HANDWOÃEDENBOEK
/
â -----
DOOR
J. V. HENDRIKS.
Oerde, herziene en vermeerderde druk.
yWET EENE VOORREDE VAN
VOORREDE.
Do voorstelling, die wij ons maken, wanneer wij het eene of andere woord liooren, verst'iiilt dikwijls hemelsbreed van die, welke hetzelfde woord eeuwen geleden hij onze voorvaderen wakker riep. Wordt er een woord uit eene andere laai Iegelijk met de zaak, die er door wordt aangeduid, hij ons ingevoerd, dan zal men zich hij het gehruik van dit woord niet afvragen, ol het wel oorspronkelijk en eigenlijk datgene aanduidde, wat wij er ons op dit oogenblik hij voorstellen.
Wie denkt heden ten dage, wanneer er over een kastelein wordt gesproken, terstond aan kasteel, of, wanneer er sprake is van een /«in aan de om-lieining om den hof. Voor ons is de klerk enkel de schrijver, de kantoorbediende, en niemand denkt meer aan een (jeestelijke of een gelcei'de, wat het woord vroeger beteekende in de dagen van den «klerk uten lagen landen.quot; Wanneer wij het woord kina gebruiken, bekommeren wij ons volstrekt niet om de eigenlijke heleekenis van het woord. Het is ons voor het gebruik volmaakt onverschillig, of het waar is dat de Peruanen elke schors ijuina noemden en dat quin rjuina do schors hij uitnemendheid was, n.1. die van den boom, die door de gravin Cinchon omstreeks het midden der 17e eeuw naar Europa gebracht is en thans beroemd is om hare heilzame werking hij koortslijders. Is er wel iemand, die bij moMseiwie aan stof, uit Mousoul in Azië afkomstig, denkt?
Zoo gaat hot met vele, ja haast niet alle woorden. Er zijn er, waarin men de oorspronkelijke beteekenis haast niet terug kan vinden â er zijn er zelfs, die lijnrecht het tegenovergestelde van vroeger beteekenen. Soms blijf! er hier of daar iets hangen van de vroegere beteekenis in do eeueol andere formeele uitdrukking, die dan, als eene versteening uit eene oudere periode, bestaan blijft naast de nieuwere; dan weder blijft de oude beteekenis, terwijl zij uit de spreek- en schrijftaal verdwijnt, leven in het een of ander dialect en sluipt later soms op eens weder de algemeene taal binnen. Zoo heelt in eene uitdrukking als de kastelein van Midden het woord kastelein zijne oude beteekenis bewaard en is aan slecht, in de uitdrukking slecht en recht nog de vroegere beteekenis van eenvoudig, goed eigen, terwijl het heden ten dage in den meest voorkomenden zin juist het tegenovergestelde van goed aanduidt.
Waar sommige woorden zoo geheel van beteekenis veranderd zijn, en hunne oorspronkelijke kracht geheel verloren bebbon, verkeeren andere woorden, die oven oud zij(i, op hetzelfde tijdstip nog in een stadium van overgang. De oude beteekenis is nog niet geheel uit het volksgeheugen
VOOItliliDE.
weggewischt en de nieuwe, die straks hare plaats geheel zal innemen, is nog niet geheel doorgedrongen; leeft nog niet algemeen in het volksbewustzijn. Vandaar dat we soms eene zekere weifeling in het gebruik van een dergelijk woord waarnemen; nu eens wordt het in do eene dan in de andere beteekenis gebezigd. Niemand heeft dit geestiger in de woorden zelf aangetoond, dan do Fransche schrijver F. Sarcey o. a. in het artikel Bourgeois, dat deel nitmaakl van zijn zoo leerzaam als onderhoudend boek Ije Mot et la Chose.
Ook in onze taal hoeft men lal van woorden, die naast eene jongere beteekenis eone oudere bezitten, die nog niet geheel in onbruik is geraakt. Wanneer men aanspmak bezigt in do uitdrukking aanspraak maken op iets, heeft het nog de oude beteekenis van eisch op (jrond van recht, die in hot middelnederlandsch aan het woord aanspraa'i eigen was en welke ook in het w.w. aanspreken te vinden was; thans hoort men er naast aanspraak in den zin van rede en (oespmeefc, zooals in de uitdrukking aanspvirt/i hebben van dezen en geneti, waarin hel woord dezelfde kracht heeft als thans het w.w. aanspreken; beteekenissen, die zich reeds in vroegeren lijd ontwikkeld hebben.
Zegt men ik heb veel beleefd en hij is een beleefd man , dan is in beide uitdrukkingen het woord beleefd een verleden doelwoord van het werkwoord beleven. In de eerste uitdrukking geeft het te kennen, dat men in hot loven voel ondervonden heeft, en heeft het dus zijne oorspronkelijke beteekenis behouden; in het tweede is het, als adjectief gebruikt, door de beteekenissen ondervonden hebbende, ervaren, ervaren in helyeen in de wereld geschiedt of j)as geeft, overgegaan tot die van wellevend.
Thans zal men, al verstaat men nog volkomen wat hel woord aanbidder beteekenl niet meer schrijven, »God heeft veel aanbiddersquot;; in de 18e eeuw geschiedde dit nog wel, getuige Wdb. I, 70 »en God is zijn aanbidders mild en goedertierenquot;. Tegenwoordig gebruikt men het alleen in uitdrukkingen als de schoone had een aantal aanbidders of in samenstelling als vuuraanbidder en zelf aanbidder. /00 heeft gezel naast do ook al niet oorspronkelijke maar toch oudere beteekenis van begeleidende persoon die van ambachtsknecht en, met de adiectiva vrij en jong verbonden, die van ongehuwde man, eonloopend heer.
Wanneer men spreekt of schrijft, bekommert men zich meestal zeer weinig om de etymologische waarde of de historische ontwikkeling van een woord ; men weet welke beteekenis anderen, tot wio men spreekt, aan een woord hechten en, tracht men nu bij hen dezelfde gedachten te doen ontstaan, die men zelf heeft, dan is dit de hoofdzaak en al het overige voor hel oogenblik van minder belang. Zoozeer is de zaak zelve en het streven om het begrip voor anderen aan te duiden, hel hoofddoel, dat men, indien hel beste woord niet terstond voor onzen geest staat, een ander bezigt, dat hetzelfde begrip niet volkomen nauwkeurig, maar slechts ten naasten bij uitdrukt. Dit bewijst reeds genoegzaam, dal de mensch bij het gebruiken der woorden niet aan hunne etymologische waarde noch aan de oorspronkelijke kracht ervan denkt. Niet alleen gebruikt men een aantal woorden ,
IV
VOOKUKDE.
die eigenlijk eene geheel andere beteekonis hadden, dan die, welke wij er heden ten dage aan hechten, maar men bezigt ook een aantal woorden, waarvsn men da beteekonis, die zij .heden. .UeWMm., .slncWs.. onv.allwUg;.Jkent! waarvan het begrip of de zaak, die er door aangeduid wordt, ons zeer onvolkomen voor don geest staat. Menigeen zal b.v. spreken van merinos en alpacca, van eene fabriek en trafiek, van eene vcnnoolschap, een locomobiel en eene locomotief, zonder volkomen en nauwkeurig te kunnen zeggen, wat deze woorden beteekenen, tenzij hij bepaald deskundige is.
Alleen de hoofdtrekken van betgeen door het woord wordt aangeduid, staan den persoon, die het woord uitspreekt of hoort, onmiddellijk voor oogen, wanneer hem beide bekend zijn. Al naar mate de ontwikkeling der menschen verschillend is, zullen ook de voorstellingen, die door liet hooren of bij het uitspreken van een woord aanwezig zijn, verschillen. Vandaar die verschillende nuanceeringen, dat subjectieve, dat men over hel algemeen bij verklaring der woorden aantreft; vandaar ook die ruimte van beteekenis, die aan elk woord eigen is.
Evenzeer als sommige begrippen, denkbeelden of voorstellingen uit het volksgeheugen verdwijnen en niet aan de nakomelingschap worden overgeleverd, zoo gaan ook onderdeden, kleine schakeeringen in de beteekenis in verloop van tijd verloren, of maken plaats voor nieuwe nuanceeringen, doordat een woord in verband gebracht wordt met andere denkbeelden en andere voorstellingen. Elke nieuwe indruk, dien wij van de zaak krijgen, welke door het woord wordt uitgedrukt, wijzigt de voorstelling, die wij ons maken, wanneer wij hut woord hooren of uitspreken. Dientengevolge kunnen woorden, die in hunne ruimste beteekenis voor elkander gebruikt kunnen worden, wanneer enkele onderdeelen der zaak of van het begrip óf in het volksbewustzijn, óf in bijzonder zinsverband meer op den voorgrond treden, onderscheiden moeten worden. Komen woorden in beteekenis volkomen met elkander overeen, dan is de mensch geneigd om een van beiden te doen, óf om het eene meer te gebruiken dan het andere woord, en dan zal dit laatste langzamerhand uit de taal verdwijnen, óf om de beteekenis, die het woord had, te wijzigen en te beperken, óf zo uit te breiden. Niet zelden kan men zien, dat terwijl de beteekenis van een woord in de eene streek van het land meer beperkt, wordt, in eene andere streek de beteekenis van hetzelfde woord een ruimeren omvang verkrijgt. Wanneer men de taal van de menschen uil de ueno of andere streek bestudeert, zal men bemerken, dat er eenigen zijn, die nog de oudere vormen en beteekenissen vasthouden, terwijl bij anderen reeds kleine verschillen, die zich uit het oudere ontwikkeld hebben, kunnen waargenomen worden. Deze verschillen zijn meestal zeer klein; door het streven van allen om voor elkander verstaanbaar te zijn, blijven zij zich bepalen tot ondergeschikte punten. Het oudere volgt langzamerhand hel jongere, maar, terwijl de oudere vormen der woorden langzaam maar zeker uit de taal verdwijnen, blijft er door den invloed der ouderen, waar hel de beteekenis geldt, menig woord leven met de kracht, die hot in vroegeren tijd had, terwijl het daarnaast met do jongere wijziging der beteekenis in gebruik is,
V
VOOUHEDE.
Gaat du ruimere opvatting verloren, dan zullen de woorden, hoewel de begrippen, die zij uitdrukken elkander zeer dicht naderen, niet meer voor dezellde zaak ot' hetzell'de begrip gebruikt kunnen worden. Aan den anderen kant kunnen ook woorden, die vroeger in beteekenis ver uiteenliepen ten gevolge van gedurige wijzigingen van het begrip, dat er door wordt uitgedrukt, elkander naderen in beteekenis.
Zoo zijn er een aantal woorden, die in beteekenis zoo weinig van elkander afwijken, dat zij elkander kunnen vervangen, of die dezelfde hoofdgedachte uitdrukken, maar, dewijl bij het eene meer liet eene onderdeel, bij het andere meer een ander onderdeel van het begrip op den voorgrond gesteld wordt, in het gebruik niet verwisseld worden, en die alleen, waar hot verinogen om te onderscheiden niet genoog ontwikkeld is, door elkander gebruikt worden. Aan deze zinverwante woorden hoeft men den naam van synoniemen gegeven.
Deze naam is van zeer ouden datum; reeds in do 4e eeuw hield de Alexan-drijnsche grammaticus Ammonius zich met eene soort van Synonymiek bezig. Onder de Romeinen hebben Cicero en Quinctilianus hier en daar in hunne geschriften op het belang der zinverwante woorden do aandacht gevestigd, maar de eerste, die er zich meer bepaald mede bozig hield, was Fronto in zijn De Difforentiis Vocabulorum Libellus. De eerste die in den nieuweren tijd weder mot kracht do Synonymiek dor latijnsche taal opvatte, was een Nederlander, Simon Pelogromius, die in 1540 te 's-llortogenbosch Synonymorum Sylva uitgaf; kort hierna verscheen van Ansonius Popma te Franekor een dergelijk werk De Difforentiis Verborum, dat herhaalde malen, o. a. nog in 1741, herdrukt is.
Uijna honderd jaren vroeger had van der Schueron in do Teuthonista reeds zinverwante woorden verzameld; doze zijn echter door de andere verstrooid en niet geregeld medogodeold. Op hot einde van do eerste helft dor 10e eeuw wijdde eon Duitscher Jacob Sahoppor oen afzonderlijk werk aan de synoniemen zijner moedertaal {Synonyma, das ist manchcrlci Gnl-lungen Deutsche)' Würler, so im Grund einerley Dcdeulung habon ) Kon Vlaming, Gabriöl Mein ier, die in 1557 en 1502 liet eerste Vlaamsch-Fransche en Fransch-Vlaamsche Woordenboek vervaardigde, voegde hierbij ook een aantal synoniemen um le eotnene toller volmaecklheyl van vele divcrschc spraken. Terwijl do eerste uitgave van dit werk, bij Plantyn te Antwerpen, don nodorigen titel droeg van Vocabulaire Fr a n coi s-F I a men g, noemde hij hot Vlaamsch-Fransch gedeelte, dat in 1502 bij Jan Waesberghe verscheen. Dictionaire Flame n-F ra n c o i s. Op de universiteitsbibliotheek te Utrecht bevindt zich eene 2e uitgave d.d. 1570 van den Dictionaire (ook vermeld bij llolfmann von Fallersleben llorae lielgicae Vil, 12) en eeno 3e uitgave van den Vocabulaire Francois-Flamong, rnot de bijvoeging »revou, augmontó et de plusiours synonimes et formes de parlor de reelief onriohy.quot;
Wat synoniemen betreft, vereonigt hij hierin onder oen hoofd: ambacht, conste, schalckheyl, list en laat hierop de verschillende woorden in het Fransch volgen; op dezelfde wijze behandelt hij amjtc, bcnaulhcyl â
VI
VOOIIItEDE.
arhcydcn, toereken, pyno oft mocyte doen â arbeyt, pync ende moeite â a r bey der, handwerekcr â â areke, ko/fer, sehryne, kiste, liij peer dl vindt men do volgende woorden ionck puerd t oft veulen ehevalel, iioulain, h ii er p ee rd t eheval de louage, postpeerdt destrier, eenen ruyn un hongre, hengst estalon, merie jumaent, eenun nioor nn morenu, vuelken un puillet, wi 1 tpeerd t, graupeerdt, bontpeerdt enz. Achterin bevinden zich dertien bladzijden in handschrift uit dien lijd, waarop zich soortgelijke verzamelingen van synonieme woorden bevinden. Z. a. dab ions schanscorf, bastülon bolwerck, rempart on munition om een sehansse bolwerck, wal.
Ildstitlon, bolwerck, Reveün borstwerek extra portam, parapet borst-weringe, barbaeane bolwercke, cabanas hutten; Bastion ou ptalefonne de ter re rondelen mit aert gevult, courlinne gardine .... casamattes sont aux ravelins hutgens.
Het doel, waarmede Meurier e. a. deze synoniemen bijeenbrachten, was om liet aanleeren van eene vreemde taal gemakkelijk te maken. In de lï'e eeuw ontwikkelde Gabriel Girard eene andere methode van behandeling der synoniemen, met een ander doel. Dit doel was de juiste beteekenis der woorden te doen kennen aan den landgenoot. Door hem, maar nog meer door zijne tijdgenooten en volgers werd de etymologie vooropgesteld , als in de eerste plaats van gewicht bij do bepaling der waarde van zinverwante woorden. Hoewel zij een verkeerden maatstaf invoerden voor de beoordeeling der synoniemen, hebben zij toch do stutlie der synonymiek eene groote schrede voorwaarts gebracht. Terwijl lieauzée en Uoubaud in Frankrijk verder gingen op den ingeslagen weg, waren in Duitschland Stosch en l'.berland met groote kracht en scherpzinnigheid op dat gebied werkzaam. Dal Maasz. Gruber en Weigand in Duitschland, Guizot en Lafaye in Frankrijk in den aanvang dezer eeuw hoogst bruikbare handboeken hierover het licht konden doen zien, hadden zij in niet geringe male aan deze voorgangers Ie danken.
Hier te lande was het op dit punt gansch anders gesteld. Sedert den lijd van Meurier had niemand eenige aandacht aan de synoniemen geschonken; niemand had or aan gedacht om eenige verzameling van zinverwante woorden hel licht te doen zien. Wel schreef Mr. Q. de Flines in 1810 voor zijne Droeve van llollandsche of Nederduilsche Synoniema «onze taalkundigen hebben zich reeds eenigermale op de beoefening der synonyma toegelegdquot;, maar voor zijn werk verscheen, was or locli door niemand over dit onderwerp iets in hel licht gegeven. Wat hij op liet oog had bij deze woorden was eene verhandeling dooi' Mr. G. Van Lennep op hel letterkundig genootschap Concordia et Libertate Ie Amsterdam gehouden.
De Proeve van Mr. de Flines, advocaat le Amsterdam, was dus het eerste, wat er van dien aard in ons land verscheen; en wanneer uien het werk als zoodanig beschouwt, en als eene proeve, die de schrijver door meerdere hoopte te doen volgen, is zijn werk niet onverdienstelijk te noemen, al bevinden zich onder de synoniemen soms naamvalsuitgangen b.v. koninf/lijk â 's konings â van den koning, welke hier niet toe gerekend kunnen worden.
Ml
VOOIIREDE.
Sinds dien tijd werd er weder liet oog op dit gedeelte der taalwetenschai) gevestigd, dat aan do praktijk zulke groote diensten kan bewijzen. In 1819 richtte liet Koninklijk Nederlandsche Instituut van Kunsten en quot;Wetenschappen het verzoek tot zijno leden om bijdragen te verzamelen voor een werk over de nederlandsche synoniemen. Het werk van het Instituut verscheen wel niet, maar de leden waren opmerkzaam geworden op de bestaande leemte.
Toen er in 1 S'iO een werk van meer uitgebreiden aard over synoniemen verscheen, was een der eerste geschriften, die er de aandacht op vestigde, uit Zuid-Nederland. Het Septembernommer der Annales Belgiques des sciences arts, et littératures van ISSO wijst erop, dat de Nederlanders, die voor de latijnsche synoniemen zooveel gedaan hadden, nog niets voor hunne eigene taal op dit punt hadden verricht. Daarom waar-deeren zij ten hoogste dit werk, al onthouden zij zich van bepaalde beoordeeling. In menig opzicht had de schrijver ervan, G. Bruining, in zijne N ed erd ui tsc h e Synoniemen, taalkundig er. ton dele ook etymologisch behandeld, misgetast. Zijn werk beantwoordde niet aan hooge eischcn, vooral ook omdat het punt van uitgang, de etymologie, â en welk eene etymologie â verkeerd gekozen was.
Geen wonder dat Weiland en Landré in 1821, in het voorbericht van hun Woordenboek van Synoniemen, mededeelden »dat zij wel gevoelden dat hun werk niet dan onvolkomen en gebrekkig kon zijn door het ontbreken van handleiding en bronnenquot;, maar dat zij het in het licht gaven «aangezien er in onze taal geen woordenboek bestond, hetwelk de beteekenis dor woorden niet genoegzame Juistheid bepaalde.quot; Zij waren er volkomen van overtuigd, dat hun werk onvolledig was, doch meenden «dal het nog altoos zijne nuttigheid kon hebben als eene bijdrage tot een volledig werk over de Nederlandsche Synoniemen.quot; Hun werk was echter verre van onverdienstelijk, vooral ook omdat niet de etymologische beteekenis der woorden, maar hut gebruik in het dagelijksch leven door hen tot basis was genomen. Dit bepaalt de verdienste van hun werk, doch dientengevolge moet bij verdere ontwikkeling van de taal en verandering van de beteekonissen der woorden hun boek op den duur noodzakelijk verouderen. In 1845 verscheen er in Antwerpen bij J. P. van Dieren en Co. een verkorte nadruk van hun werk. Weinig jaren later, in 1829, werd nog door H. Martin te Amsterdam een Woordenboek van Nederlandsche Synoniemen uitgegeven, dat, klein en oppervlakkig, ternauwernood vermelding verdient.
Sedert volgde er een tijd van werkelooze rust, tot in den eerston jaargang (1847) van het Magazijn van Nederlandsche Taalkunde do Taalmijmeringen van Dr. H. J. Nassau verschenen. De tweede hiervan (blz. 72) bevatte na langen tijd weder een opstel, dat bepaald aan de studie dor synoniemen gewijd was. Helder en duidelijk toonde hij aan, dat niet de afleiding, maar alleen de beteekenis van het woord in de spreektaal als basis moe.st dienen voor de bepaling van overeenkomst en verschil van de synoniemen, d. z. «woorden die veel overeenkomst hebben in de beteekenis, maar zich door eene grootere of kleinere wijziging
VIII
vooiiRErm
dier betookenis onderscheiden.quot; liet gebruik werd door Nassau aangewezen als de ware leermeester in dit opzicht. Hij hooft dit nader aangetoond en in een aantal welgeslaagde proeven zelf in praktijk gebracht. Eenige jaren geleden zijn de voornaamste hiervan nog weder herdrukt in een werk De Levende Taal, nit Nassau's geschriften verzameld en bewerkt door A. W. Stellwagen, Oroningen, ISH'i.
Ditzelfde beginsel werd ook gehuldigd door den man, die in 1851 het ontwerp van een Nflderlandsch Woordenboek opstelde, l'rof. M. de Vries drukte zijne meening dienaangaande in de volgende bewoordingen uit: mnpn raadplege hier alleen de levende, dal is gesprokene taal; als het er op aankomt om do boleekenis der woorden in hare fijnste wijzingen te bepalen, dan putte men alleen uit deze bron; want â er is geen twijfel aan â zij is de eenige onvervalschte, de eenige, die nooit ophoudt te vlieten. Mocht hier of daar do toepassing van het beginsel eenige onzekerheid overlaten , doet zich enkele malen een twijfelachtig geval voor: Welnu dan, maar ook dan alleen, vrage men het gevoelen van eenig schrijver van den allereersten rang.quot;
Nog onlangs weder, in de Inleiding voor bet eerste deel van hel Neder-landsch Woordenboek, heeft hij er op gewezen, hoe er bij velen eone groote neiging beslaat om op de ware of voor waar gehouden afleiding van een woord een betoog over de hedendaagsche betookenis te gronden. Menig voorbeeld uit pleitrede of strijdschrift zou dit kunnen bewijzen. Men komt er zoo licht toe om hierin een bewijs te zoeken, daar feitelijke bewijzen voor de bepaalde betookenis van minder veelvuldig voorkomende woorden in do hedendaagsche taal niet altijd zoo gemakkelijk te vinden zijn en bet zich daarenboven voor kan doen, dat oen woord in do eeno streek eene gewijzigde beteekonis kan bobben, terwijl het in eone andere streek in ruimer zin gebruikt wordt.
In het Nederlandsch Woordenboek zullen eenmaal alle woorden met do verschillende beteekonisson, die zij gehad hebben van do helft der 10e eeuw tot heden, eone plaats vinden. Men zal, is dit eenmaal voltooid, niet alleen de synoniemen der hodondaagscbo woorden er in kunnen vindon, die, nauwlettend geschikt on bepaald, in eene afzonderlijke afdeeling achter elk hoofdwoord te vinden zijn, maar door de woorden en beteekonisson uil vroeger tijd te vergelijken, zal men met studie en arbeid in slaat zijn om ook uit vroegere tijdperken do synonieme woorden bijeen Ie verzamelen.
De thans voltooide artikelen, die niot genoeg door onderwijzers bestudeerd kunnen worden, geven ook op het punt van zinverwante woorden en botoekonisson zeer veel belangrijks.
Alle woorden, die eeno zelfde grondbetoekenis hebben, zijn voreonigd onder oen hoofdwoord, dat het algemeene begrip het ruimst uitdrukt, terwijl alle wijzigingen en fijnere onderscheidingen der andere woorden bierbij opgegeven en verklaard worden. Bij elk der behandelde woorden wordt dan weder naai dit hoofdwoord verwezen. Deze methode van behandeling is voor do praktijk, zoowol als voor hel onderwijs leerzaam en nuttig. Is hol woordenboek eenmaal voltooid, dan zal men onder elk woord de botoekonisson kunnen vinden, waarin hol bij goede schrijvers van vroeger
IX
VOOIillKDK
zoowel als van don laatsten tijd voorkomt, torwijl bij het hoofdwoord ai de eigenaardige beteekcnissen der zinverwante woorden opgeteekend staan, welke zij in de levende volkstaal hebben, met al die kleine schakeeringen, welke zoo nuttig zijn om te kennen, waar hel op juistheid en zuiverheid van uitdrukking ol' op sierlijkheid in de rede aankomt.
liet aantal synoniemen, dat tot nog toe in het woordenboek op zoo uit-nemende wijze behandeld is, is niet groot. Vele woorden moet men bovendien vinden door geregelde lezing der verschillende artikels, daar do aanvangsletters dezer woorden nog niet in bewerking zijn. Deze leemte zal zich nog wel eenigen tijd doen gevoelen, want eer het Nederlandsch Woordenboek voltooid is, kunnen er nog vele jaren verloopen. Voor de veredeling onzer schrijftaal is het noodig, dat ook op de fijnere opvatting en de aanwending der verscheidenheden, die de woorden bieden, meer de aandacht gevestigd worde, dan thans bet geval is. Lang niet algemeen, maar toch door velen, wordt die behoefte levendig gevoeld, getuige een opstel in den Gids van -ISS^, 111, 543 van Mr. J. N. van Hall en zoo menig woord in Noord en Zuid over dit onderwerp.
De langdurige voorarbeid, de groote moeilijkheden, welke aan het schrijven van een goed en uitvoerig woordenboek van synoniemen verbonden zijn, hebben velen, die als bij uitstek aangewezen waren, maai'zich in dit opzicht zeer hooge eischen stelden, doen terugdeinzen voor zulk eene omvangrijke taak. De leemte bleef dientengevolge bestaan en daarom heeft eenige jaren geleden de lieer Hendriks en met hem de lieer Wikman, die bet toezicht op de eerste uitgave hield, de hand aan het werk geslagen, niet om een uitgebreid, wetenschappelijk woordenboek van synoniemen te vervaardigen, maar «om een practisch handboekje van synoniemen te leveren, dat voor iedereen bruikbaar was.quot; Hoe zwak, uit wetenschappelijk oogpunt beschouwd, deze' in ISSO verschenen Proeve van een woordenboek van Nederland sche synoniemen ook was, zij voorzag blijkbaar in de behoefte aan eene bruikbare, niet verouderde verzameling van zinverwante woorden; want binnen driejaren was de geheele oplage uitverkocht, zoodat een tweede druk van dit werk, dat onderwijl van uitgever veranderd was, noodig bleek.
Het verzoek mij door den uitgever, den heer D. Mijs, gedaan, om dezen tweeden , vermeerderden en verbeterden druk door te zien en er een inleidend woord bij te voegen, meende ik niet te mogen weigeren; vooral omdat ik hierdoor in de gelegenheid was om nog eens weder te wijzen op het groote belang, hetwelk dit gedeelte der taalstudie, dat bij het onderwijs nog maar al te veel op den achtergrond staat, voor allen heeft, die in woord of schrift hunne gedachten moeten uitdrukken.
Dij het onderwijs in het algemeen, maar vooral bij het onderwijs in hoogere klassen en voor aankomende onderwijzers, speelt op sommige plaatsen de meestal te spitsvondige zinsontleding, gepaard mei eene dorro en toch dikwijls willekeurige systematizeering van spraakkunstige voorschriften, eene te groote rol. Het oneindig aantal beteekcnissen, de lijne onderscheidingen tusscben de woorden, wanneer, en in welk verband het eene woord
X
VOOmiEUE.
de voorkeur verdient, wanneer een ander, dat min of meer dezelfde kracht heeft, kortom alles, wat dienen kan om den stijl in spreken evenzeer als in schrijven te verbeteren en Ie verfijnen, is hier te lande nog te weinig voorwerp van studie. In dit opzicht zijn de Franschen ons verre vooruit. Uit Zuid-Nederland, uit Antwerpen hoort men echter dezelfde klacht als ten onzent, getuige hetgeen de lieer A. Cornette onlangs over het onderwijs in het stellen aan de lagere en middelbare scholen in de Toekomst XXIX, 291 schreef.
De taalwetenschap heelt in de laatste halve eeuw eene hoogere vlucht genomen en de resultaten hiervan zijn het onderwijs in veel opzichten ten goede gekomen; in menig opzicht, bij name in de vormleer is veel verbeterd en vereenvoudigd, maar het prachtische is bij het taalonderwijs niet in gelijke mate vooruitgegaan. Op sommige scholen is, vooral door het gebruik van werkjes als die van den lieer A. \V. Stellwagen, het onderwijs in het uitdrukken der gedachten belangrijk verbeterd, maar over het algemeen staan de stijloefeningen nog te veel op den achtergrond.
Geoefent derf â eene spreuk van Roemer Visscher â verdient ook hier behartiging; want, wanneer de knaap niet door lange en veelvuldige oefening loert om zijne gedachten duidelijk uit te drukken en in de juiste bewoordingen neer te schrijven, hoe zal hij dan als man de kunst verstaan om wat hij zeggen wil nauwkeurig en bevallig mode Ie deelen?
Naar aanleiding van het woord van Boileau:
Ge ([ui se concoit bien 'sénonce clairement.
Et les mots pour Ie dire arrivent aisément.
schrijf A. Cornette: »ook het omgekeerde is waar; wat men behoorlijk weergeven kan, vooral in schriftelijken taalvorm, dal is geheel en al verstandelijk eigendom geworden, en er bestaat geen doelmatiger en zekerder middel om zich eenig onderwerp eigen te maken, dan zich te oefenen in het schriftelijk behandelen van dit onderwerp.quot;
Twee zaken zijn er, die bij de mondelinge of schriftelijke behandeling van het een of ander onderwerp, dat men bestudeerd heeft, van groot belang zijn: n.I. de juiste waardeering van do kracht van elk woord, en het vermogen om, wat men noemt, de taal te beheerschen, d. w. z. onderscheiden woorden te kennen, waaruit men kan kiezen, wanneer men een begrip of eene gedachte nauwkeurig wil uitdrukken. »In ons aller hart â heelt Du Vries eens geschreven â loeft een onmiskenbaar bewustzijn van de juiste kracht van elk woord tot in de fijnste schakeeringen.quot; Dat bewustzijn is bij den een tot eene heldere voorstelling ontwikkeld, bij den ander niet dan een donker halfsluimerend gevoel; maar dat het. Lij allen bestaat is eene onmiskenbare waarheid en juist omdat het aan allen gemeen is, zegeviert het telkens op iedere verbastering, die do fijnheden der taal, nu ginds, dan elders bedreigt.quot; Daarom trachte men met open oor en onvermoeide oplettendheid do taal op te vangen zooals zij voortstroomd uit het hart des volks. Dat bewustzijn moet men trachten te versterken en verhelderen en houdt men dit voor oogen, dan zal de beoefening der synonymiek goede vruchten dragen voor den stijl van het jongere geslacht. Hiertoe mede
XI
voonilede.
te werken is het doel van dit Handboek en vindt de aandachtige lezer misschien niet overal het genoemde even nauwkeurig in het oog gehouden en .tog-gapas-t^ hel /.al hem stenig niet ontgaan dat de schrijver er naar gestreefd heeft. Er moge hier en daar nog wat ontbreken, het moge niet volledig zijn en de dellnitie der begrippen op sommige plaatsen nog wat te wenschen overlaten, zoo als deze tweede druk vermeerderd en verbeterd is, kan het werk inderdaad reeds goede diensten bij het onderwijs bewijzen en tot nadenken dwingen over het verschil en de overeenkomst in beteekenis vaa zoovele woorden, die men thans maar al te dikwijls, zonder dat men er zich rekenschap van geeft, voor en door elkander gebruikt. Moge het Handboek in dit opzicht nut stichten en eene welwillende ontvangst vinden bij velen.
Utrecht. . J. H. GalléE.
Voorbericht voor den 3C1' druk.
In dezen nieuwen druk zijn eenige nieuwe artikels bijgevoegd, sommige zijn gewijzigd geworden; een dankbaar gebruik is er bij deze bewerking-van de heusche aanmerkingen en wenken der critiek gemaakt.
Mei 1890.
Ml
JL.
Aaien â pluimstrijken â streelen. Zacht met de haml over iets heen strijken om eene aangename gewaarwording teweeg te brengen. Aaien is een zachte liefkoozende streek met do hand geven. Het ontleent zijn naam aan het woordje ai, dat bij smeeken en liefkoozen in gebruik was. De eigenlijke daad was streelen, en aaien hel uitspreken van het woordje ai, nog in aaie poes in gebruik. Vandaar dat men nog spreekt van de poes aaien en den hond streelen. Bij dit laatste woord denkt men alleen aan de daad van strijken zonder begeleidenden uitroep van ai of aaie. Daar kinderen bij hun streelen en liefkoozen dit woordje dikwijls gebruiken, -wordt aaien vooral door en tegen kinderen gebezigd. Met eene eenigszins spottende bijbedoeling gebruikt men het ook voor op eene lage wijze vleien. Streelen geeft overdrachtelijk in 't algemeen Ie kennen, dat iets aangenaam aandoet: de zinnen streelen; streelend voor zijne eigenliefde. De beteekenis van aaien en streelen ligt ook in pluimstrijken, eigenlijk de pluimen of veeren strijken, thans iemand complimenten maken met het doel om zijne gunst te winnen.
Aaks â (aakse, aks) â bijl â hellebaard. De beide eerste woorden duiden een scherp werktuig om te hakken aan. De Hellebaard, ook van eene punt om te steken voorzien, vroeger als wapen in gebruik, was aan de scherpe zijde breeder dan de beide andere werktuigen. De aaks, die meer voor het vellen van boomen gebruikt wordt, is eigenlijk slechts een bijl met langen steel.
Aal â paling. Twee benamingen voor dezelfde visch (anguilla). De angnilla, jong zijnde, wordt aal, ouder en vetter geworden, wordt zij paling genoemd. Daar de kleur van de paling donkerder en de kop moer uitgegroeid is, meenen sommigen dat het eene andere visch is.
Aalmoes, zie Oaaf.
ê
Aalt, zie Drek.
Aamborstig â kortademig. Eene moeielijke ademhaling hebbende. Aamborstig ziet meer op de oorzaak; kortademig op het feit zelf, dat men bij sterke inspanning een versnelde ademhaling heeft. Aamborstig is ontslaan uit angborstig, waaraan een ouder angborst (asthma) ten grondslag moet gelegen hebben. Kortademig is hij, die eene snelle en krachtige lichaamsbeweging niet lang volhouden kan, zonder builen adem te raken. Aamborstigheiil doet zich ook gevoelen zonder voorafgaande inspanning.
Aanbegln â aanbef â aanvang â begin. Aanbegin wordt gebruikt, wanneer men nadruk wil leggen op den allereersten aanvang, het begin van het begin Van 's werelds aanbegin. Toegepast op den tijd, slaan aanvang en begin in beteekenis gelijk, niet echter in het gebruik: Begin
SYNONIEMEN. \
AANB.
is het gewone woord in het dagelijksch leven, aanvang is iets deftiger, Nog meer is dit het geval met aanhef; dit wordt meest gebruikt van den aanvang van .handelingen; waarbij het een of ander geluid gehoord wordt, de aanhef eenev rede, van een gebed of gezang, overdrachtelijk ook de aanhef van een bock. Waar van het aanvatten van een werk sprake is, kan men begin en aanvang, evenals beginnen en aanvangen, gelijkelijk gebruiken, van ruimte kan wel begin doch niet aanvang gebezigd worden, dewijl aanvangen eigenlijk beteekent de hand aan iels slaan. Men zegt zoowel de aanvang als hel begin eener onderhandeling, van eene regeefing, enz. maar niet de aanvang van de straat.
Aanbelanden, zie /lanlanden.
Aanbelang â belang. Beide drukken hol gewicht uil, dat men aan eene zaak hecht. Aanbelang, dal steeds voorkomt voorafgegaan door hel voorz. van, beteekent groot belang; men spreekt nooit van eene zaak van weinig aanbelang, wol echter van weinig belang.
Aanbelangen â belangen â aangaan â betrellen â raken.
De beide eerste woorden zijn alleen in den 3den persoon enkelv. tegenw. tijd in gebruik na de woorden wal, zoover en zooveel. Zij zijn deftiger dan aangaan en betreffen, en drukken meer uit, dal een of ander belang of voordeel met de zaak gemoeid is. Wal mij aanbelangl, kunt ge uw gang gaan. Tusschen betreffen en aangaan bestaat geen verschil, dan alleen dal met aangaan het denkbeeld van persoonlijke deelneming verbonden is. Dat betreft u niet, d. i. de zaak is niet gezegd of gedaan met hel oog op u; dat gaat u niet aan, gij hebt geen reden om u de zaak aan te trekken, uw belang is er niet mede gemoeid. Gemeenzamer en dikwijls met eene bijgedachte van toorn is raken: Wat raakt u dal? Haken is gemeenzaam, in een ontkennenden zin zelfs plat. Dal raakt u niet.
Aanbetrouwen â toevertrouwen. Beide woorden geven te kennen, dal men verwacht dal een persoon eene gegeven zaak goed zal behartigen en kunnen verzorgen. De beteekenis van aanbetrouwen is sterker dan die van toevertrouwen. Aanbetrouwen let op hel gevoel dat men voor het afgestane koestert, toevertrouwen ziel meer op het vertrouwen op den persoon. De hem aanbetrouwde kinderen waren hem dierbaar als zijn eigen. De kassier vluchtte met alle gelden, welke de goedgeloovige oudjes hem toevertrouwd hadden.
Aanbevelen â aanpreeken â aanprijzen. Eene zaak of persoon bij iemand noemen met vermelding der eigenschappen, die aanspraak op goede ontvangst geven. Aanbevelen heel hel pogen om belangstelling voor iemand of iets in te boezemen, en tot betooning daarvan op te wekken. Ik beveel u mijn zoon aan. Een persoon of eene zaak door het opsommen van al de goede hoedanigheden aan een ander zeer sterk aanbevelen, noemt men aanprijzen. Goede waar behoeft men niet sterk aan te prijzen. Sterk aanprijzen en iemand eene zaak opdringen heel aanpreeken; meestal geschiedt dit uit eigenbelang. Die koopman weet zijne waar zoo netjes aan te preeken, dat men wel van hem koopen moei. Aanbevelen kan
2
AANB.
ook het denkbeeld uitdrukken van de zorg voor het aanbevolene iemand
to« te vertrouwen, aanprijzen--heeft.deze-beteekems niet. Ik beveel u mijn huis aan. Hij beval Gode zijne ziel.
Aanbevelen (xlcli) â aanbieden (ielch). Iemand of zichzelven voorstellen als eene gunst of een beneficie waardig; zich aanbieden zegt dit zonder bijgedachte; zich aanbevelen sluit in, dat men hierbij met reden op de gunst van een persoon hoopt, van wien men de vervulling van zijn wensch kan verwachten. Er bood zich eerst niemand aan voor dit ambl, eindelijk verscheen er een jongeling, die zich nederig aanbeval om in aanmerking te komen dewijl hij reeds in dergelijke betrekking vroeger bij hen werkzaam geweest was.
Aanbeveling, zie Voordraelit.
Aanbidiieiijk â aanbiddenswaardig. Aanbiddenswaardig zegt men van iemand oi iets, die of dat op grond zijner hoedanigheden kan, aanbiddelijk, dat om diezelfde reden moet aangebeden worden. Aanbiddenswaardig e wijsheid. Aanbiddelijk Opperwezen!
Aanbidden â vereeren. Beiden duiden een toewijding door geboden of eerbiedige hulde aan. Aanbidden is sterker, wordt voornamelijk gebezigd van godsdienstige vereering. Men aanbidt God. Zij vereerden Baal, niet Jehova. Hij vereerde den ouden dichter om zijne schoone verzen maar nooit had hij hem zulks door woord of daad kunnen doen blijken. Figuurlijk. De opgaande zon aanbidden ----- de bovendrijvende partij naar de oogen zien en vleien. Vereeren is eerbiedige hulde bewijzen, doch zonder dat hierbij noodzakelijk aan uitstorting des harten wordt gedacht. In figuurlijken zin wordt aanbidden ook gebruikt in de beteekenis van hartstochtelijk beminnen : hun aangebeden kind. De gevierde schoone, die tal van aanbidders had. In deze beteekenis wordt vereeren niet gebezigd.
Aanbiddenswaardig, zie Aanbiddelijk.
Aanbieden, zie Geven.
Aanbieden (xicli), zie Aanbevelen (/.ich).
Aanbieden (zich) â Vertonnen («ich). Beide beteekenen, dat iets zich doet zien. Hat eerste woord is uit de figuurlijke taal ontleend en meer uitsluitend in deftigen en dichterlijken stijl in gebruik.
Aanbinden, zie Doordrijven.
Aanbinden, zie Aanhechten.
Aanblikken â aanzien â aanschouwen â beschouwen â bezien â aankijken â aanstaren â aanga|icn. Deze woorden beteekenen alle den blik op iets richten, liet oog korter of langer op iets gevestigd houden. Aanblikken veronderstelt een schielijk en kort de oogen op iets vestigen; bij aanzien wordt oplettendheid verondersteld van dengene die aanziet. Aanschouwen is dichterlijk, en wordt daarom alleen gebezigd van voorwerpen van verhevener aard. Niemand heeft ooit God aanschouwd. Beschouwen is iets met aandacht en opmerkzaamheid gadeslaan, evenals
1*
3
AANBâAAND.
het meer gemeenzame bezien. Aankijken is eene versterking van aanzien, een zien naar iemand met belangstelling, bepaaldelijk iemand in'^'tgezicht zien. Waarom kijkt gij mij zoo aan9 Aanstaren wordt gebruikt voor sterk aanzien, ten gevolge van een onweerstaanbaar gevoel van verwondering of begeerte, dat verwekt is. Nu slaat zij, sprakeloos, den krijgsheld aan te staren. Aangapen is verwonderd of dom met open mond aanstaren. De domme jongen stond de prachtige winkels aan te gapen.
Aanbreken, zie Dageraad.
Aanbrengen â aandragen â aankruien â aanslecpen â aanvaren â aanvoeren. In alle is de verplaatsing van een voorwerp naar de plaats zijner bestemming het grondbegrip. Zij verschillen slechts naarmate deze verplaatsing geschiedt door middel der handen of door een voertuig. Aanbrengen en aanvoeren laten dit in het midden; het laatste onderstelt, dat er veel verplaatst moet worden.
Aanbrengen â aangeven â overbrengen â overbrieven â verklikken. Eigenlijk gebruikt, beteekenen aanbrengen en overbrengen iets ergens heen voeren, brengen aan een persoon of naar eene plaats. Aanbrengen kan van iedere wijze van vervoer gezegd worden; overbrengen geeft tevens te kennen, dat het op de eene plaats opgenomen en op eene andere, min of meer verwijderde wordt neergelegd, en in figuurlijken zin, dat men eene tijding van een ander aanbrengt. Aanbrengen heeft de overdrachtelijke beteekenis van verschaffen, bezorgen, berokkenen, en van eene tijding, die onaangenaam is, die tot iemand doen komen. Aangeven en verklikken geven te kennen dat het een tijding van bedreven kwaad is. Wanneer men eene onrechtmatige daad ter kennis der overheid brengt en men doet dit niet uit een onedel beginsel dan geeft men die aan of doclt; aangifte ervan; geschiedt dit echter uit wraak, leedvermaak of hoop op belooning dan brengt men het aan en is een aanbrenger. Die flauwe jongen brengt bij den meester alles aan. Hebt gij den diefstal, die bij u gepleegd is, al aangegeven 9 Verklikken is meer een woord uit de schoolwereld en wordt niet buiten kinderzaken gebruikt. Overbrieven is eigenlijk de tijding van de schuld van een persoon per brief mededeelen, maar wordt ook oneigenlijk in ongunstigen zin van elk zeer ijverig mededeelen gebruikt.
Aandacht â oplettendheid â opmerkzaamheid. Alle drie beteekenen hot vestigen van liet denkvermogen op eene bepaalde zaak. Aandacht is alleen het vestigen der gedachte op een voorwerp. Bij oplettendheid denkt men tevens na over hetgeen men waarneemt. Hoort of ziet men iets met opmerkzaamheid, dan worden de verschillende kenmerken van een voorwerp of de inhoud eener rede geheel in den geest opgenomen.
Aandachtig â oplettend â opmerkzaam. Aandachtig is men, als men zijne gedachten bij eene zaak bepaalt; geeft men zich moeite om er bij te verwijlen en ze te overwegen, dan is men oplettend; tracht men bovendien de zaak te begrijpen in al hare kenmerken en er zoo mogelijk gevolgen uit af te leiden, dan is men opmerkzaam. Een redenaar, die niet meer verlangen mag, dan dat zijne hoorders niet aan andere zaken denken,
4
AAND,
zegt: Aandachtige toehoorders! Een onderwijzer, die wensclil dat zijne leeilingen nauwkeurig zijne lessen volgen, is tevreden als zij oplettend/Airi', hij zal ze prijzen als zij opmerkzaam zijn, d. i. als zij toonen het verband gevat te hebben van de zaken, die hij hun heeft medegedeeld, en het geleerde verwerkt te hebben.
Aandeel â deel â geileelte. Met aandeel is, in onderscheiding van deel en gedeelte altijd het denkbeeld van eigendom, bezitting of deelgenootschap verbonden. Het is dat deel van iets, dat iemand in eigendom behoort of toekomt. Deel en gedeelte drukken de betrekking van iets tot het geheel uit, in zoover als hel samen met andere deelen het geheel uitmaakt. Deel gebruikt men waar men minder de eenheid van het geheel op den voorgrond plaatst, maar alleen aangeeft waartoe iets behoort of waaruit iels bestaat. Bij gedeelte houdt men het geheel altijd in het oog en stelt ruen het eene deel tegenover het andere. Be verschillende deelen van het lichaam. Een gedeelte van den grond was beplant, /iet andere moest nog omgeploegd worden. Eenjwerk in vijf deelen. Overdrachtelijk gebruikt voor de belangstelling, die men toont, het deel, dat men voor zichzelf neemt in het wedervaren van anderen, drukt aandeel dit denkbeeld iets sterker uit dan het thans meer gebruikelijke deel. Aandeel staat ook voor aandeelbewijs, het bewijs van een bepaald aandeel in eene zaak, enz.
Aandeellioiider, zie Deelgenoot.
Aandenken, zie Gedachtenis.
Aandieliteii â toedichten â ten laste leggen. Iemand zonder goede gronden iels toeschrijven. Bij aandichten en toedichten ontbreekt de grond voor de verzinsels geheel , het is iets toeschrijven, dat verdicht of verzonnen is; meestal is het iets kwaads, en in dat geval hetzelfde als val-schelijk ten laste leggen. De domme menigte dicht hen, die als hervormers der maatschappij optreden, altijd zelfzuchtige bedoelingen toe. Ten laste leggen onderstelt altijd zekeren grond, waarop de beschuldiging rust. Wat men hem ook kan ten laste leggen, zeker geen gierigheid.
Aandienen, zie Aanmelden.
Aandoen â aanschieten â aantrekken â omdoen â omslaan â omwerpen â opzetten â voordoen. Al deze woorden beteekenen een deel des lichaams van een kleedingstuk of iets dergelijks voorzien. Opzeilen en voordoen zien op de plaats op het hoofd of aan de voorzijde van de plaats waar het kleedingstuk wordt aangebracht; aantrekken, aanschieten, omslaan en omwerpen zien op de wijze (bedaarder, vlugger, haagstig ot ter loops en achteloos), waarop de kleedingstukken aangedaan worden, hetgeen gedeeltelijk van hnn vorm afhangt. Aanschieten en omwerpen geven te kennen dat het aandoen vlug en niet haast geschiedt; aantrekken dat het kleedingstuk over lichaamsdeelen heen wordt getrokken; eenigermate is deze gedachte ook aan aanschieten eigen. Spreekt men in het algemeen, dan omval aandoen alles wat de laatste vier woorden beteekenen. Ter onderscheiding van aandoen bezigt men omdoen, als men sieraden of kleedingstukken bedoelt, die het geheele lichaam ot wel hals of
ö
AANl).
romp gclieul omgeven, een boordje, een gordel, een das of doek omdoen. Terwijl aantrekken gebezigd wordt van kleedingstukken, die eenigermate sluitend zijn, worden omslaan en omwerpen alleen gebruikt van kleedingstukken en sieraden, die open zijn en het lichaam min of meer omgeven of omringen; een mantel, een doek enz. omwerpen of omslaan. Het onderscheid tusschen deze laatste en omdoen is voornamelijk gelegen in de meerdere zorgvuldigheid, waarmede deze laatste handeling gepaard gaat, terwijl aandoen gebruikt wordt van die sieraden, die niet een duel van het lichaam omringen, b. v. een doek goed omdoen, een collier omdoen, doch oorbellen enz. aandoen.
Aandoen â roeren â schokken â treffen. Aandoen = het teweegbrengen van een gevoel van droefheid, van medelijden, soms ook van vreugde. Treffen is sterker dan aandoen; ook bij verwondering kan men getroffen, dat is meer dan enkel aangedaan worden. Een nog dieper indruk wordt te kennen gegeven door roeren, dat een aandoen, een treffen gepaard met eene hevige gemoedsbeweging aanduidt. Door schokken wordt hetzelfde uitgedrukt, doch tevens gewezen op het plotselinge en onverwachte van den teweeggebrachten indruk. De predikant sprak een hartelijk woord, dal vele zijner hoorders aandeed Het verhaal van den dood des veldheers heeft de gemoederen getro/fen, geroerd, ja geschokt.
Aamloenlng â gevoel â gewaarwortllng. Elke indruk, die het lichaam of de ziel ontvangt is eene aandoening; gevoel is het gevolg van dien indruk. Die indruk tot bewustzijn gebracht is eene gewaarwording. Beide laatste komen zeer dicht bij elkaar maar gevoel is algemeener en wordt van alle soorten van indruk gezegd, terwijl gewaarwording bij voorkeur ziet op een gevoel, dat men bij zich zei ven waarneemt en min of meer plotseling is, terwijl gevoel meer van blijvenden .aard is. Op het lichaam toegepast, wordt aandoening meer van ziekelijke prikkels gezegd : aandoening van de long; üp den geest beteekent aandoening ook gemoedsbeweging: hij was zijne aandoening niet meester. Het gevoel van dankbaarheid verdrong spoedig de onaangename gewaarwording door het ervaren zijner onmacht ontstaan.
Aandoenlijk â gevoelig. Licht vatbaar voor indrukken op ziel of lichaam; aandoenlijk wordt dikwijls gebruikt voor indrukken van ziekelijken aard, terwijl gevoelig op alle soorten van indruk slaat. Dit meisje had een aandoenlijk hart; zij ivas uiterst gevoelig voor oen vriendelijk woord. Het kind bleef gevoelig voor elke weersverandering.
Aandragen, zie Aanlirengen.
Aandrang â nadruk. Eene krachtige beweging in oene bepaalde richting, ten einde invloed te oefenen. Aandrang onderstelt het doel om bij een persoon, op wien de aandrang gericht wordt, een bepaalde wilsuiting ingang te doen vinden, waardoor hij tot een besluit komt. Mohammed vermaande met ernst en aandrang om den afgodendienst te verlaten. Nadruk ziet meer op het gewicht, dat de persoon van wien de beweging uitgaat, hierbij op de woorden legt. De raad werd vriendelijk en bescheiden gegeven, niettemin met een zekeren nadruk.
(gt;
AAM).
Aandrift â aans|iorlng. Bij het eerstu woord is vooral hot inwendig gevoel werkzaam; liet is eene sterke opwekking van eene hoogere macht uitgaande, in de spreektaal komt het minder voor, wel in deftige en dichterlijke taal, terwijl aansporing het meer gemeenzame woord is. Zie bij Aandrijren.
Aandrift â Instinct â geestdrift. De beide eerste woorden duiden een inwendigen prikkel aan, die den wil tot eene handeling aanzet. Aandrift duidt dit in het algemeen aan; instinct is meerde ingeschapen neiging, de natuurlijke aandrift om iets te doen en wordt bij voorkeur van de neigingen van dieren gebruikt. Wordt die inwendige prikkel door de hoogere aandoeningen beheerscht, zoodat de geest de overhand verkrijgt, dan ontstaat geestdrift of vuur.
Aandrijven â aanflitsen â aanjagen' â aanporren â aanprikkelen â aansporen â aanstoken â aanvuren â aanwakkeren â aanxetten â opwekken. Figuurlijke uitdrukkingen, waardoor de aandrang van buiten op iemand wordt aangeduid om hem tot sneller of krachtiger handelen Ie bewegen. Aansporen en opwekken geven het algemeene begrip te kennen. Zij drukken de wijze, waarop de wil bewerkt wordt, niet uit. Het eerste onderstelt eene bestaande neiging tot handelen, terwijl bij het tweede de wil nog in rust gedacht wordt. Aanzetten drukt deze werking het zwakst uit, aandrijven sterker, aanhitsen is eigenlijk iemand heet op iets maken, zijne vurige begeerte aanwakkeren. Met aanvuren drukt dit het sterkst het grondbegrip uit {tie paarden aanzetten, aandrijven, iemands ijver aanvuren). Tusschen iemand aanzetten en iemand tot iets aanzetten bestaat dit onderscheid, dat het eerste opwekking van don ijver, het laatste een opwekking om iels bepaalds te verrichten, te kennen geeft. Met aanjagen, aanprikkelen, aanporren, aansporen ver-eenigt zich het denkbeeld van eene meer herhaalde aandrijving; aansporen wordt doorgaans in goeden zin gebruikt, en onderstelt dat er reeds eenige neiging ten goede aanwezig is. Aanstoken wordt bijna uitsluitend in kwaden zin gebruikt; het vuur der tweedracht aanstoken; met een persoon tot voorwerp wordt het dikwijls, doch minder juist gebezigd: iemand tot verzet aanstoken; aanvuren daarentegen dient om den smeulenden ijver te doen ontsteken tot een blakenden gloed. Hetzelfde geldt van aanwakkeren. Aanprikkelen wordt bij voorkeur aangewend om eene werking op de eerzucht, den hartstocht, enz. aan te duiden. Be toejuiching, welke hem ten deel viel, prikkelde hem aan om nieuwe eer te bejagen. Wordt aanzetten gebruik met tot of om te, doch tot iets anders dan hot werk waartoe men verplicht is, dan krijgt het de beteekenis van aanstoken, doch met minder kracht.
Aanduiden â aanwijzen. Deze woorden drukken eene handeling uit die ten doel heeft een of ander zichtbaar voorwerp van andere voorwerpen te doen onderscheiden, om te doen welen wie of wat bedoeld wordt. Aanduiden onderstelt het opgeven van enkele kenmerken zonder door wijzen met den vinger de zaak, die men bedoelt, nader kenbaar te maken, terwijl aanwijzen in zich sluit het aantoonen met verwijzing naar de plaats, waar eene zaak zich bevindt. Het onderscheid tusschen aanduiden en aanwijzen
7
AANDâAANF.
bestaat liierin, dat onder het laatste eene stellige en duidelijke kenbaar-making der bedoelde zaak of persoon verslaan wordt, terwijl bij aanduiden nog veel in het onzeker celalen wordt. -Vgi. onder ...............
Aanduiden â uitdrukken. Door woorden of gebaren een denkbeeld ter kennis van een ander brengen. Rij uitdrukken staat meer het uiling geven van de gedachte op den voorgrond, het laat in het midden of de wijze zoo is, dat het denkbeeld gevat kan worden. Met aanduiden wordt bedoeld het begrip zoover kenbaar maken, dat het met eenige moeite wel te vatten is, al maakt de uitdrukking het niet geheel kenbaar.
Aanduiden â beteekenen â te kennen geven. Aanduiden is minder bepaald; bcteekenen is eigenlijk door aanwijzing van een teeken liet verstand te hulp komen, zoodat men het wezen der zaak gemakkelijker kan onderkennen, te kennen geven is door woorden of daden iemand iets duidelijk kenbaar maken. AUcs duidde een naderenden opstand aan. Gesiers hoed beteekende (Je Oostenrijksehe heerschappij. Door zijne houding gaf hij zijne doodsverachting te kennen.
Aiuiccn â aan elkander â samen geven eene vereeniging van twee of meer voorwerpen te kennen. Bij aaneen let men meer op de tot stand gebrachte eenheid, bij aan elkander meer op elk der verbonden voorwerpen afzonderlijk. Bij samen treedt het begrip der eenheid, die ontstaan is, nog sterker op den voorgrond dan bij aaneen.
Aaneen â achtereen. Aaneen, dat den duur van het geheele tijdsverloop als onafgebroken voorstelt, drukt de aansluiting in den tijd sterker uit dan achtereen, dat dien duur aanwijst als eene opvolging van afzonderlijke tijdruimten. Men bezigt dus aaneen, waar men zich het tijdsverloop als een geheel denkt, achtereen, waar men het zich als eene reeks van elkander opvolgende tijden voorstelt. Wij zijn jaren aaneen gelukkig met elkander geweest! Uren achtereen wachtte ik tevergeefs op zijne tehuiskomst.
Aanerven â overerven. Aanerven beteekent door erfenis als eigendom verkrijgen. Ook wordt het gebruikt voor verkrijgen van iets bij of met de geboorte (n.l. nog bij het leven der ouders); in dit geval heeft men voornamelijk het oog op lichamelijke of zedelijke eigenschappen. In dezen zin is het van gelijke beteekenis als het hiervoor meer gebruikelijke overerven. Kinderen erven dikwijls ziekten en gebreken van hunne ouders over. Al hel aangeërfde goed is door hem opgemaakt. Het kan gebeuren dat kinderen de ziekten en gebreken der ouders aanerven.
Aanfokken â aankweeken â aanplanten â aanpoten â aantelen. Door gebruik te maken van de voortbrengingskracht der natuur den bestaanden voorraad vermeerderen. Het eerste woord geeft te kennen dat men eene diersoort langs dezen weg tracht te doen vermeerderen. Schapenfokken enz. De andere drukken werkzaamheden uit, die de vermeerdering van gewassen ten doel hebben. Aanpoten en aanplanten duiden aan, dat bij bestaande gewassen nieuwe van dezelfde soort worden geplant of gepoot. Onderling verschillen zij als planten en poten; het eerste wordt van
8
AANG,
kleinere of groolere gewassen gezegd, die boven den grond uitsteken, het t weode van. knol vfprt^lg^ .die, in. grond gelegd worden j-oö var -bHomsn, wier wortels in den grond gestoken worden. Lc aardbeien zijn geplant en de aardappels en jonge eiken gepoot. Aankweekcn en aantelen omvatten al de werkzaamheden, welke noodig zijn om eene slak of knol tot vollen wasdom en bloei te brengen, liij aankweeken wordt hiervoor meer kennis en ervaring verondersteld dan bij aantelen. Figuurlijk wordt aankweeken ook gebruikt van geestelijke of zedelijke hoedanigheden, die dan met planten, welke ontwikkeling en groei hebben, vergeleken worden. Dc onderlinge liefde aankweeken. Ook van de opleiding van personen wordt het gebruikt. Met groote zorg opvoeden wordt soms door opkweeken uitgedrukt, terwijl opfokken ditzelfde zegt omtrent dieren. Deze beide zijn als zoodanig synoniem met opvoeden, grootbrengen.
Aangaan â aanloopen. Iemand een bezoek brengen. Het laatste wordt uitsluitend gezegd van een vluchtig meer vriendschappelijk bezoek. Langs zijn huis komende liep ik even bij hem aan. Ik ging hij hem aan om hem over de zaak te spreken.
Aangaan â sluiten â treffen â voltrekken. Eene overeenkomst beginnen, waaruit bepaalde verplichtingen ontstaan. Treffen en sluiten zien op eene vvederzijdsche verbintenis, aangaan meer op eene verplichting of schuld, welke een persoon op zich gaat nemen. Treffen is het vaststellen der voorwaarden, aangaan het aanvaarden der verplichtingen uit de verbintenis voortspruitende, sluiten het tot stand komen der overeenkomst, voltrekken ziet op de plechtige wijze, waarop de verbintenis gesloten wordt. Een wapenstilstand treffen of sluiten. Een vredesluiten. Een verbond sluiten. Een overeenkomst aangaan of sluiten. Eene weddenschap, eene schuld aangaan. Een huwelijk aangaan, sluiten of voltrekken.
Aangaan, zie Aanbelangen.
Aangaan â bulderen â leven maken â tieren â razen â woeden â uitvaren â kijven. Leven maken is het veroorzaken van gerucht in het algemeen, aangioan ziet vooral op gerucht maken door woorden. Tieren is heviger dan aangaan, razen en woeden weer heviger dan lieren; alle drie gaan vergezeld van hevige bewegingen. Bij bulderen heeft men meer het geluid op het oog. Uitvaren en kijven geschiedt alleen met woorden. Kijven wordt vooral van het twisten van vrouwen gebezigd. Kijvende vischwijven.
Aangaande â betreffende â rakende â nopens â ointrent.
Deze woorden duiden de betrekking aan tusschen de uiting eener werking van het denkvermogen en personen of zaken, die hiervan het voorwerp zijn. Aangaande, betrelfende en rakende geven eene figuuurlijke aanraking te kennen en laten onbeslist of het oordeel alle bijzonderheden van het voorwerp trelt of slechts enkele. Nopens en omtrent staan in gebruik hiermede gelijk, het eerste is deftiger en eenigszins stijf, het laatste vervangt in sommige dialecten aangaande enz. bijna geheel.
Aangapen, zie Aanblikken.
!)
AAiNG.
Aangeboren â aangesoliapen â Ingeschapen. Alle drie woorden drukken iets uit. dat men aan de natuur ontleent, in tegenstelling van hetgeen aan tijd en omstandigheden te danken is. Aangeboren kan alleen van menschen en dieren gezegd worden, ingeschapen is op al hot geschapene toepasselijk. Aangeschapen is beperkt tot de uiterlijke eigenschappen, ingeschapen wordt alleen gebezigd van de innerlijke krachtenen hoedanigheden. De bulten zijn den kameel aangeschapen. Be aantrekkingskracht is der stof ingeschapen.
v'tls den mensch als aangeboren.
Bat hij ietwat heeft verkoren.quot;
Aangedaan â aangetast â aangestoken â besmet. Deze woorden duiden aan dat eene ziektestof zich op een deel of op een geheel van een lichaam gevestigd heeft. Aangedaan geeft dit in minder sterke mate te kennen dan aangetast. Aangestoken wordt van hevige ziekten gebruikt. Van vruchten enz. gezegd, drukt inen er door uit dat het verrottingsproces van het eene voorwerp op het andere is overgegaan. Besmet wordt van die ziektestof gebruikt, die zich gemakkelijk aan andere lichamen mededeelt.
Aangedaan â bewogen â geroerd âgetroffen âgeschoktâ
ontroerd â ontzet. Aangedaan is het meer algemeene begrip en geeft te kennen, dat men onder den invloed van een sterk gevoel van vreugde of droefheid is, zoodat de zenuwen geprikkeld zijn. Bewogen ziet meer op het innerlijk gevoel en het gemoed. Getroffen is niet zoo sterk als geschokt, doch evenals dit woord is het de uitdrukking van den gemoeds-en geestestoestand, die het gevolg is van eene onaangename aandoening. Geroerd ziet meer op de innerlijke nandoening en verondersteld een teeder gevoel, terwijl ontroerd en ontzet eene hevige gemoedsbeweging te kennen geven, welke bij het laatste woord het gevolg is van schrik over bet vernomene.
Aangehuwd â aangetrouwd. Het eerste is deftiger. Beide be-teekenen door huwelijk vermaagschapt; zie verder Aanverwant.
Aangelegen â aangrenzend â aanliggend â belendend.
Aangelegen, aanliggend, aangrenzend, belendend worden eigenlijk gebezigd van huizen en landerijen, wier grenzen elkander aanraken. Overdrachtelijk gebruikt men aangelegen van onstoffelijke dingen, die iemand aangaan. In dezen zin is het synoniem met Van Belang.
Aangelegen, zie Helangrijk.
Aangelegenheid â belang â zaak. Wanneer zaak als synoniem hiermede voorkomt heeft bet meestal een bepalend woord bij zich: dal zijn mijne, dit uwe zaken. Do zaken, die van gewicht voor iemand zijn, wier goede voortgang of uitslag bem ter harte gaat en door hem zelf moeten behartigd worden, zijn aangelegenheden. Belang is datgene wat van groot gewicht of hooge waarde voor iemand is, doch dooreen ander kan behartigd worden, zonder dat deze iii de plaats van don persoon treedt, wien de zaak betreft. Terwijl het bij aangelegenheid in quot;t midden gelaten wordt of er voor of' nadeel bij in het spel is, veronderstelt belang eene zaak ten bate
10
AANG.
van den betrokken persoon. Ik bemoei mij niet mei eens anders anngc-legenheden. Hij heeft mijne belangen voorgestaan, zonder dal ik zulks kon vermoeden.
Aangemerkt â aangezien â doordat â«loordlenâdewijl â naardien â nademaal â omdat â daar â wijl. Doordien en doordal (het laatste in gemeenzamen stijl meer in gebruik dan liet eerste) geven de oorzaak te kennen, waardoor iets geschiedt, niet de reden waarom; de hoofdzin drukt in dat geval het gevolg van den bijzin uit. Wil men hierbij nu aanduiden, dat door den afhankelijken zin een bewijsgrond wordt aangebracht voor hetgeen in den hoofdzin beweerd is, dan gebruike men dewijl en vermits. Hel ijs smelt, doordat de dooi is ingevallen. Hij kan onmogelijk komen, dewijl hij ziek is. Drukt de bijzin eene rechtvaardiging uit van hetgeen men in den hoofdzin beweerd beeft, dan kan men, behalve dewijl en vermits, ook daar, naardien, nademaal, aangezien of aangemerkt bezigen. In dat geval is de hoofdzin eigenlijk eene gevolgtrekking van hetgeen in den bijzin wordt gezegd. Baar geeft dit eenvoudig weg te kennen, zonder dat er bepaalde nadruk op gelogd wordt. Dewijl, vermits en naardien veronderstellen, dat hot geheel in betoogtrant geschreven is en komen minder voor in den gemeenzamen stijl; terwijl aangezien en aangemerkt tot den stijl van strenge redeneering behooren, waarbij het meer op geregelde ontwikkeling van het betoog dan op sierlijkheid en losheid van taal aankomt. Nademaal is ouderwetsch. Wijl is eene verkorting van dewijl, die geen onderscheid in beteekenis oplevert. Omdat is zuiver redegevend en geeft van eene zaak of eene gewaarwording den moreolen grond, de reden aan, het antwoord op de vraag waarom. Ondanks zijne bekwaamheid wordt hij weinig geacht, omdat hij zoo verwaand is. Hij drinkt, omdat hij dorst heeft.
Aaiigenanm â genoeslijk â liefelijk â behaaglijk â plel-
xlerig xoet â streclend. Aangenaam is de algemeene uitdrukking en omvat alle andere; het kan zoowel van gewaarwordingen als van zaken en personen gebezigd worden. Een aangenaam gevoel, een aangenaam mensch, een aangenaam verblijf. Liefelijk geeft een edeler, een fijner gevoel te kennen en wordt bij voorkeur gebruikt van hetgeen door 't gehoor of 't gezicht wordt waargenomen, niet echter van personen. Een liefelijk gezang, een liefelijke streek. Behaaglijk ziet alleen op de innerlijke gewaarwording en kan nooit op zaken buiten ons toegepast worden; een behaaglijk gevoel. Pleizierig wordt meer in do gemeenzame taal gebezigd en ziet op gewaarwordingen van zinnelijken aard. Jk wensch u pleizierige kermis. Het wordt ook gebruikt om spottenderwijze iels zeer onaangenaams te kennen te geven. Wel, dal is pleizierig, nu hebt ge alles in de war gebracht. Genoeglijk is welbehagen verschaffende, een aangenamen indruk makende zonder hooger aanspraken, een genoeglijk leven leiden. Streelend is meer datgene, wat bepaalde zintuigen of het gevoel bijzonder aandoet. Zoet is gelijk van beteekenis met aangenaam en liefelijk doch meer uitsluitend aan dichterlijke taal eigen. Het is streelend voor zijne eigenliefde. Ai, ziet hoe zoel en liefelijk is 't, enz. Waar meer bepaald de smaak bepaald wordt, zijn lekker, keurig, heerlijk, fijn enz. synouienien van aangenaam.
AANG.
Aangetrouwd, zie Aangcliuwd.
Aaiigcsclin|icn, zie Aangeboren.
Aangenomen filat) â oiulersleld (dat) indien, (bijal-dien) _ al â gesteld O1quot;') Door deze woorden woi-dt eene onderstelling uitgedrukt. Indien al wordt gebruikt, wanneer men onbeslist wil lalen of de onderstelling waar is of niet, indien hij al de schuldige is, zoo is hij nu toch buiten vw bereik. Aangenomen dat leidt eene gedachte in door een ander geuit, nu door den spreker herhaald met het doel om aan tetoonen, dat zij geen bewijsgrond bevat; ondersteld dal kondigt eene onderstelling van den spreker aan, waaraan hij geen geloof slaat, (ivstcld dal vei bindt een bijzin, welke eene onderstelling bevat, waaruit de spreker eene gevolgtrekking wil maken. Gesteld dal wij door een mctchligeti nabuur werden aangevallen, ondersteld dat wij geheel alleen bleven staan, aangenomen dal onze waterliniën en strijdkrachten in onvoldoenden toestand verhoeren, zelfs dan nog was verzet lot het uiterste een heilige plicht.
Aangeven, zie Aanlangen.
Aangeven , zie Aanbrengen.
Aangezicht â aanziebt â aanseliljn â gezicht â gelaat â
wezen â nlterlijh. Alle heteekenen het voorste gedeelte van's menschen hoofd, dat gedeelte dat men aanziet, wanneer men met iemand spreekt. Aangezicht, aanzicht, gezicht (dit laatste gemeenzamer, soms zelts plat) zien meer op den bloot uitwendigen vorm. Het kind gelijkt zijn vader alsof het uit zijn aangezicht gesneden was. Gelaat en wezen zien op de trekken van het aangezicht als uitdrukking van hut karakter; een edel gelaat, op zijn wezen lag vriendelijkheid uitgedrukt. Aanschijn verschilt alleen in zoover van aangezieht, dat de uitdrukking dichterlijk is. Zijn aenschiju slvaclt vol majesteit. Aangezicht staat ook wel voor tegenwoordigheid . Iemand in zijn aangezicht â prijzen; zoo ook aanschijn: Komt voor zijn aanschijn met vroolijk gezang. Uiterlijk, de uiterlijke gedaante, het voorkomen, wordt soms geheel beperkt tot de uitdrukking van het gelaat: Die man heeft geen gunstig uiterlijk.
Aangezien, zie Aangemerkt.
Aangrenzend, zie Aangelegen.
Aangrijpen â aanpakken â aantasten â aanvatten. Aanvatten is stoffelijke voorwerpen aanraken en vasthouden (meestal met voorzichtigheid); aanpakken is do gemeenzame uitdrukking voor onbeschroomd aanvatten; aantasten wil zeggen met de volle hand aanvatten (meestal onbesuisd) ; aangrijpen plotseling, snel of krachtig iets aanvatten: ook figuui lijk; eene gelegenheid aangrijpen; eene stelling aantasten; eene zaak flink aanvatten; een werk aanvatten Aagt;itasten kan evenals aanranden eene slechte bedoeling hebben, zie aldaar.
Aangrijpen, zie Aanvallen.
Aangroeien â aanwassen â toenemen â «rooter worden â
12
AANH.
vermeertlcrci» â ïilcli uitbreiden. Hot algemecne begrip wordt uitgedrukt door toenemen. Van de drie laatste â woorden ziet f/rooter worden echter meer op het toenemen in grootte, vermeerderen op het getal nn verbreiden op de oppervlakte, welke iets beslaat. Aangroeien en aanwassen zien op de wijze waarop de toeneming plaats heeft. Aangroeien of Aanwassen is eigenlijk door groeien of wassen groot worden. Overdrachtelijk wordt het gebezigd van dingen, die niet eigenlijk gezegd groeien, zooals vermogen, invloed, huisgezin, en is in dezen zin synoniem met grooter worden, toenemen, vermeerderen, zich uitbreiden. Door het toenemen van iemands inkomsten en het aangroeien van iemands kapitaal wordt zijn rijkdom grooter, vermeerderen zich zijne bezittingen en breidt zijn invloed zich uit. »Dan wast hier klein begin onmerkbaar aan tot groot.quot;
Aanhalen â aantrekken â aanlokken. Iemand door voorkomendheid enz. tot zich trekken, gnnstig jegens zich stemmen. Aanhalen veronderstelt, dat er rechtstreeks en met zelfbewustheid op anderen gewerkt wordt. Aantrekken en minder sterk aanlokken geven meer te kennen, dat sommige omstandigheden anderen voor een persoon of eene zaak winnen kunnen. Vandaar dat aanhalen zinverwant is met vleien, en alleen van personen gebezigd wordt, terwijl men ook aangetrokken en aangelokt kan worden door onbezielde voorwerpen, zij haalde het kind aan. Hare lieftalligheid trok hem aan. »De jcugt en 't welig groen, dat loc kt geweldig aenquot;.
Aanhalen â aanvoeren. Van plaatsen uit schrijvers of van woorden van anderen gezegd. Aanhalen wordt meer gezegd ten opzichte van het vermelden van de woorden van een ander, terwijl aanvoeren wordt gebruikt, wanneer men van do aangehaalde woorden voor het betoog gebruik maakt. Oudtijds was het van gelijke beteekenis als aanhalen. Hij voerde allerlei plaatsen uit oude schrijvers aan om zijne meening te bewijzen. Hij haalde allerlei verzen aan, te pas of te onpas.
Aanhalen â aanhouden. Aanhalen is het in beslag nemen van belastbare waren of goederen, wegens het ontduiken dor verschuldigde belasting. De vaar- of voertuigen, waarmede ztj vervoerd worden en de personen, die vervoeren, worden aangehouden. Aanhalen is niet hetzelfde als verbeurd verklaren, dat al of niet op de aanhaling kan volgen. Be komiezen hebben eene belangrijke aanhaling gedaan; zij hielden twee dames aan, die zeer kostbare kant wilden smokkelen.
Aanhang â bende â factie â partij â rot. Door aanhang verstaat men de personen, die zich bij iemand voegen ter bereiking van zeker doel. Partij drukt hetzelfde uit, maar wordt daarenboven van hen gebruikt, die dezelfde meeningen, beginselen enz. zijn toegedaan. Eene fa(tie is eene partij met staatkundige bedoelingen: de Loevesteinsche factie. Bende veronderstelt, dat zij, die er toe behooren, niet alleen in gevoelens en streven één, maar ook lichamelijk bij elkander zijn; rol sluit dit niet noodzakelijk in. Bende en rot, in den zin van aanhang genomen, hebben altijd eene slechte beteekenis, namelijk van verbinding met een laakbaar doel. Een dievenrot. Eene bende struikroovers.
13
AANH.
Aanhangen â volgen â voorstaan. De beteekenis is iemand toegedaan zijn. Bij aanhangen wordt bovendien eene zekere mate van gehechtheid verondersteld en verder dien ten gevolge, een vasthouden aan een persoon met betrekking tot zijne belangen, beginselen, of streven. Volgen duidt minder de gehechtheid aan, dan wel het aannemen en handelen naar de leer en beginselen van iemand; terwijl voorslaan bovendien het verdedigen van dien persoon, het bevorderen zijner belangen en hel verbreiden zijnor leerstellingen uitdrukt. Uit volle overtuiging hing hij Calvijn aan. De Prins volgde Gomarus, terwijl de Raadpensionaris Arminius voorstond.
Aanhanger â volgeling â medestander â voorstander â voorvechter. De aanhanger is gehecht aan een persoon of zaak en tracht in vereeniging met anderen, die hetzelfde bedoelen, aan den persoon, dien hij aanhangt, of aan diens leerstellingen invloed te verschaffen. Do aanhanger wordt als meer zelfstandig optredend beschouwd dan de aanhangeling. De volgeling omhelst slechts de gevoelens en handelt volgens de leerstellingen.
Medestander, voorstander en voorvechter onderstellen een strijd waarin de eerste naast den hoofdpersoon slaat, terwijl de laatsten enkel tot de. strijders ten behoeve van den persoon of van de zaak worden gerekend. Bij voorstander blijft in het midden de wijze waarop hij zich in de bres stelt voor hetgeen hij bevorderen wil, een voorvechter veronderstelt echte]1 iemand, die op buitengewoon krachtige wijze ijvert, soms zelfs min of meer roekeloos is. Bij de beide eerste woorden wordt niet aan strijd gedacht.
Aanhangsel â bijvoegsel âbijlage. Aanhangsel, wat aan iets gehecht wordt, drukt eene nauwer samenhang met het hoofdwerk uit dan hijvoegsel, wat er bloot aan wordt toegevoegd. Bijlage duidt een minder nauw verband dan aanhangsel aan. liet wordt vooral gebezigd van de stukken, die aan eenig geschrift worden toegevoegd, om de waarheid van het daarin vervatte te staven.
Aanhechten â aanbinden â aanknoopen â aanvoegen â bijvoegen. Aanhechten, aanknoopen duiden eene nauwere verbinding aan dan aanvoegen, aanbinden en bijvoegen. Alle drie worden gebruikt van het aan elkaar vastmaken van twee zaken. Aanhechten onderstelt eene nauwe verbinding door een of ander middel te weeg gebracht; aanbinden is door een band vereenigen, aanknoopen de banden van het eene met die van het andere door een knoop vereenigen. Aanbinden en aanknoopen, evenals vroeger aanhechten, worden ook figuurlijk gebruikt van eene weder-zijdschc werking, waarbij twee partijen elkander raken. Onderhandelingen aanknoopen, een strijd aanbinden. Aanvoegen, bijvoegen en toevoegen worden gebruikt, wanneer eene mindere zaak aan eene grootere gehecht wordt. Aanvoegen en bijvoegen verschillen in zoover, dat het eerste eene nadere bijeenbrenging aanduidt, zoodat het aangeveegde met hetgeen, waaraan het is aangevoegd, als 't ware één lichaam uitmaakt, terwijl het tweede slechts eene vergrooting te kennen geeft. Men voegt een stuk aan hetgeen te kort is; men voegt meer geld bij eene som die te klein is.
Aanhef, zie Aanbegln.
14
AA Nil.
AanhcfTen, zit; Beginnen.
Aanhitsen, zie Aandrijven.
Aanlinoren â toehooren â luisteren â toeluisteren. Allu beteekenen een min of' meer aandachtig hooren. Toehooren en toeluisteren geven Ie kennen dat mon moeite aanwendt om Ie hooren; terwijl hooren enkel het opvangen van klanken door de gehoorzenuwen aanduidt, veronderstelt luisteren, dat men in staat en begeerig is om de klanken, die men hoort, te verstaan. Deze begeerte om te verstaan kan bij aanhooron geheel ontbreken, hoewel aanhooren meer op het opvangen van den zin der woorden dan van den enkelen klank toepasselijk is. Hij wilde zulke gemeene taal niet aanhooren en evenmin luisteren naar de vleiende woorden van den verleider. Hoor toe, wanneer gij zoo heen en weer draait, kunt gij niet verslaan wat ik zeg. Luister goed toe, want iemand met zulk een zachte stem kan men bijna niet verslaan. Den geheelen nacht hoorde ik het huilen van den wind in den schoorsteen, hoewel ik mijn best deed er niet naar te luisteren.
Aanhooriglieitl, zie Aankleef.
AAnhouden â volharden â volhouden. Alle drie beteekenen liet doen voortduren van eene werking of toestand. Aanhouden drukt alleen eene bestendigheid van werking uit; volharden, dat alleen van personen gezegd wordt, hel niet staken der werking ondanks de zwarigheden, die zich opdoen. Men houdt nan mot verzoeken; maar men volhardt in het weigeren. De aanhouder wint. Volhouden veronderstelt, dat men doorgaat met de handeling, tot zij als afgeloopeu kan beschouwd worden of het doel bereikt is. Hij hield vol en zag zijne moeite beloond. In den zin van voortgaan te bestaan of te geschieden is aanhouden synoniem met voortduren, doch heeft de bijbeleekenis, dat de handeling in dezelfde mate voortduurt; voortduren ziet meer op den tijd. De regen houdt nog steeds aan. Het wisselvallige weer blijft voortduren.
Aanhouden, zie Aanloopen.
Aanhouden, zie Aanhalen.
Aanhoudend â bestendig â hlijvend â duurzaam â gedurig gestadig langdurig â onafgebroken â onophou-delijk voortdurend. Alle geven het voortduren van eene werking of van een toestand te kennen. Blijvend en duurzaam worden bovendien van stoffelijke zaken gezegd. Bij bestendig en onafgebroken denkt men aan eene voortduring zonder, bij gedurig en gestadig aan de herhaling van een zelfde geval met. tusschenpoozen; gedurig komt meer in ongunstigen zin voor, gestadig heeft meest ee^e gunstige beteekenis: Uw bestendig welzijn, onafgebroken klachten, gedurige pijn, gestadige afwisseling. Onophoudelijk kan in beide beteekonissen voorkomen, het ziet op werkingen en heeft doorgaans een ongunstigen zin: onophoudelijk geklaag, gezanik. Aanhoudend staat gelijk met bestendig, met dit onderscheid, dat dit laatste alleen in goeden zin gebruikt wordt: aanhoudende kou, bestendige vriendschap, bestendig weer. Als bijwoord kan aanhoudend ook voor gedurig gebezigd
AANJâAANK.
worden. Tusschcn blijvend en duurzaam, die ook op stoffelijke zaken toepasselijk zijn, bestaat dit onderscheid, dat duurzaam te kennen geeft, dat, eene zaak uit zich zelf de geschiktheid hoeft om lang te duren, terwijl blijvend op het lange voortduren zelf ziet. Duurzaam geluk. Een blijvend gedenkleeken. Langdurig zegt alleen dat iets lang duurt, doch bepaalt niets omtrent de hoedanigheid. Voortdurend drukt eenigszins hetzelfde uit, doch met de bijgedachte, dat hetgeen sinds eenigen tijd zoo geweest is, nog op het oogenblik, dat men spreekt, overanderd is. Deze voortdurende hitte zal wel door onweder gevolgd worden. Dezen winter hadden wij eene langdurige koude. Als de voorgaande woorden bijwoordelijk gebruikt worden , is telkens synoniem er mede. Dit geeft te kennen, dat eene zaak zich herhaalt zoo dikwijls de gelegenheid zich voordoet. Hij kwam telkens als de vader uit was.
Aanjagen, zie Aamlrijvcn.
Aankanten (ïleh) â beletten â dwarsboomen â zich verzetten â wederstaan â wederstreven. Iemand het volvoeren cener handeling moeilijk maken. Zich aankanten en, minder sterk, zich verzetten, wordt gebezigd voor: iemand of iets wederstreven of tekeer gaan. Hij kantte zich tegen dien maatregel aan. Wederstaan (evenals wederstreven en dwarshoomen bij voorkeur van personen gebezigd) heet zich met kracht verzetten. Ik wederstond hem in het aangezicht. Wederstreven en dwars-boomen geven (het laatste het sterkst) te kennen, dat het geschiedt met onedele bedoelingen. Ik werd in al mijne pogingen gedwarsboomd. Beletten geeft te kennen, dat deze pogingen met den gewenschten uitslag bekroond worden, iets dat bij de voorgaande in het onzekere wordt gelaten. Hij belette hem zijn voornemen uit te voeren.
Aankijken, zie Aanblikken.
Aanklagen â aantijgen â aanwrijven â betichten â beschuldigen â klagen. Iemand iets ten laste leggen. Beschuldigen is in het algemeen op iemand de schuld van iets leggen; klagen, over iemand zijn beklag doen; met aanklagen is in den regel het bijdenkbeeld verbonden, dal de beschuldiging wordt ingebracht bij hen, die met het openbaar gezag bekleed zijn. Aantijgen is iemand iets ten laste leggen met het bijdenkbeeld, dat dit uit kwaadwilligheid geschiedt en de schuld niet zeker is. Aanwrijven is eigenlijk een smet op iemand werpen, doch met de bijgedachte van dit herhaaldelijk en met inspanning te doen, zoodat de beschuldiging als het ware een klevende smet wordt. Betichten is sjlioniem met aantijgen, doch hieraan is het denkbeeld van aanklagen verbonden, en bovendien veronderstelt bet meestal een zwaar vergrijp. Deze werkwoorden zijn van aangeven en aanbrenf/oi onderscheiden, doordat deze laatste enkel het mededeelen van het feit te kennen geven, de eerste tevens een streven naar het opleggen van straf of boete uitdrukken. Tichelaar betichtte de Wil. Alle schuld, die men hem aantijgt, laat hij op zich rusten. Men kan lichtelijk iemand een blaam aanwrijven, doch niet zoo gemakkelijk hem weer schoon wasschen. Iemand wegens misbruik van macht aanklagen. Mijn geweten klaagt mij aan.
ifi
AANK.
Aanklecdcn â Aantrekken â klecden. Beide aankleeden en kleeden beteekenon het aandonn dpr kleederen, nantvekken h«eft altijd het object, de kleederen, noodig; alleen dialectisch is zich aantrekken geheel gelijk van beteekenis met de beide andere, reflexief gebruikt. Klecden kan nog bovendien de beteekenis hebben van verschaffen van kleedingstukken, aankleeden sluit het aantrekken daarvan in zich. .Acmi/e/iZeed in den zin van opgesierd staat dikwijls tegenover eenvoudig. Een aangekleede boterham. De spreekwijze een aangekleede aap drukt uit, of een afschuwelijk leelijk of een bespottelijk opgeschikt raensch. Ik zal mij vlug aankleeden en ga dan terstond mede. Be dame ging zich klecden. De meid kleedt dc kinderen aan.
Aankleef â aanhoorlgheld. De beide woorden duiden aan dat iets verbonden is aan of behoort tot iets anders, dat als hoofzaak beschouwd wordt. Terwijl aankleef meer aanduidt alles, wat er bij komt en aan vast is, ziet aanhoorigheid meer op de zaken, die door een bepaalden rechtsband of betrekking aan iets verbonden zijn. Ecne heerlijkheid met hare aanhoorigheden. De boerderij wordt verkocht met alle aanhoorigheden. Aankleef komt alleen voor in de uitdrukking met den aankleve van dien, b.v. in eene aankondiging van eene publieke verkooping: eene branderij met den aankleve van dien. Wordt onderhoorigheid hierbij gebruikt, dan duidt het een grondgebied aan, welks beheer aan dat van een ander onderworpen is. Be stad en hare onderhourigheden.
Aankleven â gehecht z^n â verknocht zijn. Overdrachtelijk beteekenen beide: nauw met iets samenhangen of nauw aan iemand verbonden zijn. Aankleven is sterker dan gehecht zijn. Van zaken gebruikt, wordt aankleven inzonderheid gebezigd in een kwaden zin: Dat gebrek heeft hem van zijne jeugd af aangekleefd. Hij kleefde Luthers leer aan, doch was zeer gehecht aan Karei V.
Aanknoopen, zie Aanbinden.
Aankomen â naderen. Het verminderen van den afstand, die ons van een voorwerp scheidt. Naderen geeft eene vermindering te kennen, die op eene of andere wijze is waar te nemen. Bij aankomen ziet men meer op de beweging, die doet naderen. De trein nadert; hij voelde zijn einde naderen; daarentegen; De trein komt er nog niet aan. Op het bereiken van het doel ziet aankomen, als men zegt; De goederen zijn aangekomen. Nu komt de zomer weder aan. Hoe laat komt dc trein aan?
Aankomen, zie Aanraken.
Aankondigen â aandienen â aanmelden â aanzeggen â bekend maken â berichten â kond doen. Bekend maken, ter kennis brengen is de algemeene uitdrukking om iemand te d00.11 weten dat iets het geval is, gebeurd is of geschieden zal. Aankondigen â mondeling of schriftelijk doen weten, dat iets gebeurd is of gebeuren zal, doch met de bijgedachte, dat de kennisgeving geschiedt bij monde van iemand, die wettelijk of rechtens hiertoe geroepen is. Er werd een gezant naar hel Engelsche hof gezonden ten einde daar het huwelijk der prinses aan te kondigen. Aanzeggen veronderstelt «ene mondelinge oflicieele kennisge-
SYNONIEMEN. 2
M
AANKâAANL.
ving. Iets in de courant aankondigen; den vrede aankondigen; daarentegen: iemands overlijden laten aanzeggen. Berichten onderstelt, dat de mededeeling van een feit incer bijzonder voor den persoon, tot wien het bericht komt, belangrijk of wetenswaard is; het kan per brief enz. geschieden. Iemand iets kond doen drukt hetzelfde uit, doch is als verouderde uitdrukking alleen in deftigen stijl in gebruik. Aanmelden is het berichten van de komst van iemand, die een onderhoud verlangt of die een bezoek wenscht te brengen. Zich aanmelden voor eene betrekking â zich opgeven als mededinger naar eene betrekking. Verder zich in eene bepaalde hoedanigheid bekend maken. Bc/lectcerenden moeten zich tot \ Juli aanmelden hij den secretaris in persoon of schriftelijk. Aandienen is iemands komst aankondigen op deftige wijze, b.v. bij een officieel persoon, of bij een deftig bezoek. Hij liet zich bij den minister aandienen. De heer van der Hoogen liet zich bij de familie aandienen.
Aankondigen â voorspellen â voorzeggen. Iets aanstaands te kennen geven. Aankondigen beteekent het toekomende met zekerheid te kennen geven, het vooruit melden van dingen, die uit den loop der natuur volgen moeten. De beide andere woorden worden gebruikt van zaken, voor welker aankondiging een meer dan gewoon inzicht in den samenhang tusschen oorzaken en gevolgen noodig is. Voorspellen veronderstelt steeds een verschijnsel, waaruit het voorspelde voorgesteld wordt te volgen. Voorzeggen kan alleen door personen geschieden, en geeft in hoogere mate dan voorspellen te kennen, dat men zekerheid omtrent de vervulling heeft. En 't gehuil van sneeuw en regen kondigt ons den winter aan. Hij voorspelde een geheelen ommekeer van zaken. Xijne houding voorspelt niet veel goeds. Een kring om de maan voorspelt storm. Men kan nooit voorzeggen ivat gebeuren zal.
Aankoopen, zie Annschaflen.
Aankweekcn, zie Aanfokken.
Aanlachen â toelachen. Beide beteekenen eigenlijk hetzelfde, iemand vriendelijk lachend aanzien. Toelachen is iets krachtiger. Het onderstelt altijd bewustheid en opzet. Aanlachen kan onbewust geschieden. Eene schoone lacht haar beminde toe; een kind lacht onbewust bekende personen aan. Van zaken gebezigd beteekent aanlachen aangenaam schijnen, b.v. Die reis lacht mij zeer aan.
Aanlanden â aanbelanden â belanden â landen. De beide eerste geven het aan of bij het land komen te kennen, het laatste geeft te kennen, dat men op het land komt. Figuurlijk worden aanlanden, aanbelanden en belanden gebruikt voor ergens terecht komen. Aanlanden geeft te kennen, dat men liet dool zijner reis bereikt en vast verblijf gevonden heeft; aanbelanden laat onbeslist of het verblijf kort of lang zal duren; met belanden is het bijdenkbeeld van toeval verbonden, alsmede dit, dat men eenigen tijd ter plaatse, waar men is aangekomen, vertoeven zal, of er zich voor goed vestigt. Gij zijt daar goed aanbeland, ik raad u aan er te blijven. Waar ter wereld mag hij wel aanbeland zijn. Na
18
AANL.
vele omzwervingen is hij in de Transvaal heiand, toaar hij nu denkt te blijven. De balling was gelukkig aangeland bij zulk eene machtige familie. Na een vreeslijken storm landde de vloot behouden aan, doch het vuur der forten maakte den soldalen het landen onmogelijk.
Aanlnngcn â aangeven â aanreiken. Iemand iets in handen geven. Aangeven is de algemeene uitdrukking. Aanlangen en aanreiken geven te kennen, dat de persoon aan wien men een voorwerp geeft, er zelf niet bij kan. Aanlangen is minder in gebruik dan aanreiken en moer alleen in gemeenzamen stijl. Geef mij de krant eens aan, ik wil de advertentie met eigen oogen zien. Reik mij mijn glas eens aan; ginds staat het. Lang mij mijn pijp eens.
Aanleg â geseliiktheid â vatbaarheiil â gave â begaafd-lieid â talent. De hoedanigheid, waardoor men geschikt is voor eene bepaalde bestemming. Aanleg drukt de gesteldheid uit, waardoor men later voor iets geschikt kan worden. Geschiktheid en vatbaarheid kunnen ook van den tegenwoordigen tijd gezegd worden, terwijl bekwaamheid ziet op de kundigheden, die iemand do geschiktheid geven. Vatbaarheid veronderstelt de eigenschap om op te nemen, wat van buiten af aangebracht wordt. Gave en begaafdheid drukken datgene uit, hetwelk zonder ontwikkeling reeds waarde heeft, ofschoon hot door ons toedoen in waarde kan vermeerderen. Zulk eeno gave, door vlijlige inspanning tot volkomenheid gebracht, noemt men talent. Hij heeft aanleg om dik te worden. In zijne kindsheid toonde hij reeds veel aanlag om een dweeper te worden. Hij heeft veel geschiktheid voor dat ambt door zijne groote bekwaamheid in die vakken. Zijne vatbaarheid maakt, dal hij alles vlug begrijpt en in praktijk kan brengen. Hij bezat de gave der welsprekendheid. Werk naar de gave uwer hand. Hij onderscheidde zich van zijne medeleerlingen door zijne groote begaafdheid, en was later hekend door zijne talenten als dichter.
Aanleggen â bouwen â stieliten. Synoniem zijn zij in de be-
toekonis van iets naar een vast plan tot stand brengen, da.t niet de zinnen waarneembaar is. Aanleggen wordt alleen gezegd van zaken die zich in de lengte en breedte uitstrekken. Een schilderij aanleggen, eoi park aanleggen. Douwen heeft altijd den ziu van optrokken, en veronderstelt dus eene meer of minder aanzienlijke hoogte. Stichten als synoniem van bouwen wordt alleen gebruikt van gebouwen die of monumentaal zijn, of voor een verheven doel gebruikt worden. Eene kerk stichten.
Aanleggen â mikken â toeleggen. Iets in eene bepaalde richting met hot oog op een zeker doel plaatsen. Figuurlijk iets zoo inrichten dat men een bepaald doel door de handeling kan bereiken. In de eerste beteekonis is aanleggen iets in eene bepaalde stelling brengen, zoodat het op het doel gericht is, terwijl mikken de werking van het oog bij het aanleggen aanduidt. In figuurlijken zin heeft mikken evenals gemunt hebben meer een persoon op het oog, terwijl aanleggen en toeleggen meer op zaken slaan tot welker bereiking men aanslagen maakt. Het is op u gemunt â hij mikte doch miste. Hij had hel op hare onschuld aangelegd, liet was op het leven des prinsen toegelegd, doch de aanslag mislukte, daar de toeleg bekend werd.
19
2*
AANL.
Aanleggen â pleisteren. Gedurende eene reis ophouden. Pleisteren wordt uitsluitend van rijtuigen gebezigd en onderstelt een stilhouden op eene vooruit bepaalde plaats; bij aanleggen, dat ruimer van beteekenis is, behoeft dit laatste niet het geval te zijn. De diligence pleistert te A. Wij leggen op weg naar 11. nu eens te D. dan weer te A. aan.
Aanleiding â gelegenheid â oorzaak. Als zinverwant beteekenen zij de omstandigheden, die het mogelijk maken, dat iets geschiedt. De
naijver der Engelschen op den bloeienden handel van Nederland was de oorzaak van de hevige oorlogen, door ons met deze overzeesehe huren gevoerd gedurende de i7e eeuw. Engeland wist telkens aanleiding tot den oorlog te vinden. Uit deze voorbeelden kan men zien dat de oorzaak datgene is, waaruit iels anders noodwendig moet volgen, dat de aanleiding het middel is, waardoor het gevolg spoediger, de gelegenheid de omstandigheden zijn , waaronder het gevolg gemakkelijker te voorschijn treedt. Tusschen de werking van oorzaak en aanleiding bestaat het verschil van noodwendigheid en toevalligheid. De aanleiding voert als het ware tot de gebeurtenis, de gelegenheid staat er niet rechtstreeks mee in verband. Geeft iemand ons aanleiding om hem te haten, dan zoeken wij maar al te vaak gelegenheid om hem te schaden. Eene oorzaak en eene aanleiding kan men dus niet, zooals eene gelegenheid, gebruiken of aangrijpen.
Aanliggend, zie Aangelegen.
Aanlokken, zie Aanhalen.
Aanloop â toeloop. Als synoniem beteekenen beide eene beweging met de voeten naar een bepaald doel. Aanloop is het tot iemand komen van personen, doch zonder dat het begrip van gelijktijdigheid hierbij op den voorgrond staat. Zijne kamer stond op de Breestraat, hij had dus nog al eens aanloop van vrienden. Aanloop geeft dikwijls een korten, snellen, hevigen aanval te kennen: in den eersten aanloop werd zijne bende overhoop geworpen; of overlast van bezoekers: wie aan den weg woont, heeft veel aanloop (in den zin van bezoek, waarvan men liever bevrijd bleef). Toeloop drukt eene samenkomst van veel personen te gelijker tijd uit. Die predikant heeft veel toeloop. Wordt hierbij gedacht aan eene groote samenkomst die opschudding geeft, dan bezigt men oploop.
Aanloopen, zie Aangaan.
Aanloopen â aanhouden â duren. Niet spoedig een einde nemen of te niet gaan. Alleen synoniem als onpersoonlijke werkwoorden, welke het voortgaan eener tijdruimte uitdrukken, die door het voornw. het wordt aangeduid. Aanloopen wordt alleen van een betrekkelijk kort tijdsverloop gezegd, aanhouden en duren van langere tijdsruimten. Het zal wel anderhalf uur aanloopen eer ik terug kan zijn. Dat groote werk zal lang aanhouden. Hel houdt lang aan, duurt lang, eer hij zijn examen doet. Duren van zaken gebezigd duidt vooral een in stand blijven aan ten gevolge van de hechtheid der grondstoffen, waaruit het voorwerp bestaat. Vruchten kunnen niet heel lang duren. Over aanhouden zie aldaar.
20
AANM.
Aanmatigen (zich) â toekennen (zich) â locschrl j ven (zich).
Beweren ergens recht op te hebben. Zich aanmatigen geeft te kennen, dat onze aanspraak ongegrond is, en heeft rins altijd een afkeurenden zin. Zich een gezag aanmatigen. Zich toekennen duidt aan, dat men zich bewust is ergens recht op te hebben. A In uw oudste vriend ken ik mij het recht toe u uwe fouten onder 't oog te brengen. Zich toeschrijven laat de wettigheid of de onwettigheid der aanspraak in het midden. Zich bekwaamheid toeschrijven.
Aanmelden, zie Aankondigen.
Aanmelden (zich), zie Aandienen.
Aanmerkelijkâaanzienlijkâmerkwaardigâopmerkelijk.
Hetgeen onzen geest treft of verdient te treffen. Merkwaardig wordt meer van de zaak zelve gebezigd, ten opzichte der hoedanigheid; aanmerkelijk, aanzienlijk van hare quantiteit of intensiteit. Aanzienlijk is sterker dan aanmerkelijk. De krokodil is een merkwaardig dier. Hij heeft dit jaar aanmerkelijke vorderingen gemaakt. Een aanzienlijk bedrag is grooter dan een, aanmerkelijk bedrag. Opmerkelijk wordt dus gezegd van bijkomende, toevallige omstandigheden of eigenaardigheden, die aan 't licht komen, 'lis opmerkelijk, hoe zacht de winters tegenwoordig zijn. Het is opmerkelijk horvete ziekten door bacteriën ontslaan.
Aanmerking â bedenking â opmerking â tegenwerping, liet uitspreken van de meening of van gedachten over een punt, waarvan sprake is of wel de woorden, waarin de meening is uitgedrukt. Bij opmerking wordt meer dan bij aanmerking de eigen vinding van den spreker op den voorgrond gestold. Eene juiste opmerking is hel gevolg van scherpzinnigheid, cene juiste aanmerking het gevolg van gezond oordeel. Uwe aanmerking is zeer gegrond. Dat is eene snuggere opmerking. Aanmerking heeft allengs een ongunstigen zin aangenomen en beteekent veelal het uitspreken van een afkeurend oordeel. In deze opvatting is het sterker dan bedenking, dat meer het opperen van een bezwaar te kennen geeft, hetwelk misschien voor oplossing vatbaar is. Bedenking is ook de zachtere uitdrukking voor tegenwerping â de meening, die men in een dispuut of debat tegen die van een ander overstelt. (Bemerking, gebezigd voor op-of aanmerking, is een germanisme.) Maak geen bedenkingen noch tegenwerpingen: ik verander niets in mijne plannen te uwen opzichte.
Aanmerking, zie Aanteekcning.
Aanmerking nemen (In) â acht geven op â acht slaan op â In acht nemen â In beraad nemen â bedenken â beschouwen â letten op â opmerken â overwegen. Denken over of 't oog vestigen op iets dat ons van gedachte kan doen veranderen. In aanmerking nemen is do aandacht aan iets schenken, dat men van belang rekent voor de oordeelvelling, die men gaat maken. Zijne jeugd en onervarenheid in aanmerking nemende, heeft hij aanspraak op cene toegeeflijke beoordeeling. Acht geven en acht slaan drukken evenals ook letten op uit, dat men iets opmerkzaam beschouwt met hel doel om zich
21
AANM.
in zijne handelingen of zijn oordeel te richten naar die beschouwing. Zij krijgen verder de heteekenis van iets wel bedenken, niet uit het oog verliezen. In acht nemen is letten op iets dat betracht moet worden of waarvoor zorg gedragen moet worden. Geeft op de lessen des vaders acht cn let op zijne wijze woorden. Gij moogt wel eens acht slaan op de handelingen van uwen boekhouder. Neem de burgerlijke beleefdheid in aeht. Opmerken is goed op iets acht geven, het oplettend beschouwen. Hierbij komt echter meer op den voorgrond, dat het aandacht schenken aan iets het gevolg is van de scherpzinnigheid van den opmerker. Bedenken en beschouwen geven te kennen, dat men over alles wat in aanmerking komt voor de oordeelvelling met opmerkzaamheid zijn gedachte iaat gaan alvorens zijn oordeel uit te spreken. Overwegen drukt dit nog sterker uit en slaat meer op het gewicht van hetgeen men in aanmerking neemt. Vestigt men zijn aandacht op iets met het doel om het van alle kanten te beschouwen, ten einde met overleg een besluit te nemen, dan neemt men iets in beraad.
Aanminnig â aanvallig â aardig â bekoorlijk â beminnelijk â bcralllg â iniicmeiKl â liefâ liciclijk â llei-
t al lig â snoeperig. Alle drukken uit, dat door de hoedanigheid van een persoon of zaak een aangename indruk gemaakt wordt, welgevalligheid wordt opgewekt. Lief is meer algemeen. Aanminnig is wat liefde wekt; het wijst vooral op datgene van het uiterlijk, waardoor zich hel innerlijke openbaart. Een aanminnig gelaat. Aanminnige oogen. Aanvallig is dat wat door liefelijke hoedanigheden een aangenamen indruk maakt, wat bevalt of behaagt, doch wordt meer van kinderen en wat aan kinderen eigen is gezegd. Een aanvallig kind trekt ons aan. Bekoorlijk stelt meer het aanlokkelijke op den voorgrond, en wordt vooral van zaken gezegd: Een bekoorlijk landschap. Waar van het bekoorlijke en lieftallige van jonge meisjes sprake is kan snoeperig gebruikt worden. Bevallig ziel op hetgeen in houding en manieren het oog aangenaam aandoet. Eene bevallige houding. Eene bevallige danseres. Liefelijk wordt gebezigd van hetgeen eenigszins teedere gewaarwordingen teweegbrengt. Eene liefelijke melodie. Een liefelijk too-neeltje. Lieftalig of lieftallig â vroeger liefgetal â wordt gebruikt van eene persoon, die innemende manieren en hoedanigheden bezit, welke zij vooral bij haar spreken doet uitkomen. Beminnelijk heeft eene ruimere heteekenis en geeft te kennen , dat iemand in alle opzichten verdient bemind te worden. Een beminnelijk mensch. Een beminnelijk karakter. Door dichters wordt hiervoor ook minnelijk gebruikt.
Aanmoedigen â bemoedigen â moed geven â moed inboezemen â moed inspreken. De beide eerste woorden geven te kennen dat er wel eenige moed aanwezig is, doch dat deze versterking behoeft; de drie laatste woorden beleekenen moed doen ontstaan, waar die in het geheel niet aanwezig is. ^lawmocdtgfc» onderstelt, dat de aanwezig zijnde moed slechts eenige versterking behoeft; Bemoedigen, dat de moed verlevendigd en opgewekt moet worden bij een persoon, die door ondervonden teleurstelling en nederlagen geheel ter nedergeslagen is, en wien de moed
22
AANNâAAM.
dreigt te ontzinken. Van de drie laatste is woerfj/evcw de zwakste uitdrukking. Dit kan, even als moed inboezemen, van zaken of gebeurtenissen gezegd worden. Moed inuoczcmcn kan door daden of woorden geschieden en onderstelt, wanneer het van personen gezegd wordt, dat deze een lioogen graad van moed hebben, dien zij als 't ware op andere weten te doen overgaan. Moed inspreken wordt alleen van personen gezegd en geschiedt door middel van woorden. Hij moedigde hem aan om op den ingeslagen weg voort te gaan. Bedrukte en terneergeslagen mensclicn moeten bemoedigd worden. Betere omstandigheden geven terstond wal moed. Met woord en daad boezemde hij zijn suldaten moed in, zoodal zij tot het uiterste volhardden.
Aannemen â oiinenien. Heide drukken het bij zich ontvangen, tot zich nemen uit. Bij hef eerste heeft men een bepaalde betrekking van den aannemer tot den persoon, die aangenomen wordt, op het oog, bij het laatste meer het in hooger of beter omgeving brengen van hetgeen men op den grond of in lager conditie gevonden heeft. Aannemen als kind. Een timmermansbaas neemt knechts aan. De predikant neemt de catechisanten aan. Do oude heer heeft den kleinen zwerveling in zijn huisgezin opgenomen. Men hoopt alle heidenen in den schoot der kerk op te nemen. Hij is opgenomen in onzen kring.
Aannemen â krijgen â ontvangen â overnemen. Iets dat door een ander gegeven wordt tot zich nemen. Aannemen veronderstelt dat men iets, dat door een ander aangeboden wordt, tot zicli neemt met zijn bepaalden wil. Bij ontvangen behoeft men zelf niet werkdadig te zijn, althans het denkbeeld van vrijwilligheid ontbreekt hierbij. Men ontvangt of krijgt eene wonde, heeft het geld ontvangen of gekregen, doch een geschenk neemt men aan. Het geld, dat voor het huis geboden werd, is door den verkooper aangenomen. Wil men bepaald uitdrukken dat iets van den een op den ander is overgegaan en door dezen is aangenomen, hetzij om het te bezitten of om het ter bestemde plaatse te brengen dan bezigt men overnemen. De eene neemt de goederen van den ander over. Ieder neemt wol eens iets over van zijn buurman.
Aannemen, zie Aanvaarden.
Aanpakken , zie Aangrijpen.
Aanporren, zie Aandrijven.
Aanpreeken,' zie Aanbevelen.
Aanprijzen, zie Aanbevelen.
Aanprikkelen, zie Aandrijven.
Aanraken â aanroeren â aanstippen. Figuurlijk opgevat drukken zij uit dat iels terloops vermeld wordt. Aanroeren is iets in 't voorbijgaan vermelden, slechts oven gewag van iets maken. Aanraken wordt gebruikt, wanneer men terloops iets vermeldt, dat licht onaangenaamheid zou kunnen geven door het te bespreken, liet veronderstelt korter vermelding dan aanroeren, terwijl aanstippen nog korter is en bierbij elke mogelijke uitweiding vermeden wordt. Bekende feilen behoeft men slechts even
23
AANR.
aan te stippen. Netelige kwesties raakt niemand gaarne aan. De twistpunten werden niet verder aangeroerd.
Aanraken â annruereii â aankomen â betasten â bevoelen. De hand slaan aan de oppervlakte van iemand of van iets. Aanraken, aanroeren en aankomen beteekenen niets meer dan de hand aan iets hrengen, hetwelk bij aanraken onwillekeurig kan geschieden, maar bij aanroeren eigenlijk niet. Aanroeren veronderstelt veelal het veroorzaken van eene beweging in het aangeroerde. Eene teederc snaar aanroeren. Betasten is van verschillende zijden al grijpende iets uitwendig aanroeren, met het doel om zich goed bekend te maken met het uiterlijke. De blinde belastte het voorwerp om te weten wal hem gegeven was. Bevoelen verschilt in zoover van belasten, dat het meer gezegd -wordt van het met de handen onderzoeken naar den aard van iets. Zie aantasten.
Aanranden, zie Aantasten.
Aanrechten â opdlsschen â toebereiden. Een maaltijd gereed maken. Aanrechten is eigenlijk het in orde brengen der schotels alvorens zij op de tafel geplaatst worden; opdisschcn is het plaatsen der schotels of spijzen op den disch, terwijl toebereiden meer op de voorbereidselen ziet, welke daaraan vooraf moeten gaan. Bij uitbreiding wordt aanrechten ook gebruikt voor de spijzen gereedmaken en opdisschen voor schaffen. Er werden maaltijden aangerecht, waarbij niet schraal werd opgedischl.
Aanreiken, zie Aanlangen.
Aanrichten â veroorzaken â teweegbrengen â stichten.
Veroorzaken drukt het algemeene begrip uit. Aanrichten en teweegbrengen veronderstellen het veroorzaken of doen ontstaan van eene handeling of toestand, zonder dat er een voorbedacht plan is gemaakt. Bij berokkenen (zie aldaar) wordt aan bepaald opzet om kwaad te stichten gedacht. Schade veroorzaken. Het krijgsvolk tot muiterij overgeslagen, richte een bloedbad aan. Tc weeg brengen is van aanrichten onderscheiden voor zoo ver het op het oog heeft dat men iets langzamerhand in beweging brengt, terwijl stichten meer op den uitslag ziet en de grootte van hetgeen tot stand komt. Veroorzaken en teweegbrengen worden ook van zaken gebruikt, aanrichten en stichten meest slechts van personen. Broeiend hooi brengt brand teweeg. De booswicht stichtte een geweldigen brand. De liefde slicht geen kwaad.
Aanroepen â bidden â smeeken. Zijne stem verheffen tot iemand, teneinde hulp of bijstand te verkrijgen, of vervulling zijner wenschen te erlangen. Aanroepen veronderstelt eigenlijk dat men iemand die machtiger is luide te hulp roept; doch het is ook voor het stil gebod in gebruik gekomen. Bidden is iets van iemand vragen, van Avien men vervulling van zijn wensch meent te erlangen op eenige bepaalde gronden. Smeeken is he' uiten eener dringende, vurige bede. In den dag der benauwdheid roept hij den God zijns heils aan. Hij bad God om vrede. De jongeling bad het meisje hem niet ongetroost weg te zenden om zijne groote liefde voor haar. Hij smeekte om genade, doch te vergeefs.
Aanroeren, zie Aanraken.
24
AANS.
AanschalTen â aankoopcn â Inkoopcn â verschaffen (ïlch) â verwerven (zich). Zich iets bezorgen. Aansclia/fen, aati-koopen, inkoopcn en zich verschaffen worden gebruikt voor het zich bezorgen â van stoffelijke bunoodigdheden voor geld. Zich verschaffen is bovendien evenals zich verwerven in gebruik voor het verkrijgen van onstoffelijke zaken zonder dat hierbij een koop plaats heeft. De eerste woorden verschillen alleen wat het oogmerk der handeling betreft. Men schaft zich iets aan, omdat men het voor een bepaald doel wenscht te gebruiken. Zich gereedschappen aanschaffen. Men koopt iets aan, omdat men het wenscht te bezitten, zonder een of ander ondersteld bijoogmerk. .EWi ianrfj/ocdrtcm/coopew. Men koopt iets in, om het weder te verkoopen. Die winkelier heeft hel meel veel te duur ingekocht. Zich verschaffen onderscheidt zich van zich verwerven, doordat bij het eerste meer op den voorgrond staat dat men behoefte of verlangen heeft naar de zaak, die men tracht te bezitten, terwijl bij liet laatste bovendien gedacht wordt dat hetgeen men verkrijgt, aan den persoon, die verkrijgt, een welverdiend loon bezorgt, of dat men iets verkrijgt door innerlijke hoedanigheden. Boor eerlijke middelen verschafte hij zich een bestaan. Door ijver cn plichtsbetrachting verwerft men zich vermogen, door vriendelijkheid cn voorkomendheid de toegenegenheid zijner medeburgers.
Aanschieten, zie Aandoen.
Aanschijn, zie Aangezicht.
Aanschouwen â gewaarworden â waarnemen. De algemeene beteekenis is: door de zintuigen indrukken in den geest opnemen; zij verschillen ten opzichte van den graad der energie van den geest. Gewaarworden is het zwakst, het is het zich bewust worden van eene aandoening of indruk, die evengoed onopgemerkt had kunnen voorbijgaan. Waarnemen is achtgeven op de indrukken, die in ons tot bewustzijn komen en ze van elkander onderscheiden. Aanschouwen veronderstelt aanwending van het oordeel en is het samenvatten van de verschillende waarnemingen tot een geheel. De waarneming bepaalt zich tot eene enkele gewaarwording, de aanschouwing omvat er meerdere, zij beziet de zaak van verschillende kanten; zij blijft het eigendom van den geest, ook nadat de zinnelijke indruk opgehouden heeft; de geest kan haar weer als voor het oog te voorschijn roepen, dit heet zich iets voorstellen. Aanschouwen, gewaarworden en waarnemen zijn ook synoniem, waar zij slechts eene werking van het gezicht aanduiden. Bij waarnemen gaat men dan opzettelijk te werk, terwijl gewaarworden bij toeval gebeurt.
Aanschouwer â toeschouwer. Bij het gebruik van het eerste woord denkt men meer uitsluitend er aan, dat do persoon, die ziet, zijn gezichtsvermogen gebruikt, terwijl bij het laatste tevens verondersteld wordt, dat de geest van den persoon werkzaam is en als 'tware aan de handeling, die hij ziet, deelneemt. Aanschouwer kan men zijn van eene handeling, van eene werking der natuur en van eene zaak, tocsc/iOMWc»-alleen van eene handeling. Ik ben geen bloot aanschouwer geweest, al moest ik mij tot de rol van toeschouwer bepalen.
25
AANS.
Aanschouwen, zie Aanblikken.
Aanslag â plan â ontwerp â toeleg â voornemen. Al
deze woorden wijzen ecne strekking van geest en wil aan om iets ten uitvoer te brengen. Voornemen en plan drukken deze stemming meer onbepaald uit. Zijt gij voornemens naar de societeit Ie gaanl Gaat men tot het vaststellen der middelen en het beramen der wijze van uitvoering over, dan vormt men een on/ioerp. Ook kan men in deze beteekenis gebruiken. Een ontwerp van een gebouw, van een brief, van eene wet. Toeleg is de voorbereiding en het maken der schikkingen lot de uitvoering; aanslag heel de onderneming zelve. Zijn snoode toeleg werd verijdeld. Er werd een aanslag op ^sprinsen leven gedaan. Aanslag wordt ook dikwijls gebruikt voor geheime aanval. Heraugières aanslag op Breda gelukte.
Aanspannen â Inspannen â voorspannen. Alle drie duiden het verbinden van trekdieren aan met iels, dat bewogen moet worden. Aanspannen is in 't algemeen het verbinden van een rij- of voertuig. Voorspannen is het spannen van andere trekdieren voor de reeds aangespannen dieren. Ook wordt het wel gebruikt van de trekdieren aanspannen. Span do paarden er maar voor. Overdrachtelijk ook iemand ergens voorspannen. Inspannen is het trekdier in het trektuig brengen en dit bevestigen; bij uitbreiding wordt het ook van het rijtuig, gezegd. We zullen de paarden uil stal halen en inspannen. De kar slaat al lang ingespannen.
Aanspoeling, zie Aanwas.
Aanslibbing, zie Aanwas.
Aansporen, zie Aandrijven.
Aanspraak â toespraak â rede â redevoering. Rede en redevoering verschillen alleen in zoover, dat de laatste eene meer plechtige wijze van openbare behandeling van een of ander gewichtig onderwerp aanduidt dan de eerste. Bede heet ook hetgeen men in het gewone gesprek tot een ander zegt. Iemand in de rede vallen. Aanspraak is het min of nicer deftig spreken tot alle aanwezigen; toespraak veronderstelt meer, dat de spreker zich rechtstreeks wendt tot een of meer der aanwezigen. Bij een openbaar examen, eene prijsuitdeeling, opent de voorzitter de plechtigheid met eene aanspraak, en richt naderhand eene toespraak tot do leerlingen. In het bijzonder gesprek verwacht men van den aongctjirukene een antwoord, de toegesprokene kan met aanhooren volstaan.
Aanspraak maken op â betwisten â toekennen (aieb).
Het bezit of genot eener zaak voor zich verlangen. Zich toekennen ziet alleen op het feit, dat men te kennen geeft dat iets aan zich zeiven en aan geen ander toekomt. Aanspraak maken en betwisten veronderstellen dat de zaak niet in het bezit is van den persoon, die de aanspraak maakt of die betwist. Aanspraak maken is het laten gelden van eischen, hetzij gegrond of ongegrond om iels te bezitten. Betwisten onderstelt dat beide partijen gelijkelijk aanspraken op liet bezit van iets meenen te hebben en dat zij elkander met eenig geweld de zaak willen ontnemen. Be vreemdeling
26
AANS.
maakte wel aanspraak op de erfenis, doch zijn eisch werd afgewezen. Bieren betwisten elkander hunne prooi, moischen betwisten elkander eene erfenis, den voorrang enz.
Aansprakelijk â vcrantwoonlelijk. Verplicht om dc gevolgen eener daad op zich te nemen, of zich over die daad Ie verantwoorden. Aan eene hoogere macht is men verantwoordelijk; men is aansprakelijk ook jegens zijns gelijken of zijne minderen. Het doel van verantwoording is rechtvaardiging; aansprakelijkheid verplicht ons tot vergoeding van schade. Dc ministers zijn verantwoordelijk en voor de gevolgen eener eigendunkelijke handelwijs aansprakelijk.
Aanslaan â bcliagen â bevallen. Eene aangename aandoening verwekken, een gunstigen indruk maken. Behagen en bevallen schijnen in zoover van elkander te verschillen, dat het eerste betrekking heeft op het voorwerp, dat de aandoening verwekt, het laatste op den persoon, die haar ondervindt. Bevallen veronderstelt een meer oppervlakkigen en voorbij-gaanden indruk dan behagen. Eene sc/ioone vrouw kan iemand hij den eersten aanblik bevallen; eene verstandige en geestige vrouw behaagt op den duur. Aanstaan is synoniem met behagen, maar men bezigt het meest van zaken en van personen alleen in den gemeenzamen stijl. Bestreek staat mij hier wel aan. Neef stond mij niet erg aan.
Aansfaantl â eerstkomenil â op handen xijnde â toekomend. Alle worden gebezigd van toekomstige gebeurtenissen. Het begrip aanstaand is minder ruim dan het begrip toekomend; het wijst nauwkeuriger dan toekomend iets aan, dat in de naaste toekomst ligt. Toekomende jaar hoop ik een pleizicrreisje te doen. Aanstaanden zomer ga ik op reis. Eerstkomend wijst op de eerste van eene reeks bepaalde gebeurtenissen in de toekomst. Bij de namen van dagen, weken, maanden en andere zaken, die op vaste tijden terugkeeren, gevoegd, zegt aanslaand hetzelfde als eerstkomend. Den eersten April aanslaande of eerstkomende. Op handen zijnde duidt aan dat iets binnen zeer korten tijd kan geschieden, en komt dikwijls bijna geheel overeen met aanslaatide. De aanstaande verloving, de ophanden zijnde verloving des prinsen.
Aanstalten â⢠toebereidselen. De voorbereidende maatregelen voor eene handeling. Aanstalten veronderstellen dat anderen de maatregelen zien en daardoor opmerken, dat men tot de handeling zal overgaan. Toebereidselen ziet meer op den aard en de strekking der maatregelen. Terwijl de eerste meest openbaar zijn, kunnen toebereidselen zoowel in het geheim als in 't openbaar geschieden. Do eerste gaan de handeling onmiddellijk vooraf; do laatste kunnen lang te voron gemaakt worden en onderstellen een langoren duur. Be troepen maakten geen aanstalten om te vertrekken, voordat dc vijand zich op dc hoogten vertoonde. Be toebereidselen voor den oorlog waren zoo geheim gehouden, dal de spionnen, die Frankrijk er in de laatste jaren gezonden had, niets bemerkt hadden.
Aanstaren, zie Aanblikken.
Aanstekelijk, zie Aanstekend.
27
AANS.
Aansteken â ontsteken â opsteken â In brand steken â brandstichten â brand veroorzaken â vuur maken. Iets aan het branden brengen, doen ontvlammen. Opsteken wordt bijna uitsluitend van tot licht geven bestemde dingen gezegd (uitgezonderd cene pijp of sigaar opsteken in de beteekenis van gaan rocken) ontsteken alleen van hetgeen als vuur brandt of ontvlamt, aansteken geldt van beide. Ontsteken onderstelt het aanwezig zijn van brandstof, die maar even met vuur behoeft in aanraking te komen om te branden, wat bij aansteken niet altijd het geval is. Men steekt eene kaars, eene lamp op en aan; kruit en reukwerk worden ont-stoken of aangestoken. Eene pijp en eene sigaar kunnen worden aangestoken met een lucifer. In brand steken onderstelt niet noodzakelijk strafbare bedoelingen, zooals met brand stichten altijd het geval is. Pas op, dat go den boel niet in brand steekt. Brand stichten geeft uitdrukkelijk te verstaan, dat het brand veroorzaken met misdadige oogmerken of uit vijandschap geschiedt. Brand veroorzaken of teivcegbrengen â ook van levenlooze voorwerpen in gebruik â geven te kennen, dat het in brand steken zonder opzet, doch bij ongeluk of bij toeval geschiedt. Wie brand stichtte werd opgehangen. De brand is door de kat veroorzaakt, doch volgens sommigen door het broeien van het hooi. Vuur maken is iets in brand steken met een goed doel â om zich te warmen, iets aan te steken of spijzen te bereiden. De reizigers wilden vuur maken, doch daar alle hout vochtig was gelukte het hun niet en konden zij dus geen eten koken.
Aanstekend â aanstekelijk â besmettelijk. Zij drukken uit dat ziekte of verkeerdheid overgebracht kan worden van het eene individu op het andere. Eene ziekte is aanstekend, als b.v. de smetstof door onmiddel-lijken invloed van ' den zieke op een ander kan worden overgebracht; besmettelijk, wanneer daarvoor geen rechtstreeksche aanraking met den zieke noodig is, maar de smetstof reeds door iemand aan derden kan worden medegedeeld. Aanstekelijk staat in den regel voor lichtelijk aanstekend en voor besmettelijk. Onwillekeurige handelingen, zooals het geeuwen, kunnen aanstekend en aanstekelijk, maar niet besmettelijk zijn, omdat een derde, die zelf niet geeuwt, die neiging niet op ons kan overbrengen.
Aanstellen (zich), zie Gedragen (zich).
Aanstellen â benoemen â beroepen. Aanstellen is eene werkzaamheid van eenigen duur aan een persoon opdragen, die ook bereid is zich daarmee te belasten en haar werkelijk aanvaardt. Benoemen onderstelt altijd eene bevoegdheid tot aanstellen, hetzij door de overheid, door een of ander wettig erkend college of door bijzondere personen door de wet daartoe aangewezen, en sluit niet noodzakelijk in, dat de aangewezen persoon zich de opdracht zal laten welgevallen. Iemand tot boekhouder, opzichter, enz. aanstellen, lol rechter, ontvanger, enz. benoemen. Beroepen onderstelt altijd eenige onzekerheid of de persoon, die geroepen wordt, de betrekking zal aannemen. Het wordt daarom vooral gebezigd van geestelijken, die door een kerkeraad, enz. tot de herderlijke bediening worden uitgenoodigd, met vrijheid cm dat aanbod al of niet aan Ie nemen. Een kardinaal of bisschop
28
AANSâAANT.
wordt benoemd door den paus, doch de predikant wordt door den kcrkeraad of door het kiescollege beroepen.
Aanstippen, zie Aanraken.
Aanstoken, zie Aandrijven.
Aanstonds â aldra â binnen kort â dadelijk â dra â eerlang â gauw â haast â in een ommezien â onmiddellijk â onverwijld â oogenbllkkelijk â ras â spoedig â straks â terstond â vlug â weldra â welhaast â xóó â op staanden voet. Al deze woorden geven te kennen, dat eene of andere gebeurtenis \an een gegeven tijdpunt óf door nagenoeg geen, óf slechts door een betrekkelijk kort tijdsverloop gescheiden is. Aanstonds, dadelijk, straks, terstond, zóó, onmiddellijk, onverwijld, oogenblikkelijk, oj) staanden voet duiden het kortste tijdsverloop aan, en veronderstellen, dat het bedoelde werkelijk zal of moet plaats hebben. Aanstonds en nog meer terstond geven te kennen op dit eigen oogcnblik. Straks wijst op eenige, ofschoon geringe, tusschenruimte. Dadelijk en op staanden voet komen het meest met terstond overeen, naar zijn gemeenzamer en vooral het laatste gebiedender. Dezelfde kracht als terstond hebben ook onverwijld (dat meer in hoogeren stijl voorkomt), onmiddellijk, oogenblikkelijk. Onverwijld geeft te kennen, dat er geen uitstel plaats heeft, onmiddellijk dat er niets tusschen beide geschiedt, oogenblikkelijk, dat de zaak op hetzelfde oogenblik voorvalt. Zóó geeft te kennen, dat iets geschieden zal onmiddellijk na den afloop van iets anders, dat nu geschiedt, doch dat nog maar kort duren zal. Binnen kort, weldra, spoedig, gauw, eerlang, dra, aldra, haast, welhaast en ras duiden een langer tijdsverloop aan, maar dat toch altijd betrekkelijk kort blijft. In de spreektaal worden alleen de vier eerste gebruikt. Gatiw is hetzelfde als spoedig, doch minder deftig. Binnen kort duidt een korter tijdsverloop aan dan weldra en het laatste weer een korter dan spoedig en eerlang. Dra en aldra zijn hetzelfde als weldra, doch worden minder gebruikt. Haast, welhaast en ras zijn dichterlijke synoniemen van spoedig. Spoedig en gauw hebben niet alleen betrekking op den tijd waarin, maar kunnen ook slaan op de snelheid waarmede eene handeling verricht wordt. In deze opvatting zijn zij van gelijke beteekenis als /luks, gezwind, haastig, ijlings, schielijk, die alle het denkbeeld met spoed met meer of minder kracht uitdrukken. In een ommezien geeft te kennen dat er als 'tware niet meer tijd voor iets noodig is, dan voor het omwenden van het hoofd. In een ommezientje ben ik bij u.
Aanstoot â ergernis. De beleedigende of kwetsende gewaarwording, die iemand ondervindt bij hetgeen zijn zedelijk of godsdienstig gevoel, of wel zijne eigenliefde beleedigt of kwetst. Aanstoot is minder dan ergernis. Hij, die lichtzinnig spreekt, geeft aanstoot; hij, die goddelooze taal voort, geeft anderen ergernis. Verder bestaat er tusschen beide woorden nog dit â verschil, dat ergernis meer slaat op het gevoel van hem, die geërgerd wordt, aanstoot op de daad van hem, die ergert.
Aantal â getal â hoeveelheid â menigte â⢠tal â veelheid. Getal en hoeveelheid duiden een bepaald bedrag of beloop van samengeno-
29
AANT.
men personen of zaken aan. Aantal, menigte en veelheid zijn onbepaald, terwijl tal lot beide kan behooren. Hoeveelheid is de algemeene uitdrukking voor eene verzameling van gelijksoortige of gelijksoortig gedachte eenheden. Eene zekere hoeveelheid appels. Het is het wetenschappelijke woord, dat de groote der quantiteit vóór de telling of onafhankelijk van lolling uitdrukt. Gelat is in het afgetrokkene de naam eener getelde hoeveelheid, concreet duidt het ook wol de getelde eenheden zelf aan. Slechts een klein getal der leden steunde hel voorstel. Met deze laatste beteekenis komt gewoonlijk ook tal overeen; somtijds heeft het eene eenigszins ruimere beteekenis: iemand tal van vragen doen. lüj aantal, menigte en veelheid-wordt altijd aan eene onbepaalde, niet getelde hoeveelheid gedacht. Aantal duidt gewoonlijk eene vrij aanzienlijke hoeveelheid aan, doch kan b. v. met een bepaald adjectief ook van kleine hoeveelheden gezegd worden. Er was maar een zeer gering aantal. Menigte beteekent steeds een groot aantal. Menigte sluit alle denkbeeld van tellen buiten, waarvan aantal althans de mogelijkheid onderstelt. Menigte en veelheid zien op de totaliteit. Eene menigte volks. Eene ontelbare menigte. Eene onoverzienbare menigte In de veelheid der reden is meer kwaad dan goed.
Aantasten, zie Aanvallen.
Aantasten â Aanranden. Iemand aanvallen met woord of daad. liet eerste kan met goede en met kwade bedoelingen geschieden, liet laatste heeft altijd het denkbeeld van iemand aanvallen ten einde eigen lust te voldoen , door geweld te plegen en een ander te beleedigen of hem nadeel te berokkenen. Het bijgeloof en de dwaling aantasten. Men moet nooit de leer der waarheid aantasten. Iemands eer en goeden naam aanranden. Die de onschuld aanrandt, verdient gestrenge straf. Hij werd door twee kerels aangerand, die hem zijn geld wilden ontnemen.
Aanteekenen â opteekenen â⢠opschrijvenâhoeken. Op-
teekenen, opschrijven geven het bloote opschrijven , onverschillig op welk papier of in welk boek, te kennen. Met aanteekenen is het bijdenkbeeld verbonden , dat het opschrijven geschiedt op eene bepaalde plaats of bij iets anders, dat bekend is, zoodat men het aangeteokende gemakkelijk kan we-dervinden. Ik zal den dag onzer vergadering even in mijne portefeuille aanteekenen. Boeken verschilt in zoover van aanteekenen, dat voor het eerste noodwendig boeken , in don regel koopmansboeken, vereischt worden. Hij hoekt het in zijn journaal.
Aanteekenlng â aanmerking â noot. Geschrevene of gedrukte opmerking ter opheldering en/, aan den tekst toegevoegd. Aanteekening is ruimer dan aanmerking. Elke schriftelijke opmerking aan het werk van een schrijver toegevoegd heet eene aanteekening, maar aanmerking noemt men haar alleen dan, wanneer zij eene (doorgaans ongunstige) beoordeeling van den tekst inhoudt. Aanteekening en noot beteekenen geheel hetzelfde.
Aantoonen, zie Aanlokken.
Aantijgen, zie Aanklagen.
30
AANTâAANV.
Aantijgen â aanwrijven â kwaadspreken â lasteren.
Iemand met opzet iets ten laste leggen , ten einde hem in een kwaad daglicht te plaatsen. Aantijgen heeft eene bepaalde daad op het oog, die men iemand ten laste legt. Aanwrijven duidt aan dat het ten laste gelegde een smet op den goeden naam werpt en onderstelt meest dat de beschuldiging onjuist is en te kwader trouw geschiedt. Kwaadspreken en Zastemi hebben meer ten dool den persoon te benadeelen door hetgeen men van hem vertelt, zonder hem nog bepaald te beschuldigen. Kwaadspreken is meer ai-gemeen, het veronderstelt buiten diens tegenwoordigheid iets van iemand vertellen, hetzij waar, hetzij valsch, dat hom niet tot eer verstrekt. Lasteren sluit in, dat de kwaadspreker valsch beschuldigt en den belasterde benadeelt in zijn eer en aanzien. Wat door zedelijk (joedc hoedanigheden en uitstekende eigenschappen eene hooge plaats inneemt kan belasterd worden, doc/i de laster vindt geen geloof. Spreek geen kwaad van uw buurmans kind, want hij zou hel u ten kwade duiden. Wal men hem ook aanteeg, hij wees het als vuig en laster af. De substantiva hierbij behoorend zijn aantijging, achterklap en laster, zie Achterklap.
Aantooncn, zie Aamlulden.
Aantoonen, zie Aanwijzen.
Aantrellen â ontmoeten â vinden. Het begrip, aan de beide eerste woorden eigen, is: in iemands onmiddellijke nabijheid komen, met iemand samentretlen; met vinden hebben zij gemeen het gevolg van het samentrefTen nl. het opmerken. Zij verschillen in zooverre, dat (lantrcffcn meer oene toevallige samenkomst aanduidt, ontmoeten meer eene zoodanige, waarbij de personen als van weerskanten in eene zelfde richting handelend gedacht worden en verder een samenkomst, waarop men min of meer was voorbereid. Wat, tref ik u hier aan? Bergen en dalen onlmoelen elkander niet, maar men-schen wel. Met vinden zijn zij synoniem voor zoover men op zijn weg zonder bepaald te zoeken komt tot iets, dat men niet juist verwachtte of zocht. Rij aantreffen en vinden wordt verondersteld, dat zich het object in rust bevindt. Hetzelfde zinnebeeld, dat ik hier aantrof, had ik ook reeds meermalen gevonden. Dergelijke fouten ontmoet men meer bij dien schrijver.
Aantrekken, zie Aandoen.
Aantrekken, zie Aanhalen.
Aantrekken (zich) â bekreunen (zich) â bekommeren (zich) â storen (zich). Iets onaangenaams op zich zelf toepassen, zich ontevreden of bedroefd er over gevoelen. Zich aantrekken zegt alleen, dat men er niet onverschillig onder blijft en wordt alleen van zaken gebezigd. Bij zich storen, zich bekreunen, zich bekommeren is de uitwerking sterker, zoodat het gebeurde óf ons van onze gemoedsrust berooft {zich storen), óf ons pijnlijk treft (zich bekreunen), óf ons met angst en bezorgdheid vervult {zich bekommeren).
Aantrekken (zich), zie Aanklccden.
Aanvaarden â aannemen â op zich nemen. Van een ambt,
31
AANV.
oene betrekking, een post, een taak, enz. beginnen te bekleeden gebezigd, hebben aanvaarden en op zich nemen eene meer bepaalde beteekenis dan aannemen; bet laatste drukt alleen de bereidwilligheid uit om er zich mede te belasten, de eerste geven te kennen, dat men ze reeds begint te bekleeden, te vervullen. Hij heeft die betrekking wel aangenomen, doch nog niet aanvaard. Aanvaarden is eigenlijk zijne vaart, zijn gang, zijne schreden tot iets richten, vervolgens zich richten tot een werk ten einde het aan te vangen. Op zich nemen geeft bovendien meer uitdrukkelijk te kennen, dat men eene verantwoordelijkheid, een last op zich laadt. Yan zaken gesproken, die als het voorwerp van bezit beschouwd worden, staat aanvaarden soms voor aannemen, doch dit laatste heeft het bijdenkbeeld, dit de zaak door een ander wordt aangeboden; aanvaarden veronderstelt, dat het eene zaak van eenig belang geldt, en dat de aanbieding min of meer plechtig geschiedt. Aanvaard deez' gouden ring. In de uitdrukkingen eene reis, een tocht aanvaarden is aanvaarden synoniem met ondernemen, aanvangen, beginneti. Zie Beginnen.
Aanvallen â aangrepen â aantasten â aanvliegen. Alle drukken uit een vijandig te lijf gaan, het met vijandige bedoeling tot iemand komen ten einde de hand aan hem te slaan. Zij laten in het midden of zulks geschiedt te recht of ten onrechte. Is dit laatste bepaaldelijk het geval, dan bezige men aanranden. Aanvallen is de meer algemeene uitdrukking. Hiervoor is geene onmiddellijke nabijheid noodzakelijk, daar dit ook van het eerste begin van den strijd gebruikt wordt. Aanvallen op onderstelt, even als aangrijpen en aantasten, meer onmiddellijke nabijheid. Aangrijpen duidt een krachtig en van zeer nabij aanvallen aan. Hij liet de soldaten den vijand met de bajonet aangrijpen. Zij grepen hem aan en wierpen hem een eind terug. Aantasten onderstelt vastberadenheid, bedaardheid en overleg. Aanvliegen veronderstelt een heftigen aanval, waarbij vooral snelheid op den voorgrond staat. De Kaffers vlogen om aan als wilde dieren, die op hun prooi los sprongen. Meestal is er het begrip van toorn of woede mede verbonden. Hij ontstak in zoo groote woede, dat hij mij aanvloog, en zoo men mij niet spoedig te hulp was gekomen, had hij mij geworgd.
Aanvallig, zie Aanminnig.
Aanvang, zie Aanbegln.
Aanvangen, zie Beginnen.
Aanvatten, zie Aangrijpen.
Aanvechting â verzoeking. Verlokking tot het booze. Aanvechting drukt dit begrip het sterkst uit, en wordt uitsluitend gebezigd van booze hartstochten en zondige gedachten, die den mensch een inwendigen strijd veroorzaken en hem in gevaar brengen van een zedelijken val. Verzoeking is het op de proef stellen en opwekking van den lust bij den mensch om iets verkeerds te doen; hierbij staat echter het begrip van strijd niet zoo op den voorgrond. God kan ons om bestwil in verzoeking brengen, maar de aanvechting, die daar het gevolg van is, gaat altijd uit van de zondige
32
AANVâAANW.
neigingen van ons eigen hart. Pascal droeg om het hlnote lichaam een gordel met scherpe pennen, die hij er onbarmhartig in dreef, zuudra hij de eene of andere aanvechting gewaar werd.
Aanverwant â nangcliuwd â verwant â bloedverwant.
Aanverwant was vroeger de algemeene benaming; thans beteekent het, evenals aangehuwd, iemand door.huwelijk vermaagschapt, en is dus onderscheidon van bloedverwant. Bloedverwant wordt alleen van iemand gezegd, die van dezelfde familie is en dus door den band des bloeds verbonden is. Verwant duidt eene familiebetrekking aan, doch laat in 't midden of deze door aanhuwelijking is ontstaan of door banden des bloeds.
Aanvliegen, zie Aanvallen.
Aanvoegen, zie Aanbinden.
Aanvoeren, zie Aanbrengen.
Aanvoeren, zie Bijbrengen.
Aanvuren, zie Aandrijven.
Aanwakkeren, zie Aandrijven.
Aanwas â aanspoeling â aanslibbing â aanslijklng â aan-werp â gors â seliorren. Langzame uitbreiding van land aan een loopend water gelegen. Aanspoeling en aanwerp zien alleen op de wijze van uitbreiding; aanwas stelt den nieuw gevormden grond voor als eene vergrooting van den reeds vroeger beslaanden; aanslibbing (aanslijking) ziet op de stof, waaruit de aanspoeling of aanwas zicli gevormd heeft. De geheele grietenij Hel Bilt is eene aanslibbing. Wanneer de aanslibbing aan den mond eener rivier zeewaarts ligt en uit klei bestaat, noemt men deze gronden gorzen; zijn de aanslibbingen banken, in zee gelegen, of strand buitendijks, voornamelijk kleiachtigen grond bevattend, dan heeten zij schorren.
Aanwenden â besteden â zicli bedienen â gebruiken â bexlgen â zich ten nutte maken. Door bepaalde middelen streven naar de bereiking van zeker doel. Gebruiken is het algemeenste, en laat gevolg en wijze van handelen in het midden. Zijn tijd wel of kwalijk gebruiken. Zich ten nutte maken is gebruiken op zulk een wijze, dat het gebruik voordeel geeft aan den gebruiker. Die zijn tijd aan beuzelingen verkwist, maakt zich dien schat niet ten nutte. Bezigen en zich bedienen stellen de handeling voor in betrekking tot een doel, dat meestal in den zin wordt aangewezen. Bezigen wordt gezegd van hot gebruik maken van zaken als werktuig, terwijl zich bedienen van even als gebruiken personen of zaken als object der handelingen kan hebben. Bij zich bedienen van staat meer op don voorgrond de hulp, die men van iemand of van iets kan hebben, voor de bereiking van zijn doel. Men bezigt gewoonlijk geen pennemes om vleesch te snijden, maur men kan er zich desnoods daartoe van bedienen. Besteden heet insgelijks iets als middel gebruiken, maar wordt voornamelijk ten opzichte van die zaken gezegd, die door het gebruik vergaan. Men besteedt zijn geld en zijn tijd, maar men gebruikt
SYNONIEMEN. 3
33
AANVV.
zijne pen. Mot aanwenden is liet begrip van een doel, waartoe krachten, vermogens of hulpmiddelen gebruikt worden, altijd onafscheidelijk verbonden. Vernuft, tijd, geld, moeite, vlijt aanwenden. De pogingen, die zij aanwendde, hielpen haar niet.
Aanwensel â aanwenst â gewoonte â licbbelijkheld.
Eene handeling, die men zoo dikwijls doet ol gedaan heeft, dat men zich bij het doen niet zelfbewust rekenschap van zijne daad geeft. Gewoonte is het algemeene woord en laat onaangeroerd of hetgeen men doet goed of verkeerd is. Gewoonte is eene tweede natuur. Aanwensel heeft altijd, en hebbelijkheid meestal het ongunstige bijbegrip, dat de gewoonte verkeerd of belachelijk is. Ieder volk heeft zijne gewoonten en zijne aanwensels. Mijn geest had zich geducht overspannen en eene hebbelijkheid gekregen om automatisch te werken. Aanwenst is tegenwoordig minder in gebruik dan aanwensel, dat geheel hetzelfde uitdrukt, en wordt bijna alleen gebezigd voor de daad van aanwennen. Hebbelijkheid staat ook voor bedrevenheid. Men moet er de hebbelijkheid van bezitten.
Aanwenst, zie Aanwensel.
Aanwerp, zie Aanwas.
Aanwezen â aanzijn â bestaan â leven. Aanwezen en het tegenwoordig meer gebruikt wordende, maar geheel hetzelfde beteekenende aanzijn duiden het bestaan in de werkelijkheid van iets of iemand aan, in tegenstelling van het bloote bestaan in de gedachten. Bestaan geeft meer een voortgezet aanzijn te kennen. God heeft als Schepper der wereld het aanzijn gegeven, en Hij zorgt als Onderhouder voor haar bestaan. Leven is het bestaan van hetgeen bewerktuigd is, doch ziet meer op de functie, die er bij verricht wordt. De kat heeft een taai leven.
Aanwezend â aanwezig â tegenwoordig â voorhanden.
Deze woorden geven alle te kennen liet zijn of zich bevinden binnen eene grootere of kleinere ruimte. Aanwezig heeft de ruimste beteekenis en kan zoowel van personen, als van stoffelijke dingen en tijdstippen of tijdsomstandigheden gebezigd worden, tegenwoordig wordt van personen en tijden, maar minder van stoffelijke zaken gezegd, terwijl aanwezend alleen van personen, voorhanden alleen van stoffelijke dingen gezegd wordt en veronderstelt, dat zij dadelijk gebruikt kunnen worden. Aanwezig onderscheidt zich van tegenwoordig en voorhanden, doordat het eerste op eene vrij groote ruimte toepasselijk kan zijn, de beide laatste een meer beperkten kring veronderstellen. Tegenwoordig, op personen toegepast, is op zulk eene wijze aanwezig zijn, dat men aan de handeling, die ter plaatse voorvalt, kan deelnemen. Met deze beteekenis van tegenwoordig stemt aanwezend overeen, dat behalve bij titels weinig gebruikt wordt. De leden van eenever-eeniging, die eene openbare vergadering bijwonen, zijn aanwezig of tegenwoordig; van de toehoorders, die geen deel aan de beraadslaging mogen nemen, zegt men liefst dat zij aanwezig zijn. In den winkel was van deze specerijen niets meer voorhanden, doch in hel entrepot was nog veel aanwezig. De eerstaanwezende ingenieur is met de leiding belast.
34
AANWâAANZ.
Aanwezig, zie Aanwczcnil.
Aanwijzen, zie Aanduiden.
Aanwijzen â Aantoonen. leir.and iets doen zien, dat van belang voor hem is om te welen. Aanwijzen is algemeener, behalve het doen weten heeft het de bijgedachte van te wijzen door een teeken, waar, heigeen men onder 'toog brengt van een ander, zich bevindt. Iemand den weg aanwijzen, iemand de fouten in zijn werk aanwijzen. Aantoonen heeft meer ten doel de wijze van bestaan van iets of de hoedanigheden ter kennis van iemand Ie brengen, liet verhevene in een dichtstuk aantoonen. Iemand aantoonen wat er goeds en verkeerds Ui zijn werk is. Wordt aantoonen van fouten of verkeerdheden onder 'toog brengen gebruikt, dan veronderstelt dit, dat de reden waarom er bij wordt uiteengezet, terwijl aanwijzen alleen uitdrukt, dat het oog gevestigd wordt op de plaats, waar deze fouten of verkeerdheden zich bevinden.
Aanwinst, zie Haat.
Aanwrijven, zie Aanklagen.
Aanzeggen, zie Aankondigen.
Aanzetten, zie Aandrijven.
Aanzetten, zie Bewegen.
Aanzieiit, zie Aangezicht.
Aanzien , zie Aanblikken.
Aanzienlijk, zie Aanmerkelijk.
Aanzienlijk â achtbaar â eerbiedwaardig â eerwaard â voornaam. Ecne hooge plaals innemend in de schatting der wereld. Aanzienlijk is de man, die door uiterlijke omstandigheden, inzonderheid door stand en vermogen boven zijne medeburgers verheven is; voornaam is hij die aanzienlijk en invloedrijk is. Mohammed was gesproten uil een der edelste en aanzienlijkste Arabische geslachten. Een aanzienlijk koopman is nog niet altijd een voornaam koopman. Achtbaar, eerbiedwaardig en eerwaardig worden van die soort van aanzien gezegd, welke niet door omstandigheden builen ons, maar door eigene, innerlijke waarde verkregen wordt en hoogachting of eerbied verwekt. Ook wordt het praodikaat achtbaar iemand toegekend op grond van de deftigneid van zijn voorkomen, die ontzag en eerbied inboezemt. Gebruikt men in dezen zin voornaam, dan ziet men meer op uiterlijk vertoon dan innerlijke waarde; zoo zal men b.v. wel zeggen: Wat een voornaam heer is dat, doch niet wal een achtbaar heer. Een achtbaar magistraat. Eerwaardig en eerbiedwaardig worden vooral gezegd van achtbare personen, die bovendien door hoogen leeftijd achting en eerbied afdwingen. Grijze lokken versieren zijn eerbiedwaardig hoofd. De eerwaardige Raadpensionaris strompelde naar het schavot. Een achtbaar en eerbiedwaardig gebruik verdient eerbied om zijn ouderdom. Even als achtbaar een titel is voor overheidspersonen zoo is eerwaard een titel voor geestelijke overheden. De achtbare heer Burgemeester van Amsterdam. De weleerwaarde heer sprak zijne parochianen vriendelijk loc.
3*
35
AANZâAARD.
Aanzijn, zie Aanwezen.
Aanzoek â verzoek â bede âsmeekgebedâsmeekbede.
Het zich tot iemand wenden om iets van hein te verkrijgen of bij hem te bewerken. De eenvoudigste uiting van zulk een wensch heet verzoek; het wordt gewoonlijk gebezigd wanneer men iets vraagt, maar het aan het goedvinden van den persoon , tot wien men zich richt, overlaat om aan het verzoek al dan niet te voldoen. Meent men grond te hebben, waarop men de toestemming kan eischen, dan noemt men zulk een verzoek verlangen, vordering of eisch (zie bij eischen). De beide laatste veronderstellen een krachtigen aandrang om iemand tot hetgeen men van hem vraagt te noodzaken. Aanzoek is een min of meer plechtig verzoek, dat op meer gewichtige dingen betrekking heeft, en onderstelt bijna altoos, dat de verzoeker eenige aanspraak kan doen gelden om zijn verzoek te zien ingewilligd. Om eene gunst van de regeering te ontvangen kan een verzoek, eene bede geschieden, maar men doet aanzoek om een ambt, een pensioen. Men doet ook aanzoek (dat is men verzoekt plechtig) om de hand eener vrouw. Bede is een dringend, een plechtig verzoek, meestal gericht tot hen, die boven ons staan, inzonderheid tot God. Smeekgebed, smeekbede heet eene ongemeen vurige bede.
Aard â geaardheid â natuur â Inborst â karakter. Als
synoniemen geven deze woorden de gezamenlijke eigenschappen van een of ander bezield of onbezield voorwerp te kennen, die het wezen er van uitmaken en die het van andere onderscheiden. Ai.rd wordt zoowel van levende wezens als van onbezielde voorwerpen gebezigd, en wijst de stoffelijke of de zedelijke eigenschappen of wel beide te gelijk aan. Gedierte naar zijnen aard. Vruchten naar haren aard. Van personen gezegd ziet aard altijd op de zielsgesteldheid. Innemend, driftig van aard. Natuur (dat meestal van levende wezens gebruikt wordt, doch niet uitsluitend zoo als geaardheid, inborst en karakter) duidt meer uitdrukkelijk datgene aan wat ingeschapen is. De ezel is van nature matig. Geaardheid geeft te kennen van hoedanigen aard iemand is, is meer beperkt dan aard en kan ook in het meervoud gebruikt worden, wat met aard niet het geval is. Hij heeft een goedige geaardheid. Aard, inborst en karakter duiden het geheel der zedelijke hoedanigheden aan, met dit verschil, dat men bij aard en m6orslt; niet zoo zeer let op het verband tusschen verstand, wil en gemoed, als bij karakter. Door karakter in engeren zin verstaat men ook soms die hoedanigheden, die men zich allengs door inspanning, oefening, enz. eigen gemaakt heeft. Geen karakter hebben. Een man van karakter.
Aardbodem, zie Aarde.
Aardbol, zie Aarde.
Aarde â aardbodem â aardbol â aardkloot â aardrijk â wereld. Al deze benamingen duiden de planeet aan, welke wij bewonen. .Aanie is de meer gewone, alledaagsche naam; de andere zijn meer schilderachtig. Aardbol bezigt men wanneer men inzonderheid het oog heeft op de oppervlakte der aarde als bolvormig lichaam. Aardkloot komt meest in hoogeren stijl voor en duidt de aarde als planeet of bolvormig lichaam aan.
30
AARD.
Ecno reis om den aardbol doen. De hergen zijn onejlenheden op onzen aardbol. De aardkloot is slechts een slip in de onbeperkte ruimte. Aardrijk gebruikt men wanneer men vooral op liaar doelt als de woonplaats van de gansche menigte bezielde en onbezielde wezens, die haar bevolken, en wordt dikwijls voor den grond of den bodem gebruikt. Hij bewonderde in alle deden van het aardrijk de heerlijkheden Gods. De zon beschijnt hel aardrijk. Aardbodem wijst meer bepaald de oppervlakte der aarde aan, den bodem, waarop menschen en dieren leven, zonder, zooals bij aardrijk meer bet geval is, aan de bewoners zelve te doen denken. Den aardbodem bebouwen. Hel aardrijk hecjt. Het begrip wereld, dat eigenlijk alleen de menscbheid en vervolgens bij uitbreiding al bet geschapene, het heeled, aanduidt, wordt wel eens onkel beperkt tot onze planeet. Eene reis om dc wereld.
Aanlig â fraai â liupsch â knap â Hef â mooi â schoon. Wat onze zinnen behaagt en door goede eigenschappen een aangenamon indruk maakt. Schoon wil eigenlijk zeggen, dat iets verdient beschouwd te worden, dat het schitterend of uitstekend is door zijne eigenschappen of vorm; het geeft meer dan de andere genoemde woorden iets groots of verhevens te kennen. Bij uitbreiding bezigt men schoon van de innerlijke voortreffelijkheid van het een of ander. Mooi daarentegen is voor elkeen slechts dat, wat hem persoonlijk bevalt. Mooi wordt meer in gemeenzame taal gebezigd, zelden in deftigen stijl. Eene schoone gedachte; eene schoone ziel. Men vindt hel mooi, maar hel schoone wordt niet door ieder mooi gevonden. Fraai geeft inzonderheid het denkbeeld van sierlijkheid aan. Lief wordt gezegd van iets, dat bevallig, maar klein is: Zij heeft een lief gezichtje. Lief staat tot fraai, gelijk mooi tot schoon, en sluit altijd het bijdenkbeeld van het maken van een aangenamen indruk in. Fraai schrift. Een lief gezicht. Aardig drukt meer uiterlijke bevalligheid uit, zonder goede hoedanigheden van inborst en karakter, welke aanwezig kunnen zijn, op den voorgrond te plaatsen, terwijl hupsch ook ziet op de wellevendheid en aangename manieren, waardoor de innemendheid van een gunstig uiterlijk wordt verhoogd. Een hupsch jong gezel.
Daar was in Zeeland eens een man,
Hij had een aardig kind.
Knap is eigenlijk nauwsluitend, bij overdracht wat goed zit en goed slaat, een goed uiterlijk geeft; verder welgevormd. Eene knappe vrouw. Het wordt verder ook op kunde toegepast. De jongen is knap, hij weet alles even goed.
Aardig, zie Aannilnnlg.
Aardig â hocrtlg â gecsllg â grappig â luimig â vcr-
nultly. Wat door vlugheid van geest en gevatheid uitmunt, en daardoor een aangenamen indruk maakt, tot vroolijkheid stemt. Aardig houdt het midden tusschen boertig, grappig en luimig, die grover, en geestig, vernuftig, die fijner zijn. Hoer tig, grappig, kamig worden gebezigd van eene minder puntige scherts, maar die den lachlust sterk opwekt. Geestig, vernuftig veronderstellen, waar het scherts geldt, altijd een talent van vermaken, waarin zich scherpzinnigheid aan aardigheid paart. Het geestige is nog meer de bloem van het. verstand dan liet vernuftige, dut nadert tot
37
AARDâAAS.
hetgeen men schrander noemt. Men zegt zoowel een geestige als een vernuftige inval; maar eene vernuftige, niet eene geestige nitvinding. Zinrijk ziet alleen op den inhoud zeiven en niel op het vermogen van het gezegde om tot vroolijkheid te stemmen; hel is dus niet synoniem.
ALardlgheid, zie Krap.
Aardkloot, zie Aarde.
Aardkorst â aardschors liet vaste gedeelte der aarde. Aardkorst is het algemeene begrip. Door aardschors verslaat men het buitenste, bekende gedeelte der aardkorst
Aardrijk, zie Aarde.
Aardschors, zie Aardkorst.
Aardsch â wereldscli. Wereldseh, dat tegenover geestelijk staat, verschilt van aardsch, als tegenstelling van hemelseh, en heeft altijd eene ongunstige beteekenis. Aardsche genoegens, dal zijn diegene, welke de aarde oplevert, kunnen onschuldig en rein zijn; door wereldsche verstaat men altijd die, welke men zoeken moet in het verkeer der menschen, met hunne gebreken en zwakheden, de zoodanige dus, waardoor ons geestelijk welzijn in gevaar gebracht wordt.
Aarzelen â schronien â weifelen â In twijfel staan â zich bedenken â dralen â talmen. Aarzelen en schromen; hel tegenovergestelde van doortasten, duiden een niet durven beginnen aan, of een niet durven doorzetten van hetgeen men begonnen heeft. Ter onderscheiding van aarzelen, dat vroeger terugdeinzen beteekende, doch thans uit besluiteloosheid zich bedenken, waar men handelen moet, aanduidt, geeft sehromen meer uitdrukkelijk eene zekere vrees te kennen. Hij aarzelt niet te doen wat hij zijn plicht acht. Schroom niet Hem om hulp le vragen, Hij kan redden. Hij alleen. Weifelen is het niet kunnen komen tot een besluit, omdat het ons aan geestkracht ontbreekt; in twijfel staan het niet weten te kiezen tusschen twee zaken, omdat er evenveel vóór als tegen te zeggen valt; zich bedenken zijn half genomen besluit nog eens goed overwegen uit vrees van voorbarig te wezen. Zich anders bedenken ~ van besluit veranderen. Dralen en talmen zien meer op het noode overgaan tot eene handeling. Dralen onderstelt dat liet langzaam de hand aan iets slaan het gevolg is van zekere vreesachtigheid, talmen ziet meer op de traagheid, waarmede men le werk gaat.
Aas â voeder â voedsel â kreng. Voedsel is in het algemeen alles wat als spijs genuttigd en als werkelijk noodig of nuttig voor het leven beschouwd wordt. Voeder (voer) is het voedsel dat dieren uit de hand van den mensch ontvangen. Alles ivat loeft moet voedsel hebben om zijn leven te onderhouden. De dieren in de menagerie krijgen eiken dag hun voeder. Voor de herten in het hosch strooit men bij winterdag, als er sneeuw ligt, voeder in het busch. Hij geeft de musschen voeder. Aas wordt alleen gebruikt voor de spij.s van in 'twild levende dieren, inzonderheid van vogels. Daar nu vele dieren door het vlecsch van doode lichamen
38
AASâACHT.
aangelokt worden, bezigt men het woord aas van zulke rottende lichamen, waarop zij als op eene prooi komen azcti. Bij kreng slaat meer dan bij aas het walgelijke van de verrotting op den voorgrond. Vogels zoeken hel aas voor hunne jongen; gieren en raven komen vooral op krengen af. Aas wordt evenals kreng en prij als plat scheldwoord voor een gemeen vrouwspersoon gebruikt. Dat stinkende aas! Kwaad kreng, gemcene prij.
Aasdom â selicpendom. Twee soorten van rechtspraak, het eerste woord duidt de rechtspraak of het vonnis van den Azig aan, die volgens Friesch recht vonniste, het tweede het vonnis door Schepenen volgens Frankisch recht gewezen. Daar beide ten opzichte van het erfrecht verschilden, wordt onder het Aasdomsrecht ook meer bepaald verstaan recht van erfopvolging, waarbij de naaste in den bloede het goed erfde en onder Sehependomsreehl dat, waarbij het goed terugkeerde naar de zijde van waar het gekomen was.
Abeel â populier â peppel. Aheel is eigenlijk de witte populier of witboom, die bladeren heeft, welke aan de onderzijde wit zijn, doch dikwijls wordt ook de grauwe populier zoo genoemd. Peppel is de zwarte populier. De ratelpopulier of espeboom wordt ook klaterpeppel genoemd. Populier is de algemeene naam, maar wordt vooral gegeven aan den Lom-bardijschen populier.
Abuis, zie Dwaling.
Ach! â alt â au! â helaas! â och! Uitroepen van droefheid, ter uiting van verschillende graden van pijn of smart. Ach! geeft meer uitdrukkelijk een smartelijk gevoel van de ziel te kennen; ai! en au! zijn meer kreten van lichaamspijn. Helaas geeft hetzelfde als ach, maar plechtiger te kennen. Och! is niet zoozeer eene uitdrukking van droefheid of smart als wel van ongeduld, misnoegen of verlangen. Och! stoor mij niet telkens! Och! mocht ik haar nog eenmaal wederzien! Ach en och, bij de uiting van een wensch gebruikt, verschillen in zooverre dat ach smart over het gemis van iets aanduidt, och het verlangen en de begeerte om iets te bezitten of terug te hebben. Ach, keerden de dagen mijner jeugd nog eens terug.
Och! waar' die zon alrec verrezen ,
Die nooit weer naar het westen zinkt.
Och, mocht ik mijn vader en moeder nog eens terugzien.
Achtbaar, zie Aanzienlijk.
Achteloos â onachtzaam â onoplettend â slofâslordig â zorgeloos. Geen zorg dragende voor hetgeen men moet behartigen. Achteloos en onachtzaam geven het ontbreken van de noodige oplettendheid en zorg te kennen; achteloos is sterker dan ogt;iachlzaam en wijst meer bepaald aan, dat het gebrek eene gewoonte geworden is. Onoplettend geeft te kennen, dat men vluchtig over iets heen loopt, niet opmerkzaam genoeg op iets is. Slof is hij, die zijne zaken uit traagheid verwaarloost; slordig wordt hij, bij wien slofheid gewoonte is geworden, die zijne zaken niet alleen niet geregeld waarneemt, maar ze ten eenenmale verzuimt, zoodat de achteloos-
39
ACHT.
heid zichtbaar wordt door het uiterlijk \an de zaken, die hij beljartigen moet, of van het werk, dat hij verricht. Hij sloeg onachtzaam da bloemen van haar stengel. Hel was onachtzaam van den jongen man, niet beter zijn gezelschap in 't oog te houden. Bat hij achteloos is, blijkt uit de wijze, waarop hij gewoonlijk te werk gaat. Die onoplettend is doet gewoonlijk hetgeen hij doen moei slechts ten halve. Dat hij slordig is blijkt uit den toestand zijner kleederen. Onze secretaris is wat slof en een slordig werker. Zorgeloos wordt van hom gezegd, die uit luchthartigheid en onnadenkendheid zich niet om zijne belangen bekommert en dus zijne zaken verwaarloost.
Achten â schatten â waardeeren. Aan iemand of iets eene zekere waarde toekennen. Bij achten, dat van acht, opmerkzaamheid, oplettendheid komt, slaat meer de belangstelling op den voorgrond, die men iemand of iets waardig keurt, bij schatten en waardeeren denkt men meer aan de waarde of den prijs, waarop men het in sijne gedachten stelt. Schatten en waardeeren zien meer op de stoffelijke waarde: maat, gewicht, prijs. Schatten is onbepaalder dan waardeeren Beide woorden worden ook van personen gezegd. Schatten heeft dan de beteekenis van acltlcn, is steeds van een bepalend woord vergezeld en heeft over 't algemeen meer op de eene ol andere eigenschap van den persoon betrekking, dan op den persoon zelf. Achten kan van een bijwoord van hoeveelheid vergezeld gaan. Iemand weinig achten, gering schatten, hoog achten, doch dikwijls staat achten zonder meer in beteekenis met hoogachten gelijk: een algemeen geacht man. Schatten en waardeeren verschillen in zoover van elkaar, dat schatten meer raadt naar de waarde, die iets heeft, waardeeren meer is in waarde houden, van handelingen gebruikt, iets op den juisten prijs stellen. Een zeldzamen diamant zou men met meer juistheid onschatbaar dan onwaardeerbaar kunnen noemen, omdat, al is zijne innerlijke waarde ook moeielijk op te geven, zijn prijs zich ten slotte toch regelt naar de som, die de liefhebbers bereid zijn er voor te besteden.
Achten â denken â gclooven â meencn â rekenen â venneenen â vermoeden â wanen. Iets met meer of minder zekerheid voor waar houden. Denken, dat soms in dezen zin gebruikt wordt, drukt dit begrip het sterkst uit en sluit nagenoeg lederen twijfel bij den persoon buiten. Ik wist het wel niet zeker, maar ik dacht toch dat het waar was. Bij achten en rekenen kan eenige twijfel bestaan, meenen en nog sterker vermoeden geven zulks uitdrukkelijk te kennen. Vermoeden geeft te kennen dat men gist zonder resultaat, meenen dat men eene onzekere gedachte uitspreekt. Ik acht het raadzaam u den weg te wijzen. Hij rekende mij onbekwaam. Wij konden niet vermoeden wat de reden zijner stijfheid was. Gelooven, in tegenoverstelling met weten, is synoniem met meencn, doch het kan ook beteekenen vast voor waar houden, maar dan alleen op het getuigenis van een ander, in wien men vertrouwen stelt: Geloof niet al wal men vertelt; terwijl men meenen gebruikt als het denkbeeld bij den persoon zelf ontstaan is: Meen niet dat gij alles weet. Wanen duidt altijd een valsch oordeel aan, dat aan hem, die liet woord bezigt, als zoodanig bekend is. Men waande Napoleon op Elba on-
40
ACHT.
schadelijk le hebben gemaakt. Vermeenen wordt gebruikt ills men op bescheiden wijze zijne meening wil uitdrukken; Ik vermeen dal hel zoo behuort.
Aelifcraan â aclitcrna. Tusschen achteraan en achtertui als bijwoorden van plaats bestaat dit verschil, rlat het eerste onmiddellijke aansluiting, het laatste eenige tusschenruimte veronderstel!. Iemand achterna loepen is vlak achter hem loopen. Be locomotief mag niet achteraan staan. Zij joegen den vijand achterna.
Achterafâ achterna. Als bijwoorden van tijd zijn deze synoniem. Achterna drukt uit, dat er eenige tijd tusschen twee handelingen verloopt. Achteraf geeft te kennen dat iets geschiedt na afloop van eene andere handeling, doch heeft de bijgedachte, dat in den tusschentijd het standpunt van beschouwing of beoordeeling veranderd is. Achterna bedacht, ik dat hij gelijk had, doch daar hij vertrokken was kon ik het hem niet meer zoggen. Dat ik het anders had moeten aanleggen, kunt gij achteraf gemakkelijk zeggen, nu gij den afloop weet.
Achterdocht â argwaan â kwaad vermoeden â mistrouwen â verdenking â wantrouwen. Het geloof aan de mogelijkheid van iets kwaads, dat ons bedreigt. Mistrouwen, wantrouwen en verdenking hebben altijd betrekking op een aangewezen persoon. Mistrouwen is de zachtste uitdrukking, en geeft niets anders te kennen dan gemis aan vertrouwen. Wantrouwen is gemis aan vertrouwen om bepaalde redenen. Men mistrouwt een vreemde, daar hij onbekend is; men wantrouwt iemand, wiens handelingen aanleiding geven om hem niet te vertrouwen. Beide zien op toekomende handelingen, die een persoon uit onze omgeving kan verrichten; verdenking daarentegen ziet op het verleden. Verdenking is een tamelijk sterk vermoeden, dat iemand zich aan verkeerde handelingen heeft schuldig gemaakt. Iemand staal onder verdenking van gestolen te hebben. Achterdocht en argwaan geven te kennen, dat men een kwaad veronderstelt, waarvan men geen duidelijke voorstelling heeft; zij drukken eene onbepaalde vrees uit, en behoeven ook niet noodzakelijk een aangewezen persoon fe betreffen. Uit de onbepaalde vrees, die onrust medebrengt en de achterdocht doel ontstaan, kan, wanneer zij zich bepaalt tol een persoon of eene daad van een persoon, kwaad vermoeden voortkomen. Met argwaan is altijd het bijdenkbeeld verbonden, dat het gebrek aan vertrouwen meer voortspruit uit het zwakke of slechte karakter van den persoon zelf, dan wel uit eene aanleiding buiten hem.
Aehtcrcen, zie Aaneen.
Achterklap â laster â lastering â aantijging. Het vermelden van hetgeen iemands goeden naam benadeelen kan. Achterklap is meer het gevolg van lichtzinnigheid en babbelzucht en geschiedt dikwijls zonder kwade bedoelingen. Het is de daad van kwaadspreken en is dus niet noodwendig iets vertellen, dat niet waar is.
Ach, mocht ik minder d' achterklap Der wereld en haar wuft gesnap.
En meer des hemels oordeel schromen'.
41
ACHT.
Laster sluit het denkbeeld van een opzettelijk verzonnen kwaad in, en geschiedt dus altijd met boosaardige oogmerken. Hel is vuige laster, dat alleen eerzucht Willem van Oranje zou heivoc/en hebben tegen Filips op te staan. Lastering is algemeener dan laster en duidt meer eene openlijk tegen iemand ingebrachte beschuldiging aan, die ijnen niet genoegzaam kan slaven. Een te laste leggen, dat uit kwaadwilligheid geschiedt en bepaald tot den persoon zelf gerichl is, wordt eene aantijging genoemd. Voor zoover er niet bij vermeld wordt, dat het eene lasterlijke aantijging is, staat zij met achterklap gelijk, doch verschilt ervan, voor zooverre zij in zijn bijzijn geschiedt. Laster en lastering kunnen ook in iemands bijzijn geschieden, terwijl achterklap zijne afwezigheid veronderstelt.
Achterklap â k-waadsitrckcmllield. Zij drukken dezelfde ondeugd, de geneigdheid tot kwaadspreken uit. De laatste hoedanigheid is erger dan de eerste, want, terwijl bij de eerste meer aan onbezonnenheid gedacht wordt, veronderstelt de laatste bepaald boos opzet.
Achterna, zie Achtcrar.
Achterlaten, zie Nalaten.
Achterna, zie Achteraan.
Achternazetten, zie Achternazitten.
Achternazitten â aehternazetten. Iemand met drift achtervolgen. Het eerste ziet meer op den duur en volharding; het laatste ziet meer op het begin der vervolging. De jongens zitten elkander na. De ruiterij zette den vluchtenden vijand spoorslags achterna.
Achteruit, zie Achterwaarts.
Achteruitgaan, zie Afdeinzen.
Achterwaarts â achter uit â naar achteren â ruggelings â rugwaarts â terug. Deze woorden duiden aan, dat eene beweging geschiedt in de richting van de achterzijde vaij een voorwerp of in eene richting tegenovergesteld aan eene vorige beweging. Achteruit, ruggelings en rugwaarts (de beide laatste alleen van personen gebezigd) drukken uit, dat het bewegende voorwerp zicli daarbij niet omkeert, wat bij achterwaarts onbeslist gelaten wordt, en door naar achteren uitdrukkelijk wordt, aangeduid. Bij achteruit houdt men hetzelfde doel in het oog, bij naar achteren en achterwaarts verandert men van doel. Terug onderstelt het wederkeeren naar de plaats, vanwaar men gekomen is. In figuurlijken zin worden alleen achteruit en terug gebezigd. Iemand gaat achteruit of krabbelt achteruit, hierbij blijft het oog gericht op hetgeen men eerst poogde te naderen; in dit geval zal men, zoodra de gelegenheid schoon is, weder trachten om zijn doel te bereiken. Die terugtreedt of zich terugtrekt, wendt zich af en doet geen pogingen meer om zijn vorig voornemen te volvoeren.
Achtervoegsel â uitgang. Een letterklank of lettergreep, die op zich zelf geen woord is, maar achter een woord of woordstam gevoegd wordt om een nieuw woord te vormen. Achtervoegsel en uitgang zijn oor-
42
ACHTâADEL.
spronkelijk gelijk, doch uitgang is meer beperkt geworden tot de lettors en lettergrepen, welke tot de buiging van een woord behooren.
Acht geven â acht slaan. Acht slaan op iemand ol'iets wil alleen /.eggen, dat men zijne aandacht er op vestigt. Geschiedt dit met groote nauwkeurigheid, met het doel om te leeren of kennis op te doen, dan bezigt men liever acht geven. Vroeger werden ook ac/tt hebben en acht nemen in gelijke beteekenis gebruikt. Zie ook Aannierking nemen (In).
Acliling â lioogncliting â lioogschatling â eerbied â ontzag. Het gevoel ons door het besef van iemands meerderheid ingeboezemd. Achting, hij versterking hoogachting, wordt men gerekend iemand toe te dragen, wanneer men recht laat wedervaren aan iemands loffelijke hoedanigheden, maar sluit niet noodzakelijk eene gnnstige gezindheid in jegens den persoon, wien men ze toedraagt. Het eerste ziet meer op het gevoel, het laatste op het oordeel, dat men over iemand heeft. Eerbied verschilt al naar dat hij gevoeld of betoond wordt. In het eerste geval is het de hoogste mate van hoogachting, teweeggebracht door het besef van eigen minderheid; in het laatste geval is het de hulde en eer, die men iemand bewijst om de hoogere plaats, die hij inneemt en kan er de hoogachting, ja zelfs du achting geheel aan ontbreken. Men kan een magistraal ter wille van zijn rang, van den post, dien hij bekleedt, eerbied bewijzen, ofschoon men hom in 'tgeheel geen achting toedraagt. Ontzag is de eerbied, die ons vervult jegens hen, die over ons gesteld zijn, en door wie wij ter verantwoording kunnen geroepen worden voor onze tekortkomingen en overtredingen. Het staat dus eenigszins gelijk met eerbiedige schroom.
Aeht nemen (zieli In) â zich wachten â aslch hoeden. Door behoedzaamheid iets kwaads trachten te vermijden. Zich wachten, d. i. zich zelf tot eene wacht strekken, heeft bloot betrekking op het afwenden van gevaren, die ons van buiten bedreigen; zich in acht nemen sluit hel bijdenkbeeld in, dat men dit doet, door zoo voor zich zelf te zorgen e» op zich zelf te letten, dat men het kwaad, waardoor men bedreigd wordt, geen vat op zich geeft. Zich in acht nemen vereischt meer oplettendheid dan de andere uitdrukkingen, omdat het kwaad minder in het oog loopt en de bedreigde er vatbaarder voor is. Wie zeer vatbaar is voor kwalen, neemt zich dus ook in acht, wanneer hij zorg draagt voor zijne gezondheid. Zich in acht nemen kan ook onbepaald gebezigd worden. Neem u in acht! d.w. z. wees op uwe hoede. Zich wachten vereischt meer een bepaald persoon of voorwerp, waarvoor men op zijne hoede is. Voor zulk een moet men zich wachten. Wacht u voor dc ondeugd. Zich hoeden vereenigt met het denkbeeld van waakzaamheid, door zich wachten uitgedrukt, dal van beschutting. Die zich wacht doet wel, die zich hoedt dool beter.
Acht slaan, zie Acht geven.
Acht slaan, zie Aanmerking nemen (in).
Ailel â adeldom â adelstand. Deze woorden zijn meer verschillend in gebruik dan in beleekonis Adel is hel algemeene woord en heeft
43
ADEâAFB.
dus het ruimste begrip; hel wordt in dichterlijken stijl en figuurlijke taal voor de andere gebruikt. Hij heeft adel van geboorte en adel van karakter. Zijn adel is oud. De adel van Gelderland verzette er zich tegen. In Amerika kent men thans wel hoogere en lagere standen, doch hetgeen tv ij adel noemen is daar niet hekend. Hij kan zijn adel niet bewijzen. Adeldom is het bezit van den rang, adelstand de stand der edelen, in tegenstelling met andere maatschappelijke standen. In figuurlijken zin beteekent «rfeWom edele geaardheid of grootheid van ziel.
Verheft u, landgenoot en.
Voelt d' adeldom des stams, waaruit gij zijt gesproten.
Adelaar â arend. Beide zijn benamingen van denzelfden roofvogel en verschillen alleen hierin, dat het gebruik van het eerste woord beperkt is tot den dichterlijken stijl en de wapenkunde. De vlucht van den mensche-1 ijken geest wordt vaak vergeleken bij die van den adelaar.
Een geest, die veel te stout voor d' aard Op aadlaarspennen hooger vaart.
Be dubbele adelaar prijkt op het wapen van üuitschlaiid. De arend is een roofvogel.
Adeldom, zie Adel.
Adellijk â edel. Adellijk ziet op de geboorte, erfei tegenwoordig vooral op de goede hoedanigheden van 's nienschen inborst. Hij is niet alleen van , adellijken bloede, maar ook een edel man. Een enkele maal heelt edel nog de beteekenis van adellijk, b. v. in de uitdrukkingen van edele geboorte, van edelen bloede.
Adelstand, zie Adel.
Ademen â adem halen â adem scheppen â hijgen. Het opnemen van lucht in de longen tot verfrissching van het bloed. .Irfemen duidt in 't algemeen het opnemen van lucht aan; ook van planten wordt het gebruikt. In tegenstelling met ademhalen gebruikt, duidt men door ademen meer aan dat deze werking onwillekeurig, door ademhalen dat zij met bewustheid geschiedt. Adem scheppen is ademhalen, doch met de bijgedachte, dal men behoefte aan inademing van versche lucht heeft, en door deze te genieten verkwikt wordt. Hijgen is moeielijk of snel ademhalen tengevolge van ziekte of inspanning. Naar iets hijgen is sterk naar iets verlangen.
Ademhalen, zie Ademen.
Ademhaling â ademtocht. Eigenlijk beteekenen beide woorden hetzelfde, doch het gebruik verschilt. Ademhaling komt in de gewone taal des levens het meest voor, ademtocht is dichterlijk en wordt veel in figuurlijke taal gebruikt voor het leven. De dokter telde het aantal ademhalingen. »Het slaken van een ademtocht, Het vallen van een traan.quot; Ik blijf u trouw tot aan mijn laatsten ademtocht.
Afbedelen â afbidden â afsmecken. Door dringend verzoeken van iemand iels trachten te verwerven. Mol afbedelen is altijd iets vernederends voor den vrager verbonden. De beide andere,afsmeeken het sterkst,
44
AFB.
slaan alleen op het dringende van hot verzoek. De laffe vleier mei zijn nf-gehedelden rang en wcidsche titels.
Een ander deel, door weinigen gekozen,
Bad ik den hemel af.
Afbeelden â aimalen â afschetsen â afschilderen âaf-teekenen. In eigenlijken zin Leteekenen deze woorden in zichtbare trekken eene voorstelling van iels geven, dat bestaat. Afbeelden is in figuurlijken zin niet gebruikelijk, de andere woorden wel; zij geven dan te kennen dat men de voorstelling geeft door middel van woorden. Ajheclden drukt zoowol uit het zichtbaar voorstellen door eene teekening of schildering, als door een tastbaren vorm in steen, metaal of hout. Het onderscheid tusschen afmalen, afschetsen, afschilderen, afleekenen en malen, schetsen, schilderen, teekenen is, dat de eerste meer op den voorgrond stellen het arbeiden naar een model, dat men voor oogen heeft, een streven om dit getrouw weer te geven, terwijl men de laatsle woorden ook van scheppingen van de phantasie gebruikt. Zie bij Halen.
Afbeelding â afbeeldsel â beeld â beeltenis. De zichtbare voorstelling van een persoon of eene zaak. Beeld en afbeelding zijn alge-meoner dan afbeeldsel en beeltenis. De eerste worden ook gezegd van de voorstelling van iets louter ideaals, die alleen in de gedachten bestaat. Ter onderscheiding van beeld geelt afbeelding bijna uitsluitend de zichtbare voorstelling te kennen. Afbeeldsel wordt altijd ondersteld de nabootsing van iets werkelijk bestaands te wezen. Afbeeldsel en nog meer beeltenis worden bij voorkeur gebezigd voor het beeld van een persoon, een portret. Overdrachtelijk wordt afbeeldsel ook datgeen genoemd, waarin de karaktertrekken van een persoon of eene zaak duidelijk te erkennen zijn.
Afbeeldsel, zie Afbeelding.
Afbetalen â a I'd oen â uitbetalen â voldoen. Het vereffenen van eene schuld. Afbetalen en afdoen worden ook gebezigd voor eene bloote vermindering van schuld; voldoen onderstelt, dat de schuld geheel vereffend, te niet gedaan wordt. Uitbetalen gebruikt men van die gelden, waarop iemand, als loon, traktement, pensioen enz., uit de eene of andere openbare of bijzondere kas aanspraak heelt. Afdoen en voldoen worden ook overdrachtelijk gebezigd op zedelijk gebied.
Als ick mijn schulden afbetaal Verbeter ick mijn kapitaal.
Zijne achterstallige schuld van brieven afdoen. Aan zijne verplichtingen voldoen.
Af beuren, zie Aflichten.
Afbidden, zie Afbedelen.
Afbreken â omhalen â omverhalen â omverwerpen â slechten â sloopen. Al deze woorden geven het vernietigen te kennen van hetgeen door iemand opgebouwd, tot stand gebracht is. Sloopen heeft de ruimste beteekenis. Het geldt niet alleen van gebouwen, maar ook van
45
AFB.
roerende goederen, kasten, schepen, enz. Afbreken wordt gebezigd voorliet eenigszins geregeld uit elkaar nemen van de deelen van timmer-en metselwerk, onverschillig met welk doel. Eene kast kan worden afgebroken om haar gemakkelijker te verplaatsen. Zij wordt gesloopt, als men de deelen zoodanig verbreekt, dat de kast er niet weer uit kan worden samengesteld, maar dat het hout wel weder voor de vervaardiging van iets anders kan dienen. Slechten wordt het meest van metselwerk, bij voorkeur van vestingwerken of aardwerk, gebezigd. Er zijn de beide bijdenkbeelden mee verbonden, dat hetgeen weggeruimd wordt in den weg staat, en dat alles met den grond gelijk gemaakt wordt. Omhalen, omverhalen en omverwerpen worden gebezigd voor het wegruimen van een gebouw van zekere hoogte, en wel in haast en met geweld. De beide eerste geven te kennen, dat de muren naar den persoon toe worden omvergetrokken, het laatste woord dat zij worden oravergestooten in eene richting van den persoon af. Voor het omhalen en slechten van gebouwen in den oorlog wordt dikwijls omverwerpen gebezigd. De bevelhebber liet alles buiten het rayon der vesting omverwerpen. De bevelhebber van een leger laat omverwerpen wat de beweging dei' troepen belemmert. Bij brand laat men een gebouw omhalen om het vuur in zijn voortgang Ie stuiten. In figuurlijken zin worden afbreken en omverwerpen gebruikt voor het te niet doen van eene wetenschappelijke stelling, betoog enz. Afbreken is dan meer het grondig, stuk voor stuk te niet doen van de onderdeelen en daardoor de geheele redeneering in een doen storten.
Afbreken â staken. Iets doen ophouden. Met het eerste woord gaat liet bijdenkbeeld gepaard, dat het ophouden onverwachts plaats heeft, het veronderstelt veelal de mogelijkheid van voortzetting der werking. Slaken geeft soms een overlegd ophouden te kennen. Men onderhandelingen
af, maar men staakt eene onderneming, die geen winsten meer oplevert. Ontevreden arbeiders stalien het werk om daardoor hunne eischen ingewilligd te zien. Hij brak zijne woorden af. Hij moest zijne rede staken.
Afbreuk â hinder â naileel â seliade â verlies. Alles wat voor een persoon kwaad is en de waarde eener zaak vermindert. Nadeel is alles wat met onze belangen strijdig is. Schade is het meer materieele begrip, zij wordt geleden ten gevolge van gedane afbreuk, toegebracht nadoel of door geleden verlies. Afbreuk is eigenlijk een tekortdoening of benadeeling, die ons door een ander wordt aangedaan, met krenking van ons recht. Het komt bijna uitsluitend voor met het werkw. doen verbonden. Nadeel is het kwaad, dat voor iemand uit iets ontstaat en hem achter doet staan bij anderen, die er voordeel door hebben. Schade wijst op eene vermindering van welstand, verlies op eene vermindering van bezit, hinder op eene dwarsbooming onzer plannen of verrichtingen en bij uitbreiding op het nadeel, dat hieruit ontstaat. Wal zij ook op het touw gezet hadden tegen mij, het gaf mij geen hinder. Boor schade (niet door nadeel) wordt men wijs, dat wil zeggen: een verlies behoeft niet altijd voor een kwaad gehouden te worden, het kan dikwijls zelfs zeer nuttig voor ons zijn.
Met schade en schande wordt men wijs.
Jawel! met dien verstande,
46
AFD.
Dat men de schade stelle op prijs,
En God dank' voor de schande!
Afdalen, zie Dalen.
Afdanken â afNchalfen â afscheid geven (zijn) â afzetten â ontslaan. Iets of iemand ophouden te gebruiken , zich er niet langer van bedienen, iets doen ophouden. Zijn afscheid gcuen, afzetten en ontslaan worden uitsluitend van per.sonen gezegd; afdanken bij voorkeur van personen, afschaffen bij voorkeur van zaken. Gebruiken, gewoonten, wetten afschaffen = ze buiten werking stellen. Afschaffen van personen gebezigd onderstelt altijd, dat het ontslag een gevolg is van de opheffing der bediening. Door de opheffing der doodstraf is do beul ook afgeschaft. Iemand zijn afscheid geven is iemand den last geven of te kennen geven, dat hij zich moet verwijderen. Met deze woorden stond de gezant op en gaf dus den boodschapper zijn afscheid. Met afdanken is, in onderscheiding van afzetten, altijd het bijdenkbeeld verbonden, dat het ontslag geen gevolg is van ontevredenheid over de verleende diensten. Afzetten daarentegen sluit dit laatste altijd uitrukkelijk in. Ontslaan wil eigenlijk zeggen van den band losmaken, verder ontheffen van verplichtingen, die uit eene verbintenis voortvloeien; het laat in het midden of de reden voor het ontheffen der verplichting uil ontevredenheid van dengene, die ontslaat, voortspruit of niet. De troepen werden betaald en afgedankt. De officieren werden ontslagen. Hij werd van alle uit het contract voortvloeiende verplichtingen ontslagen. De ontrouwe rentmeester werd afgezet.
Afdeelen â verdeelen. Iets in deelen scheiden. Afdeelen is iets zóó in deelen scheiden, dat er een onderling verband tusschen de deelen blijlt bestaan, dat zij een geheel blijven uitmaken. Eene school in klassen a/yee/e/i. Verdeelen is sterker en sluit het begrip van verderen samenhang uit. Het wapen is in vier vakken afgedeeld. Zij verdeelden het geld onder elkander. Een rijk, dat verdeeld is, kan niet bestaan.
Afdeinzen â achteruitgaan â afdruipen â terugdeinzen â terugwijken. Zich van iemand of iets, dat men eerst genaderd is, weder verwijderen. Achteruitgaan veronderstelt eene beweging achterwaarts, doch waarbij men het doel in het oog houdt teneinde weer te kannen naderen. Bij afdeinzen en terugdeinzen is aan de beweging achterwaarts het denkbeeld verbonden, dat zij plotseling geschiedt, hetzij uit vrees of ontzag, hetzij door onverwachten tegenstand. Bij terugdeinzen denkt men aan minder ge-heelo verwijdering dan bij afdeinzen. De troepen deinsden af cn scheepten zich weder in om zoo spoedig mogelijk dit oord te verlaten. Een oogenblik deinsden de soldaten voor zulk een vijand terug, doch de officieren wisten hen te bewegen den aanval te hervatten. Bij terugwijken wordt meer gedacht aan het zich in veiligiieid stellen door zich te verwijderen; is hieraan bepaald het denkbeeld van den strijd opgeven verbonden, dan wordt ook wel afwijken gebruikt De aanvallers moesten terugwijken, wilden zij niet alle gedood worden. Na een heeten strijd weken de schepen des konings af. Stil zich verwijderen uit vrees of lafhartigheid is afdruipen.
47
AFD.
Afdingen â afknlbliclcn. Den gevraagden koopprijs trachten te verminderen. Wie afdingt doet dat, omdat de prijs hem te hoog is, wie afknibbelt omdat hij inhalig en gierig is; bovendien onderstelt dit meestal eene onwettige of slinksche wijze. Ik moei wel oveyvmyen, want gij zoekt altijd iets af te knibbelen.
Afdoen â bcsleclitcn â beslissen. Eene zaak uitmaken, aan een geschil een einde maken door de bestaande onzekerheid weg te nemen. Afdoen ziet alleen op het einde, dat aan het geschil gemaakt wordt; beslissen duidt hetzelfde aan, maar geeft tevens te kennen, dat er niets verder aan te doen is, terwijl beslechten is den twist uit den weg ruimen, of tot een einde brengen, door een vergelijk of door een gevecht. Gebruikt men bijleggen, dan veronderstelt men gelijke toenadering van beide zijden. Een afdoend argument. Eene beslissende uitspraak. Laat ons dezen twist beslechten door eens moedig saam te vechten.
Afdoen â bijleggen. Aan een geschil een einde maken. Men doet eene betwiste zaak af, wanneer men haar uitmaakt, uitwijst, tot klaarheid brengt; bijleggen wordt alleen gebruikt van die geschillen, welke in der minne worden afgedaan, die worden beslecht door wederzijdsche toegefelijkheid.
Afdoen â afmaken â eindigen â volbrengen. Iets ten einde toe verrichten. Eindigen ziet op het laatste gedeelte, dat aan het geheel wordt toegevoegd. Is de godsdienstoefening nog niet geëindigd'? Volbrengen duidt strikt genomen de volkomenheid aan, waartoe dit geheel, door bijvoeging van het laatste gedeelte, gebracht wordt. Zijn dagwerk volbrengen. Afdoen en afmaken geven te kennen, dat er aan de zaak of den arbeid niets meer te doen overblijft. Afdoen slaat op de werking, afmaken op de uitkomst. Ik moet nog een opstel afmaken, dan is mijne laak afgedaan.
Afdoen, zie Afbetalen.
Afdoen â afleggen â afwerpen â afzetten â uitdoen â uitschieten â uittrekken. Het zich ontdoen van kleedingstukken of sieraden. Afleggen verschilt hierin van afdoen, dat het onderstelt dat het afdoen met zorg geschiedt en dat het afgedane behoorlijk wordt weggelegd. Bij uitbreiding, oneigenlijk: voor goed afleggen, om liet niet weer aan te doen, van kleedingstukken, hoedanigheden, gezindheden, enz. Zijne kroon afleggen; wrok, haat, angst, rouw, droefheid afleggen. Afwerpen staat tegenover omwerpen, afzetten tegenover opzetten, afdoen en uitdoen staan tegenover aandoen ; uitschieten en uittrekken tegenover aanschieten en aantrekken; zie bij Aandoen.
Afdrogen, zie Afvegen.
Afdruipen, zie Afdeinzen.
Afdruk â overdruk. Afdruk wordt bij voorkeur gebezigd van een exemplaar van een geschrift, dat afzonderlijk uitgegeven is; overdruk onderstelt altijd, dat het oorspronkelijk een deel uitmaakte van een grooter werk (b. v. van een tijdschrift), en dat er van dit gedeelte maar enkele
48
AFDâAFE.
exemplaren afzonderlijk gedrukt zijn. Als mijn artikel, waarvan ik u gesproken heb, in den Gids wordl opgenomen, zal ik er u een overdruk van zenden.
Afdwalen â afraken â afwijken â verdolen â verdwalen.
Ongemerkt en onwillekeurig den rechten weg verlaten. Afwijken geeft niets anders te kennen dan dat de oorspronkelijke richting niet ten einde toe gevolgd wordt. Afraken duidt aan, dat die afwijking een gevolg is van toevallige omstandigheden. Afdwalen is evenzeer zich ongemerkt en onwillekeurig van de juiste richting verwijderen, maar altijd met het bijdenkbeeld, dat liet moeite kost den rechten weg terug te vinden. Figuurlijk: van de zaak afdwalen, van zijn plicht afdwalen; van zijn onderwerp afraken; vaneen regel, een plan afwijken. Verdolen en verdwalen geven te kennen dat men den rechten weg reeds verlaten heeft en niet bij machte is het juiste spoor terug te vinden. Verdolen is minder in gebruik en voornamelijk beperkt tot hoogeren stijl en dichterlijke taal. Het wordt meestal gezegd van het rechte pad verlaten op verstandelijk en zedelijk gebied.
Afdwaling â doling â dwaling. Het eerste duidt eene daad aan, bet tweede een begrip. Eene afdwaling is de afwijking van het goede pad, het koesteren van een dwaalbegrip en, daaruit voortvloeiend, het plegen eener verkeerde daad, het doen eener zonde. In zooverre dus synoniem met zondp. Breng hem zacht zijne afdwaling onder het oog en hij zal tol inkeer komen. Eene dwaling daarentegen is eene gedachte, die met de waarheid in strijd is, een dwaalbegrip en derhalve geen daad. Het was eendwaling, dat men dacht, dat de aarde hel middelpunt van het heelal was. Doling wordt vooral gebezigd van iets dat zedelijk verkeerd geacht wordt. liet gebruik van dit woord is tot den deftigen stijl beperkt.
Afdwingen â afpersen â afknevelen. Iemand door krachtige middelen tot het afstaan van iets bewegen. Afdwingen duidt enkel aan, dat hiertoe dwang gebezigd wordt. Afpersen is sterkeren onderstelt behalve dwang ook overmacht. Afknevelen is het sterkst, en sluit in, dat men zich behalve van dwang en overmacht ook nog van slinksche streken bedient, iets afpersen door middel van knevelarij.
Afeiachen â afvorderen â (Iets) elsclien (van)â opeischenâ
opvorderen. Iemand met nadruk verzoeken iets over te geven, dat hij te recht of' ten onrechte in bezit heeft. Tusschen afeiachen en iets van iemand eischen is een klein onderscheid. Beide drukken het stellen van een eisch uit, doch bij afeischen beslaat de bijgedachte dat de afeischer zich bewust is van overmacht , die hij bij weigering van den eisch zal doen gevoelen. Hij eischt geld van mij, doch ik kan het hem niet geven. Be straatroover eisch te den eenzamen wandelaar het horloge af. Aan opeischoi is hot denkbeeld verbonden, dat men een verkregen recht wil doen gelden. Bemoeder eischtc haar kind op. In bruikleen gegeven geld kan men iveer opeischen. Eischen veronderstelt meestal eene onwilligheid of weigering van den kant van den aangesproken persoon, iets wat bij vorderen niet het geval is. Dit is zwakker dan eischen doch sterker dan vergen. (Zie bij eischen). In
SYNONIEMEN. 4
49
AFG.
zooverre verschillen dan ook afvorderen en opvorderen van afeischen en opeischen.
Afgaan (op) â uitgaan (op.) Uitgaan om iets te bekomen. Afgaan onderstelt dat men weet, wat men begeert en waar het te vinden is; uilgaan dat men weliswaar weet wat men hebben wil, maar de zekerheid mist of, en waar men het begeerde bekomen kan. Iemand, die werk zoekt, gaat er op uit om het te vinden; weet hij, waar werk te krijgen is, dan gaat hij er op af.
Afgeleefd â bejaard â bedaagd â oud â stokoud. Bejaard, en minder sterk bedaagd, drukken uit, dat men niet jong meer is, oud is betrekkelijk, doch veronderstelt meestal, dat men een hoogen, stokoud dat men een zeer hoogen leeftijd bereikt heeft. Afgeleefd ziet minder op den duur van het leven, dat men achter zich heeft, dan wel op de uitputting, die er het gevolg van is. Men kan nog betrekkelijk jong en ten gevolge van afmattende studie, uitspattingen enz., reeds afgeleefd zijn.
Afgelegen â eenzaam â verwijderd. Afgelegen en verwijderd zijn synoniem voor zoo verre beide aanduiden dat zich iets op grooten afstand bevindt. Verwijderd ziet meer op den grooten afstand van den spreker en op den tijd, dien het kost om de plaats te bereiken, terwijl men bij afgelegen meer op het oog heeft de moeite, die men heeft om er te komen. Afgelegen is van den grooten weg af gelegen en dus lastig te bereiken. Hij is verre van ons verwijderd en bevindt zich in een afgelegen hoekje van de Padangsche bovenlanden. Daar afgelegen heteekent wat niet aan den grooten weg ligt, verbindt er zich ook aan het denkbeeld builen het verkeer gelegen en wordt het synoniem met eenzaam. Het eerste is meer buiten het groote verkeer, het laatste zonder gezelschap. Hij moest hel gezellige stadsleven opgeven voor eene afgelegen dorpspastorie, waar hij nu eenzaam en verlaten zijne dagen slijt.
Afgemat, zie IMoede.
Afgemeten, zie Deftig.
Afgericht, zie Bekwaam.
Afgesloofd, zie Moede.
Afgetobd, zie Moede.
Afgetrokken â verstrooid. Beide geven le kennen, dat men niet let op datgene, waarop men behoort opmerkzaam te zijn. Verstrooid duidt een niet geregeld denken aan, een dwalen met de gedachte over verschillende onderwerpen. Afgetrokken geeft te kennen, dat men geheel in zich zelf gekeerd is, en als 'tware aan niets denkt. Een leerling, die onder de les aan allerlei andere zaken denkt, is verstrooid; die met zijne eigene gedachte zoo vervuld is dat hij niet weet wat er buiten hein omgaat, is afgetrokken.
Afgevaardigde â gemachtigde âvolksvertegenwoordiger.
Afgevaardigde is in het algemeen ieder, die door een ander of anderen ergens heen afgezonden is om een last te volbrengen. Vertegenwoordiger
so
AFG.
is hij, die namens een ander of anderen optreedt en verder zelfstandig diens belangen behartigt. Gemachtigde is dogeen, die voor een ander optreedt met een min of meer bepaald omschreven macht of last. Den eersten naam dragen de leden eener wetgevende vergadering met betrekking tot het mandaat, hetwelk zij te vervullen hebben. Onze nieuwe afgevaardigde hcloufl een uitmuntend volksvertegenwoordiger te worden.
Afgeven (zich), zie Bemoeien (zich).
Afgezant â gezant â ambassadeur â minister-resident â zaakgelastigde. Een aanzienlijk persoon, die een vorst of een staat bij een anderen vorst of staat vertegenwoordigt. Gezant, ambassadeur heel zu\k een vertegenwoordiger bij de groote mogendheden; hij had het recht om onmiddelijk met den vorst te onderhandelen. Thans is hot verschil tusschen gezant, ambassadeur en minister-resident enkel gelegen in den rang, zonder op den werkkring der dignitarissen van invloed to zijn. Afgezant noemt men ook hem, die oen vorst voor eeno bepaald aangewezen zaak vertegenwoordigt. Door zaakgelastigde verstaat men in den regel dengene, die bij ontstentenis van den eigenlijken gezant diens function tijdelijk waarneemt; toch worden de regeeringen bij sommige zeer kleine staten voortdurend enkel door een zaakgelastigde vertegenwoordigd. Vroeger werd nog voor afgezant gebruikt het woord boodschapper, dat thans alleen nog in dichterlijken stijl gevonden wordt.
Afgrijselijk â afscliuwelijk â afzichtelijk â akelig â gruwelijk â ijselijk â leelijk â naar âvcrsclirlkkclijk â vrccselijk. Wat het oog, don geest of het gevoel onaangenaam aandoet. Leelijk is moer algemeen en drukt alleen uit, dat iets de zintuigen of hot gemoed pijnlijk aandoet. Men kan zeggen dat deze woorden elkander aldus opvolgen: Naar (oene onaangename gewaarwording, weerzin te weeg brengend); akelig (dit drukt hetzelfde doch in hoogore mate uit); vrccselijk, verschrikkelijk (wat vrees of schrik verwekt); ijselijk, gruwelijk (wat doet ijzen of gruwen); afgrijselijk (wat algrijzen verwekt,verwant aan griezelen) afschuwelijk, afzichtelijk (wat in zoo hooge mate verschrikkelijk is, dat men er onwillekeurig de oogen van moet afwenden). Met uitzondering van afzichtelijk worden al deze bijvoegelijko naamwoorden in de spreektaal gebezigd als krachtige versterkingswoorden, zonder dat het denkbeeld van afkeuring-er bepaald mee verbonden is. Een afschuwelijk, gruwelijk cm. leven maken. Afzichtelijk wordt alleen gebezigd van zichtbare dingen, afschuwelijk ook van onzichtbare. Een afschuwelijk verraad. Afschuwelijke wreedheden. Afzichtelijke wreedheden. Afzichtelijke vormen. Eene afzichtelijke kwaal.
Afgrijzen, zie Afkeer.
Afgrond â diepte â kolk â poel. Diepte is het algonieene woord. Afgrond wordt voornamelijk gezegd van voor het oog grondelooze diepten en verbindt er aan hot denkbeeld van gevaarlijk, ijzingwekkend. Het kan evenzeer voor diepten zonder water als voor eeue onpeilbaar diepe watermassa gebruikt worden. Een gebergte vol afgronden. Hel schip verzonk in den afgrond. Kolk bezigt men voornamelijk van grondelooze, onpeilbare
4*
ÃJ
AFGâAFH.
wateren; 'poelen zijn stilstaande wateren, die ofschoon niet zoo diep, door hunne vuilheid niet minder huiveringwekkend zijn. Afgrond an poel w or Am ook figuurlijk gebezigd voor een toestand van diepe ellende, waarin men reddeloos verloren gaat. Een afgrond van rampen en ellenden. Een poel van jammeren.
Europa lag in d' afgrond van het donker,
In d'open muil der slavernij!
Gelijk de zee geen klacht hergeeft Van hem, die in haar kolken sneeft.
Afgunst â Jaloezie â naijver â nijd â wangunst. Het gevoel van spijt over het goede, waarin een ander zich verheugt. Naijver drukt dit het zachtst uit, het veronderstelt mededinging. Afgunst zegt alleen, dat men een ander hetgeen hij meer bezit of voorheeft boven iemand niet gunt; wangunst en vooral nijd sluiten in, dat men hetgeen onze afgunst opwekt zelf wenscht te bezitten, terwijl het geval zich kan voordoen, dat de zaak, waarom men een ander benijdt, den benijder geen voordeel aan zou brengen of ook dat zij toch reeds in diens bezit is. Nijd geeft nog daarenboven te kennen, dat men den persoon, tegen wien men wangunst voedt, wegens zijn meerderen voorspoed een kwaad hart toedraagt, jaloezie, een vreemd woord voor afgunst, wordt ook in de beteekenis van minnennijd gebruikt. Afgunstig wordt dikwijls in sterkere opvatting gebezigd, in den zin van met onverholen nijd en spijt. Iemand met afgunstige oog en aanzien. Soms wordt hiervoor het woord jaloersch gebruikt, dat eigenlijk meer naijverig is. Als adjectief is nijdig niet synoniem.
Afhakken â afhouwen â afkappen â afslaan. Stoffelijke voorwerpen hetzij van andere, waaraan zij vastzitten, hetzij in deelen scheiden. Afslaan is de meest algemeene uitdrukking en kan ook met een bot voorwerp geschieden; afhakken, afhouwen, afkapiien worden uitsluitend gezegd van het slaan met een scherp voorwerp, veelal met een zwaard, eene bijl of een hakmes. Afhakken naast afhouwen veronderstelt een herhaald slaan, terwijl afhouwen, dat meer krachtsinspanning vereischt, een enkelen slag onderstelt: Iemand het hoofd afhouwen, niet afhakken. Intusschen worden zij in veel gevallen door elkander gebruikt. Afkappen ziet bepaald op het afslaan van de uiteinden van een voorwerp. Een boom afhakken of afhouwen is den geheelen boom vellen, een boom afkappen is de kruin of de uiterste deelen weghakken. Een dikken tak van een boom afhakken. Iemand het hoofd afhouwen. De hand, waarmede hij hel verraad bedreven had, werd hem afgekapt.
Afhalen â afstroopen â villen. Van de huid of het vel ontdoen. Afhalen en afstroopen wordt inzonderheid van dieren, als hazen, konijnen, alen en palingen gezegd. Bij afhalen wordt verondersteld dat men met eenige kracht moet trekken, afstroopen heeft meer op het oog het voorttrekken van de huid of bekleeding langs de oppervlakte van het lichaam.
32
AFHâAFK.
Een haas afhalen. Den visch de huid af stro open. Iemand moei zijn' ring niet gemakkelijk af kunnen stroopen. Van do meeste andere dieren en van menschen gebruikt men villen. Figuurlijk beteekent villen oplichten, plukken, afzetten. Die schelm heeft me leelijk gevild.
Afhandig maken, zie Benemen.
Af heffen, zie Aflichten.
Afzetten, zie Aflichten.
Af hooren â afluisteren â beluisteren. Iets te weten komen door het hooren van 't geen anderen spreken. Afhooren heeft de ruimste beteekenis; het kan toevallig en zonder opzet geschieden. Afluisteren veronderstelt altijd de begeerte om te vernemen wat er gezegd wordt. Beluisteren ziet op de personen, wier gesprek men afluistert.
Afhouden â beletten â tegenhouden â terughoudenâverhinderen. Maken dat iemand zich van eene handeling onthoudt, niet tot zijn doel kan komen. Afhouden is maken dat men iets niet kan naderen en duis niet tot aanpakken of handelen kan komen. Iemand van het werk afhouden. Tegenhouden is door iemand op de plaats zelf te houden maken, dat hij niet tot de uitvoering van hetgeen hij zich voorgenomen heeft, kan overgaan. Iemand van het ten uitvoer brengen eener grootsche daad terughouden. Verhinderen en tegenhouden veronderstellen dat men iemand in de uitvoering van een plan moeilijkheden in den wegt legt, die hem kunnen noodzaken van zijn pogen af te zien. Dij beletten is men bij voorbaat er zeker van dat men dezen uitslag zal verkrijgen. Bij tegenhouden is dit niet zoo waarschijnlijk als bij verhinderen. Tegenhouden wordt ten opzichte van personen gebruikt, verhinderen van daden, beide noodzaken iemand van zijn pogen af te zien. De gedachte, dat hij mijn weldoener is, zou mij reeds teruggehouden (of weerhouden) hébben, op hem aan te vallen, wanneer de onmogelijkheid om hem te bereiken, mij daarin ook niet verhinderd had. Een oogenblik kon men den vijand tegenhouden, doch men kon hem niet beletten eene goede stelling in te nemen. Een geregelde aftocht werd door de ruiterij des vijands verhinderd.
Afhouden -âaftrekken â Inhouden â korten. De hoeveelheid eener som geld, die men betaalt, verminderen. Men kort en trekt af, wanneer men eene tegenvordering heeft: men houdt in op een loon of een traktement, om iemand in staat te stellen een genoten voorschot bij gedeelten terug te geven, eene achterstallige schuld bij gedeelten af te doen, of een stuivertje tegen den kwaden dag te besparen; men houdt een tegenvordering af van de som, die men zelf te betalen heeft. Op verzoek der sclmldeischers werd elk kwartaal een belangrijk deel van zijn traktement ingehouden. Daar de som spoedig betaald werd heeft men hem toegestaan vijf percent te korten. Zie hier uw geld, de verschotten heb ik er afgehouden. Ik zal u iedere week een gulden op uw loon inhouden, dan hebt ge van den winter ten minste geen broodsgebrek.
Afhouwen, zie Afhakken.
Afkappen, zie Afhakken.
b3
AFK.
Afkeer â afgrijzen â afschrik â afsoliuw â tegenzinâwalging â walg â weerzin. De onaangename gewaarwording teweeggebracht door iets dat ons mishaagt. Tegenzin geeft die gewaarwording hot zwakst te kennen. Weerzin is sterker en kan ook op personen toegepast worden, tegenzin niet. Afkeer geeft eene hooge mate van weerzin te kennen. Eene bijzondere soort van afkeer vormen walging en walg, gebezigd om eene hoogst onaangename aandoening der smaak- en reukzenuwen aan te duiden. Walg wordt meestal figuurlijk gebruikt, niet alleen van spijzen, maar ook van andere zaken en van personen, waarvan men een onover-winnelijken afkeer heeft. Een sterken afkeer gepaard met schrik, omdat het voorwerp, waardoor hij opgewekt wordt, iels afzichtelijks heeft, noemt men afschrik. Overdrachtelijk worden ivalg en afschrik ook gebezigd van datgene, wat om zijn aard en zijne hoedanigheden afkeuring verdient; dit geldt in nog hoogere mate en altijd voor afschuw, nog sterker voor afgrijzen. Met tegenzin, weerzin, afkeer en walging is dit niet noodzakelijk hot geval. Men kan tegenzin hebben in een zeker werk, weerzin gevoelen voor iemand, afkeer hebben van eene handeling of een persoon, walging kan opgewekt worden door spijzen, ofschoon die werkzaamheid, die handeling, die personen, die spijzen op zich zelf beschouwd niets in zich hebben, waardoor eene onaangename gewaarwording behoeft opgewekt te worden. Datgene, waarvan men een afschuw, een afgrijzen heeft, is altijd om zich zelf te veroordeelen. Met afschrik en walg is dit alleen het geval figuurlijk gebruikt en in zedelijke toepassing.
Afkeer â haat â vijandschap. Een sterk gevoel van mishagen tegen personen, die men niet dulden kan, wordt in den zachtsten zin a^/ccer genoemd. Wordt dit gevoel gepaard met nijd, zoo sterk en onoverwinbaar, dat hel zich in daden kan uiten, dan wordt het haat. Bij vijandschap treden de daden, die het gevolg zijn van den haat, meer op den voorgrond en wordt de zucht om te benadeelen hoofdzaak.
Afkeerenâ afleiden â aftrekken âafwenden. Van richting doen veranderen. Afwenden, afkeeren is iets dat zich in zekere richting beweegt tegenhouden, verhinderen dat het er in voortga. Afkeeren drukt dit begrip sterker uit dan afwenden. Een gevaar afkeeren onderstelt een rechtstreeksch optreden tegen hetgeen dreigt; bij afwenden let men minder op liet tegengaan, dan wel op het leiden van het gevaar, zoodanig dat hij, die er door bedreigd wordt, geen hinder ervan heeft. Het voetvolk keerde den aanval der ruiterij af, doch hiermede was alle gevaar voor hel leger niet afgewend. Afleiden is langzamerhand van richting doen veranderen. Iemands gedachten afleiden. Aftrekken is iets zoo afleiden, dat de oorspronkelijke richting geheel verlaten en door eene andere vervangen wordt. Hij liet zich afleiden door het gepraat en gewoel om zich heen. Op hetzelfde oogenblik werd mijne aandacht afgetrokken door hetgeen om mij heen voorviel.
Afkeerig â huiverig. Afkeerig van iets zijn beteekent er een tegenzin in hebben, er geen behagen in schoppen; huiverig zijn om iets te doen is niet zoozeer het niet willen, als niet goed durven doen.
b4
AFK.
Afkeuren â laken â misprijzen â vcroordeeien. Afkeuren en veroordeelen zijn het meest gebruikelijk, vooral in de spreektaal. In misprijzen wordt slechts gedeeltelijk ontkend, dat iets lof- of prijswaardig is, het is dus het zwakste van do vier. Afkeuren staat legenover ^ocrfA'ejtrcn, laken tegenover prijzen, het laatste is sterker dan liet eerste. Wij keuren iets af, wanneer het niet volgens onze keuze, of ongeschikt, onbruikbaar of strijdig met onze begrippen van goed of schoon bevonden is, wij laken en veroordeelen het wanneer het daarmede geheel in tegenspraak is. Laken is het afkeurend oordeel in woorden uitspreken, terwijl veroordeelen dat op beoordeeling gegrond is, de sterkste afkeuring uitdrukt. Wat de een afkeurt keurt de ander goed. Men laakte zijn schandelijk gedrag. Be eritiek heeft zijn werk veroordeeld. Ik misprijs het in u dat ge uw gevoelen niet altijd openlijk durft uitspreken.
Afkijken, zie Afzien.
Afkeuren, zie Wraken.
Afklinnnen, zie Afstijgen.
Af knevelen, zie Afdwingen.
Af knibbelen, zie Afdingen.
Afkoelen â bekoelen â koelen â opkoelen â verkoelen.
Koelen is het algemeene begrip, dat door de verschillende voorvoegsels gewijzigd wordt, nl. den warmtegraad van iets doen afnemen of (intransitief) het verminderen in warmte. Afkoelen is hetzelfde en soms met de bijgedachte van langzaam, dus den warmtegraad van iets verminderen tot het geheel koel is geworden. Gloeiend ijzer wordt gekoeld doch moet altijd langzaam afgekoeld. Opkoelen wordt meest van do temperatuur gebruikt en duidt aan, dat men door de koelere lucht aangenaam wordt aangedaan. Na het onweder is het aanmerkelijk opgekoeld. Bekoelen is koel worden en wordt van men-schen, die warm zijn geweest, en bij overbrenging van hartstocht, waarbij hitte verondersteld wordt, gezegd. Verkoelen is koel worden of maken, doch meest met kwade of slechte beteekenis. Hij heeft zich te veel verkoeld. Toen was die genegenheid reeds geheel verkoeld.
Af komellng â afstammeling â nakomeling â naneef â nakroost â nazaat â oor (oir). De beide eerste woorden verschillen nagenoeg niet in beteekenis; zij worden gezegd van al de personen, die van een zelfden voorvader afstammen, zoowel de kinderen, de kindskinderen als de verdere bloedverwanten, tot in den verwijderdsten graad. De volgende woorden, behalve oor, daarentegen hebben alleen betrekking op een meer verwijderd nageslacht. Wil men echter van zulke nazaten of nakomelingen meer bepaald de geslachtsbetrekking tot den gemeenschappelijken voorvader doen uitkomen, dan noemt men hen bij voorkeur afstammelingen. Oor is de afstammeling in de rechte lijn, die als erfgenaam in de rechten van den vader treedt. Het wordt bijna uitsluitend in deftigen stijl gebezigd: Bij ontstentenis van het mannelijk oir gaat de kroon over op diens broeders. Nakomeling, naneef, nakroost, dat alleen in het enkelv. voorkomt, en nazaat
ob
AFKâAFL.
veronderstellen in de meeste gevallen geen nabestaanden familieband. Wij, die zoo verachtelijk den neus ophalen voor de middeleeuwsche beschaving, loopen wij geen gevaar, dat onze nazaten het eveneens zullen doen over onze hooggeroemde negentiendeceuwsche welenschappelijkheid? Indien uwe voorouders uit hunne graven opzagen, meent gij, dat zij in u hunne afstammelingen zouden erkennen? 't Vangt aan het stout bedrijf waar 't nakroost van zal spreken.
Afkomst â afstamming â geboorte â herkomst â oorsprong. Deze woorden hebben betrekking op de keten, die iemand aan zijne voorouders verbindt. De geboorte is van die keten als het ware de laatste schakel, het directe aanknoopingspunt. De afkomst omvat van die keten een groeier gedeelte; de oorsprong vormt haar begin. Afkomst en afstamming staan elkander in beteekenis zeer na en worden dikwijls dooreen gebruikt, doch afkomst is, evenals ook herkomst, onbepaalder en wordt meer in algemeenen zin gebruikt voor het afkomen van iemand of het komen uit een land of streek, terwijl afstamming meer in het oog houdt dat er voor het afkomen van één stam, bloedverwantschap bestaat in nederdalende lijn. Le oude afkomst van zijn geslacht wordt niet betwist. Zijne afstamming van den bekenden Graaf van Egmond kan niet bewezen worden. Iemand kan een Franschman van geboorte, maar Nederlander van afkomst zijn. Vele Nederlandsche families zijn van vreemde herkomst. Bc oorsprong van zijn geslacht is moeielijk na le gaan.
Aflaten â nalaten â ophouden â uitschelden. Iets niet doen of niet voortzetten. Het eerste is de beteekenis van nalaten. Nalaten is in 'talgemeen iets niet doen, waarvan kan verondersteld worden, dat wij het doen zouden. Men laat zoowel iets goeds als iets kwaads na, ofschoon het afgeleide nalatig alleen in een kwaden zin gebezigd wordt. Aflaten, ophouden en uitscheiden geven te kennen, dat de handeling, die men staakt, reeds begonnen was. Bij uitscheiden, dat minder in de schrijftaal gebezigd wordt, wordt meer opzettelijk dan bij ophouden te kennen gegeven, dat de afgebroken handeling niet hervat wordt. Aflaten, vooral in dichterlijke taal in gebruik, wordt bij voorkeur gezegd van zulke handelingen, die als kwaad of althans als onaangenaam voor een ander worden voorgesteld. Vandaar dat het veelal gebezigd wordt in de gebiedende wijs of met de ontkenning. Laat af van toorn!
Groothartige Egmond laat niet af,
Zijn wakk're volgers aan te vuren.
Afleeren, zie Afzien.
Afleggen, zie Afdoen.
Afleggen (bezoek), zie Bezoeken.
Afleggen, zie Aflichten.
Afleggen (examen) â ondergaan. Ten opzichte der zaak zelve bestaat tusschen beide uitdrukkingen geen verschil. I3ij het eerste wordt de examinandus als handelende gedacht, bij hel laatste meer passief, als onder-
56
AFL.
zocht wordend. Hij heeft zijn examen als onderwijzer afgelegd. Wie bij den groolen man kwam moest meestal eerst een examen onderqaan.
Afleiden â besluiten â opmaken. Van liet een tot het ander komen, van de eene gedachte tot de andere, eene gevolgtrekking maken. Besluiten is sterker dan afleiden. Het eerste duidt aan, dat men uit verschillende oordeelvellingen eene gevolgtrekking of besluit maakt. Vgt;'\\ afleiden is hetgeen afgeleid wordt meer het natuurlijk gevolg of het uitvloeisel van de gegeven zaak of daad. Opmaken verschilt van afleiden en besluiten in zooverre dat het minder zekerheid heeft, het is daarom in de spreektaal, het meest in gebruik. Besluiten is het zekerst en veronderstelt eene nauwkeurige vergelijking van meer dan een oordeel of waarnemingen waaruit de gevolgtrekking gemaakt wordt. Uit de taal, die een volk spreekt is niets af-teleiden omtrent hel ras, waartoe het behoort. Moet ik hieruit besluiten, dal go niet voornemens zijt uw woord gestand le doen? Uil zijne handelingen kan ik niet opmaken dat hij mij vijandig is.
Afleiden, zie Afkeeren.
Afleiding â stoornis. Een voorval of eene bezigheid, waardoor iemand van iets afgetrokken wordt. Bij a/leiding wordt do gedachte bij iets anders, dan bij het werk waaraan men bezig is, bepaald. Stoornis duidt iets aan, dat hem de geregelde voortzetting van een werk verhindert. Een opstel onder vele afleidingen vervaardigd. Hij ondervond veel stoornis bij zijn werk, zoodat hel tot zijn leedwezen niet op den bepaalden tijd klaar kon komen.
Afleiding â uitspanning â verstrooiing. Afleiding is de wending der gedachte van hetgeen ons droefheid of kwelling geeft op iels dat onzen geest opgewekter stemt. Wanneer zij vooral dient om den geest na inspannend en vermoeiend werk eene ontspanning te geven dan kan men van uitspanning spreken. Afleiding wordt echter dikwijls in dezen zin gebruikt. Bij verstrooiing veronderstelt men dat de afleiding der gedachte wordt gezocht om zorgen te verzetten of onaangename gedachten te verjagen : verstrooiing wordt ook voor uitspanning genomen. Diverteer u eens recht, gij hebt ook wel eenige afleiding noodig. Na een inspannenden arbeid moet men wat uitspanning hebben. Daar hij zooveel verdriet en moeilijkheden te huis had, zocht hij verstrooiing, ten einde zijn leed te vergeten.
Aflleliten â af beuren â af heffen â afleggen â afnemen â
aftlllen â afzetten. Een voorwerp, dat op een ander ligt of iets, dat zich aan iels anders bevindt, daarvan verwijderen. Afnemen heeft de ruimste beteekenis; de andere onderstellen altijd, dat het te verwijderen voorwerp zich bovenop een ander bevindt, en dat het eerst opgelicht moet worden, voor het weggenomen kan worden. Bij afbeuren denkt men altijd aan betrekkelijk zware voorwerpen, aflichten geldt van minder zware voorwerpen, aftillen staat tusschen beide in. Afhelfen, dat hetzelfde beteekent als aflichten, is weinig in gebruik. Afzeilen, afnemen en aflichten worden soms dooreen gebruikt, 1). v. den hoed aflichten en den hoed afzetten. Afzetten heeft echter de bijgedachte, dal men het voorwerp dat ergens stond, na het al-
b7
AFLâAFM.
gezet te hebben, ergens anders weer neerzet. Ben hoed afnemen Iaat in 't midden of men hem terstond weer opzet, dan wel eenigen tijd in de hand houdt, terwijl aan den hoed aflichten het bijdenkbeeld verbondon is van hem bijna terstond er na weer op te zetten.
Afloop, zie Besluit.
Aflijvig, zie Dood.
Afloopen â doorkruisen. Eene uitgestrektheid in de ruimte in alle richtingen doorloopen. A/loopen wordt inzonderheid gezegd van het doorkruisen met een vijandig dool, om te rooven, te plunderen en te verwoesten. Hij heeft al da zeeën doorkruist. Nu wordt Vlaanderen afcjeloopen door da twistende partijen.
Afloopen â ten einde loopen â eindigen. Langzaam het. einde naderen; langzamerhand, niet plotseling ophouden. Eindigen veronderstelt het tot stand brengen van hot laatste gedeelte, waardoor de handeling voltooid is. Ten einde loopen en afloopen zijn in zoover van eindigen onderscheiden , dat zij alleen gebruikt worden van den tijd en van zulke handelingen en voorvallen, waarvan de duur als een tijdsverloop beschouwd wordt. Bij afloopen is men aan het einde gekomen, hij ten einde loopen is men echter nog niet zoo ver. De onderhandelingen zijn afgeloopen. Het is met hem afgeloopen. Hoe is het voor n afgeloopen ? De vergadering van den rijksdag liep reads ten einde, toen hij op eens dit voorstel ter tafel bracht, dat wel druk debat uit moest lokken. Alles eindigde echter spoediger dan men dacht.
Aflossen â vervangen. Vervangen is in iemands plaats treden en voor hem handelen of iemand in de plaats van oen ander stellen, aflossen is iemand, die met zekere taak belast is, daarvan losmaken en deze zelf overnemen of aan een ander opdragen. Aflossen ter onderscheiding van vervangen onderstelt altijd, dat de taak bij beurten waargenomen wordt, terwijl hij, die een ander aflost, zelf in diens plaats treedt of een ander in diens plaats kan stellen. ygt;Wil ik ja nu niet reis aflossen, mijn lieve galeislaven?quot; vroeg Dolf ons mat hartelijkheid, nadat we een goed half uur geroeid hadden. De Referendaris moest nu den Secretaris-Generaal vervangen. De oneerlijke portier werd weggezonden en vervangen door een oud maar eerlijk man. De wacht loste den schildwacht af.
Aflossen â betalen. Eene schuld voldoen. Betalen ziet op de schuld zelve, die vernietigd wordt; aflossen op het onderpand, dat men daarvoor gegeven heeft, en waarover men de vrije beschikking herkrijgt. Eene schuld aflossen is dus eene overdrachtelijke uitdrukking.
Afluisteren, zie Afhooren.
Afmaken, zie Afdoen.
Afmaken, zie Doodcn.
Afmalen â afschilderen â beschrijven. In geschreven of gesproken woorden eene levendige of krachtige voorstelling van iets, dat bestaat,
58
AFMâAFN.
geven. Beschrijven is ile pewone uildrukkint,', Afmalen, (iat tegenwoordig alleen in lioogeren, dichterlijken stijl voorkomt, en afschilderen beteekenen personen of zaken zoo levendig beschrijven, ze met zulke heldere kleuren voorstellen, dat men den lezer of den hoorder een beeld voor oogen stelt, dat zoo helder en duidelijk is, als ware het met penseel op doek gebracht. Niets zoo vleiend, noch vervoerend,
Voor eens jongen dichters lied ,
Als de daden af te malen....
Op der vaadren boóm geschied.
ATmattcn â vermoeien â afsloven â uitputten. Vermindering van krachten teweegbrengen. Ontstaat deze vermindering uit /,waren of langdurigen arbeid, dan is men vermoeid, ontstaat door de vermoeienis uitputting der krachten van het lichaam of van den geest, dan noemt men dit afmatten. Te zware inspanning, maar vooral gebrek, ziekte en geestelijke kwellingen matten af. Uitputting is een hooge graad van vermoeidheid of afmatting; het geheel verbruiken als het ware van de hoeveelheid kracht, waarmoe het lichaam of do geest toegerust is. Wie vermoeid of zelfs afgemat is, zou zijn werk desnoods nog kunnen voortzetten, wie uitgeput is, ziet zich gedwongen het althans voorloopig testaken. Figuurlijk; iemands geduld uitputten = maken dat hij al zijn geduld verliest. Zich afsloven onderstelt niet alleen eene zeer sterke, maar ook eene langdurige afmattende inspanning. Die oude man heeft zich in den dienst mijns vaders afgesloofd.
Afnemen, zie Aflichten.
Afnemen â luwen â verminderen â vervallen. Afnemen en verminderen zijn synoniem met luwen voor zooverre zij van gesteldheid van wind of weder gebruikt worden. Van den wind gebruikt zegt luwen dat de eerst hevige wind stil wordt, van het weder dat koude zich minder doet gevoelen. In overdrachtelijke beleekenis wordt het ook gebruikt voor het verminderen van gevaar. In omvang kleiner, in hoedanigheid of hoeveelheid minder worden. Tegenover afnemen staat toenemen, tegenover verminderen staat vermeerderen. Verminderen is minder worden; door de comparatief welke er aan ten grondslag ligt, wordt reeds uitgedrukt dat de toestand, waarin iets verkeert, vergeleken wordt met een vorigen toestand, terwijl men bij afnemen alleen de werking, die op het oogenblik plaats heeft, op het oog heelt. Gaat hel atnemen sterker voort, zoodat er zich sporen van eene geheele ineenzinking of te niet gaan van (Ie zaak of den persoon beginnen te vertoonen dan wordt het vervallen. Afneming van krachten kan licht tot verval van krachten overgaan. Hun koophandel neemt af, doch hun handelsgeest vermindert niet.
Afnemer â kooper â klant. Kooper is het algemeene woord. Afnemer is do kooper, die koopman, en dus tevens verkooper zijnde, den fabrikant van den voorraad, dien hij fabriceert, ontlast. Klant is de kooper, hetzij hij weder verkoopt hetzij niet, die geregeld bij een bepaalden verkooper de waren uit den winkel of het pakhuis koopt.
Afneuzen, zie Alxlen.
b9
AFPâAFS.
Afpersen, zie Afdwingen.
Afplaggcn â afzoden. Vierkante lappen van den bovengrond afsteken. Het eerste wordt van heidegrond, het laatste van een grasveld gezegd.
Afraden â ontraden. Het eerste zegt meer dan het laatste. Ontraden is iemand den raad geven een plan of opzet niet te volvoeren, afraden iemand de raadzaamheid van iets niet te doen, voor oogen houden, b.v. doordat men den persoon, dien men van iels wenscht terug te houden, op de verkeerde gevolgen, die zijne handeling kan hebben, opmerkzaam maakt. Het behoort onder de domme streken mijner jeugd, dat ik zoo dikwijls met vreemdelingen in vriendschap hen vervallen; gelijk ik het dan ook, door ondervinding wijs geworden, iedereen stellig afraad. Ik moet u dat proces ontraden.
Afraken, zie Afdwalen.
Afranselen, zie Afsmeren.
Afreizen â vertrekken. De plaats verlaten, waar men zich bevindt, om elders been te gaan. Vertrekken is ruimer van beteekenis dan afreizen, en kan gebezigd worden van iedere verwijdering van de plaats, waar men is; afreizen sluit in, dat zij geschiedt met het doel om zich naar eene andere, meer verwijderde plaats te begeven, waarvoor eene reis noodig is. Reeds heden reis ik naar Zeeland af. Hij vertrok cn niemand wist waarheen.
Afroepen â oproepen. Iemand roepen om elders te komen. Afroepen veronderstelt dat hij zich van de plaats, waar hij zijne bezigheid heeft, moet wegbegeven om naar elders te gaan, zonder dat er eenig doel bij vermeld wordt. Bij oproepen roept noen iemand van eene plaats wegen geeft aan waarvoor hij komen moet, zoo dit niet bekend wordt verondersteld. Iemand van zijn werk afroepen. In de kracht uwer jaren kunt gij van uw post hier op aarde worden afgeroepen. Hij werd opgeroepen om voor den rechter te verschijnen. Allen worden wij eens opgeroepen.
Afroepen â oproepen. Overluid de namen van personen opnoemen. Afroepen is de namen van personen, die op eene lijst staan of zich ergens bevinden, in geregelde volgorde luide uitspreken tot de lijst ten einde is. Oproepen veronderstelt dat dit met een doel geschiedt. Hij riep de namen af naarmate het rijtuig der familie voorkwam. De voorzitter riep de leden alle een voor een op om te stemmen.
Afrossen, zie Afsmeren.
Afrukken â afseheuren â aftrekken. Met krachtige beweging iets, dat bij iets anders behoort of aan iets anders vast zit, los maken. Aftrekken ziet meer op de kracht die hierbij aangewend wordt en veronderstelt niet een moeilijk scheidbaar verband. Bij afscheuren is dit wel het geval; hierbij wordt met geweld een deel van het geheel of iets dat aan of op iels anders vastzit afgetrokken. Afrukken veronderstelt Aai avplotselinge scheuring of verbreking bij plaats heeft. Bij uitbreiding van personen, die als door een band aan elkaar verbonden zijn, van elkander verwijderen.
60
AFS.
Afschaduwen, zie Afschetsen.
Af'scfialtcn â herroepen â intrekken. Het doen ophouden of buiten gebruik stollen van wetten, gewoonten enz. Intrekken en herroepen onderstellen de rechtstreeksche tusschenkomst der bevoegde macht, of ten minste van een bepaald persoon, afschaffen kan ook, behalve langs wettigen weg, ten gevolge der veranderde tijdsomstandigheden als het ware van zelf geschieden. Gewoonten, gebruiken, instellingen, die verouderd zijn,worden afgeschaft (niet ingetrokken of herroepen). Intrekken en herroepen kan men woorden, voorstellen, besluiten, kortom alles wat luide verkondigd is; wanneer iets nog geen kracht van wet heeft gekregen, nog slechts een voorstel is om iets tot wet te maken, kan het worden ingetrokken. Herroepen kan men alleen dat wat uitgevaardigd of afgekondigd is. De regeering trekt een wetsvoorstel in; eene wet of een besluit herroept 7.\]o{schaft af. Iemand trekt zijne woorden in. Men herroept zijne dwalingen.
Afschaffen, zie Afdanken.
Afscheid geven (iljn), zie Afdanken.
Afschelden â afdonderen â schelden. Den samenhang verbreken. Bij scheiden (behalve in den zin van vertrekken) wordt gelet op de beide deelen, waarvan de samenhang verbroken wordt. Afscheiden is sterker; daarbij heeft men meer bepaald het oog op dat eene deel, hetwelk van het geheel afgenomen wordt. Ditzelfde geldt ook van afzonderen, doch met de bijbedoeling, dat het afgescheiden deel tot een bepaald doel afzonderlijk wordt gehouden. De schapen van de hokken scheiden. Van de zijnen afgescheiden, en geheel alleen onder vreemden, gevoelt hij zich volstrekt niet op zijn gemak. Wilt ge niet eene kleinigheid voor dal liefdadig doel afzonderen 1
Afscheuren, zie Afrukken.
Afschetsen, zie Afbeelden.
Afschetsen â Afschaduwen. Eene oppervlakkige voorstelling geven. Afschaduwen is zwakker dan afschetsen, en heeft het bepaalde bijdenkbeeld, dat de schets slechts eene zwakke, eene llauwe voorstelling van het afgebeelde voorwerp of de weergegeven gedachte heeft. In deze figuurlijke beteekenis wordt afschaduwen ook wederkeerig gebruikt.
Afschilderen, zie Afmalen.
Afschilderen, zie Afbeelden.
Afschieten, zie Afsteken.
Afschrabben â aischrapen â afschrappen. Door het strijken met een scherp werktuig van den buitenkant van een hard voorwerp iets afnemen. Afschrabben wordt alleen in eigenlijken zin gebruikt; het heeft meestal ten doel om iets rein en zuiver te hebben. Afschrapen is zorgvuldig de vuile korst ergens van verwijderen of zoo iets afkrabben, dat men van de stof, die men afkrabt, lijn schraapsel verkrijgt. Afschrappen is vuiligheid of het overtollige van iets wegnemen met een mes. Een griffel of potlood wordt afgeschrapt tot er een punt aan komt.
61
AFS.
Afscliri|vcn â nasclirijvcn â overschrijven â uitschreven.
Afschrijven wordt bij voorkeur gebezigd 'van het vervaardigen van afschriften van geschreven of gedrukte stukken; overschrijven van liet in het net overbrengen van hetgeen men vooraf in klad opgesteld heeft; naschrijven van liet overnemen van stukken uit het werk van een anderen schrijver, meestal met het bijdenkbeeld, dat men ze voor eigen werk tracht uit te geven; uil-schrijven van het overschrijven van belangrijke gedeelten uit een boek, enz. om ze bij de hand te hebben, wanneer men ze noodig heeft, alsmede van het opmaken van rekeningen.
Afschrik â schrik. Schrik is een plotseling opgekomen gevoel van angst en vrees voor mogelijk of dreigend kwaad. Afschrik ontstaat door den afkeer dien men gevoelt van iets, dat onze gevoelszenuwen onaangenaam aandoet en ons met afgrijzen vervult. Hij heeft een schrik voor de politie, daar hij geen afschrik van stelen en bedriegen heeft.
Afschrik, zie Afkeer.
Afschudden â afwerpen. Zich van een last ontdoen. Overdrachtelijk worden beide woorden gebezigd in den zin van zich van dienstbaarheid of afhankelijkheid bevrijden. Afschudden is sterker dan afwerpen, daar het insluit, dat voor de bevrijding inspanning noodig was. Op het bericht van Napoleons beslissende nederlaag hij Leipzig maakten alle door hem geknevelde volken zich gereed het juk der dienstbaarheid af te schudden. Zij wierpen het Spaansche juk af en maanten gemeene zaak met de opstandelingen.
Afschuw, zie Afkeer.
Afschuwelijk, zie Afgrijselijk.
Afslaan â afweren. Een vijand of een vijandelijken aanval door vechten tegengaan, zoodat de vijand genoodzaakt wordt zijn aanval te staken. Bij afweren bepaalt men zich tot zelfverdediging en belet men den vijand te naderen; afslaan is door zich vechtend te weer te stollen den aanvaller met geweld van wapenen noodzaken den aanval te staken.
Uw stadt en staet verduurt der Monarch ij en troonen,
Slaat Mahomels geweld met ijsre klaewen af.
Afslaan â vellen. In het openbaar verkoopen. Veilen is het algemeene begrip. Afslaan wordt gezegd van zulk eene verkooping, waarbij de prijzen in afdalende reeks worden genoemd, en de koop aan den hoogst afmijnende .wordt toegewezen. Het afslaan van visch is iets dat mij altijd amuseert. Ook wordt het gebruikt voor de daad, die aanduidt dat een koop is toegewezen.
Afslaan, zie Afhakken.
Afslaan â afwijzen â van de hand wijzen â weigeren.
Verklaren, dat men aan een verzoek, dat ons gedaan wordt, niet kan voldoen. Weigeren is het algemeene begrip. Afslaan is een aanbod of aanzoek, dat ons gedaan wordt, kortaf weigeren, bet als 'tware van ons stooten. Afwijzen is iets officieel weigeren en laat in het midden op welke wijze de
62
AFS.
weigering geschiedt, terwijl afwijzend beschikken meer bepaald liet oog op eene scliriftelijke beantwoording van de hand van een niachthebbend persoon ol' college heeft. Van de hand wijzen onderstelt meer eene beleefde weigering, weigeren en ontzeggen zien meer op den inhoud van het verzoek. Een aanzoek, verzoek, eene bede of uilnoodiging afslaan. Iemand ondersteuning weigeren.
Alslijtcn â verslUtcu. Door langdurig gebruik onbruikbaar worden, inzonderheid van kleedingstukken. Verslijten verschilt hierin van afslijten, dal, terwijl het laatste zich meer tot het uitwendige of tot een deel van het geheele voorwerp bepaalt, het eerste meer bedoelt het allengs vergaan, verteren over het geheel, en het onbruikbaar worden van het voorwerp ten gevolge heeft. Zijne scl.oenen zijn versleten (d. i. niet meer te gebruiken); de hakken zijn er afgesleten (de schoenen zijn toch nog wel te gebruiken, doch met nieuwe hakken). Tusschen afgesleten kleederen en versleten kleederen bestaat onderscheid.
Afsloven, zie Afmatten.
Afsmeeken, zie Afbedelen.
Afsmeren â afranselen â afrossen â slaan. Dit laatste is het gewone woord voor iemand slagen geven. Slaan kan zich echter beperken tot oen slag, de drie anderen niet. Deze geven te kennen, dat men iemand zooveel slagen geeft totdat men het voor voldoende houdt.
Afspraak â overeenkomst. Zich over iets onderling verstaan. Afspraak geeft altijd eene mondelinge regeling te kennen, overeenkomst, dat doorgaans deftiger is, laat de wijze der regeling geheel onbepaald. Men
maakt eene afspraak doch men sluit eene overeenkomst. Be afspraak was te vier uur bij elkander te komen. l)e beide mogendheden hebben de overeenkomst, waarover al zoo lang onderhandeld wordt, wel gesloten maar nog niet geteekend.
Afstaan â (van Iets) afstand doen. Zijn bezit of zijne aanspraak opgeven, laten varen. Afstaan heeft de algemeene beteekenis; Men staat iets af aan een ander, die het voor een zeker doel kan gebruiken. Men doet er afstand van wanneer men alle mogelijke aanspraken op iets laat varen en aan een ander overlaat om het te gebruiken of niet. Ik wil u mijne kamer afstaan, mits gij er alles laat zooals het is. Hij deed afstand van alles wat hij had en trok zich in een klooster terug. De dood staat van haar prooi niet af. Hij doet er geen afstand van.
Afstaan â afstappen â afzien â opgeven. Een voornemen, eene gezindheid, enz. laten varen; met iets uitscheiden, er niet mede voortgaan. Afzien slaat altijd op eene handeling, waarvan de uitvoering nog niet begonnen is, afslaan gewoonlijk op eene zoodanige, waarmee men wel een begin gemaakt heeft, maar die men niet wenscht voort te zeltea, afstappen van bezigt men gemeenlijk met betrekking tot een onderwerp, waarover men spreekt ol schrijft, maar waarmee men niet wenscht voort te gaan. Opgeven gebruikt men van een plan of voornemen, dat men laat varen.
63
AFS
Ik heb van de reis naar D. afgezien. Dappere edellieden .... staat af van uw roekeloos bestaan! Laai ons liever van dit onderwerp afstappen,
Afstamnicllng, zie Afkomcllng.
Afsianil â verte â verwijdering. Tusschenruimte tusschen de plaatsen, waar twee personen of voorwerpen zich bevinden. Afstand duidt het van elkaar verwijderd staan van voorwerpen aan, doch laat die tusschenruimte geheel onbepaald. Verte ziet op eene hoedanigheid van den afstand van voorwerpen en duidt altijd een groeten afstand aan. Verwijdering geeft te kennen dat de voorwerpen, waarvan men spreekt vroeger nader bij elkaar waren. Dat lijkt er in de verte niet naar. Iemand op een afstand houden, zorgen dat hij niet te gemeenzaam wordt, niet te veel nadert.
Afstand doen, zie Afstaan.
Afstappen, zie Afstaan.
Afstappen, zie Afstijgen.
Afsteken â In het oog vallen â opzichtig zijn. Sterk uitkomen. Afsteken is door groot verschil met iets anders, bijzonder uitkomen, en wordt vooral gezegd van een voorwerp, dat van een ander sterk in kleur verschilt, wanneer het tegen dat andere aan of daarnaast gezien wordt. De sneeuw der hooge kruinen steekt schitterend af tegen den blauwen hemel. Ook van kleuren onderling. Die helle gele verf steekt reeds van verre af hij het harde groen. Opzichtig zijn sluit altijd het bijdenkbeeld in van iets vreemds, dat door sterksprekende kleuren het oog op eene onaangename wijze aandoet. Het geeft niet alleen eene tegenstelling tusschen verschillende kleuren of voorwerpen te kennen, maar wordt zelfs van ééne sterksprekende kleur gebezigd. Die japon is voor hare jaren veel te opzichtig. Afsteken wordt ook overdrachtelijk gebruikt. De pracht, die aan uw hof wordt gevonden, en zoo afsteekt hij mijn burgerhuishouden. Beide afsteken en opzichtig zijn hebben tengevolge dat datgene, wat afsteekt of opzichtig is, in het oog valt.
Afsteken â afschieten â afvuren â lossen â losbranden.
Buskruit of andere ontplofbare stoffen in een vuurwerktuig doen ontbranden. Afsteken, lossen en losbranden zien alleen op de ontbranding van de stof, afschieten en afvuren zien op de gevolgen er van. Vuurwerk afsteken doch een geweer afschieten of een kanon afvuren. Onder het lossen van het geschut. Afschieten wordt in hot algemeen gezegd van alle schietwerktuigen, als geweer, boog, windroer, kanon, terwijl afvuren en lossen alleen van schietgeweer of geschut, dat met kruid geladen is, gebruikt worden. Losbranden wordt meest zonder voorwerp gebruikt. Hij brandde in het wilde er op los en liep toen weg met achterlating van zijn geweer.
Afsteken â afvaren. Zich met een vaartuig van den wal verwijderen. Met afsteken is het bijdenkbeeld verbonden, dat dit door het voortstuwen met een boom of haak geschiedt, zoodat het eindelijk alleen op kleinere vaartuigen van toepassing is. Bij uitbreiding staat het echter voor afvaren in het algemeen. De stoomboot?... ze is juist afgevaren. De sloep stak van het schip af. De stoomboot stak van den Moerdijk af.
64
AFS.
Afstel â uitstel. Beide belcekenen liet opgeven van een plan of hot doen ophouden eener handeling. Bij afstel geeft men de uitvoering op, bij uitstel houdt men slechts tijdelijk op, maar stelt zich voor het later uit te voeren. Uitstel is geen afstel.
Afsterven â besterven â dooil gaan â den geest geven â ontslapen â overlijden â sterven â verscheiden â wegsterven. Doodgaan en sterven zijn de gewone uitdrukkingen voor ophouden Ie leven, en stellen dit voor zonder bijgedachte. Sterven wordt van men-schen en dieren gebruikt, doodgaan bijna uitsluitend van dieren en planten. Besterven is meer beperkt. Het drukt een plotselingen dood uit ten gevolge van eene gebeurtenis, die schrik of onaangename aandoening te weeg bracht. In figuurlijken zin drukt het een hevigen schrik krijgen uit. Soms staat het gelijk met wegsterven, doch dat heeft meer de beteekenis van langzaam ophouden. Het woord bestierf op zijne lippen. Langzaam stierven de laatste klanken weg. Ben geest geven, ontslapen, overlijden en verscheiden drukken het denkbeeld van sterven euphemistisch uit. Ontslapen ziet op hot langzaam wegzinken der laatste krachten, het sluiten der oogen en insluimeren als voor een langen slaap, het wordt dus vooral van een zacht en kalm sterven gezegd. Bij verseheiden staat het denkbeeld op den voorgrond, dat men bij het sterven de wereld en alles voor altijd vaarwel zegt, van alles gaat scheiden. Het wordt alleen in hoogeren stijl gebruikt als onbep. wijs, verl. deehv. of znw. Ben geest geven is mot vrome berusting den levensadem terug geven, en ziet alleen op het laatste oogenblik. Overlijden is een euphemisme en stelt eigenlijk het sterven voor van zijne troostrijke zijde, het drukt uit dat de gestorvene naar een ander leven overgaat. Afsterven sluit de bijgedachte in van het gemis, dat de achtergebleven betrokkingen van den overledene door zijn dood lijden. Het wordt dus bij voorkeur gebezigd als een zachte uitdrukking van het overlijden van zulke personen, van welke men met eerbied en liefde spreekt. Als synoniem van sterven wordt het bij voorkeur als zelfst. nw., het verl. deelw. afgestorven als bijv. nw. gebruikt. De vriend, wiens vroegtijdig afsterven wij betreuren. Van boomen en planten gebruikt, is het langzaam dood gaan, van de uiterste takken af tot den wortel.
Afstijgen â afklimiiien â alstappen â afzitten. Van rijdieren stijgen. Het eerste is de gewone uitdrukking, afklimmen veronderstelt een hoog rijdier en ziet op de moeite, die men heeft om er af te komen. Afstappen veronderstelt moer een kleiner dier, waarvan men door een stap op den grond staat. Afzitten wordt meer van een troep dan van één ruiter gezegd en staat in de militaire commandotaal tegenover opzitten.
Afstijgen â afklimmen â afstappen â uiistappen. Uit een
rijtuig stappen. Afstijgen en uitstappen zijn de gewone uitdrukkingen, doch afstijgen is deftiger. Afklimmen veronderstelt een hoog rijtuig met veel treden. Afstappen is het rijtuig ergens verlaten met het doel om er te vertoeven.
Afstorten, zie Vallen.
SYNONIEMEN.
65
AFS-AFV.
Afstraffen â straffen. Iemand voor eene overtreding doen boeten. Stralfen is het algeraeene begrip. Met afstraffen is altijd het bijdenkbeeld verbonden, dat de straf, die in den vorm eener lichaamsstraf of van eene kastijding met woorden voltrokken kan worden, afdoende is. In dit geval staat het gelijk met iemand geducht doorhalen, iemand flink zeggen waar het op neerkomt, om hem zijn ongelijk en zijne minderheid te doen gevoelen.
Afstroopen, zie Afhalen.
Afstuiten â botsen â stuiten â terugstuiten. Bij het stoeten van een hard voorwerp tegen een ander er niet in doordringen, maar door den weerstand een schok veroorzaken. Stuiten drukt dit in het algemeen uit. Afstuiten geeft te kennen dat het voorwerp, dat tegen het andere aankomt, terugspringt, hetzij in de richting vanwaar het gekomen is, hetzij in eene zijdelingsche richting. De kogel stuitte op het pantser af. Botsen onderstelt meer dat door het met kracht tegen elkaar aankomen van twee in beweging zijnde voorwerpen een lievige schok teweeg gebracht wordt. Terugstuiten drukt meer dan afstuiten het denkbeeld uit, dat de terugkeerende beweging in eene richting geschiedt tegenovergesteld aan die, waarin de voorwaartsche plaats greep. Figuurlijk wordt afstuiten gezegd van het mislukken van pogingen, die men aanwent om een doel te bereiken. De botsing van twee treinen. Al hare gebeden stuitten af op zijne onverschilligheid.
Afsturen, zie Afvaardigen.
Afteekenen, zie Atbeelden.
Aftlllen , zie Aflichten.
Aftrekken, zie Afhouden.
Aftrekken, zie Afkeeren.
Aftrekken, zie Afrukken.
Aftuimelen, zie Vallen.
Afvaardigen â afsturen â afzenden. Iemand of iets van eene plaats naar eene andere zenden. Afvaardigen (soms ook afzenden) heeft de bijgedachte, dat de afgevaardigde of afgezant een bepaalden last heeft, dien hij zelfstandig moet volbrengen. Afsturen en afzenden worden van zaken en personen gebruikt en duiden in 't laatste geval het verlaten van de plaats aan, hetzij met, hetzij zonder bepaalden last, doch wel met een doel. Afvaardigen is plechtiger dan afzenden: het wordt meest gebezigd als de afgevaardigde een persoon is van rang, of hem eene gewichtige zending opgedragen is. Afsturen is meer alledaagsch. Na zijne overwinning bij Heraclea vaardigde Pyrrhus van Epirus zijn weisprekenden staatsdienaar Cineas naar Rome af om den vrede aan te bieden. Daar moet men iemand op afzenden, die zijn plannen bedekt weet te houden. De tabak is afgezonden.
Afvallen â Inzinken â vermageren. Minder worden met betrekking tot dikte en gezond voorkomen. Vermageren wordt gezegd van iets wat reeds in den toestand van mager zijn gekomen is. Afvallen is het
60
AFVâAFW.
snel slinken van het vleesch. Iemand, die dik is, kan verscheiden ponden afgevallen zijn zonder nog vermagerd Ie wezen. Inzinken is het snel afnemen van gezondheid en kracht van het lichaam.
Afvallen, zie Vallen.
Afvallig, zie Ontrouw.
Afvaren, zie Afsteken.
Afvegen â afdrogen â afwlssehen. Met een doek of een ander reinigingswerktuig stof, vuil of vocht wegnemen. Afdrogen wordt alleen gezegd van de geheele verwijdering van vocht, zoodat het voorwerp weder geheel droog wordt; afvegen beteekent doorgaans het verwijderen door middel van een droog voorwerp (doek, bezem, enz.); met a/toissc/ien gaat steeds het denkbeeld van vocht gepaard, onverschillig of droog vuil of stof met een vochtig werktuig, dan wel iets vochligs met een droog voorwerp wordt weggestreken. Gebezigd van een of ander vocht, dat verwijderd moet worden, beteekenen afvegen en afwisschen hetzelfde, ofschoon het laatste minder gemeenzaam en niet zoo alledaagsch is.
Afvorderen, zie Afelschen.
Afvuren, zie Afsteken.
Afwaaien â wegwaaien. Het verschil ligt in de voorvoegsels; af duidt alleen eene scheiding, weg eene verwijdering aan. Het laatste is dus sterker dan het eerste. Waait iets af, dan wordt het gescheiden van het voorwerp, waar het toe behoort; wegwaaien geeft te kennen, dat een voorwerp van de plaats, waar het zich bevond, door den wind wordt weggevoerd, terwijl de plaats, waarheen het gaat, in het onzekere blijft. Waait iemands hoed af, dan kan hij hem in den regel gemakkelijk achterhalen, maar wanneer hij wegwaait, kost het dikwijls vrij wat moeite hem terug te krijgen.
Afwaarts, zie HTederwaarts.
Afwachten â verbeiden â verwachten â wachten. Eigens blijven of zich ophouden, totdat iemand of iets komt of gebeurt. Wachten heeft deze beteekenis zonder eenig bijbegrip. Verwachten, evenals verheiden, dal deftiger is, onderstelt een uitziend toeven, een wachten met verlangen. Wij hadden reeds lang een bezoek van u verwacht. Wij verbeiden hem met ongeduld. Afwachten voegt daar nog het begrip aan toe van een wachten tot het einde toe, totdat de persoon komt of de zaak gebeurt of wol het verbeiden met een bepaald oogmerk. De koene jager wachtte rustig den leeuw af. Wacht uwe beurt af. Afwachten wordt ook gebezigd voor: iets geduldig verduren, zich laten welgevallen, dulden, verdragen. Tkdenk geene beleedigingen van u af te wachten. Uwe bevelen verkies ik niet af te wachten.
Afwenden, zie Afkecren.
Afwennen â ontwennen. Eene gewoonte of hebbelijkheid allengs afleggen. Afwennen, het tegenovergestelde van aanwennen, geeft te kennen.
67
AFW.
dat het afleggen der gewoonte een gevolg is van een genomen besluit en eigen krachtsinspanning; het ontwennen heeft onwillekeurig plaats ten gevolge van verschillende omstandigheden. Als onoverg. werkwoorden bestaat er tusschen beide alleen dit verschil, dat het eerste iets sterker is dan liet laatste. Iets ontwend zijn geeft dus niet zoo nadrukkelijk het ge-heele ophouden der gewoonte te kennen als iets afgewend zijn. Men ontwent het paardrijden, als men er weinig toe in de gelegenheid is, doch men kan het spoedig weder aanleeren. Men went in landen, waar de sigaren duur zijn, het rnoken soms af, en is men het eenmaal afgewend, dan kost het moeite er zich weder aan te wennen.
Afweren, zie Afslaan.
Afwerpen, zie Afschudden.
Afwerpen, zie Afdoen.
Afwijken, zie Afdwalen,
Afwijzen, zie Afslaan.
Afwezen, zie Afwezigheid.
Afwezend, zie Afwezig.
Afwezig â afwezend. Het eerste is het gewone woord, het tweede minder gebruikelijk. Beide drukken uit dat een persoon zich niet bevindt op de plaats, waar men verwacht, dat hij zijn zal. Afwezig wordt niet gebruikt dan in de beteekenis van zich niet op zijne woonplaats bevindend, terwijl afwezend bovendien gebruikt wordt voor ergens niet aanwezig of tegenwoordig zijnde en daardoor geen direkt deel aan eene handeling nemende. Dc heer des huizes was afwezig of afwezend, toen zijn huis afbrandde. De gemachtigde trad voor de rechtbank op voor de afwezende erfgenamen.
Afwezigheid â afwezendheld â afwezen â afzijn. Het zich elders bevinden. Tusschen afwezigheid en afwezendheid is hetzelfde verschil als tusschen afwezig en afwezend, doch afwezendheid is minder in gebruik en wordt veelal vervangen door afwezen. Afwezen veronderstelt dat men niet tegenwoordig is, waar eene handeling plaats heeft, tot welker voltrekking men mede had moeten werken; het heeft de bijgedachte dat het niet tegenwoordig zijn een gemis doet ontstaan, dat of door den afwezende of door het gezelschap, waar hij niet tegenwoordig is, wordt gevoeld. Afzijn wordt thans meer dan vroeger voor afwezen gebruikt. Hoewel eigenlijk alleen van personen gebruikelijk, komt het soms voor ten opzichte van zaken, b. v. afzijn van verweerd marmer (Hofdijk) afzijn van eigenschappen (BosboomâToussaint). Afwezigheid heeft de ruimste opvatting, de andere woorden staan in beteekenis gelijk.
Afwlsschen, zie Afvegen.
Afwisselen â verwisselen â vervangen. Voor een persoon of eene zaak een ander persoon of eene andere zaak in de plaats stellen. Met afwisselen is dikwijls het bijdenkbeeld verbonden, dal het vervangen bij beurtwisseling geschiedt, zoodat nu eens de een, dan weer de ander
68
AFWâAFZ.
optreedt; de matrozen wisselden elkander aan de pompen af; maar ook; zijn uitdrukkingen afwisselen, zijn spijzen afwisselen. Terwijl onder afwisselen verstaan wordt tijdelijk vervangen ten einde uitputting van kracht of eentonigheid te voorkomen, heeft verwisselen een meer blijvend vervangen op het oog. De vorst was er op gesteld dat de hovelingen veel afwisseling in hunne kleederen hadden. Hij verwisselde zijn rok tegen een huisjas. De heide stationschefs moeten van plaats verwisselen. Bij ruilen en verruilen heeft men meer een handeling op het oog, waarbij door beide partijen gegeven en genomen wordt. Wil men de verwisseling van voorwerpen , die er bij plaats heeft, sterker doen uitkomen, dan bezigt men omruilen of soms ruilebuiten. Dit laatste dat zelden voorkomt is eigenlijk ruilen en huiten (d.i. ruilen).
Afwisseling (hip â beurtelings. Beide uitdrukkingen worden gebezigd om het herhaaldelijk vervangen van een persoon of eene zaak door een ander persoon of eene andere zaak aan te duiden. Geschiedt deze vervanging in eene geregelde volgorde, dan bezigt men beurtelings; in het tegenovergestelde geval is hij afwisseling de juiste uitdrukking. Dag en nacht volgen elkander beurtelings op, maar de wind waait bij afwisseling uit de verschillende windstreken.
Afzenden, zie Afvaardigen.
Afzetten, zie Afdanken.
Afzetten, zie Afdoen.
Afzetten, zie Aflichten.
Afzichtelijk, zie Afgrijselijk.
Afzien â afkijken â afleeren â afneuzen. Zich onderrichten door acht te geven op de wijze waarop een ander iets verricht. Afleeren is met de overige synoniem, voor zoo ver men door aanschouwen iets kan leeren. Het is echter uitgebreider dan do andore, want het kan behalve door zien ook door luisteren geschieden; het heeft de bijgedachte van dit op slinksche wijze te doen. Afzien «n afkijken komen grootendeels overeen, maar aan afkijken is meer het begrip van het met opzet doen verbonden dan aan afzien. Afneuzen heeft de bijgedachte dat het uit nieuwsgierigheid geschiedt. Zoo leert nieu de boeren de kunst af. De kunst van zuinig huis te houden had zij hare moeder afgezien. De jongen keek alles van zijn buurman af. Hij probeerde den goochelaar de geheimen zijner kunst af te neuzen.
Afzien, zie Afleeren.
Afzien, zie Afstappen.
Afzijn, zie Afwezigheid.
Afzitten, zie Afstijgen.
Afzoden, zie Afplaggen.
Afzonderen, zie Afscheiden.
69
AFZâAKK.
Afzweren â verloochenen â verzaken. Iemand of iets verwerpen, de betrekking mot een persoon verbreken of ontkennen. Afzweren zegt men b. v. van het plechtig laten varen van een kerkgeloof, dat de geestelijke behoeften niet meer bevredigt, bij beëedigd besluit de gehoorzaamheid opzeggen aan een vorst. De Nederlanders hebben Filips H afgezworen. Luther heeft den lioomsch-Kalholiekcn godsdienst afgezworen. Verloochenen en verzaken slaan daarentegen op een laakbaren afval, die uit ontrouw of onverschilligheid voordspruit. Bij het eerste doet men dat door te liegen: Men verloochent zijne beginselen. Petrus verloochende den Heer. Men verzaakt zijne vrienden, zijn geloof. Troef verzaken beteekent geen troef bijspelen, terwijl men ze heeft. Alleen in de minder juiste uitdrukking Dzijne ondeugden verzakenquot;, hoeft verzaken geene hatelijke beteekenis.
Agent van Politie, zie Diender.
Al! zie Ach!
Ajuin â look â ul. Look is de algemeene benaming dezer plantsoort, die tot de Liliaceae behoort. Tot in het wild groeiende looksoorten behooren het boeren look ^ knoflook, graslook enz. Tot de soorten van look, die gekweekt worden, behooren, behalve do gewone «i of ajuin (twee namen door verschil van klemtoon uit een zelfden grondvorm ontstaan) de prei, de knoflook en de sjalotten. Dialectisch komt ook siepel in plaats van ui voor.
Akelig, zie Afgrljseiyk.
Akelig â naar. Wat de zintuigen en verder het gemoed onaangenaam en pijnlijk aandoet. Naar is zwakker dan akelig. Een slagveld met dooden en gewonden bedekt is een akelig (niet naar) schouwspel. Akelig en naar worden ook dikwijls gebruikt in den zin van somber, doodse h, treurig, doch dan steeds met de boven vermelde bijgedachte. Een nare nacht. Eene akelige plaats. Nare menschen.
Akker â veld â land. Land heeft de ruimste beteekenis; het noemt dat gedeelte der aarde, hetwelk boven het water uitsteekt; in engeren zin in tegenstelling van de stad dat deel der aardoppervlakte, dat tot het opleveren van natuurproducten geschikt is of geschikt gemaakt kan worden. Veld is een stuk land dat vlak is en geen of althans zeer weinig boomon bevat; het kan niet ontgonnen en dus heidegrond wezen, of een grond, waar reeds op de een of andere wijze voordeel van getrokken wordt: bijv. grasveld, bleekveld, jachtveld, goudvelden. Akker duidt een afgeperkt stuk land aan, dat werkelijk bebouwd wordt, bepaaldelijk tot het telen van granen en andere gewassen.
Akkerbouw â landbouw. In hoogeren stijl worden beide dooreen gebruikt om het boerenbedrijf aan te duiden. In de taal van hetdagelijksch leven komt akkerbouw minder veelvuldig voor en wordt het alleen gebruikt voor het bebouwen van den akker. Landbouw is de algemeene naam, dien men geeft aan het bewerken van bouwland, het verzorgen van vee en
70
AKKâALL.
weiden, kortom aan alles, wat lot hel boerenbedrijf behoort of er mede verwant is.
Akkerman â landbouwer â landman â boer â veldbe-woner. Vcldbewoner is iedere landman, die op het veld of de heide verblijf houdt. Boer of landman (dialectisch bouwman) geeft te kennen, dat iemand door den landbouw zijn bestaan vindt; verder wordt boer soms gebezigd om iemand aan te duiden, wien de fijnere vormen van den beschaafden stedeling ontbreken. Als synoniem met akkerman en landbouwer heeft hoer de ruimste beteekenis en noemt een ieder, die zich op akkerbouw of veeteelt toelegt. Met akkerman en landbouwer worden meer in 't bijzonder zij bedoeld, die zich met het bebouwen van den akker bezig houden. Tusschen akkerman en landbouwer schijnt nog dit onderscheid te bestaan, dat het eerste (dat tegenwoordig in de gewone spreektaal minder voorkomt) meer uitdrukkelijk hem noemt, die het werktuigelijke akkerwerk verricht, terwijl onder landbouwer ook verstaan wordt de persoon, die de landbouwonderneming bestuurt.
Al, zie Alreeds.
Al â elk â leder. De gezamenlijke eenheden, die eene hoeveelheid uitmaken. Beschouwt men die eenheden als collectief, als eene som, dan bezigt men alle. Alle leden der vergadering waren tegenwoordig. Wil men die eenheden daarentegen afzonderlijk, één voor één, aanduiden, dan gebruikt men elk of ieder. Het vreemde geval deed zich voor, dat schier elk der aanwezigen van een ander gevoelen was.
Aldaar, zie Alhier.
Aldra, zie Aanstonds.
Aldaar, zie Daar.
Alhier â hier. Op deze plaats. Al legt meer nadruk op het woord hier. Alhier kan dus overal waar het staat door hier vervangen worden, maar niet omgekeerd hier door alhier. Alhier kan namelijk niet gebruikt worden, wanneer een substantief, waarbij hier als bepaling gevoegd is, een aanwijzend voornaamwoord voorafgaat. Dc alhier wonende menschen, niet echter deze menschen alhier, doch wel deze menschen hier. Hetzelfde is het geval met Daar en Aldaar.
Aliedaagseh â daagsch â dageiijksch. Daagsch drukt eene tegenstelling uit tusschen do gewone dagen, de werkdagen, en de zon- en feestdagen: mijn daagsche jas; alledaagsch is de tegenstelling van ongewoon, ongemeen, bijzonder, verheven: mijne alledaagsche bezigheden; een alledaagsch mensch, alledaagsche uitdrukkingen, alledaagsche stijl. Dageiijksch is dat wat alle dagen voorvalt, wat iederen dag weerkeert; het heeft niet de bijgedachte van onbeduidendheid; daarom noemde Vosmaer, zooals hij zelf verklaard heeft, zijne bewerking van Day's »Every-day art' niet »Alle-daagsche kunstquot;, maar «Do kunst in het dageiijksch leven.quot; Dit is mijne dagelijksche gewoonte. De dagelijksche omwenteling der aarde om hare as.
Alleen â alleenig â eenig â eenxaam. Wat afgezonderd is,
71
ALLâALO.
op zich zelf staat. Voor zoover het derde woord met de beide eerste woorden synoniem is, beteekent eenig meer dat er van eeno zekere soort van personen of voorwerpen maar één bestaat. Zijn eenicje zoon. Mijn eenige hoop. Alleen en alleenig drukken meer uit het ontbreken van andere voorwerpen van dezelfde soort op eeno bepaalde plaats. Wat het onderscheid tusschen alleen en eenzaam betreft, alleen duidt enkel aan dat men geen gezelschap bij zich heeft, eenzaam eene afzondering waardoor een gevoel van ongezelligheid, verlatenheid ontstaat. Hij, die zonder gezelschap is, is alleen, doch behoeft zich nog niet eenzaam te gevoelen. Hij is bang in 't donker, hang alleen. In zijn ouderdom krijgt men het op de wereld zoo eenzaam. Bij uitbreiding: een eenzaam pad.
Alleen â enkel â slechts. Zij drukken alle eene beperking van een begrip, van eene gedachte uit. Alleen sluit eigenlijk al het andere uit, het geeft te kennen dat, hetgeen gezegd wordt, op die eene zaak en op geene andere betrekking heeft. Enkel staat hiermede vrijwel gelijk, maar is sterker. Slechts ziet meer op den graad, de hoeveelheid, en is deftiger. Ik heb hun alleen gezien, niet gesproken; ik heb hun enkel gezien; ik heb hun slechts even gesproken.
Allengs â allengskens â gaandeweg â langzamerliand â van lieverlede â zachtjesaan â zoetjesaan. Hoewel men ze bijna altijd met elkander kan verwisselen, zijn er toch kleine verschillen bij deze woorden op te merken. Zij drukken alle eene langzaam voortschrijdende werking aan. Het langzame wordt vooral door langzamerhand uitgedrukt. Allengs en allengskens geven te kennen dat er naarmate van hel verloop van tijd voortgang in het werk is; allengskens geeft een kleiner voortgang aan dan allengs. Gaandeweg brengt het voortgaan der handeling met eene andere werking in verband. Van lieverlede behoort meer in deftigen stijl te huis en drukt uit dat de handeling ongemerkt voortgaat, oogenschijnlijk niet, doch inderdaad wel. Zachtjesaan en zoetjesaan zien op den zachten, kalmen voortgang eener zaak.
Allengskens, zie /Vllengs.
Allerhande â allerlei â velerhande â velerlei â onderschelden â verschelden. Wat niet van dezelfde soort is. Wil men aanduiden, dat er zeer vele of wel alle soorten vertegenwoordigd zijn, dan gebruikt men allerlei of allerhande; van vele soorten bezigt men verlerlei, velerhande; van niet weinige soorten onderscheiden en minder sterk verscheiden. Het laatste wordt ook gezegd van dingen van dezelfde soort, en drukt dan enkel eene veelheid uit. In het gevolg van den keizer merkte men verscheiden vreemde generaals op.
Allerlei, zie Allerhande.
Alom â allerwegen â overal â wijrt en zijd. Op alle plaatsen. Alom ziet meer op de ruimte, die men op het oog heeft, in haar geheelen omtrek; overal meer op al de plaatsen, welke binnen die ruimte gelegen zijn; allerwegen op alle plaatsen zoowel in engeren als ruimeren kring ivijd en zijd zoowel op de nabijgelegen als op de verderaf liggende plaatsen
72
ALRâALW.
dier ruimte. Dc tijding verspreide zich alom; men hoort haar overal waar men komt. Zijn roem is wijd en zijd verbreid.
Alrccde, zie Bereids.
Als â dan. Tusschen deze twee voegwoorden van vergelijking bestaat dit verschil, dat dan gebruikt wordt na den vergrootenden trap en na anders, ander, nergens, nooit, niets en niemand. Er zijn ecbler goede schrijvers, die dezen regel niet volgen, evenmin als de beschaafde spreektaal zulks doet.
Als â toen. Deze beide tijdaanduidende voegwoorden verschillen in zoover, dat als op de toekomst, toen op het verleden betrekking heeft. Als gij komt, zal ik u de zaak meededen. Toen hij kwam, was het reeds te laat. (Af te keuren, als verouderd, is liet gebruik van als met betrekking tot het verledeno, wat intusschen bij goede schrijvers wel eens voorkomt. Ik ivas bezig mij te verlustigen in het denkbeeld, hoe goed alles bij mijn oom in de verf was, als de plaatsdeur openging en Keesje verscheen.)
Als ,, zie Wanneer.
Altaar â outer. De verhevenheid, waarop men offert. Het laatste woord wordt tegenwoordig alleen gebezigd in den hoogeren stijl.
Altemet â niissclilen â mogelijk â soms â wellicht. De
bijzinnen door deze bijwoorden van voorstellingswijze bepaald geven te kennen dat iets zou kunnen geschieden. Sums komt alleen voor in zinnen, die eene onderstelling, vraag of twijfel uitdrukken en versterkt dan de onzekerheid. Allernet is eigenlijk al naarmate de omstandigheden het meebrengen en beteekent verder somtijds, te eenigertijd, het drukt het onbepaalde van de mate of den tijd uit; misschien drukt het onzekere van het geschieden uit, terwijl wellicht te kennen geeft dat. het wel zou kunnen gebeuren, maar dat het niet zeker is; mogelijk stelt meer op den voorgrond dat er veel kans is dat iets geschiedt.
Altijd â altoos â immer â immermeer â steeds. Zonder ophouden, onafgebroken. Tusschen altoos en altijd bestaat nagenoeg geen verschil, en beide woorden worden zoowel van het verledene als van het toekomende gebruikt. Bij altijd staat bet begrip van voortduring meer op den voorgrond, bij altoos dat van herhaling. Ik heb het hem telkens gezegd, maar hij doet het altoos weer. Hij is altijd (o{ altoos) een braaf man geweest, en er is geen twijfel aan, of hij zal het ook altijd blijven. Immer slaat, evenals het tegenovergestelde nimmer, alleen op de toekomst. Hij zal zijne grondbeginselen immer getrouw blijven. Immermeer, in beteokenis met immer gelijkstaande, wordt bijna uitsluitend in hoogeren stijl gebruikt. S/eerfs geeft eene voortduring te kennen, -waarin standvastigheid of bestendigheid uitkomt. Hij heeft steeds tot de strijders voor recht en waarheid behoord. Hoewel meest in goeden zin komt het toch ook dikwijls in kwaden zin voor. Hij plaagt het arme kind nog steeds. Hij heeft nog steeds hoofdpijn.
Altoos, zie Altijd.
Alweder â andermaal â lierlmaldelijli â nogmaals â opnieuw â wederom. Alle duiden de herhaling eener zelfde gebeur-
73
AMB.
tenis of handeling aan. Andermaal (d. i. voor de tweede maal, ander â tweede) geeft te kennen, dat iets reeds éénmaal, nogmaals dat het reeds meermalen is voorgevallen. Wederom drukt het begrip van herhaling sterker uit. Alweder ziet meer op het snelle, herhaaldelijk op het menigvuldige, opnieuw ,op hel onaangename der herhaling. Hebt gij uw geld alweer op 9 Ik heb hem herhaaldelijk mijn ongenoegen te kennen gegeven. Komt gij vüj opnieuw lastig vallen'?
Ambachtberoep â handwerk. Het aigemeene begrip is dat van maatschappelijke werkzaamheid, waardoor men in zijn onderhoud voorziet. Beroep is de edelste uitdrukking, en onderstelt meer oene geestelijke dan eene lichamelijke inspanning. Men is advocaat, geestelijke, onderwijzer van beroep. Ambacht en handwerk worden gezegd van die maatschappelijke bedrijven, waarbij handenarbeid hoofdzaak is. Strikt genomen schijnt amtacM een edeler uitdrukking te wezen dan handwerk, en alleen die handwerken te omvatten, waarbij een groote mate van handigheid en eenige wetenschappelijke kennis vereischt worden; tegenwoordig echter worden beide woorden veelal door elkander gebezigd.
Ambassadeur, zie Afgezant.
Ambt â baantje â bediening â dienst â betrekking â post â waardigheid. Alle duiden een maatschappelijken stand aan, waaraan zekere werkzaamheden verbonden zijn, en wol zoodanige, welke men niet eigenmachig op zich neemt, maar die ons door anderen worden opgedragen. Betrekking heeft de ruimste beteekenis. Welke betrekking bekleedt hij? Ambt en bediening duiden een openbare betrekking aan (het laatste woord wordt in dezen zin weinig meer gebruikt). Betrekking en dienst (het laatste bij voorkeur) worden gebezigd wanneer men het oog heeft op de verhouding tot een hooger gestelde persoonlijkheid of macht. Bij dienst staat het begrip van ondergeschiktheid op den voorgrond. Ambt heeft voornamelijk betrekking op de verrichting zelf. Post vergelijkt de plaats, welke een ambtenaar bekleeden moet, met het punt waarop de krijgsman op schildwacht is geplaatst; het ziet vooral op de plaats, die hij inneemt. Onder baantje verslaat men eene heirekking van minder aanzien. In enkele uitdrukkingen, als dat is me een baantje, verstaal men er onder een voor-deelige of aangename betrekking. Waardigheid -wijst niet zoozeer de betrekking zelf aan als wel de eer en hel aanzien, die er mee verbonden zijn, en wordt dus alleen gebruikt van hooge ambten en bedieningen. De waardigheid van lid van de Staten, van gouverneur-generaal. Het hoogleer aar sarnbt. Ontvanger der belastingen was vroeger een voor dee lig e post. De knecht heeft een goeden dienst. De betrekking van juffrouw van gezelschap lachte mij niet aan. Een baantje aan de spoor.
Ambtenaar â beambte. Beambte ziet meer op de betrekking van den persoon, ambtenaar meer op den stand; van den geheelen stand sprekende zegt men dus niet de beambten, maar de ambtenaren. Het gebruik heeft beambte uitsluitend beperkt tot de ambtenaren van lageren rang. In sommige streken worden onder de ambtenaren meer bepaald de kommiezen der belasting verstaan.
74
ANDâARD
Andermaal, /.ie Alweder.
Angst â bangheid â benauwdheid â schrik â schroom â
vrees. Hel gevoel van beklemming ontslaan door de waarneming van een werkelijk of vermeend gevaar. Schroom is de zwakste uitdrukking en spruit minder voort uit het dreigende, dan wel uit het ongewoneol'indruk-wekkende van hetgeen men te gemoet moet treden. Niet dan met een gevoel van diepen schroom vat ik in deze achtbare verc/adering het woord op. Angst en bangheid. â het laatste een lichte graad van angst â behoeven niet noodzakelijk door iets buiten ons veroorzaakt te worden, maar kunnen ook het gevolg wezen van lichamelijke storingen, b.v. van een overprikkeld zenuwgestel. Benauwdheid geeft meer te kennen het gevoel van benauwing of beklemming voor een onbepaald gevaar, dat ons bedreigen kan. Vrees is het gevoel van beklemming dat naderend kwaad of een machtiger wezen bij ons opwekt, zij heeft dus altijd op het een of ander voorwerp betrekking, waardoor zij wordt opgewekt. Schrik is eene hevige vrees, die ons plotseling overvalt en onze zenuwen meer of minder schokt.
Antwoorden â beantwoorden â hernemen â hervatten. Op eene lot ons gerichte rede iets zeggen. Antwoorden onderstelt altijd een woord dat tot ons gericht is, hetzij een bloot gezegde, hetzij eene vraag; het heeft van de beide eerste woorden de algemeene beteekenis, Mclheatittcoordoi is het bijdenkbeeld verbonden, dat het antwoord min of meer afdoende is. Eene tegenwerping beantwoorden is dus sterker dan op eene tegenwerping antivoorden. Beantwoorden kan ook op andere wijze geschieden dan met woorden. Beleefdheden met beleefdheden beantwoorden. Hernemen en hervatten verschillen van de vorige woorden in zoover, dat zij eigenlijk alleen de voortzetting eener afgebroken rede aanduiden. Gij zegt dat gij zooveel meer kunt mededeelen; welnu weet gij ook te zeggen wat er in huis is voorgevallen''? Ja, hernam da getuige, ik zag er iets van. Antwoorden en beantwoorden kunnen ook schriftelijk geschieden, en beantwoorden heelt dan de bepaalde beteekenis van afdoend antwoord geven op den inhoud van een brief of een stuk.
Arbeid â bezigheidâwerk â werkzaamheid. De verrichting, de uitvoering van iets met het oog op de daaraan verbonden krachtsinspanning en verder de voortbrengselen hiervan. Bezigheid en werkzaamheid zijn het tegenovergestelde van ledigheid en drukken dus eigenlijk een toestand van bezig of werkzaam zijn uit. Uij uitbreiding geven zij de daad van iets verrichten aan. Bezigheid is zwakker dan werkzaamheid, daar het slechts te kennen geeft dat men aanhoudend werkzaam is, doch in het midden laat of hier eenige inspanning voor vereischt wordt of niet, en evenmin of er iets door tot stand komt. Hij heeft drukke bezigheden. Het is eene aardige bezigheid voor den ouden man. Werkzaamheid onderstelt daarenboven eene bezigheid, welke iets tot stand brengt door inspanning van krachten. Arbeid ziet uitsluitend op de inspanning onzer vermogens en krachten; werk doelt daarbij eenigermate, en somtijds uitsluitend, op hetgeen er door tot stand wordt gebracht, het gewrocht. Terwijl arbeid meer bepaald de moeite en den vlijt op het oog heeft, welke bij het voortbrengen
75
ARBâARG.
wordt aangewend, slaat bij werk meer de inspanning van den geest op den voorgrond.
Arbeider â werkman. Een persoon, die voor loon meest lichame-lijken arbeid verricht. Werkman ziet op den stand, arbeider op de verrichting. Het eerste wordt gebezigd van hen, die eene werkzaamheid of een beroep hebben, waarvoor ondervinding en kennis noodig zijn. Het laatste duidt meer hot verrichten van die werkzaamheden aan, waarvoor weinig geestesoefening of wetenschap en kunstvaardigheid , maar vooral spierkracht gevorderd wordt. De tuinman en de hoer hébben hun arbeiders, de timmerman en de metselaar hun werklieden.
Arbeidzaam â naarstig â nijver â ijverig â vlijtig â werkzaam. Wie gaarne zijn krachten aanwendt om iels tot stand te brengen. Arbeidzaam is hij, die geen moeite schroomt, werkzaam is hij, die met lust, ijverig, die met vuur, met drift, naarstig, die met ernst, vlijtig, die onafgebroken bezig is. Tusschen arbeidzaam, werkzaam en vlijtig bestaat nog dit verschil, dat het laatste ook van hem gebezigd wordt, die met groole nauwkeurigheid een lichten arbeid verricht, of zijn werk met nauwgezetheid tot een hoogeren graad van volkomenheid zoekt te brengen, terwijl de eerste altijd slaan op een nuttigen arbeid, waarvoor groote krachtsinspanning gevorderd wordt. Vlijtig wordt bovendien gebezigd om de inspanning der zuiver geestelijke vermogens aan te duiden, waarvoor de andere woorden niet aangewend kunnen worden. Nijver ziet op eene aanhoudende met verstand en overleg gepaarde werkzaamheid en vlijt. De arbeidzame werkman tracht de moeielijkhcden te overwinnen. Lie werkzaam is verdient altijd zijn brood. Een naarstig scholier. Een vlijtige jongen. Een ijverig zendeling. De nijvere hij. De nijvere landman. De nijverheid.
Arend, zie Adelaar.
Arglistig â bedrlegelijk â listig â loos â slim â sluw
worden gezegd van hem, die door het bedriegen van anderen zijn doel tracht te bereiken. Bedriegelijk is het algemeene begrip; listig is degene, die van zijn ervaring en kennis partij weet Ie trekken om door goed gekozen middelen zijn doel langs slinksche wegen te bereiken. De listige beoogt niet altijd kwaad en is in zoover onderscheiden van den arglistige. Loos ziet meer op de aangeboren eigenschap van beheniligheid in het kiezen der middelen om tot zijn doel te komen; het laat in het midden of de persoon, aan wien het wordt toegeschreven, groote scherpzinnigheid bezit; zelfs een domme kan loos zijn. Bij slim is dit niet het geval, dil verbindt het begrip van loosheid met dat van verstandelijke ontwikkelirg. Een slimme is derhalve niet noodwendig iemand, die met bedriegelijke middelen te werk gaat, hij paart behendigheid aan scherpzinnigheid ; arr/Wstó/is listig meteen boos opzet, dus listig en boosaardig tevens; sluiv wijst op de behendigheid om zoowel zijne eigene bedoelingen en de middelen, die men aanwendt, le verbergen, als om de aanslagen van anderen, waaraan men bloot staat, te verwijderen. Een sluwe knaap.
76
ARGâARM.
De Nijdigheid werkt loos cn listig, en hespiet Het hek van uwen tuin, of zij een open ziet Om in te hoeren ....
Ten schimp van zooveel nijts, erg listig )iêen en laegen, Verzekert cn gelijck op zijne hand gedracgen.
In 't eind: verraden en gevonden,
Arglistig in den strik gebracht....
Argwaan, zie Aclitcrdoclit.
Arm â armoedig â behoeftig â haveloos â noodilruftig.
Aan al deze woorden is het begrip gemeen van ontberen van dat, wat tot de behoeften des levens behoort. Arm staat tegenover rijk, het duidt aan dat men niet in ruime mate iets bezit, arm aan geld of middelen, arm aan ivoorden, arm aan deugden, arm aan vrienden. Armoedig ziet op het uiterlijk en duidt cene meer blijvende eigenschap aan dan behoeftig. Ofschoon hij arm is, ziet hij er in zijne kleeding toch nooit armoedig uit. Behoeftig en nooddruftig zijn sterker dan armoedig; het eerste duidt aan, dat men zich het noodigste, het tweede dat men zich zelfs het onontbeerlijke niet verschaffen kan; dit woord is alleen in deftigen stijl in gebruik. Haveloos duidt eigenlijk aan dat men have noch goed heelt en verder groote armoede. In het hedendaagsch spraakgebruik heeft het de ongunstige be-teekenis gekregen van uit armoede voortvloeiende onverschilligheid voor het uiterlijk, dat van zorgeloosheid en verwaarloozing getuigt.
Armoede â gebrek â ontbering, /b-moerfe duidt den toestand van arm zijn aan, het staat dus tegenover rijkdom. Gebrek is het ontbreken of missen van bepaalde zaken, die noodig zijn. Ontbering drukt hetzelfde uit, doch brengt het onaangename gevoel van gemis meer op den voorgrond. Men leeft in armoede en heeft gebrek aan het noodige. De een heeft gebrek aan geld, de ander aan vrienden. Dc ontbering, die de arme zich moet getroosten, maakt hem dikwijls ontevreden. Die in armoede verkeeren, lijden dikwijls gebrek en leeren ontberingen van allerlei aard kennen.
Armoedig, zie Arm.
Armzalig â ellendig â kommervol. In zeer ongelukkige omstandigheden , in treurigen toestand verkeerend. Ellendig en armzalig, eigenlijk ellende hebbend en een ongelukkig lot hebbende of in behoeftige omstandigheden verkeerende, worden van personen, zaken en toestanden gezegd, kommervol wordt nooit van personen of zaken gebruikt. Een ellendig, een armzalig mensch. Hierbij ziet ellendig meer op den toestand, armzalig op het medelijdenwekkende der omstandigheden, waarin iemand verkeert. Een ellendig of armzalig bestaan. Kommervol is. in zoover sterker, als het ook op den gemoedstoestand van den mensch het oog vestigt. Een kommervol leven. In zooverre kan ook van iemand, die niet arm is, soms gezegd worden dat hij een kommervol leven leidt.
Overdrachtelijk worden ellendig en armzalig ook gezegd van personen of zaken, die, daar zij weinig waarde hebben, niet hoog in achting staan.
77
AUâBA.
Een armzalig hoopje goud, een armzalig knutselaar. Een ellendige kerel. Ellendig geschrijf.
Au! zie Ach!
Averechts â verkeerd. De averechtsche zijde is de verkeerde zijde. Iets averechts doen is het geheel en al van den verkeerde kant aanpakken. Dat averechts bepaalt in welk opzicht iets verkeerd is, blijkt uit de spreekwijze: averechts verkeerd. '
Avontuur â feit â gebeurtenis â toeval â voorval. De
ruimste beteekenis heeft het woord gebeurtenis, dat in het algemeen iets aanduidt, dat geschiedt of voorvalt. Voorval is een op zich zelf staand feit of eene gebeurtenis, die slechts enkele personen betreft. Eene gebeurtenis als een op zich zelf staande daad beschouwd noemt men feit. Bovendien wordt feit gebruikt in den zin van historische gebeuitenissen. Met toeval is altijd het bijdenkbeeld verbonden van iets onverwachts of verrassends. Avontuur is een buitengewone, zeldzame gebeurtenis en wel voornamelijk eene zoodanige, die vergezeld gaat met gevaar. De nederlaag van Napoleon bij Waterloo was eene gewichtige gebeurtenis; de ontmoeting van Blucher en Wellington aan den avond van den slag was een gedenkwaardig «oomtZ; hot niet verschijnen van het corps van Grouchy op het beslissende oogen-blik was voor de Franschen een noodlottig toeval. De vlucht van Napoleon uit Rusland was vol avonturen. Bij de studie der historie moet men veel feiten en jaartallen leeren.
15.
Baai â binnenzee â bocht â golf â Inham â kreek â zeearm â zeeboezem. Het gedeelte der zee, dat in het land binnendringt. Eene matige insnijding in de kust noemt men baai, bocht, golf. Bocht en golf worden gebezigd van eene insnijding in het land, die zich over eene grootere oppervlakte uitstrekt. Bij bocht is de insnijding min of meer boogvormig, terwijl de golf dieper naar binnen dringt. De bocht van Guinea en de golf van Biskaye. Eene insnijding, welke dieper inloopt en waarvan de opening minder wijd is, noemt men een zeeboezem. Zulk een zeeboezem kan weder kleine bochten en baaien bevatten. Zeer kleine bochten heeten inham. Kleine, smalle, ver landwaarts indringende inhammen dragen den naam van kreek. Inham en kreek (het laatste bij voorkeur) worden ook gezegd van insnijdingen, gemaakt door eene rivier of een meer. Als eene baai zeer lang en smal is heet zij een zeearm. Een groeten zeeboezem noemt men binnenzee.
Baal â buldel â zak. Omkleedsel van buigzame stof om iets in te verzenden of te bewaren. Baal is een omkleedsel van waren of goederen.
78
BA.
dat er om heen bevestigd wordt door liet aan de vier zijden vast te naaien; zak een vooraf gereed gemaakt omkleedsel, waar zij in worden gedaan, dat van boven open is en met een touw enz., dat er om heen gebonden wordt, dichtgemaakt kan worden. Buidel, buil, waarvoor ook zak gebruikt wordt, bezigt men meestal om een kleinen zak aan te duiden, hetzij van papier, hetzij van andere stof. Baal en zak worden soms gebruikt om eene bepaalde hoeveelheid van iets aan te duiden en vertegenwoordigen dan een zekere maal. Honderd halen koffie. Tien zak aardappels. Een huil met koffie.
Baan â gang â heerweg â heerbaan â pad â straat â
steeg â steg â voetpad â weg. De tot verkeer of vervoer gebezigde ruimte. Weg duidt in het algemeen de verbindingslijn aan, die men zich tusschen twee plaatsen denkt. Baan is een betreden, begaanbare wég, ook de voorgeschreven weg, dien een zich voortbewegend lichaam moet volgen om zijn doel te bereiken. Kegelbaan , glijbaan, loophaan. Straat heetten oorspronkelijk de breede, geplaveide hoofdwegen tusschen de huizen in de steden ol dorpen. De doorgaans smalle dwarsstraten, die de hoofdstraten doorsnijden en met elkander verbinden, noemt men stegen. Steg, dat alleen in de verbinding weg noch steg gebruikt wordt, was hetzelfde als steeg , dat vroeger meer algemeen een weg, waarlangs men gaan kan beteekende. Paden zijn buiten, wat in de steden de stegen zijn; het zijn veelal smalle wegen, alleen voor voetgangers geschikt; in tegenoverstelling van een rijweg spreekt men van een voetpad. Loopt een smal pad tusschen huizen of tuinmuren enz. door, dan bezigt men ook het woord grawgr. Vooral is dit in den vestingbouw het geval: mijngangen, onderaardsche gangen. Heerbaan en heerweg â thans dikwijls heereweg geschreven of uitgesproken â waren oorspronkelijk de banen of wegen, waarlangs de legers zich bewegen konden, vervolgens zijn het de benamingen voor de groote, breede hoofdwegen geworden. Pad en weg worden ook overdrachtelijk gebruikt: de wegen der Voorzienigheid; het eerste voor levenswandel: het pad der deugd, de paden der goddeloozen.
Baantje, zie Ambt.
Baar â golf. De voorbijgaande verheffing van de oppervlakte van het water door zijne beweging veroorzaakt. Golf is de algemeene benaming. Baar is meer deftig en wordt gebruikt om de groote golven der hooge zee aan te duiden.
Baar â staal'. Metaal in een langwerpigen vorm. Van kostbare metalen, die in zulk eene gedaante gegoten zijn, gebruikt men haar: eme haar goud, eene haar zilver; van andere, die door smeden in dien vorm gebracht zijn, bezigt men staaf. Een slaaf ijzer.
Baas â gebieder â heer â meester. Die boven anderen staat en over hen te bevelen heeft. Gebieder en heer wordt in hooger stijl wel gebruikt om meerderheid door macht te kennen te geven, doch niet als synoniem van haas en meester. Alleen het eerste lid dezer bepaling past op heer, want men kan door geboorte, beschaving of levenswijze boven
79
BA.
de lagere standen der maatschappij verheven zijn, zonder dat men juist dienaars onder zich heeft. Meester, als synoniem met )ieer gebruikt, schijnt behalve meerderheid in uiterlijken staat ook nog eene zedelijke of verstandelijke meerderheid in te sluiten, terwijl van heer dit laatste niet gezegd kan worden. Hij is mijn heer en meester is dus niet geheel en al eene tautologische uitdrukking. Baas en meesier, van ambachtslieden gebezigd, verschillen hierin, dat baas de naam is, die de verhouding van iemand als hoofd eener zaak in tegenoverstelling van de knechts aanduidt, terwijl meester de titel of benaming is, die iemand als meerdere of ervaren in een vak aanwijst. Tegenover haas staat knecht, tegenover meester staat leerling. Meester Smid. Hij is een baas, die met twintig knechts werkt.
Baat â gewin â nut â voordeel â winst âaanwinst. Alle drukken uit eene vermeerdering van bezit van hetgeen waarde voor ons heeft of ons ten goede komt. Voordeel is eigenlijk datgene, wat iemand toegedeeld wordt boven anderen; het staat dus tegenover nadeel; het drukt uit alles wat iemand te stade komt, al vermeerdert zijne bezitting er ook niet door. Baat ziet op eene vermeerdering van welstand, het veronderstelt verbetering van den welstand en staat dus tegenover vermindering ervan of schade. Aanwinst is een voordeel dat meest buiten eigen toedoen -verkregen wordt en het goede dat men reeds heeft vermeerdert. Gewin wordt gezegd van voordeel dat het gevolg is van eigen handelingen van het subject, hetzij die noodwendig voor- of nadeel brengen moesten, hetzij wij heigeen ons ten goede komt buiten ons eigen willen en weten deelachtig worden. De bijen hadden een goed gewin. Sterven is mij gewin. Winst wordt door inspanning van krachten of door het geluk verkregen, en is die vermeerdering van bezit, welke uit eene daad voortvloeit, die even goed een tegenovergesteld gevolg, d. i. verlies kon gehad hebben. Dit woord is vooral in concrete beteekenis in gebruik, terwijl voordeel, baat, nut, gewin evengoed in abstracten zin gebruikt worden. Baten wordt gebezigd voor winsten. Onder nut verstaat men datgene, dat ons genot vermeerdert, dat voor een doel kan dienen en waaruit wij voordeel kunnen trekken. Gij hebt uit mijne lessen niet veel voordeel getrokken. De voordeden, door de belegeraars tot hiertoe behaald, zijn niet groot. De zieke heeft bij dit geneesmiddel weinig baat gevonden. Maak u zijn voorbeeld ten nutte. Ik heb honderd gulden winst gehad.
Baatzucht â hebzucht â Inhaligheid â eigenbaat â eigenbelang. Overdreven zucht naar eigen voordeel. De drie eerste woorden hebben eene ongunstiger beteekenis dan de laatste. Baatzucht, en evenzoo inhaligheid, doch dit in sterkere mate, is eene minder stuitende ondeugd dan hebzucht. De baatzuchtige, wien het alleen te doen is om voordeel, kan nog mild wezen; do inhalige zoekt, waar hij kan, naar voordeel, hoe klein ook, ook al benadeelt hij anderen; de hebzuchtige, wien het bezit alles is, kent nooit eenige mildheid. Eigenbaat is laakbaarder dan eigenbelang. Die door eigenbelang gedreven wordt, bevoordeelt zich zelf alleen met ver-waarloozing van de belangen van anderen; die door eigenbaat gedreven wordt gaat verder, en doet dit zelfs ten koste van anderen.
80
MBâRAK.
Babbelen â kakelen â kallen â kouten â praten â rammelen â snappen â snateren. Weinig beduidende dingen zeggen. Pralen, kallen en kouten is een gemeenzaam gesprek voeren tot tijdverdrijf enz. over onverschillige onderworpen. Snappen en hahhelen is snel en aanhoudend spreken zonder er veel bij te denken; het eerste -wordt bij voorkeur van jongere kinderen gezegd; aan het laatste is dikwijls het denkbeeld verbonden, dat hetgeen men zegt ten nadeele van anderen is. Kakelen, rammelen en snateren is zoo onophoudelijk en luid babbelen of snappen, dat men zich geheel alleen van het gesprek meester maakt, en het voor anderen onmogelijk is er een woord tusschen te krijgen. rJa maar, Koosjen!quot; rammelde mevrouw Barbeen, voorbij Mietjen van Naslaan heen sprekende.....
Bagger, zie Modder.
Bakeren â broeien. Terwijl beide te kennen geven, dat men iels op een vrij hoogen warmtegraad houdt, tracht men bij het eerste het voorwerp meer te koesteren, ten einde liet niet te doen atkoelen; terwijl men bij het laatste den warmtegraad meestal met een bepaald doel steeds versterkt. Men bakert zich in do zon. Kinderen worden gebakerd. Doch: dc kip broeit de eiers. Er broeit onweer. Wil men gezond blijven, dan moet men zich niet te veel broeien in bed.
Bak â kom â kop â nap â schaal. Een vat, geschikt om vloeistof te bevatten. Een bak en nap kunnen van hout zijn, een kop en kom van aardewerk of porcelein, eene schaal van glas of aardewerk. De vorm van een bak kan hoekig of rond zijn, een kom, kop of nap zijn dit altijd, terwijl eene schaal platter is en ook eene langwerpige gedaante kan hebben. De bak is plomper van vorm en is grooter van afmeting. Een kom is meestal ruwer bewerkt dan een kop, in zooverre er van een kom om uit te drinken sprake is. Een kop kan een oor hebben, terwijl eene schaal van een voetstuk kan voorzien zijn. De nap heeft meer een platten bodem, terwijl een kom den vorm van een halven bol heeft.
Bakken â braden â fruiten â koken â roosten â stoven â zieden. Spijzen gaar en eetbaar maken door middel van verhitting boven het vuur. Bij koken doet men ze in eene vloeistof, die men verhit tot het punt, waarop deze begint op te borrelen; zieden was oorspronkelijk hetzelfde, doch wordt thans alleen van visch nog gebruikt, (zie verder bij zieden); bij braden stelt men ze bloot aan de werking van het vuur, terwijl men in de pan eenig vet heeft gedaan om het hard worden te voorkomen. Roosten is droge spijs aan de aanraking van het vuur blootstellen, ten einde aan den buitenkant een licht gebrande korst te verkrijgen. Sloven beteekent eetbaar maken door eene langduriger, matiger warmte, dan men tot koken, braden of roosten bezigt. Bakken sluit altijd het bijdenkbeeld in, dat de buitenkant van hetgeen eetbaar wordt gemaakt te gelijk van een weeken in een harderen of vasteren toestand overgaat. Fruiten is het toebereiden van sommige spijs in sterk kokend vet, het wordt weinig gebruikt; gefruite uien,
SYNONIEMEN. 0
BAKSâBAND.
Baksteen â kei â klinker â tichelsteen. Van deze steenen zijn de baksteen, klinker en tichelsleen door kunst vervaardigd, terwijl de kei door de natuur voortgebracht wordt. Tichelsteen is de ruimste benaming, daar zij op alle kunststeenen, ook op de in de zon gedroogde, toepasselijk is. Oorspronkelijk beteekende tichelsteen echter uitsluitend een steen bestemd om te dekken of te bekleeden; eene beteekenis, die later op tegel is overgegaan. Baksteen is daarentegen de steen die door de hitte van het vuur verhard is. Klinker noemt men een zoo hard gebakken steen, dat hij klinkt als men er tegen slaat, welke soort inzonderheid tot bestraten gebezigd wordt. Kei noemt men die steensoort, welke of in ronden vorm in de natuur gevonden wordt, of door den mensch in vierkanten vorm uit de rots gehouwen wordt, ten einde voor bestrating te dienen.
Balk, zie Beel.
Baldadig, zie Bartel.
Balie â hek â leuning. Eene afsluiting, die uit ijzeren ofhouten tralies bestaat en open of dicht gedraaid kan worden, noemt men hek; dient een dwarsbalk als afschutsel aan stoepen, bruggen of in de pleitzaal om degenen die verder gaan willen tegen te houden, dan spreekt men van balie. Thans wordt balie veel minder gehoord dan vroeger en is hiervoor in gebruik gekomen het woord leuning, dat eigenlijk een dwarsbalk is om op te steunen, b.v. bij het beklimmen van een trap.
Ballingschap â verbanning. Verwijdering uit een land. Verbanning is de daad der verwijdering, ballingschap de toestand, waarin de verbannene gebracht wordt.
Baloorig â balsturig. Bij baloorig denkt men meer aan kwade luim, bij balsturig aan hardnekkig wederstreven; in beide ligt het begrip van ontevredenheid en weerzin in hetgeen men moet doen.
Balsem, zie Zalf.
Band â boel â keten â ketting â kluister. Een werktuig, waardoor iemand in zijne vrijheid van beweging belemmerd wordt. Band is de algemeene uitdrukking voor alles, wat dient om iemand Ie binden en wordt verondersteld uit eene buigzame stof te bestaan. Boei en kluister duiden een ijzeren werktuig aan, dat iemand gevangen houdt, en geojiend of gesloten kan worden. Om hand of voet kan men boeien of kluisters dragen, terwijl men om de armen met een band gebonden wordt. De keten oïketting, eene reeks van aaneengeschakelde ringen van een of ander metaal, dient ter verbinding van een persoon of dier aan een ander persoon of voorwerp in de nabijheid, ten einde te voorkomen, dat eerstgenoemde zich van het laatstgenoemde verwijdert. Figuurlijk gebezigd geven boeien en kluisters eene sterke, harde macht te kennen, die iemand of iels gevangen houdt drukken ketenen, meer een innige vaste verbinding en hand een lichtere en zachtere verbinding uit. De banden des bloeds, des huwelijks der vriendschap. Harten ketenen, d. i. sterk verbinden door weldaden. De keten dor min. Door zooveel bevalligheid geboeid {of gekluisterd) was het mij niet
82
RANDâBANK.
mogelijk de oor/en ook maar een enkel oogenblik van haar af te trekken.
En rolt de Rijn weer langs zijn boorden,
Ontslagen van den winterboei.
Band â lil mis cl Datgene waarmede iets gebonden wordt. Bindsel is hetgeen tot binden dienen kan, band hetgeen daartoe gebruikt wordt of opzettelijk er voor vervaardigd is. Figuurlijk wordt altijd band, nooit bindsel, gebezigd. De banden des bloeds.
Bandeloos â breidelloos â onbandlng â onbeteugeld â teugelloos â toomeloos. Deze woorden, die eigenlijk te kennen geven dat een wezen zonder iets is, dat zijne bewegingen regelt, zijn meer in figuurlijken dan in eigenlijken zin in gebruik. Breidel, toom en teugel drukken vrij wel hetzelfde uit, het eerste is verouderd en alleen nog in deftigen stijl in gebruik; zoo is ook breidelloos meer in hoogeren stijl, teugelloos en toomeloos in de taal van het. dagelijksch leven in gebruik voor iets of iemand, die zonder eenig stuur ot eenig bedwang voortgaat. Onbeteugeld veronderstelt dat er wel bedwang aanwezig kon zijn, doch dat de teugel niet wordt aangelegd. Hetzelfde is het geval bij handeloos en onhandig. Bij handeloos is er geen band, bij onhandig wordt er niet om den bandgegeven. Terwijl de eerste woorden meer op het nietbeperken der krachtsuiting zien, heeft men bij de beide laatste moer de beperking in zedelijken zin op het oog. Toomchme eerzucht, eene teugellooze menigte. Het handeloos gemeen, onhandige begeerten.
Bang, zie Blooilc.
Bangheid, zie Angst.
Banier â standaard â vaan â vaandel â vlag. Veld- of legerteeken. Banier heette in de middeleeuwen het veldteeken van den baanderheer, den edelman, die het recht had in het leger van zijn leenheer een eigen vaandel te voeren; thans wordt het meestal gebruikt voor een doek met zinspreuk of wapen, dat aan een dwarsstok bevestigd is, welke aan den draagstok hangt. Vaan beteekende oorspronkelijk niet anders dan doek, en is, evenals vaandel, een stuk doek met een teeken of bepaalde kleuren aan een draagstok, dat als legerteeken dient. Eene vlag is een stuk doek van lichte stof, dat, aan eene stang gehecht, als vreugdeteeken uitgestoken wordt, of door welker kleuren en teekens men aan anderen op grooten afstand seinen kan geven. Dikwijls worden vaandel en vlag voor elkaar gebruikt, doch nooit in uitdrukkingen als de witte vlag vertoonen. Standaard was oorspronkelijk een veldteeken zonder doek. Tusschen de vijf woorden bestaat thans alleen dit verschil, dat banier en vaan dichterlijke!' uitdrukkingen zijn, en dat vaandel meer van eene vaan bij het voetvolk, standaard van eene ruitervaan gebezigd wordt, terwijl in de scheepstaal alleen van vlaggen sprake is.
Bank â sebabel â stoel â troon â zetel. Hetgeen dient om op te zitten. Ieder zoodanig werktuig is een zetel, maar dit woord wordt alleen in den deftigen stijl gebruikt. Koninklijke zetel. Bank is een lange zetel, waarop plaats is voor meer dan één persoon (bij uitbreiding de
0*
83
BANKâBARMII.
schepenbank); schabel een laag bankje om de voelen op te zetten, of een 'aag stoeltje; stoel een zetel voor één persoon, meest van leuning enz. voorzien. Iets onder geen stoelen of banken steken â iets niet verbergen. Troon, oorspronkelijk een grieksch woord dat zetel beteekende, is thans alleen in gebruik voor koninklijken zetel en bij uitbreiding voor het koningschap, b.v. komen tot den troon.
Banket â gastmaal. Eene rijke en deftige maaltijd voor genoo-digden aangericht. Gastmaal of diner is voor zulke maaltijden de gewone benaming. Bijzonder luisterrijke maaltijden bij gelegenheid van het een of ander feest noemt men soms banketten.
Bar â dor â onvruchtbaar â schraal â woest. Weinig of niets voortbrengend. Bar, dat de dubbele beteekenis heeft van naakt, bloot, en van koud, duidt aan dat ergens niets groeit, of dat er niets kan groeien, dat het er kaal is. Eene barre rots. Het harre noorden,. Dor ziet alleen op gebrek aan vocht, aan levenssappen. Eene dorre vlakte. Schraal geeft alleen een gemis aan voedende bestanddeelen te kennen, doch sluit geene totale onvruchtbaarheid in. Een schrale grond is dus beter dan een barre of dorre. Woest duidt aan, dat eene plaats de kenteekenen draagt, dat er de zorgende hand van den mensch ontbreekt, dat zij nog in haar natuurstaat verkeert. Een woest oord. Cnvruchtbaar heeft de algemeene beteekenis zonder bepaalde bijgedachte, het duidt een grond aan, waaraan, om welke reden dan ook, het vermogen om voort te brengen ontbreekt.
Barbaarsch â hardvochtig â onharinharttg â onmeedoo-gend â onmenschelijk â wreed. Zonder deernis of medegevoel. Onbarmhartig, onmeedoogend en hardvochtig zijn enkel negatief, en geven niet meer te kennen dan eene ongevoeligheid voor het lijden van anderen. Het laatste sluit intusschen het menschelijk gevoel niet altijd buiten en ziet dikwijls meer op het niet toonen van medelijden. Een heelmeester b.v., die zonder aandoening te verraden eene pijnlijke operatie verricht, wordt al licht hardvochtig genoemd. Onmeedoogend en nog meer onbarmhartig geven te kennen dat men geen gevoel heeft voor het lijden van anderen. Onmeedoogend voor het lot der armen. Onbarmhartig is b.v. de schutd-eischer, die door baatzucht gedreven geen medelijden betoont met den wellicht buiten zijne schuld onvermogenden nalatigen betaler. Wreed onderstelt, dat men het lijden van anderen zelf veroorzaakt, of er zich in verlustigt. Barbaarsch is wreed gelijk de Barbaren, de wilden; onmenscholijk wreeder zelfs dan een Barbaar of eenig mensch pleegt te zijn, wreed in die mate, dat men alle menschelijk gevoel moet hebben uitgeschud. Het Amslerdamschc canaille, dat niet lang geleden eene ral mei leer bestreek, die aanstak, en zich in den verschrihkelijken doodstrijd van het arme dier verlustigde, verdient den naam van onmenschelijk.
Barinhartig â deelnemend â mededoogend â medelijdend.
Bet eerste woord zegt meer dan de andere. Het drukt niet alleen uit, dat men door het lijden van anderen wordt aangedaan, maar sluit ook de bereidvaardigheid in om het lijden te verzachten. Dc barmhartige Samari-
84
«ARSCIIâBAST.
taan. Deelnemend onderstelt belangstelling in hetgeen anderen wedervaart, onverschillig of dit iets aangenaams of onaangenaams is. Mededoogend en nog sterker medelijdend geven altijd eene deelnemende belangstelling te kennen in het leed van anderen; deze woorden sluiten echter geen handelen in, zooals barmhartig.
Barsch â norscli â spijtig â stug â stuurscli. Onaangenaam en onvriendelijk in den omgang. Stugheid is gebrek aan natuurlijke vriendelijkheid en gemakkelijkheid in den omgang; stuurschheid is onvriendelijkheid, die uit eigenaardigheden van het karakter voorkomt; barschheid eene strakheid en koelheid van gelaat, eene hardheid van stem, die vrees verwekken, maar niet noodzakelijk welwillendheid buitensluiten (krijgslieden hebben veelal een barsch uiterlijk, maar toch dikwijls een week hart); norschheid de uiting van eene ruwe inborst, van ontevredenheid of van eene vijandige stemming in toon en gedrag. Spijtigheid is de eigenaardigheid om voorbijgaande aandoeningen van verdrietelijkheid en ontevredenheid of slechten luim te toonen en wordt meest van vrouwen gezegd. Het veronderstelt eene zekere scherpte en lichtgeraaktheid van humeur. Een boer is dikwijls stug. Die stuursehe kapitein had voor niemand der passagiers een v goed woord over. Eene norsehe ontvangst. Een norsch antwoord.
Barst â kloof â reet â sclicur â spleet. De opening ontstaan door het verbreken van den samenhang van sommige deelcn van een lichaam-Barst is eene scheiding dor deelen, die nog geen geheele vaneenwijking ton gevolge behoeft te hebben. Een barst in eene ruit, in een schotel, in hout, enz. Eene scheur duidt eene scheiding aan, welke zich over de geheele dikte der stof uitstrekt en door vaneenrijten ontstaan is. Eene scheur in een kleed, in een muur. Terwijl spleet, eene opening door splijten ontstaan, in het midden laat of deze opening horizontaal of verticaal, in de lengte of in do breedte is, is kloof meer in gebruik voor horizontale openingen, soms door gewelddadige scheiding der stof ontstaan. Om eene spleet of kloof te doen ontstaan is grooter kracht noodig dan om een barst of scheur te maken. Beet, van rijten gevormd, staat dikwijls met spleet gelijk, maar het heeft bepaald de bijgedachte dat men er door heen kan zien; kijken door de reet van de deur, eene reet in den muur. Scheur zegt men bij voorkeur van zachtere buigzame stoffen, papier, linnen, enz.; kloof en spleet van harde; barst van harde maar tevens broze lichamen. Eene rotsspleet. Een rotskloof. Een gebarsten schotel. Eene scheur in den jas.
Bast â scliors. liet bekleedsel der hoornen. ïiasl ziet op het bekleedsel in verband met den boom zelf, schors alleen op het buitenste ruwe gedeelte dat er van losgemaakt kan worden. Zij vervaardigden zich kleederen van boombast. Men schreef vroeger op berkenbast. De bast van den eik is gebarsten. In het voorjaar wordt de schors van hel eikenhout verkocht. Wordt eikenschors bij 't pond gewogen Men weegt kaneel bij 'l lood.
Figuurlijk: Aan de schors hangen {alleen op '1 uiterlijke zien).
Bastaanl â natuurlijk klml â uneclit kind â onwettig
BATâBED.
kind. Een buiten huwelijk verwekt kind. Onecht kind is de algemeene benaming en wordt zoowel gebezigd met betrekking tot den vader als tot de moeder. Natuurlijk kind beteekent hetzelfde en is de naam in het Burg. Wetboek voor onecht kind. Bastaard is meestal het buiten huwelijk geboren kind van een gehuwd persoon, sluit bovendien het begrip in, dat een der ouders van lagere afkomst is dan de ander. Een onwettig kind is uit een huwelijk geboren , dat volgens de heerschende wet niet geldig is. De vorstelijke bastaarden hebben eene groote rol in de geschiedenis gespeeld.
Batig â voordcelig. Terwijl voordeelig het algemeene woord is om iets dat voordeel of winst oplevert aan te duiden verstaat men onder batig meer het voordeelige dat ontstaat door het overschot b.v. van eene rekening. De tijden zijn tegenwoordig niet voordeelig, bijna overal is het batig slot van de begrooting verdwenen.
Bazelen â fjlen. Wartaal spreken. Een gezonde, die weinig verstand heeft of het niet gebruikt, bazelt; een zieke, wiens geregelde hersenwerking gestoord is, ijlt. Wat bazelt gij toch altijd van spoken! Eene ijlende koorts is eene koorts, waarbij de zieke ijlt.
Bazuin â horen â trompet. Metalen blaasinstrumenten. De horen is een der oudste speeltuigen; hij werd eerst van beestenhoorn, vervolgens van hout en op het einde der zeventiende eeuw van metaal vervaardigd. De trompet is een hoorn van eene bijzondere constructie, die een schellen toon geeft en inzonderheid voor militaire singnalen gebezigd wordt. Een bazuin is eene trompet met verschuifbare stukken.
Beamen, zie Toestemmen.
Beademen, zie Beslaan.
Beambte, zie Ambtenaar.
Bed â leger â koets. Leger is in het algemeen de naam voor eene ligplaats zoowel van dieren als van menschen. Naast bed gebruikt, denkt men meer aan de ligging. Een veeren bed verschaft u een heerlijk leger. Onder bed verstaat men meer eene ligging in eene afgesloten daarvoor bestemde ruimte. In deze beteekenis wordt leger soms, en in deftigen stijl ook legerstede, gebruikt. Koets is eenigszins plat en in sommige uitdrukkingen alleen bij dichters in gebruik. Naar de koels gaan. De echtkoets (Bilderdijk).
Beantwoorden, zie Antwoorden.
Bedaagd, zie Afgeleefd.
Bedaard â bezadigd â gematigd â kalm â rustig â stil.
Geene sterke beweging van gemoed of leven vertoonend. Rustig is in het algemeen rust genietend, hetzij naar het inwendige, hetzij naar het uitwendige; kalm is meer het gevolg van het zwijgen der hartstochten, bedaard drukt uit dat men na hartstochtelijke beweging tot rust gekomen is en geeft verder uiterlijke rust te kennen; bezadigd is rustig en bedaard zijnde en hierdoor in staat om kalm de zaken te overwegen; liet duidt eene
86
BED.
duurzame eigenschiip dan. Stil geeft Ie kennen; dat iets zonder afwisselende beweging en zonder hieruit voortvloeiende luidruchtigheid is. Gematigd duidt aan dat iemand niet buiten mate in beweging komt. Terwijl do eerste het gevolg zijn van den toestand van hot gemoed of van de omstandigheden, is gematigd een gevolg van de samenwerking van het gemoed en den wil van den mensch. In zijn dorp teruggekomen, leidde hij daar wel geen stil, maar toch een rustig leven. Bij kalm nadenken zult gij mij gelijk moeten geven. Als gij bedaard zijl, wil ik wel met u praten. Niettegenstaande het in hem kookte, bleef hij bedaard. Als een bezadigd Hollandsch koopman, bezag hij de zaak van alle kanten, voor hij zijn geld er in waagde. Hij behoort niet tot de drijvers, integendeel hij is zeer gematigd in zijn eischen.
Bedaardheid' â bezadigdlicld â gematigdlield â kalmte.
De eigenschap, die het gevolg is van zelfbeheersching of van de hoedanig-lieid van het karakter. Kalmte is eene zoo volstrekte gelijkmoedigheid, dat de hartstochten hoegenaamd geen vat op ons hebben; bedaardheid het vermogen door oefening verkregen om zelfs zijne hevigste aandoeningen meester te blijven en voor anderen te verbergen. Bezadigdheid en gematigdheid zijn gevolgen der bedaardheid; hot eerste duidt inzonderheid aan, dat wij ons denkvermogen, bet laatste dat wij onze daden vrij weten te houden van den invloed van hartstochtelijke opwellingen. Caesar toonde na zijne overwinningen zijne groote gematigdheid. Hij deed alles melde grootste kalmte, alsof er geen gevaar dreigde. Van bedaardheid kan men in hel debat veel voordeel hebben.
Bedachtzaam â behoedzaam â beraden â bezonnen â omzichtig -â voorzichtig. Deze woorden geven te kennen dat iemand door zijne vermogens te gebruiken gevaren of alles wat hem schaden kan tracht te ontgaan. Bedachtzaam, beraden en bezonnen is hij, die over hetgeen hij wenscht te ondernemen eerst behoorlijk nadenkt, die het voor en tegen wikt en weegt, en de beste wogen voor zijn doel kiest; beraden en meor nog bezojinen geven eene grootere mate van snelheid te kennen in bet nemen van een goed besluit; bedachtzaam veronderstelt langer overleg. Voorzichtigheid en behoedzaamheid zijn twee soorten van bedachtzaamheid. Voorzichtig is hij, die de mogelijk nadeelige gevolgen zijner handelingen vooruitziet en zoo handelt, dat dit niet het geval kan zijn; behoedzaam wie in gevaarlijke omstandigheden zoo beleidvol te werk gaat, dat hij zich of anderen voor schade weet te behoeden. Voorzichtig en bedachtzaam worden zoowel van het overleggen en bedenken alvorens te handelen, als van de wijze van handelen gezegd, behoedzaam heeft alleen op de handeling betrekking. Omzichtig is hetzelfde als behoedzaam; alleen drukt het nog sterker de voorzorg van den behoedzame uit om op te letten of alles rondom veilig is, of er niet van eonigen kant gevaar dreigt.
Bedanken â danken â dank zeggen â dank weten. Iemand erkentelijkheid betuigen voor bewezen weldaden ol diensten, ol voor zijne goede bedoelingen. Danken duidt alleen erkentelijkheid gevoelen aan, terwijl liet in het midden laat, of het al dan niet wordt geuit. Wat hebben wij
87
BED.
onzen ouders niet te danken! Met bedanken on dank zeggen is het bijdenkbeeld verbonden, dat men dit gevoel door uiterlijke teekenen kenbaar maakt als de weldaad of de dienst geschied is. »Bij het einde van een feestmaal ledigde de genoodigde zijn glas om zijn gastheer te bedanken.quot; Dankzeggen bepaalt dat denkbeeld nog nader door de uitdrukkelijke vermelding, dat het met woorden geschiedt. Dank weten beteekent iemand als den bewerker van iels beschouwen; in dit geval behoeft de dank niet in woorden uitgesproken te worden maar kan ook uit de daden blijken. Men zegt ook slechten dank weten, wanneer men door iemand benadeeld is.
Bedaren â gaan liggen. liet in kracht afnemen van den wind. Bedaren is eigenlijk het rustig worden na groote beweging en woede, en wordt b.v. gezegd van een hevigen wind of storm, die vermindert; gaan liggen van een wind van iedere sterkte, die zoodanig vermindert, dat het stil wordt.
Bedaren, zie Bevredigen.
Beddingâbodem â grond. Bodem heet het onderste deel van een voorwerp, waarin iets vloeibaars kan gegoten worden of zich bevinden, het onderste dus van een vat of kist, en verder de onderkant van iets in tegenoverstelling van den bovenkant. Hij kan den bodem van zijne geldkist zien. Zijn glas tot op den bodem leegdrinken. Grond noemt men dat deel met betrekking tol hetgeen er zich boven bevindt, of erdoor gedragen wordt. Grond is dus de oppervlakte der aarde, als de draagster van alles wat er uit voortkomt of er op rust. Men plant een boom in den grond. Men zit op den grond. Men spreekt meer van den bodem dan van den grond dei-zee, omdat men zich van het onderste der zee, waarvan wij zoo weinig weten, geen andere voorstelling vormt, dan dat het de onderkant is in tegenoverstelling van den waterspiegel. Bedding noemt men den bodem der rivieren er den vloer der sluizen, alsmede de plankenzoldering, waarop het geschut rust.
Bede, zie Aanzoek.
Bedcclen â omdeclen â ronddeelen â uitdeden. Aan verschillende personen het hun toekomend of toegedacht deel van iets overhandigen. Uitdeden is het uitreiken der verschillende dooien. Omdeden, ronddeelen (b.v. van het geven van kaarten) onderstellen, dat de uitdeeling in een kring plaats heeft, of onder een onbekend aantal personen, zoodal men niet zeker is met wat men ronddeelt uit te komen. Bedeelen veronderstelt dat verschillende personen tegelijkertijd een deel ontvangen; het wordt bij voorkeur gebezigd van eene vaste uitdeeling aan behoeftigen, en figuurlijk voor toegerust zijn met gaven on rijkdommen. De bedeeling der armen heeft meest Vrijdags plaats. Hij is rijk bedeeld. Met do gaven der fortuin bedeeld zijn.
Bedeesd â benauwd â beschroomd â bloode â bedremmeld â beteuterd â onthutst â schroomvallig â angstvallig â schuchter â verlegen â versteld. Gebrek aan moed en zelfvertrouwen hebbend, Is dit het gevolg van eene aangeboren vreesach-
88
BEI».
tigheid dan gebruikt men bedeesd, bloode, schroomvallig, verlegen en angstvallig; ontstaat dit door eene plotselinge ontroering, die iemand in zijne natuurlijke vrijheid van spreken of handelen belemmert, dan gebruikt men de woorden benauwd, bedremmeld, beteuterd, onthutst, verlegen en versteld. Beschroomd is degene die vreest te doen wat niet passend is. Bedeesd is degene die zich licht in zijne vrijheid van spreken en doen belemmerd voelt. Bloode is sterker dan bedeesd; bet duidt veelal een groot gebrek aan zelfvertrouwen aan; schuchter onderstelt vrees gepaard met blooheid, terwijl verlegen te kennen geeft, dat men ten gevolge van zijne vreesachtigheid niet weet hoe zich to gedragen. Schroomvallig en angstvallig drukken eene geneigdheid om te aarzelen uit, wanneer men iets moet verrichten. Weet men niet hoe te handelen en is men spoedig in het nauw gebracht, dan wordt men benauwd genoemd. Bedremmeld, onthutst en versteld drukken do verandering uit, die de ontrosring teweegbrengt in houding en gelaat; beteuterd wijst op de door haar veroorzaakte belemmering in de spraakorganen. In onthutst ligt het denkbeeld van schrik, in versteld dat van schrik of verbazing, in bedremmeld en beteuterd dat van vrees voor een persoon, in wiens tegenwoordigheid wij ons bevinden, en dien we om de eene of andere reden meonen te moeten duchten. De met deze adjectiva overeenkomende substantiva zijn: bedeesdheid, beschroomdheid, blooheid, schuchterheid, verlegenheid, schroomvalligheid en angstvalligheid. Van benauwd, bedremmeld, beteuterd, onthutst en versteld zijn geene substantiva gevormd. Over schroom zie bij Angst.
Bctlckkcn â bemantelen â bewimpelen â verbloemen.
Iets voor het oog verbergen. De drie laatste woorden komen alleen figuurlijk voor, bedekken in eigenlijken zin en figuurlijk. Bedekken is het sterkst, het geeft te kennen, dat men iets door er iets over te doen aan het gezicht onttrekt. Bemantelen en bewimpelen geven te kennen dat men iets, dat slecht of leelijk is, eenigszins tracht te verbergen. Verbloemen is hetleelijke verbergen door het, door middel van het aanbrengen van bloemen, niet in het oog te doen vallen, verder een schoenen schijn aan iets geven.
BeiiekklniK â «lek â deksel. Bedekking, of dekking, is zoowel de daad van dekken, als datgeen, waarmee men dekt; maar in beide gevallen verstaat men door bedekking eene volledige beschutting, die geen gedeelte ongedekt laat van hetgeen het moet bedekken. Dek daarentegen wordt ook van eene gedeeltelijke beschutting gebezigd. .EewpaardedeA fterfcW slechts een deel van den rug van hel paard. Verder is het elk kleed waarmede men zich dekt tegen de koude. Deksel is iu sommige uitdrukkingen synoniem met dek {hoofddeksel), het heeft soms zelts een nog ruimeren zin. Voedsel en deksel. Meestal duidt het echter een werktuig aan, dat dient om de opening in een voorwerp te dekken of te sluiten. Het of de deksel van een trekpot.
Bedelaar â schooier. Het eerste woord duidt alleen een persoon aan, die aan do huizen onderstand vraagt; een schooier is een zwervende bedelaar zonder vast verblijf, bij wien men geneigdheid om te schooien ol te stelen veronderstelt.
80
BED.
Bedenken, zie Beraden.
Bedenken, zie Aanmerking nemen O'O-
Bedenken, zie Denken.
Bedenkelijk â liaclielijk â nefelig â zorgelijk. Verschillende uitdrukkingen om ;ian te duiden dat een toestand gevaarlijk is. Bedenkelijk zegt alleen, dat de toestand van dien aard is, dat hij ongerustheid veroorzaakt. Zorgelijk is sterker, en onderstelt behalve de veroorzaakte ongerustheid nog de vrees voor do mogelijkheid van een ongunstigen afloop. Hachelijk duidt aan, dat de kans op ongunstigen uitslag grooter is dan op een gunstigen. Netelig ziet niet zoozeer op den uitslag der zaak als wel op de onaangenaamheden, die men, door haar te ondernemen, zich zelf kan berokkenen. Do toestand van den zieke is bedenkelijk, is zorgelijk. Een hachelijk oogenblik. Een netelig geval (als men b.v. tusschen twee kwaden kiezen moet).
Bedenken, zie Aanmerking.
Bedenking â bezwaar â grief. Wat men tegen het een of ander heelt, waarmede men het niet eens is. Bij bedenking onderstelt men alleen de uiting der gedachte omtrent eene moeielijkheid, die zich voordoet, waarop men de aandacht vestigt. Het is niet veel meer dan eene opmerking. Eene gewichtige bedenking kan een bezwaar worden, als de moeielijkheid boven twijfel is. Grief is een bezwaar, dat een onaangenaam en pijnlijk gevoel verwekt, eene reden tot beklag.
Bedenking â beraad â overweging. Bedenking is het zwakst en duidt alleen het opzettelijk nadenken over iets aan; beraad is ernstig nadenken vooral met het oog op de gevolgen; overweging is het wikken en wegen van het voor en tegen eener zaak. (Zie bij zieii Beraden).
Bederfâ verrotting; Bederven â verrotten. Zoowel bij het substantief als bij het werkwoord heeft men het oog op stoffen, die overgaan tot ontbinding. Bij bederf is het nog niet zoo ver gekomen als bij verrotting. Niet alle zaken kunnen tot verrotting overgaan, al bederven zij; sommige toch drogen in en vallen uiteen. In overdrachtelijken zin is alleen bederf in gebruik om aan te duiden, dat iets minder goed of slecht wordt.
Bediende â dienaar â dienstbode â kneelit â lakei.
Alle woorden duiden iemand aan, die in dienst van een ander staat. Dienaar is eigenlijk het algemeene woord en duidt ieder, die dient, aan. Bediende duidt in het algemeen iemand aan, die voor loon dient. Door dienstboden verstaat men hoofdzakelijk de bij iemand inwonende personen, die voor loon huiselijke werkzaamheden verrichten. Dienaar is deftiger dan bediende ol dienstbode en veronderstelt een voornamer of gewichtiger werkkring; vandaar dat het gebezigd wordt in samenstellingen als kamerdienaar, gerechtsdienaar, staatsdienaar, enz. Bij knecht daarentegen staat het denkbeeld van persoonlijke afhankelijkheid meer op den voorgrond; dit is in nog sterkere mate het geval met lakei, dat voetknecht of lijfknecht beteekent, die de livrei of de kleeren met wapenkleuren van zijn heer draagt.
90
BED.
In figuurlijken zin duidt knecht iemand aan, die geen vrijen zelfstandigen wil heeft, en wordt dienaar in beleefdheidsformules, als uw dw. dienaar, gebruikt.
Bcillencit ( /.leli), zie Aanwenden.
Bediening, zie Ambt.
Bedijken â indijken â omdijken. Bedijken is de meest alge-meene uitdrukking en geeft te kennen, dat men land door een dijk tegen het water afschut. Indijken is water binnen dijken leggen, hetzij om het te verhinderen over de aangelegen landen Ie stroomen, hetzij om deze daarna droog te maken, b.v. de indijking van de Zuiderzee zouden sommigen gaarne tot stand zien komen. In onderscheiding van bedijken geeft omdijken te kennen, dat de bedijking van alle kanten geschiedt, zoodat het bedijkte geheel door een ringdijk omsloten wordt. Elke omdijking is eene bedijking, maar niet omgekeerd.
Bedillen â berispen â gispen â laken. Zijne afkeuring te kennen geven. De sterkste beteekenis heeft laken. Men laakt wat volstrekt af te keuren is. Berispen, gispen, bedillen sluiten eene bijgedachte in, hel eerste dat een meerdere zijne afkeuring streng en met redenen omkleed te kennen geeft, het tweede van eene scherpe en hekelende, het derde van eene vitterige, kleingeestige, dikwijls ongegronde afkeuring. Oude lieden zijn soms bedilziek: men kan hun moeielijk iets naar den zin doen.
Beding â voorwaarde. De verplichting, waaronder ons het een of ander wordt toegestaan. In beding staat het denkbeeld op den voorgrond, dat over die verplichting gedongen, onderhandeld is; in voorwaarde, dat men haar van te voren heeft op zich genomen; overigens hebben beide woorden dezelfde beteekenis.
Bedoeling, zie Doel.
Bedompt, zie Duf.
Bedotten, zie Bedriegen.
Bedrag â beloop. De hoegrootheid van eene som. Bedrag is de juiste som; beloop haar vermoedelijk bedrag.
Bedremmeld, zie Bedeesd.
Bedreven â doorkneed â doortrapt â geoefend â geslepen worden gezegd van hem, die zekere kundigheden en de daarmee verbonden vaardigheid bezit. Geoefend ziet meer alleen op technische vaardigheid; bedreven op vaardigheid met bekwaamheid gepaard. Doorkneed in iets wordt gezegd van hem , die eene groote mate van bedrevenheid en kunde bezit, zoodat hij in alles, wat de zaak betreft, in even groote mate te huis is. Ervaren onderstelt daarenboven eene rijke ondervinding, die ons in staat stelt in de meeste omstandigheden naar vaste regels te handelen. Een geoefend ruiter. Een bedreven heelmeester. Een ervaren staatsman. Doortrapt wordt alleen in slechten zin gebezigd, en verbindt aan hot begrip van bedrevenheid dat van sluwheid. Een doortrapte gauwdief. Hetzelfde
91
BED.
is het geval met ycslepen, dat echter nog meer loosheid cn arglist dan ervaring veronderstelt. Een geslepen bedrieger.
Bedriegen â bedotten â foppen â misleiden â versclial-ken. Dwaling veroorzaken. Misleiden is eigenlijk niets anders dan op een verkeerd spoor brengen en daardoor dwaling veroorzaken. Een der Grieksche schilders wist zoo hedriegelijk druiven na te bootsen, dat de vogels er zich door lieten misleiden. Bedriegen heeft hel hijbegrip, dat de misleiding gepaard gaat met schennis van vertrouwen. Bedotten, foppen en verschalken duiden aan, dat er list is aangewend, orn du dwaling te doen ontstaan. Zij sluiten dus altijd opzet in, iets wat hij misleiden niet noodzakelijk het geval behoeft te wezen. Daar zij echter ook van onschuldige misleidingen gebezigd worden, die geen nadeel berokkenen, wat inzonderheid met foppen het geval is, hebben zij eene minder hatelijke heteekenis dan bedriegen. Verschalken wordt vooral gebezigd, waar van twee partijen, die ondersteld worden elkaar te bestrijden, de eene de andere in eene hinderlaag lokt, haar met list een ol ander voordeel zoekt af Ie winnen. Dc jagers verschalken het wild. Bedotten beet nemen is meer iemand in dwaling brengen ten einde zich vroolijk over hem te maken, of om er voordeel van Ie trekken.
Bedriegerij â bedrog. Bedrog is eene enkele misleiding; bedriegerij een aaneenschakeling van misleidingen, en geschiedt als zoodanig altijd met voorbedachten rade. Men zegt het bedrog, niet de bedriegerij, der zinnen. In zijne ongunstigste opvatting is bedrog echter sterker dan bedriegerij, omdat eene reeks van misleidingen alleen dan mogelijk is, wanneer zij ieder op zich zeil geringe schade veroorzaken, en dus niet zoo spoedig worden opgemerkt.
Bedriegelljk , zie Arglistig.
Bedrijf, zie Baad.
Bedrijven â doen â handelen â maken â vervaardigen â verrichten â werken. Zijne kracht aanwenden om iels tot stand te brengen. Boen is het algeineene begrip en wordt van elke uiting van kracht gezegd, onverschillig of deze van den mensch, het dier, of van eene natuurkracht of begrip uitgaat. Men zegt evenzeer: wal doet dn mensch en wat doet de hond als wat zou het weer willen doen en wal doet des menschen geloof tot zijne zaligheid. Wat doet hij9 Hij maakt een vat. Handelen wordt vooral gebezigd van de door verstand en wil veroorzaakte werkzaamheid van redelijke wezens; van levenlooze stoffen en van dieren gebruikt men werken. Het middel begint te werken. Be spinnen werken. Werken onderstelt altoos een uitwerksel, een gewrocht. Verrichten wordt meestal gebezigd van het volbrengen van een werk, dat op eene bepaalde wijze moet geschieden. Maken onderscheidt zich van doen hierdoor, dat de werking altijd onder hel bereik der zinnen valt en gewoonlijk ook iets duurzaams achterlaat. {Eene wandeling, eene reis, een tocht maken zijn uitdrukkingen in strijd met het Nederlandsche taaleigen, dat hier doen vereischt). Vervaardigen voegt aan de heteekenis van maken die van voltooien toe. (lelijk verrichten doorgaans in een goeden zin gebruikt wordt,
5)2
BED.
komt bedrijven meest altijd in een slechten zin voor, b.v. eene edele daad verrichten, een snood stuk bedrijven.
Bedroefd â bedrukt â droevig â neerslaelitig â treurig â zwaarmoedig. Alle iluiilen aan dat door verdriet het gemoed en de geest ter nedergedrukt worden; het tegenovergestelde dus van eene opgewekte stemming. Tusschen bedroefd, droevig en tveuruj bestaat dit verschil, dat het eerste woord aanduidt, dat de oorzaak der droefgeestigheid in de eene of andere uiterlijke omstandigheid te zoeken is, terwijl de beide andere die oorzaak geheel in het midden laten. Treurig drukt een langeren duur dei-aandoening uit, en is dus sterker dan droevig. Droevig en treurig worden ook van zaken gebezigd. Droevige dagen. Een treurig verlies. Neerslachtigheid is eene lichte en tijdelijke, zwaarmoedigheid eene aanhoudende en diepe moedeloosheid. De laatste is minder het gevolg van uitwendige oorzaken, dan wel van eene ontstemming des gemoeds. Bedrukt geeft te kennen, dat men door het verdriet terneergedrukt wordt, en ziet vooral op de sporen der droefheid, die in gelaat en houding vallen op te merken. Een bedrukt gelaat. Een bedrukt voorkomen.
Bedroevend â deerlijk â Jammerlijk. Alle drie woorden geven te kennen, dat een toestand van dien aard is, dat hij leed veroorzaakt en medelijden gaande maakt. Jammerlijk is sterker dan bedroevend; het slaat op den treurigen toestand van den lijder; bedroevend op den indruk, dien de daad of toestand op den toeschouwer maakt; deerlijk geeft te kennen, dat het of den persoon zelf, die lijdt, of anderen deert. Deerlijk komt meestal als bijwoord voor en beteekent dan in zeer hoogc male. Ik heb mij deerlijk in hem bedrogen. Hij heeft mij deerlijk beet gehad. Dat kind heeft zich deerlijk gebrand. Dat dronkenmansgevecht was een bedroevend tooneel. Het geharrewar van staatkundige partijen, die slechts door bekrompen zelfzucht worden geleid, levert voor hem, die hot met zijn land wel meent, een jammerlijk schouwspel op.
Bedrog, zie Bedriegerij.
Bedrukt, zie Bedroefd.
Beduiden â verklaren. Duidelijk maken, doen begrijpen. Bij beduiden ligt de moeilijkheid om het te begrijpen bij den persoon; bij verklaren, d. i. helder maken, in de zaak. Ik zal hem wel beduiden wat hij doen moet al is hij wat traag van begrip. De onderwijzer verklaart eene duistere, ingewikkelde theorie. Zie ook bij Uitleggen.
Beduiden â beteekenen. Te kennen geven. Het eerste woord zegt, dat dit door rechtstreeksche aanduiding, het tweede dat dit door teekens plaats heeft die den zin nauwkeurig aangeven. Beduiden heeft in de levende taal moer den zin van zoo ongeveer wijzen en zeggen, beteekenen dien van iets juist aangeven. Evenwel worden beide uitdrukkingen voor elkander gebruikt, maar niet wanneer personen subject zijn. Twee uitgespreide armen beduiden dat de machinist sloppen moet. Wat beteekent al die drukte, die gij maakt? Beduid gij hem dat eens, niet; beteeken gij.
Beducht, zie Bezorgd.
93
BEDâBEER.
Bedunken â begrip â denkbeeld â¢â denkwijze â eraeii-
ten â gednebte â gevoelen â idee â Inzien â meening â
oordeel. De meer of minder heldere voorstelling, die ons denkvermogen zich van eene zaak vormt. Gedachte is de algemeene uitdrukking. Dankbeeld is de uitkomst van het denken, het beeld dat ten slotte door ons voorstellingsvermogen gevormd wordt; liet kan dus nooit, gelijk wel eens met gedachte geschiedt, voor het denken zelf genomen worden. Het is mij nooit in de gedachte (niet: in het denkbeeld) gekomen. Denkwijze is de tot hebbelijkheid geworden manier van denken, die een gevolg is van iemands karakter, beginselen, enz. Begrip is de samenvatting van het gedachte tot één geheel, als basis van een oordeel. Als ge de moeite hadt genomen u een juist begrip van de zaak te vormen, dan zoudt ge niet zulk een scheef oordeel geveld hebben. Het woord meening duidt het onzekere en onvol-komene in de oordeelvelling aan. Idee is een vreemd woord voor gedachte en denkbeeld. Dikwijls wordt het gebruikt voor gedachte, in tegenoverstelling van de werkelijkheid. Inzien en gevoelen stellen meer op den voorgrond, dat het eene bepaald subjectieve gedachte is. In het eerste geval is de gedachte het gevolg van persoonlijke waarneming met het oog (figuurlijk opgevat) en dus van doorzicht en inzicht-, in het tweede geval berust de gedachte op het persoonlijk gevoel van den spreker. Een oordeel daarentegen moet objectief wezen, daar het een gevolg is van overwegen en erkennen. Krachten en bedunken zijn infinitieven van verouderde werkwoorden en thans slechts in den genitiefvorm in gebruik. Krachten is eene meening koesteren, die op eenig onderzoek berust; bedunken is het hebben eener meening, die niet het gevolg is van eenig onderzoek maar enkel van eene oppervlakkige waarneming. Mijns bedunkens; mijns erachtens.
Bedwelmd â duizelig â verdoofd. Hoewel niet volstrekt synoniem, naderen deze begrippen elkander zeer. Duizelig is het gevolg eener storing in de werking der hersenen door aandrang van bloed ontstaande. Bedwelmd en verdoofd wordt men, wanneer er beneveling van den geest ontstaat, zoodat men niet meer denken, of bij verdooving, niet meer waarnemen kan. Men wordt bedwelmd door kolendamp, door chloroform, door het overmatig gebruik van geestrijke dranken. Verdoofd door een slag of een geneesmiddel enz. Figuurlijk beteekenen bedwelmd en duizelig het missen van het vermogen om zijne zinnen te gebruiken.
Bedwingen, zie Beheersehen.
Beeld, zie Afbeelding.
Beeltenis, zie Afbeelding.
Beemd â welde â weiland. Eene met gras begroeide uitgestrektheid gronds. Beemd is meer dichterlijk. Weiland wordt het land genoemd, wanneer het voor de veehoederij gebezigd wordt, in onderscheiding van andere soorten van land, als boschland, bergland enz. Een afgeperkt stuk weiland draagt den naam van weide. In den hoogcren stijl heeft beemd soms eene ruimer beteekenis, namelijk die van wandeldreven, bebloemde velden.
Beer, zie Dam.
94
BEESTâBEG.
Beest â «lier â vee. Zich zeil' bewegende schepselen. Dier is de geslachtsnaam; beest en vee zijn namen van soorten. Beest duidt alle redelooze wezens aan, vee uitsluitend de tamme dieren, die de mensch verzorgt, om door middel van hun vleesch, hunne melk, enz. in zijne behoeften te voorzien.
Befaamd â beroemd â berucht â vermaard. Algemeen bekend. Berucht is ongunstig of te slechter naam en faam bekend. Befaamd, d. i. door de faam bekend gemaakt, wordt in een goeden, maar nog meer in een kwaden zin gebruikt. Beroemd is degene, die roem verworven heeft door uitstekende daden of loffelijke eigenschappen. Vermaard is van wien eene groote mare, een groote roep uitgaat; het wordt dus gebruikt van iemand, wiens naam wijd en zijd bekend is. In goeden zin gebruikt is het meer dan befaamd, minder dan beroemd. Dit laatste wordt alleen in gun-stigen zin gebezigd.
Begaald â bekwaam â geniaal â talentvol. Begaafd, talentvol, geniaal zien (het tweede meer dan het eerste, het derde moer dan het tweede) op het bezit van een rijken natuurlijken aanleg. Bekwaam slaat zoowel op de verworvene, als op de aangeboren hoedanigheden doch heeft tevens de geschiktheid voor iets op het oog.
Begaafdheid, zie Ciaaf.
Begaan â plegen. Iets verkeerds bedrijven. Het tweede is sterker dan het eerste en veronderstelt opzet. Men begaat een misslag. Men pleegt een misdrijf.
Begeeren â dorsten (naar Iets) â haken (naar Iets) â reikhalzen â smachten â verlangen â wenschen. Zijn gemoed op iets richten. Wenschen is het zwakst van kracht. Die iets wenscht is in het onzekere of hij het ooit zal kunnen verwerven, hetzij omdat hij er niet ernstig naar wil streven, hetzij omdat de verwezenlijking van den wenach tot het onzekere of tot het onmogelijke behoort. Begeeren is sterker en drukt tevens het streven naar verwezenlijking van hetgeen men zich voorstelt uit. Verlangen is begeeren, doch met het bijbegrip van aanspraak, die men op de vervulling der begeerte heeft, hetzij die te recht of ten onrechte is. Verlangen naar iels is met begeerte uitzien naar het oogenblik, dat onze voorstelling vervuld wordt of dat iels, wat in de toekomst is, tot werkelijkheid zal worden. Haken naar drukt een zeer sterk verlangen uit; reikhalzen geeft dit nog sterker te kennen, men rekt zich als 't ware uit ten einde het eerder te bereiken. Aan smachten, dat de sterkste uitdrukking is, verbindt zich het denkbeeld van dorst naar iets. Ook dorsten naar iets wordt als synoniem hiervan gebruikt. Men wenscht met zijn werk reeds gereed te zijn, wanneer men een vervelende arbeid begint. Men wenscht iels niet gedaan te hebben, ofschoon men zeer goed weet, dat het gedane niet ongedaan kan worden gemaakt. Men kan wel wenschen een hoogen ouderdom te bereiken, doch men kan het niet verlangen. Men moet niet meer begeeren dan men kan verteren. De knaap verlangt naar de toegezegde partij. Ik verlang er naar dat gij komt. Ik reikhals naar
BEG.
1IWC komst. Zij smachtte naar het uur, dat hare ketens zou verbreken. Be man dorstte naar roem en naar geld.
Begeerte â dorst â lust â neiging â verlangen â wenscli â trek â zucht. Substantiva bij do hiervoor genoemde werkwoorden be-hoorende. Over ivensch, verlangen, begeerte en dorst zie het voorgaande. Lust is eene begeerte, door welker verwezenlijking onze zinnen aangenaam worden aangedaan; zij veronderstelt het vooruitzicht van genot. Zucht is eene sterke, aanhoudende begeerte, waaraan eigenlijk iets ziekelijks eigen is. Trek is de neiging om iets te verkrijgen, dat eenige aantrekkelijkheid voor ons heeft. Neiging is zwakker, het veronderstelt een licht overhellen, dnch zonder bepaald bewustzijn van begeerte.
Hegeerli|kheld â lust. Lust en begeerlijkheid in het meervoud gebruikt, hebben altijd de ongunstige beteekenis van iets zinnelijks dat begeerd wordt. Lust is meer wat tot genot begeerd wordt, begeerlijkheid is meer algemeen. De heg eerlijkheden der wereld. De lusten des vleesches.
Begeven â verlaten. Van iets scheiden. Het eerste wordt uitsluitend aangaande personen of persoonlijk genomen dingen gebezigd met de beteekenis van in den steek laten: de moed begeeft den strijder; begeef gij het vaderland niet; het laatste ook van onpersoonlijke dingen: mon verlaat zijn huis, zijne kamer. De daad van begeven veroorzaakt altijd een verlies aan dengene, die begeven wordt, wat bij verlaten niet noodzakelijk hel geval is.
Begin, zie Aanbegln.
Beginnen â aanheffen â aanvangen. Deze drie woorden zijn alleen synoniem ten opzichte van handelingen; men kan b.v. wel zeggen de weg of hel kanaal begint duur, niet de weg, hel kanaal vangt daar aan. Ten opzichte van eene handeling staan aanvangen en beginnen gelijk; het eerste wordt meer in deftigen stijl gebruikt. Aanheffen, vroeger als de vorige ook in meer algemeenen zin gebezigd, wordt thans alleen gebruikt voor eene handeling beginnen, die met de stem geschiedt. Het werk beginnen of aanvangen. Een lied aanheffen.
Beginsel â regel â stelregel. Regel in overdrachtelijke toepassing is een algemeen voorschrift, waarvan men in het belang van eene goede orde, enz. niet mag afwijken: taalregel, leefregel, de regel eener geestelijke orde. Stelregel is een aan de praktijk ontleende regel, dien men zich zelf stelt, om er bij voorkomende gelegenheden zijn gedrag naar in te richten. Beginselen zijn de grondslagen, de vrucht van waarheidsliefde en nadenken die eene innerlijke noodzakelijkheid ons dwingt ten grondslag te leggen aan al ons doen en laten. Mijn stelregel is nooit twee dingen te gelijk te doen. Een man van beginselen weet desnoods alleen te slaan.
Begraafplaats â kerkhof â godsakker. De plaats waar de dooden begraven worden. Begraafplaats is de gewone benaming: kerkhof noemt men haar naar hare voormalige ligging om de kerken; godsakker als de plaats, waar de oogst van God rijpt, eene voorstelling, die haar oorsprong te danken heeft aan het geloof aan eene vleeschelijke opstanding.
9«
BEGâBEU.
Begraven â bijzetten â teraardebestellen. Alle drie woorden drukken het toevertrouwen van een lijk aan den schoot der aarde uit. Begraven is hiervoor het gewone woord, de beide andere zijn deftiger. In bijzetten ligt bovendien soms de bijgedachte dat iemand in het graf, waar ook de lijken van voorouders of verwanten rusten , begraven wordt.
Begrip, zie Toorstelling.
Begrip, zie Doorzicht.
Begrip, zie Bedunken.
Begrijpelijk â bevattelijk âduidelijk â helder â klaar â verstaanbaar. Begrijpelijk is een passief begrip, het ziet op zaken, die men licht kan begrijpen, waarvan men de oorzaak licht kan inzien; bevattelijk is een actief begrip wanneer het ziet op personen, die iets licht bevatten of begrijpen, overigens is het synoniem met duidelijk en beteekent wat voor de bevatting geschikt is. Hij weet alles zoo bevattelijk te maken. Duidelijk is sterker dan begrijpelijk en geeft te kennen, dat men iets bijna zonder nadenken kan begrijpen; van iets waarop liet volle licht valt, welks omtrekken dus goed verneembaar en gemakkelijk te onderscheiden zijn, gebruikt men klaar en helder. Het eerste meer in tegenoverstelling van troebel, het tweede in tegenoverstelling van duister. Bij uitbreiding worden beide met de tegenstellingen ook van datgene gezegd, hetgeen men met den geest waarneemt. (Vergelijk bij Beider). Verstaanbaar is in de eerste plaats datgene, wat gemakkelijk gehoord kan worden en vervolgens waarvan men gemakkelijk den zin kan vatten. Eenc onbegrijpelijke dwaling. Een bevattelijk kind. Een duidelijk bewijs. Hij spreekt verstaanbare taal. Hij gaf ons eene klare en heldere voorstelling der zaak.
Begrijpen, zie Bevroeden.
Begrijpen â beseffen â bevatten â verstaan. De noodige kennis van iets bezitten. Verstaan drukt enkel het bezit dier kennis uit en laat de wijze, waarop zij verworven is, onbepaald. Het wordt gebruikt van het onderkennen van den zin van iets of van de beteekenis van een teeken. Begrijpen en bevatten daarentegen sluiten in, dat het eenige inspanning gekost heeft om de zaak in haren geheelen omvang in onzen geest op te nemen en de gronden, waarop iets berust, te vatten, het geeft tevens te kennen dat er eene zekere mate van scherpzinnigheid voor'werd vereischt. Beseffen heeft meer bepaald de beteekenis van een innig, levendig begrip van iets hebben, iets door zijn denkvermogen en gevoel leeren kennen.
Begrooten â ramen â schatten â waardeeren. liij gissing bepalen. Ramen is onbepaalder dan begrooten. Men raamt uitgaven, wanneer men opgeeft, wat zij vermoedelijk kunnen, men begroot ze, wanneer men opgeeft, wat ze waarschijnlijk zullen beloopen. Over schatten en waar-deeren zie onder Achten.
Behaaglijk, zie Aangenaam.
Behagen, zie Aanstaan.
SYNONIEMEN. 7
97
BEH.
Behalen, zie Bekomen.
Beliandelen â bejegenen. Zich door woord of daad ten opzichte â van iemand of iets gedragen. Behandelen heeft tot voorwerp personen en zaken; bejegenen alleen personen. Behandelen is handelen met onmidde-lijke betrekking tot een voorwerp. Bejegenen veronderstelt eene ontmoeting, waarbij een van beide partijen handelend optreedt, en de andere het voorwerp dier handeling is. Die koopman in Biga heeft mij niet mooi behandeld. Men moet nooit iemand onheusch bejegenen.
Behandelen â bewerken. Eene wetenschappelijke stof bearbeiden. Behandelen ziet meer op den vorm, bewerken op den inhoud van de rede of het geschrift, waarin men zijne denkbeelden uiteenzet. Dat 07iderwerp is goed behandeld. De rede is met zorg bewerkt.
Beheer â bestuur â bewind â heerschappij â regeering.
Oefening van gezag. Bestuur zegt alleen, dat men de leiding van zaken in handen heeft; beheer sluit behalve de leiding ook het toezicht in; het geeft eene zelfstandiger uitoefening van gezag te kennen dan bestuur, maar is in het gebruik meest beperkt; vooral van goederen; het beheer over goederen, over eene nalatenschap. Heerschapgij, regeering, bewind worden voornamelijk gebezigd van het bestuur over een staat. Heerschappij onderstelt bij hem, die ze oefent, niet alleen het recht, maar ook de macht om zich te doen gelden; het wordt ook figuurlijk gebruikt, b.v. Heerschappij over zijne hartstochten.
Beheersehen (asleh) â beteugelen â betooinen â bedwingen â bevitten (/.leli). Door zijne macht iemand of iets in de vrije beweging beperken. Beheerschen drukt uit dat men dit doet krachtens de macht en de kracht, die men bezit. Bij beteugelen en betoomen staat het middel op den voorgrond, waardoor dat geschiedt en veronderstelt men het aanleggen van een zedelijken band, waardoor men krachtige bewegingen tegenhoudt. Bedwingen is iemand door dwang of geweld noodzaken zich te beperken. Bezitten is eigenlijk bezit van iets hebben, dus macht over iets hebben, zich bezitten is derhalve macht over zich zelf en over zijne bewegingen hebben.
Beheerselien â besturen â gebieden â heersehen â re-geeren. Macht hebben om uitvoering aan zijn wil te geven. Beheerschen is het transitieve van heersehen; beide stellen op den voorgrond macht, waaraan kracht verbonden is, hetzij deze door de meerderheid of door de hoogere plaats van degene, die ze uitoefent ontstaat. Gebieden onderstelt een onbeperkt gezagvoeren. Begeeren wordt alleen gezegd van koningen en vorsten. Besturen veronderstelt inzicht en beleid en meer hot leiden der zaken dan eene uitoefening van eigen macht. Beheerschen, regeeren en besturen worden ook liguurlijk gebezigd. Bij beheerschen denkt men aan zedelijke overmacht en krachtigen wil; bij het tweede aan willekeur van hem, die regeert en aan onmacht van den geregeerde; bij het laatste aan overleg en beleid. Hij heerscht onbeperkt. Hij beschikt en gebied over alles. Willem I regeerde over Nederland. Thiers bestuurde de Fransche republiek. De
98
BEU.
volksmeening beheerscht de wereld, dZijne vrouw regeert hemquot; is niet hetzelfde als ï)zijne vrouw bestuurt hem.quot;
Behelzen â bevatten. Inhouden (van brieven en geschriften). Behelzen duidt aan, dat iets den hoofdinhoud van een brief of gechrift uitmaakt; bevatten, dat iets met andere onderwerpen in een geschrift aangeroerd of besproken wordt. Dit artikel behelst eene leerzame studie over den jongsten roman van een gevierden schrijver, en bevat daarenboven een aantal belangrijke opmerkingen over zijne vroegere werken.
Behendig â handig â knap. Worden gezegd van hem, die iets vlug en goed weet te doen. Handig ziet meer alleen op de vlugheid der handen; het onderstelt eene vlugheid gepaard met overleg. Een handig werkman. Behendig ziet op de vaardigheid van het lichaam in het algemeen; men denkt er bij aan de geschiktheid om op een gegeven oogenblik, zonder veel tijd om te overleggen, iets snel te verrichten. Een behendig boogschutter. Figuurlijk duidt het ook de vaardigheid van den geest aan. Een behendig diplomaat. In figuurlijken zin heeft handig altijd eene mingunstige beteekenis; het is dan het tegenovergestelde van bekwaam, eerlijk. Een handig staatsman, een handig advocaat. Knap, dat oorspronkelijk alleen op den vorm zag, heeft allengs ook de beteekenis van netjes en handig gekregen, het veronderstelt thans handigheid met verstand en kennis van zaken.
Behoeden â beschermen â beschutten â beveiligen â bewaren. Voor iets zorgen; maken dat iels geen schade lijdt. Bewaren en in nog hoogere mate behoeden geven alleen te kennen, dat er voor het aan onze zorg toevertrouwde gevaar dreigen kan; de drie andere woorden daarentegen sluiten in dat dit gevaar werkelijk dreigt, zoodat 's menschen â werkdadige tusschenkomst, of die van het Opperwezen, noodig is, om het af te wenden. Bewaren is zorg dragen dat iels ongeschonden blijft, behoeden is sterker en veronderstelt een voortdurend in het oog houden der aan onze zorg toevertrouwde zaak. Beschermen en bcschullen is voor iets, dat bedreigd wordt, scherm of schut zijn, derhalve zich tusschen dit en hetgeen bedreigt plaatsen. Beveiligen laat alle middelen ter zijde en drukt alleen uit, dat men zorgt dat de toevertrouwde zaak of persoon in veiligheid komt.
Behoedzaam, zie Bedachtzaam.
Behoefte â nooddruft. Gemis van hetgeen men niet ontberen kan. Behoefte is gebrek aan hetgeen noodig is voor een bepaald doel, nooddruft gebrek aan het allernoodigste, het onontbeerlijke om te leven.
Behoeftig, zie Arm.
Behoeve (ten) â gunste (ten). Reide veronderstellen dat iets geschiedt om iemand te bevoordeelen. Het eerste drukt alleen uit, dat het ten nutte van iemand is, die het meer of minder noodig heeft; het tweede dat de bevoordeeling het uitvloeisel is van eene welwillende stemming jegens den bevoordeelde.
Behoeven â noodig hebben. Gebrek hebben aan iets, dat men
7*
!)9
BEUâBEK.
voor zijn doel niet ontberen kan. Bij behoeven staat meer het feit, dat men gebrek heeft, op den voorgrond, bij noodig hebben wordt meer gedacht aan het doel, dat men, zonder hetgeen men noodig heeft, niet bereiken kan.
Belmoren â betamen â passen â voegen. Het begrip, dat aan al deze woorden gemeen is, is dat van eene verplichting om in zekere omstandigheden op eene aangewezen wijze te handelen. Behooren duidt de reden dier verplichting niet nader aan. Betamen stelt die verplichting voor als een uitvloeisel van ons plichtbesef, als een zedelijk moeten. Passen en voegen beschouwen haar als een gevolg der omstandigheden. Men behoort te vergeven en te vergeten. Het betaamt ons de wederwaardigheden des levens mat onderwerping te dragen. Het voegt mij niet u tegen te spreken. Het is zeer ongepast iemand in de rede te vallen.
Uehoorlijk , zie Betamelijk.
Belden â wachten â toeven. Met het oog op iets toekomends op eene plaats blijven. Toeven laat het hoelang onbepaald en ziet meer op het dralen om te vertrekken; beiden, dat meer in hoogeren stijl voorkomt, en wachten drukken daarentegen uit, dat men slechts zoolang denkt te blijven, totdat een persoon gekomen, of een bericht ontvangen is, of eene gebeurtenis heeft plaats gehad. Wij wachten tot hij komt. Graaf Willem V droeg zoolang zijne moeder nog leefde den naam van verbeider. En toeft hij al, hij kent zijn tijd. Toeven heeft ook de beteekenis van doen wachten. Wachten wordt ook transitief gebruikt. U heiden wacht namelooze smart.
Bejaard, zie Afgeleefd.
Bejegenen, zie Behandelen.
Bejegenen, zie Beurt (f e.... vallen).
Bejegenen, zie Wedervaren.
Bek â mond â muil â neb â snavel â sneb â snuit.
Het orgaan, waardoor het voedsel wordt opgenomen en het geluid wordt voortgebracht. Mond heet het uitsluitend bij den mensch. Bek is de gemeenschappelijke naam, dien het bij de dieren draagt. Bij dieren met spits toeloopende bekken, dus inzonderheid bij de vogels, noemt men het neb, sneb en snavel; bij verscheurende dieren en in 't algemeen bij dieren, die een groeten bek hebben, muil. De voormuil van varkens, enz. en het voorste gedeelte van den muil des olifants heeten snuit. In minachtenden zin gebruikt men voor mond in minder gekuischte taal het woord smoel, als ook het woord snoet.
Bekend â ruchtbaar. Waarvan een aantal personen kennis dragen. Wat voor de openbaarheid bestemd was. wordt bekend; wat geheim had moeten blijven, of althans te vroeg wordt openbaar gemaakt, wordt ruchtbaar. Ruchtbaarheid onderstelt dus altijd onbescheidenheid, De Russische regeering had in Januari -1878 hare maatregelen goed genomen, opdat hare vredesvoorwaarden niet te spoedig ruchtbaar werden.
Bekendmaken, zie Aankondigen.
100
BEK.
Bekendmaken, zie Berichten.
Bekendmaking, zie Bericht.
Bekennen â belijden. Een kwaad dat men gedaan heeft aan iemand mededeelen. Belijden ziet op eene vrijwillige, bekennen op eene min of meer afgedwongene schuldbelijdenis. Men gebruikte vroeger de pijnbank om de misdadigers tol bekentenis te brengen, die niet terstond hunne schuld beleden.
Beker, zie Kelk.
Bekijken, zie Bezien.
Bekkeneel â hersenpen â kruin â schedel. Bekkeneel en hersenpan = het beenig bekleedsel der hersenen. Schedel = het bovenste gedeelte der hersenpan, dus van het geheele lichaam. Van de voetzolen tot den schedel. Kruin â het bovenste gedeelte van hot hoofd (bij uitbreiding de top van andere voorwerpen: 'een boom, een borg). Een geschoren kruin.
Beklaaglijk â beklagenswaardig â deerniswaardig. Daar deernis eene eenigszins duurzame aandoening te kennen geeft, do daad van beklagen echter alleen het gevolg kan wezen van eene voorbijgaande opwelling, duidt men door het woord deerniswaardig te gebruiken een hoo-geren trap van lijden aan dan wanneer men beklaaglijk en beklagenswaardig bezigt. Bij beklaaglijk treedt het eigenlijke begrip van klagen meer op den achtergrond, het zegt minder dan beklagenswaardig en wordt bovendien niet van personen gebezigd.
Beklagenswaardig, zie Beklaaglijk.
Beklemming, zie Buur.
Beklimmen â bestijgen â opklauteren. Een hooger gelegen punt trachten te bereiken. Bestijgen ziet alleen op het naar boven gaan en laat in het midden of er grooto moeite aan verbonden is. Een paard bestijgen, een heuvel of berg bestijgen. Beklimmen ziet meer op do moeite, die men zich bij het klimmen moet geven. De stramme generaal besteeg zijn paard niet meer, hij moest hel als 'l ivare beklimmen. Ben Montblanc beklimmen. Bij opklauteren heeft men vooral de moeilijkheden op het oog, waarover men heen moet klauteren ten einde boven te komen.
Beknopt â bondig â kort. Wat niet gerekt of vervelend is (eene rede of een geschrift). Kort zegt alleen, dat iets niet lang is; beknopt, dat men in een klein bestek het voornaamste, wat er over eene zaak te zeggen valt, bijeengebracht heeft: een heknojit relaas van iets geven; bondig dat een betoog of een gezegde kracht aan kortheid paart. Kort en bondig =::= in weinig woorden.
Bekocht (aan iets ... Kljn) â te duur (iets.. betaald hebben). De eerste uitdrukking is sterker dan de laatste. Wie iets te duur koopt j besteedt er slechis een hoogeren prijs voor dan eigenlijk noodig was;
101
BEK.
wie aan iets bekocht is, heeft zijn geld verspild aan eone zaak, die onbruikbaar is, of die slechts luttele waarde heeft.
Bekoelen, zie Afkoelen.
Bekomen â behalen â erlangen â krijgen â ontvangen â verkrijgen â verwerven. In het bezit van iets komen. Krijgen en iets deftiger ontvangen laten in het midden of men daartoe al dan niet moeite aangewend, stappen gedaan, aanleiding gegeven heeft. Men ontvangt een brief, maar men ontvangt ook antwoord. Een kind krijgt knorren, maar het krijgt ook permissie om uit te gaan. Ontvangen onderstelt altijd dat men iets krijgt, dat men aanneemt. Men is hierbij zelf actief of wordt althans zoo voorgesteld. Bij krijgen is dit niet zoo bepaald het geval. Vergeving van zonden ontvangen. Zijn zin krijgen. Slaag krijgen. Een trap krijgen. De koorts krijgen. Bekomen, behalen, erlangen, verkrijgen en verwerven daarentegen hebben altijd het bijdenkbeeld, dat man zich inspanning of moeite getroost heeft om tot het bezit te geraken ofwel, dat men er, zonder of met bewustheid, werkzaam voor geweest is. Erlangen komt bijna alleen in hoogeren stijl voor; verkrijgen is sterker dan bekomen; verwerven zegt wederom meer dan verkrijgen. Behalen wordt gezegd van het door groote krachtsinspanning verkrijgen van iets, waardoor men eer verwerft: de overwinning behalen, enz. Het wordt niet van het verkrijgen van een bepaald voorwerp gebruikt. Waar zijn deze goederen te bekomen? Door onvoorzichtigheid een ongeluk bekomen. De vrijheid erlangen. Eer en aanzien verkrijgen. Iemands goedkeuring verwerven.
Bekomen â beteren â opkomen â herstellen. Weder tot gezondheid komen. Beteren is van een slechten toestand langzaam in een goeden komen. Bekomen wordt gebezigd van een schrik, eene flauwte, enz. Herstellen ziet op het terug krijgen der verloren krachten en het weder in den vorigen staat van gezondheid komen. Opkomen is het langzaam herstellen uit eene zware ziekte, waar groot gevaar bij was. De beteekenis dezer woorden kan overigens blijken uit den volgenden zin: Sinds hij van zijne laatste flauwte hekomen is, betert de zieke van dag tot dag, zoodat er gegronde hoop bestaat, dat hij er van zal opkomen, ofschoon het nog lang duren kan, eer hij hersteld is.
Bekommerd, zie Beducht.
Bekommeren (zlclO, zie Aantrekken Czlch).
Bekoopen â betalen â boeten. De onaangename gevolgen van iets strafbaars of iets verkeerds ondergaan. Boeten onderstelt eene overtreding en beschouwt hetgeen zij na zich sleept als eene passende vergoeding. Aan bekoopen is het denkbeeld verbonden dat wie iets bekoopt vooraf eenigszins wist dat het hem op dien prijs zou kunnen te staan komen, terwijl bij betalen de onaangename gevolgen meer toevallig voorgesteld worden. Een misdrijf boeten. Eene roekeloosheid met zijn leven betalen. Een genot met den dood bekoopen.
Bekoorlyk, zie Aanminnig.
102
BEK.
Bekoren â betooveren â innemen â voor ï.lcli Innemen â winnen. Door ongemeene aantrekkelijkheid een sterken invloed oefenen. Bekoren (verleiden) drukt alleen de werking uit. Dal kan mij niet bekoren. Leid ons niet in de bekoring. In betooveren, innemen en verrukken vertoont zich ook het uitwerksel. Verrukken is eene zoo sterke bekoring oefenen, dat wij als hei ware buiten ons zelf gebracht worden; bclooveren is op onweerstaanbare wijze bekoren, als het ware door toovermacht gevangen houden. Hoe valseh toch Mastazza die betooverendc diamanten (oogen) beoordeelde, toen hij beweerde, dat zij scheel zagen! Innemen, dat op het vermogen ziet om harten te winnen, wordt alleen van personen gebruikt, en nog wel uitsluitend van hunne geestelijke aantrekkelijkheden, of van het gelaat als den spiegel der ziel. Eene innemende persoonlijkheid. Hij nam allen voor zich in, hij weet alle harten te winnen.
Bekrachtigen â bevestigen â bezegelen â staven â verzekeren. Aan een verhaal, eene verklaring, enz. meer geloofwaardigheid bijzetten. Iemand slaaft iets door het aanvoeren van bewijzen; verzekert iets door het afleggen eener gelijkluidende verklaring; bekrachtig tan bezegelt iets door er op eenigszins plechtige wijze zijn zegel of zijne goedkeuring aan te hechten. Bezegelen wordt vooral gezegd van eene bekrachtiging door daden. Zijne leer met zijn leven bezegelen.
Bekreunen (zich) zie Aantrekken (zich]).
Bekrompen, zie Eng.
Bekrompen â beperkt â bevooroortleeld â eenzijdig â partijdig. Bekrompen is in het algemeen wat niet ruim genoeg is. De bekrompene velt een scheef oordeel, omdat zijn verstand te beperkt of te weinig ontwikkelt is; de bevooroordeelde, omdat hij eigen inzichten en overeengekomen voorschriften als een onfeilbaren toetssteen beschouwt; de eenzijdige, omdat hij slechts sommige punten van beschouwing in het oog vat en de andere verwaarloost; de partijdige, omdat hij zich laat beheerschen door vooringenomenheid , belang of weerzin. Beperkt (waarbij meestal een ander woord ter bepaling gevoegd wordt) is hij, die slechts datgene wat vlak voor hem is overzien kan. Die beperkt is in zijne vermogens of in zijn oordeel overziet niet het geheele veld, daar zijne vermogens of zijn oordeel niet sterk of niet genoeg ontwikkeld zijn. In dezen zin wordt het dikwijls voor bekrompen gebruikt. Beperkt kan echter betrekkelijk zijn, want eeniger-mate is ieder beperkt door zijne vermogens; geen menschel ijk verstand toch is in staat alles te omvatten; maar in dezen zin wordt het minder gebruikt.
Bekwaam â geschikt â kundig. Wie de vereischten bezit om iets naar behooren te verrichten. Kundig ziet vooral op het bezit van theoretische kennis, geschikt op het bezit van practische vaardigheid; bekwaam is wie kunde aan vaardigheid paart. Hij is een bekwaam werkman: hij is handig en werkt goed. Hij is een kundig rechtsgeleerde beteekent: hij bezit veel rechtsgeleerde kennis; hij is een bekwaam rechtsgeleerde beteekent : hij heeft kennis en ervaring in zijn vak.
Bekwaam, zie Begaatd.
403
BEL.
Bel â klok â schel. Een hol, metalen voorwerp, dat klank geeft, wanneer de daarin bevestigde klepel tegen het metaal slaat. Eene klok is meestal grooter van omvang en heeft de gedaante van een stompen kegel, die van ondere open is. De schel is een kleiner klokvormig werktuig, waarin het geluid door een klepel veroorzaakt wordt; de hel is eigenlijk rond en klinkt door losse, daarin rammelende stukjes metaal. Een kinderhei (rammelaar) , een narrebel. Deze onderscheiding wordt echter weinig in achtgenomen. In verschilende plaatsen beslist het gebruik. De Rotterdammer b.v. spreekt altijd van bel; schel behoort daar tot den deftigen stijl. Zoo zegt men: de kat draagt een hand met belletjes en de koeien op de hergen in Zwitscherland hcbhcn harmonisch gestemde klokjes aan den hals.
Belaolien, zie uitlaclien.
Beladen â bevrachten â overladen. Met een last voorzien. Bevrachten, dat uitsluitend van schepen gebezigd wordt, is het zorgen dat een schip eene lading in krijgt. Deladen is het plaatsen van de lading op of in het voertuig. Overladen is het voorzien van eene grootere lading dan het eigenlijk vervoeren kan. Door overlading krijgt een schip overlaat. Het schip was op de uitreis niet bevracht, maar slechts met hallast beladen.
Belanden, zie Aanlanden.
Belang, zie Aanbelang.
Belang, zie Aangelegenheid.
Belangen, zie Aanbelangen.
Belangrijk â van belang â aangelegen â gewichtig. Deze woorden worden gebruikt om aan te duiden dat eene zaak van eenige be-teekenis voor iemand is of invloed heeft. Gewichtig ziet meer op hare volstrekte, belangrijk meer op hare betrekkelijke waarde. De uitvinding dei-boekdrukkunst in Europa kan ook in het oog der Chineezen eene gewichtige gebeurtenis zijn, maar belangrijk is zij moeielijk voor hen te noemen. Gewichtig noemt men datgene wat grooten invloed heeft, belangrijk meer wat groote waarde heeft in meer beperkten kring of door iets bijzonders opmerkzaamheid verdient. Een gewichtig man, een belangrijk persoon. Van belang, meest in de spreektaal in gebruik, nadert in beteekenis meer tot Aangelegen is eigenlijk iemand rakende en dus van belang voor iemand, voor zoover men veronderstellen kan, dat aangrenzende zaken op elkander invloed kunnen hebben. Zich gelegen laten liggen heeft de beteekenis dat iemand zich met de zaak, die voor hem van belang is, bezighoudt. Er ligt mij veel aangelegen. Zich aan iets gelegen laten liggen.
Belasting â cijns â tbijns â tol â schatting. Belasting heet in het algemeen het geld, dat door de inwoners van een land, gewest, enz. ten afgemeene nutte wordt opgebracht; schatting in het bijzonder de jaar-lijksche som door een vazalstaat aan zijn suzerein te betalen, of de schadevergoeding in geld door een overwonnen staat aan zijn overwinnaar te geven (oorlogsschatting); cijns, thijns het servituut eener jaarlijksche uitkeering, dat op de eene of andere bezitting ligt; tol de belasting, die men betaalt voor het recht van passage of doorvoer.
104
BEL.
Belecdlgen â beschimpen â lioonen â krenken â smaden â smalen â verguizen â verongelijken. Iemand bena-deelen door hem in zijne eer of eigenwaarde aan te tasten. Rij verongelijken kan men dit, doch behoeft men niet dit ten doel te hebben. Verongelijken heeft de ruimste beteekenis , en duidt de daad van benadeelen niet nader aan. Beleedigen zegt, dat zij bestaat in het aantasten van iemands eer, terwijl de andere woorden de wijze, waarop de beleediging plaats grijpt, nader omschrijven. Bij beschimpen staat het denkbeeld van spot, bij hoonen dat van vernedering en schande, bij smaden dat van verachting op den voorgrond, en deze verschillende denkbeelden zijn in verguizen, dat verreweg het sterkst is, vereenigd. Krenken, eigenlijk iets krank of zwak maken, duidt behalve de daad van benadeelen ook het hartzeer aan, dat zij veroorzaakt. Smalen kan men zoowel op een voorwerp als op een persoon. Het beteekent uit nijd iemand of iets als gering of nietswaardig verwerpen.
Heleefd, zie Besehaufd.
Beleenen â verpanden. Een voorwerp van waarde tot zekerheid stellen voor de teruggave eener geleende som, of voor het nakomen eener verbintenis. Bij beleenen geeft men pand, bij verpanden stelt men een pand. Men beleent effeklen, men verpandt zijn huis. In figuurlijken zin kan dus alleen verpanden gebezigd worden. Zijn woord, zijne eer, zijn leven verpanden.
Beleid â omzichtigheid â overleg. De werking van den geest vóór of gedurende het volvoeren van iets, waardoor men alle omstandigheden, die dienstbaar gemaakt kunnen worden, gebruikt en zich voor overijling of storing hoedt. Overleg ziet op het berekenen en nagaan wat de beste weg is om bij de uitvoering in te slaan; omzichtigheid op de voorzichtige afwending van alle mogelijke belemmeringen, gevaren of storingen, die bij de uitvoering kunnen ontstaan: beleid op het overleg en de omzichtigheid, waarmede men de zaak ten uitvoer brengt, en op de bekwaamheden van hem, die het werk voert.
Belemmeren â dwarsboomen â storen â stremmen â tegenhouden â versperren. De uitvoering van een handeling moeilijk maken. Belemmeren is eigenlijk lam maken en de beweegkracht verzwakken, verder den voortgang moeilijk maken; dwarsboomen is iemand bemoeilijken in den voortgang van zijn werk door hinderpalen in den weg testellen, en veronderstelt boos opzet. Storen is een oogenblik oponthoud veroorzaken. Stremmen, eigenlijk stram maken, is stilstand in de beweging brengen voor korter of langer tijd. Het is dus sterker dan belemmeren, daar dit nog eenigc beweging veronderstelt; versperren ziet op don weg, waarlangs de beweging plaats hoeft, en veronderstelt een opzettelijk of onwillekeurig afsluiten ervan. De weg was versperd door do omgevallen hoornen, zoodat de passage gestremd was; op een ander gedeelte belemmerden de takken van hoornen, naast den weg gevallen, het verkeer der rijtuigen. Hij belemmerde mijne pogingen om mijn vriend te helpen, doch ik liet mij niet storen. Tegenhouden is 'sterker dan belemmeren. liet gebruik dezer woorden blijke
105
BEL.
â verder uit den â volgenden zin. Het ongunstige weer, dat in de laatste dagen dc operatiën heiemmerde, belette de belegeraars met den noodigcn spoed tot den aanval over te gaan; toen zij eindelijk gereed waren, werden zij door een gerucht, dat de vrede gesloten was, tegengehouden, om hun voornemen terstond uit te voeren.
Belemmering â beletsel â belet â hindernis â verhindering. Hetgeen de uitvoering onzer oogmerken of plannen bemoeilijkt. Belemmering, verhindering is de daad van belemmeren of verhinderen; bij hot eerste denkt men alleen aan iets, dat het moeilijk maakt om tot het doel te komen; bij het laatste aan iets dat het noodzakelijk maakt de uitvoering van het plan op te geven; hindernis (ook verhindering en belemmering) hetgeen oponthoud teweegbrengt en bij onvoldoende kracht belet om tot het doel te komen (eene harddraverij met hindernissen); beletsel hetgeen, zoolang het bestaat, de verrichting onmogelijk maakt {een beletsel om uit te gaan). Belet ziet uitsluitend op do verhindering om iemands bezoek af te wachten. Belet vragen is dus eene verkorting voor; vragen of er ook belet is. (Zie ook Belemnieren.)
Belendend, zie Aangelegen.
Belet, zie Belemmering.
Beletten, zie Afhouden.
Beletten, zie Aankanten f/U-'O
Beletsel, zie Belemmering.
Belgen â vergrammen â verstoren â vertoornen. Het
gemoed ontstemmen, iemand boos maken of boos worden. Wie verstoord is toont dit gewoonlijk (neer door de uitdrukking van zijn gelaat dan door woorden of daden. Belgen wordt alleen in den 3en pers. enkelv. en in het verl. deelw. gebruikt, zich balgen in alle personen. In hot eerste geval schijnt het minder sterk dan in het laatste: Het beige u niet d. i. neem mij niet kwalijk, belg u daar niet over d. i. wordt er niet boos over. Het is zwakker dan vertoornen, dat eene sterke ontstemming aanduidt, welke het gevolg is van een indruk, die geheel indruischt tegen het gemoed van hem, die vertoornd wordt. Ook dieren kan men vertoornen. Vergrammen, dat alleen van menschen gezegd wordt, beteekent hetzelfde doch sterker en duidt een toorn aan die van langeren duur is.
Belijden , zie Bekennen.
Belofte â gelofte â verbintenis. Belofte is eene mondelinge of schriftelijke toezegging; gelofte eene plechtige belofte, waaraan men een zeker godsdienstig idee verbindt. I5ij verbintenis onderstelt men of weder-keerige beloften of toezegging, waaruit eene verplichting om iets te doen voortvloeit, of eene overeenkomstig de wet gegeven toezegging.
Beloonen â betalen â loonen â vergelden. Iemand iets geven of iets voor hem doen, omdat bij ons iets gegeven of iets voor ons gedaan heeft. Betalen, loonen (met loon betalen) onderstellen eene ver-
106
BELâBEM.
plichtc, heloonen, vergelden eeno â vrijwillige vergoeding. Betalen is aan iemand, van wien men iels ontvangen heeft, de waarde der zaak in geld teruggeven. Men betaalt den arbeid, niet den arbeider, deze krijgt zijn loon; honen is het geven eener geldelijke vergoeding voor den arbeid gedurende eene bepaalde tijdruimte of voor een zekere hoeveelheid werk verricht; vandaar dat men ook spreekt van dagloon, weekloon, stukloon. Loo-nen, heloonen hebben betrekking op den persoon, betalen, vergelden op het werk of de daad. Beloonen is iets geven als goedkeuring van hetgeen gedaan is; vergelden duidt meer aan, dat de vergoeding volkomen opweegt tegen den bewezen dienst. Men beloont een mindere {de onderwijzer den leerling, de vader het kind), men vergeldt ook zijns gelijke of zijn meerdere iets, (het kind den ouders). Al deze woorden worden ook gebezigd in een figuurlijken zin, soms ook met ongunstige bijbeteekenis. Bank betalen. Het gelag betalen, (ergens voor boeten). Het kwaad loont lijn meester. Ik zal hem dien hoon vergelden.
Bcloonlng â betaling â bezoldiging â loon â prijs- De
vergelding, welke voor de moeite aan den arbeid besteed gegeven wordt. Betaling wordt weinig in eigenlijken zin voor vergelding van moeite gebruikt, soms in figuurlijken zin, b.v. iemand eene contante betaling geven, n.l. een yak slaag , als straf terstond na de misdaad. Loon is de vooraf bedongen som, waarvoor iemand lichamelijken arbeid verricht; helooning eene onverplichte vergoeding voor bewezen diensten; de betaling voor geestelijken arbeid; een blijk van waardeering, hetwelk men iemand voor vlijt, goed gedrag, enz. schenkt; bezoldiging de vastgestelde vergelding van do diensten, die iemand, die eene betrekking vervult of eenig ambt bekleedt, bewijst of geacht wordt te bewijzen; prijs is eene vooraf uitgeloofde belooning (in de laatste beteekenis). Den prijs behalen.
Beloop, zie Bedrag.
Beloop â gang â loop. De wending, die eene zaak neemt, en de vermoedelijke afloop, dien zij hebben zal. Spreekt men in het bizonder van ééne zaak dan gebruikt men liefst beloop; loop en gang bezigt men ook van meer zaken : de gang der zaken, de loop der dingen; het beloop der zaait vertellen. Iets op zijn beloop laten. In do spreekwijze; 'swerelds loop ziet loop op de elkander opvolgende gebeurtenissen.
Beluisteren, zie Afliooren.
Bemantelen, zie Bedekken.
Bemerken â bespeuren â gewaar worden â merken â ontdekken â ontwaren â opmerken â waarnemen. De bewustheid van iets erlangen. Merken is uit bepaalde kenteekenen, die men ziet, tot het bewustzijn van iets komen. Bemerken en bespeuren, welke de beteekenis hebben van iels aan zijne merkteekenen of zijn nagelaten spoor onderkennen, onderstellen, dat er niet alleen een indruk ontvangen is, maar ook, dat er eenige inspanning van het verstand heeft plaats gegrepen; ontwaren daarentegen geeft enkel den indruk te kennen, dien men erlangt door gebruik te maken van zijn gezichtsvermogen. Een bedrog, dat men
107
BEM.
ontwaart, ligt meer open dan een bedrog, dat men bespeurt. Omgekeerd doorziet men dus een bedrog, dat men bespeurt, beter dan een bedrog,dat men ontwaart. Gewaar worden is liet zich bewust worden \an iets door middel zijner zintuigen en sluit het begrip, dat er moeite voor moet gedaan â¢worden om het te zien of dat het met nauwkeurigheid geschiedt, geheel uit. Ontdekken slaat op het vinden en openbaar maken eener onbekende zaak. Opmerken verbindt met het begrip bespeuren dat van met aandacht en nauwkeurigheid zien, zoodat men de verschillende kenteekenen der zaak in zich opneemt. Verder kan het ook aanduiden dat men het bemerkte om de eene of andere reden tot het voorwerp eener bijzondere oplettendheid maakt (men behoort in gezelschap zoo niet alles op te merken). Waarnemen is acht geven op de indrukken van buiten, die in ons tot bewustzijn komen, en ze van elkander onderscheiden. Waarnemen, zegt Prof. Pierson, is het erlangen van zekerheid omtrent het bloot feitelijk bestaan eener volgorde, en wel zulk een erlangen als niet geheel aan de kontrole van anderen ontsnapt. Men zegt: ik neem waar, dat ik mij gebrand heb; maar niet, ik neem waar, dat ik hoofdpijn heb. Evenzoo neemt men niet zijne gezondheid, maar wel haren vooruitgang waar; niet eene ziekte, maar wel dat zij verergert.
Bemiddelaar â scheidsman. Een persoon die een geschil beslecht. De bemiddelaar brengt de partijen tot elkander, door ze tot wederzijdsche toegefelijkheid te bewegen; de scheidsman wijst de zaak uit door te verklaren, wie gelijk en wie ongelijk heeft.
Bemiddeld , zie Gegoed.
Beminnaar â liefhebber â minnaar. Wie eene sterke genegenheid of neiging voor iets bezit. Minnaar en minnares worden bij voorkeur gebezigd in betrekking tot de genegenheid van de eene kunne tot de andere. Beminnaar en liefhebber zegt men meer ten opzichte van een voorwerp, dat eene groote aantrekkelijkheid voor ons heeft, maar met dien verstande, dat de beminnaar zijne genegenheid of neiging op een edeler, de liefhebber op een minder edel voorwerp richt. .Een beminnaar der wetenschappen. Een liefhebber van wandelen.
Beminnelijk, zie Aanminnig.
Beminnen â houden van â liefhebben â Heven â minnen. Deze woorden duiden het welgevallen vinden in eene persoon aan, dat het uitvloeisel is van overweging van het verstand of van aandoening der zinnen, of wel van beide. Minnen en lieven zijn meer dichterlijke uitdrukkingen, liefhebben duidt in den regel een andere soort van genegenheid aan dan beminnen-, terwijl bij beminnen de zinnelijke liefde verbonden is met overweging van het verstand, wordt bij liefhebben minder aan de zinnelijke liefde gedacht. Dikwijls echter duidt beminnen alleen aan het liefde koesteren voor iemand en laat in het midden welke de beweegreden is. Heb uw naasten lief als u zeiven, bemin uwe medemenschen. Wel hem, die 't vaderland meer dan zich zelf bemint, üw liefhebbende vader. Houden van is eene gemeenzame uitdrukking om te kennen te geven, dat men iemand
â 108
BEMâBEN.
gaarne ziet of iets gaarne doet of laat. Ik houd van hem, d. i. ik mag hem wel lijden. Niet van visch houden. Over gehecht zijn en verknocht zijn zie men Aankleven.
Bemoedigen, zie Aanmoedigen.
Bemoeien â afgeven (zich) â Inlaten («leh) â bezighouden (zich). Zijne werkkracht aan iets besteden. Zich bezighouden met duidt het algemeene begrip aan en laat in hot midden of ook anderen er mede aan werkzaam zijn. Zich bemoeien, zich afgeven en zich inlaten, van zaken gezegd, drukken uit dat de zaak, waarmede men zich bezig houdt, het voorwerp is van de bezigheid van anderen, dat men derhalve slechts mede gaat doen. In bemoeien ligt het denkbeeld uitgedrukt dat de zaak ons eigenlijk niet aangaat; in zich inlaten en zich afgeven dat de zaak beneden de waardigheid van den persoon of do moeite niet waard is. Van personen gebruikt wil bemoeien zeggen dat men zich, door zich met iemand bezig te houden, moeite en last op den hals haalt; zich inlaten met iemand is betrekkingen met iemand aanknoopen, die beneden ons staat, terwijl zich met iemand afgeven eigenlijk is zich met iemand op weg begeven en verder met iemand een handeling ondernemen, het aanleggen met iemand en eindelijk omgaan met iemand, die dit niet verdient.
Benaming â naam. Een woord, waarmede men een persoon of voorwerp noemt. Eene algemeen gevestigde uitdrukking waaronder iemand of iets bekend staat is de naam ervan. Benaming daarentegen heeft de bijgedachte van niet zoo vaststaande, niet zoo algemeen bekende naam. Ten opzichte van eigennamen , d. i. namen welke niet aan alle voorwerpen van dezelfde soort eigen zijn, zooals Willem, Amsterdam, de Rijn, de Denen, de Py-renaeën mag men alleen naam gebruiken. Ten aanzien der soortnamen, zooals plant, mensch, rivier, en der stofnamen, zooals water, wijn enz. is zoowel het gebruik van naam als van benaming geoorloofd.
Benauwd, zie Bedeesd.
Benauwdheid, zie Angst.
Benauwdheid, zie Bruk.
Bende, zie Aanhang.
Beneden â onder. Eene lagere ligging van iets aanduidend. Deneden drukt eene lagere ligging in het algemeen uit, terwijl onder eene lagere ligging ten aanzien van een ander voorwerp, dat er zich boven bevindt, te kennen geeft. De vloer van bet souterrain ligt beneden den beganen grond. Een onderaardsche gang ligt onder den grond (omdat de grond haar overdekt). Figuurlijk gebezigd, voor lager in rang, heeft beneden dus ook een ruimere beteekenis dan onder. In rang beneden den kolonel zegt niets anders, dan dat men een lageren rang bekleedt dan de kolonel, zonder dat men dezen tot chef behoeft te hebben; in rang onder den kolonel geeft te kennen, dat men in rang op den kolonel volgt, en dat men hem tot chef heeft. Onder de dekens. Onder zijne hoede. Hij is heneden , niet hoven. Wijk-hij-Duurstede ligt beneden Arnhem.
109
BENâBEO.
Benemen â berooven â ontnemen â ontrooven â ontkapen â ontweldigen â afhandig maken. Iets aan iemands macht of bezit ontrukken. Benonen ziet alleen op verlies van bezit; berooven, ontnemen en ontrooven onderstellen meestal, dat het bezit op den ontnemer of roever overgaat. Berooven heeft een persoon tot voorwerp., de andere werkw. eene zaak. Berooven, ontrooven, ontkapen, af kapen en ontweldigen duiden altijd een onrechtmatig ontnemen aan. Ontrooven duidt het aanwenden van meer list of geweld aan dan ontnemen. Ontkapen en af kapen geven te kennen dat het ontnemen op behendige wijze en zeer vlug geschiedt, dat het
op eene ruwe wijze plaats heeft en dat er geweld bij gepleegd wordt. Afhandig maken is iets aan iemand ontnemen op sluwe, behendige wijze, hetzij voor eigen voordeel, hetzij ten bate van anderen. Tegenwoordig wordt het alleen gebezigd aangaande kleine voorwerpen, die iemand als 't ware uit de hand of van het lijf worden genomen. Eupheraistisch wordt het gebruikt voor wegkapen of ontstelen. Iemand het leven benemen, zijn geld ontnemen; den vijand den buit ontrooven; iemand van zijn geld berooven.
Benieuwd â nieuwsgierig â weetgierig. Begeerende te weten. Nieuwsgierig heeft veelal eene ongunstige beteekenis. Het geeft de zucht te kennen om dingen te vernemen, waarmee men niet noodig heeft, of die geen belang voor ons hebben, zooals b.v. onbeteekenende voorvallen uit het dagelijksch leven. Weetgierig heeft betrekking op den dorst naar nuttige kundigheden. Benieuwd ziet op het verlangen naar bericht aangaande eene bepaalde zaak, die we of verwachten dat gebeuren zal, of van welker afloop we nog onkundig zijn. Ik ben benieuwd, of zij elkander krijgen zullen.
Benijden â misgunnen. Niet kunnen zien, dat een ander iets heeft. Men misgunt iemand iets, omdat men hem een kwaad hart toedraagt; om de zaak zelf is het hierbij minder te doen. Wie eene zaak benijdt, gunt haar daarom niet aan een ander, omdat hij haar voor zich zelf verlangt. Benijden staat echter lang niet altijd in zulk eene ongunstige opvatting, b.v. hoe benijd ik u die vastheid van geloof!
Benoemen, zie Aanstellen.
Bent, zie Bond.
Beoefenen â oefenen â uitoefenen. Beoefenen en uitoefenen verschillen in dit opzicht, dat uitoefenen ten voor of nadeele van de buitenwereld geschiedt, terwijl men in de eerste plaats voor zichzelf iets beoefent. Waar het een bedrijf of handwerk geldt, zegt men uitoefenen. Van eene kunst zegt men zoowel dat zij beoefend als uitgeoefend wordt, doch in verschillende opvatting. Men oefent de genecs/iuns' uit, wanneer men zieken daardoor tracht te genezen , men beoefent de geneesAwnrfe, wanneer men haar tot voorwerp van studie maakt. Men kan eene kunst beoefenen voor uitspanning; de man die er zijn beroep van maakt oefent ze uit. In uitdrukkingen als macht, heerschappij, straf, wraak, deugden, plichten uitoefenen is uit een overtollig toevoegsel. Oefenen en beoefenen, met betrekking tot eene of andere deugd onderstellen, dat men haar in praktijd brengt met bepaald opzet en inspanning van kracht. Oefenen is minder in gebruik
no
BEOâBEP.
en is meestal beperkt tot uitdrukkingen als geduld oefenen. In eenvoud des harten oefent menigeen de gerechtigheid; de wijsgeer behoort haar te beoefenen. Overigens is oefenen verouderd en meestal vervangen door uitoefenen en beoefenen.
Beoefenen, zie Bestudeeren.
Bepalen â vaststellen. Iets nauwkeurig opgeven, zoodat men weet waar men zich aan honden kan. Bepalen is door palen afzetten, en krijgt zoo verder de beteekenis van nauwkeurig opgeven of aanwijzen, vaststellen aan iets wankelends stevigheid geven, derhalve maken dat iets vast staat, zeker en boven allen twijfel verheven is, zoodat men weet waar men zich aan houden moet. Een dag bepalen is dus juister dan oen dag vaststellen, evenals den prijs vaststellen juister is dan den prijs bepalen; want in het eerste geval perkt men als het ware uit al de komende dagen één dag af, in het laatste geeft men aan den prijs, die iets onzekers en dobberends heeft, vastigheid. Op het bepaalde uur vergaderde de commissie om het programma der feestelijkheden vast te stellen. Een ster kundige bepaalt den duur van de aswenteling eener nieuw ontdekte planeet; hier o. a. kan men vaststellen niet gebruiken.
Bepeinzen, zie Benken.
Bepeinzen â overdenken â overpeinzen. Alle drie duiden het denken over eene zaak aan. Daar peinzen de beteekenis heeft van overwegen en geheel in gedachten verzonken te zijn, duiden overpeinzen en bepeinzen eene sterkere inspanning van het denkvermogen aan dan overdenken. Gods wet bepeinzen.
Beperkt, zie Bekrompen.
Bepraten â ompraten. Bepraten = iemand door praten ergens toe overhalen . bewegen ; ompraten = hem door praten van gevoelen of partij doen veranderen. Ben ik in staat een eerwaardigen man als den abt om te pralen?
Beproeving â bezoeking â onheil â ongeluk â ongeval â ramp â tegenspoed â wederwaardigheid, liet kwaad, dat ons op onzen levensweg treft. Ongeluk is het tegenovergestelde van geluk; onheil is eigenlijk het tegenovergestelde van heil, doch staat thans als collectief begrip voor zware rampen, het is sterker dan ongeluk. Onheil afwenden , ongeluk spellen tegenover heil aanbrengen, geluk wenschen. Ongeval is een bizonder geval van ongelukkigen aard, doch is niet zoo sterk als onheil of ramp. Onheil wordt soms gebezigd voor een samenloop van ongelukken, gelijk ongeval voor eene reeks van ongevallen. Tegenspoed is het tegenovergestelde van voorspoed, dat de beteekenis heeft van vooruitgang in eene onderneming en van welslagen. Wederwaardigheden zijn rampspoedige ontmoetingen. Groote ongevallen noemt men rampen. Beproeving heeft het bijbegrip, dat de tegenspoed dienen moet tot het op de proef stellen van onze deugd of standvastigheid, bezoeking , dat hij ons wordt toegezonden tot straf voor onze zonden.
Ill
BEPâBER.
Beproeven â proef (de.....) nemen â onderzoeken. Eene
poging aanwenden om tot eene nauwkeurige kennis van iets te geraken. Verkeert men geheel in het onzekere omtrent de uitkomst zijner nasporingen, dan onderzoekt men; meent men daarentegen eene bepaalde uitkomst te mogen verwachten, dan neemt men de proef. De waarnemingen der natuurkundigen moeten, om tot den rang van wetenschappelijke waarheden verheven te worden, door proefnemingen worden bevestigd. Beproeven is, naar zijne oorspronkelijke beteekenis, onderzoeken of iets goed is, iets aan eene proef onderwerpen. Als de Apostel Paulus volgens de statenoverzetting zegt; beproeft alle dingen, dan geeft hij ons niet den raad om van alles, ook van het kwade, de proef te nemen, maar om alles, zoowel ons eigen gedrag als dat van anderen te toetsen aan de beginselen van waarheid en recht. Dat dit oudtijds werkelijk de beteekenis van beproeven was, blijkt zonneklaar uit het andere bijbelwoord: Beproeft de harten of zij uit God zijn. Gaandeweg is de zin van beproeven echter beperkt tot dien van het onderwerpen eener zaak aan eene proef en wel aan die van het wagen van eene poging om te zien in de eerste plaats of men eene zaak kan uitvoeren en vervolgens of er mogelijkheid bestaat om haar uit te voeren. Ik wil hel wel eens beproeven.
Beraad, zie Bedenking.
Beraadslagen â te rade gaan â raadplegen. Eene zaak tot het voorwerp eener ernstige overdenking maken. Beraadslagen onderstelt, dat de zaak belangrijk is, en dat er tusschen verscheidene personen over en weer over gesproken wordt, men kan het dus omschrijven door: met elkander ernstig overdenken en overleggen. Te rade gaan bij is iemand om raad vragen, van wien men goeden raad verwacht, derhalve raad vragen met het bepaalde plan om diensvolgens te handelen, te rade gaan melt; wordt verder gezegd van het handelen na ernstige beschouwing der omstandigheden. Te rade gaan bij een advocaat. Met zijne beurs te rade gaan. Raadplegen ziet meer op het vragen en eenvoudig aanhooren van den raad van een persoon, in wiens kunde en doorzicht men vertrouwen stelt. Een advocaat, een geneesheer raadplegen. De Staten-Generaal beraadslagen over de Grondwet.
Beraden (zich) â bedenken (zich) â overwegen. Nadenken over iets. Zich beraden onderstelt dat men eenigen tijd noodig heeft, alvorens den uitslag van zijn denken uit te kunnen spreken. Overwegen ziet op het zorgvuldig overdenken of wegen als het ware der verschillende argumenten, die voor of tegen kunnen aangevoerd worden; het is dus hetzelfde als eene zaak van alle kanten bekijken. Bedenken is het zwakst en drukt alleen uit dat men er zijne gedachten over laaf gaan. Hij had vijf dagen noodig om zich te heraden, of hij in de voorwaarden zon treden. Na alles goed overwogen te hebben, stemde hij toe. Alles goed bedacht, zal ik uw zin doen.
Beraden, zie Bedachtzaam.
Bereid, zie Ctereed.
m
BER.
Bereidwillig, zie Kaarne.
Bereids â reeds â aireede â al. Adverbia, die eigenlijk aanduiden dat iels gereed is. Reeds is het gewone woord. Alrecda is ouderwetsch, eigenlijk is het eene versterking van reeds door al, dat ook op zich zelf vooral in de spreektaal in dezen zin gebezigd wordt. Het geeft vooral aan dat hetgeen men wachtende was op het gegeven oogenblik verwezenlijkt is. Bereids is deftiger dan reeds.
Berekenen â oprekenen â uilrekenen. Berekenen â begrooten, nagaan hoeveel iets bedragen kan; oprekenen = eenige posten eener berekening te zamen voegen; uitrekenen ~ eene berekening maken met het doel eene zekere uitkomst te bekomen. Het gebruik dezer woorden blijkt â voorts uit den volgenden zin: Ik meende de kosten zoo nauwkeurig mogelijk berekend te hebben, maar nu ik de uitgaven opreken, blijkt het dat ik mij deerlijk misrekend heb, want ik kan het niet anders uitrekenen, of ik kom eene aanzienlijke som op mijne begroeting te kort.
Berennen, zie Insluiten.
Berg â berggroep â bergkam â bergketen â duin â gebergte â hoogte â hoogvlakte â heuvel. Eene verhevenheid boven de oppervlakte der aarde. Eene zeer kleine verhevenheid noemt men hoogte, eene kleine verhevenheid heuvel, eene groole verhevenheid (meer dan 300 M. boven den zeespiegel) berg. Hoogte werd vroeger gezegd van verhevenheid van iedere afmeting. Offeren op de hoogten. Eene verzameling van bergen heet een gebergte. Een aaneengeschakelde rij van bergen heet bergketen. De lijn, welke de toppen eener bergketen vereenigt, heet de bergkam. quot;Vertoont een gebergte geen bepaalden kam dan spreekt men van een berggroep. Duinen zijn de zandheuvels langs het strand, die de natuurlijke zeewering vormen. Hoogvlakten liggen minstens 300 M. boven den zeespiegel.
Bergen â bewnren â wegsluiten. Bergen, dat de beteekenis heeft van iets op eene veilige plaats brengen, duidt meer aan, dat men iets behoedt voor oogenblikkelijk dreigend gevaar. Het lijf bergen. De zeilen bergen. Bewaren (iets beveiligen door het in het oog te houden, er zorg voor te dragen) is de veiligheid van iets duurzaam verzekeren, zorgen dat het niet verloren ga, vervreemd worde of wegrake, 't Vergadren viel hem zwaar, nog zwaarder viel 't bewaren. Wegsluiten zegt, dat men het toevertrouwde, tot groote zekerheid, eene plaats achter slot geeft, waar het geheel buiten het bereik van anderen is.
Berggroep, zie Berg.
Bergkam, zie Berg.
Bergketen, zie Berg.
Bericht â bekendmaking â mare â melding â medc-deellng â narleht â tijding. Wat tot iemands kennis gebracht wordt. Kennisgeving en mededeeling sluiten niet noodzakelijk in, dat de mededeeling met eenige belangstelling ontvangen wordt, bericht en tijding
SYNONIEMEN. 8
113
BER.
wel. Bericht is het verslag van de gebeurtenis, tijding alleen de mede-deeling van liet feit. Kennisgeving en bekendmaking zijn mededeelingen, die een oenigszins officieel karakter dragen. Tijding wordt van meer be-langrijke zaken gebezigd dan bericht. Naricht heeft veelal de beteekenis van een bericht tot inlichting of waarschuwing. Mare is het bericht van eene groote en belangrijke gebeurtenis. Bericht, tijding, mare zijn niet noodwendig tot een bepaald persoon gericht, bij de andere is dit wel het geval. De mare van Napoleons val was spoedig tot Nederland doorgedrongen. Toen do tijding van den ongelukkigen slag bij Sedan te Parijs aankwam, geraakten de gemoederen in beweging; zekere berichten lieten zich echter nog wachten. Wie plichtverzuim ontdekt bij zijne soldaten, make hiervan terstond melding hij zijn superieur. Ik zal u kennisgeving van den tijd en de plaats der vergadering zenden. Wij ontvingen de mede-deeling dat onze vriend gestorven is. Dit diene tot ons naricht.
Bcrlchtcn, zie Aankondigen.
Berichten â te kennen geven â kennisgeven â mede-deelen â melden â verhalen â verwittigen. Iemand in kennis stellen van een feit. Iemand te kennen geven dat iets geschied is laat in het midden of dit door woorden of teekens geschiedt. Iemand ervan kennisgeven is alleen tot zijne kennis brengen, dat het feit volbracht is, zonder moer in bijzonderheden te treden. Dit is ook het geval met wruiito/en; het veronderstelt echter dat de persoon, ter wiens kennis iets gebracht wordt en voor wien het van belang is het te weten, onbekend met het feit is. In berichten, mededeelen en melden ligt meer het denkbeeld van het geheele verloop der handeling tot iemands kennis te brengen, terwijl men bij verhalen nog meer in bijzonderheden treedt.
Berispen, zie Bedillen.
Beroemd, zie Befaamd.
Beroep, zie Ambacht.
Beroepen, zie Bijeenroepen.
Beroep â roeping. Beroep is de werkzaamheid van den mensch, waardoor hij in zijn levensonderhoud voorziet, lloeping is het werk, waartoe de mensch door aanleg en neiging als het ware geroepen wordt. Hij
was verwer van beroep, doch had hij zijne roeping gevolgd, dan was er wellicht een kanselredenaar uit hem gegroeid. Be werktuigkundige toont dat zijn beroep ook zijne roeping is.
Beroepen, zie Aanstellen.
Beroeringen, zie Beroerten.
Beroerten â beroeringen â muiterij â onlusten â oploop-oproer â opstand â standje. Verstoring der orde. Standje is een straattwist, waarbij het publiek geen andere rol dan die van toeschouwer vervult om zich te vermaken. Bij oploop ligt aan het samenstroomen der menigte eene onrustige en oproerige beweging der gemoederen ten grondslag.
BERâBES.
Slaat deze beweging tot gewelddadigheid over, dan ontstaat er oproer. Een verzet van soldaten tegen hunne olllcieren, maar ook weerspannigheid tegen de gestelde machten in het algemeen is muiterij. Is de muiterij niet van voorbijgaanden aard en breidt zij zich uit, dan wordt zij een opstand. Onlusten, beroeringen en beroerten (beide laatstgenoemde woorden tegenwoordig minder in gebruik) zijn langdurige burgertwisten. Be ISederlandsche beroerten in de zestiende eeuw.
Berokkenen â brouwen â verwekken â teweegbrengen â veroorzaken. Iets bewerken of doen plaats grijpen. Veroorzaken, verwekken en teweegbrengen worden zoowel in een goeden als in een slechten zin gebezigd. Iemand vreugde of droefheid veroorzaken. Eene verzoening of eene verwijdering teweegbrengen. Iemand onaangenaamheden of blijdschap verwekken. Veroorzaken en verwekken onderstellen, dat de werking snel, teweegbrengen dat zij langzamer plaats heeft. Een onvoorzichtig weggeworpen lucifer veroorzaakt of verwekt brand; broeiend hooi kan brand teweegbrengen. Berokkenen en brouwen, dat altijd een opzet om iets te doen veronderstelt, hebben steeds de beteekenis van het teweegbrengen van iets kwaads. Brouwen duidt daarenboven nog aan, dat de bewerker zich van list en bedrog of slim overleg heeft bediend, om tot zijn doel te geraken. Dat schroomt ijk land- en waterdier Heeft heel wat onheils mij gebrouwen.
Berooven, zie Benemen.
Berouw â hoetvaardigheid â leedwezen â spijt â wroeging. Het pijnlijke gevoel, dat zich van ons meester maakt bij het besef, dat wij verkeerd gehandeld hebben. Spijt is de zwakste uiting daarvan; men kan die ook gevoelen over volkomen onschuldige handelingen. Van achteren spijt het mij tuch, dat ik niet naar het concert gegaan ben. Leedwezen onderstelt eene daad, waardoor we ons zelf of anderen werkelijk benadeeld hebben, en die we om die reden ongedaan wenschen te kunnen maken. Diep en aanhoudend leedwezen over onze misslagen of misstappen noemt men beromv. En wat is do vernieuwing van een hart, dat zijn genot zocht buiten de liefde en de zelfverloochening, anders dan berouw? Berouw wordt boetvaardigheid, wanneer het vergezeld gaat van de bereidwilligheid om de straf te ondergaan, die ons tot verzoening onzer overtreding en tot onze verbetering wordt opgelegd. De boetvaardige zondares. Wroeging is het knagend zelfverwijt van den misdadiger, die te verhard is om zich te bekeeren, maar toch de stem van zijn geweten niet kan onderdrukken. Gelijk berouw tot boetvaardigheid leidt, leidt wroeging tot wanhoop.
Berucht, zie Beraamd.
Beschaafd â beleefd â galant â liollelijk â hoofsch â hcusch â wellevend â welgeinaiilcrd. In ruimeren zin staat beschaafd tegenover wild, wat nog in den natuurstaat verkeert; in engeren zin duidt het zoowel de algemeene kennis als de goede manieren aan, die wij aan de opvoeding te danken hebben. Wellevend en nog sterker welgemanierd en hojfelijk â het laatste de hoogste trap van wellevendheid, de
8'
BES.
hoofsche wollevendheid â zien uitsluitend op het bezit van goede manieren. Hoofsch is eigenlijk wat aan het hof past, vandaar het bezit van fijne vormen en voorkomendheid aanduidend, doch met de bijgedachte van stijfheid. Heusch, uit hövesch ontstaan, was oorspronkelijk hetzelfde, doch is later alleen gebruikt van de vriendelijkheid en welwillendheid, die ook aan hoofschheid eigen waren. uDc glimlach van haar oogen, de heuschheid van haar mond.quot; Beleefd, hetwelk enkel te kennen geeft, dat men de welvoegelijkheid in acht neemt en iemand de verschuldigde eer niet onthoudt, onderstelt zelfs niet eens het bezit van goede manieren, want men kan zeer goed iemand eerbiedig bejegenen, zonder daarbij juist de voorschriften der etiquette in acht te nemen. Eene boerin, die voor iemand van aanzien eene boersche dienaresse maakt, is beleefd. Galant is eene eigenschap van iemand die' bijzonder beleefd tegenover dames is.
Beschamen â teleurstellen. Maken dat eene verwachting niet vervuld wordt. BescJiamcn is sterker dan teleurstellen en ziet op het berokkenen eener grievende teleurstelling. Iemand, die zich in groote verlegenheid bevindt, en redding verwacht van één persoon, op wien hij zeker meent te mogen rekenen, zegt b.v. tegen dien persoon: Beschaam mijne hoop niet!
Bescliaving, zie Verlichting.
Bescheiden â ontbieden. Iemand bevel geven om te verschijnen. In hescheiden ligt het bijdenkbeeld, dat dag en uur uitdrukkelijk zijn aangewezen. Men zegt ook tijd en plaats bescheiden.
Bescheiden â ingetogen â zedig. Wiens gedrag zich door betamelijkheid en terughouding kenmerkt. Ingetogen is hij, die zijne driften weet te beheerschen en zich voor buitensporigheden hoedt: eene ingetogen levenswijze; hescheiden is hij, die geen hooge gedachten van zich zelf koestert, naar lof noch eer streeft, met een eenvoudig maar gul onthaal tevreden is, geen buitensporige winsten najaagt. Bescheiden nadert dus sterk tot de be-teekenis van nederig. Volgens mijne bescheiden meening wil zeggen, dat men zijne meening gaarne wil laten varen voor eene betere. Zedig ziet eigenlijk alleen op het uiterlijk betoon van bescheidenheid, ingetogenheid en nederigheid, en drukt dus een ander begrip uit dan zedelijk, hetwelk het bezit van zedelijke beginselen aanduidt.
Beschermen, zie Behoeden.
Bescherming â hoede. Beveiliging voorgevaar. .Hoede is beveiliging voor gevaar in 't algemeen; bescherming is meer beveiliging voor gevaar dat werkelijk dreigt. God neme u onder zijne hoede! Toen de jonge, bandclooze Alcibiades in het gymnasium een mededinger met den discus doodelijk gewond had, vluchtte hij tot den daar aanwezigen Socrates om bescherming.
Ileschijnen, zie Bestralen.
Beschimpen, zie Beieedigcn.
Beschonken â dronken. Beschonken is in den mond der beschaafden een euphemisme voor dronken, gelijk de volkstaal er het platte bezopen
BES.
voor in de plaats stelt. Figuurlijk wordt alleen dronken gebezigd. Dronken van wedde.
Beschouwen, zie Aanblikken.
Beschouwen, zie Bezien.
Beschrijven, zie Afmalen.
Beschroomd, zie Bedeesd.
Beschuldigen, zie Aanklagen.
Beschutten, zie Behoeden.
Beseffen, zie Begrijpen.
Beslaan â beademen â bewasemen. Beslaan is verschieten door damp in het algemeen; beademen doen verschieten door adem; hewa-semen doen verschieten door waterdamp.
Beslag â deeg. Meel dat door bijvoeging van water in den toestand gebracht is om gebakken te kunnen worden. Beslag is dun en vloeibaar, deeg dik en stijf.
Beslechten, zie Afdoen.
Beslissen, zie Aldocn.
Besluit â einde â slot â afloop. Het laatste gedeelte eener zaak of handeling. Einde is het allerlaatste gedeelte van iets iu het algemeen, slot het einde van een afgewerkt geheel. Men zegt dus het slot van een brief, maar het einde van eene bladzijde. Van een boek gebruikt men zoowel einde als slot. Eigenlijk eindigt het boek op de laatste bladzijde, en vormt de laatste volzin het slot. Besluit is de daad van besluiten, van eindigen. Men kan dus wel van het besluit eener redevoering spreken, omdat men zich dan den spreker als het ware nog sprekend voorstelt. Daar slot altijd het bijbegrip van voltooiing heeft, kan men b. v. niet zeggen het slot van het leven, van eene reis, van een wandeling. Afloop is wel synoniem met einde doch minder met de beide andere. Het wordt gebruikt voor het einde eener handeling of van hetgeen als zoodanig gedacht wordt. De allooji van het proces, van eene ziekte, enz. Na afloop der vergadering, van de voorstelling. In dergelijke uitdrukking is het gebruikelijker dan einde; altijd echter na het einde en niet na den afloop der preek.
Besluit â voornemen. De wilsuiting om iets ten uitvoer te brengen. Men kan den wil om iets te doen beschouwen in betrekking tot de drijf-veeren, die hem deden ontstaan en in betrekking tot hetgeen het voorwerp van het willen is. In het eerste geval spreekt men van een besluit, in hel laatste geval van een voornemen-
Besluiten, zie Afleiden.
Besmettelijk, zie Aanstekelijk.
Besparen â uitsparen â uitwinnen. Bes/jaren en uitsparen zijn in zoover van uitwinnen te onderscheiden, dat de eerste hel ter zijde
417
BES.
leggen of niet aanwenden aanduiden, terwijl uitwinnen meer het zicli besparen van grooter moeite of meer geld te kennen geeft door zich terstond eene geringere moeite of uitgave te getroosten. Terwijl besparen meer ziet op het niet aanwenden van iets, heeft men bij uitsparen meer het oog op het behouden van het uitgespaarde voor mogelijk later gebruik. Uit de beteekenis van onnoodig maken hebben zich verder ontwikkeld die van noodeloos maken en achterwege laten blijven. Ik zal u die kosten en moeite besparen. Men kan zich zelf of een ander geld hesparen, doen uitwinnen, ook een arbeid besparen, in welk geval besparen beteekent de inspanning, welke die arbeid zou vereischen, onnoodig maken. Door wekelijks eene kleinigheid af te zonderen heeft hij een aardig sommetje bespaard. Ik zal u de moeite van het heen en weer loopen besparen door dit lijstje, dat u den weg wijst, dien gij te volgen hebt; dat zal u minstens een paar uur uitsparen en zoo zult ge dus nog heden avond weder huiswaarts kunnen keeren. Hij heeft van die waren terstond een grooter inslag gedaan en daardoor veel uitgewonnen. Ik zal, nu hij in de stad is, hem terstond gaan opzoeken, dat wint mij eene reis uit. Vgl. sparen.
Bespeuren, zie Bemerken.
Bespoedigen â overhaasten â verhaasten. Meer voortgang aan iets geven. Bij bespoedigen wordt gedacht aan verhooging van de snelheid van voortgang eener handeling, zonder echter de kans op goeden uitslag te verminderen. Bij overhaasten is dit laatste wel het geval. Daar haast het bijbegrip van overijling heeft, wordt overhaasten meestal in een kwaden zin gebruikt. Verhaasten staat in beteekenis ongeveer met bespoedigen gelijk, maar is sterker. Dit verhaastte des dwing elands val. Verhaast u maar niet; haastige spoed is zelden goed.
Bespottelijk, zie Belacheiyk.
Besprenkelen â besproeien. Eene zelfstandigheid in lijne deeltjes op iets strooien. Besjircnkelen wordt zoowel van eene vaste als van eene vloeibare zelfstandigheid gebruikt. Het vleesch met zout, met pekel besprenkelen; besproeien alleen van eene vloeistof, in dichte droppels neervallend. Bij besproeien denkt men meer aan regelmatige uitstrooiing van vocht, besprenkelen is minder gelijkmatig en niet in zoo groote hoeveelheid vocht op iets strooien. Do regen besproeit het aardrijk. liet ivaschgocd wordt besprenkeld.
Bespringen overvallen. Beide woorden zijn uitdrukkingen, die het snelle en onverwachte van een aanval te kennen geven. Overvallen zegt alleen, dat men zich plotseling op iemand werpt, bespringen daarenboven, dat dit met een sprong geschiedt op de wijze van een wild dier. Overvallen wordt ook figuurlijk gebruikt. Iemand met eene vraag overvallen.
Besproeien, zie Besprenkelen.
Bestaan, zie Aanwezen.
Bestaan, zie Broodwinning.
Bestand â wapenschorsing â wapenstilstand. Staking der Vijandelijkheden gedurende zekeren tijd. Eene wapenschorsing heeft den
il8
BES.
kortsten duur. Zij wordt dikwijls slechts voor enkele uren gesloten om de gewonden te vervoeren en de dooden te begraven. Een wapenstilstand loopt over eene langere tijdruimte, en dient gewoonlijk tot liet aanknoopen van onderhandelingen over den vrede. Bestand eindelijk noemt men een vrede voor een bepaalden tijd, z. a. hol twaalfjarig bestand.
Besteden, zie Aanwenden.
Bestek â ontwerp â plan noemt men de uitdrukking der denkbeelden, waarnaar een werk, inzonderheid een bouwkundig werk, moet worden uitgevoerd. Do eerste aanleg heet ontwerp; de teekening heet het plan. Bestek noemt men het definitieve ontwerp, waarnaar do aanbesteding plaats heeft, het breedvoerig ontwerp met de beschrijving der uit te voeren werken en soort van materialen alsmede van de berekening der kosten.
Bestellen â bezorgen â overhandigen. Zorgen dat iets de plaats zijner bestemming bereike. Bezorgen is de ruimste uitdrukking; het laat de wijze der overbrenging geheel onbepaald en geeft slechts te kennen, dat men zorg draagt dat het toevertrouwde goed overkomt. Bestellen is iets ter bepaaider plaatse brengen en duidt verder ook aan dat de bezorging geschiedt door bepaaldelijk daartoe aangewezen personen en tegen geldelijke schadeloosstelling; brieven, pakjes bestellen; overhandigen sluit in 'dat men de goederen aan den persoon, voor wien zij bestemd zijn, zelf overgeeft.
Bestendig, zie Aanhoudend.
Bestendig â duurzaam â on ver an derii jk â onverzette» lijk â onwanhelhaar â onwrikbaar â standvastig â vast.
Wat blijft zooals het is. Bestendig is hetgeen op dezelfde wijze blijft voortbestaan, wat dus niet gedurig verandert; duurzaam wat uit zijn aard niet ophoudt; onveranderlijk wat ook door oorzaken van buiten niet veranderd worden kan. Het weder kan bestendig zijn, een vrede kan duurzaam wezen. God is onveranderlijk. Hij bezit weinig bestendigheid be-teekent: hij mist het vermogen om met het aangevangene voort te gaan, of bij zijne zaken te blijven. Vast is wat een sterke samenhang heelt en dus weinig aan gevaar van verandering bloot staat. Eegt;i vast lichaam. 1'iguur-lijk: eene vaste gezondheid, een vast karakter. Vastheid van karakter leidt tot standvastigheid, maar zij ontaardt in onverzettelijkheid, wanneer men aan zijne beginselen en meeningen blijft vasthouden tegen beter weten in. Onwrikbaar, onwankelbaar en onverzettelijk worden meestal overdrachtelijk gebezigd. Onwrikbaar duidt aan dat iets door geene kracht van buiten kan bewogen of verzet worden. Het is sterker dan onverzettelijk. Dit veronderstelt slechts dat het niet van plaats kan veranderen, terwijl omurikhaar te kennen geeft dat iets zelfs niet door wrikken kan bewogen worden. Onwankelbaar ziet op vastheid van inhoud en goeden grondslag, waaruit de eigenschap ontstaat dat iets door schokken niet in schommelende beweging kan gebracht worden. In figuurlijken zin duiden deze woorden aan dat iets niet gevoelig is voor pogingen van buiten, die verandering beoogen. Een onwankelbaar geloof is een geloof, dat met geen innerlijke zwakheid heeft te worstelen. Een onverzettelijk geloof duidt een geloof aan, dat bestand is tegen
419
BESâBET.
aanvallen van buiten. Een geloof, dat zoowel onwankelbaar als onverzettelijk is, noemt men onwrikbaar.
Besti||gen, zie Beklimmen.
Bestralen â besoliijnen. !3eide geven het uitgaan van licht van een lichaam naar een ander te kennen. Bij het eerste woord veronderstelt men dat er stralen uitgaan van het lichaam. Bestralen is dus stralende beschijnen, beschijnen met eigen licht. Beschijnen laat dit in het midden en geeft alleen te kennen dat er schijnsel uitgaat van het eene lichaam, hetzij dit uit het lichaam zelf voorkomt, hetzij het ontleend licht is. Men zegt daarom van de maan, dat zij de aarde beschijnt, niet dat zij haar bestraalt. Dit is ook de reden, waarom figuurlijk altijd bestralen gebezigd wordt. Met 's hemels gunst bestraald.
Bestralen â plaveien. Een weg hard maken door hem met steenen te beleggen. Bestraten geschiedt met op den kant gelegde, plaveien met vlak gelegde steenen.
Bestudeeren â beoefenen. Bestudeoren ziet op het vergaren van theoretische of practische kennis, beoefenen is het inspannen der krachten om iets aan te leeren of in praktijk te brengen. Men bestudeert de leerstellige godgeleerdheid, maar men kan de practische godgeleerdheid ook beoefenen. De wetenschappen kan men bcstudeeron en beoefenen. Zeden en gewoonten bestudeert men.
Besturen, zie Beheersclicn.
Bestuur, zie Beheer.
Betalen, zie Beioonen.
Betalen â voldoen. Een schuld vereffenen. Voldoen ziet op het te niet doen gaan der schuldvordering. Eene gemaakte schuld voldoet men door ie bewijzen, d. i. door de som die geeischt wordt te geven aan den schuldeischer. Heeft de delging der schuld als het ware op hetzelfde oogen-blik plaats, dat zij gemaakt is, dan bezigt men betalen. Men betaalt in een winkel wat men er koopt. Verloopt er echter tusschen het maken der schuld en hare afdoening eenige tijd, dan is voldoen de juiste uitdrukking. Men voldoet eene rekening door de som te betalen, die men schuldig is, en de rekening wordt ten bewijze daarvan voor voldaan geteekend.
Betalen, zie Aflossen.
Betalen, zie Bekoopen.
Betaling, zie Belooning.
Betamelijk â behoorlijk â gepast â passendâvoegzaamâ welvoeglijk. Wat in overeenstemming is met ons gevoel van plicht, waarheid en zedelijkheid, ten opzichte van personen, zaken of omstandigheden, Betatnclijk beschouwt het noodzakelijke dezer overeenstemming als voornamelijk uit ons plichtbesef voortkomend; Een betamelijke houding; een betamelijk gedrag. Behoorlijk ziet zoowel op overeenstemming met gevoel van plicht als van zedelijkheid; het is dus algemeener dan betamelijk. Hij
120
BET.
kan zich nooit behoorlijk gedragen zegt men zoowel van iemand die zijn plicht niet doet, als van iemand, dio zich in gezelschap niet fatsoenlijk weet te gedragen. Vocgiaam en welvocgelijk zien beide op de overeenstemming met de zeden. Gepast en passend is datgene wat op zijn pas is, wat in overeenstemming is met de omstandigheden en gelegenheden en de juiste maat heeft. Eene gepaste toespraak te houden is dikwijls moeilijk. Eene gepaste houding. Passende redenen.
Betamen, zie Bclioorcn.
Betasten, zie Aanraken.
Beteekenen, zie Beduiden.
Beteekenen, zie Aanduiden.
Bcteekenis â /.In Het door een woord of teeken uitgedrukte begrip. Eigenlijk ziet beteekenis meer op de verklaring van het gebruikte teeken, zin op het er aan verbonden begrip, doch in het gebruik wordt er weinig onderscheid tusschen beide woorden gemaakt. Indien men een onderscheid tusschen beteekenis en zin wil aannemen, dan kan men zeggen, dat beteekenis ziet op het begrip, dal hot woord volgens zijne afleiding uitdrukt, zin op het begrip, dat liet gebruik er in legt. Door eene aanhoudende verkeerde toepassing kan zelfs de beteekenis van een woord ten slotte gewijzigd worden. Dit is onder andere het geval geweest mot het woord berucht, dat eigenlijk iets als algemeen bekend aanduidt, en nog bij de Groot en Vondel in eene goede opvatting, in die van vermaard voorkomt. Ook bij andere zaken dan bij een woord kan van beteekenis en zin gesproken worden. Vraagt men naar de beteekenis van een volzin, dan moet de inhoud met andere woorden juist teruggegeven worden; vraagt men naar den zin ervan, dan veronderstelt men dat er een verholen gedachte in schuilt.
Beteren, zie Bekomen.
Beteugelen, zie Belicerselieii.
Beteugelen, zie Matigen.
Beteuterd, zie Bedeesd.
Iletlchten, zie Aantijgen.
Betoog â vertoog. Uiteenzetting der gronden, waarop eene overtuiging rust. Vertoog onderstelt altijd, dat het in eene eenigszins uitvoerige rede of schriftelijk geschiedt, terwijl betoog de uiteenzetting der gronden is, waarop een bewijs berust, dat dienen moet om iemand iets te betoogen. Men kan al sprekende met iemand iets betoogen, maar zoolang men een vertoog houdt, heeft men alleen het woord.
Betoogen â bewijxen. Eene zaak voor anderen tot klaarheid en zekerheid brengen. Bewijzen is sterker dan betoogen. Het laatste is zijne zienswijze geleidelijk ontwikkelen, en door klemmende redenen aan te voeren, maken dat de hoorder zich onwillekeurig gewonnen geeft. Bewijzen is door feiten of redeneeringen, die geen mogelijkheid tot tegenspraak laten, aan-toonen dat eene zaak zóó eu niet anders is of kan zijn.
121
BET.
Betoomen, zie Bchcerschcn.
Bctooncn â betuigen â bewijzen. Iemand ergens de verzekering van geven. Men betuigt iemand zijne vriendscliap door woorden; men beloont hem zijne vriendschap door eene voorkomende behandeling; men bewijst hem zijne vriendschai) door zich moeite ofopoffering voor hem te getroosten.
Betooveren, zie Bekoren.
Betrachten â doen â kwijten (/.leb). Zijn plicht volbrengen. Doen is de ruimste nitdrnkking, en kan ook van redelooze wezens gebezigd worden. Van een jachthond, een aap, een paard kan men zeggen, dat zij hun werk goed doen, wanneer zij de diensten, waartoe zij zijn afgericht, stipt verrichten. Betrachten, hetwelk oudtijds de beteekenis had van beschouwen, overwegen, duidt eene zelfbewuste plichtsvolbrenging aan, en is dus slechts op redelijke wezens toepasselijk. Hetzelfde verschil bestaat tusschen doen en zieh kwijten. Laatstgenoemde uitdrukking, die zich losmaken, zich ontdoen beteekent, kan natuurlijk ook alleen van hem gebezigd worden, die beseft, dat de eene of andere verplichting op hem rust. Tusschen betrachten en zich kivijten van bestaat dit verschil, dat hot eerste een voortdurend, het laatste een oogenblikkelijk vervullen van plicht te kennen geeft. Zich van eene opdracht kwijten. Zijn plicht steeds betrachten.
Betrappen â verrassen â vangen â vatten. Iemand die iets kwaads gedaan heeft in zijne macht krijgen. Betrappen is eigenlijk in de trappe of val laten loopen en duidt dus een op listige wijze bemachtigen aan op het oogenblik dat de daad gepleegd wordt. Verrassen geeft te kennen dat men den kwaaddoener te vlug geweest is, zoodat hij niet heeft kunnen ontkomen. Vangen geeft te kennen, dat bij het grijpen eenige poging om te ontkomen heeft plaats gehad, terwijl vatten de bloote daad van grijpen aanduidt. Eindelijk betrapte hij den dief. Wij hebben hem verrast, hij kon dus niet ontkennen. Ik ving den nachtelijken bezoeker nog nel door hem bij een pand van zijn jas te grijpen. Door den dienaar der gerechtigheid is de booswicht gevat en in verzekerde bewaring gebracht. Tusschen betrappen en ontdekken bestaat het volgende verschil. Ontdekken, dat eene vooralgaande nasporing insluit, heeft eerst na de daad plaats, terwijl betrappen onderstelt, dat men den bedrijver bij zijn werk verrast. Iemands oneerlijkheid onldekken. Iemand op oneerlijkheid betrappen. Op heeler daad betrappen is dus eenigszins een pleonasme.
Betreffen, zie Aanbelangen.
Betreffende, zie Aangaande.
Betrekken â wikkelen (In]). Iemand in een proces wikkelen, in rechten betrokken. Wikkelen in ziet op do moeielijkheden, dien men zijne tegenpartij daardoor berokkent, betrekken op do noodzakelijkheid, waarin deze zich daardoor ziet gebracht, om voor de rechtbank te verschijnen.
Betrekken â bewolken â verduisteren. Verduisteren wordt gezegd van iets lichtgevends, welks stralen onderschept worden. Eene zons-, eene maansverduistering. Bewolkt is door wolken bedekt of aan het oog
122
BET.âBEU.
onttrokken, b.v. de zon is bewolkt. Betrokken en bewolkt worden gezegd van de lucht, wanneer de dampkring met waterdamp bezwangerd is. Bij eene bewolkte lucht vereenigen zicli de nevels tot kleine dampmassa's, die op eenigen afstand boven ons hoofd in de lucht drijven. Bij eene betrokken lucht bedekken zij het uitspansel als met een donkeren sluier en verbergen do zon. Figuurlijk noemt men een somber gelaat, dat aan de somberheid van het verduisterde uitspansel herinnert, een betrokken yelaat.
Betrekking, zie Ambt.
Betrekking â verba ml â samenhang. Tusschen datgene, wat door eene inwendige of uitwendige kracht bijeen wordt gehouden, bestaat samenhang of verband. Waar verschillende deelen door hunne eigenschappen een geheel vormen, daar is samenhang. Worden verschillende dingen door eene kracht er buiten bijeen gehouden, dan is er verband. Ook in overdrachtelijken zin is dit het geval. Zoo zal men zeggen er is geen samenhang in zijne woorden of er is geen verband in zijn stijl. Bij verband en betrekking ligt het onderscheid hierin, dat men bij verhand meer denkt aan eene ook uiterlijk min of meer nauwe vereeniging, terwijl men bij betrekking denkt aan een wederkeerigo kracht, die het eene voorwerp op het andere oefent, welke een band doet ontstaan. Zoo kan men vragen: In welk verband slaan zij met elkaar of in welke betrekking staan zij met elkaar; in het eerste geval denkt men aan uiterlijke eenheid, in het tweede aan wederkeeige werking.
Betreuren, zie Treuren.
Betuigen, zie Betoonen.
Betwisten, zie Aanspraak maken op.
Beugel â ring. Een ring heeft eene regelmatige ronde gedaante, oen beugel eene onregelmatige. Beugel wordt inzonderheid gebezigd van den ring, waardoor de bal in de kolfbaan geslagen wordt. Van hier: hel kan niet door den beugel, het kan er niet door. Ook in beugcltaseh, knipbeugeltje heeft beugel de beteekenis van boog.
Beuken â bikken â billen â kloppen â slaan â tikken.
Het snel en eenigszins hard aanraken van een lichaam en het daardoor geluid veroorzaken. Tikken is de zwakste uitdrukking; hot beteekent zacht, of ook zacht en aanhoudend slaan. Iemand op de vingers tikken. Het horloge tikt. Slaan onderstelt eene groote krachtsinspanning en het voortbrengen van een sterk geluid, maar sluit geen duur in. Hij heeft mij geslagen. De klok slaat. Kloppen is hard en aanhoudend slaan, een begrip dat nog versterkt is in beuken. Het hart klopt (slaat ongemeen hard.) Hij is geducht geklopt. Stokviseh beuken (door slaan zacht maken). De muur werd dooiden stormram geweldig gebeukt. Bikken is slaan op stcenen met eon scherp hamertje of bijltje, met het doel om er do kalk van te verwijderen, kleine groeven in te maken of do oppervlakte, die ongelijk is, glad of effen te maken. Billen gebruikt men van het slaan met den bilhamer op de molen-steenen, ten einde de groeven hiervan te scherpen.
123
BEU.
Beul â hcnkcr â schci-prechter. Een persoon, die een lijf-
strafl'elijk vonnis voltrekt. Scherprechter is de gewone benaming. In den mond van het volk heet hij heul; hierbij denkt men bepaald aan het folteren der misdadigers (men denke aan afbelden; vandaar ook heul â wreedaard; vrouwenhexd â een man, die zijne vrouw mishandelt). Henker, nu als zelfstandig naamwoord verouderd, beteekent ophanger, het is indertijd ingedrongen uit Duitschland en werd vroeger meer, doch thans nog slechts eene enkele maal als tusschenwerpsel gebruikt: wat henker!
Beuling â saueljs â worst. Beuling en worst zijn soortnamen; worst wordt meestal van dunnere, beuling meestal van dikkere worsten gezegd. Saucijs is de naam, waarmee men een sterk gezouten en gekruide worst van varkensvleesch aanduidt.
Beuren â ontvangen â opsteken. Alle duiden het bezit nemen van geld aan. Ontvangen is het algemeene woord, waarmede tevens wordt aangeduid dat er overgifte plaats heeft. Beuren ziet meer op het nemen van het geld, dat voor overgereikte Waren is neergelegd op tafel of toonbank, terwijl in opsteken de gedachte ligt van geld in den zak steken. Ik heb het geld, dat gij mij door uw knecht gezonden hebl, behoorlijk ontvangen. Hoewel ik niet geloof dat mij zooveel toekomt, zal ik het geld maar opsteken, nu gij er op slaat. Ik heb van de week nog maar drie gulden gebeurd.
Beurt â rangorde. Geregelde volgorde. Bangordc is eene volgorde, die zich regelt naar het versciiil in aanzien en waardigheid, beurt ziet op de tijdsorde. Beurt onderstelt altijd eene handeling. De grootwaar dig hcid-bekleeders volgens hunne rangorde. Het is mijne beurt om te spelen. Ik lig aan de beurt.
Beurt (te.... vallen} â bejegenen â ontmoeten â overkomen â wedervaren. Het plaats hebben van iels in betrekking tot een persoon. Gebeuren kan dit uitdrukken zoowel in gunstigen als ongun-stigen zin en wordt gebezigd om de verschillende lotwisselingen, die iemands levensloop uitmaken, aan te duiden. Overkomen wordt gebruikt van gebeurtenissen van noodlotligen aard, die iemand treffen zonder dat hij bij machte is ze af te weren. Bij bejegenen denkt men aan eene ongewone en onverwachte gebeurtenis, hierbij staat het begrip van het noodlottige niet op den voorgrond. Nog minder is dit het geval bij ontmoeten, terwijl bij wedervaren meer aan iets merkwaardigs of belangrijks gedacht wordt. Bij te beurt vallen veronderstelt men alleen iets gunstigs.
Beurt (te .... vallen) â deel (ten.... vallen) â gelieuren.
Gebeuren is het plaats grijpen van iets, dat afwijkt van den regel. Of het mij gebeuren mogt, voor Nederlands verlossing een gedenkstuk te helpen oprichten. »Zal nimmer mij gebeurenquot; enz. (Hooft). Gebeuren wordt thans van onstoffelijke zaken gezegd en komt in gewone spreek- en schrijftaal weinig voor. Te beurt vallen wordt hiervoor zoowel in lioogeren als lageren stijl gebruikt. Ten deel vallen wordt meest gebezigd van een voordeel, dat iemand verkrijgt. Van te beurt vallen verschilt het bovendien nog in dit
424
BEUâBEV.
opzicht, dat ten deel vallen bijna uitsluitend van stoffelijke zaken gezegd wordt, ie. beurt vallen van alles wat ons ten gevolge eener gunstige lotsbeschikking overkomt. Wat is mij al niet overkomen! Een geluk grooter dan mij nog ooit is te beurt gevallen. Minder juist zou dus thans zijn eene uitdrukking als Hooft: de droefheid, die ons valt te beurt.
Beurtelings, zie Afwisseling (bij).
Beurs â buidel â zak â taseh. Een werktuig van buigzame stof om iets in te dragen. Zak duidt dit begrip in het algemeen aan. Beurs wordt uitsluitend gebezigd van een zakje bestemd tot het dragen van geld. Figuurlijk duidt heurs liet gold zelf aan: hij heeft een goede beurs; ook wel de vaste toelage, die iemand uit een of ander fonds voor zijné studie ontvangt. Uit eene beurs studeeren. Een buidel is eenigszins verouderd en wordt slechts in enkele uitdrukkingen in de beteekenis van beurs of geldzak gehoord : met vollen buidel, een buidel met geld, den huidel lichten = bestelen. De uitdrukking in den huidel of in den zak tasten heeft dezelfde beteekenis als de beurs trekken. Een zakje is gewoonlijk gemaakt van linnen, katoen of eene soortgelijke stof; eene taseh wordt veelal aan een draagband en over den schouder gedragen. Schooltaseh, weilasch, beugellasch.
Beuzelen â futselen â talmen â treuzelen â sukkelen.
Zijn tijd slecht besteden of met zijn werk niet vorderen. Het eerste gedeelte dezer bepaling slaat op beuzelen, het tweede gedeelte op de drie laatste woorden, terwijl in futselen zoowel het begrip ligt van zich bezig houden met een nietigheid, als dat van zeer traag, niet doortastend, arbeiden. Wie beuzelt verspilt zijn tijd (of zijne woorden: beuzelpraat) aan nietigheden! wie talmt, treuzelt en sukkelt, houdt zich wel bezig met degelijke werkzaamheid, maar schiet er niet mee op. De talmer stelt uit, de treuzelaar maakt geen spoed, de sukkelaar wil wel, maar kan niet. Hij talmde lang eer hij begon, en treuzelde vervolgens zoodanig, dat ik hem voor een rechten sukkelaar zou gehouden hebben, als ik kem niet beter gekend had.
Bevallen, zie Aanstaan.
Bevallig, zie Aanminnig.
Bevallig, zie Aanvallig.
Bevangen â overmeesteren â vermeesteren. Iemand onder zijne macht brengen (bij persoonsverbeelding van slaap, schrik enz. gezegd). Bevangen is sterker dan vermeesteren of overmeesteren, voor zooverre het onderstelt, dat de aanval zoo plotseling geschiedt, dat er aan geen tegenstand valt te denken. Van morgen beving mij de slaap in de kerk, maar ik Ml zorgen, dat hij mij onder den avondgodsdienst niet meer overmeestert. Het voorvoegsel ver in vermeesteren heeft dezelfde kracht als over in overmeesteren; deze beide veronderstellen dat er een tegenstreven of strijd aan de overmeestering voorafgaat. Deze beide woorden beduiden eigenlijk geheel hetzelfde. Misschien is het laatste nog iets krachtiger.
Bevatten, zie Behelzen.
Bevatten, zie Begrijpen.
BEV.
Beveiligen, zie Behoeden.
Bevel â ecboil â last â opilraeht â order â voorschrift.
Eene duidelijke aanwijzing van iemands wil of gevoelen, die aan een ander gegeven wordt, ten einde deze zich daarna moge gedragen. Voorschrift heeft de ruimste beteekenis. liet ziet zoowel op eene aanwijzing, waarnaar wij ons, als het ons goeddunkt, kunnen gedragen (zooals eene vriendschappelijke raadgeving, een welmeenenden wenk) als op eene zoodanige, waarnaar wij ons gedragen moeten. Men gaf hem uitvoerige voorschriften op reis mede. Een wettelijk voorschrift. Bevel, de daad van bevelen, en gebod, de daad van gebieden, sluiten de verplichting tot gehoorzaamheid in. Gebod is deftiger en edeler, en onderstelt in den regel een voorschrift, dat niet alleen voor het oogenblik kracht heeft, maar dat gedurende een lang tijdsverloop moet worden opgevolgd. Gods geboden. Een enkele maal komt bevel ook voor in deze opvatting.
God, wiens bevel niet door mag dringen Bij 'tvolk, dan door der priestren mond, enz.
Last, van laden hetgeen op iemand geladen wordt, duidt overdrachtelijk iets aan, dat men anderen te doen geeft, en is dus een zoodanig bevel of gebod, dat van den kant van hem, tot wien het gericht wordt, werkzaamheid medebrengt. Be regeering gaf haar ambassadeur in last hierover ophelderingen te vragen. Opdracht noemt men een last, dien men vrijwillig op zich neemt. Ik zal mij uwe vereerende opdracht met genoegen laten welgevallen. Order geeft een bevel tot schikking of regeling te kennen, bij uitbreiding: bekendmaking, bevel. De dagorder. Ik geef u order den dief te arresteeren. Dikwijls staat het ook voor bevel in het algemeen. Wacht mijne orders af! Is er iets van uwe orders? (Hebt ge iets te gelasten'?)
Beven â rillen â sidderen â trillen. In eene golvende beweging zijn. Van eene snelle maar zacht golvende beweging zegt men trillen. De snaar trilt. Beven drukt een hoogeren graad dier beweging uit, ja het dient zelfs om bij levenlooze voorwerpen den allerhoogsten trap er van aan te duiden, Eene aardbeving. Bij levende wezens, waar de sterkste beweging door innerlijke aandoening veroorzaakt wordt, wordt hevig beven uitgedrukt door sidderen. Sidderen van angst, van schrik. Billen, een licht beven of trillen ten gevolge eener tijdelijke vermindering der dierlijke warmte, kan evenals sidderen slechts van lovende wezens gebezigd worden. Van koude trillen of rillen.
Bevestigen â vastmaken â vasthechten. Vasthechten onderstelt eene nauwere verbinding dan vastmaken. Wat vastgehecht is kan slechts losgerukt of losgesneden, wat vastgemaakt is kan weder losgemaakt worden. De knoop wordt vastgehecht aan den jas. De sabelkoppel wordt om het lijf vastgemaakt. Bevestigen kan hetzelfde als vasthechten uitdrukken en ziet, tegenover vastmaken, meer op eene duurzame verbinding.
Bevestigen, zie Bekrachtigen
Bevlijtigen (zich) â toeleggen (zich____op). Zich bevlijtigen
12«
TffiV.
is vlijt toonen in het algemeen. Zich toeleggen heeft altijd hot bijbegrip dat men zijne vlijt aanwendt met het doel zijne kennis te vermeerderen of zich ergens in te oefenen. Daar gij u in mijne afwezigheid zoo beulijtigd hebt, wensch ik u dit lol belooning te schenken. Als ge u zoo op de studie blijft toeleggen, zuil gij het ver brengen.
Bevoegd â gcmachtigil â gerechtigd. Wie wettige aanspraak op het bezit of de uitoefening van iets heeft. In de eerste beteekonis wordt alleen gerechligd gebruikt. Gerechtigd tol eene erfenis. Wat de tweede beteekenis aangaat, sluiten recht en bevoegdheid elkander in; men kan zich het eene niet denken zonder het andere. Wie op grond zijner bekwaamheid en geschiktheid het recht heeft gekregen om te onderwijzen, heeft de bevoegdheid om als onderwijzer te worden aangesteld. De kiesgerechtigde heeft de bevoegdheid om te kiezen, de stemgerechtigde de bevoegdheid om te stemmen. Gemachtigd noemt men hem, op wien een ander zijne macht, in dit geval zijn recht en zijn bevoegdheid, heeft overgedragen. Hij zal in deze zaak als mijn gemachtigde optreden. De gemachtigden, d. z.b.v.de leden vari een kerkelijk kiescollege, die door de stemgerechtigde leden dei-gemeente tot hunne vertegenwoordigers zijn aangewezen.
Bevoelen, zie Aantasten.
Bevolkt â volkrijk. Bevolkt is eene plaats, een oord, waar het niet aan inwoners ontbreekt, volkrijk, eene plaats, een oord waar de inwoners talrijk zijn. Drenthe is van al de Nederlandsche provinciën de minst bevolkte. Amsterdam is van al do Nederlandsche steden de volkrijkste stad.
Bevooroordeeld, zie Bekrompen.
Bevorderen, zie Doordry ven.
Bevrachten, zie Beladen.
Bevredigen â voldoen. Wie verkregen heeft, wat hij verlangde, kan altijd zeggen, Jat hij voldaan, maar niet altijd, dat hij bevredigd is. Bevredigen kan men alleen bezigen van die wenschen, waarvan de vervulling voor het behoud onzer gemoedsrust noodzakelijk is. Zijne eerzucht bevredigen.
Bevredigen â bedaren â stillen â verzoenen. Terwijl bevredigen, stillen en verzoenen transitief gebruikt worden, wordt bedaren niet anders dan intransitief gebruikt. Om het transitieve hiervan uit te drukken bezigt men doen bedaren of tol bedaren brengen. Stillen is de rust doen wederkeeren. Jezus stilde den storm. Bedaren is het langzamerhand afnemen van beweging, van onrust. Het weder bedaart. Bevredigen en verzoenen kunnen alleen van personen gebezigd worden. Bevredigen is onrustige gemoederen tevreden stellen; verzoenen zegt meer en onderstelt het geheel wegnemen van datgene, wat de goede verstandhouding tusschen twee partijen verstoorde. Het gebruik dezer woorden blijkt voorts uit den volgenden zin: Zoodra hel oproer gestild ivas, en de gemoederen eenigszins
127
BEVâBEW.
tol bedaren waren gekomen, trachtte de regeering hare tegenstanders te bevredigen, en reikte hun de hand der verzoening.
Bcvrccmilen â verbazen â verrassen â verwonderen.
Wanneer iets nieuw of onverwacht voor ons is, of anders uitkomt clan wij verwacht hadden , dan verwonderd het ons. Is onze verwondering buitengewoon groot, of gaat zij gepaard met ontsteltenis, dan verhaast het ons. Is hetgeen onze verwondering gaande maakt vergezeld van iets raadselachtigs, dan zeggen wij, dat het ons bevreemdt. Treft ons iets aangenaams dat een sterken indruk op ons maakt, zonder dat wij het nog verwachten of er op voorbereid waren, dan verrast het ons. Het verwondert mij, dat hel van daag niet geregend heeft. Zijne koelheid verbaasde mij evenzeer, als zijne geheimzinnigheid mij bevreemdde.
BcvrcenMlcnd, zie Bijzonder.
Bevreesd, zie Beducht.
Bevriezen â stollen. Beide woorden drukken uit, dat eene vloeibare massa door verlies van warmte in vasten toestand overgaat. Bij stollen behoeft de warmtegraad niet beneden het vriespunt te dalen, bij bevriezen is dit wel het geval. Gesmolten vet stolt als het niet warm wordt gehouden. Water bevriest bij 0 graden Celsius. Het bezoek van mijn vriend heeft mij verrast.
Bevrijden â ontslnan â redden â verlossen. Kwaad wegnemen van een persoon of zaak, of omgekeerd deze aan het kwaad onttrekken. De laatste uitdrukking ziet op redden. Redden kan zoowel van personen als van zaken gebezigd worden, de andere woorden alleen van personen. Men redt de opvarenden, maar ook do goederen van een gestrand vaartuig. Bevrijden â vrij maken â en verlossen â los maken â onderstellen dat iemand in de macht van derden is, ontslaan â vrijlaten â dat men zelf macht over hem had. Een gevangene wordt bevrijd, verlost, als iemand hem in staat stelt de gevangenis te ontvluchten; hij wordt ontslagen, als zijn straftijd ten einde is, en de directeur der gevangenis hem op vrije voeten stelt.
Bevroeden â begrijpen â doorgronden â Inzien. Eene zaak goed doorzien en verstaan. Inzien duidt dit meer algemeen aan. Begrijpen is het verband vatten, dat er tusschen de deelen van het een of ander, eene redeneering of handeling, bestaat; het zegt niets aangaande de inspanning, die voor de daad van verstaan noodig is geweest ; bevroeden sluit in, dat zij veel nadenken en scherpzinnigheid heeft vereischt. Voorgronden, doorzien wat als het ware op den bodem ligt, is de geheime drijfveeren doorzien; datgene, wat minder gemakkelijk te begrijpen is, niet oppervlakkig maar door en door verstaan. Wal daar gaande ivas, kon ik maar niet bevroeden.
Bewaren, zie Bergen.
Bewaren, zie Behoeden.
Bewasemen, zie Beslaan.
128
DEW.
Beweegreden â drangreden â drijfveer â grond â oorzaak â reden. D;it wat eene handeling doet plaats hebben. De grond is datgene waaruit iets anders voorkomt; hiermede komt oorzaak grooten-deels overeen, liet verschilt echter in dit opzicht, dat het eene zaak of daad aanduidt, waaruit eene werking voortvloeit. De oorzaak wordt als zelfhandelend gedacht; zij geeft dus het antwoord op de vraag waardoor, terwijl de reden hel antwoord op de vraag waarom geeft. Drijfveer ziet op innerlijke aandrift, beweegreden evenals reden op verstandelijk overleg dat iemand doet handelen. Onze hartstochten kunnen de drijfveer en onzer handelingen zijn, nooit hare beweegredenen. Drangreden is eene sterke beweegreden. Is de grond van al ons doen en laten liefde lot onze medemenschen, dan zullen onze beweegredenen altijd zuiver zijn en wij ons voor onedele drijveeren weten te wachten. De oorzaken van dien oorlog waren etc. De reden van de weigering des konings.
Bewegen â aansporen â aanzetten â nopen â overhalen.
Tot een besluit of eene handeling brengen. Bij bewegen kan de tegenstand, dien wij te overwinnen hebben, gering zijn, bij aansporen en nopen (aanprikkelen) is hij dat nooit; evenmin bij aanzetten, dat meestal gebruikt wordt van eene aansporing ten kwade. Overhalen heeft in zekeren zin de sterkste beteekenis, want het onderstelt, dat men niet alleen iemand tot eene wilsbepaling moet brengen; maar dat er reeds eene wilsbepaling in tegenovergestelden geest heeft plaats gegrepen, waarop men hem moet bewegen om terug te komen. Bewegen aansporen en overhalen geschieden meer door verstandelijke, nopen meer door zedelijke drangredenen. Door allerlei verleidelijke aanbiedingen werd Rennenberg bewogen {overgehaald) de zijde van Oranje te verlaten. Wat mij vooral noopte zijn verzoek in te willigen, was de herinnering aan den belangrijken dienst, dien hij mij in vroeger jaren bewezen had.
Beweren â staande houden. Iets beweren is eene stelling opperen; iets staande houden eene stelling ondanks de tegenspraak, die zij â vindt, handhaven. Zeg ivat ge wilt, ik blijf niettemin slaande houden, dat de invoering van leerplicht een noodzakelijke maatregel is.
Bewerken, zie Behandelen.
Bewerken â veroorzaken â bewerkstelligen â teweegbrengen â uitvoeren â uitwerken â volbrengen â volvoeren. Iets te weeg, tot stand, ten uitvoer brengen , een denkbeeld, een ontwerp verwezenlijken. Veroorzaken en teweegbrengen zien op de zaken waaruit andere voortkomen. Bewerken ziet op de aanleiding voor zoo verre deze het gevolg is van een zelfbewust , planmatig handelen, uitvoeren, bewerkstelligen op de daad der verwezenlijking, uitwerken op de gevolgen. Bewerken ziet op de verwijderde, veroorzaken en teweegbrengen op de naaste aanleiding. Wie de bewerkers van den Fransch-Duitschen oorlog getveest zijn, ligt nog in het onzekere; maar die hem veroorzaakt hebben, zijn de luchthartige Fransche ministers door hunne roekelooze oorlogsverklaring. Had Mac-Mahon geen uitvoering gegeven aan hel gewaagde plan van Palikao
SYNONIEMEN. 9
129
BEW.
om Metz te ontzetten, de Duitse hers zouden de insluiting van Parijs niet hehhen kunnen bewerkstellig en. Welke groote achting men Thiers ook toedroeg, zijne rondreis aan do Europeesche hoven in 1870 heeft weinig uitgewerkt. Volbrengen en volvoeren zien op de algeheele uitvoering, waardoor iets tot volkomenheid, althans tot voleindiging wordt gebracht. Mijne taak is volbracht.
Bewerkstelligen, zie Bewerken.
Bewijzen, zie Betoogen.
Bewijzen, zie Betoonen.
Bewilligen â Inwilligen â toestaan â toestemmen â vergunnen â veroorloven. Te kennen geven, dat men zich tegen eene daad niet verzet. Toestaan, veroorloven en vergunnen zeggen niets anders dan dat men aan het volbrengen van iets geen hinderpalen in den weg stelt. Gij hebt mij in uwe macht, als gij er dus op blijft aandringen, dan zal ik wel genoodzaakt zijn u die vergunning te verleenen. Toestemmen , bewilligen en inwilligen onderstellen eene uitdrukkelijke goedkeuring. Bij inwilligen is de toestemming meer afgedwongen, bij bewilligen meer vrijwillig. Voor ditmaal zal ik uw verzoek nog eens inwilligen. Als gij de hand van dat meisje kunt verwerven, zullen wij gaarne onze bewilliging tot dat huwelijk verleenen.
Bewimpelen, zie Bedekken.
Bewind, zie Beheer.
Bewogen, zie Aangedaan.
Bewolken, zie Betrekken.
Bewoner â geërfde â Inwoner â Ingezetene â Inlander.
Eene landstreek, een land, wanneer dit laatste niet in den zin van een begrensden staat genomen wordt, hebben bewoners. Een rijk, eene stad, eene gemeente hebben inwoners, omdat men daarbij het oog heeft op de bevolking, die binnen zekere grenzen aanwezig is. Ingezetenen zijn de vaste bewoners eener plaats in tegenstelling van de daarin slechts tijdelijk verblijf houdende vreemdelingen. Ingelanden worden diegenen genoemd, die in een polder landerijen bezitten. Geërfden zijn diegenen, die in eene mark een erf of stuk grond met stemrecht hebben. Gewestelijk komt het ook voor met dezelfde beteekenis als Ingeland.
Bewoording â uitdrukking â spreekwijze. Uitdrukking,\s de «iting van denkbeelden {ik heb mij zeker niet duidelijk genoeg uitgedrukt); ook een bepaald woord, waarvan men zich bedient. Welke uitdrukking hebt gij daar ook weer gebezigd? Voor eene uitdrukking kan soras een enkel woord voldoende zijn, b. v. ja en wem. Gewoonlijk vereischt zij echter eene verzameling van woorden, en deze noemt men bewoording. Hij gaf zijne gedachten in de volgende bewoordingen te kennen. Spreekwijze is een vaste spraakwending, eene eigenaardige uitdrukking, bij één of meer personen in gebruik: een flikker slaan b. v. voor dansen; een graantje pikken voor een borrel drinken; een uiltje knappen voor een slaapje doen.
130
BEW-BEZ.
Itawnstheld â kennis. Hot onderscheid tusschen dene woorden bestaat hierin, dat het eerste eene niet opzettelijk verworven kennis van het een of ander aanduidt. J)e bewustheid zijner onschuld ivas hem tot een schild, waarop al de pijlen van den laster afstuiten. Men moet tot kennis van zich zeiven zien te komen.
Bezadigd, zie Bedaard.
Bezadigdheid, zie Bedaardheid.
Bezeeren â kneuzen â kwetsen â «vonden. Een lichaamsdeel beschadigen. Dezeeren is de zwakste uitdrukking; liet geeft veelal niets anders te kennen dan het veroorzaken van pijn. Kwetsen en wonden onderstellen noodzakelijk eene beschadiging. Bij bezeeren en kwetsen denkt men aan eene beschadiging, die het leven niet in gevaar brengt; ivonden kan eene levensgevaarlijke kwetsuur aanduiden, het veronderstelt eene beschadiging, waarbij een gedeelte van het vleesch bloot komt. Kneuzen is eene kwetsuur toebrengen, waarbij de spieren of het vleesch door stooten of slaan beschadigd zijn, zonder dat er eene opene wonde ontstaan is.
Bezegelen, zie Bekraehfigen.
Bezetten â innemen. Eene plaats in bezit nemen. Wie eene plaats bezet, heeft recht om dat te doen; wie haar inneemt, doet dat of willekeurig en eigenmachtig, of heeft verlof er tijdelijk gebruik van te maken. Wilt gij mijne plaats een oogenblik innemen? Deze plaats is bezet, gij moogt haar dus niet innemen.
Bezichtigen, zie Bezien.
Bezien â bezichtigen âhekijken âbeschouwen â betrachten. liet oog aandachtig ergens op vestigen. Hekijken is het zwakst en duidt oppervlakkigheid aan. Bekijken en bezien staan in dezelfde verhouding tot elkaar als kijken en zien. lieziehtigen is zeer aandachtig en nauwkeurig bezien. Betrachten is in dezen zin verouderd, eigenl. het oog op iets vestigen en er over denken. Beschouwen is nauwlettend iets bezien en tevens over hetgeen men ziet nadenken. Op eene tentoonstelling van schilderijen komt het groote publiek om te bezien, de kunstkenner om te bezichtigen. Na het voorwerp even bekeken te hebben zeide de kunstkenner, dat hij er geen geld voor wilde geven, dewijl het nagemaakt was. Als men het op de keper beschouwt kan men wel zien, dat het niet zulke hooge waarde heeft
Bezien, zie Aanblikken.
Bezig â onledig. Niet werkeloos. Onledig ziet meer op een werk tot tijdverdrijf, bezig meer op een degelijken arbeid. Daags hield ik mij onledig met niets te doen; in dezen zin van liusken lluet zou men onledig moeielijk door bezig kunnen vervangen.
Bezighouden C'-lch), zie Bemoeien (zielO.
Bezigen, zie Aanwenden.
Bezigheid, zie Arbeid.
131
9'
BEZ.
Bezinksel â drab â droesem â grondsop â heffe â moer.
liet dikkere gedeelte van een vloeistof', dat zich op den bodem van het voorwerp, waarin het zich bevindt, afzondert. Bezinksel is eene vaste stof, grondsop, drab en droesem verkeeren alle, het eene in meerdere, het andere in mindere mate, in een vloeibaren toestand. Droesem wordt alleen van dranken gezegd, drab ook van andere vloeistoffen. De inkt is drabbig. Moer noemt men bij voorkeur den droesem van wijn, heffe dien van bier. i/e//e, dat eigenlijk het bovendrijvende beteekent, bezigt men overdrachtelijk van de onderste volkslaag, die als het ware het bezinksel der maatschappij is. De heffe des volks
Bezinnen, zie Denken.
Bezit, zie Have.
Bezit â eigendom. Bezit en eigendom drukken in hel algemeen uit wat een mensch behoort, waarover hij het recht van beheer heeft; in zooverre zijn zij ook synoniem met have, vermogen enz. (zie Have). In tegenstelling met elkander gebruikt, drukt men door bezit uit het houden of genieten eener zaak, welke iemand of in persoon of door een ander in zijne macht heeft, alsof ze hem toebehoorde, terwijl eigendom de volstrekt vrije beschikking veronderstelt, zoolang de zaak niet door den wil van den persoon, wien zij in eigendom behoort, vervreemd is. Die een huis huurt heeft een huis in bezit, doch die het koopt heeft het in eigfcwtüom. Dikwijls wordt echter bezit, voor eigendom gebruikt, vooral waar het tegenover huur staat.
Bezitten â hebben. Bezitten sluit altijd eigendom in, hebben niet altijd. Men kan een huis, een boek hebben zonder het te bezitten. Omgekeerd kan men iets in eigendom bezitten zonder het te hebben, b.v. effecten, die men aan een ander ter bewaring heeft gegeven. Figuurlijk beteekent bezitten toegerust zijn met. Men bezit dus: moed, kennis, schoonheid, gezond verstand, maar niet: de koorts, zorg, honger, dorst, een plan, een voornemen.
Bezitten (zich), zie Beheerschen.
Bezoek afleggen, zie Bezoeken.
Bezoek brengen, zie Bezoeken.
Bezoeken â bezoek afleggen â bezoek brengen â opzoeken. Bezoeken is het algemeene woord; het geeft te kennen dat men zich ergens heen begeeft om zich te vergewissen van den toestand van de plaats of van den persoon. Een bezoek afleggen bij iemand is iemand bezoeken, met de bijgedachte dat men er door de maatschappelijke beleefheids-vormen toe verplicht is; deze uitdrukking is deftiger en statiger, terwijl een bezoek brengen meer gebruikt wordt in de faal van het dagelijksch leven voor een persoon uit beleefdheid of vriendschap bezoeken. Opzoeken is iemand gaan bezoeken uit belangstelling en heeft de bijgedachte van eenige inspanning.
Bezoeking, zie Beproeving.
132
BEZâBIJ.
Bezitter, zie Eigenaar.
Bezitting, zie Have.
Bezoldiging, zie Belooning.
Bezonnen, zie Bedachtzaam.
Bezopen, zie Besehonken.
Bezorgd â bekommerd â beducht â bevreesd. Bezorgd duidt de stemming aan van iemand dio onrust of zorg over iets heeft; bevreesd -wordt gezegd van dengene, die vrees koestert. Beducht ziet meer op de gevolgen en drukt uit dat men met angst te gemoet ziet wat niet aangenaam is, hetzij men vreest voor naderend kwaad, hetzij dat ons iets goeds ontgaat. Bekommerd is sterker dan de voorgaande en drukt uit dat iemand groote zorg, onrust gepaard aan verdriet en kwelling des geestes, heeft.
Bezorgen, zie Bestellen^
Bezuren â boeten voor. 't Zuur breekt iemand op na het overdadig gebruik van spijs en drank, en bezuren mag dus alleen in den zin van boelen voor gebezigd worden, wanneer het de gevolgen eener daad geldt, die, toen wij haar bedreven, genot voor ons opleverde. Ik vrees, dat gij met uwe zwakke gezondheid deze buitensporigheid geducht zult moeten bezuren.
Bezwaar â moelelljkbeld. De hindernis, die het bereiken van zeker doel in den weg staat. Bezwaar en moeilijkheid doen beide uitkomen de groote mate van krachtinspanning, die noodig is om tot een doel te komen. Bij bezwaar heeft men meer het oog op den drukkenden last, die het voortgaan bemoeilijkt, terwijl moeilijkheid meer slaat op de hindernissen, waarmede men heeft te kampen en die men te boven moet komen, wil men slagen. MoeilijkJieden zijn meer in het werk zeil of in den weg, die naar hef doel voert, gelegen; bezwaren worden meer in den weggelegd.
Bezwaar â bedenking â grief. Bedenking is minder sterk dan bezwaar; het duidt aan wat men tegen iels meent te kunnen aanvoeren, zonder dat het nog eenig overwegend gewicht in de schaal legt. Bij bezwaar is dit wel het geval, terwijl aan giïef nog het gevoel eener onaangename aandoening, die reden tot beklag kan geven, verbonden is. De bezwaren, (grieven, redenen van beklag), die ik tegen u heb, zijn de volgende. Al mijne bezwaren (bedenkingen) zijn uit den weg geruimd. Gij hebt ook altijd bezwaren (gij zijt bijzonder zwaartillend, tobberig van aard). Ik heb tegen uw plan geene overwegende bezwaren, slechts eene bedenking.
Bezweren â smeeken. Bij iemand sterk aandringen om hem tot iets te bewegen of van iets af te houden. Bezweren is sterker dan smeeken. Wie iemand bezweert tracht, als het ware als een geestenbanner, bovennatuurlijke macht op hem uit te oefenen. Ik bid, ik smeek, ik bezweer u, mij niet te verlaten.
«U â naast â nevens. Bij is in de nabijheid van. Naast en nevens drukken onmiddellijke nabijheid uit. Hij zat bij mij (in mijne buurt). Hij
133
DIJE-BIJK.
zat nevens, naast mij (aan mijne zijde). Naast geeft de nabijheid van plaats aan, nevens bovendien de gelijkheid in rang. Wien heb ik nevens u?
Bijaldien, zie Wanneer.
Ilijaliilen ook, zie Aangenomen dat.
Bijbrengen â aanvoeren. Wat men bijbrengt moet dienen om aan beweringen, eischen, aanspraken, enz. kracht bij te zetten; wat men aanvoert moet dienen om de waarheid van hetgeen men beweert, of'de onjuistheid van hetgeen men bestrijdt, te bewijzen. In dat kan niet veel bijbrengen tol uwe vrijspraak, staat bijbrengen eenigszins gelijk met helpen. Hier kan aanvoeren er niet voor in plaats gesteld, wel in wat kunt gij bijbrengen voor uwe verdediging.
Bijeen â samen. Samen is sterker dan bijeen of bij elkander. Bijeen (bij elkander) ziet alleen op de nabijheid van plaats; samen drukt eene engere vereeniging uit als het gevolg van een onderling verband, van een gemeenschappelijk doel. Mei) kan de meest ongelijkslachtige dingen hijeen-, maar slechts gelijkslachtige samenvoegen. Menschen kunnen zoowel bijeen-, als sawe/tkomen, maar het laatste onderstelt altijd een gemeenschappelijk doel. Eene godsdienstige samenkomst.
Bijeenkomst, zie üanienkomst.
Bijeenvoegen, zie Aanbinden.
Bijeenroepen â oproepen â samenroepen. Uitnoodigen om te verschijnen. Men roept eene vergadering bijeen of roept haar samen, maar men roept haar leden op. Beroepen werd vroeger gebezigd van het bijeenroepen van een lichaam, dat zich nog moest constitueeren, bijeenroepen en samenroepen hebben het thans vervangen, zij worden bij voorkeur gebezigd van een reeds aanwezig lichaam, welks leden tot het houden eener bijeenkomst worden uitgenoodigd.
Bijgcloovlg â llehtgcioovig. Eigenlijk zijn deze woorden niet synoniem. Liehtgeloovig toch duidt slechts aan dal iemand geneigd is om al wat hem verteld wordt te gelooven, zelfs het ongelooflijkste. Bijgeloavig is dikwijls eene eigenschap van ddn lichtgeloovige, n.1. het bezitten van bijgeloof.
Bijgevolg â derhalve â daarom â dus â hierom. Bijwoordelijke voegwoorden, die gevolgaanduidende nevenzinnen met den voorafgaanden hoofdzin verbinden. Daarom en hierom zijn zuiver redegevend; derhalve duidt een gevolg aan, dat noodzakelijk uit het voorafgenoemde voortvloeit; bijgevolg wijst op een gevolg, dat uit het genoemde kan voortvloeien; door dus maakt men eene gevolgtrekking uit het voorafgaande. Hel is koud, daarom stoken wij. Hierom heb ik u laten roepen, dal ge mij met uw raad zoudt voorlichten. Ik ben het vergeten, derhalve kan ik het u niet zeggen. Hij heeft altijd voorspoed in zijne zaken gehad, bijgevolg kan hij thans een gemakkelijk leven leiden.
Bijkans â bijna â haast â nagenoeg â omtrent â omstreeks â ongeveer â schier. Deze woorden geven te kennen dat
134
BULâBIJV.
de eene of andere zaak ten naasten bij den omvang of de grootte heeft, die men opnoemt, iets meer of iets minder. Bijkans, bijna, haast, schier, nagenoeg, niet ver af, zoo goed als in de buurt; hierdoor wordt echter te kennen gegeven dat het aangegeven cijfer niet overschreden wordt. Omtrent, omstreeks, om en hij, ongeveer geven te kennen dat het evengoed iets liooger kan zijn als iets lager. Ik ben met mijn werk haast {hijkans, bijna, nagenoeg) gereed: ik heb het zoo goed als af. Hij is schier van alles ontbloot: hij bezit zoo goed als niets meer. Hij is ongeveer {omtrent) GO jaar: hij is diep in de vijftig, niet ver van de zestig, wellicht er over. Hij is omstreeks zestig jaar: hij kan ook negenenvijftig of éénenzestig zijn.
Bijl , zie Aaks.
Bijlage , zie Aanhangsel.
Bijleggen, zie Afdoen.
Bfjna, zie Afdoen.
Bijna, zie Bijkans.
Bijspringen â bijstaan â helpen â ondersteunen. Zijne krachten met die van een ander vereenigen, wanneer die niet toereiken. Helpen en ondersteunen worden ook van zaken gebezigd. De pilaren helpen de muren van het gewelf dragen: ondersteunen hel gewelf. Heljien is medewerking verleenen in het algemeen; bijspringen tijdelijk en snel in nood of gevaar hulp verleenen; bijstaan is eigenlijk door bij iemand te gaan staan hem behulpzaam zijn in het volvoeren of het dragen van iets, dat hem zwaar valt; ondersteunen iemand ot iets door inspanning van eigen kracht voor vallen of instorten behoeden. Bijstaan is dus een rechtstreeksch medewerken om iemand tot een doel te brengen of den last te verlichten, terwijl ondersteunen meer is iemand door het verleenen van de hulp van zijne financieele of zedelijke kracht in staat stellen om tot het doel te komen of zijn last gemakkelijker te dragen.
Bijstaan, zie Bijspringen.
Bijstand â onderstand â ondersteuning â hulp. De medewerking die men anderen verleent, waar diens krachten niet toereikend zijn om een last te dragen. Hulp is het algemeene woord. Bijstand wordt vooral in overdrachtelijken zin gebezigd en komt in de beteekenis van hulp om de ellende of armoede te dragen met onderstand en ondersteuning overeen. Onderstand wordt alleen gebruikt voor bijstand aan behoeftigen; dit is met ondersleuning en hijstand niet het geval.
Bijtend, zie Bitter.
Bijval â hultenkans â meevaller. Bijval en buitenkans worden, meestal met den verkleiningsuitgang, gezegd van eene onverhoopte winst, eene winst, waarop men niet gerekend had. Meer dan hijualletje is in gebruik meevaller of meevalletje voor een klein onverwacht voordeel.
Bijvoegen, zie Aanvoegen.
BIJVâBIL.
Bijvoegsel, zie Aanhangsel.
Bijwonen â tegenwoordig zijn bij. Terwijl in tegenwoordig zijn dit niet uitgedrukt is, onderstelt ftyiooHew dikwijls opzettelijke tegenwoordigheid, hetzij uit belangstelling, verplichling of nieuwsgierigheid, hetzij om aan eene plechtigheid meer luister bij te zetten.
Bijzetten, zie Begraven.
Bijzonder, zie Aanmerkelijk.
Bijzonder â bevreemdend â bizarâbuitengewoon â merkwaardig â opmerkelijk â vreemd â raar â verwonderlijk â zeldzaam â zonderling. Hetgeen afwijkt van het dagelijksch eenerlei. Bijzonder, merkwaardig of opmerkelijk, wonderlijk en sterker nog zonderling, noemt men wat trelt door zijn afwijkenden aard, hoedanigheden of voorkomen; huilengewoon, wat niet met de gewone maat kan gemeten worden-Vreemd is wat hier niet te huis behoort, wat ongewoon is en daardoor de opmerkzaamheid trekt; nog sterker wordt dit uitgedrukt door bevreemdend waarin de bijgedachte ligt, dat het ongewone iets raadselachtigs heeft, terwijl bizar een vreemd woord is, dat de begrippen van vreemd en wonderlijk verbindt, /.onderling heeft de beteekenis van vreemd. Hij ineen zonderling = hij handelt onbegrijpelijk. Zeldzaam is wat onze bijzondere aandacht trekt, omdat wij het slechts zelden zien. Een zeldzaam natuur-versehijnsel is in onze streken het noorderlicht. Oorspronkelijk had raar de beteekenis van zeldzaam, maar langzamerhand heeft het meer die van bevreemdend en zonderling gekregen. Een raar geval, een raar toilet.
Bidden, zie Aanroepen.
Bikken, zie Beuken.
Bil â «lij. Dij heet het gedeelte van het menschelijk lichaam tusschen knie en romp, bil het vleezig achterdeel daarvan.
Billen, zie Beuken.
Billijk â rechtvaardig â reehtmatlg. Eene handeling, die niemands rechten verkort, is rechtmatig; een rechter, die vonnis velt overeenkomstig de letter der wet, is rechtvaardig en velt een rechtvaardig oordeel. Wie echter in zijn gedrag toont naast en boven de geschreven wet de ongeschreven wet te eerbiedigen, â de rechter, die bij het vellen van een vonnis gewijzigde toestanden, verzachtende omstandigheden, bewezen diensten, enz. in aanmerking neemt â handelt billijk. Recht en billijkheid betrachten is hel kort begrip onzer verplichtingen jegens den naaste.
Billijken â goedkeuren. Zijn bijval aan iets schenken, er zijne voldoening over betuigen. Goedkeuren is algemeener dan billijken, dat altijd eene beoordeeling der zedelijke waarde of strekking van iets aanduidt. Kene daad kan men zoowel goedkeuren als billijken, in het eerste geval heeft men het oog op de handeling zelf, in het tweede op hare motieven. Van een ontwerp, een plan, eene onderneming, een kunstwerk kan men echter enkel goedkeuren bezigen.
136
BINâBLA.
Bindsel, zie Band.
Binnen â In. In beteekent eene rust of beweging binnen de grenzen eener ruimte (m huis, in den tuin zijn. Figuurlijk: in armoede leven, in angst verkeeren, m ernst, in waarheid, eene som m zilver betalen), oi eene beweging, die de grenzen eener ruimte binnendringt (in huis gaan, in den kring treden). Binnen beteekent aan alle zijde besloten door de uitgebreidheid van eenig voorwerp. Binnen het land, binnens boards, binnen het jaar.
Binnenkort, zie Aanstonds.
Binnenzee, zie Baal.
Bits zie Bitter.
Bitter â bijtend â bits â onvriendelijk â schamper â scherp â snibbig â spytig â vinnig. Het tegenovergestelde van vriendelijk en zacht. Onvriendelijk zegt niets anders dan dit. De andere woorden versterken dit begrip op verschillende wijzen. Scherp en bijtend zien meer op hetgeen men zegt (eene scherpe vermaning; bijtende scherts); bits, en nog sterker bitter, op den toon, waarop het gezegd wordt (eene bite bejegening ; een scherp verwijt); spijlig onderstelt min ol' meer teleurstelling, gekwetste eigenliefde, terwijl aan schamper iets hoonends eigen is. Snibbig en vinnig worden inzonderheid van vrouwen gebezigd. Een vinnig ding.
Bitter â wrang â zuur. Zuur en bitter zijn het tegenovergestelde van zoet, zuur is datgene wat onaangenaam is op de tong, bitter datgene wat bijtend is; wrang is scherp zuur, dat den mond samentrekt. Figuurlijk drukt zuur de moeite of kwelling uit, waarmee iets gepaard gaat, wrang en bitter de onaangename gevolgen, die iets na zich sleept. Dat is een zuur stuk brood. Ik heb dat zuur genoeg verdiend. Door een zuren appel bijten, 's Levens zoet en zuur. Gij zult u dat bitter beklagen. Nu smaakt hij de wrange vruchten van zijn wangedrag.
Bizar, zie Bijzonder.
Blaam â verwijt. Berisping, afkeuring. Een verwijt richt men tot iemand in zijne tegenwoordigheid; men logt op iemand een blaam in zijne afwezigheid. Ik kan niet dulden dat gij een blaam op hem legt. Altijd zal die blaam op hem blijven kleven. Blaam heeft veelal de ongunstige beteekenis van lasterlijke aantijging. Iemand een blaam aanwrijven.
Blad â vel. Een stuk papier van zekere grootte. Vel beteekent do volle uitgestrektheid, die bij de vervaardiging aan het papier gegeven, en door de grootte van het schepraam bepaald wordt. Eon boek papier bestaat uit vier en twintig vel. Blad is een grooter of kleiner gedeelte van een saamgevouwen of doorgesneden vel. In vakken bedrukte, saamgevouwen en naast elkander ingenaaide vellen vormen een boek. De meerdere of mindere grootte der bladen geelt aan de boekdeelen, daaruit gevormd, het bijzondere formaat, hetwelk wij gewoon zijn folio, quarto, octavo, enz. te noemen.
137
BLAâBLIJ.
Blaken ~ - blakeren â seliroelen â zengen. Deze uitdrukkingen duiden het branden aan, voor zoo verre het de oppervlakte van een voorwerp treft of zich meer bepaald naar buiten richt. Blaken heeft vooral deze laatste ruimere beteekenis; het wordt wel in figuurlijken zin voor branden gebezigd, gelijk in de figuurlijke uitdrukkingen: van liefde blaken, van toorn blaken, branden van begeerte; het eerste ziet echter meer op het uitwendig voorkomen. Gewoonlijk heeft het, evenals de andere woorden, de meer beperkte beteekenis van de oppervlakte of de buitenzijde van iets branden. Een schip blaken = het met brandend riet rondom zengen, om het voor den worm te bewaren. Het huis was geblakerd â de muren waren zoo gebrand, dat de sporen van brand er uitwendig op zichtbaar waren. Schroeien is het afbranden der uiterste deelen, terwijl het inwendige ongedeerd blijft. Zengen wordt meer bepaald van het branden van veeren of haar gezegd, waarbij geene vlam ontstaat. Hoenders schroeien, zengen â geplukte hoenders boven het vuur houden om er de kleine veertjes if te branden.
Blakeren, zie Blaken.
Blank, zie Wit.
Blazen â waaien. Blazen beteekent met meer kracht dan gewoonlijk door de saamgetrokken lippen adem uitstooten; verder wordt het gebezigd van eiken krachtigen luchtstroom. Hieruit volgt', dal blazen, van den wind gebezigd, alleen mag gezegd worden van een hevigen wind. Be wind blies hevig. Be wind blaast mij in hel gezicht.
Bleek, zie Wit.
Biydsehap â Mijheid â blijmoedigheid â dartelheid â genoegen â Joligheid â lust â pleixier â pret â verheuging â vermaak â verrukking â vreugde â vrooiijkheid.
Alle geven te kennen, dat men onder den indruk eener aangename aandoening verkeert. Bij blijdschap spiegelt deze aandoening zich af op het gelaat; bij vrooiijkheid geeft zij zich daarentegen lucht in gebaren en woorden; bij vreugde is zij dieper, inniger, duurzamer, en behoeft zij zich niet noodzakelijk op de eene of andere wijze te uiten. Goede kinderen zijn de vreugde hunner ouders. Bij dartelheid is de vrooiijkheid verbonden óf met weelderigheid, óf met eene neiging tot, baldadigheid. Van kinderen gebruikt, verstaat men er moest onder overmoedige speelschheid. Waar vrooiijkheid zich uit in lust tot pretmaken en spelen op losse vroolijke, doch niet dartele wijze, spreekt men van joligheid. Blijheid ziet eigenlijk op den toestand van blij zijn; op zich zelf is het minder in gebruik; het komt meest alleen voor in de uitdrukking vrijheid, blijheid. Blij moedigheid is eene innige weltevredenheid, minder veroorzaakt door uitwendige oorzaken, dan wel door eene aangeboren opgeruimdheid van geest. Lust noemt men de stree-lende gewaarwording, die wij ondervinden, wanneer onze begeerte door het een of andere voorwerp sterk wordt opgewekt. Verheuging, verrukking zien op den staat van verhooging, de opgewonden stemming, waarin we door aangename prikkels gebracht worden. Genoegen geeft eigenlijk een
138
BLIJHâBLO.
toestand van voldaanhfiid of tevredenheid te kennen. Voor tevredenheid is noodzakelijk ontstentenis van onaangename gevoeiens, daardoor drukt genoegen uit een gevoel van rustige, kalme behaaglijkheid. Vermaak is in de eerste plaats het genot dat men heeft door de uitspanning en door de verlustiging van zijn geest, verder het middel, waardoor men die verlustiging erlangt. Men kan vermaak in iels hebben en men kan jagen naar vermaak. Wij smaken dus genoegen, wanneer onze wenschen bevredigd worden; wij hebben vermaak, wanneer iets ons verlustigt of aangenaam bezig houdt. In gemeenzamen stijl bezigt men voor vermaak en genoegen meestal het vreemde woord pleizier, dat eigenlijk aanduidt: wat behaagt Is het vermaak met joligheid gepaard dan wordt er ook voor gebezigd het. woord pret.
Blijheid, zie Blijdschap.
Blijken Cdocn), zie Bag (aan den .... leggen]).
Blijmoedigheid, zie Blijdsehap.
Blijvend , zie Aanhoudend.
Blinken â flikkeren â flonkeren â fonkelen â glanzen â glinsteren â tintelen â schitteren â vonkelen. Veel licht van zich geven. Glanzen wordt gebruikt van elk voorwerp dat lichtstralen gelijkmatig afwerpt, heeft er bij de uitstrooming der lichtstralen schittering plaats, dan gebruikt men een der volgende woorden. Van deze uitdrukkingen is blinken de zwakste; het wordt schier uitsluitend gezegd van het glanzen door een levendig, nog min of meer gelijkmatig teruggekaatst licht. Hel is niet al goud, wat er blinkt. De andere woorden zien op de uitstraling van eigen licht, of ten minste van een licht, dat met zooveel kracht wordt teruggeworpen, dat het weerkaatsend voorwerp met een zelflichtend gelijk staat. Daarbij moet het licht niet met een gelijkmatigen stroom, maar als met schokken of golven, het oog treffen. Haar luister blinkt alom, ja schittert ons in de oogen. De sterren flikkeren, fonkelen, flonkeren. Een diamant fonkelt. De glimworm glinstert in het duister. Tintelen en vonkelen (van vonk, vuursprankel) bezigt men in die gevallen, waarin het lichtend vermogen van eenig voorwerp zoo sterk is, dat er als het ware gloeiende deeltjes van schijnen af te springen. Dllet tintiend licht der sterre vieren.quot; Overdrachtelijk wordt vonkelen door fonkelen vervangen: Zijne oogen fonkelden van vreugd.
Bloedverwant â bloedvriend â maag â nabestaande.
Bloedverwant, maag en nabestaande duiden de leden van familien aan,die tot een geslacht behooren. Bloedverwant zegt dat iemand tot hetzelfde geslacht behoort, uit denzelfden stamvader gesproten is; bloedvriend, thans nagenoeg in onbruik, ziet op den band van vriendschap daardoor veroorzaakt; nabestaande omvat alleen iemands meer verwijderde betrekkingen; maag, dat een oud woord voor verwant is, zag waarschijnlijk oorspronkelijk op de betrekking tusschen het hoofd des geslachts en de onder zijn gezag staande afstammelingen. Tegenwoordig is het synoniem met bloedverwant. Man en maag te hulp roepen. Ik heb hier geen vriend of' maag.
139
BLO.
Bloedverwant, zie Aanverwant.
Bloedvriend, zie Bloedverwant.
Bloei â bloem â bloesem. Bloei is de toestand waarin eene plant, hetzij boom of struik, is op het tijdstip waarin de vrucht of het zaad zich gaat vormen. Bloem is dat gedeelte der plant, waarin zich het zaad vormt, en dat zich bij sommige bloeiwijzen door sierlijke vormen, prachtige kleuren en aangename geuren onderscheidt; bloesem of bloeisel is de ontloken knop der vruchtboomen. Bloei en bloem worden dikwijls figuurlijk gebezigd voor een schoon tijdstip of voor iets, dat door schoonheid het oog trekt. In den bloei der jaren. Een tijdperk van bloei (van voorspoed, van welvaart). De bloemen der gezondheid prijken haar op de wangen. De bloem der jongelingen, der maagden (het schoonste en beste deel der jongelingen of maagden). Een bloemrijke schrijftrant (eene schrijfwijze, die zich gaarne van beelden bedient).
Bloei zie Welstand.
Bloei â fleur. Bloei, zie het eerste artikel. Fleur, een fransch woord, dat eigenlijk bloem beteekent, wordt niet anders dan oneigenlijk gebruikt. Be fleur der gezondheid. De fleur der jaren. Fleurig is bloeiend, gezond.
Bloode â tiang â laf â versaagd â vreesaehtlg. Vreesachtig en bang zien beide op gebrek aan stoutmoedigheid; het eerste vloeit meer voort uit de geheele persoonlijkheid, uit het karakter van den vreesachtige; batig is dikwijls meer van voorbijgaanden aard, en vaak het gevolg van uitwendige omstandigheden. De haas is vreesachtig. Hij is bang in het donker. Laf ziet op gebrek aan moed; versaagd op gebrek aan volharding of tegenwoordigheid van geest in hachelijke omstandigheden; on-versaagd is hij, die zich niet licht laat afschrikken, noch door tegenspoed, noch door hindernissen of gevaren. De Woode heeft gebrek aan vrijmoedigheid in het gezelschap van vreemden of tegenover meerderen. In het zelfstandig naamwoord bloodaard ligt echter altijd het begrip van lafhartigheid.
Bloode, zie Bedeesd.
Bloot â kaal â naakt. Bloot is wat eene bedekking mist; naakt is zonder kleederen, ontbloot van alle bedekking; kaal, waaraan zijne natuurlijke bedekking, zooals vederen, haar, bladeren, enz. ontbreekt. Terwijl naakt op het ontbreken van alle bedekking van het lichaam ziet, gebruikt men bloot alleen van het blootstellen van deelen van het lichaam. Men loopt met het bloote, niet met het naakte hoofd. De pas uitgekomen vogels zijn kaal; de boomen in den winter zijn kaal. Kleeren om het naakte lijf te dekken. De wederdoopers in Amsterdam liepen naakt over de straat. De bloote grond is de ongedekte grond; de kale grond, een grond waarop niets groeit. Bloot heeft ook de beteekenis van zonder eenig hulpmiddel of wapen: met het bloote oog iets zien, do bloote borst den vijand bieden. Hieruit ontwikkelde zich het begrip van zonder iets er bij, alleen. Ik zeg u de bloote waarheid wil zeggen: ik zeg niets meer dan
140
BLUâBOE.
de waarheid. Onder de naakte waarheid verstaat men de onverbloemde, de onbewimpelde waarheid.
Blusschcn â dempen â dooven â lessclien â smoren â stelpen â stillen â stuiten. Iets onderdrukken of den voortgang er van beletten. Blusschen, dooven en smoren zien op het doen verdwijnen van een vuur, hetzij door het brandende voorwerp met water te begieten {blusschen), hetzij door het aan den invloed van de lucht te onttrekken. Smoren wordt bij uitbreiding gezegd van het benemen der lucht in het algemeen. Onder kussens smoren. Blusschen, dooven (uitdooven) en smoren worden ook figuurlijk gebruikt. De oorlogsvlam blusschen. De liefde uitdooven. Iets in zijne geboorte smoren. Lesschen is bijna alleen in gebruik in: zijn dorst lesschen. Dempen (eigenl. iets dooden door damp of rook) is niet alleen iets verstikken, b. v. de kracht des vuurs, maar eene vijandelijke kracht in het algemeen beteugelen. Een oproer dempen. Een put (eigenlijk het water in den put) dempen. Sluiten ziet op het doen ophouden van beweging, stillen op het doen ophouden van beweging of gedruisch. Stillen is sterker dan sluiten of dempen, omdat er het bijbegrip in ligt uitgedrukt, dat er eene volstrekte rust wordt teweeggebracht. Een gedetnpt oproer is een oproerige beweging, die door overmacht bedwongen is; is een oproer daarentegen gestild, dan zijn óf de gemoederen bevredigd, óf zachter en langer werkende maatregelen genomen, om eene herhaling der wanordelijkheden te voorkomen. Men zal meer spreken van het dempen van een oproer en van het stillen van eene muiterij dan omgekeerd. Is het oproer, voor het tot uitbarsting kwam, met geweld gestuit, dan zegt men wel dat het oproer gesmoord is. Stelpen wordt inzonderheid gezegd van het stuiten van bloed, dat uit eene wonde vloeit. Overdrachtelijk wordt stelpen eene enkele maal gebezigd, b.v. in de uitdrukking: de droefheid stelpen.
Bochel, zie Bult.
Bocht â boog â kroinmlng â kronkeling. Bocht, kromming is eene afwijking van de rechte lijn. Een weg kan eene hochl, eene kromming hebben. Boog is een gedeelte van den omtrek eens cirkels, verder een gekromde stok, b.v. het bekende wapentuig, en alles wat daaraan in gedaante nabij komt. Cirkelboog, regenboog, wenkbrauwboog. Kronkeling is eene kromming, die zich meer dan eenmaal buigt, eene omslingering, eene aaneenschakeling van bochten.
Bocht, zie Baal.
Bode, zie Boodschapper.
Bodem, zie Bedding.
Boedel â erfenis â nalatenschap. De gezamenlijke rechten en bezittingen van een overledene, die op zijne rechtverkrijgenden overgaan. Onder boedel verstaat men eigenlijk de goederen, die iemand bezit en wel meer bepaald de roerende goederen. Wat zich in huis bevindt, meubels enz. wordt de inboedel genoemd. Be failliete boedel van koopman X.
141
BOE.
Erfenis noemt men het bezit van een overledene beschouwd van den kant
dergenen, op wie het overgaat; nalatenschap beschouwd met de betrekking tot den overledene zeil. Men krijgt eene erfenis, maar men kan recht hebben op eene nalatenschap.
Boedelliuls â erfhuis. Beide woorden duiden eene verkooping van roerend goed aan. Bij boedelhuis blijft echter onbeslist of de verkooping op last van erfgenamen of van schuldeischers of van den eigenaar zelf geschiedt. Bij erfhuis zijn het eigenlijk de erfgenamen, die den verkoop doen plaats hebben. In sommige streken is erfhuis echter gelijkbeteekenend met boedelhuis.
Boel, zie Band.
Boeken, zie Aanteekenen.
Boer, zie Akkerman.
Boert â gekheid â Jok â kortswijl â luim â scherts.
Gekheid, oorspronkelijk de toestand van iemand, die gek of dwaas is, heeft door uitdrukkingen als houd op met die gekheid, alle gekheid ter zijde, welke eigenlijk op den toestand van den grappenmaker of van den nar zagen, doch later opgevat werden als de uiting van zijne natuur of toestand aanduidende, de beteekenis van scherts en grap gekregen. Scherts is eene geestige, gekscherende wijze van spreken, die met ernstige dingen den draak steekt en tot vroolijkheid stemt. Hij schertst ook altijd. Scherts ter zijde. Boert is eene naieve, maar tevens eenigszins plompe en ruwe scherts â de scherts der natuurkinderen van het platteland. vHoe hiet jij? Ik hiet Piet de Wit. Best hoor; ik zei Zwart schrijven.quot; De eigenaardigheid van jok bestaat vooral in eene sterke bijmenging van ironie. In kortswijl, d. i. iets wat de wijt, den tijd, op aangename wijze kort, is de beteekenis van al de voorafgaande woorden vervat, het kan dus eenigermate als de algemeene uitdrukking beschouwd worden. Nu was er geen eind aan de kortswijl en de grappen van den chirurgijnsjongen. Luim ziet op los daarheen geworpen, geestige invallen. Ernst en luim.
Boertig, zie Aardig.
Boeten voor, zie Bezuren.
Boeten, zie Bekoopen.
Boetvaardigheid, zie Berouw.
Boezem â borst â hart. Deze drie woorden duiden in figuurlijken zin de plaats aan waar zich het uitgangspunt van hel tnenschelijk gemoeds-en gevoelsleven bevindt. Van boezem is de oorspronkelijke beteekenis bn-bekend, in lateren tijd beteekende het de ruimte, welke zich voor op de borst bevond in een los omgeslagen kleed; verder duidde het het zich daaronder bevindende lichaamsdeel aan, en thans wordt het bij voorkeur gebruikt van een vrouwenborst. Boezem, als do zachtere uitdrukking, wordt figuurlijk altijd in die spreekwijzen gebezigd, die het denkbeeld meebrengen van koesteren, voeden. Bij hart en borst heeft men meer de aan-
142
BOL -BOO.
doening van het gemoed op het oog, in het eerste geval let men meer op het gevoelige, in het laatste op de kracht. Eene slang aan zijn boezem koesteren.. Hel kind rustte aan haar boezem. Zijn boezem lucht geven. Bij uitbreiding heeft boezem de beteekenis van bocht gekregen, zooals in zeeboezem. Daarentegen zegt men: zich mei de horst op iets toeleggen; tegen de borst sluiten. Hel ligt hem na aan het hart. /ijn hart uitstorten.
Bolster â dop. Dop is de schaal waarin iets vervat is: eierdop, notedop; bolster de buitenste bast of schil van sommige vruchten, zooals noten, enz.; ook het ruwe omkleedsel van het graan.
Bond â bent â genootschap â gezelschap â maatschappij â vereeniglng. Eene samenwerking van onderscheiden personen tot een gemeenschappelijk doel. Vereeniging is hot algemeene woord. Wanneer zulke vereenigingen eene gewichtige strekking hebben en zich ver uitbreiden, dan dragen zij bij voorkeur den naam van genootschap of maatschappij. Gezelschap onderstelt eigenlijk gezellig samenzijn doch staat thans gelijk met vereeniging. Een leesgezelschap. Een schcrmgezelschap. Het zendelinggenootschap. Het historisch genootschap. De maatschappij van Nederlandsche lellerkunde. De handelmaatschappij. In den laatsten tijd is de naam bond in zwang gekomen voor zoodanige vereeningen, waaraan men vroeger den naam zou gegeven hebben van genootschap of maatschappij. De protestantenbond. De weerbaarheidsbond. De anli-dienstvervangingsbond. Bent wordt voornamelijk gebruikt voor eene vereeniging van kunstbroeders. De schildersbent. De letterkundige bentgenooten.
Bondig, zie Beknopt.
Bont â veelkleurig. Veelkleurig ziet op de vereeniging van vele, bont eigenlijk slechts op die van zeer uiteenloopende kleuren. Laatstgenoemde kleurschakeering wordt dan naar de 't meest in 't oog loopende kleur roodbont, zwartbont, wilbont, enz. genoemd.
Boodschapper â bode. Onder boodschapper verstaat men meer een persoon, die voor een enkele maal een tijding overbrengt of iets moet aankondigen; onder bode een persoon, die het bodeambt bekleedt.
Boodschapper, zie Afgezant.
Boog, zie Bocht.
Boomvrucht â fruit â ooft. Fruil noemt men alle eetbare vruchten, uit het plantenrijk, zooals appelen, peren, aardbezión, frambozen, bessen, enz.; boomvruchten die vruchten, welke aan boomen groeien. Onder ooft verstaat men alle fruit, doch inzonderheid appelen en peren. De lakken zijn gebogen onder hel wicht van hel ooft. Fruit wordt ook gebezigd voor groente b.v. fruitvrouw.
Als iemand met een kaag die fruiten heeft geladen Zich op de reize geeft en naar de markten spoedt...
Boord â kant â kust â oever â rand â strand â wal â zoom. De grenzen van een vlak. Boord, rand, kant en zoom worden
143
BOO.
van de grenzen van verschillende soorten van vlakken gezegd, kust, oouor strand en wal alleen van de grenzen eener uitgestrektheid lands, wanneer deze door water worden aangegeven. Ka)it duidt meestal de smallere zijvlakte van iets aan: de kant van de tafel, van eon geldstuk (ook de rand), de waterkant. Men zegt verder de hoord of de rand van een glas, de kant, van een vlot. Wanneer men van de boorden eener rivier spreekt, dan verstaat men daar eigenlijk de grenslijnen barer bedding onder. Wordt eene vlakteuitgestrektheid omgeven door eene eenigszins verhevene strook, dan noemt men die zoom; ligt die strook nog binnen den zoom, en vormt zij eene soort van lijst om de vlakteuitgestrektheid, dan heet zij rand. De zoom van linnen, van laken, van een bosch: met gras, met bloemen omzoomd. Vergelijk: den rand en den zoom van een zakdoek. De rand (lijst) om een plafond. Oever wordt zoowel met betrekking tot de zee als tot rivieren gebezigd, strand alleen mei betrekking tot de zee. Kust heet de lijn, waarin land en zee elkander ontmoeten, verder wordt er onder verstaan de geheele streek land, die zich langs de zee uitstrekt. Door wal verstaat men een oever, waaraan door kunst meer verhevenheid gegeven is, dan hij oorspronkelijk had, gelijk het geval is met de oevers van de meeste Hollandsche binnenwateren.
Boord â krnng. Beide woorden waren oorspronkelijk niet synoniem. Boord was de rand van het kleedingstuk aan den hals; kraag was de benaming voor den hals en vervolgens ook van het keelgat; b.v. in iemand bij den kraag pakken en een stuk in den kraag hebben, en uitvroegeren tijd:
't roode bloot schoot hem in den mont uyt zijner cragen. Langzamerhand is het er mede gegaan als met het fransche woord col, dat oorspronkelijk hals beteekende, maar allengs de beteekenis van halsboord heeft gekregen. ïusschen boord en kraag is nu het verschil, dat het eerste woord meer een staande linnen rand aan den hals aanduidt, het laatste meer een liggende rand.
Roos â kwaad â slcclit. Boos wordt bij voorkeur gebezigd van personen en van menschelijke aandoeningen die door hun aard en natuur niet dan kwaad kunnen stichten. Het duidt een hoogen graad van zedelijke verdorvenheid aan (booze gedachten, een boosdoener, de Booze, een hoos mensch). Boosheid gepaard met nijdigheid, een verlangen om anderen leed te doen, wordt aangeduid door kwaad. Iemand een Kwaad hart toedragen. »'l Is een kwaad kreng; ik ken hem goed.quot; Kwaad is eigenlijk hetgeen van boozen en slechten uitgaat. Slecht is eigenlijk effen, verder glad en eenvoudig; hieruit heeft zich de ongunstige beteekenis ontwikkeld, die liet thans heeft, n.l. van zedelijk laag staande, of niet ontwikkeld en daardoor wat kwaad en verkeerd is te weeg brengende. Kwaad en slecht worden van zaken en van personen gezegd. Het eerste woord zegt meer dan de beide andere. Van kwaad tot erger. Hij ziet er slecht uit. Eene kwade tijding. Het is er erg (zeer treurig) mede gesteld. Erg heeft ook nog de beteekenis van zeer ziek. Hij ligt zeer erg.
Boos â driftig â gebeten â opioopend â opvliegend â kwaad â nydig â toornig â .verbolgen â vertoornd â wr«-
144
BOOâBOR.
vellg. Deze woorden duiden de gemoedsstemming aan van iemand, die ongenoegen gevoelt over eene daad van een ander. Uit zich de verstoordheid niet rechtstreeks dan is men wrevelig. Wanneer men de woorden hoos, gebeten, kwaad, nijdig of vertoornd gebruikt, heeft men den persoon op het oog in wien men de oorzaak van zijn ongenoegen ziet; mei driftig, kwaad, toornig enver-bolgen heeft men meer het oog op de bewogen gemoedsstemming. Boos heeft de minste kracht, gebeten en nijdig zijn sterkeren kunnen van langeren duur zijn, aan beide is eigen een sterke lust om den tegenstander leed toe te voegen, welke lust bij kwaad, dat meer eene algemeene uiting, die ook anderen kan treffen, te kennen geeft, niet zoo sterk op den voorgrond staat, bij boos bijna geheel ontbreekt; verloorend ziet op de hartstochtelijke uiting van het ongenoegen. Driftig, oploopend en opvliegend en soms ook kwaad duiden de eigenschap aan van het karakter van een persoon die zich spoedig laat vervoeren tot eene mate van hartstochtelijke gemoedsbeweging; bij driftig is die snel en plotseling opkomend en even snel weder voorbij; toornig wordt gezegd van de uit misnoegen ontstane driftsvervoering, die zich naar buiten uit in daden of woorden; waar zij zich in sterkere mate vertoont noemt men den toornige verbolgen. Voor driftig en toornig wordt ook dikwijls het woord kwaad gebruikt. Opvliegend en oploopend is degene, die zich zeer snel tot toorn laat vervoeren; deze beide laatste woorden duiden meer het plotselinge en heftige der vervoering aan, minder den aard der gemoedsbeweging.
Boosheid â drift â gramschap â oploopendhcld â opvliegendheid â toorn â verbolgenheid â verontwaardiging â woede â wrevel â wrok. Wrevel is de misnoegdheid over iets, die zich nog niet rechtstreeks uitspreekt; gevoelt men misnoegen over eene lage daad , die verachting opwekt, dan spreekt men van verontwaardiging. Neemt deze toe in kracht en komt er hartstocht bij in het spel, dan noemt men de uiting van dit gevoel boosheid, gramschap of toorn. De eerste ziet meer op het gevoel en is niet zoo sterk, toorn ziet op de uiting van den hartstocht en, terwijl gramschap een gevoel van misnoegen is, dat van langeren duur is, gaaUoorn sneller voorbij. Hevige toorn, waarbij de misnoegde buiten zich zelf is en de macht over zijne rede verliest, noemt men woede. Is dit laatste niet het geval en heeft men meer de hevige uiting van den toorn op het oog, dan noemt men deze verbolgenheid. Uit de gramschap zich niet en verbindt zich met haar lust om zich te wreken dan ontstaat er wrok. Snel opkomende doch voorbijgaande opwelling van toorn noemt men drift; waar zij gedurig voorkomt, daar is zij het gevolg van oploopendheid, uit deze zich eensklaps zeer sterk dan spreekt men van opvliegendheid. Drift], oploopendheid en opvliegendheid zijn hoedanigheden van het karakter. Men is driftig, oploopend of opvliegend, maar men wordt niet oploopend of opvliegend, wel driftig, maar dan in den zin van vertoornd.
Borg â gijzelaar. De borg stelt zich voor het nakomen der beloften van een derde verantwoordelijk met zijn goed, de gijzelaar met zijn lijf, zijn leven. Gijzelaar noemt men inzonderheid een persoon van beteekenis,
SYNONIEMEN. 10
BORânou.
die in oorlogstijd als onderpand genomen of gegeven wordt voor de nakoming van gestelde voorwaarden.
Korsblifvcn â goedspreken â Instaan â waarborgen. Zich voor iemand aansprakelijk stellen; beloven dat men, indien hij zekere verplichtingen niet nakomt, daaraan in zijne plaats zal voldoen. Borgblijven en goedspreken zien op een wettelijke, meest geldelijke, en instaan en waarborgen, dat minder in gebruik is, meer op eene zedelijke verantwoordelijkheid.
Borst, zie Boezem.
Bos â bundel â pak â rist. Eene verzameling van gelijke of verschillende voorwerpen, die met elkander zijn verbonden. Worden zij alleen door een band bijeengehouden dan vormen zij een bundel of hos. Bos heet bij voorkeur eene verzameling langwerpige en niet zeer vast samengebonden dingen. Men zegt: een bundel pijlen, een bundel slokken, maar een bos pennen, een bos slroo, een tnkkebos. Pak geeft te kennen, dat de bijeengevoegde zaken hoofdzakelijk hierdoor bijeengehouden worden, dat zij met do eene of andere stof omwikkeld zijn. Een pak papieren, een pak goederen. Mei het pak gaan (manufacturen langs de huizen rondventen). Rist eindelijk noemt men eene verzameling voorwerpen, aaneengeregen of vastgehecht aan een stok of eene lat. Een rist uien, een rist vinken.
Bos, zie Oarf.
Bosch â bont â woud. Eene met boomen begroeide uitgestrektheid gronds. Bosch is de gewone benaming. Het Haagsche bosch, het Soerensche bosch. Groote bosschen, die, toen zij den naam kregen, nog meer of minder in den natuurstaat verkeerden, noemt men wouden. Het Teutoburger woud; het Zwarte woud. Hout voor bosch is eene verouderde uitdrukking, die nog alleen in den Alkmaarder hout en den Haarlemmer hout is overgebleven. De gewone beteekenis van hout is tegenwoordig kreupelhout. Als de hazen bij dag uit het hout komen gaat het regenen.
Bot â stomp. Wat niet scherp is, maar vooral wat zijne scherpte verloren heeft. Bot wordt meer van de snede, scherp meer van de punt gezegd. Een holle schaar. Een stompe degen. Figuurlijk heeft 60/de beteekenis van niet snugger, dom, in één woord het tegenovergestelde van snedig; slomp die van vermoeid van geest, versuft. Hij is een hot mensch (een botterik). Ik heb mij daar stomp op gedacht. Ik zeide het hem botweg, d. i. ik wond er geen doekjes om.
Botsen, zie Afstuiten.
Bouwen Op) â rekenen (op} â verlaten (zicli____opj â
vertrouwen C0P)- O}) iets of iemand vertrouwen âhet er voor houden, dat die zaak goed, of die persoon zoo jegens ons gezind is, dfit wij op grond daarvan met gerustheid kunnen ondernemen, wat wij ons voorgenomen hebben. Nog sterKer wordt dit uitgedrukt floor op iels of iemand bouwen, eigenlijk iemand voor zoo soliede honden, dat hij als 'tware de grondslag kan zijn, waarop een gebouw wordt opgetrokken. Op iels of iemand rekenen geeft te kennen, dat wij bij de volvoering onzer voornemens medewerking
146
BOUâBOV.
verwachten, wat nog sterker aangeduid wordt door zich op iels of iemand verlaten. De beleekenis dezer woorden blijke verder uit den volgenden zin: Toen Miltiades hel waagstuk ondernam de Perzische overmacht bij Marathon aan te grijpen, vertrouwde hij op de rechtvaardigheid der door hem verdedigde zaak, rekende hij op de verwarring, welke die onverhoedsche aanval in de vijandelijke gelederen zou veroorzaken, verliet hij zich op zijn veldheerstalent en op de kennis van de zwakke zijde der Oostersche legers, die hij als generaal van Darius had opgedaan, en bouwde hij bovenal op de vaderlandsliefde en de dapperheid zijner soldaten.
Bouwen, zie Aanleggen.
Bouwen â oprichten â opstellen â opzetten â stichten.
Tijdelijke woningen of gebouwen, die licht en dicht vervaardigd worden, zooals kramen, kermistenten, barakken, enz,, worden opgezet; van een monument of standbeeld, dat men eerst in horizontale positie heeft gehad en in loodrechten stand brengt, zegt men dat het wordt opgericht; waar een geraamte vau iets in elkaar wordt gezel in loodrechten stand, h.v. van de spanten van een schip, zegt men dat hel wordt opgesteld; blijvende woningen , uit duurzamer grondstoffen en met meer zorg samengesteld, worden gebouwd; monumentale gebouwen, zooals kloosters, kerken, paleizen, universiteitsgebouwen, enz., worden geslicht. Figuurlijk zegt men ook een rijk stichten voor een rijk grondvesten. In de uitdrukking bouw en trouw met uivs gelijk heeft houwen niet de beteekenis van een gebouw tot stand brengen, maar de thans verouderde beleekenis van wonen, die men ook in afgeleide substanliva als buur, boer e. a. aantreft.
Boven Ct® ⢠⢠⢠⢠ga,*n) â overtrelFen. Hel onderscheid lusschen te boven gaan en overtreffen bestaat hierin, dat overtreffen altijd eene vergelijking onderstelt van eigenschappen of van voorwerpen, die geacht worden gelijksoortige eigenschappen te bezitten, terwijl te boven gaan ook gebruikt wordt van de vergelijking lusschen krachten en de uilwerking, die zij teweegbrengen. De gcwroch ten van de groote Grieksche beeldhouwers, een Phidias, een Scopas, een Praxitiles, zijn tot heden nog altijd niet geëvenaard, laat staan overtroffen. Tegen den tijdgeest een dam op te werpen geuit zelfs het vermogen der machtigste vorsten te boven; een Julianus, een Karei V hebben dat op gevoelige wijze ondervonden.
Bovenal â vooral. Beide woorden geven te kennen, dat men aan datgene, waarop zij betrekking hebben, in de eerste plaats zijne aandacht dient te wijden. Bovenal ziet op het volstrekte, vooral op het betrekkelijke gewicht der zaak. Heb God lief bovenal, en den naaste als u zeiven. Demosthenes heeft terecht opgemerkt, dat hel geheim der ivelsprekendheid vooral in ecne boeiende, wegsleependc voordracht is te zoeken.
Bovendien â buitendien â daarenboven worden gebezigd lot aanduiding van datgene, wal behalve hel reeds opgesomde nog in aanmerking komt. Bovendien en daarenboven hebben betrekking op dingen van dezelfde orde (gelijkslachtige), buitendien slaat op dingen van eene andere orde (ongelijkslachtige). Katharina TI van Rusland verdient het
â 10*
147
BRA.
onc/unstige oordeel niet, dat sommige géscldedschrijvers over haar vellen. Zij tvas krachtig, schrander, talentvol, zij blaakte van ijver voor de grootheid van haar land en het welzijn hurer onderdanen; daarenboven wist zij in den regel hare dienaren voortrejfelijk te kiezen; buitendien waren hare galante zwakheden het gebrek van haar tijd.
Braaf â eerlijk. Onbesproken van gedrag. Eerlijkheid ziet meer op negatieve deugd (de afwezigheid van ondeugd), braafheid meer op positieve deugd (het bezit van eene deugdzame inborst.) Een eerlijk man is dus nog niet altijd een braaf man, maar omgekeerd zal een braaf man altijd eerlijk handelen. Een eerlijk man is een man, die zich niet misdragen heeft en behoorlijk onderscheid tusschen mijn en dijn weet te maken; een braaf man een man, die zich niet misdragen zal.
Braaf, zie Deugdzaam.
Braafheid, zie Deugd.
Braak â onbebouwd â woest. Onbebouwd zegt niets anders, dan dat een stuk grond, om welke reden dan ook, niet in kuituur is; in braak ligt het bijbegrip, dat die toestand voorbijgaande is, dat het slechts tijdelijk, meestal voor een jaar, ongebruikt wordt gelaten. Men vreesde vroeger, toen men hem niet zoo bemestte, den grond al te zeer uit te putten door hem jaar op jaar te bebouwen. Bij de Israëlieten moest ieder stuk land om de negen jaar een braakjaar hebben. Woest ziet meer op don geheelen toestand, het duidt aan dat de grond onbebouwd is en dat het land eerst in orde gemaakt moet worden, alvorens het geschikt is ter bebouwing.
Braden, zie Bakken.
Brak â zout â zilt. Zout, zilt zegt men van water, dat uit zijn aard met veel zoutdeelen bezwangerd is, brak van zoet water, dat door de vermenging met zeewater of door oplossing van zand en andere bestand-deelen van den bodem ondrinkbaar is geworden. Het water der zee is zout. De zilte baren, een brakke wel.
Braken â overgeven â spugen â spuwen. Hot door den mond uitwerpen van stolfen. Spuwen wordt in het algemeen gebruikt voor iets op deze wijze uitwerpen; zonder meer beteekent het speeksel uitwerpen. Figuurlijk wordt het ook van zaken gezegd als een berg, die vuur spuwt. Dialectisch heeft spuwen dezelfde kracht. Dikwijls wordt dit echter ook gebruikt van het uitwerpen van stolfen door den mond, tengevolge van eene ziekelijke aandoening van de maag. Bij braken is dit altijd het geval, terwijl overgeven euphemistisch voor braken gebruikt wordt.
Brandstichten, zie Aansteken.
Branding, zie Deining.
Brassen â slempen â smullen â zwelgen. Zich te buiten gaan aan keur van spijs en drank. Brassen ziet op de veelheid der gerechten, waarmee eene lijne tafel beladen is. Smullen ziet meer op het genot hebben van de fijne en lekkere spijzen. Slempen en zwelgen, zien meer op het eten en drinken en duiden het snel doen verdwijnen door het keelgat aan.
448
URE.
Aan zwelgen is nog meer eene ongunstige beteekenis eigen dan aan slcm-pen of brassen. De beide laatste zetten meer nog de vroolijke omgeving van vrienden of dischgenooten op den voorgrond, met wie men zich te buiten gaat. Smullen kan ook in minder ongunstigen zin gebezigd worden; dikwijls beteekent het niet meer dan zich te goed doen, zeev lekker eten.
Breed â onbekrompen â ruim â wijd. Ruim en wijd duiden eene ruimte aan, waarin men zich goed roeren, gemakkelijk bewogen kan in alle richtingen; zij zeggen positief hetzelfde, wat onbekrompen negatief uitdrukt. Breed daarentegen geeft alleen ruimte te kennen ten opzichte van één der drie wiskunstige afmetingen. Eene ruime kamer; de wijde wereld; eene breede straat. Onbekrompen wordt veelal figuurlijk gebruikt in don zin van vrijgevig, mild. Eene onbekrompen denkwijze. Figuurlijk worden ruim en breed onder andere gebezigd in den zin van gegoed: het niet breed hebben, hel niet ruim hebben; breed en wijd in dien van uitvoerig: alles lang en breed vertellen, iets wijd en breed uitmeten; ruim in dien van onbelemmerd: de handen ruim hebben; breed in dien van groot: eene breede lijst van misslagen, en van grof: er met de breede bijl op inhakken (roekeloos met iets omgaan of hard of grof te werk gaan).
Breedvoerig, zie onisiaeiitlg.
Breekbaar â broos â bros. Wat breekbaar is kan met meer of minder gemak, wat broos is kan zeer gemakkelijk gebroken worden. Hard-glas is breekbaar, dun glas is broos. liet mahoniehout is schoon, maar bros. Figuurlijk heeft broos de beteekenis van vergankelijk. De menseh is een broos wezen; de goederen der wereld zijn broos. Wat de eigenlijke beteekenis aangaat en wat den oorsprong betreft, is bros hetzellde als broos. Het wordt echter alleen praedicatief gebruikt en dan met de bijbeteekenis van licht afbrokkelend.
Breidel â gebit â teugel â toom. De riemen, waarmee lasten trekdieren bestuurd worden. Hoofdstel noemt men de gezamenlijke riemen, die aan den kop van het dier bevestigd worden; breidel, gebit (bit) het mondstuk, dat door die riemen in den bek wordt opgehouden. Teugels heeten de leireepen aan het mondstuk vastgemaakt, waarmee men stuurt. Toom wordt zoowel van het geheele hoofdstel, als van het gebit of de teugels gezegd. Figuurlijk wordt tnom, gelijk breidel en teugel, gebezigd in uitdrukkingen a'ls deze: zijne hartstochten in toom houden; den teugel vieren aan zijne hartstochten; zijne hartstochten een breidel aanleggen.
Breldeloos, zie Bandeloos.
Breken â verbreken â verbrijzelen â vergruizen â vermorzelen â verpletteren. Een lichaam op eene onregelmatige en gewelddadige wijze vanéénscheiden, of althans van zijn natuurlijken samenhang berooven. Breken geschiedt niet altijd met opzet (men breeut bij ongeluk een glas), ja zelfs niet eens altijd ten nadeele van den bezitter * van het gebroken voorwerp (men breekt brood, koek, enz.). Verbreken onderstelt altijd opzet, en wordt hoofdzakelijk gezegd van het breken van zulke voorwerpen, die iemand in zijne vrijheid van beweging belemmeren:
149
BREâBRO.
banden, ketenen, Loeien verbreken; figuurlijk: ecne wel verbreken, een verdrag verbreken, ze vernietigen. Verbrijzelen, vergruizen (aan gruis slaan) en ook soms breken worden van voorwerpen gezegd, die aan kleine stukken uiteenspringen, vermorzelen, verpletteren van voorwerpen, die in elkaar geperst of geslagen worden. Eene glasruit wordt gebroken, verbrijzeld, vergruisd. Hel been van den armen marskramer werd onder den vrachtwagen vermorzeld. Door dien steenworp verpletterd, stortte de overmoedige aanvaller neder. Overdrachtelijk zegt men dat het ongeluk 's menschen geest en moed verplettert, het leed of het berouw zijn hart verbrijzelt.
Brengen â lelden â voeren. Iets of iemand van plaats doen veranderen of de richting der beweging van iets of iemand bepalen. Het laatste gedeelte dezer bepaling slaat op ietden,, het eerste gedeelte op brengen en voeren. Dij laatstgenoemde woorden is de plaatsverandering geheel het werk van den tusschenpersoon. Voeren, van varen, wil eigenlijk zeggen, dat de verplaatsing door middel van een voertuig geschiedt, doch beteekent bij uitbreiding ook verplaatsen in het algemeen. Bij brengen kan de plaats-bestemming als bekend worden aangenomen. Breng een glas water beteekent ; breng het hier. Bij voeren dient zij echter altijd uitdrukkelijk te â worden aangewezen. Naar huis voerei\, opwaarts voeren. Leidegt;i wordt alleen gebezigd van personen, die den wil, en van wezens, die het vermogen tot voortgaan zelf bezitten; het bepaalt zich tot de zorg, dat de beweging geschiedt in de juiste of de verlangde richting. Water door do stad leiden. Een blinde, een kind, een dier leiden.
Ilrleschcn â hinniken. Briesehen is het korte, luide uitstooten van den adem, waardoor de paarden hun vuur of hun ongeduld te kennen geven; hinniken het geluid, dat zij maken ten teeken van herkenning. Volgens Herodotus had Darius Hyslaspes aan het hinniken van zijn paard de kroon van Perzië te danken.
Broddelen â knoeien. Werk slecht verrichten. Knoeien is het slecht of slordig werken in het algemeen. Broddelen ziet vooral op het verwarren in het werk door tegen de vaste regels, die er bij in acht moeien genomen worden, te zondigen. Men broddelt b.v. in een naai-, een brei-, een haak-, een tapisseriewerk.
Broeien, zie Bakeren.
Broek â moeras. Moeras is een weeke, waterachtige grond en zonder merkbare toe- of afvloeiing van het water; broek eene wel zeer waterachtige, maar toch niet geheel onder water staande uitgestrektheid gronds, die hier en daar vooral in den zomer droge, begaanbare plaatsen heeft en waaraan toe- of afvloeiing van water te bespeuren is.
Brommen â gonzen â grommen â knorren. Eigenlijk duiden deze woorden het onaangename geluid aan, dat door sommige dieren wordt voortgebracht. De roerdomp en de bromvlieg brommen; de muggen gonzen; het valken knort; do beer bromt of gromt. Overdrachtelijk wordt grommen gezegd van een onmelodieus geluid van muziekinstrumenten of
150
BRO-BRU.
zware klokken; alle woorden, behalve c/onzen, van den onaangenamen klank, dien de menschelijke stem bij ontevredenheid of toorn aanneemt. Hij bromt {gromt of knort) ook altijd.
Rron â wel. De plaats, waar het water beneden de oppervlakte der aarde uit den grond komt, noemt men wel: de wel van eene pomp; de plaats, waar hel aan of boven do oppervlakte der aarde ontspringt, heet bron. Bij wel denkt men moer aan een voortdurend opborrelen uit den grond, bij bron aan eene gemakkelijke gelegenheid om de vloeistof door scheppen enz. te verkrijgen. Mazes deed door een slcuj met zijn staf eene bron uit de steenrots ontspringen.
Bron â oorsprong. De gezamenlijke bronnen eener rivier vormen den oorsprong der rivier. Het eerste ziet meer op het ontstaan van den waterstroom, oorsprong op de herkomst van de rivier. Figuurlijk gebruikt men bron en oorsprong juist omgekeerd; het. eerste voor de naaste, het tweede voor de meer verwijderde aanleiding eener zaak. De bron van het zedenbederf der Romeinen was hun bovenmatige rijkdom; gaal men echter terug tot den oorsprong daarvan, dan vindt men dien in hunne Aziatische veroveringen.
Brooddronken, zie Dartel.
Broodwinning â bestaan â kostwinning â nering. De
middelen, waardoor iemand in zijn onderhoud voorziet. Beslaan valt hier eigenlijk niet onder, dewijl dit woord het zijn of leven in zijn wijdsten omvang aanduidt, in engeren zin is hot echter wel synoniem met broodwinning, enz. daar het ook gebruikt wordt voor die middelen tot onderhoud, waarbij handenarbeid niet zoo bepaald op den voorgrond treedt; b.v. hij vindt zijn bestaan in den graanhandel. Even zeer als men spreekt van ruim leven kan men zeggen: hij heeft er een ruim bestaan. Van de andere woorden kan men zulks niet zeggen. Broodwinning, kostwinning en nering zien op het verdienen van hetgeen noodig is om in zijn bestaan te voorzien, m. a. w. om te verdienen wat voor het levensonderhoud noodig is. Nering is in het algemeen het levensonderhoud, de voeding en wordt verder gebruikt voor het verdienen ervan door handel drijven. Bij kostwinning en broodwinning denkt men aan het winnen, hot arbeiden voor den kost, voor het brood, dat tot onderhoud dient. Brood staat hierin, als pars pro toto, voor onderhoud.
Broos, zie Breekbaar.
Bros, zie Breekbaar.
Brouwen, zie Berokkenen.
Bruidscliat â huwelijksgift â uitzet. Uitzet ziet op de kleederen, het linnengoed en de verdere huishoudelijke zaken, die de ouders van de bruid haar ten huwelijk medegeven; bruidschat uitsluitend op het vermogen, dat de bruid, huwelijksgift op het geschenk, dat het bruidspaar (of een van beiden) bij het huwelijk ontvangt.
BRUIâBUI.
Bruikbaar â geschikt. Bruikbaar zegt minder dan geschikt. Het laatste onderstelt, dat een voorwerp bepaald met het oog op zekere verrichting vervaardigd is, het eerste, dat het er desnoods toe kan gebezigd worden. Een mes, een schaar is bruikbaar om de kurk van eene flesch te verwijderen, doch de kurketrekker is daartoe het geschikte instrument. Figuurlijk bestaat er tusschen beide woorden hetzelfde onderscheid. Een geschikt mensch noemt men een zoodanig persoon, van wien men de zekerheid heeft, dat hij hetgeen hom wordt opgedragen goed zal verrichten; een bruikbaar mensch zoodanig iemand, van wien men zich wel kan bedienen, ofschoon men zijne bekwaamheid of vaardigheid niet hoog aanslaat.
Bruin â dlepsel â licht cn bruin â schaduw. Schaduw is de algemeene benaming voor de niet verlichte zijde van, of ruimte achter een voorwerp, dat door een of ander licht beschenen wordt. Bruin en diepsel zijn kunsttermen van schilders; het eerste is hetzelfde als schaduw, het laatste duidde vroeger de stof, waarmede men schaduwde of diepte en verder ook de schaduw aan, de plek waar de schaduwing het sterkst is; licht en bruin is de naam voor die eigenaardige tegenstelling van tonen, die men met een franschen term clair óbscur noemt
Bruisen â rulschen. Ruischen noemt men het zachte, liefelijke geluid, dat door heen en weer bewogen boombladeren en twijgen of door het water van een boekje of een kalm vlietenden stroom wordt voortgebracht; bruisen het sterke , indrukwekkende geleid van een krachtigen bergstroom of van een in sterke beweging zijnde watermassa.
Buldel , zie Beurs.
Buigbaar â bulgzanni. Buigbaar is alles wat gebogen kan worden door meerdere of mindere krachtsinspanning. Buigzaam wordt gezegd van datgene, wat de eigenschap bezit van zich gemakkelijk te voegen, van licht te buigen. De meeste houtsoorten zijn buigbaar. Riet is buigzaam. In figuurlijken zin is buigzaam wie gemakkelijk toegeeft, zich onderwerpt aan anderen; het is dan synoniem met gedwee.
Buigen, zie Wijgen.
Buiging, zie Blenaresse.
Buigzaam, zie Buigbaar.
Buil, zie Bult.
Buil , zie Zak.
Buis, zie Gang.
Bult â roof â prijs â prooi. Goed waarvan men zich met geweld meester maakt. Is het geweld door niets gerechtvaardigd, dan heet het wegnemen en bij uitbreiding ook het weggenomene een roof. Kerkroof, zeeroof. Grondt het geweld zich daarentegen op het oorlogsrecht, dan noemt men de tilbare have, het vee, enz., die de eene oorlogvoerende partij aan de andere ontneemt, buit. Buit heeft niet altijd de ongunstige beteekenis der andere woorden: de visscher komt met rijken huil naar huis. Prijs
m
BUIâBUL.
(ontleend aan het fransche prise) ziet op de daad van nemen. liet wordt voornamelijk gezegd van zoodanige voorwerpen, waarop de vijand meer de hand legt, dan dat hij ze eigenlijk bemachtigt, zooals weerlooze koopvaardijschepen, die in eene haven of op zee worden aangehouden. Prooi (evenzeer uit het iransch overgenomen proie â lat. praccla) was oorspronkelijk gelijkbeteekenend met roof en huil-, het heeft echter de meer bijzondere heteekenis gekregen van buit, waarvan een verscheurend dier zich meester maakt. In figuurlijken zin, als men hevige werkingen van het gemoed of van de natuur als het ware met roofdieren gelijkstelt, gebruikt men prooi in uitdrukkingen als: ten prooi aan wroeging, cene prooi der woeste golven, het huis werd eene prooi der vlammen.
Stultelcn â duikelen â tuimelen. Buitelen is voorovervallen; tuimelen voorover ergens afvallen; duikelen over het hoofd tuimelen, met het hoofd voorover of achterover eene omwenteling met het lichaam maken. Men maakt op den gelijken grond eene huiteling. Men tuimelt de trappen af. De acrobaat duikelt.
Bulten â uit. Uit geeft eene beweging te kennen, waarbij men het binnenste van een voorwerp verlaat, huilen drukt eene rust of beweging aan geene zijde van een voorwerp uit. Die uit eene plaats komt, was er in en bevindt zich daardoor er buiten. Uit de stad gaan. Buiten de stad wonen. Uit logeeren gaan. Buitenshuis zijn werk hebben.
Buitendien, zie Bovendien.
Buitengewoon, zie Bijzonder.
Bultenlandscli â ultliceinsch â vreemd. Buitenlandsch is wat niet behoort tot het land onzer inwoning. Uitheemsch stelt het buiten-landsche tegenover het binnenlandsche; het is wat in geen enkel opzicht eigen is aan het land onzer inwoning en daar de mensch in den regel het inlandsche, het inheetnsche, het eigene het hoogst schat, heeft het meestal eene ongunstige beteekenis. Uitheemsche zeden, pracht, gewoonten heteekenen zulke zeden, zulke pracht, zulke gewoonten, die men beter doet niet na te volgen. Vreemd is alles wat ons onbekend is, hetzij dit in het binnenland of in het buitenland gevonden wordt. Eene binnenlandsche stad, een landgenoot kan een Nederlander vreemd zijn. Vreemd heeft verder nog de beteekenis van niet tot onze maagschap behoorend {vreemde kinderen opvoeden), van aan anderen behoorend {een vreemd paard), van ongewoon (een vreemd geval), van zonderling {cene vreemde kleeding, een vreemde opschik, enz.).
Bulderen â razen â hullen. Deze drie woorden worden gezegd van het krachtig geluid, veroorzaakt door een hevigen wind. Bij bulderen is de windkracht zeer ongelijk; al naar mate de vlagen sterker zijn buldert de wind. Onder razen verstaat men meer het geregeld sterke geluid b.v. in den schoorsteen, terwijl men bij huilen meer een lluitend geluid hoort van den wind, die om hoeken of door nauwe openingen waait.
Bulderen, zie Aangaan.
Bult â bochel. Een harde oneffenheid op den rug ten gevolge eener
133
BULâCED.
uitzetting: van den ruggegraat. Hult of bochel noemt men zulk o.ene oneffenheid bij den mensch, bij de dieren alleen bult. De huiten van den kameel. De hult van den dromedaris.
Bult â buil. Elke harde oneffenheid op de huid noemt men een bult, buil slechts eene liuidopzetting of zwelling, welke van voorbijgaanden aard is of eenige vochtige stof bevat. Boor zich to stooten krijgt men een huil of een buil. De etterbuil moest geopereerd worden.
Bundel, zie Bos.
Burcht, zie Burg.
Burg â burcht â kasteel â slot. Alle duiden eigenlijk eene versterkte woning van een edelman in de middeleeuwen aan, waaromheen langzamerhand vlekken {burgen, Fr. bourgs, Eng. boroughs) ontstonden, wier bewoners bij ons den naam van burgers kregen. Burg, burcht, slot zijn Germaansche woorden, kasteel is de aan hel Latijn ontleende benaming van zulke versterkte woningen. Kasteel, oorspronkelijk eene versterkte legerplaats, kreeg later de beteekenis van eene sterkte; soms werd deze in of dicht bij eene stad opgericht om de burgerij in toom te houden, zooals hel kasteel Vredenhurg le Utrecht, het kasteel van Antwerpen.
Burgwal â gracht â kaal. Burgwallen noemt men te Amsterdam de thans aan weerskanten met huizen bebouwde maar vroeger tot de oude bewailing der stad behoord hebbende fmalle grachten. Ook in enkele andere Hollandsche steden komt de naam voor. Grachten heeten in het algemeen de gegraven waterleidingen binnen de steden, waarlangs aan beide zijden een met huizen bebouwde weg loopt. Kaai (kade) is de hooge, gemetselde oeverwal langs eene haven of een kanaal, die met huizen bezet is en niet noodzakelijk eene overzijde behoeft te hebben.
O.
Cedel (ceel) â H.jst â register â rol. Een stuk papier waarop men in geregelde volgorde de stipulaties van eene overeenkomst of een aantal aanteekeningen van zaken, die men niet uit het geheugen mag verliezen , heeft opgeteekend. Cedel (ceel) noemt men inzonderheid eene lijst voor tijdelijk gebruik, of eene opsomming van voorwaarden bij eene overeenkomst, die niet van zoo langen duur is, dat men er eene formeele acte van noodig acht. Toen hij zijn huisraad en alles opgeschreven had was het een lange ceel, doch de waarde was niet groot. Een huur ceel, pachl-ceel, rouwceel. Lijst zegt men van eene reeks namen, onder elkander opgeteekend, verder van namen en woorden in geregelde volgorde geboekt. Worden verschillende zulke lijsten tot een geheel vereenigd dan vormen zij een register. De registers van den burgerlijken stand. Dc lijsten en
154
CELâCIT.
staten der schutterplichticjen. Soldaten op de lijst brengen. Rol zegt men vooral van de lijst, waarop door een rechterlijk college de te behandelen rechtszaken naar hare volgorde gebracht worden, en van de scheepslijst, waarop de namen van al hel scheepsvolk, dat zich aan boord bevindt, worden opgeteekend. De zaak is op de rol. De monsterrol, üe scheepsrol.
Cel â kamertje. Een klein vertrek. Cellen noemt men de talrijke, uniforme vertrekjes in kloosters en gevangenissen. Figuurlijk is cel eene plaats, waar men zich gaarne alzondert. Mijne studeercel.
Christendom â clirlstenlieid. Christendom is de christelijke godsdienst of christelijke kerk; christenheid duidt de christenen, als collectief begrip gedacht, aan.
Cijfer â getalmerk. Heide woorden duiden het teeken aan, waardoor men een getal op schrift uitdrukt. Cijfer slaat wel eens voor de verzameling der getalmerken, hot getal. Figuurlijk gebruikt is hot in: Hij is eene md in het cijfer. Cijfer noemt men ook het geheime schrift, waarvan de diplomatieke agenten in hunne correspondentie met hunne regeeringen, en deze omgekeerd, zich bedienen. Waar men getallen aan wil duiden, is het eerste woord meer gebruikelijk dan het laatste.
Cijferen â rekenen. Cijferen is rekenen met getalmerken, en het geschiedt dus altijd op de lei, op pppier, enz. Rekenen kan ook uit het hoofd geschieden.
Cijns, zie Belasting
Cirkels â krans â kring â omtrek. Een kring is eene kromme lijn, die tot zichzelve terugkeert. liet daarbinnen gelegen vlak kan dus rond, ovaal of onregelmatig zijn. Kring wordt daardoor gebruikt om datgene in het maatschappelijk leven aan te duiden, wat binnen zekere grenzen gelegen is, of den omtrek, waarbinnen zich iets beweegt. Hij beweegt zich in de eerste kringen. Gebruikt men het woord omtrek voorde begrenzing van een vlak, dan kunnen de lijnen evengoed recht als krom zijn. Verder duidt dit woord de uitgestrektheid , den omvang van iets aan, de omgeving, de streek om iets heen. Onder cirkel verstaat men een kromme lijn, die zich op alle punten even ver van het middelpunt bevindt. Wanneer men spreekt van kringen om zon of maan, dan is ook synoniem het woord krans, dat ook eene kringvormige omvatting aanduidt, doch met het bijbegrip van versiersel.
Citroen â limoen. Gemeenlijk bezigt men ten onzent den naam citroen voor de versche, limoen voor do ingelegde vrucht van don citroenboom. De citroen en de limoen zijn intusschen verschillende vruchten; de laatste is eene kleine soort van citroen met veel sap en eene dunne schil.
155
DA AâMG.
O.
Hand â bedrijf â handeling. Handeling ziot alleen op de door den wil bepaalde uiting der kracht, daad is de onder het bereik der men-schelijke zintuigen vallende werking of handeling. Bedrijf is in hoofdzaak hetzelfde als daad, doch het beschouwt de daad meer in betrekking tot hare gevolgen. Men kan zeggen : dat is uw bedrijf, wanneer men wil uitdrukken, die snoode daad is uw werk. Daar ieder uitwerksel eene oorzaak, maar niet iedere oorzaak een zinnelijk waarneembaar uitwerksel behoeft te hebben, is wel iedere daad eene handeling, maar niet iedere handeling eene daad. Uit zijne handelingen kan men niet opmaken dat hij vooruit wil komen, want hij voert niets uit. Geen woorden maar daden zijn blijken van deugd.
Daagseh, zie Alledaagsch.
Daar, zie Aangemerkt.
Daar â aldaar â hier â ginds. Bijwoorden van plaats. Hier beteekent de plaats, waar de spreker zich bevindt; daar eene plaats in de nabijheid , aldaar wijst dit nog meer aan , dit woord slaat bij voorkeur aan het begin van een volzin en legt een sterkeren nadruk op de plaatsaanwijzing ; ginds wijst op eene meer verwijderde plaats. Wat is het hier een lief plekje; daar vóór ons die welige golvende korenakkers, en ginds in de verte de gezichteinder met statig geboomte omzoomd, waaruit de kerktoren zich slank en bevallig verheft. Eene verkorting van daar is er. Komen deze beide woorden in tegenstelling met elkander voor dan heeft daar sterker aanwijzende kracht. Ik kan het er niet vinden. Dan hebt ge met den neus gezocht, zie, daar ligt het.
Daarenboven, zie Bovendien.
Daarom, zie Bijgevolg.
Dadelijk , zie Aanstonds.
Dag (aan den . . . leggen) â kenbaar maken â toonen.
Zijne gedachten laten blijken aan anderen. Toonen is het algemeene woord, het laat in het midden of er opzet bij is of niet; bij aan den dag leggen is dit wel het geval, doch hierbij ontbreekt de uitdrukking der bedoeling om het aan anderen over te brengen, wat in kenbaar maken reeds opgesloten is. Kenbaar maken wordt dikwijls gezegd van de wilsuiting van een gezaghebber tegen zijn onderhoorigen. De souverein maakt zijn wil kenbaar aan zijne onderdanen; de patroon maakt zijne tevredenheid kenbaar aan zijn bediende. Ten aanzien van aan dan dag leggen bestaat er zoodanige beperking niet. De weerbarstige knaap , eindelijk tot inkeer gekomen, trachtte op allerlei wijzen zijn berouw aan den dag te leggen. Hij toonde echter spoedig weder zijne oude kuren.
Dagelijksch, zie Alledaagscli.
Dageraad â krieken van den ilag â morgen â ochtend â
DAG-DAL.
aanbreken. Aanbreken is de aanvang van den dag in het algemeen. Door dageraad en het krieken van den dag verstaat men het zichtbaar worden van het zonlicht, door ochtend het begin, door morgen de eerste uren van den dag. Men staat met het krieken van den dag, met den dageraad op. Men wenscht elkander een goeden morgen, niet een goeden ochtend. Morgenstond en ochtendstond zijn de morgentijd en de ochtendure, daarom zegt men niet de ochtendstond, maar de morgenstond heeft goud in den mond.
Dagge â dolk â ponjaard â pook. Een kort werktuig om mede te steken. Dagge is een verouderd woord uit de riddertijden voor dolk, hetwelk thans het gewone woord is. Ponjaard is een vreemd woord van Romaanschen oorsprong hiervoor. Een pook was een korte degen die in vorige eeuwen aan een draagband gedragen werd en dikwijls als versiersel dienst deed.
Dal â vallei. Terwijl iedere uitgestrektheid gronds, die door geen oneffenheid wordt afgebroken (een niet geaccidenteerd terrein) vlakte heet, noemt men dal en vallei een grooter of kleiner terrein tusschen de bergen. Dal wordt in den regel van eene kleinere, vallei van eene grootere vlakte tusschen bergen gelegen gebezigd. Het dal is gewoonlijk door steilere bergen ingesloten, terwijl eene vallei tusschen heuvels of op verderen afstand gelegen en langzaam afhellende bergen ligt. Het Aardal. Het Dal Tempe. De Geldersehe vallei.
Dalen â afdalen â nederdalen â nederstorten â naar beneden storten â struikelen â vallen â zakken â zinken. Zich meer of minder snel nederwaarts bewegen. Vallen duidt eene ne-derwaartsche beweging aan, die niet van onzen wil afhankelijk is; het zegt, dat een lichaam aan de aantrekkingskracht van de aarde gehoorzaamt, zonder dat deze door eenige noemenswaarde andere kracht gebroken wordt, hetgeen bij struikelen wel het geval is. Storten, als intransitief, is plotseling van eene hoogte zeer snel naar beneden vallen; als transitief of reflexief is het iemand doen vallen, hetzij met opzet, hetzij bij toeval. Het paard van den prins stortte en brak het voorbeen. De duiker stortte zich in de golven. Ik heb wijn op hel tafellaken gestort en maak u mijne excuses. Dalen geeft eene langzame , geleidelijke beweging naar de oppervlakte der aarde te kennen. Het reisgezelschap daalde den berg af; de luchtballon daalde neder; zakken en zinken eene verwijdering van die oppervlakte ten gevolge eener nederwaartsche beweging, welke aan die oppervlakte haar oorsprong nam. In den modder zakken of zinken. Zinken is snel zakken, en heeft verder nog de bijbeteekenis, dat de nederwaartsche beweging zoo lang wordt voortgezet, dat het voorwerp onder de oppervlakte schuil gaat, uit het gezicht verdwijnt, en op den vasten grond of den bodem van het water blijft rusten. Het schip zonk. Zegt men het water zakt of valt, dan heeft men het oog op den tegenwoordigen stand van het water in tegenstelling van den vroegeron. Figuurlijk zegt men: de prijzen dalen; het hoofd laten zakken; hij is diep gezonken; die staat zie toe dat hij niet valle.
157
DAMâDAN.
Dam â beer â «tijk â hoofd â watcrkecrlng. Waterkecring is de algemeene naam. Dijk is eene waterkeering langs een water, dam eene waterkeering dwars door ol voor den ingang van een Water, hoofd; eigenlijk het hoofd van den dijk, een door kunst aangelegde haveningang die dient om den golfslag van het uitstrooraende water te breken en om de ophooping \an zand of slib te beletten. Het schip lag voor hot hoofd. Beer is een muur met smallen rug, die óf dient om een dijk bijzonder te versterken, óf om een kleiner water van een grooter af te scheiden, waar men, wanneer men een dam aanbracht, een middel tot communicatie zou aanbrengen, dat men niet begeert, b.v. in het rayon eener vesting. Dam wordt dikwijls figuurlijk gebruikt. Een dam legen willekeur opwerpen. Hel hek is van den dam. Een haan is stout op eigen dam ~ te huis gevoelt iedereen zich beter op zijn gemak dan elders.
Damp â mist â nevel â rook â smook â stoom â uitwaseming â uitdamping â walm. Stoffen in verdunden toestand en lichter dan de lucht, nog niet zoo ijl dat zij onmiddelijk door deze kunnen worden opgenomen. Lamp wordt gezegd van de vervluchtigde bestanddeelen van vloeistoffen zoowel als van vaste stoffen. Waterdamp, tabaksdamp, kolendamp. Uitdamping slaat vooral op de dampen, die zich uit een deels vloeibaar, deels vast lichaam ontwikkelen. De â uitdampingen van poelen en moerassen zijn voor de gezondheid hoogst nadeelig. Uitwaseming wordt bij voorkeur gebezigd van de dampen, veroorzaakt door het uitstralen der warmte van een dierlijk lichaam. Rook is de damp, die uit brandende, smook of walm de zware damp, die uit smeulende en vettige voorwerpen opstijgt; walm wordt bij voorkeur gezegd van den vetten rook eener kaars of lamp. Sloom is de ijle damp, wasem de neerslaande damp van kokend water. Mist en nevel duiden beide laag bij den grond hangenden waterdamp aan, de eerste is zoo dik, dat hij het uitzicht geheel belemmert en het best bij eene tot in de onderste luchtlaag neergedaalde wolk is te vergelijken. Nevel is die laag hangende damp, die of den vorm van ijle wolken aanneemt, of als blauwe damp slechts het verre uitzicht belemmert. Figuurlijk wordt nevel gebezigd om een duisteren, onzekeren en somberen toestand aan te duiden.
Uit de neevlen zal de dag
Eenmaal zeker rijzen.
Dan â doch â edoch â echter â evenwel â Integendeel â maar â niettemin â nochtans â ondertusschen â toch. Maar en integendeel zijn tegenstellende voegwoorden. Mijn oom las niet welsprekend, niet mooi, zelfs niet goed op sommige plaatsen, maar het was stichtelijk. Ik geloof niet, dat iemand ooit een geestige gedachte heeft gehad in een trekschuit; integendeel de roef is de ware atmosfeer van alle mogelijke vooroordeelen. Maar, doch, edoch, echter, dan, evenwel, nochtans, niettemin, ondertusschen zijn beperkende voegwoorden. De drie eerste komen op tegen hetgeen in den vorigen. volzin gezegd is, de andere dienen om te verhinderen, dat daar eene verkeerde gevolgtrekking uit wordt gemaakt. Prijs, zonder vleierij; berisp, maar zonder smalen. Zijne klceding
DANâDAP.
was wel is waar van kostbare stof [age, doch meer opzichtig dan met smaak gekozen. Zij schoof mij een stoel toe; ik nam echter geen plaats. Deze poogde zich op te richten, dan vruchteloos. Van Nero wordt gezegd, dat hij geheel ontoegankelijk was voor zachtere aandooiingen, evenwel schijnt hij Poppaea oprecht te hebben lie/gelidd. Gij zijl boven vele)i bevoorrecht, nochtans doet ge niets anders dan klagen. Napoleon III telde den oorlog tegen Pruisen ver van licht, niettemin liet hij er zich gemakkelijk toe overhalen, want hij achtte zonder hot behalen van nieuwen oorlogsroem zijne dynastie in gevaar. Hij veinsde maar even naar uw tand te voelen; hij trok er hem verraderlijk uit; ondertusschen was deze slinksche streek voor u eene weldaad. Hol pad der zonde moge vermakelijk schijnen, maar het is toch altijd omringd van gevaar en onrust
Dan, zie Als.
Ilimk â erkentenis. Bank drukt het denken aan ontvangen weldaden uit, erkentenis het kennen van den omvang der ontvangen weldaden en dit op passende wijze aan den weldoener doen blijken.
Dankbaarheid â erkentelljkheiil. Dankbaarheid en erkentelijkheid zien op het dankbare gevoel door weldaden bij ons opgewekt. Dankbaarheid is edeler en sterker dan erkentelijkheid, omdat van het laatste woord het denkbeeld van vergelding, van loon onafscheidelijk is. Don weldoener, die van ons geen wederdienst behoeft, wien men zijne weldaden op geenerlei wijze kan vergelden, is men dankbaar, mei erkentelijk. Men gevoelt dankbaarheid, geen erkentelijkheid jegens God. Om dezelfde reden luidt de gewone beleefdheidsformule in het dagelijksch leven: Ik dank u. Geeft erkentelijkheid onze bereidvaardigheid tol wederdienst te kennen, verplichting drukt onze gebondenheid daartoe uit. Mijne verplichting jegens u, als den redder mijns levens, is zoo groot, dal gij in alle omstandigheden op mij kunt rekenen.
Dank weten, zie Bedanken.
Dank zeggen, zie Bedanken.
Danken â wijten. Iemand als de oorzaak van iets beschouwen; iets aan iemand toeschrijven. Danken wordt meestal in eene goede, wijten altijd in eene kwade beteekenis gebruikt. Alles wal ik bezit, heb ik u te danken. Veel huisgezinnen hebben hun achteruitgang alleen aan hunne weelde en genotzucht te wijten. Het is aan zijn treuzelen te wijten, als wij te laat in de kerk komen.
Danken, zie Bedanken.
Dapper â driest â kloek â koen â moedig â onbevreesd â onverschrokken â onversaagd â stout â wakker
worden gezegd van hem, die aan gevaren en moeielijkheden hel hoofd weel te bieden. Moedig, onbevreesd, onversaagd drukken dit in het algemeen uit. Moedig is een positief begrip, het duidt het bezitten van moed aan en is een gevolg van vertrouwen op zijne krachten, onbevreesd is negatief, het geeft hel ontbreken van vrees aan, en wordt daardoor gelijkbeteekenend
DARâDEE.
met moedig; onversaagd is zonder versagen, hel geeft te kennen dat men den moed niet verliest, al komt er tegenspoed en al dreigt er gevaar, het heeft dus de bijgedachte van het plan niet opgevend. Onverschrokken is hij, die voor niets terugschrikt, die alles durft wagen. Wakker ziet vooral op het bezit van ijver en waakzaamheid. Kloek is wie zich in al zijn laten en doen mannelijk gedraagt; dapper vooral wie zich mannelijk gedraagt in den strijd, die niet vreest om moeilijkheden, die anderen gaarne ontwijken het hoofd te bieden; koen en stout wie het gevaar minacht en waagt te ondernemen wat anderen onbereikbaar schijnt; driest wie zich otn zijn doel te bereiken, niet alleen door geen gevaren cl moeielijkheden, maar zelfs door geen bedenkingen van recht en billijkheid laat terughouden. Hot driest geweld.
Dartel â weelderig â wulpseh. In vergelijking met weelderig en wulpsch duidt dartel do neiging aan eener krachtige natuur om hare lusten bot te vieren. Terwijl eene dartele natuur tot genotzucht leidt, noemt men overdreven genotzucht, die zich in eene gemakkelijke, kostbare levenswijze openbaart, weelderigheid. Wulpschheid ziet op eene buitensporige, onbeteugelde zucht naar mingenot; het wordt altijd in een kwaden zin gebruikt, wat met dartelheid en weelderigheid niet het geval is, ofschoon dartel in zijne ongunstige opvatting niet veel van wulpsch verschilt.
Sij wil geen vuyle dingen,
Sij wil geen dartel jock, geen slimme rancken s big en.
Haar mant is wonder heus.
Uartel â speelsch â speelziek â uitgelaten. Dartel is, die met eene gezonde natuur begiftigd zijne vroolijkheid lucht in jolige, krachtige bewegingen, die de blijken dragen van levenslust. Onschuldige dartel' heid bij kleine kinderen is speelschheid; groote kinderen, die door dartelheid hun werk verwaarloozen, noemt men speelziek. Verregaande dartelheid bij jongelieden ontaardt in uitgelatenheid, brooddronkenheid en baldadigheid; de beide eerste en zachtere uitdrukkingen wijzen alleen het verlies van zelfbeheersching, het laatste en sterkere eene bepaalde zucht tot kwaaddoen aan.
Daveren â dreunen â schudden. Ten gevolge van een schok in eene sterk golvende beweging verkeeren. Bij schudden is de beweging sneller en meer zichtbaar dan bij de beide andere woorden. Be olifant schudt zijne ooren, dat zij klappen. De wind doet de hoornen schudden. Bij dreunen en daveren gaat de beweging gepaard met een sterker geluid. Daveren wordt gezegd van de trillende beweging van eene zware massa. Het huis dreunt, het gebergte davert van een zwaren donderslag. Van eene zeer lichte beweging met kortere golving kan men trillen gebruiken.
Deeg, zie Deslag.
Deel â balk â Juffer â paal â plank â rib â schaal.
Langwerpig gezaagd stuk hout van vrij groote afmeting. Is het stuk hout vierkant van vorm en van eenige dikte dan spreekt men van een balk, juffer of rib; is het dunner en niet zoo lang, dan noemt men het paal; is
iGO
DEEL.
het plat gezaagd, zoodat de breedte de dikte overtreft, dan heet hot deel ^ plank of sc/iaal. Balk is voor de eerste soort de algemeene naam, juffer voor een balk van sparrenhout, meestal noorsch hout, die bij het opstellen van het dak gebruikt wordt; een rib is niet noodwendig recht maar kan ook rond zijn. Van de andere soort is plank de algemeene benaming. Delen zijn die groote, ruwe en tamelijk dikke plankon, waarin een boom of balk gezaagd wordt, en die óf weer in kleinere planken verdeeld, óf ook wel in hun geheel vertimmerd worden; schaal noemt men de eerste en de laatste plank, die van een ruwen balk of een boom gezaagd worden.
Deel, zie Aandeel.
Deel â lid. Beide woorden duiden een grooter of kleiner gedeelte van een geheel aan. Deel drukt alleen de betrekking tot het geheel uit. Onder lid verstaat men een afgerond deel van het geheel, dat op zichzelf een geheel is, of waaraan eene bepaalde taak is toegewezen, dat het geheel dus zijne function helpt verrichten, maar dat tot op zekere hoogte ook eigen bestaan kan hebben. Men spreekt van een lichaamsdeel en men zegt geen lid van zijn lichaam dat niet rilde. Lid wordt bij uitbreiding gezegd van personen, die deel uitmaken eener vergadering; de Leden der Slaton-Generaal.
Deel â dorsehvloer. Deel is de bodem, de vloer van de schuur of den stal bij den boer in zijn uitgestrekte beteekenis, terwijl de dorsch-vloer meer bepaald het harde gedeelte van de deel is, waarop het koorn kan gedorscht worden.
Deele (ten) â eensdeels. Ten deele onderstelt, dat men de zaak niet geheel behandelt of dat eene handeling, eigenschap of toestand slechts voor een deel, derhalve onvolkomen geschiedt of bestaat, eensdeels dal iets voor één gedeelte zoo, voor een ander gedeelte op andere wijze is, of geschiedt. Eensdeels moet dus altijd gevolgd worden door anderdeels. Hij doet zijn plicht slechts ten deele ~ gebrekkig. Wij kennen slechts ten deele. Ik kan dien persoon niet voor knecht gebruiken, eensdeels omdat hij te jong is, anderdeels omdat hij wel eens misbru;k maakt van sterken drank.
Deelen â sclieiden. In het algemeen kan men zeggen, dat men het gelijkslachtige deelt, het ongelijkslachtige scheidt. Men deelt eene erfenis, een stuk vlecsch, eene som geld. De bokken worden van de schapen gescheiden. De scheikunde houdt zich bezig mot het scheiden der lichamen in hunne verschillende bestanddeelen. De ontbinding vaneen huwelijk noemt men echtscheiding. Eene vergadering, die tot nadere bijeenroeping uileen-gaat, wordt gescheiden.
Deel (ten ... vallen), zie Deurt (te ... vallen).
Deelgenoot â aandeclliouder â deelhebber â vennoot.
Declhehher, ook wel aandeelhebber is ieder, die deel heeft in eene zaak of bedrijf, die dus medewerkt door zijn geld om eene onderneming in stand te houden, waarvan al of niet bewijzen van aandeel zijn uitgegeven. Aan-deelhehher is de bezitter van een bewijs van aandeel in eene zaak, bedrijf of eigendom. Deelgenoot wordt bij voorkeur gebruikt van de personen, die
Synoniemen. H
1G1
DEEL-DEF.
deel nemen aan de handelingen, zonder daarom nog een bepaald bewijs van aandeel te bezitten. Ook in meer algetneenen zin wordt het gebruikt. De oude man maakte den mecsterknccht deelgenoot in zijne zaken. Be oproerlingen maakten hem deelgenoot van hun opzet. Vennoot is de deelgenoot eener vennootschap, dat is eene overeenkomst, waarbij twee ot meer personen zich verbinden om iets in gemeenschap te brengen, met oogmerk om het daaruit ontstaande voordeel met elkander te deelen.
Deelneming, zie Barmhartig.
Decinoeillg â nederig â ootmoedig. Wie geen hoog denkbeeld van zich zelf heeft en zulks in zijne daden toont. Ootmoedig en deemoedig zijn versterkingen van nederig. Ootmoedig is onderworpenheid, deemoed meer of minder kruipende nederigheid. Uw ootmoedige dienaar. Zich verdeemoedigen.
Deerlijk, zie Bedroevend.
Deern, zie Dochter.
Deernis â erbarming â mededoogen â medelijden â ontferming. liet gevoel, dat door hel lijden van een ander bij ons wordt opgewekt. Medelijden, mededoogen en deernis geven te kennen, dat het lijden van anderen ons gevoelig aandoet ot treft, terwijl aan erbarming en ontferming bovendien de neiging eigen is om dengene, met wien men deernis of medelijden gevoelt, te helpen. In medelijden en mededoogen geeft het eerste lid, mede, te kennen dat men met den ongelukkige gevoelt, lijdt of smart ondervindt. Deernis geeft eigenlijk alleen het leedgevoel, het leedwezen over eens anders ongeluk te kennen, doch is thans ongeveer hetzelfde als medelijden, het wordt echter bijna alleen gebezigd in den hoogeren stijl. Wie deernis gevoelt kan geheel lijdelijk blijven, ontferming en erbarming daarentegen onderstellen (evenals barmhartigheid) het aanwenden van eene poging tot leniging der smart. Een kind , dat door zijn vertoornden vader gekastijd wordt, roept zijne ontferming in, d. i. smeekt hem, zich door zijn lijden te laten verteederen, en er de oorzaak van te doen ophouden. Gelijk uit dit voorbeeld blijkt, wordt ontferming bij voorkeur gebezigd van een medegevoel, dat niet bij den eersten aanblik ontstaat, maar eerst langzamerhand wordt opgewekt.
Deerniswaardig, zie Beklaagiyk.
Deftig â afgemeten â plechtig â statig â stemmig. Deze woorden geven te kennen dat de handelingen of het uiterlijk van iemand nauwkeurig zijn afgepast en berekend of in overeenstemming met ernstige omstandigheden zijn. Afgemeten, gedwongen door zijn kortheid, wordt bij voorkeur van handelingen gebruikt, die den indruk geven van berekening en die dus stijf zijn. Statig noemt men de handelingen van hem, die het ernstige gelaat en de afgemeten gebaren van iemand van hoogen staat aanneemt {een statige tred), in gunstigen zin beteekent het ontzag inboezemend; deftig duidt minder voornaamheid en afgemetenheid aan, dan wel wat passend is voor de omstandigheden en overeenkomt met den ernst van den persoon;
102
DEFâDEL.
dikwijls echter komt het mot slalig overeen, maar heeft minder dan sin lig het uiterlijk \ertoon op het oog. Een deftig burger is een burger uit die kringen, waar men eene zekere statigheid en waardigheid aan gegoedheid paart. Plechtig is oorspronkelijk datgene wat plicht is te doen, wat door den ernst van het oogenblik of van ds omgeving geëischt wordt. Toen de koning de vergadering binnentrad, heerschte er onder het volk eene plechtige stilte. Stemmig vormt den overgang tot ingetogen, voor zooverre ingetogenheid zich in de handelingen en bewegingen uitdrukt, het wordt verder gebruikt voor zedig gestemd, eenigszins beschroomd en ingetogen. Een stemmig kleurtje is eene zoodanige kleur, die niet veel vertooning maakt of opzien baart. Een afgemeten tred. Zijn antwoorden zijn altijd afgemeten. Een deftig publiek. Een statig gebouw. Daas Gansendonck liep met statig en tred door het dorp.
Deftlglield, zie Ernst.
Degen, zie Zwaard.
Deining â branding â kabbeling â golfgeklots â golfslag.
Golving is het algemeene woord, het is niet alleen tot het water bepaald, maar duidt in het algemeen eene afwisseling van rijzing en daling aan; het kan evengoed van een terrein als van eene watervlakke gebruikt worden. Golfslag wordt alleen van eene watermassa gebruikt en duidt dan het geregeld slaan der golven tegen elkander of tegen een ander voorwerp aan. Dij golfgeklots heeft men meer het geluid der tegen elkander slaande golven op het oog; het is dus met de hierbij genoemde woorden in den eigenlijken zin des woords niet synoniem. Deining ziet op hot sterk rijzen van liet water, dat een deel der golfbeweging uitmaakt, en dat natuurlijk alleen op grootere wateren valt waar te nemen. Op rivieren en kleinere plassen bepaalt zich de beweging tot het rimpelen der oppervlakte, de f/o/wi;;. Waar slechts eene zeer kleine verheffing der golven waargenomen wordt, spreekt men van kabbeling. Is de golfslag buitengemeen sterk, doordat er zich eene rots, klip of zandbank, die aan het golvende water tegenstand biedt, in bevindt, dan noemt men do breking der golven hiertegen («â awdi'njf. Aan den avond van den dag was de zee weer rustig en kalm, slechts de sterke deining bleef nog aanhouden.
Dek, zie Bedekking.
Deksel â klep â lid â stop. Hetgeen dient om de opening van een voorwerp dicht te maken. Een deksel kan in den regel van een voorwerp worden afgelicht; eene klep, een lid is er door een scharnier of op eene andere wijze aan bevestigd; eene stop wordt in de opening gestoken. Het deksel van eene pan, een vat, eene doos. Het lid van eene kan. Die het onderste uil de kan wil hebben, krijgt liet lid op den neus. De klep van een bierglas, van een zak. De slop van eene flesch, eene karaf.
Deksel, zie Bedekking.
Delven â graven â rooien â spitten. In den grond werken. Delven en graven geschieden met het oogmerk om een kuil, een graf te
11*
103
DEMâDEN.
maken, ten oinrle daarin iets te bergen of daaruit iets to voorsxhijn te brengen. Een graf delven, eene sloot graven, een kuil voor een ander graven. Hooien ziet hoofdzakelijk op bet losmaken en verwijderen van iels, dat in den grond wortelt. Hoornen, aardappelen rooien. Spitten is het omwoelen van den bovengrond, met hot doel om hem los en daardoor voor do bezaaiing of beplanting geschikt te maken. Daar delven sterker is dan graven, wordt opdelvegt;i bij voorkeur gebezigd ten aanzien van voorwerpen, die uit eene groote diepte te voorschijn worden gebracht. Sedert het laatst der vorige eeuw is men bezig Herculanum en Pompeji weer op te delven. Figuurlijk wordt opdelven gebezigd van het instellen van een moeielijk onderzoek. Laat ons trachten uit deze tegenstrijdige getuigenissen de waarheid zoo goed mogelijk op te delven. Van roeien â rooien is uitroeien gevormd, dat de beteekenis heeft van ganscbelijk wegnemen of verdelgen. Het kwaad met wortel en tak uitroeien.
Itcmpcn, zie Blusschon.
Denkbeeld, zie llctlunken.
Ucnkbceld, zie 'Woorstelling.
Denken, zie Achten.
Denken â peinzen â zinnen â overleggen â bepeinzen â bezinnen â bedenken â overdenken â overpeinzen â nadenken â doordenken â bedenken â uitdenken â verzinnen.
Denken is elke werkzaamheid van het verstand. Gaat deze gepaard met sterke inspanning en daaruit voortvloeiende afgetrokkenheid, dan noemt men hei peinzen; zinnen, dat op zich zelfminder in gebruik is, veronderstelt bovendien inspanning quot;van alle zintuigen om zich het voorwerp der gedachte levendig en duidelijk voor te stellen. Terwijl denken, peinzen en zinnen altijd door middel van een voorzetsel met hun voorwerp moeten verbonden worden, hebben overleggen, bepeinzen, bezinnen en overpeinzen een direct voorwerp. Bij overleggen, dat eigenlijk beteekent eene zaak van alle kanten beschouwen, heeft men een bepaald doel op het oog; overpeinzen zien meer op de inspanning bij het overleggen; bezinnen is gelijkbeteekenend met bedenken en mot overleggen. Bezin u eens goed; bezint eer gij begint; een onbezonnen plan. Bedenken (over zich Bedenken zie bij Beraden) is alles, wat voor een plan noodig is, in onzen geest in gereedheid brengen. Alles wel bedacht, zal ik er liever van afzien. Nadenken is door denken nader bij de waarheid of den grond van iets trachten te komen. Doordenken is aanhoudend, met allo mogelijke scherping van het verstand over iets denken; doordenken wordt gebruikt ten opzichte van eene zaak, die aanmerkelijke diepte heeft, die moeilijkheden oplevert, men zegt hiervan ook diep denken. Overdenken is eene zaak in haren ganschen omvang tot voorwerp van het donken maken. Bedenken, uitdenken en verzinnen (zie ook uitdenken) zien op het voortbrengen eener nieuwe gedachte. Bedenken drukt dit in hot algemeen uit, uitdenken heeft de bijgedachte van het plan, het denkbeeld, dat men gevormd hoeft, zoo te bedenken en te regelen, dat er aan uitvoering kan gedacht worden; verzinnen ziet meer op de werkzaamheid van hot vernuft of de phantasie hierbij.
DENâDKU.
Denkwijze, zie Bedunken.
Derhalve, /.ie llijgevolg.
Derven â missen â ontberen. Iels niet hebben, waar men behoefte aan hoeft of aan gehecht was, of dat men gaarne zou bezitten. Missen wijkt in sommige uitdrukkingen eenigszins van deze beteekenis af en be-teekent eenvoudig, dat iets niet is, waar men liet dacht Ie vinden, of dat men het verloren heeft. Ik mis geld uil mijne beurs. Ik mis een hoek. Missen wordt zoowel van personen als van zaken gezegd (zijn onderlijk huis, zijne vrouw en kinderen missen); ontberen en derven enkel van begrippen of zaken. Ontberen onderstelt, dat het gemis diep wordt gevoeld, en wordt dus alleen gebruikt ten aanzien van dingen van waarde. Wie gezondheid ontbeert, mist den grootsten van alle aardsche sehatlen. Derven ziet op het niet of niet in voldoende mate bezitten van de eerste behoeften des levens of van hetgeen men noode kan missen. Met dat al heeft het gebruik derven tot eene zwakkere uitdrukking gemaakt dan ontberen. Dal ik in mijne treurige omstandigheden troost moet derven, is de zwaarste mijner beproevingen. Dat ik in mijne treurige omstandigheden troost moot ontberen, brengt mij tot wanhoop.
Deugd â braafheid â heiligheid â vroomheid. Deugd is eigenlijk vastheid van samenhang {de deugd van het ijzer); vandaar innerlijke, zedelijke waarde, eene gemoedsgesteldheid, die ten goede drijft {een man van onverzettelijke deugd); het meervoud deugden duidt de hoedanigheden aan, die een deugdzaam man versieren {hij vereenigdc de deugden van den burger met die des huisvaders). Vroomheid ziet behalve op de godsdienstige gemoedsgesteldheid op do daden, die er uit voortspruiten. Een man van een vromen wandel. Braafheid is de eerlijkheid van karakter verbonden met het bewustzijn van zedelijke plicht. Heiligheid beteekent geestelijke en zedelijke volkomenheid, en kan eigenlijk alleen aan de Godheid worden toegekend. Bij uitbreiding gebruikt men het woord echter ook ten aanzien van die personen, welke een hoogen trap van zedelijke volmaaktheid bereikt hebben. Bernard van Clairvaux stond bij zijne tijd-genooten in zulk een roep van heiligheid, dat hij reeds twintig jaren na zijn dood heilig verklaard werd.
Deugniet â Helt â schelm â schoft â schurk. Deugniet is de algemeene benaming voor iemand die slecht is, het is hot minst scherpe want het geeft alleen het ontbreken van deugd aan en laat de kwade eigenschappen in het midden. Schoft verbindt hieraan het begrip van lompheid. Bij /lelt komt het denkbeeld dat met bedrog en list gebundeld wordt op den voorgrond, terwijl een schelm en in meerdere mate nog een schurk iemand is wien misdaden tegen de zedelijke of maatschappelijke wet kunnen ten laste gelogd worden.
Deugilzaam â braaf â vroom. Deugdzaam is degene die vele deugden bezit; braaf is degene, dio zedelijke kracht heeft (oorspronkelijk: die kracht bezit in meer algemeenen zin) die derhalve bewustzijn heeft van zijne verplichlingeu en op wieu men zich dus verlaten kan. 1 'room (oor-
DEUâDIEN.
spronkelijk uitstekend, dapper) is hij dio uitmunt in de betrachting zijner verplichtingen jegens God, verder in liet algemeen die godsdienstig is en vooral door zijne daden hiervan blijk geeft.
Dcunfjc â gezang â lied â znng. Lied is elk klein gedicht, dat gezongen kan worden. Zang heelt dezelfde beteekenis, bovendien wordt het gebruikt voor eene al'deeling van een lyrisch of episch gedicht. Gezang is een zangstuk, een lied op muziek gezet, bij uitstek een lied ter verheerlijking, dat bij de godsdienstoefening wordt gezongen. Deuntje is een bekend liedje, dat meer om de wijs dan om de woorden gezongen wordt. Een deuntje /luiten. Figuurlijk: het zal wel het oude liedje zijn â we zullen weer hetzelfde moeten hooren.
Dewijl, zie Aangemerkt.
Dtelit â gesloten â toe. Van eene openstaande deur zegt men zoowel; doe de deur dicht, als doe de deur toe; van eene niet openstaande zoowel: de deur is dicht, als de deur is toe. Eene gesloten deur is eene deur, die niet alleen dicht is, maar op slot is gedaan. Figuurlijk beteekent dicht geheimhoudend. De man is zoo dicht als een pot. Mondje dicht (of toe).
Dichtbij â nabij. Nabij geeft te kennen, dat de afstand tusschen twee voorwerpen niet groot, dichtbij dat hij klein is. Nabij den heuvel gekomen kreeg de colonne den vijand in het oog; deze liet haar nog eenige honderden schreden ongehinderd afleggen, maar toen zij dichtbij hem was, werd zij â plotseling door eene hagelbui van projectielen overstelpt.
Dienaar, zie Bediende.
Dienaresse â buiging â nijging â reverence. Buiging is het algemeene woord. Het duidt aan eene beleefde begroeting door het lichaam te buigen, bij voorkeur wordt het van eene dergelijke begroeting van een heer gezegd. Nijging is de kniebuiging door eene dame gemaakt ten teeken van begroeting of eerbiedsbetooning. Dienaresse of reverence is de nijging, die eene dame maakt; dewijl in vroegeren tijd hierbij gezegd werd ttik ben uwe dienaressequot;, heeft deze buiging ook den naam van dienaresse gekregen. Het door het Fransch aan het Latijn ontleende woord reverence beteekent eerbiedsbewijs.
Diender â agent van politie â gerechtsdienaar â marechausseeâ veldwachter. De benaming van diender, uit diener ontstaan, is de oude benaming, welke nog bij het volk in zwang is; voluit luidde zij diener van het recht of gerechtsdiener. Gerechtsdienaar is hij voor zoo verre hij tot het gerecht behoort. Agent van politie is zijn titel als beambte met hot toezicht op de orde of politie belast. Onder veldwachter verstaat men de beambte, die ten plattenlande met dit toezicht belast is, en die, al naarmate hij door de gemeente of door het rijk wordt aangesteld en gesalarieerd, gemeente- of rijksveldwachter genoemd wordt. Behoort deze laatste tot een op militairen voet ingericht corps, dat ten deele bereden, ten deele te voel is, dan heet hij marechaussee.
Dienen â strekken. Het middel tot iets uitmaken. Dienen wordt
4G()
DIENâDU.
alleen van personen en zaken gezegd, strekken ook van handelingen. Alles wat onze oogmerken bevordert wordt gezegd ons te dienen. Een huis dicnl om in te wonen. In strekken licht hel bijdenkbeeld, dat het gebezigde middel tot bereiking van ons oogmerk voldoende is, dat het ons den verlangden dienst werkelijk bewijst. Dit huis strekte hem, zoolang hij zich hier ophield, tot verblijf. Ook wordt strekken gebezigd van het komen tot eene uitkomst in het algemeen, al wordt die ook zonder onze bedoeling of medewerking, ja zelfs in strijd met onze wenschen verkregen. Uw bezoek strekt mij tot eer. De voorname opvoeding, die zij van hare ouders ontvangen had, strekte juist tot haar verderf.
Dienst, zie Ambt.
Dienstbode, zie Dediende.
Dienstmaagd, zie Dochter.
Diep â laag. Laag is wat minder boog is dan iets anders, waarmee men het vergelijkt; diep wat lager is dan de oppervlakte der aarde. Figuurlijk geeft hoe diep zijt gij gezonken een grooter achteruitgang in zedelijkheid te kennen dan hoe laag zijt gij gezonken. De zin van het eerste is: gij zijt gezonken zelfs ver beneden het peil van zedelijkheid, waarop het gros der menschen staat.
Dlepsel, zie Drulu.
Diepte, zie Afgrond.
Dier, zie Deest.
Dierbaar â lief â waard. Lief zegt men van datgene, waarin men welgevallen heeft en waaraan men daarom gehecht is. Waard geeft den grond voor de neiging, die wij voor iets gevoelen aan; het thans minder gebruikelijke waard hebben is een gevolg van achting of schatting, terwijl liefhebben met het beminnen van iets gepaard gaat. Dierbaar is sterker dan lief en dan waard; het verbindt beide begrippen en drukt het begrip van genegenheid in zeer sterke mate uit. Waard is meer het uitvloeisel eener objectieve beschouwing, lief en dierbaar meer van eene subjectieve beschouwing. Bij aanspraken is waard dientengevolge altijd koeler dan lief of dierbaar; Waarde bloedverwanten, lieve vrienden, dierbare kinderen. Waard ziet bovendien meer op de conventioneele waarde, die men aan iets toekent (zoo kan b.v. papier geldswaarde hebben), dierbaar meer op de innerlijke waarde, die iets ontleent aan zijne eigen voortreffelijkheid; de laatste uitdrukking is dus sterker dan de eerste. Zegt men mijne waarde b/oedvervMn-ten, dan heeft men meer het oog op de banden des bloeds, die hen aan ons verbinden; in mijne dierbare bloedverwanten daarentegen valt de nadruk op de uitmuntende eigenschappen, die wij in hen hebben leeren waardecren.
Dijk, zie Dam.
Dijen â uitzetten (zich) â zwellen. In omvang toenemen. Bij uitzetten en dijen is dit een gevolg van de normale werking van innerlijke krachten, bij zwellen een gevolg van inwendige of van uitwendige oorzaken
DIKâDIN.
(b.v. door vocht) of van de abnormale werking van innerlijke krachten. Het brood dijt in den oven. Ontkiemend graan, ontkiemende boonen dijen. Uzer zet zich uit. De zeilen van een schip zwellen. Waterzucht doet de men-schelijke ledematen zwellen.
Milt â gezet âlijvig â zwaarlijvig. Gezet en zwaarlijvig worden uitsluitend ten aanzien van menscben gebezigd, di/c ook met betrekking lot dieren en levenlooze voorwerpen, die in verhouding tot hunne lengte een grooten omvang hebben; evenzoo zegt men lijvig van voorwerpen, die een betrekkelijk grooten inhoud hebben, een lijvig boekdeel. Gezet is hij, wiens beenderen behoorlijk met vleesch omkleed zijn, en die aan eene flinke lengte een naar evenredigheid breeden bouw paart; dik is degene, bij wien de breedte te groot is in verhouding tot zijne lengte en die zulk eene hoeveelheid vleesch bezit, dat hij daardoor eenigermate in zijne vrije beweging belemmerd wordt; zwaarlijvig, wiens lichaam, maar vooral wiens buik zoodanig is uilgezet, dat hij zich zelf tot last is.
Dlkwyis Cdlkmaals, dikwerf) â gedurig â meermalen â menigmaal 0»cnigwerr) â vaak. Al deze woorden, die eene herhaling te kennen geven, beteekenen nagenoeg hetzelfde. Het zwakste is meermalen, ofschoon dit ook niet alleen eene enkele, maar eene veelvuldige herhaling eener zelfde zaak of handeling aanduidt. Menigmaal, dikwijls en vaak zijn sterker. Menigmaal zegt eigenlijk op monigen tijd, dikwijls is oorspronkelijk hetzelfde in beteekenis als veeltijds, vaak is op onderscheiden tijdstippen, bij tijden, doch het geeft meer het denkbeeld van gedurig dan dikwijls. Gedurig duidt meer eene aanhoudende herhaling van eene zelfde handeling aan. Vergelijk; gij valt mij dikwijls lastig met gij valt mij gedurig lastig.
Ding â voorwerp â zaak â schepsel â wezen. Ding is de algemeene benaming van al wat bestaat, geschiedt, gedaan of gezegd wordt, bij voorkeur zegt men het van hetgeen levenloos is. Voorwerp noemt men al wat men met de zintuigen gewaar wordt; meest verstaat men hieronder wat eene plaats in de ruimte inneemt, hetzij dit leven heeft of niet. Zaak noemt men de (wezenlijk of denkbeeldig) bestaande dingen, voor zoover zij met ons in betrekking staan, verder ook handelingen en toestanden, die ons belang inboezemen.
't Iedereen van pas te maken.
En van elk te zijn bemind,
Zijn de onmogelijkste zaken.
Die men in de wereld vindt.
De uitbreiding der Russische macht in het Oosten is eene zaak, die meer dan één Etiropeesch kabinet de levendigste bezorgdheid inboezemt. Boomen, planten, schapen, runderen zijn dingen, wanneer zij geheel op zich zelt beschouwd worden. Heeft men echter hunne beteekenis voor den mensch op het oog, dan laten zij zich mei den naam van zaken bestempelen. Eene der nuttigste zaken, dxe Amerika heeft opgeleverd, is de quiniue. De merinos zijn voor Spanje eene zaak van groot gewicht. De namen schepsel en wezen
108
DISCIIâD0C1I.
liebben uitsluitend betrekking op mensclien cn dieren. Schepsel is eigenlijk alles wat geschapen is. Wezen ziet meer op de eigenaardige wijze van zijn, van bestaan, waardoor dingen van eene bepaalde soort zich van dingen van andere soorten onderscheiden. De wezens onderscheidt men in redelijke en redelooze, menschelijke en dierlijke, hoogere en lagere, enz. De yrool-heid en de macht des Scheppers is zichtbaar in al lijne schepselen. Ilct Opperwezen.
Dlscli â tafel. Tctfel noemt men ieder mjubel, dat dient om aan te zitten of om iets op te plaatsen. Schrijftafel, kaptafel, bloementafel. Disch wordt minder gebruikt, het heeft alleen betrekking op eene tafel, waaraan men spijst. Gewestelijk hoort men het in uitdrukkingen als op den disch zijn, enz. voor leven op kosten eener instelling. Gebruikt men tafel in den zin van disch, dan wordt het lidwoord in den regel weggelaten. Aan tafel gaan, het eten op tafel brengen.
Distcligcnoof â ga»)l. Iemand, die rnet ons aan dezelfde tafel spijst. Onder dischgenoot zijn ook onze huisgenooten begrepen; gast ziet uitsluitend op de van elders genoodigden.
Dobbelen â spelen. Door dobbelen (eigenlijk met dobbelsteenen werpen) verstaat men zulk spelen, waarbij de inzet hoog is, en de uitkomst geheel van het toeval afhangt.
Dobbelsteen â teerling. Lichaam begrensd door zes gelijke vierkanten (regelmatig zesvlak of kubus). Teerling is de wiskundige naam; ook in figuurlijken zin wordt teerling voor dobbelsteen gebruikt, b. v. de teerling is geworpen. Dobbelsteen heet hij naar het gebruik, dat er van gemaakt wordt.
Dobberen â drijven. Door eene vloeistof gedragen worden. Drijven is het algemeene woord. Dobberen heeft het bijdenkbeeld, dat de op- en neergaande beweging der vloeistof zich aan het voorwerp meedeelt. Een licht bootje dobbert op de rivier. Een zwaar houtvlot drijft.
Doch, zie Dan.
Dochter â deern â dienstmaagd âfreuleâJonkvrouw â Jiilfroiiw â maagd â mnagclciyn â meld â meisje â vrijster. Eene jonge ongehuwde vrouw. Dochter, dat eigenlijk de betrekking van vader tot kind uitdrukt, wordt bij aanspraak dikwijls gebruikt voor ongehuwde vrouw, het wordt in dez;e beteekenis altijd voorafgegaan door het praedikaat jonge; vrijster is een euphemisme, een compliment aan de jeugd van haar, die men toespreekt. Deern, vroeger dienstbare ongehuwde vrouw, wordt thans meest in verachtelijken zin genomen; niet alzoo deerntje, dat gelijkbeteekend is mot meisje; maagd duidt bepaald den ongehuwden staat der vrouw, tot of over wie men spreekt, aan. Uit maagd is door wijziging van den klank het woord meid ontstaan; dit woord, dut in meidlief, lieve me\d enz. nog zijne oorspronkelijke beteekenis bewaard heeft, duidt thans evenals dienstmaagd eene dienende vrouwspersoon aan. Van maagd en meid zijn de verkleinwoorden maagdelijn en meisje, Meisje heeft echter
DOEKâDOEL.
niet de beteekenis van dienende vrouw gekregen, maar duidt in het algemeen een jonge vrouwelijke persoon aan, die de kinderjaren niet of slechts even ontwassen is. Bij aanspraak gebruikt men het tegen eene dienstmaagd. Juffrouw wil eigenlijk zeggen jonge vrouw, het laat dus oorspronkelijk het gehuwd zijn of niet in het midden. Thans echter is liet de benaming voor eene vrouw uit den burgerstand, onverschillig of zij jong is of oud. Wordt het voor eene uit deftigeren stand gebruikt, dan duidt liet woord aan dat deze ongehuwd is. Als verkorting wordt gebruikt het woord juffer. Jonkvrouw, eigenlijk hetzelfde als juffrouw, wordt thans gebezigd van elke ongehuwde dame van adellijk geslacht. Het woord freule heeft dezelfde beteekenis doch wordt vooral bij aanspraak gebruikt. Wilt gij mij den weg eens wijzen, jonge dochter? Meisje, woont hier mijnheer ü.? Vrijster, kunt gij mij het adres van den heer K. ook opgeven? Meid is altijd gemeenzaam. Toe, meid, ga eens gauw die boodschaf doen. Dal is eene aardige meid! De maagd van Orleans. Juffrouw de Groot was heiig mei koekplakken. Juffrouw Kegge. Eene boerendeern. Vuile deernen waren in de voorste gelederen der oproerlingen.
Doek â lijnwaad. Doek noemt men alle geweven stof, lijnwaad alleen een weefsel uit hennep of vlas.
Doel â bedoeling â doeleinde â doelwit â mikpunt â oogmerk â opzet â plan â voornemen. Het punt, waarnaar wij doelen of streven, waarop onze handelingen in onze wenschen gericht zijn. Voornemen is niet anders dan het besluit tot de handeling, hetzij die al of niet tot uitvoering komt. Ik heb reeds jaren het voornemen gehad eene reis naar Zwitzerland te doen. Opzet is een voornemen, dat zich op iels kwaads richt. Heb ik u beleedigd, dan is het zonder opzei geschied. Plan is hetzelfde als voornemen, maar minder onbepaald; het veronderstelt dat de wijze van uitvoering reeds ontworpen is, zij het ook nog slechts in den geest. Oogmerk onderstelt reeds een begin van uitvoering; het wijst het punt aan, waarop het oog gevestigd is en waartoe de verschillende handelingen zullen moeten voeren; op de keus en de aanwending der middelen heeft men het oog bij bedoeling. Uwe voorkomendheid is zoo ongewoon en in het oog loopend, dal gij daar zeker hel een of andere oogmerk mede hebt, ofschoon hel mij nog niet heeft mogen gelukken uwe bedoeling te vatten. Tusschen doelwit, mikpunt en doel bestaat dit verschil, dat wij ons naar een doel zelt voortbewegen, het persoonlijk trachten te bereiken, terwijl bij doelwit en mikpunt alleen onze krachten in zekere richting worden aangewend. Het doel, dat Julius Caesar nooit uit het oog verloor, was de eerste persoon in Rome te worden; zich hoe langer hoe meer in de volksgunst te dringen was daarom het voornaamste doelwit van zijn streven. Iemand tot het mikpunt van zijne spotternijen maken. Doeleinde is slechts eene versterking van doel, en het meervoud doeleinden doet dienst als het ontbrekende meervoud van dit woord. Een nieuwmodisch zakmes dient tot allerlei doeleinden.
Doeleinde, zie Doel.
Doelwit, zie Doel.
170
UOENâLOOD.
Doen, zie Bedrijven.
Doen, zie Betrachten.
Dol â razend â verwoed â woedend. Wie zich door zijne drift of zijn toorn geheel laat beheerschen. Woede klimt tot (luiheid, tot razernij (de hoogste graad van dolheid), wanneer zij ons tijdelijk van het verstand berooft, en dus gelijk maakt aan een krankzinnige. Verwoed ziet op eene kortstondige, voorbijgaande woede. Een verwoede aanval. Een woedend gevecht.
Dol , zie Krankzinnig.
Dol , zie Dwaas.
Dolen, zie Dwalen.
Dolen, zie Zwerven.
Doling, zie Afdwaling.
Dolk, zie Dagge.
Dom â onkundig â onnoozel â onwetend. Dom ziet op bekrompenheid en traagheid, onnoozel op zwakheid van geest. De domme heeft een beperkt, de onnoozole heelt geen gezond versland, geen oordeel. Wie ziek dom houdt, doet of hij van niets weet; wie zich onnoozel houdt, neemt den schijn aan, van iets niet te kunnen begrijpen of weten. Onkundig en onwetend laten den natuurlijken aanleg in het midden, en drukken alleen een gemis van kennis uit. Onwetend is erger dan onkundig. Het eerste zal iemand niet licht aangaande zich zelf verklaren. Onwetend en onkundig hebben ook de zwakkere beteekenis van onbekend met, onwetend ook die van zonder er aan te denken. Onwetend zondigt niet. Men heeft mij daarvan onkundig gelaten.
Dommelen, zie Slapen.
Domoor â botterik â stommerik. Reide geven groote traagheid van geest aan bij den persoon, die aldus genoemd wordt. Bij domoor heeft men meer de onwetendheid op het oog, bij botterik en stommerik het onvermogen om te leeren of te begrijpen.
Dompelen â doopen. Dompelen (indompelen) is een voorwerp geheel onder eene vloeistof houden, doopen het voorwerp er slechts even in steken. Men doopt beschuit in melk, men doopt zijne vingers in water, om er iets mede te besprenkelen. In de Roomsch-Kalholicke Kerk geschiedt de kinderdoop door middel van indompeling. Figuurlijk : in rouw dompelen.
Dompig, zie Duf.
Donker, zie Duister.
Dons, zie Pluim.
Dood, OnwO zie Afsterven.
Dood (ter____brengen), zie Dood.
Dood â aflijvig â gestorven â levenloos â overleden.
171
DOOD.
llood beteekent, dat iels van het leven beroofd is, levenloos dat iets geen leven heeft. Men zegt dus ecu levenloos (niet een dood) beeld. Gestorven is het verl. deelwoord van sterven en zegt dus niets anders dan dat iemand langs den natuurlijken weg opgehouden heeft te leven; overleden, verleden deehv. van overlijden, zegt ditzelfde. Aflijvig duidt niet anders aan, dan zonder leven zijnde, uit het leven gescheiden zijnde; het wordt alleen van menschen gebruikt en laat in het midden of de dood op natuurlijke ot geweldadige wijze heeft plaats gehad.
lloodc â m*4- Bij doode denken wij meer aan den persoon, zooals we hem gekend hebben, in den toestand na het afsterven; bij Vjk uitsluitend aan het ontzield stoffelijk omhulsel. Men zegt: een doode opwekken; zijne dooden in cere houden.
Doodcn â ombrengen â van liet leven lierooven â om het leven brengen â doodslaan â vermoorden â verslaan â afmaken â slaebten â ontlijven â het leven benemen â om hals brengenâ ter dood brengen â doen sneven. Doodcn is de algemeene uitdrukking voor het leven van een wezen vernietigen. Ombrengen, eene verkorting van om hel leven brengen duidt aan iemand het leven doen verliezen, doch met de bijgedachte dat het op eene geweldadige wijze geschiedt; ombrengen of om het leven brengen met een zwaard. Daar aan berooven het denkbeeld van onrechtmatigheid eigen is, ziet van het leven berooven, behalve op het geweldadige, ook op het onrechtmatige van de daad. Ontlijven laat dit geheel in het midden en wordt alleen van het leven ontnemen aan een menschelijk wezen gezegd; hetzelfde geldt van het leven benemen, waarin het nemen van het leven niet slechts iets gewel-dadigs maar ook het doen ontstaan van gemis uitdrukt. Beide worden dan ook van zelfmoordenaars gebezigd. Ontlijven is echter min of meer verouderd. Eene ongunstige beteekenis heeft vooral vermoorden, dat gebezigd wordt van het onrechtmatig dooden van iemand op een eenigszins slinksche wijze. Tusschen vermoorden en doodslaan is hetzelfde verschil als tusschen moord en doodslag. Doodslaan onderstelt dat men iemand met recht of in drift, zonder dat men het recht er toe heeft, met een slag of op ruwe wijze het leven ontneemt. Ook wordt het gebruikt van het dooden van dieren, wat bij vermoorden, ontlijven, van hel leven berooven niet het geval was, doch wel bij afmaken en slaehlen. Afmaken, van dieren gebruikt, is dooden enkel met het doel om het bestaan te doen ophouden: ziek rundvee wordt afgemaakt. Slachten is doodslaan met het doel om het vleesch van het dier te kunnen eten. Van menschen gebruikt is afmaken door dooden uit den weg ruimen; het wordt evenals slachten meestal van ombrengen op groote schaal gebruikt: de gevangenen voerden afgemaakt; de eerbare vrouwen slachten (Hooft). Verslaan is iemand dooden door hem eene doodelijke wonde of slag toe te brengen; het wordt meest gebruikt van iemand dooden in een gevecht. Niet alleen van menschen ook van dieren wordt het gebruikt. Apollo versloeg den Python. Doen sneven beteekent eigenlijk doen vallen en wordt dus gebruikt, zoowel van het dooden van iemand in een gevecht, als voor vermoorden. De dolk des sluipmoordenaars deed hem sneven. Om huls brengen en ter dood brengen worden
d72
DOOD-DOOR.
beide gebruikt voor het voltrekken van oen doodvonnis. Dij om hals hrengen denkt men echter minder aan eene geregelde rechtspleging, maar moer aan het of in het geheim dooden van den gevatten misdadiger of gevangene, of het volgens eene ongeregelde reclitsploging ombrengen van gevangenen. In do Soptemherdaricn worden volo onschuldigen om hals gebracht. Bij tor dood hrengen heeft men meer den geregelden gang der rechtspleging, die met do voltrekking van hot doodvonnis op het schavot eindigt, op hel oog.
Doodgaan, zie jLfstcrven.
Doodscli, zie onder Afgrijselijk.
Doodslag, zie fflanslag.
Doopcn, zie Dompelen.
Doorboren â doorsteken â doorvlijinen. Een scherp werktuig door een voorwerp stoken.' Doorboren, dat volgens zijne beteekenis draaiing van het werktuig in de wonde veronderstelt, geschiedt langzamer en veroorzaakt dus meer pijn dan doorsteken. Van daar dat men overdrachtelijk om eene groote smart aan te duiden altijd doorboren of doorvlijmen (vlijmende doorboren) bezigt. Dat doorboort (doorvlijmt) mij hel hart d. i. dat grieft mij diep.
Doorbrengen â⢠verdoen â verkwisten â verteren â verspillen. Zijn goed, zijn vermogen verbruiken, opmaken. Verteren zegt niets meer dan dit. Doorbrengen, verdoen, verspillen, verkwisten voegen daar het denkbeeld aan toe, dat het opmaken geschied is op eene roeke-looze, lichtzinnige wijze.
Ik wou dat overal de jonge vrouwen wisten ,
Hoeveel ook in het klein een vrouwe kan verkwisten.
Zich verdool wordt in gemeenzame taal gebruikt voor zich van 't leven berooven.
Doordat, zie Aangemerkt.
Doordenken, zie Denken.
Doordien, zie Aangemerkt.
Doordrijven â doorzetten â aanbinden. Ondanks tegenkanting eene zaak tot stand brengen, eene zienswijze ingang verschaffen. Aanbinden heeft de minste kracht, het is met aandrang aanbevelen om te doen wat men wil en eenige middelen in het werk stellen om zijne meening door te drijven. Dij bevorderen, dat mot aanleidden eenisszins overeenkomt, ontbreekt het idee van tegenkanting te moeten ovenvinnen. Doordrijven heeft eene minder gunstige beteekenis dan doorzeilen, daar het te kennen geeft, dat men niet langs den weg der overreding, maar alleen door vasthoudendheid en wilskracht zijn doel bereikt. Hij is een doordrijver, d. i. hij moet altijd zijn zin hebben, wat hij wil moet gebeuren.
Doordringend â sclirander â scherpzinnig â snedig. Van
de eerste drie woorden is schrander het zwakst, het getuigt veelal van vlugheid van geest, gepaard met het vermogen om juiste opmerkingen te maken. In hoogere mate worden deze eigenschappen aangeduid door scherpzinnig.
173
DOOR.
Doordringend onderstelt bovendien het vermogen om de zaak, waarmee men bezig is, met juistheid te vatten en geheel te begrijpen. Snedig wordt gezegd van geestige, goed van pas aangebrachte opmerkingen. Ofschoon mijn vriend niet bepaald een doordringend verstand bezit, kan men hem toch den naam van een schrander man niet ontzeggen; ik hoorde van hem zeer scherzinnige opmerkingen en snedige gezegden.
Dooreen, zie Ondereen.
Doorelkander, zie Ondereen.
Doorgronden, zie Bevroeden.
Doorkneed, zie Bedreven.
Doorgaans â gewoonlijk â meestal. Wat in de meeste gevallen pleegt te geschieden is doorgaans. Gewoonlijk wijst op eene gewoonte der menschen; zegt men dus dat iets gewoonlijk zoo gedaan wordt, dan wil men hiermede zeggen dat de meeste menschen zoo doen. Meestal geeft te kennen dat er zelden van de gewoonte wordt afgeweken, dat iets dus bijna altijd geschiedt.
Doorkruisen, Afloopen.
Doorschijnend â doorzichtig. Doorschijnend is datgene wat schijn of licht doorlaat; wat doorzichtig is, is tevens doorschijnend; doorzichtig is datgene, waardoor men heen kan zien. Wanneer iets niet doorschijnend is, kan men er zeker niet doorheen zien, doch nog niet elk doorschijnend voorwerp is doorzichtig; b.v. matglas is doorschijnend, wit glas of kristal is doorschijnend en doorzichtig. Hout is niet doorschijnend en niet doorzichtig.
Doorslepen, zie Bedreven.
Doorstaan â dragen â dulden â lijden â ondergaan â uithouden â uitstaan â verdragen â verduren. liet een of andere kwaad ondervinden, of zich er, willens of niet willens, niet aan onttrekken. Lijden drukt dit denkbeeld in het algemeen uit. Doorstaan is lijden ten einde toe, hierbij heeft men tevens het oog op de krachtsinspanning van den lijder in verhouding tot het kwaad, dat geleden wordt; hij kan die operatie niet doorstaan, zijne krachten konden het niet uithouden. In de meeste pijnlijke gevallen drukt het op het niet bezwijken onder het leed of het kwaad. Het eene schip leed schipbreuk, het andere doorstond den storm. Dragen is aanhoudend lijden wat meer drukt dah pijn veroorzaakt en wat niet te veranderen is, verdragen heeft de bijgedachte van dit vrijwillig te doen. Socrates verdroeg de grenzenlooze ondankbaarheid zijner medeburgers met de kalmte van den wijsgeer. Met gelatenheid iets verdragen is dulden, hierbij denkt men echter aan eenigen tegenzin, hetgeen bij verdragen niet zoo zeer het geval is. Dikwijls wordt door dulden uitgedrukt het begrip van iets onverdiend lijden. Ondergaan wordt alleen gezegd van het zich onderwerpen aan de eene of andere daad, die ons onaangenaam is, het ziet niet op ziele-lijden. Men ondergaat eene operatie en lijdt de pijn. Uitstaan is het met wilskracht dulden van iels onaangenaams of pijnlijks, dat aanhoudt, terwijl verduren meer het zich lijdelijk onderwerpen te kennen geeft. Uithouden is iets onaangenaams of lastig tot het einde verduren.
174
DOORâDRA,
Doorsteken, zie Doorboren.
Doortrapt, zie Bedreven.
Doortrapt, zie Arglistig.
Doorvlijmen, zie Doorboren.
Doorwrocht â [geleerd. Doorwrocht wil zeggen in alle onderdeelen uitmuntend bewerkt en bestudeerd, geleerd de -vrucht van veel kennis en studie bevattend. Van een werk, eene verhandeling, eene rede gebezigd zegt doorwrocht meer dan geleerd. Hij wijst niet alleen op een rijken inhoud, maar ook op een meesterlijken vorm. Eene doorwrochte verhandeling.
Doorzetten, zie Doordrijven.
Doorzicht â begrip â bevatting. Doorzicht is liet vermogen om door de schors of het uiterlijk van iets het oog te vestigen op de kern of het innerlijk, vervolgens het helder en grondig inzien van ingewikkelde zaken; het is dus meestal de vrucht van lange ervaring. Voor begrip en bevatting zie men onder begrijpen.
Dooven, zie Blussehen.
Dop, zie Bolster.
Doppen â pellen â schillen â ontbolsteren. Doppen noemt men het openen der harde doppen of kleppen der peulvruchten; pellen het bij gedeelten verwijderen van de schaal der eieren en van het vel of vlies, dat de bekleeding van sommige boomvruchten en graansoorten uitmaakt. Schillen het met een scherp voorwerp verwijderen van het zachte bekleedsel eener vrucht of van de schors van een boom. Ontbolsteren, dat eigenlijk niet anders is dan eene vrucht van den bolster berooven en daardoor de bruikbare kern aan den dag brengen, wordt alleen in figuurlijken zin gebruikt voor iemand vatbaar maken voor verdere beschaving. Eene noot pellen; gepelde garst; het schillen van een appel; eiken hakhout wordt geschild.
Dor, zie Bar.
Dorschvloer, zie Deel.
Dorst, zie Begeerte.
Dorsten naar, zie Bcgeercn.
Dra, zie Aanstonds.
Draad â samenhang. Datgene, waardoor de deelen van een betoog enz. met elkander in verband staan. Heeft men alleen het oog op het nauwe, innerlijke verband tusschen de deelen onder elkander, dan spreekt men van samenhang. Wanneer eene hoofdgedachte in de verschillende onderdeelen terug gevonden kan worden, dan noemt men dit de draad. Het kan dus alleen gebezigd worden van zoodanige zaken, zooals een rede, een verhaal, die een groot aantal onderdeelen hebben. Waar de draad al te lang wordt uitgesponnen, daar ontstaat langdradigheid.
Draalen â drillen â keeren â wenden â wentelen. Keeren
17S
DRAâDREK.
on wonden duiden oone beweging aon, waardoor iets in een anderen stand wordt gebracht. Keercn drukt meur uit dat iets of iemand een tegenover-gestelden stand aanneemt of in een tegenovergestelden stand gebracht wordt. In zooverre kan men dan ook zeggen: hoe ik de zaak ook wend of keer. Wend hel roer naar stuurboord I Zich naar het vuur kecren. Wentelen geeft eene herhaalde wending, en daarenboven eene door dat herhaalde wenden veroorzaakte beweging te kennen, zoodat het dus ongeveer in dezelfde be-teekenis als draaien gebezigd wordt. Zie eens, hoe dat paard zich wentelt! De wielen van het rijtuig ivcntelden zoo snel om hunne assen, dat de speeken geheel onzichtbaar werden. Draaien heeft het bijdenkbeeld, dat de verandering van stand van een lichaam het gevolg is van zijne beweging om een vast punt. De aarde draait om hare as en wentelt zich om dc zon. Snel om eene as of om een punt doen draaien noemt men in sommige gevallen drillen; men spreekt b.v. van een gat drillen met eene boor, het drillen van een machinerad, en in overdrachtelijken zin van hel drillen van recruten.
Drab, zie Bezinksel.
Dragen â torsen. Dragen wordt van alle voorwerpen, zelfs van de lichtste gebezigd, torsen alleen van een zwaren last, waar men onder gebukt gaat. Figuurlijk: leed torsen.
Dragen, zie Doorstaan.
Dragen â etteren â zweren. De natuurlijke ontbinding van het weefsel, waar zich schadelijke stoffen in het lichaam bevinden, die langs dezen weg naar buiten komen. Zweren â eigenlijk pijn lijden â drukt thans de geheele werking \an dit ziekteproces uit. Dragen zegt men wanneer er etterstof zich vormt, of bij opene wonde of zweer zich nog blijft vormen; etteren drukt meer het naar buiten komen van etter of gifstof uit.
Dralen â talmen. Beide woorden drukken het langzaam en weifelend voortgaan met iets uit. Dralen wordt ook gebruikt als men nog niet de hand aan het werk geslagen heeft; het veronderstelt bij den draler weifeling of vrees. Talmen wordt meest gebruikt als de handeling begonnen is, het geeft een langzaam voortgaan aan, waarvan traagheid of ongenoegzame kracht oorzaak is.
Drnma â treurspel. Drama is de naam van een letterkundig kunstwerk, waarin de dichter eene handeling aanschouwelijk voorstelt in haar ontslaan, hare ontwikkeling en haar afloop; 't meest volkomen geschiedt dit door personen handelend en met elkaar sprekend te doen optreden. Drama (best te vertalen door het Nederl. tooneelstuk) is de algemeene naam. Ofschoon nu ieder tooneelstuk een drama is, wil toch het spraakgebruik laatstgenoemden naam bij voorkeur gebezigd hebben voor tooneel-stukken van ernstigen inhoud. Treurspel heeft eeno meer beperkte boteekenis, in zoover het steeds een tragisch einde heeft.
Drangreden, zie Beweegreden.
Drek â mest â aalt â gier. Dierlijke uitwerpselen. Mest noemt
170
DRENâDRIN.
men den drek van sommige dieren, voor zoover hij dient om het land vruchtbaar (e maken: koemest, paardenmest. Aalt noemt men hei voclii, dat uit den mest sijpelt; gier de vloeibare uitwerpselen van dieren, voornamelijk van koeien. JJrek heeft ook de beleokenis van vuil in het algemeen. Figuurlijk: in den drek vallen â de eer verliezen; uit den drek helpen = iemand voor oneer behoeden.
Drenkplaats â wed. Hoewel beide woorden voor eene ondiepe plaats in liet water gebruikt worden, zijn zij eigenlijk niet synoniem. Drenkplaats is eene plaats waar het vee komt drinken; wed eene plaals, waar het komt waden of zich reinigen. Een paardenwed.
Dreunen, zie Daveren.
Driest, zie Dapper.
Drift, zie Hanst.
Drift , zie liartstoelit. Sterke neiging des gemoeds; onweerstaanbare begeerte. Drift ziet meer op het blinde der neiging dan tiartslocht. Bij mensch en dier heerschen driften, doch alleen de mensch, als redelijk wezen, heeft hartstochten. ïgt;Hartstocht der werkelijkheid heeft men den drang naar waarheid op ieder gebied genoemd, waardoor het tegenwoordig geslacht zich kenmerkt.quot;
Drift, zie Dooslieiii.
Driftig, zie Haastig.
Driftig, zie Hoos.
Drijfveer, zie Beweegreden.
Drijven â Jagen. Door aanzetten in beweging brengen. Jagen ziet op eene snelle beweging. Men drijft vee naar de markt, maar jaagt kippen uit den tuin.
Driiien, zie Draaien.
Dry ven, zie Dobberen.
Drinker â dronkaard â zuiper. Door drinker verstaal men iemand, die misbruik maakt van geestrijke dranken, zonder nog bepaald dronken ervan te worden; door dronkaard iemand, die zich gedurig bedrinkt, aan den drank verslaafd is; door zuiper iemand (een woord van de lagere volksklasse), die zich dagelijks op schandelijke wijze aan sterken drank te buiten gaat.
Drinkgeld â fooi â verval. Fooi is een klein geldelijk geschenk, dat aan iemand gegeven wordt om hem vooreen bewezen dienst te beloonen. Oudtijds heette men zulk een geschenk meestal drinkgeld, naar het doel waarmee het gegeven werd, om op de gezondheid van den gever te drinken. Verval, dat eene toevallige inkomst aanduidt, noemt men de jaarlijksche voordeden, die de dienstboden uit hunne looien trekken.
Dringen â drukken â duwen â stooten. Een lichaam met
SYNONIEMEN. 12
177
DRINâDRU.
geweld van zijne plaats trachten te verwijderen. Duwen en stooten hebben dit met elkander gemeen , dat de werking bij beide niét lang van duur is, maar zij verschillen hierin, dat duwen minder kracht en eene minder plotselinge werking onderstelt dan stooten. Iemand uit dc deur duwen o(stooten. Drukken onderstelt eene krachtige en aanhoudende werking, terwijl in dringen nog dit andere bijdenkbeeld ligt opgesloten, dat de verwijdering van het voorwerp geschiedt met het doel om de plaats ervan zelf in te nemen. Dit dak is te zwaar, het drukt te sterk op de muren. Ibmand van zijne plaats dringen Overdrachtelijk heeft drukken de beteekenis van het gemoed bezwaren, onrust cn kommer haren, doch is dan niet synoniem met de andere woorden: dat geheim drukt mij. Dringen beteekent ook noodzaken: hij drong mij letterlijk hem te vergezellen.
Dringen, zie Dwingen.
Droesem, zie Bezinksel.
Droevig, zie Bedroefd.
Dronk â slok â teug. Slok ziet meer op de handeling van het slikken en onderstelt dus eene kortere handeling dan dronk cn teug. liij uitbreiding worden zij gebezigd voor de hoeveelheid vocht, die we Ier ver-frissching nemen: het eerste duidt dan eene kleinere hoeveelheid aan dan het laatste. Zij reikte h»m een koelen dronk, eene teug frisch water. Een slok brandewijn.
Dronkaard, zie Drinker.
Dronken, zie Beschonken.
Droomen, zie Slapen.
Droomerlg â slaperig. De slaperige heeft behoefte aan slaap, do droomerige is niet goed uitgeslapen, of nog niet recht wakker. Een droo-merig mensch is dus hij, die lui en traag is, als iemand, die pas is opgestaan en nog als 't ware droomt, die wel aan allerlei dingen denkt, doch niet met duidelijkheid en klaarheid. Slaperig, in figuurlijken zin, is hij, die bij zijn werk suft, alsof hij halt in slaap was en dus noch aan zijn werk noch aan iets anders denkt.
Druipen â druppelen â druppen â droppen. Druppelsgewijze neervallen. Druppelen en druppen zien op het vallen van enkele druppels; waar eenige klanknabootsing noodig is wordt droppen gebruikt, o. a. in Staring's Herdenking. Druppelen en droppelen wekken het denkbeeld op van herhaling; druipen beteekent aanhoudend en sterk druppelen. Er komt stellig eene bui, het begint al te druppelen. Ge moogt geen was van de kaars op het tapijt laten druppen. Toen de sneeuw smolt, droop het van de daken.
Druk â oplaag â uitgave. De afdrukken van een ter pers gelegd werk. Oplaag zxsi op het getal afdrukken; druk eigenlijk op de uitvoering, maar men bezigt het ook zeer dikwijls voor oplaag. Uitgave is eigenlijk het in druk geven van een werk, doch bij uitbreiding wordt het ook gebruikt \oor druk en oplaag. De tweede uitgave. De eerste, tweede, derde, druk.
178
DRÃâDUl.
Druk â benauwdheid â ellende â nood â rampspoed â tegenspoed â ongeluk. Elke onaangename toestand, dien wi] in het leven doorworstelen moeten. Als alles ons tegenloopt, noemen wij liet (t-geji-spoed. Alles, waar groole tegenspoed of' rampspoed ons in brengt, noemen wij ellende â eigenlijk de rampspoed van ballingschapâ; terwijl benauvjd-heid op het gevoel ziet, dat wij hebben als ons veel tegenspoed treft of bedreigt, is druk de tegenspoed, die als een zwaar gewicht ons noderdrnkt en in al onze bewegingen bemoeilijkt. A'oorf is de toestand, waarin de inensch de dringende behoefte aan hulp het sterkst gevoelt. Spreekt men van ongeluk dan heeft men ook het oog op de tegenstelling, het ycluk, en beschouwt den onspoed meer als een toevallig kwaad of als iets, dat ons door hooger macht is toegevoegd.
Drukken, zie Dringen.
Druppelen, zie Druipen.
Druppen, zie Druipen.
Dubbelzinnig â twijfelaelidg. Onzeker van beteckenis. Bij twijfelachtig bestaat die onzekerheid ten opzichte van eene zaak of gedachte die men uit onvoldoende of tegenstrijdige gegevens tot klaarheid wenscht te brengen. Dubbelzinnig is dat wat op meer dan eene wijze kan uitgelegd worden; het doet tevens denken aan een opzettelijken \orm om onzekerheid te verwekken. Zijne houding is zoo twijfelachtig, dat wij ons niet te veel van zijne hulp moeten voorstellen. De godspraken hij de Grieken waren bijna altijd dubbelzinnig.
Duchten â vreczcn. Duchten is denken of vermoeden dat er iets onaangenaams zal geschieden, vreezen is het gevoelen van den onaange-namen indruk, dien naderend kwaad of gevaar bij ons opwekt, of het krijgen van een gevoel van beklemming en onmacht als men zich tegenover een machtiger bevindt. De veldheer duchtte eene hinderlaag. Oldenbarncvelt vreesde zijn rechters niet. Vrees den Heer.
Duf â bedompt â dompig â muf â vochtig. Vochtig noemt men eene plaats, waar de uitwasemingen van een natten grond do lucht met waterdeelen bezwangeren. De schimmelplanten, die zich daardoor ontwikkelen, geven aan de voorwerpen dien onaangenamen reuk, dien men muf of duf noemt, waardoor levensmiddelen onbruikbaar worden. Muf drukt een hoogeren graad van bederf uit dan duf. Figuurlijk: het ziet er duf uit ~ de zaak staat slecht. Bedompt en dompig verbinden aan het denkbeeld van vochtigheid dat van benauwdheid door gebrekkigen toevoer van versche lucht en beperkte oppervlakte.
Duideiyk, zie Begrijpemk.
Duikelen, zie Buitelen.
Duin, zie Berg.
Duister â geiieiniKinnigâonduidelijk â randselaehtig â verborgen â verholen. Aldus noemt men alles wat niet gemakkelijk
12*
179
DUI-DDN.
begrepen kan worden. Verborgen is wat men niet opmerken of niet weten kan; verholen drukt dit niot zoo sterk uit, want met voldoende scherpzinnigheid kan men wat verholen is wel ontdekken. Er ligt in de werken van dien schrijver een verholen misnoegen met de orde van zaken. Onduidelijk wat ons gebrekkig wordt voorgesteld; duister waaraan op zich zelf de noodige klaarheid ontbreekt en waarvan men het verband, den samenhang moeilijk kan vatten. Geheimzinnig is wat geheel of gedeeltelijk aan de waarneming onttrokken is, raadselachtig wat gepaard gaat met veel, wat ons bij eene oppervlakkige beschouwing onbegrijpelijk toeschijnt. De eeredienst der oude Egyptenaren had veel geheimzinnigs. Uwe handelwijze vind ik raadselachtig.
Duister â donker â somber. Somher heet datgene, wat vroolijk aan- of uitzicht mist en dus een onaangenamen, beklemmenden indruk maakt; eene sombere woning, een somber oord, een sombere dag; figuurlijk: eme sombere stemming. Donker ziet op gebrek aan licht en helderheid: eene donkere kamer, een donkere dag; figuurlijk donkere uitzichten, donkere tijden. Duister wijst op de geheele afwezigheid van licht. Eene zonsverduistering, het nachtelijk duister.
Duisterheid â duisternis. Duisterheid duidt het bezit van wat duister is aan, duisternis ziet op den toestand, het zijn of bestaan van duister. De duisterheid van hel boek maakt dal het door weinigen verstaan wordt en weinig verkocht wordt. Er vertoonde zich licht in de duisternis. Duisternis bedekte dc aarde.
Duizelig, zie Bedwelmd.
Dulden, zie Doorstaan.
Dulden, zie Gedoogen.
Dun â mager â rank â schraal â slank â tenger. Wat
niet breed en dik is. Dun staat tegenover dik; rank tegenover breed en zwaar: een rank vaartuig; slank tegenover kort, gezet, stevig; tenger staat tegenover grof; mager en schraal tegenover vet. Schraal en mager kan men dikwijls met elkander verwisselen: schrale kost en magere kost, mager of schraal van gestalte, een schrale troost en een magere troost. In sommige uitdrukkingen wordt echter uitsluitend schraal gebezigd: een schrale wind (een droge wind, die alles verdort), het lieren staat schraal; in andere daarentegen geeft men meer de voorkeur aan mager; welk een mager geraamte van een paard! voor een paard, dat vet en vleesch beide mist. Mager vleesch = vleesch zonder vet.
Dun â vloeihanr. Beide woorden geven een geringen samenhang der deelen te kennen. Dun is het tegendeel van dik, vloeibaar van vast. Dikke en dunne soep. Het kwikzilver dat hier vloeibaar is, wordt in zeer koude landen vast.
Dunken â lijken â sehynen â toeschynen â voorkomen.
Schijnen is eigenlijk licht afgeven; wat licht afgeeft, valt sterker in het oog dan wat donker is. Oordeelt men nu niet naar het wezen maar naar
180
DÃRâDWA.
den schijn, dan zal men zeggen dat iels schijnt; zegt men b.v. iets schijnt als ccnc zon of iets schijnt alsof het eene zon runs, dan zegt men daarmede dat het licht afwerpt evenals ccnc zon. Men heeft dan eon oordeelvelling gemaakt gegrond op waarneming van het uiterlijk. Langzamerhand is men schijnen ook voor de waarnemingen gaan gebruiken van het uiterlijk van niet lichtende voorwerpen en zoo is het evenals lijken gaan Leteekenen hel voorkomen of den vorm hebben van iels. Voorkomen zegt niets anders dan voor komen en is dus eigenlijk hetzelfde als voor den dag komen, liet uiterlijk hebben. Schijnen en lijken zijn nog iets minder subjectief dan voorkomen , dat de waarde van het oordeel nog af laat hangen van de juistheid waarmede het oog ziet. Rij dunken geeft men te kennen dat de oordeelvelling, die men uitspreekt, niet op voldoende of goede gronden steunt, het drukt op zich zelt dus reeds uit dat, hetgeen men zegt, eene gebrekkige oordeelvelling is.
Duren, zie Aanloopen.
Durven â onderstaan â ondcrwlmlen â vcrmclt;:cn
Olch) â verstouten OU''O â wagen. Wagen geeft te kennen, dat de uitslag van hetgeen men onderneemt onzeker of aan gevaar onderhevig is; durven dat men den moed, zich verstouten, zich onderwinden, onderslaan, dat men de stoutmoedigheid, de onversaagdheid bezit, die voor eene moeilijke of gevaarlijke handeling of eene onderneming noodig is; durven is meer het gevolg van eene blijvende eigenschap, zich verstouten m-i. van eene oogenblikkelijke opwelling van stoutmoedigheid, zich vermeten wordt gezegd van het durven eener daad, wanneer de bedrijver wegens te hoog schatten zijner krachten of te min achten van hetgeen hij onderneemt gevaar loopt zijn ondernemen te zien mislukken; er ligt eene lichte afkeuring in opgesloten. Met onderstaan of zich onderwinden is het bijdenkbeeld verbonden, dat men reeds tot de uitvoering is overgegaan. Onderstaan heeft dikwijls, eene minder gunstige beteekenis, dewijl liet veel gebruikt wordt voor iets durven ondernemen, dal om de eene of andere reden beter ware niet ondernomen te worden. Ik wacnj hel om hulp bij u aan te kloppen. Ik durfde hem niet goed onder de oogen komen. Ik verstoutte mij hem dc volle waarheid te zeggen. Koning Agesilaus van Spar la onderstond (onderwond zich) het groote Perzische rijk in het hart aan te tasten.
Dus, zie Bijgevolg.
Dutten, zie Slapen.
Duurzaam, zie Aanhoudend.
Duurzaam, zie Bestendig.
Duwen, zie Dringen.
Dwaalleer â ketterij. Eene leer afwijkende van een kerkgeloot, inzonderheid van de leerstellingen der Roomsch-Katholieke kerk. Ketterij noemen de kerkleeraars eene gevaarlijke dwaalleer, waarin hij, die haar aankleeft, hardnekkig volhardt. Tegenwoordig geeft men den naam ketterij ook aan afdwalingen op het gebied van wetenschap of kunst. Voor eenigo
181
DWA.
jaren heeft een Luilsch theoloog nog eens de wetenschappelijke ketterij verkondigd, dal de zon om de aarde draait.
Dwaas â dol â gek â krankzinnig â mal â nar (subst.) â onverstandig â onzinnig â zinneloos â zot. Gek, krankzinnig, mal, zinneloos, van personen gebruikt geven te kennen dat iemand het gebruik van zijne verstandelijke vermogens niet heeft; zie over deze en andere hiermede synonieme woorden i. v. krankzinnig. Dwaas, dol, gek, mal en zot, van personen gebruikt, geven te kennen dat iemiind door zijne daden aanleiding geeft om hem te bespotten of om hem te lachen, hetzij deze daden het gevolg zijn van beperkte ontwikkeling van het denkver-mogen, hetzij deze geen ander doel hebben, dan iets te doen datongerijmd is. Dwaas is die in een zeker oogenblik niet wijs handelt. Dol is eigenlijk die het spoor bijster is, die onbezonnen en met woestheid te werk gaat. Gek is diegene, die door af te wijken van de gewone wijze van doen of door eene zekere mate van inbeelding zijn onverstand doet blijken. Mnl staat meer tusscben kinderachtig en onwijs. Bij den zolt; vindt men, behalve gemis aan gezond verstand, eene groote mate van verwaandheid. Bij onverstandig ontkent men alleen het hebben van goed verstand. Van zaken en van daden of denkbeelden gebruikt, duidt dwaas het ongerijmde en bet ongebruikelijke aan, gek meer het bespottelijke; waar het ongerijmde en bespottelijke vereenigd zijn, daar spreekt men van dol; waar het ongerijmde zijn toppunt bijna bereikt heeft, van mal; waar het bespottelijke en zinledige in hooge mate uitkomt van zot.
Zot, dwaas en gek zijn ook als substantiva in gebruik. Hiernaast slaat nar, dat niet als adjectief in gebruik is. Gebruikt men dit woord voor den dwaas, dan wil men te kennen geven dat bovendien eene zekere mate van eigenzinnigheid , soms ook van knorrigheid of gemelijkheid aan den dwaas eigen is. In engeren zin wordt het gebruikt voor Ac gekken of zotten aan do hoven van voorname heeren in vroegeren tijd, die van de dwaasheid een beroep maakten; de hofnarren, bij rederijkerskamers de gekken of zolten genaamd.
Onverstandig, onzinnig en krankzinnig, van daden of gedachten gezegd, duiden eene onvolkomen werking van hel denkvermogen hij iemand aan. Het eerste drukt dit het zachtst uit, want het geeft onwetendheid of domheid als grond aan. Onzinnig is sterker, bet veronderstelt dat de daad of het denkbeeld het uitvloeisel is van een onvolkomen of verward denkvermogen, terwijl bij krankzinnig dit laatste als bepaald gekrenkt of verkeerd werkend gedacht wordt.
Dwalen , zie Zwerven.
Dwalen â dolen â falen â feilen â mistasten â zondigen.
Bet verkeerde voor het rechte nemen. Dwalen is zich vergissen in den weg, dien men in moest slaan en figuurlijk dus eene verkeerde daad doen of eene onjuiste gedachte koesteren, terwijl men meent goed te handelen. Dolen is den weg kwijt zijn en daardoor verkeerd handelen; het geeft een anderen grond voor de handeling aan. Falen is te kort komen in zijne kracht, zich bedriegen in zijn oordeel. Wie dwaalt meent juist te oordeelen
â 182
DWAâDWE. 183
maar maakt een verkeerd besluit; wie doolt komt niet tot een besluit, maar raakt verward in zijn gedachtengang; wie fiutU beeft zijne krachten niet goed berekend en schiet te kort. Feilen is eigenlijk hetzelfde uls falen, maar ziet meer op innerlijke zwakte. Mistasten is verkeerd handelen, doch zonder opzet om het verkeerde te doen; zondigen daarentegen is in strijd handelen met beslaande wetten, bepalingen of begrippen.
Dwaling, zie Afdwaling.
Dwaling â abuis â misvatting â misrekeningâvergis-quot;T sing â wanbegrip. Misvatting is eene verkeerde opvatting, die zoo
zij blijft bestaan, tot een misverstand kan leiden. Dwaling is een verkeerd begrip, dat wij ons van de eene of andere zaak gevormd hebben. Abuis, eigenlijk verkeerde bejegening, vervolgens misleiding, dwaling, vergissing, is thans een zachte uitdrukking om eene meening of handeling als onwaar, onjuist of verkeerd te kenmerken. Eene vergissing is eene onjuiste gissing, in zekere mate dus een zelfbedrog, waarbij men te goeder trouw was, eene daad, die het gevolg eener onjuiste meening was, wordt ook eene vergissing genoemd. Hij beging eene leelijke vergissing door mijn hoed mede te nemen. Hij herstelde spoedig zijn abuis. Voor mij zou het abuis niet in idee lig geweest zijn, want zijn hoed was heter dan de mijne. Een wiinhe-grip is meer dan een verkeerd begrip, het is schadelijk tevens. De voorstelling, die sommige menschen zich van de godheid vormen als een wraakzuchtig wezen, is een wanbegrip. Vooroordeel is eene meening, die men T omhelsd heeft, zonder dal zij op voldoende gronden rust, en die het juiste
verder denken verhindert. Misrekening noemt men het falen eener berekening. Dat hij niet tot die betrekking benoemd is, is voor hem eene geduchte misrekening. Vooruordeelen zijn gevaarlijker dan dwalingen, want dwalen onderstelt onderzoek, en voor voortgezet onderzoek moet zelfs de hardnekstige dwaling eindelijk wijken. 7)e volwassene behoort de voorour-deelen zijner jeugd af te leggen; wanneer hij echter beweert in geen dwalingen te vervallen, dan is hij zeker bevooroordeeld.
Dwnrs â schuin â scheef. Dwars is wat tegen het rechte overslaat; schuin, scheef duiden de richting aan, die tusschen recht en dwars het midden houdt met dit onderscheid, dat scheef gewoonlijk nog het bijdenkbeeld insluit van verkeerd slaande. Iemand den voet dwars zetten. Dwars-drijven. Eene schuine lijn. Een scheeve neus.
Dwarsboomen, zie Delemmeren.
Dweepzucht, zie D||geloof.
Dweper â geestdrijver. Ieder die overdreven begrippen koestert en hiervoor blindelings ijvert, hetzij ten opzichte van don godsdienst, of van de politiek of de kunst, noemt men een dweper. Een geestdrijver is eau dweper voor godsdienstige begrippen, ilie de godsdienstige droomerijen, waarmede hij vervuld is, ook met geweld aan anderen tracht op te dringen.
Dweperij, zie Bijgeloof.
Dwepery â dweepzucht â geestdrijverij. Afdwalingen van
i _
DWIâECU.
den menschelijken geest met betrekking tot het bovennatuurlijke. Dweperij is eene te sterke ingenomenheid met eigen begrippen ten opzichte van politiek, godsdienst enz., die in dweepzucht ontaardt, wanneer wij zoo ver gaan, dat wij buiten onze godsdienstige begrippen voor niemand heil zien, en ze dus met gewold aan anderen pogen op te dringen. Wordt dit een blinde geloofsijver, dan noemt men haar geestdrijverij. Monniken m kluizenaars zijn tot dweepzucht voorbeschikt door de af zondering, waarin zij leven.
Dwingen â dringen â noodzaken â nopen â pressen.
Iemand door middel van zijne kracht tot iets brengen. Noodzaken is iemand door nood er toe brengen om iets te doen. Het veronderstelt nog geen gewelddadige maatregelen, doch zulke, die het den jiersoon, die genoodzaakt wordt, onmogelijk maken anders to handelen. Dringen, dwingen, nopen en pressen veronderstellen meerdere of mindere mate van geweld. Bij nopen brengt men hem er toe door hem met een prikkel aan te zetten; cïeze prikkel kan echter van zedelijken aard zijn. Dringen veronderstelt een voortduwen, waarbij do betrokken persoon nog de vrijheid zijner beweging behoudt. Bij pressen is een krachtige druk aanwezig, die hem niet alleen steeds verder voortdrijft, maar ook het ter zijde uitwijken geheel onmogelijk maakt. Terwijl de vorige altijd nog eenige medewerking van den betrokken persoon veronderstellen, is zulks bij dwingen niet het geval. Hierbij is de vrijheid volstrekt beperkt en degene, die gedwongen wordt, moet door kracht en geweld er toe gebracht worden om iels te doen, dat legen zijn wil is.
JE.
Keilt â louler â onvermengd â onvervalselit â oprecht â reelit â reelitmatig â rein â ivnnr â unnraehtlg â zuiver.
Hetgeen zóó is als liet wezen moet. Kcht beleekent eigenlijk wat volgons de wet is wettig, wat de waarde heeft, die het behoort Ie hebben; echte kinderen, echt goud; bij uitbreiding echte paarlen (in tegenstelling van valsche), echte trouw (in tegenstelling van schijn-trouw). llechtmatig, wat overeenkomstig het recht is, drukt hetzelfde denkbeeld uit ton aanzien van handelingen: eene rechtmatige vordering , een rechtmatig onderzoek. Recht is hetgeen overeenkomt mot het doel en de bestemming, waar is datgene wat werkelijk is, zooals het zich aan ons oog vertoont, liechl staat tegenover onrecht, waar tegenover valsch, echt tegenover onecht ot slecht. Eene versterking van waar is waarachtig, eigenlijk wat waarheid bezit. Recht en waar geven Ie kennen, dat een persoon of eene zaak op den naam, dien hij draagt, werkelijk aanspraak heeft. Een waar vriend, ware vreugde, de rechte weg, een rechte luiaard. Oprecht, dat in de eerste plaats ongeveinsd, openhartig beleekent, staal somtijds ofschoon minder juist tegenover nagemaakt; de oprechte Ilaarlemsche Courant; zuiver, louter, onvervalscht
484
ECUâEEN.
on onvermengd staan tegenover vcrvalscht. Zuiyc»'is ontdaan van of bewaard voor alle vuil of besmetting, louter is rein en onvermengd met vreemde be-standdeelen, de zuivere waarheid, louter goud, onvervalschtc levensmiddelen, mijne vreugde was ver van onvermengd; rein is vrij van alle smet en staat tegenover bezoedeld, besmet: reine handen (handen waar geen bloed of smet van onrechtmatig verworven goed aan kleeft), eene reine kleeding, een rein geweien.
Gclitcr, zie Dan.
Eclitgcnoot â gade â gemaal (gciualln]) â wederhelft.
Gehuwde man of vrouw. Echtgenoot is de gewone benaming. Garfe, eigenlijk gelijke, is dichterlijk; gemaal en gemalin gebruikt men alleen van personen van hoogen rang. Wederhelft beschouwt de man of vrouw als de helft, die bij de andere behoort om samen een geheel, een paar uit te maken.
Edel, zie Adelijk.
Edelaardig â edelmoedig â grootmoedig. Grootmoedig is sterker dan edelmoedig en het nog zwakkere edelaardig; het duidt aan,dat men niet alleen van een edelen, maar van een zeldzaam edelen zin blijk geelt. Grootmoedig was het van de Ruyter, dat hij na 1672 aanbood desnoods onder Tromp te dienen. Grootmoedig handelde Garibaldi, toon hij, na liet koninkrijk der beide Siciliën veroverd te hebben, dit zonder op de minste of geringste belooning aanspraak te maken, aan de voeten van Victor Emanuel neerlegde.
Edelmoedig, zie Edelaardig.
Edoch, zie Dan.
Eendrachtig â eenparig â eens â eensgezind â eenstemmig. Overeenstemmend in neiging, meening of daden. Eens geeft te kennen, dat twee of meer personen in gevoelen of rneening overeenstemmen; eendrachtig, dat twee of meer personen overeenstemmen in gezindheid en daardoor met denzelfden wil gezamenlijk voor hetzelfde doel werkzaam zijn; eenparig dat zij dit op dezelfde wijze en gezamenlijk doen; eensgezind, dat zij in neiging en gezindheid overeenstemmen, het ziet minder op de handeling. Eenstemmig zijn zij, die hetzelfde willen en dit in woorden of daden uitdrukken. Onze commissie werd het over de te nemen maatregelen nog al spoedig eens, en toen ivij die vervolgens aan het oordcel der vergadering onderwierpen, was deze eenstemmig (eenparig) van gevoelen, dat ons voorstel aannemelijk was. Op het pinksterfeest waren de apostelen eendrachtig bijeen, in hel hidden volhardende. In dit huisgezin laat de eensgezindheid nog al te wenschcn over. Eendracht maakt macht.
Ecnig, zie Alleen.
Eenlge â enkele â ettelijke â menig â sommige â verscheidene. Telwoorden om eene onbepaalde hoeveelheid dingen eener zeüde soort aan te duiden. Bij enkele is dit aantal zeer gering, bij eenige gering, bij verscheiden tamelijk groot. Ettelijk, sommige, menig houden
185
EENâEER.
tusschen ecnige en verscheidene het midden. Menig wordt alleen in het enkelvoud gebruikt en blijft veelal onverbogen. Menigeen. Menigmaal. Ik heb daar menig genoegelijken dag doorgebracht.
Eenparig, zie Ecndraclitlg.
Eens, zie Eendrachtig.
Eensdeels, zie Deele (ten).
Eensgezind, zie Eendrachtig.
Eenstemmig, zie Eendrachtig.
Eenvoud, zie Eenvoudig.
Eenvoudig â enkelvoudig. Deze adiecliva staan tot elkaar in dezelfde verhouding als eenvoud en enlielvoud. Door -voud worden de af-deelingen van een geheel aangegeven b.v in tweevoud, honderdvoud enz. Met een samengesteld treedt het begrip der eenheid meer op den voorgrond, terwijl enkel meer het begrip van alleen, één in aantal en niet meer, uitdrukt. Uit het begrip van een geheel zijnde, niet op kunstige wijze samengesteld, ontwikkelen zich vervolgons bij eenvoud en eenvoudig de denkbeelden onopgesmukt, waar, natuurlijk, ongekunsteld, terwijl enkelvoud en enkelvoudig tegenover meer- en veelvoudig staan.
Eenzaam, zie Afgelegen.
Eenzaam, zie Alleen.
Eenzijdig, zie Bekrompen.
Eer â naam â roem. De waardeering die wij vinden, de lof dien wij inoogsten. Eer ziet op de achting, die ons bij ons loven te beurt valt van de zijde onzer medeburgers; eer en aanzien waren daar zijn deel; naam ziet op de bekendheid (meer of minder algemeen, langer of korter van duur), die we onzen persoon weten te verzekeren; roem is de alge-meene bekendheid, die steeds met lof en bewondering van iemand doet spreken en die hel gevolg is van grootsche daden en grootsche scheppingen. Leonidas verwierf zich bij Thermopylae een onvergankelijken roem. IS aam wordt ook gebezigd in een kwaden zin. Een naam als Alva zich verwierf is weinig begeerenswaard.
Eerbaar â eerzaam â ingetogen â kuisch â rein. Eerbaar wil zeggen wat eer heeft, de tegenstelling van eerbaar was dus oorspronkelijk onteerd; eer heeft in dit begrip allengs de beteekenis van kuischheid gekregen. Door een woord met het achtervoegsel -zaam te verbinden duidt men meer eene blijvende hoedanigheid aan. Eerzaam gevormd als deugdzaam, duidt het bezit van eer aan als voortvloeiende uit hel karakter. Kuisch is eigenlijk rein, zuiver en wordt in de uitdrukking/cmsc/tcmncti/d synoniem met reine maagd. Verder krijgt het de beteekenis van ingetogen, hetwelk echter meer op het beheerschen der begeerten ziet. Het begrip eerbaar is ruimer dan hol begrip kuisch. Kuisch ziet uitsluitend op het wederstaan van verboden vleeschelijke lus'en; eerbaar onderstelt een inge-
186
EER.
togen, zedig, deugdzaam gedrag, dat in geen enkel opzicht tegen de betamelijkheid o( de welvoeglijkheid zondigt. Van ingetogen verschilt kuisch in zooverre, dal de kuische niet aan het onreine denkt, de ingetogene zijn lust lot het kwade weet te heheerschen. Eeno kuische maagd, kuische odvcïi . kuische gedachten. Eene eerbare jonge dochter, cene eerznine vrouw.
Kcrbicd, zie Achting.
Kerblcdwaardig, zie Aanzienlijk.
Eergierig â eerzuchtig. Eergierig is meer eene goede eigenschap; de eergierige verlangt eer, vreest haar te verliezen, doch overdrijft dit verlangen niet, de eerzuchtige, d. w. z. die eerzucht heeft, is in hooge mate begeerig naar eer, hij heeft eene onmatige begeerte, hij hunkert en jaagt naar eer.
Eerlang, zie Aanstonds.
Eerlijk, zie Braaf.
Eerloos â oneerlijk. Oneerlijk is hij, die (hetzij in een enkel geval, hetzij in den regel), zoowel in eigenlijken als in figuurlijken zin, niet iedereen geeft wat hem rechtens toekomt, dus ook hij, die met opzet zijne gedachten niet ten volle uit, of anders dan hij het meent. Eerloos is hij, die zonder blikken of blozen daden doet, waarover een braaf man zich zuu schamen; dit woord heeft dus een uitgebreider zin dan hel andere. Oneerlijkheid kan leiden tot eerloosheid.
Eerroovcr â lasteraar. De lasteraar strooit beleedigende, nadeelige en valsche geruchten omtrent anderen uil; de eerroover dicht eeii ander zulke dingen toe, waardoor bij zou ophouden fatsoenlijk en eerlijk man te zijn. Eene valsche beschuldiging van diefstal, van overspel, is eerroof.
Eerstkomend, zie Aanstaand.
Eertijds â voorheen â vroeger â weleer. Vroeger staat tegenover later, voorheen tegenover na dezen; beide duiden een minder grooten afstand van het tegenwoordige aan dan de beide andere woorden; weleer geeft meestal en eertijds altoos een grooten afstand te kennen. Hij is voorheen bij mij in dienst geweest. Ik heb hem vroeger gekend. Hoe krachtig wist Helmers weleer hel ingesluimerd vaderlandsch gevoel wakker te sehitd-den! Wat al bezwaren had de kleinste reis eertijds niet in!
Eervol â vereerenil. Eervol is datgene waaraan eer verbonden is, vereerend is wat eer geeft. Ver eerend, ziet op de hulde, die ons betoond wordt, eervol op de hulde, die wij ons verwerven door verdiensten. Een
vereerend bezoek, een eervolle aftocht; een vereerend schrijven, eene eer volle vermelding.
Eerwaard, zie Aanzienlijk.
Eerwaardig, zie Aanzienlijk.
Eerzaam, zie Eerbaar.
Eerzuchtig, zie Eergierig.
187
EETâE1G.
Eetlust â liongcr. Eetlust beleekent begcerlc naar, honger behoefte aan spijs. Eigenlijke honger is den gegoede gemeenlijk onbekend. Hij t's goed gezond, het ontbreekt hem niet aan eetlust.
Eelwanr â clt;t'n â kost â Icoftoclit â Icvcmsmldtlclcn â moiuUieliocftcn â teerkost â spijs â voedsel. Alles wat lot onderhoud van het dierlijke leven dient. Spijs omvat alles wat eetbaar is, eten en kost zien meer bepaald op voor het eten toebereide spijs. Men spreekt van rauwe spijs, niet van rauw eten. Eetwaren, levensmiddelen, mondbe-hoeften worden die spijzen genoemd, die in de winkels te koop zijn, in zooverre hot waren zijn om te eten of middelen om liet leven te onderhouden. Voedsel ziet op de spijs voor zoo verre zij tot voeding dient, in tegenstelling van de overtollige lekkernij. Hij heeft voedsel noch deksel. Door leeftocht verstaal men den voorraad spijs en drank, waarvan men zich voorzekeren tijd voorziet: hel leger is goed van leeftocht (proviand) voorzien; door teer-Iwst den leeftocht, dien men op reis medeneemt.
Ellen â glad â plat â slecht â vlak. Effen is het tegenovergestelde van hobbelig; glad van ruw; plat van gebogen; rfafe van vol hoogten en laagten. Een effen weg. Een gladde kin. Een gladde stijl. Een plat vlak. Het platte land. Het vlakke veld. De vlakke (platte) hand. Oudtijds had ook slecht deze beteokenis; behalve in dialect is het als zeeterm nog in dezen zin in gebruik: slecht water â effen zee.
Eigenaar â beillter. Eigenaar noemt men den bezitter van datgene, waarop hij rechtens aanspraak heeft. Een dief bezit de goederen, die hij anderen ontstolen heeft, maar hij is er geen eigenaar van. Een vruchtgebruiker zou men den bezitter kunnen noemen van de landerijen, waarvan hij de revenuen trekt. Vergelijk Bezit.
Eigenbaat, zie Baatzucht.
Eigenbelang, zie Baatzueht.
Eigendom, zie Bezit.
Eigendunkelijk, zie Willekeurig.
Eigenwijs â Ingebeeld â laatdunkend â neuswijs â pedant â verwaand â waanwijs. Verwaand en pedant zien op den grooten dunk, dien men van zijne persoonlijkheid in het algemeen heeft, waanwijs, eigenwijs op de hooge gedachten, dien men koestert van zijn verstand. De ingebeelde schrijft zich hoedanigheden toe, die hij óf niet bezit, óf niet in die mate als hij denkt. Neuswijs wordt diegene genoemd, die met zijn neus overal bij is, om zijne kennis en zijn doorzicht te luchten. Laatdunkenheid gaal met de opgenoemde gebreken hand aan hand; zij duidt de hooghartige, minachtende houding aan, die men in het besef zijner meerderheid tegen zijne omgeving aanneemt. Welk een laatdunkenheid, zich, zoo als Lodewijk XIV deed, met de zon le vergelijken!
Eigenzinnig â boofdig â hardnekkig â halsstarrig â koppig â stijfhoofdig. Niet voor leiding en overreding vatbaar. Bij den
188
EIN.
eigenzinnige wortelt dit gebrek in overdreven gehechtheid aan eigen inzichten, bij den hoofdige, koppige of stijfhoofdige in de groote neiging, die hij bezit om zijn eigen hoofd te volgen, dikwijls zonder dat li ij nog zijne inzichten voor zooveel juister houdt; bij den hardnekkiye en den hiitsstarriije in aangeboren onbuigzaamheid. Terwijl hardnekkig ook in goeden zin gebezigd kan worden, is zulks niet bet geval rnet halsstarrig. Hoofdigheid en halsstarrigheid zijn dus erger dan eigenzinnigheid. Kinderen zijn meestal eigenzinnig. Iets halsstarrig volhouden. Een hardnekkig gevecht.
Einde, zie Besluit.
Einde (ten .... loopen), zie Afloopcn.
Eindelijk â lt;en laatste â ten slotte. In eindelijk ligt soms het bijdenkbeeld opgesloten, dat bet einde eener zaak ons om de eenc of andere reden de levendigste belangstelling inboezemt. In die gevallen laat eindelijk zich niet met ten laatste verwisselen. Ten laatste gebruikt men na eene opsomming om te kennen te geven dat er niets meer volgt. Bij ten slotte beschouwt de verschillende voorgaande punten als te samen een geheel uitmakende met hetgeen volgen moet. Dit laatste voltooit en moet dus de meeste kracht hebben. Eindelijk heb ik dan het doel van mijn streven bereikt! Gij zijt daar dus eindelijk; wat heb ik naar u verlangd! Eindelijk nam de ziekte een gunstigen keer. Ten slotte beschouwde hij de zaak in haar geheel.
Eindeloos â oneindig â ongemeten. Wat geen einde neemt. Eindeloos wordt bij voorkeur gebezigd met betrekking tot den tijd (de ein-delooze eeuwigheid), oneindig meer met betrekking tot de ruimte. Van de ruimte gebruikt is oneindig sterker dan eindeloos. Men spreekt van eene eindelooze, niet van eene oneindige woestijn; daarentegen van een oneindig, niet van een eindeloos groot getal. quot;Voor oneindig wordt in dichterlijke taal ook ongemeten gebruikt, eigenlijk dat wat nooit gemeten is en niet gemeten
kan worden. 7 Ongemeten boeide onz' oogen,
En ons lied zijt gij, o zee!
Eindigen (transitief) â voleindigen â voltooien â volbrengen. Het laatste gedeelte van iets verrichten. Eindigen en volbrengen zeggen niets anders dan dit, voltooien en voleindigen bevatten het bijbegrip van daardoor teweeggebrachte volkomenheid. Zij laten zich dus alleen in die gevallen gebruiken, waarin onze werkzaamheid tot de eene of andere schepping heeft geleid, en wel bepaaldelijk tot eene zoodanige, waarvoor eene niet geringe mate van talent of ten minste van kunstvaardigheid en volharding vereischt wordt. Men voltooit, voleindigt een gebouw, een boek, eene schilderij, maar niet b.v. een sloot, eten, of een eenvoudig werktuig. In de laatste gevallen is gereed- of klaarmaken de juiste uitdrukking.
Eindigen, zie Aiioopen.
Eindigen (intransitief) â ophouden â uKsclieiden. Ophouden en uitscheiden worden gezegd van eene werking enz., die gestaakt wordt. Ophouden geeft meer dan uitscheiden te kennen, dat de werking slechts
489
EINâERB.
tijdelijk geslaakt wordt. Eindigen duidt aan, dat het werk volbracht is. De muziek houdt op kan men zeggen aan liet eind van ieder stuk van het programma; de muziek eindigt is alleen toepasselijk op het einde van liet geheele concert. Wij hebben lang genoeg gespeeld, laat ons nu uitscheiden.
Eindigen, zie Afdoen.
Klscli, zie Aanzoek.
Klschen, zie Afeischcn.
Elschen â Tergen â verzoeken â vorderen â verlangen.
Iets met aandrang vragen. Verzoeken is door vragen iets zoeken te verkrijgen. Wie iets verlangt, geelt alleen zijne sterke begeerte om iets Ie bezitten of dat iels zal geschieden te kennen, zonder nog er op te komen of hij recht heeft ol niet. Wie iels vordert, meent dat hetgeen hij vraagt, noodwendig moet toegestaan worden, dewijl hij er recht op heeft. Eischen drukt ditzelfde uit, het veronderstelt echter meer kracht en stelt het recht op den voorgrond. 1 'ergen is iets vragen met sterken drang, het veronderstelt meest eene vraag naar iels dat moeielijk te geven of toe te staan is. Wie iels verlangt, heeft op het gevraagde geen eigenlijk recht; wie iels vordert, meent dat Ie hebben; wie iels eischt, is daar zeker van. Men vcr-langt iemand te spreken. Men vordert of men eischt schadeloosstelling. De regeering eischt gehoorzaamheid aan de wet.
Elk, zie Alle.
Ellende, zie Druk.
Ellendig, zie Armzalig.
J*-quot;® â bekrompen â nauw. liet tegenovergestelde van wijd of ruim. Nauw zegt niet anders dan dit; eng veegt er het bijdenkbeeld aan toe, d;it de ruimle of de wijdte te gering is. Bekrompen geeft eigenlijk te kennen dat de ruimle kleiner is geworden, het duidt dus een betrekkelijk gebrek aan ruimte aan. Eene nauwe straat. Een nauw kleed. Die jas is mij Ie eng. Een enge pas. Gaat in door de enge poorl. Een bekrompen verblijf, bekrompen omstandigheden.
Enkel, zie Alleen.
Enkele, zie Eenlge.
Enkelvoud, zie Eenvoud.
Enkelvoudig, zie Eenvoudig.
Er , zie Daar.
Emelifens, zie Dedunken.
Erbarmen ( /It'll ) â ontfermen (ziek)» Beide woorden drukken het medelijden hebben met een ongelukkige uit. Bij ontfermen denkt men meer aan de daad, die het gevolg is van het innig gevoel, bij erbarmen meer aan de bereidwilligheid om te helpen. Veel verschillen zij echter niet van elkander, zij worden dan ook door elkaar gebruikt.
190
ERBâERN.
Erbarmlng, zie Deernis.
Erfenis, zie Boedel.
Erflating â erfstelling â legaat. Er/laling heet hetgeen men van een overledene erft, heizij volgens eene bepaling der wet, hetzij krachtens uilersten wil; erfstelling is altijd eene beschikking bij uitersten wil; legaal is eene bijzondere beschikking bij uitersten wil, waarbij de erflater een of meer personen zekere bepaalde goederen geeft.
Erfhuis, zie Boedellmls.
Erfstelling, zie Erflating.
Erfpacht, zie Huur.
Erg , zie Boos.
Egernls, zie Aanstoot.
Erkennen â kennen â herkennen â onderkennen. Een
ding door middel van zijn kenteeken van andere dingen onderscheiden. Kennen is iets met de zintuigen waarnemen en het in het geheugen bewai'en. Erkennen is in de meeste gevallen sterker dan kennen, en sluit dan in, dat men voor zijne kennis openlijk uitkomt. Ik ken hem ah mijn weldoener, en ik zal hem altijd als zoodanig erkennen, liet is in deze he-teekenis hetzelfde als bekennen, verklaren, betuigen. Erken uwe schuld. Erkent gij mij voor uw leidsman? Herkennen is opnieuw kennen, zich bewust worden, als men iemand of iets in het gezicht krijgt, dat men hem of liet te voren gezien of gekend heeft. Wij hadden elkander in jaren niet gezien, maar hij was zoo weinig veranderd, dal ik hem op het eerste gezicht herkende. Onderkennen is iets kennen of herkennen, wanneer het zich bevindt te midden van andere voorwerpen van dezelfde soort, derhalve de eene zaak van de andere onderscheiden. Ieder moet goed en kwaad kunnen onderkennen.
Erkenteiykheld, zie Dankbaarheid.
Erkentenis, zie Dank.
Erlangen, zie Bekomen.
Ernst â deftigheid. Ernst is eene min of meer zwaarmoedige gemoedsgesteldheid, die zich van hem meester maakt, wiens blik, gescherpt door ervaring en nadenken, verder reikt dan de oppervlakte der wereldscbe dingen; het is de druk, dien hef bewustzijn of gevoel van het streven naar een gewichtig doel doet ontstaan. Deftigheid is uiterlijke waardigheid en afgemetenheid, die licht in vormelijkheid ontaardt en dikwijls met ernst verbonden is.
Ernst â gestrengheid â nadruk. De wijze waarop men tot het
goede tracht te brengen of tegen het kwaad optreedt. Bij nadruk gaat men met klem te werk, en wil men door het gewicht, dat men op zijn woorden legt, tot het goede aansporen of van het kwade terughouden. Ernst sluit geen zachtheid uit, want wie met ernst iets onder 't oug brengt, tracht
191
ERNâEVE.
zoowel op liet gemoed als op het verstand te werken; bij gestrengheid denkt men meer aan liel straffen of liet met kracht tegengaan van het kwaad. Rij gestrengheid ontbreekt dus de zachtheid, maar toch kan zij nog zeer goed gepaard gaan met welwillendheid. Met nadruk heloogile hij dat het
verkeerd was en dus gemeden moest worden. De ernst, waarmede zij hem zijn plicht herinnerde, maakte indruk op den jongeling.
Een vriend die mij mijn feilen toont.
Gestreng bestraft en nooit verschoont.
Ernst â Uvcr â vlijt. De inspanning, die wij ons getroosten om een doel te bereiken. Ernst, eigenlijk strijd beteekenend, en vervolgens het streven, moeite doen, zich inspannen, geeft te kennen, dat wij bewust van het gewicht eener taak (van hier ems% in zijne verschillende beteekenissen) ons inspanning er voor getroosten. Deze bewustheid leidt tof ijver d. i. de aanhoudende werkzaamheid, waarmede men iets spoedig tracht te volbrengen, en tot vlijt, d. i. die werkzaamheid die er zich op toelegt om het werk zoo goed te doen, als maar eenigszins mogelijk is. Men zegt; iets met ernst en ijver ondernemen. De adiectiva zijn naarstig, ijverig, vlijtig.
Ervaren, zie Bcdr^cn.
Ervaring, zie Ondcrvimllng.
Eten â schrokken â spijzen â vreten. Eten is het algemeene woord voor voedsel tot zich nemen. Met spijzen is het bijbegrip verbonden, dat het eten met zekere plechtigheid geschiedt, soms ook dat er verschillende gerechten genuttigd worden; thans ook dineeren genoemd. I)c ministers hebben gisteren aan de koninklijke tafel gespijsd. Ook wanneer er gasten aan de keizerlijke tafel spijsden, at Napoleon zelf gewoonlijk maar van één gerecht. Schrokken is met gulzigheid eten, haastig het eten naar binnen « slaan. Vreten, eigenl. vereien, d. i, op slechte wijze eten, is op dierlijke ⢠wijze, dus ongemanierd eten.
Eten, zie Eetwaar.
Etteiyke, zie Eenige.
Etteren, zie Dragen.
Evenmenseh â iiietleincnscli â iinastc. Van deze drie woorden is medemensch de zwakste uitdrukking. Onze evenmenschen noemen wij onze medemensdien meer bijzonder met het oog op gelijkheid van lichamelijke, verstandelijke en zedelijke vermogens en behoeften, en de daaruit voortvloeiende plichten, die wij jegens elkander te vervullen hebben. Onze naasten zijn diegenen, met wie wij in het maatschappelijk leven het meest in aanraking komen. Dij uitbreiding wordt naaste ook voor evenmenseh gebruikt, bijv. in het gebod; heb God lief boven alles en nwen naaste als uzelf.
Evenwel, zie Dan.
492
FABâFA K. 193
TT.
Fabel â legende â mythe â sage â overlevering â sprookje â verdiclif selfje â verhaal â vertelling â vertelsel.
Een verhaal is de mededeeling eener gebeurtenis of van eene reeks van samenhangende gebeurtenissen, welker verloop in geregelde ontwikkeling in haar geheel den hoorder of lezer in levendige trekken wordt voor oogen gebracht. Vertelling of vertelsel is hetzelfde doch veronderstelt dat het onderwerp en de voorstelling eenvoudiger en meer beperkt zijn. Verhaal en vertelling laten de waarheid of onwaarheid der medegedeelde geschiedenis in het midden. Verdichtsel geeft uitdrukkelijk te kennen dat het verhaal een spel der verbeelding is. Fabel is een verdichtsel, waarin men de eene of andere waarheid aanschouwelijk voor wil stellen, die men niet openlijk wil uitspreken, en waarin men aan dieren of voorwerpen toedicht, wat eigenlijk op de menschenwereld toepasselijk is. Overlevering is alles wat er hetzij mondeling of schriftelijk, in woorden of zaken van en aangaande de voorvaderen tot ons gekomen is. Voor de kunst van schrijven uitgevonden was, bracht slechts mondelinge overlevering de daden der voorvaderen ter kennis van het nageslacht. Door de over lever ingr-zijn ons de verhalen van den voortijd bekend, die mythe, sage, legende of sprookje genoemd worden. Mythe noemt men de dichterlijke voorstelling, waarin de oude volken hunne godsdienst- en wereldbeschouwing uitspraken. Werd het mythische verhaal overgebracht op personen, die op aarde en als menschen gedacht werden dan werd het tot sage en dikwijls werd het dan met een of ander historisch persoon in verband gebracht. Sage is een verhaal van de daden eener grootsche persoonlijkheid of van groote gebeurtenissen, die, dikwijls zonder dat er historischen grond voor te vinden is, ons uit vroeger eeuwen van geslacht op geslacht iijn overgebracht. Soms is zij aan een historisch persoon vastgeknoopt. De Siegfriedsage. De Karelsagc. Werd zulk eene mythe, waarvan de oorspronkelijke beteekenis geheel verloren gegaan was, of werd een sage in eenvoudigen, kinderlijken vorm verteld, dan bleef de phantasie der oude dichterlijke voorstelling wel bewaard, maar de vorm veranderde geheel. Dergelijke eenvoudige, kinderlijke verhalen noemt men sprookjes. Gevormd naar de oude sprookjes, zooals die van Moeder de Gans e. a. zijn er later andere gemaakt, wier hoofdstrekking was in aangenamen vorm eene nutte leering mede te deelen, zooals b.v. de Sprookjes van Andersen. Legende is de uitwerking van eene geschiedenis overeenstemmende met, of genomen uit de overleveringen der christelijke kerk.
Factie, zie Aanhang.
Fakkel â flambouw â toorts. Drie benamingen voor met pek en harst besmeerd touw, dat aan een staak gebonden en daarna aangestoken wordt, teneinde bij optochten licht te verspreiden. Flambouw en toorts zijn aan het Franach ontleend, fakkel aan het Latijn. In figuurlijken zin wordt wol fakkel, doch niet flambouw of toorts gebruikt. De oorlogsfakkel. Een optocht met fakkels, met toortsen of met flambouwen. In samenstelling worden de beide laatste woorden minder gebruikt; men spreekt wel van
SYNONIEMEN. 13
194 FALâFOL.
fakkeldrager, fakkeltocht, fakkeldans; voor fakkellicht hoort men ook toortslicht.
Falen, zie Dwalen.
Feilen, zie Dwalen.
Feit , zie Avontuur.
Fielt, zie Deugniet.
Fier, zie Hoogmoedig.
Figuur â gedaante â gestalte â vorm. In het algemeen kan men zeggen, dat figuur ziet op het uiterlijk voorkomen, zooals het zich in ruwe omtrekken, vorm op het uiterijk voorkomen, zooals het zich in meer bepaalde omtrekken vertoont, terwijl bij gedaante en gestalte op alles wordt gelet, wat aan eene verschijning haar eigenaardig karakter verleent, en gedacht wordt aan de gezamenlijke lijnen, waardoor hot beeld wordt gevormd. Vorm staat ook voor wijze van samenstelling (b.v. van contracten enz), en in pluralis voor de manier van zich voor te doen. Een man van vormen (een wellevend man).
Flksch â flink. Fiksch ziet meer op vaardigheid of gezondheid, flink op kloekheid. Hij weet fiksch met de pen om te gaan. Hij is fiksch in orde. Gij zult een flinke vrouw aan haar hebben.
Fyn , zie Aangenaam.
Flambouw, zie Fakkel.
Flauw â laf. Flauw is eigenlijk zacht, mat, zonder kracht en zonder goed waarneembaren smaak. Laf is wat smakeloos en krachteloos is. Laf is sterker dan flauw, ook figuurlijk. Laffe praatje» zijn nog vervelender
dan flauwe praatjes.
Fleemen â flikflooien â llefkoozen â vleien. Iemand op eene overdrevene wijze liefde betoonen, om zijne gunst te verwerven. Alleen liefkoozen heeft niet noodzakelijk deze ongunstige bijbeteekenis. De moeder liefkoost haar kind, en ook het kind kan de moeder liefkoozen zonder zelfzuchtige bedoelingen. Fleemen is al liefkoozende en streelende iets vragen, men gebruikt het inzonderheid voor het vleien van kinderen. O, gij, kleine fleemster. Flikflooien is laag, kruipend vleien.
Fleur, zie Hloel.
Flikflooien, zie Fleemen.
Flikkeren, zie Dllnken.
Flink, zie Flkseh.
Flonkeren, zie Blinken.
Fluks, zie Haastig.
Folteren â martelen â pynlgen. Opzettelijk smart veroorzaken. Pijnigen werd vroeger inzonderheid voor op de pijnbank brengen gebezigd.
FONâFUT.
Folteren, eigenlijk pijnigen op een werktuig (i.d.g. een houten paard, in middeleeuwsch latijn poledrus) en martelen zijn sterker dan pijnigen; zij onderstellen, dat de pijniging geschiedt met uitgezochte wreedheid. Martelaars heeten de oudste belijders van den Ghristelijken godsdienst, die, als zij door de Heidenen wreedaardig omgebracht werden, hierdoor een getuigenis des geloofs aflegden. Uit het grieksche woord voor getuigenis (martyrion) ontwikkelden zich de woorden martelaar, martelen en bij uitbreiding noemt men allen, die zich voor eene zaak opofferen of opgeofferd worden martelaars. Hij is de martelaar van zijn geloof geworden. â Deze werkwoorden worden ook figuurlijk gebezigd. De herinnering daaraan pijnigde, folterde, martelde mij.
Fonkelen, zie Blinken.
Fooi, zie Drinkgeld.
Foppen, zie Bedriegen.
Fortuin â geluk. De voorspoed, dien iemand geniet. Fortuin, een aan het latijn ontleend woord, ziet meer op een toevallig, onvoorzien geluk, dat ons ten deel valt, zonder dat wij er zelf iets aan toebrengen, 't Geluk heeft hem gediend. Een soldaat van fortuin (die door den krijgsdienst tot hooge eerambten is geraakt). Zijn fortuin zoeken, zijn fortuin maken. Van hier fortuin â vermogen.
Fraai, zie Aardig.
Freule, zie Dochter.
Frlseh â koel â verseli. Min of meer koud. Koel beteekent de aan koude grenzende temperatuur van iets meer op zich zelf, frisch meer uit het oogpunt barer uitwerking. Vergelijk een koele dronk en een frissehe (verkwikkende) dronk. Een koel huis. Een frissehe wind. Koel heeft ook de beteekenis van onverschillig, onhartelijk {een koele ontvangst), van niet hartstochtelijk {koele zinnen, in koelen bloede)-, frisch die van gezond, bloeiend, onverwelkt: een frissehe kerel, een frissehe kleur, frissehe bloemen, een frissehe tak. Deze laatste beteekenis van frisch nadert tot die van verseh; het tegenovergestelde van oud. Verse he melk, versche boter, verseh vleeseh, versche troepen (die nog niet in het gevecht zijn geweest).
Fruit, zie Boomvrucht.
Frulten, zie Bakken.
Futselen, zie Beuzelen.
*
195
GAA.
O.
Oaaf â gansch â geheel. Waaraan geen der deelen ontbreekt, en waaraan geen deel gebrekkig of bedorven is. Het eerste gedeelte dezer bepaling ziet op geheel en gansch, het laatste op gaaf. Verder legt geheel vooral nadruk op de aanwezigheid van alle deelen, gansch op hun behoorlijken samenhang. liet huis staal nog in zijn geheel = er is nog niets van afgebroken. Een gansche appel. I)e ganschc burgerij. Een gansche dag. Een gaaf vel papier (waar geen stukje aan ontbreekt). Gave vruchten.
O aal' (gave) â aalmoes â liefdegave â gift â gesclienk.
Gave is de algemeene uitdrukking en beteekent alles wat gegeven wordt, zonder dat er door uitgedrukt wordt of men iets er voor terug krijgt of er niets voor terug verwacht. Dit laatste is bij gift en geschenk het geval. Terwijl gift dit meer algemeen uitdrukt, is geschenk eene gift die men geeft om iemand genoegen te doen of eer te bewijzen. Waar men door te geven in den nood of de behoefte van iemand voorziet kan men zoowel gift als gave gebruiken. Aalmoes, eigenlijk werk van barmhartigheid (eleèmosyne in het Grieksch), is eene gi/t uit medelijden of barmhartigheid aan een arme geschonken; daarom, met het oog op de beweegreden ook soms liefdegave genoemd. Door giften en gaven verstaat men zulke geschenken, waarop de zaligheid van het geven en het ontvangen in meerdere of mindere mate toepasselijk is: dus geschenken van aanzienlijken en rijken aan behoeftigen en geringen. Alle goede gave komt van boven. Een huwelijksgift. Een verjaarsgeschenk. Leven van giften en gaven.
Wat heeft zich menigwerf uw rijke gunst ontloken,
Voor mij in gift op gift!
â¢Saaf â begaafdheid â talent â vermogen. Vermogen ziet op de kracht die iemand heeft om door zijn verstand iets tot stand te brengen. Gave beschouwt die kracht van het lichaam of van den geest als iets dat aangeboren is en dus een geschenk van God of van de Natuur mag genoemd worden. Begaafdheid duidt het bezit van gaven aan. Alleen op gaven van den geest ziet het woord talent. Talent, eigenlijk schat betee-kenend, ziet op de bekwaamheid voor een of ander vak van studie of kunst, die wel in den aanleg van den persoon aanwezig was, doch verdere ontwikkeling behoefde. Vgl. bij Aanleg.
Ciaan â loopen â kuieren â wandelen. Zich voortbewegen. Wanneer loopen tegenover gaan wordt gesteld, dan geeft het eerste te kennen, dat de beweging met zekere snelheid of haast plaats heeft. Men gaat met negotie langs de deur. Men loopt iemand tegen het lyf. Bij uitbreiding drukt gaan ook uit eene plaatsverandering zonder daarbij bepaald aan beweging met de voeten te denken, bij loopen is dit laatste altijd het geval. Hij gaat met den trein naar Leiden, zijn broeder zal dien weg loopend afleggen. Wandelen en kuieren geven eene zeer langzame beweging te kennen, tot uitspanning of voor de gezondheid, dikwijls zonder een bepaald doel.
196
GAA-GAR.
Gaan liggen, zie Bedaren.
(waande weg, zie Allengs.
Gaarde, zie Hof.
Gaarne â graag â gewillig â bereidwillig. Gewillig zegt dat iels met. den wil van den werker geschiedt. Bereidwillig, gaarne en graag voegen daar het bijbegrip aan toe, het eerste van zonder tegenstreven, het tweede van lust en ingenomenheid, het derde van verlangen. Gaarne ziet op het genoegen, dat de handeling vergezelt, graag behoort meer tot de gemeenzame taal, het drukt uit dat men met min of meer sterke begeerte er naar verlangt. Eenc vrijwillige ver hooping. Hij nam de taak gewillig op v.ich. Een scholier heeft gaarne {graag) vacantie.
Gade, zie Echtgenoot.
Gadeloos â weergaloos. I3eide geven te kennen dat iets zijn gelijke niet heeft. Het eerste is in de taal van het leven bijna niet meer in gebruik, alleen bij dichters wordt het nog gevonden.
Gadeslaan, zie Zien.
Gage, zie Jaarwedde.
Galant zie Beleefd.
Gang â bals â kanaal â weg. Weg is alles waar iets langs of over gaat. Gang is de algemeene naam voor een nauwen weg, waarlangs zich iets beweegt, meer bepaald de weg, waarlangs eene vloeistof in het menschlijk lichaam stroomt. Buis duidt hetzelfde aan, doch heeft het bijbegrip dat de weg nauwer is en van alle zijden besloten; van wegen in hel lichaam gezegd, is huis een weg door eene vliezige zelfstandigheid besloten. Een kanaal is een weg tusschen twee wanden ingesloten. Luchtwegen, verkeerswegen; galbuis, gasbuis; darmkanaal.
Gang, zie Beloop.
Gansch, zie Gaaf.
Gapen â geeuwen. Den mond wijd openen. Voor zoover dit onwillekeurig geschiedt (ten gevolge van lusteloosheid, zenuwachtigheid, slaperigheid, enz.) beteekenen gapen en geeuwen hetzelfde. Gapen echter (hetwelk meer dan geeuwen een onbetamelijk wijd openen van den mond aanduidt) is gemeenzamer, en kan ook zijne oorzaak in honger en domme nieuwsgierigheid hebben. I)c dorpelingen bleven ons gapend nazien.
Garf â gast â bos â schoof â vim. Bos is een bundel langwerpige voorwerpen, een bos pennen, bos takken enz. Schoof is een bundel afgemaaide korenhalmen; zoodra zij echter gedorscht zijn, spreekt men van een bos stroo. In beteekenis komt het woord met garf overeen. Schoof is meer in de beschaafde spreektaal in gebruik, garf is in sommige streken de landbouwnaam. Vier garven maken een gasl, vijfentwintig gast een vim. De vorm gast kan uit garst zijn ontslaan, dat in dezelfde beteekenis voorkomt als ook in die van gerst.
197
498 GASâGEB.
Oast , zie Dlschgenoot.
CSast â guit â⢠kwant â snaak â schalk â scliclm. Al
deze woorden duiden iemand aan, die een levendigen, vluggen geest bezit. Een kwant is iemand, op wien niet veel staat valt te maken; een snaak een grappenmaker; een schalk, schelm of guit is een spotboef, iemand die vroolijk en fijn weet te schertsen; een gast kan zijn een kwant, een snaak, maar ook een flink kloek man, die behendigheid of vroolijkheid toont.
Cast, zie «arf.
Gastmaal, zie Banket.
Ciave, zie Aanleg.
Gauw, zie Aanstonds.
Gauw â vlug. Vlug ziet op de snelheid, waarmede men iets goed doet, bij gauw ontbreekt deze bijgedachte en wordt het denkbeeld van goed dikwijls uitgesloten. Soms doelt gauw op de behendigheid waarmede iets in korten tijd gedaan wordt. Aan vlug is alleen het begrip van gepaste snelheid eigen, aan gauw dat van snelheid; maar in sommige gevallen alleen ook dat van slimheid. Vgl. vlug.
Geaardheid, zie Aard.
Gebergte, zie Berg.
Gebeten, zie Boos.
Gebeuren, zie Beurt (te .... vallen^.
Gebeuren â geschieden â plaats hebben â plaats grijpen â plaats vinden â voorvallen. Gebeuren en geschieden be-teekenenen geheel hetzelfde; het laatste echter is deftiger en komt Lij voorkeur in den hoogeren schrijfstijl voor, Wat is er nu weer gebeurd? En zie, er geschiedde eene groote aardbeving. Terwijl gebeuren meer van bepaalde feiten wordt gebezigd , ziet voorvallen meer op zulke handelingen, die niet juist omschreven zijn, of van gebeurtenissen binnen het gebied van het menschelijk waarnemingsvermogen vallende. Er is heel wat voorgevallen, maar wat er eigenlijk gebeurd is, kan ik u niet precies vertellen-Plaats hebben (minder gebruikelijk plaats vinden) wil eigenlijk zeggen dat een of ander feit zijne plaats krijgt in de reeks van gebeurtenissen. Meestal wordt het gebezigd van zulke handelingen, die een gevolg zijn van den menschelijken wil. Van een ongeluk kan men zeggen, dat het gebeurt, geschiedt, voorvalt ook wel plaats heeft. Eene bespreking, een overleg, een feestmaal daarentegen kunnen alleen plaats hebben. Wil men het plotselinge, het onverwachte van eene gebeurtenis aanduiden, dan bezigt men plaats grijpen.
Gebeuren, zie Beurt (te____vallen).
Gebeurtenis, zie Avontuur.
Gebied, zie Gezag.
GEB.
Gebied, zie Liand.
Gebieden, zie Beheerschen.
Gebieden â gelasten â lieeten â bevelen. Iemand zijn wil te kennen geven. Bevelen is eigenlijk iemand iets toevertrouwen, iets opdragen, doch thans meer iemand hetzij met of zonder recht zeggen wal men wil dat hij zal doen. Gebieden is als machthebLer spreken cn bevelen wat er gedaan moet worden; wie gebiedt verwacht onvoorwaardelijk gehoorzamen. Gelasten sluit een last of eene opdracht. Hiervoor werd vroeger meer, thans minder, ook heeten gebruikt. Ik gebied u te zwijgen. Ik gelast u hem daarvan onmiddelijk te verwittigen.
Gebieder, zie Baas.
Gebit, zie Breidel.
Gebod, zie Bevel.
Gebogen â krom. In onderscheiding van gebogen heeft krom somtijds de beteekenis van verkeerd of gebrekkig. Een kromme vinger. Overdrachtelijk bezigt men krom uitsluitend in een kwaden zin .van averechtsche en onrechtvaaardige zaken. Een krom cn verdraaid geslacht.
Het geld, dal stom is.
Maakt recht wal krom is.
Geboorte, zie Afkomst.
Geboortegrond, zie Vaderland.
Geboorteland, zie Vaderland.
Gebrek, zie Armoede.
Gebrek â mangel. Beide woorden drukken de ontstentenis van iets aan dat nader wordt opgegeven, mangel is verouderd en wordt alleen in deftige of in dichterlijke taal nog gehoord.
Gebrekkig â kreupel â mank â lam. Gebrekkig duidt in het algemeen aan dat iemand aan eenig lichaamsdeel een gebrek heeft. Is dit gebrek in een voet gelegen en ontstaat hierdoor cene tijdelijke of voortdurende belemmering van den geregelden gang, dan zegt men dat zoo iemand kreupel is. Is de belemmering in den gang veroorzaakt door onvolkomen groei van been of voet en dus van voortdurenden aard dan noemt men zoo iemand mank. In figuurlijken zin is alleen mank gaan in gebruik. Ontbreekt de vrije beschikking over hand of voet geheel dan is iemand lam aan dat lichaamsdeel. Meest gebruikt men lam zonder eenige bijvoeging, wanneer iemand zijne voeten of beenen niet gebruiken kan ten gevolge van een lichaamsgebrek.
Gebruik â gewoonte â xede â zwang â mode. Een wijze van doen, die men in een meer of minder ruimen kring van menschen aantreft. Gewoonte is hetgeen men sinds korter of langer tijd gewoon is te doen; het is het eenige dezer woorden dat van de wijze van doen van ééu persoon gezegd wordt. Gebruik is de algemeen heerschende wijze van
199
GEBâGEO.
doen of eene van oudsher bestaande gewoonte, die soms bijna kracht van wet gekregen heeft. Zede, meest slechts in het meervoud gebruikt, heeft eene uitgebreide beteekenis en ziet vooral op het geheel der verschillende gewoonten, die het kenmerkende uitmaken van het huiselijk en maatschappelijk verkeer van een volk. Het nieuwjaarwenschen is eene gewoonte of een gebruik. Het strijdt mei onze zeden een meisje in de wereld te brengen, voordat zij is aangenomen. Zwang is eigenlijk wat men draagt, doch heeft verder de beteekenis van gebruik gekregen. Mode is eigenlijk, evenals zwang, de manier of wijze om zich te kleeden, doch heeft ook de meer algemeene beteekenis van gebruik gekregen.
Crebrulken, zie Aanwenden.
Gedaante, zie Figuur.
Gedachte, zie Bedunken.
Gedachte C'quot;) â verstrooid. In een toestand van afgetrokkenheid verkeerend, inzonderheid met het bijdenkbeeld, dat men daardoor misslagen begaat, hetzij omdat men zijne gedachten niet meester is, maar ze laat dwalen over verschillende onderwerpen {verstrooid zijn), hetzij omdat men zóózeer vervuld is van één onderwerp, dat men de buitenwereld vergeet (in gedachten zijn).
Gedachtenis â aandenken â heugenis â geheugenls â herinnering â nagedachtenis. Herinnering is het zwakst en is of het vermogen van zich iets weer voor den geest te roepen óf het weder te binnenbrengen zelt; het moet door nadere bepalingen versterkt worden, b. v. blijvende herinnering. Aandenken onderstelt een korteren duur dan gedachtenis, heugenis een langeren duur; gchcugenis is deftiger en tevens iets sterker dan heugenis, beide wijzen op den diepen indruk, dien de persoon of zaak heeft nagelaten. Nagedachtenis wordt alleen van het in de gedachten voortleven gebruikt, wanneer het overleden personen geldt; gedachtenis geldt van levenden en dooden, van zaken zoowel als van peronen. Herinnering, aandenken en gedachtenis worden ook gebezigd voor een voorwerp dat de gedachtenis, het aandenken en de herinnering ten opzichte van personen, die van ons gescheiden zijn, levendig moet houden. Hel aandenken der overledenen. Doet dit tot mijne gedachtenis. Welk Nederlander zou geen heugenis hebben van den tachtigjarigen oorlog? De herinnering aan mijn verblijf ten uwent zal mij altoos aangenaam zijn. Bij menschen geheugen.
Gedeelte, zie Aandeel.
Gedyen, zie Groeien.
Gedoogen â dulden â toelaten â veroorloven. Zich tegen het een of ander niet verzetten. Toelaten heeft de algemeene beteekenis; gedoogen voegt daar het bijdenkbeeld aan toe, dat men wel de macht heelt om zich tegen iets te verzetten, doch het oogluikend toelaat, of werkeloos aanziet. Dulden is het lijdelijk toelaten van iels onaangenaams dat ons aangedaan wordt. Veroorloven veronderstelt dat men geheel uit vrijen wil toelaat, wat men in zijne macht had te weigeren of te beletten.
200
GEDâGEE.
Het nadert meer tot de beteekenis van toestaan, vergunnen. Men is yenood-zaakt zijne dienstboden veel toe te laten, dat men eigenlijk niet moest rje-doogcn, laat staan veroorloven.
Gedragen (kIcIi) â aanstellen (/Ich) â houden (zich).
Zich gedragen heeft de ruimste beteekenis; het geeft iemands wijze van handelen te kennen, hetzij in 't algemeen en in '(.openbaar, hetzij in bepaalde gevallen en in 't bijzonder. Zich aanstellen geeft te kennen, dat men zich op de eene of andere wijze aan anderen voordoet, zoodat de wijze van doen door anderen wordt opgemerkt; het heeft bovendien altijd eene ongunstige bijbeteekenis. Zich goed, edel, slecht gedragen. Zich bespottelijk aanstellen, zich aanstellen als een gek. Zich houden ziet alleen op het uiterlijk, en verschilt van zich aanstellen hierin , dat het zoowel in gunstigen als in ongunstigen zin kan gebezigd worden. Zich goed, dapper, arm, dom houden.
Geduld â lijdzaamheid. Eigenschappen, die ons het leed, dat ons aangedaan wordt, of het lijden, dat ons overkomt, stil doen dragen. Geduld heeft behalve de bijteekenis van lijdzaamheid (kalme berusting in het verduren van rampen, ziekte, leed, enz.) ook die van kalme, bedaarde volharding in het wachten op iets of in het volbrengen eener langdurige en min of meer onaangename taak.
Geduld is zulk een schoone zaak,
Om in een moeielijke taak Zijn oogwit uit te voeren.
Gedurig, zie Dikwijls.
Gedwee, zie Buigzaam.
Geerfde, zie Bewoner.
Geest â ziel. Beide woorden zijn eigenlijk slechts, synoniem voor zoo ver zij het levensbeginsel aanduiden, dal den mensch doet handelen en dat door den dood van het lichaam gescheiden wordt. Geest noemt men datgene wat in den mensch denkt, gevoelt en wil, als eene onstoffelijke zelfstandigheid beschouwd, in tegenstelling van het lichaam, het stoffelijk omhulsel er van. Vader, in uwe handen beveel ik mijnen geest. Mijne ziel is bedroefd tol den dood toe. In engeren zin duidt geest het denk- of voorstellingsvermogen aan, hetzij in eigenlijke opvatting als het orgaan van hot denken, hetzij, bij uitbreiding, als den zetel, of wel als de som of het geheel der gedachten beschouwd. De slaap boeide mijn oogleden, maar mijn geest bleef wakker. Nog geheel onder den indruk van de sombere gedachten, die mijn geest vervulden. Hoewel ik met het vleesch van u ben, nochtans ben ik met den geest bij u. Figuurlijk is geest de kracht, die in iemand werkt en hem aandrijft. De geest der wraak maakte zich van hem meester. liet smart mij, dat gij den geest der onderscheiding niet hebt. Ziel is eigenlijk de levensoorzaak bij levende wezens, doch verder ook de werkende kracht in iets. Zij wordt vooral beschouwd als de zetel der levenskracht en dientengevolge van gevoel, wil en kracht. Do Helde
201
GEEâGEH.
is de ziel van alle Christelijke deugden; en bij uitbreiding: hij is de ziel der vergadering (de hoofdpersoon, de lejder).
Geest â oordeel â rede â vernuft â verstand. Vershtnd, oordeel, rede duiden verschillende zijden van het menscheiijk denkvermogen aan, dat in zijn geheel omschreven kan worden als het vermogen om waar te nemen, te vergelijken, te besluiten, gevolgtrekkingen te maken, en vervolgens door middel van redeneering van het bekende tot het onbekende te geraken. Versland duidt enkel het denkvermogen aan; onder rede verstaat men de geestelijke vermogens, waardoor do mensch zich van het dier onderscheidt. Gezond verstand zegt men van eene zekere mate van aangeboren doorzicht. Wie oordcel heeft geeft bewijs, dat hij zijne verstandelijke vermogens goed weet te gebruiken. Geest heeft hij, die in het bezit is van een buitengewoon helder, werkzaam denkvermogen, dat vruchtbaar is in nieuwe ideën. Door vernuft verstaat men geestigheid, scherpzinnigheid, vindingrijkheid.
Geest (den .... geven), zie Afsterven.
Geestdrift â vervoering. Sterke aandrift, buitengewone gemoedsbeweging, die van voorbijgaanden aard is. De geestdrift is edeler en kalmer, onderstelt meer zelfbewustzijn en zelfbeheersching en heeft alleen het goede en schoone ten doel. De vervoering is hartstochtelijker, leidt licht tol buitensporigheden, en hetgeen waardoor zij wordt opgewekt, kan ook van minder gehalte zijn.
Geestdrift, zie Aandrift.
Geestdryver, zie Dweper.
Geestdryvcri), zie Dweepzucht.
Geestig, zie Aardig.
Geestigheid, zie Grap.
Geeuwen, zie Gapen.
Gegoed â welgesteld â bemiddeld â rijk â vermogend.
Die veel tijdelijke goederen bezit. Gegoed is in goeden doen zijnde, een redelijk vermogen bezittend. Welgesteld is vrij wel hetzelfde, doch heeft meer den geheelen welstand op het oog. Bemiddeld is de middelen bezittende om aangenaam en ruim te leven. Rijk zegt men van dengene. die een aanzienlijk vermogen bezit; vermogend is hij, die door zijn rijkdom, macht en invloed heeft.
Gehalte, zie Prys.
Gehecht â verkleefd â verknocht. Deze woorden zijn zinverwant voor zoover zij den voortdurenden gemoedstoestand uitdrukken van een persoon, die zich door liefde of genegendheid aan een ander of anderen verbonden gevoelt. Gehecht geeft te kennen dat scheiding een zeer smartelijk gevoel zou doen ontstaan. Verkleefd geeft een engeren band te kennen. Hierbij staat de trouw of standvastigheid op den voorgrond, waarmede men een ander aanhangt; het wordt alleen van personen onderling gezegd. Ver-
202
GEH-GEL.
knocht duidt dezen toestand het sterkst aan, in vergelijking met r/checht duidt het een band van liefde en trouw aan, die zoo innig is dat hij niet licht verbroken kan worden. Gehecht en verknocht worden ook in betrekking tot zaken gebezigd, verknocht echter alleen als rechtersterm. De zaak die voor den rechter werd gebracht, was aan een reeds aanhangig geschil verknocht.
(ïcliecht zij n, zie Aankleven.
Geheel, zie Craaf.
Uelielm â heimelijk. Beide woorden duiden aan, dat iets voor anderen verborgen moet blijven. Geheim is eene zaak, wanneer zij alleen aan de betrokken personen bekend is. Heimelijk ziet meer op de wijze van doen om iets geheim te houden. Eene heimelijke samenkomst is zulk eene waarbij de betrokken personen zoo bij elkander komen, dat het gevolg moet zijn dat de samenkomst geheim blijft; eene geheime samenzwering eene zoodanige, die alleen aan de saamgezworenen bekend is.
Cichelinzlnnig, zie Duister.
Ciclieugcnis, zie Gedachtenis.
Gehoorzaam, zie Insehlkkeiyk.
Gek, zio Dwaas,
Gek, zie Aardig.
Gek, zie Krankzinnig.
Gekheid (grap), zie Grap.
Gekheid (scherts), zie Boert.
Gekken, zie Schertsen.
Gekscheren, zie Schertsen.
Gelaat, zie Aangezicht.
Gelang f naar ... van ) â mate fnaar .,. van). Naar gelang van is eigenlijk voor zoover het in het bereik van iemand of iets valt, het heeft allengs de beteekenis van naar mate van d. i. in evenredigheid, in verhouding tot gekregen. In tegenstelling met naar mate van wordt naar gelang van meer in beperkenden zin gebruikt. Hij heeft veel gedaan naar gelang van zijn krachten.
Gebieden, zie Gelasten.
Gelden â kosten. Hetgeen de verkoopers voor hunne waren bedingen kunnen, dat gelden zij; hetgeen de kooper er voor betaalt, dat kosten zij hem. De boter geldt tegenwoordig zestien stuiver, doch mij kost zij maar veertien. Overdrachtelijk: De meeste stemmen gelden. Dat bewijs geldt hier niet. Het leven kosten. Moeite, tijd, inspanning kosten.
. Geldstuk â muntstuk. Elk gemunt stuk metaal, dat eene bepaalde waarde heeft. Bij mxmtstuk heeft men meer op het oog dal het een stempel draagt; bij geldstuk denkt men meer aan de waarde zelf.
203
GEL.
Geleerd, zie Doorwrocht.
Geleerdheid, zie Kunde.
Geleerd â verstandig â ivijH. Verstandig is hij, die zijne vermogens goed en gepast weet te gebruiken. Wijs is hij, die een uitmuntend denk- en bevattingsvermogen ontvangen heeft, en er een uitstekend gebruik van maakt; geleerd, wie zich door oefening eene uitgebreide kennis in één of meer takken van -wetenschappen verworven heeft. Een verstandig, een wijs man kan soms geleerdheid missen, en omgekeerd ontbreekt geleerden wel eens verstand en wijsheid.
Gelegenheid, zie Aanleiding.
Gelegenheid â omstandigheid. Beide woorden zijn slechts in enkele gevallen synoniem. Omstandigheid is alles wat eene handeling vergezelt en invloed op de gesteldheid der zaken heeft. Gelegenheid is meestal eene gunstige omstandigheid of een tijdstip, dat geschikt is; hieruit is de beteekenis van aanleiding voortgekomen. Gelegenheid wordt verder gebruikt voor een bepaalde omstandigheid, h.v. do snuifdoos kwam slechts bij bepaalde gelegenheden uit den zak. Door eikaar gebruikt men de gelegenheid destijds en de tijdsomstandigheden; vroeger sprak men ook van iemands gelegenheid voor iemands omstandigheden.
Gelelde â uitgeleide. Men leidt iemand binnen; men doet hem uitgeleide; men geeft hem voor zijne veiligheid onderweg een geleide mede.
Geleiden â lelden. Het eerste verschilt van het laatste door het voorvoegsel, dat de vergezelling uitdrukt. Bij leiden wordt de persoon, die leidt als hoofdpersoon gedacht; bij geleiden, de persoon, dien men geleidt. Iemand naar den kansel geleiden. De veldheer leidt zijne troepen naar den strijd.
Geleiden â vergezellen. Met iemand medegaan. Vergezellen doet men alleen om hem gezelschap te houden. Geleiden is met iemand mede-gaan als eerbewijzing of ais maatregel van veiligheid of voorzorg, dat deze niet van den weg afdwale. Ik zal u op dien vervelenden tocht vergezellen. De Heer geleide U. Iemand des avonds huiswaarts geleiden.
Gelijken â â slachten. Eene sterke overeenkomst met iemand hebben. Gelijken ziet op het uiterlijk voorkomen; slachten op de afkomst en de soort, derhalve op de overeenkomst van het innerlijke. Zij gelijken elkander als twee druppels water. Hij slacht zijn vader, die was ook niet op zijn mond gevallen.
Gelijkenis â vergelijking. Vergelijken noemt men twee (of meer) dingen naast elkander plaatsen, er punten van overeenkomst tusschen trachten te vinden, somtijds met hel doel om uit de bekende waarde of onwaarde van het eene te besluiten tot de waarde of de onwaarde van het andere. De bepaling der waarde van een kunstwerk geschiedt meestal door vergelijking. Eene gelijkenis vergelijkt niet rechtstreeks de eene zaak met de andere, zij bepaalt er zich toe een denkbeeldig geval of een denkbeeldigen toestand met zulke levendige kleuren te malen, dat de hoorder of de lezer
204
GELâGEM.
met betrekking tot den toestand of de zaak, die men hem wenscht te doen verstaan, zelfde gevolgtrekking er uit maken kan. De gelijkenissen van Jezus.
Oelljksoortlg â soortgelijk. Gelijksoortige {.gelijkslachtige) dingen zijn dingen, die tot dezelfde soort (tot hetzelfde geslacht) behooren. Soortgelijk is het in soort overeenkomende, het ziet alleen op de uiterlijke overeenkomst en valt in beteekenis samen met dergelijk. Hoe groot het verschil lusschen den newfoundlander en den hazewind ook wezen moge, het zijn niettemin gelijksoortige dieren. Honden, katten, tijgers, panters en soortgelijke dieren.
Gelofte, zie Belofte.
Cieloovcn, zie Achten.
Creluld â klank â toon. De trillende beweging der luchtdeelen, veroorzaakt door de bewegingen van een lichaam, voor zoover zij door ons gehoor worden waargenomen. Geluid is de algemeene benaming. Tom is een geluid, dat door eene regelmatige opeenvolging van korte en lange trillingen wordt te voorschijn geroepen. Klank geeft den indruk te kennen, dien het geluid op het oor maakt; men heeft harde en zachte klanken, .hooge en lage tonen, naarmate het aantal trillingen in eene seconde grooter of kleiner is. Ik kan van verkoudheid haast geen geluid geven. Wat is dat voor vervelend geluid! Do/fe, schelle, heldere klanken. De klank der speeltuigen. Een hoogen, een lagen, een valschen toon aanheffen. Figuurlijk: De goede toon. Op hoogen toon spreken. Van loon veranderen.
Geluk, zie Heil.
Geluk, zie Fortuin.
Gelukkig â gelukzalig â tevreden â vergenoegd â welzalig â zalig. Tevreden noemt men hem, wiens gemoedsrust door geen onbevredigde wenschen gestoord wordt; vergenoegd hem, die zijne tevredenheid door eene opgeruimde stemming kenbaar maakt; gelukkig hem, dien hetgeen hij bezit zoo volkomen bevredigt, dat er als het ware niets te wenschen voor hem overblijft en hij onder den indruk verkeert van zijn gunstig lot; gelukzalig of welgelukzalig duidt een hoogeren trap van geluk aan dan gelukkig, eigenlijk beteekent het een gelukkig lot hebbend; zalig eigenlijk goed (gelukkig), duidt thans het bezit van het hoogste geluk, dat men zich denken kan, aan; evenzoo ivelzalig. Ik ben tevreden over uw gedrag. Wat ziet hij er tegenwoordig altijd vergenoegd uit! Wij gevoelen ons op onze nieuwe woonplaats zoo gelukkig, dat wij er ons geheele leven hopen te blijven. Ik wensch u een gelukzalig nieuwjaar. Ieder hoopt zalig te worden na den dood.
Gelukzalig, zie Gelukkig.
Gemaal, zie Echtgenoot.
Gemachtigd, zie Bevoegd.
Gematigd, zie Bedaard.
Gematigdheid, zie Bedaardheid.
205
GEMâGEN.
Qemeen â laag â ruw â plat. Deze adiectiva geven te kennen dat iets het fijn gevoel onaangenaam aandoet of kwetst. Geween is eigenlijk dat, hetgeen aan allen eigen is, vandaar dat srcmeen ook alledaagsch uitdrukt. Wat alledaagsch is is hoogst gewoon en wat aan allen eigen is, is niet bijzonder, noch uitstekend; in tegenstelling met deze woorden heeft gemeen allengs de beteekenis gekregen van: aan den grooten hoop eigen, niet fatsoenlijk, in vorm en uitdrukking niet beschaafd. Langzamerhand is het zelfs met laag in beteekenis samengevallen, b.v. een gemeene streek. Laag loch is het tegenovergestelde van verheven en edel en geeft te kennen dat een daad of denkwijze niet strookt met de beginselen van eer of grootmoedigheid. Plat is datgene, waarin geene verheffing te vinden is, het duidt het aesthetisch lage aan; het wordt gekenmerkt door gemis aan kieschheid en verheven gedachte. Ruw ziet alleen op het uiterlijk; al is dit zoo dal het stuitend is voor den fijngevoelende, de kern of de inhoud kan niettemin edel zijn. Een gemeen verschijnsel, de gemeene man ~ het mindere volk, een gemeen huis, een gemeene of een lage streek. Eene platte uitdrukking. Het woord van den zeeman was ruw, doch er sprak een goed hart uit.
Cenakcn (naken) â naderen. Naderbij of nabij komen. Het eerste is de beteekenis van naderen; het tweede van genaken {naken). Hel schip nadert de kust (zeilt op de kust aan). Het schip kon wegens de hevige branding hel strand niet genaken. Hij is niet te genaken = hij is zoo trotsch, dat men hem niet naderen kan. Het nakend onweder.
CSenecskunde â geneeskunst. De eerste benaming geeft de theoretische wetenschap, de tweede meer de praktijk aan; in het gebruik worden beide niet altijd onderscheiden. Het eerste woord begint het laatste meer en meer te verdringen.
Genegen â geneigd â gezind. Genegen is gunstig gestemd voor; geneigd overhellend tot. Geneigd geeft meer te kennen, dat de neiging iemand van nature eigen is of het gevolg is van redeneering, inzicht, enz., die hem doen overhellen tot iets. Gezind is eene bepaalde denkwijze hebbende omtrent een persoon of eene zaak met het bijdenkbeeld, dat die denkwijze zich in daden openbaart of openbaren zal. Hij is r.xij hijzonder genegen. Is hij genegen te vertrekken? Geneigd tol den drank. Iemand kwalijk gezind zijn. Wat is hij gezind te doen?
Geneigd, zie Genegen.
Genezen, zie Heelen.
Geniaal, zie Begaafd.
Genieting, zie Genot.
Genoeg â toereikend â voldoende. Zooveel als noodig is. Voldoende drukt uit, dat er niet meer is dan even noodig is. Toereikend ziet meer op hetgeen men er mede uit wil richten en duidt aan dat voor de uitvoering van iets niets meer ontbreekt. Genoeg drukt dit meer van een subjectief standpunt uit, n.1. dat het voldoet aan den wensch van degene, die iets begeert, hetzij om te bezitten, hetzij om iets mede te verrichten.
200
GENâGES.
Cicnoegen, zie Biydschap.
Genoeglijk, zie Aangenaam.
Genoot, zie Gezel.
Genootschap, zie Bond.
Genot â genieting. Beide beteekenen aangenaam gevoel, welgevallen. Bij genieting staat de werking van het gevoel meer op den voorgrond ; bij genot het gevoel, de gewaarwording. Genot is het meest gebruikelijk.
Geoefend, zie Bedreven.
Gepast, zie Betaiueiyk.
Gerechtigd, zie Bevoegd.
Gerechtigheid â rechtvaardigheid. Gerechtigheid bestaat in overeenstemming met het recht en de wet; rechtvaardigheid in overeenstemming met recht en billijkheid. «De strengste gerechtigheid is somtijds de grootste onrechtvaardigheid.quot;
Gerechtsdienaar, zie Blender.
Gereed â bereid. Gereed naast bereid onderstelt voorafgaande beschikkingen; bereid duidt enkel de gezindheid aan om op een gegeven oogenblik iets te doen. Zijt gij eindelijk gereed om mede te gaan. Ik ben tot uw dienst bereid.
GereedschapâInstrumentâwerktuigâmachine â toestel.
Hulpmiddelen waarvan de mensch zich bij zijn arbeid bedient, quot;üoorgereedschappen verstaat men meer eenvoudige hulpmiddelen, door werktuigen meer samengestelde. Het eerste ziet meer op het collectieve; het werktuig waarmede hij slaat is een hamer; beitel en hamer is timmermansgereedschap, een ploeg is een werktuig van den landman. Instrument is een vreemd woord voor werktuig, vooral als kunstterm in gebruik. Zeer kunstig samengestelde werktuigen noemt men machines. De naaimachine. Het nederlandsche woord voor machine is toestel, dat echter bijna geheel door het andere verdrongen is.
Geroerd, zie Aangedaan.
Geschenk, zie Gaaf.
Geschieden, zie Gebeuren.
Geschiedenis, zie Kroniek.
Geschiedverhaal, zie Kroniek.
Geschikt, zie Bekwaam.
Geschikt, zie Bruikbaar.
Geschiktheid, zie Aanleg.
Geschokt, zie Aangedaan.
Geslacht â kunne â sekse. Het kenmerk van mannelijkheid of
207
GESâGEV.
vrouwelijkheid gedragen door al wat leeft. Geslacht duidt dit aan van wezens, voorwerpen en woorden. Verschil van geslacht is ook bij planten opgemerkt. Het manlijk en vrouwelijk geslacht der zelfstandige naamwoorden. Kunne en sekse worden alleen gebezigd van den raensch. De zwakke kunne, de schoone sekse = de vrouwen.
Geslepen, zie Bedreven.
Geslepen, zie Listig.
Gesloten, zie Dicht.
Gesprek â onderhoud â woordenwisseling. Gesprek is de algemeene naam voor het wisselen van gedachten. Door onderhoud verslaat men meestal een gesprek over zaken, waarvoor men opzettelijk bij elkander komt. Een gesprek gaat over in eene woordenwisseling, wanneer de personen, die er aan deelnemen, van verschillende gevoelens zijn, en ieder het zijne met vuur en drift verdedigt.
Gestadig, zie Aanhoudend.
Gestalte, zie Figuur.
Gesteld, zie Aangenomen.
Gestorven, zie Dood.
Gestreng, zie Hard.
Gestrengheid, zie Ernst.
Getal, zie Aantal.
Getalmerk, zie Cijfer.
Getemd â tam â mak â Temmen â tam maken. Tam is
het dier, dat rustig met den mensch leeft en hem nuttig is. Getemd is het wilde dier, dat de mensch heeft weten te temmen. Mak is het dier in zooverre het aan den mensch gehecht is en gedwee doet wat hij wil.
Temmen heet een dier dwingen zijn woesten aard af te leggen, zich voor den menschelijken wil te buigen; tam maken het zoo onder bedwang brengen, dat het een huisdier wordt. Temmen wordt ook figuurlijk gebezigd. Zijne lusten, driften, hartstochten temmen.
Getroffen, zie Aangedaan.
Getrouw â letterlijk. Synoniem zijn deze woorden, waar zij gebruikt worden met betrekking tot vertalen. Bij eene getrouwe vertaling geeft men in eigen woorden, zonder het karakteristieke van eigen taal te verloochenen, inhoud en bewoordingen van een geschrift uit eene andere taal weer. Bij eene letterlijke vertaling houdt men zich slaafsch aan zijn voorbeeld en verandert niets in zinbouw, spraakwending, enz.
Gevaar â nood. Dreigend onheil. Gevaar is eene omstandigheid of een samenloop van omstandigheden, waardoor een persoon of zaak kan gedeerd worden, ft ooi l en gevaar hebben soms dezelfde beteekenis, b.v. in de volgende uitdrukkingen: het heeft geen nood; er is geen gevaar bij.
208
GEV.
Maar meestal ligt in nood de bcteekenis van een samenloop van rampspoeden , en dientengevolge van een zoo hachelijken toestand , dat iemand zoo in het nauw komt, dat zijn eigen krachten tot zijne redding te kort schieten. Nood leert bidden. Hongersnood. Levensgevaar. Om die reden zegt men: zich in gevaar, maar niet: zich in nood begeven.
Gievangcnis â kerker â tuchthuis â verbeterhuls. Gevangenis is de algemeene benaming. Kerker behoort tegenwoordig uitsluitend tot den hoogeren stijl. Verbeterhuis heet eene gevangenis voor correctioneel veroordeelden (overtreders), luchthuis eene gevangenis voor crimineel veroordeelden (misdadigers).
CSevecht â kamp â scliermutsellng â slag â stryd â worstelstrijd â kain|)Strijd. Strijd heeft de ruimste beteekenis, het beduidt in het algemeen de botsing van twee of meer in tegengestelde richtingen werkende krachten. De strijd der elementen. Tweestrijd (inwendige strijd, b.v. tusschen verleiding en plichtbesef). Een woordenstrijd. Een penncstrijd. Een kampstrijd is een strijd waarin twee partijen om een bepaald doel de zege trachten te verkrijgen, hierbij wordt in het midden gelaten van welke wapenen zij zich bedienen. Bij worstelstrijd heeft het strijden plaats door worstelen en is het de toeleg den tegenstander neder te werpen; figuurlijk heeft het de beteekenis van hevige strijd. Terwijl strijd overigens het aantal strijders van beide zijden onbepaald laat, wordt er bij worstelstrijd uit den aard der zaak slechts aan twee gedacht. Een kamp is een strijd waarbij groote krachtsinspanning plaats heeft en groote moeilijkheden te overwinnen zijn. Hij had een zwaren kamp met zichzelf. Gevecht buiten samenstelling (als voorpostengevecht, straatgevecht, tweegevecht) wordt enkel gebezigd van een geregelden strijd met oorlogswapenen tusschen de vijandelijke legerbenden ot schepen; in samenstelling kan het de algemeene beteekenis hebben. Neemt een geheel leger of eene geheele vloot aan den strijd deel, dan draagt deze den naam van slag. Veldslag; zeeslag. Schermutseling eindelijk is een ongeregeld gevecht tusschen kleine afdeelingen soldaten, zooals dat bij verkenningen, patrouilles, enz. plaats grijpt.
Geveinsdheid â liulchelarij â scliif nliclligheld. Het verbergen van zijne rneening en zich beter voordoen dan men is. De geveinsde verbergt zijne eigenlijke gevoelens en gezindheden; de huichelaar wendt gevoelens en gezindheden voor, die hij niet bezit; de schijnheilige gebruikt vroomheid en deugd als een dekmantel om zijne slechte bedoelingen te verbergen. Lodewijk XI van Frankrijk was een volleerd huichelaar. De heer van Groenendaal in het leesgezelschap van Diepenbeek is de type van een schijnheilige. Wee u, gij schriftgeleerden en farizeën, gij geveinsden, want gij hebt den sleutel der kennis weggenomen.
Geven â aanbieden â schenken â vereeren â verleenen.
Geven is de algemeene uitdrukking. Aanbieden is op zeer beleefde wijze iemand iets geven, zoodat het aannemen van hetgeen gegeven of geschonken wordt, vereerend is voor den gever. Schenken heeft de bijgedachte van iemand te vereeren of iemand genoegen te doen door hem iets te geven.
SYNONIEMEN. 14
209
GEVâGEZ.
Vandaar: iemand zijn vertrouwen schenken; een arme cenc boterham geven ; iemand het leven schenken. Vereeren is met een geschenk eer aandoen. Verleenen, eigenl. Ier leen geven, geeft Ie kennen, dat hetgeen men geeft iets goeds is, dat uit gunst gegeven wordt. Hulp en bijstand verleenen.
Gevoel, zie Aandoening.
ftevoelen, zie Bedunken.
fKevoelig, zie Aandoenlijk.
Cievoelig, zie Hard.
CJevolg â nasleep. Gevolg kan van een enkel geval gezegd worden. Door nasleep verslaat men eene reeks van meestal treurige gevolgen. Met al den nasleep van dien met al wat er uit volgl. De expeditie naar Mexico had voor de Franschen een droevigen nasleep.
fiiewaarworden, zie Aanselionwen.
f.ewaarworden, zie Bemerken.
Gewaarwording, zie Aandoening.
Gewas â kruid â plant. In het algemeen elk voortbrengsel van het plantenrijk. Kruid komt in deze beteekenis tegenwoordig alleen voor in de samenstellingen: kruidkunde, kruidkundige, enz. Voor kruidkunde wordt thans meestal plantenkunde gebruikt. In het dagelijksch leven bezigt men hel woord kruid in den engeren zin van zoodanige voortbrengselen van het plantenrijk, die tot artsenijen of tot specerijen dienen; terwijl men hel woord plant op de categorie van gewassen toepast, die geen boomen, struiken, kruiden of grassen zijn, en waarvan een aantal soorten, hetzij om hunne schoonheid, hetzij om hun nut, door den mensch gekweekt worden. Gewas is dus eigenlijk de algeineene benaming.
Gewlclitig, zie Belangrijk.
Gewillig , zie Gaarne.
Gewin, zie Baat.
Gewis, zie IJltgemaakt.
Gewoonlijk, zie Boorgaans.
Gewoonte, zie Aanwensel.
Gewoonte, zie Gebruik.
Gezag â gebied â macht â bevel. Macht is het vermogen om iets te volbrengen of te doen geschieden en zich Ie doen gehoorzamen. Gezag is eigenlijk het aanzien, en verder de hierdoor veroorzaakte macht en recht om te bevelen. Alle vier woorden worden ook gebruikt in den zin van heerschappij. Gebied hecht hieraan een begrip van onbeperkte macht; hevel het denkbeeld, dat de oppermacht aan den bevel hebbende door iemand is toevertrouwd. De vaderlijke macht; het vaderlijk gezag. Maar laat dc Deugd haar luister stralen, dan huldigt alles haar gebied. De staten
210
GEZâGIE.
droegen de Ruiter )iet hevel over de vloot op. Vóór de eerste Fransc/ie omwenteling was de koninklijke macht in Frankrijk nog even onbeperkt als in de dagen van Lodewijk XIV, maar van het koninklijk gezag mts niet meer dan eene schaduw overgebleven. Zijn gezag ophouden.
Giczang, zie Deuntje.
(*e/aii(, zie Afgezant.
«ezel â genoot â kameraad â maat â makker â metgezel.
Die met een ander in dezelfde omstandigheden verkeert of tot een zelfden rang of stand behoort. Gezel drukt in het algemeen uit dat men iemands begeleider is, in samenstellingen dat men een gelijk handwerk uitoefent. Metgezel doet het denkbeeld van samenzijn met een ander meer op den voorgrond treden. Genoot is in deze beteeken is verouderd en komt alleen nog voor bij dichters en in de samenstelling reisgenoot. Kameraad duidt meer bijzonder gemeenschap van kamer aan maar wordt ook in ruimeren zin gebruikt z.u. speelkameraad. Het denkbeeld van vriendschap komt bij makker meer op den voorgrond. Dit kan ook het geval zijn met het woord maat; vooral bij gebruik van het verkleinwoord maatje.
Gezelschap, zie Bond.
Gezet, zie Dik.
Gezicht, zie Aangezicht.
Gezichteinder, zie Him.
Gezind, zie Genegen.
Gezwind, zie Haastig.
Gids â leidsman â wegwijzer. Ieder, die een ander den weg wijst, is een wegwijzer. Gids omvat meer, daar het veronderstelt dat de wegwijzer niet alleen den weg kan wijzen, maar dat hij ook de middelen kont om de moeilijkheden en bezwaren, die zich op weg kunnen voordoen, te boven te komen. Leidsman geeft een ruimer begrip aan, het wordt niet enkel gebezigd van iemand die den weg wijst, maar veronderstelt bovendien dat de persoon ia ervaring, kracht en versland onze meerdere is en zich moeite wil geven om den onkundige als met de hand naar het doel te geleiden; het wordt dan ook voornamelijk in overdrachtelijken zin gebruikt.
Gier, zie Drek.
Gierig â begeerig â hebzuchtig â karig â inhalig â schranpzuchtig â seliriel. Overdreven verlangen naar en gehechtheid aan tijdelijke goederen hebbende. Begeerig, dat soms mot deze beteekenis gebruikt wordt, drukt dit het zachtst uil. Ilebzuchlig is bij, die aanhoudend het verlangen toont om zijne goederen te vermeerderen, zonder daarbij aan de belangen van anderen te denken. Inhalig is bij, die van elke gelegenheid gebruikt maakt om zijn voordeel ermede te doen. Hebzucht noemt dus meer de eigenschap, inhaligheid doet daarbij aan de daad denken. Gierig, karig en schriel duiden het verlangen aan om den rijkdom to behouden. Gierig
U*
GIFâG LI.
is het sterkst, karig is hij, die slechts eene kleinigheid van zijne schatten kan afstaan, terwijl schriel eene versterking van kariy is. Karigheid en schrielheid zijn lichte graden van gierigheid, maar gaan niet noodzakelijk gelijk deze met hebzucht gepaard.
Crlft, zie Craaf.
Olft, zie Aalmoes.
Oyzeiaar, zie Borg.
«II â kreet â schreeuw. Schreeuw is een krijschend, hard onaangenaam geluid met de stem, bij pijn of schrik; gil een korte doordringende schreeuw; kreet een schreeuwen om hulp {noodkreet), van pijn of smart (Jammerkreet), of ten teeken van strijdlust of vreugde {wapenkreet, Oorlogskreet, vreugdekreet, jubelkreet). Gelre! Gelre! was de oorlogskreet der Gelderschcn. Hoezee!
Cünds, zie Daar.
Ciispen, zie Bedillen.
Gissen â raden â vermoeden â veronderstellen. Zijne gedachten uiten omtrent den toestand of het bestaan van iets, waaromtrent men geene zekerheid heeft. Neemt men iels als zeker aan, dat men weef dat niet bewezen is, dan stelt men het als zeker en wil, van deze onderstelling uitgaande, verder door redeneering tot de waarheid trachten te komen. Bij vermoeden heeft men voor zijne onderstelling altoos eenige subjectieve zekerheid, bij raden dikwijls niet de allerminste. De beteekenis van gissen houdt tusschen die van vermoeden en raden het midden. Terwijl raden altijd eene uiting der gedachte betreft, kunnen veronderstellen, vermoeden en gissen ook eene niet uitgesproken gedachte betreffen. Wij vermoeden dat de zaak zóó loopen zal (wij maken dat b.v. uit eene vroegere ervaring op). Wat raadt gij: even of oneven? De reden uwer komst meen ik te kunnen gissen (uwe omstandigheden kennende, kan ik vermoeden, wat u tot mij voert).
Cilad, zie Ellen.
Glans â gloed. Deze woorden zijn synoniem als zij gebruikt worden van het blinken van stoffen: de gloed ligt er nog op; er is geen glans meer op. Gloed is de frissche heldere kleur, die van nieuwheid of deugdelijkheid getuigt, glans de schittering en frischheid van de stoffen.
Glanzen, zie Blinken.
Gllmlaehen â grimlachen â meesmuilen. Den mond tot een lachje plooien. Men glimlacht uit vriendelijkheid, tevredenheid, vermaak; men grimlacht uit kwaadaardigheid; men meesmuilt uit ongeloof of spot.
Glimp â schijn. Schijn is het uiterlijk van iets en kan, wanneer hot niet met het innerlijk overeenstemt, tol een onjuist oordeel aanleiding geven. Glimp is een valsche, bedriegelijke schijn of voorkomen, dat men
212
GLIâGOO.
doet ontstaan. Den schijn voor het wezen aanzien. Onder schijn van vriend-schaf. Hij weel aan zijne gemeene praktijken altijd een schoonen glimp te geven.
Glinsteren, zie Blinken.
Gloed, zie Glans.
Gluren â loeren. Loeren en gluren d. i. heimelijk, aanhoudend scherp naar iets zien. Loeren onderstelt een bepaald doel, gluren geschiedt meer uit nieuwsgierigheid. Do kal loert op dc muis. Een nieuwsgierig bestje gluurt door de gordijntjes.
Goddeloos â zondig. Wie in strijd handelt met de zedelijke wetten. Zondig ziet meer op overtreding der wetten ten gevolge der menschelijke zwakheid; goddeloos onderstelt een zondigen tegen heter weten aan, eene verharding in het kwaad. Alle menschen zijn zondaars, maar goddeloozen zijn gelukkig eene uitzondering.
Godsakker, zie Begraaiplaafs.
Godsdienstig â godvreezend â godvruchtig â godzalig â vroom. Godsdienstig is hij, die aan zijn godsdienst hecht, die dus in alles handelt overeenkomstig Gods gebod en ook zijne kerkelijke plichten niet verzuimt. Godvreezend en godvruchtig worden van hem gezegd, die in alles toont eerbied voor God en Gods geboden te hebben. Godm/iV/drukt hetzelfde uit, doch verbindt hiermede het zalig bewuszijn van Gode welgevallig te handelen; daardoor krijgt het ook de minder gunstige beleekenis van vertoonmakend door groote godsdienstigheid. Ook vroom; eigenlijk uitstekend, en verder braaf en godsdienstig; kan deze beleekenis krijgen.
Goed, zie Have.
Goeden doen (In...), zie Gegoed.
Goederen, zie Have.
Goedkeuren, zie Biliyken.
Goedspreken, zie Borgbl||ven.
Golf, zie Baar.
Golf, zie Baal.
Golfgeklots, zie Deining.
Golfslag, zie Baar.
Golfslag, zie Deining.
Golving, zie Deining.
Gonzen, zie Brommen.
Gooien â werpen â smtyten. Met kracht van zich slingeren.
Alleen werpen behoort tot de beschaafde spreek- en schrijftaal; de boide
andere woorden zijn meest gemeenzaam en plat. Smijten veronderstelt
meer dan gooien, het is soms ook in gekuischte taal in gebruik; van golf
213
GORâGRA.
op golf gesmeten. Den boel door elkander gooien of smijten. Werpen kan ook door middel van werktuigen geschieden. De blijden der ouden wierpen zware steenen. Bommen in een stad werpen. Werpen wordt in een aantal spreekwijzen gebezigd. In de gevangenis werpen. Troepen in een vesting werpen. Jongen werpen. Olie in hei vuur werpen (iets erger maken). De teerling is geworpen (mijn besluit is genomen).
Gordel â riem. Een band van Ieder of andere stof om iets te omgeven of te bevestigen. Gordel is een riem, die het. middel omgeeft en soms enkel tot sieraad dient. Figuurlijk; Iemand een hart onder den riem (of den gordel) steken, â een gezegde dat aan den lederen riem der krijgslieden ontleend schijnt te zijn,
Ciorgcl, zie Heel.
Gorst, zie Aanwas.
Graag, zie Gaarne.
Graan â koren. Graan is de algemeene benaming en duidt zoowel larwe als haver, gerst en rogge aan. Koren is in het dagelijksch leven behalve in de beteekenis van graan ook in die van rogge in gebruik. De samenstellingen met koren zijn verreweg het talrijkst. Korenakker, korenaar, korenbloem, korenland, korenmaat, korenmolen, korenschoof. Het meervoud granen dient om de rijpe vrucht van verschillende soorten van koren aan te duiden. De granen slaan op of af. Figuurlijk: Dal is koren op zijn molen. Een graantje pikken.
Gracht, zie Burgwal.
Gramschap, zie Boosheid.
Grap â aardigheid â geestigheid â gekheid â klucht â kwinkslag â scherts â ui. Een gezegde of verhaal dat zonder ernstige bedoeling alleen om te vermaken wordt medegedeeld. Grap drukt dit in hel algemeen uit. Aardigheid veronderstelt dat hel gezegde bevallig en behaaglijk is ingekleed, do aardigheid nadert de geestigheid. Hierbij staat echter meer het vernuftige en puntige op den voorgrond. Een scherts wordt om te spelen gezegd, is dus los, ongedwongen en vroolijk. Waar de scherts een geestig gezegde is, dat het gevolg is van een geestigeh inval, noemt men het kwinkslag. De gekheid, die gezegd wordt, nadert het dwaze en ongerijmde, doch om de geest en het vernuft, die er uit spreken, kan het bij de scherts gerekend worden. Is hetgeen gezegd wordt eèn kort verhaal met puntige scherts, dan noemt men het een ut, terwijl men onder klucht meer een verhaal verstaat van een grap, die geschied is of als gebeurd zijnde wordt voorgesteld.
Grap â aardigheid â gekheid â ui. Deze woorden duiden ook eene vermakelijke gebeurtenis aan. Een grap, gekheid of ui missen meestal de fijnere geestigheid, welke in eene daad ol gebeurtenis gelegen moet zijn, wil men ze eene aardigheid noemen. Bij gekheid staat meer het dwaze op den voorgrond. Ui en grap kunnen handelingen zijn, waarbij iemand het voorwerp van minder aangename scherts is; aardigheid niet.
214
GRAâGRO.
Grappig, zie Aardig.
Graven, zie Delven.
Grenzenloos, zie Onbegrensfl.
Grief, zie Bedenking.
Grijnen â hullen â kermen â kreunen â krijten â schreien â weenen. Zijne smart door hel uiten van geluiden en hel storten van tianen aan den dag loggen. De weenende maakt geen, de schreiende weinig, de huilende veel misbaar; de gvijnende huilt luide. Grijnen wordt inzonderheid gezegd van het schreien van knorrige kinderen. Bij alle vier worden tranen gestort; dit kan ook het geval zijn bij krijten, dat dikwijls voor huilen of 'schreeuwen gezegd wordt. Kermen en kreunen geven Ie kennen dat de geluiden hel gevolg zijn van pijn of smart; kreunen wordt meer van een zacht geluid, kermen van slerker geluid, met weeklagen vermengd, gezegd; huilen en kreunen worden ook gebruikt om de uitingen van pijn van dieren uit te drukken.
Grepen â pakken â vangen â vatten. Iets met de hand bemachtigen. Vangen onderstelt, dat men op het voorwerp jacht heelt gemaakt; vatten en pakken, welk laatste meer in de spreek- dan in de schrijftaal gebruikt wordt, dat men het langer of korter denkt vast te houden; grijpen, dat men er zich meester maakt door eeno snelle beweging. Men vangt' visschen en vogels met netten. Een dief wordt gegrepen, gevat en gepakt. De moeder val het kind bij de hand om het Ie beveiligen. Hij pakt ivat hij krijgen kan. In hare ontsteltenis greep zij mij plotseling bij den arm.
Cirll â kuur â luim â nuk. Eene vlaag van eigenzinnigheid, lïij kuur en nuk heerscht het bijdenkbeeld van weerspannigheid; bij gril meestal dat van belachelijkheid; bij luim dat van wispelturigheid, onbestendigheid. Kinderen hebben kuren en nukken. liet ivas een gril dat George IIIzeker staatsstuk weigerde te teekenen, voordat men daarin op zijne begeerte het woord patiw ingevloehten had.
Grimlachen, zie Glimlachen.
Groeien â gedijen â wassen. Alle drie geven een toenemen in omvang of grootte te kennen. Gedijen is eigenlijk zich uitzetten en heelt vervolgens de beteekenis van grooter worden en voorspoedig groeien gekregen. Groeien is in omvang toenemen, allengs grooter of langer worden. Wassen is oorspronkelijk slerker worden, loenemun in kracht, en vervolgens, dewijl dit er meestal mede gepaard gaat, toenemen in grootte en hoogte. In deze laatste beteekenis wordt wassen â niet echter groeien en gedijen â ook van anorganische zaken gebruikt; b.v. van water kan men ook wassen gebruiken voor hooger worden; van getallen, hoewel hiervoor meer toenemen gebruikt wordt, kan men aangroeien en aanwassen zeggen: het aantal, de menigte groeit aan, wast aan. liet zaad gedijt, de kiem wast, eindelijk groeit dc plant.
21b
GROâIIAA.
Grommen, zie Brommen.
Grond, zie Bedding.
Orond, zie Beweegreden.
Grondsop, zie Bezinksel.
Grooter worden, zie Aangroeien.
Cirootmoedlg, zie Kdelaardig.
Crrootsch, zie Boogmoedlg.
Grossier, zie Bandelaar.
Grot â hol â spelonk. Door holen verslaat men inzonderheid hollen in de bergen, die tot schuilplaats kunnen dienen; grotten bestaan soms uit een aantal holen, in beteekenis komt het geheel met Aoiovereen; spelonken zijn enge holen van eene mindere of meerdere uilgestreklheitl. Vooral in de vorige eeuw werden veel kunstgrotten (uit boomwortels, mos, schelpen en koralen vervaardigd) in parken en tuinen tol versiering gebouwd. De grot van Han; de blauwe grot op Capri.
Gruweiyk, zie Afgryseiyk.
Guit, zie Gast.
Gul â openhartig â rond. De ronde doet zich voor, gelijk hij is; de gulle is spraakzaam en mededeelzaam; de openhartige houdt niets verborgen van hetgeen er in zijn hart omgaat. Goed rond, goed Zeeuwseh. Eene gulle bekentenis; een gulle mond.
Gulzigaard â lekkerbek. Beide zijn verzot op eten en drinken, maar den lekkerbek is het meer om eene groole keurigheid, den gulzigaard meer om de hoeveelheid te doen.
Gunste (ten...), zie Behoeve (ten...~)
II.
Baag â heg â hek â heining â omtuining â schutting.
Eene afsluiting, die een stuk grond afscheidt van den grond er om heen. Omtuining laat in het midden of de afsluiting bestaat uit struiken, hekwerk of hout. Schutting is eene afsluiting door middel van een houten of steenen muur, een hek is eene afsluiting door latwerk of door ijzeren slangen. Haag of heg duiden eene afscheiding van twee stukken grond door middel van struiken, meest haagdoorn, aan; heining, eigenlijk hagening, of omheining is eene haag of schutting, die een stuk grond omgeeft. Tuin thans synoniem met hof, beteekende oorspronkelijk ook heining, en is in dezen zin nog in enkele oude uitdrukkingen, als de hollandsche tuin, een tuin van wilgenhout om den varkensloop, in gebruik.
216
HAAâHAK.
Haast, zie Aanstonds.
Haast â spoed â yi â drift. De snelheid waarmede men een arbeid verricht. Spoed is de geregelde voortgang. Wie met spoed arbeidt handelt lofwaardig; haast en drift verdienen afkeuring, het eerste dewijl het vluchtigheid, hel laatste dewijl het gemoedsbeweging veronderstelt. IJl wordt voor haast gebruikt maar drukt meer uit het ontbreken van den noodigen tijd dan vluchtigheid van den werker. Hoe meer hnnst hoe minder spoed. Haastige spoed is zelden goed. Wat een drift ! Wees toch badaard, en gun u behoorlijk tijd voor uw werk.
Haast, zie Bykans.
Haastig â driftig â fluks â gezwind â spoedig â ras â snel â vlug â overhaast â In alleryi â sclilcl{|k. Bijwoorden, die de snelheid, waarmede eene handeling geschiedt, aanduiden. Snel, dat oorspronkelijk een algemeener beteekenis had, beteekent eigenlijk krachtig van beweging, voortvarend. Vlug duidt groote snelheid aan en is dus sterker dan snel, bovendien duidt het een luchtig aanraken der oppervlakte aan. Gezwind is wat zich krachtig voortbeweegt, en in korten tijd een afstand aflegt. Het is sterker dan snel en mist de laatstgenoemde eigenaardigheid van vlug. Ras wordt gezegd van eene vlugge, eenigszins onverwachte beweging, hierdoor kan aan ras de bijgedachte van ondoordacht eigen zijn. Haastig is wel vlug, doch in een slechten zin, want meest wordt het gebruikt voor te vlug, dus vluchtig, of ondoordacht. Driftig is elke beweging, die niet drift of hartstocht geschiedt, lïaasiiglijk, hetzelfde als haastig, wordt alleen in deftigen stijl gebruikt. Daar ijle eigenlijk snelle gang is, beteekent in allerijl hetzelfde als met gang, dus met eene snelle beweging, terwijl schielijk, uit schierlijke ontstaan, niets anders dan snel of vlug beteekent.
Haat, zie Afkeer.
Hachelijk, zie Bedenketyk.
Hak â hiel. De hiel is het achterdeel van den voet, de hak van den schoen. Voor kousen gebruikt men niet hak, maar hiel.
Haken Oiaar Iets), zie Begeeren.
Hakkelen â stamelen â stameren â stofleren. Hakkelen is niet vloeiend, niet vlug spreken, omdat men te snel spreekt, of omdat de woorden niet gauw genoeg toesfroomen; slollcven oi'slnmelen is gebrekkig spreken ten gevolge van een gebrek in de spraakorganen. Stameren is gebrekkig spreken ten gevolge van gebrek aan oefening. Een kind stamert de eerste klanken.
Bakken â houwen â kappen. Hakken en houwen verschillen daarin, dat het eerste eenvoudig ten doel heeft een voorwerp in zekere deelen te verdeelen, terwijl houwen geschiedt om aan een of ander voorwerp bovendien eene bepaalde gedaante te geven. Bijv. huul hakken, koek hakken; daarentegen steenhouwen. Verg. een houthakker met een steen-, en vleesch-houwer. Kappen beteekent eigenlijk: enkele deelen afscheiden ; bij uitbreiding: omhakken, vellen, enz., een boom kappen, een mail, cm kabel kappen.
217
HALâHAR.
Hals â nek. Terwijl keel de nauwe opening boven het strottenhoofd is, waardoor men slikt en ademt, alsook de buitenzijde hiervan, is de hals dat gedeelte des lichaams, dat het hoofd met den romp verbindt. Het achterste gedeelte van den hals, aan het achterhoofd grenzende, heet de nek.
Hals (om .... brengen), zie Doodcn.
Halsstarrig, zie Eigenzinnig.
Handel â nering. Nering ziet op een handel in het klein, inzonderheid in winkelwaren; bij uitbreiding op de klandizie, die men heeft, en de voordeden, welke die handel oplevert. Goede nering hebben. Nering en hanteering (koophandel en nijverheid).
Handelaar â koopman â kramer â venter â grossier.
Iemand die handel drijtt. Handelaar en koopman zijn de algemeene benamingen. Grossier is een koopman in het groot, die alleen op bestellingen aflevert; winkelier een koopman, die zijne waren in het klein aan den gaanden en komenden man afzet; kramer eigenlijk een koopman, die met enn verplaatsbaren winkel, eene kraam, op markten en kermissen â staat; venter een koopman, die zijne waren aan de huizen verkoopt.
Handelen, zie Bedrijven.
Handeling, zie Daad.
Handig, zie Behendig.
Handwerk, zie Ambacht.
Hard â gestreng. Niet zacht en genadig. Hard is niet gevoelig voor indrukken. Hij is een hard geneesmeester. Streng of gestreng is eigenlijk wat strak gespannen is, wat dus niet meer kan toegeven; streng is dus niet toegevend. In hard ligt de bijbeteekenis van onverdiende gestrengheid. Een hard vonnis is een vonnis strenger dan strikt noodig was'
Hard â gevoelig â zwaar. Moeielijk te dragen of te verrichten. Zwaar zegt, dal er veel kracht voor noodig is, hard dat het ons pijnlijk treft, gevoelig dat het ons leed doet en dat de gevolgen nog geruimen tijd merkbaar zijn. Een zware slag (een groot verliei) een harde slag (een onoverkomelijk verlies). Een hard geval. Het valt hard zich met ondank beloond te zien.
Hardnekkig â verhard. Hardnekkig is ook synoniem niet eigenzinnig. Het beteekent niet alleen volhardend om een eens begonnen zaak door te zetten maar ook min vatbaar voor overreding; het duidt niet altijd een gebrek aan. Verhard daarentegen wordt alleen iti een kwaden zin gebruikt; het beteekent ongevoelig, wreed verstokt, volhardend in het kwaad. Verhard in de ondeugd.
Hardnekkig, zie Eigenzinnig.
Hardvochtig, zie Barbaarseh.
Harnas â pantser â kuras â maliënkolder. Een bekleeding van den romp om dien tegen verwonding te beveiligen. Kuras wordt genoemd
218
HARâHEB.
de bedekking van de borst of van het geheele bovenlijf, oorspronkelijk van Ieder, later ook uit metaal gemaakt. Pantser was de ijzeren bedekking van het bovenlijf, maliënkolder' eigenlijk een uil maliën of ringen bestaand hemd of borstbedeksel. Harnas was de uit melaal bestaande bekleoding van het geheele lichaam, waartoe ook de beenplaten behoorden, die de beenen beschutten.
Hart, zie Boezem.
Hartelijk â Innig. Beide woorden drukken het tegenovergestelde uil van voorgewend, geveinsd, gehuicheld, valsch, maar innig heeft het bijdenkbeeld van warmte, vuur, hartstocht, en zegt dus meer dan hartelijk. Ee.nc hartelijke ontvangst. Een innig gebed. Innige liefde. Innige godsvrucht.
Hartstocht, zie Drift.
Hartzeer, zie Liccd.
Have â bezit â bezitting â goed â goederen â middelen â vermogen. Bezit, goed en /taue duiden die zaken aan, die do mensch als zijn eigen beschouwen kan, in deze woorden is de grondgedachte op verschillende wijze uitgedrukt. Bezit en ook bezitting is eigenlijk wat bezeten wordt. Have is wat men heeft, goed is wat don mensch goed of van nut is. Goed wordt zoowel gebruikt van roerende als onroerende goederen. Have, eigenlijk bezitting, beteekende oudtijds ook vast goed, maar wordt tegenwoordig meer voor onroerende goederen en vee {tilbare have, levende have) gebezigd, terwijl goederen nu meer gebruikt wordt om vaste eigendommen, inzonderheid landeigendom (vaste, onrocvendc goederen)^ bezitting om onroerende goederen van oenigen omvang aan te duiden. Middelen omvatten iemands gezamenlijke bezittingen, doch ziet vooral op het geld dat hij bezit. Een man van middelen is hij, die onbekrompen leven kan. Vermogen is dat waardoor men iets vermag of macht heeft. Dit woord omvat de middelen, rechten enz. en beschouwt dit alles met de bezitting en de middelen als een geheel. In het dagelijksch leven heeft het meestal de kracht van middelen of fortuin.
Haveloos, zie Arm.
Haven â recdc. Beide woorden duiden eene veilige ligplaats voor schepen aan. Beede is meer de ligplaats die veiligheid aanbiedt door hare natuurlijke gesteldheid en ligging; b.v. een ingesloten baai of kreek, de monding eener rivier, een door eilanden beveiligde kust. Haven is meer bepaald door menschenhanden gemaakt en door dijken of dammen van het omringende water afgescheiden, een zijkanaal of eene gracht; een haven is dus van verschillende kanten door wallen of land ingesloten.
Hebbelflkheid, zie Aanwendsei.
Hebben, zie Bezitten.
Hebzucht, zie Baatzucht.
Hebzuchtig, zie Cricrig.
21!»
HEEâHEI.
Heclen â genezen. Deter maken of worden. Genezen wordt van ieder lichamelijk lijden, heden alleen van wonden gebruikt. Doctor in de
genees- en in dc heelkunde.
Heer, zie Baas.
Heeriyk , zie Aangenaam.
Heerlik â prachtig â verrukkelijk. Wat door zijne groote schoonheid in hooge mate ons welgevallen opwekt. Prachtig wordt gezegd van datgene wat schittert, door den glans, dien het afwerpt, bewondering opwekt. Heerlijk, eigenlijk wat hoog, wat verheven is, wordt fcven zoo van alles wat in hooge mate schittert gezegd, doch ook van datgene, wat ons gemoed zeer aangenaam treft. Terwijl prachtig meer op het uiterlijk ziet, wordt heerlijk ook voor voortreffelijkheid van den inhoud gebezigd. Een prachtig werk en een heerlijk werk. In onderscheiding van heerlijk geeft verrukkelijk te kennen, dat men de schoonheid van iets niet alleen opmerkt, maar ook diep gevoelt, dat zij ons medesleept, ons in vervoering brengt. Wat een heerlijk gedicht! is een uitroep van bewondering; wat een verrukkelijk gedicht! ik moet het telkens weer lezen; in dezen zin is het synoniem met voortreffelijk. Verrukkelijk is dus sterker en nadert meer tot bekoorlijk en boeiend.
Hecrsehappy, zie Beheer.
Heerschen, zie Beheersehen.
Heet â warm. Warm is alles wat niet koud Is. Stijgt de warmtegraad aanmerkelijk, dan spreekt men niet meer van warm maar van heet. Als substantiva gebruikt men warmte en hitte.
Heeten â noemen. Heeten is een naam hebben of geven; noemen bij name aanwijzen. Omdat men mij met mijn broer verwart, noemt men mij dikwijls Jan, maar ik heet eigenlijk Piet. Hoe heel men hem ook wel in dc wandeling?
Heeten, zie Cicbleden.
Helle, zie Bezinksel.
Heg, zie Haag.
Heil â geluk â voorspoed. Geluk is de algemeene uitdrukking voor het geheel der gunstige omstandigheden die iemand te beurt vallen en voor den aangenamen toestand, waarin hij dientengevolge verkeert. Voorspoed is beperkter: hel ziet alleen op den goeden gang der zaken. Men kan voorspoed hebben en toch het ware geluk missen. In het dagelijksch leven is heil weinig meer in gebruik maar is beperkt tot enkele formules en tot den hoogeren stijl. Geluk en heil in 't nieuwe jaar! Voorspoed bij alles wat gij moogt beginnen.
Heilig â onschendbaar. Wat niet mag aangetast worden. Onschendbaar is hetgeen beschermd wordt door de menschelijke, heilig hetgeen beschermd wordt door de goddelijke wetten. De eed, de banden des bloeds moeten ons heilig zijn. In de conslitutioneele monarchie is de koning onschendbaar.
220
HEIâHER.
Heiligheid, zie Deugd.
Helmeiyk. zie Geheim.
Heining, zie Hang.
Hek, zie Haag.
Hek, zie Balie.
Helaas! zie Ach!
Helder â klaar. Helder ziet zoowel op de zuiverheid der oppervlakte als op die van den inhoud. Klaar is datgene wat de lichtstralen ongehinderd doorlaat, wat dus niet troebel is; het ziet derhalve alleen op de zuiverheid van den inhoud van iets. Helder (/las, helder water; de spiegel is helder; hel water is klaar als kristal; een klare bron.
Helder, zie Hegrypeiyk.
Hellebaard, zie Aaks.
Hellen â nelgen â overhangen â overhellen â overlenen.
Een naar ééne zijde overbuigenden stand hebben. Hellen drukt dit uit zonder er iets moer bij te voegen, in overhellen is dit begrip iets sterker uitge-drukt, overhangen drukt het zeer sterk uit; was er niets, waaraan het voorwerp verbonden was of waaraan het hing, dan zou het vallen; het wordt echter ook voor overhellen gebruikt, bleigen, eigenlijk zich neigen, is zich buigen; van levenlooze voorwerpen wordt het dus in eigenlijken zin niet gebruikt. Overlenen, dat bij Vondel nog voor overhellen in gebruik was, is thans uit do taal bijna geheel verdwenen.
Helpen, zie Bespringen.
Henker, zie Beul.
Herbergier, zie Kastelein.
Herhaaldeiyk, zie Alweder.
Herinnering, zie Oedaehtenls.
Herkennen, zie Erkennen.
Herkomst, zie Afkomst.
Hernemen, zie Antwoorden.
Herroepen, zie Afschaffen.
Herscheppen, zie Hervormen.
Hersenpan, zie Bekkeneel.
Herstellen, zie Bekomen.
Hervatten, zie Antwoorden.
Hervormen â herscheppen. Den vorm van iets vernieuwen, het anders inrichten en wijzigen. Herscheppen grijpt dieper in dan hervormen. Van eene reeks ingrijpende, welgeslaagde hervormingen (in inrichting, bestuur, wetgeving, enz.) is eene herschepping het gevolg. Van de kerkhervor-
221
HEÃ-HOF.
rning der zestiende eeuw dag teekent de herschepping van Europa niet alleen op kerkelijk maar ook op staatkundig gebied. De hervortningen van keizer Jozef II hebben niet geleid tot eenc herschepping der Oostenrijksche monai'-chie, omdat de tijd er niet rijp voor was.
Heugenis, zie Ctcdachfcnls.
Heusch, zie Beschaafd.
Heuvel, zie Berg.
Hiel, zie Hak.
Hier, zie Baar.
Hier, zie Alhier.
Hierom, zie Bijgevolg.
Hijgen , zie Ademen.
Hinder, zie Afbreuk.
Hinder â letsel. De gewone beleekenis van hinder is tegenwerking, nadeel, die van letsel ongemak, kwetsing. Ik heb van de hitte in mijne kamer veel hinder gehad, zoodat ik niet werken kon. Van mijn val heb ik thans geen hinder meer. Bij het omvallen der diligence bekwam gelukkig geen der passagiers eenig letsel.
Hindernis, zie Belemmering.
Binniken, zie Brlesclien.
Bitte , zie Warmte.
Boede, zie Beselierming.
Hoeden , zie Acht nemen 'gt;gt;)â
Hoenderpark, zie onder Hof.
Hoeveelheid, zie Aantal.
Bof â tuin â gaarde â park â warande. Tuin is in liet
algemeen elk omsloten stuk grond (vgl. bij Baag); allengs heeft het de betoekenis van bloemhof, lusthof gekregen. Hof heelt dezelfde beleekenis, doch is meest in gebruik voor de plek, waar de moesgroenten geteeld worden. Wordt tuin in deze beleekenis gebruikt, dan moet er een bejialund woord voorgevoegd; moestuin, groentetuin, de slatuintjes; wordt hof in de eersle beleekenis gebruikt, dan krijgt dit woord eene bepaling voor zich: lusthof, bloemhof. Oudtijds had gaarde dezelfde beleekenis- als tuin en nog is het in dichterlijke laai en in dialect hiervoor in gebruik. Het oudere woord tvarande, dat bij Vondel {warande der dieren) en ook later nog als luslwarand enz. bij dichters voorkomt, is thans geheel verdwenen. Park voor lusthof, is in deze beteekenis aan het fransch onlloend en beleekende oorspronkelijk, evenals tuin, eene omheinde plek grond; in hertenpark, hoenderpark e. a. heeft het nog eenigszins de oude beteekenis bewaard. Thans wordt het gewoonlijk gezegd van een tuin van zeer grooten omvang en sierlijken aanleg.
222
HOEâHOO.
Hoewel, zie Ofschoon.
/ Hoezeer, zie Ofsehoon.
Hofrelijk, zie Beseliaafcl.
Hol 9 zie Cr rot.
Homp, zie Klomp.
Honger, zie Eetlust.
Hoofd â kop. Bovenste deel van het menschelijk en dierlijk lichaam. Bij de dieren heet het alleen kop. In de beschaafde spreektaal wordt kop slechts in enkele uitdrukkingen gebezigd van het menschelijk hoold. Een
fraaie kop, een schrandere kop, een studiekop, een kop van een standbeeld, enz. In de gemeenzame taal heelt de verwisseling meer plaats. If ij heeft een stijven kop. Iemand op zijn kop geven. Hoofd wordt daar ook wel eens hul genoemd: het scheelt hem in den hol, en bij uitbreiding: een schrandere bol. Het meervond koppen slaat voor manschappen: Een schip bemand met honderd koppen. Van voorwerpen wordt/co/) gezegd van het bovenste gedeelte b.v. van eene speld, eene naald, een spijker, enz., /ioo/y van het boveneinde, aan het hoofd van de tafel zitten.
Hoold, zie Dam.
Hoofdig, zie Eigenzinnig.
Hoofdstel, zie Breidel.
Hoofseh, zie Beschaafd.
Hoog â verheven. Hoog is de tegenstelling van laag, en dus alles wat zich boven den grond verheft; hel veronderstelt echter eene aanmerkelijke verheffing. Verheven is het verl. deelwoord van verheffen en is dus oorspronkelijk zwakker dan hoog. Eigenlijk gebruikt beleekent verheven thans; een weinig hoog. Verheven werk, beeldwerk en relief. De troon staat op eene verhevenheid. Figuurlijk heeft verheven een edele beteekenis, hoog niet altijd. De zon staat hoog aan den hemel. Uooge woorden krijgen. Zijne cischen hoog spannen. Niet hoog timmeren. Een verheven versland. Vt')'-heven daden. Een verheven gedachte. Een verheven stijl.
Hoogachting, zie Achting.
Hooghartig, zie Hoogmoedig.
Hoogmoed â hoovaardij â Inbeelding â trots. Het gevoel van werkelijke of vermeende eigenwaarde. Trots is hel gevoel van eigen waarde, dat degene bezit die fierheid heeft. Dikwijls wordt trots gebruikt voor een gevoel van eigenwaarde dat ongegrond is. Inbeelding is trots op eigenschappen of voorrechten, die men niet heeft of in mindere mate heeft dan men zich voorstelt. Hoogmoed staal tegenover deemoed of nederigheid, hel verbindt met een gevoel of een dunk van eigen grootheid dien van minderheid van anderen. Hoovaardij is de hoogmoed, die zich overal uit in vertoon van grootheid.
223
noo.
Hoogmoedig â fler â grootscli â hoogSiariSg â huuvaar-dlg â IJdel â laatdunkend âopgeblazen â prat â trotsch â verwaand. Met eene hooge mate van zelfgevoel bedeeld. Trotsch wordt zoowel in een goeden als in een kwaden zin gebruikt, én vooreen betamelijk gevoel van eigenwaarde èn voor dwaze zelfverheffing. Gij moogt op dat werk trotsch zijn. Hooghartig, eigenlijk eene deugd, kan bij overdrijving evenals trotsch eene ondeugd worden; niet alzoo fier, dat het bezit van een rechtmatigen trots of een, soms wel zeer sterk maar toch nooit ongepast , gevoel van eigenwaarde uitdrukt. De verwaande heeft een belachelijken dunk van eigen kunde en voortreffelijkheid; de hoogmoedige ziet in het besef zijner meerderheid met verachting op anderen neer; de hoovaardige is hiermede niet tevreden, maar tracht zich voor te doen als iemand die meer is of rijker is, en loont ingebeelde meerderheid; de opgeblazene toont zijne hoovaardij in overdreven gebaren en handeling; hij blaast zich als 'tware op om grooter te schijnen dan hij werkelijk is; de ijdele ziel zich gaarne bewonderd, geprezen, gevleid. De ijdelheid kijkt door de gaten van uw mantel heen, zeide Plato tot den schijnbaar nederigen Antisthenes. Grootsch kan in eene goede beteekenis voorkomen n.l. van edel, prachtig, vol majesteit; het wordt in dezen zin meest van zaken doch ook soms van personen gebruikt; als synoniem van hoogmoedig geeft hot, alleen van personen gebruikt, te kennen dat men gevoel van eigen grootheid en meerderheid heeft. Laatdunkend is hij, d ie een hoogen dunk van zijn eigen voortreffelijkheid heelt en daarbij door woord of gebaar toont dat hij met geringschatting neerziet op anderen. Bij prat wordt altijd een beweeggrond voor den trots aangevoerd : Prat op kennis, prat op zijn geld.
Hoogschatten, zie Achting.
Hoogte, zie Berg.
Hoogvlakte, zie Berg.
Hoon â schimp â spot. Schimp noemt men het grieven door scherpe, bijtende woorden; spolt; het belachelijk maken door ongepaste scherts; hoon eene smadelijke, verachtelijke bejegening. Bovadilla hoonde Columbus, toen hij den grooten ontdekker geketend naar Spanje zond.
Hoonen, zie Beleedlgen.
Hoop â massa â stapel â tas. Een menigte dingen op en bij elkander. Hoop veronderstelt eene groote hoeveelheid voorwerpen, die op en door elkander liggen, een hoop steenen, een hoop hooi. Massa drukt meer uit dat iets een ongeregeld, ongeordend geheel is. Eene verwarde massa. Ook bij tas denkt men meer aan een onregelmatige opeenhooping. Bij stapel onderstelt men doorgaans eene regelmatige schikking. Een stapel guldens â een aantal guldens netjes op elkander gelegd.
Hooren â vernemen. Door het zintuig van het gehoor gewaar worden. Vernemen is zoo hooren, dat men het gehoorde behoorlijk in zich opneemt, dus verstaat. Vandaar dat vernemen naar de beteekenis heeft van navorschen, onderzoek doen. Naar iemands gedrag vernemen.
224
1100âIIÃl.
Hoorcn â luisteren. Hoor en kan onwillekêimy jjescliieden. Luisteren is opzettelijk en scherp naar iets liooren. Wal kan men den wind hier hoorcn! Luister wel naar hetgeen ik zeggen zal. Aan de deur staan luisteren. Zie ook Aanliooren.
Hoovaardig, zie Hoogmoedig.
HoovaardiJ, zie lloogniocd.
Hopen â wenselien. Wensehen is het niten van een verlangen naar, hopen het met zekere mate van vertrouwen verwachten van iets goeds of begeerlijks. Ik wenschte rijk te zijn om veel te kunnen reizen, maar ik hoop nog eens zooveel over te sparen, dat ik een reisje naar Italië kan doen.
Horen, zie Bazuin.
Horizont, zie Him.
Hotelhouder, zie Kastelein.
Houden â nakomen â vervullen. Betrachten, volbrengen. Men houdt wat men zelf uit eigen vrijen wil voorgesteld heeft of waartoe men zich uit eigen wil verbonden heeft; men vervult wat als plicht is opgelegd en vervult do belofte of doet wat men beloofd heeft, men /com/zoowel zijne verplichlingen als zijne beloften na. Zijn plicht vervullen; zijn woord, zijne belofte houden; do profetie is in vervulling gekomen. Hij houdt als man, wat hij als jongeling beloofd heeft. De goede verwachtingen, die wij van hem hadden, heeft hij niet vervuld.
Houden van, zie Beminnen.
Houden (zlcli), zie Ciedragen (zlclO.
Hout, zie Bosch.
Houwen, zie Hakken.
Houwer, zie Zwaard.
Huichelarij, zie Geveinsdheid.
Huid â vel. Het algemeene bekleedsel van het dierlijk lichaam, bestaande uit de lederhuid en do opperhuid. Hoewel vel en huid dikwijls dooreen gebruikt worden, wijst huid eigenlijk de netvormige bekleeding van het lichaam aan, terwijl onder vel meer de geheele bedekking, huid en wat zich daarop bevindt, verstaan wordt. Huid is de wetenschappelijke en beschaafde, vel de meer gemeenzame benaming. Uit zijn vel springen. In een kwaad vel steken. In andere meer of minder platte uitdrukkingen gebruikt men echter weer huid. Zijne huid (leven) duur verkoopen. Iemand op zijne huid komen. Iemand de huid volschelden.
Hullen , zie Bulderen.
Hullen, zie Gr|jnen.
Huls 9 zie Woning.
Huisraad â meuhelen â Inboedel. De benoodigheden voor eene huishouding. Door het eerste woord verstaat men meer hetgeen noodig is
SYNONIEMEN. 15
22ri
HUIâIJS.
voor onze behoeften, voor het gebruik in de huishouding; het laatste woord duidt eigenlijk alle roerend goed in huis aan, het is echter beperkt tot die voorwerpen, die dienen om de vertrekken bewoonbaar te maken ot op te sieren. Alles samen, wat zich in huis bevindt, wordt de inboedel genoemd. Keukengereedschappen kan men geen meubelen, tapijten en schilderijen geen huisraad noemen.
Huiverig, zie Afkeerlg.
Hulp, zie Bestand.
Hupsch, zie Aardig.
Huur, zie Loon.
Huur â beklemmingâpacht. Huur is de algemeene uitdrukking voor de geldsom, waartegen het genot en gebruik ecner zaak aan een ander wordt afgestaan. Pachten is eigenlijk iets in gebruik krijgen of het genot van iets verkrijgen ten gevolge van een pactum (overeenkomst). Thans slaat pachten bijna gelijk met huren; de pachtsom wordt echter zeer dikwijls niet in geld betaald, maar een gedeelte van de verkregen vruchten komt ten goede aan den verpachter. Pacht is dus de huur van land, ook van belasting, zooals vroeger plag te geschieden. Erfpacht is ecne pacht, die voor een gebruik van 10â99 jaren gesloten wordt. Beklernmvu/ is eigenlijk eene huur die niet opzegbaar is. Deze vindt men hoofdzakelijk in Groningen, waarde eigendom en de plaats (eigenlijk de erfelijke pacht van do boerenplaats) afzonderlijk verkocht zijn.
HuwelUksglft, zie Bruidschat.
I.
Idee, zie Bedunken.
Idee, zie Voorstelling.
Idioot, zie Krankzinnig.
Ieder, zie Al.
Iets opschryven, zie Aanteekenen.
IJdel , zie Hoogmoedig.
IJl , zie Haast.
UI (In aller...), zie Haastig.
IJlen , zie Bazelen.
IJseiyk â schrlkkeiyk. Hetgeen ons hoogst onaangenaam aandoet, innerlijk diep schokt en ontroert. Bij ijselijk is dit minder hel gevolg van
226
IJSâINB.
een hevigen schrik dan wel van een sterken afkeer met vrees gemengd, IIi l was in (Ie kamer schrikkelijk heet geworden. Schrikkelijke donderslagen. Als een vliegje voelde ik me in 't Onontkoombaar net gevangen Van een ijselijk grooie spin.
I«Fsel||k, zie Afgrijselijk.
IJver, zie Krnst.
IJver â naarstiglicld â vlijt. IJver is de werkzaamheid, die aanhoudend bezig is aan hare taak. Wie met ijver werkt is druk bezig, hij paart werkzaamheid aan volharding. Vlijt is die werkzaamheid die bij aanhoudend werken het er op toelegt haar laak zoo goed mogelijk te volbrengen; wie met vlijt werkt, paart spoed aan oplettendheid. Naarstigheid is minder in gebruik, tiet wordt vooral van kinderen gezegd en ziet op werkzaamheid gepaard aan goeden wil en inspanning om de opgegeven laak behoorlijk af te maken. Eene zaak met ijver voortzetten; blinde ijver; ijver voor volk en vaderland. De naarstigheid van den scholier verdient belooning. Hij legt zich met vlijt op de studie toe; de vruchten van zijne vlijt genieten.
Uvcrig, zie Arbeidzaaiii.
Uverzuelitlg, zie Naijverig.
Immer, zie Altijd.
Immermeer, zie Altijd.
In brand steken, zie Aansteken.
In twijfel staan, zie Aarzelen.
Inbeelden Czicli) â verbeelden (zleli). Zich eene verkeerde voorstelling maken: bij verbeelden maakt men zich eene verkeerde voorstelling, die echter op geen verkeerden grond rust; inbeelden, dat meer in betrekking tol eigen persoon wordt gebruikt, geeft te kennen dat de voorstelling overdreven of valsch is. Van den persoon zelf gebruikt, bcteekent inbeelden oen overdreven gevoel van eigenwaarde hebben. Hij verbeeldde zich, dat zijne sigaar uit was. Ihj beeldt zich in heel knap te wezen. Hij verbeeldde zich dat hij buiten gevaar was; (daarentegen: de ingebeelde ziekte, ingebeelde kwalen). Hij verbeeldt zich heel wal, nu hij geld heelt. Wat beeldt hij zich wel in? Hij is niets en heeft niets.
Inbeelding, zie Hoogmoed.
Inblazen, zie Inboezemen.
Inboedel, zie Huisraad.
Inboezemen â Inblazen â Inprenten â Inscherpen â Inspreken. Iemand eene gedachte of een gevoel in den geest en in het gemoed doen opnemen. Inboezemen wordt zoowel in een goeden als in een kwaden zin gebruikt voor bij iemand een gevoel in den boezem doen ontstaan; (iemand moed, liefde, vrees, wantrouwen inboezemen), inblazen heeft meestal eene slechte beteekonis {achterdocht inblazen, inblazingen ~ ophit-
45*
227
INBâINH.
singen). Inspreken wordt bij voorkeur gebezigd van het inboezemen van moed door middel van redeneering {moed inspreken). Inprenten is door herhaalde leering een denkbeeld of begrip vast in den geest doen opnemen. Ik tieh mijn kinderen van der jeugd af ingeprent, dal arbeid adelt. Nog sterker wordt dit denkbeeld uitgedrukt door inscherpen, waarin het bijbegrip van klem, van gestrengheid ligt. Hij het afscheid heb ik hem zijne plichten nog eens goed ingescherpt.
Inborst, zie Aard.
Inbrengen, zie Bijbrengen.
Inbrengen â opperen â te berde brengen. Terwijl bijbrengen en aanvoeren gebruikt worden, wanneer men eene bewering enz. kracht wil bijzetten of door bewijzen een vertoog wil versterken, drukken deze enkel het te kennen geven van eene nieuwe gedachte of voorstel uit. Opperen is het mededeelen van de gedachte of van het voorstel zonder dit nog uitte werken ; te berde brengen, eigenlijk ter tafel brengen, is het ter sprake brengen van eene gedachte; inbrengen is het te kennen geven van iels nieuws, dat tegenover hot reeds gezegde kan gesteld worden. Wat hebt gij nog in te brengen? Men brengt bedenkingen in; maakt aanmerkingen, tegenwerpingen; oppert een denkbeeld, een bezwaar, eene bedenking. In opperen ligt het bijbegrip, dat men de eerste is, die (althans op dat oogenblik) van het aangevoerde melding maakt. Van verschillende zijden is het denkbeeld geopperd da internationale geschillen door een Europeesch scheidsgerecht te doen beslechten.
Indien, zie Wanneer.
Indien al, zie Aangenomen dat.
Indienen, zie inleveren.
Indijken, zie Bedijken.
Ineenzinken, zie Afvallen.
Ingebeeld, zie Eigenwijs.
Ingeland, zie Bewoner.
Ingeschapen, zie Aangeboren.
Ingetogen, zie Bescheiden.
Ingetogen, zie Blatlg.
Ingetogen, zie Eerbaar,
Ingeval, zie Wanneer.
Ingezetene, zie Bewoner.
Inhalig, zie lt;*lerlg.
Inhaligheid, zie Baatzucht.
Inham, zie Baal.
Inhouden, zie Afhouden.
228
INKâINS.
Inkomen â Inkomsten â rente. Inkomen is de som, die iemand jaarlijks kan verteren, zonder dat hij financieel achteruitgaat. Inkomsten zijn de verschillende baten, die iemands inkomen uitmaken. De inkomsten staan tegenover de uitgaven. Rente ziet uitsluitend op de opbrengst van vaste goederen en belegde gelden. Van zijne renten leven. Een ambtenaar, die van zijn traktement leven moet, spreekt van zijn jaarlijksch inkomen niet van zijne inkomsten, en kan niet zeggen dat hij van zijne rente leeft.
Inkomsten, zie Inkomen.
Inkoopen, zie Aanschaffen.
Inlaten (zleli), zie Bemoeien (zich.)
Inleveren â Indienen. Stukken aan de bevoegde macht doen toekomen, ze aan een college of een persoon inzenden, liet begrip inleveren is ruim, dat van indienen eng. Iedereen kan een verzoekschrift, eene klacht, bezwaren, aanbiedingen, plannen, voorstellen, enz. inleveren. Indienen daarentegen gebruikt men alleen ten opzichte van hem, door wien de overlegging geschiedt krachtens de bevoegdheid, die hij aan zijn ambt ontleent. Een minister dient een ontwerp van wet in.
Inmiddels â Intussclien â middelerwijl â ondertusschenâ onderwijl. Tusschen twee gebeurtenissen. Inmiddels geeft te kennen dat midden in het verloop der eene handeling eene andere geschiedde. Middelerwijl (eene samenstelling met wijle, lijd) oven als onderwijl geven te kennen dat iets geschiedt in deh tijd, gedurende welken eene andere handeling plaats grijpt. Onderlussehen en intussclien duiden aan dat er tusschen (onder z. Wdb. O, 1233) twee handelingen iets voorvalt.
Innemen, zie Bekoren.
Innemen, zie Bezetten.
Innemend, zie Aanminnig.
Inneriyk â Inwendig. Inwendig is datgene wat naar binnen gekeerd is, derhalve wat zich in het binnenste van een lichaam bevindt; het blijft het inwendige heeten, zelfs wanneer liet bloot gelegd wordt. Het wordt minder in figuurlijken zin gebruikt. De inwendige deelen van het menschelijk lichaam. Dat is goed voor den inivcndigoi )tu;nsch = dat versterkt de krachten, wekt de levensgeesten op. Innerlijk staat tegenover uiterlijk, den zichtbaren vorm; het geldt van die deelen van een geheel, die door de oppervlakte, het uiterlijk, voor het oog bedekt zijn. Het wordt dikwijls in figuurlijken zin gebezigd. De innerlijke waarde van hel goud = de waarde, die het goud als zoodanig, afgescheiden van zijn vorm, heeft. Hel innerlijke van don mensch â 's menschen gemoed, karakter, geaardheid, wezen.
Innig, zie Hartelijk.
Inprenten, zie Inboezemen.
Inscherpen, zie Inboezemen.
Inschikkelijk -- meegaand â toegefelijk â volgzaam.
Deze woorden duiden aan dat men de eigenschap bezit van zich gemakkelijk
229
230 INSâINT.
naar den wil van anderen Ie voegen. Do meegaande, de volgzame talen zich gemakkelijk leiden, daar zij gemakkelijk gehoor geven aan een wenk of een raad van anderen; de gehoorzame hooit naar hel hovel van anderen en volgt dit op; bij dc beide eersten is het een eigenschap van het karakter, bij den laatsle een gevolg van redeneering en van plichtbesef. De inschikkelijke en de toegefelijke staan niet zoo slerk op hun recht of zoo vast op hun stuk, dat zij niet van tijd lot lijd eene concessie welen te doen in hel belang der harmonie. Die inschikkelijk is geeft zijn recht gaarne op Ier wille van anderen; die toegeeflijk is vergeeft bovendien gemakkelijk eene, verkorting van zijn recht.
Inslaan â opdoen. Zich van een voorraad levensmiddelen en andere huiselijke benoodigheden voorzien. Inslaan wordt over het algemeen van groolere hoeveelheden koopwaren gezegd, zoowel met betrekking tot dranken als tot sommige andere waren, waarin handel wordt gedreven. Bieren wijn inslaan, suiker inslaan. Boter, kolen opdoen.
Insluiten â berennen â omgeven â omringen â omsingelen. Zich rondom iemand of iels bevinden. Met uitzondering van berennen hebben al deze woorden het bijdenkbeeld, dat de omringing in een gesloten kring plaats heeft. Insluiten duidt dit het sterkst aan en geeft te kennen dat de kring gesloten is, zoodat er aan ontkomen niet valt Ie denken, Omsingelen is langzamerhand geheel omringen, nauw omsluiten. Omgeven, omringen, en soms omsingelen, met een persoonsnaam tot voorwerp onderstellen altijd, dat de handeling met een bepaald doel geschiedt, hetzij tot betooning van eerbied, of wel uit belangstelling, nieuwsgierigheid, enz. Een talrijk gevolg van edelen omgaf den Vorst. Zijne vrienden omringden hem. Het gemeen omsingelde den vreemdeling en liet hem geen oogenblik rust. Insluiten, omsingelen en berennen onderstellen een omringen met een vijandelijk oogmerk (met de drie andere woorden is dit niet altijd het geval), en worden meest gebezigd ten opzichte van legers of vestingen, die men belegeren wil. Insluiten en omsingelen worden echter ook van enkele personen gebezigd. Willem van Oostervant was in Zierikzee ingesloten. Bazaine bemerkte dat hij ingesloten was. Berennen is bij onverwachts, snel insluiten, een snellen aanval doen met voetvolk en met ruiterij {rennende aanvallen), zoodat de bezetting den tijd niet heeft zich op een beleg voor te bereiden.
Inspannen, zie Aanspannen.
Inspannen (zlcli), zie Pogen.
Inspreken, zie Inboezemen.
Instaan, zie Borgblijvcn.
Instinct, zie Aandrift.
Instrument, zie Crcrecdschap.
Integendeel, zie Dan.
Interest â rente. Bentc is de werkelijke opbrengst van een uitgezet kapitaal, interest de overwinst, die men bij de gewone rente krijgt. Behoeft
INTâJEG.
men niet te vreezen voor verlies van kapitaal, dan is men tevreden met de yenlc, bestaat die vrees wel, dan eischt men iets meer voor de risico; lietgeen men zoo meer krijgt met du rente te zamen is dan interest. (Deze wetenschappelijke onderscheiding wordt intusschen niet altijd in acht genomen, wellicht ook ten gevolge van de eenigszins verschillende beteekenis, die de woorden rente en rent in hel Fransch en het Engelsch hebben.)
Intrekken, zie AfschaMcn.
Intusschen, zie Inmiddels.
Inwendig, zie Innerlijk.
Inwilligen, zie Bewilligen.
Inwoner, zie Bewoner.
Inzien Cznw.), zie Bedunken.
Inzien (ww.) , zie Bevroeden.
Inzinken, zie Afvallen.
J.
â¢laarboek, zie Kroniek.
Jaargeld, zie Jaarwedde.
Jaarwedde â jaargeld â gage â pensioen â salaris â soldij â traetement. Jaarwedde noemt men de geregelde bezoldiging (zie bij Belooning) der ambtenaren van rang, salaris die der mindere beambten. De jaarwedde, ook het traetement genoemd, van een minister, van een burgemeester, officier, enz.; het salaris van een klerk. Jaargeld heet de jaarlijksche som, die aan iemand van wage zijne verdiensten, uit genegenheid, enz. wordt toegelegd. Spinoza ontving een jaargeld van Jan de Witt. Soldij is de som, die het loon der militairen uitmaakt; waar van het loon van scheepsvolk sprake is, gebruikt men het woord gage. Pensioen is het jaargeld, dat aan ambtenaren, die hun diensttijd volbracht hebben voor den dienst ongeschikt zijn geworden, of aan hunne naaste betrekkingen uit eene openbare kas wordt uitgekeerd.
Jagen, zie Drijven.
Jaloerscli, zie IVatyvcrig.
Jaloezie, zie Afgunst.
Jammeriyk, zie Bedroevend.
Jegens â tegen. De grondbeteekenis van beide is eene richting ergens heen, eene beweging naar een voorwerp. Bij jegens heeft die beweging een
231
JEUâJEW.
vriendschappelijk karakter; in teqen ligt, wanneer het tegenover jegens gesteld wordt, het denkbeeld van weerstand, van vijandschap. Liefde, achting, eerbied, teederheid jegens iemand. Lief, aardig, goed, vriendelijk jegens iemand zijn. Tegen den muur loopen. Tegen den stroom zwemmen. Zich tegen iets aankanten. Tegen den vijand oprukken. Tegen iemand lomp, ruw, onbeleefd zijn. Tegen ieder spreekt hij even beleefd.
«Fcugd, zie Jonkheid.
Jeugdig, zie Jong.
Jok, zie Boert.
Jokken â liegen. Jokken is eene verzachtende, liegen eene versterkte uitdrukking voor onwaarheid spreken. Wie jokt doet de waarheid meer geweld aan om zich zelf uit de verlegenheid te redden, dan wel om een ander te misleiden.
Jokken, zie Schertsen.
Joligheid, zie Blijdschap.
Jong â Jeugdig â nieuw â versch. Jong is wat nog niet lang bestaan heeft of geleefd heeft. In dit opzicht is jong synoniem met nieuw en versch. Nieuw geeft niets meer te kennen dan dit; versch drukt uit dal de zaak nog alle eigenschappen bezit, die het gevolg zijn van zijn nog kortstondig bestaan. Jong ziet meer op de krachten, die iets, dat slechts sinds korten tijd bestaat, bezit of mist. Wanneer jong en jeugdig van personen gebruikt met elkaar vergeleken worden, ziet jong op den leeftijd, jeugdig op de eigenaardigheden, die aan de jeugd eigen zijn, Eene oude vrouw is niet jong meer, doch kan nog jeugdig in hare bewegingen zijn.
JonkheidâJeugd. Jeugd is de benaming voorden vroegsten leeftijd van dea mensch, en duidt bij uitbreiding de eigenschappen aan, die een jong mensch eigen zijn. Jonkheid is de eigenschap van jong zijn als abstract beschouwd, doch bij uitbreiding wordt het gebezigd voor het jonge als collectief; de jonkheid beteekent dan de jongelieden.
Jonkvrouw, zie Doehter.
Juffer, zie Deel.
Juffer, zie Dochter.
Juffrouw, zie Doehter.
. Juist â nauwkeurig â stipt. Juist is dalgene, wat beantwoordt aan de eischen; nauwkeurig wat in alle deelen juist is; slipt of nauwgezet is datgene, wat in geen enkel punt afwijkt. Eene nauwkeurige opmeting. Een nauwkeurig onderzoek. Een juist oordeel! Juist van pas! Juist opgemerkt! Stipt nagekomen. Stipte plichtsbetrachting.
Juweelen â klelnoodlën. Door juweclen verstaat men uitsluitend geslepen edelgesteenten, inzonderheid diamanten; onder kleinoodien zijn ook gouden voorwerpen, paarlen en andere zaken, die tot tooi dienen, begrepen. Beide worden ook figuurlijk gebruikt: Dit hoek is een kostbaar kleinood. Een juweel van een broer. Een juweel van een schilderij.
232
KA AâKAS.
K.
Haal , zie Burgwal.
Haal, zie Bloot.
Haam â kant â schlmmcl. Schimmel is de algeraeene naam voor de kleine plantjes die zich ontwikkelen, waar organische stoffen in bederf overgaan. Bij natte waren als bier, azijn enz. noemt men dit kaam, bij wijn spreekt men van kant.
Habbellng, zie Deining.
Habcl, zie Touw.
Kabinet, zie Hamer.
Hakclen, zie Habbclen.
Hallen, zie Babbelen.
Halm, zie Bedaard.
Halmte, zie Bedaardheid.
Hamer â kabinet â vertrek â zaal. Vertrek is hel algemeene woord voor iedere afgeslotene ruimte in een huis maar wordt meest in meer deftigen stijl gebruikt. Kamer is het meest gebruikelijke woord. In sommige samenstellingen worden beide woorden gebezigd, z. a. woonkamer, woon-vertrek, doch bij andere alleen kamer b.v. hadkamer. Eene zaal is een groot vertrek; kabinet eene kleine kamer. Een dameskabinetje draagt den naam van boudoir.
Hameraad, zie Gezel.
Hampstrijd, zie Gevecht.
Hanaal, zie Gang.
Hamp, zie Gevecht.
Hant, zie Boord.
Hant, zie Haam.
Happen, zie Hakken.
Har, zie Wagen.
Harakter, zie Aard.
Hardoes â patroon. De kruitlading van een vuurwapen, bij een geweer wordt deze patroon genoemd, bij een stuk geschut kardoes.
Harig 9 zie Gierig.
Kasteel, zie Burg.
Kastelein â herbergier â logementhouder â hotelhouder â waard. Waard is de algemeene benaming voor ieder die gasten in zijn huis ontvangt. Vroeger werd het in ruimer zin genomen dan thans,
233
KAS-KEL
mi de eigenaars der grootere huizen, waar vreemdelingen huisvesting vinden,
naar den naam van logement of hotel, dien hun huis heeft, de namen van
logement- of hotelhouders hebben gekregen, en waard de benaming is
geworden van de houders van slaaphuizen en kroegen. Terwijl loyement
en hotel nog de eigenlijke beteekenis van plaats, van huisvesting en huis
voor gasten behouden hebben, is in herberg de eigenlijke beteekenis van
legerplaats in den loop der tijden verloren gegaan. Thans is hel elke woning,
waar de reizende man zijn intrek kan nemen; duidt het een huis aan waar
men nachtverblijt verleent, dan slaat het in aanzien en rang achter bij
logement en hotel en de houder ervan, de herbergier, staat eenigszins ^ *
gelijk met den waard, den tapper die drank in het klein verkoopt. In veel
opzichten is kastelein gelijk geworden aan herbergier, doch terwijl het
laatste meer op het beroep ziet door den persoon uitgeoefend, is kastelein
meer een titel. De oorspronkelijke beteekenis van bevelhebber in een
kasteel (castellum of heriberga = versterkte legerplaats) is nog in enkele
uitdrukkingen en titels over, de kastelein van Montfoort, de slotvoogd van
Montfoort enz.
Hastyden â tuchtigen â straffen. Iemand doen boeten voor bedreven kwaad. Straffen is het algemeene denkbeeld zonder bijgedachte.
Zoowel in tuchtigen als in kastijden ligt het bijdenkbeeld opgesloten, dat de straf de verbetering van den overtreder beoogt; maar terwijl men zich bij kastijden die verbetering als gansch niet onbereikbaar voorstelt, beschouwt men haar bij tuchtigen als eene eenigszins hopelooze zaak. De vader kastijdt zijn kind. Godsdienstige dwepers kastijden zich zelf om het vleesch met zijne lusten te dooden. Gevangenissen voor zware misdadigers dragen den naam van tuchthuizen.
Heel 9 zie Hals
Heel â gorgel â strot. Keel is de benaming van den nauwen doorgang boven het strottenhoofd en duidt zoowel het uitwendige als liet inwendige hiervan aan. Gorgel wordt alleen van het inwendige gezegd, het is hiervoor minder in gebruik dan keel. Nog minder is zulks het geval met slrot, dat meest in wetenschappelijke samenstellingen als strottenhoofd, strotader enz.
voorkomt, en verder in enkele min of meer platte uitdrukkingen, als door den strot jagen voor zwelgen, gehoord wordt.
Heeren â omkeeren. Omkeeren is een voorwerp in het algemeen zoo wenden, dat het om komt te staan of te liggen, dat het andersom wordt kM
geplaatst, zoodat óf vóór tot achter, óf boven tot onder, óf links tot rechts,
óf buiten tot binnen wordt, en omgekeerd. Keeren is meer bepaald van een kleedingstuk het binnenste buiten brengen. Een glas omkeeren zegt men,
wanneer men het met de opening naar beneden houdt. Eene jas keeren is haar zoo vernaaien, dat de binnenzijde buiten komt.
Heeren, zie Drnaien.
Hei, zie Baksteen.
Helk â beker â roemer. Roemer noemt men een groot drinkglas;
kelk een wijd uitloopend glas of beker. De helk det; nacht maats. Figuurlijk:
234
r
KENâKIM. 235
dc kelk des lijdens. Een beker is meer van metaal. Figuurlijk worden beker en kelk in dezelfde beteekenis gebruikt: den lijdensbeker drinken.
Hcnbaar maken, zie llag (aan den . . . leggen.)
Hennen, zie Erkennen.
Hennen (te . . . geven), zie Aanduiden.
Hennen (te . . . geven), zie Aankondigen.
Hennen (te . . . geven), zie Berichten.
Hennis, zie Bewustheid.
Hennis, zie Hunst.
Hennisgeven, zie Bcrichtcn.
Hennisgeving, zie Bericht.
Hcrker, zie Gevangenis.
Kerkhof, zie Begraafplaats.
Hermen, zie Cirynen.
Heten, zie Band.
Hettery, zie Bwaalleer.
Hetting, zie Band.
Heurig, zie Aangenaam.
Hihbelen â kijven â krakeelen â twisten. Met woorden strijden. Krakeelen is aanhoudend oneenig zijn, b v. onder huisgenooten; kibbelen oneenig zijn over kleinigheden ten gevolge van wederzijdsch gebrek aan inschikkelijkheid; kijven tegen elkander uitvaren met sterke verheffing van stem en ongeraeene radheid van tong, eene kunst, waarin van oudsher de vischvrouwen het meesterschap bezeten hebben; twisten laat meer dan een der andere woorden de vrees doorschemeren, dat men van woorden tot daden zal overgaan.
Hiem â lot â loot â spruit â telg. Spruit is elke uitlooper aan een plant; wordt de uitlooper uit het zaad bedoeld, die zich niet boven den grond verheft, dan spreekt men van kiem.
Verheft de uitlooper zich boven den grond, dan is spruit do algemeene naam. Bevindt zich aan een plant een uitlooper dan noemt men hem knop, zoolang er zich nog geen bladeren ontwikkeld hebben; is hij verder uitgeschoten dan spreekt men van schot, lot of loot. Onder loet verstaat men dat lot dat geschikt is om er afgenomen te worden en gebezigd te worden voor de aankweeking, terwijl telg elk klein boomscheutje is, ook dat op zich zelfstaal.
Hijken, zie Zien.
Hijven, zie Kibbelen.
Kim â gezichteinder â horizont. De grens van het cirkelvlak dat de voor ons zichtbare aardoppervlakte en de zich daarop bevindende
amp;
KM
1
KINâKLI.
voorwerpen bevat. Gezichteinder wordt deze grens genoemd, in zooverre zij de uitgestrektheid van ons gezichtsvermogen bepaalt. Horizont is de kring, die het zichtbare gedeelte van den hemel scheidt van het voor ons onzichtbare. Kim drukt hetzelfde uit, doch niet zoo zeer in betrekking tot ons gezicht; de eigenlijke beleekenis van kim {kimme) is rand, vroeger sprak men ook van de kim van een vat, enz.; kim is dus de rand gevormd door de schijnbare aanraking van hemel en aarde. De zon verrijst aan de oosterkim. Eindelijk werd er aan den horizont eene roodc stip zichtbaar. Op de heide, die zich tot aan den gezichteinder uitstrekte, kon ons oog geen spoor van leven bespeuren.
Hlnderachfig â kinderiyk â kinilsch. Als van een kind. Kinderlijk zegt, dat er overeenkomst met een kind bestaat in gunstigen zin. Kinderlijke spelen. Kinderlijke liefde. Kinderachtvj en kindsch duiden gelijkheid aan een kind aan, waar zij niet gewenscht is, met dit onderscheid evenwel, dat kinderachtig gezegd wordt van hem, die zich opzettelijk zoo gedraagt, terwijl kindsch genoemd worden die oude lieden, bij wie, ten gevolge van verzwakte geestvermogens, de toestand der kinderjaren, teruggekeerd is. Foei! kan een student nog zoo kinderachtig zijn! Mijne arme grootmoeder is, helaas, geheel kindsch geworden.
Hlnderiyk, zie Hlnderachtlg.
Kindsch, zie Kinderachtig.
Klndschhcld â kindsheid. De toestand der kinderjaren, liet eerste stelt dien toestand voor, zooals hij zich vertoont bij oude lieden met verzwakte geestvermogens; het tweede wijst den kinderlijken leeftijd aan.
Klaar, zie Begr(jpeiyk.
Klaar, zie Helder.
Klagen, zie Aanklagen.
Klank, zie Geluld.
Klant, zie Afnemer.
Klauteren, zie Klimmen.
Kleeden, zie Aankleedcn.
Klclnoodlën, zie .luweelen.
Klem â nadruk. Kracht van taal. Klem ziet op het overtuigende der bewijsgronden, die men aanvoert; nadruk op het vuur, de bezieling, waarmee men spreekt. Een klemmend betoog. Iemand met nadruk waarschuwen.
Klemmen, zie Knijpen.
Klep, zie Deksel.
Klieven âklooven â splijten. Met kracht vaneenscheiden. Klooven mag alleen dan gebruikt worden, wanneer er eene/ctoo/of scheiding achterblijft, Bij klooven (doen splijten) let men bij voorkeur op het voorwerp.
236
KLIâKLO.
waarvan de samenhang verbroken wordt door cene scherpe snede, terwijl bij klieven meer gelet wordt op datgene, wat met kracht en snelheid door eene andere zelfstandigheid heendringt. Hout wordt yekloofd. De vogel doorklieft de lucht. Het schip doorklieft de haren. Splijten is den samenhang verbreken door het voorwerp te laten barsten of scheuren.
Hlinniien â klauteren. Zich in de hoogte begeven met behulp van handen en voeten. Klauteren gaal met meer moeite gepaard dan klimmen; het duidt bepaald aan, dat men zich van handen en voeten bedient, wat bij klimmen minder liet geval is. Men klimt op een berg, op een ladder. Men klautert tegen een muur, eene rots op.
Hlinimen â rijzen â stijgen. Zich opwaarts begeven. Stijgen oorspronkelijk in het algemeen gaan beteekenend, heeft in verloop van tijd de meer beperkte beteekenis van naar boven gaan gekregen en wordt zelfs voor rijzen gebruikt. Tegenover rijzen geeft stijgen te kennen dat er beweging met het lichaam bij plaats heeft; terwijl rijzen alleen beteekent zich verheffen, hooger stand innemen en van levenlooze voorwerpen eigenlijk alleen rijzen kan gezegd worden, niet stijgen, kunnen van levende wezens beide woorden gebruikt worden. Klimmen beteekent eigenlijk zich bij het rijzen of stijgen vastklemmen aan iets, doch wordt figuurlijk geheel gelijk gesteld met stijgen en rijzen. Van sommige voorwerpen gebruikt men rijzen, klimmen en stijgen, b.v. de vlieger stijgt; hij kVmt nog hooger. De barometer rijst, en het kwik stijgt.
Hllng, zie Zwaard.
Klinker, zie Baksteen.
Klip â rots. Klip noemt men een harde steile rots, ook op het land doch wel voornamelijk in de zee {blinde, wakende klippen). Figuurlijk wordt klip gebezigd in de ongunstige beteekenis van hinderpaal, beletsel, oorzaak van verderf; rots daarentegen in de gunstige van toeverlaat, steun, toevlucht. Hij zal die klip niet ontzeilen. Op die klip is hij gestrand. God is mijn rots; de rotssteen mijns harten.
Kloek, zie Dapper.
Klok , zie Bel.
Klomp â klont â klnlt â homp. Eene vormloozo massa van tamelijke grootte noemt men klomp, eene dito massa van mindere grootte klont of kluit. Een ongeschikt brok van iets noemt men homp; men bezigt het bij voorkeur van brood of vleesch. Een homp brood. Een klomp aarde, boter. Kluiten boter zijn stukken boter, zooals die op sommige plaatsen aan de markt gebracht worden. De kleinere stukken van sommige voorwerpen heeten klont, die van andere kluit. Een klont suiker of boter. Klonten in de melk. Eene kluit aarde, een kluitje turf. Figuurlijk: Hij is uit de kluiten gewassen (groot geworden). Op de kluiten komen (rijk worden).
Klont, zie Klomp.
Kloof, zie Barst.
237
KLOâKOE.
Hlooven, zie Klieven.
Kloppen, zie Beuken.
Klucht, zie Cirap.
Kluister, zie Band.
Kluit, zie Klomp.
Kluiven â knabbelen â knagen â knauwen â nlbbelen.
Met kleine beten op iets bijten. Knabbelen aan iets is met de voortanden voordurend kleine stukjes van iets hards afbijten; knabbelen op iets, de tanden lierliaaldelijk in iets hards zetten zonder er telkens zichtbaar iets af te bijten. De konijnen knabbelen aan de boomen. Een kind knabbelt op een korst brood, In het laatste geval kan men ook zeggen knauwen; dit wordt echter meer voor bijten op iets taais met tanden en kiezen gebruikt. Knagen is met de tanden voortdurend langs of aan iets hards schaven, zeer langzaam en onmerkbaar knabbelen. Kibbelen is kleine stukjes met de tanden afbijten en fijn malen tusschen de tanden; kluiven aan iets is met kracht van een bot of hard voorwerp het weeke aftrekken, kluiven op iets met lippen en tanden trekken aan iels, kluiven aan en kluiven op een been.
Knap, zie Aardig.
Knap, zie Behendig.
Knauwen, zie Kluiven.
Knecht, zie Bediende.
Knellen, zie Knijpen.
Kneuzen, zie Bezeeren.
Knijpen â klemmen â knellen â nijpen. Iets vast samendrukken. Bij klemmen en knellen geschiedt de druk over het algemeen slechts van één kant. Klemmen ziet meer op liet kleven of vasthouden van het eene aan het andere, bij knellen veronderstelt men dat de druk pijn veroorzaakt. Rij knijpen en nijpen, welke twee werkwoorden dezelfde beteekenis hebben, heeft eene samendrukking van twee zijden plaats. In figuurlijken zin wordt nijpen, en vooral het tegenw. deelw. nijpende, in de beteekenis van smart aandoen, fel doordringend zijn, gebruikt. Hiervoor wordt knijpen niet gebezigd. Nijpende koude; nijpende armoede.
Knoeien, zie Broddelen.
Knorren, zie Brommen.
Koel, zie Frlsch.
Koelen, zie Afkoelen.
Koen, zie Bappcr.
Koets, zie Wagen.
Koets, zie Bed.
238
KOEâKOS.
Hcctslcr, zie Voerman.
Hoken, zie Zieden.
Hoken, zie Bakken.
Kolk, zie Afgrond.
Kolom, zie Zuil.
Hom , zie Bak.
Homen, zie Aankomen.
Kommervol, zie Armzalig.
Kond doen, zie Aankondigen.
Koon, zie Wang.
Kooper, zie Afnemer.
Koopman, zie Handelaar.
Koord, zie Touw.
Kop, zie Bak.
Kop, zie Hoofd.
Koppel â paar. Twee gelijksoortige voorwerpen. Koppel beduidt eigenlijk een zoodanig tweetal, dat door een band verbonden (gekoppeld) is. Een koppel pistolen = twee bij elkander behoorende pistolen. Bij uitbreiding staat het echter voor jjaac in het algemeen. Een koppel duiven, hetzelfde als een paar duiven = een mannetje en een wijfje. Koppel wordt zelfs gebruikt in den zin van troep. Zij stonden op een koppel. Een groote koppel (troep) zwanen. Een koppel (vlucht) patrijzen.
Koppig, zie Eigenzinnig.
Koren, zie Crranen.
Kort, zie Beknopt.
Kortademig, zie Aamborstig.
Korten, zie Afhouden.
Kortswyi, zie Boert.
Kost, zie Eetwaar.
Kostelijk â kostbaar. Beide woordon geven te kennen dat iels hooge waarde heeft. Het eerste wordt slechts in figuurlijken zin gebruikt, alleen het tweede geeft liet bezit van geldelijke waarde aan. Water is een kostelijke drank. Diamanten zijn kostbare steenen.
Kosten â onkosten. Kosten zijn de som, waarop ons iets te staan komt; onkosten wordt gebruikt met het oog op schade en verlies. Hij werd in de kosten van het proces veroordeeld. Niettegenstaande alle door hem (jemaakte onkosten werd hij nog uitgelachen op den koop toe.
239
KOSâKRA.
Hosten, zie Gelden.
Kostwinning, zie Broodwinning.
Houten, zie Babbelen
Hraag, zie Boord.
Hraeht â macht â sterkte â vermogen. Kracht is het vermogen om arbeid te verrichten, de oorzaak, waardoor eene werking voortgebracht of gewijzigd wordt. Sterkte is liet bezit van weerstandbiedende kracht; verder kracht: sterkte van geheugen, sterkte om te dragen. Be sterkte van onzen staat is gelegen in onze waterlinie. Vermogen en macht zien meer op de engere of ruimere grenzen, die er gesteld zijn aan iemands krachten. Verinogen is meer het kunnen dan het werkdadig uitoefenen; het kan eene werking voortbrengen; geschiedt dit, dan heeft er inspanning der kracht plaats. Evenals macht geeft het aan, dat er een voldoende hoeveelheid kracht is om iets te volbrengen, zonder dat hiervoor hulp van anderen noodig is; macht veronderstelt meer het bezit van eene groole mate van kracht, die men volkomen beheerscht. Het vermogen om te spreken, de macht over de taal. Vermogen ziet meer op het kunnen, macht op de uitwerking. Verstandelijke vermogens. Geestvermogens. Denkvermogen. Het henijdens-waardig vermogen om veel goed te doen. In eene absolute monarchie is de macht van den vorst onbeperkt (niet begrensd door eene grondwet). God bezit eene oneindige macht. Zij heeft op haar man veel vermogen. Macht wordt in enkele gevallen uitsluitend vpor lichamelijke krachten gebezigd. Dat werk is boven mijne macht. Uit alle macht loopen.
Krachteloos, zie Zwak.
Krachtig, zie Sterk.
Krakeelen, zie Kibbelen.
Kramer, zie Handelaar.
Krank, zie Ziek.
Krankzinnig, zie Dwaas.
Krankzinnig â dol â gek â Idioot â Ijlhoofdig â uitzinnig waanzinnig â zinneloos. Deze woorden geven te kennen dat iemand niet de macht of het vermogen heeft om zijn verstand geregeld of goed te laten werken. Idioot is degene, die niet genoeg ontwikkeling heeft of wiens hersengestel te zwak is om geregeld door te kunnen denken. Krankzinnig, waanzinnig worden gezegd van hem, die zijne verstandelijke vermogens niet goed weet te gebruiken; hetzij ten gevolge van eene ziekelijke aandoening of ten gevolge van den aanleg; waanzinnig duidt dit in sterkere mate aan dan krankzinnig. Ijlhoofdig noemt men degene, wiens denkvermogen ten gevolge eener ziekte verward is, bij uitbreiding iemand, die overhaast denkt en daardoor dolheden doet. Het woord raakt in onbruik. Gek wordt in het dagelijksch leven ieder genoemd, die in meerdere of mindere mate krankzinnig of waanzinnig is, terwijl krankzinnig meer op het ziek zijn doelt, waanzinnig op het hebben van gebrek of gemis aan zin of verstand, ziet
240
KRAâKRO.
gek meer op dc uiting van de krankzinnigheid of van don waanzin. Waar dit zeer sterk is in de uiting, daar spreekt men van dol. Terwijl krankzinnigheid soms voor genezing vatbaar is bezigt men zinneloosheid (en zinneloos), wanneer het versland (of de zinnen) verloren is gegaan door den een of andoren invloed. Uitzinnig noemt men hem, die handelt alsof hij van zijn versland beroofd was. Gij uitzinnige Galaten!
krans, zie Cirkel.
Kreek, zie Baal.
Hreet, zie CJ11.
Kreng, zie Aas.
Krenken, zie Beleedigen.
Hreunen, zie Grijnen.
Kreupel, zie Gebrekkig.
Krieken van den dag, zie Dageraad.
Krijg â strijd â oorlog. Strijd is de hotsing van twee vijandige machten, krijg en oorlog zien op de beslechting van dien strijd door de wapenen. Krijg wordt wel eens gebezigd in den zin van twist of lievige oneenigheid. Van waar komen krijgen en vechterijen onder u 9 Oorlog beteekent nooit anders dan openbaren krijg, twist, die door de kracht dei-wapenen beslist wordt.
Krijgen, zie Bekomen.
Krijlen, zie Cirijnen.
Kring , zie Cirkel.
Kroes, zie Kelk.
Krom, zie Gebogen.
Kromming, zie Boclit.
Kroniek â geseliledenls â geschiedverhaal â historiebladen â Jaarboek. Het bericht of verhaal van de belangrijke gebeurtenissen en lotgevallen der menschheid in haar geheel of voor een deel. Jaarboek is het werk, dat de voorvallen van een enkel jaar omvat; dikwijls echter wordt het gelijkbeteekenend met geschiedenis, soms met kroniek. Kroniek is eene korte vermelding naar tijdsorde van de voornaamste gebeurtenissen ; geschiedenis een aaneengeschakeld, meer of min uitvoerig verhaal van hetgeen er met een persoon of eene zaak is voorgevallen. In uitgebreider zin is het de samenhangende voorstelling der gebeurtenissen en lotgevallen der volken en van de ontwikkeling der menschen voor zooverre zij blijkt uit de ontwikkeling der maatschappelijke toestanden. Onder geschiedverhaal en historiebladen verstaat men de verhalen en verslagen van gebeurtenissen, zoowel degene die door tijdgenooten als die door de nakomelingschap geboekt zijn; het laatste woord wordt vooral in dichterlijken stijl gebruikt.
SYNONIEMEN.
241
KROâKUN.
Kronkeling, zie Bocht.
Hruld, zie Ctcwas.
Kruin , zie Bekkeneel.
Kuieren, zie Gaan.
Kuip â tobbe. Een wijd houten val. Kuip en tobbe zijn vaten, die van boven open zijn, terwijl eene ton meest van een deksel voorzien is. Tobbe wordt vooral van eene soort van lage kuipen gezegd, die geschikt zijn om verdragen te worden. Eene waschtohbe. Eene vleeschkuip. Eene blauwkuip. Aan de waschktüp staan.
Kuisch, zie Eerbaar.
Kundig, zie Bekwaam.
Kunne, zie Geslacht.
Kunst â kunde â kennis â wetenschap â geleerdheid.
Kunst is het vermogen van den mensch om de duizendvoudige vormen van natuur en leven in zich op te nemen; do dingen te ontdoen van hunne toevallige omgeving; in de voortdurende verandering der individueele verschijnselen het blijvend wezen der type te ontdekken; de half geuite woorden der natuur te verstaan, en duidelijk uit te spreken, wat in het boek der natuur te vinden is. Zij is dus het vermogen in den mensch om de indrukken, die op zijne zintuigen of op zijn geest en gemoed worden gemaakt in de passende hoorbare of zichtbare vormen weer te geven, liet woord kunst wordt ook gebezigd ter verpersoonlijking van dit vermogen. Hij bezit de kunst van schilderen. De schoone kunsten {toonkunst, zangkunst, redekunst, dichtkunst). De beeldende kunsten {beeldhouwkunst, graveerkunst, schilderkunst). Gelijk scheppen het doel is der kunst, zoo is kunde, nl. kennen en weten, het doel der wetenschap. Kennis is het kennen der zaken en feiten. Kennis, zelfs zuivere, welgegronde, welgeordende kennis {kunde) is intusschen nog geen wetenschap. Om tot wetenschap te komen moet men generaliseeren, zich boven de op zich zelf staande feiten verheffen ten einde de wetten te ontdekken, welke die feiten beheerschen. Of, gelijk prof. A. Pierson het ergens duidelijk heeft uitgedrukt: «Geheel individueele voorwerpen of verschijnselen zijn voor geen wetenschap vatbaar. Eene wetenschap van Caesar is onmogelijk, en in volkomen denzelfden zin is eene wetenschap van mijn geloof, of van het geloof van iemand anders onmogelijk. Wetenschap van één godsdienst is even ongerijmd. Wetenschap onderstelt altijd een zeker aantal exemplaren van hetgeen zij onderzoekt; wetenschap namelijk is kennis van hel algemeene in het bijzondere, van het bestendige in de verscheidenheid; wetenschap is altijd kennis van wetten.quot; Geleerdheid is uitgebreide kennis van zaken door studie verkregen. Zij is niet altijd wetenschappelijke kennis, ja soms niet eens met kennis gelijk te stellen, daar zij langs een zoo onoor-deelkundigen weg kan verkregen zijn, dat zij noch voor het algemeen, noch voor haar bezitter veel waarde heeft. Op zoodanige geleerdheid is het woord toepasselijk: uive geleerdheid brengt u tot razernij, dat wil zeggen: zij sticht enkel verwarring in uw denkvermogen.
242
KURâLAN.
Kuras, zie Harnas.
Hus, zie Koen.
Hust, zie Boord.
Huur, zie Gril.
Kwaad, zie Boos.
Kwaadspreken, zie Aantijgen.
Kwaadvcrmoeden, zie Aehterdoeht.
Kwaadsprekendheid, zie Achterklap.
Kwaal, zie Ziekte.
Kwant, zie Gast.
Kwellen, zie Plagen.
Kwetsen, zie Bezeeren.
Kwijten (zich), zie Betrachten.
Kwinkslag, zie Qrap.
Laag, zie Diep.
Laag, zie Ciemeen.
Laatdunkend, zie Eigenwijs.
Laatdunkend, zie Hoogmoedig .
Laatste (ten), zie Elndclflk.
Laf, zie Bloode.
Laf, zie Flauw.
Lakei, zie Bediende.
Laken, zie Afkeuren.
Laken, zie Bedillen.
Lam, zie Ciehrekkig.
Land, zie Akker.
Land â gebied â staat â rl|k. Land ziet op de staatkundige grenzen der oppervlakte; staat op de maatschappelijke vereeniging der inwoners; rijk noemt men alleen eon staat in zooverre de inwoners door een vorst geregeerd worden, gebied in zooverre een geregeld bestuur over cene zekere uitgestrektheid gronds zijn gezag doet gelden.
243
LANâLEI.
Landbouwer, zie Akkerman.
liandbouw, zie Akkerbouw.
Landen, zie Aanlanden:
Langdurig, zie Aanhoudend.
Langzaam, zie Log.
Langzamerhand, zie Allengs.
Last, zie Bevel.
Laste (te... leggen), zie Aandichten.
Laster, zie Achterklap.
Lasteraar, zie Ecrroover.
Lasteren, zie Aantijgen.
Lastering, zie Achterklap.
Laven â verkwikken. Krachten geven. Eigenlijk beteekent laven een zieke verkwikken door een weinig vocht op zijne lippen te brengen. Bij uitbreiding wordt het echter gebruikt voor verkiuikken door het nuttigen van den een of anderen drank. Gespijsd en gelaafd. Overdrachtelijk heelt lafenis de beteekenis van troost, enz. Lafenis der ziel.
Ledematen â lidmaten. Ledematen (rneerv. van lid, zie Deel) zijn alleen de lichaamsdeelen; lidmaten noemt men figuurlijk de leden van een protestantsch kerkgenootschap, die belijdenis des geloofs hebben afgelegd. Het zelfstandig naamwoord lidmaatschap heeft eene ruimere beteekenis. Het wordt gebruikt ten opzichte van een ieder, die lid is van, behoort tot eene vereeniging of een genootschap in het algemeen.
Leed â verdriet â smart â hartzeer. Elke onaangename pijnlijke gewaarwording doet bij den mensch het gevoel ontstaan, dat het woord smart aanduidt. Ontstaat de smart door uitwendige oorzaken en treft zij het gemoed, zij het ook in geringe mate, dan noemt men haar verdriet. Leed is elk kwaad, dat den mensch smartelijk trelt in zijn gemoeds- of zieleleven. Treft het leed vooral het hart en doet het hier smart of kwelling gevoelen, dan noemt men het hartzeer; dit is meestal van langeren duur en wordt meer in hot verborgen gedragen.
Leedwezen, zie Berouw.
Leeftocht, zie Eetwaar.
Leeiyk, zie Afgrljseiyk.
Leeren, zie Onderwijzen.
Legaat, zie Erfenis.
Legende, zie Fabel.
Leger, zie Bed.
Lelden, zie Geleiden
244
LEIâLIE.
Liefden, zie Brengen.
Lieldsman, zie Gids*.
liekker, zie Aangenaam.
Lekkerbek, zie Gulzigaard.
I^essehen, zie Blusschen.
Lietsel, zie Hinder.
Letten C0P Iets), zie Aanmerking nemen (In).
Letterlijk, zie Getrouw.
Leuning, zie Balie.
Leven (om het. .. brengen), zie Dooden.
Leven (van het... bcrooven), zie Wooden.
Leven (het... benemen) , zie Dooden.
Lever», zie Aanwezen.
Levenloos, zie Dood.
Leven maken, zie Aangaan.
Levensmiddelen, zie Keiwaar.
Llebt en bruin (cla*rquot;obscur)gt; z'e Bruin.
Llebtgeloovlg, zie Bijgeloovig.
Lichtvaardig â lichtzinnig â luehthartlg. Luchthartig heeft de beteekenis van vroolijk. en onbezorgd; lichtzinnig die van volslagen gebrek aan ernst en nadenken ten opzichte van de gevolgen zijner daden; lichtvaardig die van gemakkelijk tot verkeerdheden mee te slepen. Als zijn gezin vermeerdert, zal hij zoo luchthartig niet blijven. De lichtzinnigheid zal dit meisje nog eens ton val brengen. Uwe hartstochtelijkheid verleidt xi telkens tot lichtvaardig oordeelen.
Lichtzinnig, zie Lichtvaardig.
Lid, zie Deksel.
Lid, zie Deel.
Lidmaten, zie Ledematen.
Lied, zie Deuntje.
Lieden â menschcn â |icrsonen. Menschen zijn met denkvermogen begaafde wezens. Als collectief kan men den meervoudsvorm lieden of lui gebruiken. Bij lieden heelt men meestal bepaalde menschen op het oog. De menschen zijn sterfelijk. De bewoners van dat dorp zijn geschikte lieden. De aanzienlijke lieden. Gijlieden. Bij personen (sing, persoon) hoeft men meer hol individu op zich zeil op hel oog.
Liedcriyk, zie Los.
Liedje, zie Deuntje.
245
LIEâLOG.
Lief, zie Aardig.
Lief, zie Aanminnig.
Ucf, zie Dierbaar.
Kliefde â min. De toestand des gemoeds, waarin men een innig welgevallen heeft aan iets, zich in het bezit of genot daarvan verheugt. Min heeft meer betrekking op het welgevallen van een persoon van het eene in een persoon van het andere geslacht, doch wordt in samenstelling soms in algemeenen zin genomen b.v. menschenmin, in der minne. Ouderlijke liefde. Kinderlijke Helde. Werken der liefde. Liefde tot den naaste, liet spel der min. Minnehandel. Minnegloed. De minnegod.
Liefdegave, zie Gaaf.
Liefelijk, zie Aanminnig.
Llefeiyk, zie Aangenaam.
Liefhebben, zie Beminnen.
Liefhebber, zie Beminnaar.
Llefkoozen, zie Fleemen.
Lieftallig, zie Aanminnig.
Liegen, zie Jokken.
Lieven, zie Beminnen.
Lieverlede (van), zie Allengs.
Lijden , zie Hoorstaan.
Lijdzaamheid, zie Cieduld.
Lijfsverdediging, zie Noodweer.
Lyk , zie Doode.
Lijken, zie Dunken.
H|n , zie Touw.
Lynwaad, zie Doek.
Lyst, zie Cedel.
Lyvlg , zie Gezet.
Limoen, zie Citroen.
Listig, zie Arglistig.
Loeren, zie Gluren.
Log langzaam â loom â lui â traag â vadsig. Deze woorden drukken gebrek aan werklust uit. De hde heeft een afkeer van werken; de trage heeft geen ijver genoeg; de logge is plomp in zijne bewegingen; de loome is langzaam in zijne bewegingen; bij den eerste is de lichaamsgestalte, bij den laatste eene aandoening van het lichaam dooreen invloed van buiten (b.v. warmte), of door eene ziekte, de oorzaak; te vadsige
246
LOGâLOS.
heeft hel toppunt van luiheid en onverschilligheid bereikt. Wordt lanr/zaam in gelijke hoteekenis als traag gebezigd, dan geeft het eene eigenschap van den geest te kennen, die zich evenals traagheid in gebrek aan ijver in de beweging uit.
Ijogemcntlioiifier, zie Hastclcin.
Lionimcr â scliailuw. De onverlichte ruimte achter een door licht beschenen lichaam. Schaduw is in de eerste plaats de donkere plek, dooide afkeering der lichtstralen ontstaan, verder ook het donkere beeld van het lichaam, dat de lichtstralen afkeert. Lommer is de beschutting door bladeren tegen het te felle zonlicht. Voor lommer kan men ook schaduw bezigen, doch lommer zegt men uitsluitend van de schaduw van boombladeren. Onder hel lommer; het ruiseht in het dichte lommer. In de schaduw der olmen.
Lomp â onbeleefd â onbeschoft â ongemanierd. Oncje-manierd en onbeleefd drukken uit, dat men de regels der wellevendheid uit het oog verliest; ongemanierd is sterker dan onbeleefd, het nadert meer tot lomp en onbescho/t; lomp is hij, die uit onervarenheid of plompheid in lijnrechten strijd met de regels der wellevendheid handelt. Hij was met opzet onbeleefd en groette niet. Die knaap is een ongemanierde vlegel. De lompe boer hield in de kamer van den prins zijne pet op het hoofd. Onbeschoft geeft te kennen dat men niet alleen lomp, maar ook beleedigend is. Als ge haar het gevaar, dat het gevolg harer luimen kan zijn, aanwijst, lacht zij u onbeschoft uit.
Lioochenen â ontkennen. Zeggen of beweren, dat iets niet zoo is. Loochenen heeft het bijbegrip, dat het ontkennen geschiedt tegen beter weten aan. De waarheid loochenen; eene schuld loochenen; zijne hand-teekening loochenen.
JLook, zie Ajuin.
Loom, zie Log.
Loom, zie Moede.
Loon â huur. Eene som, waarvoor men gedurende een bepaalden tijd diensten geniet of bewijst, zekere rechten overdraagt of overneemt. Loon ziet enkel op de bezoldiging van arbeiders en dienstboden, i/m»quot; bezigt men ten opzichte van dienstboden.
Loon, zie Bclooning.
Loonen, zie Ueloonen.
Loop, zie Beloop.
Loopen, zie Ciaan.
Loost, zie Arglistig.
Loot, zie Hiem.
IjOS _ lichtzinnig â liederlijk â loslmndig â ongebonden.
Terwijl lichtzinnig de eigenschap van het karakter aanduidt, waarvoor men
247
LOSâLUS.
de wetten van zedelijkheid en welvoeglijkheid niet ernstig opneemt en zich niet om de gevolgen zijner daden bekommert, zien de andere woorden meer op de uitingen der lichtzinnigheid. Los, d. i. niet vast, niet stevig gebonden, staat tegenover stijf; het beteekent verder zich gemakkelijk bewegend, en daar eene deugd door overdrijving ondeugd kan worden, ongeregeld, al te vroolijk levend. Losbandig en minder sterk ongebonden duiden aan, dat men zich aan geene zedelijke banden stoort, aan grove buitensporigheden zich schuldig maakt. De losse jeugd. Een los leven leiden zijn vermaak op ongeoorloofde wegen zoeken. Een hooge graad van losbandigheid en zedeloosheid wordt aangeduid door liederlijk.
Liosbandlg, zie Los.
Losbranden, zie Afsteken.
Lossen, zie Afsteken.
Lot, zie Hlem.
Louter, zie Eeht.
Loven â prijzen â roemen. Iets of iemand verheffen. Iemand verheerlijken. Prijzen is de algemeene uitdrukking voor iemand verheffen door zijne waarde in eenig opzicht te vermelden. Loven, dat verhevener is dan prijzen, wordt genoegzaam enkel ten aanzien der godheid gebezigd. Loof den lieer, mijne ziel! Alles is vatbaar om jrcprezoi te worden, zoolang men er eene enkele goede hoedanigheid in weet op te merken of er aan weet toe te kennen. Prijzen kan geschieden in de tegenwoordigheid van den of van het geprezene; roemen sluit die tegenwoordigheid uit. Men zegt: iemand, in zijn aangezicht prijzen, niet in zijn aangezicht roemen.
Luchthartig, zie Lichtvaardig.
Lui , zie Log.
Luim, zie Gril.
Luim, zie Boert.
Luimig, zie Aardig.
Luister â praal â pracht â pronk. Bij pracht staat het denkbeeld op den voorgrond van rijkdom met glans gepaard; luister geeft te kennen dat de glans van iets bewondering afdwingt. Hij praal denkt men meer aan het schitterend vertoon van iets; daardoor wordt het, evenals pronk, beschouwd als de uiting van ijdelheid. is eigenlijk die opschik,
welke in het oog loopt.
Luisteren, zie Hooren.
Luisteren, zie Aanhooren.
Lurken, zie Zuigen.
Lust, zie Begeerte.
Lust, zie Begeerlijkheden.
Lust, zie Blijdschap.
Lustwarand, zie-Hof.
248
MA AâMAN.
m:.
Maag, zie Bloedverwant.
Maagd, zie Dochter.
Maagdelijn, zie Dochter.
Maar, zie Dan.
Maar, zie Mare.
Maat, zie Gezel.
Maatschappij, zie Bond.
Machine, zie Cicrcedscliap.
Macht, zie Kracht.
Macht, zie Gebied.
Macht, zie Gezag.
Mager, zie Dun.
Mnk, zie Getemd.
Maken, zie Bedr|)vcn.
Maken, zie Inbrengen.
Makker, zie Gezel.
Mal, zie Dwaas.
Malen â schetsen â schilderen â teekenen. Eune zichtbare voorstelling van iets geven, dat in (ie werkelijkheid bestaat of van een beeld, dat zich in den geest gevormd heeft. Schclscn is met behulp van potlood , krijt of pen het beeld in omtrekken aangeven. Tcckenen is het beeld weergeven in alle bijzonderheden, met zijn licht en zijne schaduw; als hulpmiddelen gebruikt men hiervoor, behalve do reeds genoemde, ook waterverwen. Teckenen ziet nog meer op den vorm, schilderen op het aanbrengen van kleur en toon door middel van olieverf; waar men bij de beschouwing eener schilderij vooral op de juistheid der vormen let, kan men dus ook van dc teekening spreken. Malen is voor schilderen en teekenen, zoowel iti eigenlijken als in overdrachtelijken zin alleen in dichterlijken stijl in gebruik.
Maliënkolder, zie Harnas^
Malsch â meuk â murw. Wat gemakkelijk met de tanden van een te scheiden is. Malsch noemt men hetgeen bovendien eenigszins sappig ia; malsch vleesch, malsche boter. Meuk noemt men hetgeen door bereiding of door rijpheid een zekere mate van weekheid heeft; in de meuk staan, meukc visch. Murw wat door slaan of beuken enz. zacht gemaakt is; iets murw slaan.
Mangel, zie Gebrek.
249
MANâMEE.
Manier, zie Trant.
Mank, /ie CJcbrekklg
Manslag â moord â doodslag. Doodslag is elke slag, die den dood van den geslagene ten gevolge heeft. Waai- geen opzet of doel om Ie dooden bestond bij den persoon, die don slag gaf, gebruikt men de woorden doodslag of manslag. Een manslag is meest een onwillige doodslag van een mensch, moord een doodslag met voorbedachten rade. Een manslag begaan. Een moord plegen.
Mare, zie Bericht.
Marechaussee, zie Diender.
Martelen, zie Folteren.
Massa, zie Hoop.
Mat, zie Moede.
Mate (naar... van), zie Cielang (naar . .. van).
Matig â ingetogen â sober. Wie matig leeft, beperkt zijne begeerten en wacht zich voor overdaad; wie ingetogen leeft, weet zijne begeerten te Leheerschen; wie hel sober heeft, heeft eenigermate gebrek aan het noodige.
Matigen â beteugelen. Niet botvieren, doch beperken. Matigen wordt van die aandoeningen gebruikt, die op zich zeil niet verkeerd zijn, maar het door hare hevigheid kunnen worden. Men matigt zijne vreugde, zijne liefde, zijne droetheid, maar men beteugelt wat door heftigheid of drift verkeerd is, z. a. zijne gramschap, zijn toorn en dergelijke.
Mededeelen, zie Berichten.
Mededeeling, zie Bericht.
Mededoogen, zie Deernis.
Mededoogend, zie Barmhartig.
Medelijden, zie Deernis.
Medelijdend, zie Barmhartig.
Medemensch, zie Evcnmensch.
Medestander, zie Aanhanger.
Meegaand, zie Inschikkelijk.
Meenen, zie Achten.
Mcenlng, zie Bedunken.
Meer â oceaan â ice. Oceaan (wereldzee) heel de samenhangende waterplas, waarin al hel land der aarde ligt; ook de vijf groote zeeën, waarin de wereldzee wordt verdeeld, dragen dien naam. Zeeën noemt men de onderdeelen der oceanen; meren de groote waterplassen, die aan alle kanten door het land omgeven zijn en geen onmiddellijke gemeenschap met de zee hebben. Eene uitzondering hierop maken de Kaspische Zee en dc Doode Zee.
'250
MEEâMER.
raccrdcrjarig â mondig. Beide woorden drukken hetzelfde begrip uil van wettelijk bij machte om zelf in rechten op te treden of daden te kunnen verrichten, liet eerste woord is hel algenieene woord, het tweede wordt soms in rechten en in defligen stijl nu en dan gebruikt.
Ifleermalen, zie Dikwijls.
Iflecsiiiuilcn, zie (.iiiiiiaclicn.
Meestal, zie Doorgaans.
meester, zie Daas.
üleeval, zie D|jval.
Meld, zie Dochter.
Meisje, zie Dochter.
Melden, zie Derlchten.
Melding, zie Derlclit.
Menig, zie Kenige.
Menigmaal, zie Dikwijls.
Menigte, zie Aantal.
Mensclidom â menschlield. Menschdom is het collectief, het duidt de gezamenlijke menschenmassa aan. Do monschhcid is eigenlijk belwezen van den menscb, bet mensch zijn, zooals b. v. in de monschhcid van Christus. Verder duidt het, als collectief, de menschen aan, van den kant hunner menscbelijke natuur beschouwd. AVanneer men dus de geschiedenis van hel menschdom beschrijft, heeft men te doen mei de geschiedenis van de ontwikkeling der stammen en volken, met de dadetj en werken der menschen; houdt men zich bezig met de geschiedenis der monschhcid dan heeft men als doel van zijn onderzoek meer de geschiedenis van de ontwikkeling der menscbelijke natuur, van do beschaving en geestesontwikkeling, zooals die uit zijne daden en werken blijkt.
Ik zing den ondergang van d'eersten wareldgrond, En 't maischdom dat, mot Hol en Duivlen in verhond En gruwelen verhard, Gods hoogheid durfde trotscn.
Soms wordt de monschhcid in denzelfden zin als/ielt; woisc/wtom genomen : Hoogor zal de menschheid stijgen.
Menschen, zie liledcn.
Mcnschenllcfde â nienschllcvendlicld â mcnschcnmin.
Liefde voor onzen cvenmensch. Mcnschcnmin zet hel denkbeeld van liefde hel meest op den voorgrond. Menschlievcndheid heeft hel bijbegrip van hulpvaardigheid. Menschenliefde en menschlievcndheid staan tot elkander in de verhouding van oorzaak en gevolg.
Mcnschllevendhcid, zie Mcnsclicnllefdc.
Merkwaardig, zie Aanmerkelijk.
251
MERâMIS.
Merkwaardig, zie Bijzonder.
9lerken, zie Bemerken.
9Iest, zie Drek.
Itletgezel, zie Uezel.
Sleubelcn, zie Buisraad.
Meuk, zie Malsch.
Middelen, zie Mave.
Middelerwijl, zie Inmiddels.
Mijden â vermyden â vlieden. Ontwijken. Mijden of vermijden is iemand of iets uit den weg gaan. Worden mijden en vermijden tegenover elkander gesteld, dan is mijden het streven om te ontwijken, terwijl vermijden de daad van ontwijken voorstelt als iets, dat geheel afhankelijk is van den persoon, die vermijdt. Mijden is sterker dan vermijden, omdat er het denkbeeld van ontwijken uit afkeer en vrees in ligt opgesloten. Mijd het kimde. Hij heeft sedert weken mijn huis gemeden. Als cje minder stijfhoofdig waart geweest, hadden veel onaangenaamheden kunnen vermeden worden. Bij vlieden heeft snelle ontwijking plaats na, zij het ook niet volkomen, aanraking. Dikwijls wordt het gebruikt voor vermijden. Vlied kwaad gezelschap.
Mikken, zie Aanleggen.
Mikpunt, zie Doel.
Min 9 zie Liefde.
Minister-resident, zie Afgezant.
Minnaar, zie Beminnaar.
Minnen, zie Beminnen.
Misdaad â misdrijf â overtreding â vergrijp â wanbedrijf Elke daad, die in strijd is met de wetten, de zeden of gewoonten, ook wanneer zij zonder boos opzet gepleegd wordt, is eene overtreding. Volgens het Wetboek van Strafrecht, thans van kracht, is misdaad eene overtreding strafbaar met lijf of onteerende straf; wandaad, die welke strafbaar is gesteld met boetstraflen, terwijl eenvoudige overtreding of vergrijp zoodanige overtreding is, die enkel met politiestraf bedreigd wordt, liet nieuwe Wetboek van Strafrecht kent alleen de generieke benaming van misdrijf voor elke overtreding, die bij de wet strafbaar gesteld wordt. In het dagelijksch leven spreekt men van vergrijp en van overtreding om daardoor aan te geven eene schending van de wet of de zeden, of het te buiten gaan der perken; niet alleen door de strafwet, maai'ook door de onbeschreven wetten der samenleving gesteld. Vergrijp is meestal sterker dan overtreding.
Misdrijf, zie Misdaad.
Misgunnen, zie Benyden.
252
MIS.
Mishagen â misvallen. Niet aanstaan. Mishagen is sterker dan misvallen en drukt een meer blijvenden tegenzin uit dan liet laatste. Het tegengestelde wordt uitgedrukt door behagen, bevallen (zie Aanstaan).
Wal mij in hem misviel, was zijn gluipende blik; zijn gedrag mishaagt mij zeer.
misleiden, zie Bedriegen.
Mismaakt â misvormd â wanschapen â -wanstaltig. Wan-slallig duidt aan dat iets onregelmatig of onnatuurlijk van bouw is, wat de verschillende deelen betreft, waardoor het geheel een onaangenamen indruk maakt. Wctnsehapen is leelijk geschapen en dus gedrochtelijk. Misvormd drukt het zachter uit en geeft te kennen dat iets afwijkt van den goeden vorm dus een slechten, leelijken vorm heeft, hetzelfde wordt ook door mismaakt aangeduid; dit staat tegenover welgemaakt en terwijl vjclgemaakt iels aanduidt dat schoon is, is mismaakt het tegenovergestelde, derhalve wat leelijk is, doch meer bepaald leelijk door onnatuurlijke vergroeiing van eenig deel van het lichaam.
mismoedig â mistroostig â neerslachtig â terneergeslagen â moedeloos. Door leed tor neer gedrukt. De mismoedige ziet in zijn toestand weinig licht, zoodat hij onverschillig is: de neerslachtige heeft de veerkracht van zijn geest tijdelijk verloren: de mistroostige is voor iederen troost ontoegankelijk, de moedelooze, evenals degene, die terneergeslagen is, heeft allen moed verloren; do eerste omdat hij geen herstel of uitweg meer ziet, de laatste omdat hij door zijn eigen toestand of dooide omstandigheden niet tot opgewekt handelen in staat is. Moedeloos en neerslachtig geven een meer blijvenden toestand te kennen dan mismoedig en terneergeslagen.
Misnoegen â ongenoegen â ontevredenheid. De onaangename gewaarwording, welke door iets, dat tegen onzen zin is, voor een tijd bij ons wordt opgewekt. Bij misnoegen gaat de ontevredenheid gepaard met eene zekere mate van verdriet, bij ongenoegen met wrevel of verbolgenheid. Misnoegen is dus sterker dan ontevredenheid, ongenoegen sterker dan misnoegen. Nadat prins Bismarck herhaalde malen graaf Arnim zijn ongenoegen had te kennen gegeven, riep hij hem uil Parijs terug. Ontevredenheid kan eene eigenschap van het karakter zijn of een voorbijgaand gemis van tevredenheid, dat door eene daad van een ander ontstaat; in het eerste geval wordt zij ook wol onvergenoegdheid genoemd.
Mispas â misstap. Mispas noemt men een lichter, misstap een zwaarder vergrijp tegen de zedelijkheid of welvoegelijkheid.
Misprijzen, zie Afkeuren.
Misrekening, zie Dwaling.
Misschien, zie Alteniet.
Missen, zie Derven.
Misstap, zie Mispas.
2ö3
MISâMOE.
mist , zie Damp.
Mistasten, zie Dwalen.
Mistroostig, zie Mlsnioedig.
Mistrouwen, zie Achterdoclit.
Mits, zie Wanneer.
Misvallen, zie Mishagen.
Misvatting, zie Dwaling.
Misvormd, zie Mismaakt.
Modder â bagger â slib â slijk. De weeke aarde of de bestand-deelen, waaruit zij bestaat, in water opgelost, wordt al naar den staat waarin zij zicli bevindt, met een dezer namen bestempeld. Modder is de aarde,die week is geworden door vermenging met water. Slijk is hetzelfde, meest echter in iets dunneren staal. Wanneer men beide tegenover elkander stelt is modder meer de weeke aarde, welke veel zware en voor planten vruchtbare bestanddeelen bevat, terwijl slijk meer slaat op liet vuile en vochtige dat er aan eigen is. Slib is de vloeibare aardstof, die, door stroomend water over het land gebracht, na de wegvloeiing van het water als modder op het land achterblijft. Bagger is de modder, die in hag gen (korven) of baggernetten uit het water opgehaald wordt en voor verschillende doeleinden gebezigd wordt. Is de grond, waaruit de bagger gehaald wordt, veenachtig, dan maakt men turf van de bagger, die hiernaar baggerturf genoemd wordt.
Mode, zie Gebruik.
Moed geven, zie Aanmoedigen.
Moed Inboezemen, zie Aanmoedigen.
Moed inspreken, zie Aanmoedigen.
Moede â vermoeid â afgemat â afgesloofd â afgetobd.
Tengevolge van inspanning ongeschikt tot verdere krachtsinspanning. Eenigs-zins zijn met deze woorden synoniem mat en loom; deze geven echter meer, even als soms ook moede, een toestand te kennen die uit het lichaam zelf voorkomt ten gevolge van de gesteldheid of van eene ziekelijke aandoening. Men is loom b. v. door hitte, waarbij het gestel zijne veerkracht verliest, men voelt zich mal en loom door eene opkomende verkoudheid, men gevoelt zich moede en mat, wanneer voor de krachten, b. v. als men pas herstellende is, de minste inspanning te veel is. Synoniem met de hierboven genoemde woorden duidt moede het gevoel van uitputting van kracht na een inspannenden arbeid aan. Vermoeid is meer moede geworden door eene handeling. Ik ben moede van de wandeling en ik ben vermoeid van het wandelen. Afgemat is eene sterkere uitdrukking voor vermoeid; het geeft groote vermoeidheid van geest en lichaam te kennen. Bij afgesloofd en ajgetohd wordt bovendien eene eigenaardigheid van den arbeid uitgedrukt. Men is nl. door het sloven, door het tobben, af, d. i. ten hoogste vermoeid, geworden. Zij geven dus te kennen dat de voorafgaande inspanning van
2W
MOEâNA A.
langen duur was of bij herhaling moest geschieden; soms gebruikt men deze woorden ook als de inspanning zonder goed gevolg was.
moedeloos, zie mismoedig.
Moederland, zie Vaderland.
fffoedig, zie Dapper.
moeielijkheld, zie Bezwaar.
moer, zie Bezinksel.
moeras, zie Broek.
mogelijk , zie Altemet.
mond, zie Bek.
mondig, zie meerderjarig.
mondbehoeften, zie Eetwaar.
monster â staal â proeijc. Een gedeelte van eene koopwaar, dat aan den kooper gegeven wordt, ten einde hem in staat te stellen over hare hoedanigheid te oordeelen. Monster wordt meer bijzonder in den groothandel gebruikt. liet monster van ellewaren wordt staal genoemd; dat van wijn, thee en dergelijke waren, die naar den smaak beoordeeld en derhalve met den mond geproefd moeten worden, wordt behalve monster ook proef je genoemd. Van daar proefje voor een achtste wijnfleschje.
mooi, zie Aardig.
moord, zie manslag.
morgen, zie Dageraad.
muf, zie Duf.
muil, zie Bek.
multery, zie Beroerten.
muntstuk, zie Celdstuk.
murw, zie malseh.
muur, zie Wand.
mythe 9 zie Fabel.
IX.
Naakt, zie Bloot.
IVaam, zie Eer.
Naam zie Benaming.
IVaKpen â nabootsen â nadoen â navolgen. Zicli iets of iemand ten voorbeeld stellen en trachten te evenaren. Nadoen duidt dit
MAâNAD.
in het algemeen aan, iets doen naar het voorbeeld van een ander; meestal is er aan verbonden de bedoeling om den persoon, wiens handelingen men nadoet in een bespottelijk daglicht te stellen. Bij naüpen kan ook dit doel bestaan, niet altijd echter; door dit woord toch wordt meer het belachelijke van het naüpen, of als een aap nadoen wat een ander doet, uitgedrukt. Zonder dergelijke bijgedachte zijn navolgen en nabootsen. Navolgen heeft eene ruimer beteekenis dan nabootsen. Terwijl het laatste enkel te kennen geeft, dat men alleen eene uiterlijke gelijkenis tracht te verkrijgen, drukt het eerste uit, dat men het voorbeeld zooveel mogelijk in alle opzichten tracht gelijk te worden; liet heeft eene goede beteekenis, die aan nabootsen niet noodwendig eigen is. Men bootst iemand na in zijne spraak, manieren, enz. Men volgt hem na in zijn handel en wandel.
ÃVaar, zie Akelig.
Naar, zie Afgrijselijk.
Naar achteren, zie Aeliterwaarls.
Naardien, zie Aangemerkt.
Naarstig, zie Arbeidzaam.
Naarstigheid, zie IJver.
Naast, zie Bij.
Naaste, zie Evenmenseli.
Naberouw â nagedachten. Spijt over eene verkeerde handelwijze, waaraan we ons schuldig hebben gemaakt. Nagedachten spruiten voort uit het inzicht, dat we in het goede te kort zijn geschoten; naberouw uit het inzicht, dat we in plaats van het goede iets verkeerds gedaan hebben, dat ons of anderen tot schade is.
Nabestaande, zie Bloedverwant.
Nabij, zie Blch(b(j.
Nabootsen, zie Nailpen.
Nadeel, zie Afbreuk.
Nademaal, zie Aangemerkt.
Nadenken, zie Denken.
Nadenken, zie Bedenken.
Naderen, zie Aankomen.
Naderen, zie Genaken.
Nadoen, zie Naüpen.
Nadruk, zie Aandrang.
Nadruk, zie Ernst.
Nadruk, zie Hlem.
256
NAGâNAL.
IVagcdaclitenls, zie Vaboroiiw.
IVagcdaclitcnls, zie Ocdachtenis.
JVagenoeg, zie Bijkans.
Nageslacht â jVakomcllngschap. Hel begrip nakomelingschap is liet ruimst. Nageslacht kan enkel dat menschengeslacht bedoelen, hetwelk onmiddellijk op een vorig volgt of uit bet tbans levende voortspruit, maar nakomelingschap omvat alle komende geslacbten. Ik verlaat mij op het oordeel der nakomelingschap. Door een bezittelijk voornaamwoord nader bepaald, drukken beide woorden betzelfde uit als alstammelingen.
Naijver, zie Jifgunst.
Naijverig â ijverzuchtig â Jaloerseh. Naijverig wordt bijna altijd in een goeden zin genomen, ijverzuchtig altijd in een kwaden. Jaloerseh wordt soms in een goeden, doch meest in een kwaden zin gebezigd. In het eerste geval geeft het te kennen, dat men voor zich zelf de voorrechten, de talenten, enz. wenscht te bezitten van een ander, zonder ze hem juist te misgunnen. In het tweede duidt het 't gevoel van wrevel aan, dat ons vervult, wanneer wij anderen met het een of ander begunstigd zien, dat wij hun benijden. De ijverzuchtige weet niets beters te doen dan de meer bevoorrechten kleingeestig te benijden. Naijver is nauw verwant aan wedijver d. i. bet loffelijk streven om anderen in verdiensten, talenten, enz. te evenaren of te overtreffen.
Naken, zie Crcnaken.
Nakomen â volbrengen. Men kan zoowel een verbod als een bevel nakomen, maar alleen het laatste kan men volbrengen. Zie Houden.
Nakomeling, zie Afkomellng.
Nakomelingschap, zie Nageslacht.
Nalaten, zie Aflaten.
Nalaten â achterlaten â overlaten. Terwijl men door verlaten meer bepaald de verwijdering van een persoon of eene zaak uitdrukt, heeft men bij nalaten, achterlaten en overlaten tevens op het oog den persoon of de zaak waarvan men zich verwijdert, die dus met betrekking tot den verlatene achterblijft of overblijft. Nalaten, d. i. na zich laten, veronderstelt dat degene, die nalaat, Ophoudt te bestaan, het wordt dus voornamelijk gezegd van stervenden. Achterlaten is iets of iemand bij zijn vertrek niet mede nemen, dus achter laten blijven, overlaten geeft hetzelfde te kennen, maar drukt bovendien uit dat men zich om betgeen achterblijft niet bekommert, aan anderen toestaat om er bezit van te nemen, of er naar goedvinden mede te handelen. Hij liet schulden na. Bij zijn vertrek naar Amerika liet hij nog al tvat schulden achter. Hij vertrok met de noorderzon en liet vrouw en kinderen, die aan weelde gewoon waren, in behoeftige omstandigheden achter. Ilij ontkwam door een koenen sprong, zijn knapzak aan het serpen t overlatende. Wanneer deze woorden ten opzichte van oen stervende of doode gebruikt worden, geeft nalaten te kennen dat ur personen of zaken achter-
Synoniemen. 17
2Ã7
N ALâNED.
blijven, ziot nchlerlalcn moer op den toestand der personen, die overblijven, overlaten op hot niet bij machte zijn om voor de overgeblevenen te zorgen en het overgeven dier zorg aan andoren. Bc gierigaard liet een groot vermogen na. Hij liet vrouw en kind na. Hij liet eene bedroefde weduwe en twee jonge kinderen achter. Hij heeft vrouw en kinderen bij zijn dood den honger ten prooi overgelaten.
IValatcnst'liap, zie Boedel.
IVanccf, zie Aistaiumcllng.
Nap, zie Bak.
War, zie Dwaas.
IVaricht 9 zie Ucrlcht.
IVaslecp, zie Gevolg.
Xasclirijven, zie Afsclirijvcn.
Nat â vochtig. Beide adjectiva duiden aan dat iets waterdeelen bevat. Waar deze uiterlijk zichtbaar zijn, daar spreekt men van nat; bevat iets betrekkelijk weinig waterdeelen dan spreekt men van vochtig,
IVatlc â volk. Natie verdient in die gevallen de voorkeur, waarin de onderlinge band tusschen de deelen alleen bestaat in gelijkheid van afkomst, taal, gewoonten en zeden, en niet in vereeniging onder dezelfde wetten en hetzelfde bestuur. De Joodsche natie. De Poolsche natie. Overigens beteekenen natie en volk hetzelfde. On:c natie, het Nederlandsche volk.
Natuur, zie Aard.
Natuurlijk kind, zie Hastaard.
Nauw, zie Eng.
Nauwkeurig, zie .luist.
Navolgen, zie Naapen.
Nazaat , zie Al'konicllng.
Nel», zie Bek.
Nederdalen, zie Balen.
Nederig, zie Beemoedlg.
Nederstorten, zie Storten.
Nederstorten, zie Vallen.
Nedervallen, zie Vallen.
Nederwaarts â afwaarts. Nederwaarts duidt aan dat eene beweging van een hooger naar een lager punt gaat; afwaarts dat de beweging geschiedt in eene richting, waardoor hetgeen zich beweegt zich verwijdert van een bepaald punt. Afwaarts kan dus ook nederwaarts beteekenen. Nederwaarts wordt meest in deftigen stijl of figuurlijken zin gebruikt.
258
NEEâNIM.
IVecrslaclitlg, zie Bedroefd.
Ncerslaclidg, zie mismoedig.
IVcigen, zie Hellen.
IVelglng, zie Begeerte.
Nek, zie Bals.
Nering, zie Broodwinning.
Nering, zie Handel.
Net â sierlijk. Aangenaam door bevallige schikking. Nel verbindt hieraan het denkbeeld van eenvoud, sierlijk dat van cenige zwier.
Netelig, zie Bedenkelijk.
Neuswijs, zie Eigenwijs.
Nevel, zie Banip.
Nevens, zie Bij.
Nlbbelen, zie Kluiven.
Nietig â nietswaardig. Wat geen waarde heeft. Nietswaardig is sterker dan nieliy. liet ziet vooral op gebrek aan innerlijke waarde, en staat verder gelijk met onwaardig, slecht, gemeen. Een vonnis nietig verklaren. Eene nietige (onbeteekenende) uitvlucht. Een nietig (onbeduidend) mensch. Een nietswaardig menscb = iemand zonder karakter of zedelijkheid.
Nietswaardig, zie Nietig.
Niettemin, zie Ban.
Nieuw, zie .long.
Nieuwsgierig, zie Benieuwd.
Nijd , zie Algunst.
Nijd, zie Afkeer.
Nijdig, zie Boos.
Nijgen â Buigen. Beide woorden duiden eene beleefde begroeting aan. Buigen, is eigenlijk zicli krommen onder een sterken druk; daardoor is hieraan eigen het begrip van onderdoen voor iemand, buigen of eene buiging maken is derhalve een betoon van nederigheid of onderdanigheid. Van een dergel ijken groet van een heer zegt men buigen, van eene dame nijgen, d. i. zinken.
Nijging, zie Dienaresse.
Nijpen, zie Knijpen.
Nijver, zie Arbeidzaam.
Nimmer â nooit. Nimmer, uit me meer ontstaan, ziet alleen op de toekomst, nooit uil ne ooit d. i. niet te eeniger tijd, kan zoowel op het verleden als op de toekomst betrekking hebben.
259
17*
NOCâNU.
Nochtans, zie Dan.
IVocmcn, zie Heeten.
Xoumaals, zie Alweder.
Nood, zie Druk.
Nood, zie Cicvaar.
Nooddruft, zie Behoefte.
Nooddruftig, zie Arm.
Noodwendig, zie Noodig.
Nooillg hebben, zie Behoeven.
Noodig â nooilwendig â noodzakelijk. Noodig is hetgeen ergens toe vereischt wordt of volstrekt moet plaats hebben; noodwendvj hetgeen zoo dringend noodig is, dat men het niet kan ontberen of nalaten; noodzakelijk wat volstrekt zijn moet en niet anders zijn kan dan het is. Ik heb eene jas noodig. Ik moet noodig op reis. Krijgstucht is in een leger noodzakelijk. De noodwendigheden des levens, dat zijn de eerste levensbehoeften.
Noodweer â lijfsverdediging â zelfverdediging. Alle drie drukken hetzelfde uit, nl. tegenweer om zich zelf te verdedigen. Noodweer stelt meer op den voorgrond het onwillige van de ter verwering toegebrachte slagen. Lijfsverdediging geeft te kennen waarom men het moest doen, nl. om zijn eigen of eens anders leven te redden. Noodweer wordt in ruimeren zin gebruikt dan lijfsverdediging en in denzelfden zin als zelfverdediging, nl. om zich zeiven te verdedigen tegen een directen aanval. VU noodweer doodde mijn client den onverlaat, die hem aanviel. Uit noodweer moest ik hun wel zoo aan de kaak stellen. Een doodslag ter lijfsverdediging is geen moord, want noodzakelijke zelfverdediging is geoorloofd.
Noodzakelijk, zie Noodig.
Noodzaken, zie Dwingen.
Nooit, zie Nimmer.
Noot, zie Aanteekening.
Nopen, zie Bewegen.
Nopen, zie Dwingen.
Nopens, zie Aangaande.
Norsch, zie Barsch.
Nu â tegenwoordig â thans. Tegenwoordig is hetgeen in den tijd, waarop men spreekt, geschiedt of is; bij uitbreiding de dagen waarin men leeft, in tegenoverstelling van de vroegere. Thans ziet op het tegenwoordige in betrekking tot het voorafgaande en het toekomende; nu duidt één gelijktijdig tijdpunt in het tegenwoordige of in het verledene aan. Voorheen en thans; toen en nu. Als we bedenken, wal we al hchhcn doorgezwoegd, dan kunnen we gerust zeggen, dat we thans volkomen gelukkig zijn. Zult
2(10
NUK-OFF.
gij nu achteruit krabben, nu wij zoover gevorderd zijn? Daar ik mijn doel bereikt heb, reis ik nu weer heen. â Nu wordt ook wol gebruikt van een tijd, lt;)ie eigenlijk verleden is; maar die met betrekking lot eeuu andere handeling als tegenwoordig gedacht wordt, Ion einde levendigheid aan het verhaal bij te zetten. Wie» mocht hij bijstand bicden, nu zij als tijgers op elkander aanvielen 9 Het valt nu en dan voor.
IVuk, zie Gril.
\ u( , zie Haat.
STuttc maken 0gt;cii leu), zie Aanwciulcn.
O.
Oceaan, zie Meer
Och! zie Ach!
Ochtend, zie Dageraad.
Oefenen, zie Beoefenen.
Oever, zie Boord.
Offer â offerande â slaclitoffer. O/jfcr heeft in het algemeen de beteekenis van gewijde gave {een u/fer oji het altaar des vaderlands); in dichterlijke taal elk huldeblijk. Olferande heteekent zoowel de daad van het offeren, als de gave, die geofferd wordt {Abrahams offerande), verder bewijs van hulde, liefde of dankbaarheid. Offerande is meer in deftigen stijl in gebruik, terwijl offer het gewone woord is. Slachlv/I'er heelt eene meer beperkte beteekenis; met offer is het gelijk in beteekenis, waar dit woord in den zin van bloedig offer genomen wordt. Figuurlijk wordt het in het bijzonder gebezigd tot aanduiding van hem, die bij liet najagen van een zeker doel, of wel doordat hij zich laat beheerschen door de eene of andere hartstocht, zijn ondergang vindt. Karei 1 van Engeland werd het slachtoffer van zijne dubbelhartigheid.
Offer (ten ... brengen^, zie Offeren.
Offerande, zie Offer.
Offeren â opofferen â offer â Cten ... brengen). Van datgene wat den mensch dierbaar is (geld en goed, gezondheid en leven) afstand doen, het prijs geven ter wille van iemand, dien men hoog waardeert, of van iets dat men vurig verlangt, of als een hooger goed beschouwt. Opofferen is in deze opvatting do gewone uitdrukking, off eren behoort tot den hoogeren stijl. In ten offer brengen, dat, wat het gebruik betreft, tusschen oHcren en opofferen het midden houdt, treedt het vrijwillige der handeling iets meer op den voorgrond. Buddha bracht alles, wat in het oog van gewone menschen waarde bezit, macht, aanzien, rijkdom en genot, acoi zijne godsdienstige overtuiging ten offer. Alles opofferen aan zijne heerschznchi.
201
OFS-OMG.
Ofschoon â hoewel â hoezeer. Voegwoorden , die toegevende bijzinnen aan den hoofdzin verbinden. In ofschoon, ook verkort tot sc/ioojt, 'igt in of eene voorwaardelijke kracht. De oorspronkelijke beteekenis is echter langzamerhand zoo gewijzigd dal het thans nagenoeg geheel met de beide andere woorden gelijk staat.
Om â rond. In een aantal gevallen kan om als bijwoord door rond vervangen worden, b.v. in omreizen, omdolen, omdeden, omroepen. In de beteekenis bestaat tusschen de woorden geen ander verschil dan dat in het nieuwere rond het begrip eener omgaande beweging nog duidelijker uitkomt, ten gevolge waarvan rond meer bepaald doet denken aan het omgaan van een geheelen kring. Rond in plaats van het voorzetsel om te gebruiken) b.v. rond de tafel, rond de stad wandelen, is een anglicisme.
Omannen â omhelzen â omvangen â omvatten. Omvatten, evenals omvangen, is iemand met hand of armen het lichaam of een deel ervan omsluiten; omvatten en omvangen veronderstellen niet altijd, zooals omarmen en omhelzen, dat de omsluiting het teeken is van liefde of gehechtheid; wanneer zij deze bijgedachte hebben bezigt men ze meer voor het omsluiten van andere lichaamsdeelen dan bepaald van den hals. Omhelzen onderstelt bepaaldelijk het omvatten van iemands hals; omnrmen, d. i. met de armen vervangen, kan men ook het middel of de knieën van een persoon, ja zelfs een levenloos voorwerp. Figuurlijk wordt omhelzen in veel ruimeren zin genomen dan omarmen. Een godsdienst, een gevoelen, cenc gelegenheid, een middel, deugden en ondeugden, goede en kwade gewoonten omhelzen. De zeeën werpen 't strand, dat haar verlangend zoekt le omarmen, Verliefde kussen toe.
Ombrengen, zie Uooden.
Omdat, zie Aangemerkt.
Omdeden, zie Bedeelen.
Omdijken, zie Bedijken.
Omdoen, zie Aandoen.
Om en hij, zie Hijkans.
Omgang â verkeer â verkeering. Het leven en zich bewegen onder de menschen en in voortdurende aanraking met hen zijn. Bij omgang staat het jaatste meer op den voorgrond, bij verkeer het eerste. Omgang en verkeering worden beide ook gebruikt, waar hef do nauwe betrekking betreft, waarin een man en eene vrouw tot elkaar staan. In verkeering ligt meer het denkbeeld van geoorloofde gemeenzaamheid. Daarom wordt om^coigf veelal niet een bijvoegelijk naamwoord verbonden. Dagelijksche omgang, familiare omgang, gezellige omgang, gemeenzame omgang, verboden omgang. Gezellig verkeer, druk verkeer. Met een meisje verkeering hebben of met haar vrijen.
Omgeven, zie Insluiten.
Omgeving, zie Omtrek,
262
OMHâOMS.
Omlianl â onislng. Drukte, wijdloopigheid. Omslag is wooligo bo-slommering, die ochtor niet altijd te vermijden is. Owhctcil lieelt eene nog ongunstiger beteekenis dan omslag; lüj is het gevolg van gebrek aan overleg, waardoor men niet eenvoudig te werk gaat, maar meer overhoop haalt, dan noodig is, derhalve overdreven en geheel noodeloozen omslag maakt. De omslag in redeneeringen en bewijzen is niet door iedereen te vermijden, maar de omhaal van woorden is altijd onverdragelijk, omdat hij of van gebrekkig denken getuigt, óf van de geheime bedoeling om du eigenlijke gedachte als in een vloed van woorden te verstikken.
flmhalcn, zie Afbreken.
Omliallg, /.ie Omslachtig.
Oiulielxcn, zie Omarmen.
Onikeeren, zie Heeren.
Omkijken â omzien. Omzien is de algemeene uitdrukking. Omkijken onderstelt altijd eenige oplettendheid en belangstelling, die bij omzien geheel ontbreken kunnen. In den verheven stijl wordt echter alleen otnzicn gebruikt.
Omkomen, zie Sterven.
Ommezien, (in een), zie Aanstonds.
Ompraten, zie Bepraten.
Omringen, zie Insluiten.
Omruilen, zie Afwisselen.
Omtrent, zie Bijkans.
Omschrijven, zie IJltleggcn.
Omsingelen, zie Insluiten.
Omslaan, zie Aandoen.
Omslachtig â breedvoerig â omhalig â omstandig â
wijdloopig â uitvoerig. Omstandig, uitvoerig en hreedvoerig geven te kennen dat alles wat men tot bet rechte verstand van iets noodig moet weten, verhaald of opgegeven wordt; deze eigenschappen van een verhaal strekken tot lof, niet tot blaam. Anders is het gesteld met de eigenschappen door de andere woorden uitgedrukt, die allo aanduiden dat er te veel omtrent iets wordt medegedeeld. Een omstandig varhaal bevat alle bijzonderheden, die noodig zijn te weten. Wordt hierbij eenvoud en beknoptheid uit het oog verloren, dan is het verhaal omslachtig. Is het gebrekkig verteld, wat de volgorde der feiten betreft, worden er te veel woorden gebruikt en bijzonderheden medegedeeld, die van geen belang zijn, dan is het omhalig. Een uitvoerig betoog mist geen enkele schakel, die in de redeneering noodig is; wanneer er echter te veel woorden bij gebruikt zijn of allerlei kleinigheden, die geen bewijs behoefden, bewezen worden, noemt men het betoog wijdloopig. Is hetgeen men meedeelt uitvoerig en omstandig, geeft men alle bijzonderheden, die van belang kunnen zijn, uitvoerig weer, ontwikkelt men alles in llinUe breede trekken dan is men breedvoerig,
263
OMSâONA.
Omslag, zie Omhaal.
Omstandig, zie Omslachtig.
Omstandigheid, zie Qclcgcnhcld.
Omstreek, zie Omtrek.
Omstreeks, zie Uijkans.
Omtrek, zie Cirkel.
Omtrek â omgeving â omstreek. Wat eene plaats ot een punt omgeeft. Omgeving (eigenl. een germanisme) drukt dit in het algemeen uit, het ziet echter meer op het onmiddellijk raken. De omstreek is de geheele streek om iets heen, de omtrek is eigenlijk de lijn die de grens van een vlak bepaalt, doch verder alles wat binnen de lijn ügt en eindelijk die ruimte in betrekking lot eene plaats, die als middelpunt gedacht wordt. Omstreek, dat meestal in het meerv. gebruikt wordt, duidt eene grootere uitgestrektheid aan dan omtrek, waaronder men meer bepaald de naaste omgeving verstaat. Men kan b.v. zeggen »rfc lieer B. moet hier ergens in den omtrek tuonenquot;, als men meent dat hij in de straat woont, waarin men zich bevindt. Hij woont in da omstreken van Deventer,
Omtrek â omvang. Beide woorden duiden de grenzen aan, waarbinnen eene ruimte of een voorwerp besloten is, maar terwijl omtrek in den regel alleen op de grenzen ziet, staat in omvang het begrip van de uitgestrektheid van de omvangen ruimte, van do oppervlakte op don voorgrond. Het heeft altijd het bijdenkbeeld dat de uitgestrektheid vrij groot is.
Omtrent, zie Aangaande.
Omtrent, zie Bijkans.
Omtulnlng, zie Haag.
Omvang, zie Omtrek.
Omvangen, zie Omarmen.
Omvatten, zie Omarmen.
Omhalen, zie Afbreken.
Omverwerpen, zie Afbreken.
Omwerpen, zie Afbreken.
Omwerpen, zie Aandoen.
Omzlehtlg, zie Bedachtzaam.
Omzichtigheid, zie Beleid.
Omzien, zie Omkijken.
Onaangenaam â onbehaaglijk. Wat de zinnen of liet gemoed min of meer pijnlijk aandoet of ontstemt. Onaangenaam zegt niets meer. Onbehagelijk kan alleen gezegd worden van personen en zulke zaken, die men met de zinnen waarneemt, als voorwerpen, tafereelen, geluiden, daden enz.
264
ONAâONB.
liet is sterker dan het eerste en heeft de bijgedachte van terugstootend. /'gt;n onaangenaam mensch. Wal ccn onbehaaglijk vrouwspersoon. Onbehaaglijke manieren.
Onaangenaamheden, zie Twist.
Onachtzaam, zie Achteloos.
Onafgebroken, zie A.anhoudenil.
Onafhankelijk â vrij â zellstandig. Niet aan hel gezag van iemand anders onderworpen. Zijn eigen heer en meesier, in doen en laten door niemand beperkt. Onafhankelijk heeft vooral betrekking op den toestand, waarin men zich bevindt in verhouding tot anderen. Zelfstandig geeft ditzelfde te kennen, doch met uitdrukkelijke vermelding, dat men op zich zelf staat cn niet bij een ander behoort. Vrij ziet meer op het gevoel, dat men heeft dat men niet gebonden is en niet gedwongen kan worden om iets tegen zijn wil te doen. Een vrij man, een onafhankelijk man. Ons gemeenehest was ven onafhankelijke slaat geworden. Noord-Amerika wax na den vrijheidsoorlog een zelfstandig rijk geworden, en was niet langer eene kolonie van Engeland. De vrije sleden van Duilsehland hadden vroeger hun eigen bestuur. Niet synoniem met vrij is onafhankelijk in de volgende uitdrukkingen, waarin het wel met zelfstandig kan afwisselen. Onafhankelijk leven d. i. zoodanig leven, dat men van niemand behoeft af te hangen. Een onafhankelijk bestaan hebben d.i. een voldoend inkomen of een genoegzaam vermogen hebben.
Onhandig, zie Bandeloos.
Onbarmhartig, zie Barbaarsch.
Onbebouwd, zie Braak.
Onbegrensd â grenzenloos. Grenzcnloos wordtals sterker beschouwd dan onbegrensd. Men gebruikt in overdrachtelijken zin grenze)iloos bij voorkeur in een ongunstigen, onbegrensd in een gunstigen zin. Man spreekt van onbegrensden eerbied, onbegrensde hoogachting, genegenheid, liefde; maar van grenzenlooze verachting, haat, nijd, ondankbaarheid; van onbegrensde wijsheid; maar van grenzenlooze onkunde.
Onbcliaaglijk, zie Onaangenaam.
Onbekookt â onberaden â onbezonnen â ondoordacht. Deze worden gezegd van alles, wat niet overwogen is en niet van rijp doordenken getuigt. Onberaden ziet meer op de daden, die hot uitvloeisel zijn van de overlegging of van hetgeen uitgedacht is; terwijl onbekookt en ondoordacht voornamelijk van het laatste gezegd worden, drukt onbezonnen meer het ondoordachte uit dat het gevolg van hartstocht is. Ontóoo/ci heeft de bctee-kenis van oppervlakkig en in de hoogste mate ondoordacht. Onbekookte vragen en opmerkingen. Een onbekookt plan; een onberaden stap; onbezonnen ijver; een onbezonnen daad.
Onbekrompen, zie Breed.
Unbclcerd, zie Liomp.
Onberaden, zie Onbekookt.
26b
ONB.
Onbescliaaind â onbescheiden â schaamteloos. Onhcscheidcn heeft de beteekenis van niet ingetogen en niet inschikkelijk in spreken en doen, aanmatigend en daardoor onwellevend; onbeschaamd die van geen schaamte hebbende, voor zooverre men zonder schroom ongepast durft handelen. Scliaa»iteloos is synoniem met onbeschaamd, niet met onbcscheidcn. Beide onbeschaamd en schaamteloos duiden gemis van schaamtegevoel aan. Schaamteloos is sterker dan onbeschaamd, daar bij het achtervoegsel -loos aan geheel verlies van schaamtegevoel gedacht wordt, wat bij onbeschaamd nog niet het geval is. Een onbescheiden blik, eene onbescheiden vraag. Op zulk een onbeschaamde vraag antwoordde hij niet. De onbeschaamde praatjes van den dronken matroos. Schaamtelooze losbandigheid. Al do gebreken van den onbescheidene (aanmatiging, driestheid, vermetelheid) bezit de onbeschaamde in den hoogsten graad.
Onbescheiden, zie Onbeschaamd,
Onbeschoft, zie Liomp.
Onbeteugeld, zie Bandeloos.
Onbevreesd, zie Dapper.
Onbezield â ontzield â zielloos. Onbezield wordt gezegd van stoffelijke voorwerpen (zonder ziel d. i. niet met leven begaafd), figuurlijk van gewrochten van don geest, waaraan men leven en geest pleegt toe te kennen gebruikt: niet als met een bezielenden adem levend gemaakt, koud. Wordt onbezield gebruikt van een te voren levend wezen, dan ziet het meer op het stoffelijk deel, het lichaam, dat na den dood bezieling en leven mist, slechts een massa stof of een gevoellooze klomp is, die daardoor met alle stoffelijke voorwerpen gelijk staat: Planten of onbezielde wezens.
Daar lag hij uitgestrekt, als waar hij zonder leven.
Maar de onbezielde klomp deed ivie hem zag nog beven. (DaCosta). Ontzield, zielloos worden alleen ten opzichte van levende wezens gebezigd: levenloos, door den dood opgehouden hebbend een levend wezen te zijn. Het zielloos overschot. Ontzield geeft daarenboven uitdrukkelijk te kennen, dat het leven (de ziel) door eene of andere oorzaak van bulten weggenomen is.
Onbezonnen, zie Onbekookt.
Onbezonnen â roekeloos. Het eerste woord geeft alleen te kennen, dat men onbedachtzaam, lichtvaardig te werk gaat. Wie roekeloos is weet dat er gevaar dreigt, doch noch over de gevolgen, noch over de daad zelve heeft hij met genoegzame zorgvuldigheid nagedacht. Men mag zoo onbezonnen niet alles in eens op het spel zetten. Floris! herhaalde Petronella, hem in hare arme sluitende, was hel wel van u gehandeld uw leven dus roekeloos te ivagen?
Onbezorgd â zorgeloos. Beide woorden geven te kennen dat men geen zorg heeft. Het eerste heeft een gunstigen zin; het tweede eene minder gunstige beteekenis. Onbezorgd is niet door zorgen gedrukt ; al heeft men ze, men wordt niet bezorgd of bevreesd er door, maar men wacht blijmoedig en rustig af hetgeen gebeuren zal. Tegenover onbezorgd staat bezorgd,
O.NB-OND.
dat is met de zorgen geheel vervuld; zorgeloos niet zorgende, de noodige zorgen verwaarloozend, zich niet bekommerend om de zorgen,die men eigenlijk niet uit het oog mag verliezen. Hier tegenover staat zorgvuldig. Wees onbezorgd. Een onbezorgd leven leiden. Gij zijl een zorgeloos (een onverschillig, achteloos, nalatig) schepsel. Hij is lichtzinnig en zorgeloos.
Onbuigbaar â onbuigzaam. Onbuigbaar is datgene wat zich door geen krachtsinspanning buigen laat; onbuigzaam datgene wat van nature niet geschikt is om gebogen te worden of zich Ie buigen. Uzer en glas zijn onbuigzaam, maar niet onbuigbaar. In figuurlijke toepassing is onbuigbaar dan ook sterker van opvatting dan onbuigzaam. De ovcrgeble-vcuen te Jeruzalem toonden reeds in deze dagen dienzelfden otibuigbaren geest, waarmede hun nakomelingen de feller vervolging mol taaier wederstand hebben ontmoet. De klachten bewezen duidelijk, dat Floris een eigen en wel onbuigzamen wil had, en dien met klem wist door le drijven.
Onbuigzaam, zie Onbuigbaar.
Onder, zie Beneden.
Ondereen â dooreen â door-, onder elkander â samen. Bij
ondereen denkt men aan eene eenheid gevormd door eene menigte vermengde of ordeloos geplaatste dingen, bij onder eW.Tmrfc)'meer aan de beslanddeelen op zich zelf, waaruit een hoop of menigte beslaat. Ondereen veronderstelt dus eene eenheid, wat bij onder elkander niet het geval is. De stojjen ondereen mengen (d. i. lot een gehee\), wijn en water onder elkander mengen, van elk der beide zelfstandigheden wat nemen. Wordt door met een of elkander verbonden, dan drukt men meer uit dat beide zich tot een geheel oplossen ten gevolge eener beweging van het eene door het andere. Bij dooreen staat dan ook weder het begrip der ontstaande eenheid meer op den voorgrond, terwijl men bij door elkander moer aan de verschillende bestanddeelen denkt: de beide bestanddeelen goed dooreen of door elkander te roeren is bepaald noodig. Wanneer men samen gebruikt, wordt er minder gedacht aan de verschillende bestanddeelen, dan aan oen bepaald geheel, dat door de vcreeniging tot stand komt.
Onder elkander, zie Onderling.
Onder elkander, zie Ondereen.
Ondergaan, zie bij Afleggen.
Ondergaan, zie Doorstaan.
Ondergang â val. Het te gronde gaan, de verwoesting of het verderf. Val wordt bij voorkeur gezegd van een plotseling ineenstorten, ondergang daarentegen van het langzaam afnemen van den bloei en de kracht, waardoor een persoon of eene zaak wordt te gronde gericht. Gibbon schreef de geschiedenis van den ondergang en den val van het Romeinsche rijk.
Onderliooriglieid, zie Aankleef.
Onderhoud, zie Gesprek.
Onderkennen, zie Krkennen.
267
OND.
Onderling â onder elkander â samen. Onderling, en minder sterk onder elkander, wordt gebruikt, waar het eene handeling geldt, die uit den aard der zaak het begrip van wederkeerigheid medebrengt, zooals beraadslagen, overeenkomen, strijden, twisten, verdeelen, enz. Bij onder elkander denkt mon racer de in wederzijdsche betrekking staande subjecten of objecten als elk afzonderlijk optredend. Bij samen vormen zij eigenlijk eene eenheid. Onder elkander hespreken, onderling de zaak beraadslagen, samen iets verdeelen n.1. in vrede.
Onderling â wederkeerlg â uederzijdsch. Onderling (b.v.nw.) wordt gebruikt van elke handeling, betrekking of verstandhouding van twee of meer personen uitgaande en wel zoo, dat beide partijen er gelijkelijk deel aan nemen. In wederzijdsch ligt het denkbeeld van eene welwillende verhouding; dit kan dus niet gebezigd worden, waar van twist, verdeeldheid, enz. gesproken wordt. Bij wederkeerig is dit wel het geval, men spreekt b.v. van een afschuw of haal, die wederkeerig was. Wederzijdsch heeft alleen betrekking op twee personen of partijen; wederkeerig wordt zoowel van twee als van meer partijen gebezigd. Indien beide woorden kunnen gebezigd worden, dan is wederkeerig sterker dan wederzijdsch, terwijl dit laatste sterker is dan onderling.
Onderpand â pand. Eene zaak, die door een schuldenaar aan zijn schuldeischer wordt in handen gesteld, tot zekerheid van de betaling dei-schuld. In de rechtstaal bedient reen zich van jmnd of hypotheek, naar gelang het een roerend of een onroerend goed betrelt; onderpand wordt in het dagelijksch leven zoowel het een als het ander genoemd. Figuurlijk is het alles, wat tot bewijs of tot waarborg strekken moet, dat, hetgeen men zegt of belooft, waar is of nagekomen zal worden; het onderscheid tusschen de woorden komt dan hierop neer, dat onderpand sierlijker is. Ik schonk u dit tot onderpand mijner trouw. Een pand van liefde en trouwe.
Onderrichten, zie Onderwijzen.
Onderselielden, zie Allerhande.
Onderstaan, zie Our ven.
Onderstand, zie Bijstand.
Ondersteld, zie Aangenomen.
Ondersteunen, zie Hijsprlngen.
Ondersteuning, zie Bijstand.
Ondertusschen, zie Ban.
Ondertussehen, zie Inmiddels.
Ondervinding â ervaring. Beide zien op het leeren kennen van iets doordat men het beleefd en deel in de handeling gehad heeft. Bij ondervinden kan men zelf het voorwerp der handeling geweest zijn, bij ervaren is dit minder hel geval. Ervaring verschilt hierin van ondervinding, dat zij altijd onderstelt, dat men onder het beleefde en ondervondene niet lijdelijk is gebleven, maar het in zich opgenomen en zelfstandig verwerkt.
268
ONÃâONG.
dat wil zeggen, er lessen uit getrokken heeft. Karei X van Frankrijk was h.v. ontegenzeggelijk een man van ondervinding, maar men kan modelijk beweren, dat hij in zijn veelbewogen leven eene groole ervaring had opgedaan.
Onderwerp â voorwerp. Onderwerp Is datgene wat aan iets tot grondslag ligt, verder wat het voornaamste deel van iets uitmaakt, het hoofdbestanddeel is. Voorwerp is datgene waarop iemand of iets zijne werking doet overgaan, liet onderwerp van alle gesprekken was de val van Napoleon. Wal was hel onderwerp zijner rede? Wal is hel voorwerp zijner studie? Hij was hel voorwerp hunner beschouwing.
Onderwijl, zie Inmiddels.
Onderwijzen â leeren â onilerrlelilen. De kennis, die men heeft, aan anderen mededeelen is leeren, dat thans in zeer uitgebreiden zin genomen wordt. Onderrichten is eigenlijk iemand in de goede richting brengen, vervolgens heeft het de beteekenis van terechtwijzen gekregen en eindelijk die van iemand de kennis geven, die hij noodig heeft. Onderwijzen is iemand wijzen hoe hij iets doen moet â door onderwijzing hen, die dwalen, brengen op het rechte spoor â vervolgens zoo leeren, dat hij zelf het geleerde in praktijk kan brengen.
Onderwinden Otali), zie Durven.
Onderzoeken, zie Beproeven.
Ondoordacht, zie Onbekookt.
Onduidelijk, zie Duister.
Onecht kind, zie Bastaard.
Oneeht â valsclt. Valsch drukt uit, dat iets niet is, wat het schijnt en waarvoor het wordt uitgegeven; onecht geeft alleen te kennen, dat het nagemaakt is of de vereischte zuiverheid mist. Valsch geld. Een valsch compliment. In een valsch daglicht plaatsen. Een valsche geinige. Onechte slcenen. Eene onechte breuk.
Oneenlg â oneens. Oneens duidt enkel verschil van gevoelen aan; oneenig ziet op twist en krakeel. Wij zijn het over de politiek nog al eens oneens. Zij leven zeer oneenig.
Oneens, zie Oneenig.
Oneerlijk, zie Eerloos.
Oneindig, zie Eindeloos.
Ongebonden, zie Los.
Ongeluk, zie Beproeving.
Ongeluk , zie Druk.
Ongemanierd, zie Lomp.
Ongemeten, zie Oneindig.
Ongenoegen, zie misnoegen.
ONGâONT.
Ongesteld, zie Ziek.
Ongeval, zie Beproeving.
Ongeveer, ziu Bijkan»*.
Onheil, zie Beproeving.
Onkosten, zie Hosten.
Onkundig, zie Dom.
Onledig, zie Bexig.
Onlusten, zre Beroerten.
Onmeedoogend, /ie Barbaarsch.
Onmenschelijk, zie Barbaarseii.
Onmiddellijk, ziu Aanstonds.
Onmin, zie Twist.
Onnoozel, zie Dom.
Onophoudeiyk, zie Aanhoudend.
Onoplettend, zie Achteloos.
Onsehendbaar, zie lleiilg.
Onsehuldig â schuldeloos. Schuld is eigenlijk de verplichting om iels te voldoen, hetzij eone boete ter betering eener misdaad, hetzij eene geldsom. In de eerste beteekonis wordt het verder synoniem met zonde, d. i. met eene oorzaak van schuld. Deze beteekenis heeft schuld in schuldeloos: geen schuld of zonde in het algemeen hebbend; de eerste beteekenis van verplichting tot betering voortvloeiende uit het plegen vaneen misdrijf heeft schuld in schuldig. Schuldir/ is dus schuld hebbende aan een misdrijf, een misdaad begaan hebbende. Met de voorgevoegde ontkenning on- is onschuldig: geen deel hebbend aan een bepaald misdrijf. vChristus nam de schuld op zich. Gelijk door eene misdaad de schuld gekomen is over de menschen zoo zijn degenen, die in Hem gelooven, door zijne schulddelging schuldeloos; maar men kan hen toch niet onschuldig heclen, want hel feit, dat zij gezondigd hebben, blijft bestaan.quot;
Ontaarden â verbasteren â uit den aard slaan â veraarden. De goede hoedanigheden verliezen. Ontaarden is den goeden aard verliezen. Verbasleren duidt eene vermindering van goede hoedanigheden aan en is dus niet zoo sterk als ontaarden. Ontaarden ziet op een zoo sterken achteruitgang, dat de goede hoedanigheden voor slechte hebben plaats gemaakt. De ISederlanders der i8e eeuw waren van hunne kloeke voorouders der 10e eeuw ten eenenmale ontaard. Een ontaard kind, een kind zonder eenige ouderliefde. Uil den aard daun is een anderen aard of karakter vertoonen dan de voorouders. Een kind b. v. dat slechter is dan zijn vader staal uit den aard. Veraarden wordt meer van andere wezens dan van menschen gezegd en bij voorkeur van planten; waar men van dieren spreekt van verbasteren, gebruikt men bij planten veraarden.
270
ONT.
Ontberen, zie Derven.
Ontbering, zie Armoede.
Ontbieden, ziu Besciiclden.
Ontbolsteren, zie Uoppen.
Ontdekken, zie Bemerken.
Ontdekken â uitvinden. Men ontdekt wat reeds aanwezig, maar niet bekend was. Men vindt uit hetgeen eerst door de vinding van den menschel ij ken geest ontstaat. De ontdekking van dc kracht van den stoom leidde tol de uitvinding der stoommachines. Men zegt dal dc Chineezen lang voor de Europeanen de boekdrukkunst uitgevonden hebben. Columbus ontdekte Amerika.
Ontevredenheid, zie Misnoegen.
Ontfermen (xlcli), zie Krbariueii (ï.leli.)
Ontferming, zie Deernis.
Onthutst, zie Bedeesd.
Ontkapen, zie Benemen.
Ontkennen, zie Ijoochenen.
Ontkleeden â ultkleeden. Beide woorden beteekenen de kleederen uitdoen, het eerste is deftiger, terwijl het tweede het algemeene woord is.
Ontlijven, zie Dooden.
Ontmoeten, zie Aantreffen.
Ontmoeten, zie Beurt (te____vallen).
Ontnemen, zie Benemen.
Ontraden, zie Afraden.
Ontroerd, zie Aangedaan.
Ontrouw â trouweloos â afvallig. Trouweloos is hij, die geen trouw heeft, al wendt hij ze voor; de valschheid en slechtheid van zijn karakter maakt dat hij zonder trouwe is; hij heeft niet hot doel of de begeerte om trouw te zijn, maar om zich zelf te Levoonleelen. Onlrouw is degene, die aan eene eens aangegane verbintenis zich slechts gedeeltelijk of geheel niet houdt. Het slaat op het niet nakomen eener bepaalde verplichting, doch is nog geene algemeene eigenschap van het karakter. Iemand kan zijn meester ontrouw zijn, doch zijn vriend trouw blijven. Iemand onlrouw of afvallig worden duiden het verlaten aan van de partij van iemand, tot wien men in eenige verbintenis of betrekking staat. Bij afvallig worden denkt men minder dan bij onlrouw worden aan het verbreken eener verbintenis dan wel aan het verlaten van iemand, aan wien men om de eene of andere reden trouw verschuldigd was. Ontrouw is hij, die in een bepaald geval in trouw te kort schiet; (mmieioos hij, die tengevolge van zijn karakter steeds neiging heeft om onlrouw te worden. Ontrouw aan zijn gegeven
ONTâONZ.
woord. Hij, dien ik voor mijn besten vriend hield, heeft mij trouweloos verraden. Be kleine stalen warm allen afvallig geworden en Pruisen stond alleen tegenover Frankrijk.
Ontrukken â overweldigen â ontwringen. lemanrt iets door sterke krachtsaanwendingen ontnemen. Ontrukken is iemand iets met een ruk ontnemen, door plotsellng-e aanwending van kracht. Ontweldigen heeft meer liet geweld op het oog, de overmacht waarvan men gebruik maakt om iemand die tegenstand biedt iets te ontnemen. Ook bij ontwringen staat op den voorgrond dat er een sterke tegenstand geboden wordt, hierdoor wordt echter meer de wijze, waarop het ontnomen wordt aangeduid; n. 1. door wringen of draaien, liet laatste onderstelt meer tijd en weerstand dan het eerste woord.
Ontslaan, zie Bevrijden.
Ontslaan, zie Afdanken.
Ontslapen, zie Sterven.
Ontsluiten, zie Openen.
Ontsteken, zie Aansteken.
Ontvangen, zie Aannemen.
Ontvangen, zie Bekomen.
Ontvangen, zie Beuren.
Ontvreemden â rooven â stelen. Iemand het zijne ontnemen ten einde het zich zelf toe te eigenen. Ontvreemden drukt dit het zachtst uit en laat in het midden of het op bedekte wijze of openlijk geschiedt. Stelen is heimelijk iets nemen, terwijl rooven openlijk en met geweld gebeurt.
Ontwaren, zie Bemerken.
Ontweldigen, zie Ontrukken.
Ontwennen, zie Afwennen.
Ontwerp, zie Aanslag.
Ontwerp, zie Bestek.
Ontwringen, zie Ontrukken.
Ontzag, zie Achting.
Ontzet, zie Aangedaan.
Ontzield, zie Onbezield.
Ontzien â sparen â verselioonen. Men uit eerbied, plicht
besef, vrees; men spaart om te behouden; men verschoont uit menschen-kennis, zachtmoedigheid, mededoogen of uit willekeur. Ontzie uwe meerderen. Spaar uwe krachten. Verschoon dc onnadenkendheid der jeugd. Neptuin ontziet noch dijk, noch paal. Dn dood spaart niemand. De felle dood.... verschoont de oude Hen. (Vondel).
272
ONVâOOR. 273
Onveranderlijk, zie Bestendig.
Onverhoeds, zie Onverwaclits.
Onvermengd, zie Echt.
Onversaagd, zie Dapper.
Onverschrokken, zie Dapper.
Onverstandig, zie Dwaas.
Onvervalseht, zie Echt.
Onverwachts â onverhoeds. Plotseling, verrassend. Hij stond onverwachts voor mij (terwijl ik volstrekt niet op zijn komst was voorbereid). Ik werd onverhoeds aangevallen (zonder dat ik den tijd had op tegenweer bedacht te zijn).
Onverwijld, zie Aanstonds.
Onverzettelijk, zie Bestendig.
Onvriendelijk, zie Bitter.
Onvruchtbaar, zie Bar.
Onwankelbaar, zie Bestendig.
Onwel, zie Ziek.
Onwetend, zie Dom.
Onwrikbaar, zie Bestendig.
Onzinnig, zie Zinneloos.
Ooft, zie Boomvrucht.
Oog (in het... vallen), zie Afsteken.
Oogenbllkkclijk, zie Aanstonds.
Oogmerk, zie Doel.
Oor, zie Afkomellng.
Oonl â plaats â plek. Oord heeft de ruimste, plek de minst ruime beteekenis. Oord doet aan eeno minder nauwkeurig begrensde ruimte denken, die van grooter uitgestrektheid is. Plants is een bepaald gedeelte der ruimte of oppervlakte, terwijl plek hiermede nog hot denkbeeld van niet uitgestrekt verbindt. In alle oorden der wereld kan de Europeaan leven. De plaats, waar Niniveh gestaan heeft, heelt men voor eenigejaren terug gevonden. Wat al aangename herinneringen zijn voor ons aan dit plekje verbonden! De plek, waar onze ivieg eens stond.
Oordeel â vonnis. Oordeel is eene uitspraak (over iemand of iets) in het algemeen; vonnis eene gerechtelijke uitspraak over een schuldige onder toepassing van de strafbepaling der wet. Bij uitbreiding is vonnis elke uitspraak over een persoon of eene zaak, waarbij deze op bepaalde gronden veroordeeld wordt. Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt.
SYNONIEMEN. i8
OOR-OPE.
Het vonnis over Oldenharneve.lt ivns spoedig geveld. Octal heen en lees uw vonnis uit dcez' blaren.
Oordeel, zie Bedunken.
Oordeel, zie tncest.
Oorlog, zie ««â¢Us-
Oorsprong, zie Afkomst.
Oorsprong, zie Bron.
Oorzaak, zie Beweegreden.
Oorzaak, zie Aanleiding.
Ootmoedig, zie Beemoedlg.
Opmerkelijk, zie Byzonder.
Opnieuw, zie Alweder.
Op staanden voet, zie Aanstonds,
Op zich nemen, zie Aanvaarden.
Opdlsschen, zie Aanrechten.
Opdoen, zie Inslaan.
Opdracht, zie Bevel.
Opelschcn, zie Aielschen.
Openbaar â openlijk. Openhaar is datgene, wat algemeen is, derhalve wat voor iedereen is, waar iedereen deel aan heeft of hebben kan, openlijk datgene, wat in het openbaar geschiedt, wat men voor niemand tracht te verbergen. Eene openbare bijeenkomst (het tegenovergestelde van een besloten gezelschap.) Eene openbare school. Eenc openbare wandelplaats. De openbare meening. Iemand openlijk de waarheid zeggen, openlijk iels verwijten.
Open doen, zie Openen.
Openen â open doen â ontsluiten. Waar de opening reeds aanwezig is, en zij slechts lijdelijk weer door eene deur, een hek, enz. gesloten wordt, gebruikt men bij voorkeur open doen. Doe de deur open (om iemand binnen ol uit te laten). Een brief, een paket openen, maar ook open doen. Een koffer open doen of openen. Gebruikt men ontsluiten dan wil men uitdrukken dat het slot geopend wordt, ten einde den koffer te kunnen open doen. Open doen wordt het meest in de gewone spreektaal gebezigd. Ontsluiten behoort uitsluitend tot den verheven stijl. Openen wordt zoowel in de spreek- als in de schrijftaal gebezigd. Figuurlijk komt open doen niet voor, wel openen en ontsluiten: een handelswee/ openen; eene vergadering openen; hel vooruitzicht openen. Nieuwe wegen voor den handel ontsluiten.
Openhartig, zie Ciul.
Openhartig, zie Oprecht.
OPRâOPR.
Openlijk, zie Openbaar.
Opgeblazen, zie lloogmoetlig.
Opgeven, zie Afstaan.
Ophanden, zio Aanstaand.
Opbonden, zie Aflaten.
Opbonden, zie Eindigen.
Opklauteren, zie Bekliininen.
Opkoelen, zie Afkoelen.
Opkomen, zie llckomen.
Oplaag, zie Druk Oplettend, zie Aandaebtlg.
Oplettendbeld, zie Aandaebt.
Oploop, zie Aanloop.
Oploop, zie Beroerten.
Oploopend, zie Boos.
Oploopendbeld, zie Boosheid.
Opmaken, zie Alielden.
Opmerkelijk, zie Aanmerkelijk.
Opmerken, zie Aanmerking nemen (in).
Opmerken, /.ie Bemerken.
Opmerking, zie Aanmerking.
Opmerkzaam, zie Aandachtig.
Opmerkzaamlieid, zie Aandacht.
Opnemen, zie Aannemen.
Opolleren, zie OlFeren.
Oponthoud â verblijf. Verblijf beleekenl zoowel de daad van vcr-lilijveu als de plaats van verblijf (zie woning.) Gedurende mijn verblijf ten uwcnl. Dal in een onaangenaam verblijf. Oponthoud wordt gezegd van een kortstondig vertoeven op eene plaats, waar men niet woont, of waar men zijns ondanks blijven moot. Tijdens ons oponthoud te Parijs. Het hoortc. water veroorzaakte mij daar een lain/ oponthoud.
Oponthoud, zie Uitstel.
Opperen, zie Bijbrengen.
Oprecht, zie Kcbt.
Oprecht â openhartig â rondborstig. Openhartig is degene, die zijne gedachten gaarne mededeelt, zonder iets te verzwijgen, zoowel uit
18»
275
OPliâOVE.
eigen beweging als desgevraagd. Oprecht is hij, die de waarheid spreekt wanneer hem iets gevraagd wordt. Terwijl de openhartige altijd oprecht is, is de oprechte niot altijd openhartig. Openhartig staat tegenover terughoudend, oprecht tegenover leugenachtig, onwaar of valsch. Rondborstig is hij, die niot achterhoudend is, maar vrijmoedig en waar plicht hel gebiedt, zijne meening uitspreekt, zonder te trachten ze in eenig opzicht te verbloemen.
Oprekenen, zie Berekenen.
Oprichten, zie Bouwen.
Oproepen, zie Beroepen.
Oproepen, zie Bijeenroepen.
Oproepen, zie Afroepen.
Oproer, zie Beroerten.
Opschik, zie Tool.
Opsnijden â pochen â snoeven. Hoog en breed van iets opgeven. Opsnijden is stoute verhalen doen met het dool om indruk te maken, verbazing te wekken, bv. over avonturen en ontmoetingen die men gehad heeft; liet wordt alleen in zeer gemeenzamen stijl gebruikt. Aan pochen en snoeven ligt het denkbeeld ten grondslag van pralen met eigen voor-trefl'elijkheid. Hij houdt er van, van zijne reizen op le snijden. Wie op afkomst en titels pocht, reikt zich zelf onbewust het getuigschrift uit van persoonlijke onbeduidendheid.
Opstand, zie Beroerten.
Opsteken, zie Aansteken.
Opstellen, zie Bouwen.
Opteekenen, zie Aanteekenen.
Opvorderen, zie Afelselien.
Opvliegendheid, zie Boosheid.
Opvliegend, zie Boos.
Opwekken, zie Aandrijven.
Opzet, zie Doel.
Opzetten, zie Aandoen.
Opzetten, zie Bouwen.
Op zieh nemen, zie Aanvaarden.
Opzlehtig zijn, zie Afsteken.
Opzoeken, zie Bezoeken.
Order, zie Bevel.
Oud, zie Afgeleefd.
Outer, zie Altaar.
Overal, zie Alom.
27(i
OVERBâOVERK.
Overbodig â overtollig â overdadig. Te veel. Overtollig is meer dan vereischt wordt voor het bereiken van een doel, de vereischte maat ol' hel noodige aantal te boven gaande, en dus nutteloos. Overbodig is wat niet gevraagd of goeischt wordt; het sluit niet in dat er werkelijk iets noodig is, noch dat er een zeker aantal van iets aanwezig is; overdadig heelt de ongunstige beteekenis van het grondwoord overdaad, dat buitensporige overvloed of overgroote weelde uitdrukt. Over lollig is dus wat minder kan, overbodig wat volstrekt niet noodig is; overdadig wat door het te veel strijdt met de eischen van matigheid en daardoor een bewijs van verkwisting geeft. Overbodige werken. Overbodige moeile. Overtollige gerechten. Overdadige pracht.
Overbrengen, zie Aanbrengen.
Overbrieven, zie Aanbrengen.
Overdadig, zie Overbodig.
Overdenken, zie Denken.
Overdenken, zie Bepeinzen.
Overdrijven â vergrooten. Iets grooier voorstellen, dan het werkelijk is. Van overdrijven is meer hartstocht, de onberedeneerde zucht tot vergrooting de oorzaak, in vergrooten ligt meer het denkbeeld, dal men met opzet de waarheid geweld aandoet, door in koelen bloede, met voorbedachten rade de zaken grooter voor te stellen dan zij zijn. Gij moet u geen overdreven voorstelling maken van do eentonigheid van den winter builen. Kinderen overdrijven gaarne wat hun gelrolfen heeft. In de.e courant wordt, naar men zegt, het oorlogsgevaar zeer vergroot ten einde beursspeculatien in dc hand te werken.
Overdruk, zie Afdruk.
Overeenkomst, zie Afspraak.
Overeenkomst, zie Verdrag.
Overeind â reelitop. Overeind staat togenover liggend; rechtop tegenover eiken stand Insschen dien van liggend en rechlo|i. Wanneer men uit eene liggende iu eeue zittende houding overgaat, dan gaat men overeind zitten. Men zit rechtop, wanneer men niel in eene gebogen houding zit.
Overerven, zie Aanerven.
Overgeven, zie Braken.
Overhaast, zie Baastig.
Overhaasten, zie Bespoedigen.
Overhalen, zie Overreden.
Overhalen, zie Bewegen.
Overhandigen, zie Bestellen.
Overhangen, zie Bellen.
Overhellen, zie Bellen.
Overkomen, zie Beurt Cte ... vallen).
277
OEV.
Overladen, zie Beladen.
Overlaten, zie Nalaten.
Overleden, zie Dood.
Overleg, zie Beleid.
Overleggen, zie Denken.
Overleggen, zie üparen.
Overlenen, zie Bellen.
Overladen, zie üterven.
Overlijden, zie Afsterven.
Overmeesteren, zie Bevangen.
Overnemen, zie Aannemen.
Overpeinzen, zie Bepeinzen.
Overpeinzen, zie Oenken.
Overreden â overhalen â overtuigen. Overtuigen heet door bondige redeneering, door het aanvoeren van deugdelijke bewijzen, liet oplossen van bedenkingen, in één woord door de kracht dor waarheid iemand dwingen zijn verstand gevangen te geven; overreden door eene niet zoozeer bondige als wel wegsleepende redeneering iemand overhalen om iets Ie volbrengen of na te laten; overhalen door goed gekozen woorden of schoone voorstellen iemand bewegen om tot hetgeen men zelf wil over te gaan. De redenaar overreedt. De schrijver van een wetenschappelijk betoog overtuigt. De verleider haalt anderen over om kwaad te doen. Zie ook Bepraten.
Overrompelen, zie Verrassen.
Oversparen, zie §paren.
Overtollig, zie Overbodig.
Overtreding, zie misdaad.
Overtreffen, zie Boven Oe ... gaan).
Overtuigen, zie Overreden.
Overvallen, zie Bespringen.
Overvallen, zie Verrassen.
Overvallen, zie Beraden (zieir)
Overwegen, zie Aanmerking nemen (Ih)
Overweging, zie Bedenking.
Overwinning â trlomr â zege â zegepraal. Overwinning is het gewone woord in do spreektaal; zege beteekent hetzelfde maar is deftiger en meer in poetische taal in gebruik. De overwinning behalen. God schonk hun de zege over hunne belagers. Eene groote zege. Eene beslissende over-wiiming. Zegepraal of' triomf is de luisterrijke intocht van een overwinnaar; beide worden echter ook voor de overwinning zelve gebruikt.
278
PAAâPIJN.
1gt;.
Paal â perk. Paal (eigenlijk grenspaal) beleekenl overdrachtelijk grens; perk is lt;lu afsluiting, hetgeen iels omgeeft en dus do grenzen bepaftlt. Paal cn perk aan iets slclleu. JJal gaal de palen le builen.
I'aal, zie Uccl.
Paar, zie koppel.
Pacht, zie Huur.
Pad, zie Baan.
Pak, zie Bos.
Pakken, zie Cir{|pcn.
Paling, zie Aal.
Paml, zie Omlcrpaml.
Pantser, zie Harnas.
Park, zie Hof.
Partij, zie Aanhang.
Partijdig, zie Bekrompen.
Passen, zie Behooren.
Passend, zie Bctaineliik.
Patroon, zie Hardocs.
Pedant, zie Eigenwijs.
Peinzen, zie Beuken.
Pellen, zie Boppen.
Pennen, zie Vlerk.
Pensioen, zie â¢laarwetlde.
Peppel, zie Abeel.
Perk, zie Paal.
Personen, zie Lileden.
Pijn _ smart â wee. Pijn wordt meer in de spreektaal, snmrl
meer in schrijftaal gebruikt. liet eerste woord wordt meer in 't bijzonder gezegd van lichaamslijden, smart meer van aandoeningen van het gemoed door van buiten komende indrukken, terwijl wee meer het gevoel van smart met betrekking tot eene in den mensch zelf gelogen oorzaak aanduidt. Tegenover smart staat vreugde, tegenover wee staat wel. Hel wel en wee dezer wereld; smart en vreugde wisselen elkander al m deze wereld. Hoofdpijn, tandpijn. Zijn liehtzinnig gedrag veroorzaakt mij veel smart.. In de uitdrukking: het is niet de pijne waard, heeft pijn, uit het frausche peine ontstaan, de beteekenis van moeite.
279
PIJNâPLE.
Pfjnlgen, zie Folteren.
Pilaar, zie Zuil.
Plaats, zie Oord.
Plaatsgrepen, zie Gebeuren.
''aScn kwellen. Iemand verdriet veroorzaken, leed doen. Plagen is iemand kleine verdrietelijkheden aandoen, die hem geone groote smart veroorzaken. In kwellen ligt meer dan in plagen het denkbeeld van boosheid, en het wordt dus bij voorkeur gezegd van het aandoen van meer of minder zwaar leed. Door hevige lichaamspijnen, door hartzeer gekweld worden. En ziet, het ivas alles ijdclheid en kwelling des geesles. Waar het algemeene onheilen betreft, zooals hongersnood, besmettelijke ziekten, onderdrukking (hetzij als goddelijke kastijding gedacht of zonder dit bijbegrip) wordt enkel plagen gebruikt. Plagen verliest soms zijne ongunstige beleekenis, kwellen nooit. Iemand met iels plagen, met iemand ter zake van het een ol ander schertsen.
Plan, zie JLanleg.
Plan, zie Doei.
Plan , zie Bestek.
Plank, zie Deel.
Plant, zie füewas.
Planten, zie Aanplanten.
Plat , zie Qcmcen.
Plat 9 zie Elfen.
Plaveien, zie Bestraten.
Pleclitlg, zie Deftig.
Plengen - storten. Vocht laten vloeien b.v. over den rand van een glas of ander vat. Storten geschiedt met een stoot en veronderstelt niet altijd bepaald opzet; in plengen ligt de bijgedachte van met opzet. Bloed plengen, bloed storten. Wijn plengen voor de goden, wijn storten uil onachtzaamheid.
Pluim Teer dons. Het huidbekleedsel der vogels duidt men in het algemeen aan onder den naam van veeren of vederen. Soms heeft pluim geheel dezelfde beleekenis, z. a. in pluimgedierte, enz. doch meest verstaat men hier onder een langere sierlijke veder, die vooral aan den top sterk ontwikkeld en buigzaam is. De fijnste vederen aan borst en hals der vogels, die buitengemeen zacht zijn, worden dons genoemd.
Pluimstreken, zie Aaien.
Plegen, zie Begaan.
Pleisteren, zie Aanleggen.
Plelzler, zie Blijdschap.
Plelzlerlg, zie Aangenaam.
280
PLEâPRIJ.
Plek, zie Oord.
Pochen, zie Opsneden.
Poel, zie Afgrond.
Pogen â Inspannen (zich) â sloven â slaven â streven â trachten â zwoegen. Zich moeite geven om een dool to bereiken. Pogen, xtreven en trachten blijven hot dichtst bij de grondbeteekenis. Pogen is alle middelen in het werk stellen om iets te doen, trachten is het inspannen der krachten om iets te erlangen , streven drukt hetzelfde uit, maar is sterker. Cij beide laatste woorden wordt de krachtsinspanning beschouwd als een uitvloeisel van de sterke begeerte van den mensch, bij trachten staat dit echter niet zoo sterk op den voorgrond als bij streven. Wij pogen goed te schrijven; wij trachten zonder fout te schrijven, wij streven naar zuiverheid van taal. De mensch streeft naar geluk. De overige woorden teekenen nicer de uiterlijke krachtsontwikkeling. Zich inspannen ziet meer op de spanning der spieren, die bij het zware werk noodig is, en, daar de spieren zinnelijke voorstelling dor kracht zijn, duidt het aanwenden van kracht aan. Zwoegen is hel sterk ademen of hijgen , tengevolge van grooten spierarbeid bij het torsen van een zwaren last. liet wordt overdrachtelijk gebezigd voor eene krachtsinspanning, die zeer zwaar valt. Wat zwoegt ge, o mensch, naar goud of eer! Wil men bovendien het aanhoudende of langdurige van don zwaren arbeid uitdrukken dan gebruikt men slaven of sloven. Bij slaven, als een slaaf van don vroegen morgen tot den laten avond hard werken, staat meer het langdurige, bij sloven meer het vermoeiende en afmattende op den voorgrond. Tot'savonds toe laat hij niet af van slaven. De arme werkman moet dikwijls zwoegen en sloven voor een schamel stuk brood.
Ponjaard, zie Dagge.
Pook, zie Dagge.
Populier, zie Abeel.
Post, zie Ambt.
Poten, zie Aanpoten.
Praal, zie Luister.
Pracht, zie Luister.
Prachtig, zie lleerlijk.
Prat, zie Hoogmoedig.
Praten, zio Babbelen.
Pressen, zie Dwingen.
Pret, zio Blijdschap.
Prijs , zie Bult.
Prijs , zio Bclooning.
Prijs â waarde. De waarde eener zaak is de hoeveelheid geld,
281
PRIJâRAD.
welke eene zaak naar biiiijklieid zou moeten opbrengen bij verkoop; prijs is de som, die er werkelijk voor gegeven wordt. Hoeveel is de waarde van dezen diamant? vraagt men, wanneer men welen wil wat er over bul algemeen voor zulk een steen gegeven wordt. Wil men een voorwerp koopen, dan vraagt men naar den prijs die er voor gevraagd wordt. Komt deze overeen met de waarde, die bet voorwerp voor den vrager beelt, dan is hij geneigd het te koopen. De waarde is athankelijk van omstandigheden; de prijs regelt zich naar vraag en aanbod.
Prijzen, zie Loven.
Prins â vorst. Fors* is bij ons alleen in gebruik voor den regeerder, den opperheer van een klein rijk, dat een vorstendom genoemd wordt; de vorst van Montenegro; aan andere personen van vorstelijken rang geven wij den titel van prins, een woord, dat thans niets anders is dan een adellijke titel. De Prins van Oranje; de prinsen van den bloede.
Proef ... nemen), zie Beproeven.
Proefje, zie Monster.
Pronk, zie Luister.
Pronk, zie Tool.
Prooi , zie Bult.
Pulst, zie SEweer,
Punt â stip. Pnnt en stip staan in de spreektaal dikwijls geheel gelijk, het schrijfteeken ter sluiting van den zin wordt steeds punt genoemd. Over liet algemeen echter bezigt men stip waar men den eigenlijken zin meer op den voorgrond stelt, dat men nl. met eene stof, die duidelijk zichtbaar is, een klein rond teeken geplaatst heelt. In de meetkunde is de punt het einde eener lijn en beeft dus gcene plaatselijke uitgebreidheid.
Punt â spits. Bij punt denkt men meer aan het uiterste einde eener zaak, bij spits aan het scherp toeloopende van het uiteinde.
XI.
Baadplegen, zie Beraadslagen.
Baadselaelitlg, zie Hulster.
Baar, zie Bijzonder.
Bad â wiel. Een cirkelvormig plat lichaam, dat om eene as kan draaien. Beide woorden hebben volkomen dezelfde beteekenis. in sommige samenstellingen wordt meer het eerste, in andere meer het tweede gebruikt. Men zegt zoowel het vijfde rad aan een wagen, als een tweewielig voertuig.
282
RADâRED.
Een kamrad, een vliegwiel. Radhcshiy, iviclsclwcii. Onder hel rad raken, een rad voor de oor/en draaien, in de wielen rijden, een spaak in 'lt; wiel steken. In figuurlijken zin altijd raddraaier, in eigenlijken steeds wieldraaier.
Raden, zie Cilsscn.
Raken, zie Aanbelangen.
Rakende, zie Aangaande.
Ramen, zie Begrootcn.
Rammelen, zie Babbelen.
Ramp, zie Beproeving.
Rampspoed, zie Druk.
Rand, zie Boord.
Rangorde, zie Beurt.
Rank, zie Dun.
Rap, zie Vlug.
Ras, zie Aanstonds.
Ras â stam. Beide woorden duiden eene reeks van levende wezens aan, die een gemeensehappelijken oorsprong hebben. Ras heelt meer hel oog op het psysiek eigenaardige, op de soort, terwijl sla\n, dal niet van dieren maar alleen van menschen gebezigd wordt, de verbinding door een gemeenen stamvader onderstelt. Kr zijn verschillende menschenrassen: het, Dravidische, Mongoolsehe, Arische enz. liet paardenras nwet verbeterd worden. De volken van Indoyermaansehen stam.
Ras, zie Baastig.
Raseh, zie Vlug.
Razen, zie Aangaan.
Razen, zie Bulderen.
Razend, zie Dol.
Recht, zie fioht.
Rechtmatig. zie Billijk.
Rechtmatig, zie Echt.
Rechtop, zie Overeind.
Rechtvaardig, zie Billijk.
Rechtvaardigheid, zie â¬icrechtigheld)
Redden, zie Bevrijden.
Rede, zie Aanspraak.
Rede, zie Geest.
Reden, zie Beweegreden.
283
RED-RIJK.
Redevoering, zie Aanspraak.
Reede, zie Haven.
Reep, zie Touw.
Reet, zie Barst.
Regceren, zie Belieerschen.
Regeering, zie Beheer.
Regel, zie Beginsel.
Register, zie Cedel.
Reikhalzen, zie Regceren.
Rein 9 zie Eeht.
Rein, zie Eerbaar.
Reis â tocht. Beide woorden geven hot trekken vun de eene plaats naar de andere te kennen. Tocht is het algenrieene woord en wordt bij uitstek gebruikt, wanneer er bij het trekken moeilijkbeden te overwinnen zijn. Reis ziet meer op den verren afstand. Van daar dat het was ccn hcclc tocht en het was cene heclc reis niet hetzelfde beteekenen, dat men alleen spreekt van een veldtocht, een bergtocht, en van verre reizen doen, niet van veldreis, enz.
Rekenen, zie Achten.
Rekenen 0gt;p!)9 zie Houwen (op).
Rekenen, zie Cyferen.
Rekening, zie Rekenschap.
Rekenschap â rekening â verantwoording. liet in alle bijzonderheden blootleggen onzer handelingen voor hem, die het rechtheeft ze te kennen of er een oordeel over uit te spreken. Rekenschap heeft de ruimste beteekenis, en wordt met betrekking tot iedere handeling gebezigd; rekening ziet uitsluitend op het beheer van toevertrouwde gelden. In de uitdrukking rekening en verantwoording doen geeft verantwoording te kennen, dat men de gedane uitgaven behoorlijk toelicht en de voorhanden gelden overgeeft, ten gevolge waarvan men van alle verdere verantwoordelijkheid ten opzichte van het gevoerde beheer wordt ontslagen.
Rente, zie Inkomen.
Rente, zie Interest.
Reverence, zie Hlenaressc.
Rib, zie Deel.
Rldderiyk, zie Rulteriyk.
Riem, zie Gordel.
RUk , zie Land.
284
RUKâRUI.
Rijk , zie Cïegoed.
Rijtuig , zie Wagen.
Rijzen, zie Hllnimcn.
Rillen, zie Beven.
Ring , zie Beugel.
Rinkelen, zie Ba veren.
Rist, zie Bos.
Roekeloos, zie Onbezonnen.
Roem, zie Eer.
Roemen, zie Lioven.
Roemer, zie Helk.
Roeping, zie Beroep.
Roeren, zie Aandoen.
Rol , zie Cedel.
Rond, zie Gul.
Rond, zie Om.
Rondborstig, zie Oprecht.
Ronddeelen, zie Bedcelen.
Roof, zie Buif.
Rooien, zie Belven.
Rook, zie Bamp.
Roosten, zie Bakken.
Rot, zie Aanhang.
Rots, zie Hlip.
Ruchtbaar, zie Bekend.
Ruggelings, zie Achterwaarts.
Rugwaarts, zie Achterwaarts.
Ruig â ruw'. Ruig noemt men hetgeen met haar, wol, vederen, enz. bezet is; ruw wat vol oneffenheden is, nog in zijn natnurlijken toestand verkeert. Ezau was ruig. Ruw (jaren. Ken ruwe diamant. Eene enkele maal wordt ruw met ruig verwisseld, b.v. in: Wat een ruige apostel d. i. lompe vlegel!
Ruilebuiten, zie Afwisselen.
Ruilen, zie Afwisselen.
Ruim, zie Breed.
Ruischcn, zie §ulzcn.
Ruischen, zie Bruischen.
285
RUIâSAM.
Kuitcrlijk â ridderlijk. Beide worden meest als bijwoord gebruikt met de beteekenis van vrij, openhartig, ongedwongen, bij werkwoorden, die schuld belijden of iets moeilijks zeggen te kennen geven. In de beteekenis is in dezen geen verschil. Zie ook hij oprecht. Eonigszins anders is het gesteld, wanneer beide woorden niet in dergelijke zinsverhinding voorkomen of tegenover elkander gesteld worden. Men denkt dan bij ridderlijk aan de edelmoedigheid en eerlijke openhartigheid, die den goeden ridder eigen moesten zijn, bij ruiterlijk meer aan hel ruwe maar ronde dat den onden ruiter kenmerkte.
Rustig , zie Bedaard.
Kuw, zie Huig.
Kun- , zie (xeineen.
Ruzie, zie Twist.
ünbbeien, zie Xuigen.
Sabel, zie Zwaard.
Sage, zie Fabel.
Salaris, zie Jaarwedde.
Samen, zie Bijeen.
Samen, zie Aaneen.
Samen, zie Ondereen.
Samen, zie Onderling.
Samenliang, zie Braad.
Samenhang, zie Betrekking.
Samenkomst â bijeeniionist liet komen van twee of meer personen op dezelfde plaats tot zeker doel. Samenkomst kan ook een toevallig ontmoelen heteckenen; bijeenkomst onderstelt steeds vooraf bepaalde plaats tijd en doel. Deze samenkomst was noch bedoeld noch hegeerd. Be eedge-nooten hadden geheime samenkomsten (of bijeenkomsten) in de. catacomben, De bijeenkomst der provinciale staten.
Saiiienroepen, zie B(|eenroeigt;en.
Samenvoegen â vereenigen. Twee of meer dingen bij elkander brengen om zo met elkander Ie verbinden. Samenvoegen heeft de algemeene beteekenis. Vereenigen is zóó samenvoegen, dal de voorwerpen na hunne samenbrenging als 't ware slechts één geheel uitmaken. Men vereenigt wat gescheiden was. De Vereenigde Nederlanden. Vandaar dal vereenigen, niet samenvoegen, gebezigd wordt in den zin van tot eenheid van gevoelen
280
SARâsen.
brengftn of verzoenen. Zich mei iemands c/evoelen vereenigen. Slrijdende partijen vereenigen.
Sarren â fergrn. Iemands toorn opwekken door opzettelijk dingen te doen of te zeggen, waarvan men weet dat zo hom toornig maken. Tergen lieert de algemeene beteekenis. Sarren is aanhoudend, onophoudelijk, teiv/en vooral met woorden. Zoo sarden ze elkander, verhit op elkaar.
Saucijs, zie Bcnilng.
Schaal â scliclp â schulp. Een hard, kalk- of hoornachtig ho-kleedsel. Schaal is het kalkachtig bekleedsel, dat Lij sommige lichamen gemakkelijk van de huid verwijderd kan worden; het wordt zoowel van dieren als levenlooze voorwerpen gebruikt: eierschaal, schaaldier. Schelpen schulp beteekenen eigenlijk hetzelfde; in sommige gevallen bezigt men meer het eerste, in andere het tweede woord, zonder dat er echter bepaald verschil van beteekenis is aan te wijzen. Waar van tweekleppige schalen sprake is, gebruikt men meestal schelp, terwijl schulp van de eenschalige schelp of eenkleppige schaal van sommige weekdieren gebruikt wordt; in samenstellingen wordt meestal schulp voor schelp gebezigd. Oesterschelp, schelpen zoeken aan 't strand, schclpvisschen, schulphalk, schulpzand, de slak kruipt in zijne schulp. Is de eenschalige schelp van een weekdier zeer gebogen, dan noemt men deze, vooral wanneer het weekdier er zich niet meer in bevind, een hoorn of kinkhoorn. Van de slak. die zich buiten zijne schulp kan bevinden of er zich in kan terugtrekken als in zijn huis, noemt men de schulp ook het huisje.
Schaal, zie Hak.
Schaal, zie IBccl.
Schaamlcloos, zie Onhcschaamd.
Schaars, zie Zeldzaam.
Schabel, zie Bank.
Schaile, zie Afbreuk.
Schaduw, zie liOninier.
Schaduw, zie Schim.
Schaduw, zie Bruin.
Schakel â schalm. In eigenlijke beteekenis de samenstellendedeelen van een keten. Alleen schakel wordt overdrachtelijk gebezigd.
Schalk, zie Oasf.
Schalm, zie Schakrl.
Schamper, zie Bitter.
Schatten, zie Aelitcn.
Schatten, zie Begrootcn.
Schatting, zie Belasting.
287
SCIIEâSC HIJ.
Schedel, zie Bekkeneel.
üclieef, zie Dwars.
Schelden, zie Afscheiden.
Schelden, zie Deelen.
Scheidsman, zie Bemiddelaar.
Schel , zie Bel.
Schelm, zie Guit.
Schelm, zie Deugniet.
Schelp, zie Schaal.
Schenken, zie Geven.
Schependom, zie Aasdom.
Schepsel, zie Ding.
Schermutseling, zie Gevecht.
Scherp, zie Bitter.
Scherprechter, zie Beul.
Scherpzinnig, zie Doordringend.
Scherts, zie Grap.
Scherts, zie Boert.
Schertsen â boert»'n â gekken â gekschcrcn â Jokken.
In vroolijken luim zich vermaken door aan amleren dwaasheden of grappen te zeggen. Schertsen zegt niets meer dan dit. Zegt men echter schertsen met eene zaak, dan nadert het in beteekenis tot gekken met eene zaak d.i. eene zaak niet ernstig opvatten en dientengevolge ermede lachen of spotten; (jekken met een persoon is gekheid inal;en met een persoon, hom op grappige wijze plagen of beetnemen; in sterksten zin: op minder onschuldige wijze den gek met hem steken of bespotten. Boerten en yo/cA;en onderstellen beide onschuldige scherts. Jokken drukt meer bepaald het spelende van het schertsen uit, terwijl hoerlen meer op kluchtige wijze van onderhouden slaat. Terwijl in gekscheren nog de beteekenis ligt van buerlend, schertsend met iemand spelen door hem te plagen, naderen den gek scheren en den gek steken geheel in beteekenis tot spotten.
Schetsen, zie Malen.
Scheur, zie Barst.
Schieiyk, zie Haastig.
Schier, zie Bijkans.
Schilderen, zie IWalen.
Schijn , zie Glimp.
Schyncn, zie Bunken.
288
SCIIIJâSCHR.
üchynliclllghcld, zie Cicvelnsdhcld.
Schilderen, zie ]flalcn.
Schillen, zie Doppen.
Schim â schaduw â spook. Schaduw is dc niot verliclite ruimte achler een door licht besclienen voorwerp. Deze donkore ruimte geeft eenigs-zins een beeld van het voorwerp. Waar het gebruikt wordt in betrekking tot den menscb, duidt liet het donkere beeld van een menschelijk lichaam aan. Vat men deze figuur als een schijnlichaam op, dan spreekt men van schim. Bang zijn voor zijn eigen schaduw, of voor zijn schim. Hij is slechts schim en schaduw van wat hij vroeger was. Schim krijgt vervolgens de bijgedaebte van geest, vooral van een afgestorvene: hel rijk der schimmen. Wordt de schim als een vreeswekkende gestalte gedacht, dan draagt zij den naam van spook. Eenc hersenschim noemt men ook een spook der verbeelding. Voor spoken vreezen.
Schimmel, zie Haam.
Schimp, zie Hoon.
Schitteren, zie Blinken.
Schokken, zie Aandoen.
Schoof, zie C}arf.
Schooier, zie Bedelaar.
Schoon, zie Aardig.
Schorren, zie Aanwas.
Schors, zie Bast.
Schraal, zie Bar.
Schraal, zie Bun.
Schrander, zie Boordrlngcnd.
Schreeuw, zie ftll.
Schreien, zie (wrijnen.
Schriel 9 zie Cilerlg.
Schr(|ftrant â stijl. Stijl in de beteokenis van schrijfwijze ziet uitsluitend op zinbouw en woordenkeus en is van het onderwerp afhankelijk; schrijftrant is meer de eigenaardige wijze van inkleeding der gedachten, die het gevolg is van de persoonlijkheid des schrijvers. Beide worden echter dikwijls voor elkander gebruikt. Hij heeft een onderhoudenden schrijftrant, maar zijn stijl is ver van onberispelijk.
Schrik, zie Angst.
Schrik, zie Afschrik.
Schrlkkeiyk, zie IJselijk.
Schroeien, zie Blaken.
SYNONIEMEN. 19
289
290 SCHâSLA.
Schrokken, zie Eten.
Schromen, zie Aarzelt^n.
ücliroom, zie Angst.
Schroomvallig, zie Bedeesd.
Schroonivalllgheltl, zie onder Beileesd.
Schuchter, zie Bedeesd.
Schudden, zie Baveren.
Schuin, zie Dwars.
Schuldeloos, zie Onschuldig.
Schulp, zie Schaal.
Schurk, zie Bcugnlet.
Schutting, zie Haag.
Sekse, zie Geslacht.
Sidderen, zie Beven.
Slepel 9 zie Ajuin.
Sieraad, zie Opschik.
Sierlijk, zie Net.
Slaan, zie Beuken.
Slaan, zie Afsmeren.
Slachten, zie Gelijken.
Slachten, zie Dooden.
Slachter, zie §lager.
SlachtoiTer, zie OHcr.
Slag, zie Gevecht.
Slager â slachter â vleesehhouwer. Over het geheel zijn alle drie woorden in gebruik om dengene aan te duiden, die vee doodt en het vleesch verkoopt, zonder dat er bepaald onderscheid tusschen gemaakt wordt. Wanneer vleesehhouwer tegenover slachter gesteld wordt, verstaat men onder vleesehhouwer dengene, die geslachte dieren koopt om ze in gedeelten te verkoopen, terwijl slachter soms meer bepaald den persoon aanduidt, die zich bezig houdt met het dooden van het vee, zonder dat hij nog handel in het vleesch ervan drijft. In November kwam Marten de slachter hij ons op liet erf om de varkens te slachten, die de hoer eenige dagen later op de markt aan den ophooper of aan den vleesehhouwer verkocht.
Slank, zie Bun.
Slapen â dommelen â sluimeren â droomen â socmen â dutten. Het rusten der zintnigen en ledematen met geheele of gedeeltelijke
SLAâSLU.
zinsverdooving gepaard gaande noemt men slapen. Is de zinsverdooving niet, volkomen dan duidt men dit door een der andere woorden aan. Door sluimeren en dommelen geeft men te kennen, dat de zinsverdooving gedurig wordt afgebroken, soezen geeft een onvolkomen zinsverdooving te kennen. Beide zijn onopzettelijk, terwijl duiten meer een opzettelijk sluimeren aanduidt. Bij droomen is do zinsverdooving oogenscliijnlijk volkomen, maar de geest is hierbij werkzaam, zij het ook in benevelden toestand.
In figuurlijken zin worden duiten, soezen, droomen en slapen gebezigd om aan te geven dal iemand niet volkomen zijne gedachten bij zijn werk heeft. Dutten, droomen en slapen zijn dan slechts verschillend in kracht, terwijl men bij soezen een afdwalen van den geest naar andere zaken veronderstelt.
Slaperig, zie Droomerig.
Slaven, zie Pogen.
Sleeht , zie Roos.
Slecht, zie Effen.
Slechts, zie Alleen.
Slechten, zie afbreken.
Slempen, zie Brassen.
Slib, zie Modder.
Slijk , zie Modder.
Slim, zie Arglistig.
Slim 9 zie Listig.
Slof, zie Achteloos.
Slok , zie Dronk.
Sloopcn, zie Afbreken.
Slordig, zie Achteloos.
Slot, zie Besluit.
Slot, zie Burg.
Slotte (ten), zie Eindelek.
Sloven, zie Pogen.
Slulken â smokkelen. Het begrip smokkelen is ruimer dan het begrip sluiken. Het laatste ziet uitsluitend op het drijven van sluikhandel, het ontduiken van de rechten van in-, uit- en doorvoor; smokkelen op heimelijk onrechtmatig winstbejag in het algemeen. Ik wil nog wel een spel mei u spelen, maar onder conditie, dat gij niet weer smokkelt.
Sluimeren, zie Slapen.
Sluiten , zie Aangaan.
291
19*
SLUâSNU.
Sluw, zie Arglistig.
Smachten, zie Begccren.
Smaden, zie Beleedlgen.
Smart, zie^PIJn.
Smart, zie Leed.
Smeekbede, zie Aanzoek.
Smeeken, zie Bezweren.
Smeeken, zie Aanroepen.
Smeekgebed, zie Aanzoek.
Smeer â vet. Vet is do naam voor de witachtige smijdige slof door afscheiding van voedingsstoffen gevormd, vooral in het dierlijk lichaam. Smeer is de weeke vettige zelfstandigheid die geschikt is om ergens op te smeeren; bij dieren noemt men smeer het vet om de nieren en darmen.
Smyten, zie Gooien.
Smoel, zie Bek.
Smokkelen, zie Slulken.
Smook, zie Damp.
Smoren, zie Blusschen.
Smullen, ?ie Brassen.
Snaak, zie Gast.
Snappen, zie Babbelen.
Snateren, zie Babbelen.
Snavel, zie Bek.
^lneb, zie Bek.
Snedig, zie Doordringend Snel (b.v.n.), zie Vlug.
Snel (bw.), zie Baastig.
Sneuvelen, zie Sterven.
Sneven doen, zie Dooden.
Sneven, zie Sterven.
Snibbig , zie Bitter.
Snoeperig, zie Aanminnig.
Snoet, zie Bek.
Snoeven, zie Opsneden.
Snuit, zie Bek.
292
SOBâSPO.
§ober, zie Natlg.
Soezen, zie Slapen.
Sold)!, zie Jaarwedde.
Somber, zie Duister.
Sommige, zie Kenlge.
Soms, zie Altemet.
Soortgeiyk, zie Ciemksoortlg.
Sparen â besparen â oversparen â uitzuinigen â overleggen. Iets niet gebruiken, teneinde er later genot van te hebben. Bij sparen en besparen behoeft dit laatste nog niet altijd doel te zijn, b. v. spaar hem; dat verdriet heb ik hem maar bespaard. Sparen zegt niets anders dan zuinig omgaan rnet iets, zoodat meti overhoudt; bij besparen heelt men eene bepaalde zaak op het oog, die men voor toekomstig gebruik wil bewaren. Oversparen ziet meer op het overschot, dat men door sparen verkrijgt. Overleggen drukt dit nog sterker uit; het onderstelt een overschot, dat men laat rusten om het in tijd van nood te gebruiken. Uitzuinigen is besparen door zich ontbering te getroosten. Door sparen kan 'men zijn kapitaal verbeteren. Van het loon, dal hij kreeg, wist hij altijd nog een stuivertje tc besparen. Hoewel hij niet veel verdiende, heeft hij toch. nog een aardig sommetje overgespaard. Een arm student weet soms meer uit tc zuinigen, dan gij denken zoudt, om boeken te kunnen koopen. De man leeft zeer zuinig, want hij wil elk jaar wal overleggen voor den ouden dag. De rijkaard legt jaarlijks eene aardige som over.
Sparen, zie Ontzien.
Speelsch, zie Dartel.
Speelziek, zie Dartel.
Spelen, zie Dobbelen.
Spelonk, zie Cirot.
SpUs, zie Eetwaar.
Split, zie Derouw.
Spil tig, z'e Dltter.
Splltlg , zie Darsob.
Spijzen, zie Eten.
Spits, zie Punt.
Spitten, zie Delven.
Spleet, zie Barst.
Splijten, zie Klieven.
Spoed, zie Haast.
293
SPOâSTA.
Spoedig, zie Aanstonds.
Spook, zie Schim.
Spot, zie Hoon.
Spraak â taal. Spraak is het vermogen uitsluitend aan den mensch eigen om zijne gedachten en gewaarwordingen door hoorbare teekenen, spraakklanken of woorden geheeten, aan anderen mede te deelen. Taal heeft een vee! ruimer begrip; het duidt in de eerste plaats het spreken aan, vervolgens wat gesproken wordt, verder de verzameling spraakklanken, waarvan menschen of volken zich bedienen; het omvat behalve de woordentaal alle andere wijzen van uitdrukking waarvan de mensch zich bedient, alsmede de klanken waardoor verschillende dieren zich voor elkander verstaanbaar maken. Zijne spraak is belemmerd. Hij is goed ter tale. I)e gebarentaal. Do taal der oogen, der vingeren. Het schijnt tegenwoordig niet meer aan twijfel onderhevig, dat sommige dieren eene geluidstaai bezitten.
Sprakeloos â stom. Van het spraakvermogen verstoken. Sprakeloos drukt alleen een tijdelijk gemis van dit vermogen uit ten gevolge van ongesteldheid of hevige gemoedsbeweging, terwijl stom eigenlijk een volstrekt gemis er van aanduidt ten gevolge van aangeboren doofheid of een gebrek in de spraakorganen. Bij uitbreiding wordt stom echter in de beteekenis van sprakeloos, zwijgend gebezigd. Stomme rollen. Stomme orgelpijpen. Hij was sprakeloos van verbazing, stom van ontzetting.
Spreekwijze, zie Bewoording.
Sprookje, zie Fabel.
Spruit, zie Hlem.
Spugen, zie Braken.
Spuwen, zie Braken.
Staaf, zie Baar.
Staal, zie Monster.
Staande houden, zie Beweren.
Staat, zie Land,
Staf, zie Stok.
Staken, zie Afbreken.
Stam, zie Bas.
Stamelen, zie Bakkelen.
Stameren, zie Hakkelen.
Standaard, zie Banier.
Standje, zie Beroerten.
Standvastig, zie Bestendig.
Stapel, zie Hoop.
294
STAâSTI.
Staren, zie Zien.
Statig, zie Deftig.
Staven, zie Bekrachtigen.
Steeds, zie Alt(|d.
Steeg, zie Baan.
Steg, zie Baan.
Stelpen, zie Blussclien.
Stelregel, zie Beginsel.
Stemmig, zie Deftig.
Sterk â krachtig â vermogend. Sterk duidt het bezit van weerstandsvermogen aan, krachtig liet bezit van hut vermogen om iets te kunnen uitrichten. Vermogend, op zich zeil gebruikt, duidt meestal aan het bezit van rijkdom, die in staat stelt iets te doen. In de belcekenis van machthebbende heeft het gewoonlijk een adverbium, als veel of weinig, bij zich. De man is zeer sterk van gastel. Een kind kan krachtig zijn en daarom toch niet sterk. Uwe veel vermogende hulp is mij van groeten dienst geweest.
Sterkte, zie Kracht.
Sterven, zie Afsterven.
Sterven â sneven â sneuvelen â onikonien. Alle drukken hel eindigen van het leven uit. Terwijl sterven dit uitdrukt zonder bijgedachte (zie onder Afsterven) hebben de andere woorden de bijgedachte dat de dood het gevolg is van eene niet bepaald natuurlijke oorzaak. Omkomen wordt zoowel van dieren als van menschen gezegd, wanneer de omstandigheden of een geweldadig feit de oorzaak van het sterven zijn. De overige uitdrukkingen zijn aan den figuurlijken stijl ontleend. Sneven, eigenlijk vallen beteekenend, wordt niet anders dan in den deftigen stijl gebruikt. Sneuvelen is de eigenaardige uitdrukking voor het vinden van een geweldigen dood op het oorlogsveld. Hij is aan eene ziekte in het hospitaal gestorven, doch zijne makkers kwamen om door de vermoeienissen van den tocht. In dien slag sneuvelden duizend soldaten. Gebrek doel vele menschen sneven. liet verdriet zal mij doen sneven.
Stichten, zie Aanleggen.
Stichten, zie Aanrichten.
Stichten, zie Bouwen.
St)|f hoofdig , zie Eigenzinnig.
Stijgen , zie Hiimmen.
Stijl , zie Schrijftrant.
Stil, zie Bedaard
Stillen, zie Bevredigen.
295
STIâSTR.
Stip, zio Punt.
Stipt, zie Mauwkeurlg.
Stoel, zie Bank.
Stok â staf. Een afgesneden stam of twijg van een boom. Stok is de algemeene naam hetzij hij dient om op te leunen, hetzij om er iets aan vast te binden. Staf is alleen do stok die als steun dient en verder als teeken van waardigheid; herderstaf, maarschalksstaf.
Stokoud, zie Afgeleefd Stollen, zie Bevriezen.
Stom, zie Sprakeloos.
Stommerik, zie Domoor.
Stomp , zie Bot.
Stoom, zie Damp.
Stoornis, zie Afleiding.
Stooten, zie Brlngen.
Stop, zie Deksel.
Storen (zich), zio Aantrekken (zich).
Storen, zie Belemmeren.
Storten, zie Dalen.
Storten, zie Vallen.
Storten, zie Plengen.
Stotteren, zie Hakkelen.
Stout, zie Dapper.
Stoven, zie Bakken.
Straat, zie Baan.
Stralfen, zie Afstraffen.
Straffen, zie Kastijden.
Straks, zie Aanstonds.
Strand, zie Boord.
Streelep, zie Aaien.
Streelend, zie Aangenaam.
Strekken, zie Blenen.
Stremmen, zie Belemmeren.
Streng, zie Hard.
Streven, zie Pogen.
Stryd , zie CfCvecht
296
STRâTEG.
Stroomen â vlieten. Vlieten wordt alleen van vloeibare, stroomen ook van gasvormige lichamen gebezigd. Stroomen onderstelt altijd eene sterkere beweging dan vlieten; vandaar dat men van een beekje zegt, dat het vliet, van eene rivier, dat zij stroomt.
Strot, zie Keel.
Struikelen, zie Dalen.
Stug , zie Barsch.
Stuiten, zie Afstuiten.
Stuursch, zie Barsoh.
Suizen â rulsehen. Een zacht geluid maken. Door suizen wordt een zachter geluid aangeduid dan door ruischen. Het suizen van den avondwind. Het ruischen van de bladeren. Suizen wordt niet gebruikt van het zacht geluid door het water voortgebracht, ruischen wel.
Sukkelen, zie Beuzelen.
T.
Taal, zie Spraak.
Tafel, zie Dlseh.
Tal , zie Aantal.
Talent, zie Aanleg.
Talent, zie Gaaf.
Talentvol, zie Begaafd.
Talmen, zie Aarzelen.
Talmen, zie Beuzelen.
Talmen, zie Dralen.
Tam, zie Ctetemd.
Tas, zie Koop.
Tasch, zie Beurs.
Te duur (Iets ... gekocht hebben) zie Bekocht. Teekenen, zie Kalen.
Teerling, zie Dobbelsteen.
, Teerkost, zie Eetwaar.
Tegen, zie Jegens.
297
298 â TEG-TICU.
Tegenhouden, zie Afhouden. Tegenhouden, zie Belemineren. Tegenspoed, zie Beproeving. Tegenspoed, zie Druk. Tegenwerping, zie Aanmerhlng. Tegenwoordig, zie Wu. Tegenwoordig CMI11 ' z'e
Tegenwoordig, zie Aanwexend. Tegenzin, zie Afkeer. Teleurstellen, zie Beschamen.
Telg, zie Klem.
Temmen, zie Tam.
Tenger, zie Dun.
Tenzil, zie Wanneer.
Ter dood brengen, zie Dooden. Tergen, zie Sarren. Terneergeslagen, zie Mismoedig. Terstond, zie Aanstonds.
Terug, zie Achterwaarts.
Terug , zie Weder.
Terugdelmen, zie Afdeinzen. Terughouden, zie Afhouden. Terughouden, zie Belemmeren. Terugstuiten, zie Afstuiten. Terugtocht, zie Aftocht. Tcrugwyken, zie Afwijken.
Teug, zie Dronk.
Tengel, zie Breidel.
Teugelloos, zie Bandeloos. Tevreden, zie Gelukkig. Teweegbrengen, zie Aanrichten. Teweegbrengen, zie Berokkenen. Teweegbrengen, zie Bewerken. Thans, zie Nu.
Tichelsteen, zie Baksteen.
TIE-TOE.
Tieren 9 zie Aangaan.
Tieren, zie Bulderen.
T(|tilng, zie Bericht.
Tyns, zie Belasting.
Tikken, zie Beuken.
Tintelen, zie Blinken.
Tobbe, zie Kuip.
Toch, zie Dan.
Tocht, zie Reis.
Toe, zie Dicht.
Toebereiden, zie Aanrechten.
Toebereidselen, zie Aanstalten.
Toedichten, zie Aandichten.
Toegefeiyk, zie Inschlkkciyk.
Toegeven, zie Toestemmen.
Tochooren, zie Aanhooren.
Toekennen Oleli), zie Aanspraak maken
Toelaten, zie Dulden.
Toekennen OiclO, zie Aanmatigend.
Toekomend, zie Aanstaan.
Toelachen, zie Aanlachen.
Toelaten, zie Dulden.
Toelaten, zie «edoogen.
Toeleg, zie Aanslag.
Toeleggen, zie Aanleggen.
Toeleggen OlelO, zie BcvH|tlgen
Toeloop, zie Aanloop.
Toeluisteren, zie Aanhooren.
Toen, zie Als.
Toenemen, zie Aangroeien.
Toereikend, zie «cnoeg.
Toeschouwer, «ie Aanschouwer.
Toeschoven (Hei.), zie Aanmatigen.
TocschUnen, zie Dunken.
Toespraak, zie Aanspraak.
TOEâTOÃ.
Toestaan, zie Bewilligen.
Toestel, zie Gereedschap.
Toestemmen, zie Bewilligen.
Toestemmen â toegeven â beamen. Zeggen dat men hetgeen een ander gezegd heeft als goed en waar erkent. Uij toestemmen kan men zich eerst verzet hebben , bij toegeven is dit altijd het geval. Beamen onderstelt dit niet, het zegt alleen dat men volkomen de woordendoorden ander gesproken goedkeurt, ze wel tot de zijne maken wil. Beamen onderstelt dan ook volstrekt geen voorbehoud, wat bij toegeven en toestemmen wel mogelijk is. Ik geef gaarne toe dal gij in de hoofdzaak gelijk hebt, maar enkele punten vereischen nog nader onderzoek. De beklaagde moest toestemmen dat de zaak zoo geschied was, als de getuige verhaald had. fk beaam ten volle wat de vorige spreker gezegd heeft, slechts op enkele punten is hij niet uitvoerig genoeg geweest.
Toeval, zie Avontuur.
Toeven, zie Belden.
Toevertrouwen, zie Aanbetrouwen.
Tol, zie Belasting.
Ton â vat. Geen begrip is misschien ruimer dan hel begrip vat, dat do ongel ijk slachtigste dingen binnen zijne grenzen heeft toegelaten, onder deze ééne voorwaarde, dat zij iets inhouden konden. De vaten (borden, schotels, enz.) wasschen. Een wijnvat, reukvat, wierookvat, koelvat, zoutvat, botervat, melkvat, de bloedvaten, enz. Figuurlijk; Vrouwen zijn zwakke vaten; uitverkoren vaten d.w. z. geliefde personen, of menschen tot groote doeleinden bestemd. Een gekuipt houten vat, waarop soms een deksel kan gedaan worden, draagt den naam van ton. De pekelton. Soms worden ton en val voor elkander gebruikt; men kan b.v. spreken van eene bierton en van een biervat, maar niet van een wijnton, evenmin van een Ion bier.
Tool, zie Versiersel.
Toom, zie Breidel.
Toomeloos, zie Bandeloos.
Toon, zie Geduld.
Toonen, zie Dag (aan den . . . leggen).
Toonen (aantoonen), zie Wy«en.
Toorn, zie Boosheid.
Toornig, zie Boos.
Toorts, zie Fakkel.
Torsen, zie Dragen.
Touw â HJn â koord â kabel â reep. Van deze verschillende namen voor bindtuig is touw de algemeene naam. Koord is fijner gevlochten,
300
TRAâTWI.
dan louw, lijn is con lang touw dat gebruikt wordt om iets te trekken of vast te houden. Reep is een breed gevlochten touw dat bij paardentuigen en aan boord van schepen gebruikt wordt, terwijl kabel een touw is van aanmerkelijke dikte om zware voorwerpen, als ankers, aan te bevestigen.
Traag, zie Log.
Trachten, zie Pogen.
Traetement, zie Jaarwedde.
Trant â manier â wijze. Alle drie drukken den eigenaardigen vorm uit waarin zich iets vertoont of de richting eener handeling, waardoor deze zich van andere onderscheidt. Manier is een aan het Fransch ontleend woord, dat hetzelfde uitdrukt als de beide andere. Trant is verouderd en alleen in enkele uitdrukkingen nog in gebruik, terwijl wijze het algemeene woord is.
TrcfTen, zie Aandoen.
Treffen, zie Aangaan.
Trek, zie Begeerte.
Treurig, zie Bedroefd.
Treurspel, zie Brama.
Treuzelen, zie Beuzelen.
Trillen, zie Beven.
Trillen, zie Baveren.
Triomf, zie Overwinning.
Trompet, zie Bazuin.
Troon, zie Bank.
Trots, zie Hoogmoed.
Trotseh, zie Hoogmoedig.
Trouweloos, zie Ontrouw.
Tuchthuis, zie Gevangenis.
Tuchtigen, zie Hastyden.
Tuimelen, zie Buitelen.
Tulmeien, zie Nedervallen.
Tuin, zie Hof.
Turen, zie Zien.
Tweedracht, zie Twist.
Twi|felaehtig, zie Buhbclzlnnig.
Twist â ruzie â onmin â onaangenaamheden. Wanneer bij een geschil de woordenwisseling op onaangename wijze door harde en
301
TWIâÃITB.
kwetsende uitdrukkingen gevoerd wordt of wanneer de handelingen der personen ten doel hebben elkander te grieven, dan ontstaan er onaangenaamheden. Geeft dit aanleiding tot het ontstaan van voortdurende rert/ee/d-heid, dan spreekt men van onmin. Wordt de tweedracht zoo groot, dat de partijen zich door hun hartstocht laten boheerschen, en, in hevig geschreeuw of door handgemeen te worden, aan hun toorn vrij spel laten, dan noemt men het ruzie. Twist is eigenlijk hetzelfde als oneenigheid, doch ziet thans meer op het gevolg, op de hevige woordenwisseling, die, wanneer zij zeer luide en vinnig gevoerd wordt, gekijf en krakeel wordt genoemd, terwijl, wanneer men twist of woordentwist er voor gebruikt, hel oog meer gevestigd is op de oneenigheid, die uit de woorden spreekt. Hun geschil gaf aanleiding tot eene minder aangename woordenwisseling. Altijd had zij onaangenaamheden met de meiden, men hoorde gedurig gekijf. Kwam Jan meespelen, dan ontstond er spoedig krakeel, en het eindigde meestal met ruzie. Laat ons dezen twist beslechten door eens moedig saam te vechten, 'tls een huisgezin, waar twist en tweedracht heerscht. Vroeger hadden zij al telkens onaangenaamheden met elkander, thans leven zij geheel in onmin.
Twlaten, zie Kibbelen.
u.
m 9 zie Ajuin.
Vi , zie Grap.
IJlt, zie Bulten.
Uitbarsten â uitproesten. Van lachen gezegd: plotseling in een hevigen lach schieten. Bij uitbarsten van lachen denkt men meer aan een openlijk schaterlachen, terwijl uitproesten meer liet gevolg is van hot willen geheim houden van den lach.
llltbetalen, zie Afbetalen.
Uitbleven â wegblijven. Wie ergens wezen moet, maar er niet heengaat, blijft weg; wie ergens niet is op den tijd, waarop hij verwacht wordt, blijft uit. Verzuimt iemand zonder kennisgeving eene vergadering, die hij geregeld pleegt bij te wonen, dan zullen zijne medeleden zich aanvankelijk zijn uitblijven en vervolgens zijn wegblijven moeielijk kunnen verklaren.
IJltbrelden â verspreiden. Iets, dat tot nog toe binnen eene kleinere ruimte besloten was, eene grootere oppervlakte doen beslaan, liet verschil tusschen beide woorden is hierin gelegen, dat uitbreiden in het algemeen slechts te kennen geeft, dat men iets eene grootere ruimte doet beslaan, terwijl verspreiden daarentegen hoofdzakelijk ziet op het aantal plaatsen, welke men het doet innemen. Daarom gebruikt men bij voorkeur «^breiden
UITBâUITII.
van dingen, die men zich als een geheel denkt, verspreiden van dingen, die beschouwd worden te bestaan uit eene menigte zelfstandige deelen. De nacht breidt zijn sluier uit over de aarde. Hij verspreidt het onkruid wijd en zijd. Napoleon breidde zijn macht over bijna geheel Europa uit.
Uitbreiden (zich) , zie Aangroeien.
IJitdamping, zie Damp.
IJitdeelen, zie Bededen.
ITitdenken â verdichten â verzinnen. â Iets nieuws bedenken, (zie bij Denken-). In uitdenken ligt het denkbeeld van ecne opzettelijke inspanning van het denkvermogen, zoodat men het denkbeeld in alle deelen geordend en voltooid ter uitvoering kan overgeven. Verzinnen ziet meer op hel krijgen eener gelukkige ingeving door de werking van het vernuft of de phantasie. Vandaar dal verzinnen ook de bijbeteekenis heeft van verdichten, dat eigenlijk beteekent iets verzinnen dat niet waar is. Ik zou je nog graag eene mooie geschiedenis vertellen, maar ik weel er heusch geen meer te verzinnen.
IJltdoen, zie Afdoen.
Uitdrukken, zie Aanduiden.
Uitdrukking , zie Bewoording.
Ulteriyk, zie Aangezicht.
Ulteriyk, zie Uitwendig.
Uitgaan (op), zie Afgaan (op).
Uitgang, zie Achtervoegsel.
Uitgave, zie Druk.
Uitgelaten, zie Dartel.
Uitgeleide, zie Geleide.
Uitgemaakt â zeker â gewis. Gewis duidt aan dat de waarheid bekend is, het heeft de bijgedachte dat men zich op iets verlaten kan. Zeker beteekent eigenlijk veilig, gerust; het geeft dus te kennen dat men op iets gerust kan zijn, vertrouwen kan dat iets zoo is; in zijn engste opvatting heeft het de beteekenis van ontwijfelbaar vast slaande, zonder dat er een streng wetenschappelijk beloog noodig is om mogelijke tegenspraak te weerleggen. Hel is zeker, dal de aarde om de zon draait. Uitgemaakt bezigt men bij voorkeur van zulke waarheden, die vroeger niet volkomen vaststonden, doch die op het oogenblik, dat men spreekt, volkomen zeker zijn of voor zeker gehouden worden daar er na nauwkeurig onderzoek een beslissend oordeel is uitgesproken. Het is eene uitgemaakte zaak, dat de zegepraal van socialisme en communisme tot den ondergang der maatschappij zou leiden.
Uitheemsch, zie Buitenlandsch.
Uithouden, zie Doorstaan.
303
UITKâUITT.
ITltklcedcn, zie Ontklcedcn.
Uitlachen â belachen. Uillachen is lachen om eon persoon: de menschen uitlaclien; belachen heeft als voorwerp de daden van iemand: wie eens anders doen belacht geeft op 'l zijne weinig acht.
Uitleggen â omsclirijlen â verklaren. Iets volkomen verstaanbaar maken. Verklaren en uitleggen drukken beide dit uit zonder meer; omschrijven is mot dej voorgaande slechts in zooverre synoniem dat bet ditzelfde beoogt, het begrip is echter in zooverre beperkt dülomschrijven verstaanbaar maken is door de zaak in andere bewoordingen breeder of vollediger uit te drukken. Verklaren is niets anders dan eene duistere zaak helder of duidelijk maken, zoodat men ze gemakkelijk doorzien en begrijpen kan. Uitleggen is door de deelen eener ingewikkelde zaak bloot te leggen maken dat men de zaak gemakkelijk overzien en begrijpen kan.
Uitoefenen, zie Beoefenen.
Uitputten, zie Afmatten.
Uitrekenen, zie Berekenen.
Uitroeien, zie Belven.
Uitschelden, zie Aflaten.
Uitschelden, zie Eindigen.
Uitschieten, zie Afdoen.
Uitschot â uitvaagsel. Uitschot is h^t slechtste van iets; wat wordt uitgeschoten is echter soms nog wel bruikbaar voor bet een of ander; uitvaagsel is datgene wat tot niets meer nut is en wordt weggevaagd. De laatste uitdrukking is dus sterker dan de eerste. In het uitschot en het uitvaagsel der maatschappij hebben beide ongeveer dezelfde kracht.
Uitschrijven, zie Afschryven.
Uitsluiten, zie Uitzonderen.
Uitspanning, zie Afleiding.
Uitsparen, zie Besparen.
Uitstaan, zie Boorstaan.
Uitstappen, zie Afst(|gen.
Uitstel, /io Afstel.
Uitstel â verwijl â vertoef â oponthoud. De vertraging om iets te doen wordt, wanneer zij door eigen toedoen mot doel om hetzelfde later te doen geschiedt, uitstel genoemd. Verwijl is het dralen en daardoor tijd verliezen, bij vertoef blijft de persoon, die iets moet verrichten om iets dat hem meer aantrekt zich ophouden op dezelfde plek en komt niet terstond tot de uitvoering, terwijl oponthoud cene vertraging is die ook door toedoen van anderen kan veroorzaakt zijn.
Uittrekken, zie Afdoen.
304
UIT VâVAD.
Ullvaagsel, zie lT|fschot.
Uivaren, zie Aangaan.
Uitvinden, zie Ontdekken.
IJltvoeren, zie Bewerken.
Uitvoerig, zie Oinslaelitig.
Uitwaseming, zie Damp.
Uitwendig â uiterlijk. Uitwendic/ is datgene wat naar buiten gekeerd is, uiterlijk wat zicli op de oppervlakte bevindt. Uitwendig ziet dus meer op eene beweging buitenwaarts, uiterlijk op de oppervlakkige vertooning. Een oppervlakkig beoordeelaar oordeelt naar het uiterlijk. Uitwendige of schijnbare oorzaken. Uitwendige geneesmiddelen.
Uitwerken, zie Bewerken.
Uitwinnen, zie Besparen.
Uitzet, zie Bruidschat.
Uitzetten (zich), zie Bijen.
Uitzinnig , zie Krankzinnig.
Uitzonderen â uitsluiten. Hij uitzonderen staat het denkbeeld van bet scheiden van een of meer van de rest op den voorgrond; bij uitsluiten liet niet toelaten van (fe nitgeslotenen tot dat waartoe anderen worden toegelaten Vandaar dat uitzonderen in goeden en kwaden zin kan genomen worden.
Uitzuinigen, zie üparen.
V.
Vaak , zie Bikw^jls.
Vaan, zie Banier.
Vaandel, zie Banier.
Vaardig , zie Vlug.
Vaderland â moederland â geboortegrond â geboorteland. Vaderland, geboorteland, geboortegrond duiden in het algemeen genomen bet land aan waar iemand geboren is, terwijl moederland het land is van waar kolonies of volkplantingen zijn uitgegaan; de verhouding van deze tot het land van waar zij uitgegaan zijn wordt dan gedacht als van de kinderen tot hare moeder. Geboortegrond is van de eerste woorden bet meest beperkte begrip, het duidt de plek aan waar iemand geboren is, terwijl geboorteland een ruimer kring aangeeft. Geboorteland en vaderland verschillen in dit opzicht, dat bet eerste woord zich bepaalt tot hel feit, dat
SYNONIEMEN. 20
VADâVEL.
iemand in hot land geboren is, terwijl vaderland onderstelt dat men het zoo noemt omdat men door banden van bloed en van liefde, door taal en zeden er mede verbonden is. De zoon van den balling, als bij in den vreemde geboren is zal zijn geboorteland zelden zijn vaderland noemen.
Vailsig, zie Igt;og.
Val, zie Ondergang.
Vallei , zie Dal.
Tallen â tuimelen â afvallen â aftuimelen â nedcr-vallen â storten â afstorten â nederstorlen â struikelen.
Vallen is eene nederwaartsche beweging maken, die niet van den'wil afhankelijk is, doordat een lichaam aan de aantrekkingskracht van de aarde gehoorzaamt zonder dat deze door eenige andere kracht gebroken wordt. Struikelen is door het een of ander aan ol voor onzen voet lot vallen komen, doch den val door eigen kraebt breken. Tuimelen is eigenlijk omvallen. Is de hoogte van den val aanmerkelijk, en heeft bot vallen dus met eenige snelheid plaats, dan gt;preekt men van storten. Worden deze woorden verbonden met neder, dan wordt bet begrip van boven naar beneden er door versterkt. Worden zij met het voorvoegsel af- verbonden, dan drukt men hierdoor uit de verwijdering van de plaats of de hoogte, waar zich het voorwerp bevond. In figuurlijken zin is vallen sterker dan struikelen; wie struikelt kan zich in zijne eer herstellen, wie (/ewfe/Zen, is blijft geschandvlekt.
%'alseli, zie Onecht.
Vangen, zie Grijpen.
Vangen, zie Betrappen.
Vast, zie Bestendig.
Vasthechten, zie Bevestigen.
Vastmaken, zie Bevestigen.
Vaststellen, zie Bepalen.
Vat, zie Ton.
Vatbaarlieiil, zie Aanleg.
Vatten, zie Cirijpen.
Veder, zie Pluim.
Vee, zie Beest.
Veelheid, zie Aantal.
Veelkleurig, zie Bont.
Veer, zie Pluini.
Veilen, zie Afslaan.
Vellen, zie Verknopen.
Vel, zie Buld.
300
VELâVER.
Vel, zio lllad.
Veld , zie Akker.
Velilhewoner, zie Akkerman.
Veldwaclifer, zie lllender.
Veleiiiande, zie Allerliaiule.
Velerlei, zie Allerhantle.
Vennoot , zie Deelgenoot.
Venter, zie llaiulclaar.
Veraarden, zie Ontaarden.
Veranderen, zie Wijzigen.
Verantwoordelijk, zie Aansprakelijk.
Verantwoording, zie Rekenseliap.
Verband, zie Betrekking.
Verlianning, zié llalllngseliap.
Verbasteren, zie Ontaarden.
Verbazen, zie Revreemden.
Verbeelden C'irli^, zie Inbeelden f/lcli).
Verbelden, zie Afwaebten.
Verbetcrlmls, zie Oevangenls.
Verbintenis, zie Belofte.
Verblijf, zie Oponthoud.
Verblijf, zio Woning,
Verbloemen, zie Bedekken.
Verbolgen, zie Boos.
Verbolgenheid, zie Boosheid.
Verbond, zie Verdrag.
Verborgen, zie Buister.
Verbreiden â verspreiden â verstrooien. Iets over ceno grootere niimle brengen dan het eerst besloeg, iiij verbreiden veronderstelt men dat lt;lo samenbang van liet gebeel bewaard blijft. Bij de amloro woorden is dit met bel geval. Kij verspreiden denkt men aan eene moer regelmatige uileon-brenging waarbij men weet, waar, hetgeen men verspreidt, blijft, terwijl uw-slrooien meer is naar alle kanten, her- en derwaarts verspreiden, zonder dat men weet waar hot gestoven is.
Verbreken, zie Breken.
Verbrijzelen, zie Breken.
Verdeden, zie Afdeelen.
30?
'20*
VEtl.
Verdenking, zie Aclitcrdochf.
Verdichten, zie Uitdenken.
Verdlehtsel, zie Fabel.
Verdienen â waardig zijn â waard zijn. üezn woorden drukken uit dat goede of slechte eigenschappen of daden aanspraak geven op goed of kwaad loon. Verdienen ziet moer op liet om goede of slechte daden recht hebben op beloonintf of straf. Waardig of waard zijn ziet meer op de hoedanigheden en eigenschappen. De laatste uitdrukking wordt zoowel van zaken als van personen gebezigd, do beide eerste alleen van personen. Waardig zijn zegt men alleen van iels goeds, waard zijn an verdienen ook van iets kwaads. Belooning, straf verdienen, hen goed arbeider in zijn loon waard. Hij is waard gehangen te worden. Dal laas is mij geen drie duizend gulden waard. Hij is dezen lof ten volle waardig.
Verdoen, zie Doorbrengen.
Verdolen, zie Afdwalen.
Verdoofd, zie Bedwelmd.
Verdorren, zie Verwelken.
Verdrag â overeenkomst â verbond. Overeenkomst is de handeling, waarbij twee partijen zich jegens elkander verbinden eene bepaalde regeling van zaken te zullen eerbiedigen. In kanselarijstijl wordt hiervoor ook gebruikt conventie; worden door zulk ecne overeenkomst tusschen twee staten of hunne souvereinen geschillen voorkomen of geregeld, dan draagt zij den naam van verdrag of tractnat. Vereenigen personen of staten zich mot een bepaald dool, waartoe zij zich bij verdrag verbinden, dan noemt men dit een verhond of alliantie. Er was eene (jehcimeovereenkomst tusschen Frankrijk en Spanje gesloten ten opzichte van de troonsopvolging. Thans wordt er weder een handelsverdrag vooiyesleld. Bij het verdrag van Jglau werd Sigismund ah koning van Bohemen erkend. Het handelstractaat met Frankrijk werd door de tweede kamer afgestemd. Het verhond der edelen. De vorsten van het Rijnverbond. De triple alliantie.
Verdragen, zie Doorstaan.
Verdriet, zie I-iced.
Verduisteren, zie Betrekken.
Verduren, zie Doorstaan.
Verdwalen, zie Afdwalen.
Vereenigen, zie Samenvoegen.
Vereenlglng, zie Bond.
Vereeren, zie Aanbidden.
Vereeren, zie ISeven.
Vereerend, zie Eervol.
308
VER.
Vergaderen â verz.iiinel«'n. In vergaderen lii,rl hel denkbeeld van bijeenbrengen van zaken, die van dezelfde soort zijn, in verzamelen dal van dicht bij elkander of lot een lioop brengen, bijeenbrengen van zaken, die eikander minder gelijk zijn. Men verzamelt oudheden, rariteiten enz.; men vergadert munten, penningen. Men kan schelpen vergaderen en schelpen verzamelen. In de meeste gevallen bestaal er geen onderscheid in beleekenis.
Vergeeflijk â verselioonbaar. Beide woorden geven te kennen dal iemand iets niet envel behoeft geduid te worden. Wanneer men vergeef elijk gebruikt, geeft men te kennen dat er geen kwaad in de daad slak, zoodat er van straf geen sprake mag zijn. Dij verschoonbaar geefl men alleen te kennen dat de omstandigheden de daad minder stafwaardig maken, dan zij schijnt. De misdaden der Nihilisten in Rusland zijn misschien tot op zekere hoogte verschoonbaar, maar vcrgeellijk zijn zij zeker niet. Minder gebruikelijk is versehuonlijk in den zin van verschoonbaar.
Vergelden, zie Beloonen.
Vergelijking, zie Gciykenl».
Vergen, zie Eischcn.
Vergenoegd, zie Cielukkig.
Vergezellen, zie CSelctde.
Vergissing, zie Jtwaling.
Vergrammen, zie Belgen.
Vcrgr\|p, zie Misdaad.
Vergrooten, zie Overdrijven.
Vcrgrul»en, zie Kreken.
Verguizen, zie Belcedigen.
Vergunnen, zie Bewilligen.
Verhaal, zie Fabel.
Verhaasten, zie Bespoedigen.
Verhalen, zie Berichten.
Verhard, zie Hardnekkig.
Verheuging, zie Blijdschap.
Verheven, zie Hoog.
Verhinderen, zie Afhouden.
Verhindering, zie Belemiiierlng.
Verhoeden â verijdelen â voorkomen. Een ander verhinderen aan zijn voornemen uitvoering te geven door maatregelen te nemen, die het hem onmogelijk maken om de hand aan het werk te slaan. Voorkomcti drukt uit dat men voor is in het handelen, verhoeden dat men de schade, die door de daad van een ander zou kunnen ontslaan, afweert duur de daad
309
VER.
te verhinderen. Verijdelen geiifl Ic kennen dal men, hetgeen gedacht of gedaan was, eigenlijk te niet dool. Men verhoedt een aanslag; men verijdelt een ontwerp. Verhoeden ziet alleen op de uitvoering, verijdelen ook op de onderneming zelve. Wanneer men iemands misdadige plannen verijdelt, dal wil zeggen: ze belet tut rijpheid te komen, dan behoeft men er later niet meer tegen op zijne hoede te zijn. Verhoeden slaat ook voor beletten. Indien er een algemoene Europeescho oorlog mocht uitbreken, wat God verhoede!
Verholen, zie Duister.
Ter()delcn, zie Verhoeden.
Verkeer, zie Omgang.
Verkeerd, zie Avcreclits.
Verkeering, zie Omgang.
Verklappen, zie Verklikken.
Verklaren, zie llltleggcn.
Verklaren, zie Beduiden.
Verkleefd, zie iHchcclit.
Verkleuren â verschieten. De kleur verliezen, lüj verschietvn denkt men meer aan verhleeken dan bij verkleuren, vandaar dat bet ook in den zin van bleek worden gebruikt wordt. De man verschoot kan men zeggen voor verbleekte, maar niet de man verkleurde. Van stoffen gebruikt, is verschieten sterker dan verkleuren.
Verklikken, zie Aanbrengen.
Verknocht, zie Gehecht.
Verknocht ztyn, zie Annkleven.
Verkoelen, zie Afkoelen.
Verkoopen â veilen. Vcrkoopen is iels voor een zekeren prijs aan anderen overdoen. Veilen is in bel openbaar bij opbod en afslag verkoopen; verkrijgbaar stellen voor den meestbiedende.
Verkrijgen, zie Behalen.
Verkrijgen, zie Bekomen.
Verkwikken, zie I^avcn.
Verkwisten, zie Doorbrengen.
Verlagen (zich) â vernederen (ziclO. Zich vernederen wordt zoowel in goeden als in kwaden zin gebruikt. Wanneer het in goeden zin gebezigd wordt is het synoniem met zich verootmoedigen (zie ootinocdig). Zich verlagen wordt alleen in slechten zin gebruikt en is sterker dan zich vernederen. Men vernedert zich door beneden zijne waaidigbeid te bandelen ol te spreken; men verlaagt zich door iets te doen, dal de zedelijke waarde vau den mensch vermindert.
310
VER.
Verlangen, zie Aanzoek.
Verlangen, zie Hegcerte.
Verlangen, ziu Begeeren.
Verlangen, zio IClselien.
Verlaten (zich op), zie llouiven (op).
Verlaten, zie Begeven.
Verlecnen, zie Keven.
Verlegen, zie Belt;lee»ilt;l.
Verletten â verzuimen. Beide woorden geven Ie kennen dat men iets laat voorbijgaan of iets verloren laat gaan door nulatigheid. Verletten wordt vooral gezegd van liet verliezen van lijd door niets Ie doen of door iets Ie doen, dat nutteloos is, terwijl l)lj verzuimen meer aan hot nalaten van lielgeen men veridicht was gedacht wordt.
Verllelitlng â beschaving. Verlichting en beschaving staan tot elkander in de verhouding van oorzaak en gevolg. De opklaring van het versland (verlichting) leidt tot veredeling van hel gemoed, lot afkeer van gemeenheid en ruwheid {beschaving). Hoe zeer do klassieke oudheid van die waarheid doordrongen was, bewijst de bekende spreuk: t)c gelukkige beoefening der vrije kunsten maakt de -eden zacht en verjaagt de har-baarschhoid.
Verlies, zio Afbreuk.
Verloochenen, /.ie Afzweren.
Verlossen, zie Hu vrij den.
Vermaak, zie lllijschap.
Vermaard, zie Befaamd,
Vermageren, zie Afvallen.
Vcrmeenen, zie Acliten.
Vermeerderen, zie Aangroeien.
Vermeesteren, zie Bevangen.
Vermeten (ziclf), zie Durven.
Vermijden, zie Iflijden.
Verminderen, ziu Afnemen.
Vermits, zie Aangemerkt.
Vermoeden, zie Achten.
Vermoeden, zie Oissen.
Vermoeid, zie JTIoede.
Vermoeien, zie Afmatten.
VER.
Vermogen, zie Ciaaf.
Vermogen, zie Have.
Vermogen, zie Hraclif.
Vermogend, zie Sterk.
Vermogend, zie Oegoed.
Vermoorden, zie Dooden.
Vermorzelen, zie Breken.
Vernederen, zie Verlagen.
Vernemen, zie Hooren.
Vernuft, zie Geest.
Vernuftig, zie Aardig.
Veronderstellen, zie Gissen.
Verongel)|ken, zie Beleedlgen.
Verontwaardiging, zie Boosheid.
Veroordeelcn, zie Afkeuren.
Veroorloven, zie Bewilligen.
Veroorloven, zie Gedoogen.
Veroorzaken, zie Aanrichten.
Veroorzaken, zie Berokkenen.
Verpanden, zie Beleenen.
Verpletteren, zie Breken.
Verplichting, zie Bankbaarheld.
Verrassen, zie Betrappen.
Verrassen, zie Bevreemden.
Verrassen â overrompelen â overvallen. Tot iemand komen ot' zich van iels meester maken zonder dat de persoon, die er het voorwerp van is of te wiens nadeele liet geschiedt, zulks van te voren vermoedt. Bij verrassen heeft men meer de snelheid op het oog, waarmede het geschiedt, bij overrompelen het onverwachte en het onaangename voor den persoon, die overrompeld wordt, terwijl oueruaHen behalve het onaangename ook eene zekere mate van heftigheid der beweging veronderstelt. Terwijl bij overvallen het plotselinge op den voorgrond slaat, wordt overrompelen meer gebezigd voor een overvallen, waarvan eene verwarring hot gevolg is, met welke verwarring de aanvaller zijn voordeel tracht te doen.
Verrichten, zie Bedrijven.
Verrotting, zie Bederf.
Verrullen â verwisselen. Iets voor iels anders in de plaats geven. Verruilen is eene handeling, die tusschen twee personen plaats heeft; bij
312
VER.
verwisselen dal b.v. bij vergissing kan geschieden, worden voorwerpen door elkander vervangen, ten gevolge van de liandeling van een persoon. Het kan dus geschieden builen weten van de eene partij en zonder dat men er vergunning toe heeft. Bij ruilen is dit noodzakelijk. Knapen verruilen dikwijls hunne griffels voor knikkers. Men verwisselt bij ongeluk zijn hoed legen dien van een ander. Zie Afwisselen.
Vcrrukkeiyk, zie Heerlik.
Verrukken, zie Bekoorcn.
Verrukking, zieBiydschap
Versaagd, zie Bloode.
Versch, zie Frlsch.
Vcrsch, zie Jfong.
Verschaffen (jelciO, zie Aanscliallcn
Verschalken, zie Bedriegen.
Verschelden, zie Afsterven.
Verschelden, zie Allerhande.
Verscheidene, zie Eenlge.
Verschieten, zie Verkleuren.
Verschoonbaar, zie Vcrgecfli|k.
Versohoonen, zie Ontzien.
Verschoonlijk, zie Vergeeiiyk.
Verschrikkeiyk, zie Afgrysclijk.
Versiersel, zie Tool.
Versiersel â sieraad â opschik â tooi. Middelen die men aanwendt ten einde de schoonheid van iels te verhoogen. Tooi en opschik drukken meer een collectief begrip uit en worden in eigenlijken enliguur-lijken zin gebezigd, met de beteekenis van kleeding. Tooi wordt gezegd van datgene, wat inderdaad de schoonheid verhoogt, opschik van datgene wat bont en schitterend is zonder innerlijke waarde, en is een gevolg van gebrek aan goeden smaak. Het is dwaas om zich met allerlei opschik van linten en strikken le tooien. De bruidstooi. Sieraad en versiersel hebben dit collectieve begrip niet; sieraad wordt alleen in goeden zin gebezigd voor elke zaak, die de uiterlijke schoonheid in de innerlijke waarde van iels verhoogt, zoowel in eigenlijken als in figuurlijken zin. Versiersel is elk middel, dat dienen moet om de schoonheid te verhoogen, maar terwijl men door het woord sieraad te gebruiken aanduidt dat dit doel bereikt wordt, kan men dit in het midden lalen, wanneer men versiersel bezigt. Zedigheid is een sieraad der bruid. Men moet aanwenden wat lol sieraad dienen kan, doch vele versierselen schaden. Hij is een sieraad van het land.
313
VER.
Verslaan, zie Doodcn.
Vvrüiiytcii, zie AfSIijten Versperren, zie Helemmeren.
Verspillen, zie noiirlirengen.
Verspreiden, zie llllhreiden.
V erspreiden, zie Verbreiden.
Verslaan, zie Begrijpen.
Verstaanbaar, zie Begri|pcli|k.
Verstand, zie Geest.
Verstandig, zie Geleerd.
Versteld, zie Verlegen.
Verstoren, zie Belgen.
Verstouten C®lc'0» Burven.
Verstrooid, zie Afgetrokken.
Verstrooid, zie Gedaehten (in).
Verstrooien, zie Verbreiden.
VerstrooiSng, zie Afleiding.
Vertalen â vertolken. Ken geschrift in eene voor een ander verstaanbare laai overbrengen. Verluien is uit eene vreemde in de eigen (aal iets overbrengen; vcrlulkcn kan behalve voor vertalen ook gebruikt worden voor het in eenvoudiger taal mededeelen wat dengene, wien men iets vertolkt, in het oorspronkelijke, ai was dit ook zijne eigene taal, niet duidelijk was.
Verte, zie Afstand.
Vertegenwoordiger, zie Afgevaardigde.
Vertelling, zie Fabel.
Vertelsel, zie Fabel.
Verteren, zie Doorbrengen.
Vertoef, zie Uitstel.
Vertolken, zie Vertalen.
Vertoog, zie Betoog.
Vertoonen OlelO, zie Aanbieden (zlelO,
Vertoornd, zie Boos.
Vertoornen, zie Belgen.
Vertrek, zie Kamer.
Vertrek, zie Aftocht.
Vertrekken, zie Afreizen,
3!4
VER. 3! 5
Vertrouwen (opgt;, zie Bouwen (op).
Vervaardigen, zie Bedrijven.
Verval, zie Mrinkgeld.
Vervallen, zie Afnemen.
Vervangen, zie Aflossen.
t ervangen, zie Afwl^elen.
Vervoering, zie «eestdrllt Vervullen, zie Bouden.
Verwaand, zie Ãlgenwijs.
Vcrwnand, zie Boogmoeilig.
Verwachten, zie Af'waeliten.
Verwant, zie Aanverwant.
Verwekken, zie Berokkenen
Verwelken ââ verdorren. Verwelken ziet op eene verminderin'' in schoonheid, fi'ischheid en kracht; verdorren op hel geheel opdrogen der levenssappen en daaruit voortvloeiend versterven. Een boom vordert; bloemen verwelHen. tene verwelkte «choon/ieid.
Verwerven, zie Bekomen.
Verwerven (kIcIi), zie Aansehairen.
Verwijderd, zie Afgelegen.
Verwijl, zie Uitstel.
Verwijt, zie Blaam.
Verwl^elen, zie Afwisselen.
Verwisselen, zie Verrullen.
Verwittigen, zie Bcrlehten.
Verwittigen, zie IVaarseliuwen.
Verwoed, zie Bol.
Verwonderen, zie Bevreemden.
Verwonderlijk, zie Bijzonder.
Verzaken, zie Afzweren.
Verzamelen zie Vergaderen.
Verzekeren, zie Bekrachtigen.
Verzetten (zich), zie Aankanten (zlcli).
Verzinnen, zie Uitdenken.
Verzoek, zie Aanzoek.
VER-VLU.
Verzoeken, zie Elschen.
Verzoeking, zie Aanvechting.
Verzoenen, /.ie Bevredigen.
Verzuimen, zie Verletten.
Vet, zie Smeer.
V(iandi«clii»p, zie Afkeer.
Villen, zie Afhalen.
Vim, zie Ciarf.
Vinden, zie Aantreffen.
Vinnig, zie Bitter.
Vlag , zie Banier.
Vlak, zie Kflcn.
Vlecschhouwcr, zie Slager.
Vielen, zie Fleemen.
Vlerk â vleugel â wiek â pennen. Lichaamsdeel der dieren dat hen dient om te vliegen. Vleugel is in het algemeen een werktuig om te -vliegen; vlerk stelt meer het bevederde lichaamsdeel op den voorgrond. Wiek is meer het lichaamsdeel ter krachtige beweging en wordt bij voorkeur in deftigen en figuurlijken zin gebruikt. Uitsluitend is dit het geval met pennen.
De algemeere benaming is vleugel, zoowel bij insecten als bij vogels. De andere benamingen worden voor insecten niet gebruikt. Ook in figuurlijke taal worden aan personen en aan wind, liefde enz. wel vleugelen ol'wieken, geen derken, toegeschreven. Dc vrees maakt iemand vleugelen. Alleen op eigen wieken drijven, iemand kortwieken, een gewiekt geluid, hierbij wordt voor wiek nooit vlerk gebruikt.
Vleugel, zie Vlerk.
Vlieden, zie Mijtien.
Vlieden â vluchten. Snel ontwijken. In vlieden, dat in de gewone spreek- en schrijitaal minder in gebruik is, ligt meer dan in vluchten hol denkbeeld van snel ontwijken. Eene aldeeling soldaten kan b.v. uit eene stelling, die onhoudbaar geworden is, vlieden om terstond in eene nieuwe stelling den strijd voort te zetten. Aan vluchten is hel denkbeeld van vrees verbonden.
Vlieten, zie ütroomen.
Vlijt, zie Ernst.
Vlijt, zie IJver.
vmtig , zie Arbeldxaam.
Vloeibaar, zie Dun.
Vluchten ? zie Vlieden.
VLÃ-VOL.
Vlug â gauw â gezwindâ rap â rascli âsnel â vaardig.
Deze woorden duiden het vermogen van een lichaam aan om zich met snelheid to bewegen of in korten tijd iets te verrichten. Snel ziet meer op den spoed, vlur/ op de gemakkelijkheid der beweging. Gawu) is sterker dan vluy, men zal eer gebruiken iemand te gauw zijn, dan iemand te vlug zijn; het wordt meesl in minder gnnstigen zin gebezigd. Gezivind zag oorspronkelijk op de kracht, waarmede iets gedaan werd, maar heelt allengs daarmede verbonden het begrip van groole vlugheid. Jiap heeft hoofdzakelijk betrekking op den lichaamsbouw, dio tot kloek en snel handelen in staat stelt. Men zegt zoowel rappe leden als rap ter heen. Batch heeft betrekking op spoed, die niet altijd liet gevolg van bedaard nadenken is, van daar dal rasch soms in beteekenis nadert tot. overijld. Waar vaardig als synoniem met vlug gebruikt wordt, ziet het vooral op handigheid aan vlugheid verbonden. Wat is sneller dan hel licht? Vlug als eene hinde. Een vlugge knaap. Gauw als water. Met gezwinden pas. Die rassche daad zal u herouwen. Dat meisje is vaardig met de naald.
Vlug , zie Aanstonds.
Vlug, zie Ciauw.
Vlug (JbW')gt; zie Haastig.
Vochtig, zie Duf.
Vochtig, zie Nat.
Voedsel, zie Aas.
Voedsel, zie Eetwaar.
Voegen, zie Bchooren.
Voegzaam, zie Betaniel(|k.
Voeren, zie Brengen.
Voerman â koetsier â wagenmenner. Alle drie duiden den persoon aan die het bestuur over de paarden heeft, die voor een wagen gespannen zijn. Wagenmenner is verouderd en wordt alleen gebruikt om degenen aan te duiden, die de strijdwagens der ouden bestuurden. De wagenmenner van Achilles. Terwijl voerman eiken bestuurder der paarden aanduidt doch meer gebruikt wordt om den paardenmenner van een lastwagen aan te duiden, wordt koetsier meer bepaald gebruikt voor dengene, die de paarden van eene koets ol rijtuig moet besturen.
Volbrengen, zie Afdoen.
Volbrengen, zie IVakomen.
Volbrengen, zie Bewerken.
Volbrengen, zie Kindlgen.
Voldoen, zie Afbetalen
Voldoen, zie Betalen.
Ml
VOLâVOO.
Voltlocn, zie Bevredigen.
Voldoende, zie 4gt;eiioeg.
Voleindigen, zie Kindigen.
Volgeling, zie Aanhanger.
Volgen, zie Aanlinngen.
Volgxaam, zie Inscliikkelijk.
Volharden, zie Aanhouden.
Volhouden, zie Aanhouden.
Volk, zie Nalic.
Volkomen, zie Volledig.
Volkrijk, zie Bevolkt.
Volksvertegenwoordiger, zie Afgevaardigden.
Volledig â volkomen â volmaakt. Volledici is datgene, flat uit, afzonderlijk te beschonwen leden of deelen liestaande geen zijner deelen mist; volmaakt lielgeen voltooid, afgewerkt, voleindigd is, waaraan dus niets meer ontbreekt. Kunt gij mij nok een valledilt;/en jaaryany van de Haarlemsche Courant bezorgen^ Hij is een volmaakt ridder. Volkomen is waaraan niets ontbreekt, dat zoo is als bel behoort of als men zich voorstelt. Ik hen volkomen gezond, Eene volmaakte gezondheid. Een volkomen vierhoek. Bij uitbreiding drukken volkomen vohnddlcl bot vnlstrekt bezit der eigenschap uit, die men aan iets toekent.
Volmaakf, zie Volledig.
Voltooien, zie Kindigen.
Voltrekken, zie Aangaan.
Volvoeren, zie Bewerken.
Vonkelen, zie Blinken.
Vonnis, zio Oordeel.
Vooral, zie Bovenal.
Voorhaat (bij) â voorhand*) â voorloopig. Bij voorhaal : vooraf, van te voren; eigenl. voordat men gerechtigd is genot, of bate van iets te hebben; voorhands wat voor do hand is in betrekking tot den tijd, derhalve hetzelfde als Ihaux, doch met hot oog op den tijd, die volgt, wanneer er gelegenheid voor nader onderzoek zal zijn, gebezigd; vandaar zonder onderzoek voor het ongenblik, doch nader onderzoek voorbehoudende; voorloopig tijdelijk, voordat de zaak afdoende geregeld is, nadere regeling voorbehoudende. Iemand hij voorhaal zijn dank betuigen, voordat hij ons nog aan zich verplicht beeft. In de voorhaal zijn, een ander voorkomen. Voorshands neem ik zijne veronlsehulding aan, later zal ik wel eens zien wat er van de zaak is. Voorloopig is hel nu zoo geregeld in afwachting dat de
31«
VOO,
minister nader beslissen zal. De voorloopüje regeering, de regeering, die de zaken gaande houdt in afwaciiting van de verkiezing van een definitief bewind.
Voorbericht â voorrede. Het woord vooraf, dat de schrijver van een werk lot zijne lezers richt, liet verschil is in de woorden bericht en rede gelegen. Ken voorbericht is altijd kort, eene voorrede kan lang zijn. Geen voorrede maar alleen een kort voorbericht. (Voorwoord is een Germanisme cn, volgens een onzer letterkundigen, veen oor noord.quot;)
Voordeel, zie Haaf.
Voordeellg, zie Ratig.
Voordoen, zie Aandoen.
Voordracht â aanhevelins. Voordracht is eene gewoonlijk bij do wet voorgeschreven en door een daartoe aangewezen persoon of college (b v. burgemeester en wethouders) opgemaakte lijst, bevattende de namen van die personen, waaruit eene keus gedaan moet worden (b.v. door den gemeenteraad) ter vervuiling van de eene of andere betrekking. Kene niet door de wet voorgeschreven voordracht, buiten welke om decnoods kan gekozen worden, wordt aanbeveling genoemd.
t oorgeslacht â voorouders â voorvaderen, liet eerste dezer drie woorden hoeft de i/uimste beteekenis : hol noemt al degenen, die vóór ons geweest zijn of gewoond hebben in het land, waar wij leven. Voorouders geeft bovendien te kennen, dat het thans levende geslacht van hen afstamt. Voorvaderen (vaderen) behoort meer tot den hoogeren stijl, bet heeft zoowel de beteekenis der beide eerste als van hel laatste woord. Hofdijk schreef de geschiedenis van ons voorgeslacht. Hij stamt van doorluchte voorouders. Onze vaderen streden tachtig jaar voor hunne onafhankelijkheid.
Voorgeven â voorwenden. Zegt men, dat iemand iets voorgeefl, dan trekt men de waarheid van zijne woorden in twijfel; zegt men, dat hij iets voorwendt, dan weigert men hem geloof en denkt daarbij dat bij dat slechts zegt om iets anders onbemerkt of ongestraft te kunnen doen. Hij geefl voor nog eerst twintig jaar oud to zijn. Vorsten en staatslieden ivoten behendig ziekte voor te wenden, om zich van eene onaangename taak te verschonen.
Voorhanden, zie yVamvczend.
Voorheen, zie Kcrtijds.
Voorlngenoinenlieid, zio Voorkeur.
Voorkeur â voorliigenomeiiheld â voorliefde. Hoewel soms voor elkander gebruikt is voorkeur eigenlijk een gevolg van voorliefde en vooringenomenheid. Voorliefde is hot gevoel van liefde en welgevallen dat zich voor eene bepaalde zaak sterker doet gevoelen dan voor andere. Vooringenomenheid is niet zoo sterk, bet drukt eene gunstiger stemming nit voor eene zaak dan voor andere on veronderstelt eenzijdigheid of partijdigheid. Door de gevoelens, die de voorliefde dool ontstaan, kan men voorkeur voor iets hebben, doch dit is niet noodzakelijk. De voorkeur is
319
VOO.
de keuze, waarbij men eene zaak boven andere stelt ten gevolge van verstandelijke redeneering. Hoewel hij voorliefde voor het buitenleven heeft, geeft hij de voorkeur aan een verblijf in de stad, ten einde de opvoeding zijner kinderen te kunnen voltooien..
Toorkonien, zie Verhoeden.
Voorkomen, zie Dnnken.
Voorliefde, zie Voorkeur.
Voorloopig, zie Voorbant OMD-
Voornaam, zie Aanzienlijk.
Voornemen, zie Doel.
Voornemen, zie Aanslag.
Voornemen, zie Besluit.
Vooroordeel, zie Dwaling.
Voorouders, zie Voorgeslacht.
Voorrede, zie Voorbericht.
Voorschrift, zie Bevel.
Voorshands, zie Voorbaat (M|).
Voorslag, zie Voorstel.
Voorspannen, zie Aanspannen.
Voorspellen, zie Aankondigen.
Voorspoed, zie Welstand.
Voorspoed, zie Heil.
Voorstaan, zie Aanhangen.
Voorstander, zie Aanhanger.
Voorstander â voorslag. Een plan , dat men aan iemands oordeel onderwerpt om er zijne goedkeuring op te erlangen. Voorstel en voorslag verschillen hierin, dat een voorstel een aanbod onderstelt, dat wel overwogen is of opzettelijk gedaan wordt; dit is minder het geval bij voorslag, dat soms zelfs een denkbeeld kan beteekenen, dat volstrekt niet gemeend is en maar uit de grap wordt gezegd.
Voorstellen (»lch), zie Aanschouwen.
Voorstelling â begrip â denkbeeld â Idee. De beelden, die zich in onze ziel vormen van hetgeen buiten ons is, noemt men voorstellingen. Begrip is het met ons verstand vatten van den inhoud eener voorstelling. Terwijl bij voorstelling meer gedacht wordt aan het vormen van een beeld van wat buiten ons in de wereld gelegen is of er gedacht wordt, verstaat men onder idee meer de voorstelling, die door onze rede in het leven wordt geroepen. Denkbeeld is het algemeene woord voor elk beeld dat onze gedachte zich vormt. (Zie ook Bedunken).
320
vooâvRi-:.
VooHdiircn, zie Annlioiidcn.
Voortdurend, zio Aanlioudcnd.
Voortgaan â voortvaren. Mot iets aanhouden. Het tweede woord zegt meer dan liet eerste; liet onderstelt eene lioogere mate van ernst, eene soort, van drift om datgene, waar men aan bezig is, tot. een goed einde to brengen, wat bij voortgaan niet altijd bet geval is. Als tegenw. deelw. wordt bet alleen in overdracbtelijken zin gebezigd; bet eerste woord wordt zulks niet. Eene voorIrjaande beweging. Een voortvarend man.
Voortvaren, zie Voortgaan.
Voorvaderen, zie Voorgeslaelit.
Voorval, zie Avontuur.
Voorvallen, zie Oebeuren.
Voorveehter, zie Aanhanger.
Voorwaarde, zie Beding.
Voorwenden, zie Voorgeven.
Voorwerp, zie Onderwerp.
Voorwerp, /.ie Ming.
Voorzeggen, zie Aankondigen.
Voorzielitig, zie Redaclitzaain.
Vorderen, zie Kiselien.
Vordering, zie Aanzoek.
Vorm, zie Figuur.
Vorst, zie Prins.
Vreemd, zie Bijzonder.
Vreemd, zie Buitenlandseii.
Vreemdeling â vreemde. Onder vreemdeling verstaat men meestal een buitenlander, ofschoon bet woord ook gebezigd wordt voor een onbekende. Er loopen veel vreemdelingen in de nlnd. /ijl gij een vreemdeling in Jeruzalem 9 Hij is geheel een vreemdeling in dat vak. Vreemde is ieder, die voor bet eerst in een of anderen kring komt; bij kan dus zelfs met anderen, die hem niet kennen en voor wie bij een vreemde is, in dezelfde plaats wonen.
Vreemdeling, zie Vreemde.
Vrees, zie Angst.
Vreesaelitig, zie Bloode.
Vreeselijk, zie Afgriiselijk.
Vreezen, zie Ouehten.
Vreten, zie Eten.
SYNONIEMEN. 21
321
VREâWAA.
Vreugde, zie Blijilseliap.
Vrij, zie OiiHfliankelijk.
Vriimoedig â vrij|»os(ig â hruitiHl. Vrijmoedig heel wie door geen schroom in zijn denken, spreken en doen belemmerd wordt; vrijpostig wie van de hem toegestane vrijheid misbruik maakt; brutaal die zich tloor niets laat weerhouden en daarbij op onbeschofte wijze spreekt. Iets met gepaste vrijmoedigheid voordragen, üe vrijpostige noemt, wanneer men hem den vinger geeft, de geheele hand. Op brutale vragen geeft men geen antwoord.
Vrijpofstlg, zie Vrijmoeclig.
Vrijster, zie Doeliter.
Vroeger, zie Eertijds.
Vroolijklieid, zie Blijdschap.
Vroom, zie Deugdzaam.
Vroom, zie Godsdienstig.
Vroomheid, ziu Deugd.
TV.
Waaien, zie Blazen.
Waanwijs, zie Eigenwijs.
Waanzinnig, zie Krankzinnig.
Waar, zie Echt.
Waar â waarschijnlijk. Uit de samenstelling van het laatste woord valt gemakkelijk op te maken, dal het een zwakker begrip uitdrukt dan het eerste. In een aantal gevallen o. a. op historisch gebied is de waarheid onbereikbaar en moeten wij ons met de waarschijnlijkheid vergenoegen.
Waarachtig, zie Echt.
Waarborgen, zie Borghiyven.
Waard, zie Dierbaar.
Waard , zie Kastelein.
Waard zijn, zie Verdienen.
Waarde â waardij. De goede en slechte eigenschappen van eene zaak bepalen in hoeverre iets voor iemand begeerlijk is. De mate waarin iets voor een ander begeerlijk is maakt de waarde of waardij uit. Beide woorden drukken zoowel eene waarde in geld als eene zedelijke waarde uit.
322
WA AâWAG.
Hot oonige verschil is, dat waardij tot flen hoogeren stijl behoort. Gchallo, eigenlijk de inhoud van een iichaam, wordt in overdrachtelijken zin gebezigd om de innerlijke waarde of degelijkheid aan te duiden voor zoover deze van den inhoud afhankelijk is. Ik zal cc u de volle waardevoor fip.ven. Door den aanleg van den Ooslerspoo)' is de waarde der gronden in hel. Gooi geducht gestegen. De dichter spreekt te ver beneden '.s' mans waardij.
Leer mij uw wet steeds schatten op haar waarde.
Gods lof verbreiden naar waardij.
Elke hoedanigheid afzonderlijk had gehalte. Al wat gehalte had in dc beschaafde maatschappij, had ook hij hem gehalte. In de oogen van *tgemeen geeft de uitkowst slechts gehalte aan woord en daad. (Schimmel.)
Waarde, zie Prijs.
Waardecreu, zie Aolitcn.
Waardig, zie Dierbaar.
Waardig zie Verdienen.
Waardigheid, zie Ambt.
Waardij, zie Waarde.
Waarnemen, zie Bemerken.
Waarnemen, zie Aansclionwen.
Waarsehijnlijk , zie Waar.
Waarsebnwen â verwittigen. Iemand iets mededeel en dat voor hem van belang is te weten. Waarschuwen is iemand mededeelen dathem kwaad bedreigt, waarvoor hij zich daardoor wachten kan. Verwittigen is iemand, zonder eenige bijbedoeling, alleen de mededeeling doen dat iets geschiedt of kan geschieden, dat hij dient te weten. Iemand verwittigen dal er een wagen kolen voor hem is aangekomen die voor den avond gelost moet worden. Iemand waarschuwen dal zijn schoorsteen op invallen staat.
Wachten Oich), zie Acht nemen (zich in).
Wachten, zie Afwachten.
Wachten, zie Beiden.
Wagen, zie Burven.
Wagen â koets â kar â rijtuig. Alle vier zijn middelen van vervoer. Wagen en kar worden meer gebruikt wanneer men vervoer van lasten op het oog heeft, koets en rijtuig om personen te vervoeren. Wagen is eigenlijk het algemeene woord en wordt ook gebezigd voor rijtuig. Tus-schen wagen en kar is het onderscheid dat do eerste vierwielig, de laatste tweewielig is. Rijtuig is de algemeene naam voor ivagen om vlug mede te rijden, terwijl koets, een aan het fransch ontleend woord, eene bepaalde soort van rijtuig aanduidt.
Wagenmenner, zie Voerman.
21*
WAGâWAN.
Waggelen â wankelen. Om hut evenwichtspunt zich bewegen, niet vaststaan. Wankelen zegt men van groote zaken, die op een breed grondvlak slaan; de toren wankelde. Van personen wordt hot gebruikt in eigenlijken zin voor dreigen Ie vallen: in figuurlijken zin voor neiging be-toonen om om Ie slaan of van meening Ie veranderen, en voor niet vaslslaan in beginselen. Wac/gelen wordt alleen in eigenlijken zin gebruikt voor zich slingerend bewegen en daardoor dreigen Ie vallen. Mei wankelendê schreden gann. Hij wankelde en stortte neder. De staatsman wankelde. Hij waggelde de kamer uit.
Wakker, zie llappcr.
Wal, zie Boord.
Walg, zie Afkeer.
Walging, zie Afkeer.
Walm, zie Damp.
Wanbedrijf, zie Misdaad.
Wanbegrip, zie Dwaling.
Wandâ muur. Afscheiding tusschen huizon, kamers, enz. Een muur is altoos van steen, een wand kan ook van hout, riet, turf enz. zijn.
Wandelen, zie C*aan.
Wanen, zie Aclitcn.
Wang â koon. Koon komt tegenwoordig, voor zoover liet niel lot het taaleigen van eene bepaalde slreek (Rollerlam b.v.) behoort, meer alleen in den dichterlijken slijl voor. Wang wordt, behalve voor hel deel van het aangezicht, ook gebruikt voor de boorden van waterleidingen en de klampen , die den scheepsmast stutten.
Wangunst, zie Afgunst.
Wankelen, zie Waggelen.
Wanneer â als â bijaldien â Indien â In geval â mits â tenware â tenzij â zoo. Voorwaardelijke voegwoorden. Als en wanneer waren oorspronkelijk voegwoorden van lijd, doch beleekenen thans ongeveer hetzelfde als indien, dal uitsluitend voorwaardelijk voegwoord is. In geval dat en bijaldien laten de verwezenlijking der gestolde voorwaarde in het midden. Mits is onder uitdrukkelijk beding dat de gestelde voorwaarde vervuld worde. Ten ware en tenzij verbinden de voorwaarde aan een onlkennenden zin. Als zij maar de uwe wordt, dan zuil gij wel tevreden zijn. Indien ik van mijn leven trouw, uil Wijnsberg neem ik vast een vrouw. Dan zullen we eerst lol macht, tot eer, tot aanzien steigeren, wanneer ive aan hoog er macht geen onderwerping weigeren. In geval ik meegaan mag, zal ik blijde zijn. Ik zou dezen maatregel toejuichen, bijaldien hij uitvoerbaar ware. Zoo zij konden, hoe zouden zij zich op den grappenmaker wreken! Zoo ik hem kwaad kan doen, zal ik
324
WANâWEE.
hel niet nalaten. Ferdinand may ineeloopen, mits hij niet luistere. Ik may mij aan niemand vertrouwen, tenzij ik wcle aan wien.
WiUiselia|»cii, zie ITIIsinaakt.
\% auslalti^ , zie ffliMiuaakt.
Waii4r«gt;uwen, zie Achtcnlotrlil.
Wapcnscliorsiiig, zie Bes(aiilt;l.
Wa|»eiistilslt;aiiil, zie Bestand.
Warande, zie Hof.
'Warm, zie Heet.
Warmte, zie Hitte.
Wasem, zie Ilamp.
Waterkccrlng, zie Dam.
Wassen, zie Ciroelen.
Wed, zie Drenkplaats.
Weder â terns. Weder duidt eenu herhaling aan niet betrekking lol don tijd, terug eene herhaling met betrok king tot de plaats, met andere woorden, eene achteruitgaande beweging, waardoor iets terug komt naar do plaats, vanwaar het gekomen is. Wederaanideeden, wederheyinnen, wederuersehijnen, terugtreden , terugreizen, teruyvallen, teruybeyeven. Ook in die samenstellingen, waarin beide woorden gebruikt worden, blijl't dil verschil voelbaar. Wederkeeren, teruykeeren (iemand keert terug naar zijn huis; zijne huisgenooten zien hem weder keere)i); weder kou pen, teruykoopen ; weder nemen, terugnemen; wederbrengen, terugbrengen, enz.
We«lerlieli't, zie Kelitgenont.
Wederkcerig, zie Dnderling.
Wederom, zie Alweder.
Wederstaan, zie Aankanten.
Wederstreven, zie Aankanten.
Wedervaren, zie Te beurt vallen.
Wedervaren â bejegenen worden gebruikt van de lotgevallen, de ontmoetingen die iemand heelt. Bejegenen onderstelt, dal deze van een onaangenamen aard zijn. De reiziger, die verbaalt, dal hem niets bejegend is, wil zeggen, dat bij geen onaangename ontmoeting heelt gehad. Wedervaren laai dil in hel midden.
Wederwaardigheid, zie Beproeving.
WederzIJdseh, zie Wnderling.
Wee, zie Pijn.
Week 9 zie Zacht.
WEEâWEL.
Weelderig, zie Dartel.
Weenen, zie Cirijnen.
Weergaloos, zie Oadeloos.
Weerzin, zie Afkeer.
Weetgierig, zie Heiiiouwd.
Weg, zie Baan.
Weg , zie Gang. 3
Wegblijven, zie Ui(bli|ven.
Wegsluiten, zie Bergen.
Wegsterven, zie Afsterven.
Wegwaaien, zie Afwaaien.
Wegwijzer, zie dds.
Welde , zie Beemd.
Weifelen , zie Aarzelen.
Weigeren, zie Afslaan.
Weigeren, zie Afwijzen.
Welland, zie Beemd.
Wel , zie Bron.
Welbespraakt â welsprekend â woordenrijk. Woordenrijk
noemt men hem, die veel woorden tol zijne beschikking heeft (veelul inet de bijbedoeling, dat er weinig mee gezegd wordt); welbespraakt hem, die zijne gedachten, zij het ook wat woordenrijk, gemakkelijk en helder ontwikkelt; welsprekend hein, die niet alleen gemakkelijk en helder, maar ook sierlijk en aangenaam spreekt, en zich daarenboven van de verschillende hulpmiddelen weet te bedienen, die den indruk van het gesproken woord verhoogen.
Weldra, zie Aanstonds.
Weleer, zie Kertijds. ''
Welgelukzalig, zie Cielukkig.
Welgemanierd, zie Beseliaafd.
Welgesteld, zie Ocgocd.
Welhaast, zie Aanstonds.
Wellevend, zie Beschaafd.
Wellicht, zie Altcmet.
Welsprekend, zie Welbespraakt.
32(i
WELâWET.
Welstand â wclvanrt â welxijii â welvaren â voor» spoed â bloei. Gunstigen toestand, waarin iuls verkeert. JJ/oei ziet overdrachtelijk op volheid van leven, rijkdom van ontwikkeling, frischlieid en kracht; voorspoed op het bewaard blijven voor, ol het gelukkig te boven komen van wederwaardigheden; welvaart, welvaren, welstand en welzijn op een samenloop van gunstige omstandigheden en een daardoor veroorzaakten ongemeen gunstigen toestand. Tusschen welvaren en welvaart heeft men dit verschil meencn op te merken, dat welvaart zou zien op een reeds aanwezigen, welvaren op een nog te verwachten slaat van geluk. Men wijdt b.v. een dronk aan het welvaren van een huis. Ken ander, meer wezenlijk verschil is hierin gelegen, dat men om lichamelijken voorspoed, het bezit eener goede gezondheid, aan te duiden, zich gemeenlijk naast welstand en welzijn van welvaren bedient, maar zelden van welvaart. Naar iemands welvaren, welstand 0/ welzijn vernemen. Wat het onderscheid tusschen welvaart en welstand aangaat, terwijl welstand alleen den toestand op het oog heeft, gelijk hij op hel oogenblik is, ligt in welvaart hul bijdenkbeeld van duurzaamheid. Voor de welvaart van een land. is de welstand van landbouw en veeteelt een allereerst vereisehte.
Welvaart, zie Welstand.
Welvaren, zie Welstand.
Welvoegelljk, zie Betamelijk.
Welzalig, zie Gelukkig.
Welzijn, zie Welstand.
Wenden, zie Draalen.
Wenseli, zie Begeerte.
Wenselien, zie Begeeren.
Wensehen, zie llopcn.
Wentelen, zie Draalen.
Wereld, zie Aarde.
Wereldsoh, zie JLardseh.
Werk, zie Arbeid.
Werken, zie Bedrijven.
Werkman, zie Arbeider.
Werktuig, zie Gereedschap.
Werkzaam, zie Arbeidzaam.
Werkzaamheid, zie Arbeid.
Werpen, zie Gooien.
Wetenschap, zie Huust.
Wetschennls, zie Wetsovertreding
327
WETâWIL.
Wetllg â wctlclijk. Wcllvlijli is lu'acht van wel hcbbendo, wettig drukt uit dat iets overeenkomstig de bepalingen der wet, ol' volgens de wet is. Men spreekt van wettelijke voorschriften en bepalingen.', van wettige aanstellingen, van een wettig huwelijk.
Wclt;soverlt;rcdliijj[ â ivctscliciiniM. Wetschennis is wetsovertreding van de zijde van hem, die geroepen is de wet te handhaven en toe te pussen.
Wezen, zie Aangeziclit.
Wezen, zie Ving.
Wiek, zie Vlerk.
Wiel, zie Had.
Wijd, zie Breed.
Wyd en zyd, zie Alom.
Wljdloopig, zie Omslachtig
Wijl, zie Dewijl.
W«s, zie Celeerd.
Wijten, zie Danken.
Wijze, zie Trant.
Wijzen â toonen. Laten zien. In wijzen ligt meer dan in toonen het bijdenkbeeld, dat het geschiedt oin iemand Ie onderrichten. Wijzen onderstelt altijd behoefte aan onderricht van de zijde van hem, ten wiens behoeve het plaats grijpt. De leerling loont den meester zijn werk; de meester wijst hem, hoe hij zijn werk moet verrichten. Wijs mij do. plaats waar ik gezaaid heb. Toon mij uw macht.
Wat Godheid gaat zijn schreden voor,
En wijst naar Romcs tempeltinnen Den lieren jong ling 't blinkend spoor'?
Wijzen Cvan de liand ), zie Al'wijzen.
Wijzigen â veranderen. Veranderen heeft de wijdste strekking-Onder wijzigen verstaat men het maken van kleine veranderingen; terwijl de oorspronkelijke strekking en de vorm in hoofdzaak bewaard blijft. Bij veranderen krijgt iets oen anderen vorm en kan het eene andere strekking krijgen. I)c wet veranderen kan zijn oene andere strekking er aan geven; de wel wijzigen is slechts enkele onderdeelen veranderen, die het hoofddenkbeeld of de strekking niet doen veranderen.
Wikkelen C'oOt zie Detrekken.
Wildernis â woestenij â woestijn. Eene wildernis is eene woeste plek, hel veronderstelt niet bepaald onvnichlbaarheid; woestenij noemt men eene woeste streek, welke liet soms niet enkel aan kuituur maar ook aan vruchtbaarheid ontbreekt; eene woestijn is eene landstreek, die tengevolge van gebrek aan water ontbloot van plantengroei is. Wat vroeger wildernis was, is thans eene schoone hoeve. I)e Sahara is eene woestijn.
328
WILâWON.
Want zonder tulk cm morgenschijn,
'/ou do aarde niets dan een wooitenije,
Do mensch cen wreede helharpije En God een dwinyoland zijn.
Willekeurig â eigendunkelijk. Men liandult willekeurig, wanneer men zich niet aan voorschriften stoort, die opgevolgd moeten worden, of wanneer men geen enkele gegronde reden voor zijn gedrag kan opgeven; men handelt eigendunkelijk, wanneer men alleen een besluit neemt in zulke zaken, waarover ook liet gevoelen van anderen had moeten worden ingewonnen. Allen sidderden voor de willekeurige daden van den tiran. Tc midden van den Fransch-Duitschen oorlog deed Rusland eigendunkelijk ecnige bepalingen van het traktaat van 183ö te niet.
Winnen, zie Bekoren
Winst, zie Haat.
Wispelturig â wuft. Beide woorden zien op veranderlijkheid van don geest. Wispelturig heeft echter meer het onbestendige op het oog, wuft meer het lichtzinnige. De wispelturige verandert telkens; de wufte beweegt zich licht en gemakkelijk en bepaalt zich daardoor niet bij de zaken, denkt er niet over na en bekommert zich niet om de gevolgen. De wispelturigheid van den knaap belet hem om vooruit te komen; nu eens houdt hij zich hiermede bezig, dan daarmede. Zijne wuftheid maakt dal hij niets van al datgene waarmede hij zich beziggehouden heeft, kent. De wufte zinnen der onbedachte jeugd.
Wit â blank â bleek. Wit noemt men een voorwerp door welks oppervlakte alle lichtstralen worden teruggekaatst; bleek hetgeen niet hoog van kleur is en wat het wilte nadert. Een wit paard, witte sneeuw, ecne bteeke kleur, bleekc inkt, een bleek gelaat. Blank wordt enkel gebezigd van eene gladde, blinkende oppervlakte, h.v. van de huid van sommige menschen en dieren. De blanken. Blank als zilver. Een blank zwaard. De velden staan blank. Figuurlijk heeft blank de beleekenis van rein , oprecht. Een blank gemoed.
Woede, zie Boosheid.
Woeden, zie Aangaan.
Woeden, zie Biildereu.
Woedend, zie Dol.
Woest, zie Bar.
Woest, zie Braak.
Woestenij, zie Wildernis.
Woestijn, zie Wildernis.
Wonden, zie Bexeeren.
Woning â huis â verblijf. Verblijf is elke plaats, waar men zich kortoren of langoren tijd ophoudt. Terwijl verblijf eigenlijk eene plaats van
WOOâZAC.
vertoef aanduidt wordt het dikwijls in denzelfden zin als woning genomen. Aan woning verbindt zich liet denkbeeld dat de plaats door den bewoner is ingericht voor een verblijf van eenigen duur. Een huis veronderstelt een houten of steenen gebouw met muren en door een dak gedekt. Een hol, een gat ai den grond kan tot verblijf strekken nok voor dieren; dient het ook voor menschen dan kan men ook van woning spreken. Zoowel een huis als ecne hut of stulp kan den mensch tot woning strekken.
Woordcnrilk, zie Wclbcsipraakt.
Woordenwisseling, zie Gesprek.
Woordenwisseling, zie Twist.
Worst, zie Beuling.
Worstelstrijd, zie Gevecht.
Woud, zie Bosch.
Wraken â afkeuren. Iets als ongeschikt of onwaardig verwerpen. In sommige gevallen kan het een of het andere woord naar verkiezing gebezigd worden, ofschoon wraken altijd iets sterker is. In één geval is wraken alleen de juiste uitdrukking, namelijk in den rechtsterm: getuigen wraken.
Wrang, zie Bitter.
Wreed, zie Barbaarseh.
Wrevel, zie Boosheid.
Wrevelig, zie Boos.
Wroeging, zie Berouw.
Wrok , zie Boosheid.
Wuft, zie Wispelturig.
Wulpseh, zie Bartel.
z.
Zaak. zie Aangelegenheid.
Zaak, zie Blng.
Zaakgelastigde, zie Afgezant.
Zaal, zie Hamer.
Zacht â weck. /acht noemt men wat het gevoel aangenaam aandoet; weck wat gevoelig is voor indvukken. Week brood, iveekc boter, wcekc grond; zachte wol, zacht haar, zacht leder. Op die voorwerpen, die beide hoedanigheden bezitten, past men het een of het andere praedikaat toe naar
330
ZAC-ZIIÃ.
gelanj,' der hoedanigheid, welke men wil doen uilkomen. Bij uitbreiding:
een zachte winter, een zachlc dood, ccn zacht verwijt; een week gemoed.
Xaclitjcs, zie Allengs.
'MmU â Balsem. Een geneeskrachtig mengsel. Bulsem is altijd welriekend en gewoonlijk van een vloeibaren aard. Balsem wordt in de wond gegoten, '/.alvcn heelt de beteekenis van met welriekende olie bedruppelen. Koningen werden oudtijds yezalfd. Balsemen /.iet inzonderheid op hel vullen van een lijk met balsemachtige stollen om verrotting te voorkomen.
Kak , /.ie Baal.
Zakje, zie Beurs.
Xnkkcn, zie Dalen.
Zalig , zie Ciiclukklg.
Xang, zie Deuiitje.
Zedelijk, /.ie Bescheiden.
Zeden, zie Ctcbrulk.
Zedig, zie Be schelden.
Zee, zie Meer.
Zeearm, zie Baai.
Zeeboezem, zie Baai.
Zege, zie Overwinning.
Zegepraal, zie Overwinning.
Zeker, zie Uitgemaakt.
Zeldzaam, zie Bijzonder.
Zeldzaam â schaars. Wat niet veel wordt aangetrolfen, wat niet in grooten getale aanwezig is. Zeldzaam (eigenlijk zelden gezien) heelt bovendien de beteekenis van bijzonder, door eigenaardigheden van andere soortgelijke zaken afwijkend. Wanneer men iets schaarsch noemt, dan duidt men aan dat men meer verwacht had, of dat zich iets op andere lijden in grooter getal voordoet. De ooievaars beginnen in Nederland zeldzaam Ie worden. Dc viseh ivordl in onze rivieren schaarsch.
De jeest vlag woei ten toren uil,
De zware slotklok werd geluid Kn 't zeldzaam huw/ijk was gesloten.
Zelfstandig, zie Onafhankelijk.
Zengen, zie Blaken.
Zetel 9 zie Bank.
Zieden â koken. Zieden en koken duiden, transitief gebezigd, het verhitten ecner vloeistof aan tol zij begint op te borrelen. Zieden, dat
331
ZIEâZIN.
oiyenlijlv helzulfJe betuekenl als leuken, wordt bij sommige bepaalde vloei-stollen, waaruit iets anders bereid wordt, gebruikt. Men verstaat er dan meestal onder een sterkeren graad van verhitting dan bij koken. Men ziedt zout, zeep en dergelijke. Intransitief gebruikt drukken zij uit dat eene \loeistof, tengevolge van hitte, damp begint te ontwikkelen en opborrelt. Xicden wordt in deze beteekenis veel minder gebruikt dan koken, In ligimr-lijken zin beleekenen beide dal iets in zeer sterke beweging geraakt, een hartstocht ol' drift buitengemeen hevig wordt of dat het bloed zeer sterk verhit wordt. Hel koken van de zee. Kokend van drift. liet kookt in mijn binnenste. Van toorn zieden.
Ziek â krank â onwel â ongesteld. Wanneer iemand niet gezond is zal men hem alleen wanneer deze toestand van blijvenden aard is ongezond noemen. In dit geval is er nog geen bepaald lijden op den voorgrond getreden. Geschiedt dit, dan is ziek hiervoor de algemeene en levens de sterkste uitdrukking. Ook van afzonderlijke deelen van het lichaam en van dieren en planten wordt liet gezegd. Krank duidt hetzelfde aan maar is deftiger en wordt, daardoor meer in figuurlijken zin gebezigd. Onwel en ongesteld geven een lichteren graad van ziek zijn aan. Onwel ziet meer op het onaangename gevoel, ongesteld op don toestand. Ongezond en ziekelijk drukken bijna hetzelfde uit, doch ziekelijk is sterker. Een ongezonde toestand en een ziekelijke toestand der maatschappij. Voor hij ziek werd voelde hij zich reeds cenigc dagen onwel. Dewijl hij door en door ongezond is, moet hij telken jare naar de baden, hij is echter nooit bepaald ziek. Maar zelden behoefde hij om ongesteldheid de lessen te verzuimen. Die dame werd op het concert onwel.
VAcl , zie Keest.
Xielloos, zie Onbexlelii.
'/Jen â liifken â staren â turen. Waarnemen door middel van de oogen. Zien drukt dit in het algemeen uit; het laat in het midden of er opzet bij is. Kijken onderstelt meer opzet en opmerkzaamheid. Staren is met strakke wijdgeopende oogen naar iels zien, zonder bepaalde opmerkzaamheid en soms zonder er zich van bewust te zijn. Turen is met inspanning en scherp het oog op iets gevestigd houden. Hij zag hom, maar daar hij niet goed toekeek, herkende hij hem niet terstond. Wien ziet go daar? Hel kind keek zoo onschuldig du wereld in. Kijk daar eens. Iemand de woorden uit den mond kijken. Verbaasd staarde zij hem aan. Wat zit gij toch te staren? Kijk in uw boek. De visschers tuurden naar den horizont, dewijl een van hen een schip zonder mast hadmeenen te zien.
Kilt, zie Brak.
Xin, zie Heteekents.
Zinken, zie Dalen.
Zinneloos, zie Hrankzinnig.
332
ZINâZUI.
Zinneloos, zie Dwaas.
Zinneloos, /.ie Onzinnig.
Zinnen, zie Denken.
Zinrijk, zie Aardig
Koen â Kus. Kus is volgens het legenwoonlig taalgebruik deftiger, eerbiediger en ook soms inniger; roe», eigenlijk het ieeken van vrede en vriendschap, is meer dartel. Ken handkus. Een voetkus. Iemand een kus toewerpen. Zoenen dat het klapt. In sommige slreken, b.v. in Jwente, is alleen kus gebruikelijk.
Zoet, zie Aangenaam.
Zoetjesaan, zie Allengs.
Zonderling, zie Uijzonder.
Zondig, zie Croddeloos.
Zondigen, zie Dwalen.
Zóó, zie Aanstonds.
Zoo , zie Wanneer.
Zoom, zie Boord.
Zorgelijk, zie Hedenkelijk.
Zorgeloos, zie Onbezorgd.
Zorgvuldig â xorgzaam. Zorr/vuldui en zorgzaam worden gezegd van iemand, die aan eene zaak de noodige opmerkzaamheid en zorg wijdt. Zorgzaam is do persoon, die bij alles, wat hij doet op de toekomst let en met de noodige zorg te werk gaat. Zorgvuldig is zijne wijze van handelen, wanneer hij nauwlettend toeziet op het hem toevertrouwde en er voor waakt dat er geene schade geschiede.
Zorgzaam, zie Zorgvuldig.
Zot , zie Dwaas.
Zout, zie Brak.
Zuigen â lurken â sabbelen. Vocht naar zich toehalen door beweging der opgezette lippen. Zuigen is hiervoor de algemeene iiitdrukking. Sabbelen (of zahbelen) noemt men het wanneer de lippen hierbij sterk bewogen worden en er hierdoor vocht uit den mond loopt. Lurken slaat meer op het geluid dat bet halen van liet vocht maakt en wordt vooral van het met kleine teugen zuigen van kleine kinderen gezegd.
Zuil â kolom â pilaar. Een rechtopstaand lichaam van veel grootore lengte dan breedte. In do bouwkunde een rechtopstaande balk van steen of hout. Eene zuil hoeft meest oene ronde gedaante, terwijl eene kolom ook vierkant kan zijn, bovendien wordt zuil bij voorkeur van harde op zich zelf staande lichamen gebezigd, wat bij kolom niet het geval is. Men kan
333
ZUIâZWE.
spreken van dc kolommen of zuilen van een gebouw, van Dorische Tuilen of kolommen, maar alleen van een vuurkolom, een kolom van water bij een hoos, lt;le kolommen eencr courant. Fen pilaar dient allijd als slcnnsel en kan ook langwerpigen en vierkanten vorm hebben. Dc pilaren of pijlers van eene brug.
Kuiper, zie llriiiker.
iRiiivcr, zie Echt.
Kuur, zie Hittrr.
Zwaar, zie llanl.
Zwaard â degen â houwer â kling â rapier â sabel.
Wapenen, geschikt om mede te steken en ie slaan en in eene scheede aan de zijde gedragen te worden, vroeger ook in het algemeen zijdgeweer genoemd. Zwaard is de algemeene benaming. De cler/en is een recht zwaard met dubbele snede, geschikt om mede te stooten of te steken. Eene kling is eigenlijk het blanke lemmet, allengs in de beteekenis van groot zwaard gebruikt; vooral in figuurlijke taal komt het voor, z. a. over de kling jagen, over dc kling laten springen, enz. Een rapier is een lange degen, thans in de spreektaal in onbruik. Eene sabel is een min of meer gekromd zwaard met stompe rugzijde en meer geschikt om mede te slaan. Een houwer of houwdegen is een groote degen om mee te houwen, in tegenstelling van stooldegen; vroeger werd houwer ook voor bijl gebruikt. In figuurlijken stijl gebruikt men alleen zwaard en degen. Het zwaard der gerechtigheid. De degen is weer opgestoken d. i. het is vrede. Een beproefde degen, een ervaren krijgsman.
Zwaarlijvig, zie Dik.
Zwaarmoedig, zie Bedroefd.
Zwak â krachteloos. Krachteloos heeft de beteekenis van geheel zonder kracht of van alle kracht beroofd; zwak die van week en, bij uitbreiding, van ongeschikt om veel tegenstand te bieden. Zwak ijs, eene zwakke vesting, eene zwakke gezondheid. Krachteloos, als het sterkere, kan dus in sommige gevallen óf in het geheel niet, óf niet zonder wijziging van het begrip door zwak vervangen worden, b.v. in eene wet krachteloos maken, een krachteloos heivijs.
Zwang, zie Gebruik.
Zwelgen, zie Brassen.
Zwellen, zie Dijen.
Zweer â pulst. Eene verheffing van de huid tengevolge van ontbinding van het weefsel, liij eene zweer heeft er aanmerkelijke ettervorming plaats, die zich vervolgens uitstort, bij com) puist is dit in mindere mate het geval en heeft er dikwijls geene uitstorting van etter plaats.
Zweren, zie Dragen.
334
Z WEâZWO.
Zwerven â dolen â dwalen. Her- en derwaarts gaan, trekken. Hij dwalen geschiedt dit, omdat men den weg, die naar het doel voert, verloren heeft; bij dolen, omdat men zonder doel rondtrekt of het spoor geheel bijster is geworden; bij zwerven, omdat men geen bepaald tehuis heeft. Een dolend ridder. De verdoolde sclmpcn der kudde worden duur den goeden herder terecht gebraehl. De vluchteling zwier/ lang in de duinen rond, voor hij een schipper vond, die hem ever het kanaal bracht. Geen rusteloos zwerven en smachten Is 'lieven: een Doel licht ons voor;
En worstlende winnen wij krachten,
335
En dwalende vinden wij 't spoor!
Zwoegen, zie Pogen.