-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-

/

-ocr page 4-
-ocr page 5-

/

DE NAVOLGING

van hi:t

H. HARTVANJESUS.

A.

-ocr page 6-

Snelpersd. van L. F. VAN GENK. 's-Bosch.

-ocr page 7-

DE NAVOLG™ ., ,

v ak /6 VAN HET ^30(P

H. HART VAN JESUS

yipR fPWïïy

door

P. J. ARNOLD. S. J.

^Uit liet Latijn in het Holiandsch overgebracht,

door

F. W. TSCmEBSCHK

R. K. Pr.

Vierde verbeterde druk.

Gr, MOSMAJJS, GROOTE MARKT A. 14. Ti;'s-BOSCH. 1879.

-ocr page 8-

IMPRIMATUR:

J. H. WENSING,

Ultraj, 22 Augusli 1S69. Emer. Prof. I.i'jr. Cens.

-ocr page 9-

VOORWOORD VAN DEN VERTALER.

Alle groote devotiën, welke door G ods geest in de Kerk worden opgewekt, schijnen bestemd, een genezenden invloed uit te oefenen op dat tijdperk, waarin ze als door een geheimzinnige kracht meer worden verspreid en beoefenaars en leden winnen. Die bewering geldt voorzeker van de godsvrucht tot het H. Hart van Jesus. Eenieder, die de geschiedenis dier Broederschap met ernst doorloopt 1), zal zich met ons overtuigen, dat het de wensch des Heeren schijnt te zijn, juist in onze dagen, aan de vereering van het H. Hart meerder uitbreiding en invloed te zien gegeven om daardoor de

1) Twee werkjea mogen daartoe vooral worden aanbevolen: „De gelukzalige Margaretha Maria Alacoque door M. L. Guérinquot; en ,de devotie tot het H. Hart van Jesus, door J. B. Dalgairus.quot;

-ocr page 10-

YOOKWOORD.

VI

afgedwaalden, hetzij regtstreeks hetzij door de voorbede van anderen, wederom op den regten weg terug te voeren. En wie een blik om zich werpt, op do geschiedenis onzer dagen en op do verwarring en boosheid der geesten, hij zal, het kan niet anders, beseffen, dat aan onzen god-delijken Verlosser thans vooral niets zoo welkom kan wezen, als de vurige vereering zijns Harten. Voorwaar, nooit werd dat goddelijk Hart, welks verhevenste liefdegloed. God bewoog in menschen-gedaante op aarde te verschijnen, den mensch te verlossen en zijn blijvende woonplaats bij hem op te slaan, zoo ont-eerd, zoo miskend. De wereld scheidt zich meer en meer in twee soorten van menschen, waarvan de eeno alles loochent, alles hoont, wat de liefde van dat goddelijk Hart sinds het begin der wereld tot op onze dagen heeft gedaan om het hart des menschen voor zich te winnen, terwijl de andere als een kleine kudde zich schaart om den minnelijken Weldoener der wereld. Dubbel is de zoete pligt van deze laatste: — dankbaarheid namelijk, die zich vooral toont in navolging, en vergoeding voor de oneer, waarmede anderen Jesus overladen. Het verlangen om dit dubbel streven te bevorderen bewoog den Eerw. Pater Arnold om zijn heerlijk werkje over de navolging van Jesus' Hart te schrijven

-ocr page 11-

VOORWOORD.

en in lict_lieht te geven. Wij, om ons evenzeer van dien pligt te kwijten, zagen er eene gelegenheid in zoo schoon, dat wij zelf stout iets ondernamen, wat welligt aan meer bekwame handen beter ware toevertrouwd geweest.

Moge dit werkje onder Gods zegen, vele lezers maar vooral vele beoefenaars vinden en tot navolging van Jesus Hart vormen.

VII

-ocr page 12-

Beoordeeling van den Hoog Eerwaarden Pater

J. ROOTHAAN.

Generaal-Overste der Societeit van Jesus.

Genomen uit zijn brief aan den Schrijver.

„Aan den Eerw. Pater in Christus P. C.

Ik heb in den tijd het handschrift over de Navolging van het H, Hart van Jesus, door UEerw. vervaardigd en dat het jaartal 1846 draagt, ontvangen. Zoowel de inhoud van dat werk als de ijver van UEerw, om die zoo heilzame en aanbevelenswaardige godsvrucht-oefeningen te bevorderen, heeft mijne hoogste goedkeuring weggedragen. Ik hoop, dat het werk van UEerw. tot nut der (Jhristen-geloovigen in druk worde gegeven.

Ik blijf van

UEerwaarde de dienaar in Christus J. ROOTHAAN.quot;

-ocr page 13-

KERKELIJKE BOllBTOlffiM.

1. ,Ik heb het werkje, getiteld: „De Navolging van het H. Hart van Jesus,quot; gelezen. Dat werk bevalt mij zeer en schijnt bovenal geschikt om de liefde tot het H. Hart van Jesus in de harten der geloovigen te ontvlammen, overvloedige stof ter overweging aan te bieden zoowel als den weg der deugd en der hoogste volmaaktheid aan te wijzen. Ik oordeel geen beletsel voor den druk aanwezig en veel minder oordeel ik, dat het iets behelst, wat 'strijdig zou zijn met het geloof of de goede zeden. (Prim. Cens. Prof. Theol. mor.)quot;

2. „Ik heb het werk, tot opschrift voerend: „Vier boeken over de Navolging van hetH. Hart van Jesus,quot; gelezen. Vooreerst: de stof des schrijvers bevalt mij dewijl zij den lezer en hem, die overweegt, veelvuldige vruchten

-ocr page 14-

KERKELIJKE GOEDKEURINGEN.

kan opleveren. Vervolgens is de wijze, waarop de schrijver zijne stof behandeld heeft, volmaakt te noemen. Eindelijk draagt zijn stijl die natuurlijke eenvoudigheid, die inneemt. Ik zie dan ook niet in, wat men in dit werkje nog' meer zon kunnen verlangen. Daarenbo-

O ^

ven heb ik er niets in gevonden, wat het geloof of de ware en regtzinnige zedeleer zou kunnen kwetsen. (Soe. Cens. Prof. Theol-dogm,)quot;

3, „Ik heb het boek, getiteld: ,De Navolging van het H. Hart van Jesus,quot; gelezen en acht het zeer geschikt om het verlangen naar de volmaaktheid op te wekken en tevens den lezer een gids te zijn om met zekere schreden den weg der volmaaldheid te bewandelen. (Tert. Cens. D. D,)quot;

X

4. „Wij veroorlooven den druk van het werkje, dat de zielen tot heiligheid voert. (Quart. Cens. Sup.)quot;

---lt;$..lt;gt;---

-ocr page 15-

VOORREDE.

1. De vereering van het Allerheiligst Hart van Jesus den Zoon van God, is eene bijzondere en de oudste van allo godsvrucht-oefeningen. Vóór dat do H. Sacramenten waren ingesteld, vóór dat eenige andere voorwerpen van godsvrucht bestonden, was hot reeds do allerzaligste Maagd Maria, die het allerzoetste Hart van Jesus vereerde; was het reeds de H. Joseph, die dat Hart met zijne liefde omvatte; reeds de herders en de wijzen, Simeon en Anna, reeds do Apostelen en de leerlingen werden tot en door dat Hart getrokken; daaraan wijdden zij al hunne aandacht, al hunne liefde. Nadat echter Jesus alle menschen tot zich had geroepen om van Hem te loeren: „dat Hij zachtmoedig en nederig van harte is;quot; nadat Hij uit de schatkamer zijns Harten de beste gave, het Allerheiligst Sacrament des Altaars, had voortgebragt; nadat Hij eindelijk aan het kruis zijn Hart had willen doen openen en geopend had willen houden als een toevlugtsoord voor allen, is ook de vereering van zijn goddelijk Hart in vurigheid grootelijks geklommen. Heeds de Apostelen verspreidden die meer bijzondere godsvrucht over geheel de aarde. Vervolgens werd zij door de H. Kerkvaders op teederste wijze beoefend en met den meesten godsdienstijver aanbevolen. Na hen waren de Heiligen van alle volgende eeuwen godvruchtige leerlingen van het Hart van Jesus.

-ocr page 16-

VOORREDE.

Doch toen de volheid der tijden was aangebroken, waarin Hij had vastgesteld al de schatten zijns Harten uit te storten, deed zich de mildheid des Zaligmakers kennen; Hij zelf veropenbaarde zijnen wil, dat in het vervolg de godsvrucht tot zijn Allerheiligst Hart de meest bijzondere godsdienstige vereeniging zoude wezen; Hij verzekerde en beloofde overvloedig zijne genaden te willen uitstorten over allen, die zich aan deze meer bijzondere vereering zijns Harten zouden toewijden.

2. Het voorwerp dezer vereering is het Hart van Jesus zelf. Dewijl er echter in Jesus Christus twee naturen zijn, een goddelijke en eene menschelyke, en slechts één persoon, namelijk een goddelijk persoon, in Hem is, volgt het dat Jesus Hart, het Hart is van een goddelijk persoon, van het vleesch geworden Woord. En dewijl aan oen goddelijk persoon de hoogste vereering moet worden bewezen, volgt het evenzeer, dat onze vereering jegens het Allerheiligst Hart van Jesus, dat van den goddelijkeu persoon noch verwijderd noch gescheiden kan worden, ook de hoogste moet wezen. Zoo luidt de katholieke waarheid, die de tegenovergestelde dwalingen te niet doet.

3. Het doel dezer vereering is hoofdzakelijk drievoudig. En wel vooreerst op allerlei wijzen aan Jesus wederliefde te betoonen voor zijne onmetelijke liefde, waarvan wij het zinnebeeld hebben in zijn Hart, dat zooveel en zoo grootsch voor ons heeft gedaan en geleden en waarin Hij ons het kostbaarste en allerbeminne-

XII

-ocr page 17-

VOORRKDE.

lijkste Sacrament des Altaars heeft geschonken. Vervolgens door het vuur onzer godvruchtige toegenegenheid, voor zooverre ons doenlijk, Hem schadeloos te stellen voor alle beleedigin-gen, die zijn heiligst Hart, door Hem zeiven tot den zetel van al zijne genegenheden gesteld, ooit werden en thans nog worden aangedaan. Ten derde eindelijk opdat ■wij navolgend, wat wij vereeren, dezelfde gehechtheden, dezelfde gevoelens in ons zouden overnemen, die zijn Hart gedurende zijn werkend en lijdend leven en nu nog gedurende zijn Sacramenteel en glorievol leven bezielen.

4. Uit de oudheid, uit het voorwerp en uit het veelvoudig doel dezer vereering blijkt, dat zij de beste, de vruchtbaarste de degelijkste en de troostvolste is. Maar dewijl het voordeel van den godsdienst is gelegen in de navolging van hetgeen wij vereeren en alle overige doeleinden in de ware navolging zijn opgesloten en nagestreefd worden, daarom dan, om die navolging te bevorderen en voor zoo ver het ons geoorloofd is, te regelen, bieden wij een ieder dit werkje aan.

5. Dit boek, waarin gij den beknopten inhoud der ascetische godgeleerdheid, zoowel de leer als de beoefening van het geestelijk en inwendig loven omvattend, wedervindt, zal u gedurende geheel het jaar overvloedig stof tot dagelijksche meditatie opleveren. Indien gij liet zoo elk jaar doorloopt, hot meer aandachtig onderzoekt, zult gij het in uwen geest en in uw hart diepere indrukken doen achterlaten.

XIII

-ocr page 18-

VOOEEEDE.

Gij kunt, indien gij wilt, van het begin zonder te onderbreken, tot het einde toe voortgaan of wel vooraan beginnend, den geregelden gang somtijds onderbreken, wanneer de een of andere noodzakelijkheid of het een of ander nut u aanspoort een ander meer geschikt gedeelte te kiezen, of wanneer uwe godsvrucht u op do dagen, waarop gij tot het Allerheiligst 'Sacrament nadert tot het laatste boek uitnoodigt.

6. Er worden u hier niet, zooals dat gewoonlijk geschiedt in boeken, die ons do stof voor overweging geven, algemeenheden en stellingen aangeboden, die op een ieder toepasselijk zijn , maar wel bijzonderheden en raadgevingen over het kwaad, dat vermeden, over het goede, wat gedaan moet worden, die elk in het bijzonder raken en dat wel om zeer gewichtige redenen. Ten eerste, opdat niemand in het onzekere wan-dele, of in de lucht sla door alles, wat hij in het voorbijgaan ontmoet, zich ten doel of ter beoefening te kiezen, zonder evenwel iets te bereiken of iets uit te rigten. Vervolgens, opdat hij, door zich aanhoudend iets bepaalds voor oogen te stellen, ook de krachten en inspanningen zoowel aan zijne overweging en gebeden, als aan het onderzoek en de goede werken gewijd, daarheen rigte om strijdende te overwinnen en voortstro-vende iets meester te worden. Eindelijk, opdat hij al de ondeugden, die in zekeren zin de oorzaken en wortelen zijn van de overige gebreken, een voor een uitrooijende, des te gemakkelijker en niet beter gevolg ze allen uitroeije, en de hoofddeugden, waarvan Jesus ons in de nede-

XIV

-ocr page 19-

VOORREDK.

i'igheid en liefde zijns Harten bovenal een voorbeeld heeft gegeven, een voor een aanleerend en zich eigen makend, des te gereeder en zekerder de overige deugden verkrijge.

7. Wat de wijze der behandeling betreft, hoewel het maar al te waar is, dat het woord van Christus niet in verhevenheid van taal of geleerdheid moet worden verkondigd, dewijl het rijk Gods niet in het woord maar in do kracht is gelegen meenden wij toch aan twee dingen vooral onze zorg te moeten schenken: en wel vooreerst dat de stijl aan do behandelde stof steeds zou. beantwoorden en ten andere, dat onze taal zoo gekuischt mogelijk zoude wezen.

8. Eindelijk moeten wij nog aanmerken, dat de strekking van dit boekje niet zoozeer is, openlijk gelezen to worden voor anderen dan wel, dat het gelezen worde door hom alleen: die er gebruik van wenscht te maken. De vorm toch en de redeneertrant zijn zoo ingerigt, dat gij, om er van te genieten, in zekere mate u als alleen met Jesus van mond tot mond, van hart tot hart moet onderhouden.

XV

-ocr page 20-

CL

-ocr page 21-

WIJZE 01 GOD VRUCHXI a

DE 11. 911» ^ BIJ TE WONEN.

O.

S' ---o-o-—■

De geestelijke schrijvers stellen de volgende wijze van Mis te liooren, als een der nuttigste ^ voor en wel om deze redenen:

1. Omdat men den priester gedurende den l voortgang der heilige offerdaad vergezelt, en dit

is de heiligste en gepaste wijze om dezelve bij te wonen.

2. Omdat men tevens het Hart van Jesus in alle toestanden gedurende deszelfs lijden vereert.

3. Omdat men in de gevoelens, bewegingen en neigingen van dit aanbiddenswaardig Hart dieper en dieper ingaat, en 't alzoo gemakkelijker wordt, zich zeiven daarvan te doordringen.

4. Omdat op deze wijze de H. Mis eene soort van inwendig gebed en eene zeer heilzame overweging wordt. B.

Q C

-ocr page 22-

XVIII

Deze wijze heeft verder nog een voordeel, dat, Avanneer men gedurende de H. Mis. wil communiceer en, de gevoelens waarmede men zich tot aan de communie bezig houdt, eene gepaste voorbereiding zijn, om aan de genade van het Sakrament deelachtig te worden en tevens rijke stof tot dankzegging aanbieden.

EERSTE DEEL.

Van het begin der H. Mis tot aan het Evangelie.

Het biddende en lijdende Hart van Jems.

Mijn liefderijke Verlosser, Gij bidt en zucht! Van droefheid en smart is uw Hart overstelpt. Hoevele redenen hebt Gij om te zuchten en te weenen! Wat zich aan uwe oogen voordoet, pijnigt uw Hart en dompelt het in eene zee van bitterheid.

De beklagenswaardige toestand der wereld,de misdaden en uitspattingen, waaraan de menschen zich overgeven, de boosheid, waarvan de aarde overvloeit, de duizende zielen, welke dagelijks ten gronde gaan en ter helle varen, de eer uws Vaders door de menschen met voeten vertreden, het aannaderen van uw lijden en uwe pijnen,

-ocr page 23-

XIX

het vruditelooze uwer smarten voor eene menigte zondaars, die ondanks de vergieting uws bloeds niet zullen ophouden U te beleedigen

en zich zei ven voor eeuwig te verderven. _

zie! dit zijn voor U zoo vele bronnen van zuchten en tranen.

Ik zelf, o mijn God, ik zelf geef'TJ op nieuw reden daartoe. Ja, gij zucht over mij. Gij ziet den beklagenswaardigen toestand mijner ziel, mijne laauwheid en nalatigheid, mijne veelvuldige ongetrouwheid en het herhaaldelijk weerstand bieden aan uwe genade, de geringe droefheid over mijne zonden, den zwakken ijver om mij te verbeteren, het gevaar waaraan ik mij blootstel om in dezen bejanimerenswaardigen toestand te sterven. Gij, mijn Jezus! zucht daarover, en ik ben onverschillig; Gij zijt bedroefd, en ik blijf onbewogen. Ik, ik behoorde mijn leven in klagen en weeuen door te brengen, en en mijn hart geeft zich over aan aardsche genoegens en voortdurende verstrooi] ing.

Het treurige en meest schuldige hierbij nog is; dat ik in dezen rampzaligen staat er niet aan denk om, ten einde daaruit bevrijd te worden, mijn toevlugt tot het gebed te nemen.

-ocr page 24-

XX

Hart Tan mijn God, Gij bidt, en ik bid niet; of, indien ik bid, doe ik het met zoo weinig godsvrucht en oplettendheid, dat mijn gebed niet verdient door te dringen tot voor den troon uwer barmhartigheid. O God ! leer mij bidden, of laat ten minste mij n gebed uit kracht van het offer, dat ik U opdraag, voor uwe oogea welgevallig zijn. Vol van dit vertrouwen, draag ik U, o God, nederig mijne gebeden op, vooral tot heil mijner ziel, wier ellende en uitersten nood Gij dagelijks ziet en kent.

Maar ook voor al diegenen bid ik, o Heer, voor wie ik verpligt ben te bidden. Voor mijne ouders: geef, dat wij meer door de banden der genade dan des bloeds vereenigd zijn: voor mijne vrienden; wees Gij het middenpunt en de band onzer vriendschap; voor mijne weldoeners; vergeld hun honderdvoudig het goede, dat ik van hen ontving; voor mijne vijanden; verleen hun overvloedige genade; dit is de eenige liefdewraak, waarnaar ik verlang.

Ook bid en smeek ik U, o God, inzonderheid voor de heilige R. K. Kerk, onze liefdevolle Moeder; voor den Paus, de Bisschoppen en alle Priesters; voor de wereldlijke Overheid, wier.

-ocr page 25-

XXI

onderdaan ik ben. zoowel als voor de Vorsten ailer volken en landen. Laat over allen uw' zegen in rijke mate nitstroomen; schenk Imn een hart naar uw Hart, en dat zij één mogen zijn in het goede te willen en daarnaar te streven.

Hart van Jesus, biddend en weenend, ik aanbid U en smeek U allervurigst: wil uwe tranen met mijne gebeden vereenigen!

Hart van Jesus, zuchtend en lijdend, Ik aanbid U en smeek U allervurigst; wil ook mijn hart tot heilige verzuchtingen bewegen !

Hart van Jesus. dat zich opoffert aan den he-melschen vader, ik aanbid U en smeek U aller-vnrigst: wil ook mij tegelijk met U opofferen.

TWEEDE DEEL.

Van het Evangelie tot aan de Consecratie.

liet verootmoedigd en vernietigd' Hart van Jesus.

In welk een diepe smart, o liefderijke Verlosser, is uw Hart verzonken! Hoevele verguizingen heeft het door te staan ! Geleid, of beter gezegd, gesleurd van den eenen regterstoel naaiden anderen, of veeleer van smaad tot versmading, vindt gij overal uwe vijanden als regters

-ocr page 26-

xxir

wordt Gij geboeid en niet ketenen beladen als v

een slaaf, aangeklaagd als een misdadiger, ge- n

regtelijk gevonnisd en veroordeeld als boosdoe- d rier, verleider en oproermaker des volks. ^ 1!

In het liuis van Caïphas wordt gij aan de d

mishandelingen, beleedigingen en laagheden d

eener bende soldaten, die IJ op de onwaardigste quot;v wijze bejegenen, prijs gegeven.

Men slaat en spuwt U inhetaangezigt, wat in

de cogen der menschen de diepste versmading is, c

Bij Herodes hangt men U, om te hoonen, een

wit kleed om; van een talrijk hof wordt Gij als lt;

dwaas behandeld, en de hoogachting en be- i

wondering, welke men nog kort te voren ( voor U koesterde, verandert in beschimping

en en beleedigingen.

Voor den regterstoel van Pilatus stelt men II met een roover en boosdoener gelijk, ja Gij moest de smart en den smaad verduren, dat de roover en boosdoener boven U werd voorgetrokken.

Langs de straten van Jerusalem gesleept,

moest Gij het hoongelach, het geschreeuw en de lasteringen verdragen eener onafzienbare r

volksmenigte, welke U met vloeken en ver-wenschingen overlaadde.

0 Koning der eeuwige glorie, welk een stroom

-ocr page 27-

XXIII

van verguizingen voor uw Hart! Doch tevens in uwe gevoelens en neigingen wat wonder van deugden! Welk eene rust! Wat geduld! Welke liefde! Gij bidt voor degenen, die TJ hooneu en draagt uw lijden en uwe mishandelingen voor degenen op, die U kwalijk bejegenen en vervolgen.

Dit offer uws Harten, o'aanbiddenswaardige Verlosser, was noodzakelijk, ja,'t moest opgedragen worden, om de eer van uw' verachten Vader weder te herstellen, om den hoogmoed onzes geestes te breken, en de rampzalige verstoktheid onzes harten te buigen, om ons de onscliatbare waarde der vernederingen te doen kennen, eindelijk, om ons in uw lijden een on-omstootbaar voorbeeld te geven, waartegen wij niets zouden kunnen inbrengen. Doch dit alles was voor U niet genoeg. Uwe liefde tot ons hoe ver voert zij U niet op onze altaren!

Wat hierbij het meest onbegrijpelijk en tevens het beklagenswaardigst is: o God, is onze hoogmoed, die nog altijd in ons leeft en ons beheerscht in weerwil van uw voorbeeld, dat zoo jbijzonder bekwaam was, om ons te treffen. O beklagenswaardige eigenliefde, ijdel-

-ocr page 28-

XXIV

heid, prikkelbaarheid, gevoeligheid voor alles wat onze eer aangaat!

Hoeveel, o mijn goddelijke Verlosser, heb ik mij hierin niet te verwijten! Ik zoek naar achting en bijval der menschen, als ware mij de uwe niet voldoende. Niets kan ik verdragen: niets met kalmte U ter liefde aanvaarden, ofschoon Gij alles voor mij verduurdet. De geringste vernedering maakt mij bedroefd en neer-slagtig, mijn geest verzet zich daartegen, mijn hart wordt verbitterd, geheel mijne ziel is daardoor in oproer en onrust. Verachtelijke en lage menschenvrees maakt mij niet zelden tot verrader ten aanzien van mijn pligt en van uwe eer.

Heet dit uw leerling zijn? U als God, als Leermeester erkennen ? Moest Gij, o goddelijke Verlosser! geheel alleen den kelk der vernederingen drinken? Neen, alleraanbiddelijkste Heer en Meester! Ik wil hem met U deelen: uit uwe hand wil ik hem ontvangen en ik wil deelnemen aan al uwe versmadingen. En heb ik al geen moeds genoeg de vernederingen op te zoeken, zoo wil ik ten minste die, welke Gij mij overzendt, met gelatenheid dragen. Ja, in dit oogenblik offer ik U mijn' hoogmoed en mijne

-ocr page 29-

XXV

ijdelheid, om mij met U in uwe vernederingen te vereenigen.

Wanneer mijn natuur weerspannig wordt, en de eigenliefde zich verzet, dan zal ik uw voorbeeld voor oogen houden en om uwe genade smeeken. Deze goddelijke genade uit uw Hart ontsprongen, zal mij, zoodra zij in mijn hart binnenstroomt, den kelk uwer vernederingen kostbaar, ja zelfs troostrijk maken, zoodat één droppel zijner bitterheid mij zoeter en dierbaarder wezen zal, dan alle valsclie en zondige vermaken dezer verblinde en bedorvene wereld.

0 Hart van Jesus,met smaadheden verzadigd! laat mij den kelk van uw lijden met U drinken ?

0 Hart van Jesus, in eene zee van smarten gedompeld ; laat mijn hart in tranen smelten !

O Hart van Jesus, bovenmate vernederd en verguisd: verbrijzel mijne eigenliefde en mijn hoogmoed.

DERDE DEEL,

quot;Van de Consecratie tot aan de Communie.

Het Hart van Jesus UMt en sier ft aan hel kruis.

Nadat Gij, o God! uw Hart aan tallooze ver-

-ocr page 30-

XXVI

smadingen hadt prijsgegeven, wildet Gij ook uw ligcliaam aan de hevigste smarten onderwerpen, Hoe schrikkelijk zijt Gij misvormd na de pijnlijke geeseling. Aan eene zuil 'gebonden, wordt J Gij gruwzaam met roeden gefolterd: ontelbare geeselslagen vallen doorstriemend neder op uw maagdelijk vleesch; uw ligchaam is geheel verscheurd, ontvleescht en met wonden bedekt; als een worm ligt Gij eindelijk op den met bloed bespatten bodem neder; Gij baadt in uw eigen bloed, en nogtans houden zij niet op met slaan en al hunne wreedheid, hunne woede en hun' bloeddorstigen haat tegen U bot te vieren.

O o

Wat, o mijn God, denkt, èn voelt, èn ondervindt uw Hart bij deze onnoembare pijnen en smarten!

Alles verdraagt Gij geduldig: Gij geeft U geheel over aan den wil van uw'hemelschen Vader; Gij draagt Hem uw lijden op; Gij bidt Hem om vergiffenis voor onze zonden en Gij beschouwt U zeiven als een oifer aan ons heil toegewijd. Met volkomene onderwerping, met troost, ja, met eene zekere vreugde ziet Gij uw bloed stroomen, opdat liet al onze overtredingen en misdrijven zoude uitboeten en te niet doen,

-ocr page 31-

XXVII

en deszelfs stem voor ons ten Hemel zoa stijgen om genade en ontferming. Alleraanbiddelijkst Hart, dit alles duldt Gij voor mij, en ik wil j niets voor U doorstaan! Het geringste lijden is mij ondragelijk, ja voor het bloote woord smari schrik ik terug. Met overgroote zorgvuldigheid koester ik mijn lichaam, zoek steeds deszelfs gemak, vertroetel het, ontzie het op alle mogelijke wijze en behandel het meteene onwaardige teergevoeligheid, zonder te bedenken, dat het een zondig ligchaam is, hetwelk ik aan eene strenge boete behoorde te onderwerpen. Mijn Heer eu mijn God, zie ik dan niet, dat wanneer ik het lijden ontvlugt, ik daardoor het uwe vermeerder, terwijl ik het daarenboven voor mijn heil onvruchtbaar maak? Doch, o mijn liefderijke Verlosser! wat Gij bij de geeseling verduurdet, is slechts het begin van uw lijden; uw offer moet voltrokken worden.

Met het kruis beladen zie ik U den Kalvarie-berg opstijgen. Sta mij toe, o goddelijke Verlosser, dat ik U in den geest volge, en uwe bloedige voetstappen drukke. Groote God, wat zie ik! Welk een wonderbaar schouwspel toont mij het geloof! Een Godmensch lijdt! Een God-

-ocr page 32-

XXVI11

mensch sterft! Een Godmensch sterft uit over-(jroute smart! Een Godmensch sterft uit liefde tot hen. die Hem wreedaardig douden!

Neen! neen! mijn hart is niet in staat om al de gevoelens uit te drukken, waarvan het vervuld is bij zulk een tooneel.

Met welk eene kracht bewijst Gij ons van de hoogte uws kruises de groote geloofswaarheden, welke Gij ons gebragt hebt! Daar leert Gij ons kennen de grootheid der onverbiddelijke gereg-tigheid Gods, zoo wel als de waardigheid en waarde onzer zielen. Doch inzonderheid toont ( jij ons daar de boosheid en grootheid der zonde en de vreeselijke en strenge straffen, welke de zondaars in de eeuwigheid te duchten hebben.

O Hart van God, mijne zonden beweent Gij en veroordeelt Gij aan het kruis: zij hebben U zoo wreedelijk mishandeld, U aan't kruis geslagen, uw bloed doen stroomen, uw' dood veroorzaakt.

En ik — ik sterf niet van droefheid aan den voet uws kruises ? Ik — ik wasch mijne zonden niet in mijne tranen en mijn bloed ? Moest ik niet mijne overige levensdagen in weenen en treuren doorbrengen, ontroostbaar, wijl ik

-ocr page 33-

XXIX

ongelukkige mijn' God beleedigcl heb, de oorzaak van zijn' dood werd, voor zijn bloed verantwoordelijk ben !

O mijn God, uw Hart staat voor mij zelfs aan het kruis nog open. Ook daar zijn uwe armen uitgestrekt om mij met goedheid te omhelzen, wanneer ik maar opregt en rouwmoedig tot U wederkeer. Ja, Gij vernieuwt zelfs dagelijks op onze altaren dit bloedig offer op onbloedige wijze.

't Is dit offer, wat ik U thans opdraag, zoo als Gij het aan uw' hemelschen Vader eenmaal op Golgotha hebt opgeofferd. Sta mij toe, dat ik met dit uw offer het offer van mij zeiven, bijzonder dat van een rouwmoedig en vermorzeld hart vereenige. En opdat ik U zulk een offer zou kunnen opdragen, zoo bereid dan Gij zelf mijn offer, opdat hét ü welgevallig en uwer waardig zij.

VIERDE DEEL.

Van de Communie tot aan het einde.

Het 11. Hart van Jesus rust in. liet graf.

Goddelijke Heiland! eindelijk wordt uw heilig ligchaam in het graf gelegd. En dit is de laat-

-ocr page 34-

ste vernedering, welke Gij op aarde moest ondergaan. Tot in het graf zullen vernederingen en smarten U vervolgen. Welk een toestand! Welke vernietiging voor een' God! Op aarde te zijn als ware hij niet daarop I In den schoot dei-aarde verborgen, in de schaduwen des doods gehuld, in ?t rijk der duisternis verstooten, van allen verlaten te zijn! Het graf zelfs, waarin Hij rust, behoort Hem niet. Zoo werd vervuld, wat Hij voorspeld had: De vossen hehheu Juirnie holeu om zich te. verbergen; maar de, Zoun des menschen heeft niets, waarop Rij zijn hoofd kan nederleggen. — Edoch, in de woning der dooden blijft Hij dezelfde; al zijne deugden heeft Hij met Zich genomen; zijne gelatenheid, zijne onderwerping aan den wil zijns Vaders, zijne geheele overgeving in de handen der Voorzienigheid, zijne innige vereeniging met zijn' Vader.

Welk een groot voorbeeld geeft Hij ons hierdoor ter navolging! De H. Paulus zegt: wij zullen als dooden zijn, en ons leven zij verborgen met Christus in God,

Ja, mijn goddelijke Verlosser! in uw graf wil ik de gevoelens van uw aanbiddelijk Hart lee-ren: daar wil ik leeren mij los te rukken van al

-ocr page 35-

XXXI

het aardsche; de wereld gering te schatten, aan de wereld en aan mij zeiven te sterven, al het meuschelijke voor niets te achten, afzondering en ingetogenheid te beminnen. Mij op het innigst met God te vereenigen, ziedaar wat al mijn geluk uitmaakt.

Dit zijn, o mijn God, de gevoelens en bewegingen mijns harten, die ik bij dit heilig offer vernieuw, en U in vereeniging met de gevoelens uws Harten opdraag. Prent ze diep in mijne ziel; houd ze in baar levendig gedurende geheel mijn leven, en geef, dat zij ook mij in het graf begeleiden.

Doch, alleraanbiddelijkst Hart van mijn' Verlosser! niet altoos blijft Gij in quot;t graf, Xeen! niet aanhoudend zult gij in vernederingen, lijden en smarten zijn. Na zooveel lijden en kwellingen wacht U de eeuwige glorie des hemels. Verwinnaar van uwe vijanden, triomferend over wereld, dood en alle helsche magten, zijt Gij den hemel ingegaan, welken Gij door uwe verdiensten verworven hebt. Daar zetelt Gij nu aan de regterhand uws Vaders, Uw Hart heeft de welverdiende belooning voor deszelfs lijden ontvangen:

-ocr page 36-

XXXH

't vloeit over van hemelsche geneugten en verheugt zich in het bezit der zaligheid van CTod.

Hart van mijn God, ook ik verheug mij over uwe glorie en uw triomf. 0 dat eenmaal ook ik aan uwe verheerlijking en zaligheid moge deelnemen! Dit hoop ik vastelijk, doch slechts om uwentwil en door uwe verdiensten, die mij daartoe zullen waardig maken. Hierom hid ik U dan geheel bijzonder door het offer, hetwelk ik U thans opdraag. Gij hebt U opgeofferd: neem eenmaal ook mij in uwe eeuwige woningen op, om U met uwe uitverkorenen eeuwig te kunnen loven en prijzen. Wil, o Heer en God, tot onderpand van geluk van uit den hemel den zegen bekrachtigen, dien de priester op aarde mededeelt; daarom bid ik U in den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes. Amen.

-ocr page 37-

I

GIDS

TEN GELEIDE IN HET EERSTE BOEK.

1. Wie uit dit werk alle vrueliten wil ver-zamelen, moet liet doel van elk boek wel begrijpen; do middelen ter bereiking van dat doel voorgesteld, gepast aanwenden; en de moeije-lijklieden, die de bereiking van dat doel beletten, met vlijt trachten te overwinnen. Daarom willen wij, om u een veilig geleide aan te bieden, vóór elk book over deze drie punten kort en duidelijk sprekon.

2. Het dool van het eorsto boek is het hart to zuiveren vooreerst van de vlekken der zonde, vervolgens van de liefde voor de booze wereld en ten laatste van de ongeregelde genegenheid jegens zich zeiven. Dit kan op drievoudige wijze verstaan en in even zoo vele graden beoefend worden.

En wel ten eerste door uwe ziel van alle doodzonden en in die mate van de liefde voor de wereld en van de ongeregelde gehechtheid aan u zeiven te ontdoen, dat gij aan God uwen Schepper en Zaligmaker in de daad boven alles

1

-ocr page 38-

de voorkeur geeft en dus voor niets, wat het ook zij, zijne goddelijke majesteit door eene doodzonde zoudt willen beleedigen.

Ten tweede door uw hart te zuiveren van alle vrijwillige dagelijksche zonde en in die mate te ontdoen van de liefde voor de wereld en van de ongeregelde liefde jegens u zeiven, dat gij niet vrijwillig eene dagelijksche zonde zoudt willen bedrijven, mogt gij daardoor ook al het geschapene verwerven of zelfs uw eigen leven kunnen redden.

Ter derde eindelijk, door u te zuiveren van die onvolmaaktheden, die door eeno groote getrouwheid aan de goddelijke genade kunnen worden vermeden, en u in zulk eeno stemming te brengen, dat gij de wereld verafschuwt en elke ongeregelde liefde voor u zeiven verfoeit.

Hieruit blijkt, dat allen, hetzij de eerstbegin-nenden, hetzij die reeds eenigen voortgang hebben gemaakt, ja, dat zelfs de volmaakten dit boek met veel nut gebruiken en immer opnieuw kunnen doorloopen. Immers de H. Bernardus zegt ons: „gelooft mij, wat wij overdacht lieb-„ben, komt weer opnieuw voor deu geest; „hetgeen ons ontsnapt was, vinden wij terug ; „liet uitgedoofde wordt weder ontstoken en wat „in ons slapende is geworden, wederom opge-„wekt. Hot beteekent derhalve weinig slechts „eenmaal gedacht te hebben, wij moeten dik-„ wij Is overdenken, ja altijd indien het mogelijk „ware, omdat wij, bijaldien wij ons zeiven het „niet ontveinzen, altijd iets zullen vinden, waar-„aan wij onze overweging moeten schenken.quot;

-ocr page 39-

De volmaakte zuivering des harten, ik verzoek u hierop wel te letten, is eone zaak van het hoogste belang, waarvan het overige in het geestelijke loven afhangt. De voornaamste reden, waarom er zoo weinigen worden aangetroffen, die den weg der deugd gemakkelijk en aangenaam vinden; zoo weinige», die gereede en standvastig blijven voortgaan; zoo weinigen, die tot de vereeniging met God geraken; zoo weinigen eindelijk, die ook reeds in dit leven do goederen genieten, welke God den zuiveren van harte heeft toegezegd;—de voornaamste reden is, omdat slechts weinigen hun binnenste vol-maaktelijk zuiveren. Velen zijn er, die zich veel werk» getroosten en toch weinig vorderen; dikwerf moeten zij op nieuw beginnen; het zoete der deugd genieten zij zelden of ooit; zij dragen hun kruis, maar ondervinden daarvan do zalving niet. Eu ofschoon zij ook al zalig kunnen worden, berooven zij evenwel voor geheel do eeuwigheid èn zich zelven van dien hoogeren graad eener onmetelijke zaligheid, èn God van die grootero glorie, die zij gemakkelijk hadden kunnen verdienen, indien zij zich volmaaktelijk hadden gezuiverd. Daarom is er dan ook bijna niets, waarvoor de duivel zich meer moeite getroost, dan om die gohoele zuivering des harten te beletten. Hij laat ons rustig genoeg de deugd beoefenen en zelfs naar do volmaaktheid streven, mits wij maar do zuiverheid des harten verwaar-loozen. Immers hij weet wel, dat wij op die wijze in zelfbedrog vervallen en geen ware en degelijke deugden, veel minderde vlomaaktheid ons

-ocr page 40-

4

ooit zullen eigen maken. Ook is liet een gewoon bodrog, waarvoor do zielen, die nog niet goed gezuiverd zijn, zich bovenal moeten wachten, namelijk; van terstond na eene oppervlakkige reiniging dos harten, mot Jesus in een innerlijk loven gemeenzaam te willen verkoeren, met Hom zich te willen verlustigen tusschon de bloemen der deugd, hare zootsto vruchten te genieten ; of, wat nog gevaarlijker is, verlangen naar de innerlijke vereeniging met Jesus on naar het genot der zaligende zoetheden zijner liefde, terwijl men de volmaakte zuivering des harten verwaarloost. Daar zijn ook nog andere begoochelingen, waaraan de zielen, die een geestelijk loven beginnen te leiden, zijn blootgesteld; zooals eono overdrevone beoefening der uitwendige versterving; inwendig een eenigermato stijfhoofdig streven om met zeker geweld do bevrijding van do cone of andere lastige zaak of de vervulling van de een of andere begeerte te vorkrijgen; hot toegeven aan angsten zoo zeer, dat de ziel noerslag-tig wordt. Evenwel zijn deze, hoezeer ook gevaarlijk, toch niet zoo algemeen en niot zoo noodlottig als de begoocheling, waardoor iemand wordt modegosloopt tot do verwaarloozing dei-inwendige zuivering.

3. Hierop moot dus al hun streven gorigt zjjn En daarom moet gij trachten; 1. Om, nadut gij uwe bostomming tot ecno ware en altijddurende zaligheid wol in het oog hebt gevat, al de boosheid en al hot kwaad der zonde zoo volmaakt mogelijk te erkonnon en al do misvorming, door de zonde in u veroorzaikt.

-ocr page 41-

5

op zekere wijze innerlijk te gevoelen; 2. om het volmaaktst mogelijk besef te verkrijgen van dc ijdelheid en bedorvenheid der wereld en van harto te bevroeden hot allerellendigst lot van hen, die zich door de wereld voor alle eeuwigheid ongelukkig laten maken; 3. Om waarlijk u zeiven te kennen, hoedanig gij u door uwe zonden hebt gemaakt, hoe ellendig gij zijt uit u zeiven, en waarheen gij uit u zeiven streeft.

Om echter tot dit alles te geraken, is hot niet genoeg dit boek maar ter loops te doorlezen, neen, gij moet hetgeen daarin gezegd wordt met aandacht en ijver overwegen en met de daad beoefenen. Want nlles, wat gij in dit boek vindt, is niet zoozeer uitlegging als wel aanwijzing; en dit wel ton eerste, opdat gij zelf zoudet overdenken en zelf u do zaken zoudt trachten te ontwikkelen en op u toe te passen; vervolgens opdat gij zelf goede gevoelens in uw hart zoudet opwekkon en aan Grod vragen, wat gij voor den staat uwer ziel noodig hebt; ten laatste opdat gij de inwendige zoetheid en de vrucht daarvan in rjjkere mate zoudt genieten. Immers door zóó te overwegen, door zoo heilige begeerten in u op te wekken en door zoo vurig te smeeken, zult gij het gezegde beter begrijpen, met meer vrucht aanwenden, en wederkeerig zal de Heer in de edelmoedigheid zijns Harten die pogingen beloonen en met zijne genaden zegenen. Dit geldt niet slechts van het eerste boek maar ook van al de overige.

4. Er zijn voornamelijk twee wijzen, waarop men dit boek kan gebruiken; beide zijn zeer

-ocr page 42-

veilig en zeer gemakkelijk, zooals blijkt uit de ondervinding van velen, zelfs van ongeletterden, dio zich roeds gewend hadden om geheele uren zonder verveling, neen met groote vrucht aan de overweging te wijden.

Do eerste wijze is vooral geschikt voor eerst-beginnenden, die aan de meditatie nog niet gewend, ook niet in staat zijn een doorloopend onderhoud met zich zeiven te voeren. Er schijnt echter niets tegen, dat ook anderen op deze wijze hunne overweging inrigten, vooral wanneer zij zich niet zoo goed gestemd gevoelen, om in hunne beschouwing dieper door te dringen.

Vooreerst dan moet gjj het voorbereidend gebed verrigten, dat altijd hetzelfde is en aldus kan luiden:

„ O Heer Jesus, trek alle mijne zinnen tot U, zuiver ook mijn hart van alle verkeerde en vreemdsoortige gedachten; verlicht mijn verstand ontvlam mijn hart, opdat ik met aandacht en godsvrucht gedurende deze overweging de zinnen mijns ligchaams en de vermogens mijner ziel tot uwe glorie en tot heil mijner ziel kunne aanwenden en verdienen moge, verhoord te iror-den voor het aanschijn inver goddelijke Majesteit, ter wille van uw Allerheiligst Hart. Amen. — O Heer Jesus, ik wil deze overweging verrigten in verceniging met de goddelijke hedoeUngamp;n uws Harten, waarmede Gij zelf op aarde aan God uwen lof hebt gebragV

Na dit gebed, moet gij een oogenblik stilhou-

-ocr page 43-

7

den, om u levendig Gods tegenwoordigheid voor te stellen in 'teen of ander geheim, dat met uwe overweging strookt, of als in het heilig tabelna-kel tegenwoordig. Vraag Hem eindelijk met vuur, dat Hij uwe overweging vruchten doe dragen. Deze drie punten vormen het begin of den ingang van elke overweging, op welke wijze zij dan ook verrigt worde.

Indien gjj nu de eerste wijze van overweging volgen wilt, lees dan:

1. Langzaam en aandachtig een of meerdere verzen, voor zooverre gij het noodig of nuttig oordeelt.

2. Beschouw hoe Avaar het is, wat gij nu gelezen hebt; hoezeer de Heiligen en allo anderen, die hunne zielen voor het eeuwig verderf behoeden en eeuwig zalig wilden maken, het als waarheid geloofden; hoezeer gjj zelf het voor waarheid zult houden in het uur van uwen dood.

3. Onderzoek u zeiven, nagaande hoe gij u tot dusverre met betrekking tot het gelezene in uwe handelingen en gewoonten hebt gedragen; was uw gedrag goed, dank God daarvoor, schenk Hem daarvan alle eer en laat niet na om genade te vragen, opdat gij zoo goed, ja beter nog en op volmaaktere wijze moogt voortgaan ; hebt gij u slecht gedragen, betreur zulks, verwek een berouw en vraag om vergeving.

4. Maak een goed voornemen om u te beteren of naar meerdere volmaking te streven; kies tevens de geschikte middelen daartoe uit en vraag de genade om uwe voornemens te volvoeren. Is dat alles geschied en is de tijd tot overweging bestemd nog niet verstreken, ga dan tot andere

-ocr page 44-

verzen over en volg dezelfde wijze van beschouwing.

Wilt gij echter de tweede wijze van overwegen volgens, dan moet gij na do voorbereiding tot de meditatie.

1. Uw geheugen gebruiken door de stof der overweging te herlezen of ze u te herinneren.

2. Uw vorstand gebruiken, eerst door te redeneren met u zeiven over hot onderwerp, dat gij u ter overweging hebt gekozen en de oorzaken en gevolgen in uwe gedachten nagaan en tot een besluit zien te komen; ten tweede, u afvragen, wat gij daarvan in uwe daden zult toepassen; ten derde; welke beweegredenen of aansporingen u daartoe dringen; ten vierde, hoe gij tot dusverre hebt gehandeld ; ten vijfde, wat gij in het vervolg doen moet; ten zesde, welke beletselen er moeten uit den weg geruimd worden; ten zevende, welke middelen gij daartoe moet kiezen.

3. Uwen wil gebruiken, ten eerste, door heilige en passende gevoelens in u op te wekken en inwendige oefeningen te verrigten; ten tweede door goedo bijzondere voornemens te maken, die aan den tegenwoordigen toestand uwer ziel beantwoorden; ten dorde, door vurig voor u en voor anderen om genaden te bidden.

Daarna houde men eerst een zamenspraak met Jesus, waarin men geheel zijn hart uitstorte. Men bidde een sluitgebed, zooals bij voorbeeld;

„ O Heer Jesus, die door een nieuw f/unst-hetvijs U gewaardigd hebt de onuitsprekelijke schatten uws Harten voor uwe Kerk te openen,

-ocr page 45-

9

geef hid ik U, dat ik aan de liefde van uw allerheUujst Hart' beanttooorden, do be'eedir/in-gen, door ondankbare mensdien aan uw allerdroevigst Hart aangedaan, door waardige vereering vergoeden en de bedoelingen van dat zelfde Kart bij alle handelingen in mij overnemen moge; die leeft en heerscht met God den Vader in de eenheid des 11. Geestes, God in alle eeuwen der eeuwen. Amen.

Eindelijk sluit gij met eeno aanbeveling van u zeiven aan de allerzaligste Maagd Maria aan uwen beschermengel en aan uwen patroon. Deze drie punten maken hot slot van elke overweging uit.

Dikwerf worden de daden der Heiligen aangehaald, dewijl het bij ondervinding vaststaat, dat hunne voorbeelden zoowel op do harten der zondaren als der regtvaardigen een verwonderlijken en heilzamen invloed uitoefenen. Om die echter met vrucht te overwegen, moet gij aan een of meer bijzondere Heiligen, die gij tot patronen kiest of voor wie gij eeno bijzondere godsvrucht koestert, uwe beschouwing wijden. Immers de een vindt in deze, een ander wederom in andere voorbeelden meerdere stichting en aansporing: zoo zal een kloosterling gewoonlijk de levens van de Heiligen zijner orde het beste kennen en daaraan meer zijne studie wijden; terwijl zij, die in de wereld leven en zich op den dienst des Heeren. toeleggen, gewoonlijk meer tot die Heiligen worden getrokken, meer die Heiligen trachten na te volgen, wier voorbeelden aan hunnen stand beter passen. Dewijl men nu van de

-ocr page 46-

10

Heiligen verhaalt, dat zij handelden in navolging van het Hart van Jesus of in het een of ander hebben uitgeblonken, daarom moet men een zekeren Heilige in zijne gedachten uitkiezen en meer in het bijzonder beschouwen, wat hij heeft gedaan en hoe hjj heeft gehandeld; zijne voorspraak bij God inroepen en zich aan hem aanbevelen. Indien gij geen enkel Heilige u geschikt in het geheugen kunt roepen, dan kunt gij altijd het voorbeeld der zalige Maagd Maria beschouwen en hare voorspraak en bescherming afsmeeken.

5. Eindelijk om de beletselen, welke door de vijanden uwer eeuwige zaligheid u worden in den weg gesteld en die gewoonlijk met het geweten in betrekking staan, te ontwijken en te boven te komen, moet gij goed begrijpen, vooreerst wat het geweten is. Welnu, het geweten is een regel door de rede mij voorgesteld, die mij in bijzondere gevallen leert en aantoont, wat ik moet doen, wat ik moet laten, en dat wel onder zonde, wanneer het mij geboden is ; of wel om vermeerdering van verdiensten en grootere behagelijkheid aan God, indien de zaak mij slechts wordt aangeraden. Men noemt het een regel door de rede gegeven, omdat het eene, mijne handelingen regelende, gevolgtrekking is, ontwikkeld uit do beginselen, die aan do rede of aan de natuur, hetzij door het licht der genade, hetzij door het licht des geloofs, bekend zijn. Laat ons eens een voorbeeld kiezen; het geweten vermaant mij: heden (Zondag) zijt gij verpligt de H. Mis bij te wonen. Deze vermaning vloeit echter voort uit deze stilzwijgend vooropgezette stellingen: Op de

-ocr page 47-

11

Zondagen geldt do verpligting van de H. Mis te hoeren; doch heden is het oen zondag; dus heden geldt ook do verpligting van do H. Mis bij te wonen. Het verdient onze opmerking, dat zoodanige gevolgtrekking heimelijk gemaakt wordt en den menseh ook togen zijn wil wordt voorgesteld, zooals duidelijk blijkt in hen, die naar hun geweten niet willen luisteren om niet verontrust of afgeschrikt te worden van hunne ongeoorloofde handelingen. Immers zij hoeren tegen hunnen zin, zeer goed de gebiedende of veroor-deelende stem van hun geweten. Men ziet hieruit, dat liet geweten, als het inderdaad zoo heeten mag, van den menseh onafhankelijk is en gezaghebbend boven hem staat.

Een al te vreesachtige of angstvallige merke hier wel op en leere, dat het geweten niet is eene gejaagdheid der zenuwen, niet eene voorstelling der verbeelding, niet eene onbepaalde vreeze, zelfs niet de mogelijkheid van het een of ander. Wie daarentegen te veel tot groote vrijheid en vermetelheid overhelt, bemerke met niet minder zorg en onthoude, dat het geweten niet bestaat in een verlangen van den wil, niet in natuurlijke neiging of afgekeerdheid, niet in de een of andere hartstogt, zoo min als in het gekunstelde eener spitsvondige onderscheiding. Neon, zoowel de een als de ander prente zich in het geheugen, dat het geweten een gedragsregel is, mij door de rode gegeven, of de stem van Gods geest, die door de rede als door een inwendig werktuig in ons binnenste spreekt, en in bijzondere gevallens ons openbaart, wat zijn wil

-ocr page 48-

12

ons gebiedt wat zijn welbehagen ons aanraadt.

Het geweten wordt vooreerst waar of opregt geheeten. Dat geweten namelijk is opregt, wat de zaken voorstelt, zoo als zij zjjn; als geboden of verpligtend, wat inderdaad geboden is; als gevaarlijk, wat gevaarlijk is; als raadzaam of beter, wat inderdaad raadzaam of volmaakter is. Indien wij zijne stem volgen in dien zin, dat wij, door de vreeze dos Heeren gedreven, als goede kinderen bang zijn God te beleedigen, en de zonden vermijden; omdat deze ons zijne vriendschap en vaderlijke toegenegenheid ont-rooven, dan zegt men, dat wij een nauwgezet geweten hebben. Indien wij echter zoo getrouw naar ons geweten luisteren, dat wij op zijne stem ons van alle vrijwillige feiten onthouden en daaraan in alles gehoorzamen, dan wordt ons geweten een teeder geweten genoemd.

Vervolgens bestaat er een valsch of dwalend geweten. Het is dat geweten, wat de zaken op eene verkeerde wijze of anders, dan zij naar waarheid zijn, voorstelt. Dit geschiedt echter veelal door de schuld van den mensch, die het werktuig, wat de geest Gods bezigt, bederft, zoodat het de goddelijke stem niet meer tot ons overbrengt. Onwetendheid, zondige gewoonte of de een of andere hartstogt zijn in meer of mindero mate de oorzaak van dat bederf. Of om duidelijker te spreken ; de onwetendheid, de gewoonte van zondigen of de een of andere ongeregelde hartstogt zijn elk in hot bijzonder oorzaak, dat iets, wat valsch en ijdel is, beschouwd wordt als een der beginselen, volgens welke het regelend

-ocr page 49-

13

besluit voor onzo handelingen wordt genomen. Van daar dat zulk een geweten wel eene stem is, doch niet van Gods geest maar van oen anderen geest, die de hartstogt ot iets anders als werktuig bezigt, om in ons binnenste to spreken.

Als het geweten dwaalt door onze eigen yrij-willige schuld, dan zegt men, dat het lijdende is aan eene overwinnelijke dwaling en dan worden wij voor die dwaling verantwoordelijk gestold. Ons geweten echter lijdt door onzo eigen vrijwillige schuld aan eeiio overwinnelijke dwaling, wanneer ons vorstand, terwijl de daad of hare oorzaak gesteld wordt, bewustzijn of twijfel omtrent de dwaling heeft eu tevens de verpligting om do dwaling af te leggen en daarenboven do gewone zorg om de waarheid te weten te komen, verwaarloost. Maar indien ons geweten dwaalt zonder zoodanige schuld van onzen kant, dan noemt men het lijdende aan eene niet overwinnelijke dwaling en dan laat hot ons onschuldig in het oog van God.

Onder het dwalend geweten rangschikt men ook nog het angstvallig on hot te ruim geweten, die beiden aan tegenovergestelde oorzaken hun oorsprong outleenen. Wij hebben een angstvallig geweten, als wij zonde meenen te zien en ofschoon ook te regt gewezen, toch nog zonde meenen te zien daar, waar geon zonde is; het dwaalt veelal omdat do ziel aan de verbeelding, aan vasthoudenhoid, aan eigen oordeel of wel aan eene neiging, die ons hart verstrikt, toegeeft; daardoor inwendig gejaagd en verward, ziet hot do voorwerpen anders aan dan zij zijn of verwart

-ocr page 50-

14

hot een met het ander, een gebod niet een goeden raad, waarschijnlijkheden met mogelijkheden, do zonde en het gevaar zelf met den schijn of de schaduw der zonde of van het gevaar.

Een te ruim geweten, namelijk, wat zich overreedt en na ontvangene vermaning toch voortgaat zich te overreden, dat er geen zonde of gevaar te zien is, waar ze inderdaad bestaan, vervalt gewoonlijk tot zoodanige dwaling omdat het hart dos menschen lijdt aan schuldige on-wetenheid of verslaafd is aan eene zonde van gewoonte of wel toegeeft aan eene hartstogt, waardoor het iets op verkeerde wijze begeert of verafschuwt. Van daar, dat Lij, die znlk een geweten heeft, schuldig is, omdat hij zich, dooide oorzaak weg te nemen voor dc dwaling kan behoeden, welke oorzaak hij zeker verpligt is te verwijderen, omdat hij op voldoende wijze inziet, daartoe verpligt te zijn.

Zoowel voor een angtsvallig als voor ecu te ruim geweten moet men zich met do meeste zorg wachten. Beiden toch zijn niet slechts gevaarlijk maar ook verderfelijk, beiden zijn een beletsel voor do volmaaktheid, ja maken haar onmogelijk, en wat nog moer te vreezen is, beiden stellen ons gewoonlijk in 'tgevaar van zelfs onze zaligheid te verliezen. Daarom drago een ieder zorg een opregt geweten to hebben.

Tot een wezenlijke zonde nu of tot eeue zonde, waardoor God beleedigd en do monsch strafschuldig wordt, is een eerste vereischte, dat de inwendige of uitwendige daad. waardoor wij met overtreding of met verzuim zondigen, slecht of

-ocr page 51-

15

ongeoorloofd is of als slecht en ongeoorloofd door het geweten wordt beschouwd; ten tweede, dat het verstand, als de daad bedreven of hare oorzaak gesteld wordt, het zedelijk kwaad der handeling inziet of erkent, dat de handeling ongeoorloofd is; ten derde, dat de wil de daad als kwaad en ongeoorloofd kennende, evenwel vrij er in toestemt, terwijl zij inwendig de vrijheid bezit om te kiezen tusschen de toestemming en de verwerping der booze handeling. Want indien gij eene in- of uitwendige handeling ver-rigt, waarvan gij het zedelijk kwaad niet bespeurt hetzij dan dat gij de handeling doet of hare oorzaak stelt, dan wilt of kunt gij de daad wel willen, maar niet in zooverre zij zedelijk kwaad is, omdat gij niet beseft, dat zij ongeoorloofd is. iNiets tocli is gewild, wat niet eerst wordt gekend. Daarom dan ook bedrijft gij door zoodanige handeling te willen of te doen slechts eene materiele zonde (eene schuldelooze overtreding van de wet) hetgeen niets anders is dan het volgen van het geweten, dat aan eene onoverwinnelijke dwaling lijdende is, iets waardoor God niet beleedigd noch de mensch strafschuldig wordt.

Tot een doodzonde echter wordt, niet slechts volgens de godgeleerden, maar ook volgens de leer der Heiligen, vereischt ten eerste: dat do in- of uitwendige daad grootelijks kwaad is of door hot geweten voor groot kwaad wordt gehouden; ten tweede: dat het verstand, als do handeling of hare oorzaak gesteld wordt, het groote kwaad der handeling volkomen kent; ten derde, dat de wil wetens en vrijelijk geheel

-ocr page 52-

16

zijno toestemming goef't. Indien oen dezer drie punten ontbreekt, dan is de zonde, die anders doodzonde zoude wezen, slechts eeiie dagelijksche zonde.

Niemand bedrijft oen formele zonde (een schuldige overtreding der wet) tegen zijn vrijen wil.

Immers, de mensch kan niet wezenlijk zondigen, tenzij mot zijn vrijen wil.

Hij kan echter door zijn vrijen wil te misbruiken, indien hij zulks verkiest, iets kwaads of ongeoorloofds denken, zich voorstellen of wederom voor don geest roepen , daarin toestemmen, zondigen. Ook kan met Gods toelating, de duivel, en hij is gewoon zulks te doen, hem zondige gedachten en voorstellingen ingeven, om zijnen wil tot de toestemming tc bewegen, maar hem noodzaken tot de toestemming, dat kan hij nimmer Eindelijk God zelf en zijne goede en zalige geesten zijn gewoon ons gedachten in te geven en voorwerpen voor den geest te stellen, doch altijd met het doel om den mensch ten goede aan te sporen, terwijl zij zijnen wil ten goedo helpen maar nimmer noodzaken.

Uit het gezegde blijkt, dat er in den mensch drie soorten van gedachten en bewegingen ontstaan: de eersten, die hunnen oorsprong hebben in den vrijen wil van den mensch zeiven; anderen, die ons van buiten door den boozen geest, don duivel, worden ingegeven; ten dorde, die ons ook van buiten, maar door den goeden geest worden ingegeven. Overigens zullen wij ze aan hunne taal erkennen, on wie do geest is, die in ons spreekt, zal zijne ingeving zelve ons ge-

-ocr page 53-

17

tuigen.quot; (de H. Bernardus). Om dit wel to verstaan mogen de volgende regels dienen, die de Heiligen ons over de onderscheiding der geesten hebben gegeven.

1 Regel. De booze geest tracht gewoonlijk in hen, die ligtelijk in grooto zonden vallen, het verlangen naar de schijnvreugde des vleesches en naar zinnelijke genoegens levend te maken on hun deze voor te spiegelen, om hen zoo des te zekerder in zijne magt te houden en steeds dieper en dieper in zonden en ondeugden neer te storten.

De goede geest doet met zulke personen juist het tegendeel. Hij kwelt en verontrust hun geweten onophoudelijk, om hen tot bewustzijn to brengen van den ongelukkigen staat hunner zielen, hen van de zonde af te schrikken en to bekeeren.

2 Regel. Do booze geest tracht den mensch door valsche rodeneringen en listen tot oenc ongeregelde liefde en tot het verlangen naar rijkdommen en overvloed te bewegen, om hem latei-des te gemakkelijker in de zonden te doen vallen.

De goede geest daarentegen spoort ons aan ons hart vrij te houden van ongeregelde gehechtheden of verlangens naar het aardsche, om ons zeiven niet in vele hindernissen te verwikkelen.

3 Regel. De kwade geest lokt den mensch, dringt hem en houdt steeds aan om hem naar ijdele eer te doen streven.

De goede geest echter houdt ons voor en prent ons diep in het hart, dat de edelmoedige vernedering de ware en zekere glorie des menschen is.

2

-ocr page 54-

18

4 Eegei,. Als iemand inziet hoo noodzakelijk het is, zijne eeuwige zaligheid te bewerken en er ernstig aan begint te denken om haar te verzekeren, dan tracht de kwade geest hem een zekere schroomachtigheid en menschelijk opzigt bi) te brengen om daardoor het begonnen goede werk te verhinderen.

Maar de goede geest geeft hom moed en spoort hem aan om met verachting van het menschelijk opzigt, krachtig voort te gaan.

5 Regel. Die opregt bezorgd zijn, zich van hunne zonden en booze neigingen te zuiveren en in ijver voor den dienst des Heercn toe to nemen, hen overstelpt do booze geest met moeije-lijkheden, angsten, droefheden, valsche redenen, en verontrust hen op meer dergelijke wijze om hunnen voortgang te beletten.

De goede geest is daarentegen gewoon om hen, die opregt handelen of het goede willen, moed en krachten in te storten, hun verstand te verlichten, hen te troosten, hun vrede en rust te schenken, opdat zij des te gereeder en sneller door goede werken immer verder voorwaarts streven.

6 Eeoel. De kwade geest geeft zich alle moeite om de ziel, die hij in zijn strikken wil vangen en in het verderf wil storten, te bewegen, hare bedriegelijke ingevingen geheim te houden. Hij tracht zooveel mogelijk de ontdekking zijner be-moeijingen voor haren geestelijken leidsman te beletten, want hij weet, dat zij alsdan verijdeld zullen worden.

Maar de goede geest bemint het licht en de

-ocr page 55-

19

orde, dewijl hij wel handelt en zijne werken goed zijn.

7 Regel. De kwade geest doet gelijk een veldheer gewoon is te doen. Gelijk deze namelijk de ligging en de sterkte eener buigt, die hij wil veroveren, bespiedt en haar van de zwakste zijde aantast, zoo ook sluipt do kwade geest om ons heen, bespiedt onze gesteltenis, onze deugden, allen, zoowel do goddelijke als de zedelijke, en daar, waar hij ons het zwakste ziet, valt hij gewoonlijk aan en tracht hij ons te overrompelen.

8. Regel. De kwade geest, de bekoorder, verliest gewoonlijk den moed en alle kracht, als hij zijn geestelijken tegenstander met een onbevreesd hart en moedig gelaat de bekoring ziet weerstaan; docli als hij ziet, dat deze angstig wordt en dra den moed verliest, dan is er geen ondier op aarde zoo woest on in zijne aanvallen jegens den mensch zoo volhardend als hij, om hem te dwingen de verlangens van zijn boosaardigen en hard-nekkingen wil te vervullen.

De 11. Ignatius, de II. Thomas, de 11. Theresia.

-ocr page 56-

EERSTE BOEK.

Nuttige vermaningen betreffende de zuivering onzes harten.

EERSTE HOOFDSTUK.

grondslag.

1. Jesus. Loert van mij, dat ik zachtmoedig en nederig van harte bon ; en gij zult rust vinden voor uwe zielen.

De leerling. Dat zijn woorden van Jesus Clnis-tus, waardoor ons bevolen wordt do deugden van zijn Hart aan to leeren en na te volgen om van al de ellendo onzer ziel verlost en waarlijk gelukkig te kunnen worden.

Ziedaar zijne leer, ziedaar de beweegreden, die ons ter leering aanspoort, ziedaar de vrucht, ziedaar eindelijk het doel.

Het eerst, wat ons ter leering noopt, is do verhevenheid van den leermeester. Wie is cr verhevener dan Gods Zoon, die onze eenige leermeester is, door zijn eeuwigen Vader aangesteld, en in Wien alle schatten van Gods wijsheid en wetenschap zijn opgesloten ?

Zijne leer is de waarheid, die alle kennissen en wetenschappen dezer wereld overtreft en niet

-ocr page 57-

21

den weg baant tot vergankelijke goedeivn, tot voort vlug tige genoogons, tot tijdcïjjkon roem, Tiiaar tot ouniotolijke en blijvende rijkdommen, tot onuitsprekelijke en duurzame vreugde, tot de hoogste en eeuwige eere.

Al wat hij ons geleerd heeft te doen, heeft Hij in één leerpunt zamengevat: „Loert van mij, dat ik zachtmoedig en nederig van harte ben; en Hij hoeft dit voor allo mensehen toepasselijk gemaakt, on geeft het aan allen, aan kleinen on grooten ter leering, volmaakt wetende, dat in dit gebod, wanneer liet goed begrepen en onderhouden wordt, alles wat noodig is, ligt opgesloten.

Geheel zijn loven was eene beoefening van die leer, dio Hij zelf tot onze bemoediging, eerst in zijne daden verwerkelijkte, alvorens ze aan ons te verkondigen.

2. Laat ons dit kort gebod aanleeren dan zullen wij volkomen wijs zijn, genoeg weten, en niet noodig hebben om nog naar iets anders te zoeken.

Om dit gebod aan te leeren, moet men handelen, hetgeen op tweevoudige wijzo dient te geschieden: door studio namelijk en door oefening.

Voor alles echter moeten wij ijverig bidden ora goed te begrijpen, wat wij pogen te leeren en om met do daad te doen, wat wij hebben begrepen.

Daarna moeten wij zorgvuldig den diepen zin, de verhevenheid en don omvang van liet gebod overwegen, terwijl wij herhaaldelijk ons het goddelijk voorbeeld van onzen Moester voor oogen stellen en beschouwen, wat wij moeten verbete-

-ocr page 58-

22

ren, wat ontvlugten, wat behouden, waarheen wij moeten streven.

Vervolgens, dewijl de kennis van dit gebod, dat vooral van ons daden eischt en slechts door te doen volmaaktelijk wordt aangeleerd, alleen niet voldoende is, maar ook de vervulling daarvan gevorderd wordt, daarom moeten wij, zoodra wij beginnen te loeren ook beginnen te doen, door ons in onze gedachten, woorden en werken als zachtmoedigen en nederigon van harte jegens God en jegens de menschen te betoenen.

En terwijl wij toenemen in kennis en beoefening moeten wij zoo arbeiden, dat de kracht des gebods, zich voortdurend volmaakter ontwikkele en al onze levensuitingen, in onze innigste gewaarwordingen, in onze woorden en daden, in allen en in ieder in het bijzonder en wel in al de uitingen derzelven.

3. Als wij zoo aanleeren, wat ons door God ter leering is gegeven, dan zullen wij de vrucht plukken, die als een zekere belooning aan onzen ijver en arbeid is toegezegd door Hem, die geen-zins bedriegen kan noch bedrogen kan worden.

Welk is die beloofde vrucht? Waarlijk 'tis de beste. Gij zult, zoo zegt Hij rust vinden. Wat is dat, rust vinden ?

O, het is datgene vinden, waardoor wij voldaan en bevredigd rusten en ons niet meer aftobben met te zoeken noch gejaagd worden door de vreeze van iets te verliezen 1 wat wij willen behouden.

Die deze rust gevonden heeft, zal waarlijk gerust en in der daad gelukkig zijn; die haar echter niet heeft gevonden, hij zal, wat hij overi-

-ocr page 59-

23

gens ook moge bezitten, altijd ontevreden en ongelukkig zijn, omdat zijn hart niet is verzadigd, omdat hij gedrongen wordt steeds meer te zoeken, omdat hij onophoudelijk in het gevaar verkeert, tegen zijn zin wederom te verliezen, wat hij in zijn bezit heeft gekregen.

Zoo toch zijn wij geschapen, dat wij van nature worden voortgedreven om die gelukkige rust na te jagen en het ligt niet in onze magt om zulks niet te doen.

Voorzeker uit overgroote weldadigheid heeft ons God dat opwekkend verlangen, dat vermogen, waardoor wij immer worden aangespoord, ingestort; zoo immers streven wij met krachtiger daad en op genoeglijker wijze naar datgene wat ons gelukkig moet maken.

En ofschoon wij ook krachtens onzen vrijen wil in verschillende zaken bevrediging kunnen zoeken, toch zal in alles, wat wij beproeven, die begeerte, dat vermogen zich in ons doen golden en ons voortdrijven, totdat wij het voorwerp gevonden hebben, voor welks opsporing en bereiking ons juist dat vermogen werd gegeven.

Christus onze Heer en God, die dat vermogen in ons heeft gelegd en die ons onmogelijk een onoverwinnelijk streven zonder doel, of zonder de mogelijkheid om dat doel te bereiken, konde instorten. Hij zelf toont ons, waar wij het ware voorwerp onzer rust moeten zoeken en hoe wij het moeten vinden.

Leert van mij, dat ik zachtmoedig en nederig van harte bon en gij zult rust vinden. Hij maakt

-ocr page 60-

24

geen ondersehoid, geene uitzondering; wij zullen dus de ware rust, het wezenlijk geluk vinden.

Want ofschoon ook de rust, het geluk der ziel, hier op aarde, de omstandigheden van het men-schelijk leven in aanmerking genomen, niet onder allo opzigten volkomen kan zijn, toch zal zij eene ware rust zijn, zooals de Heer belooft en de ondervinding leert van talloozc heiligen, die zachtmoedige en nederige leerlingen waren van den zachtmoedigen en nederigen Jesus.

Zeer zeker zullen wij dien vrede genieten, die door geen uitwendigen vijand wordt verstoord wij zullen ons in die kalmte verheugen, die door geen inwendige beroering wordt onderbroken; eindelijk, wij zullen die verhevene gelijkvormigheid en vereeniging bereiken, die het hoogst.; geluk dos levens, ja, allo goederen bevat, en waarvan ons niemand tegen onzen wil zal kunnen berooven.

4. Terwijl wij ons dergelijke vruchten verzamelen, zullen wij ons doel, de eeuwige zaligheid onzer zielen verzekeren, want Hij zegt: gij zult de rust uwer zielen vinden.

Ofschoon onze zielen ons ook al toebehooren toch zijn zij niet ons eigendom in dien zin alsof haar oorsprong aan ons te danken ware, dewij 1 niet wij maar Hij ons geschapen heeft; maar toch zijn zij inderdaad ons eigendom, dewijl Hij ze ons heeft gegeven. Doch toen Hij ze gaf, deed Hij zulks met een doel zijner waardig, opdat -— nadat Hij gehandeld had naar behooren gelijk God als de oneindig volmaakte immer handelt, ook wij wederkeerig zouden medewer-

-ocr page 61-

25

ken en daardoor dio zalige, blij veilde rust aan onze zielen zouden verschaffen.

Dit is het doel, de eeuwige zaligheid onzer zielen, wat innig met de eer van God, die niet zonder doel werkt, allernaauwst is verbonden.

AVant indien God glorierijk is in al zijne werken, hoe glorievol moet Hij niet wezen in een werk van zooveel belang, het heil der zielen, die eeuwig zullen zegevieren en Hem zullen loven!

Om dat doel te bereiken versterkt en helpt Hij ons met duizend middelen, op duizenderlei wijzen; tot dat doel gaat Hij zelf ons voor, gelijk een vader zijne kinderen; als een voorzichtig geleider, toont Hij ons den zekeren en gemakkelij-ken weg, ondersteunt en bemoedigt Hij ons.

5. Maar als dit zoo is, laat ons dan moedig zulk een goeden geleider volgen.

Wat kan voor ons eervoller zijn? Het is immers eene groote eerden Heer tc volgen; do grootste eer, beminde leerlingen van zijn Hart te zijn.

quot;Wie kan cene aardsche eer uitdenken zoo groot, dat zij vergeleken bij die waardigheid niet geheel zoude verdwijnen?

Er is ook niets nuttiger, dewijl daarvan do rust der ziel, ons geluk voor tijd en eeuwigheid afhangt. Die zaak toch is van zóó groot belang, dat zij alleen voldoende is en buiten haar al het overige ijdel en ten laatste nutteloos blijft.

Eindelijk is het zeer gemakkelijk en aange-genaam; dewijl zijne geboden niet zwaar zijn, daarom juist geeft Hij ons zulke bevelen en helpt Hij ons met zoodanige middelen, dat wij die niet slechts kunnen vervullen maar ook, dat geen vij-

-ocr page 62-

26

and van ons heil, geene moeijelijkheid bij magte is, ons de vervulling daarvan te beletten.

Want al leerende van het Hart des Verlossers zelf putten wij ook uit die bron der liefde de krachten, die ons in staat stellen om de moeite, zoo deze zich voordoet, of niet te gevoelen of lief te hebben en dus ze ligt en aangenaam te vinden.

O Jesus, zachtmoedig en nederig van harte, ik smeek U, neem mij aan tot uw leerling, tot leerling van uw Hart en geef, dat ik vlijtig van TI leere zachtmoedig en nederig van harte te zijn en op die wijze quot;do rust mijner ziel te vinden, tot eeuwige glorie van U.

TWEEDE HOOFDSTUK.

dat niets ter wereld oxs hart waarlijk gerust, waarlijk tevkedes kan maken.

1. Jesus: Mijn kind, gij zijt ter zaligheid geschapen. Dat bewijst de rede; dat getuigt de ondervinding; dat leert het geloof.

Naar geluk zoekt gij zonder ophouden en gij doet wel. Maar houd op uw geluk te zoeken in de schepselen, dewijl gy hot daar niet zult vindon.

Niets immers van al wat op deze wereld is, kan uw hart bevredigen, mogt gij ook al het geschapene alleen bezitten, dan nog zou uw hart ledig en ongelukkig zijn.

-ocr page 63-

27

Het aardsche wekt den dorst des harten op, maar kan dion niet lesschen; in der daad hoe meer gij bezit des te heviger wordt uw dorst.

Hoe zendt gij in de schepselen kunnen vinden, wat zij zeiven niet bezitten? Niemand toch geoft, wat hij zelf niet heeft.

2. Of zult gij bereiken, wat geen der stervelingen ooit konde bereiken ? Zie eens, de wijste der menschen had overvloed aan allerlei goederen, overvloed van altijd nieuwe genoegens ; door de onmetelijkheid zijner rijkdommen bragt i'ij de volkeren in verbazing', zijn roem werd door de faam tot aan de uiteinden dor aarde gedragen.

En toch de ledigheid zijns harten dwong hem uit te roepen: „IJdelheid der ijdelheden, en alles is ijdelheid!quot;

Mogt gij ook alles hebben, wat uw hart in de wereld kan begeeren; mogt gij ook heer en moester van geheel het aardrijk wezen, mogten ook allo menschen u eerbiedigen ; mogt gij alles beproeven, dan nog zult gij ondervinden, dat gjj niets hebt gevonden dan ijdelheid en droefenis des geestes.

3. quot;Wil u daarover niet verwonderen, mijn kind; uw hart is immers niet voor de wereld gemaakt, alles dus wat de wereld bevat, is uwer veel edeler bestemming en de liefde uws harten onwaardig.

Voor iets hoogers zijt gjj geschapen, voor de eeuwigheid geboren, \ oor het oneindige zijt gjj bestemd. Werp u dan niet neder in het slijk, terwijl gij gesteld zijt om eeuwig te heerschen.

-ocr page 64-

28

Mogt gij ook geheel de wereld winnen, wat zou het u baten, als gij uw ziel zoudt verliezen ? Voorwaar gij zoudt dubbel ongelukkig zijn, want hier op aarde zoudt gij wegens den slechten toestand uws gewetens de knagende wroegingen uws harten lijden en na dit leven aan eeuwige ellende ten prooi zijn.

Zalig derhalve, die alles veracht, wat het hart kan misleiden; die edelmoedig elk beletsel voor zijn waar geluk van zich werpt; die do waardigheid zijner bestemming indachtig, boven al hot geschapene zijne zaligheid zoekt in zijnen Schepper !

4. De leerling. God, mijn Zaligmaker, Gij hebt mij ter zaligheid geschapen en tot op dezen oogenblik heb ik niet opgehouden haar te zoeken en toch, nog heb ik geen zaligheid genoten, ze nog niet gevonden.

Mijne begeerlijkheden riepen mjj herhaaldelijk toe: „zie hier is zij of daar is zij.quot; Dwazelijk heb ik daaraan geloof geslagen en verblind door ongeregelde neigingen, heb ik heen en weer mijne schreden gewend en in plaats van liet geluk, dat ik zocht, heb ik ellende gevonden en bitterheid geproefd.

Beklagenswaardige, die ik ben ! Geschapen, o mijn God, om in U zalig te zijn, heb ik mij afgetobd om buiten ü, in de schepselen, mijne zaligheid te zoeken en zie, verder bon ik afgedwaald van de zaligheid, waarvoor ik geschapen was en het verderf, waarvoor ik niet was geschapen, heb ik bereikt en daarin ben ik omgekomen.

-ocr page 65-

29

O God, mijn Zaligmaker, open mijne oogen, opdat ik toch eens waarlijk inzie, hoo erg ik dwaalde en geef dat ik van die dwaling verlost met de daad in U do zaligheid zoeke, die ik bij de schepselen niet kan vinden.

DERDE HOOFDSTUK.

dat 0x3 hart wake rust ex wezenlijk heil vindt ix het hart vax jesus.

0. Jesus : Mijn kind, indien gij uw waar heil wilt bereiken, wijd dan geheel uw hart aan de navolging van, en aan den vertrouwelijken omgang met mijn Hart.

In mijn Hart zult gij een vrede en kalmte vindon, die de wereld niet geven noch ontnemen kan.

Indien gij slechts eenmaal waarlijk tot in het binnenste mijns Harten waart doorgedrongen, dan zoudt gij daaruit al het aardsche aanzien zooals het in zich zeiven is, niet gelijk de dwazo vereerders der wrereld het waardeeren.

Dan zoudt gij u gemakkelijk ontdoen van de overtollige en lastige zorgen der schepselen en niets uwer waardig oordeelen dan do wezenlijke goederen.

2. quot;Wel is het waar, uw hart, aan onophoudelijke wisselingen ten prooi, verandert wel zevenmalen op één dag, zoodat het nu blijde dan droevig, nn kalm dan wederom gejaagd, soms

-ocr page 66-

30

brandend van liefde jegens de sehepselon dan wederom zat van hunne ijdeiheden, nu ijverig straks laauw is; — zoo ongestadig geljjk eeno zee.

Maar als uw hart eens vereenigd ware met het mijne, dan zou er weldra eene groote en blijvende kalmte ontstaan.

Want in de vereeniging mijns Harten zoo veilig als in de haven des heils, zoudt gij het in uwe nmgt hebben altijd de zelfde te blijven, onbewogen en steeds gevrijwaard voor elke verandering, welke wind van voor- of tegenspoed zich dan ook mogt doen gevoelen.

Indien gij u verschuilt in mijn Hart, dan zal geen vijand u kunnen schaden. Wel zal de duivel rondloopen zoekende, wien hij ongelukkig kan maken en velen zal hij met zich in den afgrond medeslepen, doch u zal hij niet genaken noch uwen vrede kunnen storen.

3. Mogt gij dan de goddelijke gave erkennen! Mogt gij weten, welke goederen zij bevat! Inderdaad, al uwe rust, geheel uw geluk ligt daarin verborgen.

De vrede der onderwerping, ongestoorde zekerheid, ware vreugde des harten, ziedaar het eigendom van allen, die mijn Hart beminnen en vereeren.

Wat baten schatten? Wat eer? Wat zelfs genoegens, bijaldien het hart onrustig en ontevreden is? En wat kan geheel do wereld ons geven, tenzij onrust en kwelling des harten ?

Ongelukkig zult gij derhalve zijn, wat gij overigens ook bezit, zoolang gij niet rust in mij, die alleen voor u alles ben.

4. De leehlino : In waarheid, o Heer, dat heb

-ocr page 67-

0 1 oi

ik ondervonden, want in alle dingen heb ik rust gezocht en ik heb niets gevonden dan do eeno kwelling na de andere.

Gij hebt gewild, 't is waar én om U zei ven èn om onzentwille tevens, dat ons hart slechts in U bevrediging zou vinden. Want Gij hebt, o Heer, ons hart voor u gemaakt, en het gevoelt zich niet tevreden, niet gelukkig zoolang het niet in U rust.

O allerzoetst Hart van Jesus! Zalig genot der Allerheiligste Drievuldigheid! Blijdschap van alle Engelen en Heiligen! Zalig Paradijs der zielen! Wat wcnseh ik nog buiten U terwijl Gij alles bevat, wat ik kan en moet begeeren?

In u vindt de hemel zijne vreugde, in U de aarde haar heil; dewijl Gij dus aller zaligheid uitmaakt, waarom zoudt Gij het voor mij niet zijn? Ja, allerzoetst Hart van Jesus, Gij zijt mijne rust. Gij mijne zaligheid voor eeuwig.

VIERDE HOOFDSTUK.

dat het ter zaligheid soodzakelijk is het hakt van jesus na te volgen.

1. Jesus: Mijn kind, het eenige en boven alles noodzakelijke is, uwe ziel eeuwig zalig te maken. Want is deze verloren, dan is alles verloren; hebt gij haar echter behouden, dan is alles behouden.

Welnu, gij zult het eeuwig heil uwer ziel

-ocr page 68-

niet verkrijgen, indien gij geen navloger zijt geweest van mijn Hart,

Want, wie God vooruit heeft gekend, hen heeft Hij ook voorbeschikt om gelijkvormig te worden aan de beeltenis zijns Zoons.

Welke is echter die beeltenis van Gods Zoon, waaraan allen, die behouden zulle i blijven, gelijkvormig moeten worden, tenzij mijn Hart ?

Immers 't is niet een ieder gegeven mijne uiterlijke daden na te volgen, het hangt niet van den mensch af de wonderen te wrochten welke ik gedaan heb.

Daarenboven kunnen niet allen, wegens de verscheidenheid der standen in het menschelijk leven, de uiterlijke levenswijze volgen, die ik geleid heb; doch het innerlijk streven mijns Harten kunnen en moeten allen navolgen, zoowel grooten als kleinen, geleerden zoowel als onge-letterden, in wolken staat zij dan ook leven.

Indien gij dus eeuwig hehouden wilt blijven, vorm u dan naar mijn Hart en gevoel in uw hart, wat ik in het mijne gevoel.

9. Mogt gij ook al uwe bezittingen onder de armen verdoelen; mogt gij ook uw ligchaam prijs geven aan de zwaarste boetplegingen; mogt gij ook alle geheimen doorgronden; mogt gij ook wonderen doen, zoodat gij de verbazing wektet van een ieder, als uw hart niet de gelijkenis mijns Harten, in zich draagt, het beteekent niets en voor de eeuwigheid zal u dat alles niet baten.

Naar de gelijkenis van uw hart op het mijne moet gij geoordeeld worden en daarvan zal uw toestand voor de eeuwigheid athangen.

-ocr page 69-

33

Velen toch zullen tot mij op den dag des oordeels zeggen: „Heer, hebben wij in uwen naam geen voorspellingen gedaan, de duivelen uitgedreven en vele wonderen verrigt?quot; Doch Ik zal hun antwoorden: „Ik ken u niet. Hebt gij de wonden gezien, die gij mij hebt toegebragt, zijt gij met uwe kennis doorgedrongen in de zijde, die gij hebt doorstoken en die voor u geopend bleef terwijl gjj evenwel er niet wildet binnengaan ?quot;

Niets dus baat u, wat gij ook verrigtet, zoo gij niet gehandeld hebt overeenkomstig mijn Hart.

3. Niet do uiterlijke schijn van godsvrucht maar een godvruchtig hart maakt den rnensch waarlijk goed en mij dierbaar.

Naar de mate gij uw hart gelijkvormig zult maken aan het mijne, in die mate zult gij uwe zaligheid verzekeren.

Doe voor uw heil, wat in uw vermogen is; waar eene eeuwigheid op het spel staat, kan onze bezorgdheid niet te groot zijn.

Bij uw sterven zult gij inzien, dat al uwe daden verloren zijn gegaan, zoo gij ze niet tor mijner eere en voor uw heil hebt verrigt.

Indien derhalve de eeuwige zaligheid eene zaak is van hot hoogste belang, herinner u dan, dat de navolging mijns Harten van evenveel gewigt is als het heil uwer ziel.

4. De leerlixg: O eeuwige zaligheid mijner ziel, eenig en bovenal voor mij noodzakelijk! Immers, waarvoor ben ik in deze wereld, zoo niet om mijne ziel zalig te maken? En waarom ben ik vrijgekocht, met zooveel middelen uitge-

3

-ocr page 70-

34

rust, mot zoovele weldaden door God overladen, tenzij om des te gemakkelijker en te ligter mijne ziel te zaligen ?

Maar helaas ! nog heb ik geen ernstig begin gemaakt met datgene, waarvoor ik alleen op de wereld ben geplaatst. Vrijgekocht, hebt ik mij zeiven wederom tot nog verachtelijker slavendienst vernederd en in 't verderf gestort door het misbruik van de middelen en weldaden zeiven, waardoor ik gemakkelijk mijn geluk en mijne zaligheid had kunnen bewerken,

O, mijn Heer en mijn God, maar al to regt stond het u vrij toe te laten, dat ik voor eeuwig verloren ging en immer het ongeluk bleef dragen, dat ik door mijno boosheid en door het misbruik uwer genade heb verdiend.

Maar dewijl Gij dit, gedreven door de ein-delooze goedheid uws Harten niet gedoogd hebt; neen, dewijl Gij door eene nieuwe en veel groo-tere weldaad mij mijn eeuwig zielenheil hebt leeren hoogschatten en beminnen, wil ik ook niet meer ondankbaar zijn en nimmer meer mijne ziel in het gevaar stellen van eeuwig verloren te gaan.

Neen voorwaar, ik neem mij voor en beloof het U do liefdevolste raadgevingen uws Harten, om mijne ziel gelukkig te maken, op te volgen.

-ocr page 71-

35

VIJFDE HOOFDSTUK.

dat al onze volmaaktheid bestaat ix de navolging van het hakt van jesis.

1. Jescs. Mijn kind, geheel uwe volmaaktheid is gelegen in de gelijkvormigheid met mijn goddelijk Hart.

Want mijn Hart, het Hart van Gods quot;Woord, is het rigtsnoer aller deugden, de heiligheid zelve.

Een ieder dus, die mijn Hart navolgt, volgt God, zjjh Zaligmaker, de heiligheid zelve na.

Dewijl mijn Hart het toonbeeld der volmaaktheid en de bron aller genaden is, zult gij van mijn Hart leeren, wat gij ter uwer heiliging doen moet en daaruit do kracht putten om hot ; te kujinoa -doen.

Wilt gij dus volmaakt worden, volg dan mijn Hart na; hoe meer gij er op gelijken zult, des te volmaakter zult gij wezen.

2, Mijn Hart is nederig, en de nederigheid is inderdaad de grondslag der ware heiligheid.

Indien gij de nederigheid niet van mijn Hart aanleert, dan zult gij die deugd nimmer bezitten en haar slechts bij name kennen.

En als gjj het gebouw der deugd op een anderen grondslag wilt oprigten, dan zal het niet hecht staan, maar door den kleinsten rukwind worden omgeworpen en een grooten puinhoop vormen.

Mijn Hart is ook zachtmoedig en vol liefde; doch de liefde is juist de volmaking der heiligheid.

]

-ocr page 72-

36

Nimmer echter zal uw hart glooijen van het vuur der ware liefde, als het niet ontstoken is door dat liefdevuur, waarvan het mijne brandt.

Wee u, indien uw hart aan een vreemd vuur is ontstoken ! Gij zult dan wel gloeijen, ja, maar tot uw verderf.

3. Nimmer zult gij u degelijke deugden eigen maken, noeh ware heiligheid bereiken, tenzij door de navolging van mijn Hart.

Hoe vele uiterlijke teekenen van deugd gij ook vertoont, hoe gij ook schijnen moogt godvruchtig te zijn, als uw hart het mijne niet navolgt, dan 7.11 al uwe godsvrucht niets anders zijn dan een ongepaste plooi aan uw gelaat gegeven.

Indien gjj mijn Hart u niet tot voorbeeld der volmaaktheid kiest, dan blijft u geene hoop op volmaaktheid over.

4. In der daad, zoo was het sinds hot begin der wereld. Immers onder do oude wet was het voorspeld en bekend met welk een Hart ik eenmaal zou verschijnen; en niemand werd er onder het getal der, uitverkorenen opgenomen, die niet de hoedanigheden mijns Harten, welke ik eenmaal openbaren zou, in zijn hart had overgedrukt.

Van den beginne der Kerk tot op dezen oogen -blik was mijn Hart altijd de heiliging der Apostelen, de sterkte der martelaren, de standvastigheid der belijders, de zuiverheid der maagden, de volharding der regtvaardigen, eindelijk de volmaaktheid van alle heiligen.

Derhalve moed gevat, mijn kind, volg mijn Hart na overal waarheen het u leidt; naar de mate gij het meer van nabij gevolgd zult zijn,

-ocr page 73-

naar die mate zult gij ook nader tot het toppunt der volmaaktheid zijn opgeklommen.

Van de navolging mijns harten hangt de volmaakte vervulling der geheele wet en alle heiligheid af.

Het ijverig streven om mijn Hart na te volgen is een zeker teeken van voorbeschikking.

5. De leerling: O zoete Jesüs, bron des leves en der genade, ontsteek mij, help mij in de bestudering en navolging van uw Hart, dat het rigtsnoer der deugd en bet voorbeeld dor heiligheid is.

Bevrijd mijn hart van elke begoocheling, van elk beletsel; geef, dat ik met eenvoudige eu zuivere bedoelingen U zoeke, dat ik c*einnerlijke gevoelens en gesteltenissen uws Harten in mij overneme en mij zoo innig mogelijk aan U gelijkvormig make.

Maar ach Heer, hoe weinig gelijkt mijn hart op U! Hoe weinig heb ik tot op dezen oogen-blik nog verrigt om het leven uws Harten in mijn leven uit te drukken!

Ach mocht ik nog maar niet gewerkt hebben om mijn hart van U te vervreemden en ai'kee-rig te maken! O verblinding, o dwaasheid mijner ziel.

Ontferm u mijner, o Heer Jesus, ontferm U mijner, overeenkomstig de groote barmhartigheid uws Harten.

Hoe velen zijn er, die niet zoo lang hebben geleefd en niet zoovele middelen hadden en desniettegenstaande zich heiligden en ijverige leerlingen uws Harten zijn geworden! Eu ik.

-ocr page 74-

38

nog heb ik geen begin met mijne heiliging gemaakt; en ik, nog ben ik oen zondaar.

Het is tijd, o Heer, het is tijd om het werk mijner heiliging, tot heden zoo zeer verwaarloosd, te beginnen.

Die godachte: ik kan nog heilig worden, ik kan nog een leerling uws Harten worden, ik kan mij nog versieren met dat zoo verblijdend tee-ken der voorbeschikking, die godachte wekt mij op en spoort mij aan.

Eigt mij op goede Jesus, geef mij hulp en moed; zie nu heb ik een begin gemaakt.

ZESDE HOOFDSTUK.

dat een ieder die het hart vax jesus ka wil volgen, verpligt is zijn hart te zuiveren.

1. Jesus: Mijn kind, wilt gij met mijn Hart yerkeeren en de onuitsprekelijke zoetheid van zijne gemeenzaamheid ondervinden, zuiver dan uw hart van alle kwaad.

Want ik, uw beminde, ben zuiver en vlekkeloos en zoek mijne genoegens tusschen de lelien.

Hoe toch zou er eene vereeniging tusschen uw en mijn Hart mogelijk zijn als gij bet uwe niet eerst met zorg haddet gezuiverd?

quot;Want wie zal er mijn Hart van zonde overtuigen? Doch gij, hoe kunt gij zeggen; mijn

-ocr page 75-

39

hart is rein, terwijl uw hart zelf zich van het tegendeel bewust is?

Ach mijn kind, welk een hart hebt gij! In zonde geboren, zoolang reeds de woonplaats dei-duivelen, door vlekken bezoedeld en misvormd, hevig geneigd ten kwade en ongelukkiglijk af-keerig van het hoogste goed; zoo vele ongeregelde gehechtheden koesterend en opkweekend tot bronnen van zonden; vol van de wereld en van zich zeiven, gewoon om bijna in alles zich zeiven te zoeken!

2. Waarlijk het mag verbazing wekken, dat gij mij durft uitnoodigen in zulk een hart binnen te treden en tusschen zoovele onreinheden te verwijlen.

Een bedorven hart is mij een gruwel; maar een onrein hart walgt mij; hoe zoude dan het verblijf daarin mij vreugde kunnen bieden.

Ik zoek een zuiver hart en daarin te wonen, daarin mij tusschen de leliën te vermeijen, is al mijne vreugde.

Die dus de zuiverheid des harten lief heeft, zal mijne tegenwoordigheid genieten, do teeder-heid en de verhevene zoetheid mijns Harten ondervinden.

3. Wil u niet bedriegen, mijn kind, meenende, dat het wel met u is, zoo gij slechts uiterlijk u goed gedraagt, want ik zie vooral op het hart.

Voorwaar, wat zal het u baten, indien gij door uw uiterlijk aan alle schepselen behaagt, maar innerlijk aan mij mishaagt?

Is uw hart vlekkeloos, dan zult gij geheel vlekkeloos zijn; want uit uw binnenste, uit uw hart

-ocr page 76-

40

komen de de kwade gedachten, de onzuiverheden het bedrog, de godslastering en ten laatste alle zonden voort.

Zuiver derhalve uw hart en dan zal er geen beletsel meer aanwezig zijn om gemakkclijK tot innerlijke vereeniging met mij te geraken en met volle teugen te proeven, hoe zoet mijn hart is.

Doch indien gij slechts voor het uiterlijke der zonde zult hebben vaarwel gezegd zonder ze in uw hart uitgeroeid te hebben, dan zult gij nimmer van uwe ondeugden ontdaan zijn, neen, tienmaal meer dan gij ze uiterlijk zult kunnen \ ermijden, zullen ze in uw binnenste aanaroeijen, en terwijl gij uiterlijk den schijn hebt van vast te staan, zult gjj onder den last uwer inwendige kwalen bezwijken.

4. Welaan mijn kind, bereid mij in uw hart een roine woning en ik zal komen, geheel de uwe zijn en gij zult^mij geheel toebehooren ; wondervol zal onze omgang zijn en onze vereeniging zal slechts begrepen worden door hen, die ze leerden kennen.

Zijt welgezind en groot van ziel en begin terstond het werk, dat al uwe belangstelling verdient; gij zult geen ware vreugde smaken, dan wanneer gij het voltooid zult hebben.

De vrees voorde moeijelijkheden houdt velen van de geheele zuivering des harten terug.

Dat is inderdaad eene list des duivels: immers die oude vijand van het heil der menschen, wetende, dat van die ware en volkome zuivering des harten niet slechts uw heil en uwe vol-

-ocr page 77-

41

maaktheid, maar ook die van anderen en bovenal mij ne glorie afhangt, tracht u daarvan met alle inspanning terug te houden.

Wil geen acht slaan op de ingevingen van dien listigen bedrieger, die er zich weinig om bekommert of hij door goede of kwade middelen zijn doel bereikt.

Doch bid, vraag genade van God en vang daarmede krachtig het werk aan en gij zult alle moeijelijkheden zien vluchten voor uwe grootheid van ziel; ja, wat meer is, daar, waar gij geloofdet do grootste moeijelijkheden te zullen ondervinden, zult gij door uwe verwondering juist de grootste vertroostingen smaken.

5. De leeelikg. Ik bid en smeek U, Heer, schep in mij een zuiver hart en vernieuw den waren geest in mijn binnenste.

Geheel mijn hart is met onreinheden bezoedeld m doorliet hart zijn de vermogens mijner ziel en dezintuigen mijns ligchaams kwalijk aangedaan. Ach Heer! wat is er in mij, dat nog vlekkeloos en geheel zuiver is?

Zend, ik smeek het U, het licht uwer genade af en verlicht mijn verstand opdat ik al het kwaad, dat ik heb bedreven en al het goede, dat ik verwaarloosd heb, kenne en beweene.

O hoe berouwt het mij, o allerzoetste Jesus, dat ik uwe woning op zoo onwaardige wijze heb geschonden, dat ik U beleedigd en uw Hart bedroefd heb! Ik betreur o mijn hoogste Goed, ik betreur en verfoei al mijne zonden; ik belijd mijne boosheid en ondankbaarheid en ik roep de barmhartigheid uws Harten in.

-ocr page 78-

42

Heer indien Gij wilt, Gij kunt mij zuiveren; wascli mij rein, ik smeek het U, van mijne ongerechtigheid en zuiver mij van mijne zonden. Reinig mijn hart ook van geheime en vreemde zonden.

Kom, Jesus, kom in mijn hart en maak U eene tuchtroede uit de koorden der heilige vreeze, der levendige dankbaarheid en der vurige liefde en drijf er alles uit, wat deze uwe woning ontheiligt.

Zie niets van dat alles zal ik er meer in ge-doogen; uw huis zal genoemd worden een huis des gebeds; daarin zal ik U eeren, daarin U beminnen, daarin mij met U bezig houden.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

dat ons hakt vooeal van de doodzonde, het grootste kwaad, moet gezuiveed zijn.

1. Jesus. Mijn kind, zie wel toe of er in uw hart geene zonde zij, die aan uwe ziel den dood berokkent.

Hoe kunt gij, hoe durft gij liefhebben of als gast in uw hart toelaten uwen grootsten vijand die eenmaal toegelaten, U ongetwijfeld tot slaaf der hel, tot den ellendigsten mensch, ja, ver-achterlijker maakt, dan de redelooze schepselen?

Hoe velen zeggen: „O wat al kwalen verwoesten de aarde?quot; En toch er is waarlijk slechts eene kwaal, de zonde, en er is geen andere.

-ocr page 79-

43

Vermijd de zonde en wat u dan ook moge overkomen, het zal tot uw welzijn gedijen.

2. 't Is te verwonderen, dat een redelijk schepsel nog de zonde kan bedrijven, terwijl zij, in haren aard beschouwd, zoo verfoeijelijk en verachtelijk is, dat men, afgezien ook van de hel of van den hemel, zo evenwel om hare innerlijke boosheid zou moeten vlugten.

Doch als gij eens de oneindige waardigheid beschouwt van den persoon, die beleedigd wordt en de eindelooze nietswaardigheid van den persoon, die beleedigt, dan zult gij inzien, dat de zonde in zekeren zin oneindig kwaad is.

Een ieder, die eene doodzonde doet, randt God aan; hij zou God zeiven willen vernietigen als hij dit vermogt; en dat de God van hemel en aarde niet verdelgd wordt, voorzeker het is de schuld des zondaars niet.

3. Zulk een groot kwaad is de zonde, dat ik, de Zoon des Allerlioogsten om dat helsche monster to verdelgen en der goddelijke regtvaardig-heid voldoening te schonken, van den troon mijner majesteit moest nederdalen en, mensch geworden, gedurende mijn leven aanhoudende martelingen doorstaan en eindelijk aan het kruis door smarten overweldigd, den geest heb moeten geven.

Ach beklagenswaardig mensch, hoe kunt gij nog de misdaden liefhebben, die mij zooveel gekost hebben? Of hoe kunt gij voor het genot van een oogenblik al mijn lijden en smarten en mijnen bittersten dood hernieuwen?

Als gij eene doodzonde doet, dan maakt gij

-ocr page 80-

44

u aan eene veel grootere misdaad schuldig dan de joden, die mijne beulen waren. Dezen toch, indien zij mij, den Heer der eeuwige glorie erkend hadden, zouden mijnimmer ter dood hebben verwezen. Maar gij, gij kent mij, ja, wie en hoedanig ik ben, gij weet hot bij ondervinding door de weldaden, die gij van mij hebt genoten.

4. quot;Was ik het niet, die door liefde alleen gedreven, u heb geschapen, verlost en behouden, ja die immer met meerder teerderheid dan een vader bezit, u beschermd, verzorgd en opgekweekt heb?

Wat gij zijt en wat gij hebt, dat heb ik u gegeven, en tot overmaat van al, heb ik u mij zeiven geschonken; en voor dat alles geett gij mij dat weder?

Zie eens, als gij aan een redeloos dier een stuk voedsel voorwerpt dan toont het nog, voor zooveel hot kan, zijn dankbaarheid. Maar ik, ik heb iU eindelooze goederen geschonken en gij van uwen kant, vervolgt mij tot den dood toe ! Let eens wel en overweeg eens, wat men daarom van u zou moeten denken.

5. O kind mijner eeuwige liefde, dat ik bemind heb meer dan mijn leven, wil toch niet meer zondigen.

Indien gij mij bemint, ja indien gij waarlijk n zeiven lief hebt, vlugt dan de zonde.

Wanneer gij eene doodzonde bedrijft, dan beneemt gij u liet bovennatuurlijk leven; wat gij aan verdiensten bezit, verliest gij; het erfregt op den hemel verspilt gij; gij wordt mede-

-ocr page 81-

45

erfgenaam van de hel mot de duivelen; gij kiest liet onheil boven uw geluk, de hel boven den hemel en den duivel boven mij.

Overweeg dat, mijn kind, opdat gij grondig lecret, voor zoover de menschelijke geest hot vermag te beseffen, welk een groot kwaad de zonde is en gij datgene, wat alleen u voor eeuwig ongelukkig kan maken, moogt vermijden.

6. De leerling: O mijne ziel! beschouw de zoude! waarlijk, zij is hot grootste kwaad dewijl zij den mensch verlaagt beneden de rcdelooze schepselen, hom de poorten des hemels sluit en den afgrond dor hel openzet! O afzigtelijk monster, duizendmaal meer verschrikkelijk dan de duivel zelf!

O mijn God, ik schaam mij het te belijden, en toch ik kan het niet loochenen, dat ik mij tot den verachtclijksten slaaf der zonde heb go-maakt, en dat ik door overmaat van dwaasheid, door de grofste ondankbaarheid, door de grootste boosheid met en door de zonde herhaaldelijk uwe ontzaggelijke majesteit heb beleedigd, waarvoor zelfs de engelen eerbiedig sidderen.

Ik ben ten eenemale beschaamd omdat ik dooide ongeregtighoden die mijne rede veroordeelde, te bedrijven, en door het misbruiken van alle vermogens mijner ziel en de zintuigen mijns lig-chaams, verachtelijker ben geworden dan de schepselen, die geene rede bezitten,

7. O mijn Heer en God! Gij hebt mij uwe beminnelijke beeldtenis ingedrukt, en ik, na haar bezoedeld te hebben, heb er de afschuwelijke beeldtenis des duivels opgedrukt; ja ik heb mij

-ocr page 82-

46

nog veel afschuwelijker gemaakt dan do duivel zelf is.

Immers hij, voor dat er eenige straffe bepaald was, heeft gezondigd uit hoogmoed; ik, zijne straf kennende, heb gezondigd uit verachting; hij, slechts eenmaal in onschuld geschapen ; ik, na zoo dikwerf in de onschuld hersteld te ziju geweest; hij verhief zich tegen zijn Maker; ik tegen Hem, die mij, mismaakte, de oorspronkelijke gedaante wederscbonk.

Ellendigste zondaar, die ik ben, om niet of liever om het verachtelijkste heb ik uwe vriendschap, den gelukkigen vrede der ziel, het regt op de eeuwige zaligheid wegge worp-, n en mij zeiven overgeleverd aan den duivel tot een ongelukkigen slaaf, die nu reeds zijn ongeluk deelt en eenmaal zijne eeuwige kwellingen zal deelen, zoo ik niet terugkeer en barmhartigheid vinde in uw Hart.

8. Waarlijk, o Heer Jesus, ik ben niet waardig andermaal de barmhartigheid te vinden, die ik zoo dikwijls misbruikt heb; ik beu niet waardig U te dienen, dewijl ik een slaaf des duivels ben geworden. Indien Gij mot mij handelen wilt overeenkomstig mijne verdiensten, dan is de hel mijne woning.

Doch, o God mijn Zaligmaker, in uw Hart woont eindelooze barmhartigheid; mijne zonden zeiven getuigen het, want als uwe barmhartigheid niet zonder einde ware, dan zoudt Gij nooit het eindeloos kwaad mijner zonden geduld hebben.

O Jesus, ontferm U mijner, overeenkomstig

-ocr page 83-

1

' j uwe groote barmhartigheid. Smeekend vraag

ik om vergiffenis en ik hoop, dat Gij mij ellen-digen zondaar wilt vergeven. Opregtelijk betreur ik de zonden, die ik heb bedreven en vastelijk neem ik mij voor, U voortaan getrouw te dienen en vurig te beminnen.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

dat ons hart zuiver moet zijn ook van-de kleinste zonde.

1. Jesus. Mijn kind, zuiver uw hart van elke misdaad en behoed u met zorg zelfs voor de vlek der kleinste zonde.

Niets is er, niets kan er zijn, wat het bedrijven eenor zonde hoe klein ook zou veroorloven.

Kondet gij derhalve ook geheel de wereld daardoor behouden, dan nog zou het ongeoorloofd zijn, mij door de geringste zonde te be-leedigen; want ik ben oneindig verre boven de wereld verheven.

Sommigen wachten zich voor groote zonden, maar bedrijven de kleine zonder schroom; het is een duidelijk bewijs, dat zij meer door hunne eigenliefde dan door mijne liefde bestuurd worden.

Doch die beklagenswaardigen zullen tot hun nadeel ondervinden, hoezeer zij zich bedrogen hebben.

-ocr page 84-

48

2. Eon ieder toch, die ds kleine zonden gering acht, zal langzamerhand in groote vallen en allengs er zich aan wennende, om alles als kleinigheden te beschouwen, zal hij meenen, dat het nog al wel mot hem staat, terwijl hij zonder veel gewetenswroeging groote zonden bedrijft.

Omdat de dwaze langs den rand des afgronds wil wandelen, is het niet moer dan billijk, dat hij uitglijde en in de diepte nederstort.

Wacht u derhalve voor do dagelijksche zonden, indien gij niet in doodzonde wilt vervallen.

Zoolang gij toegeeft ook aan de kleinste schade, zoolang ook stelt gij uwe zaligheid in gevaar.

3. Zeer velen schijnen opregtelijk te vreezen door eene doodzonde mijnen dood te hernieuwen, en evenwel houden zij niet op, door hunne kleine overtredingen aan mijn Hart de bitterste bitterheden te veroorzaken en het met aanhoudende smarten te bedroeven.

Ach mijn kind, zie toch wel toe eu bedenk zorgvuldig, wat gij doet. Want terwijl gij mijn Hart een kleine wonde wilt toebrengen zult gij, gelijk het zoo velen overkomt, wel ligt dwalen en met een doodelijken stoot geheel mijn Hart doorboren.

O, verblinding van het menschelijk hart! Velen vreezen meer den nietigsten mensch te beleedi-gen dan mij, hun God en Zaligmaker!

4. Zoo lang gij voortgaat ook slechts dagelijksche zonden te bedrijven, zult gij u niet wel bevinden noch waar geluk smaken.

En indien u, gelijk het behoort, de volmaaktheid ter harte gaat, dan nog zal uw stre-

-ocr page 85-

49

ven, hoe vurig gij haar ook verlangt te verkrijgen, ijdel zijn, als gij niet elke vrijwillige zonde vermijdt.

Do dagelijksche zonde immers verminderd de liefde, voert tot laauwheid, bederft onze daden van deugd, sluit de bron der bijzondere genaden en ondersteuningen en laat de ziel, wijl zij hare goederen een voor een rooft, eindelijk zonder iets achter.

5. Doch waarom toch stelt de mensch zich dikwerf aan zoo vele en zoo groote onheilen bloot? Is het niet om het een of ander nietig voordeel of genoegen ?

Maar let eens wel op de nadoelen, die daaruit voortspruiten en hoe zwaar gij in het vagevuur zult te lijden hebben.

De martelingen, daar te verduren, die alle kastijdingen dezer aarde en alle kwalen des levens overtreffen, ook daaraan zult gij niet ontkomen, dan na eerst den laatsten penning betaald te hebben.

O, hoe hevig zult gij het dan beweenen, dat gij u ook de kleinste zonde hebt veroorloofd, waardoor gij u buiten den hemel gesloten en aan do zwaarste straffen onderworpen ziet.

O, mijn kind, wil toch de wenschen en het streven mijns Harten om u gelukkig te maken, niet verijdelen; en wees toch niet zoo onbezonnen, dat gij tegen mijn verlangen in, aan uw eigen ongeluk de voorkeur geeft.

6. De leerling : Zoo is dan, o Hoor, do dagelijksche zonde geen klein kwaad, dewijl zij uwe goddelijke majesteit hoont, uw Hart verwondt,

4.

-ocr page 86-

50

de ziel van bijzondere genade en hulp berooft, den zoo wenschehjken voortgang belet, de goede handelingen gebrekkig maakt, den weg baant ten val, ons heil blootstelt aan een eeuwigen ondergang en eindelijk den schuldige buiten den hemel sluit.

En heb ik die kwalen, die zoo groot zijn, gering geacht! O, welke dwaasheid van mij! En wat nog erger is, ik heb ze bedreven, ontelbare, zonder mate. Mijne overtredingen hebben het hoogste punt overschreden !

Waar zie ik er het einde van? Zie zoo vele als de krachten mijner ziel en zinnen mijns lig-chaams zijn, zoo vele zijn de soorten mijner zonden; zoo vele als de gaven en weldaden, die Gij mij hebt geschonken, zoo vele zijn mijne misbruiken en schuldige ondankbaarheden; zoo velerlei als mijne handelingen waren, ook zulk een menigte van misdaden heb ik opeen gestapeld. Wee mij! welke handeling blijft er ook van de vervulling mijner godsdienstpligten en van mijne godsvrucht-oefeningen nog over, waarin Gij geen gebreken ziet?

O, mijne ziel! zooveel hebben wij misdaan door onoplettendheid, door nalatigheid, uit zwakheid; moest dat niet voldoende zijn? Moesten wij bij dat alles nog grooter kwaad uit verwaar-loozing, door vrijen wil, uit boosheid voegen?

Dat hebben wij den Heer weergegeven, door Wiens goedheid wij leven, aan Wiens liefde wij alles danken, wat wij hebben en zijn!

7. O God, mijn Heer en Zaligmaker! indien ik door de grootheid en menigvuldigheid mijner

-ocr page 87-

51

misdaden nog niet geheel verloren ging, ik erken het, dan ben ik het aan de goedgunstigheid uws Harten verschuldigd; ja Heer, aan uwe barmhartigheid wijt ik het, dat ik nog niet verloren ben.

Ik lig in het slijk daar neder; mijne kracht heeft mij begeven; de duisternissen hebben mij als met een net omspannen; zelfs mijn hart heeft allen moed verloren. Zie, dieper en dieper ben ik gezonken en wegens mijne magteloosheid kan ik mij niet wederom oprigten. Hoe groot is mijne ellende!

O, wie zal er water geven aan mijn hoofd, wie kracht aan mijn hart om te schreijen en IJ te bewegen, o Heer, om mij wederom op te beuren ?

Ontferm U mijner, o, goede Jesus, en verlos mij; zuiver en vernieuw mij geheel en al.

Ontsteek mjjn hart met de liefde uws Harten, verteer door dat vuur mijne misdaden; wil ze niet bewaren voor de vlammen van het vagevuur. Hier, ik bid het U, hier moge ik branden en gereinigd worden door het vuur uwer liefde, niet ginds door de vlammen van het vuur der straffe.

Zie, mijn allerzoetste Jesus, voortaan zal ik uit liefde voor U doen, wat ik heden uit vreeze zelfs niet gedaan heb ; uit liefde voor U zal ik elke, ook de kleinste zonde vermijden.

-ocr page 88-

52

NEGENDE HOOFDTTUK.

dat het hart des zondaars kiets dan de bitterheid van zijn onheil kan ondervinden.

1. Jesus: Dierbaar kind, indien gij zoo ver zijt gekomen, dat uw hart zich niets meer te verwijten heeft, verheug u dan, ja nogmaals verheug u, want dan vloeit u de vrede als een stroom van gelukzaligheid tegen.

Een goed hart maakt de ziel gelukkig, verblijdt den hemel en doet de hel sidderen. Doch oen boos hart vervult den zondaar met ongeluk, de hemelbewoners met medelijden en de duivelen met goddelooze vreugde en uitgelatenheid.

Denk u eens alle rampen bijeen, die op deze wereld mogelijk zijn, nimmer zult gij u er zoo vele voor den geest stellen, als do zondaren in hun harten dragen.

Hoe hard, hoe verachtelijk is de slavernij des zondaars! Met -welke en met hoe vele banden wordt hij gekneld onder het juk der verachto-lijkste meesters, van den duivel namelijk, en van zijne tyrannieke hartstochten!

Zijn geest is gekneveld door de ketenen der grofste onwetendheid, opdat hij de waarheid niet kunne inzien; zijn wil is geketend met do banden der vloekwaardigste boosheid, opdat hij het goede niet beminne.

Zijne zintuigen draagt hij mede, omkneld dooide ketenen der begeerlijkheden, opdat hij niet in volge, wat passend is; hij wordt door het

-ocr page 89-

53

gewigt der ketenen van zijne begeerlijkheden geheel en al ter neergedrukt, opdat hij niet tot de zachte vrijheid der genade kome.

2. Wie is er dwazer dan de zondaar, die van zijn groote ellende zelf de oorzaak is?

Indien er op aarde een voorgevoel van de hel bestaat, dan is het voorzeker in het hart des boozen, die, ontstoken door het vuur der harts-togten, al de wroegingen van oen boos geweten lijdt.

Hoe zoude hij ook waarlijk vreugde kunnen smaken, die weet, dat hij bij het breken van den broozen draad zijns levens, in de diepte der hel zal worden neergestort?

Waarlijk, ik weet niet hoe iemand zich des nachts ter ruste durft begeven, niet wetende of hij in de eeuwigheid als een verworpene zal ontwaken!

3. 't Is waar, het hart des menschen moet naar geluk streven, doch de zondaar zoekt, door zijn teugelloozen en onbeheerschten inborst blindelings medegesleept, het geluk daar, waar slechts grooter ongeluk is te vinden.

Sommigen schijnen te mcenen, hunne begeerlijkheden te zullen bevredigen door volop daaraan voldoening te geven, en eindelijk rust te zullen vinden als zij allen voldaan zullen zijn. Welke dwaling!

Wie toch zal om een brand to blusschen, nieuwe brandstoffen in het vuur werpen? Zou hij zoo doende den brand niet vermeerderen in plaats van hem uit te dooven?

Moge iemand ook het heil zijner ziel en de kracht zijns ligchaams aan zijne hartstogten ten

-ocr page 90-

54

offer brengen, toch nog zullen dezen, steeds minder bevredigd uitroepen: wij zijn de uwen geef ons voedsel.

O, konde het hart des zondaars eens worden geopend, wat al ellende en welke afschuwelijkheden zou men daarin wel ontwaren! En toch! inderdaad, alles is open en duidelijk voor mij, wien men niet kan bedriegen, men moge dan, ook in staat zijn om de menschen te misleiden.

4. Het hart dat de slaaf zijner booze gewoonten is geworden, komt somtijds zoover, dat het niets meer denkt, niets moer bemint, niets meer smakelijk vindt dan hetgeen zijne begeerlijkheden aangenaam is; en ofschoon wetend, dat het naar den afgrond des onheils voortholt, blijft het onbezorgd en draaft als een redeloos dier zijne begeerlijkheden na, terwijl het niet slechts de eeuwige goederen, maar ook de welvoegelijkheid en de eer, ja zelfs het leven met den voet vertreedt.

De zondaar heeft geen vijand noodig om gehinderd en gekweld te worden; hij is zijn eigen grootste vijand en wreedste kwelgeest zelf.

Van datgene, waardoor hij zich genot en voldoening zoekt te verschaifen, is hij gewoon veelvuldige kwellingen te oogsten.

5. Hoe zou, hij vrede genieten, die in zijn binnenste de oorzaak der onrust onderhoudt? Of hoe wil hij ook slechts eens vrijelijk ademen, die de slaaf des duivels is?

Hoe ongelukkig moet hij zijn, die aan satan' veroorlooft, in zijn hart een troon op te rig-ten en te heerschen!

Gelukkig degene, die nooit den slavendienst

-ocr page 91-

55

des duivels heeft ondervonden, die nooit heeft gezucht onder den last, dien de kluisters der zonde medebrengen!

Mijn kind, indien gij nog nooit hebt ondervonden hoe ongelukkig het is in staat van zonden te verkeeren, verblijd u dan met geheel den hemel en wil nimmer beproeven, wat het heet, den duivel te dienen.

Doch zijt gij ongelukkig onder zijne heerschappij, heb dan medelijden met uwe ziel en werp, ontbrandend door de begeerte naar verlossing, zijn juk af, verbreek die kluisters en geniet de vrijheid van de kinderen Gods.

6. De leerling. O Heer, welk een ongeluk is de staat der zonde ! Hoe wezenlijk ongelukkig is de ziel, die in dien ellendigen toestand verkeerd! Welken vrede, welke vreugde kan zij ondervinden, terwijl zij U den Almagtige en Alwetende tot vijand heeft; terwijl zij weet, dat zij uit uw Hart, haar laatste toevlugtsoord, is verbannen; terwijl zij zich bewust is, elk oogen-blik neergeworpen te kunnen worden in het eeuwig vuur!

Hoe wezenlijk ongelukkig is zij, dewijl zij den hemel niet kan aanschouwen zonder in te zien, dat zij het regt daarop heeft verloren; dewijl zij zelfs niet om zich kan zien, zonder zich zelve tot verwijt en bij elke gelegenheid tot schrik te verstrekken; dewijl zij hare oogen niet kan neerslaan, zonder de stilzwijgende vermaning te vernemen, dat de hel hare woning is!

Hoe wezenlijk ongelukkig is zij, omdat ze niet in haar eigen hart kan keeren, zonder daarin

-ocr page 92-

50

den satan te ontmoeten en reeds bij voorbaat de kwellingen te vinden der helle, waarin geen vreugde, geen troost, maar slechts verschrikking, duisternis, angst en smarten zijn !

O, allerbeklagenswaardigste ziel, hoe geheel anders zijt gij thans dan toen gij uitgedoscht met hemelsche gunsten, geadeld door het kindschap Grods, zoo schoon, zoo verheven waart, dat gij de heiligen en de engelen over u in verbazing bragt!

Hoe door de zonde misvormd, hoe verlaagd, hoe geheel verachtelijk!

7. O Jesus, mogt ik, wat er ongelukkig geschied is, ongedaan kunnen makeu, ook ten koste van mijn leven i Mogt ik nooit in zulk een onheil zijn neergestort, maar veeleer mijn leven dan uwe genade hebben verloren!

O, welzalig zij, die nooit hunne onschuld hebben verloren! die nooit den ongelukkigen staat der zonde hebben leeren kennen!

Geef mij, ik smeek het U, het eerste kleed terug; geef mij de onschuld weder en zie, dan zal ik in nieuwheid des levens U zoo dienen, dat ik haar voor U ongeschonden beware alle dagen tot het einde van mijn leven.

-ocr page 93-

57

TIENDE HOOFDSSUK.

dat het hart vax jestj alen, ook de zondaren tot zich roept.

1. Jesus. Komt tot mij allen, tlie onder uwe zorgen en lasten gebukt gaat, en ik zal u verkwikken.

Die regtvaardig is, hij kome om nog meer geregtvaardigd te worden; die laauw is, hij komo om met niouw vuur ontstoken te worden; die zondaar is, hij kome ora gezuiverd en geheiligd te worden.

O zwakheid des menschen! quot;Wie is er, dio niet gezondigd zou hebben? Een ieder toch, die zegt geen zonden te hebben bedreven, misleidt zich zeiven en do waarheid is niet in hem.

2. Mijn kind, indien gij u door de zonden bezwaard of door uw gebreken ter neergedrukt voelt, kom spoedig tot mijn Hart, daar zult gij bevrijding en verademing vinden.

Noch de grootheid uwer misdaden, noch do grootheid mijner majesteit schrikke u af; ik ben gekomen, niet om do regtvaardigen, maar om de zondaren tot boetvaardigheid te roepen; hoe grooter de ellende is, waarin gij verkeert, des te meer medelijden zal ik met u gevoelen, en hoe zieker gij zijt, des te meer hebt gij den geneesheer noodig.

Ik sta niet verbaasd over uwe ellende, want k ken uw hart en weet waarvan gij gemaakt izijt. Indien gij nog niet tot grootere misdaden

-ocr page 94-

58

zijt vervallen, dan moogt gij het aan mijne genade vooral danken.

Maar wat mij verbaast, is, dat gij, als ik mij tot uwer verzorging aanbied, niet wilt genezen zijn, of zoo gij ook al wilt, dan toch aan mijne goedheid schijnt te twijfelen.

Ach mijn kind, doe mijn Hart die smartelijke beleediging niet aan. Mijn Hart bemint immers de vergeving, en wordt niet moede vergiffenis te schenken.

Zie eens met welke goedheid ik de zondaren, die waarlijk boetvaardig zijn, behandel, zoo zelfs, dat men mij den vriend der zondaren heeft genoemd.

3. Waar is er een hart, dat zoo bemint als het mijne ? Niemand onder de menschen bezit grootere liefde dan hij, die zijn leven geeft voor zijne vrienden; maar ik, de Zoon van God, ik bezit nog grootere liefde, dewijl ik mijn leven zelfs voor mijne vijanden heb gegeven.

Wie heeft mij ooit het eerste bemind, of wie schonk mij ooit zijne genegenheid, die niet eerst de uitwerkselen van mijne liefde had ondervonden?

4. Dewijl er zeer velen zijn, die hunne onschuld verliezen nog vóór dat zij begrijpen, wat de onschuld is, of hoeveel waarde zij heeft, is het een groote glorie voor mijn Hart, om ook over die harten te zegevieren en uit zondaren heiligen te vormen.

O, indien gij de liefde mijns Harten kendet, dan zoudt gij kunnen begrijpen, met welk eene teederheid het de getrouwe zielen bemint en hoe zacht het de zondaren tot bekeering dwingt !

Wie is er lijdend, met wien mijn Hart niet

-ocr page 95-

59

mede lijdt? quot;Wie bedrijft er zonde en doet mijn Hart niet aan? Wie wordt er ziek voor wien mijn Hart geen geneesmiddel biedt? Wie is er ongelukkig voor wien mijn Hart gevoelloos blijft quot;Wie eindelijk is er op de wereld, wien mijn Hart geen weldaden heeft bewezen?

5. Ik ben een goede Vader, die de kinderen , aan het kruis ter wereld gebragt, bemin met de liefde mijns Harten, d it hun geopend blijft om daarin altijd eene schuilplaats, niet onverschillig welke, maar het middenpunt mijner liefdegevoelens te vinden.

Wanneer zij slapen, dan is mijn Hart bezorgd om hen te bewaken; zijn zij wakende, dan zorgt het voor hun behoud.

De liefde waarvan mijn hart gloeit, is voor hen zoo groot, dat ik elk hunner in het bijzonder zoo lief heb en verzorg, als ware er niemand anders op aarde.

Wanneer er een hunner door den vijand verleid, mij verlaat, dan treurt mijn Hart als over den dood van een eeniggeborene. Door liefde gespoord volg ik den vluchteling na, ik noodig hem uit, ik dreig hem, ik beloof hem alle goeds. Indien hij echter niet wil luisteren, dan oefen ik geduld, ik sta wachtend aan de deur zijns harten en herhaaldelijk klop ik aan.

Eindelijk als hij besloten heeft tot mij weder te keeren, dan snel ik hem te gemoet, ik omhels hem terwijl mijn Hart juicht van vreugde, omdat het wederom het kind, dat het als een doode had betreurd, levend en veilig bij zich ziet.

Door blijdschap gedreven, roep ik geheel den

-ocr page 96-

60

hemel to zamen om mij geluk te wenschen en zich met mij te verblijden.

6. Indien gij derhalve aan mijn Hart verkwikking wilt schenken, den hemel verblijden en aan uwe ziel verademing wilt geven, keer n dan tot mij van ganscher harte.

Wie gij ook zijn moogt, hetzij een groot zondaar of schuldig slechts aan kleine gebreken, komt tot mijn Hart en gij zult daarin een geneesmiddel vinden voor al uwe kwalen.

Vertrouw mijn kind, en wil niet vreezen; ik roep n niet om n verwijtingen te doen, maar om uwe ongerechtigheden uit te wisschen.

Kom, mijn kind, kom, zie ik wacht u mot uitgestrekte armen en met een smachtend Hart.

7. De leeklino. Zie, allerzoetste Jesus, zie, ik snel tot U opgewekt tot moed en vertrouwen, dcor zooveel goedheid van uw Hart.

Nader komend, verzucht en smeek ik: neom goedgunstig uw verloren kind aan, dat uit verre gewesten wederkeert, bezoedeld door do zonden en met ellende beladen. Ik ben niet meer waardig uw kind genoemd te worden, dewijl ik U op zulk eene onwaardige wijze verliet, zoo groote-üjks hoonde en zoo erg bedroefd heb.

Ik heb tegen den hemel en tegen U gezondigd; schuldig als ik ben, durt ik mij niet in uwe armen te werpen, maar zie, voor uwe voeten werp ik mij in het stof neder, terwijl ik uw vaderlijk Hart aanroep en om vergeving smeek.

Zie toen ik vlugtte hebt Gij mij tot U teruggeroepen; Gij hebt mij gezocht toen ik verloren was; Gij hebt mij gedragen toen ik uwe goed-

-ocr page 97-

61

heid misbruikte; met wonderbare zachtheid hebt Gij mij tot terugkeer bewogen, eu nu eindelijk in zulk een ellendigen staat tot U wederkeerend, neemt Gij mij niet slechts weder aan, maar, o God, Gij omhelst mij ook! o Jesus! o Vader! zooals er geen ander is!

Dat alle engelen en heiligen juichen en zich met mij verblijden, maar dat zij ook met mij uwe barmhartigheid loven en boven alles prijzen in eeuwigheid !

Zie, nu ben ik de uwe voor eeuwig; voortaan zal ik U getrouw liefhebben, o Heer, en uit liefde jegens U, al uwe wenschen vervullen.

hok men de zuivering des harten moet ondernemen.

1. De leerling. Ontelbaar, o Heer, zijn de beweegredenen, die mij tot volmaakte verbetering aanzetten. De hemel lacht mij toe, de hel gaapt mij dreigend tegen; de aarde kan mij elk oogen-blik in de eeuwigheid verplaatsen.

Doch ook mijn hart, overladen door uwe gaven, gedreven door 't besef van eigen ellende, getrokken eindelijk door de goedheid uws Harten, houdt niet op mij aan te sporen.

Doch hoe zal ik het werk van zooveel belang ten uitvoer brengen ? Want al zie ik ook de verpligting daarvan in, toch gevoel ik geen kracht genoeg in mij om haar te vervullen.

-ocr page 98-

62

Leer Gij mij, goede Jesus, ik bid het U, de wijze om mij waarlijk te verbeteren en te vervormen. Al de glorie, die daaruit zal voortspruiten, zij zal aan U en aan uw beminnelijk Hart toebehooren.

2. Jesüs. Mijn kind, indien gij uw hart wilt zuiveren en alle gebreken er wilt uitroeien, dan moet gij met grootheid van ziel en met een edelmoedig hart de hand aan het werk slaan.

Heb den goeden en ernstigen wil om u te verbeteren en nimmer op te houden in het streven naar volmaakte zuivering en kweek tevens een opregt verlangen in u aan om met de goddelijke genade mede te werken en hare leiding te volgen: en dan zullen uwe pogingen eindelijk met een goeden uitslag bekroond worden.

Dat is van uwe zijde het eerste en voornaamste middel, waaraan de overigen hunne kracht en hun werkenden invloed zullen ontleenen, en zonder hetwelk de overigen, hoe vermogend ook op zich zeiven beschouwd, naauwelijks iets zullen uitwerken.

Die krachtdadige wil om altijd met de genade naar de zuivering en het zuiver houden van uw hart te streven, is de eerste beweegreden om voor de toekomst de zuiverheid uws harten te verhoogen; het eerste teoken van uwe toekomstige volmaaktheid, het eerste kenmerk, waaraan men de toekomstige heiligen onderscheidt, ja zelfs, het is het eerste onderscheidingsteeken der ware leerlingen zijns Harten.

3. Neem met deze gesteltenis der ziel ter arbeid u'tgerust, het vuur en ontsteek daarmede

-ocr page 99-

63

uw hart, opdat gij de zonden en gebreken daarin aanwezig verteeren moogt.

Mijn kind, begrijp wel, wat ik zeg. Als gij een tuin moet zuiveren, die door schadelijke planten en kruiden verwoest en door allerhande onoogelijke zaken ontsierd wordt, dan zult gij dien wel reinigen als gij met gereedschappen werkt, als gij al het schadelijke stuk voor stuk er uitrukt en eindelijk alles uitkeert of wegwerpt, doch gij zult uw Averk niet voltooijen dan na langen en na harden arbeid.

Maar als gij er vuur bijbrengt, zie, dan zult gij gemakkelijk en binnen korten tijd geheel dien hof gezuiverd zien.

Wat meer is, gij zult bevinden, dat die tuin zelf door do verbranding vruchtbaarder en geschikter is geworden om bloemen en vruchten voort te brengen.

Op gelijke wijze, mijn kind, zult gij uw hart, dat bij zulk een tuin kan vergeleken worden, veel spoediger en gemakkelijker zuiveren door het vuur der goddelijke liefde, dan door eenigen anderen arbeid.

En gij zult bespeuren, dat uw hart zelf daardoor beter geschikt is geworden om bloemen van deugd en vruchten van heiligheid te leveren.

4. Dat vuur nu, zult gij uit mijn Hart verkrijgen, indien gij u door het gebed tot hetzelve wendt, en niet slechts met den mond maar ook met den geest bidt.

Want indien gij ernstig de straffen wikt der hel of van het vagevuur, die gij zoo dikwerf verdiend hebt; indien gij met aandacht mijne

-ocr page 100-

G4

goddelijke weldaden jegens u en al uwe ondankbaarheid overweegt;

Indien gij ijverig nadenkt over mijne goddelijke en oneindige volmaaktheden, die alle liefde en eere waardig zijn, en over uwe beleedigingen mij zoo geheel onverdiend aangedaan;

Als gij daarenboven mij beschouwt hoe ik uitgeput ben van vermoeijenis uit liefde voor u, wat ik heb geleden om uwe zonden, hoe ik aan het kruis hang mot uitgestrekte armen, het hart geopend voor u; •

Als gij vervolgens mijn hart zelf zult zijn binnengetreden en dan beschouwt in welk een graad dat0 schuldeloos hart werd bedroefd door uwe misdaden, en hoe het door deze geheel verteerd en vernietigd werd;

Als gij tevens door veelvuldige liefdegevoelens en vurige smeekingen uw hart als het ware aan het mijne vasthecht;

Dan, zonder twijfel, zal in hot gebed het vuur, de gloed der goddelijke liefde worden ontstoken.

5. Vorm u uit die liefde een berouw, dat is eene droefheid over alle zonden, die gij hebt bedreven, met het voornemen om in het vervolg niet meer te zondigen.

jS'iemand, mijn kind, krijgt vergiffenis zijner zonden, als hij ze niet betreurt; en niemand wordt van zijne gebreken genezen, als hij ze niet verafschuwt.

Verafschuwt dan Yan harte en haat, zooveel gij kunt, uwe zonden en gebreken, die alle* afschuw en haat overtreffen en die gij niet te veel kunt verafschuwen, niet te veel kunt haten.

-ocr page 101-

65

. Hoe meer gij uit die goddelijke liefde in u zulk eene droefheid opwekt, des te volmaakter zal uw berouw zijn, ofschoon gij het voor het oogenblik ook al niet gevoelt.

En hoe zuiverder de beweegredenen zijn, waarom gij met opregten wil uwe zonden betreurt en verafschuwt, des te zekerder zult gij zijn van de vergiffenis dergeuen, die gij hebt bedreven, en des te veiliger zult gij zijn voor de bedrijving van nieuwe zonden.

6. Een zeker teeken van een waar berouw over uwe bedrevene zonden, hebt gij in de onthouding van nieuwe zonden.

Heb derhalve en bewaar in u altijd een ernstig voornemen om alles te vermijden, wat gij weet, dat mij mishaagt, en liever alle kwalen van dit leven te verduren, dan vrijwillig eene zonde te bedrijven.

Doch zijt wel op uwe hoede, om u zeiven niet te bedriegen, door de meening dat elk voornemen, welk ook, voldoende is. Een onbepaald verlangen toch is niet voldoende; niet de zucht om aan de gewoonte of aan een voorgeschreven vorm te voldoen is toereikend; niet een werkeloos voornemen is genoeg, waardoor iemand schijnt te willen en niet te willen als hij, gelijk hij zich inbeeldt, niet meer wil zondigen en toch niet met de daad de middelen wil aanwenden, die noodzakelijk zijn om de zonden te vermijden.

Neen, mijn kind, het voornemen moet zijn opregt, vast en werkdadig, waardoor gjj aangespoord wordt tot het gebruik der middelen, die u voor den herval in de zonden behoeden.

5

-ocr page 102-

66

Daarom ook, om dat voornemen steeds levendig te houden, moet gij liet dikwijls hernieuwen; bid herhaaldelijk, geef' door geestelijke oefeningen voedsel aan uwe godsvrucht; verschat u zoo eindelijk de bijzondere genade, waardoor gij gemakkelijk standvastig blijft en volhardt.

De leerling. Waarlijk, o Heer, mijn hart gelijkt aan een woesteu tuin, waarin ontelbare cchadelijke planten bloeijen of bcdorvenhedea verborgen liggen.

Het hart van dat alles te zuiveren, is een groot werk; en zie, uit mij zeiven ben ik niet in staat iets heilzaams te verrigten.

Doch help Gij mij, ik smeek het U, met uwe krachtdadige en veelvermogende genade, waardoor ik dien arbeid, die zoo belangrijk is, gelukkig zal ten einde brengen.

Yurig toch verlang ik dat werk, dat zoo noodzakelijk, zoo nuttig en zoo heilig is, te voltooijen volgens uwe leiding, en niet eerder op te houden daif na het inderdaad voleind te hebben.

Wil niet dulden, o allerbeste Jesus, dat ik ook daarin traag of nalatig worde; want, ik belijd het, ik hel tot moedeloosheid over en ben gewoon, al heb ik ook met ijver een begin gemaakt, om langzamerhand tot zorgeloosheid te vervallen.

Maar wek mij op, spoor mij aan, stoot mij met kracht voort en laat niet toe, dat ik den arbeid stake alvorens ik het werk tot een ge-wenscht einde hebbe gebragt.

-ocr page 103-

G7

TWAAFDE HOOFDSTUK.

dat het heilig sacrament der biecht een gemakkelijk ex krachtig middel 13 om.

zich vax zijne zonden' en gebreken te zuiveren,

1. Jesus. Mijn Hart, o kind, wetende dat de zwakheid der stervelingen zoo groot is, dat zij op aarde niet zonder zonden leven, heeft een heilzaam middel uitgevonden, waardoor zij, bij goed gebruik daarvan, niet slechts vergiffenis van de zonden yerkrijgen, maar ook vermeerdering van genade ontvangen.

God toch is getrouw, zoodat Hij volgens zijn woord de zonden vergeeft aan hen, die ze belijden, genade geeft aan hen, die er om bidden en beternis des levens aan hen, die er om vragen 1).

Wat zou er van de meeste menschen worden indien de Biecht niet bestond? Hoe weinigen zouden er zalig worden! En hoevelen hunner, die nu reeds in den hemel juichen of zich eenmaal daar verblijden zullen, zonden verworpelingen zijn !

2. Doch ik heb juist daarom aan de Kerk magt gegeven, opdat aan hen, wier zonden zij vergeeft, ze vergeven worden, en wier zonden zij houdt, ze gehouden blijven 2).

1) Joan I, 9 en V, 14.

2) Matth. XVIII en Joan. XX.

-ocr page 104-

68

„Mogt er dus eenigs vlek of ongetrouwheid of eonige andere zonde liet hart heimelijk zijn binnengeslopen, dan schaino het zich niet dit te openbaren aan hom, die daartoe aangesteld is, opdat deze het door het woord van God en door heilzamen raad geneze.quot; 1)

„Als gij handelt over het Sacrament dor Biecht, beschouw dan de hel in uw hart, die door do belijdenis der zonden daarin zal worden uitgedoofd. Dewijl gij derhalve weet, dat u na het eerste behoedmiddel van 's Heoren indompeling des Doopsels in de Biecht nog een tweede behoedmiddel tegen de hol overblijft, waarom zoudt gij dan aan uwe zaligheid wanhopen? Stel u eerst do grootheid der straffe voor den geest, opdat gij niet twijfelen moget aan het ontvangen des geneesmiddelsquot; 2)

„Want er is, hoewel hot moeite kost, door de Biecht vergiffenis der zonden te verkrijgen: als de zondaar zijne legerstede met zijne tranen besproeit en zich niet schaamt om aan den priester des Heeren zijne zonden te openbaren en het geneesmiddel te vragen.quot; 3)

„Dit geneesmiddel der Biecht is vooralion begee-renswaardig, omdat de ziel grooter gevaar loopt dan het ligchaam en aan verborgene ziekten zoo spoedig mogelijk genezing moet wordengoschonken.quot; 4.)

Belijd uwe zonden; dat door de belijdenis alle

1) S. Clemens Eomanus le. Eeuw.

2) Tertulianus 2e. Eeuw.

3) Origines 3o. Eeuw.

4) S. Lactantius 4e. Eeuw.

-ocr page 105-

69

vergif worde uitgeworpen en verdreven; wat daarna overblijft zal gemakkelijk genezen worden. Gij vreest te beljjden, die, zulks niet doende, toch niet verborgen kunt blijven? God, die alles weet, eischt juist de belijdenis om den nederige te bevrijden; veroordeelt juist daarom den verzwijger om den hoovaardige te straffenquot; 1).

„Doeh spreek uwe biecht zoo, dat gij tot de zonde niet wederkeeret, want dan eerst strekt de belijdenis der zonden ten heil, als de zondaar, die gebiecht heeft, in het vervolg niet weder doet, wat hij verkeerds heeft gedaanquot; 2).

„Men moet dus, na gebiecht te hebben, ophouden met zondigen. De biecht echter gaat voor en de vergiffenis volgt haarquot; 3).

„De Kerk immers, die in Christus is gesticht, heeft van Hem zeiven de magt ontvangen om de zonden te vergevenquot; 4).

,Indien zij ze niet willen opènbaren, dan zullen zij God, die hun getuige is, ook tot wreker hebbenquot; 5).

.Dg zonden behoeven niet openlijk beleden te worden; 't is genoeg, dat men alleen aan den priester door de oorbiecht de misdaden zijns gewetens blootleggequot; 6).

„Het is derhalve de rede, die den zondaar

1) S. Augustinus 5e. Eeuw.

2) S. Fulgentius 6e. „

3) S. Isidorus 7e. „

4) V. Beda 8e. „

5) Haynis 10e. „

6) S. P. Luitprandus 11e. Eeuw.

-ocr page 106-

70

aanspoort cn het is God, die hem gebiedt zijne zonden te beljjden.quot; 1)

„Want de Biecht is den zondaar noodzakelijk en voor den regtvaardige evenzeer nuttig.quot; 2.)

.De wijze der belijdenis eiseht drie hoodanig-heden: zij moet geschieden zonder bewimpeling, zonder verontschuldiging en zonder uitweiding.quot;3.)

rDo biechteling beschuldige zich derhalve voor den priester met een levendig gevoel van droefheid en met het vasto voornemen om zicli te beteren, en hij volbrenge de boete, die hem wordt opgelegd.quot; 4).

„Do Biecht is trouwens een Sacrament, van hetwelk de handelingen des biechtelings, die in drie deelen worden onderscheiden, als het ware de stof uitmaken. Het eerste dier deelen is de vermorzeling des harten, het tweede do mondelingsche belijdenis, het derde de voldoening.quot; 4)

Zie, mijn kind, hoe van den beginne af de geloovigen aller tijden en werelddeelen dit troostvol en heilzaam Sacrament in eere hielden en gebruikten.

3. AVat is er beter dan eene goede Biecht? Door de belijdenis immers wordt de mensch bevrijd van zijne zonden, hij komt weder mot mij in vriendschap, hij ontvangt den vrede des

1) S. T. Damianus 11e. eeuw.

2) S. Bernardus 12e. „

3) S. Bonaventura 13e. „

4) Thaler 14e. „

5) Kerkvergadering van Florence 15e. eeuw.

-ocr page 107-

71

harten; zoodat hij, die vroeger zich door angsten gekweld gevoelde, daarna zich kalm en gelukkig ziet.

Het Sacrament der Biecht is een middel voor de ziel, waardoor de ondeugden worden genezen, de bekoringen verjaagd, do hinderlagen des duivels verijdeld, nieuwe genade ingestort, de godsvrucht vermeerderd wordt en de deugd vaster en vaster grondslag verkrijgt.

Door de Biecht treedt de ziel wederom in de regten, die zij door de zonde had verloren en krijgt zij hare schoonheid weder, die zij door de ongeregtigheid had misvormd.

4. Evenwel gebeurt het, dat de zondaar tot dit Sacrament der goddelijke barmhartigheid naderende, door schaamte of vrees gedreven, zich in een afgrond van heiligschennis nederstort en dan niet meer slechts zondaar is, maar inderdaad een afzigtelijk monster van zonden wordt.

Kunt gij, goddeloos mcnsch, vo«r mij verborgen blijven? Kunt gij beletten, dat ik u neder-werp in den diepen afgrond, dien gij zelf u hebt gegraven?

Gij verbergt heiligschennend uwo zonden voor den biechtvader, die door de strengste goddelijke en menschelijke wetten tot een eeuwig en algeheel stilzwijgen is gedwongen! maar dan zal ik ze openbaren in uw aangezigt, niet aan een mensch, niet aan een volk, maar voor hemel en aarde, voor allen, die ooit geleefd hebben.

Dan zult gij door overstelping van schaamte de bergen toeroepen u te bedekken, om u aan de schande te ontrukken; ja, dan zult gij u in de hol willen verbergen, doch gij zult het niet

-ocr page 108-

72

kunnen, maar gij zult daar staan om openlijk alle welverdiende schaamte en schande te verduren.

Onverstandig mensch! Gij hebt u niet geschaamd te zondigen tot uwen ondergang en tot uwe schande, waarom schaamt gij u te belijden tot uw heil en tot uwe glorie?

Doch let eens wel, waarom aarzelt gij, uw geweten te openbaren aan hem, die door mij is aangesteld, om tegenover u mijne plaats te be-kleeden ?

Den biechtvader, voor wien gij u als boetvaardige vertoont, moet gij immers beschouwen als zaagt gij mij, want dan vertegenwoordigt hij mijn persoon en bezit hij mijne magt.

Voor het overige is hij zelf een mensch en heeft hij zijne eigene ellende; en zelf, zoowel als gij, moet hij biechten, hetgeen voor hem veel moeijelijker is, omdat hij overeenkomstig zijnen staat ook volmaakter moet leven.

Zoo is het door God allerwijsclijkst en zeer heiliglijk vastgesteld, dat de priesters zoowel als de leeken, allen, die van groote zonde bevrijding verlangen, verpligt zijn hunne Biecht te spreken; en dat de priesters, wier heilige bedieningen allo heiligheid vergen, zich ook van kleinere zonden door veelvuldige biechten moeten zuiveren.

Om die reden belijden de leeken met meerder vrijheid en vertrouwen aan den priester hunne zonden en leeren de priesters door de ondervinding met hunne ellende medelijden te hebben, zwak te worden met de zwakken, te weenen met de weenenden.

-ocr page 109-

73

ö. Doch er zijn er, die opregt genoeg hunne zonden belijden en toch niet waarlijk gezuiverd worden, omdat zij niet met een opregt hart naar verbetering streven.

Sommigen naderen uit noodzakelijkheid, anderen uit menschelijk opzigt, weder anderen uit eene zekere gewoonte tot het Sacrament van boetvaardigheid; en 't is niet te verwonderen als zij, die aldus naderen, geene of slechts geringe vruchten plukken.

Houd gij, mijn kind, uw heil en mijn welbehagen voor oogen en doe elke Biecht zoo, als ware zij de laatste uws levens, dan zult gij er wonderbare en zoete gevolgen van ondervinden.

6. Evenwel, mijn kind, ken u zeiven en weet, dat gij dikwijls hervalt in de misdrijven, die gij betreurd hebt, en vastelijk voorgenomen hadt te vermijden.

Doch wil daarom niet wanhopen, mijn kind, noch u aan al te groote droefheid overgeven. Immers, zij zullen de gevolgen van zwakheid, niet van boosheid zijn, misslagen veeleer uit onbedachtzaamheid dan uit vrijen wil voortgesproten.

O, leer daaruit de goedigheid mijns Harten , dat immer bereid is u te vergeven, en deeilen-uws harten, dat altijd ten kwade neigt en u dikwerf medesleept.

Draag evenwel zorg, dat gij wegens deze uwe groote zwakheid de Biecht niet verwaarloost; inderdaad, hoe zwakker gij u gevoelt; zooveel te meer moet gij uwe toevlugt daartoe nemen.

7. Sommigen hebben een afschrik van de Biecht en zij naderen slechts met siddering.

-ocr page 110-

Zie, de grootste zondaren, zoowol als de grootste heiligen vinden er troost in: en gij wordt door angsten gekweld!

Door de Biecht komen de dooden wederom ten leven en ontvangen de levenden meer overvloed van levenskracht; gij dan, waarom vreest gij, als moest gij ter dood of ter foltering gaan?

Gij dwaalt mijn kind, gij dwaalt; niet tot dwelling maar tot troost is dat allerheilzaamst Sacrament ingesteld.

8. Leg dus alle gejaagdheid en vreesachtigheid af. Ik ben immers niet de God der beroering, maar van den vrede; ik schep geen behagen in de verwarring des harten, maar in den goeden wil.

Doe, wat in uw vermogen is en biecht, voor zooveel gij kunt, met een opregt hart; houd u daarna in vrede en laat u door de ingevingen van den vijand of van uwe verbeelding niet in verwarring brengen.

Mijn Hart, mijn kind, is de toevlugt der zondaren. Zoo dikwijls iemand met oen rouwmoedig en vernederd gemoed daar henen vlugt, zal ik hem niet verstoeten noch verachten.

Maak dus dikwerf met vertrouwen gebruik van dat goddelijk bad, waarin mijn Hart uwe ziel met zijn bloed afwascht en meer en meer zal afwasschen, totdat zij geheel rein en zuiver zal wezen. 1)

1) Wjj mogen dit ophelderen door een waarlijk wondervolle en troostrijke gebeurtenis, die wij in het leven van de H. Maria Magdalena de Pazzis lezen. Toen die H. maagd op zekeren dag in de kerk van haar klooster waarin werd biecht gehoord, haar hart in de tegenwoor-

-ocr page 111-

9. De leerling. O allerbeste Jesus, hoe heilzaam, hoe troostvol is die vinding uws Harten, het Sacrament van boetvaardigheid! Hoe verbazend de aflating, hoo bewonderenswaardig de goedhartigheid! dat Gij van het bloed uws Harten een goddelijk bad maakt, waarin Gij ons van onze zonden zuivert.

Hadde uw Hart dat geheim vol allerlei vertroosting niet gevonden, wie zou het ooit

digheid van Jesus in liet tabernakel uitstortte en weldra in heilige vereeniging lag verslonden, zag zij eensklaps de geesten-wereld zich op zekere wijze voor haar ont-sluijeren. Zij zag namelijk in welken staat de ziel van een ieder der biechtelingen verkeerde op den oogenblik, dat zij hunne zonden beleden. Toen echter de sa-■cramenteelo losspreking werd gegeven, zag zij op denzelfden oogenblik, hoe het goddelijk bloed van Jesus op geheimzinninnige wijze een ieder besproeide en zoo, afwiesch , dat zij ongelooflijk zuiver en schoon werden, Als dus ééne biecht zulk een uitwerking heeft dan vraag ik, welke zullen de uitwerkselen zijn van herhaalde biechten? Als de ziel zoo rein, zoo schoon wordt door eenmaal gewasschen te worden in Jesus hartebloed, dat in het Sacrament van boetvaardigheid op ons wordt toegepast, hoe zuiver hoe schoon zal zij eindelijk worden, wanneer zij dikwijls daarin wordt gewasschen?quot; Grof en zelfs morsig lijnwaad, wordt door herhaalde wassching dikwerf niet slechts helder maar ook wit gelij k sneeuw, Zou dan de ziel, indien zij dikwijls in het goddelijk bloed van Jesus wordt gewasschen, eindelijk niet geheel rein en onuitsprekelijk schoon worden? Deze godvruchtige gedachte kan voorzeker in u de liefde voor het lï. Sacrament van boetvaardigheid ver-vermeerderen en u, als gij het met de daad ont heizaam bezig houden en zeer grooten troost ver

-ocr page 112-

76

hebben uitgedacht? En zoo Gij het niet haddet ingesteld, wat zou er dan van ons, wat van mij geworden ?

Dank, allerzoetste Jesus; dat alle engelen en heiligen, alle volkeren en talon U met mij dank betuigen, omdat gij dit levendmakend en heiligend Sacrament hebt ingesteld, waardoor de schuldige bewoners der aarde gered worden en de hemel met een tal van heiligen wordt gevuld!

Om echter van zulk eene weldaad geen misbruik te maken, maar alle vruchten er uit to trekken, die ik er van kan verwachten, zal ik niet slechts dikwijls maar ook met zorg mijne zonden belijden; immer zal ik, als bereidde ik mjj voor om te sterven, een waar leedwezen opwekken en een goed voornemen, wel is waar met kalmte maar toch ook met oprechtheid vormen, voor en aleer ik mijne Biecht zal sproken; ik zal den biechtvader alles openbaren met de ongeveinsdheid, waarmede ik tot U zeiven zoude spreken, als ik U met mijne oogen zon aanschouwen; de opgelegde boete zal ik met aandacht en godsvrucht zoo spoedig mogelijk volbrengen; vervolgens zal ik trachten mij dankbaar te toonen door met nieuwen ijver, met meerder zuiverheid des harten voor TT te leven.

O Jesus! welk een troost, welke zalige vreugde kan ik genieten, als in dit Sacrament uwer barmhartigheid mijne ziel gewasschcn en gezuiverd wordt door liet heiligste en reinste bloed uws Harten ! O, ik smeek U, wasch mij dikwijls en reinig mij geheel en al; wasch mij meer en meer, en ik zal wit worden gelijk sneeuw.

-ocr page 113-

77

DERTIENDE HOOFDSTUK.

dat wij, wat de vergifffeki3 onzer zonden betreft, in god moeten berusten na gedaan te hebben wat zedelijker wijze in ons vermogen was.

Jescs. Zoo waar ik leef, ik wil niet don dood des zondaars, maar ik wil, dat hij zich bekeere en leve.

Indien de zondaar bootvaardigheid zal hebben gedaan voor al zijne zonden, die hij heeft bedreven, en al mijne geboden zal hebben onderhouden, zal hij leven en niet sterven.

Do goddeloosheid der goddeloozon zal hem niet schaden op den dag, waarop hij van zijne goddeloosheid bekoord zal zijn; de zonden, die hij heeft bedreven, zullen hom niet worden toegerekend.

Waarover, mijn kind, zijt gij onstsld of waarom geeft gij toe aan onmatige angsten? Ik ben immers den mensch niet gelijkend als zoude ik kunnen liegen en veranderen. Ik zou aldus spreken en hot niet doen, beloven en mijne beloften niet vervullen? Zweren en toch ontrouw worden?

Wat twijfelt gij, kleingoloovigo ? Voorwaar, hemel en aarde zullen vergaan, doch mijne woorden zullen niet vergaan.

2. Zie eens. God, uw hemelscho Vader, die ten uwen hoile zijn eenigen Zoon niot gespaard heeft, maar voor u niet minder dan voor anderen overleverde, hoe zal Hij met Hom niot alles

-ocr page 114-

hebhen geschonken: vergeving, volharding, het paradijs en alle gaven?

In alle opzigten dus zijt gij in mij. den eenige» Zoon van God, rijk geworden, zoo dat u, van welke genade ook gesproken, niets ontbreekt. Want waar het kwaad de mate te boven ging daar zal met meerder overvloed zich de g nade doen gelden.

Ga derhalve met vertrouwen tot den troon der genade opdat gij verkrijget, wat gij noodig hebt.

3. Mijn kind, ik ben van den hemel neergedaald om u aan den gapenden muil der hel te ontrukken; ik heb gedurende geheel mijn leven geleden, opdat gij gedurende geheel de eeuwigheid zalig zoudt wezen; ik ben ten laatste zelfs ter dood ver oordeeld opdat gij van den eeuwigen dood bevrijd zoudt worden; dat alles heb ik echter voor u gedaan toen gij mijn vijand waart, wat zal ik dan niet doen, of wat zal ik u weigeren, als gij mij liefliobt?

Maken uwe misdaden u bevreesd, weet het, mijn kind, dat mijne eindelooze verdiensten oneindig meer vermogen om u te behouden als gij wilt, dan uwe misdaden om u in het verderf te storten, waarvoor gij siddert.

En bijaldien gij wegens uwe schuldige daden het oordeel vreest, herinner u dan, dat ik, uw, Zaligmaker, die ter regterhand van God mijn Vader ook in uw belang smeek, uw regter zal zijn.

4. Verruim dan uw hart in den heiligen Geest, dien gij in het Sacrament der goddelijke barm-

-ocr page 115-

79

hartigheid hebt ontvangen. Die Geest der liefde, dat verteerend vuur, zal de overblijfselen uwer zonden vernietigen en de onmatige vreeze verdrijven.

Waart gij ook de grootste zondaar, als de moordenaar, die met mij werd gekruisigd; liad-det gij, zooals Paulus, mij vervolgd; haddet gij mij verloochend zooals Petrus; zie als gij eenmaal opregtelijk uwe Biecht spreekt en de uitwerkselen van dat Sacrament deelachtig wordt, dan zijn u al uwe zonden vergeven.

5. Waarom zijt gij bedroefd, mijn kind, en waarom verontrust gij u 'f Gelooft gij dan, dat ik een hardvochtig meester ben, wien men naau-welijks kan tevreden stellen?

Gij bedriegt u, mijn kind, gij bedriegt u zeer. Want zie eens, ben ik geen Vader, Wiens Harte de goedheid zelve is ? Weet gij dat niet? Hebt gij dat niet ondervonden?

Wil mij derhalve niet onteeren, wil mij niet lasteren door mij iets toe te schrijven, wat be-leedigend is.

6. Mijn kind, gij hebt niet andermaal tot uwe vreeze den geest dor slavernij ontvangen, maaiden geest der aanneming van Gods kinderen, waardoor gij bemint en mij toeroept; Abba, Vader!

Wil dan niet vreezen, mijn kind; wil niet jammerlijk in angsten den tijd verliezen, dien gij door mij te beminnen gelukkig moet beleven. Want ik verg geen angst, maar liefde.

Vertrouw, mijn kind, vertrouw, dat uwe zonden u vergeven zijn. Span nu slechts uwe

-ocr page 116-

80

krachten in om mij des te meer te beminnen, naar de mate ik u meer tieb kwijtgescholden.

7. De leeklijfg. O Jesus! O mijn liefde! O mijn leven, wat al zaligheid, wat al honigzoet biedt Gij mij uit uw Hart aan!

O Heer, mijn God! Gij hebt mij gewassehen, niet de voeten, niet mijne handen, niet het hoofd alleen, maar ook mijne ziel, mij geheel en al en dat wel in uw eigen bloed!

En zie. Gij hebt mijne zonden weggeworpen in den afgrond der zee, in de peillooze diepte van de barmhartigheid uws Harten, waarin zij verdwenen zijn uit uw aangezigt.

O Jesus! zou, ik ooit uwe barmhartigheid kunnen vergeten, waardoor Gij mij zoo zeer het leven hebt geschonken?

Uwe ontfermingen zal ik in eeuwigheid lof-zingen, gedurende de eeuwen der eeuwen zal ik de goedheid uws Harten prijzen.

8. Loof mijne ziel, den Heer, en alles wat in mij is love zijn heilig Hart. Ja, mijne ziel, loof den Heer en wil al zijne gunsten niet uit het geheugen verliezen.

Die zich genadig toont tegenover al uwe onge-regtigheden; die al uwe zwakheden geneest.

Hij heeft niet met ons gehandeld overeenkomstig onze zonden, noch ons vergolden overeenkomstig onze ongeregtigheden, maar volgens de menigvuldigheid der barmhartigheden zijns Harten, heeft Hij ze uitgewischt.

Zooals een vader medelijden heeft met zijne kinderen, zoo heeft zich de Heer over ons ont-

-ocr page 117-

81

fermd, want Hij is goed, want zijne barmhartigheid reikt door de eeuwen heen.

9. Bemin den Heer, mijne ziel! Bemin Jezus, bemin Hem veel, dewijl Hij u vele zonden heeft vergeven.

Mogen zij Hem minder beminnen, wie Hij minder heeft kwijtgescholden, maar tracht gij door de grootheid uwer liefde, de grootheid zijner goedheid te evenaren.

Ja, allerzoetste Jesus, ja ik zal U beminnen uit al mijne krachten; ik zal geen tijd meer verspillen met onrust te kweeken in mijn hart, dat Gij voortaan alleen zult beheerschen, maar ik zal dien besteden, beter, met meer nut en op eene wijze, die U welgevallige!* is; ten alle tjjde zal ik U beminnen, altijd zal uwe liefde mij bozig houden. Tevreden zal ik daarin insluimeren en rusten.

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

hoe men zich v00e den hekval moeï behoeden.

1. Jesus. Hebt gij gezondigd, mijn kind, voeg geen nieuwe zonden bij de ouden, maar zijt in het vervolg zoo op uwe hoede, dat gij tot het verledene niet wederkeert.

Als de duivel uit het hart is geworpen, gaat hij, neemt met zich zeven andere geesten nog slechter dan hij zelf is, en wederkeerend tracht hij andermaal binnen te dringen. Als demensch

6

-ocr page 118-

82

geen weerstand biedt, komen de vijanden binnen en het laatste van dien menscb wordt erger dan het eerste.

Gij moet derhalve de bekoringen des duivels op allerhande wijze weerstaan, bijaldicn gij geen prooi dor helle wilt worden.

Wil niet neerslachtig of bedrukt zijn, mijn kind, omdat gij tegen uwen zin door verschillende bekoringen wordt aangevallen; verheug u veeleer en schep moed. AVunt dat is een tecken, dat gij in staat van genade verkeert en mijne verlangens opvolgt.

Waart gij onder de volgelingen des duivels, voorzeker dan zou hij u, die tot de zijnen behoort, zelf niet bestrijden; maar dewijl gij tot de mijnen behoort, daarom bekoort hij u en poogt hij u in zijn belang over te halen.

2. Mijn kind, bekoord worden is nog niet zondigen; wat meer is, zoolang de bekoring u mishaagt, geeft zij aanspraak op do belooiiing van God.

Hoe afschuwelijk de dingen ook zijn, die de duivel u ingeeft, verontrust u niet; en hoe hevig hij u ook tot het kwade aanspore, geloof niet, dat gij door mij verlaten zijt.

Nimmer ben ik digter bij u en meer bereid u te helpen, dan wanneer gij in die bekoringen verkeert.

Hoezeer gij ook bekoord wordt, mijn kind, als toeschouwer en helper in den strijd ben ik met u, door wien gij, aangemoedigd en geholpen, niet slechts volharden maar ook roemrijk kunt zegevieren.

-ocr page 119-

S3

Zijt derhalve ten strijtle gereed, want niemand zal gekroond worden, die niet naar behooren zal hebben gestreden; en wie overwonnen zal hebben zal de kroon des levens ontvangen.

4. Terwijl gij ter regter en ter linker zijde door vijanden wordt omringd en zoowel aan do aanvallen van uw binnenste als van buiten bloot staat, moot gij zoo met do wapenen vertrouwd zijn, dat zij u nooit ongewapend aantreffen.

Houd uw hart verheven on mot het mijne vereenigd, ernstig en edelmoedig besloten alles te verduren, ja liever in den strijd te sneven dan mij den rug te keercn. Anders toch zult gij in de hitte van het gevecht niet veilig kunnen uitharden.

■i. In dien strijd zijn twoe soorten van wapenen yoor u noodzakelijk, do eene ter bosclmtting de andere om te schaden.

De wapenen om u te beschermen zal u do nederigheid leveren. Door die deugd derhalve geleid, moet gij een volkomen wantrouwen in u zeiven en al uw vertrouwen in mij stellen; en door do ondervinding van uwe eigene zwakheid overtuigd, zooveel mogelijk allo gevaarlijke gelegenheden vermijden.

Het zou immers onmogelijk zij» en alle beschaming verdienen, als gij zoo vermetel waart, die te zoeken of te gemoet te treden, vooral als zij de deugd der zuiverheid kunnen schaden.

5. Wanneer do vijand u evenwel aanvalt, roep mij aan en steun mot vertrouwen en mot ijver op mijne hulp.

Een ieder, die tijdens de bekoring bidt, zoo-

-ocr page 120-

84

als het behoort, zal niot overwonnen worden; maar die hot gebed verzuimt, wordt gewoonlijk overmeesterd.

Bied terstond bij het begin der bekoring moedig wederstand en bid vurig op deze of dergelijke wijze: O Jesus! verberg mij in uw Hart, opdat ik van U niot gescheiden worde... God, mijn God! waak ter mijner hulpe.... Jesus en Maria! haast u om mij te helpen...

Als de vijand voortgaat u te bekoren, leid uwen geest dan vertrouwelijk af van het voorwerp der bekoring en vestig dien met ernst op andere goede of onverschillige zaken; ga voort met bidden, ga voort zoo weerstand te bieden, zonder onrust en zonder ongeduld maar kalm en met volharding, en de vijand zal vlugten of beschaamd staan.

G. Het is voor u niet genoeg den satan af te slaan, tracht hem ook te kwetsen. Dat zult gij doen als gij met de wapenen, die do goddelijke liefde u aanbiedt, de bekoringen van den vijand tegen hem zeiven keert.

Maak derhalve, zoo dikwerf u de duivel bekoort, van do bekoring tegen zijn doel en plannen zulk een gebruik, dat gij u hechter mot mij vereenigt en mij door uwe getrouwheid verheerlijkt en voor u zeiven meerder kracht en verdiensten verwerft.

Zoo zal het gebeuren, dat de vijand, over zijn nederlaag ontzet, óf niot durft wederkee-rèn óf, zoo hij durft, u een schitterender overwinning en glansrijker kroon verschaft.

-ocr page 121-

7. En indien gjj ooit zoo ongelukkig zijt van te vallen, sta terstond op en strijd met meerder nederigheid en meerder woede; en draag vooral zorg, dat gij u niet aan den vijand overgeeft en zijn slaat' wordt.

Daarom toch zijn er velen verloven gegaan, die reeds vlijtig hadden gestreden en weldra de overwinning zouden behaald hebben, maar die door het lastige der bekoringen ter neer geslagen, zich schandelijk overgaven en ellendig omkwamen.

Moed dan, mijn kind, do strijd is kort, doch de belooning eeuwigdurend.

Zijt grootmoedig van ziel; grootheid van ziel is de halve overwinning. Zij maakt u ontvankelijk voor de genade, verheft het hart, vermeerdert de krachten, verligt de moeite, verschrikt en verzwakt den tegenstander.

Strijd krachtig ter wille van mij, uw God en Zaligmaker, voor uw heil, voor uwe eeuwige kroon, voor het rijk der hemelen en lever een schouwspel, Gode, den engelen en mcnschen waardig.

8. De leerling : Dank zij u, allerbeste Jesus, dewijl Gij zoo mijne armen ten gevecht en mijne vingeren ten strijde rigt.

Zie, zoo hebt Gij nif]n hart opgewekt, zoo mijn moed verheven, dat ik bereid ben mijne krachten te beproeven en krachtig te handelen.

Maar ik weet en beken het, uit mij zeiven ben ik zwak en traag; als ik aan mij zeiven word overgelaten, als ik op mij zeiven alleen vertrouw, wat staat mij dan te wachten, tenzij

-ocr page 122-

86

eens schandelijke nederlaag cv. oen cerlcozs oudergang ?

Geef' mij, ik smook liet; U, de genade van niet vermetel to zijn, mij niet noodeloos in geyaar to stellen, maar met voorzigtigheid elke gele-genheid dio scliadelijk is, te vermijden om voor-zigtiglijk aan allo hinderlagen mijner vijanden to ontkomen.

Maar als Gij mij, wanneer ook, door don vijand aangevallen of met hem strijdende ziet, sta dan op, ik smeek hot Ü, haast U dan ter mijner luüpe, want Gij, o Heer zijt mijne kracht.

Sta mij bij, ik bid het U: plaats mij aan uwe zijde 011 wie dan ook tegen mij moge strijden, mei U zal ik overwinnen, met U zegevieren.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

hoe men de wortelen dek ondeugden en gebreken moet uitrukken.

1. Jesüs. Mijn kind het is ter verkrijging van volmaakte zuiverheid des harten niet genoeg, een goedon wil levend te iiouden, dikwijls to overwegen en te bidden, herhaaldelijk en met godsvrucht zijne zonden te biechten. Die middelen zijn wel is waar, krachtdadig, zij zijn noodzakelijk, zij mogen nimmer ongebruikt gelaten, nimmer verwaarloosd worden.

Doch zij zijn alleen niet voldoende, devvijl zij

-ocr page 123-

87

gewoonlijk de wortelen der ondeugden en gebreken niet geheel uitroeijen.

Gij moet derhalve nog een ander middel bezigen, waardoor gij als het ware de schadelijke wortelen zeiven uitroeit, en alzoo uw hart volmaakt zuiver maakt.

Die heilzame en aangename vruchten worden op wonderlijke wijze voortgebragt door het onderzoek, dat naar den schijn eene kleine oefening, iets onbeduidends, evenwel in zijnen aard een krachtdadig middel is, dieper doordringt dan elk tweesnijdend werktuig en doorgaat tot de ontleding der ziel en tot onderscheiding der geesten, en do gedachten en gezindheden des harten oordeelt.

liet dient niet slechts om kwade gewoonten en gebreken met den wortel uit te roeijen, maar ook, wat meer bewondering verdient, om degelijke deugden te verkrijgen en tot de volmaaktheid zelve te geraken.

2. Weet wel, dat dit onderzoek drievoudig is. En wel het eerste, dat dient om den geest te verzamelen, bestaat hierin, dat gij bij geschikte gelegenheid in uw hart keert en het gedurende een korten tijd beschouwt, onderzoekend, waardoor het wordt bewogen, waarmede het zich bezig houdt of wat en hoe het gehandeld heeft of wat en hoe het handelen zal.

De gelegenheid echter om zoodanig kortstondig onderzoek in te stollen, doet zich gewoonlijk dikwijls voor. Als gij namelijk met de gewigtigste bezigheden van den dag een begin maakt of wanneer gij ze geëindigd hebt.

-ocr page 124-

88

Als zich iets aan uwe zinnen of aan uwen geest voordoet, wat u kan bekoren of boeijen, ook wanneer gij in een of anderen misslag zijt gevallen.

Wanneer er zich eene moeijelijkheid voordoet, die u last of onrust kan veroorzaken; eindeljjk zoo dikwijls gij uw hart sinds geruimen tijd niet hebt onderzocht.

Dit kunt gij echter gemakkelijk overal en op elk oogenblik doen, ook in de tegenwoordigheid van anderen, zonder dat dezen het zelfs vermoeden.

Die oefening heeft niets moeijelijks aan zich. In den beginne zal men wel eenige oplettendheid, eenige inspanning, daaraan n oeten schenken, doch binnen korten tijd zult gij er eene heilige en troostvolle gewoonte van verkrijgen en er de heilzaamste en zoetste vruchten van ondervinden.

3. Een ander onderzoek is het algemeene, waardoor gij twee- of slechts eenmaal op eiken dag eenigen tijd of eenige bepaalde oogenblikken wijdt aan dit punt, namelijk om u zeiven rekenschap omtrent uw leven af te vragen.

Na God in het kort dank betuigd en zijn goddelijk licht afgebeden te hebben, aanschouw dan en onderzoek hoe gij u uitwendig en inwendig hebt gedragen sedert uw laatste onderzoek.

Onderzoek uwe gedachten, woorden en werken : zie eens wel, wat gij gedaan, gezondigd of misdaan hebt; teeken eindelijk elk in het bijzonder in uwen geest op.

Als gij reeds met de daad iets van het inwendig leven hebt aangeleerd, stel dan uw hart

-ocr page 125-

89

naast het mijne en vergelijk en beschouw het verschil tusschen beider gedachten, gewaarwordingen en handelingen.

Na op deze wijze uwe schulden en gebreken bespeurd te hebben en uwe ondankbaarheid jegens mijne goddelijke weldaden ingezien en erkend te hebben, verwek dan zoo volmaakt mogelijk een akte van berouw en vraag do genade om u te beteren en in verbetering vooruit te gaan.

4. Eindelijk bestaat er nog een bijzonder onderzoek, waardoor gij u op de uitroeijing van slechts ééne ondeugd of van één gebrek uitsluitend toelegt.

Wondervol is de kracht en ongelooflijk de uitwerking van die oefening. Mogt gij haar, mijn kind, wel begrijpen en goed in toepassing brengen.

Geene gewoonte is er, hoe verouderd, geene ondeugd hoe groot ook, die door dat middel niet overwonnen en overmeesterd wordt.

Immers met de goddelijke genade vermag het in zekeren zin alles. Hoevele zondaren zijn daardoor bevrijd van hunne ondeugden, die hun een tweede natuur schent-n geworden te zijn! Hoe-vele menschen zijn daardoor volkomen gezuiverd! Hoevele zielen hebben daardoor de volmaaktheid verkregen!

quot;Welke gebreken gij dus ook moogt hebben, heb moed mijn kind; gebruik dit middel met ijver en volharding, zeker van de overwinning; zeker van uwe toekomstige bevrijding.

Vat het eerst die ondeugd aan, die voor uwen naaste eene regtmatige oorzaak van beleediging of van ergernis of wel zooveel als het hoofd van

-ocr page 126-

90

al uwe gebreken is. Is de aanvoerder neergeveld, dan zullen de overigen gemakkelijk worden overwonnen.

5. Gij moot echter op deze wijze te werk gaan; Maak des morgens met overleg en vastelijk liet voornemen om op dien dag bijzonder te vermijden, wat gij te vermijden hebt uitgekozen; vraag tevens de genade om aan uw voornemen getrouw te blijven.

Vervolgens moet gij twee of eenmaal, naarmate gij het algemeen onderzoek twee- of eenmaal dagelijks instelt, gedurende eenig tijdsverloop, waarin gij u in het algemeen onderzoekt, tevens ondervragen hoe dikwijls gij sinds het laatste onderzoek tegen het bijzonder voornemen hebt misdaan en dan het getal opteekenen.

Dan moet gjj een berouw verwekken, niet slechts over uwe zonden in het algemeen maar ook in het bijzonder over die gebreken, en op nieuw u voornemen om u voor deze vooral te wachten en bijzondere hulp daartoe afsmeeken.

Intusschen mijn kind, zal het vooral als gij bemerkt, dat gij ecnigzins onverschillig of zorg-geloos wordt, zeer veel helpen, indien gij zoo dikwijls gij tegen het bijzonder onderzoek misdoet, u eenigo straf oplegt,

0. Om echter deze en dergelijke middelon juist on met volharding aan te wenden; hebt gij eonen leidsman noodig, die uwe schreden rigt, u onderwijst, vormt, matigt of aanspoort en u voortdurend moed inspreekt.

Niemand kan op den weg van het geestelijk en inwendig leven alleen zonder geleider voort-

-ocr page 127-

91

gaan zonder zich aan het gevaar l;loot te stellen van dikwijls te verdwalen, den moed te verliezen, in vijandelijke hinderlagen te vallen, ja zelfs om te komen.

Mogt gij ook een heilige of een uitverkoren Apostel zijn, dan nog hebt gij een leidsman noodig. Werd Paulus, ofschoon een uitverkoren vat om mijnen naam onder de heidenen te dragen, niet op mijn bevel door Ananias onderwezen en bestuurd? Zjjn de heiligen niet tot heiligheid gevormd door anderen, die heilig leefden?

Bid derhalve, mijn kind. dat gij een geleider moogt verkrijgen volgens mijn Hart in uwen biechtvader, of in uwen overste of in een anderen persoon, die gezag heeft en bekwaamheid en ondervinding van geestelijke zaken, en wetenschap en oefening bezit van het inwendig leven.

Openbaar aan deze, mijn kind, somtijds uw hart; leg voor hom op bepaalde tijden of bij zekere gelegenheden cene zekere rekenschap af, opdat gij zien moogt of gij het regte.pad bewandelt; of wat en hoe gij iets moet verbeteren, waarin en hoe gij voortgang moet maken.

Tot dergelijke openbaring van ons binnenste behoort gewoonlijk de aanduiding van den oogen-blikkf lijken of blij venden toestand, waarin uwe ziel gewoonlijk verkeert; van vrede namelijk of van onrust; welke begeerten naar een volmaakter leven gij in ii ontwaart; welke hindernissen u een beletsel zijn; welke oefeningen van godsvrucht of versterving gij gewoon zijt u op te leggen.

Welke wijze gij volgt in uwe overweging en

-ocr page 128-

92

in uw gebed, met welken smaak en met welke vruchten gij die wijze volgt, welke geestelijke boeken gij leest, of zij beantwoorden aan den tegenwoordigen graad van uw inwendig leven; of gij ze leest op behoorlijke wijze en met vrucht.

Hoe gij nadert tot de H. Sacramenten, met welke voorbereiding, met welk gevoel van godsvrucht met welke dankzegging, met welk gevolg.

Volgens welken regel gij uw verschillend onderzoek instelt, met welke naarstigheid, met welke vrucht.

Hoe gij de verpligtingen van uwen levensstaat, de verrigtingen aan uwe betrekking verbonden, uwe gewone bezigheden volbrengt; door welke drijfveer of uit beginsel van de natuur namelijk óf van de genade, met welke zorg, met welk doel.

Hoe gij u gedraagt jegens anderen, met welke gemoedsgesteltenis, met welk voor- of nadeel voor u zeiven en voor anderen.

Met welke getrouwheid gij die hemelsche inspraken gehoor leent; hoe gij ten mijnen op-zigte gezind zijt; tot welke hoogte eindelijk de innerlijke gevoelens mijns Harten door u beaamd worden.

Verklaar, mijn kind, op zedige, heilige wijze voor zoo ver het dienstig of gebruikelijk is, nu het een dan wederom het ander dezer punten met opregte nederigheid en leerzame liefde.

Als gij dit slechts zult rgedaan hebben, zult

-ocr page 129-

93

gij bevinden, dat liet gemakkelijk, zeer nuttig en rijk aan vertroosting is. 1)

1) Dewijl de zuiverheid des harten eene zaak is van het. hoogste gewigt, zal het goed zijn hier de middelen bij elkander te noemen, die tot harer verkrijging hier en daar verspreid zijn opgegeven, lo, Een vaste en volhardende wil om altijd naar het volmaakte te streven. 2o. Het geregeld en ijverig gebed van den mond en van den geest. 3o. Het godvruchtig naderen tot de Sacramenten. 4o. Het getrouw gebruik van het drievoudig onderzoek, vooral van het bijzonder onderzoek. Het vijfde eindelijk, de openhartige openbaring van het inwendig leven en wederkeerig een heilige leiding. Een iegelijk, die, van deze middelen een goed gebruik maakt zal zonder twijfel die zuiverheid des harten verkrijgen, welke de Heer gewoonlijk van ons eischt. Mocht Hij iets buitengewoons met ons voor hebben, dan zal Hij zelf wel de middelen bieden, want niemand anders zal ons die kunnen verschaffen. Maar gelijk eene zaak gewoonlijk wordt in stand gehouden met dezelfde middelen, die haar hare wording schonken, zoo zult gij ook de inwendige zuiverheid bewaren door dezelfde middelen, die tot hare verkrijging zijn opgegeven. Dezen zijn dus, „de vijf toonbrooden, die immer voor 'sHeeren aanschijn nieuw en versch moeten blijven. Derhalve moeten die middelen voortdurend met dezelfde zorg aangewend worden. Om echter door nalatigheid of uit zwakheid langzamerhand daarin niet te verflaau-wen, moet gij daarenboven onderzoeken en openbaren hoe gij daarvan gebruik maakt; en indien gij in iets in gebreke zijt gebleven, zorg dragen, dat gij zoo spoedig mogelijk den vorigen ijver herwint. Zoolang gij deze middelen ook slechts met gewonen ijver aanwendt, zult gij een vertroostend teeken bezitten, dat gij u op den goeden weg bevindt, die tot de volmaaktheid leidt.

-ocr page 130-

94

7, De leerling. Om dat alles ta volbreagen, o Heer Jesus, heb ik vooral noodig1, het homelsch licht om mijne gebreken te ontdekken en den goddelijken bijstand om ze uit te roeijen, vele dingen toch zijn er, die voor het menschehjk oog, verborgen liggen en die nocli door mij gezien noch door een ander mij aangetoond kunnen worden zonder de hulp van het bovennatuurlijk licht.

Als Gij echter met den glans van dat goddelijk licht mijn binnenste zult hebben helder gemaakt, dan zal het kleine en het groote in het gezigt treden. Want gelijk do zon als zij in een vertrek hare stralen werpt, zelfs alle stoljes vertoont, die geheel de plaats vervullen, zoo zal ook uwe genade, stralend in mijn hart, ontelbare feilen zigtbaar maken, welke ik zelfs niet vermoed zoude hebben daar to zullen vinden.

Doch wat baat het, de gebreken tc kennen als ik niet bij magte bon ze uitte roeijen? Ilc heb daarom uwen bijstand noodig zonder welken ik niets heilzaams kan uitrigten.

Verleen mij ik bid en smeek het U, o Heer Jesus, ter wille van uw Allerheiligst Hart, een blij venden overvloed van die dubbele genade, waardoor Gij mij verlicht en bijstaat.

quot;Want zonder die genade zal geene inspanning van mij, noch de zorg, welke ook, van mijnen bestierder hoe ijverig en zorgzaam hij ook moge wezen, iets vermogen.

Gij derhalve, o Jesus, de eeuwige wijsheid, de liefde, de eindelooze goedheid! Gjj de eerste bestierder, leid Gij mij, ik bid het U, zelf en door hem, wien Gij voor mij als uwen zigtba-

-ocr page 131-

ren plaatsbekloeder hebt willen aanstellen en met wien ik wil handelen als ging ik met Ü om.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

dat een ieder, dir het hart van jesüs wil volgen, zijn hart aak de wereld moet onthechten.

1. Jesüs. Wee der wereld, mijn kind, wee het hart, dat aan hare aanlokselen en ijdelheden gehecht is!

Het is niet genoeg den duivel uit het hart te werpen, ook de wereld moet er uit. Zoo lang toch als gij de wereld in uw binnenste koestert, zal al hetgeen gij ter volkom ene zuivering doet, u weinig baten.

quot;Want do wereld zal voortgaan uw hart te bezoedelen, u zonder twijfel bederven en eindelijk u in de magt des duivels overleveren.

2. Wat is do wereld anders dan de ongeregelde en bedorvene liefde voor vermaken, rijkdommen en terbetooningen, waardoor hare volgelingen verleid, zelve bedorven worden en andoren bederven?

Wilt gij weten, welke opvatting gij van de wereld moet hebben, let dan eens wel, welke gedachten ik van haar had.

Zie ik ben rondgegaan aan allen weldoende; de vijanden, die mij vervolgden, beminde ik; vastgehecht aan het kruis hel) ik gebeden zelfs voor hen, die mij kruisigden, doch voor de wereld heb ik niet gebeden.

-ocr page 132-

96

De wereld toch is van den duivel en geheel de wereld is in boosheid gestold; zij kan zelfs mijnen geest niet bezitten zoo min als de dwaling do waarheid of het bederf de ongeschondenheid kan bezitten.

3. De wereld bewijst zelve niet slechts de waarheid, maar ook de noodzakelijkheid van het bestaan der hel.

Welk verband is er tusschen de wereld en mijn Hart, daar de wereld openlijk of heimelijk alle ondeugden in bescherming neemt en mijn Hart daarentegen niets anders dan de heiligheid ademt ?

Do wereld spant zamen met haren vorst, den duivel, en tracht de zielen voor eeuwig ongelukkig te maken, doch mijn Hart begeert allen zalig te maken.

Gij kunt derhalve niet mij en tevens de wereld dienen, want indien gij een vriend der wereld zijt, dan zijt gij een vijand van mijn Hart.

4. Zijt gij een volgeling der wereld, dan zult gij met do wereld vergaan; indien gij echter mijn Hart navolgt, dan zult gij het eeuwige leven binnengaan.

En indien gij do wereld on de beginselen dei-wereld uit uw hart zult hebben verwijderd, om het geheel en al aan mij te schenken, dan zal het een offer zijn, aangenaam en vereerend voor mij, roemrijk en verdienstvol voor u. Engelen en Heiligen zullen uwe handelwijze toejuichen en de wereld zelve zal gedwongen worden, om uwe heldhaftige grootheid van ziel te bewonderen.

Zalig hij, mijn kind, die zijne genegenheden losmaakt van het aardsche om ze aan mij alleen te wijden!

-ocr page 133-

97

5. Wat vindt gij in de wereld, dat u tot liefde voor haar zou bewegen? Zie alles, wat in de wereld is , is wellust des vleesches, begeerlijkheid der oogen en hoovaardij des levens. Doch het einde van dat alles is de dood en de hel.

Indien gij derhalve de wereld of hetgeen tot haar behoort lief hebt, dan bemint gij uw eeuwig verderf.

quot;Wat goeds heeft u de wereld gedaan, dat gij haar uwe genegenheden zoudet schenken? Nooit heeft ze u iets anders gedaan, nimmer zal ze u iets anders doen dan kwaad. Hoe kunt gij dan aan haar uw hart geven?

Mijn kind, stel geen vertrouwen in de vleitaal en in den bijval van de wereld, want zij zijn slechts de uitdrukking van het verborgen verlangen om u te bedriegen en in het verderf te storten.

Maar leen het oor aan de uitnoodigingen mijns Harten, dat u verlangt te bevrijden van de im-merdurende ellende, die de wereld u bereidt.

6. Bijaldien gij der wereld niet vaarwel zegt, dan zal ze u vaarwel zeggen, nadat gij u uitgeput en afgotobt hebt in haren dienst, en zij zal lagchen, spottend met uwen ondergang: en als gij het meeste hulp zult noodig hebben, zult gij alleen en magteloos staan.

Denk er dikwerf aan, wat gij bij uwe intrede in de eeuwigheid zult wenschen, of wel mij of de wereld gevolgd te hebben.

Doe derhalve nu uit vrije keuze om verdiensten, wat gij anders zonder verdiensten zult moeten doen.

Leg er u derhalve op toe, om uw hart van de liefde voor de wereld te ontdoen en, door

7

-ocr page 134-

98

eene volmaakte scheiding van haav, over de wereld te zegepralen.

Vertrouw, mijn kind, ik heb de wereld overwonnen; indien gij wilt, zult ook gij overwinnen.

En als gij overwonnen zult hebben, zal ik u eene alleraangenaamste woonplaats in mijn Hart schenken.

7. De leerlikg. O Heer, hoe dwaas heb ik gehandeld! Hoe slecht heb ik geleefd! Door een schijn van genoegen, van gemak, van eere vrijwillig misleid, heb ik U verlaten, om mij van de wereld, uwe vijandin, een slaaf te maken.

De bron van allo goederen heb ik vaarwel gezegd, en ik ben afgestegen in den verpestenden kolk der wereld. Daar heb ik mij met vergiftigde teugen verzadigd en ik heb mijne zinnen verloren en verstandeloos al wat het mijne was, weggeworpen.

Ik heb U vergeten, mijn God en mijn Al, en mij geheel toegewijd aan de wereld, en in haren dienst heb ik al uwe geschenken ontheiligd, zoowel mijne uitwendige zintuigen als mijne innerlijke vermogens.

Ik ben maar al te zeer schuldig geworden; mijne ziel is met kwalen opgevuld en mijn leven is der helle gelijkend geworden.

De vlammen van uwen toorn zijn in mij doorgedrongen en uwe verschrikkingen hebben mij in verwarring gestort, zoodat ik ongelukkig was bij dag en bij nacht.

8. Helaas, goede Jesus, ofschoon ik ook, door groote vrees voor uw oordeel en door schrik voor de hel aangemaand, mij voorgenomen had

-ocr page 135-

99

goed te leven, tot welk een noodlott'ge zinsbegoocheling ben ik evenwel vervallen! Hoe verderfelijk heb ik gedwaald !

Ik heb namelijk mijn hart verdeeld tusschen U en de wereld; ik heb en TJ en de wereld tevens willen dienen.

O, welk een zware beleediging heb ik U aangedaan, door U met de wereld gelijk te stellen. Noch der wereld noch LT heb ik voldaan; en ik zelf was intusschen de beklagenswaardigste van allen, dewijl ik noch over do wereld noch over U tevreden was, omdat ik bij geen van beiden mijn waar geluk vond.

Nu echter, nu Gij mijne oogen geopend en mijn hart getroffen hebt, zie, o Heer Jesus, nu zal ik U alleen dienen; ik geef U mijn hart geheel, voor eeuwig.

Ruk, ik smeek het U, uit mijn hart alle liefde voor de wereld; verkeer al hare schijnge-noegens voor mij in ware bitterheden.

Vervul mijn hart met de zoetheid uwer liefde, waardoor mij de wereld met al hare ijdelheden smakeloos wordt.

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

hoe bede iegelijk de weeeld is.

1. Jescs. Mijn kind, de geheele wereld is uit bedriegelijkheden zamengsteld en een ieder, die

-ocr page 136-

100

niüt wel op zijne lioedo is, haalt zij door misleiding of list tot zieli over.

Want zjj stelt den mensch vermaken, rijkdommen en eere voor oogen en zegt: dat alles zal ik u geven, als gij mij wilt dienen.

Dat alles belooft zij, 'tis waar; maar let eens op, wat zij geeft.

Door de bcdriegelijko hoop op dio aangename zaken brengt zij hare beminnaren onder de wreede dwingelandij der hartstogten en vervolgens tot de blijvende kwelling, die uit dezer prikkeling voortspruit.

Hebt gjj wol ooit een wcreldling ontmoet, wiens hart onder alle opzigten tevreden was, hij mocht ook liet meest met fortuin begunstigd zijn? gij zult zoo iemand niet vinden, al gingt gij ook geheel het wereldruim doorzoeken.

De wereld belooft wel is waar goederen, maar zij levert met de daad ware kwalen, omdat zij den mensch tot een ongeregte maken en toch niet beletten, dat hij waarlijk ongelukkig is.

2. De leerling. Maar de wereldlingen, o Heer, verkrijgen toch dikwerf, wat zij begeeron en daarom bekommeren zij zich niet om de geestelijke ellende des harten.

Jesus. Het zij zoo, mijn kind, zij mogen overvloed hebben van alles, wat zij op aarde kunnen wenschen; maar dewijl zij daaraan gehecht zijn op onmatige wijze en cr gebruik van maken, trekken zij er geen vruchten uit, tenzij tot hun tegenwoordig en toekomstig ongeluk.

Vervolgens schijnen zij wol geen bekommering te gevoelen over de inwendige angsten hunner

-ocr page 137-

101

zielen; maar mijn kind, indien gij eens, zoo als ik, kondet zien in hunne harten, dan zoudt gij bespeuren hoe veel zij inwendig verduren, wat zij voor het uiterlijke trachten te verbergen; en gij zoudt tot het besluit komen, dat het geluk van den menseh niet bestaat in dien overvloed der wereldscho goederen maar veeleer hierin, dat hij zijn hart vrij houdt van alles hier beneden en het kalm en volhardend in mij tevreden stelt.

En dan, hoe lang zullen die goederen der we-reldlingen bestaan ? Zie, nog een weinig tijds en de eeuwigheid zal hen opeischen; wat zal hun dan die overvloed van vermaken en andere goederen baten! Zij zullen uit de wereld vertrekken beladen alleen met hunne zonden.

Wilt gij dan voor het gebruik der tijdelijke goederen het genot der eeuwige wegwerpen ? Of voor de valsche goederen der aarde de ware goederen des hemels verliezen ?

3. Mijn kind, als gij u aan do wereld hecht, dan houdt gij op een christen te zijn en zet gij al de voordeelen aan dien naam verbonden, op het spel.

Want gij hebt bij uw herboren worden door het doopsel ten aanhoore van hemel en aarde beloofd de wereld en hare boosheden te verzaken en het is niet zonder die belofte, dat ik u tot mijn kind heb aangenomen.

Als gij daarna tot de wereld wederkeert, dan zijt gij een trouwelooze, ja slechter dan een heiden, die zulk een belofte niet heeft gedaan. Immers het is beter niets te beloven dan aan uwe belofte ontrouw te word3n.

-ocr page 138-

102

4. Vraag het aan de dooden, wat zij van de wereld denken. De uitverkorenen zullen antwoorden, dat al hun zaligheid met de verachting der wereldsche goederen is begonnen; de goddeloozen echter, dat zij, door de wereld bedrogen, in het verderf zijn gestort.

Een van beiden, mijn kind, zult gij zelf eenmaal van de wereld denken en ondervonden hebben.

Zijt wijs, mjjn kind, opdat het u later niet te vergeefs .berouwe, volg hot voetspoor der heiligen door uw hart te ontdoen van de wereld en aan haar geene uwer genegenheden te schenken.

5. Maak gebruik van deze wereld als maaktet gij er geen gebruik van en heb, terwijl gij de aarde met den voet treedt, uw hart ten hemel verheven.

Hoe meer gij u aan de schepselen onttrekt, des te meer zult gij uwen Schepper naderen en des te vatbaarder zult gij worden voor boven-aardsche gunsten.

Als uw hart van de wereld geheel zal ontdaan zijn, dan zal de wereld zelve u met veelvuldige oordeelen van dienst zijn zonder u te schaden.

Hoe verachtelijk zal de wereld u voorkomen als gij naauwlettend beschouwt, wat u wacht in de eeuwigheid!

6. De leerling. quot;Waarlijk, Heer, waarlijk de wereld is bedriegelijk. Als zoodanig heb ik haar tot mijn ongeluk leeron kennen.

Toen zij mij hare g03deren aanbood, geloofde

-ocr page 139-

103

ik dwaas genoeg, dat dezen mij gelukkig zouden maken. Doch hoezeer ben ik bedrogen! hoe inderdaad ongelukkig was ik ook op het oogen-blik, waarop ik ijlende in de koorts der wereld-sche liefde, meende gelukkig te zijn!

Aan een dier gelijk, verbeelde ik mij zalig te zijn, toen ik mij voedde met den draf, welke mij de wereld voorwierp schoon ik ook dikwijls ontevreden zuchtte onder de verachtelijkheid mijner slavernij, onder den last van de ellende mijns harten:

Ik beken het, Heer, ik was de bewerker van mijn ongeluk en niemand anders dan mij zeiven kan ik het met regt verwijten.

Want juist omdat ik U niet wilde dienen met vreugde en blijdschap des harten bij een overvloed van alle goederen, heb ik als vijand van U en van mij zei ven, mij dienstbaar gemaakt in honger en dorst, in alle behoeften zoo groot, dat ik er vreugde in vond mij te verzadigen aan het voedsel der dieren.

7. O mogt ik, o Heer, van de jaren mijns levens die kunnen uitwisschen, waarin ik vervreemd van U de wereld heb gediend!

Welke vrucht toch trek ik er nu van , zoo niet bitterheid, wroeging des gewetens , angsten des gemoeds, zonden of in smarten gedurende dit leven te boeten of te vergeefs gedurende het ander leven te betreuren?

Zijt mijner genadig, o mijn Behouder, en vergeef mij alle misdaden, die ik, de wereld volgende mogt bedreven hebben en die ik van hartj verafschuw.

-ocr page 140-

104

Wil niet dulden, ik smeek het U, dat mijn hart aan iets, hoe gering ook, van de bedorve-ne wereld hechte; scheur het met al zijne genegenheden los van de valsehe goederen dezer aarde, waarin niets anders dan begoocheling en ijdelheid en droefheid des harten is te vinden.

ACHTTIENDE HOODSTUK.

dat de dienst dee wekeld eese harde slavernij is.

1. Jesüs. Mijn kind, die den dienst der wereld lief heeft, hij kent haar niet.

De wereld is een tyran in den waren zin des woords en beklagenswaardig zijn de slaven, die haar dienen.

Hoevele offers, hoe vele zaken eiseht zij niet van hare volgelingen; wie zij voor alle diensten niets anders wedergeeft dan aanhoudendo kwalen!

Zij wil, dat hare knechten van hunne begeerlijkheden de verachtelijke werktuigen maken, waarmede zij ligchaam en ziel opofferen, zich zeiven zonder bedenken dor verdoemenis prijs geven.

Doch als zjj hunnen ondergang heeft voltooid dan laat zij de ongelukkigen aan hun lot over als nuttelooze zaken, slechts geschikt voor het vuur der hel.

2. O wat kost den wereldlingen hun ondergang veel! Als zij voor mij slechts do helft der

-ocr page 141-

105

inspanning haden aangewend, welke zij zicli voor de wereld getroosten, hoe gelukkig en welke groote heiligen zouden zij zijn !

Hoe zwaar is het knechtschap der wereld! hoe vele innerlijke smarten daarin te verduren, hoe vele moeielijkheden te overwinnen! En dat alles voor de hoop alleen om te verwerven, wat eenmaal geproefd den dood toebrengt of waarvan het drukkend bezit of de bittere scheiding weldra kwellingen baart.

Inderdaad het is een ijzer juk, wat den nek der wereldlingen kromt, waarvan niemand waarlijk de zwaarte kent dan hij, die het heeft ondervonden of die het op de grenzen der eeuwigheid zal hebben gewogen.

3. Een ieder die zalig wil worden, moet zijn hart losmaken van de wereld.

Daar zijn er echter, die in hun uiterlijke levenswijze der wereld vaarwel zeiden om desniettemin innerlijk met de wereld ingenomen zich bijna naar do voorschriften der wereld to gedragen.

Er worden anderen gevonden, wier levensstaat eischt, dat zij openlijk in de wereld verkee-ren en die evenwel zoozeer alle gehechtheid aan de wereld hebben afgelegd, dat zij niets, wat wereldsch is, in zich veroorloven.

Niet dc levensstaat noch de vorm der kleederen maakt den mensch tot een gezel of tot een vreemdeling der wereld, maar de genegenheid des harten, dc gesteltenis der ziel.

Hij echter wiens hart het meest ontdaan is van de wereld, hij is des te naauwer met mij vereenigd, hij is des te dierbaarder aan mijn

-ocr page 142-

106

Hart, welken levensstaat hij overigens ook be» leve.

Derhalve in welke betrekking mijn goddelijke wil u ook plaatse, tracht mij daarin heiliglijk te dienen. In eiken staat of in elke levensbetrekking; die op zich zelve goed is, kunt gij immers voor mij leven en u zeiven heiligen, hoewel het waarheid is, dat de levensstaat, die het minst met de wereld in aanraking komt, ook de meeste hulpmiddelen aan de hand geeft om uwe zaligheid in zekerheid te brengen cn des te gemakkelijker do volmaaktheid te bereiken.

4. Hoevele volgelingen der wereld zijn er, die van hare boosheid overtuigd de noodzakelijkheid inzien om door eene verandering van leven haar vaarwel te zeggen en die dit evenwel niet durven uit te groote vreeze voor de opspraak der wereld !

Is dat uwe kracht, vrienden der wereld ? Is dat grootmoedigheid, als gij ter wille van ijdele woorden niet durft doen, wat het geloof voorschrijft,) wat de rede goedkeurt en wat uw eigen belang het meest vordert?

Wat zijn woorden tenzij klanken, die de lucht doorklieven en aldus verdwijnen? Kunnen zij wel een haar van uw hoofd beroeren ?

5. Zult quot;gij, mijn kind, zoo waanzinnig zijn, dat gij om dergelijke woorden u het tijdelijk en eeuwig verderf op den hals haalt?

Kies: of wel mijnen dienst, daarin gelukkig worden, later blijvende hemelsche vreugde genieten of den dienst dor wereld, en innerlijk een

-ocr page 143-

107

ellendig leven slijten en eindelijk eeuwige straffen verduren.

Zie leven en dood, goed en kwaad liggen voor u, waaraan gij de voorkeur geeft, dat zal u geworden.

6. De leerlikg. O goede Jesus! Hoe zou ik kunnen weifelen omtrent de keuze? Ellendige die ik was, hoe heb ik ooit eene keuze kunnen doen, die mij zoo ongelukkig moest maken !

O mijn God, eindelooze goedheid ! Gij hebt mij van de dwaling bevrijd en mij de waarheid leeren kennen. Zie sinds deze stonde ben ik geheel de uwe, o Jesus, die mijne ware zaligheid uitmaakt.

Wijk van mij bedriegelijke wereld, allerslechtste verleidster, gij vijandin van God en van mijn heil, vijandin van alle goeds en beschermster van al wat kwaad is, gij tyran veel wree-der dan eenig ander.

O wereld, dienaresse des satans, te laat heb ik u gekend, te lang u bemind. Doch nu vaarwel, voor eeuwig vaarwel.

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

dat het juk van jesus waarlijk zoet is.

1. Jesus. Kom, mijn kind, neem mijn juk op want mijn juk is zoet en mijn last is ligt.

Mijn dienst, mijn kind, is niet die eens dwin-gelands, noch eens onhandelbaren meesters, maar

-ocr page 144-

103

van den liefdevolsten Vader, die zijne dienend# kinderen ter zijde staat, om hen te helpen en te verkwikken.

De geest van mijnen dienst is de liefde, doch de lieide beschouwt alles ligt.

Mijne geboden zijn niet zwaar, integendeel voor hen, die beminnen, zijn zij ligt en zoet bovenal.

Beproef, mijn kind, en smaak het eens, hoe zoet het is mij te dienen; hoe zoet het is mijne zoetheid te genieten, hoe goed U te lessehen aan de bron zelve van alle goeds.

2. Zoekt gij genoegens, in mijnen dienst alleen zult gij do ware vinden.

Al het genot der wereld is ijdel of verderfelijk. Doch mijne goddelijke vertroostingen gaan alle vreugden der wereld te zamen verre te boven, rooven het hart door hare zuiverheid en schenken verzadiging door hare waarheid.

Zij overstelpen den mensch somtijds zoo geheel en al dat zij een zekeren voorsmaak geven van de hemelsche vreugde, waarmede do gelukzaligen verzadigd worden in liet paradijs.

3. Die mij dient, is niet als de dienstknecht der wereld, die zwoegt om zich schatten op aarde te verzamelen en die ten laatste zijne handen ledig vindt.

Neen, hij vergaderd zich wezenlijke schatten voor den hemel, waar do roest of de mot niets verteert; waar geen dieven opgraven of stelen.

Al de rijkdommen der aarde bij de hemelsche schatten vergeleken, zijn niet anders dan slijk en een niet.

4. En als gij eere bejaagt, zie met mij te zijn ,

-ocr page 145-

109

mijne goedkeuring en onderscheiding te erlangen, is voor u de hoogste eere.

De roem der wereld is kortstondig en ijdel, waardoor de een den ander bedriegt, doch de roem die mijn dienst aanbrengt, is waar en eeuwigdurend.

De minste mijner dienaren is grooter dan de beheerder van het rijk der wereld.

5. Hebt gij ooit een menseh aangetroffen, die het in de ure dcs-.loods betreurde mij gediend te hebben? Maar de wereldlingen, o hoeveel spijt gevoelen zij in den laatsten oogenblik over den dienst dien zij der wereld wijdden ! En hebben zij er geen berouw over dan zijn zij zooveel te meer te beklagen.

't Is een waar woord, mijn kind, dat hij, die mij gedurende zijn leven dient, twee hemelen heeft, een in dezen tijd, een anderen in de eeuwigheid; dat echter hij, die zijn leven slijt in den noodlottigen dienst der wereld, eene dubbele hel ondervindt, eene hier op aarde, een andere na dit leven.

6. Welaan dan, mijn kind, onderwerp u aan het juk, dat de engelen in den hemel en de uitverkorenen op aarde dragen en waaronder zij een waar geluk smaken.

Neem het met vreugde op en draag het met blijdschap. Gij dient een zelfden Hoer als de hemelingen dienen. Als gij echter een navolger zijt van hunnen dienst, volg dan ook hunne blijdschap na.

Laat de knechten der zonde en der wereld zich bedroeven; aan mijne dienaren passen vreugdeen jubeltoonen.

-ocr page 146-

110

Dien mij derhalve, maar dien mij met blijdschap; dat de glans der vreugde uws harten wesrschijne op uw gelaat; en leer dooreen heilig feestelijke aanzijn aan de wereld hoe zalig het is mij te dienen.

7. De leerling. In waarheid, allerbeste Jesus,

het is mij zoet U te dienen; wat dan is het niet voor hen, die U lielhebbon; wat voor hen, die U met geheel hun hart beminnen!

Als ik, die slechts begin liof te hebben, in U reeds zooveel zoetheid vindt, welke zoetheden zullen zij niet genieten, die met al hunne genegenheden aan U verknocht, sinds lang met een edeln oedig hart voor U leefden, in hot binnenste uws harten worden toegelaten, in al het uwe volop deel nemen !

O Jesus, onuitsprekelijke zoetheid! Wat is de mensch, dat Gij hem zoo groot maakt? Of wat is het kind des nienschen, dat gij uw Hart zoo tot Hem neigt!

8. Zie voor U te leven, U gehoorzamen is niet d'enen, maar heersehen. In uwen dienst is niemand knecht, maar een ieder is koning of heer; Gij echter zijt de koning der koningen,

de Heer van alle beheerschers.

In uwen dienst is niemand geminacht, niemand behoeftig, maar geadeld en fortuinlijk een ieder;

want Gij zijt de koning der glorie, en de glorie en do rijkdom verwijlen in uwe woning.

In uwen dienst is niemand slecht, zelfs nie- s

mand ongelukkig, maar goed en gelukkig allen,

want Gij zijt de koning der deugden, Gij onze vreugde en onze vrede.

-ocr page 147-

Ill

Zalig derhalve do ylekkeloozen, die volgens uwe wet wandelen! Hunne zaligheid duurt eeuwig, want uw rijk is liet rijk aller eeuwen.

O, allerzoetste Jesus, wat heb ik buiten II of wat wensch ik op aarde zonder U? God mijns harten, Gij mijn leven, Gij mijne zaligheid. Gij mijn deel in eeuwigheid.

TWINTIGSTE HOOFDSTUK

dat wij geheel oss haet aan jesus moeten schenken, zonder iets took ons zelven te behouden.

1. jesus. Mijn kind, geef Mij uw hart.

Het is niet genoeg, uw hart te ontdoen van

de zonde en van de wereld; er blijft nog over, dat gij het ook nog ontdoet van u zeiven.

Gelijk de volmaaktste afstand van de zonde do goddelijke vriendschap duurzaam maakt en het vaarwel aan het uiterlijk vertoon en aan de ijdelhcden der wereld geschikt maakt voor een innerlijk leven, zoo ook voert het verlaten van zich zeiven om mijnentwille tot de vereeniging met mij.

Het is derhalve noodzakelijk geheel uw hart zonder eenig voorbehoud aan mij te geven, indien gij dat geluk wilt genieten, dat het hoogste geluk in dit leven uitmaakt, en waarin alleen gij waarlijk gelukkig kunt wezen.

2. Uw hart, mijn kind, komt mij toe. Want

-ocr page 148-

112

toen het nog niet was, heb ik het gemaakt, toen hot verloren was, heb ik het gezocht en vrijgekocht, toen het gevaar liep, door zijne vijanden geroofd te worden, heb ik het beschermd en behouden. Als gij mij dus uw hart geeit, dan geeft gij mij niet meer dan mij toebehoort.

Doch om hoe velo redenen heb ik niet al zijne genegenheden verdiend! Wat toch hebt gij goeds naar het lichaam, wat naar de ziel, van nature of door do genade, wat gij niet uit mijn Hart hebt ontvangen ?

Hoe velo jaren zoudt gij nu reeds in de hel branden, als ik met u hadde gehandeld naar verdiensten, of als ik u voor uwe zonden niet ter helle voeren en voor welverdiende straffen niet hadde behoed.

Doch mijne liefde, o kind. is de oorzaak van zulk een wonder, van zooveel goedheid ; de liefde mijns Harten, waardoor ik u van eeuwigheid heb bemind en tot nu toe niet opgehouden heb u op cluizende wijzen te begunstigen.

Greheol uw leven was niet anders dan oene aaneenschakeling van' menigvuldige en aanhoudende gunsten, door mij geschonken; en geen tjjdstip was er in, wat niet door een nieuw gunstbewijs werd onderscheiden.

3. quot;Wat vraag ik echter van u, o kind mijner liefde, voor al die duizendvoudige goederen? Voorwaar al wat ik zou kunnen vragen en al Avat gij zoudt kunnen geven, hot zou nog verre, zeer verre blijven beneden de grootheid en menigvuldigheid mijner giften. Ik vraag evenwel

-ocr page 149-

113

slechts oene zaak, geheel uw hart; indien gij mij dat geeft, dan is het genoeg.

Wat gij ook schenkt met achterhouding van dat hart, ik hecht er geen waarde aan, omdat ik bovenal uw hart wensch te bezitten.

4. Aan wien kunt gij beter uw hart geven dan aan mij ? Gij kunt niet leven, als gij niet bemint en de genegenheden uws harten aan eenig voorwerp toewijdt.

Wilt gij uw hart geven aan den duivel, aan uwen eeuwigen en onverzoenlijken vijand of aan de wereld, aan die schepping des duivels, zelve bedorven en ook gesteld om anderen te bederven ? Wee u, mijn kind, duizendwerf wee u, bijaldien gij het aan een van beiden schenkt!

Of wilt gij de genegenheden uws harten voor u zeiven behouden ? Maar, mijn kind, als gij alleen u zeiven bemint, dan zult gij ook door niemand anders dan door u zeiven beloond worden. Doch het loon der eigenliefde, welk is het? Zie, de eigenliefde graait den afgrond der hel open en stort er u in.

Geef derhalve uw hart aan mij, mijn kind; ik zal het mot vrede en vreugde en met geluk vervullen.

5. Wil geen uwer genegenheden achterhouden; want als gij dit doet, dan zult gij nimmer tot de geheimen mijns Harten worden toegelaten, noch ooit de zoetheid mijner liefde kunnen smaken, ja, gij zult u zelfs niet voor het gevaar der verleiding kunnen behoeden.

Het is wel is waar de gewoonte van velen, ook van hen, die voor godvruchtigen en goeden

8

-ocr page 150-

114

■willen doorgaan, om zonder eenig gezocht voorwendsel, door eigenliefde gedreven, eenige genegenheid voor het een of ander van het geschapene te behouden. Wat ziet men menigvuldiger gebeuren? Doch wat is gevaarlijker, wat is er noodlottiger?

Ik wil het hart geheel hebben, mijn kind, ik ben de Heer er van, een naijverig God, ik alleen ben deszelfs doel, ik alleen de zaligheid.

6. Bemin, mijn kind, gij moet beminnen, uw hart is daarvoor gemaakt; maar terwijl gij al beminnende lief hebt, heb mij dan liet, en indien gij aan iets anders uwe liefde schenkt, dan moet gij dat slechts beminnen uit liefde voor mij.

Als gij behalve mij niets meer zult beminnen, tenzij uit liefde tot mij; als gij aan niemand, mij uitgezonderd, of aan niets, zoo niet om mijne liefde, den toegang tot uw hart verleent, dan zult gij eindelijk uw hart geheel zuiver hebben.

Derhalve mijn kind, schenk mij uw hart tot een brandoffer van welriekenden geur; neem het niet terug, zelfs niet het kleinste deel daarvan, want ik haat den roof, aan het offer gepleegd.

Houdt het altijd in uw geheugen, dat uw hart zoowel in voorspoed als in tegenspoed zich nergens beter bevindt dan in mijne tegenwoordigheid.

7. De leerling. Ik moet dus, o Heer, mijn hart ook van alle voorwerpen der eigenliefde, van de ongeregelde genegenheden jegens mij zeiven, ontdoen, om geheel met uwe liefde vervuld te worden en enkel en alleen door uwen geest te leven.

Ach mijn God! Dat is een werk, dat is een

-ocr page 151-

115

arbeid, dewijl er in mijn hart zoo vele ongeregelde neigingen bestaan, en dewjjl ik aan deze zoo lang heb ingewilligd, dat liet mij als het ware eene andere natuur is geworden, naar hare voorschriften te leven.

Tot dusverre was de oogenblikkelijke geneigdheid des harten, neiging of afgekeerdheid voor mij de eenige levensregel; dezen volgde ik in mijne handelingen ten opzigte van anderen, in het ondernemen en voltooijen mijner daden, ja zelfs in het vervullen mijner godsdienstpligten en godsvruchtoefeningen.

Tot dusverre, ik moet het bekennen, heb ik nagestreefd, wat aan mijne natuurlijke neiging voldoening schonk; ik had er eene gewoonte van verkregen, een afkeer te hebben van al, wat mij mishaagde.

Vandaar, dat ik niets in mij bespeur of het is bezoedeld; ik zie, dat bijna alle daden het gevolg waren der eigenliefde, en mij geen andere vruchten dan die der eigenliefde opleverden.

En als Gij zelf met het licht uwer genade dat niet haddet aangetoond, welligt zou bij mij niet eens het vermoeden daarvan zijn opgekomen. Zoozeer was ik door eigenliefde verblind.

Dewijl Gij echter, in de welwillende goedheid uws Harten, de verderfelijke kwalen, die in mijn hart schuilen, voor mijne oogen hebt blootgelegd, verleen mij nu ook, ik smeek het U, de bijzondere genade om ze geheel en al daaruit te verwijderen.

Ik smeek het U, o Heer, duld niet, dat er in mijn hart iets worde gevonden, wat het uwe

-ocr page 152-

116

niet is: mogt or zioli ooit iets in vertoonen, wat aan U vreemd is, spoor mij dan terstond aan om liet te verwijderen, of ruk Gij zelf het er uit togen mijnen wil en dank.

EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

OVER de bewaring des harten.

1. Jesus. Mijn kind, bewaar voor mij uw hart niet allo zorg; want uit hetzelve komt do dood of het leven voort.

Het grootste en aangenaamste geschenk, dat gij mij kunt geven, bestaat in de onherroepelijko toewijding van geheel uw hart; en de beste en heilzaamste bezigheid bestaat in het getrouw zuiver houden van uw hart.

Tc vergeefs wijdt gij mij uw hart toe, als gij het niet met zorg bewaart, want de vijand zal, ook bijna zonder dat gij het bespeurt, hot bederven en mij ontrooven.

2. De mensch, die een hart in zich draagt, dat zorgeloos en aan uiterlijke verstrooijing overgegeven is, kan wel is waar in een oogenblik van voorbijgaanden ijver mij zijne genegenheden schenken ; doch weldra, als dio warmte der godsvrucht bekoeld is, zal hij volgens gewoonte tot zijne gewone, minder edele gesteltenis hervallen.

Een hart, dat niet bewaakt wordt, is zelden zich zeiven en zeldzamer nog van mijne tegenwoordigheid bewust, en binnen korten tijd

-ocr page 153-

117

wordt liet gevoelloos en versteend voor het geest-telijke.

Immers het staat voor oen ieder open, als een openbare markt, waarop aan alle soort van gedachten, bekoringen en dwalingen eon vrijen doorgang wordt verleend.

Al zijne vijanden komen en gaan er door, beroeren het op verschillende wijze, bezoedelen en bederven het.

De uiterlijke monsch vestigt daarop niet eens met ernst zjjne aandacht; maar afgeschrikt om inwendig met zich zeiven te huizen en zich onledig te houden mot hetgeen in zijn hart omgaat, tracht hij het to ontvlugten of zich te verstrooijen.

Doch op die wijze neemt hot kwaad toe en wordt de staat zijns harten van dag tot dag gevaarlijker.

3. Wilt gij van zoovele ellende niet het slagtoffer worden,' neem dan de oorzaken weg on de gevolgen zullen ophouden te bestaan.

Beteugel de ligtzinnigheid door de herinnering aan Gods tegenwoordigheid en door herhaaldelijk tot mij uwe toevlugt te nemen en draag wol zorg, dat gij niet inwilligt aan uwe veranderlijke natuur, die immer naar buiten wenscht af te dwalen, die tot het ijdele overhelt, zich overal wil vertoonen en onophoudelijk er op uit is, om zich door de zinnen bevrediging te verschaffen.

Ontvlugt alle ijdele en nuttelooze zaken; sluit al het uiterlijke, waarmede gij u niet onledig moet houden, buiten uw hart; gewen er u aan

-ocr page 154-

118

bij u zeiven te verblijven cn inwendig zoo te leven als waart gij alleen met mij in de wereld.

Leg er u op toe, om altijd en overal u zeiven te behooren en ingekeerd te zijn; door de genade en door inspanning on door oefening zult gij het zoover brengen, dat u dit als eene tweede natuur wordt.

Als gij echter zoo ver zijt gekomen, dan zal die ingekeerdheid des geestes zelve uwe belooning uitmaken. Zij immers is voor den raensch een schat, welko nimmer wordt uitgeput.

4. De mcnsch, die ingekeerd leeft, bewaakt al de toegangen van zijn hart; hij houdt mij, zijn God en Zaligmaker, in zijn binnenste te-rng, hij handelt edelmoedig met mij en verkeert met mij op gemeenzame wijze.

Overal zich zeiven bezittend bezit hij mij, den beminde zijner ziel en is hij gevrijwaard voor ontelbare zonden en laauwheden.

Hij neemt toe in die innerlijke verzameling des geestes, liij gaat met rasscher schreden vooruit op den weg der deugd, eindelijk, hij snelt ondanks alle beletselen naar de volmaaktheid voort.

Wil u derhalve niet laten verstrooijen, mijn kind, hetzij door het aanzien der uiterlijke dingen, hetzij door den verschillenden zamen-loop van omstandigheden, of door drukte van bezigheden of door inwendige neerslagtigheid van ziel.

Let wel mot welke dingen uw hart zich bezig houdt, waardoor het wordt bewogen, waarheen het streeft.

-ocr page 155-

119

Keer u geheel naar het innerlijke en houd daarop al uwe gedachten vestigend, u in die inwendige rust en geniet mijne tegenwoordigheid.

5. De leerling. Verleen mij, ik smeek het IJ, Heer Jesus, den innerlijken geest, opdat ik voor U mijn hart beware, en al deszelfs bezigheden bewake.

quot;Want ik heb ondervonden, dat het altijd met iets bezig is; maar het is aan mijne nalatigheid te wijten, dat het noch op plaatsen, noch op tijden, noch op zaken let.

Zie, herhaaldelijk heb ik het betrapt, als het door bewegingen verstoord, door voorwerpen bezoedeld, op vreemde plaatsen aan zijn gevoel van liefde of weerzin den teugel vierde.

Dikwerf heb ik bespeurd, dat het in de uren of op do oogenblikken zelts, die U bijzonderlijk waren toegewijd en waarin hot U smeeken, prijzen, beminnen en U geniéten moest, voort-vlugtte om zich te verstrooijen.

Hoe dikwijls heb ik het opgevuld gevonden met verbodene en ijdele dingen als het zich met goede of nuttige zaken moest bezig houden.

Als het niet bewaakt wordt, ontloopt het telkens naar het uiterlijke, loopt her- en derwaarts naar ontelbare zaken, tot allerhande dingen wordt het door de verschillende driften der natuur aangetrokken.

Nooit heeft het rust; nauwelijks heeft het de eene verlaten of het is met eene andere zaak bezig. Het wordt door nieuwsgierigheid opgewekt, door de begeerlijkheid aangetrokken, door pe ijdelhoid verleid, door wellust misvormd,

-ocr page 156-

120

door verdriet verteerd, door afgunst gekweld, verontrust door liefde of door haat, benaauwd door eigene ellende en door die benaauwdheid ten gronde gerigt.

Zoo is mijn hart bezig, zoo wordt het bezoedeld als ik het niet bewaak of het verwaarloos.

6, O Heer, hoe noodzakelijk is die waakzaamheid! Hoe noodzakeljjk die bewaring mijns harten ! Immers het moet niet slechts in zich zei ven ingekeerd blijven, maar het moet zich ook onledig houden en wel met U, of ten minste voor U.

Ik moet dus toezien, waardoor 'het wordt bewegen, door de genade of door de natuur; hoe het handelt overeenkomstig uw welbehagen of volgens zijne aandrift; wat het ten laatste tot doel kiest, U, of zich zeiven.

En ijverig moet ik waken, totdat het hart een zekere gewoonte heeft verkregen, om bezadigd en met kracht de inspraken uwer genade te volgen uit liefde voor U.

O Jesus, welk een belangrijk werk! quot;Welke inspanningen deszelfs voltooijing ook eischen, zie, ik zal niet ophouden er naar te streven tot dat liet voleind zal wezen.

Doch als ik U beminde, als ik geheel door uwe liefde ware vervoerd, hoe gemakkelijk en hoe spoedig zou dan dat werk voltooid zijn! Immers als mijn hart vervuld ware met uwe liefde dan zou het in U rusten, zich niet van U verwijderen, in U zijne zaligheid vinden en al het overige in zekeren zin uit eigen beweging ontvlugten of van zich stoeten.

-ocr page 157-

121

O allerzoetste Jesus, hoe bewonderingswaardig is uwe liefde! Vervul met uwe liefde en met uwe genade mijn hart, en zie dan zal het zich in het vervolg bewaken, zich zorgzaam voor U bewaren.

TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

over de kortheid van dit leven.

1. Jesus. Mijn kind, gedenk in al wat gij doet uwe uitersten en gij zult in eeuwigheid niet zondigen.

Doe, zoo lang gij den tijd hebt, al wat gij voor den hemel doen kunt, indachtig dat uw tijd kort is. Weldra toch moet gij wederkee-ren tot de aarde, waaruit gij gekomen zijt, want gij zijt stof en tot stof zult gij weder-keeren.

Wat is liet leven des menschen op aarde? Een rook, die even opgaat en spoedig verdwijnt, en zelfs geen spoor achterlaat.

Van het oogenblik, dat gij geboren wordt, houdt gij niet op naar don dood voort te spoeden en het ligt niet in uwe magt om tot staan te komen.

2. Herdenk eens, mijn kind, den tijd, dieu gij doorleefd hebt. Schijnt hij u niet toe een droom to ziju. Weet echter, dat gij dit nog duidelijker zult inzien in de stervensure, die binnen kort voor u zal aanbreken.

-ocr page 158-

122

Wat toch is het leven, ook het langste? Zie hot getal levensdagen des menschen klimt gewoonlijk tot bijna zeventig jaren; en bij hen, die van een sterker gestel zijn, tot tachtig. Maar deze jaren vergeleken bij de eeuwigheid moeten een druppel geacht worden in vergelijking met de wateren van den oceaan.

Inderdaad de tijd des levens, vergeleken bij do onafgebroken voortdurendheid van het toekomend leven, is slechts- een enkel oogenblik. Van dit oogenblik hangt evenwel uwe gelukkige of ongelukkige eeuwigheid af.

Indien gij ook geleefd haddet van de schepping der wereld tot op dezen stond en nu eerst sterven moest, wat zou dat leven zijn voor u als gij de eeuwigheid zoudt binnentreden, waar geen dagen, geen jaren, geen honderd jaren worden gesteld, maar do eeuwen vervliegen zonder einde.

3. Besef derhalve, mijn kind, de waarde van den tijd. De tijd is de mate des levens; zooveel gij dus van den tijd verliest, zoo veel verliest gij van uw leven.

De tijd overtreft in waarde al de schatten der wereld. Immers met alle goederen der aarde kunt gij u zelfs geen onkel oogenblik tijds koopen: de tijd wordt echter met de eeuwige goederen vergeleken.

' O, indien do dooden uit de eeuwigheid konden wederkeeren, zoudt gij meencn, dat zij ook een enkel oogenblik zouden laten verloren gaan zonder dit te besteden, hetzij om hunne straffen te boeten hetzij om hunne verdiensten te vermeerderen ?

-ocr page 159-

Maar helaas! Ofschoon er niets zoo kostbaar is als de tijd, is er evenwel niets voor velen zoo vervelend.

Er zijn er, niet slechts volgelingen van de wereld maar ook die zich godvruchtig noemen, voor wie de tijd een last is. Zij klagen over zijne zwaarte, zij wenschen hem te dooden en zijn blijde als zij die zonder verveling in ijdel-heden hebben doorgebragt.

En zoo verspillen zij, mij tot oneer en zich zeiven tot nadeel datgene, waarmede zij mij eeren en den naasten helpen en zich zeiven verdiensten voor do eeuwigheid konden en moesten verzamelen.

4. Mijn kind, bedenk dikwijls, waarvoor gij in de wereld zijt gekomen. Voorzeker met geen ander doel dan om u voor te bereiden voor de eeuwigheid. Wat toch is liet tegenwoordig leven, zoo niet eene oefenschool voor de eeuwigheid.

Gedurende dit kortstondig tijdsverloop hebt gij ontelbare zaken te verrigten. Immers gij hebt vele zonden af te boeten: uwe ziel te zaligen en heilig te maken; de hel te ontvlugten, het vagevuur te vermijden en den hemel te winnen; deu naaste te stichten en ten eeuwigen leven voort te helpen; eindelijk mij te vereeren en te verheerlijken op behoorlijke wijze zoo veel gij kunt.

Hebt gij dat niet gedaan in dit leven, dan zal er later geen tijd meer overblijven; en gedurende geheel de eeuwigheid zult gij de gevolgen van uwe verwaarloozing en nalatigheid nodervinden.

-ocr page 160-

124

De tijd is mijn, niet uw eigendom; doch hij is ter uwer beschikking gesteld, opdat gij hem zoudet gebruiken om datgene te doen, wat ik van u eisch en begeer.

Indien gij er misbruik van maakt, dan zult gij eenmaal zeer gestrenge rekenschap afleggen; doch maakt gij er een goed gebruik van dan kunt gij in elk oogenblik een nieuwen graad van genade en eeuwige glorie verdienen.

5. Mijn kind luister: verplaats u dikwijls in den geest naar dien oogenblik, waarop voor u de tijd ophouden en de eeuwigheid beginnen zal; en onderzoek naauwlettond, wat gij dan over al het verledene en wat gij over al hot toekomende zult denken.

Zie de eeuwigheid is uwe woning, de eeuwigheid is uw vaderland, de eeuwigheid is uwo blijvende woonplaats.

Gij zijt immers een pelgrim en vreemdeling op aarde, welke gij spoedig doortrekt naar de uwen in do eeuwigheid. Daar moeten allen, die gsleefd hebben, die thans leven en eens leven zullen aankomen. Daar is tusschen groo-ten en kleinen, tusschen rijken en armen, tusschen schoonen en misvormden niet do minste onderscheiding tenzij die, welke uit de deugd voortspruit.

Nog een weinig tijds mijn kind, en ook gij zult u daar bevinden.

Daar zult gij leven, daar zult gij leven zonder einde. Zie dat is een groote gedachte, mijn kind! De tijd zal vervliegen, eeuwen zullen de eeuwen opvolgen, de wereld zelve zal vergaan;

-ocr page 161-

maar gij zult niet opliouden te bestaan, gij zult nimmer ophouden te leven. O, mogt gij mijn kind dat wel bevroeden.

6. Als gij zelf u niet voor de eeuwigheid behoudt, wie zal u dan behouden? Niemand voorwaar, ook niet, die u wel schiep zonder u, maar die u niet zonder u zal zaligmaken.

En als gij nu uwe zaligheid en uwe volmaaktheid niet bewerkt, hoe zult gij ze later bewerken? Do toekomst is een tijd, waarover gij niet kunt beschikken en dien gij u niet kunt beloven. Maar al mogt gij haar ook bezitten, de zaak zal van dag tot dag moeijelijker worden en u overhalen om uit te stellen tot het laatste oogenblik: en zoo uitstellende zult gij aan de poorten der eeuwigheid komen onvoorbereid.

Geloof, dat elke dag de laatste zij en beleef eiken dag zoo, dat mogt de Zoon des menschen komen, gij over zijne komst u kunt verblijden en daarvoor niet behoeft te sidderen.

Zalig hij, wien ik bij mijne komst zoo handelende zal aantroffen! Voorwaar ik zeg u, ik zal hem stellen aan het hoofd van al, wat mij toebehoort.

7. De leering. O Heer, hoe kort is mijn leven, en hoevele en belangrijke dingen heb ik gedurende hetzelve te verrigten. Doch helaas! hoe heb ik den tijd mijns levens tot heden benuttigd!

Dat alles, wat van het hoogste belang Is en wat gij mij voor de eeuwigheid te verrigten hadt opgedragen, heb ik verwaarloosd alsof het geene of slechts weinig waarde had;

O verblindheid, o bedorvenheid van mij! En

-ocr page 162-

ofschoon deze ook met bloedige tranen verdiende betreu: d te worden, ach, hadde ik maar niet ergers bedreven! Maar wee mij! zooveel tijd mijns levens heb ik besteed ora uw hart te martelen en te bedroeven, om de zonde te bedrijven en opeen te stapelen.

Zooveel tijd heb ik besteed aan djn dienst der wereld, in het najagen der vergankelijke goederen, in het najagen van ijdele glorie, van schandelijke genoegens en allerliande nietigheden.

Zooveel tijd heb ik besteed om mij zeiven voldoening te verschaffen, om mijne eigenliefde te koesteren, de neiging mijner natuur te bevredigen ook in die zaken, die de deugd en de godsvrucht betroffen.

O mijn Zaligmaker! hoe ellendig hob ik geleefd ! Zie in plaats van deugden en verdiensten heb ik hout, stroo en stoppels vergaderd, om het vuur te voeden en mij in het toekomstig leven te verbranden.

Vergeef, ik smeek het U, vergeef het kwaad, dat ik heb bedreven; geef mij de genade, om den verloren tijd terug te kooper., om het ver-ledene te herstellen of te vergoeden door den tijd, die mij nog te leven overig blijft, ijverig te besteden tot het doel, waartoe hij mij gegeven is.

Dat was, o Heer Jesus, de oorsprong mijner kwalen, omdat ik u niet beminde, omdat ik jegens (J onverschillig, bezoedeld was door de bedorven en bedervende liefde voor andere voorwerpen.

Ik smeek U, mijn God, die van zulke besmet-

-ocr page 163-

127

ting mij bevrijd hebt, ontsteek mijn hart met dat liefdevuur, waarvan uw Hart brandt. Die zuiverste vlam zal mijne misdaden verteeren, zij zal mij aandrijven getrouwelijk alles ten uitvoer te brengen, wat mij voor de eeuwigheid te doen bevolen is.

DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

ovee den dood,

1. Jesus. Denk er aan dat gij sterven zult, mijn kind, immers het is voor alle menschen vastgesteld, dat zij eenmaal zullen sterven.

Doe wat gij wilt om aan den dood te ontkomen, gij zult die niet kunnen ontvlugten ; omdat de Almagtige grenzen heeft gesteld, welke niet kunnen overschreden worden.

Als gij deze bereikt hebt, in welken toestand gij u ook moogt bevinden, dan zult gij den dood sterven.

In dit leven is niets zoo zeker als de dood; doch ook niets zoo onzeker als de tijd en de omstandigheden van den dood.

Gij weet volstrekt niet wanneer gij sterven zult; maar dit weet gij, dat gij zult sterven, als gij het niet zult vermoeden.

Doch of gij het einde van dit jaar, of zelfs van dezen dag zult beleven, dat weet gij volstrekt niet.

Daar zijn er velen, die terwijl zij bouwen op

-ocr page 164-

128

een lang loven en de voorbereiding voor den dood verwaarloozen, nog vele plannen maken voor de toekomst als onvoorziens de dood een einde maakt en henzelven in de eeuwigheid verplaatst.

Of gij te huis of buiten, een natuurlijken of oen geweldigen dood zult sterven, voorzien met de laatste HH. Sacramenten of zonder dezen uit het leven zult scheiden, dat is ten eenemale verborgen.

2. Evenwel, mijn kind, zult gij eens sterven; als dat eenmaal goed geschiedt dan zal uwe eeuwige zaligheid in veiligheid wezen; sterft gij echter eenmaal niet goed, dan zal uwe ondergang eeuwig duren en onherstelbaar zijn.

O, onbegrijpelijke dwaasheid des harten! Velen zijn er, die niet vreezen in een staat van verwerping voort te leven en toch is het zeker, dat zij onverwachts zullen sterven. Want onveranderlijk blijft de uitspraak gelden, dat de Zoon des menschen zal komen, als hij niet verwacht wordt.

Volgens het raadsbesluit der goddelijke wijsheid waardig, is de tijd van zijne komst verborgen, opdat de menschen in staat van genade, immer voorbereid zouden leven. Doch dewijl velen dit verwaarloozen gebeurt het ook, dat niet weinigen onverhoeds sterven en plotseling in de hel worden begraven.

Wee derhalve hun, wie de dood in een slechten staat aantreft! Immers, eenmaal gestorven, zal hun geene hoop meer overblijven; omdat zij van den tijdelijken dood vervallen tot den eeu- gt; wigen dood en van de tijdelijke kwalen overgaan tot diegenen, die geen einde zullen hebben.

-ocr page 165-

129

De dood der zondaren is de slechtste; vreeswekkend is de dood der laauwen; doch de dood der heiligen is kostbaar en vol vertroosting.

Zalig zij, die met oen heiligen dood een heilig leven eindigen! Zij hebben het einde bereikt van hunnen arbeid, van hunne droefheden en bekoringen, en van allerhande gevaren, en zij beginnen eene zaligheid te genieten, die zeker is en geen einde zal hebben.

3. Hoe verschillend zijn verschillende men-schen gestemd in hun stervensuur! Eenigen worden door de gedachte aan het verledene, aan het tegenwoordige en aan de toekomst verontrust, anderen bemoedigd; eenigen gevoelen het hart benaauwen, anderen den boezem verruimen; doch allen wenschen dan goed geleefd te hebben.

De grootste troost voor den stervende is tot den dood wel voorbereid te zijn.

Hoezeer stelt hij, die zich niet eerder dan in het stervensuur tot den dood voorbereidt, zich in gevaar van onvoorbereid te sterven! omdat hem óf wel de tijd ontbreekt, of de ziekte hem een beletsel is, of de hartstogten nog te zeer hunnen invloed doen gelden, en terwijl de gewoonte om de genade te verwaarloozen levend blijft, ook de duivel hem intusschen heviger dan gewoonlijk bekoort.

Draagt dus zorg van te voren, mijn kind, alvorens de nacht invalt, waarin niemand met zekerheid werken kan, maar een ieder begint met te oogsten, wat hij gezaaid heeft.

De beste voorbereiding tot den dood is een

9

-ocr page 166-

130

goed leven. Die goed leeft, sterft gewoonlijk ook goed.

Breng eiken dag, alvorens gij u des avonds ter ruste begeeft, uwen zieltoestand zoo in ord e, alsof gij dien zelfden nacht naar de eeuwigheid zoudt moeten vertrekken.

4. Het is goed, mijn kind, met den dood te rade te gaan; voor dat gij derhalve iets onderneemt of iets ter zijde legt, wat van belang is, raadpleeg eerst den dood, opdat gij weten moget, wat gij bij zijne komst zoudt wenschen gedaan, wat nagelaten te hebben.

Door de volmaakte zuiverheid des harten zult gij den dood voor u allerveiligst en troostvol maken.

Want waar er sprake is van u een goeden dood te verzekeren, moet gij niet met het lig-chaam te rade gaan; maar ook tegen wil en dank het goede nastreven, opdat gij eindelijk én ligchaam én ziel zalig maket.

Immers na den dood zal uw ligchaam een spijs der wormen worden, en wat er van ons overblijft zal het verderf ten prooi zijn.

Eenmaal echter, het zij gij wilt of niet, zal het verrijzen om met de ziel haar eeuwig lot te deelen.

De dood, mijn kind, moet u een zeer vertrouwden vriend zijn. Als gij hem getrouw te rade neemt, en zijne uitspraken getrouw opvolgt dan zal hij u in tegenspoeden troosten, in voorspoed matigen, in alles van dienst zijn, hij zal u altijd weldoen, u eindelijk uit dit ballingsoord verlossen, en naar het zalig vaderland des hemels geleiden.

-ocr page 167-

131

5. De LEEELiKG. Wie, o Heer, zal zich niet bereid houden, terwijl ons elk oogenblik cle dood kan verrassen?

Ik weet, wat ik bij zijne aankomst zal wen-schen, dit zegt mij het geweten, namelijk: een schuldeloos leven geleid te hebben; mijn hart zuiver bewaard te hebben voor tl; mijn ziel geheiligd te hebben.

Doch als de dood nu reeds kwam, helaas! ik zoude ijdtle wenschen vormen, omdat ik nog geen enkel teeken van heiligheid, maar vele kenteekeningen van laauwheid bezit.

O, barmhartige en medelijdende Heer, gun mij nog een weinig tijds om mijne nalatigheid te beweecen en te doen, wat ik bij de komst van den dood wenschen zal gedaan te hebben.

6. O, mijn ziel! weldra zal er geen tijd meer overblijven. Laat deze en gene doen, wat hij wil; laten wij, terwijl wij den tijd hebben, ons heil bewerken.

Een ieder voor zich. Als de dood zal gekomen zijn, zal niemand onze plaats vervangen of voor ons de eeuwigheid kunnen binnengaan. quot;Wat dus anderen ook zeggen of doen, laten wij onze eeuwige toekomst in veiligheid brengen.

En welk, o Heer Jesus, welk behoedmiddel is er beter en veiliger, zoo niet de liefde tot U, ontdaan van al het geschapene, dewijl zij zuivert en heiligt?

Indien ik U waarlijk bemin, dan zal ik noch den rood noch zijne gevolgen vreezen. De liefde zal de vreeze verjagen, de liefde zal mij vol ver-doutwen tot U den toegang openen.

-ocr page 168-

132

Gij derhalve, o Jesus, mijne liefde, raoogt Gij in het vervolg mij 11 leven zijn. Als Gij voor mij liet leven zult geweest zijn, dan zal sterven voor mij een gewin wezen.

Uit liefde tot U, zal ik dagelijks sterven aan de zonde, aan de wereld, aan mijzelven om voor U te leven. Ik zal vrij worden van het geschapene en volkomen zuiver, opdat als de dood mij de poorten dor eeuwigheid opent, ik mot blijdschap tot U kunne binnentreden.

VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

over het oordeel.

1. Jesus. Mijn kind, zoodra gij de eeuwigheid zult zijn ingetreden, zult gij u voor den regter-stool van God bevinden, om rekening af te leggen van uw leven, en het yonnis, dat over uw lot voor de eeuwigheid beslist, te vernemen.

Ik zelf, do doorgronder on kenner der harten, Wien alle magt is gegeven in den hemel en op aarde, zal dat vonnis voorzitten.

Allen en een ieder in het bijzonder, willens of onwillens, zullen zich voor mij, den Regter van levenden en dooden moeten vertoonen, om naar de hoogste regtspraak geoordeeld te worden, en niemand zal zich, bij wien ook, in hooger beroep kunnen stellen.

Ik zal naar regtvaardigheid oordeel vellen: geen geschenken of beloften zullen mij verzoe-

-ocr page 169-

133

nen, geene gebeden, van wien ook, zullen mij bewegen, noch zal ik eenigen spijt gevoelen.

Want die dag, zal een dag zijn van regtvaar-digheid, niet van barmhartigheid. Alsdan zal een iegelijk ontvangen overeenkomstig zijne werken.

2. Wat, mijn kind, wat zult gij dan gevoelen, als gij voor mijne oneindige Majesteit zult staan, alleen mot de daden van u alleen, hetzij goede of kwade.

Dan zal do duivel met u ten oordeel treden, om u te beschuldigen, bereid om u met zich ter helle te slepen.

Ook uw Beschermengel zal tegen u opstaan en de waarheid van het gebeurde getuigen.

Ja, ook uw eigen geweten zal u beschuldigen, en u met angst en vreeze en met ontzetting benaauwen.

Zoo beschuldigd, zonder een verdediger, zult gij van vrees verdorren, en uwen mond niet durven openen.

3. Want zie alles, alles zal open en bloot liggen voor mijn aanschijn, en niets van alles zal voor mijne oogen verborgen zijn.

En toch nog zal ik naauwlettend het hart doorzoeken van den eersten oogenblik, dat het zijne rede begon to gebruiken tot aan zijn laat-tsen ademtogt.

Ik zal er uit te voorschijn halen allo boosheden en elk in 't bijzonder, die heimelijk en openlijk werden bedreven, persoonlijke en vreemde, zware en kleinere; al wat gij in gedachten en woorden en werken en door verzuim misdaan hebt.

-ocr page 170-

134

Niet slechts van liet kwaad maar ook van het ijdolo en nuttelooze, en wat door ledisrgang misdaan werd, zal ik rekenschap vragen.

Ja, zelfs de geregtigheden zal ik beoordeelen, ik zal het goede zelfs onderzoeken, wat er aan ontbrak hetzij aan de beweegredenen, hetzij aan de wijze van doen, hetzij wat het doel betreft, dat men zich voorstelde, of alles bovennatuurlijk en volmaakt geweest is.

Dan zullen vele daden, die hier in het leven goed schenen, als bedorven en ijdel bevonden worden.

Dan zullen de schijnsels van de deugden der laauwen aan 't licht komen zooals zij zijn, en als drooge stoppels, alleen voor het vuur geschikt, worden weggeworpen.

Doch verder onderzoekend, zal ik van u de vruchten eischen van al mijne weldaden, van alle genaden, van alle middelen tot uw heil en tot uwe volmaking geschonken.

Ik zal zelfs den tijd togen u tot getuige oproepen en navorschen, hoe gjj dien besteed hebt.

4. Zondaar, wat zult gij dan doen, als de regtvaardige naauwelijks gerust zal zijn? Boven u ziet gij het paradijs, onzeker of het uw deel zal zijn; beneden een gnjnzenden afgrond; ter regter do Engelen tot getuigen, ter linkerzijde de woedende duivelen [ voor u, den hoogsten scheidsregter tusschen oen eeuwigen dood en een eeuwig leven.

5. Ach, mijn kind! handel nu niet ijver, opdat gij dan gerust moogt wezen. Nu is het gemakkelijk, dan zal het onmogelijk zijn.

-ocr page 171-

135

Volg nu de uitnoodiging mijner barmhartigheid, opdat gij dan de gestrengheid mijner regt-vaardigheid niet moogt ondervinden.

Onttrek u nu geheel en al aan de bedorvene wereld, opdat gij alsdan niet met de verworpene wereldlingen verpligt wordt te hooren: Gaat vervloekten, in het eeuwige vuur.

Volg nu, tot alles bereid, de Heiligen na, opdat gij dan met hen verdient te hooren; Komt, gezegenden mijns Vaders, neemt bezit van het rijk, dat voor u van de stichting der wereld bereid is.

6. De Leerling. O Heer, hoeveel beter is het, hier gestreng mij zeiven te onderzoeken en te oordeelen om niet voor de regtbank uwer goddelijke regtvaardigheid veroordeeld te worden !

Hoeveel' beter, mijne gedachten, woorden en werken en alle handelingen, wel te onderzoeken of zij goed zijn, of zij geheel aan uwen wil beantwoorden, of zij het onderzoek van u kunnen doorstaan en uwer goedkeuring waardig geacht worden!

Nu is er nog een middel aan te wenden, dan zal elke poging vruchteloos zijn: nu wordt nog barmhartigheid aangeboden, dan zal de regt-vaardigheid hare stem doen hooren: Geef rekenschap.

Heer, Heer, als gij de ongerogtigheid beschouwt, wie zal er dan bestaan? als gij ook de onverschilligheid en zelfs het goede zult hebben onderzocht, wie zal dan in uwe tegenwoordigheid kunnen blijven?

O, Jesus! hoewel ik mij verblijd, geen ander

-ocr page 172-

136

dan U tot mijn regter te zullen hebben, toch sidder ik, dewijl ik over zooveel vrees wekkende zaken verantwoording zal moeten afleggen.

Waarop toch zal ik mij verlaten, als zelfs mijne goede werken verdacht schijnen? Waarop zal ik mijne hoop bouwen? Zie, niets bespeur ik, waarop ik veilig mijn vertrouwen kan vestigen, tenzij op Uw Hart.

Daarop zal ik dan hopen, moge het dan ook het Hart eens Regters zijn, het zal evenwel het Hart zijn van mijn Jesus, dat allen lief heeft, die het beminnen.

O, mijn Jesus! gedenk uwe woorden, waarin Gij mij hoop hebt gegeven: Gij hebt immers gezegd: Die mij bemint, hem zal ik beminnen.

Indien ik U bemin, en door U bemind wordt, dan voorzeker zal ik niet vreezen tot U te gaan en in uwe tegenwoordigheid te verschijnen.

Dit zal ik derhalve doen: ik zal u beminnen, o beminnelijkste en liefwaardigste Jesus, ik zal ü beminnen uit geheel mijn hart gedurende geheel mijn leven.

VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

over de hel.

1. Jesüs. Mijn kind, zoolang de menschen leven, bemin ik op zekere wijze allen; de goeden heb ik lief met eene goddelijke liefde; de boozen verdraag ik, wachtende op hunne bekeering; de

-ocr page 173-

137

dwalenden volg ik op hunne schreden. Mijn hart, waarin ik allen geschreven draag, bedenkt en beproeft duizende wijzen, om allen zalig te maken.

Doch bijaldien eenigen de verwachtingen mijner barmhartigheid verijdelen; als zij ten oordeel komen, schuldig aan groote zonden, hardnekkig in hun verzet jegens mij; dan wisch ik hen uit mijn Hart geheel uit, en werp ik hen door de bliksems der regtvaardigheid neder in de diepte der hel.

2. Daar zijn zij beroofd van den Hemel, en van al zijne vreugde; en gedurende geheel de eeuwigheid, zullen zij mijn aanschijn in het rijk mijner glorie niet aanschouwen.

Eindelooze straf zullen zij lijden, omdat zij het eindeloos goede hebben verspild.

Gedompeld in eene onmetelijke zee van vuur, zullen zij branden en lijden in eeuwigheid: en de rook, door hunne martelingen veroorzaakt, zal opstijgen gedurende de eeuwen der eeuwen.

Daar zullen zich alle kwalen oyer hen uitstorten. Daar zal geen zintuig des ligchaams, geen vermogen der ziel zijn, of het zal zijn eigen straf ondervinden.

Doch waardoor een ieder bijzonderlijk gezondigd heeft, daarin zal hij bijzonderlijk gepijnigd worden; en naar do mate hij genot heeft gehad in het kwade, naar die mate zal hij dooide straffe gekweld werden.

Daar zullen de onzuiveren in eeuwige vlammen worden verslonden, met ondragelijken stank worden overgoten en doorknaagd worden door wormen, die niet sterven.

-ocr page 174-

138

Daar zullen de booze rijken, door zeer groot gebrek benaauwd worden, zij zullen den ergsten dorst en honger lijden, en toch nimmer verzachting erlangen.

Daar zullen zij, die op booze wijze naar eere streefden, op oneindige ■wijze vernederd en door do duivelen zelven, veracht en met voeten getreden worden.

Daar zullen do kwellingen geen enkel oogen-blik worden gestaakt, maar voortduren altijd, tot in eeuwigheid.

Daar zal een ieder ontvangen overeenkomstig zijne verdiensten.

3. De plaats, do meesters, de gezellen zullen op onbegrijpelijke wijze de plagen vermeerderen.

Wat toch is verschrikkelijker dan die helsche kerker, waar geen licht, geen orde, maar blijvende duisternis en eeuwige verschrikking wonen?

Wie zijn er wreeder dan de duivelen, die hunne wetenschap uitputten, om nieuwe martelingen te vinden en hunne magt om ze toe te passen?

Wat is droeviger dan die beklagenswaardige drom van lijdenden en huilenden zonder einde, zonder hoop? In waarheid zoo vele als hunne lotgenooten zijn, zoovele zijn hunne kwellingen.

4. Zie, zoo wordt hij gestraft, die mij niet heeft willen dienen, zijn God, zijn Schepper, zijn Verlosser, zijn Weldoener zonder ophouden.

Zoo waar ik leef, alle knieën zullen zich voor mij buigen, en alle volkeren zullen mij dienen.

Want een ieder die mij den Goede niet vrijwillig dient gedurende het tijdelijk leven, zal

-ocr page 175-

139

tegen zijn wil en dank, mij den Regtvaardige dienen gedurende de eeuwigheid.

Sta niet verbaasd, mijn kind, over de straf der verdoemden; de verworpenen zalven staan er niet verbaasd over, maar bekennen, dat zij het loon ontvangen hunner handelingen waardig.

Niemand vervalt in de helsche kwellingen tegen zijn wil; alle boozen storten zich daarin door eigene keuze; en daarom beschuldigen zij niemand dan zich zeiven.

Zij belijden, dat ik de eindelooze goedheid ben, doch zij erkennen dat zij bovenal boos zijn.

5. De poort der hel is de zonde; de wegen echter, die tot haar lijden zijn dezelfde, als die tot de zonde voeren.

Hoe velen hebben hunnen ondergang gevonden door dc ongeoorloofde zucht naar wellust, door de ongeregelde begeerte om rijk te worden, door te durven streven naar eere.

Mijn kind, wil niets begeeren, wat u kan verstrikken en later in den afgrond nederstorten.

' Xiet minder gevaarlijk is het om in alles u zeiven te zoeken. Helaas! hoevelen zijn er, die goed schijnen te beginnen, maar die, omdat zij aan zich zeiven niet vaarwel zeggen, eindelijk weder hervallen, in diepere kwalen nederzinken en eindelijk ellendighjk verloren gaan.

Om dus de hel te ontvlugten is het niet genoeg een gord begin gemaakt te hebben, maar cr wordt vereischt, dat men goed volhard hebbe.

Zeg voor altijd vaarwel aan de zonde en aan de wsrdd, opdat gij eindelijk niet door mij verlaten wordet: zeg ook vaarwel aan u zeiven,

-ocr page 176-

140

opdat gij niet door eigene zwaarte in de diepte nederzinkt.

Doe alles dierbaar kind, lijd alles om do eeuwige kwelingen te vermijden. Alle arbeid en alle droefbeden van dit loven zijn niets in vergelijking met de straffen der bel.

Hier komt weldra aan kommer en smarten een einde; docb in de bel wacbt niemand verlossing.

De leerling. O Heer onze God, boe vrees-selijk is uwe regtvaardigbeid in de eeuwigheid! En tocb uwe oordeelen zijn billijk, als regt-vaardig erkend ook door de verworpenen.

Maar ofschoon er u niets is, wat zoo hevig afschrikt als de hel, is er evenwel naauwelijks iets, dat meer schijnt geschikt te zijn, om in mijn bart de liefde voor u op te wekken.

En inderdaad, o Heer Jesus, hoe zou ik over bet vuur der helle kunnen nadenken, zonder door het vuur der liefde jegens U ontstoken te worden.

Wat is er, wat op meer zinnelijke wijze de goedigheid uws Harten jegens mij openbaart? Wat is er, wat mij sterker prikkelt, om U weder te beminnen?

Want zie, als Gij eene verworpene ziel uit de helscho pijnen zoudt bevrijden en baar, in dit leven weergekeerd, overvloedige middelen zoudet geven, waardoor zij zich zalig maken en een troon van eeuwige glorie in den hemel zou kunnen verdienen, o, boe vurig zou die ziel U beminnen ! Zoude zij meenen, in staat te zijn U ooit de verschuldigde dankbaarheid te betoonen ?

-ocr page 177-

141

Zou zij ooit er aan kunnen denken, zonder weg te smelten in liefde ? O hoe zuiver zoude z|j haar hart voor U kunnen bewaren? ïloe heilig zoude zjj voor U leven!

quot;Welnu, Heer, ik ben U nog veel meer schuldig, dan die ziel U schuldig zoude zijn. Veel grooters, veel beters hebt Gij mij geschonken, omdat Gjj mij, die de straffen der hel verdiend had, er voor bewaard hebt. Grooter i^ood namelijk en meer verkieselijk is het voor het kwaad behoed te zijn dan, na liet eenmaal geleden te hebben, er van bevrijd te worden.

En deze gunst, zoo verbazingwekkend, zoo bewonderingswaardig cn zoo zoet, hebt Gij mij bewezen, niet eens, niet twee, niet driemalen, maar zoo dikwjjls als ik eone doodzonde had bedreven.

En gesteld oens, ik haddo geene doodzonde bedreven, zie, dan zon mijne verpligting nog toenemen, de schuld mijner dankbaarheid stijgen cn de redenen, om U lief te hebben, nog vermeerderd worden. quot;Want alsdan zou ik U nog onvergelijkelijk meer verschuldigd zijn.

Immers, indien gjj in de eindelooze welwillendheid uws Harten mij door uwe genade niet bewaard haddet, sinds hoe lang zou ik dan nu reeds gevallen zijn in zonden, die mij dor helle waardig maken! Geene zonde toch is er, die de eene doet, of zij kan ook door een ander bedreven worden, indien uwe bijzondere genade zulks niet voorkomt.

Wat ik dan ook moge geweest zijn, dit, allerzoetste Jesus, dit ben ik U op de eerste plaats

-ocr page 178-

142

verschuldigd, dat ik mij nog niet in do hel bevind, dat ik nog den hemel kan verwerven. Gij hebt mij van het verderf bevrijd: Gij hebt mij overeenkomstig de menigte en grootheid van de goedheden uws Harten, verlost uit de diepte der hel en uit de handen van hen, die mijne ziel belagen.

Komt dan gij allen, die den Heer vreest, en ik zal u verhalen, hoeveel goedheid Hij aan mijne ziel heeft bewezen.

En ik zou TJ niet beminnen, o Jesus, einde-looze goedheid! en ik zou U niet liefhebben! Ja, ja ik bemin U, ik heb U lief en ik zal U lielhebben, ik zal U beminnen zoo lang als ik zijn zal, tot in eeuwigheid, en meer nog. Gij alleen zult mijne genegenheden bezitten, alleen voor U, o Jesus, zal ik leven, voor U alleen, aan wien ik alles verschuldigd ben.

ZES EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

over den hemel.

1. Jesüs. Mijn kind, geen oog heeft gezien, geen oor gehoord, noch is het in het hart des menschen opgekomen, wat ik bereid heb voor hen, die mij beminnen en mij ten einde toe getrouw dienen.

quot;Wie zal verklaren aan hen, die het nooit hebben ondervonden, wat de hemel is, waaruit

-ocr page 179-

143

alle kwalen zijn verbannen, waarin overvloed van alle goeds is ?

Daar is geen arbeid, geen droefenis, geene bekoring, geen gevaar: dat alles toch is met het sterfelijk leven heen gespoed, en heeft plaats gemaakt voor volmaakte rust, voor eeuwige vreugde, voor onverstoorbare vrede, en voor eene veiligheid, die zeker en eeuwigdurend is.

2. Daar is geen koude noch hitte ; daar is geen ongestadigheid noch wisseling van tijden; daar zijn geen sombere dagen noch donkere nachten. Want mijne eeuwige glorie verlicht die zalige gewesten; daarin wordt alles geregeld naar behooren, door de helderheid van mijn goddelijk gelaat, en verlevendigd door de eindelooze zoetheid mijns Harten, zoodat alles door een waarlijk zuiver en nieuw licht steeds een lag-chend aanzien heeft.

Zalig zij, die daar wonen! zij hebben geen honger noch dorst; noch gevoelen zij eenig ongemak, nimmer worden zij ongesteld.

Maar zij worden verzadigd en overstelpt, gedrenkt met de stroomen mijner goddelijke geneugten; krachtig in eene eeuwige jeugd en onsterfelijk schitteren zij meer dan de xon gedurende alle eeuwigheden.

3. Mijn kind, daar zult gij mij zien, zoo als ik ben en in de zachte glanzen mijner majesteit mij van aangezicht tot aangezicht aanschouwen.

Dan mijne eindelooze volmaaktheden inziende, zult gij vervoerd worden door verwondering, de vreugde zal u doorstroomen en in de overmaat van blijdschap zult gij nog meer mijne bemin-

-ocr page 180-

144

nelijke eigenschappen prijzen en boven alles verheffen.

Daar zult gij tevens de diepe geheimen des geloofs cn alle geheimen der natuur begrijpen.

Allo wetenschap der mjsgeeren is onwetendheid, als zij vergeleken wordt bij de geringste kennis der uitverkorenen.

Dan zult gij bevatten al het grootsche van mijn eeuwig rijk; zijne oneindige rijkdommen, eeuwige eerbetooningen en blijvende vreugde.

Door het begrip van zoo vele en zoo groote beminnelijkhedon, zult gij met de zoetste liefde jegens mij ontvlamd worden.

4. Dan, mijn kind, dan zult gij mij op volmaakte wijze liethebben, zonder eenige verdeeling van uwe genegenheden, zonder achterhouding, zonder einde.

Nu zijt gij somtijds beangstigd, niet wetende of gij liefde of kaat waardig zijt; dan zult gij tot uwe onuitsprekelijke vreugde verzekerd zijn, dait gij in eeuwigheid mij bemint en beminnen zult en dat gij door mij bemind wordt en gedurende alle eeuwen bemind zult worden.

Dan zult gij in volkomene veiligheid aan mijn Hart rusten en met volle teugen proeven, hoe zoet het is, mij te beminnen en in mijne liefde als te versmelten.

Met overmate van zoetheid zult gij worden gedrenkt en buiten u zelven worden gevoerd. Gij zult u baden met de Engelen en Heiligen in eene zee van liefde, immer jubelende, immer de zangen mijner liefde herhalende.

Zoo zult gij de eeuwen doorbrengen, en de

-ocr page 181-

145

eeuwigheid verslinden, altijd verlangend, altijd begeerig om t3 beminnen en altoos vervuld en i zalig door de liefde.

[ 5. Dan, myn kind, zult gij mij bezitten en mij genieten in eeuwigheid, wat het toppunt der zaligheid zal uitmaken.

Gij zult geheel de mijne zijn en ik geheel de uwe; gij zult mij genieten altijd op nieuwe , immer op de zoetste wijze.

In mij zult gij alle goeds bezitten en alles hebben, wat gij wensehen of verlangen kunt.

Begrijp zoo gij kunt, hoe schoon, hoe wondervol, hoe beminnelijk daar alles is: de glorie en onuit-sprekelijkste schoonheid der hemelen te zien, lid te zijn van de koren der Engelen, eeuwig u te verblijden met de Heiligen; de allerzaligste Maagd, de glorierijke koningin van het hemelsche rijk te aanschouwen en lief te hebben, en weder-keerig door Haar aanschouwd en bemind te worden.

Welke beminnelijke woningen mijn kind! Welk een gezelschap! Welke zoete zaligheid, die eeuwig zal duren.

Zie, mijn kind, zie de belooning is uitstekend groot voor hen, die mij dienen uit geheel hun hart. Kan de wereld wel zoo iets geven, of zelfs beloven ?

Rigt dan uwe oogen omhoog en zie, wat u wacht als gij mij getrouw zijt ten einde toe.

Heb moed, mijn kind; zuiver u zeiven op volmaakte wijze en houd u zuiver voor zoo veel gij met de goddelijke genade en door eigene medewerking dit vermoogt. In den hemel toch

10

-ocr page 182-

146

zal niemand binnentreden, hoe klein de vlek ook zjj die hem bezoedelt.

Naar mate gij hier dus reiner zult geweest zijn, zult gij daar meer glorievol, meer mij nabij en dierbaarder aan mijn hart zijn.

6. De leerling. O Jesus! hoe zalig zij, die bij U in den hemel zijn!

Gelukkig de stervelingen, die ü met een zuiver hart dienen! Welk een onuitsprekelijke zaligheid genieten zij in eeuwigheid! Doch ook in den tijd, wie is er gelukkiger dan zjj ?

O zaligende dienst van Jesus, waardoor zulk eene belooning wordt verkregen; ligt en zoet maakt gij alles, dat tot zulk eene onmetelijke glorie en tot zulk een geluk voert.

. O allerzoetste Jesus! gebied mij voor U te werken, gebied mij te lijden, wat Gij wilt; gewillig, blijde zal ik alles aanvaarden om U in den tijd te behagen en gedurende de eeuwigheid te bezitten.

Ik smeek U door uw allerheiligst Hart, dat Gij mij, langs welken weg Gij wilt, behouden uw rijk binnen leidet, opdat ik met uwe Engelen en Heiligen U moge aanschouwen, U beminnen, U genieten gedurende de eeuwen der eeuwen. Amen.

-ocr page 183-

I

GIDS

TEN GELEIDE IN HET TWEEDE BOEK.

ü

1. Het doel van het tweede boek is, na bevrijd te zijn van de booze en ongeregelde genegenbeden er zich op toe te leggen door de beoefening van deugden onze roeping als uitverkorenen zeker te maken. Om dat met kracht en bezadigheid tevens te doen, moeten wjj ons onophoudelijk Jesus voor oogen stellan mot allo inwendige gesteltenissen zijns Harten. Dewijl Hij de weg, de waarheid en het leven is, zullen wij door zijne navolging veilig, zeker en op be-hagelijke wijze yan deugd tot deugd voortgaan en onze zaligheid verzekeren.

De beoefening der deugden echter waardoor wij het Hart van Jesus navolgen en zjjn innerlijk leven in ons uitdrukken; kan in eiken staat of elke betrekking des levens op tweederlei wijze geschieden. En wel ten eerste, door die deugden te beoefenen, die geboden zijn en die in elke betrekking of in eiken levensstaat, welke ook, vereischt worden. Ten tweede, door overeenkomstig het goddelijke welbehagen ook die deugden

-ocr page 184-

148

te beoefenen die tot do geestelijke raden be-hooren, waardoor ons heil meer wordt verzekerd en de glorie van God en onze verdiensten meer worden gebaat. Dewijl echter ieder dier twee wijzen tot in het oneindige toe graden bevat, waarin do deugd steeds volmaakter beoefend wordt, daarom is er niemand, hoe volmaakt ook, die zich in deze niet nuttig bezig houden en overvloedige vruchten kan verzamelen.

Doch dewjjl Jesus zelf gewild heeft, dat wij in de navolging zijner deugden bovenal nederig en zachtmoedig van harte zouden zijn, daarom moeten wij ijverig onze aandacht leenen en onze zorg besteden, zoowel om elke deugd, die wij van Hem aanleeren en navolgen, op de nederigheid te grondvesten en in zachtmoedige liefde te vol-tooijen; als ook om in de wijze van navolging zijner deugden, allereerst nederig en zachtmoedig van harte te zijn.

2. Nergens zullen wij beter, veiliger en -gemakkelijker deugden aanleeren dan in het Hart van Jesus. Want, dewijl dat hart het voorbeeld is van alle ware deugden, zullen wij bij de enkel aandachtige beschouwing daarvan inzien , wat deugd is, en welke hoedanigheid zij moet bezitten, en geen gevaar loopen in dwaling te vervall en met betrokking tot eene zaak, die voor ons van zooveel belang is. Daarin toch zullen wij tot onze wonderbare vertroosting leeren, dat de deugd eene ware genegenheid des harten is jegens een voorwerp, dat in zekeren zin goed is, en wij zullen beseffen, dat dit .goede voorwerp, dat wij somtijds

-ocr page 185-

149

figuurlijk gesproken, deugd noemen, inderdaad niet de deugd zelve is, maar slechts het voor-■werp der deugd. In da- hart zullen wij evenzeer leeren, dat de deugd, om te zijn, wat zij in eiken Christen zijn moet, niet natuurlijk maar bovennatuurlijk moet wezen, zoo zullen wij het onderscheid tusschen deze beide deugden duidelijk inzien. De genegenheden toch van Jesus Hart, die Hij zelf' in inwendige of uitwendige daden aan den dag legde, sproten niet voort uit eene aansporing of beweging der mensche-hjke natuur, maar uit een hooger of goddelijk beginsel; zij werden niet verrigt overeenkomstig het gevoel der mensehelijke natuur maar overeenkomstig het welbehagen van God. niet met het doel om der mensehelijke natuur, een zeker tijdelijk genot te verschaflen, maar zij worden verrigt bovenal om God als het laatste doel.

Vandaar, als wij ook het goede liefhebben louter door aansporing of inspraken der natuur; als wij handelen louter volgens natuurlijk gevoel, volgens neiging of tegenzin, als wij enkel een natuurlijk doel zoeken te bereiken, dan zullen wij natuurlijke deugd bezitten, waardoor wij geene christelijke \olmaaktheid in dit leven, geene vruchten van verdiensten voor de eeuwigheid zullen vergaderen. Doch als wij van het Hart van Jesus do bovennatuurlijke deugd aanleeren en deze beoefenen, dan zullen wij een innerlijk leven leiden, rijk aan goede daden en verdiensten en gelijken op zijn eigen leven.

Want wat is het innerlijk leven, waarvan het leven van Jesus Harte ons een voorbeeld geeft,

-ocr page 186-

150

wat andors dan alle vrijwillige handelingen, zoowel in- als uitwendige, te beginnen met Gods genade en nit een bovennatuurlijk beginsel; ze volbrengen overeenkomstig den wil van God, ze tot God en zijne belangen als tot haar doel te rigten, ons in ons hart met God, onzen Zaligmaker bezig houden, Hem ter liefde te leven? Dit alles doet hij echter, die al zijne vrijwillige handelingen onderneemt, om God te behagen, ze overeenkomstig het goddelijk welbehagen voltooit, ze tot Gods welbehagen als tot haar doel rigt, en onoplioud olijk met God door de liefde innerlijk bozig blijft. Ziedaar het waarlijk inwendig leven, waardoor wezenlijke eu degelijke deugden worden verkregen en waardoor men veilig en op behagelijke wijze tot de ware heiligheid en tot vereeniging met God geraakt. Dit leven beantwoordt aan elke levensstaat, aan elke betrekking: het past niet den geestelijken en kloosterlingen alleen, maar inderdaad ook aan leeken en aan de menschen in de wereld van allerlei soort. Hebben niet de eerste Christenen eenparig zulk een leven geleid ? Leert het Evangelie die levenswijze niet aan allen?

Een ieder, die van goeden wil is, kan dit heiligmakend leven leiden, de bovennatuurlijke deugd beoefenen, en tot volmaaktheid geraken. Het verkrijgen toch der deugd en der volmaaktheid is niet afhankelijk van den inborst, niet van cene meegaande of lastige natuursge-steldheid, zoo als niet weinigen schijnen te ge-looven; neen maar dit hangt af van de genada Gods en van de medewerking van don mensche-

-ocr page 187-

151

lijken wil. Want dewijl God genade geeft, niet ter wille van onze natuurlijke hoedanigheden, maar allereerst onvérdiend, en daarna ook ter wille van onze bovennatuurlijke verdiensten en gebeden; en dewijl do wil van den mensch, welke zijne natuurlijke gesteldheid ook moge wezen, inderdaad vrij is om met de' genadé mede te werken of niet, is het zonneklaar, dat de deugd of de volmaaktheid niet afhankelijk is van den inborst of van dé natuurlijke gesteltenis. Derhalve niet hoe onhandelbaarder dé natuurlijke inborst, maar hoe krachtdadiger ■ dé medewerking van den wil is, naar dié mate verwerven wij ons de deugd op eene betere en volmaaktere wijze: niet naar de mindere mate van natuurlijken tegenzin, maar naar de meerdere edelmoedigheid, waarmede wij onze wilsdaden, ondanks den tegenzin der natuur, ten uitvoer brengen, naar die verhouding verkrijgen wij meer zuivere en meer degelijke deugd. Deze leering rijk aan vertroosting, die de Heiligen eenparig verkondigen, en die van Jesus Hart zeiven hebben aangeleerd, is al onze aandacht waardig.

Immers in de beoefening der deugd moet men zich voor do begoochelingen wachten, onder welke de voornaamste en bijna algemeene deze is: dat wij ons tevreden stellen met het voorwerp der deugd daar te stellen, terwijl wij de deugd zelve niet beoefenen; of dat wij gelooven, de deugd te beoefenen, als wij het voorwerp der deugd uit natuurlijke neiging, trek of doel in liet loven roepen; of ook dat wij meenen ware

-ocr page 188-

152

en degelijke deugd te kunnen \erkrijgen zonder herhaalde en edelmoedige daden, waardoor wij de prikkelingen onzer hartstogten en onzer natuur overmeesteren en versterven. In deze zinsbegoocheling, die bovenal is te vreezen, vervallen zij gewoonlijk, die volmaakte zuivering huns harten verwaarloozen. Andere begoochelingen, die zich in de beoefening der deugd somtijds kunnen voordoen, bebben bijna allen in de bovengenoemde haren oorsprong, welke zijn: van den eenen kant, het verliezen van den moed wegens natuurlijke moeijelijkheden of tegenspoeden; deze te beschouwen als beletselen en niet als middelen voor de deugd, wat zij inderdaad zijn kunnen, als zij met een edelmoedig hart worden gebruikt om wezenlijke en degelijke deugd te verkrijgen; van den anderen kant als deugd te achten; de goede hoedanigheid der natuur, of het verschoond blijven van ondeugden en bekoringen; of ook wel met verwaarloozing van ware en opregte deugd, naar de vereeniging met God te verlangen. Doch deze en andere zinsbegoochelingen znlt gij gemakkelijk ontwijken, indien gij als een waar leerling van het Hart van Jesus, een inwendig leven leidt.

3. Als gij derhalve op die hoogte van het geestelijk leven staat, die in dit boek door het Hart van Jezus wordt geleerd, dan moet gij uwe pogingen daarheen rigten, dat gij Jesus op de volmaaktste wijze leert kennen en beminnen, dat gij de gesteltenissen zijns Harten immer heter en beter aanleert en overneemt in uw donken, spreken en handelen. Om het echter zoo ver te

-ocr page 189-

153

brengen, geven wij u hier nog behalve de dubbele wijze van overweging, die vóór het eerste boek is aangegeven en die gij, als gij ze nuttig hebt bevonden, ook hier kunt toepassen :

4. Nog eene bijzondere wijze om dit tweede boek te gebruiken, die tweevoudig is: vooreerst door te overwegen, ten tweede door te beschouwen; beide wijzen stemmen volmaakt overeen met hetgeen de Heiligen ons over het gebed des geestes hebben overgeleverd.

Als gij overweegt, dan stelle u het geheugen de eene of andere deugd van Jesus Harte ter overdenking voor, en beware deze om haar na de overdenking in uwe daden toe te passen.

Het verstand moet de hoedanigheden der voorgestelde deugd beschouwen; vervolgens uw eigen hart, wat betreft de deugd, die gij beschouwt, vergeleken met het hart van Jesus; daarna het afgelegde leven nagaan, of, en in welke mate gij deze deugd in eere hebt gehouden; geschiedde dat op voldoende wijze, betuig dan uwe dankbaarheid en breng glorie aan God, uwen Zaligmaker; is het tegendeel geschied, verwek een berouw en vraag om vergiffenis: eindelijk ga eens na, wanneer en hoe gij die deugd in de toekomst kunt beoefenen.

De wil moet dezelfde deugd omhelzen, de inwendige oefeningen, die met haar strooken, verwekken, ja, wat meer is, met Jesus zeiven handelende, do gevoelens des harten vooruit besprekende: wat het betreurt, welke voornemens het maakt, wat het ducht, wat verhoopt, waarvoor het afschrik ontwaart, .wat het bemint, ja

-ocr page 190-

154

al wat in hetzelve omgaat, godvruchtig Jesus mededeelen en eindelijk vele genaden vragen.

En indien gij beschouwenderwijze te werk gaat, dan moet gij in het geheim of in do zaak, die gij u ter beschouwing hebt voorgesteld, eens zien, wat het Hart van Jesus of wel, wat Jesus in zijn Hart gevoelt met betrekking tot alles en tot elk in het bijzonder, wat zich in deze aan uwen geest voordoet; wat en hoe hoog Hij dit waardeert; wat en in welke mate Hij dit of dat veroordeelt; wat Hij ontvlugt en wat Hij gewillig aanneemt.

Vervolgens moet gij in deze naauwlettend achtgeven, welke woorden uit het hart van Jesus voortvloeijen, en welke in Jesus Harte zelfs niet opkomen, veel minder nog door hetzelve worden uitgesproken.

Let eindelijk, met betrekking tot het zelfde punt eens wel op, hoedanig de handelingen zijn, die van Jesus Harte uitgaan, met hoevele deugden zij versierd zijn.

En geef gedurende geheel die beschouwing, zoo lang zij dan overeenkomstig uwe godsvrucht of behoefte, of overeenkomstig de beweging der genade duren mag, toe en volhard in de oefeningen, namelijk in godvruchtige genegenheden en smeekingen.

Leer op deze wijze uit de beschouwing te gevoelen, te spreken en te handelen zoo als Jesus zelf.

De oefeningen, die in dezen graad van het innerlijk leven bijzonder worden aanbevolen, zijn behalve die der goddelijke deugden, de herhaalde

-ocr page 191-

155

oefeningen van die deugd, waarop gij u toelegt, van edelmoedige vei'loochening der ongeregelde natuurlijke neigingen, en van edele liefde tot Jesus. Deze moet gij volhardend blijven herhalen.

Hetzij gjj echter overweegt, hetzij gij beschou-wender wijze te werk gaat, toch moet gij zoo de geheimen van Jesus leven aandachtig nagaan, als waart gij er bjj tegenwoordig. Dit leert ons de H. Bonaventura met uitdrukkelijke woorden. „Indien gij,quot; zoo zegt hij, „vruchten hiervan wilt plukken, plaats u dan in de tegenwoordigheid van hetgeen men verhaalt, als door onzen Heer Jesus Christus gesproken en gedaan te zijn, alsof gij Hem met uwe ooren hoordet, met uwe oogen zaagt, met al de toewijding van uwen geest en met ter zijde lating van alle overige zorgen en bekommernissen.quot;

5. De Heiligen, die ondervinding hebben opgedaan op de wegen van het inwendig geestelijk leven, verhalen ons, dat de duivel, de booze geest, gewoon is om hen, die reeds een leven zonder zonden leiden en zich in de verkrijging van deugden oefenen, meer onder den schijn van het goede te bekoren. Daarom bevelen zij zoodanige personen ter onderscheiding tusschen den goeden en den kwaden geest on tusschen beider ingevingen, de volgende regelen aan:

Eerste regel. Die van het goede naar het betere streven, hen beweegt do goede geest op kalme, blijde en bezadigde wijze.

Doch de kwade geest beweegt de ziel met onrust, verwarring en op ruwe wijze.

-ocr page 192-

156

Maar die van kwaad tot erger voortgaat, bewegen de genoemde geesten op tegenovergestelde wijze. De goede geest namelijk prikkelt hen inwendig, verontrust en vermoeit hen, om hen tot bekeering te brengen.

Maar de kwade geest stelt hen gerust en versterkt hen in het kwade en tracht hen te vleijen met het doel, om hen op den kwaden weg te houden en verder voort te stooten.

Tweede regel. Het is God en den Geest van alle goed eigen, bij hunne inspraken allen, die opregt handelen of opregtelijk daar naar streven, eene ware blijdschap en geestelijke vreugde te schenken, en de droefheid en verwarring te verdrijven, die de kwade geest instort.

De kwade geest echter is het eigen zich tegen dergelijke vreugde en vertroosting te verzetten door het opwerpen van schijnredenen, spitsvondigheden en verschillende misleidingen.

Derde regel. De kwade geest ziet zeer wel toe of de ziel een teergevoelig of een ruim geweten heeft. Is haar geweten teergevoelig, dan tracht hij het nog teergevoeliger te maken tot angstvalligheid en tot uitstersten toe, waardoor hij haar des te gemakkelijker in verwarring brengt en ter nederslaat: daarom wanneer hij ziet, dat de ziel geen doodzonde noch dagehjksche zonde, ja zelf niet de geringste vrijwillige gebreken in zich toelaat, dan tracht de booze geest, onvermogend als hij is, om haar in groote zonde neer te storten, te bewerken, dat zij als zonde acht of oordeelt, wat geene zonde is.

Doch indien de ziel een te ruim geweten heeft.

-ocr page 193-

157

dan tracht de kwade geest dit nog ruimer en ongevoeliger te maken; zoo bijvoorbeeld indien zij eerst de dagelij ksche zonde niets achtte, tracht hij te bewerken, dat zij de doodzonden weinig acht, of als zij eerst slechts geringe zorg tegen de zonde aanwendde, poogt hij te bewerken, dat zij nu nog minder of volstrekt geen zorg daarvoor heeft.

Vierde regel. De ziel, die in het geestelijk leven voortgang wil maken, moet steeds voorwaarts streven op eene wijze in strijd met die, waarop de booze geest tracht voort te gaan. Indien hij derhalve de ziel bekoort tot ligtvaardigheid, moet zij zorgen teergevoeliger te worden; insgelijks, indien hij haar zoo teergevoelig poogt te maken, dat zjj in uitersten vervalt of tot angstvalligheden overslaat, dan moet zij zorg dragen zich op den juisten middelweg te bevestigen, om zich volkomen k-dm te maken en te houden.

Vijfde regel. Het is de kwade geest, die soms de gedaante van een Engel des lichts aanneemt, eigen om eerst gedachten in te storten, die eene godvruchtige ziel passen, en te eindigen met zijne bedorvene ingevingen.

Zesde regel. De ziel moet wel hare aandacht vestigen op den loop der gedachten, die haar worden ingegeven; immers als het begin, het middel en het einde daarvan goed is, dan is dit een konteeken, dat de ingestorte gedachten van den goeden Geest komen: doch als de rei der gedachten, die de geest ingeeft, uitloopen op iets, wat kwaad is, of wat aftrekt van iets, wat zeker goed is, of ook wat minder goed is dan

-ocr page 194-

158

de ziel zich eerst te doen had voorgesteld: of als zij de ziel ontevreden maken of in verwarring brengen, door haar de kalmte en den vrede, dien zij eerst genoot, te ontrooven, dan is dit een duidelijk teeken, dat die gedachten van den kwaden geest komen.

Zevende eegel. Als men den vijand zal hebben ontdekt, en erkend aan het kwade, waartoe hij aanspoort, dan is het nuttig, dat de ziel later den loop der gedachten, die haar onder schijn van goed werden ingegeven, naga en van den beginne af herzie hoe de vijand langzamerhand de inwendige kalmte en vrede getracht heeft te schokken en te verdrijven, tot op den oogenblik, dat hij met zijne slechte bedoelingen aan het licht kwam. Door die ondervinding geleerd zal de ziel later des te gemakkelijker voor de listen van den boezen geest op hare hoede zijn.

H. Ignatius. H. Bernardus. H. Gertrudis.

-ocr page 195-

TWEEDE BOEK.

Nuttige vermaningen om het heilig Hart van Jesus in zijne handelingen na te volgen.

EEESTE HOOFDSTUK.

hoe hoog wij de heiligmakende genade

moeten schatten, hoezeer wij haak moeten aankweeken,

1. Jescs. Mijn kind, wil de genade niet ver-waarloozen, maar bewaar dien schat, die u is toevertrouwd.

Zij immers, is uw schat, zij uwe glorie, zij uw geluk, zij is al, wat gij goeds bezit.

Zij is het, die u de beeldtenis van God, het leven geeft, en u Gode gelijkend maakt.

Erken derhalve uwe waardigheid, o mensch, die door de heiligmakende genade wordt verheven tot de gelijkenis met God, iets wat verhevener is dan geheel de wereld en met niets op aarde in vergelijking kan komen.

Wat is de glans der sterren? quot;VVat is de schoonheid van alle schepselen, als zij vergeleken wordt met de schoonheid der ziel door de goddelijke genade versierd, en alzoo aan God zelve gelijkend gemaakt ?

-ocr page 196-

160

Verhef u dan, en wil uwe schoonheid indach-tii', u niet met onreinheden bezoedelen.

02. Schitterend met die genade neemt God u aan als zijn kind, niet onyerschillig welk kind, maar als zijn dierbaarst en geliefd kind.

Alzoo wat ik van nature bezit, hebt gij door aanneming, opdat gij niet alleen met den naam maar ook met de daad, kind van God zoudet zjjn.

Begrijp zoo gij kunt, wat het is, een kind van God te zijn; wat het is, door zulk een Vader bemind en gekoesterd te worden.

In de wereld dragen de kinderen er roem op, en zij achten zich gelukkig, als zij ouders hebben, die wijs, goed en magtig zijn; of ook als deze rijk, beroemd en verheven zijn.

Doch wat zijn al die hoedanigheden der ouders dezer aarde, vergeleken met de eigenschappen van God?

Met hoeveel regt dus en met hoeveel meer vuur, moet gij er groot op gaan en u verblijden, dat gij God zelf, den Heer van hemel en aarde, tot Vader hebt?

Beoordeel derhalve naar billijke waarde de voortreffelijkheid dier aanneming. Aan u, die weleer een verstooteling waart, aan u zei ven vervreemd en aan ellende ten prooi, aan u is het gegeven door de heiligmakende genade, om van slaaf als gij waart, een vrije te worden, van vreemdeling tot kind te worden verheven, en zoo geadeld, met goddelijke goederen te worden overladen.

Gaat dat niet alle begrip te boven en brengt het een ieders hart niet in vervoering, dat God

-ocr page 197-

161

den mensch zijn kind noemt en als zoodanig beschouwt en dat de mensch God Vader noemt en Hem daarvoor houdt?

Zalig hij, die den prijs der heiligmakende genade kennende, waardoor hij tot kind van God is aangenomen, zijn grootsten adel zoo hoog waardeert, dat hij om geen reden zich een ontaarde toont, maar het bewijs levert een kind te zijn, zulk een Vader waardig!

3. Zijt gij kind door de genade, dan zijt gij ook door haar tot erfgenaam aangesteld; tot erfgenaam van God, en tot medeëfgenaam van mij.

Derhalve mijn kind, behoort het eeuwig rijk, dat mijn eigendom is volgens natuurlijke regten u toe op titel der heiligmakende genade.

Als gij den hemel aanziet, als gij met uwen geest, zijn glorie en zaligheid en alle eeuwige goederen beschouwt, zeg dan tot u zei ven: ziedaar al mijne goederen, ziedaar mijn erfdeel, indien ik den titel der genade in eere houd. quot; Mijne verdiensten, mijn kind, hebben het verworven, dat die genade u een zeker regt op do hemelsche goederen verleent, waarvan niemand u kan onterven, zoo gjj zelf het niet doet.

De belofte van God staat immers vast en Hij zelf zal zijn woord gestand blijven; doch indien gij de heiligmakende genade wegwerpt, dan werpt gij tevens uwe regten weg en zijt gij een onterfde.

4. Door de genade, mijn kind, waardoor gij tot erfgenaam van het rijk des hemels wordt aangesteld, wordt gij een gezel der Engelen en een broeder der Heiligen.

11

-ocr page 198-

162

Als gij er eene vreugde in stelt, den zoeten omgang te genieten met uitstekende vrienden, schoon zij ook sterfelijk en aan verandering onderworpen zijn, als gij er vreugde in stelt broeders te bezitten naar het vleesch, hoewel hun getal de grootte uwer tijdelijke erfenis verdeelt en vermindert, welke vreugde moet het dan voor u niet zijn, door die genade de gelukzalige Engelen des hemels tot vrienden en de beminde Heiligen Gods tot broeders te hebben, wier menigvuldigheid uwe hemelsche erfenis niet verdeelt noch vermindert; maar integendeel haar vermenigvuldigt en vermeerdert.

quot;Welke broeders, mijn kind! hoe yele! hoe aanzienlijk! hoe magtig! hoe goed!

Zij zijn uwe meerderjarige broeders, die beroemd door overwinningen, met de glorie der zaligheid gekroond, zeker van zich zeiven maar bezorgd voor u, opregt u liethebben, door hun voorbeeld u ter navolging roepen, door hunne gebeden helpen en door hunne belooningen uitnoodigen.

Hoe gelukkig de genade, die u van zoodanigen een broeder maakt! Mijn kind, o mogt gij dit wel begrijpen!

5. Daarenboven is de heiligmakende genade oorzaak, dat gij ook, wat het tegenwoordig leven betreft, een waar geluk geniet. Trouwens deze genade is de oorprong van den inwendigen vrede; zonder deze genade is er geen ware vrede, met haar is de vrede zeker.

Wie is er, die aan haar ooit weerstand biedt en evenwel den vrede bezit? en waar de vrede niet wijlt, welk geluk kan daar bestaan?

-ocr page 199-

163

Doch indien gij den vrede der genade geniet, zult gij u heilig en gerust verheugen in den voorspoed, en u gemakkelijk en met vrucht troosten in den tegenspoed.

Houd u in staat van genade en gij zult altijd vrede en geluk kunnen smaken. Getuigen daarvan zijn alle heiligen; ja, wat meer is, getuigen zijn allen, die na eenmaal bekeerd te zijn, met ijver de goddelijke genade bewaarden. Die bezittende en met de innerlijke gesteltenis van hun vroeger leven vergelijkende, konden zij tot mij bij ondervinding zeggen: Beter is het, o Heer, één dag te verwijlen in uwe voorzalen, dan duizend jaren in de woontenten der zonde.

6. Wat meer is, mijn kind, als gij in de heiligmakende genade leeft, dan is mijn rijk in u zoo, dat ik in uw hart als op een troon rust en heersch.

Mijn rijk namelijk is gegrondvest in de kalmte en blijdschap des heiligen Greestes, die de Geest der liefde en der heiligmaking is.

In dit rijk gebied ik niet zoozeer gelijk een heer aan zijn onderdaan, maar gelijk een vader vorm ik mjjn kind, dat ik bestem, om eenmaal met mij te heerschen.

Zoo lang gij dus in dit rijk der genade blijft verwijlen, zoo lang bestier ik u op bijzondere wijze door mijne wijsheid, bescherm ik u door mijne magt, begeleid en bemin ik u door mijne liefde.

Om geen reden, mijn kind, behoeft gij voor dit rijk, zoo bestuurd, zoo verdedigd, zoo bemind, eenige vreeze te koesteren, bijaldien gij zelfgeen verrader wordt.

-ocr page 200-

104:

Als gij getrouw zult zijn, dan zal het zonder twijfel hecht staan, en voortduren tot in eeuwigheid en alle vijanden zullen geen magt genoeg bezitten om hot neer te werpen of wankelend te maken.

Hoe zoet mijn kind, hoe troostvol is dit! hoe zeer geschikt om u te bewegen de heiligmakende genade zoo hoog mogelijk te waarderen!

7. Zie toch eens, mijn kind, hoe vele en hoe groote goederen gij in dit eene good bezit.

Overtreft dit eene goed niet alle goederen dszer wereld?

Bid, mijn kind, opdat gij steeds béter en vol-komener de waarde der genade moogt kennen en haar met de daad zoo hoog moogt schatten als gij haar vorpligt zijt te schatten.

Indien gij haar wel kendet, en naar waarde achttet, dan zoudt gij, om haar te behouden niet slechts uw fortuin, uwen naam, hoe edel en dierbaar ook, ja zelfs uwe gezondheid on uw leven, zoo het noodig ware, opofferen of gering schatten, of ten minste niet hooger achten.

Hebben mijne martelaren en alle heilige helden, waaronder men zoo vele kinderen cn tee-dere maagden telt, niet daaraan zoo voel waarde gehecht ? hebben er niet duizenden van hen, toon hun de keuze werd gelaten, niet alle goederen des levens on hot leven zelf ten offer gobragt, liever dan haar, voor elke aanbieding, welke ook, prijs te geven ?

Welnu gij, die een kind zijt van zooveel helden, wend alle pogingen, volhardende waakzaamheid, on do grootste zorg ann om die genade te

-ocr page 201-

1G5

bewaren, die alles in kostbaarheid overtreft; to meer nog wijl al de plannen uwer vijanden niets beoogen dan u daarvan te berooven en zoo doende in het verderf te storten.

Voor hot overige, mjjn dierbaarst kind, word versterkt in genade, groei daarin, streef door daden van ware deugd naar het toppunt der volmaaktheid.

Mijn kind, hebt gjj dit alles begrepen?

8. De leerlixo. Ja Heer. En ach, mogtikdit eerder begrepen hebben! indien ik dit eerder haddo ingezien zou ik dan na de goddelijke genade verloren te hebben, niet heviger en jam-merlijker geweend en geweeklaagd hebben, dan Esau over het verspillen van zijn eerst geboor-teregt ? mijn verlies was onvorgolijkelijk grooter dan het zijne en voor veel geringeron prijs werd de genade door mij veil gegeven.

O, indien ik dit begrepen had, zou ik dan dien schat voor iets ter wereld hebben weggeworpen ?

O Heer Jesus! liadde ik nooit dat grootste goed verloren; maar toch eenc zaak troost mij, dat het nog niet te laat is; ik kan nog do voor-deelen uwer genade genieten en door haar mij heiligen.

Dank zij Ü, allerzoetste Jesus, omdat Gij mij onwaardige zooveel barmhartigheid hebt bewezen. Neen in eeuwigheid zal ik zooveel goedgunstigheid uws Harten niet vergeten.

O Jesus! geef, bid ik U, dat ik in het vervolg liever eiken dood sterve, dan uwe genade prijs te geven. Ik bid en smeek U, om uw allerheiligst Hart verhoor deze bede.

-ocr page 202-

1C6

Zoeke goud of zilver, eore en verheffing, we-reldsche vreugden en troost wie wil; ik, o Heer, door U onderwezen, ik verlang boven al dit eene, uwe genade te bewaren en daarin toe te nemen allo dagen mijns levens.

TWEEDE HOOFDSTUK.

wat den zoon van god bewoog mensc1i te worden.

1. Jesus. Mijn kind, een is er, die goed is, het is God; Hij is de hoogste goedheid zelf, de hoogste wijsheid, de hoogste niagt, eindelijk do hoogste volmaaktheid.

Wat kan er dus beter of volmaakter zijn, dan Hem te gehoorzamen en na te volgen?

Doch, dewijl God niet onder hot bereik der zinnen viel en de nienschen evenwel zoo zinnelijk waren, heeft het hem behaagd, dat ik, een goddelijk Persoon, mensch zoude worden en hun de uiterlijke gedaante zoude toonen, die de zinnen tot zich trekt, opdat zij des te gemakkelijker en des te gereeder God zouden kunnen navolgen.

De eerste menschen zijn, naar verheffing strevend, gevallen, omdat zij trotseh begeerden en beproefden Gode geljjkend te worden zoo, dat zij als God goed en kwaad zouden kennen; het goede, wat zij kenden, hebben zij verloren, en het kwade, dat hun onbekend was, hebben zij leeren kennen.

-ocr page 203-

167

Doch ik wilde mij zeiven aan de mensehen zoo vertoonen, dat zij zonder vermetel te zijn en zonder gevaar veilig naar Gods gelijkvormigheid konden streven, om daardoor aan het kwade ontrukt en weder meester te worden van het goede.

3. Doch voor alles moesten de menschen verlost en door de voldoening hunner schuld vrijgekocht worden.

Zij lagen echter diep in schulden verzonken. Immers, zoo vele heleedigingen hadden zij der goddelijke Majesteit aangedaan, dat geen enkel schepsel ter wereld, maar slechts God alleen, mensch geworden, aan de goddelijke regtvaardigheid eene volkomene voldoening geven en de eer zijner goddelijke Majesteit waarlijk herstellen konde.

Daar lagen zij gekromd, als ellendige slaven der hel, en verloren zonder redmiddel, deden zij hunne zuchten vernemen. Doch ik vol medelijden voor die menigte van ongelukkigen, ik kwam onder hen met een Hart, dat overstroomde van ontferming om hen te verlossen en hen wederom in heilige en zoete vrijheid over te plaatsen.

3. De hemel was wegens de zonde gesloten, en niemand was er onder de schepselen, noch in den hemel noch op aarde, die hem konde ontsluiten, en indien ik niet neergedaald en verschenen ware, dan zou niemand der stervelingen ooit weder ten hemel zijn opgeklommen.

Zie, vóór mijne komst was God wel is waar bekend in Judea, waar een klein getal hem diende, doch dit geschiedde slechts door de genade, die

-ocr page 204-

168

in het vooruitzigt van mijne komst, den men-schen was gegeven. Doch hoe klein was het getal onder de heidenen van degenen, die met die genade medewerkten, God vreesden, geregt handelden en Hem welbehagelijk waren!

In hoevele duisternissen doolden de meesten hunner zorgeloos voort! in welk een diepen en breeden afgrond van boosheden stortten zij zich neder! 1

Zelfs nu nog, nadat hèt werk der Verlossing is voltooid, hoevele menschen blijven bij zooveel middelen ten heil nog onwillig 5 onbewust van hunne schuld of mij vergetend, dwalen zij als blinden voort en kollen zij als boozen ten afgrond heen.

Wat zou er dus van het menschelijk geslacht zijn geworden, zoo ik, het Woord, niet ware vïeesch geworden ? Zelfs niet een van allen zoude tot God en tot de bovennatuurlijke zaligheid hebben kunnen geraken.

Doch ik heb, door het vleesch aan te nemen, het hoogste 'der goddelijke verhevenheid met het diepste der menschelijke vernederingen in mij vereenigd, zoo, dat een ieder die wil, door mij tot God en tot do hemelsche zaligheid kan geraken.

4. Ik ben gekomen om God, mijnen Vader te verheerlijken, zijn naam en zijne liefde aan de menschen te openbaren.

Eertijds was de naam Gods eene heilige maar gevreesde naam; nu echter is de naam van God, de naam eens Vaders, ook wel heilig doch beminnelijk.

Immers de Oude Wet, was de wet der vreeze,

-ocr page 205-

169

doch de nieuwe Wet is de wet der liefde. Zoo zeer toch heeft God de menschen lief gehad, dat hij hun zijn eenigen Zoon heeft geschonken.

En ik heb uitliefde jegens den Vader en jegens de menschen het -vleesch aangenomen, door den heiligen Geest, die de geest der liefde is.

Geheel het werk der Menschwording dus, is een werk van liefde; doch van onverdiende liefde, an oneindige liefde.

5. Ik kom uit den hemel en keer naar den hemel weder, aan allen den weg daarheen too-nend, opdat, waar ik ben, ook zij zijn, die langs dien weg mij volgen.

Ik ben de waarheid en ik ben verschenen schitterend in de duisternissen der wereld, opdat ik alle menschen zou verlichten, die in de wereld komen, zoo dat een ieder op zijn weg zijne schreden veilig en zeker zou kunnen rigten.

Ik ben het leven, en daarom ben ik in de wereld gekomen, opdat de dooden het leven zouden hebben en het in meerder overvloed zouden hebben: het leven der genade namelijk op den levensweg, en hot leven dor glorie in het hemelsch vaderland.

Doch zie, ook nadat de monsch tot het leven der genade herboren, uit de gevangenschap des doods bevrijd en omtrent den weg naar het vaderland door mij onderrigt was, konde hij, zwak en krachteloos als hij was, mij niet volgen.

Groot zijn uwe zwakheden, mijn kind, groot uwe moedeloosheid, maar grooter ben ik, de almagtige geneesheer, grooter het goddelijk ge-

-ocr page 206-

170

neesmiddel om aan al uwe zwakheid te gemoet te komen en al uwe ziekelijkheid te genezen.

Dit geneesmiddel is de veelvuldige genade, de prijs mijner smarten, de gave mijns Harten, die eiken mensch voorkomt, opdat hij genezing be-geere, den herstelde versterkt en hem helpt, om mij te volgen.

Komend in de wereld, had ik, sneller dan een reus, mijnen loop kunnen voleinden. Doch de menigte hunner ziekelijkheden deden mijn Hart zoo aan, dat ik tussehen de mensehen bleef verwijlen en den schijn had, als was ik met hen ziek geworden ; dat ik hen vooruitging, zoo alle oneffenheden van den weg gelijk maakte en een ieder in het bijzonder zoo hielp en bemoedigde, dat zij, als zij slechts wilden, mijne voetstappen naar het rijk des hemels gemakkelijk en met ligten tred konden volgen.

6. Ziedaar^ mijn kind, ziedaar hoe ik u heb lief gehad! want ofschoon ik dit wel is waar •voor allen deed, deed ik het toch ook voor een ieder in het bijzonder, derhalve deed ik dit alles ook voor u, als waart gij alleen op do wereld, verloren en ongelukkig, en als ware ik daarom uit den hemel gekomen om u te zoeken, om u te verlossen, om u zalig te maken.

Wijl ik dus alzoo ben neergedaald, om u op deze wijze naar mijn eeuwig rijk te voeren, volg dan ook mijne schreden.

In welke betrekking, in welken levensstaat gij ook moogt verkeeren, stel in alle omstandigheden u mijn leven voor oogen als den zekeren en veiligen weg naar den hemel.

-ocr page 207-

171

Doch wil niet gelooven, dat dit slechts op rajjn uiterlijk leven ziet, dewijl mjjn innerlijk leven het voornaamste is.

Mijn binnenste is mijn Hart, daarin is alle glorie, daarin alle beginsel van deugd opgesloten.

Mijn kind, wil niet doen gelijk de joden, die slechts op mijn uitwendige gedaante hunne aandacht vestigden, maar op de bedoelingen en gezindheden mijns harten geen acht gaven.

Dring gij echter door tot het binnenste mijns Harten, onderzoek dat, overweeg dat, en zijt daarin geheel bezig.

7. Indien gij jegens mij goed gezind zijt, indien gij mij wedermint, onderzoek dan met ijver en volbreng dan met getrouwheid, wat aan mijn hart behaagt.

Doch door het gebed moet gij zoeken, door de liefde vragen, door de liefde omhelzen, dooide liefde eindelijk uitvoeren.

Het gebed mijn kind, is de sleutel des hemels; ja, het gebed is de sleutel mijns Harten. Open het met iien sleutel en maak gebruik van al de schatten mijns Harten.

8. De leerling. Eeuwig dank zij U gebragt, o Heer mijn God, Schepper en verlosser van het menschdom, voor de onverdiende genade en overgroote liefde, waardoor gij ons ellendig misvormde menschen op wonderbare wijze hervormd hebt.

O Jesus Christus! die van eeuwigheid de onverklaarbare Zoon van God zijnde, een kind der menschen hebt willen worden, gedreven door overmaat van liefde jegens ons, wie zou U niet weder minnen? wie zou niet onafscheidelijk aan

-ocr page 208-

172

U gehecht zijn? wie zou niet leven geheel alleen voor U, aan Wien wij alles verschuldigd ziju?

O groote welwillendheid! o verwonderlijke goedigheid! den Zoon van God te zien worden het kind eener Maagd!

Ik aanbid IT, Jesus, Zoon van den levenden God, die uit Maria het vleesch hebt aangenomen ! Ik vertrouw op U, eindelooze goedheid! ik bemin u met geheel mijn hart, o lieielijke en beminnenswaardige liefde! Gij zijt mijn weg; Gij zijt mijne waarheid; Gij zijt mijn leven.

DERDE HOOFDSTUK.

DAT ONS HART NAAR HET VOORBEEL1) VAN HET ALLERHEILIGST HART VAN DEN MENSCH GEWORDEN JESUS, GODE GEHEEL TOEGEWIJD MOET ZIJN.

1. jesüs. Mijn kind, de eerste daad mijns Harten na de menschwording was eene daad van liefde, waardoor ik mij geheel toewijdde aan mijn he-melsehen Vader.

Niets was er in mij, wat ik niet uit geheel mijn Hart den Vader had toegewijd; en niets was er in den wil des Vaders, wat ik niet met geheel mijn Hart aanvaardde.

Reeds toen zeide ik in het binnenste mijns Harten bereidvaardig; Zie, mijn Vader, ik kom, om een slagtoffer van uwen wil te zijn; aan het hoofd van het boek des levens is over mij geschreven

-ocr page 209-

173

dat ik uwen wil zoude Aolbrengen; zie ik wil : ik wil, dat uw welbehagen de wet zij in het midden mijns harten geschreven.

In den eersten oogenblik mijns levens stelde mij do Vader allen arbeid en alle moeijelijkheden, alle vernederingen en smarten voor, die ik te doen en te Ijjden had tot aan mijn laatsten levenssnik.

Doch ik nam alles en elk in het bijzonder mot een bereidvaardig en geheel toegewijd hart aan, overeenkomstig hot welbehagen mijns Vaders.

En die innerlijke gesteltenis des Harten kweekte ik aan elk oogenblik mijns levens, Ik versterkte haar aanhoudend, opdat ik altoos doen mogt wat mijn Vader welbehagelijk was.

2. Ziedaar, mijn kind, het voorbeeld van ware godsvrucht, waardoor gij bij de eerste schreden op uwen weg der deugsdoefening onderwezen, op gelijke wijze geheel uw hart moet toewijden.

Er wordt in het geestelijk leven naauwelijks iets van zooveel belang gevonden, als de ware en geheele toewijding des harten. Trouwens het hart dat mij niet geheel is toegewijd, levert een bewijs, dat het de volmaakte zuiverheid niet bezit.

Indien gij met mij spaarzaam handelt, dan handel ik evenzoo met u; doch indien gij u edelmoedig jegens mij betoont, dan zal ik ook wederkeerig edelmoedig zijn jegens u, en u altijd in edelmoedigheid overtreffen.

En indien gij met een vrijgevig hart u zelven en al het uwe aan mij zoo toewijdt, dat gij in al wat er gebeurt u werkdadig aan mijn-

-ocr page 210-

174

welbehagen onderwerpt, dan zal ik zelf u onschendbaar en veilig voortleiden door alles, wat u, overkomt, en mij ook op zekere wijze verpligt achten, om u zalig te maken.

3, Deze volmaakte toewijding was altijd het begin der heiligheid bij alle uitverkorenen.

Die groothartige en edele zielen achtten de grootste offers in geheel hun leven voor niets, om al wat zij hadden, al wat zij waren aan mij volmaaktelijk op te offeren en toe te wijden.

En daarom was ik zoo vrijgevig, zoo welwillend jegens hen gezind, dat zij ook in dit sterfelijk leven door de overgroote zoetheid der vertroosting dikwerf hunuo tranen niet konden weerhouden en op aarde reeds een voorsmaak ondervonden van die zaligheid, waarmede zij later in den hemel boven mate zouden worden verzadigd.

Nu echter willen velen van hen, die zich god-vruchtigen noemen, slechts godvruchtig zijn in die zaken en omstandigheden, die in hunnen smaak vallen.

Voorwaar, deze zijn meer zich zeiven dan mij toegewijd. Daarom gaan zij voort slaven te zijn hunner eigenliefde, zij blijven ellendig en van innerlijk geluk verstoken, en zij worden niet geschikt voor de vereeniging met God.

Maar gij, mijn kind, als gij waarlijk vrij en gelukkig wilt zijn, ruk dan uw hart los van alle voorwerpen, behalve van mij en schenk al uwe genegenheden aan mij alleen.

Indien gij uw hart mij volmaaktelijk toegenegen kondet houden, dan zoudt gij, wat er

-ocr page 211-

175

ook gebeure, kalm en tevreden kunnen blijven. Immers niet uit den zamenloop van zaken, maar uit het hart, dat jegens het goddelijk welbehagen slecht gezind is, spruit alle onrust voort.

En indien gij tot innerljjko vereeniging met mij wenscht te geraken, dan moet gij zuiver van alle schepselen en mij in alle zaken toegewijd zijn.

4. Mijn kind, uwe godsvrucht zij niet als van velen, die geheel in het uiterlijke en in uitwendige dingen bestaat en daarom wel een schijn van godsvrucht, maar niet de godsvrucht zelve is.

Uwe godsvrucht zij inderdaad innerlijk, en hebbe haar beginsel in het hart, hetwelk zoo gezind moet wezen, dat gij met de goddelijke genade bereid zijt, u onvoorwaardelijk geheel aan mijne beschikkingen te onderwerpen en al het uwe op te offeren, om mijne belangen ten dienst te staan.

Doch gij moet uwe godsvrucht ook uiterlijk toonen, dewijl gij een mensch en niet een engel zijt. quot;Want daar gij een ligchaam en een ziel hebt, die beide geschenken zijn van mij, moet gij door beide mij verheerlijken en u zeiven heiligen.

Maar wat men uiterlijk aan u ziet, moet enkel en alleen het uitvloeisel zjjn van den overvloed des harten; want dan zal uwe godsvrucht degelijk en gij een waar navolger van mijn Hart zijn.

5. Deze godsvrucht, mijn kind, is het gevolg der bovennatuurlijke genade die, het verstand verlichtend, en den wil bewegend, oorzaak wordt, dat de mensch vrijwillig bereid is tot alles, .wat de dienst van God vordert.

-ocr page 212-

176

Nimmer zult gij door cenig natuurlijk middel deze godsvrucht verkrijgen, dewijl zij bovennatuurlijk is en door bovennatuurlijke kracht wordt beoefend.

Als gij dus door de goddelijke genade met wordt geholpen, zult gij niets uitrigten, ofschoon gij ook uwe toewijding aan mij hebt betuigd, of u zeiven toeschijnt godsvruchtig te zijn.

Bid derhalve, opdat gij rijkelijk genade moogt verwerven en den geest der godsvrucht moogt verkrijgen. Gij zult ze verkrijgen, indien gij goed bidt. Aan het gebed is alles beloofd.

Als de genade helpt en gij met eigen inspanning medewerkt, dan zal de godsvrucht, die aan velen door hunne eigenliefde geleid, slechts bij name bekend is, of lastig valt, u zoet en gemakkelijk worden. „ .

Hetzij gij gevoeligen troost ondervindt ot met, ga evenwel voort met kalmte en vrucht uwe zaken te verrigten, uwe pligten te vervullen, en aan uwe geestelijke oefeningen getrouw te

blijven. .

Leg u zonder angst, zonder zorgen in de armen mijner Voorzienigheid ter ruste, zoo als een kind aan den boezem zijner moeder, en gij zult gerust en tevreden zijn met alles, waardoor ik u naar het eeuwig leven wil geleiden.

6. De leerling. O, Heer Jesus, die om mij te behouden, uw eigen leven hebt opgeofferd en ten bewijze uwer liefde mij uw Hart hebt gegeven, dat mij door liefde volmaaktelijk genegen is; verleen. mij, ik smeek het U, de genade der volmaakte godsvrucht, opdat ik na mijn hart ont-

-ocr page 213-

177

daan te hebben van al, wat Gij niet zijt, geheel de uwe worde uit liefde tot U.

Steunende op de hulp uwer genade, die ik smeekend inroep, offer ik mij met geheel mijn hart aan U op, opdat ik de uwe, en aan uwen dienst, en aan uwe belangen in alles toegewijd moge zijn.

Allerzoetste Jesus, aanvaard, ik smeek het II, mij zeiven en al, wat ik ben en wat ik heb, en dat ik U gegeven en toegewijd heb ; en verleen mij den geest van heilige toewijding die met zijne zalving mijn hart vervult, de godsvrucht smakelijk maakt, de liefde jegens U voedt, het gebed verzoet en mij tot handelen waarlijk geschikt maakt.

Door dien geest bezield zal ik getrouw en blijde in uwen dienst volharden, zal ik den naaste op aangename wijze tot U trekken, zelfs de Engelen en Heiligen verblijden, eindelijk, wat liet voornaamste van alles is, uw Hart verkwikken en met vreugde overladen.

VIERDE HOOFDSTUK.

dat wij tan het allerheiligst hakt van jesus kind geworden, moeten lee3ex en zijnen geest overnemen.

1. De leerling. Komt en ziet gij schepselen allen! staat verwonderd en verbaasd. Zie, God

12

-ocr page 214-

178

heeft de hemelen neêrgelaten en Hij is nedergedaald en zie, Hij woont met ons!

O God, kind geworden! o wonder der liefde! o zaligheden der Engelen, die uit den hemel kwamen, om U te aanschouwen, neergelegd in deze kribbe!

O Jesus, zoon yan God, en van eene maagd geloren, hoe beminnelijk! hoe zoet zijt Gij mij, kind geworden, geheel liefde geworden!

Bewonderenswaardig voorzeker zijt Gij in do majesteit uwer Godheid, maar bewonderenswaardiger zijt Gij mij in de beminnelijkheid uwer vernederingen.

Beminnelijk bovenal in do eindeloosheid uwer goddelijke volmaaktheden; maar harten roovend in de vernedering uwer kinderlijke aanminne-lijkheid.

quot;Wie, o eindelooze goedheid, wie kan zich verzadigen met U hier te beschouwen, U te beminnen, zich dronken te drinken aan de zoetheid van de liefde uws Harten.

Hoe zoet zijt Gij! o mijn Jesus! hoe zoet zijt Gij, afgezien ook van hetgeen voor het oog in U innerlijk verborgen blijft! Welke dan is de Geest die in U woont? O hij is de zoetste en zoeter dan honig.

2. Jesus. Ja mijn kind, de Geest mijns Harten is het, die dit doet, die aan al deze wonderen, aan al deze zoetheden leven geeft.

Het is mijn Geest, die mij door liefde uit den schoot des Vaders in den schoot eener Maagd, en mij, den ééniggeborene des Vaders, met zoo veel aanminnelijkheid de wereld binnenleidde,

-ocr page 215-

179

altijd mijn Hart bezielt, bestiert en geleidt zoo, dat het, waarheen die geest het drijft, ook zijne schreden rigt.

In mijn Hart is de volheid van dien Geest; trouwens wien God zondt, hem meet Hij den geest niet bij mate toe.

En in mijn Hart rust die Geest, die de Geest is van wijsheid en verstand, de Geest van raad en sterkte, de Geest van wetenschap en godvruchtigheid, de Geest van vreeze des Heeren, de Geest van genade en des gebeds, de Geest der liefde.

Zoodanig is de Geest mijns Harten: een bovennatuurlijke, goddelijke Geest, die de liefde is, alle deugden omvattende liefde.

De Geest mijns Harten is de liefde, welke liefde ademt, bezadigd en toch krachtig leidt, aanprikkelt tot volmaaktheid, tot offers amzet, tot heldhaftige daden overhaalt.

3. Zaüg hij, mijn kind, die den goddelijken Geest mijns Harten bezit en zich door hem in alles laat bestieren immers een ieder, die door Gods Geest bestierd wordt, is een kind van God.

Niet de uiterlijke gedaante, niet de belijdenis, maar de Geest maakt iemand tot een waar leerling mijns Harten.

Wat zal u al het overige baten, als gij dezen Geest niet hebt bezeten? want die mijn Geest niet heeft, hij is do mijne niet.

Zonder mijnen Geest proeft gij niet, wat ik doe; begrijpt gij niet goed, wat ik leer, en zal uw hart geen smaak vinden in hetgeen ik gebied. In die mate zult gij mijne daden proeven

-ocr page 216-

180

in die mate mijne leeringen begrijpen, in die mate eindelijk smaak vinden in mijne geboden, naar de mate gij mijnen Geest zult bezitten.

Indien gij door mijnen Geest bezield zijt, zullen mijne oordeelvellingen uwe oordeelvellingen zijn, mijne gewaarwordingen uwe gewaarwordingen, zal het leven van mijn Hart, liet leven uws harten zijn.

Door dien Geest geleid, beschouwt elk waar leerling mijns Harten al wat hjj ziet, daar naar alleen beoordeelt hij alles, daardoor alleen beweegt hij zich en wordt hij bewogen.

Heb den Geest mijns Harten en doe dan, wat gij wilt; in alles zal die Geest u veilig geleiden en beschermen.

4. Die Geest van mij bezielde allo Heiligen; zijne zalving leerde, zijne kracht versterkte, zijne heiligheid vormde hen.

Zie, wat hij aan do apostelen en martelaren, aan do belijders en maagdon hooft geleerd; zie tot welke hoogte hij hen heeft versterkt; zie hoedanig hij hen gevormd heeft, zoodat sommigen hunner de wereld met den voot traden, aan zich zeiven vaarwel zeiden, tot de straf des doods als tot de zegepraal der glorie gingen; anderen mededingers der Engelen werden, wederom anderen volmaakt den algemeenen weg gevolgd zijn, allen echter mij bereidvaardig navolgden en bij alle wisselvalligheden, ten einde toe, in mijn gezelschap verbleven.

Wat hebben de heiligen door mijnen Geest aangespoord niet ondernomen? wat hebben zij niet gedaan om, zich al heiligende, mij steeds

-ocr page 217-

181

meer te beminiion en to vevlieerlijken en allo measchen voor zooveel zij konden, te bewegen mjj lief te hebbeii en to verheerlijken?

Die volmaakte leerlingen mijns Harten, vol als zij waren van mijn Heiligen Geest, vormden al hunne gedachten, regelden al hunne woorden, bestierden al hunne daden en rigtten geheel hun leven in naar den zelfden Geest.

Mijn kind, indien gij dien Geest mijns Harten wilt leeren kennen, leg u dan toe op de kennis van mijn leven en wijd daaraan uwe godvruchtige overweging, dring door tot in mijn Hart, en onderzoek en wik met eerbied zijne gewaarwordin • gen; overal zult gij hem aan zijne vruchten kennen.

In alle geheimen mijns levens en in elk geheim in het bijzonder zult gjj mijn Geest werkende zien.

Doch wat baat het den Geest te kennen als gij van van zjjno volheid niet ontvangt? bid daarom mijn kind, bid met vuur, opdat gij doordien Geest bezield moogt worden of van zijne bezieling nog hooger vermeerdering moogt vorkrijgen.

Als gij bidt gelijk dat behoort, zult gij enge-twijfeld ontvangen, immers ik heb beloofd, dat ik den goeden Geest zal geven aan hen, die er om vragen. Hoe beter en hoe meer gij bidden en overwegen zult, des te meer zult gij van dien Geest ontvangen, des te volmaakter hem kennen, des te gemakkelijker zijne leiding yolgen.

G. de leerling. O Jesus! van wiens geestes-volheid uwe leerlingen ontvangen en leven, zend, ik smeek het U, in mijn hart den geest uws Harten, opdat hij mij beziele en bestiere in en door alles.

-ocr page 218-

182

Ik vraag U niet, gelijk Elizeus aan Elias vraagde, dat gjj mij hot dubbele van uwen Geest zult geven, dewijl mijn hart niet - in staat is, om slechts dien enkelen Geest te omvatten, maar ik bid U, dat uw Geest mij geheel ver-vuile en allen geest der wereld en al mijnen geest voor eeuwig uit mij verdrijve.

Geef aan mijn hart, om in uwen Geest waarlijk te smaken, wat in de smaak uws Harten valt, te begrijpen, wat Gij leert, en zoowel met mijnen wil als met mijne pogingen met uwe handelingen in te stemmen.

Ik zal in het vervolg door uwen Geest leven, niet meer het leven slechts der natuur maar der genade, niet het leven dat enkel mensehelijk is, maar dat in zekeren zin goddelijk is, het leven van uwen Geest.

VIJFDE HOOFDSTUK.

dat wij tan het allerheiligst hart van den kind (;f.worden jesüs de nederigheid moeten leeren.

1. de leerling. Hoe zijt Gij ons een klein kind geworden, o Jesus en als kind aan ons gegeven! Zijt Gij het niet, die zijt: en is dat uw naam niet voor eeuwig?

AVie zal uwe afstamming verhalen? zie van eeuwigheid en tot eeuwigheid zijt Gij.

Wie zal uwe almagt in woorden wedergeven

-ocr page 219-

183

of uwe overige volmaaktheden bekend maken ? Door II zijn alle dingen geschapen: door U wordt alles bestuurd; Gij vervult den hemel en de aarde en toch hoe aanschouw ik u hier! o magt-werk! o wonder! God, zie de oneindige God, ligt als een klein kind in deze naauwe woning !

Hij heeft zich zeiven beroofd en is een kind geworden, een banneling tusschen de vernederingen, ongekend en tevreden.

Hoe allerzoetste Jesus, hoe zal ik U beminnen, Gij die klein geworden zijt en als kind ons zijt gegeven?

2. jesus. Mijn kind ik ben gekomen om zalig te maken, wat verloren was, want zoodanig was het bederf van het menschelijk geslacht, dat het zulke vernederingen van Gods Zoon tot zijn herstel eischte.

De mensch toch was in den afgrond der hoo-vaardigheid neergestort, uit nederigheid ben ik nedergedaald, en in den afgrond doorgedrongen, om den mensch er uit te rukken.

Zie, voor dat ik in de wereld kwam, had de hoovaardigheid den geest der volkeren zoo verduisterd en bedorven, dat zij der nederigheid niet slechts niet meer als deugd erkenden maar integendeel als eene zwakheid des gemoeds aanzagen en verafschuwden.

Want ofschoon zij God gekend hadden, wiens licht het hart des menschen bestraald heeft, hebben zij Hem evenwel niet als God verheerlijkt; maar zij verloren zich in hunne gedachten ; hun verstandeloos hart is verduisterd geworden , zij zijn bedorven en verafschuwing waardig ge-

-ocr page 220-

184

■worden in hun streven, zoodat bijna alle vleesch zijnen weg had bedorven.

Wat was er beter, wat van meer invloed, om de wereld van zoo groote en verderfelijke dwaling te bevrijden, dan het voorbeeld van den bovenal wijzen en volmaakten God, die zich vernederde tot vernietiging toe, en zoo alle men-schelijke frotschhcid beschaamde en hare redenen en voorwendsels voor eeuwig krachteloos maakte?

3. De hoovaardigheid, mijn kind, was altijd en zal immer de oorsprong zijn aller kwalen; doch de nederigheid het beginsel van alle goed.

De nederigheid, die de deugd der deugden is, ontvangt hare wording van de waarheid en haar levensvorm van do liefde.

Eerst dus moet gij u zeiven en God kennen, om aan God, wat God toebehoort, en aan u zeiven, wat het uwe is te kunnen toeschrijven.

Draag derhalve zorg mijn kind, om te begrijpen, wat gij uit u zelvcn zijt. Wat zijt gij uit u zei ven? wat anders dan oen niet, waaruit God u heeft geschapen? Voor zoo verre gij dus niets zijt behoort gij aan u zeiven, voor zoo vér gij echter het bestaan hebt, behoort gij Gode toe.

Mijn kind, indien gij iets vermeent te zijn, terwijl gij uit u zelveu niets zijt, dan bedriegt en misleidt gij u zeiven.

En wat hebt gij uit u zeiven, zoowel in de natuurlijke als in de bovennatuurlijke orde? In de ordo der natuur bezit gij wol is waar de vermogens der ziel, de zintuigen des ligchaams, de gaven des geestes en uiterlijke persoonlijke hoedanigheden. Doch deze allen, welke zij ook

-ocr page 221-

185

zijn mogen, yan wien hebt gij ze ontvangen ? en van wien zijn zij? Reken daaryan eens af, wat God gedaan en u gegeven heeft en wat blijft er dan nog over, tenzij oen niet ? Dit is wederom het uwe, doch gene zijn het eigendom van God.

Doch toen Hij u dat alles gaf, schonk Hij het u tot een goed doel, opdat gij tot zijne glorie en tot uwe zaligheid er gebruik van zoudet maken. Als gij al dio zaken en ieder in het bijzonder tot dat doel gebruikt hebt, dan hebt gij slechts gedaan, wat gij doen moest. Maar indien gij ze ooit misbruikt hebt, zie dan hebt gij behalve dat niets, daarenboven nog dc ondankbaarheid, do bedorvenheid en het misbruik van Gods weldaden tot uw eigendom.

Eu in do orde der genade, wat zijt gij dan? Mijn kind is dat niet een diepen afgrond ? Trouwens het is toch zeker, dat gij zonder de hulp dei-genade uit u zeiven niets hebt, wat u tot zaligheid verstrekt en dat gij niets voor uwe zaligheid doen kunt. Wat gij derhalve bovennatuurlijks bezit, welke deugden, welke verdiensten gij u ook hebt verworven, zij allen zijn gevolgen der genade, zonder welke gij niets voltooijen en zelfs niets beginnen kunt. Indien God dat in u beloont, dan kroont Hij zijne eigene gaven.

Het is wel waar, mijn kind, dat gij ter verkrijging dier genadegunsten hebt medegewerkt. Doch die medewerking zelve, wat brengt zij niet aan het lieht als gij haar wel beschouwt? Het staat immers vast door het geloof, dat gij eenmaal van elke genade gestrenge rekenschap zult afleggen. Want gij zijt verpligt door uwe

-ocr page 222-

186

medewerking liet zoo verre te brengen, dat elke genade hare vrucht voortbrenge.

Heeft die beschouwing zelfs de Heiligen niet met gewaarwordingen der diepste nederigheid vervuld? Wat moet zjj dan in u niet opwekken, die zoo dikwerf met de genade slecht medewerkt, ja haar zelfs verwaarloost?

Als gij de gebreken in uwe medewerking niet vermoogt te tellen wegens hut) aantal, beschouw dan hoevele en welke schulden gij, behalve uwe nietigheid en uw onvermogen in de orde der genade nog hebt wegens de verwaarloozing en het misbruik van de gaven Gods.

Mijn kind, indien gij de verpligting, om met de genade Gods mede te werken, en zijne gaven ook die der natuur, goed te gebruiken, wel inzaagt, dan zoudt gij begrijpen, gelijk de Heiligen het begrepen, dat gij, hoe meerder en hoe grooter gaven gij ontvingfc, te meer reden hebt om u des te meer en des te dieper te vernederen.

4. Doch er schuilen in u dingen, die nog van minder gehalte en slechter zijn. Zie, en beschouw eens uwe menigvuldige ellende, misdaden en zonden; en overweeg eens, wat gij daarvoor met regt verdiend hebt.

Immers indien men u hadde gegeven, wat men u regtens schuldig was, zoudt gij dan niet te regt de verachting van allen, die zich in den hemel, op aarde of in de hel bevinden, hebben ondervonden en de eeuwige verwerping lijden?

En indien gij ook niets misdreven hadt, waarom gij verdient verworpen te worden, dan is dit nog geene reden, om u te verhoovaardigen. Want,

-ocr page 223-

187

dat gij aldus voor zware zonden bewaard zijt gebleven, dit hebt gij niet aan u, maar bovenal aan de genade te danken.

Wat meer is, voor een der dagelijksche feilen, die gij tegen de oneindige Majesteit Gods hebt bedreven, hebt gij moer vernederingen verdiend, dan de wereld in staat is u te geven.

5. quot;Wat zijt gij derhalve mijn kind, in uw geheel beschouwd? wat zijt gij in verhouding tot alle mensehen? Een druppel voorwaar, vergeleken bij de wateren der aarde. Wat echter zijn alle menschen in verhouding tot alle millioenen der engelen? minder voorzeker dan deze aarde is, vergeleken bij den onmetelijken hemel. Doeh wat zijn zelfs alle engelen in vergelijking met God zeiven? Zie, zij zijn als bestonden zij niet; dewijl de afstand tusschcn beide eindeloos is. En gjj dan, mijn kind, wat zijt gij in vergelijking met den oneindigen God, gij, klein schepsel, levende in dit hoekje van het wereldruim?

Wat zijt gij dan in waarheid of wat hebt gij, waarop gij u zoudt verhoovaai-digen? neen liever wat hebt gij, waarom gij u niet zoudt vernederen ?

Geliefd kind, ik zeg dit niet om u te beschamen, maar om u, het dierbaarst kind mijns Harten, te waarschuwen, opdat gij niet, door hoovaardigheid verleid, ten val komt en vergaat.

6. God alleen komt de eer en glorie toe van elk schepsel. Hij inderdaad is alleen en in de hoogste mate waardig te ontvangen het gebied, en de kracht en den zegen en den lof en de hoogste vereering in de eeuwen der eeuwen.

-ocr page 224-

188

Welko volmaaktheden er in de schepselen ook wordeti gevonden, hoe schitterend zij mogen schijnen, het zijn niet anders dan slechts zwakke stralen van Gods volmaaktheden, die onder alle opzigten eenig en eindeloos zijn.

Bijaldien God ook geen gebod hadde gegeven dan zon evenwel zijne grenzelooze verhevenheid door elk redelijk schepsel moeten erkend en verheerlijkt worden. Ja, wat meer is, do glorie van God komt Hem zoo wezenlijk toe, dat Hij zelf daarvoor zich niet onverschillig kan toonen, dewijl Hij alleen zich zeiven waardig is.

7. Kostbaar mijn kind! is die kennis van God en van u zeiven, groote waarheden brengt zij aan het licht en zeer geschikt is zij, om u to vernederen. Evenwel is zij zelVe do nederigheid niet, dewijl do deugd niet in do kennis maar in de genegenheid bestaat.

Ook bestaat do dengd der nederigheid niet in de vernedering maar veeleer in de liefde tot do vernederingen. Immers er is geeno deugd, waaide genegenheid of de bewoging van den goeden wil ontbreekt.

Hoevelen vernederen zich zei ven of worden door anderen vernederd, en zijn evenwel geen iiedo-rigen! hoevelen vertoonen do kenteekenen der nederigheid, terwijl zij innerlijk de hoovaardig-heid verborgen houden! Opdat de nederigheid eene deugd zij, zoo als zij in mijn leerlingen zijn moet, en opdat do vernedering zoodanige deugdsdaad zij, moet zij door de liefde of door bovennatuurlijko genegenheid bezield worden.

De deugd der nederigheid mijn kind, is die

-ocr page 225-

189

bovennatuurlijke genegenheid, die u geneigd maakt en aanspoort om -voor zoo veel het geoorloofd is, te streven naar de plaats, die u toekomt, zoodat gij, wat Grodes is, tot God terug brengt; dankbaarheid, eer en glorie; en wat het uwe is, aan u toeschrijtt: niets, uwe onwaardigheid in allo opzigten.

Welke is die plaats'i o mijn kind! de plaats, die gij u verdiend hebt, hoe diep is zij! hoe verschrikkelijk is zij! maar zie eens de liefde iiiijns Harten! om u te troosten, om u te verheffen, ben ik mensch geworden, voor u heb ik mij vernederd en in u een eervolle en betere plaats aangewezen; sinds is uwe plaats aan mijne zijde.

Doch waar zult gij aan mijne zijde zijn? waar zult gij mij vinden ? In de kribbe als een klein kind, in Egypte als een banneling en onbekende, in Nazereth verborgen levend, daar waar ik openlijk werk en lijd, waar ik de laagste plaats inneem en daar den geest geef.

8. Met mij, mijn kind zult gij verre zijn van de hoo vaardigheid, die gehaat is in het oog van God en van de menschen, die de bron is van alle zonden, die alle deugd bederft, die van verdiensten berooft, straffen opstapelt, het voorbeeld van mijn Hart versmaadt en de schreden volgt van den duivel.

Gelukkig de nederigheid, gelukkig de deugd, die ons de gunst doet verwerven van God en van de menschen! want terwijl God dehoovaar-digen weerstaat, geeft hij genade aan de nede-rigen; en terwijl de hoovaardigen zeiven de trot-schen verachten, bewonderen zij de nederigen.

-ocr page 226-

190

De nederigheid is de eerste der deugden: zonder haar wordt er geen enkele deugd verkregen, zonder haar gaat de verkregene deugd verloren. Zij is de moeder der overige deugden, zij voedt ze als hare kinderen en zo voedende bewaart zij hen.

De nederigheid is eene edele deugd, die den mensch groot van ziel en edelmoedig maakt; door haar namelijk streeft hij niet slechts de moeijelijkheden te boven, maar overwint hij ook zich zeiven.

Terwijl de hoovaardigo met een bekrompen hart en door de vreeze vcor vernedering, die welligt zal volgen, bcnaauwd, met zich zelven strijd voert nu vluchtend, dan aarzelend, om de voorkomende moeijelijkhcden te overwinnen, heeft reeds de nederige met een groot en ruim hart zich zelven overwonnen, is hij de moeijclijkheid reeds te boven gestreefd, is hij reeds met vluggen tred voortgesneld.

Voorwaar zij is een sterke deugd, die de ziel voor iets groots geschikt maakt. Want de nederige, die zich zelven niet acht maar steunen wil op God, bouwt niet op eigen kracht maar bekleedt zich met de kracht Gods, waarop zij zich verlaat en waarin zij alles vermag.

Den duivelen zelfs is zij tot schrik. Die vijanden vreezen den nederige; geen der stervelingen duchten zij meer.

Zij is eindelijk eene hechte deugd, omdat zij een mensch bevestigt zoo, dat hij noch door woorden of daden van anderen wordt bewogen, noch door eigen ellende of gebreken wordt ter neer geslagen.

-ocr page 227-

191

Het is dus geen deugd van hederigbeid, maar inbeelding van nederigheid, al wat u angstvallig, bevreesd of om -welke rede ook neerslagtig maakt, dergelijke onwaardige dingen roept die edele deugd niet in het leven.

9. Mijn kind, ofschoon de nederigheid zoo billijk, zoo noodzakelijk, zoo nuttig, eindelijk zoo voortreffelijk is, moet gij evenwel weten, dat het niet aan het menschelijk gevoel behaagt, om in niets zich zeiven te zoeken, in alles alle glorie aan God alleen te schenken; niets dan zijne onwaardigheid aan zich zei ven toe te schrijven, met mij op de laagste plaats tevreden te zijn, van harte te omhelzen, al wat mijn Hart omhelst.

Voorwaar indien de natuur wordt geraadpleegd, zal zij dit alles verafschuwen en ontvlugten. Doch indien gij mijn kind een leerling mijns Harten wilt zijn, dan moet gij niet do natuur maar de stem der genade volgen; en u niet door natuurlijke neigingen lafen bestieren maar door die goddelijke liefde, waardoor gij ook met tegenzin der natuur, mijn Hart navolgt.

En indien gij dat gedaan zult hebben, dan zal u geworden, wat de Heiligen ondervonden, die, boven do natuur verheven, zich do zoete nederigheid verwierven, en de vernederingen zeiven als iets aangenaams hebben lecren kennen.

Verschaf u door overweging en gebed de krachtige hulp der genade en omhels en beoefen met haar medewerkend, de nederigheid met geest en hart, totdat gij haar in gedachten, woorden en werken met de daad bereidvaardig toepast.

Mijn kind, denk steeds aan mijn voorbeeld en

-ocr page 228-

192

wil mijne woorden niet vergeten. Zie, als klein kind geof ik u een nieuw gebod, het gebod mijns Harten: Leer van mij, dat ik zachtmoedig en nederig van Harte ben.

10. O allerzoetste Jesus! o God, kind geworden, door vernedering vernietigd! zie de stal waarin Gij verwijlt, de duisternis, waarin Gij schuilt, het stilzwijgen zelf, ja alles, wat ü omgeeft, roept mij toe, hoe nederig van Harte Gij zijt. O Leermeester der nederigheid! zie mij aan uwe voeten neergeknield, om van u de ware deugd der nederigheid te leeren.

Moge ik meer U kennen, moge ik meer mij zeiven kennen, verlicht en ontstoken door de vlammen der liefde uws Harten, opdat ik altijd en overal aan U geve, wat het uwe, aan mij geve, wat het mijne is.

Tot dusverre, ik beken het, heb ik de nederigheid nooit goed begrepen. Nu echter begrijp ik, nu zie ik in, dat ik mij door de deugd der nederigheid niet klein noch verachtelijk maak, maar mij verhef en veredel, dewijl ik door haar word gebragt tot de gelijkenis met U, die bij uitstek edel zijt.

O goedgunstige Jesus! Gij geeft mij een plaats aan uwe zijde! o Heer ik ben het niet waardig! waarom heb ik dan toch ooit naar een andere plaats gezocht, alsof ik ergens een andere, beter dan bij U, konde vinden ! heb medelijden Heer, met mijne ondankbaarheid, heb medelijden met mijne boosheid, heb medelijden met mijne dwaasheid.

Zie, voortaan wil ik altijd met U zijn. Mogen

-ocr page 229-

193

anderen, die wensehen te schitteren, naar boo-gere plaatsen streven, wat mij betreft, ik zal, zooveel ik mag, naar lagere plaatsen zoeken, verzekerd, dat ik daar met U zal zijn. Want ik begeer niet anders dan met U te wezen, met U zal ik overal tevreden zijn.

ZESDE HOOFDSTUK.

dat het allerheiligst hart van den in een stal geboren jesus ons de heilige armoede leert.

1. De leerling. Naar U, Heer Jesus, naar U verlangt mijn hart; naar U, wien mijne ziel bemint, zoek ik. Toon mij, smeek ik Ü, waar Gij woont.

Jesüs. Kom mijn kind en zie. Dit zal u een teeken zijn; gij zult mij vinden arm in eenen stal.

Vertoef daar en luister, wat mijn Hart tot u spreekt.

De vossen hebben zelfs hunne holen, de vogelen des hemels hebben hunne nesten, doch de Zoon des menschen heeft niets, waar hij zijn hoofd kan nederleggen.

En toch, mijn kind, mij behoort geheel de aarde en al wat haar vervult. Doch zie de rijkste als ik was, ben ik de armste van allen geworden.

Sedert den oogenblik, dat ik behoeftig in eenen stal ben geboren, totdat ik behoeftig aan het

13

-ocr page 230-

194

kruis den geest gaf, heb ik altijd verkeerd in volmaakte armoede, welke ik als eene moeder beminde en immer als kind vereerde.

En uit welke beweegredenen of op wiens aanraden, meent gij wel, dat mijn Hart zoo vol liefr de de armoede omhelsde, o mijn kind; het was dewijl mijn Hart, vol nederigheit en vol liefde, deze deugden met den grootsten ijver beoefent en door deze zoo vurig verlangt de harten der menschen met zich aan het aardsche en vergankelijke to ontrukken en tot het hemelsche en het eeuwige op te voeren.

2, Zalig de armen van geest, want hunner is het rijk der hemelen; zalig, dewijl zij van do grootste gevaren voor hun eeuwig heil bevrijd zijn; zalig, omdat zij een heilzame gelegenheid hebben om tallooze deugden te beoefenen, zalig eindelijk, omdat zij meer aan mijn Hart gelijkvormig zijn.

Mijn kind, niets te hebben, ja zelfs gebrek te lijden, dat maakt nog de deugd der armoede niet üit; maar mijnentwille bet hart vrij te houden van al het geschapene op de wereld, daarin bestaat de ware deugd der armoede. Want uit liefde tot mij aan al het geschapene vaarwel te zeggen, niets als zijn eigendom te bezitten, aan geen schepsel zijn hard te hechten, dat is de ware deugd der armoede.

Tot dit laatste zijn echter niet allen, maar tot het eerste zijn allen en is een ieder in het bijzonder geroepen, en wel zoo, dat het gemakkelijker is voor een kameel te dringen door het oog eener naald, dan voor eenig schepsel, zonder

-ocr page 231-

195

die armoede, binnen te gaan in het rijk der lie-melen.

^Vant indien iemand, ten minste met zijn hart, niet aan alles vaarwel zegt, dan kan hij mijn leerling niet zijn.

3. IS iets mijn kind is meer met de regtvaardig-digheid in strijd, dan de liefde voor het geld; die liefde toch voert tot slechte oordeelvellingen en misleidt het hart; en dewijl alles aan het geld gehoorzaamt, daarom heeft hij, die het bemint, door begeerlijkheid verblind, zijne ziel veil, zoo dat hij bereid is deze, welke onsterfelijk is, voor iets vergankelijks te verkoopen.

De Heiligen maakten gebruik van het aardsche doch hun hart was daaraan niet gehecht, en bij de grootste schatten waren zij armen van geest.

Er zijn cr echter niet weinigen, die zich onder den schijn van goed of regt, door don vijand van het heil der menschen laten bedriegen. Die geslepen vijand tracht de menschen te overreden, dat do rijkdommen of de overvloed van aardsche goederen, als onverschillig in zich zeiven en nuttig ten gebruike, zonder gevaar begeerd en nagejaagd kunnen worden.

Doch oen ieder, die zich op deze wijze laat bedriegen, bevindt zich weldra in de banden der duivelsche misleiding verstrikt door verwarring, duisternis en bedorvene neigingen benaauwd, on-magtig, om in zijnen staat, welke deze ook wezen moge, de volmaaktheid te bereiken, en ziet, wat zijn eeuwig heil betreft, zich eindelijk aan niet weinig gevaren blootgesteld.

4. Mijn kind, indien gij rijkommen bezit,

-ocr page 232-

196

hecht uw hart daar niet aan, wil liever do uit-deeler dan do hoer er van zijn. Maar zeg, voor zoo verre do goddelijke wil dit eischt, met een bereidvaardig hart daaraan geheel vaarwel, of gebruik zo tot mijne glorie en tot waar heil uwer ziel.

Zoo moet gij gezind zijn, dat gij u bereidvaardig wilt onderwerpen, hetzij ik wensche, dat gij aan alles vaarwel zegget, of veroorlove, dat gij van alles beroofd wordet.

En indien gij arm zijt, verblijdt u dan, mijn kind, en juich en wil door de gevolgen der armoede met tegenzin te dragen, u de vrucht van zooveel goeds niet ontrooven.

Schaam u niet, dat gij het middelmatige bezit of zelfs behoeftig zijt om mijnent wille, die om uwent willo mij niet geschaamd heb, een behoeftige te worden; neen, roem er veeleer op, omdat gij bezit, wat ik mij door zoovele en zoo grooto vernederingen verworven heb.

5. Hetzij gij arm, hetzij gij rijk zijt, houd de heilige armoede in eore en beoefen de deugd, die aan mijn Hart zoo dierbaar en voor u zoo rijk aan vruchten is.

Gsen levensstaat voorwaar is er, waarin die deugd niet kan en moet beoefend worden; overal wordt u dagelijks herhaaldelijk daartoe de gelegenheid aangeboden.

Immers die verhevene deugd strekt zich uit tot uwe woningen, tot uw huisraad, tot uwe kleeding, tot uw spijs en drank, in een woord tot geheel uwe levenswijze.

quot;Want in dit alles ontbreekt u of wel het een

-ocr page 233-

197

of ander, dat niet noodzakolijk is, of wel, indien gij dat hebt, dan strookt liet niet mot uwe natuurlijke neigingen; of wel, gij kimt in moor of mindere mato, in liotgeon tot gemak uwer natuur verstrekt,' u zonder gevaar iets ontzeggen.

Indien gij, mijn kind, zooals gij hot verpligt zijt, de heilige armoede van harte lief hebt, dan zal u nimmer de wijzo noch do gelegenheid ontbreken, om haar te beoefeiien.

Hoovelen zjjn er arm on die er niet slechts geen verdiensten van hebben, maar die daarenboven van hunne armoode gebruik makon tot hun grooter ongeluk en tot beleedigiug van God! Ach, mogton zij wijzer zjjn! zij zouden in plaats van bitterheid, zoetheden smaken on zich zei ven heiligen.

G. De naam dor armen des geestes, die de armoede, hetzij uit noodzakelijkheid, hetzij uit vrijen wil ontstaa.n, liefhebben en beoefenen, is bjj mij in hooge eere. Mot hen is mijn omgang en verkeer, want hunne harten zijn als eon goede aarde, die het zaad mijner woorden opneemt en honderdvoudige vrucht voortbrengt.

Wie is er gelukiger dan de bezitter der heilige armoede, die bezit, wat hij in do wereld verlangt? Wie is rijker dan hij, wicn hot rijk der hemelon toebehoort?

Wil derhalve, mijn kind, uwe heiligmaking niet venvaarloozen door u schatten op te hoo-pon voor deze wereld, maar arbeid voor alles, om u to heiligen en zoodoende u schatten te verzamelen voor den hemel.

-ocr page 234-

198

Waar het voorwerp uwer genegenheden zal zijn, daar zal ook uw hart wezen.

7. Het is waar raijn kind, de rijkdommen van harte te verachten, en de armoede met liefde en met dc daad te beoefenen, is voor den mensch die aan zichzelven is overgelaten allennoeijelijkst.

Gij moet daarom vurig bidden opdat gij, wat gij uit eigen kracht niet op verdienstelijke wijze vermoogt te doen, door den bijstand der goddelijke genade moogt volbrengen.

En indien gij in U een gevoel van weerzin voor de armoede ontwaart, volhard dan in het gebed, vraag dan met meer ijver, zij het ook somtijds met tegenzin, en smeek dat de genade dit ongeregeld gevoel niet spare, maar het met tak en wortel uitroeije, opdat uw hart geheel en al bevrijd, don wil en de glorie van God alleen tot zijn doel verkieze.

Mijn kind, indien de genegenheden uws harten wel geregeld waren, dan zoudt gij door dc goddelijke genade de deugd der armoede niet slechts gemakkelijk maar ook zoet vindon.

8. De leerling. O zoete Jesus, Zoon van GodI gij bezit en regeert geheel de wereld; Gij hebt den hemel mot schitterende sterren gesierd; Gij hebt de aarde met wonderbaren luister getooid en zie. Gij zelf ligt als een klein kind in een armen stal, naauwelijks bedekt met eenige windsels!

O hoe bewonderenswaardig, o hoe heil aan-Irengend is de gesteltenis uws Harten! wie zou ba zulk een voorbeeld, dat de Engelen zelfs in nervoering brengt, de armoede niet als wensche-vijk en beminnenswaardig beschouwen!

-ocr page 235-

199

Goede Jesus, Leermeester der waarheid, en toonbeeld der heilige armoede! verlicht mijn geest, opdat ik de -waarde dier deugd begrijpe, en ruk mijn hart los, ook tegen wil en dank, van elke ongeregelde neiging voor de schepselen opdat het niet, verdeeld door verschillende begeerten en zorgen, aan U ontvreemd worde.

Verleen mij, ik smeek het U, de genade om al het tijdelijke als vergankelijk, en mij zeiven als door dat alles heentrekkend te beschouwen naar de eeuwigheid, en geef mij de genade, om van het aardsche slechts in zoo verre gebruik te maken, als het een middel is, om tot het hemelsche te geraken.

Alle dingen behooren U, o Heer! indien Gij derhalve wilt, dat ik in overvloed leve als uit-deeler uwer goederen, uw wil geschiede; wilt Gij echter, dat ik in armoede verkeere als volmaakt navolger van uw leven, nogmaals uw wil geschiede.

Evenwel voor zooverre het mijne keuze en U welgevallig is, wil ik liever, o Jesus, Zoon van God, met U arm zijn dan rijk met de wereld; ik wil lieyer de eeuwige goederen der armoede bezitten, dan bloot te staan aan de voortdurende gevaren, die de rijkdommen met zich brengen. Ik breng dus mij zei ven aan U, beste Jesus, geheel ten offer als een deelgenoot uwer armoede en ik bid U smeekend, wil mij als zoodanig aannemen. Als ik maar met U mag zijn, dan ben ik tevreden; als ik U maar mag bezitten, dan ben ik rijk genoeg.

-ocr page 236-

200

ZEVENDE HOOFDSTUK.

dat het allerheiligst hart van jesus

in de eenzaamheid met de engelen verwijlende, ons de heilige zuiverheid leert.

1. Jesüs. Kom mijn kind, in de eenzaamheid der heilige grot, hier zal ik tot uw hart spreken; hier zal ik u dé geheimen mijns Harten openbaren.

quot;Werp uwe oogen in het rond, mijn kind, let eens wel, wat gij ontwaart, zie eens wie mij omgeven; en merk op welk mijn gezelschap is.

De leerling. Zie, o Heer, ik bespeur bier eene maagdelijke Moedor, een maagdelijken Voedstervader, een aantal Engelen, die juichen en jubelen in uwe tegenwoordigheid. Ik zie U, allerliefste Jesus, het Lam Gods zonder vlekken! ik bespeur eeno onschuld, vrij van alles wat de zinnen streelt; en die door hare beminnelijkheid, hemel en aarde in vervoering brengt.

Jesus. Daarin mijn kind juicht, daarin schept mijn Hart welbehagen, om zich n et de zuiverheid to voeden tusschen de leliën.

Ik bon de heiligheid zelve, geboren uit eene zuivere Maagd, verzorgd door eene maagdelijk zuivere, ben ik do teederste beminnaar der zuiverheid, met geheel mijn Hart verafschuwend, al wat die deugd schade toebrengt of weerstreeft.

2. Mijn Hart, mijn kind, is de bron der heilige zuiverheid, waaruit zij allen putten, die mijne beminden willen wezen.

Uit die goddelijke bron drinken, een ieder naar

-ocr page 237-

201

zijn vermogen, al de leerlingen mijns Harten de liefde voor de zuiverheid, welke door die liefde als door een kenteeken worden onderscheiden.

quot;Wat is voortreffelijker dan de zuiverheid, waardoor Gij aan Grod den Vader, die een geest is, een geestelijken dienst bewijst, welke hem de wel-gevalligste is; waardoor gij uw ligchaam eerend mijne ledematen eert; waardoor Gij den heiligen Geest verheerlijkt, wiens levende tempel gij zijt ? Zij is de deugd, die de meuschen in Engelen verkeert, ja boven de geesten des hemels verheft.

Voorzeker mijn kind, een ieder die kuisch is, is een engel; wat meer is, hij overtreft do engelen in verdienste, dewijl hij ondanks de natuur door deugd is, wat krachtens hunne natuur do engelen zonder moeite zijn.

Zij is de roem der Kerk, do zegepraal der genade, de bloem des levens, het sieraad van ligchaam en ziel, de uitstekendste beeldtenis des hemels.

3. Hoe schoon is een zuiver leven! onsterfelijk is zijne herinnering, dewijl het Gode bekend en de menschen welgevallig is.

Een wonderbare deugd, mijn kind, die haro kracht en schoonheid niet slechts aan de ziel, maar ook aan het ligchaam mededeelt.

quot;VVat do lelie is tusschen de bloemen, dat is onder de deugden do zuiverheid, die door haar hemelsche geur en schoonheid zelfs do bewoners van het paradijs op wonderbare wijze behaagt en verkwikt.

Zoo zeer rooft hare beminnelijkheid de harten van een ieder, dat er zelfs in de wereld niemand

-ocr page 238-

202

■wordt gevonden, die, zoo Lij zijn verstand niet heeft verloren, aan haar niet zijne bewondering schenkt.

De menscb, die zuiver van harte en kuiseh naar het ligchaam is, dringt door tot in den hemel, dringt door tot in het heiligdom der Godheid, en verkeert met God en zijne Engelen -op gemeenzame ■wijze.

Doch de vleeschelijke mensch ligt als een redeloos dier in het slijk neder, begrijpt niets van het geesteljjke, schept slechts behagen in het zinnelijke, waarvan do vruchten voor ligchaam en ziel noodlottig zijn.

Hoe beklagenswaardig is de onzuivere! hoe verachtelijk in het oog van hemel en aarde! hoe innerlijk gelijkend op den duivel, die do onreine geest wordt genoemd !

Hoe die afschuwelijke ondeugd gestraft wordt, getuigt de wereld door den zondvloed overstroomd, getuigt het Eijk van Sodoma door vuur en zwavel ton gronde toe verteerd, getuigt elke 011-kuische, overgeleverd aan zijn boozen zin, dat getuigt bovenal de hel.

Doch de zuiverheid behoedt voor de dwingelandij der hartstogten, zjj schenkt den zoetsten vrede, zij vervult geheel den mensch met he-melsche vreugde, ja versiert hem met het ken-teeken der uitverkorenen.

5. quot;Welke, mijn kind, zijn bovenal de geneugten mijns Harten ? zijn het niet de zuivere zielen ? zij doen mijn Hart door de zuiverheid hunner liefde op de zoetste wijze aan, zij zijn dikwijls met mij bezig, bezorgd als zij zijn hoe zij mij

-ocr page 239-

203

boven alle schepselen, zullen behagen ; heiligen zoowel wat het inwendige als het uitwendige betreft, verlangen zij met meerder vuur voor mij te leven.

Zij begrijpen gemakkelijker do geheimen mijns Harten, zij smaken in meerdere zoetheid de zalving mijns Geestes, zij branden meer van godsvrucht en zijn gewoon zich edelmoediger en getrouwer jegens mij te betoonen.

Aan hen deelt mijn Hart zich wederkeerig in meerder overvloed mede, hen overstelpt het met de stroomen van volmaaktere liefde en vertroosting, voor hen bewaart het uitgezoehtere genaden en gunsten.

Hen laat ik binnen in de binnnenste schuilplaatsen mijns Harten; met hen ga ik meer gemeenzaam om; hen beschouw ik meer als mijn eigendom op aarde, zoowel als in den hemel.

In welken levensstaat gij derhalve verkeert, wilt gij aan mijn Hart zoo dierbaar m 'gelijk zyn, wilt gij zijne teederheid zoo ruim mogelijk ondervinden, wilt gij zijne goddelijke zoetheid zoo rijkelijk mogelijk proeven, zijt dan kuisch naar ziel en ligchaam.

6. Mijn kind, gij draagt dien schat in een broos vat, en indien gij niet met voorzichtigheid voortgaat, zult gij hem ligtelijk verliezen. Zorg evenwel niet te vreesachtig voort te gaan, want die te groote vreeze zelve, wordt eenc gelegenheid ten val.

Voor alles moet gij uw hart bewaren, zijne neigingen bewaken, zijne gedachten beteugelen. Trouwens, indien gij uw hart veroorlooft overal

-ocr page 240-

204

rond te dwalen dan zal het niet langen tijd onbesmet blijven.

Zijt nimmer gelieej ledig, want de Icdiglieid is de woonplaats van den onreinen geest.

Wil nimmer met eenig schepsel gemeenzaam zijn, mogt hij ook een heilige wezen, mogt hij ook wonderen wrochten.

Vlugt, als de pest, de gevaarlijke gelegonheden. Hoevelen, die overigens zuiver genoeg waren, zijn hierin ellendig omgekomen!

7. Wend uwe oogen af, opdat zij de verleiding der ijdelheid niet zien; zijt zedig, zonder do zedigheid blijft de kuischheid niet in leven.

Omhein met zorg uwe ooron, opdat de vijand daardoor geen toegang tot uw hart hebbe, want waar geen omheining is, wordt roof aa» don eigendom gepleegd.

Beteugel de tong, niet slechts wat onzuivere woorden betreft, maar ook met betrekking tot alle ligtzinnigheid en alle gesprekken, waarvan de duivel gebruik maakt, om u of anderen te bekoren.

Gij moet uwe smaak bedwingen, opdat de matigheid in spijs en drank uw vleeseh belette, weerspannig te worden en den geest met kracht beziele en versterke.

Versterf met zorg het gevoel, niet slechts in datgene wat op ongeoorloofde wijze aangeraakt den dood toebrengt, maar ook in datgene, wat met zamenspanning van den Satan de hartstogten, zoo overvloeijende van zinnelijkheid, opwekt.

8. Weet evenwel mijn kind, dat gij ook na dit alles gedaan te hebben, die kostbaarste en schoonste, die nuttigste en ook noodzakelijkste

-ocr page 241-

205

deugd niet anders kunt bewaren dan door den bijstand der goddelijke genade.

Daarom moet gij dikwerf die hemelsche gave afsmeeken, en met vurige gebeden gaan vragen, door de voorspraak van mijne maagdelijke Moeder, van mijn maagdelijken Voedstervader, van uwen Engelbewaarder, eindelijk van alle hemel-1 in gen.

De vijand wetende, dat de menschen door de kuischheid in de koren der engelen worden opgenomen en daarin de plaats verdienen, die Lij, de onzuivere, heeft verloren, is woedend van afgunst en stelt alles in het werk, om de menschen, hoe dan ook, van deze deugd te berooven.

Doch mijn kind, dat uw hait niet vreeze noch zich verontruste. Als gij maar niet misdoet door de middelen te verwaarloozen, dan is mijne genade u voldoende.

9. Draag veel zorg, dat gij u niet ligtvaardig aan gevaren blootstelt, noch, na de bekoringen overwonnen te hebben, de roem der zegepraal aan u zeiven ]toesebrijft, want dit wordt dewijl het in hoovaardij zijn oorsprong heeft, ongetwijfeld met de beschamendste vernedering bestraft.

Mot de genade mijn kind zult gij zuiverder zijn naar de mate gij nederiger zijt; want de kuischheid te verwerven, moet de nederigheid verdienen. Mijn kind, verlies die woorden nimmer uit uw geheugen.

Indien gij echter in do deugd der zuiverheid volmaakt wilt wezen, dan moet gij branden door goddelijke liefde tot mij; niemand toch kan vol-

-ocr page 242-

206

maakt zuiver zijn, die niet volmaakt is in de liefde tot Jesus; die echter Jesus op volmaakte wijze bemint, hij zal volmaakt zuiver, hij zal volmaakt kuisch zijn. Bewaar dit geheim in uw geheugen, mijn kind , bewaar het in uw hart.

10. De leerltkg. o Jesus, Maagd der maagden! wiens Moeder eene maagd, wiens Voedstervader maagdelijk is, wiens onafscheidelijke gezellen de Engelen zijn, met wien ik te naderen zuiver ben, met wien ik te beminnen kuisch ben; eeuwigen dank zeg ik U, dat gij mijn hart ontrukt hebt aan alien wellust des vlcesches, en ontstoken hebt met de liefde voor do heilige kuischhdd.

Zie, allen die U beminnen, loopen U na, aangetrokken door den geur uwer allerbeminnelijkste onschuld en, zoo goed als ieder kan, volgen zij het Lam, overal waar Gij gaat.

O Jesns, beminnaar der zuivere zielen! verleen mij de genade, ik smeek het U, om uit liefde tot U, met al de leerlingen uws Harten, de engelachtige deugd zoo hoog mogelijk te schatten, zoo teeder mogeljjk lief te hebben, en in do hoogste mate te verafschuwen, alles, wat met haar strijdig is.

Heilig mijn hart en ligchaam door de liefde tot U, opdat ik U in een zuiver ligchaam diene en met een rein hart behage.

O Jesus, mijn liefde en mijn God! die mij naar uw evenbeeld hebt geschapen, laat niet toe, dat ik die beeldtenis door eenige vlek be-zoedele of ontheilige.

Wil niet dulden, dat ik voor het genoegen van een oogenblik, waarvoor ik of nu of later

-ocr page 243-

207

beschaamd en gestraft zal worden, do deugd verlieze, die voor het tegenwoordige en voor de-toekomst mijn glorie en mijn geluk uitmaakt.

En indien uwe liefde, o zoetste Jesus mij ooit ongevoelig vindt voor de beminnelijkheid en voor de belooning dev zuiverheid, dat dan de vrees, ik smeek het U, voor de eeuwige vlammen der hel, het vuur der hartstogten uitdoove.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

dat het allerheiligst hart van jesus uit de keibbe oxs de gehoorzaamheid leert.

1. Jesus. Zijt oplettend, mijn kind: want gij moet nog iets aanleeron, wat gij nooit genoeg geleerd, nooit genoeg begrepen hebt.

Neem eenmaal aan uit mijn Hart en onthoud, wat gehoorzaamheid is. Zie sinds dezen oogen-blik tot aan mijn laatste ademhaling is de gehoorzaamheid mijne spijs, mijn leven.

Beschouw, mijn kind, met aandacht en godsvrucht mijn voorbeeld, beschouw de gezindheid mijns Harten.

Zie, als zij mij in de harde kribbe nederleg-gen, lig ik tevreden neder; als zij mij op hunne armen nomen, laat ik mij tevreden dragen; waar zij mij ook plaatsen ik verblijf daar tevreden.

Alles wat zij, aan wie mijn hemelsche Vader

-ocr page 244-

208

gezag over mij heeft gegeven, willen dat ik doen zal, dat wil ook ik; ik heb geen andere begeerte, dan om het zefde te willen en het zelfde niet te willen, wat zij al of niet verlangen.

Ook klaagt mijn Hart er niet over, als zij willen dat ik zoo of zoo zal zijn; het oordeel van den gezaghebbende, die wil, is het oordeel van mij, die gehoorzaamt.

2. Zie mijn kind, ik, de alwetende en almag-tige Heer, heb mij zeiven zoo nederig aan de schepselen onderworpen, opdat gij, zwakke van verstand en wil, leercn zoudt u te onderwerpen aan hen, die bij u mijne plaats bekleeden.

Zijt hier derhalve met een onderworpen hart gehoorzaam in alles, waarin zij gezag over u hebben, hetzij zij wereldlijke of geestelijke personen zijn. Immers alle magt komt van God.

Wanneer gij derhalve, mijn kind, aan uw overste gehoorzaamt, gehoorzaant gij aan mij. Gij onderwerpt u en gehoorzaamt namelijk aan mijn gezag, dat ik zelf hun heb meegedeeld.

En indien uw overste met minder deugden of hoedanigheden begaafd mogt zijn, dan is dit nog geene reden, om minder te gehoorzamen. Hij bezit daarom niet te min mijn gezag, noch bekleedt hij daarom minder mijne plaats tegenover u.

Derhalve als hij niet iets beveelt, wat klaarblijkelijk met mijnen wil in strijd is, eerbiedig en doe dan alles, wat hij u zal zeggen, want wat zijne daden betreft, daarnaar zijt gij niet ver-pligt te handelen.

Bekommer u niet, mijn kind, hoe hij gebiedt,

-ocr page 245-

209

maar let er op, wat hij gebiedt en volbreng dat met getrouwheid, als ware u dat door mij zei-ven geboden.

Of uw overste zoo of dusdanig is; of hij om deze of om die reden handelt, wat gaat u dat aan? Wat u betreft volg mij, ga gij mijn Hart en mijnen wil na en bekommer of verontrust u niet om het overige.

4. De vervulling alleen van den wil eens anderen, is nog de deugd der gehoorzaamheid niet. Volbrengen ook de dieren dien niet ? Ja, zelfs de werktuigen door menschen handen gemaakt?

Neen er wordt geëischt, dat, als gij den wil van den overste volbrengt, gij met een onderworpen wil ook verlangt te doen, wat hij zelf door u gedaan wil hebben; opdat gij alzoo mijnen wil, door den overste u geopenbaard, met een goed gezind hart volbrengt.

Want ofschoon het gebeuren kan, dat de overste uit boos opzet of door eene booze aansporing van zijnen wil iets gebiedt, evenwel is het mijn wil, dat gij, mits het gebod geen zonde zij, van harte doen willet, wat de overste door u wenscht gedaan te hebben. Voor het overige zal ik de beweegredenen, waarom de overste gebiedt en de onderdaan gehoorzaamt, oordeelen en ik zal een ieder vergelden naar billijkheid.

Mijn kind, wil hen niet navolgen, die zich zei ven misleiden, en den overste regstreeks of zijdelings, naar hun eigen wil trachten over te halen. Want, mogen zij ook al den wil en de toestemming van den overste op deze wijze

14

-ocr page 246-

210

verkrijgen, zij doen niet mijnen wil maar hun eigen wil; zij beoefenen niet de deugd der gehoorzaamheid, maar zij gehoorzamen aan hunne eigenliefde, zij worden niet door mij bestierd, maar door zich zeiven.

5. Opdat de deugd der gehoorzaamheid volmaakt zij, is het noodzakelijk, ook uw verstand en uw oordeel aan mijn goddelijk gezag, dat door den overste vertegenwoordigd wordt, te onderwerpen, geloovendo, dat al hetgeen ik door gehoorzaamheid van u eisch, met regt geëischt wordt.

Hoe minder gij de beweegredenen voor hetgeen van u gevergd wordt inziet, hoe meer ook, volgens uw oordeel het opgelegde u ongeschikt toeschijnt, des te verhevener zal uwe gehoorzaamheid zijn en des te meerder verdiensten zult gij hebben, als gij uw verstand onderwerpt en met goeden wil het gebodene volbrengt.

Verwerp derhalve zonder onderzoek, al wat de hoovaardigheid der rede of van een weerspannig gevoel kan inbrengen, in eenvoudig geloof het er voor houdende, dat mijn goddelijke wil, u door den overste aangeduid, de veiligste en beste beweegredenen ten grondslag heeft, ofschoon gij ze zelf niet ziet.

Het gebeurt dikwerf mijn kind, dat noch de onderdaan inziet, noch zelfs de overste de ware redenen kent, waarom ik dit of dat op het gebod des oversten door den ongeschikte wil gedaan hebben. Beiden zijn dikwijls, zonder het de weten, de werktuigen om mijne geheime be-toelingen te volbrengen.

-ocr page 247-

211

Indien gij nederig van harte en brandende waart van liefde tot mij, dan zou het u niet hard noch zwaar vallen, cm uw oordeel en uwen wil mij ten believe ten offer te brengen ; maar zeer troostvol en zoet zoude het zijn, uw zwak verstand door mijne eindeloozo wijsheid te laten leidon en uw ten kwade geneigden wil naar mijnen goddelijken wil, den regel van alle goed, te schikken.

G. De gehoorzaamheid is eene groote zaak, een verhevene deugd, waardoor de mensch zich zeiven overwint en zich geheel aan mij toewijdt, zoozeer, dat hij niets van het zijne voor zich behoudt maar zich onverdeeld aan mij ten offer brengt.

Zoude ik zonder haar andere offers willen ? zou ik niet veeleer wenschen, dat men mij gehoorzame? do gehoorzaamheid toch is beter dan offerande.

Wie is er sterker dan de gehoorzame? de gehoorzame mensch zal van overwinningen spreken ; ja wat meer is, in al, wat gebeurt zal hij de zege behalen. Want hij stelt zich niets anders ten doel dan den goddelijken wil, dien hij in elk geval zal bereiken.

Wat is er, mijn kind, wat de gehoorzame niet durft ondernemen? die op bevel handelt, durft alles; en vele en groote dingen, waarin de ongehoorzame wankelt en den moed verliest, brengt hij ton uitvoer.

7. Niets is veiliger en zekerder dan de gehoorzaamheid. Do gehoorzame gaat nimmer vertoren, zoo min als hij, die zijn wil en zijn oor-

-ocr page 248-

212

deel aan het gejiag onderwerpt. Maar die niet gehoorzaamt, dié, niet voorbij zien van het gezag, zijn eigen wil en oordeel volgt, hij wordt ongelukkig, hij gaat gewoonlijk verloren.

De gehoorzame, zeker van het loon, wat zijne handelingen wacht, zal niet de minste verantwoording voor die handelingen hebben af te leggen; want de oversten, die hem besturen, zij zullen rekenschap moeten geven.

8. Zoozeer eindelijk is de gehoorzaamheid noodzakelijk, mijn kind, dat alle daden, hoe goed overigens ook, wanneer zij met haar in strijd zijn, noch mij behagen, noch u verdiensten verwerven kunnen.

Geen levensstaat, geen betrekking, geen persoon ter wereld is er, die niet moet gehoorzamen. Trouwens, zonder gehoorzaamheid zoude de orde niet worden gehandhaafd, welke God, die de orde noodzakelijk bemint, gesteld heeft.

quot;Waar gij u uit gehoorzaamheid ook bevindt, zijt er zeker van, dat gij u nergens beter kunt bevinden, en dat gij niet in staat zijt iets te doen, wat mij aangenamer en u voordeeliger is, dan hetgeen u door de gehoorzaamheid wordt bevolen.

Zalig de gehoorzamen, mijn kind! Zij wandelen met ware vrijheid, met grooten vrede, met blijvende zekerheid ten hemel; doch de onge-hoorzamen zuchten onder de blijvende dwingelandij van hun eigen wil, zij genieten geen rust des harten maar zwerven langs een nootlotti-gen weg ten ondergang.

9. Van waar, mijn kind, ontstaat gewoonlijk

-ocr page 249-

213

de moeite, om te gehoorzamen ? Is het niet, omdat gij den persoon des oversten, zjjne hoedanigheden, zijn h.mdelwjjze, of de beweegredenen zijner bevelen nagaat, on niet enkel en alleen, zoo als gij verpligt zjjt, met oen eenvoudig geloof het gezag en den wil van God beschouwt?

Zoodanig voorbeeld heb ik u niet gegeven, mijn kind, zoo was niet de gesteltenis mijns Harten. Inderdaad, ofschoon ik wijzer en beter was dan alle stervelingen, die gezag over mij voerden, heb ik mij evenwel van harte aan hen onderworpen, zonder hun persoon of hoedanigheden in aanmerking te nemen, zonder de beweegredenen te wikken, die zij voor hunne handelingen of bevelen hadden.

Ik ben zelfs aan Cesar Augustus, een heiden, die uit boozjn wil een bevel gaf, bereidvaardig en getrouw gehoorzaam geweest; als openbaarde hij den wil van God mijn Vader; en in waarheid, dat bevel opvolgend, heb ik inderdaad den wil mijns Vaders volbragt, die eischte, dat ik in het stadje Bethlehem zou worden geboren, zooals de profeten door den heiligen Geest verlicht, voorzegd hadden.

Beschouw geheel mijn leven, en gij zult het herhaaldelijk door dergelijke daden onderscheiden vinden.

Beschouw het mijn kind, en handel naar het voorbeeld, wat mijn Hart u getoond heeft. Als gij dat gedaan zult hebben, zult gij bevinden, dat de gehoorzaamheid gemakkelijk, zoet en vol troost is.

10 De leerling. O Jesus! hoe heilig en be-

-ocr page 250-

214

wonoerenswaardig is uw Hart? Welke groote cn verhevene zaken leert het! Hoe maakt hot alles gemakkelijk! Gelukkig, die dit begrijpt!

Ja gelukkig voorwaar, die door het voorbeeld uws Harten onderwezen, met een bereidvaardig hart den goddelijken wil volbrengt! Zie hij wordt door de oneindige wijsheid bestierd, door de almagt ondersteund, door de goddelijke goedheid bezorgd.

Wie anders dan de gehoorzame, heeft het genot dier voordeelen? mogsn zij dan oversten zijn en gebieden, zij allen, die de magt hebben ontvangen, om aan het hoofd te staan en huuno bevelen te geven, wat mij betreft, voor mij is het zoeter en beter onderdaan te zijn en te gehoorzamen.

• P waarlijk gelukkige, die ik ben, als ik inderdaad gehoorzaam! Dan immers bestiert mij God de Heer en zal mij niets ontbreken; opgenomen in goddelijke weiden, zal ik veilig mij bewegen; daar vloeijen de eeuwige stroomeu der levende wateren; daar regent dagelijks het manna van den hemel; daar leef ik voor U, o Jesus; daar verdien ik den hemel zeker en gemakkelijk.

Verleen mij, ik smeek het TJ, o Jesus, de nederigste en zachtmoedigste van Harte, ter wille van uwe allerheiligste gehoorzaamheid, uwe genade en uwe liefde, opdat ik volmaakt gehoorzaam zij, mijn eigen wil en oordeel verlooehene en met kinderlijk geloof uw goddelijk gezag en uwen goddelijken wil volge, die mij door mijne wettige oversten wordt aangetoond.

-ocr page 251-

215

En inderdaad, als ik, een blindgeborene, mijne eigenliefde, die door haar oordeel en neiging verblind wordt, als geleidster volg, wat wacht mij dan anders dan in eenen afgrond neder te vallen en om te komen?

Eene siddering doorloopt, o Heer, al mijne leden, wanneer ik mij in het geheugen roep, hoe velen, die met verheven menschelijke wijsheid en groote voorzigtigheid schitterden, door gebrek aan gehoorzaamheid op den weg des heils verdwaald geraakt, en verworpelingen geworden zijn.

Zie, ik vertrouw en geef mij geheel aan uwen allerwijsten 'en allerheiligsten goddelijken wil over. Verleen mij, bid ik U, uwe eenvoudigheid des verstands, uwe bereidvaardigheid van den wil; verleen mij de nederigheid en liefde uws Harten, opdat ik U gelijkvormig worde als een kind, dat zich, volmaakt tevreden, overal laat plaatsen, overal heendragen, eindelijk op allerhande wijze zich laat behandelen.

NEGENDE HOOFDSTUK.

dat het allerheiligste hakt van den besneden jesus ons de vebstervingen des harten leert.

1. De leerling. Naauwelijks zijt gij onder ons gekomen, o Gij wellust des hemels, zoete Jesus! en zie, reeds stort gij uw bloed! toon mij aan.

-ocr page 252-

216

bid ik U, wat uw Hart daarmede voor heeft; toon mij, smeek ik U, welke in deze de bedoelingen uws Harten zijn. Trouwens alles, wat uw Hart gevoelt, dat wensch ook ik te gevoelen.

jksus. Zoo moet gij gezind zijn, mijn kind, niet staande blijven bij hetgeen gij met de zinnen waarneemt, maar tot in mijn Hart zeiven doordringen.

Merk derhalve op en beschouw, hoezeer mijn Hart verstorven is. Immers ik wist, dat ik aan de wet der besnijdenis volstrekt niet was onderworpen, dat ik wegens hare vervulling onder de zondaren zou gerangschikt worden, dat de menschen mij minder achten zouden, mijn lig-chaam lijden, mijne ziel vernederd zoude worden; en evenwel heeft mijn Hart, door den goddelijken wil bewogen en door de liefde als door een levende vlam ontstoken, over dat alles gezegevierd.

Begrijp, mijn kind, de innigste gewaarwordingen mijns Harten en denk er aan ze in uover te nemen.

Alles was in mijn Hart geregeld, in geheel mijne menschelijkheid was er niets ongeregelds. En toch heb ik nooit iets gedaan uit loutere neiging der menschelijke natuur.

Terwijl ik haar beheerschte of minachtte heb ik in alles, ook in natuurlijke dingen, al mijne daden en elk in het bijzonder gesteld uit een bovennatuurlijk beginsel.

Hetzij de handeling, of het lijden aan het gevoel der menschelijke natuur behaagde of mishaagde; toch was zij nimmer de oorzaak, om

-ocr page 253-

217

een van beiden te omhelzen ot te ontvlugten. Maar altijd werd ik door den goddelijken wil bewogen, om met een bereidvaardig hart alles te doen en te lijden overeenkomstig het goddelijk welbehagen.

2. Ziedaar mijn kind, een voorbeeld, wat gij moet navolgen, indien gij een waar leerling van mijn Hart wilt zijn.

Indien gij uw hart wel beschouwt, zult gij bespeuren, dat het als het ware verdeeld is in twee deelen, die ieder wensehen te heerschen.

Een dezer, de zinnelijke neiging, is het lager gedeelte; het ander, de redelijke neiging, wordt het hooger gedeelte genoemd. Het eerste is vooral door de erfzonde bedorven; het laatste wordt nog door een hooger lichtstraal bestuurd.

Met het eerste spant de booze geest gewoonlijk zamen; het tweede gedeelte wordt gewoonlijk door den goeden geest aangedaan.

Het lager gedeelte tracht zijne heerschappij in geheel het hart uit te breiden en te handhaven door de hoovaardigheid en door de eigenliefde, die de leidslieden van alle overige ondeugden zijn.

Doch het hooger gedeelte tracht overeenkomstig zijn regt te heerschen, het wil het andere deel met hem in strijd als zijn vijand overwinnen, en aan zich onderwerpen, door de nederigheid en de liefde, die beide namelijk aan het hoofd staan van geheel het deugdenheir.

3. Die gedeelten mijn kind, zijn die tw«c vijanden in eene woning, die nimmer den ouderlingen strijd staken, wier bedoelingen met elkander in strijd zijn, en die zich verdrukken en

-ocr page 254-

218

onder het juk brengen, maar niet vernietigen of verdelgen kunnen.

Het hooger gedeelte is door den goddelijken bijstand en door den vrijen wil zoo krachtig, dat niet slechts het lager gedeelte^maar zelfs geheel de wereld met geheel de hel zamenspannend, het niet dwingen kunnen, zich over te geven.

En daarom tracht het lager gedeelte met den boozen geest vereend het te belegeren, te verontrusten, te misleiden of te kwellen op alle mogelijke wijzen. Alle kunsten beproeft het: nu het geweld, dan vleitaal; nu het kwade, dan het goede; nu doet het zich als vijand, dan w der als vriend voor.

Indien gij niet ijverig toeziet, zult gij hen dikwerf naauwelijks kunnen onderscheiden. En toch, moet men ze naauwkeurig kennen.

Van die onderscheiding immers hangt het ware bestier des harten af, daardoor wordt men voor begoocheling behoed, daardoor verkwijnen de ijdele angsten, wordt de inwendige vrede bewaard, en ook in de grootste mistroostigheden behouden.

Hoe meer een dier gedeelten verstorven en ten ondergebragt wordt, des te meer neemt het andere toe in leven en overwinningen.

4. Het eerste dus mijn kind, wat gij in uw hart te versterven hebt, is dat lager gedeelte, die ongeregelde neiging der natuur, dien men gewoonlijk ook wel den eigen geest of den geest der natuur pleegt te noemen. Dien te bestrijden, moogt gij nimmer nalaten.

En als die vijand somtijds, door uwe kracht

-ocr page 255-

219

afgeschrikt de vlugt neemt, of tot gelegener tijd zich verbergt, zoek hem dan niet allen ijver op •en hem ontdekt hebbende, overval hem dan met nieuwe woede.

Een kenteeken echter, waaraan gij hem zult onderscheiden is, dat hij altoos of te zeer naar het verhevene of te zeer naar het aardsche streeft; omdat hij, door afkeer of ongeregelde neiging gedreven, buiten de orde gaat, welke door God gewild wordt.

Yan daar dan ook, dat de hoovaardige in verhevene befichouwingen ronddwalende en op eigen vertand steunend, de onbegrijpelijke raadsbesluiten der heilige Drievuldigheid wil onderzoeken en inzien, en ofschoon hij niets begrijpt van hetgeen beneden hem is, evenwel de vrijheid, de almagt en de overige volmaaktheden van God, die wat haar wezen betreft, onbegrijpelijk zijn, met zijne kortzig-tigheid en met zijn gebrekkig verstand wil afmeten.

Hij verzet er zich tegen iets aan te nemen, wat hij niet ziet en niet bemint.

Te erkennen, dat hij gedwaald heeft, daarvoor schaamt hij zich en dat ontvlugt hij; indien men hem overtuigt dan wordt hij stijfhoofdig.

Hij is er op uit boven allen uit te munten; en hij vreest in iets ter wereld overtroffen of onderworpen te worden.

Hij waant alles te vermogen : als hij ergens in geslaagd is, dan schept hij een wonderlijk behagen in zich zeiven en gaat er groot op als hadde hij een wonderwerk verrigt: doet hij iets wat slecht uitvalt, dan mort hij, hij verontschuldigt zich, of werpt de schuld op anderen.

-ocr page 256-

220

Hij is bezorgd, niet om hetgeen wat hij is, maar wat hij schijnt; hij zoekt geacht te worden, den mond van anderen over zich te vullen; hij verlangt, dat de harten der mensehen met hem bezig zullen zijn.

quot;Wordt hij geprezen, dan heeft hij genoeg gewonnen, als niemand hem prijst, dan treedt hij zelf daarvoor op.

Zijn eigene gebreken ziet hij niet of wel hij ontveinst ze, doch in den naaste ziet hij overal gebreken.

Hij gevoelt zich gedrongen anderen verachtelijk te maken, om velerlei vermoedens op te vatten en vele dingen ten kwade uit te leggen.

Van daar dan ook, dat hij altijd naar do laagte helt en al wat hot vleesch behaagt, wat de zinnen streelt en wat de wereld liefkoost, bemint en naar zijnen smaak beschouwt.

Hij beoordeelt de zaken naar zijne neiging, niet naar de waarheid der dingen zelve.

Dewijl hij zich zelf tot dool heeft, zoekt hij in alle dingen zijn gemak of zijn genoegen; zelfs het goddelijke tracht hij soms aan zijn zin ondergeschikt te maken. Trouwens, hij maakt somtijds een begin met mij te dienen, doch hij wil zich zeiven beoordeelen.

Daarom laat hij gemakkelijk den engel der duisternissen toe, die, de gedaante van een engel des lichts aannemend, hom vele dingen ingeeft, welke oogenschijnlijk godvruchtig, schoon gedacht, teeder gevoeld zjjn: die alle hoovaardigheid vermeerderen en de eigenliefde aankweeken.

5. Mijn kind, indien die geest der natuur

-ocr page 257-

221

over het hart zegepraalt, bewerkt hij don ondergang des harten.

Derhalve moot gij dit gedeelte dos harten versterven, door het te weerstaan, door het tegen te gaan, door het onophoudelijk te onderdrukken, zoolang hot boos of ongeregeld is.

Wil niet golooven mijn kind, dat dit hard valt, het is onvergelijkelijk ligter en aangenamer het te onderwerpen on het eenmaal onderworpen te besturen, dan daardoor bestuurd of gekweld te worden.

6. En dewijl de natuurlijke rede uit zich zelve haar bovennatuurlijk doel niet kan bereiken, daarom moot gij ook het hooger gedeelte des harten door de versterving zuiveren en verheffen.

quot;Want, indien gij louter volgens de uitspraak der natuurlijke rode handelt, dan zult gij daaruit voor het eeuwig leven niet de minste verdienste trekken, noch een leerling van mijn Hart kunnen genoemd worden.

Derhalve moot gij geheel het hart versterven en aan do genade onderwerpen, opdat het in allo zaken aan het goddelijk welbehagen gehoorzaam zij.

Gij moet in gedachten, woorden, werken, en in lijden door de goddelijke genade bewogen, door bovennatuurlijke beweegredenen bestierd en tot mij als tot uw doel gorigt worden.

Sta nimmer toe, dat gij door de inspraken of door de aansporing der natuur alleen, tot eene handeling overgaat, maar volgde genade, handel volgens mijnen Geest.

-ocr page 258-

222

Gebruik de krachten der natuur niet als oorzaken of beginselen, maar als middelen ot werktuigen tot het bovennatuurlijke.

7. Deze versterving des harten, welke do grondregel voor het inwendig leven en de geest dor Heiligen uitmaakt is de zoo nuttige en noodzakelijke versterving, waardoor de wortelen der ondeugd worden uitgerukt, de gevaren der bekoringen vermeden en de oorzaken zei ven vau innerlijke onrust verwijderd worden.

Niet op een lastige wijze, niet met hartzeer, niet met angst, maar met een kalm en edelmoedig hart moet die versterving worden beoefend.

Overigens mijn kind, zijn er zoo vele en zoo groote dingen ia uw hart te versterven en zijn er ook zoo vele dingen voor u verborgen, dat gij, indien de genade u niet verlicht, ze zelt niet zien kunt, en zoo gij ze ook al ziet, door hun gezicht verslagen wordt, als de genade u niet versterkt.

Daarom moet gij aanhoudend tot het gebed uwe toevlugt nemen, opdat gij licht en kracht van boven moogt verkrijgen.

Dan zal ik, wetende, dat gij de kennis van al de onvolmaaktheden uws harten nog niet kunt dragen, het zoo wijselijk beschikken, dat gij ze langzamerhand leert kennen en overwinnen, dewijl ik steeds de genade der kracht geëvenro-digd aan de genade der verlichting zal paren.

Gij moet ijverig zorg dragen, mijn kind, uwe oogen niet te sluiten voor het licht, dat u van boven wordt toegezonden, noch verwaarloozen, om uwe medewerking te verleenen aan de kracht,

-ocr page 259-

223

welko u door God wordt geschonken. quot;Want dit zou namelijk het begin van uwen ondergang kunnen zijn.

Zijt getrouw; laat toe, dat de genade u in alles en tot alles leide en gij zult ondervinden, wat de Heiligen onderbonden hebben, en waardoor gij ongetwijfeld tot mijn verheven Hart zult geraken en God verheerlijkt en gij geheiligd zult worden; op des te volmaakter wijze naar de mate gij namelijk de gelijkenis van mijn Hart des te meer zult zijn nabij gekomen.

8. De leeklixg. O beste en zoetste Jesus! hoe groot is de goedheid uws Harten! ook aan mij onwaardige, hebt gij den weg van het innerlijk leven bekend gemaakt, waar langs alle Heiligen met U wandelen.

Zie mijn hart is bereid U langs dien heiligen weg te volgen; bestier mij in waarheid en leer mij uwen goddelijken wil te volbrengen. Te lang heb ik de inspraken der natuur gevolgd; al te dikwijls heb ik uit natuurlijke neiging of tegenzin gehandeld; al te zeer heb ik volgens de natuur geleefd.

Geef Heer, bid ik U, dat ik voortaan uit genade leve, dat ik uwen geest volge in alles, wat mij te doen of te lijden zal staan. Geef, dat mijn hart door U gemaakt, door U ten koste van het bloed uws Harten vrijgekocht, door U met zoovele nieuwe gunsten als het kloppingen telt begiftigd, eindelijk zich vrij boven al het geschapene verheffe tot IJ, voor U alleen leve, tl alleeu boven alles beminne.

-ocr page 260-

224

TIENDE HOOFDSTUK.

dat wij naak het voorbeeld van het allerheiligst hart van jesus door de wijzen aangebeden, alle menschrlijk opzigt moeten overwinnen.

1. Jesus. Zie mijn kind, de wijzen waren uit het Oosten gekomen, en de grot binnentredende vonden zij mij, het kind van Maria mijne maagdelijke Moeder.

Vestig uwe aandacht mijn kind op mijn Hart en volg zijne gesteltenis na. Immers, zooals ik mij jegens de mijnen betoonde, zoo gedraag ik mij ook jegens de vreemden; zoo min voor de herders van de laagste afkomst, als voor de wijzen uit de eerste standen schaamde ik mij over de nederigheid mijner geboorte, over de geringheid van mijnen stand, noch over de oefening van alle deugden.

Hierin gaat mijn Hart niet te rade bij het oordeel der menschen, maar volgt het welbehagen mijns vaders.

2. Gelukkig hij, die deze kracht van mijn Hart zal hebben nagevolgd, die met een onbevreesd gemoed het menschelijk opzigt zal hebben overwonnen.

Trouwens gelijk mijn hemelschen Vader mij heeft beleden, omdat ik Hem beleden heb, zoo zal ik een ieder, die mij voor de menschen belijdt, belijden yoor mijnen Vader.

Doch wee hem, die zich voor de menschen

-ocr page 261-

225

schaamt over mij, over mijne leer of over mijn voorbeeld! Over hem zal ik mij ook schamen voor mijn Vader, voor de engelen en zelfs voor de menschen, als ik met mijne majesteit ten oordeel zal komen.

3. Wat vreest gij o menseh? Strookt het niet met de rede zelve, dat men aan de deugd eerbetooning, aan de ondeugd minachting schuldig is? quot;Waarom vreest gij dan de deugd te beoefenen, als zoude men u daarom als een ver-achtenswaardige beschouwen ?

Zie behalve God, hebt gij geen andere getuigen voor uwe handelingen dan de engelen en de menschen. Doch wie hunner moet gij wel voor oogen houden?

Wat de goede engelen betreft, zij zullen, indien gij onverschrokken voor mijnen dienst uitkomt, blijmoedig uwe grootheid van ziel prijzen, en zij zullen voor u om volharding in uw moedig streven bidden. En wat de menschen betreft, zoowel de Heiligen in den hemel als de wijzen en braven op aarde, die jegens u niet anders gezind zijn, zullen het zelfde doen.

Doch de booze engelen, de dwaze en godde-looze menschen zullen u ten minste in hun binnenste, ondanks zich zeiven bewonderen, al mogen zij dan ook uiterlijk ten nadeele van u spreken, om zoo doende hun eigen lafhartigheid en traagheid des gemoeds te verbergen. En gij zoudt aan deze valsche oordeelvellingen en ij dele voorschriften uwe aandacht schenken! wilt gij tot de hunne gerekend worden en in hun lot deelen?

Gesteld eens, dat alle menschen, niet één uitge-

15

-ocr page 262-

226

zonderd, over u sproken, zult gij daardoor anders worden, dan gij zijt? Zooveel zijt gij, mijn kind, als gij voor mijn aanschijn zijt en de tong dei-schepselen kan u niet meer of minder maken.

4. Wie is er in staat aan allen te behagen? Niemand voorzeker, ik zelf vermogt het niet. quot;Wil dus het onmogelijke niet beproeven.

Tracht mij te behagen zoo veel gij kunt en let bij dit heilig streven er niet op, hoe de wereld over u oordeelt.

Als gij nog door menschelijk opzigt bestierd wordt, dan blijkt het, dat gij de nederigheid en de liefde mijns Harten nog niet hebt aangeleerd.

quot;Want een ieder, die nederig van harte is en door de goddelijke liefde wordt gedreven, is evenmin verlangend om de rncnschet) te behagen als bevreesd om hun te mishagen, dewijl hij anders mij niet bevredigen lean.

Hij ducht zoo min het oordeel als de verwerping der wereld; met een stalen voorhoofd treedt hij voort; als mijne eer het eischt, toont hij met heilige vrijmoedigheid, wat hij gevoelt.

Niets doet hij om gezien te worden, en niets laat hij na om het oog te ontvlugten; of hij door de onzinnige wereld geprezen of berispt wordt, of hij veel of weinig geteld wordt, hij bekommert er zich niet om.

Voor hem geldt de wereld zooveel, als ware zij er niet; maar als eenig doel houdt hij mij voor oogen, wien hij weet alles verschuldigd te zijn, tot wien hij gaarne alles terug brengt, door wien hij alleen hoopt en naar verdiensten kan geprezen en beloond worden.

-ocr page 263-

227

Die echter door ligt vaardigheid cn eigenliefde bestuurd wordt, hij, het is niet te verwonderen, wordt een slaaf van het menschclijk opzigt.

Niemand is meer slaaf dan hij, die door het nienschelijk opzigt behoerscht wordt, omdat hij zooveel meesters heeft als hij menschen ziet.

Intussehen zal hij niets uitrigten, wat aan mijne eer of aan zijne volmaaktheid bevorderlijk is.

5. Mijn kind, waar gij ook zijt, hetzij geplaatst in de wereld, hetzij uit de wereld verwijderd, wacht u voor het monschelijk opzigt, trouwens overal vertoont zich die ondougd, niet slechts onder de wereldlingen, maar ook onder de kloosterlingen; uit de wereld dringt zij door in het heiligdom, en is daar een gruwel in liet Heilige der heiligen.

Velen misleiden zich zei ven en onderwerpen zich onder voorwendsel van liefde of voorzigtig-heid aan het menschelijk opzigt; doch indien zij wel toezagen, dan zouden zij niet de deugd van liefde of voorzigtigheid maar den sluijer der schuchtere hoovaardigheid of eigenliefde ontwaren.

De leerling. Maar Heer, moet men dan altijd en overal de deugd verkondigen of haar openlijk belijden? Als ik dit vorpligt ben, zeg mij, hoe moet ik het dan doen? Zoo niet, welken regel moet ik dan volgen?

Jesüs. Het kan gebeuren, mijn kind, dat het volstrekt niet dienstig is, openhartig voor uwe godsvrucht uit te komen; doch nimmer en nergens is het geoorloofd uwe godsvrucht te verloochenen.

Het is namelijk een zekere en veilige regel in

-ocr page 264-

228

die Lelijdonis der deugd, u niet uwe eigene eer, maar de eer van God ten doel te stollen; en de openlijke belijdenis der deugd niet na te laten, enkel en alleen om uwe beschaming te vermijden, maar hare openlijke belijdenis na te laten, wen-neer mijne eer of mijne glorie daaronder zoude lijden.

6. In het algemeen, mijn kind, indien gij, waar ook ter wereld, overeenkomstig dien regel, terstond en openlijk voor uwe godsvrucht uitkomt, dan zal dit mij niet slechts groote eer verschaffen, maar ook voor u van zeer veel voordeel zijn. Immers daardoor zullen en goeden en kwaden en ■jjverigen en laauwen ü kennen, en die eersten zullen zich aan uwe zijde scharen en u bijstaan, doch de anderen zullen u laten begaan en u geen hinderlagen leggen.

En, indien ook de braven uwe vrije en grootmoedige wijze van handelen mogen berispen, wil u evenwel niet verontrusten of den moed verliezen, maar denk er aan dat, zoolang gij nog met krenking van uw geweten den menschen wilt behagen, gij volstrekt niet een dienaar van God, noch een leerling mijns Harten kunt zijn.

En wat zou het baten als ook niemand der stervelingen u berispte, of indien gij aan allen welgevallig waart? Zullen de stervelingen u eenmaal verdedigen, als ik ten oordeel treed, of zullen zij u bevrijden, als ik u verwerp?

quot;Wat zullen na den dood, voor mij hun regter, die lafhartige zielen gevoelen, die uit menschelijk opzigt gedurende het leven aan de oordeelvellingen der dwaze wereld boven mijn oordeel de voor-

-ocr page 265-

229

keur gaven en verraad pielden aan mijne belangen.

Helaas! hoevelen heeft 'het menselielijk op-ziclit tot verworpelingen gemaakt, die als zij het veracht hadden, eene plaats tusschen de Heiligen zouden bezitten.

7. Greloof mij, mijn kind, het is onder alle opzichten verkieselijker mijne belangen in het oog te houden, dan de oordeelvellingen der menschen: Want indien gij mij welgevallig zijt dan hebt gij genoeg; indien gij slechts aan do menschen behaagt, dan hebt gij louter ijdelheid en begoocheling der zinnen.

Schep moed mijn kind, en veracht de valsche gesprekken der menschen, die de lucht doorklieven, doch niemand aandoen, dan door wie ze opgevangen worden.

Indien gij eenmaal wel geleerd hebt, u boven alle menschelijk opzigt te verheffen, dan zult gij er naauwelijks eenigen last meer van ondervinden ; neen gij zult zelf onophoudelijk medelijden hebben met de dwaasheid der wereld en met het onverstand der menschen, die zich zoo slaafsch ten ondergang laten leiden.

Doch als gij het zoover gebragt zult hebben, dat gij door het menschelijk opzigt volstrekt niet meer gestoord wordt, dan zult gij van het grootste beletsel uwer zaligheid en volmaking bevrijd, zeer veilig op den weg der deugd voortgaan.

8. De leerling. Hoe waar, hoe heilig is het, wat gij leert goede Meester! zoete Jesus! Help mij bid ik U, het met de daad in toepassing te brengen.

-ocr page 266-

230

Teregt o Hoer, schaam ik mij over mijne vroegere lafhartigheid en angstvalligheid. Immers, herhaaldelijk heb ik mij ontzien en heb ik gevreesd te doen, wat zelfs mijn hart als goed en eerbiedwaardig aanprees; daarentegen schaamde ik mij niet, om wegens het menschelijk opzigt te doen, wat het als kwaad of onwaardig erkende.

Uit onedele vrees voor do oordeelvellingen der menschen, heb ik dikwijls verraad gepleegd aan uwe belangen, en aan uwen heiligen dienst en zoo mij zeiven groote beschaming en straf waardig, gemaakt.

Ontferm U mijner, o mijn God, en vergeef mij de misdaden, waardoor ik tegen uwen wil handelde uit menschelijk opzicht en de meening der wereld volgde ondanks de stem mijns gewetens, dat het betere wilde.

Nu, door u zelf vol barmhartigheid teruggeroepen en onderwezen, zie nu heb ik besloten U te volgen, die alleen de geleider zijt naar de eeuwige zaligheid.

Laat de wereldlingen voortgaan het goede kwaad, en het kwade goed te noemen, laat hen voortgaan in de ijdele en veranderlijke meening der misleide menschen hunne eer te stellen; laten zij voortgaan zich met vergankelijkheden te voeden; wat mij betreft, door II weet ik zeker en houd ik het er voor, dat hot onvergankelijk goed bestaat in U aan te hangen; dat dit eervol is, U te volgen; dat dit waarlijk zaligend is, U te genieten allerzoetste Jesus, bron van het leven en van alle goeds!

-ocr page 267-

231

ELFDE HOOFDSTUK.

dat wij van het allerheiligste hart van jesus, in den tempel opgeofferd, moeten leeren bij alle zaken eene goede meening te hebben.

1. Jesus. Mijn kind, toen de dagen vervuld waren, waarna zij mij den Heer zouden aanbieden, heb ik mij en al het mijne, aan God mijn henielschen Vader aangeboden en opgeofferd, met de zuivere mcening om Hem te behagen.

Hoewel ik in de Menschwording, mij zeiven en geheel mijn leven aan mijn Yader voor immer had toegewijd, heb ik evenwel nooit opgehouden Hem elke handeling mijns levens in het bijzonder op te offeren en zijn welbehagen te beoogen.

Want, dewijl de goede bedoeling op den weg van het innerlijk leven van zooveel belang is, dat zonder haai- niemand een waar leerling van mijn Hart kan zijn, daarom heeft mijn Hart niet ongehouden door zijn voorbeeld dit aan te too-nen, te leereu en in te prenten.

Beschouw mijn leven van het begin tot het einde; zocht mijn Hart ooit eigen welbehagen? Zocht het den roem der wereld ?

In geheel mijn leven, mijn kind, is er geene daad, die uit louter aandrift der menschelijke natuur, of uit gewoonte of alleen uit noodzakelijkheid geschiedde, niets eindelijk, hoe groot of gering ook, had er plaats, tenzij om het goddelijk welbehagen te vervullen en aan de goddelijke majesteit te behagen.

-ocr page 268-

232

2. Hoe gelukkig hij, die deze stemming mijns Harten heeft overgenomen! hij is altijd nuttig voor zich zeiven, hij is altijd welbehagehjk aan mij, zijn God en Zaligmaker.

Wat is mij welgevallig? De genegenheid mijn kind, meer dan de daad; de goede bedoeling mijns Harten meer dan de roltooijing van het werk. Wat beloon ik in de eeuwigheid? De vrucht der genade, waardoor gij tot handelen word aangespoord en waaraan gij uwe medewerking verleent; en niet het gevolg der natuur, waardoor gij wordt aangedreven, of waaraan gij gehoorzaamt ?

Mijne genade, mijn kind, spoort den wil aan, om alles te doen, wat door mij regtstreeks of zijdelings geboden of gewenscht wordt. Trouwens ik wil, dat dit alzoo geschiede, opdat die handelingen bovennatuurlijk goed en verdienstelijk mogen zijn; daarom geef ik, om ze te volbrengen, dadelijke genade zonder welke zij niet bovennatuurlijk goed noch vordienstvol zijn kunnen. Wanneer gij derhalve door mijn wil of welbehagen tot handelen wordt aangespoord, weet dan, dat gij door de genade als door een bovennatuurlijk beginsel wordt gedreven.

Doch, het doel van uwen wil of de meening, geeft aan de handelingen een bepaalde gedaante. Zooals de bepaalde bedoeling is, zoo zal de handeling zijn, welke daaruit voortvloeit.

Hebt gij goede bedoelingen, din zult gij voor alles en boven alles in alle zaken mijn welbehagen zoeken, en beoogen; mij, uw doel en uw hoogste goed.

-ocr page 269-

233

Het gebeurt somtijds, dat het voornaamste doel eener handeling goed is, doch dat eene nevenbedoeling, die slecht is, bij diezelfde handeling insluipt. Als dit gebeurt, dan gaat wel is waar niet geheel het goede verloren, maar toch een deel daarvan; en wordt de handelende persoon in die mate schuldig, naarmate zijn ongeregelde en booze wil aan do slechte bedoeling schuld heeft.

Zie mijn kind, ik ben de Alpha en do Omega, het begin en het einde, en derhalve moet alles aan mij ontleend en tot mij teruggebragt worden.

Indien gij derhalve schuldig wordt, door het niet tot mij terug te brengen, hoeveel strafwaardiger zult gij dau zijn, door het aan u zeiven of aan de vijandige wereld toe te schrijven.

3. De goede bedoeling, mijn kind, is een kostbare zaak, een wondervolle deugd, waardoor uwe daden, schoon ook natuurlijk en onverschillig in zich zeiven uit de genade voortspruitend, geheel bovennatuurlijk en verdienst-vol worden.

Zij is een wondervol geheim, waardoor het lood en het staal en andere metalen in zuiver goud worden veranderd.

Draag evenwel zorg, dat gij niet vervalt in eene begoocheling, die vrij algemeen is, waardoor gij meent, dat een werk of eene daad, niet uit genade, niet volgens verlangen van mijnen wil, maar enkel en alleen uit «ansporing, neiging of weerzin der natuur, of ook alleen uit eigen wil ondernomen, verdienstelijk wordt door de toevoeging van eene goede meening.

-ocr page 270-

234

Voltooi met een good doel, al wat gij tor wille van het goddelijk welbehagen hebt ondernomen.

Hoe groot en prijzenswaardig hót werk uiterlijk ook moge schijnen, wat voordeel brengt het den persoon aan, die het verrigt, als de goede meening er aan ontbreekt?

Wat echter met eene zuivere bedoeling geschiedt, hoe klein en onbeduidend het dan ook zij, wordt geheel edel, geheel voordeelig.

4. Mogten de me'ischen die kunst om wel te handelen kennen eu beoefenen! hoe gemakkelijk zouden zij zich een kroon in den hemel verdienen!

Er zijn er, die veel werken en weinig winnen; die zich in alle zaken mengen; die zeer vele en verschillende plannen maken en ten laatste hunne handen bijna ledig vinden; die als redelooze schepselen zonder doel handelen of een ongeregeld en onwaardig doel nastreven.

HoeveFen verruilen de vrucht van hunnen arbeid voor den ij delen adem van lof of bewondering, waarmede zij zoo gaarne het zieke en hongerige hart willen voeden!

Zie! hoevelen achten den rook dor ijdele glorie zoo hoog, dat zij dien koopen voor den prijs, waarvoor zij zich het rijk der eeuwige glorie hadden kunnen verwerven!

Is het getal dier dwazen niet oneindig ? Zie toe, mijn kind, dat ook gij niet een hunner wordt.

Anderen zijn er, die weinig schijnen uit te rigten en toch groote heiliging verdienen; die juist oordeelen, dat hij genoeg doet, die den wil van God volbrengt.

5. Mijn kind, indien gij u, mc-t mij in de be-

-ocr page 271-

235

oefening der godsvrucht bezig houdt, moet gij boven do oeteningen zeiven, het doel stellen, om mij to behagen of mijn verlangen to vervullen. quot;Want alzoo zult ge, hetzij gij troost of tegenspoed ondervindt, tevreden blijven, zekere vruchten vergaderen en mij verheerlijken.

En indien gij bestemd zijt, om uit pligt of uit liefde jegens den naaste iets te verrigten, dat ik dan het doel dier handelingen zij: quot;want op deze wijze zal u nimmer het loon ontbreken en zult gij den vrede niet verliezen, hetzij het den naaste tot voordeel of tot nadeel verstrekt.

Indien gij geen andere bedoeling hebt dan mijn welbehagen alleen, dan zult gij bij eiken uitslag van zaken oven tevreden en gelukkig zijn, wetende dat ik niets van u eisch en niets in u kroonen zal, zoo niet uwen goeden, werkdadigen wil, dat echter de goede uitslag van mij afhangt, die alles overeenkomstig mijne oneindige wijsheid beschik.

Wegens uwe zuivere bedoeling kunt gij in moeijelijkheden, in tegenspoeden, ja zelfs in bekoringen kalm en tevreden zijn; immers, wanneer do zuiverheid der meeningen, u boven al het zinnelijke tot mij verheft, dan zult gjj u niet behoeven te beangstigen over hetgeen gij tegen uwen zin gevoelt.

Eindelijk, mijn kind, hetzij gij werkt, hetzij gij rust, hetzij gij arbeidt of uitspanning neemt, hetzjj gij waakt of slaapt, hetzij gij eet of drinkt, hetzij gij ook iets anders doet, doet alles om mijn goddelijk welbehagen te volgen, om mij welgevallig to zijn en zie, een groote en steeds toenemende schat van verdiensten zal u geworden.

-ocr page 272-

236

6. Dagelijks moet gij des morgens eene goede meening maken, waardoor gij alles, wat gij op dien dag doen en lijden zult, tot dit laatste doel rigt, namelijk om uit liefde tot mij,mijnen wil te vervullen, op deze wijze mij zuiver te behagen. Deze goede, deze heilige meening zal al het volgende bezielen en op alles haren invloed doen gelden.

Het is inderdaad zeer dienstig, gedurende den dag, afzonderlijk voor elke handeling die meening te herhalen, ja, wat meer is, haar tijdens dc handelingen zeiven, indien het geschikt kan gebeuren, te vernieuwen.

Om echter alles met een goed doel te verrig-ten, zal het zeer dienstig zijn, vooraf na te gaan, welke gelegenheden u zullen worden geschonken om verdiensten te verwerven; welke gevaren zich zullen voordoen, om die te verliezen, welke deugden gij moet beoefenen, welke strikken derhoo-vaardij gij moet vermijden.

Men kan een en dezelfde handeling tot meer verschillende laatste doeleinden rigten, die of wel regstreeks of zijdelings het heil uwer ziel of van uwen naaste en mijne belangen op het oog hebben.

Daardoor kunt gij een onmetelijken schat van verdiensten verwerven, waarvan zij zich be-rooven, die volstrekt niet met zulk een doel handelen.

Ook kan elke handeling volbragt worden, met het doel om meerdere deugden te beoefenen; wanneer gij zooveel deugden beoefent, als gij in uwe goede meening hebt opgenomen en indien aan elke oefening van deugd in het bijzonder, een nieuw

-ocr page 273-

237

graad van oogenblikkelijke genade en van toekomstige glorie beantwoordt, dan is het duidelijk van hoeveel belang de heilige meening is.

Evenwel moet gij op uwe hoede zijn, mijn kind, dat dit niet met angst, met verlies van inwendige vrijheid of ten nadeele van uwe vrede geschiede, dan toch zou zij schade in plaats van voordeel aanbrengen.

Herinner u daarenboven, dat gij met een zelfden geest bezield moet zijn, waarmede ik bezield was en dat gij al uwe handelingen en wederwaardigheden met de mijnen moet vereenigen, indien gij, als een leerling mijns Harten, handelen wilt op eene wijze zulk een hooge roeping waardig.

7. Mijn kind, de ijdele eigenliefde is zoo fijn geslepen, dat zij zich onder alle vormen verschuilen en in alle zaken gemakkelijk mengen kan.

Vandaar zal het, indien gij niet voorzigtig zijt, gebeuren, dat gij door dien eigen geest in plaats van door mijnen geest bezield en geleid wordt. Ook is daartoe niet genoeg het licht of de voor-zigtigheid des menschen, die uit zich zelve het bovennatuurlijke niet vermag te onderscheiden, maar daartoe hebt gij hemelsch licht en goddelijke hulp noodig.

Derhalve, moet gij ijverig bidden, om licht van boven te ontvangen; vurig moet gij smee-ken om geholpen te worden door de genade, waardoor gij opregt, waardoor gij zuiver naar mij boven alles kunt streven.

8. De leerling. Ik bid en smeek u, o Heer Jesus, do bewerker van alle goed, geef licht aan

-ocr page 274-

238

mijnen geest, liefde aan mijn hart, kracht aan mijne ziel, opdat ik altijd opregt doe, wat U behaagt.

Verleen mij die -«-are opregtheid, die zalige meening, opdat ik in alles uw welbehagen ver-vuile noch ter linker, noch ter regterzijde afwijke.

Sta niet toe, dat ik in het vervolg zoo dwaas zij, om die verdiensten mijner handelingen te verliezen, ter wille van don ijdelen roem d r men-sclien; noch zoo boos, dat ik U de verschuldigde glorie ontroove.

Stort bid ik U, de zuiverheid uws Harten in mijn hart over, opdat ik bovenal U tot mijn doel kieze, TJ bovenal vinde, boven alles ruste in U mijn God, mijn begin en einde, het middenpunt mijner ziel.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

over de vrijheid des harten, die het allerheiligste hart van jesus, op zijne vlugt naar egypte, ons leekt.

1. Jesüs. Zie, mijn kind, de koning Herodus zocht mij, nog kind zijnde te dooden. Doch Joseph, door een engel gewaarschuwd, nam mij met mijne Moeder des nachts op, en begaf zich naar Egypte.

Het ontijdige van den nacht, mijn jeugdige leeftijd, de toestand mijner ouders, het verl

-ocr page 275-

239

van den geboortegrond, het verblijf in een vreemd land, het verwijlen onder ongeloovige menschen, wier zeden door de mijnen zoo verafschuwd worden, de behoefte en onaanzienlijkheid van mijn leven, de arbeid en kommer, alles in een woord, was geschikt, om mijn Hart te benaauwen.

En toch bleef mijn Hart bij dat alles zoo vrij, dat noch do tijd, noch de plaats, noch de ■menschen, noch iets van het geschapene het aan zich kondo boeijen.

2. Gij moet yooral streven mijn kind, om die vrijheid mijns Harten na te volgen.

Mijn Hart werd boven den invloed van alle zaken, door hot welbehagen van God mijnen Vader, alleen ingenomen. Zoo moet ook uw hart alleen door den goddelijken wil boven al het geschapene worden bezig gehouden.

De grootste vrijheid, waarnaar het hart des menschen kan dingen is, van niemand afhankelijk te zijn, dan van mij, zijnen God.

Deze is de ware, deze de volmaakte vrijheid, waardoor de mensch op edele wijze verheven en gesteld wordt zelfs boven zijne oversten, door wie hij als door een goddelijk spraakorgaan, zich blijde mijnen wil laat bekend maken.

Wie deze vrijheid geniet, is verheven boven alle magt der schepselen, boven de onstandvastigheid en eigenzinnigheid der menschen, boven toeval van tijd, plaats en zaken zoozeer, dat elk, indien hij zich zei ven niet overlevert, door geen schepsel tot slaaf gemaakt kan worden.

Doch niemand wordt van dit voorregt meester.

-ocr page 276-

240

die niet zijn hart ontdoet van al 'iet geschapene en het geheel aan mij toewijdt.

quot;Want zoolang gij iets op ongeregelde -vvijze wenscht of vreest, zoolang is uw hart doorbanden en beletselen gebonden.

Zoolang zal uw hart een slaaf zijn, zoolang het de neiging der natuur voor het een of ander volgt, of in iets ter wereld, het moge ook goed zijn, zich zeiven tot doel stelt.

Er zijn er, die van de zonde of van de wereld ontdaan, zich ook van zich zeiven trachten te ontdoen, om vrij voor mij te leven; en die evenwel zuchten onder mijnen dienst, als gingen zij onder een zwaar juk gebogen, omdat zij zich door begoocheling laten verstrikken, en zich inbeelden, dat ik een lastig heer of een zeer gestreng meester ben, immer toeziende of er niets te vinden is, wat straf verdient.

Voorwaar, dezen beleedigen mij zeer, zij schrikken den naaste af van mijnen dienst, zij maken zich zeiven ongelukkig.

Ben ik niet een Yader? Waar is er een vaderhart als het mijne? Wie dus, is een Vader, zoo als ik? Ik ben een oneindig wijs Vader, die alles weet, wat nuttig, wat schadelijk is voor zijne kinderen; oneindig magtig, waarom geene zigt-bare of onzigtbare vijanden mijne kinderen in iets tegen mijnen wil kunnen schaden; oneindig goed, die met een hart, brandende door die goddelijke liefde, mijne kinderen liefheb en tot hun heil alles, zoowel het kwade als het goede, wensch te keeren.

Toon u, derhalve in den goddelijken dienst een

-ocr page 277-

241

kind van zulk e3n vader te zijn; en gedraag ii niet tot uw grootste ongeluk als een knecht van een ondragelijk meester.

Bewaar slechts don goeden wil, zoowel om te vlugten, wat gij weet dat mij mishaagt, als om te doen wat gij weet, dat mij welgevallig is; en voor het overige verruim uw hart, wel te verstaan niet met een valsche vrijheid, het harde juk van de kinderen dezer wereld, maar met een ware vrijheid, het zoete voorregt van de kinderen mijns harten.

4. Dit wensch ik, dat mijne kinderen gebruik maken van do heilige vrijheid en daardoor vind ik mij grootelijks verheerlijkt.

Wend derhalve, den in geweten verpligten ij ver aan, om mij te behagen en kwel u niet om tot do zekerheid te geraken, of gij inderdaad mij welgevallig zijt; maar worp u, alle spitsvondigheid van het verstand en alle verontrusting van den wil ter zijde latend, vol vertrouwen aan mijn Hart. Voorzeker ik kan niet beleedigd worden, ik moet veeleer mijn welbehagen scheppen in die vrijheid des harten, die door oene zuivere en edelmoedige liefde wordt ingeboezemd.

Zijt onder mijn bestier, onder mijne bescherming, onder mijne goddelijke zorg vrij van al, wat ongeregeld is; vrees noch de hel, noch de wereld, ja zelfs u zeiven niet op eene ongeregelde wijze.

Want ofschoon gij uit u zei ven ook niets vermoogt, kunt gij toch alles in mij, in wion gij gelooft, op wien gij hoopt, wien gij bemint.

En indien gij somtijds een misslag begaat,

16

-ocr page 278-

242

wil u dan niet beschouwen als een verworpen dienstknecht, die sidderend geeselslagen vreest of wenscht te ontvlugten of met gebroken moed zich wenscht te verbergen; neen, gedraag u als een kind, dat zijn vader lief heeft, terstond de schuld tracht goed te maken, en met dos te grooter vrijheid tot zijn vader vlugt, naarmate hij weet, dat die vader meerdere goedheid bezit.

Zoo dikwerf gij derhalve het ongeluk hebt te misdoen, keer even dikwijls kinderlijk tot mij weder, en vraag vergeving; vernieuw het voornemen uwer getrouwheid, en laat niet toe, dat de vrede uws harten verstoord, of uwe vrijheid verminderd worde.

5. Zelfs de middelen tot uwo volmaaktheid moeten uw hart niet binden; want indien deze, u do heilige vrijheid des harten ontnemen, dan zullen zij veeleer beletselen dan middelen zijn.

Daarom, zoodra als ik u mijnen wil bekend maak, moet gij alles vrij laten rusten, boven alles alleen van mijnen wil afhankelijk zijn.

Wacht u evenwel mijn kind, dat gij onder het voorwendsel van heilige vrijheid aan onstandvastigheid des harten toegeeft, gelijk zij gewoonlijk doen, die zich niet door een beginsel maar door het gevoel laten leiden.

Aan wie weldra mishaagt, wat hun hart te voren beviel; die de geestelijke oefeningen met brandenden ijver aangrijpen, doch spoedig staken of door den last der verveling tegen gaan; die nu op deze wijze leven maar weldra moede, wederom een andere levenswijze beproeven; dig

-ocr page 279-

243

heden zich al te gestreng versterven, als waren zij louter geesten, en morgen weder do natuur vleijen, als waren zij louter zinnelijke wezens geworden.

Dat is voorwaar niet een kind der vrijheid zijn, maar wel een speelbal van omstandvastig-heid, een slaaf der zinnen.

G. Mijn kind, zijt gij met meer standvastigheid op de vrijheid uit. Als zaken u bezig houden, geef or u niet aan over, schik er u slechts naar, opdat zij misschien niet u heheerschen, terwijl gij hun heer en meester moot zijn.

Zoo dikwerf gij eeno prikkeling der natuur gevoelt, hetzij om iets te ondernomen, hetzij om iets te voltooijen, wil dan uwen ijver volmaakt beteugelen, anders zult gij weldra bespeuren, dat en uw hart geketend wordt, en do zaak zelve minder goed geschiedt.

Laat uw h art aan geeno plaats tor wereld ge • bonden zijn, bewaar liet vooral vrij, wetende, dat gij mij, uwen God, overal zult ontmoeten; dat door mijnen Geest overal kinderen gekweekt worden, eindelijk dat overal, waar mijn Geest is, ook daar de vrijheid heerscht.

Waar gij derhalve ook zijt, blijf uw eigen heer en meester, houd uw hart in alle zaken, welke ook, inwendige of uitwendige, geestelijke of tijdelijke, verhevene of geringe, vrij boven alles met den goddolijken wil vereenigd.

7. Zoo, mijn kind, moet gij de vrijheid des harten aankweeken en bewaren, dat niemand noch een mindere, noch een gelijke ja zelfs geen overste u haar kan ontnemen.

-ocr page 280-

244

Derhalve moet gij niets beoordeclen of beminnen volgens den scliijn der zaken, volgens de meening der mensehen, of volgens uw eigen zin. In alle dingen moet de grondregel van uw oordeel de waarheid der dingen zijn, die gij te weten komt door na te gaan, hoe mijn Hart daarover oordeelt: mijn wil zij de grondregel voor uwe genegenheden. Deze waarheid zal u vrij maken en gij zult waarlijk vrij zijn; deze goddelijke wil zal u bestieren en vrij houden.

Hoe roemvoller deze heilige vrijheid des harten voor mij, hoo voordeeliger zij voor u en voor den naaste is, met des te meerder zorg. moet zij in eero gehouden en met dos te meerder krachtsinspanning tegen hare vijanden verdedigd worden.

Behalve den duivel en de wereld, staat ook dikwerf de natuur op. De hoovaardigheid houdt met vele redeneringen en de eigenliefde op velerlei wijze aan, dat gij in deze of ten minste in die zaak moet toegeven.

Doch alle aanvallen en krijgslisten der vijanden zult gij verijdelen en overwinnen, indien gij onversaagd weerstand biedt aan hetgeen die vijanden u ingeven eu eenvoudig mijnen wil opvolgt.

Die alles doen wil overeenkomstig mijn goddelijk welbehagen, die daarnaar leeft, die daarin zijn geluk zoekt, geniet de ware en heilige vrijheid, welke ik wensch, dat ieder leerling mijns Harten moge bezitten en welke noch de wereld, noch de hel, noch eenig schepsel kan ontrooven.

8. De leerling. Heilige vrijheid! hoe zoet die naam! maar zoeter de zaak en allerzoetst de

-ocr page 281-

vrucht. Mogt ik goede Jesus, haar kunnen genieten !

Maar ach, ik beklagenswaardige! van hoeveel zaken ben ik nog de slaaf! ik beken het U met schaamte, mijn hart wordt herhaaldelijk door verschillende zaken, ook door do geringste, ja zelfs door denkbeeldige dingen gevangen genomen en gevangen gehouden.

Geef mij, bid ik U, het licht om alle banden te erkennen en de kracht om ze te verbreken, opdat ik eindelijk waarlijk en op heilige wijze vrij worde.

Verleen barmhartiglijk, beste Jesus, dat ik, om die heilige vrijheid des harten te bewaren, standvastig en met onverschrokken gemoed stand houde in de bekoring der hel, on verwonnen en onbeweeglijk blijve door het goede en het kwade, door de woorden en daden der wereld, dat ik boven alles, wat mij overkomt, in uw allerheiligst en liefdevolst welbehagen ruste en volharde.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

dat het allerheiligst hart van jesüs, opgaande naar den tempel, ons leert bidden.

1. Jesus. Let eens wel mijn kind, en zie, hoe mijn Hart bezorgd was, om zoowol openlijk als in het geheim, door mijn voorbeeld de middelen ten heil en ter volmaking te leeren.

Trouwens van jongs af was ik gewoon niet

-ocr page 282-

246

slechts dikwerf alleen te bidden, maar ook naar Jerusalem te gaan en openlijk in den tempel te bidden en dat wel volgens gewoonte.

Mijn kind, wat is geheel mijn leven anders zoo niet een gebed, dat mijn Hart nimmer staakte, waarmede het altijd en overal bozig was?

Waar vonden mij mijne Moeder Maria en Joseph toen zij mij verloren hadden weder, zoo niet in den tempel, het huis dos gebeds ? Waar vonden mij do leerlingen en vrienden, anders dan komende van het gebed, met liet Hart nog biddende. Waar vonden mij zelfs mijne vijanden anders dan biddende in de eenzaamheid van Grethsemane ?

Onderzoek geheel mijn leven, zie als het daglicht aan den hemel klom, vond het mij biddend en reeds den arbeid van den dag heiligend.

Was het dagwerk geëindigd, zie, terwijl geheel de natuur rustte, dan ook zag de duisternis van den nacht mij nog bidden en mijn Hart uitstorten voor mijn Vader, geen andere getuigen hebbende dan do Èngelen.

Doch ook zelfs onder de bezigheden van den dag, hoe dikwerf verwijderde ik mij voor een oogenblik van de menigte: hoe dikwerf verhief ik te midden der menigte en bezigheden mijn Hart tot den Vader!

2. Dien geest des gebeds, die heilige gewoonte om te bidden, moet gij, mijn kind, met een zekere bijzondere zorg u trachten eigen te maken.

Alle Heiligen, alle navolgers der Heiligen, alle leerlingen mijns Harten hebben die heilige en heiligmakende gewoonte aangeleerd.

Op bepaalde tijden baden zij, niet slechts met

-ocr page 283-

247

den mond maar ook met den geost en met liet hart: vervolgens namen zij overal, waar zij zich bevonden, in alle beschikkingen der fortuin innerlijk door het gebed tot mij hunno toevlugt, in voorspoed aan mijn Hart hunne dankbaarheid en vreugde mededeelend, in tegenspoed hulp en vertroosting smeekerid, in twijfelingen raad en voorzigtigheid vragend.

Zoo moet ook gij doen mijn kind, indien gij naar heiligheid streven, ja, indien gij uwe zaligheid verzekeren wilt.

3. Derhalve moet gij eiken dag met geest en hart bidden, met godsvrucht overwegen. Maar zie toe, dat uwe overweging niet veeleer eene beschouwing dan wel een gebed zij, ot meer een vrome studio dan verkeer met God.

Uw geest overwege of herdenke zooveel het noodig is; doch uw hart moet oefeningen ver-rigten , nu van geloof, hoop en liefde; dan van berouw, nederigheid en zelfverloochening; nu van krachtsinspanning, van ge^de en vaste voornemens ; dan van dankbetuiging, van vreugde of blijdschap des harten met de Engelen en Heiligen; nu eens van onderwerping, van gelijkvormigheid aan den goddelijken wil, van zuivere liefde, die in het goddleijk welbehagen berust; dan van een andere deugd, welke dan ook : nu moet het vurig bidden, veel bidden voor zich zeiven, veel voor anderen: voor de Kerk en hare bedienaren, voor de volmaking der heiligen, die op aarde leven, voor de volharding der regt-vaardigen voor de bekeering der zondaren, der ketters en van alle ongeloovigen.

-ocr page 284-

248

Naarmate gij in het innerlijk leven voortgang hebt gemaakt, en een volmaakteren graad daarin bereikt hebt, moet gij de overweging bekorten, doch den duur der heilige gewaarwordingen verlengen, opdat gij van harte mot mij handelt door oefeningen en smeekingen of eindelijk door eenvoudige overgave aan de goddelijke vereeniging.

Zoo moet gij overwegen, mijn kind, zoo bidden; en onthoud wel, hetzij gij met den geest, hetzij gij met den mond bidt, dat het hart steeds waken moet, opdat elk gebed en elke smeeking met aandacht en godsvrucht geschiede.

En indien gij ook zoo goed niet kunt bidden als gij wel wenscht, wil daarom uw geloof niet gering achten of verwaarloozen. Voorwaar, ik acht het niet gering, ik verwaarloos hot niet.

Doe met goeden wil, wat gij kunt; indien gij dat doet, houd u dan overtuigd, dat gij goed en op verdienstelijke wijze bidt, en dat gij zoo wel in de deugd als in het gebed voortgang zult maken.

4. Stel u niet tevreden mijn kind, met op een zeker bepaalden tijd te bidden, want gij moet altijd bidden en niet ophouden. Zie, dat is een zoet gebod van mij, waardoor gij mij als een Vader nadert, en ten allen tijde als een kind met mij kunt omgaan.

Zie, overal vertoonen zich beletselen, van binnen en van buiten, overal bekoringen, openlijk en in het geheim; overal gevaren, waardoor de kroon der volharding, toegezegd, kan worden verloren. Derhalve is de genade zeer noodzakelijk, die evenwel gewoonlijk niet op bijzondere wijze wordt gegeven, dan aan hen die bidden

-ocr page 285-

249

Van liet gebed hangt dus bijna alles af; zonder het gebed is het kwaad zonder geneesmiddel, het goede -vol gevaren; doch hem die bidt strekt gewoonlijk en het kwaad en het goed ton voordeele.

Ifergens anders mijn kind, dan in het gebed, zult gij de ware kennis van mij en van u zeiven opdoen; en dus zonder het gebed, zult gij de ■ware nederigheid en de liefde nimmer verkrijgen.

Zonder het gebed zult gij nooit mijn Hart goed kennen, zult gij nooit zijn geest bezitten. Zonder het gebed zult gij in vele zaken do bedoeling mijns Harten niet begrijpen, en wat gevaarlijker is, mijn Hart afmeten naar het uwe.

Als gij in bezigheden tot het gebed uw toe-vlugt neemt, zal het gebeuren, dat gij daarover geheel anders oordeelt, dan gij vroeger oor deel-det; omdat het licht der goddelijke genade, dat tijdens het gebed der ziel wordt ingestort, oneindig zuiverder is dan het licht der monschelijke rede.

Dikwerf zult gij bespeuren, dat de natuur de bron is van hetgeen gij aan de genade geloof-det ontsproten; wat gij deugd waandet, zult gij somtijds als eigenliefde erkennen; wat gij meen-det, dat tot mijne meerdere glorie moest verstrekken, zult gij niet zelden ontwaren, als dienstig aan uwe geheime hoovaardigheid.

5. De inwendige mensch neemt in moeijelijk-heden eerst tot mij zijn toevlugt en vraagt om hulp; daarom wordt hij verligt en verkrijgt hij dikwijls bijzondere gunsten; terwijl hij daarentegen, die zieh eerst tot de menschen wendt,

-ocr page 286-

250

niet zelden do moeijelijkbeden verzwaart in plaats van ze te verligten, totdat hij in zicli zeiven gekeerd tot mij komt, zonder wien alle beraadslagingen der menschen het zieke hart goene.hulp bieden.

Mijn kind, indien gij tot mijn Hart komt zoo dikwerf gij droevig zijt, dan zal het niet noodig zijn voor u, om naar menschelijke vertroosting to vragen; gij zult ondervinden, dat een druppel van mijne vertroosting zoeter en krachtiger is, dan alle stroomen van de troostwoorden der menschen.

En indien ik u somtijds, mij ter eere of tot uw voordeel niet de minste gevoelige vertroosting doo smaken, zult gij evenwel immer in mijn Hart troost vinden, of wel door u aan mijn welbehagen te onderwerpen of door den bijstand der genade te ontvangen.

Deze heilige onderwerping namelijk, ofschoon zij ook van den eenen kant tegen de zinnen strijdt en haar bitter smaakt, wordt evenwel van den anderen kant door de genade zoo bovenzinnelijk zoet, dat niemand, die het niet heeft ondervonden, dit begrijpen kan.

6. Wanneer een man des gebeds bekoord wordt, dan wordt hij meer met mij vereenigd, niet ter neer geslagen maar verheven; hij wordt niet bedroefd maar verheugd, niet tot wankelen gebragt maar bevestigd.

Indien gij somtijds door een storm overvallen of ook in dikke duistenissen gewikkeld wordt, wend u tot mij, die bij u ben en hecht vol vertrouwen aan mij uw hart: te midden van de

-ocr page 287-

251

woetlo on den nacht des storms zult gij veilig zijn, en dikwerf getroffen worden door een straal van het liefelijkst licht, waarnaar gij zien zult, dat hetgeen gij eerst als uw verderf beschouw-det, niets beteekent of u zelfs tot voordeel strekt.

Als gij willens zijt iets te zoggen of te doen en er bij u aarzeling of twijfel ontstaat, of het wel geoorloofd is, luister dan in u zeiven kee-rend naar mijnon Geest, en indien gij zoo in uw binnenste tot mij uw toevlugt nemend, geleerd zult hebben de goddelijke ingevingen te onderscheiden, dan zult gij niet onduidelijk eeno beslissing vernemen, die gij veilig voigen kunt.

Do ziel, die gewend is tot mij hare toevlugt te nemen, heeft overal haar beschermer, haar raadgever en vertrooster bij zich, wien zij niet slechts in de eenzaamheid, maar ook in het verkeer met den naaste van harte weet en wcnscht aan te roepen en te rade te nemen.

7' Daarnaar mijn kind moet gij streven, daarom u alle inspanning getroosten om die heilige gewoonte te verkrijgen, van namelijk tot mijn Hart uwe toevlugt te nemen, naar mij als naar uw middenpunt te streven, u inwendig niet mij bezig te houden, mot mij in het gebed te verkeeren. D;tt is de geest des gebeds, die eenmaal verworven, u als een vriend in de eenzaamheid zal ontspannen, in de wereld zal bewaren in tegenspoed troosten, in voorspoed matigen, in gevaren beschermen, die overal u van dienste, tot de heiligheid zal geleiden.

De lkkrlixü. Dat, o Heer, is vooral verlan-genswaardig, dat het hoogste goed: ja, dat schijnt

-ocr page 288-

252

mij toe, een der voornaamste geheimen van het innerlijk leven uit te maken. Doch op welke wijze, bid ik U, moet ik mij deze heilige ge-woonte eigen maken.

Jesus. Vooreerst, mijn kind, do gave des ge-beds, die boste gave, welke alle andere gunsten in zich bevat, moet gij dikwijls \ ragen; door het gebed wordt al het overige, maar bovenal de gave des gebeds verkregen.

Vervolgens is het een goede raad, zeer geschikt om de gewoonte van bidden te verkrijgen, dat gij zoo veel mogelijk zoo uwe bezigheden inrigt, dat er nimmer veel tijdruimte verloope, waarin gij niet gedurende eenige oogenblikken of gedurende eenig vast bepaalden tijd met mij door een of andere geestelijke oefening bezig zijt.

Vervolgens moet gij van de bekoringen en moeijelijkheden, die gij zoowel inwendig als uitwendig ondervindt, gebruik maken, als van zoovele aansporingen, om u tot mij te wenden, om mij uwe liefde te betuigen, genade te vragen en hot voornemen uwer getrouwheid te hernieuwen.

Eindelijk moot gij in herhaalde pogingen volharden, totdat gij u aan het gebruik des gebeds hebt gewoon gemaakt, en zooals een kind tot zijne ouders, niet krachtens rede of overdenking, maar als van zelf in al wat er gebeurt, tot mij uwe toevlngt neemt.

8. Moed gevat, mijn kind, spaar geen moeite en geen ijver, om u deze wetenschap der uitverkorenen te verwerven, die het voorwerp der verlangens van al de leerlingen mijns harten is. Zoo veel is zij waard en nog meer!

-ocr page 289-

253

Trouwens in hot gebod is hulp in behoeften; daarin is herstel van gebreken; daarin een middel van vooruitgang; daarin de zekere hoop der vol-harding, daarin is alles, wat ons dienstig is.

Het gebed is de verzadiging van hen, die hongeren en dorsten naar de rugtvaardigheid; het gebod is do wellust der zuivere zielen; het gebed eindelijk is de bezigheid en de rust tevens der Heiligen.

Als gij bidt, dient en verheerlijkt gij mij en doet gij op aarde, wat do Engelen en Heiligen in den Hemel doen cn wat u eens zalig moet bezig houden gedurende de blijde eeuwigheid.

9. De leeklixg. Honigzoet is het, o Heer Jesus, wat gij over het heilig gebed leert; het vervult het hart met zalving en met liefde voor het gebed.

Zie Heer, ik zal bidden, zooveel ik kan; ik zal bidden met den geest, met het hart, met den mond. Help mij door uwe genade.

Ja, ik smeek U ter liefde van uw allerheiligst Hart, verleen mij den geest des gebeds, opdat het gebed zoo veelvormig als het is, ook mijn leven uitmake.

Ik vraag u geene buitengewone gaven, niet de gave der voorzegging, niet de gave van wonderen; verleen zo aan hen, aan wien Gij ze in uwe welwillendheid goedvindt te schenken; ik zal hen nimmer benijden.

Maar dit vraag ik smeekend, wil mij ditver-leonen, ik bid het U, namelijk den geest des gebeds, de gave, die bij mij geldt boven alle andere gaven.

-ocr page 290-

254

Daardoor bezit ik alle goederen, daardoor heb ik toegang tot de bron van alle goed; daardoor toegang tot uw Hart zelven.

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

ovee de liefde tot de eenzaamheid, naak het voorbeeld van het allerheiligste hart van jesus wonende te nazareth.

1. Jesus. Mijn kind, nadat ik to Jeruzalem met de zaken die mijn Vader betroffen, zoolang was bezig geweest als de Yader zelf het wilde, keerde ik terug en ging ik naar Nazareth en daar verborgen levend, nam ik toe in behagelijkheid bij God en bij de menschen.

Begrijp dit mijn verborgen leven; onderzoek leergierig de gewaarwordingen mijns Harten, en draag ijverig zorg, ze na te volgen.

Gij zult zien, hoe ik met een opgeruimd gelaat en met een blij Hart nu eens te huis werkzaam ben in versehillende bedieningen en zaken, dan wederom buiten met versehillenden arbeid bezig ben; immer tot alles bereid; overal onderworpen; altijd en overal een schouwspel leverend vol behagelijkheid aan God den Vader, aan mijne maagdelijke Moeder aan Joseph en aan de Engelen, die er met verwondering op staarden.

Zie. hoe de Zoon van God gedurende zoo langen tijd werkzaam was! Zie hoe hij opgroeide als eene lelie in de dalen, verborgen wel is waar

-ocr page 291-

255

voor de wereld, maar bekend en bemind in den hemel.

2. Het venvondere u niet, mijn kind, dat ik zoo vele jaren in de eenzaamheid doorbragt en eerst na een geruim tijdsverloop voor de wereld optrad. Dit voorbeeld van mij, deze inwendige liefde voor de eenzaamheid, is den stervelingen bovenal noodzakelijk.

Trouwens de mensehen, die geene liefde voor de eenzaamheid bezitten, geven zich met geheel hun bedorven natuur aan het uiterlijke over: eenigen toch volgen hunne eigenliefde langs ingebeelde wegen en door vreemde middelen ter zaligheid en ter volmaking, waardoor zij misleid worden en jammerlijk den geest hunner roepingen van hunnen levensstaat verliezen; anderen wederom luisteren naar hunne verborgene hoo-vaardigheid, ondernomen zaken en oefenen bedieningen uit zonder de voldoende voorbereiding, zonder goede orde, niet mijne eer maar hun eigenbelang zoekende.

Daarom dwalen zij af van den waren weg, dewijl zij wegens het aanhoudend gedruisch en de oplettendheid aan het uiterlijke verleend, geen opmerkzaamheid aan de goddelijke inspraken schenken, storten zij van de cene dwaling in de andere, geraken zij meer en meer in begoochelingen verstrikt en maken zij ten laatste alle middelen ten heil en tot volmaking voor zich vruchteloos.

3. Om den mensch voor zulke kwalen te behoeden, hem den veiligen weg des heils te leeren bewandelen en hem te toonen, waarin de ware

1

-ocr page 292-

256

volmaaktheid bestaat, daartoe dient het voorbeeld van mijn verborgen en innerlijk leven.

Wat schittert of schoon klinkt, wat de bewondering of de aandacht dor menschen op de een of andere wijze opwekt, dat zien gewoonlijk velen voor meer volmaakt aan, als ware het geschikter en beter om God te verheerlijken en den naaste voor te lichten.

Doch welke dwaling! welk zinsbedrog! want alles heeft in geheime hoovaardij zijn oorsprong en in de eigenliefde zijne voltoojjing.

Neen waarlijk, do volmaaktheid, uit het voorbeeld door mijn Hart gegeven, gelijk blijkt, bestaat in het vervullen van het goddelijk welbehagen met nederigheid en liefde.

Doch zonder de liefde voor de eenzaamheid is de mensch niet gewoon altijd deu goddelij-ken wil wel te begrijpen, noch de nederigheid te behouden noch de ware, niet do ingebeelde liefde te bewaren.

Bid derhalve, mijn kind, opdat gij de liefde voor do eenzaamheid verkrijgen en aan moogt kweekei). Het is een goed van zooveel belang, dat er naauwelijks iets anders gevonden wordt, meer geschikt, om met den goeden geest te handelen en met dien zelfden geest te bidden.

Onderzoek het leven van allo Heiligen en gij zult er geen onder hen vinden, die de heilige eenzaamheid niet heeft lief gehad.

4. Vervolgens staat de eenzaamheid, die de geloovigen moeten beminnen, in verhouding tot den staat en tot de betrekking, welke zij beleven. Daarom kan het gebeuren dat, het geen in den

-ocr page 293-

een prijzenswaardig is, in den ander veroordeeld moet worden.

Deze echter is de ware grondregel voor elke getrouwe ziel, in welken levensstaat of in welke betrekking zij zich bevinde, deze is de ware wijze, de eenzaamheid zoo lief te hebben, dat aij na alles wat ambt of bediening vergen, wel volbracht te hebben, met mij zich van de me-igte afzondere, zich bij mij wederom verzamele, totdat zij door den goddelijken wil weder elder-wordt geroepen.

Indien gij u onttrekt aan overvloedige bijeenkomsten, aan nuttelooze zamenspraken, aan het ijdel gedrnisch der wereld, eindelijk aan zaken, die ii niet aangaan, dan zult gij dikwerf den tijd hebben, om alleen met mij bezig te zijn.

Doch als gij u van het verkeer met de men-schen tot de eenzaamheid begeeft, wil dan niet alleen menschen verlaten terwijl gij do zaken met u neemt.

Trouwens er zijn er, die in de eenzaamheid niet minder verstrooid of uitgelaten zijn dan in het verkeer met de menschen: omdat zij aan het rondzwerven der verbeelding, aan de nieuwsgierigheid dos verstands of aan do eigenzinnigheid van den wil den teugel vieren.

Gij moet vooral alleen beschikbaren tijd goed regelen zoo, dat elke tijdsruimte hare bepaalde bezigheid zij aangewezen, opdat gij door verveling den lust niet verliezet noch den tijd doorbrengt met te beraadslagen hoe gij dien doorbrengen zult.

Van zeer veel belang is het in alle zaken de

17

-ocr page 294-

258

orde te bewaren; zij verjaagt den lediggang en de verveling, behoedt u voor vele bekoringen en moeijelijkheden, zij stélt u in staat vele zaken met gemak wel te verrigten en eindelijk zij doet n voor mij leven.

' Hij, die in de tegenwoordigheid der Engelen met mij alleen is, herstelt het verledene of bevestigt daarvan het goede, en terugziende op zich zeiven en op zijne daden, doet hij kennis op omtrent zeer vele zaken. Immers niet de langdurigheid van tijd of' het veelvuldig getal der dingen maar wel de zuiverheid der overweging en des gebeds maakt den mensch waarlijk een man van ondervinding.

Afgezonderd van het gedruisch der wereld, wint hij den verloren vrede weder, of versterkt hem, als hij dien heeft behouden; hij geniet het bezoek van velerlei genade en maakt te voren reeds goede beschikkingen omtrent hetgeen hij later met vrucht eu verdiensten ten uitvoer zal brengen.

\Vaardoor mijn kind, zoo niet door de veree-niging met mij, blijven de innerlijk levende menschen zich in moeijelijke omstandigheden zoo meester, dat zij veler bewondering wekken; waar-, door anders blijven zij zoo standvastig, dat zij met de grootste onverschrokkenheid volvoeren, wat zij zich eenmaal hebben voorgenomen?

Hoe vele gebreken zult gij vermijden, hoe vele deugden ook beoefenen, als gij de eenzaamheid in eere houdt!

Alle ware leerlingen mijns Harten hebben zich altijd overtuigd gehouden, dat zij des te nader

-ocr page 295-

259

bij mijn Hart waren, naarmate zij meer van de schepselen verwijderd waren.

6. Mijn kind, als gij waarlijk nederig waart, dan zoudt gij de eenzaamheid liefhebben, trouwens de nederigheid wenscht zooveel het geoorloofd is, verborgen te blijven, zij vreest bekend te worden.

En indien gij waarlijk ontstoken waart dooide goddelijke liefde, dan zoudt gij naar de eenzaamheid haken; want de vlam der liefde aan eiken adem blootgesteld, wordt ligtelijk uitgedoofd, als zij niet dikwijls in de eenzaamheid nieuw voedsel ontvangt.

Of, wat erger is, de liefde, die zich altijd uiterlijk toont, wordt langzamerhand gekleurde zinnelijkheid.

De eenzaamheid goed doorgebragt en ondergeschikt gemaakt aan de omstandigheden van een ieders levensstaat, wordt trapsgewijze zoeter en brengt ontelbare goederen voort.

Trouwens zij is de bewaarster der onschuld, het verblijf van den vrede, de woning van het innerlijk leven, de school der heiligheid, de woonplaats der hemelsche geheimen, en het uitgezochte middel, om mot God te verkeeren.

Wilt gij deze vruchten genieten, heb dan de eenzaamheid lief: herhaaldelijk zal ik u uitnoo-digen, dikwijls zal ik u daarheen geleiden en daar tót uw hart sproken.

7. quot;Wil u van de liefde voor de heilige eenzaamheid niet laten afschrikken, als gij somtijds wegens het beminnen der afzondering, door de menschen gelaakt wordt. Laat de lakers spreken, wat u betreft, streef naar liet goede.

-ocr page 296-

260

Indien gij uw leven overeenkomstig liet verlangen der menschen zoudt willen regelen, dan zoudt gij zoovele verschillende gedaanten moeten aannemen, als gij menschen ontmoet, omdat er zoo vele zinnen als zoovele hoofden zijn.

Als u de goddelijke wil niet te kennen geeft, dat gij mot de menschen moet zijn, blijf dan met mij alleen.

Zoo volharden de Heiligen, den stervelingen onbekend, tot hun laatsten ademtogt in do eenzaamheid, tenzij zij door den goddeljjken wil daaruit worden teruggeroepen.

Evenwel mijn kind, zoo dikwerf ik u door do openbaring van mijnen wil, op welke wijze ook, tot iets zend, dan moot gij de eenzaamheid verlaten met hot zelfde gemak en met de zelfde vrijheid des goestes, waarmede gij haar zijt ingetreden.

Als ik gebied, dan moet gij, met welk goed werk gij u ook bezig houdt, dit terstond laten rusten of hot liever in een beter work veranderen door u, zonder eenig teeken van weerzin te geven, bereidvaardig naar hetgeen u ts doen voorkomt te schikken.

Wil u niet zoo zeer door oen voorafgestelden gedragsregel als wel door den goddelijken wil verbinden, om zoodoende de godsvrucht niet lastig en hatelijk te maken door eone valscho naauwgezetheid en een ongeregelde gestrengheid.

Indien gij den waarlijk innorlijken geest van mijn Hart zult hebben aangeleerd, dan zult gij beide uitersten vermijden en veilig den middenweg bewandelen.

-ocr page 297-

Gij moogt dus dio uiterlijk gezinden niet navolgen, die den tijd, in de eenzaamheid door-gebragt, bijna als verloren beschouwen of het innerlijke niet naar hunnen smaak vinden, en altijd een voorwendsel verzinnen, om zich geheel aan het uiterlijke over te geven, zich mengen in de zaken van anderen, dikwerf verzuimen, wat zij moesten doen en dikwijls doen, wat zij verpligt waren na te laten.

Wil evenmin de voetstappen drukken vnn hen, die ter verkrijging der godsvrucht al het uiterlijke verwaarloozen, zich in de eenzaamheid met gesloten deuren zoo afzonderen, dat noch de uitnoodiging van mijnen Geest, noch do liefde, noch de gehoorzaamheid in staat is hen daaruit te voorschijn te roepen. Indien hen de noodzakelijkheid somtijds er uitdrijft of hen stoort, dan worden zij verontwaardigd, dan zijn zij gemelijk en stuursch.

Wat u betreft, mijn kind, volg den goddelijken wil: wensch gaarne u met mij in de eenzaamheid te bevinden overeenkomstig mijn welbehagen; en als mijn wil verlangt, dat gij u met de schepselen bezig houdt, wil dan met hen verkeeren uit liefde tot mij.

8. De leerling. O heilige eenzaamheid! van hoe vele en van welke groote goederen vloeit zij over!

Hebt gij dat begrepen, mijne ziel ? Vlugt dan dikwijls naar de eenzaamheid; tracht daarnaar zooveel het u geoorloofd is; ontvlugt daar dikwijls het gedruisch, zij het ook slechts voor een oogenblik, maar doe het meer met het hart dan met het ligchaam.

-ocr page 298-

262

Schep daarin wederom adem; verkwik u daar, neem daar toe in de genade en houd u daar in het gezelschap der Engelen met uwen Beminde bezig.

O Beminde mijns harten, allerlielste Jesus! Geef bid ik U, en kweek in mij aan de liefde voor do heilige eenzaamheid, waarin ik U zal vinden, U genieten, met U eeuwig zalig zal zijn.

Want het onderhoud met U sluit geen bitterheid in zich, zooals dikwijls de omgang mot de menschen, en de verveling is vreemd aan uwe gastmalen; maar geestelijke blijdschap, zuivere vreugde, goddelijke zoetheid gaat daarmede gepaard.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

over de goddelijkei tegenwoordigheid, waarin wij door het voorbeeld van het allerheiligst hart van jesus bij zijnen doop geleerd worden te leven.

1. Jesus. Mijn kind, toen ik ongeveer den ouderdom van dertig jaren bereikt had, verliet ik, door den wil van God mijnen Vader gezonden, Nazareth en kwam ik bij den Jordaan, om gedoopt te worden.

Doch zoodra ik het' doopsel had ontvangen, verwijderde ik mij uit het water en zette mij tot het gebed. En zie, mijn kind, toen ik bad.

-ocr page 299-

263

omgeven door een groote menschenmenigte, daar werd de hemel geopend en de heilige Geest daalde onder de gedaante eener duive op mij neder, en er werd eene stem gehoord, die zeide; Deze is mijn welbeminde Zoon, in wien ik mijn welbehagen heb.

Welk eene plegtigheid, mijn kind! hoe roemvol ! doch zij had niet plaats om mijnent wille. Trouwens, niet om mij deed die stem zich hoo-ren, maar om de menschen, opdat zij mij als hun Verlosser zouden erkennen en in mij geloo-vende, op mij hopende en mij beminnende, in mij het eeuwig leven mogten bezitten.

Ik toch had dat uiterlijke niet noodig. Want wat in het doopsel met mij zigtbaar geschiedde, dat genoot ik ten allen tijde op onzigtbare wijze. Altijd en overal is de Vader en de Heilige Geest met mij.

Mjjn Hart bezat in zijn binnenste altoos alle volheid; daarin genoot het in de ruimste mate; daarin verbljjdde het zich op de hoogst mogelijke wijze.

Mijn Hart, vereenigd als het is met de Godheid, leefde door liefde en daad altijd in hare tegenwoordigheid, leefde altijd als in haar verslonden.

2. Streef dit voorbeeld van mijn Hart, mijn kind, zooveel mogelijk na. En daarover heb ik u veel zoets en troostvols te zeggen.

Dit zij uw streven, mijn kind; steeds de goddelijke tegenwoordigheid te genieten, en overal onder het oog van mij, uwen God en Zaligmaker, te leven.

-ocr page 300-

264

Als gij mij bemint, dan zult gij er uw genot in vinden, te wandelen voor mijn aanschijn en mijne tegenwoordigheid te genieten.

Trouwens, heeft men ooit gehoord, of is het ooit gebeurd, dat iemand niet gaarne in dc tegenwoordigheid was van hem, wien hij beminde?

Zie altijd en overal bij u, voor zooverre ik een goddelijk persoon ben, verlies ik u nimmer uit mijne oogen.

Ja waarlijk; geen schepsel is er onzigtbaar yoor mijn aanschijn. Overal beschouwen mijne oogen de goeden en de kwaden en doordringen zij het hart van eon ieder in hot bijzonder.

Wie kan zich voor mijne blikken verbergen? Moge iemand zich in de duisternissen begeven, moge hij zich in de eenzaamheid der woestijn verschuilen, moge hij zich in de diepte der aarde of der zee verbergen, ja tot in de hel afdalen, overal zijn mijne oogen op hem gevestigd.

Zoozeer, mijn kind, ben ik bij allen en bij een ieder tegenwoordig, dat ik een iegelijk met mijn almagtige hand kan bereiken, hetzij om hem te bedwingen of te straffen, hetzij om hem te helpen of te beloonen.

3. Doch ook bij u ben ik tegenwoordig niet slechts met geheel mijne Godheid, maar ook met de beminnelijkheid mijner Menschheid, in het heilig Tabernakel.

Waar gij u dus wendt, hetzij ter regter- of ter linkerzijde, waar gij ook zijt, ofin uw vaderland of in den vreemde; overal waar mijn heilig Sacrament verwijlt, daar ben ik met u, met mijne Godheid, met mijne ziel en met mijn ligchaam.

-ocr page 301-

265

Daar vindt gij mij met hetzelfde gelaat, met dezelfde oogen, met dezelfde lippen, met de zelfde ooren, ja met dezelfde genegenheden des Harten tegenwoordig , waarmede ik weleer met de Apostelen en nu met de Engelen en Heiligen in den hemel tegenwoordig ben.

Bevat, mijn kind, geheel het geheim der liefde. Zie, in het heilig tabernakel ben* ik immers bij u, waar gjj ook zijt, met de liefde mijns Harten. Immers mijn Hart houdt zich met u bezig; met mijne liefde volg ik u overal.

4. Hoe kunt gij mij dan vergeten? Hoe is het mogelijk, dat gij u met mijne liefde niet bezig houdt? — Hoe kunt gij dan met den geest oi met het hart u van mij verwijderen?

Dan, mijn kind, wandelt gij waarlijk voor mijn aanschijn, als uw geest of met der daad of tengevolge uwer goede meening zich mijner tegenwoordigheid indachtig is, en uw hart door liefde jegens mij, die met u ben, wordt bezig gehouden.

Er zijn echter zekere graden in deze goddelijke tegenwoordigheid, die de ingekeerde zielen in hun hart stellen, en waardoor zij meer en meer tot mij naderen.

De eerste namelijk bestaat hierin, dat de niensch krachtens zijne oogenblikkelijke opmerkzaamheid of ten minste krachtens een vroeger gemaakte meening, zoo ingekeerd leeft, dat hij alles doet op eene wijze mijner tegenwoordigheid waardig, en zich daarenboven herhaaldelijk niet der daad tot mij wendt.

De tweede: als iemand, na zijn hart van alle

-ocr page 302-

266

ongeregelde genegenheid gezuiverd en tot een bijzonder heiligdom aan mij toegewijd te hebben, godvruchtig oplet en luistert, wat ik innerlijk spreek en bereid is, om aan mijne inspraken te beantwoorden.

Eindelijk; als de ingekeerde ziel in mij op zekere wijze verslonden, zoo voor mij leeft, dat zij gewend is niet anders aan zich zelve te denken, dan in mij, niet anders dan in mij zich zelve te beminnen, steeds in mij te rusten als het ware door goddelijke en zoete vereeniging, en mijne tegenwoordigheid te genieten op eene volmaaktere wijze dan de vogel de lucht geniet, waarin hij vliegt, of de gezonde de gezondheid, waarin hij groeit.

. Deze vereeniging toch, welke alle begrip te boven gaat, is het toppunt der goddelijke vereeniging, waartoe de zielen, die waarlijk zuiver zijn en zich door edelmoedige, zoowel inwendige als uitwendige offers, geschikt maakten, met geheel hun hart aan de schepselen en aan zich zeiven vaarwel zeiden ora mij alleen aan te hangen, door de hulp der genade gewoonlijk geraken.

5. Mijn kind, de herinnering mijner tegenwoordigheid is het krachtdadigste middel om de zonden te vermijden. quot;Wie toch, denkende onder mijne goddelijke oogen te zijn, zoude hem durven beleedigen, die op den zelfden oogenblik en ziel en ligchaam kan nederstorten in de hel?

Indien gij met uw eigene oogen mij in zinnelijke gedaante tegenwoordig zaagt, mijn kind, zoudt gij dan willen, zoudt gij dan de zonden

-ocr page 303-

267

kunnen bedrijven zelfs voor mijne oogen? Zoudt gij u dan niet goed gedragen? Docli met de oogen des geloofs ziet gij mij helderder en zekerder bij u tegenwoordig dan wanneer gij mij alleen met de oogen des ligchaams zoudet aanschouwen.

Denk er aan en wensch gaarne, dat ik bij u bon en gij zult in eeuwigheid niet zondigen. Wat toch is de oorzaak dat de hemellingen niet zondigen kunnen? Is het niet het aanschouwen en de liefde der Godheid, en wat daaruit voortspruit.

Als uw geest door het geloof uwen God aanschouwt, als uw hart hem bemint, dan zult gij zulk eene Majesteit niet hoonen. Hoewel ook de natuur zwak is en ton val overhelt, toch zal deze aanschouwing van God niet gedoogen, dat gij u bedriegt, noch die liefde toelaten dat gij valt. Trouwens een ieder, die daarin verblijft, zondigt niet.

Derhalve, mijn kind, zoolang gij in het geloof en in de liefde voor mijn aanschijn wandelt, zult gij niet kunnen zondigen, niet wegens uwe natuur maar ter oorzake van mijne tegenwoordigheid.

En indien gij zondigt, ja als gij het plan maakt om te zondigen, dan aanschouwt gij God niet door het geloof, dan kent gij hem niet door de liefde. Een ieder toch die zondigt, ziet en kent hem niet.

6. Wat ten laatste is er aangenamer, dan mijne tegenwoordigheid? Wat zoeter? Wat van meer nut voor alle dingen? Is zij geen aange-

-ocr page 304-

268

naam paradijs? Trouwens wien de Engelen en Heiligen van aanschijn tot aanschijn aanschouwen, wien zij in waarheid bezitten in den hemel, dien zelfden aanschouwt gij op aarde door het geloof, dien zelfden geniet gij door de liefde en neemt daardoor toe in verdiensten.

Zonder de oefening van u in Gods tegenwoordigheid te houden, wordt do eenzaamheid gevaarlijk en de omgang met de menschen gewoonlijk nadcclig. Door haar echter worden heide gewoonlijk gesteund en geheiligd.

Gij zult naauwelijks een oefening van godsvrucht vinden, die zoo vele, zoo verscheidene en veelvoudige daden van deugden in zich bevat als deze oefening om in Gods tegenwoordigheid te wandelen.

Moed dan gevat, mijn kind; tracht met godsvrucht en ijver u de gewoonte eigen te maken, om in mijne tegenwoordigheid te leven. Hebt gij haar verworven, dan zal zij in gevaren uwe beschermster, in duisternissen uw licht, in do eenzaamheid uw troost zijn; in de wereld u bewaren, overal u de deugd doen beoefenen, overal u met God doen verkeeren.

7. De leerling. Maar goede Meester, zoetste Jesus, zeg mij, hoe zal ik mij die heilige gewoonte eigen maken?

Jesus. Voor alles, mijn kind, moot gij dikwijls bidden, met vuur de genade vragen, die e opwekt, om u met een levendig geloof en met uene liefde vol vertrouwen aan de goddelijke tegenwoordigheid te herinneren.

Doch ook de zinnen moet gij onder bedwang

-ocr page 305-

brengen; de ongeregelde neiging, om al wat buiten u is te zien, moet gij versterven.

Vervolgens moet gij uwe innerlijke vermogens bewaken ; gij moet uwen geest niet slechts booze maar ook de imttelooze gedachten ontzeggen en uw hart aan alle ijdele en nuttelooze bezigheden onttrekken.

Vervolgens moet gij trachten u herhaaldelijk tot mij te wenden door korte en vurige verzuchtingen, die te beter voor u zullen zijn, naar mate zij meer aan den toestand of de omstandigheden, waarin uwe ziel verkeert, beantwoorden.

Eindelijk, mijn kind, moot gij in alle zigtbare dingen mij den Onzigtbare, den Beminde uws harten, zoeken.

Zullen zelfs de schepselen u niet van allo zijden aan mijne tegenwoordigheid herinneren? ^ erhef uwe oogen en sla ze eens in het rond en zie hoe alles op zijne wijze mijne tegenwoordigheid verkondigt.

Verkondigen haar niet do onbewolkte hemel en zelfs de storm! niet de vruchten en de bloemen? niet do vertroostingen en de wederwaardigheden ? niet de deugden en de bronnen der genade ?

Mijn kind, indien gij een innerlijke leerling mijns Harten zult zijn, dan zal alles, wat gij ontmoet, strekken, om u mijne tegenwoordigheid in het geheugen te roepen en te doen beminnen.

Overal zult gij mij bespeuren; en door alles zult gij voortwandelen tot mij, in wien gij alleen rusten en u verblijden zult.

8. De leerling. O Heer, onzigtbare en alziende

-ocr page 306-

270

God, onbevattelijk en overal tegenwoordig! waar zal ik uw aanschijn ontvlugten ?

Zie, als ik klim tot in den hemel. Gij zijt daar; als ik neerdaal in de hel, ook daar zijt Gij. Mogt ik ook bij hot morgenkrieken vleugelen nemen en de uiteinden der zee tot mijne woonplaats zoeken, daar nog zal uwe hand mij terugleiden en vasthouden.

Voor uw aanschijn verliezen de schaduwen hare duisternis; de nacht is voor U den dag gelijkend. Overal ben ik voor uw aanschijn, innerlijk, zoo min als uiterlijk voor uwe oogen verborgen.

9. Zoo zijt Gij dus altijd bij mij tegenwoordig. Welke zoete gedachte! welke groote vertroosting! welk een beweegreden tot vertrouwen! welk eene aansporing tot liefde.

Doch waarheen ik nuj ook wend, overal wekken de schepselen mijn geloof, overal herinneren zij mij uwe tegenwoordigheid, uwe magt, uwe liefde, uwe beminnelijkheid. Trouwens als do schaduw van het voorwerp zoo liefdelijk, zoo schoon, zoo goed is, wat moet het voorwerp zelf dan niet zijn?

Zie, hoe blijde is dit schepsel, hoe krachtig een ander; hoe schoon deze; hoe goed wederom gene; doch onvergelijkelijk blijder en tevens krachtiger, schooner en beminnelijker en onder alle opzigten beter zijt Gij, o mijn Beminde, wien mijne ziel lief heeft!

O Jesus, God en mijn Zaligmaker, liefelijk paradijs des harten ! geef, dat ik altijd en overal aan U denke, U altijd en overal als bij mij tegenwoordig beminne.

-ocr page 307-

Maak mijn hart voor U tot een zuivere en heilige woning, waarin ik U vinden, bezitten, genieten moge tot heiliging mijner ziel en tot eeuwige glorie mvs Harten.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

DAT HET ALLERHEILIGST HART VAN JESUS, IN DE WOESTIJN EEKOOED, ONS LEERT ALTOOS DEN VREDE DES HARTEN TE BEWAREN.

1. Jescs. Mijn kind, toen ik mij van den Jordaan verwijderde, werd ik door den Geest in de woestijn geleid. Ziedaar een schouwspel, dat zelfs de Engelen in verrukking bragt.

Want zie, afgesloten van alle mensehelijk verkeer, tusschen de wilde dieren der woestenij verblijvend, bragt ik in vasten en gestrengheid, in de wisselingen van het weder do dagen en de nachten door.

Doch mijn Hart was in goddelijke vereeni-niging met den hemelschen Vader, in verhevene beschouwing en het gebed aanhoudend bezig.

Intusschen door de wereld vergeten of wel beleedigd, werd ik daarenboven op wonderlijke wijze door satan gekweld; ik werd zelfs door hem opgenomen, naar elders verplaatst op verschillende en zeer hevige wijze bekoord.

Wat echter bragt mij er toe om dit alles te ondergaan, zoo niet de liefde mijns Harten,

-ocr page 308-

272

om u, mijn kind, te troosten en door mijn voorbeeld te onderwijzen.

Daardoor onderrigt en aangemoedigd, zult gij u niet verwonderen als gij in uwen staat dooiden duivel bekoord of door de wereld gekweld ■wordt; en gij zult noch door menschelijke gebeurtenissen noch door de beproevingen des duivels den vrede verliezen.

ïvTiets van dit alles was in staat mijn Hart te verontrusten of te bewegen: neen altijd kalm en tevreden, met ernstigen wil zich van het voorgestelde verwijderend, klopte het voort in vrede.

2. Dezen heiligen vrede des harten moet gij, mijn kind, met allen toeleg zoeken en met alle zorg trachten te verkrijgen.

Zalig de goede ziel, die zich in den waren vrede bewaart! Daarin zetel ik als in mijn rijk; in haar hart schep ik behagen als ware ze mijn troon.

Mijn Hart houdt er van zich mede te deelen aan een kalm hart; omdat daarin zijn inspraken aangehoord, behartigd worden en vruchten dragen.

Wilt gij zoo min mogelijk feilen begaan, wilt gij uit uwe misslagen zei ven voordeel trekken, wilt gij de deugden wel beoefenen, bewaar dan den vrede dos harten.

Wilt gij aan de bekoringen des duivels met vrucht weerstand bieden en de boosaardige pogingen der hel verijdelen, blijf dan in vrede en volhard daarin.

3. Wel wetend, dat hij weinig vermag tegen de ziel, zoolang deze zich in den heiligen vrede

-ocr page 309-

273

bewaart, tracht de vijand haar op allerlei wijze te verontrusten.

Met dat doel, verzint en zet hij somtijds alles in beweging; hij wekt de verbeelding op, lokt de hartstogten, geeft vele ingevingen, die nu met deze dan wederom met gene deugd in strijd zijn, soms kwelt gij haar door vleitaal, soms door schrik; somtijds houdt hij hardnekkig vol.

Mijn kind, als u zoo iets overkomt, wil u dan niet verontrusten, wil dan den vrede niet verliezen. Zoolang gij in don heiligen vrede verblijft; is alles in veiligheid; doch als gij u begint te verontrusten, dan begint gij ook gevaar te loopen; en schoon gij u door de goddelijke genade van vrijwillige toestemming onthoudt, toch zal de vijand genoeg gewonnen hebben, om zich voor die keer tevreden te kunnen stellen.

Want hij waant niet u bij den eersten aanval neer te kunnen vellen, maar langzamerhand na uw hart verontrust te hebben, hetzij door welke bekoring of op welken tijd gij ook wordt aangevallen.

4. Mijn kind, wat er ook gebeure laat uw hart zich niet verontrusten. Voor geene zaak ter wereld moet men den vrede des harten verliezen.

Ja mogt gij ook een misslag of eene zonde bedrijven, wil dan nog niet uw hart laten verontrusten. want welk geneesmiddel tegen het kwaad trekt gij uit de onrust, waaraan gij u na den misslag bedreven te hebben, overgeeft? In tegendeel gij begaat een nieuwe feil, die nog noodlottiger is dan de eerste.

18.

-ocr page 310-

274

Wil derhalve, als gij het ongeluk gehad hebt te misdoen, u niet door onrust laten kwellen of den moed verliezen; maar werp u door eene oefening van nederige liefde met een berouwvol hart aan mijn Hart, opdat in dien goddelijken oven uwe fout verteerd en uw hart gezuiverd worde.

Vooral, mijn kind, hebt gij dien vasten en onverstoorden vrede noodig, als ik tot meerdere glorie van mijn Hart en tot uw grooter voordeel toelaat, dat gij gekweld wordt door inwendige mistroostigheid, waardoor het verstand in duisternissen gehuld wordt en de wil zich tot het kwaad getrokken voelt, zoozeer dat gij alleen • aan u zei ven en aan een hardnekkigen vijand overgelaten schijnt.

Als gij in dien toestand aan onrust toegeeft, dan zult gij de allerheiligste bedoeling mijns Harten verijdelen, u aan het groot gevaar bloot stellen, om u niet slechts van den aangeboden schat van verdiensten en den verheven graad van heiligheid te berooven, maar ook, om in dwaling te geraken en te vallen.

Doch indien gij met een rustig en onverschrokken gemoed, gehoorzaam voortgaat, op den weg maar langs mijn Geest u geleidt, en ondanks en verheven boven het gevoel zijne leiding volgt, dan zult gy ongedeerd voortwandelen en volmaakter uit dien toestand te voorschijn treden.

5. Doch vele dingen overkomen u ook vau buiten, die uw hart als het niet in vrede bevestigd is, beroeren eu verontrusten.

-ocr page 311-

275

Het gebeurt dat gij de mcnsclien, ja zelfs dio door dankbaarheid, vriendschap, door hun staat of ook door pligtmatig dienstbetoon aan u verbonden waren als trouweloozen, ja somtijds als uwe vijanden leert kennen.

Als uw vrede de gezindheid of de behandeling der stervelingen tot grondslag heeft, of daarvan afhankelijk is, dan zal hij aan droevige verontrusting ten prooi zijn.

Velen vellen een oordeel naar de gesteldheid huns harten: van daar is het te verwachten, dat zij niet zelden een kwaden dunk van u hebben uwe handelingen berispen, uw ijver voor het uitwendig leven vcroordeclen, eindelijk u op verschillende wijzen beproeven.

Indien zoo iets gebeurt, mijn kind, wil dan niet dulden, dat uw hart zich verontruste; maar blijf in vrede, en laat alles voorbijgaan zooals gij toelaat dat de wolken over u heen zweven.

En inderdaad, mijn kind, wat zou het u baten als gij u daardoor liet verontrusten? zoudt gij niet uwen last verzwaren en als vrucht van uwen arbeid bitterheid oogsten.

Gewen er u aan mijn kind, de tegenspoeden met geduld te dragen, onaangename gezegden zwijgend aan te hooren, tusschen onruststokers kalm te blijven, en bij het gedruiseh der wereld in vrede te volharden.

6. De leeeling. Maar o Heer Jesus, hoe moei-jelijk schijnt het dit met de daad toe te passen; ongevoelig te blijven en niet verontrust te worden, wanneer innerlijk de bekoringen, ook dan

-ocr page 312-

276

als ik wen sell U getrouw te dienen of als wederwaardigheden door mij vijandige zaken en raenselion veroorzaakt, ondanks mijne goede bedoelingen mij benaauwen! In waarheid, Heer, dat schijnt mij onmogelijk toe.

Jesus. Maar, mijn kind, het is geen kwaad te gevoelen, wat lastig of geschikt is om uw hart te verontrusten, integendeel gij moet dat gevoelen om daaraan weerstand te kunnen bieden.

Voorzeker, het is onmogelijk dat niet te gevoelen, mogt gij ook de godvruchtigste zijn. De godsvrucht toch maakt de vermogens der ziel niet stomp en vernietigt ze niet, maar integendeel, zij maakt zo volmaakter en zuiverder.

Even onmogelijk is het dat het lager gedeelte des harten daardoor somtijds niet wordt bewogen. Doch deze bewegingen kunnen u volstrekt niet schaden zoolang het hooger gedeelte ze niet veroorlooft; neen zij kunnen zelfs strekken, om den vrede een vasten grondslag te schenken, omdat, hoe meer overwinningen gij op dat gedeelte behaalt, gij het ook meer onderworpen en in kalmte zult houden, on daardoor des te grooter veiligheid zult genieten.

Doch steeds hobt gij het in uwe magt, u zei ven in vrede te bewaren. Want dewijl gij een vri'en wil bezit en immer voldoende genade ontvangt, daarom kan noch de boosheid der hel, noch de bedorvenheid der menschen, noch eenige tegenstand uw hart verontrusten, tenzij het zelf dit mogt willen.

Het hangt derhalve van u alleen af, mijn kind, altijd dit goed te bezitten, een goed van

-ocr page 313-

277

zooveel gewigt, dat hot na den staat van genade, het grootste goed des lovons uitmaakt.

7. De leerliso. Zoo is het, o Heer Jesus, zoo is het inderdaad. Leer mij daarom, bid ik U, den weg van den heiligen vrede, dien Gij mij als zoo noodzakelijk en als zoo nuttig voor alles hebt aangetoond.

Jesus. mijn kind, vele menschen weten veel te spreken over de middelen om den vrede te verkrijgen en te behouden; doch ik zeg u: Leer van mij, dat ik zachtmoedig en nederig van Harte ben, en gij zult rust, het toppunt van den vrede vinden.

Vooreerst derhalve, is alleen een goed hart, dat in genade leeft en zich er op toelegt, om de deugden van mijn Hart na te volgen, in staat den waren vrede te bezitten; dewijl er geen vrede is voor de goddeloozen.

Vervolgens is een nederig hart, dat zich tevreden stelt de laagste plaats onder de menschen te bekleeden, en dat zich zeiven wantrouwend, in alle gebeurtenissen tot mij zijne toevlugt neemt, alleen in staat, om den onverstoorbaren vrede te bewaren.

Eindelijk kan alleen een hart, dat door de liefde bezield, met den goddelijken wil vereenigd of zeker daaraan onderworpen is, aanhoudend de zoetheid van dien heiligen vrede genieten en daarin veilig volharden.

En indien gij volkomen de gewaarwordingen mijns Harten overneemt, zoozeer, dat gij uit liefde voor volmaaktere gelijkvormigheid met mij en om jegens mij des te zuiverder uwe

reen jeer,

ad iw lat 3n.

e-

De iel n-

Ite o-kt

ze

Ki,

sn,

;e-en te

u

do el,

go

ilf jquot;

m

-ocr page 314-

278

liefde te toonen, gaarne overeenkomstig het goddelijk welbehagen met niij wilt lijden op deze wereld, dan mijn kind, zal u een overmaat van den zoetsten vrede toevloeijen en zult gij boven al de wisselvalligheden der zinnelijke wereld verheven een aanhoudende kalmte genieten en met een blij hart kunnen juichen; omdat hetgeen den vrede gewoonljjk het meest verstoort, juist strekken zal om hem meer en meer in u te bestendigen.

Ziedaar, mijn kind, den waren weg des vre-des, die trapsgewijze opklimt tot de volmaaktheid. Zalig zij, die dezen weg bewandelen! Op andere wegen is er geen vrede te vinden, die waar, die degelijk, die blijvend is.

Als gij geen hart bezit, dat goedgezind en aan den goddeljjken wil uit nederigheid en liefde onderworpen is, doe dan wat gij wilt, wend u, waarheen gij wilt, nergens zult gij het geluk van den vrede vinden.

Want wanneer het hart innerlijk niet goed gesteld is, dan kunnen noch de vlugt voor de gelegenheden, noch do verandering van plaats, noch de eenzaamheid des levens, noch geestelijke boeken, zelfs niet de raadgevingen der menschen den waren vrede verschaffen.

8. Denk er aan, mijn kind, dat de oorzaken der innerlijke onrust niet in de zaken buiten u, maar in uw binnenste en in de ongeregelde gesteltenis das harten zijn gelegen. Als gij de oorzaken in u niet laat voortbestaan, dan zullen de uiterlijke dingen ophouden voor u de gelegenheden tot onrust te zijn.

Vervolgens zijn de oorzaken van het verlies van den vrede zoo vele in getal als de ongeregelde

-ocr page 315-

279

neigingen uws harten. Zoodanige echter zijn niet slechts de neigingen tot kwade en nntte-looze dingen maar ook tot goede en heilige zaken, wanneer zij in strijd met het goddelijk welbehagen worden ingewilligd.

Zoodra gij dus iets in u ontwaart, wat ongeregeld is, houd dan aan met het gebed, met het bijzonder onderzoek en met andere geschikte middelen en werp het, met kalmte en kracht tevens, zoo spoedig mogelijk uit uw hart.

Hoe vele, ook goede zielen, zoeken met ijver den vrede, zij gebruiken verschillende middelen, die ook niet kwaad zijn, en evenwel vinden zij niets anders dan grooter onrust, omdat zij voortstreven op ongeregelde wijze, te zeer of te angstig uitzien naar het einde van de moeije-lijkheden, die zij ondervinden of naar het bereiken van den vrede, wanneer zij verzuchten, of zich zeiven verontrusten door het gebruik der middelen of door het verlangen, om den vrede met de zinnen te bespeuren!

Zoek den vrede met kalmte en bezit en behoud hem, die in het hooger gedeelte uws harten moet gevonden worden, waar de redelijke wil, door het geloof en de genade bestuurd, gebiedt.

Op deze wijze, mijn kind, kunt gij een heiligen vrede, mijnen vrede genieten, die het voorregt is van elk opregt leerling mijns Harten, die het zout is in den voorspoed, de balsem in den tegenspoed, de beknopte inhoud van alle goed, eindelijk die het noodzakelijk en aangename middel is om tot volmaaktheid en heiligheid te geraken.

-ocr page 316-

280

9. De leeeltsg. O Jesus, God des vredes en Vader van alle vertroosting! hoezeer wensch ik, hoezeer verlang ik den vrede — uwen vrede, dien zoeten en heiligen vrede!

Moge een ieder, wie wil, de overige goederen des levens bezitten; wat mij betreft, geet mij bid ik u, den vrede, dat levensgoed, wat voor mij het beste is, dat alles wat wenschelijk is voor mij, in zich bevat.

Verleen genadiglijk dat ik een goed gebruik make van de middelen die voorgeschreven zijn, en zoodoende een waar leerling van uw Hart worde, zachtmoedig en nederig van harte en altijd tevreden.

O! koning des vredes, zoetste Jesus! wiens genot het is, te heerschen in een hart dat zuiver en tevreden is, vestig uw rijk zoo in mijn hart, dat het nimmer verontrust worde, maar steeds meer en meer een hechten grondslag verkrijge, totdat Gij mij toelaat om met U in hemelscfae zaligheid te heerschen, waar Gij met de Engelen en Heiligen den scepter voert in een eeuwig-durenden vrede.

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

dat het allerheiligst hakt van jesus,

zijn openbaar leven beginnende, ons leeet te ijveren voor het heil der zielen.

1. Jesus. Mijn kind. God zond zijn Zoon in

-ocr page 317-

281

■ de wereld, opdat de wereld door hem gered zoude worden.

Wil u derhalve niet verwonderen, als de ijver voor de zielen mijn Hart onophoudelijk prangde en onophoudelijk prikkelde, om het rijk der goddelijke liefde in de harten der menschen uit te breiden op al de wijzen, welke mijn hemel-sehe Vader had voorgeschreven.

Tot nu toe had ik mij in de heilige eenzaamheid verscholen, om mij als het ware tot den arbeid voor te bereiden en aan alle leerlingen mijns Harten te leeren, eerst met zorg te ijveren voor zich zeiven, alvorens zij met vrucht hun ijver voor de naasten zouden kunnen aanwenden.

Zie eens hoe ik, mij zeiven heiligend, om de zielen te redden, herhaaldelijk en met ijver des Harten gewoon was voor haar te bidden, opdat zij voor haar Heer en God mogten leven, geen kwaad doen maar voortgang in deugd mogten maken!

Doch ik heb ook leerlingen en Apostelen tot mijne gezellen gekozen, die ik, na met den geest van mijnen ijver vervuld te zijn, bezielde; aan wie ik mijne plannen mededeelde, die ik met een blij Hart, met mij het heil der zielen ijverig zag behartigen.

Ik ging rond leerende en sprekende over het rijk van God in het bijzonder en in het openbaar alle gelegenheden ten nutte makend om de menschen tot betere gedachten te brengen.

Het voorbeeld mijns levens schitterde als een licht, dat de menschen in de duisternissen gezeten, was opgegaan. Immers ik trok, allen weldoende

-ocr page 318-

282

rond, aan een ioder de nederigheid en de liefde van mijn Hart vertoonend.

Hoezeer werden zij gesticht, lioezeer aangespoord, toen zij mij den geheelen dag tot hun voordeel en aan hunne zaligheid werkzaam zagen en bespeurden, dat ik daarenboven mij dikwijls van de menigte verwijderde, om een we'nig te bidden! als zij bemerkten, dat ik na den arbeid en de togten van den dag, waardoor de Apostelen zeiven vermoeid waren, dikwijls den nacht in gebed doorwaakte, terwijl zij in den slaap uitrustten.

Eindelijk, dewijl mij alle magt was gegeven in den hemel en op aarde, heb ik haar in het belang van den ijver mijns Harten, tot glorie van God, en tot heil der zielen aangewend en zoovele wonderen gewrocht als noodzakelijk en dienstig waren voor de zaligheid van allen.

Ziedaar, mijn kind, de middelen, die de ijver mijns Harten heeft gebezigd om zielen te winnen. Staan die zelfde middelen ook u niet ten dienste, in welken staat gij dan ook leven moogt ? Maak daarvan een ijverig gebruik tot glorie van mij en tot heil der zielen.

2. Veelvuldige gebeden, eenige verstervingen hoe klein, hoe ligt ook, sommige werken van godsvrucht of van barmhartigheid, ja zelfs geestelijke oefeningen, ook gewone bezigheden, bestier ze door den geest des gebeds, rigt ze tot dat doel, namelijk dat of wel mijne verlorene kinderen, die in een vreemd land van ongeloof, ketterij of zonde jammerlijk uitteeren, hunne vrijheid beter gebruiken en door een blijden terug-

-ocr page 319-

283

keer mijn Hart verkwikken; of dat de braven in de deugd voortgaan, onderling naar hoogere genadegaven dingen en volharden hun streven naar de volmaaktheid.

O, als gij eens wist, wat het gebed vermag voor do zaligheid der zielen ! Hoe vele personen, die een innerlijk leven leiden, ook zij die van den omgang der wereld verwijderd waren, hebben ieder in het bijzonder door het gebed alleen duizenden zielen aan het bijgeloof, aan de ketterij of aan de zonde ontrukt, en ter eeuwige zaligheid gevoerd! Begrijp mijn kind, waartoe gij door het gebed in staat zijt.

Indien gij eenigen door dien ijver bezield zult hebben, dan zijn zij uwe leerlingen en apostelen, die gij uitzendt, om zielen te zoeken.

Zoo zult gij veel vermogen, niet slechts door u zeiven alleen, maar ook door anderen; die ook wederom anderen bezielen en uitzenden; en zoo zal die zending voortduren van geslacht tot geslacht.

quot;Wees er op uit om dikwerf te spreken over dingen, die de godsvrucht ademen, die stichten en tot deugd aansporen. Hoe velen zijn er in den hemel, die hun eeuwig' geluk aan het een ot ander godvruchtig onderhoud te danken hebben!

Het is wol waar, mijn kind, gij moogt niet lastig worden, opdat gij uwen naaste niet veeleer van de deugd afschrikt dan hem daartoe overhaalt; doch de ware en vurige ijver weet heilige kunstgrepen te gebruiken, om de geschikte gelegenheden tot godvruchtige zamenspraken in 't leven te roepen of aan te grijpen.

-ocr page 320-

284

Van wonderbare uitwerking is het goede voorbeeld. Dit verleent aan de overige uiterlijke middelen het leven en de kracht. Neem dit weg, en wat zullen zij dan kunnen uitwerken ? wel de zinnen overschreeuwen, ja, maar niet het hart kunnen roeren.

Vertoon derhalve in het voorbeeld uws levens de onvergelijkelijke zoetheden mijner liefde; toon den naaste, dat hij, die mij met liefde dient, ook op deze wereld het gelukkigste is. Dwing zoo in zekere mate den naaste, om eens te beproeven en te smaken, hoe zoet de dienst mijns Harten, hoe zoet de dienst mijner liefde is.

En indien gij ook al geen mirakelen doen kunt door de algemeene wetten der natuur op te heffen, gij kunt evenwel wonderen wrochten door uwe medewerking met de goddelijke genade. Hoe dan? Is het niet wondervol, ja verbazing wekkend, uit zuivere liefde voor mij, uw eigenbelang te laten varen om het welzijn van anderen te bevorderen, kwaad met goed te vergelden, u met mij in vernederingen gelukkig te achten.

Mijn kind, deze en dergelijke wonderen der genade hebben somtijds plotseling harten getroffen en tot betere inzigten bekeerd, die aan alle overige middelen weerstand hadden geboden.

3. Zijt overal en altijd, mijn kind, een ijveraar voor de zielen, zoodat ieder, die u ontmoet, eene aansporing tot deugd of volmaaktheid van u ontvange.

Geloof niet, dat gij een waar leerling van mijn Hart zijt, als gij den ijver, den werkdadigen wil, om de zaligheid en de volmaaktheid der

-ocr page 321-

285

zielen te bevorderen, niet bezit. quot;Wilt gij echter met de daad bewijzen, dat gij mijn Hart waarlijk bemint en navolgt, kweek dan een brandenden ijver aan.

Wat kunt gij voor mijn Hart aangenamer doen dan mede te werken aan de zaligheid en de vervolmaking der zielen, die geschapen zijn, om mij in de eeuwigheid te beminnen en te verheerlijken.

Als gjj slechts eene ziel in den hemel brengt, verschait gij mij meerder glorie, dan alle mensehen te zamen mij ooit op aarde hebben bewezen of nog bewijzen kunnen. Immers welke glorie de stervelingen mij ook op aarde brengen, zij wordt beperkt door het getal daden, waarvan eene eindelijk de laatste is; doch de glorie, welke eene zalige ziel in den hemel mjj aanbrengt staat, omdat zij altoos voortleeft, gelijk aan een getal daden, waaraan in eeuwigheid geen einde zal komen.

Bemerk eens wel, mijn kind, hoe hoog ik de zaligheid der zielen heb geschat, dewijl ik uit den hemel ben nedergedaald, altijd daarnaar onder aanhoudenden en zwaren arbeid en tegenspoed getracht heb, en eindelijk zelfs mijn leven daarvoor heb gegeven.

O, als gij eens de waarde eener ziel kendet, van welken ijver zoudt gij gloeijen voor hare zaligheid! Leer uit den prijs, dien ik voor haar betaald heb, hare waarde kennen.

Eed eene ziel, en zie gij hebt iets onvergelijkelijk kostbaarders verrigt, dan wanneer gij geheel deze wereld met al hare goederen hadd-ot gewonnen.

-ocr page 322-

286

Mijn kind, als gij de ziel uws naasten zult gered hebben, hebt gij uwe ziel bevrijd ; want wie den zondaar van zijn dwaalweg zal hebben doen terugkeeren, zal zijne eigene ziel van den dood gered en een menigte van zonden bedekt hebben.

quot;Welke vreugde, mijn kind, zal het voor u zijn, na dit leven in den hemel uitverkorenen te zien, die, naast de genade, aan u of wel do he-melsche zaligheid, of wel een verheven trap van heiligheid en daaraan beantwoordende eeuwige glorie verschuldigd zijn ; en die gedurende de eeuwigheid u duizende dankbetuigingen zullen wedergeven !

Ja waarlijk, mijn kind, medewerken aan do zaligheid en de volmaking dor zielen is niet slechts het beste van alle menschehjke werken; maar het is inderdaad ook de meest goddelijke Tan alle goddelijke handelingen.

4. Bid herhaaldelijk, dat uw hart moge bezield worden met den waren ijver, die door de nederigheid gesteund, door de lielde geprikkeld, door de wetenschap gevormd, door de voorzigtigheid bestuurd en door do volharding bevestigd wordt.

Zie toe, dat gij u niet laat bezielen door een ijver, die niet krachtens de genade in een nederig en zachtmoedig hart, maar krachtens de natuur in eerzucht of anderen hartstogt zijn oorsprong heeft.

Die door zulk een verkeerden ijver geleid wordt, zal de zonden vermenigvuldigen terwijl hij ze tracht uit te roeijen en brandend van verlangen om anderen te verbeteren zal hij hunne harten nog meer bederven.

Leg er u op toe, om zooveel gij redelijker

-ocr page 323-

287

wijze kunt, overal het kwade te verbeteren en het goede te bevorderen. Doch als gij doet, wat in uwe magt is, verdraag dan met geduld datgene, wat gij niet veranderen of verbeteren kunt, alles toevertrouwend aan mijne goddelijke Voorzienigheid en biddend, dat alles eindelijk moge strekken tot mijne meerdere glorie.

Indien uw ijver bij eene eerste poging niet slaagt, beproef het ten tweede en ten derde male, mijn kind. Want het gebeurt, dat de mensehen naar den boozen geest luisterend of door de laauwheid in slaap gesust met moeite terstond het oor aan het betere leenen; maar later als de goede Geest door inwendige wroeging het gehoorde heeft herhaald en hen innerlijk overtuigd heeft, dan keeren en geven zij zich ten goede, gedrongen door den ijver van den ijveraar en bewogen door de genade.

Zoolang als ik den mensch afwacht, zoolang als ik hem verdraag in dit leven, moet men nimmer omtrent hem wanhopen. Is hij nog een onge-loovige, hoe weet gij of hij niet weldra een geloovige zal worden ? Is hij nu nog een ketter, hoe weet gij of hij niet binnen korten tijd de katholieke waarheid zal volgen ? Is hij thans een scheurmaker, morgen kan hij weder met de Kerk vereenigd zijn.

Paulus was des morgens een vervolger der Kerk, des avonds was hij een uitverkoren vat. Mag-dalena was op zekeren dag eene zondaresse der stad, den volgenden dag was zij een voorbeeld van alle deugden en de seraphijnsche beminna-resse van mijn Hart.

-ocr page 324-

288

Hoe velen, die ■wanhopend schenen in dwaling en zonden, zijn bekeerd en hebben het gelukkig leven der genade in deze wereld en in de toekomst het zalig leven der glorie gevonden? Zou dan eindelijk de magt der genade verminderd zijn ? Is dan de vrije wil des mensehen vernietigd?

5. En indien, ondanks uwe inspanning, de mensehen zich niet willen verbeteren, wil dan daarom den vrede des harten niet verliezen.

Neen volg de heilige Beschermengelen na, die na gedaan te hebben wat zij moesten en konden doen, zonder dat de mensehen, aan hunne zorgen toevertrouwd, tot inkeer kwamen of volmaakter werden, evenwel even kalm, even gelukzalig blijven.

Indien sommigen van de pogingen van uwen ijver in het belang hunner zielen geen gebruik willen maken, dan zullen niettemin die pogingen van u niet zonder belooning blijven, dewijl de werkdadige wil bij mij evenveel geldt als do goede uitslag.

Aan u behoort het, de planten der genade te besproeijen, niet er den wasdom aan te geven. Besproei ze dan, werk met ijver en hetzij gij wasdom bespeurt of niet, nimmer zult gij zonder vrucht noch zonder eer voor mij arbeiden.

6. Intusschen moet gij, mijn kind, zorg dragen dat, terwijl gij arbeidt om anderen zalig of volmaakt te maken, gij zelf niet verloren gaat of wat do volmaaktheid betreft, nalatig wordt.

Geloof in uw hart, dat zij, wier geestelijk welzijn gij tracht te bevorderen, reeds beter zijn dan gij of dit eenmaal zijn zullen; wat u echter

-ocr page 325-

289

aangaat, acht u zei ven, wat goeds er ook door u in de ziele worde voortgebragt, niet meer dan een metalen schol, die zonder kracht van buiten niet in staat is eenig geluid te geven.

Hoe zuiverder gij mij tot uw dool kiest, hoe nederiger gevoel gij van u zelvon hebt, des te geschikter zult gij zijn om het heil en de volmaaktheid der zielen te bevorderen.

Trouwens dergelijke werktuigen, die in hun eigen oogeu onbeduidend schijnen, heb ik uitgekozen om mijne wonderen te wrochten, opdat niemand zich beroeme op eigene kracht maar aan mij alle roem on alle eer schenke.

7. De leerling. Het is dus niet genoeg, Heer Jesus, als ik U alleen bemin, maar ook anderen moeten U liefhebbon, allen moeten U beminnen. Gij verdient bovenal en in alle opzichten do liefde van alle harten.

O Jesus! als alle menschen ü kenden, zouden zij U dan ooit beleedigen? Zouden zij U niet uit geheel hun hart beminnen?

Welke zoete taak, harten te winnen voor U! Welke engelachtige bezigheid! welk een goddelijke arbeid!

Wie dan geeft hot mij, geheel de aarde te doorkruisen, om harten te rooven en ze met liefde tot U te ontvlammen!

Mogt ik, allerzoetste Jesus, alle harten bezitten , om zo ü too te wijden, en ze aan uwe liefde ten offer te brengen !

Aanvaard, bid ik U, hot verlangen mijns harten, waardoor ik wensch U zooveel liefde van de stervelingen op aarde te kunnen ver-

19

-ocr page 326-

290

schaffen, als mve Engelen en Heiligen U in den hemel schenken.

Moge ik, ik smeek het U, een apostel worden van uw Hart, opdat ik uwe liefde overal verspreide , opdat ik alle moeite, alle vlijt en alle middelen met een edelmoedig en zorgzaam hart aanwende en mij zelven ten offer brenge voor de zielen, opdat zij U eens mogen beminnen en verheerlijken gedurende geheel clc eeuwigheid

ACHTTIENDE HOOFDSTUK,

dat het alleeheiligst haut van jesus door zijne tegenwoordigheid bij de ekuiloft te kana ons de geestelijke blijdschap leert.

1. Jesus. Mijn kind, dewijl ik tot zaligheid van allen was gekomen, ben ik alles voor allen geworden, om allen te winnen.

Als een blij licht, dat een ieder welkom is en alom warmte en bezieling verspreidt, zoo was ik het licht der wereld; zoo mijn leven, dat een toonbeeld van vreugde des Harten, van liefde en van opgeruimdheid, aanbood.

Onderzoek het, mijn kind, in al zijne deelen, nooit zult gij bevinden, dat ik terugstootend was of uit gemelijkheid de menschen schuwde of van mij deed vlugten; neen overal zult gij mij opgewekt en vol vreugde overeenkomstig het goddelijk welbehagen met de menschen zien

-ocr page 327-

291

quot; verkoeren, en alles door mijnen geest zien bezielen on heiligen.

Ja zelfs heb ik aan de uitnoodiging om met mijne Moeder en leerlingen op eeno bruiloft te verschijnen gehoor gegeven en in de vreugde heilig deel genomen, elke gelegenheid aangrijpende om zielen te winnen, de deugd en de ware blijdschap des harten te eeren.

Uit het voorbeeld mijns Harten hebben de Heiligen geleerd de geestelijke blijdschap aan te kweeken, en daardoor den naaste to stichten en mij met een vrolijk hart te dienen.

Zij wisten, dat ik een goed Vader ben en hoezeer ik wensch, dat mijne kinderen leven niet een opgeruimd hart, tevreden en gelukkig in hunne deelname aan mijne goederen.

Overweeg dit, mijn kind, volg dit na. opdat mijne vreugde in u wone.

2. Zie eens, van hoeveel belang die geestelijke vreugde is, en wat zij uitwerkt! Wat toch verschaft mij meerder eer hier op aarde dan de dienst, dien men mij met een blijmoedig hart bewijst, en het bewijs, daardoor aan geheel de wereld geleverd, dat mijn dienst vol zoetheid on geluk is!

Daarenboven is de ware blijdschap het sieraad der deugd, zij ruimt de moeijelijkheden uit den weg, verligt den arbeid, verheldert het verstand, bezielt den wil, kortom maakt den mensch waarlijk geschikt tot alles.

Zonder de vreugde des harten, brengen alle goederen buiten ons weinig geluk aan, zonder haar verstompen do vermogens der ziel, kwijnt

-ocr page 328-

202

zelfó liet 1 igehaam on is do mensch ook in voorspoed ongelukkig.

Door do beoefening dor geestelijke blijdschap maakt gij u dierbaar aan mij, dio den blijmoe-digen gever liofliob; gij maakt u nuttig jegens den naaste, dio op aangename wijze ton goede wordt aangeprikkeld; eindelijk zijtgjj voordeelig voor u zolven, omdat gij door die oëne oefening vele oefeningen van deugden vorrigt.

quot;Wat nog meer! Zie, wie is de mensch, die het leven wil bezitten en goede dagen zien? Deblijd-seliap des harten, dat is het leven des nienschen, on de goode, do beste dagen zijn die, welke gesleten wordenin de goddelijke genade,die als het ware het paradijs te midden van zegeningen uitmaakt.

Doch het voornaamste herkenningstoekeu de;' genade is do geestelijke blijdschap.

Derhalve is do vreugde het geluk dor gereg-ten voor het tegenwoordige en het voorteekou dor eeuwige zaligheid.

3. Wat is echter de geestelijke blijdschap, tenzij de goede gesteldheid der ziel, dio zich om mijnent willo waarlijk tevreden toont?

Zij heeft dus niet in de natuur maar in ue gonado haren grondslag, zij is niet van de gesteldheid van inborst, maar van do gezindheid des harten afhankelijk; zij hooft niet hot zinnelijke maar hot geestelijke tot voorworp.

De blijdschap der wereld is verderfelijk, leidt tot droefgeestigheid on bittere wroeging des gewetens; want de natuurlijke blijdschap is onbestendig en herhaaldelijk aan droothoden onderhevig doch do geestelijke is duurzaam en zaligend.

-ocr page 329-

293

Dezo heiligo Llijdseliap wordt door liet hart, dat van goeden willo is, met belnilp der gonado in het loven geroepen, zij wordt verhoogd dooide vurige godsvrucht, bevestigd door do overwinning, die men over de neiging dor natuur behaalt.

4. Do duivel, do minnaar der droefgeestigheid, wetende hoeveel afbreuk dio geestelijke vreugde hem doet, is er altoos op uit, om haar op aller hando wijze to bestrijden door valsche redeneringen te vernietigen of wol door ijdele spitsvondigheden te verminderen.

Mijn kind, wacht u, dat gij u niet in zijne strikken laat vangen. Als gjj aan dier. bewerker der droefheid voet geeft, dan zal het hem niet genoeg zijn u van do heilige blijdschap beroofd to hebben, maar u gestemd ziende volgens zijn verlangen, zal hij den gevaarlijksten van aile aanvallen op u wagen en u bekoren.

quot;Wat hij u ook ingove, wat er ook gobeure, wil do droefheid, die uw hart ter nedorslaat, niet in u toelaten. Dio verderfelijke pest doet uwo beenderen verdorren en uw verstand verduisteren. Waar zij heerscht, daar regeert het gezond verstand niet. Ja, die droefheid des harten is eono kwaal, dio alle anderen in zich sluit.

Het kan somtijds gebeuren, mijn kind, dat gij u tot een zekere lusteloozo droefgeestigheid geneigd gevoelt, niet wetende van welken kant gij daartoe wordt gedreven. Als dat gebeurt, bid dan, bid andermaal, wek zoo veel gij kunt uwen ijver op, maak gebruik van andere geschikte middelen, om do heilzame vreugde des harten te bewaren.

-ocr page 330-

294

5. Herhaaldelijk overkomen n tegenspoeden en onaangenaamheden, die u natuurlijker wijze aandoen. Als gij toelaat dat deze uw hart bedroeven, dan gij zult ze nog zwaarder maken; integendeel gij zult ze verligten, als gij uw hart blijde houdt. Keer zo derhalve zoo veel gij kunt, ton eeuwigen voordeele uwer ziel, en, den geest van die onaangenaamheden afwendend, verblijd u op bovennatuurlijke wijze over de groote winst, die gij er uit kunt trekken.

Doch wat vooral do geestelijke blijdschap in eene brave ziel gewoonlijk belet, dat zijn do fouten, die zij bedrijft en zonder welke zij weet niet te kunnen leven. Zie, dat is eene begoocheling, eene misleiding van den vijand, waardoor hij den onervarenen gewoonlijk zeer veel schade toebrengt.

Het ligt alleen aan u, mijn kind, om die fouten, wanneer zij eenmaal bedreven zijn, tot uw voordeel en dus tot blijdschap van uw hart te doen verstrekken. Immers het is van groot belang, ja zeer verdienstelijk, van den eenen kant terstond uit liefde tot mij de begane fouten te betreuren en van don anderen kant over de vernederingen, welke uit die fouten voortspruiten, u te verheugen, om daardoor mijne eer te herstellen.

Eindelijk, mijn kind, welke hinderpalen gij ook ontmoet, laat niets van hetgeen gij eenmaal met een goed dool hebt begonnen, achterwege om aan die lastige droeiheid te ontkomen. Zie echter wel toe, dat gij, do droefheid op een punt ontvlugtend, haar niet op een ander punt te

-ocr page 331-

295

gemoet loopt. Wil derhalve om haar te vermijden u niet overgeven aan verstrooijing , aan nalatigheid in uwa geestelijke oefeningen of aan belangstelling in zinnelijk genoegen. Het einde toch van dergelijke vreugde is bitter naberouw.

6. Mijn kind, als gij eenmaal in staat van genade verkeert, dan is de korte inhoud der middelen om do geestelijke blijdschap te genieten en te bewaren deze: dat gij zachtmoedig en nederig van harte zijt uit liefde tot mij.

Zijt waarlijk nederig en nimmer zult gij neer-slagtig zijn; bemin mij met vuur, en gij zult altijd een opgeruimd hart bezitten.

Als gij aan de neiging of den weerzin der natuur gehoorzaamt; als gij in hetgene mijn dienst van u eischt, laauw of nalatig zijt, dan kunt gij do ware vreugde des harten niet proeven noch beziten, mogt gij ook alle genoegens der aarde ter beschikking hebben.

Doch er zijn ook uitwendige middelen , om de blijdschap des harten te bevorderen: de heilige poging, om de geestelijke blijdschap in eere te houden, het godvruchtig zingen van lofzangen en liederen, het gezelschap van geestelijk blijde personen ; lust in den arbeid; onderworpenheid in lijden; heilige vrijheid in onze wijze van voortgaan.

Bid, mijn kind , en span uwe krachten in, opdat gij die middelen wel gebruiken en alzoo de ware blijdschap des harten genieten moogt, met welke alle andere vreugde vergeleken , slechts kommer, alle blijdschap droefheid, alle zoetheid bitterheid is.

Dit is mijne blijdschap, mijn kind, verheug u

-ocr page 332-

296

daarin altoos; nogmaals zeg ik u, verheug u daarin.

7. De leerliis'G. O Jesus! wiens hart een onuitputtelijke bron van honingzoete blijdschap is, waaruit hemel en aarde schept, waar, anders dan in U, zal ik de ware blijdschap des harten vinden?

O liefste Jesus! die vol vreugde ontfermt, ontferm U mijner, die uw onwaardig kind ben, en vervul mijn hart met heilige vreugde.

Zonder U is mijne ziel als eene aarde zonder water, dor en ellendig; Gij alleen zijt ware en krachtige verkwikking.

Als uwe innerlijke verkwikking oubreekt, dan is alles, wat de natuur kan schenken, smakeloos, doch als Gij het hart verblijdt dan juicht mijne ziel en draagt zij wegens die blijdschap alles met gemak, alles vindt zij smakelijk en zelfs het bittere bevindt zij zoet te zijn.

Verblijd zoo, smeek ik U, altijd mijne ziel. Geef mij eene nederigheid zoo hecht; dat ik nimmer neerslagtig worde; verleen mij zulk eene liefde en zulk een ijver, dat ik altoos met een opgeruimd gemoed voor U leve.

O Jesus. Beminde mijner ziel, mijne eenigé maar ook al mijne vreugde! moge ik met zulk een blij hart U dienen, dat ik uwen dienst tot eer verstrekke, den naaste stichte en mij zeiven heilige tot eeuwige vreugde uws Harten.

-ocr page 333-

297

NEGENTIENDE HOOFDS^OK.

dat het allerheiligst haet van jesus, tekkeeeende met de menschen, 0x!3 leert de gebreken van den naaste te verdragen.

1. Jesus. Mijn kind, zoolang ik op aarde zigtbaar rondwandelde cn met de menschen omging, verkeerde ik te midden van een bedorven geslacht.

Hoeveel hoovaardigheid cn ontrouw, hoeveel onzuiverheid en onregt meent gij wel, dat ik, de doorziener der harten, zag in het binnenste der menschen, die geen smaak meer gevoelden dan voor de wereld en voor zich zeiven!

Hoe deden de schuldige onwetenheid, de ban-delooze vrijheid, do vergetelheid omtrent het hemelsche, de zorg voor het aardsche, de ver-waarloozing der deugd cn de zegepraal der ondeugd mijn Hart aan !

Vergelijk mij, mijn kind, met die menschen! mijne nederigheid met hunne aanmatiging en ijdclheid; mijnen iiver met hunne onverschilligheid en verstoktheid; mijne weldadigheid met hunne gevoelloosheid en ondankbaarheid; mijne liefde met hunne verdooving en verachting, in één woord al mijne deugden met hunne gebreken en ondeugden.

En begrijp dat, welke gesteltenis des Harten ik hun kennelijk maakte. Zio hoedanig zij dan ook waren, toch ging ik voort met hen te leven, met hen te spreken, onder hen te verwijlen

-ocr page 334-

298

zonder klagten of verontwaardiging des Harten, ja zelfs mij tevreden toonend.

Als gij deze levenswijze goed overwogen zult hebben, leer dan jegens den naaste dezelfde gevoelens des harten te betoonen.

■ 2. Gij, mijn kind, en al uwe naasten moet allen als kinderen van een zelfden hemelschen Vader, als allen vrijgekocht voor den zelfden prijs mijns levens, door don zelfden band van liefde des heiligen Gcestes tot oen eeuwig huisgezin voreenigd worden.

Trouwens allen zijt gij geroepen tot het zelfde rijk der hemelen, om daar, in volmaakten vrede, zalig te zijn, blijde wegens eene eeuwige ver-eeniging.

Zie derhalve wel toe, dat gij eensgezind zijt op uwen weg daarheen, opdat gij later niet buitengesloten cn aan de helsche kwelgeesten worde t overgeleverd.

Dit is mijn voorbeeld, ja dit is mijn gebod, dat gij elkanders lasten draagt, u wederkeerig lief hebt, zoo als ik u heb lief gehad, met eene bovennatuurlijke, alles omvattende en werkda-dige liefde.

Indien gij mij bemint, onderhoud dan dit gebod. Als gij het vervult, dan zult gij blijven in mijne liefde.

Die zijn broeder haat is een moordenaar: hij doodt zijne en zijn eigen ziel. Die vergramd wordt op zijn broeder zal schuldig zijn voor het gerigt. Die niet vergeeft, hem wordt niet vergeven. Die niet verdraagt, hij zal niet verdragen worden. Met dezelfde maat namelijk.

-ocr page 335-

299

waarmedej gij zult hebben uitgemeten, zal u worden ingemeten.

3. Denk er aan mijn kind, dat gij niet ouder Engelen leeft maar onder mensehen, die hier op aarde niet zonder gebreken kunnen zijn.

Wil u derhalve niet verwonderen als zwakke stervelingen dwalen of vallen ; maar verwonder u er over, dat, terwijl gij zelf vele gebreken hebt, welke anderen van u moeten verdragen, gij u somtijds durft verontwaardigen over de gebreken van anderen.

Als gij het gebrek van een ander niet verdraagt , misdoet en verraadt gij daardoor juist niet uw eigen gebrek?

Weet wel; ik laat somtijds toe, dat de mensehen terwijl zij het regte voor hebben en het goede beoogen, elkander weerstreven, opdat daardoor zonder zonde gelegenheid verschaft worde elkanders gebreken te verdragen, hechte deugd te oefenen en verdiensten te vergaderen.

Leer uit u zeiven begrijpen; wat uwen naaste toekomt. Behandel anderen zooals gij zelf wenscht behandeld te worden, en wat gij niet wilt, dat u geschiede, doe het ook niet jegens anderen.

Hebt gij zelf niet vele dingen, mijn kind, waarvan gij u zoudt wensehen te ontdoen en waarvan gij bij eigen ondervinding geleerd hebt, dat gij u niet ontdoen kunt? Wat gij dus in u zeiven tegen uwen zin duldt, verdraag dat ook in anderen van wie gij, slechts eenige nederigheid en liefde bezittend, denken zult, dat ook zij hunne gebreken tegen hunnen zin dragen.

4. Er zijn er, die zeer gaarne gebreken ver-

-ocr page 336-

300

dragen van hunne vrienden en van lien , die in neiging en zeden met hen overeenstemmen , doch ligtelijk beleedigd worden door do gebreken van anderen. Maar welke deugd is daarin gelegen? Doen dat ook de heidenen niet ? Ja waarlijk zijn ook zelfs do redeloozo dieren ten laatste niet gewend dat te doen ?

Hoo kunt gij mijn leerling zijn, als gij hei-densche gevoelens in u draagt of hot instinct der dieren involgt?

Beziel u mijn kind, met de bovennatuurlijke liefde mijns Harten, waardoor ik zoowel vijanden als vrienden verdragen en bemind heb tot den dood toe.

Verdraag derhalve allen, bemin allen zonder uitzondering, niet lettend op louter natuurlijke beweegredenen.

Bid voor hen , die u vervolgen en lasteren; zegen , die u vloeken , doe wel aan die u haten; overwin het kwade door het goede.

Haat het kwaad, dat bedreven wordt, doch wacht u den mensch to haten , die het bedrijft. Hoezeer gij ook de zonde van den mensch verfoeit , toch zijt gij verpligt om don mensch zeiven te beminnen.

5. Do Heiligen, die niet de stom der natuur maar die der genade volgden, hadden in die mate de gevoelens mijns Harten overgenomen, dat zij niet slechts een ieder in het algemeen, maar ook eiken vijand in het bijzonder duldden en lief hadden.

En dezen, mijn kind, waren menschen en bezaten een natuurlijk gevoel zoo als gij ; doch zij

-ocr page 337-

301

ovcnvonnon do natuur on ook ondanks de natuur wedijverden zij edelmoedig in de navolging van mijn voorbeeld.

Welaan mijn kind , mood gevat, zoo als liet een leerling mijns llarton past, en volg die grootmoedige en edele zielen na.

Wanneer gij over het gebrek mvs naasten verontwaardiging in u voelt opwellen, zwijg dan en laat aan uwen mond niets ongeregelds ontsnappen , waardoor gij don naaste en u zeiven schade toebrengt.

Bid van harte voor hom ; doeli wond volhar-dend uwen geest af van do herinnering zijner gebreken.

Wil nimmer moede worden uwen naaste te vergeven, zijne gebreken te verdragen, hem op bovennatuurlijke wijze te beminnen bijaldien gij mijn Hart van harte wilt navolgen.

Hebt gij vole en groote dingen van anderen to verdragen, herinner u mijn kind, dat ik veel meer on voel grooter in u geduld heb.

Zie ouno schuld van tien duizend heb ik ubarm-hartiglijk kwijt gescholden; moet gij dan ook geon medelijden hebben met uwen medoknecht , zooals ik medelijden met u heb gehad?

Herinner u eons, mijn kind, hoe langen met welke goedheid des Harten ik u verdragen heb en nog verdraag ; en leer daaruit hoe en hoelang gij uwen naaste moet verdragen.

fi. bk leeruxg. O Jesus ! Hoe lankmoedig en goedgunstig zijt Gij jegens mij geweest enzijt Gij thans nog'. Hoo kan ik dit in mijn geheugen terugroepen en niet sclireijen van liefde en dankbaarheid

-ocr page 338-

302

Hoe ellendig ik ook ben, altoos vind ik uw Hart voor mij geopend; en evenwel, ik belijd het met schaamte, is mijn hart somtijds gesloten voor den naaste.

O Jesus, zachtmoedig en nederig van Harte! die weet hoe weinig ik bereid bon om de go-breken des naasten te verdragen, juist omdat ik mij zeiven te veel acht en bemin, stort, smeek ik U, in mijn hart do nederigheid en liefdo uws Harten, opdat ik eiken naaste uit liefde tot U bcminnc als mij zeiven.

Verleen mij de genade, om zoo dikwerf als ik gebreken van anderen zie, mij boven de natuur te verheffen, en mij door een bovennatuurlijk beginsel to laten bewegen tot medelijden en niet tot verontwaardiging, tot gebeden voor hem en niet tot afgekeerdheid.

Schenk ons, beminnelijkste Jesus, uwen Geest, den Geest der liefdo, opdat wij elkander beminnen en leven vereenig,! door een heiligen vredo, totdat wij zullen birinengaan in uw rijk der eeuwige liefde.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

dat het allerheiligst hart va^i jesus, in den grootsten eenvoud met allen handelend, ons de heilige eenvoudigheid jegens den naaste leert.

1. Jesus. Mijn kind, toen ik onder de men-

-ocr page 339-

303

schen verkeerde, trok dit hunne verwondering', wekte dit hunne verbazing, dat ik met zooveel eenvoudigheid ten opzigte van allen en een ieder der stervelingen handelde.

Doch dat was een geheim mijns Harten. Want mijn hart dat God bemint en met do zelfde liefde al het overige bemint, is immers eenvoudig, allen in één en één in allen omvattend.

Deze eenvoudigheid des Harten, die ik jegens de menschen aan den dag legde, de beeltenis van mijnen Geest, de liefde, die in zich zelve niet verdeeld is, die met velen bezig toch zelve altoos een blijft.

Ja, deze eenvoudigheid is het, die God en de menschen bemint door een zelfden Geest, die do men-sehelijke ellende en voorspoed beschouwt, het kwade wegntemt en het goede bevordert, verschillende werken voltooit, aan de verschillende inborstcn en gesteltenissen der menschen te go-moet komt, vele en verschillende omstandigheden over het hoofd ziet, zich zelve gelijkblijvend; en dat alles in den zelfden G eest.

Door die allerlieflijksto deugd werden de menschen wonderlijk getroffen. Nooit toch hadden zij zooveel eenvoud met zoo voel waardigheid vereenigd, [zulk eene spraakzaamheid, die steeds dezelfde was, aan zulke wondervolle kracht gepaard gezien of zich voor den geest gesteld.

Voorwaar niets dubbelzinnigs, niets geveinsds was er in mij, geen gemaakte verhevenheid van woorden, geen gekunstelde wijze van handelen.

Maar aan allen scheen de wezenlijke eenvoudigheid mijner ziel, de beweegreden mijner han-

-ocr page 340-

304

delingen toe als een spiegel van de opvegtheid mijns Harten.

Van daar, mijn kind, kwamen de menschen om strijd tot mij on stortten zij hun liart voor mij uit. De kinderen zelfs kwamen toegoloopcn; en zie ook dezen liet ik tot verwondering der menschen, tot mij konion, en hen vriendelijk toesprekend en vurig voor hen biddend, vervulde ik hunne blijde harten mot liefde voor de deugd.

2. Mijn kind, leer uit mijn voorbeeld de heilige eenvoudigheid jegens uwen naaste, hetgeen voor u niets anders is dan uwe gedachten, woorden en werken af te leiden uit de eenc goddelijke liefde; en dc gedachten, woorden en werken van anderen tot die zelfde liefde terug to brengen.

In mijn Hart derhalve, het middelpunt dei-liefde, moet elke naaste beschouwd en bemind worden.

Die zijn naaste beschouwt buiten mijn Hart, verdeelt ligtelijk zijn hart in verschillende genegenheden, die louter natuurlijk zijn, of wel hij regelt het voor oen gedeelte naar menschelijke oorzaken of invloeden.

Doch die de menschen beschouwt en bemint in de liefde mijns Harten, hij ziet met oen eenvoudig oog in allen slechts een, hij bemint in allen slechts één niet zuivere liefde, hij heeft geen geveinsd noch oen verdeeld hart.

3. Zijt derhalve zoo eenvoudig in uw oogen en gedachten ten opzigte van al hetgeen tot den naaste behoort; en wil door ligtvaardigo oordeelvellingen uw hart niet verdoelen.

-ocr page 341-

305

Wie heeft u aangesteld tot regter van uwen naaste? Van waar ontvangt gij het regt om hem te veroordeelen! Hoe durft gjj hem in uw oordeel verwerpen, wien ik met mijn Hart bescherm, wien gij verpligt zijt als een broeder te beminnen, die eindelijk in mijn oog veel beter is dan gij zelf, of in do eeuwigheid het zijn kan?

Mijn kind, gij zijt niet te verontschuldigen, als gij ligtvaardig oordeel velt. Immers als gij een ander zoo vonnist, oordeelt gij dan niet u zei ven? Want als gij hem.ligtvaardig straf schuldig verklaart, dan maakt gij u daardoor tevens aan straf schuldig.

\\ il evenwel niet eene inblazing mot een vermoeden of oen vermoeden met een oordeel verwarren. De inblazing is een vijandige ingeving, die van den menschelijken wil niet afhangt en dus, als de wil er niet in toestemt, ook niet strafschuldig is. Doen een vermoeden, wat is het anders tenzij uit twijfelingen en onbeduidende teekenen zoo ver komen, dat men iets waarschijnlijk of als bijna zeker meent en het daarvoor houdt? Oordeelen echter is op grond van voldoende redenen besluiten en gelooven, dat iets zeker is.

Wanneer er derhalve voldoende reden voor ons vermoeden of voor onze oordeelvelling aanwezig is, dan is ook het vermoeden on het oordeel niet ligtvaardig noch strafbaar.

En indien aan ons vermoeden of oordeel do voldoende reden ontbreekt, doch wij niet bespeuren, dat zjj ontbreekt, dan is de dwaling onoverwinnelijk en schuldeloos.

20

-ocr page 342-

306

Ja, indien gij de zorg over anderen hebt, dan is het niet slechts geoorloofd maar als er waarschijnlijke teekenen van kwaad worden geleverd, dan zijt gij verpligt, om uwe ondergeschiktan te verdenken en het kwaad, indien er iets ontdekt is, met voorzichtigheid uit te roeijen.

Overigens, mijn kind, welk teeken, welk woord of welke daad gij ook in uwen naaste bespeurt, leg het altijd ten goede uit; kunt gij het om de een of andere reden in uwen geest verontschuldigen, verontschuldig het dan; als gij niet de minste reden van verschooning ziet, berisp het dan met een woord der liefde, of door een teeken van afkeuring, als de voorzigtigheid namelijk dit gedoogt en er zekere vrucht is te verhopen.

O mijn kind! de heilige eenvoudigheid der liefde denkt geen kwaad, en treurt er niet over als zij zich vergist en onschuldig ook van het kwade goed denkt.

4. Zijt ook eenvoudig in uw spreken, mijn kind. Dat de tong uw hart niet verdeele zooals de wereld doet, die met den uiterlijken schijn tevreden, zich trotsch beroemt de kunst van veinzen en ontveinzen te bezitten.

Wat u betreft, deel van de schatten, die uw welgemeend hart bevat, goederen uit aan uwen naaste.

Verre zij dus van uwe gesprekken alle list, alle dubbelzinnigheid, al het gekunstelde, waardoor de naaste valschelijk misleid wordt of waardoor hij begint te wantrouwen uit vreeze voor verberging der waarheid, of waardoor hij geërgerd

-ocr page 343-

307

wordt wegens duidelijke teekenen van stilzwij-gondü bedorvenheid of ten laatste, waardoor li ij wegens ligtgeloovigheid schade lijdt.

Mijn kind, uw hart meene, wat uw mond spreekt. Moeten derhalve de ongeregelde bewegingen der hartstogten, die gij inwendig bespeurt, ook uiterlijk worden weergegeven? Wacht u dit te beweren; wacht u wel dit te gelooven; want die bewegingen moeten niet slechts door don mond maar ook door het hart onderdrukt worden.

Zijt dezelfde voor allen; de ware en heilige eenvoudigheid toch is spraakzaam voor een ieder altoos beminnelijk, overal zich zelve gelijk.

Wil wegens zaken, die onverschillig zijn en u niet aangaan de eenheid der liefde niet krenken, hoevele redenen ook daarvoor mogen pleiten. Denk er aan, dat eene daad van liefde alle beweegredenen oneindig verre te boven gaat.

En als het gebeurt, dat gij den naaste met een woord beleedigt, verneder dan u zeiven in beminnelijke eenvoudigheid en tracht hem zoo spoedig mogelijk voldoening te geven en vergiffenis te vragen. De nederigheid alleen biedt herstel aan de gekrenkte liefde.

5. Eindelijk zijt ook in uwe handelingen eenvoudig. Niets gemaakts, niets wat van ver-waarloozing getuigt, zij in u zigtbaar; zoo zij geheel uw uiterlijk, dat het den glans der op-regtheid vertoont, die innerlijk in u schuilt.

Al wat gij jegens den naaste doet, geschiede dus in de liefde, die schoon ook een en ondeelbaar, evenwel in vele en verscheidene daden zich uitspreekt. Een en ondeelbaar, weet zij

-ocr page 344-

308

velt) zakün c:i tloolon to vcrionigen, diiigen, tlio niet zaraenstommen, gelijkelijk te behouden, en ■wat zjj vei'eonigd heeft,te bewaren en tc bevorderen.

Mijn kind, als gij de eenvoudigheid mijns harten waarlijk zult hebben aangeleerd, dan zult gij aan allen eene liefde vol welwillendheid, en opregt en gemakkelijk aan een ieder do core geven, die hom toekomt, innerlijk zoo gestemd, dat gij door eene zelfde goddelijke liefde bereidvaardig aan anderen het grootste deel schenkt en aan de passende oischen Yan oen ieder in het bijzonder ten dienst wilt staan.

Ga mot eenvoudigheid voort, mijn kind, volg den regten weg, niet afwijkende ter linker of ter regterzijde on to rodonoren over mogelijkheden, of om ijdel te onderzookon, wat anderon over u denken, of ten laatste denken kunnen.

Zoek in allen mij alleen, wien gij ongetwijfeld in allen zult vinden, en in wien alleen gij alles zult bezitten.

(5. Wee den dubbelhartige, die iets anders in zijn binnenste, iets anders in den mond heeft, die honig op de lippen maar bitterheid, in don boezem houdt, die uiterlijk belijdt opregt to zijn, doch innerlijk het bedrog verbergt!

Een hart dat langs twee wegen wandelt, zal niet slagen; het zal noch het s^poor tot mijn Hart noch den weg tot het hart des naasten vinden; het zal rondzwerven tot zijn eigene schade.

Want eenmaal zal zijne dubbelhartigheid ontdekt worden en de verwachting van don huichelaar te gronde gaan.

Doeli zalig do oenvoudigen; want hunner is do

-ocr page 345-

309

zekere vrede! Nog'i.iaals zeg ik: zalig- zij, liewijl mijn omgang en verkeer met de oouvoudigen is!

Die eenvoudig wandelt, gant mot vertrouwen voort en zal zalig zijn.

7. Zie toe, mijn kind, dat gij de eenvoudigheid volgend u niet aan onvoorzigtigheid overgeeft. Want de heilige eenvoud is vel is waar opregt, omdat zij heilig is, doch omdat zij heilig is, is zij ook voorzigtig.

Zijt derhalve eenvoudig als do duif, doch tevens voorzigtig als de slang.

Open niet voor ieder menseh uw hart. Ont-slujjer van uwe geheimen aan den naaste slechts zooveel, als goede geregelde liefde eischt.

quot;Wat niet strekt tot algemeene stichting of niet tot don gewonen loop der zaken behoort, mijn kind, wil dat aan niemand mededeelen, tenzij aan mij en aan diegenen, welke mijne plaats bij u bekleeden.

Üw hart zij niet gelijkend aan een gebroken vat, dat niet kan inhouden, wat men er indoet.

Als gij geen geheimen kunt bewaren, dan zijt gij niet slechts den naam van leerling mijns Harten, maar ook het vertrouwen van uwen naaste onwaardig, onwaardiger nog zijt gij, om de geheimen uwer vrienden en het meest onwaardig, om mijne geheimen te vernemen.

Hebt gij een woord ten nadeele van uwen naaste gehoord, dan blij ve het in u besloten, het zal u niet doen bersten, mijn kind, noch op eenige wijze deeren.

De oorblazer bezoedelt zijne ziel en zal door anderen gehaat zijn. Hij toch is een dubbel vergiftig werktuig ten kwade.

-ocr page 346-

310

Het is niet altoos goed de waarheid te zeggen, doch liegen moogt gij nimmer. Gij hebt dus voorzichtigheid noodig, om niet door het spreken der waarheid of door leugentaal, tegen de liefde en tegen andere deugden te zondigen.

Mijn kind, neem in dergelijke omstandigheden uwe toevlugt tot mijn Hart, en de zalving zijner liefde zal u leer en, hoe gij u moet gedragen.

Ten slotte mijn kind, bid om den geest dei-heilige eenvoudigheid te verkrijgen en houd die deugd in eere, waardoor gij het verkeer met uwen naaste voor u en voor hem genoegelijk en vruchtbaar, voor mij aangenaam en vereerend maakt.

8. De leerling. Gij Heer, zijt de waro vorm. Gij het voorbeeld der volmaakte eenvoudigheid. Ach! mogt ik U gelijken!

O Jesus, eenvoudig liefde! maak mijn hart eenvoudig, opdat ik, voor zoo verre het aan een schepsel vrij staat, tot uwe eenvoudigheid gerake, een in allen en alles in eenen beminnende.

Maak mijn verstand eenvoudig, het bevrijdend van verschillende valsche beginselen der wereld en der eigenliefde, en het behoedend voor elk kwaad vermoeden en ligtvaardig oordeel, opdat het door U alleen, waar het zekerheid geldt, in waarheid, en waar er van twijfelingen spraak is, ia liefde bestuurd worde.

Maak mij geheel eenvoudig, inwendig en uitwendig, opdat ik één geworden, altijd en overal mij zeiven gelijk blijve, r.lles ontleenende aan ü alleen, en alles terugbrengende tot U alleen, die het begin en het einde van alles zijt.

-ocr page 347-

311

EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

dat het allerheiligst hakt van jesus, den 3ienschen de zoetheid zijner nederige liefde toonend, ons een voorbeeld ter navolging heeft gegeven.

1. Jescs. Luister, mijn kind, en neem mijne woorden ter harte. Toen God door den profeet over zijn Zoon sprak, die eenmaal komen zoude, zeide Hij : Zie daar mijn Kind, mijn beminde, in wien mijne ziel alle behagen heeft genomen. Ik zal mijnen Geest over hem zenden. Hij zal niet twisten noch luide roepen. Het geknakte riet zal hij niet breken en het rookende lemmet niet uitdooven. In zijnen naam zullen de volkeren hunne hoop stellen.

Zoo kwam ik, mijn kind, zoo ben ik in de wereld geweest. Ik verkeerde met allen in zooveel nederigheid, in zooveel liefde, dat ik het Lam Gods genoemd en als zoodanig gekend werd.

Zie eens, hoe ik leefde onder de menschen, hoe ik mij ten hunnen opzigte gedroeg. Schoon ook hun Heer, was ik toch in hun midden als een dienstknecht.

Gekweld door allerlei behoeften, kwamen zij van alle zijden vol vertrouwen tot mij, wetende, dat de nederigheid mij eigen was, dat de zachtmoedigheid tot mijne natuur behoorde, dat de goedheid een wezenlijk bestanddeel mijns Harten uitmaakte.

En inderdaad, door de eerste of de geringste

-ocr page 348-

312

zucht van ieder ongelukkige, werd mijn Hart bewogen en al zijne teederheid opgewekt.

Heb ik ooit iemand teruggestooten ? Heb ik den armste, ja zelfs den laagste der menschen geminacht? Heb ik ooit aan iemand een blijk van verveling gegeven? Neen, voorwaar allen en een ieder nam ik op en begunstigde ik met de grootste bewijzen mijner goedheid.

Overweeg eens mijn kind, en beschouw met welke teederheid ik de kleinen behandelde; welk geduld en welke nederigheid, die altijd dezelfde was, ik jegens de onbeschaafden, welk een krachtig en edelmoedig Hart ik jegens de on-handelbaren, welk een vurigen ijver jegens de wereldlingen, welk gevoelig medelijden ik jegens de bedroefden, welke groote welwillendheid ik jegens de zondaren, welke heilige liefde jegens de braven, welke nederige liefde ik jegens allen betoonde.

Die nederige liefde, die deugd mijns Harten roofde zoozeer aller harten, dat in spijt mijner morrende benijders, geheel de wereld mij naliep.

Ja, mijn kind, deze nederige liefde mijns Harten heeft geheel de wereld overwonnen. Yan waar toch meent gij, zulk een wonderbare en plotselinge ommekeer in de wereld, zoo niet door den invloed dor geheime zalving en door de aantrekking van de zigtbare goedheid mijns Harten ?

Zie toch eens, hoe wegens de kennelijke goedheid mijns Harten, de mensehen van alle plaatsen, uit eiken stand van elke gesteltenis des ligchaams of der ziel toesnelden en nu nog tot mij snellen, hoerende, dat ik den arme niet

-ocr page 349-

313

veracht, dat ik den bedrukte niet verlaat, den zondaar niet verafschuw, de treurende zondares, de smeekende Chananeesche vrouw, den bidden-den tollenaar, den afvalligen maar wederkeerenden leerling, den schuld belijdenden moordenaar, ja zelfs de beulen niet verstoot, die mijn Hart doorboren.

2. Mijn kind, leg er u met allen ijver op toe, deze levenswijze, een zoodanig verkeer met de menschen na te volgen en als een opregt leerling van mijn Hart in uwe zeden uit te drukken.

Benige Heiligen, die de gevoelens mijns Harten volmaakt hadden overgenomen, gedroegen zich zoo, dat anderen niet met hen konden omgaan zonder door hun uiterlijk, als ware deze eene juiste beeldtenis van mij, tot de vrome herinnering van mij gebragt te worden.

Onverschillig kunt gij met den naaste niet handelen: gij zult hem of wel goed of kwaad aanbrengen.

Niemand vermag met de menschen om te gaan zonder nadeel voor zich zeiven of voor anderen, zoo hij zich niet met een opregt hart voor de menschen wil vernederen.

Herhaaldelijk moet gij uwen eigen zin nederig ten offer brengen, als gij met anderen zonder tweedragt wilt verkeeren; ja wat meer is, dikwijls moet uwe natuur het onaangename met liefde omhelzen, als gij met hen zonder bittere woorden wehscht te leven.

\ an waar de twisten onder do stervelingen? Is het niet wegens de hoovaardij, waardoor de

-ocr page 350-

314

een niet wil onderdoen voor den ander? Van waar de bittere afgekeerdheid ? Is het niet wegens de ongeregelde liefde jegens zich zei ven, die de harten zeiven bederft ?

Verjaag de hoovaardigheid uit de menschen en zie alle mensehelijke beroeringen zullen met haar vlugten. Verdrijf vervolgens alle eigenliefde en gij zult den vrede des hemels op de aarde zien heerschen.

Indien gij waarlijk nederig waart, zoudt gij den naaste winnen; en indien gij van zuivere liefde brandet, zoudt gij hem vervoeren om met alle krachtsinspannig te loopen naar de geuren dei-deugden, die een zoo aangenamen reuk verspreiden.

3. Nederige liefde vermag meer dan alle gestrengheid. Deze toch, schoon ook uiterlijk het kwaad belettend, vervreemdt evenwel innerlijk van hot goede; doch gene verbetert het kwaad en doet het goede lief hebben.

Niets, mijn kind, is voor de leiding van anderen gemakkelijker dan gestrengheid oftegroote vrijheid. Doch wat is voor den mensch gevaarlijker dan het eerste ? of wat is meer beleedigend voor mij dan het laatste?

In een dier uitersten vervallen zij gewoonlijk, die niet een innerlijk leven leiden, en die zich daarom liever door de natuur dan door mijnen Geest laten bestieren.

Mijn kind, als gij met de zorg voor anderen belast zijt, dan moet gij voor alles zelf een innerlijk mensch zijn. O, hoe beklagenswaardig is hij, die het niet is en toch over anderen gesteld is! Want vele dingen zal hij ongetwijfeld slech

-ocr page 351-

315

verrigten, mijne belangen, die hem zijn toevertrouwd, bonadeelpn en van dat alles rekenschap moeten geven.

Wee de godsdienstige broederschap, wier overste een persoon is, die niet innerlijk leeft! Want zie haar geest zal kwijnen, allengs verslappen, dewijl elke vereeniging het gevaarlijkste wordt getroffen in haar hoofd en daardoor de ledematen noodlottig in het harte worden aangedaan, namelijk door ongeregelde genegenheid voor de schepselen, door de gevaarlijkste ziekte vaneen ieder in het bijzonder.

Als gij jegens anderen mijne plaats bekleedt, dan moet gij hen volgens mijnen Geest leiden en behandelen om door, en in hen mijne belangen te bevorderen. Handelt gij volgens een anderen geest, dan bevordert gij uwe, niet mijne belangen; dan kunt gij wel uwen zin en dien van anderen maar niet van mijn Hart voldoen.

Als gij innerlijk door mijnen Geest bezield zijt, dan zal uwe wijze van doen wol is waar krachtig maar tevens vol bezadigdheid zijn. Wat gij u ter bereiking kiest zult gij volhardend nastreven, totdat gij het verkregen hebt, doch met de bezad gde liefde, die, terwijl zij aanprikkelt, geene wonden slaat; die als zjj dringt, niet verbittert; die duizend kunstmiddelen gebruikt om anderen te winnen; die, eindelijk overwint doch zoo overwint, dat de overwonnene zich met de daad vrijwillig en met verdiensten heeft overgegeven.

Maak gebruik van mijn geheim om te bestieren, waardoor gij niet van allen het zelfde eischt

-ocr page 352-

31G

maar door een zelfden geest geleid van een ieder in het bijzonder vergt, wat gij hun talenten en kracht en alle omstandigheden in ar.nmer-king genomen, redelijker wijze kunt verkrijgen.

Weet gebruik te maken van do geestvermogens uwer ondergeschikten, en wend ze allen in het bijzonder aan tot een geschikt doel en ter verkrijging eener vrucht, die betrekkelijk genomen de beste is.

Wacht u om uwe onderdanen, onder welk voorwendsel ook, van u te vervreemden of neer-slagtig te maken. Inderdaad, zooals ik do Apostelen behandelde, zoo moet gij u toeleggen om met uwe ondergeschikten om to gaan, zoo dat zij met vol vertrouwen in elke moeijelijkheid tot u komen, u altoos levend zien door mijnen Geest en vol zorg voor hun geluk; opdat zij blijde hun leven slijten on mij mot oen bereidvaardig gemoed en met een opgeruimd hart dienen.

Onthoud, mijn kind, dat niets moeijeljjker is dan to straffen zoo, dat gij er de vruchten van oogst. Wanneer gij derhalve straffen moot, zie dan toe, dat gij het Invade nog niet erger maakt; zie toe, dat gij den mensch niet uiterlijk polijst en helder maakt gelijk een graf maar hem innerlijk het bederf doet opnemen en bewaren.

Wil nimmer in woorden of met de daad iemand straffen, die door gramschap vervoerd is of terwijl gij zelf door gramschap wordt bewogen. De zonde, die op heeter daad zal worden bedreven, slechts wat haar volvoering betreft, te beletten, dat zij genoeg; stel do straf, die daarop volgen moet uit, zoo lang, dat gij zonder hartstogt

-ocr page 353-

(517

hare zwaarte on eon geevcnredigde straf kunt kiezen en hij in kalmte met vrucht deze ontvangen en ondergaan kan.

i. Bedroef niemand zonder noodzakelijkheid; en indien het gebeurt, dat gij jegens anderen iets onaangenaams zeggen of doen moet, matig het dan door de liefde met goede redenen en bereid hot door zachtmoedigheid in de wijze zoo toe, dat hetgeen bitter is, zoo min mogelijk als bitter geproefd wordt.

Indien men u iets vraagt, wat gij niet veroorloven kunt, verklaar dan aan den vrager hoezeer gij wenscht het te kunnen, hoezeer het u spjjt dit niet te kunnen toestaan; zoo zal hij heengaan tevreden en meer gesticht, dan wanneer hij verkregen hadde, wat hij gevraagd heeft.

Wil onder geon voorwendsel van liefde de men-sclien met ijdele vleitaal voeden of, met eene zekere staatkundige listigheid, spel met hen drijven. Die handelwijze is niet slechts in den hemel maar ook op aardo gehaat; want als zij de waarheid niet tot grondslag heeft, dan is zjj gaene liefde maar bedrog.

Doe ook niets tor wille dor nederigheid, waardoor den naaste redelijker wijze eene gelegenheid tot zonde wordt gesteld. Dit namelijk is niet een daad van ware nederigheid maar van ge-brok aan liefde.

5. Neen, mijn kind, toon in u zoo zeer de gedaante van do nederige liefde mijns Harten, dat gij overal een goeden geur van mijn voorbeeld wedergeeft.

Zoo schijno uw licht voor do menschen, dat

-ocr page 354-

318

zij uwe goede werken zien en uwen Yader, die in den hemel is, verheei-lijken.

De leerling. Maar, o Heer, hebt gij dan uwe leerlingen niet bevolen, hunne deuren te sluiten en hunne goede werken verborgen te houden ?

Jescs. Gij begrijpt geen van beide mijn kind! Doch weet en bemerk: wat door de noodzal-elijk-heid niet geëiseht wordt of niet tot algemeene stieliting verstrekt, dat moet in het geheim geschieden, dewijl zoo iets voor uwen naaste een rede tot ergernis en voor u van gevaar kan zij n; doch wat algemeen of noodzakelijk is, doe dat in het openbaar zoo, dat uwe meening verborgen blijve, opdat gij door uwe daden den naaste een goed voorbeeld gevet en door de meening, volgens welke gij mij alleen wilt behagen, verkrijgt altijd verborgen te blijven.

6. Als gij de nederigheid en de liefde jegens allen, wie zij ook zijn mogen, uit goddelijke liefde beoefent, o dan zult gij aan allen, die uw voorbeeld zien een goeden geur van de deugden mijns Harten schenken.

En mogten andoren met uw voorbeeld ook geen voordeel doen, gij zult daarom niettemin dierbaar aan mijn Hart zijn.

Zalig hij, mijn kind, die door een voorbeeld van nederige liefde de menschen voorlicht, om te toonen hoezeer de goedheid mijns Harten bemind en nagevolgd dient te worden! Die op deze wijze mij verheerlijken, zullen mij eeuwig bezitten.

7. De leebling. 0 Heer, zachtmoedige en nederige Jesus! om alles, wat Gij uit uw honigzoet Hart

-ocr page 355-

319

ter leering kiest, te Tolbrengen, heb ik veel genade noodig. Ik smeek IJ, help mij me uwe krachtdadigste ondersteuning. t

Ik moet en wil ook meerder nederigheid en meerder liefde bezitten. Dikwijls toch, ik belijd het met schaamte, beleedig ik den naaste en mishaa g ik U door gebrek aan nederigheid en liefde.

Nederigste en zachtzinnigste Jesus, magneet der harten, die met de goddelijke goedheid uws Harten allen, wie ook, aantrekt, en ook met de onuitputtelijke zoetheid uwer nederige liefde behandelt; maak, dat ik U navolge, geef, dat ik een volmaakt leerling uws Harten zij.

Bevrijd mij van alle scherpte en bitterheid des hoogmoeds en der eigenliefde, en maak mijn hart zooals het uwe is, vol nederige liefde en gelijkblijvende zachtzinnigheid jegens allen zonder aanzien van persoon.

TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

dat het allerheiligst hart van jesus, in de wereld levend, ons de wijze leert zoo in de wereld te verkee-ren, dat wij niet tot de wereld behooeen, noch doge haar benadeeld woeden.

1. Jesüs. Mijn kind, zoolang ik in de wereld geweest ben, behoorde ik niet tot de wereld; kiverkeerde tussehen goeden en boezen, doch

-ocr page 356-

320

de vorst dei- wereld noch zijn geest oefenden eenige macht op mij uit.

Ofschoon ik niet konde zondigen, heb ik toch die dingen te baat genomen, waaruit mijne leerlingen leereu zouden hoe zij zich voor de besmetting der wereld zouden kunnen wachten.

Inwendig toch was mijn Hart zoo vreemd aan de wereld, dat niets, wat wereldsch is het aandeed ; zoo zeer brandde liet van goddelijke liefde, dat liet als eene vlam immer opsteeg boven al het geschapene.

Als het uiterlijk bezig was, dan was het inwendig afgetrokken; wanneer het uitwendig zich met de menschen onderhield, dan bleef het innerlijk mot God verecnigd.

Doch, wat het uiterlijke betreft, was alles in mij geregeld; de zintuigen goed geordend; de wijze van handelen vol voorzigtigheid.

Zoo verstandig en heilig was mijn onderhoud, dat zelfs mijne vijanden hean gingen zeggende : Nooit heeft een mensch zoo gesproken.

Nooit zag men mij gedachteloos uitgelaten of onbeteugeld; geene onvoorzichtige gemeenzaamheid, geene ligtzinnigheid was er in mij; maar een innemende ernst, die door wondervolle zachtzinnigheid werd gematigd.

Alles in mij, mijn kind, was vol waardigheid, die tevens eerbied en liefde inboezemde, alle vermetelheid terugschrikte ; de zedigheid gebood en de deugd aanbeval.

Herhaaldelijk mij van de menschen verwijderend, begaf ik mij tot het gebod, ofschoon ik nooit ophield inwendig te bidden.

-ocr page 357-

321

2. O, mijn kind, mogt gij dit begnjijen, mogt gij het navolgen om in deze bedorvene wereld zonder zonde en zonder schade te kunnen Terkeeren!

Vestig ter uwer bemoediging, uwe oogen op de voorbeelden der Heiligen, die mijne voetstappen volgend, met het ligchaam wel is waar in de wereld maar ir.et hun hart boven de wereld leefden.

De wereld deerde hen niet, omdat zij niets, wat der wereld is, lief hadden; integendeel zij strekte hun tot voordeel; omdat zij, meer het verderf der wereldsche liefde ziende, ook des te meer de goddelijke vriendschap waardeerden, en haar des te meer aankweekten.

Al wat zij in de wereld ontwaarden, walgde hun en achtten zij als slijk, om de goederen te genieten mijner genade en liefde.

Mijn kind, indien gij zonder nadeel in de wereld wilt verkeeren, dan zij ten eerste uw hart innerlijk goed gestemd. Het moet volkomen overtuigd zijn van de ijdelheid der wereld in alle opzichten en deze verafschuwen; het moet zich bewust zijn van de onwaardeerbare waarde mijner vriendschap en daaraan gehecht zijn.

Gewen uw hart er aan om, zoodra de wereld u iets aanbiedt, u innerlijk terstond tot mij te wenden en op deze of dergelijke wijze te verzuchten : Behalve U, wat wil ik dan op aarde. God mijns harten en mijn deel in eeuwigheid!

Als uw hart zoo goed geregeld is, dan zal alles wat gij op de wereld bespeurt, weinig invloed op u uitoefenen. Neen integendeel, de wereld zelve zal tegen haar zin tot uw heil medewerken,

21

-ocr page 358-

322

omdat zij u herhaaldelijk tot mij zal voeren, die het middenpunt uwer zaligheid ben, en u hoe langer hoe beter het onuitsprekelijk ongeluk der wereld en het allerzoetste geluk van mijnen dienst zal doen kennen.

Zoo tegen gevaar beschut, moet gij uw hart bewaren, opdat noch de grootheid van eens anders misdaden het verontruste, noch de bedorvenheid der boozen het verergere, noch eindelijk eenige inspanningen der wereld of der hel het doe aarzelen mij getrouw te blijven.

quot;Weet, mijn kind, dat de boozen, met wie gij leeft, u volstrekt niet schaden kunnen, indien uw hart inderdaad van hen aikeerig is. Het ligt niet in de macht van een ieder bedorven mensch o n u te deeren, als gij zelf het niet wilt. Trouwens, niemand wordt gedeerd dan door zich zeiven.

4. Evenwel, dewijl het vleesch zwak en het hart ten kwade geneigd is, kan het gebeuren, dat de zintuigen, zoo zij niet met voldoenden ijver bewaakt worden, tot uw groot gevaar den vijands des heils in uw hart brengen.

Het is derhalve noodzakelijk in den omgang met de wereld, alle deuren uwer zintuigen te bewaken, bijaldien gij u niet aan het groot gevaar wilt blootstellen allengs aangedaan, bezoedeld en bedorven te worden.

Die dingen der wereld, die onder het bereik der zinnen komen, moet gij zoo zien alsot gij ze niet zaagt; zoo hooren, alsof gij ze niet hoordet; in één woord, zoo met «1 uire zintuigen waarnemen, als naamt gij ze niet waar.

-ocr page 359-

323

Doch het voornaamste moet altijd de bewaking des harten zijn. Want mogt ook de vijand heimelijk de deuren zijn binnengedrongen, hij zal evenwel niet binnentreden noch u ten ondergang kunnen brengen als gij zelf de deur uws harten niet opent.

Houd daarom met de grootste zorg uw plan onwrikbaar vast, om met geheel uw hart mij aan te hangen, en al de gangen tot uw hart voorzigtig te bespieden. Doe daarna vol vertrouwen, wat gij doen moet, bereid, met een vast besloten gemoed, om in gevaren tot mij uwe toevlugt te nemen, en u getrouw te gedragen.

5. Mijn kind, aan de meeste gevaren zult gij ontsnappen, als gij altijd eene zekere gepaste waardigheid vertoont, die niet met kunstige gemaaktheid is aangenomen maar geboren wordt uit deugd, welke aan ieder leerling mijns Harten past.

Waar gij u derhalve ook bevindt, gedraag u zoo, dat niets onedels, ligtzinnigs, ook niets geveinsds of gewrongens in u verschijne; integendeel er openbare zich in u eene zekere welvoega-lijkheid zonder stijtheid en vol bezadigdheid, die bovenal geschikt is, om anderen te betoomen en met ontzag te vervullen.

Wil om geene verpligting noch om eenige genegenheid u tot slaaf maken van eenig schepsel; houd u altoos en overal vrij.

Vertrouw u zei ven, moch het uwe aan iemand toe; beproef den feest, ea verlaat u niet op hem zonder hem eerst beproefd te hebben. Herinner u, dat velen door den schijn bedrogen en door

-ocr page 360-

324

eene onvoorzigtige gemceuzaamheicl te gronde zijn gegaan.

G. Van veel voordeel zal hot voor u zijn, mijn kind, vooraf na te gaan, wat gij in den omgang met de wereld doen moet; zorgvuldig te beschouwen, welke dingen en hoe gij ze moot verrigten; met welke personen en in welke omstandigheden gij moet handelen; eindelijk welke middelen gij móet kiezen, hetzij om in uwe ondernemingen goed te slagen, hetzij om do zonde te vermijden.

Gij moet evenwel meer op de goddelijke genade dan op eigen wijsheid vertrouwen, en daarom moet gij u dikwerf tot mij wenden, mij te rado nemen en mij smeekon.

Ja, mijn kind, met welke dingen gij u ook bezig houdt, onder welke raenschon gij u ook bevindt, zoo moet gij u gedragen, zoo uw hart vrij houden van do schepselen, dat gij ook zeifs bij den schijn van zonden gemakkelijk en godvruchtig tot mij vlugten en in raijn Hart u voor alle gevaar verbergen kunt.

7. Dé leerling. O Josus, de beminnelijkste en zachtmocdigsfe van allen! gij weet, dat ik niet in de wereld ben, tenzij omdat Gij wilt, dat ik daarin zijn zal. Nederig smeek ik U, mij, die aan dezo moerassige wereld ben blootgesteld, te beschermen, opdat ik in haar slijk niet vast gerake, noch ook door hare onreinheden bezoedeld worde.

O, mijn God! hoe oplettender ik de wereld beschouw, des te verachtelijker wordt zij in mijne oogen; doch hoe aandachtiger ik mijne

-ocr page 361-

325

blikken op U vestig, des te heviger trekt mij uwe beminnelijkheid aan: hoe meer goederen ik in U vind, des te meerdere en grootere ontwaar ik in U te zullen vinden.

O Josus, mijn hoogste goed! houd mij bij U en geef, dat noch de duivel noch zijne bekoring mij van U verwijdere, dat noch do wereld ot hare bcdriegolijke ijdelheid mij misleide, dat noch de bedorven natuur mij overwinne, noch mijne onvoorzigtige zintuigen mij overleveren.

Versterk mij met uwe krachtdadige genade, opdat ik ee.i onschuldig leven in deze wereld leide, totdat gij mij uit de gevaren der wereld overvoert naar de veiligheid des hemels.

DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

dat het alleki.'eiost hart van jesus, vax zijne leerlingen geloof eischend, ons leert het leven des geloofs te beleven.

I. Jesus. Als de zoon des menschen komen zal, meent gij, dat hij geloof zal vinden, niet onverschillig welk geloof, maar oen levend, werkdadig en vurig geloof.

En toch dit geloof heb ik altijd van de leerlingen geeischt, en blijf ik altijd eischen, omdat ik altoos dezelfde God ben, altijd even waardig, dat men uit geloof voor mij leve.

De leerling. Zeker, o Heer, Gij zijt God, altijd dezelfde, altijd in de hoogste mate waardig,

-ocr page 362-

326

dat alles voor u leve in volkomen onderworpenheid en zuivere toewijding.

Jesus. Met regt gelooft gij dit, mijn kind; dewijl alles, wat bestaat, mij als God betuigt. In don beginne hebben de Aartsvaders en Profeten mij als zoodanig verkondigd; als zoodanig werd ik voorbeduid door de natuur en door de wet, waarvan ik, Christus, het doel ben.

Als zoodanig erkenden mij alle elementen der wereld; de hemelen erkenden mij toen zij bij mijne geboorte de ster vertoonden; de zee erkende mij, toen zij zich tot eene vloer maakte voor mijne voeten; de aarde erkende mij, toen zij sidderde bij mijn lijden; de zon erkende mij, toen zij hare lichtstralen verborg en haren stervenden Maker betreurde.

Als zoodanig erkenden mij zelfs de duivelen, toen zij het bewijs leverden, dat zij zonder mijne toestemming, zelfs niet in de verachtelijkste dieren durfden te varen; eindelijk toen zij de doo-den, welke zij gevangen hielden, wedergaven.

De Engelen hebben getuigenis van mij afgelegd, toen zij bij mijne Menschwording mij als den Zoon van Grod aankondigden, toen zij mij bij mijne Geboorte als den Verlosser der wereld openbaarden, toen zij mij dienden tijdens mijn leven, toen zij zich bij mijne verrijzenis als getuigen vertoonden.

Er is nog een ander, die getuigenis van mij heeft gegeven, de Vader zelf, toen Hij herhaaldelijk verklaarde, dat ik zijn welbeminde Zoon was.

Doch ook de H. Geest hooft getuigenis van

-ocr page 363-

327

mij afgelegd en houdt niet op die af te leggen, als Hij door de verlichting en beweging der genade, en door de uitstorting zijner gaven de harten der menschen tot mij trekt.

Ja, zelfs de werken, die ik verrigt heb, leggen getuigenis van mij af. quot;Want zie, door mijne magt zien de blinden, wandelen de lammen, worden de melaatsehen gezuiverd, hooren de dooven, worden de zieken genezen en staan zelfs de dooden wederom op ten leven.

2. Door wie echter, mijn kind, wordt u dit alles en al wat men ter zaligheid gelooven moet, onfeilbaar en zonder gevaar voor dwaling verkondigd, tenzij door de Kerk, door wier mond ik nu duidelijker spreek dan ik weleer deed door den mond der heilige Profeten, die voor eeuwen leefden.

Inderdaad, zij is mijn mond, dien ik open en waarmede ik de menigte onderwijs; zij is het orgaan, waardoor ik uiterlijk tot de menschen spreek; zij is voor hetgeen geloofd moet worden, de naaste regel, die niet falen noch veranderen kan; zij ten laatste is de eenige Kerk, die het geloof bezit, waaruit de rechtvaardige leeft.

Zonder het geloof is het onmogelijk mij te behagen. Vandaar is het tastbaar duidelijk, dat elk mijner gerechten leeft uit een geloof, hetwelk door de liefde daad wordt.

3. Mijn kind, het loven des geloofs heeft, om zoo te zeggen zekere trappen, waarvan de eerste is, dat de mensch door bovennatuurlijke genade geholpen, aan mij door de Kerk sprekend, op goddelijk gezag gelooft en in staat van genade leeft.

-ocr page 364-

328

Mijn kind, het wonder is een getuigenis van God: het wonder is de duidelijke stem van God; en een onfeilbaar zegel der goddelijke waarheid.

Doch de kerk zelve is een wonder, een zigt-baar wonder, hetzij gij beschouwt haar ontstaan en voortplanting; hetzij gij haar voortbestaan en blijvende uitbreiding gadeslaat. Wat betreft hare voortplanting en ontstaan: onder wonderen gesticht, zonder menschelijke hulp in spijt der hel, trots allo magten der wereld, in spijt van alle bedorvenheden aller mensehen, die met allé middelen tegen haar samenspanden, vertoonde zij zich .als een bliksemstraal in het Oosten en lichtte zij tot in het Westen; en beschouwt gij haar voortbestaan en blijvende uitbreiding, zie dan hoe zij ondanks zoovele harer ontaarde kinderen, die haar in alle vervlogene eouwen met list, geweld en woede altoos aanvielen, en ondanks zoo vele woedende vervolgers van alle tijden, die niet ophouden haar openlijk en heimelijk te bestormen, evenwel tusschon de puinen der eeuwen, terwijl alle rijken der wereld zamenstor-ten, altijd hechter staat en omvangrijker, altijd roemvoller gekroond, zoo dikwerf als zij werd bestreden.

Welnu, ik de God, die door wonderen spreek, ik spreek door deze mijne Kerk, die een voortdurend wonder is.

Zalig hij, die deze Eene, Heilige, Katholieke en Apostolische Kerk hoort: die haar hoort, hoort mij, verzekerd, zich op den weg der zaligmakende waarheid te bevinden; die haar niet wil hooren, hij is als een heiden en tollenaar, hij hoort ook mij niet

-ocr page 365-

329

en kan ook niet anders dan den weg der dwaling bewandelen, die ten dood geleidt.

Mijn kind, wilt gij veilig en zeker zijn, liecht u dan met geest en hart aan de Kerk, welke ik op eene onbeweegbare rots heb opgetrokken, welke ik met mijn bloed heb zaamgevoegd, waarin ik verblijf, welke ik door mijnen Geest bestuur en met mijn Hart lief heb.

Houd zoo uw verstand bereid, dat gij, wat zij u ook leert of voorschrijft, u daaraan nederig en blijmoedig onderwerpt, en houd zoo uw hart gestemd, dat gij haar vol liefde bemint als de beste der Moedors, als de verhevene levengeefster der zaligheid.

Het geloof evenwel, zal het tot zaligheid verstrekken, moot door de heiligmakende genade bezield worden. Zonder deze genade toch veree-nigt het niet mot mij, noch maakt het iemand tot levend lidmaat van mijn geheimzinnig ligchaam de Kerk. Daarom is het zeer waar gezegd, dat het geloof zonder do werken een dood geloof is, ofschoon ook met hot verlies der toevertrouwde genade door een zonde, die niet tegen het geloot strijdt, ook niet tevens het geloof wordt verloren, maar het geloof, dat over blijft, inderdaad nog geloof is, hoewel het niet levend is.

Mijn kind, bewaar dit geschenk van uwen God, het goddelijk geloof met allo zorg; eu maak het leven van dit geloof door uwe werken, in staat van genade verrigt, aanschouwelijk.

4. Een tweede trap in het leven- des goloofs is, dat alle vrijwillige handelingen zoowel de

-ocr page 366-

330

inwendige als de uitwendige door de beginselen van een levendig geloof bezield zijn.

Wie een levendig geloof bezit, rigt zich naar de eeuwige uitspraken van het geloof, waaruit hij te weten komt, dat hij tot een bovennatuurlijk doel, ter eeuwige zaligheid bij mij, is geschapen; doch dat de onedeler schepselen op aarde alleen gemaakt zijn, om den mensch inde bereiking van dat doel behulpzaam te zijn.

Daarom echter kwijnt het geloof bij velen, omdat zij de overweging der geloofswaarheden verwaarloozen en maar al te zeer zich bezig houden met hetgeen wereldsch en vleeschelijk is.

quot;Want indien zij de eeuwige waarheden wel beschouwden en van harte aannamen, dan zouden ongetwijfeld de belangen Grods en der zaligheid meer bemind worden, het geloof bloeijen, bloemen en de beste vruchten voortbrengen.

Mijn kind, ieder leerling mijns Harten bewaart en koestert dit levend geloof; daaruit leeft hij, opgewekt door de hoop en brandend dooide liefde, snelt en klimt hij van deugd tot deugd.

5. Doch ik pleeg velen hunner, die ik tot uitstekende heiligheid roep, langzamerhand tot een zuiver geloof voor te bereiden. En dit zuiver geloof maakt de derde trap van het geloofsleven uit, waarop iemand uit volmaakt geloof een leven leidt, dat ten eenemale bovennatuurlijk is, en ook te midden der duisternissen en bekoringen, als een blinde uit gehoorzaamheid den fakkel des geloofs volgende, mij getrouw

-ocr page 367-

331

dient, schoon hij ook niet ziet noch zich bewust is, dat hij mij dient of niet.

Mijn kind, als gij door mijnen Geest tot dien levenstrap wordt gevoerd, treed dan met grootheid van ziel voorwaarts en volg met een onverschrokken hart uit gehoorzaamheid de goddelijke leiding.

Doch als gij die wegen van het innerlijk leven bewandelt, waarop gij niets ziet, maar aan alle ^zijden vijanden ontwaart, van wie gij u somtijds reeds een gevangene waant; waarop gij beneden u een gapende afgrond bespeurt, waarin gij bij elke schrede meent neder te storten; eindelijk een hemel boven u, die vertoornd is hetgeen gij ook wezenlijk denkt te bespeuren; onwetend op uwe wegen hoe of waarheen zij leiden maar altijd in de meening meer en meer uwen ondergang te naderen, dan, mijn kind, verlevendig dan uw geloof, en volg met een zuiver geloof. ook blindelings de leiding van hen, die mijne plaats bij u bekleeden.

Uw hart worde niet ontsteld, mijn kind; neen vat moed en onthoud, dat gij den weg bewandelt, die de grootste Heiligen voor u bewandeld hebberi, die, bijaldien zij dezen niet gevolgd waren, zich nooit zouden geheiligd hebben.

Als eindelijk alle verborgene hoovaardigheid en eigenliefde voldoende uitgeroeid zal zijn; als de bedoelde zuivering volkomen zal wezen, overeenkomstig mijne plannen; dan zullen de oogen uwer ziel geopend worden en met verbazing zult gij bespeuren, dat gij u in een nieuw leven bevindt, dat een zeker onderpand zal zijn van het

-ocr page 368-

332

eeuwig loven.

Daarna mijn kind, zult gij leven in eene zuiverheid des geloofs zoo, als waart gij in blij venden zonneschijn: gij zult dingen zien, die gij vroeger niet gezien hebt; gij zult u verblijden zoo als gij u vroeger niet verblijd hebt; gij zult do geheimen mijns harten begrijpen en smaken met nieuwe zoetheid: eindelijk gij zult niet gaan maar veeleer vliegen naar do volmaaktheid.

6. De leerling. Wezen der wezens, God, dio niet bedriegt noch bedrogen kunt worden! ik geloof alles wat te gelooven voorgesteld wordt door uwe heilige, katholieke Kerk, welke Gjj als wachter en getuige en als uitlegster uwer zaligmakende leering hebt aangesteld; die Gij als onverwrikbaren grondslag der waarheid gevestigd hebt; welke Gij met uw opzicht zoo beschermt, dat de poorten der hel nimmer iets tegen haar vermogen.

Eene, Heilige, Katholieke, Apostolische Kerk! Maagdelijke bruid van Jesus, den Zoon van God, die met u is alle dagen tot aan de voleinding der eeuwen, zijn naam op uw voorhoofd en zijn goddelijk zegen op uw armen dragend, duidelijk en blijvend wonder! wie u niet erkent, heeft zijne reden verloren; wie u niet bemint, is zonder hart; wie u niet hoort, is als een heiden te beschouwen.

Eene, Heilige, Katholieke, Apostolische Kerk I liefdewaardigste Moeder, beminnnlijkste Moeder, die de Moeder zijn moet van een ieder, die God tót Vader wil hebben! Dierbaar ja is mij mijn Vaderland, dierbaar zijn mij mijne bloedverwanten, dierbaar is mij hot loven maar onvergelij-

-ocr page 369-

333

kolijk dierbaarder gij , mijne Moeder, Kerk van God ! O dierbaarste Moeder ! Moge mijn regter-hand verdorren . als ik U ooit mogt vergeten ! Moge mijn hart bezwijken , eerder dan u niet te beminnen , dan u niet te stellen aan hot toppunt mijner vreugde on mijnor glorie!

Eeno, Heilige, Katholieke , Apostolische Kerk! Zaligende koninginne der wereld, wier rijk altijd uitgestrekt is over het wereldruim; wier onderdanen , rijken en armen , geleerden en ongelet-terden , Europeanen , en Amerikanen , Aziaten en Afrikanen , kinderen zijn van eene Moeder , broeders van eene levenswijze , vorsten allen , allen bestemd om eeuwig te heerschen ; wier glansen , de Apostelen, schitterende wereldlichten zij ii; wier zegepralen duizende Martelaren verkondigen ; wier grootheden legers van belijders openbaren; wier altoos nieuwe schoonheid eene engelachtige rei van Maagden kennelijk maakt; wier naam en eer alle helden der deugd opluisteren ; zie met duizenden uwer kinderen van do vier werelddeelen uit alle geslachten, volkeren en talen sta ik op en zegen u uit een hart, uit eenen mond zeggende: Verhoog uwe schoonheid ; wandel in voorspoed en heersoh ! uw zaligend rijksgebied worde uitgebreid tot aan de eindpalen der aarde en dat daarin ieder sterveling en wij allen te zamen God onzen Zaligmaker met een blij hart dienen, tot dat wij komen ter hemelsche stede en tot het gezelschap dor vele duizende Engelen en Eerstelingen der Kerk die in den hemel wonen !

-ocr page 370-

334

VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

DAT HET ALLERHEILIGST HART VAN JESÜS,

DIE DER VOLHARDING DE ZALIGHEID , EN DEN VERTROUWVOL SMEEKENDEN DE MIDDELEN TER ZALIGHEID BELOOFT , ONS LEERT HET LEVEN DER HOOP TE BELEVEN.

1. Jesds. Komt allen tot mij ; hebt vertrouwen ; wie tot mij komt, verstoot ik niet.

Vertrouw derhalve op mij, mijn kind, en wil niet vreezen ; dewijl ik, uw Schepper, u heb vrjj gekocht en u geroepen heb , daarom zijt gij de mijne en ben ik , uw God , en Zaligmaker.

De hoop mijn kind, is het anker des levens; zooals immers het anker een schip in zee vast legt, zoo hecht het vertrouwen eene ziel vast in mij.

Al het tegenwoordige geschiedt door de hoop op de toekomst. De harten der stervelingen, van de hoop beroofd, zouden in krachteloosheid verteeren; zij zouden alles laten verkwijnen en te gronde gaan.

Het levensvoedsel der menschen is de hoop , die de harten prikkelt en tot edelmoedig streven aanwakkert.

Doch de hoop der wereld, die onzeker en ijdel is, bedriegt en vervliegt; maar de godde-iijke hoop, die zeker en onwrikbaar is en op mijn onfeilbaar woord steunt, bemoedigt den hopende en beloont den volhardende.

-ocr page 371-

335

De eerste brengt gewoonlijk vermetelheid of moedeloosheid, de laaste nederige en uithardende grootmoedigheid voort.

Deze heilige hoop, mijn kind, is voor u noodzakelijk , om met een groot hart naar de kroon te staan en haar, ondanks mooijelijkheden, te be-magtigen.

Leef door de hoop, kweek het vertrouwen op mij in uw hart aan. In mij toch is alle hoop des levens en der deugd en der heiligheid.

2. De eerste trap van het leven der hoop is, dat de mensch met een vast vertrouwen verwacht do eeuwige zaligheid en de middelen om haar met Grodes hulp tc verkrijgen.

Mijn kind, dewijl mijne barmhartigheid eindeloos is, moet niemand in dit leven wanhopen. De wanhoop is eene afschuwelijke zonde, eene misdaad, die het meest mijn Hart beleedigt; maar wat is ook voor den mensch noodlottiger ? De wanhoop toch doet den staande vallen lt;jn veroorlooft den gevallene niet weder op te staan.

Doch ook niemand mag zich ij del iets laten voorstaan. Verre dus zij het, dat iemand zoo zich zelyen vertrouwe en niet op mij, die den zich vermetel beroemende verneder, maar den op mij vertrouwende bescherm.

Schep moed, mijn kind en handel manhaftig; wil de hoop niet verliezen, wier belooning zoo groot is. Trouwens, die op mij vertrouwen en ten einde toe het goede doen, aan hen is door mij, wijl zij mijne kinderen zijn, vol ontferming, het eeuwig leven beloofd, en aan hen zal ook als belooning voor hunne goede werken en ver-

-ocr page 372-

336

diensten, krachtens mijne belofte, het eeuwig leven worden geschonken.

3. De tweede trap van het leven der hoop bestaat hierin, dat iemand in bijkomende omstandigheden cn tegenspoeden zoo zijn vertrouwen stelt in mijne allerwijstG cn beminnelijkste Voorzienigheid, dat hij, na met opregten en goed-gezinden wil gedaan te hebben, wat in zijn vermogen was, zich geheel aan mjj overgeeft.

Mijn kind, wanneer de zaken niet naar wensch uitvallen, wil dan niet mismoedig hot hoofd laten zinken; neen schop moed en vlugt tot mijn Hart. Steeds zult gij ondervinden, dat het een hart van den besten der vaderen is; daarin zult gij altijd medelijden, hulp en onuitputtelijke goedheid vinden.

Dat ook zelfs uwe ellende uw vertrouwen niet doe verminderen. Hoe meer gij bespeurt ellendig te zijn, des to meer reden hebt gij om, u zeiven te wantrouwen en al uwe hoop op mij te stellen.

Het wantrouwen namelijk in u zeiven, moet, wil het goed zijn, hot vertrouwen op mij in u voortbrengen. Daarom dan ook moet gij allo wantrouwen, dat neerslagtighoid of angstvalligheden baart, als eene gevaarlijke bekoring, verwerpen.

Werp u in de armen mijner Voorzienigheid zooals een kind zich werpt in de armen- zijns vaders. Neen, die in de armen rust van oen vader gelijk ik ben, hij zal niet omkomen.

Voorwaar het zou een wonder zijn zoo groot als er ooit een geschiede en nimmer gewrocht zal worden, indien mijn Hart in gebreke bleef jegens hen, indien mijn Hart het hunne niet ter huipc kwam.

-ocr page 373-

337

4. Eindelijk een derde trap van het leven dor hoop bestaat in een volkomen en algeheel vertrouwen der ziel op mij in groote hindernissen, en zelfs in lastige moeijelijklieden van allerlei soort, schoon zij ook nergens dan alleen uit de beginselen des gloofs, eenige beweegredenen voor dat vertrouwen ziet voortspruiten.

Als gij geen uitweg ziet in de moeijelijklieden, welke u overvallen, mijn kind, verhef u dan boven al het menschelijke, en geef u met een zuiver vertrouwen geheel aan mij over, die én de magt bezit om te handelen gelijk ik wil; én ook den wil heb, indien het u tot heil verstrekt en gij volkomen uw vertrouwen op mij stelt.

Hoe hagchelijker u de toestand der zaken moge toeschijnen, des te meer, des te vaster moet gij op mij vertrouwen. Want het is aan mijn Hart eigen met meerder overvloed de goddelijke hulp te schenken aan hen, die meer van alle menschelijke hulp beroofd, daarheen vol vertrouwen hunne toevlugt nemen.

Denk er aan, mijn kind, dat ik hen, die door den duivel heviger aangevallen worden, gewoon ben ook des te vuriger te verdedigen; en dat ik juist hen met meerder kracht uitrust, wie de vijand meer tracht ten verderve te brengen.

Moed derhalve mijn kind! wat vreest Gij? Gij hebt God met u! Zijt welgemoed, handel met vertrouwen, ga onverschrokken voort.

En indien gij, waar gij u ook wendt, overal een diepen afgrond meent te ontwaren, houd u in mijne armen; blijf aan mijn Hart, bereid om ii aan alles te onderwerpen. Dan eindelijk

22

-ocr page 374-

338

als gij van alle zelfvertrouwen en eigene verwachtingen genoeg ontdaan zult zijn, als gij u menschelijker wijze als verloren zult beschouwen, zult gij tot uwe verwondering u zeiven en mij wedervinden: u zei ven behouden, en mij bij u tegenwoordig.

Zie van die stonde aan, mijn kind, zult gij een nieuw vertrouwen bezitten, dat heldhaftig en zoet tevens is: uwe hoop in mij zal vol vertroosting en blij venden vrede zijn.

5. Mijn kind, ik weet, wat u ten heil verstrekt; ik kan, wat gij niet vermoogt; laat mij handelen, wat u betreft, werk slechts mede al biddende en vertrouwende.

Velen laten den moed zinken en worden kleingeestig als zij niet terstond verkrijgen, wat zij vertrouwen of vragen.

Mijn kind, een ieder, die mot vertrouwen vraagt, wat met zijn heil en met mijne eer niet in strijd is, verkrijgt altijd. Want hij ontvangt of wel, wat hij zelf gevraagd heeft of in plaats daarvan, wat ik weet, dat beter voor hem is; en dan eerst verkrijgt hij, als het verkrijgen ten heil verstrekt. Somtijds namelijk wordt het gevraagde niet geweigerd maar slechts uitgesteld tot dat het geschikte oogenblik daarvoor is aangebroken.

Dewijl gij echter dikwijls naar menschelijke opvatting oordeelt goed te zijn voor u, wat u evenwel, indien het u gegeven werd, niet tot heil zou verstrekken; en dewijl gij gewoonlijk in bijzondere dingen niet weet, wat of hoe u iets tot meerder heil kan zijn, daarom moet gij u op

-ocr page 375-

339

mij verlaten en in gebed en vertrouwen met kalmte volharden.

Daar zijn er, die m den beginne zich geheel op mij verlaten, maar later in sommige moeijelijk-heden zelf eene uitkomst willen zoeken. Nu geschiedt het echter met mijne toelating, dat zij zich meer en moer in die mooijelijkheden verwikkelen, opdat zij loeren zouden zich zolven te wantrouwen en al hunne hoop op mij te vestigen.

6. quot;Wie, mijn kind, hoeft ooit in mij te vergeefs zijn vertrouwen gestold? Wie heeft ooit op mijn Hart hopende, zich te leur gesteld gevonden ?

Zie, mijne Moeder verwierf door haar vertrouwen van mij het eerste openbaar wonder, waardoor ik water in wijn veranderde.

Ofschoon haar ook bijna goene hoop werd gegeven, dat zij hot verlangde gunstbewijs koude verwachten, toch vertrouwde zij, dewijl zij mijn Hart kende; en zij heeft die gewenschte gunst verkregen.

, ■^°?r ^100P v''e,'d de vrouw, dio aan bloed-vloeijiug leed, van hare langdurige kwaal bevrijd. Met zooveel vertrouwen namelijk op mij bezield, trad zij nader, dat zjj zcide: „Indien ik slechts zijii kleed aanraak, zal ik genezen zijn.quot; En zoo is zij ook inderdaad gezond geworden.

Door de hoop heeft do Chananeesche vrouw in hare dvoelhcid troost en verligting gevonden. Ofschoon haar vertrouwen en haar geloof op de proef werden gesteld, toch toenemend in geloof, hoopte zij te meer, bad zij te vuriger, dat ik mot haar medelijden hebben en haar helpen

-ocr page 376-

340

zoude. Zij heeft niet te vergeefs gehoopt, niet te vergeets gebeden. Zij heeft immers verkregen, wat zij verlangde.

Door do hoop ontving de blinde zoon van ïimeus het gezigt weder. Trouwens, vol vertrouwen bad hij, toen ik voorbijging tot mij zijne stem verheffend, en toen velen hem berispten en geboden te zwijgen, riep hij nog luider: „Jesus, Davids Zoon, ontferm U mijner.quot; Daarom medelijden mot hem hebbende, heb ik zijne oogen geopend, opdat hij zien mogt.

Door de hoop werd de melaatsche gezuiverd, „lieer,quot; zoo sprak hij vol geloof, „indien Gij wilt, kunt Gij mij reinigen.quot; Mijn Hart, zoo aaugeroepen, werd tot medelijden bewogen en ik zeide: „Ik wil, word gereinigd.quot; En terstond is hij gezuiverd geworden,

Door de hoop volhardde de arme en behoeftige Lazarus heiliglijk in het lijden, toen hij met zweren bedekt, door den rijken vrek werd uitge-stooten. Hij vestigde namelijk zijne oogen op do belooning, en niet te vergeefs. Want toen hij gestorven was, werd hij door de Engelen in Abrahams schoot gedragen.

Wat wilt gij meer? Niemand heeft op mij gehoopt en is beschaamd geworden. Leg dan, mijn kind, de vreeze af; werp alle wantrouwen uit uw hart, verlaat u op mijn Hart in loven en in sterven.

7. De leerling. O Jesus! hoe goed zijt Gij! hoe beminnelijk! Ja, Jesus, Gij zijt de goedheid zelve; Gij de beminnelijkheid zelve!

O Jesus, mijn God en Zaligmaker! zie met vertrouwen zal ik handelen en niet vreezen,

-ocr page 377-

341

denkende aan uw Hart, dat oneindig goed is, wiens barmhartigheid reikt door de eeuwen heen.

Gedenk, o Jesus, zachtmoedig en nederig van Harte, dat niemand nog, door welke behoefte ook gedreven, tot uw allerbeminnelijkst Hart zijne toevlugt nam en verstoeten of met ledige handen weggezonden werd. Ik, door zulk vertrouwen bezield, kom tot U, ö Jesus; tot U vlugt ik beladen met ellende, en werp mij zei ven met mijne ellende aan uw Hart. Wil, o God, mijn Yader, uw kind, schoon ook uw onwaardig kind, niet verstoeten ; maar laat mij toe tot uw Hart, en gedoog niet, dat ik ooit daarvan gescheiden worde. Sta mij bij, smeek ik U, in al mijne behoeften, nu en altijd en vooral iade ure Aan mijn dood, o beste! o allerliefste! o beminnelijkste Jesus!

VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

pat het allerheiligst hart van jes¥s, aan allen de liefde gebiedend, ons leert het leven der goddelijke liefde te beleven.

1. Jesus. Mijn kind, Gij zult den Heer uwen God beminnen uit geheel uw hart en uit al uwe krachten. Dit is het grootste gebod.

Doch ik, mijn kind, ben uw God en uw Heer. Door mij zijt gij geschapen, door mij zijt gij vrijg ekocht.

Dit is dus mijn gebod, dat gij zult lief heb-

-ocr page 378-

342

ben. Is dat gubocl niet ligt? niet zoet? niet heilzaam ? niet vol alle goeds ?

Wat is gemakkelijker dan te beminnen? Do liefde is het leven des harten; zonder liefde kan het hart niet leven. Zoo mijn kind, is uw hart gemaakt; ik zelf heb het zoo geschapen, zoo gevormd. Want ik heb uw hart geschapen om te beminnen, doch, let wel, om mij te beminnen.

Gij weet, mijn kind, wie ik ben en hoedanig ik van Harte ben. Vindt gij iets op aarde of ook in den hemel, wat zoeter liefde verdient dan mijn Hart? Is mijn Hart niet de zoetheid zelve?

Vraag hun, die het ondervonden hebben; vraag het aan do Heiligen, die dronken van de goddelijke zoetheid mijner liefde, al het aardsche hebben vergeten en al het overige ook het bittere, wat de natuur aanbiedt, als zoet en vol vertroosting hebben bevonden.

Vraag het aan do Engelen, die in mijne liefde zich verblijden en juichen en jubelen in eeuwigheid.

Vindt gij ten laatste in iets ter wereld voor u zoo vele goederen voor tijd en eeuwigheid? Wat is er waarlijk goed, wat gjj in mijn Hart niet vindt? Verruim uwen boezem, zoo veel gij ■wilt; zie al uwe begeerten zullen bevredigd worden.

Wat gij aan vrede, wat gij aan troost, wat gij aan deugd of volmaaktheid, wat gij aan zekerheid in leven en sterven, of welk ander goed ook begeeren moogt, in mijn Hart wordt het gevonden, door mij te beminnen wordt het verkregen.

Prikkel uw hart aan, mijn kind, bemin met

-ocr page 379-

343

gelieel uw liart, bemin met alle uwe krachten, maar bemin, maar heb mij lief, die al uw heil uitmaak.

quot;Weg voortaan de vreeze, die smarten baart; weg met angsten, die het hart benaauwen; bemin, mijn kind, en zijt vrij ; heb mij lief en wees gelukkig.

Leef in het vervolg het leven der liefde, zoo als het aan oon leerling mijns Harten betaamt.

2. De eerste trap in het leven der goddelijke liefde is, met zulke voorliefde te beminnen, dat gij alle geboden, die onder zware zonden verpligten, onderhoudt, en voor niets ter wereld een gebod vrijwillig wilt overtreden.

Wie mij niet lief heeft in die mate, blijft in den dood. Het leven en de dood, de goddelijke liefde en de doodzonde kunnen in een zelfde hart niet zamen wonen.

Het bewijs der lietde is in het verrigten dei-daad gelegen. En daarom is hij, die mijne geboden onderhoudt, ook degene, die mij lief heeft.

Hieraan dus zult gij erkennen of gij mij bemint, als gij mijne geboden onderhoudt.

Deze trap echter, deze liefde is aan allen ter zaligheid noodzakeljjk, en wel zoo zeer, dat mogt men ook alle geheimen kennen en alle wetenschappen bezitten; mogt men ook geheel zijn vermogen uitdeden om de armen te spijzen; mogt men ook zijn ligchaam ten brandstapel overleveren ; mogt men ook de taal der Engelen of alle deugden, welke ook, bezitten, als men deze liefde niet bezit, dan baat het ons niets ten eeuwigen leven.

-ocr page 380-

344

Het geldt hier de eeuwige zaligheid. Die zijn vader of zijne moeder, zijne echtgenoote of zijne kinderen, zijne broeders of zusters, zijne bezittingen of zijn leven meer bemint dan mij, hij is mijner niet waardig en ongeschikt voor het rijk der hemelen.

quot;Wilt gij het eeuwig leven binnengaan, onderhoud de geboden, vermijd de doodzonde, welke krachtsinspanning, welke offers u dit ook moge kosten.

3. De tweede trap in het leven der goddelijke liefde ia, mij met zulke verknochte en edelmoedige liefde te beminnen, dat gij immer krachtdadig er op uit zijt mij te behagen en, om geene beweegreden, ook slechts door een dagelijksche zonde mij wilt beleedigen.

Voorwaar, mijn kind, als gij een hart bezit mijnen leerlingen waardig, dan zult gij uwe genegenheden tot dien graad aan nuj schenken; voor alles zult gij mij behagen; met alle zorg zult gij alles, wat gij weet mij to mishagen, vermijden.

Zeg mij, wat is dat voor eene liefde, wanneer gij wegens ijdele glorie, uit zinnelijkheid of om welke bevrediging uwer bedorvene natuur dan ook, mij wel is waar niet wilt kruisigen, maar toch niet aarzelt mij te bespotten, te verwonden, of met bitterheden te overladen.

Als ik u niet meer beminde, als ik niet meerder zorg voor u droeg, wat mijn kind, wat zou er dan van u geworden ? Als ik u eens verwaarloosde en achteloos bleef om te verhoeden, dat deze en die dingen u niet geheel ten afgrond voerden, wat zoudt gij dan ondervinden ?

En gij wenscht den vrede, mijnen ver-

-ocr page 381-

345

trouwelijken omgang en mijne vertroostingen en zekerheid? Zie de bron van al die goederen stopt gij, zelfs ook door de dagelijksche zonde.

Van waar uwe onrust, uwe moeijelijkheden, angsten en gevaren, van waar anders dan dat gij weigert met een edelmoedig hart de offers te brengen, welke de goddelijke liefde gebragt wil hebben ?

Gij noemt mij uw God; gij noemt mij uw Vader; a, wat meer is, gij noemt mij uw Beminde: doch als ik uw God ben, waar is dan mijne eer? als ik uw Vader ben, waar dan de liefde welke mij toekomt? als ik uw Beminde ben, waar is dan uwe verknochtheid ? waar uwe teederheid ?

Maar indien gij weleer zoo misdaan hebt, als gij vroeger zoo zonder genegenheid voor mij waart, wil nu dan naar hooger genadegaven dingen en ik zal u nog een verhevener graad aanwijzen.

4. Deze is de derde trap in het leven der liefde, der zuivere liefde, waardoor gij mij zoo volmaakt bemint, dat gij oen zelfde willen, een zelfde niet-willen met mij gemeen hebt, en alzoo in alle dingen gelijkvormig zijt aan mijnen goddelijken wil. Ziedaar, mijn kind, de volmaaktheid der liefde, ziedaar de ware vereeniging des harten, ziedaar het leven der Heiligen,

Deze zuivere liefde zal oorzaak zijn, dat gij dezelfde dingen verafschuwt, die ik verafschuw; dat gij behagen schept in dezelfde zaken, waarin ik behagen neem.

Want de reine liefde, de ware vereeniging bestaat in de werkdadige zamenstemming der harten. Hoedanig uwe gevoelens zijn mogen.

-ocr page 382-

346

indien gij niet met mij hetzelfde wilt en verwerpt, hetzelfde zoet vindt, als gij niet met mij het zelfde omhelst, wat de goddelijke wil eischt, dan bezit gij niet de zuivere liefde, niet de ware vereeniging.

Wil evenwel niet ontsteld worden, mijn kind, als het zoo moeijelijk valt u aan den goddelijken wil gelijkvormig te maken, zoodat gij meent dit als het ware met tegenzin te doen. Want zoo gij u vrijelijk daarnaar vormet hot moge u dan moeite kosten, wilt gij immers werkdadig, wat ik wil. Immers, wanneer gij het niet zoudt willen, dan zoudt gij u niet daarnaar rigten; niemand toch kan willen zonder te willen. Gij ziet hieruit, dat de weerzin, welke gij in u bespeurt, in hot lager gedeelte uws harten huist.

5., Mijn kind, de zuivere liefde brengt alles tot eenheid. Gelijk het vuur verteert zij in zich alles, wat onder haar bereik komt.

De goddelijke wil is en het beginsel, en de regel en het doel van alles, wat zij doet of lijdt.

Alle deugden vervormt zij als het ware in zich en adelt ze door hare voortreffelijkheid. Voor een ieder, die zuiver bemint, is alle deugd liefde en de liefde alle deugd.

Mijn kind als gij tot deze eenheid der liefde, nog niet met de daad zijt gekomen, streef dan, en gewen er u aan om uit liefde te leven, uit liefde te handelen, uit liefde te lijden: dan zult gij er toe geraken.

5. Mijn kind, bemin deze heilige liefde, die alleen vele zoetheden voortbrengt en wonderlijke dingen uitwerkt.

-ocr page 383-

847

Zij toch besproeit wat dor is, geneest wat ziek is, buigt wat hard is, verwarmt, wat koud is en regelt, wat onordelijk is.

Zij is het licht des harten, de beste trooste-resse, de beminnelijke gastvriendin der ziel, de zoete bron van verkwikking, zij is rust in arbeid, matiging in hitte, troost in lijden.

W onderlijk heiligt en verheft zij de sehulde-looze zielen. Herinner u aan Joannes, den beminden Leerling, die tijdens het avondmaal op mijne borst rustte; hoe hij door liefde vervoerd, als een arend zijne vleugelen uitsloeg, de goddelijke liefde ademend.

Herinner u Martha , die mij diende: hoe zij door liefde bezield als eene zonnebloem zich immer naar mij wondde, en den zoetsten geur aller deugden verspreidde.

Herinner u andere heilige Maagden, die mij toegewijd waren, hoe zij door liefde boven al het aardsche verheven, een toonbeeld zijn geworden, waarin God zijn welbehagen, de Engelen hunne vreugde hadden, waardoor de harten der stervelingen tot mij werden gedreven.

Ja waarlijk, die zelfde liefde bedekt een menigte van zonden, verteert ze en maakt zelfs uit zondaren Heiligen. Getuige Magdalena, die dooide zuiverheid der liefde in een nieuw schepsel is veranderd, minnende met eene liefde der Seraphijnen.

Getuige Petrus, die door liefde zijne verloochening herstellend, hot hoofd mijner beminde Apostelen, de Herder mijner lammeren en schapen; de gids der heiligheid geworden is.

-ocr page 384-

348

Getuige Paulus, die door liefde veranderd, brandend van liefde de wereld doorliep, gelijk liet vuur door het stroo, en de vlammen der liefde tusschen alle volkeren verspreidde.

7. Mijn kind, de liefde wordt aangeleerd door te beminnen; als gij in de kunst der goddelijke liefde groote vorderingen wilt maken, bemin dan veel.

Wil niet tevreden zijn met eene dorre liefde, die geene zalving bezit; maar kweek ze aan vol verknochtlieid. Het hangt wel is waar van u niet at, om gevoelige liefde te ondervinden ; doch eene liefde, die verknochtheid bezit, kunt gij altoos hebben als gij ze voedt.

Haar voedsel zal zijn bidden met godsvrucht, herhaaldelijk vragen om de gaven der goddelijke liefde of om de vermeerdering dier gave, met mij te verkeeren, meer door de liefde dan door overdenking, liever uw hart voor mij uit te storten dan uwe geest in mijne tegenwoordigheid bezig te houden.

Haar voedsel zal zijn, een dankbaar gemoed te bewaren voor alles, wat gij van mij hebt ontvangen: het leven, het behoud daarvan, al de goederen der natuur; de Verlossing, de roeping, do genade, allo middelen ter zaligheid, eindelijk alle bovennatuurlijko goederenr

Haar voedsel zal zijn altoos voor oogen te houden, hoezeer ik u bemind heb, hoeveel ik voor u gedaan heb, hoeveel ik voor u heb geleden ; wat ik voor u heb gegeven, wat ik voor u bereid heb voor tijd en eeuwigheid; hoe barmhartig, hoe goedgunstig, hoe liefderijk ik zoo

-ocr page 385-

349

dikwijls in het bijzonder jegens u gehandeld heb.

Haar voedsel zal zijn u te herinneren, wie en hoedanig ik ben, in. wien de Engelen en Heiligen des hemels en de Uitverkorenen op aarde altijd hunne zaligheid vinden; wien hemel en aarde tevens en al wat er in is, eenparig verklaren als den eenige, die uit geheel het hart en uit alle krachten bemind moet worden.

8. De leerling. O Jesus! O liefde! welke wondervolle, welke goddelijke, welke zoete dingen brengt Gij uit uw Hart voort!

O God mijn zaligmaker, wie ben ik, en wie zijt Gij? Zoude het niet veel, ja zelfs te veel zijn, als Gij mij slechts veroorloofdet U te beminnen?

Neen zie, opdat ik niet twijfelen zoude of het aan mij ellendig schepsel vrijstaat naar eene plaats in uw goddelijk Hart te dingen, hebt Gij mij geboden, (J lief te hebben? O liefde! O wonder der liefde! O allerliefste Jesus!

En ik zou U niet beminnen ? en ik zou ü niet lief hebben? Ja, mijn Jesus! ja, uit geheel mijn hart zal ik ü beminnen, met al mijne krachten zal ik U liefhebben.

Alles, wat ik bon; al, vrat ik bezit; al uwe gaven en weldaden, hemel en aarde, alles spoort mij aan U lief te hebben; doch niets zoo zeer als Gij zelf, die de oorzaak en het doel, het voorwerp en het loon der liefde zijt.

O Heer Jesus! dit is mijne eenige eerzucht, dat ik uitmunte in liefde tot U, dat ik in liefde jegens U met de Engelen zeiven wedijvere.

In alle overige dingen mogen anderen mij overtreffen; ik zal hot gemakkelijk verdragen.

-ocr page 386-

350

volgaarne lijden, doch dit oene, in liefde voor U aaliter anderen te staan, hoe zal ik het lijden, hoe het dulden kunnen?

Och Jesus, Beminde mijns harten! dat ik U gelijkend worde, geheel liefde, een met U dooide liefde.

O mijl) Jesus! quot;Wie geeft het mij, om met uwe liefde geheel de wereld te ontsteken, alle harten voor U te roovon, en met liefde voor U te ontvlammen ?

Verleen, smeek ik U, dat wij allen uit liefde tot U leven, en door liefde voor U met U do zalige eeuwigheid doorbrengen.

ZES EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

dat het allerheiligst hart van jesus 0x3 leert, ons aanhoudend op voortgang in deugden toe te leggen.

1. Jesus. Zie, mijn kind, ik hel) alles wel verrigt. Altijd deed ik, wat mijn Vader wel-behagelijk was.

Heb ik wel ooit, zoo lang ik leefde, op dien weg stil gestaan ? Welnu, die met mij wil blijven, moet eveneens wandelen gelijk ik gewandeld heb. Want indien hij, terwijl ik voortwandel, stil staat, hoe zal hij dan bij mij blijven?

Mijn kind, de ware deugd rust nooit in dit leven; immers als zij nalaat ook de laatste schrede voorwaarts to doen, dan zal zij gebrekkigheid of laauwheid verraden.

-ocr page 387-

351

Die regtvaardig is worde nog meer regfcvaar-dig; de heilige worde nog heiliger.

Hoe verre dus iemand in de deugd voortgang hebbe gemaakt, hij moet en kan nog verder voortgaan. Immers eene zaak kan door den mensch of wel nog beter verrigt worden, of wel het doel zijner handelingen kan nog meer gezuiverd worden door de liefde, quot;u ier voorwerp oneindig is, of wel ten laatste kunnen verscheidene omstandigheden, die de handelingen vergezellen, op betere wijze ten einde worden gebragt.

Van daar, mijn kind, zult gij bij een opregt onderzoek stof genoeg vinden u te vernederen, ziende, dat gij dikwerf in het een of ander in gebreke zijt gebleven; en tevens zult gij heviger aansporing ondervinden, om toe te nemen in de liefde jegens mij, dio het goede in uwe handelingen vol liefde goedkeurt en met vrijgevigheid beloont; en wat er gebrekkig in is, verdraag of vergeef, wanneer men met een rouwmoedig hart er om vraagt.

2. Wil uwen voortgang niet afmeten naar eene gemakkelijkheid der natuur, naar gevoelige godsvrucht of naar de een of andere natuurlijke neiging; deze allen toch zijn bedriegelijk en niet te vertrouwen.

Xeon, meet uwen waren voortgang in de deugd veilig en zeker af naar de pogingen, welke gij in het werk stelt, om u zeiven edelmoedig te overwinnen en uit liefde tot mij te verloochenen.

quot;Wacht u, mijn kind, u te vreden te stellen met louter natuurlijke deugden. Deze namelijk, aan de natuur ontsproten, kunnen geene vruchten

-ocr page 388-

352

voor de eeuwigheid, jx zelfs geene bloemen voor den hemel opleveren; maar als zij eenige knoppen schieten, als zij nog eenige vruchten dragen, dan zijn het slechts tijdelijke vruchten, die spoedig afvallen.

Elke boom toch, die God niet geplant heeft, elke plant, die niet in de goddelijke genade hare wortelen heeft, zal uitgeroeid worden.

Stroef naar het volmaaktere voort door bovennatuurlijke en degelijke deugden, die in het beginsel der genado wortelende, door edelmoedige en herhaalde oefeningen hecht en volmaakt worden, en die vele bloesems en vruchten opleveren voor de eeuwigheid.

Alles, wat in zich volmaakter is, is daarom voor u altijd nog niet beter; maar dat is waarlijk voor u het nuttigste, wat van den goddelij-ken wil voortkomend door ware deugden helpt ter bereiking van uw doel.

Sommigen stollen hunnen voortgang in eene vermenigvuldiging van godvruchtige oefeningen; anderen wederom in het verrigten van andere dingen. Doch deze allen zijn gewoon dikwerf achteruit te gaan in plaats van voortgang te maken; eensdeels omdat hierin de volmaaktheid niet bestaat, maar die dingen slechts middelen ter volmaaktheid zijn: ten anderen omdat zij, door het aantal en het ongepaste der middelen belemmerd, hun doel niet kunnen bereiken.

3. Voorwaar, mijn kind, eene kuische dienstmaagd, die uit liefde tot mij doet, wat de goddelijke wil overeenkomstig haar stand en betrekking van haar eischt, is volmaakter in mijne oogen dan eene kloosterling, die, de verpligtingen

-ocr page 389-

353

harer roeping en bediening venvaarloozeiid, dag en nacht doorbrengt met het gebed, ja zelfs met tranen van godvruchtig gevoel.

Wilt gij uwe bediening wel vervullen dan moet gij haar op de eerste plaats hoogachten en beminnen, niet omdat zij strookt met uwe neiging, maar omdat zij is volgens den goddelij-ken wil, die ook het geringste edel en kostbaar maakt. Als gij haar niet hoogacht, dan zult gij haar niet lang beminnen; als gij haar niet bemint, dan zult gij haar niet lang wel vervullen, omdat gij niet langen tijd wel handelen en lijden kunt, iets waartegen het verstand en de wil in plaats van u te steunen, zich verzetten.

Vervolgens wil niet in haar en door haar u zeiven of de natuur bevredigen, maar mij, maaide vervulling van mijnen wil beoogen en zoeken. Vervul dan alle verpligtingen uwer bediening krachtig, wel te verstaan in uw daden, vast besloten namelijk om volgens het goddelijk welbehagen tot uw doel te geraken; maar bezadigd, wat de wijze van doen betreft, altoos kalm in het aanwenden der middelen.

Eindelijk, maak u gewoon om alles,wat tot haar behoort, te verrigten uit liefde tot mij, die bij u tegenwoordig en bereid ben om u in bijzondere omstandigheden te bestieren en te ondersteunen. Op deze wijze zult gij alles met gemak en zekerheid doen en daarin volharden.

Maar hetzij gij de pligten van uwen staat vervult, of oefeningen van godsvrucht verrigt, toch blijft het uwe voornaamste zorg, om alles wel te verrigten. Dit is de vruchtbare akker van

23

-ocr page 390-

354

wezenlijke deugd ; dit het zaad dat rijkelijk en ware verdiensten oplevert.

Bedenk dat andere buitengewone dingen, welke gij met verwaarloozing hiervan verrigt, slechts begoochelingen zijn. Mirakelen noch voorzeggingen, geestvervoeringen noch iets anders wat ook, indien gij zoo vele gunsten mogt bezitten, kunnen u tot geen heilige maken.

4. Mijn kind, indien het u van harte gemeend is waren voortgang te doen, dan wilt gij den voortgang ook werkdadig. De volmaaktheid toch en do voortgang daarin, overeenkomstig de genade, kan niet voortkomen tenzij uit een hart, dat wil.

En indien uw hart niet werkdadig wil, zullen geene middelen, welke ook, u volmaakt kunnen maken; dewijl men niet door dwang maar door genegenheid tot mij komt.

Herinner u, hoe vele Heiligen, onder groote hindernissen, met weinige uiterlijke middelen tot het toppunt der deugd zijn opgeklommen; omdat hun hart onophoudelijk gekweld werd door dorst naar volmaaktheid.

Zalig, die hongeren en dorsten naar do regt-vaardigbeid, want zij zullen verzadigd worden! Indien iemand daarnaar dorst gevoelt, bij kome tot mijn Hart en drinke uit de bron der levende wateren, die springt ten eeuwigen leven.

Kom, mijn kind, en proef uit deze bron hoe zoet het is, mij uit liefde te dienen; en gelijk, na den honig geproefd te hebben, andere spijzen bitter smaken, zoo ook zullen u, na de zoetheid der goddelijke liefde mijns Harten geproefd

-ocr page 391-

355

te hebben, alle spijzen der bedorvene natuur bitter smaken.

Bid, mijn kind, bid vurig om verlichting van boven, opdat gij den uitstekenden prijs der volmaaktheid moget kennen; en opdat gij onophoudelijk ontstoken vvordet door het verlangen om haar te verkrijgen.

Roep u daarenboven herhaaldelijk voor den geest, hoe vele en hoe groote beweegredenen u aansporen om altijd ten einde toe naar vooruitgang te streven.

5. De ieerling. Welke zijn die beweegredenen, o Heer?

Jesus. Üeschouw, mijn kind, wie het is, wien gij die- i: hoe btminnelijk hjj is wegens zijne eirquot;1 .ooze volmaaktheden, welke de harten der iiemelingen in verrukking brengen, en gij zult tot liefde worden aangespoord.

Herinner u de weldaden van allerlei soort, uit loutere liefde aan u door mij geschonken; en als uw hart niet alle vatbaarheid voor gevoel heeft verloren, dan zult gij mij weder minnen met een door dankbaarheid vernieuwd gemoed.

Overweeg de zwaarte en de menigte uwer zonden, welke ik u met zulk een vaderhart heb kwijtgescholden; gelooft gij voor mij ooit genoeg te kunnen doen?

Bedenk het veelzijdig en aanhoudend ongeluk van hen, die aan zonde en laauwheid zijn overgegeven ; en daartegenover het onuitsprekelijk geluk van hen, die mij niet vurige liefde dienen.

Beschouw eens de wondervolle schoonheid der deugd en de onuitsprekelijke boosheid der

-ocr page 392-

35G

zonde; hoo do eerste den mensch tot deelgenoot der Engelen, de laatste den mensch aan den duivel gelijk maakt.

Overweeg de kortheid van het tegenwoordig leven, den eeuwigen duur van hot toekomstig leven; hoe zeker de dood, hoo onzeker het uur des doods is.

Wik met uwen geest niet slechts maar ook met het hart, wat het is, te zijn in de hel zonder einde; wat het is, te zijn in den hemel gedurende allo eeuwigheid; en herinner u, dat een van beiden u wacht.

Mijn kind, als gij deze beweegredenen dikwerf eu aandachtig overweegt zoo, dat gjj ze versch in uw geheugen houdt, dan zult gij u haasten het toppunt van allen voortgang te bereiken.

6. Doch de mensch wordt op velerlei wijze van dien vooruitgang terug gehouden. Meestal echter begint hij zich van haar te verwijderen of wel, omdat hij mijne liefde in zijn hart laat verkoelen door verwaarloozing van de vorige oefening des innerlijken levens; of wel, omdat hij der natuur gehoorzamend, zich onttrekt aan de moeite van zich zeiven in het een of ander te beheerschen of te verloochenen.

Daar zijn er, die don weg dor volmaaktheid wel niet verlaten, maar hun gelukkigen voortgang op verschillende wijzen vertragen. Zoo is het gesteld met hen, die, als zij verder moesten voortsnellen, den tijd er van nemen om zich eens te verblijden over de uitgestrektheid, die zij reeds hebben doorloopen. Wat u betreft mijn kind, vergeet, wat achter u is, zeker van Hem

-ocr page 393-

■wien gij dat hebt toevertrouwd, en meet met onvermoeide schreden den weg, die u nog ovcrblijtt.

In den voortgang worden verhinderd ook zij, die zoo vreesachtig voortgaan, dat gij zeggen zoudt, zij willen bij eiken tred onderzoeken, waar zij den voet nederzetten. Wat u aangaat, mijn kind, vertrouw meer op mij dan op u zei ven, en na de zorg aangewend te hebben, die gij in geweten verpligt zijt, vlieg dan mot door goddelijke liefde versnelde vlugt over alles heen naar uw doel.

Ook worden zij weerhouden, die hunne verbeelding martelen en hun hart bcnasuwon met moeijelijkheden van de toekonist, welke zich wellicht nimmer zullen voordoen, zcodat zij uit vreeze of' angstvalligheid zich naauwelijks durven of zelfs kunnen bewegen. Mijn kind, elke dag heeft aan zijn eigen kwalen genoeg; ga dus voor heden blijmoedig voort, laat den toekom-stigen morgen aan mij over, ik zal daarin voorzien.

7. Bedenk, mijn kind, dat de natuur met hare zwaarte u altijd tot een zekere werkeloosheid of vadsige rust medesleept. Gij moet daarom dikwijls door den ijver des geestes uwen wil opwekken en nieuwen moed vergaderen.

Als gij aan die natuurlijke lusteloosheid toegeeft, als gij den krachtdadigen wil om volmaakt te worden opgeeft, dan zult gij niets meer uit-rigten, wat een leerling van mijn hart waardig is; maar gij zult beginnen u te vervelen, den moed te verliezen, met ellende vervuld te worden en u ongelukkig te bevinden.

-ocr page 394-

358

De graad van deugd, dio een trage ziel met zwoegen en zuchten gedurende vele jaren niet eens vermag te bereiken, wordt door eene ziel, die wilskracht bezit, levendig en blijdu binnen weinige maanden bemagtigd.

Mijn kind, indien gij don vasten wil bezit om immer voort te gaan, dan hebt gij reden om u grootolijks te verblijden. In zoodanigen goeden wil hebt gij oen duidelijk bewijs dor goddelijke vriendschap. Deze echter is de zoetste en dege-lijksto vertroosting tevens.

De leerling. O goede Loermeester, zoetste Jesus, voorbeeld van allo deugd! geheel beschaamd sta ik, wijl ik mij er nog niet op heb toegelegd om mij volmanktolijk naar U to vormen, ofschoon ik mij langen tijd reeds voor een leerling van U hob uitgegeven.

Ontferm U mijner, o Heer; wil niet gedoogen, smeek ik U, dat ik onder laauwhoid bezwijke, of aan de traagheid mijner natuur toogove, of door oenig beletsel weerhouden worde; maar wek mij op, spoor mij aan, stoot mij voort door uwe genade.

Geef mij den ijver uws Harten; ontsteek in mijn hart het vuur, dat Gij op de wereld zijt komen brengen, opdat ik mot meerder ijver U beminne, volmaakter aan U gelijkvormig worde, U nader op den voet volgo.

Vernieuw mij geheel, ik siiieek hot U; neem den kwijnenden en ellendigen geest van mij weg en beziel mij met uwen Geest, den Gesst van altijd brandende liefde, van blijvende [blijmoedigheid, die mij niet toelaat lusteloos te worden, into-

-ocr page 395-

359

gendeel mij steeds krachtiger en meer bezadigd aanwakkert tot volmaakter navolging van U, die alleen de weg en de grens der eeuwige zaligheid zijt.

-ocr page 396-

GIDS

Ten geleide in het derde Boek.

1. Het doel van het derde boek is, te streven n:tcir de heiligheid, die men gewoon is de volmaaktheid te noemen. Deze heiligheid echter wordt vtrkregen door deugden, welke een zekeren heldenmoed vorderen, zoo als die, welke gewoonlijk beoefend worden in het geduldig verdragen van het lijden. Zeker toch is het, zoo als blijkt uit de voorbeelden van alle Heiligen, dat niemand, die niet in lijden hechte en in zekeren zin heldhaftige deugden had beoefend , ooit de ware heiligheid heeft verworven. En dit moet niet slechts verstaan worden van de Heiligen, welke de Kerk in hare registers heeft opgeteekend, maar ook van hen allen, die schoon ook in den Heiligen-kalender niet opgeschreven, evenwel tijdens hun leven getracht hebben die heiligheid te verkrijgen, welke Christus door het voorbeeld zijns Harten aan allen geleerd heeft en waarvoor de levensstaat van een ieder vatbaar is. Zeer schoone en levendige , krachtige en troostvolle voorbeelden van dio edele deug-

-ocr page 397-

361

den, waardoor de lieiliglieid verkregen wordt, toont ons de lijdende Jesus. In zijn werkend leven schitteren wel is waar de deugden van zijn Hart met helderen en blij vonden glans en noc -digen en overreden den denker bezadigd en krachtig tevens tot gepaste navolging; doch in zijn lijden schitteren zij in al hare volkomenheid en luister en trekken den overweger niet slechts tot zich, maar wakkeren en dringen hem zelfs met hevigheid aan. Het is daarom voor ons dienstig, dat wij eerst zijn werkend Hart overwegen, dat wij in do kennis van hetzelve in zijne deugden ingewijd zijn, en ook daarin reeds oenigen voortgang gemaakt hebben, anders zullen wij door de grootheid of verhevenheid der deugd en van zijn Ijjdend Hart afgeschrikt en moedeloos worden.

Vervolgens heeft deze heiligheid twee graden; en elke graad bevat wederom drie wijzen.

In den eersten namelijk lijdt men godvruchtig al hetgeen niet kan vermeden worden; dit lijden geschiedt ten eerste met geduld; ten tweede in overeenstemming mei don godde-lijken wil; ten derde met eene zekere bovennatuurlijke blijdschap.

In den tweeden graad, lijdt men ook al het-geen wel op do een of andere wijze kan vermeden worden, maar wat eenmaal te lijden met vrijen wil wordt aangenomen, of wat bovendien nog te lijden gevraagd of gezocht wordt. Dat alles echter wordt in overeenstemming met den goddelijken wil geleden; ton eerste, uit liefde tot Jesus om een bovennatuurlijk doel,bijvoorbeeld

-ocr page 398-

362

om te voldoen voor de beleedigingen Hem aangedaan,tot bekcering der zondaren, tot volharding der rechtvaardigen, ter verkrijging van deze of die genade; ten tweede, uit verlangen naar gelijk-vormigheid met Jesus en naar de vruchten, welke uit deze heilige en liefdevolle gelijkvormigheid voortspruiten; ten derde, uit zuivere liefde om een te zijn in gelijkenis met Jesus en Hem zoo waarlijk te behagen, terwijl men alle eigene belangen, voor zoo ver het geoorloofd is, ter zijde laat.

2. Houd u overtuigd dat, in wolken staat of in welke betrekking gjj ook leven moogt, gij waarlijk een heilige zult worden, als gij hetgeen de Heer u te lijden zal aanbieden, wel geleden zult hebben. Immers indien gij u verdiensten vergadert en voortgang maakt, zelfs door enkele gewone handelingen of door daden van gewone deugd, hoe veel te meer zult gij winnen en vooruitgaan door daden van heldhaftige deugd, die in wederwaardigheden gewoonlijk dikwijls beoefend worden.

Bedenk ocns, wat gij verdient, door elke daad van gewone deugd, als zij door u in staat van genade goed verrigt wordt; vooreerst namelijk, een nieuwen graad of eene zekere vermeerdering der heiligmakende genade, die gij terstond ontvangt en waardoor gij zelf volmaakter en Gode behagelijker wordt; maar tevens een nieuwen en geëvenredigden graad van glorie af eeuwige zalig heid, welke gij later in den hemel zult verkrijgen, waar zij wel bewaard u verbeidt. En beide deze genaden verdient gij op titel van verschuldigde verdienste, in dien zin, dat God volgens

-ocr page 399-

363

zij tie belofte, waardoor Hij zich vrij maar toch waarlijk verpligtte, ze u regtens schuldig is. Zoodanige verdienste, die verdienste in een strengen zin wordt geheeten, is persoonlijk en wordt niet met anderen gadoeld.

Daarenboven kunt gij den zekeren graad of eene bijzondere onderstouning verdienen van dadelijke genade, of ook wel van werkdadigo genade, die het verstand verlicht en bestiert en den wil bezielt en versterkt, om het kwade te vermijden en het goede te doen; en eindelijk een deel van de groote gave der volharding ten einde toe. Doch beiden kunt gij slechts ver-dienon in zoo verre het passend is, dat zjj u geworden, wel te verstaan in dien zin, dat God ze u nooit verschuldigd is, op titel van regtvaar-digheid, maar onkel en alleen wegens een zekere betamelijkheid, gepastheid of vrijgevigheid. Hiertoe namelijk heeft God zich door geene belofte verbonden; evenwel wijl Hij bovenal vrijgevig is, voegt hot Hein ook op deze wijze onze bovenuatuui-lijke handelingen te beloonen; en Hij heeft inderdaad ons geen enkele beweegreden gelaten, om eene teleurstelling te vreezen. Op deze wijze kunt gij beide genaden niet slechts voor u zeiven maar ook voor anderen verdienen.

Die graden nu, welke gij door de deugd verdient, kunnen grooter of kleiner zij n naar gelang de verdienstelijke handeling meer of minder volmaakt is. Het kan namelijk gebeuren, dat gij door een heldhaftige daad, waardoor gij met oen e,lel on grootmoedig hart iets volmaakt ten offer brengt of verdraagt, meerdere verdiensten

-ocr page 400-

364

vergadert, dan door honderd of duizend of zelfs door meerdere daden van gewone deugd. Inderdaad do heilige Chrysostomus verzekert, dat de heilige man Job meer verdiensten pieeft'verworven door die eene daad, ■waarmede hij zich in tegenspoed aan den goddelijken wil gelijkvormig maakte, dan door alle andere daden, welke hij gedurende geheel zijn leven in voorspoed verrigt had.

Laat ons zorgen, dit niet uit het geheugen te verliezen gedurende dit kortstondig leven, dat ons geschonken is, om verdiensten te vergaderen voor de eeuwigheid. Want het zal ons een hulpmiddel zijn, om met meerder welslagen de he-goochelingen te vermijden, die aan dozen trap van het innerlijk leven eigen schijnen. De meest gewone der begoochelingen is dikwijls, dat wij te ligt hot oor leenen aan het gevoel en den weerzin der natuur en daardoor de ondergeschikte oorzaken onzer wederwaardigheden gaan beschouwen, en om het een of ander voorwendsel de moeijelijkheden, die de Heer ons aanbiedt, ontwijken of ten minste met een ontevreden hart dragen, of ook wel, dat wij een anderen weg zoeken dan welken Jesus bewandeld heeft dien Hij voor ons effen gemaakt heeft en waar langs Hij ons roept, om Hem met alle Heiligen te volgen in dezelfde stemming des harten, waarmede Hij ons is voorgegaan.

3. Zoo lang gij u derhalve bozig houdt met hetgeen in dit boek verhandeld wordt, moet gij zorgzaam daarop uwe oogen vestigen en daarheen uw streven rigten, dat gij zoo volmaakt

-ocr page 401-

mogelijk begrijpt, niet slechts de onuitsprokelijko droefheden en smarten van Gods Zoon, maar boven al ook de liefde en gezindheid zijns Harten. Want daar schuilt die onmetelijke schat, welke alleen een ijverig on vroom zoeker kan opsporen en ontdekken. Hoe aandachtiger en godvrnchtiger gij het Hart van uwen lijdenden Heer zult hebben overwogen, des te volmaaktere dingen zult gij vinden, des te betere goederen verkrijgen.

5. De wijze van overweging voor dit boek is, behalve de dubbele wijze voor het eerste boek aangegeven en die hier ook kan toegepast worden, nog tweevoudig; het zijn namelijk do twee wijzen, welke voor het tweede boek werden voorgesteld en die hier op de overweging of op de beschouwing van het lijden van Jesus Christus toepasselijk worden gemaakt.

Derhalve, wanneer gij overweegt, dan stelle uw geheugen u eene deugd voor uit liet lijdons-punt des Heeren, dat gij behandelt; en behoude haar na de overweging zoo wel in uwe herinnering, dat gij haar gevoegelijk in uwe daden kunt toepassen.

Het verstand overwege de deugd, hare oorzaken en doeleinde, hare wijze en omstandig-heden. Onderzoek en ga na, met welke gesteltenissen des Harten Jesus haar geoefend heeft; vergelijk vervolgens den toestand uws harten met die deugd; beschouw haar daarna van alle zijden en onderzoek uw afgeloopen leven; betuig uwen dank en vraag om volharding, indien gij haar tot dusverre wel beoefend hebt; mogt het tegendeel waar zijn, verwek dan een

-ocr page 402-

366

berouw en vraag door het lijdend Hart van Jesus om vergeving; eindelijk neem uwe voorzorgsmaatregelen voor de toekomst en zie eens oplettend toe, wanneer en hoe gij die zeilde deugd kunt uitoefenen.

De wil omhelze de deugd en verrigte inwendige oefeningen daarvan en make het vaste besluit om haar ten geschikten tijd, zoowel uiterlijk als inwendig, tot daad te brengen, intussohen volhardend in vrome gevoelens en smeekingen.

Doch als gij u aan beschouwing overgeeft, zie dan in het geheim of in de bijzondere gebeurtenis, welke gij beschouwt, wat Jesus lijdt en in welke omstandigheden Hij lijdt: namelijk wie lijdt en van wie en voor wie.

Let vervolgens eens wel, welke woorden Hij daarbij spreekt, of hoe Hij zwijgt en voor God den Vader innerlijk door gebeden zijn Hart uitstort.

Ga ten laatste eens met eerbied en oplettendheid het Hart van Jesus na, hoe dat Hart gezind is, waaruit zooveel heldendaden voortspruiten. En geef u zooveel gij kunt gedurende geheel de beschouwing over aan vrome ontboezemingen des harten, aan liefdegevoelens en gebeden.

De gevoelens van liefde, waarin gij u hetzij door de overweging, hetzij door de beschouwing oefent, kunnen verscheiden of verschillend zijn, naarmate gij gestemd zijt of behoefte gevoelt, of ook wel naarmate gij inwendig door den Geest Gods wordt bewogen.

Zeer nuttig kunt gij het geloof verlevendigen en dikwijls vurige akten daarvan verrigten, door

-ocr page 403-

367

Jesus in elk geheim als God te erkennen, en Hem te aanbidden in de vernederingen en versmadingen , waaronder zich somtijds zijne godheid verbergt uit liefde voor ons.

Het is ook goed, u dikwijls en met kalmte aan vertrouwen over te geven, u overtuigd te houden, dat do Heer, die zoo veel uit belangelooze liefde voor u , een onwaardige onder alle opzig-ten , doet en lijdt, om u te verlossen, nu voorzeker , nu gij zelf wilt medewerken, u niet zal weigeren, wat onvergelijkelijk minder is, de middelen namelijk tot uw heil en uwe volmaking.

Door de liefde tot Jesus-, uwen God en zaligmaker , zal uw hart somtijds terstond ontvlamd worden, als gij zien zult , hoe Hij lijdt uit liefde voor u. Want dewijl Hij voor allen en voor een ieder heeft geleden en gestorven is, daarom kan en moet een ieder inderdaad zeggen: Jesus heeft mij bemind en zich zeiven voor mij gegeven.quot; 1)

Houd uw hart dikwijls onledig met het ver-foeijenswaardige en het afschuwelijke der zonde, beschouwende hoe vele martelingen de Zoon van God in zijne menschheid om haar heeft geleden.

Haat jegens de wereld zal er in uw hart worden geboren, als gij aandachtig nagaat, wat en hoezeer Jesus van den haat dezer wereld heeft geleden.

Medelijden voor den lijdenden Jesus zal geheel

1) Galat. II: 20.

-ocr page 404-

368

uw hart doordringen als gij Hem met een vroom en toegewijd hart beschouwt.

IJver zal u ontsteken om Hem vergoeding te schenken voor de beleedigingen Hem zoo onwaar-diglijk aangedaan ! met dat doel moet gij dikwerf uwe heilige verlangens, uwe goede werken en uwe smarten opdragen.

Bovenal echter moet gij de gevoelens en gezindheden van Jesus lijdend Harte en ieder geheim mot aandacht en toeleg nagaan en in u overnemen. Zoolang gij dat niet doet, kunt gij wel gebukt gaan onder den last des kruizes maar niet de voetstappen van Jesus volgen.

Wat de smeekgebeden betreft, die men kan verrigten, deze kunnen zoowel verscheidene als verschillende zijn. Ja , de kring der voorwerpen, die wij vragen kunnen, is zoo uitgestrekt, dat men er naauwelijks grenzen voor kan stellen. Men kan namelijk vragen do gave of de vermeerdering van geloof, hoop en liefde ; van afschuw voor de zonde en van verachting der wereld; van medelijden voor Jesus en van ijver voor zijne eer; kortom van alle deugden en genaden; en dat niet voor u alleen maar voor ieder naaste; zooals voor het tweede boek gezegd is en hier wederom herhaald wordt, om nog dieper in te prenten, wat niet genoeg op het hart kan gedrukt worden, dat de gevoelens of liever do oefeningen van deugden en de smeekingen, waaraan overeenkomstig de genade, de zalving des gebeds en zijn voornaamste yrucht gewoonlijk ontspruit, van het hoogste belang zijn.

5. Tot onderscheiding dor Geesten worden

-ocr page 405-

369

ons de volgende regels, die hier bijzonder op hunne plaats zijn, door de Heiligen gegeven;

Eerste Regel. Geestelijke vertroosting wordt gezegd eigenlijk dan aanwezig te zijn, wanneer er eene zekere inwendige beroering wordt gaande gemaakt, die de ziel met Goddelijke liefde ontsteekt, hetzij regtstreeks, als zij namelijk door Gods liefde wordt ontvlamd wegens de goddelijke goedheid; hetzij niet regtstreeks, als zij namelijk tot goddelijke liefde wordt gespoord door de beschouwing van het lijden van Jesus Christus, of door de smart over de zonden tegen den Heer bedreven of door ecne andere oorzaak, welke dan ook, die waarlijk geschikt is om tot den dienst van God op te wekken. Vervolgens wordt ook geestelijke vertroosting genoemd elke vermeerdering van geloof, hoop en liefde. Eindelijk behoort ook nog onder geestlijke vertroosting gerangschikt te worden, elke inwendige blijschap, welke de ziel tot het boven-aardsche, tot de zaligheid en tot volmaking aanzet en rustig maakt in den Heer.

Tweede Regel. Geestelijke mistroostigheid wordt genoemd alles, wat met de goederen in den eersten regel opgenoemd, in strijd is, als zijn: duisternis, ontsteltenis of dorheid der ziel; elke beroering, die wantrouwen kweekt, de hoop of de liefde bestrijdt; ten laatste opwekking der neigingen tot zaken, die beneden ons zijn, innerlijke droefheid, welke het gemoed neerslaat of verontrust.

Derde Regel. God alleen is in staat der ziel vertroosting te schenken zonder voorafgaande oorzaak; dewijl het denSchopper eigen is in het

24

-ocr page 406-

370

hart zijns schepsels te treden, het geheel in zijne lietde meê te slepen, het te veranderen en om te keeren. Dan zegt men, dat er geene voorafgaande oorzaak bestaat, wanneer de vertroosting gegeven wordt zonder eenige voorgaande gemoedsbeweging, of overdenking van het een of ander, waaruit die troost door daden van het verstand of van den wil voor de ziel voortspruit.

Vierue Eegel. Als er eene oorzaak van vertroosting voorafgaat, dan kan de ziel zoowel door den goeden Geest als door den kwaden Geest op zekere wijze vertroost worden, doch met een verschillend doel: door den goeden Geest tot vooruitgang der ziel opdat zij goed handele en van het goede tot het betere voortschrijde: doch door den kwaden geest integendeel om haar te bederven en neerslagtig te maken.

Vijfde Eegel. Tijdens de mistroostigheid moet men nooit eene verandering maken; maar standvastig en krachtig staande blijven in die voornemens en plannen, welke wij vóór dergelijke dorheid gevormd hebben. Omdat zooals wij tijdens de vertroosting gewoonlijk sterker door den goeden Geest worden bewogen sn ook te gereeder van onze natuurlijke vermogens gebruik maken, zoo ook tijdens mistroostigheid gewoonlijk meer door den boozen geest worden opgewekt, bij wiens inspraken, wijl het gebruik onzer vermogens meer of minder verhinderd wordt, wij naauwelijks in staat zijn zekere plannen ten goede te vormen.

Zesde Eegel. Ofschoon wij tijdens de mistroostigheid onze vorige plannen niet moete-

-ocr page 407-

371

veranderen, is het evenwel zeer nuttig onze wijze van doen te veranderen, om tegen die geestelijke droefheid te strijden, eerstens door meerder volharding in het gebed; ten tweede door meerder onderzoek en door ons te vernederen en aan de goddelijke barmhartigheid van Jesus Harte over te geven; ten derde door ons meer te oefenen om welberaden werken van boetvaardigheid of liefde te verrigten.

Zevende Regel. Wie in geestelijke droefheid verkeert, herinnere zich, dat hij door God op de proef wordt gesteld, dat hij, overgelaten aan zijne natuurlijke vermogens, met gewone genade en ook met bijzondere, schoon ook niet gevoelige genade ondersteund wordt om in dien staat der verschillende bekoringen van den vijand weerstand biedend, de getrouwheid zijner liefde te toonen. Want hij kan met de goddelijke genade weerstaan, wijl deze met hem blijft, ofschoon hij haar niet door het gevoel bespeurt.

Hij echter, die vertroosting geniet, overwege hoe hij zich in toekomstige mistroostigheid zal gedragen; hij verzamele nieuwe krachten, om in de droefheid, die komen moet, niet te bezwijken ; hij trachte zich te vernederen, bedenkende hoe weinig hij vermag, wanneer de Heer hem niet op bijzondere en gevoelige wijze ondersteunt.

Eindelijk, zoowel de bedroefde als de vertrooste moeten beiden zorg dragen om degelijke deugden te verkrijgen of zich op dezer versterking toeleggen en op deze wijze zich te heiligen.

De H. Ignatius. De H. Bonavontura. De H. Maria Magdalena de Pazzis.

-ocr page 408-

DERDE BOEK.

Nuttige vermaningen om het allerheiligst Hart van den lijdenden Jesus na te volgen.

EERSTE HOOFDSTUK.

hoe hoog ue heil1öhe1d moet wokuen geacht, hoezeek wij haak moeten grneqen zijn.

1. Jesus. Zijt heilig, mijn kind, dewijl ik heilig ben. Een ieder, die een volmaakt leerling van mijn Hart wil zijn, heilige zich zeiven, zooals ik heilig ben met een innerlijke, ware en degelijke heiligheid.

De heiligheid is een groot goed, alles bevattend, wat op deze aarde begeerenswaardig is, en de eeuwige zaligheid ons bereidend voor den hemel.

De heiligheid is de voltooijing der deugd, de beschermster der heiligmakende genade, de be-houderes van den inwendigen vrede, de voedster van de vreugde des harten en van blijvend geluk.

Zij is de ware wijsheid; zij is de ware glorie; zij is eenc schat, die niet wordt uitgeput.

-ocr page 409-

373

De minste der heiligen te zijn, is onvergelijkelijk meer dan de grootste te zijn van de ge-heele wereld.

Wat kan er in deze wereld rechtens met de heiligheid worden vergeleken? geen wetenschap, geen waardigheid, geen roem, zelfs niet het bezit van eenige zaak, welke ook. Want deze zijn slechts aardsche vergankelijke goederen; als dampen in de lucht, glinsteren en verdwijnen zij spoedig. Doch de heiligheid is iets hemelsch, en bljjvends, zij schittert als de zon tusschen de hemellichamen; en als de zon zal vergaan zijn, zal zij nog voortgaan gedurende alle eeuwigheid te schitteren.

Dat derhalve de wijze zich niet beroeme op zijne wijsheid, en de sterke niet groot ga op zijne kracht, noch de rijke op zijne schatten maar dat een ieder, die zich beroemt, er roem op drage, mij te kennen en te beminnen, mij door liefde na te volgen en zoo zich te heiligen.

Mijn kind, als gij dit nu niet vat, dan zult gij het eindelijk te laat en tegen uwen wil begrijpen, als gij den dood nabij met meer ware gevoelens zult bezield zijn.

Zeg mij, indien gij heden moest sterven, wat zoudt gij liever willen, of een heilige dan wel een vorst of paus geweest te zijn? Ach mocht ik, zoo riep een stervende uit, die het had ondervonden, ach mogt ik geen heerscher zijn geweest, maar de laatste onder de heilige dienaren van God! ach mogt ik, zoo verzuchtte een ander, niet op een leerstoel maar in de keukon eenor God gewijde woning geloefd hebben!

-ocr page 410-

374

Gij kunt de heiligheid niet te hoog waardeeren, dewijl ik haar zoo hoog heb geschat, dat ik, om haar mogelijk en gemakkelijk te maken, de schatten mijns Harten heb uitgestort; de middelen om haar te verkrijgen met de grootste opoffering heb vermenigvuldigd; alles ten laatste beschikt heb tot heiliging der Uitverkorenen.

Rigt al uwe verlangens, mijn kind, tot bereiking van een goed, dat van zoo veel belang is, en streef met een grootmoedig hart om een Heilige te worden.

2 De leerling. Ik zal dan een Heilige worden, o Heer! ach Heer Jesus! ik heb daartoe gedurende mijn leven te veel gezondigd. Zou het geen hoovaardigheid zijn, indien ik mij zulks vermetel voorstelde? maar zie, ik ben zoo zwak, dat ik niets der heiligheid waardig kan verrichten.

Jesüs. Zegt gij dit, mijn kind, uit u zeiven of om anderen, die het u hebben ingesproken? indien gij het uit uw zeiven zegt, dan dwaalt gy; zegt gij het om anderen, dan zijt gij bedrogen.

En wel vooreerst, indien gij in uw leven hebt gezondigd, zie dat is eene nieuwe reden om u te heiligen, want alzoo zult gij door de toekomst het verledene herstellen.

Maar, mijn kind, er is geen sprake van hetgeen gij geweest zijt, maar wel van hetgeen gij in het vervolg zijn moet.

Hoevele zielen zijn, na de monden bedreven te hebben, binnen een korten tijd tot een hoogeren trap van heiligheid opgeklommen dan sommige zielen, die altijd in onschuld hun leven hebben

-ocr page 411-

375

gesleten; omdat zij de herinnering aan de zonden, die zij beklagenswaardig genoeg hadden bedreven, maar door mij barmhartiglijk waren vergeven, als een prikkel gebruikten, om zich tot heiligheid te sporen en te dwingen!

Derhalve kunnen de eenmaal bedreven zonden niet slechts geen beletsel, maar als gij wilt oo een hulpmiddel ter heiligheid zijn.

Vervolgens mijn kind, naar het toppunt van deugd te streven, naar heiligheid te verlangen is geen trotschheid, geen vermetelheid, maar grootmoedigheid, maar adel van ziel, zonder welke niemand een leerling van mijn Hart kan zijn.

Zoo spreek ik, en zie wel toe, wien van beiden gij geloof schenkt, of aan mij of den vijandigen geest, die u het tegenovergestelde ingeeft.

Wees op uwe hoede, mijn kind, opdat gij misleid, niet een kleingeestige en aldus onbekwaam wordt om te streven naar datgene, wat voor het verlangen van elk goedgezind hart verreweg de meeste waarde heeft.

Verhef uwen moed, werp alle bedorvenheid des harten uit, kweek de gevoelens aan, die een leerling van mijn Hart waardig zijn.

Eindelijk als gij zwak zijt, ben ik niet de mag-tige? als gij geen gestrengheden kunt verduren, kunt gij ze daarom niet liefhebben? als gij niet kunt handelen, kunt gij daarom niet lijden? quot;Welnu door liefde en door lijden wordt de heiligheid bovenal tot volmaking gebragt.

Geen buitengewone dingen, geen wonderen, maar liefde, maar lijdende liefde bevordert vooral de heiliging der zieL

-ocr page 412-

376

Tracht uit liefde tot mij te lijden, wat ik zelf u te lijden zal uitkiezen en opleggen: en zie, gij zult een Heilige worden.

Indien de goederen, die de wereld groot noemt, zoo gemakkelijk te verkrijgen waren, welke wereldling zou ze dan niet bemagtigen?

3. De volhardende begeerte om voortgang te maken en het ijverig streven naar heiligheid, wordt in dit leven met regt geacht de heiligheid des menschen uit te maken.

Niemand is volmaakt heilig, die er niet naar streeft nog volmaakter te worden; want in die mate toont iemand meerder heiligheid te bezitten, naar de mate hij naar grooiere volmaaktheid streeft.

Derhalve mijn kind, is volmaakte heiligheid niet het werk van één dag of van ééne week. Meen dus niet, dat gij gedurende zulk een kort tijdsbestek volmaakt zult worden. Want dit hopende en daarna u in uwe verwachting bedrogen vindend, kondet gij wel eens den moed laten zinken, of ook gevaarlijk bekoord worden het werk achterwege te laten.

De volmaaktheid is een gewrocht der goddelijke genade en der menschelijke medewerking.

De goedheid mijns Harten evenwel, die u heilig wil zien, is veel meer geneigd om u genade te verleenen, dan gij om ze te vragen, wat meer is, zij stort die ongevraagd over u uit.

Hoe getrouwer gij derhalve met de genade medewerkt, des te spoediger zult gij u de heiligheid ten bezit maken.

4. Als gij den volhardenden en krachtdadigen

-ocr page 413-

377

wil hebt, om u te heiligen, dan kan u niets een beletsel zijn, om heilig te worden.

Hoe gij ook van nature geschapen zijt, gij zult de heiligheid bereiken, niet door uwe natuurlijke gesteltenis, maar wegens de medewerking met de genade door uwen vrijen wil.

Niet de inborst, ook niet de levensstaat noch uwe betrekkingen zullen u een beletsel zijn, in dien gij met edelmoedige getrouwheid des harten met de goddelijke genade medewerkt. Zie eens welk een ontzaggelijke menigte, die niemand vermag te tellen, door die getrouwheid in den kloosterlijken staat zich heeft geheiligd; en hoe duizend duizenden, Heiligen zijn geworden te midden der wereld. Door die getrouwheid werd een Hendrik heilig in het legerkamp; Casimir aan het hof'; Elzea in den omgang met de wereld; Isidorus op het veld; Agnes werd eene heilige in de stad; Maria op het land; C atharina in het ouderlijk huis; Christina in slavernij.

Ook hangt de heiligheid mijner Zaligen en Heiligen niet af van de inschrijving op het hei-ligenregister, hetwelk iemand niet tot een heilige maakt maar slechts als zoodanig verklaart voor de stervelingen. Als gij een Heilige in den hemel zult zijn, dan, geheel gelijkvormig aan het goddelijk welbehagen, zult gij er u niet om bekommeren of uw naam in dat register der Heiligen op aarde wordt gevonden.

Ten laatste stellen zelfs do bekoringen en moeijelijkheden u geen beletsel in den weg. Alles toch wat de hol zou kunnen beproeven.

-ocr page 414-

378

wat de wereld tegen u zou kunnen verzinnen, dit alles zal, indien gij wilt, een middel tot uwe heiligwording zijn.

5. Het is wel waar, dat hij, die de heiligheid wenscht te verkrijgen, alle zonden ook de kleinsten moet vermijden; doch de onvrijwillige misslagen, die uit menschelijke zwakheid voortspruiten, staan der volmaaktheid niet in den weg.

Do grootste heiligen zelfs waren niet geheel Yrij van die ellende; en zoo lang als zij op aarde geleefd hebben, hebben zij de zwakheid der menschelijke natuur ondervonden.

Wil u dus niet verontrusten noch beangstigen om feilen, waarin de wil niet met kennis deel neemt; de mensch kan zeer volmaakt zijn schoon hij ook zonder zijn vrijen wil misdoet.

Verminder zooveel gij kunt, naar het voorbeeld der zaligen, die onvrijwillige misslagen en verneder u voor mij met vredevolle liefde over degenen, die gij hebt bedreven; zoo zult gij daaruit zelf nut trekken tot uwen voortgang.

6. Dewijl dit zoo is, mijn kind, leen daarom aan niemand het oor, noch aan u zeiven noch aan eenig sterveling noch aan eenigen geest, die u, onder welk voorwendsel ook, van het streven naar de heiligheid tracht af te houden.

Doch ga met een edelmoedig hart, zonder ooit den moed te verliezen, volhardend voort naar inwendige heiliging te streven.

Die heiligheid is eene zaak van zooveel belang, mij zoo vereerend en welgevallig, dat eene en-

-ocr page 415-

379

kele ziel slechts, die zich. aldus innerlijk heiligt, mij meer vereert, mij meer behaagt, in mijn harte meer geldt dan iemand anders, die hoe goed hij ook moge wezen, zich evenwel met gewone deugden tevreden stelt.

Weet wel, mijn kind, dat de heiligheid tot eene zekere hoogte, volstrekt noodzakelijk is, om voor het aanschijn mijner goddelijke majesteit te worden toegelaten, omdat niemand zonder heiligheid God zal aanschouwen.

Indien gij deze noodzakelijke heiligheid niet zult verworven hebben in dit tegenwoordig leven, dan zult gij in het toekomend leven door het vuur tot die heiligheid worden gelouterd, alvorens gij den hemel binnen zult gaan, waarin niets, wat onheilig is, binnentreedt.

Onthoud dit, mijn kind, tot uwen troost, dat zoo gij den goeden krachtdadigen wil, om u waarlijk te heiligen zult hebben lovend gehouden, gij niet eerder den dood zult smaken dan na de heiligheid bereikt te hebben.

Doch waan intusschen nimmer de heiligheid reeds verkregen te hebben of reeds een volmaakte te zijn, maar streef immer voort en houd aan op den prijs, uwer verhevene roeping weggelegd.

Moed gevat, mijn kind, beproef iets, wat den leerling -mijns Harten waardig is; zijt een mededinger met de Heiligen, uwe edele broeders en zusters. Wat gij zijt, zij waren het eenmaal ook; wat zij thans zijn, gij kunt het eenmaal wezen.

6. De Leerling. Zoo dan, o Heer Jesus, ook

-ocr page 416-

380

ik, de minste van allen, moet en kan een Heilige worden.

Ja ik moet het, dewijl Gij het mij gebiedt, dewijl ik van zoo vele bijzondere weldaden en genaden mij verleend, rekening zal moeten geven;

dewijl ik gehouden ben de onuitsprekelijke ver-pligtingen door uwe barmhartigheid, na zoo veel zonden, mij opgelegd, voor zooveel in mijn vermogen is te doen; dewijl ik verplicht ben mijne zaligheid te behartigen en mij voor den hemel voor te bereiden; doch bovenal dewijl Gij alle liefde en alle eer op de eerste plaats verdient.

En ik kan het: omdat Gij overvloedige en krachtdadige middelen daartoe schenkt; omdat Gij niets anders van mij eischt, dan dat ik met een opregten wil mijne krachten inspan, bereid als Gij zijt, om zelf het onbrekende aan te vullen; omdat mij niets een beletsel kan zijn, zoo ik zelf het niet wil; omdat alles, wat ook, indien ik het wil, mij kan helpen en voortstooten; omdat ten laatste geheel het werk mijner heiliging niets anders is dan een werk der liefde , der liefde tot U, eene wederkeerige liefde namelijk voor welke alles mogelijk, alles gemakkelijk, alles zoet is.

Derhalve begeer ik een Heilige te worden, niet om op aarde onder de. Heiligen geteld te worden, maar om in den hemel in de rijen der uitverkorenen, U te verheerlijken; niet zoozeer uit vreeze voor straf noch op hoop van belooning als wel uit liefde tot U, beste en allerzoetste Jesus, opdat ik U meer beminne, U meer ver-eere nu en in de eeuwigheid.

-ocr page 417-

381

Zie dan, o Heer Jesus, ik wil een Heilige worden en zoolang ik adem haal zal ik niet ophouden dit te willen; ik bid en smeek II, ter wille van^ uw allerheiligst Hart, kom dezen mijnen goeden wil te hulp.

TWEEDE HOOFDSTUK.

dat in het leven niemand zondek lijden kak zijn.

1. Jesus. Mijn kind, zoo lang gij op aarde loeit, kunt gij niet vrij zijn van beproevingen.

Wat anders dan droefenis is geheel dit ster-velijk leven, waarin de mensch schreijende zijne intrede doet, waarin hij al lijdende verkeert, en waaruit hij zuchtende vertrekt?

Het is onmogelijk, dat de mensch, sinds hij den dood onderworpen geboren wordt, zijn leven zonder smarte kan slijten, omdat hij zelf de bron van smarte in zich draagt. De natuurlijke gesteldheid, volgens welke hij moet sterven, veroorzaakt vele en verschillende ellenden, ziekten en smarten, waaraan geen einde kan komen zoolang de vruchtbare en werkende oorzaak blijft bestaan. Doch deze alle, schoon ook veelvuldig en lastig, zijn nogtans van minder belang. Immers uit de bron zijner bedorven natuur wellen er anderen op, die veel erger zijn: ongeregelde en bedorvene begeerlijkheden, die den mensch ook tegen zijn wil noodzaken te gevoelen, wat hij niet wil geyoelcn.

-ocr page 418-

382

Deze zijn de hartstogten, de voortbrengers van zoovele kwalen, die zijn hart zelf aankleven en den vrede van velen verstoren; oorlogen, vreeselijke oorlogen doen ontstaan; door tegenstrijdige beroeringen de ziel aan tallooze gevaren en bitterheden blootstellen.

2. Hoevelen toch zijn de smarten, die den mensch inwendig overvallen, en waaraan volstrekt niemand kan ontkomen! Koude, hitte, verschillende ongestadigheden, duizenden lastigheden van den kant der schepselen zeer vele gevolgen eindelijk van natuurlijke oorzaken, die, schoon ook in het algemeen ten goede strekkend, het goede evenwel door de gebreken van den mensch in den staat zijner gevallen natuur o wel in do tegenwoordige orde van zaken, niet kunnen uitwerken zonder den een of ander in het bijzonder tot last te verstrekken.

En hoezeer bezwaart onder dezen niet somtijds den sterveling de arbeid, zonder welken niemand hier kan leven bijaldien hij niet nog grooteren druk wil ondervinden.

Voeg en tel eens te zamen, indien gij kunt, de smarten en bitterheden van allerhande soort, die uit de hartstogten en gebreken van anderen voortspruiten, en gij zult overal moeijelijkheden zien, die, worden zij niet door u te boven gestreefd, u zullen overstelpen.

3. Inderdaad mijn kind dewijl het leven der stervelingen van zoovele kwalen overvloeit, zou het naauwehjks aan weinigen dragelijk toeschijnen, zoo niet de geest van den godsdienst u beweegredenen ingaf om geduld te oefenen, en mijn

-ocr page 419-

383

Hart met de zalving zijner genade u leniging aanbood.

Alle wijsheid zelfs dezer wereld, schoon zij ook schoone bewoordingen over het verdragen der smarten weet in het midden te brengen, zal evenwel nimmer geneesmiddeleu voor de smarten kunnen vinden en aanvoeren.

Hoe velen, die over het lijden van droefheden op de schitterendste wijze wisten uit te weiden, en anderen trachtten te onderrigten, werden zelf door de droefheid ter neêr geslagen!

Kan het daarom bevreemden, als zij, die van den geest van godsdienst zijn verstoken en vreemd zijn aan mijn Hart, in wederwaardig-heden eindelijk tot wanhoop oversloegen, en door hunne rede verblind, de overige ellende door de grootste ellende, omdat zij eeuwigdurend is, beklagenswaardig genoeg besloten?

De godsdienst toch maakt alle wederwaardigheden dragelijk en nuttig, wijl hij leert, dat wat een billijke staf voor de zonde en een regt-vaardige reden voor het lijden der menschen is, door de troostvolle uitwerkselen van de wijsheid en goedheid mijns Harten, een heilzaam geneesmiddel wordt tegen de zonde en eene bron van overvloedige verdiensten voor den mensch.

De smeltkroes loutert het metaal. Het vuur verhardt het leem, doch verweekt het was. De storm werpt de planten neder, maar doet den gewortelden boom nog dieper wortelen schieten.

Zoo beproeven de wederwaardigheden den mensch: de droefheid maakt den een gehard,

-ocr page 420-

384

den anderen weekelijk. De insnijding slaat den een ter neder, doch versterkt den ander.

De wederwaadigheid zou allen ter zaligheid voeren, indien allen haar wel opnamen. Indien iemand door haar ten ondergang komt, is het zijn eigen schuld dewijl zij goed verdragen, een zekeren weg tot heiligheid en dus tot waar geluk aanbiedt.

4. Maar zie, mijn kind, veel ligter en troostrijker is alle wederwaardigheid geworden omdat ik, in wederwaardigheden gedompeld, het lijden heb geheiligd en omdat ik zelf hen, die door wederwaardigheden bezocht zijn, zoowel door het voorbeeld van mijn leven, als door de toezegging van belooning én door de hulp en den troost mijner genade voorga.

Van mijn voorbeeld hebben de Heiligen het geheim geleerd om goed te lijden, en de kunst om het kwade in goed te verkeeren.

Daarom hebben zij ondervonden, dat wederwaardigheden zelfs zoet voor hen waren, en trokken zij uit mijne liefde zulk een begeerte tot lijden, dat zij niet zonder lijden wenschten te leven, want in al hun wederwaardigheden vloeiden zij over van vreugde.

Kunt gij ook niet, mijn kind, naar hetzelfde streven? is dat niet zoowel in mijn als in uw belang? wat vreest gij? zie geene droefheden kunnen uw hart bereiken, die niet eerst mijn Hart hebben doodrongen; doch dit doordringende, hebben zij alle kracht om te schaden verloren, en zijn zij met eene goddelijke kracht van troost doortrokken.

-ocr page 421-

385

5. Draag zorg mijn kind, dat gij de wederwaardigheden, als zij u van uit mijn Hart met zoetheid doortrokken overkomen, niet bitter maakt door do bitterheid uws harten.

Lijden is noodzakelijk; er is geene keuze; doch goed te lijden of slecht te lijden zooals de uitverkorenen of als de verdoemden; tot uwe heiliging of tot uwe verwerping, dat staat aan uwe verkiezing, mijn kind, dat hangt van uwe keuze af.

Bereid u zei ven, mijn kind, ja, houd u voorbereid voor moeijelijkheden, die niet ophouden en niet zullen ophouden u te overvallen.

Wil niet gelooven, dat gij oenen dag zult hebben zonder eenige moeijelijkheid, dewijl er nimmer in de toekomst een dag zal aanbreken, die niet haar eigen kwaad voldoende met zich zal voeren.

Wil u ook niet verbeelden, dit te kunnen ontvlugttn, wat gij ook doen moogt. Mogt gij u ook alleen in de eenzaamheid begeven, de zeeën oversteken, of u aan de uiteinden dor aarde verbergen, overal zal de wederwaardigheid uwe gezellin zijn en u met hare oorzaken of gelegenheden altijd als de schaduw volgen.

Tracht daarom, mijn kind, als gij wijs wilt zijn, wat gij niet kunt vermijden, in uw voordeel te keeren door met een tevreden en goedgezind gemoed, zooals de Heiligen, het kruis uwer wederwaardigheid te dragen en bereidvaardig mijne voetstappen te volgen.

C. Wilt gij de wederwaardigheden gemakke-kelijk en met vrucht dragen, draag ze dan uit

25

-ocr page 422-

386

liefde tot mij; deze liefde zal de zwaarte en de bitterheid aan uw kruis ontnemen en door hare kracht uw kruis, en door hetzelve u heiligen.

Die zijne tegenspoeden niet lijdt uit liefde tot mij, zal zijn kruis niet lang bereidvaardig dragen, maar zal het weldra, of wel tobbend en zuchtend na zicli slepen, of door hetzelve overweldigd jammerlijk ter aarde storten.

Indien het u zwaar valt zoo te lijden, kom dan tot mijn Hart, mijn kind en bid. Daar zult gij hulp, daar liefde, daar de zalving der genade verwerven.

Mijn kind, tot dusverre heb ik niet opgehouden u te zeggen, en zal ik niet ophouden u te herhalen, dat gij bidden moet en niet op moet houden.

Want zie in het gebed ligt alles opgesloten; in het gebed is bevrijding van kwalen, in het gebed is verkrijging van goederen, in het gebed ligt het geneesmiddel tegen ellende, in het gebed ligt leniging voor «marten, in het gebed is troost, in het gebed is volharding.

De leerling. Er blijft mij derhalve, o Heer Jesus, geen uitvlugt meer; lijden is noodzakelijk of willig of onwillig. Doch indien ik vrijwillig lijd, zal ik het lijden minder gevoelen ; doe ik het met weerzin , dan zal ik de zwaarte daarvan nog vermeerderen.

Wil ik derhalve niet te vergeefs mij zeiven

gelukkig maken , dan moet ik mijn hart be-onid houden om te lijden en indien ook de nood-reakehjkhoid soms hard moge schijnen, dan toch zal de yrucht van het geduld, die mij tijdens

-ocr page 423-

387

dit leven zal heiligen en gedurende geheel de eeuwigheid zal zaligen, overvloediglijk voldoende zijn , om mijn hart te bemoedigen en aan te sporen.

Doch indien ik U bemin, o allerzoetste Jesus, zal de beschouwing van U alleen mij bewegen U bereidvaardig en met vreugde te volgen, om met U te zijn, op U te gelijken, U mijne liefde te bewijzen, en uwe liefde te genieten.

O Jesus, eindelooze zoetheid! Met U wordt ook het bittere in zoetheid veranderd; want zie Gij hebt door zelf te lijden aan de wederwaardigheden ontnomen en voor U zeiven behouden al wat daarin bitters wordt gevonden; doch alles wat daarin zoet en smakelijk is , hebt Gij er uit getrokken en aan ons gegeven.

O allerliefste Jesus, die mij tot zulk een graad hebt liefgehad , ik smeek U , deel mij de gevoelens uws Harten mede, opdat ik al mijne wederwaardigheden heilige en door deze uwe eer en mijne volmaaktheid bevordere.

DERDE HOOFDSTUK.

hoedanig het allerheiligst hart van jesus ten opzigte van het lijden gestemd was.

1. Jesus. Let eens wel mijn kind, welke de gevoelens waren van mijn Hart ten opzigte van het lijden, en tracht deze na te volgen.

-ocr page 424-

388

Zie gedurende mijn sterfelijk leven, leed mijn Hart onophoudelijk en was het altijd tevens blijde.

Begrijp wel, wat ik zeg, mijn kind; ik spreek niet van mijnen goddelijker! wil, die namelijk vrij en ongeschikt was voor alle smart; maar van mijnen menschelijken wil. quot;Want ik heb deugden beoefend, daardoor verdiensten verkregen , daardoor de verlossing v«n den mensch bewerkt.

Van af het begin van het bestaan mijner Menschheid was mijn hart geheel verblijd over de aanschouwing der Godheid, die rii.pt haar persoonlijk was vereenigd , die zij altijd genoot en waardoor zij in de hoogste mate zalig was; en ter zelfder tijd treurde mijn Hart door een bijzondere medewerking der Godheid over de zwaarte en het bittere van het lijden , dat het moost verduren.

Maar ook over dat gestreng en bitter lijden zelve treurde en verheugde zich mijn Hart tevens onder verschillend opzigt. Het treurde daarover voor zooverre het der menschheid zwaar en lastig was; doch voor zooverre het door God gewild was en het heil van den mensch bedoelde, verheugde het zich daarover.

Immers mijn Hart bezat ook een menschelijken wil, 'die op zich zeiven beschouwd wel één doch in zijne werking als het ware tweeërlei was:

Een lagere , die van zelf van al wat der men-schelijke natuur smartvol is, een afschrik had en het ontvlugtte; een hoogere, die dezelfde smartelijkheden om verhevener beweegredenen , met vrijen wil beminde en omhelsde.

Beiden, die lagere en hoogere wil, waren wel

-ocr page 425-

389

gestemd, nooit ongeregeld en door geen gebrek van hunne kracht beroofd.

De lagere immers, die hetgeen aan zijne natuur goed en voordeelig was, beoogde en begeerde, slechts wat voor zijne natuur smartelijk was en den dood vreesde en ontvlngtte, liet zich tevens door den hoogeren wil besturen.

De hoogere echter onderwierp en vormde don lageren wil en zich zeiven aan en naar den god-delijken wil. Daaruit. ontstonden volmaakte, bovennatuurlijke daden van deugd; daaruit ontstondenquot; verdiensten, daaruit eindelijk ontstond een overvloed van opgehoopte genadeschatten voor den mensch.

Denk er aan, mijn kind, dat gij insgelijks zulk een wil hebt, wel niet zoo volmaakt en zuiver, maar dan toch vrij: en dat ook gij in dien wil een hooger en een lager gedeelte bespeurt.

2. Gij, mijn kind, gij weet niet altijd noch op eens, wat gjj te lijden hebt. Uit barmhartigheid en goedgunstigheid geschiedt het, dat gij dit veelal eerst ziet, wanneer het zich voordoet, waardoor gij elk in het bijzonder met meer geduld verdraagt.

Doch mijn lijden was mij altijd voor oogen; overal waar ik was, zag ik volkomen al de martelingen, die mij in de toekomst wachtten.

Geen enkel oogenblik was het voor mij ver-borgen., wat de profeten omtrent mijn lijden hadden voorzegd, wat de beelden der oude wet van mij hadden voorafgebeeld, wat de boosheid der wereld en der hel zou verzinnen, wat al verschrikelijke kwellingen de zonden den men-

-ocr page 426-

390

sjhen afriepen, wat de gekrenkte eer van mijn hcmelschon Vader eischte, wat uwe behoefte, mijn kind, vergde.

Dit alles en elk in het bijzonder zweefde mij gedurig voor oogen, en perste onophoudelijk mijn Hart te zamen.

Doch do liefde mijns Harten was oorzaak, dat ik alles verdroeg en wilig leed.

De liefde maakte mij alles smakelijk: arbeid en nachtwaken, hoon en verguizing, geeselsla-gen en doornen, het kruis en alles, wat door don goddelijkon wil beschikt was tot zaligheid der menschen.

Zie dan, mijn kind, zie daar de allesbeheer-schende stemming van mijn lijdend Hart, liefde voor God en liefde voor de menschen. Uit deze bron vloeiden al zijne overige gezindheden voort.

3. Vandaar dan ook was het geduld mijns harten onuitsprekelijk, waardoor ik zooveel, schoon ook onverdiend en onwaardiglijk toch zonder bitterheid, zonder eenige klagt verduurde. De liefde toch is geduldig, de liefde verdraagt alles.

Vandaar de onderwerping mijns Harten aan het goddelijk welbehagen in alle droetheden en alle smarten. Mijn wil namelijk, door de liefde aan den wil Grods gelijkvormig gemaakt, was bereid alles tot het laatste toe te lijden.

Vandaar de vreugde mijn Harten in het lijden ; immers die bemint, die het goede van het beminde voorwerp kent, verheugt zich als hij het geniet. Want mijn Hart kende volmaakt de verhevenheid van den goddelijken wil

-ocr page 427-

391

en stelde er dus. mogt het ook vele en ver-sehillendo smarten kosten, zijn genot in dien te vervullen.

Vandaar de bovennatuurlijke begeerte van mijn Hart om te lijden. Want de ware liefde wenscht op werkdadige wijze hare opregtheid, hare tee-derheid en hare getrouwheid te bewijzen. Derhalve werd mijn Hart onophoudelijk door liefde geprikkeld , steeds smachtend naar de vervulling van het lijden, dat voor Gred zou zijn en voor den menseh zou blijven een duidelijk en eeuwig bewijs tevens van de opregtheid, van de teederheid en van de getrouwheid , ja en van de overmate mijner liefde.

4. Doch, mijn kind, nog hooger streefde de liefde mijns Harten. Dit toch wilde het, dit begeerde het, door hare overmate de harten der menschen te rooven, en met hair vuur te ontvlammen.

Ik was immers op aarde het vuur komen brengen en wat wilde ik anders, dan dat het ontstoken zoude worden.

Daartoe had ik het doopsel van mijn bloed, levendig en gloeijend, waarin ik gedoopt werd.

Mijn lijden, bedoel ik, waarin ik ten eenemale gedompeld , waardoor ik overstelpt werd.

En hoe word ik geprest tot het vervuld mogt worden! Hoe brandend verlangde mjju Hart om dat ziedend bad te openen, dat met wonderlijke kracht de harten der stervelingen zou zuiveren, verwarmen, aansporen , ontvlammen.

Daarin waren gezuiverd , daardoor waren ont-

-ocr page 428-

392

vlamd de Apostelen en Martelaren, de heilige Belijders en Maagden , die uit zuivere liefde voor mij bereid waren alles te lijden en mij te volgen , door smarten, door vernederingen, door duizend martelingen, door duizend dooden heen.

En zoude uw hart, mijn kind, ook niet kunnen ontstoken worden? daarom heb ik u in zulk een graad bemind, om u tot wederliefde jegens mij te ontvlammen , om al uwe liefde te winnen.

5. Mijn kind, als gij dikwijls en met aandacht beschouwt tot welk een hoogte ik u heb lief gehad, en hoeveel meerdere beweegredenen gij hebt om mij te beminnen, dan ik om u; dan moet gij ongetwijfeld worden aangezet die liefde met wederliefde te vergelden.

En als de liefde eenmaal geheel uw hart zal hebben ingenomen, dan zal zij daarin dezelfde gevoelens, diein mijn Hart ten opzigte van het lijden der wederwaardigheden wonen, voortbrengen.

Hoe meer gij mij bemint, des te beter zult gij gestemd wezen jegens al wat hinderlijk is; en hoe meer gij met een goed gestemd hart het lijden verdraagt, des te volmaakter zult gij mij liefhebben.

Indien soms de gezindheden van mijn Hart met betrekking tot de wederwaardigheden niet in uwen smaak vallen, dan is dit een teeken dat gij een hart zonder kracht bezit, ja een hart dat kwalijk is aangedaan en na ingesteld onderzoek zult gij als oorzaak daarvan bespeuren, dat uw hart, beroofd van de warmte der goddelijke liefde of wel verdoofd is door de koude

-ocr page 429-

393

van zekere onverschilligheid, of wel in het koortsvuur ligt van bedorven eigenliefde.

Voorwaar juist daarin , dat gij nog zoo ongeschikt zijt om hetgeen voor edele zielen van zooveel waarde is, te kunnen bereiken en genieten , zie daarin juist een reden om u krachtiger op te rigten en aan te sporen.

En begeer en verlang ten minste, dat uw hart bewogen moge worden door dezelfde gezindheden, die in het mijne wonen.

6. En bid, schoon de natuur er zich ook togen verzette , bid dikwijls en vurig dat gij de waarde van dergelijke gevoelens kennen en de onwaardeerbare vruchten daarvan beminnen moget.

Als gij zoo in uw gebed opregt zult zij n. dan zullen de oogen van uwen geest worden geopend , en dan zult gij duidelijk inzien dat de wijslieid der wereld , die een afschrik heeft van de liefde voor de zaligende vernederingen en verstervingen , waarlijk dwaasheid is , doch dat die heilzame liefde do wezenlijke wijsheid bevat, welke ik zelf, uit den hemel nederdalend, met woord en voorbeeld heb verkondigd.

En als gij volhard zult hebben in het gebod, dan zal u overvloedig genade geschonken worden, om de wederwaardigheden met een vroom gemoed te omhelzen en heilig te verduren.

Wil u echter met het gebed alleen niet te vreden stellen; neen masr tracht ook overeenkomstig de genade en overeenkomstig uwe krachten u zeiven te verloochenen, alle droefheden te lijden, met mij het kruis te dragen.

Zalig hij, die in de heiligende wederwaardig-

-ocr page 430-

394

heden smake vindt' inderdaad hij is geleerd, meer door goddelijke zalving dan door men-schelijko vinding, hij wordt bezield meer door de genade dan door de natuur.

Xiets is er, mijn kind, waaraan men beter de ware leerlingen mijns Harten erkent dan aan de waardeering van, en aan de liefde voor de wederwaardigheden om mijnent wille.

7. De leerling. O goede Jesus! hoe groot was de liefde van uw Hart jegens mij-! hoe onverdiend de genegenheid! in hoe hooge mate maakt Gij mijne zaligheid uit!

Hoeveel en met welke zuivere liefde hebt Gij geleden, en dat alles om mij, om mij door liefde met U te vereenigen!

En ik zou U dan ooit kunnen vergeten? ik zou U ooit genoeg kunnen beminnen? weinig, ik beken het, maar toch billijk en rechtvaardig is het, dat ik U met geheel mjjn hartbeminne, dat ik uit liefde U ook in het lijden volge tot den dood toe.

Maar zie, mijn God en Zaligmaker, daartoe, om hot lijden lief te hebben en in het Hjden de gevoelens uws Harten na te volgen, daartoe , ik gevoel het, heb ik veel genade noodig.

Immers als ik niet bijzonderlijk ondersteund word, kan ik niet op verdienstvolle wijze noch in het groote, noch in het kleine mij zeiven verloochenen, het kruis met vreugde omhelzen, de neigingen der natuur overwinnen: U overal volhardend begeleiden tot in den dood.

Doch dewijl Gij mjj daartoe uitnoodigt, ja zelfs roept, smeek ik U, verleen mij daartoe dan ook

-ocr page 431-

395

die overvloedige genade, waardoov ik kan ten uitvoer brengen, wat ik uit mij zalven niet vermag.

Verruim derhalve mijn hart en prent in liet-zelve rijkelijk en diep de gevoelens vau uw lijdend Harte, opdat ook ik met een nederig en zachtmoedig hart leere beminnen te lijden uit liefde tot U, al wat Gij mij te lijden zult overzenden.

VIERDE HOOFDSTUK.

welke goederen eb in het geduldig lijden liggen opgesloten.

1. Jesüs. Mijn kind, het is aan u gegeven de geheimen mijns Harten te begrijpen, daarin godvruchtig door te dringen en ze geheel ten uwen voordeele aan te wenden.

Luister derhalve naar de geheimen, die voor de wereld zijn verborgen; leer de goederen kennen, waarvan de wereldlingen geen begrip hebben.

Zie, Ik de Schepper der schepselen, de Verlosser der vnjgemaakten, de Vader der kinderen, ben, den weg des kruizes bewandelende, voorgegaan, en heb aan alle monschen verklaard, dat een ieder, die deelgenoot wilde worden van het onuitsprekelijk geluk, dat mij aan het einde van mijnen weg wachtte, met een welgezind hart zich zelvcn moet verloochenen en mij navolgen.

Doch velen, die deze stem hoorden, zeiden;

-ocr page 432-

396

dat ia een hard woord en wie kan er gehoor aan leenen? en sinds dien oogenblik traden er velen terug en wandelden niet meer met mij.

Maar de Heiligen en ieder, die zich op werk-dadige wijze wilde heiligen, ontvingen mijne uit-noodigingen met een dankbaar en bereidvaardig hart, en hebben geoordeeld, dat hunne zaligheid op deze aarde gelegen is in het verkeer met mij, in het lijden met mij, in de volharding met mij, in alle omstandigheden ten einde toe.

2. En inderdaad, mijn kind, wat is er goeds op aarde, wat niet in het lijden met mij wordt gevonden? dat is do ware glorie: eene glorie, die niet met deze wereld vergaat; eeno glorie, die goddelijke eerzucht waardig is, eene glorie, die duren zal en nog verhoogd zal worden gedurende geheel de eeuwigheid.

Dat is de verborgen schat, waarvoor men liet rijk der hemelen met al zijn eindelooze zaligheden koopt.

Ziedaar het zuiver genot, dat alle zinnelijke genoegens overtreft. Immers, indien gij het zoo ver brengt, dat gij er eene vreugde in stelt met mij te lijden, dan zult gjj een geestelijk Paradijs van wellusten op aarde bezitten.

3. Zoolang als alles volgens natuurlijke neiging geschiedt en geen enkele kwelling het hart benaauwt, hangt de mensch gewoonlijk aan de schepselen, vestigt hij weinig zijne gedachten op mij, houdt hij zich slechts noode met het eeuwige bezig.

Maar als hij onder tegenspoeden gebukt gaat, of door droefheid gekweld wordt, dan keert hij

-ocr page 433-

397

in zijn hart, dan beschouwt hij hoe ijdel, hoo gebrekkig al het aardsche is; dan neemt hij zijne toevlugt tot mij, wien hij bespeurt hot meeste noodig te hebben.

Daarom mijn kind, is de goedertierene Voorzienigheid mijns Harten gewoon om het zoo te beschikken, dat zij, die overvloed van weroldsche goederen hebben, dezelve niet zonder kommer genieten, waardoor zij des te eerder en met meer kracht worden aangespoord om de goederen der toekomstige wereld te zooken.

Want inöien zij een rustig en ongestoord geluk bij al het wereldsche genoten, zouden zij er welligt niet eens aan denken om zich de hemel-sche goederen te verzekeren. Mijne barmhartigheid is derhalve de oorzaak, dat er overvloedige kwalen in de wereld zijn, opdat de wereld niet worde bemind en hare beminnaars niet verloren gaan.

4. Zoo als het vuur den roest verteert maar liet goud daarentegen zuivert, zoo brengen de smarten aan de hartstogten den dood toe en berooven hen van hunne levenskracht, terwijl zij daarentegen de deugden zuiverder en kostbaarder maken.

Door de wederwaardigheden, mijn kind, welke gij met geduld verdraagt, koopt gij uwe zonden af' ou voldoet gij aan de goddelijke rechtvaardigheid voor de straften, die gij daarvoor nog moest boeten; en wol in dien zin, dat gij hier een ligt en troostvol vagevuur kunt hebben, waarin gij u waardig maakt, om door de poort van de eeuwige vreugd over te vliegen.

-ocr page 434-

398

Wat levert meer verdiensten op dan het lijden, dat met een goedgezind hart wordt gedragen? want zie de kortstondige en ligte wederwaardigheden bewerken u een gewigt van eeuwigo glorie.

Elke droefheid voegt een nieuwen edelsteen aan uwe hemelsche kroon, die schitteren zal met zooveel stralen, als gij deugden zult hebben beoefend in het verdragen dier droefheid.

In tegenspoeden wordt de mensch van vele vooroordeelgen en dwalingen bevrijd, en in zeer veel zaken onderwezen. Zalig hij, die in de school der wederwaardigheden geleerd heeft alles te weten!

Wat weet hij, die nooit eenigen tegenspoed heeft ondervonden, die nooit uitwendig of innerlijk iets heeft geleden? en hoe kon hij voor zich zeiven of voor anderen in raad of bestiering van nut zijn?

5. Derhalve mijn kind, verlies den moed niet als gij door wederwaardigheden bezocht of door mij beproefd wordt. Immers wien ik lief heb beproef ik ter zijner vorming op liefdevolle wijze en in hem schep ik, zooals een vader in zijn kind, mijn welbehagen.

Teregt dus moet gij u in het lijden verheugen, dewijl gij daarin een bewijsgrond vindt van mijne liefde jegens u en een kenteeken van de wonderlijke genegenheid mijns Harten.

Naauwelijks wordt er iets gevonden, wat meer vertrouwen jegens mijn hart inboezemt en een vrijeren toegang daartoe opent, dan de graagte om voor mij te lijden.

Wanneer gij sterven zult, mijn kind, zult gij

-ocr page 435-

399

u over niets van het afgelegde leven veiliger verblijden of meer zekeren troost smaken, dan over de zoete herinnering, dat gij met mij veel hebt geleden.

6. Zeer vel-en zijn er op uit om den weg der vernedering en der wederwaardigheden te vermijden , voorgevende, dat zij beter langs een schoonoren weg God verheerlijken en den naaste behulpzaam kunnen zijn.

Welke zinsbegoocheling! zij zoeken namenhjk Want de glorie van Grod en het heil Tan den onberaden zich zeiven, niet God noch den naaste. moet bevorderd worden niet volgens het goedvinden van den mensch, maar volgens hot goddelijk welbehagen.

Want God toonde aan zijnen Zoon de wijze om zijne majesteit op aarde te verheerlijken en de verlorene wereld te redden. En die wijze geeft de Zoon gevolg door te lijden, en door te lijden heeft Hij die den menschen veropenbaard.

Volg gij mijn kind dien weg, die door mij betreden en u aangewezen wordt. En bid aanhoudend , en bid vurig opdat gij daarop moogt volharden.

Doch overweeg, terwijl gij bidt met godsvrucht, al de soorten mijner smarten,en met betrekking tot deze al de gesteltenissen mijns Harten, die geheel bovennatuurlijk waren.

Wil niet bij uwe natuurlijke neigingen alleen of bij het zuiver menschelijk gevoel te rade gaan, maar verhef u boven dit zinnelijke door bovennatuurlijke beginselen; beschouw door dezen geleid, de wederwaardigheden als door mijn god-

-ocr page 436-

400

delijken wil u toegezonden en tracht ze, voor zooveel gij kunt, met uwen wil te omhelzen.

Moed dan mijn kind, wek uw hart op, zie hoe ik, en al mijne heiligen met mij, den weg van wederwaardigheden blijmoedig heb bewandeld. Heb den moed om te volgen. Met mij hebt gij niets te vreezen: het gezelschap is goed; de weg veilig; de eindpaal zeker; de belooning eeuwig.

7. De leerling. O Heer Jesus! wie zou er niet worden aangespoord U te volgen? wiens harte zou niet ontvlammen als Gij zoo over dien weg spreekt ?

Doch iets anders is het, door U ontstoken te worden, iets anders U tevolgen ; iets anders is het te overwegen, iets anders te handelen; iets anders eindelijk is het de deugd te kennen , iets anders haar te beoefenen.

Ik erken wel is waar do liefde voor het lijden als een alles overtreffende deugd, mijn geest bewondert haar, mijn hart zelfs bemint haar, doch als de gelegenheid zich voordoet, om haar in daden te beoefenen, zie dan verontrust mij terstond de eigenlietde, dan verblindt mij verborgene hoovaardij, dan dringen zich duizende uitvluchten, duizend schoone voorwendsels aan mij op.

Zoo strijd ik jammerlijk met mij zeiven als zich de gelegenheid, om iets voor u te lijden voordoet, en, wat mij van schaamte moeet doen blozen, dikwerf wensch ik mij zeiven geluk, als ik in dien strijd maar niet gewond word.

O Grod; goedgunstige Jesus, ik smeek U: zio medelijdend op deze mijne groote ellende neder

-ocr page 437-

401

en verleen mij barmhartiglijk door uwe genade uit te voeren, wat ik in mijne gebrekkigheid niet vermag te volbrengen.

Mijne zwakheid is groot, groot is de kracht mijner weerspannige natuur, die bij de gedachte alleen van vernedering of smarte wordt afgeschrikt.

De rede, waarom ik zoo zwak, zoo flaauw-hartig ben, dat ik mij tegen de natuur niet kan verzetten, de rede is, omdat ik U niet genoeg bemin.

O Allerzoetste Jesus, als ik U beminde zoo-als uwe Heiligen, hoe ligt, hoe zoet zou het mij vallen over die weerspannigheid der natuur te zegepralen.

Geef mij derhalve, ik smeek het U, die bijzondere genade, om U te beminnen met volmaaktere liefde, met krachtige en edelmoedige liefde, die mij, ondanks den weerzin der na-tumr, vervoert in alles U te volgen, o Jesus, mijn leven, mjjne zoetheid, mijne zaligheid.

VIJFDE HOOFDSTUK

hoe wij ons zelven naar het vookbeel1) van het allerheiligst hart van jesus in wederwaardigheden aan den god-delijken wil gelijkvormig moeten maken.

1. Jesus. Mijn kind, reeds had ik de wereld ^ door mijn leering verlicht, door mijn liefde ont-

26

-ocr page 438-

402

vlamd, door de gaven van geheel mij zeiven in zekere mate blijvend zalig gemaakt; niets bleef er over, dan door de overmaat dierzelfde liefde, het uiterste te lijden, on zoo alles te voltooijen.

Derhalve de eetzaal verlatende, ging ik waarheen mij do wil des Vaders riep en waarheen mij daarom juist de liefde mijns Harten voortdreef; naar den berg van Olijven.

Overweeg mijn kind, wat ik in mijn hart gevoelde, toen ik in dien stillen nacht voorttrad, helder ziende alle en elk in het bijzoder van de martelingen mijns lijdens, die zich over mij zouden uitstorten.

Het was een smartelijke weg! een weg vol van onuitsprekelijke bekommernissen en benaau-wingen des harten! ik ging ovenwei met moed voort, omdat ik het goddelijk welbehagen volgde.

Zoo als gedurende geheel mijn leven, zoo ook nu onder de smarten, die mij van alle zijden overvielen, mijn hart vereenigd houdend met den goddelijken wil, omhelsde ik den tegenspoed, met edelmoedigheid en liefde als door den wil van mijn hemelsehen Vader mij toegezonden.

2. Zoo, mijn kind, móet ook gij in lijden niet de wederwaardigheden in zich zeiven beschouwen; maar uwe oogen omhoog heffen en vestigen op den goddelijken wil, die u deze ten uwen heile overzendt, ofschoon gij ook al niet inziet, dat zij u ten heil verstrekken.

Voorwaar, mijn kind, behalve de zonde geschiedt er niets zonder den wil van God, doch wat er, de zonde uitgezonderd, geschiedt, is niet kwaad maar goed, dewijl het van den wil

-ocr page 439-

403

voortkomt, wiens wezen het is, goed te zijn, en dewijl hot een middel is door God gekozen, om den mensh, te heiligen.

De goddelijke wil namelijk, die door do ein-delooze wijsheid bestuurd, door de oneindige almagt ondersteund, en door de eindelooze goedheid bewogen wordt, kan wel is waar alles, wat hij wil, voortbrengen doch volstrekt niets vóór de stervelingen willen, dan hetgeen goed voor hen is.

Dewijl echter do schepselen, wat zij ook al kwaad smeden, niet kunnen beletten, dat de goddelijke wil ten uwen opzichte vervuld wordt, daarom staat het vast, dat zoo dikwijls u iets, wat geene zonde is, overkomt, op welke wijze dan ook, u dat volgens don goddelijken wil overkomt en voor u heilzaam is.

De zonde echter kan God wegens zijn eindelooze heiligheid niet willen; hij kon evenwel ter wille zijner eindelooze Voorzienigheid haar veroorloven, en veroorlooft haar zoowel om den mensch zijn vrijen wil niet te ontnemen, als ook om langs dien weg, welken wij in een andere wereld zullen zien en bewonderen, zijne volmaaktheden te verhoogen.

Immers de eindelooze volmaakte weet uit het kwaad goed te trekken, en heeft beter geoordeeld goed te trekken, uit het kwade, dan niet te veroorlooven, dat het kwaad zou kunnen bestaan.

3. Mijn kind, andere dingen geschieden er die de mensch niet kan vermijden, maar die hij, willens of onwillens verplicht is te dragen.

Zalig hij, die in dergelijke gebeurtenissen er naar streeft zich aan den goddelijken wil te

-ocr page 440-

404

onderwerpen en gelijkvormig te maken, zoodat hij zijnen w il met dengoddelijkenwil vereenigende, niet meer genoodzaakt maar uit eigen beweging lijdt! want door die vrijwillige onderwerping worden de wederwaardigheden niet slechts verdienstelijk, maar ook gemakkelijk.

Mogt gij dit wol begrijpen, mijn kind, om wanneer dergelijke wederwaardigheden zich voordoen niet door de schuldige wederspannigheid van uwen wil alle verdiensten weg te werpen, en do eoue ellende bij de andere te voegen! wat tocli is zoo ellendig in dit leven als nimmer to willen, wat eeuwig zal duren en altoos te willen, wat nimmer zijn zal?

Andere dingen geschicden er, die iemand niet zonder zonde kan ontvlugten, zoodat hij zo of wel moet verdragen of wel zondenschuld moet beloopen.

O hoe onverstandig, hoe onwaardig gedragen zij zich, die om van de tegenspoeden verlost te worden, niet aarzelen tot ongeoorloofde middelen hunne toevlugt te nemen! moet men aldus gebruik maken van mijnen kelk, die waarlijk een goddelijke gave is en die niet eerder wordt toegezonden, dan na door mijn Hart geproefd en smakelijk gemaakt te zijn?

Eindelijk komen er nog andere wederwaardigheden voor, die de mensch zonder schuld kan ontwijken. Het is evenwel Gode behagelijk, de zoodanigen met moed te omhelzen, zoo de eene of andere deugd dit vordert.

Mijn kind, indien gij een waar leerling mijns Harten waart, zoudt u geen dezer gelegenhe-

-ocr page 441-

405

den laten ontglippen, maar mv hart altijd bereid houdend, zoudt gij dergelijke gelegenheden, die, zich zonder gevaar aanbieden om u te vernederen of te verloochenen, als een klein geschenk van mij ontvangen en met des te meer genegenheid aangrijpen, naar de mate gij, wijl de natuur daarin geen deel neemt en uw hart alleen door mijn welbehagen wordt bewogen, meer in staat zijt, zuivere liefde jegens mij aan den dag te leggen

De ijverige leerlingen mijns Harten, niet te vreden met hetgeen zich zoo voordoet, zoeken daarenboven de gelegenheden op, om iets voor mij te lijden en zich aan mij gelijkvormig te maken; want zij wet«n, dat ik in die gelijkvormigheid als in de volmaakte getuigenis der liefde, bovenal mijn welbehagen schep.

4. Daar zijn er, die steeds met hun geest en hart in het verledene of in de toekomst bezig zijn; die of wel in de overdenking van de oorzaken of omstandigheden der kwalen, die hun eenmaal zijn overkomen, geheel zijn verslonden, of wel uit de verte toekomstige tegenspoeden begroeten, maar de tegenwoordige met toeleg ontwijken.

Hoezeer zijn zij te beklage^! want zij worden gekweld door het verledene er misleid door de toekomst.

In de yerbeelding lijden zij veel, maken zij vele plannen; in waarheid zijn zij wonderlijke kwellers van zich zeiven, en ijdele toeschouwers van zaken.

Hoe velen hunner stellen zich voor eenmaal

-ocr page 442-

406

grooto dingen te lijden, docli zij dulden intusschen zelfs het gemakkelijke niet op oene goede wijze.

Wacht u mijn kind, voor een ingebeelde volmaaktheid, die de eigenliefde bedekt en die ten eenemale bedriegelijk is.

Maak gebruik van het tegenwoordige, grijp elke gelegenheid der deugd aan hoe klein ook; grooto dingen komen zelden, kleine dikwerf voor, en de kleine wel geleden, maken u geschikt voor groote.

5. Mijn kind, indien gij in elke gebeurtenis mijn goddeljjken wil zaagt, dan zoudt gij er geen acht op slaan van wien u de wederwaardigheden overkomen, hetzij van oen overste; hetzij van uws gelijken; hetzij van uwe minderen; hetzij van eeu goede of van een kwade; maar gij zoudt ze onverschillig aannemen, enkel en alleen uwe blikken vestigend op den goddeljjken wil, die ter bereiking van zijn allerheiligste bedoelingen verschillende werktuigen gebruikt.

Om aan uw zwakheid ter hulpe te komen raad ik u: onderwerp vooreerst in het verdragen van tegenspoeden u zei ven zoo zeer, dat gij geduldig wordt, en ofschoon gij het lijden niet bemint noch u erover verblijdt, lijdt evenwol, wat gij lijden moet zonder bitterheid des harten, zonder morren.

Bezig alle middelen, welke in uwe magt zijn, en houd daarmede zoolang vol, totdat gij u gewend hebt gemaakt in de wederwaardigheden, die u gewoonlijk overvallen, aan den goddeljjken wil onderworpen en geduldig te zijn.

Na dien eersten graad bereikt te hebben moet gij u gelijkvormig maken aan mijnen wil in

-ocr page 443-

407

elke droeiheid, die u overkomt, haar -vvillende omdat ik haar wil, van haar niet bevrijd willen worden zoolang ik u niet wil bevrijden.

Om echter tot die hoogte te geraken, moet gij veel bidden, opdat vooral uw verstand verlicht worde, en de wil geholpen door de genade zich door bovennatuurlijke beweegredenen waarlijk naar mij vorme, zoo, dat gij door het geloof en door de liefde er van overtuigd zijt, dat niets beter is dan de goddelijke wil.

Dien tweeden graad bereikt hebbende , moet gij nog hooger streven. Gij moet al uwe krachten inspannen om u zoo met den goddelijken wil te vereenigen, dat gij er uwe vreugde in stelt in het lijden van tegenspoeden daaraan gelijkvormig, ja zelfs één met dien wil te worden.

quot;Want dan, mijn kind, zal onder ons die vereeniging van beider wil bestaan, als uw hart met dezelfde gevoelens, die in het mijne voor het kruis wonen, bezield zal zijn, en zich verheugen zal zooals mijn Hart over de gelijkvormigheid met het goddelijk welbehagen zich verheugt.

Die vereeniging van beider wil is iets grootsch, zij is ware volmaaktheid en degelijke heiligheid. De zuivere liefde alleen baart die heilige vereeniging, welke niet bestaan kan zonder den mensch te verheffen, te veredelen en zalig te maken.

6. Mijn kind, als gij mij bemint, zult gij ook mijnen wil liet hebben. Voor hem, die bemint, is het genoeg het verlangen van den beminde te kennen om het met een blijmoedig hart ten uitvoer te brengen.

quot;Welaan, dierbaar kind, omhels met al de liefde

-ocr page 444-

408

uws harten het goddelijk welbehagen, en lever zoo het bewijs, dat gij een waar leerling van mijn Hart zijt; niet een beminnaar van u zeiven, maar van mij.

Handel zoo, leef zoo, dat ik in u een mensch volgens mijn Hart erkenne, die, zoowel in voorspoed als in tegenspoed, al mijne begeerte vervult.

7. De leerling. Beste en allerzoetste Jesus, wiens eenige levensregel de wil van God is geweest, zio met uwe genade stel ik vast, altijd te trachten dien allerveiligsten en zekersten- regel te volgen.

Derhalve, hoezeer de natuur ook weerstreve: toch wil ik lijden alles, wat Gij wilt dat mij door welk schepsel zigtbaar of onzigtbaar ook zal worden aangedaan. Niets dan goeds kan mij overkomen van uw eindeloos goed Hart, waarmede Gij mij meer en beter bemint, dan ik mij zeiven bemin of kan beminnen.

En ik weet, o Heer, dat ik niets te lijden zal hebben, wat niet eerst door uw eigen Hart gegaan en aldus verzoet is.

En indien de bedorven neiging zich mogt verzetten en trachten mogt uwen wil aan zich te onderwerpen, toon dan, smeek ik U uwe almagt. Sla den. onbeschaamdon vijand in slavernij, opdat hij niet wederom in verzet kome.

O allerbeminnelijkste Jesus! o vuur, vertcerend, wat boos is, niet schadend, wat goed is; vlam liefelijk brandend en gelukkiglijk verwoestend, verwoest in mij allen kwaden en ongeregelden wil, ontsteek en koester den goeden en regtzinnigen

-ocr page 445-

409

wil, die zich gelukkig acht als bij uw goddelijk Welbehagen in alles, ook in tegenspoed opvolgt.

ZESDE HOOFDSTUK.

dat het allerheiligst hakt van jesus ons leekt in wederwaardigheden tot het gebed onze toevlugt te nemen.

1. Jesus. Mijn kind, toen ik reeds in den hof van Olijven was aangekomen, zie, daar daagden, terwijl er een diepe stilte rondom mij heerschte, van den eenen kant alle zonden der wereld, van den anderen kant al de verschrikkelijke martelingen van mijn lijden op en drongen al nader en nader; en persten tevens mijn Hart met zooveel geweld te zamen, dat het, schoon zelf de sterkte van alle zwakken, begon to sidderen, te kwijnen, te treuren en te weeklagen.

Doch toen ik bespeurde, dat niet weinigen na zooveel smarten met zooveel liefde omhelsd, en met zooveel barmhartigheid ten heile van alle menschen opgeofferd, weigeren zouden verlost te worden, en daarvan met vrijwillige hardnekkigheid tot hun grooter ongeluk misbruik zouden maken, en mij eindelijk niet anders dan met do zwartste misdaad van ondankbaarheid zouden vergelden, toen, mijn kind, drong mij mijn Hart onder do smarten bezwijkend uit te roepen: mijne ziel is bedroefd tot den dood toe!

-ocr page 446-

410

Doch van mijne leerlingen een weinig verder voortgegaan en ter neer geworpen, bad ik evenwel op mijn knieën liggende.

En toen mijne smarten intussehen door den tweestrijd tusschen het hoogere en lagere gedeelte mijns Harten tot zulk eene hoogte klommen, dat mijn zweet in bloed werd veranderd en met droppelen ter aarde stroomde, en ik met mijn aangezigt ter aarde gevallen, in doodstrijd verkeerde, bad ik met nog meerder aandrang.

Toen echter die doodstrijd uit een inwendigen tweestrijd ontstaan, voortduurde, ging ik voort te bidden: Vader, indien gij wilt, neem dien kelk van mij weg; maar niet mijn wil, maar de uwe geschiede, ja mijn Vader uw wil geschiede!

Toon, mijn kind, verscheen een engel van den hemel gezonden, niet om den lijdenskelk weg te nemen, dien de hemelsche Vader wilde, dat ik ten bodem toe zoude ledigen, maar om mij te versterken, opdat terwijl mij vreugde was voorgesteld zonder lijden, ik vrijwillig het kruis, de schande gering achtend, zoude opnemen.

Herdenk, mijn kind, welk een smartelijken strijd mijn Hart in dien nacht heeft gestreden; een strijd, die zijns gelijken niet heeft; een strijd, van wiens uitslag het heil der wereld afhing.

Mijn Hart streed volhoudend, worstelend, weerstand biedend ten bloede toe, en het heeft overwonnen; doch het heeft overwonnen in het gebed.

2. Ziedaar mijn kind, ziedaar voor u een bron van veelvuldige vertroosting; mijn Hart

-ocr page 447-

411

stervend en biddend, door liefde strijdend, door liefde zegepralend.

Want ziedaar, tot welke hoogte ik de zwaarte der wederwaardigheden heb gevoeld, tot welke hoogte ik de bitterheid er van heb geproefd. En dat om u te verligten, om u te bemoedigen, mijn kind.

Laat derhalve den moed niet zinken noch verwonder er u over, als gij in u een weerzin voor het lijden ontwaart. Want als mijn Hart, ofschoon zoo heilig en volmaakt, zoozeer de smarten gevoelde, is het dan te verwonderen dat ook uw hart ze gevoelt?

Doch nimmer zult gij begrijpen, nimmer gevoelen, wat mijn Hart heeft gevoeld. Indien gij alles, wat u in het leven te lijden wacht, op een oógenblik in uw hart zoudt verduren, dan zou het nog slechts een druppel zijn van mijnen kelk, dien mijn Hart in den hof ledig dronk.

Welken weerzin gij echter in u ook ontwaart, ■wil evenwel mijn voorbeeld navolgen, wijk niet voor do natuur, die weerstreeft, maar verzet u tegen haar.

Spoed u ten dien einde in elke moeijehjkheid, in elke benaauwing zonder vertraging tot gebed.

3. Als gij tijdens de wederwaardigheden, tot het gebed uwe toevlugt neemt, dan zullen zij u altijd tot gewin verstrekken. Door het gebed zult ge of wel tot uwe verdienste er van bevrijd ■worden of geholpen worden om ze tot uwe verdienste te verdragen. Kom derhalve mijn kind, en bid neergeknield of ten minste het hart nederig gebogen, zoo als ik heb gebeden: bid

-ocr page 448-

412

dat die kelk van droefheid van u wijko indien het de goddelijke wil is, dat evenwel niet uw wil maar de wil van God moge geschieden.

Bid opdat, zoo die kelk ook al niet kunne voorbijgaan, gij toch de genade verkrijgen moogt om u te onderwerpen en u aangespoord moogt gevoelen dien te drinken.

Heh moed, mijn kind, geene gelegenheid zal u, ooit beproevingen doen ondervinden, wier omhelzing u zooveel strijd zal kosten, als ik gestreden heb. Nimmer zult gij een strijd moeten bestaan, die u noodzaakt bloed te zweeten. Wat al moei-jehjkheden gij moogt ondervinden, houd ook gij stand; worstel ook gij, strijd met u zei ven om het gevoel te overwinnen. En onophoudelijk strijdend, bid ook en bid steeds vuriger, totdat gij uw hart aan den goddelijkeu wil gelijkvormig onbereid gemaakt hebt om, ook ondanks de natuur mij in alle goddeljjke beschikkingen te volgen.

4. Do gewoonte om te laat tot het gebed uwe toevlucht te nemen, eerst de middelen der menschelijke wijsheid te beproeven, en zelfs te veroorlooven, dat do eeuwige vijand van uw heil en de ongeregelde neigingen der natuur in uw hart. al te zeer de overhand verkrijgen, mijn kind, dat berokkent u veel nadeel.

Wil niet luisteren naar allerhande ingevingen des duivels of der hartstogten. Zij zoeken u namelijk door de valsche redeneringen te, bedriegen en te schaden. Neen kom, alle redeneringen, elke onderhandeling met hen u ontzeggend, zoo spoedig mogelijk tot mijn Hart; daar is raad, daar is hulp, daar is troost.

-ocr page 449-

413

Mogt het ook noodig zijn dat een engel zigt-baar uit den hemel werde gezonden, dan nog zult gij niet zonder vertroosting worden gelaten, als gij bidt zooals het behoort.

En indien gij ondanks uw godvruchtig streven, dien weerzin toch in u blijft gevoelen, wil u daarom niet bedroeven. Als uw wil zich maar aan den goddelijken wil onderwerpt, dan zal die weerzin,, schoon ook gevoeld, maar niet gewild, u niet slechts niet schaden, maar integendeel, als gjj weerstand biedt, u zelfs van zeer veel voordeel zijn.

Het is een heldhaftig leerling van mjjn Hart eigen, te bidden en te trachten uit al zijn vermogen zich zeiven geheel te beheersehen, zoowel in die zaken, waarvan de ongeregelde natuur een afkeer heeft, als in diegene , voor welke zij neiging gevoelt.

ö. Als gjj in smarten bidt, mijn kind, moot gij zoo uw gebed inrigten, dat gij verlangt onderworpen te zijn, hetzij gij bevrijding erlangt, hetzij gij in plaats daarvan iets anders verkrijgt, dat voor u voordeeliger is, omdat het meer met den goddelijken wil strookt; hetzij gij zoetheden smaakt, hetzij gij bitterheden proeft.

Immers, niet dat is het beste gebed, waarin gij bovenal vertroosting ontwaart, want het zoete is niet altijd nuttig, noch het bittere altijd schadelijk. Integendeel in den tegenwoordigcn toestand des menschen zijn de zoetheden gewoonlijk nadeelig en de bitterheden voordeelig.

Dat is het beste gebed, waarvan go mot meerder nederigheid, met meerder liefde opstaat, zoo

-ocr page 450-

414

gestemd, dat gij ter vervulling van het goddelijk welbehagen hoedanig ook, u krachtdadig tegen alle wenschen der natuur wilt verzetten en alles, wat de natuur weerstreeft, wilt aanvaarden.

Welk een beklagenswaardig schouwspel is het voor God, voor de Engelen en voor de mensehen, er sommigen te zien, die dagelijks lang en veel bidden, en daarvan opstaan, niets anders medenemend dan schulden van nalatigheid en van misbruik der genade, of fijnere hoovnardigheid en eigenheide, terwijl zij niets geschikter worden voor de vervulling hunner plichten, maar wel onvermogend om de gebreken van den naaste te verdragen, onwillig om met eigene geneigd-heden te breken.

Gij, mijn kind, bid gij op een betere wijze, zooals gij door mijn voorbeeld geleerd hebt. Bid en overwin uwe natuur; bid en onderwerp u, en maak u zeiven gelijkvormig aan het goddelijk welbehagen.

Niet lang zult gij u dergelijke harde inspanningen moeten getroosten. Nog slechts een weinig tijds en gij zuit u niet meer tot de wederwaardigheden voorbereiden, noch u tijdens dezelve moeten bemoedigen; maar gij zult blijde en roemvolle zegeliederen zingen met do Heiligen, die allen uit groote verdrukking voortkwamen en nu beloond, in blijvende overmate van vreugde worden vervoerd en juichen gedurende de eeuwigheid.

6. De leerling. Heh dank, allerliefste Jesus, ware troost der bedrukten, heb dank, omdat Gij mij op zoo onverdiende en zoo zoete wijze

-ocr page 451-

415

vertroost in den weerzin, die ik gewoonlijk voor het lijden ontwaar, en omdat Gij met zulke opoffering van uwe zijde mij een bron van geneesmiddelen voor elke verdrukking hebt geopend.

Want zie in dat alles, wat Gij U zoo barm-hartiglijk verwaardigd hebt te lijden, zie ik met grooten troost, dat do weerzin der natuur niet schaden kan aan den goeden wil, waarop Gij alleen ziet en waaraan alleen door ü op aarde vrede wordt geschonken.

O Heer, troost der stervelingen, en blijdschap der Engelen ! die in droefheid tot het gebed uwe toevlugt hebt genomen, verleen mij, ik bid het U, dat ik uw voorbeeld navolgende in elke wederwaardigheid terstond mij tot het middel des gebeds wende, om den weerzin der natuur ten offer te brengen, en mjj aan den goddeljjken wil te onderwerpen en gelijkvormig te maken.

Uw Hart, o beste Jesus, is een open en veilig toevlugtsoord voor alle ellendigen; sla uw oog, bid ik U, op mijne zwakheid; wek mij op, spoor mij aan, opdat ik bij elke moeijelijkheid, in al wat gebeurt, daarheen mijne toevlugt neme, daar hulp vinde, daarin moed en krachten hale.

O zoete Jesus, mijne liefde en al mijn goed! ik bid en smeek U, verleen mij de genade om altijd en overal in den goddelijken wil met TJ te berusten, en zoo met U te volharden in eeuwigheid.

L

-ocr page 452-

416

ZEVENDE HOOFDSTUK.

hoe iiet allerheiligst hart vax jes¥s ons leekt in wederwaardigheden de hulp der schepselen aan te wenden.

1. Jesüs. Mijn kind, toen ik van het gebed was opgestaan, kwam ik, het welbehagen mijns hemelschen Vaders volgend, bij mijne leerlingen, zoowel om u door mijn voorbeeld te onderrigten, als ook om van hen in het toppunt mijner smart eenige verligting te verkrijgen.

Doch helaas, ik vond hen zeiven door droefheid ter neer gedrukt en in slaap gedompeld, zoodat, zij, wakker geschud, mij niets tot leniging konden geven, neen zelfs niet wisten, wat zij zouden zeggen, en zelfs meer behoefte hadden troost te ontvangen dan zij in staat waren, ze mij te geven.

Het was eene bitterheid allerbitterst voor mijn Hart, mijn kind, te zien dat zij, die ik met meer dan vaderlijke zorg had opgevoed, die ik met zooveel liefde had verzorgd, die ik zoo dikwijls had versterkt, om mijn lijden zoo onverschillig, zoo zonder zorgen waren, dat zij zelfs niet één uur met mij konden waken.

Waar was dan nu die belofte, nog zoo kortelings door hen gegeven, van mij tot den dood toe getrouw te zullen blijven? waar was de beloofde trouw? waar de volharding, zoo plegtig verzekerd? alles was vervlogen, maar het had

-ocr page 453-

417

mijn Hart doorboord; en ach, welke diepe wonde hadden zij daarin geslagen!

Dewijl ik echter lijdende tot hen ging, alleen omdat de Vader het wilde, daarom ook had ik met een onderworpen hart, overeenkomstig dien zelfden wil des Vaders, de smarten omhelsd, die mijn gang tot hen na zicli zouden slepen.

2. Het is derhalve niet verboden, mijn kind, in tegenspoeden tot de schepselen uwe toevlugt te nemen, mits dit op behoorlijke wijze geschiedt.

Gij neemt echter op oen behoorlijke wijze uwe toevlugt tot hen, indien gij u slechts wendt tot de schepselen met het doel, de middelen te zoeken om des te gemakkelijker en op meer volmaakte wijze ii naar den wil van God te voegen, en u daarmede te vereenigen.

Het is de gewoonte der meer volmaakte leerlingen mijns Harten te lijden en hun lijden, zooveel het geoorloofd is voor alle stervelingen te verbergen, aan mij alleen de droefheden huns harten te openbaren en innerlijk mede te deelen; — gjj echter mijn kind, indien gij tot nog toe zulk een toppunt van volmaaktheid niet hebt kunnen bereiken, ga dan na eerst gebeden te hebben, tot een vroom en ingekeerd mensch, niet zoozeer om van hem gevoeligen troost te ontvangen maar om verligt en geholpen te worden om beter tot mijn Hart, de bron dei-ware vertroosting, te naderen, en u op mij meer dan op eenigen troost te verlaten.

Voorwaar, indien gij waarlijk wijs zijt, moet dit altijd uw grootsten troost uitmaken, u op

27

-ocr page 454-

418

mij te verlaten. Immers met mij vereenigd, mogt U dan ook alle andere troost ontbreken, zult gij zoet aan mijn Hart rusten. En wat is er zoeter ? en wat is er veiliger ?

3. Zoo dikwerf gij in uwe wederwaardigheden raad of bestiering noodig hebt, of aan het gevaar van zeltsmisleiding blootgesteld zijt, wil dan niet op u zeiven vertrouwen, opdat gij niet door eigen meening in dwaling geraakt, of door den schijn van goed bedrogen wordt.

Want in die zaken voornamelijk heb ik de gewoonte den mensch door den mensch te leiden, zoowel opdat de orde mijner goddelijke Voorzienigheid duidelijker aan het licht kome, als ook opdat de menschen elkander wederkeerig meer zouden beminnen, door de ondervinding leerende, dat zij zich zeiven niet voldoende zijn, maar dat de een de hulp des anderen noodig heeft.

Want die zich in dergelijke omstandigheden zelf wijs genoeg wanen, om niet door anderen geleid te worden, vinden gewoonlijk een gevaarlijk einde.

Somtijds echter is het niet slechts een raad veiligheidshalve, maar een gebod, dat verpligt, om zijne toevlugt tot tijdelijke middelen te nemen.

Zeer wijs en zeer goed tevens is het vast gesteld en verordend, dat do mensch geholpen moet worden door de overige schepselen, die tot zijn waar nut zijn geschapen, mits hij zich namelijk van hen onthoude ter wille van deugdsoefening, mits hij ze gebruike tot zijn heil of tot zijne volmaking, mits hij ze gebruike als middelen.

Bewonderenswaardig is de goddelijke Voorzie-

-ocr page 455-

419

nigheid in hare werken. Alles staat haar ten dienste: indien gij mij bemint, mijn kind, zal alles ook n ten dienste staan.

4. Doch wanneer het noodig is de schepselen als middelen te gebruiken, moet men nauwkeurig ietten op dit gebruik, en den uitslag zoo afwachten dat, hoe de zaak ook uitvalle, gij aan den goddelijken wil onderworpen zijt.

Wend daarom den voldoenden ijver aan, en welke dan de uitslag zij, hij zal u een teekea zijn van goddelijk welbehagen.

Somtijds geef' ik raadgevingen in, welke de nienschen met kracht en volharding trachten uit te voeren, doch waarvan ik evenwel geen goeden uitslag wil. In dit geval hebben zij een dubbel voordeel: hier de verdienste voor den arbeid, om tot een goeden uitslag te komen; ginds do verdienste der onderwerping, wanneer zii niet slagen.

Indien de eene of andere uwer ondernemingen door uwe schuld niet met een goeden uitslag wordt beloond, betreur dan uwen misslag doch neem de straf van den tegenspoed geduldig aan en draag dio gewillig. Immers de misslag is wel tegen mijnen wil, maar de straf voor den misslag is volgens mijnen wil; en dus moet de overtreding betreurd en verfoeid, de straf echter omheld en met liefde gedragen worden. En indien iets ongelukkig uitvalt door de schuld van een ander, onderwerp u zeiven ook in deze wederwaardigheid, en wil noch het geduld, noch. den vrede des harten verliezen.

Immers indien ik toelaat, dat de schuld vaa

-ocr page 456-

420

oen ander u belet in iets to slagen dan geschiedt dit, omdat ik wil, dat gij niet goed slagen zoudt. En zooals ik de scliuld toelatende, haar haat toedraag, en tevens den slechten uitslag van uwe ondernoming wil; zoo moot ook gij door gelijke gesteltenis des harten, die scliuld vertoeijon doch den slechten uitslag u willen getroosten.

5. Mijn kind, indien uw hart goed gestemd ware, zoudt gij in olken uitslag van zaken aan mij onderworpen zijn, en zoo uit eiken tegenspoed een nieuw edelgesteente ter versiering van uw hemelsche kroon verkrijgen.

In der daad. grooto en bovennatuurlijke voor-zigtigheid is er noodig, om do schepselen wol to gebruiken; want schoon ook soms iemand met goede bedoelingen ze te bate neemt, toch kan hij zich daarin gemakkelijk verwikkelen en misdoen.

Derhalve jnott gij bidden en liet licht en do hulp der genade inroepen om vrij te blijven en noch te misdoen door do venvaarloozing der tijdelijke middelen, noch in het gebruik daarvan buitensporig to worden.

6. De leerlixo. O Jesus, eorsto en laatste toevlugt voor een bedroefd hart! welken troost kunnen alle schepselen te zamon geven, ais de zalving van do zoetheid uws Harten daaraan ontbreekt ?

Zoo dikwerf toch als ik door een ongeregelde neiging of door de een of andere beweegreden met uwen wil in strijd, tot de schepselen bedroefd mijn toevlugt nam of troost bij hen zocht, bon ik dieper bedroefd en troosteloozer weergekeerd.

-ocr page 457-

421

Dit is echter door do goedheid uws Harten alzoo geschied, opdat ik tot mijn voordeel gedwongen en in zekeren zin gedreven zoude worden om tot U, eindolooze zoetheid, 'weder te keeren, en mijn bedroefd hart uit to storten voor U, die den bedrukten van harte immer nabij, en alleen in staat zjit aan het hart waren troost te verschaffen.

Dank zij ü, beste Jesus, voor do groote welwillendheid uws Harten, waardoor Gij zoo vo! ontferming en zoo mijn heil beoogend met mij hebt gehandeld.

O Heer, mijn licht en mijn heil! zend uw stralen op mijn verstand neder, opdat ik in liet bijzijn dor schepselen U alleen voor oogen hebbe; zuiver mijn gehechtheid, opdat ik in het gebruik van hen U altijd beminno; verleen mij om, vrij van alles, in U alleen te rusten.

Bestier.mij dooruwen geest, o Heer Jesus, en doe mij zoo het geschapene gebruiken, dat ik Ubehage, doo mij zoo wandelen door de kwalen van dezen tijd, dat ik do goedoron der eeuwigheid verwerve.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

liOE WIJ, NAAK HET VOOSÜEELD VAN HET ALLEK-HEILIGST HART VAN JliSDS, DE MOEIJELIJK-HEDEN EN VERVOLGINGEN VAN DEN KANT DEE MENSCIIEN MOETEN VERDRAGEN.

1. Jesus. Nu was de ure gekomen, dierbaar kind, waarin do Zoon dos mensehen

-ocr page 458-

422

in de handen dor zondaren zou worden overgeleverd.

Zie, daar naderde Judas de man van Karioth, ccn der twaalf apostelen; met hem kwam eene grooto menigte met lantaarnen en werktuigen, met stokken en zwaarden gewapend.

En hij ging als aanvoerder der vervolgers voor hen uit; met oen geveinsd hart nu naderende, .sprak hij: „zijt gegrost, mijn Meester;quot; en terstond kusto hij mij, en alzoo verried hij mij aan hen:

Doch ik, alles wetende, wat er zou gebeuren, werd in mijn Hart nog heviger bewogen over het ellendig lot van dien ongelukkigen leerling en van die schare, dan wel over mijn eigene smart.

Ik beproefde daarom het uiterste en niets liet ik onbeproefd om hunne harten te verweeken en te winnen.

Overladen ten eenemale door de beleedigingen, met een vriendelijk gelaat en mot nog vriendelijker hart dien apostel zacht toesprekend, zeide ik: „Vriend waartoe zjjt gjj gekomen?quot;

En toen zijn hart ongevoelig bleef voor zooveel goedheid, drong ik nog zachter doch krachtiger tevens aan, opdat hij in zich zeiven zoude keeren; en hem tot overweging van do grootte zijner misdaad, mij wel bekend, aansporende, zeide ik: „Judas, Judas, met oen kus verraadt gij den Zoon des menschen?quot;

Toen hij die heil sprekende stem van mij niet aehrt gt; maar integendeel zijn hart nog meer verhardde, toen eindelijk urn ik mijne almig

-ocr page 459-

423

te baat, zoo echter, dat do vrijheid van zijn wil behouden bleef.

Zie nu, door een wonder, op de enkele klank mijner stem, wierp ik als met een bliksemslag dien trouweloozen leerling en geheel zijne bende ter aarde neder, doch stierde tevens een magtige genade tot zijn hart.

Dat ijzeren hart werd bewogen, doch het gehoorzaamde niet aan de beweging; het voelde de genade, doch wilde haar niet aannemen.

2. Mijn kind, indien gij door de overweging eenigzins kondet beseffen, met welke liefde mijn Hart hem, van wie ik dit alles onderging, altijd had vervolgd, en steeds met nieuwe weldaden had overladen, dan zoudt ge zien, dat do snaarten, die als stortstroomon mijn Hart overstelpten en overweldigden, onuitsprekelijk waren.

Als u iets dergelijks te lijden overkomt, verlies dan den moed niet, mijn kind; maar dat het voorbeeld, hetwelk ik u ter onderrigting en tot troost heb gegeven, u bemoedige en vertrooste.

Voorwaar ik zeg het u, mijn kind, in de wereld zult gij verdrukking lijden; maar vertrouw en wil niet vreezen, dewijl ik met u ben.

Zijt mijne woorden indachtig: De dienstknecht is niet beter dan zijn Heer.

Als zij mij hebben vervolgd, kan het dan verwondering baren, dat zjj ook u vervolgen?

Als de wereld u haat, herinner u, hoe zij mij het eerst gehaat hoeft.

3. Mijn kind, weet het wel, zoolang gij een leerling mij nu harten wilt zijn, zoodat gij de

-ocr page 460-

424

wereld en hare voorschiften verafschuwt, zult gij ook die boosaardige vijandin tot tegenstreefster hebben.

Aan uwe wijze van doen zal men den naam van huichelarij, van zonderlingheid of van een ander gebrek geven.

Nu eens zal zij veinzen medelijden met u te hebben; dan wederom zal zij u openlijk bespotten.

Als gij de eenzaamheid zoekt, zal zij u van droefgeestigheid of stuurschheid beschuldigen; als gij openlijk verschijnt, zal zij haar best doen uwe deugden te bezwalken; en uwe gebreken zal zij bovenmate opvijzelen of wel daarmede u vleijen tot uwen ondergang.

Als gij, door den ijver uwer liefde gedreven, het heil der wereld tracht te bewerken, zult gij veelal gevoelloozo onverschilligheid bespeuren of bittere ondankbaarheid ten loon ontvangen.

Deze en dergelijke zullen de wereldlingcn u aandoen, niet slechts in het openbaar, maar ook in het geheim; niet zij alleen, die openlijk de deugd vervolgen, maar ook zij, die de godsvrucht voor het oog schijnen te eerbiedigen, doch inderdaad naauwelijks anders oordeelen dan de wereldlingen zelmi.

Zie, mijn kind, deze dingen heb ik u voorzegd, opdat, als zij gebeuren, gij u aan mijne woorden herinneren en, door mijn voorbeeld aangemoedigd, in uw goed voornemen standvastig zoudet blijven, medelijden zoudt hebben met hen, die u kwalijk bejegenen, voor hen zoudt bidden, en zelfs ijveren zoudt om ook hun heil te bewerken.

-ocr page 461-

425

Voorwaar, beklagenswaardig zijn zij eu allo medelijden waardig, want zij schaden veeleer zicli zeiven dan u.

4. Mijn kind, in dit leven moet gij liet verwachten, dat de menschen u dikwijls zullen weerstreven, en dat zelfs zij, die u genegen waren, op wonderlijke wijze veranderd, tegen u zijn.

Wacht ii derhalve voor de menschen, dat gij u niet verlaat op hen, wanneer zij u beschermen, noch ontsteld wordt, als zij u weerstreven.

Indien gij met een vrij en zuiver hart met een ieder omgaat, zult gij u met veel meer gemak en voordeel, wanneer zij u kwalijk bejegenen, aan mij onderwerpen, den vrede bewaren, en verdiensten vergaderen.

Ga, mijn kind, en sla uwe woning op tussolien do stervelingen, waar gij wilt; overal zult gij er vinden, die uw geduld op de proef stellen.

Mogt gij ook enkel en alleen ouder godvruch-tigen verkeeren; mogt gij ook uw leven slijten tusscben personen, die der wereld hebben vaarwel gezegd en die zich met ligchaam en ziel aan mij hebben toegewijd, ook onder hen zult gij niet geheel voor tegenstrevers beveiligd zijn.

Indien er zelfs onder mijne twaalf apostelen een was, die mij vervolgde, wil u dan niet verwonderen als ge onder hen, die een godvruchtig leven of den kloosterlijken staat beleven er eenigen vindt, die u verdriet aandoen.

5. Inderdaad mijn kind, allen, die een innerlijk godvruchtig leven willen leiden, zulllen vervolging moeten verduren.

quot;Want den innerlijken en godvruchtigen leer-

-ocr page 462-

426

ling mijns Harten zal de vervolging nimmer ontbreken.

En let wel, die vervolging is veelvuldig, zoo veelvuldig als het martelaarschap is.

Trouwens er bestaat eene vervolging vanzigt-bare vijanden en onzigtbaren; er is eene vervolging van boozen en van den kant der goeden.

Zoo bestaat er een martelaarschap des geloofs en een ander der lietde; eene marteling des ligchaams en ook der ziel; en het grootste martelaarschap eindelijk is dat des harten.

Mijn kind, indien gij een volmaakt leerling van. mijn Hart wilt worden, dan moet gij in zekeren zin een martelaar zijn.

Trouwens als gij een zoodanig leerling zijt, zijt gij eon gezel der Heiligen. Vestig derhalve uwe blikken op die groote menigte, welke niemand kan tellen, staande om den troon dei-goddelijke majesteit, met palmtakken, de zinnebeelden hunner marteling, in hunne handen.

Want ofschoon niet alle Heiligen hun bloed hebben gestort, hebben evenwel allen geleden om den palmtak van het een of ander martelaarschap te behalen.

6. Doch merk op mijn kind, dat niemand, die inderdaad martelaar is, zijne marteling naar zijn eigen wil uitkiest, maar de martelingen lijdt, welke hern door God worden ingegeven of voorgesteld.

Geloof daarom, dat uw martelaarschap bestaat in het verdragen van datgene, wat u in den levensstaat, in het ambt of in de omstandigheden, waarin u de goddelijke voorzienigheid geplaatst heeft, door haar wordt aangeboden.

\

-ocr page 463-

427

Om eene gelegenheid tot het martelaarschap te vinden is het niet noodig u naar de ongeloo-vigen en onbeschaafde volkeren te begeven of een vervolger, die openlijk tegen de Kerk woedt, af te wachten.

Do wereld bespot u; de niensch veroorzaakt u droefheid; de eene verraad t u: een ander belacht of hoont u; deze vernedert, gene weerstreeft u; do bedorven natuur of de ongeregelde neiging verzet zich tegen u; of iets anders is u oorzaak tot smart; ziedaar, mijn kind, ziedaar uw vervolger.

Ondanks do kwaadsprekendheid en de weerstreving der inenschen, ondanks hunne eischen en plagerijen, edelmoedig en met kracht de voorschriften en geboden van godsdienst te onderhouden, de deugd lief te hebben, en óe godsvrucht te beoefenen; ziedaar uw martelaarschap des geloofs.

Bid voor uwe vervolgers; bemin en help uwe naaston, ook hen, die u kwalijk gezind zijn, en schoon ook de natuur er zich tegen verzot; ijver voor hun heil; offer uwe gebeden, arbeid en smarten voor hen op; ziedaar uw martelaarschap der liefde.

Ziekte kwelt u, gij lijdt pijn in uw hoofd, in uwe borst of in uwe ledematen; oen harde arbeid put uwe krachten uit, ziedaar uw martelaarschap des ligchaams.

Gij lijdt innerlijken angst; gij ondervindt lastige bekorigon of iets anders, wat de goddelijke liefde bezigt, om uwe ziel volkomen te zuivere a of te volmaken; ziedaar uw martelaarschap der' ziel, ziedaar uw martelaarschap des harten.

-ocr page 464-

428

Maar bedenk het wel, mijn kind, dat zij, dio het gebruik hunner rede hebben gekregen, niet kunnen volstaan met dat martelaarschap onwillig om de oene of do andere oorzaak of rede, onverschillig welke, te verdragen, maar zij moeten het gaarne, met onderwerping of zeker met geduld uit goddelijke liefde verduren.

Het is derhalve niet genoeg to lijdon, neen, men moot gewillig lijden uit liefde tot mij.

Trouwens een martelaarschap, waarin de goddelijke liefde haar glood niet doet gevoelen, is dood en ijdel.

Zie, mijn kind, een veelzijdige kroon wordt u aangeboden, dio duizenden stervelingen uit eiken stand en levensstaat hebben nagestreefd, die zoo veel jongelingen en maagden juichend hebben verworven. Zoudt ook gij haar niet kunnen en willen lief hebben en verwerven?

Zie den iicrnei aan; beschouw de glorie en do zaligheid der Heiligen; herinner u, dat zij uwe broeders en zusters zijn; wek uwen moed op, verover u eeno kroon en palmtak, opdat gij onder hun getal kunt worden opgenomen.

7. De leerling. O mijn allerzoetste Jesus, Koning en bekrooncr der martelaren, vertrooster der stervelingen! zoo dikwerf ondervind ik, beklagenswaardige, dat do menschen mij weerstreven en dat valt mij dikwijls zwaar.

Indien ik evenwel opregt wil zijn, dan moet ik bekennen, dat ik daarom niet te beklagen ben, dewijl ik, togen U mijn Heer en God, den laagsten en den allerondankbaarsten der menschen, Judas en zijne bende ben nagevolgd.

-ocr page 465-

Daarom verdien ik waarlijk, ik beken het, door elk schepsel verafschuwd te worden; daarom ben ik ton eenemale onwaardig, door U bemind of onder de heilige leerlingen van uw ilnrt opgenomen te worden

Doch dewijl Gij een Hart bezit zoo geduldig dat Gij ook nog Judas wildot aannemen en alios in het werk hebt gesteld om hem te winnen, hoe zou ik dan kunnen wantrouwen ot kunnen vreezen! integendeel welk eene hoop en welk een vertrouwen moet liet mij niet inboezemen, dat Gij mij, 'hoe ellendig ook tot U weder-keerende, niet zult verstooton maar vol ontferming zult aannemen en helpen!

Steunende derhalve op de goedheid en genade uws Harten, neem ik mij vast voor de verledene ongetrouwheid dooi* volhardende liefde te vergoeden, uit liefde tot U hot martelaarschap mij genadiglijk aangeboden te verduren, zoo eindelijk mij te heiligen tot eeuwige vreugde (gt;51 glorie uws Harten.

NEGENDE HOOFDSTUK.

hoe men naar het voorbeeld van het allerheiligste hart van jestjs, het verlaten der personen, die ons vooral nuttig or noodzakelijk zijn, moet verdragen

1. Jhsus, Mijn kind, toon die menigte was genaderd en do hand aan mij had geslagen, zie

-ocr page 466-

430

daar namen al mijn leerlingen de vlugt en lieten mij alleen te midden der vijanden achter.

Zij waren het, mijn kind, die ik had uitgekozen, die ik met alle zorg, voorkomendheid en liefde mijns Harten had opgekweekt; die ik mijne vrienden en leerlingen had geheeten, aan wie ik, wat ik van mijn Vader gehoord had, had medegedeeld.

Zij aelven zjjn het, die weinig vroeger allen eenparig hadden betuigd, mij niet te zullen verloochenen al moesten zij ook den dood met mij sterven.

Nu echter, nu de magt der duisternissen en de tijd der beproeving is aangebroken, nu hebben zij hun Verlosser en Vader vergeten, zij, mijne kinderen, mij verlaten.

Beschouw mijn kind, hoe diep mijn Hart gewond werd door dat verlaten mijner leerlingen.

Merk ook op en overweeg met welk gevoel des Harten ik zulk eene droefheid leed.

2. Indien gij dat gevoel mijns Harten wel in u overneemt, dan zult gij met gelatenheid en verdienste voor mij kunnen dulden, dat gij door de schepselen, ook door allen verlaten wordt.

Het gebeurt niet zelden, dat door Gods toelating de mensch ook in zijn wederwaardigheden verlaten wordt door personen, die hem zelfs zeer nuttig of noodzakelijk waren, opdat hij daardoor op des te volmaakter wijze zich aan mij gelijkvormig make, hooger stijge in heiligheid, en met des te meer glorie de kracht toone mijner liefde, waardoor de zwakke mensch zoo versterkt wordt, dat hij onder de jagende winden

-ocr page 467-

431

der tegenspoeden en onder -woedende stomen toch volhardend staande blijft.

Dit is dikwijls een hulpmiddel voor den mensch om zich geheel van de schepselen te ontdoen en ook volkomen aan zich zeiven vaarwel te zeggen.

Trouwens, wanneer hij zich van den eenen kant door de stervelingen verlaten ziet, onthecht hij des te gemakkelijker aan hen zijn hart, om het aan mij te geven, die niemand verlaat; en wanneer hij van don anderen kant zich tegen naderende moeijelijkheden niet ziet opgewassen, komt hij als uit eigen beweging tot mij en werpt hij zich met al het zijne in mijne vaderarmen.

Voorwaar, het is iets heldhaftigs en der god-dehjke goedkeuring waardig, als een sterveling door allen verlaten, in die verlatenheid evenwel tevreden is, zijne verlaters nog zuiverder bemint, de genegenheden der menschen gaarne uit liefde tot mij ontbeert, tusschen alle wisselvalligheden in mij alleen berust. Dit voorzeker is een duidelijk kenteeken van een nederig hart, dat zich geheel aan mij overgeeft.

3. Zoolang iemand de genegenheden van anderen bezit, hij moge ook de beste bedoeling hebben, toch bemerkt hij dikwijls, dat vele ongeregelde of zekere menschelijke bedoelingen daarbij haren invloed doen gelden.

Doch ik, een naijverig beminnaar des harten, die niet wil, dat het hart der menschen met iets anders dan met mij of om mij bezig zij; ben gewoon de zaken zoo te beschikken, dat hij somtijds verlaten of verwaarloosd wordt door de

-ocr page 468-

432

stervelingen, ook zelfs door hen, die met hem een zelfde lot tot aan del) dood toe schenen te moeten deelen.

Lang cn veel moet de luenscli met zich zei ven strijden, om de begeerte van door anderen bemind te worden, volmaaktelijk te regelen.

De leerling. Maar Heer, is het dan kwaad te verlangen door anderen bemind te zijn of ook daarnaar zonder kwade bedoelingen te streven ?

Jesüs. Iets anders is het, mijn kind, dit te begeeren of er naar te streven om u zelvcn; iets anders dit te verlangen of ook te zoeken om mijnent wille.

Als gij de lieide van anderen zoekt om daarin genot te hebben of u daarmede tevreden te stellen; indien gij er naar streeft om de soort van personen, opdat gij aan uwe neigingen voldoening klinnet geven, eindelijk indien gij haar op zekere wijze verlangt in dien zin, dit zij in u, in de bevrediging der natuur, of regtstreeks of zijdelings haar laatste doel heeft, dan begeert gij bemind te worden om u zeiven.

Indien gij echter de liefde van anderen wenscht of tracht te verkrijgen om mijne belangen te behartigen, om uw eeuwig heil te verzekeren, om de volmaaktheid der zielen te bevorderen, om hst rijk mijner liefde uit te breiden, om.harten voor mij te winnen; zie dan streeft gij bemind te worden om mijnent wille.

Vervolgens mijn kind indien gij regtstreeks of zijdelings er naar streeft bemind te worden, al doet gij dit ook zonder kwade bedoe-ingen, dan is die neiging toch ongeregeld.

-ocr page 469-

433

omdat niet gij, maar ik uw laatste doel ben; en daarom is zij * gebrekkig, en wat nog meer te vreezen is, zij gewoon u niet slechts tot zonde te brengen maar daarin u ook te verstrikkei.

Doch indien gij verlangt bemind te worden om mijnentwille dan is uwe liefde goed geregeld, zij jis 'zuiver, zij is mjjne liefde, waardoor de Heiligen beminden en verlangden bemind te worden, waardoor zij veel goeds bewerkt hebben, en waarvan ook gij, m|jn kind, op geljjko wijze gebruik moet maken.

4. Er is in de wereld nauwelijks iets, waaraan het menschehjk hart met meer gevoeligheid hecht, dan de vriendschap, die wisselvallig als zij is, voor velen voordeelig of noodlottig pleegt te zijn.

Kostbaar doch moeijelijk te vinden en nog moeijehjker te behouden, is die wezenlijke en zuivere vriendschap, welke oorzaak is, dat de een den ander uit opregte liefde tot mij bemint; dat de een het heil zoekt des anderen als ware het zijn heil: waardoor de een zonder vleitaal, zonder menschelijk opzicht de gebreken des anderen zoekt te verbeteren en tot deugd en heiligheid te bemoedigen en voort te helpen; die in tegenspoed zoowel als in voorspoed, in den dood zelfs en na den dood, zoowel als in het leven steeds getrouw is.

Mijn kind, indien gij iemand bemint, maar zoo dat gij daardoor onrustig wordt, dat uw hart getrokken wordt om onophoudelijk ter gelegener pf ongelegener tijde met hem bezig te zijn, dat gij met hem dikwijls of kngen tijd

28

-ocr page 470-

434

wenscht te spreken, dat gij op zijn uiterlijke hoedanigheden acht slaat en daarnaar uwe gehechtheden koestert of' regelt, dat gij in zijne tegenwoordigheid bewondering of vleitaal durft uiten; dat gij zijn gebreken onder gezochte namen vergoelijkt of verontschuldigt; dat het uw hart moeite kost, wanneer hij ook door anderen bemind wordt; dat gij u in zekertn zin ontroostbaar of al te ongelukkig acht, indien gij u geheel van hem moest scheiden; dan is uwe liefde ,uwe vriendschap, niet echt noch zuiver, al mogt gij dit ook niet bespeuren, al mogt gij dit ook niet vermoeden. Indien gij integendeel niets van dit alles ontwaart, dan hebt gij een goed teeken ten voordeele van uwe liefde en vriendschap.

Mijn kind, indien gij een wezenlijken en op-regten vriend bezit, dien zeldzamen en wezenlijken schat, gedraag u dan jegens hem op verschuldigde wijze en handel zoo met hem, dat mogt hij getrouw blijven of ontrouw worden, gij nimmer over uwe handelingen spijt behoeft te gevoelen.

Want, ofschoon de vriendschap, die mijne liefde ten grondslag heeft, op zich zelve beschouwd, goed: is, mnet gij toch uw hart zoo bereid houden, dat gij mij alleen, indien ik het zoo zou beschikken, in plaats van allen voor u als voldoenden vriend wilt hebben. Uw hart zal nimmer volkomen tevreden noch tot innige verecniging mot mij geschikt zijn, wat go overigens ook doet, zoo gij niet alle natuurlijke genegenheid te boven strevend bemint, louter uit liefde tot mij, en in mijne liefde alleen bevredi-

-ocr page 471-

435

ging vindt. Vestig derhalve mijn kind, uwe genegenheden op mij, hecht uw hart aan hot mijne, opdat het niet neerslagtig noch ontsteld worde, als de menschen u verlaten.

5. Wat is de mensch tenzij een beweeglijken broos riet, waarop gij u niet veilig kunt verlaten, indien gij u niet wilt blootstellen aan het gevaar van te wankelen of te vallen ?

Mogen de stervelingen u ook niet verlaten, gij zelf zult hun toch binnen kort moeten vaarwel zeggen, dewijl de dood allen en een ieder scheidt.

Wanneer gij door de menschen wordt verlaten, zult gij nergens zekerder en grooteren troost vinden dan bij mij, die op gelijke wijze werd behandeld uit liefde tot u.

Word niet verbitterd, mijn kind, en wil niet klagen als haddet gij niet verdiend door deze ten minste of door gene zoo behandeld te worden.

Ach mijn kind! indien gij niets wilt lijden tenzij van hen, van wie gjj gaarne iets verdraagt, wat is dan het beginsel uwer deugd? en indien gij niets wilt lijden dan hetgeen gij verdiend hebt, wat grootsch is daarin gelegen? of wat passends is daarin voor een leerling van mijn Hart?

6. Indien sommigen om de een of andere reden, welke ook, u verlaten, toon hun door uwe welwillendheid door uwe zachtmoedigheid en door uwe weldaden, wat de zuivere liefde vermag, waardoor gij veeleer hun welzijn behartigt dan uwe neiging, in spijt van allen tegenzin der natuur, ook dan, wanneer zij zich onwaardiarcn toonen.

-ocr page 472-

43(5

Het is waar, mijn kind, zoo der natuur weerstreven, is een harde zaak; doch een nederig leerling mijns Harten, door mijne liefde bezield, ziet niet op de moeijelijkhoden, welke de natuur aanbiedt, maar op het voorwerp der liefde; en terwijl een ander koud of laauw aarzelt, is hij reeds vol vuur do raoeijelijkheid te boven gesneld.

Ontsteek uw hart, mijn kind, met dat liefdevuur, waarvan het mijne brandt; gloei door dat vuur, bemin die liefde, als gij dat doen zult, zie dan zullen de moeijelijkheden voor u vlugten en verdwijnen.

6. De Leerling. Zalig dus hij, die ontstoken cn vervoerd door uwe liefde, U volgt, o Jesas, liefde der liefde, goddelijke roover des har*! Lij toch wandelt met snelle schreden over de mooijelijkhedon heen; on weldra stijgend boven al wat mensclielijk of wat zijn eigen is, vliegt hij, veilig mat ü vereenigd, met een opgeruimd hart op de uitgestrekte vleugelen der goddelijke liefde met U ten hemel.

O beste en zoetste Jcsus! geef mij, ik bid en smeek het U, die vurige, die werkdadigc liefde, waardoor ik U bemin om U, en niets bemin tenzij om uwentwille; dan zal ik hot gemakkelijk verdragon, als Gij toelaat, dat de menschen mij verlaten.

Blijf Gij slechts altijd niet mij; Gij alleen zult mij genoeg zjjn. Schoon ook allen mij verlaten en vlugten, toeh zal mijn hart niet verontrust worden, als Gij bij mij zijt.

Dit oene vraag ik Ü cn zal ik niet ophouden te vragen, dat allen, die mij verlaten on ont-

-ocr page 473-

437

vlugten, niet U verlaten, niet U ontvlugten, maar integendeel des te hechter U aanhangen, Ü op volmaaktere wijze beminnen mogen.

TIENDE HOOFDSTUK.

hoe wij het allerheiligst hart van den «k-vakgen genomen jesus kunnen navolgen.

1. Jesus. Mijn kind, nadat de soldaten en aan v ceders der Joden wederom van hun val waan opgestaan, drongen zij op mij aan en mij vt— tende bonden zij mjj.

Zie mijn kind, zie hot Lam Gods in de handen van moordenaren, gebonden om ter slagtbank geleid te worden! gebonden echter omdat Hij het wilde, en Hij wilde het, omdat Hij beminde.

Trouwens de banden der liefde omwonden mijn Hart veel naauwer dan de ketenen dei-vijanden mijne handen knelden.

Want hadde mijn Hart door liefde gevangen het niet belet, dan zouden mijn almagtige handen én de ketenen én die vijanden zeiven hebben kunnen verdelgen.

Doch de liefde lijdt alles: geene vernedering acht zij te zwaar, geene wederwaardigheid beschouwt zij to groot; wat er ook geschiedt, zij neemt het aan en behoudt het, zelve altijd vrij.

O, indien go eens wist, mijn kind, welke zaligheid het is, een gevangene der goddelijke liefde to zijn, voorzeker gij zoudt zelfs geen enkel oogon-

-ocr page 474-

438

blik u zelven willen toebehooren al mogt gij hot ook kunnen; maar gij zoudt ziel en lichaam en al hot uwe wegschonken om door haar in boeijen geslagen en gevangen gehouden te worden!

2. Die in de goddelijke lietdo leeft, zal noch vervolging, noch ketenen, noch gevangenis, noch den dood zelfs voor mij to ondergaan, als zwaar ot' ongelukkig beschouwen, maar hij zal het veeleer als een groote winst en heilige benijding waardig beschouwen, dat alles te lijden uit Helde tot mij.

Waarom meent gij dat sommigen, wanneer ze om het geloof te bewaren ketenen of ongemakken moeten verduren, niet staande blijven in de waarheid, maar zich op meeningen dor menschen verlaten en onder het vonnis der verwerping vallen? Is het niet omdat zij door mijne zuivere liefde niet worden bestierd zoo, dat zij liever hun leven in deze wereld zouden willen verliezen om het in de toekomst te behouden 'i ^.Vandaar gebeurt het, dat zij goen gevangenen willende zijn met mij, gevangene'! worden van don duivel; dat zij hun leven willende behouden in dezen tijd, het voor de eeuwigheid verliezen. : Mijn kind, indien het gebeurt, dat gij tor wille dor deugd ketenen of gevangenis moot lijden, wil hen dan niet vreezen, die hetligchaam kunnen dooden, raaar verder niets vermogen: vrees meer hom, die ligchaam en ziel in eeuwigheid ongelukkig kan maken.

3. Dat is genade, dat is geluk, indien gij om mij droefheden verduurt en onverdiend lijden

-ocr page 475-

439

ondergaat. Zoo deelendo in mijn lijden moet gij u verheugen om u in de openbaring mijner glorie juichend te mogen verheugen.

Niemand echter lijde als een onrechte of als een lasteraar of als een boosdoener; maar indien hij lijdt als mijn leerling, dan schame hij zich niet maar verheerlijke hij mij, om dien naam krachtig eu volhardend lijdend, godvruchtig en nederig zich gelukwenschend, dat hij onder hen behoort, die waardig gekeurd werden voor mij te lijden en aldus Heiligen te worden.

Eenigen hunner werden verscheurd, anderen wederom moesten hoon en geeseling en daarenboven gevangenis lijden; anderen werden gestee-nigd; anderen werden op de pijnbank gemarteld en in stukken gehouwen, anderen werden met het zwaard gedood anderen eindelijk zwierven rond in diereuvellen en vreemde kleederen verborgen, gebrek, angsten en smart verdurend; zij doolden rond in de eenzaamheid naar bergen en spelonken, naar de holen der aarde.

Doeh aan de/en, wie de wereld niet waardig was, heb ik, wijl zij al lijdende met mij volhard en overwonnen hebben, de niagt gegeven met mij op mijnen troon te zitten, gelijk ook ik lijdende volhard en overwonnen heb en met den Vader op zijnen troon ben gezeten.

Indien gij deelgenoot wordt van hunne wederwaardigheden om mijnentwille, mijn kind, hoe gelukkig zijt gij dan! dewijl alle eeuwige glorie en roem, alle ware deugd en heiligheid, eindelijk geheel de geest mijns harten in u woont.

4. Maar niet aan allen wordt do gelegenheid

-ocr page 476-

440

aangeboden banden en martelingen voor de deugd te lijden. Allen evenwel, die naar de volmaakte navolging mijns Harten streven, kunnen en moeten in zekeren zin ter wille der deugd gevangen worden.

quot;Wie toch is er, die de zinnen zijns ligchaams niet in de gevangenscliap kan voeren, niet slechts opdat zij het kwade niet doen noch aan ijdelheid toegeven, maar ook omdat zij in bedwang blijven en verplicht worden aan de beoefening der deugd te arbeiden? Doch, weinigen bewaren al hunne zintuigen binnen de perken der rede en minder nog versterven zij ze overeenkomstig de beginselen des geloofs.

Onderzoek eens, mijn kind, hoe gij gewoon zijt de zintuigen uws ligchaams te besturen. Zie eens toe ot gij hun niet te veel vrijheid veroorlooft. Beschouw vervolgens eens, wat in u dien opzigte nog voor de volmaaktheid gemist wordt.

5. Zoudt gij ook zelfs do vermogens der ziel niet in zekeren zin in gevangenschap kunnen voeren? de zwervende verbeelding namelijk, zoo verkleefd aan het verledene, zoo nieuwsgierig ten opzigte van het toekomende zult gij bedwingen en langzamerhand verpligten aan u onderworpen te zijn, indien gij haar terstond terug roept als zij afdwaalt; indien gij haar te huis aanhoudend met nuttige zaken bezig houdt, indien gij volhardend al haar oogenblikkelijke bewegingen en dwaasheden onderdrukt, tot zij gewend gemaakt zij, zich in rust te houden.

Wat het verstand betreft houdt het geheel,

-ocr page 477-

441

zooals het behoort, onderworpen in den dienst des geloofs, opdat gij, een onderzoeker dei-majesteit -willende wezen misschien niet verpletterd wordt door hare glorie, noch de waarheid ontvlugtende een slaaf wordt der dwaling.

Ja wat meer is, maak, zoo geen andere deugd het verbiedt, uwe meeningen ondergeschikt aan het oordeel van anderen om der liefde wille. Zoo doende zult gij u des te meer verdiensten verzamelen naar de mate uw gevoelen u aannemelijker toeschijnt, en het dus zwaarder vallen moet u te onderwerpen.

Innerlijk en uiterlijk onbewaakt en uitgelaten te zijn, heeft zijn oorsprong in oen gebrek des harten, dat de slaaf' is of van vijanden of van hartstogten ot' van zich zeiven.

Uwe voornaamste zorg derhalve moet zijn het hart vrij te houden van alle slaafsche onderwerping aan alles hier beneden. Dan immers kunt gij het in geheel zijn kracht met al zijn genegenheden schenken aan de zuivere bovon-aardsche liefde, en gebonden door de banden der goddelijke liefde een medegevangene worden mot mij.

6. De liefde is wonderbaar in hare werkingen. Indien gij een dienstknecht der liefde zijt, zie dan zal alles voor u in heil verkeeren.

Bemin mij, mijn kind, uw God en Zaligmakev en leer mij, al beminnende, op volmaaktere wijze lief te hebben; do liefde wordt beter onderwezen en tot volmaaktheid gevoerd, door te beminnen dan door te beschouwen.

Indien uw hart volkomen aan mijne liefde onderworpen is dan zult gij gemakkelijk en ijverig

-ocr page 478-

442

tev-.ns op uwe hoede zijn voor die valsclie vrijheid van denken en spreken, en voor willekeur in uwe handelingen.

Die dwaze vrijheid, niet de ware vrijheid, wat is zij anders dan een dekkleed voor de hartstog-ten, dan de ondergang der deugd, dan het rijk der ondeugd, de kwelling der familien, de ondergang van vereenigingen en een post voor geheel de maatschappij ?

Want sinds dit kwaad van dag tot dag zich onder de wereldlingen meer en meer verspreidt, onder schooner vorm bij godvruehtigen een toegang vindt, ja zelfs tussehen kloosterlingen onmerkbaar doordringt; daarom moet gij met des te meer zorg op uw hoede zijn, opdat het uw hart niet bezoedele en onder den schijn van goed aan dan dienst dor nederige liefde ontvoere, om het over te leveren aan de vrijheid des vleesches, die voortleidt tot de slavernij der hel.

ü eigenmagtig toebehooren kunt gij niet, al zoudt gij het ook nog zoo begeeren, of nog zoo vurig er naar streven. Immers gij zijt verplicht te beminnen en dus u aan eenig voorwerp te schenken ook zonder dat gij het wilt. Doch aan geen schepsel kunt gij u wegschenken zonder jegens mij de grootste onregtvaardigheid en de afschuwelijkste ondankbaarheid te plegen en zonder aan u zelvcn veelzijdige nadealen te berokkenen.

Derhalve mijn kind, woes met vrijen wil de mijne, schenk u geheel aan mijne lieide, die zeil voor u een gevangene heeft willen worden opdat gij mij zoudt toebehooren.

-ocr page 479-

443

Hoc gelukkig zult gij zijn zoo gij innerlijk en uiterlijk door dezelfde liefdebanden gebonden zult zijn, die de Engelen en Heiligen aan ni[j verbinden.

7. Dk leerling. O Beminnelijke Jesus! hoezeer hobt gij mij lief gohad, die u verwaardigd hebt voor mij eene gevangene te worden, een gevangene der smarte in de handen uwer vijanden, opdat Gij ook mij zoudt vangen en een gevangene maken van uwe liefde!

O Heer, mijn Grod, mijn Zaligmaker! als ik aan uwe ketenen denk dan walgt aan mijn hart allo wereldsehe vrijheid, begeerig als het is mot U in ketenen te worden geklonken.

Indien mij de ketenen der vijanden ontbreken, zie dan lever ik mij over in de banden der liefde, opdat de zintuigen mijns ligchaams eu alle vermogens mijner ziel gevangen en onderworpen, zoo met U worden verbonden, dat ik nimmer meer van U worde gescheiden.

Verleen smeek ik U, o Heer Jesus, dat dit geen ijdele wenschen maar krachtdadige voornemens zijn, die ik door uwe genade in vervulling breng tot troost van uw Hart en tot heiliging mij nor ziel, waarvoor gij zooveel hobt geleden.

-ocr page 480-

444

ELFDE HOOFDSTUK.

hoe wij naak het voorbeeld van het aller. heiligste hart van je sus valsche beschul-dioisges moeten verduren.

1. Jesus. Mijn kind, nog een weinig tijds, en gij zult den Zoon des menschen, hoewel Hij zeli de hoogste regter over levenden en dooden is, zien staan voor zondaren, die den eeuwigen dood verdienden, om verschuldigd en veroordeeld te worden. Want, zie na mij gebonden to hebben, leiden zij mij tot den Hoogepricster bi.i wien do overige priesters, Schriftgeleerden on Pharizeën waren zaamgekomen.

Want de hooiden der priesters en geheel do raad zochten tegen mij valscho getuigen om mij aan den dood over te leveren.

En velen, in hun midden voortreder.d, spvaken togen mij valscho getuigenissen.

Toen stond de Ilöogepriester op: antwoordt .gij niet, zoo zeide hij tot mij, antwoordt- gij niet op alles, wat u door dezeii wordt ton laste

gelegd? ,, ,

Mijn kind wat meent gij, dat ik op hunne va'sche beschuldigingen on zelts op die vermaningen des Hoogepriesters tot mijn eigen verdediging hebt ingebragt? wat zegt do schriftuur^ Zij zegt: „Doch Jesus bewaarde het stilzwiigen.'

Zoo is het, mijn kind, ik zweeg met den mond gelijk oen mensch, dio geen wederlegging in zijn mond had, doch met het hart sprak

-ocr page 481-

445

ik tot mijn hemelsclieii Vader, mij naar zijn welbehagen schikkend en hem biddend, toch medelijdon te hebben met die allerbeklagens-waardigsto mensehen on in hunne harten oen overvloed van genade des heiligen Geestes te willen storten om hunne ongelukkige zielen te redden.

2. Wetende, mijn kind, hoe bitter het is door valsohe bosehuldigingon betigt te worden en hoe moeijelijk hot is dit met volmaakt geduld te dragen, heb ik willen veroorloven, dat mijn Hart in den hoogsten graad door onregtvaardigo lasteringen verwond en overstelpt werd, opdat gij, valschelijk beschuldigd, eenigen troost zoudt vindon in mijn Hart op gelijke wijze aangedaan, en aan zijn voorbeeld een veiligen regel voor uw gedrag zoudt nemen.

Voorwaar er is voor het mensohelijk hart niets zoo bitter als van zijn goeden naam beroofd te worden door valsche beschuldigingen; sommigen worden daardoor, wat hunne rede betreft, zoo iu verwarring gebragt, dat zij door hun gevoel overmand, als hun de keuze werd gelaten, liever zouden willen sterven dan zoo onteerd te leven.

Wat u betreft, mijn kind, zijt op uwe hoede, dat gij uwen geest niet verontrusten of benevelen laat; maar zie de zaak met een kalm hart beter aan; handel als een waar leerling mijns Harten.

Vestig daar wol uwe aandacht op, dat noch de boosheid uwer valscho beschuldigers, noch de dwaling van hen, die daaraan gelooven u anders kan maken, dan gij zijt, of u de deugd van grootmoedigheid kan ontnemen, waardoor gij u boven lasterlijke gezegden en meoningen verheft.

-ocr page 482-

4:46

Want, indien gij de zaak in liet licht des geloofs bescliouwt, dan zult gij zien, dat hare verhevene voortreffelijkheid, hemelsche eere, eeuwige belooningen aan de grootheid uwe vernedering beantwoordt.

En mogt gij ook onschuldig zijn aan hetgeen men u ten laste legt, toch zult gij, wegens do beleedigingen der goddelijke majesteit in vele dingen door u aangedaan, daarin een gelegenheid vinden, die gij gewillig moet aannemen om gedurende dit tijdelijk leven te voldoen voor datgene, wat u anders in de eeuwigheid te boeten zoude overblijven.

En ofschoon gij u ook door andere middelen liever van uwe misslagen zuiveren en tot den hemel zoudt willen voorbereiden, neem niettemin, wat u door de goddelijke Voorzienigheid wordt aangeboden aan, alle middelen, die zekerder, die veiliger zijn.

Hoe zwaar zij ook aan het natuurlijk gevoel mogen vallen, lijd mijn kind, verdraag uit liefde tot mij met mij.

En indien uw hart bijna onder de smart bezwijkt, kom dan, mijn kind, tot mijn Hart, dat voor u nog bitterder heeft geleden; versterk dan uw hart, betuigende, dat ge ondanks de stom der natuur, aan mijne liefde onderworpen wilt zijn.

3. Mijn kind ik wil volstrekt niet, dat gij uwen naaste om welke beleediging ook, haat zult toedragen. Dan ofschoon ik wel is waar een gebod heb gegeven van ook uwe vijanden lief te hebben, heb ik evenwel niet bevolen te zwijgen of u van eene regtvaardiging tegenover valsche beschul-

-ocr page 483-

447

digingen te onthouden; neen maar ik i-aad het U aan, mits het stilzwijgen geeno zonde zij.

Die dus, wanneer hij valschelijk beschuldigd wordt met een oprecht hart en enkel ter zijner verdediging spreekt, doet geene zonde, die echter niet spreekt doet beter.

Inderdaad het is groote volmaaktheid, de val-sche beschuldigingen stilzwijgend te verdragen; te_ lijden, dat de menschen van u gelooven, wat zij willen, u geheel aan mij alleen over te geven, en met mij onderworpen te blijven.

Zie daarin zegeviert de genade; dat voert de Engelen tot bewondering; dat maakt u deelgenoot der Heiligen; dat geeft glorie aan God den allerhoogste ; dat levert het bewijs, dat gij een nederig beminnaar van mij en een opregt leerling mijns Harten zijt.

Dit is het grootste geheim voor het innerlijk leven aan mijn Hart ontleend, waarvan velen hooren, wat velen ook bewonderen, doch weinigen begrijpen en weinigen navolgen.

4. Doch de Heiligen hebben dit volmaakt begrepen en als zoet beyonden, de Heiligen, die brandend en van liefde tot mij en bezield met ijver om mij na te volgen zich de valsche getuigenissen van allerlei soort getroostten met een blijmoedig hart.

En schoon zij zich ook regtvaardigen en met één woord hun goeden naam herwinnen konden, wilden zij toch liever aan mij hunne verdediging overlaten, met mij het stilzwijgen bewaren en als liet uitvaagsel en meest verachtingswaardige der wereld verschijnen, om op mij gelijkend

-ocr page 484-

448

bevonden te worden en mij geene twijfelachtige

liefde te betoonen. , . j-4.

Het is maar al te waar, mijn kind, dat dit volgens liet menschelijk gevoel niet geniakk.elijK is zoo min als dat de natuurlijke rede alleen daartoe voldoend bemoediging schenkt; maar het gevoel en de rede moeten te boven gestreetcl worden door het geloof en de liefde, die daarvoor voldoende en zeer krachtige beweegredenen en aansporingen dringend aanbieden.

Weet wel, indien gij niet wilt handelen dan uit gevoel of natuurlijke beweegredenen, dan zult gij niet slechts nimmer volmaakt, maar ook

nimmer zalig worden. . , , j i -l

Leef uit het geloof mijn kind, handel uit liefde tot mij. Én indien de natuur, voor versterving of vernedering bevreesd, weerstreeft, dit zij voor u een nieuwe aansporing om te zwijgen, opdat gij uwo ongeregelde natuur

moógt overwinnen. v-j

5. Zonder twijfel zal de vijand uwer zaligheid en volmaaktheid, die immer rond gaat, zoekende wien hij kan bedriegen, toetreden en u We en zwaarvvigtige en gezochte redenen ingeven; doe luister zelfs niet nau- zijne ingevingen, ja, trek zelfs al uwe aandacht van hem af of zeg hem verachtende; Ga satan, want het is beter den goddelijken Zaligmaker te volgen, die ons voorgaat en den zekeren en veilgen weg toont, dan het gezelschap van Jesus te verlakten, en den voet te zetten op een anderen weg, die onzeker is.

Wellio-b zil u ook iemmd ondervragen: antwoordt gij niats op hetgeen u d oor hen wordt

-ocr page 485-

449

ten Laste gelegd? doch geef ook op die vraag geen antwoord, maar volg mij na en zwijg, gelijk ik.

Indien men aanhoudt: ziet ge niet, dat de verachting van uwen naam, de stichting van den naaste, die geërgerd werd, de eer der geschondene deugd, eindelijk de glorie zelf van God het eiseht, dat gij ter uwer regtvaardiging optreedt? wil dat niet gelooven, mijn kind; want dat is de waarheid niet.

Voorwaar zoo ooit, dan voorzeker schenen de omstandigheden, waarin ik het stilzwijgen bewaarde, het te eischen, dat ik tot mijne verdediging zoude spreken; doch zij eischten dit niet; want hadden zij dat gevergd, dan zoude ik hebben gesproken.

6. Laat hen derhalve begaan, mijn kind, en beveel geheel de zaak aan mij, opdat ik zelf overeenkomstig de vrijheid en goedheid mijns Harten bewerke, wat voor mij en voor u het beste is.

Lijd gij intusschen met mij stilzwijgend en geduldig. Ik ken den beschuldiger en den beschuldigde, den oordeelvelier en den geoordeelde, wie vernedert en wie vernederd wordt, en ik zal te geschikter tijde vergelden en aan beide loon naar werken geven.

Roep u dikwijls, opdat gij des te beter moogt volharden, in het geheugen met welk smartgevoel ik vernederingen heb ondervonden, grooter dan de uwe; met welk een kracht van ziel, met welk een edelmoedig Hart ik ze heb geleden uit liefde tot u; eu wil mij, die u zoo zeer heb lief

29

-ocr page 486-

450

gehad, wederminnen en u uit liefde voor mij niet onttrekken aan het lijden van beleedigingen, die geringer zijn dan de mijne.

Wil de beschaming niet vreezen; omhels haar met een grootmoedig hart, zij zal u niet ter nederslaan, zij zal u niet schaden; integendeel zij zal u opbeuren, u mij gelijkend maken, u met verdienste en heiligheid versieren, u met de zoetste zalving van troost vervullen.

7. De leerling. O beminnenswaardige en allerzoetste Jesus! ontferm u mijner en help mij, want zie, wijl ik nog zoo laauw ben in de liefde en zoo onvolmaakt in de nederigheid, vind ik altijd mijn hart tot verontwaardiging genegen en mijn mond bereid, mij te verontschuldigen, zoo dikwijls mij iets onaangenaams wordt ten laste gelegd.

Doch, wat erger is en wat ik niet zonder schaamte kan belijden, dikwerf gevoel ik mij geneigd verontschuldigingen to zoeken, wanneer ik inderdaad misdaan heb ; en hoewel de beschuldigingen regtvaardig zijn, word ik aangespoord, de gebreken, mij ten laste gelogd, te regtvaar-digen of ten minste te verkleinen.

Daaruit blijkt, mijn Heer en God, hoezeer de wereld nog in mij heerschende is, dewijl ik meelde goedkeuring der menschen wensch te winnen dan U gelijkend te worden; ja, en welke bedorvenheid er nog in mij schuilt, dewijl ik voor een onschuldige wil gehouden worden, als ik mij een schuldige erken.

Wee mij! wanneer zal ik eindelijk nederig zijn,

-ocr page 487-

451

wanneer eindelijk eens beginnen met zulk een edelmoedig liart te beminnen, ik bid tn smeek het U, spaar mijne hooyaardigheid niet, hoe heimelijk zij ook in mij moge schuilen ; prikkel mij met vurige liefde, waardoor ik met u mede-werke, om die pest uit mij te yerdelgen.

O mijn allerbeste Jesus ! voorzeker ik wil U navolgen en met U de valsche oordeelvellingen en beschamingen stilzwijgend en onderworpen verdragen ; doch daartoe heb ik, z\\ ;ik als ik ben, uwe krachtige genade noodig.

Versterk mij derhalve met uw veelvermogende genade, opdat ik, uit liefde tot U, met U blijve zwijgend en geduldig ten einde toe, naardat Gij het wilt beschikken.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

DAT HET ALLERHEILIGST HAKT VAX JESTJS OXS LEEKT, HOE WIJ PEHSOOXLIJKE BELEEDI-GINGEN MOETEN VERDEAGEN.

1. Jesus. Mijn kind, toon do getuigenissen mijner beschuldigers niet overeenstemden, zeide de Hooge-priester, mij andermaal aansprekend, om een voorwendsel tot mijne veroordoeling te vinden: Zijt Gij de Christus, do Zoon van den gezegenden God ? — ik bezweer u bij den levenden God, dat gij ons zegt, of gij de Christus zijt, de zoon van God.

Dewijl de hemel en de aarde en wat onder de aarde is, duidelijke en voldoende getuigenis voor

-ocr page 488-

452

mijne Godheid hadden afgelegd, was het niet noodig geweest, den Hoogepriester, die mij op de proef stelde, te antwoorden; om «venwel den eerbied te toonen, den levenden en gezegenden God, mijn Vader, verschuldigd; om voor de zaligmakende waarheid ook met gevaar van mijn leven getuigenis af te leggen; om de harten dier beklagenswaardigen te treffen, zoo zij welligt aan de genade mogten willen gehoorzamen, antwoordde en zeide ik; Ik ben hot: Doch voorwaar ik zeg u; Van nu aan zult gij den zoon des mensehen zien zetelen tor regterhand van de kracht Gods, en komende op de wolken des hemels.

Mijn kind, indien zij aan deze duidelijke, heilige en schrikwekkende woorden hunne aandacht hadden geleend, zouden zij dan niet plotseling van regters in smeekelingen zijn veranderd geworden, zich aan mijne voeten hebben neergeworpen en om vergeving en ontferming hebben gebeden!'

Doch die ongelukkige Hoogepriester en zijn raad versmaadden do aangeboden genade en de heilzame vermaningen.

Trouwens de goddeloozo, als hij in de diepte nederstort, slaat tot verachting over.

2. Toen echter scheurde de voornaamste der priesters zijne kleedoren, uitroepend: Hij heeft God gelasterd. Ziet, nu hebt gij de lastering gehoord. Wat dunkt u'? En zij riepen eenparig, dat ik des doods schuldig was.

Xa deze goddeloozo cn wreedo beleediging, dio geheel den hemel met afschuw vervulde, zie, daar wachtten mij nog wreeder, nog bitterder

-ocr page 489-

beleedigingen. quot;VVant, dewijl liet reeds laat was geworden, ging de Hoogepriestcr met zijn gezellen ter ruste, en liet mij in de handen van het laagst gemeen om gedurende liet overige van den nacht gekweld te worden.

Wat gij ook doen moogt, mijn kind, met ■vvelke inspanning gij zo moogt overwegen, gij zult de smarten niet kunnen beseffen, die ik tijdons dien droevigen nacht heb geleden.

Toen, mijn kind, spuwden zij in mijn aange-zigt, hetwelk dc- Engelen begeeren te aanschouwen; en zij, die mij gevangen hielden, trachtten om strijd mij te bespotten .en te hoonon.

En om te vrijer te kunnen handelen, bonden zij mij een blinddoek voor de oogen; en nu uitgelaten, gaven eenigon mij kaakslagen, anderen sloegen mij in het aangezigt, mot verachting zeggende: profeteer ons Christus, wie het is die u heeft geslagen? anderen eindelijk spraken tegen mij velo godslasteringen en doden vele onwaardige dingen.

Zie dan den Zoon van God; niet een mensch, maar als het ware een worm geworden, de spot der menschen en het uitvaagsel van het volk!

Intusschen, mijn kind, gedroeg ik mij als een lam onder de hand des scheerders, mijn mond niet openend, noch eenig teeken van wraak, van afgekeerdhoid of van ongeduld gevende.

Maar de grievende smarten in mijn Hart samenpersende, toondo ik in gelaten handelingen een onoverwinnelijke zachtmoedigheid, opdat die vijanden door zulk een voorbeeld getroffen, bekeerd mogten worden, en gij, mijn kind, daar

-ocr page 490-

454

door aangespoord, niet weigeren zoudt, mij uit liefde na te volgen.

AVant als ik, de Zoon van den levenden en gezegenden God, zooveel wreedheden, zulke onbegrijpelijke beleedigingon uit liefde tot u heb verdragen, is het dan te veel, als gij uit liefde tot mij een beleedigend woord, of een spottenden naam, of de een of andere hoonende bejegening verduurt.

Indien gij on mijnentwille iets dergelijks, dat vergeleken bij mijn lijden, hetwelk ik om uwent wille verdroeg, gering is, niet wilt lijdon, gelooft gij dan, dat gij ware liefde jegens mij bezit, eene liefde, die mij of een leerling mijns Harten waardigis?

Ondervraag de Heiligen. Ook de minsten onder lien zullen u antwoorden met hunne daden, die zoowel hun als mij tot glorie strekken. Voorwaar die edelmoedige harten zouden zich geschaamd hebben, ze zouden hunne liefde voor niet of als een valsche liefde hebben beschouwd, en zij zouden zich de bijzondere genegenheid mijns Harten onwaardig hebben geacht, indien zij de vernederingen, hun door mij aangeboden, niet met liefde hadden verdragen.

Zeg niet, dat gij zooveel vernederingen niet kunt dragen, omdat gij nog geen heilige zijt. Immers gij kunt het, indien gij wilt, geholpen door de genade, die u niet zal ontbreken. Indien gij ze derhalve niet verdraagt, toont gij met de daad, niet, dat gij het niet kunt, maar dat gij het waarlijk niet wilt. Indien gij geen heilige zijt, werk dan mede met de genade en lijd de vernederingen gaarne, en zie, gij zult een heilige worden

-ocr page 491-

455

4. Mijn kind, zoolang gij onder stervelingen leeft, kunt gij, hetzij gij wilt of niet, niet van dergelijke vernederingen bevrijd blijven; daarom moet gij uw hart immer bereid houden, opdat gij, als het een ot ander u wordt aangedaan, terstond tot mij uwe toovlugt neemt en mijn hulp inroept.

Ja zelfs het zal gebeuren, en dit wol tot uw heil, mijn kind, dat de menschen u niet slechts weerstreven of u verwaarloozen, maar ook, dat zij u in uw aangezigt misprijzen of met hoon bejegenen. Als gij dan niet terstond door het gebed tot mij uwe toevlugt neemt, zult gij u aan onrust en groot gevaar zien blootgesteld.

De eerstbeginnenden en zij, die in het innerlijk leven en in de verloochening des harten nog slechts weinig voortgang hebben gemaakt, zullen, wanneer de beleediging zich doet gevoelen, gemakkelijk ontroerd en in onrust worden gebragt; dewijl de natuur, die nog niet onderworpen is, bij de eerst gegevene golegenlioid opstaat en een hevige vrees voor vernedering en een levendig verlangen naar wereldsch eerbetoon opwekt.

Doch voorwaar, alle wereldsche eer is louter ijdelheid; trouwens zij steunt niet op waarheid, maar hangt af van de veranderlijke lippen der menschen, die naar willekeur vleien of verguizen.

Maar de vernedering verdragen uit deugd, dat is ware glorie; dewijl dit den mensch mij gelijkend maakt en een eeuwige kroon verdient.

5. De beste verdediging van een goeden naam

-ocr page 492-

456

is de heldhaftige edelmoedigheid des Harten. Is zelfs de zachtzinnigheid of grootmoedigheid niet meer in staat ook onder de menschen een goeden naam te behouden of weder terug te krijgen dan haat of wraakzucht? deze toch bewijst dat men klein is van ziel, en toont duidelijk, dat het hart een slaaf is der hartstogten; gene echter pleit voor grootheid van ziel en voor een edelgezind hart, en dwingt ook onze vijanden of weerstrevers tot zwijgende bewondering.

Daarom zeide zelfs een heiden; zijn g-emoed

te overwinnen.....zijn tegenstrever niet slechts

te prijzen, maar ook met weldaden te over-

luden .....die dat doet, hem vergelijk ik niet

met de uitstekendste mannen, maar ik oordeel hem Gode gelijkvormig.

Ik wensch evenwel, mijn kind, dat gij dit slechts op de tweede plaats beschouwt, en dat gij hooger klimt tot bovennatuurlijke beweegre-denen, opdat gij de vruchten van uwe krachtige inspanningen en van uwe zware beproevingen niet moogt missen voor de eeuwigheid.

Velen zijn er, die meer smaak vinden in de ijdelheid der wereld dan in mijn voorbeeld en die liever slaven hunner begeerlijkheden willen zijn, dan aan mij gelijkvormig te worden.

En sommigen laten zich door hartstogten zoo verre voeren, dat zij bij de hun aangedane beleedi-gingen liever hunne ziel den dood toebrengen en zich aan de straffen der hel blootstellen, dan zich de wraakoefening op den beleediger te willen ontzeggen, of de oogenblikkelijke beleediging edelmoedig te willen vergeven.

-ocr page 493-

457

Wee den mensclieu, die door het goddelijk geloof begunstigd, toch nog slechter leven dan de heidenen, welke alleen door de rede geleid werden!

De ongelukkigen zullen eindelijk inzien, hoe dwaas en hoe slecht zij hebben gehandeld, toen zij, in plaats van door de aangeboden gelegenheid God te verzoenen, hunne zonden at te boeten ei) verdiensten te vergaderen. God integendeel tot gramschap uitdaagden, hunne zonden vermeerderden, en de straffen, die hun wachten, vergrootten.

6. Hoe vuriger er iemand op uit is, zich zeiven te overwinnen, hoe talrijker en moeijelijker de overwinningen zijn, welke hij op zich zeiven behaald heeft, des te sterker zal hij innerlijk worden en met des te meer gemak en vrucht zal hij zich toekomstige overwinningen verzekeren.

Schop derhalve moed, mijn kind; overwin u zeiven, opdat gij tot mij opstijget en mij navolgt. Beoordeel daarnaar uwe deugd en de opregtheid uwer liefde; wil daaraan onderscheiden, of gij een waar leerling mijns Harten zijt.

Ik wenschte, dat gij daarop wel uwe aandacht vestigdet, want indien gij de natuur, dio zich tegen het volgen van den goddelijken wil verzet, niet weerstreelt, dan, weet het wel, moogt gij mirakelen doen, of ook dagelijks in verrukking-geraken, dan is al uwe godsvrucht niets meer dan zinsbegoocheling.

Zijt edelmoedig en volg mij, uw geleider, uw beschermer en vertrooster; wil u niet bekommeren over hetgeen de menschen u aandoen of wat do weerbarstige natuur gevoelt.

-ocr page 494-

458

Indien uw hart geen verwijtingen doet, lieb dan vertrouwen, mijn kind, verdraag dan met een edel en zachtmoedig hart de aangedane be-leedigingen, want dan hebt gij een teeken, dat mijne genade met u is en in u woont. Want eene schildering van het vuur brandt niet; zoo ook: de schijn van liefde lijdt niet op die wijze.

7. De leerling. O Jesus, God der opperste Majesteit! in waarheid, de overmate uwer vernedering is onbegrijpelijk, de overmate uwer lietde is onbevattelijk.

Alle knieën in den hemel, op aarde en onder de aarde buigen zich voor IJ; en zie, Gij wordt overladen met de beleedigingen van verworpene stervelingen. Gij wordt verzadigd met verguizingen! o Jesus, Gij zijt waarlijk zachtmoedig en nederig van Harte! want zie, als een lam te midden der wolven wreed verscheurd, wenscht Gij dezen 'nog door een wonder van uwe zachtmoedigheid te treffen, te bekeeren, te behouden!

Wee mijn hart, als het na dit alles zich aan de vernedering onttrekt, of eene beleediging, welke ook, wenscht te wreken! want als het aan zulk een voorbeeld, aan zulke liefde van God, die zich om mij zoo diep vernederde, nog weerstand biedt, wat staat het dan ten laatste anders te wachten, dan de gestrengheid der regtvaardigheid.

Doch ik smeek U, lieer, mijn God, regtvaardige Eegter en Vergelder, treed niet met mij in het oordeel, maar vergeef mij grootmoedig, wat ik ooit door haat of wraakzucht heb misdreven.

Zie nu in uwe tegenwoordigheid, allerzoetste Jesus, leg ik voor immer af en breng ik, on-

-ocr page 495-

459

danks de inspraken dor natuur, ten offer, elke begeerte naar vijandige vergelding, naar wraakoefening, in één woord naar alles, wat met de liefde in strijd is.

Om alles, wat U dierbaar is, bid ik U, o Heer, dat Gij goedgunstig dit offer moogt aannemen, wat ik met de smarten uws Harten vereenig en U aldus aanbied, en ik smeek U, dat Gij allen, die mij beleedigen door een band der goddelijke liefde aan U verbindt en met U vereenigt voor eeuwig.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

hoe wij het allerheiligst haet van jestjs tot

dien graad moeten navolgen, dat wij met een opregt haet met hem en 031 iie3i als dwazen wenschen beschouwd te woeden.

1. Jesus. Toen de morgen was aangebroken, mijn kind, zie, daar kwamen alle opperpriesters eu ouderlingen des volks wederom ten raad bijeen ; en weldra opstaande, geleidde heel die menigte, mij gebonden door de straten sleepcnde, naar Pilatus, een heiden, den landvoogd van Judea.

Buiten staande, riepen zij schreeuwend den landvoogd tot zich en begonnen zij mij van vele en verschillende gezochte misdaden te beschuldigen.

Doch toen Pilatus hoorde, dat ik uit het ge-

-ocr page 496-

460

bied van Herodus was, zond hij mij tot dezen, die koning was van Galilea.

Herodes, ook oen heiden, verblijdde zich toen hij mij zag; want hij had veel over mij gehoord en hoopte een wonderteeken te zullen zien en zoo zijne wenschen te bevredigen.

Doch dien zinnelijken en onzuiveren mensch, die niet begreep, wat Grodes is, gaf ik, hoewel hij zelf mij veel ondervraagde, en de Joden mij aanhoudend beschuldigden, niets ten antwoord, maar zwijgend leverde ik hem een welsprekend toonbeeld van zedigheid en heiligheid, opdat hij begrijpen mogt, hoe ik zwijgend en gepast hem vermaande, en hij door mijn voorbeeld tot be-keering mogt worden bewogen.

Doch dewijl de vleeschelijke mensch dat alles misbruikte, en niet begreep, waarom ik mij zelf niet verdedigde, waarom ik zijne gunst niet zocht, schreef hij mijne handelwijze toe aan onverstand en zinneloosheid.

Derhalve verachtte mij Herodes met zijne soldaten en bekleedde mij met een wit kleed, als ware ik een dwaas; zoo bespotte en beleedigde hij mij.

En in dezelfde kleeding mij naar Pilatus terugzendend, stelde hij mij aan de stad en aan de wereld als een zinnelooze ten toon.

2. De leerliko. O Heer, mijn God! gij voor zinneloos gehouden! Spaar Heer, spaar de goddelijke waardigheid van uw persoon.

Waarom verdelgt gij de heiligschenners niet met uwe bliksems, opdat de verachtelijkheid der menschen niet aldus uwe goddelijke Majesteit ontheilige.

-ocr page 497-

461

Jesus. 0 kind! gij kent uw hart niet, noch het mijne. Want zulk een geneesmiddel werd er geëischt voor de hoovaardigheid uws harten.

Want indien gij ook na den Zoon van God, als een zinnelooze en dwaze om uwentwille behandeld gezien te hebben, u toch nog durft verhoovaardigen, wat zoudt gij niet doen, indien u dat voorbeeld niet ware gegeven? Zou niet uw eigenliefde in hare spitsvondigheid mot elk gebod den spot drijven en naar het toppunt van hoovaardigheid streven?

Leer derhalve uit de grootheid van het geneesmiddel de zwaarte uwer ziekte; en pijl van den eenen kant den afgrond der ellende uws harten en van den anderen kant de diepte dei-liefde van mijn Hart.

De eene afgrond riep den anderen te hulp: de liefde mijns Harten heeft geluisterd en zich ten afgrond toe willen vernederen, om u aan den afgrond te ontrukken.

Want ofschoon ik de onuitsprekelijke smart der menschelijke natuur gevoelde, heb ik toch met een bereidvaardig gemoed deze diepte dei-vernedering gedragen, meenende, door zulle een liefdebewijs eenmaal geheel uw hart te zullen winnen, met dezelfde liefde te ontvlammen en eindelijk met dezelfde gewaarwordingen te zullen bezielen.

3. Het is een diep geheim, mijn kind, dat God zelf onder de mensehen verschijnt als een dwaze; een geheim, waarvan de liefde alleen eene verklaring kan geven.

-ocr page 498-

462

Trouwens mijn Hart, door liefde vervoerd, werd door liefde voortgesleept tot vernederingen, tot verguizingen, tot bespottingen, tot den schijn van zinneloosheid, terwijl het oe smart der beschaming op bittere wijze gevoelde en tevens de schande bereidwillig omhelsde.

Indien iemand mij bemint, dan zal hij mijn woord onderhouden: Do leerling is niet verheven boven den meester; een ieder echter zal volmaakt zijn, als hij op zijn meester gelijkt.

Gij derhalve, mijn kind, gij zult, indien gij mij lief hebt, niet weigeren den naam van dwaas of zinnelooze met mij te dragen, wanneer ik ooit veroorloof, dat men u met dien naam bestempelt.

quot;Wel is waar, het is niet geoorloofd, dat gij zelf daartoe de oorzaak stelt, maar wel moogt gij dulden, dat anderen daarvoor eene gelegenheid zoeken ; of wenschen, dat zonder beleediging van God de gelegenheid worde aangeboden, waarin gij als een onverstandige ot zinnelooze om mijnentwille wordt gehouden; dat is waarlijk heldhaftige deugd en de hoogste volmaaktheid.

4. Houd u bereid, mijn kind, om door de men-schen somtijds als dwaas beschouwd te worden, want zie, in welken levensstaat gij verkeert, gij zult als zoodanig somtijds worden aangezien, indien gij een waar leerling mijns Harten wilt zijn.

Immers het leven, dat niet in naam, maar met de daad innerlijk en godvruchtig is, schijnt den volgelingen van de voorschriften der wereld niets anders dan dwaasheid toe.

quot;Wat anders dan dwaasheid schijnt het hun te zijn: de tegenwoordige gemakken der wereld.

-ocr page 499-

463

door de lioop op toekomende goederen te verachten; de armoede en de onthechting aan het aardsche lief te hebben, zich te onderwerpen aan den wil en het oordeel van anderen, die zelfs in deugd en wetenschap beneden ons staan; de zinnen des ligchaams onophoudelijk te versterven ; zonder noodzakelijkheid nimmer voldoening voor beleedigingen te eischen: zijne vijanden met een opregt hart te beminnen; de vernederingen lief te hebben en ze als gewin te beschouwen?

Welaan mijn kind, schep moed en verdraag met een groot hart en met een blij gemoed alles met mij.

quot;Want zie, wat gij doet, zal somtijds door mijn wijze beschikkingen niet slagen en aan uw onverstand worden geweten; anderen echter zullen in dezelfde zaak een gelukkigen uitslag ondervinden, waardoor gij, naar de mate het beter uitvalt, des te dwazer zult schijnen.

Als gij beschuldigd, met verwijtingen overladen en uitgelagchen wordt, zult gij niet mij zwijgen en daarom zult gij als een zinnelooze beschouwd worden door hen; die de alles overtreffende wijsheid mijns Harten niet kennen.

Wanneer gij, om mijne eer te bevorderen, de geschikte gelegenheid in uw eigenbelang verwaarloost, zult gij aan velen toeschijnen het gezond verstand verloren te hebben.

Uwe voornemens om geheel u zeiven af te sterven; om voor mij alleen te leven, zullen sommigen door gebrek aan onderscheiding, ja zelfs door valsche godsvrucht geleid, als zinneloosheid beschouwen.

-ocr page 500-

464

Deze en andere dergelijke dhigon zulleu u overkomen, mijn kind, niet slechts van hen, die zich beminnaars der wereld toonen, maar ook somtijds van hen, die zeggen een braaf leven te leiden, of die in den kloosterlijken staat leven, maar die, mijnen innerlijken geest niet bezittende, wel mijn deugden beminnen, waardoor zij aan-zich zeiven en aan anderen behagen, doch in mijne droefheden, beschamingen en vernederingen geen smaak vinden.

Van dezen mijn kind, dfe in het bovenmatige mijner vernederingen inderdaad ergernis nomen, zult gij somtijds des te zwaarder en des te bitterder te lijden hebben.

5. Wil den moed niet verliezen en laat uw hart niet lieerslagtig worden, mijn kind, als gij door sommige stervelingen zoo behandeld wordt; integendeel, schep moed en verblijd u ten minste; Ijjd met geduld, als gij geen kracht genoeg bezit, het met blijdschap te doen.

Is het niet verkieselijker, met mij als een dwaas beschouwd te worden, dan door de men-schen alleen als een wijze te worden aangezien.

Voorwaar, voorwaar, een ieder, die om mijnentwille in deze wereld vooreen dyvraze wil gehouden worden, hij zal in dit leven wederkeerig honderd-voudige goederen ontvangen en onverwelkbare glorie in het eeuwig leven.

Dit hebben de Heiligen ondervonden on zij hebben veel meerdere en betere goederen verkregen, dan zij vermoed hadden of durfden verwachten. Beproef ook gij dit, mijn kind, en gij zult het zelfde ondervinden.

-ocr page 501-

465

G. Dat is de hoogste wijsheid, die de wereld en hare volgelingen vatten noch begrijpen kunnen, maar die de nederige en zachtmoedige leerlingen mijns Harten begrijpen en smaken.

Indien gij deze leering mijns Harten lief hebt en overeenkomstig haren geest handelt, verblijd u dan mijn kind, verblijd u: juich en verheug u, want gij zijt in gelijkenis mij het meest nabij gestreefd.

Weliswaar, mijn kind, het is een zeer moeie-lijke zaak; maar maak haar ligt door de liefde; en, om n te bemoedigen, denk er ook aan, dat zij spoedig een einde neemt en dat eene eeuwige belooning u wacht in don hemel, waar gij weldra met mij zult zijn en waar gij, tusschen Engelen en Heiligen met meerder eer zult schitteren, naar do mato gij door zwaarder gewigt van vernederingen onder de monsschen wordt ter neer gedrukt.

Dit heb ik gezegd, kind inijiis Harten, opdat als het zal geschieden, gij tot mij uwe toevlugt nemet, om in mij vrede en troost te hebben en met mij te volharden.

7. De leerling. Ik belijd U, o Jesus, beste Vader, die dit den wijzen en voorzichtigen dezer wereld heb verborgen en liet den kleinen en ne-derigen leerlingen uws Harten hebt geopenbaard. Zoo is het,Vader;dewijl het aldus U behagelijk was.

Die leering omhels ik met mijn' hart zooveel ik kan, begeerig bovenal te kennen en te beminnen U, mijn allerzoetste Jesus, ü, als een dwaze beschouwd uit liefde tot mij.

Te laat, helaas! te laat heb ik dit verheven

30

-ocr page 502-

46G

gelieim gekend; te laat heb ik deze bovenaard-sclie wijsheid omhelsd, die de Heiligen onder-■wezen eu gevormd heeft.

Verleen mij, o liefdewaardigste Jesus, de genade, om volgens mijn verlangen mij zeiven vergetend en slechts aan U denkend, door liefde naar U te worden getrokken, door liefde U te volgen, zoover zelfs, dat ik met TJ, indien dit uw welbehagen veroorlooft, een onverstandige, een dwaas, een zinnelooze schijne.

O Jesus, eindelooze zoetheid! met U wordt alles zoet; aan U te gelijken is het hoogste geluk op aarde en liet veiligste onderpand des hemels.

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

hoe wij kaar het voorbeeld van het allerheiligst hart van jescs wen-schen moeten, beneden allen gesteld te worden.

1. Jesus. In de geregtzaal teruggevoerd mijn kind, stond ik voor den landvoogd, die wist, dat ik uit afgunst door de priesters en de Pha-rizeën was overgeleverd.

Dewijl Pilatus aan mijn onschuld niet twijfelde, wilde hij mij bevrijden, indien hij dit zender den Joden te mishagen doen konde. Daartoe verzon hij oen middel, dat de onedele lafhartigheid van zijn gemoed aan den dag bragt en mij met de grootste schande overlaadde.

Gedurende de feestelijke dagen namelijk was

-ocr page 503-

467

de landvoogd gewoon aan liet volk een der gevangenen vrij te laten, naar hunne keuze. Toen echter was er een berucht gevangene, Barabbas geheeten:

Barabbas was inderdaad een roever, die wegens oproer in het gewest veroorzaakt, en wegens manslag in den kerker was geworpen.

Pilatus nu meenende, dat mij, den weldoener van alle i, den beminnaar des vredes, den hersteller dos levens, boven dien mensch door allen do voorkeur zou worden gegeven, sprak tot de vergaderde oversten der priesters, tot de hoofden des volks en tot het volk aldus: liet is de gewoonte, dat ik ii tijdens het Paaschfeest een gevangene loslaat: Wien van beiden wilt gij dus, dat in vrijheid worde gesteld, Barabbas of Jesus?

üoch de gehcele menigte, door de hooge-priesters opgezet, riep als uit éénen mond: Niet deze, maar Barabbas.

Beschouw mijn kind, hoe dit mijn hart moest treffen; hoezeer het daardoor gegriefd werd, hoezeer het daardoor van één werd gereten.

En beschouw mij, staande naast Barabbas voor het oog van allen, en zie dan, hoe ik door de hoogsten en de laagsten werd behandeld, als de verachtelijkste der menschen. En tocli heb ik deze onwaardige verachting, ofschoon zij mijn Hart ook met smartgevoel verteerde, bereidvaardig verduurd, opdat ik van den eenen kant dien ongelukkigen Barabbas, voor zooveel het in mijn vermogen was, en u mijn kind, en geheel de wereld van de eeuwige verwerping mogt bevrijden; en opdat ik van den anderen kant u

-ocr page 504-

468

een voorbeeld zou geven, rijk aan vertroosting.

2. Neem liet derhalve niet kwalijk, maar verdraag het geduldig en onderworpen met mij, wanneer gij beneden anderen gesteld wordt.

Wat wonder, indien gij, die stof en niets uit u zeiven zijt, veroorlooft, dat gij om mijnentwille achter anderen gesteld wordt, terwijl ik, do God en Heer van alles, toegelaten heb, dat ik achter den laagste der stervelingen werd gesteld?

Sinds gij, zjj het ook door oen dagelijksche overtreding, tegen de goddelijk Majesteit hebt gezondigd, hebt gij waarlijk verdiend, niet slechts gesteld te worden beneden de menschen, maar ook beneden de redelooze wezens, die zich aan schennis of beleediging der Majesteit Gods niet schuldig gemaakt bobben.

Wanneer ik derhalve, mijn kind, veroorloof, dat gij beneden anderen geacht wordt, zijt daarmede tevreden, als waart gij op do plaats, die u toekomt.

En indien gij meent, onder uws gelijken gestold te worden, wil dan niet naauwkturig gaan berekenen of afmeten, hoevolc graden uws gelijke boven u verheven wordt; maar vestig uw aandacht op mijn voorbeeld, en daal met uw hart nog lager af, wetende, dat, hoe nader gij mij zijt in vernederingen, gij mij ook des te nader zult zijn in de glorie.

En hoe zoudt gij, mijn kind, oen waar leerling mijns Harten kunnen zijn, indien gij de eerste wildot wezen, waar ik de laatste ben? Gaat dan de leerling voor den meester? Een leerling te zijn, is dat niet den meester volgen?

-ocr page 505-

469

Volg derhalve mij en zijt met mij gaarne da minste. Zio, hoevele er in de wereld zijn, die genoodzaakt worden, zich met de laagste plaats te vergenoegen, en dewijl zij dit met tegenzin doen, doen zij het ook zonder vertroosting, zonder verdiensten. Blijf gij, mijn kind, met een goed gezind hart aan mijne zijde en gij zult geen reden hebben, daarover spijt te gevoelen.

3. Zalig zijt gij, mijn kind, indien gij gaarne uit lietde tot mij beneden allen wilt gesteld zijn! want indien gij u dit wilt getroosten, zie, dan zult gij u heiligen door datgene, wat u ongetwijfeld zal overkomen.

Eenigen toch zullen somtijds verheven en als lichten op den kandelaar geplaatst worden; u zal men voorbij zien of onder de korenmaat verbergen.

Sommigen zullen gemakkelijk verkrijgen, -vrat zij vragen, en men zal oordeelen, dat zij dit verdienen; wat gij vraagt zal onredelijk schijnen, of men zal meenen, dat gij uw verlangen niet' verdient vervuld te zien.

Wat anderen zullen zeggen, zal als gepast en als beslissend worden gehouden; wat gij zegt zal ongeschikt en bespottelijk schijnen.

Anderen zullen naar hartelust hunnen nood klagen en bij velen medelijden vinden; gij, zwoegend onder smarten of moeijelijkheden zult, wanneer gij, door noodzakelijkheid gedreven, het waagt uwe klagten te uiten, als een verbeel-dingszieke worden beschouwd.

De gebreken van anderen zal men met een schoonen naam versieren, doch uwe deugden zal

-ocr page 506-

470

men als gevolgen van zwakheid des geestes verklaren. Jegens anderen zal men toegevend zijn; u daarentegen zal men berispen, voorgevende, dat gij dit niet slechts verdient, maar dat dit noodig voor u is,

Niet weinige dergelijke dingen, mijn kind, waardoor gij beneden anderen gesteld wordt, zullen u overkomen, en als dit gebeurt, zal de natuur daardoor smartelijk worden aangedaan. Doch schep moed en volhard met mij, ondanks dat natuurlijk gevoel, liever met mij do laatste, dan zonder mij de eerste te willen zijn.

Wil niet slechts bereidvaardig dulden, dat gij beneden anderen gesteld wordt, maar kies uit eigen beweging, waar gij ook zijt, en dit op geoorloofde wijze doen kunt, voor u de laagste plaats; daar, mijn kind, daar zult gij mij vinden, daar mij met u hebben.

Indien gij dit gedaan zult hebben, dan zal Hij, die do nederigen verheft, eenmaal tot u zeggen: Mijn vriend ga hooger op. En dan zal het u tot roem verstrekken in het gezelschap der Engelen en Heiligen.

4. Indien de waardigheid van uwen stand of van uwe betrekking u boven anderen stelt, dat dan de nederigheid uws harten,u uit liefde tot mij op gepaste wijze beneden hen plaatse. Want aldus zult gij mij, wien alle magt is gegeven, wèl navolgen, u vele verdiensten vergaderen en aan anderen meer voordeelig kunnen zijn,

Wil niet gelooven, dat dergelijke handelingen aan de eischen van uw gezag te kort doen; want ofschoon het voor een overste passend en ver-

-ocr page 507-

471

pligtend is, zijn gezag te liandhaven, kan hij dit op geen betere wijze doen, dan door die nederige liefde, welke niet sléchts den ui terlijken mensch alleen onderworpen houdt, maar ook zelfs het hart inneemt en bewaart, het met liefde en vertrou-weii vervult en in de beste gesteltenis brengt.

Wil niet het verrigten van grootschcen schoone bezigheden voor u behouden en die van minder belang of aanzien aan uwe ondergeschikten overlaten; integendeel, laat voor zooveel het geoorloofd is, gene aan uwe ondergeschikten en behoud deze voor u. Zoo zult gij mijn voorbeeld volgen, de welwillendheid uwer ondergeschikten verwerven, en hun gemoed ten goede sporen.

Zoo doende zult gij door uwe ondergeschikten meer en beters verrigten dan gij alleen uit u zeiven vermogt te doen, en terwijl gij aan het hoofd staat van anderen, zult gij met mij een van huns gelijken, ja zelfs als hun dienaar schijnen.

5. Verkies, voor zoover het aan u overgelaten wordt, liever ondergeschikt te zijn dan aan het hoofd te staan; ja, op welke plaats gij ook gesteld zijt, vermijd zelfs alle woorden en teekenen, die uw verhevenheid of uw verstand of andere gaven en goederen, waarmede men niet ijdel mag pronken, ter kennis brengen.

Meng u ook niet in eens anders zaken, alsof gij die zoudt willen verbeteren of bestieren; leen u ook niet te gereede, tenzij de deugd zulks eischt, tot het schenken van raadgevingen, als waart gij bekwaam daartoe.

Verdraag bereidwillig, dat anderen u in wetenschappen of andere zaken, ja zelfs in uitwen-

-ocr page 508-

472

(lige deugden overtreffen; wat u betreft, doe met ijver, wat in uw vermogen is, berust voor het overige in liet goddelijk welbehagen en beroem ii met mij in uwe vernederingen.

Weet het wel, dat gij dan eerst tot ware heiligheid zijt gekomen, als gij uit liefde tot mij er uwe vreugde in vindt, inderdaad of met een werkdadig verlangen u met mij op de laagste plaats te bevinden.

En indien gij tot dien trap van volmaaktheid nog niet kondet geraken; welaan, mijn kind, bid dan en span uwe krachten in; en gij zult dien later bereiknu.

6. De leeelisg. O Heer, mijn God en zaligmaker! hoe goddelijk is uw leven; hoe verheven do leering van het voorbeeld uws Harten! Wie toch, die niet door U met do zalving uws Geos-tes onderwezen wordt, is in staat haar wel te begrijpen.

Helaas, Heer Jesus! ik was dan tot heden zonder begrip; tot nu toe heb ik immers naar de verhevenste plaats gestaan, ofschoon ik U de laagste zag innemen.

Beklagenswaardige, die ik ben! hoe heb ik gedwaald! want ik heb ü in vernederingen alleen gelaten, en blind en alleen naar de hoogte strevend, ben ik verre van U afgeweken, verre van uw Hart vervreemd geworden.

IJdel en bedorven als ik was, heb ik getracht onder de menschen uit te schitteren en eenen naam te maken, terwijl mijn geweten getuigt, dat ik wegens mijne zonden, waardoor ik U, Jesus! tot overmaat van goddeloosheid en ondankbaar-

-ocr page 509-

473

heid niet slechts ackter Bar.ibbas, maar zelfsj beneden den duivel heb gesteld, waardig ben onder de voeten van een ieder vertreden en voor hemel en aarde met alle schande overladen te worden.

Onwaardig ben ik, o Heer Jesus, mot U te zijn ook op de laagste plaats. Maar dewijl Gij in de eindelooze goedigheid nws Harten mij zoo vol ontferming hebt teruggeroepen, vertrouw ik ook, dat gij mij goedgunstig zult aannemen.

Grij hebt mijne oogen geopend, om mijne dwaling in te zien, en mijn hart getroffen om uw gezelschap lief te hebben ook in vernederingen; geef mij bid ik U, genade, geef mij moed, dat ik daarin uit liefde tot U bereidvaardig met U verblijve.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

hoe het allerheiligst hart van jesus UOnJi

de geeseljng verscheurd , ons leert door vrijwillige verstervingen hem na te volgen.

1. Jesus. Zie, mijn kind, toen Pilatus tegen zijne verwachting, bespeurde dat de Joden mij achter Barabbas stelden, stond hij over zooveel nijd van hunnen kant verslagen; docli niettemin aan mijne onschuld geloovende, wilde hij mij nog loslaten, maar tevens liet volk tevreden stellen.

Twee heeren willende dienen, van den eenen kant namelijk, de menschen behagen, en van den anderen kant aan do stem van zijn

-ocr page 510-

474

geweten gehoor willende leenen, beproefde liij tot mijne bevrijding een ander raiddel vol onregt en wreedheid.

Hij besloot namelijk, mij in zulk een toestand te brengen, dat de menschen, zoo zij nog een men-schelijk hart bezaten, mij niet zonden kunnen aanzien,zonder door medelijden bewogen te worden.

Ik heb, zoo sprak hij, geen schuld in dezen menseh gevonden; ik zal hem dus kastijden en dan loslaten. Terstond deed hij mij door zijne dienaren aangrijpen, om gegeeseld te worden.

Zie, weldra hadden de soldaten mij aan de kolom gebonden; dra hebben zij door een regen van geeselslagen met even zoovele wonden mijn ligehaam verscheurd: zij worden door anderen vervangen, die om strijd de slagen en mijne wonden vermeerderen.

Zie het bloed van alle zijden, alles rondom purperen en zelfs de beulen bespatten! Doch dezen, in woede ontstoken, slaan met heviger inspanning en kerven en rukken mijn vleesch van een!

Verdelgen wij hem, zoo schreeuwen zij, verdelgen wij hem uit het land der levenden, en dat zijn naam niet meer herdacht worde!

De hemel wordt door dit beweenenswaardig schouwspel bewogen; de Engelen sidderen van verbazing en ontroering over de overgroote liefde mijns Harten jegens de menschen.

2. Wat u betreft, mijn kind, overweeg met godsvrucht en oplettendheid deze verbazende kwellingen mij aangedaan en leer, hoe zwaar, hoe verschrikkelijk de zonden des vleesches zijn, die

-ocr page 511-

475

zulk eene voldoening eischten. Roepen deze wonden niet allen toe, ten minste uit medelijden niet meer in te willigen den wellust des vleesches en mijne smarten nog mot nieuwe smarten te vermeerderen?

Loer ook, hoe groot de liefdo mijns Harten is. waardoor ik, onschuldige, mij bereidwillig aan de straf der schuldigen onderwierp. Ja, mijn kind, do liefde, de vurige begeerte om allen te verlossen, was oorzaak, dat ik met geheel mijn Hart mijn vlekkeloos ligchaam aan mijne beulen overleverde en vrijwillig de marteling der gee-seling verdroeg.

Leer eindelijk, boe gij dat ligchaam moet behandelen, dat het uwe is, dat in zonden ontvangen werd, in hartstogten toenam en tot het kwade geneigd is.

Zie eens, wat do Heiligen geleerd hebben; ba-merk, waarom zij hunne ledematen verstorven, op welke wijze zij al hunne zinnen gekastijd hebben.

Hunne harten namelijk waren gelijkvormig aan mijn Hart en daarom bragten zij ook do zelfde vruchten in hun ligchaam voort. Neen zij achtten zich niet gelukkig, wanneer zij ook hierin niet eenigszins op mij geleken.

3. Derhalve mijn kind, moogt gij ook een regtvaardige zijn, versterf evenwel uw vleesch, eensdeels, opdat het niet opsta en u ten verderve voere, ten andere vooral, opdat gij aan mij gelijkvormig en aldus heilig moogt worden.

Velen zijn beminnaren van zich zeiven, zinnelijke menschen, schoon zij daarvoor niet willen gebonden worden, die geen smaak in de ver-

-ocr page 512-

476

sterving hebben eii altijd het een of ander voorwendsel gereed hebben, om zich aan do versterving te onttrekken.

Dwaze en misleide zielen! Voorwaar, voorwaar, bijaldien gij geen boetvaardigheid zult gedaan hebben, zult gij allen gelijkelijk omkomen. En indien iemand, hij moge dan ook een Heilige, ja een Engel schijnen, het tegendeel zegt, hij zij gevloekt.

Herinner U, wat de Geest zegt: „ Die Christus toebehooren, hebben hun vleesch gekruizigd met deszelfs ondeugden en begeerlijkhedenquot;

De wijsheid des vleesches is de dood; doch de wijsheid des geestes is leven, en daarenboven vrede en vreugde.

Derhalve, indien gij volgens het vleesch zult geleefd hebben, zult gij sterven; maar als gij door de werken des geestes hot vleesch zult verstorven hebben, dan zult gij leven, en vrede en blijdschap des harten genieten.

4. Mijn kind, beziel u mot dien liefdegeost, waardoor mijn Hart zich aan de bittere geese-ling onderwierp, en gij zult de versterving ligt en hare vruchten zoet en heilzaam vinden.

Noch tijd, noch plaats is er, waarop gij niet in staat zijt, een uwer zintuigen te versterven.

Ja, zijt gij niet verpligt, waar gij ook zijt, met meerder toeleg uw ligchaara te versterven, om mij na te volgen en den hemel tc verwerven, dan de zondaren de lusten huns vleesches bevredigen om mijne geeseling te vernieuwen en zich de hel te verdienen ?

Schep moed, mjjn kind en vrees niets. De

-ocr page 513-

477

vrijwillige versterving is de weg dos levens, dei-vrijheid, dar kalmte, dor deugd en der heiligheid.

Zalig, die dezen weg bewandelen! hun geiuk is slechts gekend door hen, die het ondervonden hebben.

5. Die zich niet versterft in onverschillige en geoorloofde zaken, hij zal zich bijna of in 't geheel niet versterven in noodzakelijke of ongeoorloofde dingen.

Wilt gij leeren, u zeiven in groote dingen te versterven, yersterf u dan volhardend in het kleine.

De nieuwsgierigheid der oogen, liet vurig verlangen om nieuws to hooren, do begeerte naar ijdele gesprekken, de lust naar aangename geuren, de neiging te genieten, wat de zinnen streelt, nu eens de begeerlijkheid om te eten of te drinken zonder voldoende reden, dan weder hot voornomen, iets te doen, wat anderen hinderlijk is; deze en dergelijke dingen kunnen do stof voor herhaalde, ja voor aanhoudende verstorvingen uitmaken.

Deze, mijn kind, zullen trouwe wachters zijn van uwe onschuld; deze zullen hot voedsel zijn der goddelijke liefde; zullen in uw hart don ijver bewaren; deze zullen de voortdurende offers zijn, op hot altaar van hot innerlijk heiligdom opdragen, welke met de offers van mijn Hart veroenigd, onophoudelijk in geur van zoetheid zullen opstijgen tot don troon des Allerhoogston,

Deze kleine en dagelijks herhaalde offers zijn passend en nuttig voor allen, voor jongen en ouden, voor zwakken en sterken; voor beginnenden, voortgaanden on volmaakten; en niemand kan

-ocr page 514-

478

zich daaraan onttrekker., zonder een toeken van laauwlieid te verraden.

Daarin ligt geen gevaar voor do gezondheid van wien ook: daartoe behoeft geen verlof gevraagd te worden: zij zijn voor ieder veilig en heilzaam.

6. Groote verstervingen echter kunnen niet allen gelijkelijk op zich nemen; niet allen toch hebben do zelfde behoefte, noch de zelfde lig-chaamskracht, noch eindelijk een zelfde roeping.

Daarom is het raadzaam de bijzondere omstandigheden aan onzen geestelijken leidsman gepast te openbaren, met hem wijslijk de mate van versterving te bepalen, zonder zijnen raad nir-ts buitengewoons te ondernemen, om niet door den schijn van goed het ware goed te verliezen, noch ons voor grooter goed ongeschikt te maken.

Onder de verstervingen verdienen zij de voorkeur, welke uit haren aard meer geschikt schjj-nen om de zinnen aan den geest en aan de genade te onderwerpen en die u meer geschikt maken, overeenkomstig mijn voorbeeld de tegenspoeden met kracht te verdragen.

Doch vóór alle moeten die omhelsd worden, welke door mij, door de Kerk, door de Oversten worden voorgeschreven. Deze worden heiliger en mot meerder zekerheid beoefend dan andere, welke door eigene keuze worden opgelegd: deze dragen meerdere en kostbaarder vruchten, dewijl bij de versterving nog de deugd en de verdienste der gehoorzaamheid gevoegd wordt.

.Mijn kind, als gij u met een dankbaar hart in het geheugen roept hoe ik verwond ben ge-

-ocr page 515-

479

«orden om uwentwille, cn versclieurd om uwe zonden, dan zult gij met den Apostel er op uit zijn, de toekenen mijner wonden in uw ligehaam te dragen en zoo te leven, dat mijn leven in het uwe geopenbaard wordt.

7. De leerling. O mijn Jesus en mijn God! Waarlijk, Gij zijt de man van smarten; want zie, ik beschouw U gegeeseld en ik zie geen gedaante' geen schoonheid meer aan ü; als een melaatsché en een geslagene zijt Gij, zoo, dat Gij onkennelijk zijt geworden.

Waardoor, helaas! waardoor, zoo niet door mijne zonden, zjjt Gij tot zulk een uiterst o-o-bracht? Ik, verachtelijk kind dor menschen heb wreedelijk gezondigd, en Gij, opperste God,'boet daarvoor met zooveel en zoo groote smarten met zooveel en zoo groote wonden!

O welk een Hart hebt Gij Heer Josus! Hoe groot is do overmaat uwer liefde, die U dat alles voor mij deed lijden! O beminnelijkste, o zoetste Jesus! AVelk een magtige beweegreden om op U te vertrouwen, hoe ellendig Ik dan ook ben! welke dringende aansporing, U uit geheel mijn hart te minnen!

Hoe onnatuurlijk echter, hoe afschuwelijk zou het zijn, door de zonde uwe marteling te vernieuwen, terwijl ik verpligt ben, gedurende alle eeuwigheid U mijne dankbare liefde daarvoor weder te geven.

Verkiezelijker is het voor U duizendmaal te sterven, dan zoo iets te bestaan. Ja, Heer, liever wil ik hier uit liefde totU den geest geven, dan tegen U te zondigen.

-ocr page 516-

480

En om dit inderdaad te voorkomen, schenk mij daarom de genade, mijn ligchaam volhardend onder bedwang te houden on mijne zinnen bij elke gelegenheid te versterven.

Geef. mij, smeek ik U, vurige liefde voor U, en zie, de versterving zal mij een leven zijn, waardoor ik voor ü leef, U navolg, ü onophoudelijk vereer, U dagelijks een otter breng, nu een slaolitoffer van lof en dankbaarheid, dan oen zoenoffer van zintuig of neiging, dan wederom een brandoffer van geheel mijn hart.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

hoe wij uit het voorbeeld van het allerheiligst hakt van jesus leeren moeten, ligchamelijke ziekten en smarten te verdragen.

1. Jesus. Mijn kind, na de geeseling, terwijl geheel mijn ligchaam nog droop van hét bloed, zie, daar geleidden mij de soldaten in den voorhof van de lijfwacht en riepen daar geheel de wacht bijeen.

En een kroon van doornen vlechtend, plaatsten zij die wreedaardig op mijn hoofd en gaven mij een riet in do regterhand.

En nu kwamen zij beurtelings voor mij neder-knielen en bespotteden mij: en weder opstaande namen zij het riet en sloegen daarmede op mijn hoofd en zoo de scherpe punten der doornen

-ocr page 517-

481

dieper doordringend, doorboorden zij mijn hoofd van alle zijden.

Nu, mijn kind, klommen mijne smarten tot een onuitsprekelijk uiterste; en dewijl ik die kroon bleef dragen tot den laasten snik, zouden zij steeds voortduren en onophoudelijk toenemen.

Zie, ik sleepte mijne gebrokene leden en gekneusde ledematen mede, en al mijne zintuigen waren krank en bijna magteloos door de grootheid der smart!

Van de voetpalm tot aan de kruin van mijn hoofd was er innerlijk of uitwendig geen gexoiid deel meer in mij.

2. Nimmer, mijn kind, zult gij de smarten van mijn Lijden beter begrijpen, dan wanneer gij dezelfde smarten iijden zult: wanneer gij uw ligchaam door smarten gemarteld en uwe ziel door droefheid verteerd zult voelen.

Wanneer de menscli van fortuin, van oen goeden naam of van andere uiterlijke zaken beroofd wordt dan valt dit zwaar, o ja en bitter voor de natuur* doch veel zwaarder, veel bitterder is het, door ligchamehjke ziektepjjnen gekweld te worden.

Want boven die uiterlijke dingen kan do menscli door grootmoedigheid zich met behulp der genade zoo zeer verheffen, dat hij do oorzaak of het gevolg der wederwaardigheden vergeet of niet acht; doch in ziekten des ligchaams kan hij niet ongevoelig zijn voor hetgeen hij gevoelt en'wat hij ook doen moge, altijd en overal draagt hij zijne ziekte mede.

Evenwel, moge de ziekte een'zwaarder lijden zijn, grooter zijn ook de goederen, die zij' don geduldigen lijder oplevert. 31

-ocr page 518-

482

Daarom, mijn kind, zij liet uwe grootste zorg' haar met een welgezind kart te verduren en daarbij, zoo veel doenlijk, do gesteltenissen mijns Harten na te volgen.

3. En wel ten eerste; als gij eenige ziekte gevoelt, neem haar dan aan, als eene bezoeking van do liefde mijns Harten, ten minste niet het hart zeggend: Gezegend de Heer, die zijn kind bezocht heeft! En wil dit niet nalaten, ofschoon gij bespeurt, dit slechts met moeite te kunnen doen; daardoor toch zult gij des te gemakkelijker den weerzin der natuur overwinnen en meer verdiensten vergaderen.

Onderwerp u vervolgens zoo goed gij kunt aan den goddelijken wil; en vernieuw die heilige onderwerping zoo dikwerf mogelijk, verzekerd daaruit zeer groote sterkte en grooten troost te zullen putten.

Vereenig daarna uwe smarten met de mijne, en doe dit herhaaldelijk tot verschillende doeleinden, al naar dat de noodzakelijkheid of het nut of ook de godsvrucht het zal vergen.

Door deze goddelijke vereeniging, welke van zalvende genade overvloeit, zullen uwe smarten gelenigd en voor u ligter en zoeter worden.

Eindelijk, mijn kind, om u ter volharding té ondersteunen en om uwe ziel in vrede te bezitten, moet gij, zoo veel mogelijk, uwe oplettendheid en uwe gedachten afleiden van de oorzaken uwer smarten, ja ook van uwe smarten zeiven; vestig-daarentegen uwe aandacht op mijn voorbeeld en op het onoverwinnelijk geduld der Heiligen, en

-ocr page 519-

483

bedenk, welk eon onmetelijk, welk een zoet loon gij in den hemel zult verwerven, bijaldien gij dit door vrijwillig ongeduld niet verliest.

4. Dewijl gij iiitusschen, mijn kind, veel genade noodig hebt en uit u zeiven niets ter zaligheid doen kunt, moet gij overeenkomstig uw vermogen volharden in het gebed; vooral in korte en vurige gebeden, op deze en dergelijke wijze tot mij verzuchtend: Zie Heer, wien Gij tot den

dood toe bemind hebt, is krank......Heer,

geef geduld......Geef onderwerping.....

Geef vereeniging met u ten einde toe.

En als de ongesteldheid toeneemt, zult gij wel doen, hetgeen een leerling van mijn Hart het ]lassendste is, indien gij uw ligchaam inderdaad als een levende offerande aan mij opdraagt, en den dood aanneemt op dien tijd en op die wijze te ondergaan, naar het mij behagelijk zal zijn.

Weet wel, mijn kind, dat gij somtijds, hoezeer gij daar ook tegen strijdt, zeer geneigd zijt, den moed te verliezen. Herinner u, dat dit het gevolg is der kranke en der kwijnende natuur, waardoor gij u niet moet-en ook niet moogt laten ontstellen. Draag slechts zorg, daaraan niet toe te geven of te veel in tc willigen. Want daarvoor buigende of daaraan toegevend, zult gij en te vergeefs uwe smarten vermeerderen en zelfs uw hart in slechte stemming brengen.

Indien uwe smarten en angsten u somtijds zoo verre voeren, dat gij zelfs naauwelijks van de vermogens uwer ziel ter herinnering gebruik leunt maken, blijf dan rustig tusschen mijne armen.

-ocr page 520-

484

en wil niet met geweld of met angst gevoelens of oefeningen van deugd verwekken, maar stel u met kalme onderwerping aan mij tevreden.

Zalig lijj, die in ziekte volhardend met den zaligmakenden wil Gods vereenigd blijft! Zoolang tocli als hij één is met het goddelijk welbehagen, rust hij aan mijn Hart en is alles veilig!

Mijn kind, verlies den moed niet, of wil niet mistroostig worden wegens de grootheid of den langen duur uwer smarten; herinner u, dat vele Heiligen hun leven lang in do grootste smarten gesleten en, daarin onderworpen, zich geheiligd hebben; en beschouw, hoe uw lijden, het moge nog zoo groot en zwaar zijn, niets is in vergelijking mot de onmetelijk en eeuwigdurende blijdschap, waarmede uw geduld weldra in don hemel beloond zal worden.

Roep u de overmaat mijner kwelingen en mijn martelaarschap in het geheugen, dat geheel mijn leven voortduurde; en herinner u, dat ik dit alles vrijwillig leed uit liefde voor u. Dat zal u veel helpen, om uwe wederwaardigheden uit liefde tot mij standvastig te verdragen.

5. quot;Word niet vrijwillig lastig of ongeduldig jegens hen, die de zorg over u hebben. Uwe ongesteldheid zal dikwijls oorzaak zijn. dat zij u onoplettend ot zorgeloos toeschijnen.

Zoo' dikwijls het noodig of gebruikelijk is, moogt gij mij met nederigheid en liefde te kennen geven, wat gij voor u noodzakelijk of nuttig gelooft te zijn. Doch houd u intusschen in die stemming, dat, hetzij men uw verlangen inwilligt of niet, gij evenwel onderworpen en tevreden blijtt.

-ocr page 521-

485

Aanvaard en lijd geduldig alles wat u van de zijde uwer oppassers te lijden overkomt, al ware dit ook niet liet minste deel van uw lijden. Trouwens, dit levert wegens de bitterheid der omstandigheden, waaronder het geschiedt, groote verdiensten op.

6. Wacht u, mijn kind, onder voorwendsel van ongesteldheid aan het vleesch toe te geven. Op dat punt dwalen er niet weinigen, die dooide ziekte niet slechts niet beter, maar integendeel slechter worden, wijl zij zich hominnaren des ligchaams en slaven der hartstogten gemaakt hebben.

Geef aan het ligchaam, wat liet toekomt; doch zoo min in goede als slechte gezondheidstoestand, zoo min tijdens het leven als in do uur van uwen dood moet gij voedsel geven aan do ongeregelde neigingen des vleesches, die zoowel tijdens gezondheid als gedurende gevaarlijke ziekte evenzeer verstorven moeten worden.

Onderwerp u aan lastige geneesmiddelen, aan smakelooze en bittere dranken uit een geest van versterving. Des te kostbaarder is deze versterving, des te zuiverder verklaring is zij van uwe liefde jegens mij, naar de mate zij lastiger is en meer tegen neiging der natuur strijdt.

7. Wil u, mijn kind, tijdens uwe ziekte niet bezig houden niet verlangens, om uw ambt of betrekking te vervullen; voor u zelven of voor anderen te arbeiden, werken van godsvrucht te verrigten; kortom andere goede dingen te doen, die met uwe ongesteldheid niet gepaard kunnen gaan.

-ocr page 522-

486

Dergelijke dingen dienen tot niets, tenzij om U nutteloos te bedroeven, u kwalijk te verontrusten, of mij te mishagen.

Ik eiseli ze dan niet van u, mijn kind; wat ik van u verg is: met een goed gemind hart te lijden, in overgeving aan mijnen goddelijken wil.

Doe slechts, wat ik van u eisch: en laat al het overige aan mijne Voorzienigheid over, die zonder u, alles zeer goed kan en en weet te regelen.

8. Zie toe, mijn kind, zie wel toe, dat gij tijdens uwe ziekte niet uwe eigene leiding volgen wilt. Want in dien tijd vooral, zult gij, zooals een blinde den blinde, u in eenon afgrond leiden.

Gehoorzaam godvruchtiglijk aan uwe Oversten en laat u door hen van mij bestieren. Eer den geneesheer, omdat het zoo behoort en zijt hem in eenvoudigheid des harten onderdanig.

Wil ook in ongesteldheid u zeiven niet te kort doen door verwaarloozing of zorgeloosheid; maar maak op redelijke wijze gebruik van de middelen. God, van wien alle genezing komt, biddende, dat hij zich gewaardige, u daardoor de gezondheid weder te geven, als het u zalig is.

Als gij dit gedaan hebt, geloof dan dat de ziekte, hoe zwaar zij ook wezen moge, voor u heilzaam is, dewijl'zij volgens den goddelijken wil is.

Welaan, mijn kind, zijt vrijwillig een martelaar in uwe smarten uit liefde tot mij, die door do overmaat aller smarten de koning aller Martelaren ben geworden.

Heb geduld, o kind mijns harten, heb geduld; zie! nog oen weinig tijds en uwe smart zal in vreugde verkoeren en ik zelf, die uit liefde

-ocr page 523-

487

tot u met doornen gekroond werd, zal u met glorie en eere kroonen.

9. De leerling. Zijt gezegend, Heer, omdat Gij uw kind bezocht hebt, om mij in dezen tijd ontfermend voor te bereiden voor de eeuwigheid!

O mijn God, hemelsche Yerzorger der men-schen! Zie, in uwe handen vertrouw ik mijn lig-chaam en mijne ziel. Gij weet, wat voor mij het beste is; doe met mij, wat Gij in de goedigheid uws Harten wilt.

Ik lijd veel, o Heer Jesus; Gij weet het. Help mij met uwe genade; versterk mij met uwe liefde. quot;Wilt Gij, dat de pijn langer dure, vermeerder dan, smeek ik U, vermeerder dan de genade, vermeerder het geduld.

Al mijn lijden, vereenig ik met uw lijden, dat veel smartelijker was en ik bid U, alles tot Uwe eer on tot mijne zaligheid te doen strekken.

Yerleen mij deze groote gunst, welke ik U door Uw allerwelwillendst Hart smeekend vraag, dat Gij mij met U onafscheidelijk vereenigd hou-det en zoo naar don eindpaal van alle ellende geleidet, naar de eeuwige zaligheid.

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

hoe wij, naak het voorbeeld van het allerheiligst hakt van jesus, den dood moeten aannemen.

1. Jesüs. Gekroond met doornen, mijn kind, en met een purperen mantel omhangen, bragt,

-ocr page 524-

488

Pilatus mij naar buiten en mij aan al het volk toonend, zeide hij: „ziet den mensch!quot;

Doch toen de Joden mij zagen, werden zij niet verweekt, integendeel, hooger nog klom hunne dorst naar den laatsten druppel van mijn bloed; en allen te gelijk schreeuwend, riepen zij eenparig: „Kruisig hem, kruisig hem!quot;

Andermaal te leur gesteld en meer nog onthutst dan te voren, zeide Pilatus: ik vind gcene schuld in hem. Doch zij drongen nog heviger aan en bedreigden hem: Indien gij dezen loslaat, zoo spraken zij, dan zijt gij geen vriend van Cesar.

Nu ziende, dat hij mij niet konde los'..iten zonder de gunst des volks en welligt ook die des keizers te zullen verliezen, vormde Pilatus zich een yalsch geweten en viel zoo in oene noodlottige begoocheling van zich zeiven. Ten aanschijn namelijk van geheel het volk zijne handen wasschond, sprak hij: „ik ben onschuldig aan liet bloed van dezen Eegtvaardige; gij moogt toezien.quot; Doch zij riepeu met luider stem: „zijn bloed komc over ons en over onze kinderen!quot;

Toen sprak Pilatus het vonnis uit: waardoor hun eisch werd ingewilligd en leverde mij, wien hij telkens herhaaldelijk onschuldig bevonden en onschuldig verklaard had, volgens hun verlangen over om gekruisigd te worden.

2. O! wie, mijn kind, wie zal verhalen, wat toen mijn hart gevoelde. Zie uit den hemel was ik neergedaald, om de wereld te troosten en zalig te maken; ik had hitte en koude verduurd, dorst en honger geleden, ik had mijn loven ge-

-ocr page 525-

489

sleten in onophoudehjken arbeid, in onverpoosd lijden, alles, eindelijk had ik ten offer gebragt, om allen gelukkig te maken; on voor dat alles gewordt mij van hen de dood, en wel de dood des kruises!

Welke smart doorboorde mij liet Hart wegens zoo veel ondankbaarheid, wegens zoo veel onge-regtigheid des menschen! Welke smart wegens de verstoktheid hunner harten, die met verachting van het aangeboden geluk, zich geheel en al aan het onheil prijs gaven! Welke smart wegens de droefheid mijner heiligste Moeder en mijner beminde Leerlingen, aan wie ik mij niet slechts op een zoo bittere, neen ook op zulk een schandelijke wijze zag ontrukken.

Maar toch heb ik het doodvonnis niet een onderworpen Hart omhelsd, niet ziende op do schandelijke boosheid van hen, die mij veroordeelden, maar op het welbehagen van mijnen hemol-schen Vader.

Trouwens do Vader wilde uit hunne overgroo-te boosheid, die zij door het misbruiken van him vrijen wil bedreven en welke Mij veroordeelde, overeenkomstig zijne eindelooze wijsheid iiet hoogste goed trekken, do verlossing namelijk der wereld.

Daarom heb ik mij, ondanks iict smartgeroel der menschelijke natuur, met een zeker bovennatuurlijke blijdschap aan den dood onderworpen, waardoor de wereld gered, de hemel geopend, de goddelijke Majesteit verzoend en geëerd, eindelijk ook mijn Hart weder bemind en in alle eeuwigheid grootelijks geprezen zoude worden.

Mijn kind, onderzoek ijverig deze gesteltenissen

-ocr page 526-

490

mijns Harten; neem deze gevoelens over; aanvaard, voor zoo veel liet in uw vermogen ligt, den dood, die u wacht met dezelfde stemming.

3. Wetende, dat alle mensclien van nature den dood vreezen, en hem als liet verschrikkelijkste van al wat ons op aarde kan overkomen, duchten wegens het verledene, het tegenwoordige en wegens de toekomst, daarom gedoogde mijn Hart niet, hen zonder een voorbeeld te laten, waaraan zij zich zouden spiegelen en waarin zij zoeten troost zouden vinden.

Zijt derhalve niet verbaasd, mijn kind, noch onsteld, indien gij u bij de nadering des doods hetzij hij met de daad, hetzij in verwachting nader treedt, een hevigen afschrik en weerzin der natuur in u gevoelt. Daar is volstrekt geen kwaad in gelegen: al dat natuurlijke zal, zoo gij slechts wilt, tot uw heil verstrekken.

Wil slechts met die gewaarwordingen der natuur niet instemmen, opdat zij u niet in slochte gesteltenis brengen of u beletten, u aan den goddelijken wil, wien al, wat natuurlijk en geschapen is, onderworpen moet zijn, te onderwerpen.

Lijd geduldig allen weerzin der natuur en maak daarvan gebruik als van de gelegenheid, om groote deugden te beoefenen en vele verdiensten te verzamelen.

4. Mijn kind, veroorloof der verbeelding niet, wild rond te dolen; volg evenmin de natuurlijke rede, om de beschikkingen der goddelijk Voorzienigheid te onderzoeken, eindelijk, buig u ook niet voor uwen wil, hoe goed en heillig hij u

-ocr page 527-

491

schijne, opdat gij niet in gevaarlijke zinsbegoochelingen vervallet.

Neon, onderwerp, na uwe verbeelding beteugeld te hebben, én uw verstand én uwen wil aan mij; daardoor zult gij niet weinig verdiensten vergaderen en tevens kalm en veilig zijn.

Wanneer gij smart of angst ondervindt omtrent zaken ol' personen, die u door den dood ontrukt worden, wil ook daardoor uw hart niet laten verontrusten. Uwe onrust zal immers huu zoo min als U eenig voordeel aanbrengen, doch wel zeer nadeelig zijn.

Indien gij gedaan hebt, wat gij voor hen moest en kondet doen, laat dan alles over aan mij, die weet, wie u omgeven en die in de liefde mijns Harten voor de uwen veel beter zorg draag dan gij het zoudt vermogen.

Houd mijn voorbeeld in uw geheugen, mijn kind; herdenk, hoe ik mijne dierbaren verliet en aan het goddelijk welbehagen overgaf. Houd u daarmede bezig en troost u daarmede.

Treur ook niet, mijn kind, omdat gij dat leven reeds moet verlaten. Immers, wat is het aardsche leven, dan onophoudelijke kommer? Wat is hot verblijf in deze wereld anders dan een verwijlen in ballingschap! Wat eindelijk is het verkeer onder de mensehen anders dan een zich vervreemden van mij en van de Engelen.

Als gij de zaak wel beschouwt, dan is, bijaldien ik u roep, de dood beter dan het bittere leven. Want de dood is het einde van de kwalen der wereld, een vertrek van hier naar mij,

-ocr page 528-

492

het begin der goederen, die aan geen -wisseling of beperking onderhevig zijn.

De leerling. Ja, Heer Jesus, indien ik wist, dat ik na mijnen dood met U onder de Heiligen zoude zijn, voorzeker, dan zou ik mij niet bedroeven, maar veeleer verblijden: voorwaar, dat verschrikt, dat beangstigt mij, niet te weten, welke toekomst mij wacht, of ik haat of liefde zal waardig gekeurd worden: welke eeuwigheid mij dus te wachten staat: een gelukkige of een ongelukkige.

Jesus. Wat vreest gij, mijn kind, of waarom •kwelt gij u met ijdele angsten? Weet, dat de mensch, die zalig wil worden, (hij moge dan ook nog zulk een slechten weg bewandeld hebben), en daartoe wil mode werken, nimmer verworpen zal worden door mij, dio de zaligheid van alle menschen wil.

Zijt er van verzekerd, dat ik het ontbrekende aanvul van ieder, die doet, w, t in zijn vermogen is. Doe derhalve in vrede, wat gij kunt en werp u, wat het overige betreft, aan mijn Hart; daar, mijn kind, zult gij nooit to gronde gaan. _

Wees daarom kalm, en bereid, zooveel gy kunt, u zeiven voor tot den overgang uit het tijdelijke naar het eeuwige.

6. En wel op de eerste plaats offer u zeiven aan mij op met een onderworpen hart en bid, dat ik uw sterven in vereeniging met mijnen dood aanneme, als een zoenoffer voor al uwe misdaden, ter voldoening van al uwe schulden, als eene eerebetoo-ning jegens de goddelijke majesteit, eindelijk als een betuiging uwer liefde jegens mij.

-ocr page 529-

493

Schenk daarna uit geheel uw hart volkomen vergeving aan al uwe vijanden en aan alle naasten, die U, waarin ook, gekrenkt of lielcedigd hebhen.

Ontvang vervolgens met den ijver, welken gij aanwenden kunt, do heilige Sacramenten, waarmede do kerk met moederlijke zorg u tracht uit te rusten, om in den laatsten strijd de overwinning te behalen en zegevierend den hemel binnen te kunnen gaan.

Eindelijk, geef u geheel over in mijne handen, bereid te sterven, niet, wanneer an zoo als gij hot zult willen, maar zoo en dan, als ik het zal willen. Gij kont noch den tijd, noch de omstandigheden, die voor u lietjbest zijn; doch ik, mijn kind, ken ze, en alsdan zal ik u tot mij roepen, mits gij zelf niet vrijwillig een beletsel in den weg stelt.

Onderwerp u derhalve geheel aan mij dooide volstrekte overgave van u zeiven in mijne handen; en houd u overtuigd, dat gij ten laatste niets beter doen ku;it, dan u volkomen met hot goddelijk welbehagen te vereenigen, en als een volmaakt slagtoffer van dat zelfde welbehagen u aan te bieden. Doet gij dat, dan zult gij zalig worden.

7. Hoe gelukkig hij, mijn kind, die zich aldus tot den dood voorbereidt cn voorbereid houdt! Voor hem is liet sterven waarlijk veilig cn gelukkig: voor hem is de dood geou bron van kwaad, maar integendeel van goed, ja van veelvuldige goederen.

Want zie eens, uw Vader, die in den hemel woont; uwe Moeder, de koningin des hemels; uwe gezellen, de heilige Engelen; uwe broeders

-ocr page 530-

494

alle uitverkorenen; uw waar en blijvend vaderland; uwe glorie en zaligheid: dat alles is in liet ander leven, en nergens anders dan in het ander leven, kunt gij dat volmaakt genieten.

Welnu, mijn kind, de dood tó de eenige deur, waardoor gij uit dit leven in liet andere kunt binnengaan. Is hot dan geen gelukkige ure, als ik zelf u de deur voor zoo veel goederen open!

Wil nu echter, totdat die ure slaat, waarop ik haar voor u openen zal, handelen, edelmoedig lijden, standvastig volharden: ik hen met u in arbeid en in kommer en indien gij mij niet met vrijen wil terugstoot, zal ik met u blijven, totdat ik u mijn rijk zal binnenleiden in het gezelschap der Heiligen en Engelen.

8. de leerling. O allerzoetste Jesus! welke vertroosting stort gij niet uit uw honigzoet Hart over mij uit! Als de zalving van uwe geheimzinnige mededeeling reeds zoo zoet is, wat zal het bezit van U niet zijn in het rijk uwer glorie!

Ja, Heer, leid mij Uw rijk binnen; ikwenseh immers ontbonden te worden en met IJ te zijn.

Voer mijne ziel uit hare gevangenis, opdat ik uit den kerker van dit ellendig leven tot de vrijheid van liet hemelsch vaderland, uit allo bekommeringen tot de eeuwige zaligheid moge overgaan.

O Jesus, mijn God en mijn Yader! wiens kind kwijnt in een vreemd land, waarom, als ik eenmaal, gelijk ik van uw eindeloos goed Hart hoop, U in eeuwigheid zal mogen genieten, waarom wordt dan het klein gedeelte levens, wat mij overblijft, niet door de eeuwigheid verzwolgen.

-ocr page 531-

495

Waarom ben ik nog- -lei met II, om ü op volmaakte quot;wijze te beminnen, om eeuwig Uvro barmhartigheid to bezingen, om do goedheid eu liefde mvs Harten zonder einde, zonder mate te loven en to prijzen?

Zoolang ik hier beneden blijf, verkeer ik in gevaar, èn U èn mij zolven te verliezen; zoo lang ik dit sterflijk ligchaam mededra,ag, kan ik niet allo gebreken vermijden, noch U beminnen, zooveel als ik hot begeer.

O Heer Jesus! als ik dit beschouw, walgt aan mijne ziel hot leven om uwentwille. Doch niet zooals ik wil, maar zooals Gij wilt; Uw wil gescliiode op aarde, zooals in den hemel. Liever wensch ik uit liefde tot U overeenkomstig uwen wil ook dat gevaar, ook die bitter-heden te ondergaan, dan volgens mijn eigen wil het leven te verlaten.

Blijf gij slechts bij mij; houd mij onderworpen aan U, vereenigd met U gedurende mijno overige leven sdagen, totdat het eeuwig leven aanbreekt.

O leven, wat ik thans slijt! O alles wat zigt-baar is! Wat zijt gij, beschouwd op den drempel der eeuwigheid! daar verschijnt gij, gelijk gij zijt, als schitterende maar ijdcle dampen.

O eeuwigheid! onuitsprekelijk iets! iets grootsch stel ik mij van U voor, doch grooter nog in U; oneindigheden zijn er in ü, die geeii oog gezien, geen oor gehoord, noch een mensehenhart ontwaard heeft.

O eeuwige woonplaats van allen, die het leven der redelijke schepselen hebben ontvangen! Weldra zal ik in u zijn; weldra zal ik uwe won-

-ocr page 532-

49G

tieren zien, elk oogenblik kunt gij mij geopend worden, als de Bruidegom komt, wien mijne ziel bemint, doch ook op dezelfde stonde, dat zij mij geopend worden, zie dan zal ik rustend aan liét Hart des beminden, met hem binnentreden. Zoo zij het. Heer Jesus, mijne liefde voor eeuwig!

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

welke gesteltenis des harten wij naar het voorbeeld van jesus allerheiligst hart met betrekking tot het krüis moeten bezitten.

1. Jesus. Mijn kind, toen liet doodvonnis togen mij was uitgesproken, werd alles met den meesten spoed voor zijne voltrekking in gereedheid gebracht. Zie, daar stond reeds het kruis op mij te wachten.

Gebonden derhalve, overdekt met bloed, verscheurd door geeselslagen en wonden, werd ik naar liet kruis geleid: on toen ik het zag, verzuchtte smachtend mijn bivjidend Hart: Gegroet, gegroet, o heilzaam kruis, altijd bemind, zonder ophouden begeerd, eindelijk voor mij bereid! O heilig kruis! door u zal ik overwinnen, door u zal ik zegevieren, door u zal ik heerschen.

Toen liet kruis omhelzend en met vuur aan mijn Hart drukkend, bevochtigde ik het met mijn bloed en tranen; daarna nam ik het op mijne schouders, ten aansehouwe der wereld en des hemels.

-ocr page 533-

497

Door de soldaten der Joden en Heidenen omgeven, in de heilige stad, op den helderen middag, bekleed met mijn eigen bovenkleed, trad ik voort, mijn kruis dragend.

Zie, mijn kind, zie, ik ga het kruis oprigten op den berg als de oorlogsvaan van mijn rijk tegen den vorst der -wereld; en op die banier zal ik met mijn eigen bloed de onuitwischbare strijdleuze der mijnen schrijven: „De liefde van Jesus, die zich offert uit liefde voor de nienschen,quot; tegenover het antwoord der wereldlingen; „De liefde voor de wellusten, schatten en eerebetoo-ningen der wereld.quot;

Met die leuze van mij, in dit teeken , mijn kind, zult gij overwinnen; doch de vijand, door mijn wachtwoord en teeken op een dwaalspoor gebragt, zal ten gronde gaan.

2. Onder de banier des kruises zullen de men-schen uit alle natiën, volkeren en stammen dei-aarde zamenstroomen en onderling en met mij vereenigd worden.

Onder deze banier zullen mijne leerlingen mij als aanvoerder erkennen, en, met niijne liefde bezield, mij blijmoedig volgen.

Onder dit vaandel znlleu al de mijnen strijden, zegepralen over de hel, over de wereld en over zich zelven, en eindelijk het rijk der hemelen zelfs veroveren.

Komt dus, komt allen, en doe, wat gij mij hebt zien doen; een iegelijk neme zijn kruis op en volge mij, steeds de oogen op mij vestigend, voortgaande met een grootmoedig hart en opgeruimd gemoed, nimmer noch ter regter noch ter linkerzijde afwijkend.

quot; 32

-ocr page 534-

498

Gij allen, die mij vergezeld zult hebben, zult deelgenooten eener zekere overwinning en eener eeuwige belooning zijn; doch hoe meer nabij mij iemand zal gevolgd zijn; hoe grooter de liefdesterkte is, die hij zal hebben aan den dag gelegd, des te nader zal hij mij eindelijk zijn in glorie, des te grooter in mijn eeuwig rijk.

Dat niemand hot wachtwoord vergete; dat niemand het vaandel verlate; maar dat een ieder bereid zij voor die leus, onder die vaan te overwinnen of te sneven, volkomen zeker, dat zoo hij in die stemming leeft en sterft, hij mijn gezel en dus deelgenoot mijner onfeilbare overwinning zal wezen.

3 • Ja, mijn kind, ik heb nooit hot kruis ont-vlugt; maar ik heb mij aan het kruis gehecht, aan liet kruis volhard, aan het kruis den geest gegeven, overwinnend en zegepralend.

Gelukkig de ziel, die met de gevoelens mijns Harten bezield, het kruis vol liefde omhelst en getrouw omklemd houdt! Dat kruis houdt haar aan mijne zijde; werpt haar niet neer, maar beurt haar op, is geen beletsel, maar een spoorslag tot bereiking van het toppunt der heiligheid, tot beslissende overwinning.

Volhard derhalve, mijn kind; met mij onder het kruis, moet gij leven, onder het kruis sterven, als gij op mij gelijken en eenmaal met mij wilt zegevieren.

Luister naar niemand; noch naar het vleesch, noch naar het bloed, noch naar den geest, welken ook, zoo zij u overreden, het kruis te verlaten.

-ocr page 535-

499

Waar, mijn kind, waar is het beter, dan onder het kruis? Het kruis toch is de geleider naar het rijk, dat eeuwig duurt: het kruis is de wijsheid der Apostelen, het zegeteeken der Martelaren , de glorie der Belijders, de veiligheid der Maagden, de heiliging van den ouderdom, de bewaker der jeugd , de veroordeeling der wereld-lingen, de spiegel der kloosterlingen, eindelijk de toevlugt en troost van alle ongelukkigen.

Als gij het kruis ontvlugt, mijn kind, waarheen zult gij u dan wenden? Zie, dan zult gij in de legerplaats des vijands geraken, waar gij niet één kruis zult vinden, maar waar velerlei kruisen van alle zijde u zullen te gemoet komen, overvallen en verpletteren.

Daar zal u mijn vaandel, dat van de liefde mijns Harten getuigt en u moed en edelmoedigheid instort, niet opwekken af troosten; maar de ketenen van dwingelanden onder een schoonen naam u langs ruwe wegen voortslopen, niet ten goede maar ten ongeluk, niet tot vreugde maar tot kwellingen, niet tot glorie maar tot schande.

Hier echter onder mijn kruis , mijn kind, zijt gij met mij uw aanvoeder, uw bewaker en uw krooner; hier verkeert gij onder alle goeden, sterken en edelmocdigen; hier zijt gij in gemeenschap der uitverkorenen en Heiligen , die u zijn voorgegaan en onder het kruis en levend streden en strevend zegepraalden; hier eindelijk vormt gij één gezelschap, ééne legerschaar met de Engelen zeiven, die aan uwe zijde geplaatst u beschermen, met u strijden en evenzeer mijn rijk trachten uit te breiden.

-ocr page 536-

500

Dwaas dus en noodlottig zoudt gij handelen als gij er op dacht, het kruis te ontloopen, ofu inbeeldet, ergens beter te kunnen zijn dan onder het kruis.

4. Wel is het waar, en dit moet u niet verwonderen, de . vorst der booze wereld en zijn afgezanten, dewijl zij vijanden zijn, trachten, zoo dikwijls als zij u door ingebeelde voordeelen bekoren en door schijnredenen overhalen, u na het kruis verlaten te hebben, tot hen te doen overloopen.

Doch, mijn kind, sla uw oog zelfs niet op hunne bedriegelijke voordeelen, leen evenmin uw oor aan hunne listige drogredenen; maar hef uw hart en oogen op tot mij, die de strijdhamer voor u uitdraag, en verklaar plechtig, mij te willen volgen in elk geval, ja zelfs in den dood.

Zoo zult gÜ bewerken, dat de aanvallen en listen der vijanden meerder afkeer voor hen en steeds krachtiger gehechtheid aan mij in uw hart opwekken.

5- Doch het is niet genoeg voor u, mijn kind, het kruis niet te ontvlugten; gij moet het kruis omhelzen, op uwe schouders nemen.

Bemerk dit wel en schenk daaraan ijverig uwe oplettendheid: want zie eens al de gebreken, welke gij bedrijft, spruiten ze niet daaruit voort, dat gij het u aangeboden kruis weigert, oi aarzelt te omhelzen en op te nemen.

Als gij de liefde krenkt, welke is de oorzaak daarvan, zoo uiet uwe weigering om het kruis, dat u oogenblikkelijk wordt aangeboden, de een ot andere vernedering, of de versterving van uw eigen zin of van uwe natuurlijke neiging, te ondergaan.-'

-ocr page 537-

501

Waarom handelt gjj tegen de heilige armoede ? Is het niet, omdat gij het kruis niet opneemt; omdat gij n zeiven niet wilt onderwerpen aan de moeite, of u niet wilt blootstellen ann de vernedering van verlof te vragen?

Waarom misdoet gij togen de zedigheid? Is het niet, omdat gij de versterving verwaarloost; omdat gij dit kruis niet aanvaardt?

Waarom blijft gij in gebreke ten opzigte dn-gehoorzaamheid? Is het niet, omdat gij hot kruis niet bemint; omdat gij nalaat uw eigen wil en oordeel volmaakt ten offer te brengen?

Inderdaad, mijn kind, het is zoo: tegen welke deugd gij handelt of misdoet, als gij wel toeziet, zult gij ontwaren, dat de oorzaak niet anders is dan gebrek aan bereidwilligheid, om het kruis te omhelzen en op uwe schouders te nemen.

En toch, mijn kind, zoodanig kruis is klein en ligt; als gij dit niet met liefde aanneemt, hoe zult gij dan een grooter en zwaarder kruis opnemen ?

Zie wel toe, mijn kind, dat gij niet in zinsbegoocheling vervalt en ongelukkig wordt, zoo als zij, die het eeu of ander ontzaggelijk kruis zich in de verbeelding schilderen en ook vaststellen, het eenmaal te dragen, doch intus-schen elk kruis, dat thans wordt aangeboden en dat ook minder moeijelijk is, met toeleg ontwijken; en geplaatst tusschen het kruis en de overtreding, zich gewennen de laatste in plaats van het eerste te omhelzen.

6. Wat vreest gij ? waarom ducht gij het kruis? Moed, mijn kind, neem het op en het

-ocr page 538-

502

zal u opnemen en u op ivonderbare en veelvoudige wijze beschermen; want zie, in plaats van onrust, kwelling des geweten, of angst des harten te ondervinden, waardoor anderen, die het kruis beneden de overtreding stellen, gewoonlijk gemarteld worden, zal liet u beschermen, in u den vrede bewaren, u met deugden versieren, eindelijk met zijne zalving u vertroosten.

Welaan dan, mijn kind, laat den moed niet zinken, al moogt gij ook moeijelijkheden ondervinden. Zie! ik, de schuldelooze Zoon van God, draag het zwaarste kruis voor u uit, uit liefde voor u, acht het dan niet beneden u, uit liefde tot mij uw kruis mij na te dragen. De liefde, die mijn bitter kruis zoet voor mij maakte, zal ook het uwe verzoeten.

Bid herhaaldeljjk, dat gij verdienen moogt, boven alle goederen van dit leven, met de heiligmakende genade, het kruis lief te hebljen, dat den verworpelingen wel is waar eene dwaasheid, doch hun, die behouden blijven, goddelijke wijsheid is; dat den vijanden een kwelling, maar den leerlingen mijns Harten een troostvol onderpand is der eeuwige zaligheid.

Welaan dan, mijn kind; kom, volg mij; dat is de weg, dien ik u zal aantoonen; als gij met mij blijft, dan zal ik voor u een rijk bereiden zoo als mijn Vader voor mij bereid heeft.

7. De leerling. De Heer leeft; en de Heer, mijn koning leeft, want waar ter plaatse Gij ook zijn zult, o Heer, hetzij in leven, hetzij in dood, daar zal uw dienstknecht wezen.

Het oog op uwe banier gevestigd, en bevestigd

-ocr page 539-

503

door de leuze, zal ik U, den aanvoerder, overal volgen; als moeielijkheden zich -voordoen, zal ik de leuze indachtig, herhalen: Met liefde tot Jesus, die zich offert uit liefde tot mij, zal ik deze moeielijkheid, ondanks den weerzin der natuur te boven streven, onder het vaandel verblijven.

Mogten legers tegen mij opstaan, mijn hart zal niet vreezen, moge do strijd tegen mij ontbranden, Oj) u zal ik vertrouwen.

Komt gezellen! Zie, Jesus, de koning,zal aan uw hoofd staan: en Hij zal voor ons uitgaan en onzen strijd strijden.

Laat ons uitgaan, Zijne schande dragend; laat ons loopen tot den voorgestelden kamp, ziende op de oorzaak en voltrekker van ons geloof: Jesus, die bij de vreugde. Hem voorgesteld, zijn kruis heeft gedragen.

Laat ons gaan en met Hem sterven; als wij met Hem gestorven zullen zijn, zullen wij met Hem leven; als wij zullen volharden, zullen wij met Hem heerschen.

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

dat de gekruiste jesus, biddend voor zijne beulen, de onmetelijke goedheid zijns harten jegens de zondaren toont ; en dat die zondaren door de doodzonde hem opnieuw kruisigen.

Jesus. Mijn kind, zie, eindelijk waren wij op Golgotha, op den weg van Calvarië aange-

-ocr page 540-

504

komen. Zonder vertraging stellen zij het kruis en bespoedigen en verhaasten zij alles.

Doch intusschen hielden zij niet op, mij te kwellen. Zij gaven mij zelfs wijn met mirre en gal fgemengd te drinken. Zoo groot was hunne wreedheid!

Toen zij dan gered waren, hieven zij een luid geschreeuw aan, hechtten mij wreedelijk aan het kruis, de nagelen door mijne handen drijvend, met geweldige en verdubbelde slagen, welke de vallei herhaalde en ten hemel zond, en van welke ieder het hart doorvlijmde mijner Moeder, die daarbij tegenwoordig was.

Zoo, mijn kind, hebben zij mijne handen en voeten doorboord; hebben zij al mijne beenderen geteld, die door het uitrekken van mijn lighaam zigtbaar werden.

Daarna ziet gjj hen het kruis woest oprigten en mij hangen tusschen hemel en aarde, terwijl het bloed vloeit uit alle wonden, om de aarde te reinigen en ten hemel om zaligheid voor de menschen te smeeken.

Om echter mijne kwellingen te vermeerderen, hadden zij twee boosdoeners uitgeleid, om gekruist te worden, de een aan mijne regter de ander aan mijne linkerzijde, zoo, dat ik in hun middea hing.

Doch zie, toen ik aan het kruis gehecht werd opgeheven, ontstond er tevens eene duisternis over geheel de aarde. De Zon en de maan verborgen beiden treurend hunne lichtstralen en wikkelden de aarde in somberen rouw.

Het volk stond toeziende. Die echter voorbij

-ocr page 541-

505

gingen, lasterden mij en schudden het hoofd. Die mij omgayen, lachten spottend om mij; eveneens spotteden mot mij de hoofden der priesters, de schriftgeleerden en ouderlingen. Ook de soldaten hoonden mij en yermeerderden mijne verguizing door mij azijn te drinken te geven. Allen in één woord, overlaadden mij met verguizing.

Doch wat deed ik bij dit alles, mijn kind? wat deed mijn Hart? Vader, zoo riep ik uit, het Hart geopend, Yader! vergeef hun; want zij weten niet, wat zij doen: zij weten niet, hoe groot de onmetelijkheid der misdaad is, welke zij bedrijven.

2. Do Engelen weenden bij dit schouwspel; geheel de natuur gruwde er van, verslagen over zooveel goddeloosheid dor menschen en over zooveel goedheid van mijn Hart.

Grij alleen, goddelooze zondaar, blijft gevoelloos, terwijl de wereld siddert; gij, terwijl hemel en aarde huivert, gij hernieuwt de smarten van mijn lijden.

Want zie op nieuw zondigend, stelt gij op nieuw de oorzaak van mijnen dood; op nieuw bedrijft gij do daad, waarom ik gekruisigd, waarom ik gestorven ben.

Ja zelfs, door de genade en eigen ondervinding mij beter kennend en verpligt mij grooter dankbaarheid en teederder liefde weer te geven, doet gij mij op nieuw door de zonde overleverend, grooter misdaad dan zij, die mij aan het kruis hebben genageld; gij vermeerdert de smarten mijner wonden; gij doorboort mijn Hart niet na mijnen dood, maar bij mij leTcn; voor zooveel het in

-ocr page 542-

506

uwe magt is, vermoordt gij in uwe wreedheid mij, den Bewerker van uw leven en den Regter van uw eeuwig lot.

3. O beklagenswaardige! Niets van dat alles trof dan uw Hart? Maar slechter dan Judas, de verrader, zegt gij aan uwe onedele hartstogten: wat wilt gij mij geven en ik zal u Hem overleveren?

Maar geplaatst tussehen eene harkstogt, die u bekoort en tussehen mij, die u verbiedt, roept gij met de Joden: Niet dezen, maar Barrabas!

Maar bij de waarschuwende stem des gewetens: Wat zal ik dan met Jesus doen? roept gij door uwe daden: Kruisig Hem! Kruisig Hem!

Maar, o misdaad! met Pilatus uwe begeerten willende bevredigen, levert gij mij over om bespot, om gegeeseld, om gekruist te worden.

Zoo, o mensch, zoo vergeldt gij mij, die u geschapen, die u verlost, die u behouden heb? Daartoe hebben dan al mijne weldaden, zoovele en zoo groote weldaden, gediend, om mij andermaal aan de bespotting van allen prijs te geven en te kruisigen!

4. O, als gij eens nagingt, welk afzigtelijk kwaad gij doet met zoo te zondigen, hoe zoudt gij het kunnen, hoe zoudt gij het durven bestaan?

Wilt gij weten, welk kwaad de doodzonde is?

Beschouw dan eens, hoe ik, de eeniggeboren Zoon van God, om voor haar te voldoen, niet de wereld, niet den hemel, niet de menschen noch de Engelen, maar mij zeiven, den Heer van hemel en aarde, van Engelen en menschen, heb prijs gegeven, en onder onbegrijpelijke martelingen mijn bloed, zelfs mijn leven heb gegeven.

-ocr page 543-

507

Wilt gij het nog duidelijker weten? herdenk dan met een levendig geloof, hoo uwe zonde al de kwellingen van mijn Lijden vruchteloos maakt en op wreede wijze hernieuwt tot uwe meedere verdoemenis.

Yoorwaar, nimmer zult gij tastbaarder de boosheid der zonde inzien, dan in mijn Lijden; en nooit zou de grootheid der zonde zoo duidelijk gekend zijn geworden, als ik niet om haaiden dood des kruises gestorven ware.

Ween zondaar, schrei over het lot, wat u in de toekomst wacht; want als de zonden van anderen in mij, in het groene hout, zulke uitwerkselen hebben; wat zullen in u, die dor zijt, uwe eigene zonden, zoo vele en zoo groote niet uitwerken.

Indien de hoovaardige Engelen niet gespaard, maar rechtvaardig gestraft werden, hoe veel zwaarder straffen meent gij niet, dat den mensch zullen treffen, die den Zoon vaii God, voor hem gekruisigd, met den voet treedt.

Wil u niet misleiden, wil niet vermetel zijn, omdat gij niet terstond gestraft wordt; want ik oefen slechts geduld; in den tijd hier beneden laat ik plaats voor de barmhartigheid, wijl mij, om mijne regtvaardigheid te doen gelden, eene eeuwigheid overblijft.

Bijaldien gij wilt, kunt gij de maat der zonden, welke ik van u verdragen zal, vol maken. Ik zal u uw vrijen wil niet ontnemen. Ik wil geen dienst, die den sterveling door dwang wordt afgeperst.

Zie, uit de schatten mijns Harten heb ik u

-ocr page 544-

508

ruimschoots genade doen toestroomen: als gij met de daad wilt medewerken, dan zal ik u een onvergelijkelijk loon daarvoor schenken; wilt gij het niet, dan moogt gij toezien, dan moogt gij de gevolgen dragen.

Doch zie, nog ben ik uw Verlosser, nog ben ik uw Vader, bereid u in mijne armen te sluiten: later echter zult gij in mij een regt-vaardig Eegter en Vergelder vinden.

Heb medelijden met uwe ziel, zoo lang gij nog tijd hebt en wil u niet voor eeuwig ongelukkig maken door het misbruiken van mijn Lijden, waardoor gij u een eeuwig geluk kunt koopen.

5. Kom, o kom tot mijn kruis; hier blijkt de goedgunstigheid van uw Verlosser; hier treedt de grootte mijner vaderlijke toegenegenheid in 't licht; hier wekken mijne wonden niet slechts tot berouw en boetvaardigheiil op, maar bieden zij ook vergeving en genade; hier spreekt voor u de stem mijns bloeds niet magtige kroten: hier eindelijk brandt mijn Hart van verlangen naar uwe eeuwige zaligheid.

Beschouw mij, vestig uwe blikken op mij, den Zoon van God, gekruisigd en stervend voor de zonde; en gij zult haar uit geheel uw hart ver-foeijen en met ijver terugkeeren tot mijnen dienst zooals de menigte, die mede op Calvarië tegenwoordig was en dit schouwspel ziende, op hare borst klopte en terugkeerde.

Indien gij andermaal tot zonde bekoord wordt, vlugt naar het kruis, en mij daaraan gehecht ziende, zes dan tot u zeiven: Zie de Zoon Gods

-ocr page 545-

509

sterft aan liet kruis, om mij zalig te makou, ik zon om mij te verdoemen hem nogmaals kruisigen ? en als ik zulks deed, zouden er dan in de hel kwelingen zijn, zwaar genoeg, om zulk een boosheid naar verdienste te bestraffen.

Nergens zult gij, in welken strijd met den duivel ook gewikkeld, beter kampen dan onder het kruis; hier namelijk is hij van zijne heer-, schappij en kracht beroofd; hier zult gij gemakkelijk zegepralen.

6. En gij, mijn kind,hebt gij verstaan, wat ik gezegd heb ? hebt gij begrepen, wat al verschrikkelijks de zondaar, die eene doodzonde doet, tegen mij bedrijft ? Kunt gij dat gevoelloos aanzien? Wilt gij niet met aller inspanning uwer krachten er naar streven, zulks te beletten '■

Zie eens, van hoeveel gewicht het is , de zonde te voorkomen, dewijl gij zoo verhoedt, dat ik wederom met beleedigingen word overladen, wederom verscheurd word door geeselslagen, wederom gekruisigd word door de booze neiging van den zondaar.

Wanneer gij derhalve slechts eene zonde belet , dan doet gij iets grooters en beters dan wanneer gij het vaderland voor een ondergang behoedt.

Kunt gij mij liefhebben en niet zorgen, dat ik voor zulk een kwaad bewaard blijve? En als de liefde u niet ontsteekt, dat dan ten minste het medelijden u bewege, te voorkomen, dat ik andermaal aan zoo vele en groote beleedigingen worde prijs gegeven.

Gij zegt een leerling van mijn hart te zijn:

-ocr page 546-

510

welnu, dan vraag ik van u, dan wil ik uit het innigste mijns Harten, dat gij én zelf en door anderen, wie gij daartoe kunt overhalen, altijd en overal de zonden zoo veel mogelijk belet, en de wreede ondankbaarheid der zondaren door de getrouwheid uwer liefde jegens mij tracht te vergoeden.

7. De leerling. Docli Heei1 Jesus, ook ik ben een zondaar. Ik ben niet waardig, ik belijd het, een leerling van uw Hart genoemd te worden.

Ik ook immers heb U ontelbare malen kwaad aangedaan; ook ik heb uw Hart met de bitterste smarten verzadigd; heb ook ik niet, — Ach wees mij, zondaar, genadig! — heb ook ik U niet meermalen aan het kruis gehecht!

Eeuwige dank zij U, voor die eindolooze goedheid uws Harten jegens mij, waarmede Gij in}] zoo geduldig verdragen en zoo barmhartiglijk bekeerd hebt!

O beste en zoetste Jesus! ik bid Usmeekend; verleen mij de genade, U schadeloos te stellen, voor de groote beleedigingen, die ik TJ heb aangedaan, en U voor het overige mijns levens met des te meer vuur en teederheid te beminnen, naar de mate Gij jegens mij beter en goediger geweest zijt.

-ocr page 547-

511

TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

DAT JKSTJS DEN MOORDENAAR VAN HARTE VEE-

GEVEND EN HET PARADIJS BELOVEND , ONS LEERT, HOE MEN DEN ANGST OMTRENT ONZE EEUWIGE ZALIGHEID MOET LIJDEN.

1. Zie, mijn kind, terwijl geheel de natuur in duisternis gehuld over mij treurde, liegen ook een der ro overs, die aan mijne zijde hingen, mij te lasteren; doch de ander, door eeno zalige vreeze getroffen, berispte hem; vreest, sprak hij, ook Gij God niet, gij, die toch een zelfde vonnis ondergaat! en wij ondergaan dit teregt, want wij ontvangen overeenkomstig onze daden: doch deze heeft niets kwaads bedreven.

Bewogen, namelijk door het voorbeeld van mijn goddelijk geduld, van mijne heldhaftige liefde, waardoor ik zelfs voor mijne beulen bad, door de onoverwinnelijke zachtmoedigheid mijns Harten en de volmaakte onderwerping in de kwellingen van het Lijden, en geholpen door bovennatuurlijk licht en ondersteuning, ontwaakte in hem en oefende hij jegens mij geloof, hoop en liefde.

■Met een vermorzeld hart wendde hij zich vol aandoening tot mij en riep: Heer, Heer, gedenk mijner, als Gij zult zijn gekomen in Uw rijk.

Ziende, hoe hij zelf met de genade, die namelijk door het schouwspel, wat hij voor oogen had, uiterlijk hem aandeed, en innerlijk uit mijn Hart in het zijne vloeide, medewerkte, haastte ik mij, hem te- troosten, verpletterd als hij bijna was door het

-ocr page 548-

512

gewigt zijner bedrevene misdaden, en verontrust over het toekomstig heil zijner ziel.

Terstond heb ik van den roover een Heilige uit den belijder zijner boosheid, een leerling mijns Harten; van Dismas don zondaar, een gezel en deelgenoot van mijn rijk gemaakt. Zoo groot is de goedheid mijns Harten!

Voorwaar, zoo zeide ik tot hem, voorwaar, heden zult gij met mij zijn in het paradijs. Hij geloofde en voortgaande zijne misstappen te betreuren en mijne goedheid te herdenken, volhardde hij tevreden aan het kruis, de vervulling der zalige hoop verbeidend en de vereeniging der liefde met mij in mijn rijk.

Zie, mijn kind, hoe gij u gedragen moet in de verontrustende bekommeringen omtrent uw heil, die u somtijds kwellen.

2. De leerling. quot;Word, o Heer, ik bid het u, niet verontwaardigd, als ik spreek. Zie; Gij hebt mij niet gezegd: Ghj zult met mij in het paradijs wezen. O, als Grij dat zoudet zeggen, ik zou het gelooven, en niet meer bekommerd zijn voor mijn eeuwig heil. Doch nu weet ik niet, wat mij in de toekomst wacht en daarom is mijn hart be-anstigd.

Jesüs. Indien ik dit ook al aan u mogt zeggen, mijn kind, dan zult gij toch het paradijs niet in bezit kunnen nemen, zoo niet met behoud van uwen vrijen wil. Want ik ben altijd dezelfde en ik heb den mensch van den beginne afhankelijk gesteld van en overgelaten aan zijn eigen beslissing; ik heb mijne wetten gegeven; indien gij die wetten wilt bewaren, dan zullen zij u bewaren.

-ocr page 549-

513

Welnu, niet behoud en goede aanwending dier vrijheid u gegeven, zeg ik ook u: Gij zult met mij zijn in het paradijs. Ik wil immers, dat gij en dat allen zalig worden.

Wel is het waar, eenige vaten zijn ter eere, eonigc tot oneer bestemd, doch de menschelijke boosheid—niet de goddeljjke Voorzienigheid vormt een vat tot oneer. Want indien iemand een vat tot oneer zijnde, zich zal gezuiverd hebben, zal hij een vat zijn tot eere geheiligd.

3. De leerling. Derhalve, Heer, hangt de zaligheid af van de vrijheid des menschen.

Jesüs. Gij dwaalt mijn kind; want de menseh heeft zoowel om zijne zaligheid te'bewerken, als zelfs om met die bewerking een begin te maken, bovennatuurlijke genade noodig, zonder welke hij haar noch bewerken, noch zelfs ondernemen kan.

Overigens geef ik onverdiend aan alle menschen, die voorkomende en helpende genade, waardoor een ieder, die er gebruik van maakt, zich kg,n zaligen, doch die haar verwaarloost, zich in het verderf stort.

De zaligheid komt dus op de eerste plaats van mij; vervolgens van de vrije medewerking des menschen; doch de verwerping spruit op de eerste plaats uit den menseh en daarna uit het verwaarloozen mijner genade voort.

De leerling. Doch, Heer, die mogelijkheid, om misbruik te maken van mijnen vrijen wil; de vreeze ook, .dat ik hem ooit misbruiken zal, verontrust mijn hart grootelijks.

Jesus. Maav mijn kind, dat is de kracht, dat

33

-ocr page 550-

514

is de roem dos mensclien, dat hij kan overtreden en niet overtreedt; dat hij het kwade kan doen en het niet doet. Dat is op aarde de dienst, welke mijner waardig, vereerend voor mij, voor u zeer edel en verdienstvol is.

Ja die bezorgdheid zelve, dat gij welligt van uwe vrijheid misbruik zult maken, zal u een schat van velerlei goederen aanbrengen, indien zij slechts binnende juiste grenzen wordt gehouden.

Want niets is meer geschikt, u in de nederigheid, zonder welke alle overige deugden aan alle kansen en aan eiken ondergang bloot staan, te bewaren, dan te weten, en zelfs in zekere mate te gevoelen, dat gij nog verworpen kunt worden, ofschoon gij ook tot in den dei den hemel zijt verheven geweest.

Daaruit wordt ook die zorgzame liefde jegens mij geboren, waardoor gij er u op toelegt, met meerder waakzaamheid alle gevaren te vermijden en met meerder verknochtheid mij aan te hangen.

Ook zult gij leeren, u meer volkomen aan alle dingen van dit leven te onttrekken, als gij begrijpen zult, dat do volmaakte veiligheid daarin niet kan gevonden worden.

Eindelijk zult gij des te vuriger naar het onsterflijk leven verlangen, waarin gij voor gevaar, ja zelfs voor de vrees van gevaren veilig en zeker zult zijn.

4. Het is goed, mijn kind, om vóór al het andere, voor uwe eeuwige zaligheid bezorgd te zijn; gij moet evenwel op uwe hoede zijn, dat gij niet tot angstvalligheid vervalt.

Er zijn er, wier hart bij het zien van de mo-

-ocr page 551-

515

gelijkheid van verloren te gaan en sidderende van vreeze, dat zij eenmaal liunne goederen, met zoo veel arbeid verzameld, zullen veiliezen en eene ongelukkige eeuwigheid hun lot zal worden, zoo neerslagtig worden, dat zij noch de krachten, noch den moed bezitten, mij met blijdschap te dienen, maar daarentegen een leven slijten, dat hunner zoo min als mijner waardig is.

Van daar komt het, dat zij de mogelijkheid somtijds tot werkelijkheid maken, en liet gevaar dat slechts mogelijk was, in een wezenlijk gevaar verkeeren.

Zijt wijzer mijn kind; zie wel toe, dat gij, hetgeen u ten heil verstrekt, niet tot uwen ondergang maakt; dat gij door overdrevene vrees voor uw verderf u aanhet verderf zelf niet blootstelt.

Houd dien goeden wil, om altijd te doen, wat gij in geweten doen kunt, trouw in u levend; en lijd do angst, zoo gij dien soms lastig vindt, met geduld, als een kostbaar en zaligend deel, dat gij innerlijk aan de smarten mijns Harten neemt.

Doe van den eenen kant uw best, in het verdragen van deze droefheid, er nimmer aan toe te geven, maar aan den goddelijken wil onderworpen te blijven. Van den anderen kant, draag ijverig zorg, niets na te laten van uwe gewone werken of oefeningen, die ter zaligheid en tot volmaaktheid geleiden.

5. Laat u, welke kwellingen gij inunerlijk ook gevoelt, niet in verwarring brengen, verzekerd als gij zijt, dat voor den mensch, die goedwillig doet, wat in zijn vermogen is, de verwarring niet anders kan komen dan van den vijand van zijn

-ocr page 552-

516

eeuwig heil, die onmagtig zulk een menscli in do zonde of in liet verderf neer to storten, evenwel door verwarring en angsten, door gezochte spits voudigheden onder voorwendsel van meerder zekerheid, hem daarheen tracht te brengen, waar heen hij hem onder regtstreoksche bekoringen niet kan voeren.

Voor die strikken, mijn kind, moet gij ijverig op uwe hoede zjjn, en u niet, om welke reden ook, uit het middenpunt van uwen vrede laten verdrijven.

Leg u zoo op het bewerken van uwe zaligheid too, alsof de goede uitslag van uwen arbeid afhing; en neem zoo door het gebed tot mij uwe toovlugt, alsof ik alleen niet slechts het welslagen maar ook het doen van uwen arbeid geven kan; en stel ten laatste zoo uw vertrouwen in mij, dat gij gelooft, dat ik uw gebed verhooren en uwen arbeid met een goeden uitslag bekroonen zal.

6. Doch zie, kind, ten dezen opzichte is de vrees van ieder mensch ijdel; ik immers wil niet, dat iemand verloren ga. Wat echter kan do oorzaak zijn, dat iemand verloren gaat, dan dé zonde? Houd u dus zuiver van zonden en gjj zult in eeuwigheid niet verloren gaan.

Wat kwelt giju dan met den angst omtrent voorbeschikking? Zie, als gij voorbeschikt wilt zijn, vlugt dan het kwaad en doe standvastig het goede en gij zult voorbeschikt zijn.

Zalig hij, die allo ijdele •gezochtheden ter zijde latend, mot de daad, niet in bespiegelingen zijn roeping tracht zeker te maken!

7. De leerling. O zoetste en beminnonswaar-

-ocr page 553-

517

(ligste Jesus! Gij zijt waarlijk de God der vertroosting. Dank zij U voor dit groote gunstbewijs, waardoor Gij mijn neergedrukt hart oprigt 'en verkwikt.

Zie, Gij hangt aan het kruis, verteerd door smarten en Gij vergeet U zeiven, om aan mij te denken en door uw lijden niet slechts maar ook door uwe vertroosting mijne zaligheid te verzekeren. Hoe zou ik dan mijn eeuwig lot r.'ct gerust aan U overlaten ?

Door uwe bijzondere genade, welke ik niet op zal houden af te smeeken, wil ik doen, wat in mijn vermogen is, doch voor het overige werp ik alle zorgen in dat allerteederste Hart van U, waarin zelfs de moordenaar op liet oogenblik van zijnen dood niet verloren ging.

Gedenk mijner. Heer, in uw rijk, gedenk mijner in mijn ballingschap; gedenk mijner bijzonder, als Gij mij in gevaar ziet van mijne ziel tif? verliezen, gedenk mijner in leven en sterven, opdat ik hierna met n moge zijn in hot Paradijs.

EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

welke teederheid des hakten jesus ons getoond heeft toen hij zijne moeder aan ons tot moeder gap.

1. Jesus. Zie, mijn kind, naast het kruis stond de Maagd Maria, mijne Moeder, wie noch de droefheid des harten, noch de smaadheden van den kant der menigte, noch de wreedheid

-ocr page 554-

518

der martelingen, noch het doodsgevaar van mij vermogten te scheiden.

Want zij was van harte bereid, zelve met mij te sterven, of mij stervende ter zijde te staan.

Daar stond ook de leerling, die wegens zijne onschuld mij het dierbaarst was, die bij het laatste avondmaal aan mijne borst had gerust en tot verzadiging toe gedronken had van de liefde mijns Harten.

Toen ik dan de maagdelijke Moeder en den maagdelijken Leerling, wien mijn Hart beminde, beschouwde, sprak ik, op de Moeder ziende: Vrouw, ziedaar uwen Zoon, vervolgens zeide ik tot den Leerling, (verbeeld u, dat ik, tot hem alleen sprekend, tot allen sprak:) Zie uwe Moeder. En van die stonde at nam de Leerling haar als Moeder aan.

2. Gij ziet dus, mijn kind, hoe op hetzelfde oogenblik, waarop de stervelingen mij aan het kruis hangend onophoudelijk nieuwer en zwaarder smarten aandeden, waarin de boosheid van het menschelijk hart ten top steeg, de liefde mijns Harten nog dat toppunt overschreed.

Op het punt van te sterven en heen te gaan naar mijn rijk, wilde ik de Leerlingen niet als weezen achterlaten; neen, door liefde gedreven, besloot ik hun eene moeder te geven, eene moeder, de beste van allen, mijne Moeder zelve.

Daarenboven moest ik wegens de veriievene waardigheid mijner Moeder en wegens de volmaakte liefde van mij jegens haar, allen ijver en alle zorg voor haar toonen en voorzien in de eere en liefde, haar verschuldigd.

-ocr page 555-

519

Zoo behoorde het namelijk te geschieden, opdat ik overal en altijd eu zij tegelijk met mij gekend en ook tegelijk bemind zoude worden.

En inderdaad, sinds het begin der wereld heeft God aan den gevallen en onder de wreedheid der helsche slang zuchtenden mensch mij als Verlosser belovend, ook mijne moeder beloofd.

Die goddelijke belofte vol van allen troost, aan de geheele nakomelingschap der eerste menschen overgeleverd, werd steeds in godsdienstige liefde levend gehouden. Want ofschoon zij bij de heidenen verduisderd was, bleef zij evenwel bij het volk Grods steeds ongeschonden voortbestaan: die zelfde belofte werd hernieuwd door de Profeten en nog duidelijker uitgelegd, naarmate de volheid der tijden meer nabij kwam, waarin God Zijn Zoon zoude zenden, om uit de Maagd Maria geboren te worden.

Derhalve mijn kind, wie God van eeuwigheid in de plannen zijner barmhartigheid had vereenigd, wie hij te gelijk beloofd had, zij werden te gelijk door de menschen verbeid, en te gelijk verlangd. Zoo dikwijls toch als zij tot mijn Vader in den hemel verzuchtten: Dauwt hemelen en gij wolken regent den Regtvaardige af!quot; zoo dikwerf ook verzuchtten zij naar mijne toekomstige Moeder op de wereld: „De aarde opene zich en brenge den Verlosser voort!quot;

3. Toen ik eindelijk als Verlosser ter wereld kwam, zie, toen zag men mij in het gezelschap mijner maagdelijke Moeder. Sinds ik een geschapen Hart heb bezeten, is dat Hart onafscheidbaar met het Hart mijner Moeder vereenigd geweest.

-ocr page 556-

520

Steeds heb ik die Maagd vereerd en bemind op eene wijze, die haar als Moeder toekwam; en zij zelve heeft mij niet slechts als zoon geëerd en lief gehad, maar ook als God geëerd en bemind.

Er is geen schepsel op aarde, noch in den hemel, dat mij zoo geëerd en bemind, zoo aangebeden en lief gehad heeft, als mijne maagdelijke Moeder. Zij alleen, zij alleen overtrof door hare eeredienst en liefde alle Heiligen en Engelen te zamen op eene onvergelijkelijke wijze.

Ook is er nergens een hart, dat zoo met mijn Hart vereenigd, en mij zoo dierbaar was, als het hart dier Moedermaagd!

En ik zou zulk eene Moeder nitt eeren, niet liethebben, on ik zou niet willen, dat zij altijd en overal geëerd en bemind werde? Hoeft men aldus mijn Hart loeren kennen?

4. Voorwaar, voorwaar, ik zeg u, waar ook ter wereld mijn Evangelie zal gepredikt worden, daar zal men zeggen: Dit heeft mijne Moeder voor mij gedaan en ik ben haar onderworpen geweest. Ja tot aan de voleinding der eeuwen waar ik ook als Verlosser vereerd en bemind zal worden, daar zal ook Maria als mijne Moeder vereerd en bemind worden.

Doch ook overal, waar mijn godsdienst heer-schen zal, zal de geest der menschen hervormd en de staat der vrouw veredeld worden.

Vanwaar, meent gij wel, zooveel hoogachting . voor de onschuld en zooveel billijkheid voor de vrouw in den boezem van ieder geloovige, zoo niet wegens de zuiverste en verhevenste Maagd Maria? Het onbeschaafde heidendom heeft van de vrouw

-ocr page 557-

521

eene ellendige slavin gemaakt; het ongeloof maakte van haar een afgod der hartstogten: do dwaling in den godsdienst maakte haar tot een werktuig der Tcrleiding; de ware godsdienst alleen heeft haar waarlijk vrij gemaakt en waarlijk geëerd en behoudt haar in vrijheid en eere, haar steeds eene maagdelijke moeder van God tot voorbeeld stellend.

5. Zie dan, mijn kind, zie op uwe Moeder, die onder het kruis lijdende met mij u als kind heeft aangenomen. Deze, uwe Moeder, zult gij eeren al do dagen uws levens, indachtig, wat en hoeveel zij met mij om u heeft geleden.

Erken de grootheid van het geschenk, dat mijn stervend Hart u in zulk eeno Moeder heeft geschonken. Wat, mijn kind, wat konde het u beters geven? Zie, niets in do wereld is aan mijn Hart zoo dierbaar, niets voor u zoo zoet als die beste der Moeders.

Want haar moederlijk Hart vloeit over van bijzondere genegenheden, van medelijden, liefde en bezorgdheid; neen zij kan de kinderen niet vergeten, die zij van mij, in zulke smarten den geest gevend, ter verzorging heeft ontvangen.

Haar Hart, naar mijn Hart gevormd, staat onder de benaming van hot allerzoetste Moederhart voor allen open, zoodat allen, die daarheen vlugten, steeds gemakkelijk een toegang vinden, door haar goedgunstig opgenomen en door haar in mijn Hart binnengeleid worden.

Door de Maagd Maria ben ik tot de menschen gekomen; en door die zelfde Maagd Maria moeten de menschen tot mij komen.

-ocr page 558-

522

Welke genade gij dan ook van mij wilt verwerven, draag aan Maria als aan mijne Moeder, die ook uwe Moeder is, op, mijn Hart in uw belang aan te roepen, en zij zal toonen eene Moeder te zijn.

O zeker, zij zal verhoord worden wegens bare waardigheid; want onmogelijk is het mij, mijn aangezigt van mijne Moeder af te wenden of baar iets te weigeren. Do moederlijke regten toch, die zij op aarde bezat en deed geldon, heeft zij niet verloren in den hemel, waar zij met mij beerscht als koningin aller Engelen en Heiligen.

Indien iemand door de Maagd Maria tot mij nadert, zal hij niet verstooten worden, neen! maar zelfs tot in mijn Hart worden toegelaten en door de ondervinding leeren, welke de hoogte, de diepte en uitgestrektheid is, die mijne Moeder in mijn Hart inneemt.

6. Zooals ik van nature God tot Vader en Maria tot Moeder heb zoo- ook, mijn kind, moet gij, bijaldien gij door aanneming God tot Vader hebben wilt, ook Maria tot Moeder hebben.

En indien gij ondervinden wilt, hoezeer Maria eene Moeder is, toon u dan haar kind te zijn en wil haar Hart niet bedroeven door mijn Hart te bedroeven met de zonde, want gevloekt is hij, die zijne Moeder bedroeft!

Doch dubbel de vervloeking, dubbel wee over hen, die de eer en de liefde, mijner Moeder verschuldigd, trachten te beletten of te verminderen! want de lof zoowel als de beschimping, dei-Moeder aangedaan, valt op mij haren Zoon terug.

Daarom ook zullen hare vijanden eerloos zijn;

-ocr page 559-

523

ja een ieder, die tegen haar misdoet, benad eelt zijne eigene ziel. Doch die haar verheerlijken door verschuldigde vereering en liefde, zullen het eeuwig leven bezitten.

Waan niet, dat Maria met de Heiligen en Engelen gelijk staat of onder hen slechts de eerste plaats inneemt; want zij stelt eeno orde daar, die alle overige schepselen overtreft; zoo, dat zij veel hooger staande dan allo Heiligen en hemelscho geesten, niemand anders hoven zich ziet dan mij mot den Vader enden heiligen Geest.

Derhalve moet zij met eene bijzondere vereering en met eene bijzondere liefde gediend worden. Bemin en vereer haar, mijn kind, zoo veel het in uw vermogen is; gij kunt de perken niet te buiten gaan, zoolang g|j haar maar niet eeno eere en liefde bewijst, die aan God alleen toekomt.

Leer echter voor alles van Maria mijn Hart volkomen na te volgen. Zij toch bewaarde al mijne woorden en al mijne voorbeelden en overwoog ze in haar Hart; en zoo heeft zij zich de leering eigen gemaakt van mijn Hart, welks leven, deugden en gewaarwordingen zij volmaakt in zich nagebeeld toonde.

7. Zalig zult gij zijn mijn kind, als gij zoo mijne maagdelijke Moeder vereert. Door haar zult gij den weg tot heiligheid, het inwendig leven, gemakkelijk en zoet vinden; door haar zult gij barmhartigheid, genade en troost ja alles vinden, wat u nuttig of noodzakelijk is; door haar eindelijk zult gij met mij zijn en blijven.

Neem dan tot haar bij elke gelegenheid en

-ocr page 560-

524

ten allen tijde uwe toevlugt. Wat vreest gij? Gij immers zijt Zoon en zij is Moeder. Wat weifelt gij? zie, niemand gaat immers tot haar te vergeefs; allen ontvangen: door haar ontvangt de wereld zaligheid, ontvangen de gevangenen verlossing, de zondaren hoop, de regtvaardigen glorie, de engelen blijdschap.

8. De leerling. O Jesus, God mijn Zaligmaker! Gij geeft uwe Moeder aan mij tot Moeder! Wie heeft ooit zoo iets gehoord? Gij alleen Heer, kunt zulk een geschenk uit do schatten uws Harten nemen en aan ons zondaren geven.

Dank zij U, beminnelijke Jesu«, eeuwige dank zij U voor zoo groot eene gave, mij, den onwaardigste, zoo goedgunstig verleend.

Zie. uwe Moeder is mijne Moeder! Gedoog, allerliefste Jesus, dat ik het herhaal: Zie, uwe Moeder is mijne Moeder! Dat is blijdschap voor het hart, honig voor den mond, gezang voor het oor.

O waarlijk gelukkige, die ik ben, een kind te zijn der koninginne van hemel en aarde, van de Moeder van God, van mijn Zaligmaker, van mijn Eegter!

Door zulk eene Moeder en wel door li aar, neem ik tot U, mijn Jesus, mijne toevlugt, door hare moederlijke liefde zal ik tot uw Hart naderen; door haar onbevlekt Hart zal ik in uw Hart binnentreden tot de innigste vereeniging met U.

Doch als ik ten oordeel zal moeten verschijnen, o zie, welke zoete vertroosting! ik heb een voorspreekster bij den Regter, de Moeder van den

-ocr page 561-

525

Regter, die ook mijne Moeder is, dio als Moeder voor haar kind spreekt bij haren Zoon, en aan welke Moeder de Regter gegeven heeft: alles to vermogen in zijn Hart.

Zoolang ik leef, zal ik daarom trachten en zal het mijne vreugde zijn, zulk oene Moeder als gij, o zoete Maagd Maria zijt, steeds meer te ver-eeren, en uwe eer op alle wijzen bij allon altijd uit te breiden.

Zoolang mijn hart in staat zal zjjn te beminnen; zal het u, o Moeder van Jesus, o mijne Moeder, liethebben! neen meer, liet zal branden, om aller harten met een zelfde liefdevuur te ontsteken, opdat zij allen op aarde beginnen u om Jesus en Jesus om Hem zelven te beminnen cn zoo verdieneu mogen zalig te worden in den hemel en voort te gaan, u te lieven en te beminnen gedurende dc blijde en emdolooze eeuwigheid.

TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

dat jesüs in zijne verlatenheid aan het kruis ons leert, hoe wij ons gedragen moeten, als wij in bekoring worden verlaten.

1. Jescs. Mijn kind, dewijl ik aan het kruis de boosheden zou dragen der mensehen, voor wie ik mij zelven uit liefde tot plaatsvervanger en borgtogt had gesteld, heeft de Vader do mensehen zoo lief gehad, dat hij mi j heeft overgeleverd.

-ocr page 562-

526

Daarom lieoft de duivel, die na de bekoring-in de woestijn mij voor bepaalden tijd verlaten had, nu in mijn Lijden wederkèerend, mij met meer geweld overvallen en met meerder hardnekkigheid benaauwd.

Behalve zijne eigene boosaardigheid, heeft hij gebruik gemaakt van do bedorvenheid der boo-zen, welke hij opwekte èn om mij allerlei martelingen en den schandelijksten dood te doen ondergaan, èn ook om verschrikkelijke zonden voor mijn aanschijn te bedrijven.

Hij juichte, de duivel met de zijnen, als vierde hij eenc zegepraal, en steeds zijne afschuwelijke aanvallen met meerder aandrang hervattend, schreeuwde hij: God heeft hem vervolgd en grijpt hem.

En ik, die den menschen ter wille in zwakheid moest omkomen, was tegenover do magt der vijanden, die uiterlijk tegen mijn ligchaam woedden en innerlijk mijn Hart verscheurden, alleen gelaten zonder eenige gevoelige vertroosting, welke dan ook.

In zulke kwellingen verlaten, zie, daar verhief ik tot den Vader, dien ik eindeloos beminde en door wien ik eindeloos bemind werd, mijne schreijende en bijna verstorvene oogen on stortte tevens mij n Hart aan de uiterste benaauwdheid ten prooi, uit: „Mijn God! mijn God! Waarom hebt gij mij verlaten?quot;

Ziedaar, mijn kind, de uitdrukking van de onbegrijpelijke droefheid mijns Harten, dat in een afgrond van lijden verzonken en als onder een stortvloed van smarten bedolven werd.

-ocr page 563-

527

2. Evenwel onderwierp ik mij met liefde aan het welbehagen van mjjn hemelschen Vader; geheel mij zeiven bracht ik ten offer aan Hem, die mij eenmaal troosten zoude overeenkomstig de grootheid mijner smarten.

Dewijl de smart de mate der liefde aangeeft, heb ik de overmate van dit allersmartelijks lijden verduurd en te kennen gegeven, opdat demenschen begrijpen zouden, in welk eene mate ik hen heb lief gehad.

Doch schoon aan al de overige menschen denkend, dacht ik toch bijzonder aan u, mijn kind; ja om u heb ik met een onderworpen en tevreden Hart de woede der vijanden en die smarelijko verlatenheid verdragen.

Ik wist immers, dat gij, volgons do goddelijke Voorzienigheid, niet van de aanvallen des duivels bevrijd koudot blijven; ook was het mij niet verborgen, mjjn kind, hoeveel droefheid u die harde strijd met uwen meestbedorven vijand veroorzaakt; en daarom heb ik u mijn voorbeeld gegeven, om daaruit rijkelijk leering en troost te putten.

ik ken, mijn kind, de herhaalde en diepe zuchten welke gij, begeerig om in volmaakten vrede, vrij van elk beletsel, voor mij te leven, slaakt, wanneer gij u te midden van woedende vijande ziet verkeeren.

Doch beschouw mij, mijn kind, den eenigge-boren zoon van God, den Heilige der Heiligen, uit onverdiende liefde overgeleverd aan de woede mijner vijanden en daarbij alleen en verlaten; en dan zult gij u niet verwonderen noch gebukt

-ocr page 564-

528

gaan, als gij een menscli, een zondaar in zoo vele opzigten, tot uw heil, ook na reeds langen tijd mij gediend te hebben, aan de aanvallen des bekoorders overgelaten en daarbij van gevoelige vertroosting beroofd wordt.

Want inderdaad, hieruit blijkt Gods welwillendheid jegens u, als bij den strijd niet wegneemt zonder welken gcene vijanden overwonnen worden en do vrede geen vaster wortel schiet, noch de gelegenheid van den strijd verwijdert, zonder welke er geen zege behaald, noch eene kroon verkregen wordt.

Het is een gevolg van de ware liefde mijns Harten als het u verlaat, opdat gij zoo, prijs ge-gogeven aan uw eigene zwakheid, tot bewustzijn komen zoudet en zoo in nederigheid behouden en door uwe behoefte gedreven onophoudelijk tot mij vlugten, naar mij verzuchten zoudt.

Hoe velen hebben volhard en zijn zalig ge-w orden door de bekoringen, die bij gemis daarvan, langzamerhand laauwen, en hoogmoe-digen en eindelijk verworpelingen zouden zijn geworden!

Kent gij er wei een van allen, die zich geheiligd hebben, en vrij van bekommering zijn geweest? quot;Waren de grootste Heiligen niet gewoon do hevigte bekoringen te ondervinden?

Dit toch is de weg, waarop eene meer dan gewoono zuiverheid des harten wordt verkregen ; waarop volmaaktere deugd wordt aangeworven; eindelijk, waarop de ziel beter gestemd wordt voor de goddelijke vereeniging.

3. Inderdaad op dit punt verkeeren velen in

-ocr page 565-

529

dwaling meenende, dat de bekoring de zonde is. En wat is gewoonlijk wel gevaarlijker dan die dwaling? Daaruit immers ontstaat een dwalend geweten, verwarring, angstvalligheid, lusteloosheid, gebrek aan moed en krachten, en edelmoedig weerstand te bieden en te zegevieren.

Geloof mij, mijn kind, mogt ook de bekoring van welken aard dan ook, gedurende geheel uw leven aanhouden, zij kan u niet schuldig maken aan eene enkele zonde, mits zij u maar mishaagt.

Leg dus die noodlottige dwaling af; werp de overdrevene vreeze voor do bekoring van u. Die vrees, uit dwaling geboren, door de eigenliefde gevoed, wordt eene gelegenheid, en nogquot; meer en des te gevaarlijker bekoord te worden; dewijl gij dan niet zoo zeer door Gods toelating als wel door uw eigen gebrek bekoord wordt.

Dat is het ongeluk der menschen, dat zij in een van beide uitersten vallen. Eenigen namelijk wijl zij de bekoring te veel duchten, anderen wijl zij daarvoor niet genoeg op hunne hoede zijn loepen grootelijks gevaar. Wat u betreft, mijn kind, bewandel den middenweg, bijaldien gij veilig wandelen wilt.

4. De leekling. Maar, Heer, is dan de zonde niet bovenal te vreezen en te ontvlugten? Waarom dan zal ik niet het meest de gevaren en de gelegenheden tot zonde vreezen en ontvlugten?

Jesus. Zeer zeker, mijn kind, moet gij de zonde bovenal vreezen en ontvlugten. Doch wacht u voor bedrog; wil het een met het ander niet verwarren, maar wil wel onderscheiden. Want iets anders is de bekoring, iets anders de zonde; iets anders

34

-ocr page 566-

530

gevaar der bekoring en iets anders hot gevaar der zonde; eindelijk iets anders de gelegenheid, welke van den kant des duivels, die bekoort, gesteld wordt, iets anders de gelegenheid, die van den kant des menschen zeiven gesteld wordt en die hem tot de zonde nader brengt.

Yervolgens moet gij de gelegenheid, gesteld van den kant der menschen, dewijl zij een naaste gevaar tot de zonde en dus zondig is, met zorg vermijdon; doch de gelegenheid van den kant des duivels, als slechts een gevaar van bekoring en dus niet van de zonde zijnde, zijt gij niet verplicht te ontvlugten.

Wil n daarom niet verwonderen, als do duivel li bekoort, immers hij heelt niets anders te doen, dan rond te loopen en te bekoren. In zijne onbeschaamdheid echter wendt hij zich tot een ieder en bezigt verschillende wijzen van bekoring, terug gestooten, ontziet hij zich niet terug te koeren; overwonnen, laat hij niet na andermaal den aanval te hervatten.

Wil u om die reden niet laten verontrusten; als gij bekoord wordt, is de boosheid des duivels, niet uwe bedorvenheid daarvan de oorzaak.

IJdel voorwaar en dwaas zoudt gij handelen, als gij wegens bekoringen den vrede des harten zoudt verliezen. Want zoo stelt gij uwen vrede in de macht des duivels, die u ongetwijfeld nimmer daarvan het genot zal veroorlooven.

Mijn kind ik ken uwe zwakheid; ik ken de boosiieid des duivels, doch ik ken ook de kracht mijner genade; ik weet, wat gij uit u zeiven en wat gij door de genade tegen den duivel vermoogt.

-ocr page 567-

531

En ik, wicn de duivel zoozeer onderworpen is, dat hij zonder mijnen 'wil zelfs liet minst edele der dieren niet kan deeren; ik, wien uwe zaligheid zooveel gold, zal niet gedoogen, dat gij boven uwe krachten bekoord wordt, maar ik zal bewerken, dat gij met do bekoring uw voordeel doet.

5. De leerling. Dank zij ü, goede Leermeester, zoete Jesus, omdat G ij mij zoo aangetoond hebt, hoe ik mij ten opzigte der bekoringen moet gedragen, voor dat zij komen of mij overvallen; gewaardig U ook, smeek ik u, mij te leeren, hoe ik mij gedragen moet, als zij mij voor den geest zijn en tot do toestemming trachten over te halen.

Jesus. Merk op, mijn Kind, dat de duivel langs drie wegen u kan aanvallen, of uw hart kan naderen; langs den uitwendigen weg der zintuigen, langs don innerlijken weg des verstands en eindelijk langs den weg der verbeelding, die in zekeren zin den middenweg uitmaakt.

Langs welken dier wegen gij echter bekoord wordt, draag zorg, om, zoodra gij de bekoring bespeurt u niet te beangstigen of te verontrusten; maar tracht door uwe opmerkzaamheid op mij te vestigen, die bij u ben, uwen geest in kalm bewustzijn te bewaren.

Komt de bekoring tot u door de zintuigen, gedoog dan niet, dat deze zonder voldoende reden aan het gevaarlijke voorwerp der bekoring blootgesteld blijven; maar wend ze met kalmte en tevens met ernst daarvan af, om zoo mogelijk het kwaad, wat u voorgesteld wordt, niet meer te bespeur du.

Komen zij door het verstand tot u, waag hot

-ocr page 568-

532

dan niet, zelfs in den geest slechts, iets met den vijand te onderhandelen; neen, welke schoone redenen of welke tastbare waarheden zijne ingevingen ook mogen schijnen, zoodra gij ziet, dat ze tegen eenige deugd strijden, onderwerp u dan aan mij, zonder eenige redeneering, en zio, dan zult gij overwinnaar zijn.

Wordt de bekoring u aangebragt door de verbeelding wegens voorwerpen, vroeger dooide zinjien waargenomen, of nu door den duivel u voorgesteld, let dan ijverig op, niet toe te laten, dat de verbeelding zich daarop vestige, als om die ijdele voorstelling te beschouwen; maar wend terstond en met ernst de verbeelding daarvan af; en als zij ergens anders mede be-zii:; is, stel haar dan iets voer, wat gij door liet geloof kent, als de dood of het oordeel, do hel, het vagevuur, den hemol of liever nog den Zoon van God, hangend aan het kruis, u aanschouwend en zijn hart aan u tot een schuilplaats biedend.

Merk dit echter op, mijn kind, stip dit aan, dat het in elke bekoring genoeg is, eenvoudig uwe aandacht tot iets anders te wenden, dewijl dit ook weerstand bieden is op eene stellige wijze.

Tracht zoo beschut door die maatregelen tijdens elke bekoring zooveel mogelijk, tot uwen meerderen voortgang, u met bezadigdheid en ernst met mij te vereenigen, zij het ook door zeer korte oefeningen van liefde.

Ik raad u zeer aan, mijn kind, als gij gewoon zijt in staat van genade te leven; gedurende de bekoringen gebruik te maken van oefe-

-ocr page 569-

533

ningen, die niet regtstreeks hot voorgestelde kwaad bestrijden, maar die u in liefde met mij vereenigen.

Gij moet u evenwel altoos moer op de genade dan op eigen kracht verlaten. Daarom moet gij herhaaldelijk, zoo wel ten tijde van vrede als van strijd, bidden, dat do genade u in den strijd moge steunen, bemoedigen en doen overwinnen.

Als gij 200 den roem der zege toeschriji't aiui mij, die de eerste overwinnaar ben en die mijn glorie aan geen ander afsta, dan, mijn kind, zal ik n met mijn schild bedekken en voor n strijden als ooi magtig en onoverwinnelijk strijder en duizend zullen er aan uwe zijde eu tien duizend voor n vallen; en geen vijand ter wereld zal u overweldigen.

6. De leerling. O beminnenswaardigste Jesus! wat al zoetheden, en welkome leeringen doet Gij voor mij uit uw Hart stroomen en schenkt Gij mij! Hemel en aarde en al wat er in is brenge U met mij eeuwigen dank!

Doch toon mij, smeek ik U, nog eéne zaak en dan is het genoeg. Zie, het gebeurt namelijk, dat ik uit den strijd wederkeerend, door groote vrees gekweld word of welligt mijne ziel niet een prooi van den vijand geworden is.

O Heer, dio woorden des eeuwigen levens hebt, ik bid U spreek tot mij een woord, dat mijne ziel verademing schenkt. Dat zal een nieuw gunstbewijs uws Harten zijn, hetwelk mij wederkeerig met nieuwe en zoete banden van ver-pligte dankbaarheid en liefde aan U zal verbinden.

-ocr page 570-

534

Jesus. Zie, mijn kind, als de bekoring, zoolang zij duurt, u mishaagt, dan hebt gij een zeker teeken, dat gij niet hebt toegestemd. En in deze moet gij het lager gedeelte uws harten onderscheiden van het hooger gedeelte, hetwelk alleen in zijne magt heeft te zondigen of niet te zondigen.

Het lager gedeelte namelijk stemt niet altoos overeen met het hooger deel, maar schept dikwerf in spijt van het hooger gedeelte in de bekoring een zeker behagen; ja somtijds is het zelfs oorzaak, dat het hooger gedeelte, zonder het te willen, dat behagen gevoelt. Doch het gevoel schaadt niet, waar de toestemming ontbreekt.

En indien gij twijfelt, of gij bekoringen gevoeld dan wel of gij er ook in toegestemd hebt, let dan op liet verschil, dat tusschen gevoelen en toestemmen gelegen is. Gij kunt, wel is waar, de bekoring gevoelen zonder nogtaus met vrijen wil eu kennis haar lief te hebben; doch, toestemmen in de bekoring kunt gij niet, zonder tevens, erkennende dat zij zondig of kwaad is, haar niet vrijen wil te beminnen.

Als gij de daaraan nog twijfelt, of gij al of niet de bekoring , op deze wijze bemind hebt, volg dan den regel der Heiligen: Zoo lang een persoon, die een teeder en bezorgd geweten heeft, niet zeker weet toegestemd te hebben, dan kan hij zich in geweten verzekerd houden, dat hij niet toegestemd heeft.

Inderdaad, mijn kind, een ieder, die gewoon is mij aan te hangen en met een opregt hart vreest van mij gescheiden te worden, hij moet om in

-ocr page 571-

535

de bekoring, welke hem somtijds tot zonde lokt, wetens en willens toe te stemmen, zich zeiven groot geweld aandoen, zoo wel om weerstand te bieden aan do heilzame aansporing van zijn geweten, welke hij gewoon is te hooren en op te volgen, als om zijnen wil af te trekken van het voorwerp, dat hij steeds heeft lief gehad en te keeren naar een voorwerp, hetwelk hij altijd haat heeit toegedragen. Hetgeen niemand voorwaar doen kan, zonder de boosheid duidelijk in te zien en, als hij ze omhelst, ze wetens en willens te omhelzen.

Integendeel, wie eene gewoonte heeft van zondigen wegens een slecht of te ruim geweten, hij moet in den twijfel of hij tijdens de bekoring heeft toegestemd, veronderstellen; toegestemd te hebben. Want, dewijl hij uit beginsel of door zijn doen eene gewoonte heeft aangenomen, die met de zonde instemt, moet hij, tot zonde bekoord, om te weerstaan zich ook groote inspanningen getroosten, niet slechts om oogenblikkelijk aan de waarschuwende stem des gewetens, waarom hij zich in dergelijke gevallen gewoonlijk niet bekommerde, te gehoorzamen, maar ook om de bekoringen met een vast bepaalden wil te verwerpen. Doch dit alles kan hij niet doen, zonder duidelijk zijne inspanning en ongewone overwinning te bespeuren.

7. Gij ziet hieruit, mijn kind, hoe gelukkig zij zijn, die mij getrouw dienen, dewijl zij in bekoringen, waar het menschelijk leven vol van is, zich op zoo zoete wijze kunnen troosten; terwijl daarentegen de nalatigen tot hunne be-

-ocr page 572-

536

scliaming en verbetering niet innerlijke angsten en kwellingen gekastijd worden.

En dat is een van do duizende goederen, waarmede ik de leerlingen mijns Harten overlaad. Verblijd u, mijii kind, verblijd u over zulk een goed, en gebruik en geniet het tot glorie van mijn Hart en tot heiliging uwer ziel.

Gij moet evenwel na de bekoring op uwe hoede zijn, om de zaak niet zoo te willen onderzoeken, dat gij, door de bekoring of hare omstandigheden in het bijzonder na te gaan, u aan gevaar blootstelt.

Doch, verneder voor zoo verre do omstandig-heden het toelaten, dan u zeiven met kalmte, vergiffenis vragend, indien gij misschien aan hoogmoed, ongeregelde vrees, aan eenig wantrouwen, aan nieuwsgierigheden of nalatigheid hebt toegogcvcn. Ga daarna, de betuiging uwer liefde hernieuwd hebbende, onverschrokken en blijmoedig voort.

8. Ten laatste, mijn kind, herinner u, dat de weg der bekoringen tot vele dwalingen leidt, zoodat niemand alleen veilig langs dien weg kan wandelen. Wie gij dus ook zijt, in het klooster of in de wereld, geleerd of ongeletterd, gij hebt een beproefd geleider noodig, en zoolang gij dezen gehoorzaamt en volgt, zal ik niet gedoogen, dat de gehoorzaamheid u ten ondergang voere. Ik zelf zal zorg voor u dragen.

Welaan mijn kind, moed gevat; zijt onverschrokken. Moge de wind huilen, moge de storm woeden, waarom zoudt gij vreesachtig zijn? Zie. ik ben met u.

-ocr page 573-

537

Dit lieb ik gezegd, mijn kind, opdat gij in bekoringen verligting en troost zoudet bezitten. Doch niet, om geene bekoringen te hebben of het lastige daarvan niet te gevoelen. Draag ze met geduld en ten zijne tijde zullen zij veelvoudige vruchten opleveren.

Laat derhalve den moed niet zinken, maar zijt aan den goddelijken vvil onderworpen. Arbeid, mijn kind, volhard grootmoedig, wetende, dat de lijder der bekoringen zalig is, dewijl hij na beproefd geweest te zijn, de kroon des levens zal ontvangen.

9. De leerling. O, hoe goed zijt Gij, mijn Jesus! hoe goed zijt Gij! Zie, Gij de blijdschap der Heiligen en der Engelen, zijt verlaten aan het kruis en van alle vertroosting verstoken; intusschen laat Gij mij evenwel, ofschoon een onwaardige onder alle opzigten, niet alleen, niet zonder troost, neen. Gij zelf beurt mij op en verkwikt mij met wondervolle zoetheid.

Gaarne laat ik mij aan uwe zorg over; ik geef mij geheel over aan uwen goddelijken wil; voltooi do plannen, die uw Hart met mij voor heeft; zuiver en heilig mij langs den weg of op' do wijze, die U behaagt. Behoed mij slechts voor alle zonden.

Zijt mij in elke bekoring, in elk gevaar krachtdadig ter zijde, bescherm mij; liol^ mij, houd mij zoo met U vereonigd, dat ik nimmer van u gescheiden worde.

-ocr page 574-

538

DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

dat jesus, in zijne verlatenheid dook dokst gekweld en geen verkwikking ontvangende, ons toont, hoe wij ons in verlatenheid moeten gedragen.

1, Jestjs. O, gij allen, die voorbij gaat, vestigt uwe aandacht en ziet eens, of er eene smart is gelijk de mijne!

Zie, belegerd door smarten, kwelden mij al mijne vervolgers; en niemand van al, die mij dierbaar waren, was er, om mij te troosten.

Mijn kind, zie mijn hoofd met doornen doorstoken, mijn. aangezigt door tranen en bloed bedekt, alle ledematen van een gerukt, geheel mijn ligchaam verscheurd, van de voetpalm tot aan de kruin des hoofds was ik ééne wonde ; en wat mijn Hart betreft, het werd zamengeperst door onuitsprekelijke smarten, verteerd door de hardvochtigheid der menschen, door mijn beminden en beminnenswaardigsten Vader verlaten.

In deze pijnen werd ik daarenboven gemarteld door eene nieuwe kwelling, een allerhe'vigsten doist, zoodat ik uitriep: „Ik heb dorst!quot;

Die dorst, mijn kind, is velerlei: smachtend tot den dood toe naar verkwikking in mijne volslagene uitputting; meer smachtend nog van dorst naar de zaligheid, naar de liefde en de eeuwige dankbaarheid der menschen; doch het meest smachtend ten laatste om het welbehagen van mijn hemelschen Vader te vervullen.

-ocr page 575-

539

Doch mijne vijanden, dit hoorende, weigerden mij niet slechts elke verligting, maar laafden mij daarenboven riOg in mijnen dorst met azijn.

Tot horstel van Gods eer en tot zaligheid der menschen wilde de Vader, dat ik in de hoogste smart zonder eenige verligting sterven zoude.

Hooger klom mijn Lijden, doch hooger ook klom de liefdevlam mijns Harten, waardoor ik mij met den goddelijken wil vereenigend, van Harte sprak: Ja Vader, ja, dewijl het zoo aan U welbehagelijk is.

En zoo heb ik mij zeiven geheel overgegeven om te lijden en eindelijk te sterven in de uiterste verlatenheid.

Overweeg dit, mijn kind, roep u dit in hot geheugen, dan vooral, als gij zelf verlatenheid ondervindt.

2. Zoolang als de oeteningen van godsvrucht innerlijk behagen en aan den geestelijken smaak bevallen, is het, gemakkelijk en aangenaam tevens er mede bozig te zijn; maar hard en onaangenaam is het ze met getrouwheid en naauwge-zetiieid te volbrengen, als zij niets dan verveling en weerzin opwekken.

Dewijl echter het hart des menschen in die innerlijke vertroosting aan het genot der gevoelige zoetheden gewoon raakt en mij gewoonlijk niet zoo zuiver om mij bemint, daarom ben ik gewoon den mensch, die het reeds draden kan, van allen gevoeligen troost te berooven.

Dit is een geheim kunstmiddel, wat de liefde mijns Harten gebruikt, opdat de ziel, ondanks zich zelve, leere niet mijne vertroosting maar

-ocr page 576-

540

boven al het zinnelijke, mij zeiven te zoeken en lief te hebben.

Als gij mij in verlatenheid getrouw blijft, dan levert gij een duidelijk bewijs, dat gij mij uit zuivere liefde niet om uw9 eigene oogenblikke-lijke belangen dient.

Gij hebt dus geen reden, mijn kind, n in verlatenheid te verontrusten, maar wel 11 met inspanning toe to leggen op edelmoedige daden en op een krachtig geduld.

3. Yolhard standvastig in hetgeen gij hebt begonnen en wil om do verveling en den afkeer, welke gij in de verlatenheid ondervindt te overwinnen, meer dan gewoonlijk bidden, onderzoek met meerder ijver zoowel uwe inwendige als uitwendige daden, waak met meer oplettendheid over uw hart en eindelijk versterf u dikwijlder en op volmaaktere wijze in kleine zaken.

Door dezen volhardenden on degelijken ijver zult gij aan lusteloosheid krach I dadigen weerstand bieden. Onderwerp u intusschen steeds meer on meer; en beschouw dit als uwe grootste vertroosting, met nederigheid en liotde den god-delijken wil te aanvaarden.

Met altijd wil ik, dat gij op gevoelige wijze vertroost wordt, al mogt gij ook gedaan hebben, wat mogelijk was, om de vertroosting te verkrijgen, opdat zij u geen nadeel toebrenge, noch gij aan u zeiven zoudet toeschrijven, wat liet mijne is.

Doch dit wil ik, dat gij u in volkomen nederigheid bewaart en mij zoo zuiver mogelijk lief hebt. Daarom veroorloof ik u, innerlijk te gevoelen, dat het niet in uwe magt is, de vertroos-

-ocr page 577-

541

ting te nemen of te behouden, maai* dat zij een geschenk is van mij.

Erken dus, dat gij ten eenenmalo onbekwaam zijt, waren troost te verschaffen, ja zelfs ook onwaardig den geringsten troost te ontvangen: en belijd dit als de grootste gunst, welke alle gevoelige vertroosting verre overtreft, door mij voor een mijner kinderen gehouden en door de liefde mijns Harten verzorgd te worden.

4. De leerling, O, zeker. Heer mijn God, het is de grootste genade, een niet te vergelijken gunst, uw kind, de beminde van uw Hart te zijn, doch mijne verlatenheid veroorzaakt mij niet slechts weerzin, maar zij ontrooft mij ook somtijds het bewustzijn van die gunst te bezitten.

Zoolang ik mij verheug in de zedelijke overtuiging, dat ik door uwe heiligmakende genade, een dierbaar kind uws Harten ben, zoolang schijnt mij alle gemis aan mcnschelijke of goddelijke vertroosting, schoon ook zwaar en pijnlijk voor de natuur, evenwel dragelijk toe, ook ontrukt zij dan niet aan het hart geheel en al den vrede.

Doch, Heer Jesus, somtjjds overvalt mij de verlatenheid in die mate en doet zij alle vermogens dor ziel zoozeer aan, dat het mij voorkomt, van U gescheiden te zijn, en dat ik mij niet, overtuigen kan, nog eene plaats in uw Hart te bezitten.

O mijn Zaligmaker! die alles weet en niet noodig hebt, door iemand onderwezen te worden. Gij kent de grootheid mijner smarten, die zwaarder zijn dan de dood zelf. Alle andere

-ocr page 578-

542

droefenis acht ik troost in vergelijking met deze verlatenheid, die ik niet durf aanschouwen en waarvan ik evenwel somtijds de oogen desgees-tes niet kan afwenden.

O Jesus! door de overmaat van uwe verlatenheid aan liet kruis, bid en smeek ik U, dat Gij ü gewaardigen moogt, mij te verligten of ten minste te onderrigten. Ik beken geen van beiden te verdienen, en dat uw voorbeeld mij voldoende moest zijn; doch als Gij dit zelf'niet op mij toepast, dan ben ik beklagenswaardig als een ziende, die niet ziet en als oen hoorder, die niet verstaat.

5. Jesus. Mijn kind, iets anders is, het goede te doen, iets anders te weten, dat gij het goede doet. Het eerste maakt uwe verdienste uit; het tweede verschaft u genoegen. ^Nogmaals, mijn kind, iets anders is het, u in mijtie genade te bevinden, en iets anders te weten, dat gij u in mijne genade bevindt. Het eerste maakt uw waar geluk uit; het laatste voegt bij uw geluk niets meer dan een gevoelig genot.

Welnu van dat blijde en aangename bewustzijn, waarin volstrekt geen verdienste gelegen is, beroof ik somtijds de ziel uit goedheid, opdat zij met kracht zich oefene ter heiligwording en toenenie in liefde tot mij. Deze is de hoogste zuiverheid der liefde, door liefde naar liefde te streven, terwijl gij de liefde niet gevoelt, door welke en naar welke gij streeft.

Vermoei u derhalve niet, mijn kind, om u te overtuigen, dat gij in mijne genade zijt. Want gij arbeidt te vergeefs, om u iets te verschaffen,

-ocr page 579-

543

dat ik juist, ten uwen heile niet wil, dat gij bezitten zult.

Ik zoek en bemin veel meer uw waar iieil dan uwe gevoelige vreugde; en ik weet, dat de berooving daarvan voor u waarlijk nuttig is om, terwijl gij in gevoelige zaken nergens steun vindt, waar ge uwen voet zet of u aan vastklemt, alleen in mij het onveranderlijke goed te berusten, zonder liet gevoelige te willen.

Wend u daarom, mijn kind, zooveel gij kunt, af van die bezwaren, welke gij gevoelt, tot mij; werp u aan mijn Hart, altijd dezelfde betuiging afleggend, dat gij uit liefde tot mij in alles liet goddelijk welbehagen mijns Harten wil volgen.

Doe daarna met bezadigdheid, wat gij doen moet en laat geen enkel uwer goede werken, welke gij gewoon zijt te verrigten, wegens de verlatenheid achterwege.

Houd u echter, zoolang de verlatenheid u benauwt, onder geen voorwendsel ooit bezig met droevige bemerkingen over haar te maken; blijf tevreden, bid, u zeiven steeds aan mij onderwerpend, aan mij overgevend.

Dit ten slotte, onthoud dat gij in deze verlatenheid, ik zeg niet in eenig schepsel buiten u, ook niet in u, maar slechts in mij den steun moet zoeken, waarop gij u verlaat. Derhalve hoe meer gij u zeiven verlaten, u van u zeiven ontdoen, mijn Hart behouden, ja u daarin verliezen en vergeten kunt, des te beter zult gij u beminnen.

6, De LEEELiNG. Zegen, lof en glorie zij uw Hart, o Heer, omdat zijne goedigheid U bewoog

-ocr page 580-

544

mij te leeren, welke de weg des levens is, te midden van de schaduwen des doods.

JSogtans schoon ook zoo onwaardig, dat ik niet verdien mij in het stof voor uwe voeten neer te mogen werpen, duld, bid ik U, dat ik nog grooter verlatenheid bloot legge, een onuitsprekelijke kwelling, waardoor mij somtijds de pijnen der hel schijnen te overvallen.

Want somtijds dunkt het mij, overtuigd te zijn op een zekere wonderbare wijze, dat ik niet slechts van uwe genade beroofd, maar inderdaad ook door u verworpen ben, dat de hel mijne woning is, waaraan ik te vergeefs tracht te ontkomen.

Ik zoude zooveel ellende niet durven openbaren, o Heer mijn God, zoo niet de uiterste ellende mij drong aan ü den afgrond tetoonen, waarvan ik de diepte niet ken.

7. Jesus. Dat is voldoende mijn kind, want dat zegt genoeg; wat gij ondervindt.

Let hier vooral op, mijn kind, draag vooral zorg vi niet te verontrusten, hoe groot uwe verlatenheid ook wezen moge.

Zie, wat gij daar openbaart, hebben zelfs de Heiligen geleden, die mij zoo volmaakt mogelijk gelijkend geworden, op die wijze geheel zich zeiven afgestorven zijn en als waren zij nieuwe schepselen, voor mij eenig en alleen geleefd hebben.

Geloof, en vertrouw en bemin zuiver, mijn kind; zie nu is het de tijd, zuivere deugden te beoefenen en heldhaftige gevoelens te verwekken.

Verlies den moed niet; wat den schijn des doods heeft, dat is het verborgen leven, wat nu den

-ocr page 581-

545

schijn heeft van verderfelijk te wezen, zal ten laatste bevonden worden hernieuwing te zijn.

Doch leer, mijn kind, nit hetgeen gij verduurt, hoe groot het gunstbewijs mijns Harten is, dewijl ik u daardoor behoed voor het ongeluk van eene eeuwige verwerping te ondervinden, waarvan de enkele gewaarwording alleen u smarten doet gevoelen, die alle andere in het leven overtreffen.

Zie daaruit met hoeveel regt gij verpligt zijt, mij wederkeerig onbeperkte liefde toe te dragen', wijl gij door mij voor een mateloos onheil bewaard wordt.

8. Doch merk op, mijn kind, dat het de duivel is, die u ingeeft te twijfelen aan mijne waarheid, waardoor ik verzeker de zaligheid van alle stervelingen te willen; dat het de duivel is, die u aanzet tot wantrouwen jegens mijne barmhartigheid, in welke een ieder, die hoopt, niet beschaamd wordt en een ieder, die bidt, verkrijgt; dat het de duivel is, die u beweegt, geen verwachting op mijne goedheid te bouwen, terwijl ik toch door eindelooze liefde gedreven, alles tot uwe eeuwige zaligheid beschik.

Wat kwaad in zich zeiven is, komt van den geest des duivels, nooit van mij, die niemand bekoor.

Doch laat aan den duivel, wat hij u ingeeft-twist niet met hem, wil niets met hem te doen' hebben.

Neen, blijf en volhard eenvoudig met vrede onderworpenheid in den goddelijken wil; en scho6® gij ook wegens de groote der verlatenheid Pn geheel en al aan het goddelijk welbehagen ge1quot;6*

35 Ujk-

-ocr page 582-

546

vorraig meent te zijn, ontstel of verontrust u evenwel niet, neen, werp u zouder angst aan mijn Hart en herhaal; God, mijn Zaligmaker, uw wil geschiede met mij in tijd en eeuwigheid!

Onmogelijk is het, mijn kind, dat iemand, die zich zoo aan den goddelijken wil overgeeft, verloren gaat. Veeleer zullen hemel en aarde vergaan, dan dat do mensch, die van goeden wil is en zich zonder voorbehoud aan het goddelijk welbehagen toevertrouwt, ooit te gronde zoude gaan.

Overigens, moed gevat, kind mijns Harten, lijd edelmoedig dat martelaarschap, waardoor de dierbaarste leerlingen mijns Harten verheerlijkt worden en waardoor onverwelkbare zegepralen en een eeuwige kroon worden verworven.

9. De leerling. O Jesus! O mijn laatste toevlugt! Wat zal ik hierop zeggen? Zie, getroost onverlaten tevens, kan ik niet wedergeven, wat ik gevoel; doch Gij ziet mijn hart.

Om de grootste verlatenheid, die Gij hebt ondervonden, behoud o Heer Jesus, mijne ziel, voor welke Gij zoo vele en groote kwellingen hebt geleden.

Ik geef mij aan U over zooveel ik kan; ik verlaat mij geheel en al op de zorg uws Harten; uw wil geschiede met mij voor tijd en eeuwigheid.

-ocr page 583-

547

«

VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

dat jestjs aan het kruis alles volbrengend, ons leert, dat ook wij op het kruis alles moeten voleinden.

1. Jesüs. Zie mijn kind, eindelijk had ik het werk volbragt, dat de Vader mij te doen had opgedragen.

Uitgaande van het hoogste der hemelen, om mijnen weg te gaan, zie, nu heb ik mijnen'loop geeindigd.

Reeds eindig ik het leven, dat uit arbeid, smarten en aanhoudende offers bestaat; doch het lijden, door dat alles veroorzaakt, wordt nu wel volbragt, de vruchten en verdiensten echter blijven in eeuwigheid.

De onherstelbare ondergang van het rijk van satan is voltooid en hij zelf, do vorst dezer wereld is van zijn heerschappij beroofd en verstoeten.

Üaar staaf mijn rijk, dat ik door mijn eigen bloed mij heb verworven, wat ik door de liefde van mijn eigen Hart doe bloeijen, wat ik bevestigd heb met alle middelen tot eeuwige duurzaamheid en veiligheid, zoodat het in de toekomst geen einde zal hebben.

quot;Wat van het begin in beelden omtrent mij

1 bestond en wat van mij geschreven is, heefteen einde; zie, de tijd is aangebroken, waarin de overtreding voltooid, de zonde ten einde zal zijn en het onregt uitgewist, en blijvende regtvaar-digheid zal worden aangebragt.

-ocr page 584-

548

Niets blijft te doen over, niets blijft er over te lijden; alles is volbragt. Nu sterf ik mei: een gerust Hart.

quot;Wijl hier, mijn kind, en merk op, waar ik alles volbragt heb, Zie, aan het kruis volhardende. Vestig daarop uwe oogen en doe naar het voorbeeld, wat u op den berg van Calvarie getoond is.

2. Als gij reeds de gewaarwordingen mijns Harten tot de uwe hebt gemaakt, dan zult gij niet wenschen te leven, niet wenschen te sterven, tenzij vastgehecht aan het kruis.

Want er is den menschen geen andere weg onder den hemel gegeven, om heilig en zalig te worden, dan de weg, dien ik bewandeld heb.

O indien gij bevroedet, hoe vele goederen gij voor het tegenwoordige en voor het toekomstig leven kunt verzamelen door met liefde aan het kruis gehecht te blijven, voorwaar, zoo als ik zoudt gij het nooit meer willen verlaten.

Veel veiliger, veel beter is het onder alle opzigten, aan het kruis te volharden uit liefde tot mij, dan uit eigen beweging u van het kruis te ontdoen!

Als gij den prijs en het loon der wederwaardigheden kendet, dan, mijn kind, zoudt gij dit leven veel te kort achten om te lijden, doch de eeuwigheid lang genoeg, om de belooning te genieten.

3. quot;Wilt hij in droefheden gemakkelijk volharden, denk dan niet over de jaren, noch over de maanden, ja zelfs niet aan de weken, welke zij duren kunnen; maar denk slechts aan den

ag van heden als ware hij de laatste, en als

-ocr page 585-

549

■ware daarna niets meer te lijden of te verdienen.

Zalig zij, die in liunne wederwaardigheden meer zorg aanwenden, om op mij te gelijken, dan wel, om zich van de wederwaardigheden te ontslaan. Zij zijn het, die zich in vereeniging met mij door de zuiverste liefde tot volkomenheid brengen.

Zie op liet voorbeeld der leerlingen, die met minachting van al wat het hunne was, mij zoo zuiver zochten, zoo brandden van verlangen zich aan mij gelijkvormig te maken, dat sommigen begeerig waren naar lijden of naar den dood; Milderen wederom wenschten niette sterven naar te lijden.

Zij achtten het niet genoeg te verdragen, wat de goddelijke Voorzienigheid over hen beschikte, maar door mijnen geest gedreven, namen zij ook vrijwillige versterving en arbeid op en werden zij aanhoudend aangespoord, zich door liefde in mij geheel te doen opgaan.

4. Onderzoek en beproef alles, mijn kind, toch moet gij ten laatste weder tot deze waarheid terugkomen, dat het geestelijk leven, het innerlijk leven bestaat in een volhardend offeren van de neiging en de weerzin der natuur uit liefde tot mij, om door mijnen Geest te leven.

Ziedaar uw werk, zoolang uw leven duurt. Want zoolang gij zult leven, zult gij mensch en dus geneigd zijn of overhellen tot het kwade, en niet anders dan door uw streven en door inspanning uwer krachten, met behulp der genade, zult gij het kwade en onvolmaakte vermijden en het goede en volmaakte kunnen doen.

-ocr page 586-

550

Alzoo edelmoedig èn der natuur weerstreven en de genade volgen uit liefde tot mij; dat is de geest der Heiligen.

5. Mijn kind, indien gij wol beseft, wat gij lijdt, dan zoudt gij geen andere kroon op deze wereld wensehen dan meerdere liefde tot mij, en meerdere genade, om des te volmaakter voor mij te lijden.

Uwe smarten zullen nooit zoo groot zijn, als de mijne waren, evenwel heb ik daarin volhard, totdat ik mijn leven eindigde, opdat gij leeren zoudt in de uwe te volharden, zoolang als het goddelijk welbehagen zulks mogt willen.

Schaam u, mijn kirid, omdat gij somtijds zoo onverstandig zijt er aan te denken, mij aan het kruis te verlaten.

Indien gij mij bemint om mij, dan zult gij u in geen geval van mij verwijderen. Doch als gij mij om u zeiven bemint, dan is het niet te verwonderen, dat gij bij de kwelling en langdurigheid der smarten naar dingen durft wensehen, die u aangenamer zijn.

Trouwens een huurling zorgt niet zoozeer voor zijn heer als wel voor zich zeiven, en bij het minste, wat er voorvalt, verlaat hij zijnen heer, wien hij zonder oogenblikkelijke winst met harden arbeid moet dienen.

Doch gij hebt niet den geest eens slaafschen huurlings ontvangen, maar een edeler geest, den geest des zoons, opdat gij ook zijn zoudt daar, waar ik ben.

Zie toe, mijn kind, dat gij van dien geest niet ontaardt; houd stand met mij, bereid om

-ocr page 587-

551

op die plaats te sterven, lie vei- dan van plaats te veranderen.

6. Wat zal het u baten, veel geleden te hebben om mijnentwille, als gij niet voltooit door de volharding?

Als gij mij tot dusverre in wederwaar digheden gevolgd zijt, verheug u dan mijn khid; doch herinner U tevens, dat niet hij, die begonnen maar wel die volhard heeft, zalig zal worden. Wel wordt den beginnenden eene prijs beloofd, doch alleen aan die volhard hebben, wordt zij gegeven.

Stel, om u tot volharding aan te prikkelen, u dikwerf die eeuwige belooning voor oogen, welke u te midden der heiligen wacht en die de wederwaardigheden van dezen tijd verre overtreft.

Bid veel, mijn kind, om den moed niet te verliezen, noch de kroon te missen, welke voor u bereid is. Zoolang gij namelijk goed bidt, zoolang zult gij ook goed volharden.

Eindelijk, mijn kind, zijt steeds mijn voorbeeld en mijner tegenwoordigheid indachtig, hernieuw dagelijks uw voornemen, en bevestig uw hart, om met mij te blijven. Zoo zult gij den eenen dag na den anderen doorloopen en eindelijk tot eene beslissende en zalige volharding geraken.

7. De leerling. O allerliefste Jesus! om de verdiensten van Uw Lijden, om de verdiensten van alle Heiligen, die getrouw aan U gehecht zijn, geef mij de genade met ü te volharden ten einde toe.

Ik verlang, o ja, en hoop ook met U aan het kruis te voleinden; doch ik weet en gevoel, dat mijne kracht daartoe niet toereikend is.

-ocr page 588-

552

Versterk mij derhalve en bemoedig mij, bid ik U. met uwe genade, die de Heiligen als daartoe voldoende hebben bevonden; opdat ik aan het kruis mij zeiven volmake tot een brandoffer van aangenamen geur voor U en tot eeuwige zaligheid mijner ziel.

VIJF EN TWINTIGSTE H OOFDSTUK.

dat jestjs, zijnen geest in de handen des vadees aanbevelend, ons leert, hoe

wij ons geheel aan hem moeten schenken.

1. jesus. Mijne kindertjes, nog een weinig tijds ben ik met u, totdat, na alles reeds vol-bragt te hebben, ook de liefde mijns Harten tot voltooijng worde gebragt.

Zie mijn kind, niets blijft mij over dan mijn Geest; al liet overige heeft mijn Hart, niet slechts wat gehechtheid betreft, maar ook met de daad als een brandoffer opgedragen.

Ofschoon mijne ziel ook altijd in de hand mijns Yaders, en Hem van den beginne vrijwillig w as toegewijd, offer ik haar, geef ik haar evenwel nu over, om de overmate der liefde mijns Harten te voltooijen. Niemand ontneemt mij haar, maar ik leg haar af uit mij zeiven.

In deze voltooijing echter van de overmate der liefde spreekt mijn Hart, voor dat het den geest geeft, nog de laatste woorden.

Opdat gij echter begrijpen zoudt van hoeveel

-ocr page 589-

553

gewigt zij zijn, zeg ik niet zuchtende, neen roepend met magtige stem: „Vader, in uwe handen beveel ik mijnen geest.quot;

Dit is het hoogste toppunt mijner nederigheid en liefde, dat men in dit leven niet kan overtreffen en waarin ik stierf.

Zie, in het hoogste toppunt van allerhande smarten, werp ik mij geheel en volkomen in de armen mijns Vaders.

Ik bid nu niet meer tot den Vader: „Niet mijn, maar uw wil geschiede.quot; Neen, want mijn wil is de mijne niet meer, maar die des Vaders in wiens handen ik hem heb overgegeven.

2. Mijn kind, vang deze laatste woorden van uwen zaligmaker stervend, uit liefde voor u, met bijzondere genegenheid op, en bewaar ze in uw hart, en overweeg ze met godsvrucht.

Want van alles, wat ik u tot dusverre over het inwendig leven, over de deugd, over de heiligheid geleerd heb, bevatten zij den beknop-ten inhoud en de voltooijing.

Hierin liggen de kostbaarste en nuttigste geheimen voor u opgesloten. Onderzoek ze mijn kind; benut ze; tracht ze ijverig vooral met de daad in beoefening te brengen.

Derhalve mijn kind, zooals ik mijnen Geest in de handen des Vaders aanbeval, beveel ook gij zoo uwen geest in mijne handen.

Als gij dat gedaan zult hebben, zie, dan zult gij volkomen ophouden door uwen geest te leven, en gij zult beginnen zoo te leven door mijnen Geest, dat uw hart, uw verstand, en ai uwe vermogens niet anders dan mijnen Geest ademen.

-ocr page 590-

554

Dan zal uw w il niet meer de uwe zijn, maar overgegeven in mijnen goddelijken wil, zal Hij in zekeren zin één zijn met den mijne.

3. Zie, mijn kind, dat de hoogste trap van heiligheid in een volmaakt deugdsleven, waarop de ziel met heilige onverschilligheid jegens alles uit eigen beweging niet meer wil, maar toelaat, dat ik wille en beschikke en handele jegens haar en met alles, zooals het mij zal goeddunken, terwijl zij zelve met mijnen wil en al mijne beschikkingen instemmend, altijd en overal naar mij gevormd en met mij vereenigd is.

Zalig de ziel, die zoover komt! Zij berust in alles in mij: boven alle gevoel, boven alle deugd, boven alle zaligheid, boven alle goed.

lu zulk eene ziel regel ik de zuiverheid der liefde en ik vervoer haar door liefde mijns Harten zoozeer, dat zij boven al het zigtbare en onzigtbare geheel en al aan mij en ik aan haar toebehoor.

Als gij zoo u zeiven geheel en al aan het goddelijk welbehagen zult hebben overgegeven, dan zult gij op de volmaaktst mogelijke wijze vrij zijn van alle ij dele vrees of ongeregelde droefgeestigheid van alle begeerten of wenschen, die louter natuurlijk zijn, eindelijk van alle over-drevene zorg en onrust.

Dan zult gij, u zeiven en uwen toestand als het ware vergetend, het als uw vreugde beschouwen mij vreugde te verschaffen door mijnen wil te volbrengen. Als mijn Hart maar tevreden is, dan zal ook het uwe tevreden zijn, zonder

-ocr page 591-

555

bekommering, of dit der natuur aangenaam of onaangenaam is.

4. Alle anderen hebben in deze beknopte zamenvatting aller deugden uitgemunt: het goddelijk welbehagen achtten zij van zooveel belang, beminden zij zoozeer, dat zij zich zeiven op zekere wijze vergetend, dit boven alles stelden.

Volg de Heiligen na, mijn kind, indien gij een Heilige zijn wilt of indien gij mot de Heiligen verlangt te heerschen.

Dit leven volgens het goddelijk welbehagen, is de beeldtenis van het hemelscii leven. Want door hetzelfde goddelijk welbehagen volmaakt tevreden, een ieder in zijne zaligheid, zijn alle hemelingen zalig.

Meem deze gelijkvormigheid aan den godde-lijken wil weg, en zie het inwendig leven zal begoocheling zijn, en de weg tot heerlijkheid zal niet meer bestaan.

5. Als gij in allo dingen met mij het zelfde zult willen en hot zelfde niet willen, zoowel in het groote als in het kleine, in het geestelijke zoowel als in het tijdelijke, in voorspoed zoowel als in tegenspoed, in ieven eindelijk en in sterven, verheug en verblijd u dan, mijn kind, want dan zijt gij een leerling geworden volgons mijn Hart.

Dan zult gij niet meer slechts offeren, niet slechts u zeiven en het uwe aan mij onderwerpen, opdat ik hot gebruike, maar meer nog, gij zult veroorloven, neen willen, dat ik over u en over al wat gij zijt en bezit, beschikke, overeenkomstig mijn welbehagen.

-ocr page 592-

556

Geef dus, mijn kind, en laat u zeiven enalhet uwe aan mij over; en volhard in deze overgave, in dit overlaten van u zeiven aan den wil en het welbehagen mijns Harten, getrouw tot in den dood.

Houd u overtuigd, dat gij zoo met mij gestorven zijnde, ook met mij zult leven en met de Heiligen zult heerschen in het eeuwig leven.

6. De i.eerlixö. O Heer Jesus, hoe verheven is de heiligheid uws Harten! Nogtans wijl G ij zoo dringend daartoe uitgenoodigt, en zoo lieflijk oproept, zoo moet ik daarnaar met kloekmoedigheid streven en iets edelmoedigs ondernemen.

Gesteund derhalve door de kracht uwer genade en bezield door uw voorbeeld, beveel ik mijnen geest in uwe handen aan; U geef ik mijnen geest terug, om niet anders dan in uwen Geest televen; aan U geef ik mijnen wil over, om door niets anders bewogen te worden, niet me( r te handelen, te lijden en te sterven dan volgens uwen wil.

Zie, ik hen geheel de uwe: neem mij aan en beschik over mij altoos en overal, volgens het welbehagen uws Harten.

Moge ik eindelijk een volmaakt leerling van uw Hart worden, door de volmaakte gelijkvormigheid en vereeniging met U.

-ocr page 593-

557

ZES EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

het geopend hart van den uit liefde voos ons gestorven jesus, is het toevlugts-öord en de troost van allen.

1. De leerling. Zie Jesus stervend aan het kruis! O schouwspel! O God, zie uwen Zoon! O Maria, zie uwen Jesus! O Engelen, ziet en weent!

O schouwspel, zooals er nooit werd geleverd en nimmer meer zijn zal! Ja zie: terwijl de Schepper den geest geeft, wordt al het geschapene bewogen, alles treurt. Geroerd wordt de Hemel en bergt vol rouwe zijn licht, en hult al wat bestaat in duisternis.

De aarde treurt en siddert tot in hare grondvesten, schudt en splijt haar bergen en rotsen van een.

De godsdienst weeklaagt en scheurt als het ware haar kleed ten teeken van rouw, nu het voorhangsel des Tempels van boven tot beneden wordt stuk gereten.

Zelfs de dood wordt getroffen en, als treurde hij over betgeen hij zelf bestond, veroorlooft hij den dooden, op te staan uit hunne graven. Want zie, de graven worden geopend en vele ligchamen verrijzen.

Geheel de natuur is geschokt, geheel de wereld schreit om Jesus, stervend aan het kruis tus-schen hemel en aarde.

O schouwspel! Jesus, de Zoon van God, is

-ocr page 594-

558

gestorven in martelingen uit liefde tot ons! O eeuwig gedenkteeken der liefde van Jesus Harte!

2. Doch zie, een der soldaten opent met eene lans zijne Zijde, en terstond stroomt er bloed en water uit. Nieuw lietdewonder; veelvoudig geheim!

Het Hart van Jesus wordt geopend, opdat daaruit zijn eene, volmaakte, maagdelijke Bruid, de heilige Kerk gevormd worde.

Het bloed en het water stroomen. Het Bloed, dat vrijkoopt; het water, dat de zielen zuivert. Het water vloeit, opdat de mensehen door het bad des Doopsels in de Kerk herboren worden ; het Bloed vloeit, opdat zij door de vrucht des Harten, namelijk het allerheiligst Sacrament, in de kerk tot volmaaktheid worden gebragt.

Jesus wilde daarenboven nog zijn Hart doen openen, om ons te toonen, dat hij ook na het einde zijns levens nog niet ophoudt ons lief te hebben; en om ons de zekerheid te geven, dat zijn Hart ook na zijn dood, brandt van liefde tot ons.

Eindelijk, hij wilde het geopend hebben, opdat wij in zijn, Hart een blijvende schuilplaats, troost en al wat ons noodig en nuttig is, zouden bezitten.

Neen, niet slechts verwond, maar geopend wilde hij zijn Hart hebben en het geopend houden, opdat er steeds een toegang zoude zijn, opdat er steeds eene deur ontsloten zoude zijn, waardoor de binnentredende, behouden zou blijven; en daar zal men in en uitgaan, en voedsel vinden ten eeuwigen leven.

3. Zie dan, door de opening der Zijde ligt de geheimzinnige woning des Harten open; blijkt

-ocr page 595-

559

dat groot liefdegeheim, treden de gevoelens van ontferming van onzen God aan het licht, in welke gevoelens hij ons, uit den hoogen nederdalend, bezocht heeft.

De wonde zijns Harten is zigtbaar, daardoor wordt de onzigtbare wonde der liefde duidelijk, welke Jesus eeuwig wil behouden, niet slechts als een toevlugtsoord voor de stervelingen, maar ook als een paradijs voor de zaligen.

Om deze reden dus, opdat uit deze bron des Verlossers de menschen op aarde met blijdschap zouden putten de levende wateren van genade en van alle gunsten; en de Engelen en Heiligen in den Hemel al juichende de stroomen zouden afleiden van blijvende bewondering, van lofprijzing en dankbetuiging en van eeuwige liefde.

4. O mijn ziel! hef uwe oogen op tot Jesus; beschouw uwen Beminde; zie dat Hart verwond door liefde, door liefde geopend.

Zie, die geopende Zijde vertoont de genegenheid des Harten; de wonde bewijst, hoezeer dat Hart u liefheeft.

Geheel het uiterlijk toont u, dat Jesus waarlijk zachtmoedig en nederig van harte is, Jesus uw Beminde boven allen.

Zie het Hart van uwen Jesus staat open: het staat open, opdat gij nader , treden en daarbinnen zoudet gaan, opdat gij uw hart aan Hem zoudt schenken en overgeven.

5. Zie, welk een onuitputtelijke diepte van goedheid; wie zal haar peilen ? Wie de laagte en wijdte er van bevatten ? Noch de mensch, noch een Engel zal ooit hare grenzen te weten komen.

-ocr page 596-

560

Wie dan, die ongelukkig is, zal vreezen tot zulk een Hart te naderen, van Hem, die uit liefde tot ongelukkigen gestorven is, ja meer, zijn Hart zelfs geopend houdt, opdat voor alle ongelukkigen de toegang vrij zou staan!

Schouw in het Hart van den voor u gestorven Jesus on zijne klaarblijkelijke liefde, welke sterker is dan de dood, levendiger dan het leven, welke geheel zoetheid is, zal de vrees doen verdwijnen, het wantrouwen verjagen, de angstvalligheid doen vlugten, het geloof opwekken, de hoop versterken, de liefde ontsteken: en gij zelf zult u nederdompelen in eene zte van goedheid.

Als gij ooit de liefde van Jesus uit het geheugen verliest, of aan zijne genegenheid twijfelt, wend u dan tot Hem zeiven en let op: het doorboorde Hart zal roepen, hoe Hij bemint, hoe zeer Hij u lief heeft; maar het zal ook eischen, dat gij wedermint, dat gij Hem daarvoor wat wedergeeft.

Wordt gij beangstigd, wordt gij gekweld, haast u snel tot deze bron van alle genaden, tot de fontein van alle vertroosting.

Jagen uwe ongetrouwheden u vreeze aan, uw vertrouwen en uw moed zullen opgewekt worden door de voorkomende goedheid van Jesus Harte, welke zich in zijn gebogen hoofd, in zijne uitge-gesterkte armen, in dien boezem, hijgende van liefde voor u, als in zoo vele zinnebeelden uitspreekt. In elk gevaar, in elke moeijelijkheid, werp u met vertrouwen aan Jesus Harte; stort al uwe angsten daarin over, want Hij zelf zal zorg voor u dragen.

ei fi h

b d d

t( a d li

si s; t J k

d

0

1

ii h

V d

V

a l ii i

-ocr page 597-

561

En hebt gij iets goeds vorrigt, hebt gij u eenige verdiensten verworven, berg alles in het Hart van Jesus waar liet veilig is, opdat dit heilig Hart het met zijne deugd heilige en het behoede voor de roofzuchtige ijdele glorie en voor den roest der eigenliefde, en het beware tot den beslissenden dag der vergelding.

6. O kostbaarste, o zoete Wonde des Harten van mijnen Jesus, beminnenswaardig boven allo eereteekenen, gezocht verblijf boven elk andere woning! uit U moge ik slechts een teug van liefde nemen en terstond vergeet ik allen tegenspoed, walgt mij de wereld en het aardsche, smaakt mij het geestelijke en liet henielsche, terstond heb ik geen andere zorg meer dan om Jesus, die gewond is uit liefde tot mij, te kennen en te beminnen.

O zoete Jesus! trek mij tot U: trek mij door de wonde uwer Zijde tot uw goddelijk Hart, opdat ik niet meer in mij maar in U leve, in uw Hart ieve, de zalige woonplaats aller Heiligen.

Maak, bid ik U, maak dat mijn hart volkomen met U vereenigd en omtrent alles met U van hetzelfde gevoelen, voortdurend gesloten blijve voor uwe vijanden, dat het gestorven zij voor de wereld en voor mij zeiven, altijd geopend voor U, naar U alleen verlangend, U boven alles beminnend. O Jesus, Beminde mijner ziel! bewaar mij voor eeuwig in uw Hart, dat zoeter is dan alle zoetheid, waarin alles is, wat ik voor mijn waar geluk verlang.

36

-ocr page 598-

G11) S

TEN GELEIDE IN HET TIERDE BOEK.

1. Het doel van het vierde bock is, de zUl met God, haren Zaligmaker, te vereenigon. Dat geschiedt echter door de goddelijke lie'de. Welnu, geheel dit boek handelt over de goddelijke liefde, over hare oorzaken en gevolgen en over hare wijze. Als men deze in hare bron zelve nagaat, als men ze beschouwt in het Hart van Jesus zelf, dat bemint, om ons tot wederlietdo te bewegen, dat brandt, opdat wij ons met Hem vereenigen zouden, dan, liet kan niet anders, moeten onze harten vervoerd worden en ten eenemale geheel versmelten, om met Hem in zekeren zin tot één geheel zamen te vloeijen.

2. Dit leven der goddelijke vereeniging, dat-het volmaakste en gelukkigste deel van het innerlijk leven uitmaakt, moet men niet opvatten in dien zin, als of de zielen, die dit leven leiden zich aan geen enkele oefening, tot het leven der zui-rering of der verplichting behoorend, meer hadden te onderwerpen. De oefeningen toch dier drie levenstrappen worden hier op aarde nimmer geheel van elkander gescheiden. Zoo lang gij leeft

-ocr page 599-

welke trap van goddelijke vereoiiiging g-ij ook bereikt liebt, zult gij steeds iets te doen lioblien om uw hart meer te zuiveren of om het zuiver te houden, steeds zult gij, hetzij in uwe daden, hetzij in uw Ijjdon, de deugd to beoefenen hebben.

Gij moet dit leven echter verstaan in dezen zin, dat de ziel na wel gezuiverd en genoeg versierd te zijn met do ware en degelijke deugden, door edelmoedige daden van verloochening verworven, met Jesus haren God, op do innigste wijze leeft; in een heilige, wederzijdsehe, onuir-sprekelijko gemeenzaamheid met Hem het zelfde smakend, het zelfde willend, het zelfde niet willend, intusschen voor 't meerendeel bezig zij met die oefeningen en handelingen, welke deze vereeniging aankweeken en bevestigen, ofschoon het laatste meer uit liefde dan om eenige andere beweegreden doende, wat met de inwendige zuivering 01 met de beoefening van deugden in betrekking staat. Desgelijks zegt men, dat de zielen, die naar inwendigo zuivering streven of die zich vooral op het verkrijgen van ware en hechte deugd toeleggen, het leven der zuivering of der verlichting leiden, naar gelang zij zich in het algemeen op den eersten of op den laatsten levensweg bezig houden, hetzij dan dat zij te gelijkertijd verschillende oefeningen ondernemen, welke eigenlijk tot een ander gedeelte van het inwendig leven behooren.

En hierop moet men met zorg letten, opdat niemand in begoocheling vervalle, welke hier vooral gewoonlijk is. Derhalve moet geen sterveling, tenzij hij bedrogen of in gevaar gebragt

-ocr page 600-

564

wil zijn, ooit meenen, dat hij wijders niets meer to arbeiden, niets meer te doen heoft. Voor alles echter geloove niemand ooit, dat hij in dit leven niets meer te vreeyen heeft, dat hij zich vrijelijk in gevaren begeven kan onder dit of onder oen gelijkluidend voorwendsel; dat geen schepsel ter wereld hem meer aandoet, dat hij niets zoekt of verlangt dan God alleen; door welke begoocheling zelfs uitstekende personen, die met don naam van heiligen, ja met den roem van liet martelaarschap als sterren aan den hemel schitterden,, jammerlijk in een afgrond zijn neergestort. Uit dio zelfde bron van vermetelheid komen ook andere begoochelingen voort, als: het venvaarloozen van zijne pligten en van andere koureekenen van den wil Gods, om do rust er van te nomen in do zoetheid van Gods gaven; of ook in plaats van den Heer zelyen, meer zijne gaven te zoeken en daarnaar buiter mate te verlangen.

3. Dienstvolgens moet gij, eenmaal u op dezen trap bevindende, alles doen strekken om steeds meer en moor Jesus uwen God en Zaligmaker te beminnen en u met Hem door de zuiverste liefde op de innigste wijze te vereenigen. Deze liefde wordt verkregen eensdeels door de overweging van zijne ontelbare weldaden, van de onuitsprekelijke daden der liefde zijns Harten, van zijne verbazende en zoetste belofte, in een woord van alle goeds, wat Hij u voor tijd en eeuwigheid bereidt: ten andere door de beschouwing van zijne beminnelijkste en oneindige volmaaktheden, waardoor Hij alleen vóór alles do

-ocr page 601-

hoogst mogelijke liefde verdient, eindelijk door het gebed, door het ligohamelijk of geestelijk bezoek van het allerheiligst Sacrament, door bij de heilige Communie godvruchtig en vurig met Hem te spreken.

4. Do wijze om dit boek te gebruiken, kan eene zijn der vier, die voor het eerste en tweede boek zijn opgegeven. Uit het daar gezegde echter volgt, dat een ieder hier die wijze, welke hij voor den toestand zijner ziel, cn voor de zaken, die hier behandeld worden, nuttiger meent, zoo aanwende, dat hij het doel van dit boek bereike.

Gij moet er echter wel ijverig op letten, dat zoo ergens, dan vooral op dezen trap van het innerlijk leven, het ongeoorloofd is, zoo bepaald aan eene wijze of regel gehecht te zijn, dat gij u niet meer wilt laten leiden door de genade, door den Geost Gods, die dikwerf vooral in die zielen, welke, gezuiverd en verlicht, zich geheel met God trachten te vereenigen, gewoonlijk alle wijzen en regels ter zijde laat, bijna alle redeneringen te boven gaat, het hart vervoert, het opneemt in een bewonderenswaardig licht en op onuitsprekelijke wijze aandoet.

De gevoelens, waaraan gij u overgeven moet, de oefeningen, welke gij hier behoort te verwekken, zijn voornamelijk:

Van dankbaarheid of dankzegging voor de giften en genaden aan u en anderen geschonken; ja ook voor de glorie, voor de zaligheid en volmaaktheid van God onzen Heer, zoo als de Kerk ons door haar voorbeeld leert, als zij zegt; Dank zeggen wij U, voor uwe groote glorie.

-ocr page 602-

566

Van vreugde over de barmhartigheid en liefde jegens u en de overige schepselen; over de volmaaktheden, die God in zich zeiven bezit, over zijne eer, zijn geluk en vreugde.

Van vertrouwen in de goedigheid zijns Hai ten, op zijne zorg, op zijne Voorzienigheid.

Van bewondering der grootte en menigte van weldaden aan u en anderen geschonken, en dei-werken zijner goddelijke liefde en zijner einde-looze volmaaktheden.

Van lof, hetzij alleen of vereenigd met de Kerk; hetzij alle schepselen uitnoodigend of met de Heiligen en Engelen des hemels zamenstem-mend, om zijne wonieren te verheffen.

Van ijver voor zijne eer en glorie en voor het heil en de volmaaktheid der zielen in zijn belang.

Van nederigheid, u in het geheugen roepend en erkennend uwe onwaardigheid; en de edelmoedigheid daarentegen van God, dewijl Hij de schatten zijns Harten over u uitstort.

Van kinderlijke liefde, welke u een heilige vreeze instort, om den Heer te belecdigen; en waardoor gij met liefde de misstappen betreurt, waarmede gij of anderen zijn Hart bedroefd hebt.

Van zuivere liefde, waardoor gij u zeiven en al het uwe aan Hem schenkt, overgeeft en ten offer brengt, waardoor gij u in alle dingen aan zijnen wil en aan zijn welbehagen gelijkvormig maakt; waardoor gij ten laatste leeft één met Hem door de volmaaktste vereeniging.

Doch deze en dergelijke oefeningen moeten, 200 elders, dan voornamelijk hier zóó verrigt worden, dat, zoo lang gij u met de eeno kunt

-ocr page 603-

567

bezig Louden, gij volstrekt niet overgaat tot eene andere, maar Yoortgaat, u kalm en godvruchtig daarmede onledig te houden, totdat de tijd des gebeds verstreken is, of totdat do Geest der genade u tot iets anders leidt; indien gij echter met godsvrucht en kalmte uw best doet, in eene oefening of in een gevoel bezig te blijven en b peurt, dit niet langer te kunnen, ga dan over tot een ander, naarmate do behoefte uwer ziel, uwe godsvrucht of de Geest der genade het u ingeeft.

Eindelijk, laat u vrij door den Geest des Hoeren geleidon tot alle goeds, hetzij om daaraan uwe overweging of uwe beschouwing te wijden; hetzij uinliefdegovoelensmet Hem bezig te houden, hetzij in zijne tegenwoordigheid rustig neer te zitten; hetzij tot Hem te spreken ot naar Hem t3 luisteren; hetzij te vragen of te geven. Span u ook niet in, met do daad bewust te blijven van al hetgeen gij tijdens het gebed ver-rigt.

5. Dewijl de regels, ter onderscheiding der geesten, voor dezen graad des innerlijkenlevens eigenlijk geldend, zeer moeijelijk zijn, moet men ze ijverig aanleercn en wel begrijpen, om ze met vrucht te kunnen toepassen. De Heiligen geven ons de volgende regels:

• Eerste Keüel. Er is een tweevoudige ver-eeniging met God en daarenboven een voltooi-jing dier vereeniging. Die vereeni^ng wordt ten eerste werkdadig; zij wordt ten tweede lijdelijk genoemd.

Do werkdadige vereeniging bestaat in de vol-

-ocr page 604-

5ö8

maakte gelijkvormigheid van onzen wil met den wil van God. Deze is de geheele volmaaktheid der goddelijke liefde. Door deze vereeniging worden de gewaarwordingen van Jesus Harte, onze gewaarwordingen, wordt de Geest van Jesus, onze geest, Jesus leven ons leven. Zoo op beminnelijke wijze met Jesus vereenigd, genieten wij Hem in vreugde en zijn wij waarlijk gelukkig.

Doch de lijdelijke vereeniging bestaat hierin, dat wegens den overvloed van licht en ingestorte liefde, de werking der vermogens geschorst wordt, zoodat het geheugen zich niet meer herinnert, de geest niet meer denkt, de wil niet mcrr bemint dan God den Heer, terwijl de ziel niet zoo door het goddelijk voorwerp is verslonden, dat zij dezen toestand van magteloosheid niet bespeurt. Deze vereeniging, zoo rijk aan wondervolle en zoete geneugten is telkens kort en duurt gewoonlijk niet langer dan een uur. Daarom moet do ziel bij tusschenpoozen zich door de werkdadige vereeniging bezig houden en daarmede tevreden zijn.

Tot deze werkdadige vereeniging kan een ieder geraken door de getrouwheid aan de genade, die hem wordt geschonken; doch tot de lijdelijke vereeniging kan geone menschelijke zorg maar alleen Gods goedheid de ziel verheffen.

Devoltooijingder goddelijke vereeniging bestaat hierin, daj de ziel, welke niet God vereenigd is, op zekere wijze zoozeer in het goddelijk voorwerp der liefde wordt hervormd dat zij zonder schorsing of verhindering der vermogens in hunne werkingen, zelve als uit gewoonte, kalm en zoet

-ocr page 605-

569

den Heer geniet, geheel als het ware in God op wondere en lieflijke wijze verslonden en niettemin zeer goed geschikt blijft, zoowel om te handelen als om te beschouwen.

Tweede Eegel. Veiliger is het te verlangen en te streven naar de werkdadige vereeniging dan wel naar de lijdelijke vereeniging, of naaide gunsten, die in de lijdelijke vereeniging worden geschonken, als daar zijn: gezigten, openharingen en soortgelijke mededeelingen. Hot kan gebeuren, dat de zielen, welke in werkdadige vereeniging leven, veel meer verdienste hebben dan zij, die met de Ijjdelijkc vereeniging begunstigd worden, omdat zij namelijk grootereen edelmoediger dingen voor God doen of verdragen en tevreden zijn bij het gemis, wijl God het wil, van die vertroostingen, welke anderen hier in liet leven smaken, doch aan haar in meerder overvloed zullen worden geschonken in liet ander leven.

Derde Regel. De ziel moet, om zich op te wekken en aan te sporen, iets groots en krachtigs voor God te doen en te lijden, erkennen en belijden, dat zij van God vele en groote genaden heeft ontvangen en nog ontvangt, niet om zich beter te wanen dan anderen, maar om met edelmoedigheid en volmaaktheid Hem te'dienen. Derhalve moet gij als komende van den kwaden en niet van den goeden geest', verwerpen elke gedachte, elke beweging, die haar tot klagten over hare ellende, neerslagtigheid des harten, tot angstvalligheid, onder welk voorwendsel ook, aanspoort.

-ocr page 606-

570

Vierde Eegel. Welkdauige uitwerkselen der goddelijke goedheid de ziel ook hebbe genoten, hoe innig zij ook vereenigd zij met God, en hoezeer zij ook het toppunt van alle goeds hebbe bereikt, steeds moet zij zich herinneren, dat zij nog kan zondigen, dat zij nog verloren kan gaan, als zij den Heer niet getrouw blijft. Diens-volgens moet zij, naarmate de genade, haar geschonken, veelvuldige!1 en grooter was, ook altijd des te nederiger zijn en God met meerder zuiverheid, beminnen. Vandaar als zij wordt aangespoord, op de langdurigheid van haar deugdzaam leven, of op de standvastigheid harer goede voornemens, of' op de hechtheid harer deugd te vertrouwen en zich aan gevaren bloot te stellen, dan wete zij, d it de kwade en niet de goede geest haar aanspoort.

Vijfde Eegel. Wat ons verwijdert of aftrekt van het katholiek geloof, zooals zekere inspra-k ■! en msdedeelingen, moeten wij met allen ijver on zorg als voortkomend van den boozen geest verwerpen. Doch met nederige dankbaarheid moeten wij als vruchten van den goeden Geest aannemen, alles, wat met het katholiek geloof overeenstemt en dienstig is, om de ziel met God den Heer te vereenigen; ja dit mogen wij ook met nederigheid en onderwerping vragen met het doel namelijk, om onze ziel in de liefde des Heercn en in volmaaktere vereeniging te doen toenemen.

Zesde Eegel. quot;Wanneer de ziel bespeurt, dat zij door do ontvangene mededeelingen meer en moer sterft aan zich zelve, door grootere begeerte

-ocr page 607-

571

naar volmaaktheid bezield wordt en voortgang maakt in de goddelijke liefde, dan is dit een teeken, dat zij van den goeden geest komen. Doch als de ziel ontwaart, dat zij door die me-dedeelingen meer geneigd wordt der bedorvene natuur bevrediging te verschaffen, of dat zij den honger en den dorst naar hoogere volmaaktheid verliest, of dat zij met eene zekere stijfhoofdigheid die mededeelingen wil verdedigen, of ze als waarlijk goddelijke mededeelingen wil beschouwen, schoon ook haar bestierder dit niet gelooft of het betwijfelt, dan is dit een teeken, dat zij van den kwaden geest komen.

Zevende Reoel. De ziel verlange niet naar gezigten of openbaringen, en geenszins stelle zij daarin de volmaaktheid of de heiligheid. Zij herinnere zich, dat velen daardoor misleid en aan het grootste gevaar werden prijs gegeven. Als zij de begeerte daarnaar in zich bespeurt, dan moet zij als ontwijfelbaar zeker houden, dat die begeerte door den boozen geest ingegeven en opgewekt is, en haar verdrijven en onderdrukken.

Achtste Regel. Hoe vuriger dergeljjke buitengewone dingen begeerd worden, des te groo-ter gevaar bestaat er, dat de ziel bedrogen en afgeleid worde van den waren weg der heiligheid, welken Jesus, de zachtmoedige en nederige van Harte, heeft aangetoond en welken de Heiligen bewandelen.

H. Ignatius. H. Alphönsus. Eerw. Margaretha Maria.

-ocr page 608-

VIERDE BOEK

Nuttige vermaningen, om zich met het zaligst Hart van Jesus te vereenigen.

EERSTE HOOFDSTUK.

het allerheiligst sacrament des altaars is eene vinding der liefde yan jesus allerheiligst hart.

1. Jesus. Ik ben dood geweest, mijn kind, en zie, ik ben levend in de eeuwen der eeuwen.

Ik was van den Vader uitgegaan en in de wereid gekomen; eindelijk heb ik de wereld verlaten, om tot den Vader weder te keeren.

De liefde mijns Harten evenwel veroorloofde niet, gedoogde het niet, dat ik als weezen zoude achterlaten hen, wie ik meer beminde dan mijn leven.

De liefde tot den Vader noodigde en riep mij heen te gaan en Hem te verheerlijken met die heerlijkheid, welke ik bij Hem bezat, voor dat de wereld bestond.

Doch ook de liefde tot demenschen noodigde

-ocr page 609-

573

en drong mij niet hen te blijven, en hun in allen kommer des levens tot troost te verstrekken.

Welnu, /Ae dan mijn Hart heeft een middel gevonden, om èn mijne liefde tot den Vader èn mijne lietde tot do menschen te voldoen.

't Is een gelieim, mijn kind, dat ik ten hemel klim en nederzit aan de regterhand mijns Vaders, en met u blijf tot aan de voleinding der eeuwen.

Een geheim, waarvan niemand der schepselen zich ooit een denkbeeld zoude gevormd hebben, zoo niet ik het uit mijn Hart hadde genomen; een geheim, dat geheel de geschapen natuur te boven gaat; een geheim eindelijk, dat het vermogen van al het eindige overtreft.

Er zijn dus verbazende wonderen uoodig, die Grods almagt alleen vermag te wrochten. Doch de liefde zegeviert: de liefde, die in het goddelijk Hart het plan vond, vond ook daarin de magt dit plan ton uitvoer te brengen.

Voor mijn Hart, indien het wil, is alles mogelijk, alles gemakkelijk, zijn willen is kunnen en doen.

2. Dewijl echter de stervelingen het gezigt mijner glorievolle Majesteit niet konden verdragen, noch de wereld in staat is in den glans van zulke heerlijkheid voort te bestaan; moest ik hunne zwakheid in aanmerking nemen, opdat door de schittering mijner grootheid do menschen niet sidderende werden terug gestoten. Ik moest derhalve mijne glanzende glorie verbergen en niets openbaren, wat hen konde doen vreezen.

Vervolgens mijn kind, wijl gij hier geen blijvende woonplaats hebt, maar eene toekomstige

-ocr page 610-

?.74

woning zoekt, was het dienstig voor n, dat ik onder eene andere gedaante bij u bleef, opdat gij niet vergetend een pelgrim op aarde te zijn. u hier geen tenten zoudt opslaan of u aan liet tegenwoordige zondet heebten, maar, uwe ballingschap indachtig, naar het vaderland zoudt haken, waar gij mijne glorie met een ontsluijerd gelaat zult kunnen aanschouwen.

Daarenboven, wijl dit leven kovt is en daarna geon tijd om verdiensten te verzamelen meer overblijft, is het goed en zeer nuttig voor u, dat ik mijn aanschijn achter een sluier verbergt opdat er alzoo grooter ruimte blijve voor het geloof en ook meerder gelegenheid, om andere deugden te beoefenen.

3. En dewijl het wegens zoo vele redenen dienstig was, dat ik voortaan op aarde met de menschen bleef onder eene andere gedaante r moest ik uit dio ontelbare gedaanten, die mogelijk waren, er eene kiezen, die hot meest met de liefde mijns Harten strookt en voor den mensch het voordeeligst is.

Vervolgens, mijn kind, dewijl ik onder de menschen ben gekomen, opdat zij het geestelijk leven zouden hebben, en met hen blijf, opdat zij het in meerder overvloed zouden bezitten; en dewijl het geestelijk leven onder alle opzigten gelijkt op het leven des ligchaams, dat door natuurlijk voedsel onderhouden en gesterkt wordt; daarom is er voor hen eene bovennatuurlijke spijze noo-dig, waardoor het geestelijk leven onderhouden wordt, in duurzaamheid toeneemt, en meer en meer aan krachten wint.

-ocr page 611-

Het was derhalve gepast, dat ik onder de gedaante van voedsel op aarde bleef, wijl ik niet slechts het brood des levens maar het leven zelf ben. In welk een hooger overvloed zal de getrouwe ziel het leven bezitten; als zjj met het leven zelf gevoed wordt?

Daarenboven, mijn kind, is mijn Hart de liefde zelve; doch de liefde is eene gave van zich zelve, die niet tevreden is dan na zich aan het beminde voorwerp geschonken en daarmede vereen igd te hebben.

Doch op het gebied van het natuurlijk leven wordt niets zoo nauw vereenigd als het voedsel met hem, die gevoed wordt; en zoo wordt op gelijke wijze in het geestelijk leven, door het geschenk mijner liefde, de hoogste en innigste vereeniging tusschen do ziel en mij tot stand gebragt.

Dit is de goddelijke en heilige vereeniging, waarmede ik elke ziel kan gelukkig maken: een werk namelijk van grenzelooze liefde.

Ten laatste, verkoos ik onder den vorm van gastmaal op aai'de te blijven, welke het grootste teeken van vriendschap is, opdat de geloovigen ook op aarde reeds zich verblijden zouden in de bovenaardsche vereeniging, welke de Zaligen in den hemel genieten, en opdat zij zich vol vreugde het eeuwig geluk zouden herinneren, waarin ik u een rijk voorbereid, om te eten en te drinken aan mijne tafel en waar ik omgord heen en weder zal gaan om u te bedienen.

Dit zal de eeuwige en volmaakt zalige vereeniging zijn, het Pascha der eeuwige vreugde.

-ocr page 612-

57G

de wijn dor eeuwige liefde, dien ik mot u, steeds onder do nieuwere geneugten zal drinken in het rijk mijns Vaders.

4. Om ecliter den mensch voor zulke groote geheimen langzaam voor te bereiden, heb ik dit in de oude Wotop velerlei wijze willen voorafbeelden.

'^en beeld daarvan was de vrucht van den boom des levens, welke midden in het paradijs was geplaatst, door welke spijs de onschuldige menschen gevoed zouden worden, toenemen zouden in levenskracht, bewaard zouden blijven voor don dood. en verzekerd zouden zijn van de onsterfelijkheid.

Een beeld daarvan was het otter van brood en wijn opgedragen door Melchisedech, die priester en koning tevens was; priester namelijk van den Allerhoogste, en koning van Salem, dat is, koning van den vrede.

Een beeld daarvan, was het Paaschlam, het lam zonder vlek, dat geotterd en gegeten werd; dat niet ruw, niet gekookt maar door het vuur bereid, moest gegeten worden; die het aten, moesten de lenden omgord, de voeten geschoeid, en stokken in hunne hand hebben, geheel ter reize gereed zijn.

Een beeld daarvan was het Manna in de woestijn, dat dagelijks van den hemel nederviel, dat geheel zoet was van smaak, dat het brood der Engelen genoemd werd, waarvan eindelijk hij, die boven de gewone maat inzamelde, niet meer bezat, dan hij die minder dan een ander vergaderde.

Een beeld daarvan was de arke des Verbonds, boven welke de goddelijke Majesteit tusschen

-ocr page 613-

Cherubs vereerd werd, en waardoor Ood aan zijn volk ontferming en hulp, en troost bij dag en naoht plagt te schenken.

Een beeld eindelijk daarvan was het ongezuurd brood, waardoor de Profeet van lusteloosheid en zwakheid bevrijd en met nieuwe kracht uitgerust, door de versterking van die spijze voortwandelde tot aan den berg Gods.

5. Het was mij niet verborgen, mijn kind, hoeveel mij die instelling zoude kosten ; hoe vele en welke groote offers dat Sacramenteel leven van mij zoude eischen.

Ik weet aan welke vernederi igen ik mij onderwerp, aan welke zware beleedigingen ik mij blootstel. Doch dit alles acht mijn Hart gering bij de liefde, die het voor mijn Vader en voor de menschen koestert.

De liefde mijns Harten wordt door geen enkel beletsel overwonnen; zij zegeviert gemakkelijk over alles. Ja de moeijclijkheden, de offers zeiven heeft zij lief en haalt zij aan als zoovele bewijsgronden voor bare grootte en voor hare edelmoedigheid.

Ziedaar dan bij uitstek de beweegredenen van het groot Sacrament der godsvrucht, dat door mijne liefde vóór do eeuwen uitgevonden, in den tijd door mijne hoogste almagt werd daargesteld, dat den Engelen verschenen, den heidenen verkondigd is, de wereld getroost en de harten dei-stervelingen gedrenkt heeft met bedwelmende zoetheid.

6. De leerling. O diepte der wijsheid en liefde uws Harten, o Jesus, Zoon van den levenden

37

-ocr page 614-

578

God! lioe wondervol, hoc verbazingwekkend zijn uwe vindingen! Hoe beminnelijk, lieer, hoe zoet zijn zij!

Zie, boe Gij ons bemind hebt, liefdewaardigste Jesus! Gij hebt U zeiven vernietigd uit liefde tot ons, de gedaante van brood aannemend, aan voedsel gelijk wordend, voor liet uiterlijke als brood bevonden, doch als brood des eeuwigen levens!

O welke liefdegloed ontstak uw Hart, toen Gij heengaande uit'deze wereld tot den Vader, dit wondervolste, dit allerzoetste middel om met ons te blijven en op deze wijze voortdurend mei ons te blijven, in het leven riept!

O wonderwerk der liefde! O goddelijke instelling! Waarin Gij zelf, beste Jesus, gastmaal en gastheer tevens, offeraar en offerande, de vreugde van Engelen en menschen zijt!

7. Dank zij U, o Heer Jesus, eeuwige dank voor de onuitsprekelijke goedheid uws Harten, waardoor Gij ons deze gunst zonder wederga hebt geschonken.

O mogt ik U voor zulk een geschenk de-schuldige dankbaarheid kunnen betuigen! Komt Enge ■ len en Heiligen Gods, komt allo volkeren en geslachten, zegt met mij dank den Heer; laten wij hierin de liefde zijns Harten loven en hemelhoog prijzen:

Laat ons den Heer een nieuw loflied zingen, want op nieuwe wijze met ons wonend, stort Hij ook uit zijn Hart steeds nieuwe gunstbewijzen over ons uit.

Jubelen wij. God onzen Zaligmaker ter eere.

-ocr page 615-

579

knielen wij voor Hem in hot stof, laat ons schrijen voor Hem van blijdschap en dankbaarlieid.

8. O Jesus, eindelooze liefde! die uit liefde in deze wereld zijt gekomen en uit liefde hier verblijft, ja uit liefde geheel de mijne zijt geworden; wederkeerig bied 011 geef ik U mijn hart en al mijne gehechtheden, geheel mij zei ven; maak, ik smeek het U, dat ik uit liefde voor eeuwig geheel do uwe zij, dat al wat ik heb on ben, dienstbaar zij aan uwe liefde en aan uwe glorie.

Neem van mij weg alles, wat een hinderpaal, kan zijn, om U te beminnen; doof in mij uit allo ongeregelde gehechtheid; dat niets mij meer trefife, niets mij meer roere dan wat met U en met uwe belangen in betrekking staat.

Gij, 0 zoetheid mijns harten en zaligheid mijner ziel! leef en heersch Gij in mij; zijt Gij in het vervolg het eerste en laatste voorwerp voor mijne gedachten en ganegenheden; moge ik altijd bezig zijn met U of voor U, die mij alles zijt.

TWEEDE HOOFDSTUK.

over de wondervolle instelling vax het allerheiligste sacrament des altaars.

1. Jesus. Ik ben het levend brood, dat uit den hemel gedaal is; die tot mij komt zal niet hongeren; het brood, dat ik geven zal, is mijn Yleesch voor het leven der wereld.

-ocr page 616-

580

Toen ik dit gezegd had, mijn kind, redetwistten de Joden onderling, zeggende: Hoe kan deze zij ii vleesch geven om te eten;j

Doch hun antwoordende bevestigde ik: Voorwaar, voorwaar ik zeg u; tenzij gij het vleesch van den Zoon des menschen zult gegeten en zijn bloed gedronken zult hebben, zult gij het leven niet in u hebben.

Want mijn vleescb is waarlijk spijs, en mijn bloed is waarlijk drank.

2. Doch op den dag voor het Paaschfeest, wetende, dat mijn uur was gekomen, om uio deze wereld heen te gaan tot den Vader, heb ik, wijl ik de mijnen beminde, die in de wereld waren, ten einde toe bemind.

Toen dan de avond was aangebroken, zat ik met mijne twaalf Leerlingen ten laatsten maaltijd aan: en tot hen,zoo rondom mij zittende, zeide ik: Met verlangen heb ik begeerd dit Paaschlam met u te eten.

En terwijl zij avondmaalden, nam ik het brood en zegende het, en brak en gaf het aan mijne Leerlingen zeggende: Neemt en eet; dit is mijn ligchaam.

En den kelk nemende, dankte ik en gaf ik dien aan hen, zeggende: Drinkt hieruit allen, dit is mijn bloed.

Doet dit tot mijne gedachtenis.

3. De leeellng. Deze zijn dus uwe woorden. Heer mijn God, eeuwige waarheid, waardoor Gij eerst plegtig beloofdet, ons U zeiven als brood des levens te zullen geven; deze zijn uwe daden, waardoor Gij later wat Gij beloofd hadt, tot werkelijkheid brengt.

-ocr page 617-

581

Door die woorden en daden van U onderwezen, vóór dat zij geschreven waren, heeft uwe Kerk dit goddelijk geschenk van U genoten; en ter uwer gedachtenis gedaan, zooals gij bevolen hadt.

Hiermede hebt Gjj de voorziene moeijelijk-heden der ongeloovigen, de opwerpingen der ketters en de bekoringen der duivelen vernietigd en neergeworpen.

Want hierdoor hebt Gij geleerd, dat wij ge-looven moeten, wat Gij, de onteilbare waarheid, zegt, alhoewel wij ook niot begrijpen, ho'p dat kan geschieden.

Wat Gij echter gezegd hebt, weten wij dooide heilige Kerk, uwe waarachtige Bruid; doch hoe de geheimen, die Gij door uwe woorden bevestigd hebt, innerlijk samengesteld zijn ot' worden, kunnen wij niet begrijpen, dewijl onze beperkte rede niet bereiken kan, wat alle grenzen der rede overschrijdt.

Als wij niet eens begrijpen, wat in ons is, hoe zullen wij dan vatten, wat boven ons is?

Dat een graankorrel in de aarde geworpen en gestorven, opgroeit tot een nieuwen halm en veelvoudige vruchten voortbrengt, dat gelooven wij, omdat wij het uiterlijk ontwaren; doch hoe dit innerlijk geschiedt, kunnen wij, ofschoon het ook tot de orde der natuur behoort, volstrekt niet inzien.

Zou men hem dan niet teregt voor een dwaas houden, die hoewel hij het bestaan der geheimen in de natuur met zijne zintuigen waarneemt, ze toch niet wil aannemen, omdat hij niet begrijpt, hoe of zjj bestaan?

-ocr page 618-

582

Welnu, met onze zintuigen bespeuren wij, dat de geheimen des geloofs door U geopenbaard zijn; dewijl het geloof uit liet gehoor is; en daarenboven zegt ons onze eigen rede, dat deze geheimen waarachtig zijn, omdat het voor de rede tastbaar duidelijk is, dat Gij, de wezenlijke waarheid, onmogelijk onwaarheid kunt spreken.

Het is derhalve een redelijk dienstbetoon, dat al uwe getrouwe geloovigen U bewijzen. Doch zij, die weigeren U te gelooven, meenende zelve wijzen te zijn, zijn dwaas en ten eenemaale onverstandig geworden.

Daarom gebeurt het, dat zij uit blinde hoo-vaardigheid, welke door de kunstgrepen des duivels hun ingestort wordt, weigeren hunne rede, hun edelste gaven aan U, dio de oorsprong der rede zijt, te onderwerpen en door die onderwerping der rede U te eeren.

Terwijl integendeel allen, die ooit nederige leden der Kerk waren, zij mogten ook door de grootste geestesgaven uitschitteren, hun verstand gevangen gaven, om aan U m den geloove te gehoorzamen.

Hierdoor toont Gij Heer te zijn van allen, goed jegens allen, zonder onderscheid van persoon te maken; en inderdaad van een ieder, zoowel van geleerden als van ongeletterden, een dienst van onderwerping te eischen, zoowel van het verstand als van den wil.

4, Voor U, o Heer mijn God, mijn Schepper en Verlosser werp ik mij neder, en aan U onderwerp ik mijne rede geheel en al; ja ook geheel mijn verstand en mijnen wil, mijn ligchaam en

-ocr page 619-

583

alle zintuigen, in den dienst des geloofs, tot uwe eer!

Doch ook mij strekt liet tot eer en voordeel, dezelfde gaven, welke ik van U naar ziel en ligchaara ontving, tot U, den oorsprong eu het einde van al die gaven, terug te brengen; en hetgeen ik in de orde der natuur ontvangen heb, als een middel te gebruiken om vrijelijk mede te werken met uwe genade tot een bovennatuurlijke orde en dus tot mijne eeuwige glorie en tot mijne altijddurende zaligheid.

De rede en het geloof zijn beide geschenken van U, o Heer; de eerste is een natuurlijke gave, de laatste eene bovennatuurlijke; beiden zijn elkander steeds vriendschappelijk genegen, nooit zijn zij met elkander in strijd; beiden zijn zij geschonken, om tot de waarheid te komen, een ieder echter in zijne orde.

Indien ik geloof, omdat de natuurlijke rede mij overhaalt, dan is mijn geloof natuurlijk, niet bovennatuurlijk, noch strekkend ter zaligheid. Doch als ik geloof, omdat eene bovennatuurlijke beweegreden mij aanzet, dan is mijn geloof bovennatuurlijk en dienstig ter zaligheid.

Zalig, die niet gezien en toch geloofd hebben.

En inderdaad, hoe zullen de zintuigen bespeuren wat niet onder het bereik der zinnen valt! of hoe zal de rede begrijpen, wat buiten het begrip der rede blijft? Ot' hoe zal de koude lofspraak der menschen verklaren, wat de alles overtredende liefde uws Harten heeft uitgewerkt:'

5. Naar den geest dus uwer Kerk, geloof ik vastelijk, dat Gij de Heer Jesus Christus, waarlijk

-ocr page 620-

584

God eu menscli, waarachtig en zelfstandig in het allerheiligst Sacrament onder de zigtbare gedaanten van brood en wijn tegenwoordig zijt.

Vastelijk geloof ik, dat Gij onder elke der beide gedaanten en onder elk der deelen van die gedaanten, wanneer eene scheiding plaats heeft, geheel en onverdeeld tegenwoordig zijt.

Vastelijk geloof ik, dat Gij, die daaronder in een verheerlijkten staat tegenwoordig zijt, de zelfde zijt, wien de Engelen bij uwe komst op aarde, aanbaden, wien Maria en Joseph, de Herders en de quot;Wijzen in de gedaante van een kind hebben vereerd, die zachtmoedig en nederig van Harte al weldoende hebt rondgewandeld, die gestorven voor ons, verrezen zijt, die opgeklommen ten hemel glorievol zetelt aan de regterhand van God den Vader.

Ik vraag geen teekenen zooals de Joden, noch wil ik de wijze onderzoeken; ik wil niet gelijk de ongeloovigen de innerlijk verborgene oorzaken begrijpen; ook verlang ik niet zooals de ketters mijn eigen oordeel bevredigd te zien; voor mij is de getuigenis uwer onfeilbare Bruid, de heilige Kerk, die de grondzuil der waarheid is, voldoende.

Al wat met hare leering in strijd is, verwerp ik; en dit is mijne zekerheid, mijn geloof.

6. O Heer! God van oneindige Majesteit, Heilige der Heiligen! die zoo wondervol en beminnelijk in dit geheim verscholen blijft, U aanbid ik, U vereer ik met godsvrucht.

Met ligchaam en ziel in uwe tegenwoordigheid neergebogen, belijd ik voor hemel en aarde, dat Gij mijn God en Zaligmaker zijt; en U breng

-ocr page 621-

585

ik den hoogsten eeredienst aan uwe Majesteit verschuldigd.

Ik offer U ook op de aanbidding1 en eerbe-wijzing en allo dienstbetoouingen, die do Engelen en de Heiligen en geheel uwe Kerk ü brengen.

O mogten alle menschen U kennen, U aanbidden, U dienen en eerbiedigen!

Doch dewijl velen daarin in gebreke blijven, daarom o Heer, aanbid en vereer ik U in ver-eeniging met de Heiligen en Engelen en met uwe getrouwe zielen; op deze wijze wensch ik hetgeen van den kant der ongetrouwe zielen ontbreekt, te kunnen vergoeden.

7. O Jesus! al, wat ik voor U doen kan, is als niets, vergeleken bij hetgeen ik U schuldig ben.

Gij hebt mij door do liefde nws Harten in dit allerminnelijkst Sacrament alles geschonken, wat Gij bezit, uw ligehaam en uwe ziel, uwe Mensch-heid en uwe Godheid, met al de schatten daarmede verbonden. Zooveel ben ik U dan schuldig, zooveel als Gij zelf waard zijt, die de oneindige zijt.

Wederkeerig geef ik U mijn ligehaam en mijne ziel, al wat ik heb, al wat ik ben: doch zie, na U dit alles gegeven to hebben, blijft mijne schuld nog eindeloos.

Het is mij goed o Heer Jesus, op deze wijze door U verpligt te worden, dewijl ik daardoor bewogen en gedrongen word, met eene onbegrensde liefde de eindelooze goedheid nws Harten te beminnen.

Uwe onmetelijke en onverdiende liefde indach-

-ocr page 622-

586

tig, min ik U, o Jesius, uit geheel mijn hart weder en wensch ik U met eene onbeperkte liefde te vergelden.

7. Help mij beminnelijkste Jesus, om U te beminnen met die godsvrucht, met die teeder-heid, met dien eerbied, die de liefde alleen weet in te boezemen.

Geef. dat ik daarom met zuivere liefde leve voor Ü, die uit eindelooze liefde voor mij leeft in het allerheiligst Tabernakel.

Door uw allerheiligst Hart zoo door liefde gevangen en geboeid bid en smeek ik XJ, bind mijn hart aan U, opdat het een gevangene uwer liefde zij en nimmer van U verwijderd of geseheiden worde.

DERDE HOOFDSTUK.

T,1et welk een levendig geloof de keek

hake vereeein6 jegens het allerheiligst saceamiünt overal en ten allen tijde getoond heeft.

1. Jesus. Mijn kind, de Kerk jubelt over het voortreftelijke gunstbewijs mijns Harten, en vereert dit grootste wonder mijner liefde met alle gevoel van godsvrucht.

Buiten zich zelve over de buitenmatige goedheid mijns Harten, versmelt zij als in liefde tot mij en verblijdt zij zich, veilig door mijne allerbeminnelijkste tegenwoordigheid, en gaat voort zich te verblijden, terwijl de geslachten zich op-

-ocr page 623-

587

volgen, de gedaante der aarde verandert en do eeuwen vervliegen.

Zie, gedurende al de eeuwen, die tot het verleden behooren, stonden er zoowel in het Oosten als in 't Westen, in 't Noorden en in het Zuiden kinderen op van die Kerk, en wenschten die heilige Moeder geluk met de groote liefde mijns Harten, die alle dagen bij haar blijft tot aan de voleinding dor eeuwen.

In die eeuwige tegenwoordigheid, vol van wcderzijdsche Heide, vier ik een groot gastmaal een goddelijk feestgetij van geestelijke verloving mot mijne onbevlekte Bruid, de Heilige Kerk.

Daartoe zijn de geloovigen, zij mogen armen, zwakken, blinden of kreupelen zijn, allen uit-genoodigd, opdat mijn huis vol gasten, de vreugde volkomen zoude zijn.

2. De leerling. Luistert er naar, stervelingen en komt gesierd met het bruiloftskleed. Komt hier zien en proeven, hoe zoet de Heer is.

Inderdaad tot dit heilig gastmaal, waarbij de Engelen dienen, komen altijd en overal de geloovigen zamen, met dat feestelijk kleed uitge-doscht, waardoor zij den Heer behagen en, zich voedend en verkwikkend, deelnemen aan zijne vreugde.

quot;Wien echter dit kleed ontbreekt, zij, die besmeurd zijn, mogen zich teregt er van onthouden, omdat zij al te wel beducht zijn, „zich het oordeel te eten en te drinken;quot; of, „omdat zijniet belijden, dat het altaargeheim het vleesch bevat van onzen zaligmaker, Jeaus Christus, die voor onze zonden geleden heeft en wien de Yader in

-ocr page 624-

588

zijne goedertierenheid wederom ten leven heeft opgewekt.quot; 1)

Wat ons echter betreft; „wij hebben geleerd, dat het heilig Sacrament des Altaars het lig-chaam en bloed is van den mensch geworden Jesus Christus.quot; 2)

Welk eene gave wordt dus niet medegedeeld, niet slechts aan onze ziel maar ook„ aan ons ligchaam, dat door het ligchaam en bloed des Heeren gevoed wordt!quot; 3)

quot;Welk oen groote eerbied wordt er gevolgelijk niet geeischt!quot; „Gij weet, gij, die bij do heilige geheimen gewoonlijk tegenwoordig zijt, hoe gij bij het ontvangen van het ligchaam des Heeren met alle zorg en eerbied op uwe hoede zijt, opdat ook niet het kleinste deel op den grond valle, of iets der geheiligde gaven verloren ga; want gij gelooft u strafschuldig, indien door uwe nalatigheid iets daarvan znude vallen. Zooveel zorg behartigen wij daarbij en wij doen die teregt.quot; 4)

3. Naauwelijks trad de Kerk uit de vervolging van drie eeuwen te voorschijn blijde en met laauweren gekroond, of weldra stelde zij in de eerste algemeene Kerkvergadering, waartoe hare kinderen uit alle oorden der wereld waren za-mengestroomd, de wijze der bediening van dit goddelijk Sacrament voor geheel de aarde vast,opdat

IJ 1 Cor. XI. H. Ignatius Martelaar. Eerste Eeuw. 21 H. Justinus Martelaar. Tweede Eeuw.

3] H. Ireneus. Tweede Eeuw.

41 Origenes. Derde Eeuw.

-ocr page 625-

589

dit zoo heilig gelifeini, overal ook heilig zoude behcindeld worden.

Zij voerde geen nieuwigheden in, maar als bewaarster van hetgeen haar is toevertrouwd, riep en prentte zij de oude leerling in het geheugen harer kinderen. „Geen regel,'' zoo sprak die bezorgde Moeder, „geene gewoonte geeft ons de overlevering op, waardoor het hun, die de magt om hot heilig Offer op te dragen, niet bezitten, geoorloofd zoude zijn aan hen, die wel het Offer mogen opdragen, het ligchaam des Heeron uit te reiken. Men zal dus volgens rangorde, na de priesters, uit de handen des bisschops of des priesters de heilige Communie ontvangen.quot; 1)

Ziedaar de heilige Communie! ziedaar hei Sacrament des Heeren! „Want onder de ge-daiintc van brood geeft Hij ons zijn Ligchaam en onder de gedaante van wijn geeft Hij ons zijn Bloed, opdat gij bij het ontvangen daarvan smaken zoudt bet ligchaam eh het bloed van Christus, deelgenooten wordend van zijn eigen ligchaam en bloed; zoo toch worden wij Christusdragers, dat is, Christus dragende in onze lig-chamen; zoo worden wij volgens den heiligen Petrus, deelgenooten gemaakt van de goddelijke natuur.quot; 2)

Het is brood, wel is waar vóór dat de sacra-menteele woorden zijn uitgesproken; doch als de consecratie heeft plaats gehad, dan is het brood hot vleesch van Christus geworden. Door wiens

1) Eerste Kerkvergadering van Nicea. quot;Vierde Eeuw.

2) H. CyriUus van Jerusalem.

-ocr page 626-

590

woorden, door wiens taal gescliiedt dus de consecratie? Door het woord van den Heer Jesus. Het woord van Christus dus stelt het Sacrament daar. Welk is dat woord van Christus, zoo niet dat, waardoor alles gemaakt is? De Heer heval, en geschapen is de hemel; do Heer hevnl en gemaakt is de aarde; de Heer beval en ahe schepsel is geschapen. Gij ziet dus, welke v.it-werkingskracht het woord van Christus hecit. Doch als het woord van den Heer Jesus zulke kracht bezit, dat het dingen tot bestaan roept, die vroeger niet hestonden, hoeveel meeidei kracht van uitwerking zal het bezitten, wanaeei het gesproken wordt om dingen, welke reeds .bestonden, in iets anders te veranderen.' Hij heeft gesproken en het is geschied. 1)

„O Sacrament der godsvrucht! O kenteeken der eenheid! O band der liefde! Die wenscht te leven, vindt hier de plaats en het voedsel om te leven. Hij wordt beligchaamd om beleeid te worden. Niet een ontstoken ligchaamsdeel, dat uitgesneden behoort te worden; niet een m --vormd lid, dat doet blozen, strove naar die lig-chamelijke vereeniging. Neen, maar een lid dat schoon, geschikt, gezond is, dat hechte zich aan het ligchaam, leve voor God uit God. ^ 2)

„Hoe vel en wij derhalve ook zijn, die deeige-nooten van dit ligchaam worden, laten wij bedenken, dat wij Hem nuttigen, die hierboven zetelt en door' de Engelen wordt aangebeden.

1) H. Ambrosius vierde Eeuw.

2) H. Augustinus vijfde „

-ocr page 627-

591

Hij zelf, wien de Engelen wegens zijne verblindende glorie niet vrijelijk durven aanzien, strekt ons tot voedsel, met Hem vereenigen wij ons, worden wij één ligchaam. Opdat wij dit echter niet slechts door de liefde zouden worden, juist daarom geschiedt die vereeniging in werkelijkheid, met zijn eigen vleesch; want door de sinjzc. die Hij ons ten geschenke gaf, worden wij hkt Hem één ligchaam. Wij keeren derhalve van die tafel terug als brieschendo leeuwen, den duivelen ten schrik.quot; 1)

„Hoe goed is dat brood, dat de Engelen voedt door het aanschouwen, opdat zij in het Vaderland zich daaraan verzadigen zouden; en ons voedt door het geloof, opdat liet ons op den weg daarheen niet aan kracht zoude ontbreken. Opdat de niensch het brood der Engelen zoude eten, daarom is de Schepper der Engelen niensch geworden, beiden voedend en evenwel onverdeeld blijvend.quot; 2)

Die echter een zondig leven leiden en niet ophouden tot do Communie te naderen, meenende door zulk eene Communie gereinigd te worden, zij mogen leeren, dat dit hun niet tot zuivering, maar tot veroordoeling zal verstrekken. „Want het vleesch van Christus is de spijze der Heiligen.quot; 3) Bereid daarom uw hart voor, „want — het heilig Sacrament des Altaars is ecno Communie, waardoor wij met Christus omgang hebben, zijn

1] H. Chrysostomus. Vijfde Eeuw.

2] H. Fulgentius. Zesde „

3] H. Isodorus van Sevilla in Spanje. Zevende Eeuw.

-ocr page 628-

592

vleesch en zijne Godheid ontvangen, en ons onderling vereenigen.quot; 1)

„Dat zij dan toeluisteren, die den zin van dit woord ,,ligchaaniquot; willen ontzenuwen, als of het niet waarlijk het vleesch van Christus noch waarlijk zijn bloed ware, dat thans in de Kerk in liet heilig Sacrament vereerd wordt, wanneer zij, ik weet niet met welke redenen en zinnebeelden, willen bewijzen, dat er slechts eene zekere kracht des vleesches of van het bloed tegenwoordig is, als zoude de Heer leugentaal spreken, terwijl Hij, de waarheid zelve, toch zegt: Dit is mijn Ligchaam. Ook zeide Hij daarom niet bij de breking en uitdeeling van het brood: Deze zijn, of in dit geheim is een zekere kracht of zinnebeeld van mijn Hghaam, maar Hij zegt, zonder beeldspraak: Dit is mijn Ligchaam; en dus is het dat, wat Hij gezegd heeft en niet dat, wat een ieder in zijn verbeelding er zich van voorstelt. Tot heden heeft nog niemand openlijk Hem weersproken, wien geheel de aarde gelooft en belijdt.quot; 2)

5. „In de kerken staat het heilig Sacrament altijd ter aanbidding; welke gewoonte de oude kerken behouden hebben.quot; 3)

Derhalve „is Christus niet der vergetelheid prijs gegeven: Christus beveelt in zijne geboden niet het tegenovergestelde. Hij zelf is het brood, dat van den hemel gedaald is, dat als hemelsche

1) H. Joannes van Damascus. Achtste Eeuw,

2) H. Paschasius Abt. legende Eeuw.

3) Luitprandus. Tiende „

-ocr page 629-

spijze in de Kerk dagelijks ter tafel wordt ge-bragt, dat gebroken wordt tot vergiffenis der zonden, dat allen, die er van eten, voedt en verzadigt ten leven.quot; 1)

„'t Is ijdel, woorden te wisselen over de veropenbaring des Heeren in onzen tijd, welke men loochent, of over die, welke den vaderen des Ouden Verbonds is gedaan; of over de verscliij-ning den Apostelen geschonken, namelijk de tegenwoordigheid van zijn ligchaam. quot;Want voor een iegelijk, die oplettend uit zijn oogen ziet, is het duidelijk, dat geen van beiden zijn te loochenen. Want ook wij hebben nog de wezenlijke zelfstandigheid zijns vleesches, nergens zoo ontwijfelbaar tegenwoordig als in het Sacrament. Ook wij nog hebben openbaringen, doch in den geest en in de kracht, opdat het blijken zoude, dat ons niet» in allerhande genade ontbreekt.quot; 2) 0. „Niemand is in staat de lieflijkheid uit te drukken van dit Sacrament, waarin de geestelijke zoetheid aan hare bron word genoten; en de gedachtenis gevierd wordt van die uitstekende liefde, welke Hij in zijn Lijden getoond heeft. Daarom, om de onmetelijkheid dezer liefde zijnen getrouwen nog dieper in het hart te prenten, stelde Hij in het laatste Avondmaal, toen Hij, na de viering van het Paaschfeest met zijne Leerlingen, uit deze wereld zoude heengaan tot zijn Vader, dit Sacrament in als een blijvende gedachtenis van zijn Lijden, de vervulling der

1) H, Petrus Daraianua. Elfde Eeuw.

2) H. Bernardus Twaalfde „.

38

-ocr page 630-

594

aibceldingen (lev oude wet, als liet grootste van al zijne gewrochte wonderen en totbijzonderen troost van hen, die over zijne afwezigheid treuren. ' 1) „De mensch, dio een geestelijk en inwendig leven leidt, vindt in de deelname aan liet Ligchaam van Christus Jesus twaalf voortreffelijke vruchten: Kracht om zich met gemak te ontdoen van do wereld en van liet vergankelijke; Vooruitgang in zijne Lemoeijingen voor do eeuwige zaligheid; Verheffing der ziel boven al wat niet in God is; Sterkte om het goede te beoefenen; Verlichting van liet verstand cm God en alles, wat in den spiegel der eeuwigheid gezien wordt, volmaakter te kennen; Ontvlamming der iieide jegens God; Voltrekking van hetgeen hem tot geluk verstrekt; Een schat van rijkdommen; Aanhoudende blijmoedigheid des Gcestos. Ecu zekere veiligs bestendigheid; Volmaakten vrede; De vereeniging der ziel met God.quot; 2)

„O, kostbaar gastmaal, grootsch, zaligend en vol van alle zoetheid! Daardoor worden wij van zonden gezuiverd, worden de deugden vermeerderd en den geest een overvloed van alle genadegaven ingestort.quot; 3)

7. De katholieke Kerk derhalve over dit ver-cerenswaardig en goddelijk Sacrament der Altaars hare leering uitsprekend, welke zij van onzen Heer Jesus Christus en van zijne Apostelen geleerd en van den Heiligen Geest, die haar ten

1) H. Tliomos van Aquinen.

2) Thauler.

3) H. Aiitonius.

Dertiende Eeuw. Veertiende , Vijftiende „


-ocr page 631-

595

allen tijde alle waarheid ingeeft, heeft ontvangen, heeft behouden en tot het einde der eeuwen zal behouden, leert en belijdt openlijk en eenvoudig, dat in het verheven Sacrament des Altaars na de Consecratie van bet brood en van den wijn, onze Heer Jesns Christus, waarlijk God en mensch. wezenlijk, werkelijk 071 zelfstandig onder die zigtbare gedaanten tegenwoordig is.

Zij raadt, en vermaant, vraagt en smeekt dooide ingewanden van Gods barmhartigheid, dat allen en een ieder, die den naam van Christenen dragen, overeenkomen en zamenstemmen in dit teeken der eenheid, in dezen band der liefde, in dit zinnebeeld der eendragt, gedachtig aan zooveel Majesteit en zulke uitstekende liefde van •losas Christus onzen Heer, diezjjn dierbaar leven tot prijs voor onze zaligheid en zijn vleesch ons tot spijze gaf; dat zij deze heilige geheimen van zijn ligchaam on bloed mot die volharding en kracht des geloofs, met dien eerbied, mot die godsvrucht en aanbidding des gemoeds gelooven en vereeren, dat zij in staat zijn het brood, dat alle zelfstandigheid overtreft, herhaaldelijk te ontvangen, en dat hun dit waarlijk tot quot;leven en tot voortdurende gezondheid der ziei versterkke.

Opdat zij door de kracht daarvan versterkt, langs den weg dezer droevige pelgrimsreize komen mogen tot het hemelsch vaderland, om daar het zelfde brood, der Engelen, dat zij thans onder een heiligen sluijer nuttigen, te eten, ontdaan van alle sluijers. 1)

1) Kerkvergadering van Trente !3 Zitting. Zestiemie Eeuw.

-ocr page 632-

596

8. O Heer mijn God! hoe brandden de gc-loovigen van alle eeuwen om U in het Sacrament uwer liefde te vereeren! niet welke godsvrucht heb'oen zij niet getracht ü hier de hoogste vereering té brengen! welke moeite getroostten zij zich quot;niet om de aan uw Hart verschuldigde dankbaarheid te bewijzen, om de lieide uws Harten met wederliefde te vergelden!

Veroordeelenswaardig zouden wij dus zijn, indien wij, de erfgenamen van het geloof, dat eenmaal den Heiligen werd overgeleverd, wij de kinderen der Heiligen verfiaauwden in deze voornaamste van alle godsvruchtoefeningon, welke do beknopte inhoud van geheel onze godsvrucht lievat, terwijl zulk een lange rei vnn eeuwen ons oproept' tot een levendig geloof, zulk een menigte geloovigen van alle tijden en plaatsen der wereld ons door hun voorbeeld aansporen en zooveel welwillendheid van uw Hart onze harten tot liefde dwingt.

Verlevendig ons geloof, beminnelijkste Jesus, en eenmaal verlevendigd, houd niet op het te vermeerderen. Versterk de hoop en het vertrouwen. Ontsteek en ontvlam onze liefde.

Verleen ons, o Heer, dit allerheiligst en zoetste geheim in den geest des geloofs te kunnen aanbidden, het godvruchtig te vereeren en steeds waardig te mogen ontvangen.

-ocr page 633-

597

VIEEDE HOOFDSTUK.

dat het allerheiligst hart van jesus in het sacrament zijner liefde volmaakt zalig is.

1. Jesus. Wat mijn Hart begeerde, mijn kind, wat het door alle overmate der liefde zocht, dat geniet het nu tevreden iu het heilig Sacrament des Altaars.

Zie nu is niet slechts der regtvaardigheid van den hemelschc Vader voldoening geschonken, maar ook de liefde mijns harten is bevredigd. Daarover juicht en verblijdt zich mijn Hart, omdat het niets meer mist van hetgeen het voor zijn geluk wenschte.

Verheug u met mij, mijn kind, dewijl dit de blijdschap, het genot, de zaligheid mijns Harten uitmaakt.

Hier is een nieuwe Hemel, met goddelijke kunst gemaakt en versierd, opdat mijn Hart daarin zijn welbehagen zoude hebben en ten allen tijde zalig zoude zijn.

Doch zie, mijn kind, mijn Hart vindt geen genot in die dingen, waarin de wereld, ijdel tobbend, haar geluk zoekt. Niet in het praalvertoon van aardsche goederen, niet in zinnelijk genoegen, ook niet in hetgeen de hartstogten streelt.

Ik mis dat alles vrijwillig; ja waarlijk dikwerf pleeg ik mij te omgeven met datgene, wat de wereld verafschuwt en ontvlugt. Evenwel is mijn Hart volkomen tevreden en zalig.

-ocr page 634-

598

2. Waarom zou mijn Hart niet zalig zijn dewijl het in dit paradijs van bovennatuurlijke geneugten overstelpt wordt met een stroom van goddelijke vreugde en van de grootste zoetheden.

Ik hen, mijn kind, volkomen zalig van Harte door de goederen, welke ik als Zoon van mijn Vader in erfenis heb gekregen en, als Verlosser der wereld, voor den prijs mijns levens heb verworven.

Doch gij, mijn kind, in welke goederen zoekt gij li we zaligheid? Zoekt gij haar ook wel in de goddelijke vereeniging, in het bovenaardsch verkeer, in den honigzoeten troost van het goddelijk welbehagen?

Verliest gij somtijds niet de vreugde ot ook wel don vrede, wegens het gemis van hetgene uwe natuur tevreden stelt? Doet gij daar ook gewillige afstand van, overeenkomstig den god-delijken wil?

Zis wel toe, mijn kind, en houd u overtuigd, dat uw hart, zooals het mijne, niet door het zienelijke, niet door het geschapene maar dooide liefde en het genot van het bovennatuurlijke en het goddelijke zalig moet zijn.

3. Vervolgens is mijn Hart hier zalig wegens de zaligheid mijner getrouwen, die uit deze bron aller goederen putten en met mij deelcn.

Gelijk een goed vader zich gelukkig gevoelt, wanneer hij zich te midden zijner beminde kinderen ziet, zoo gevoel ook ik mij gelukkig te midden van mijn volk.

Hier worden de geloovigen, als kinderen, die aan mijn hart zeer dierbaar zijn, opgevoed en

-ocr page 635-

599

gevormd ; zij leven en verkwikken zich met mij, zij drinken de edelmoedigheid en de sterkte mijns Harten in, zij worden opgewekt om te wedijveren in het beoefenen mijner deugden; ja, zij leeren hun roem en hun genot te stellen in hetzelfde, waarin ik roem en vreugde stel.

O zeker, daarover verblijdt zich mijn Hart, dat zich zalig acht als het anderen zalig heeft gemaakt.

Verheug u met mij, mijn kind, ziende hoe uw geluk het voorwerp is, niet slechts van mijne zorgen, maar ook van do vreugde mijns Harten.

4. O Indien gij wist, hoeveel zaligheid mjjn Hart hier bovendien geniet door de teederheid, door de godsvrucht der liefde van zoovele zielen, die, waar ook geplaatst, in welken stand ook verkeeren, met al hun gehechtheden voor mij leven, mij hier geheel van harte toegewijd zijn!

Hier, mijn kind, hier is Benjamin met mij in opgetogenheid des geestes. Hier worden de zuivere zielen vervoerd door henielsche geneugten, waarvan de Engelen zeiven dronken worden.

Hier maken de edelmoedige zielen, schoon zwak van nature, groote cn sterke plannen voor mij, vergelden zij in verlangen en in daad de offers mijner liefde, wijden zij zich geheel en al aan mijne belangen.

En ik zoude geen genot vinden in zoo veel liefde, die zoo teeder, die zoo zuiver is? En ik zoude niet geheel mijn Hart voor hen uitstorten? Of zal ik, mijn kind, mij in teederheid en edelmoedigheid der liefde laten overtreffen?

Het is mijn genot met de kinderen der men-schen te zijn; liet zoetste der genoegens acht

-ocr page 636-

600

mijn Hart om zicli te verblijden over de liefde der zuivere zielen, en wederkeerig hare harten te verkwikken.

5. Hier dus is mijn Hart volkomen zalig onder vele opzigten. En zoo er sommigen zijn, ondankbaren en ontaarden, die gevoelloos blijven voor mijne liefde of mijn Hart beleedigen, dan kunnen zij niet mij, doch wel zich zeiven ongelukkig maken.

Want sinds ik tot een glorierijk leven ben verrezen, sterf ik niet meer, doet mij geene smart, welke ook, meer aan. Mijne vreugde, mijne zaligheid is volmaakt en volkomen; nie-muad ontneemt ze ;:an mijn Hart, niemand zal haar verminderen.

Dewijl mijn Hart, mijn kind, persoonlijk met de Godheid vereenigd is, daarom is het zalig in de zaligheid der Godheid zelve.

En dus heeft mijn Hart om volmaakt ge-lukkio; te zijn geene uiterlijke middelen noodig, omdat het met of zonder deze, altijd in de hoogste mate gelukkig is.

Niet minder gelukkig is het in de hut van den stervenden arme, dan in liet paleis bij een groote des rijks of bij een vorst; even gelukkig is het in het Tabernakel op het Altaar, als op den troon in den hemel.

Want do oorzaak van de zaligheid mijns Harten is inwendig, is in mij zeiven gelegen, daarom is zij overal, ten allen tijde en in alle omstandigheden dezelfde.

Dat inwendige is de schuilplaats, waar ik mijn zetel heb opgeslagen, waar ik woon in een

-ocr page 637-

601

ongemaakbaar licht waar ik een volkomene en onveranderlijke zaligheid geniet.

6. De Engelen omgeven mij; vol verwondering nederknielend vereeren zij mij, en juichen zij jubelende: Laten wij ons verblijden en onzen God eere geven!

En meer nog verheugen zij zich over mijne dan over hunne eigene zaligheid: want in verrukking tot mij verheven en door overmate mijner liefde zich zeiven vergetend, verblijden zij zich mot mij in onuitsprekelijke blijdschap.

Eveneens verheugen zich vele getrouwe zielen, schoon nog in het ligchaam de ellende van dit sterfelijk leven ondervindend, in de hoogste mate, omdat ik hen, die ik ben; on hun grootste geluk vinden zij er in te weten, dat ik in de hoogste mate zalig ben.

En ook gij, mijn kind, indien gij mij waarlijk lief hebt, zult u verblijden, omdat ik zalig ben niet slechts in het genot der hoogste glorie aan de rechterhand van God mijn Vader, maar ook in dit Sacrament der liefde mijns Harten.

7. De leerling. Gij zijt mijn getuige, beminnelijkste Jesus, en Gij weet, dat ik uit liefde tot U mij verheug wegens uwe volmaakte zaligheid in het allerzoetste Sacrament uws Harten.

Ja, Heer, mijn hart en geheel mijne ziel jubelt in IJ, omdat uw Hart zalig is, en in do zaligheid bevestigd is voor de eeuwen der eeuwen.

O hoe teregt moet mij de grootste vreugde doorstroomen, omdat na het volbrengen uws Lijdens uwe glorie en uw geluk volkomen en boven alle wisselingen verheven is.

-ocr page 638-

602

quot;t Is waar, nog is de tijd voor mij niet aangebroken om mij te verblijden over mijne eigene glorie en blijvende zaligheid, dewijl ik nog de beletselen mijner ballingschap ondervind: doch dit is mij intusschen genoeg, te weten, dat Gij mijn God. mijn Zaligmaker en Vader, U volkomen verblijdt in de grootste glorie, in de hoogste zaligheid.

Ziedaar de rede mijner vreugde, eener vreugde, waarin geheel mijn hart deelt, ofschoon ook gezeten en schrijend in de gevangenis, bij do herinnering mijner erfenis in den hemel, welke Gij als God, mij voorbereid hebt, welke Gij mij als Verlosser hebt teruggekocht, toen ik ze had verloren, en welke Gij mij als Vader hebt nagelaten.

En dewijl liet rechtvaardig en billijk is, dat ik U meer bemin dan mij zeiven en het mijne, daarom is liet eveneens regtvaardig en heilzaam dat ik met levendiger vreugde mij verblijde over uwe zaligheid, dan over al hetgeen ik bezit of zal bezitten.

In waarheid, o Heer Jesus, innig en vurig verheug ik mij meer over uwe glorie en over uwe zaligheid dan over alle eer en verheffing, over alle vreugde en vertroosting van mij, hoe groot zij dan ook wezen moge.

Doch ook met geheel mijn hart verblijd ik mij over de vreugde, die uw Hart doorstroomt wegens liet geluk, de godsvrucht en liefde zoo veler getrouwe zielen, die onder alle volkeren zich aan ü hebben toegewijd.

9. Verleen beste Jesus, dat ik tot het getal

-ocr page 639-

603

van hen behoore, die U voor de groote liefde, waarmede Grij ons in dit Sacrament liefhebt, met zooveel zuiverheid en edelmoedigheid wederminnen.

Ik vraag U niet buitengewone en verwonderingwekkende gunsten, zooals Gij dikwijls en ruimschoots aan hen hebt geschonken ;U, mijn Jesus, ü zeiven vraag ik tot loon en tot mijne eenige zaligheid in alles, door den arbeid en de smarten, die ik misschien voor IT mogt ondergaan.-

Gcene goederen of genoogons der wereld, die de natuur streelen, ook geene vertroostingen welke louter zinnelijk zijn, kunnen mij gelukkig maken. Mijne zaligheid, allerliefste Jesus, is aan uw Hart te rusten, U te genieten.

Zwaar valt alle rust, welke niet aan uw Hart wordt genoten: nietig is alles, wat niet met U in betrekking staat, ijdel alles, wat niet met de gewaarwordingen uws Harten strookt, smakeloos alles, wat door de zalving uwer liefde niet is toebereid.

Geef slechts, dat ik U bezitte door de goddelijke vereeniging, U, op de zuiverste en edelmoedigste wijze beminne; en dan doe ik van al het overige volgaarne afstand, door die gave alleen zal ik met U zalig zijn.

VIJFDE HOOFDSTUK.

het allerheiligste hart van jesus in het hart zijner heilige kerk.

1. Jesus. Mijn Hart, mijn kind, dat in het

-ocr page 640-

604

Sacrament leeft, is liet hart mijner Kerk, die mijn geheimzinnig ligehaam is.

Dit mijn ligehaam is levend en met eene ziel begiftigd. quot;Welnu, die ziel is hei beginsel van het bovennatuurlijk leven, dat het ligehaam doet leven.

Dit levensbeginsel spruit voort uit mijn goddelijk Hart; uit mijn Hart namelijk is mijne Kerk gevormd, wol te verstaan niet wat hare ledematen of haar ligehaam, maar wat hare ziel betreft.

Velen wel is waar zijn hare ledematen, doeh één is haar ligehaam, dat mijn Hart door een goddelijk beginsel bezielt, voedt en verzorgt, opdat mijn leven in haar ligehaam geopenbaard worde.

De Kerk derhalve, bestaande uit een ligehaam, dat het mensehelijk bestanddeel uitmaakt, en uit eene ziel die het goddelijk bestanddeel is, bestaat als een afzonderlijk zedelijk wezen in eenheid van persoon en in deelneming aan een mensche-lijke en aan een goddelijke natuur.

Want zooals de wijnstok zijne levenssappen mededeelt aan de ranken, die in staat zijn deze sappen op te nemen, zoo deel ik aan de gezonde ledematen der Kerk dat goddelijk beginsel mede.

En zooals de wijnstok en de ranken één zijn' zoo ook ben ik in zekeren zin een met de Kerk.

De Kerk en ik zijn dus waarlijk en innig ver-eenigd, niet slechts op een zedelijke maar ook op Bene zelfstandige wijze; niet zinnelijk maar geestelijk; niet door eene persoons-vereeniging maar toch door eene persoonlijke vereeniging

-ocr page 641-

605

iu dien zin namelijk, dat ik met do Kerk zóó vereenigd ben, dat zij met mij een zedelijk por-soon uitmaakt, van mij haar hoofdbestanddeel, hare ziel, hot boTennatuurlijk levensbeginsel ontvangt en tevens ledematen bezit, welk ieder in hot bijzonder wederom onder een ander opzigt personen zijn, die in zich en voor zich bestaan cn waarlijk van elkander onderscheiden en louter menschelijke personen zijn.

2. Zoo met mij vereenigd ,zoo bezield door een goddelijk levensbeginsel, leeft de Kerk in zekeren zin oen goddelijk leven, een leven, rjjk aan verdiensten voor de eeuwige zaligheid.

Wat meer is, aan diezelfde bron dankt ook de mensch liet eerste begin van zijn lidmaatschap der Kerk, als hij door liet water en den geest mijns Harten wordt herboren, volgens het woord der Schriftuur; „Wij allen zijn in een ligchaam gedoopt, hetzij wij Joden, heidenen, slaven of vrije kinderen zijn.quot;

Daarom vloeide er water uit mijne geopende zijde als een zinnebeeld de» doopsels, dat het bad der wedergeboorte is.

Door dat zelfde beginsel zijn ook de ledematen der Kerk innig met elkander vereenigd. Wel is waar worden de geloovigen door vele wederzijdsche banden zoet en gelukkig zaam-gebonden; doch in hot Sacrament der liefde mijns Harten worden zij als in mij verligchaamd en met mijnen Geest begunstigd en alzoo onvergelijkelijk naauwer, zoeter en volmaakter onder elkander verbonden.

En dit is het geheim der liefde, waarvan de

-ocr page 642-

606

w

Apostel spreekt, als hij zegt; „Wij velen zijn een ligcliaam, die deelgenooten zijn van een zelfde spijze. Een ligcliaam on één geest.1'

Wat wonder derhalve als do goloovigen slechts een hart bezitten, mijn Hart, uit welks volheid zij den geest des levens ontvangen?

Zoo als immers in het natuurlijko ligcliaam het bloed met levenskracht uit het hart stort en ook tot de uiterste en kleinste ligcliaanisdeelonf mits liet geen beletsel vindt, voortstroomt, zoo gaat het beginsel des •l)Ovenna,tiinrlijkcn levens uit mijn Hart voort en deelt zich aan allo en aan ieder der dealen van mijn geheimzinnig ligcliaam :nede, zoo daarvoor gceu beletsel v. ordt gesteld.

3. Door deze goddelijke kracht leeft de Kerk niet slechts innig vereenigd met hare ledematen, maar door dio zelfde kracht wordt zij ook van mij gevoed, ontvangt zij haar levensvaag, en wordt zij in een blijvenden levensbloei bewaard.

En indien ook een lid krank wordt o.' wel den belevenden invloed of de mededeeling van mijnen geest door het misbruiken vanzijn vrijen wil belet of weerstaat, zoo dat het in bovenna-tuurlijken zin een lijk wordt, dan kan het evenwel, zoolang het met het ligcliaam der Kerk verbonden blijft, van mijn Hart nog het bovennatuurlijk leven en de gezondheid terug ontvangen, als het door het Sacrament van Boetvaardigheid zich wascht in het bad van mijn levendmakend en zuiverend Hartebloed, en ai-dus het beletsel of de hindernis verwijdert.

Dc levende ledematen echter der Kerk worden

-ocr page 643-

G07

door mijnen Geest bezield, wijl zij door doa invloed mijns Harten steeds gevoed worden, en dewijl zij in mij blijven en ik in hen, daarom brengen zij vele vruchten voort, ware bljjvende vruchten, vruchten dos eeuwigen levens.

Doch alle valsche godsdiensten en sekten, wijl zjj van mijn Goddelijk Hart liet leven niet in vangen en, als ten cenemale van mijn geheimzinnig ligchaan gescheiden, ook niet ontvangen kunnen, zijn leVonlooze wezens, wie liet beginsel van het bovennatuurlijk leven ontbreekt, en welke diensvolgens geen wezenljjke en heilzame vruchten kunnen dragen. Want zooals de rank uit zich zelve geen vrucht kan voortbrengen, tenzij zij met don wijnstok vereenigd blijft, evenmin vermogen het de menschen, zoo zij niet in mij vereenigd blijven.

Wil u dus niet verwonderen als do sekten en de valsche godsdiensten als afgesneden ranken verdorren, bederven en eindelijk vergaan.

4. Indien die gaven, mijn kind, waardoor de Kerk, zoo leeft, in krachten toeneemt en vruchten levert, wonderbaar en zoet zijn, nog wondervoller en rijker aan zoetheid zijn de overigen, welke ik haar mededeel, en waardoor zij mij gelijkend wordt.

Want al wat ik van nature bezit, dat heeft de Kerk, voor zoeverre zij vermag, van mij door do genade.

Inderdaad dewijl ik, de Heilige, do Kerk met een goddelijk levensbeginsel beziel en haar zoo met mij vereenigd heb, dat wij als één zijn geworden, is ook zij noodzakelijk heilig niet slechts uiterlijk, namelijk wat haren oorsprong en doe

-ocr page 644-

608

en de middelen tot haar doel, de eeuwige zaligheid, betreft, maar ook inwendig wat hare ziel zelve aangaat, waarin de heiligheid eigenlijk zetelt.

Door de voortdurende vereeniging en den invloed mijiis Harten, volmaak ik haar in de heiligheid om haar tot eene Kerk te vormen, die o-iorievol, zonder smet, zonder roest of eenige

O

vlekken is.

Ik kan niet dwalen, bijgevolg kan ook de Kerk niet dwalen. Als zij dwalen zoude, dan zoude ik dwalen, doch ik ben de onfeilbare waarheid, bij gevolg is zij ook onfeilbaar.

De woorden, die de Vader mij heeft gegeven heb ik haar gegeven, en ik heb haar er den zin van ontsloten, opdat zij, door mijnen Geest geleid, ze verstaan en bewaren zoude.

De Kerk, die mijn ligchaam is, stertt niet, omdat ik niet meer sterf: maar zij blijtt zoo voortbestaan, totdat ik kom met glorie bij de voleindig der eeuwen.

Ik beu Jesus; dezelfde die ik gisteren was, bon ik heden; ik beu dezelfde tot in eeuwigheid; en gevolgelijk begiftigt mijn Hart, dat de Kerk doet leven en voortbestaan, dat de Kerk voedt en krachtsvoltooijing schenkt, dat haar met zijne heiligheid heiligt en met zijne waarheid bevestigt, haar ook met een eeuwig leven en met eene roemrijke onsterfelijkheid.

§. Leer hieruit, mijn kind, hoezeer de Kerk uwen eerbied en uwe lietde verdient, wijl zij zoo innig met mij vereeuigd is, geheel mijn wezen zoo in zich draagt, dat zij met regt zeggen kan: „Die mij ziet, ziet ook Christus.quot;

-ocr page 645-

609

Verblijd u, mijn kind verblijd u van ganscher harte, omdat gij een lidmaat zijt van dit geheimzinnig ligchaam, dat alles wat op aarde is, in schoonheid, in adel en bewonderingswaardigheid overtreft.

Wilt gij mij beminnen, bemin dan mijno Kerk, voor wie ik mij zeiven heb overgeleverd en die aan mijn Hart dierbaarder is dan iets van alles wat op aarde of in den hemel is.

Voornamelijk in het allerheiligst Sacrament mijner liefde zult gij in mij met de Kerk naau-wer vereenigd worden en daarin des te beter van mijn Hart haren Geest leeren vatten.

Een ieder, die den geest der Kerk wil leeren kennen, moet den Geest van mijn Hart leeren begrijpen: wijl beider Geest een en dezelfde is.

De Kerk moet in den zelfden geest beschouwd worden, die haar doet leven; en hare wijze van doen moet niet naar menschelijke opvatting, maar beoordeeld worden naar den geest, die haar in hare daden bestiert.

O, indien de gewaarwordingen der Kerk, welke, als zijnde die mijns Harten, de gewaarwordingen eener moeder verre te boven gaan, door allen gekend werden; hoe vurig zouden zij de Kerk beminnen! hoe volmaakt zouden zij al hare handelingen goedkeuren!

Bid, mijn kind, dat allo stervelingen de Kerk kennen en beminnen mogen, opdat zij luisterrijker ledematen mogen zijn van dat ligchaam, bezield met den geest des levens; ledematen, die mij tot eere, tot roem verstrekken.

Bid, veel en . dikwijls, dat de gezindheden mijns

39

-ocr page 646-

G10

Harten onder alle opzigten zicli ontwikkelen en toenemen mogen in dat ligchaam, totdat hare ledematen zicii vereenigen tot een volmaakt ligchaam en deelgenooten worden van liet gezelschap der Engelen en Heiligen, die in de verbcniging mijns Harten bevestigd zijn in den hemel.

C. Draag intusschen vooral zorg, mijn kind, om in mij te hlijven, niet slechts doorliet geloof, door de hoop en door do lietde, maar ook door middel van hot Sacrament, door volmaakte vereeniging.

Dit is het eenige en noodzakelijke voor u, met mij vereenigd te zijn. Uit deze vereeniging spruit voor li leven, kracht, volmaaktheid en heiligheid voort.

Hoe naamver gij met mij vereenigd zjjt, en hoe beter gij u daartoe voorbereid houdt, des te overvloediger zal do stroom der genade en der bovenaardsche goederen zijn, dien gij wel is waar altijd, maar bijzonder in de heilige Communie, uit mijn Hart zult afleiden.

Daardoor zult gij vrle vruchten van heiligheid leveren, waardoor gij de goddelijke kracht mijns Harten aan het licht brengen en mijne ware glorie zult bevorderen.

7. De leerling. O Heer, onze God! Hoe wondervol. hoe beminnelijk is uw Hart! A\ ie zou er niet verbaasd staan over zulke diepe geheimen zijner kracht! Wie niet getroffen worden door zulke betuigingen van liefde.

Groot voorzeker en wondervol was het werk uwer liefde, toen Gij onze menschelijke natuur aannaamt, doch hoe veel grooter eu wondervoller de schenking van ü zeiven aan ons in het heilig Sacrament.

-ocr page 647-

Oil

In uwe meiiselnvording immers Iteht Gij onze menscliheid aangenomen, maar in de Communie ge (.'ft Gjj ons uwe Godheid en uwe Mensehheid weder.

IJ met onze natuur hekleedendo, zijt Gij tot ons afgedaald on hebt Gij zelf een sterflijk leven geleid; doch U mededoolend aan ons in het Sa-erament, heft gij ons op tot U en schenkt Gij ons eon goddelijk leven.

AFensch geworden, lieht Gij ons vrijgekocht en om U vergaderd, doch onze spijze geworden, vereenigt Gij ons met U, opdat wij één worden door U en in U.

O lieer, hoe wondervol en hoe zoet is do liefde uws Harten jegens ons, voor wie gij zulke grootsche dingen gewrocht hebt!

Ach Heer mijn God, mogten allen ü kennen on doze wonderen en beminnelijkheden liefhebben! Ach, mogt ik alle harten bozitton om ze aan uwe liefde te kunnen toewijden!

8. O Jesus, leven en liefde mijner ziel! hoe onuitsprekelijk is de liefde, waarmede Gij mij heniind hebt!

Hoe groot de weldaad uwer liefde, die mij hot natuurlijk leven naar uwe gelijkenis gaf! Doch hoe onvergelijkelijk grooter de gunst, toen Gij mij door uwe genade tot gelijkvormigheid met U hebt verheven! Maar wat dan te zeggen, wat dan te gevoelen over die weldaad, waardoor Gij mij verhieft tot de innigste vereeniging met U! Wie ben ik dan, en wie zijt Gij om zoo jegens mij te handelen!

O onbegrijpelijke liefde! o allerzoetste Jesus,

-ocr page 648-

612

beminnelijke boven :il wat beminnelijk is! Hoe zou ik iiog kunnen loven, zonder u te beminnen. Hoe Ie yen kunnen, zonder voor U te leven.

O Heer, begin, onderhouder en einde mijns levens! geef, bid ik U, geef dat ik leve veree-nigd met U. leve door U, love om U, en tot glorie en vreugde uws Harten, dat zoo veel wonderlijks, zooveel zoets in het leven riep. 1)

1) Wat de soli rij vei' m dit hoofdstuk bespreekt,_ is bovenal nuttigquot; en troostvol. Ofschoon or ook niets in gozeg'd wordt, wat hot begrip te boven gaat, zal hot toch gewenscht zijn, het een en ander ie verklaren en uit een te zetten, wat in de zaak, die behandeld wordt, op godgeleerde gronden kan verzekerd worden.

Het hoofd van Christus geheimzinnig ligchaara, of het hoofd der Kerk is Christus; de ledematen zijn de geloovigen. Er bestaat echter tusschen het hoofd en de ledematen, zooals de schrijver beknopt zegt, eene vereeniging.

1. Die zelfstandig, die niet slechts zedelijk is, zooals bijvoorbeeld tusschen het hoofd un de onderdanen van eenen Staat.

2. Die geestelijk is, in dien zin, dat zij geene natuurlijke vereeniging is, veroorzaakt wel te verstaan, door zamenhechting of vermenging van stofte-lijke deelen, uitgezonderd den tijd, gedurende welken de heilige gedaanten der Communie in den menscli blijven bestaan. En evenwel is zij niettemin eene zelfstandige vereeniging; want de vermenging en de zamenhechting van het stoffelijke is ten laatste niets meer dan een bijkomend iets, wat niet tot het wezen der zaak behoort. In de vereeniging echter, waarvan wij hier spreken, is het de Geest van Christus, die aan de levende ledematen het wezen geeft.

3. Die persoonlijk is in zekeren zin. Geheel dat

-ocr page 649-

ZESDE HOOFDSTUK.

het allerheiligst hart van jesus vereen 1gt de strijdende kerk op aarde met de zegevierende kerk in den hemel.

1. Jesus. Mijn kind, ik ben tot hoofd gesteld over geheel de Kerk, wier glorierijk gedeelte met mij zegeviert in den hemel.

geheimzinning ligchaam namelijk stelt éé» persoon daar. Doch Christus als het hoofd van dat ligchaam, geeft daaraan, wat in deze persoonlijkheid liet voornaamste uitmaakt. Niet Hij zelf, wel is waar, is geheel en alleen de persoon, omdat de persoon, eigenlijk daargesteld wordt door alles, wat tot zijn wezen behoort, waaronder dus ook de leden moeten gerekend worden; maar Hij is datgene, waarvan de leden het geestelijk leven ontvangen, waardoor zij bestuurd en bezield worden. Zij is echter geen hypostatische ver-eeniging, welke ook wel persoonlijke vereeniging genoemd wordt. Want in de persoonlijke vereeniging neemt de persoon des Woords zoo zeer de mensche-lijke natuur in zich op, dat in deze natuur onder geen opzigt * nog eenige persoonlijkheid blijft voortbestaan, cn beide, en de menschelijke èn de goddelijke natuur, onder alle opzigten slechts een eenig persoon des goddelijken Woords vormen; maar in de vereeniging, waarvan wij hier spreken, is elk lidmaat reeds een zeker persoon, let wel, niet voor zooverre het een lidmaat van Christus geheimzinnig ligchaam is, maar in zoo verre dit lidmaat onder een zeker opzigt op zich zeiven bestaan kan, en het beginsel zijn kan, waaruit, zooals de leeraren der School zeggen, zijn handelingen voortspruiten. Voorwaar de menschelijke

-ocr page 650-

614

Dit gedeelte, deze zegevierende Kerk, waartoe de overige leden eenmaal juichend zullen opklimmen, die vereeniging van allo Engelen en Heiligen schitterend in overwinningen, gekroond met onverwelkbare laauweren, volmaakten onveranderlijk toegewijd aan mijne glorie en liefde, is in de hoogste mate welgevallig en dierbaar aan mijn Hart.

Is het dan te verwonderen, dat mijn Hart getrokken werd tot dat roemrijk gedeelte in het land der levenden, in het rijk der eeuwige zaligheid'/ Doch zie, tevens werd het door een wonder der liefde genoopt om in het Sacrament mot die strijdende Kerk te blijven.

Op deze wijze dan is het tegenwoordig bij beide deelen, beide vereenigt het door en in zich zeiven, beide maakt het tot één.

natuurquot; in Christus is slechts het b e g-i n s e 1 waardoor zijn handelingen geschiedden en onder geen opzigt het veroorzakend beginsel dier handelingen: bijgevolg is die vereeniging in Christus eene persoonlijke vereeniging. Integendeel de leden van Christus geheimzinning ligch^am zijn wel het beginsel, w aardoor hunne handelingen plaats hebben, in zoovorre zij als ledematen beschouwd worden van dat geheimzinnig ligchaam; doch zij kunnen ook beschouwd worden, en inderdaad ook zijn, even zoo vele beginselen , die oorzaken zijn, waaruit dus hunne handelingen voortspruiten, voor zooverre zij als onderscheidene personen of als individuën gedach3; worden. Hier volgt dus uit, dat de persoonlijke vereeniging grooter, inniger en wondervoller is dan do vereeniging, waarvan wij spreken.

-ocr page 651-

615

2. In mij heeft ieder gedeelte hetzelfde slagtoffer: dit zegevierend gedeelte namelijk aanbidt het Lam staande als geslagtofferd, niet nu geofferd wordend, maar als eenmaal geofferd zijnde; dat strijdend gedeelte echter bezit hetzelfde Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, als een lieflijk offer, dat op alle plaatsen als een zuivere offerande wordt opgedragen.

quot;Wy zijn echter inderdaad ledematen van Christus en kunnen gezegd worden „vleesch te zijn van zijn vleeschquot; [Volgens den H. Paulus] zooals de ziel, die in den mensch het hoofdbestanddeel is, tot de loden haars ligchaams zeggen kan: dit is mijn lidmaat, ik beziel dit of dat ligehaamsdeel, waarom het in waarheid een harer leden is. Diensvolgens noemt ons Christus teregt zijne ledematen, zijn vleesch, enz.

Het voornaamste zamenstellend of vereenigend beginsel van dit geheimzinnig ligchaam is, volgens sommigen, het heilig Sacrament des Altaars. Daardoor meenen zij op de beste en meest bevattelijke wijze te kunnen verklaren de woorden van Christus: „Tenzij gij het vleesch van den Zoon des menschen

eet...... ZULT GIJ HET LEVEN NIET IN U HEBBEK.quot; En

deze: „Die mijn vleesch eet ...... hij b 1 ij f t in mij

en ik in hem.;'

Het leven, waarvan hier sprake is, waarmede namelijk Christus de ledematen van zijn geheimzinnig ligchaam beleeft, is geen natuurlijk leven, zooals blijkt, maar een bovennatuurlijk leven, gelijk de schrijver zegt. Vandaar zijn de ledematen, indien zij door de doodzonde zijn besmeurd, wel is waar leden van het geheimzinnig ligchaam, maar dorre en doode ledematen, die, zoo zij niet tot herleving komen, eenmaal geheel van het ligchaam afgesneden worden. [P. J. A. Cens.]

-ocr page 652-

616

Beide gedeelten zitten aan een zelfde tafel: het hemelsche gedeelte voorwaar wordt verzadigd met het ongesluijerd brood der Engelen, hetwelk zij etende steeds meer verlangen te eten en waardoor zij evenwel tevens verzadigd worden; het aardsche gedeelte echter geniet een zelfde spijze, maar die onder een geheimzinnigen sluijer verborgen is, en aan den tegenwoordigen toestand . waarin zij verkeeren beantwoordt.

Eindelijk een zelfde bron verkwikt beide gedeelten; want wie daarenboven heerscht, wordt gedrenkt met blijvende geneugten, van den stroom der goddelijke wellusten, die uit mijn Hart ont pringt ten eeuwigen leven; de - trijder hier beneden put uit dezelfde bron blijde wateren der genade, der vertroosting en der zaligheid.

3. Zoo beide gedeelten vereenigend, bewerkt mijn Hart in het heilig Tabernakel, dat er eene blijvende en ononderbrokene vereeniging en een deelgenootschap onder hen bestaat.

Immers waar ik ook in het heiligst Sacrament des Altaars ben, onophoudelijk dalen de engelen van den hemel neer om mij te dienen, te aanbidden, te beminnen en te prijzen.

En verbaasd over die liefde, waardoor ik op zoo wonderlijke en zoete wijze met de menschen verblijf, betuigen zij zoowel op aarde bij het Sacrament mijner liefde als in den hemel voor den troon mijner glorie, met nooit onderbroken zangen: Heilig, heilig heilig de Heer, de almag-tige God! Geheel de aarde is vervuld met uwe glorie.

Als zij zich verwijderen, zie dan stijgen zij

-ocr page 653-

617

ten hemel met gouden schalen vol welriekende geuren, welke de gebeden zijn der Heiligen, der geloovigeu, die waarlijk met den geest en heilig-lijk tot mij bidden; deze offeren zij voor den troon der goddelijke Majesteit en leggen daar de behoeften bloot hunner broeders, die nog op aarde strijden.

Op de voorspraak der Engelen en Heiligen en uit eigen beweging mijns Harten, daalt de barmhartigheid en genade af; die de stervelingen vertroost, verkwikt en met bovenaardsehe vreugde vervult.

En op deze wijze, mijn kind, worden de ge-loovigen, terwijl de hemellingen de eeuwige zaligheid volkomen genieten, door dit allerheiligst Sacrament onophoudelijk tot de zelfde zaligheid voorbereid, en zoo voorbereid, treden zij voortdurend de hemelsche tabernakelen binnen.

4. Derhalve wordt in mijn Hart de Kerk, die iii den Hemel zegeviert en die op aarde strijdt, vereenigd. Mijn Hart is het beginsel, waardoor het geheel tot een gebracht wordt en do deeien wederzijds met elkander voortdurend omgang hebben.

Het was namelijk mijn welbehagen, alles, wat op aarde en in den hemel is, daardoor tc verbroederen, zoo dat alles in dat Hart zijn wortel en hechten grondslag hebbend door hetzelve overvloed zoude bezitten.

En dat was inderdaad noodig, mijn kind; want indien ik niet de genade mijns Harten hadde geschonken, waardoor de menschen versterkt en zelfs verheven worden, om tot deelneming aan liet

-ocr page 654-

618

hemelsche te geraken, dan zouden zij nooit door natuurlijke krachten tot die bovennatuurlijke zaligheid hebben kunnen komen.

Zoo derhalve zijt gij nader getreden tot do stad van den levenden God, tot het hemelsche Jerusalem, tot het verkeer met vele duizende Engelen, en tot de Kerk der eerstelingen, wier namen in den hemel zijn opgeteekend.

3. Bewonder, mijn kind, die verhevene plannen, vereer deze geheimen der liefde; maak gebruik eindelijk, in hot belang uwer ziel, van zooveel goedheid mijns Harten, waardoor aan u schoon een zwak sterveling, de vrijheid geschonken wordt op de innigste wijze te deelen in het gezelschap der Engelen en Heiligen en met hen uit een zelfde schatkist u die zaligheid toe te eigenen.

Zie hoe de strijdende Kerk, vervoerd door deze liefde mijns Harten, er naar streeft door hare lofprijzingen en teekenen van dankbaarheid met de zegen vierende Kerk te wedijveren.

Immers zooals de Kerk des hemels geen rust heeft maar zonder einde mij looft, onophoudelijk mij verheerlijkt; zoo ook houdt de Kerk op aarde niet op mij te vereeren en mijnen naam te prijzen.

Mogen de gezindheden uws harten, mijn kind, niet verschillen van die der Kerk, die uwe Moeder is; neen, integendeel gevoel in u, wat zij in zich zelve gevoelt.

Als gij voor mijn beminnelijke Tabernakel verschijnt, verruim dan uw hart, geef u aan godsvrucht over, geef glorie aan God uwen Heer.

Vereenig u met de strijdende kerk; vereenig

-ocr page 655-

619

u ook met de zegevierende; loof, zoo deelgenoot geworden der geloovigeu en der hemolsche Geesten, God uwen Zaligmaker, juichend met hart en mond.

Kniel eerbiedig neder, aanbid, smeek, geniet mijne tegenwoordigheid.

6. De leeelikg. O beminnelijkste Jesus! Hoe wondervol is de liefde uws Harten, waardoor Gij mij opbeurt en vertroost op aarde, en gemaakt hebt, dat ik op zekere wijze hier do zaligheid en het gezelschap des hemels geniet!

Zoo, o onbegrijpelijke liefde, zoo hebt Gij do bitterheden mijner ballingschap op wonderlijke wijze gelenigd, ja in hemelsche zoetheid veranderd.

En na dit alles, zou ik U niet beminnen ? U niet prijzen? niet altijd uwe liefde in mijn hart en uwen lof op mijn lippen dragen?

Ja, o ja, ik zal u beminnen, ik zal u loven, o Heer; ik zal u beminnen en loven zooveel ik kan; en ik wenseh het zooveel te kunnen als ik verpligt ben het te doen.

Doch ook den hemel en de aarde noodig ik uit, U met mij te beminnen en te prijzen.

Dat de Engelen en Heiligen, alle regtvaardi-gen en geloovigen buiten zich zeiven van uwe liefde U loven in het allerzoetste Sacrament des Altaars! Dat èn de zegevierende èn de strijdende Kerk tevens in den hemel en op aarde de zangen hunner liefde en lofprijzing doen weergalmen!

Ja, dat al de schepselen eenparig, zigtbare en onzigtbare, levende en levenlooze die uwen wil

-ocr page 656-

G20

volbrengen, niet ophouden bij dag en bij nacht U te loven en te verheerlijken, die allen lof, alle eere voor eeuwig waardig zijt!

7. O zoetste van al wat bestaat, Jesus, Zaligheid aller Engelen en Heiligen! Waar zal ik geluk op aarde zoeken, als ik ze hier niet zoeken ga!

Hier word ik gezel der Heiligen, hier verkeer ik onder de Engelen, hier vind ik de zaligheden des hemels zei ven.

O onuitsprekelijke goedheid! O eiudelooze zoetheid! die hemelsche Geesten uit den hemel tot U trekt, trek ook mij tot U, opdat ik hier ruste, hier onder de Engelen U aanschouwe, U aanbidde, U love, U smeeke.

Wanneer ik ooit elders word teruggehouden, o trek dan mijn geest en mijn hart hierheen tot U, opdat ik ten minste met den geest bij U zij, door herhaalde gedachten en genegenheden met U spreke, mij met U onderhoude.

Wat toch zou ik beter! of zoeter kunnen be-geeren, in de wereld, dan U hier te genieten? Hier is het nieuwe paradijs op aarde, waarin ik wensch en vaststel te leven, totdat ik van hier worde overgevoerd naar uw hemelsch rijk om eeuwig met do Engelen en Heiligen te zegevieren.

-ocr page 657-

ZEVENDE HOOFDSTUK.

HET ALLERHEILIGST HAKT VAN JESUS VEREEN1GT nr. KEEK, DIE is HET VAGEVUUR GEZUIVERD WORDT, MET DE STRIJDENDE EN MET DE ZEGEVIERENDE KERK.

!. Jesüs. Mijn kind, niemand treedt liet rijk der hemelen, de zegevierende Kerk binnen, tenzij die heilig en vlekkeloos is. Mets ii. mers, wat besmeurd is zal daar binnen gaan.

Een ieder echter, die bezoedeld uit deze wereld vertrekt, doch geen zonden meer heeft, welke in hot toekomstige leven niet vergeven worden, hij zal behouden blijven, evenwel zoo als iets door het vuur behouden blijft.

In het vuur, mijn kind, is de lijdende Kerk, de menigte van zielen, die weleer onder mijne banier met mij tegen het vleesch, tegen de wereld en den duivel hebben gestreden, doch op de eene of andere wijze in den strijd te kort schoten en hare misslagen nog niet tijdens het leven hebben afgeboet.

Zij lijden, mijn kind, en te zwaarder is hun lijden, naarmate zij nu alles beter inziende, ook vuriger verlangen met mij te zegepralen in het rijk des hemels.

En dewijl zij die zaligheid met een vast vertrouwen verwachten, wordt ook het verlangen daarnaar nog heviger; immers do hoop, wier bevrediging wordt uitgesteld, doet de ziel pijnlijk aan.

-ocr page 658-

G22

Eu ofschoon de ziel zich ook verblijdt, daar gereinigd te worden, en niet ongezuiverd die plaats zoude willen verhtcn. vindt zij ove:nvel geen rust, maar door overgroote begeerte gedreven, roept zo uit: Wanneer zal ik komen, wanneer, on voor het aanschijn van God worden toegelaten.

2. Die zielen, mijn kind, heb ik lief, omdat zij mij in haar leven bemind hebben, en niet tot het laatste oogenblik toe aan mijn vaandel ontrouw zijn gebleven.

Hare namen zijn opgeteekend in het boek des levens en haar loon ligt veilig bewaard in mijn 1 lart.

Intussclien bezielt haar de genade mijns Harten, de kracht van mijn Hart schenkt haar vev-ligting, en de liefde mijns Harten biedt haar vertroosting.

Door mijn Hart dus wordt de lijdende Kerk beleefd, zooals do strijdende en de zegevierende Kerk: en in mijn Hart zijn dio drie eene Kerk.

Bezield door hot bovennatuurlijk leven mijns Harten hebben allen, zoowel de zegevierende in den hemel, als de lijdende Kerk in het vagevuur en de strijdende op aarde, een zeltde doel, namelijk, eene eindelooze zegepraal tot eeuwige glorie mijner goddelijke Majesteit.

3. Docri dewijl allen uit mijn Hart het leven ontvangen en de vrucht des levens tot mijn Hart weer terug brengen, daarom worden alle goederen voor hen een gemeenschappelijk goed in mijn Hart, welks liefde den hemel, de aarde en den louterenden afgrond doordringende, die goe-

-ocr page 659-

(523

deren aan alle leden, ten bate van allen en van een ieder in liet bijzonder uitdeelt.

Dewijl echter de zielen in het vagevuur voor zich zelveu niet meer verdienen kunnen en do stervelingen haar niet anders dan door hunne gebeden kunnen te hulp komen, daarom heofr mijn Hart aan de liefde dat middel ontlet-nd om haar ruimschoots te helpen.

Het heeft namelijk bewerkt, dat het II. Offer, ter wille van hetwelk de goddelijke Majesteit haar bevrijding of zeker verkorting of vermindering van straf verleent, op haar kan worden toegepast.

Aan mijn Hart derhalve moet men liet dank weten, dat aldus die zielen verligting en zuivering erlangen door de kracht van mijn bloed, dat door het Offer op haar wordt toegepast.

Op deze wijze, mijn kind, wordt het vagevuur geledigd, do hemel vervuld en aan de pelgrims op aarde met betrekking tot hen, die de wereld verlaten hebben, de zoetste vertroosting geschonken.

5. Zoo zie dan, mijn kind, welk schoon geheel de Kerk is, wier deelen allen in mijn Hart onderling met elkander omgaan.

Het strijdend gedeelte, schitterend met de behaalde overwinningen, snelt steeds naar nieuwe zegepralen, juicht met de blijden in de verheerlijkte en weent met de weenenden in de lijdende Kerk.

Liefde, medelijden, blijdschap, gebeden gaan rond door alle deelen van de eene zijde tot de andere.

Verblijd u, mijn kind, omdat gij niet tot het

-ocr page 660-

624

getal behoort van hen, die g»ene hoop meer hebben voor de overzijde des grafs, maar tot hen, die in mijn Hart vereenigd zijn, en wie noch afstand van plaatse, noch de magt des doods vermag te scheiden.

5. Neem den geest mijns Harten in n op, mijn kind; en donk al smeekend, zoo dikwijls gij bij het allerheiligst Otter tegenwoordig zijt, aan de ai-gestorvene geloovigen; doch als het heilig en aanbiddelijk Slagtoffer tegenwoordig is, dan vooral is het een heilzame gedachte, een zeer godvruchtig werk, voor de overledenen te bidden, opdat zij van hunne zonden ontslagen mogen worden.

Volgens dienzelfden Geest moet Gij, een aflaat verdienende, die voor hen van nut kan zijn, hnn verligting eu troost verschaffen, door ze op hen toe te passen.

Doch wanneer gij in de heilige Communie met mij vereenigd zijt, dan vooral moet gij aan mijn Hart al, wie gij op de aarde hebt liefgehad en anderen, voor wie gij verpligt zijt te bidden, aanbevelen.

G:. eens in uwe gedachten na, mijn kind, met welk een gevoel van dankbaarheid en liefde, de zielen, die gij door uwe gebeden of voorspraak de hemelsehe zaligheid hebt binnen geleid, u daarvoor zullen trachten te beloonen.

Deze godsvrucht, deze liefde voor de lijdende zielen in het vagevuur, is een eigenaardig ken-teeken der leerlingen mijns Harten, die naar mijn voorbeeld, de grenzen dezer wereld overschrijden en een ieder met liefde vertroosten, die in staat zijn, hunnen troost te ontvangen.

-ocr page 661-

625

6. De leerling. O allerliefste Jesus! Welk een Hart hebt Gij! hoe bewonderenswaardig! hoe goedig!

Want zie in dat Hart van u ontmoet ik ook hen, die ik in dit leven verloren had, en word ik vei-eenigd met hen, die ik in deze wereld heb liefgehad.

Hierin heb ik met hen een en omgang rijk aan zoetheid, hierin kan ik èn hen èn mij zeiven troost verschaffen.

Met de grootste dankbaarheid van dit troostmiddel gebruik makend, offer ik tot verligting der geloovige zielen, door uw Hart zeiven alle vruchten op der Misofferanden, die overal zijn opgedragen.

En, in vereeniging met deze allen, offer ik U alle goede werken op, die ik door uwe genade bezit, opdat Gij de vlekken van al die zielen uit-wisschen en ze aldus moogt waardig maken in het gezelschap der zegevierende Kerk te dee-len. Ik offer ü ook mijne gebeden en smeekingen op vooral voor mijne overledene ouders, voor mijne broeders en zusters, voor mijne vrienden, eindelijk voor allen, die mij of naar do ziel of naar het ligchaam weldaden hebben bewezen.

aan

Bijzonderlijk ook beveel ik U die zielen

van wier straffen ik op cenige wijze de oorzaak ben geweest.

Doch in het bijzonder bid ik voor de overledenen, die tijdens dit leven godvruchtige leerlingen uws Harten waren.

Eindelijk bid ik U voor allen, opdat zij van hunne straf ontslagen, uwe eeuwige vreugde

40 quot;

-ocr page 662-

mogen binnen treden en daar bij U mijner mogen gedenken.

7. O Jesus, vertrooster Tan al die de uwen zijn, en vernieuwer van al wat bestaat! wanneer ik hier voor liet Heilig Tabernakel met U ben, dan schijnt do zinnelijke wereld voor mij tc verdwijnen; want cone geestelijke wereld wordt hier voor mij geopend; en hoe ruim, hoe be-wonderingswaardig is deze! i toe vervuld met vele en groote wonderen van troost.

Hier treed ik in gemeenschap mot do Kerk, die in den hemel zegeviert en met de Kerk, die zich in liet vagevuur zuivert; hier verkeer ik vrijelijk en heilig in uwe tegenwoordigheid met de Engelen en alle hemellingen; hier ga ik om met mijne bloedverwanten en vrienden, die in een onzigtbare wereld wonen.

Aan wien echter, zoo niet aan uw Hart moet ik dat alles dankwetcn? Hier dus, hier is mijn geliefkoosde plaats, het verblijf van rust en vrede, van vreugde en vertroosting.

O hoe goed is het mij hier te zijn, beste Jesus! bron van alle goeds! Mogen anderen gaan, waarheen zij willen; dat zij zich verlustigen met hetgeen in hunnen smaak valt; wat mij betreft, ik zal mij zoo dikwijls uw wil het veroorlooft, hierheen spoeden; hier zal ik mij met do uwen verlustigen; hier zal ik met U, hart aan hart, mij onderhouden in de volheid uwer zoetheden.

-ocr page 663-

ACHTSTE 1100 FDSTUK.

over ])e onuitsprekelijke bezigheden aak het allerheiligst hart van jesüs in het heilig sacrament ten opzigte van zijnen vader.

1. De leerling. Indien do werken van uw heilig Hart, Heer Jesus, met betrekking tot alle deeleu uwer Kerk, zoo wondervol en verheven zijn in het goddelijk Sacrament, lioediinig, zeg het mij, zijn de bezigheden ten opzigte uws Vaders, door wien gij oneindig bemind wordt en wien Gij eindeloos lieiliebt?

Deze inderdaad zijn geheimen zoo diepzinnig, tint de taal der mensehen of der engelen tot hunne verklaring niet meer vermag dan de taal van een kind, dat niet weet te spreken.

Ja waarlijk. Heer, liet zijn verborgenheden, welke den mensch niet geoorloofd zijn uit de spreken.

Wil ze derhalve zelf, ik smeek het U, aan ons openbaren, voor zoo verre Gij weet, dat liet tot uwe glorie en tot ons heil kan verstrekken, opdat wij in staat mogen zjjn U in het allerheiligst Sacrament op eene waardige wijze te vereeren en te beminnen.

2. Jesus. Luister met eerbied, mijn kind, span godvruchtiglijk uwe aandacht in, en ik zal u de goddelijke geheimen ontsluijeren.

Hier in dit geheimzinnigst schuiloord, in het ongeschapen licht, aanschouw ik met vervoering

-ocr page 664-

628

decs Harten hot wezen van God, on verlustig ik mij in zijne oneindige volmaaktheden.

jUaardoor wordt mijn Hart niet onuitsprekelijke geneugten overstroomd en naarmate liet tijdens het sterfelijk leven meer met bitterheden vervuld was, naar die mate wordt het thans overstelpt met rijker en zoeter vreugdegenot.

Bij deze heerlijkheden, bij deze goddelijke vreugde is de Vader in mij en ik in don Yader; en zonder gedruisch van woorden spreekt do Vader tot mij en ik tot Hem.

Hier doelt mij de Vader de eeuwige plannen zijner wijsheid, de raadsbesluiten zjjner opperste raagt en do verlangens zijner beminnelijke goedheid mede.

quot;Wederkeerig beschouwt mijn Hart deze ca verlustigt zich daarin.

3. Want de Vader bemint mijn Hart in de hoogste mate; en dit Hart brandt zoozeer van liefde jegens Hem, dat liet nimmer verkoelt, nimmer een vonkje van zijn liefdevuur verliest.

Ziedaar, mijn kind, eene liefde, waarmede geen ander hart den Yader kan beminnen, omdat elk ander hart als het hart van een kind, niet zooals mijn Hart van nature, maar slechts als aangenomen kinderhart zicli tot Hem wendt en met Hem vereenigd wordt.

Wat dit betreft, is mijn Hart eenig in zijn soort en zonder evenbeeld. En daarom verlustigt zich de Vader in deze liefde mijns Harten bijzonderlijk en meer dan in de liefde van allo Engelen en Heiligen, omdat zij do liefde van het Hart zijns eenigen Zoons is.

-ocr page 665-

629

ik i. Voor zoo verre ik Gods Zoon ben, geniet

ik aller on beschik ik over alles in den heiligen Geest, omdat alles, wat de Vader bezit, het mijne is.

Al wat de Vader doet, doe ook ik; met den Vader en den heiligen Geest schep, behoud en bestier ik alles.

Voor zooverre ik Zoon des menschen ben, vernietig ik mij zei ven in zekeren zin voor de Majesteit des Vaders, en betuig ik Hem eeuwige aanbidding.

Hier vereer ik zijnegoddelijke Wijsheid, Goedheid en Almagt en do overige volmaaktheden, op eene wijze als do Cherubijn, noch eenig seaep-sel ze kan vereeren.

5. Doch terwijl ik zoo in den Heiligen Geest met den Vader in deze geheimzinnige en verhevene eenzaamheid van het goddelijk Sacrament verkeer wordt mijn Hart evenwel niet ontrouw, als zoude het zijne liefdewerken ton opzichte van de kinderen des menschen vergeten.

Voor hen offert mijn Hart zijne offerande zoo veelvuldig en verbazingwekkend als zij zijn, voortdurend den Vader op.

Zoo er zijn, die naar den geest kwijnend, ziek of gestorven zijn, dan bidt mijn Hart hier voor hen met onuitsprekelijke verzuchtingen.

Dan stort het zich mot al /.jjno genegenheid voor den Vader uit, opdat do regtvarrdigo nog regtvaardiger, en opdat de heilige nog heiliger worde.

En nooit houd ik op met mijn Hart gebeden en smeekingen op te zenden voor allen, over

-ocr page 666-

630

wie ik mijn niet schaam om hen voor mijn Ya-der mijne broeders to noemen.

Opdat allen oen mogen zijn, zoo smeek ik, gelijk Gij Vader in mij en ik in U ben, opdat ook zij in ons een zijn mogen.

Ik in lien en gij in mij, opdat zij in eenheid volkomen zijn; en de wereld erkenne, dat gjj mij gezonden en hen liefgehad hebt, gelijk gij mij ook hebt liefgehad.

Ik bid u niet, dat Gij hen uit de wereld neemt, maar dat gij hen van den boozon bewaart. Heilig hen in de waarheid.

Vader, ik wil dat die gij mij hebt gegeven, ook met mij zijn, waar ik ben; opdat zij de heerlijkheid zien, welke gij mij gegeven hebt.

C. Ziedaar; mijn kind. waarmede mijn Hart jegens den Vader in dit heilig Tabernakel gedurig bezig is.

Tracht die bezigheden mijns Harten, als gij hier in mijne tegenwoordigheid verschijnt, zoo veel gij kunt na te volgen.

Verhef uw hart boven al het zinnelijke en beschouw met de Kerk uwe Moeder, die als zinnebeeld van haar geloot, voor het allerheiligst Sacrament altijd een licht brandend houdt, in het licht des geloofs uwen God en Zaligmaker, als bij u tegenwoordig.

Overweeg in stilte, met veel eerbied en liefde, godvruchtig alles, waarmede hier mijn Hart bezig is.

Kom dikwijls hier, mijn kind; stort hier uw hart uit, bemin hier, verlustig u hier in mijn Hart.

-ocr page 667-

G31

7. De leerlixg. O hoe wondervol, hoe goddelijk zijn uwe beziglieden, O mijn Jesus, in het heilig Tabernakel!

O Heer, als men ze beschouwt, en ze begrijpt, dan deelen zij leeringen mede, die geene boeken bevatten, noch menschelijk vernuft uitspreken kan.

O goddelijke eenzaamheid van Jesus in het Sacrament! Zij is de bron van hemelsche geheimen; do school van overweging, waarin men leeft zich boven hot zinnelijke te verheffen, den Vader en den Zoon en den Heiligen Geest te genaken, de grootheden Gods te beschouwen, met den geest en met het hart te bidden, door te dringen tot het geheimzinnige en tot het goddelijke.

Geen oog heeft gezien, geen oor gehoord, geen zintuig heeft het in zich opgenomen, neen het geloof alleen ziet, proeft in zuivere liefde, welk geluk, welke zoetheid, welke overvloed, in een woord van alle goederen, hier verborgen is.

Hier, Heer Jesus, is het schuiloord, waarin Gij tevreden, alles bevredigt, waarin Gij bezig zijt en ook ons bezig houdt, waarin Gij heilig zijt en ook ons heiligt.

Hier is do plaats, welke de Engelen begeeren en waar de zuivere zielen hare woontenten wen-schen op te slaan.

Hier, allerliefste Jesus, hier zal ik U altijd zoeken; hier moge ik, smeek ik U, verdienen in uw lioiit het licht te zien waarin Gij woont, hier moge ik met U bezig zijn, hier mij verlustigen in de wonderen, die gij met den Vader

-ocr page 668-

632

en den heiligen Geest wrocht! hier verslonden worden door den stroom van goddelijk vuur, die uit uw Hart opstijgt; hier eindelijk door liefde geheel in u opgaan.

Leid mij, bid ik U der geheimen uwsHarten in en bewaar mij bij U in dien goddelijken vrede, waarin alle menschelijke beroering ophoudt, waarin alle beweging van de Godheid uitgaat en tot de Godheid wederkeert.

Als ik in uwe oogen. Heer, genade heb gevonden, dan, ik bid het U, laat mij toe, veree-nig mij met U door een onverbreekbaren band van liefde; doordring al mijne innerlijke en uit-wc.idige vermogens, opdat ik doov U en voor U leve.

LEGENDE HOOFDPÏUK.

het allerheiligste hart van jesds verebt in het heiligst sacrament zijnen vader op bene oneindige wijze.

1. Jesüs. Nu, dierbaar kind, is de Zoon des. menschen verheerlijkt en God is verheerlijktin Hem Hoezeer, denkt gij wel, dat de Vader verheerlijkt en vereerd wordt door den Zoon, die ter eere en glorie des Vaders, niet meer op aarde gezien wordt maar verborgen is in het Sacrament? De Vader is alle vereering, alle lof' en gehoorzaamheid waardig; daarom ook betuig ik Hem zulks onder alle opzigten in dit heilig geheim door de onmetelijke vernederingen, waaraan ik mij hier onderwerp.

-ocr page 669-

633

Hoe dieper de menschgeworden Zoon zich vernedert om den Vader te eeren, des te hooger klimt de Majesteit van God den Vader.

Peil, als gij kunt, den afgrond der vernedering in welke ik hier tot glorie des Vaders ben afgedaald, 't Is waar, ik ben in een afgrond neergedaald door de Menschwording; dieper nog ben ik doorgedrongen door mijn leven; tot de diepste diepte heb ik mij vernederd door den dood. Doch hier ben ik beneden alle afgronden neergedaald: hier heb ik elke overmate van vernederingen overtroffen en blijf ik haar overtreffen. Beproef zooveel gij kunt, span uwe krachten in zooveel gij wilt, gij kunt verwonderd, verslagen staan van verbazing, doch nimmer de diepte of do uitgestrektheid van den afgrond bevatten of begrijpen, waartoe mijn Hart zich vernederd heeft.

Zelfs do Engelen staan verbaasd, als zij met eerbied zien hoe ik, wien zij als hun Heer erkennen en dienen, mij ter eere des Vader» moer verneder dan zij het vermogen.

Hevig w irden zij daardoor ontstoken en aangespoord om de goddelijke Majesteit te verheerlijken, wier eindcloozo grootheid zij niet kunnen begrijpen, en welke zij uit mijn voorbeeld duidelijk inzien eindelooze eere waardig te zijn.

2. Mijn kind, indien de staat, waarin ik hier tegenwoordig ben, reeds zoo zeer der goddelijke 'quot;Majesteit ter eere strekt, welke eer spruit dan niet voort uit dat alles, wat ik in dien staat voor haar doe!

Wil niet naar den uiterlijken schijn oordeelen;

-ocr page 670-

G34

want het goddelijke moet niet naar mensche-lijke opvatting worden afgemeten.

Al mijne daden in dit Sacrament, als zijnde daden van een oneindig waardig persoon, zijn, sclioon ook onzigtbaar on ontdaan van dien glans, welke de zinnen des mensclien treft, van oneindige waarde.

Vandaar, mijn kind is de minste beweging mijns Harten tot glorie dos Vaders, onvergelijkelijk eervoller voor Hem dan alles wat Hem ter eere door hen, die louter schepselen zijn, gedaan wordt.

Roep in uwen geest alle heldenfeiten, de schit-terendo daden in de handelingen der stervelingen te zanien, waardoor zij hunnen roem over de wereld verspreiden; zie, wat zijn zij allen, vergeleken met éene daad van mijn Hart, wat anders dan de rook van een brandend vuur?

Ja, wat meer is, voeg alle deugden, weder-quot; iardigheden en heldhaftige daden bijeen, waardoor alle heiligen sinds Abel tot den laatsten regtvaardige zich beroemd hebben gemaakt; ook deze mijn kind, zij mogen Gode aangenaam en verserend zijn, staan nog oneindig verre beneden één offer, waarmede mijn Hart hier God verheerlijkt.

Wat meer? Groot zijn wel is waar de eerezangen en dankbetuigingen, die de hemelsche Geesten en de hemellingen der goddelijke Majesteit aanbieden, doch onvergelijkelijk grooteren eervoller is de lof en dank, dien mijn Hart haar door een offer van zich zeiven op het Altaar aanbiedt.

o. Teregt verheugt zich daarom de Kerk,

-ocr page 671-

C35

dat zij een Bruidegom heeft, don Zoon van God, die voor haar de goddelijke Majesteit vereert, zooals zij verdient geëerd te worden, en haar zulk een dank betuigt, als zij dankbetuiging waardig is.

Dit erkent zij dagelijks mot een dankbaar hart, als zij door mij tot den Vader nadert en Hem zegt: Door Hem en mot Hem en in Hem, zij U, God den almagtigen Vader, in de eenheid des heiligen Geestes, alle eer en glorie.

Door deze goddelijke instelling gevormd en met mij vereenigd, durft zij zonder vreeze van afgewezen te worden den Vader bidden en Hem dank betuigen door mij, Christus den Heer.

En dewijl zij weet, dat hare handelingen slechts door mij aan God op eeno bovennatuurlijke wijze behagen, daarom verrigt zij alles, wat zij doet, alles wat zij offert, in vereeuiging met mij tot lof en glorie dor goddelijke Majesteit, en ook tot haar eigen nut ten eeuwigen leven.

4. Zalig, mijn kind, do ziolen, die door den geest harer Moeder, de Kerk, gedreven, met haar zich in het Sacrament met mijn Hart vereenigen en aldus aan God de eer en dankbaarheid trachten weertegeven, welke zij Hem verschuldigdzijn, doch uit eigen vermogen niet kunnen schenken!

Herinner u, mijn kind, hoeveel gij den hemel-schen Vader schuldig zijt, die u zoo bemind 'heeft, dat Hij mij, zijn eeniggeboren Zoon, op zulk een wondervolle en beminnelijke wijze heeft ■geschonken; die u met zoo veel liefde verzorgt, d it Hij u overvloediglijk de genadegaven mededeelt van den geest der vertroosting, die in mijnen naam is gezonden.

-ocr page 672-

630

Hoe zoet is die pligt der dankbaarheid, als gij een edel hart bezit! Doch wat is zoo zoet, indien gij een kinderhart bezit, als de betuiging uwer dankbaarheid jegens den besten der vaderen?

Indien gij echter Godo dankbaar wilt zijn, zooals een kind jegens zijn Vader behoort te wezen, eer Hem dan; want Hij zegt: indien ik Vader ben, waar is dan mijne eer?

5. De leekling, O eeuwige Vader! van wieu ik als van de hoogste oorsprong alles en wat het grootste is, zelfs uwen ecnigen Zoon met zijne onuitsprekelijke verdiensten en weldaden, met-zijnen heiligen Geest en veelvuldige gaven, heb ontvangen, wat zal ik U wedergeven voor zoo vele en zoo groote goederen?

Indien er tusschen hot geschenk en de dankbaarheid eene zekere evenredigheid en verhouding moet bestaan, zie dan ben ik ten eenemale onniagtig om U den schuldigen dank te bewijzen, dewijl mijne gebrekkige dankb larheid met uwe eindelooze gaven niet in vergelijking kan treden.

Als ik daarenboven beschouw, dat al uwe volmaaktheden oneindig zijn en die oneindige volmaaktheden, al haddet Gij mij nooit eeno weldaad bewezen, evenwel om haar zeiven op oneindige wijze vereerd moeten worden, dan bezwijk ik onder den last der verpligtigen, waaraan ik beken uit eigen kracht in eeuwigheid niet te kunnen voldoen.

Doch zie, Jesus, uw eenige en zeer beminde Zoon, die uit liefde voor U en voor mij met mij op aarde blijft, Hij vult aan, wat ik schuldig ben, er. niet vermag te voldoen.

-ocr page 673-

637

Door Hem dus, die al uwe gunsten jegens mij kent, en al uwe volmaaktheden begrijpt, erken ik liier in vereeniging niet do liefde zijns Harten de verpligting mijner schuld, en breng ik de vereering, die U altijd het welgevalligste is, als zij U gebragt wordt in Hem, in wien Grij altijd uw welbehagen hebt.

6. Mot geheel mijn hart verheug ik mij er over dat Grij oneindig volmaakt, en ook onuit-spekelijk vrijgevig jegens mij zijt; en dat ik in het Hart van Jesus, uwen beminden Zoon het middel heb om ü de schuldige eero en dankbaarheid te kunnen bewijzen.

Derhalve offer ik U alle deugden van liet allerheiligst Hart van uwen Zoon op, en alle daden, die Hij in het heiligst Sacrament zijner liefde niet ophoudt tot eer uwer Majesteit en tot heil der geheele wereld te verrigten.

Wat ik ook doen kan, hot is niets in vergelijking met hetgeen ik U verschuldigd ben: en dit zelf maakt een deel van uwen lot' uit, dat uwe verdiensten al mijn vermogen te boven gaan.

Doch zie op Jesus, uwen Zoon, die de beeld-tenis van uwe goedheid en van al uwe volmaaktheid is, en aanvaard tot uwe glorie al de volheid der heiligheid zijns Harten.

Gewaardig U. zoo smeek ik, heilige Vader, aan te nemen de verdiensten, de voldoeningen en den lof van uwen eeniggeboren Zoon, die ik U opoffer tot vergoeding van al debeloedigingen, waarmede Gij door mij en door andoren ooit onteerd zijt geworden.

Hoe zoude ik wonschen die beleodigingcn door

-ocr page 674-

638

mijn bloed en alleji arbeid welke ook, te kunnen herstellen; doch dewijl alles, wat ik doe, daartoe volstrekt niet voldoende is, daarom vereenig ik het met de eindelooze verdiensten van Jesus uwen Zoon en ofter ik het U op.

7. Door dat zelfde Hart uw» geliefden Zoons, waardoor ik U do schitting mijner vereering breng, en U voor al uwe weldaden dank betuig, vraag ik ook tot uwe glorie nieuwe genaden.

Vooreerst, verleen mij, smeek ik U, een groote, edelmoedige cn tevens teedero liefde jegens uwen Zoon, den Beminde mijner ziel, den allerzoetsten Jesus, die zoo liefdevol hier met mij verblijft.

Geef, dat ik, bezield door de gezindheden zijns Harten en met zijn Hart vereenigd, door Hom leve, door wien alleen ik tot U kan komen.

Schenk mij met dat dool, bid ik ü, de volheid des heiligen öeestes, die altijd liet Hart van Jesus bezielde en bestierde.

Moge deze goddelijke Geest geheel mijn hart vervullen, met liefde voor Jesus ontvlammen, en steeds hongerig en dorstig maken naar zijn allerzoetst Sacrament.

-ocr page 675-

(339

TIENDE HOOFDSTUK.

het allerheiligst hart van jesüs verzoent door zijne opofferingen ]n het heiligst

sacrament des altaars, de goddelijke r egt vaardig heid en verschaft ons onbegriji'elijke genadegaven.

1. Jesus. Mijn kind, zoo zegt God: op alle plaatsen wordt geofferd en mijnen naam een zuivere offerande opgedragen, dewijl mijn naam groot is onder de heidenen.

Deze, mijn kind, is de offerande des lieils, die na eenmaal op den lioiJigen berg tof verlossing van allen opgedragen te zijn, dagelijks over de wereld wordt geofferd om mijne verdiensten op een ieder in het bijzonder toe te passen tot vergiffenis der zonden, die dagelijks worden bedreven.

Want dewijl ik wist, dat het maaksel van hen, ook van die in mij zouden gelooven, zoodanig was, dat zij in vele zaken zouden misdoen, daarom heb ik, door de liefde mijns Harten bewogen, een offer ingesteld, dat aan God niet slechtst de grootste vereering en dankbetuiging-zoude bieden, maar ook verzoening en genade zoude afroepen, opdat God door dat offer verzoend, genade en de gaven van boetvaardigheid verleenende, de misdaden en zonden vergeven, en ruimschoots gunsten zoude schenken.

Het zelfde oft'er namelijk, dat weleer aan het kruis werd opgedragen; draag ik nu op het

-ocr page 676-

640

altaar op; niet bloedig, wel is waar, zooals vroeger eenmaal, maar toch met dezelfde liefde dos Harten.

Zoo dikwijls derhalve t7eze heilzame offerande wordt opgedragen, zoo dikwijls de gedachtenis van dit slagtoffer wordt gevierd, wordt ook het Wüi-k van de verlossing der menschcn uitgeoefend.

Welke offerande de almagtige Vader altijd zich gewaardigt goedertieren en bevredigd aan te zien en welgevalliger te beschouwen, dan het heilig en vlekkeloos offer, dat hem de hoo-gepriester Melehisedech heeft opgedragen.

Daarom bidt do Kerk met vertrouwen tot God den Vader, door dit offer de geloovigen te willen bevrijden van alle kwalen zoo van het verledene als voor het tegenwoordige en in de toekomst, opdat zij, ondersteund door de hulp der goddelijke barmhartigheid, van alle zonden bevrijd en tegen elke verontrusting beschermd mogen blijven.

Wat toch zal de eeuwige Vader weigeren, als Hij mij ziet, zijn eenigen Zoon, op het altaar geslagt door den ijver voor zijne eere en dooide liefde voor de mensehen, als het offerlam zijner glorie, terwijl mijn Hart en mijn bloed tot Hem roept en smeekt voor mijne broeders.

2. Ja waarlijk deze offerande zoo bij uitstek vlekkeloos, door mij zolven in eindelooze liefde des Harten den hemelschen Vader door de bediening der priesters aangeboden, is Hem altijd welgevallig en vindt immer verhooring wegens hare eerbiedwaardigheid.

Aldus zijn er vele anderen tot priesters verheven, omdat de dood hun belet altijd op aarde

-ocr page 677-

641

te blijven, en omdat dit oifer op alle plaatsen zou worden opgedragen; doch ik, dewiji ik blijf in eeuwigheid, bezit een eeuwigdurend priesterschap. Daarom kan ik voortdurend aller, die door mij tot God komen, behouden.

Door de slagting van dit allerheiligst Offerlam is geheel de aarde aanhoudend gepurperd, en stijgt zijne zoetheid met de verdiensten en deugden mijns Harten onophoudelijk als een liefelijke geur tot den Vader op.

indien vele zonden der menschen de goddelijke Majesteit veel beleedigen en zij de regtvaar-digheid afroepen, onvergelijkelijk meer nog biedt dit heilig offer haar eere en verzoening aan; omdat de eeniggeboren Zoon haar oneindig wel-gevalliger is, dan alle zondaren haar mishagen.

Welk gewest op aarde werd niet eenmaal gekleurd door het bloed mijns Harten, of welke plaats bleef uitgesloten van zijne gebeden en bescherming? welke plek der wereld dan zal God kastijden, zonder eene plaats te treffen, die door het Hart zijns Zoons verdedigd wordt?

Zie, de zondaren zondigen en zij worden niet, naar verdiensten, neer geworpen in den poel van het eeuwig vuur; integendeel zij worden in het leven gelaten, wel te verstaan, niet om te zondigen, maar om zich zalig te maken.

Want ik stel mij zeiven tusschen God den Vader en tusschen de zondaren, en voor dezen offer ik mij op, bemiddelend smeekend: Aanschouw, heilige en rechtvaardige Vader, zie mijne handen, zie mijne zijde; zie hoeveel zij aan uwen Zoon hebben gekost! Om de liefde, waar-

41

-ocr page 678-

riiedo Gij mij bemint, spaar, Vader, spaar uw volk.

3. Mijn kind, moest do zondaar niet toegeven aan zooveel goedheid, waardoor ik de hel gesloten houd, opdat zij hem niet verslinde; waardoor ik de duivelen belet om hem mee te slopen; waardoor ik de armen des Almagtigen weerhoud, opdat de bliksems van Gods regt-vaardighoid hem niet verdelgen?

Ja, verbaasd zoudt gij staan, indien gij al de geheime middelen zaagt, welke mijn Hart hier gebruikt om de zielen te redden, die, zoo ik de goddelijke verontwaardiging niet weerhield, teregt spoedig zouden vergaan.

Indien, gelijk eertijds, aan de boozen niet meer plotseling en onherroepelijk de strafwordt voltrokken, zij mogen bedenken, dat het geweten moet worden aan het offer mijns Harten, waardoor geheel de wereld behouden blijft.

Ziedaar, mijn kind, hoe mijn Hart bemint, overal den mensch, ook den ellendigste, indachtig, bevordert het overal de zaligheid der zielen!

4. Met welke gewaarwordingen moet gij dan met dit geheim omgaan; waaruit gij zoo vele heilmiddelen ontvangt! waaruit gij allerlei genaden en gunsten verkrijgt; immers het is van oneindige waarde.

Doch ofschoon dit offer van oneindige waarde is, worden evenwel op den mensch de vruchten daarvan toegepast in eene mate, die beperkt wordt door de levendigheid des geloofs en der godsvrucht; van de gesteltenis der ziel, die er bij tegenwoordig is, of voor wie het opgedragen

-ocr page 679-

1,43

wordt: gelijk de Kerk door den lieiligen Geest onderwezen, aanduidt, als zij offerende God bidr, dat Hij zijn dienaren en dienaressen, en allen, die er bij tegenwoordig zijn en wier geloof en godsvrucht hem bekend zjjn, gedachtig moge wezen.

Derhalve, mijn kind, draag liet H. Misoffer op o{ woon het bij niet een levendig geloof, mot ware godsvrucht en in heilige gesteltenis, opdat gij verdienen moget do zeergroote vrucht van het offer en alle genaden, die gij vraagt, te verkrijgen.

Want de goddelijke welwillendheid schenkt ongetwijfeld aan hen, die in goede gesteltenis zijn de genade, die zjj gedurende de heilige Mis vragen, ja verleent hun dikwijls zelfs gunsten die zij niet vragen.

Onthoud dit wel, itiijn kind, liet godvruchtig hooren der Mis, is liet heilzaamste middel om u tegen gevaren to besehermen, vooreen onvoorzie-nen dood te bewaren en den wegder deugd te volgen.

Wilt gij verdiensten opstapelen, zijt dan dikwijls, indien het geoorloofd is, bij het offer der H. Mis tegenwoordig; want door het godvruchtig bijwonen van eene H. Mis, verwerft gij u veel meer verdiensten dan door een langdurig godvruchtig vasten of door gestrenge kastijding, of door een langen pelgrimstocht, dien gjj onderneemt.

Indien gij ten laatste u aan mijn Hart wilt aanbevelen, zijt dan zoo dikwijls en zoo godvruchtig mogelijk bij de heilige Mis tegenwoordig; dit offer toch strekt der allerheiligste

-ocr page 680-

644

Drievuldigheid tot glorie, verblijdt de Engelen en de Heiligen, verrijkt do regtvaardigen met genade, helpt de zondaren tot bekeeriiig, verligt de zielen inliet vagevuur,verkwikt eindclijkgeheel de Kerk, die op aarde be.staat.

5. De leerlisu. O liefste Jesus! hoe groot is de barmhartigheid, hoe belangloos de lierde, hoe onovertrefbaar do goedertierenheid, boe verbazend de goedheid uws harten'

Want zelfs voor hen, die uw Hart zooveel zij kunnen bedroeven, houdt Gij niet op U te otteren, om het gewigt der goddelijke wraak te weerhouden, totdat zij zich onder de bescherming van uw Hart in veiligheid hebben gesteld.

En ik, ja ik zal het belijden, schoon in zulk eene

mat:' door do genade uws luirten overladen, ik de

ondankbaarste van allen, heb uw Hart bedroefd.

Aan de grootc barmhartigheid dus, aan do ein-delooze goedheid uws Harten mag ik het dank weten, dat ik nog niet verdelgd nog ongestraft ben.

6. O Hart van Jesus! zoet en allerliefst Hart. Hart, dat alle liefde waardig zijt en overvloeit door overmate van allerhande liefde', zou ik nog een hart bezitten, dat een menschelijk hart mag heeten, als ik u niet wederminde?

Wie, Heer, wie biedt er weerstand aan uwe liefde, als hij overweegt hoe Gij in het allerheiligst Altaargeheim ons in uw hart verbergt en IJ zelven aan den Vader voor ons opoffert!

O mijn Jesus ! wat zou er gebeuren, als Gij een zondaar van de bescherming uws Harten uitsloot! Hoe ontzettend zou de bliksem van Gods regtvaar-digheid hem tot in de diepte der hel nederwerpen.

-ocr page 681-

045

Verre, o Heer, verre zij het van mij, dat ik door ondankbaarlieid en door de zonde uw Hart uitdagen en mij aan zulk een gevaar zou blootstellen!

7. Geef, o mijn Zaligmaker! dat ik U, die zoo voor mij bezorgd zijt, met ijver dank betuige, U vurig bcminne; door dankbaarheid en liefde gedreven U dikwerf bezoeke, dikwijls en met godsvrucht bij het heilig Offer tegenwoordig zij.

O hoe weinig zou ik U beminnen, indien, ik niet dagelijks hier kwame om de heilige .Mis bij te wonen om hier te overwegen, met U mij te onderhouden, en U veel te vragen!

Hoeveel tijd van den dag besteed ik niet aan iiardsche bezigheden! hoeveel wjjd ik aan eigen rust en ontspanning! en voor liet werk mijner eeuwige zaligheid en der goddelijke glorie zou ik hier geen half uur met U kunnen besteden, terwijl ik toch van hier uwe genade en uwen zegen medeneem, waardoor zelfs mijne bezigheden en al het overige geheiligd wordt en welslagen vindt?

Ja, Heer, dagelijks zal ik hier met U zijn. En als ik door een noodzakelijk beletsel gedwongen word afwezig te zijn. dan zal ik toch in den geest hier met U zijn.

-ocr page 682-

646

ELFDE HOOFDSTUK.

hbt allerheiligst hart van jesus is in het sacrament zijnee liefde de grootste troost voor ons op aarde.

1. jesus. Mijn kind, ziehier mijn woontent met de mensclien! zie, hier zal ik met hen wonen. Hier Ycrtroost ik een ieder, die tot mij komt en droog ik hunne tranen af.

En wijl er geen plaats op de wereld is, waaide droefheid niet somtijds tranen schreit, vermenigvuldigt mijn Hart zijne wonderen, om overal de vertroosting te vermenigvuldigen.

Hieruit blijkt mijn kind dat de barmhartigheid mijns Harten grooter is dan de ellende der mensclien zijn kan.

Indien er een geneesmiddel, indien er eenige troost in ellende wordt gezocht, hier in mijn Hart wordt liet gevonden, hier uit mijn Hart wordt het met blijdschap verkregen.

Zie, hier maak ik alles nieuw: wat zwaar is maak ik ligt, wat smakeloos is maak ik zoet; het bittere verkeer ik in zoetheid en den rouw in blijdschap des harten.

Wat meer is, dit dal van tranen verander ik in oen paradijs, do aarde in een voorsmaak van den hemel. Want hier is overvloed vanhemel-sche goederen, hier de bron van vrede en vreugde, hier zijn de Engelen, hier woon ik zelf, de eeuwige zaligheid.

2. Deze, mijn kind, zijn de wonderen der

-ocr page 683-

647

liefde, die mijn Hart voor u gewrocht heeft, opdat gij in den tegenspoed des levens den moed niet zoudt laten zinken maar door de goedheid mijns Harten aangespoord, tot deze bron van vertroosting zoudt naderen.

Als gij hare zoetheid wol geproefd zult hehlton, zult gij alle doorgestane droefheid spoedig vergeten of haar als vreugde waardeeren.

Als gij hier voor hot heilig Tabernakel uw hart uitstort, vooral echter als gij na de heilige Communie van hart tot hart met mij spreekt, en u geheel aan mij overgeeft, dan zult gij ontwaren, dat de droefheid plaats maakt voor den troost, de vrees voor het vertrouwen, de lusteloosheid voor den ijver des harten.

Indien gjj, mij verwaarloozende, elders uwe schreden wendt om iemand te vinden, die u in uwe neerslagtigheid opbeurt en ondersteunt, dan zult gij dikwijls bij ondervinding kunnen zeggen: Ik heb gezocht naar iemand om mij te troosten, doch ik heb niemand gevonden.

Doch hier tot mijn Hart zult gij nimmer te vergeefs komen, nimmer zult gij zonder verlig-ting van hier weggaan.

Neem derhalve altijd hierheen uwe toevlugt om een geneesmiddel in uwe wederwaardigheden te ontvangen en uwe droefheden in troostvolle verdiensten te veranderen.

3. Als tegenspoed, verlies uwer goederen, ot behoeften oorzaak zijn, dat uw hart zuchten slaakt of uwe oogen met tranen worden gevuld, zoo zeer zelfs, dat uwe ziel bedroefd is, en een tegenzin krijgt in het leven; hier, mijn kind, zult

-ocr page 684-

648

gij vinden wat geen sterveling u kan schenken, hier zult gij leniging uwer smart ontvangen. Mijn voorbeeld beschouwend, zal het uw hart troosten; de belofte mijner blijvende goederen, waaraan gij als mijn medeërfgenaam na weinige dagen zult deelnemen, zal uw gemoed opbeuren, eindelijk, de geheime genade mijns Harten zal somtijds de tranen der smart verkeeren in tranen van vertroosting.

Als de wereld u haat, als de menschen u verwaarloozen, u tegenstreven en verdrukken, hier, o mijn kind, hier in dit geheim der liefde zult gij rijkelijk getroost worden. Als gij mij zul; bezitten, als ^ij daarenboven uw hart aan mij, uw Verlosser, uw getrouwsten Vriend, uw liefdevolsten en besten Vader zult vastklemmen, dan zult gij weltevreden 7net mij verborgen en vernederd willen worden, om aan mijn Hart meer gelijkvormig onwelgevallig te zijn, om in de eeuwigheid onder mijne uitverkorenen te worden verheven.

En indien smarten des ligchaams, of angsten der ziel u treffen en zelfs kwellen: zie, mijn kind, zie hier is voor u een troost die alleen tot in de diepte van uw ziek hart kan doordringen en waaraan niemand een beletsel kan stellen, zoo gij zelf het niet doet, door meer aan uwe eigene bevindingen dan aan mijne inspraken geloof te hechten.

Voorzeker gij zult ondervinden, wat duizende getrouwe zielen dikwerf ondervonden hebben; die in droefheid en benaauwdheid, hier tot mij kwamen, en spoedig door de zoetheid mijns Harten

-ocr page 685-

649

verkwikt niet een opgeruimd gemoed wederkeerden.

Wordt gij door bekoringen gekweld, is het verlatenheid, dio u doet kwijnen; snel hierheen, mijn kind, want zie, als gij hekoord wordt, als gij troosteloos zijt, dan roept en verbeidt u mijn Hart. Het zal u met vreugde ontvangen, met zijne kracht versterken, u met de zalving zijner zoetheid vervullen.

Moogt gij zelfs in eene feil vervallen, sta spoedig op en snel hierheen. Hier zult gij ligtelijk alles herstellen, hier vrede en vreugde des harten wedervinden.

O, mijn kind, indien gij wist met welke begeerte mijn Hart hier ten allen tijde wakende is om een ieder te vertroosten, terwijl het zich zeiven troost als het den bedroefde opbeurt; dan zoudt gij begrijpen, waarom niemand, in welke wederwaardigheid hij zich bevindt, ongetroost heengaat, indien hij slechts met goedo gesteltenis tot mijn Hart nadert.

4. Immers in het heilig Tabernakel bezit gij thans waarlijk mij den zelfden Zaligmaker, die eertijds gedurende zijn tijdelijk leven, allen tot troost verstrekte, mijn zelfde Hart, dat reeds in de kribbe den herders vrede schonk en de quot;Wijzen met hemelsche blijdschap vervulde; dat een ieder, die gedurende mijne kinderjaren met mij omging, verkwikte; dat gedurende geheel zijn leven de toevlugt en de troost van allen en van een ieder was.

Gij weet, mjjn kind, hoe de zieken en gebrek-kigen de blinden en lammen, de dooven en do

-ocr page 686-

650

stommen, de ongelukkigeu en bedroefden allen mijn Hart aanriepen, en mijne barmhartigheid en hulp pleegden af te smeeken.

En is er wel ooit iemand, door welke droefheid ook gekweld, of op welk uur bij dag of bij nacht tot mij komend, in zijn vertrouwen te leur gesteld geworden?

Keerde niet een ieder, telkens als hij tot de goedheid mijns Harten zijne toevlugfc nam, meer getroost terug dan hij had durven hopen ?

5. Waarlijk, mijn kind, al deze wondervolle, al deze troostrijke gebeurtenissen worden hier door mijn Hart aanhoudend vernieuwd, doch op een wijze, die volmaakter en schooner is, naarmate zij meer het geestelijke en het eeuwige leven beoogen.

Toen namelijk genas het de ziekten naar het lig-chaam; hier echter geneest het de ziekten, de zwakheden en de ellende der ziel.

Toen verlostte het do bezetenen of hen, die door dea duivel gekweld werden; hier doet het meer dan dat, dewijl het do geloovigen tegen den duivel beschermt.

Toen reinigde het de melaatschen, hier zuivert het de zielen en maakt ze witter en schooner dan sneeuw.

Toen verzadigde het door een wonder duizende mensehen met natuurlijk voedsel, hier voedt het eiken geloovige met het brood der Engelen.

Toen riep het de dooden terug in het leven; hier, wat onvergelijkelijk beter is, behoedt het de zielen voor den dood.

En zooals toen mijn Hart vol medelijden, ontferming en goedheid voor allen openstond, zoo

-ocr page 687-

651

is het thans geopend voor een ieder, ook rooiden meest ellendige, don meest bedroefde.

Geloof niet, mijn kind, geloof ook den geest niet, die u ingeeft, dat mijn Hart thans andere gevoelens koestert jegens God en jegens de men-sehen dan toen.

Wacht u derhalve om mijn Hart, dat hier verwijlt om u te troosten, te onderscheiden van mijn Hart, dat weleer in liet sterfelijk leven zoo wondervol, zoo zoet de menselien verligtfce en met allerlei troost vervulde. Want iedere geest, die zoo mijn Hart onderscheidt en verdeelt, is niet uit God.

6. Verruim uw hart, mijn kind, en neem, zooveel gij kunt, alle vertroosting op, die hier uit mijn Hart, als uit eene eeuwig springende bron, voor u voortvloeit.

Zio alle vertroostingen, zoo wondervol en zoet als zij zijn, en die vele en verschillende personen tijdens mijn sterfelijk leven hebben genoten, worden in mijn saciamenteel leven aan u alleen geschonken.

Hoe veel gelukkiger zijt gij dan degenen, die tijdens mijn sterfelijk leven leefden! Zij toch mogten niet gedurig, zooals gij, in mijne tegenwoordigheid verblijven, zij bezaten mij niet op eene wijze zooals gij mij bezit; zij eindelijk ontvingen of genoten mij niet zooals gij, kind mijns Harten.

Zie dan in welke mate mijn Hart u bevoordeelt. Vlugt derhalve in allen nood, in elke inwendige of uitwendige moeijelijkheid hierheen. Hier immers zult gij, indien gij een schuldige zijt, ver-

-ocr page 688-

652

giffenis ontvangen; zoo gij ziek zijt dan zal u genezing, in neerslagtiglieid moed en sterkte, in droefheid verligting en liulp, in gevaar bescherming en veiligheid, in alle ellende een red -middel, altijd ware en heiligende troost geworden.

7. De leeeling. O, Jesus, mijne liefde ! hoe zoet is het besluit uws Harten, waardoor Gij om de bitterheden van dit leven te verzoeten, op zekere wijze met mij voortwandelt in deze biilliugschap, en het ballingsoord in een paradijs verandert!

Zal ik spreken, Heer, of zal ik zwijgen van de gewaarwordingen, die de overgroote liefde uws Harten jegens de menschen in mij wekt? Doch neen, tot glorie van uw Hart, zal ik niet zwijgen: Zoo, o Jesus! zoo hebt Gij nooit met de Engelen zeiven gehandeld; nooit hebt Gij hun U zeiven op zulk eene wijze te genieten gegeven!

O eindelooze zoetheid, mijn Jesus! in welke mate hebt Gij mij liefgehad! Iioe geeft Gij mij U zeiven, hoe wordt Gij geheel en al mijn troost!

Vanwaar, beminnenswaardigste God, vanwaar zoo veel goedheid jegens een ondankbaar kind, dat zelfs den naam van kind niet waardig is ?

Aldus, o onuitsprekelijke liefde I toont Gij de grootte uwer goedheid wijl Gij uwe Majesteit en mijne verworpenheid niet in aanmerking neemt, maar welwillend de goedheid uws Harten involgt, bewogen als Gij wordt door mijne behoefte en door uwe liefde.

8. O Heer Jesus, Vader de barmhartigheden en God van alle vertroosting! met welke blijdschap kom ik tot U, aangespoord enfgesteund door uwe onverdiende goedheid!

-ocr page 689-

653

Talrijk wel is waar en groot zijn mijae ellenden, doch getrokken door de zoetheid uwer liefde kom ik evenwel vol vertrouwen en haastig tot U.

Want nu weet ik, dat Gij, schoon onlijdelijk, evenwel niet ongevoelig zijt; dat Gij ofschoon niet te deeren door mijne smarten, daarvoor evenwel niet onverschillig zijt.

Nu erken ik, dat Gij medelijden kunt en wilt hebben met onze zwakheden; en dat mijne vele en groote ellende liet voorwerp is uwer oneindige barmhartigheid.

Indien ik tot dusverre ongelukkig en verlaten nederlag, dan was het mijn eigene schuld: omdat ik verwaarloosde tot do bron van ontferming en vertroosting te komen, die altjjd toegankelijk is.

Doch voortaan zal ik zoo dikwijls als ik treurig ben, opstaan on tot deze bron van alle goederen naderen, waar ik meer geneesmiddelen vind dan ik behoef; waar ik grooter troost ontvang. dan mijn hart vermag te bevatten.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

het allerheiligst hart vax jesus, in zijn sacramenteel leven zoo als eertijds in zijn sterfelijk leven den mensch onderwijzend, houdt niet op te leeren, dat hij zachtmoedig en nederig van harte is.

1. Jesus. Wijlt hier, kinderen der menschen, en leent mij uwe aandacht.

-ocr page 690-

654

Zie, hoc ik liicr met; u beu alle dagen! leert hier van nijj, leert altijd hoe zachtmoedig en nederig van Harte ik bon.

quot;Wonderbaar voorzeker scheen do nederigheid en liefde mijns Harten gedurende mjju sterflijk loven; hier evenwel, in mjjn leven in hot heilig Sacrament, is de diepte mijner vernêdering on de overmato mijner liefde veel meer bewondering waardig.

Geheel dit geheim is vernedering, is liefde. Hier wordt niet slechts mijne Godheid, maar ook mijne Monschheid voor het oog der stervelingen verborgen. Hier reikt de liefde niet slechts tot den dood, maar tot het einde der wereld, ja gaat elk toppunt der liefde te boven.

Welk oog heeft gezien of welk oor gehoord, of welk hart begrepen, hoe diop hier de nederigheid mijns Harten afdaalt, ot' tot welke hoogte de liefde stijgt?

2. Indien gij, mijn kind, verbaasd staat, indien gij in vervoering geraakt over de overmate dei-liefde, waardoor ik mjj weleer in mijn stertijjk leven den nederige en zachtmoedige van Harte vertoonde; welke moeten uwe gewaarwordingen dan niet zijn als gij eens naauwlettend beschouwt hoe nederig en zachtmoedig van Harte ik nu in het Sacramenteel leven ben.

Zoolang toch als ik op aarde zigtbaar wandelde en met de menschen verkeerde, heb ik nooit en nergens opgehouden aan allen e;i aan een ieder ware en werkdadige nederigheid en zachtmoedigheid des Harten te toonen.

Herinner u, mijn kind, met welke nederigheid

-ocr page 691-

655

en liefde mijns Harten ik plagt om to gaau met mijne leerlingen; met een onbeschaafd en lastig volk; met ongelukkigen en bedroefden; met beklagenswaardige zondaren, ja ten laatste zelf-met mijne vijanden.

Wat konde ooit deze bron van nederige en onuitputtelijke liefde stoppen of sluiten'r Golt;ti gebrek, geen onbescliaafdheid, geen onliandei-baarheid, geen moeite, geen verwerping, zei is niet do bedorvenheid der niensclien. Geen van al deze zaken konde oorzaak worden om mij ook maar jegens één sterveling anders te betoenen dan nederig en zaclitr.ioedig van Harte.

Getuige dat zoo liardnekkig volk, getuige de heidenen, dio door de zachtzinnigheid mijns Harten getrokken, nader kwamen, zeggende: „Wij willen Jesus zien;quot; getuige de Chananeesche vrouw en allen dio treurden; getuige Magdalena en elke zondige ziel, die tot mij hare toovlugt nam; getuigen do Pharizeën, die mij tot den dood toe vervolgden. Deze allen leggen getuigenis af voor de daden van m.jjn nederig en zachtmoedig Hart tijdens mijn sterfeljjk leven.

3. Doch zie, mijn kind, in het leven in het heilig Sacrament, zet ik die daden voort; ja daarin toon ik op nog wondervoller en lieflijker wijze, dat ik nederig en zachtmoedig van Harte beu.

Overweeg toch eens, hoe de menschen, ik zeg niet op onbeschaafde wijze, neon maar met oneerbiedigheid en gevoelloosheid zich jegens mij gedragen, en zie hoe ik ovenwei hunne gebreken verdraag.

Beschouw eens hoe vele zielen, ook dio ik

-ocr page 692-

65i3

meer bijzonder liefheb, voor het deel van mijn kruis, haar door mij als het kostbaarste onderpand mijner liefde toegezonden, hier in plaats van lof e:i liefde, mij klagten en bitterheden wedergeven: en bemerk met welke goedigheid des Harten ik haar niet slechts duld, maar ze zo!ïlt; bemoedig en aanspoor tot betere en edeler gevoelens.

Ga eens na hoevele ondankbare zielen, overladen met mijne weldaden, heengaan en mij hun weldoener bij het genot der weldaden vergeten of verwaarloozen; hoe vele laauwen, na zoo dikwijls de ontvangene genade misbruikt te hebben, onbeschaamd voor mij treden en nieuwe gunsten vragen; en zie dan met welke zachtmoedigheid ik hen duld, met welke edelmoedigheid ik hen verdraag, met welken bezadigden, maar tevens krachtigen aandrang van liefde ik hen tot getrouwheid en ijver aanwakker en help.

Overweeg eens hoe bedorvene menschen mijne goederen on gaven gebruiken om zich tegen mij te verzetten, om mij te beleedigen, om mijn Hart zelfs te verwonden; en merk eens op met welke gesteldheid des Harten ik geen kwaad met kwaad vergeld, maar het kwade overwin door het goede.

Beschouw ten laatste, hoe dikwijls de vijanden, vervolgers mijns Harten, mij hier komen beleedigen, en hoe ik in de goddelijke liefde van mijn nederig Hart hen zelfs toelaat in mijne tegenwoordigheid, hun ontferming en vergeving en vrede aanbied.

Zie, mijn kind, op elk uur, op elk oogeublik, bij dag en bij nacht komen en gaan de men-

-ocr page 693-

scheii tot mij, hetzij voorbereid of onvoorbereid, lietzij goeden of kwaden, dankbaren of ondankbaren, vrienden of vijanden, terwijl een ieder mij behandelt naar de gesteltenis, waarin hij verkeert; doch zie eens in het licht des geloofs, hoe ik met allen en een ieder handel, met welk eeno nederige, onvermoejjelijke, onuitputtelijke welwillendheid en zoetheid mijner liefde!

4. Deze wonderen van de liefde mijns Harten, mijn kind, zult gij niet begrijpen, indien gij ze niet met een levendig geloof beschouwd en met een godvruchtig hart overwogen zult hebben.

Want de diepte der vernedering, welke hier mijn Hart beoefent, moot in hooger licht beschouwd, door vrome overweging ingedacht en in stilte en gebed aangeleerd worden.

En de lieflijkheid der liefde, welke hier mijn Hart ten toon spreidt, moet op gelijke wijze gezocht, door omgang beproefd en door de ondervinding gesmaakt worden.

Zie eens terug, mijn kind, en beschouw eens hoe gij dit tot heden gedaan hebt; hoe gij in de navolging van het blijvend voorbeeld mijns Harten tot nu toe geslaagd zijt.

Schep nieuwen moed mijn kind, en leer met de daad en in waarheid, wat ik niet ophoud hier te onderwijzen: dat ik zachtmoedig en nederig van Harte ben.

5. De leerling. Hoe goed, o Jesus, hoe goed zijt Gij, die om aan alle geslachten op zoete en krachtdadige wijze uwen Geest te leeren overnemen, in dit beminnelijkst geheim verwijlt, zoo nederig, zoo zachtmoedig! 42

-ocr page 694-

658

Inderdaad en hier vooral, zoo bovenmate nederig en zachtmoedig van harte, zijt Gij de eenige 1 Leermeester der nederigheid en liefde, zoowel in / uwe daden als in uwe onderrichtingen, voor alle geslachten. z Doch ook al, wat U omgeeft, houdt niet op * te verkondigen, dat gij de nederige en zachtmoe-dige van Harte zijt. y Dit verkondigt de diepe en stille eenzaamheid, 1 waarin Gij U verschuilt; dit verkondigt de diepe stilte, waarin do Engelen neergebogen en in geest- ^ vervoering U aanbidden; dit verkondigt de ' teedere godsvrucht dor vrome geloovigen, hoe ne- j lt; derig en zachtmoedig Gij zijt, o Heer. | O Jesus, wie zal zich dan nog verhoovaardi- i gen? Wie nog hardvochtig van harte zijn? zal 'j v niet een ieder voortaan zich gaarne vernederen? I ' Zal niet een ieder branden van liefde tot U ?

Ach Heer, wie zal er hier aan uw verlangen t

niet toegeven, hoedanig dan hun geloof, hunne hoop, hunne liefde ook zij? O trotsche en wraak- ''

zuchtige zielen! in uw midden heeft hij gestaan,

wien gij niet kent, op wien gij uwe aandacht niet vestigt. i'

6. Leen gij uwe aandacht, mijne ziel en leer l

hoedanig uw Beminde is, hoe zoet, hoe geheel J'

uw verlangen waardig, hoe geheel beminnelijk. j '

Dring door tot het wonderlijk Tabernakel, tot de woonplaats van uwen goddelijken Verlosser, en aanschouw den God van Majesteit, denMaker van hemel en aarde, de vreugde der Engelen en Heiligen, zoozeer uit liefde tot u vernederd, zoozeer door liefde tot u vervoerd!

-ocr page 695-

059

Leer hier uit liefde u to vernederou: leer hier uwen bruidegom, die /00 zuiver bemint, raet zuivere liefde wederminnen.

Luister, wat hij innerlijk tot uw hart dooi' zijn groot en schoon voorbeeld spreekt, en betoon u leerzaam jegens Hem, die u zoo zoet door zijn voorbeeld onderwijst en zoo machtig zijne leering door voortdurende wonderen bevestigt.

7. O, wonder van nederigheid, Jesus, Zoon van den levenden God! O wonder van liefde! ik bemin U; met geheel mijn hart bemin ik U, o mijn zachtmoedige en nederige Beminde, zoetste en zuiverste Bruidegom mijner ziel!

Beminnen, liefhebben wil ik u alleen; ik zeg vaarwel aan al het overige; uwe liefde alleen begeer ik; enkel uit liefde tot U wensch ik onder offers, als onder zoovele oefeningen en betuigingen mijner liefder, te leven en te sterven.

Want het voorbeeld uws Harten leert mij dit; do zalving uwer liefde maakt mij dit aangenaam.

O Jesus de beste van allen; bewaar deze gezindheid mijns harten en geef genadiglijk, dat ik U hier dikwijls bezoekende, steeds beter leere ü zuiver te beminnen, en uit lielde tot U mij jegens allen nederig en zachtmoedig van harte te betoonen.

-ocr page 696-

G60

DEUTIENDE HOOEDSTUK. ■

het ali.erheiligstk 11arï van jesus wilde,

dat piet heiligst sacrament des altaars de voortdurende gedachtenis van zijn lijden, en eene eeuwige

herinnering der liefde zoude zijn, welke hij in dat lijden toonde.

1. Jesüs. Zoo dikwijls gij dit brood zult eten, en dezen kelk zult drinken; zult gij den dood des lleeren verkondigen, tot Hij kome.

Dit beveel ik, mijn kind, om ieder mensch in liet bijzonder oplettend te maken op die ovcr-mato der liel'de mijns Harten, waarmede ik hem in zekeren zin meer beminde dan mij zeiven, dewijl ik zelf den dood onderging opdat zij het leven zouden bezitten. •

Ik draag roem op dat sterven, waardoor ik, terwijl de liefde mijns Harten zegepraalt, don eeuwigen Vader verzoend en bovenmate verheerlijkt heb, waardoor de menschen verlost en gered zijn, waardoor ik de glorie der Verrijzenis, der Hemelvaart, en der eeuwige heerschappij, over alles wat bestaat, heb verkregen.

Daarom heb ik gewild, dat de gedachtenis aan mijn Lijden altijd en overal zou levend blijven; dat een ieder, die steeds de vruchten van zulk oen gunstbewijs zoude ontvangen, zich daaraan ook met een dankbaar hart steeds zoude herinneren, hetzij in den hemel, hetzij op aarde.

2. Inderdaad, de Uitverkorenen in de hemelsche

-ocr page 697-

(361

zaligheid zijn, wijl zij weten aan wien zij liuu-ne zaligheid en glorie verschuldigd zijn, onophoudelijk mijn Lijden indachtig; in eeuwigheid aanbidden zij het Lam Gods als gesiagtofferd met zjjne vijf wonden, schitterender en glansrijker dan de zon.

En de Kerk, wijl zij op aarde erkent, dat zij op den Heiligen berg uit mijn Hart het leven ontving en uit die bron alle goederen dagelijks ontvangt, tot dat ik zal wederkomen en haar in glorie zal opnemen, houdt niet op, mijnen dood met alle gevoel van dankbaarheid te herdenken. Want in het otter, dat zij dagelijks opdraagt, heeft zij mij als ofterlaiu bij zich tegenwoordig en door de afzonderlijke Consecratie van het Ligchaam eu Bloed duidt zij mijnen dood aan.

Doch ook in de ziel van een ieder, die aan het allerheiligst Sacrament deel neemt, wordt eene zekere voorstellingen eenc gedachtenis van mijnen dood geleverd. Immers zoo als ik uitgestrekt op het kruis door het Lijden mijn sterfelijk leven heb verloren, zoo verlies ik liet Sacramenteel leven in de harten der geloovigen door de Communie.

Wat meer is, mijn kind, zelfs do staat, waarin ik hier verblijf, is oen zekere afbeelding-van mijn Lijden. Want in mijn Lijden werd de glans mijner Godheid en zelfs de heerlijkheid mijner Menschheid op zekere wijze onder eenen sluijer verborgen; doch zijn de nederige en liefelijke gedaanten van het Sacrament niet de duidelijke voorstelling van dien sluijer!

3. Mjjn kind, het offer van het leven mijns Harten, mijn dood vormt het middenpunt aller tijden. Immers alle offeranden, die vroeger be-

-ocr page 698-

662

stonden, de wijze der plegtiglieden, en het overige, dat op den godsdienst betrekking had, doelde op mijn sterven ; daaraan ontleende het zijn kracht en uitwerking.

Wederkeerig, al wat op dat sterven volgde, als het Offer, do Sacramenten, en al het overige wordt daartoe terug gebragt en ontleent daaraan zijn kracht en uitwerking.

^Ziedaar dus hot Offer, van het begin der wereld opgedragen in beeldtenissen, op het kruis in waarheid opgedragen en in de Kerk in zjjn wezen voortgezet tot aan het einde der wereld, j,.; Ziedaar, mijn kind, ziedaar de verhevenheid van de bedoeling mijns Harten; ziedaar de uitgestrektheid van zijne liefdel

Geheel mijn levensloop toch op aarde, van het begin der wereld tot aan haar einde, vervat in mijne beloofde tegenwoordigheid, in mijn sterfelijk leven en in mijne gedachtenis het Sacrament, en al, wat het in elk dier declen verrigt, vormt één geheel, één volmaakt werk van ein-delooze goedheid, hetwelk ik dan eerst besluiten zal, als ik bij de voleinding der eeuwen, met de Kerk ten hemel zal stijgen om eene eeuwige zegepraal te vieren.

4. Wat wonder dus, mijn kind, als bij do heilige Communie, bij het lezen of aanhooren der H. Mis dit geheim u altijd nieuw, u altijd even eerbiedwaardig toeschijnt?

Voorwaar, met die gesteltenis des Harten, met die genegenheid moet gij bij het ontvangen der heilige Communie tegenwoordig zijn, als waart gij bij het laatste Avondmaal tegenwoordig, om

-ocr page 699-

663

aan te zitten en van mij zeiven het brood des levens te ontvangen.

Want het is dezelfde maaltijd; denzelfdo.i dood, dien ik in de eetzaal voorzeide, verkondigt gij in het Sacrament.

Mijn kind, als gij de heilige Mis opdraagt, of de Communie ontvangt, dan verkondigt gij door die handeling zelvo mijnen dood; zooals namelijk beiden, èn de opdragt van het Offer èn de mitti-ging van liet Sacrament denzelfden dood aantoont.

5. Doch wanneer gij zulke groote geheimen verrigt, als mijn Hart door zijn dood voor u verdiende, dan moet gij ook van uwen kant doen wat in uw vermogen is, om ze op waardige wijze te herdenken.

Zooals ik dus in mijn Lijden mij zeiven aan den quot;Vader als een volmaakt offer heb opgedragen, zoo moet ook gij, mijn kind, u zeiven in de Communie als oen zuivere en onverdeelde offerande aanbieden.

Ja zelfs bij uwe bezoeken, moet gij mot groot gevoel van godsvrucht u de offers van mijn lijdend leven in het geheugen terug roepen; hetgeen gij doen zult, als gij godvruchtig overweegt, als gij ii zeiven aan mij in alle wederwaardigheid onderwerpt, als gij n geheel overgeeft aan mij in de tegenwoordigheid van het heilig Tabernakel, waar alles, wat gij rondom mij ontwaart, dient om u de offers mijns Harten voor den geest te roepen.

Op deze wijze, mijn kind, zult gij boter de grootheid beseffen dier liefde, waarmede ik tijdens mijn leven van arbeid en smarten, onder vele offers opklom tot het laatste en hoogste offer.

-ocr page 700-

664

tot den dood, en tot deze gevangenscliap der liefde, waarin ik voortdurend een liefde-ofter ben.

Als gij dit met godsvrucht overweegt, zult gij dan niet aangespoord worden tot dankbaarheid, tot wederliefde, tot navolging, zoozeer, dat gij niet slechts met het hart, maar ook met de daad de uitwerkselen van mijn voorbeeld in u vertoont?

Zoo op eene werkdadige wijze, die voor u nuttiger is, mijn Lijden herdenkend, zult gij leeren bij voorkomende verstervingen niet den moed te verliezen ot u te verontrusten, maar integendeel u op bovennatuurlijke wijze te beroemen en te verbijden.

Deze werkdadige gedachtenis aan mijnen dood, mijn kind, zal volmaakt zijn, indien gij, telkens als gij tot de heilige geheimen nadert, ook meer de schepselen en u zeiven afsterft om voor mij te leven, zoo als ik voor u gestorven ben, en hier voor u leef.

6. Doch helaas, ofschoon er velen, zijn, die zich met het voedsel van dit Sacrament wen-schen te verkwikken en met de geneugten dei-Engelen te voeden, hoe weinigen evenwel zijn er, die mijn Lijden met de daad herdenken, inderdaad navolgen willen!

En daarom, mijn kind, zijn en blijven er velen altijd even onvolmaakt, alhoewel zij ook dikwijls tot de heilige tafel naderen.

Want omdat zij aan het doel der goddelijke instelling ten hunnen opzigte en aan de genade niet beantwoorden, missen zij vele vruchten.

O mogten het de zielen begrijpen, die meer

-ocr page 701-

065

bezorgd zijn om de Communiën te tollen, waarin zij godsvrucht toonen of gevoelen, dan wel derzelver vruchten, die haar heiligen en tot groo-tere volmaaktheid voeren!

Wat u betreft, mijn kind, zijt wijzer en getrouwer. Herdenk zoo mijn Lijden, druk zoo mijnen dood in uw gedrag uit, dat gij van elke heilige Communie, die gij ontvangt, ook nile vruchten ter heiliging moogt verkrijgen.

7. Db leerling. O beste van allen; o allerliefste Jesus! Gij zjjt voor mij uit liefde gestorven en hier geeft Grij U voor mij uit liefde: en o! hoe leeft Gij hier voor mij!

Waarlijk Heer, waarlijk hij verdient don dood, die weigert voor zich zeiven te sterven en voor U te leven.

Als Gij, Heer mijn God, U zeiven ten oifer brengt uit liefde tot mij, wat is er dan groots of ver-wonderends in gelegen, indien ik. een ellendig schepsel, mij zeiven opoffer uit liefde tot U!

En evenwel aarzel ik somtijds nog om, ik schaam mij het te zeggen, niet mij zeiven, maar eeno nietigheid, een gevoel van hoovaardigheid of afgekeerdheid, of eene neiging der bedorvene natuur ten offer te brengen.

Wee mij! terwijl ik in woorden verkondig U lief te hebben en na te willen volgen, bewijs ik in mijne daden hoe weinig ik ü bemin, hoe verre ik ben van de werkdadige gedachtenis van uw lijden, van de ware navolging uws Harten.

En dan klaag, dan verwonder ik mij er nog over, dat mijne Communiën mij zoo weinig vruchten opleveren.

-ocr page 702-

666

Béne Communie kan den mensch, die wel voorbereid is en met uwe genade medewerkt, tot een Heilige maken. En ik helaas! wat en wie ben ik. na zoo vele Communiën!

Ik, o Heer, ik beken het, ik draag zelf do schuld daarvan: want in zoo vele Communiën heb ik zooveel genade ontvangen als noodig was om duizende zielen te heiligen, doch ik heb verwaarloosd met de genade mede te werken. Ik hel) gehandeld als of de genade alleen, zonder mijne medewerking, mij moest heiligen; en in-tusschen ben ik voortgegaan volgens de natuur, niet volgens do genade, voor mij, niet voor Ü te leven.

Ik erken het leven voor uw aanschijn onwaardig te zijn geworden, omdat ik uwe eindelooze liefde misbruikend, naliet om voor U te lemi.

Doch spaar. Heer Jesus, spaar, bid ik U, mij-ue vroegere nalatigheid, waarover ik nuuitlief-d ■ rot U een zeer groot berouw heb.

Voortaan zal ik getrouwer zijn; medewerkende met de genade van het Sacrament, zal ik sterven ami de wereld en aan de ongeregelde neigingen der natuur, om voor Ü te leven.

Help mij, goedertierendste Jesus, zoo in daden mijne liefde voor U te toonen en steeds overvloedige en heilrijke vruchten uit de Communie te trekken.

-ocr page 703-

667

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

het allerheiligst hart vak jesus toont ons in het wokdervol sacrament den beknopt en inhoud van alle goddelijke geheimen.

1. Jesus. Mijn kind, de medelijdende en ontfermende liefde mijns Harten heeft een gedachtenis van hare wonderen ingesteld.

En wel in het Sacrament, waar zij hare verbazende wonderwerken vereenigde, waarin de geheimen en de ondoorgrondelijkheden Gods vervat zijn.

Doch dewijl dit niet voor de Engelen, maar voor de mensclien geschied is, moesten daartoe zigthare zinnebeelden worden gekozen, opdat zij bij hot zien dier zigtbare beelden zich aan het onzigtbare zonden herinneren, en hunne zinnelijke harten door zinnelijke getuigenissen van Gods liefde zouden worden getroffen.

Dit deed derhalve de liefde mijns Harten; en het zag, dat alles wat het verrigt had, zeer goed was, en nam welbehagen in zijn werk.

Volmaakt en rijk aan zoetheid zijn al zijne werken, waardoor het do schatten zijner eigene goedheid jegens de mensehen als uitputte in dit geheim, waarin de volheid -der Godheid ligcha-melijk woont.

2. Van daar, mijn kind, bezit dit Sacrament, wegens mijne medezelfstandigheid met den Vader en den Heiligen Geest, het meeat verheven ge-

-ocr page 704-

668

hehn der Drie/vuldiglieid zeiven en roept dit den mensch in het geheugen.

Want ik en de Vader zijn een; en die mij ziet, ziet ook den Vader; daar waar de Vader en de Zoon wordt gekend, daar wordt ook de liefde van heiden, die de Heilige Geest is. zeker niet -vergeten.

Om echter dit geheim beter te kennen, meer te beminnen en op meer waardige wijze te ver-ceren, wordt hier den' geloovigen genade gegeven, opdat zij daardoor verlicht en geholpen, met te vaster geloof zich daaraan houden, het. met zuiverder liefde beminnen en met volmaakter vereering aanbidden.

Door dit hemelsch licht geleid en door deze hulp versterkt, komen zij van liet oene geheim tot het ander.

3. Want zie, het allerzoetst geheim der Mensch-wording is in het heilig Sacrament des Altaars vervat en wordt daarin op wonderlijke wijze voortgezet.

Inderdaad, wat is het geheim der Mensch-wording? De vereeniging van het Woord, van ziel en ligchaam in een persoon, en deze drie zijn de eene Jesus, God mensch.

Welnu, in het heiligst Sacrament is het Woord, dat eeuwig en God is; is de ziel, die geschapen werd, toen zij werd ingestort; is het ligchaam, dat zonder vlek door goddelijke werking uit de onbevlekte Maagd is genomen, en deze drie blijven, namelijk, in eenheid van persoon.

Wondervol bovendien en toI zoetheid is de voortzetting van dit geheim. Ik, dezelfde na-

-ocr page 705-

669

melijk, die door de Menschwording in den sclioot ■eener Maagd heb verwijld, verwijl door de Corn-nuinie in het Hart van ieder geloovige in hot bijzonder.

Voorwaar de verhevenheid en de diepte van dit geheim moet bewonderd en vereerd worden, doch meer nog moet het bemind, zoeter, met meerder godsvrucht en teederheid moet het genoten worden.

4. Doch alle geheimen van mijn leven, die zoo troostrijk zijn, zjjn vervat in dit goddelijk Sacrament.

Want schoon ook de tijd, waarop zij begonnen of voltooid werden, vervlogen is, zjjn zij evenwel in de gevolgen tegenwoordig en duren zij voort wegens mijne persoonlijke tegenwoordigheid.

Daarom beschouwt en viert de Kerk ze altijd als tegenwoordig, en in do overweging en herdenking daarvan, wordt zij altijd mot hare eerste gewaarwordingen bezield, brandt zij altijd van haar eersten ijver.

Zie daarentegen eens de ketterijen en sekten, die mijne voortdurende tegenwoordigheid in het Altaargeheim loochenen; hoe kwijnt bij hen al wat geestelijk is; hoe levenloos zijn zij en al hare wegen, als zij beproeven om mijne daden feestelijk te herdenken.

Anders is het met mijn beminde, de heilige Kerk. Als de tijd weder aanbreekt, komt zij haastig naar den stal mijner geboorte; neêrge-knield, beschouwt zij mij liggende in de kribbe; zjj aanbidt, zij juicht, zij weent van teedere godsvrucht.

-ocr page 706-

G70

5. Want liier is liet Bethlehem, waar de getrouwe zielen mij beminnolijker en meer genaakbaar vinden, dan zij, dio weleer door den hemel naar den stal werden geroepen; hier wordt haar ijver ontstoken, hare godsvrucht gevoed, hier heiligen zij zich zeiven; hier storten zij haar hart voor mij uit on wijden het mij toe; hier worden zij wederkeerig dronken gemaakt en gezaligd door do zoetheid mijner liefde; hier is vrede voor de menschen van goeden wille, niet beloofd door de Engelen, maar door mij zeiven, door do geheelo gave mijns Harten.

Hier is het Heiligdom, waarin ik God den Vader opgeofferd en ten heile der menschen gewijd word; waarin ik mij zoo aan de geloovigen schenk, dat zij niet als Simeon mij op hunne armen nemen, of als Anna kunnen liefkozen, neen, maar dat zij mij zelfs in hunne harten ontvangen, en mij innerlijk genieten kunnen, eene gunst, die noch aan Simeon noch aan Anna verleend is geworden.

Hier is de ballingschap van Egypte: eene ballingschap niet slechts voor zeven jaren, zoo als weleer, maar voor alle eeuwen; eene ballingschap tusschen menschen, die evenzeer aan afgodendienst zijn overgegeven, die wellust, rijkdom, en eerbetoon als hunne goden dienen; eeno ballingschap, waarin ik slechts door weinigen gekend, door velen als een vreemdeling beschouwd en ook verwaarloosd pleeg te worden.

Hier is de Tempel, waarin ik voortga bezig te zijn met de zaken mijns Vaders:1 waar ik onder de luisterende leeraren mijnen geest uit-

-ocr page 707-

G71

spreek, de zielen onderwijs en de golioinien van liet geestelijk leven mededeel; waar zij, die mij liefhebben als Maria en Joseph mij zoeken en met blijdschap vinden.

Hier is het Nazareth, waar ik voor God een verborgen leven leid; waar ik onderworpen voortdurend werkzaam ben, wel niet de zintuigen der mensehen boeijende, maar de Engelen tot bewondering vervoerend; waar ik als voorbeeld van het inwendig leven, met do innerlijk levende zielen leef op eene wijze, welks zij slechts kennen.

6. wat meer is, mijn kind, in dit Saerament zijn de geheimen van mijn evangelisch loven besloten. Zie hier inderdaad het veld voor mijnen arbied, de plaats om de goedertierenheid mijns Harten te toonen.

Want in dit Sacrament ben ik de Zauomakek, die zoek te redden, wat verloren is; die onder mijn arbeid nederzit bij den put, waar ik uit de bron mijns Harten aan de Samaritaansche vrouw, aan elke ziel die dorst heeft, levend water geef, dat den dorst naar het wereldsche stilt, en ten eeuwigen leve springt; die, na het werk van den dag volbragt te hebben, den nacht in het gebed doorbreng.

In dit Sacrament ben ik de ooede Herder: ik zoek het verloren schaap, en het vindende neem ik het op mijne schouders en koester ik het aan mijn Hart; ik bemin mijne kudde en voed haar met mijn eigen wezen; met een bezorgd Hart waak ik over allen, zoowel bij dag als bij nacht. In dit Sacrament ben ik de beste Vader, die

-ocr page 708-

672

deu verloren zoon, bij zijn terugkeer blijde omhels, en na hem zijn eerste kleeding wedergegeven te hebben, hem op een hemelsch gastmaal onthaal en verkwik; die aan alle geloovige kinderen, overeenkomstig hun vermogen, al het mijne mededeel.

lu dit Sacrament ben ik de goddelijke Genees-heek, dewijl ik door de zalving mijns Harten de smarten der lijdenden lenig en verlicht; dewijl ik de zielen, die zich niet wel bevinden, verzorg, al wat kwijnend en zwak is, genees; dewijl ik ook de mismaaktheid door de ziekte der zonde veroorzaakt, wegneem en de vorige schoonheid wedergeef.

In dit Sacrament beu ik de Leermeester; immers door de inspraak mijns Harten en door mijn voorbeeld tevens loer ik hier: Zalig zijn de armen van geest; zalig do zachtmoedigen; zalig zij die hunne zonden beweenen, zalig de hon-gerigen en dorstigen naar de regtvaardigheid, zalig de barmhartigen; zalig de zuiveren van harte; zalig de vreedzamen; zalig zij, die lijden ter wille der regtvaardigheid; zalig eindelijk die den wil Gods volbrengen; want zij namelijk zijn mijne broeders en mijne zusters, en mijne medeërfgenamen van het rijk der hemelen.

In dit Sacrament ben ik de Vriend, die de geloovigen, welke het bovennatuurlijke leven der genade leven, niet meer dienstknechten, maar mijne vrienden heet; een vriend zooals er geen ander isquot; boven allen oprecht en liefdevol en getrouw, zoowel in voorspoed als in tegenspoed, zoowel in 't leven als in dei; dood; een vriend.

-ocr page 709-

673

die in geen geval ontrouw wordt, neen maar begeleidt en vertroost tot in eeuwigheid.

In dit Sacrament ben ik de Bruidegom: ja, mijn kind; de goddelijke bruidegom der zuivere en maagdelijke zielen, welke ik mij uitgekozen en aan wie ik mijne trouw beloofd heb, opdat zij mij in alles, altijd en overal begeleiden en volgen zouden; die ik in eere houd en rijk maak, en gelukkig doe zijn, hier op eene wijze, die de Engelen zeiven bewonderen; doch op eene wijze, ■welke slechts een voorspel is van hetgeen ik voor haar heb weggelegd in het rijk mijner eeuwige glorie.

7. Hier ten laatste ontmoet gij de geheimen van geheel mijn overig leven. Trouwens, is hier de eetzaal niet, waar ik het Pasehen vier met mijne leerlingen; waar ik mijn Hart voor hen uitstort; waar ik hun mijnen vrede achterlaat?

Is hier het Gethsemane, het Jerusalem, de schouwplaats mijner smarten niet? Herinner u, mijn kind, de goede Week, hoe de geloovigen hier komen als om mijne smarten te aanschou-wen, en treuren als zagen zij mij voor hunne oogen lijden.

Is hier niet het geheim mijner Opstanding ? Zie, hoe de Kerk als zij deze, de grootste van al hare plegtigheden viert, met mij op zekere wijze herleeft en hoe de godvruchtige zielen als andere Maria's, bij het krieken van den morgen naar hot verheerlijkt graf snellen en door het geloof mij verheerlijkt zien, in de hoop mij omhelzen en door de liefde genieten. Is dat niet te regt, niet gepast, niet heilig? Immers hier ben

43

-ocr page 710-

G74

ik waarlijk tegenwoordig met dezelfde hoeda-niglieden, waarmode ik verrezen ben; met he-melsche sclioonlieid, met glorierijke heerlijkheid, met onbevattelijko fijnheid, met volkomene onlijdelijkheid en mot onsterfelijkheid versierd en daarin zalig.

Zoo, mijn kind, vergezeld de Kerk mij langs alle geheimen, terwijl zij hij ieder in het bijzonder de geziudbeden mijns Harten in zich overneemt en elk in het bijzonder in die gezindheid viert.

8. Door de geheimen, die zij hier met mij viert, indachtig gemaakt, dat ik heerseh in de glorie des hemels, ziet do Kerk de eeuwigheid in; vervoerd door de beschouwing, viert hare lietde reeds bij voorbaat de vreugdevolste geheimen van het hemelsch loven, als voortdurende feesten voor haar bereid en haar toegezegd.

O Jesus, zoo roept zjj brandend van liefde uit, ik bid, dat het geschiede waarnaar ik zoo dorst, dat ik U met ontsluijerd gelaat zien en zalig moge zijn door do aanschouwing uwer glorie!

Zoo, mijn kind, brandt de Kerk, ontstoken door het vuur mijns Harten, dat hier tegenwoordig is; zoo is alles voor haar tegenwoordig; zoo wordt zij met alle vertroosting vervuld.

Neem de zon uit deze wereld; wat zal deze aarde dan zijn tenzij een donkere, kille en eenzame plaats? Eveneens, neem mij levend en levendmakend Hart, neem mijne tegenwoordigheid in het heilig Sacrament uit de Kerk weg, en al de geheimen van den godsdienst, nu zoo glansrijk, zoo vol levenskracht en troost, — hoe geheel anders zullen zij dan schijnen!

-ocr page 711-

G75

9. Jlijn kind, tracht door hot voorbeeld uwer heiligo Moeder onderwezen, met do zelfde go-waarwordingen do feesten van den godsdienst mede te vieren; de geheimen, die ik hier in hot Sacrament toon, te herdenken; tracht eindelijk uit deze fonteinen van allerlei genaden een overvloed te putten.

Kweek met dit doel don ijver des harten aan ik zeg niet een ijver, die noodzakelijk gevoelig moet zijn, maar eenen ijver, die kracht bezit uit een levendig geloof, uit hot vertrouwen dei-hoop, uit edelmoedige liefde.

Indien gij dien ijver mist, dan doet gij alles zonder liefde, zonder graagte, zonder veel vrucht ja zelfs datgene, wat do ijverigste zielen in vervoering brengt en do Engelen zeiven vervoert, zal u niet treffen, niet vervoeren.

Doch dien ijver zult gij opwekken en voeden door het gebed, door godvruchtige overweging, door vrome lezing, door u in het een of ander te versterven of te vorlooehenen; maar vooral door dikwijls dit heilig Sacrament te bezoaken en te ontvangen, waarin vuur genoeg wordt gevonden om geheel de wereld te ontvlammen.

10. De leerling. O Heer Jesus, hoc onmetelijk is do overmaat der liefde uws Harten! hoe vele wonderen toch biedt Gij mij hier aan! hoevele goederen, en hoe wenschelijk, hoe zoet zijn deze!

Wat wonder, als ik hierheen genoodigd, als ik zacht maar krachtig tevens hierheen getrokken wordt! Wat wonder, als hier de plaats mijner hartovreugde is?

-ocr page 712-

676

Want liier lean in het gezelschap der Engelen U in elk geheim ontdekken, en U in elke verhouding van uw leven beschouwen al naar mijne behoefte, mijn wolzijn of mijne vertroosting het vraagt.

Ja, nu kan ik hier mot U zijn en uwe weldaden genieten; nu kan ik, mij hier verheffend, U in uwe glorie beschouwen, hier do grootheden van uw rijk zien, eindelijk bij voorbaat mij reeds verblijden over hetgeen Gij voor mij bereid liebt.

Hoe gemakkelijk, o Beminde mijner ziol! hoe scemakkelijk en zoet is het hier te overwegen, hier mot geest en hart mot U bezig te zijn , liier U te genieten! Daartoe heb ik geen kunst, geene boeken, geen arbeid noodig. Ik behoef slechts U, die hier tegenwoordig zijt, in olk geheim met hot geloof te zien, te hooren, op uwe daden te letton, U te smeeken, U te beminnen.

O hoe genoeglijk is deze plaats! hoe beminnelijk het gezelschap! lioo lioflijk de bezigheid ! hoe heilig hot verkeer.

Wie zou niet wenschen hier altijd met U te zijn? voorzeker, hier zal ik, zoo dikwerf ik kan, aan uwe voeten met de hemelsche Geesten tegenwoordig zijn.

O mogt ik hier al mijn tijd kunnen slijten ! Dook zie uw wil, en dat is in dezen mijn oenige troost, eischt, dat ik dikwerf lichamelijk van U verwijderd zij, om de pligton van mijnen staat te vervullen, de bezigheden mijner betrekking te verrigten, in do behoeften der natuur te voorzien, om ook eenigo onschuldige uitspanningen te nemen.

-ocr page 713-

677

Doch bij dit alles, zal ik dikwijls met mijne liefde hierheen snellen, ngt; ij van harte met U bezig houden; want waar het voorwerp mijnor liefde is, daarheen zal mijne gehechtheid streven; waar mijn schat is, daar zal ook mijn hart wezen.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

het allerheiligst hart van jesus leidt ons in het heilig sacrament des altaars in de volmaaltheden in*.

1. Jesus. Zijt aandachtig mijn kind, on ik zal u hier in liet Sacrament een hoogeren weg toonen, waar langs gij tot de volmaaktheden der Godheid zeiven opklimt.

Zijt wel bereid, opdat gij in de goddelijke geheimen treden, en met alle Heiligen beschouwen knnnet, welke do lengte, de breedte en de diepte is dier zeeën, waaruit de Engelen en Zaligen in den hemel en de zuivere en innerlijke zielen op aarde putten en meer danverzadigdworden.

Beschouw eens, wat mijn Hart u in dit allerheiligst geheim openbaart, en dring, door de openbaring geleid, den Geest Gods volgend, in deszelfs volheid door.

Doch mijn kind, doe dit zoo, dat gij meer en meer bevestigd wordt in nederigheid, dat de liefde steeds zuiverder in u brande dat gij door mijne heilige menschheid, door mijn Hart zelf binnen geleid, zoo volmaakt mogelijk, als één eeest, aan do Godheid vasthoudt.

-ocr page 714-

G78

2. Zie mijn kind, en overweeg do goddelijke Wijsheid, dio mijn Hart in dit aanbiddelijk Sacrament doet kennen.

Hier immers toont hot die wondervolle vindingen, waardoor alles, wat tegenstrijdig scheen, wordt opgelost, zoodat ik tevens als roemvol overwinnaar heersch in den liemel en tocli voortdurend op aarde blijf als vertrooster der men-schen; waardoor ik mij niet slechts aan het menschelijk geslacht, maar inderdaad aan elk schepsel in 't bijzonder geven,kan; waardoor eindelijk met behulp dor eenvoudigste middelen, als zijn de gedaanten, die wij in hot heilig Sacrament ontwaren, de verhevenste bedoelingen bereikt worden.

Verhef u tot deze hoogte en beschouw deze oneindige Wijsheid, die van alle eeuwigheid alles tot in eeuwigheid bereikt: die al het verledene en toekomende, wat bestaat en mogelijk is, als tegenwoordig ziet.

Zij heeft in hare eeuwige raadsbesluiten op zoo wondervolle wijze deze gebeurtenissen dei-Schepping cn der Verlossing, deze verbazende werken der natuur en der genade, der heiliging en der glorie beschikt.

Die goddelijke volmaaktheid is een oneindig licht, dat alles doordringt: dat u en geheel uw binnenste doorziet; hetwelk gij niet kunt ontwijken, hetwelk gij niet vatten kunt.

Verblijd u mijn kind over dit goddelijk licht; leef daarin voor God met opgeruimdheid.

3. Bemerk de goddelijke Goedheid, die in dit allerzoetst Sacrament uitblinkt en mot zoo \'el3 vlammen van liefde schittert.

-ocr page 715-

679

Nergens op aarde, mijn kind, straalt Gods goedheid met zulk een -wondervollen lichtstroom en lieflijkheid; hier immers stort en put zij zich uit in zekeren zin, hier geeft God alles en daarenboven nog zich zeiven. Het andere zijn slechts stralen der goddelijke liefde, hier is de oven. Het andere zijn goederen ja, doch hier is de bron aller goederen.

Ga om do diepte van deze goedheid te overwegen van dit punt uit. Dring met uwen blik door tot op den bodem, die de eeuwigheid zelve is: geene grenzen zult gij bespeuren.

Uit deze eindelooze Goedheid ontleent alles, wat op aarde en in don hemel goed is, zijne goedheid; ontleent al wat leeft, zijn leven, al wat beweegt, zijn kracht, al wat rede heeft, zijn begrip; al wat gelukkig is, zijn geluk.

Deze goddeljjke eigenschap is als eene onmetelijke zee, waaruit de schatten aller goederen als wolken opstijgen; waarin de zaligen en uitverkorenen zich dompelen en de hoogste blijdschap genieten.

Dompel ook gij u daarin, mijn kind, proef hoe zoet de Goedheid van uwen God is; verheug U in haar, bemin, prijs haar.

4. Zie de Almacht, die in het vereerenswaar-(Jig geheim des Altaars geopenbaard wordt, waar in zij alleen meer en grootere wonderen werkt dan in geheel do overige wereld; waarin zij niet ophoudt deze wonderwerken te herhalen.

Als gij dit, mijn kind met eerbied hebt nagegaan, klim dan op tot de geheele beschouwing van deze verbazende almacht, die al wat bestaat,

-ocr page 716-

680

zonder inspanning op haar enkel woord gemaakt heeft; die ontelbare en onuitsprekelijke zaken van allerlei soort, alles eindelijk, -wat zij wil, kan scheppen: die evenzoo door een woord geheel de wereld verdelgen en alles tot het niet kan terugvoeren.

Beschouw het vermogen dier eindelooze Magt, die in staat is al de plannen der vijanden te verijdelen en te bewerken, dat al, wat haar weerstaat, niet slechts wat op zich zelf onverschillig is, neen dat ook het kwade, onwetend ja zelfs onwillens medewerke tot bereiking van haar heilig doel.

Door deze Almacht worden do schepselen niet slechts behouden, wat hun bestaan betreft, maar zij ontleenen daaraan ook nog elk oogenblik de kracht om te doen, wat zij doen; de men-schen ontvangen goddelijke ondersteuning om de vermogens van ziel en lichaam te gebruiken: de levende wezens verkrijgen van haar hunne werkingskracht ; de sterren het vermogen om te wentelen en te schitteren langs het hemelruim; de aarde haar vermogen vruchten voort te brengen; de wind en do storm hunne kracht en invloed; alles eindelijk ontvangt van haar zijn voortreffelijkheid.

Deze goddelijke volmaaktheid is in hare openbaring gelijk aan de lucht, die als zij zacht bewogen wordt, het leven en al het geschapene verkwikt en koestert: die als zij met geweld zich baan breekt, neerslaat of verstrooit, wat zich tegen haar verzet, doch ondersteunt en op gang helpt, wat aan haar invloed gehoorzaamt.

Yerblijd u, mijn kind, over zooveel Magt van

-ocr page 717-

681

uwen God; stel daarin al uw vertrouwen; neem daartoe dikwerf door het gebed uwe toevlucht.

5. Beschouw do goddelijke Eegtvaakdigheid, die mijn Hart in dit allerheiligste Sacrament voor den Geest roept.

Zie mijne heilige menschheid hier tegenwoordig, is een teeken der goddelijke Eegtvaardigheid; immers om haar te voldoen, heb ik de menschheid aangenomen. Doch verkondigt ook het offer, dat door den priester mijn Hart hier dagelijks opdraagt, niet de goddelijke Eegtvaardigheid ? Ja toon ik zelf in de Communie niet de aanbiddelijke Eegtvaardigheid, dewijl ik hier eeu ieder vergeld overeenkomstig zijne daden, overeenkomstig de gesteltenissen, waarin hij zich bevindt?

Overweeg vervolgens de volmaaktheid dezer goddelijke Eegtvaardigheid, hetzij in den hemd, waaruit zij de booze engelen, die opstonden als een bliksemschicht nederstortte, en waarin zij allo daden, die waarlijk goed zijn hoe klein zij dan wezen mogen, van Engelen en Heiligen naar verschuldigde verdiensten voor eeuwig beloont; hetzij op aarde, waar zij door mijn Hart met de goddelijke barmhartigheid is vereenigd en niemand treft, dan wie onwillig is mijne barmhartigheid te omhelzen; waar zij ook teregt in toorn ontstoken, toch nog de barmhartigheid indachtig blijft; hetzij in de hel, waar zij, de verdoemden om mijnentwille minder straffend dan zij verdienen, nog de straffeji evenredigt aan de zwaarte en het getal der zonden, zoozeer, dat zij de verdoemden zelf dwingt om te belijden, dat de goddelijke regtvaardigheid goed is.

-ocr page 718-

682

Beschouw de vertroosting dezer goddelijke eigenschap, welke allen, die door onverdiende eerrooving, hoon of laster of op andere wijze verdrukt worden, eenmaal regtvaardigen zal voor allen en hun niet slechts den goeden naam, de eer en roem en al, wat hun ontnomen werd, zal wedergeven, maar zoo veel te meer zal verheffen, naarmate zij meer ter neer gedrukt werden; die de daden van deugd, ook die, welke de menschen minachten, met een eeuwig loon zal vergelden; die eindelijk de verdienste hunner daden, niet overeenkomstig het uiterlijk welslagen, zooals de wereld doet, maar naar de inwendige gesteltenis van hen, die ze verrigten, waardeert en beloont.

Deze goddelijke volmaaktheid is als een vuur, dat door een zelfde handeling het eene verteert, het andere verkwikt; het eene hardt, het ander verweekt, naar dó gesteltenis, waarin do voorwerpen zich bevinden.

Mijn kind, bewonder deze eigenschap der Godheid; prijs haar hoog met een zekere heilige vreeze, doch draag haar nog meerder liefde dan vreeze toe.

G. Vestig uwe aandacht op de goddelijke Barmhartigheid, die mijn hart zoowel op zoete als wonderbare wijze in het heiligst Sacrament vertoont.

Is niet geheel dit geheim een wonderwerk van de oneindige barmhartigheid ? Welk levend schepsel is er, dat niet de een of andere ellende onderyindt ? doch wie, die ellendig was, kwam ooit in goede gesteltenis en ontving geen bewijzen van barmhartigheid? Hier is do goedertierenheid mijns Harten zonder mate en zijn ont-formir.g zender einde.

-ocr page 719-

083

Als gij dit godvruchtig hel)t overwogen, mijn kind, ga dan voort om de eindelooze barmhartigheid te beschouwen, die overal zigtbaar is, in den hemel, welken zij met Heiligen vervult, nadat de goddelijke Barmhartigheid hen eerst van de zonde beyrijd en met de zaligheid begiftigd heeft op aarde; waar zij zich boven alle daden Gods doet gelden, en alles met genezing, met ondersteuning en troost verkwikt; ja zelfs in do hel, waar zij ter wille van de verdiensten mijns harten minder straft dan de schuld het eischt, en waar zij zelts door de verworpelingen erkend wordt.

Beschouw do uitgestrektheid dezer goddelijke Barmhartigheid jegens de stervelingen, hoo zij allen omvat, niemand uitsluit, niemand verstoot; de zondaren zolven zoo lang zij leven, afwacht en voldoende genade ter bekeering en vergiffenis aanbiedt; eindelijk zich uitstrekt tot alle ellende, van welke soort dan ook, wijl zij niemand op aarde, hoe ongelukkig ook, bespeurt, zonder de begeerte te gevoelen om hem te verligten en in het middenpunt des heils, hetzij regtstreeks of zijdelings terug to leiden.

Zie, de goddelijke volmaaktheid is als een eindelooze afgrond, welke geen aantal van ongelukken kan vullen, noch door zoo vele be-hoeftigen kan ledig geput worden.

Gebruik, mijn kind, doch misbruik niet deze lieflijke eigenschap van uwen God ; verruim uw harte: zijt dankbaar; vlugt met geloof, met vertrouwen en mot liefde tot deze diepte der Barmhartigheid.

-ocr page 720-

684

7. Let op de heiligheid, die in dit Heilige der Heiligen uitschittert en dooi- haren glans zelfs de Engelen in verwondering brengt.

Dring met groote godsvrucht, mijn kind, in dit Sacrament, den spiegel der goddelijke Heiligheid door. Zie, hier is niets dan volmaakte zuiverheid; hier is zelfs mijn ligchaam als een geest; hier ademt alles heiligheid.

Daarom moogt gij wel de oneindige Heiligheid beschouwen, die in zich zeiven geheel volmaakt, de oorzaak, de regel en het doel is van alle geschapene heiligheid, zuiverheid en schoonheid; die zoo groot is, dat er niets bijgevoegd, niets aan ontnomen kan worden.

Beschouw deze goddelijke volmaaktheid, door wier zuiverste schoonheid de hemellingen vervoerd, met zalige blijdschap overstroomd worden; waardoor de zielen der stervelingen, op haar gelijkend, bovenal geadeld worden; voor wier majesteit de duivelen zelfs in de diepte der hel sidderen.

Al wat schoon, al wat beminnelijk, in één woord, al wat voortreffelijk is, ontleend al zijn schoonheid, al zijn beminnelijkheid, al zijn voortreffelijkheid aan den glans dezer volmaaktheid.

Deze goddelijke eigenschap geljjkt aan de zon in het hemelgewelf, die aan het geschapene levendigheid van kleur, schoonheid en blijdschap mededeelt; die. ofschoon zjj het zuivere en onzuivere verlicht, altijd even zuiver, even schoon blijft.

Verheug u, mijn kind, over zoo grooto schoonheid en beminnelijkheid, over de onder alle op-zigten uitstekende heiligheid van uwen God, vereer haar godvruchtig, volg haar 11a, overeenkomstig uw vermogen.

-ocr page 721-

685

8. Vestig uw oogen op do goddolijko oxmete-lijkiieid, die dit Sacrament mijns Harten voorstelt.

Want hier ben ik onder geheel de Hostie geheel tegenwoordig on evenzeer geheel onder elk deel der gebrokene Hostie. Doch geef ik door de vermenigvuldiging of door de verveelvoudiging mijner tegenwoordigheid onder alle Hostiën, waar die ook op aarde zijn, niet een zekere voorstelling mijner onmetelijkheid ? Handel ik niet, overal ten laatste, waar ik in het Sacrament verblijf, met een ieder in liet bijzonder, alsof ik voor hem alleen daar verwijlde ?

Als gij dit met oen levendig geloof beschouwd hebt, dan zult gij zeker geleid worden tot de overweging der goddelijke Onmetelijkheid, die allo bestaande of slechts mogelijke dingen bevat, en door niets bevat wordt; waardoor de Godheid geheel is in hot heelal on geheel in de afzon-derlijko deelen van het heelal.

Beschouw dezo alomtegenwoordigheid der Godheid in verband met de oneindige Wijsheid, en Goedheid, en Almagt, en llegtvaardigheid, en Barmhartigheid, en Heiligheid en met de oneindige Volmaaktheden van allerlei soort; en bedenk dan, dat gij u iu haar bevindt, daarin leeft en u beweegt.

Waarheen gij u wendt, gij ziet de Godheid in elk voorwerp tegenwoordig en daarvoor zoo zorg dragen, alsof zij voor dat voorwerp daar alleen bestonde. Zie de vogelen des hemels; zij zaaijen en maaijen niet en evenwel worden zij gevoed door Hem, die overal tegenwoordig is. Zie do leliën des voids; zij arbeiden of spinnen

-ocr page 722-

686

niet; on evenwel was Salomon in al zijno pracht niet zoo gekleed als een van dezen.

Onderwerp u derhalve aan deze goddelijke Voorzienigheid; rust daarin als aan don boezem van den volmaaktsten vader; laat n zeiven geheel aan haar over, want zij zal zorg voor u dragen. Zie, al de haren van uw hoofd zijn geteld en niet een valt er uit zonder haren wil. Derhalve vrees niet, verontrust u niet, beangstig u niet; maar leet aan haar onderworpen en gelukkig.

9. De leeklino. Voorwaar Heer, mijn God! dit alles is vol troost, doch hoe verheven is het! Ik zou mij, uit mij zeiven, aan zulke verheven waarheden niet hebben durven noch kunnen wagen.

Als echter uw goddelijke Geest mij geleidt, dan zal ik vol eerbied ja, en met bewustzijn van mijn éigen onvermogen, maar toch blijde en veilig II volgen en, door uwe allerheiligste Mensch-heid de wonderen uwer Godheid binnengetreden, beschouwen, wat allo zinnen te boven gaat.

Zend derhalve, ik smeek het U, den heiligen Geest, die mij in die beschouwing leidde zoo verre als Gij goedgunstig wilt tot mijne heiliging en tot uwe glorie.

Smeekend vraag ik U, schonk mij dien god-delijken Geest met zijne zeven gaven, om mij zoowel in de beschouwing als ook in mijne handelingen te leiden.

Den Geest van Wijsheid, om mij zoo geheel in zulk eene stemming te brengen, dat ik al het we-reldsche als smakeloos maar het goddelijk waarlijk smakelijk vinde ; dat ik over alle zaken een juist oordeel en gevoelen hebbo; dat ik met liefde volgo

-ocr page 723-

687

ter bereiking van datgene, wat tot mijne heiliging verstrekt.

Den Geest van verstand, om do duisternissen van liet verstand en de begoochelingen des harten af te weren of te verdrijven, opdat ik mot een helder begrip en met een zuiver hart inzie alles, wat uwe eindelooze Goedheid -zigtbaar en on-zigtbaar gedaan heeft, en altijd begrijpe, wat do oneindige goede wil van God van mij vraagt.

Den Geest van raad, om mij steeds mijner zwakheid, waardoor ik niets ten heile verrigten kan, indachtig te maken en mij krachtdadig aan te sporen mijne toevlucht te nemen tot den bijstand der goddelijke Almagt, door wier hulp ik alles vermag.

Een Geest van sterkte, om mij te bewegen tot inspanning van al mijne krachten, om met de hulp der goddelijke genade getrouw mede te werken en zoo door edelmoedige pogingen te streven naar volmaakte regtvaardigheid, niet bekommerd over de oordeelen dor menschen, maar mijn oog vestigend op TJ den regtvaardigen Regter.

Den Geest van wetenschap om mij te loeren onderscheiden, om inderdaad onderscheid te maken tusschen het natuurlijke en het bovennatuurlijke zoo, dat elk gebed, elke handeling altijd door U begonnen en door U voltooid worde; en mij zoo op het gebed en op deugdsoefening toe te leggen, dat ik noch om de zoetheid der beschouwing nalate lig-chamelijke of geestelijke werken van barmhartigheid jegens den naaste te verrigten, noch om de werken van barmhartigheid jegens ande-

-ocr page 724-

688

ren, de barmhartigheid jegens mijne eigene ziel verwaarlooze.

Dsn Geest van godsvrucht, om eene teedere godsvrucht in mij aan te kweeken; mij gematigd en krachtig tevens tot heiligheid aan te sporen; en te bewerken dat ik jegens minderen mij als een godvruchtig vader, jegens mijns gelijken als een godvruchtig broeder, jegens mijne Oversten mij als een godvruchtig kind gedrage.

Don Geest van liefdevolle vreoze; van kinderlijke zuivere liefde, waardoor ik U, mijn God, bovenal op alle plaatsen vereer, en met heilige ge-negenhoid elk uwer wenschen blijmoedig opvolge.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

welken eerbied, zoowel innerlijke als uiterlijke. het hart van jesus van ons jegens het heiligst sacrament eischt.

1. Jesus. Mijn kind, als u do hemel geopend werd en uwe oogen mijne glorie zouden zien, hoe zoudt gij getroffen worden door dat schouwspel ! Hoe zoudt gij sidderen, doordrongen van heilige vreeze! met welk een eerbied zoudt gij neerknielen in het stof!

Want zie voor mijnen troon, wiens gloriestralen aan bliksemschichten en vurige vlammen gelijken, zoudt gij duizend duizende Engelen bespeuren, die allen mij loven vol ontzag; en ontelbare, die mijnen troon omgeven en mij dienen.

-ocr page 725-

689

Gij zoudt ook eene menigte Heiligen ontwaren zoo talrijk, dat gij ze niet vermogt te tellen, neergebogen voor mijn troon met het aangezigt ter aarde, in aanbidding en van liefde versmeltend.

Gij zoudt zien hoezeer allen in mijne tegenwoordigheid ijveren; nu eens zoudt gij bespeuren hoe door geheel den hemel een diep ontzagvol stilzwijgen heerscht; dan weer zoudt gij den hemel hooren weêrgalmen van de stemmen zijner bewoners, die eenstemmig aanheffen, te zamen zingen : Amen, zegen en heerlijkheid, en wijsheid en dank, eere en kracht en sterkte zij onzen God in de eeuwen der eeuwen.

Welnu, mijn kind, ik, dezelfde, die met zooveel ontzag, met zoo veel eer en onderwerping in den hemel gediend wordt, ben in dit heilig Sacrament hier tegenwoordig omgeven door eene menigte van hemelsche Geesten.

Zie dan en overweeg, hoe de stervelingen zich hier jegens mij moeten gedragen. Als zelfs de zuilen des hemels sidderen van ontzag, wat moet gjj dan doen, stof der aarde ?

Hier, mijn kind, wil ik ontzag, hier eisch ik eere, hier verg ik verschuldigden eeredienst.

Ik ben wel is waar, uit eigen beweging mijns Harten in een stal mensch geworden, en heb zoo een sterfelijk leven geleid, dat ik niets had, waarop ik mijn hoofd konde nederleggen; doch toen ik dit allerheiligst Sacrament zoude instellen, heb ik bevolen eene grooto weltoebereide Eetzaal in gereedheid te brengen om te toonen hoezeer ik ontzien, vereerd en gediend wilde worden in het heilig Sacrament. 44.

-ocr page 726-

690

De Kerk daarvan onderrigt, heeft altijd do heerlijkheid van mijn huis liet' gehad; naar haar vermogen heeft zjj prachtige tempels gebouwd ; zij heeft de natuur ter hulpe geroepen om met hare rijkdommen, en de kunst om met haar vernuft de woontenten te versieren, welke ik mij heb uitgekozen; zij heeft steeds ijverig zorg gedragen, dat ik overeenkomstig het verlangen mijns Harten, in dit verhevenste geheim op allerlei wijze vereerd en hare liefde jegens mij getoond zoude worden.

Indien gij mij lief hebt, mijn kind ; ja, als gij het geloof bezit en door dit bovennatuurlijk licht mijne hier versluijerde Majesteit aanschouwt, en alles, wat mij hier zigtbaar of onzigtbaar omgeeft, dan voorzeker zult gij mij steeds den hoogsten eerbied bewijzen.

Niet anders dan na u innerlijk en uiterlijk afgezonderd en met eerbied doordrongen te hebben, zult gij hier met de Engelen voor mijn aanschijn verschijnen; niets dan vroomheid en godsvrucht, eere en liefde zult gjj innerlijk en uiterlijk opwekken.

De Leerling. Waarlijk, o Heer Jesus, Gij zijt de liefde en zaligheid aller Heiligen! Waarlijk, met alle ontzag, met alle heilige liefde moet Gij hier gehuldigd worden. Aan uw Tabernakel, aan uw eigen huis past heiligheid.

Want Gij zelf zijt de Heilige der Heiligen, en Gij woont in het Heilige, waarin de Engelen zelfs niet dan sidderend van ontzag binnentreden ; en de ongenaakbare glanzen uwer heiligheid bewonderen.

-ocr page 727-

091

Hoe zal dan de sterfelijke Miensch, uwe oneindige Majesteit en zijne uiterste onwaardigheid overwegend, voor uw aanschijn durven naderen!

Waarlijk, indien Gij zelf mjj niet uitnoodig-det te komen, en de erkende goedheid uw.s Harten de hevigheid der vreezo niet matigde, dan zou ik vol angst IJ ontvlieden, dewijl ik een zondaar ben; ja ik zou niet durven naderen, om niet wêlligt wegens schennis uwer Majesteit den dood te sterven.

Doch zie, de goedertierenheid aan uw Hart eigen, die mij zoo ontfermend tot zich roept en met zooveel vaderlijke liefde vertrouwen inboezemt, is eene nieuwe beweegreden tot eerbied.

Want indien ik van deze genade door oneerbiedigheid misbruik maak, dan zal ik nog schuldiger worden, dewijl ik boos zoude zijn omdat Gij goed zijt.

4. O Christus Jesus, mijn God, die alles weet en alles vermoogt'. Hoe ontzagwekkend is. deze plaats, waarin Gij waarlijk tegenwoordig zijt!

Hoe zal ik mij waardig gedragen ten opzigte uwer tegenwoordigheid in dit heiligst Sacrament, waarin alles, wat ik rondom mij zie, mij aanmaant, dat ik de hoogste eerbied moet bezitten?

Zoo vermaant mjj dit eeuwig licht, dat ik door een levend geloof indachtig moet zijn, waar ik ben en in wiens tegenwoordigheid ik mij bevind.

Zoo vermaant mij het gesloten Heiligdom, dat uwe woonplaats heilig is door eene huiten-gewone heiligheid.

Zoo vermaant mij het verheven Tabernakel,

-ocr page 728-

6P2

hoe nederig en vol ontzag ik voor uwe oogcn moot verschijnen.

Zoo vermaant mij de schoonheid der heilige vaten, welke eene zuiverheid, zoowel innerlijk als uiterlijk van mij gcöischt wordt.

Zoo vermaant mij elke ziel, die hier verslonden door uwe liefde wordt beziggehouden, met welke groote godsvrucht, met welke teedere genegenheid ik met TJ moet omgaan.

5. O Jesus, God van alle heiligheid! Welken volmaakten eerbied leert Gij mij hier jegens TJ te betoonen, dewijl Gjj hier mot U onder hetzelfde dak niemand wilt laten wonen, tenzij de hemel-sohe Geesten, en de engelen der aarde, do godgewijde personen en priesters, die zoo zuiver van harte moeten zijn, dat zij God zien, en zoo kuisch naar het ligchaam, dat zij de zuiverheid zelve omhelzen mogen !

Met welke gesteltenissen der ziel en des lig-chaams moet ik hier dus niet naderen, dewijl ik met zulk een zuiver, met zulk eeu heilig gezelschap vereenigd word !

Als Daniël, als Tobias, Joannes uw beminde Leerling, als andere Heiligen, in de tegenwoordigheid van éénen Engel zoo door zijn gezigt getroffen en met zulk een eerbied bezield werden, dat zij ter aarde nedervieleu, met welk gevoel moet ik niet bezield zijn, daar, waar ik mij in de tegenwoordigheid bevind van zoo veel Engelen; ja in de tegenwoordigheid van U, die de Heer aller Engelen zijt !

Voorzeker geene gedachte, die U vreemd, geen gehechtheid, die beneden U is, moet mij hier

-ocr page 729-

693

bezigliouden. Neen, wat meer is, zoo dikwijls als ik hier kom, moet ik mij niet slechts zuiver houden van alle kwaad, maar U ook vereeren door heilige oefeningen van deugd.

6. Hoeveel verontwaardiging, welke regtvaar-dige straf zoude ik van U niet verdienen, indien ik in uwe tegenwoordigheid mijn hart met ongeoorloofde gedachten of met booze gehechtheden bezig hield; indien ik zoo onheilig hier, tussclion de engelen zou durven verschijnen, en U voor uw oogen met zulke oneerbiedigheid, die uw Hart zoo bitter aandoet, zou durven beleedigen 1 O, als ik naar de stem des gcloofs luister, dan ongetwijfeld zal ik mijne gedachten niet veroorloven rond te dwalen of mijne liefde zich aan iets anders te schenken, of mij op welke wijze dan ook van U te verwijderen, alsof Gij, o hoogste zaligheid van allen, mij niet voldoende of mijne aandacht niet waardig waart!

O Heer mijn God! ik sidder, als ik denk aan de grootheid mijner oneerbiedigheid, welke ik jegens U heb bedreven, toen ik U met mijne lippen scheen te vereeren, terwijl mijn Hart verre van U was ingenomen door zaken, die het op ongeregelde wijze bemint of vreest, of door verstrooijende voorwerpen, die liet verwaarloost te verwerpen. t Sysli quot;j ®®

Helaas', zelfs mijn uiterlijk verraadt dikwijls door hoeveel verstrooijing mijn hart geslingerd wordt, door welke lusteloosheid het kwijnt, ook dan als ik hier voor uw aanschijn deel uitmaak van uw hemelsch gezelschap. 'ijfcZfiÉïL

7- En toch mijn uiterlijke eerbied moesten iet

-ocr page 730-

604

minder zijn dan mijn innerlijke, dewijl Gij in dit verlievenste Sacrament, waar Gij, mijn God, zelf met ligchaam en ziel tegenwoordig- zijt, zoowel van het ligchaam als van de ziel, eeredienst vordert.

Ik moet dus met de grootste zedigheid hier verschijnen, en allen menschen moet hot kennelijk worden, dat Gij, o Heer, zoo nabij zijt.

Geen nutteloos woord mag hier gesproken, geen nieuwsgierige, geen gedachtelooze oogslag hier veroorloofd worden, geene houding, geen beweging des ligchaams, die minder eerbiedig is.

O Jesus, levon en zoetheid mijner ziel! ofschoon er voor mij op aarde niets dierbaarder is dan het allerheiligst Sacrament der liefde uws Harten, is er evenwel niets, was mij meer doet vreezen.

Want indien ik daarvan met eerbied gebruik mi'.ak, dan zal ik daarin alles, wat begeerings-waardig is ontwaren; doch indien ik daarentegen op oneerbiedige of ongeoorloofde wijze daarvan gebruik maak, dan weet ik, dat ik mij de verschrikkelijkste kwalen op den hals haal!

8. Doch, o indien ik genoeg beminde, als mijn hart brandde van dat goddelijk vuur, waarvan uw Hart hier gloeit, dan zoude ik zoo vele en zoo groote beweegreden niet behoeven om mij tot verschuldigden eerbied jegens U aan te zetten!

Want dan zoude ik mij niet slechts met alle zorg wachten voor oneerbiedigheden, maar mij ook in uwe tegenwoordigheid gedragen op die wijze, die de liefde alleen kent, met die zorgvuldige aandacht. die alleen de reinheid der liefde kan loeren.

-ocr page 731-

695

Hoc zoet zoude 't mij dan zijn, in uw bijzijn den tijd door te brengen; verslonden te,zijn in uwe liefde, en al het aardsehe te vergeten!

Hoe zoude ik dan ijveren om TJ in liet beminnelijkst Tabernakel te bezoeken en U mijne liefde te betuigen!

Hoe zoude ik dan door heiligen en aange-namen honger en dorst gedrongen worden om dikwijls aan te zitten aan het hemelsch gastmaal, dat Gij hier met zoo veel zoetheid hebt in gereedheid gebragt!

9. Liefde dus, o liefste en beminnenswaardigste Jesus, wil mij dus liefde tot U schenken; liefde, die mijn liardvochtig hart week maakt, verruimt en met de zalving der godsvrucht vervult.

Ontsteek mij geheel met die liefde, waarvan de Engelen en zoovele zuivere zielen hier voor U branden; en waardoor zij U op zulko volmaakte wijze vereeren.

O Heer, ontferm U mijner en vergeef mij al mijne verwaarloozing, waaraan ik mij jegens ü heb schuldig gemaakt: alle verstrooijng des geestes, alle verdeeling des harten, in één woord alles, wat ik tegen den eerbied, U verschuldigd, heb misdreven.

En verleen goedgunstig, dat gelijk uwe weldaden jegens mij steeds aaagroeijen en toenemen in getal, zoo ook mijne liefde voor U steeds klimme en vermeerderd worde.

-ocr page 732-

69G

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

dat wij moeten trachtek op allerlei wijzen de beleediqingen te herstellen, welke het allerheiligst hart van jesus in het sacrament zijnee liefde woeden aangedaan.

1. Jesus. Mijn kind, zij gaven mij kwaad voor het goede weder; en vergolden mijne liefde met haat.

Het beste en kostbaarste, wat de hemel heeft, he'- nuttigste en he'izaamste wat de aarde bezit, wat er in den godsdienst hat heiligst is en het meeste troost verschaft, heb ik in onverdiende edelmoedigheid mijns Harten, uit zuiverste liefde in dit Sacrament neergelegd.

Mijn kind, is dat niet zoo groot, dat, mogten ook alle harten der menschen door liefde verteerd worden ; de tongen aller stervelingen tevens bezig zijn om daarvoor den regtmatigen dank te betuigen, mogt eindelijk ook geheel de wereld zich als een offer van lof opdragen, dit alles nog zoo verre beneden zijne waarde zoude blijven, als de voortreffelijkheid des menschen staat beneden die van God, als het eindige staat beneden het oneindige?

De hemel .zelfs staat verbaasd over de onmetelijke grootheid dezer gave; en zelfs de Engelen roepen van verwondering uit: „Ziedaar onze God! Ziedaar de wonderen, die Hij op aarde gesteld heeft!

-ocr page 733-

697

Zoudt gij dan meenen, dat op aarde een menseh gevonden wordt, die bij deze gaat der gaven ongevoelig blijft of zicli daarvoor onverschillig toont?

En tocli zijn er, mijn kind, er zijn zielen zonder gevoel, zonder liefde, ondankbare schepselen, die zoo verre er van af zijn, mij, den schenker der schatten van zoo vele goederen te beminnen, dat zij zelfs van die goederen gebruik maken om mijn Hart nog mot bitterder beleedigingen te treflen.

2. Zie, zeer velen rigten ijverig hunne schreden daarheen, waar voordeel of begeerlijkheid hen heendrijft; doch om mij te bezoeken, daarvoor willen zij hun huis niet verlaten of zelfs geen weinig van hunnen weg afwijken.

Zij achten mijne geschenken zoo gering, zij zijn jegens mij zoo koud van harte, dat zij het minste ongemak der natuur niet willen ondergaan om hier te komen, en de goederen te vragen, die gereed staan, of mij hunne liefde re betuigen, die toch uit liefde voor hen, ondanks zoo vele ongemakken, uit den hemel bon gekomen en hier om hunnentwille mijn verblijf houd.

Waarlijk tot hoevelen zoude ik kunnen zeggen: „Zoo langen tijd ben ik bij u en gij kent mij niet!

Ik ben voor hen als een vreemdeling, en als een vreemdeling word ik door hen verwaarloosd. Zoo weinig denken zij aan mij! Zoo weinig bekommeren zij zich om mij!

3. Doch ook, hoevelen van hen zelfs, die mijn heilig Tabernakel bezoeken, komen wel is waar hier, doch brengen ergernis in de heilige plaats!

-ocr page 734-

698

Hoe velen toch zijn er, die zicli in mijnen heil-gen tempel plaatsen voor mijne oogen, als waren zij afgoden, zoodat zij de menschen aan de godBvruclit en liefde jegens mij ontrukken en hunne aandacht en gemoed tot zich trekken!

Niet weinigen overleggen in hunnen geest god-delooze plannen, voeden afschuwelijkheden in hun hart, bedrijven vrijwillig zonden voor mijn aanschijn, terwijl zij mij op onwaardige wijze beleedigen.

Hoe velen ook zijn er, die door hunne oogslagen,- of door hunne houding of door hunne kleeding zelts de Engelen bedroeven en mij zeiven uitdagen!

Roe velen zijn er, die met regt zich schamen zouden als zij een sterveling met zoo veel gevoelloosheid en minachting behandelden, waar-mede zij zich hier ten opzigte van mij gedragen!

4. Nergens, mijn kind, worden mij zulke wreede ï eloedigingen aangedaan als in dit goddelijk geheim. Daar waar de goedigheid mijns Harten de grenzen overschrijdt, daar ook overschrijdt de boosheid der menschen hare perken.

Hoe vele ketters toch ontkennen goddeloos mijn bestaan! hoe yole ongeloovigen lasteren wreed mij, wien zij niet kennen.

Doch dit alles, mijn kind, hoe bitter ook, is evenwel voor mijn Hart nog minder pijnlijk dan de verschrikkelijke ontlieiligingen van hen, die mij in de heilige Communie op onwaardige wijze ontvangen.

O, welke beleediging! Welk goddelooze overmoed, als menschen, ja zelfs de uitdeelers

-ocr page 735-

699

mijner geheimen, tot mij naderen met don duivel in hunne harten, en mij heiligschennend ontvangen, neer smakken, mij hun God, voorde voeten van satan, die in hun hart regeert!

5. De rleeling. Hoelang, Heer mijn God, hoelang zullen do zondaren dit straffeloos bestaan? Sta op, Almagtige, verdelg de monsters! Werp de heiligschenners als dorre halmen in het knetterend vuur, want zij zijn het waardig.

Jesus. Neen mijn kind, neen niet aldus, of-schoon zij ook de uiterste straffe verdienen; neen, ik wil toonen, dat de liefde mijns Harten grooter is dan de 1 loosheid van het menschelijk hart.

Derhalve wenscht mijn hart hun nog genade te geven, opdat zij zich nog zouden kunnen zalig maken. Want indien zij daarmede medewerken, zich bckeeren, dan zal mijn Hart zegevieren, zich verblijden en juichen over het heil dier zielen, voor welke ik niet geaarzeld heb mijn leven te geven.

Doch indien zij zich niet willen bekeeren noch mij wederminnen, dan blijft mij tijds genoeg om der regtvaardigheid voldoening te geven, dewijl mij nog eene eeuwigheid daartoe overblijft.

Intusschen, mijn kind, zie, ik ga voort die beleedigingen te verdragen uit liefde tot u, uit liefde tot de uitverkorenen, die ik meer bemin, dan ik door de zondaren beleedigd word, en voor wie ik hier volgaarne blijf wonen.

6. Gij zult, zoo toch meen ik, mijn kind, gij zult toch niet ongevoelig zijn voor de buitengewone overmate van liefde, waardoor mijn Hart

-ocr page 736-

700

gedurende zoo veel eeuwen zulke onwaardige behandeling der boozen verduurde, om aan u alle goederen te sclienken, die het in dit Sacrament heeft neergelegd.

Al gij mij bemint, dan zult gij bereidvaardig doen, wat in uw vermogen is om mij zoo vele en groote offers te vergoeden, die mijn Hart hier brengt en mijne eer te herstellen, die hier op zoo vele en onverdiende wijze gekrenkt wordt.

Inderdaad een der eerste doeleinden der godsvrucht tot mijn Hart is, dat er zooveel mogelijk vergoeding worde geschonken voor de beleedi-gingen, die mijn Hart in dit heilig Sacrament van alle kanten worden aangedaan.

Voorwaar geloof niet, dat gij een waar leer-lings mijns Harten zijt, als gij daarvoor niet brandt, als gij niet vurig ijvert voor zijne eer.

7. Stort derhalve voor mijn heilig Tabernakel dikwijls de vurige genegenheden uws harten, de gevoelens van dankbaarheid, edelmoedigheid, opoffering, van veelzijdige liefde uit, opdat mijn Hart zich daaraan trooste.

Als gij hier bidt, mij vereert of u op wélke wijze ook bezig houdt, dan beijvere zich uwe godsvrucht in die mate, dat gij zooveel mogelijk, voldoet voor de onverschilligheid der laauwen, en zelfs hun een spoorslag geeft om hunne lusteloosheid af te schudden.

Toon overal openlijk een opregten, niet een geveinsden eerbied voor dit heiligst Sacrament, opdat gij de oneer mij aangedaan eenigiins herstellet, opdat gjj anderen stichtet en^tot mijne vereering

-ocr page 737-

701

aanzet, opdat gij de smart mijn Hart toegebragt, verligtet.

Draag meermalen uwe daden, uwe droefbeden en alles, wat er in de Kerk op aarde verdienstelijks gedaan wordt op, ter mijner eere in bet heilige Sacrament dos Altaars.

Draag met betzelfde doel de deugden en verdiensten van alle Engelen en Heiligen op; offer ook alle lofprijzingen en vereering en al wat er in den hemel geschiedt, aan mij op.

Heb, zoo dikwijls gij do heilige Mis leest of bijwoont, of de heilige Communie ontvangt bij andere bedoelingen ook deze, om door dat heilige werk de beleedigingen te herstellen, welke mijn Hart bier door u of door anderen ooit werden aangedaan.

Ja biel zelfs, mijn kind, in navolging mijns Harten, veel voor de personen zeiven, die zich zoo onwaardig]ijk jegens mij gedragen, opdat bet geduld mijns Harten in hen af te wachten en mijne bereidvaardigheid om do terugkeerenden te vergeven, moge zegevieren tot zijne groote vreugde en tot hunne eeuwige zaligheid.

Eindelijk, mijn kind, beproef en span zooveel mogelijk uwe krachten in om allen te bewegen zich vau beleedigingen te ontbonden en mij in dit heilig Sacrament met eere en liefde te dienen.

8. De leerlixg. O allerliefste Jesus! boezeer hebt gij ons geëerd! hoezeer hebt Gij ons bemind! Zie, uit liefde tot ons zijt Gij uit den bemel neergedaald op aarde, en Gij hebt niet opgehouden te werken en te lijden om ons van de aarde naar den bemel te voeren.

-ocr page 738-

702

Al wat in uw belang was, hebt Gij opgeofferd, zelfs uw bloed liebt Gij vergoten om ons gestorvenen vrij te koopen; zelf bobt Gij den dood ondergaan, om on.s hot leven te geven; uw Hart door liefde gewond; hebt Gij geopend willen houden om ons daaruit met allerlei goederen te overladen; Gij hebt ü gewaardigd altijd en overal geheel de onze te zijn.

lu uw sterflijk leven hebt Gij U aan ons als losprijs ter zaligheid, als bron des levens, als voorbeeld der volmaaktheid, als den weg en den geleider ten hemel gegeven.

In uw leven in het Sacrament, geeft Gij U daarenboven als voedsel ten leven, tot heiliging van ziel en ligehaam, als troost op onze pelgritns-reize als overvloed van alle goederen.

En in uw glorie-leven geeft Gij U aan ons als voorspreker bij den Vader, als schenker van den Geest dor vertroosting, eindelijk als eeuwige belooning.

Wat, o beminnelijkste Jesus, wat koude uw Hart nog verzinnen, wat koude het nog meer doen, dat het niet voor ons uitgedacht niet voor ons gedaan heeft?

Welke dankbaarheid dus; hoeveel liefde, hoeveel getrouwheid kunt Gij dan niet met regt van ons verwachten!

Maar ach! Heer, ach! in plaats van dankbaarheid, in plaats van liefde, in plaats van getrouwheid, ach zie, ontvangt gij smaadheden, ontee-ringen, heiligschennissen en allerhande wreede snoodheden.

Dit, o goede Jesus, wat de Engelen zeiven

-ocr page 739-

tot tranen moet bewegen, dit moest Gij verwachten van ons voor alles, wat Gij voor ons gedaan en geleden, voor alles, wat Gij voor ons geschonken en bereid hebt!

2. O konde ik. Heer, deze verschrikkelijke ontaering met mijn bloed uitwisschen! O, kondeik zoovele onwaardige behandelingen, zulke wreede beleedigiugen, ten koste mijner eigene eer, ja ten koste van mijn eigen leven vergoeden!

Doch dewijl ik dit slechts wenschen kim offer ik U evenwel al mijne gedachten, woorden en werken, al wat ik doen en lijden zal op, tot vergoeding voor alle beleedigiugen uw Hart ooit aangedaan en tot herstel uwer eer, die door mij en door anderen hoe dan ook geschonden werd.

Met hetzelfde doel offer ik U op geheel mi: zeiven met de belofte al de vernederingen te zullen ondergaan, alle beleedigiugen te zullen lijden en alles te zullen verduren, wat uw god-deljjk welbehagen zal verlangen.

I k offer U ook op alle de vrome genegenheden, heilige begeerten en verdienstvolle werken aller geloovigen op aarde, die U welgevallig zijn; alle heilige Missen en heilige Communiën, alles ein-delijk, wat er in de Kerk U ter eere geschiedt.

Ik offer U ook op de lofzangen eu dankbetuigingen, de zegeningen en alle liefdebetuigingen aller hemelsche Geesten van alle Heiligen, die in den hemel heerschen.

Aanvaard deze offers, ik smeek het ü goeder-tierendste Jesus, in vereeniging met de verdiensten Tan uw allerheiligste Hart: aanva rd zo door

-ocr page 740-

704

bemiddeling van het onbevlekte Hart uwer maagdelijke Moeder, door wie ik mij verstout ze U aan te bieden.

Door dat onschuldig Hart nader ik, schoon een schuldige, evenwel met vertrouwen tot uw Hart en smeek ik ontferming en genade af voor mij en voor alle andere ongelukkigeu;

Spaar, Heer, spaar ons zondaren; vergeef liet kwaad, dat wij bedreven hebben; vergeet de be-leedigiugen, welke wij uw Hart hebben aangedaan.

Geef, dat wij door zuiverheid van levenswandel liet verledene wederom herstellen, dat wij door het vuur onzer liefde uwe liefde vergelden, dat wij ten laatste door eenc volhardende getrouwheid uw Hart verkwikken.

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

dat wij oks zelven moeten beproeven alvoeens tot het heilige sacrament des altaars te naderen.

1. Jesus. Mijn kind. de menscli beproeve zich zeiven en aldus ete hij van dit brood en drinke hij uit dien kelk. Want wie onwaardig eet en drinkt, eet en driv.kt zich het oordeel, wijl hij niet onderscheidt het ligchaam van zijnen Heer.

Geen geringe straf dreigt hem, die onwaardig zijnen Heer en God ontvangt. Zie, mijn bloed haalt over hem, over zijn ligchaam en de ziel de vervloeking af.

Overweeg, mijn kind, hoezeer gij u veront-

-ocr page 741-

705

waardigt over Judas den verrader. Doch die trouwelooze leerling wordt nog in vermetellieid, ondank en goddeloosheid overtroffen door hom, die door het allerellendigst lot van Judas niet weerhouden, met misbruik mijner waarschuwingen en weldaden tevens, zich in dit heiligst gastmaal aan mijn Hart zelf nederlegt en mij zoo door eene heiligschennende Communie verraadt.

Hoe verschrikkelijk, hoe ontzettend het oordeel, dat hem dreigt! hoe vreesbaread de straf, welke hem wacht, die op zulke wreede onwaardige wjjze mij verraadt en vervolgt!

Als zij, die van de oude afbeeldingen van dit heilig Sacrament misbruik maakten, zoo gestreng gestraft zijn, als de zonon van Heli, die in het heiligdom des Ouden Verbonds zich onwaardig gedroegen; als Oza, omdat hij op oneerbiedige wijze de Arke des Verbonds aanraakte, als Bal-thasar, omdat hij de heilige vaten tot een onheilig gebruik bezigde: als deze allen tot kastijding van hun misdrijf met den dood gestraft zijn, wat verdient dan de heiligschenner, die, voor zooveel hij het kan. God zijn Schepper en Verlosser zeiven onder den voet treedt en veracht?

Zou de aarde zich onder den heiligschenner niet moeten openscheuren en hem levend verslinden als mijn Hart het niet voorkwam om hem nog de middelen ter zaligheid aan te bieden?

O snoodheid! o misdaad' Hoe ontzettend is het, schuldig aan znlke goddeloosheid, te vallen in de handen van den almagtigen God!

2. De leerling. Heer, Heer! vrees en ontzetting doordringen mij met afschuw, als ik mijne

45

-ocr page 742-

70(5

aandacht op de omnenschclijkbcid van die god-delooze misdaad vestig!

Voor U in liet stof neergeknield, bid en smeek ik U, behoed mij voor het onwaardig ontvangen van uw Ligchaam en bloed.

Om de liefde van uw eigen Hart bid ik U, Heer mijn God, leer mij, wat het is, dit brood te eten en dozen kelk te drinken op eene onwaardige wijze, opdat ik zulks wetende, mij niet zorg wachte, om mij niet de verschrikkelijkste vervloeking op den hals te halen.

Jesds. Mijn kind, men ontvangt het heilig Sacrament des Altaars onwaardig, als het geweten met eene doodzonde bezwaard is.

Om derhalve zulk een geheim niet onwaardig en bijgevolg ten dood en ter verdoemenis te ontvangen, daarom moet de mensch zijn geweten beproeven.

Want die beproeving is noodzakelijk, opdat niemand, van eene doodzonde bewust, hoe hij daarover ook een berouw schijne te gevoelen zich verstoute tot de heilige Tafel te naderen zonder eerst het Sacrament der Biecht ontvangen te hebben;

3. De leerling. Vergeef, bid ik U, Heer, als ik het gezegde niet volkomen schijn te begrijpen, want ik ben traag van geest.

Vergeef mij ook als ik U vraag, wat minder gepast kan schijnen, want mijn hart is beangstigd.

Niet als zoude ik mij geen andere en meerdere voorbereiding voor het ontvangen van zulk een Sacrament willen getroosten, dan die. welke mij voor het onwaardig ontvangen vrijwaart, maar

-ocr page 743-

707

omdat de vijand van mijn heil mij somtijds ingeeft dat ik, na zelfs gedaan te hebben, wat in mijn vermogen is, door de nadering tot de heilige Communie, mij schuldig zal maken aan het Ligchaam en Bloed des Heeren.

Dewijl mijn binnenste zoozeer in duisternis gehuld is en de vijand in hot donker rondwaart, zoodat ik niet helder kan zien, noeh uwe stem, die innerlijk spreekt, duidelijk genoeg kan onderscheiden, nader ik of wel met een bezwaard geweten en voor gevaar bedacht, of wel onthoud ik mij, door duivelsche list bedrogen, van het beste geneesmiddel mijner kwalen.

Toon mij derhalve aan, ik smeek het U, wat het zeggen wil, zich van eene doodzonde bewust te zijn. Want ah ik dat begrepen heb, dan zal ik des te gemakkelijker de kunstgrepen des duivels ontwijken en mij met beter gevolg voor eone onwaardige Communie wachten.

4. Jesus. Mijn kind, hij is zich bewust van eene doodzonde, die opregt weet, dat hij in doodzonde verkeert. Want hij is zich bewust schuldig te zijn, wiens geweten zich schuldig kent. Het geweten echter bestaat in zekere kennis.

Er wordt evenwel niet in alle zaken eene zelfde zekerheid van kennis gevorderd, maar in elke zaak overeenkomstig zijne eigene wijze: in bepaalde zaken wordt volstrekte, in natuurlijke dingen natuurlijke, in zake des gewetens zedelijke zekerheid geëischt.

Derhalve, mijn kind, als zij, die gewoon zijn vrijwillig in de zonde toe te stemmen, er aan

-ocr page 744-

708

twijfelen of zij tot zonde bekoord wordende, in de zonde hebben toegestemd, dan mogen zij op grond van lietgcen gemeenlijk met hen ge-sohiedt, het zcdelijker wijze voor zeker houden, zich aan de zonde te hebben schuldig gemaakt.

Integendeel zoolang gij opregtelijk er naar streeft mij getrouw te blijven, of zoolang gij pleegt te vreezen om van de goddelijke genade beroofd te worden, als gij in dit geval niet weet, niet dc zekerheid hebt, dat gij tijdens de bekoring vrijwillig in groote zonden hebt toegestemd, of om eenige reden den staat van genade verloren hebt, dau ontvangt gjj, tot de Communie naderende, het heilig Sacrament niet op onwaardige wijze.

5. Deze leering, mjjn kind, zal u versterken, u bemoedigen en altijd tot rigtsnoer zijn, dan vooral als helderheid uw binnenste niet verlicht en liet vijandelijk gedruisch uw hart vervult.

Gjj zult evenwel steeds zeer goed doen met eerst zoo volmaakt mogelijk een berouw te verwekken over alle, ook over de verborgene feilen, voor zooverre zij de oogen van God niet ontgaan, opdat gij des te beter voorbereid, in het gezelschap der Engelen tot het goddeljjk Geheim nadert.

Ook is het dienstig, als gij ter heilige Tafel zult naderen, dat gij u bovendien onderzoekt over kleinere zonden, en u daarvan en van alle ongeregelde neigingen door vurige liefde zuivert, opdat gij met een vlekkeloos bruilofstskleed binnentredend, mot mij aan liet hemelsch gastmaal moogt aanzitten.

Vervolgens mijn kind, indien gij, schoon ook

-ocr page 745-

709

tot doodzonde bekoord wordend, daarin evenwel niet toestemt; als gij de dagelijksche zonden niet vrijwillig bedrijft; als gij der natuur, wanneer zij tegen bet goddelijk welbehagen in verzet komt, tracht te weerstreven; zie dan, (mits uw ziel-bestierder het toestaat,) is het u geoorloofd, zoo dikwijls tot de heilige Communie te naderen als gij zelf wilt.

En ofschoon deze zuiverheid oneindig verre verwijderd is van die goddelijke reinheid, die in het heiligst Sacrament ontvangen wordt, is zij evenwel voor den sterfelijken menseh voldoende om met nederig vertrou,\en en liefde te naderen tot dit heilig en heiligend geheim, waanloor hij nog volmaakter gezuiverd wordt.

Want niet voor schepselen, die van nature Engelen zijn en niet kunnen zondigen, maar voor menschen, dio Engelen begeeren te zijn en niet willen zondigen, heb ik dit goddeljjk Sacrament ingesteld, opdat zij hieruit de volmaking der zuiverheid en heiligheid mogen verkrijgen, die veeleer de vrucht dan de voorbereiding dier Communie is.

6. Het is den duivel eigen om do zielen, dio wel en voldoende voorbereid zijn, van de veelvuldige Communie af te houden; en ieder sterveling, die dit of regtstreeks of zijdelings doet, volgt den duivel na en doet het werk des duivels.

Zeker ik eissh eerbied; doch nog meer verlang ik liefde; doch beide zult gij beter door de veelvuldige dan door de zeldzame Communie betoonen. Voorzeker mijn kind, wil ik niet, dat gjj dikwijls de heilige Communie ontvangt en te-

-ocr page 746-

710

vens voortgaat te zondigen, zij het ook door dagelijksche overtredingen of door de neiging of den weerzin der natuur in te volgen; maar dit wi] ik, dat gij met een standvastig hart besloten cn bepaald hebt, u daarvan te onthouden en aldus tot het heilig Sacrament dikwerf nadert, ondanks het oordeel van hen, die in deze de belangen van den boozen geest bepleiten.

Als gij door dusdanig besluit en voornemen gewoon zijt zoo zuiver te leven, dan, mijn kind, al mogt gij ook somtijds uit zwakheid in eene fout vervallen, wil daarom de gewone Communie niet toelaten, maar kom na de geeischte beproeving ingesteld te hebben, tot haar met nog vuriger voorbereiding.

Overweeg, mijn kind en onthoud hoezeer mijn Hart door liet godvruchtig ontvangen der heilige Communie geëerd cn verblijd wordt, welke nieuwe vreugde don hemel geschonken, welke vertroosting der geloovige zielen ter hulpe gegeven, met hoeveel gaven en genaden de welvoorbereide ziel vervuld wordt om hare zaligheid meer te verzekeren, om de heiligheid te verwerven.

Is dat alles niet van dien aard, dat de moeite of inspanning voor die beproeving en zuivering gevraagd, daardoor niet slechts vergoed maar oneindig overtroffen wordt ?

, 7. Niemand mijn kind, is er, die niet zoo zich beproeven, zoo zich zuiveren, zoo eindelijk zich geschikt kan maken, dewijl daartoe aan allen de genade wordt gegeven.

Ook kan niemand het gebrek aan gesteltenis, aan de natuur of aan zijn levensstaat wijten

-ocr page 747-

711

dewijl noch de natuur noch de betrekking des levens, maar de ongeregelde wil of gebrek aan zorg, de ziel ongeschikt maakt.

Wek uwen ijYer op, mijn kind; spoor uw hart aan voor iets, wat van zooveel belang is, dat er niets grooters, niet nuttigers voor u in het leven zijn kan.

Hier ontvangt een ieder de vrucht van zijnen arbeid, dien hij ter voorbereiding verrigt lieeft; en naarmate hij gezuiverd en voorbereid nader-treedt, keert hij ook met genaden en gunsten verrijkt terug.

8. De leerling. Dank zij U, beste Jesus, omdat Gij mij in eene zaak van zooveel gewigt zoo helder, zoo duidelijk onderrigt; en mij, ofschoon zoo arm en ellendig, tot herhaalde deelneming aan het goddelijk gastmaal met zooveel goedertierenheid des Harten uitnoodigt en zelfs dwingt.

In liet vervolg zal ik veiliger en bereidvaardiger tot deze heilige Tafel naderen, nu ik weet hoe ik mij beproeven en voorbereiden moet, zoowel om U welkom te zijn, als ook om met vrucht aan deze hemelsche spijze deel te nemen.

Vurig, Gij weet het Heer, verlang ik en vas-telijk neem ik mij voor, te leven zuiver van alle vrijwillige zonden en van elke ongeregelde genegenheid, opdat ik zonder beletsel U zoo dikwijls mogelijk in de heilige Communie kunne ontvangen.

Wil, ik bid het ü, goede en barmhartige J esus, wat mij arme en behoeftige ontbreekt, uit de eindelooze schatten uws Harten aanvullen, be-

-ocr page 748-

712

kleed mij met het witte kleed der onschuld, versier mij met den luister des geloofs, der hoop, der liefde en van alle deugden, opdat ik tusschen de heilige Engelen verschijnen en met U aanzitten moge, tot uwe blijdschap en eere en tot mijne vertroosting en heiliging.

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

HOF, WIJ ONS TOT DE HEILiöE COMMUNIE MOETEN VOOKBEREIDEN.

1. Jesus. Mijn ki; d, de tijd van r.:jne komst is nabij; wacht mij op; want zie, ik zal komen en bij u binnentreden en mijn verblijf bij u vestigen.

Doch wanneer ik zal komen, zullen vele Engelen mij vergezellen, zal ik schatten en eerbe-tooningen en geluk mede brengen om u te verrijken. te adelen en u tevreden en gelukkig te maken.

Bereid mij derhalve eene woonplaats, die niet slechts zonder vlekken is, maar waarin ook alles op gepaste wijze versierd is.

Als gij wel overwogen zult hebben, wien gij zult ontvangen, dan zult gij voorzeker erkennen, mogt gij ook zoo onschuldig zijn als de Engelen, dat gij verpligt zijt u met groote zorg voor te bereiden.

Immers met welke zuiverheid, met welke heiligheid moet het ligchaam en de ziel versierd zijn en schitteren van hem, die de reinheid zelve, de heiligheid zelve niet slechts te gemoet treedt,

-ocr page 749-

713

niet slechts omhelst, maar in zijn hart ontvangt en één ligchaam daarmede wordt!

Doe derhalve, wat gij kunt om u naar ligchaam en ziel tot dit groote werk voor te bereiden.

2. Voorwaar groot is het werk; immers niet voor een mensch, die boven u staat, niet voor een vorst, maar voor God uwen Zaligmaker maakt gij eene woning gereed: gij arbeidt niet voor vergankelijke dingen, maar voor eeuwige goederen.

Daarom moet gij eenigen tijd voor den dag, waarop ik komen zal, reeds de verwijderde voorbereiding beginnen en u, overeenkomstig uwen toestand, door oefeningen van nederigheid en van andere deugden in goede gesteltenis brongen.

Verrigt mot dat doel uwe goede werken, zelfs ook uwe onverschillige handelingen, ook uwe woorden en gedachten; en offer alles op, opdat zij in de woning, welke gij mij in uw hart tracht te bereiden, als de versierselen zijn, die mijne oogen welgevallig zijn.

3. Wek in u op, en kweek in u een levendig verlangen aan naar de zaligheid, die gij in do heilige Communie zult genieten. Dit zal al het ijverige aansporen en bezielen.

En hoe zou het mogelijk zijn, dat gij door geen verlangen geprikkeld wordt, als gij oens aandachtig gadeslaat onder hoevele opzigton gij mij noodig hebt? Hoe is het mogelijk geen vurige begeerte in u te bespeuren als gij overweegt hoevele goederen gij zult ontvangen ! Hoe moet gij eindelijk niet branden van begeerten, als gij

-ocr page 750-

714

bedenkt, hoezeer mijn Hart verlangt zich zeiven aan u te geven !

Beantwoordend aan dit verlangen mijns Harten, zal uw hart wederkeerig naar mij haken en een zeltde begeerte zal het vernieuwen en ontvlammen, om door liefde ontbonden te worden en met mij te wezen.

Roep nu eens de Engelen te hulp; „Hebt gij Hem ook gezien, wien mijne ziel bemint! ik bezweer u het mij te zeggen, want ik kwijn van liefde!'quot;

Roep dan eens de Heiligen aan: „ik smeek u, mijne Broeders door onzen Heer en door zijn Hart, dat gij mij door uwe gebeden te hulp komt ?quot;

Verzucht dan weder tot mij zeiven: „o mijn Beminde! gezochtste van allen, wijs mij aan waar gij tusschen de lelien weidt. Wie zal mij in staat stellen U te vinden, U te omhelzen, U in de woning mijns harten binnen te leiden ! Doe, o doe mij ondervinden, hoe goed Grij zijt voor hen, die U zoeken, hoe lieflijk voor hen, die U vinden, hoe onuitsprekelijk voor hen, die U genieten! Kom! Heer en wil niet vertragen.quot;

Tracht door deze of andere gevoelens, die aan den staat uwer ziel beantwoorden, den ijver te voeden, den geestelijken honger op te wekken voor dit heilzaamst Sacrament des Altaars, dat een hongere ziel vereischt en een hongere ziel met goederen vervult en verzadigt.

4. Vorm vervolgens een zuiver en heilig voornemen, en breng daaronder de verschillende doeleinden, algemeene of bijzondere, die gij U voorstelt.

-ocr page 751-

715

Zie toe, mijn kind, dat gij niet voor den vorm of uit gewoonte, als zonder plan, tot de heiligo Communie nadert: on zijt evenzeer op uwe hoede, dat gij niet nadert om vroom te schijnen, of wat het tegendeel is, om opzien te vermijden, of om gevoeligen troost to ondervinden.

Ga opregt voort, streef naar het zuivere en heilige, overeenkomstig den goddelijken wil, waarvan g|j om niets ter wereld moogt afwijken. Want wat daarmede in strijd is, heeft, hoe zoet en goed het schijnen moge, geen waarde.

Daardoor zult gij, wanneer gij na ijverige voorbereiding tot de heilige Communie nadert, en overeenkomstig uw verlangen geen vurige godsvrucht of smaak ondervindt, in staat zijn zulks tevreden en met vrucht te verdragen, onderworpen aan mijnen goddelijken wil, en dien wil als den grootsten troost van allen te waardeeren.

En indien gij het vuur en do zoetheid der godsvrucht ondervindt, dan zult gij dit met een nederig en dankbaar gemoed aannemen on met geheel uw hart genieten, wetende, dat dit niet een gevolg van eigen streven, maar oeno gave van de goedheid mijns Harten is.

5. Als echter de tijd reeds spoedig nadert, waarop ik tot u zal komen, meen dan uwen Beschermengel te hooren, zeggende tot u: „zie, de Bruidegom komt; gn Hem te gemoet!quot;

Sta tiuks op en haast u, uwe brandende lamp, de heiligmakende genade, mede dragend, naar mijn heilig Tabernakel en waak daar en stel daar do naaste voorbereiding in voor mijne komst.

Uw hart verruime zich, dat al de vermogens

-ocr page 752-

716

uwer ziel juichen: hot geluk naakt, wat u en innerlijk en uiterlijk zal overstelpen.

Denk er aan, dat gij als het ware niet meer in de wereld, maar in het gezelschap der Engelen zijt, die u omgeven.

6. Doch aanbid mij zoo lang ik nog in liet Tabernakel verwijl met een levendig geloof, wek een groot vertrouwen op, vernieuw geheel uwe liefde jegens don naaste. Leg u daarop niet ijver toe; houd u daarmede vol liefde bezig.

Verwek vervolgens oefeningen van deugden, die mijn Hart vooral aangenaam zijn en die ik bij het laatste avondmaal voor de instelling van het Sacrament zelf op wondervolle wijze verrigt heb, u een voorbeeld gevende opdat, zooals mijn Hart deed, gij ook voor de heilige Communie doen zoudet.

Daar namelijk heb ik mij zoo diep mogelijk vernederd, toen ik mij op mijne knieën voor de Leerlingen nederwierp, hunne voeten wasclifco en afdroogde!

Verneder u door dat voorbeeld geleerd, zoo veel in uw vermogen is, uit geheel uw hart, met geheel uw verstand, mot al uwe krachten.

En als gij ook alles gedaan zult hebben, wat gij kondet en moestet doen, erken u dan nog onwaardig mij te ontvangen, in mijn goddelijk gezelschap binnen te treden.

Wat verlang ik meer, dan een waarlijk nederige ziel, waarin mijne ziel behagen heeft, waarover mijn Hart den overvloed van genade uitstort, en welke eindelijk mijne liefde door-drïngen, vervoeren, hervormen kan?

-ocr page 753-

717

Door lieiilo, mijn kind, door liofde is dit allerzoetste Sacrament ingesteld; met liefde moet liet ontvangen worden.

Zooals de liefde mijns Harten in dit geheim de mate overtreft, en zonder beperking, zonder wijze zieli wegschenkt; zoo moet gij, mijn kind, als gij er deel aan neemt, u zonder beperking onvoorwaardelijk geheel aan de goddelijke liefde geven.

Deze levende liefde, die zuivere genegenheid die goheele overgave van u zeiven, is de beste voorbereiding tot de heilige Communie, dewijl zij u hot meest geschikt maakt voor de ver-eeniging met God.

Wil derhalve hier vertoeven; wil hier met geheel uw hart bezig zijn, bidden en offeren, al naar de geest der genade u innerlijk leert of bestiert

7. Als gij mij op zuivere wijze bemint, mijn kind, dan zult gij inzien niet bij magte te zijn mij genoeg te beminnen; en gij zult gevoelen, dat alles, wat gjj doet of doen kunt, als het ware niets is, bij hetgeen gij ziet, dat behoorde te geschieden om mij in uw hart te ontvangen.

Wil derhalve niet tevreden zijn met die versierselen van deugden, die gij zelf beoefent of bezit, snaar leer van de Engelen en Heiligen en van alle braven de schoonheden u eigen te maken, welke zij bezitten ten dienste der pleg-tige gelegenheid, waarbij gij mij zult ontvangen.

Dit echter doet gij, mijn kind, als gij met 0en opregt en vurig hart verlangt, en mij in uw belang alle verdiensten cn deugden der Engelen en

-ocr page 754-

718

Heiligen en elk dezer in liet bijzonder opdraagt om daardoor aan mij te behagen en mij des te waardiger en op volmaaktere Avijze te ontvangen.

Indien gij met dit zelfde doel, mij wenselit te ontvangen met dio zuiverheid, met dat geloof en vertrouwen, met die liefde, en nederigheid, met die verknochtheid, eindelijk met die heiligheid, waarmede alle regtvaardigen en godvrueh-tigen en zelfs do onbevlekte Maagd Maria, mijne Moeder, mij ooit in hot Sacrament ontvangen hebben.

Als dergelijke heilige gevoelens, mijn kind, uit zuivere liefde voortvloeijen, dan zijn zij mij zoo welgevallig, dat ik niet minder behagen schep in die zuivere en vurige begeerten, dan ik hebben zoude, wanneer gij inderdaad bezat, wat gij zoo verlangt te bezitten.

Doch streef nog naar iets beters, mijn kind, tracht do versiering uws harten te voltooijen door de deugden zeiven van mijn Hart.

Eindelijk, als ik het Tabernakel verlaat, als gij het woord hoort: „Zie het Lam Gods!quot; kom dan in gezelschap der Engelen mij te gemoet; geheel, zoowel wat uw innerlijk als wat uw uiterlijk betreft, in u zeiven gekeerd en sieu-nend op de goedheid mijns Harten.

Vergeet op dat gewigtigste oogenblik in zekeren zin u zeiven en ontvang mij, alleen aan mij denkende, met al do gehechtheid uwer ziel en keer zoo met mij in uw hart.

8. Ziedaar, mijn kind, de wijze, waarop gij u tot de heilige Communie moet voorbereiden. Als gij, zo oals het een leerling mijns Harten betaamt.

-ocr page 755-

719

de naaste voorbereiding- niet uit een boek verrigt. maar integendeel zelf in uw hart opwekt, dan zult gij ontwaren, dat die wijze telkens nieuw is.

Want dan zult gij die oefeningen nu op deze dan op gene wijze verwekken, al naar dat uwe behoefte, uwe godsvrucht of do innerlijke zalving des geestes u het ingeeft.

En indien gjj dit zoo innerlijk nog niet vi r-moogt, maak dan gebruik van een boek doch zoo, dat gij allengs leert in uw hart met mij te spreken, en ten laatste zonder boek uwe naaste voorbereiding te kunnen doen.

Behoud dus die wijze, doch verander de manier om die wijze te volgen, verkort de eene oefening verleng de andere, volgens den oogen-blikkelijken toestand uwer ziel.

Let niet op den vorm uwer oefeningen, maar op de oprechtheid uwer gevoelens; wek met eenvoudigheid en liefde het gevoel uws harten op doch volg vooral de inspraken des geestes.

Zoo zal het gebeuren, mijn kind, dat gij telkens als het ware op eene nieuwe wijze, die aan uwen tegenwoordigen toestand beantwoordt u ook met nieuwen ijver voorbereidt.

Zeer veel zal het u helpen, als gij u voorbereidt, om ieder keer zoo tot de heilige Communie te naderen, alsof zij de laatste uws levens ware.

En inderdaad, mij kind, gij wc et niet of de aanstaande Communie misschien niet de laatste is; dit echter weet gij, dat eene Communie, welke weet gij niet, de laatste zijn zal.

Daarom is het een. wijze en vrome raad om

-ocr page 756-

720

tot elke Communie te naderen met die gesteltenis des harten en des geestes, als of zij de laatste, alsof /.ij uwe teerspijze teji eeuwigen loven ware.

9. Du leerlixg. Hoe wondervol en groot is de goedheid uws Harten, o Heer Jesus, dewijl G'; mij zoo onderrigt en een zoo heilige en zoete wijze leert kennen om mij tot de heilige Communie voor te bereiden!

Met dankbaarheid, Heer, zal ik de wijze door U gegeven aannemen en getrouwelijk volgen, welke ik erken eenvoudig en verscheiden tevens en altjjd gemakkelijk en nieuw te zijn.

Doch zie, als ik gedaan zal hebben, wat in mijn vermogen is om mij tot uwe komst in mijn hart voor te bereiden, wat is dan nog dit alles, vergeleken bij uwe waardigheid? En wat is het met betrekking tot de zaligheid, welke ik zal genieten?

Immers, wat zal er op dat zoetste uur, waarop Gij in hot binnenste mijns harten zult zijn ga-komen, nog aan mijn geluk ontbreken? Zal ik in U niet alles vinden, wat ik verlang?

Want Gij, o onuitputtelijke bron van alle goed. Gij zijt immers mijn leven en mijne blijdschap, mijne kracht en heiliging, Gij mijn rijkdom en eere, mijne vrede en zoetheid en al mijn geluk.

O Jesus, dierbaarste der dierbaren! hoezeer verlang ik naar U! Hoezeer heb ik ü noodig! O wanneer znlt Gij komen? Wanneer zult Gij mij ellendige en kranke, mij onwetende hongerige en verlatene toelaten?

Gij toch, o mijn Jesns, zijt mijn Zaligmaker,

-ocr page 757-

721

Gjj zijt mijn geneesheer. Gij mijn Meester, Gij mijn Herder, Gij zijt mijn Vriend, de Beminde mijner ziel.

O Lam Gods! dat de zonde der wereld wegneemt, ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak komt, doch ontferm U mijner, luister naar de goedheid uws Harten, kom!

O mijn Beminde, Bruidegom zoeter dan honing, wit door de schoonheid der onschuld, rood door de zuiverheid der liefde! trek mij tot U en maak mij een met U.

Help mij opdat ik mij voor uwe komst heilig voorbereide; geef dat ik de lamp gevoed en brandend houde, dat ik niet insluimere noch lusteloos worde, maar in gebed wake op uwe komst en brande van godsvrucht, zoo, dat ik verdienen moge met eene wel bereide ziel U te gemoed te treden, wanneer Gij uitgaat, en met U binnen te gaan.

TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

hoe wij ons moeten gedragen na het ontvangen der heilige communie.

1. Jesüs. Mijn kind, zoodra gij mij in heilige communie ontvangen hebt, moet gij alle andere zorg ter zijde stellen, geheel de mijne zijn, zooals ik de uwe ben.

Zie dan omzweven u de Engelen, — zij aanbidden mij neergebogen, vereeren mij vol ontzag, zij zijn verbaasd van verwondering en branden van

46

-ocr page 758-

722

liefde; en zoudt gij dan daarbij onverschillig1 kunnen zijn?

Alles in u en buiten u is vol be ligheid cm godsvrucht, vol vrede en vreugde, vol rijkdom aan gave en goederen, vol zoetheid en geluk. !Neem er deel aan, mijn kind, geniet dat in mij, wien gij bezit.

Want zie, ik ben in het binnenste uws harten tegenwoordig, ik uw God en uw alles. Blijf met mij, mijn kind, en laat mij niet alleen, door met uwen geest, of met uw hart of met uwe zinnen u te verwijderen.

Neen breng, na alle toegangen tot uw hart afgesloten te hebben, met mij den tijd door, dio nooit beter, aangenamer of kostbaarder voor u zijn kan.

Zalig zijt gij, mijn kind, als gij dezen tijd wel weet te besteden, waarvan de grootste vruchten der Communie en de meeste voortgang uwer ziel afhangt!

Welke uren hebt gij door te brengen, die blijder zijn dan deze? Hoeveel te smeken en te vragen! hoeveel mij mede te deelen! Hoeveel van mjj te hooren! hoeveel op te offeren! hoeveel eindelijk voor u en voor anderen te ontvangen!

Wil derhalve den tijd mijner bezoeking niet verwaarloozen; maar draag zorg zelf het kleinste deel van zulke goede gave niet te verliezen.

2. Betuig daarom op de eerste plaats, uwen opregten dank aan mij uwen God en Zaligmaker, omdat ik zoo barmhartiglijk en vol liefde mij gewaardigd heb u te bezoeken.

-ocr page 759-

723

Dewijl gij echter niet in staat zjjt, voor de oneindige gave voldoende dankbaarheid te betuigen, moet gij de Engelen, de hemelsche Geesten en allo Heiligen, ja alles wat adem haalt, elk schepsel groot of klein, uitnoodigen, met en voor u den Beminde uwer ziel, die zoo beminnelijk en liefdewaardig is te loven en te prijzen. HÈJ]

Doch dewijl ook dit alles de grootheid'der goddelijke weldaad niet evenaart, offer mij daarom alle dankbetuigingen, allen lof en alle liefdegevoelens, die de Engelen en He.'ligen en allo regtvaardigen ooit hebben opgeofferd en gedurende, de eeuwigheid mij zullen offeren.

Draag dit alles op, mijn kind, in vereeniging met de verdiensten mijns Harten, die als oneindig, ook die oneindige gave evenaren.

3. Verrigt vervolgens oefeningen van de nederigste aanbidding, door al de vermogens uwer ziel en al do zintuigen uws ligchaams mij als een dankoffer aan te bieden om den dienst des geloof» te brengen, dien gij verschuldigd zijt.

Want dit dankoffer is, wijl het met de meeste nederigheid gepaard gaat en u geheel ten offer brengt, voor mij het aangenaamste en het meest vereerende.

Wat moogt gij daarna niet van mijn Hart verwachten, dat zoo kwistig is in het schenken zijner gaven ?

Krachtig zij uw vertrouwen, mijn kind, en verrigt vurige en grootmoedige oefeningen van vaste hoop. Vertrouw zonder eenige teleurstelling te vreezen, dat ik u alles, wat gij vraagt.

-ocr page 760-

724

zal geven. Werp u aan mijn Hart gelijk een kind zich werpt in de armen zjjns vaders, lioopvo! liicr te vinden, wat gij begeert, vol vertrouwen hier redding te zullen erlangen.

En zoude uw hart niet brandende in u zijn, als u zooveel ontferming, zulke onverdiende waardering, zulke onverdiende liefde getoond wordt?

Volhard hier, mijn kind, geef u geheel aan de goddelijke liefde over en houd niet op gevoelens van liefde te verwekken, totdat uwe godsvrucht bevredigd is of de geest der genade u tot iets anders aanspoort.

Want dan, als do goddelijke liefde in uw hart werkt en hare kracht zal ontwikkelen, dan is het de aangename tijd om, wanneer gij uit men-sehelijke zwakheid of uit andere oorzaken iets hebt misdreven, wat aan mijn Hart mishaagt, dit uit zuive-e goddelijke liefde te betreuren on liet voornemen te maken het niet weder te doen ?

Dit levend vuur der goddelijke liefde zal, als gij zoo medewerkt de zonde als drooge stoppels aantasten, verbranden en verteren.

4. Bid vervolgens om niet te hervallen, met vuur om van de booze hartstogten, die gij hebt, genezen te worden; onthecht te worden van ongeregelde neigingen, waardoor gij aan het geschapene op minder goede wijze uwe liefde of afkeer schenkt; van de ellende, waaronder gij gebukt gaat, bevrijd te worden; eindelijk om behoed te blijven voor zonden en gebreken, vooral van diegenen, waartoe gij u meer geneigd gevoelt.

-ocr page 761-

725

Ja, wat meer is, smeek met aandrang om deugd en om vermeerdering van deugd, om daardoor des te meer in godsvrucht bevestigd en tevens volmaakter en aan mijn Hart meer gelijkvormig eu dierbaarder te worden.

Vraag een levendiger geloof, een hechter vertrouwen, eene vuriger liefde, meer genegenheid voor de heilige armoede, meerder engelachtige zuiverheid, volmaakter gehoorzaamheid, meer uitstekende nederigheid eu zachtmoedigheid, gelijkvormigheid met mijnen goddelijken wil, innige en blijvende vereeniging met mij; eindelijk de overige deugden, die door uwen toestand ;re-eischt worden en aan oen leerling mijns Harten passen.

Ga nog verder en smeek om bijzondere liulp, waardoor gij uit lietde tot mij blijmoedig en op verdienstvolle wijze iu het bijzonder die offers brengt, welke de genade vraagt of wenseht.

quot;Wijd u zeiven geheel met alles, wat gij zijt en bezit als een levend offer aan mijne eer en liefde toe.

5. Eindelijk breng den ijver uwer liefde in beoefening: bid veel en vurig voor anderen tot meerdere eer en tot meerdere vreugde mijns Harten.

Smeek door de verdiensten der Heiligen en der Engelen, door het Hart mijner onbevlekte maagdelijke Moeder, voor geheel de Kerk, opdat zij vrede moge genieten, in heiligheid toenemen en over geheel de aarde uitgebreid moge worden.

Voor den Opperpriester, mijn plaatsbekleeder, en voor mijne Bedienaren, dat zij goede ar-

-ocr page 762-

726

heidors mogen zijn in mijnen wijngaard, goede bedoelingen, zuiverheid des levens, zucht naar volmaaktheid en vurigen ijver mogen iiezitten.

Voor de kloosterlingen, dat zij den eersten geest bewaren, en onophoudelijk in deugd vooruitstreven, de wereld stichten on de Kerk vertroosten mogen.

Voor geheel het geloovig volk, dat een ieder in do roeping, waartoe hij verkoren is, mij waardig eu loffelijk dienende, zijn keuze ter zaligheid zeker moge maken.

Stort gebeden en smeekingen voor do bekee-ving der ongeloovigen, dor ketters en van alle zondaren, dat zij van de dwalingen des geestes en van de bedorvenheden des harten bevrijd, hunne schreden rigten mogen op don weg des heils en des vredes.

Voor uwe bloedverwanten, weldoeners, vrienden, vooral voor uwe vijanden, dat zij door bovennatuurlijke hulp ondersteund, zich heiligen, en alles, wat hun noodig en dienstig is, mogen verwerven.

Voor alle regtvaardigen en bedroefden, voor allen, die in gevaar of in doodstrijd verkeeren, dut zij volharding, ondersteuning, bescherming cn een goed einde mogen verkrijgen.

Eindelijk voor de overledene geloovigen, vooral yoor hen, voor wie gij, .om welke reden dan ook, verpligt zijt te bidden, opdat zij waardig mogen gekeurd worden den laemel binnen te gaan, cn voor u bij den troon der goddelijke barmhartigheid kunnen smeeken.

5. Doe dit alles getrouw, mijn kind, tracht dit

-ocr page 763-

727

met bezadigdheid en kracht tevens te volvoeren, volgens de inspraken des geestes.

Doch indien ik u iets ingeef of mededeel, of ii op de een of andere wijze bezig houd of met u spreek, dan moet gij alles ter zijde laten, en met een leerzaam en eerbiedig hart luisteren.

Als ik iets in u berisp, neem de berisping met een onderdanig hart aan; als ik u vermaan of u aanspoor, maak dan voornemens on besluiten; als ik u iets geef of beloof, zijt dan wederkcerig vrijgevig; als ik u troost schenk, neem ze nederig aan, laat u de zoetheid der vertroosting doordringen, gedenkende, dat ik goed ben en mijne barmhartigheid zich uitstrekt tot in de eeuwen.

Eu als het gebeurt, dat de liefde uit mijn Hart voortstort en u plotseling doorstroomt en vervoert, mijn kind, bied dan geen tegenstand, maar laat u vervoeren, zooals zij het zal willen.

Laat, terwijl gij voor het uiterlijke verbergt, wat gij innerlijk vermoogt en, wat de genade innerlijk in u werkt, opdat niemand u misschien toeschrijve, wat mij alleen toebelioort, laat toe dat de liefde do mate overschrijde, en u boven alles verheffe; laat het goddelijk vuur u ontsteken, doen smelten en verteren.

Dit doet mijn Hart soms in de overmate zijner liefde ten opzigte der ware leerlingen, om hen te beloonen voor den arbeid en kommer, dien zij uit liefde tot mij geleden of voor do offers, die zij mij edelmoedig gebacht hebben; of wel om hen met volle borst te doen genieten hoe zoet ik ben in het Sacrament, en welke zoetheid ik voor hen bewaar in den hemel; of eindelijk om

-ocr page 764-

728

hen, die wel bereid zijn, door de wondervolle liefde-kracht aan mij gelijkvormig te maken.

Doch als gij, mijn kind, na de heilige Communie met godsvrucht en eerbied ontvangen te hebben, geen gevoelige uitwerkselen of werking der goddelijke liefde ondervindt, wil daarom niet bedroefd zijn of u verontrusten. quot;Want zonder het gevoel van die geschenken, kunnen de vruchten even groot zijn.

Want gesteld eens, dat gij door eigen inspanning, dat gevoel opwekt , dan zult gij van dat natuurlijk gevoel geen voordeel trekken; integendeel gij zult de eigenliefde aankweeken, de ijdel-heid voeden en een speelbal van begjochelingen worden.

Neen blijf in mijne tegenwoordigheid nederig en kalm, gewone oefeningen van deugd verwekkende; en tracht op deze wijze, als gij het vuur of de zoetheid der liefde niet ondervindt, meerder nederigheid en volmaakte gelijkvormigheid aan den goddelijken wil te toonen.

Deze mijn kind, is van oudsher de weg dei-Heiligen, die, waar zij zich ook bevonden, daar ook tevreden rusten; moeten zij niet wijlen met Thomas aan mijne Zijde of met Joannes aan mijn Hart, dan vertoefden zij met Maria aan mijne voeten, dankbaar en getrouw aan do genade, die hun voor het oogenblik werd geschonken; en hetzij zij voor mij neder slagen of tot omhelzing werden toegelaten, in beide gevallen deden zij hun voordeel met de mate der genade hun gegeven.

7. Op deze wijze derhalve moet gij, mijn

-ocr page 765-

729

kind, u gedragen, nadat gij het allerheiligst Sacrament liebt ontvangen. Deze wijze echter, moge zij ook altijd de zelfde zijn, schijnt evenwel altijd nieuw, want gij zult haar telkens anders en verschillend aanwenden overeenkomstig den staat uwer ziel en de werking van den geest der genade.

Want ik verlang, dat na de Communie uw hart zich in zijne eenvoudigheid voor mij uitstorte en met mij spreke en handele, naarmate het aangedaan of daartoe in staat is.

Immers, indien gij gebeden uit een boek leest, dan, hoe vroom zij ook wezen, spreekt gij niet uwe eigene gevoelens uit, maar gij herhaalt, wat een ander geschreven heeft, dan deelt gij mij uw hart niet mede, maar gij herhaalt, met of zonder gevoel voor mij, wat het hart van een ander heeft uitgesproken. Zoude ik u dan prijzen? neen, daarin prijs ik u niet.

Denkt gij op deze wijze een waarlijk innerlijk mensch te kunnen worden, de geheimen te kunnen begrijpen, die ik der ziel innerlijk pleeg voor te stellen, en mijne meest innige mededeelingen te kunnen genieten?

Gewen u daarom, mijn kind, u van hart tot Hart met mij te onderhouden, mij uwe gewaarwordingen mede te deelen, de mijne op te vangen, te geven wat gij bezit, en aan te nemen wat ik u schenk.

Als het evenwel gebeurt, dat gij wegens onbekwaamheid of troosteloosheid, die u somtijds be-naauwt, niets anders kunt doen dan slechts ge-

-ocr page 766-

730

bedsvormen te lezen; lees dan maar lees weinig en langzaam en met aandacht en tracht, terwijl gij nu en dan ophoudt, het een of andere uit uw eigen hart voort te brengen en mij mede te deelen. Zoo, mijn kind, zult gij slagen; op deze wijze zult gij u de wetenschap der Heiligen, de kunst om innerlijk met mij te spreken en om te gaan, langzamerhand eigen maken.

8. Als het eindelijk tijd wordt om huiswaarts te keeren, wil dan de verwijderde dankzegging niet vergeten.

Verzoek de heilige Engelen, dat zij in uwe plaats voortgaan mij te loven, en offer mij met hunnen l()f al, wat gij doen en lijden zult, op.

Ga vervolgens, waarheen de goddelijke wil u roept; doch let op uw uiterlijk en op uw binnenste; vermijd alle noodelooze gelegenheden, die u aHeiden en verstrooijen; wees op uwe hoede om uw hart niet uit te storten in wereldsche of nuttelooze zaken.

.Neen, rigt mij in het binnenste uws harten een heiligdom op, waarin gij mij bij u tegenwoordig houdt, herhaaldelijk tot mij bidt, mij raadpleegt, en u met mij onderhoudt.

Tracht naar vermogen in daden te toonen, dat gij het goddelijk geschenk, dat gij hebt ontvangen, niet vergeet; beoefen met meerder volmaaktheid de een of andere deugd; toon meer liefde jegens hen, die u kwalijk genegen zijn, of voor wie gij zelf eenigen afkeer gevoelt; toon dieper nederig-lieid en zoeter zachtmoedigheid, en andere deugden, waardoor gij uwe dankbaarheid en liefde jegens mij openbaart en tevens den naaste opwekt

-ocr page 767-

731

om naar beternis te streven, en mijn Hart vreugde schenkt.

9. De leerling, O liefste, o zoetste Jesustuit liet innigste mijns harten betuig ik U mijnen dank omdat Gij IJ gewaardigd hebt mij op zoo volmaakte, zoo liefdevolle en beminnelijke wijze te onderrigten.

Als ik in het vervolg don tijd na eene heilige Communie niet goed doorbreng, mij niet goed gedraag dan, ik beken het, ben ik niet te verontschuldigen.

Haddet Gij niet zoo gesproken, haddet Gij mij niet zoo onderwezen, dan zoude mijne onvolmaakte wijze van doen en de weinige vruchten, die ik uit mijne Communie trek, misschien bij ü nog eenigzins verontschuldiging vinden; nu echter blijft mij geene verontschuldiging meer over.

O Jesus, oneindige goedheid! welf mij tot ij ver op; help mij door uwe genade het honingzoete en heilige, dat Gij uit uw Hart genomen en mij gegeven hebt en wat ik met al mijn genegenheden wensch te bezitten, ook met de daad ten uitvoer te brengen.

Wat toch is er zoeter in het leven? wat gelukkiger op de wereld? wat beter ot heiliger.

O mijne liefde, Jesus, goddelijke Bruidegom mijner ziel, eeuwige vreugde der. Engelen en Heiligen! als ik U geniet, wat zou ik dan nog meer verlangen.

Verleen mij dan de genade, smeek ik U, geheel de uwe te zijn, en Gij geheel de mijne, met U om te gaan volgens het behagen uws Harten: aan U onderworpen en met ü vereenigd te zijn en te 'blijven.

-ocr page 768-

732

EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

het allerheiligst hart van jesus geeft ons in het verheven sacrament des altaars een tegengift, waardoor wij van dagelijksche zonden quot;bevrijd en voor doodzondlj behoed worden.

1. Jesüs. Mijn kind, dit is hot brood, dat uit den hemel daalt; opdat een ieder, die er van gegeten heeft, niet sterve.

De eerste degelijke en blijvende vrucht, die de ziel iu de heilige Communie uit mijn Hart verkrijgt, is dat zij van gebroken bevrijd, in het goede versterkt en voor den geestelijken dood bewaard wordt.

Om dit uitwerksel der Communie, dat zooveel troost bevat aan te duiden, daarom is dit levendmakend Sacrament onder de gedaante van voedsel ingesteld. Het voedsel toch herstelt de zwakheid des menschen, vermeerdert zijne krachten en houdt hem in het leven.

Wat het natuurlijk voedsel in hot ligchaam uitwerkt, dat doet deze bovennatuurlijke spijze, het brood der Engelen in do ziel, doch op veel volmaakter en wondervoller wijze.

Als de vrucht van den levensboom in het paradijs in staat was het ligchaam des monschen voor bederf te behoeden on altijd jeugdig te bewaren, hoeveel meer zal deze spijze, die uit den hemel daalt, de ziel voor den dood behoeden en haar in blijvende levenskracht kunnen bewaren?

-ocr page 769-

733

Wat meer is, mijn kind, hetgeen noch de vrucht van den levensboom noch eenige aardscho spijze voor het ligchaam vermogt, dat doet somtijds de vrucht van dit Sacrament, he-mclsch voedsel met betrekking tot de ziel. Want indien het gebeuren mogt, dat iemand, na opregt zich zelvon beproefd te hebben, na een oprcgt onderzoek ingesteld te hebben, door eene onovenvinnelijke en dus schuldclooze onweten-heid niet merken zoude, dat zjjne ziel, door eene doodzonde besmeurd is, en zoo ter goeder trouw di*; levend brood zoude eten, zie dan zoude hij en het leven der heiligmakende genade en tevens de vergiffenis dier geheime zonde verkrijgen.

2. Dit goddelijk Sacrament schenkt niet slechts zeer groote krachten om zich van hei kwaad te onthouden, maar voorkomt of vermindert ook de oorzaken zeiven van het kwaad.

Dooft het water het vuur niet uit? Welnu met veel meerder zekerheid dooft het goddelijk Altaargeheim het vuur der begeerlijkheden uit. Want het bezit alle kracht, onderdrukt dus elke harts-togt.

Wat wonder, mijn kind. dat dit hemelsch geheim alle ondeugden en ongeoorloofde vreugden, onaangenaam en walgend maakt, dewijl het den wijn schenkt, die maagden kweekt en engelachtige geneugten geeft.

Ben ik niet het brood des zaligen levens en de bron der eeuwige zoetheid ? Die tot mij komt, voelt geen honger ot dorst meer naar het ver-bodene of gevaarlijke voedsel dor wereld; want ik

-ocr page 770-

734

verzadig hem niet goddelijke goederen, die door liunnc zoetheid oorzaak zijn. dat al het verbodene. al het ■vvereldsche hitter en smakeloos schijut.

3. Als ik door het Sacrament tegenwoordig ben, dan vlugten de vijanden verre van de ziel, die door de heilige Communie voor hen zelf een schrik is geworden.

Indien zij zich somtijds vermeten haar aan te vallen, dan naderen zij niet dan sidderende, en wagen zij den aanval slechts uit de verte.

En die aanvallen zeiven doen de ziel minder aan en stellen haar minder bloot aan gevaar, omdat hare hartstochten onderworpen en tot kalmte zijn gebragt.

Immers als zij zich tot eenige zonde bekoord gevoelt, en bedenkt, dat zij God in haar ontvangen heeft of weldra zal ontvangen, zal oan die gedachte alleen niet voldoende zijn, ora de bekoring te weren ? zal dat geen prikkel zijn hare kracht te beproeven om haar hart zuiver te houden en getrouw te blijven?

Hoe vele zielen zijn er in deze wereld geweest, die schoon eerst ook slaven der noodlottigste hartstogten, evenwel door het godvruchtig en menigvuldig gebruik van dit heilaanbrengend Sacrament niet slechts binnen korten tijd daarvan gelukkig bevrijd zijn geworden, maar daarenboven de aanvallen der duivelen gemakkelijk overwonnen en steeds getrouw zijn gebleven.

En voorwaar, als er tijdens mijn sterfelijk leven onder de menschen, van mij eene kracht uitging, die alle ziekten genas, hoeveel meer zal dan nu niet in mijne sacramenteel leven eene

-ocr page 771-

I ot»

kracht uit mijn Hart voortkomen, die de zielen, door de Communie met mij vereenigd, geneest en versterkt?

4. Bovendien, mijn kind, als ik door het heilig Sacrament tot de ziel kom, dan breng ik de gewaarwordingen mijns Harten mede en deel die aan het hart al naar dat het gesteld mede, namelijk liefde voor de nederigheid: genegenheid voor de naastenliefde, liefde voor de heilige armoede, liefde voor de zuiverheid, liefde voor de gehoorzaamheid en kortom voor de overige deugden, die de wortelen der ondeugden uitroeijen en hare plaats innemen.

Deze liefde, die de ziel is van alle deugden en welke mijn Hart door het Sacrament mededeelt, is sterk als de dood. Wat haar betreft zij zal, indien gij geen beletsel stelt, u onoverwinnelijk maken.

Herinner u in de eerste eeuwen dor Kerk; welk een liefdekracht mijn Hart door de heilige Communie plagt in te storten, zoodat de geloovigen ja ook zij, die van nature de zwakste waren, kinderen en teedere maagden, krachtiger waren dan alle vijanden des heils, sterker zelfs dan de dood.

Wat de hoogmoed des levens, wat de begeerlijkheid der oogen, wat de wellust des vleesches ook verleidelijks aan zich had, het was niet bij magte de harten te verstrikken, die gevoed niet deze spijze der sterken en verzadigd met de zoetheid mijner liefde, niet anders begeerden dan in mijne liefde te volharden, en niets vreesden dan van mijne liefde beroofd te worden.

-ocr page 772-

73G

Wat vermogt hen te scheiden van mijne liefde! geen wederwaardigheid, geen angst, geen vervolging, ja zelfs de dood niet onder welken vorm ook.

5. Wat dit Sacrament der liefde mijns Harten eertijds zoo zigtbaar heeft uitgewerkt, dat werkt hot tlians nog uit.

Vanwaar anders in zoo vele geloovigen zooveel afschrik van al datgene, wat de wereld en de eigenliefde najaagt, zoo niet mijn Hart in dit goddelijk geheim er de oorzaak van ware? Vanwaar in jongelingen en maagden de liefde voor de onschuld, die zoo groot is, dat zij alles wat daarmede strijdt, hoe lieflijk het ook voor de natuur zij, van zich stooton en met den voet treden: en die voorzorgen, welke zij ondanks de tegenkanting der natuur nemen en zich blijde getroosten om do heilige deugd te bewaren? Vanwaar zoo veel edelmoedigheid des harten zelfs tot de liefde voor het kruis too om mijnentwille, zelfs tot de liefde voor offers, die zij blijde brengen uit liefde tot mij?

Vanwaar zooveel sterkte eindelijk bij zeer vele •personen van alle standen, dat zij schoon ook hunne zwakheid belijdend, evenwel alle bestrijding der wereld en de aanvallen der hel doorstaan zonder overwonnen te worden, ja ze zelfs meester worden en daarover zegepralen?

Ziedaar wonderen mijn kind; ziedaar hoe het goddelijk brood, dat de liefde mijns Harten schenkt, liet leven geeft en dit voor ondergang of bederf bewaart!

6. De leerlikg. O Sacrament,dat het leven be-

-ocr page 773-

737

zit en het leven geeft! waarin ik liet brood des levens bezit, waardoor ik leef en mijn geest in kracliten toeneemt; ik bid ü, Heer, geef mij altijd dit brood; doch zoo, dat ik niet ziek worde of sterve.

Immers, hoevele voorbeelden hebben wij gehoord en hebben onze Vaders ons verhaald van hen, die het brood des levens gegeten hebben en gestorven zijn!

Ja, wij hebben zei ven gezien en erkend, en wij sidderden van vreeze, hoe velen van hen, die dikwijls of zelfs dagelijks zich met U spijzigden, en daarom dus als Engelen moesten leven, evenwel schandelijk afdwaalden, zich met den draf der zwijnen voedden, en zich wentelden in het slijk terwijl zij de genade, den hemel, de vrees voor de hel zelfs verachtten!

Jesus. Ziedaar mijn kind, menschen, die, toen zij in eere waren, hunne waarde niet begrepen hebben; en aan redelooze dieren gelijk zijn geworden!

Doch oordeel billijk: als gij zelfs hen, die hier met de heerlijkste spijzen gevoed werden, het slijk ziet omhelzen, geef daarvan aan hun verstandeloozen, aan hun boozen wil alleen de schuld.

Want dit heilaanbrengend Sacrament, het moge uit zich zeiven voor den dood behoeden, ontneemt evenwel den mensch de magt.niet om, wanneer hij niet leven wil, zich den dood toe te brengen.

Het versterkt en ondersteunt den vrijen wil, die door vele hartstogten en vijanden verzwakt

47

-ocr page 774-

738

wordt, op wondervolle wijze, doch legt hein geen noodzakelijken dwang op.

Daarom leeft do mensch, die dikwijls en met goede Toorbereiding door dit goddelijk voedsel versterkt wordt; en zal hij niet sterven, ofschoon hij sterven kan, indien hij, hetgeen hem ten leven geschonken wordt, misbruikt ten dood.

Als gij derhalve voorbeelden gehoord hebt van hen, die gevallen zijn, onderzoek dan u zelveu en zeg: „Die staat, zie toe, dat hij niet valle.quot;'

En waak zoo naauwlettend op u zeiven, opdat gij niet door vrijwillige misslagen of door laauwheid een beletsel stelt voor de heilzame en goddelijke uitwerkselen der heilige Communie.

7. De leerling. O Jesus! o leven! waardoor ik leef en zonder hetwelk ik sterf; doe mij altijd leven door dat loven; laat mij altijd de sterkte van dien geest genieten.

O Heer, mijne zaligheid, wien ik door de heilige Communie bezit, ik vraag geen gevoelige vertroosting, maar eene Helde, die mij zoo sterk maakt, dat ik nimmer valle, die mij zoo vervult, dat al, wat de wereld aanbiedt, bij mij walging, geen begeerte opwekke.

Geef, bid ik u, dat ik met meerder zorg nog de zintuigen mijns ligchaams beware en naauw-lettender al de vermogens mijner ziel bewake, zoodat ik door mijne schuld geen der vruchten van de heilige Communie verloren doe gaan.

Verdrijf en verwijder verre van mij alle gelegenheden tot zonde; bescherm mij met kracht en bewaar mij voor alle gevaren, waarin ik mij in het belang van uwen dienst moet begeven.

-ocr page 775-

739

Docli behoed mij bovenal voor alle zonden en zorg, dat ik nimmer gescheiden worde van 17, die alleen mijn waarlijk en zalig leven uitmaakt.

8. Hoe goed is het met U te zijn, O Jesus, zoetheid mijns harten, eonig geluk mijner zie!! O duld niet, dat ik U verlate en wil evenmin, ik smeek het, U van mij verwijderen!

Ik bid U, blijf bij mij, opdat de duisternissen mij niet bevangen, noch gevaren mij omringen, noch ik bij gebrek aan moed en kracht, te gronde ga: Gjj immers zijt het ware licht. Gij mijne toe-vlugt, Gij mijne kracht en mijn behoud.; «TW!

Ik bid U om de liefde uws Harten, blijf bij mij, o beste en liefste Jesus; zonder TT is niets van waarde, niets aangenaam. _ Hoe ellendig ben ik zonder U! doch hoe gelukkig ben ik met U!

Blijf dus bjj mij, en beroof mij liever van alle zaken, en van de liefde aller schepselen, dan toe te laten, dat ik beroofd worde van uw bijzijn en van uwe liefde.

TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

het allerheiligst hart vax jesus vereenigt ons door de heilige communie met zich zelven en doet ons leven door hem.

1. Jesus. Mijn kind, die mij eet, zal door mij leven.

En hoe zoude hij anders dan door mij kunnen leven, wijl hij zoozeer met mij vereenigd is, dat

-ocr page 776-

740

hij één ligchaam wordt niet mij en door mij be/.ield wordt 'i

Want zie, zoo ooit, dan is liet in de Com-muviie, dat liij een lidmaat is geworden van mijn Ligchaam, vlcesch van mijn Vleesch, bloed van mijn Bloed. Zult gij dan de ledematen van Christus, uwen lieer en God, nemen en er ledematen der boosheid en der wereld van maken ? Dat zij verre.

Want beleefd en geheiligd door mijn eigen Lig-chaara en Bloed, zult gij inderdaad toonen door mij te Ipven, heilig en mij in alles welgevallig te zijn.

Zoo als het ligchaam somtijds de hoedanigheden overneemt der spijze, waarmede het gewoonlijk gevoed wordt; zoodat hij, die altijd krachtig en stevig voedsel eet, zelf krachtig bh sterk wordt; zoo ook mijn kind, zult gij, als gjj u herhaaldelijk en wel voorbereid voedt met mijn Ligchaam, dat de oorsprong van alle zuiverheid en heiligheid is, bevinden, dat gij ook zuiver en heilig wordt.

Als uwe ziel aan mij gehecht is, dan zal haar geest niet meer kruipen in aardsche en vergankelijke zaken; het hart zal geen genoegen meer nemen in de onreine of ijdele genietingen dei-wereld ; maar zoeken naar hetgeen, wat boven ons en onvergankelijk is; smaak vinden in hetgeen daarboven en zoet is.

Niet meer zullen vreemde beginselen u bezielen; niet meer zullen louter natuurlijke gewaarwordingen op uw leven haren invloed doen gelden, neen maar omdat ik leef, daarom zult ook gij leven.

-ocr page 777-

741

Dit waar, bovennatuurlijk en heilig leven, dat ik voortgebragt heb en dat in mij verborgen is, zult gij ook om mij beleven.

2. Als gij eenige goede werken in dit leven verrigt, indien gij sommige deugden of oefeningen van godsvrucht doet; dan zal dat alles geschieden om mij.

Als iemand u vragen zal, waarom gij zoo denkt, zoo spreekt, zoo handelt, zoo lijdt dan kunt gij antwoorden: Dat geschiedt zoo om Hom, die mij bemind heeft en zich zeiven aan mij lieeft gegeven.

Wondervol is de omgang mijns Harten, geheimzinnig en goddelijk mijne mededeeling aan een zuiver en getrouw hart, in dit Sacrament der liefde. De wereld begrijpt dit niet.

En wie begrijpt het tenzij hij, die schuldeloos van ligchaam en rein van harte is? Hij erkent, hij ondervindt, hij, eindelijk tot de verhevenste en innigste geheimen toegelaten, leeft om mij op eenc wijze, die nog meerder verwondering baart.

3. Want aanhoudend door mij gevoed en geheel en al met mij vereenigd, leeft hij eindelijk niet meer dan door mij, hij ademt niet meer dan door mijnen Geest, hij bemint niet meer dan door mijne liefde.

Ja waarlijk, zooals mij de levende Vader gezonden heeft en ik door den Vader leef; zoo zal ook hij, die mijn Vleosch eet, op de zelfde wijze door mij leven.

Let wel, mijn kind, en begrijp al het verhevene hiervan. Zooals ik van den Vader ontvang

-ocr page 778-

742

en in den Vader onophoudelijk mijn goddelijk bestaan, mijn leven en mijne volmaaktheden bezit ; zoo ontvangt de welbereide ziel van mij en heeft zij voortdurend in mij haar heilig bestaan, haar leven, hare volmaaktheid.

Ik ben heilig omdat de Vader heilig is; en die met mij één ligchaam wordt, neemt deel aan mijne heiligheid.

4. Mijn kind, deelt 'iet vuur aan het ijzer of het hout, dat er wordt in geworpen niet zijn hitte en zijne kleur mede ? Doch veel wonderlijker en volmaakter is de mededeeling, die er in dit Sacrament tusschen mij en de welbereide ziel plaats heeft.

U Zij deelt zich geheel aan mij mede en als zij wel voorbereid is, ontvangt zij niet slechts de mededeeling mijner Menschheid maar ook mijner Godheid, die wanneer ook de Menschheid in haar ophoudt te bestaan en te werken, steeds voortgaat in haar te werken, als eene spijze van hoogere zelfstandigheid, en haar geestelijk, haar heilig leven niet slechts onderhoudt maar vermeerdert en volmaakt.

Dit is de oorzaak, dat in die gelukkige ziel steeds mijn Geest zijn invloed doet gevoelen, en haar de liefde mijns harten zacht en krachtig tevens aanspoort, door welke aansporing zij dc leiding mijns Geestes toelaat; zoo zelfs, dat zij blijmoedig hare schreden rigt, waarheen de Geest haar voert, altijd en overal levend in mij.

In dien zin derhalve leeft de welbereide ziel door mij en om mij, door middel der heilige Communie. Dikwijls door dit Sacrament gevoed.

-ocr page 779-

743

wordt zij eindelijk aan mij gelijkend, zoo dat zij mijn leven in zicli uitdrukt.

Schep moed, mijn kind en span uwen ijver en uwo naarstige pogingen in om te bereiken, wat zoo troostvol, zoo nuttig, zoo roemrijk is voor u en voor mij in eeuwigheid.

5. De leerling. O Heer Jesus! Gij weet hoe zeer ik dit verlang, hoezeer ik dit begeer.

Ik smeek U om uw allerheiligst Hart, dat liet begin en het doel mijns levens is, wil mij, wien Gij door uwe genade tot uw kind gemaakt hebt, dikwerf in dit heilig Sacrament spijzigen met U zeiven, opdat ik om U moge leven.

Zie Heer, ik leef door uwe gave; doch waarvoor leef ik, bijaldien ik niet om U leef?

O Jesus, bron des levens, blijvende zaligheid! bevrijd mij van elke gesteltenis, die niet goed is. opdat ik door U geheel vervuld worde en voor U geheel leven moge.

Zoo dikwef Gjj door de heilige Communie tot mij komt en iets in mij bespeurt, wat werelds, of vreemd aan uwen Geest, of strijdig met liet welbehagen uws Harten is, ik bid U, ruk het uit, om plaats te maken voor U, voor uwen Geest en voor do liefde uws Harten.

Bevrijd mij ten eenenmale van elk beletsel; verteer door iiet goddelijk vuur uwer liefde al, wat in mij een hinderpaal is om met U op heilige en volmaakte wijze vereenigd te worden en zoo niet meer de mijne maar de uwe zijnde, geheel en al om U te leven.

6. Vernieuw en heilig mijn ligchaam en mijne ziel, opdat zij bsiden, aan U toegewijd en door

-ocr page 780-

744

IJ bezield, enkel en alleen met U of om ü bezig zijn.

Geef, bid ik U, dat ik elke bezigheid om U onderneme en volbrenge en daardoor mij dikwijls, zoo veel ik mag, met U bezig houde.

Geef, dat zoodra ik van die bezigheid ontslagen ben, ik met geest en hart mij geheel tot U wende, zooals het gewigt, bij verwijdering van het beletsel, wederom naar zijn middenpunt snelt.

Zijt gij voortaan alleen het begin en einde van alles, wat ik inwendig of uitwendig doen of lijden zal.

Ach Heer Jesus! hoe lang, hoe dik wijls, schoon ook door ü en om U gevoed, heb ik gearbeid en geleden niet om U, maar om den vijand uwer eere en glorie, om mijne eigenliefde en ijdele hoovaardigheid !

Vergeef mij, smeek ik U, deze bedorvenheid, deze onregtvaardigheid, deze groote ondankbaarheid.

En geef mij de werkdadige genade om hetgeen billijk en allerregtvaardigst is, levende door U, ook om U te leven.

7. O Jesus, beminnelijkste en iiefdewaardigste Bruidegom mijner ziel! Verlicht mij, ontvlam mij om U, die alleen mijn gelukkig leven uitmaakt, volmaakter te kennen, met meerder vuur te beminnen.

Ik erken, o Heer, en belijd, niet waardig te zijn mij te verheffen tot die verhevenheid van uw leven, welke Gij in het Sacrament aan uwe Heiligen plagt mede te deelen ; doch Gij Heer, zijt het meest waardig ook door mj heiliglijk

-ocr page 781-

745

gediend te worden tot glorie en vreugde van uw Hart.

Verleen mij dan goedgunstig deze genade, dat ik door het godvruchtig en dikwerf ontvangen der heilige Communie het zoover hrenge, dat ik leve zooals Gij.

Ja, leef ook Gij, o Jesus, mijne eindelooze zoetheid, mijn eeuwig geluk; leef, heerseli en zegepraal in mij tot uwe eer, tot voltooijing van al wat uw Hart aangenaam kan zijn.

Al wat ik heb, al wat ik ben, zijn aan U als een brand-slagtoffcr uit zuivere liefde aangeboden; Gij alleen allerlietste Jesus zijt mijn leven; Gij alleen zijt mijn alles.

DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

het allerheiligst hakt vak jesus voltooit zijne vekeeniging met oxs dooe de heilige communie en hervormt ons in zich zelvkn.

1. Jesus. Mijn kind, die mijn Vleesch eet en mijn Blood drinkt, blijft in mij en ik in hem.

Ziedaar de vereenigiug voltrokken, waardoor ik, een goddelijk persoon, met ziel en ligchaara in u gevonden en gij, een menschelijk persoon; met ziel en ligchaam in mij gevonden wordt.

Deze vereeniging is derhalve eene ware eu zelfstandige vereeniging. Want niemand is in mij, zoo ik niet in hem ben.

Zooals de gesmolten was, die door iemand bij andere was gevoegd wordt, zich noodzakelijk met

-ocr page 782-

746

de andere vermengt: zoo ook wordt gij, mijn Vleesc'n en Bloed nuttigende, zoo met mij ver-eenigd, dat gij in mjj en ik waarlijk en op innige wijze in u ben.

Mijn kind, is dat niet een geheim der liefde! Ja liet is overmaat van liefde; en wel een kracht en vermogen van liefde in mijn Hart, waardoor hot den sterveling gegeven wordt zich geheel en al, niet slechts niet mijn ligchaam maar ook met mijne ziel. ja zelfs niet mijne Godheid te vereenigen en daarvan het zoetst genot te hebben.

Hoezeer staan de Engelen daarover verbaasd! Hoe zijn zij buiten zich zeiven van bewondering! hoe gelukkig noemen zij u!

2. In dit heilig zamenzijn stort mijn Hart die zoete en kostbare genade uit, waardoor de voltrokken vcreeniging blijft voortbestaan zoo, dat ik in u en gij in mij blijft.

Want als de gedaanten van het Sacrament v-rdwenen zijn, dan blijf ik persoonlijk, als God. in u, niet slechts als levende in een levenden tempel, die door de heiligmakende genade versierd is, maar ook als het blijvend beginsel van bovennatuurlijke heiligheid, uw leven verhoogend door den voortdurenden invloed der heiligmakende genade en door de herhaalde en veelvormige mededeeling der werkende genade; en zoo blijft gij wederkeerig op bijzondere wijze met mij vereenigd.

Vandaar kunt gij, mijn kind, een waarlijk heilig, in zekeren zin een goddelijk leven leiden, omdat gij en in uw ligchaam en in uwe ziel altijd mijne Godheid bezit, waardoor gij leeft.

-ocr page 783-

747

Doch deze blijvende vereeniging tusschen u en mij zal volmaakt zijn, dewijl er tusschen mij en tussehen u eene ware gelijkenis, cene ware eenvormigheid bestaat; ongeljjkende en onderling verschillende zaken immers worden slechts met moeite en op onvolmaakte wijze met elkander yereenigd.

Zalige volmaaktheid dier blijvende vereeniging! Zalig zijt gij, mjjn kind, als gij door het veelvuldig en godvruchtig ontvangen der heilige Communie, door liet ontvangen bij gevolg van vele genaden, door edelmoedige getrouwheid, door volhardenden liefdeijver, u tot deze volmaakte vereeniging zult hebben voorbereid!

3. Wat anders toch spruit er uit volmaakte vereeniging voort, dan eenheid? Derhalve zullen wij niet meer twee, maar op zekere wijze een geheel zijn.

Deze wondervolle zoete en zaligende eenheid, wordt daarom vooral aangeprezen, munt daarom boven alle vereenigingen in het geschapene uit, omdat zij niet uit eone verwarring of zamen-stelling van ons beiden, maar uit de hervorming van den een in den ander ontstaat.

Niet echter alsof gij mij in u hervormdet, zooals met natuurlijk voedsel geschiedt; maar gij zult in mij veranderd worden.

Dan, mijn kind, zullen de genegenheden uws harten niet meer uwe genegenheden zijn, uwe begeerte niet meer u toebehooren, uwe vreugden niet meer de uwen zijn.

Neen de natuurlijke neigingen en andere men-schelijke genegenheden, welke gij hebt; zij zullen met betrekking tot dit hervormde leven, zijn als bestonden zij niet, dewijl gij daardoor niet leeft.

-ocr page 784-

748

Maar gij zult in dit nieuwe leven, mijn leven leiden; de genegenheden en neigingen mijns Harten, zullen dan uwo genegenlieden, uwe neigingen zijn; de liefde, de wensehen, de vreugde mijns Harten zullen dan uwe Jiofde, uwe wensehen, uwe vreugde uitmaken.

De afgekeerdheid mijns Harten van het kwaad, van de wereld, van al wat ijdel is, zal uw Hart doordringen en vervullen.

De onmetelijke ijver, waarvan mijn Hart voor de eer en glorie Gods en voor de zaligheid en de volmaking der zielen brandt, zal uw hart ontvlammen.

Wat bitter is, zult gij bevinden zoet te zijn; wat smakelijk is zal uwe smaak aangenaam vinden; wat moeijelijk is zult gij ontwaren gemakkelijk te zijn in Hem, in wien gij leeft en alles zult vermogen.

Gij zult omtrent alle zaken een zeilde gevoelen hebben als het mijne; gij zult willen zooals ik wil; leven zoo als ik; ja, wat meer is, gij zult waarlijk leven, niet gij meer, maar ik in u.

4. Ziedaar, mijn kind, do hoogte, waarop de getrouwe ziel door de heilige Communie wordt verheven! Wie, tenzij hij, die het ondervonden heelt, zal al het heilige, al het zoete, al het wondervolle begrijpen van eene ziel, die zoo in mij herschapen is?

Velen zijn tot deze bovennatuurlijke herschepping geroepen, doch weinigen zijn daartoe uitverkoren; niet omdat ik de geroepenen niet tot uitverkoren wil maken, neen maar omdat zij door de genade, welke hun wordt aangeboden, zich daartoe niet geschikt maken.

-ocr page 785-

749

Hoeveel tocli zijn er, die ofschoon dikwijls tot liet heilig Sacrament naderende, evenwel in bijna alle zaken voortgaan de stem hunner natuur te volgen!

Hoevelen ook, die niet voldoende zorg zich in staat van genade trachten te bewaren en. daarmede tevreden, zoozeer de natuur dienen, dat zij hunne handelingen slechts uit natuurlijke neiging of weerzin verrigten!

Hoevelen eindeljjk zijn or, die schoon zjj ook een . godvruchtig of zelf» kloosterlijk leven leidden, en vele jaren daarin doorbrachten, nog niet leerden zich boven de natuur te verheffen!

Is het dan te bewonderen, dat deze allen steeds onvolmaakt, steeds ongelukkig, steeds ongeschikt tot die goddelijke en volmaakte ver-eeniging blijven-'

5 Doch zij, die in goede gesteltenis dezen staar van hervorming bereikt hebben, welk een geluk genieten zij niet! in welk een heilige vrijheid verheugen zij zich! met hoeveel raiverheid genieten zjj mijne zoetheid!

Daarom verachten zij alles, wat vergankelijk is; zij vergeten zich zeiven; volkomen zich zeiven afgestorven, blijven zij in mij en blij venzij gelukkig.

De grootste zaligheid, mijn kind, de hoogste verheffing, de grootste volmaaktheid, waartoe de mensch in het sterfelijk leven verheven wordt is, in mij herschapen en als verslonden te blijven.

Bewonderingswaardig, ja en onuitsprekelijk is die toestand, waarin het mijne het uwe is en blijft, en het uwe het mijne wordt, en waarin

-ocr page 786-

750

de eenheid en gemeenschap tussclien u en mij steeds bevestigd wordt.

Welaan, mijn kind, wil het vertouwen op zulk eene volmaaktheid niet verliezen, maar zijt, na van zulk een zaligen toestand gehoord te hoh-hen, nog vuriger, nog edelmoediger, nog getrouwer, opdat ik op gesehikten tijd u tot mij trekke.

6 De Leerling. O Jesus, mijuc liefde, zuiverste Bruidegom hejligste God, mot hoeveel zoetheid behandelt Gij mij, als Gij zoo dikwerf en koo vol goedertierenheid in uw honigzoet Sacrament tot mij komt om mij ellendige met IT te ver-oenigen, met uw allerheiligste Menschheid en met uwe aanbiddelijke Godheid!

Door do liefde uws Harten, waardoor Gij LT gewaardigt mij zulk een gunst te schenken, bid en smeek ik U, verteer door liet goddelijk vuur al wat in mij voor de volkomenheid dier vcr-. eeniging een beletsel is! en ontsteek in mij een grooten ijver om edelmoedig en getrouw te zijn ten opzichte van elke inspraak der genade, die mij aanzet, al wat louter natuurlijk is te boven te streven en zuivere deugden te beoefenen.

Gij, weet Heer, welke begeerte mij ter oor-zake uwer goedigheid aanspoort, mij steeds meer en meer geschikt te maken voor de volmaakte en blijvende vereeniging met U.

Zie, al wat ik bon, offer ik U en geef ik aan U over: ik geef U mijn hart, opdat het met het uwe vereen igd worde; ik geef U mijnen geest, opdat hij door uwen Geest verslonden worde; ik geef mij geheel en al, opdat ik door do kracht-

-ocr page 787-

dadige genade van uw Sacrament aan U gelijkvormig en oen met U worde.

Keem mij aan, o Jesus! )ieem mij aan; vereenig mij volkomen met U; neem mij geheel in ü op en verander mij in U.

7. O hoe groot en wondervol is do kracht uwer liefde, waardoor Gij de ziel in L' zolvei; herschept! hoe groot is de aflating uwer goedheid! hoe groot ook is de waardigheid en verhevenheid der ziel, die in Ü hervormd is!

O Heer mijn God! zal ik ooit U zoo mogen genieten? O moge het waarheid worden, ik smeek het! al de eer en glorie, welke uit zulk een heilaanbrengend, uit zulk ce;. onverdiend gunstbetoon voortspruit, zal aan uw Hart. aan ^(lo bron van allo goeds toebehooren.

Laat ik ophouden te zijn, want ik ben om te zijn, wat Gij zijt, o Heer Jesus; dat Gij alleen in mij levet met uwe liefde, met uwen Geest, met al uwe neigingen en gesteltenissen, met uw welbehagen voor tijd en eeuwigheid.

VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

het allerheiligst hart van jesus schenkt ons door de heilige communie de gave der volharding.

1. Jesus. Mijn kind, wie dit brood eet. zal leven in eeuwigheid.

En waarom zou hij niet eeuwig leven? hij bezit immers in zich een blijvend, altijd levend be-

-ocr page 788-

752

ginsel, waardoor liij op aarde steeds liet leven der genade voortzet, totdat hij zal gekomen zijn tot liet leven der genade in den hemel.

Gij zult de waarde van deze heilaanbrengende vrucht der Communie begrijpen en met liefde daarvoor ontbranden, als gij eens uwe aandacht vestigt op de grootheid der gave, waardoor men in het leven der genade volhardt.

De volharding, mijn kind, is de voltooijing der deugd, do bewaakster der verdiensten, de laatste en voortdurende zegepraal, de zekere belooning uwer zorgen en bekommeringen, do kroon dei-eeuwige glorie.

Zonder de volharding mist al het o ,rerige, wat het ook zij, zijne eeuwige belooning en vrucht; de volharding alleen regtvaardigt en bekroont alles.

En daarom zijn alle Heiligen voor dit groot geschenk vooral zoo bezorgd geweest, dat, inogten zij ook al niet in staat zijn, dit geschenk, als iets wat hun toekomt, te verdienen, zich toch beijverden om geen hinderpaal in den weg te stellen, maar zich met alle vlijt toe te leggen, om door alle middelen, die in hun bereik waren, zich tot liet ontvangen daarvan geschikt te maken.

T racht ook gij mijn kind, na alle hindernissen verwijderd te hebben, u zoo met zorg daartoe voor te bereiden, en gij zult, zoowol als zij, door de heilige Communie deze voortreffelijkste gave der volharding verwerven.

2. Dit mijn kind, heb ik in mijn Hart besloten, dat het Sacrament des Altaars, dat het grootste Sacrament is, ook de grootste genade — de volharding zoude mededeelen.

-ocr page 789-

753

En voorwaar, als ik in het Sacrament mij zeiven aan u geef, iets, waardoor de Majesteit mijner Godheid als eene vernedering schijnt te ondergaan; hoe zou ik dan niet de volharding geven, waardoor de glorie mijner Godheid nog vermeerderd wordt?

Derhalve zult gij, ofschoon ook uit u zei ven zwak en vol ellende, hier uit mijn Hart zoovele krachten ontvangen, dat gij in staat zijt ongedeerd uw einde te bereiken.

Want als de Profeet door de kracht der spijze, welke slechts een atbeeldsel van dit Sacrament was, den berg Gods bereikte, met hoeveel meer sterkte, die dit waarlijk levengevend en goddelijk voedsel schenkt, zult gij de hoogte der eeuwige heuvelen kunnen bereiken?

Hef uwe oogen op en zie, hoe velen, niet minder zwak en ziekelijk uit zich zeiven dan gij, dat punt reeds behouden beklommen hebben. Schep nieuwen moed en wandel blijmoedig voort.

3. Wil voor niets onmatige vreeze koesteren, mijn kind, want met mij vereenigd, zult gij u voor elke gelegenheid krachtdadig en gemakkelijk kunnen wachten.

Wat is het begin van uwen ondergang, zoo niet de laauwheid? Want als de ziel door laauw-heid kwijnt, dan moet noodzakelijk het geestelijke u smakeloos en onaangenaam worden en de natuur er toe komen, om slechts te verlangen en te zoeken, wat natuurlijk is.

Dan begint de mensch uit natuurlijke neiging de bewaking der zintuigen, zijns ligchaamsen der vermogens zijner ziel te verwaarloozen en laat

48

-ocr page 790-

754

daaraan tevens, om zijn ziekelijk liart wat op te beuren, den Trijen teugel, en stelt ze vervolgens, eerst wel is waar niet zonder eenige huivering, docli later allengs stoutmoediger aan de verleiding der zonden bloot.

En daardoor stort hij langs drie trappen in het verderf neder. Want eerst handelt hij ouvoor-zigtig, als hij zich in het naaste gevaar der zonden bevindt; ten tweede tracht hij niet vurig te bidden en de goddelijke genade af te smeeken om aan het gevaar te ontkomen en niot te vallen; ten derde geheel alleen en ongewapend in het midden der vijanden, die zoowel in als buiten hem zamen-spannen, speelt hij in zekeren zin met het gemaskerd monster,totdat hij eensklaps overvallen wordt, toestemt en in den afgrond nederstort.

4. Waardoor, mijn kind, zult gij zooveel onheil zeker en ligtelijk keeren, tenzij door het heilzaam Sacrament, dat u met mij vereenigt, mot de banden der liefde aan mij vasthoudt en n deelgenoot maakt van mijne kracht.

Wat is er geschikter, om de laauwheid van uwe ziel te weren, dan de veelvuldige en godvruchtige Communie, waardoor de ijver der goddelijke liefde in u ko.iit en u geheel doordringt?

Ja, zelf wanneer zich tusschen de vorige en de volgende Communie wederom een begin van laauwheid zoude voordoen, dan zal eene nieuwe Communie, godvruchtig ontvangen, dit verdrijven en den vorigen ijver herstellen. Want warmte en koude, ijver en laauwheid kunnen niet te gelijk in een hart wonen.

Wat meer is, mijn kind, de heilige Communie

-ocr page 791-

755

roept geheel den raensch tot liet innerlijke, verzamelt al de vermogens der ziel en de zinnen des ligchaams om het heilig gastmaal met mij in vrede en blijdschap te vieren.

Hiertoe spoort ons echter de bedorvene neiging der natuur niet aan, neen deze wordt juist onderdrukt in dat goddelijk geheim, dat de hartstogten der ziel beteugelt en de ongeregelde bewegingen des ligchaams regelt.

Hier doen de hemelsche geneugten, terwijl zij verzadigen tevens meerder begeerte naar zich ontstaan; doch de wereldsche vreugde, die welligt vroeger genoten is, wordt zoo walgend, dat de smaak daarvan verachtelijk en onwaardig schijnt.

Als gij derhalve dikwijls door de heilige Communie uwen geest vernieuwt, door u tot mij te keeren, dan zult gij, door de eigen ondervinding uws harten geleerd, begrepen, hoezeer gij verpligt zijt en van hoeveel belang het voor u is, getrouw te zijn.

Daarom zult gij in deu tijd, die tusschenuwe Communie verloopt, op uwe hoede trachten te zijn om u niet van zelf in gevaar te begeven. En als gij u ooit, hetzij uit noodzakelijkheid hetzij onvoorziens in gevaar zult bevinden, dan zult gij aan het verkeer met mij, dat gij in de Communie geleerd en steeds aangekweekt hebt, gewend gemaakt, terstond tot mij uwe toevlugt nemen, bidden en smeeken, u zeiven wantrouwen en op mij hopen, uw best doen het gevaar zoo spoedig mogelijk te ontvlugten en u naauwer met mij te vereenigen.

Als gij dit doet, mijn kind, dan zult gij over

-ocr page 792-

756

slangen en adders wandelen, leeuwen en drakon onder den voet treden, aan elk monster der zoudo ontkomen en oindeljjk behouden en ongedeerd uw doel bereiken.

5. Als gij dus. mijn kind, u niet dikwijls in dit Sacrament voedt met mijn Vleescli en Bloed en niet genoeg medewerkt met de genade van liet Sacrament, dan zult gij in bet bovennatuurlijk leven niet volharden.

En let wel, deze medewerking zelve wordt dooide herhaalde Communie gemakkelijk en zoet gemaakt, wegens do bijzondere genade, die door liet Sacrament met dat doel wordt geschonken en wegens de bijzondere liefde, die uit mijn Hart overgestort wordt en alles ligter en zoeter maakt.

Ziedaar dan de wijze om die gavo r.Her gaven, de volharding ten einde toe, door het veelvuldig en godvruchtig naderen tot de heilige Communie te verkrijgen.

Welaan dan mijn kind; het is voor u eene zaak van het hoogste belang, zijt sterk en grootmoedig zooals het een leerling mijns Harten past. Maak getrouw gebruik van de middelen; blijf standvastig met mij vereenigd; zoo zult gij u die onmetelijke onkostbare goederen verwerven, welke hier met de heilige volharding gepaard gaan en haar in de eeuwigheid volgen.

6. De leerling. Hoe onmetelijk, O Heer Jesus, hoe kostbaar zijn die goederen! Zoo groot zijn zij, dat uwe Heiligen daarvoor gaarne al het overige ten offer bragten en bij het genot hunner zoetheid, dikwerf in overmate van geluk tranen stortten.

-ocr page 793-

757

Hoe zoude ik dan willens kunnen zjjn hetgeen zoo veel zaligheid biedt, voor de ellende der zonde te verruilen? hoe zoude ik willens kunnen zjjn uwe liefde en vriendschap vaarwel te zeggen, om de liefde to winnen van den vijand mijner zaligheid?

Want ik zal die goederen, welke het gevolg en de vruchten der liefde zijn, niet verliezen zoo ik niet de liefde zelf opgeef en uit mijn hart verjaag. Immers de liefde zal zich nimmer uit eigen !ieweging van mij verwijderen.

Gij hebt mij het eerst bemind, beste Jesus; Gij zijt het eerst tot mij gekomen; en zie Gij zijt niet de eerste, die heen gaat, Gij zult mij niet verlaten, als ik niet eerst U verlaten zal hebben. Zoo welwillend is de goedheid uws Harten.

O Jesus, duld niet dat ik u verlate. quot;Wat blijft mij zonder U over dan duisternis, rouw, angst en bitterheid, ellende en de eeuwige dood?

Ach duld niet dat mij zulke kwalen overkomen. Geef, Heer, geef dat ik met U vereenigd liever eiken dood des ligchaams sterve dan U te verliezen, die het leven mijner ziel en de bron van alle goederen zijt.

Om de liefde van uw Hart, ter wille van het Hart uwer maagdelijke Moeder, om alles wat U dierbaar is in den hemel en op aarde bid en smeek ik U,schenk mij de volharding, verleen mij genade, geef mij moed, om de middelen door U aangeboden, met kracht in het werk te stellen.

7. Ik ben wel is waar zwak, Heer, en ziek;

-ocr page 794-

758

docli Grij zijt almagtig en goed. Versterk mij derhalve en help mij. Zijt mij de God, die zalig maakt, en zij uw Hart mijn toevlugtsoord, om mij te zaligen.

O Jesus, goede Herder! om uws naams wille, leid mij, en voed mij met U zeiven en verkwik mij met het levend water, dat uit uw Hart ontspringt, opdat ik voortga Ü blijmoedig te volgen.

O Jesus,henielsche Geneesheer! Ontferm U over mijne veelvuldige ellende, roei mijne gebreken uit, schenk mij krachten weder om niet op den weg te bezwijken.

O Jesus, mijn Leermeester! leer mij uwen wil volbrengen; rigt mijne schreden ten einde toe.

O Jesus, mijn Beminde! verkwik mij, troost mij in droefheid, help mij in moeijelijkheden, wek mij op, spoor mij aan om voort te gaan en te volharden.

O Jesus, goddelijke Bruidegom mijner ziel! houd mij vast; trek mij achter U aan; zie, zoo vrij willig door U voortgetrokken, zal ik wandelen door uwe kracht, zal ik onvermoeid voortloopen tot het zeker en eeuwig bezit.

-ocr page 795-

759

VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

het allerheiligst habt van jesus geeft ons door de heilige communie een onderpand der toekomstige glorie.

1. Jesus. Die mijn Vleesch eet en mijn Bloed drinkt, heeft het eeuwig leven; eu ik zal hem opwekken ten jonsten dage.

Ziedaar, mijn kind, een groot geheim, maar een groot geheim der liefde, een groot geheim der troost.

Want hier in dit heiligst Sacrament ontvangt gij de artsenij der onsterfelijkheid en het zinnebeeld der opstanding.

Vandaar dat niet slechts de ziel, die door mij beleefd en geheiligd, tot een voortdurend zalig leven geraakt, maar ook het ligchaam, schoon onedel en aan bederf onderhevig, door de ver-eeniging en verligchaming met mijn levengevend en glorierijk ligchaam, onsterfelijkheid en eeuwige glorie deelachtig wordt.

Niet dus wegens de heiligmakende genade alleen, neen, maar om een zekere nieuwe beweegreden, wegens de heilige Communie, zal ik en uwe ziel eeuwig blijde en zalig maken, en uw ligchaam hervormen en het, mijn lichaam nagebootst, met heerlijke gaven op bijzondere wijze versieren.

Ziedaar mijn kind, de verblijdendste en wondervolste vrucht der heilige Communie, die alle overige vruchten voltooit en bekroont.

-ocr page 796-

760

2. Mijn kind, als de goedheid mijns Harten al haar grootte wil toonen, zie, dan staan haar al zijne overige hoedanigheden en krachten ten dienste, en dan Terecnigen deze zich en arbeiden zij om de zaak te veredelen en tot volkomenheid te brengen.

Welnu dan; do liefde mijns Harten heeft besloten in het heilig Sacrament des Altaars de grootte harer vrijgevigheid zoo ten toon te spreiden, dat hare glorierijkste vruchten voortduren in alle eeuwigheid.

Wil u dus niet verwonderen, als dit geheim overvloeit van zoo vele en groote wonderwerken, overvloeit van zoo vele en groote goederen, als het geheel verheven, geheel heilig, geheel liefelijk, geheel vol vertroosting is.

Het grootste wonder wel is waar u hier toegezegd is, dat niet slechts uwe ziel maar ook uw ligchaam leven zal gedurende geheel de eeuwigheid; doch dit is nog minder dan hetgeen reeds voor u is geschied. Minder nameljjk is het i'at de mensch leeft in eeuwigheid, dan dat God sterft in den tijd; minder is het, dat de mensch opgewekt wordt tot een verheerlijkt leven in den hemel, dan dat God zich vernedert tot een verborgen leven in dit Sacrament.

Hoe toch zouden de ledematen niet opstaan, terwijl het hootd verrijst? En hoe zou hij niet eeuwig leven, die het eeuwig leven in zich heeft? Derhalve zult gij, als ik, die uw leven ben, zal gekomen zijn, met mij verschijnen in glorie.

Zie mijn kind, van deze altijddurende glorie

-ocr page 797-

761

hebt gij een onderpand in het Sacrament, een onderpand, niet onverschillig welk ook, maar dat zooveel waarde heeft als mijn belofte.

Zie dan eens, welke zekerheid de hemelsche Vader van zijnen kant u van uwe toekomstige zaligheid heeft gegeven, daar hij op deze wijze Zijn eeniggeboron Zoon tot borg heeft geschonken!

Wat echter uwe vreugde en uwen troost geheel volkomen moet maken, dat bezit gij, rijkelijk in dit onderpand, zoolang gij slechts van uwe zijde die allerzoetste zekerheid niet onzeker maakt.

Wat blijft derhalve over mijn kind, tenzij dankbaar en getrouw te zijn, u te verblijden over de goedheid mijns Harten, de u aangebodene goederen te genieten, en zoo dikwerf gij mij ontvangen zult, u blijde te herinneren aan de eeuwige zaligheid, wier onderpand gij bezit, en welke gij reeds bij voorbaat geniet?

Als hetgeen beloofd is, zal gekomen zijn, dan zal het gebruik van het Sacrament ophouden en dan zult gij niet meer voorloopig een deel der zaligheid bezitten, maar de zaligheid zelve in hare volheid en dan zult gjj daarin binnentreden en van haar doordrongen worden.

Dan zal het geloof plaats maken voor de aanschouwing, de hoop voor het genot; doch de liefde, die blijvend is, zal zich uitstorten in eeuwige blijdschap. In die zaligheid, die de uwe zijn zal, zult gij, niets ademen dan liefde, niets spreken dan liefde, niets meer doen dan uit liefde; want gij zult in het rijk zijn, dat niet anders dan het rijk der liefde is.

-ocr page 798-

762

4. Tot liet rijk der liefde voert het Sacrament der liefde; hoe beter do liefde hier gevoed, hoe volmaakter zij in dit leven in uw hart is ontvlamd, des te meer zal zij u daarboven vervoeren en des te glansrijker in u schitteren tijdens de eeuwigheid.

Zoolang dus, mijn kind, de schaduwen der sterfelijkheid niet verdwijnen en de dag der onsterfelijkheid niet aanbreekt, moet gij onderworpen door de liefde leven, vreedzaam toenemen in zuivere liefde.

Al wat gij rondom u aanschouwt, hetzij bet van voorspoed of tegenspoed getuigt, moet gij met een zelfden blik vol zuivere liefde aanzien, te midden van dit alles mij alleen tot doel hebbend, mij in wien gij het leven, de verrijzenis en de zaligheid bezit.

Als gij het sterfelijk loven, wegens de ellende daarmee gepaard, zwaar vindt, weet, dat gij des te beter toekomstig geluk zult smaken naar de liiate gij de ellende van dit tegenwoordig leven meer zult hebben ondervonden; en dat gij des te zoeter in den hemel aan mijn Hart zult uitrusten, naar mate gij in de wereld uit liefde tot mij zwaarder lijden verduurd zult hebben.

Zijt intusschen blij te moede mijn kind, en krachtig; herstel uwe krachten en uwen moed door dit levengevend Sacrament: blijf gelijkvormig aan mijn welbehagen uit liefde tot mij in leven en in sterven.

5. De leeklikg. O overmate van goedheid! O Jesus! wie begrijpt er in dit leven welk een Hart Gij bezit!

-ocr page 799-

763

Zie, Gij zelf schenkt U aan mij in dit Sacrament, om mij alles te verschaffen, wat ik voor liet tegen woordige begeer; en tevens geeft Gij U zeiven aan mij als een onderpand der eeuwige zaligheid, die Gij mij uit onverdiende vrijgevigheid beloofd hebt.

Dank zij U, beste Jesus, eeuwige dank, voor zooveel liefde van uw Hart.

Geheel mijn boezem juicht over eene gave, die zoo groot en zoo kostbaar is, die op zoo beminnelijke en zoete wijze wordt geschonken, waardoor Gij mij het zoetste vertrouwen op eene eeuwige zaligheid verleent.

Ik bid U, o Heer mijn God, ik bid U smee-kend, mij de krachtdadige genade te schenken om mijne keuze ter hemelsche glorie, die van uwen kant zoo zeker is en op zoo goddelijke wijze verzekerd wordt, niet van mijnen kant te verijdelen, maar door getrouwheid en goede werken, en ware verdiensten ook van mijne zijde zeker te maken.

6. O Jesus de beminnelijkste van allen, met welken ijver en blijmoedigheid moet ik U dienen, met welk eeii moed de ruwe wegen bewandelen, met welke liefde aan ü gehecht blijven om tot die onuitsprekelijke glorie te geraken, waarvan ik hier een voorsmaak geniet, en waarvan mij zulk een onderpand wordt geschonken!

Ach Jesus, mijn Beminde, zuiverste Bruidegom mijner ziel! als het reeds zoo zoet is U te genieten in deze ballingschap, wat zal het dan in het vaderland zijn? Als uwe vertroosting en in het heilig Sacrament reeds zoo zalvend zijn, wat

-ocr page 800-

764

zullen zij zijn in uw rijk? als het hart reeds zoo vervoerd wordt door de omhelzingen van U, die hier slechts gesluijerd woont, wat dan eindelijk zal die omhelzing uitwerken als ik U van aanschijn tot aanschijn zal aanschouwen, aan uw Hart rusten en met de strooraen uwer geneugten verzadigd en bovenmate gedrenkt zal worden?

O mijn God! als ik hier aan denk, dan wordt alles, wat ik op aarde ontwaar, mij lastig en walgend.

Het levoij zelfs verliest al zijn aantrekkelijkheid, dewijl niets daarin mij volkomen bevredigen of geheel verzadigen kan.

Ja zelfs uwe vertroostingen en uwe eigen zoetheid doen mij een v,-ouderlijke en onuitsprekelijke kwelling ondervinden, omdat zij mij U duidelijker doen kennen eu des te vuriger naar U, die de bron van alle vertroosting en van allo zoetheid zijt, doen haken.

Naar U zeiven, o mijn Jesus, naar U zeiven dorst ik; ik wensch ü zonder sluijers te zien; ik begeer U openlijk te aanschouwen in uwe glorie; ik brand van verlangen en hoop U in eeuwige liefde te genieten.

Kom dan, mijne liefde, kom: ontsteek mij, verteer mij, ontbind mij opdat ik met U zij, o mijn eenigste begeerte, mijn eenigste goed!

-ocr page 801-

765

ZES EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK. Korte Zamenvatting.

het a1lerhe1ligst hart van jksus is alles voou ons,

1. Jesus. Mijn Hart, mijn kind, dat gij inliet heiligst Sacrament als een onderpand uwer toekomstige heerlijkheid bezit, en dat in den hemel uwe zaligheid zal uitmaken, is intusschen zoo lang gjj nog op aarde verwijlt, alles voor U.

Immers hot is geheel, met al wat het bezit, ter uwer beschikking en tot uw genot geschonken.

Dit Hart echter, dewijl ik eene menscliolijke natuur bezit, is wel is waar een menschelijk Hart, kan bijgevolg ten uwen opzigte ook op menscliolijke wijze gevoelen; doch wijl het met de goddelijke natuur persoonlijk is vereenigd, is het goddelijk tevens; het Hart namelijk van een goddelijk persoon, bezit dus al wat goddelijk en oneindig is.

Zie, zoo ben ik dan de bron vaix alle goederen, die steeds toegankelijk is, steeds springt, waaruit gij altijd putten, doch welke gij nimmer zult kunnen ledigen.

Hier, mijn kind, hier ontwaart gij alles, wat voor u noodzakelijk, alles wat nuttig voor u is.

Als somtijds de geest in u verkoeld is, hier wordt ze ontstoken, hier wordt uw geest hernieuwd, hier ontvangt gij de innerlijke levenskracht weder terug.

Als gij misdaan hebt, hier zult gij wederom

-ocr page 802-

766

barmhartigheid verkrijgen, hier vergiffenis verwerven, hier den vrede terug erlangen.

Als gij van zwakheid kwijnt, hier vindt gij herstelling, hier zult gij versterkt, hier wederom met goddelijke kracht uitgerust worden.

Als gij raad, moed of hulp noodig hebt, hier zult gij ze verkrijgen.

Als gij genade van God, als gij uw heil, eene gunst, als gjj wezenlijken troost begeert, hier zult gij ze vinden.

In één woord, al wat tot uw waar geluk verstrekt, hier ton allen tijde en op elke plaats, in gezondheid en in ziekte, in leven en in dood zult gij het verkrijgen.

2. Daarenboven mijn kind, is mijn Hart in dit Sacrament voor u ook een voorbeeld van alle deugden eri van alle heiligheid.

Beschouw met de oogen des geloofs, bemin en volg de deugden mijns Harten na, die allen één geheel vormen, evenwel elk in het bijzonder blijven voortbestaan. Eene liefde omsluit, veredelt en openbaart ze allen.

Beschouw hier de zachtzinnigheid van de liefde mijns Harten, zijne nederige liefde. Beschouw hier het Hart van den God, die zich waarlijk verborgen en vernietigd heeft, en tot zulk een diepte zich vernietigd heeft! Hoe dieper gij in overweging daarin doordringt, des te dieper zult gij den afgrond der vernedering peilen en des te beter de grootte der goedertierenheid ontwaren, waardoor mijn Hart zooveel verdraagt, zooveel lijdt uit liefde tot u; terwijl het toch altijd zachtmoedig, altijd voorkomend blijft jegens allen.

-ocr page 803-

767

Beschouw zijne toewijding. Overweeg, hoe het zich aan den dienst des Vaders wijdt; hoe het zich aan zijne belangen ten offer brengt hoe het altijd bezig is met hetgeen Hem welgevallig is.

Beschouw zijne armoede. Dring tot in het binnenste van dit Hart door, zie welke zijne gewaarwordingen zijn ten opzigte van de goedero u dezer wereld. Ga eens na, hoe het daarvan gebruik maakt. Gra eens na hoe het al, wat passend is, ontbeert. Zie hier het beeld der heilige armoede.

Beschouw zijne zuiverheid. Ja, mijn kind, zie en ga met aandacht na hoe het een ligchaam bezit, dat op zekere wijze geestelijk geworden, altijd en overal zuiver is als oen lichtstraal der zou; zie en ga met aandacht na, welk gebruik het maakt van de zintuigen; zie en beschouw oplettend hoe heilig al zijne genegenheden zijn. Ziehier de spiegel der zuiverheid.

Beschouw zijne gelioorzaamheid. Beschouw mijn kind en sta verbaasd. Want zie op de stem van een schepsel, op het woord dos priesters, is mijn Hart tot alles bereid; en mogt ook de priester spreken alleen uit vuig winstbejag, ja mogt de priester een bedorven mensch zijn, toch ben ik, als hij de woorden der heilige Consecratie uitspreekt, terstond tegenwoordig en is mijn Hart tot alles bereid. Op welke plek ik ook geplaats word, daar verblijf ik met een onderworpen Hart. Hoe men mij ook behandelt, schoon ook niet ongevoelig daarvoor, ben en blijf ik evenwel zalig. Ziedaar, mijn kind, het rigt-snoer der volmaakte gehoorzaamheid.

-ocr page 804-

768

Beschouw zijne voorzigtigheid. Onderzoek godvruchtig welke voorzigtigheid ik u in het heilig Tabernakel door mijn voorbeeld leer, in de keuze en toepassing der middelen om uw doel te he-reiken:\velke in de keuze van uwen omgang, dewijl ik altijd met de Engelen verkeer; welke in het openbaren van gehechtheden, hetzij uit neiging hetzij uit weerzin voortgesproten.

Beschouw zijne regtvaardigheid. Zie hoe mijn Hart in /jju Sacramenteel leven al zjjne bezigheden tot God, wien alles behoort, terugbrengt. Onderzoek en onthoud met welke getrouwheid het alles, zoowel het kleine als het groote, tot Gods glorie rigt.

Beschouw zijne sterkte. Let op de kracht, welke mijn Hart toont als het mot een tevreden en onbezweken gemoed verdraagt, al wat bitter is van den kant der ongeloovigen, der zondaren en laauwen en van alle ondankbaren; zoowel als wat de plaats betreft, waar het wordt verlaten, of verwaarloosd of ook wel onwaardig wordt behandeld; als het volhardt ondanks den strijd en tegenstand welken ook, in de plannen der goddelijke liefde; als het die beletselen zeiven gebruikt om des te zuiverder liefde voor God en voor de menschen te toonen.

Beschouw zijne gematigdheid of bescheidenheid. Immers het maakt onderscheid tusschen den mensch, die zondigt, en tusschen de zonde van den mensch. Wetende, dat de mensch een werk van God, doch dat de zonde een werk des menschen is, wenscht en zoekt het met een onvermoeid geduld de zonde te verdelgen maar den

-ocr page 805-

769

mensch te behouden. Het onderselieidt tusschon de natuur en tusschen de genade, tusschen den schijn en het wezen der dingen. Het onderscheidt tusschen goederen en goederen en keurt die beter, welke door den goddelijken wil geeischt of liever gewenscht worden.

Beschouw zijnen ijyer. Het brandt hier van begeerte de zielen zalig te maken, daartoe grijpt het alle gelegenheden aan, en arbeidt het op wondervolle wijze. Met dat doel stort het bij dag en bij nacht gebeden; met dat doel geeft het een voorbeeld van langmoedigheid, ontferming en van alle deugden; met dat doel spreekt het op vele en verschillende wijzen tot de zielen, met dat doel geeft het nu inspraken dan aansporing, nu eens bemoedigt het, dan weder dwingt het. Zoo leert het hier den ijver, die voor allen mogelijk doch voor mijne beminnaren gemakkelijk is.

Beschouw zijne edelmoedigheid. Zie eens, wat het geeft en met welke blijdschap het geeft; zie, het geeft vol vreugde niet slechts, wat het bezit maar ook, wat het is; niet slechts genade, maar ook zijne verdiensten, en zich zeiven bovenal. Zie eens, wat het ten offer brengt en met welk een edele liefde. Zie eens, welke vertroosting het ondervindt als, tot glorie van God, het hart des menschen vertroost wordt.

Beschouw zijne volharding. Hier brengt het in heiligheid het eene jaar na het ander, de eene eeuw na de andere door. Vergelijk daarmede eens den tijd van uwe volharding gedurende uw kortstondig leven. Het volhardt, niet zoo als gij,

49

-ocr page 806-

770

nu eens verflaauwend, dan weder nieuwen ijver toonend, maar altijd met den zelfden ijver. Het volhardt met vreugde, omdat liet volhardt uit liefde.

Ziedaar mijn kind, de kroon der heiligheid, de kroon, die twaalf sterren in zich bevat: de sterren aller deugden, die mijn Hart versieren en, elk in het bijzonder, mijne lietde in schitterende en glansrijke stralen teruggeven.

Want de liefde mijns Harten is eene liefde, die nederig, zaohtinoedig vol toewijding, bereidvaardig, zuiver, gehoorzaam, voorzigtig, goed geregeld, krachtig, bescheiden, vol ijver om geloof, hoop en liefde aan te kweeken, edelmoedig en alles adelend, ten einde toe volhardend is.

3. Eindelijk, mijn kind, mijn Hart is de weg, de geleider en de deur des hemels.

De veiligste weg, want dien volgend zult gij niet kunnen dwalen; de kortste weg, omdat hij meer dan cenig ander rogt tot het doel leidt; do aangenaamste en gemakkelijkste weg, dewijl hij de weg der liefde is; kortom de weg, dien al mijne Heiligen bewandeld hebben en waarop een ieder, die hem bewandelt, een Heilige wordt.

De geleider, die u in elke gelegenheid beschermen en tegen alle gevaren verdedi gen zal; die u met velerlei genaden ondersteunen en zelfs met het brood der Engelen versterken zal; die u verkwikken en heiligen zal door de inzage in mijne geheimen, door welke hij u zal leiden, en uw hart en geest blijde en heilig tevens zal bezig houden, voortgaande van het eene geheim 'tot het ander, van de eene deugd tot de andere van

-ocr page 807-

771

den eenen trap van heiligheid tot d..n andere, totdat gij in het rijk des hemels zult zijn aangekomen.

De deur, buiten welke er voor U geen andere is om in den hemel te worden toegelaten; de deur, waardoor een ieder, die liinnentreedt, voor eeuwig tot heil en tot zaligheid komt.

Wacht u derhalve, mijn kind, te luisteren naar hen, dio nog van een meer verheven en beteren weg voor volmaaktere zielen spreken, van eenen weg, die niet de weg mijns Harten, maar der Godheid alleen is, van eenen weg die, met voorbijzien, of verwaarloozing mijner Mensehheid, u op verhevene wijze door de Godheid alleen tot uw doel zal brengen.

Wie u dit ook zeggen moge, hetzij hij een mensch of een Engel mogt wezen, wil hem noch uw geloot noch uw vertrouwen schenken.

Want door mijne Monscliheid ben ik tot de mensehen gekomen, en door die zelfde Mensehheid moeten de monschen tot mij komen.

Die een anderen weg wil beproeven, zal afdwalen; hij zal ronddolen met een dorren geest en meteen verdroogd hart; dikwerf van innerlijke oefening en verkwikking beroofd, zal hij moede worden; ja eindelijk gevaar loopen geheel te bezwijken.

Wat u betreft, mijn kind, zijt mijn Hart indachtig, waarin gij alles vindt. Bezoek mij hier dikwijls; zijt dikwerf hier bij mij tegenwoordig; bid, dank en loof hier, luister bier naar mijne woorden en overweeg mjjn Hart; beschouw hoe ik met u blijf en u alle gunsten aanbied.

Welaan, mijn kind, nog een weinig tijds en gij zult veilig aan mijn Hart uitrusten. Blijf intus-

-ocr page 808-

772

schciiniet mij bezigen ik zal mij met u bezighouden.

Houd ii bereid, want zie, eensklaps zal ik komen 011 u tot mij nemen in mijn rijk, dat eeuwig duurt.

4. De leerling. O zeker, beminnelijkste en lief-dewaardigste Jesus, ik zal altijd, totdat Gij komt, uw Hart indachtig zijn, daarin zal ik leven, daarin met U bezig zijn, daarin mij bereid houden.

Hoe zoude ik ooit dat Hart kunnen vergeten, waarin ik alles vind?

Zie, o eindelooze zoetheid! nu reeds is uw Hart, mijne rust, mijne ware zaligheid.

Veiliger, zekerder en liefelijker zal ik hier rusten, hoe wijzer, hoe magtiger, hoe zoeter Gij mijn Heer en God zijt.

Als de wereld lagen legt, als de duivel bekoort, dan zal mijn hart niet verontrust worden; want zijne woning is in vrede opgetrokken, want het woont onder de hoede van den Allerhoogste, in uw Hart zeiven.

O mijne ziel! hoe innig zult gij in Jesus Harte niet uwen God vereenigd zijn! Hoe volmaakt bij Hem tegenwoordig wezen ! Daar zult gij altijd met Hem zijn; in Hem zalig leven. Hem zien, niet afgebeeld maar in u overgestort; Hem beminnen, niet in schijn maar tastbaar bij U tegenwoordig: Hem bezitten niet als Hem bij u houdend maar als u bezittend.

In dit paradijs der zuiverste geneugten stroomt u aanhoudend geluk toe, en ongehinderd geniet gij de goederen van het hart van Jesus, uwen Heer en God.

O Hart van mijn Jesus! Hart van mijnen God! Ware hemel, eeuwige rust aller Uitverkorenen!

-ocr page 809-

773

Dit wordo mij slechts gegeven, dat ik altijd moge wonen in U, ü moge genieten; dan zul er op aarde niets aan mijn geluk onthroken.

Want gij zijt de bescherming en veiligheid uwer dienaren. Gij do belooning en glorie van hen, die in U volharden; Gij do blijdschap en zoetheid voor die ü genieten.

Tn U is licht voor den geest, sterkte voor liet hart, heil voor de ziel, volmaaktheid der heiligheid en voltooijing der zaligheid.

O Hart van mijn Beminde! waarin oneindig meer en betere goederen zijn dan ons verstand begrijpen of ons hart bevatten kan, wanroni zoude ik buiten U goederen zoeken? Zie i:i U zijn alle goederen.

5. Derhalve o beste Jesus, slijte ik in uw Hart mijn zalig leven; ach, dat de dood mij nergens anders vinde dan in uw Hart! Moge ik daar eindelijk mijnen geest geven!

Ja moge de liefde bewerken, dat ik nu reeds in uw Mart een gestorven leven leide zooals Gij in het Sacrament leidt!

Welke dood is zaliger dan deze;-' Welke rust kan niet deze worden vergeleken? Zie deze is mijne rust des doods, waardoor ik mij van alles onthechten, en in en om U alleen, met zuivere liefde, wensch te leven.

O Jesus, mijn leven eu al mijn goed! Aldus volkomen gestorven, zal ik zoo zuiver voor U leven, dat als het einde van mijn sterfelijk leven zal aanbreken, mij niets meer overblijft, dan tevreden aan uw Hart mijnen geest te geven!

Mijne laatste verzuchting z;j de zucht van uw

-ocr page 810-

774

stervend Hart; eene verzuchting van onderworpene zuivere liefde! Moge ik sterven van liefde, zooals Gij gestorven zijt! Moge ik sterven als een offer van zuivere liefde, dat in uw Hart voltrokken wordt.

O Heer mijn God, zal deze dood niet de zalige rust, de zoete slaap zijn, waarin ik in dit aardsche ballingsoord aan uw Hart insluimer, om aan uw Hart in het rijk uwer glorie te ontwaken, en veilig uit te rusten, en voor eeuwig blijde te zijn?

Dit, o dit hoop ik, mijn Jesus en mijn God! dit smeek ik U, o eenigst verlangen mijns harten, mijn hoogste goed!

6. O Hart van Jesus,Uw naam kan niet genoemd worden zonder tot liefde te ontvlammen; niet gedacht worden zonder troost te verschaffen, niet worden afgebeeld zonder verkwikking te schenken; wat zal het dan zijn IT te aanschouwen,ontda an van eiken slujjer, U in waarheid te omhelzen, met uwe eeuwige vreugde verzadigd te worden?

O onbegrijpelijke zaligheid, gelukkigst leven, leven zonder einde,zonder wisselingen, leven vrij van allen tegenspoed, vol van alle goederen! Hoe verlustig ik mij in uwe herinnering! hoe tirand ik van begeerte naar U!

Kom, verschijn, o Jesus, volmaakte zaligheid! Laat mij binnentreden, o Heer, in uwe vreugde! deelgenoot worden van alle Engelen en Heiligen om met hen den eeuwigen lofzang der liefde uws harten aan te heffen!

O zaligheid boven alle zaligheid verheven! Eeuwig, en langer nog, zal ik U aanschouwen, U beminnen, U genieten, tot eere en blijdschap uws Harten, o Jesus, o mijn God en mijn alles!

-ocr page 811-

775

TER GEDACHTENIS.

quot;Wie g-ij ook zijt, denk er afin, hoezeer Jesus zelf do godsvrucht tot zijn allerheiligst Hart wenscht aanbevolen te zien. Immers toen Hij aan de Eerwaardige Margaretha Maria verscheen, sprak Hij : Deze godsvrucht beveel ik aan alle geestelijken en kloosterlingen, als oen krachtdadig middel om tot heiligheid en tot volmaaktheid van hunnen staat te geraken; ik beveel haar aan do arbeiders voor het heil der zielen, als een zeker hulpmiddel om de harten, zelfs de ver-stoktste harten te treffen; ik beveel haar eindelijk aan alle geloovigon als de degelijkste godsvruchtoefening en als het meest geschikt hunne hartstogten te overwinnen, den vrede te verkrijgen, hunne gebreken uit te roeijen, goddelijke en vurige liefde te verwerven, om in korten tijd tot groote volmaaktheid te geraken. Rjjke-lijk zal mijn Hart zijne schatten uitstorten over allen, die zich aan hetzelve toewijden.quot; 1)

„Deze godsvrucht,quot; zoo zegt de heilige Alphonsus, „is geheel de toepassing der liefde ^ot Jesus. Deze liefde echter is de beste van alle gods vruchtoefeningen. Teregt wordt het betreurd, dat er vele Christenen zijn, die zich aan verschillende vrome oefeningen quot;wijden, doch deze uitstekende godsvruchtoefening verwaarloozen; teregt wordt het betreurd, dat vele predikers van bet woord Gods en vele Biechtvaders, die vele oefeningen van godsvrucht aan de hunnen inprenten, naauwelijks of in het geheel niet spreken van deze godsvruchtoefening, die evenwel de voornaamste van elk Christen moet uitmaken. Deze nalatigheid is de oorzaak, dat de zielen zoo weinig voortgang maken in deugd, in dezelfde gebreken blijven voortleven, en zelfs in groote zonden hervallen.quot; 2)

1) De Maand van het H. Hart van Jesus; goedgekeurd door den Aartsb. van Parijs.

2) Inleiding in de Novene tot het H, Hart van Jesus,

-ocr page 812-

776

Met regt dus roept de heilige Bruid van Jeaus Harte uit: „'Waarom kan ik der geheele wereld de genadeschatten niet kenbaar maken, die in het Hart van Jesus liggen opgesloten en welke Hij zelf rijkelijk wil uitstorten over Hen, die Hem zijn toegewijd!

Door deze godsvrucht wenscht Hij de zielen voor den ondergang te bewaren en in haar het rijk zijner liefde te stichten, der liefde, die niet toelaat, dat eene der zielen. Hem toegewijd, verloren gaat.quot; I)

NASCHRIFT.

1. Zio, Heer Jesus, door oen nieuw gunstbewijs, dat Gij bii zoo vele andere en ontelbare gevoegd hebt, heb ik voltorid, wat ik mij op den rand des grafs had voergenomen aan uw Hart te wijden; doch hoe onvolmaakt mijn werk is, Gij weet het, die uwe gaven naar waarde kunt beoordeelen, en mijne ondankbaarheid volkomen kent. O Jesus, zachtmoedige en nederige van Harte! Om de goedigheid uws Harten zelve, die U bewoog, mij onwaardige zoo vele goederen te schenken, bid en smeek ik U, al mijne gebreken en al mijne ondankbaarheid te willen vergeven.

2. Vertrouwend op de bekende goedheid uws Harten, bied ik U, beste Jesus, dit werkje, dat ik uit pligt, hoe onvolmaakt dan ook zamen-stelde, aan, vurig smeekend, het te willen aanvaarden, te zegenen en daaraan de heiliga zal-

I) De Eerwaardige Margaretha Maria.

-ocr page 813-

777

ving uws Harten te willen schenken, die het smakelijk en tot een krachtdadig middel maakt om de harten tot U te trekken en to zuiveren ze met uwe deugden te versieren en met uwe heiligheid te volmaken, om ze eindelijk met V te vereenigen en in U te doen opgaan, tot eeuwige glorie van U.

S. Voor uw aanschijn neergeknield, o lieer mpn God, bid ik U dringend voor allen, die dit werkje zullen gebruiken. Ik vraag U voor hen, bijzondere on overvloedige genaden, opdat zij waarlijk leerlingen en Apostelen uws Harten worden, zachtmoedig en nederig van harte: dat zij bij ü mijner indachtig mogen zijn, die inet waardig ben een leerling, veel minder een Apostel uws Harten genoemd te worden en dat ZIJ voor mij bidden mogen, opdat ik mijne arme ziel heiligen en zalig moge maken door de navolging van uw allerheiligst Hart.

4. Deze genade vraag ik ook zelf vurig aan li. Heer Jesus. Want wat baat het te weren dat Gij nederig eu zachtmoedig van Harte zijt' als ik zelf niet zachtmoedig en nederig ben? '

Wat baat het, anderen den gemakkelijken en zekeren weg ten behoud en tot heiligheid te hebben aangewezen, als ik zelf verloren ga:-

5. Daarom bid ik, o beminnelijkste en liefdewaardigste Jesus én door het quot;onbevlekt Hart uwer Maagdelijke Moeder, én door Uw eigen Hart smeek ik, zot de kroon op uwe gaven,

® gij mij zoo onverdiend, zoo goedig hebt beschonken. Verleen mij die uitverkorene genade, met U vereenigd te worden door do banden

-ocr page 814-

778

der liefde en nimmer van U gescheiden te worden; geef mij die volmaakte gave om U volhardend te beminnen, U lief te hebben met de getrouwheid, waarmede U de heilige Belijders beminnen, met dat vuur, waarmede U de martelaren beminnen, met dien ijver, waarmede U de Apostelen beminnen; eindelijk met die liefde, waarmede U de Engelen beminnen, opdat ik met al mijne liefde de liefde uws Harten vergoede, opdat ik met al mijne liefde de beleedigingen herstelle, die U ooit werden aangedaan, opdat ik, na de gewaarwordingen uws Harten volmaakt in mij overgenomen te hebben, leve uit loutere liefde tot U, totdat ik worde toegelaten in het eeuwigdurend rijk uwer liefde. Amen.

-ocr page 815-

inhoud.

Bladz.

Voorwoord van den vertaler......V

Kerkelijke goedkeuringen......VIII

Gids ten geleide in het eerste boek. ... 1 EERSTE BOEK.

NUTTIGE VERMANINGEN BETREFFENDE DE ZUIVERING ONZES HARTEN.

Hoofdst.

I. Grondslag..........20

II. Dat niets terwereldonshartwaarlijkge-rust, waarlijk tevreden kan maken. . 26

III. Dat ons hart ware rust en wezenlijk heil vindt in het Hart van Jesus . . . . 29

IV. Dat het ter zaligheid noodzakelijk is het Hart van Jesus na te volgen ... 31

V. Dat al onze volmaaktheid bestaat in de navolging van het Hart van Jesus ... 35

-ocr page 816-

INHOUD.

II

Hoofdst.

VI. Dat een ieder, die het Hart van Jesus na wil volgen, verpligt is zijn Hart te

zuiveren...........38

VII. Dat ons Hart vooral van doodzonde, liet

grootste kwaad, moet gezuiverd zijn . . 42 VIII. Dat ons hart zuiver moet zijn ook van

de kleinste zonde........47

IX. Dat het hart des zondaars niets dan bitterheid van zijn onheil kan ondervinden. 52 X. Dat het Hart van Jesus allen, ook de

zondaren tot zich roept......57

XI. Hoe men de zuivering des harten moet

61

ondernemen.

XII. Dat het heilig Sacrament der Biecht een gemakkelijk en krachtig middel is, om zich van zijne zonden en gebreken te zuiveren...........67

XIII. Dat wij, wat de vergiifenisonzer zonden betreft, in God moeten berusten, na gedaan te hebben wat zedelijker wijze in ons vermogen was........77

XIV. Hoe men zich voor den herval moet behoeden...........81

XV. Hoe men de wortelen der ondeugden en

gebreken moet uitroeijen.....86

BI adz.

XVI. Dat een ieder, die het Hart van Jesus wil volgen, zijn hart aan de wereld moet

95

onthechten

-ocr page 817-

INHOUD.

Hoofdst. Bladz.

XVII. Hoe bedriegelijk de wereld is . . . 99 XV[IJ. Dat de dienst der wereld eene harde

slavernij is..........104

XIX. Dat liet jukvan Jesus waarlijk zoet is. 107 XX. Dat wij geheel ons hart aan Jesus moeten schenken zonder iets voor ons zeiven te behouden........lil

XXL. Over de bewaring des harten . . .116 XX fl. Over de kortheid van dit leven . . 121

XXIII. Over den dood........127

XXIV. Over het oordeel........132

XXV. Over de hel.........136

XXVI. Over den hemel........142

Gids ten geleide in het tweede boek . . . .147

TWEEDE BOEK.

NUTTIGE VERMANINGEN OM HET HEILIG HART VAX JESUS IN ZIJNE HANDELINGEN NA TE VOLGEN.

I. Hoe hoog wij de heiligmakende genade moeten schatten, hoezeer wij haar moeten

aankweeken...........159

II. quot;Wat de zoon van God bewoog mensch te

worden............166

III. Dat ons hart, naar het voorbeeld van het allerheiligst hart van den mensch geworden Jesus, Gode geheel toegewijd moet zijn . . 172

UI

-ocr page 818-

IV INHOUD

Hoofdst. Bladz.

IV. Dat wij van liet allerheiligst Hart van Jesus kind geworden, moeten leeren en

zijnen geest overnemen......177

V. Dat wij van het allerheiligst Hart van don kind geworden Jesus de nederigheid moeten leeren........182

VI. Dat het allerheiligst Hart van den in een stal geboren Jesus ons de heilige armoede leert..........193

VII. Dat het allerheiligst Hart van Jesus in de eenzaamheid met de Engelen verwijlende, ons de heilige zuiverheid leert. . 200

VIII. Dat het allerheiligste Hart van Jesus uit

de kribbe ons de gehoorzaamheid leert. 207

IX. Dat het allerheiligst Hart van den besneden Jesus ons de versterving des harten

leert.............315

X. Dat wij naar het voorbeeld van het allerheiligst Hart van Jesus door de wijzen aangebeden, allo menschelijk opzigt moeten overwinnen.........224

XI. Dat wij van het allerheiligst Hart van Jesus, in den tempel opgeofferd, moeten leeren bij alle zaken eene goede meening te hebben........231

XII. Over de vrijheid des harten, die het al-heiligst Hart van Jesus, op zijne vlugt naar Egypte ons leert.......238

-ocr page 819-

INHOUD.

Hoofdst. Bladz.

XIII. Dat het allerheiligst Hart van Jesus, opgaande naar den tempel,ons leert te bidden 245

XIV. Over de liefde tot de eenzaamheid naar het voorbeeld van het allerheiligst Hart van Jesus wonende to Nazareth . . . 254

XV. Over de goddelijke tegenwoordigheid, waarin wij door het voorbeeld van het allerheiligst Hart van Jesus bij zijnen doop geleerd worden te leven.... 2fi2

XVI. Dat het allerheiligst Hart van Jesus, in de woestijn bekoord, ons leert altoos den vredo des harten te bewaren ... 271 XVII. Dat het allerheiligst Hart van Jesus zijn openbaar leven beginnende, ons leert te ijveren voor het heil der zielen. . . 280 XVIII. Dat het allerheiligst Hart van Jesus door zijne tegenwoordigheid bij de bruiloft te Cana ons de geestelijke blijdschap leert 290 XIX. Dat het allerheiligst Hart van Jesus, verkeerende met de menschen, ons loert de gebreken van den naaste te verdragen 297

XX. Dat het allerheiligst Hart van Jesus, in den grootsten eenvoud met allen handelende, ons de heilige eenvoudigheid

jegens den naaste leert......302

XXI. Dat hot allerheiligst Hart van Jesus, den menschen de zoetheid zijner nederige liefde toonend, ons een voorbeeld

V

-ocr page 820-

INHOUD.

Hoofdet. Bladz.

ter navolging heeft-gegeven . . . .311 XXI F. Dat het allerheiligste Hart van Jesus, in de wereld levend, ons de wijze leert zoo in de wereld te verkeeren, dat wij niet tot de wereld behooren noch door haar

benadeeld worden........319

XXIII. Dat het allerheiligst Hart van Jesus, van zijne leerlingen geloof eischend, ons leert het leven des geloofs te beleven. 325 XXI V. Dat het allerheiligst Hart van Jesus, die der volharding de zaligheid, en den vertrouwvol smeekenden de middelen ter zaligheid belooft, ons leert het leven

der hoop te beleven.......334

XXV. Dat het allerheiligst Hart van Jesus aan allen de liefde gebiedend, ons leert het leven dor goddelijke liefde te beleven . 341 XXVI. Dat het allerheiligst Hart van Jesus ons leert, ons aanhoudend op vooruitgang in deugden toe te leggen.....350

Gids ten geleide in het derde boek .... 360

DERDE BOEK.

NUTTIGE VEKMANINGEN OM HET ALLERHEILIGST HAKT VAN DEN LIJDENDEN JESUS NA TE VOLGEN.

I. Hoe hoog de zaligheid moet worden ge-acht,hoezeerwij haarmoetengenegenzijn. 372

VI

-ocr page 821-

INHOUD.

Hoofdst. Bladz.

If. Dat in dit loven niemand zonder lijden

kan zijn..........381

III. Hoodanighet allerheiligst Hartvan Jesus ten opzigte van het lijdon gestemd was. 387

IV. Welko goederen er in het geduldig lijden liggen opgesloten......395

V. Hoe wij ons naar het voorbeeld van het allerheiligst Hart van Jesus, in weder-, waardigheden aan den goddelijken wil gelijkvormig moeten maken . . . .401 VI. Dat het allerheiligst Hart van Jesus ons leert in de wederwaardigheden tot het gebed onze toevlugt te nemen . . . 409 VII. Hoe het allerheiligst Hart van Jesus ons leert in de wederwaardigheden de hulp der schepselen aan te wenden. . 416 VIII. Hoe wij naar het voorbeeld van het allerheiligst Hart van Jesus de moeijelijk-heden en vervolgingen van den kant der menschen moeten verdragen . . .421 IX. Hoe wij naar het voorbeeld van het allerheiligst Hart van Jesus, het verlaten der personen, die ons vooral nuttig of noodzakelijk zijn, moeten verdragen. . 429 X. Hoe wij het allerheiligst Hart van den gevangen genomen Jesus kunnen navolgen.............437

XI. Hoe wij naar het voorbeeld van het

VII

-ocr page 822-

INHOUD,

Hoofdst. Bladz.

allerheiligst Hart van Jesu» valsche beschuldigingen moeten verduren . . . 444

XII. Dat het allerheiligst Hart van Jesus ons leert hoe wij persoonlijke beleedigingen moeten verdragen.......457

XIII. Hoe wij het allerheiligst Hart van Jesus tot dien graad moeten navolgen, dat wij met een opregt hart met Hem en om hem als dwazen wenschen be- _ schouwd te worden.......459

XIV. Hoe wij naar het voorbeeld van het allerheiligst Hart van Jesus, wenschen moeten beneden allen gesteld te worden. 466

XV. Hoe het allerheiligst Hart van Jesus door de geeseling verscheurd, ons leert door vrijwillige verstervingen Hem na te volgen..........473

XVI. Hoe wij uit het voorbeeld van het allerheiligst Hart van Jesus leeren moeten, ligchamelijke ziekten en smarten te verdragen.........480

XVII. Hoe wij naar het voorbeeld van het allerheiligst Hart van Jesus, den dood moeten aannemen.......487

XVIII. Welke gesteltenis des harten wij naar het voorbeeld van Jesus allerheiligst Hart, met betrekking tot het kruis moeten bezitten........496

VIII

-ocr page 823-

INHOUD.

Hoofdst. Bladz.

XIX. Dat do gekruiste Jesus, biddend voor zijne beulen, de onmetelijke goedheid zijns Harten jegens de zondaren toont, en dat de zondaren door de doodzonde Hem op nieuw kruisigen .... 503 XX. Dat Jesus den moordenaar van harte vergevend en het paradijs belovend, ons leert hoe men den angst omtrent onze eeuwige zaligheid moet lijden. . 511

XXI. Welke teederheid des Harten Jesus ons getoond heeft, toen Hij zijne Moeder

ons tot Moeder gaf.......517

XXII. Dat Jesus in zijne verlatenheid aan het kruis ons leert hoe wij ons gedragen moeten, als wij in bekoring worden verlaten..............525

XXIII. Dat Jesus in zijn verlatenheid door dorst gekweld en geene verwikking ontvangende, ons toont, hoe wij ons in verlatenheid moeten gedragen . . . 538

XXIV. Dat Jesus aan het kruis alles volbrengend, ons leert, dat ook wij op het kruis moeten voleinden. ..... 547

XXV. Dat Jesus zijnen Geest, in de handen des Vaders aanbevelend, ons leert, hoe

wij ons geheel aan Hem moeten schenken ............552

XXVI. Het geopend Hart van den uit liefde

IX

-ocr page 824-

INHOUD.

Hoofdst. Bladz.

voor ons gestorven Jesus is het toe-vlugtsoord en de troost van allen , . . 557

Gids ten geleide in het vierde boek .... 562 VIEEDE BOEK.

NUTTIGE VERMANINGEN OM ZICH MET HET ZALIGST HART TE YEREENIGEN.

I. Het allerheiligst Sacrament des Altaars is eene vinding der liefde van Jesus allerheiligst Hart.........572

II. Over de wondervolle instelling van het allerheiligst Sacrament des Altaars . .579

III. Met welk een levendig geloof de kerk hare vereering jegens het allerheiligst Sacrament overal en ten alle tijde getoond heeft. . 586

IV. Dat het allerheiligst Hart van Jesus in het Sacrament zijner liefde volmaakt zalig is ..............

V. Het allerheiligst Hart van Jesus is het Hart zijner heilige Kerk ...... 604

VI. Het allerheiligst Hart van Jesus vereenigt de strijdende kerk op aarde met de zegevierende kerk in den Hemel.....613

Vil. Het allerheiligst Hart van Jesus vereenigt de kerk, die in het vagevuur gezuiverd

X

-ocr page 825-

INHOUD. XI

Hoofdst. Biadz.

wordt met de strijdende en met de

zegevierende kerk.......621

VIII. Over de onuitsprekelijke bezigheden van liet allerheiligste Hart van Jesus in het heilig Sacrament ten opzigte van zijnen Vader.......627

IX. Het allerheiligst Hart van Jesus vereert in het heilig Sacrament zijnen Vader op eeno oneindige wijze . . 632

X. Het allerheiligste Hart van Jesus verzoent door zijne opofferingen in het heiligste Sacrament des altaars, de goddelijke regtvaardigheid en verschaft

ons onbegrijpelijke genadegaven. . 639

XI. Het allerheiligst Hart van J esus is in het Sacrament zijner liefde de grootste troost voor ons op aarde . . . 646

XIJ. Het allerheiligst Hart van Jesus, den menschin zijn sacramenteel leven, zoo als eertijds in zijn sterfelijk leven onderwijzend, houdt niet op te leeren, dat Hij zachtmoedig en ootmoedig A'an

Harte is..........653

XI [I. Het allerheiligst Hart van Jesus wilde, dat het heiligst Sacrament des altaars de voortdurende gedachtenis vanzijn lijden, en oene eeuwige herinnering dei-liefde zoude zijn, die Hij in dat lijden toonde...........660

-ocr page 826-

INHOUD.

Hoofdst. Bladz.

XIV. Het allerheiligst Hart van Jesus toont ons in het wondervol Sacrament den beknopten inhoud van alle goddelijke

geheimen..........667

XV. Het allerheiligst Hart van Jesus leidt ons in het heilig Sacrament des altaars

in de volmaaktheden in.....677

XVI. W elkon eerbied zoowel i nnerlijk al uiterlijk het Hart van Jesus van ons jegens het heiligst Sacrament eischt . . . 688

XVII. Dat wij moeten trachten op allerlei wijzen de beleedigingen te herstellen, welke het allerheiligst Hart van Jesus in het Sacrament zijner liefde worden aangedaan ............696

XVIII. Dat wij ons zeiven moeten beproeven alvorens tot het heilig Sacrament des altaars te naderen.......704

XIX. Hoe wij ons tot de heilige Communie

moeten voorbereiden.......712

XX. Hoe wij ons moeten gedragen na het

ontvangen der heilige Communie . .721 XXI. Het allerheiligst Hart van Jesus geeft ons in het verheven Sacrament des altaars een tegengift, waardoor wij van dage-lijksche zonden bevrijd en voor doodzonden behoed worden......732

XXII. Het allerheiligste Hart van Jesus ver-

XII

-ocr page 827-

INHOUD.

Hoofdst. Bladz.

oouigt 011« door do heilige Commuuie met zich zei ven en doet ons leven door Hem................739

XXIII. Het allerheiligst Hart van Jesus voltooit zijne verecniging met ons door de heilige Communie en hervormt ons in zich zeiven. . . .......745

XXIV. Het allerheiligst Hart van Jesus schenkt ons door de heilige Communie de gave

der volharding.........751

XXV. Het Jillerhbiligst Hurt van Jesus geeft ons door de heilige Communie een onderpand der toekomstige glorie . . . 759 XXVI. Korte zamenvatting. Het allerheiligst

Hart van Jesus is alles voor ons . . 765

Ter gedachtenis........775

Naschrift..........776

XIII

-ocr page 828-

Bij den Uitgever dezes is nog verschenen:

IticAuu. Nieuwe overwegingen over hot H. Sacrament des Altaars. / 0.50; inlinnon ƒ0.75 bazaan verguld snee fi.— in Zwart cliagr, verg. snee. f 1.80

Pagaki. De vrome ziel voor het Altaargeheim. Vierde druk f 0.75; in linnen. f 1.15

Drie-en-dertig dagen in het H. Hart van Jesus of overweging over 's Heilands levens jaren naar het Fransch. f 0.50; in linnen f 0.75.

Stichtende Lezingen voor den eersten Vrijdag van elke maand tor eere van het H- Hart van Jesus naar het Fransch. f 0.25

Volledig gebedenboek tot troost en lafenis van de geloovige zielen, benevens eene beschrij ving van den toestand der lijdenden in het Vagevuur door voorbeelden opgehelderd f 0.60; in linnen f 0.80; in laken f 0.90; in zwart chagr. f 1.70.

Handboek voor de devotie van het H. Hart, uit het Engelsch, door een vereerder van het H. Hart in 32e f 0.50 in linnen f 0.75 in bazaan verguld snede. f 1-

Het H. Hart van Jesus, Bron en Toonbeeld der christelijke volmaaktheid. Overwegingen van den E«rw. Pater Eng Desjardin s. J. f 1.00 in linnen f 1.40.

-ocr page 829-
-ocr page 830-

1 /'■

-ocr page 831-

■ 'J1 . •—-

quot;■ fi'

WSl

yHr'

:P-yi'

• ■ v

^ JIPI. .vt4 ^

V' I

vr^-'^

, i

-ocr page 832-