ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

TV 'yy viw 'NeJcclamp;udsf T ,»;}. ♦» LttterkuDdt ma -Ut ï^kiuolvcrslteJ: te Utrecht

AMAZONE

ocr page 6
ocr page 7

........ -

-

ocr page 8

RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT

0855 3954

ocr page 9

iDstiUnu De Vooys /-X/A

voor Nederlandse Ta»|. C 0^?

B;: Letterkunde aan de £ « wnksuniversiteit te U

frechf

AMAZONE

DOOR

Mr. C. VOSMAER

(quot;.EILLUSTKKKRD DOOK CH. ROCHUSSKX

'S-GRAVENIIAGE

MART IN US N IJ HO F F i«93

ÉM3UOTM1EK UEH «JJKSUNfVEflt;SITEiT

U T P F C. 1 •

ocr page 10
ocr page 11

m

Cnra mia so rel la /

i~]

f' r

'ebt oij de «cartolina» met mijn vluchtig woordje uit Genua ontvangen ? Eerst hier in Florence kan ik u uitvoeriger schrijven, zoo als ik beloofde, want ik ben siK'l over landen, stroomen en rotsen heenge-stoomd en eerst hier heb ik een rustpunt. Maar nog geen rust voor het gemoed; die moet nog komen, als zij komen wil. Hier ben ik eigenlijk in Italië! Ik kende vroeger alleen een stuk van Lombardije en Venetië. Maar voor ons, barbaren en Germanen, is dat niet hd Italië. Het land is daar als bij ons, zoowaar wilgen en weiden en slootcn, en Venetië heeft zoo veel romantisch. In Genua zag ik het eerste ware Italië, zonnig, zuidelijk, marmer, echte typen, bloeiende oranjes, aloë's en cactussen bij duizenden. Kn nu Florence! Toch blijf ik hier maar kort; de zoete verleiding der naieve vroege en der vol bloeiende renaissance zou mij afleiden en ik wil nu eerst eens gansch antiek worden. Dan

ocr page 12

AMAZONK

8

pas zal ik uit mijn moderne gevoeligheid geraken. Zal ik haar oUremonti hebben gelaten, aan gene zijde van den Cenis? Of is zij mede gekomen en moet zij hier slijten? Ik vrees het, ik denk er nog te veel aan.

Ik I len het liefst alleen; gezelschap verveelt mij en ik moet anderen vervelen. Een mensch met een gewonde ziel is voor een ander of vervelend of belachelijk, en daar ik mij als geen van beiden wil voordoen, meng ik mij niet in gesprekken met anderen. Toch zoek ik dit alles aan gene zijde te bannen,

ik ben hier gekomen om zonneschijn te zien, om kracht te vinden, om van breingemijmer en hartgezanik bevrijd te worden en mijn gemoed en mijn kunst boven het gedrang op te werken. Dat gaat niet zonder trappen en stompen, enfin, eens er boven op, wil ik op den boedel neerzien en hem uitlachen met een verlost gemoed en een heldere krachtige kunst, zonder kleinheid, met gezond gevoel zonder ziekelijke aandoenlijkheid. Zoo moet Italië en zijne kunst, de antieke bovenal, mij maken. In de antieke wereld zal ik mij geheel hullen als in eene statige toga en trachten te voelen als de

ocr page 13

AMAZONE. g

ouden, breed, waardig, schoon, wereldbeheerschend. Welk een trots, zult gij zeggen, — maar zonder iets van dien trots komt men er niet. Ik zou dit niet aan een ander zeggen, maar gij zult het niet verkeerd verstaan. Gij zult mij wel weer minzaamheid en buigzaamheid willen prediken, maar, beste, geloof mij, de eerste wordt vertrapt en de tweede voert tot karakterloosheid, ja, ik weet wel, dat gij ze hebt zonder die gevolgen, en ik wil u niet kwellen, maar alleen een rustige ziel als de uwe, buiten het werkzame leven levend, buiten den strijd met de wereld, kan dat bereiken. Wij moeten, om in het gedrang overeind te blijven, de schouders schrap zetten.

Overmorgen ga ik naar Rome. Ik schrijf dat zoo maar kalm neer, alsof het niet alles ware. Ik in Rome! Ik voel mij al een voet hooger als ik er aan denk. Ik voelde al zoo iets toen ik den Mont-Cenis-tunnel door was en den dag weer zag, den nieuwen dag; ik werd het gewaar dat er een bergmuur lag tusschen het peinzensmoede en zwaartillende Noorden en het vroolijke, heldere Zuiden. Ja, ik voelde mij toen al hooger; als dat zoo voortgaat, groei ik tot ik niet meer door den tunnel terug kan. Maar geen nood, dan stap ik over den heelen berg heen. Gij ziet dat de lucht al goed werkt; als de lijder met zich zeiven den gek gaat scheren, begint hij zijn lijden te objectiveeren en dus buiten zich weg te werken. Nu, uit vrees dat ik op eens te Rome al te veel in de hoogte schiet, blijf ik er nu maar weinige dagen en ga rechtstreeks naar Napels. Dat eerst, en dan al mijn tijd in Rome besteed.

Dag mijn geduldige vertrouweling, mijn tweede moedertje.

Uw Si wa ut.

2

ocr page 14

II.

an de helling der bergen, langs de heerlijke bocht van Salerno, ligt de stad van dien naam, het antieke Salernum, waar herinneringen aan Griekenland en Latinm, aan Lombarden en Noormannen, Hohen-staufen en Anjous over elkander gegroeid zijn.

Zoo als er aan de aloes telkens zich nieuwe bladeren ontplooien, maar van de vergane de oude stronken zichtbaar blijven, dus ook die herinneringen.

In de Lombardische kathedraal rust onder antieke manneren zuilen, naar de sage, de apostel Mattheus; in sarkofagen van het heidensche rijk slaapt het Christelijke stof van aartsbisschoppen , ongeërgerd door de Bacchantische reliefs, die voor- en zijwanden van hun sarkofaag versieren, waarop schoone jongelingen met schaars en dun omplooide meisjes toegeven aan het maincin, aan den Dionusischen dans, waarvan die van Sint Vitus een oudchristelijke vorm is geworden./^ Daar staat ook een stuk antieke zuilschaft, waarop drie heiligen onthoofd moeten zijn ; later is de zaak omgekeerd en werden de schoone antieke kolommen van haar zuilhoofd be-

roo

fd door de heiligen.

ocr page 15

AMAZONK

Om naar Paestum te komen stoomt men van Salerno even naar Battipaglia en vindt daar den vooruitgereden wagen, die u in twee uren naar de beroemde tempels van Paestum rijdt.

Zoo deed ook Suvart Aisma, en lustig hadden de kleine Napelsche paarden een eind weegs afgedraafd, klingelend met de belletjes aan hun haam en de haneveer op hunne hoofden recht overeind, toen hij vóór zich een rijtuig zag, dat den zelfden weg opreed. Plotseling hield het stil en hij zag een der paarden, zijwaarts uitgesprongen , staan beven en trillen

als een blad. De voerman bedekte het den kop met een kleed om het tot bedaren te brengen.

Aisma vroeg aan zijnen voerman wat dit was.

— IC — niente, un giramento (eene duizeling), zei deze, lachend de schouders ophalend.

In het rijtuig zaten twee dames en twee heeren; na eene korte wijle was het paard rustiger en ging men weder verder. Maar geene tien minuten later was het op nieuw het zelfde geval; het arme dier stond zoo te rillen, dat zijne beenen heen en weder knikten, en het tweede paard schrikte, steigerde ter zijde uit, trapte de strengen stuk, en in die verwarring

ocr page 16

AMAZONE.

sprongen er twee reizigers uit clen wagen, en eene daarvan, eene dame, viel langs den kant van den weg.

Aisma was spoedig uit zijn rijtuig om haar te helpen, maar, terwijl zij zich zelve snel oprichtte, riep zij hem toe, naar den schokkenden wagen wijzende:

— Daar, help den gebrekkigen man — gauw!

Aisma zag nu in het rijtuig eenen man zitten, met krachtig hoofd en zwarten baard, maar blijkbaar hulpbehoevend door zijne vreemde kleine gestalte; hij richtte zich op de krukken onder zijne armen op, maar kon niet uit het rijtuig komen. Hij was geheel kreupel. Aisma pakte hem als een kind op en zette hem op den grond; toen zag hij een wonderlijk wezen, van boven een krachtig man , van onder met geheel gebogen knieën , wat hem het uiterlijk gaf van iemand die op zijne hurken springt.

Nog eene jonge dame was in het rijtuig blijven zitten, als onverschillig geleund in de kussens. Thans nam zij ook Aisma's hand om uit te stappen.

— Dat arme paard, zei ze.

Het door de hitte en vermoeienis getroffene dier kon niet verder mede, en zoo stonden zij hier halverwege, midden in de onbewoonde streek. Aisma vroeg dus het gezelschap in zijn rijtuig den tocht verder te doen, daar zij toch ook naar Paestum gingen, wat na eenige beleefdheidsweifeling in dank werd aangenomen. Het zieke paard werd stapvoets naar de dichtsbij zijnde osteria geleid, de wagen bleef op den weg staan en het gezonde paard werd naast de twee anderen aangespannen. Aisma hielp den kreupelen man, die een Italiaan bleek te zijn, in zijn rijtuig, daarna de dames en den ouden heer, die op den bok wilde stijgen, wat Aisma natuurlijk zelf wilde doen. Maar nadat de manden met proviand, de plaids en witte zonneschermen achter, voor en onder in den wagen waren gestopt, ruimde men Aisma eene plaats in en schikten de vijf zich zoo in het rijtuig.

ocr page 17

AMAZONE. 13

— Wij zijn ii wel dankbaar, zeide de oude heer, wij nemen uw wagen in, neem gij ten minste eene plaats bij ons.

Zulk een voorval wekt de geesten op en brengt spoedig gemeenzaamheid. De dame, wie de oude heer schertsend hare buiteling herinnerde, sloeg lachend de handen voor hare oogen, als schaamde zij zich een weinig over hare dwaze vertooning, en zoo zat men weldra vroolijk in druk gesprek.

Behalve de Italiaan, waren zij allen landgenooten. Men wisselde naamkaartjes ter wederzijdsche voorstelling.

— Siwart Aisma, zei de oude heer, diens kaartje aannemende , een Fries niet waar ?

Deze boog toestemmend, terwijl hij de andere kaartjes aannam.

— Signor G. Salviati, zei de oude heer, musicus te Rome, een vriend van ons. Dit was de kreupele man.

— Mijne nicht, ging hij voort en Aisma las op haar kaartje: Mevrouw M. van Buren, van Rodenrijs. Alzoo eene getrouwde vrouw, merkte Aisma bij zich zeiven op.

En onze vriendin, mejuffrouw Ada Ebers; en dit, om de uitwisseling der geloofsbrieven te besluiten, dat ben ik. Aisma las: Jhr. dr. Ouirinus van Walborch.

— Uw naam is in onze politieke wereld bekend, zei Aisma.

— Geen politiek meer, riep vroolijk de heer van Walborch; op nonactiviteit, gelukkig, — cedat toga Musis, mijn toga heb ik voor de Muzen afgelegd : ik leef nu voor schooner en beter dingen: mijne van ouds geliefde kunsten en letteren.

— Ook uw naam is bekend, zei mevrouw van Buren, — wij zagen laatst de heerlijke schilderijen van den schilder die uw naam draagt ....

— Ik dank u, zei Aisma met een glimlach en hoffelijke buiging.

Zoo, is u dat dan ? Dat is een voorrecht!

— Ah! zei Salviati, het duizelige paard heeft ons geluk gebracht.

ocr page 18

AMAZÜNK

— Och, dat arme dier, zei jufvrouw Ada.

— Hl liet brengt geluk, het had vier witte voeten,

Vier witte voeten Brengt goed ontmoeten.

zegt ons spreekwoord.

— Ik mocht u wel mijne excuses maken, zei mevrouw van Buren tot Aisma, dat ik uwe hulpvaardigheid zoo ruw beantwoordde, — maar ik was zoo bang voor onzen goeden vriend. En zij klopte bij die woorden Salviati schertsend en vertrouw-lijk op de handen en vroolijk riep deze met een vriendelijken hoofdknik:

— O, ik kom altijd goed te recht!

— Maar Ada! zei mevrouw van Buren, hoe kon jij zoo kalm blijven zitten!

Deze hief even de oogen op en zei;

— Och, er was geen gevaar, dacht ik , en ik was zoo vol deernis met dat arme beest.

De breede, doorgaans rechte heerweg naar Paestum voert door een uitgestrekte vlakte, meest hei met weinig en laag hout en hier en daar sompige streken. Links zagen zij in een

van die poelen een gansche lieerde zwarte buffels; sommigen stonden er tot den buik toe in; enkele waren geheel onder water en hielden alleen

de nijlpaardachtige koppen nog boven. Dat zag er schilderachtig uit. Langzamerhand begint de bodem bebouwd te

H

ocr page 19

AMAZONE. 15

worden; in lange rijen ziet men tien of vijftien arbeiders op een gelid den grond behakken; soms houden zij rust en leveren een tafereel, het penseel waard, zoo als zij daar staan in hunne witte ol licht blauwe broeken, het buis over eenen schouder geworpen, leunende op de lange spaden en zich lavende uit eene met stroo omwonden fiaschetta.

1 wee rijdende gens d'armes kwam men tegen. Salviati merkte op dat de weg tegenwoordig geheel veilig is; zij dienen er alleen als veldwachters, niet tegen briganti. De heer van Walborch, die dit vroeger anders gekend had, wees er op, dat de landbouw verricht heeft wat geen andere macht vermocht. Niet alleen de movers, maar ook de ongezondheid is geweken, naar mate dat de streek bebouwd werd. Men ziet

hier en daar woningen, vrouwen en mannen arbeidzaam in de zonnehitte; eene goede afwatering en het bebouwen van de akkers hebben op die plaatsen de aria cattiva uit dampkring en zeden, de koorts en de roovers, verjaagd.

Eindelijk riep mevrouw van Buren, dat zij de tempels zag'. Men stond op in het rijtuig om den eersten aanblik uit de verte te genieten.

Allengs naderde men de bouwvallen der stadsmuren; hier was de stadspoort; de kleine osteria voorbij, waar de wagen zal stallen; — daar rijst ter rechterzijde het eerst de tempel van Ceres, weldra houdt men stil voor dien van Poseidoon!

Hier stegen zij uit en namen de korven mede, om tusschen

ocr page 20

AMAZONE.

de zuilen de verversching te gebiuiken, en de custode ontsloot het hek der wild begroeide weide, waarop de twee grootsche gebouwen staan.

De tempel van Poseidoon is het schoonste en volledigst bewaarde wat Italië van antieke -bouwkunst bezit. Hier kan men den Griekschen geest in Dorische strengheid en grootsch-heid zien. Het was een heerlijke dag; een gouden zonlicht, dat alle kleuren verlevendigt, een diep blauwe hemel rondom, en beneden de groote groene vlakte, hoog begroeid met gras en tegen den voet des tempels met den golvend omgebogen acanthus, de lijn gekartelde varenbladeren, de witte en paarse veldbloemen.

Daar tusschen ligt het grootsche gebouw nog in zijn geheele samenstel, doch voor dak alleen het blauwe hemelgewelf. Boven de drie treden rijst de gevel; zes Dorische zuilen met scherp gerugde groeven, van onder ruim twee en een vierde el breed, zoodat slechts vier paar uitgebreide armen ze omspannen kunnen, stijgen met de fijnste verdunning afnemend op tot eene hoogte van bijna negen ellen; daarboven, op de sterk uitspringende zuilhoofden rusten de twee breede geledingen van het balkeestel, de vlakke architraaf en de met

f!5 O '

i6

ocr page 21

AMAZONE. 1 7

triglyfen en metopen afgewisselde fries. Deze wordt door de voorspringende lijst bekroond, waarboven de zachte helling ligt van het fronton, den stompen geveldriehoek vormend dien de Grieken bij den arend met uitgebreide vleugels vergeleken en daarnaar noemden. In zijne goede dagen was de tempel met het harde en glanzige Italiaansche stucco bekleed, de gevel met beelden versierd.

Thans is dat verdwenen, evenals de harmonisch gekozen frissche kleuren die hier en daar de vormen tintten. Maar hoewel een bouwval, is hij nog schoon en grootsch, en de tijd, die den bloei ontnam, heeft eeni^e vercoedine ^ewven in

O »T» O

den grooteren indruk van door lang verleden en stroeven ernst verhoogde plechtigheid. De Dorische bouwstijl is ernstig en statig, maar vroeger was die ernst door kleur en glans verzacht. Thans is in den verweerden, door lucht en zon warm geel en rossig getinten Travertijner steen, de pracht verdwenen , maar de ernst gebleven en wellicht noir verhoogd,

7 o o rgt;

Als het oog zoo opgevoed en ontwikkeld is, dat het voor andere zaken dan alleen het bevallige geopend is; als men erkend heeft, dat het schoone der bouwkunst geenszins in de sieraden, in overlading of het kinderspeelgoed van vormpjes en krulletjes bestaat, maar in de verhoudingen van groote en kleinere, van hoofd- en ondergeschikte vormen van vlakke en gebogene, van horizontale en verticale deelen; als men weet dat dit poësie geworden is, dan eerst zal de zin voor bouwkunst opengaan. Dan leert men den wellust voelen , die eene lijn geeft, hier bij het stijgen, spannen, in- en uitspringen; ginds in de stoute vlucht van het profiel eener kroonlijst; bij die zuilen met eene opgaande lijn, zoo zuiver als eenglastoon, nauw merkbaar aanzwellend als de hals eener jonge maagd, luchtig rijzend; buigend als de stengel van een palm, als de veder van eenen serafsvleugel.

Dan eeniet men dat alles als eene muziek van lijnen, als

ocr page 22

AMAZONK

c;ene steenen symfonie, want de melodie en harmonie der lijnen werkt even als die der tonen in de muziek, en van den geweldigen indruk der hooge schoonheid bevangen, trilt het gemoed en men wordt stil.

Ook de eeuwen hebben dier schoonheid nog eene wijding gegeven. Vierentwintig eeuwen zijn hier over heen gestormd. Wat Helleensch was, week voor het Romeinsche; wat Romeinsch was voor het Christendom en dit voor de Saracenen en zij voor de Noormannen. Krijg, armoede, moeraskoorts ontvolkten het land, wind en regen knaagden aan den glans der muren, plantjes woelden de voegen der machtige steenklompen los, barbaren stalen het marmer en metaal; en nochtans, alleen het uitwendige, het ondergeschikte bevallige is verdwenen, maar de schoonheid bleef, en hoewel verminkt, alleen in het midden der onafzienbare vlakte, hoog en verheven boven alles wat rondom tot bouwval en wildernis werd, staat het werk der kunst, zij, waar alles wijkt, te sterk voor den tijd.

Als men den tempel betreedt en doorgaat, doet zich mede een prachtige aanblik voor. Door de rossig gouden zuilen, half in schaduw, half verlicht, met kantige lichtstrepen langs de holte der gleuven, ziet men het groene landschap met een enkel sterk-wit huisje, de verre vlakte, en waar de gezichtslijn eindigt de grootsche golving der Apennijnsche bergen, en van achter tusschen twee zuilschaften door de donker blauwe zee en den tintelenden azuren hemel.

Nadat men den naastgelegen basilica gezien had, die echter den indruk van Poseidoons tempel niet kan evenaren, keerde men naar dezen terug en zette zich aan den rand der tempel-cella neder. 1 lier werd de inhoud der korven ontpakt. Het is zulk een welgevallen zich volop een mensch te voelen, die, waar hij het hoogste kan genieten, ook voor eene gewone aardsche genieting van nederigen aard niet onvatbaar is. De

iS

ocr page 23

AMAZON'!quot;

dames spreidden op de trede langs den zijwand , in tie schaduw die de breede zuil er over wierp, het witte tafeldoek en stalden het middagmaal uit. Salviati, die met verwonderlijke vlugheid door den bouwval rondsprong, kwam bij het gezelschap, en, zooals zijne kleine gedaante daar aankwam, deed zij den heer van Walborch denken aan den kreupelen Hefaistos, die de zale van Zeus bedienend rondging.

— Ah! signore pittore, wat een mooi stilleven , riep Salviati, op het uitgestalde déjeuner wijzende, dat er schilderachtig uitzag met de oranjes en de sierlijk omvlochten fleschjes witten Capri.

— Mijne aesthetiek , zei de levendige jonge vrouw, zwijgt nu voor mijn realistischen eetlust. Hé, oom, Paestum was immers eene kolonie van de Sybarieten? Wij behoeven ons hier dus het genot niet te schamen.

— Zeker, zeker, Marciana, antwoordde de oude heer, den geurigen Capri tusschen zijne lippen slurpende.

Gezelligheid, nieuwe indrukken van natuur en kunst openden de harten en omstrengelden de menschen met de rozenstrikken der ontluikende gemeenzaamheid. Allen waren opgewekt : alleen jufvrouw Ada was stil; zij zag er uit als eene vermoeide bloem, eene bloem die iemand op de wandeling geplukt en in de hand gedragen heeft, slap hangend, dorstend naar water. Zij bezat nog bevalligheid, maar hare eerste jeugd was verwelkt en had slechts eene bleeke distinctie overgelaten. Zij scheen zeer teergevoelig; de zon prikkelde haar, de insekten hinderden haar, de handen hield zij met hooggekapte gemslederen handschoenen gewapend, omdat zij anders zeer deden van den stekenden zongloed; zij at niets dan een ondeelbaar stukje van eene dier kleine Italiaansche kippen en eene oranje, waarvan zij het sap ongestoord langs hare gehandschoende vingers liet siepelen. De jonge mevrouw was niet bevreesd hare handen te ontblooten en te gebruiken, en toch bleven

to

ocr page 24

AM A/CONK

/ij blank en mat als zachtgetint ivoor. Den ouden heer, schoon zijn heden kracht en frischheid had, was het verleden toch langer dan de toekomst, en zoo was hij een man van herinneringen. In een land als Italië, op eene plaats als Paestum zijn herinneringen vooral de machtige inhoud der indrukken. 1 lij sprak veel over de gedachten die hier uit het verleden opwellen, hij herstelde voor de verbeelding der anderen den tempel met zijne kleurige versieringen, zijn beeld van den beheerscher der zee, geuren van de offers, het leven der antieke stad in deze eens zoo bloeiende landstreek.

Die achtergrond van het verleden werkt mee tot de betovering, aan de oude monumenten eigen.

— Geen rozen zijn hier meer, zeide hij, toen de jonge mevrouw een tuil van wilde bloemen saamgelezen had, — eens was Paestum door de dichters geroemd om zijne rozen; Ver-gilius spreekt van de biferi rosaria Pacsh, en Ovidius ook al van de tcpicii rosaria Paesti, de rozengaarden van het tweemaal bloeiende, het zoele Paestum. Tcpidique rosaria Pacsti herhaalde hij nog eens, met welgevallen het welluidend gecadenceerde Latijn doende zingen.

— Neen, geen enkel roosje gevonden — alleen wilde bloemen , wat de menschen onkruid noemen, zeide zij met een verwijtenden glimlach.

Men dwaalde nog wat, nu hier, dan daar, tusschen de hooge zuilen des tempels, daalde dan de treden af en, wadend door het hooge gras, ging men naar het hek van den uitgang, telkens omziende naar het heerlijke kunstwerk der oudheid.

Bij het hek zagen zij een jonge vrouw zitten, de vrouw van den custode. Welk eene tegenstelling — daar achter het eeuwenoude overblijfsel der antieke schoonheid, hier de bloeiende jeugd in hare schitterendste verschijning!

Aisma zag haar en wees haar aan de anderen, en allen bleven gekluisterd om haar henen staan. Zij zat op een stoel

ocr page 25

AMAZONE

tegen den breeden pilaster van den ingang. Zij was negentien jaren, eene jeugdige moeder met een bambino van tien maanden half naakt op haar schoot. 1 laar

witte kleed was van voren een weinig open boven de lage zwart zijden rijgkeurs; de zware zwarte haren in een dichten hoogen bos op het hoofd gebonden ; de wimpers en wenkbrauwen flu-weelig als de braam vanRembrants schoonste etsproef; een groote schoone mond, met blanke regelmatige tanden. Vóór alles

betooverde de glans ,

die haar omringde; zij

was als van eenen lichtgloed omgeven, die van haar uitging en van de bruine glanzende oogen, de roode lippen, de amberrozige gelaatsverf afstraalde als zij lachte en de oogen opsloeg. Met het hoofd een weinig voorover en een lachend geopenden mond, ging haar blik van onder hare wimpers uit naar hen die haar verrukt bleven aanstaren. Een Tiziaansche gloed bij de fijnheid en zedigheid eener madonna van Raffaello, O, geen wonder, waar zulke vrouwen zijn, dat er zulke schilderijen geboren worden. Ieder zocht eene reden om haar te kunnen blijven bezien; de een speelde met het kindje, de ander vroeg hoe oud het was, een derde gaf het een oranje, een vierde gaf liet nog eens een oranje , en zij bleven maar

2 I

ocr page 26

AMA/ONK

kijken, verbaasd en gekluisterd, en het jonge moedertje bemerkte het wel waarom die vreemden telkens een voorwendsel zochten om te blijven, de frissche lippen wijd geopend over de glanzende tanden, lachte en bloosde zij met een weinigje verlegenheid en een weinigje gestreelde eigenliefde in de groote bruine oogen, die zij opsloeg en niet neder behoefde te slaan, omdat zij de zuiverheid der bewondering gevoelde.

— Welk eene heerlijkheid! riep mevrouw van Buren, geheel eene madonna met den bambino. Wat eene glans, als zat zij in eene aureool!

— Zulk een glans, zeide Aisma, als sommige schoone vrouwen omringt, kan er misschien de oudere schilders toe geleid hebben de madonna in eene aureool ot op een gansch gouden grond af te beelden.

— Ja, en is het vreemd dat de groote Italiaansche schilders het cenooquot;quot; vonden Maria met haar kindje zonder andere

£gt; 4-gt;

toevoegselen duizendmaal af te beelden, enkel als schoone moeder met haar zuigeling? Is dat niet goddelijk genoeg? Is er eigenlijk iets goddelijkers? Het is de Heiligheid der schoonheid en van het moederschap beiden !

— Het is waarlijk eene geheimzinnige overmacht die eene zoo schoone vrouw uitoefent, zei Aisma, — en, deze gedachte liet hij zich onwillekeurig ontglippen, geen wonder dat zij er zulke treweldicfe verstoringen mee uitwerkt!

Ö O C5

Het ontsnapte aan mevrouw van Buren, die zich zelve ook wel van die overmacht bewust was, niet, dat er een wolk over zijne oogen trok. Het prikkelde hart; vrouwelijke nieuwsgierigheid, maar zij zeide alleen, met eene afwending dezer gedachten ;

— O, dit is nog eene roos van Paestum, de laatste roos van Paestum.

Nog draalde men om van de schoone verschijning voor

O 1

ocr page 27

AMAZÜNK

goed afscheid te nemen , maar ten slotte moest toch ook deze heerlijke werkelijkheid wegzinken tot herinnering.

Men ging nu naar den kleineren tempel van Ceres, die minder volledig, ook leed onder den machtigen indruk van dien van Poseidoon.

Daar kochten zij van een paar landlieden eenige oudheidjes. Mevrouw van Buren was zeer in haar schik met een kopje van terra cotta, —

van een Artemisbeeldje, zei de heer van Walborch — en Aisma, die twee bronzen ringen had gekocht, vroeg of hij er mevrouw een mocht aanbieden, als aandenken aan hunnen tocht. Zij nam den ring lachend aan en stak hem aan haren vinger.

Bij de osteria bestegen zij weder den wagen; Aisma sprong vlug op den bok naast den vroolijken goeden bandiet die koetsier was geworden, en de drie paardjes draafden wakker naar Battipaglia.

Samen deden zij ook de terugreis naar Napels, waar allen nog eenige dagen zouden vertoeven, en beloofden elkander weder te zien.

ocr page 28

111.

•*) Liefste Zusje!

k heb je prettigen brief poste restante gevonden, dank je wel. Schrijf mij veel, want ik bruis nog v somg t.egen c|e wei-eld en de menschen op. Bah

daar is zooveel platheid en gemeenheid, je waar-Hh ' schuwt tegen zelfkwellerij — maak geen excuses *5? over wat gij je preeken noemt; jij mag mij alles zeggen, al geef ik je geen gelijk. Is het zelfkwellerij wanneer men verbitterd is op anderen die ons kwelden ? Och, kind, je kent de wereld niet, en daarom ben je altijd zoo optimistisch. Mijn wond is wel gesloten, maar de gevolgen voel ik nog. Zij, die ik eens argeloos liefhad, heeft mij, platweg gezegd, slecht behandeld, omdat zij van het slechtste stof der wereld was, waarvan de meesten gekneed zijn, die toch voor fatsoenlijke lieden doorgaan, het stof dat op den zesden dag overschoot van de rest, nadat al het andere, zelfs de kruipende dieren er van gemaakt waren. Bah', hard er tegen in, dat is het eenige. Met edelmoedigheid komt men niet verder; alleen hooghartig sarkasme kan ons in het gewoel redden. Men moet maar zoeken gevreesd te worden; die

ScAquot;

ocr page 29

AMAZONE. 25

geliefd wil zijn, wordt niet geteld. l)c aarde is nu eenmaal een stuk steen met duizend scherpe punten, loop er niet blootsvoets op, maar trek grove zolen aan.

Van schilderen komt nog weinig. Wel heb ik ontwerpen en studies; ook Helena is toch iets gevorderd, meer in gedachte dan in uitvoering.

Je moet mij te Rome schrijven, ik heb mijn kamers aangehouden, Via Sistina; ik blijf nog ruim een week hier. Mijn Paestumsche kennissen blijven ook nog eenige dagen. Wij hebben plannetjes voor Pompei, den Vesuvius, Capri, enz. 1 )e oude heer van Walborch trekt mij erg aan; een gentleman in zijne vormen, rechtuit in zijn wezen, een onnoemelijk rijke geest; ik leer duizend dingen van hem over kunst en vooral litteratuur. Hij ziet er net uit als een van de Romeinsche keizers zonder baard. Ik zeg oude heer — zoo spreken wij jongeren, nu ik ben zelf zoo piepjong niet, maar schoon hij een eind over de zestig is, ziet hij er uit en doet hij als een die nauwelijks vijftig is. Ik ben veel ouder in mijne idees dan hij! lleere, hij is nog naïef soms.

Wat mevrouw v. 15. aangaat, dat heb je nu eens ^lad mis; — maar gij vrouwen maakt altijd plannetjes voor ons geluk! Geen haar van mijn hoofd, en ik heb er nog al veel, dat er om denkt. Dank je, eens is al wel. jammer genoeg dat zij een vrouw is, en jij ook, — maar jij bent een beste, mijn lief zusje.

Of het jonge weduwtje mooi is, vraag je — zoo, gij vrouwen zoudt haar wel niet mooi vinden, maar zij is frisch, knap gebouwd, eigenlijk ja, ze is mooi, soms heel mooi. Zij is zeer begaafd; zij schrijft en dicht met talent.

De andere is een wonderlijk schepseltje — zij maakt mij wel eens ongeduldig, omdat zij zoo doodelijk onver

4

ocr page 30

AMAZONK.

26

scliillig is, toch interesseert zij mij, ook al als psychologisch probleem, en soms heb ik medelijden, de arme is zeker zeer ongelukkig. Ach, wie weet hoe veel gloed er in dien uitgebranden krater zat. Zulk een gedachte kan ons weemoedig maken. Ook al een slachtoffer van gebrek aan hardheid. Zij is zeer levendig; ik meen mevrouw van B., en sprankelt van geest en moedwil! maar zij is (ongelukkig) |dit woord is doorgestreept] zoo steil als de larpeïsche rots, gepantserd en verschrikkelijk op haar stuk staande.

Ik bestudeer met den lieer van W. de Pompejaansche schilderingen. Ik schrijf u voor mijn open raam, daar ligt de prachtige baai vóór mij, met de blauwe tintelende zee, vol bootjes en zeiltjes, rechts het kasteel del Uovo, zie het schetsje dat ik hierbij zend, links de bocht van de stad en de molo in de verte, legenover mij de schoone lijnen van

ocr page 31

AMAZONE. 2 7

den Vesuvius; hij rookt en is met wolken omhangen; hij kookt inwendig; maar wil het niet weten; men voorspelt eene uitbarsting.

Dag, beste kind.

U\V SlWART.

Schrijf mij gauw te Rome; visch ook eens uit wie en wat zij is —

haar voornaam is Marciana — ze is ook Martiaal — die van Huren was de minister.

ocr page 32
ocr page 33

IV.

,11

j . .

apels tintelde in het zonnige morgenlicht. Van Walborch had met zijne dames een tocht naar Capri beraamd, en het sprak reeds van zelf dat mm hun vriend de schilder medeging. Zoo vonden zij elkander aan de kade en werden naar de stoom-

' T'1 .....

boot geroeid, die dicht bij den wal lag. De kleine stoomer werd weldra omringd door een aantal zwemmende jongens, schreeuwende dat men een stukje geld in zee zou werpen. Als zeehonden spartelden zij rond, bliezen langs de oppervlakte des waters, met een gebrul als de Tritons uit hunne horens haalden, en sprongen op de in het water geworpen soldi toe. Snel snapten zij ze, ontdeden ze van het papier en staken de koperen munten in hunne wangen.

Toen riepen zij: Senza carta! (zonder papier). Kn dan doken zij en grepen de zinkende munten.

De boot stak in zee, wiegelend op de deining. Weldra ziet men de prachtige baai en Napels daar langs en tegen de bergen uitgespreid. De stad is wit in het zonlicht, en daar boven liggen de roode forten S. Elmo en S. Martino. Rechts de Vesuvius, zijn top in grauwe nevels gesluierd, aan zijnen

A.1 ©

1

ocr page 34

AMAZONE.

voet de verlichtte stadjes Torre del Greco en Torre Annun-ziata. Wolkschaduwen trekken over de bergen achter de stad; daar boven dunne grijze dampen, hooger het sterke lazuur der bovenlucht. Ook het water is donker blauw als lapis lazuli; schuitjes met blanke driekante zeilen huppelen er over en sneeuwwit is het schuim in het zog van den stoomer.

Er waait eene frissche koelte en de deinende golven heffen het schip en doen het dalen, links en rechts schommelend in regelmatige wiegeling, terwijl zich telkens de scherpe boeg in schoone wendingen hoog verheft boven het water. Heerlijk, daar voor aan de plecht te staan en zich te voelen meegaan, met niets vóór zich dan de wijde zee. Vooruit witte kleine schuimpjes in de blauwe zee, tot in de verte. Nevelig ver ligt dt sfinxachtige gedaante van Capri's eiland. Langzaam ziet men het opdagen en kan zijne omtrek teekenen. Eindelijk vaart men er langs om naar de blauwe grot te stevenen. Maar de golf ging hoog en de wind belette den toegang van de opening, waar men anders met kleine bootjes onder doorvaart om de zoo vreemd verlichte rotsholten te bezoeken. Men stoomde dus terug naar de reede van Capri. Men wordt daar terstond door wegwijzers met ezels, bloemenmeisjes, jongens met stukken koraal van het eiland omringd en overvallen. Men baant zich een weg naar een der schoon gelegen hotels en stijgt daarna naar het stadje op den top en de overblijfselen van het paleis waar Tiberius, Rome vermijdend, het rijk regeerde en zelf in allerlei namelooze losbandigheden uitspatte. Een steil pad in de rots, tusschen bergwand en tuinmuur, nu en dan verlevendigd door vrouwen, die met groote pakken op het hoofd, op hare met lappen omwonden voeten de natuurlijke treden] van het rotspad afdalen; door eene groep prevelende bidders, die eene devotie verrichten; of eene toeriste op een ezel. Van den weg en van boven geniet men het gezicht op het bochtige rotseiland omlaag.

3°

ocr page 35

AMAZONR. 31

— Hier zou ik wel een poosje eenzaam willen leven, zei Marciana, wat een lieve rotsidylle in zee is dit Capri!

— Ik niet, zei Ada, het zou hier spoedig doodelijk vervelend worden, met niets dan die akelige zee om je heen, en alle dag nieuwe toeristen, die alleen komen om die blauwe grot, die niet blauw is.

— Zoo kan men het wel overal vervelend maken, zei de oude heer pruttelend; die grot ts niet blauw, maar men ziet

ze toch meestal blauw, indien al niet altijd. In alle geval moet het gemoed ook blauw zijn, of men ziet alles grauw.

— Ja, ik zou hier ook wel eene poos willen leven en werken, zei Aisma. Maar de mensch is zonderling; als hij de samenleving heeft, verlangt hij naar de eenzaamheid, en als hij de eenzaamheid lang heelt, wenscht hij naar de samen leving. Lang zou ik het hier toch alleen niet uithouden.

ocr page 36

•i 2 AMAZONE.

— Ik dacht dat gij niet altijd zoo op de menschen gesteld waart, vroeg Marciana op ondeugenden toon.

— Toch wel op sommige menschen, zei de schilder met een gebaar van hoffelijkheid.

— Ah, dat is uwe eerste vleiende plichtpleging; dat moet gij niet doen, daar is uw geest te goed voor.

— Dat dien ik nu ook wel voor eene vleiende plichtpleging aan te zien.

Vroolijk lachten zij hierover, tot Aisma aan Marciana vroeg; _ Neen, in ernst, zoudt gij hier kunnen leven, hoe betoo-

verend het hier is?

— Ik zei «voor een poosje»; neen, lang niet. Ik voor mij heb behoefte aan menschen en leven. Als de geest eenmaal bewerkt is, heeft hij voortdurend voedsel noodig. En dat voedsel moet hij buiten zich vinden. Die te lang alleen leeft, verteert zich zelf, tot hij opgeteerd is.

— Die monniken van de Certosa zagen er toch alles behalve

uitgeteerd uit.

— Nu ja, vet hebben zij, — maar hebben zij nog hersens ? Zoo speelden hunne gesprekken langs den weg, tot hun oog

weer geboeid werd door de grootsche of bevallige natuur-tooneelen van wat Marciana de «lieve rotsidylle» genoemd had.

Maar de tijd gunt slechts een kort verblijf, tenzij het zoo echt Italiaansch karakter der plaats u lokt tot langer vertoeven. Thans noopte de stoombootbei weer tot inschepen.

Langzaam verflauwt dan weer in het verschiet het groote rotsblok met de kleurige figuurtjes en de huisjes, als schelpen op eene klip gegroeid, en de hooge punt waarop de villa van Tiberius stond.

Ada lag, even als op de uitreis, binnen op eene sola, half vreezend voor de werking der zee, half daardoor aangetast. Van Walborch zat in zijn Horatius, zijn brevier, zooals hij zeide, te bladeren, totdat hij voor de honderste maal die

ocr page 37

AMAZONE

rythmen zijner grandiloquentia genoot, die men niet vertalen kan zonder de muziek te verbreken (i):

Hem was lt;lc borst verhard, van drievoud brons Ompantserd, die het schip, het ranke aan 't wreed geweld Der zee betrouwen dorst Het eerst.

't Was ijdel dat eens goden zorg De aard van 't onherbergzaam meer Afsneed, als 't vaartuig toch vermetel Verboden waterbanen overschrijdt.

Maar de golven begonnen hoogcr te gaan, het schip slingerde met lange breede gangen, de wind zwol voller op, en van Walborch legde zich, ondanks Horatius, als de meeste reizigers in de kajuit neder.

Marciana bleef boven: zij zwelgde het genot van de zee. Dus, in haar rooden plaid gewikkeld, zocht zij met Aisma een beschut hoekje tegen de verschansing en zij zaten met elkander te praten. De schoone natuur waarin men samen een dag doorbrengt, maakt uren tot jaren van gemeenzaamheid. Beider gesprekken waren reeds gewoon de behandeling van onbeduidende of dagelijksche voorvallen te kunnen ontberen. Zij kregen doorgaans eenen meer beteekenenden inhoud — ideeën, ervaringen , bespiegelingen, die elkander kruisten, bestreden of overeenstemming .vonden. Ieder bemerkte wel dat de ander

(i) Illi robur et aes triplex

Circa pectus erat, qui fragilem truci Commisit pelago ratem Primus.........

Nequicquam Deus abscidit

Prudens oceano dissociabili Terras; si tarnen impiae

Non tangenda rates transiliunt vada.

33

5

ocr page 38

34 AMAZONE.

iets beteekende. Aisma's levensbespiegeling was vaak snijdend en sarkastisch; die van Marciana hoog en heerschend, maar met meer ironie dan bitterheid.

Marciana had er dikwijls behagen in hem uit te tarten. Maar hij was omzichtig en hun gesprek was dan als het zich

nieten van twee ervaren schermers, die elkaar niet konden raken. De jonge vrouw gaf zich wel eens met opzet bloot, maar hij liet zich tot geen onberaden uitval verlokken. Dit prikkelde hare begeerte om hare overmacht te doen gevoelen.

Zij deed soms snelle wendingen en overvallen,

— Ik heb al bemerkt dat gij slecht over de vrouwen denkt, zeide zij op eens.

Aisma antwoordde niet terstond, maar wierp even een blik op haar en zei toen:

— Kijk eens rond, vertrouwt gij die zee ? Zij is wel schoon, maar, hoe weinig scheidt ons van den afgrond en wie weet waarvan het voor ons afhangt er in te storten.

— Toch zijt gij mee aan boord gegaan, zeide zij met een weiluidenden gullen lach; — wist gij zeker dat dit schip betrouwbaar is ?

ocr page 39

AMAZONE.

— Neen, maar als wij straks aankomen zijn wij er af; ik zou er ook niet altijd op willen wonen.

— Zoudt gij denken dat een waarachtig kunstenaar wel ooit trouwen kan? vroeg zij met eene van hare snelle zijwendingen.

— Waarom ? zeide hij, om tijd van beraad te winnen.

— Omdat hij altijd moet vreezen , dunkt mij, zijn ziel te verdeelen. Heeft de kunst niet eene geheele ziel noodig?

— Zeker.

— Of zou de ziel verdubbeld worden als zij aan eene gelijkgestemde gepaard is?

— Dat zou men moeten ondervinden.

— Dat hebt gij dus nog niet ondervonden?

— Ik heb eenige reden om te denken, dat die gelijke stemming niet te vinden is. Geen twee menschen zijn eender.

— Dan komen wij tot het besluit dat dit ideaal eene begoocheling is?

— Wij zien bij man en vrouw altijd een die heerscht en een die beheerscht wordt, een mannelijk en een vrouwelijk element in spiritueele beteekenis.

Marciana lachte luid en zei:

— Ach', maar het mannelijke is ook wel eens aan de zijde van de vrouw, het vrouwelijke bij den man.

— Des te erger. De man is toch naar Edens recht de eerstgeborene ; hij moet de handelende zijn.....

— En de vrouw, zoo viel zij met vuur in, de lijdende in dubbelen zin.

— O, wat dat aangaat, het is de vraag, of liever het is geen vraag, wie meer lijdt. Ik wou toch liever eene vrouw zijn, — in dat opzicht.

— In ander opzicht niet, omdat gij u, mannen, toch de meerderen acht?

— Wel — eerlijk gezegd — in de oude mythe is de man

35

ocr page 40

3 6 AMAZONE.

toch de onmiddellijk geschapene — de vrouw eene vorm uit de tweede hand.

— Gij vleit nu niet, maar ik ben blij dat gij geene versleten complimenten pleegt te maken. Ik zou ook kunnen antwoorden dat de tweede uitgaaf altijd beter is dan de eerste. — Maar zie eens, men kan uit die mythe ook de innige eenheid van beiden afleiden.

— En uit die eenheid sproot onmiddellijk broedermoord.

— Een huwelijk tusschen te na verwanten geeft gebrekkige kinderen; dat is bekend. Is het ook mogelijk dat het eendere niet goed gepaard wordt, en zou het ook zoo met de zielen zijn ?

— Wellicht, waarschijnlijk, — maar men zal lang zoeken eer men dat vindt, iets harmonisch en toch anders, eene harmonie van twee verscheidenheden.

— Ja, zei Marciana nadenkend, daar ligt het gevaar-, en harmonie door opoffering of verloochening van de eene verkregen , beduidt niets, en al beduidde zij iets, men kan niet opgaan in een ander zonder zich zelve te verliezen.

Er volgde eene pooze zwijgens.

Eindelijk greep ook hen die zekere droomigheid aan, waarmede , ondanks de schoonheid der zee, hare eentonigheid ons drukt, en stil zaten beiden nevens elkander. Zoo als de breede ademtocht van den vollen wind, de lange driften van wolken door de lucht, de niet woeste maar toch bewogen golven, met hare witte koppen, dus was ook hun binnenste.

Beiden voelden de aantrekking hen tot elkander drijven, beiden werkten daar tegen in. Aan beiden stormden oudere wolken door het hoofd en wierpen glijdende wolkschaduwen over hun hart. Zonnige wenschen en jeudige luchtverheve-lingen, donkere ontgoocheling en strijd en berusting en wrevel.

ocr page 41

AMAZONE. 37

dacht aan vroegere idealen en hunne bouwvallen, aan tijdelijke neerlaag onder de hand van het gewone, aan opstand, aan de botsing, aan de oplossing die rust brengt, rust, moeizaam veroverd door een machtig aangrijpen van zichzelve, door het neerdrukken van ijdele wenschen; zij dacht aan de volstrekte handhaving van eigene persoonlijkheid door een geoorloofd egoïsme, aan zelfheid door het afsnijden van alle overgave aan teederheid; aan haren wil om in zich zelve beperkt aan liet leven vreugde af te dwingen, met een lach als wapen tegen de wereld en haar hart.

Hem doemde even zoo eene fata morgana op; ook idealen; eene teedere neiging, eene bittere misrekening, en zwarte wolken over dat zonnig gewaande verschiet, een kamp van liefde en haat, van overgave en wrevele terugtrekking; en zelfbehoud, gevonden in harde afsluiting van het ik, in het onderdrukken der ontboezeming, met minachting als wapen om zich tegen de wereld staande te houden.

Zoo dreven zij op de golven als twee halcyonen, de eene door een lach, de ander door minachting rustig, zoo zij waanden , te midden der deinende levenszee.

Zij schrikten op uit hun zwijgen, toen de boot stil lag in de baai en het gewone leven hen weer opvorderde. Te gelijk zagen zij elkander aan en, terwijl hunne oogen elkander aantrokken , sneden de handen het geheimzinnige fluidum af en welde bij beiden de gedachte op: neen, gij zult mij niet van mij zelve aftrekken naar eene nieuwe ontgoocheling; neen, gij zult mij niet doen bukken.

Maar door de plooibaarheid, der menschelijke natuur eigen, was daarvan niets bemerkbaar en zij scheidden, Marciana met een opgewekten lach en eene handreiking, die Aisma met een vriendelijken glimlach aannam.

Toch zult gij mij niet doen bukken — dat formuleerde geen

ocr page 42

38 AMAZONE.

van beiden in zijn hoofd, maar die in het binnenste vermocht te lezen had het er gelezen, — en desniettemin, wie weet, of die nog scherper had kunnen zien, er ook niet meer had kunnen zien, dat dieper lag, nog ongeboren.

ocr page 43

iisma was door zijne nieuwe kennissen mei too vee 1 voorkomendheid opgenomen, dat hij dagelijks en gaarne in hunnen kring verkeerde. Ofschoon hij zich voorgenomen had te Napels wat te schilderen, werd hij dikwijls als van zelf meegesleept. Zonder dat hij het aanvankelijk bespeurde, werd zijne eenzelvigheid tot mededeelzaamheid geplooid en in plaats dat hij zich in de uitvoering van zijne kunst zocht op te sluiten, oefende het gezellige leven zijnen invloed

ocr page 44

AMAZONE.

op hem uit. Het zonnige, vroolijke, schijnbaar nietsdoende Napels sleepte ook hem mede; tenzij dit werd gedaan door het opwekkende gezelschap waarin hij zich zoo onverziens verplaatst vond. De fijne en toch vrije toon die daar heerschte, met van Walborchs kennis, het boeiende van Marciana's geest, de melancholische zachtheid van Ada, de goedheid van hart en den levensmoed van den zwaar beproefden Salviati, dat alles te zamen werkte allengs op Aisma's geest. Nochtans zou hij dat zeker niet hebben willen bekennen, ook niet aan zich zeiven. Immers een gekrenkt hart laat zijn grieven noode varen; dat vreemde menschenhart, dat dan zijn vijand koestert en hem niet zou willen dooden! Het is geene juiste psychologische beschouwing die dit altijd voor zwakte houdt. Het zijn vaak juist de sterke naturen, die met dien vijand spelen, — zoo lang tot hij zijnen eigenen dood sterft. Die vijand was nog niet dood, maar had toch reeds een knak gekregen. Althans Aisma deed wat hij voor korten tijd allerminst voornemens geweest was; hij liet den invloed toe van het gezellige leven. En dit leven, vooral als het niet alledaagsch is, humaniseert. Zoo wandelde hij met de vrouwen in de Villa Nazionale, drentelde langs de winkels, en vermaakte zich met zijne vrienden door het bezien van het woelige Napolitaansche volksleven.

Er is een groot verschil tusschen den aard van het noordelijke en zuidelijke Italië; daartusschen ligt figuurlijk een gansch stuk Middellandsche zee, want het onderscheid is dat tusschen Latium en Hellas. Men kan zich waarschijnlijk geene betere voorstelling van den aard der oude Grieken maken dan door de Napolitanen. Geheel het zuiden van Italië, reeds zoo vroeg door Hellenen bevolkt, heeft zeker veel van hun karakter bewaard. Het was eene opmerking die van Walborch maakte en daaruit ontspon zich vaak met Aisma de gedachtenwis-seling over de verhouding tusschen de Grieksche kunst en die der Romeinen. Aisma was als kunstenaar te zeer van de

4°

ocr page 45

AMAZONE. 41

oneindige meerderheid der Grieken overtuigd om niet onvoorwaardelijk Helleensch gezind te zijn, als het op vergelijken aankwam. Van Walborch, voor wicn het geene uitvoering maar beschouwing gold, was daardoor objectiever, en bij verdedigde den op eigen gebied oorspronkelijken, den eigenen aard der Romeinen en van hunne kunst.

— Ik geef natuurlijk de onvergelijkelijke overmacht der Grieksche kunst toe, en bij deze kunnen wij slechts te recht voor het fijnste van het schoone, zeide hij, maar ik kan niet verdragen dat de Romeinsche kunst en letteren soms zoo minachtend behandeld worden , alsof de Romeinen geen talent hadden en alles bij hen kopie was. Dit is onwaar; zij hebben zich in de school der Grieken gevormd, zoo als wij in die van Romeinen, Grieken enz. Men moet ook één ding niet zoo voorbij zien; dat de Romeinsche kuituur meer westersch en meer modern is en zij ons daardoor nader staat. Zij heeft als middelaar sfediend om ons de Grieksche te leeren, en moet dat blijven zijn. Die trede kunnen de nieuwesen niet missen; de Helleensche tempel staat veel te hoog om hem in éenen stap te kunnen bereiken.

— Alles wel, zei Aisma, ik stel de Romeinsche wereld ook zeer hoog; mits u maar altijd voorop zet, dat er geene hoogere kunst is dan de Helleensche.

— Toegegeven; — maar zoudt gij denken dat wij, met onze begrippen van ernst, degelijkheid, reinheid, in Athene recht goed te huis zouden zijn ? Het was er zeker zoo als nu te Napels; de geest levendig, bewegelijk, tintelend; maar ook, gereed tot spot en drift; het volk met weinig behoeften voor zijn onderhoud, goedig in zijne grappen, maar ook met streken, die wij met onzen ernst bedrog noemen.

— Ik voel mij meer te huis in Rome, zei Marciana.

— Ach, zei Ada, ons eigen Hollandsche comfort is toch verreweg beter.

6

ocr page 46

AMAZONE,

Zoo waren soms hunne gedachtenwisselingen. In hoe verre ieder meer of minder gelijk had in zijne beschouwingen, zullen wij in het midden laten. Het is zeker dat het Zuiden een geheel eigenaardig karakter heeft, dat men in Napels kan opmerken. Wat een rumoer, een hitte, een stank, een vuilnis, een zonneglans! Half naakte, ja ook heel naakte kinderen, kerels die slapen op vuilnishoopen, karren en rijtuigen met galoppeerende paarden, nette en smerige lieden door elkander; alles gebeurt op straat, eten, slapen, koken, de kinderen bevrijden van de diertjes, wier sprong Aristofanes zijnen karikatuur-Sokrates laat uitrekenen, paarden wasschen, kleederen droogen en langs de Lncia alles visch en tafeltjes met conchyliën, de griezelige frulte di marc die zij eten, tot zelfs die dieren toe met wier schelpen wij onze paden bestrooien. Hn daarbij die baai, die zon, die schilderachtige kleedingen; het is een mengelmoes van rumoer, stank, smerigheid en schoonheid.

En dan, wat ons verbaast, dat zonderlinge begrip over eerlijkheid. Men moet daarvoor in Napels niet boos worden; men dingt lachend een vierde van eene rekening af, de man haalt de schouders op, lacht ook en zegt; é! Een koetsier vraagt driedubbele vracht; als tegen een kind pratende zegt men hem, vooral lachend: ho, ho, vriendje, zóo veel is ook goed, hé? Dan glanzen zijn oogen, hij lacht, zijn grap mislukte, maar het amuseert hem als gij slimmer zijt dan hij en hij noemt u eccellenza! Als gij weer eens een wagen zoekt, geen ranctine, de voerman geeft u de voorkeur, want — gij hebt altijd nog veel te veel betaald.

Er zijn zeker kleine bezwaren aan verbonden als men de zaken zoo losjes opneemt, maar het is ook weer niet te ontkennen dat de naieve en luchthartige levensopvatting, waarvan deze en vele andere uitingen de schaduwzijde vormen, mede hare deugden heeft. Men kan de zaken ook te zwaar en te voortdurend met ernst opvatten.

ocr page 47

A.MAZONK.

43

Zoo, door Napels wandelend, ondervonden Aisma en de vrouwen het aanstekelijke der zorgenvrije luchthartigheid om hen henen. Zelfs Ada look er een weinig van op. Aisma voelde zijne belangstelling voor haar toenemen. Haar tengere gestalte, iets ladylike's dat haar onderscheidde, en daarbij het weemoedige van dit mislukte leven verhieven de aandacht voor haar tot medegevoel. Bij hem rees de gedachte: zou daar nu niets meer aan te verbeteren zijn ? Er was iets zachts in haar, veel te zacht wel is waar, maar toch het zachte is ook aantrekkelijk. Hij wist niet hoe en waarin, maar mevrouw van Buren scheen hem anders dan in vorige dagen. Zij was vroolijk en vriendelijk, maar het was als of zij iets minder open was, of liever zij was nog wel open, maar er was een onzichtbare lijn waarover zij geen toegang verleende. Daar was geen feit te noemen om dit aan te toonen, en toch liet het zich zachtkens voelen. De vrouwelijke levenskunst is daarin zeer ver en handig. Er ligt bij vrouwen soms iets veranderlijks in den aard, waarvan een man zich geene rekenschap kan geven, omdat zijn organisme minder fijn en prikkelbaar is. Hoe dit zij, en of Aisma zich bedroog of niet, hij vond nu in Ada's zachtheid eene beminnelijkheid, die hij in Marciana's kracht wel eens meende te missen.

ocr page 48

VI.

an VValborch hield van de goede gewoonte der Engelschen en Hollanders om niet altijd in het openbaar te leven en op reis het huiselijke te behouden. Daarom bleven zij 's avonds meestal de gezelligheid genieten die de theetafel medebrengt. Dan werd er gepraat of gelezen en wat muziek gemaakt.

Op dit oogenblik zat Marciana bij het open venster te schrijven, maar hare gedachten vloeiden niet in groote mate; althans zij keek meestal naar buiten, naar de baai en den Vesuvius, en slechts nu en dan schreef zij snel een regel op. Onderwijl zat de altijd tevreden Salviati met zijne gekromde gestalte op een laag stoeltje bij het andere venster en neuriede Napolitaansche liedjes of trachtte Ada bezig te houden die achterover in een stoel lag. Enkele malen wierp Marciana ook een blik naar binnen op haren oom en Aisma die fotografiën bekeken, verdiept in de muurschilderingen van Pompei en 1 lerculanum.

— Zoo veel is zeker, zei van Walborch, dat zij uit een ander oogpunt beschouwd moeten worden dan tot nog toe.

ocr page 49

AMAZ( )NI',

Men beziet ze altijd van een archaeologisch standpunt; men moet ze eindelijk eens als kunstwerk beschouwen.

— Natuurlijk! zei Aisma, men kan er een schat van aardige bizonderheden uit putten, maar zij zijn toch in de eerste plaats belangrijk voor de kennis van het teekenen en schilderen der antieken. Uit dat oogpunt bezien, zijn zij mij eene openbaring geworden en ik heb er veel uit geleerd. Maar men heeft nooit onderscheiden, er is industriewerk bij en artistiek werk, en de beste dingen zijn nog weinig opgemerkt.

— Ja, maar scheid niet te sterk wat handwerk was in de oudheid en wat kunstwerk was. Alle handwerk was er artistiek en alle kunst was een handwerk. De artist als beschaafd man van den fatsoenlijken stand was bij de Grieken onbekend en bij de Romeinen ook. Alle handwerk, ook dat van den beeldhouwer en schilder, was en bleef een bedrijf van den minderen stand. Denk eens aan hetgeen Ploetarchos schreef: lt; Geen fatsoenlijk jongman wenscht, als hij te Pisa den Zeus ziet, daarom nog een Feidias te worden; ook geen Archilochos of Filetas, hoe zeer hunne gedichten hem. ook vermaken.quot; Zoo zijn er honderd voorbeelden.

— Hé? zei Marciana, van haar papier opziende, wat is dat? Is dat een oud Grieksch begrip of van later tijd ?

— Het spijt mij, beste kind, maar het is Grieksch en zelfs uit den besten tijd. Romeinsch is het ook — Valerius Maximus noemt het schilderwerk een smerig beroep.

— Dan begrijp ik niets meer van dat zoo algemeen in het leven doorgedrongen schoonheidsbegrip, van hun vurig enthoe-siasme voor alles wat schoon was. Voor ons staat juist een kunstenaar hooger als hij ook een beschaafd man is, en het hem niet alleen in zijn vingers zit.

— Pas op — moderne idees, zei de oude heer; wij hebben de kunstenaars verheven * en de kunst is gedaald, en dat is logisch, juist omdat schoonheid iets was dat overal van zelf

45

ocr page 50

AM AZONlv

sprak, behoefde het niet iets afzonderlijks te zijn. Hij ons zijn het in den regel alleen de mannen van het vak die het schoone gevoelen en kweeken. Bij hen was het algemeen, zelfs onbewust, en de kunstenaar bracht het maar ten uitvoer. Schoonheid voortbrengen lag in hunnen aard zeiven; bij ons is het eene bewuste studie en kunst. Zoo eerden zij het kunstwerk, maar minder den kunstenaar.

— En Feidias, zei Marciana, was toch een vriend van Perikles!

— ja, er zijn uitzonderingen geweest, dat blijkt: ik noemde ook alleen den regel. Het hoofdpunt lag dan ook hierin of iemand zijne broodwinning zocht in de kunst; deed hij dat niet, dan was het wat anders. Maar, zei van Walborch, zijne fotografieën rangschikkende, er is hier zeker een onderscheid tusschen het fabriekmatige en artistieke; verder moeten wij er aan denken dat dit decoratieve kunst is, bestemd voor eene bepaalde plaats.

— Ook kunnen wij een groot verschil zien van richting en behandeling, zei Ais-ma. Er zijn dingen die zoo maar losweg neergeschreven zijn met het penseel, andere die uitvoeriger zijn; ja men ziet de verschillende persoonlijkheid en hand zelfs van den schilder.

— Kijk eens, zei van Walborch, nadat *

de dienstmaagd met een «felicissima notte» het licht ontstoken

ocr page 51

AMAZONE. 47

had, en terwijl hij grabbelde in de afbeeldingen die de tafel overdekten , help gij mij eens tot klaarheid komen, gij meester van den pinceele; er is zoo veel dat aan ons modern kunstbegrip vreemd is.

— Wij zijn gewoon, zei de schilder, aan vollere toon en kleuren, aan meer uitvoerigheid, maar ook deze summiere wijs van doen in de Pompejaansche schilderwerken heeft haren eigen aard. Zie, hier, de Medea met haar twee jongens, en

die andere alleen staande Medea, broedend over den doodslag; — hier, de Zeus en Hera.....

— Zeus met een ring met gesneden steen aan zijn vinger viel Ada bevreemd en spottend in.

— Nu ja, zei Aisma, een weinig kregelig, zulke bijzaken doen er niets toe.— Hier, de Hriseïs van Archilleus weggevoerd, de Perseus en Androme-da — deze Ifigenia is niets, dat is behangerswerk — nu, al die groote mythologische voorstellingen zijn meest oppervlakkig, dun en vlak van kleuren, soms slordig van teekening. Maar wat was het geval, — zij dienden tot versiering, tot vervroolijking van den wand,

en juist dien wand, waarvan zij onafscheidelijk waren. De oude kunst kwam altijd veel minder in bizonderheden, duidde meer groot en breed aan. Maar hoe summier cn soms hoe nalatig behandeld, toch ziet men aan alles dat die kunstenaars bij grootsche voorbeelden zijn opgevoed. Het is er mede als met de beschilderde vazen; de halfkenner wijst hier fouten aan, o in menigte, maar die er in te huis is — en die vazen zijn nooit om de teekening of door artisten beoefend — Flaxman,

ocr page 52

AMAZONE

ja, die wist het — nu, die ze goed ziet is verbaasd over de algemeene verspreiding van de kennis \ die kunstenaars kenden precies hun menschenbeeld, tot zijne hoofdvormen herleid, en al falen zij in onderdeden, soms willens en wetens door snelheid , zij schreven er hun beeldjes neer met verbazende juistheid in de beweging, de proporties, met vaste hand en altijd

met het oog op de duidelijkheid en schoonheid van de silhouet. Zoo ook hier. Gij moet niet zien naar een detail van oogen, mond, vingers maar zie naar de groote massa, hoe zij gegeven is, en bijna altijd is de silhouet, de omtrek van het geheel, mooi. Maar er is ook een groot verschil ; deze, deze, die zijn slordiger , maar let eens op, hier de Bacchus met den satyr, dat is knap geteekend, de kop ge-artseerd met toetsen wittig rood, de haren, de bladerkrans vlug er op gezet; de oogen, neus, mond zijn er maar met ééne kleur, paarsachtig bruin, inge-plaatst, — toch is alles het werk van een artist, niet van een verversknecht; ook de Chiron, die Achilles de lier leert bespelen, verreweg het beste van alle groote tafereelen, prachtig geteekend en een warme, zoowaar Giorgione-achtige gele toon; weer artist. En wilt gij iets zien van heerlijk doen, zie dan dit kleine beeldje, dat ik gekopieerd heb, de Andromeda bij de rots; vraag niet of de hand onberispelijk is, maar zie den val en de buiging der omtrekken; en gedaan! Zie, 't is er op geblazen, het licht rooskleurig lijf, het teer gele kleed, wat een smaak in dat weinige. En die Nereïde op een zeepanther, olijfkleurig van vleesch, met Vinci achtige

48

W4hm f-

V .frrs. \v\

V V

L

'rv?

ocr page 53

AMAZONE.

dommelige schaduwen en schamplichten op den bovenarm en de heup — laat

men nu niet zeggen -i

dat zij geen clair-obscur kenden.

— Bestaan voor ons die dingen al honderd jaar, zei Marciana, en heeft niemand dat opgemerkt ?

— Wel, zei Ais-ma , de schouders ophalend, men zit altijd in stelsels,

men kijkt zoo als een voorganger zei dat men kijken moest, men ziet niet

zelf; in alle musea zien de meesten het beste voorbij.

Van Walborch nam levendig deel in dit alles en knikte

soms toestemmend en wreef in zijne handen.

— Weet gij hoe het geschilderd is, vroeg hij, het kan toch niet alles fresco zijn?

— Somtijds, maar niet altijd; het is soms op den droegen muur gedaan. Ik zie er dit

in; sommigen zijn op den korreligen grond geschilderd: anderen toonen duidelijk dat zij op een glad stucco zijn

7

49

ocr page 54

AMAZONE

geschilderd, anders zou het er niet emailachtig op liggen en de hoogsels niet zoo zichtbaar zijn. Zij gingen meest zóó te werk: iquot;. een lokale kleur, 2°. dezelfde kleur, donkerder van tint, voor de schaduw, 30. dezelfde kleur, lichter voor de lichten, of ook wel met getemperd wit verhoogd. De tegenstellingen altijd flink , zonder versmeltende tusschentinten; frisch van kleur, maar toch eenigszins gedempt. De lichten zijn als in dekverf; de toets zichtbaar. Weet u nog die ornamenten die ik u wees? Op groenen grond, die dunne ranken van licht gelig groen, met fijne loovertjes en citroenen en een vogeltje op een tak — dat is met meesterschap er op getooverd, zoo vast en vlug als of het Japansch was.

— Wat? Japansch? Is dat ook al mooi ? zoo viel Ada uit de verte in.

— Mooi ? Meesterlijk. Hun bloemen en dieren zijn meesterlijk. Zie dien

waaier van mevrouw van Buren eens, — maar zien, goed zien, opmerken; is er iets bevalligers en vasters, en zoo maar zonder aarzelen neergeschreven!

Marciana wierp haren waaier open en bezag hem en zij zag Aisma aan. Die man opent mij telkens nieuwe gezichtspunten, dacht zij, en hij heeft gelijk; eerst nu zie ik het.

— Nu, even zoo vast en geestig zijn deze ranken en bloemen en vogels, ph 1 zoo er op geblazen. Soms gaan zij verder, herinner u in die eene zaal dat muschje op een tak, grijs groen, pluizig, heelemaal buiten de verf, dat is een meesterstukje.

— O, en mijne heerlijke danseressen, zei van Walborch,

ocr page 55

AMAZONE. 51

wat ecu lichtheid van beweging, doorschijnend en gazig gekleed, als libellula s.

— En die met het kannetje, patch! in een, twee drie toet. sen is zij er op gezet, — schijnbaar, want die beeldjes zijn toch uitvoeriger; dit is geheel onze moderne wijs van schilderen.

— Een ding zou ik nog willen weten , vroeg van Walborch, zijn die kleuren zoo erg vergaan of eenigszins stil en gedempt geweest ?

— Zij hebben niet veel kleuren gebruikt en ze niet veel gemengd. Hoewel eenigszins getemperd, zijn zij vaak frisch en nooit vuil. Ook daarin houden zij eene mate van stelligheid. Het moet oorspronkelijk iets frisscher geweest zijn, maar toch niet hard en droog; alles malsch en harmonisch. Alle kopiisten maken ze veel te bont en te hard.

— Zoo heb ik het mij ook voorgesteld, — en, weet gij wat mij daarin bevestigd heeft ?

— Wel?

De mozaïeken. Die zijn van stoffen die niet verbleeken, en zij vertoonen toch dezelfde harmonieën, dezelfde frissche en naast elkander staande maar toch eenigszins gedempte kleuren.

- O, dat is een vond, — 't is volkomen waar.

1 )e zachte tonen van Salviati's cither braken het gesprek van de twee enthoesiasten af; Marciana en Ada zongen nog een paar liederen van Heine — Schumann, en toen scheidde men.

Toen Marciana op hare kamer kwam, ging zij naar het opene venster en ademde eene poos de afgekoelde lucht. 1 larc; gedachten waren vele en verward; zij was vol gewaarwordingen. Toen ververschte zij het water in de vaas met rozen, laafde zich even aan haren geur en plaatste ze op het kozijn buiten het venster, dat zij sloot.

ocr page 56

AMA/ONK

Nog even sloeg zij de schrijftasch op en liet hare gedachte stroomen op het papier;

De stille nacht ontplooit Haar sluier en de kalme maan Verrijst, haast volgewassen,

En voor Diana's licht Taant Venus' ster.

Bedwing, Vesuvius, uw lavagloed

En blooz' uw wolkenpluim Alleen van zachter glans.

Stil suist het poozend leven in de stad,

Ver zingt een mandoline 't laatste lied

Voor 't rustend Napoli.

Bebloesemde oranjes aOmen rein

Hun avondbede.

Der planten Salve o regina aan natuur.

O rust, o vrede!

Doe sluimren der gedachten wilden stoet En laat geen evenwichtbrekende hartklop Storen de stille gemoedsrust.

52

ocr page 57

quot;1 '•

VII.

ire heer van Walborch was met zijn gezelschap weer naar Rome vertrokken, waar zij op de Piazza di Spagna eenige kamers bewoonden, terwijl Ada de hare in een pension , eene van die wereldlijke kloosters van alleen reizende dames, opzocht en Salviati naar zijn hooggelegen kamertje strompelde in een vervallen paleis.

Aisma wilde nog eenige dagen in Pompei studeeren.

Hij ging met den trein daarheen. Station Pompei! Wonderlijke klank. Pompei, Pompéi, Pompéi! roepen de conducteurs die de portieren open werpen , zoo als ze bij ons Piet Gijzen-brug roepen. Maar nauwelijks is men de hooge wallen, met de duizende paarsgebloemde raneia's begroeid, en de porta della Marina doorgegaan, of de nieuwe wereld maakt plaats voor de oude.

Aangrijpend is die eerste aanblik , als de voet des levende dezelfde bestrating drukt, waarover de voet der ouden heen-

t

}

ocr page 58

AMA/ONK

ging. Wondervolle stad, van wier huizen als met de zeisen des tijds alle de bovenverdiepingen zijn afgesneden; en die nu geheel open liggen, zoodat in ieder huis de blauwe hemel schijnt, Aisma wilde geheel indringen in het oude leven dier stad. Wat de beoefening van boeken en monumenten geven kan, daarvan had hij reeds het beste deel in zich opgenomen , maar hij wilde het oude leven zelf voor zich opwekken: wandelen , slapen, droomen, eten te midden dier eigen wanden, waar de Romein woonde, de eigen lavablokken van het plaveisel betreden waarop hun voet of schoenzool rustte, waarin hun wagenwiel zijn spoor liet; denken bij het eigen impluvium waar zij zaten en lucht en gezellige gesprekken genoten, teekenen met zijn schetsboek op den eigen wit marmeren tafelvoet, aangezien door de eigen figuren der wandheschildering die hier op de voor achttien een wen levenden neerzagen.

1 lij doolde door de straten, over de oude overstapsteenen, langs de kleine winkels, in de eens bebloemde tuintjes; las de opschriften van allerlei aard — aanbevelingen bij eene verkiezing, spottende schrappen van eenen Pompejaanschen straatjongen, ontboezemingen van liefde. Waar hij den telkens voorkomenden naam Holconius zag, dacht hij lachend aan Marciana's opmerking; die Holconius is de markies de Carabas — of als gij wilt, de Torlonia van Pompéi In de casa della fontana piccola schilderde hij nauwkeurig het allerliefste fonteintje met bontkleurig mozaïek en schelpen. Buiten de poort in de straat der graven maakte hij eene zonnige studie na de halfronde zitbank met gebeeldhouwde leuning, waarop hij een paar figuurtjes wilde doen liggen, wat een heerlijk tafereel kon worden. Dan zat hij uren in eene straat en zijne verbeelding verlevendigde haar met tal van beeldjes, wandelaars, bloemverkoopsters, met opene winkels en toonbank waaraan men handel dreef.

54

ocr page 59

AMA/.ONK.

Eens zat hij in die herberg welker muren cenig grot schilderwerk vertoonen, dat de gasten en wat zij spraken er als fotografisch op verduurzaamde. Daar zaten twee herbergbezoekers te dobbelen.

— Ik kom uit, zegt de een.

Neen ,

zegt de ander.

— 1 )rie.

— Twee.

— Uit.

— Maar dan krijgen zij twist, zooals wij op een tweede tafereel zien.

— Neen, geen twee.

— Voor mij.

— Drie.

— Ik.

— Voort, leugenaar, ik was het.

Nog een paar beeldjes; zij slaan er nu op los, maar de waard schiet toe; jaagt ze de deur uit en roept hun na;

— Er uit, gaat buiten vechten.

Dat alles staat nog op deze muren geschilderd en geschreven.

Met zijne gaaf om zich in het oude leven in te denken, ontwierp hij van dit levendige volkstooneeltje eene aardige teekening.

Op een van zijne dolende tochten onderzocht hij en teekende zeer nauwlettend allerlei kleine bizonderheden in de regio VI , Via nona en daar trof hem een opschrift op den muur:

ocr page 60

AMAZON 1quot;

Odero se potero, se non, invitus amabo.

Maten, dat zal ik als 't kan, zoo niet — haar minnen, mijns ondanks.

Het was eene dier uitboezemingen van liefdeswee, zooals men daar vaak op de muren aantreft. Hij glimlachte om het zonderlinge lot, dat zulk een vluchtigen zucht achttien honderd jaren bewaard heeft, maar de regel bleef hem in de ooren suizen , en hij dacht door een onwillekeurige gedachtenreeks aan de schoone vrouw, die hem reeds veel belang inboezemde en die telkens door zijne verbeelding zweefde als een Pompejaansch beeldje aan den wand. Odcro, se potero, haten , nu dat is te sterk, daar is geen reden toe, maar, dus vertaalde hij het in zijn eigen gevoel, ongedeerd blijven; — se potero; als ik

kan..... waarom kan men niet kunnen..... ph! als men

maar wil. Se non — zoo niet..... dan toch beminnen? Is

dan die macht zoo onweerstaanbaar? Nu ja, voor den onervarene, maar als men eens in den strijd gehard is, bah!

En hij ging nauwkeurig de steentjes teekenen van een mozaïeken vloer, hoe hunne vormpjes waren, regelmatig en toch met zekere artistieke vrijheid, die er het mathematische en mechanische aan ontnam.

Ten slotte, verrijkt met tal van studies en plannen, vol van de levende indrukken dier stad, toog hij rechtstreeks naar Rome. Hij had er bij de Trinita de' Monti, in de Via Sistina, zijne kamers, waarvan er eene vrij goed voor atelier diende.

Al aanstonds, den eersten dag van niets doen, eenige vroegere studies en de begonnen schilderij van Helena terug ziende, werd hij zich bewust dat er eene nieuwe klaarheid in zijn inzicht gekomen was. Hij was ontevreden over het vroegere werk en stelde zich voor zijn doek te veranderen. Het was op sommige plaatsen nog te bruin, te zwaar; de zon van Napels en de antieke schilderkunst schenen in zijne

56

ocr page 61

AMAZONE.

ziel. Den volgenden dag toog hij aan het werk. Hij had zich zijn onderwerp nog te veel, naar zijn zin, met effekt gedacht, eene opvatting zijner jeugd, die hij had gaan verlaten. Rembrandt en zoo velen hebben daarmede groote dingen gewrocht, — maar elke tijd, elk onderwerp, elk individu heeft zijnen eigen aard en deze zijnen eisch. Hij kende de waarde dier opvatting, die eenheid wil en maakt door het samentrekken van den dag op éene hoofdzaak en het temperen van het licht daar omheen in steeds toenemend halfdonker, in het dempen der kleuren door toon. Zijne opvatting was anders. Hij wilde de eenheid ook bewaren bij heldere kleur en verlichting. Zijn streven was geene bizonderheid op te offeren, maar aan alles zijne uitvoerigheid te geven, in helderen dag, eene taak die niet geringere moeilijkheden oplegt. Beslister dan ooit wilde hij dit nu doorvoeren; daarin lag zijne kracht en oorspronkelijkheid. En zoo liet hij den vollen dag in zijn tafereel lichten en verhelderde de doorschijnende schaduwen en reflexen.

Hij glimlachte bij het denkbeeld wat kunstgenooten, die niets van die uitvoerigheid wilden weten en waarvan sommige jongeren smaalden op edele teekening, waarvoor zij chic in de plaats stelden, daarvan weer zouden zeggen. Zij zouden het hoofd schudden, zeide hij bij zich zeiven, doch, weest maar eerst eens hier en gij zult wel anders leeren zien.

Hiermede was hij eenige dagen zoo vervuld, dat hij aan geen bezoek bij den heer van Walborch dacht, tot dat hij op een middag, uit behoefte naar verpoozing op den Monte Pincio ronddolend, hem met zijne nicht op eens tusschen de menschen zag. Van Walborch zwaaide zijn wit zonnescherm om hem te wenken en hij werd door beiden vriendelijk begroet.

— Zijt gij al lang in Rome terug, vroeg mevrouw van Buren.

57

8

ocr page 62

AMAZONE.

— Een dag oi vijf.

— O, — u wist ons adres; niet waar? Het klonk eenigs-zins als een licht verwijt.

Aisma voelde het en voegde er bij dat hij zoo verdiept was geraakt in zijne schilderij.

— Mogen wij eens komen zien ? vroeg van Walborch.

— Zeker, maar er is nog weinig te zien; ik heb alles overgeschilderd, gansch anders, — invloed van Pompei voegde hij er lachend bij.

Van Walborch glimlachte met een gebaar als meende hij; nu ja, dat verwondert mij niet.

— Altijd Helena? vroeg Marciana.

— ja, van zulk eene vrouw komt men niet zoo licht af.

— Waar die aantrekking van haar toch in zat? zei Marciana en sloeg de oogen op Aisma, en op haar gelaat sprankelde de schalksche uitdrukking van vrouwelijk welbehagen en zekerheid.

— Och, zei Aisma met een schertsenden zucht, dat weten wij niet altijd bepaald aan te wijzen, wel voelen wij het. . .., wij kunnen het ook wel uitdrukken in de kunst.

— Hoe hebt gij haar opgevat? Is zij blond of bruin? Is zij bevallig of statig?

— Ik had haar bevallig, maar dat deugt niet; zij moet

5«

ocr page 63

AMAZON I'quot;,. 59

krachtig zijn; niet zoogenaamd lief mooi, maar vol karakter en stijl.

— Schijnt u het karakteristieke hooger clan het schoone?

— Zoo uitgedrukt zou ik er niet ja op zeggen. Het schoone is het hoogste, maar het moet karakter en stijl hebben; het schoone is niet mooi.

— Zou schoonheid alleen dien overweldigenden invloed hebben gehad, dien wij overal bemerken zoodra Helena optreedt?

— Zoo iets meende ik juist. Het is niet genoeg dat ik Helena laat optreden als eene schoone vrouw, er zijn zoo vele schoone vrouwen. Zij moet iets bijzonders hebbenyets demonisch, iets dat fascineert, zonder dat men weet waarom. Dat hebben sommige vrouwen, zelfs zonder de hoogste schoonheid, zelfs met kleine afwijkingen die wij bij anderen niet zoo mooi zouden vinden, maar die men niet zou willen missen; dat werkt mee tot die geheimzinnige aantrekkelijkheid. Ik zoek zulk een model of iets waarvan ik dat ten minste maken kan.

Zoo sprekende hadden zij zich van de muziek op den Pincio verwijderd en waren in eene laan gekomen waar van Wal-borch zich op eene bank had nedergezet. Marciana stond voor hem. Zij was op dit oogenblik schoon maar had vooral dat eigenaardige dat Aisma getracht had in woorden uit te drukken, en toen zijn oog op haar viel was hij als door een elektrieke vonk getroffen; hij bleef haar aanstaren. Er lag een glans over haar gelaat, als van een agaatroos in het zonlicht. Als goud blonk het haar en hare noordsche blankheid was in strenge vormen gevat, die zweemden naar die der Romeinsche keizers-vrouwen. 1 let zacht geelachtig getinte kleed kreeg van zwarte kant en de prachtige gele roos op haar boezem het noodige relief. Ook hare fiere, zich gemakkelijk bewegende, maar krachtige gestalte prentte zich in zijne herinnering.

Toen hij den volgenden morgen aan het werk ging, kreeg de Helena eene geheel nieuwe gedaante.

ocr page 64

AMAZON1C.

Hij was door zijn goed geslaagd werk sterk opgewekt, en toen hij uitging kocht hij eenige kostbare rozen in de Via dei condotti en reikte die op de Piazza di Spagna aan met een kaartje waarop hij schreef of hij 's avonds op het theeuur mocht komen.

Haar tot model te hebben! dacht hij.

6o

ocr page 65

VIII.

e salon van van Walborch was een middenpunt waar zich des avonds vaak eenig gezelschap vereenigde; op eenen dag der week trof daar gewoonlijk een grooter aantal bezoekers samen, inwoners van Rome of vreemden van verschillenden landaard. Van Walborch was een man der wereld; in den huiselijken kring was hij eenvoudig en studeerde; in den kring van enkele geestverwanten hield hij er van dieper in een onderwerp van kunst of letteren door te dringen, zonder vrees voor een onbescheiden overwicht als hij den overvloed van lectuur en denken liet stroomen; maar had hij een grooter aantal gasten, dan liet hij dezen meer het woord. Marciana had deze wellevendheid van hem geleerd; zij hield de eer van den salon op, zonder altijd zelf als het middenpunt er van te willen uitkomen. Toen zij al hunne bezoekers met een woord had toegesproken, zette zij zich op een rustbank en trok zich een oogenblik achter haar waaier terug. Aisma die haar alleen zag, ging tot haar. Zij streek de plooien van haar kleed naar zich toe en schoof even ter zeide, een mimische vergunning voor Aisma om naast haar te gaan zitten.

ocr page 66
ocr page 67

AMAZONE.

— Wel, zeide zij] met een glimlach, gij ziet dat gij hier geen vreemde zijt; uw werk heeft ook hier de aandacht getrokken.

— O, ik heb al tal van nieuwe kennissen gemaakt; maar ik vind het zoo verwarrend, als men zoo van den eene op den andere wordt voorgesteld, en ik vergeet zoo spoedig de namen. Vertel mij eens wie is die jonge man ook weer, met dien zwarten knevel en die buitengewoon schitterende oogen, daar.

— Die? dat is Askol. Kent gij zijn werk niet? Hij kent uwe schilderijen wel. Hij is onze beeldhouwer, een talent; een groot talent; hij is een Amerikaan, maar woont sinds eenige jaren in Rome. Gij moet hem leeren kennen; wij houden veel van hem; een artist in zijn hart.

— Maar wie is die lange schrale geestelijke toch met wien uw oom zit te praten.

— Die ? Hoe ziet gij hem zoo verbaasd aan ?

— ja , wel verbaasd;

verbeeld u, dat moet ik u eens vertellen. Ik was laatst in de Maria sopra Minerva en toen ik de deur wilde uitgaan, keerde ik om, want ik wilde nog even het grafteeken van de Tucciae bezien,

waarvan de bizonder fijne renaissance mij onder de vele meer barokke zaken trof; — daar in den hoek bij de deur vond ik een priester, een man met grijze haren

63

ocr page 68

64 AMAZONE.

en nog al deftig voorkomen, die naar mij toeging en iets prevelde. Ik meende wel te verstaan, maar dorst mijne ooren

niet gelooven: toen herhaalde hij zijn verzoek en.....raad

eens..... hij vroeg mij wat geld voor een paar nieuwe

schoenen! Ik was er zoo van beschaamd, dat ik met een beleefd schouderophalen, alsof ik hem niet verstond, maar maakte dat ik weg kwam. En dat is hij!

Marciana vergat al hare damesingetogenheid, en van haar schoonen mond schaterde een onbedwongen lach.

— Dio mio! die arme Pecchi! Ja dat is voor u iets vreemds, maar zoo iets moet u hier niet verwonderen. Wij zullen straks eens naar zijne schoenen kijken. Misschien is hij met een ander gelukkiger geweest. O, daar ontzien zij zich niet voor, die arme priesters. Hij leert mij Italiaansch; ik kan het wel lezen, maar ik moet nog meer de gewone dingen der conversatie leeren. Per Crispino! kijk, hij heeft nieuwe schoenen aan, hij heeft zeker een schietgebedje tot den patroon der schoenmakers gedaan!

— St! zei Aisma, trek door uw gelach geen menschen-, vertel mij liever nog wat van de bezoekers hier. Zeg mij eens, hoe is juffrouw Ada toch zoo vreemd, zoo onverschillig?

— Ach, dat is eene tragedie, daar mogen wij niet bij lachen, zeide zij, plotseling hare uitgelatenheid stakende, — neen , dat vertel ik u wel eens bij gelegenheid.

— En Salviati.....

— Nu, dat is ook een tragedie, — maar dat kan ik u met een paar woorden zeggen. Salviati was een groote knappe jongman, zoo als gij aan zijn hoofd nog zien kunt, tot dat eene ziekte hem aan het bed kluisterde; hij herstelde, maar verrees als de ongelukkige dien gij nu ziet, geheel gekromd en van het gebruik zijner beenen beroofd, O, hij is een brave kerel en ieder tracht hem het leven te veraangenamen, en ondanks zijn lot, geen zweem van bitterheid of ontevreden-

ocr page 69

AMAZONK

lieid; altijd is hij vroolijk ja, merkwaardig; denk eens, jong en knap van uiterlijk en dan zoo te worden. Gij moet hem achten en helpen. Met geestkracht voorziet hij in zijne levensbehoeften door muzieklessen en het schrijven van kritiek.

Inderdaad was het weldadig te zien hoe die kleine op krukken huppelende gedaante door velen omringd werd, door ieder geholpen en vriendelijk bejegend, ook door de dames.

— Kom , zei Marciana , ik ga Salviati een beetje naast mij zetten, wij moeten hem met goedheid overladen om hem zijn leed te vergoeden. Ga gij nu wat met Ada praten; zij heeft ook wat opwekking noodig.

Dit zeggende sloeg zij haren waaier dicht en stond op , en terwijl Aisma haar met ingenomenheid nazag, toen zij Salviati mede nam naar de sofa, ging hij naar Ada, die in eenen hoek der zaal aan eene tafel fotografieën achteloos zat te bezien.

Marciana schoof een laag gemakkelijk stoeltje voor Salviati bij de sofa en vroeg hem of hij haar morra wilde leeren.

— Si, si, riep Salviati lachend en wees haar hetItaliaansche, zelts antieke, volksspel met het uitwerpen en tellen van de vingers. Vroolijk klonk hun gelach met de komische uitroepen van Salviati als hij haar telkens deed missen, en er vormde zich een kring om henen, die weldra deelde in de grappen van den lustigen Italiaan. Aisma bemerkte spoedig dat, als bij Ada de nevel der melancholie voor eene wijle kon worden verjaagd, haar geest eene fijne beschaving toonde. Als uit de asch van een bedolven en verwoest Pompéi — Aisma voelde deze vergelijking in zich opkomen — verrees dan bij haar de verborgen poëzie-, tal van beelden en gedachten in de half verschoten teedere kleuren der i'ompejaansche schilderingen, zacht en weinig stoffelijk zoo als dezen.

Zij had al een jaar of vier gezworven in Italië en Zwitserland, nu eens alleen, dan in gezelschap van andere dames waarvan beide landen overvloeien, die om huiselijk leed of maatschap

9

6 5

ocr page 70

AMAZONE.

pelijk misplaatsing, in den vreemde zwierven van pension tot pension. Somtijds voegen zij zich bij elkander en die pensions zijn dan toevluchtsoorden van ongehuwde vrouwen, waarvan de meesten in femelen en verveling handelen uit gebrek aan werkkring.

— O, dat zijn folterplaatsen, zeide Ada, die kamers zijn vunzig, de gangen en steenen trappen zijn vuil, en rieken naar petroleum en uien; daar woont men in hokjes met meubels van verlepten zwier, met valsche piano's waar Engel-sche vromen stichtelijke liederen op tjengelen,

— Vindt gij in Rome geen afleiding?

— Och, in de huizen is het hier ook al vuil: in de Romeinsche keukens zie ik de meiden dwars over het fornuis liggen slapen, en met een hoog gekapt hoofd in de asch op den houtskool te land komen; met zulk een zwart gezicht komen zij uwe brieven boven brengen.

— Vondt gij het dan in Florence niet liever?

— Florence, spreek mij daar niet van; ik woonde er in een nauwe straat vol vieze geuren en onmuzikale geluiden van courantenjongens; ik dwaalde door de museums zonder iets van die kunst te begrijpen, en al die heiligen en

madonna's..... en in mijne woning ook niets dan heilige

Engelsche dames. Eens ontmoette ik geëmancipeerde dames, dat is nog erger, zij zijn ruw, niet welopgevoed; soms niet kwaad, maar onvrouwelijk, niets zachts, niets liefelijks. Zij waren alleen knap in weten.

— Maar de verfijnende kunst ontbrak haar ....

— Kunst, — ik weet het niet; hoe verkrijgt men kunst-, ik begrijp te weinig van al die kunst.

— Ik bedoel geen kunstwerken, maar het aesthetische dat er ligt in verfijning van geest en toon. Dat kent gij volkomen, en gij houdt toch van poczie en muziek.

— Toen ik een kind was, zeide zij, want altijd was dat

66

ocr page 71

AMAZONE

het punt waartoe hare gedachten wederkeerden, — toen bad ik; Lieve Heer, geef mij toch levenslang een tuintje om bloemen te kweeken, een eigen haardje met een poes en een piano om mijn Mendelssohntjes bij te zingen; maar mijn bede is niet verhoord. — Ik ben gaan reizen om eene ruimere lucht in te ademen en een wijdere omgeving te hebben, maar — ik vond dat nergens.

Aisma was meermalen getroffen geweest door hare gaaf van opmerken en met kleine, vaak dichterlijke trekken, de zaken te teekenen. Nu zeide hij op eens:

— Waarom tracht gij niet uw leed uit u zelve uit te werken, te objectiveeren; waarom schrijft gij niet?

— Waarom zou ik mijn leven opschrijven; de geschiedenis van een mislukt leven is niets nieuws. Er zijn ook al schrijfsters genoeg; en ik heb er toch ook geen talent toe; zij hebben mij in mijne jeugd gebrek laten lijden aan zon en goede boeken. In stilte las ik mijn Schiller en Byron en dweepte....

— En geen stevige, stellige kennis er bij? Alle kunst en ook het kunstgenot moet gesteund worden door eene krachtige hoeveelheid werkelijkheid.

— O neen — alle stevige kennis werd mij verboden. Zoo dwaas, alsof ons toch de nieuwe denkbeelden niet toewaaien. Voor wetenschappelijke kritiek werd ik zorgvuldig behoed; toch komt zij van zelve, maar ik hoorde er alleen zoo veel van als strekte om het oude te doen vervallen; niet genoeg om iets nieuws te stichten. 1 )e gewone ellende van hen, die met een vrijen geest geboren, in den kring van het oude gezag worden opgevoed. Die komen altijd om. Marciana wil mij ook altijd aan het werk hebben.

— O, als die u wilde helpen, welk een krachtige geest en welk een groot talent.

Askol, de beeldhouwer, was met Marciana, in druk ge-

ocr page 72

AMA/.UNK

sprek geweest, toen zijn oog op Aisma viel en hij haar vroeg:

— Wilt gij mij eens niet hem in kennis brengen; hij boezemt mij veel belangstelling in en ik acht zijn werk verbazend hoog. Nog nooit is de oude wereld door een schilder zoo begrepen als in de aquarellen en schilderijen die ik van hem zag. Wij hebben daarvan zoo vele conventioneele en onware voorstellingen gezien. Ik sta verbaasd over zijne kennis tot zelfs van de kleinste bizonderheden, en bij hem is de oudheid leven geworden. Zijne antieken zijn antiek en toch leven zij, in een modernen vorm herboren.

Marciana voldeed gaarne aan zijn verzoek.

— Ja, hij is een merkwaardig man en ik heb ook al voor-gevoeld wat gij zegt.

Zij bracht hem toen bij den schilder.

— Heeren, zeide zij, voor mij zou het een genoegen en voor de kunst een voordeel zijn, als gij elkander goed kendet.

En hiermede liet zij hen samen.

Beiden waren spoedig met elkander bekend. Askol was een man zonder terughouding, die rond uitsprak wat hij meende. 1 lij was zoo gewoon de klei te vormen en het marmer te behouwen, dat hij ook met menschen er rechtstreeks en krachtig op los toog.

Ook Aisma zijnerzijds was beslist en volstrekt in zijne kunstbegrippen. Askol werkte met stelligheid en ook Aisma was juist en nauwkeurig in zijne kunst. Beider wezen teekende zich dus spoedig zonder lange praeludia, en met behoud van ieders persoonlijkheid was er veel overeenstemming tusschen hen. Aisma beloofde den beeldhouwer dat hij hem spoedig in zijn atelier zou bezoeken.

Te midden van de gesprekken kwam er op eens eene verrassende afleiding. Daar trad een meisje binnen, geheel in oudgrieksche kleeding, dat rondging met eene schaal waarop

6S

ocr page 73

AMA/.ONK

vruchten en gebak lagen. Het was eene aardigheid van Marciana, die haar kamermeisje zoo had uitgedoscht voor dezen avond. Een lang en slap kleed van zacht getinte stof hing met dunne smedige plooien van hare schouder en was met eene spang boven de armen bevestigd;

over het hoog gegordelde middel hingen de plooien van den peplos heen. Om den hals droeg zij Mar-ciana's ketting met Grieksche munten,

en de zwarte haren der Romeinsche waren met twee paarse banden omwoeld. Van onder den kleedzoom waren de geellederen schoenen met uitgesneden stukken zichtbaar.

Dit schoone meisje in haar Griek-schen dos wekte eene vroolijke opschudding en algemeene scherts, en Askol zei stil tot Marciana:

— Wij moeten dit idee eens verder uitwerken en bij mij in mijn atelier een klassiek feest maken, allen in antieke kleederdracht. — Zult gij meehelpen ?

— Mooil zei Marciana; wij zullen het doen op Salviati's verjaardag en dan maken wij eene tombola voor hem.

Samen zouden zij dit plannetje wel goed uitwerken.

Intusschen verwijderden zich eenige bezoekers en Aisma ging om dit eveneens te doen tot den heer van Walborch. Doch deze hield hem nog eene poos bezig.

— En wat zegt gij nu van mijn heerlijk, eenig Rome? vroeg hij.

— Rome is eene wereld, dat voel ik al; maar ik heb nog

69

ocr page 74

AMAZONE.

geen geheel-indruk; ik heb nog te veel onderdeelen te bestudeeren.

— Als gij een ouden gids wilt hebben, zal ik het gaarne zijn; ik ken mijn Rome.

— Met genoegen; u kent de toegangen en alle hoekjes en gaatjes der galerijen.

— Ja, ik ken Rome. Eerst is het vreemd , en valt tegen — is het niet?

— Wel,.... eerlijk gezegd, ja. Ik spreek niet van de schilderwerken , maar anders.....

— Dat gebeurt ieder die oprecht is. Gij zijt te goed voorbereid en te huis in de groote schilderwerken. Maar den meesten, zelfs kunstenaars, vallen de groote Italianen tegen.

— Natuurlijk! men is aan zulke grootsche waarheid niet gewoon; men kent of eene lagere soort van waarheid of een valsch effektbejag. En hier is niets oppervlakkigs; maar men moet dieper doordringen en er vertrouwd mee worden.

— Zoo ook met de ruïnes; hoe arm en vervallen komen zij ons eerst voor en ook kleiner dan wij dachten. Eerst moet de verbeelding die met gaten ingevreten en grauwe vlakken weer met blank en gekleurd marmer bekleeden, aan die afgebrokkelde lijnen haar zuiveren omtrek geven. •— Toch is Rome eene wondervolle stad, daimonion ptolietron. Men kan niet zeggen, dat de kunst hier in ieder opzicht schooner is; de Grieksche bouwkunst, zelfs in hare bouwvallen, staat ver boven de Romeinsche, wij zagen het al te Paestum; een groot deel der Romeinsche beelden is ten slotte toch niet meer dan vertaling van de Grieksche, al zijn het meesterlijke vertolkingen; — en toch — Rome oefent eene geheel eenige macht uit, Rome geneest en verheft. O, gij gaat grooter van hier, dat zult gij zien!

Wat hij hier, en meermalen uitvoeriger, aanduidde, is zeker opmerkelijk. Maar men moet Rome niet beschouwen met het

7°

ocr page 75

AMAZONE.

hoofd vol Grieksche kunst. Alles is betrekkelijk. Streng genomen en bij de Grieksche en Egyptische vergeleken, is de Romeinsche kunst eene verzwakking. Doch zoo men moet vergelijken om te leeren en te doorgronden; men moet niet voortdurend vergelijken als men geniet, maar het voorwerp op zich zelf beschouwen. De Romeinsche gebouwen hadden noch de edele bouwstof, noch, evenmin als de beelden, den verheven eenvoud en adel der Helleensche. En toch, Rome had weer iets eigens; het had zijnen vorm van Korinthische zuil en zuilhoofd; de thermen, waterleidingen, basilieken, villa's zijn zijne vinding. Er is meer moderne weelde en gemak in; het was eene wereld die ons nader is en meer verwant. Rome bezit ook niet de schoonste overblijfsels der oudheid. Zoo schoon als die van Paestum en Girgenti bezit Rome geen gebouwen. De fijnste renaissance, een paleis Strozzi, Pitti, een dom, als te Elorence, ziet men hier niet, evenmin die heerlijke kunst die de namen draagt van Ghiberti, Donatello, Lucca della Robbia, Verrocchio, Cellini, da Vinei. Ook niet de hoogste antieken: het prachtigste Grieksche beeldhouwwerk ligt te Londen, de oudere kunst der Aigineten en de schoonste satyr, de Barberinische, zijn te München ; de schoonste Afroditè die van Melos, het beste exemplaar van den Hermafrodiet, van de in het bad geknielde Venus, van de Diana, zijn te Parijs.

Een aantal bouwwerken van Rome zou, in het afgetrokkene beoordeeld, voor geen jury thans genade vinden; de gevels met overladen attieken, het overbodig toevoegsel dat alle frontons ontsiert, de gedraaide zuilen, de loodzware entable-menten, al de onzin der Borromini's en Bernini's, zelfs de zeer bedenkelijke waarde van den Sint Petrus. En ondanks alles, Rome is eenig! Het historisch gewordene heeft zulk eene groote aantrekkelijkheid. Een voortbrengsel van den tijd schijnt het hier, niet van individuen of hun wil; van daar een

71

ocr page 76

72 amazone.

indruk, niet van willekeur en toeval, maar van noodzakelijkheid. Rome is eenig door al wat het vereenigt, door zijne lucht en groote natuur, zijnen wereldhistorischen achtergrond, zijne beteekenis als vaderland en kampplaats onzer gansche westersche beschaving. Gij kunt hier geen plek noemen of zij bezit, behalve hare eigene waarde, nog duizenden herinneringen. Dit maakt Rome zoo vol, zoo levend, zoo geheimzinnig, zoo werkzaam voor de verbeelding; dit maakt dat wij al onze kunstherinneringen naar Rome medebrengen. Met is alsof de schoone zaken die nu elders zijn, daar slechts tijdelijk haren intrek genomen hebben, en zij toch eigenlijk te Rome wonen. Alles brengen wij tot dat middenpunt terug, sints achttien eeuwen het hart der wereld. Als men in Rome komt, van waar ook, voelt men dat men uit de provincie komt in de stad, de urus.

ocr page 77

IX.

i %_

gt; jr^-w-s^e dienen, of vond het weder te schoon en had zijnen tijd noodig om aan den rand van het bekken der fontein op de Piazza Navone te zitten luisteren naar het zachte gekletter der water-♦ stralen. Bij onzen schilder poseerde hij voor vader Priamos. Hij had daarvoor een goeden kop, met zijn gladden schedel, waar langs de vlokkige witte haren afhingen, en zijn vollen grijzen baard.

Aisma besloot dus gevolg te geven aan zijn voornemen om den beeldhouwer Askol te bezoeken. Hij liet zich naar de Piazza delle terme rijden en vond weldra het nommer. Askol had een paar van de groote overwelfde ruimten in de thermen van Diocletianus gehuurd en die tot werkplaatsen ingericht. Hoven had hij zijn sierlijk atelier, beneden de werkplaats waar zijne klei en marmerblokken voor grootere werken lagen, In het eerste kwam men langs een open steenen trap buiten het gebouw, die hij met klimplanten, bloemen en brokken antiek beeldwerk versierd had. Voor de deur stond eene tafel van antieken vorm, en daarop een gebronsd afgietsel van een

IC

isma wachtte 's morgens te vergeefs een model. De man moest wellicht elders voor apostel of Mozes

ocr page 78

74 AMAZONE.

boetseerwerk van Askol, een gebonden martelaar voorstellende, een krachtig werk, waarin de invloed van Michelangelo zichtbaar was in de eenigszins gewrongen houding. Boven den deurpost stond het borstbeeld van Bacchus, vroeger Ariadnè genoemd.

Het bovenste atelier was eene groote overwelfde ruimte, waarin de vloer van ruitgewijze tegels middeleeuwsch was. Langs de wanden hingen hier en daar oude tapijtwerken; op opene plaatsen had Askol ze beschilderd met de groote festoenen van takken en vruchten, die men in eene zaal der woning van Livia op den Palatinus ziet, die schoone slingers met hun volle diepe kleuren, die aan Vlaamsche en oude Hollandsche kunst doen denken. Tegen de muren stonden gesneden banken, sota's met Turksche tapijten, zooals er ook een op de tafel lag. Rondom zag men fraaie geschilderde studies en schetsen van vrienden, afgietsels van antieken, bemaalde Grieksche vazen, en op een paar boetseertafels schetsen in klei door Askol ontworpen. Zijn pas in marmer overgebrachte Adorante, eene schoone knaap met biddend geheven armen, stond in het midden der zaal en in den hoek eene vleugelpiano.

Askol ontving Aisma met gulheid.

— Ik ben blij u te zien, zeide hij met zijne snelle korte zinnen zonder omwegen. — Uw werk bevalt mij verbazend. Dat is antieke zaken schilderen, ja, kijk maar eerst op uw gemak rond. Daar hebt gij mijn Adorante, die naar Amerika gaat. lien mooien knaap had ik voor hem. Len buitenkans. O, het is ellendig die verflenste schrale modellen die wij hier vaak hebben.

Aisma betuigde oprecht zijne goedkeuring, terwijl hij om het beeld heenging.

— Ja, mooi, he? die lijn — zei Askol, met zijn duim als modclleerend langs het beloop van het been wijzend.

ocr page 79

AMAZON!;. 75

1 lij floot en gaf ccn wenk aan zijnen bediende. Dc/.e zette eene groote met mat omvlochten flesch op de tafel en twee bekers, die Askol vulde met goudgelen Orvieto.

— Ga nu zitten, zeide Askol, die eene grappige wijs van bedisselen had; hij gal Aisma een beker, stootte aan en riep; favorisca!

Dicht bij hen stond een reliëf in een rond, waarvan Aisma dc oogen zoo spoedig niet kon afwenden. 1 Iet verbeeldde eenen zittenden satyr tegen wiens schouder een kleine gevleugelde Eroos leunt, die zijn pijl achter zijn rug verbergt. Kr lag eene idyllische liefelijkheid over dit antiek gedachte en in antieken geest uitgevoerde bas reliëf. Aisma sprak er van hoe; hij de klassieke naïefheid hier goed in vond weergegeven.

— ja, de antieken zijn eenig, in hun soort, zei Askol, maar toch moeten wij een eind verder gaan. Meer beweging, meer ziel.

— Ah! antwoordde Aisma, — een gevaarlijk punt, mijnheer Askol; voor een greintje geef ik u toe, en dan nog maar in sommige onderwerpen. Maar — dat is de breede weg, de weg ten verderve, en, om het ronduit te zeggen, Michelangelo is al een eind dien weg op.

— O! riep Askol met een heftig gebaar, — neen, neen! Michelangelo is onze man, voor ons modernen. Voor de antieke kalmte gaat ons bloed te snel en is ons gemoed te vol van velerlei.

— Zoudt gij denken dat een Helleensch gemoed ook geen hartstocht kende ? Neen dat is het niet — maar zij wisten in hunne kunst de grenzen te bewaren. Michelangelo is een reus; hij is evenwel het grootst als hij zich matigt, in de madonna van Santa Croce te Florence, bij voorbeeld. Sommige beelden van de graven der Medici zijn reeds te gewrongen en in Mozes mis ik eenvoud.

ocr page 80

76 AMAZONE.

— Mozes is bedorven door het polijsten, dat neemt alle rust van het marmer weg.

— Dat kan zijn — maar voor mij, hoe groot hij als beeldhouwer ongetwijfeld is. nog grooter is hij mij als schilder in de Sixtina.

— Het antieke Rome heeft u al overmeesterd. Pas op; het moderne leven heeft ook zijne eischen; en die spreken zich ook in onze beeldhouwkunst uit.

— Misschien hebt gij voor een deel gelijk. Maar, ik kan het niet ter zij zetten, ik bewonder den beeldhouwer Michelangelo, en toch zou ik hem nog onvoorwaardelijker bewonderen als die verfoeilijke Bernini niet altijd achter hem stond, die hem overdrijft en parodieert.

— Kom eens mee naar beneden. Ik heb een groot werk onder handen.

Zij daalden de trap af en traden in de benedenruimte,

mede eene groote overwelfde zaal, maar geheel eene beeldhouwerswerkplaats. Hier stonden groote marmerblokken van Carrara , pleistermodellen van voltooide beelden, werkbanken, daar lagen boetseerstaven, hoopen klei, en alles was overstoven met gips en marmergruis. In een hoek was Angelo bezig, een van die practiciens, zoo bedreven in het afvormen in pleister en het houwen in marmer , waaraan dan de kunstenaar zelf de laatste hand legt. lien marmeren borstbeeld van Garibaldi was pas voltooid. Nu was hij bezig een groote groep, waarvan de gipsvorm in de

ocr page 81

AMA/.ONK. 77

punten gezet was, in manner over te brengen en in het ruw te ontbolsteren.

Kva was het; in schaamte neergedoken en in zich zelve haar lichaam als te zamen plooiende om het te bedekken, terwijl haar eene hand den Adonai als afweert nu hij haar rekenschap vraagt van hare daad. Forsche Michelangelo-achtige vormen; de schaduwen onder de overhangende brauwen en de toornig gekrulde lippen duiden meer den wrevel aan der tot mensch gevallene titane dan de schaamte der zwakke vrouw.

In het midden stond een werk dat Askol thans onder handen had. 1 lij sloeg de vochtige doeken ter zijde, die de kleivormen bedekten. Het trof dadelijk, het was iets meer dan gewoons. Askol had in deze groep eene Amazone geboetseerd , meer dan levensgroot. Hij had eene nieuwe zijde gegeven aan het zoo vaak in de oudheid behandelde thema. De oude beelden vertoonen haar bijna altijd alleen en in rust, Askol had deze type der mannenverachtende heldinnen voorgesteld in haren strijd. Recht overeind, in geweldige beweging, de tot de knie slechts reikende chitoon in vliegende plooien, de krachtige beenen, waarvan eene dij zichtbaar was, in voortschrijdenden gang, zoo hield zij in de rechterhand de dubbele strijdaks , en de linkervuist drukte eenen op den knie gezonken krijger bij de haren ter neder. De ontbloote rechterborst had eene wond, maar de Amazone behield de zege.

— Wel ? zei Askol, zijne vonkelende bruine oogen met een glimlach op Aisma vestigend.

Deze was rondom de groep heengegaan en stond ten laatste stil aan de voorzijde, geheel verzonken in de beschouwing.

— Wel ? herhaalde de beeldhouwer.

— Het is een zegevierend pleidooi voor uwe richting, en iedere richting, mits zij schoonheid blijve eerbiedigen, heeft haar recht. De gansche vinding, de tegenstellingen, de lijnen vind ik verbazend schoon.

ocr page 82

78 AMAZON K.

Askol stak zijn arm door dien van den schilder en zei:

— Goed, ik ben blij dat gij het begrijpt. Maar zeg mij nu ook eerlijk al uwe aanmerkingen.

— Haar kop is prachtig van trots en zegevreugde, haar blik zoo als men dien alleen in een gelukkig oogenblik vindt.

Gij zijt op het kantje van overdrijving in de beweging, maar — het kan nog zoo. Alleen de vuist die den gevallene bij de haren neerdrukt — dat motief is mij wat ruw en ook vulgair — laat hare open hand op zijn nek drukken, dat is edeler, en maakt de hand wel krachtig maar niet zoo knokkig.

O

ocr page 83

AM AZON Is

Askol zag hem aan; bedacht zich en zei:

— Het kan zijn dat gij gelijk hebt. Maar er is meer. 1 )(• voeten, de handen en armen zijn te gemeen. Ik moet kracht uitdrukken, maar niet de handen en armen eener werkvrouw. O, dat is een kwelling; waar die te vinden! Dat moet veranderd worden.

Nadat zij nog eenige kleine technische punten bespraken, gaf Aisma den beeldhouwer een warmen handdruk.

— Gij komt toch op mijn kunstenaarsfeest? zeide deze. Kr komen ook lieve vrouwen en meisjes. En er is nog een doel, dat onder ons blijft; wij hebben eene tombola voor Salviati gemaakt. Gij hebt zeker wel eene teekening als bijdrage?

Aisma beloofde hem die volgaarne en nam afscheid.

Het hoofd vol gedachten slenterde hij nu de stad weer in, tot hij bij de Piazza Barberini de gedaante van Salviati ontwaarde , die, hem ziende, naar hem toeging. Salviati heette hem vroolijk welkom en vroeg hem mede te gaan tot bij zijne woning.

— Hier woon ik, zeide hij, palazzo Salviati, è?

In het groote oude paleis, waar thans wel twintig gezinnen de kamers en kamertjes bevolkten, had ook Salviati een eenvoudig vertrek. Voor dat deze de portiek binnen trad kwam een bloemenmeisje met vriendelijken lach naar hem toe en stak hem eene bloem in zijn knoopsgat; zij doen dit met groote vlugheid; ditmaal echter was het niet om er geld voor te ontvangen, zij kende Salviati en deed het alleen nit goedheid,

— Grazie, grazie, beste kind, zeide deze.

Huiten de portiek vlogen twee vroolijke kinderen naar hem toe, even groot als hij, en brachten hem een oranje.

— Dat zijn de kinderen van den portier van mijn paleis, zei Salviati, hun oudsten broeder geef ik les op de viool en daarvoor houdt zijne moeder mijne zalen schoon en verstelt

79

ocr page 84

AMAZONquot; Iquot;,

mijne kleedercn. Allemaal beste, beste menschen. Ja, zoo moet men elkaar helpen in de wereld.

Aisma was getroffen.

— Ik heb oprechten eerbied en sympathie voor u en uw levensmoed, sprak hij en schudde hem ten afscheid hartelijk de hand,

E, wat zal ik u zeggen, zei Salviati met een komisch gebaar, — als ik mijn eigen lot gemaakt had, zou ik woedend zijn over mijn slecht werk; maar men kan er niets aan doen; è! Che volete!

Aisma drentelde langzaam voort. De triton der fontana Barberini blies zoo vroolijk den waterstraal omhoog, er was zulk een ongedwongen natuurleven in het lichaam en de dikke wangen van het zeeschepsel, de top van den straal boog met rijk gekleurde droppels zoo heerlijk sprankelend neder, de droppels kletterden zoo gezellig bobbelend en babbelend in het bekken, dat Aisma dacht, waarom maakt mij dit nu gelukkig en tevreden? O Roma, Roma, waarin ligt uw wonderkracht? Uw Bernini is vaak een booswicht der kunst, en toch is dit fonteintje van hem en het is liefelijk schoon en weldoend!

De klokken sloegen het middaguur en hij ging de Via Sistina in naar zijne woning, Hij nam de Ilias en las weder de met zoo weinige trekken zoo meesterlijk geschilderde verschijning van Helena voor de Troïsche grijzen. In de plooien van het zilverheldere gewaad gehuld en door twee dienaressen gevolgd, snelde zij naar boven op de Skaiïsche poort; daar zaten de grijsaards om Priamos.

Grijsaards, thans wel rustend van strijd, maar binnen den raadskring

IJvrig en kloek, aan de krekels gelijkende, welke in bosschen

Tusschen de takken gezeten hun stem zoet klinkend verheffen.

Toen zij nu Helena zagen hun naderend boven den toren,

Zeiden zij fluisterend zacht elkander de vluchtige woorden:

— Niemand wrake 't voorwaar, dat Trojaan en AcheiOr in quot;t pantser

So

ocr page 85

AMAZONE

Zóo lang zóo veel jammren om zulk eene vrouwe verduren.

Gansch d' onsterflijken vrouwen der goden gelijkt zij van aanzicht.

Maar zelfs zóo, hoe schoon ze ook zij, dat zij weer niet de schepen

Ga, en zij verder ons niet en den kinderen blijve ten rampspoed.

En hij zag zijn doek aan en dacht hoe hij toch alles wat gewoon mooi was daar buiten en den grootschen eenvoud des dichters daarin moest houden.

Toen viel zijn oog op den regel uit Pompéi dien hij eens in eene speling der luim met roode verf op de muur getrokken had.

Odero se potero, se non . . .

Wat zich daarom henen bewoog werd niet eens gedacht, het waren slechts half bewuste gedachten stofjes nog onver-eenigd rond zwevend.

Hij ging weer uit, kwam als van zelf bij de Piazza di Spagna, betrapte zich op de gedachte langs Marciana's woning te gaan, maar zwenkte links af en dwaalde toen den Corso op. Hij dacht aan Salviati's levensmoed, die hem zoo licht over lijden had heengedragen, aan Ada, die zich zoo geheel door de omstandigheden liet nederbuigen; aan de zelfbe-heersching in Marciana, aan het oude hartzeer dat bij hem nog wel eens moedwillig de binnendringende zonnestralen wilde verdrijven, tot hij aan het eind van den Corso op eens door de stem van Marciana gewekt werd.

— Hé, wildet gij mij niet zien! vroeg zij lachend.

Aisma verontschuldigde zijne afgetrokkenheid en vroeg vergunning haar te vergezellen tot haar huis. Hij deelde haar mede wat hij dezen ochtend gezien had, en liet er iets van de gedachten die hem bezig hielden invloeien. Zoo liepen zij door het gesprek allengs medegesleept de Piazza del Popoio op en neder, tot Aisma voorstelde haar over den Pincio naar huis te geleiden.

8 I

11

ocr page 86

AMAZONK

mijne kleederen. Allemaal beste, beste menschen. Ja, zoo moet men elkaar helpen in de wereld.

Aisma was getroffen.

— Ik heb oprechten eerbied en sympathie voor u en uw levensmoed, sprak hij en schudde hem ten afscheid hartelijk de hand.

E, wat zal ik u zeggen, zei Salviati met een komisch gebaar, — als ik mijn eigen lot gemaakt had, zou ik woedend zijn over mijn slecht werk; maar men kan er niets aan doen; è! Che volete!

Aisma drentelde langzaam voort. De triton der fontana Barberini blies zoo vroolijk den waterstraal omhoog, er was zulk een ongedwongen natuurleven in het lichaam en de dikke wangen van het zeeschepsel, de top van den straal boog met rijk gekleurde droppels zoo heerlijk sprankelend neder, de droppels kletterden zoo gezellig bobbelend en babbelend in het bekken, dat Aisma dacht, waarom maakt mij dit nu gelukkig en tevreden? O Roma, Roma, waarin ligt uw wonderkrachtquot; Uw Bernini is vaak een booswicht der kunst, en toch is dit fonteintje van hem en het is liefelijk schoon en weldoend!

De klokken sloegen het middaguur en hij ging de Via Sistina in naar zijne woning. Hij nam de Ilias en las weder de met zoo weinige trekken zoo meesterlijk geschilderde verschijning van Helena voor de Troïsche grijzen. In de plooien van het zilverheldere gewaad gehuld en door twee dienaressen gevolgd, snelde zij naar boven op de Skaiïsche poort; daar zaten de grijsaards om Priamos.

Grijsaards, thans wel rustend van strijd, maar binnen don raadskring

IJvrig cn kloek, aan de krekels gelijkende, welke in bosschen

Tusschen de takken gezeten hun stem zoet klinkend verheffen.

Toen zij nu Helena zagen hun naderend boven den toren,

Zeiden zij fluisterend zacht elkander de vluchtige woorden:

— Niemand wrake 't voorwaar, dat Trojaan en AcheiOr in quot;t pantser

So

ocr page 87

AMAZONE.

Zoo lang zóo veel jannnren om zulk eenc vrouwe verduren.

Gansch d' onstertlijken vrouwen der goden gelijkt zij van aanzicht.

Maar zelfs zóo, hoe schoon ze ook zij, dat zij weer niet de schepen

Ga, en zij verder ons niet en den kinderen blijve ten rampspoed.

En hij zag zijn doek aan en dacht hoe hij toch alles wat gewoon mooi was daar buiten en den grootschen eenvoud des dichters daarin moest houden.

Toen viel zijn oog op den regel uit Pompei dien hij eens in eene speling der luim met roode verf op de muur getrokken had.

Odero se potero, se non . . .

Wat zich daarom henen bewoog werd niet eens gedacht, het waren slechts half bewuste gedachtenstoljes nog onver-eenigd rond zwevend.

Hij ging weer uit, kwam als van zelf bij de Piazza di Spagna, betrapte zich op de gedachte langs Marciana's woning te gaan, maar zwenkte links af en dwaalde toen den Corso op. Hij dacht aan Salviati's levensmoed, die hem zoo licht over lijden had heengedragen, aan Ada, die zich zoo geheel door de omstandigheden liet nederbuigen; aan de zelfbe-heersching in Marciana, aan het oude hartzeer dat bij hem nog wel eens moedwillig de binnendringende zonnestralen wilde verdrijven, tot hij aan het eind van den Corso op eens door de stem van Marciana gewekt werd.

— Hé, wildet gij mij niet zien! vroeg zij lachend.

Aisma verontschuldigde zijne afgetrokkenheid en vroeg vergunning haar te vergezellen tot haar huis. Hij deelde haar mede wat hij clezen ochtend gezien had, en liet er iets van de gedachten die hem bezig hielden invloeien. Zoo liepen zij door het gesprek allengs medegesleept de Piazza del Popoio op en neder, tot Aisma voorstelde haar over den Pincio naar huis te geleiden.

8 I

11

ocr page 88

AMAZON!-:

Door den loop zijner gedachten viel zijn gesprek op Ada en li ij zei;

— Ik heb u al eens meer naar haar willen vragen, maar vreesde of het ook onbescheiden was. Zij wekt mijne belangstelling ; er ligt soms over haar een waas, dat ik, als het niet te sterk is uitgedrukt, iets zou noemen dat met waanzin zou kunnen dreigen.

Zij liepen nu allengs in de eenzamer lanen, zoo vertrouwelijk dat Marciana zich tot vertellen voelde uitgelokt.

— Ik ken Ada al lang, zoo begon zij en poosde een oogenblik ; de gedachten die zich naar het verledene wendden, brachten daarmede haar eigen verleden in verband. 1 Iet was een tijd waarin ik zelf veel te doorworstelen had. Ik was gehuwd; zij was iets ouder dan ik, wij hadden gelijksoortige illusies. De rossen der verbeelding voerden ons beiden iets hooger dan den gewonen beganen grond. Ik heb ze met inspanning weer op den vasten bodem kunnen krijgen; zij werd medegesleept. Zij had te weinig staal in zich en hare fantasie had geen grond van werkelijkheid onder zich. Och, misschien komt alles ten slotte neer op onze bloedmenging of onze hersenen. Zij kende geene werkelijkheid, men gedoogde ook niet dat zij die leerde kennen en zoo waren het ook weer de uitwendige omstandigheden die haar onderdrukten. Zij was tot haar zeventiende jaar een bloeiend, levenslustig, maar sensitief kind geweest. Haar bloemen en duiven, haar muziek, het zonnetje waren hare wereld, waarin zij lachte, stoeide en genoot. Allengs namen hare idealen eenige vormen aan, schoon altijd nog zeer onbepaald. De liederen van Schumann en Mendelssohn, Byron en Schiller teekenden beelden in hare fantasie. Daar kwam somtijds een droom van een eigen huisje met een zonnig tuintje bij, maar de poes en de duiven waren er meer dan een echtvriend de gedroomde hoofdpersonen. Ook de kritiek ontwaakte; zij las en begon te

82

ocr page 89

AM A/.ONK.

denken. In streng geloof was zij opgevoed, maar het bleek niet sterk genoeg tegen den vooruitgang der nieuwe denkbeelden in het godsdienstige. Slechts een klein deel supranaturalisme bleef zetelen in den hooge, als een poëtische nevel, maar leerstuk en eerdienst wankelden en brokkelden af. Alleen hunne bouwvallen bleven nog staan in het licht der maan, met den klimop der kinderlijke herinneringen omwassen. Toen zij nog een kind was, ontvielen haar hare ouders en zij bleef alleen te midden van vier ongehuwde tantes, als een zwaantje tusschen de hoenders. Kn de hoenders zagen met afschuw en angst het zwaantje te water gaan. Zij waren streng in de oude leer, betoogden dat de wereld een en al zonde is en alle vreuede uit den booze. De kerk was haar niet eenoee;

O ö '

zij vulden hare dagen met huisbezoek, stichtelijke bijeenkomsten, üorcassen en Thalita-Kumi's. Zij deden ook veel aan zendelingen, en de hemelsche toekomst van ongedoopte zwartjes lag haar zwaar op het hart, als zij dachten dat die schepsels in de binnenlanden van Insulinde niets wisten van de leer van Bogerman en zelfs niet bevroedden waar Dordt lag, — en zonder dat konden zij er toch niet komen.

Een lach van Aisma viel haar in de rede, maar zij ging voort;

— Gij begrijpt, dat deze dames bij velen doorgingen voor toonbeelden van vroomheid en bij alle menschen als zeer braaf. Ik was echter zoo vrij op te merken, dat met al haar toornen tegen de «iedelheden» der wereld — het was toen orthodoxe chic «iedelheden» te zeggen in plaats van ijdel-heden — dat zij met al haar toorn tegen die iedelheden erg coquetteerden met aristokratische vromen en fijne freules. Ach, en zij liepen in de achterbuurten de kinderen te bepreeken en kropen in gevangenissen om voorlezingen te houden voor zusters in den 1 leere, maar het lot van haar eigen jonge zusterskind trokken zij zich weinig aan. En het kind had geen

ocr page 90

AMAZONK

vader om het te leeren, geen moeder om het te vormen. Al wijder en wijder werd de kloof tusschen de vrome tantes en het jonge meisje met haar behoefte aan levensvreugde en geestesvoedsel. Dat onschuldige levensgenot, dat geestesvoedsel , die muziek waarvoor zij dweepte, dat alles werd haar dagelijks verweten als ijdelheid, zonde en als een schande die zij over het vrome gezin bracht. Het meisje begon te kwijnen en hare frissche wangen verwelkten. Er werd raad geschaft in het conclave. Zij werd naar familie gestuurd, op een afgelegen buiten, vochtig onder de sombere eiken, met een groot getralied hek, waarboven twee leeuwen tegen elkander zaten te lachen over de verbrokkelde wapenschilden die zij vasthielden. Vroolijkheid, zondige vroolijkheid zou het smachtende zieltje hier niet vinden, en toch vond zij er wat rust van godsdienstige vervolging. Uit dien tijd zijn de eerste brieven die ik van haar heb, — brieven, ik wou dat gij ze lezen kondt, vol poëzie, komisch om de contrasten en opmerkingen en zoo goed van stijl, dat men ze zóo kon drukken. Vooral in de latere, vol bitterheid, wanhoop, fijne poëzie en gave van opmerking, ligt een talent — o, als ik zie welk een rijk hartje, welke gaven hier verwoest zijn door die nijdigen met haar heiligenschijn!

Marciana werd warm bij haar verhaal en Aisma, die haar bij wijlen van ter zijde aanzag, werd medegesleept door den rijken geest, vloeiend van zulke schoone lippen. Telkens namen zij er nog een stukje wandeling bij.

— En ? vroeg hij, om haar weder aan den gang te brengen.

— Toen kwam er op eens een man in het spel. .Schoon het kind zoo wereldsch heette, een man was haar nog een schrik. Te huis kwamen nooit andere mannen dan hoog dichtgeknoopte Engelsche geestelijken of een deugdelijk geijkte dominé van jaren, als er over zendelingen moest beraadslaagd worden of het geloof in gevaar en geld noodig was om het

84

ocr page 91

AMAZONE. 85

te schoren. Ada kreeg een katoenen japonnetje en de zendelingen slokten de rest op, die zijde had kunnen bekostigen, ja brocaat! — Nu, die man meende het goed, maar legde het onhandig aan; zoo als de meeste mannen.

Aisma schoot in een lach en zag haar aan.

— Wel ja, zeide zij; mannen willen meestal een meisje bemachtigen, onderwerpen; zij willen dat eene vrouw hare zelfstandigheid afstaat; zij vorderen dat wij in hun wezen opgaan , en zij vergeten dat wij ook een wezen hebben.

— Met uw verlof — ik meen ook dat er in het verbond van een man cn eene vrouw samenvloeiing moet plaats hebben; twee autokratische machten naast elkander kunnen toch niet bestaan.

— En daarom moeten wij in uw autokratie verzwolgen worden ?

Hij wilde niet erkennen dat dit eigenlijk meestal geëischt of verlangd werd en zocht dus eenen uitweg.

— Gij zult moeten toegeven dat in den regel de man de krachtigste en meest ontwikkelde is; althans de meest ervarene. Twee kleuren naast elkaar mogen niet even veel te zeefsren

00

hebben; dat is eene wet der harmonie.

— Welnu, laat dan de kleur der vrouw overheerschen, zei Marciana lachend.

— Zoudt gij dan een man willen hebben en achten, die uw ondergeschikte was?

Zij waren op eene bank gaan zitten en Marciana woelde met den stok van haar zonnescherm in het zand en beschreef er allerlei kringen. Zij voelde dat zij in een kring zaten waar zij niet uitkwamen.

— Nu, zei ze, het onervaren meisje sloeg met schuwheid dat aanzoek af. De tantes waren verwoed dat zij de gelegenheid misten haar op deze wijze kwijt te raken. Er volgde eene uitbarsting van de Christelijke Furiën en de tweede

ocr page 92

86 AMAZ'JNiC.

verbanning. Wat zij onder die excommunicatie leed — hare brieven zouden u soms doen huiveren.

Zij moest naar het buitenland om hare gezondheid en de tantes grepen de gelegenheid aan, en door hare machinaties hebben zij het Ada onmogelijk gemaakt weer in hare stad terug te komen. Men hield haar verwijderd, opdat zij den vromen geene ergernis mocht zijn. Sinds een jaar of vier zwerft zij nu buiten 's lands, daar zij de kracht mist om zich los te maken van de oude banden. Heimatlos zwerft zij van het eene pension naar het andere, als het koud wordt in Italië, als het warm wordt in Zwitserland, zonder steun, zonder genoegzame kennis om de vrije denkbeelden te dragen, en zoo wankt zij tusschen hare, ach, toch zoo reine wenschen en de vrees of zij werkelijk zulk een monster is als de tantes haar van tijd tot tijd blijven herinneren te zijn. Zelfverwijt

vatte erond in hare ziel en martelt haar zonder reden. Een «_gt;

diepe weemoed, eene doodelijke walging heeft alles voor haar ontkleurd, alles is vaal en doelloos. Alleen hare herinneringen leven en in dezen ziet zij met de verdubbelde pracht der begoocheling hare veelbelovende jeugd, die verwelkte in de kilheid van alles wat haar omringde, hare poëzie, die schipbreuk leed; die droom van hare jeugd wordt manie en het tegenwoordige heeft geene wezenlijkheid meer voor haar.

' Och, als ik haar maar aan het werk kon krijgen; want er sluimert nog een schat van geest in haar; — werk is de hersteller van alles, de ware panacea, — dat ondervinden wij allen zelf, niet waar?

Er lag in den toon en de wijze waarop zij dit laatste zeide meer dan zij uitsprak. Was het eene zachte uitnoodiging om zijne gedachten uit te lokken. — Aisma durfde daaraan toch niet toegeven, al voelde hij den wensch daartoe. I lij zei dus ook niet meer dan;

— Ja, dat hebben wij zeiven ook wel ondervonden.

ocr page 93

AMAZONE. 87

En zoo stonden zij op van de bank, waarop zij onbewust dichter naast elkander zaten dan de ruimte vorderde. Opstaande zagen zij dat er achter hen en de bank op een voetstuk tusschen een bloeienden heester een luisteraar stond. Beide zagen zij hem en onwillekeurig elkander aan, tot Aisma eenen glimlach niet kon weerhouden en Marciana met verhoogden gloed op de wang het oog afwendde. Daar stond de Kroos met gestrekte armen en gespannen boog.

— Wij zaten hier in gevaarlijk gezelschap waagde Aisma schertsend te zeggen, terwijl hij haar in de oogen zag,

Marciana keek weer onbedeesd en lachte.

— Die? zei ze, bah, die schiet over onze hoofden heen.

Daarop gingen zij, zonder meer dan een onbeduidend woord, schoon vol van gedachten , van de hoogte af en Aisma geleidde haar naar hare woning, waar zij met een vriendelijken groet van hem scheidde.

ocr page 94

X.

an Walborch liad eene warme genegenheid voor Aisma opgevat. Zijn mannelijk, open karakter; zijn gunstig uiterlijk en beschaafd wezen hadden hem ingenomen en zijn buitengewoon talent hem vervuld van bewondering. Hij zag in hem het jeugdige vuur en de heerlijke kunstgaaf op het punt van overgang om te rijpen tot het volkomen meesterschap van den mannelijken leeftijd. Hij zag de overblijfselen van strijd in gemoed en strijd in kunststreven, die nog alleen de laatste loutering noodig hadden om hem de volle kracht en de zelfbewustheid te doen bereiken, en hij voelde zich aangetrokken om met zijne ervaring daartoe mede te werken. Zelf boven den strijd verheven en in rustig zelf-bezit, werd bet zijn lust dit schoone leven winst te laten doen met wat hij voor zich had veroverd, zoo als het zijn streven was geweest zijne als eene dochter geliefde Marciana te steunen, te leiden en gelukkig te maken.

Hij was een zoon uit een oud historisch geslacht, zijn vader een aanhanger van het vaderlijk regeerstelsel geweest. Maar toen hij zelf als man optrad, had dit stelsel zijn levenseind

ocr page 95

AMAZONE. 89

bereikt; nieuwe denkbeelden eischten hunne verwezenlijking in de maatschappij. Als alle nieuwe denkbeelden kwamen dezen niet voor uit de aristokratische maar uit de demokratische kringen der maatschappij. Zij traden op met eischen waarvoor het algemeen nog niet geheel rijp was, maar hij begreep dat het algemeen, dat die eischen voelde, daarvoor vatbaar gemaakt moest worden. Hij klampte zich niet vast aan het behoud van het oude; wat er goeds in was, wilde hij bewaren , maar zag dat nieuwe vormen onontbeerlijk waren geworden , en dat zij, die de aristokratie der vormen uit hunne geboorte bezaten, ook in de nieuwe denkbeelden de aristokratie des geestes moesten handhaven en vertegenwoordigen. Wanneer de demokratie aan hare eigene lijders wordt overgelaten, loopen poëzie en idealisme gevaar, want poëzie en idealisme zijn aristokratisch van nature.

Daarom stelde hij zich onder de hoofden der beweging naar vrijheid. Gedurende zijnen mannelijken leeftijd gaf hij aan dc praktische werkzaamheid zijne beste krachten. Maar er kwam een tijd waarin de politiek hem begon tegen te staan. Waar een staat is, voorzeker, is staatkunde noodig en het is niet gelukkig als de edelst georganiseerde geesten zich aan hare uitoefening onttrekken. Nochtans, er ligt een noodlot op do politiek, dat haar bij tijden doet ontaarden in kleine intrigues; de groote beginselen worden personenkwesties en het is moeilijk en bijna onmogelijk zich zijn leven lang in al die verwikkelingen zuiver te houden. Vroeger of later, allengs worden zelfs de besten aangestoken en ontwijd. Hij had het zijne gedaan, zijn deel levenskracht ten gemeenen beste gegeven, maar hij meende niet verplicht te wezen zijn gansche leven in dezen dampkring door te brengen. Uit den strijd in de praktijk en het alle-daagsche had hij zijn idealisme gered en menschenhaat noch cynisme medegebracht, gelijk zoo vaak geschiedt. De aesthesis herbloeide ia zijn gemoed. 1 lij was meester in de rechten

ocr page 96

gO AMAZONE.

maar ook doctor in de letteren, zoo als in vroegere tijden en zelfs tot voor een vijftigtal jaren bij de uitstekendsten gewoonte was. Sinds dien tijd werden ook dezen weder gescheiden. De mannen van rechten en staatswetenschappen blijven vreemd aan de letterkundige en aesthetische beschaving, en de mannen der ütterarische studiën begrenzen hunne humaniora binnen wetenschap zonder kunst en vormen eene kaste die vakstudie beoefent. De letterkundige wetenschap door kunst te adelen en te verheffen, de kennis te laten medewerken aan de aesthetische voortbrenging, dat heeten zij vaak dilettantisme. Verdiept in anatomie der taal, werken zij niet mede tot het vormen van geesten bezield door poëzie en natuur. Het bezwaar ligt natuurlijk niet hierin dat /ij de taal en letteren als wetenschap behandelen, — ook dezulken bewijzen de gewichtigste diensten — maar het nadeel is dit, dat vaak bij anderen de samensmelting van aesthesis en wetenschap belemmerd wordt, de letteren en kunsten beroofd van haren onmisbaren, klassiek wetenschappelijken grond — want de belletristen vormen zich meest buiten dezen — en aldus wetenschap en kunst gevaar loopen van elkander te vervreemden.

Van Walborch was nog efüi jonger uit de school van Bake, Geel, van Limburg Hrouwer, waarin de krachtig klassieke grondslag den geest strengen eenvoud gaf en den smaak Attisch zout ; de school die thans weer zoo zeer noodzakelijk is bij het verval der klassiek in de opvoeding.

Hij was nog een goede oude humanist, die de eenheid zocht, voor wien poëzie geene loutere fantasie is, maai hoogere kennis, van werkelijkheid noch ideaal vervreemd.

Reeds als student had hij, bij de beoefening van het Romeinsche recht, de vele plaatsen aangeteekend die daatin over kunst en antiquiteiten licht geven. Bij zijne studie van Demosthenes was, nevens de rechterlijke, ook de letterkundige zijde steeds in het oog gehouden.

ocr page 97

A MA/OM',

Kr kwam in dc staatkunde ceiu; krisis waarin hij begon te walgen van de kleingeestigheid en tie zege van onwaarheid en onrecht, het benadeelen van de edelste vrijzinnige beginselen. De vierde stand drong luidruchtig op en liet zijne voorbarige; eischen schetteren. Als hij niet meedeed niet het plebs, verweet men hem dat hij een verkapte aristokraat was, een verouderde liberaal, llij vond het geen gewenscht gevolg van de vrijheid als de eerste pennehouder de beste alle problemen van politiek, kunst en wijsbegeerte bedilde; als iedere straatjongen tot zijnen meerdere zei; loop naar tie maan. Humanist van beschaving, was hij ook humaan in den hoogsten zin, met een hart voor al de nooden der menschen, altijd begrijpend en verontschuldigend, eerst het goede vermoedend hij ieder en als het kwade bewezen was, zacht in zijn oordeel, llij wist, dat de mensch dwalen kan zoo lang hij leeft, dat alles betrekkelijk is, het goede zoowel als het kwade, en dat falen eene noodzakelijke voorwaarde is om een hoogeren trap te bereiken. Alle menschen gelijk — hm — zei hij met den fijnen glimlach die hem eigen was; gelijk uit een zoologisch oogpunt, gelijk voor alle mogelijkheden, maar alle mogelijkheden verwezenlijken zich niet voor ieder. Ouders, bloed, kring, omstandigheden bepalen die mogelijkheden. Voor ieder gelijk recht, — burgerlijk, zeker; maar in wijsgeerig opzicht? Geeft diepe studie, hooge en fijne geestbeschaving niet soms nog andere aanspraken aan hem tlie ze bezit, dan voegen aan hem die aan de stof gebonden de slaaf is van zijn zwoegen voor het dagelijksch onderhoud? De menschen zij)i niet gelijk, er is meer en minder. Wij minachten de minderen daarom niet; overal zijn edele harten; eer ze, omdat zij edel zijn, niet om eene theorie van adel of demos.

Toen hij de vijftig voorbij was had hij zijnen meestertitel laten varen voor den docterstitel. Ik heb mijne toga in den tempel van '1 hemis opgehangen, zei hij, zoo als de zee

91

ocr page 98

92 AMAZONE.

man van I loratius zijne natte kleederen in dien van Neptunus

.....Me tabula sacer

Votiva paries indicat uvula Suspendisse potenti Vestimenta maris deo.

Sinds een tiental jaren leefde hij in zijne oude schrijvers en de oude kunst, beatus. procul negotiis, gelukkig, buiten ambtswerk. In de laatste jaren ging hij gewoonlijk eenige maanden in Italië doorbrengen en Rome was zijn geliefd oord geworden — het middenpunt der wereld, zeide hij, waarin het moederland Hellas praktisch en modern geworden is voor geheel de wereld. Hij was een hartstochtelijke Horatianer en kende het werk diens meesters van den eleganten vorm en de fijne wereldwijsheid van buiten. Horatius noemde hij zijnen lijfarts en hij had steeds een recept uit diens kunst- en levensleer bij de hand.

Met al deze beginselen was hij Marciana's leermeester geweest zoo lang zij, nadat de dood haar niet gelukkig huwelijk ontbonden had, bij hem woonde. Daar hij ongehuwd was en bleef, was de schikking om samen te wonen en te reizen beiden zeer welkom. Hij had haar de Horatiaansche gelijkmoedigheid in alle moeilijkheden, de aequo, mens rebus in ar duts, gepredikt en de blijmoedigheid die daaruit voortspruit. Hij was geen stoïcijn en bestreed het stoïsch- of Spartaansch-willen-zijn, waarmede Marciana haren strijd trachtte op te lossen, hare niet bereikte idealen poogde te temmen. Meer dan zijne praecepten uit Horatius was het echter zeker zijne teedere vriendschap die hen verbond. Men vond het vroeger niet zoo geheel ondenkbaar dat een inniger band hen zou vereenigen. Maar van Walborch's fijne en kiesche geest achtte het egoïsme dit zoo veel jeugdiger leven, dat hij nog voor hooger voldoening vatbaar meende, aan het zijne voor goed vast te knoopen, en dit denkbeeld bleef van zijne vaderlijke

ocr page 99

AMAZONE. 9^,

liefde verwijderd. Zij van hare zijde vond deze verhouding zeer welkom; zij had zich met ijzeren wil voorgenomen aan geene huwelijksbegoochelingen ooit meer toe te geven. Daarom had hij haar vroeger eens, toen zij op het Capitool de gewonde Amazone bewonderden, met dit beeld vergeleken, en lachend had zij dit aangenomen: de wond is gesloten , had zij gezegd, maar. Amazone, ja!

En zoo leefden zij in de gelukkigste vriendschap, zij volkomen vrij in hare bewegingen en hare levenswijs, meesteres over hare daden en haar gemoed.

ocr page 100

wmsm*

^Vgt;

XI.

Wi)

Â¥

arciana was geen jong en onzelfstandig meisje. Zij was van de dertig niet ver meer verwijderd, maar nog in den vollen bloei eener gerijpte schoonheid, wier aantrekking vooral in de frisch-heid van hare verschijning lag en den stijl die haar gansche wezen onderscheidde. Hare geheele persoon oefende eene eigenaardige en geheime bekoring uit. Haar karakter was sterk, somtijds bijna mannelijk; toch was zij geheel vrouw en niets haar meer vreemd en haar onaangenamer dan die ruwe en werkelijk mannelijke vormen waarin zich de vrijheid en onafhankelijkheid van sommige vrouwen uitte. Zij week echter in zoo ver van het gewoon vrouwelijke af, dat de teederheid en weekheid der zacht vrouwelijke naturen bij haar of in mindere mate aanwezig of althans minder zichtbaar was. Toch was zij niet cwzacht, haar gevoel was fijn en warm, maar het was vast en door een zeer ontwikkelden geest in evenwicht gehouden. Zeker hadden de omstandigheden er toe medegewerkt het teedere op den achtergrond te dringen en de kracht voorop te plaatsen. Van daar dat haar glans aan sommigen minder eene koesterende zonnewarmte, dan het blinken van een hard

ocr page 101

AMAZONE.

metaal scheen. Haar geest was gevoed met al het groote. Met de letterkunde van den dag bemoeide zij zich in het algemeen zooveel als noodig was om er geen vreemdeling in te zijn; ernstig gaf zij slechts acht op 'net allerbeste daarin, en wat aanspraak had op blijvende waarde. Want de groote meesters van vroegeren tijd hadden haar eene wet gegeven, die een bolwerk was tegen alle platheid, onbeduidendheid en kleinheid. Zij, die met Goethe en 1 ieine, Shakespeare en Dante, de groote Grieken en de geciseleerde fijnheid der Horatiaansche zegswijs vertrouwd was, had natuurlijk weinig hart voor dat nieuwere dat aan ontrustende prikkeling, aan schildering van de gemeene werkelijkheid, aan gemaaktheid of romantische vormverachting zijnen opgang te danken had. De zin voor klassieken adel en gematigdheid was haar door van Walborch ontsloten, en daarbij voegde zich hare eigene ontvankelijkheid voor natuur en volkspoëzie; natuur en naïefheid gaan samen met de hooge kunst die waar is en eenvoud bezit. Zoo als stijl aan haar geheele wezen de wijding gaf, beminde zij ook in alle kunst dien hoogeren vorm, die stijl heet. Schoon geene vreemdeling in Rome, waar zij nu voor de derde maal eenige maanden doorbracht, in omgang met al het beste, was haar toch eerst door Aisma liet oog voor de groote Italiaansche schilders en tevens voor de edelste uitingen der moderne schilderkunst geopend. Dit vormde van lieverlede zekeren band tusschen hen.

Aisma was haar al spoedig niet onverschillig geworden; zij zag dat hij anders was dan gewoon. Zelfs zijne gematigde houding tegenover haar had eerst hare nieuwsgierigheid getrokken , en toen haar geprikkeld. Zonder eenig opzet om te veroveren, wilde zij toch niet onopgemerkt blijven; dat was haren vrouwelijken aard, niet met coquetterie of ijdelheid te verwarren, toch te na. Niet gewone persoonlijkheden oefenen immer eenige aantrekking op elkander uit, men moge het zich

95

ocr page 102

AMAZONE.

al of niet ontveinzen. 1 laars ondanks en onbewust was er dus wel zekere .... laat ik het noemen afwezigheid van onverschilligheid , geboren. Doch niet de eigenaardige bewegelijkheid der vrouwen, of, zoo zij het verlangen, van sommige vrouwen, had zij nauwelijks bemerkt, dat Aisma's gevoel niet geheel en al onaangetast was gebleven van hare macht, of zij trok zich weer terug in grootere geslotenheid. Zoo had zij ook niet gedoogd , dat zijne persoon haar veranderde of te zeer vermeesterde. Zij had de bitterheden des hartelevens geproefd; de jonge vrouw was niet onberaden en onbewaakt. Zit was nu overtuigd dat zekere periode in het gevoelsleven voor goed tot het verleden behoorde. Zij had dat weggeweend, wegge-schertst en weggestreden en zich daardoor alleen met het bestaande leeren verzoenen. Om niets zou zij gedoogen dat dit moeitevol verkregen zelfbezit in zijne rust wierd gestoord. Hare kracht had zij gezocht in iets dat eene soort van stoïcisme geleek. Als zij de volle verlangens der menschelijke natuur niet mocht deelachtig worden, had zij zich geleerd ze te dooden. Ja, zij was en wilde zijn eene Amazone; die scherts was haar ernst geworden; niet meer gewond, maar toch Amazone; eigen meester in haar vrouwelijk recht, geen invloed van eens mans liefde, die wederliefde, dat is afstand van zich zelve, vordert, en van hare borst had zij, als de sage van de Amazonen zegt, in geestelijken zin verwijderd wat de vrouw verhinderd sterk te zijn op haar zelve alleen.

Als zij dit onderwerp aanroerden , zag van Walborch haar met een glimlach aan of schudde het hoofd. Dat is de weg niet, zeide hij. Kr is niets in den mensch dat hij missen kan, dat hij kan uitroeien of het wreekt zich ergens op. De Amazonen hebben zich verminkt, en een volledig mensch staat hooger. Vreest gij de te groote gevoeligheid, die gij weekheid en zwakheid noemt, en schroeft gij het hart toe, — dan wordt men droog, hard, onsympathiek Als men die organen

gó

ocr page 103

AMAZONE. 97

van het gevoel laat verdooven, wordt men onbeminnelijk en onze humaniteit loopt gevaar. Men moet de neigingen leiden, niet uitroeien; niets is een gebrek in een normaal mensch, alles kan het worden; alles is noodig, maar het moet be-heerscht worden en onder de macht komen der hoogere harmonie van al onze gaven. Geen koper of bas of fluit moet buiten het orkest uitschreeuwen, buiten de eenheid, maar alles op zijne plaats ondergeschikt zijn aan de harmonische instrumentatie. Zoo wordt de mensch eene symfonie.

Mij zag dat Marciana deze richting niet deelde en had er haar al meer op gewezen, dat zij en Ada ieder een verkeerden weg gingen: Ada deed niets en gaf zich geheel toe aan verslapping en moedeloosheid uit onvoldane wenschen geboren; in volslagen onverschilligheid verdoofden hare aandoeningen; — Mareiana doodde wat zij het zwakke noemde, maar daardoor ook wel eens iets van het zachte. Zij was sterk, maar ook eigenzinnig in haren trots.

Kst modus in rebus, sunt certi denique fines Quos ultra citraque nequit consisterc rectum.

— er is een maat, er zijn grenzen waarbuiten het juiste ophoudt — men kent geen «midden» — nil medium est — o, Horatius wist het. Die eigenaardigheid, die zucht om zich zelve alleen tegen alles te handhaven, is zij niet eene soort van egoïsme?

Zoo leeraarde van Walborch, en Marciana hief dan het hoofd en antwoordde trotsch ?

— 1 lartstocht is een wild dier — als gij het niet doodt, doodt het u.

— Tenzij gij het temt en onderwerpt; er zijn wilde dieren die den wil van den mensch ondergeschikt zijn geworden.

— Bah! zei dan weer Marciana, van den tijger een huiskat maken, van den wolf oen schoothond, dank u; dat wordt het

quot;3

ocr page 104

98 AMAZONE.

meest prozaïsche utilitarisme. Dan nog liever een koningstijger in zijn woestheid dan een kat, die vleemt en valsch is.

— NU medium! zuchtte van Walborch maar, geen middenterm. Neen, om rust te hebben moet gij de beide uitersten in uw hart vermijden.

Zoo was soms de nagalm van vroegere donderbuien, schoon hij zich zelden meer liet hooren.

Nu was zij sterk geworden en met een helder licht op het gelaat ging zij haren weg.

ocr page 105

XII.

i talie, Rome deed Aisma reeds zijne werking ge-

'r

j. voelen. Deels bewust, deels onbewust ontwaarde hij het hoe zijn gemoed zachter en verhelderd werd, hoe zijn geest in kracht en klaarheid won. Alle zielen die door de loutering van het vagevuur moeten, worden ingescheept waar de Tiber naar zee vloeit,

Alia marina Dove l'acqua di Tevere s'insala

zegt Dante met dat schilderachtige woord; «waar de Tiber zich ver zilt*. Voor Dante was deze plaats van inscheping de kerk, voor ons is het Italië, en in Rome gevoelt men zich reeds in de voortuinen van het paradijs.

Hij had eenige jaren alleen in en voor zijne kunst geleefd,

ocr page 106

lOO AMAZONE.

zich scheidend van de wereld en al zijne krachten aanwendend om de verwarring der verschillende opvattingen, den strijd der meeningen, de bezwaren der techniek, den rijken schat van kennis door zijne onderwerpen geëischt, te vermeesteren. De kunst was zijne eenige geliefde, nadat het uitzicht op eene menschelijke geliefde hem op pijnlijke wijze ontvallen was; deze Muze bleef hem getrouw, in haar had hij zich niet vergist; zij had hem niet toegelachen met schijn van gevoelens die zij niet bezat en niet kon of niet wilde verwezenlijken. Wanneer men met geheele overgave zijne neiging op iemand plaatst en het blijkt, dat men zich bedrogen heeft, is men gewoon die andere de schuld te geven. Er kan schuld zijn, maar vaak is er slechts fataliteit en geen boos opzet; men heeft verkeerd gezien, gedwaald in zijne keus. De twee wezens blijken dan bij nadere proef niet voor elkander te passen. Maar hoe dit ware, juist of niet, hij meende dat er een tijd lang met zijn hart gespeeld was, totdat het voor een ander werd weggeworpen; misschien was dit zoo, maar in elk geval, de uitwerking was dezelfde: smart en verbittering. Het is waar, men moet door verdriet gelouterd worden en de ziel erlangt geene diepte zonder dat er in gewoeld en gegraven wordt, doch men begint gewoonlijk niet met zich gewillig aan deze kunstbewerking te onderwerpen, maar met een kreet van smart en eene daad van verzet. Gelukkig wie veerkracht bezit en het verstand om later in te zien, dat leed natuurlijk en plaatselijk is, en de wereld daarom niet slecht, de menschen daarom niet allen verdorven, de natuur niet van hare schoonheid beroofd is. Dan komt men weer tot gezonder tevredenheid. Dan is hij meer waard, de scherp geslepen diamant der ziel, dan de ruwe steen die nooit in de hand des slijpers geknarst heeft. 1 )an is haar brons gegloeid , gesmolten , gehamerd, gevijld, maar het is ook een kunstwerk geworden, vanhooger betee-kenis dan het onbeproefde erts en de onbewerkte metaalklomp.

ocr page 107

AMAZ( 'NI'

Aisma was gekrenkt, verbitterd geworden, zijne illusies waren verwelkt; zijn wrok had zich tegen tie menschen en de wereld gekeerd en die gevoeligheid werd melancholie. Als voor Anselmus van Canterbury werd hem de vrouw eene toorts des Satans — fax Saianae. Allengs werd de koord iets minder strak gespannen en wilde hij wel toegeven dat zij altijd volgens de vrouwenkennis diens ervaren godgeleerde, een «zoet euvel», een dulce malum, was maar dat zij toch stellig een euvel bleef, en hij was wel en deugdelijk besloten zich niet meer door het dulce te laten begoochelen. Een kunstenaar moet ook niet gehuwd zijn, zeide hij; cenegeliefde, de kunst, is genoeg, en ook zij is reeds eene ijverzuchtige.

Zoo was hij naar Italië gegaan, met een broedend hoofd en een hart waarvan de wond wel gesloten was maar nog licht zeer deed. Hij hoopte afleiding en helderheid te vinden voor zijn gemoed. Maar ook voor zijne kunst zocht hij de hoogere wijding.

Allengs waren al enkele scherpe punten uit zijn gemoed geweken. Het zonnige welbehagen in het leven, dat van alles in Italië uitstraalt, ontpantserde de stugheid; de zachte lucht nam de spanning weg van ziel en zenuwen; de ruimte en grootschheid der wereldgeschiedenis verhief boven kleine indivi-dueele nietigheden , kwellerijen en toevalligheden ; het almensche-lijke herwon van lieverlede zijne plaats. Hij voelde zich verjongen en vernieuwen; het leed zeeg zachtkens weg als de aftrekkende onweerswolken aan de kimmen, en aan den gezichteinder rees lachend weer de zon.

Wel sloop daar nu soms eene gedachte door, wel gleed soms tusschen zijn oog en zijn werk eene nieuwe vrouwengestalte, maar hij liet haar glippen en bleef tevreden in zijn werk alleen. Ja zelfs de rustige kloekheid dier gestalte werd hem ook een voorbeeld van rust en werkte stillend en verheffend op zijn bewogen gemoed. En gansch het grootsche

IOI

ocr page 108

AMAZONE,

wezen van Italië's natuur, geschiedenis en kunst, gelijk het zijne ziel verruimde en aan breeder, grootscher verhoudingen gewende, verhief ook zijne kunst. De antieke rustigheid en klaarheid verzamelde zijne Germaansche verspreidheid: het romantische onafbeeldbare week buiten de grenzen van het plastische-, de nevelige wolken der noordsche en westersche bespiegeling werden in een bepaalder vorm gekneed. De toovermacht van Rafael's adel en Michelangelo's titanenwereld, Lionardo's onweerstaanbare liefelijkheid, kweekten, vormden, bezielden zijne idealen. De oudheid opende hier hare intiemste geheimen. Zij behield hare grootheid, maar toonde ook dat, wat maakt, dat wij er ons in te huis gevoelen. Eerst, uit de verte, schijnt zij ons een onbereikbaar ideaal, iets buiten ons en ons leven, dat wij bewonderen maar niet volkomen begrijpen. Doch bij inniger kennismaking, als wij haar gansche ook gewone en dagelijksche leven zien, haar huisraad, haar eigen wanden en vloeren die de ouden aanraakten, de overblijfselen van hunne spijzen, van de verven die zij gebruikten, van de kleederen en wapens die zij droegen, wat een straatjongen kraste op een muur, alle geheimen van hun dagelijksch leven, dan worden wij met alle kleine levensbijzonderheden vertrouwd, wij leven er in en met hen mede; zij worden voor ons menschen als wij, en alles wordt ons begrijpelijk en dierbaar.

Al wat hij wist en met zijne verbazende gave van intuïtie bestudeerd had, kreeg hier leven. Studie van litteratuur en oudheidkunde had hem reeds van der jeugd af vervuld; maar thans, de dagelijksche omgang met deze gedenkteekens, in het eigen land, bij de eigen zee en velden en bosschen, de eigen villa's, het ademen van dezelfde lucht en plantengeur als de geslachten der oudheid, dat alles gaf aan zijn reeds gescherpten blik die zekerheid, die macht om het weer ten leven op te wekken in zijn kunstwerk, welke hem tot eene

102

ocr page 109

AMAZONE. 103

hoogte verhief, waarop nog geen schilder van het leven der oudheid gestaan had. In zijn land en andere westersche landen had zijn werk, door de intensiteit zijner nieuwheid, bij veler bewondering ook veler tegenstand gewekt. Men was te zeer gewend deels aan het naturalisme der gewone werkelijkheid, deels aan een conventioneel ideaal. Hij, zich zeiven bewust van den voor hem waren weg, en met de volhardende kracht zijner natuur, wellicht ook van zijnen Frieschen landaard, had er over gelachen en was voortgegaan. Zooals de zoon der negentiende eeuw eene samengestelde beschaving bezit, ver-eenigde hij ook verschillende eigenschappen en bouwstoffen. Antiek van smaak en vormenzin, was hij ook modern van hart en diepte. Nakomeling der Vlaamsche en Hollandsche kunst, versmaadde hij hare toon- en kleurenmacht niet, maar hij kende aan de klare voorstelling, de vormenschoonheid, de juiste en edele teekening den hoogsten rang toe. Vermijdend enkel stilist te zijn, hield hij echter tevens de toon- en kleuren-fijnheid in eere.

Mier vond zijn streven de volkomen bevestiging; hier werd hij tot volkomen rijpheid gebracht. 1 lij had een paar schilderijen en een paar wondervol fijne sapverfteekeningen ten toon gesteld, uitvoerig en toch breed behandeld, die groot opzien wekten en zijnen rang op eens vaststelden. Het was een Perikles met Aspasia, vrij van de vroegere romantiek en zoo Grieksch als slechts hij ze kon geven, die gansch te huis was in alle deelen van het leven en de kunst van het Athene der 5de eeuw; de andere was eene Egyptische doodenplech-tigheid; — beiden gingen een paar jaren de werken van Hamerling en Ebers voor, die zulke tafereelen in den kring der nieuwere kunst hadden overgebracht. Een van zijne aquarellen was aan het begin van Theokritos' levensvol gedicht ontleend, Dc Syrakusische vrouwen, die deze dichter in haar gebabbel zoo geestig voorstelt, terwijl Praxinoa zich aankleedt

ocr page 110

I04 AMAZONE.

om niet Gorgo mede te gaan naar de tentoonstelling van het Adonisfeest; de andere was een intiem tooneeltje uit den Romeinschen keizertijd. Met huisraad, de wijs waarop elk kleedingstuk gesneden was en gedragen werd, de kennis van de zeldzaamste reliëfs, bronzen, vaasbeschilderingen was er verbazend en men vroeg zich hoe zulk een schilder zulk een archaeoloog, of zulk een archaeoloog zulk een schilder was geworden? Want alles was uitvoerig geteekend, maar meteen breeden, malschen, van zijne zaak gewissen toets; frisch en in de grootste kracht helder, en toch harmonisch. Zijne teeke-ning was edel en toch vol leven , zijn smaak had de grootste verfijning en bevalligheid, zijne vinding was onuitputtelijk en trof altijd door hare ongewoonheid.

De heer van Walborch en Marciana, die zijne denkbeelden en streven kenden en hem meermalen in zijn atelier bezochten, deelden met vreugde in zijne zegepraal.

Het was op dit tijdstip, dat Aisma in de volle overtuiging van zijne rust, toch op eens bemerkte dat hij, voor iemand die zich verbeeldde geen gevaar van haar te duchten te hebben, nog al vaak aan Marciana dacht. Wel deed hij dat met een afwijzend : o neen! Maar hij dacht dan toch telkens aan haar en ten slotte moest hij zich zeiven wel bekennen, dat haar lof hem het liefst was, zelfs boven dien van de kenners, en dat hij wel eens niet zoo veilig kon zijn als hij waande. Intusschen vleide hij zich met het denkbeeld, dat wie gewaarschuwd is dubbel krachtig is, en hij zou wel weten binnen de grenzen te blijven.

Daarbij kwam dat hij meermalen had bemerkt, dat de beeldhouwer, die veel bij hen kwam en met wien zij dikwijls de antieken in de villa's en galerijen gingen bezien, een groote bewondering voor haar aan den dag legde; hij vond dat hij haar vaak niet enkel hoffelijke maar ook teederder aandacht betoonde en dat Marciana die niet afwees. Mij zag

ocr page 111

AMAZONE. 105

haren vrijen omgang met Askol en meende dat zij niet ongevoelig voor hem was. In andere oogenhlikken dacht hij weer dat dit enkel een gevolg was van hare positie als vrouw, welke haar een gemeenzamer toon dan aan een jong meisje veroorloofde, begreep hij dat het bovendien in haren aard lag rond en open te zijn met eene groote mate van gemeenzaamheid en vrijheid. Zoo vond zij er geen bezwaar in en vreesde geen opspraak, als zij alleen met Askol in Vaticaan of Capitool dwaalde, en Aisma vroeg zich wel eens: zou zij dit ook doen alleen met mij ?

Zonderling menschenhart; waarom die vraag, als gij geenen invloed van die vrouw daarop ducht of hoopt?

14

ocr page 112

XIII.

da liad 's morgens eenen brief van hare piëtistische tantes ontvangen, die haar geweldig had aangegrepen en verbijsterd. Daarin was een andere brief eener vriendin gevoegd — en bij haar rees het pijnigend vermoeden, dat de kerkelijk nauwgezette dames het niet onwaardig geacht hadden dien brief te openen. Althans eenige onwillekeurige toespelingen op zijnen inhoud en de wijze waarop hij weder gesloten was wettigden dit vermoeden, dat voor een ander bijna zekerheid zou zijn. Maar een overblijfsel van de onderwerping waarin zij was opgevoed, deed haar vreezen dit vermoeden geheel aan te nemen en hare verontwaardiging te toonen. Zij vermaanden haar weder over haar zondig en ijdel leven en strooiden daar mede eenige kwaadspreking onder over haren omgang met een zoo diep verdorven mensch als Marciana. Neen, zondig en ijdel was Ada niet, en zij hadden haar veeleer Marciana in menig opzicht ten voorbeeld mogen stellen.

Marciana's verstand was door krachtige lectuur gestaald, haar karakter door haren wil gevestigd. Dichteres bij der

ocr page 113

AMAZONE. 107

Muzen gratie, vond zij in liaar talent eene uiting van het gevoel en werk voor den geest. De groote poëten hadden aan hare idealen vasten vorm gegeven, maar niet die vlottende, onbepaalde, embryonische gevoelens die te weeke naturen tot ledige bespiegeling en zinnend niets doen verleiden en haar alleen neveldunne adspiraties geven zonder macht om ze te

bepalen. Dit was bij Ada het geval. Jong reeds had zij gedweept met Schiller en Byron, en ook van de muziek had zij alleen dat onbestemde ingedronken dat deze eigen is, wanneer er geen vastere inhoud tegenover staat. Nooit had zij ook leiding gehad, had altijd alleen geleefd in hare illusiën, die niemand tot helderheid en vastheid bracht, maar die men haar wel als leidingen van den Hooze leerde kennen. Zoo, altijd

ocr page 114

AMAZONE.

door de haar inwonende poëzie bezield, toch altijd twijfelend of dit zonde en ijdelheid, dan weer aan anderen ziende dat poëzie ook met ernst en deut^d te vereenigen is, was zij, de fijne bloem, voor wie sympathie eene behoefte was terwijl zij niets dan koude en terugstooting vond, in haar wasdom belemmerd. Zij was in hare donkere atmosfeer geworden als eene plant die door gebrek aan zonlicht te hoog opschiet met bleekgroen blad en half ontwikkelde bloemen. Men kan niet alles uit zich zeiven hebben, men heeft behoefte aan de opvoedende kracht der omgeving, en deze juist had haar geheel ontbroken. Haar had niets omringd dan de verwoestende invloed eener valsche vroomheid en deze had haar gemaakt wat zij was. Wee en schande over hen die deze schoone natuur bedierven, want zij had eenen heerlijken aanleg , vol talent, vol dorst om alles te leeren. Zij was eens gezond en blozend, zij kon loopen, draven, spelen, zingen, lacher, met frissche longen; zij kon schaatsenrijden in de gure koude. Zij was eens een impulsief, prikkelbaar wezen, het hoofd vol verzen en melodieën; zij droomde dat haar iets poëtisch zou overkomen. Men had dit alles verstompt in plaats van het te leiden ten goede. Ijdcl, boos en schandelijk heette zij; och, en zij smachtte alleen om verlost te worden uit de banden van een farizeesch formalisme en te ademen in vrijer levensatmosfeer.

Thans liep zij ziek van ziel en lichaam rond en dwaalde door het haar vreemde Rome. Zij wist eigenlijk niet waarom zij er bleef, tenzij alleen om Marciana. Deze was haar plechtanker. Hoewel zoo zeer van deze verschillend, zij wond zich om die krachtige zuil als eene slingerplant, die steun behoeft om niet naar den grond te zinken. Als Marciana haar niet medenam, dwaalde zij hier doelloos rond; zij ging naar kerken en zag niets dan poppenspel of ledige koude hallen; zij doolde over een plein en keek naar de jeugd die er bootjes liet varen

ocr page 115

AMAZONE

in het bekken der fontein, en als zij er te lang naar keek, meende zij te bemerken, dat de kinderen bang werden van die droevige gestalte en ging zij heen. Dan zat zij weer dagen thuis tusschen de onversierde en sprakelooze wanden van hare kamer in het pension of keek in de leeskamer naar de kleurige prenten van een prachtig hotel in Zwitserland en een transatlantischen stoomer. Zou het daar, ginds te vinden zijn?

In den morgen waarop zij dien kwellenden brief ontvangen had, ging zij uit en kwam op S. Onofrio, waar Tasso begraven ligt, en zag zijn gedenkteeken. Daar staat zijn beeld, zoo mijmerden hare hersenen, in de kleeding die hij droeg aan het hof te Ferrara, geleund op zijn boekenkastje; Tasso, de schoonste man van zijnen tijd, en hij werd krankzinnig. En daar is ook de eik waaronder hij zijn Verlost Jeruzalem dichtte.

Van die hoogte namen de gedachten hare vlucht. 1 Iet ver-ledene! Zij huilde van heimwee naar hare jeugd, haren tuin; zij hoorde er de vogels zingen. — Als ik vroolijk was, noemden zij mij coquet — ik arme, — als ik van boeken hield, heette ik pedant. De klok in onze buurt bomde mij toen reeds in de ooren: voorbij, voorbij, uw leven is al voorbij. Nu zie ik het huis mijner jeugd verlaten, in een hoek staat de standaard met den bijbel; in een anderen hoek staat de harp eener tante met verroeste snaren; de muziekbladen zijn geknabbeld van muizentanden. — Alles noemden zij stofnesten; mijne kleine ornamentjes, alles moest opgeredderd worden, en ik ook. In mijn tuin liggen de duiven dood in het hok; ik ben uitgedreven naar den vreemde. Daar zit ik dan eenzaam in Pompejaansch beschilderde salons; de zeewind huilt in den schoorsteen; de felle zon schittert op de verraderlijke golven van Nizza en verblindt mijne uitgehuilde oogen; mijne kat wordt wild door opsluiting en krabt mij; de meiden en bedienden glimlachen over de halfwijze

IO9

ocr page 116

AMAZONE.

juffrouw, sommigen met medelijden. Ik lees Hyperion om mij te troosten. Nu weer ligt Rome aan mijne voeten; ik tel de zeven heuvelen. Wat is dat groote gebouw? Er staat een schildwacht voor in de schaduw. Wat is het? Een gekkenhuis. Arme krankzinnigen, wat moeten zij lijden in die gloeiende hitte. De zon brandt op de witte muren — daar staan een paar palmboomen — wat verschroeid gras op de wandelplaats. — Gelukkig zijn de menschen die jong sterven in hun vaderland.....

Zij hield haar kloppend hoofd vast tusschen hare tenger geworden handen en daalde op bevende voeten den heuvel af.

Waarheen? Waarom naar mijne woning? Waarom niet? Rondom is alles ruïne; de babbelende fonteinen hebben voor mij geene stem, de heldere lach dier jonge moeder, die haar goed wascht in het waterbekken, klinkt mij schril en vreemd; een bedelende monnik in zijne bruine pij slentert in het streepje schaduw langs een hoogen blinden muur.

— Carita! Signora mia!

Carita, wie heeft er carita voor mij. — Daar, arme drommel , een paar bajocchi, — gij hebt er tocli geen schuld aan.

In den Sint Pieter. Hier is eene pantoffelparade voor vreemden; jonge paartjes ontmoeten elkander achter een pilaar onder voorwendsel van te luisteren naar den zang in het domkapittel of galmend in eene zijkapel. Bij beurten zingt de bas, de tenor en de sopraan solo; zij heffen aan zonder dat de toon wordt aangegeven. Hoe lang houden zij de gerekte klaagtoonen aan zonder adem te scheppen, tot dat men zelf neiging gevoelt eens diep te ademen; zij gaan in majeur en mineur over zonder instrumentale hulp. De treurige klanken verplaatsen ons op den heuvel Golgotha. Op eens een gekraak en gegil. Een Engelsche dame op een vouwstoeltje rolt tegen den grond en twee facchini trekken haar overeind.

Ginds steekt uit een biechtstoel eene lange hengelroede en

I IO

ocr page 117

AMAZONE.

daalt neer op het hoofd van een knielend jongetje. Zoo kan iedere voorbijganger gezegend worden; de stichting is, waar men haar vinden kan, even als het geluk. O schlimmer Tag, o schlimme Stund, die mijn vermoeiden voet voor het eerst hierheen deed zwerven. Voortgejaagd en hijgend naar rust. Ook in geene kerk is zij te vinden.

Koortsig kwam zij te huis en ging zonder te eten te bed liggen , en weende, weende, weende, o mein verfdiltes Leben !

Als de Galileesche wijze, met de groote liefde en den heiligen toorn, terug kwam, hij zou het arme als schurftig uitgestooten schaap in zijne armen opnemen en de booze geesten van die haar kwelden in de zwijnen doen varen, die hij neer deed storten van de rots.

1 I I

ocr page 118

o - gt;*■ j/ £^amp;X*Wamp;£* * y - gt;*■ y ■- '*y ■-

.. 'füüü.

II

m

XIV.

et kwam Marciana niet ongewoon voor als Ada somtijds de eenzaamheid zocht, maar thans nu het de derde datr werd waarin zij niets van haar £ , Uyj bespeurde, begon zij te denken of haar iets mocht deren. Zij ging naar liare woning en vond ^ de voorkamer ledig. De groote meubelen uit den ' tijd van het keizerrijk stonden ongezellig in het rond, geen boek of bloem of kleedingstuk toonde leven. Toen ging zij naar het slaapvertrek en vond Ada te bed.

— Kind! wat is er, ik hoor niets van je; foei, waarom heb je mij niet laten roepen ?

Ada stak de hand uit, die klam was. Bleekheid lag over haar vriendelijk gelaat, alleen de oogen gloeiden. Marciana zag, dat zij koortsig was en, snel haar hoed en handschoenen ter zijde leggende, zette zij zich bij haar neder.

Ada vertelde haar allengs wat zij op haar laatste wandeling gedaan, gedacht, geleden had. Marciana wipte even het huis uit en kwam terug met een paar oranjes en ijs, en maakte een koelen drank. Zij wiesch haar slapen en polsen, legde een frisch linnen onder haar gelaat, kuste haar en zat uren

ocr page 119

AMAZONE. I I 3

bij haar, liefde, zorg, kalmte over haar uitstralend en het ontrnste gemoed bedarend.

— Wat is er toch nu weer gebeurd?

— Een brief van ....

— En?

— Nu eischen zij weer op eens dat ik bij haar terugkeer, dat ik mijn schandelijk leven vaarwel zeg, en . . . en . . .

— En mijn omgang vermijdt.....

— Moe weet gij het ?

— Dat is niet moeilijk te raden. En wat wilt ge nu doen?

— Och, 'dat is het wat mij zoo verbijstert, — ik ben van haar afhankelijk.

— Dat wil zeggen, dat t^ij u afhankelijk laat houden; als Jezuieten hebben zij uw wil in de jeu^d gedood.

— Nu ja, —

het zijn toch mijne naaste bloedverwanten — ik ben te zwak misschien, maar ik kan niet anders.

Maar it verloochenen , dat doe ik niet.

— Zoo, zei Marciana, met toorn over de wenkbrauwen cn lippen, dat was het dus weer; maar nu niet meer daarover, wij spreken er over als gij beter zijt.

Eene poos bleef zij nu over onverschillige dingen praten, zonder veel te spreken en alleen om andere gedachten bij haar te wekken. Toen kuste zij haar en zeide:

— Poor dear, ik kom gauw terug, ga nu rustig liggen.

'5

ocr page 120

AMAZONE.

Marciana ging naar huis en vertelde hare bevinding aan den heer van Walborch. Hij had zich in zijn goed hart het lot van Ada, zoo lang zij in Rome met hen verkeerde, aangetrokken. Zij namen haar overal mede om haar te onttrekken aan hare neiging tot eenzaamheid.

— Wij komen telkens tot het oude terug, zeide hij, — Marciana, wat moeten wij toch voor haar doen ? Gij moet haar later nog eens ernstig onder handen nemen.

— Van harte gaarne, als het mogelijk is, en als ik iets vermag. Ik ben jonger dan zij, — maar — voegde zij er niet zonder eenige droefheid bij, — ouder in ondervinding.

— En in kracht, mijn kind; — kon ik haar maar wat Horatiaansche gelijkmoedigheid geven!

— Ach, zei Marciana lachend, — uw lijfarts zal haar niet helpen!

— Waarom niet ? heeft hij mij niet helpen vormen ?

— Ja, maar het moet altijd uit ons zeiven komen; het is zonderling, maar wat anderen ervoeren baat iemand nooit. Als dit zoo was, hoe veel verder zouden alle menschen zijn!

— Zeg dat niet; er moet wel iets aanwezig zijn dat medewerkt , maar de menschen vormen elkander toch, zij willen het evenwel niet erkennen.

O lieve beste.....vader, mag ik wel zeggen, zei Marciana

en kuste hem op het ongekreukte voorhoofd, — hoe veel goeds hebt gij mij gedaan; ik wil het wel erkennen.

Een oogenblik haar zelfbedwang los latende, gaf zij zich toe, en een traan, uit oude bron opwellend, blonk in het zonnelicht van dankbaarheid.

— Best kindje — gij behoeft mij niet te danken; als mijn oude dag reine vreugde kent en de schoonste vrouwelijke ziele-glans mijn herfst verheerlijkt, dan heb ik dat aan u te danken.

— Dank mij niet vader, aan u is uwe Amazone het verplicht dat haar wond genas.

ii4

ocr page 121

AMAZONE.

— Ach, toch altijd Amazone.....

— Wel, gij weet, dat dit het eenige middel is om niet weer gewond te worden en onafhankelijk te zijn.

— Phoe! phoe! lachte van Walborch, opstaande en door de kamer wandelend, — daar zijn meer Amazonen veranderd — dat kan Herodotos u leeren — ja, dat vertel ik je wel eens bij gelegenheid, — heel nuttig voor stijfhoofden.

— Bah, ondervinding van anderen.....

— Schept niet, maar wekt — maar, zeg eens, ik begin er te komen met mijn Amazone; ja ik ben er al; maar dat moet ik vertellen als Aisma er bij is. Waar zit liij toch?

— Hij is zeker geheel in zijn werk.

— Wij zullen hem van daag uit zijn atelier halen.

— Neen, ik moet straks nog even naar Ada gaan zien.

Marciana stond op om van een kastje een rond in papier

gewikkeld voorwerp te nemen.

— Wat heb je daar?

— Un polio, un pollastro, zei ze vroolijk.

— Een kip, hoe kom je daaraan ?

— In 't voorbijgaan gekocht, en nu ga ik een lekkere bouillon voor haar maken.

Hij knikte haar vriendelijk toe en dacht; energiek, wonderlijk en toch lief wezen; en dat beweert dan hard en stoïsch te willen zijn. O mijn Amazone, uw hart is vol teederheid, die gij verbergt; — er is geen twijfel aan of die man heeft haar zeer lief en ook hij is halsstarrig — hoe krijg ik die twee stugge willen tot buigen!

Toen zij met zorg de verkwikkende lafenis voor Ada bereid had, ging zij haar die brengen. Zij vond haar kalmer , werd met teedere dankbaarheid ontvangen en verliet haar na een uurtje bij haar vertoefd te hebben. Toen zij terugkwam verkleedde zij zich spoedig, stak een versche

1 '5

ocr page 122

AMAZONE

roos op haar boezem en kwam vroolijk tot van Walborch.

— Kom, nu kunt gij nog juist uw geliefde wandeling maken.

Van Walborch was gaarne bereid. Die wandeling bestond

in een uurtje voor het middagmaal op den Monte Pincio rond te dolen, iets wat zijne dagelijksche gewoonte was.

De Monte Pincio is de schoon begroeide heuvel aan het noordelijk einde der stad; naast hem ligt de Porta del Popoio, de eerste waardoor voorheen iedere reiziger de eeuwige stad binnen kwam, en aan zijnen voet buiten den hoogen muur de nimmerdorre eiken en kroondragende pijnen der Villa borghese. Aan de binnenzijde liggen aan zijnen voet de kerk Santa Maria del Popoio, bij de plaats waar Nero begraven was en de booze geesten spookten , waar thans Pinturicchio's madonna's tronen en Rafael's Klias, ligt de Piazza del Popoio met den obelisk van Heliopolis, door Augustus der zonne gewijd, door Sixtus V bekruist, door vier Egyptische leeuwinnen omringd, en in hare nabijheid Neptunus en tritons, Rome met Tiber en Anio; en op den ouden Romeinschen «heuvel der tuinen» waar Lucullus' gastmalen en Messalina's uitspattingen plaats vonden, beweegt zich thans de elegante wereld van Rome. lien beeld der kosmopolitische veelheid , zoo als gansch Rome is.

1 lier wandelden dan onze bekenden, bij de muziek, door de stroomen van menschen en rijtuigen, of in de stillere lanen met borstbeelden van Italië's groote mannen, of genoten het gezicht op de stad. Dan dwaalt het oog op de koepels en hoogere gebouwen, het zachtgewelfde dak van het Pantheon, den S. Angelo, de alom zichtbare S. Petruskerk, de bergen waarop men de waterleiding Acqua Paolo ziet, de pijnen der Villa Doria-Pamfili, en verder een stuk der Campagna. Het eeuwige Rome heeft ook dit onvergankelijke dat zijn aanblik altijd nieuw en boeiend is.

— Daimonion ptoliethron! prevelde van Walborch zachtkens, daimonische stad 1

ocr page 123

AMAZONE. 1 I 7

— Wat is toch eigenlijk daimonisch, vroeg Marciana.

— Onvertaalbaar; het is demonisch in goeden zin, die onverklaarbare, geheime, als van een godheid uitgaande kracht en overmacht, waaraan wij ons niet kunnen onttrekken. Pindaros zegt het van Athene, — Rome heeft dat ook.

Daar ging Aisma, zag hen en trad snel op hen toe.

— Caro mio! riep de oude heer levendig, waar hebt gij gezeten, wij zagen u in vele dagen niet.

Aisma zeide dat hij druk had gewerkt, en terwijl Marciana hem de hand toestak, schoot haar op eens de gedachte door het hoofd: zou hij dat daimonische hebben? Dat zij het had, bemerkte Aisma weder.

— Nieuws, mijn vriend, de Amazone heeft mij ook druk bezig gehouden, en ik ben er, ik ben er, hoor; zij moet zwichten, heb ik gezegd, en ik heb het nu.

En terwijl van Walborch zijn arm door dien van Aisma stak , vervolgde hij:

— Morgen leg ik beslag op u, den ganschen dag; kom ons halen, eerst rijden wij naar het Vaticaan, dan naar het Capitool, om de verschillende Amazonen te bezien — gij blijft bij ons eten en 's avonds vertel ik u alles.

ocr page 124

$

r is in het beschouwen van de groote kunstverzamelingen een tijd van onrust, dien men eerst te boven moet komen om te genieten. In den aanvang overstelpt ons de menigte en het nieuwe, en de verlokking van het ongekende dat er nog is, trekt telkens af van de rustige beschouwing van het voor ons liggende. Maar als men er de wegen kent, er veel gezien heeft om het gezien te hebben en er het zijne van mede te nemen, gaat men later tal van zaken voorbij en keert tot het belangrijkste terug om er nieuwe zijden van af te winnen, het in iedere stemming te herzien, en dan eerst is het de tijd van rustig genot.

Zoo eine het ook met van Walborch en Marciana, die

o «quot;gt; '

vaak met Askol den beeldhouwer en Aisma den schilder in de galerijen ronddoolden. Zij waren daar nu te huis en joegen niet meer alles achter elkander af, maar bezagen alleen naar keuze, hetzij iets bepratende, hetzij in eigen beschouwingen verdiept.

Zij waren dan ook nu in het Vaticaan de rotonda, de zaal der Musen en de zalen met de dieren doorgeloopen en

f

ocr page 125

AMAZONE.

maakten evon eenen zijweg naar de galerij «delle statuequot;. Aisma verwijlde onwillekeurig voor den Eroos naar Praxiteles.

— Kijk, zie hij tot Marciana, — de vleugels zijn er afgebroken, dit is de blijvende, niet de vluchtige liefde.

— Daarom kijkt hij ook zoo bedrukt naar beneden.

Askol was niet voort te krijgen van den Apollo Sauroktonos, waarvan hem de moderne elegantie zoo aantrok. Maar van Walborch riep hem toe om eene Amazone te zien. Het was die welke gewoonlijk als de schoonste wordt geprezen, die uit de Villa Mattei; zij staat geleilnd op het rechter been, de rechter arm in de hoogte, de linker langs het lijf, beiden houden een boog vast. Naast haar liggen de helm, het halfronde schild en de aks; aan haar linker voet ziet men den riem voor de spoor.

— Mooi, zei de beeldhouwer, maar die twee armen en het rechter been zijn vernieuwd. O, die ellendige restauraties die ons belemmeren en verwarren.

Van Walborch schreef een paar aanteeke-ningen op. Toen liepen zij de Cortile door en de lange Chiaramonti-zaal, als of het gewone straten waren,

119

ocr page 126

AMAZONE.

regelrecht naar den Braccio nuovo. Nauwelijks mochten zij den schoonen Augustus, de stroeve Minerva Giustiniani, de kariatide bewonderen, en in het voorbijgaan even een oog werpen op een tweede exemplaar der bovengenoemde Amazone.

— Hier weer hetzelfde, zei Askol, — houdt die handen even bedekt, dan wordt het duidelijk dat zij er geen boog mee moet dragen, maar dat zij met beide handen op de lans steunt om een sprong te nemen.

Maar van Walborch nam hem bij den arm en voerde hem naar twee beelden, zijn doel.

— Gij, man van het vak, bezie mij eens eerst dezen , de gewonde Amazone en dan ginds daarover den landsdrager van Polukleitos, — en zeg mij of ik gelijk heb als ik deze twee van dezelfde hand acht. Straks zullen wij in het Capitool een gelijk exemplaar dezer Amazone zien, vervveg schooner,

en dan zal die gelijkheid nog meer treffen, — maar hier hebben wij dit exemplaar bij de hand om haar met den lansdrager te vergelijken.

Een woord tot verklaring van deze beelden. De gewonde Amazone verbeeldt een krachtvolle jonge vrouw; het lichaam rust op het linker been, het rechter is een weinig gebogen. De linkerhand ontbloot de rechter borst van het lijfkleed, de rechterarm is geheven en het zacht gebogen hoofd is even gewend naar die zijde der borst die gewond is. Het is een schoon beeld vol eenvoud en kracht — maar uit het oogpunt der kunst is hare in houding geheel Capitolijnsche zuster zooveel schooner dat wij haar eerst daar onze volle bewondering schenken. Wat van Walborch noodig

120

ocr page 127

AMAZONE

had, was haar te vergelijken niet den lansdrager of doruforos. Dit ten onrechte als schijfwerper gerestaureerde beeld vertoont eenen man in den bloei zijner kracht, in gaande beweging met het linker been naar achter en voor

r i quot; • lt;tii MimiMa—TMTiiT ••

het oogenblik rustend op het rechter. De linker voorarm is half geheven, de rechter arm hangt naar beneden. 1 Iet is een van de schoonste mannelijke gestalten die er zijn; met welk eene vastheid is het lichaam gebouwd, hoe elastisch wiegt de romp zich op het bekken in even wicht, met die zachte overhelling van den rechter enkel waarop alles steunt.

De schouders en borstkas in de breedc vormen tier beste I lelleensche kunst aangelegd. 1 Iet is alles evenwicht, harmonie ,

volmaakt gevormde kracht; geen athleet met kunstmatige spiervorming; hij is zoo geboren en slechts harmonisch ontwikkeld. Dit zijn ook de schoonste mans-beenen die hier zijn, zeer verre boven

den Apoxuomenos, den Mercurius, den Adonis. De uitvoering is zoodanig dat men nauwelijks gelooft dat het eene copie is. Daar echter de oorspronkelijke van Polukleitos van brons was, moet hij die dit beeld in marmer overbracht een meester geweest zijn. De beenen en de buik zijn als oorspronkelijk voor marmer geboetseerd en naar het leven, niet naar een bronzen voorbeeld. Woorden kunnen de smedige vleezigheid niet terug geven , waarbij het denkbeeld van eene harde stof verdwijnt.

Over deze beide beelden liep nu de gedachtenwisseling der vier enthoesiaste bewonderaars.

Voor den beeldhouwer was er geen twijlel of de lansdrager

16

I 2 I

ocr page 128

AMAZONE.

en de Amazone waren uit dezelfde school, van dezelfde stof, ja verrieden ook dezelfde behandeling van het marmer.

Zeer tevreden met deze uitkomst zei de heer van Walborch;

— Nu gaan wij naar de Capitolijnsche Amazone — maar gij moet mij éen genoegen doen — kijkt nu niet meer rond en houdt uwe indrukken onvermengd.

— Dan moet u ons blinddoeken, zei Marciana.

— Neen, neen, kijk niet rond, — kijk voor u op den vloer, tot wij buiten zijn.

— Maar er zijn ook op de vloeren schoone mozaieken, ant-woorde Marciana lachend.

— Kijk dan ter zij naar niets, zei van Walborch ernstig.

En zoo ging hij dan ook weg, de

oogen half gesloten, en de anderen volgden hem , schertsend en plagend.

— St! zei Marciana tot Aisma, die haar soms bezag, — gij moogt mij ook niet aanzien.

Zij gingen snel de zalen door en reden naar het Capitool. Van Walborch belette hen naar den Marcus Aurelius op het plein te zien, drong hen ter linker zijde de trappen op, de zalen door, trok hen voorbij de Amazone met den boog, de wederga der Vaticaansche, tot zij kwamen in de groote zaal, waar in het midden de twee zwart marmeren kentauren van Aristeas en Papias staan. Aan den linker wand naast een venster vindt men daalde gewonde Amazone, gelijk aan die welke wij reeds bezagen in het Vaticaan.

1 )it is mijne Amazone, riep van Walborch vol vuur, — zie nu eens mijn Amazone!

12 2

ocr page 129

AMAZONE. I 23

Kr was geen twijfel, dit exemplaar is het allerschoonste. Al wat men in Ue andere had bewonderd was hier in nog hoogere mate aanwezig. Er valt in manneren beelden iets dergelijks op te merken als in schilderijen wanneer zich daarin de kleuren niet als verfstoffen voordoen, maar de stof er van verdwijnt en de indruk die van het leven of de werkelijkheid is, met andere woorden. wanneer de stoffelijke middelen niet tusschen het kunstwerk en den beschouwer staan, maar de geest des scheppenden kunstenaars onmiddeljk spreekt tot dien des beschouwers. 1 )an zeggen de schilders dat eene schilderij «buiten de verf» is. Zoo iets heeft ook bij beelden plaats. 1 Iet naakt van een beeld kan schoon en juist, met groote vaardigheid behandeld zijn — en toch somtijds niet die eigenschap bezitten. De beenen van den Apollo Belvedere kunnen hier niet ter vergelijking dienen, omdat dit beeld meer als ideaal dan natuur bedoeld is. en zij bovendien aan het bronzen voorbeeld herinneren. Maar die van Antinous bij voorbeeld, van den 1 lagedisdooder, van de Venus in het Capitool, zijn overheerlijk van schoonheid en juistheid, de kunst is daar schier onverbeterlijk — toch zijn er anderen die .... anders zijn. Dit is geen gevolg van grooter technisch schoon, maar het is een gevolg van de gevoelige hand van boetseeren. De vingerdruk die ze kneedde, gehoorzaam aan het gevoel des kunstenaars, is er zichtbaar, en het marmer heeft dit voor boven het brons, dat het de zachtheid en doorschijnendheid van het vleesch teruggeeft.

Zoo de Lansdrager en deze Amazone. I lier springt de ont-

ocr page 130

AMAZONK.

'aglijke meerderheid van de Grieksche kunst in het oog,

vergeleken met de Romeinsche, toch zoo schoone, kopieën en navolgingen. In dit beeld der Amazone blinkt het Grieksche er nog doorheen, het moet Grieksch werk zijn. Als Sosikles, het woord dat in dit marmer gehakt is, de naam is van den man die dit naar Polukleitos' brons maakte, dan was hij een groot beeldhouwer. 1 )e Faun naar Praxiteles is schoon, maar bij deze Amazone vergeleken coquet; de Antinous is fraai, maar elegant; deze Amazone is ook geen in de palaestra gumnastisch gevormd lichaam, zij is van nature zoo grootsch en schoon geboren. Zij behoeft niet als de Antinous en Faun zich elegant voor te doen, zij heeft geen opzet om schoon te zijn, zij is het. liet is een geheel ander schoon dan men gewoon is, in de nieuwere tijden, als type en toppunt te vereeren. Zij heeft geen bevallig klein hoofdje, geen fijne leden, geen kleine voetjes, geen teedere schouders en zwellende heupen. Alles is evenmatig in kracht, in eenvoud; kloek gebouwd, met volwassen ledematen en (linke groote voeten, want een voet moet niet klein zijn als het lichaam kloek is, i) Met middel en bekken zijn nog maagdelijk slank, de beenen behooren onder de schoonsten van eenig vrouwebeeld ter wereld.

1 ?4

Voor Askol hadden de antieken altijd iets dat hem te rustig was. Zijn vurige geest had behoefte aan meer bewegelijke en sterker sprekende vormen; aan meer pathetische

i) Ofschoon er herstellingen aan zijn geschied, zijn de verhoudingen blijkbaar en zeker genoeg.

ocr page 131

AMAZONE

overdrijving, aan meer leven en ziel /00 als hij het ten onrechte noemde. Van Walborch streed daar altijd tegen; die beweging en die ziel gaan steeds buiten de grenzen der beeldhouwkunst, zeide hij: ziel ligt er in de antieken, meer en dieper dan een modern mensch gewoonlijk bevroedt ; men moet ze maar kennen en voelen. Al die heftigheid is niet altijd ziel, maar veel vertooning, en een beeldhouwwerk behoort niet te huis in dc wereld der sentimentaliteit of dramatische roering, maar in die der plastische rust en verhevenheid.

— Kom, zeide hij, nu hebben wij genoeg.

Mogen wij nu ook niets meer zien?

Waarvoor toch ! Kom !

l'.n zij gingen weer snel voort, doch ontwaarden niet dat Marciana alleen achter bleef. Eerst onder aan de trap bespeurden zij dat en gingen terug. Eindelijk vond van Walborch haar in de stanza del fauno in een hoekje en zij bemerkte hem niet, Marciana had nog met gansch andere gevoelens dan van Walborch de Amazone, haar evenbeeld, beschouwd. Zij stond nu geheel in gedachten bij een rond altaar, waarop een Bacchuskop geplaatst was. Op het altaar las zij; ara tkanouii.mtatis, altaar der zielsrust, en daar tegen leunde zij peinzend met de hand.

— Kom kind, weer bij dit altaar! Zij schrikte op, glimlachte maar zonder vroolijkheid en zei;

1 25

ocr page 132

120 AMAZONE.

— Ik had behoefte hier even mijne devotie te doen.

— Foei, onhandelbare Amazone.

Zij vatte en drukte zijne hand:

— Is het dan niet goed dat ik naar Horatius' «effen gemoed» streef?

1 lij schudde het hoofd.

— Niet op die wijs, kind.

— St! zeide zij, want de anderen kwamen hun nu te gemoet. Zij reden toen huiswaarts, waar het middagmaal hen ver-

eenigde.

Voor dat de avond viel, ging Marciana naar Ada, die zij nu dagelijks bezocht. Toen zij terug kwam , vond zij de drie heeren in bezige kunstbeschouwing. Van Walborch had al zijne afbeeldingen van Amazonen uitgestald. Het gesprek werd door hare komst even afgebroken.

— 1 loe gaat het met haar, vroeg Aisma.

— Veel beter, kalmer.

Zoodra zij hersteld is, zal ik haar aan het teekenen zetten; zij heeft geen scheppend talent maar kan kopiëeren en ik zal haar helpen. Er is nog zoo menig gebied waarop eene vrouw werkzaam kan zijn. Zoo bij voorbeeld met het versieren van allerlei voorwerpen; zij kan zich daarin een bron van genot en nuttigen arbeid scheppen. 1 laar geest moet afgeleid worden en werk hebben.

— Ik dank u, zeide zij met een vollen diepen blik; — kom ik te laat voor het nieuws over de Amazone ?

Wij zullen in het kort aanstippen wat er gesproken was.

De Amazonen vormen een belangwekkend deel der antieke mythen en kunst. De «mannengelijkende Amazonen» van Homeros vinden bij tal van dichters in Hellas en Latium eene meer of minder uitvoerige vermelding. Het strijdbare «ont-borste». vrouwenheer prijkt op honderden gedenkteekens. Ook

ocr page 133

AMAZONE.

in eene menigte beelden. Behalve degenen die; wij reeds vermeldden , zijn er nog in de museums te Napels, te Parijs en een heerlijk fragment te Weenen , de stervende Amazone met zinkend hoofd, een werk uit den overgangstijd even voor Feidias. De oude schrijvers noemen een aantal kunstenaars die Amazonen gemaakt hebben. Strongulioon bootste er eene die om de schoonheid barer beenen euknemis werd bijgenaamd en de bijzondere hulde van Nero genoot. Kindel ijk waren er vier kunstenaars van wie Plinius de volgende anekdote verhaalt:

Kr zou een wedstrijd gehouden worden voor een Amazone-beeld dat den tempel van Artemis te Kfesos moest sieren, en wel tusschen Polukleitos, den grooten beeldhouwer der school van Argos, Feidias den Athener, Kresilas, een kunstenaar van Kudonia, en Fradmoon van Argos. Men vermoedde dat ieder met het zelfvertrouwen van den grooten kunstenaar aan zijn eigen beeld de voorkeur zou geven; daarom werd besloten dat de prijs zou worden behaald door het beeld dat zij na bun eigen werk het beste zouden keuren, liet geviel, dat ieder aan Polukleitos den tweeden rang toekende. 1 let verhaal heeft de waarde van alle, oude en nieuwe, kunstenaarsanekdoten; voor ons zijn de namen het belangrijkst.

— Laten wij, zei van Walborch, — het archaeologische materieel, na inzage, weder ter zijde. Men heeft altijd veel te zeer in vragen van antieke kunst aan de archaeologie het hoogste woord gegund; kunstvragen kunnen in hoogsten aanleg alleen met kunstgevoel en kennis worden behandeld 1 de artistieke methode moet voorop staan.

— Volkomen waar, zeide Aisma, wij hebben het gezien bij de Pompejaansche schilderingen, en hetzelfde heb ik dikwijls bij de beschilderde vazen gedacht; zij zijn nooit zuiver in de eerste plaats uit artistiek oogpunt behandeld.

-- Is het niet zoo ?

127

ocr page 134

AMAZONK

— Men beoordeelt ook do echtheid van een teekening of scliilderij naar de hand, niet naar redenen daar buiten. Men moet al ruiken of iets echt is of niet.

— Laten wij dan ook zoo doen. En dan hebben wij vooreerst voor ons vraagstuk alleen met twee namen te doen: Feidias en Polukleitos. Hun beelden waren van brons; die wij zagen zijn dus kopieën in marmer. De Amazone van Feidias leunde op hare speer; omtrent de houding van die van Polukleitos weten wij niets. Wat ik nu in uw geheugen wil terug roepen is de gelijkheid in stijl en behandeling, in het kunstkarakter, dat zelden bedriegt, tusschen den Lansdrager en mijne Amazone. Welnu, de Lansdrager is zeker van Polukleitos. Wij weten genoegzaam wie hij was. Van hem wordt gezegd dat hij minder de majesteit der goden dan met juistheid de waardige schoonheid in het inenschenbeeld gaf. Zijn realisme was geene onwaardige platheid. Hij was ook idealist; hij vermeed de afbeelding van het lichaam in het verval van den ouderdom; hij beeldde vooral jonge gestalten af, of zooals Ouintilianus schilderachtiger zegt, hij ging niet buiten de bloeiende wangen. Zijne figuren, zei men, waren quadrata, vierkant. Wat dat vierkant beduidt, leert Celsus, de geschiktste lichamen, zegt deze, zijn quadraat, niet mager en niet dik en van behoorlijke lengte. Quadratus is dus niet ons vierkant, dat is wat wij eenigszins plomp zouden noemen, maar de juiste middenmaat van kracht en vollen wasdom. Lusippos wordt tegenover hem gesteld en deze maakte ze slanker, fijner. 1 )e figuren van Polukleitos waren dus krachtig, breed, groot, de volkomenheid van het schoone inenschenbeeld, zonder de latere verfijning van slanker en dunner vormen. Fene bijzonderheid van Polukleitos was nog deze, dat zijne beelden hun rustpunt hadden op een van de beenen. Alles is als geknipt om in den Lansdrager te worden teruggevonden , — maar tevens....

ocr page 135

AMA/ONK

— U behoeft het niet te zeggen, — wij zien het reetls; ook die Amazone draagt geheel hetzelfde karakter.

— Is het niet zoor Twijfelt gij nog of mijne Amazone is een werk der Argische school, een werk van den man die den Lansdrager maakte, de Hera van Napels, een werk van de kloeke, nog niet oververfijnde en te elegant geworden latere kunst, maar vol van dat fiere, breede, volkomen menschelijke, ofschoon in die volkomenheid alleen eenigermate geïdealiseerde, dat wij in Polukleitos vinden? Mijn Amazone is niet van KPesilas maar van Polukleitos.

Hn de heer van Walborch stapte in de kamer op en neder vol vuur om zijn vond en nam dan weer de prachtige fotografie van het beeld in zijne hand, Aisma had met liefde zijn gansche betoog gevolgd en deelde in zijn enthoesiasme. Voor Askol duurde dit geredeneer echter veel te lang. 1 lij was meer praktisch dan bespiegelend en te vurig van aard voor beschouwende verrukking. Ook Marciana had met belangstelling geluisterd, maar, of het vrouwelijke bewegelijkheid was, die zich niet zoo lang in ecu onderwerp kan verdiepen, of wat dan ook, zij liet zich nu door Askol ter zijde voeren en geraakte met hem in een druk gesprek.

Aisma zag dat hun onderhoud levendig was; de beeldhouwer gesticuleerde alsof hij hare vormen boetseerde-, zijne handen raakten hare haren aan en wezen daarin iets; hij maakte gebaren als plooide hij een kleed om hare schouders en middel; hij vatte hare handen en armen. 1 )e schilder hoorde iets van banden in het haar c;n eene purperen roos. Hn zij lachte en liet zich aldus behandelen, en den beeldhouwer ten slotte zelfs een kus drukken op hare hand.

Al deze gemeenzaamheden bevielen Aisma geenszins, en toen hij met Askol heenging, wandelde hij zwijgend naast hem het eind weegs tot zijn huis.

Des menschen hart is een zonderling mengsel en door het

17

ocr page 136

; ÏQ AMAZONE.

zwerk zijner hersenen schijnen de gedachten even wisselend en warrelend als dc wolken in de lucht te drijven en te veranderen. Hij wilde immers van geen liefde weten: hij was overtuigd dat hij geenerlei voornemens koesterde om Marciana, hoe zeer hij haar bewonderde, tot vrouw te verlangen. Welnu, wat kon het hem dan deren dat een dat wel verlangde en dat zij een ander haar vrij in de oogen liet zien , dat zij met

dezen ongedwongen omging ?

Al wat vrouw heet, is behaagziek, zeide hij bij zich zeiven met eenen zucht, en zij is het zeker.

ocr page 137

XVI.

I^arciana, welke wij dien avond met Askol in drukke gedachtenwisseling gezien hebben, had met hem eenige afspraken gemaakt voor het feest dat in zijn atelier voor Salviati zou gegeven worden. Zij hadden besproken er een klassiek feest van te maken, waar allen in antieke kleeding zouden verschijnen. Askols ruime werkplaats in de thermen van Diocletianus bood daarvoor eene eenige gelegenheid, die hare klassieke vormen en omgeving medebracht, Marciana had met Askol eene vertooning verzonnen en er eenige coupletten voor gedicht. Vrienden van den beeldhouwer en eenige vrouwen en meisjes onder zijne Amerikaansche en Duitsche bekenden zouden daaraan mededoen. Gewoon zich vrij te bewegen, ging zij nu op een morgen uit, wenkte een vetturino op de Piazza di Spagna en liet zich naar de thermen van Diocletianus rijden. Zij vond Askol in het beneden atelier, druk bezig met het boetseeren aan zijne Amazonegroep.

— Ma! zei Askol, vroolijk verrast, — scusate, ik kan u geen hand geven, zij zit vol klei, maar mag ik u mijn elboog aanbieden.

ocr page 138

12,2 AMAZONE.

Marciana drukte die lachend.

— Mooi, het wordt mooi!

Kn Askol tilde dt; natte doeken op van de geheele Amazone-fiouur, die nu in de pracht van haar schoon lichaam zichtbaar was. Als artisten spraken zij vrijmoedig over hare vormen. Marciana loofde die. Askol was echter gansch mistroostig.

— Ja, het zon iets goeds kunnen worden, iets meer dan gewoons; de houding, de uitdrukking zijn geslaagd en niet gemeen — maar met de armen en schouders, en dien voet, ben ik verlegen. O, gij kent al de ellenden niet van ons beeldhouwers. Goede modellen, van vrouwen vooral, kunnen wij zoo moeilijk krijgen, en toch, wij kunnen de lichaamsvormen niet uit het hoofd maken. Laat ik het maar eens vrij mogen zeggen , gij begrijpt dat de vrouwen die daarvoor te vinden zijn niet altijd edel en vooral ongerept van vormen zijn; de handen zijn zelden edel; zie, die voet is onschoon, die arm en de aanhechting aan den schouder zijn vulgair; wil men ze schooner maken, dan moet men of de oude voorbeelden navolgen of idealiseeren, en dan wordt men zoo spoedig conventioneel. Ik wilde iets edels individueels hebben, om mijn werk te verheffen boven het duizendmaal geziene. Ach, het gelukt mij niet.

Marciana was intusschen gaan zitten, nadat zij de groep van alle zijden was omgegaan. Zij zat in verrukking, want, ondanks Askols ontevredenheid met een deel van zijn werk, was de groep wonderschoon in hare lijnen.

— Welk eene macht, om uit de stof zulke vormen op te bouwen, of, zoo als de God van Michelangelo in de Sistina, met den vinger uit de aarde op te roepen! Ik zie dat gij leeft in de buurt van de Sixtijnsche scheppingswonderen. En toch weer anders dan Michelangelo's titanen. Deze vrouw is geheel modern, of liever eene moderne schepping van den (■•eest. Neen, Askol, dit werk vestigt uw naam voorgoed;

ocr page 139

AMAZON F,

gij hebt nog nooit zoo iets gewrocht. Gij hebt iets geheel eigens, buitengewoons gemaakt.

— O neen, zei Askol, — ja, dat kon, dat moest, maar het zal niet. Zie, dit en dat, die vormen zijn gemeen; ik zie en droom hoe het moest, maar, zoo als ik zei, men kan geen beeld maken uit de gedachte alleen, men heeft eene edele werkelijkheid als voorbeeld noodig. Maar hoe kom ik daar aan? Ook dit zal weer half werk blijven; ik zal den krans niet grijpen, dien gij in de verte voor mij doet schitteren.

Marciana zat te peinzen. Op eens sprak zij:

— Wat was dat ook weer in de oudheid, dat de vrouwen ergens zich eenen beeldhouwer aanboden om voor hem te poseeren?

— Dat was voor een schilder, voor Zeuxis, zei Askol, maar voegde er met een zucht bij: — Ach, daarom alleen zijn die antieken zoo ver boven ons! Thans zou geen eerbare vrouw dat doen.

En hij wierp mismoedig een stuk klei weg dat hij in de hand had rondgedraaid, nam den arm van de dook waarmede hij gehecht was en wierp hem in een hoek, waar de klei als een verminkte hoop neerviel. Hij streek de hand door de haren en over zijn voorhoofd, hield ze voor zijne oogen en bleef in afmatting zitten.

Marciana had eene groote bewondering voor Askols talent. Zij deelde in de vorderingen van dit werk, waaraan al de roem en dc toekomst hing van den jongen man.

Zij zaten beide zonder een woord te spreken.

Als langzaam ontwakende sloeg Marciana de oogen op en zei;

— Askol!

1 lij liet dc hand van zijne oogen zinken en zag op.

— Askol, herhaalde zi j; zij zag hem eene pooze aan en met kloppende borst vervolgde zij;

ocr page 140

[ 34 AMAZONE.

— Ik bewonder uw talent; ik weet, ik voel dat er in u eene groote, eene heerlijke toekomst ligt, ik weet ook dat zij voor een kunstenaar van een enkel schitterend werk afhangt. Ik zie dat dit zulk een werk zal, moet worden. Ik zie de toekomst van een kunstenaarsleven en den invloed dien hij op de kunst kan uitoefenen aan een zijden draad hangen. Want zoodra de kunstenaar wanhoopt, is hij den vermetelen trots kwijt dien hij noodig heelt om iets groots te maken.

1 laar lichte oogen stonden open en glansden en er lag op hare lippen de trotsche bocht van die der juno Ludovisi.

— Askol, eene vraag, eene stoutmoedige, vrijpostige vraag, die ik aan u alleen durf doen.

Hij zag verbaasd, half bevreesd: hij beefde; hij vermoedde iets dat hij niet durfde, in de verste verte, vermoeden.

— En?

— Hebt gij mij lief?

Askol had iets anders verwacht en daalde uit de hooge sfeeren tot iets zeer gewoons.

— Marciana, hoe kan een man u niet liefhebben.

Zij stond op en stampte driftig met haar voet.

— God, hoe kunt gij mannen toch altijd zoo ellendig laf en banaal zijn. Ik meende iets anders, iets zeer ernstigs, iets gevaarlijks, onmogelijks bijna; iets dat de eerste platte geest als iets gemeens zou duiden, maar dat ik durf, omdat ik weet dat het edel is en omdat mijn godsdienst in den hoogen ernst van alle schoonheid ligt; iets dat ik wil, omdat ik wil dat gij iets groots maakt, niet om u maar om de heilige

kunst, en dat wilde ik omdat, omdat.....ik nu eenmaal

ik ben. Maar welaan, dan hoeft het niet. Vaarwel.

Askol nam hare hand en vleide en bad om vergeving.

Marciana knikte toestemmend.

— Wat meendet gij met die vraag?

ocr page 141

AMAZONE. 135

— Ik wilde weten of mij ais goede vriendin, ronduit nis kameraad, vriendschap toedraagt; — dan wel of gij mij zoudt willen beminnen, wellicht mijne hand winnen, en. . . . kom, ronduit gezegd, wij zijn kunstenaars onder ons, en of i^i) mij aanziet met begeerte.

De ongewone toestand, de kracht, de ernst van Marciana's blik en toon voerden Askol weer op de hoogte

Welnu, Marciana, wij zijn al drie jaren vertrouwde vrienden; ik moet nog eens zeggen, maar ditmaal zonder banaliteit, geen man of hij moet iets voor u voelen. En toch, ik zal ii de waarheid zeggen, oprecht, ik zoek uwe hand noch uwe liefde, en als ik zeg, dat ik uwe schoonheid bewonder, en gij voor mij de heerlijkst gevormde gestalte hebt, ik zie die alleen als kunstenaar, — mijn hart en mijn trouw zijn elders. Gelooft gij mij ?

— Ik geloof u, zei Marciana hem streng in de oogen ziende, gij spreekt waarheid, gij zijt te veel een »ian om dat niet te doen.

Welnu, ik weet wat gij noodig hebt, maar mij nooit zoudt durven vragen — en ook niet zoudt mogen vragen. Ik weet, waartoe dwaze bedeesdheid onder kunstenaars, dat ik schoone vormen heb. Gij kunt mij krijgen voor wat gij in uwe Amazone noodig hebt. Ik beschouw dit als een heilig offer aan de kunst.

Askol bloosde; Marciana niet. Maar de tranen sprongen hem in de oogen en hij had wel aan hare knieën willen vallen. Hij klemde hare hand in de zijne en stamelde:

Dank, duizendmaal dank, beste vriendin, beste kameraad.

Kr kon hierna niets meer gezegd worden. Er zijn heroïsche daden die men doet, maar zonder ze te bespreken. Het scheen ook alsof beiden gevoelden dat dit eene zaak moest blijven ver boven de gewone reëele zaken, dat zij eene ideale hoogte moest behouden, die door een enkel woord naar

ocr page 142

, ^6 AMAZONE.

omlaag zou worden gehaald en door welke deze daad daarna weer als eene mythe moest worden tot onwerkelijkheid.

Marciana zeide alleen dit:

— Askol, gij weet dat niemand in de gewone wereld, waar men de heilige hoogheid der kunst niet kent, iets zou begrijpen van wat mij hiertoe dreef. Uw hand op de volstrekte geheimhouding en — later zij het ook voor ons vergeten en ongeschied. Zend mij 's avonds een witte lelie en den volgenden morgen kom ik.

Marciana ging heen. Onbewust was zij van wat er buiten haar was; zij voelde den grond niet. liene trotsche verheffing vervulde haar geheel. De Amazone had kracht en haar adel was meesteres boven al het lagere.

ocr page 143

I

ocr page 144
ocr page 145

XVII.

V

schilderijen,

bekranste hoofden,

zweem. Askol trad dan ook lachend op hem toe en zei:

— Zóo kunt gij hier niet verschijnen, barbaar, met uwe zwarte kleederen en uw handschoenen. En hij bracht hem in een zijvertrek, waar hij een eikenkrans om zijn hoofd wond en hem een breed gepurperde toga om de schouders wierp. Die kleeding viel den schilder niet vreemd of hinderlijk , want hij was gewoon zijne modellen zoo te drapeeren en kende nauwkeurig de snede der antieke kleederen en de wijs van ze te dragen. Al was zijn blonde knevel Germaansch, met zijn streng besneden en krachtig profiel, de eenigszins over het voorhoofd liggende haren en de eikenbladeren daarop, in den

skols atelier was s' avonds in eene feestzaal omge-tooverd. Van het begin der Piazza delle tenne zag men reeds de hooge buitentrap met kleurige bollen a giorno verlicht. Maar toen Aisma de zaal binnen trad was hij verbaasd , want wat hij zag was hem eene verrassing. In de groote heldere hal zag hij, als ware het een van zijne een Romeinsch feest, louter toga's en palla's en en van hedendaaesche

kleeding geen

ocr page 146

l^o AMAZONE.

zwier waarmede hij met de hand in de zijde zich de slip der toga over den linker schouder wierp , zag hij er meer Romeinsch uit dan iemand. Zoo werd hij aan de gasten voorgesteld. Nauwelijks kon hij sommigen zoo terstond herkennen. Daar sprong eene kleine gedaante op hem toe, die, het hoofd in klimopbladeren verscholen en met een ronden mantel om de leden, alleen door zijn krukken zich als Salviati deed kennen. Op het eerste gezicht had hij zelfs Marciana nauwelijks herkend. Het was in den tijd dat de heerlijke terracotta beeldjes van Tanagra voor het eerst algemeener bekend en bewonderd werden. Van Walborch had enkelen van die bevallige Boiotische vrouwtjes kunnen veroveren, en zoo had Marciana zich gekleed.

Lachend stond zij voor hem, in dezelfde houding die wij zoo vaak zien afgebeeld; het lange himation om de geheele gestalte, terwijl de eene hand, uit de plooien voorkomend, een bladvormigen waaier hield, de andere onder en met de plooien van het kleed op de hoogte der borst opgeheven. De breedgerande en puntige Boiotische hoed dekte haar hoofd. Met zijn baardeloos fijn gelaat en den purperen band om de zware grijze haren zag van Walborch er uit als een Romeinsche keizer op eene munt.

Het gewemel van togadragende mannen en vrouwen in kleurige palla's, met hangende vlechten of hooggetorende haren, vol bloemen en groene kransen, was even verrassend als schilderachtig. Aan den langen wand der zaal waren drie groote tafels tricliniumsgewijze gesteld; zij droegen ruime schalen met gebak en vruchten en de bevallig gevormde flesschen met lange halzen en met stroo omvlochten. Glazen en tafelgerei van alle mogelijke soorten stonden er door elkander met die onregelmatigheid, die men bij eenen artist en vrijgezel vindt.

Na de eerste gesprekken nam Askol eene drinkschaal (het

ocr page 147

AMAZONE

was eigenlijk eene vruchtenschaal), en eerst daaruit plengende op den vloer, dronk hij zijnen gasten toe. Hij stelde voor eenen drinkkoning te benoemen en de dobbelsteenen wezen, wellicht door behendigheid geholpen, Salviati aan als koning van het feestgelag. Hij werd in triumf naar den troon gedragen , wiens hemel achter het midden der tafels verrees. Hij noodde in zijn rasch en vroolijk Italiaansch de gasten te gaan zitten en eenige vertooningen te aanschouwen. Een van de musici onder de gasten praeludeerde op de piano, van de zoldering fladderde een regen van komisch geïllustreerde programma's neer op de toeschouwers, en toen opende zich de gordijn op den achtergrond en toonde zich eene tot tooneel ingerichte verhevenheid.

Men zag een bosch met woeste rotsblokken en aloës, geïmproviseerd met die geringe maar geestige middelen, die de kunstenaars weten te scheppen. Het licht verbeeldde maneschijn en een groote volle maan blonk op het achterdoek.

Daar was een wilde schaar van Korubanten, kleine Daktulen, bokspootige Silenen en nymfen met fakkels, tamboerijns en fluiten.

De heraut, met zijnen staf in de hand, voor op het tooneel, sprak:

«Ruwe bergkloof in Frugie, het rijk van koning Midas.

«Koor van Korubanten en Satyrs: Silenos, profeet van Midas; Marsuas, priester en fluitspeler in dienst van Rhea Kubele, de aardmoeder, wier feest gevierd wordt.»

Toen trad de Satyr Marsuas voor, de beenen met boksvellen omhangen , en zeide :

Woest gebergte en woestere dieren,

Zoeken uw priesters en dartele nymfen ,

Vieren met wild orgiastische driften,

Rhea Kubele, u, aard', onze moeder.

141

ocr page 148

AMAZONK

Vlamme de fakkel en snerpe de rietfluit,

Stroom' Dion uses' bedwelmende druif,

Ruischt tamboerijnen, ontboeit uwe voeten,

Bandeloos viere natuur haar orgie.

Op die woorden, even als de volgende door Marciana gemaakt en door eenen Duitschen letterkundige in zijn taal overgebracht, barstte de schaar in wilde dansen los, onder de tonen der pansfluit, het zwaaien der fakkels en het rinkelende gebrom der tamboerijnen.

Tweede tooneel, dezelfde streek, in heldere zon op eens verlicht toen Apolloon optrad. Marsuas bij een boom zittende, haalde allerlei komische en grillige tonen uit zijne fluit.

De heraut kondigde aan;

«De wedstrijd tusschen Apolloon en Marsuas: koning Midas, geheel in het goud, als scheidsrechter;»

Beurtelings klonk van Apolloons kithara een verheven hymne en van Marsuas' fluit de tartende parodie.

Apolloon zingt:

Zeus in den lichtenden ether,

Artemis, kuische,

Delos, mijn heilige zetel der wijsheid,

Psuchè, der aarde onttogen, vergodlijkt,

Zinge de goudene lier.

Puthoons giftige slangengebroedsel Treffe de zilveren boog;

Schuldenzuiverend, smartengenezend,

Glanze mijn licht, en het lage verjagend Strale de schoonheid.

Dan klinkt Marsuas' lied daartegen.

Genoeg van Zeus, van preutsche l'allas,

Apolloon, Musen en 't hetnelsche mal.

ocr page 149

AMAZONE.

Wij houden 't niet Kupris, Priapos,

En Pan, de natuur, is ons Al.

Wij schoppen het deksel van de kist

Der gehuichelde tenipelmysteries;

Voor 't oude verfrommelde kunstideaal,

Het gezeur van aesthetisch-etherisch,

Voor schoonheid komt wat werkelijk is;

Ook de bokspoot heeft charmes en rechten,

De boksreuk wijkt geen ambrosischen geur.

Onze sik geen Charitenvlechten.

Nu treedt Mitlas op als kunstrechter:

Ik, koning Midas, schoon mijn hand Met lier, penseel noch beitel speelt.

Ik ben toch met gezond verstand

Met oog en oor bedeeld;

Dies maakt partijzucht mij niet blind.

Kritiek is wat men zelf bevindt,

Geen regel dien een ander biedt.

Mij dunkt Apolloons oude lied Wat afgezaagd; voorts, hij begaat.

Ik mag 't niet zwijgen, plagiaat,

Hij's niet pikant, is ook profaan.

En d'interpunctie gaat geheel niet aan.

Dat „schoonquot;, dat „hoogquot;, dat „ideaalquot;,

Och, alles maar een leege schaal;

Wij willen 't nieuw vooral, zelfs pornoplastisch ,

Kras, ongelikt, cyniek en drastisch.

Durf alles aan, ofschoon 't al stinkt,

(leef enkel wat als werklijk klinkt.

Apolloons oude leer is saai en dood, en 'k wijs Aan Marsuas den dichtersprijs.

Derde tafereel; Satyrs en Silenen dansen wild om Marsuas. Chariten, hand aan hand in reien, met zwevenden voet, omringen l'oibos Apolloon; Musen bekransen hem met laurier-

'43

ocr page 150

AMAZONE.

takken. Aan Midas' hoofd ziet men, grooter en grooter, een paar ezelsooren ontgroeien. Apolloon gebiedt dat Marsuas gevild worde.

De heraut treed voor en spreekt:

Zoo, of de Midasjongren aan Marsuas geven hun voorkeur,

Musen en Chariten steeds wijden aan Foibos den krans.

Daarop doet hij nog een stap voorwaarts en zegt ter zijde achter zijne hand, ironisch:

Nochtans baatte liet niet en berouwde liet vonnis Apolloon.

Steeds, sclioon Marsuas viel, bloeit zijn Silenengeslacht.

(De gordijn valt.)

Lachende bravo's en gesprekken volgden hierop. Men handhaafde het recht der kritiek zelfs tegen eenen Foibos; hier werd de realistische kunst verdedigd, daar gehekeld; deze vond Apolloons anatomische repliek wat sanglant, gene de beste die een Olumpiër tegen een satyr kon gebruiken; en iemand plaagde er Marciana mede dat de vertooning eindelijk zich zelve doodde, omdat zij toch zelve het recht der scityre erkende.

Onder die vroolijke scherts gingen toen jonge meisjes rond, vruchtkorfdragende nymfen en nektarschenkende Hebe's. Askol bracht daarna aan Salviati een gelukwensch op zijn geboortedag en bood hem uit naam zijner vele vrienden een klavier ten geschenke. Het was de uitkomst der tombola die zij voor hem hadden gehouden.

Dit wekte een storm van toejuichingen, die Salviati geroerd met handdrukken beantwoordde.

Thans werd de aandacht weer op het tooneel gevestigd. De geopende gordijnen gaven een prachtig tafereel te zien.

Op eene bank tegen de borstwering op het plat der Skaiïsche poort, met de blauwe lucht achter zicii, zaten de

144

ocr page 151

AMAZONE.

oudsten van Troja om Priamos heen. Op den voorgrond verrees, haar voet op den bovenste treden der poorttrap, Helena in een slepend gewaad, de fijne doorzichtige sluier over de haren, het oog nedergeslagen, voor den blik der bewonderende grijsaards. Achter haar volgden hare beide maagden.

Aisma was verbaasd; hij zag de voorstelling van zijne eigene schilderij, die hij onderhanden had. Maar wat hem niet minder trof, was de gestalte van Helena, waarin hij Marciana herkende. Hravo's en handgeklap begroetten het schoone tafereel en op aller lippen ging de naam des schilders rond, wiens roem reeds in het westen in vollen bloei was, maar die thans ook in Rome zijn eersten triomf vierde.

Toen zich de toeschouwers en vertooners weer in de zaal vermengden , trad Marciana, die hare 1 lelena-kleeding bewaarde, op Aisma toe en zei hem:

— Ik mocht immers wel ? Gij duidt het mij niet ten kwade dat ik uwe heerlijke schilderij openbaar maakte, al was het misschien voorbarig?

— O, in het minst niet, zeide hij frank weg, — integendeel; ik neem het als eene hulde van u aan; ik moet zeggen, gij hebt het goed afgezien, ja, ik heb er zelfs mee geleerd, ik weet nu vooral heel juist hoe mijne Helena moet zijn. Toch — voor die vrijpostigheid moet ik u eene kleine straf opleggen. Üe demonische Helena heeft zich in mijn kring gewaagd en als thaumaturg houd ik haar vast. Nu kunt gij er niet aan ontkomen, dat ik uw portret maak, ja, eigenlijk dat gij geheel in deze kleeding voor mijne Helena poseert.

— Hm' zei Marciana glimlachend, maar toch nog niet toestemmend , — vedretno,

— Waarom weigert gij dit zoo halsstarrig? Dat is niet lief van u.

— Ik weigerde niet, ik zei maar vedremo. — Mijn oom

19

145

ocr page 152

AMAZONE

verlangt zoo uwe schilderij te hebben, geef haar dus nog geene andere bestemming, — wilt gij ?

— Hm! zei Aisma in haar eigen toon — vedremo. — Zult gij straks eens zingen?

— Och, zei ze, en haar mond plooide zich bedenkelijk, — liever niet; ik ken alleen zulke oude ernstige dingen; dat is hier nu minder op zijne plaats.

In het dichte gewoel der gasten, waaronder vele musici, schilders en letterkundigen, werd hun gesprek spoedig door anderen afgewisseld. Het trof Aisma onder die bonte rijen de kleine gestalte van Salviati in de roode toga te zien rondhuppelen , altijd levendig en tevreden, overal welkom en zelfs door de jonge meisjes, die zich anders zoo licht onbarmhartig aan spot overgeven, met de meeste voorkomendheid bejegend, ja gevierd. Daar lag iets weemoedigs in, maar tevens iets weldadigs voor het gevoel. Salviati ging nu aan den vleugel zitten en speelde en zong eenige schertsende Italiaansche volksliederen. Daar werd ook wat moderne operamuziek uitgevoerd. Marciana liet zich slechts noode overhalen om ook te zingen. Zij wist en gaf toe dat lichte muziek voor zulk eene gelegenheid de meest gewenschte is. Maar het lag in haar ernstig stemgeluid en in hare opvatting van poëzie en muziek dat zij liefst de strenge kunst beoefende. Toch wilde zij aan des gastheers bede niet weerspannig blijven; zij ging naar de piano en liet zich door Askol begeleiden. De luisterende kring zag naar de indrukwekkende gestalte in hare Helena-kleeding; den sluier had zij echter afgelegd en men kon niet nalaten den trotschen kop, de zware gouden haren , met zachtpaarse banden omwonden en eene enkele purperen roos in den wrong, te bewonderen.

Ken weinig bevreemding wekten eerst te midden dier gonzende vroolijkheid de strenge, hoogst eenvoudige maten van het begin ; zij zong met haar metalen altstem l'ergolese's Siciliana:

146

ocr page 153

AMAZON I'

Tre giorni son' chc Nina.... Weldra raakte men onder den indruk van den mineurtoon en aangegrepen door de stijging en de breede golving der klankfiguren. Daarna zong zij het Veile hen van Mozart.

Welk eene muziek in zulke liederen! En hoe onberispelijk voorgedragen, louter zang zonder eenige declamatie. Welk eene muziek! Het was, zei Aisma haar later, als de schilderkunst der oude Italianen, als een Signorelli, een Lionardo. Zoo glaszuiver van lijn, zoo naief en toch zoo knap, zoo teer van vorm en toch zoo krachtig van bouw.

Eenige kenners brachten haar hulde om de wijs waarop zij die liederen begrepen en terug gegeven had. Maar de jeugd gaf aan iets vroolijks de voorkeur. Nauw sloeg dan ook Salviati een tartenden wals aan of de voeten tintelden met de jonge harten en dra zwierde de wegslepende dans hen door de zaal.

Toen men zich eenigen tijd aan den dans had overgegeven, werden op eens de lichten langs de wanden gedoofd en alleen de groote met bloemen omwonden luchter wierp zijn licht in het midden der zaal. De piano zweeg; op den rand van het tooneel zat een guitaarspeler en een knaap stemde zijne mandoline, den enkel van het eene been op de knie van het andere leggende, even als het figuurtje van Carpaccio's schilderij te Bologna.

Daar ligt in die twee eenvoudige speeltuigen voor den Germaan die Italië kent eene bekoring, die hij medeneemt naar bet noorden, en als hij er soms die speeltuigen hoort, dan klopt hem weer het hart voor het land van Mignon en zingt het in navolging van hare woorden:

Ik ken het ook, het land waar de citroenen groeien,

De purpren cactus glanst, de oleanders bloeien!

Soms, als hij in zijne noordsche stad bij avond in eene

'17

ocr page 154

AMAZONE.

volksbuurt komt, hoort hij in de verte op eens toonen die daaraan gelijken; dan is het hem gebeurd, dat hij onweerstaanbaar werd aangetrokken; het is een veracht piano-orgel, door den musicus gehaat. Arme kinderen dansen er om heen mét hun afgeslofte schoentjes op de grove keien. Maar de man die eens van den tooverdrank van Circe Italië gedronken heeft, voelt zijne bedwelming hem overmeersteren; een nameloos heimwee grijpt hem in de borst en hij wordt aangedaan. Want deze tonen, zij zijn die van de guitaar en mandoline; en in die tonen woont Napels met zijne baai en de Vesuvius en het oranjegeurend Amalfi; op die tonen drijft het vlottend Venetië met zijne zongebruinde paleizen, tegen wier stoeptreden het groene water van Canal Grande klotst, wier kantomfalied hoofd ten blauwen hemel rijst; Venetië met zijne bronzen van Sansovino en Bellini's vrouwen met fijngevormde handen, en de antieke paarden zwevend boven de mozaieken van San Marco. Met die tonen herrijst de pracht der bloemenstad aan de Arno, met de wonderen van Ghiberti en Mino, van Lucca della Robbia en Michelangelo, waar de facchino slapend leunt tegen een brons van Cellini. Met die tonen doemt de grootsche Campagna op met hare contadini rustend in de avondkoelte, en het eenige Rome. En aan zijn hart knaagt het pijnlijk zoete verlangen naar het paradijs met de bronzen deuren van Ghiberti.

Vroolijk klonk nu het streelende snarengetjingel van den man met de guitaar en den knaap met de mandoline.

Tarantella! tarantella! riepen de jonge lieden en weldra hadden zich verschillende paren gevormd. De tarantella is eene reeks van improvisaties, die de twee dansers nu eens tegenover elkander, dan saam verbonden uitvoeren, volgens de rhythmische modulaties der speeltuigen. Zij is een dier oorspronkelijke volksdansen die, vrij als het volkslied, nog niet in vaste figuren gebonden zijn. Hier geldt alleen de gratie der

ocr page 155

AMAZONE.

standen, der antithesen, der bewegingen, beurtlings statig en langzaam, beurtlings wild en hartstochtelijk. In allerlei windingen plooit, spant, buigt, trippelt het lichaam, elastisch op heupen en enkels. Eene improvisatie der voeten, eene arabeske der leden, eene samenspraak van bevallig gewondene armen en handen. Nu eens een geestige zet en een tartend antwoord; nu eene toenadering, dan verwijdering; nu wenden zij elkander den rug, dan streven zij naar elkander en vleit zich lichaam aan lichaam; dan glipt het meisje weg en zet haar de jongman na; dan laat zij zich vangen. Het is een vroolijke, meeslepende dans, die duurt tot men ademloos en lachend poost.

Hij was in vollen gang, toen op eens Askol tusschen de dansers sprong, met zijn vonkelende oogen, zijn wild fladderende gele toga, de rinkelende tamboerijn boven zijn zwart omlokt hoofd zwaaiend en ze bonzend met den rug der hand. Zoo was hij eene Bacchische gestalte en voerde de geestdrift ten top. En daar tusschen die antieke meisjes, zwierend op de punt der voeten, die in levende beelden de slanke danseressen , op de wanden van Herculanum geschilderd, deden herrijzen.

Dat was een schitterend besluit van het echt Romeinsche feest. Thans mengden zich de gaston ten afscheidsgroet en nog menigen dag sprak men in Rome van Askols feest, waar moderne goede toon en gezelligheid zich met antieke vormen zoo bekoorlijk hadden versmolten.

149

ocr page 156

XVIII.

isma zat op den morgen, na het feest van Askol, in zijn atelier. Wel stond zijn doek voor hem en had hij zijne penseelen en borstels genomen, maar zijne gedachten waren te vele en te zwervend om zich op zijn werk te bepalen. Nu ging hij aan zijne schrijftafel zitten en begon eenen brief aan zijne zuster, zijne oude vertrouwde, wier kalme, verstandige geest zoo vaak stilling zocht te brengen als zijn gemoed heftig was. Toen hij een paar bladzijden met haastig schrift gevuld had en ze herlas, was hij het er weer niet mede eens. Hij dacht nu eens zoo, dan weer anders. En toen hij het daar op het papier zag staan, meende hij; waartoe dat alles reeds geuit; waartoe in het schrift werkelijkheid gegeven aan wat in mijn binnenste nog onbepaald woelt en zweeft? En hij verscheurde het papier en ging voor zijne schilderij zitten.

Zijn geest was vol, zijne verbeelding vol, zijn hart vol; maar het was een chaos en geen Elohim zweefde nog scheidend en begrenzend over de wateren.

ja, nu wist hij maar al te wel hoe zijne Helena wezen

ocr page 157

AMAZONK.

moest. Marciana had zijn tafereel goed bezien en goed weergegeven. Beduidde dit iets ? Was het enkel eene artistieke, ot — eene teederder hulde? Welk eene Helena was zij! Veel beter dan de geschilderde, die hem nu niet meer voldeed, al was hij reeds eens door Marciana geïnspireerd ze te wijzigen.

Ja, zijne grijsaards waren goed. Daar zaten zij in halven kring naast elkander; de schoon geplooide gewaden in toon en enkel met weerglanzen verlicht. Achter hen alleen de diep blauwe lucht, waartegen de schoone bejaarde koppen in heldere schaduw uitkwamen; en het licht dat achter hen was, verzilverde hier en daar de grijze en witte haren, den om-

ocr page 158

152 AMAZONE.

gaanden kant van den diadeemband om hunne hoofden of wierp een schamplicht langs het gelaat. Zij waren echt Homerisch ; achtbaar, schoon, indrukwekkend. Ernstig ook, want de bewondering voor de heerlijke vrouw die daar voor hen verrees was niet anders dan de zuivere trilling, opgewekt door het schoone met de edele reinheid die er aan eigen is. Niets in die uitdrukkingen van wat een ander hedendaagsch schilder gegeven had in de grijze rechters voor wie op eens de prachtige Frunè onthuld wordt.

Van de twee maagden die Helena volgen, zag men de eene ten halven lijve, van de andere alleen het hoofd en de schouders, want zij stegen achter hare meesteres de trap op. Helena was de tanupeplos, zij droeg het «langslepende» kleed der aanzienlijke vrouwen, slank om de heupen en heenen en plooiend. De lange dunne sluier hing van haar hoofd; slechts van ter zijde zag men het gelaat in het volle licht, maar zij hield de oogen neergeslagen, want zij vreesde, schoon van hare gevaarlijke uitwerking wel bewust, schuchter wegens al de nooden en jammeren die zij over volken en vorsten gebracht had. In haar gelaat lag de gedachte: lt; ó , ik ellendige, had een woeste wind of golf mij medegesleurd, voor dat ik hem volgde gt;. Toch bezat zij al hare fierheid, want zij wist, «dat niet zij de schuldige was, maar de goden die dit zoo hadden beschikt», en vooral de éene onweerstaanbare godin, van welke zij de aardsche afspiegeling was, Afroditè.

O, dat hij Marciana, zoo als zij dien avond was, had mogen schilderen! Dan ware zijn werk onsterfelijk.

Nu dwaalden zijne herinneringen weer naar het feest, en hij zag de schilderachtige groepen en de dansende meisjes, en allerlei gestalten gelijk hij er zoo dikwijls had geschilderd en geteekend in zijne tafereelen uit het antieke leven.

Maar éene gestalte boven allen bleef hem boeien en vervullen, die van de bekoorlijke, geestrijke vrouw, die zich

ocr page 159

AMAZONE.

meester ging maken van zijne verbeelding en gemoed, telkens meer en meer.

I lij zag rond langs zijne wanden: studies uit Pompei en van Herculaneïsche muurschilderingen; afgietsels van de Napelsche Herè en den grooten Zeus Otricoli. En ginds op dien wand weer dat

Odero se potero, se non, invitus amabo.

En toch aan het wankelen — en toch .... overwonnen! Waar is de vroegere kracht door ondervinding geschonken? Opent u weder, oude wonden, om weer op nieuw te doen leeren en inzien. Schrijnt weer, als het dan moet en uw lessen nog niet voldoende waren.

Maar .... waarom tegengestreefd ? Waartoe .... als er eens iets goeds in lag. O fax Satanae, terug! A/s het iets goeds is, dat is juist de vraag; en de zwakheid antwoordt maar voorbarig: ja; het verstand zegt; neen. Marciana, wat is zij eigenlijk? De vrouwen hebben eene levenswijsheid op hare eigene hand, hare gevoelens te verbergen. Zij zijn als de kleine schildpadden, heel sierlijk van dek, maar neemt gij ze in de hand om ze van naderbij te bekijken, dan trekken ze dadelijk kop en pooten in. Wat heb ik eigenlijk in haar? Weet ik het? Die voorstelling van mijne schilderij was toch eene fijne hulde. En evenwel — die mooie purperen roos, die ik haar zond, omdat ik toevallig had afgeluisterd dat zij daarvan sprak met Askol, — geen woord van dank. En hij tipte het penseel in een paar verven op zijn palet en op een ledig doek zette hij de omtrekken van een vrouwengelaat — maar het overige eindigde hij in eene sfinx. Zoo uitte zich zijne gedachte.

Odcro se potero. Waarom zou men niet kunnen, als men wil ? Maar als de wil onwillig is tot willen ? Wat is wil ? Onwil is ook wil. Welken wil dan gehoorzaamd? O Ada, ik ben even zwak en wankelend als gij. • • •

153

20

ocr page 160

I 54 AMAZONE.

Er werd geklopt. Binnen! riep hij gedachteloos in het 1 lollandsch.

Toch werd het verstaan, want de deur ging open en de heer van Walborch met Marciana en Ada traden binnen,

— Storen wij u ?

Wel mochten zij het vragen. Hij was onthutst en de beweging zijner ziel moest leesbaar zijn op zijn gelaat. 1 lij herstelde zich echter en heette hen welkom. Hij vroeg Ada deelnemend of zij geheel beter was, en men sprak over den genotvollen feestavond. Weldra werd het gesprek zelfs opgewekt toen zij voor de Helena stonden.

— Aisma, zei de heer van Walborch, — ik ben zoo verzot op uwe schilderij — wilt ge ze mij afstaan?

— Gaarne, als zij goed wordt; u kan beslissen als ze af is en u dan nog bevalt.

— E, riep Marciana vroolijk — Odero sc potero, sc non invitus amabo — wat beduidt dat?

— Een opschrift uit Pompei, —

— Een fatalistische spreuk, — is dat de uwe?

— Och, een gril; ik schreef het er alleen om den stijl der Ronieinsche letters.....

Zij zag hem aan en begreep wel beter. En de kleine demon, die in ieder jong vrouwehart zit, lachte en buitelde van ondeugende voldoening.

Terwijl de heer van Walborch met den schilder over zijn werk praatte, gingen Ada en Marciana de wanden van het atelier rond. Op een tafel zag zij schetsboeken, op verschillende bladen er van schetsen van een vrouwengelaat, pogingen om aan de herinnering vorm te geven; — wie het was, Marciana's spiegel had het haar verklapt. Zij keerde een paar doekramen om die tegen den muur gekeerd stonden, op een daarvan een geschilderde schets, het zelfde vrouwengelaat, eindigend in eene sfinx, Marciana keerde haastig het doek om

ocr page 161

AMAZONK

en zalt;r spottend Ada aan , wier gelaat een melancholieken trek vertoonde, die zich in een glimlach poogde te veranderen.

— Mag mevrouw van Buren mij helpen om 1 lelena goed te voltooien ? vroeg Aisma aan den ouden heer.

— Waarom niet? Zeer zeker; mij des te liever.

— Zij scheen er niet toe over te halen.

— Tut, tut, grillen: wij zullen zien wie de sterkste is. Ook eene Amazone zwicht wel; — Penthesileia werd ook overwonnen ; — maar alleen door een Achilleus.

De vrouwen voegden zich weder bij hen en Marciana zei, de schilderij met aandacht beziende;

— Hoe rijk en nauwkeurig is dit weer, men heeft uw werk nooit afgezien.

— Gauw gedaan, gauw gezien, antwoordde de schilder.

— Hoe precies kent gij alle bijzonderheden van het antieke leven.....

— Sommigen noemen u daarom te archaeologisch, zei de oude heer.

— Te? Die een onderwerp uit het verleden behandelt, mag in onzen tijd de kleinste zaak niet verzuimen. Maar ocli, — die archaeologie, dat is het hem niet, dat is bijzaak, middel. Dit is nu mijn lust, en mij dunkt ik heb evenveel recht eene belangrijke zijde van het leven der oudheid te kiezen als een ander om een land- of stadsgezicht te composeeren. Mijn doel is dat stuk leven weer te geven en wel door schoonheid, beide van kleur en vorm.

— Ik hoorde ook bezwaren tegen de groote uitvoerigheid, vooral in de verschietende plannen, zoo meenden sommige kunstenaars.....

— Ik denk dat zij die iets te min hebben, dat iets bij een ander te veel vinden. Heeft men dan nooit een Rafael gezien of een da Vinei? Maar 't is waar, jeugdige borstelaars met sentiment en chic, die met een stuk krijt nog

'55

ocr page 162

156 AMAZONE.

geen kop kunnen teckcncn, vinden dat Rafael ongelijk had.

— Met uw verlof, er is hoofdzaak en bijzaak, en deze moet toch ondergeschikt zijn.

— Ondergeschikt — maar daarom niet onuitgevoerd.

— Ik geloof dat gij gelijk hebt, zoo viel Marciana in, — als wij schrijven, moeten wij wel sommige zinnen stil en rustig houden, maar de woorden moeten toch allen verbogen en vervoegd worden en niet enkel in de onbepaalde wijs geschreven.

— Natuurlijk; als gij schrijft dat iemand weg gaat, zet gij

toch dat hij weggaat, en niet alleen.....ft! Neen ik laat

het gelden dat een groot meester breed en summier aanduide,

O O

omdat hij ook het andere kan en omdat het nu eenmaal zoo zijn karakter geworden is. Maar ik bid u, wat moet men zeggen van de epigonen, die spotten met akademische studie, die niet meer teekenen en niet uitvoeren! hen eersten gevoel-vollen indruk brengt men licht op het doek, maar als men dien wil behouden en toch alles naar zijn eisch en recht uitvoeren — geloof mij, dan begint eerst de moeilijkheid.

— Daarin hebt gij gelijk, zei de heer van Walborch. Ik pleit ook alleen voor de waarde van sommigen wier kunst mij ook lief is. Zie eens, mij dunkt er zijn twee richtingen die altijd bestaan hebben en zullen bestaan; de eene gaat uit van het eigen gevoel; het is eene kunstaandoening die lyrisch is, /.ij wil een gevoel, meer dan een voorwerp of voorval zelf uitdrukken en zij doet dat door toon en stemming, en meer in zwevende aanduiding dan in bepaalde afbeelding. De andere gaat uit van de verschijnselen en geeft die weer; een kunst-aandoening die episch en historisch is en die zich uit in bepaalde, heldere vormen. De eene sluit de oogen half en ziet door de wimpers; de andere opent de oogen en ziet alle deelen en vormen en begrenzende lijnen.

Aisma schudde het hoofd:

ocr page 163

AMAZUMK

— Dat is een compromis — ik zie in de werkelijkheid niet die vreemde en vaak grillige effekten; ik zie in de natuur helderheid en bepaaldheid. Geen kleur zonder vorm, zoo min als een ziel zich ooit openbaart zonder stof. Dat men het toch wilde gelooven, als het teekenen en de groote schilderkunst verwaarloosd worden, dan gaat de zin voor het strenge, edele mede weg; dan geen historische, geen monumentale kunst, geen groot menschenbeeld en naakt; geen stijl meer en hoogheid; geen ornament en decoratie; beeldbouwkunst verdwijnt en bouwkunst wordt arm en klein. En, tenzij bij een groote persoonlijkheid die welk onderwerp ook kan verheffen, dan zal mede de inhoud, de belangrijkheid dalen en dalen.

— Gij gaat te ver — denk eens aan een Ostade, Jan Steen, aan.....

— O, ik waardeer ze zeer', maar — alleen om hun gevoel

en penseel — ontzaglijke talenten, en toch.....ik eisch

voor onzen tijd meer ontwikkeling van geest en meer beschaafdheid.

— Mijn waarde, voor u die moet uitvoeren is de zaak anders dan voor ons beschouwers; wij hebben geen schoonheidskeus te doen, zooals Paris. Eigenlijk deed Paris niet goed, hij had den appel in vieren moeten snijden en aan elke der drie godinnen een part geven — en het vierde zelf opeten en zeggen .... neen, niets zeggen, dat zei genoeg.

— Paris was zeker een artist , zei Marciana, hij koos partij en stout weg; een artist kan geen drie richtingen volgen, al staan er drie godinnen vóór hem; hij moet beslist éenen weg op, al maakt hij de andere vertoornd. Maar hij koos toch verkeerd; hij koos de sentimenteele kunst, hij had de op kennis berustende van Athene of de strenge van Here moeten kiezen.

— I lm! Dat weet ik niet — ten slotte moet toch alle kunst uit gevoel en liefde geboren worden, dat is het hoogste,

'57

ocr page 164

AMAZONK.

zonder dezen geen fijnheid, geen charme in de kunst — cn het leven.

Aisma zei dit half om haar schertsend te plagen, half in ernst, want ook hij wist en toonde te goed dat zonder dezen alleen kunstvaardigheid, maar geen kunst bestaat en dat de hoogste kennis, hoe onmisbaar, de kunstgaaf wel verheft maar niet maakt.

— Ada, zei Marciana, — ik sprak laatst met mijnheer Aisma over u en hij was zoo vriendelijk er zijn aandacht aan te schenken. Misschien .... — en zij gaf hem een wenk , — wil hij zoo goed zijn en het u zelf beter uitleggen.

— Wel ja, gij moet mij helpen om den smaak in handwerken en op het punt van ornamentatie een beteren weg te wijzen.

— Wat zal ik daaraan doen! zei Ada.

— Dat zal ik u zeggen; de vrouwen kunnen veel doen om hare afschuwelijke handwerken te verbeteren. Het begrip van ornament is over het algemeen geheel mis. Daarin moeten wij leeren van de Egyptenaars en Grieken.....

— En de japanners, zei Marciana plagend.

— Natuurlijk; ook veel van de Japanners en Chineezen. Zie deze waaiers maar eens. Zij zijn haast met niets gedaan, en toch welk een smaak en bevalligheid. Een figuurtje, een paar vogels, een bloemtak, — met enkele zuivere trekken en vlakke, weinige kleuren, ziedaar alles. Maar meer mag ook niet. Al ons ornament is veel te veel relief en schilderachtig. Een ornament moet ondergeschikt zijn aan het voorwerp en er door zijn relief niet uitvliegen. Met moet er op blijven rusten. Daarom zijn de Grieksche vazen met haar eenvoudige silhouetten zoo juist begrepen. Van deze en andere antieke figuurtjes zoudt gij heerlijke waaiers kunnen maken. Neem een stuk papier en knip het in waaiervorm. Kijk — hier hebt gij boeken en kopieën die ik maakte. Zie, die bikkelende

ocr page 165

AMAZONK.

meisjes, deze jongens die hanen laten vechten, die danseressen en toiletscènetjes — alles maar voor het grijpen. Dit Grieksche vrouwtje dat haar armband aandoet, wat een elegantie in deze handeling, terwijl zij den armband om de pols hecht, zie, de hand omhoog en hoe zij de vingers open houdt — is het niet zoo als gij dit nog zoudt doen ? En dat is haast met niets gedaan; op bronsgroenen grond een rood silhouetje, en een paar trekjes voor het binnenwerk.

En de daad bij het woord voegende, knipte hij den vorm en teekende luchtig een paar van die beeldjes.

— Ziedaar; een klein randje er onder, een meander of klimoprank, en klaar zijt gij. Wilt gij dat eens voor mij doen?

Ada was een van die karakters die altijd beginnen met te zeggen; ik kan dat niet. Maar zij durfde den vriendelijken drang geen weerstand bieden.

— Ik zal u plaatwerken zenden, gij kunt ze calqneeren, en al wat gij noodig hebt. Weldra zult ge er slag van krijgen. En dan weet ik er hier en in Parijs wel debiet voor. Kom, gij kunt hier wel eens de proef nemen.

Terwijl Aisma plaats maakte op de volle tafel, namen van Walborch en Marciana in opgewekte stemming afscheid van den schilder.

Marciana dankte hem hartelijk. Van Walborch keerde nog even terug en riep door de deur;

— Het is waar ook, — gaat gij met ons mee naar Tivoli ? Ik wou overmorgen gaan, kunt gij? Dan gaan wc met ons vieren en wij komen u vroeg halen.

liet aanbod werd volgaarne aangenomen en de afspraak gemaakt.

'59

ocr page 166

XIX.

et was een schoone dag van Mei, de maand der Bona Dea, en thans van de Madonna, toen de vrienden de Porta San Lorenzo uitreden.

In den vroegen ochtend was het nog koel, maar dra begon de zon hare warmte uit te stralen. De Aureliaansche muur week uit het oog, maar t Michelangelo's koepel bleef altijd zichtbaar in de verte. De Tiburtijnsche heerweg voert door de veruitgestrekte, grootsche Campagna van Rome. De Campagna heeft, ook in de Italiaansche natuur, haar geheel eigenaardig karakter. Indrukwekkend is zij door haren stroeven ernst, door haar stemmig koloriet, hare machtige lijnen.

De groote uitgebreidheid der golvende vlakte, in de verte door karaktervolle bergvormen omgeven, is ledig van groot geboomte; hier en daar kruisen haar de verbrokkelde antieke waterleidingen , verrijzen grafteekens, soms eene enkele woning of osteria waar de vrachtrijders pozen en eene foglictta land-wijn drinken.

De heuvelachtige rotsige grond, deels met pozzolane, deels met tufsteen, draagt mager gras en riet of is met kleine

ocr page 167

AMAZOMK.

struiken bewassen. Daar tusschen weiden enkele kudden geiten, wier hoeders met geitenvellen om de beenen, om ze tegen de stekelige struiken te bescher-

men, op satyrs gelijken. De geiten knabbelen akanthus-hladen en gevoelen zich Korintisch opgevoed door het sierlijke blad dat het klassiek kapiteel omwond. Soms ziet men kudden van

ossen, allen

parelgrijs; geen enkele is gekleurd. De weg is omzoomd met lage muurtjes van groote blokken tufsteen, begroeid met akanthus, purperen klaprozen en convolvulus. Vlinders fladderen daarover en tegen de zongegloeide muurtjes schieten talloos de rassche, slimme hagedissen voort.

Enkele malen komt men een kar tegen met de driehoekige huif van schaapsleder, of eene kudde der «zilverharige» runders van Vergilius, geleid door eenen ruiter met een langen stok dwars over den zadelknop; of een postwagen vol landvolk.

— Daar heb je de Soracte in de verte, zei de heer van Walborch, vides ut stet Soracte.....

— Nu niet alta nive candidum, vulde Aisma aan.

— Ah! gij hebt uw 1 loratius ook bij de hand!

— lioe zou men hier niet aan hem denken, nu wij de

i6i

ocr page 168

AMAZON!quot;,

bergen zien waar zijn Sabijnsche landgoed lag, en de wateren van Albulae, en nu wij naar zijn Tibur gaan.

— Zegt zulk een oude dichter dat nu heusch mooier dan

gij het zelf zoudt zeggen in uwe taal? vroeg Ada mot eene onverschillige twijfeling.

Marciana lachte luid, doch de heer van Walborch vond het maar half gepast.

— Natuurlijk, antwoordde hij een weinig knorrig, zulk een zin van Horatius is als een antieke munt, zoo fijn gesneden in edel metaal.

— Een cent, zei Marciana ironisch, is ook geld, maar een keizersmunt toch anders.

— Daar komt toch veel idee bij, herhaalde Ada,

— Idee — idee is ook iets, zei de schilder, daarmee idealiseert men en bouwt het oude leven weder op.

— Schooner dan het was in werkelijkheid — wij weten niet hoeveel verdriet, en vuil, en verveling er toen was, in die geprezen oudheid.

— Waarschijnlijk, zei de oude heer, — maar daarmee hebben wij niet van noode; Horatius zelf idealiseert den ouden tijd en spaart aan den zijne den spot niet van zijne satyre.

— En de zijne is juist de tijd dien wij nu zoo verheerlijken.

— De afstand, Ada, de afstand; die geeft het juiste gezicht en doet het storende en onbeduidende wegvallen. Waar Horatius

IÓ2

ocr page 169

AMAZONE.

was geen melancholieke pruttelaar tegen zijnen tijd, hij was een voorbeeld van levenswijsheid; en was er iets bitters, dan zeide hij; temper het bittere met zachten lach.

— Hij had ook kunnen zeggen; temper het zachte met bitteren lach, zei Marciana.

De oude Horatianer zag haar aan en schudde het hoofd.

— Een booze leer, mijn kind, de weg tot pessimisme en nihilisme.

— De eenige om zijn zelfbezit en zijn vroolijkheid tegen de wereld te handhaven, hernam zij, vroolijk lachend. 1 loe zag Horatius er toch uit ?

— lien klein vrij gezet man met kort zwart haar over het voorhoofd, dat later meer ontbloot werd, zeide de schilder, -zoo teekent hij zich zelf.

Vindt ge dat hij juist over de vrouwen dacht, Aisma?

Deze haalde spottend zijn schouders op en antwoordde:

— Wat zal ik u zeggen; hij vond dat het lastig is er goed mee om te gaan en ze onder bedwang te houden.

Zij lachte zoo hartelijk dat de vetturino omkeek en ook meêlachte; de Italiaan is gevoelig voor vroolijkheid. Toen zij voorbij de zwavelbronnen reden, wendde hij zich om, lachte hun toe en met de zweep klappende er heen wijzende riep hij;

— Bellissimo! il mio paese!

— Bravo kerel, zei de oude heer; ziet gij wel, ook een Horatianer in levenslust en idealisme. Zelfs die zwavelstreek vindt hij mooi, omdat hij ze ziet door zijne liefde.

Zij hielden eene korte rust bij de reusachtige villa van Hadrianus. Zij bleven maar korten tijd, daar zij de uitgebreide overblijfselen, met eiken en cypressen begroeid, kenden en Marciana zeide, dat zij evenzeer restauratie noodig had als deze bouwvallen.

Een eind verder ziet men de hoogten waarop Tivoli ligt. De berg is met olijven begroeid, met hun zonderling gekron-

163

ocr page 170

AMAZONK.

kelde, uit vier, vijf stammen bestaande boomen, soms louter

schors als onze oude

wileen. 1 )e

O

zacht grijsgroene, dunne bladeren geven eene fijne, niet dichte schaduw.Slangs-ge wij ze gaat hettusschen de olijfbos-schen den

bergweg op; een kar met een van stroo gevlochten jhuif, waaronder de jongen ligt. kruipt loom schommelend over den slingerenden weg voort. Hoven komt men in het stadje, eene poort in, de enge kronkelstraten door, den hoek om, tot voor den herberg, della Sibylla. Den gang door — en op eens staat men voor het lieve tempeltje, het bekende, [duizend-maal afgebeelde, met de bruisende watervallen er tegen over. Tegen den voet van het tempeltje, aan de steile helling der rots zijn onder een wit zeil eenige tafels en bloemen geplaatst, en daar namen zij hun ontbijt. In stede van orakelspreuken schafte de tegenwoordige Sibylla polio en oranjes en amberkleurige Orvieto.

Tiendubbele opwekking verhoogde hier de stemming, onder het echt Italiaansche maal met den heerlijken Italiaanschen wijn, aan eene tafel die op een stuk gegleufde zuilschaft rustte; achter hen, boven hun hoofd, het antieke ronde tempeltje, die bevallige arcliitektonische bloem, die de kunst van denzelfden Tiburtijnschen steen schiep, waarvan de natuur de

ocr page 171

AMAZONK.

rotsen bouwde waaruit zij opwast, om hen heen clezdlde natuur die de oude Romeinen zagen. Vóór ligt de diepe berg-ketel, wiens hellingen dicht begroeid zijn en waarlangs zich de Anio bruisend naar beneden stort in de diepte; zilverblank

vliegt het waterstof omhoog, waarin de zonnestralen regenbogen vormen. Boven de bergen staat de diep blauwe lucht.

— Zie eens, hoe aardig, zei de schilder; — die bergrand rechts, met de platte daken en het kleine witte wolkje dat daar ligt boven dien rand; — ik heb eene studie van Kruse-man, in 1831 hier geschilderd, die dit volkomen eender terug geeft, en een halve eeuw later vind ik het zóo weer; juist ook met dat witte wolkje op den bergrand, om het groen van de blauwe lucht te scheiden, de natuur weet altijd zoo juist wat noodig is.

— Zij is vrouw, zei Marciana, — zij weet wat haar goed

ocr page 172

AMAZONE

staat. Kom, laten wij naar de watervallen gaan wandelen.

Watervallen hebben voor mij altijd iets dat mij huiverig maakt, zei Ada, — ik ga wat in de Villa d'Este en wacht u daar.

En ik blijf hier zoo lang met 1 loratius, zei de heer van Walborch.

Aisma ging dus met Marciana de bergpaden af, waar zij de ezeljongens en draagstoelvoerders verdreven en tusschen het heerlijke geboomte en de cascaden wandelden. Eindelijk kwamen zij aan den ingang der twee rotsgalerijen, die in 1826 in den berg Catillo zijn gehouwen om de wilde vaart van den Anio te teugelen. Die tunnels liggen naast elkander, gescheiden door den rotswant, waar langs een pad is gemaakt dat men gemakkelijk begaan kan, terwijl eene ijzeren leuning der hand tot steun kan dienen. De galerijen zijn 372 schreden lang; met geweldige vaart en gedruisch stroomen er de twee takken van den Anio door.

— Zijt gij niet gauw duizelig? vroeg Aisma.

— O, neen, antwoordde Marciana en ging hem voor.

Er is dan ook geen gevaar, mits het gebulder van het snelle water langs u de verbeelding niet treffe en zij de zinnen verwarre. Zij gingen den tunnel door en den tweeden terug en waren tot op een vijftig schreden ook dezen ten einde, toen Aisma op eens een kreet hoorde en zag dat Marciana zich aan de ijzeren stang vastklemde. Het zij door de verwarring van het schemerige licht en het verdoovende geraas, hetzij door een angst als ons plotseling kan overvallen, Marciana had zich op eens voelen duizelen en zich vast gegrepen. Haar kreet deed Aisma ontstellen, maar hij bedacht zich niet lang.

— Zie naar den kant van den muur, riep hij, en terwijl hij zijn arm met kracht om haar middel sloeg, leidde hij haar, ondersteunend en voorgaand, zachtkens voort, tot zij de opening weder bereikten.

166

ocr page 173

AMA7XWK.

Zij liet zich op een stuk rots neder, deed haren handschoen af en hield de hand voor de gesloten oogen.

Toen zij tot rust gekomen en zich zelve weer meester was, liet zij de hand zakken en zag hem even glimlachend aan, bleek en ontdaan. Aisma trilde nog van den angst dien hij een oogenblik had uitgestaan en kon zich niet meer bedwingen,

— Marciana! zei hij. Het was voor het eerst dat hij haat bij dien naam noemde. Meer niet; maar er lag alles in dien klank. Zij voelde het en hare oogen naar hem opslaande, stak zij hem de ontbloote hand toe. Hij kuste die en langzaam trok zij ze terug, nam de roos van haar borst en gaf ze hem.

Laten wij heengaan, zei ze, — zij wachten ons zeker,

— Leun op mijn arm, het pad is hier steil en glibberig.

Van Walborch was aan den voet van het Sibyllatempeltje onder het uitgespannen zeil blijven zitten. Hier, in het heerlijke Tibur, zat hij, door de plaats bezield, in zijn Horatius te lezen, of liever al de zoo goed gekende bladen te door-loopen aan de hand der herinnering. In het rijk der gedachte, welk een onvergankelijke band, die de geesten door eeuwen heen met elkander in gemeenschap doet leven, zonder dat honderden jaren hen kunnen scheiden. In zijne hand hield hij het kleine boekje; het hem dierbare drukje van Glasgow, van welks inhoud zijn hoofd vol was, het boekje met het nume-reuste gezang van Latiums Muse, het boekje nu haast vóór negentien honderd jaren geschreven. Dat is onsterfelijkheid, en wel mocht zijn dichter in een oogenblik van zelfgevoel zeggen non omnis moriar, want hij is «niet geheel gestorven» en zijn «monumentum» is dat dichtwerk, «duurzamer dan brons en bestendiger dan de eeuwen.»

Hier zat hij en zag hetzelfde wat zijn vriend Horatius eens zag en bezong, het steile Tivoli, Tibur supinum, waar hij de villa's bezocht van zijne vrienden Munatius l'lancus en Maecenas:

167

ocr page 174

AMAZONE.

Tiburs bosscheu en ooftgaard,

Bloeiend, besproeid van het stroomende water.

Zoo als de heldere wind van het Zuiden den donkeren hemel

Opklaart, niet steeds stormen de buien.

Denk ook zoo inet verstand de bezwaren des levens en onlust, Plancus, met streelenden wijn te verdrijven.

Hier zag hij dezelfde «dichtgekruinde boomen» dezelfde tpopels met slingers van wingerd gehuwd,» en «den stortenden Anio», praeceps Anio, ginds vlietend langs des dichters kleine villa bij Tibur en verder langs zijn landgoed in het Sabijnsche gebergte; dat buiten waar het zoo zoet was aan den grazigen oever te liggen, ver van het stadsgewoel, of onder de schaduw bij de bron, waar lt;gt; babbelend uit opwelt het kristalijnen vocht, murmelend zoo lief als de zoet lachende Lalage.»

Daar puurde de dichter poëzie, als de bij uit de thijm, ciseleerde hij, aan Tiburs vochte oevers, wat zijn bescheidenheid de zangen van den nederigen dichter noemde.

Dit alles klinkt in zijne taal zoo heerlijk als muziek; elk woord, een juiste, uitgekozen toon, geschakeld aan het nevenwoord en samen een rhytme vormend als zang en eene ode als een juweel van Cellini. Als eens die taalmuziek begint, sleept zij u mede en niet minder verkwikt u des dichters zelf-beheerschende geest en blijde levensmoed.

— Hier zit ik, zoo rezen van Walborchs gedachten, een van die «ruwe barbaren», zooals gij zegt, «die het barre Germania teelde-». Ha! en die thans door den geest van uw volk, en door uw zangen, in uw urbanitas zijn opgevoed. Vriend Aisma, dweept met uw Grieken, de Romeinen zijn moderner en ons nader, van hun geest hebben wij al onze beschaving.

Aisma, en Marciana, — zijne gedachten dwaalden toen naar die zijde. Zijn hart kon niet nalaten toe te geven aan die vreugde des oudere, van het leven en het geluk der jongeren

li 68

ocr page 175

AMAZONE.

op te bouwen en soms met elkander te verbinden. Men wenscht dan niet voor zich zeiven maar voor de jongeren die men lief heeft.

Nauw durfde hij dat verschiet zich droomen, toch kon hij het niet nalaten. Marciana was zijn afgod; voor Aisma had hij eene innige genegenheid, om zijn karakter en talent, ook tot dezen trok hem dat onnaspeurbare fluidum dat menschen vereenigt. Haar wilde hij gelukkig zien en hem ook, en hij wist waar de weg lag. Maar als hij aan beider karakter dacht, zag hij niet hoe zij zou buigen, noch hoe hij zou buigen; zij waren beide halsstarrig. Dat zij voor elkander niet onverschillig waren, bespeurde hij wel, maar ook dat Marciana onverzettelijk was als eene rots en dat Aisma alles deed om niet te zwichten. Maar de man geeft minder bezwaar; de man buigt eerder; er komt een oogenblik dat het hem te machtig wordt; de vrouw heeft meer middelen van weerstand — of heeft zij minder heftige neiging? De vrouw kan heerschen over haar

O O O

hart, de man niet.

— O, als gij maar van dezen woudt leeren, dacht hij, zijn boekje verheffende, hij zou u wel leeren «de distels uit uw gemoed te wieden.» Bah! mijn kind, kracht wilt gij altijd; nu, kracht is goed, — vivite fortes — maar niet te stroef, geen overmoed, de goden haten en straffen de hubris, den overmatigen trots, lt; geen deugd gezocht verder dan het voldoende »; virtus est medium vitiorum, «de deugd ligt in het midden der feilen,» overdrijf en aan weerskanten komt gij in de ondeugd. O, dat jonge volk, en die modernen, zij weten nooit maat te houden. Hier is de man die u ook hoogen ernst kan leeren , het verum et honestum, het ware en brave; wat is er meer ? Die de steile paden der deugd wijst; is er iets fijners dan

Eradenda cupidinis 1'ravi sunt clementa, et tenerae nimis

169

ocr page 176

I 70 AMAZONE.

Meutes asperioribus Firmandae stucliis.

Hoe vlecht hij de woorden zoo schoon te zamen! De strijdige woorden altijd naast elkander, eradenda cnpidinis, «uit te roeien van de booze lusten de wortels; den te tee-deren geest met krachtige studiën te stevigen.» — «Heersch over uw ziel of tyrannisch heerscht zij over u.» Maar altijd de juiste maat; «er is maat in alle dingen; bewaar in alle moeilijkheden een gelijk rustig gemoed,» maar ook «matig uw zeil als de voorspoed het te breed zou doen zwellen.» Wij nieuweren, altijd bezig in het verleden en hetgeen verder voor ons is, wij hebben verleerd het carpe diem, «gebruik den dag,» en het «hart dat vroolijk het heden geniet, bezwaart zich niet om 't morgen, maar tempert met zachten lach het bittere.» Verstand en kracht zijn edel, maar niet het eenige: «laat dok den ouden Massicuswijn en den Caecuber vloeien; leef volgens de natuur; wees zacht voor de gebreken van anderen. Geen onwijze wijsheid, en meng ook wat dwaasheid in uw raad; zoet is het soms van pas niet al te wijs te zijn. Scheid van het leven als de gast van de tafel, voldaan over het goede dat hij genoot.»

Zoo, terwijl de jonge vrouw en de man, het hart vol strijd en onrust kampend tegen zich zeiven, daar wandelend, en lager in de tuinen der zoo treurig vervallen Villa d'Este Ada doolde, de puinhoopen van haar verwoeste jeugd omwoelend, scheen de zonnige gloed van den Romeinschen dichter met vollen glans in het edele grijsaardsgemoed aan den voet des Sibyllatempels.

Daar zag hij op eens Aisma aankomen en Marciana op zijn arm geleund. Er vlamde plotseling de stil gekoesterde wensch bij hem op. Toen zij bij hem waren, zag hij dat Marciana

ocr page 177

AMAZONE.

bleek was en de sporen droeg van eenige ontsteltenis. Zij vertelde hem echter lachend haar dwazen anest en vroet: hem

O

er maar niet verder over te spreken. Aan zijnen blik kon zij echter niet verhelen dat er nog meer geschied was dan zij bekennen wilde. Zij sloeg dan ook maar voor Ada in de Villa d'Este op te gaan zoeken.

Daar, na eenig rondzien tusschen de verbrokkelde muren, de afgesplinterde beelden en vazen, de baroque grotten — en alles toch zoo vol schoonheid — vonden zij haar zittend op eene bank tusschen de reuzenstammen der prachtige cypressen met hun donkergroene loof en de blauwgroene bladeren der kolossale aloe's.

Nadat zij onder de verande der Sibylla hun middagmaal hadden gebruikt, namen zij vóór het vallen van den avond den terugtocht aan. Het rijtuig werd gesloten tegen den invloed der malaria in de Campagne. Onderwijl stak het saamge-stroomde volk de handen en hoofden in de raampjes.

— O, wat een bandieten! zei Ada naar achter schuivend. Wat een leelijke stemmen hebben die Italianen.

Aisma gaf hun een paar lire om te verdeejen en men reed voort.

De Campagne was donker en eenzaam; enkele malen reed men eene kar achterop, door zwarte buffels getrokken, die naar de stad kropen om daar 's morgens vroeg te komen voor de markt.

Ada dacht aan een aanval van bandieten, en dat het niet onaardig zou wezen als hare gierige tantes eens een duizend lire of zes moesten geven voor haar losprijs. Wellicht zoude zij dan in hare waardeering rijzen; maar kon zij eens door Turksche roovers worden ontvoerd of door katholieke zeloten in een klooster gestopt, dat eerst zou helpen.

Van Walborch weefde Horatiaansche regels in zijne toe-komstdroomen. Niemand sprak. Marciana zat stil in haar

ocr page 178

172 AMAZONE.

hoekje; eens toen zij hare hand op het portier legde voelde zij haar door die van Aisma even aanroeren. Zij liet het een oogenblik toe, maar trok ze weer zachtkens terug.

De smalle sikkel der maan ging tusschen het arenveld der sterren heen en soms viel er een van de afgesneden halmen neder.

Het rijtuig hotste eindelijk, krassend en piepend in den remschoen, over de hellende straten van Rome en weldra was ieder te huis.

Nog een uur in den nacht zat Aisma, vol van alles; se poter o, dacht hij, — maar ik kan niet: ik bemin haar, en die kracht is sterker dan ik. Ook Marciana rustte nog niet. Zij bezag zich zelve in haren spiegel. Niet uit gewone ijdelheid, maar met zekere nieuwsgierigheid naar zich zelve, geprikkeld door den invloed welken de vrouw uitoefende die zij er inzag. Want zij wist dat zij eene aantrekkelijkheid had die grooter macht bezat dan menige volmaaktere schoonheid, en dit bezit streelde haar. Een vrouw behoeft daarom niet behaagziek of berispelijk te heeten, maar in oprechtheid zal zij die bijzondere gaven heeft niet ontkennen dat zij deze niet ongeoorloofde zucht bezit. Doch in den achtergrond des spiegels zag zij haar verleden, het bewustzijn rees op eens dat er heden een beslissend keerpunt gekomen was. Terug, of vooruit? Vooruit, en al de mogelijkheden van het verleden hernieuwd, al de veroverde rust vernietigd en afstand gedaan van haar zelve? Is het liefde, die ik gevoel? De teedere snaren zijn eens gesprongen; ik geloof dat ik niet meer vatbaar ben voor eene groote liefde — en voor eene kleine .... ben ik zelf te groot. Laat geen korte waan mij begoochelen. O hart, wat wilt gij? Ik weet wel wat gij wilt, gij zijt al geneigd, het

evenwicht is al in gevaar.....

Maar — de trots en de zelfzuchtige onbuigzaamheid namen het mom aan van kracht en zelfbezit. Zij hervond zich zelve,

ocr page 179

AMAZONE. I 73

en — terug, dacht zij , nu het nog tijd is of anders verlies ik mij.

O Amazone, den fleren nek zult gij dus niet buigen.

ocr page 180

XX.

isina vond Marciana den volgenden dag anders dan hij gedacht had. Er zijn dingen die men voelt ■jr. ^zonder dat men ze rechtstreeks kan aanwijzen, of die, in woorden uitgedrukt, te stellig zouden luiden. Zij was zeer vriendelijk, als altijd, maar haar blik verried geene aandoening, geene verandering.

Teruggetrokken was het woord niet; zij was vrij en open. Doch zij scheen hem de ruiter die zijn ros wel schijnbaar vrij laat huppelen, maar toch de hand stevig houdt, al is de teugel niet strak. Hem gaf het een indruk van koelheid, die hem onaangenaam aandeed. Als iemand zich zeiven gegeven geeft, stuit het hem als hij dit niet wederkeerig van een ander ondervindt. En Aisma's drift was prikkelbaar.

Toch kon en wilde hij hiervan niets laten blijken, daar was hij te trotsch voor. Hij had dan ook immers zich gisteren wel ondubbelzinnig getoond, maar niet rechtstreeks iets gezegd of «quot;evraaed. Den heer van Walborch vond hij stil en niet in zijn Horatiaansch humeur; deze had 's morgens bij Marciana eene lichtere toespeling gewaagd, maar een lachend antwoord ontvangen, dat hem uit het veld had geslagen.

v'r:

(vit) f

ocr page 181

AMAZONE.

Toen dit zoo eenige dagen geduurd had, en die duur eene spanning had veroorzaakt, voelde de schilder zich eenigszins bezeerd. Het gevoel is eene mimosa, de blaadjes trekken zich snel terug als eene hand ze aanroert. Over den blauwen hemel togen lichte wolkjes, oude wonden deden zich weer voelen, bittere gedachten kwamen te voorschijn uit de krochten die hij gesloten waande, opdoemend in sarkasme en zelfverwijt. Waartoe ook zoo dwaas geweest 1 Gelukkig dat hij zich niet stelliger en onvoorzichtiger had uitgelaten. Femina

O O O

fax Scitanac, de vrouw is een fakkel des duivels!

In deze stemming ging hij, als middenweg, op eenen morgen naar Ada. Hij had geen bepaald voornemen, maar een onduidelijk besef of hij daar ook licht mocht ontvangen.

— Hoe gaat het met het teekenen ? vroeg hij om zijner komst eene aanleiding te geven.

— Och, slecht; ik kan dat niet; ik kan niets; zie maar...

— Chut! niet weer terstond ontmoedigd; gij moet u niet zoo gauw opwinden om u zeiven te kwellen met zulke vertwijfelingen.

Het is lichter prediken tegen een ander dan tegen zich zelve.

— Ik zal u wel op den weg helpen; liet begin is al heel goed zoo; volharding.

— Ja, als ik Marciana was, die heeft altijd volharding, maar dat is ook gemakkelijk als men alles kan.

Zeker, zij heeft een rijken geest, en een krachtigen geest. Gij kent haar al lang, niet waar ?

— Ja , sinds lang.

— Hoe .... als het niet onbescheiden is, .. .. hoe .... was zij vroeger, toen zij getrouwd was ?

— O, dat was geen gelukkige tijd. Zij had een enthoe-siasten en dichterlijken geest; zij was iets anders dan anderen; zij was zeer haar eigen, en haar man was niet kwaad maar vreemd aan alles wat haar bezig hield; practiscli en vijand

'75

ocr page 182

I 76 AMAZONE.

van alle poëzie. Kortom het ging heel ongelukkig. Dit alles heeft haar eerst gekwetst en verbitterd, toen in zich doen opsluiten ....

— Is zij niet wat....

Ada zag hem aan.

— Capricieus, vroeg hij wijfelend.

— O neen, ik bewonder juist altijd haar standvastigheid, zij laat zich nooit van den weg afbrengen.

— Dat kan stijfhoofdigheid worden.....Ik geloof dat zij

niet spoedig voor iets zou zwichten.

— Niet om drang van buiten, neen; alleen als het uit haar zelve komt en zij overtuigd is. Ach, ik benijd hare kracht!

— Kracht is zeker een deugd, maar zij wordt wel eens hardheid. Zij schijnt mij wat hard, niet buigzaam genoeg, niet gevoelig.

— O, noem haar niet ongevoelig! zij heeft een gemoed als goud.

— Dus schitterend maar .... hard.

— Goud is niet hard, zei ze met een glimlach, — het is smedig, — maar daar behoort eene fijne hand toe. Neen, als zij hard schijnt, dan is het omdat zij zich tegen zoo veel leed en miskenning en ontgoocheling heeft willen harden. Als zij mij mijne te groote weekelijkheid verweet, zei ze dikwijls, kind, men moet wat sceptisch en hardvochtig zijn, anders gaat men er onder door. Maar ik kan dat niet. Haar bewonder ik en heb ik zoo lief; zij is altijd zoo vol hart voor mij geweest. Ik wilde er juist heengaan; gaat gij mede?

— Ja, gaarne; of..... het schikt mij toch eigenlijk niet.

Maar laat ik u eerst even nog wat helpen met uw werk.

Hij wees haar toen wat te recht met haar teekenen, vergezelde haar tot de Piazza di Spagna en ging zijns weegs.

Het is zoo als de oude Montaigne zegt, l'homme est mer-

ocr page 183

AMAZONE. 177

veilleusement divers et ondoyant, of wellicht had Ada's zachtheid er toe medegewerkt. Hoe dit ware, allengs werd de vrijmoedige openheid weer tusschen al de vrienden hersteld. Aisma moest zich wel bekennen, dat er in Marciana's houding jegens hem volstrekt niets was wat men gewoon is coquetterie te noemen. Behaags?/c/^ is iets anders dan de begeerte om te behagen; deze is een geoorloofde natuurlijke drang, en veelszins een plicht.

Zeker, deze begaafde en opmerkelijke vrouw was te veel vrouw om zich niet bewust te zijn van den indruk dien zij gewoon was te maken. En wel eens wilde zij dien toonen. Maar met Aisma was zij toch altijd natuurlijk en dreef geen spel met hem. Van daar dat er in hun omgang eene groote gemakkelijkheid en oprechtheid was, die men bijna zou zeggen dat alleen kan bestaan waar geene liefde is; en daar beiden zich meenden te hebben voorgenomen dat daarvan geen sprake was tusschen hen, was hunne gemeenzaamheid zoo gemakkelijk en vertrouwelijk geweest. Zij vond er dan ook niets vreemds in , hem eens te vragen met haar mede te gaan naar de Villa Borghese. De galerij , waar Aisma toegang had om te werken, had zij eenige malen gesloten gevonden en vroeg hem daarom nu zijn geleide.

— Ik zal u zeggen waarom, zei ze, — gij kent Ouida's Ariadne!1 Ik heb dien roman zeer lief, men ademt er Rome's lucht, en de sprankelende, tintlende droppels van zijn fonteinen voelt en ziet men.

— Zij heeft haar idee aan 1 lawthorne's Faun in zijn Transformation ontleend; dat kent gij toch ook?

— Vindt gij dat ontleenen te berispen ?

— Volstrekt niet, daarom zeg ik het niet; de antieken hebben een bestaand motief wel honderdmaal gebruikt; ook de oude schilders onzer eeuwen zijn niet bang om een bekend thema te behandelen.

23

ocr page 184

178 AMAZONE.

— En de vroegere schrijvers ook niet. Het is een dwaasheid, tegenwoordig, te zeggen; kijk, dat heeft hij van dien, dat is er al eens geweest. De nieuwheid — en op zooveel van die nieuwheid is af te dingen, wij vinden het telkens in iets ouders terug, — de nieuwheid zit ook niet daar, maar in de toepassing, in den vorm en de gedachte; zij zit dieper dan in de uitwendige aanleiding. Ariadne is gansch iets anders geworden dan Transformation.....

— Zoo was die Adriadne de aanleiding, zei de oude heer lachend, dat ik haar Amazone ging noemen en er haar mee plaagde — of ze er een lesje aan mocht nemen.....

Marciana wuifde schertsend met hare hand als om hem tot zwijgen te brengen;

— Och wat Amazone; wie gelooft er aan Amazones? En ik kan niet eens goed paardrijden, noch boogschieten, en heb geen spoor aan mijn linker hiel.

— Tut, tut, zei van Walborch, — je rijdt je eigen stokpaardje stout genoeg. Maar het was zeker niet slim van de Amazonen, haar kracht in werkelijke wapens te zoeken; zij hadden er andere die vrij wat gevaarlijker zijn.

— En de moderne hebben er nog veel ergere, waarvan de antieke geen begrip hadden, zei Aisma.

— Zoo? daar ben ik nieuwsgierig naar. Bij voorbeeld?

— Wel.... bij voorbeeld.... de antieke kampten ten minste openlijk en waagden hare persoon, — de nieuwere hebben allerlei middelen om den man aan te vallen en zich zelf buiten schot te houden.

Marciana had er vermaak in die uitdaging vruchteloos te maken door haar met geen antwoord te verwaardigen.

— Kom mij morgen halen om Ariadne in de Villa borghese tc gaan zien. Weet gij waarom ik naar de villa wilde — ik wilde uw oordeel eens hooren, of dat nu eene Ariadne is, zooals üuida beweert, of een Bacchus.

ocr page 185

AMAZONE. 179

Voor mij is het niet twijfelachtk

— Chut! ;4eeii voorbarige beslissing; ik wil het daar eerst

ocr page 186

XXI.

^adat de eerste Borghese-verzameling door Napoleon I was gekocht en naar den Louvre gevoerd, bracht de vorst Borghese een tweeden oogst uit den beelddragenden Italiaanschen akker te zamen. Marciana en de schilder, die de collectie kenden, lieten slechts ter loops hier en daar hun oog verwijlen, om in de galleria den kop te bezien, waarvan zij gesproken hadden. Het is een Romeinsch beeldwerk, in idealen stijl, gladder en met minder levenswarmte dan de hoogere kunstwerken, maar toch zeer fraai. Het edele hoofd vertoont die jeugd der antieke beelden waarin vrouwelijke en mannelijke trekken niet zoo gescheiden zijn, en het weeke der Dionusische natuur; het even neergebogen gelaat is met een waas van gematigden weemoed over-togen. Om de haren ligt een krans van wijnloof.

— Arm kind! zei Marciana, — Aisma, wilt gij nu wel eens eerst bij haar boete doen voor uw oordeel dat de vrouw den man verlokt en zelf buiten schot blijft! Arm kind! zij gaf zich en werd het slachtoffer, — dat komt er van

ocr page 187

AMAZONE.

als men zich overgeeft en zich zeiven niet krachtig bezit.

— Gij moogt haar niet te zeer beklagen; een man verliet haar en een god nam haar aan.

— Ph! een god is ook maar een man, en of Bacchus zoo veel standvastiger was dan Theseus.....

— Nu, ik wil boete doen, omdat gij het verlangt; maar.....

het is geen Ariadne.

— Ah , is dat uw meening ? ik dacht dat zij het wel was. Ik weet wel dat bij de antieke beelden een jonge man en vrouw soms moeilijk te onderscheiden zijn, maar deze kop heeft zoo veel vrouwelijks.

— Apollo en Bacchus hebben die gemengde vormen somtijds zeer sterk.

— Ja, maar verscheiden goden hebben allengs eene vrouwelijke wederga gekregen en zoo ook Bacchus, die bij de Romeinen Liber genoemd werd. In vrouwelijken vorm werd hij Libera, werd deze zijne gemalin en langzamerhand vereenzelvigd met Ariadne. Ik heb ook bedacht of dit beeld ook eene Libera geworden Liber is en van daar de gelijkheid met Bacchus en de verwarring met Ariadne.

— Vernuftig genoeg, — lu^h, — imj.v ctu» mei.

En hij bracht haar dicht bij en toonde tusschen de haren

en bladeren een paar zeer kleine puntjes van horens.

— Ziet ge wel, dat kan geen Ariadne of Libera hebben;

l8l

ocr page 188

AMA70NK

het is het faunachtig attribuut van den jongen Bacchus.

— Dan zal ik het wel moeten opgeven .... en toch ....

— En toch.....gij geeft u niet gaarne gewonnen, hè ? zei

Aisina, met een lach haar in de oogen ziende.

Aisma beschouwde toen den kop, op dit oogenblik door weerglanzen zoo schoon verlicht, aandachtig met dien kunstenaarsblik, die het waarnemen van alle lijnen en vormen tot scheppend denken maakt. Hij was er eene wijle geheel door afgetrokken. Ondertusschen nam Marciana hem steelsgewijze op en ook haar gingen gedachten door het hoofd. Telkens, ofschoon zij het niet voor zich zelve wilde bekennen, trok haar dat diepe en rijke kunstleven aan, dat éen was met Aisma's persoon; vergeleek zij de verschillende zijden en den aard van hare kunst met die der zijne en kwam zij tot het bewustzijn dat de zijne de hare aanvulde en verhoogde. Het wijde, groote gebied van het schoone kreeg voor haar hiermede nieuwe zijden.

Maar zich aan dien indruk onttrekkende, zeide zij op eens vroolijk:

— Kom mee naar buiten; ik weet niet waarom, maar ik ben van daag in geen stemming om beelden te zien, ik heb lust in de levende natuur.

Daar waar op de groote groene velden de hooge kroon-pijnen rijzen, wijd genoeg van elkander om hunnen ganschen vorm en de breede kruinen vrij te toonen , huppelde zij naar het bebloemde grasveld, plukte zich een schoot vol van de paarse anemonen, draafde de glooiing op zoodat haar hoed achter van het hoofd hing en de zware goudblonde haarwrong losging en over den rug golfde. Haar wang kleurde zich en hare volle lippen openden zich een weinig als om de zoete lucht in ruimer teugen in te ademen. I Iet was alsof eene teruggehouden jeugd weer over haar kwam als eene bloe-semdragende lente over de boomen; zij zag er schoon uit.

ocr page 189

AMAZONE.

Toen ging zij zitten op eene cler marmeren banken en hare bloemen samenvoegen en zij bond de haren zoo goed het ging in orde. Aisma maakte snel in zijn teekenboek een schetsje van haar, zoo als zij op de bank zat met de anemonen in

haar schoot. 1 let motief werd later een van zijn schoonste aquarellen.

Marciana, waarom weiger je mij toch altijd zoo halsstarrig dat ik je portret maak,. . . . of liever er voor te zitten, want het te beproeven , dat heb je mij toch niet kunnen beletten.

— Och, ik geloof aan het vooroordeel der wilden die bang zijn dat, als iemand hun portret maakt, zij hun persoonlijkheid verliezen.

— Wij zijn geen wilden.

Wel, zei ze met een bevallige trilling in haar geheele gestalte, — misschien ben ik het wel een beetje.

ocr page 190

AMAZONE.

— Niet tam, zeker; misschien ook niet gemakkelijk te temmen ?

— Waarom ook temmen ?

Zonder temmen geen inschikkelijkheid, geen sociale verhouding, geen wederkeerige genegenheid, geen ....

Hij ging naast haar zitten en legde zijn arm over de leuning der bank achter haar.

— Marciana, geloof je niet dat het leven toch schooner is als men niet op zich zelf alleen staat, als ons wezen, door een ander aangevuld, zelf rijker wordt? Wij spraken wel eens over de kleuren der schilderijen, — wordt ons tafereel niet schooner en rijker met verschillende harmonieën van kleuren, dan met eene enkele 1

— Als zij maar konden harmonieeren; gij zelf hebt mij geleerd dat het veel makkelijker is éen figuur goed te maken dan twee en dat het zoo moeilijk is er twee goed te composeeren.

— Moeielijk; ja, maar daarom niet onmogelijk, — en als die twee figuren samenwerken tot het doel, als zij elkanders waarde verhoogen; als er een tweede figuur noodig is, onmisbaar voor de compositie, — het moet toch een schoon leven zijn als twee kunstenaarszielen elkander lief hebben.

— Gelooft ge aan zoo iets ? Niet als illusie van een oogen-blik , maar als iets ernstigs en blijvends ?

— Ge raakt daar een schaduwzijde van mijn gemoed. Neen, heb ik ook gezegd, tot voor korten tijd; maar ik ben gaan twijfelen, of hopen, zoo je wilt.....

— Hm, — dus een Bacchus maar, — dan vervalt mijn medegevoel voor de arme vrouw Ariadne.....

— En een man is dat medegevoel zeker niet waard, zei Aisma scherp.

— Kom, waarom zoo bitter! Gij zijt niet van harte vroolijk, gij lacht zelfs in mineur.

Zij nam zijn schetsboek en bladerde er in;

184

ocr page 191

AMAZONK.

- Wie is die vrouw, twee jaren geleden geteekend, — of is liet een onbescheiden vraag ? Een mooi gezicht, maar de uitdrukking bevalt mij niet.

- - Och, vrang daar niet naar, — en Aisma sloeg het blaadje om, — een pijnlijke herinnering, — maar nu voorbij.

Marciana zag, dat het hem aandeed en ... .

— Vergeef mij dat ik die herinnering heb opgewekt, zeide zij ernstig en met de oprechtheid in haar heldere oogen, — maar wij zijn te goede vrienden dan dat ge het mij kwalijk zoudt nemen , niet waar ?

Kr lag in haar stem weer dat ronde en onwederstaanbaar aantrekkelijke waartegen hij niet bestand was.

St! scheur dat blad er niet uit, — gij kunt het toch niet uit uw geheugen scheuren. Zie het liever moedig aan en verheel het gebeurde niet.

Haar hand raakte de zijne om ze tegen te houden en de electrische strooming ging op deze over.

Geleden leed, zei ze, haar gedachtenloop volgende, gaat niet geheel weg of het moet geuit worden. De ouden wisten dat wel en noemden dat de katharsis, de zuivering.

Ja, Marciana, wij zijn goede vrienden, en waarom zou ik het u dan verbergen. In dat meisje dacht ik eens mijn geluk te vinden; ik schonk haar alles wat mijn hart had, en mijn hart was nog vol argelooze toeneiging. Ik gaf mij geheel, want halve terughouding ligt niet in mijn aard; maar ik heb moeten leeren dat dit een dwaasheid was ....

— Heeft zij u slecht behandeld?

Ik weet het nu niet; misschien was zij anders dan ik dacht en lag daarin mijne fout. Wij waren zoo goed als verloofd , en toen gaf zij haar hand aan een ander, — gij weet, die alte Geschichte. Wat er van zij, ik voelde het diep en vond dat zij mij slecht behandeld had en dit heeft mij verbitterd

en tegen de menschen ingenomen. Als men niet het voorrecht

24

i's5

ocr page 192

AMAZONK

heeft liclitzinnig te zijn clan maakt zoo iets ons melancholiek en doet ons alles ten kwade zien.

Tenzij men er de goddelijke ironie over laat heerschen, die de wond heelt en ons verder gevoelloos maakt voor zulke kwetsingen. Zoo heb ik gedaan.

— Gij? Is dat dan bij u de achtergrond van uw opgeruimd meesterschap over gevoel, dat ik wel eens koelheid vond ?

— Ik ben niet koel: ik had juist te veel van het tegendeel ; maar ik heb een harde leerschool gehad om niet zacht te zijn. Aisma, uw openhartigheid vordert de mijne. Laat ik het ii zeggen, ik ben ook niet gelukkig geweest. Ik heb schrikkelijk geleden, in mijn huwelijk. Het zou mij stuiten onedel te spreken van een man die braaf was, maar wij pasten niet bij elkander. Of de oorzaak bij mij gelegen hebbe, — het zij zoo, maar wat ik verlangde was niet onredelijk of slecht. Het kwam voort uit mijn aanleg, de behoeften van mijn geest. Ik was vroeg wees en nu bij dezen dan bij genen van mijne verwanten ingedeeld — een lastpost. — Toen droomde ik een droom van liefde, met een onervaren hart, het hart van een kind van zeventien jaren, de jonge man was mooi, teeder voor zijn jeudig vriendinnetje: hij zeide mij boven allen te verkiezen tot ik op een dag bemerkte dat hij al lang eene andere beminde. Later vond ik dat heel

gelukkig, want hij beduidde niets, maar toen.....toen was

mijn ideaal verwoest. Een paar jaren daarna maakte ik kennis met een geacht en aanzienlijk man; welwillende verwanten fluisterden mij in dat hij mij ten huwelijk wilde vragen. Dat onthutste mij, want mijn hart was nog niet genezen. Maar dat een geacht man, in een hooge maatschappelijke positie mij ernstig scheen lief te hebben, dit bracht mij er toe zijne hand aan te nemen. Dat zou rust zijn, dacht ik. Ik was nog zeer jong en hij veel ouder, maar ik meende dat zijne geposeerdheid mij ten nutte zou komen. Ik was vroeg op mijzelve en

i86

ocr page 193

AMAZONE.

daardoor gewend veel te denken, veel in mijzelve te leven zonder mededeeling. l)c noodzakelijkheid om voor mijn eigen ziel te zorgen maakte mij ook al vroeg zelfstandig. Ik meende ondervonden te hebben dat mijne poëzie en mijne idealen iets waren dat tot de boeken behoorde, niet tot de werkelijkheid. Ik stootte mijne idealen weg. Ik zou nu een eigen te huis hebben, ik dacht dat mijn altijd nog te wild hart nu voor goed beveiligd zou zijn in de regelmatige rust. Mijn man was kundig, maar gewoon, practisch en precies; stipt in de plichten zoowel als in de onbeduidende vermaken der wereld. 1 lij had besef noch behoefte daar buiten te gaan.

Allengs, allengs, evenwel, verrees in mijn hart een zachte stem: Is dit dan alles? Is het daarmee gedaan? Zwijg, ondankbaar hart.

Maar de stem wies aan; behoeften, wenschen, aspiraties vormden zich, o! een levend leven te hebben! Wat ik leven noemde. Ik had zoo gansch andere behoeften dan de gewone, dan de zijne; ik beminde al wat oorspronkelijk opwelde, het eigenaardige, het vrije; ik genoot in boeken, in poëzie, in kunst. Mijn hart begon duister te smachten naar een warmer, hooger gestemde neiging en beantwoording.

Had ik maar een kind gehad — ik had wat ik innigs en hoogers voelde aan dat zieltje kunnen wijden!

Ik voelde dat eenig talent in mij ontkiemde en uiting zocht. Dat ik het voor mij zelve gebruikte, kon nog met zeker medelijden geduld worden; dat ik met geschriften in het openbaar optrad, paste volgens hem niet aan eene vrouw van mijn stand. Dat was goed voor zangeressen, actrices en ge-emancipeerde blauwkousen. Ik was te zeer gewoon mij zelve te zijn, om mij hierin te kunnen voegen. Dat ik mijn weg volgde, bracht een onaangename spanning. Ik had behoefte aan aanmoediging en erkenning; dat was geen dwaze ijdel-heid, maar ik voelde mij gekwetst toen mijn talent zelfs als

ocr page 194

AMA/ONK.

een misgreep, j;i ;ils een vergrii[) tegen de maatschappelijke positie werd beschouwd.

Onze aard was niet voor samensmelting vatbaar. Noch mijn hart noch mijn geest vond wat zij behoefden. Zoo ontstond er eene afscheiding; twee wegen en eene kloof daar tusschen, dieper en dieper. Ik ontwikkelde mij met kracht en snel, hij bleef dezelfde. Er zijn menscben die niet groeien en op hun vijftigste jaar zijn wat zij op hun twintigste waren. Hij begreep mij niet. Allengs was naast hem eene andere vrouw gegroeid die hij niet kende. Toen hij minister werd, dacht hij dat ik tevreden zou zijn, dat ik nu een breeder, voller leven zou hebben! Hij eischte dat ik nu nog te meer in die wereld zou leven, dat zijne vrouw er zou schitteren. Schitteren, maar uitwendig, met wat jeugd, wat schoonheid, en vooral veel kleederen. Maar welk een leege wereld is dat, waar nietigheid zich opblaast, het leelijke zich blanket. Daar was noch degelijke kennis, noch fijne geest, noch begrip van kunst. Alles oppervlakkig en wuftheid.

Hij was heerschzuchtig; hij zei dat ik mij aan mijne plichten onttrok en wilde mij dwingen op zijn weg. Had hij er liet recht toe? Hij meende het. Ik meende dat mijne persoonlijkheid mijn heilig eigendom was en ik ze mocht handhaven. En ik was een wilde hageroos; jong, sterk en vol vuur, aangegrepen door de machtige poëzie van al wat schoon en grootsch is in het leven. Wij lazen eens van eene beroemde schrijfster die zich door eene hartstochtelijke, al was het onregelmatige liefde verlost had uit zulk een toestand. Toen ik het oppermachtige recht van hart en geest verdedigde, zei hij mij eens verbitterd: zoo iets zou je misschien ook willen. Hij sprak dan zoo geringschattend, zoo plat van de liefde, zoo weinig edel van de betrekking tusschen man en vrouw. O, ik had liefde zoo iets anders, zoo iets grootsch gedroomd, zoo iets hemelhoogs, alles omvattends. Maar ik heb dat nooit ervaren. Ik

iS8

ocr page 195

AMAZOXIC

bleef mijn vleugels lam slaan tegen de tralies der vergulde kooi.

Het gevolg was een verdeeld leven; daarna voor mij eene doffe berusting, die haar plicht deed met ijzeren gelatenheid, maar ook met ijzige koude. De dood bracht een einde, en liet eene herinnering aan twee levens die elkander ongelukkig hadden gemaakt, niet uit slechtheid, maar noodlottig.

Wat ik in die jaren geleden heb is niet overdreven, het bracht mij wel eens aan den rand van waanzin. Maar ik ben sterk en bleef het overleven. Ik zeg 11 dit, ik wil anders geen nagedachtenis ontwijden •, misschien had ik schuld — neen, het zou toch weekheid zijn dit te zeggen en een onware welwillendheid, -- het lag in onzen aard. En zoo ben ik, zei ze met een weemoedigen glimlach, de gewonde Amazone geworden, maar — ik heb mij zelve later terug gevonden, en zwoer het te blijven; zulk eene proef nooit weer. Wie zich zelf wil zijn, moet op zich zelve blijven. Ik ben nu gelukkig, bij mijn geliefden oom. Maar alleen door kracht, en door alle zwakheid te dooden, heb ik mij zelve heroverd. Die zich aan een ander geeft, verliest zich.

Aisma beschouwde met bewondering de jonge bloeiende vrouw, met haar vurig enthoesiasme en haar onbuigzame wilskracht. Zij zag er met den verhoogden gloed op haar gelaat, met hare karaktervolle, maar toch door vrouwelijke fijnheid getemperde trekken schooner uit dan hij ze ooit gezien had. Hij was geheel door haar betooverd.

— Marciana, zei hij, zijne hand om haar pols klemmende, — gij hebt al de gelijke snaren in mijn gemoed doen trillen; Marciana, ik begrijp en bewonder u; uw gedachten zijn de mijne, uw verbittering de mijne; uw droomen en wenschen de mijne; die droom van hooger leven, van groote, almachtige liefde, van poëzie is de mijne; ik zoek ook naar dat hooger bestaan dan het gewone; onze zielen zijn nauw verwant. Marciana, heerlijk wezen, vol poezie en schoonheid!

ocr page 196

AMAZONE.

— Stel mij niet zoo hoog, zei ze onthutst, ik zou daaraan niet beantwoorden; ik zou uw ideaal vernietigen. Ik ben misschien niet zoo als gij denkt. Zij hebben mij in mijn jeugd altijd een vreemde verschijning genoemd: mijn schrift heette niet vrouwelijk, mijn heele wezen te mannelijk, niet lief genoeg, in den slappen zin; toch ben ik ook maar een vrouw. Ik heb al dikwijls beproefd mijn karakter te ontleden.....

— En wat dacht gij dan van u zelve? Toe, zeg het mij eens.

Marciana lachte en met een plotselinge opvlamming alle

beschroomdheid ter zijde zettende, zeide zij;

— Wel, — ik geloof dat ik misschien ook vrouwelijk zacht en teeder zou zijn, als ik niet geleerd had dat dit een zwakheid en een gebrek is. Toch geloof ik dat mijn kracht geen ruwheid is; ik heb een afkeer van alles wat niet fijn is. Ik ben een wezen dat behoefte heeft aan menschen, levendigheid, boeken, muziek, aan een rijk, vol, artistiek leven. Ja, soms dacht ik dat ik behoefte had aan de innigheid en eenswillend-heid, als ik dat woord mag maken, van een hart even jong en wild als liet mijne, maar .... dat bestaat niet. Neen, zei ze het hoofd schuddende, neen, neen, neen; dat bestaat niet; het is illusie. Ik heb ook wel moéten bemerken, dat ik soms behagen kan en veroveren, als ik wil, en ik wil het wel eens, misschien maken die overgangen van ernst en luchtigheid, de beweeglijkheid van geest en persoon, mijn hekel aan onnatuur, de voornaamste aantrekkelijkheid die ik bezit. Ziedaar wat ik anders geen levende ziel zou bekennen. Er is levenslust, en ik heb behoefte ze te genieten.

— En geen behoefte aan liefde?

— Die heb ik mij afgewend.....

— En als ik nu eens vroeg u die weer aan te wennen? Marciana stond op.

— Mijn vriend, zei ze, ik geloof in u eene Schwesterseele te kunnen vinden. Maar laten ze Schwestern blijven. O! laten

IQO

ocr page 197

AMAZONE. 191

wij ons zeiven en elkander niet begoochelen met een schoone maar bedriegelijke illusie. Illusies kunnen nooit verwezenlijkt worden of zij verbleeken. Het zijn exotische planten uit een gedroomd paradijs, die verbasteren als men ze in een aard-schen bloempot zet. 1 Iet stofgoud gaat van de vleugels als wij er aardsche kleederen over trekken. Als een man en vrouw naar elkander wenschen, zijn zij voor elkander in ongerepte schoonheid; als zij elkander hebben, vinden zij elkaar anders.

— Voor de ideale verheerlijking, of als gij zoo wilt, de overdrijving, komt dan de werkelijkheid, of beter, de waarheid, en de waarheid, Marciana, is soms iets nog schooners. Schijnbaar minder hoog, maar dan ook minder onbepaald en nevelig.

— Is uw denkbeeld niet altijd mooier dan uw schilderij? 1 )at zet^t men toch altijd, en ik heb ook vaak ondervonden dat mijn geschreven werk niet alles gaf wat ik voelde.

— Dat meenen wij vaak, — maar het denkbeeld zien wij nooit of wij zien het in onbepaalde vormen. En wat helpt het, wat beduidt het of ik al mooie schilderijen kan bedenken; of, wat ook dikwijls het geval moet zijn, mij verbeeld dat ik ze zoo mooi bedenk — zij bestaan niet. Ik weet niet of het in uw kunst ook zoo is, maar zoo is het in de beeldende.

— Misschien is de dichtkunst nog etherischer, en nog 011-stoffelijker dan die, waar de schoone stof, de materie ook zoo veel geldt,

— Zegt het toch niet veel meer een mooie schilderij, een mooi gedicht gemaakt te hebben, er een werkelijk bestaan aan te geven in tastbare vormen, dan zich te verbeelden dat men er een nog mooier maken zou? Neen, wij moeten het leven wel idealiseeren, ik meen door den glans onzer poëzie schooner te maken, maar een werkelijk leven is schooner dan een gedroomd leven. En een eenzijdig leven is maar

ocr page 198

192 AMAZONE.

half; eerst in het samenleven komt ieders leven tot zijne volle ontplooiing. Zeg eens, zoudt gij een gedicht maken , als gij alleen op een onbewoond eiland waart, zoudt gij het dan opschrijven?

— Ik had dan zeker geen inkt.

— Gij moet niet alles met ironie verkoelen; wat ïs, kunt ge niet wegschertsen.

— Neen, ik zou het niet opschrijven, dat was dan ook de moeite niet waard.

— Ah! En nu wel, niet waar, en waarom? omdat gij het dan uit de nevelen condenseert, en het aan een ander meedeelt , en als die ander het meevoelt, dan hebt gij genot en voldoening. De geesten moeten dus met elkander over en weder leven.

— Daarvoor behoeven zij niet gehuwd te zijn.

— Dat behoeven zij wel; eerst dan is de band innig en valt de schijn van alle terughouding weg en die afstand die anders ondanks alles blijft bestaan. Vertrouwen en overgave kunnen 'niet half zijn, dulden geen scheidsmuur. Vriendschap tusschen man en vrouw, goed, maar als het een innige zielsverwantschap wordt, spele men niet met woorden.....noem

het dan bij zijn naam.....

— O, die naam..... ik ben bang voor.....dat woord.

Die het uitspreekt heeft zich zeiven al verloren. Hartstocht

' verandert, vriendschap blijft, omdat ieder zijn eigen meester blijft en zich niet in den ander laat ondergaan.

— Daar is ook veel verbeelding in. Hartstocht verandert, ja; laat hij veranderen, hij blijft toch een innig samenleven; maar ook vriendschap blijft niet in de eerste vlaag, zij verandert als de gemeenzaamheid ten volle geworden is. Het eene proces is wat sneller dan het andere. De intensiteit maakt bij beiden alleen plaats voor iets minder scherps maar meer duurzaams en diepers. Maar beiden eischen toch evenzeer dat men iets van zijn eigen ik , zijn egoïsme, vrijwillig offere aan den ander

ocr page 199

AMAZONE. 193

— '1 och ben ik er bang voor. — Hlijf mijn vriend en laten onze geesten elkander verhoogen.

Dit was wel iets dat Aisma tot voor korten tijd ook dacht en voornam. Intusschen allengs was hij verder meegesleept. Hij moest zich wel bekennen dat hij tot voor weinig tijd dit als het verstandigste had beschouwd. Maar het verstandigste — verondersteld dat het dit was — zwicht waar de neiging des harten voordringt. Mij vond dit dus in haar nu niet meer verstandig, en hare stijfhoofdigheid maakte hem wat kregelig. Zoo, in deze onbepaalde stemming en na hare besliste uitspraak , stokte het gesprek en ontstond er een toestand van beklemdheid. Nagenoeg zwijgend wandelden zij huiswaarts. Was zij zelve geheel oprecht in dit alles? Mij wist niet rechtquot; boe hij het met haar had. Zij voelde echter dat dit geen einde van hun gesprek kon zijn. Was het inconsequentie of hare gewone bewegelijkheid? Of was het louter een gevolg van hare opvatting van vriendschappelijken geestesomgang zij vroeg hem naar allerlei kunstzaken, over de psychologische verschillen tusschen de kunst van Rafael en Michel Angelo, sprak over haar zucht om wat meer van het eigenlijke wezen der schilderkunst te weten en dat te doorgronden.

Bij hare woning stak zij hem de hand toe en drukte vriendelijk de zijne.

— Gij moet mij op de hoogte brengen, zeide ze, wilt gij? Komt gij het eens gauw doen?

Mij was wel eenigszins hard in zijn gevoel getast — maar, hoe zal een man weigeren, wanneer eene aantrekkelijke en belangwekkende vrouw als deze met hare liefste stem zoo iets vraagt?

Hij sprak niets, maar, met zijne scherpziende kunstenaars-oogen Marciana in de hare ziende, knikte hij slechts toestemmend.

25

ocr page 200

XXII.

enigen avond bezocht Aisma de vertrekken op cle Piazza cli Spagna, die door de smaak der bewoners zoo gezellig waren en vol kunst. Daar hingen schoone teekeningen aan de muren, niet zulke die door zoogenaamde liefhebbers voor honderden en duizenden kunnen worden verkregen, volgens de mode en de overredingskracht van eenen kunsthandelaar, maar zulke als alleen kennis weet te veroveren. Er hing eene schets van Rafael in rood krijt, eene penteeke-ning, breed geartseerd met de vaste hand van Mantegna, een geestvolle Pasini en Fortuny, een Egyptische studie van Aisma en een twee ellen breede fotografie van Rafaels karton voor de school van Athene, dat in de Ambrosiana te Milaan bewaard wordt. Daar stonden eenige terracotta beeldjes van Tanagra, eenige bronzen navolgingen van antieken, de Faun

ocr page 201

AMAZONK

en cle Narcissus van Pompei: een paar waaierpal men en altijd frissche bloemen van Marciana.

Soms kwam Ada daar ook en kreeg haar melancholische geest voor eene wijle een glansje door de gezelligheid en fijne vroolijkheid; soms was er Askol, wiens levendige, scherpe geest prikkelde tot opgewektheid en tegenspraak; en Salviati, wiens natuurlijke tevredenheid en komische luim het hart verruimden. Dan werd er gekout en geschertst; nieuwe platen en boeken lagen altijd over de tafel verspreid en gaven stof tot gesprek; soms toonde Marciana een gedicht van haar en sprak men over poëzie, over de richting van den tijd, over de romantiek die weer hier en daar in nieuwe vormen den kop opstak, over het pessimisme, dat het poëtische en ideale, het ultrarealisme dat het schoone bedreigt. Die beiden en romantiek waren voor van Walborch drie afschuwelijke For-kyaden, die soms zijnen toorn prikkelden.

— Plat realisme in de kunst, zei hij, en pessimisme in liet leven, zijn beide dezelfde ziekten. Ge begrijpt dat ik niet de gezonde studie van de werkelijkheid bedoel, maar wat onder de leus van realisme voor waarheid wil gelden. Die zien beide alleen naar het vuile, onedele, ongelukkige en maken daaruit hunne slotsom; dat lijkt hun interessant en dat noemen zij de waarheid. Alsof er ook geen waarheden daar buiten lagen. Alsof het leven en de kunst geen veelzijdige studie, geen kritiek, geen onderscheiden en kiezen eischten; alsof zij een plat vlak waren met eene zijde, en geen bol met duizend aanzichten. De aarde is niet alleen de Noordpool, de nachtzijde, die vuilnis hier, dat moordhol daar, of die verwoestende krater of dat vernietigde leven; — de gansche aarde is alles, de evolutie, de wenteling tusschen licht en schaduw, de eeuwige groei en herbloeiing. — Er zit nu een miasme in de lucht en het is een kunst, maar ook een dure plicht, de reinheid en gezondheid daartegen te verdedigen.

'95

ocr page 202

AMAZONE.

Askol was het daar niet zoo onvoorwaarlijk mee eens. Hij zei dat realisme en pessimisme ook hun recht hadden; verschijnselen uit den tijd geboren en als zoodanig mede te tellen. Leven en actualiteit, bewegelijkheid en strijd waren voor hem groote machten, die hij in alle vormen verdedigde. Voor Salviati waren deze dingen iets onbekends. De Italiaan kende noch den Walpurgisnacht der romantiek noch de diepten van Fausts onderzoekenden geest. Voor noordsche leelijkheden en noordsche bespiegelingen was onder zijn zuidelijken hemel geene plaats. Hij was argeloos als een kind, goedig uit zijn eigen aard en vroolijk als een van Rome's tritons, die lacht onder de bobbels water die op zijn gezicht neervallen. Wat dit water in de diepten onder den grond gezien had, door welke lagen van organismen het had heengesiepeld, tusschen welke antieke bouwvallen en overblijfselen het gevloeid was, dat alles bekommerde hem niet; hij was er onbewust van: alleen zag hij dat het glinsterde en sprankelde in de zon, helder en zuiver als kristal.

Aisma was te zeer in tweestrijd met zich zeiven om zich daarover vrij te kunnen uiten. Hoe kort geleden nog dat zijne bitterheid hem alles zwart deed zien in het leven! Hij was een bekeerling geworden; maar bij wien de oude zuurdeesem althans nog herinnering naliet van zijn bestaan. Alleen in de kunst was hij beslist en zijn eenvoudig credo was schoonheid. Zonder haar scheen kunst hem een onding, zonder uitgelezen edelheid een ploert, zonder kuischheid eene straatdeern.

Toen zij op een avond met hun drieën alleen waren en het gesprek dus geregelder kon voortloopen en wat dieper ingaan dan in gezelschap van anderen, bracht Marciana het op het onderwerp dat haar sinds eenigen tijd bezig hield.

Hoe veel, had zij gedacht, dat ik grondig met hem zou willen bespreken. Maar telkens zijn wij weer gescheiden of worden door anderen afgeleid. Er is zoo veel dat ik met hem

196

ocr page 203

AMAZON!quot;

zou kunnen doen, weten, voelen, leeren zien. Zijn geest bood op vele punten den hare aanvulling en verdere ontwikkeling. Zij ontwaarde in zich nog veel dat onvolledig was. Zijne uitoefening en zijne opvatting van de kunst hadden haar oog geopend, nieuwe gevoelens gewekt, die zij zich nauw bewust was of wilde zijn, dat reeds behoeften waren geworden. Voor haar had de kunst tot dus ver meer de grootheid, de bepaalde vormen, het minder zacht aandoenlijke der beeldhouwkunst gehad. De gevoeliger zijden van schilderen en teekenen, beiden zoo zeer uit gevoel geboren, kende zij tot nu toe nog weinig. Zij had ze wel eens beginnen te vermoeden, maar wist er geen weg mede. Daarvoor was haar gemoed nu door Aisma opengegaan en zij zocht weetgierig en gretig de gelegenheid om aan te vullen wat zij besefte dat eene leemte kon zijn. Door hare poëzie was zij dan ook voor het gevoelige der schilderkunst vatbaar. In hare poëzie stortte zij haar gevoel uit, gaf zij hare bloemen, hare vrouwelijke teederheid, alles wat zij niet toeliet in het leven op haar gemoed te heerschen. Nu zag zij dat dit even als in de muziek de levensader der schilderkunst was.

Beiden hadden dit gevoel uit hun gewone leven willen verbannen, het in hunne kunst opgesloten. Beiden ontwaarden nu duister dat kunst en leven zóó niet te scheiden zijn.

Ook voor hem was een nieuwe zijde der kunst opengegaan. De macht der poëzie had zich in hem wel bezielend doen gevoelen, de groote dichters waren hem bekend, maar niet gemeenzaam. Hij beschouwde hun werk instinctmatig als stol voor het zijne, als hulpbron, maar hij las ze om hunnen inhoud. De poëzie als zelfstandige kunst, als dichtkunst, hare techniek en eigene wetten, hare diepere grond waren hem niet als zoodanig bekend. Thans zag hij door haar dat zij bestonden. Beiden streefden aldus naar iets van de oude Italiaansche veelzijdigheid, naar het verbreeden en verdiepen van hunnen geest en hunne kunst.

197

ocr page 204

I9S AMAZONE.

— 11(.:t is eigenlijk verdrietig, zeide zij, dat wij zoo weinig en zoo slecht kunnen vertellen wat dat schoone is, dat wij in een werk zien. Reeds wat wij voelen is dikwijls onbepaald, maar al is het klaar, wij kunnen het niet met woorden aan-toonen, alle woorden en bijvoegelijke naamwoorden zijn al afgestompt en versleten — misschien is het dan ook nog het best de eenvoudigste te gebruiken; zij doen wellicht beter dienst dan de superlatieven en metaforen.

— Geen wonder zei de schilder lachend, — daarom schilderen wij omdat dat wat wij willen, niet in woorden is terug te geven. Een schilder, Ruge, zei eens aan iemand die hem verklaring vroeg; als ik het in woorden had kunnen zeggen, had ik het niet behoeven te schilderen.

— En dan is er nog eene moeilijkheid, die ik met poëzie ondervond, en gij zeker ook dikwijls in uwe kunst. Men is overtuigd van het schoone in iets, een ander ziet dat niet, hoe het hem te doen voelen en hem te doen toegeven als hij tegenspreekt ?

— Dan is er niets aan te doen-, men kan het schoone van iets niet aan een ander doen voelen die het niet voelt, men kan hem niet overtuigen, het niet bewijzen.

— Daarom, zei van Walborch, strijdt men altijd zoo over kunst even als over godsdienst.

— En over alles wat vooral gevoel is. Om een kunstwerk te bewonderen, moet men zich ook overgeven; geen inaarcn, geen weerbarstigheid en eigenwijsheden; vrije, franke overgave, of het schoone laat zich niet vatten.

— Zij wist niet of dit eene kleine zet tegen haar was; doch zeide;

— En dus ons eigen oordeel maar gevangen geven ?

— Dat is niet de juiste uitdrukking; maar men moet willen en meegevoelen. Men moet niet beginnen tegen een kunstwerk te zeggen; ik wou u anders hebben; uw schepper had dit

ocr page 205

AMAZONE.

moeten doen cn dat moeten nalaten. Schaam u niet de mindere te zijn; duizend tegen éen dat de maker van een werk het beter wist dan gij.

— De groote Italiaansche meesterstukken staan zoo hoog, zei Marciana, dat wij ze niet zoo terstond geheel begrijpen. Ik bewonder ze; zij geven mij soms een heilig ontzag; maar ik ' er niet altijd familiaar mede.

iet gaat met de groote meesters, zei van Walborch,

als met de verschijning van Zeus aan Semelè; eerst zijn zij verpletterend en vernietigend. Later, als wij ze nader leeren kennen, wennen wij aan dien goddelijken glans en, zonder dat onze vereering ophoudt, zijn wij minder gestoord en geschrikt en beginnen met hen mee te leven.

— Geen wonder, zei Aisma, dat wij ze maar niet zoo dadelijk begrijpen. Doorgrondt men Shakespeare of Beethoven bij de eerste kennismaking? En men zou het Rafael of Michelangelo willen doen! Wij noorderlingen moeten daartoe ook eerst veel afleeren. Gij hebt leeren teekenen ?

— Ja, zei Marciana, maar ik heb het verkeerd geleerd. Ik kan mij beter uitdrukken met de pen. Ik leerde teekeningen maken en oreen grondslagen kennen; en, zonder wortels iieen

000 ' ' ö

vrucht.

— Ieder moest leeren teekenen even als schrijven, zei van Walborch. — Ieder leert lezen en schrijven om zich te leeren uitdrukken en het geschrevene te leeren begrijpen, maar niet altijd om zelf auteur te worden. Zoo ook moest men leeren teekenen, niet om artist te worden, maar om die taal en haar grammatica te verstaan.

— Juist, cn des te meer omdat in onze kunst de stof en haar behandeling zoo veel beteekenen. Bij letterkundige werken valt de stof weg, bij beeldende kunst ligt daarin voor een niet gering deel het wezen.

— Dat is juist wat ik wilde leeren. Zeg mij eens, is het

199

ocr page 206

AMAZONE.

waar, wat sommige kunstenaars beweren, dat in eene schilderij het onderwerp onverschillig is ?

— Ja en neen; men onderscheidt daarin niet goed. Naar mijn inzicht, maakt het onderwerp het kunstgehalte niet uit, maar het onderwerp is toch niet geheel onverschillig. Wel kan een enkel motief zonder bijgedachte of onderwerp schoon zijn alleen door het talent der uitvoering; maar grooter is de kunst wanneer ook het motief op zich zelf schoon is en belangrijk. Er zijn kunstwerken die alleen een onderwerp hebben, maar falen in de kunst, dat deugt natuurlijk ook weer niet. Het onderwerp moet niet afzonderlijk bestaan, maar een zijn met de kunst. In alle geval eerst de uitvoering maakt het onderwerp tot kunstwerk en geeft dit zijn eigenlijke waarde.

Ook moet gij dit onderscheiden: er is in het kunstwerk het onderwerp, het voorgestelde, dat niet onverschillig maar toch geen hoofdzaak is: dan is er de eigenlijke inhoud in engeren zin, dat is de gedachte. Die eigenlijke gedachte in artistieken zin is niet het uitwendige voorgestelde of verschijnsel waarin zij optreedt, ook niet eene filosofische of bijgedachte, maaide X'tt«j/gedachte en deze is het wezen. Deze is de samenstelling van vormen, lijnen, kleur en toon, die zich in de hersenen gevormd hebben en in welke alle motieven worden omgezet en gecomposeerd. Dat is het wanneer wij in artistieken zin bij een kunstwerk van gedachte spreken.

Bij Rafael, bij voorbeeld, in zijn school van Athene, zie de prachtige fotografie, daar hebt gij nu vooreerst een onderwerp, de voorstelling, ideeën, liet zijn de verschillende wijs-geeren van Hellas, in groepen, hoe zij bij elkander bchooren, hoe zij van elkander verschillen. Dat kan ook het onderwerp zijn van eene geschreven voorstelling; of, ook een middelmatig schilder had die ideeën kunnen hebben. Maar nu komt

O

de artistieke gedachte; dat is de wijs waarop zij, hier door een genie, zijn gevonden, gedacht, verbeeld, geschikt, getee-

200

ocr page 207

AMAZONK. 201

kend, gekleurd. Dat is voor Rafael de hoofdzaak, dat is zijne gedachte, daarin ligt zijne ziel. Daarin is evenveel ziel, daaraan zijn evenveel hersenen besteed als de denker besteedt aan het uiteenzetten van hun of zijn wijsgeerig stelsel, of de historicus aan zijn verhaal. Maar nu komt er ten derde in de beeldende kunst nog iets bij. Een geschreven werk ontleent geene waarde aan de stoffelijke uitvoering, of het letterschrift mooi is of niet. .,. .

Met uw verlof, zei Marciana, dat ben ik niet zoo onvoorwaardelijk eens, als wij eene geestige of mooie gedachte hebben, heeft men soms behoefte ze mooi te schrijven.

— En in een mooien druk geniet ik een geliefden schrijver meer, zei van Walborch.

— Nu ja, maar gij zult toch niet beweren dat gij een auteur bewondert om zijne kalligrafie of die druktype. Maar in onze kunst is de wijze hoe iets gedaan is van zeer groot gewicht. Dit is zoo sterk, dat sommige werken om die wijs alleen al bekoren, zonder meer. Hij ons ligt een deel dei-schoonheid in de wijs waarop krijt of penseel gebruikt is, lomp of geestig, onbeholpen of handig, koud en grof of edel en vast en gevoelig, met alle meesterschap over stof en vormen. Vooral in de teekeningen kan ik het u duidelijk maken. Ciij moet niet naar het geheel zien, maar leeren spellen; met het oog alle vormen en trekken volgen. Zie, ik kan het u met Brauns voortreffelijke foto's aantoonen; zie eens in Rafaels teekeningen, dien adel omdat hij van het werkelijke model opklimt tot de heerlijkste vormen-, zie, in dien arm, de zuiverheid en zwier van die lijn, die vastheid, omdat hij het zoo precies weet, en die teerheid omdat de hand aan elke trilling van het hoogste kunstgevoel onmiddellijk gehoorzaamt.

En zoo als artisten gewoon zijn de hand hunne gedachten te doen vergezellen, nam hij potlood en papier en wees het,

26

ocr page 208

AMAZONE.

202

welk gevoel er in de zachtheid of den nadruk, de fijnste buiging, zwelling en lichtheid eener lijn ligt.

— Kijk, zulk eene lijn is hard, droog, maar zie nu, hoe zulk eene lijn alle aandoeningen der ziel kan weergeven. Dat heeft Rafael in zoo hooge mate in zijne teekeningen. Dat ziet men voorbij als men de techniek niet kent of er niet op

o-ewezen wordt. Da Vinei heeft het weer heel anders; misschien de gevoeligste hand van teekenen die er ooit geweest is; zijne hand die een hoefijzer kon krommen, is zoo teer, zoo buigzaam als een veertje, maar zij is ook muurvast. Zie zijne kopjes in de Uffizi, in den Louvre; en hoe zijn die gemodelleerd, met mysterieuse schaduwen en den even myste-rieusen glimlach . . . .!

ocr page 209

AMAZONE. 203

— Dien glimlach, zei van Walborch, die Afroditè aan da Vinci's vrouwen leerde, de glimlachlievende Filomeidès.

— Op die stoffelijke uitvoering moet gij aandachtig zijn, haar leeren begrijpen en voelen. Zoo is het ook in de schilderijen, maar in wijderen zin. Bij de frescoschilders moet gij meer op de groote wijze van doen letten; op de vastheid, den adel waarmede zij de natuur verheffen, op de lijnen-harmonie, de keus van kleuren, de schikking, al hun oneindige kennis en macht. Dat alles resumeert zich in drie groote typen: Da Vinci met zijne mystische aantrekkelijkheid, soms bezijden het gebied van het strikt schoone, met zijne gevoeligheid van doen. Rafael met zijne goddelijke bevalligheid, altijd edel, helder en licht, met zijn ambrosische kalmte en blijmoedigheid.Michelangelo met zijn bovenaardsche reuzen en zijn terribilita.

— Morgen, zei Marciana opgewonden, — morgen gaan wij naar het Vaticaan, hè? Rafael zien en Michelangelo.

— Gaarne, — maar — pas op, gij moet ze eigenlijk niet te zamen zien, en niet vergelijken.

— Hoe zoo ?

— Omdat gij in de war zoudt geraken; maar ik kan u vooraf waarschuwen. Als gij eerst Michelangelo gezien hebt, zal Rafael u in het begin tegenvallen. Michelangelo is zoo aangrijpend en geweldig dat Rafael eerst kleiner wordt, en toch....

— En toch ? Vindt ge Rafael toch hooger ?

— Dat is niet met éen woord te zeggen. Zie eens. Michelangelo overweldigt zoo, dat men er toe verleid wordt, zooals door alles wat bovenmatig is, hem grooter te vinden. Toch is de ingehouden, zich zelf meester zijnde kracht van Sanzio, die nooit buiten de grenzen van het edelste schoon gaat, misschien een absoluter, hooger, blijvender standpunt, dan de titanische woede van Buonarroti. Michelangelo's welfbeschildering in de Sixtina is een verbazende schepping. Met gansche scheppingsdrama is er door Michelangelo op zijn beurt ook ge-

ocr page 210

AMAZONE.

schapen. Die dit dacht en uitvoerde had haast de wereld ook wei kunnen scheppen. Zeker is hij een geniaal beeldhouwer en architekt, maar het staat bij mij vast dat hij nog grooter is als schilder. Hij is volslagen meester van alle vormen, hij maakt menschen die zich anders kunnen bewegen dan de gewone. Zijn schildering is vlak, dun met weinig volstaande.

en toch is alles volkomen gemodelleerd. Alles is harmonisch in zijn kleur; hij is daar ook een verbazend kolorist of juister, meester van den toon; de behandeling heeft iets van wat zij sfumato noemen , het licht is getemperd, slechts hier en daar zachte reflexen op het vleesch. Er zijn oogenblikken dat ik denk dat de zoldering van de Sixtina het hoogste is dat de schilderkunst ooit heeft voortgebracht. Die scheppingsbeelden staan stellig hooger dan die van Rataels loggia's. De Sixtijnsche beelden zijn kosmisch, niet Christelijk; zij zijn buiten tijd en land. Michelangelo's God is niet jahveh, maar een Oeranos,

ocr page 211

AMAZONE. 205

en diens daden zijn vennenschelijkte natuurprocessen. Zijn Jezus is iets als I lennes. Zijn scheppende God, zijn Adam, zijn val en verdrijving uit het paradijs — neen, tegen zulke kosmogonische wezens is de liefelijk schoone Rafael niet opgewassen. Maar dat gaat niet altijd door, er komen ook oogen-blikken dat Rafaels gratie en zuivere stille schoonheid mij meer aantrekt. Michelangelo heeft niet altijd het schoone. 1 let schoone is weer iets anders dan het grootsche en verhevene. Michelangelo is Prometheus, Rafael heeft de gematigdheid der 1 lelleensche plastiek. Gij moet Rafael zien in de Disput a, misschien het grootst als samenstelling; in den Hcliodoriis, misschien het grootst als schilderkunst; alles licht, stout, begrensd, van iemand die precies weet wat hij wil, en dat terstond doet.

1 )e eenige en eeuwige grootheid tier beste 1 lelleensche beeldhouwkunst bestaat daarin dat zij een toppunt inneemt, (Aisma teekende een scherpen hoek), en blijft op de hoogste hoogte, op de enge lijn van de scherpte van een mes, aan wier zijden terstond de helling begint. Vóór Feidias was er kracht en veel schoonheden, na hem veel bevalligheid, maar hij staat op de snede. Zoo ook met de Italianen. 1'erugino, Masaccio, Ghirlandajo, Mantegna, Vinei zelfs en Michelangelo, allen op éene of andere zijde. Rafael komt op het oogen-blik dat hij alles resumeert en hij is op de snede. Na hem valt alles weer links of rechts. Dat is een toestand van volmaaktheid. Vandaar dat rustige, lijne, gematigde, dat onkundigen voor geringer aanzien, maar dat de hoogste kracht is, voortspruitend uit omstandigheden, persoonlijken aard, bloedmenging, en dat alles in de juiste maat samenwerkend. Het is de harmonie, het evenwicht van alle eigenschappen, waarvan er aan geene vergund wordt uit te spatten naar éene zijde door overdrijving of te sterke ontwikkeling. Alles in maat te houden is een ontzaglijke gaaf. (jij kunt die twee niet vergelijken;

ocr page 212

AMAZONE.

het zijn beiden aartsengelen, Rafael beatus en Michael terribilis. Of , in een andere beeldspraak, want — al zijn metaforen versleten, wij hebben ze noodig om ons uit te drukken — Rafaels figuren zijn van den Olumpos van Zeus, die van Michelangelo zijn titanische gedachten uit den voortijd van Oeranos. Dat komt uit beider leven. Rafael was levenslustig, vroolijk , gelukkig; Michelangelo somber, eenzelvig en kampend tegen alles. Rafael had eene vrouw en kende liefde, Michelangelo niet en leerde eerst laat de bespiegelende Helde kennen in exstatische vormen. Beider kunst is de afspiegeling van hunne ziel.

Marciana hield haar blik op Aisma gevestigd en er rees weer bewondering in haar op. Hij had gesproken met eloquentie, met dien aanstekelijken gloed, hem eigen als hij geheel in zijne kunst was. Zij voelde hare ziel opengaan als een bloemkelk en zij dronk het schoone in als deze den dauw door de zon verwarmd. Ja, zij had altijd geleefd met het schoone, maar nooit zóo er in. Haar dichters en Beethoven en Mozart hadden haar opgevoed tot hooge strenge kunst; van Walborch had haar de hallen der oude wereld geopend, maar nooit was zij zóo dicht bij de bron van het schoone geweest, nooit zóo in zijne werkplaats.

Een paar dagen later toonde zij aan Aisma een gedicht dat zij gemaakt had.

— Het is een onderwerp waaraan ik al bezig was, zei ze, maar ik heb het eerst door u kunnen voltooien; ik heb het voor u afgemaakt en overgeschreven, mag ik het u geven; uw ideeën hebben het mij mogelijk gemaakt zoo ik mij goed heb uitgedrukt.

Er kwam een glans van vreugde over des schilders gelaat en hij dankte haar innig.

— Lees het ons zelf voor, vroeg hij, dan voel ik den juisten toon er bij.

206

ocr page 213

AMAZONE.

Marciana las, eenvoudig, maar met de levende trilling die illeen de kunstenaar in zijn eigen werk kan leggen;

C A R R A R A,

Betoovrend' oevers van Italia,

Waar 't westen aan liet oud Tyrrheensche meer Zijn hemelblauwweerspiegelenden vloed De kust met ingeschulpte bochten zoomen En kransen doet met zilvren schuimfestoen;

Daar reit zich baai aan baai, 't is Genova,

Wiens marmer om den boezem van de zee Zijn armen slaat: — Rapello, Sestri, Dei va,

La Spezia, Avenza — namen al muziek Den mensch van 't noorden zingend in het oor.

O godgezegend land van zongloed en lazuur,

Wiens aém oranjebloesem is, wiens distel De roodgekelkte cactus, d'aloö.

Voorwereldlijke plantenmastodont,

Met blauwend groene blaadren forsch gespierd;

Wiens bodem oleander en laurier.

Olijf en druif en mirte kwistig schenkt.

Citroenwaranden, lucht van malachiet Gestemd met gouden vrucht; -— Europa's Eden!

En 't volkf Wat zou 't nog doen! Het heeft der wereld Den stempel ingeprent van zijn beschaving.

Oud Rome gaf de heldenkracht, het recht.

Den staat, droeg Hellas' kunst, en bootste En ciseleerde 't goud van eigen taal In zang en statig woord; — het schonk luiroo])

Zijn godsdienst en, herleefd, zijn schoonheidsdienst;

Wat eischt men meer? 't Geniet het leven thans:

Als 't noodig is, verwekt het een Canova,

Of vormt Cavour, en draagt Caprera's rots Een Scipio die Garibaldi heet.

Avenza langs, een weinig landwaarts in.

207

ocr page 214

AMAZONK

En vóór ons ligt Carrara's marmergroef!

Carrara! — geen vermeetle Niobe

Die trotsch zich op haar heerlijk kroost verheft,

Maar schuwe nimf van 't Apennijnsch gebergt, Wier marmerschoot, omhelsd door Hemel-Zeus, Een teelt van eedle wezens droeg en goden, Wier blanke boezem van zijn kussen draagt Het merk, en in wier zonvergulde borst Een fijne aar nog vliet van 't etherblauw.

O, schoon zijn reeds uw ongerepte vormen, Carrara's grijze rotsen, kantig en gepunt, In helling, zwelling, buiging, golvenlijn Gebogen. Op uw toppen sneeuw en om uw voet Olijven, ligt daar tusschen 't hemelblauw En 't blauwe meer uw blanke schoonheidsbron, Juweel in lapis lazuli gezet.

Hier had natuur het kleed geweven

ocr page 215

AMAZONE.

Praxiteles vertaalde; hieruit rees Het bustenheer van keizers, liooge vrouwen, Waarin het marmren Rome van Augustus Zijn tempels, baden, hallen heeft getooid. De kunst van Skopas, Polukleitos, Muroon,

Antinous en Faun en Diskobool,

Rees Helios en Psuchè, Bacchus saam

Met Ariadnè, Venus en Minerva,

De Zeus, 't ambrosisch haar in golven stroomend

Om 't fronzend voorhoofd, en Apolloon Foibos.

Voor langen tijd lag dan de akker braak, Tot rijpt' een nieuwe oogst, een andre godenteelt En Michelangelo zijn titans deed Ontwaken uit het stille niannerbed.

Dan klinkt het hoornsignaal, de mijn ontploft, De blokken wentlen dondrend naar omlaag.

ocr page 216

AMAZONE.

En 't hooggewielde voertuig krijgt zijn last,

I Hen langgehoornde ossen, traag van gang Maar stoer van nek, voortsleepen door de geul Der diepe sporen naar tie havenplaats.

„De grootste kunstenaar kan niets verzinnen Wat niet een enkel marmerblok bevat;

De hand slechts die den geest gehoorzaam volgt Dringt door tot wat in 't diepst verborgen ligt.quot; Zoo sprak de meester, Michelangelo,

En zag den jongen reuzendooder David In 't marmer slapen en zijn hand sloeg weg

Wat hem omhulde. — Dan verrees voor 't graf Des grootschen Giulio die Moeder Gods Zoo vreemd van aanzicht, of 't van wrevel was Wijl haar de stoute hand opriep om weer Haar borst te reiken aan het lijdenskind; Verrezen Rahel, Lea, sloeg met reuzenspier Zich Moses los uit 't steen, de neus en li]) Van toorn gekruld. — Dan vragen Medici Onsterflijkheid van Michelangelo:

Lorenzo rijst, de denker, Giuliano,

De strijder, en de vier getijden. Dag En Nacht, en d'Ochtendschemer en de Avond,

2 IO

ocr page 217

AMAZONE.

Van 't marmerhulsel nog niet gansch ontdaan, Al tweeliclitskindren van uw broedend hoofd,

Buonarroti, tlie uw gramheid schiep.

Uw heiige toorn, die 't grootsche ideaal Der wufte wereld barsch in 't aanzicht smeet.

Maar rust, geweldige! Ook zachter kunst.

Ook zachter hart kent schoonheid, ja wellicht.

Uw toorn vergeve, trekt het ideaal Ken grens dien gij verbraakt.

Men schroomt — maar toch Carrara draagt met eer ook andre namen:

Canova — blind vereerd en even blind Geminacht thans, Thorwaldsen, beiden groot.

En Flaxman, Rude, Ranch — en voorts'?—-geenmensch Is Heros voor zijn tijdgenoot, de dood Eerst vlecht tien lauwerkrans, de tijd, van ver,

Verjaagt het nevelwaas van nijd of blindheid.

En ach, hoe menig kunstenaar — en mensch —

Verhouwt de zuivre stof! Hoe vaak ontmoet De beitel op een edel deel een vlek Of barst. Hoe veel onedels, onschoons, lafs Verrees ook hier — maar, laat 't vergeten zijn,

In 't schoon' alleen, Carrara, glanz' uw naam

En thans — wat nieuwe schoonheid draagt gij eens?

Wat rust nog in uw diepte, waar ook Dante slaapt Dien Michelangelo's vereering daar reeds zag Maar niet mocht wekken ? — Welke toekomst ligt Er ons verborgen? Schooner slaapster nog Dan Rome's of Florence's bloeitijd wekte f Gewis, zij ligt daar nog, gij zult haar vormen zien Als eens ,,de hand gehoorzaamt aan den geest,quot;

En 't valsche wegslaat dat het echt' omhult.

— Goed mijn kind, zeer mooi, zei de oude heer, het is misschien het beste wat gij gemaakt hebt.

2 I I

ocr page 218

AMAZONE

Ais ma zei eene poos niets. Kindelijk brak hij het zwijgen;

— Het is zoo moeilijk voor een leek iets te zeggen dat.. . iets zegt; ik vind het heerlijk en ik voel het, maar ik kan niet goed uitdrukken wat ik voel.

— Ah! zei Marciana lachend, nu voelt gij dan ook eens die moeilijkheid waarin wij zijn tegenover een schoon werk van een schilder. Dan zijn wij bang om iets flauws te zeggen of de gewone frazes. Dat komt dat gij hier, zoo als wij daar, niet vertrouwd zijt met de technische zijde, met het artistieke. Ziet gij wel, dat hebben wij ook!

— Leer mij nu eens; zeg, hoe schrijft gij nu zoo iets? Komt dat, zoo als zij zeggen, aus einem Guss? Het heeft zoo het aanzien alsof het in eens gegoten was en niets anders kon zijn.

— Ja, en neen; soms, soms niet. Soms spelen wijs en woorden mij door het hoofd en schrijf ik ze zoo neer. Soms lang zoeken en composeeren, tot er een oogenblik komt waarin de vloeibare massa zich kristalliseert en in vormen schiet, zooals de bevriezende sneeuwvlok.

Ik begrijp niet hoe gij met woorden zoo kleur en lijn kunt maken, hoe gij deze en geen andere toon en stemming er in krijgt.

— Dat komt van de keus der woorden, zoo als sommige verfkleuren aan zeker gevoel beantwoorden en dat uitdrukken, zoo ook in een gedicht; dat maken de klanken, de vokalen en medeklinkers, hun samenklang of tegenstelling, hun assonantie en consonantie, en het rhythme. Men voelt dat van zelf; zoo als gij uw toon en tint, denk ik.

— Ik heb er nooit zoo opgelet, zei de schilder verwonderd, op die verschillende vokalen en medeklinkers 1 Nu begrijp ik het beter.

— Gij schilders vindt het verkeerd als de menschen het eerst vragen: wat beduidt dat nu, wat is de bedoeling ? en

2 12

ocr page 219

AMAZONE.

het schoone verschijnsel voorbij zien. Zoo ook bij ons. De inhoud is bij ons wel meer hoofdzaak, maar een gedicht ontleent zijn artistieke waarde niet aan wat het zegt, maar wat het is\ dit ligt in de dichterlijke zegging, aan klank en rhythme.

— Maar, hoe komt men aan den vorm, zoo geheel afwijkend van proza?

— Proza is als een bouwwerk; de vormen mogen nog zoo schoon zijn, hoofdzaak is het nut, de bestemming; het doel is daar praktisch.

— En poëzie is als schilderkunst ?

— Ten deele, — maar, wat den vorm aangaat, liever ids beeldhouwkunst. De muziek is als de schilderkunst, veel minder begrensd en tastbaar, meer op den indruk in het gemoed berekend. Ken stuk gedicht is vast begrensd in buitenwand en omtrek even als een beeld, en het heeft even weinig een praktisch doel. Maar wat de zeggingswijs aangaat is het weer anders; die moet, denk ik, iets zijn als Da Vinci's teekening met haar scherpe lijn en dommelig binnenwerk. Moet de buitenvorm, dat is, rhythme, metrum, rijm, juist begrensd zijn, de uitdrukking, de keus van woorden moet weer iets hebben dat niet te positief is, er moet iets in zijn van het ontastbare dat gevoeld wordt. Een al te concreet woord, een woord dat aan een dagelijksch voorwerp herinnert of te positief is, stoort soms geheel den indruk. Waarom een vers ? zeggen de lieden — in 't voorbijgaan gezegd vers is een goed woord, maar zij gebruiken het dan altijd spottend, als een schimpwoord. — Waarom een vers r De zaak is zeer eenvoudig. Van zelf, als het gevoel stijgt, stijgt ook de taal; de woordenkeus en zinbouw worden anders, dan komt er gang en vlucht in de uitdrukking. Zie maar als iemand levendig en opgewonden of aangedaan wordt, dan is zijn taal anders; dan gebruikt hij gebaren, zijn gelaat toont beweging en verhoogde kleur; bij verheffing van den geest, verheft zich ook het

ocr page 220

AMAZONE,

lichaam, dc beweging wordt levendiger, krijgt rhythme, wordt dans. Zóo de taal. En dit is het rhythme, de vroolijke dans der woorden of de plechtige gang der uitdrukking en zinnen, als de statige menuet, als de smedige wals en de wilde tarantella. De gedachte brengt haar eigen rhythme mee. Ik vergeleek straks de beeldhouwkunst met het gedicht. Waarom, in het gedicht die gebonden vormen? Waarom, antwoord ik, die buitenlijn van het beeld? Zoo als het beeld uit het blok gehouwen is, tot een compact voorwerp, zoo wordt het gedicht gehouwen uit de taaigroeven. Een gedicht is even zoo gecondenseerd, een kort begrip van veel, een quintessence in kleinen vorm. Om den inhoud van een beeld of eene schilderij weer te geven in woorden, zou men vele bladzijden proza noodig hebben; en zoo is het ook met een gedicht. I let is zeer sterk samengedrongen. I loe vele bladzijden proza zou ik behoeven om in ideeën, toon, stemming, indruk, de werking terug te geven van dit kleine stukje Carrara? Hoe vele woorden soms om een enkel woord of klank weer te geven ? Minstens zesmaal zoo veel.

— Och, lees het nu nog eens, — langzaam.

En Marciana las het andermaal en voegde hier en daar eene verklaring bij van de keus van een woord of de werking van een overloop, van den bouw der zinnen en het metrum.

— Dank voor uw heerlijke gift, en het licht dat gij voor mij hebt doen opgaan.

— Dat is wederkeerig, zei Marciana, — morgen naar de Sixtina en de Stanza's, hè ?

'loen Aisma te huis kwam las hij haar gedicht nog eens en kuste het schoone fiere handschrift; een vroolijke muziek speelde en joelde in zijn geest. In haar geest was het onrust en kamp. Koppig trotsch zelfbezit en overgave, vriendschap en liefde, teederheid en kracht, waarheid en illusie stonden te wapen tegenover elkander en botsten saam, tot hunne ge-

214

ocr page 221

AMAZONE. 2 I 5

stalten niet meer van elkander onderscheiden konden worden. De prijs was eene ziel, smachtend naar de innigste sympathie, maar vreezend zich eewonnen te quot;even.

ocr page 222

XXIll.

arietta, het kamermeisje van Marciana, was eene

kloek gebouwde Traste ver ina met zwaar zwart

haar, met de natuurlijke elegantie en de gelaatstrekken die het volk van Rome nog van zijne voorvaderen over heeft, als eene levende tegenspraak van de stelling dat Gothische en Slavische T overstrooming den aard en het uiterlijk der oude Italiërs zou hebben weggewischt. Zij was een deugdzaam kind vol naïef bijgeloof en onkunde, als de kinderen der lagere volksklasse in Italië. Lezen en schrijven, die appelen van den verboden boom, had geen schoolsche slang haar aangeboden, noch haar het Eden der onwetendheid doen verlaten.

Zij was eens tot Marciana gekomen met de vraag;

— Signora mia, de schilder heeft mij verzocht als model voor hem te zitten in die kleederen die u mij hier eens hebt aangedaan. Zou ik dat mogen doen ?

— Wel zeker. Hij heeft er mij ook over gesproken; ik vind liet heel goed. Maar .... gij moest dat eigenlijk niet aan mij, maar aan Angelo vragen — hé ?

— Och, Angelo!

I! ««T* ^0 Élf

tl

ocr page 223

w

7

AMAZONE.

— Hoe zoo? Zijt gij geen goede vrienden meer?

— Ik weet het niet. Hij zou mij trouwen vóór Paschen, maar dan stelt hij weer uit en zoekt uitvluchten. En ik wou hem toch wel gaarne hebben. Weet mevrouw ook hoe men toch doen moet als een man niet wil?

— Dan moet je ook maar niet willen; en dan komen zij wel weer nader.

— Zou het? Maar ik durf dat niet wagen. Wil ik mevrouw eens vertellen wat ik laatst beproefd heb? Er is hier eene oude vrouw die kan tooveren. Jesu Maria, zij kan zoo toove-ren! En laatst heeft zij

een wassen beeldje voor mij gesmolten, om hem te doen toegeven , weet u , en ik heb er tien Ave Maria's bij gezegd en toen gebeden tot den heiligen jozef.

Marciana vond deze ver-eeniging van oudromein-sche tooverij en nieuw Roomsche devotie niet vreemd; zij was daaraan in Rome gewend. De levensduur van oude volksgebruiken is verbazend en allerlei Roomsche gebruiken zijn niet anders dan de gedoopte overblijfselen van Romeinsche. Nog improviseeren soms de mannen met elkander in eene osteria versregels in schertsend wisselgesprek, soms met begeleiding der guitaar; het is de oudromeinsche satura. Nog doet men de kinderen een heilige aanraken ter genezing, zoo als de ouden ze de bronzen wolvin van het Capitool of een godsbeeld lieten aanraken. De Lares en Manes en huiselijke of

landelijke godheden zijn in heiligen overgegaan. Maar het

28

2 1'

ocr page 224

AMAZONE.

kwam haar in de gedachte dat Jozef eigenlijk de rechte man niet was om het meisje te helpen; zijn huwelijk was iets minder gewoons en den indruk daarvan ziet men op alle schilderijen, waar hij zoo diep droefgeestig op eenigen afstand staat te kijken naar het godskindje, dat van zijne vrouw was, maar waarop hij geen vaderlijk recht had.

— En heeft het wassen beeldje geholpen, of de heilige jozef?

— Wel, ik denk allebei; ten minste Angelo is veel meer toegenaderd. Ik zou hem daarom nu niet jaloersch willen maken. En hij is dat zoo gauw, — want, weet u, de mannen kijken altijd zoo naar mij; het is wel lastig, Signora mia, als men mooi is.

Marciana, wie de naïefheid en ernst waarmede zij dit zeide, zeer hadden vermaakt, had haar gerust gesteld en het gevraagde verlof gegeven.

Zoo was Marietta bij Aisma gekomen en hij had haar gedrapeerd in de antieke kleeding en haar doen zitten zoo als Marciana gezeten had op de bank in de Villa Borghese, met haar arm geleund over den rug der bank, met bloemen in haar schoot, tegen den dag slechts door reflexen verlicht. Zoo wilde hij haar afbeelden op de marmeren bank, met een jongman die er voorover op ligt en haar bij de slip der mouw trekt en een antwoord vraagt dat zij aarzelt te geven. Het werd een van de zonnigste, meesterlijkste aquarellen.

Hij teekende eerst eene lichte schets van zijn model en daarna eene nauwkeurige studie. Toen hij deze voltooid had waschte hij de eerste schets vlug met een paar sapverven aan en gaf ze aan Marietta.

— Ga daar mee naar Battoni, den kunsthandelaar, en geef ze voor niet minder dan honderd lire. Dat is voor je huishouden , Marietta.

Het meisje was opgetogen en dankte hem met Romeinsche grandezza. Toen vroeg zij hem of hij het niet wilde zeggen

2 I 8

ocr page 225

AMAZONE.

aan Angelo. Zij had hem ook gebeden er vooral haar gelijkenis niet in te brengen. Zij zag nu ook dat het beeldje goud en rossig haar had, — è, net als de Signora, dacht ze, — en zij was tevreden, want haar, met haar zwarte lokken, zou Angelo er niet in kunnen herkennen. En nog eens smeekte zij hem het toch niet aan Angelo te zeggen.

— Maar kind, zei Aisma, je hebt niets kwaads gedaan.

— Ah'; ik weet het wel; maar de modellen worden bij ons veracht. Maar, — dit is iets anders, en . . . . de Signora heeft het toch ook gedaan.

— Zóo ? voor wien ?

— Wel, voor den beeldhouwer; dat heeft Angelo mij verteld.

Aisma werd nadenkend; wat was dat ? Het stuitte hem als

een spion haar uit te hooren en hij zweeg. Maar Marietta bemerkte daar niets van en ging voort ;

— Ja, Angelo zei mij dat het heel geheim ging en hij werd weggezonden, maar hij begreep het, omdat signor Askol in drift den arm van zijn beeld had stuk geslagen, en toen hij nu terug kwam vond hij den arm op nieuw geboetseerd en anders en veel mooier. La Signora heeft heel mooie armen.

Wat hij van Marietta had gehoord had zijne stemming weder bedorven. Hij dacht er telkens over en allengs werd het hem onaangenamer. Wrevel en toorn welden op. Minder dan ooit wist hij, wat van Marciana, van haar karakter, van haar gevoel voor hem te denken. Hunne intimiteit, de sympathie van hunnen geest had hij hoe langer hoe meer zien wassen; voor zich zeiven had hij alle zelfbedrog ter zijde gesteld en voor zich zeiven erkend dat het liefde was geworden, eene diepe liefde. Zij had hem slechts een band der zielen, een hooge vriendschap toegestaan; hare woorden luidden zoo, doch hij meende dat dit enkel een veiligheidsmaatregel was en dat zij in den grond meer en iets anders

219

ocr page 226

AMAZONE.

voelde. Maar thans vond in zijn gekwetsten trots de argwaan weer een weligen bodem. Heeft zij dan tocli met mijn hart gespeeld? Voelt zich bij haar alleen de ijdelheid gestreeld? Is het Askol wien zij toedraagt wat ik voor mij hoopte en soms dacht? Hij wien zij toch heeft toegestaan wat zij mij steeds bleef weigeren; ja, veel meer, eene vrouw die dat toestaat geeft meer dan het zitten voor een portret. En hij wist dat de beeldhouwer haar bewonderde en dat zij hem altijd met veel voorkomendheid bejegende. Nu voelde hij dat zijne genegenheid dieper wortelde dan hij dacht; daar rees teleurstelling en ontgoocheling; zij werden gekwetste trots en wrevel; zij wiessen van lieverlede, steeds gevoed, tot bitterheid.

Als een stukje aarde loslaat van haar verband , breidt zich de verzetting uit, de massa wast in kracht en éene korrel die losliet word een aardverschuiving.

O het was niet dit feit alleen; maar daarin lag een bewijs; het bewijs, door allerlei kleine verschijnselen gevormd en bevestigd, dat zij van twee mannen te gelijk zich de hulde liet welgevallen; dat zij met eenen, wellicht met beiden het spel eener coquette dreef, dat zij zijne liefde niet beantwoordde , maar ze zich toch liet aanleunen; dat zij kond was en alleen zelfzuchtig en ijdel.

Zoo verbitterde hij zich eenige dagen en de vrienden van de Piazza di Spagna zagen hem niet en wisten maar niet wat hem terughield.

Wat nu ? Hij wilde breken met die vriendschap, de verstikkende banden verscheuren en zich weer vrij maken. Vrij; om dat te worden was hij op reis gegaan. Hij wilde heengaan. Soms kwam er een beradener oogenblik. Hij dacht er over haar te spreken en het haar ronduit te zeggen. Hij dacht er aan om Askol rekenschap te vragen. Maar welk recht had hij hiertoe ? Waren zij hem verantwoording schuldig ? Doch — als het eens niet waar was? Onzekerheid is martelender

220

ocr page 227

AMAZONE.

dan gewisheid, en eens ging hij uit en naar Askols atelier.

Hij vond den beeldhouwer in zijne benedenwerkplaats, bezig met aan het gipsen afgietsel van zijne Amazonegroep eenige kleinigheden bij te werken.

Askol heette hem met zijne gewone vroolijke gulheid welkom, maar Aisma nam zijne hand niet aan en was stijf. Bij het zien van dit beeld kon hij zijne drift niet bedwingen en vroeg zonder veel voorbereiding:

— Is het waar, meneer, dat mevrouw van Buren voor dat beeld geposeerd heeft ?

Askol was verbaasd en een weinig onthutst, maar antwoordde kortaf zonder bedenken;

Voor dat beeld, neen meneer, dat is niet waar.

— Gij zegt een onwaarheid; ik weet het zeker.

Den beeldhouwer steeg het bloed naar het hoofd en zijne oogen vonkelden.

Geel mij uw hand er dan op, dat het niet waar is,

— Mijnheer, gij hebt geen recht dit te vorderen. Wat ik zeg moet genoeg zijn. Mevrouw van Buren mag over zulk een onderwerp geen punt van discussie tusschen ons zijn ; dat is beleedigend voor haar.

— Als het waar is, is het beleedigend voor mij.

— Mijnheer Aisma, zei Askol na eenig bedenken, kalm en koel, — na zulke voorafspraken zijn wel eens beleedigingen gevolgd, die weer andere gevolgen na zich sleepten — gij zijt driftig en ik ook; maar — gij zijt een man en ik ben het ook, ik vind het niet noodig dat wij tot dwaasheden komen. Wie daardoor zou worden benadeeld is noch gij, noch ik, maar die vrouw. En zij staat te hoog om door ons in opspraak gebracht te mogen worden. Dus — geen woord meer daarover, en laat de zaak hierbij blijven.

Aisma was in twijfel en verwarring; toorn, zekere schaamte over Askols kalm en waardig woord, onzekerheid, het besef

22 I

ocr page 228

AMAZONE.

dat hij geen recht had om eene verklaring te vorderen, dat alles voelde hij en, schoon onwillig, hij begreep dat er nu niets anders te doen viel. Hij ging dus na een koelen groet, zich bewust dat Askol in deze zijn meerdere was geweest en daarom des te meer te onvreden en geprikkeld.

Hij ging naar zijn huis, de drukke straten vermijdende, en wierp zich op zijne rustbank. Hij sloot de oogen en alles ging aan zijn verbeelding voorbij. Zoo ben ik naar Italië gekomen om gemoedsrust te zoeken en klaarheid, en wat heb ik gevonden! Kalmte en wijsheid had ik mij al beginnen te heroveren; ik had mij voorgenomen geene vrouw mijn leven meer te laten verstoren — en ziedaar!

Weer ben ik in onrust, in ellende; daar ligt mijn werk en de vreugd is er af, en ik mis het zelf bezit om er ongestoord aan te arbeiden; altijd die vrouw die zich voor mij plaatst. Weer heb ik mij de speelbal van eene coquette laten worden; dat is verachtelijk, en als ik mij zeiven moet minachten, dan is weer eene vrouw de oorzaak. Vervloekt die onrust die zij in ons brengt en de verwoesting die zij er aanricht. Ben ik dan gedoemd om een wezen te zijn dat telkens vergooid wordt door de vrouw die ik liefheb! Liefhebben, ph! Waarom ook liefhebben, voor dat men weet en grondig kent.

O, ik dacht toch dat ik in haar de ziel gevonden had die ik noodig heb, die ik zoo zeer verlangde. Zij had zoo veel liefelijks, zoo veel goeds, dacht ik; ik meende dat zij althans oprecht was.

Een spijtige traan welde op en hij boog het trotsche hoofd in de kussens. Toen hij zich verzadigd had aan smart, gaf dit hem verluchting. Hij werd kalmer, maar bleef gekrenkt.

Nu rijpte het besluit om heen te gaan; hij wilde zich storten in studiën en arbeid, zicli overgeven aan zijne kunst alleen. Hij wilde naar Griekenland gaan, dat hem altijd gelokt had, om in het land te leven van zijne schoonste visioenen. Hij

2 2 2

ocr page 229

amazone.

bracht een paar dagen door met zijne zaken te regelen.

Toen ging hij naar Ada. Zij vond hem zonderling bewogen en vreemd. Zij begreep niet waarom hij zoo plotseling wilde vertrekken; wel vermoedde zij dat er iets gebeurd moest zijn en bespeurde allengs uit zijne woorden, dat Marciana de reden en Askol er niet vreemd aan was, maar zij kon niet raden wat er was voorgevallen en hij kon dit niet zeggen. Zij hoorde alleen dat hij bitter en scherp was in zijne uitlatingen over haar. Het smartte haar en zij zocht verzachtend te spreken, maar zij moest blijven tasten in den blinde en spreken met algemeenheden. En toch, zachtheid en teerheid, al kan men ze op een oogenblik niet velen, oefenen vaak meer invloed uit dan kracht. Waar deze verbreekt, slijpen gene de scherpe kanten af en binden. Aisma kwam allengs tot het besef dat hij overdreef; hij overreedde zich om kalmer te zijn. Hij zou zijne gevoeligheid laten blijken en koel zijn, hooghartig, maar geen toorn of hartstochtelijkheid toonen. Voor fijne intrigues was hij niet berekend, hij was open en rond en hij nam zich voor Marciana eenvoudig de zaak te zeggen.

Hij schreef haar:

Ik mod u spreken. Kom morgen in de Villa Borghese, om 2 uur; bij de fontein.

Siw. Aisma.

Zij schreef hem ten antwoord;

Uw toon klinkt vreemd en gebiedend. Maar ik zal komen.

M.

Aisma was er, onrustig, gejaagd, vóór het besproken uur. Het wachten viel hem lang; minuten zijn dan eindeloos; hoe veel gedachten gaan dan in honderd polsslagen door het hoofd. En zij verscheen maar niet; zou zij niet komen? Hij

223

ocr page 230
ocr page 231

AMAZON K

zich af, om de verlegenheid te vermijden die het geeft elkander in zulk eene stemming een eind weegs zoolang aan te zien. Hij hoorde hare stem nu achter zich. Zij wist van Ada iets van hetgeen er in zijn gemoed omging, zij wist van

Askol wat er tusschen hem en den schilder was voorgevallen;

«gt;

maar zij verried geene aandoening.

— Goeden morgen, zei ze met een zachten glimlach, zijt gij daar weer, wij hebben u lang gemist.

— Nu, dat gemis zal zoo groot niet zijn geweest.

Wij hebben u geen reden gegeven dat te denken. Mijn oom is wezenlijk verdrietig dat gij ons zoo verwaarloost. Is er iets?

— Marciana, zei hij, zijn kouden toon niet kunnende volhouden , ik wilde eens openhartig met u spreken; wees gij het ook. Je hebt genoeg kunnen zien wat ik voor je voel, ik dacht dat je mij ook iets van je ziel gegeven hadt, maar ik vind je vreemd, ik begrijp je niet.

— Neen, je begrijpt me niet, zei ze, en er was een diepe droefheid in haar toon, die hem niet ontging.

— Marciana, och, laat ik je alles mogen zeggen, weetje dan niet dat ik je bewonder en je innig liefheb! Dat ik daarvoor al mijn trots en mijn bitterheid heb weggeworpen, weggeworpen als valsch, laag tuig, dat ik mij zeiven gansch aan je heb overgegeven. O ik hoopte zoo dat je dat ook zoudt doen. Maar, eerlijk gezegd, ik heb de vrees, ik heb de zekerheid, dat je met mijn hart speelt.

— Daar heb je geen grond voor, je moest mij beter kennen, als je me liefhebt.

— Zeg het mij ronduit, — mij heb je altijd geweigerd je portret te laten maken, voor mijn 1 lelena smeekte ik je het model te zijn.....

— Is dat al ? zei ze met een gedwongen lach. Zijn verwijtende toon kwetste weer haar trots, en toch daaronder

29

ocr page 232

AMAZONE.

lag bij haar eenige ontevredenheid met zich zelve omdat zij voelde dat hij eenigszins gelijk had.

— Neen, niet al, maar — is het waar dat je wel voor Askol gedaan hebt wat je mij zoo halsstarrig weigerde? Dat is wel iets. Is het waar of niet dat je voor Askol wel als model hebt willen dienen ?

— Gij hebt geen recht mij zoo iets af te vragen.

— C) zeker, zei hij spottend, dat rccht heb ik niet, maar wel om er een bewijs in te zien, met zoo veel andere kleinigheden , dat gij het met mij niet meent, als gij u verwaardigt voor hem tot model te dienen. Misschien speelt gij met ons beiden; maar ik laat het niet niet mij doen.

— Hoe komt gij aan dat verhaal ?

— Ik weet het van Marietta, die het van Askols praticien heeft gehoord.

— Dus achterklap van bedienden! Het is fraai. Ik behoef op zulk een vraag niet te antwoorden. — Maar al had ik het gedaan — ik zou er de vrijheid toe hebben, dunkt mij,

als het mij lustte. In alle geval, gij zult mij toch.....wel

tot niets laags in staat achten. Ge denkt misschien.....bah!

weet ik wat.

— Mijn God, ik denk niets laags, dan zou ik niet tot je spreken. Maar ik zie er het bewijs in dat ik goed doe met mijne teedere genegenheid af te snijden, en heen te gaan. Ik wou alleen dit niet doen vóór dat ik je gesproken had en de gelegenheid voor eene opheldering gegeven was. Ik wou dat je meer open met mij was.

— Aisma, ik heb mij nooit verschuild, zei ze fier, wat ik ben, heb ik altijd durven toonen. Maar ik ben nu eenmaal zóo; ik heb geen liefde voor Askol, al vind ik hem prettig en lief, maar ik zie geen reden om hem door deftigheid op een afstand te houden; ik heb behoefte aan leven en vrijheid en vroolijkheid. Vindt gij dat coquet? Ik wil niet behagen om

220

ocr page 233

AMAZONK. 227

iemand ongelukkig te maken of om de laffe overwinning,

maar omdat ik nu eenmaal niet onbehagelijk wil zijn, voila.

Ik wil vrij zijn. Maar gij zijt jaloersch en heerschzuchtig. Ge weet dat ik je... . van harte gaarne mag; maar je bent heftig — en ik ben ook niet van was — laten de twee locomotieven niet tegen elkander botsen — dat zou maar ongelukken geven.

Marciana was op eene bank gaan zitten; over haar schoon gelaat kwam eene uitdrukking van diepen weemoed; hare borst zwoegde, zij moest met geweld zich meester blijven om de tranen in te houden, en haar keel werd als verstikt. Eene gedachte rees op, bijna machtiger dan zij; O, als ik nu toe kon geven, misschien zou ik gelukkiger kunnen zijn. Maar

• • • Ir

toegeven, dit was nu eenmaal haar zwak, dat kon zij niet,

hare fierheid werd harde trots, het zelfbezit omschorste haar hart met ijs; buigen is zwakheid.

Aisma was zijne aandoening niet meester.

— O, Marciana; gij, gij! Ik had u mijn alles willen wijden,

mijn talent dat gij verhoogen zoudt; mijn leven zoudt gij heerlijk maken en het uwe, het uwe immers ook. Doe die gevloekte halsstarrigheid van u weg, die strijdt tegen je beter ik. Eén enkel woord van je is genoeg.....

Waarom sprak zij dat woord niet? De mensch heeft vaak in zich zeiven zijn grootsten vijand. En die vijand is een sofist,

hij redeneert met kunstige logica, hij is dan zoo verstandig,

hij neemt zulk eene schoone houding aan; hij kent uwe gebreken en idealiseert ze tot deugden; eigenzinnigheid heet karakter, zelfzucht onafhankelijkheid, toegeeflijkheid heet zwakte.

Zoo vaak geschiedt het ook, dat, als men tijd had aan zich zeiven overgelaten te worden, de strijd zich van zelf zou oplossen in harmonie; maar als een ander dit met woord en overreding wil doen, faalt het en valt men terug, gewoon zich te verdedigen tegen aandrang van anderen. Aisma wist

ocr page 234

AMAZONE.

niet welk een geweldige strijd er in haar omging, dat zij haar hoofd wel aan zijne borst had willen leggen en zuchten om lucht, maar te trotsch was om te zwichten.

— Hebt gij mij niets meer te zeggen ? vroeg hij somber.

Zij sprak niet; het worstelde in haar binnenste, alles was in duister en een chaos. Maar zij kon niets zeggen. Zwijgend ging zij voort.

1 lij geleidde haar tot den uitgang.

Onze wegen zijn niet dezelfde, mevrouw, zei hij koel; — laat het niet onbeleefd schijnen als ik dezen weg ga.

Zij ging alleen voort. 1 Iet sneed haar door het hart. Maar zij wond zich op alsof het haar niet deerde. Hij is niet dien ik meende en hoopte. Met zulk een prikkelbaar en heersch-zuchtig karakter zou het maar weer een ongeluk worden, zoo dacht zij.

1 lij dwaalde af langs de Ripetta; onbewust van wat hem voorbij ging, de priester die naar zijne kerk slenterde, het volk geknield bij een huis waar een stervende de laatste bediening ontving, een vroolijke stoet van jongelieden te paard, waarvan er een hem bij den naam toeriep. Alles was niets meer. Nu is alles gedaan, dacht hij; zij is gevoelloos, ze is geen vrouw; daar zijn vrouwen die zicfi zelve genoeg zijn, die geene behoefte voelen aan samenstemmend dubbelleven, koudbloedige eenlingen. Wee, dat ik er zu^c een heb leeren kennen.

ocr page 235

XXIV.

e bloeiende twijg was nu van een gescheurd en aan weerszijde welkten de bloesems.

^c-jsGFna-T^) Ook tusschen Marciana en haar oom, tusschen haar en Ada was de spanning en stilte, die ontstaat als men zich nog niet onder elkander verklaard heeft. Wel hadden van Walborch en Ada het een en ander vermoed en begrepen, wel was er eene algemeene uitdrukking gewisseld, maar geen openhartige verklaring had nog den toestand opgehelderd.

Aan van Walborch kwam dikwijls het woord op de lippen , maar hij schroomde het te uiten. Hij kende Marciana en Aisma; hij wist dat het licht onraadzaam kon zijn den loop der zaken te storen. Laat het rijp worden, dacht hij; laten zij het samen uitvechten.

Er pakten zich nochtans onweerswolken over zijne Horati-aansche «gelijkmoedigheid»; de aequtis animus kon zich bezwaarlijk in stand houden. Het is moeilijk den mensch uit te schudden, zei de wijsgeer Pyrrho, toen hij, de apostel der gevoelloosheid, eens in een boom klom om niet door eenen hond gebeten te worden. En zoo is het; godsdienstige leer-

ocr page 236

AMAZONE.

stukken of wijsgeerige stelsels, bijbel of Horatius, Pyrrhonische apathie, anachoretische dooding van de wereld, Spartaansche harding, — het is alles een, het is alles leer, en het leven gaat telkens boven de leer. Alleen het oudgrieksche gemoed was wijs en gaf toe aan smart; het mocht zoeken meester te blijven over zich zeiven, het loochende de pijn niet. Versteend te worden tegen leed is even dwaas als er door te worden weggesleept. En zoo blijft in weerwil der kuituur de natuur haar recht behouden en onzen aard handhaven. Van Walborch wankelde tusschen Horatius en zijn gevoel. Hem klonken de welbekende regels door het hoofd; «temper het bittere met zachten lach; niets is van alle zijden gelukkig; beheerscht uw gemoed of het heerscht over u; licht wordt door geduld wat ons niet is gegund te verandren.»

Toch was hij gedrukt; hij trok zich de zaak aan; eene illusie vervloog. Marciana's onbuigzaamheid maakte hem kregelig, even als Aisma's eigenzinnigheid, en hij wist ten langen leste geen raad. Eindelijk vond hij een uitvvegje. Hij schreef aan Aisma een briefje over de schilderij van Helena; zijn verlangen dat Aisma haar niet voltooide, dat hij ze mocht hebben als eene herinnering aan hun vriendschappelijk samenzijn in Rome. Aisma zond hem een antwoord, beleefd, vol

dank en betuiging van hooge achting, maar.....hij kon ze

nu niet afmaken; zij zou wel nooit afkomen; hij verzocht hem zijne verontschuldiging aan te nemen dat hij zijne belofte niet kon vervullen.

Toen trok van Walborch de stoute schoenen aan en ging naar hem toe.

— Mijn beste vriend, zei hij, ik zou zoo gaarne openhartig met u spreken.

Maar zijne stem trilde en hij wist niet hoe hij beginnen zou. Aisma zelf was verlegen; de toestand was zoo vreemd, bood zoo geenerlei vast punt aan.

2,iO

ocr page 237

AMAZONE.

— En gij wildet dan heengaan, cn.....ons op die wijs

verlaten.....

— Ik geloof dat dit het beste is; wat zou ik anders doen ?

— Naar Athene?

— Dat is al een oud plan van mij.

— Ik zou er nu niet gaan.

— Waarom niet?

— Weet gij niet dat er de cholera heerscht? Het zou onverantwoordelijk roekeloos zijn.

— Dat zegt men , maar is het waar ? En dan nog.....

— Gij zijt overprikkeld,.... wat is er? Heeft Marciana u gekwetst ?

— Ik heb geen recht mij te beklagen; ik heb mij alleen iets ingebeeld.....dat niet waar schijnt te zijn.

Van Walborch nam zijne hand;

— Spreek ronduit, — gij hebt haar lief — komaan, als ik je nu zeg dat dit mijn liefste droom was, zal je mij dan vertrouwen ?

Aisma was getroffen en beantwoordde zijn hartelijken handdruk.

— Dat was ook mijn droom — maar zij denkt er anders over.....

— Heb je daar goeden grond voor ? Ken je den aard der vrouwen genoeg om door den schijn heen te zien ? Zij is eigenaardig ....

— Ik heb het haar open gezegd, maar zij heeft mij met koelheid beantwoord. Zij heeft mij niet rond en oprecht behandeld , — zooals trouwens de vrouwen meestal — zij heeft met mij een spel gedreven.....

— Van Walborch fronste de wenkbrauwen;

— Dat kan niet, Marciana is oprecht.

— Als dat oprecht is.....maar u weet niet alles. Nu ja,

zij heeft mij wel een soort van geestelijke genegenheid willen

231

ocr page 238

AMAZONE.

gunnen, maar te gelijker tijd geeft zij aan Askol hare liefde.

— O! mijn beste Aisma, nu zijt ge geheel in dwaling. Is het anders niet? Dan kan ik 11 wel stellig van het tegendeel verzekeren.

— Ik kan u niet zoo alles zeggen.....maar het is voor

mij duidelijk genoeg.

— Niets is hier duidelijk, hoor, maar wat Askol aangaat — neen, dat kan ik u met zekerheid zeggen. Neen, er is iets anders, dat ik zeer goed weet. Aisma, Marciana is zeer ongelukkig geweest: nu heeft zij de volle vrijheid over haar persoon en geest, en zij vreest dat zij die weer zou kunnen verliezen. Maar ik zou haar niet zoo goed kennen als mijn Hora-tius, als ik niet zag dat zij zelf in den hevigsten tweestrijd is tusschen die vrees en haar hart — en voor wien dat hart gestemd is, dat kan voor mij noch voor u twijfelachtig zijn. Beloof mij éen ding, ga niet naar Athene, en ga althans niet zoo terstond weg. Als gij eenige vriendschap voor mij hebt, beloof het mij.

Aisma haalde de schouders ongeloovig op en gaf hem de hand als belofte.

Van Walborch voelde de acquzcs animus weer zachtkens terugkeeren; hij was tevreden over zijne bemiddeling; het scheen hem dat de oude politicus toch niet geheel vergeefs geleerd had met menschen om te gaan en ze te doorgronden.

Ilij vond Marciana niet te huis. Zij was naar Ada gegaan, die zij had aangetroffen in een van die neerslachtige buien waarin het leven haar ledig en doelloos was, waarin zij jammerde over de puinhoopen harer jeugd. Marciana troonde haar mede naar buiten in de Villa Borghese. Toch was de verhouding der twee vrouwen nu anders; Marciana was niet meer de vroolijke, krachtige, ook zij was gebogen en het werd de vraag wie van beiden hier de minste veerkracht had. Daar zagen zij op een afstand Aisma uit de galerij komen.

232

ocr page 239

AMAZONE. 233

— All 1 dat treft goed, zei Ada en wilde naar hem toe gaan, maar Marciana hield haar tegen en gejaagd trok zij haar eenen zijweg in buiten zijn gezicht.

Acla zag haar bewogen en haar oog bewolkt.

— Ik begrijp je niet, zei ze, waarom wil jc hem niet liever spreken ? Is het dan tot zulk een strijd tusschen 11 gekomen ?

Marciana haalde onwillig de schouders op:

— Laat hij zijn gang gaan — het dient tot niets.

— Marciana, ik dacht dat ik u beiden nog eens vereenigd zou zien.

— Kind, waar denk je aan 1 Je bent door je romans gewend te denken dat geen man en vrouw elkander kunnen ontmoeten of er moet eene verbintenis uit volgen. Maar alle vrouwen zijn zoo dwaas niet. Ik deug er niet voor om getemd te worden als een huisdier.

— Spot toch niet alles weg, lieve, je mishandelt je eigen gevoel, dat weet ik, maar dat is niet goed. Ik weet dat het niet waar is wat je zegt. Ge zijt elkander niet onverschillig, en waarom zoudt gij dat ook zijn? Waarom niet aan uw gevoel toegegeven?

Omdat het een dwaasheid van mij zou zijn en een zwakheid.

— En Marciana wil nu eenmaal tegen alles in niet zwak zijn, niet waar? Dat verbeeldt zij zich. Maar weet je wat dit is? Het is zwakheid, de zwakheid van je hart niet te durven vertrouwen. Die waarlijk sterk is, vertrouwt. Weet je wat het nog meer is? Egoïsme. Je hebt hem lief en hij u, en je wilt het niet erkennen. En waarom? Omdat je egoïst bent, beide, dat wil zeggen, dat je beide je eigen meester wilt zijn en elkaar niets toegeven. O Marciana, liefde is zoo iets goeds omdat zij de menschen zacht maakt en den eigen wil, den egoïsten wil doet buigen voor het verlangen van een ander.

30

ocr page 240

AMAZONE

Je bent zoo lief en goed, maar je maakt je zelf zoo hard en ongevoelig; o, doe dat toch niet!

Marciana trok haar naar zich toe en omhelsde haar:

— Je bent een goed kind, mijn Ada. Moe weet je dit alles

zoo? Jij die ik voor zoo zwak aanzag......je bent misschien

sterker dan ik! Maar lieve, je weet wat ik geleden heb, je weet hoe ik er mij boven op heb gebracht; is het geen dwaasheid weer op nieuw te beginnen ?

— Ik weet het niet; ik heb maar een arm misdeeld hart voor zulke gevoelens, maar ik zou denken, wat men voelt is waar, men kan zijn gevoel te veel wantrouwen en eigenheid kan eigenzinnigheid worden. Ik zou toegeven als ik genoopt werd — maar ik ben ook maar een week schepsel. Hij is zoo goed, zoo edel, zoo geestvol, een man wiens hart even groot is als zijn talent. Gij hadt den hemel moeten zegenen zoo iemand op je weg te ontmoeten; en in plaats daarvan vertrapt gij uw eigen geluk, en het zijne. Kene vrouw moest gelukkig zijn, als zoo iemand haar liefheeft.

Ada verdedigde Aisma met een gloed op haar gelaat. Haar gevoel, van zelfbespiegeling en eigen medelijden afgeleid, had een ander voorwerp gekregen.

Marciana zag het en zei;

— Je past beter voor hem dan ik — waarom maak je zelf geen aanspraak op zijn hart?

— O Marciana! zei Ada, den blos op haar wangen met hare handen bedekkend en in snikken uitbarstend — hoe kan je zoo wreed zijn!

— Mijn lieve Ada, wat is er ? Heb ik je zeer gedaan, wat is dat?

En plotseling rees de gedachte .... ja zij zag het op eens,

— Ada, je hart heeft diar gesproken, je hart voelt voor hem.....

— Stil, still dat was immers een onmogelijkheid; ik ben

ocr page 241

AMAZONE.

t;en ruïne naar lichaam en geest, ik zou zulk een man niet waard zijn —• ja, ik had hem lief gekregen — maar ik zag dat gij beter bij elkander behoordet. 1 lij heeft je vereerd als iets hoogs en bemint je, maar gij hebt hem versmaad uit zelfzucht en eigenzinnigheid.

Haar gesprek had zijn toppunt bereikt en kwijnde allengs weg. Marciana was op de juiste plaats getroffen en kon het zich niet ontveinzen. Zij had tot dus ver in Ada, en niet geheel ten onrechte, een voorbeeld gezien eener overdreven gevoeligheid die door geene kraebt van wil beteugeld en bestuurd wordt; een gevoel dat, aan zich zei ven overgelaten, invreet en zelfkwelling wordt. Maar zij kon niet voorbijzien dat het gevoel van den beginne zijne rechten heeft die men niet ongestraft kan onderdrukken. Haar geest was gewoon niet aan de oppervlakte te blijven maar tot op den grond der zaken door te dringen; zij werd nadenkend en het beschouwen van zich zelve gaf haar geene tevredenheid.

Het gesprek met Ada had haar geschokt en die werking bleef voortduren. O menschelijke waan, dacht zij; en ik vond mij zelve zoo sterk en haar zoo slap, en toch was zij in staat tot eene zelfverloochening, en ik niet! O beschaming! Zij schijnt mij nu beminnelijk en ik mij zelve hatelijk.

Nog eens riep zij al hare kracht te zamen om zich in hare slingeringen overeind te houden. Afleiding en werk zocht zij, maar zij vermocht ze te huis niet te vinden of ze vast te houden.

Toen ging zij op een ochtend uit en begaf zich naar Salviati, als instinktmatig gedreven naar den eenigen man die in zijne zuidelijke lichthartigheid zoo gansch anders van aard en levensbeschouwing was dan zij; die tegenstelling was haar een ironische prikkel en trok haar aan.

Ik zal wat muziek met hem gaan maken , dacht zij, en nam

235

ocr page 242

AMAZONE

eenige stukken mede, Pergolese, Stradella, Handel —, hij kan mij weer wat techniek leeren.

Zij steeg de hooge steenen trap van zijn palazza op, dat beeld van vervallen pracht. Zij vond hem in zijne kamer, een groot, diep vertrek.

Aan de muren hingen eenige geschilderde studies en schetsen op de eenvoudigste wijze vastgeprikt, het werk van zijne vrienden. Een meisjesportret toonde dat ook in dit leven eens een paar jonge donkere oogen hadden geschenen, maar het was eene verwelkte fotografie, vergeeld even als de krans van gedroogde bladeren er omheen; de tijd was daar verstorend overheen gegaan als over alles.

236

Marciana vond Salviati lachend met twee kinderen van den

portier, den jongen wien hij vioollessen placht te geven maar die nu bezig was te spelen met zijne krukken, en een klein meisje dat op zijne knie zat. Nadat Marciana binnen was, kwam er nog een ander meisje, van

ongeveer twaalf jaren, dat een koperen kan met water bracht, waarmede het den bak bevochtte, waarin bloemen en klimplanten groeiden die rankten om de posten van het venster.

ocr page 243

AMAZONE.

Salviati dreef met vroolijke scherts het jonge volkje weg en heette haar welkom.

— Ik kom uw nieuwe piano eens hooren en wat zangen doorloopen , hebt gij tijd ?

Salviati was bereid; hij liet de handen over de toetsen dwalen en neuriede er vroolijke Italiaansche wijzen bij.

Zij bladerde in haar muziekboek; toen zong zij er hier en daar een stuk van, altijd ernstige liederen, en er lag in haar toon en stem een diepe weemoed en soms een kreet van smart, weemoediger en pijnlijker dan de geschreven muziek.

— Oh, oh! zei Salviati, gij maakt alles zoo zwaar, van daag, gij zoudt de zon aan het schreien brengen. Ik mis den vroolijken klank in uw stem, — en gij ziet er zoo bedrukt uit, penserosa.

Marciana glimlachte even en haalde de schouders op ;

— Wat zal ik u zeggen, mijn vriend, men kan niet altijd zoo lichthartig zijn.

— E, waarom niet; in die piano zitten alle tonen, maar ik behoef er niet alleen dissonanten uit te halen, niet alles in mineur te nemen; ik lok er liever de lichte, heldere tonen uit.

— Gij zijt benijdenswaard met uwe tevredenheid.

Niet gezondheid is de grootste schat, zoo als zij zeggen, waarde Signora, maar tevredenheid.

— Hoe hebt gij die verkregen ?

Salviati lachte vroolijk, dat scheen hem al even vreemd als komisch:

— Wel, hoe zou ik dat weten! Denkt men daarover? Dat komt van zelf. En waarom ook niet ? Rome is groot, de menschen zijn vriendelijk en goed voor mij, de zon schijnt voor niets, en waar zij niet is, daar is verkwikkende koelte; ik heb al wat ik noodig heb.

Hij speelde daar een Venetiaansch gondellied doorheen en zei toen weer:

237

ocr page 244

AMAZONE.

— Waarom zijn leven bedorven met muizenissen? liet leven is er te kort voor; een dag dien wij bederven komt nooit weerom.

— Salviati, ik bewonder u; gij die zoo veel ondervonden hebt, — gij die hier het leven in al zijn glans en zegeningen ziet, zonder dat het gemis u kwelt....

— Ik heb meer dan de meesten, zeide hij en nu was er iets in zijn toon dat zelfs ernst was en Marciana te meer trof, — ik zie er die schoonheid hebben en kennis en rijkdom, en die zich zeiven kwellen met de moeite om leed te zoeken, — ik heb geen van die drie, en als ik nu mij zeiven ging kwellen, had ik niets; nu ik de vroolijkheid heb, heb ik meer dan de anderen.

— En gij hebt uw geloof?

— Och, — eerlijk gezegd, ik denk niet dat het geloof er veel toe doet. Pater Pecchi wilde mij beduiden dat dit leven niets is dan een station waar men zit te wachten op den trein naar het betere — zonder krukken. Maar zoolang ik hier nog daarmede moet voorthuppelen heb ik niéts aan dat latere. Zitten wachten op dat betere? En mij intusschen in de wachtkamer vervelen? Dan maar liever vroolijk voortgehuppeld.

Gij doet het dus niet uit verwachting van dat betere? Rekent gij daar niet op?

— Chi lo sa ? Chi lo sa ? Ik moet voor het oogenblik zorgen. Wij nemen dat hier niet zoo zwaar op als gij-lieden in het Noorden. Gij waart vroeger toch ook vroolijk, maar, Marciana, ik heb uw lach in geen dagen gehoord; ik was soms bang dat gij ziek waart. En Aisma is ook al zoo somber en vermijdt mij; hij zei mij laatst, dat hij voor langen tijd op reis ging. Hij is een groot kunstenaar, maar hij moest de zaken niet zoo zwaar opnemen; — hij loopt rond als die gestraften van Dante's Inferno, onder looden monnikskappen gebukt. Hebt gij hem niet gezien dezer dagen?

23«

ocr page 245

AMAZONE,

Marciana's gelaat betrok en zij kon dat niet verbergen.

Salviati zag het en schudde het hoofd en legde zijne hand op de hare:

— Mijne waarde, er zijn wolken over en tusschen 11 beiden — ik ben immers uw vriend en mag het wel zeggen ?

Marciana ontkende het niet — maar, zei ze, water is, kan ik u niet duidelijk maken.

— Och, het zal ook wel niet duidelijk zijn.

Spreek mij maar niet van hem, het is beter dat wij elkander niet zien.

— Nog beter dat gij elkander verstaat,

Volete che v'insegni li tormenti?

Al die kleine verwarringen beduiden niets; hebt gij wel eens in een oude courant gelezen van allergewichtigste bezwaren die de wereld in rep en roer zouden brengen5 Acht dagen later blijkt het belachelijk en een nietigheid.

Toen liet hij de handen weer over de toetsen gaan en begeleidde eenige woorden die hij schertsend in zijn klankrijk Italiaansch half zong half reciteerde ;

Daar was eens een donna superba, incarnatie van roos en sonnet;

Daar was eens een glansrijke schilder, van edelen harte en geest;

Zij liepen elkander te zoeken, maar elk naar den verkeerden kant —

la la, la la la, la la!

Marciana's levensvolle geest had haar vroeger ook de kracht gegeven om zich boven velerlei leed te verheffen. Doch het waren meer ironie en humor die dan over haar stemming hadden geheerscht. 15ij Salviati waren het onbezorgdheid en vroolijke lichtheid die uit het hart zelf kwamen. Zij had de

2 39

ocr page 246

AMAZONE.

vroolijkheid van den geest, bij hem zat zij in liet gemoed. Maar gemoed echter was thans geheel ontstemd en zelfs de lustige luim van Salviati kon er geene luchtige tonen uit lokken.

Toch had het bezoek bij hem haar hart eenig goed gedaan. Als een zware reeën de bladeren en bloemen doet neerhangen

o «_gt;

en er dan het zonlicht weer over schijnt, heffen zij zich niet op eens weder op, maar toch tintelt op de hangende bladeren en vochte bloemen hier en daar de zonnige glans. Zoo was het bij Marciana, al bleek het niet onmiddelijk.

240

ocr page 247

A ^ x ty.vr gt;v^ A 'v ^ 'v ^* gt;

v /rv^xl/T^ /^.i «'v \ \!/z /Tt N \l/ / /r\ N Ai/l/^ t i i. \ •. ^l/_//^X /r\ . K-/■ i\/\ i /-Y i •lt; / i Y i \ .

XXV.

oe was Marciana's eemoed echter een chaos. Onrust k ^

rees er en zelfverwijt. Maar het oude stelsel week ^ zoo spoedig niet en betoogde haar dat Aisma

heerschzuchtig was als alle mannen, dat hij hare onafhankelijkheid nooit zou eerbiedigen, en wat dat is, had zij immers reeds eens hard genoeg ondervonden.

Intusschen kon zij het gemis niet loochenen, de leegte die zij begon te voelen. De avonden waren stil en kleurloos geworden; haar geest vond geen uitwendigen prikkel, geene voldoening; hare sympathie miste de eens gewekte behoefte aan beantwoording: nieuwe ideeën en aspiraties lagen braak.

Alles had zij verstoord, bij de anderen en bij zich zelve. Fel begon dat te prangen, te schrijnen. Zij kon niet lezen, niet schrijven. Altijd sloop eene gedachte tusschen haar en haar boek. Zij werd droevig, stil, kwijnend.

Van Walborch zat aan zijne Amazonestudie te werken, maar de scherts die er mede verbonden was had eene te ernstiire wending genomen , en dit bedierf tie stemming voor

ocr page 248

AMAZONE,

zijn wetenschappelijk onderzoek. Toevallig viel zijne hand op de bladzijde van Herodotos, waar de geschiedenis der mannen-doodende heldinnen verhaald wordt.

— Ja, ja, pruttelde hij half luid.

Hebt gij iets nieuws gevonden, vroeg Marciana afgetrokken.

Niet bepaald nieuw, maar wat heel oud is herhaalt zich telkens op nieuw. De Grieken namen de Amazonen toch gevangen.

— Maar, als ik mij wel herinner, sloegen deze de mannen dood op de schepen die haar wegvoerden.

— Dat is waar, maar zij konden de schepen, natuurlijk, niet besturen, en zij waren wind en golven prijs.

— Toch kwamen zij te recht in Skythië; is het niet?

— Ik geloot dat gij deze plaats goed bestudeerd hebt. Gij zult u dan herinneren, dat de Skythische jongelingen wat anders verzonnen om ze te temmen. Zij legden hun kamp dicht bij het hare en eens vond een jongeling eene Amazone buiten haar leger; het schijnt dat die wat zwak was in de leer; zij spraken af elkander meer te ontmoeten. De Amazone bracht eene vriendin mede en de Skyth eene kameraad; dat waren al twee paren. — Kort en goed, zij gingen allengs allen te zamen wonen aan de overzij van de Tanaïs. Zoo kwam er een eind aan de dwaasheid.

Daar was ook eens een Amazone, Penthesileia, die zich zelfs tegen Achilleus waagde. 1 lij wondde haar doodelijk — maar toen hij ze zag neerliggen, vond hij haar zoo schoon, dat hij met liefde op haar neerzag en zijne daad betreurde. Pas op, zoo iets kan meer gebeuren, — of het omgekeerde.

Marciana bleef zwijgen. Even ongevoelig voor Herodotos als voor Horatius! peinsde de oude heer.

Een andermaal zag hij met bezorgdheid dat Marciana steeds

242

ocr page 249

AMAZONE. 24-5

meer in zich zelve ingetrokken werd en bleek was. Nu kon hij het niet langer uithouden en zeide met ernst;

— O, Marciana, je speelt over een afgrond, je bent overmoedig trotsch geweest en de oude goden haten den overmoed, de hubris. Kind, in den tempel van Jupiter op het Capitool was een heilige steen. het was de terminus, de grens, en Jupiter zelf eerbiedigde die. Prometheus.....

— Prometheus' onafhankelijkheid was zelfs Zeus te machtig, zei ze met eene poging tot schertsen.

— Prometheus buigt toch ten slotte ook voor Zeus, dat is voor de redelijke wereldorde, die hooger is dan de eigen wil. Maar Prometheus had langer te leven dan wij; als het leven heeft uitgebloeid is het te laat om te veranderen; bij ons, als wij zoo zijn, eindigt het stuk met den val van den overmoedige.

Marciana was als degeen die gedrongen wordt en zich daartegen te schrapper zet naar de andere zijde. Zij kon niet bukken voor een ander en nog niet voor zich zelve, en toch zij wilde soms dat zij kon willen.

De oude heer verloor eindelijk zijn klassieke kalmte geheel;

Mijn dierbaar kind, ik zie je kwijnen en ellendig worden en ik weet heel goed wat er in je omgaat. Jc doet verkeerd; je hebt hem meer gegeven dan men aan eenen goeden bekende in den gewonen omgang geeft; je hebt die intimiteit, die innigste sympathie laten toenemen; een kinderachtigheid, maar die zwaar weegt, verstoort je samenzijn; hij wou zoo gaarne je portret maken, hij wou zoo gaarne dat je zat voor zijne Helena; wat beduidt die halsstarrigheid om dat te weigeren en hem pijn te doen, terwijl je hem aan den anderen kant je vrijmoedigheid, je geest, je vriendschap, meer zelfs, dat weten wij immers, schenkt. Zoo trekt je hem aan en stoot hem af; dat kan zoo niet. Daar ligt iets dubbelzinnigs

ocr page 250

AMAZONK.

in. Wees in ieder geval geheel je zelf — maar wees niet eigenzinnig tegen je eigen gevoel in.

— Ach! had zij hem eens in een oogenblik van zachtere stemming geantwoord, — ja, het was even een liefelijke droom van mij. Mijn droom heeft geleefd éen zoeten lentenacht , — wie droomen wil vasthouden, wil een wolk in marmer vereeuwigen. Voorbij, voorbijl De werkelijkheid bleek anders.

Van Walborch sprak om haar te bedaren;

— Geen droomen, maar waken en liet leven schoon maken. Kleed uw idealen in ware vormen, deze zulten blijven; geloof aan het goede en vooral, vernietig dien eigenzin, die zelfzucht. Sta iets van u zelve af; zonder dat geen geluk onder de menschen. Wees zachter en doe den wilden trots van u weg, die zoogenaamde onafhankelijkheid. Geloof mij, kind, niet in die onafhankelijkheid, in aanhankelijkheid ligt vrede en geluk.

— Heb ik het niet beproefd ? En hoe is het mij bekomen ? zei ze bitter. — Ben ik niet altijd tevreden geweest, zoo lang ik bij u mijne onafhankelijkheid bewaarde? Ach, al schijnt het waagstuk schoon, — het blijft een waagstuk.

Eens had hij haar al gezegd dat Aisma naar Athene ging; nu liet hij er ter loops eens invloeien dat de dagbladen vol waren van de verontrustende schilderingen van de ziekte die er heerschte. Zij voelde wat daarin la^.

Misschien zou dit haar allengs overtuigd hebben, misschien ook niet, want zij was een van die karakters die niet licht voor beweeggronden van buiten zwichten; de overtuiging moest uit haar zelve geboren en ontwikkeld worden. Dat verbeeldde zij zich ten minste, want de inwendige overtuiging is toch meest, misschien altoos, niets anders dan de reflexie in ons van het buiten ons voorvallende.

Maar Marciana wist meer dan haren oom bekend kon zijn,

ocr page 251

AMAZONE. 245

en haar eigen bewustzijn moest zijne redenen wel aanvullen. Zij wist wat zij uit eigen beweging ter wille der kunst voor Askol gedaan, wat zij uit een gril aan Aisma geweigerd had. Dat zij de oorzaak was van de gespannen en dreigende verhouding tusschen die twee kunstenaars. Zij wist, en dat woog nog veel zwaarder, dat zij Aisma s gevoel beantwoordde met eene toeneiging waaraan zij den waren naam maar niet wilde of durfde geven, en dat zij hem behandeld had met eene schijnbare koelheid, die onwaar was en hem moest krenken. Zij wist dat zij het vreugdevol samenzijn van allen verstoord had. Twijfel rees of hare volharding ook halsstarrigheid ware; zij begon zich te verwijten dat zij de lieide van een edel man en een groot kunstenaar iijner en teederder had kunnen bejegenen dan zij de laatste maal gedaan had. 1 let werd haar eene wroeging en marteling.

En waarom dit alles?

Had zij hem niet lief?

Alleen omdat zij zich had voorgenomen aan zulk een gevoel niet meer toe te geven, geleerd, zoo zij meende, door tie ondervinding; uit vrees dat de begoocheling weer in nevel mocht opgaan, uit vrees dat zij misschien hare onafhankelijkheid van persoon en geest zou verliezen. Ach, zou hij al zulke beweegredenen van haar gemoed kunnen begrijpen, en zoo hij ze begreep, zou hij ze kunnen billijken ? Kon zij zelve ze thans wel geheel billijken ? 1 lad hij haar ooit willen overheerschen ? En als het eens zoeter ware een beminden invloed op zich toe te laten, dan alleen, eenzaam te heerschen op een rotsburg? Of — ook dit, gebiedster te zijn in eens anders hart, niet door liet tot slaaf te maken, maar als bezielende macht, als liefde?

Daar kwam nog eene kleine menschelijke zwakheid bij. Zoolang als Aisma haar met zachtheid had zoeken te winnen, was zij tegenstand blijven bieden, — maar de laatste maal

ocr page 252

AMAZONE.

246

bad hij haar met kracht aangevat; de beslistheid en koelheid van zijn afscheid had haar meer geschokt dan zij dacht, en nu voelde zij dat zij daartegen met al hare Amazonetheorie toch als vrouw zwakker was.

ocr page 253

llengs werd Marciana door haar eigen gemoedsbeweging overwonnen; stuk bij stuk voelde zij

Z'C'1 'iarC waPenrust;'nS ontvallen. Niet zoo als quot;'^1» p bij de fiere pantsermaagd, de Walkure Briinhilde, werd haar de maliënkolder op eens van het lijf W gesneden, maar malie voor malie liet van zelf ♦ los, voor dat zij het geheel wist. Nog eenige

tijd, en zij zou zich weerloos zien.

Hunne neiging was niet als een vlammend vuur op eens uitgeslagen; zij was van lieverlede gerijpt, half onbewust; wederzijdsche studiën en sympathieën hadden ze ontwikkeld. De omgang met Aisma was eerst eene weetgierigheid geweest die belangstelling werd; haar vrouwelijk zelfgevoel had de prikkeling ontwaard om hem niet onverschillig te wezen; de schermutselingen van hunnen geest en de overeenstemming in de kunst hadden hunne gemeenzaamheid doen groeien; er had zich een rijk poëzievol leven tusschen hen ontplooid, en dat leven was haar eene aanvulling van haar zelve, eene behoefte geworden. Hunne gesprekken over kunst en poëzie waren de inslag in het weefsel van hun beider zielen geworden en zij zouden er niet meer uit kunnen verwijderd worden zonder het

A,

^ir

i)

^ii.

ocr page 254

I

248 AMAZONE.

weefsel te schenden. Allengs hadden die draden het oude doek overdekt en er nieuwe bloemen en vormen geborduurd; frisch en bloemig was die oude grond weer geworden als een voorjaarstapeet op het grasveld.

Als knoppen had zij die gevoelens zien opengaan. Er is iets onuitsprekelijk liefelijks en gewijds in het opengaan van de knoppen, als zachtkens de windselen buigen, de blaadjes zwellen, de kleuren dieper worden en voller, het volst en het diepst in het hart der bloem dat zich allengs gaat vertoonen. Marciana had eerst liever de knop willen behouden, bevreesd dat de bloem , eenmaal ontloken, ook hare verwelking nabij is. Maar de lentelucht was te machtig en de bloem was toch opengegaan ondanks haar zelve.

Zij doolde nu eens den Corso op en af, met een gevoel van eenzaamheid en verlatenheid in het volle leven om haar heen. Zij dwaalde in de Villa Borghese, in hare galerij, — met de vrees — en tegelijk de stille hoop van Aisma ergens te ontmoeten. Als zij hem maar eens zien kon, in de verte, om te weten hoe hij was. Zij zag hem niet en een gevoel van pijn beklemde haar.

Zij zat des avonds op hare kamer en zag naar de hooge lucht en mijmerde:

Sterren, wat zijt gij, wat doet gij?

Waarom daar telken avond weergekeerd?

Nachtlijke bloesems der heemlen.

Wat zijt gij, wat sticht gij ?

Daar schiet een vonk, een lichtstreep, naar omlaag,

In 't ijle niet vervlogen.

Maar met vlammende letteren schrijft zij;

Wij zijn de onvoldragen werelden,

Dc on verwezenlijkte wenschen en gedachten,

De onbereikte idealen.

Zij sloot de zonneblinden en het venster. Maar kleed prangde

ocr page 255

AMAZONK

haar op de borst en zij verwisselde het met een los gewaad en liet de gouden haren over hare schouders stroomen.

Zij kon niet nalaten ze te bezien; zij flonkerden in het licht als een sluier van gouddraad.

— Dat zou wel mooi wezen om te schilderen; — Tiziaans vrouw is zoo.

Maar waartoe?

Zij kon een traan niet weerhouden.

— Moet ik dan de schoone bloemen vertrappen die herbloeien in mijn hart ?

Zij dacht aan den ring en nam hem, den ring dien zij te Paestum van hem gekregen had. Dat was eene aardigheid geweest; maar het spel was ernst geworden; hoe weinig dacht zij dat toen

Zij deed hem aan haar vinger, — en in een plotselingen stormigen aanval van haar hart drukte zij er een snellen kus op.

Toen kon de ring niet meer van haar vinger af; hoe zij wrons:, het werd

O 7

minder en minder mogelijk. Zij hield de geklemde plek aan haar mond; zij koelde den vinger in water,niets baatte.

Daar zag zij dat er door het wrijven en wringen een plekje begon te glinsteren; zij wreef het met een handschoen, het

32

ocr page 256

AMAZONE,

bruine vuil verdween en meer en meer werd het goud zichtbaar. Ja, de ring was van goud en zij maakte hem geheel schoon tot hij blonk als een effen trouwring. Er waren lettertjes in gegrift, flauw zichtbaar, maar zij kon ze eerst niet ontcijferen. Eindelijk las zij het: het was een van die bekende Romeinsche ringen en er stond op;

Amo te — ama me.

Zij fluisterde die woorden met zachte stem; h^t klonk zoo welluidend toen zij die woorden hardop uitsprak en haar hart zwol, voller en voller, en zij voelde zich zwichten.

Toen wierp zij zich op haar bed; zij hoorde haar uurwerk tikken en voelde het bonzen van haar hart.

Kracht — zwakheid kracht — zwakheid zoo tikte en bonsde liet in beiden heen en weder; altijd slingerend tusschen de twee uitersten. Zal het nooit in het midden blijven staan? Ach, als bet stilstond was het te laat.

Of zegt het

zelfzucht — liefde zelfzucht — liefde?

Zij stond op en ging schrijven; dichtregels, onzamenhan-gend, wild. Haar hoofd zonk tegen den stoel en do sluimer overmande haar. Later schrikte zij wakker; — zij had gedroomd van de twee rozenknoppen. Aisma had haar die eens gegeven en toen zij ze 's avonds van haar borst afnam waren zij daar ontloken en geheel opengegaan. Zij zag om zich heen en voelde of zij de rozen nog had aan haar borst. Eene lichte huivering deed haar trillen, zij kon hare tranen niet meer weerhouden; zij kustte den ring, lang, hartstochtelijk; — ik kan niet meer tegenstrijden — zuchtte zij en zij legde zich neer, de hand met den ring op haar hart, en een zachte ontspanning deed haar insluimeren.

ocr page 257

AMAZONE.

De vogels daar buiten zongen haar 's morgens wakker; had zij gedroomd? Wat was cr gebeurd? Neen, het was alles werkelijk en de ring kon niet van haar vinger ;

— Kn hij behoeft er ook niet meer af, goddank, zei ze-, weg met allen valschen waan.

Alas, 't is true,

Most true it is that 1 have looked on truth

Askance and strangely.

Zij sloeg het sonnet van Shakespeare op, waarvan deze regels haar waren ingevallen , en las het over.

Zij nam toen het deeltje met de Sonnetten, streepte het bedoelde aan en legde er het blaadje, waarop zij hare vertolking schreef, naast:

Helaas, 't is waar, ik doolde af en aan,

'k Heb mij een nar gemaakt voor 't oog, gewoeld

In eigen geest, voor niets het dierst verdaan.

Op nieuwe neiging ouden wrok gekoeld.

't Is waar, 't heb vreemd, met loenschen blik de deugd

En trouw bezien; maar, bij des hemels gloed,

Die warling gaf mijn hart een andre jeugd,

Beproeving toonde mij uw hoog gemoed.

Nu is 't voorbij; neem wat geen eind ooit vindt.

Ik wil mijn neiging op geen nieuwe proef

Meer slijpen, om een vriend die zoo bemint

Te toetsen, dien 'k met hart en geest behoef.

Geef mij uw welkom, vriend, vergiffenis.

Vergeving mij de beste heeling is. M.

Zij pakte dat in en liet Marietta het aan Aisma brengen.

Toen zij binnen kwam, vond zij den ouden heer al aan de ontbijttafel, brieven lezend die hij uit Holland ontvangen had. Zij stak hem lachend de hand toe en hij gaf er een kus op, zoo als hij gewoon was.

— Kind, zei hij, ik heb brieven die mij binnen een paar

25»

ocr page 258

AMAZONE.

weken te huis roepen; — trouwens, zoo als de zaken hier staan, is het ook maar beter dat wij niet langer blijven.

Zij lachte vroolijk en stak hem nogmaals hare hand toe; hij zag haar bevreemd aan, en toen /.ij hem spelend hare hand dicht bij het gezicht hield, toen eerst zag hij den ring, een anderen dan zij gewoon was te dragen.

— Wat is dat?

— Lees maar.

Hij wist niet recht hoe hij het had, maar hij las toch; amo te — ama me, en zijne verbazing werd er niet te minder om.

— Dat is de ring dien Aisma mij te Paestum gaf — hadt gij ooit gedacht dat er dat onder zat?

Hij zag aan haar gelaat, aan haar stem, hare vroolijkheid, dat er iets bizonders gebeurd was.

— Ja, dat zat er onder; ik heb hem schoon gemaakt van het oude vuil, begrijpt gij, van het oude vuil, — weg daarmee ; nu houd ik hem zoo en hij mag niet meer van mijn vinger af.

En half verlegen, half in overrompeling van vreugde viel zij hem om den hals en verborg haar gelaat tegen hem aan.

Goddank! mijn lieve Amazone is wijs geworden! Zie je wel, dat Herodotos gelijk had! En Aischulos, toen hij Prometheus zelfs deed zwichten!

— Nu, 't is mogelijk dat de oude kunst er iets toe gedaan heeft, — maar toch nog meer de nieuwe!

Inniger vreugd was den ouden heer in lang niet te beurt gevallen, en hij rustte niet voor dat Marciana hem alles, alles verteld had.

Aisma's toebereidselen voor zijn vertrek waren vertraagd, daar hij nog brieven wachtte die zijn verblijf in Griekenland voor zijne studiën gemakkelijk en vruchtbaar moesten maken.

252

ocr page 259

AMAZONE.

Hij had ook zijne belofte willen houden van niet terstond heen te gaan. Zijne Helena had hij echter al van den ezel genomen en ter zijde gezet; even als de Trojaansche grijsaard dacht hij: «hoe schoon zij ook zij, het is beter dat zij niet blijve en ons geen verder leed bereide.»

De eerste overspanning was geweken en hij had zich rekenschap zoeken te geven van zijn gevoel. De aanleiding die zijn hevige gevoelligheid had gewekt, wat Marciana dan ook voor Askol mocht gedaan hebben en hem geweigerd, dit alles trad op den achtergrond. Het mocht eene uitbarsting hebben te weeggebracht, het was niet de grondoorzaak. Deze lag in hare onverklaarbare houding jegens hem. Zij had hem toegelaten tot haar hart, al scheen zij het binnenste heiligdom daarvan voor hem gesloten te houden. En toen op eens, bij den eersten strijd, had zij hem dat doen voelen. Hare neiging scheen eerineer dan hare eigenliefde. Teederheid en zachtheid schenen haar te ontbreken. Gevoelloos had zij kunnen zijn tegen hem die zich geheel had geschonken. Dat was eigenlijk de anlt;rel, die hem gekwetst had.

O O

Met groote verwondering en eene pijnlijke gewaarwording zag hij op een morgen Marietta verschijnen, die hem een pakje gaf. Hij herkende al op een afstand de hand van het adres en legde het pakje neer; hij vreesde het te openen.

— Wel Marietta, zei hij, heb je mijn teekening goed verkocht ?

Mariette bloosde en zei aarzelend;

— Ik mag het eigenlijk niet zeggen.....maar la Signora

beeft ze dadelijk van mij gekocht en er een lijst om laten zetten, heelemaal in 't goud, en ze op haar eigen kamer opgehangen.

Zoo, stelde zij er dan toch belang in die teekening van hem te hebben, in haar eigen kamer — en Aisma deed het pakje open en vond het boekje en daarin bij de twee aan

253

ocr page 260

AMAZONE.

gestreepte sonnetten CX en CXI het beschreven blad. 1 lij las en wist niet wat hem overkwam. 1 lij herlas het en zijne aandoening nam toe. Dit was toch wel ondubbelzinnig? Was het dan waar? Geene begoocheling bedroog hem? De letters schemerden hem, maar de zin klonk hem duidelijk toe; 't Is

waar, ik heb.....op nieuwe neiging ouden wrok gekoeld —

neem wat geen einde vindt — ik wil mijn neiging op geen nieuwe proef meer slijpen, om een vriend te toetsen — dien 'k met hart en geest behoef — vergeving. — Dat was toch niet enkel een bekentenis van ongelijk — en las zijn hart niet goed als het tusschen de regels meer voelde dan las ?

Daar stond nog achter op het blaadje een later bijgevoegd woord:

«Wat gij mij omtrent Askol gevraagd hebt — geloof mij, daarin is niets dat u kan kwetsen,

«Kom nog niet — laat ik mij eerst goed beproeven en tot klaarheid komen; geen overijling.

Uwe

M.

Marietta zat in een hoekje van het atelier te wachten en bekeek de fraaie stoffen die er lagen en speelde met een

bloedkoralen ketting. Zij had haar eigene bespiegelingen; zij

bevroedde niet en ze zou ook niet begrepen hebben de wonderlijke eigenzinnigheden en ideeën die hare Signora en den schilder

■ hadden samengebracht en van

fv O

elkander gestooten. Zij beminnen elkander, dacht zij en had zij al lang gedacht, maar waar-

om dan niet dadelijk toegegeven ? Zij had niet zoo lang ge

ocr page 261

AMAZONE.

weifeld met Angelo; toen hij haar middel vatte en kuste, had zij dadelijk ja gezegd. Maar dat schijnt bij die vreemdelingen uit het Noorden anders te zijn. Zij begreep ook niet waarom de Signora zoo neerslachtig was geworden en de schilder ook en zij elkander niet meer zagen. Het was zoo eenvoudig; als men elkander gaarne heeft, dan geeft men zich aan elkander. Het moet zeker de schuld der mannen zijn, want Angelo was ook soms vreemd.

Of ze nu weer goede vrienden worden r dacht zij; zeker wel, als zij den schilder aanzag, want hij geleek wel vol vreugde.

Deze had haar gezegd nog even te wachten en hij schreef intusschen ;

Mijn lieve Marciana — niet waar, ik heb u begrepen en ik mag dit woord voor het eerst aan u schrijven? Dat woord dat mijn hart duizendmaal uitgesproken heeft, zacht en luid. Mijn lieve! uw schrijven heeft mij zoo gelukkig gemaakt. Beschuldig u niet; ik begrijp het nu wel, ik ben zelf zoo geweest tot ik gezwicht heb en mij gewonnen gegeven. Wat het overige aangaat, ik wil u gelooven. Ik zal niet komen voor dat gij in uw zelve weer helderheid hebt en rust; «vergeving» hebt gij niet te vragen, ik zou ze ook van u behoeven; ik neem liever «wat geen einde vindt» en neem gij het van mij,

Uw eigenen

Si WART.

255

ocr page 262

XXVII.

n opgewekte stemining ging hij uit en het scheen hem of alles vroolijker was en meer levend op de straten. Hij was geheel overrompeld geworden en had geen tijd van nadenken gehad en geene stemming gevoeld om terstond na te denken. Nu kwamen er toch eenige nagedachten zijne stemming kruisen. Eigenlijk wist hij het rechte toch niet, dat moest hij wel ontwaren; de nevel was verscheurd, maar duidelijk was alles hem toch niet. ja, hij begreep dat hare ziel door dezelfde slingeringen was bewogen, die hem hadden beroerd, dat zij nu tot het bewustzijn was gekomen dat hem zeiven eerder was verrezen; dat zij leed voelde over haar toon en houding tegenover hem, dat zij hare neiging niet ontveinsde.

Zoo peinzende hoorde hij op de hoek eener straat zijn naam roepen en stond plotseling voor Salvinti met den beeldhouwer. Tot ontwijken geen mogelijkheid.

— Ho, riep Salviati, onze vriend is blij u te ontmoeten, Aisma; er kan geen misverstand meer zijn, hoort gij?

— Mijnheer Aisma, zei Askol, mevrouw van Buren heeft revraaed dat ik u de hand zou reiken en u verzekeren

f

ocr page 263

AMAZONE.

dat cr voor eenige gevoeligheid bij u volstrekt geen grond bestaat, — ik wil dat gaarne doen.

Aisma za;^ hem aan; er was in de oogen des beeldhouwers, die soms konden vonkelen bij geestdrift, gewoonlijk zulk eene trouwhartige uitdrukking,

dat het onmogelijk was er niet door te worden aangetrokken. 1 lij weifelde niet meer ; zijn eigen rondheid voelde terstond die van een ander. En zoo liet hij zich medenemen om samen den middag met elkander door te brengen.

Stormen hadden hun weerstandsvermogen gehard , stormen hadden hen van elkander gezweept,

maar eindelijk de bebloemde twijgen tot elkander gebogen, ze te zamen gestrengeld. Vrede en vreugde vervingen de lievige beroering. De natuur heeft zulke oogen-blikken als na knetterenden donder en bliksemlichten, na het barsten en neergudsen der wolken, het oproer zwijgt en de zon weer doorbreekt. Dan hoort men op eens weer de vogels kweelen, en zij schallen het uit met duizend kreten, hunne verlossing van angst, hun blij herleven, den herstelden vrede in de natuur.

Marciana had het ook wel willen uitschallen, maar zij hield zich eerst nog terug met zelfbedwang. Toch had zij te veel op haar hart dat haakte naar bekentenis en mededeeling en zij schreef aan Aisma:

257

33

ocr page 264

AMAZONE.

Ik heb behoefte n te schrijven, ja, gij hebt mij goed verstaan; het was het antwoord op wat gij mij in de Villa Borghese geschonken en gevraagd hebt. Ik had goed te maken wat ik toen misdeed. Nu ik eens over mijne hoofdigheid heen ben, nu ik inzie dat ik mijn gevoel geen geweld meer wil aandoen, mijn trouwe, goede, heb ik uw vergeving toch npodig. Eens zeg ik veel meer, en zeg u ook alles omtrent Askol, — maar later, als wij eens zeer vertrouwelijk spreken. Ik heb hem geschreven, gij kunt hem gerust ontmoeten , er is geen misverstand meer.

— Maar nu terstond zal ik u ook duidelijk zeggen waarom ik vroeger getwijfeld en gestreden heb, waarom ik daarna zoo halsstarrig heb volgehouden. Hoe weinig dacht gij, toen ik mij beleedigd vond door uwe vraag en ik u zoo koel behandelde, omdat ik mij groot wilde houden tegen u, dat ik eigenlijk toen haast aan uw hals had willen vallen en u alles bekennen en zeggen: neen het is geen vriendschap, het zs liefde. Maar ik was niet met mij zelve tot klaarheid. Ach, gij moet mij begrijpen; ik heb zoo veel geleden, vroeger, zoo veel misrekening en miskenning, zoo veel dorheid en platheid gezien. Toen heb ik als de Amazonen het gevoel uit mijn borst willen verwijderen, dat zoo veel ellende geeft als het gekrenkt wordt. Ik heb behoefte aan vrijheid en mijn eigen aard, en ik vond daarin het eenige middel om die te behouden. Dat was mijn eenige vertwijfeling. Maar nu begrijp ik, dat ik mijn vrijheid en eigen denkbeelden u niet ten offer behoef te brengen, — dat ik ze niet verlies als zij vrijwillig om u heen hun ranken winden; gij zult ze niet afsnijden en miskennen , niet waar ?

Dat ik u zou verheffen en groot maken, zoo als gij mij zeidet, — o maak mij niet te trotsch, want ik zou het wel gaarne wilde gelooven.

Gij hebt mij terstond aangetrokken, maar ik was bang om

ocr page 265

AMAZONE.

mij zelve te verliezen en ik dacht, laat ik naast hem blijven, maar onafhankelijk. Ik had al vroeg geleerd in leed mij nog vreugde te scheppen, aan geen klagen toe te geven; niet uit deemoed maar uit hoogmoed. Mijne ziel was oud geworden — maar mijn hart was nog jong, zoo jong als een jonge zwaluw, die haar eerste tocht maakt over de groote wijde zee. Allengs heeft uw beeld zich meer en meer in mijne gedachten ingeweven. Als ik alleen was en ik overpeinsde dat mijn wezen uwe gedachten vervulde, als ik met gloeiende wangen daaraan dacht, voelde ik dat uwe liefde zich had medegedeeld en ik lief had zoo als nooit te voren. Ik meende, laat het zieleneenheid blijven, maar ik ontwaarde wel, het was meer, het was het groote, hooge waarvan ik eenmaal gedroomd had. Mijne droomen van dat groote hooge gevoel, van een dubbelleven, dieper en rijker dan het enkele, al die illusies zonder naam, aandoeningen en wenschen zonder vorm, zij herleefden en namen meer bepaalde gedachten aan. Nu geloof ik; ik geloof aan hun bestaan; ik weet. Gij hebt mij weer gewekt tot een hooger, grooter leven, ik ben uw schepsel geworden, uw eigen geheel. En gij wildet heengaan? Ach, ge wist ook wel dat scheiding voor ons verdorring was. O, het beloofde land van Mozes, dat spookte in mijn hoofd. Vroeger had ik dat in dicht willen brengen, het is zoo schoon; zijn God was genadig dat hij Mozes liet sterven, als hij dat land toch niet mocht genaken. Maar nu is het anders? liet ligt voor ons open, en wij mogen leven.

Uwe Marciana.

's Avonds kreeg zij een briefje van Aisma, en zij was er gelukkig mede.

— Ik kan niet zoo schrijven als gij, zeide hij haar, maar mijn gemoed is vol. Herleven! zoo klinkt het. Kn het klinkt in mijn oor als de oproepende krijgsmuziek; de trompetten

259

ocr page 266

AMAZONE.

doen mij trillen, de ruiter richt zich op in zijne stijgbeugels, hij zwaait zijn kling om zijn hoofd, en hij stormt voorwaarts.

Ik heb dezelfde gevoelens gehad als gij; ik ben ook verbitterd geworden op de wereld; en ik dacht dat eenige slechte individuen dc wereld zijn. Maar ons wezen is anders dan onze leer, wij blijven ten slotte wat wij zijn. Ik begrijp nu alles. Weet gij nog van het mooie vrouwtje te Paestum ? «De laatste roos van Paestum,» zeidet gij toen, — hoe spoedig heeft zich al ieder woord van u in mijne herinnering vastgezet! Neen niet de laatste roos was zij, daar bloeiden er nog meer, daar was er nog eene die gij noch ik kende, maar wij hebben ze toch van daar meegebracht en op éen dag is zij in onze harten ontloken.

Daar was voor hem nu geen sprake meer van vertrek, ver en alleen. Hij schreef een langen opgewekten brief aan zijne zuster, alles door elkander, zonder kop noch staart. Zijne Helena stond weer op den ezel en hij schilderde een dag met gloed en vuur, en zijn werk verried liet fijne gevoel dat hem uelukkiir stemde en bezielde. Gewis, het zou een werk worden waarvan gesproken werd. Zij bezielde zijn talent. Neen, daar is geen strijd, geen naijver tusschen Eroos en de Muse; dichter wordt wien Kroos liefheeft, zegt Platoon, en dit is eene waarheid.

Nogmaals schreef hem Marciana;

— Ik ben weer jong geworden en overmoedig; ik zou lust hebben in allerlei ontboezeming. Ik geef mijn hart en ziel weg; zij werden al lang naar u heen getrokken, daar! Ik heb aan Ada alles verteld en haar goede hart deelt er geheel in. Mijn oom is haast zoo gelukkig als of hij een splinternieuwe ode van Horatius had gevonden. Paestum, ja! weet gij nog van den ring dien gij mij daar gegeven hebt, bij den tempel van Ceres? Dat was een tooverring, die heeft mij behekst;

200

ocr page 267

AMAZONE,

verbeeld u dat ik ... . neen, dat vertel ik liever. Binnen kort gaat gij de Helena voltooien — als ik er eens voor mag zitten. Mag ik ? —

Waartoe langer gewacht, dacht Aisma, en hij zond haar op een morgen eene korf vol prachtige rozen. Daar onder lag een kort briefje, waarin hij zei dat hij straks zelf kwam.

Hij ging naar de Piazza di Spagna; zijn hart bonsde toen hij voor de deur der kamer gekomen was. Hij trad binnen.

Zij stond bij hare schrijftafel en wendde het hoofd naar hem om; niet ontsteld, een zachte glimlach speelde over haar gelaat en zij zag hem aan met een open, vertrouwelijken opslag van het oog.

Hij wist nu alles en zonder een woord te zeggen sloeg hij

201

ocr page 268

AMAZONE.

zijnen arm om haar heen. Haar hoofd zonk achterover, hare lippen openden zich tot een glimlach van geluk , zij sloot de oogen, en de halsstarrige Amazone gaf zich gewonnen.

Zij bemerkten niet dat de heer van Walborch binnenkwam; vreugde stroomde op eens in zijn gemoed;

— Felix Roma! riep hij, dat heeft mijn Rome bewerkt!

En toen Marciana hem om den hals viel en hij Aisma's

hand in de zijne hield, dacht hij, om de aandoening die hem aangreep te verontschuldigen: kom! 1 loratius is toch ook een mensch geweest.

Toen zij voor hun gezamenlijk vertrek uit Rome nog eenmaal met hun drieën de verschillende geliefde plaatsen bezochten , kwamen zij ook eens op het Capitool. De oude heer troonde hen mede naar de groote galerij ter linker, naar de zaal der Amazone. Daar stonden zij voor het heerlijke beeld, vol van hunne gedachten.

— Nu zie ik het met andere oogen aan, zei Marciana. Arme Amazone, met uw weemoedig naar uw wond gebogen hoold; gij blijft, wij menschen kunnen gelukkig veranderen.

Toen gingen zij naar het altaar der gemoedsrust, de ara tranquillitatis.

— Hier heb ik die vaak gezocht, zeide zij, maar door afsluiting van het hart, — en zij is alleen te vinden als het zich opent.

— Komt hier, kinderen, zei de oude heer, een eind verder, hier is de oplossing.

En aan de voeten van het schoone beeld dat daar prijkte in de nis, legde hij hunne handen samen en zei:

Venus Victrix ! Ave !

202

ocr page 269

XXVIII.

e volle zomergloed deed de reizigers Rome verlaten en naar het Noorden terugkeeren.

Ada ging in de Zwitsersche hooglanden de koelte zoeken , in eenzaam zwerversleven, Aisma had haar eens een zweem van werkkracht ingeboezemd, maar thans liet zij die weer glippen. Mad zij een krachtigen geest naast zich gehad, ware zij daarmee verbonden, haar teedere rank had er zich wellicht aan kunnen steunen. Kracht in zich zelve te vinden was haar nauwelijks mogelijk. Daar kwam in haar vriendelijk hart geen afgunst, nu zij wist dat Marciana gelukkig was, maar wel hing weer te zwaarder de wolk over haar gemoed. Doch eens vond zij een voorwerp waaraan zich hare behoefte des harten kon hechten en werkzaam betoonen. Zij had het vroeger gezocht in vogels en andere dieren, nu wilde het

ocr page 270

AMAZONE.

toeval dat zij in een pension een kind vond dat verwaarloosd en verstooten was, omdat het bezijden de regels der maat schappij in het leven was gekomen. Zij nam het tot zich, voedde het op, hechtte er zich sterk aan en — alle ernstig werk brengt zijne zegening. Het kind verlostte haar van hare werkelooze ledigheid, gaf haar leven een doel, een gezelschap. Zij begon zicli zelve er voor te vergeten, door de kleine plichten der werkelijkheid, zich in te spannen voor dat kind. De toewijding aan een kind, de zorg voor een jeugdig zieltje, doodden alle egoïsme, alle overdreven bezigheid met zich zelve. Jexus heeft de kinderen gezegend, en dat was een wijze en diepzinnige daad. Het kind is de ware verlosser. Met een weinig verstand en veel liefde gekweekt, is het een huisgodje dat zegen brengt.

De goede Salviati schrijft later wel eens een vroolijken brief aan de vrienden.

— E, zegt hij steeds, het leven is toch zoo schoon, — als de menschen het maar zelf niet bederven.

Askol oogstte den roem dien zijne Amazonegroep verdiende; hij meldde eens dat hij uit Amerika eene bestelling had ont-vaneen om haar in marmer uit te voeren. Aisma ontving daarvan de fotografie zonder eenige bitterheid, omdat hij nu alles weet en hij met zijne Marciana vereenigd is.

1 lun eerste bezoek in Holland was bij Aisrna's zuster geweest, een van die goede geesten, in welke de zachtheid van Ada en de fiere kracht van Marciana vereenigd waren tot rust en edelen zin. Zij zag toen haar broeder aan en zei met een glimlach;

— Wel, heeft het zwarte nu het overwicht ? En is de slotsom teleurstelling? En is afsluiting het beste middel?

— Wij hebben elkanders gemoed helder gestormd, zei hij vroolijk, en de lucht is weer hoog en blauw boven ons; wij zullen de som nog eens overtellen, niet waar, Marciana ?

2Ó4

ocr page 271

tl -jfe vc 3 o

AMAZONE. 2Ó5

— Wij zullen nog eens overtellen, wij hebben de uitkomst te vroeg gesteld, ik geloof wel dat zij deze zal zijn, dat wij niet verliezen maar winnen als wij ons aan elkander schenken.

Van Walborch mist nu het dagelijksch bijzijn van Marciana, maar hij heeft Aisma gewonnen en — Horatius troost hem.

Juppiter

Det vitam, (let opes; aequum mi animum ipse parabo.

Leven en welvaart geve ons Zeus; zelf schaf ik mij zielsrust.

En voor het volgende jaar maken zij plannen om samen naar Athene te gaan.

Toch bleef Rome hun altijd «de demonische, de godlijke stad», en al keeren zij terug naar het Noorden, al ligt er tusschen het Zuiden en hen de besneeuwde rotswand, van Italië en zijne kunstwereld hebben zij met zich genomen den eeuwigen zonneschijn, die tintelt over hun leven.

34

ocr page 272

iffwm

ocr page 273
ocr page 274
ocr page 275
ocr page 276
ocr page 277
ocr page 278