! Heel 't menschdom zong één loflied mede,

Verbroederd tot één Heer gebracht! —

Do tweede helft der Eeuw! wat brengt ze ons! vloek of zegen? —

Wat draagt zij op haar tijdstroom mee? —

't Geschokt Europa hijgt een beetre toekomst tegen!

De schepping zucht in barenswee;

De zuilen wagg'Ien der geschudde tempelwanden; — De menschheid heft ontroerd de saamgevouwen handen

En vraagt, of redding mooglijk zij? —

Gij, geest des Christendoms, roep Pinkstervuur van boven! Werk als een Godskracht in de harten, die gelooven!

Waai, adem Gods, door onze hoven!

En — Evangelie, antwoordt gij! —

Rol dan. o tijdstroom, voort! al blijft de stormwind klaatren.

Terwijl ge, o wentlende Eeuw! uw halven kring beschrijft —-De duif des Geestes zweeft reeds koestrend langs de waatren. Waarin nog de oude wereld drijft! —

Wordt weer het scheppingswoord gesproken,

Dan treedt ze in nieuw gewaad, haar windsels uitgebroken.

Zich badende in den glans van d'eersten morgenstraal! Volbreng uw loop, o Eeuw! — In spijt der Communisten Blijft van Gods Koninkrijk 't verborgen zuurdeeg gisten —-Wie, die 't geloof heeft van den Christen,

Kan twijflen aan de zegepraal?

231

ocr page 244

de zonsvekduisteiukc.

DE ZONSVERDUISTERING.

28 juli 1851.

I.

Hoog staat de zon aan 's hemels trans,

No{; van haar vollen stralenkrans Omschitterd, wandelt zij daar langs den zoom der wolken;

En, waar zij neerblikt van hei open luchtazuur,

Daar stort zij over de aarde en quot;t spiegelvlak der kolken, Een zee van licht, een stroom van vuur. Onzichtbaar zweeft langs de eigen baan De nachtvorstin door 't luchtruim aan,

Die, zonder wolkgordijn, die vlammenpracht zal dooven.

De dienares der aard, de bleeke en sehuchtre maan. Zal aan den dagvoist thans zijn kroon en slagzwaard rooven. En als gebiedster voor hem staan.

O wondre wetenschap! die eiken slag der raadren

Van 't zonnestelsel hebt bespied;

Die waar twee werelden tot d' eigen kruisweg naadren, Met scherpbereeknend oog voorziet;

Die ons 't geheim verklaart der onverstoorbre wetten,

Waarnaar het wervlend wiel der lichten voort blijft gaan! En, als gij op der starren baan En in heur wandelkling ons dwingt den voet te zetten.

Ons de ordonnantiën des hemels leert verstaan!

Wat ge in de toekomst leest, verkondigt ge ons te voren Met nimmer faalbre profetie.

En van der heemlen harmonie Doet ge ons den vasten maatklank hooren;

Geen wetenschap der aard draagt schooner kroon dan gij!

Thans viert gij haar triumf, gij Priesters in haar koren! Nu uw voorzeggingswoord weer zijn vervulling wacht: Maar bij de hulde u toegebracht,

Zien wij de macht en trouw des eeuwgen Scheppers gloren; En door ons harte klinkt een stem,

Die als een loflied rijst tot Hem:

ocr page 245

DE ZONSVERDUISTERING.

,Wij wezens, in do zee dier werelden verloren,

— Wat is de mensch, o God! dat Gij zóó hoog hem acht? — Wier blik tot in het diep dier heemlen door kan boren: Wij zijn van Gods geslacht!quot;

11.

't Gordijn der heemlen wordt geheven; Het schaduwbeeld der nachtvorstin Rukt reeds het gouden vuurveld in.

En breekt de stralenkroon, om 't hoofd der zon geweven. Wij staren 't plechtig schouwspel aan:

De zon, gekromd als halve maan.

Waarover zilvren wolken zweven,

Zien wij met gouden hoornen staan.

't Is of weer Mekka's maan van 't hoogst der heemlen praalde,

En droeve schemering langs 't aardrijk werd verspreid.

Toen ze uw verbleekten glans in 't Oosten overstraalde, O Zonne der Gerechtigheid!

Toch blijft gij 's werelds licht, dat, soms voor 't oog verscholen, Eas weer zijn gloed herneemt, en nooit in nacht verdwijnt, En eens tot rs aardrijks verste polen Met onverdoofbren luister schijnt.

TIL

Wat is de schepping stil, nu zich de zon verduistert!

De vooglen zweven angstig om;

't Is, of geheel natuur vol aandacht staart en luistert.

En met een zachter stemme fluistert,

Bij 't opzien naar 't gewelf iu 's Heeren Heiligdom. —

Zóó volgde ook eens — maar 't was een doodsch en somber zwijgen — Een stilte als die des grafs op 't vloekgeschreeuw weldra. Toen 't duister werd op Golgotha;

De schepping scheen ontroerd naar d'ademtocht te hijgen.

En 't bevend aardrijk slaakte een kreet van schrik daarna; Toen, om het zwart tooneel van gruwlen te overdekken.

De zon haar stralen in ging trekken.

233

ocr page 246

DE ZONSVERDUISTERING.

Den middag in een nacht herschiep,

Door bliksemvuur noch stargeflonker Verlicht, en in dat tastbaar donker Als met een hoorbre stem de duistre hemel riep:

„Van 't naadrend Godsgericht ben ik de ontzagbre bode!

Wee over u, Jeruzalem!

Wee u, de stad des bloeds, die Gods Profeten doodde,

En 't kruis hebt opgericht voor Hem,

Dien ge op Zijn wolkentroon als Rechter zult aanschouwen. Als weer de heemlen zullen rouwen,

En de aard zal beven op Zijn stem!quot;

IV.

Zie, 't zilverblauw

Aan 's hemels tin Wordt vaal en grauw!

De zon krimpt nog haar hoornen in,

Van 't zwart der maanschijf overtogen;

't Is of een adelaar, haar in 't gelaat gevlogen.

Zijn reuzenslagwiek houdt ontplooid.

En over de aarde en zee een donkre schaduw strooit. Hij dreigt den vuurgen ring, die schitt'ren bleef, te raken; 't Is morgenrood noch avondgloed.

Wat nu, met fiauwen glans, de gevels scheemren doet, Maar koud en trillend licht, dat rondzwemt langs de daken,

En als uw blik de zon ontmoet,

Is 't, of een stervende, de lijkkleur op de kaken. Met brekend oog u groet.

Ziedaar ons beeld! Op 't zonnigst pad van 't leven. Ook als het oog geen wolkje aan zag zweven.

Valt soms een schaduw, breed en zwart; Een lijkgewaad ontrolt zijn slippen langs de dreven. En rouw en droefheid daalt in 't hart.

Uw levenszon moge op den middag flonkren.

Eer de avond valt kan ze onverwachts verdonkren; De lach der vreugd, der glorie stralenkrans, Elk aardsch geluk, snel wiss'lend in zijn glans —•

234

ocr page 247

DE ZONSVERDUISTERING.

Ach! al te ras kan 'l al zijn luister derven, Gelijk ons oog die zonne zag besterven Aan 's hemels trans.

Maar Gij, die u met vlammend licht

Omgordt als met een kleed;

Die met een span de heemlen meet.

En voor die zon een tente sticht Uit doek van 't hemelblauw;

Die zonnen uitstrooit langs de heemlen. Ontelbaar als er paarlen weemlen In 't net van d' uchtenddauw !

Gij, aller lichten bron,

Gij zijt der zonnen Zon!

Een zon, die onbeweeglijk staat. Die nimmer op- of ondergaat;

Bij U is standsverwisseling,

Terugkeer noch verduistering,

En moog', terwijl de dag gebiedt, Een nachtfloers op de schepping dalen: Gij houdt den vuurkrans Uwer stralen: Gij, eeuwge Zon, verdonkert niet!

V.

Gij, zon! slaat breeder hoornen uit;

Zij vlamt ons toe uit wijder ring,

Gelijk een bloem, die openging,

Haar blaadrenkrans ontsluit;

Ras drijft zij langs 't azuren veld.

Met haar herwonnen kroon helschitt'rond als te voren; Van vreugde blinkend als een held.

Die met omlauwerd hoofd ons zijn triomf vertelt! — Gegroet, gegroet, o zon, tot volle pracht herboren! Gij hebt, schoon voor ons oog bedekt.

Geen lichtvonk van uw gloed verloren!

Gij bleeft dezelfde zon, die, waar ge uw blik iaat gloren. Steeds vreugde en leven wekt!

ocr page 248

DE ZONSVERDUISTERING.

Behield die zon — al zwijmde in neev'lig duister Haar licht voor 't oog — haar ingeschapen luister,

Eu nam zij ras haar kroon van stralen weer: Wat klage ik dan, als 't nacht wordt om mij henen. Als ware Uw licht door 't wolkenfloers verdwenen, Dat Uw gelaat voor mij bedekt, o Heer!

Kon 't zwart gordijn die zon geen vonk ontrooven. Wat zou dan ooit U, Eeuwge Zon! verdooven,

Al gaat de glans dier heemlen ook voorbij? — Ach, scheen het soms, bij 't uitzien naar den morgen, Als hieldt ge een poos Uw vriendlijk oog verbolgen, Hef ras weer 't licht Uws aanschijns over mij!

Wordt eens de zon, bij wolkloos straalgeflonker.

Voor 't scheemreud oog, op vollen middag, donker.

Als in mijn oog de laatste vonk verschiet:

Welzalig, die in 't uur des doods vertrouwen!

Geef in üw licht ons dan het licht te aanschouwen! Wijk met Uw zon van 't donkre doodspad niet!

Zal 't eeuwig licht zijn in der zaalgen woning;

Hebt Gij een veld vol zonnen tot hun kroning:

Nooit weene ik dan, waar 't graf zijn prooi ontving. Alsof wij niets van onze ontslaapnen wisten —

Wat is het sterven voor den Christen, Dan Zonsverduistering ?

GEWIJDE POËZIE.

DE OPWEKKING VAN HET DOCHTERKEN VAN JAÏRDS.

Vrees niet. geloof alleenlij Markus V: vs. 3Gc

I.

Neen! 't is het blosje niet der jeugd.

Wat ge op dat lief gelaat ziet gloeien.

Dat twaalf zomers stond te bloeien.

Het ouderhart tot weelde en vreugd

236

ocr page 249

de opwekking van het dochterken van jaïkus.

't Is niet het rijzen van den boezem,

Die lieflijk zwelt bij eiken zucht,

Als 't eerst de maagdelijke bloesem Zal rijpen gaan tot voller vrucht;

't Is koortsgloed, vlammende op de kaken. Die vuur giet door het ingewand.

Die op het kloppend voorhoofd brandt, Het overspreidend met scharlaken.

't Is 't hijgen der benauwde borst.

Als de adem uit geschroeide longen

(Daar 't dor gehemelt' smakt van dorst), Wordt naar den gorgel voortgedrongen.

Düar ligt zij neer, Jaïkus' spruit.

Zij, de eengeboorne uit zijn lenden,

quot;Wier dood zijn heil op aard zal enden,

Wier graf haar moeder 't graf ontsluit.

Daar ligt zij met gebroken oogen,

Terwijl de hand nog woelt en tast;

En om de lippen, flauw bewogen.

Zet zich de doodstrek pijnlijk vast.

De moeder slaat aan 't raadloos kermen, En breidt haar armen over 't wicht. Als wilde zij 't nog voor den schicht Des doods met eigen borst beschermen.

De vader ziet met starren blik,

Hoe 't rood des aanschijns gaat verblauwen; Voelt de opgekrompen pols verflauwen. En slaat een jammerkreet van schrik.

Één lichtstraal slechts, één lichtstraal blonk er „De Heilprofeet, de Redder naakt. Die blindgeboornen ziende maakt En kranken heelt!quot; Die blijmaar klonk er;

Vlieg, vlieg, Jaïrus, om den Heer,

Den Man der wondren Gods te ontmoeten! — Daar stort hij siddrend aan Zijn voeten En snikt: „Geef mij mijn liev'ling weer!quot;

ocr page 250

de opwekking van het dochtekken van jaïküs.

„Ai, volg me en treed mijn woning binnen! „Daar ligt mijn kind doodskrank, benauwd, „Met drupp'lend stervenszweet bedauwd, „Zij, die we als 't zwart van 't oog beminnen

„Licht ben ik reeds geen vader meer, „Maar als Uw hand haar aan zal raken, „Zal zij ten leven weer ontwaken. . . .

„Ai, red ons. Gij vermoogt het, Heer!quot;

Te laat, te laat om hulp gevloden!

Gij redt uw dochter niet van 't graf, Gij hebt geen kind, dan bij de dooden ...!

De luitsnaar sprong, de bloem brak af. „Moog' uwer zich de Heer erbarmen,

„Jaïbus! uw beminde spruit „Blies reeds den laatsten adem uit,

„En gaf den geest in moeders armen!quot;

Dat hoort de vader, en dit woord.

Ach, 't vult voor hem den kelk der smarte. Nu 't zwaard, dat neerhing aan de koord, Hem snijdend gaat door 't vaderharte.

Naar Jezus wendt hij de oogen heen. En Jezus zalft met troost zijn wonde, En slaat een kalmen blik in 't ronde. En spreekt: Vrees niet, geloof alleen!

11.

Wat treurgezang, wat klaaggeluid Dringt daar Jaïrus' woning uit.

Waar 't maagdelijn ontsliep;

En reeds de breed verspreide maar Een jammerende vriendenschaar Tot weegeklag en rouwmisbaar Om 't doodbed samenriep?

„Ween, droeve, kinderlooze vrouwe! Verscheur de vlecht en 't kleed van rouwe?

De roos, pas barstende uit haar knop, Als Sarons roos eens 't schoonst van allen.

ocr page 251

de opwekking van het docutekken van jaïrus.

Liet in uw hand haar blaadren vallen,

Verzilverd nog van d' uchtenddrop.

Waar zoudt gij, arme! troost verwerven? Als Rachel zaagt ge uw kinders sterven.. ..

Heel de aard, rampzaalge, heeft er geen! Nooit zult ge uw dochter de echtkoets spreien, Noch haar, aan 't hoofd der maagdenreien,

Als bruid zien uit uw woning treên;

Nooit in haar moedervreugde deelen.

Geen kleinzoon op uw knieën streelen.... Uw toekomst en uw hoop verdween!

Ween, kinderlooze moeder, ween!quot;

„Jairus, ween, strooi assche op 't hoofd! De dood heeft u een spruit ontroofd. Die groende als 't loof van Libans ceedren. Nooit zal haar zilverklare stem.

Zoet als de harp van Bethlehem,

Door haar gezang u 't hart verteedren.

De krans welkte om uw slapen heen. .. -Strooi assche op 't hoofd, verscheur uw kleedren. En kinderlooze vader, ween!quot;

Dat treurgezang, dat klaaggeluid Barst thans Jaïbus' woning uit; —

Hij hoort dat dof geween;

Maar schoon de smart zijn ziel doorboort. Daar binnen galmt het godlijk woord.

Door hem uit Jezus' mond gehoord:

Vrees niet, geloof alleen !

III.

Verhef thans, needrig dak! uw bogen,

Buig laag uw dorpel voor den voet Van Hem, die hier de tranen drogen

En rouw in vreugd herscheppen moet. Hij komt, de Heer, de Vorst van 't leven. Die, aangegord met de almacht Gods, De onwinbre macht des doods ten trots. Hem dwingt zijn prooi terug te geven.

239

ocr page 252

de opwekking van het dochterken van jairus.

Hij komt, Hij, in ontferming groot,

Gewoon te redden en te zeognen,

Die, als zijn handpalm zich ontsloot. Een stroom van heil op de aard deed reegnen;

Die 't hart, van boete of wee verplet. Zoo vaak van zaalge vreugd deed hupp'len. En troost en vreugde neer doet drupp'len, Waar Hij zijn voetzool nederzet.

Nu klinkt het door de sombre woning:

„Wat weent en treurt ge als bij een lijk? „Van hier die ijdle smartbetoomng.

„Die klaagrenrei, die treurmuzijk!

„Neen, weeklaagt niet, alsof de wonde

„Keeds wijd en ongeneeslijk gaapt;

„Zij ligt te sluimren op haar sponde —

Jftt dochterke is niet dood, maar slaapt!quot;

„Niet dood?quot; zóó gaat men spottend henen; „Niet dood?quot; zoo vraagt de schampre lach, „Het kind, dat ieder sterven zag,

„Welks vroeg gemis wij luid beweenen? —

„Ach, kranke troost bij bittren rouw,

„Voor wie de schrikbre waarheid weten! „Of moet haar dood een sluimring heeten?... „Wie is 't, die haar weer wekken zou?'quot;

Maar Jezus, bij het lijk gebleven.

Vat haar tot ijs verkilde hand.

Hij spreekt — Wiens stem het ingewand Des gral's ontsteld doet antwoord geven;

Wiens levenwekkend woord; „ontwaakt!quot; Om voor 't Heelal zijn macht te staven. Al wie er sluimren in de graven.

Eens uit hun doodsslaap wakker maakt.

Hij spreekt — en 't dochterke is verrezen! De levensblos keert op 't gelaat.

Terwijl de pols veerkrachtig slaat,

En de oogen schitt'ren als voordozen. Zij glimlacht zoet, en staart als één,

240

ocr page 253

de opwekking van het dochterken van jaïrus.

Die uit verwarde en zaalge droomen Weer tot bewustheid is gekomen, En vragend rondziet om zich heen.

Daar ligt ze aan 't oudrenhart geketend, Dat, overstelpt van vreugde en schrik, Den doorgeworstelde' angst vergetend Voor 't zaalge van dien oogenblik.

Zich aan haar boezem vast blijft prangen. En hoort naar 't bonzen van haar hart, En d' aêm des levens op wil vangen.

Waar zich hun adem mee verwart.

En Jezus' oog baadt in die weelde.

En 't is Hem vreugde en dank genoeg; Hem, die de diepste wonde heelde.

Maar van geen sterv'ling hulde vroeg. Hij wil geen lof van duizend tongen,

Hoe schitt'rend zulk een glorie schijn' — Van 't godlijk vreugdgevoel doordrongen: Hier Redder van den dood te zijn!

IV.

Wat klaagt ge dan, o droeven!

Om d'eens verloren schat? — Die wegborgt in de groeven,

Wat de aarde dierbaars had. Al scheuren uw gebeden

De zerk niet op van 't graf;

Al valt der dorre leden

Niet weer de lijkwade af;

Toch ligt de Dood verslagen, Verwonnen van Gods Zoon,

Die 't uchtendlicht deed dagen In 't nachtverblijf der doón:

Die ook dit stof beveiligt.

En 't graf, waarvoor gij beeft, Ter rustplaats heeft geheiligd.

Waarom Zijn Engel zweeft.

„Beween dan vrij uw dooden.

Maar zonder hope niet!quot;

241

ocr page 254

DB opwekking van het dochterken van JA1EUS.

Die stem rijst uit de zoden,

Waarop ge tranen giet. En wandelt ge over graven

In 't heilig tempelkoor,

Waar 't sluimrend stof der braven

Wacht op den morgengloor; Of waar op 's Heeren akker

De kruisen staan gegroept. Denkt: „Dooden worden wakker,

Als Jezus Chkistus roept!quot; En, ziet ge een grafkuil gapen.

Zoo griffelt op den steen: Zij zijn niet dood, maar slapen — Vreest niet, geloof alleen!

BIJ EENE KUNSTPLAAT, vookstellende:

JEZUS WANDELENDE OP DE ZEE.

I.

de heek.

Duisternis zweeft langs de waatren.

Hangt in grauwe neev'len neer,

En de storm vangt aan te klaatren.

En schiet snerpend uit langs 't meer. Dat, van grimmigheid aan 't brullen, Hoog zijn golven op doet krullen,

En ze brijzelt keer op keer;

Slechts haar witbeschuimde koppen Geven licht in vuurge droppen,

En een flauwe nevelster,

't Scheurend wolkenfloers ontgleden, Dat de lucht in 't zwart gaat kleeden,

Straalt als 't beeld der hoop van ver, Voor wie naar den hemel staren. —

Maar wat zweeft ginds'? —-Wie is Hij, Die daar wandelt op de baren? —

ocr page 255

bij eene kunstplaat, voorstellende; jezus wandelende op de zee. 243

Zee en winden, antwoordt gij!

Meldt Zijn naam ons — wie is Hij? — Met eerbiedig stemgefiuister Spreekt bij elke stilte 't duister,

En met krachtig spraakgeluid Roept de rukwind buldrend uit: Die ginds wandelt in de stormen Over 't woest verbolgen meer,

't Is de Heer!

Siddert niet. Zijn welbeminden,

Bloode jongren, kleen van moed, Die daar, worstlend met de winden, Zwalpt langs d'opgejaagden vloed! Waant gij, dat de geest der stormen Omdwaalt in die nevel vormen?

En, door 't windgoloei ontwaakt.

En uit d' afgrond opgevaren.

Zelf gaat spoken langs de baren,

Dat gij zulk een angstkreet slaakt. Dat de schrik rijdt door uw haren? —

't Is geen spooksel, wat gij ziet Statig zwevend langs de stroomen Tot uw huikje dichter komen.

Hoort: „Ik ben het, siddert niet!quot;

Klinkt door 't solfgebruis u tegen.

Ziet, Zijn naadring spelt u zegen! De eenge Redder in 't gevaar,

Jezus, aller hoop is daar.

Die ginds wandelt in de stormen Over 't woest verbolgen meer!

't Is de Heer!

Deedt gij Mozes' grootheid blijken, Trofsche Schelfzee, toen uw vloed Snel ineenkromp voor zijn voet, En verschrikt terug ging wijken;

Toen gij, bevend voor Gods stem. Als Jehova sprak door hem,

Wegdreeft op gespreide vleugels;

loen gij, als een steigrend ros.

ocr page 256

BIJ EENE KUNSTPLAAT, VOOESTELLBKDB :

Strak gegrepen in zijn teugels,

Stilstondt in uw golfgeklots;

Toen uw waatren, eerst gevloden

Voor des Zieners wonderstaf,

Weer door hem terugontboden,

't Lijkkleed spreidden voor de doodea Over 't wijd gedolven graf; —

Hij, die over 't vloertapeet Der ontstoken waatren treedt.

Rustig wandelt in de stormen

Langs de golven, Hij is meer:

't Is de Heer!

Deedt ge uw stroomnat rugwaarts keeren.

Heiige waatren der Jordaan!

Voor den afgezant des Heeren,

Dien gij droogvoets door liet gaan. Eer hij op zijn wolkenwagen.

Knetterend van donderslagen,

Als op een karos van vuur.

Werd van de aarde weggedragen:

Hij, die in dit nachtlijk uur. Als Beheerscher der natuur.

Rustig wandelt in de stormen

Langs de golven, Hij is meer:

't Is de Heer!

Driewerf heil uw oeverzanden.

Rotsig meer, Genezareth!

Roept Zijn glorie uit, gij stranden! Nu Gods Zoon de voeten zet Op uw schuimend waterbed,

En op 't deinend golfgewiegel

— Schoon de wind met dof gebrom 't Meer doe schudden in zijn kom — Staat als vastgevrozen spiegel.

Stormen, die door 't luchtruim giert. En, waar gij uw geesel zwiert,

't Zeenat opzweept uit de kolken!

Gij, die luistert naar Zijn stem.

Wijdt uw schorren lofzang Hem!

ocr page 257

jezus wandelende op de zee.

Roept „Hosannaquot; in de wolken!

Snelt, ontroerde golven, aan, Om Hem op de waterbaan, Huiv'rend van ontzag, te groeten!

Waait uw pluimen tot Zijn eer! Spreidt uw mantel aan zijn voeten!

Schudt uw paarlen voor Hem neer! Hij, die wandelt in de stormen Over 't woest verbolgen meer; 't Is de Heer!

peteus.

Driftige petbus ! waar zet gij uw treden ?

Daalt gij van 't scheepje en waagt gij uw schreden. Stout op uw moed, langs den bruisenden plas?

Hoort gij den storm en den afgrond niet loeien?

Waant gij uw enkels met vleuglen te schoeien? 't Lillende vocht te doen stollen als glas? —

Hoog gaan de baren; luid gonzen de winden;

Waar voor den voet thans een steunpunt te vinden? 't Zwelgende graf spart zijn kaken alreê;

Zwart is de Hemel; geen star ziet hij blinken.

„Heere, behoud mij!quot; zóó roept hij in 't zinken.

Half overstort door de zwalpende zee.

Kleine in 't geloove! wat hebt gij gewankeld?

Dooft reeds het vuur, dat uw adren doorsprankelt? Driftige Jonger! wat was nu uw moed? —

Steigrende golven, die stuiven en jagen,

Rijzend en ebbend naar 't dwarlen der vlagen. Bobbelend schuim op den hobb'lenden vloed!

Vat haar, de hand, die uw hand heeft gegrepen!

Houd haar met klemmende vingren omnepen,

Macht en ontferming omsluit zij te zaam.

Hij, die als Heer op den rug treedt dor vloeden,

Weet in gevaar ook de zijnen te boeden:

Helper en Redder blijft eeuwig Zijn naam!

245

ocr page 258

bij eexe kunstplaat, voorstellende : jezus wandelende op de zee.

Ziet Hem 't geteisterde huikje bestijgen,

Stilte gebiedt Hij — de rukwinden zwijgen, Glinstrend als marmer en effen is 't meer. 't Koeltje draagt geuren hun toe van de stranden, Waar met gejuich nu het scheepje gaat landen: Golven en winden herkennen hun Heer!

III.

de kunstplaat.

Beminlijk beeld, quot;t is zoet u aan te staren!

Zweef altijd vóór en nevens mij!

Als 't driftig bloed me onrustig bruist in de aren, 'k Zie Jezus aan, daar wandlend op de baren, En 'k voel den storm der ziel bedaren:

Zóó kalm, zóó goed, zóó groot is Hij!

Doet 's levens zee mij door haar golfslag beven.

Bezwijkt mijn hart van vrees daarbij,

'k Zie Jezus aan, die zwakken kracht kan geven, Wiens hand met macht den Jonger houdt geheven; En 'k hoor het fiuistrend om mij zweven; „Kleine in 't geloof! wat wankelt gij?quot;'

Zwak is mijn kracht en klein is mijn geloove,

Maar Gij, mijn Helper! vat mijn hand.

Ach, dat geen nacht dien lichtstraal voor mij doove; Geen storm, die woedt, mij ooit dien troost ontroove, Maar 'k U ook eens als Redder love.

Door ü geleid naar 't veiligst strand!

DE AFNEMING VAN HET KRUIS.

BIJ DE BEKENDE SCHILDEBIJ VAN BUBBENS.

Ik volg TJ na Op Golgotha Beminden van den Heere!

Die, Hem getrouw,

In stillen rouw.

Den doode kroont met cere;

ocr page 259

DE AFNEMING VAN HET KRUIS.

Die de armen strekt En houdt gerekt Om 't dierbaar lijk te ontvangen, Dat, afgeleên,

Als marmersteen Blijft op uw schoudren hangen.

Ai, prangt hem vast Den kostbren last,

Dien gij al schreiend kuste,

— Geen luid misbaar!

Die doode daar Is heilig in zijn ruste.

't Is 't lijk van Hem,

Wiens sterke stem De dooden riep in 't leven.

Sprak Hij: „Ik wil!quot;

De storm zweeg stil En 't graf moest antwoord geven.

En nu? — Zijn hoofd,

Van steun beroofd,

Hangt op Zijn borst gezonken.

Zijn oog viel dicht,

Waar Hemelsch licht Voor de aarde in heeft geblonken.

't Is 't lijk van Hem, Te Bethlehem Begroet door Englenkoren, Op Wiens gelaat Het merk nog staat Van Vaders Eengeboren;

Die als een Lam Ten kruisberg kwam, En 't schuldloos bloed liet plengen; Die moedig streed En willig leed.

Om ons tot God te brengen.

247

ocr page 260

248

DE AFNEMING VAN HET KIUJIS.

Treedt huiv'rend voort Naar 't vreedzaam oord,

Waar gij Zijn slaapsteê spreien. En in de grot.

Bewaakt door God,

Hem zachtkens neer zult vlijen!

Sluit daar den schat Van 't balsemvat.

Uw Myrrhe en Nardus open!

Biedt hem uw traan Als reukwerk aan,

Op 't lijnwaad neergedropen!

Men droeg Hem heen,

Het lijk verdween;

Wat oogt gij 't na, o Droeven ! De rots weerklonk — De grafsteen zonk.

Die d' ingang dicht moet schroeven.

Wischt nu weer oog En wangen droog!

Laat hier Gods Heilige achter!

Hier toeft — al ziet Uw oog haar niet —

Gods Englenschaar als wachter.

Wat slaapt hij zacht.

Nu 't is volbracht, In 't vriendengraf geborgen! En 't duurt maar kort,

Want wakker wordt Hij reeds ten derden morgen.

Dan rukt Hij 't graf Zijn grendels af:

Dan knielt gij voor Zijn voeten; En 't lofgeschal Des Hemels zal Hem als Verwinnaar groeten!

ocr page 261

peteus en joannes bij het ledige graf.

PETRUS EN JOANNES

BIJ HET

LEDIGE GE A F.

NA DE BESCHOUWING EENER SCHILDEHIJ VAN DEN JEUGDIGEN KUNSTSCHILDER J. VAN DUCK.

Wat zielsontroering, vreugde en schrik Spreekt uit dien strak gespannen blik!

Wat veel en diep gepeins geeft Petkus' oog te lezen!

Nu hij, waar vroeger 't lijk des dierbren Meesters lag, De saamgerolde windslen zag; —-„Hoe,quot; vraagt hij, twijflend nog, „zou't waar, zou't mooglijk wezen? Is hier een wonder Gods geschied.

Of gunde men de rust zelf aan den doode niet?

Zegt mij dit lijkkleed dat ik hopen moet of vreezen?quot;

Wat zalig voorgevoel, als reine dageraad Van hemelblijdschap, straalt Joannes van 't gelaat.

En schittert uit dat oog, zóó dankbaar opgeheven!

Hij zoekt den Heer; hij breidt zijne armen uit naar Hem, Als klonk weer door dit graf Zijn stem:

„Ik leef, en gij zult leven!quot; —

Nog bleef een duistre wolk voor Petrüs' zielsoog zweven — Maar toen de Jonger, dien de Heer heeft liefgehad.

Na hem de grafspelonk vol huiv'ring binnentrad.

En zwijgend, aan zijn zij', op de eigen windslen staarde;

Toen was 't alsof een straal der nieuwverrezen zon.

Wier glans zijn aadlaarsblik het eerst verdragen kon,

Joannes 't heilgeheim van 't ledig graf verklaarde.

Geen twijfling kampt meer in zijn ziel;

Hij vraagt niet — nu zijn oog ook op dien grafdoek viel — Of licht eeu vreemde hand het dierbaar lichaam roofde? De blinddoek valt hem van 't gezicht —

't Wordt in de grafspelonk, als in zijn boezem, licht! „Hij leeft!quot; zoo juicht hot oog, dat hij ten Hemel richt — II/j zay het — en geloofde.

249

ocr page 262

hanna.

H A N N A.

I.

hanna's klacht.

,0 ween hier uit, ontroostbre gade!

— Uw voorhoofd gloeit, uw oog is nat — Die 's morgens vroeg en 's avonds spade,

Maar vruchtloos. God om kindren badt. En nooit! als gift van Zijn genade.

Een zuigling op uw knieën hadt.

We! is de vruchtbre vrouw gezegend. Die moeder werd van talrijk kroost!

Zij heeft, wat haar in droefheid troost; Zij wordt met lach en groet bejegend. —

De wed uw in haar treurgewaad Wekt ieders deernis met heur rouwe,

Maar wee der kinderlooze vrouwe;

Haar volgt in Isrel hoon en smaad.

„Ja 'k zag wel, hoe gij tergend lachte,

En welk een blik gij sloegt op mij,

■— De diep vernederde en verachte —■

Pentkna! toen gij, met een rij Van zoons en dochtren aan uw zij'.

Als groene en frissche palmenloten.

Rondom den moederstam gesproten —

Weer aanzat op het feestgetij;

Toen 'k, treurig-zwijgend neergezeten,

Mijn smart verkropte aan 't offermaal, En, schoon mij van de zilvren schaal Het edelst deel werd toegemeten,

Geen bete nam, den wijn niet dronk,

Dien Elkana het eerst mij schonk;

Toen 'k op zijn vraag: , „Mijn Hanna! weent gij „ „En eet gij niets? — Zeg, waarom leent gij „ „Het oor niet aan uw eega's stem?quot;quot; Een blik vol teerheid sloeg op hem. — Ach, schoon 'k in stille dulde en lijde,

Meest eenzaam klaag, en voor haar oog Zorgvuldig te verbergen poog.

ocr page 263

n ANNA.

Hoe ik haar moedervreugd benijde;

Toch geeft haar vlammende ijverzucht Zich in vernieuwde terging lucht.

,'k Had'laatst, getuige van de weelde,

Waar 't moederhart van overvliet,

Pexinna, die haar zuigling streelde,

Met tranen in het oog, besjjied.

Zij had haar sluier afgeslagen.

En 't kind, door haar in 't bad gedragen.

Lag naakt te spartlen in haar schoot; De paarlen hingen aan de wangen.

Die 't met een lach had opgevangen, En quot;t mondje zocht met zoet verlangen De borst weer, die de moeder 't bood. D;e aanblik had mijn ziel verteederd,

Maar, dikwijls door haar trots vernederd,

Trad ik schroomvallig nader, stak Haar zuigling de armen toe en sprak: -JtuovAii zij uw kroost ten Hoeder,

„Peninna, driewerf zaalge moeder!

„Wat is uw jongste liev'ling schoon: „Wel moogt gij trotsch zijn op dien zoon!quot; — En kuste 't lief, aanvallig wichtje De drupp'len weg van 't aangezichtje.

„Maar zij, een boschleeuwin gelijk.

Hield fierder 't fiere hoofd gelieven, En 't schamper woord weid weergegeven:

„ „Zoo is het, Hanka! ik ben rijk „ „En gij zijt arm.quot;quot; — Ik zweeg en zuchtte

En liet het poez'lig armpje los;

Toen rees ik sidd'rend op en vluchtte

In schaduw van 't olijvenbosch.

Waar 'k niet mijn tranen had te smoren. En 't woud mijn droeve klacht liet hooren.

„Nog dieper werd mijn ziel bewogen,

1 oen k eens haar, snikkend neergebogen,

Zag weenen over 't kinderlijk.

De tranen, die aan de oogleên hongen,

251

ocr page 264

HANNA.

De hand krampachtig saamgewrongen, De haarvlecht aan haar band ontsprongen,

't Gaf al van bitt're droefheid blijk. Ach, moedervreugd en moedersmarte Jaagt de eigen trilling mij door 't harte! Ik fluisterde: „Beklaagbre vrouw!

„Wie zou niet deelen in uw rouw?

„Ik ween met u! schoon ik de ellende,

„Die u de ziel verscheurt, nooit kende ...quot;

, „Houd op!quot; quot; — sprak zij met scherp verwijt — „ „Zoudt gij mij troosten, gij het weten, „ „Wat smart mijn borst heeft opgereten? „ „Onvruchtbre, die geen moeder zijt!quot; quot;

„God weet, hoe diep die pijlen treffen. En 'k waar verkwijnd in miin verdriet, Zoo ÉtKAKA, zóó goedig, niet De neergebogene op bleef heffen.

Die hij in 't stof vertreden ziet.

Hij blijft mij troosten, en nog heden Na 't offermaal me op zij' getreden.

Sprak hij met dubb'le teederheid:

„ „Zijn weer uwe oogen rood geschreid? — „ „Al werd geen zoon uit u geboren, „ „Gij Hanna! blijft mijne uitverkoren,

„ „Die ik — sinds d' onvergeetbren dag,

„ „Toen 'k u met Eania's dochtrenreien „ „In een der groene boschvalleien „ „Van Efraïms gebergte zag —

„ „Het eerst en ook het teerst beminde. „ „Uw oog was zacht als 't oog der hinde,

„ „Uw kus als Karmels honig zoet,

„ „Als 't reukwerk, waar uw kleed van geurde, „ „En quot;t blosje, dat uw wangen kleurde,

„ „Beschaamde Sarons roos in gloed. „ „Het speelziek golven van uw haren „ „Was als 't gegolf der korenaren

„ „Bij 't zomerkoeltje. Uw stem was rein „ „Als 't murmm'len van de stroomfontein. „ „En is dat vroegre schoon verzwonden —

252

ocr page 265

hanna.

„ „Nog blijft mijn ziele aan u verbonden, , „Als Jakobs ziel bij dubb'len echt , ,Aan Rachels ziele bleef gehecht. , „Vergeet, hoe u Pbninna griefde!

„ „Ze is moeder. ... dat ze er trotsch op zij! , „Schoon kinderloos, de meest geliefde,

, „De gade mijner jeugd zijt gij!

, „Ben ik, waar ik u 't hoofd blijf kronen, „ „Niet beter dan een tiental zonen,

„ „Of hebt gij niet genoeg aan mij?quot;'quot;

„Ja, 'k weet, mijn schoonheid is verzwonden,

Gelijk de ras verwelkte krans.

Die eens mijn lokken hield omwonden,

Mijn wang is flets en bleek. De glans Van 't weenend oog heeft uitgeblonken; De borst is smeltend weggeslonken.

En overwolkt is mijn gelaat.

Den sluier, die mij 't haar moest tooien,

Schik ik om 't hoofd in broeder plooien,

Als slippen van een rouwgewaad.

Wat hope ik dan, ik vroegverdorde!

Dat ik nog eenmaal moeder worde? •—

En toch, quot;k beklaag de gade niet.

Die vroeg haar maagdlijk schoon moest derven

Als zij haar jeugd herboren ziet In 't bloeiend kroost, dat zij mocht erven. Bij luttel scha, met rijk gewin,

Ruilt ze andre en nieuwe schatten in;

Want op haar jongskens lachend wezen Staat weer haar vroegre blos te lezen.

En op haar dochterkens gelaat Ontgloort een nieuwe dageraad.

Wat moeder, wie een zucht ontgaat Om 't schoon, dat zij bezat voordezen,

Als ze in haar kroost wordt schoon geprezen?

„O, vroeg te sterven waar' niet wreed. Zoo mij die vreugd slechts bleef beschoren, Dat ik den eersten levenskreet Van 't wicht, dat aan mijn schoot ontgleed.

ocr page 266

254

Nog vóór mijn stervensuur mocht hooien;

Zoo 'k uit de volgestroomde borst, Nog eenmaal slechts, mijn kindjes dorst. Bedwelmd van zoete vreugd, mocht lesschen. En 't sidd'rend aan mijn hart mocht pressen....

Dan lei ik willig 't leven af,

En Elkana gaf mijn gebeente Een plaats bij Rachels lijkgesteente En kwam daar treuren op mijn graf.

„Mijn graf.... waar zwerf ik, zielsbedroefde!

Waar dool ik met mijn klachten heen?

Alsof geen and're troost mij toefde,

Dan die der tranen die ik ween.

Hier, waar in Silo's tentgordijnen, In vleuglenschaüuw der Cherubijnen,

De Bondsark op haar voetstuk troont; —

Hier, waar de Heilige Isrels woont Te midden van de wolk van Psalmen, Die opstijgt met de wierookwalmen!

Richt naar het heiligdom uw schreên.

En offer daar bij Gods altaren Als reukwerk, tot Hem opgevaren,

Den wierookschat van uw gebeên!

Dat Hij uw zielsgeheim doorgronde!

Hij peilt en zalft de diepste wonde:

Hij kan u troosten, Hij alleen!

Gij Silo's tente. hoor mijn klachte!

'k Vertrouw aan u mijn bangst verdriet. — Wie Hanna, zonder kroost, verachtte — Gij, Isrels God! Uw dienstmaagd niet!

II.

iianna's bede.

Den man zij op aarde de schepter verbleven;

Der vrouw is de geest des gebeds meer gegeven,

Tot steun in haar zwakheid, haar hoold tol een krans. En daalt er, op 't bidden en 't needrig gelooven.

Steeds Hemelsche troost en versterking van boven,

Waar blijft dan de moed en de sterkte des mans?

ocr page 267

haxna.

De tente van Silo ligt zwijgend in 't donker,

Maar 't goud van den kandlaar weerkaatst liet geflonker

Der luchters; en 't reukwerk, op 't altaar gebracht, Ontbindt zijne vlam in een tintling van kleuren,

Omgolft de tapijten met wolken van geuren,

En balsemt met streelende zoetheid den nacht.

Daar trad zij, -— de droeve! met wanldende gangen; Zij wischt zich den traan, die er sluipt van haar wangen. En kiest zich een bidplaats; blikt schuw om zich heen. Welk oog haar bespiedt, of een oor haar beluistert?

Buigt lager het hoofd op den boezem en fluistert,

En heel hare ziel stort zich uit in gebeên.

Daar bidt zij — de knie voor Jehova gebogen,

De hand op de borst, nog onrustig bewogen!

En 't oog, dat omhoog ziet en troost vraagt van Hem, Staat sineekend en smachtend ten hemel geheven;

De lippen bewegen en oopnen zich even.

Maar tranen en snikken versmoren haar stem:

„Ai, sla op Uw dienstmaagd een oog vol ontferming. Grootmachtige God! en betoon mij erbarming.

Die biddend en weenend in 't stof ligt gebukt;

Gij kent en verstaat, wat ik wensch in mijn harte:

Ai, laat mij niet troostloos vergaan in mijn smarte.

Maar neem van mijn hoofd weg den smaad, die mij drukt

,'t Is U niet te veel, mijne tranen te drogen.

Die groot zijt van kracht, die, omgord met vermogen,

Doet bronnen ontspringen in 't hart der woestijn. Gij, Schepper des levens! Gij spreekt en het is er,

En hoort Gij mijn smeeken — geen uitzicht gewisser. Dan dat ik van moedervreugd zalig zal zijn!

„En zoo Gij uw dienstmaagd in gunst blijft gedenken. Een kind aan mijn boezem, een zoon mij wilt schenken.

Gelijk ik ootmoedig en vurig begeer:

Ik wijd hem geheel aan Uw dienst en Uw eere!

Ik schenk hem aan U, van zijn jonkheid af, Heere!

En kom met mijn kind op mijne armen hier weer.

ocr page 268

HANXA.

„Ik leer hem reeds vroeg naar zijn Schepper te vragen; Hij blijve Uw wet in zijn binnenste dragen!

Hij worde aan den dienst van Uw altaar gewijd!

— Geen lemmer zal 't haar van zijn lokken ooit scheren — Hij moge in de schaauw van Uw tente verkeeren,

En sta voor Uw aanzicht als Priester altijd!

„Als Gij op den druk Uwer dienstmaagd dus neerziet,

Haar geeft wat zij bidt — nu zij huiv'rend van eerbied

Uw tente is genaderd — een mannelijk kroost:

Ik zal U gewis mijn gelofte betalen,

En juichend den roem Uwer goedheid verhalen,

U dankend, o God! die de needrigen troost.quot; —

Zóó bad zij. Wie waagt het, haar smeeking te storen? — De stemme des Priesters laat toornig zich hooren;

, „Wat prevelt ge, o vrouw! met onzinnig gebaar? „ „De nevel des wijns heeft het brein u bevangen!quot;quot;

— „Neen, 'k zocht hier den Heere met zuchtend verlangen, „Uw dienstmaagd was biddend, vergrim niet op haar!

„Bedroefd was mijn ziel, ik heb schreiend gebeden,

„Aan God wat mij prangt, wat ik wenschte, beleden; „Ik sprak uit de veelheid van 't klagend verdriet!quot;

— , „Ga heen dan in vrede! — Geheeld wordt uw smarte, „ „En wat gij den Heer hebt gesmeekt in uw harte,

„ „Hij weigert, o droeve, dien zielswensch u niet!quot;quot; —

Wat blijdschap en zielsrust is thans haar geschonken! 't Gelaat, dat van lieflijker blos is omblonken,

Is langer niet droevig, niet wanklend haar tred;

In rt oog staat de glans der verrukking te lezen.

De glans, die zich altijd weerspiegelt op 't wezen, Na 't vurig, aanhoudend, geloovig gebed.

Ja, 't bidden, met needrig, vasthoudend gelooven,

Roept licht en roept troost in de ziele van boven;

't Vindt meest nog zijn tempel in 't vrouwlijk gemoed.

— Een vrouw die niet bidt, eene bloem zo*der geuren!

't Geeft kracht haar om 't hoofd naar den hemel te beuren, Hoe fel ook de storm van het leed om haar woed'!

ocr page 269

hanna.

't Giet kracht in haar zwakheid, om zwijgend te dragen, Zachtmoedig te dulden, vertrouwend te vragen;

Het heiligt haar droefheid, het adelt haar schoon. Den man zij op aarde de schepter verbleven;

Der vrouw is de geest des gebeds meer gegeven: De biddende vrouw draagt op aarde de kroon.

III.

hakna's lofzakg.

Wat zoekt die schuchtre vrouw, den voorhof ingetreden.

Die aan haar hand haar eerstling leidt'?

Eon jongske, op wiens gelaat, vol zoete aanminnigheden,

De blos der onschuld ligt verspreid;

Dat, hupp'lend, met een lam, dat blatend volgt, wil spelen,

En 't handje ver houdt uitgestrekt. Om 't ruigbehaarde hoofd van 't offerdier te streelen.

Dat de outorknaap naar 't altaar trekt. —■

De moeder haast zich om den Priester Gods te ontmoeten,

En als zij op den drempel staat.

Waar Eli 't wachtend volk met zeegning komt begroeten

In zijn hoogpriesterlijk gewaad;

Daar treedt zij voorwaarts — en zinkt dankend aan zijn voeten, Met hemelblijdschap op 't gelaat.

Zij heft het knaapje op; — 't ziet vragend om zich henen, Met twijHing in zijn blik, of 't lachen zal of weenen?

Maar 't oog blijft staren op den gloed.

Die flonkrend afstraalt van de in 't goud gezette steenen.

Die 't op des Priesters borst ontmoet.

„Och Heer!'' dus barst zij uit, pik ben, ik ben die vrouwe, „(Zoo waar uw ziele leeft!) die, smeltende in haar rouwe,

„Hier bad en troost zocht voor 't haar foltrend zielsgekwel. „God bad ik om een zoon. God heeft me een zoon gegeven: „Dit kind, dat ik, verrukt, op de armen houd geheven,

257

— „Zijn naam is SamuelI

,'k Deed een gelofte, vóór dit kind mij was geboren, „Hem van zijn vroegste jeugd te wijden aan den Heer; I. 17

ocr page 270

HANNA.

Ik leg hem thans voor 't altaar neer;

,Van God gebeden zoon, gij zult aan God behooren!

„Wat kan een dankbre moeder meer?quot;

De Priester zegent haar en 't schuldloos wicht te gader; Hij noemt dat kind zijn zoon, en 't jotigske noemt hem vader; En als, van heilgen dank bezield,

Nu Hanna voor het outer knielt,

Is 't, of een hooger geest, de geest der profecije, Der Godgewijde poëzije,

Die staag dit heiligdom omzweeft.

Om de offers tot Gods troon te dragen.

Ook om haar biddend hoofd zijn vleuglen uitgeslagen,

En in zijn hemelvlucht haar meegedragen heeft.

't Is of 't geheiligd vuur, dat op den altaar blaakte.

Haar lippen met zijn koolgloed raakte,

En Silo's tente, die weleer Haar droeve klacht heeft opgevangen.

Hoort thans van 't hupp'lend hart, dat uitstroomt in gezangen. Den blijden Psalm des lofs, die opklimt tot den Heer:

„Mijn hart is verblijd en springt op in den Heere!

Mijn hoorn is verhoogd door mijn God!

Ik open vrijmoedig den mond tot Zijn eere,

Niet langer mijn vijand ten spot.

Geen Heiige als Jehova! geen rots als de Heere!

Geen Helper gelijk onze God!

„Waag niet te veel, in hoog, in hoog te spreken !

Geen grootspraak ga te dwaas uit uwen mond!

God zou gestreng dien strafforen hoogmoed wreken. Als Hij aan de aard Zijn heilig recht verkondt.

„Der sterken boog wordt door Zijn vuist verbroken;

Die struikelden omgordt Zijn arm met moed. De weeldrige ziet zich van brood verstoken;

Die hongerde heeft brood in overvloed.

„De onvruchtbre ga ziet weer haar echtkoets bloeien.

Tot zevenmaal is 't dat zij moeder wordt :

Die 't welig kroost zag aan haar zijde groeien,

Is als een bloem die wegkwijnt en verdort. —

258

ocr page 271

HAKNA.

„De Heer is 't, die doodt en terugroept in 't leven!

De Heer is 't, die arm maakt en rijk!

Die mij, de verachte, uit liet stof heeft verheven,

Die needrigen opricht uit 't slijk,

Om hun naast de Vorsten hun zetel te geven,

Zijn gunst en Zijn goedheid ten blijk! —

„Hij kan alleen verneedren en verhoogen,

Die leeft en heerscht als Vorst van 't wereldrond; Want Zijns is de aarde, en door Zijn Alvermogen Is 't aardrijk op zijn zuilen vast gegrond.

„Hij leidt den voet van Zijne gunstelingen.

Bewaakt bun tred, hun gangen zijn gewis;

Maar wie Hem snood den schepter wil ontwringen, Wordt uitgedelgd in zwarte duisternis.

„Geen sterkte baat tot redding uit gevaren.

Van Hem alleen dan hulp en troost gewacht!

Tot Hem dan quot;t oog gericht bij zielsbezwaren!

Nooit trotsch gesteund op eigen heldenkracht! —

ie trotsch met hem twisten — God zal ze verpletten! Hij dondert op hen van Zijn troon!

De Heer geve als Rechter aan de aarde Zijn wetten,

Aan de einden der aard Zijn geboOn!

En, als Hij een vorst op den rijkstroon zal zetten,

Eens luister en macht aan zijn kroon!quot;

„En gij, mijn kind!quot; (hier hield zij 't oog,

Dat in verrukking staarde omhoog,

Op 't jongske aan haar kniên, op Samuél, geslagen) „Gij zult als Priester en Profeet,

Met quot;s Heeren oppermacht, bij Isrels volk, bekleed. De kruik der heiige zalving dragen.

En de olie, die Gods gunst belooft,

Doen drupp'len op het vorstenhoofd!quot;

Zij buigt zich tot het jongske neer;

De Profetesse zingt niet meer,

AI blijft een hooger gloed nog op haar wangen gloren.

259

ocr page 272

hanna.

Het is eeheel de moeder weer, -

Die in de canning van haar liev'ling Miift verloren.

Toch slaakt zij nog één vreugdetoon Maar die haar zielsgevoel, in vollen galm. laat hoo . ,En ik ben moeder van dien zoon.

DE MOEDER DES HEEREN.

I.

de begenadigde.

Wee. gegroet, gij begenadigde! De Heer U met U; gg zijt gezegend onder de vrouwen.

Wees gij gegroet, gij zaligste aller vrou^®quot;! Gii koningstelg, van God verkoren maa^d.

Die ras de kroon van 's Hollands Moeder draagt

- Wat gaat uw oog in 't schemeruur aanschouwen,

Nu 't avondrood week van de Hemeltin .

't Wordt liefliik dag, 't wordt morgen om u hequot;®n'

Gods troongezant, in 't sterfliik kleed verschenen,

Trad tot uw woning in!

Schoon in zijn hand geen zilvren leliestengel

Zich wiegt, geen ring van starren 't hoofd omkranst. Noch aan zijn zij' de Cherubsvleugel glanst.

Toch groet uw oog hem, als des He eren ^ngel^_

Wiens aanblik U van eerbied sidd ren doet.

Hij snreekt: „Ik kom U 'sHemels last ontvouwen, „Gezegend zijt ge, o zaligste a Ier vrouwen.

„Makia! wees gegroet!

Vrees niet! Verberg 't ontroerd gelaat niet langer quot; Voor mij, die u Gods heilgeheim verkondt

quot;Hoe ge om uw deugd bij God genade vondt. „Zóó spreekt de Heer: , „Maria! Gij wordt zwanger En Moeder van den lang verwachten Zoon,

quot;Die, als de Zoon des Allerhoogsten te eeren,

quot; ^Door de eeuwen heen als Koning zal regeeren „ „Op Davids vorstentroon!quot;quot;

ocr page 273

DE MOEDER DES UEEKEN.

„TIoo 't mooglijk zij? vraagt gij met heilig vreezen, ,L)nar U — nog niet tot vrouw gewijd door d' echt — „De leliekrans der onschuld 't hoofd omvlecht? —■ „Groot wordt uw Zoon! Groot zal dit wonder wezen!

„God zelf verwekt het leven in uw schoot!

„Gods kracht gaat van den Hemel nederdauwen;

„Gods geest zal U met vleuglen overschauwen;

„Niets is Zijn macht te groot!quot;

Al klopte IJ 't hart, Mama! bij die woorden;

Schoon ge in die taal onlosbre raadsels vindt;

Uw stil geloof, uw ootmoed overwint.

Gij luistert als naar Englen harpakkoorden!

Gij buigt het hoofd aanbiddend, dankend neer; 't Ts welkom U, wat U de Hemel biede;

Gij spreekt: „Dat mij naar 's Heeren woord geschiede: „Zie hier Uw dienstmaagd, Heer!quot;

Wat mengeling van vrouwenmoed en teerheid. Van reinheid en van zachtheid was uw ziel!

Fier beurt gij 't hoofd, waarom de lichtkrans viel, Terwijl ge uw krcon voor God in ootmoed neerleit.

Stil peinst ge of wordt in geestdrift opgevoerd. Gij schuchtre maagd en Profetes te gader!

Die, met de vlam van 't koningsbloed in de ader,

Weer Davids harpsnaar roert!

Gods woord geschiedt! — De zaligste aller nachten Daalt uit een sprei van dauw en starren neer. Ge ontvangt, o aarde! uw Heiland en uw Heer,

Wien de Englen, bij Zijn komst, hun heilgroet brachten.

Zij zweefden, schoon onzichtbaar, naderbij;

Zij steunden U de lenden met hun handen,

Marta! bij het slaken uwer banden.

En baden aan uw zij.

Wat dankbre vreugd thans in uw blik te lezen! Wie onder Eva's dochtren U gelijk?

Op 't bed van stroo thans zóó onmeetlijk rijk!

Wie, de eeuwen door, zóó zalig thans geprezen? — Geheel uw ziel wordt psalmgezang en lof!

261

ocr page 274

de mohder des heeken.

Als waart gij naar de wolken opgevaren,

Alsof een toon van quot;t lied der Englenscharen Uw luistrende ooren trof!

Geen moedersmart won ooit dien moederzegen;

Geen moedertrots, die bij uw glorie haalt!

Geen moederlach, die als uw glimlach straalt, Nu 't wonderkind is aan uw borst gelegen!

Geen zaalge, die in hemelmelodij Voor 't eerst Gods liefde op gouden harp mag loven, Pas opgevoerd in 't Paradijs daar boven,

Zóó zalig thans, als gij!

II.

de bedeoefde.

Stabat Mater dolorosa Juxta crucera--

Maar ook geen smart als de uwe, o zielsbedroefde!

Geen lijden kwam uw boezemleed nabij!

Geen moeder, die, o zwaar van God beproefde!

Zóó heeft geklaagd, zóó heeft geweend, als gij!

Nu gij dien Zoon, dien de Engel kwam verkonden,

Als d' erfgenaam van 't hoogste rijksgebied,

Niet op zijn troon, maar stervende aan zijn wonden. Aan 't kruis verhoogen ziet.

Daar staat ge en peinst, den Kruisberg opgestegen. Op Simeon, en ,'t ziel-doorvlijmend zwaard!quot;

Dat zwaard — hoe scherp! — heeft u de borst doorregen, Het wringt zich om, als ge op uw liev'ling staart. Toch wijkt gij niet, schoon gij zijn bloed ziet vloeien;

Toch wilt gij hier, schoon vleesch en hart bezwijk', Zijn doodsbed met uw tranen oversproeien.

En weenen bij zijn lijk.

Doodsbleek, gelijk de Lijder zelf, of bleeker Nog dan Zijn kalm maar afgepijnd gelaat,

Drinkt ge elke teug mee uit Zijn lijdensbeker.

Vangt ge eiken zucht, die van Zijn lippen gaat.

ocr page 275

de moeder des heeiten.

Gij voelt Zijn pijn bij 't schokkend ledenwringen;

Gij hijgt naar lucht, als kort Zijn adem jaagt, En 't barstend hart dreigt uit uw horst te springen. Wanneer Hij bidt of klaagt.

Daar hangt gij, in Joannes' arm gezonken.

Als had de smart tot marmer TJ versteend!

Nog blijft uw blik aan 't vreeslijk kruis geklonken,

Maar 't brandend oog is moede en uitgeweend.

Doch Jezus heeft de lippen weer bewogen;

Hij ziet U aan: Hij spreekt op tcedren toon.

En weer ontspringt een tranenvloed uwe oogen,

Bij 't „Vrouwe, zie uw Zoon!quot;

Vanwaar de kracht, in 't leed U toegezonden?

Heeft aan uw geest, slechts half geboeid aan de aard, 't Geheim zijns doods, dat de Englen nauw doorgronden,

Zich in een straal van Heinelsch licht verklaard? Was dit geloof de balsem uwer smarte?

Of schoorde uw knie, bij 't wagg'lend nadertreên^ Terwijl uw bloed verdruppelde uit uw harte.

De kracht der liefde alleen?

O Moedertrouw! waar de aard' van zal gewagen!

De Kruisberg, die uw worstling zag en strijd.

Heeft U niet slechts een doornenkroon doen dragen,

Maar tot Heldin en Martlares gewijd!

Gij maalt ons oog, toen 't zwaard uw borst doorkliefde,

Als gij bij 't kruis èn hoon èn foltring tart: De zegepraal der Moederlijke liefde Op Moederlijke smart!

III.

de verheerlijkte.

Ziet! vau nu aan zullen m\j zalig spreken al de geslachten.

Thans aangeland aan de eeuwig blijde kusten,

Viert gij omhoog met al de zaalgen feest:

263

ocr page 276

DE MOEDEK DES HEEREJï.

Uw sterven is uw hemelvaart geweest!

Wat zegt hot dan. dat hier uw stof bleef rusten?

Daar toch uw ziel haar Hemelsch kleed ontving,

Daar de Knglen toch, die aan uw sterfbed wachtten, Met slaande wiek U juichend overbrachten.

Bij uw verheerlijking.

Daar vaart gij op, met hen in 't licht gestegen, Tot waar het hoogst, het zuiverst „Hallelquot; klinkt; Tot waar de kroon der overwinning blinkt.

En snelt ge uw Zoon vol hemelblijdschap tegen!

Gij bleel't ook daar Hem dierbaar als op aard;

En de Englen gaan, met versche palmen-meien.

Tot aan Zijn troon voor ü het voetpad spreien, Die hier Zijn Moeder waart!

Ras zal men U van de aarde daar begroeten Als Rijksvorstin, in 't hemelsblauwe kleed.

Die 't Kind in d'arm, fier langs de starren treedt, Den kop der slang verplett'rend met uw voeten.

Ras wordt uw naam van Hymnen overstort.

Daar ge als de troost van al wie troost behoefden. Als midd'lares van zondaars en bedroefden.

Gevierd, verheerlijkt wordt!

Maar kroont men U tot 's Hemels Koninginne, Gij, Needrige, gij vraagt die hulde niet!

Het zaligst heil, dat ge U beschoren ziet,

Is, dat de naam uws Zoons in glorie winne!

En, schoon ge U zelf thans hoog verheerlijkt weet Kon nog uw oog, Volzaalge! tranen plengen. Gij weendet, als gij U ziet offers brengen.

Waarbij men Hem vergeet.

Licht slaat gij nog van uit uw hemelwoning

Somtijds op de aard een blik vol weemoed neer. Als 't hoogst de Psalm des lofs klimt tot uw eer. Als 't schitt'rend feest gevierd wordt van uw kroning.

Dan buigt ge U als verloste voor Zijn troon; Dan werpt ge uw kroon en palmtak voor Zijn voeten. Terwijl ge Hem lofzingend gaat begroeten:

„Mijn Redder en mijn Zoon!quot;

264

ocr page 277

de moeder des heeren.

Als, bij de wieg van 't kindje neergebogen,

Dat, als de duif, zijn kopje bergt in 't dons,

PJen moeder bidt: „Maria, bid voor ons!quot;

Dan hoort gij 't wel, verteederd en bewogen.

Maar peinst gij licht: „Ai! richt uw zielsgebeên Tot Hem, die sprak: „ „Laat vrij de kindren komen!quot;quot; Die zeegnend hen in de armen heeft genomen, — Hij zendt geen moeders heen!quot;

Toch zijt gij groot, toch blijft gij heilig te achten! Uw naam leeft voort, schoon aardsche glorie kwijnt, Totdat geen zon, totdat geen maan meer schijnt, Tot de asch verstuift der laatste nageslachten.

Met liefde en lof en eerbied in 't gemoed.

Zal steeds ons oog uw lieflijk beeld aanschouwen. Gezegend blijft ge, o zaligste aller vrouwen! —

Maria! wees gegroet!

DE DOCHTER VAN HERODIAS.

Waar schoonheid is, is mooglijk stof tot danken, Maar zekerlijk daar is tot bidden stof.

Hasebboek.

I.

Lieflijk is 't om aan te staren,

Hoe de maagdelijke krans In de schoonste lentejaren.

Als de knop springt uit zijn blaren.

Schittert in zijn eersten glans;

Schooner dan de bloesemvlechten.

Die om 't hoofd der bruid zich hechten.

Als zij rondzweeft in den dans! —

Als langs 't bloembed, versch bedruppeld, 't Lichtgeschoeide voetje huppelt;

Als de reeds volbloeide maagd Nog een eedier sluier draagt,

Dan haar blonde lokken weven;

Als ze, in 't hart nog kind gebleven.

Welk een lof haar schoonheid vraagt

26a

ocr page 278

DE DOCHTER VAN HERODIAS.

Onbewust is, of slechts even

Merkt, hoe ze ieders oog beliaagt, Zielverteedrend ia 't aanschouwen, Hoe een moeder, vroom en goed, 't Dochterken 'de handen vouwen En, vol zielsrust en vertrouwen, Aan haar zijde knielen doet:

Als 't jonkvrouwelijk gemoed.

Naar haar voorbeeld en haar leere.

Vroeg zich toewijdt aan den Heere,

Voor den Hemel opgevoed;

Als haar schoonheid wordt geheiligd

Door het moederlijk gebed,

Dat als Engel haar beveiligt.

Waar de maagd haar schreden zet; Als ge in dat vereenigd knielen Van die saamgesmolten zielen

— Wen ge uw gade en kind bespiedt De onschuld van 't geloove ziet! Als bij 't zwijgend nadertreden.

Stil door u wordt meegebeden:

„Word met al de lieflijkheden

„Van uw moeders geest bedeeld! „Kind! blijf vroom en rein van zeden! „Dochter, draag uw moeders beeld!quot;

Maar geen beeld, zoo zwart van verven, Als wanneer de zilvren kroon.

Die de maagd droeg, smetloos schoon. Eer zij uitbloeit, gaat versterven;

Als de moeder voor haar kind. Dat haar argloos teeder mint. De engel des verderfs moet heeten, En de schuld draagt op 't geweten,

Dat de zonde heeft verwoest. Wat, om tot Gods eer te bloeien.

Heerlijk nog ontluiken moest;

Als ons oog een traan laat vloeien. En vol deernis op haar ziet.

En de zucht aan 't hart ontschiet: „Jong nog, en zóó diep bedorven...-

ocr page 279

de dochter van iierodias.

„Kinrl! ach, waart gij vroeg gestorven!

„Dochter! vloek uw moeder niet!'-

Zóó droef werd mij de ziel, Salome! om u bewogen,

Als 'k op uw jonkheid staarde en van uw misdrijf las; Zóó treurig, treurger nog, rijst ons uw beeld voor de oogen. Dan of dat schitt'rend kleed, als danskleed aangetogen, De lijkwade oener doode was.

Vroeg in haar aardsche hoop bedrogen:

O Dochter van Herodias!

II.

Herodes! (oen ge aan 't vorstlijk maal.

Waar 't West zich huwde aan al de praal.

Van 't weeldrig Oost, uw jaardag vierde,

Bij harp en luit en feestcimbaal;

Toen, vonklend op de gouden schaal.

De beker langs de reien zwierde —

Verscheen te midden van dien glans U toen het dreigend beeld des mans.

Die dondrend sprak tot uw geweten? —

Wie waart gij toen, wat wordt gij thans.

Nu gij zijn lessen hebt vergeten? —

Neen! aan Johannes dacht gij niet,

Bij al dat kleur- en lichtgeflonker.

Dien gij in 't eenzaam kerkerdonker

Van 't vorstlijk burchtslot zuchten liet.

En ware u ook zijn beeld verschenen,

Gij zoudt den dweper 't oor niet leenen ;

Gij wilt geen boetpreek thans; gij ziet Slechts lach en blijdschap om u henen.

Bij snarenspel en lied en wijn;

Gij wilt geen heimlijk boezemwroegen.

Maar slechts u baden in genoegen. —

Welk dwingland, zwelgend aan 't festijn.

Liet ooit zich foltren door gedachten,

Wie schuldloos in een kerker smachten,

Of door zijn wil rampzalig zijn?

En mocht ook 't licht dier blijdschap tanen.

Mocht soms de vlijmende adderbeet

ocr page 280

de dochter van iieuodias.

Der wroeging, waar zijn hart aan leed,

— Schoon hij onkwetsbaar zich blijft wanen —

Aan 't gastmaal zich den toegang banen;

Ééne is er, die de dartle vreugd,

Die thans Hebodes 't hart verheugt,

Ten koste van haar schaamte en deugd, Tot zinsbedwelming op zal voeren:

Die paarlen in de bloemen strooit.

Waarmee zij zich de lakken tooit.

En zich den haarband vast gaat snoeren,

Waarachter de open sluier waait;

Die in het fijn doorzichtig kleed.

Met zilv'ren starren overzaaid.

Voor haar metalen spiegel treedt.

En, tot den wulpschen dans gereed.

Een wenk slechts afwacht, dat zij kome.

Van haar. die thans haar raadsvrouw was,

Dier moeder, die èn Aktipas Èn haar geheel de ziel belas —

Het is de jeugdige Salome,

De dochter van Hekodias.

III.

Salome treedt in, rijk omstraald van den glans

Van schoonheid en jeugd, die zich tooit tot den dans;

Aller oog wendt zich om van het schitt rende maal ■

Nu zij wuift met haar bloemkrans — naar 't eind van de zaal.

Weer heeft zij den krans op haar lokken gezet;

Haar huppelend oog houdt de maat met haar tred. Die zich richt naar den wiss'lenden klank der muzijk,

In het rijzen en dalen een golfslag gelijk.

De hinde der bergen is trager van voet;

De luchter der kronen is flauwer van gloed.

Dan de gloed, die er straalt, dan de vonk. die er licht,

Waar het tintelend oog van de schoone zich richt.

Nu draait zij met duiz'lende snelheid in t rond:

De punt van haar voetje beroert nauw den grond;

268

ocr page 281

DE DOCHTER VAN HERODIAS.

Zoo de zaal, waar zij rondgiert, een bloemtapeet was, Zij verkreukte geen spiertje van 't donzige gras.

Soms heft zij haar sluier ten golvenden boog, Als voer ze in een wolk naar de starren omhoog; Of zij heeft met zijn wrong zich de lenden versierd, Als een gordel, die los haar de heupen omzwiert.

Dan poost zij een oogwenk, en wiegt op haar teen, Alsof zij een marmeren studiebeeld scheen.

Of een duifje, vermoeid van zijn steigrende vlucht. Dat zich weegt op zijn wieken, en hangt op de lucht.

Maar 't sein wordt gegeven Tot wilder muziek;

Weer ziet men haar zweven Op fladd'rende wiek;

Weer ziet men haar zwieren,

Zóó licht als een veer,

Weer tripp'lcn en gieren De zaal op en neer.

Of 't vuur van die noten

In de aadren gevloten,

Zich spreidt door haar bloed,

Zóó rept zij den voet.

Bij 't wenden en zwaaien Der kronklende leên;

Bij 't werv'len en draaien Op 't spits van haar teen;

Bij 't uitslaan en slingren Van d'arm naar omhoog;

Bij 't spelen der vingren,

Bij 't pinken van 't oog;

Bij 't lachje, zóó dartel Geworpen in 't rond;

Bij 't springend gespartel,

Zóó hoog van den grond;

Bij 't zwoegen en 't bonzen Van 't pooplende hart;

Bij 't suizen en 't gonzen.

ocr page 282

de dochter van herodias.

Waar 't brein van verwart:

Gaan wilder de snaren,

Wordt wulpscher de dans! —

De roos in haar haren

Ontviel reeds den krans;

Zij ligt in haar stengel Geknakt en vertreén,

Als 't beeld, hoe hier de Engel Der onschuld verdween.

Hoe schoon is Salome! hoe schitfrend haar blos! De juichtoon der gasten, schel daav'rend, breekt los. Wat zwier in haar wending, haar houding en leest! Salome is de kroon en de luister van 't feest!

Wat heeft zij getooverd door 't spel van haar voet! Wat harten veroverd, ontstoken in gloed!

Hoe heeft zij de zinnen verrukt en gestreeld. En 't feestmaal met frischheid van glansen bedeeld!

De jubel des lofs rniscbt haar voor, waar zij gaat; Een sneeuwwolk van bloemen daalt neer, waar zij staat Zij wordt als de schoonste der bloemen begroet,

Die 't oog heeft in 't Oosten of 't Westen ontmoet.

Die lof stijgt Hebodes bedwelmend naar 't hoofd, Die, wuft als de sohoone, die vleitaal gelooft;

En nu zij, bevallig gekromd aan zijn kniên, Den Viervorst dit olfer als hulde komt biên:

Nu buigt hij zijn stem tot den lieflijksten klank, En wijdt haar verrukt en verteederd zijn dank:

„Kies uit, wat ge wenscht!quot; zóó betuigt hij en zweert, „En 't is u geschonken al wat gij begeert!

„Ik spreid heel den schat van mijn koninkrijk bloot; „Geen kleinood te dier, en geen offer te groot! „Al vroegt gij de helft van mijn vorstlijk gebied, „Ik plaatste op mijn troon u, en weigerde 't, niet!quot; —

Nu rijst eerst de feestvreugd en geestdrift ten top; 't „Hosannaquot;, Heroues ter eere, gaat op!

Ach, huiver Salome! vertrouw niet uw lot!

Vergood door de wereld, is verre van God! —

ocr page 283

de dochihb van herodias.

IV.

,Spreek Moeder! spreek, wat zal ik kiezen! ,'k Wil 't schitt'rend voordeel van den dag, „Waarop ik alles vragen mag,

„Voor u, zoomin als mij, verliezen!quot; - -Zóó sprak de maagd met blijden lach. Terwijl zij, aan haar moeders schoot Geknield, haar diep in de oogen zag,

Pin van 't gelaat, nu gloeiend lood.

Dan van vermoeidheid doodlijk bleek. Het paarlend zweet onrustig streek. En 't hoofdje, op moeders knie geleund. Met bei haar sneeuwwitte armen steunt.

En nu Herodias? — zij ziet Verstrooid in 't. rond en antwoordt niet; Als scheen zij nauw die vraag te hooien. Zóó blijft ze in diep gepeins verloren. Zij zwijgt en staart, en huivert licht. Als trad haar in een nachtgezicht Opeens een aaklig beeld te voren.

Maar plooit den mond weer tot een lach. Alsof ze een zoeter droombeeld zag. Een straal van vreugd glijdt langs haar wezen Zij ziet haar dochter aan, en 't was,

Of met dien blik Herodias Eerst in de ziel haars kinds wou lezen.

Of zij kon voortgaan zonder vreezen.

Toen sprak zij fluistrend, zacht en snel: „Wat gij moet kiezen weet ik wel....

„Keer naar de zaal terug, Salome!

„Vraag wat de Koning heeft beloofd!

„Eisch, dat het bloed des Doopers stroome, „En dat zijn afgehouwen hoofd „Hier aanstonds als een dischgerecht „Zij op een schotel neergelegd!quot; —

Herodias! sprak zóó uw mond?

Liet ge aan uw fijngevormde lippen

ocr page 284

de dochter van hebodias.

Dat woord, dat ijslijk woord ontglippen,

Dat hier voor 't oog geboekstaafd stond? Kon zóó een vrouw, een moeder, spreken, En bleef de heesche stem niet steken, Is niet de tong van schrik bezweken.

Bij 't uiten van dien gruwelvond? — Een vrouw, die koel haar kans berekent Tot d' overlang beraamden moord, Die, door haar wraakzucht aangespoord, Haar kind het pad ter helle teekent, En langs dat pad haar voorwaarts stuwt: Die voor zichzelf niet schrikt en gruwt. Als zij den duik, dien ze op gaat heffen, Om slechts te wisser 't doel te treffen.

Haar dochter in de vingren duwt!

Is in het teerst, aandoenlijk wezen.

Dat de Almacht Gods tot aanzijn riep, 't Vloekwaardigst denkbeeld opgerezen.

Dat ooit een menschlijk brein zich schiep En 't gruwzaamst feit, waarvan wij lezen,

Daarom al de eeuwen door bewaard. Opdat wij, met te heilger vreezen,

Zien, hoe de zonde zonde baart.

Die 't zachtgevoelend vrouwlijk wezen

Verandert in hyenen-aard!? —

Salome-.-, en gij, zóó jong van jaren. Gij, in aanvalligheden rijk.

Gij, de opgebarsten bloem gelijk. Die pronkziek 't hoofd steekt uit de blaren. Gij rildet niet voor moeders blik!? Gij stondt niet, half versteend van schrik En wezenloos, haar aan te staren!? Gij sprongt niet, als een hinde vlug. Wie onverwacht van 'sjagers hand Een pijl vlijmt door het ingewand.

Wild van uw moeders schoot terug!? Gij kondt juweel of halssieraad. Of 't nieuw Fenicisch pronkgewaad. Of diadeem of boezemketen.

Of wat u meer als grillig loon Was door Hbrodes aangeboón,

ocr page 285

db dochter van herodias.

Ook 't halve vorstendom vergeten.'? —

Salome, nog zóó jong, zóó schoon.

Laadt gij die bloedschuld op 't geweten? —

Ach, 't vroeg reeds uitgeworpen zaad Van zóó veel boosheid, zóó veel zonden,

Heeft hier, waar 't snel ontkiemen gaat. Een vruchtbren akkergrond gevonden!

De dochter draagt haar moeders beeld; De welp is der hyene waardig.

En niet verbasterd van haar teelt.

Zij gaat, tot bloedvergieten vaardig; Zij toont, hoe ze, aan haar speen gevoed, De melk, die druppelde uit haar bloed, In borst en aadren heeft gezogen.

Nu ze, op haar wenk teruggevlogen.

Weer hupp'lend naar de feestzaal spoedt, En daar, door 't gruwzaam woord te spreken

„Ik eisch des Doopers hoofd en bloed!quot; Herodbs sidd'ren en verbleeken En 't vreugdgeklank verstommen doet.

V.

Herodias, gij wordt gewroken!

't Bevel des doods is reeds gesproken;

't (reschenk wordt uitbetaald in bloed; De storm, eerst heftig opgestoken

In 's dwinglands fel bestreen gemoed — Als zag hij zijn verslaagne spoken.

Eer 't bloed ging van de moordbijl rooken —

Heeft snel en machtloos uitgewoed. Hem bindt zijn eed. Hij had met eeden Wel vroeger soms gespeeld, maar heden Is 't niet gewaagd dien te overtreden;

Hij kan, hij durft niet rugwaarts gaan. Zou hij voor al zijn dischgenooten.

Voor al zijn rijks- en legergrooten.

Daar als een kind of bloodaard staan. Die trouwloos met beloften speelde? —

Niet dus zijne eer op 't spel gezet! Dim liever nog 't festijn der weelde Besloten met een moordbanket!

ocr page 286

de dochter van hekouias.

Nauw heeft het doodlijk sein geklonken, Of 't vreeslijk lemmer heeft geblonken,

En in den bloedstroom neergezonken,

Ligt reeds het lijk onthalsd ter aard — Joiiankes is gedood door 't zwaard! En 't hoofd, pas van den romp gescheiden,

— Als ging man voor Herodes' maal Het kostbaarst feestgerecht bereiden — Wordt opgedischt op zilvren schaal. Een doffe kreet loopt door de zaal; De stoutste voelt zich 't hart versagen. Dat sterker bonst met sneller slagen,

Nu hij dien schotel opgedragen En vóór Salome plaatsen ziet.

En sidderde ook Salome niet? —• ja! — tracht ze ook met verwarde zinnen

Haar schrik en afkeer te overwinnen----,

Haar adem, die zoo pijnlijk gaat. En 't golven van haar kleed verraadt Hoe 't hart, dat hoorbaar schier gaat kloppen

Onstuimig in haar boezem slaat.

Hoe beven haar de vingertoppen,

Nu zij, met afgewend gelaat,

't Geschenk aanvaardt, dat voor haar staat Zij walgt en gruwt het aan te staren... Wat op dien zilvren schotel ligt. Hoe aaklig steekt dat bleek gezicht, Die doodskleur af bij 't zwart der haren!

Wat staan die oogen strak en naar! Hoe schijnt in die verwrongen trekken Nog 't laatst gereuteld woord te ontdekken, Dat dreigend vloek spreekt tegen haar! Wat weegt dat hoofd, die schotel, zwaar! 't Is of zijn koude rand gaat branden,

Nu zij dien opheft in haar handen. Wat huiv'ring rilt haar door de leên! Hoe loom bij 't driftig voorwaarts treên, Zijn de anders snelgewiekte voeten,

Nu zij, met voortgejaagde schreên,

Zich haast haar moeder weer te ontmoeten!

ocr page 287

de dochter van herodias.

„Daar, Moeder!quot;----gilt zij snikkend uit,

Met nauw herkenbaar stemgeluid,

Bij 't vreeslijk hijgend boezemjagen —

„Daar, Moeder! neem dien schotel nu....

„Niet mooglijk is 't dien lang te dragen....

„Wat ik ontving behoort aan u.

„Gij wilde' 't zóó — hij is gestorven!

„Daar hebt gij, wat ik heb beloofd,

,'t Geschenk des bloeds door mij verworven....

„Daar, Moeder, hebt gij 't hoofd!quot;

VI.

Zwelg nu, Galiléa's Viervorst! Roem op uw volbrachten eed!

Eeuwig zwijgt hij, die den Rechter in uw boezem spreken deed.

Treurt, Johannes' droeve jongren, om den gruwel hier geschied!

Spreidt zijn lijk de laatste rustplaats, maar beklaagt den doode niet,

Die, in 't rijk des lichts gestegen, zijn triomf als Martlaar viert.

En, in blinkend-witte kleeding, juichend met zijn palmtak zwiert!

Tooi u weeldrig op, Salome! wen ge op nieuw op 't feesthal treedt!

Dans weer, als de afzicbtbre bloedvlek is gewasschen uit uw kleed!

Adem in de wolk van geuren, die men kwistig om u strooit.

Maar dit vreeslijk uur vergeten, diep rampzaalge, kunt gij nooit!

Ach! uw naam rolt als een wanklank over de aarde onsterflijk voort,

En op zuivre maagdenlippen wordt hij door een zucht gesmoord.

Waakt en bidt, wie met de gave van haar schoonheid zijt bedeeld!

Laat de schaamte u 't hoofd omvleuglen en staart huivrend op haar

[beeld!

Hult u dieper in uw sluier, als ge een stemme lisplen hoort.

Die het argloos maagdenharte door haar zoet gefleem bekoort!

Als de wierook der bewondring voor u geurt op 't reukaltaar.

Buigt uw Engel 't hoofd en fluistert: „Wie Laar liefhebt, bidt voor

[haar!quot;

Driewerf wee u, diepontaarde Moeder, door wier schuld zij viel.

Die 't verderf uws kinds voltooid hebt en een moord pleegde aan

[haar ziel!

Die, wanneer Gods Zoon, als Rechter, beiden voor zijn vierschaar daagt.

Om de schuld dier vroeg verleide, voor Zijn troon wordt aangeklaagd. —

I

[

■ 1

275

ocr page 288

de dochter van herodias.

Ach, Hekodias, gij snoode! Mocht gij de éénge moeder zjju. | Wie bij 't weerzien van haar dochter wroeging wacht en folterpijn.

Maar gezegend ook die moeder (breekt de dag des weerziens aan) Die op 't pad ten zaalgen Hemel is haar kindren voorgegaan: Die haar dochter, die zij liefhad, zóó als slechts een moeder mint, Onder 'sHemels harpgezangen in de rei der zaalgen vindt; Juichend: .Moeder neem die krone! smaak de vreugd der iLnglen nu Dat ik zalig ben hier boven, 'k dank, naast God, dat meest aan u.

THOMAS.

voorzang.

Ik heb u lief, wie ook uw naam verachten.

Alsof die naam een spotlach waardig blijft — U, jonger der zwaarmoedige gedachten,

Ook met die wolk, die u langs 't voorhoofd drijft. Apostel! van uw twijfelzucht genezen,

Die, opgestaan als Christus heilgezant,

Hoe weinig ook uw daden zijn geprezen.

Tot verre in 't Oost het kruis hebt voortgeplant.

O gij, die hebt geloofd te voren.

Maar als een droombeeld hebt verloren.

Wat eens uw ziele tot vertroosting is geweest.

Doch nooit een enkle klacht der droefheid liet ontglippen, En met een spottaal om de lippen,

In de Evangelieblaadren leest!

Wat blijft gij op die trekken staren?

Wat zoekt gij in dit beeld een Hauwen wederschijn, Alsof zijn geest en de uwe elkaar verbroederd waren?

— Geen Thomas wil uw tweelingbroeder zijn!

Maar gij, die bij den storm, die opsteekt in deez dagen, In 't half gekrookt en bevend riet.

Met smart uw eigen beeltnis ziet,

En dieper steeds den worm der twijfelzucht voelt knagen. Maar ook een klacht van rouw hoort in uw boezem klagen. En 'aHeilands beeld in 't hart blijft dragen;

Voor u mijn zang! voor u dit lied!

276

ocr page 289

thomas.

Gelukkig wie, veel lijdend hier beneden,

Niets van de smart van Thomas heeft geleden!

Wien 's levens storm, hoe fel hij woed'. Of 't hoonend ongeloof, hoe dreigend opgetreden, In 't heilgeloof niet wanklen doet!

Maar hij, die in 't geprangd gemoed Geen nacht der twijfling nog heeft worstlend doorgestreden, Verheffe als rechter niet zijn stem!

Slechts wie, nooit twijfelend voordezen.

Meer liefde voelt voor d' Onvolprezen,

Die dood geweest is en verrezen,

Dan hij in Thomas' ziel gaat lezen —

Hij werpe d' eersten steen op hem!

DE ZWAARMOEDIGE.

1.

de opgang naar jeruzalem. (joh. xi.)

Hoe Maria weende en bad,

Toen zij wakend aan de sponde Van den kranken broeder zat; Hoe ook Martha ieder stonde

Angstig uit haar woning trad. En onrustig staarde in 't ronde —

Vruchtloos werd de Heer gewacht! Hoe het zusterpaar bleef bidden: „Heer! kom haastig in ons midden!quot;

't Scheen of beider bede en klacht Geen verhooring had verworven. — Lazabus was toch gestorven! — Maar aan de oevers der Jordaan Spreekt de Heer Zijn jongren aan:

„Hij slaapt, die mij, dien ik beminde, Ons aller vriend; wij gaan tot hem; Wij keeren naar Jeruzalem,

Waar ik zijn droeve zustren vinde.

ocr page 290

thomas.

En 'k roep hem wakker door mijn stem. Wat aarz'ling spreekt er uit uw trekken?

Hij stierf — maar om weer op te staan: Ik ga den diepen slaper wekken....

Komt, laat ons naar Judéa gaan!quot;

Van vreeze ontroerd, van schrik verbieekend

Riep, diepverslagen, Thomas toen, Tot Pïtrus en Johanhes sprekend:

, „Wat wil, wat gaat de Meester doen? Thans naar Jeruzalem vertrekken.

Zijn vriend weer uit den doodsslaap wekken,

Maar zelf den dood in de armen spoén? Hij heeft, in heilgen toorn ontstoken.

Zijn driewerf „wee!quot; daar uitgesproken, En 't Sanhedrin wil zijn gewroken

En vraagt en wacht Zijn bloed ten zoen. 't Heeft reeds de steenen opgebroken, Of werpt — treedt Hij den tempel in — Hem neder van zijn hoogste tin.

Ach, 'k zie Hem overdekt met wonden,

Vermorzeld onder gruis en steen. Onkenbaar door ons weergevonden! —

Wacht hier een andre uitkomst? — Neen! Maar, moet Hij dit tot loon verwerven. En keert Hij naar de Tempelstad:

Wij, die Hem volgden, waar Hij trad, Wij willen mede 't leven derven:

Komt, laat ons met Hem gaan en sterven! Wie heeft, als Hij, ons liefgehad?quot; quot;

II.

de afscheidsrede.

(joh. xiv.)

,TJw harte worde niet ontroerd!

Laat niet zóó sterk de scheidenssmart u prangen! Mijns Vaders huis, waarheen die scheiding voert.

ocr page 291

THOMAS.

Is groot en ruim, om allen saam te ontvangen. Die, trouw als gij, mij hebben aangehangen:

Uw harte worde niet ontroerd!

„Mijn Vader is de Koning aller koningen;

Zijn hofpaleis omvat ontelbre woningen,

Voor u, voor heel mijn broedrenschaar. (Hoe zoude ik, in dit uur van scheiden,

U met een valsohe hoop misleiden'?)

Ik ga, als vriend, mijn vrienden plaats bereiden, 'k Reis u vooruit en wacht u daar.

„En is die plaats gereed om u te ontvangen;

Voldaan wordt dan uw vurigst zielsverlangen:

Dan roep ik u, dan kom ik weer!

Ik zelf zal dan u juichend welkom groeten In 's Vaders huis, en — na dit weerontmoeten Dan leeft gij eeuwig bij uw Heer!

Dan volgt geen scheiding meer!

„Gij kent nu 't oord waar 'k heenga, mijn getrouwen! Gij kent den weg, die voert tot zulk aanschouwen!

Hoe bitter dan de scheiding zij —

Laat niet haar smart zóó sterk uw boezem prangen! Wischt af die tranen van uw wangen —

Gelooft in God! gelooft in mij!quot;

Balsemgietend als de regen.

Die met lieflijk stroomgeluid Neerzinkt op het smachtend kruid. Kwam dit woord in 't hart gezegen

Van de trouwe jongrenschaar.

Schoon zij nog van droefheid zwegen:

Ach, wat valt het Thomas zwaar Ook zijn tranen weg te dringen.

Eer ze aan 't brandend oog ontspringen.

Treurig peinzend zit hij daar.

En de zucht gaat hem ontglippen.

Maar besterft weer op zijn lippen: , „Hemel! was dit uitzicht waar!quot;quot;

279

ocr page 292

THOMAS.

Diep zwaarmoedig blijft hij staren;

Eensklaps slaat hij 't oog naar Hem, Die van zooveel zielsbezwaren Slechts de wolken op kan klaren,

En van droefheid beeft zijn stem: „ „lieer? wat troost Gij moogt verleenen! Is 't beslist en gaat Gij henen:

Ach! het blijft dan ook gewis,

Dat we ontroostbaar moeten weenen

Om uw nooit vergoed gemis'

Strale 't oord van hemelluister.

Dat U toewenkt in 't verschiet — 't Blijft voor ons gehuld in 't duister:

Waar Gij heengaat weet ik niet!

Zijt Ge van ons weggenomen —

Hoe tot U, tot U te komen.

Zonder 't steunsel van uw hand. Aan dat onbekende strand? —

Hoe tot U, tot U te komen.

Zonder gids op 's levens stroomen.

Dwars door golf en stormgebruis? Hoe voor ons, die U beminden.

Zonder U den weg te vinden Naar dat vaderlijke huis?quot;quot;

HL

THOMAS OP GOLGOTHA.

Nog hield het tastbaar duister aan.

Dat, als een mantelfloers, zich langs den hemel strekte. Dat, als een donderwolk, der Scheedien heuvel dekte. En 't voorgevoel van 't wee bij 't schuldig volk verwekte. Welks mond den vloekkreet op deed gaan.

In 't eind — daar gaat het licht weer langs de heemlen stroomen; De neevlensluier scheurt en, daaruit opgekomen,

Treên ook de kruisen weer nabij;

En langs Kalvaarje wordt de bange klacht vernomen:

„Mijn God! Mijn God! waarom verlaat Ge mij?quot;

ocr page 293

thomas. 281

Die klacht, waarop met daavrend beven,

De grond, waar 't kruis stond ingeplant, .

En heel het krimpende ingewand Der zuchtende aard zou antwoord goven —•

Die klacht wordt ook gehoord door hem.

Die, met de handen saam voor de oogen,

Ginds weenend ligt ter aard gebogen,

Maar sidd'rend opspringt bij die stem.

't Is Thomas — van de groep der vrouwen En jongren meer ter zij getreên —

Die, met zijn zielesmart alleen.

Hier 't vreeslijk einde wil aanschouwen Van 't geen de Heeralen heeft doen rouwen.

En als een bange droom hem scheen.

„Verlaten? Hij van God verlaten?

Welk een triumf voor wie Hem haten!quot;

Zóó zucht hij, bij dat laatste woord,

Vol schrik en weedom aangehoord.

Nog wacht hij, of zijne oogen 't zagen,

Hoe de uitverkoren liev'ling Gods,

Der spott'ren vloekgeschreeuw ten trots.

Door de Englen werd van 't kruis gedragen.

Vergeefs! Nog eenmaal galmt die stem,

En Thomas richt weer 't oog op Hem —

Maar ziet het zinkend hoofd gebogen,

En 't bleek en afgepijnd gelaat.

Van blauwe doodskleur overtogen! —

Geen zenuw trilt — geen adem gaat —

't Wordt alles nacht voor Thomas' oogen!

Hij voelt nauw, dat het aardrijk beeft;

't Is hem of heel de schepping sneeft;

Of weer de zon haar licht gaat derven.

Nu zijne ziel — met Jezus' sterven —

Haar licht, haar zon verloren heeft!

Nog lang aan de eigen plek gebonden,

't Gelaat van 't opperkleed omwonden,

Bukt hij daar smartlijk zwijgend neer;

Daar rijst hij uit zijn mijmring weer;

„Voor mij geen troost of leedverzachting!quot;

ocr page 294

thomas.

— Zóó snikt hij met gesmoorde stem — „'t Is uit met Tsraëls verwachting!

Mijn laatste hope stierf met Hem!quot;

DE ONGELOOVIGE.

I.

de opstanding.

De dag der glorie rees! Nooit had in 't dagend Oost, Van zaalger vreugdelach een uchtendstond gebloosd,

Dan toen die morgen kwam, waar de eeuwen van gewagen, Die in der graven nacht de levenszon deed dagen;

Die van de zuchtende aard het rouwfloers weg zou vagen. En allen, die nog 't rouwkleed dragen.

Op 't graf van hun geliefden troost.

De Heer was opgestaan, terwijl Gods Engel daalde,

Wien 't golvend bliksemvuur als gordelkleed omstraalde. En 't aardrijk beefde in dien ontzagbren oogenblik:

Maar 't was geen beven van ontzetting en van schrik. Als toen op Golgotha de Hemel mee ging treuren,

Toen Gods geliefde aan 't vloekhout hong;

't Was 't daavren van den schok, toen 't rijk des doods zijn deuren Voelde uit de ontwrichte hengsels scheuren;

't Was siddering van vreugd, die 't hart der aard doordrong, Toen 't zegel van den grafsteen sprong.

De vorst des levens was bij 't ledig graf verschenen;

Maria had geweend — als zaalgen zouden weenen.

Als hen Gods Hemel gaat hereenen —

Toen zij op diepgebogen kniên.

Haar hulde 't eerst Hem aan mocht biên.

Pnel vloog de blijmaar rond na 't graf bezoek der vrouwen; Johannes had geloofd, nog eer hij mocht aanschouwen. En 't klonk met blijden roep in 't midden der getrouwen: „Ook Simon heeft den Heer gezien!quot;

Daar stond de Heiige Gods weer levend in hun midden; En 't jamm'ren en geween werd juichen en aanbidden;

ocr page 295

thomas.

„Dit, dit is van den Heer geschied!quot;

Slechts Thomas, die aan 't oog der broedren zicli ontscheurde. Die 't diepst van allen leed en zonder hope treurde —

Slechts Thomas juichte niet.

U.

thomas alleen.

Hij was, toen hij den Heer zag sterven.

De stad ontvlucht, ontvlucht aan 't oord. Waar men zijn Heiland had verinoord;

Doch, waar hij eenzaam rond mocht zwerven, Hij kon geeu rust of troost verwerven,

Schoon hij, met opgejaagden voet.

Van vlek tot vlek was voortgespoed. Hij wilde alleen zijn met zijn smarte.

Maar droeg alom de wond in 't harte,

En de eigen kwelling in 't gemoed.

Die hij door stage mijmring voedt.

Daar doolt hij door de palmendreven.

Die 't naast Bethaniën omgeven.

Om d'ingang van d'Olijvenhof;

Zijn wang is bleek; zijn oog staat dof;

Zijn tred is traag; zijn enkels beven;

Zijn voetzool gloeit en brandt in 't stof;

Diep blijft hij in zijn smart verloren; 't Olijfbosch bloeit niet als te voren,

Al knopt en zwelt zijn vrucht in 't loof.

Voor 't Psalmgezang der vooglenkoren,

En 't murmlen van de Kedron doof,

Neigt hij alleen onwillig de ooren,

Als soms van 't stervend stadsgerucht Een flauwe galm trilt door de lucht. Dan waant hij 't „kruist hem!quot; weer te hooien

En, schoon het geurend koeltje suist,

En om de palmentoppen zwatelt,

't Is hem of dan Gods donder ratelt,

En om hem heen de stormwind bruist!

283

ocr page 296

thomas.

Wat doet opeens hem opwaarts schrikken? Wat glans bezielt zijn sombre blikken,

Terwijl hij starend om zich ziet? — Hij hoort nabij een stem, een lied;

„Gij zult bedroefd zijn, klaaglijk weenen,

Maar op dit scheiden volgt hereenen;

En als uw oog mij wederziet.

Dan zal uw harte zich verblijden,

En — als een vrouw Jia 't uur van strijden — Gedeukt gij 't doorgeworsteld lijden.

De weeën uwer droefheid niet!quot;

III.

thomas met petbus en johannes.

Wie zong dat lied? Vanwaar die stem? Maar reeds stond Petrus nevens hem; Johannes sluit hem in zijne armen:

„Geloofd, geloofd zij Gods erbarmen:

Mijn Didymus! heb ik u weer?

Gedankt, geprezen zij de Heer!

Hij leoft. Hij leeft, Hij is verrezen!

Wij zijn geen vroeg verlaten weezen.

Geen lamm'ren zonder Herder meer! Hoe? treurig slaat gij de oogen neer? Gij juicht niet met ons?quot; —

, „Kan ik juichen Zoolang de smart, die mij verteert. Zóó diep mijn ziel blijft nederbuigen.

Daar zelfs uw juublend vreugdbetuigen, Nog de angsten mijner ziel vermeert. Hij is in 't leven weergekeerd?! — O zaalge vreugd, maar ijdel hopen!

Het bloed is uit zijn hart gedropen, Ik zag dat nederhangend hoofd,

Maar 'k had Hem nog niet dood geloofd, Toen, eer ik van den Kruisberg spoedde.

En 't oord van rouwe en schrik verliet, Een Romer nog in koelen bloede.

ocr page 297

thomas.

Hem met een speer de zij' doorstiet.

En Hij, die stierf aan 't kruis geklonken,

Wiens lijk ras is tot stof vergaan----quot;quot;

— „Is uit de dooden opgestaan!

Hij is, Hij is ons weer geschonken!

Reeds heeft zijn zaalge vredegroet Ons, als zijn jongren toegeklonken,

En wij, aanbiddend neergezonken.

Wij weenden tranen aan Zijn voet,

Van hemelsche verrukking zoet!quot;

— , „Gij zaagt Hem? gij - • • Ach, 't kan niet wezen!

O vreeslijk moordend zelfbedrog!

Uw vreugd doet mij voor waanzin vreezen!quot;quot;

„Hoe? Didtmus! Gij twijfelt nog?

En, zoo de Heer niet is verrezen,

Wien meent ge, heeft ons oog gezien?quot;

, „Een Engel of Zijn geest misschien!''quot;

— „Hij sprak: „Een geest heeft vleesch noch beenen,quot;' Hij las die twijfling in quot;t gemoed;

Hij wilde, als eertijds groot en goed,

Zijn handen ter betasting leenen,

En wees ons zijn doorgraven voet.quot; —

„„Maar ook zijn diep doorgroefde zijde?.... Gij zwijgt.... gij gist niet wat ik lijde....

Gij zaagt Hem, maar één oogenblik!

Gij waart bedwelmd van vreugde en schrik.

Gij hadt Hem vurig lief, als ik !

Is Hij zijn' haatren ook verschenen,

Verscheen Hij ook aan 't Sanhedrin ?

En trad Hij reeds, tot schrik dier snooden.

Als de Opgerezene uit de dooden.

Vol majesteit den tempel in?quot;quot;

„Ach! kunt of wilt gij niet gelooven ?

Dan blijft er hoop noch troost voor u;

Maar ons zult gij dien troost niet rooven!

— Sprak snel en driftig Petrus nu —

285

ocr page 298

THOMAS.

'k Heb ook als gij geweend, geleden En lang geworsteld in gebeden!

Nog weet gij 't grootste wonder niet:

Mij is barmhartigbeid geschied!

Wij zullen 't alles u verhalen!

Hoe? Dtdymus! hoe kunt ge dralen Naar de opperzale mee te gaan?

Daar zullen we allen om u staan,

Want allen zijn wij Gods getuigen!

En, zoo gij dan niet mee kunt juichen,

Dan liegt uw traan, die 't oog ontspat! Dan zijt gij voor den Heer verloren!

Dan wilt gij Hem niet toebehooren!

Dan hebt gij nooit Hem liefgehad!quot;

— , „Of ik Hem liefheb? Jona's zone!

Ik drang dien doode diep in 't hart; Hoe wilt gij dat ik liefde toone.

Dan door de veelheid mijner smart? O mocht mijn ziel dat heil verwerven: Met dit mijn oog den Heer te zien!

Dan zou ik juichen, maar 't besterven, Van blijdschap overstelpt, misschien.

Maar ge eischt, dat ik mij nu verblijde?

Hoort, Jezus' jongren! wat ik zeg:

Eer ik mijn hand breng in zijn zijde,

Mijn vingren in zijn handen leg.

En daar de teeknen heb gevonden. Der naaglen, die zijn vleesch doorwondden,

Der speer, die 't hart Hem heeft doorboord Zal 'k niet getroost zijn, of gelooven Wat al Gods wondren gaat te boven!quot;quot;

,Ach, Didymus! herroep dat woord!quot;

ocr page 299

thomas.

DE GELOOVIGE.

I.

het wederzien.

De avond luwt reeds op de bergen, 't Koeltje, dat zijn wiek ontvouwt. Draagt naar 't dal de bloesems over van olijf- en dadelwoud.

't Diep van Josaphats valleie wordt in scheemring reeds gebuid. Maar de tin van Salems tempel is van gloeiend goud verguld, 't Licht der pas ontgloorde luchters mengt zijn glans met domm'lig rood In het langzaam doovend purper, dat de zou langs 't manner goot-'t Avondoffer was ontstoken en de laatste Psalmtoon zweeg; 's Heeren priester sprak den zegen, en het voorhof stroomde leeg, Daar reeds hier en ginds een sterre flikk'rend aan de lucht kwam staan ; Maar voor 's Heilands volgelingen breekt opnieuw een feestuur aan. Daar op d' eersten dag der weke de eigen opperzaal hen wacht. Die hun, op den Dag der dagen, 't eerst de vreugd des weerziens bracht.

Thomas is er, weergegeven aan d' ontweken broederkring.

Die, met wijd zich oopnende armen, den verloren Vriend ontving. Fel door twijfling nog bestreden, schoon quot;t reeds van zijn wezen sprak, Dat een zonnestraal der hope door de wolk dier twijlling brak. Dichtgeschroefd zijn weer die deuren, en met dubb'le zorg bewaard. Dat geen wolf de kooi bespringe, waar de lamm'ren zijn vergaard; Want zij weten: boom of grendel weert den goeden Herder niet, Die hun dichtgeschroefde deuren, als zijn grafdeur, openstiet, 't Lied, dat Davids harp omsuisde, ruischt nu langs de wanden heen: .Zingt een nieuwen Psalm den Heere! Hij doet wondren, Hij alleen 1 Die den steen, waaraan bij 't bouwen sniaadlijk was een plaats ontzegd. Ophief en ten hoekgesteente van het Godsrijk heeft gelegd! 't Is het werk van Zijn vermogen! 't Is....quot; — Wat dempt op eens

[hun lied ?

Allen zwijgen en volenden d' aangeheven slotgalm niet.

,Vrede zij ü!quot; sprak een stemme. „Vrede zij U!quot; klonk bet weer, En met bleek bestorven lippen fluistert Thomas: „'t Is de Heer!quot; Jezus' blik heeft hem gevonden, die 't gelaat ter zijde boog.

En vol huiv'ring de oogen neersloeg voor den opslag van Zijn oog, — Van dat oog. dat aan den sterv'ling 't diepst geheim der ziel ontwrong; Dat, wanneer het vlammend staarde, door het merg der beendren drong,

287

ocr page 300

THOMAS.

Maar, als 't sprak van schuldvergeving, of vertroosting riep in't hart. Weer de ziel van vreugd deed hupp'len, die verdorren ging in smart. — Met dat oog vol mededoogen, dat, toen 't Petrus ziel doorsneed, Tot een bronwel veler tranen 't ijs zijns boezems smelten deed, Zóó rust 's Heeren blik op Thomas. — „Thomas!quot; zegt hij, .nader mij! Leg uw vingren in mijn handen! Breng uw hand nu in mijn zij'! Zie de teeknen mijner wonden, die ik u te aanschouwen geef! Wees niet langer ongeloovig, maar geloof nu, dat ik leef!quot;

En Thomas? — Hij nadert, maar wijkt weer met beven, Geen vinger verroert hij, of — heft hij die even •

De krachtlooze hand wederstreeft het gebod.

Zijn oog gaat het oog van den Heer weer ontmoeten;

Daar stort hij vernietigd van schaamte, aan Zijn voeten. Blikt opwaarts en stamelt: „Mijn Heer en mijn God.''

„Mijn Heer en mijn God!quot; wat geloof en vertrouwen. Wat vreugde en vervoering, bij 't zalig aanschouwen.

Wat dank en aanbidding weergalmt in dat woord! Nu ziet hij den Hemel, die neerdaalt, weer open,

Nadat, boven bidden èn denken èn hopen,

De vurigste wenseh zijner ziel is verhoord.

En Jezus? — Hij spreekt met een lichtglans op 't wezen, Waarin zijn triumf op den dood staat te lezen:

„Omdat gij gezien hebt, hebt ge eindlijk geloofd! Wèl voelt gij u zalig, maar zalig daarboven.

Wie zonder aanschouwen, toch blijven gelooven.

Tot Ik hun de krone zal drukken op 't hoofd!quot;

II.

zalig zijn zij, die niet gezien en nochtans zullen geloofd hebben.

( JOH. XX; 20.)

Ja zalig, wie niet ziet en nochtans blijft gelooven!

U wacht op aard te zwaarder strijd,

Maar ook te schooner kroon, te zaalger vreugd hierboven, Zoo ge overwinnaars zijt.

'288

ocr page 301

THOMAS.

Al mocht gij, diepgeroerd, niet knielen aan de voeten Van Hem, die overwonnen heeft.

Toch blijft 't geloofsoog Hem als levensvorst begroeten, Die leeft en 't leven geeft.

Volhardt tot in den dood, gij aan den Heer getrouwen!

Betreedt met moed den weg naar 't graf!

Gij wandelt door 't geloof naar 't land van blij aanschouwen, Daar valt de blinddoek af.

Blikt op, zwaarmoedigen! wat wordt de smart der aarde? Wat wordt haar doornenkroon, haar kruis.

Voor wie, ook zonder zien, geloovig opwaarts staarde Naar 't Vaderlijke huis?

In 't Vaderlijke huis, waar reeds uw zaalgen wonen En uw Verlosser hulde biên,

Is ook uw plaats bereid, zal ook zijn hand u kronen.

Zal ook uw oog Hem zien?

Vreest niet, gelooft alleen! Wat treurt gij diepverslagen. Zoo slechts die kroon u sieren mag?

Die kroon, door Hem beloofd, kon geen Apostel dragen. Die Hem op aarde zag.

Heer, onzer zij die kroon! — Dat niets die kroon me ontroove! Of —• zoo die wensch te veel omvat —

Spreek eens tot ons: „Gij hebt gewankeld in 't geloove,

Maar toch mij liefgehad!quot;

LIEDEREN.

t.

BIJ DE INHULDIGING DES KONINGS. MEI 1849.

Melodie Ps. 72.

Behoed, o God! en spaar den Koning,

Die in Uw naam begint;

Wien de eed van trouw in 's Heeren woning Thans aan zijn volk verbindt.

289

19

ocr page 302

bij de inhuldiging des konings.

Gij waart het, die zijn heil bewerkte; U dankt hij staf en kroon;

Blijf Gij zijn raad, zijn licht, zijn sterkte De pijler van zijn troon'.

Moog' hij in 's Hemels gunst regeeren. Rechtvaardig, wijs en zacht!

Moog' Vorst en Volk Uw wetten eeren. Waar 't land zijn heil van wacht!

Moog' Hij gelijk zijn aan den regen. Die daalt op 't jeugdig gras!

Moog' Neerland bloeien door Uw zegen, Als bloeiend veldgewas!

Hij zij als de opgang van den morgen. Die in den dauwdrup blinkt!

Geen grasscheut groei' er zóó verborgen Die niet die stralen drinkt!

En 't licht, dat met ondoof bren luister Rondom zijn zetel gloor'.

Dring', leedverzachtend, tot in t duister Der zuchtende armoe door!

Het weidóen, waar ooit lijden griefde. Was Ttreed en Willems kroon —

Dat weldoen en ons aller Hetde Zij de erfnis van zijn Zoon!

Waar vrede en recht en vrijheid bloeien. En 't hart voor Hem blijft slaan,

Daar zal — wat staatsorkanen loeien Zijn troon onwrikbaar staan!

Dan zal, bij zóóveel gunstbewijzen, 't Gezegend Vaderland

Èn Vorst èn Volk gelukkig prijzen. Om 't sluiten van dien band!

Dan zullen ons de volken roemen.

Al zijn wij klein van kracht.

En met ontzag onz' erfgrond noemen — Waar eendracht woont is macht!

290

ocr page 303

BIJ DE INHULDIGING DES KONINGS.

De beê met opgeheven handen

Klimm' zóó nog menig jaar.

En ruische langs de tempelwanden:

„Dat God den Koning spaar!quot;

En, als met Godgewijde klanken

Het jaar zijn loopkring sluit —

Stemm' Vorst en Volk te zaam in 't danken, En spreek' het „Amenquot; uit!

II.

IN DE LENTE.

Melodie Ev. Gez. 2.

Wat zijt Gij groot, wat zijt Gij goed! Zóó heffen we aan met blij gemoed.

Mild zeegnend Opperwezen! Het feestkleed, dat weer 't aardrijk siert. De Schepping, die haar hoogtijd viert.

Looft U, den Nooitvolprezen'! Het groen, ontsprongen aan zijn koop. Hangt ü ter eer zijn kransen op,

En beemd en akkers bloeien;

En zou dan 't hart, in U verheugd,

U, die Uw schepping kroont met vreugd Niet dankend tegengloeien?

Wat zijn Uw giften veel en rijk!

Welk Vader is aan U gelijk

In zegenend erbarmen'?

Uw liefde is over allen groot;

Gij stort Uw weldaau in den schoot

Van rijken en van armen,

Uw zonne, die Gij op laat gaan.

Lacht dankbren en ondankbren aan;

Gij strooit Uw lenterozen Ook op het pad van zondaars. Heer! En uit Uw wolk drupt zegen neer Op goeden en op boozen.

ocr page 304

in be lente.

Het wintergraan, met zorg vergaard,

Zonk met een stille bede in de aard,

üw adem hield het wakker;

En 't zaad is heerlijk opgegaan;

Wij zien het langzaam rijzend graan

Reeds golven op den akker.

Voleindig wat Uw hand begon!

Schenk aan het zwellend ooft Uw zon,

Aan 't dorstig land Uw regen!

En over 't Evangeliezaad,

Dat in ons hart ontkiemen gaat. Een milden Pinksterzegen!

Dies heffen we aan met blij gemoed: Wat zijt Gij groot, wat zijt Gij goed,

En rijk in 't weldoen, Heere!

Uw macht, die 't al tot aanzijn wenkt. Een nieuw gelaat aan 't aardrijk schenkt,

Uw liefde en macht zij de eere! O mocht de nieuwe levensgloed.

Die de aard doordringt, ook ons gemoed

Doorloutren en bezielen!

Dan rijst voor U, d' Alzegenaar,

Op iedre plek het dankaltaar,

Waarbij we aanbiddend knielen!

Hoe zwak ons staamlend loflied zij,

Reeds op deze aarde juichen wij:

Hoe heerlijk zijn Uw werken!

Gij roept het leven uit den dood! Uw liefde, in Christus eindloos groot.

Vindt niet in stof haar perken!

Eens komt Uw eeuwge Lentedag,

Veel schooner dan ons oog hier zag,

In zaalger stand en orden; En 't Scheppingslied wordt Hemeltoon, Als 't machtwoord uitgaat van Uw troon, Dat alles nieuw doet worden!

292

ocr page 305

IN DEN ZOMER.

III.

IN DEN ZOMER.

Nieuwe melodie.

Heft uwe oogen langs de velden,

Nu de Zomer 't aardrijk tooit!

Ziet, hoe zij Gods trouw vermelden. Van zijn gaven overstrooid!

Hij, de milde Zegenader,

Aller schepslen God en Vader, Hij vergeet Zijn kindien nooit!

Hoort den blijden juichtoon galmen: Maaiers, gaat de sikkels slaan!

Ziet, hoe buigen zich de halmen. Met een vracht van goud belaAn!

Gij, die hopend 't zaad gingt zaaien,

Moogt nu rijke garven maaien.

Want de dag van d' oogst brak aan!

't Rijpend ooft in gaard en hoven Schildert ons Uw goedheid. Heer!

Dit een legerplaats van schoven Stijgt de lofpsalm tot Uw eer.

Met het zilverwitte laken,

Tusschen groene looverdaken.

Dekt ge uw ruime tafel weer.

Vloeit die stroom van zegeningen In zijn volheid ook voor mij? —

Vader! leer mij 't danklied zingen. Dat U 't lieflijkst reukwerk zij!

U, die 't bloem en vrucht laat reegnen,

U, die dondert om te zeegnen,

In dit prachtig jaargetij!

Zien we soms ook distien bloeien. Tarwe en onkruid naast elkaar:

ocr page 306

IN DEN ZOMER.

Laat ze beide opwaarts groeien,

Vruchtbare en onvruchtbare aar!

Eens, als 't Godsrijk is gekomen.

Scheidt het kaf zich van de vromen, Is Uw heerlijke oogstdag daar!

Zien we meenge plant versterven,

't Zaad ras door den wind verwaaid — Moog' het zaad niet ras verderven.

Thans weer in ons hart gezaaid!

Moog' de zomer van ons leven U ter eere vruchten geven.

Vruchten, die de Hemel maait!

IV.

IN DEN HERFST.

Melodio Ev. Gez. 165.

Waar' vloodt ge, o vriendlijk jaargetij!

Met al uw lieflijkheden?

Zóó gaat de wereldvreugd voorbij.

En wat hier bloeit beneden! Een stemme roept daar overluid, In 't gieren van den herfstwind, uit:

„Dit lot verbeidt u allen!

Nog bloeit uw jeugd, ras wordt gij oud. Gelijk het groen verkleurt aan 't hout, Totdat de blaadren vallen!quot;

Voorwaar, al 't menschdom is als 't gras,

Geslachten zijn verdwenen; Hun heerlijkheid werd stuivende asch;

Hun glans heeft uitgeschenen! De bloem valt af, liet gras verdort. Nog eer het heden avond wordt!

Maar, wat in puin moog' zinken:

Gods woord houdt stand in eeuwigheid. En 't licht, dat hier ons troost en leidt. Blijft in den doodsnacht blinken.

294

ocr page 307

IN DEN HERFST.

Wel straalt de zon van 's Hemels tin,

Maar met omwolkten luister: Wat krimpen weer de dagen in!

Hoe overvalt ons 't duister!

Maar, schoon aan dicht omfloerste lucht, Steeds vroeger aan ons oog ontvlucht.

De zon ter kim gaat dalen;

Gij Heer, mijn zon, mijn licht, mijn lied. Verandert of verduistert niet Met Uw genadestralen!

Wat klaag ik, dat mijn jeugd verdween.

Bij 't mindren mijner krachten?

Mijn oog blikt naar den Hemel heen.

Ik blijf Gods lente wachten.

Gods schepping is geen woestenij,

Maar blijft in 't late herfstgetij Nog geurge bloemen dragen:

Al word ik oud, mijn hart blijv' jong!

liet danklied, dat mijn kindsheid zong — Hoort gij 't, mijn najaarsdagen!

Wat zegt het, zoo 'k met blij ontzag.

Op Uw gena mag hopen.

Dat de aardsche mensch, van dag tot dag.

Zijn kranke hut ziet sloopen?

Zoo slechts, vernieuwd van dag tot dag. De nieuwe mensch meer leven mag.

En vleuglen mag verwerven;

Zoo Gij, o God! mij rijp bevindt,

En nog mijn Herfst een bloeiknop wint Die opengaat bij 't sterven!

V.

IN DEN WINTER.

Melodie Ev. Gez. 1GG.

Het zwerk blijft somber nederhangen;

Een doodsche stilte heerscht alom; De schepping treurt; zij heeft geen zangen,

295

ocr page 308

IN DEN WINTER.

En de orgeltoon van 't woud werd stom; Maar — huivren ook van kou de leden — Hier rijzen lied ren en gebeden;

Hier loven we U, o God! te zaam; De dag zwijm' weg in neev'lig donker; Nog lezen we in het stargeflonker De lett'ren van Uw Vadernaam!

Groot blijft ge in al Uw werken, Heerc!

Heeft niet de Winter ook zijn pracht? U zij de lof, de sterkte en eere!

U, en de grootheid Uwer macht!

Wiens aam de waatren doet verstijven, Dat ze als een vloer gezolderd blijven. Van marmren zuilen onderschraagd. Op wiens bevel des hemels sluizen Zich oopnen, de rivieren bruisen,

De sneeuwstorm langs de velden jaagt.

Gij blijft als Koning hoog gezeten.

Ook bij het steigren van den vloed; Ook als de stroom, zijn boei vergeten,

Zijn keten dondrend springen doet; Als hij het ijs daar werpt in stukken, En berggevaarten aan doet rukken. Die zwalpend beuken op den wal;

't Zij zich de waatren zacht ontbinden, En vreedzaam zich langs de oevers winden Uw Vaderoog waakt overal!

Gij blijft de steun, de troost der armen,

Bij 't snerpen van den winternacht. Gij, die den wind in Uw erbarmen

Voor 't pas geschoren lam verzacht!

Geen muschje, over 't aardrijk zwervend, En hongrig 't laatste voedsel dervend,

Valt zonder U op 't sneeuwdek neer: Hoe zoudt Ge, o Vader! één vergeten Van wie Uw kindren mogen heeten? — Gij moedlooze armen, hoopt dan weer.

296

ocr page 309

IN DEN WINTER.

Ja, moog' geheel de schepping zwijgen, Nu de aard haar winterslaap begon,

De Winter zal ons lied doen stijgen,

Waar nooit de Zomer 't voeren kon.

„God heeft in menschen welbehagen!quot;

Zoo rnischt, de heemlen doorgedragen. Het lied van Bethlem-Efrata;

En wij — die voor de kribbe ons buigen,

Die Aarde en Hemel saam doet juichen — Wij zingen 't lied der Englen na!

Wij zingen juichend 't lied der hope.

Bij 't grauwen van den langsten nacht;

Wat ook de gramme Winter sloope. De Lente keert, en 't aardrijk lacht.

Al wandelt onze blik langs graven,

Waaraan wij onze dooden gaven.

Thans door één lijkkleed overdekt;

Eens ruischt het leven weer langs d'akker!

Al wat gestorven scheen wordt wakker. God! als Uw levenszon het wekt.

OPHELDERINGEN.

BEHOOBENDE TOT DE VOORGAANDE DICHTSTUKKEN.

EEN LANDSCHAP BIJ ONDEBGAANDE ZON.

BI. 18G. Hier rees in vroeger eeuw, uit de opgetaste zoilen,

Ken outer (zegt de maar) het Godendom ter eer.

De hier bedoelde plek Is de Heeseherg genaamd. Hees wordt voor een godheid gehouden, door de oude Tubanters (bewoners van Twente) gehuldigd.

BI. 187. Heugt u, hoe langs gindsche wegen

Maurits' wapenrusting blonk?

Het stadje Ootraarsum werd in het jaar 1592 door Prins Maurits bemachtigd: later door de Spanjaarden, onder Graaf Van den Berg hernomen zijnde, werd het in bet jaar 159G opnieuw door den Prins belegerd, veroverd, en daarna, evenals Enschede ontmanteld. By de eers'e belegering sneuvelde Karei Van Levin, Heer van Famars, die in het jaar 1560 het Verbond der Edelen mede had onderteekend. Zie Wagenaar, fadtri Hist., VIII, 3G6, 378, 473.

297

ocr page 310

OPHELDERINGEN.

leidens ontzet in 1574.

BI. 193. Laat ruischen door uw tempelkoren

Uio Psalmtoon, schoon hy haaprend heeft.

Gelijk er in dit gedicht een aantal zinspelingen op min of meer bekende historische bijzonderheden voorkomen, zoo is ook dit geheel historisch. De geschied-schryver Hooft meldt van deze godsdienstoefening: „Daar smolten de gemoederen in hunne eighe vurigheidt en was de beweeghnis zoo geweldig, dat de harten van vrolijkheid, de ooghen van tranen overliepen, en de sleur van den zang der Psalm deeden haaperen.quot; — De hier volgende regels zijn ontleend aandenIXden ' Psalm, welke, gelijk bekend is, bij deze gelegenheid werd gezongen.

BI. 194. En in uw vrijgevochten muren

Hijst wijsheids achtbaar Kapitool.

Dit laatste couplet is er thans eerst bijgevoegd. Het kwam mij bij de herlezing van dit dichtstuk voor, dat de stichting van Leidens Hoogeschool aan het slot van dit gedicht, dat ik in mijne studenten-jaren vervaardigde, niet mocht ontbreken, als welke het volhardend geduld en den moed der belegerden zoo waardiglijk en schitterend heeft bekroond.

BI. 249. Petrus en Joannes bij het ledige graf.

De hier bedoelde schilderij is in het jaar 1850 door de Vierde Klasse vai het voormalig Kon. Ntd. Instituut met den uitgeloofden gouden eereprys bekroond.

BI. 257. Hanna's lofzang.

Dat men in dit gedeelte eene dichterlijke navolging vindt van Hanna's Lied, gelijk dit 1 Sam. II vs. 1—10 staat opgeteekend, zal nauwelijks aan mijne lezers herinnerd behoeven te worden. Om dit lied, 't welk geheel het karakter draagt der Oostersche Poëzie, en daarom verre afwijkt van de taal, welke een heden-daagsch dichter der gelukkige Moeder zou in den mond gelegd hebben, des te beter te doen verstaan, schrijf ik hier de aanteekening van Van der Palm af, aan wiens schoono vertaling ik mij, bij de overbrenging van het oorspronkelijke, het naast heb gehouden: „Het geheele lied van Hanna is ingericht, om de spoedige lotsverwisselingen, waardoor menigmaal de ongelukkige eensklaps gelukkig, of omgekeerd de gelukkige ongelukkig wordt, voor te stellen als het werk van God, die daarin naar Zijn eigen raad en gunst te werk gaat, zoodat er niets ongerijmder en strafbaarder is, dan trotsche zelfverheffing. Haar voorbeeld en dat van hare mededingster hadden dit opnieuw geleerd.quot;

BI. 260. De Moeder des Heeren.

Dit gedicht, waarin ik, zonder verloochening van het Protestantsch beginsel, de Moeder des Heeren heb gehuldigd, was oorspronkelijk bestemd om tot een tegenhanger van mijne Hanna te dienen, in de hieronder vermelde Bijbelsche yrouicen des O. en N. Ferbonds. Daar nochtans de uitgave van het tweede deel van dat werk door toevallige omstandigheden was vertraagd, en een onzer meest beroemde dichters zyne keuze op ditzelfde onderwerp had gevestigd — aan wien ik gereedelijk die keuze heb afgestaan — is het niet daar, maar in het eerste

eel mijner Gedichten, verschenen.

298

ocr page 311

OPHELDERINGEN.

BI. 265. De dochter van Hebodias.

Dit gedicht is, evenals Hanna, opgenomen in het Dichterlijk Album van Bybelsche Vrouwen des O. en iV. Verbonds, uitgegeven door den heer A. C. Kruseman, te Haarlem.

BI- 276. Thomas.

Van de vroeger uitgegevene of verspreide gedichten, welke in den derden bundel voorkomen, is er wellicht geen meer bekend dan mijn „Thomasquot;, als reeds vóór vele jaren opgenomen in de „Apostelen en Profetenquot;, die eerst by ■den boekhandelaar P. H. Noordendorp te 's-Gruvenhage, en later bij den heer A. C. Kruseman te Haarlem in het licht zijn verschenen. Dit kou echter in mijn oog geene reden zijn om dit vry uitvoerige gedicht, dat ik met liefde heb bewerkt, bij de uitgave van deze vierde verzameling mi'.ner gedichten terug te houden; daar ook mijne .Hannaquot; en „De dochter van Herudiasquot;, me Je reeds vroeger in de „Bijbelsche Vrouwenquot; waren geplaatst. — Of zou de in het laatste tiental jaren zoo Fterk gerezen twijfel aan de realiteit van 's Heilands opstanding mij daartoe hebben moeten nopen? Ik heb daartoe niet kunnen besluiten. Wel vervult mij de gedachte met zekeren weemoed, dat velen thans met een geheel ander oog op deze bladzijden zullen staren, dan waarmede zij vroeger hetzelfde gedicht hebben gelezen; maar ik wil aan dezulken onder mijne lezers, wier overtuiging op dit hoogst aangelegen punt veranderd of gewijzigd is, het onrecht niet aandoen van te onderstellen, dat zij deswege aan den dichter het recht zouden betwisten om zulke onderwerpen te blijven bezingen, of dat zij het oog zouden gesloten houden voor de roerende schoonheid dier zelfde Evangelische verhalen, waaraan z-j een historisch karakter in den strengsten zin meenen te moeten ontzeggen. Veelmeer meen ik te mogen hopen en verwachten, dat het Thomas-karakter, gelyk ik dit gepoogd heb te beschrijven, juist wegens den thans ge-voerden Rtryd, by vele lezers eene verhoogde belangstelling zal wekken en vinden.

BI. 276. Tot verre in 't Oost het kruis hebt roortgeplant.

De Kerkelyke overlevering heeft Thomas tot Apostel van Indië gekroond. Voor-uamelyk zou hij aan de Parthen, later ook in Ethiopië, en tot in het hart van Indië toe, het Evangelie hebben verkondigd, totdat h(j zijn geloof met den marteldood bezegelde. In het „Martyrium Romanumquot; wordt hij te Ca la min a in Indië met lanssteken gedood. Van daar zouden zyne beenderen naar Edessa, en later naar Ortana in Italië zyn overgebracht. Zonder de bijzonderheden dier overlevering in bescherming te nemen, of ook aan de bewering der „Thomas-Christenenquot; in het Oosten, die hunne herkomst en benaming van dezen Apostel hebben afgeleid, eenige waarde te hechten, meenen wy toch als hoogstwaarschynlijk te mogen aannemen, dat het Evangelie, bij zijne eerste uitbreMing, zich niet minder ver naar het Oosten dan naar het Westen heeft voortgeplant; en dat onderscheidene Apostelen, waartoe ook Thomas behoord hebbe, daar vooral hunnen werkkring gezocht en gevonden hebben.

BI. 276. O gij, die hebt geloofd te voren,

Vroeger stond hier:

Gij geest des ongeloofst uit d' af grond opgevaren!

Ik heb dien versregel geschrapt, omdat ik den schijn niet op mij wilde laden, alsof ik mij hier tegen de voorstanders der Moderne theologie — ofschoon ik

299

ocr page 312

OPHELDERINGEN.

oan dezen toen niet in de verte had kunnen denken — een scherpen uitval had willen veroorloven; en thans, in de nu volgende regels, daarvoor in de plaats gesteld, wat een iegelijk, die het ernstigste en heiligste met heiligen ernst wenscht behandeld te zien, met mij zal moeten misprijzen. Zelfs gevoelde ik mij opgewekt, om tot dezulken, wier gemoed voor de vele twijfelingen, in onze dagen geuit, geenszins ontoegankelijk is gebleven, en wier tot zwaarmoedigheid gestemde geest naur dien van Thomas gelijkt, een woord van diep medegevoel te richten. Hieraan is de uitboezeming op dezelfde bladzijde:

Maar gij, die hij den storm die opsteekt in deez, dagen

haren oorsprong verschuldigd.

BI. 288. Zalig zijn zij, die niet gezien en nochtans zullen

geloofd hebben.

Het slot van dit gedicht heeft, met uitzondering van de eerste strophe, in versmaat en zekere uitbreiding der geilachte, eene niet onbeduidende verandering ondergaan, In zijn tegenwoordigen vorm verscheen dit stukje in het „Christeiyk Album.quot; Ik meende namelijk (gelijk ik daar reeds te kennen gaf) dat dit slot, met de bovengenoemde wijziging, lichtelijk tot een lied kon omgewerkt worden, 't welk misschien, bij de behandeling van dezen schoonen tekst, zoo zich daarvoor eene gepaste melodie liet vinden, ook door de gemeente zou kunnen gebruikt en gezongen worden. Als zoodanig heeft het dan ook bij de Commissie tot den Vervolgbundel der Evangelische Gezangen eene goedgunstige ontvangst gevonden. Als zoodanig belioort het mede tot het klein getal der gewijde liederen, die later in dezen bi.ndel volgen. Om echter niet tweemalen nagenoeg hetzelfde te geven, oordeelde ik beter, aan dit stukje hier zijne plaats aan te wyzen. Dit slot was aldus luidende:

lieer, onzer zij die kroon! — Dat niets die kroon me onlroove!

Of, zoo die wensch te veel omvat.

Schrijf bij mijn naam in 't levensblad:

„Gij hebt gewankeld in t geloove.

Maar toch Mij liefgehad!quot;

BI. 289. Bij de inhuldiging des Konings.

Hoewel dit lied, evenals de volgenden, geheel het karakter van een kerklied draagt, zoo was het toch nimmer bestemd om als zoodanig door de gemeente gebruikt te worden. Het maakte oorspronkelijk een fragment uit van een der gezangen, welke voor het vijfentwintigjarig jubilé van het „Genootschap totzede-lyke verbetering der gevangenenquot; door mij vervaardigd zijn, en 's daags voor de plechtige en openlijke huldiging des Konings door een zangkoor werden uitgevoerd. Gelijk het hier geplaatst is, heeft het eene kleine verandering en uitbreiding ondergaan.

De vier liederen op de jaargetijden zijn, nevens het stukje „Zalig zijn zij, die niet gezien en nochtans zullen geloofd hebbenquot; en eenige andere liederen, die elders in mijne „Offergave, of verzameling van opstellen in prozaquot; voorkomen.

300

ocr page 313

OPHELDERINGEN.

in den Vervolgbundel der Evangelische Gezangen opgenomen, die aireede bij een deel der Nederlandsche Hervormde gemeenten ten gebruike bij de openbare godsdienstoefeningen is ingevoerd.

BI. 291. In de lente.

Ook dit lied behoorde oorspronkelijk tot de Feestliederen voor het bovengenoemde Genootschap vervaardigd. Buiten mijn weten genoot het de onderscheiding van als Lentelied in het gezangboek der Hersteld-Luthersche Gemeente te worden opgenomen. Er behoorde echter een weinig geoefend oog toe om aanstonds op te merken, dat dit lied eigenlijk een ander onderwerp bezong en eene andere bestemming had gehad. Ik heb het daarom aan eene geheele herziening en omwerking onderworpen, en meen te mogen vertrouwen, dat het, met het oog op dit bepaalde doel, merkelyk heeft gewonnen, en thans zooveel beter aan dit oogmerk zal kunnen beantwoorden.

BI. 293. In den zomer.

In den „Vervolgbundel der Ev. Gezangenquot; volgt hier nog eene zevende strophe, aanvangende met de woorden:

Zal een herfst ons zijn beschoren ?

Ach, wie zegt dit u of my?

en eindigende met de regels:

Vraag dan in uw zomerdagen.

Of uw akker vrucht ging dragen.

En reeds wit om te oogsten zij f

Zij zijn hier achterwege gelaten, omdat zij het slot uitmaken van mijn gedicht op den Zomer in mijn tweeden bundel, dat mede in deze vierde verzameling zyn plaats zal vinden.

301

ocr page 314

ELVIRE.

I.

HERINNERING.

Nog staar ik op een beeld, dat heel mijn ziel verrukte.

Dat me als een zaalge droom ontvlood,

En schoon een stille smart mij drukte,

Toch 't zoetst herdenken bood.

Herinnring! geef mij weer, wat mij een storm ontroofde, Waarbij mijn oog in tranen zwom;

Roep Gij, wat schier de tijd verdoofde,

Elvires beeld weerom!

Schets haar, toen ik voor 't laatst haar aan mijn arm geleidde, In 't zielverteedrend schemeruur!

Herhaal, wat toen haar blik mij zeide:

Hoe plechtig is Natuur!

Het speelziek koeltje blies haar lokken om mijn wangen. En golfde in 't kleed dat haar omgaf;

Een sluier, luchtig omgehangen.

Vloeide op haar schoudren af.

Haar ziel was in haar oog, haar sprekend oog, te ontdekken: Het blonk van liefde en Hemelzin;

Een blosje adelde haar trekken.

Maar 't lachje stierf er in.

De weemoed op 't gelaat, en liefde en onschuld tevens, In zachte mengling met elkaar.

Ontloken in den bloei des levens —

Zoo zag en minde ik haar!

ocr page 315

ELVIRE.

Haar stem was de Echo van haar ziel en luidde teeder, Maar teedrer nog haar lach en groet.

Genoeg, ik zie mijn dierhre weder!

Was zij niet schoon en goed? —

Toef nu, aanminnig beeld, ik wil uw trekken zaamlen, 'k Wil voedsel leenen aan mijn smart;

Ik wil tot u den lofzang staamlen,

Die opklinkt in mijn hart! —

'k Heb eens uit iedren blik een straal van hoop gedronken; 'k Zond reeds, bewustloos van mijn lot, U, droomende in mijn arm gezonken.

Een lofzang op tot God!

Toef nu, aanminnig beeld! 'k zal niet mistroostig klagen; Ik wilde u danken, en niets meer.

Voor 't heil dier onbewolkte dagen,

Die 'k met u sleet weleer!

Vergeefs! daar vlucht zij heen met weedom in haar blikken, Gelijk een nevel, die versmelt.

En nacht zinkt neer met al de schrikken,

Waarmee 't bewustzijn kwelt.

Zoo flikkert de avondster ons eerst vertroostend tegen. Als ons de hemel helder schijnt.

Tot zij voor guren najaarsregen In doifen mist verdwijnt.

Zoo houdt een torenspits nog lang uw oog gekluisterd. Als ge een geliefde streek verlaat,

Tot zich de omwolkte top verduistert En in een stip vergaat.

Zóó blinkt een grafnaald uit, omkranst door wilgenblaren. Als 't avondrood op 't marmer straalt.

Maar vlucht, hoe 't zoekend oog blijft staren.

Als 't sombre duister daalt.

ocr page 316

elvire.

Ook ik zal (ach te vroeg!) Elvires graf aanschouwen, — Dit voorgevoel zinkt plett'rend neer. —

Wat de aarde ons nam of bleef onthouen,

Schenkt dat Gods Hemel weer? —

II.

NACHTWAAK.

De afgebroken zucht der kranke, waar mijn luistrend oor aan hing, Gaat in 't rustig aadmen over van een zachte sluimering.

Alles zwijgt; niets breekt de stilte van den sombren middernacht. Dan de doodsche galm der klokken en 't geroep der ratelwacht. Hier en ginds sluit nog een woning, waar voor 't laatst werd aangescheld.

Of een holle voetstap klinkt er, trouw door de Echo nageteld.

Soms begint de wind te ruischen door het dor gerimpeld loof, En bestrooit het kruipend water in de grachten met zijn roof.

Zalig, wien de slaap nu koestert, wien hij 't moede lijf verkwikt. Wie door droefheid niet blijft waken, noch door wroeging wakker

[schrikt!

O, de nacht heeft niets verschrikkends, niets, wat huiv'ring wekt

[voor mij.

Want ik waak hier met het wiegje van een zuigling aan mijn zij'. Wis, indien nog de Englen dalen uit het Hemelhof op de aard. Staan zij om der kranken sponden en der kindren wieg geschaard! Wis, dan ruischen zij verkwikking aan den matten lijder toe. Sluiten hem de brandende oogen, van het rustloos waken moe. En door 't uitslaan van hun vleuglen toovren zij een zoeten droom. Die hem ongestoord doet sluimren en ontwaken zonder schroom!

Meldt mij, reine Hemelboden! die op de onschuld zorgend let. Houdt ge Elvire 't hoofd omvleugeld, als zij neerknielt in 't gebed? Stort gij in haar zoetste droomen Hemelvreugd en Hemelzin,

Zooals de Englen droomen zouden, sliepen ooit de zaalgen in? — Zweeft mijn beeltnis haar voor de oogen, als ze in teedren glimlach schiet,

Of gedoogt gij in haar sluimring zelfs dit aardsch herdenken niet? — Richt gij, na haar avondbede, heel haar zielszucht hemelwaart, Englen! eer gij (licht reeds spoedig!) haar als Zuster voert van de aard ?

304

ocr page 317

ELVIDE,

Nog sla ik ontroerd mijne armen naar haar dierbre beeltnis uii. Maar ook 't graf slaat gulzig-dreigend de armen open naar zijn buit. Was dat sneeuwwit waas van bleekheid, was dat afgeteekend rood Eeeds het kenmerk van de worstling tusschen 't leven en den dood? Blinkt meer de adel in haar wezen, nu haar bloeiend schoon verdwijnt? Immers ook de schel gaat barsten, als de vlinder haast verschijnt. Hoor mijn bee dan, Hemelvader! 'k doe haar met geroerd gemoed; k Eisch niet van Uw hand te ontvangen wat meer schaadlijk waar

n c ■■ T . ■ [t'an goed.

beer mijn lippen t uit te staamlen: moge üw heiige wil geschiên. Geef me eens dankbaar, zonder blozen, op mijn liefde weer te zien! *'Ü' Gij weet het, dat ik nimmer U om rijkdom heb gevraagd; Dat ik 't rijkst den stervling roeme, die naar rang noch schatten jaagt; Die van eene oprechte gade d' open arm vindt uitgebreid,

In wier ziel hij samenvloeide met de zoetste eenstemmigheid; Die den zegen van zijn Vaadren ziet herbloeien in zijn kroost; En, waar hij het kruis moet dragen, zich met Uw ontferming troost! Toch vroeg ik te veel van de Aarde, toen 'k onzinnig wanen dorst^ Dat de Dierbre, die ik liefhad, eens zou aadmen aan mijn borst; Dat Ge ons voor elkaar geschapen, en mij haar verkoren hadt, ' Toen ik U om eer noch rijkdom, maar om 't heil der liefde bad.

Hoor daar ginds het dreunend kloppen, dat een diepen slaper wekt! Hoor het raatlen van een kruikar, die de zuchtende armoe trekt? Zie, een straal breekt door de luiken van den nieuwgeboren dag! Buiten was het zeker helder, toen ik hier slechts duister zag; Buiten rees met volle glansen licht de zon reeds naar omhoog.

Toen ik op het lamplicht staarde, met de domm'ling nog in 't'oog. O zóó doet Ge, o Hemelvader! in een opgeklaard verschiet Licht de zon mijns heils verrijzen, waar mijn oog slechts donker ziet.

III.

NIEUW LEVEN.

BIJ DEN AANVANG DER LENTE.

Ge ontwaakt, o Aarde! en bloeit vol pracht,

Met jeugdig schoon herboren;

Alsof gij na den winternacht Van zoete droomen wakker lacht,

Bij 't vroolijk uchtendgloren.

305

ocr page 318

ELVIRE.

De winter heerschte gram en stout,

En knelde u wreed in banden,

En joeg zijn adem voort langs 't woud, En kamde 't loover weg van 't hout. En schoor het van de landen.

En trotsch op d' u ontvreemden schat.

Bijeenvergaard in 't razen,

Schreef hij een kroon van struik en blad, Dio hij op 't veld geplonderd had, In 't zilver op de glazen.

Maar eindlijk smolt zijn hagelslag

In lager lucht tot regen.

En vroeger blonk de ontwaakte dag. Die eerst in mist te sluimren lag. Met heller glans ons tegen.

En 't koeltje, dat in de olmen hing,

Heeft nauw omlaag gefluisterd (Daar 't sluipend langs de twijgen ging) Hoe malscher lucht den storm verving, Of heel de schepping luistert.

Reeds heft het gras zich wiegend op.

Wanneer de Zefirs fluiten;

Reeds kleurt het groen den donkren dop. Reeds kruipt uit d' opgebarsten knop Nieuwsgierig quot;t blad naar buiten.

De tulp wart hoofd en stengel los

Uit quot;t omgekruld gebladert En staat daar fier in konings-dos. Doorgoten van een purpren blos. Met vlammend goud dooraderd.

Reeds dook de bloesem uit zijn schel,

In frisschen geur ontloken.

En houdt, gelijk een nachtkapel De vleuglen opslaat uit haar cel.

Zijn blaadren opgestoken.

ocr page 319

ELVIRE.

O Lente, bron van harmonij,

Die 't al doorstroomt van leven!

Welk beeld, wier trekken schildert gij? — Wat weedom wekt die glimlach mij.

Dien gij langs de aard doet zweven!

Ach! schoon, gelijk nu de aarde bloeit,

Van 't waas der lente omtogen; Kn minnig, als de hemel gloeit,

Als 't avondrood de kim besproeit.

Zweeft mij dat beeld voor oogen.

W anneer ik 't oog, waar vreugde in welt,

^aar t luchtblauw houd geheven,

Wiens gloed in zachte tintling smelt, Is t of de blik mij tegensnelt.

Die 't hart van vreugd deed beven.

Of zoo ik over 't rijk plantsoen Het dwalend oog laat glippen,

Dan treft mij in 't ontloken groen. Dat beenwuift over 't bloemfestoen. De teedre lach der lippen.

Waartoe roept gij die beeltnis weer.

Reeds diep in 't hart verborgen?

Haar roos verbloeide en prijkt niet meer, De lelie toont haar beeld veeleer, Dio wegkwijnt in den morgen.

Ook gij, o Aarde! lacht nu blij.

Maar zult dien glimlach derven;

Ontplooi uw schitt'rend tooisel vrij!

Al wat nu bloeit — hoe schoon het zij —-Is ras gedoemd tot sterven!

Waai toe die sombre klacht geuit? —

Blik weer de schepping tegen!

Daar gonst het dropp'lend vocht op 't kruid, Dn in dat stroomend maatgeluid Ruischt toch geen vloek, maar zegen!

ocr page 320

ELVIRB.

Zie, in dien uitgedorden tronk,

Gereed in 't zand te sneven,

Glom nog een diepverholen vonk,

En in de kruin, die wagg'lend zonk,

Kiemt bij vernieuwing leven!

Nieuw leven ruischt er door die lucht.

Waar 't bloem en blad uit regent. Die, waar ons oog versterving ducht. Met spranklend vuur weer de aard bevrucht. En met de hoop haar zegent!

Zie ginds, waar 't zonlicht nederstraalt,

Ging weer een bloesem open! — God! waar Gij 't in uw schepping maalt. En 't kloppend hart die toon herhaalt.

Kan 't misdaad zijn: te hopen?

IV.

HET KWIJNENDE DICHTVUUR.

Poëta non fit sed nasoltur. Amor facit poëtas.

Is de vlam dan gebluscht? Is de vonk dan vergaan.

Die mij vroeger de borst deed ontbranden?

Drijft geen dichtvuur mijn polsslag en harteklop aan. Dat mij vroeger den boezem deed tintien en slaan, En het speeltuig doorgloeide in mijn handen?

Is het vruchtloos gepoogd, den verstervenden gloed Weer opnieuw in mijn zang te doen glimmen?

En de vlam, die ik eertijds verrukt heb gevoed,

Wier geflikker ik waarnam aan 't bruisen van 't bloed. Weer opnieuw uit hare asch te doen klimmen?

Zijt ge verre gevloden, onzichtbare macht!

Die mij aangreept en aandreeft tot zingen?

Wier betoovrende en alles-gebiedende kracht

ocr page 321

elvire.

Op het golven der vingren, waarheen gij ze bracht,

Mij de snaren der luite deed dwingen?

Neem terug dan mijn lier — ik sta willig haar af,

En omwind haar met bloemen niet langer.

Want de krans is verdord, die er 't sieraad aan gaf; Gij hebt onkel me een speeltuig geleend tot mijn straf, Doch mij nimmer geschapen tot zanger!

Neen! ik noem hem geen Dichter, wiens wiss'lend gemoed

Wel een polsslag uw geestdrift voelt gloeien,

Maar ziet rijzen en dalen als ebbe en als vloed, En wanneer hij van de aarde zich heft met den voet, Weder machtloos zich wringt in zijn boeien.

at zijn rijmers, dan hommels en wespengebroed?

Hoor ze brommen en gonzen bij zwermen!

Zie, zij worden met honig der bijen gevoed.

En wanneer hen do ploegschaar in d' akker ontmoet. Of verdelgd — of gespaard uit ontfermen.

Noen! ik zong reeds als jongling, en zing het ook hier:

Nog veel liever in 't duister gescholen!

Nog veel liever geen greep meer gebracht op mijn lier. Dan naar beelden gezocht van gebedelden zwier,

Of naar klanken van elders gestolen!

Was die vonk niet gebluscht of te kwijnend en flauw,

'k Zou do lente mijn loflied betalen.

Want de velden zijn groen, en de hemel is blauw,

En het wollige gras is bepareld met dauw.

En de wildzang breekt los in de dalen!

Was de gloed, die uw aadren doortintelt. Natuur!

Ook voor mij in de borst te bekomen;

Zoo vergat en verbrak ik mijn kluisters een uur,

En ontstal als Prometheus den hemel dat vuur,

Om het bruisend door 't bloed te doen stroomen.

Ik zal eenmaal weer zingen — die hoop blijft mij bij —

Ik zal eenmaal mijn boeien weer slaken;

Laat versterven uw doovende vlam, Poëzij!

309

ocr page 322

elvire.

Eens herleeft uw bezielende geestdrift in mij:

Slaap dan voort, gij zult eenmaal ontwaken!

Ah de liefde dier Eenge, wier beeld mij verrukt,

Mij bestraalt in den aanblik der oogen;

Als mijn gloeiende mond op haar lippen zich drukt,

En er 't zegel der heiligste liefde van plukt;

Als ik kom in haar armen gevlogen;

Dan zal 't kwijnende vuur — wat ik vruchtloos nu zocht

Weer opnieuw mij den boezem ontvonken;

En wat nauwlijks 't herbloeien der lente vermocht.

Wordt veel schooner door de almacht der liefde gewrocht. Met het vuur der aanminnigste lonken.

Breek dan aan, blijde dag, in het blozend verschiet!

Zie, de kim wordt in 't Oosten reeds lichter!

't Zij ik Dichter geboren mag heeten of niet,

't Zij Natuur me als haar gunstling erkende of verstiet, — Eens herschept mij de liefde tot Dichter!

V.

ZUCHT NAAR DE AFWEZENDE.

When I dream that you love me, you surely forgive!

Bybon.

Waar zwerft gij heen? waar gaat gij dolen,

Gij, halfgesmoorde, teedre zucht!

Die, langer niet in 't hart verscholen.

Uw wiekjes uitslaat in de lucht?

Snelt ge uit den kring van 't dorrend heden

Een blijder toekomst in 't gemoet?

Of brengt gij 't uitgebloeid verleden Vol weemoed nog uw afscheidsgroet?

O! blijf daar zachtkens lisplend hangen.

Waar gij Elvire thans bespiedt.

Licht zal ze u in den boezem vangen

ocr page 323

ELVIKE.

Terwijl zij mijmrend opwaarts ziet;

Licht raadt zij, diep in 't hart bewogen,

Vanwaar die zucht ten Hemel klom;

Licht rijst haar dan mijn beeld voor de oogen. En zendt ze een teedren zucht weerom.

Vergeefs zoekt gij de aanminnige oorden.

Waar 'k onder 't wulfsel van 't geboomt' Aan zacht-omzoomde vijverboorden.

Mij zaalger tijd heb voorgedroomd.

Daar rustte 't oog op 't vlak der kolken.

Waarin 'k Elvirbs beeltnis las,

Als 't knikkend groen en 't rood der wolken Zich weemlend spiegelde in den plas.

Daar waande ik d' indruk van haar treden

Te lezen aan den oeverrand.

En 'k volgde dan verrukt haar schreden.

En schreef Elvires naam in 't zand;

Daar waande ik, in mijzelf verloren.

Als 't koeltje langs de twijgen liep, Elvires zilvren stem te hooren,

Die mij 't vaarwel nog tegenriep.

Geen zefir huppelt thans door 't loover.

Dat wegkromp en verstierf aan 't hout. En doodsbleek hangt het zwerk er over. En tast zijn dampen saam op 't woud. Ja, alles slaapt in 't bosch, op d'akker;

Zelfs de Echo blijft bij 't klagen stom. En wordt door 't stormgeloei niet wakker. En geeft geen enklen zucht weerom.

Waartoe naar 't eenzaam woud gevloden,

Dat, van een sneeuwkleed overdekt. Het treurig hulsel van de dooden

Zich huivrend om de leden trekt? Dat woud met kaalgeschoren toppen

Staat huivrend daar als 't oord van schrik. En schudt de neevlen neer in droppen, En draagt een rouwgewaad, als ik!

311

ocr page 324

elvire.

Slechts dan, als weer de lente nadert, En 't ijskristal tot paarlen smelt;

Als weer een kroon van frisch gebladert' Verjongd uit zwangre knoppen zwelt;

Als weer de nachtegaal zijn kommer In 't sleepend fluiten 't woud verhaalt;

Als ook Elvike doolt in 't lommer, En 't avondrood haar pad bestraalt:

IJl dan die zalige oorden tegen.

En zoek er de Engel, die ik min;

En duik er in een bloem gezegen,

Of sluip er 't dichtst van 't lommer in!

Let dan, waar zij haar gangen stiere,

Waar gij haar sluier scheemren ziet;

Eu roep haar fluistrend toe: ,Elvike! „Hij mint u en vergeet u niet!quot;

Eens keer ik daar, met zoet verlangen, En volg u derwaarts, teedre zucht!

En vang er de Echo van mijn zangen. Die daar verstierven in de lucht:

Dat dan me een koeltje 't hoofd omzwiere, Dat van haar lokken tot mij vliedt,

En zacht in 't oor mij suiz': „Elvike „Bemint u en vergeet u niet!'

VI.

WEDERLIEFDE.

(aan elvire.)

,U kan ik slechts op aard beminnen!quot;

Is dit haar teedre taal geweest? Ontwaakt, van vreugd bedwelmde zinnen!

Verbeelding schokt d' ontroerden geest, 't Zijn luchtkasteelen, die verspatten, —-Een droombeeld, wat gij aan wilt vatten. Dat wreeder kwelling achterlaat;

ocr page 325

ELVIRE.

Een regenboog aan sombre transen,

Waar 't licht zijn kleuren in laat dansen,

Maar die in neev'len ondergaat!

Neen! 't is geen droom! 'k voel op mijn lippen

Nog tintien d'eersten kus der min;

'k Hoor nog dat woord haar mond ontglippen.

Als dronk ik 't bij herhaling in.

'k Waan nog met naamloos zielsverrukken, Haar aan mijn sidd'rend hart te drukken.

Dat slechts één zucht, één danktoon slaakt; 'k Voel nog den schok der blijdste ontroering; Ze is geen bedrog, die geestvervoering: 't Is liefde, die mij zalig maakt!

Ik word bemind! O hemelweelde,

Die 't oog bedauwt en 't hart doet tintien in de borst! Vervuld is 't zalig heil, dat in den droom mij streelde !

Verhoord de stoutste wensch, dien 'k nauwlijksstaamlen dorst! Natuur schijnt niet meer doodsch en ledig als te voren,

Maar praalt, met blijder glans herboren,

Waarlangs de lach der liefde zweeft;

En 'k voel, van hoogren gloed aan 't blaken.

Den geest der Poëzie ontwaken,

Die in mijn borst herleeft!

Bemind van haar, met wier gemis De levensvreugd verdorde en wegstierf voor mijn schreden;

Wier teederlonkend oog me een open Hemel is;

Voor wier behoud ik God zoo vurig had gebeden!

Van haar, wier minnig beeld me een goeddoende Engel scheen. Die, zwevende om mijn gangen heen.

Me een poos op de aard verrukte;

Op wier aanvallig-zacht gelaat De reine ziel geteekend staat.

313

En thans de kus nog gloeit, dien 'k op haar voorhoofd drukte!

Bemind van haar, wier schuldloos hart Mij deugd en schoonheid saam deed minnen! —

ocr page 326

ELVIRE.

Dit denkbeeld delgt alle aardsche smart

En voert den Hemel binnen!

Het leven neemt zijn glimlach weer; De liefde is nu geen foltring meer,

Geen wreede hartsbeklemming,

Maar vreugde, die de ziel doorgloeit, Waaruit liet reinst genieten vloeit Der zoetste samenstemming.

Dierbre, mij van God gegeven!

Spreek nog eens, herhaal dat woord, Dat ons saam verbond voor 't leven, Dat mij 't hart van vreugd deed beven,

Als het zuiverst harpakkoord;

Wat ik, liefde- en vreugdedronken, In uw open arm gezonken,

Kussend van uw lippen ving;

Wat gij stamelde aan mijn boezem,

Toen de schoonste liefdebloesem Voor ons beiden openging.

Herhaal het duizend malen.

Wanneer we in 't scheemrend woud, Door 't luistrend lommer dwalen, Terwijl zijn toppen stralen

Van 't flonkrend avondgoud.

'k Zal mijn geluk dan roemen,

U stil de mijne noemen.

Wier teedre liefde ik ken;

Laat dan het boschje hooren.

Dat ik uw uitverkoren.

Dat ik die zaalge ben!

Doch wat tuigt die wolk der smarte;

En die traan, die 't oog ontschiet? — Dierbre! drukt u iets op 't harte —

Wisch dat glinstrend traantje niet! — Kom en hemel in mijne armen! Wis, geen zaligheid zóó groot,

314

ocr page 327

ELVIRE.

Kon ik u voor leed beschermen

Door een offer, dat ik bood!

Maar 'k versta het, wat u griefde,

'k Raad waarheen dat zuchtje vlood 't Was de tol der kinderliefde, Toegeheiligd aan den dood.

Toen ik, aan uw hart gezegen,

U omhelsde in heilig vuur,

En wij beiden dankend zwegen,

Is mij de eigen zucht ontstegen

In mijn zaligst levensuur;

't Was toen, of ik Hemelingen ü, mijn' Dierbre! zag omringen;

Wis, die zwevende Englenwacht Heeft in 't vol gemoed gelezen.

En de zuchten die er rezen.

Naar een zaalger oord gebracht!

Ja, die Dierbren zullen 't weten,

Hoe de liefde ons thans vereent; Hoe we thans ons zalig heeten.

Maar die Eedlen nooit vergeten.

Nooit genoeg door ons beweend; Dat we in 't hart hun beeltnis dragen. En om beider zegen vragen,

Ons niet meer op aard verleend; Dat ik, knielende op hun graven,

Waar Gods oog alleen mij ziet, Diepgeroerd den eed wil staven.

Dien ik uitstort in mijn lied:

„Wat een wiss'lende aard ons bied', — Wat de toekomst moog' bevatten, — Waar het lot ons voeren moog', — Dierbare! uw geluk te schatten

Boven 't dierbaar licht van 't oog; U dit kloppend hart te wijden.

Dat vol liefde u tegenzwelt; ü te troosten onder 't lijden.

Eer de traan in de oogen welt;

ocr page 328

ELV1RE.

Hoop te toov'ren tot verblijden,

Eer de toekomst heil voorspelt; Wasemt u een roosje tegen,

Dat te strooien op uw wegen, — God te danken voor Zijn zegen.

Saam van d'eigen zucht bezield; Of, ten Hemel 't oog geslagen, Saam vereend ons kruis te dragen. En van boven kracht te vragen, Aan uw zijda neergeknield!quot;

Geheel te leven de een voor de ander!

Geheel u te offren hart en zin!

Naar vroom geloof en hoop te streven met elkander! — Geliefde! heeft niet de aarde alzoo een Hemel in?

Zóó vorme 't heil, dat hier ons beidt,

Ons hart voor hooger zaligheid,

En blijv' de liefde, als nu, zóó innig en zóó teeder! Zóó stijg' de sprank, die uit den Hemel viel. En vonken school in beider ziel.

Tot God, haar oorsprong, weder! —

VII.

ELVIRES GEBOORTEDAG,

ALS HET FEEST HAREK HERSTELLING GEVIERD.

God hield het bloempje op zijn steel, Iii spyt der felste winden.

VAN ALPKKN.

I.

Waarom staat Natuur te kwijnen.

Met een halfverstorven lach,

Lieve, op uw geboortedag?

Waarom schuift ze wolkgordijnen Als een sluier zwart en dicht Thans de zon voor 't aangezicht?

316

ocr page 329

elvire.

Waarom spelt ze bui en vlagen

In een bleek en waatrig licht? Waarom doet zij 't stroomnat jagen, Dat zijn ketens los gaat knagen,

Om ze kruiend weg te dragen?

Waarom kiest ze in blijder pracht Niet den tooi der lentedagen

Voor haar vale kleederdracht;

Dat ze op 't jaarfeest van Elvtre Ook verheugd zich 't voorhoofd siere. En, gedost in feestlivrei,

Hoogtijd viere en juich' met mij?

Maar hoe traag uit de uchtendneev'len 't Flauwend zonlicht op moog' heev'len,

Dat te zwijmen dreigt in 't Oost: Blijder kon geen morgen dagen,

Schoon zijn flonkerende wagen Ware op wolken voortgedragen.

Waar robijn en tulp op bloost;

Blijder kon geen feestdag klimmen — Schoon de zon bij 't eerst ontglimmen. Langs de gloeiende oosterkimmen Spranklend goud had uitgestort — Dan die thans herboren wordt,

Nu ge, aan 't doodsgevaar onttogen. Mij in de armen komt gevlogen;

Nu 'k op uw geboortedag,

In den aanblik van uwe oogen

't Oog vol weelde weiden mag,

Waar de teerste liefde in hemelt. En mijn spieglend beeld in wemelt; Nu 'k, aan uw gelaat geboeid.

Van de vreugd, die 't hart ontgloeit, Op uw lippen 't zegel prentte; O, nu wordt de Winter Lente, En geheel de schepping bloeit!

Nachtegaal! verteedrend zanger,

Die de bloemen openfluit.

Als uw zilv'ren stemgeluid

ocr page 330

elvïiïe.

Orgelt over loof en kruid!

Keer terug en toef niet langer

Met een zoeler lucht in 't Zuid';

Waarom hebt ge in bosch en dieven Niet een wiegezang geheven Toen Elvire trad in 't leven, —

Gij, die elke roos begroet Die haar blaadren opendoet?

Keer thans; zing in woud en akker

(Lang zijn wij den winter moe)

Weer de kiem des levens wakker En Elvire 't feestlied toe!

Maar schoon 't lied der nachtegalen

Niet door tak of heester dringt,

Noch de stem der boschkoralen

't Lied van uw herstelling zingt:

Lieve! zou mijn zangtoon falen,

Nu geheel de schepping zwijgt.

En niet God den dank betalen

Die aan 't kloppend hart ontstijgt? —

Neen! al had ik 't laatst gezongen;

Schoon de snaren van mijn lier Barstend door elkander sprongen;

'k Had, door zaalge vreugd gedrongen,

Thans haar nog één toon ontwrongen.

En haar naklank galmde hier!

IL

Aan d'oever van 't beekje; in schauw der abeelen,

Rees needrig de lelie en sliep in den knop;

De Zefir kwam 's avonds haar wiegen en streelen. En kuste des morgens de dauwdruppels op;

Ras zag men haar 't hoofd aan de zwachtels ontscheuren. En toen nu het zonlicht haar aanloeg een poos,

Ontsloot zij haar kelk en ontbond zij haar geuren.

En de uchtendgloed maalde, in een mengling van kleuren Op het zilver der lelie het purper der roos.

Ik zag haar in 't minnig ontluiken, Elvire!

Nog nooit had een bloempje mijn oog zoo verrukt;

ocr page 331

ELVIRE.

,0 zalig, wien ze eenmaal de lokken versiere,

„Wien ze eens aan de smachtende borst wordt gedrukt!'

Ik sprak en ontwaarde, aan het heekje gebogen.

Een Engel, die peinzend de lelie bezag;

Hij scheen met haar schoonheid en teerheid bewogen

Een traan, die des weemoeds, bewolkte zijne oogen Maar over zijn lippen zwierf vroolijk een lach.

Opeens schoot een vuurpijl uit ramm'lende wolken; De regen vloed gonsde in de zwellende beek;

Haar bed werd hersohapen in bruisende kolken;

De lelie verbleekte, haar stengel bezweek.

„Ach! wordt reeds haar schoon in den morgen verslonden Zóó vragend verhief ik ten Hemel het oog:

„Zij draagt niet de dorens, waar rozen mee wonden;

„Maar wordt zij te schoon voor deze aarde gevonden,

„Voer gij dan, o Engel, haar bloeiend omhoog!quot;

En de Engel ontplooide zijn ruischende vleugels,

Als had hij verteederd mijn smeeken gehoord.

En lei' met zijn blikken den stormwind aan teugels. En dreef weer het stroomnat terug in zijn boord;

Ik zag, op zijn wieken zich wiegend, hem zweven, Hij vatte de lelie; haar stengel rees op;

Hij hield aan zijn vingren een dauwdrop geheven.

Die neergleed en zacht op de blaadren bleef beven. En eindlijk versmolt en verzonk in den knop.

Toen schiep hij, bij 't uitslaan der glanzende wieken, Terwijl hij al zwierend zich ophief en dook.

Een koestrenden lichtstraal als 't dageraadskrieken. Waarop weer de lelie herbloeiend ontlook.

Nu greep hij het bloempje, welks scheuten hij gaarde. En stak het omzichtig en zacht aan mijn borst:

„Houd, jongling, die bloeiende lelie in waarde!

„Zo is rijker bekleed dan de vorsten der aarde,

„En gij, wien zij aanlacht, zijt rijk als een vorst!quot;

Hier zweeg hij; zijn hoofd was van stralen omgeven.

Wier liikk'ring hem volgde bij de opvaart omhoog;

Hij bleef daar mijn schreden glimlachend omzweven, Waarheen ook de lelie zachtknikkend zich boog. —

ocr page 332

elvire.

Wie was hij, die 't bloempje zóó trouw bleef behoeden?

't Was de Engel der Liefde, die waakte aan uw zij',

Wiens oog vol van deernis mijn boezem zag bloeden.

Toen stormen den uchtend uws levens doorwoedden — De lelie, mijn kroon en mijn sieraad, zijt gij!

III.

O, herhaal dat woord, Elvire! wees hier de Echo van mijn lied, Waar met nooit gekende weelde zich 't gevoel in overgiet!

Staar ik, met uw beeld voor de oogen, op de wiss'ling in ons lot, Dan vloeit mij de boezem over van geluk en dank aan God;

't Was Zijn Engel, dien Hij neerzond, die u redde in 't bangst gevaar. Die u in mijne armen voerde, die ons weerschunk aan elkaar. Vreugdetranen zie ik glinstren, op Elviues feest geschreid;

Tranen zijn de hoogste tonen in het lied der dankbaarheid!

Vloeit dan, tranen, die als tolken van mijn zielsverrukking vliet, En brengt reiner lof d'Algoede, dan ik stamel in mijn lied!

Sta natuur dan droef te kwijnen, zonder glimlach om den mond, Evenals de schuchtre lelie in den guren morgenstond;

Ons verrukt het blauw des hemels, 's voorjaars mist en dampen door. En die Hemelbode waakt nog, en zweeft blijde uw schreden voor. Tot hij, onder feestgezangen, ons aan 't outer wedervindt.

En daar, biddend neergebogen, eeuwig aan elkaar verbindt.

God der liefde! Gij, wiens Engel

't Kwijnend bloempje heeft behoed! Schraag de Lelie op haar stengel.

Als de storm haar beven doet!

Zalig moog', bij 't reinst genieten.

Voor Elvire 't leven vlieten.

Door Uw zegen mild bedauwd.

Door Uw vleuglen overschauwd.

Hoor den wensch, dien 'k biddend slake!

Hemel! maak die bede waar:

Dat ik haar voor leed bewake.

En door 't vuur, waarvan ik blake.

Hier haar aardsch geluk volinake.

Maar niet leve zonder haar!

320

ocr page 333

ELVIRE.

VIII.

VADERVREUGD.

AAN KUN KINDJE.

Sla uw heldere oogjes op!

Glimlach nu uw vader tegen, Aan wiens hart gij zijt gelegen,

Die zijn huwlijksheil ten top Door uw komst ziet opgestegen!

Lach nu, kleine Lieveling!

Dierbaar kind, van God gekregen!

Daar ik u het „welkomquot; zing. Zie uw moeder fleemen, lachen, Om een lonkje u af te prachen. Die zoo trotsch is op haar zoon, Als op ridderband of kroon;

Die een traan zich laat ontschieten, In 't volop van quot;t reinst genieten.

Doch wanneer uw traantjes vlieten. Ze ijlings wegkust van uw koon! —

Neen, gij weet niet schuldloos wichtje! Met wat smart (nooit afgemaald!) 't Levenslicht, dat u bestraalt, De aanblik van uw lief gezichtje

Door uw moeder is betaald!

Hoe zij kampte en heeft geleden.

Waar goen smart of angst bij haalt; Wat de borst heeft doorgestreden. Uit wier bron gij 't leven drinkt. Waar ge in zoete sluimring zinkt; Hoe ze in vuurge smeekgebeden, Nog voor u, haar kindje, bad.

Maar zichzelf geheel vergat; Hoe haar teedre levensbloesem. Die verbleekt te kwijnen hing. Op 't gelaat weer openging.

Toen ze u aansloot aan haar boezem

321

21

ocr page 334

BLVIKE.

En met de armen u omving!

Neen! Gij weet niet, kind! wat smarte, Hemelvreugd en stervensschrik,

In één roerend oogenblik Mij gesidderd heeft door 't harte; Hoe dat hart mij bonsde en joeg, Hoe ik wild mijn oogen sloeg.

Als ik God om redding vroeg; — Hoe, vol zaalge geestvervoering.

De aard mij wegzonk in de ontroering En de Hemel dichter kwam,

Toen ik 't eerst uw kreet vernam; — Toen uw hulpbehoevend kermen

't Bloeden van mijn hart genas,

En ik, dankend Gods erbarmen. En u prangende in mijne armen.

Voelde dat ik vader was!

Kondt gij 't raden, kondt gij 't weten,

Hoe uw moeders droef geklag 't Hart mij heeft vaneengereten;

Wat ik voelde, leed en zag,

Lieve! op uw geboortedag:

O, van al die 't wiegje omringen Om een lachje u af te dwingen,

Schonkt ge uw moeder d'eersten lach; Liet ge u 't eerst in sluimring zingen.

Als ze u koozelt blij te moe,

Staaktet ge op haar stem uw schreien; Reiktet gij met spraakloos vleien Haar nu reeds uw handjes toe! Wis, dan steeg de wensch van binnen

Nu reeds in uw hartje op:

Haar het teerst naast God te minnen, Die zóó duur haar zoon moest winnen.

Tot uw jongsten harteklop!

Kondt gij 't weten, kondt gij 't raden, Welk een zucht haar hart doorwoelt. Wat zij voor haar zuigling voelt; Zaagt gij 't oog in weelde baden.

Toen ze u 't eerste voedsel gaf;

ocr page 335

ELVIKE.

Wis, gij sloegt mijn beê niet af, Vreugd te strooien op haar paden

Van uw wiegje tot haar graf;

En, moet ge eens uw vader derven,

Haar te troosten bij mijn sterven.

Haar te schoren als een staf,

Als zij neerbuigt op mijn graf!

Zie, hij lacht, hij lonkt mij tegen!

't Is als hoort hij wat ik zong.

Of de wensch, mijn borst ontstegen.

Met een kus in 't harte drong:

Kind, dat lachje spelt mij zegen! quot;k Dweep het reeds, verrukt, te zien Hoe gij, spelende aan mijn kniên. Mij den vadernaam zult biên;

'k Dweep het reeds, verrukt, te hooren;

'k Schets mij in de toekomst al,

Hoe 'k u vroeg tot deugd zal sporen. En een bloeiknop maaien zal Van elk zaadje, dat er vall';

Hoe 'k u leer' van God te vragen: Om met roem den naam te dragen Van een zaalge, u toegedeeld;

Hoe 'k, u plaatsend voor zijn beeld, Als 'k u leer uw naam te staamlen. Ook zijn trekken op doe zaamlen. Sprekend, met een traan, er bij;

„Kindje, wordt zóó vroom als hij! — „Leef tot zielsvreugd voor uwe oudren, «Dat ge 't leed beurt van hun schoudren

„En hun aardsche zorg verlicht; „Dat wij zeegnend op u staren,

„Sluit ge eens 't brekend oog ons dicht; „Dat gij, vrij van zielsbedroeven,

„Eens in t heilig' oord moog toeven, „Waar onze asch te sluimren ligt!quot; Kindje, ons door Gods gunst gegeven! Plooit ge uw mondje tot geween? Vlucht zoo ras uw lachje heen? Is geschrei de groet van 't leven,

ocr page 336

ELVIRE.

Dat gij pas zijt ingetreên? —

Hoort gij niet uw vader juichen, En aan God zijn dank betuigen? — Neen, gij hoort, onnooz'le! 't niet, Hoe ik jubel in mijn lied;

Maar een Vader leeft daar boven, Die mijn danken, die mijn loven. Die den traan, die 't oog ontschiet, Die mijn stille aanbidding ziet. 't Is voor Hem (tot Wien ik nader

Met een diepgeroerde ziel)

Dat ik, zalig Man en Vader!

Met mijn kind in de armen, kniel:

„God van Almacht! God van Liefde!

„Helper, Redder van den dood! „Die, toen 't foltrend wee ons griefde, „'t Bidden hoorde en bijstand bood! „God! zie op mijn zuigling neder! („Gij toch mint hem naamloos teeder!) „Dat Uw albeschermend oog „Hem bestrale van omhoog! — „Zaligt oudervreugd ons 't harte, „Hemel! spaar ons oudersmarte! „Neem ons 't kostbaar pand niet af, „Dat Uw liefde ons leende en gaf! „Steun dit bloempje op zijn stengel! „Hoor die bede voor mijn kind, „Dat het, door Uw Zoon bemind, „Rijpen moog' van mensch tot Engel,

En den Hemel open vind'! — „Dat Uw liefde 't hier geleide,

„Tot het, zwervens moede en mat, „Met een lach van de aarde scheide, „Waar het weenend binnentrad.quot;

Lieve, kunt gij langer klagen?

Laat me u kussen, lach nu weer! Zie, een Englenwacht daalt neer! Kindje! kunt ge iets meerder vragen? 'k Heb aan God u opgedragen,

ocr page 337

ELVIKE.

't Water u gesprengd op 't hoofd, Dat genadig schuldvergeven, Reiniging en eeuwig leven

In zijn Hemelsch Rijk, belooft! — Op de trouw van d' Albehoeder Rust ge, als bij uw teedre moeder,

Veilig, door de trouwste min: Zie! zij vouwt de handen samen, En haar lippen spreken 't Amen! — Kindje, slaap nu rustig in!

IX.

TWINTIG JAREN.

AAN MIJNE GADE BIJ DE VERJARING VAN ONZEN HUWELIJKSDAG.

4 AnGUSTUB 1850.

Twintig jaren, heengevaren

Als 't gezichte van een droom;

Als een klank suist langs de snaren.

Als een hand verdorde blaren,

Uitgestrooid langs d' oeverzoom —

Zijn gezonken en verdronken

Met hun lief en met hun wee,

Met hun juichen en hun klagen.

Met hun blijde en droeve dagen,

In het diep der levenszee.

Ja, mijn Gade! Gods genade

Mengde ook ons het zoet en 't zuur;

Maar wij tellen, bij 't herdenken.

Wat Zijn Vadergunst mocht schenken.

Menig zalig levensuur.

Wat er griefde, 't was Zijn liefde,

Die het kruis woog naar de kracht;

Die de licht geslagen wonden.

Met Haar windslen heeft verbonden.

Me* Haar balsem heeft verzacht.

ocr page 338

ELV1KE.

'k Heb gestreden in gebeden,

Sidd'rend voor uw vroeg gemis;

Doch mij telkens weergeschonken,

Hield ik u aan 't hart geklonken.

Omdat God Ontfermer is.

Twintig zonnen — weggeronnen Als een nachtwaak zijn ze mij,

Maar ons zalig Huwlyksleven,

Nog van uchtendglans omgeven,

Drijft opnieuw mijn geest voorbij.

'k Zie den toren over 't koren Rijzen, waar ons dorpje lag;

'k Hoor nog de eerste kerkkloksgalmen, Die mij tot gebed en psalmen Riepen op des Heeren dag;

Waar ik zaaide en garven maaide.

Die de Hemel oogsten mag;

Waar de herdershoeve u beidde,

Die 'k u juichend binnenleidde.

Toen ze ons 't eerst als Echtpaar zag.

'k Weet de linden nog te vinden

Met uw uitgesneden naam;

'k Hoor, om 't welkom u te suizen.

Mijn kastanjeboomen ruischen Voor het hooge vensterraam.

'k Zie nog 't plekje in 't vertrekje.

Waar wij 'swinters huisden saam; k Zie uw vreugdetranen blinken.

Toen ge uw eerstling gaaft te drinken, Zalig door den moedernaam!

Hoe 't mij goed is, hoe 't mij zoet is,

Hoe mijn hart zijn echtheil prijst! Hoe 't de vreugd verheugt van 't Heden, Als van 't uitgebloeid Verleden,

Zoo het blij herdenken rijst!

ocr page 339

ELVIRB.

'k Mag niet klagen dat de dagen

Zijn verzwonden van mijn jeugd;

Waar nog zóóveel rozen groeien,

Waar nog zóóveel beken vloeien Van genot en levensvreugd.

Want mijn zonen zijn mijn kronen;

En gij bloeit nog aan mijn zij', 't Dochterke is ons welbehagen;

'k Mag op 't hoofd vier kronen dragen: Maar mijn schoonste kroon zijt gij!

Maar al juich ik, toch getuig ik,

Nu mij 't hart zoo vreugdig slaat.

Niet van louter heilgenieten.

Daar ook weemoedstranen vlieten, Drupp'lend op het feestgewaad.

't Lang verleden roept me op heden Dierbre schimmen voor den geest; 't Beeld dier zachten, 't beeld dier braven. Die thans sluimren in hun graven.

En eens juichten op ons feest.

Laat ze vloeien, 't oog besproeien.

Tranen, die de Liefde weent.

Die 't ons zoet is saam te mengen, Om vereenigd die te plengen Op dier eedlen grafgesteent.

'k Denk aan 't zoontje, 't vijfde kroontje,

Maar niet voor mijn hoofd bewaard. Dat Gods Engel, neergekomen,

Uit het wiegje heeft genomen.

Bij zijn vroege hemelvaart.

't Stil gelooven wijst naar boven.

Waar het daagt uit eiken nacht.

Bij de snelle vlucht der jaren.

Doet het ons te Wijder staren Op de kust, die ginds ons wacht.

ocr page 340

EIVJRE.

Maar ook de Aarde houdt haar waarde.

Schoon zij niet Gods Heme! is;

Draag' hier elke roos haar doren, 't Eden ging niet gansch verloren — Werd het hart geen wildernis.

Twintig jaren, waar we op staren In het dicht omwolkt verschiet!

Zijt ge weer voorbijgovaren —

Wat de toekomst dan zal baren.

Zegt 't verzegeld schrift ons niet.

'k Mag niet vragen, zooveel dagen

Nog te leven, van mijn God;

'k Heb slechts diepgevoelde klanken. Om Zijn Vadertrouw te danken.

Voor de leiding van mijn lot.

Dekt de zode dan den doode

Zal ik sluimren dan in 't stof; Zal dan 't rustend speeltuig zwijgen: Moog dan 't lied te hooger stijgen Van mijn kindren tot Gods lof!

X.

BIJ HET PORTRET

MIJNER ONTSLAPENE.

(in jeugdigen leeftijd geschilderd, mij toegezonden na haren dood.)

Zoo zijt gij 't eerst mij op mijn pad verschenen!

Ik zie u weer; gij brengt mij lach en groet;

Al staar ik door een wolk van tranen henen,

Beminlijk beeld! 'k herken uw trekken goed!

't Is wèl uw oog, dat heel mijn ziel verrukte;

't Is wèl uw ziel, die spreekt van dat gelaat;

't Is wèl uw mond, waar 'k pas een kus op drukte: 't Is weer mijn bruid, die bloeiend voor mij staat.

328

ocr page 341

ELVIKE.

Wel waart gij schoon, van 't waas der jeugd omtogen, Zoo blank oprecht, zóó goed en vroom daarbij.

Uw schoonheid heeft geene enkle deugd gelogen.

Maar stof en geest was zuiv're harmonij.

't Waa door uw ziel, die weerklonk in uw trekken, Dat uw gelaat die lieflijkheid ontving,

En zoo uw lach iets Hemelsch scheen te ontdekken — 't Was Profetie — nu zijt ge een hemeüng!

O! uren lang zit ik u aan te staren.

Door dquot; opslag van uw zielvol oog geboeid;

'k Voel de'eigen vlam, die 't eerst in jonglingsjaren Mijn borst van 't vuur der liefde heeft ontgloeid.

'k Strek de armen uit naar u, mijn Bruid! mijn Gade! Die 'k in den glans der jonkheid wedervind.

Zou 't misdaad zijn? — Genade, o God! genade!

'k Heb ook dat stof, dat sterflijk schoon bemind.

Ik zag dat schoon versterven en herleven,

Als 't sterven en herleven van het rood.

Dat 'k langs de sneeuw der Alpen heb zien zweven. Als de avondzon daarop haar stralen goot.

Ik zag uw blos ontluiken en verschieten.

Verwelken en tot flauwer blos hersteld;

Maar weer uw kracht versmelten en vervlieten. Als lentesneeuw, die, pas gevallen, smelt.

Toch, bevend riet, geschud door voorjaarsstormen! Geknakte bloem! hield God u opgericht;

En mocht de tijd uw bloeiend schoon misvormen,

Gods adelbrief behieldt ge op 't aangezicht!

Weer scheent gij half verrezen van uw sponde, En dankend knielde ik voor die sponde neer:

Daar treft de dood, en slaat mijn hart de wonde. Die bloedend klaagt; „Ik heb geen Gade meer!quot;

't Is al voorbij; mijn vreezen en mijn hopen,

Mijn bidden en mijn danken aan uw zij';

Gij lijdt niet meer en vondt Gods Hemel open.

Maar de aarde met haar rouwfloers bleef voor mij.

Mijn zoetste vreugd is 't weemoedvol herdenken.

ocr page 342

ELVIRE.

Wat Hemelgift ik eens in u ontving:

Ik vraag niet, wat de toekomst mij zal schenken, Mijn Eden bloeit in mijn herinnering.

Uw liefde was me een milde bloemenregen.

Mijn zonnestraal en schaduw op mijn pad;

En 't werkte wis op mijn gemoed ten zegen,

Dat ik een reine, als gij, heb lief gehad!

Zachtmoedige! wie moest u niet beminnen? Gij, needrige! wat dacht ge u zelve kleen!

Maar mocht uw gade een enklen lauwer winnen. Dit was een zon, die u het hoofd omscheen.

Gelijk een bloem, vóór 't sluiten van haar kelken, In de avondlucht haar zoetsten walm ontbindt.

Zóó hebt ge ons, toen gij neigdet tot verwelken, Zoo 't mooglijk waar', nog teederder bemind.

Als de ambervaas, die barstend al haar geuren In 't rond verspreidt, als de urn verbroken wordt,

Hebt ge over ons, die uw gemis betreuren. Uw liefde van uw doodbed uitgestort!

U sierde, bij een diep aandoenlijk harte,

Die stille geest, die kostlijk is voor God.

Geduldige! hoe ingewijd in smarte.

Gij roemdet slechts en zegendet uw lot!

Gij wist alleen van danken, nooit van klagen;

Voor uw geloof werd al het donkre licht!

Gij zwakke! hebt den man, die u moest schragen. Vaak door uw moed in Tt lijden opgericht.

Uw kalmte gaf mijn ziel de kalmte weder;

Weldadig werkt gij op mijn geest ook nu;

'k Zie naar u op, als zaagt gij op mij neder.

En elk gebed draagt nog een zucht tot u.

Gij troost mij nog met woorden van 't verleden. En als ik moedloos wegzink in mijn rouw,

'k Hoor dan uw stem: „Ik heb voor u gebeden, Dat uw geloof en hoop niet wanklen zou!quot;

330

ocr page 343

elvike.

Verheerlijkte! soms staat me uw beeld voor de oogen,

Verjongd, als hier, van Hemelglans omspeeld! Ons kindje, dat in d' arm u kwam gevlogen.

Klemt gij aan 't hart, als een Madonnabeeld. Wij treurden lang — gij weende' 't langst van beiden,

Om 't dierbaar wicht, dat ons zóó vroeg verliet. Maar hoe we ook saam bij 't ledig wiegje schreiden, 't Verlies mijns kinds was dat der Moeder niet.

Wat was ik rijk, toen 'k u mijn gade noemde!

Wat zag ik goed, toen 'k u tot bruid verkoor!

Waar leeft hij, die op zaalger echtheil roemde?

Wat werd ik arm, toen ik dien schat verloor!

Maar stierf met u de reinste vreugd van 't leven,

Toch buig ik 't hoofd in ootmoed op uw graf; God had me in u oneindig veel gegeven —

'k Wil danken Hem, die, eer Hij nam, ook gaf!

Die u tot mij als Engel heeft gezonden,

Ons beider ziel en lot heeft saamgehecht,

U heeft gered in vroegre bange stonden.

En telkens weer me in de armen heeft gelegd; Die bloeiend kroost deed uit onze echtkoets spruiten;

Die aan mijn kroost zoo lief een Moeder gaf. En 't drietal nog mij laat in de armen sluiten,

Dat met my weent op 't Moederlijke graf.

O zag ik u, nog eens, slechts éénmaal weder!

Mocht ik voor 't laatst u zeegnen voor uw trouw, U danken, dat gij mij zoo diep en teeder

Hebt liefgehad, o eeuwig dierbre vrouw!

'k Zou u de vreirgd der Heemlen niet misgunnen:

Een laatst vaarwel slechts vroeg ik en niets meer; 'k Zou dankend aan uw voeten staamlen kunnen; „Keer, zaalge Geest! thans naar uw woning weer!quot;

Daar aamt gij vrij, ontdaan van smet en kluister;

Daar is geen worm, die aan uw schoonheid knaagt, Als ge, overkleed, daar straalt in Englenluister, En 't heerlijk beeld van uw Verlosser draagt! Bij Christus zijt ge, en dat is verre 't beste —

ocr page 344

ELVIRE.

Al had ook de aard nog vreugde u aan te biên;

Of, zoo één wensch, van 't aardsche ontleend, u restte 't Is, zaalge Geest! dat ge ons moogt wederzien.

U wederzien! — Ach! zijn 't geen zoete droomen,

Door 't lijdend hart, dat naar vertroosting smacht.

Gelijk een hert smacht naar de waterstroomen, In 't mijmren van de droefheid voortgebracht?

Die hoop, een droom? — o Heere, laat mij sterven! Trill' door mijn hart de laatste levensslag.

Op 't oogenblik, dat ik die hoop moet derven — 'k Wil lijden, Heer! zoo ik slechts hopen mag!

U wederzien, herkennen en begroeten,

Met de eigen liefde op 't Hemelsch aangezicht!

In hooger school, als kweekling aan uw voeten. Te drinken uit de bron van 't Eeuwig licht! ...

Als de aardsche vlam door 't Hemelsche is verslonden, Nog heilger hand te strenglen met elkaar.

Die door den dood niet meer wordt losgebonden, En dus vereend ons kroost te wachten daar!----

O zaalge Hoop, die 't hart van vreugd doet beven! Werp op dit beeld het hoogsel van uw licht!

Verhelder gij mijn donkren blik op 't leven!

Houd Hemelwaarts mijn oog en voet gericht!

Zoo 't doornig pad mijn loop kon doen vertragen,

'k Zie op uw beeld, mijn vroeg verloren Ga!

— In God verblijd, hebt gij zóóveel gedragen —

In God getroost drage ik mijn kruis u na!

XI.

GRAFBEZOEK.

Wees gegroet.

Heiige grafstee aan mijn voet! Die mij wijst, en strekt ten bode,

Waar mijn stof eens sluimren moet; Waar uw stof rust, Lieve Co.of' ''

ocr page 345

ELVIRE.

Om wier dood mij 't harte bloedt, 'k Druk uw grafzerk met den voet, Dierbre Gade! wees gegroet!

Op den steen Sta ik, waar uw lijk verdween. Ach, hoe steekt en vlijmt mijn wonde!

't Is als kwam ik — die voorheen Vaak kwam luistren aan uw sponde, Ala me uw slaap onrustig scheen, — Nog eens luistren op den steen,

Waar de bruine kist verdween.

Hoe ik riep.

Gij blijft sluimren vast en diep! 'k Had mij vroeger pas bewogen —

Hoe onhoorbaar zacht ik liep.

Of gij vroegt met lachende oogen: ,Lieve! dacht gij, dat ik sliep?quot;

Mocht ge ook sluimren vast en diep, Gij werdt wakker als ik riep!

Ongestoord Slaapt ge uw lange sluimring voort! Van 't herkennen na 't herleven

Sprak ik hier naar 't Godlijk woord; Hebt gij, hoe mijn stem ging beven, In uw diepe kluis gehoord? —

Keen! door vrees noch smart gestoord, Slaapt gij op uw slaapstee voort.

Hebt gij 't goed?

Slaap dan op uw rustbed zoet!

Nu gij niet uit bange droomen

Wakker schrikt, noch in uw bloed Een benauwdheid op voelt komen.

Die u angstig staren doet:

Ach, nu hebt ge 't waarlijk goed! Afgetobde, slaap dan zoet!

Slaap gerust!

'k Heb u zacht op 't hoofd gekust,

333

ocr page 346

BLVIBB.

Toen gij 't neerboogt, — ach, zoo moede! —

En, van scheiden onbewust,

Slnimrend in Gods Vaderhoede,

Overgingt in de eeuwge rust.

'k Heb u goeden nacht gekust, Toegedekt ook — slaap gerust!

Goeden nacht!

Lieve Doode, die mij wacht!

Zinkt mijn stof bij 't uwe neder;

Is mijn dagreis haast volbracht — 'k Slaap dan in uw armen weder — 'k Rust dan bij uw beendren zacht! Tot zóó lang nog: Goeden nacht!

Dierbre Gade, die mij wacht!

Aan uw zij'.

Op die sponde is plaats voor mij.

Kom ik hier nog dikwerf klagen,

Hoe ik eenzaam treur en lij';

'k Wil niet van den Hemel vragen, Of quot;t nog verre is, of nabij'? —

Eenmaal rust ik aan uw zij'

Hier is plaats voor u en mij!

Goeden nacht.

Slaap hier bij Gods dooden zacht! Zal eens de uchtendstond genaken — Wees dan de Engel, die mij wacht. En mij vriendlijk, bij 't ontwaken, 't „Goeden morgen!quot; tegenlacht!

Tot ons de eeuwge morgen wacht,

Lieve Doode, goeden nacht!

XII.

WELEER EN THANS.

AAN MIJNE KINDEREN OP MIJN GEBOORTEDAG.

Weer breekt gij aan, o dag, zóó blij gevierd voor dezen. Ik wachtte u slapeloos. AI zijt gij vroeg verrezen.

ocr page 347

ELVIRE.

Voor mij ving traag uw scheemring aan.

Heb dank! geen blij gelaat voorspelt ge op 't droevig heden; In dompig wolkengrauw gaat zich de hemel kleeden,

Als met mijn rouw begaan.

O dag, door gade en kroost met vreugdevol verlangen Verbeid, in d' opgang reeds met kinderlijke zangen

Begroet, verwelkomd menig jaar!

Verheerlijkt als het feest van liefde en huwlijkstrouwe,

Gezaligd door 't bezit der teerbeminde vrouwe!

Wat zijt gij zonder haar?

Herroep weer voor mijn geest, wat liefde, vreugde en zegen Er neerdauwde op mijn hool'd en druppelde op mijn wegen,

In 't schoon maar uitgebloeid weleer!

Wat lichtglans van geluk dan uit haar oogen straalde, Hoe vroolijk de uchtend rees, hoe kalm uw scheemring daalde. Al keert gij nimmer weer!

Ontwakend, zoek ik 't eerst haar vriendlijk lachend wezen. De zwakke is opgestaan en van mijn zij' verrezen!

De blijdschap leent haar spoed en kracht;

Hoe rept de tengre hand zich bevend snel in 't kleeden! Eer Vader volgen kan is Moeder lang benetien;

Waar zij den jaarge wacht.

Reeds staat de stoel, die in het Boekvertrek zal pronken, De hooggevulde stoel, mij door haar hand geschonken.

Van gloeiend purper overkleed,

Met waaiers groen omstrikt, bij d' uchtenddisch geschoven, De wacht is uitgezet, of Vader komt van boven,

En houdt het sein gereed.

Daar kraakt mijn tred. Ik hoor mijn kroost van blijdschap gieren, 't Sneeuwt loovers voor mijn voet, en krans en vendels zwieren

Me om 't hoofd; doch stilte volgt weldra;

Mijn kindren, één voor één, gaan God in 't feestlied danken; Ik drink van quot;t kreupel rijm de tooverzoete klanken,

Zij spreekt ze fluistrend na.

Nu komt mijn drietal blij en jublend aangesprongen;

't Heeft saam zich op mijn knie en aan mijn hart gedrongen,

335

ocr page 348

ELVIBE.

Ik tors verheugd zóó lief een last;

Dan sluit ik zwijgend, daar ons beider tranen leken,

Die van verhoord gebed en zielsverrukking spreken.

Mijn gade in de armen vast.

Dit was mijn blij Weleer. Wat is mij 't dorrend He3en? De bouwval mijner vreugd! Een Echo van 't verleden,

Maar die met sombre klaagstem zingt;

Een regenlucht, die, als de zon een lach wil vergen,

Lacht als een kranke, die dea traan niet kan verbergen. Die hem uit de oogen springt.

Wat dringt ge u, als voorheen, mijn kindren! om mij henen? God gaf voor vreugde rouw. — Ach! laat me in stilte weenen!

Ontbladerd ligt mijn huwlijkskrans;

Zwart als een rouwkleed schijnt mij 't bloeiend kleed der aarde; Mijn zomer vluchtte vroeg van uit mijn levensgaarde; Verwinterd is zij thans! ,

Wel leerde ik u reeds vroeg naast God uwe ouders minnen, Maar Moeder bovenal met teer verknochte zinnen,

Als 't lieflijkst, wat ge op aard bezat;

Had ik u lief als zij; — zij iiad veel meer geleden.

En voor uw eeuwig heil licht vuurger nog gebeden,

Dan ooit uw Vader bad.

Heil uwer! wat de dood hier wreed vermoog' te ontbinden — De band, die u en haar op aarde bleef omwinden.

Verbrak .niet in haar jongsten strijd.

Schoon ik op 't weerzien hoop, en 't bid van Gods genade. Ach! in der Englen kring is zij niet meer mijn gade. Uw Moeder is ze altijd!

Uw Moeder is zij nog. Als eertijds in ons midden,

Blijft ze als een zalige in den Hemel voor u bidden.

En, zoo daar in der zonde nacht Nog Englen waken, door de Godheid uitverkoren,

Voor wie op aarde reeds den Hemel toebehooren —

Zij houdt bij u de wacht!

Zij hoorde 't, toen uw mond den Chkistus ging belijden; En hebt ge als jongling ooit een zwaren strijd te strijden,

336

ocr page 349

EliVIRE.

Zij ziet op u, mijn jongste zoon!

O wenscht ge in zaalger oord uw Moeder weer te ontmoeten: Strijd zóó, dat u de Heer moge als verwinnaar groeten En dan Zijn hand u kroonquot;!

Mijn eerstling! oopnen zich uw eerste liefderozen,

En ziet ge een zacht gelaat alree van weermin blozen:

Een zaalge dankt met u bij God.

Omzweefde u Moeders beeld bij 't kiezen van een gade, Ed vondt gij wat ik vond, en scheidt de dood u spade, Gezegend dan uw lot!

Mijn dochterke! als 'k u houd met mijn arm omsloten. Dan voelt ge een heeten traan, u op 't gelaat gevloten.

Die traan gold u, gold u, lief kind!

Die traan is een gebed: „Moogt gij haar deugden erven!quot;

Maar ook een zieleklacht, om 't geen gij vroeg moest derven, En nimmer wedervindt!

Gij merkt het wel — ik staar vaak peinzend op uw trekken, Of ik in uw gelaat haar beeltnis kan ontdekken.

Zooals zij heeft gebloeid weleer.

Soms, als gij goelijk lacht met half ontsloten lippen.

Zweeft mij haar geest voorbij, en gaat de kreet me ontglippen: „Dat was haar glimlach weer!quot;

O blijv' haar vroomheid, blijv' haar zachtheid u bezielen!

Blijf needrig voor uw God en voor uw Heiland knielen!

Wind bloemen om mijn huisaltaar!

Schep blijdschap om u heen, waar gij komt aangetreden, En overspreid mijn pad met duizend lieflijkheden!

Dan lijkt gij wis op haar!

Ik voelde 't heden diep, hoeveel ik heb verloren, 1 Maar ook, hoeveel op aard mij nog bleef toebehooren,

Als 'k op u zie, mijn dierbaar kroost!

O klem u aan mij vast! Gij kunt mijn tranen drogen,

En 't zal der zaalge vreugd met zaalge vreugd verhoogen. Dat gij uw Vader troost.

Neen! 'k bid niet, dat de dood nu ras mijn tente sloope,

Daar meenge zoete wensch, als bloesem mijner hope,

337

22

ocr page 350

ELV1RE.

In u nog sluimert in zijn knop.

'k Heb weinig aardsche vreugd van 't leven meer te vragen. Maar in uw toekomst zie 'k een nieuwe toekomst dagen, En gaat weer 't licht mij op!

Komt, laat mij om u heen mijn Vaderarmen strenglen! Nog ben ik rijk door u — gij zijt mijn troostende Englen, gij verzoent mij met mijn lot!

'k Houd weer den wandelstaf tot 's levens reis geheven----

'k Wil voor mijn kroost en voor mijn heiige roeping leven. En daartoe sterk' mij God!

OPHELDERINGEN.

ELVIRE.

„Onder dit opschrift heb ik hier gewaagd een zevental Erotische stukjes aan mijne Lezers aan te bieden, welke, met uitzondering van Elvires Geboortedag (geplaatst in de Tesselschade des jaars 1838), niet vroeger onder de oogen des publieks zyn gebracht. Daar het gemoed des jongelings zich met de meeste getrouwheid in de zangen zijner liefde afspiegelt, kwamen zij my voor, in deze zangen van vroegeren leeftijd niet te mogen ontbreken; en zoo weinig als ik, op gevorderden leeftijd, by de herinnering dier liefde, of over den hierin aangeslagen toon behoef te blozen, zoo weinig reden vond ik daarom ze thans terug te houden, — indien althans deze stukjes, beschouwd als proeven van Erotische Poëzie, gerekend mogen worden, niet onwaardig hunne plaats in dezen Dichtbundel te bekleeden. — Voorts verstrekt het my tot een weemoedig genoegen, hier de gelegenheid te hebben gevonden, om den dierbaren naam, onder Elvires naam verborgen, voluit te kunnen nederschryven, dien de wat ver gedreven vrouwelyke zedigheid «n kieschheid, by de eerste uitgave dezer gedichten, schroomde geopenbaard te zien: Johanna Maria Van Woudenberg, geboren 16 Februari 1806 te Kuilenburg, overleden 18 December 1851 te Amsterdam.quot;

Ik besloot thans — om het herinneringsoffer, dat ik aan dien naam wensch te brengen, volledig te maken — de beide stukjes: Vadervreugde en Twintig jareny als twee onvergetelyke tijdpunten uit myn gelukkig huwelyksleven bezingende, aanstonds hierop te laten volgen.

De drie laatste gedichten maken te zamen een klaverblad uit, voor mij en m\jne kinderen, van weemoedige maar dierbare herinnering. Alleen het derde: fFeleer en thans, is in de Aurora van 1853 reeds vroeger geplaatst. De twee eerste had ik wel voor mijne vrienden laten drukken, maar geheel buiten den handel gehouden. Ik geef ze gezamenlyk in myn derden bundel, omdat zoowel my'n eigen gevoel als dat mijner kinderen geheel onvoldaan zou zyn gebleven, indien

338

ocr page 351

lüCjï'V

OPHELDERINGEN. 339

zy in eeiie verzampllng van meest al mijne gedichten de hun toelcomende plaats niet hadden gevonden. — Ook vrees ik niet, dat het subjeclitve vau deu inhoud al te zeer aan den indruk zal schaden. Zoo de taal des gevoels daarin geuit is, dan mag ik bescheidenlijk hopen, dat deze gereedelijk den weg tot bet hart zal vinden.

BI. 327. ii'n gy bloeit nog aan mijn zij'.

'k Mag op 't hoofd vier kronen drayen:

Maar mijn schoonste kroon z'yt gij!

Vroeger luidde de laatste regel: Romes Kerkvorst, gij maar drie. Een mijner beoordeelaars meende daarin een reminiscens van het bekende van Tollens: Griekenland had zeven wijzen, zeven kind'ren hebben wij, te vinden, en oordeelde dat deze speling niet vrij was van valsch vernuft; en daar ik van ul wat daarnaar zweemt hoogst afkeerig ben, heb ik niet geaarzeld, dien, gelijk hierboven geschied is, te veranderen.

BI. 328. Mij toegezonden na haren dood.

Tot opheldering diene, dat dit Portret, door een verzuim van de zijde des schilders onvoltooid, vele jaren lang in het bezit eener geliefde nabestaande was gebleven. Toen ik, in de eerste dagen van mijnen rouw, het verlangen uitsprak om het weder te bezitten, werd daaraan met al de bereidvaardigheid der liefde voldaan.

BI. 333. Van 't herkennen na 'l herleven

Sprak ik hier naar 't Godlijk woord.

Toen ik In de Eilandskerk te Amsterdam mijne eerste predikbeurt vervulde, nadat het overschot mijner lieve eerste gade daar was ter ruste gelegd, sprak ik, naar aanleiding van Joh. XIV: 3c, over de hope eener toekomstige heReeniging.

Het uitzicht, bij herhaling in dit lied uitgesproken, van ook daar mijne grafplaats te vinden Is mij geheel ontnomen, sinds men, gelijk elders, ook te Amsterdam heeft opgehouden In de kerken te begraven.

ocr page 352
ocr page 353

In de VIJFTIG-CENTS-EDITIE zijn verschexen:

Ko.

i.

- Mr.

J.

Van Lennep,

De Pleegzoon.

2.

- Mr.

J.

Van Lennep,

Ferdinand Huyck.

3.

- Mr.

J.

Van Lennep,

De Roos van Dekama.

4.

— Mr.

J.

Van Lennep, Elizabeth Musch.

5.

- Mr.

J.

Van Lennep,

Novellen en Vertellingen.

6.

- Mr.

J.

Van Lennep,

Onze Voorouders.

7.

- Mr.

J.

Van Lennep,

Onze Voorouders.

8.

- Mr.

J.

Van Lennep,

Onze Voorouders.

9. — Mr. J. Van Lennep, De lotgevallen van Klaasje, I.

10. — Mr. J. Van Lennep, De lotgevallen van Klaasje, II.

11. — Mr. J. Van Lennep, De lotgevallen van Klaasje, III.

78. — Mr. J. Van Lennep, Vertellingen van vroeger en later tijd.

12. — J. J. Cremer, Dokter Helmond en zijn Vrouw.

13. — J. J. Cremer, Daniël Sils.

14. — J. J. Cremer, Tooneelspelers.

15. — J. J. Cremer, Hanna de Freule.

16. — J. J. Cremer, Anna Kooze, I.

17. — J. J. Cremer, Anna Rooze, II.

18. — J. J. Cremer, Overbetuwsche Novellen.

19. — J. J. Cremer, Novellen en Vertellingen.

20. — J. J. Cremer, Novellen en Vertellingen.

21. — J. J. Cremer, Betuwsche Novellen en een Reisgezelschap.

22. — J. J. Cremer, De Lelie van 's-Gravenhage.

23. — J. J. Cremer, Emma Berthold en Boer en Edelman.

24. — J. J. L. Ten Kate, Stichtelijk Huisboek. Nieuwe druk.

25. — Mr. J. Van Lennep en J. Ter Gouw, De Uithangteekens

in het algemeen. Geïllustreerd.

26. — Mr. J. Van Lennep en J. Ter Gonw, De Uithangteekens

in het bijzonder. Geïllustreerd.

27. — Mr. J. Van Lennep en J. Ter Gonw, De Uithangteekens

in verband met Geschiedenis en Volksleven. Geïllustreerd.

ocr page 354

28. — Mi-. J. Van Leniicp en J. Ter Gouw, Het boek der op

schriften. Geïllustreerd.

29. — R. Bennink Janssonins, Dichtwerken, Gebonden.

30. — Jan Luiken, Spiegel van het menselyk bedryt'. Geïllustreerd.

31. — Jan Lniken, Het leerzaam huisraad. Geïllustreerd.

32. — Jan Luiken, Des menschen begin, midden en einde. — De

werken en vergelding der barmhertigheid en onbarmher-tigheid. Geïllustreerd.

33. — Jan Lniken, Bykorf des gemoeds, I. Geïllustreerd.

34. — Jan Luiken, Bykorf des gemoeds, II. Geïllustreerd.

42. — J. Van den Vondel, uitgegeven door Mr. J. Van Lf.snep,

herzien door J. H. W. ünqer.

1605—1616. Het Pascha. — Den Gulden Winckel. — De Vaderen. Geïllustreerd.

43. — J. Van den Tondel, uitgegeven door Mr. J. Van Lennep,

herzien door J. H. W. Ungf.r.

1617. Vorstolyoke Warande der dieren. Geïllustreerd.

44. — J. Van den Vondel, uitgegeven door Mr. J. Van Lennep,

herzien door J. H. W. TJnqer.

1618—1620. HIerusalem verwoest. — De Heerlyckheyd van Salomon. — Helden Godes. Geïllustreerd.

45. — J. Van den Vondel, uitgegeven door Mr. J. Van Lennep,

herzien door J. H. W. Unger.

1621—1625. De Amsteldamsche Hecuba. — Palamedes. Geïllustreerd.

46. — J. Van den Vondel, uitgegeven door Mr. J. Van Lennep,

herzien door J. H. W. Unger.

1626—1629. Hippolytus. Geïllustreerd.

47. — J. Van den Vondel, uitgegeven door Mr. J. Van Lennep,

herzien door J. H. W. Unger.

1630—1636. Sofompaneas. Geïllustreerd.

48. — J. Van den Vondel, uitgegeven door Mr. J. Van Lennep,

herzien door J. H. W. Unger.

1637—1639. Gysbreght van Aemstel. — Elektra. — Maeghden. Geïllustreerd.

72. — Xicolaas Beets' Dichtwerken.

76. — Bernard Ter Haar, Dichtwerken.

i.

ocr page 355

Ter Perse:

35. — Jan Lniken, Vonken der liefde Jezus. Geïllustreerd.

36. — Jan Luiken, Beschouwing der wereld, I. Geïllustreerd.

37. — Jan Luiken, Beschouwing der wereld, II. Geïllustreerd.

38. — Jan Luiken, Jezus en de ziel. Geïllustreerd.

39. — Jan Luiken, De onwaardige wereld. Geïllustreerd.

40. — Jan Luiken, Het overvloeiend hart, I. Geïllustreerd.

41. — Jan Lniken, Het overvloeiend hart, II. Geïllustreerd.

49. — J. Van den Vondel, uitgegeven door Mr. J. Van Lennep

herzien door J. H. W. Unoer.

1639—1640. Gebroeders. — Joseph in Dothan. — Joseph in Egypten.

50. — J. Van den Vondel, uitgegeven door Mr. J. Van Lennep,

herzien door J. H. W. Unger.

16^1-16-42. Peter en Pauwels. — HeldinnebHeven.

73. — Mcolaas Beets' Dichtwerken.

74. — Mcolaas Beets' Dichtwerken.

75. — Nicolaas Beets' Dichtwerken.

77. — Bernard Ter Haar, Dichtwerken.

De SO-Cents-Editie kost by afzonderlijke Deelen gekocht 60 Cents Ingenaaid en 90 Cents gebonden.

Geïllustreerde boeken hosten altijd lO Cents meer.

Instituut De Vooys voor Nederlandse Taaien Letterkunde aan de Rijk universiteit te Utrech'-

ocr page 356
ocr page 357

* * . ■

m** #•

ifquot;

*

4

*

% .

.♦ ■■ »

V'

gt; i * * *

' *, *

ocr page 358
ocr page 359
ocr page 360