\\y
XL
HET HEILIGE LAND.
HET HEILIGE LAND.
»-
' r*-
REIS DOOR EGYPTE, PALESTINA EN SYRIÃ
(1101)AAN' EN VKI?11AA 1,1 gt;
gt; VAR 1*1101'. OliKELLl'S âDl UCIl'S HE1LIUE LAM»quot;
UOOU
J. KRAYENBELT,
I'liKDIK ANT UKK XkD. HkHV. (i E.M EKNTK TE RoTTEHJJAM.
Jfii luunii'i'lc unit lift ftiubcrljuia Str ïh'ii. ij mi. Ou-m. Ie lUilltibiim fit uim lift ftiubfi'jirlu'iiliui'j âUliiririuiliflquot; tr Jlftnuuilrm.
ROTTKUDAM. WENK amp; lil UK 11 OF F. I 8 D
BlBLIOTHEfK [JEf? [ UTRECHT. j
':agt;
STOOMDRUKKERIJ D, VAN SUN amp; ZOON â ROTTERDAM.
OPDRACHT
Ik (Ircutij mijn hock oji (ion, dm Lczci'. Ihj dl/ccii. kv( fl aanspraak op mijne erkentelijkheid, onder uuurbehoud dat hij hehoore tot dien krnuj fun lezers, di.e wtitvrlijk lezen en bovendien zij een ermtiij inenseh, die het (/oede wat zijn lt;iod hem aeheidd, blijmoedifi (jeniet, maar toeh zijn pehjrims-ivetj beivandelt met het aani/ezield naar het nieuwe Jerusalem, toetende dat er erna stad is, die fundamenten heeft, wier kunstenaar en bouwmeester Ood is.
En als hij nu op zijn beurt, door het lezen van dit boek, zich ijedronijen (jevoelt, om de stiehtimjen, ten wier profijte deze uit'jave ejesehiedt, op te dra;jen aan Hein die sprak: .,Laat de kinder keus tot Mij komen en verhindert ze niet, want derzulken is het Koninkrijk Gods,quot; dan is de opdracht (jelukk 'aj (jekozen, en reeds ten deele voldaan aan den wensch van
DEN SC1IRIJ VEL'.
âOn/r v«n'li'ii zijn staande in mw imorlcn, n .Iri'iisali'iii!quot;
PrtAl.M 122 : 2. ,,/icl wij «iaan op naar .hTiisalcin.quot;
TiiTAH 18:31.
I N L K 1 D I N G.
âOnze vuoton zijn staande in uwe iKiorton.o.Tci'iisaKMn!quot; Dat is ('(in woon! uit den 122:S,,,n Psalm, een psalm dos verlangens, een heimwoe-licd door David, den koninklijken zanger, gezongen, terwijl de snaren van het speeltuig zijner ziel daarbij meetrilden : (h1 eelio van dat lied wordt door alle eeuwen heen gehoord, het gaat van kind tot kind en van geslacht tot geslacht, liet materialisme van onzen tijd heeft die vuurvlam niet kunnen lilnssrhen, dien zang niet op de lippen kunnen smoren, dat heimwee niet kunnen wegnemen uit het hart, en duizenden hij duizenden zijn er nog die het lied van vroeger dagen, het lied der eeuwen herhalen: âOnze voeten zijn staande in uwe poorten, o Jerusalem!quot;
Van waar dat? 't Is omdat .lerusalem, omdat Palestina zoo innig met de herinneringen uit onze vroegste Jeugd zijn saAmgeweven. Als de gansehe wereld van het kind nog hinnen de vier wanden van do kinderkamer is begrensd, als hij do steden van zijn vaderland, de straten van zijn vaderstad nog niet kont , dan slaan reeds onder de vertellingen zijnor moeder do vleugelen zijnor kinderlijke phantasie
f)
zich uit, eu vliegt hij heen naar dat heerlijk land. waarde aartsvaders en de proleten woonden, waar de Heiland in een kribbe geboren werd en waar Hij stierf aan het kruis! Hot is het eerste land, waar hij zich tluns voelt; daar vindt hij de eerste vreemdelingen , uit de breede menschenwereld, die hem wel eerwaardig en groot, maar toch zoo vriendelijk en vertrouwelijk tegemoet komen. Onvergetelijk blijven die indrukken, ook in latere jaren, als de morgendauw der kindsheid reeds lang is opgetrokken. Zelfs de man, de grijsaard kan ze nog niet. weren, en wil het ook niet.1) Bethlehem en Bcthanie, Nazareth en Jerusalem, Gennésareth en de Doode Zee, Saron met zijn rozen, Jericho met zijn palmen, altemaal namen die niet uit zijn geheugen worden weggewischt, en het heimwee bewaren naar het Heilige Land. En als dan eindelijk de gelegenheid zich aanbiedt, om er nu niet in gedachte, maar vaarUjh' heen te gaan, en zoo de diepste wensch in vervulling zal komen; wat wonder dat men dan met vreugde den pelgrimsstaf opneemt, en de gevaren en moeiten aan zulk een reis verbonden niet tellende, in dankzegging aan eu met hope op God hot reiskleed aantrekt , en het lied des verlangens tot zijn reislied maakt: âMijne voeten zijn staande in uwe poorten, o Jerusalem!quot;
Zoo was het mij in het voorjaar van 'UI, bij mijn eersten tocht, maarniet minder bij mijn tweeden, dit jaar in den aanvang van April ondernomen. Ik had op mijn eerste reis veel, maar niet genoeg gezien; veel, maar niet genoeg genoten; wat mij belang inboezemde, niet genoeg van nabij kunnen beschouwen. Ik was niet lang genoeg op den Olijfberg geweest. Ik had daar wel kunnen bidden â
1
11kiim \nn Dalton, Hriscliildcr nus dcni Orirnt, png. 1(1.
I
maar toch .... nog eenmaal, is liet mogelijk? God mijns levens, is het mogelijk? Ja, nog eenmaal /uilen mijne voeten staan in uwe poorten, o JernsMlcm!
Onder die gedachte kwam ik te Marseille en nam met mijne familie*) plaats op de flirond'', een der prachtige liooten van de âMessageries Marithnes.quot; Mijne vrouw had mij tot Brussel vergezeld, terwijl ik daar, aan het Station du Nord, nog verrast werd door een telegram van mijn vriend Van lt;gt;., die, te laat aan liet lieurs-station te H,otterdam gekomen om afscheid te nemen, langs dien wep,' een liarlclijk vaarwel ons toeriep. Den U'11'quot; April, 's middags 4 uur, lichtte de Girondc het anker en met het schoonste weèr, onder den glimlach des hemels, voeren wij de haven uit. De passagiers Istt- klasse waren weinig in getal, wat ons het voordeel verschafte, dat wij ruime en luchtige hntten konden kiezen, iets wat op een zeereis van ruim vijf dagen niet te versmaden is. liet voordek was vol met lieden van allerlei landaard, meest Arahieren, die onder de hreed iiitgespanuen zeilen hun hedden of dekens hadden gespreid, en op deze meestal dag en nacht onbewegelijk hunne rustige rust genoten. Enkelen speelden kaart, terwijl een tweetal het groote gezelschap amuseerde, door zoo nu en dan een zeer eentonig deuntje op een blikken tluit ten gehoore te brengen. In mandjes en koffertjes hadden zij hun eten hij zich, bestaande in hard brood, radijs, uien, salade, citroenen enz., terwijl een koflieketeltje veelvuldig dienst deed. Arme meuschen ! waar gaan zij heen? 't Zijn moeders met hare kinderen, vaders met hunne geheele familie; zij gaan heen om hun geluk te zoeken. Waar?... Rondwandelende door die zeer vreemde kolonie, zag ik er zoo nu en dan oen, die, op zijn deken gehogen.
*) Mijn 2(le reis naar liet Oosten maakte iU mei mijn zwagiT, «lm Heer A. II. Stkukman, dims vronw, /omi «mi (l(^t;llte),.
8
zijn gebed uitsprak, met het aangeziclit naar het Oosten gekeerd. Hoe gaarne had ik dien man willen aanspreken en tot hem zeggen: Vriend, wat doet gij! Weet gij tot Wien ge gaan moet met uwe nnoden en behoeften? Hoe gaarne had ik hem willen wijzen op dien éónen Middelaar Gods en der menschen, die sprak: âKomt allen tot Mij, gij die vermoeid en beladen zijt, en Ik zal u ruste geven maar de taal was hier een onoverkomelijk bezwaar, en ik gevoelde zoo iets van zendingsijver in mij en. . .beschaming, dat ik niet meer voor de Zending gedaan en gebeden had.
Het weèr bleef intusschen heerlijk: des daags stond de zon aan den hemel, en des avonds dekte ons dat prachtig blauwe koepeldak met sterren bezaaid, en in het midden van deze de maan, door God als wachteresse over die hemelsche groepen gesteld, op wonderbaar schoone wijze haar zilveren licht uitgietende over de zacht kabbelende golven.
Ook de starren hebben hare sprake, en de avondhemel zingt mede in het plechtig koraal tot 's Allerhoogsten lof! Gelukkig de mensch, die een oogenblik stil staan en er naar luisteren mag. â
De vaart door do Straat van Messina beantwoordde geheel aan onze verwachting, en is alleen reeds eene zeereis waard. Omtrent een uur vóór ge de zee-engte binnenkomt, ontwaart ge eilanden met groen en bloemen bedekt, of rotsen van grilligen vorm, door een vriendelijke hand daar als gidsen gesteld, om u den weg te wijzen, dien gij te gaan hebt .... maar ik zal u dat alles niet beschrijven, 't zou mij te ver afvoeren; ook Messina niet, waarlangs wij zóó dicht heen stoomden , dat wij het in zijn volle lengte en breedte, met straten en viaducten, paleizen en tuinen konden overzien. â Dit alleen: 't was overheerlijk,' maar .... nauwlijks was al dat schoon
9
genoten en uit het gezicht, of daav word, gelukkig slechts voor een korten tijd, onze rust gestoord. Mmskhips verhief zich de zee en stond zóó hol, dat ons schip op schrikbarende wijze werd heen en weèr geslingerd, gevolgen nog van een storm, die voor een paar dagen op de Sieiliaansche kust had gewoed. De meeste passagiers, voor zulk een groot van Neptunus ganscli niet ongevoelig, beantwoordden die onverwachte kennismaking op zeer verdachte wijze, bevende en bleek, en verschenen 's middags niet aan den diseh. Maar, zooals ik zeg, die woeligheid duurde slechts enkele uren; aan den avond was alles weer stil, de hemel schoon, de starren fonkelden; adder ons teekende een breedo phosphorische streep de baan, door onzen steamer gevolgd. /.lt;). wees het kompas en de boegspriet naar . . . Egypte.
Mei dank en bede tot Clod begaven wij ons ter ruste.
EGYPTE.
ALEXANDR1Ã.
Reeds vroeg in den morgen waren wij op het dek. Wij naderden de Afrikaansi he kust. Doltljnen speelden om den boeg van onze boot en brachten don eersten welkomstgroet van dit wonderbare werelddeel. Allen tuurden met of zonder binocle naar do gele streep aan don horizont. Eerst kwam de lichttoren in bet gezicht, dan de machtige zuil van Pompejus, dan minarets, paleizen, windmolens, in menigte aan het strand gebouwd, palmengroepen enz. Wij stoomden langzaam op, wachtende op den loods, die reeds met zijn kotter in aantocht was, en spoedig ons ter zijde gekomen, langs de scheepstrap opklom, en van den kapitein het bevel over het vaartuig overnam. Nu nog circa 20 minuten en de G'wonde werpt in de haven van Alexandrië het anker uit.
De verwarring, die op bet oogenblik van aankomst aan boord heerscht, is niet te beschrijven. Mannen, van allerlei kleeding en kleur, klauteren over do verschansing, en geen kofter of valies is veilig voor hunne dienstvaardig-
11
heul. (lij behoeft zelf' niets te dragen, zij zullen het wel voor i'i doen, en zóó vlug, dat zij uwe bagage reeds op den schouder hehben vóór gij er aan denkt, en eer gij dt* loopplank af zijt reeds uit het gezicht zijn verdwenen. Van dii1 vlugheid werd nog eene dame de dupe, die met ons de reis van Marseille gedaan had en ook naar Palestina zou doorgaan, maar hij de landing al haar hagage verloor. En daarom: opgepast! leder hij zijn koffer, en niets afgeven, aan niemand, dan aan den bediende van âCook's Oflieequot;, die den naam van zijne firma op zijne roode tricot draagt, met zijn mannen aan boord komt, uw goed in ontvangst neemt en onder zijn toezicht laat brengen op den omnibus van het beste hótel en zelfs de anders nog al lastige qnaestie met de douanen voor n regelt, zoodat gij niets hebt te doen dan uw pas ter visie gereed te houden.
Zoo was onze ervaring. Dankbaar dat wij weder voet aan wal hadden, en alles tot hiertoe zoo gelukkig was afge-loopen, beklommen wij dan ook het rijtuig en reden naar het hótel âKhédivialquot;, een uitstekend, Europeesch ingericht huis, met goede tafel'en kamers. Natuurlijk vertoefden we daar niet lang, namen slechts eenige oogenblikken om ons wat te verfrlsschen en te verkwikken, en toen de stad in: voor mij om de kennismaking met Alexandria te vernieuwen, voor mijne familie om die bij eersten aanblik te genieten. Maar 't zij men die stad voor het eerst of bij herhaling ziet, om 't even, als men hare poorten binnenkomt en hare straten doorrijdt , treft en boeit zij den reiziger altijd op wonderbare wijze. Wat zonderling, levendig, opgewekt volk; ja, ik zou haast zeggen: welk een menigte van volken! Wij zien op onze wandeling de meest potsierlijk toegetakelde Algiersche vrouwen, spookachtig gekleede quot;Arabieren, Albaneezen in hun veelkleurig kostuum . priesters in hun plechtig gewaad, flegmatieke Turken, om den
12
gitzwarten Nubier niet te vergeten; â en dat woelt en krioelt alles dooreen: een bonte mengeling, waarvan de Westerling zich in het eerst geen rekenschap geven kan. Men vraagt zich af of het hier voortdurend een carnaval is, en staart, aan de Westersche nniforiniteit gewoon, alles met verbazing aan .... Maar verwonder u niet te zeer, mijn lezer, en bedenk dat dit velerlei ook zijn diepere beteekenis heeft. Herinner n. dat wij hier op een middenpunt staan, waar drio werelddeelen elkander ontmoeten. Mier zag de geniale blik van een Auoxanhki; de Guootk het cenirum van een wereldrijk, en het bevel werd uitgevaardigd tot stichting van een wereldstad, een Metropool, die door den vroegtijdigen dood van Ai.kxaxdkk wel nimmer op politiek gehied een wereldoverlieersc.hende macht verkregen, maar op het gebied van wetenschapen ontwikkeling meermalen een woord gesproken heeft, waarnaar de beschaafde wereld luisteren en waarmee zoowel het Westen als het ()oston rekenen moest. Hier zou het brandpunt zijn van waaruit het Helleensche loven in geheel Egypte kou doordringen. âVerstijfd en levenloos als zijne mnnuniën, had Ai.kxanukk het oude rijk der rharaönen gevonden: in Alexandria zou den Griekschen geest een nienwe kweekplaats, een nieuw vaderland bereid worden: die geest zou de banden, waarmede Egypte gehouden lag, losmaken, en den Barbarenstaat aan den Nijl omscheppen tol een levend en werkzaam lid van dat groote (irieksche wereldlijk, welks stichting hij zich als het einddoel van zijne geniale loopbaan had voorgesteld.quot; (Jrootsche gedachte! 't Kwam er niet toe, want Ai.kxandkk stierf; maar toch is Alexandrië eene koningin op het gebied der wetenschap geweest. Was zij niet langen tijd het brandpunt van waaruit het Helleensche leven kon doordringen? Hebben niet daar de stroonhngen van hoogere geestelijke ontwikkeling
13
elkander onfcmoot? Huwde niet daar liet Judaïsme met hot Hellenisme saam? Heeft niet daar het Oude Testament het Grieksche gewaad aangetogen; en van hoe ver reikende gevolgen Is niet de overzetting van Mozes en de Profeten in de wereldtaal geweest!
Reeds in de eerste eeuw na OumsTus vond het Christendom in Alexandrië een vruchtbaren bodem. Volgens Mcsiauus zou niemand minder dan de Evangelist .Mahci s zelf daar de leer van het kruis verkmidigd hebben. Van Rome, waar hij de metgezel van Petrus was geweest, zon hij zich na diens dood naar de hoofdstad van het Nijldal heliben begeven, en daar tot zijn einde gebleven zijn. Een zijner opvolgers, Atuanasius, bekend eu heroemd door zijne formuleering van het dogma van de tlodheid van CuinsTUs, de grootste Christelijke geleerden en denkers, een Cu:mkxs, een üiuoknhs en anderen, hebben te Alexandrië geleefd en gearbeid. Maar die groote lichten zijn ondergegaan. En de plaats waar zij hun glans verspreidden, kent men schier niet meer; der stad, die bestemd was eene koningin te zijn, die een wereldschepter dragen zou, bleet geen enkele beproeving gespaard; stroomen bloeds hebben door hare straten gevloeid; haar bibliotheek, uit 900.UÃU boekrollen bestaande, is verbrand; het Serapeum, do roem en glorie van OiubEgypte, is opgegaan in de vlammen; het meetsnoer der verwoesting is over Alexandrië in hare volle lengte en breedte heengetrokken, en terecht heeft men haar vergeleken bij een arme, verlatene weeze, wie van alles wat haai' vader bezeten had, niets meer restte dan zijn beroemden naam. Slechts één hooge zuil, staande op het plateau, dat eens het Serapeum met zijn blinkende linnen droeg, ziedaar al wat nog bleef. Maar die éóne zuil staat daar als een grafnaald op een uitgestrekt kerkhof en roept met luide stem: âalle vleesch is als gras en allo
14
heerlijkheid des memel ion als een bloem des velds; het gras verdort, de bloem valt af, maar het Woord Gods blijft tot iu eeuwigheid.quot; 't Is do Pompeüs-zuil, niet ter eere van den bekenden, bij zijne landing in Egypte vermoorden Pomi'küs , maar een gedenkteeken voor keizer Dioclktiaxüs, opgericht door een Romeinscheu profeot, Pompküs genaamd, een prachtige slanke monolith van rood graniet, nit Boven-Egypte. Ze staat op een heuvel vanwaar men het heerlijkst uitzicht over de haven geniet; maar op den heuvel zclt' staan slechts ellendige hutten van klei gebouwd, en in do onmiddellijke nabijheid vindt mon een vervallen Mohanunedaansch kerkhof; en dat is dan de plek van den eens zoo beroemden tempel dei' Heiden-wereld: het prachtgebouw van het Oude Alexandriö, de roem van den Orient!
Maar wie slechts één dag in Alexandriö vertoeft, heeft gee;i tijd om aan zulke overpeinzingen den vrijen loop te laten. Hij wil de nieuwe stad zien, in onze eeuw als een pluenix uit hare assche verrezen. Hij wil naar de nieuwe haven, waar op de schepen de vlaggen wapperen van verschillende natiën. Hij moet in het Franken-kwartier het metalen ruiterbeeld zien, ter eere van den man die zulk een ganschen ommekeer ten goede in het Nijldal hoeft teweeggebracht; en dan de poort van Rosette uit naar het kanaal! Daarom spoedig een wandeling door de stad, die op den reiziger, die voor het eerst in het Oosten komt, door hare moskeeën, talrijke minarets, en haren lt; )osterschen plantengn iel een verrassenden indruk moet maken. Hiei1 ontmoet u een rijt uig, Enropeesch model, dour een zwarten koetsier bestuurd, metroode fez op het hoofd; daar prijst u een ezeljongen zijn langoor aan, met een ijver den besten pikeur waardig. Hier
15
de waterdrager in zijn langen blauwen kiel, blootsvoets, en niet de aan gindsclic. bron gevulde kalfsliuid up den rug, en daar de Turksche vrouw, op zorgvuldige wijze gesluierd en door haren knecht als oen scbaduw gevolgd, 't Is alles vreemd voor u; ieder oogenblik staat ge op uw wandeling stil; en toch vindt ge hier nog niet het type van het ()ostersehe leven. In hot Noordelijk en Westelijk deel der stad, waar meest Turken wonen, moogt ge er iets van bemerken, maar 't is toch het ware niet, 't is reeds te veel Europeesdi en niet het minst in het Franken-kwaitier met zijne breede straten en iileinen, winkels en tuinen, fonteinen en muziektempels. Eerst komen wij dan op het groote plein Méhémet-Ali, rechts en links door praeht-gebonwen en waterwerken omgeven, en in het midden van deze, op een marmeren voetstuk, het metalen standbeeld, elf meter hoog, van MonAMMKD-Au , den man, dit; met behulp van Pransehe ingenieurs een scheepvaart-kanaal liet graven, het Mahmoedijeh-kanaal genoemd, dat in een wijden halven boog het Edkoo-meer omspant, Alexandria in directe verbinding brengt met den NijI, de tuinen en landerijen rondom de stad van water voorziet, en voor den handel van de hoogste waarde is; het is ;]() Meter breed, (gt; Meter diep, 88 K.M. lang, en de hoofdvaart te noemen van dat ontzaglijke net van kanalen, dat naar alle zijden door de Delta heenstroomt. Aan dat kanaal had Alexandriö weder zijn nieuwen bloei en welvaart te danken. *)
Van het Méhómet-Ali-plein zetten wij onze wandeling voort, door do grootste en breedste straal der stad, Hm et-Tin, dan naar het paleis van den Khédive, niet zeer interessant; vervolgens de vestingwerken, die nog ten deele in puin liggen, herinnering aan tie jammerlijke episode
') /.ie uvlt uinl uii niouw Aloxmiiliiö: ICnicns' âl'^y|ilc.
1()
van 1882, toen Alexandriö door de En^t'lsclion gebombardeerd werd, tengevolge van een opstand der nationale partij onder Arabi-Parba. .luist bier in de nabijbeid is tie vuurtoren, dragende een rood-wit, draaiend licht, 55 meter boog, en op een afstand van 30 kilometer zichtbaar. Nu keeren wij terug, gaan langs eenige zijstraten van den hoofdweg af, om enkele bazaars te zien, die, het moet gezegd, wat reinheid en zindelijkheid betreft, werkelijk een goeden indruk maakten; frisch zagen de groenten en vruchten er uit; en evenals bij ons droeg ook het vleesch een merk van keur, waaraan het onderworpen is. â Wat op onze wandeling ons pijnlijk aandeed, was de mishandeling der dieren. Maar daarover spreek ik nu niet, wellicht later, als ik u zal uitnoodigen om eene afdeeling van de dierenbescherming naar Egypte over te brengen. Misschien vindt ge dan wel een vriend of vriendin, 't zij hier of te Cairo, die zulk een taak op zich nemen wil. Maar dat dan later. Voor ditmaal terug naar het hotel, ons verkwikt aan een goeden lunch, en dan in twee nette rijtuigen naar buiten, de stad uit, naar het beroemde kanaal.
't Was prachtig weder, niet al te warm. Een zachte koelte bewoog de breede blaren dor palmen, die op menigen plek een aangename schaduw gaven. Spoedig bereikten wij het doel van onzen tocht. Op het kanaal zagen wij, naast zwaar beladen schuiten of sleepbootjes, zooals bij ons op de Maas, ook pleiziervaartuigen met breed uitgespannen tent en van helder witte zeilen voorzien. Langs het kanaal loopt een zeer goede rijweg, aan welke villa's en paleizen gebouwd zijn, zooals ze in Europa niet schooner gevonden worden, toebehoorende aan den Khédive, of aan een lid van zijne familie, of aan den een of anderen Pacha, of rijken Egyptenaar. Op het buitenverblijf genaamd âOinénet en Nusschaquot; werden wij toegelaten. Wat weelderige planten-
17
groei, dien wij daar moesten bewonderen! daar al het schoon van rozen en bloemen, in de meest verschillende klenren, zooals alleen het Oosten die biedt. Alle soorten van acacia's, bamboe-striiikeu, pisang-planten, cactussen 3 a 4 meter hoog, enz. â Niet minder bekoorlijk was het op het buiten van den rijken Griek An toni ad ks, met een aanleg van paden en perken, //gt;6 schoon als in den sierlijksten Engelsdien hof. Let vooral op de veelkleurige slingerplanten, en vergeet niet de pas ontdekte Katakombe binnen te gaan, waar ge urnen tm vazen vindt van het vreemdst model, zeer goed bewaard, die u reeds een voorsmaak geven van wat ge to Cairo in het groote museum volop genieten zult. En zoo is hot tuin aan tuin, villa aan villa. Maar zio nu eens naar de overzijde van het kanaal! .... O bittere ironie! hier de rijkdom, de weelde van hot Oosten, daar de jammerlijk ellendige hutten van de arme fallah's; hutton als groote dobbel-stoenen, uit slijk en slib tezaamgeperst en aan elkander gelijmd, zonder venster, zonder schoorsteen, zonder eenig ameublement; on in die holon, want anders zijn het niet, vrouwen in lompen gehuld, kinderen half naakt, zich wentelende in hot slijk of, in hot boste geval, spelende mot een geit, do eonigo bezitting der familie, terwijl do man op hot veld zijn arbeid verricht, onder het weinig bemoedigend vopruitzicht dat hot met hem en do zijnen nooit anders worden zal, zoolang onder hot ellendig Egyptisch bestuur do bevolking, voornamelijk de fallahin, do boeren, tot don laatsten droppel worden iiitgezogen. Inderdaad, in do steden moge het anders zijn, op hot land wordt, helaas! nog maar weinig van Engelschen invloed gezien, en hoe lang zijn do Engelschen er nu al niet?
Wij reden weder terug naar de stad, kwamen voorbij hot Duitscho hospitaal, dat in Alexandrië op gezegende wijze
18
werkt en als do Samaritaan olio en wijn in voler wondon giot; passeerden een torroin waar, onder do leiding van Engclsclu! ondcrot'licicron, vulkssprlon werden gegeven, door een grooto menigte bijgewoond; gingen langs verscliillendo moskeeën, maar zagen ook en dat doet, als men in don vreemde toeft, liet Christenhart zoo good â do kerk mot hot kruis. De Egyptische Onderkoningen, hot zij tot hun no oor gezegd, hebben de Christenen van verschillende geloofsbelijdenissen in de uitoefening van hunnon oerodionst volstrekt niet belemmerd; de Roomschon hebben in Aloxandriö zelfs een kerk, gebouwd opeen stuk groiKl,hun door Mohammed Au afgestaan. Ook dor Duitsch Evangolische gemeente viol dat geluk ton doel. Kopten en Grieken hebben hunne heiligdommen, en de Joden liinine plaats van samenkomst. Alles goeden wol: godsdienstvrijheid is oen eerste voreischto. Daarvoor hebben onze vaderen gestreden! Onze Willem de Zwijoeh schreef die leuze tot verbazing van allo volken van Europa in zijn banier. Maar toch dachten wij bij het vernomen en zien van al dat goede aan hot heerlijk lied van Schaiïp, en maakten hot tot onze bede:
O machtige Evangoliuwoorden !
Spoedt heerlijk voort en overwint;
Och, dat u allo volkren hoorden,
Zoo ver men immer volkren vindt.
Bekroon Uw werk, o grooto Koning,
Uw zachte schepter hoorsche alom.
Zoo worde eens aller hart Uw woning En heel deze aarde Uw heiligdom!
't Was reeds donker toen wij in ons hotel terugkwamen. We schreven nog een paar brieven, maakten aanteekeningen van wat wij hadden gehoord on gozien, gebruikten ons avondbrood en begaven ons daarna tor ruste, om den volgenden morgen per sneltrein naar Caïro te vertrekken.
CAIRO.
Wij WH rei i 's morgens bijtijds aan hut station on nainuii plaats naar Cairo. J)o tocht duurt bijna vier uron en is zeer intoivssant. Eerst stoomt men langs het palcis van den Onderkoning, dan volgt spoedig ter rechter-zijde der baan het meer Mareotis, eens beroemd en door Komeinscho dichters bezongen om den geurigen wijn, die aan zijn oevers wast, dan tor linker het meer Aboe-Kir; ellendige dorpen en eenvoudige steden wisselen elkander achtereenvolgens al'. Na eenigo minuten stoomens passeert de trein het kanaal, en dan over een lange ijzeren brug den westelijken arm van âVader Nijl,quot; om liet gevleugelde woord van Ukkodotus te gebruiken; straks bij Benha, de Honingstatl, den oostelijken, die bij Damiette in zee uitloopt. De waterstand was zeer laag, circa '2') centimeter boven het minimum. Na dien laagsten stand begint de rivier weèr te klimmen, wat thans evenals voor 4UÃ0 jaren met vreugde wordt begroet. Zooals bekend is, hangt de vruchtbaarheid van den bodem af van de hoogte waartoe het Nijlwater wast. Plinius (*) zegt: âHet normale peil bedraagt lb meter. i3ij een lageren waterstand wordt niet al het land genoegzaam overstroumd ; bij oen hoogeren duurt het wegzakken van het water te lang, zoodat er te weinig tijd tot zaaien overblijft. In beide gevallen is dus de landman in zorg. Bij een stand var, 12 meter is ei' hongersnood, bij 13 is er ook nog gebrek, 14 nieter brengen v rooi ijk beid, 15 zorgeloosheid en 1(5 de hoogste vreugd.quot;
i*l Hist. Nat. V, 57, u8.
20
Daar nu van don Nijl het leven en de rijkdom van liet land afhangt, zoo is het licht to begrijpen dat de oude Egyptenaren den Nijl vergoodden, en do Nijlmeter in do mythologie een hooge hoteokenis hooft. Eon van do verheven lofzangen tor oere van don Nijl gezongen, luidt, volgons de vertaling van Prof. Dümichbn:
âAanbidding voor U, o Nijl!
âGij, die U in dit land hebt geopenbaard, in vrede komend, om Egypte ten loven te wekken. Verborgene, die brengt wat duister is aan hot licht, zooals hot mv wil steeds behaagt. Dio do door den Zonnegod geschapen akkers met water besproeit, om do geheele dierenwereld te voeden, gij zijt hot die hot land overal drenkt, gij de vriend van het brood, do weldadige gever dos koorns.quot;
Zulke liederen werden in vroegere dagen gezongen op het âfeost dos druppols.quot; Mon meende n.1. dat in een geheim-zinnigen nacht uit de rousachtigo drinkschaal eens Aartsengels een druppol waters op aarde viel, juist boven do plaats waar de Nijl zijn loop begint, on waar nog nooit oen menschenvoot was doorgedrongen. Dan vloeit, zoo werd verhaald, die druppel, van onmoetbaron omvang natuurlijk, langzaam naar beneden, naar hot land waar do monschen wonen, overstroomt de akkers, en laat, als hij straks weer wegvloeit, eon slib achter, dat de hoogste mate van vruchtbaarheid schenkt.. â Dio feestviering had plaats op de helft van Juni, en ook nu nog is er op don 17de11 dier maand jubel in het gansche land; dan wordt do nacht wakende doorgobraclit, hetzij op de platte daken der huizon onder muziek en gezang, of aan den oever van don Nijl, onder de palmen. Men schopt in dien heiligen nacht water uit do rivier, en schrijft er een zekere genezende kracht aan toe. Do oude Nijlmeter op hot eiland Roda bij Cairo wordt met bloomen om-
21
kranst, en in do Moskeeën bidt de priester om den âZogen des druppels.quot;
Maar al heeft ook Vader Nijl zijn plicht gedaan en aanvankelijk vreugde gegoven, in oen land waar do regen zeldzaam is, moeten van tijd tot tijd do akkers besproeid, en de honger gelegen streken, die de Nijl niet bereikt, kunstmatig bevloeid worden. In den Bijbel leest men do belofte: âwant het land, waar gij naar toe gaat, is niet als Egypteland, vanwaar gij uitgegaan zijt; hetwelk gij bezaaidet met uw zaad, en howaterdel. met uwen gang, als een kruidhof; maar hot land waarheen gij overtrekt . . . drinkt water bij den regen des hemels. (1) In Egypte zingt men niet: Uit de wolken komt de zegen; en daarom moet do menschonhand het wat/.T over den akker brengen. Ik heb driorrlci wijze van besproeiing gezien; vooreerst do meest primitieve: 2 mannen, die eon korf van biezen* gevlochten en goed belijmd (2) in do rivier dompelen, dan optrekken met een touw, en uitstorten in oen goot, die van den hoogon oever landwaarts in naar beneden loopt. Arme fallabin! die aan die zware taak van den morgen tot don avond bezig zijn, en schier niet merken dat zij vooruitgaan! Maar dan ook, en dat is al voel beter, geschiedt datzelfde werk door oen hevel, met twee armen: aan don eenon hangt men oen aarden kruik of mand, op den anderen ligt een zware steen, dit1 de gevulde kruik in de hoogte heft; één fallah kan dan den arbeid verrichten. Of ook geschiedt do besproeiing door oen rad , dat onophoudelijk door oen buffel, kameel, of een paar ezels rondgedraaid wordt. Een enkele maal zag ik een stoommachine aan den oever, maar dat is zeker wel
1
Douleronomimn XI : 10, 1 1.
2
Exodus 2 : li.
bij een zeer rijken boer geweest, een man die in een huis woont, versierd niet tegels van klei, in de zon gedroogd; of bij een dorpshoofd, tegen wien ieder, o! zon opziet, en die een woning heeft van gebakken tichelsteenen.
Toon wij het Nijidal met den trein doorreden, was men nog ijverig aan het ploegen. De ploeg is niet meer zoo primitief als men op oude gedenkt eekenen ziet, maar meer omgewerkt naar Europeesch model, en wordt in den regel door 2 ossen getrokken, 'k Heb ook gezien dat een kameel naast een os gespannen was, wat zeker den IsraOliet een gruwel zou geweest zijn, daar zijn wet (1) reeds het saamgaan onder hetzelfde juk van os en ezel verbiedt, niet alleen omdat de ongelijke kracht en ongelijke tred der dieren den arbeid dubbel zwaar maakt, maar ook omdat het volk des Hoeren, die een God van orde is, geroepen was zorg te dragen , dat het ongelijksoortige zich niet vermengen zou.
Aan do stations, waar zwarten, bruinen en blanken de reizigers opwachten, werden dadels, bananen, mandarijnen, vijgen, suikerriet, chinaasappelen enz. te koop aangeboden, alsmede poreuze kruikjes, met water gevuld en met een groen blad gedekt om het water kool te houden; nu, het is waarlijk koel, en den reiziger, die misschien reeds 2 of 3 uren in een warme, stoffige coupé heeft gezeten en wiens tong soms aan zijn gehemelte kleeft, wel aan te bevelen.
Op den tocht naar Cairo loopt langs de spoorbaan, nu eens links dan rechts, een veldweg van 3 meter breedte, die soms schilderachtige groepen te aanschouwen geeft en aan beelden uit den Bijbel herinnert. Nu eens een aantal mannen, met lange staven in de hand, en voor
1
Doulomnomium 22: Kt.
23
hen uit ecnigo c/cls met knnnizakkcn beladen, â denk aan de zonen van Jacob; â en dan weder de bekende groep: de vluchtende Makma met het .1 k/.rsddnd en Jo/kf zoo rustig voor den ezel uitgaande. Hoe dichter men bij de hoofdstad komt, hoe drukker het wordt. Talrijker worden de lastdieren, die, frisch groen, gras en klaver dragende, u tegenkomen; rijen van ezels en kameelen wisselen elkander at', terwijl de ruiters, die de laatste berijden, âvcri'i' ('inliiifj compliiticnr' maken. Soms ook zijn de kemels zoo hoog met rijshout beladen, dat ze als wandelende houthoopen daarheen kruipen.
Maar wat menigte van verrassingen als ge zoo aanstonds aan het station te Cairo zult zijn afgestapt, en een elegante omnibus, met 3 paarden bespannen , u in vliegenden galop brengt naar het oven elegante âShepheard'squot; hotel, gelegen in het midden der stad en aan alle eischen van comfort beantwoordende. Aan den ingang een ruim en breed terras, met wit marmer bekleed en op oostersche wijze met gekleurd linnen overspannen: dan een vestibule, op Egyptische zuilen rustende en gemeubeld in oud-Egyptischen stijl, zóó schoon, dat ge n in den tijd der Pharao's zoudt terugdenken, ware het niet dat de eetzaal, waarin de tafels aan drie rijen zijn geplaatst en die keurig met groen en bloemen versierd en van electrisch licht voorzien is, er n aan herinnert, dat go in later eeuw zijt geboren dan die waarvan sphinx of pyramide getuigen. Maar hebt ge u in uw ruime, luchtige slaapkamer, door een beUvfden kellner u gewezen , verfrischt, heeft de spoorrit u niet al te zeer vermoeid, hebt ge uw lunch gebruikt, dan stel ik u vooreen rijtuig te nemen en ter oriënteering een rit door de stad te doen. Vlak in de nabijheid van het hotel staande koetsiers gereed; de portier wenkt maar even en aanstonds wordt aan
24
uw wonscli voldaan. Maar vóór wij wegrijden zal ik zoo vrij zijn den âbruinen man op don bokquot; te beduiden, dat zijn bachschiscli (drinkgeld, fooi) grooter zal zijn, naarmate hij de paarden miudor slaat; doen wij dat niet, dan is do zweep geen oogenblik in rust! We gaan dan van ons hotel langs hot prachtig aangelegde park Esbekye naar do .Muski, don hartader van verkeer en handel. Hier is de hoofdstraat, niet zeer breed, maar met huizen tamelijk hoog en daardoor schaduwrijk en kool; de eerste étage van het huis is aan de straatzijde meest door een winkel ingenomen, die zonder deur of venster den ganschen dag openstaat ; de verkooper zit op de toonbank, met de béenen onder het lijf zijn pijp rookendé, koffie drinkende of zijn Koran lezende, en kan soms uren lang met stoïcynsche onvorschilligheid do voorbijgangers gadeslaan. Op zijn schild of uithangbord staat, indien hij een Mohammedaan is, niet zelden een spreuk uit den Koran, of een aanhef van een gebed, b.v.: âJa fetachquot;, âO gij die opent,quot; daar God het is, die de voorraadkameren tot onderhoud van hot leven ontsluit. Tot don stijl dor Caïrosche huizen behoort ook het vooruitspringende venster, maar zóó goed van traliewerk voorzien, dat het onmogelijk is' den blik naar binnen te slaan. Boven de huisdeur is niet zelden een spreuk of lofwerk aangebracht, alsook op dén klopper. â Maar voor ik verder ga en iets uit mijn dagboek overneem, wil ik n even wijzen op dien wagen vol Egyptische vrouwen, die naar een kerkhof gaan. Zonderling! Een Mohammedaansche vrouw heeft bijna geene godsdienstplichten te vervullen; terwijl de man geroepen is dagelijks zijn gebeden uit te spreken , en de moskee te bezoeken als de priester van de minaret oproept tot het gebed, wordt er op de vrouw minder gelet; slechts één privilege beeft ze, n.1.;
11
Pf)
CJU
op een bepaalden dag in do week naar hot kerkhof te mogon rijden, on daar mot andorc vrouwen te praten, to bidden on te blijven tot aan zonsmulorgang. Wonderlijk, niet waar? - Nu rijden wij het oudo Caïro door, gelukkig zonder op do slechte straat oon ongeluk to krijgen, en komen door do dicht opoengohoopto monlgte zonder moeite heen. In het nieuwe god col to dor stad ziet bot er beter uit; prachtige huizen, breedc straten, ruime pleinen, heerlijke lanen met schaduwrijke boomen beplant, en dan buiten Caïro wat goed geplaveide wegen! wat geurig en veelkleurig plantsoen! 't Is hier Baden-Baden in 't groot, met dien verstande ovenwol, dat al wat ge ziet Oostersch getint is, on juist daardoor zoo schoon! Het paleis van den Khedive is niet een Europecsch paleis, de kazerne der Engelsche soldaten is niet zooals te Londen, het huis van dien edelman mot zijn lichte en luchtige warande on rood linnen tent in den tuin, is niet zooals bij ons; â alles doet u gevoelen dat ge in het Oosten zijt.
Wij hebben een langen rit gedaan, door het oude en nieuwe Caïro en de Schubra-alloe. Heerlijk! Een oogenblik werd onze aandacht van het daar bij uitnemendheid schoone plantsoen afgeleid door ecu rijtuig, waarin een rijk gegalonoerd Heer gezeten was; voor dit rijtuig uit gingen twee Saïs, voorloopers, rijk gekleed, dragende korte vesten, mot gouddraad gestikt of geborduurd; op hot zwarte kroeshaar een roode muts mot zwaren, langen, zijden kwast die over do schouders slingert; uit de breed omzoomde mouwen van een onderkleed komen do bruine gespierde armen ; een gekleurde dook, om 't middel geslagen, houdt een zoor wijde, witte broek op, die tot op de knieën reikt; in do hand een lange staf, en zóó loopon zij blootsvoets voor de equipages dor aanzien-
lijken, zonder moede te worden, al rennen de paarden ook voort in den snelsten draf.
Nu naar de Derwiselien, die heden middag (Vrijdag) ten 3 ure zich laten honren en zien, in een afgelegen kloosterachtig gebouw: de Moskee Kasr cl Ain. Nog hijtijds komen wij er aan, om hunne gchcclc oefening hij tiMvonen. I'jt'it priester brengt ons door oen ietwat geheimzinnige gang ineen rotonde, aan welker witte wanden eenige oude wapentuigen en een oud groen vaandel niet rooden rand hangen ; op den grond liggen matten van stroo, en in de richting naar Mekka eenige vachten, bovendien groote tamboorijns en andere nmziekinstrumenten. Hier en daar staan stoelen waarop de toesc,houwers plaats kunnen nemen, natuurlijk tegen betaling van een behoorlijk bachschisch. Nu treedt eerst de âvoorbidderquot; op, omhangen met een lang zwart kleed, dat wel iets deftigs heeft. Op de ernstigste wijze buigt hij zich op de vachten neder, staat dan weder op, breidt de handen uit naar den hemel, legt ze dan weder kruiselings over de borst, en blijft zoo eenige minuten in stil gebed. Dan zot hij zich neèr niet de beenen onder het lijf, gevolgd door zooveel Derwiselien als er aanwezig zijn, die, na den voorbidder de handen te hebben gekust, op de stroomatten plaats nemen.
Links van dezen zit de voorzanger, een man met een stem die onuitstaanbaar is. De voorbidder zegt nu eenige zinsneden uit den Koran op, waarna allen te zamen antwoorden: âAllah Tayib hna,quot; Allah is goed. Ontelbare malen worden die woorden luid schreeuwende herhaald, gepaard met de onmogelijkste lichaamsbewegingen. Men buigt zich nu voor- en dan achterwaarts, nu links, dan rechts, en dat met een vlugheid en gemakkelijkheid den besten turner waardig, en altijd onder het uitspreken dier 8 Arabische woorden. lutusschen komt een dansende Derwisch, in hot
wit sokleed, midden in den kring on draait zich mot onbegrijpelijke vlugheid om, do armen uitgebreid hondondo, terwijl de eone hand naar boxen, de andere naar benoden is gekeerd; zoo gaat hot nu minstons 20 minuten, maar dan wordt liet tempo sneller, de bewoging dieper, het geschreeuw luider, dat ten slotte in een akelig steunen of bulken overgaat. Ik zag Derwischon met loshangondo baren van ruim oen meter lang, die als waanzinnig zich heen en weer slingerden, terwijl hot zweet hen van hot gelaat gutste, dat nu eens zichtbaar, dan weder door die vliegende haren als met een sluier overdekt was. Er was iets vreeselijks, iets demonisch in. Ouden van dagen namen het lichter op, en vergenoegden zich met zachter beweging en toon. Maar hot geheel maakte een indruk of men in een krankzinnigen-gesticht was. Wij werden zelfs duizelig alleen van hot zien, en het verbaasde ons dat die menschon niet bewusteloos togen elkander vielen of in hunne vreesol ijke opgewondenheid de wapens van den wand namen om âdo Christenhondenquot; aan te vallen! Hot laatste is evenwel nooit gebeurd; hot eerste wel. Maar dan wordt onder het geluid van trommel en tamboerijn een einde gemaakt aan hot vreoselijke spel. Bij hot verlaten van hot lokaal staat een Derwisch aan do deur om een bachschisch; en meent ge soms hom te beleedigen door geld to geven, dan houdt oen ander u togen, totdat ge zijne mooning verstaat en uw povtomonnaie te voorschijn haalt. In don zomer houden de Derwischon hunne oefeningen niet in oen besloten lokaal, maar onder oen grooto, open tent, van boven met bladeren gedekt, en clan liefst 's avonds, 't Zou dan ook mot eone warmte, zooals die in Egypte heorscht, waarlijk niet om te doen zijn; zelfs de fanatiekste Derwisch hield hot niet uit.
En nu naar het hotel! Ja, maar mot uw verlof, niet
28
al to vlug, want nog eon kloino verrassing wacht u. Als wij eenigo straten doorgerodon , komt u een Moliam-medaanschc bruiloftsstoet tcgon, met een voorlooper, die zijn langen staf zeer behendig boven het hoofd zwaait en aanhoudend ruimte zoekt te maken, door nu eens te roepen: âSchemAlak ja weledquot;, d. i.: links, kind! pas op, of dan weder te waarschuwen: âleminak ja chammarquot;, pas op, ezeldrijver, rechts! of dan weder: âala riglak ja bintquot;, meisje, pas op uwe voeten! Dan komt er een troep muzikanten met trommel en fluit, gevolgd door eenige kameelen; de eerste is beladen met de geschenken, liet hnwelijkspaar aangeboden, do daaropvolgende heeft de eer de jeugdige bruid te dragen, gezeten onder een veelkleurig baldakijn en in dichte sluiers gehuld, terwijl op de andere de vrouwen en meisjes, die do bruid als speelnooten op het festijn verzeilen zullen, al schommelende den trein volgen; de vrienden van den bruidegom sluiten al schietende en schreeuwende den troep. Bij een andere gelegenheid ontmoette ik eveneens een bruiloftsstoet, waarvan de bruid in een goed gesloten rijtuig zat, en de dames in draagkoetsjes naar den harem van den bruidegom gebracht werden, maar ook toen ontbrak de schrille, dikwerf' onwelluidende, meestal eentonige feestmuziek niet.
Maar nu wordt het tijd dat wij naar het hotel gaan! Wij dachten slechts een korten rit ter oriënteering te doen, en reeds hebben wij zooveel gezien, gehoord en genoten!
't Is een heerlijke dag geweest!
Pe fYRAMlDEN,
âNaar de Pyramiden!quot; is het wachtwoord; de gids zal voor de rijtuigen zorgen. Heerlijk, nietwaar? dat men in een land als Egypte bij zulke excursion nooit het weerglas
29
behoeft te raadplegen. Met zeldzame uitzondering is het hier immer zonneschijn. Hoe gansch anders in ons land, waar liet weer sums bij het uur verandert, en het voor den reiziger wel noodig is een zak-harometer hij zich te dragen.
Reeds vroeg zijn wij op, de rijtuigen komen voor, en langs een uitmuntenden weg rollen wij heen naar gindsche spitse hergen, die reeds zoo lang onze aandacht liehhen geboeid, naar welke wij reeds voorjaren hebben uitgezien â de Pyramiden.
Wij komen voorbij een paleis, dat door den Khedive voor een zijner zonen was in orde gebracht, maar naderhand afgestaan aan het groote Rijksmuseum, waar wij straks hopen binnen te gaan. 't Is namelijk de gewoonte in het Oosten, dat iedere Vorst voor een prins van den bloede een nieuw paleis bouwt, üm de oude bekommert men zich niet, die laat men vervallen, al zijn ze ook nog zoo schoon, daar het ontbreekt aan allen historischen zin. Ik heb natuurlijk in Egypte ook zien bouwen, maar dan trok het mijn aandacht, dat ik onder de metselaars, â die een langen blauwen kiel, een ontzaglijk wijde broek, zoo iets als onze Urker-visschers dragen, maar van veel dunner stof, en blootsvoets gaan, - ook een aantal vrouwen bezig zag met het metselwerk. Mij dunkt, dat de trouwelooze Pharao, die ten tijde van Mozks leefde en het bevel gaf om de IsraOlietische jongens te dooden, maar de meisjes in het leven te laten, (1) niet de bedoeling gehad heeft die allen als hnis-slavinnen te gebruiken, maar haar ook wel degelijk hij dergelijken handenarbeid in zijn dienst heelt gesteld. Hoeveel handen zulk een Egyptische heerscher wel noodig had om zijn roem te verhoogen, daarvan zullen wij zoo
1
kxckuis 1 ; 2'2.
30
aanstonds oen sterk bewijs voor oog'en zien, namelijk de Pyramiden.
Nadat men de groote, ijzeren brug, die over den Niji voert, is gepasseerd en het dorp tiiseli ter zijde heeft laten liggen, komt men in eon lango, rijk beschaduwde allee, ter eero van keizerin Eüciénie tijdons de opening van het Snez-kanaal aangelegd, dio u regelrecht naar de reuzen van vroeger eeuwen voert. We komen al nader en dichter, de straat begint te stijgen. Onze koetsier gunt de paarden een oogenblik rust, en dan gaat het ventre-a-terre naar het terras, dat 40 meter boven do dalvlakte ligt.
Daar was vroeger de begraafplaats van de residentie Memphis, üp het hooggelegon rots-plateau meende men de lijken 'tbest bewaard en beschermd tegen de overstrooming van den Nijl. Maar om zo ook te beschutten tegen het zand, door den woestijnwind opgejaagd, waren gebouwen noodig; en zie! monumonton verrezen, reusachtige graf-teokenen, waarvan do ontzaglijkste zijn de grafkamers der koningen â do Pyramiden.
Zij hebben voor hot uitwendige niets aantrekkelijks, die rechtlijnige bergkegels, maar nochtans zijn zo van ernstige boteekonis. Hot is, als had hier aan den rand der wojstijn, in hot aangezicht van den alles verslindenden dood, de monsch al zijn vorstand tot het uiterste gescherpt, om iets te bedenken, waardoor hij zich, in spijt van alle machten der verwoesting, vereeuwigen zou. De vorm zelf der Pyramiden geeft den indruk van ongenaakbaarheid en zegt: âRaak mij niet aan.quot; Eeuwen lang zag men geen ingang, geen opening, sl.rhts scherpe kanten, gladde schuine wanden, nitloopendo in een spits, die niet te bereiken was; en had niet de marmerbekleeding der grootste Pyramide losgolaton, dan zou men er ook nu nog niet toe gekomen zijn, om er tegen op te klimmen.
81
dan wist mm ook nu no^ van lid binnenste niets, Wat wilskracht, waarvan deze gevaarten getuigenis geven! Wat nauwkeurige metingen en gecompliceerde berekeningen hebben er toe behoord, om deze kolossen to bouwen! Wat techniek was er noodig, om rotsblokken van zulk een lengte en breedte heen te voeren naar dit plateau!
Wij stonden eerst eenige oogenblikken zwijgend voor deze getuigen van de monsterd-crachten van vroege ren tijd, reeds door Herodotus, den vader der historie, als een curiosum bewonderd. Wat moet er bij een AiuiAuam, een Jozkf, een Mozks zijn omgegaan, toen zij voor de eerste maal deze massieve graftunnels aanschouwden?
Men heeft liet opmerkelijk gevonden, dat nergens in den 1 i ij bel van de l'yrainiden gesproken wordt. Maar men bedenke wel, dat zij reeds bestonden tijdens het Israëlietische Volk in Egypte was, en er alzoo voor Mozks niet aanstonds aanleiding kon zijn om er melding van te maken; en ook dat de profeten ze uit eigen aanschouwing niet kenden. Misschien is het mogelijk dat in het boek -lojs or op gedoeld wordt, hoofdst. 8: L'J â14, als daar staat: âWant nu zou ik nederliggen en stil zijn; ik zou slapen, dan zou voor mij rust wezen: met de Koningen en Raaihheeren der aarde, die voo)' zich. woeste plaatsen hchonicden,quot; Hnkelo Schriftverklaarders moenen dat deze laatste woorden op de Pyramiden zien. Prof. Ewald wil zelfs lezen: âdie voor zich Pyramiden bouwden,quot; maar dat is mijns bedunkens wel wat sterk, al moet ook worden erkend dat de uitdrukking bij Job er eenige aanleiding toe geeft.
Maar het wordt tijd dat wij de handen onzer âpijui-gersquot; aanvatten, willen wij clmi privilegie genieten boven de grootste mannen der oudheid, n.l.:om op het hoogste punt der hoogste Pyramide te staan. Met den Schoich, hot ho)fd der Bodouïnen, wordt onderhandeld en liefgetal
32
onzer gidsen en de prijs bepaald. Drie gespierde zonen der woestijn zullen als beschermengelen een ieder van ons vergezellen. Met stevigen greep vatten zij onze handen en ... . de storm begint. Wij lichten de voeten op, zoo hoog wij maar kunnen, want bijna iedere steen dien wij op moeten is 3/4 meter. Soms moet de knie ook mee dienst doen. Gelukkig brokkelt van dit muurwerk, dat naar het geloof der Arabieren de geesten uit de onderwereld gebouwd hebben, geen stukje af, en onze geleiders maken het ons ook niet lastig; als wij een paar maal rusten moeten, wel zeker! onze Bedouïnen noodigen ons er zelf toe uit, en spraakzaam als zij zijn, vragen zij ons dan in ietwat gebroken Fransch of Engelsch, waar we wonen, of wc kooplieden zijn, enz., totdat de conversatie met hen uitloopt op dc pyramidale spits der bachschiscii-bedelarij. Intnsschen klinnnen wij al honger; de mensclien zijn als mieren geworden, en nog ligt een goed deel boven ons. Nu eerst bemerken wij, wat wij beneden niet zagen, dat de bouw verbazend is. Oorspronkelijk moet de hoogte geweest zijn l-ttU- meter, nu is zo nog 137 meter. De Cbeops-Pyramide is hooger dan tie Stefanusdoni te Weenen, de St. Pieterskerk to Rome, de Agia Sophia te Constantinopcl. Alleen de voltooide torens van tien Keulschen Dom en van de Nicolaï-kerk te Hamburg zien over den reus van Oud-Egypte heen. â En zijn inhoud? 2!- millioen kub. meter bij een oppervlakte van ruim 40.000 M2. 100.000 mensehen, die om het vicrendeeljaars door anderen werden afgelost, waren gedurende 20 jaren bezig aan dien arbeid. . . Maar genoeg, die er meer van weten wil, leze de werken van Eheus of Dr. Oppel, beide voor de geschiedenis van Oud-Egypte zoo zeer merkwaardig. Thans is de spits der Cheops-Pyramide afgebroken, zoodat wij op een vierkant staan van 33 voet. Daar aangekomen, riepen mijne Bedouïnen:
33
Hoezee! maar ik moest een oogenblik wachten, 't Is me dan ook een klim!! Het uitzicbt is eenig, als van geen berg of munstertorcu. Daar liet Nijldal, met zijne grazige weiden; aan mv voet Cairo, met zijn citadel en minarets: aan de andere zijde: de gele woestijn, aan wier zoom de Sfinx als een lammeke op de heide neerligt. Van rondom groepeeren zich de andere Pyramiden: op den voorgrond de beide geburhmen, in de vei'te links hare zindelijke zusteix, de Pyramiden van Abu-Slr en Sakkarah, rechts do noordelijke van Abn-Roclsch.
Liet men n nn maar wat rnst, om dat heerlijk uitzicht te kunnen genieten! Maar de Arabieren, echte plaaggeesten als zij zijn, storen de plechtige stilte (Wo hier heerscht en gunnen n geen oogenblik. De een wedt dat hij naar beneden zal dalen, en vervolgens de naast bijliggende Pyramide zal beklimmen binnen 8 minuten, natnnrlijk voor een goede bachschisch, en het kost ons moeite hem te beduiden, dat wij op zulke halsbrekende toeren volstrekt niet gesteld zijn; anderen maken van deze gelegenheid gebruik om u hunne âantiekenquot; ten verkoop aan te bieden, en er is waarlijk critische scherpzinnigheid noodig, om de nagemaakte van de echte figuren of munten te onderscheiden: een derde meent de massage op uwe knieën te moeten toepassen. Ook hier dus geen rust! Dan maar naar beneden!
Het afdalen is minder vermoeiend, maar wel wat gevaarlijker dan het opstijgen. Men springt van steen op steen, maar daar men licht te ver zou kunnen springen, en dan reddeloos in de diepte storten, houden twee Arabieren u stevig aan do hand, en een derde aan een doek, die u om het middel is geslagen. Al dalende geven zij, die arme lieden, u te verstaan â want een Arabier kan mi eenmaal niet zwijgen dat zij toeh maar het
84
gansche jaar door, hun leven voor de Europeanen moeten wagen, en weten /óó, door woord en gebaar, op uw medelijden te werken, dat uw portemnnnaie naarmate go lager komt al lichter wordt, om als ge beneden zijt geen stukje klein geld meer te bevatten.
We dalen af tot aan den ingang, circa 20 voet boven den grond, en nu begint, onder begunstiging van kaarslicht, de tweede expeditie, n.1.: om do Pyramide van binnen te bezoeken. Zulks gaat langs een hellende gang eerst naar beneden; dan op handen en voeten, omdat de toegang zoo laag is: dan weder naar boven, langs een smal, glad pad. Onze Arabieren houden ons steeds goed vast. Eindelijk komen we aan de Koningskamer. Magnesium-licht wordt ontstoken, en wij zien die reusachtige gewelven van nog prachtig glanzend graniet, alsook den sarcophaag die eens het lijk van Chkops bevatte. Van do fabelachtige schatten die hier, naar men zegt, door den stichter waren opgestapeld, is natuurlijk geen spoor meer te ontdekken; en het proces-verbaal van aangifte, waaruit men zon kunnen opmaken wanneer de diefstal heeft plaats gehad, is spoorloos verdwenen. â Alles alzoo in het duister, en het wordt in de ingewanden van dit steenen monster ook duister, want onze lichten gaan uit; daarom maar spoedig terug; en nu gaat het weder langs die schuine, smalle, gladde paden, al weder op handen en voeten, maar wij komen er toch zonder het minste letsel, en mogen recht dankbaar zijn dat wij, uit die dampige, benauwende atmosfeer verlost, weer ademen in Gods vrije en heerlijke natuur.
Een oogenblik nemen wij rust, om dan de wandeling voort te zetten over dezelfde zandvlakte, waarop Boxapaktr eens zijn lauweren plukte, naar
DE ;S F 1 N X,
een monsterbeeld, uit een rots gehouwen, in den vorm van een rustonden loomv met eon menschengo/,icbt. De Unigte is 57 meter, de hoogte 20 moten', hot oor 1.?37 meter, do mond 2.37 meter, do breedte van het gelaat 11.15 meter.
Deze Sfinx is waarschijnlijk even oud als do Pyra-miden, en hangt mot do vorooring van don zonnegod saam. Zijn loeuwenkraeht wordt door hot lichaam voorgesteld, het monschenhoofd moot hem boven do dierenwereld verheffen. Maar waarom dien âgod des levensquot; op een doodenvold tusscben grafbeuvols en Pyramiden geplaatst? Moet bij spreken van een loven na dit leven? Maar dat kan niet; want deze god der Egyptonaren is slechts de gopor-sonifleerde natuurmacht; zulk een maebt kan den dood niet overwinnen, doet slechts geboren worden om to sterven. Noch natuur, noch mensclielijke kunst vermogen iets togen den dood. Zijn daar nog getuigen voor noodig? Maar ziet dan rondom u! Vereeuwigd is bier niet bet loven, maar de dood. lu plaats van don roem waarvan de Pbarao's droomden, wier gebeente, wie weet waar, vermolmd is, roepen deze reusachtige getuigen van lang vervlogen tijden. Sfinx en Pyramiden, den wandelaar toe; monsehenkind, gedenk dat gij stof zijt! â
Wij zagen nog oen granieten tempel, eenige in do rots gebonvven graven, kunstig met fresco's versierd, en nog zoo veel; . . . maar het maakte op ons geen diepen indruk meer! Wat wij het eerst hadden gezien was te overweldigend! En daarom.... goed dat wij terugkeerden!
Onvergetelijk zal ons deze scboone morgen zijn!
8C)
Na eon paar uur toevens in hot prachtige Pyramide-hotel, kwamen de rijtuigen voor, die ons weder naar Caïro zouden brengen; maar eerst nog naar het groote museum van Egyptische oudheden, vroeger in Bnelak, nu geplaatst in liet paleis van den Khedive te Gizeh. Hier krijgt men nog iets anders to zien dan in de Egyptische zalen van Leiden, Londen of Parijs. Eerst de kolossale gewrochten van het âOude rijk,quot; reeds vóór Abraham's tijd vervaardigd: dan die der Hyksosdynastio, door Mozks reeds gezien, en eindelijk die van het zoogenaamde âNieuwe rijk,quot; maar nog altijd duizenden jaren tellende; de oudste zijn de meest karakteristieke, en het heste bewaard. Zoo b.v. een pas opgegraven afgodsbeeld van bazalt: als ook de bedden van oen koningspaar, van voor 5000 jaren.
De ideale schoonheid en gratie der Helleensche of Romeinsche kunst moet men bij de oude Egyptenaren niet zoeken; evenzoomin de verscheidenheid als de scheppende phantasie van den Westerling, daar de traditie de Egyptische kunst binnen te enge grenzen beperkte. Zij kon zich niet vrij ontwikkelen, en wat zij gaf, was meest herhaling van het voorgaande; hare beelden zijn veelal hoekig en stijf, niet vol en rond, naar de natuur genomen, zooals hij de Assyriërs, maar toch is er een zekere trouw niet in te miskennen. Naar waarheid geeft zij ons al wat betrekking heeft op het dagelijksch leven te aanschouwen, als handwerk, huisraad, versierselen, spel enz., en ook de portretten der priesters en koningen; terwijl duizenden kleine sieraden, in glazen kasten geborgen, zóó lijn van bewerking zijn. dat men zich moet afvragen of men na zooveel eeuwen, op dit gebied der kunst, wel iets is vooruitgegaan.
ö /
|5en jzo n u a g in païko,
De Zondag was ons dubbel welkom. Voorwaar, een weldaad, als men uit die gestadige onrust en verstrooiing, noodwendig aan een reis verhoiulen, eens tot zich zelf kan komen, en opgaan naar het huis des gebeds. De Duitsche gemeente te Cairo schijnt niet groot te zijn. maar toch heeft zij een zeer net kerkje, hoog en luchtig gebouwd. Wij hoorden een zeer stichtelijke Paasch-predikatie van pastor Baut, naar aanleiding van 1 (Jorinthe 15 : 14: âIndien Christus niet opgewekt is, zoo is dan onze prediking ij del, en ijdel is ook uw geloot.quot; Met kracht werd het wonder verdedigd, en op boeiende wijze aangetoond, dat do Paaschmorgen het zegel op het werk van den (loedon Vrijdag drukt, â(ielooit gij, gelooft gij waarlijk dat Jkzlis uit den dood is opgestaan, en is dat geloof uw loven?quot; Die. vraag keerde telkens bij do toepassing terug en gaf ieder hoorder gen neg om tot zich zelf in te koeren. Ik had genoten en ook nog iets ontvangen om over na te denken! Juist in een stad waar de wereld zoo volop wordt geëerd en gediend, gevoelt men dat die wereld arm en ledig is: dat zij niets is zonder Clod en zonder geloof in den levenden Heiland en Keer. Nergens bekomt men zulk een heimwee naar het Land der Belofte, als in het schoone rijk der Pharao's. â O zeker! in vergelijking van het Nijldal is Palestina een armelijk land, nochtans verlangt men er naar. Treffend hoeft iemand ergens gezegd: âEgypte is het beeld van hot lustige, vroolijke leven, zooals de wereld het biedt; Kanaan, in zijn armoede, hot beeld van het leven des geloofs.quot;
Ja waarlijk! zoo is het.
38
PE yNIYERSlTEIT EN JMOKATTAM.
Wij luidden ons voorgenomen om in ieder geval de universiteit te bezoeken. Weken lang kan men in Caïro vertoeven en lederen dag iets anders zien, en daarom moet, bij beperkten tijd, een keuze gedaan. Bovenaan ons lijstje stond de universiteit. De gids had voor toegangskaarten gezorgd, en zoo gingen wij naar de Ashar Moskee, de grootste en beroemdste hoogeschool van het Oosten. Bij het binnentreden werden ons sandalen gebracht, dewijl het streng verboden is ook maar één voet over den drempel van den gewijden voorhof te zetten, zonder zulk een bedekking of omhnlling.
Op het nitgestrekte voorplein vonden wij duizenden studenten van iederen leeftijd. De een in een mantel gehuld, lag op den grond en sliep, anderen aten of waren in gezellig onderhond gewikkeld, en anderen wederom zaten, natuurlijk met de beenen onder het lijf, zwijgend neder, en hnsterden aandachtig naar wat de Ulema (geleerde) te zeggen had. De voordracht van zulk een Ulema is in den regel luid en declameerend; niet alleen zijne handen, maar het hoofd en lichaam, alles is in beweging; en zoo ook bij de studenten, die waarschijnlijk tneenen dat door zulk een gestadig heen un weer schudden de geleerdheid beter wordt opgenomen en dieper indaalt! Stof tot onderricht en bestndeering geeft hun alleen de Koran, en het uit dezen en de traditie geputte kanonieke recht. Theologie en Jurisprudentie saam vinden hier beoefenaars, maar of de beste leermethode wordt gevolgd, staat te betwijfelen. Natuurlijk moet do Koran worden van buiten geleerd, waarlijk geen boek, geschikt om het logisch denken en schrijven te bevorderen, en de hieraan toegevoegde grammatiek en philosophie, die
39
zich liiiinon du grenzen der traditie blijft 1 je wegen en er niet buiten mag gaan, oefent wel het geheugen, maar geeft geen zelfstandige ontwikkeling. Hen veelweter kan men er worden, maar een denker, dat is iets anders!
In den regel zijn aan die universiteit 10.000 studenten ingeschreven. Circa de helft was tijdens ons bezoek tegenwoordig: de meesten wonen in de Moskee zelf en zijn naar bunnen landaard ingedeeld: de een is meer, de ander minder ruim van stoffelijke middelen voorzien, doeh onderling hulpbetoon komt aan de behoeften der laatsten tegemoet. Erger is de geesteloosheid, de doodigheid, waartoe de Koran een ieder zijner kinderen, zijner vereerders, doemt! Ziet ze aan, slaat hen gade, professoren en studenten saam der groote universiteit. Het wordt u duidelijk dat bier niet bet zonlicht der ware ontwikkeling straalt, maar men altijd nog wandelt, of liever neerligt, onder de schemering der halve maan. Arme kinderen van den nacht!
's Namiddags maakten wij een rit naar den berg, die de geheele stad en hare omgeving beheerscht: de Mokattam, voorbij de citadel. Op dien weg merkten wij groote reservoirs en filters op, die de stad van water voorzien; dan de graven der Mameloeken-koningen, sultan-graven genoemd, die als monumenten van zuiver Arabischen koepelbouw architectonische waarde hebben; en verder een aantal kruitmolens.
Boven op den berg is het uitzicht weergaloos. Vóór u Cairo, of eigenlijk Kahira, de triomfeerende, met zijn 500.000 inwoners en 200 Moskeeën. Hier de schilderachtige citadel, en op den achtergrond do trotsche Pyra-miden, en daartusschen de stroom, die zich door frisch groen kronkelt. â Wij bleven niet lang op de hoogte, daar de avond daalde, en haastten ons naar de citadel. Wij bezagen
40
lt;le Albasten-Moskee, een prachtgebouw, door Mkhemed-Ali gesticht, ten zoen vooi' den moord, door hem op de hoofden der Mameloeken gepleegd. Dezen toch, van nature aanmatigend en trotsch, erkenden den Pacha niet altijd als een Heer over hen gesteld, maar behandelden hem vaak als een Vasal, die naar hunne bevelen had te luisteren; en schikte hij in die positie zich niet, dan werden hem vaak, bij kruitdamp en zwaard gekletter, de artikelen van gehoorzaamheid voorgelezen, waaraan hij zich te houden had.
Die tirannie verdroot den trotschen Meukmed-Au, en ras was het middel gevonden, om er voor goed een einde aan te maken. Mij noodigde namelijk alle Mameloekeii-hoofden, op een bepaalden dag, op de citadel, teneinde tegenwoordig te zijn bij de plechtige aanvaarding van het opperbevel over het leger door zijnen oudsten zoon. Natuurlijk kwamen allen, niets kwaads vermoedende, ter feestviering op; de plechtigheid had plaats, gevolgd door een maaltijd die niets te wenschen overliet, en waarbij gulle vroolijkheid voorzat; maar toen aan den avond het sein tot den afrit gegeven was, en allen hunne prachtig getuigde paarden weder hadden bestegen, werden eensklaps de poorten gesloten. Albaneezen, verraderlijk van voren en van achteren opgesteld, beklommen do muren, vielen op de weerloozen aan, en schoten allen neer. Slechts één, Emin-Bey, had zijn behoud aan een stouten sprong van zijn paard te danken. Toen hij na drie dagen gevonden werd en voor den Pacha gebracht, glimlachte deze en zeide: ,,die eene schaadt mij niet.quot; Hij schonk hem het leven en gat hem nog bovendien een jaargeld. Ten zoen nu voor deze gruweldaad, verrees dit prachtgebouw, dat zijns gelijken in hot Oosten niet heeft.
41
jSakkarah.
Tot tic merk waardigste toeren die men uil Caïi'o maakt, behoort wel in (1(3 eerste plaats de tocht naar Sakkarah. Met een van Cook's toeristen-hooten voeren wij van do havenplaats in Boelak af; onder do groote X ijl brug door, langs lleluan, een herstellingsoord, om zijne heerlijke haden en reine woestijnlueht druk bezocht, passeerden wij paleizen, ruïnen en dorpen, onder pahnenwouden verscholen. Na l£ uur stoomens kwamen wij aan het dorp Bedraschen, waar wij onze ezels bestegen om naar de woestijn van Sakkarah te gaan. Vriendelijk is do omgeving; na korten rit komt men in de nabijheid van het dorp Mit Rahine. Hier heeft vroeger Memphis gestaan, de residentie van Oud-Egypte, een stad die door haar macht do wereld beven deed, maar op hare beurt beven moest voor Israels God. Waar zijn hare trotsche paleizen! Weg! De tempels, met schatten van goud en van kunst van buiten en van binnen overdekt en beladen? Weg! voor immer weg! Men kent en vindt hun standplaats zelfs niet meer. Slechts één welsprekend getuige van vervlogen heerlijkheid ligt daar nog, in dat reusachtige marmeren beeld van een Pharao, voor eenigen tijd uit het zand opgedolven, 't Is een statue van Kamsks 11, beroemd zoowel om zijne krijgstochten. als om de ontelbare gebouwen die hij stichtte; denzelfden Pharao, aan wiens hof Mozes werd opgevoed; die de Israëlieten dwong om steen en voor de steden Pithon en Ramses te bakken : den koning, die dit volk op het gruwelijkste onderdrukte, liet trotsche beeld van dezen als een god vereerden Pharao stond eens in of voor den tempel van Ptah, den hoofdgod van Memphis, en geeft ons een denkbeeld van de onbegrijpelijk groote afmetingen van oen tempel uit dien tijd. De beenen zijn er van
i-2
gebroken, maar toch is hut nog te groot, dan dat hot, tenminste vooralsnog, kan worden vervoerd en naar oen museum gebracht! Het ligt, om wo te /eggen, met den neus in het zand; voor den blik des wandelaars alzoo in de smadelijkste vernedering, en het is ons als hooren wij over deze gevallen grootheid het woord van den profeet: âHoe houdt de drijver op! Hoe houdt de goudene op? De Heere heeft den stok der goddeloozen gel»roken, den schepter der heerschcrs,quot; en eene stem als van de geesten uit de onderwereld, die zegt: âgij zijt geworden als wij; gij zijt ons gelijk geworden; de maden zullen onder u gestrooid worden en de wormen zullen u bedekken. Hoe zijt gij uit den hemel gevallen, o morgenster! gij zoon des dageraads, hoe zijt gij ter aarde neergekomen! Gij, die de volken krenktet, gij, die zeidet, in uw taal: Ik zal ten hemel opklimmen; ik zal mijn troon boven de sterren Clods verhoogen; ik zal boven de hoogten der wolken klimmen; ik zal den Allerhoogste gelijk zijn. Maar gij zult in de hel worden neergestooten; die u zien zullen, zullen u aanschouwen, zij zullen op u letten en zeggen: âIs dat die man, die de aarde beroerde, die de koninkrijken beven deed?quot;quot; ') Spoedig lieten wij de prachtige palmen achter ons, en reden de woestijn in. Eerst kwamen wij aan het houten huis van den verdienstelijken Maiuktïe, den man, die door zijne opgravingen in het Oosten reeds zooveel aan het licht hoeft gebracht. In den ruimen voorhof was gelegenheid om ons ontbijt te gebruiken; daarna bezochten wij de omliggende bezienswaardigheden: eerst het Seraphim, een onderaardsche, in do rotsen uitgehouwen ruime en breede gang, omtrent 350 meter lang. Rechts en links bevinden zich nissen, of gewelfde vertrekken, 80 in getal.
') Jusaju 1 't : t uiiz.
wol kur bodems Ij meter dicpor lig'g011 (liU1 üc grootc gang. In elk dezer nissen stond een prachtige lijkkist (mi zijn er nog 30, maar affle geopend en leeg) van graniet, 4.j nieter lang, -U nieter hoog en meter breed. Sommige kisten zijn roodachtig, andere donkergroen, alle glimmend gepolijst en de meeste met hiëroglyphen versierd. In deze kisten werden de gebalsemde lijken dor heilige stieren (Apls) neergelegd. Het zijn de grootste sarcophagen, die men kont; met een ladder klimt men er in; een gezelschap van zes personen kan er zeer goed het middagmaal honden, en zal er ruimer zitten dan aan de tafel in menig hotel. De lucht is er drukkend en zwoel en ge verlangt naar buiten. O, ik begrijp u, maar ge neemt toch den indruk meè hoe deze reuzenhallen getuigenis afleggen van de kracht van den wil, maar nog meer van de diepte waartoe het Heidendom gezonken was. Niet genoeg, dat die lijn beschaafde Egyptenaren de heerlijkheid des onverder-felijken Gods veranderd hebben in de gelijkenis eens beelds, van een verderfelijken mensch, ') ook viervoetige dieren bewezen zij goddelijke eer. Den diepsten grond dezer verblinding noemt ons de Apostel Faults Rum. I: âOmdat zij God kennende. Hem als God niet hebben verheerlijkt,quot; zijn zij van de cone dwaasheid in de andere vervallen. Dat ééne waarachtige verliezende, en toch geen vrede hebbende zonder God, heeft men zich zelf goden gemaakt; men heeft tie blinde natuurkracht verheerlijkt, haar voorgesteld in de dieren der aarde, of in de starren van don hemelboog. Zoo stelt de stier Apis de scheppende macht voor, die overal ten loven roept, het leven uitgiet. Zijn zwarte kleur ziet op du kleuren van het land, welke in Egypte donker is, in tegenstelling van het verblindend witte
') Hom. 1 : 2:i.
44
woestijnzand. De witte vlekken van Apis, aan kop en staart, duidon den bovmt-htenden invloed van het licht aan. Zooals bekend is, hehlxm ook de Israëlieten zich aan die afgoderij schuldig gemaakt, niet alleen nadat zij pas enkele dagen uit de Egyptische gevangenis waren verlost, b maar ook later, voornamelijk onder dc koningen der tien stammen, beginnende met .1 khobkam. 2) Daartegen ijverde Mozes, en ijverden de profeten, steeds het Israëlietische volk in herinnering brengende het ^aL' gebod: âClij zult n geen gesneden beeld, enz.quot;
Niet ver van deze Apisgraven is het graf van een edelman, een voornaam hoveling, met name Tr, uit de oiio eeuw vóór Chr. Ofschoon het gebouw vroeger geheel vrij stond, daalt men er nu in af door een gang in het woestijnzand uitgegraven. De gang is niet zeer breed, de deur smal, maar evenals de verschillende kamers met groote figuren beschilderd, wier omtrekken niet alleen door het penseel, maar ook door den beitel zijn afgeteekend, en daardoor tot fijne bas-reliefs geworden. Ook bij ons gebrekkig kaarslicht waren de lijnen en nog frissche kleuren duidelijk zichtbaar. Die muurschilderingen zijn óf aan de vereering van den doode gewijd, óf stellen tafereelen nit het landleven voor. Men ziet rijen van menschen, die den doode hunne offers brengen, en ossen en hazen slachten bij dozijnen. Zij komen aangevaren op een nijlboot, door gezwollen zeil en vele roeiers voortgestuwd, om hun gestorven heer te bezoeken. Het lijk zelf wordt in zulke graven in een diepe kloof of kelder neergelaten, maar het beeld in een der kamers opgericht. Ook het transport van zulk een beeld per schip wordt op de wanden afgemaald.
') Exodus li'2.
'l 1 Kon. 12 : '2^ v.v.
I
Gewoonlijk staat er dan ook de vmuw bij, zooais hier ook de gemalin van Ti; maar ook heer Ti ziet ge in zijn leven, hetzij «ip de jacht, np reis nt in zijn boot, terwijl zijn bedienden bezig zijn met allerlei handwerk en veldarbeid.
Zeker is aan zulke graven meer kunst en weelde ten koste gelegd, dan aan de woningen der eigenaars. Men staat verbaasd dat beitel en penseel werden aangewend om zoo de wanden te versieren van een huis, waarin de bewoner zich toeli nooit verheugen kon. Maar dit is geheel overeenkomstig de Egyptische opvatting van leven en dood. Reeds Dionoims zegt: âde Egyptenaren noemen de woningen der levenden berbergen; de graven der dooden hunne eeuwige huizen.quot; Wijl de duoden, wie weet hoe lang, in do onderwereld moeten doorbrengen, daarom besteden zij wel veel zorg aan hunne woningen, maar worden de graven buitengewoon versierd. Inderdaad moet men het bij dat volk bewonderen, dat het bij den lagen trap waarop zijne godsdienstige ontwikkeling stond, nog zoo met ernst dacht aan den toestand der ziel na den dood, en daaraan meer gewicht hechtte dan aan tijdelijke wedvaart. Zeker zag men veel te veel op het graf, en zocht men ook daar, uit een valsche zucht van zelfbehoud, liet lijk te bewaren en te vereeren. Vandaar de gewoonte der balseming, die lijnrecht staat tegenover het gebruik der Indiërs, n.1. om de lijken te verbranden. Terwijl de eersten met alle kracht der niensche-lijke kunst den dood bestrijden, en het ontbindingsproces willen tegenhouden, zoeken de laatsten zulks met allo geweld te verhaasten; de Christen zal tegenover beiden het overschot zijner dierbaren aan den schoot der aarde toebetrouwen, opdat het stof tot stof wederkeere, waaruit het zonder toedoen van rnenschelijke kunst genomen is. b De Egypte-
*
I
') (irni'sis I!: I
46
naar vond het tijdelijke van de hoogste beteekenis; den Indiër stond de nietigheid van hot aardsche voor oogen, maar wat des Christens hope is; de opstanding tot eon nieuw en hooger leven, is aan heiden vreenul. Het geheim dat Pauu s ontwikkelt ') met het beeld van liet tarwegraan dat sterven moet, was den Egyptenaar zóó verborgen, dat hij geen grooter ongeluk kende, dan het lot dat den bakker des konings wedervoer, wiens lijk aan do roofvogels werd prijs gegeven.2) De grafschilderingen spreken dan ook niet van een zijn in eene andere, in eene hoogere wereld, maar schetsen alleen de vervlogene heerlijkheid van don doode, wiens glorie /ij nog altijd in zijne rustplaats willen doen uitkomen.
De dusgenaamde trappen-pyramiden beklommen wij niet. Niet zoo hoog als die van Clizeh, en ook niet naar de vier hemelstreken gebouwd, overtreffen zij dezen in ouderdom, en staan tot haar in betrekking als een grootmoeder tot hare kinderen. De Pyramiden van Gizeh, wel ten deele ontmanteld maar nog trotseh en verheven, ontlokken aan de bewoners van het Nijldal het wel wat overmoedige woord: Alles vreest den tand des tijds,
Maar de Pyramiden trotseeren do tijden. De ruïnen van Sakkarah daarentegen, eerwaardig in hun verval, roepen hot luide uit: de wereld gaat voorbij en hare begeerlijkheid! - Dewijl dan deze dingen en al wat in de wereld is, vergaan, hoedanigen behooren wij te zijn in wandel en godzaligheid. :|)
Onder heerlijk weder reden wij terug; een zachte koelte streek over de vlakte der woestijn; juist zacht genoeg om ons aangenaam te wezen. Wij' reden door een paar
') 1 Cor. 15 ; lifl v. v.
-) (luiiesis 4-0 : 10.
2 Pclr. 3:1 I.
47
dorpen en hadden mi de gelegenheid de fallah's in hnnnen arbeid te zien, en ook up te merken dat de fallahvrouwcn hare kinderen nog soms dragen op dezelfde wijze, als Jusaja ') er melding van maakt. Wel zitten de kleinen gewoonlijk op den schouder der moeder, maar zij worden ook gedragen op de heup en met den arm gesteund, voornamelijk de jonge of zwakke, die men nog niet op don schouder durft plaatsen. Do dorpen zijn in dit oord steeds van palmen omgeven, en hoe dichter men hij den Nijl komt, des te meer neemt de vruchtbaarheid toe.
Na aangenamen rit kwamen wij weder aan den Nijl-oever. Onze langooren hadden zich goed gehouden, en ook onze jongens een pluimpje verdiend, wat natuurlijk in den vorm van een goede baehschiseh hun duidelijk werd gemaakt. De boot van ('ook bracht ons weder naar Cairo. Hoe kalm was de Nijl; hoe schoon de hemel waaraan het avondrood zich uitgoot in duizend stralen; maar al te spoedig, sneller dan ons lief was, waren wij aan de aanlegplaats, waar onze rijtuigen ons wachtten. Wij hadden een dag gehad, die stof gaf tot denken en danken.
jquot;! E T VERSTEENDE y/oUD.
Een tocht naar het versteende woud was afgesproken voor den volgenden morgen; en last gegeven dat het noodige getal ezels, goed gezadeld, voor het hotel moest staan op den door ons bepaalden tijd. Dit is een maatregel die immer dient genomen te worden, want meent men onderweg de grauwtjes wel te zullen vinden, dan, o wee! 't is mij gebeurd, dat ik met mijne vrouw door een straat
') .lesaja 00 : i.
48
van Oiul-Caiïo wandelde, en wij besloten ezels te nemen, daar de Bazaars, die wij wilden bozoeken, verder af'waren dan wij dachten. Maar roods hoeft een ezeljongen onze gedachten geraden, stormt op ons los, en in datzelfde oogen-lgt;lik zijn wij van meer dan 50 ezels en jongens omringd; de een trekt aan mijn jas, de ander aan mijn arm; mijn vrouw loopt gevaar van met gescheurde kleeren thuis te komen, en dat alles onder het geschreeuw van: âGut Esel; sehr gut Esel; Bismarck-Esel 1quot; want de jongens meenden dat wij Duitschors waren. Het was om wanhopend te worden, totdat een man zich over ons ontfermde, ons in zijn voorhuis riep, vervolgens naar buiten ging, om een paar ezels, natuurlijk een met dameszadel uit te zoeken, en toen ons vergunde in zijne woning op to stijgen, wat nu met alle deftigheid geschiedde. Hartelijk werd onze Arabier voor zijn hulp en redding bedankt, en wij reden zijn huis uit, de stoep af, en onder geleide van twee jongens naar de Bazaars. Door die ervaring geleerd, deden wij nu anders: de vooraf bestelde ezels kwamen voor en wij reden naar het dusgenaamde versteende wond.
't Cling langs de Chalifen-graven, en de uitloopers van den Mokattam. Spoedig waren wij in de woestijn, de ezels met hun dunne, fijne pooten draven steeds door, de jongens er achter aan ; en dat gaat zoo 8 a 4 uur zonder moede te worden. Integendeel, als uw ezel zijn draf ietwat matigt, dan komt do jongen met zijn ,,jah!quot; en uw viervoeter, dat voor hem onheilspellende woord verstaande, snelt weder voort in galop en de jongen er altijd achter of op zijde. Als go wilt, knoopt hij zelfs oen gesprek met u aan. Maar donk nu eens dat go in de maand Ramadan zijt, de voor de Mohammedanen heilige maand, gedurende welke een belijder van de Halve Maan van 's nachts \-2 uur tot 's avonds 0 uur niets gebruiken mag, zelfs geen druppel water! dan
49
krijgt ge modelijden met den knaap die, hoe warm het uok is, â en het kan in de maand Mei in Egypte warm zijn! â in het zweet zijns aanschijns voortvliegt, terwijl de tong hem aan het gehemelte kleeft. Maar hoe is dat mogelijk? zult gij zeggen, de jongen moet longen van ijzer hebben. Ge zendt hem zoo gaarne iets tot verkwikking of verkoeling geven, maar het mag niet; of uw draI wat matigen, maar hij zelf wil het niet. ü arme knaap! Straks als wij t'huis komen, wacht u een goede bachschisch, opdat gij van avond vroolijk kunt zijn.
Op den tocht naar het versteende woud gaat het over gloeiend zand. Hier hebt ge do woestijn, zooals ge haar nog nergens zaagt. Eindelijk zijt gij er! Een veld strekt zich voor n uit, uren in den omtrek bedekt met versteende stukken hout, boomstammen, van de kleinste soort, tot reuzen van 40 voet, zooals men zegt, maar â daar sta ik niet voor in, zóó groot zag ik ze niet. Welke boomsoort dat geweest is die hier zulk een verandering onderging? Waarschijnlijk de Nicolia Aegyptiaca. Maar hoe dat woud zoo verwoest en neêrgeworpen is, de stammen gespleten zijn, wio zal het zeggen? Ik nam een stuk mede, waarop nog duidelijk de plantenvezels zichtbaar waren, en dat klonk als metaal. Langs de dusgenaamde Mozes-bron, waarvan mijn ezel,jongen in zijn half Fransch, half Duitscli, mij natuurlijk een legende wist te vertellen, keerde ik terug.
Pe laatste rit.
Ook Heliopolis werd bezocht, do Zonnestad, het On ^ van den Bijbel, do stad, om hare paleizen, tompels en priestorschool weleer zoo beroemd. Maar evenals te Memphis
') (lonesis 41 : 45.
4
50
is ook hier niet het minste spoor overgebleven, dat u aan vroegere heerlijkheid herinnert, behalve één obelisk van rood graniet, aan welks eene zijde de groote hiöroglyphen nog uitstekend bewaard zijn, terwijl zij aan de andere zijde onleesbaar zijn gemaakt door de bijen, die er haar cellen in gebouwd hebben. Slechts één zuil, als een opgericht teeken van de ijdeihoid der wereld, en zelf meé tot vallen bestemd! Sic transit gloria mundi!
Op den terugtocht gingen wij tien minuten van Heliopolis een tuin binnen, waar do zoogenaamde Zonne-bron is, van welker ontstaan de legende zegt, dat, toen de Heilige Familie vanwege den Bethlchemietischen kindermoord naar Egypte was gevlucht en hier aangekomen, zij van huis tot huis rondging, tevergeefs om een beker water vragende; en dat toen bij den boom, waaronder Maria zich moedeloos had neergezet, eensklaps de bodem zich opende, en een bron ontsprong van het helderste water, waaraan men zich nu nog naar hartelust laven kan. Dicht bij de bron staat een boom, niet meer die waaronder Makia zat, maar een uit zijn wortels opgeschoten, âde heilige Sycomorequot;, van zeer breeclen omvang, door hekwerk en plantsoen omringd, om den lichtgeloovigen pelgrim het plukken van takken en bladeren te beletten. â Ook bij het gebouw der struisvogel-cultuur werd aangeklopt en vriendelijk toegang verleend.
In de nabijheid van Cairo kwamen wij een gesloten rijtuig tegen met gesluierde dames uit den harem, en een zwarten euneuch naast den koetsier, die beletten moet, dat iemand zich bij het rijtuig voegt of een groet met de dames wisselt. Zoo iets is in dit land niet zeldzaam. Onder de Mohammedanen is de getrouwde vrouw van de wereld afgezonderd, en ten eenenmalo hare vrijheid kwijt; zij mag zich nergens dan gesluierd vertoonen, en vindt zelfs in
51
tram on stoomboot hare plaats achter een goed gesloten gordijn. In den harem moet zij hare liefde tot don man met anderen doelen, on ontvangt alzoo geen liefde, kent de liefde niet, en bovendien mag zij haar plicht en roeping als vrouw niet vervullen en staat buiten de maatschappij.
Wat is de taak van een dame van hoogen stand; waarmeê houdt zij zich bezig? Zoo nu en dan een rijtoer te maken, maar onder behoorlijk toezicht, of in don harem op een divan den tijd to doodon met hot rooken van do nargilé, of over allerlei opschik en lekkernijen met de vrouwelijke bedienden te beuzolen, of onder elkander intrigon to smeden of te twisten uit jaloezie. Maar van huiselijk bedrijf, van ontwikkeling niets. Neen, zij mag den naam van huisvrouw niet dragon; noem haar zoo ge wilt, maar mot dien eerotitel niet.
De positie waartoe onder don Islam de vrouw is verlaagd, zal het dynamiet zijn, dat do vestingwerken van het Mohammedanisme doet springen. J)o vrouw kan in die bandon niet blijven. Reeds zijn, voornamelijk in Constan-tinopel, de voorteokonen er van zichtbaar. De Turksche vrouw, die in haar gesloten coupé rijdt, ziet immers ook den landauer, waarin oen Europoesch echtpaar gezeten is, met den blonden krullebol op moedors schoot, of tegenover hen, terwijl de vader gelukkig is met vrouw en kind! De Egyptische, achter hot getraliede venster, ziet ook de Christenvrouw in vrijheid wandelen, en zij begint haar gemis, haar verlies te heseffen, en vraagt: Wie maakt ook mij zoo gelukkig? Wie geeft mij de vrijheid weder? De vrouw zal in Clods hand mede het middel zijn, om de boeien van het Mohannuedanismo te verbreken. Do vrouw vraagt het eerst naar den zegen van het Kruis.
't Is mij niet mogelijk alle straten van Caïro met n door te wandelen, u alles te laten zien wat er in en om Caïro te zien is. Wilt ge soms nog naar de bazaars? Laat dan uw parasol maar in het hotel, dames, want die hebt ge daar niet noodig. De bazaarstraten zijn allen nauw en met linnen overdekt. Maar trekt goede schoenen aan, want men weet er van geen plaveisel, en . . . zorgt voor een goedgevulde beurs.
Intusschen ga ik met mijn zwager naar het kantoor van Th. Cook ik Sons, om het gemaakte contract voor onze reis naar Palestina in orde te brengen. Wij hebben n.1. begrepen dat. zoo wij ons geen onnoodige lasten op den hals willen halen, of schier onvermijdelijke dwaasheden begaan, het verstandig is, ons in contact met die lirma te stellen. Zij is door jarenlange ondervinding en uitgebreide relation in staat om in alles te voorzien, wat noodig is voor een tocht door het Heilige Land. Wij maakten zelf ons reisprogram; gaven op, welke plaatsen wij wilden bezoeken en hoelang wij hier en daar wenschten te vertoeven, hoeveel tenten wij verlangden, enz. De prijs werd door de firma Cook amp; Sons bepaald, en wel zoo billijk, dat er niets op was aan te merken. Het contract werd dus geteekend, en dag en uur van vertrek uit Caïro vastgesteld.
NAAR PORT-SAID.
Mot prachtig weer vertrokken wij. Het was niet al to warm. Do tocht ging por spoor naar Ismailia; tot Kaljuli langs denzelfden weg dien wij gekomen waren; dan buigt do baan zich naar het Oosten, door een goed besproeid en bebouwd dool van het Delta-land. Niet ver van het station Schibin el Kanatir, ligt de zoogenaamde .Toden-heuvol, waarop eens, in don tijd der Ptolomeeën, een Joodsdie tempel stond, door den priester Oma gesticht, niet om als mededinger op te treden tegen den tempel te Jeruzalem, maar tot geestelijk vereenigingspunt voor de verstrooide Joden in Egypte. Men beriep zicb hierbij op hetgeen Jesa.ia zegt: âTe dien dage zal de Heer een altaar hebben in bet midden van Egypteland en een opgericht toeken aan hare lanclpalo voor den Heer.quot; ')
Bij Bolbes loopt de baan N. W. naar het hoofdstation Zagazig, het bij den profeet Ezeciiiël genaamde l'ibeseth; 2) een stad waar een prachtige tempel moet gestaan bobben, aan de Egyptische Venus gewijd; en wel, volgens de opgravingen en nasporingen van den beroemden Egyptoloog Edliakd Navilli:, reeds ten tijde van Jozkf, zoodat naar alle waarschijnlijkheid de Pbaraonen van die periode daar dikwerf resideerden. Naar dat heiligdom ondernamen de oiulo Egyptenaren pelgrimstoebten op buitengewoon gronte
') .fosaja 1: 1(.'.
ö) llzccliit'l 'M) ; 17.
54
schaal, (soms 700.000 mannon, do vrouwen on kindoren niet meegerekend,) waarbij do luidruclitigsto feesten worden gevierd, en moer wijn gedronken word, dan anders in een geheel jaar. Nu trekken hier nog wel pelgrims door, maar liet zijn de naar Mekka reizende Mohammedanen, die zich volgens voorschrift van den Islam van wijn hebben te onthouden. Do wachtkamer van hot station was goed voorzien, en aan alles duidelijk te bemerken, dat de pachter van het buffet er op gerekend heeft, dat de trein hier circa 20 minuten stil houdt. Heeft men vergeten de stationsklok op te winden, dan duurt dit nog wol wat langer.
De streek, die wij nu doorreizen, biedt weinig bijzonders aan. Maar verliezen wij niet uit hot oog, dat hier do schouwplaats is van een merkwaardige gebeurtenis: do uittocht dor Israëlieten uit Egypte, die in do richting waarin do spoorbaan naar Ismailia gaat, moot hebben plaats gehad. Sedert Dr. Naviu.k door zijn opgravingen en gevonden inscription tot do zekere ligging van het hijbolsche Pithom1) en tevens van Suocoth ~), het eerste station na den uittocht , gekomen is, is hieraan geen twijfel meer. Al/oo gaan wo door het land G-osen, dat aan de grenzen ook nu nog bloeit als hot vette land, door Pharao aan don vader on do broeders van Jozef geschonken3). Al spoedig verdwijnen echter do vruchtdragende akkers on groenende velden. Na een kwartier sporens ontdekt men van al die oude heerlijkheid niots moer, en hoe vorder men komt, hoe minder mén zich oen voorstelling kan maken van âhot beste deel des landsquot; uit Jozïïf's tijd. En toch is het een kostelijke landouw geweest, niet alleen voor herders, maar ook voor landbouwers. Eone te
') Exoil. 1 : li. -) Exod. 12 ; li 7. n) (Icnosis 17 : ti.
London bewaardo papyrus-i'ol, uit don tijd \ran lict vorblijf dor Jodon in Egypte, vormeldt nitdrnkkelijlc: âdat dit land rijk bevolkt, goed bosprooid en uitstckond vriiclitliaai' was.quot; Maar de traagheid on lichtzinniglioid dor inonsodion, die vele eeuwen lang deze strokon verwaarloosdon, hobbon do rijke velden veranderd in dorre woestijnen, 't Was een diepzinnig gezegde dat Navol kon 1 uitsprak in do woorden: âOnder een goed bestuur bereikt do Mijl de; woestijn, onder een slecht do woestijn den Nijl.quot; leder jaar wordt dat in Egypte bevestigd.') 's Middags ton één ure kwamen wij te Ismailia, verrast door hot gezicht op hot diepe blauwe meer en hot met boomen en tuinen versierde stadje.
Terwijl do bedienden van Cook amp; Sons onze bagage brachten naar bot gereedliggende havenbootjo, hadden wij nog even don tijd om in het Hotel des Bains te middagmalen, maar ons dan ook met allen spoed aan boord te begeven van hot ongeduldig wachtend stoomertjo, een dwergje in vergelijking van zijne grooto zusters, die wij van tijd tot tijd in het kanaal ontmoetten, maar dat ons toch mot bewonderenswaardige snelheid bracht naar Port-Saïd. â Do kanaalvaart was stil on eentonig: duinen links, zandheuvels rechts; van tijd tot tijd oen Russische ofEngelscho steamer; ja! ook onze driekleur zagen we wapperen van een schip dor Rottordamsche Lloyd; maar anders alles stil, zoo juist geschikt om nog eens na te donken over dat wat men gezien hoeft, en wat men nog vorder hoopt te zien on te genieten, of te luisteren naar wat dit kanaal heeft te zeggen. Immers het water, dat om ons vaartuig klotst, weet te vertellen van don rustoloozon ondernemingsgeest dor lü'lu eeuw, wier rouzenworken van onberekenbare gevolgen zijn, en zeker onder Gods bostel nog aan gansch andere ou hoogero doel-
!) Klililis: Reis van (ioscii nuar den liur^ Sinaï, blz. 1^.
5(5
einden moeten dienstbaar worden dan mensclienroein en aardsch gewin; maar weet ook te verhalen, van de energie der oude Pharaonen, die reeds plannen hadden gemaakt, om een kanaal to graven, dat de lioode met do Middellandsche zee verbinden zon, en er zelfs al mede begonnen waren, maar het opgaven, ofschoon het werk reeds millioenen schats on duizenden menschenlevens gekost had, toen het orakel zeido; âdat men met al dien arbeid en moeite en opoffering wel voor de vreemdelingen zorgde, maar niet het welzijn bevorderde van het eigen volk.quot; En het ontbreekt niet aan stemmen, die beweren dat dit orakel heden is vervuld, daar een goed deel van de doorgraving van hot Snez-kanaal is geschied met Egyptisch geld, terwijl het land zelf er al zeer weinig nut van heeft, en dat geld vrij wat beter ware besteed geweest aan do bevordering der kanalisatie in liet binnenland. En wat kost het nu niet aan onderhoud! Wat eens de Pharao's begonnen maar niet volbrachten, heeft de Perzische koning Daiuus voleind. Het kanaal is er geweest, maar weder verzand. Hoeveel schats is er noodig, om liet nu bevaarbaar te houden!
Tegen den avond kwamen wij aan te Port-Saïd en logeerden in het Hotel Continental, vroeger hotel âDe Nederlanden.quot; Den volgenden morgen doorwandelden wij de stad, die met hare rechthoekige straten en weinig sierlijke huizen niets aantrekkelijks heeft. Natuurlijk zegt u iedere straat en bijna ieder huis, dat ge hier in een stad zijt die het meeste belang bij de scheepvaart heeft, en in directe verbinding staat met de tropische gewesten. Aangenaam was het ons dan ook, dat wij reeds den volgenden middag de âUrano,quot; een stoomschip van de Oostenrijksche Lloyd, konden beklimmen, om af te varen naar het Heilige Land; maar vóór wij Egypte verlaten, om het misschien nooit weèr te zien, roepon wij het een hartelijk
âvaarwelquot; toe, met de bede dat spuedig in vervulling kome, wat de Heer bij Jesaja belooft:1)
âDe last van Egypte ....
De Heer zal den Egyptenaron bekend worden en de Egyptenaren znlien den Heer kennen te dien dage.
Do Heer zal hen genezen.
Do Heer der heirscharen zal hen zegenen, zeggende: gezegend zij mijn volk van Egypteland.quot;
') .losajii lit.
' -t- (h, -!?'. -^. .^. ^*.; .^. CK; -^. :â¢'. »*4
JLa gt;; v'. i â % ,t.- -t. .gt;''. â¢j'. -^. .^. .^. ^
J r
d?
i gt;*;
gt;)
I
vlt;v^quot;x^xquot;x^lt;^lt;;'.'lt;quot;*.TSi,'.xquot;xvlt;,,.x',.xquot;,.Xquot;,.st'*^85@®5®S^
7£?f*T»
X .X .x .x
«V)
.v. .â¢% . % x .vxvx^;x^.xt'M
' t'-j*quot;4 gt;Vj ^ quot;t1 '!â 'K '1' ,i'' 'i' 'i' â {' '!â ' 'i' 'i'quot; v 'i' -i quot;t* t 'i' 'i' â ;' -;- -;â -;' â !â 'â¢;â V V' '⢠- 4 ' â ' i*
PALESTINA.
DE AANKOMST.
't Was 5 ure in den morgen toen wij op liet dok van de âUranoquot; stonden, om de kust te zien van het Beloofde Land. Hechts van ons de hoogten, waarop eens de steden en tempels stonden der Philistijnen: in do verte ging de zon op boven Juda's bloeiende borgen; voor ons lag Jaffa, het ondo Joppe, zoo rustig van liet rotsenterras neerziende op den oceaan, en in alle kalmte luisterend naar het klotsen dor golven tegen de klippen, die als een natuurlijke gordel van verdedigingswerken voor do stad zijn gelogd. Inderdaad is het landen bij winderig weer niet zonder gevaar, ten minste zeer moeilijk, maar moge voor menigen reiziger dit al onaangenaam zijn, wij moeten niet vergoten, dat voor do ontwikkeling van het oude Israël de rotsachtige kust, die langs geheel Palestina heenloopt on den toegang van de West-zijde zoo bezwaarlijk maakt, van hot grootste gewicht was. âVan de hoogte der steenrotsen zie ik hem, en van de heuvelen aanschouw ik hom. Ziet! dit volk zal alleen wonen, en het zal onder
5U
do Hoidenen niet gorekond worden.quot; ') Zoo profctcci'de eens Hiuoam, de zoon van Bkob, op Jkiiova's bevel, en die profetie^ is vervuld. Langen tijd bleef Israël afgezonderd van het verkeer met andere volken, opdat alzoo in stilte do vrucht zou rijpen, die do ganschc wereld tot een rijken zegen moest zijn. Maar hot zijn niet alleen tüe klippen en rotsen, daar als wachters gestold, opdat hier vóór den tijd, door God bepaald, dit land zijn kostbaarst goed niet zou uitvoeren, nog zwaarder hindernissen moesten woggeruimd, machtiger slagboomen doorgebroken worden, eer Wet en Evangelie van hier zouden uitgaan, om heil te brengen tot aan de einden der aardel '2) Daar in Joppe heeft zich Jonas ingescheept op zijn Tarsisvaarder, om aan het goddelijk bevel te ontkomen, en niet aan JSünovó, do heidensche wereldstad, het woord van boete en bekeering te brengen. Daar, in het huis van Simon den lederbereider, was voor Stmon Bau Jona eene bijzondere Godsopenbaring noodig, eer hij den koninklijken lastbrief zijns Meesters duidelijk begreep, en heenging om het Evangelie van het kruis allen creaturen, en dus ook den Heidenen, to verkondigen. 4)
') Xuincri 23 ;'J.
â ) Jesaja i 'J ; 0.
Jnna 1 :
4) Handelingen 10.
JAFFA.
Het landen te Jaffa is niet gemakkelijk, ja bij ietwat sterken wind onmogelijk. Wij troffen het nog al goed, daar er wel wat deining en dientengevolge ook eenige branding stond, maar toch niet van dien aard, dat de landing eenigszins gevaarlijk was.
Op een kwartier afstands van het strand wierp onze s too nier hot anker uit, en het duurde niet lang, of snel als een pijl uit den boog naderde de Cook's boot, met do Engelsche vlag aan het roer en bemand met roeiers als reuzen, 10 in getal. Wij dalen één voor één langs de half neergelaten scheepstrap af, en op hot oogenblik dat een golf de sloep opheft en op de hoogte brengt waar wij staan, grijpt een dier herculessen ons aan, om ons als een stuk pakgoed op een der banken neer te zetten. Nauwelijks is do lading ingenomen, of het gaat weer even snel terug. Van de deining der zee, die sterker is naarmate wij het strand naderen, voelen wij niet veel. Onder vroolijk gezang der roeiers gaat het voorwaarts. Wij glijden tusschen de klippen door, zetten voet aan wal, en . . . staan op heiligen bodem!.... Is het niet alsof alles u toeroept; Ontbindt de schoenen van uwe voeten, want de plaats waarop gij staat is heilig land. ^
Wij zijn te Jaffa. Welk een schilderachtig vriendelijken aanblik biedt ze ons van de âUranoquot; gezien, die stad op rotsen gebouwd, amphitheatersgewijze oprijzende boven de schui-monde golven, haar ouden naam âJapho,quot; de âschoone,quot; wel
') Kxddus H ; 5.
()1
waardig. Maar als gij er binnenkomt! ? . . Wij stegen langs de smalle, niet zeer regelmatige rotstrappen op; bovenaan stonden de Arabieren, schouder aan schouder, om ons op te wachten en welkom te heeten en voor den wannen handdruk, dien men ons gaf, een tlinke handreiking te vragen. De douanen maakten het ons volstrekt niet lastig. Cook weet wat hij voor ieder zijner reizigers betaalt en daarom wordt van ben, die zich onder de bescherming van zijn agent hebben gesteld, geen pas gevraagd, geen koffer geopend. En nu de stad in! Wat smalle, hoekige, kromme straten! Reeds bij eersten oogopslag ziet ge, dat Jaffa geen aanleg is van lateren datum, maar veeleer een oude matrone onder de steden van Palestina moet worden genaamd; en waarlijk zij telt baar aanzijn reeds bij eeuwen. De Pharao's van Egypte, zoowel als de Koningen van Assyrie, konden er op roemen haar te hebben ingenomen. Sedert eeuwen is zij de havenstad van Jerusalem; daar kwamen de vlotten aan van cederhout, op den Libanon geveld voor Salomo's tempel; daar overviel Judas tie Makkabeör de moordenaars van 200 Joden, stak de vlam in hunne vaartuigen, en doodde ben die de vlucht namen met het zwaard. ') En van den beroemden Makkabeër Simon heet het: âtot al zijnen roem behoort ook, dat hij .1 oppe tot een haven maakte, waar men van alle zeekusten kon binnenloopon.quot; quot;) Meer dan twaalf maal is Jaffa veroverd en verwoest geworden. In de 15dc en 10lle eeuw was het niet meer dan een puinhoop, aan het einde der 18(lc eeuw werd het herbouwd, met muren omgeven, maar in 1799 door tie Fransehen onder generaal Klebku met storm genomen, de vestingwerken werden geslecht, en thans is het een open stad, die, om
â¢) ü Makkab. v.v.
2) 1 Miikkul). 11:5.
62
waarlijk tot bloei to komen, slechts op een goede haven wacht. Maar hoe lang zal dat wachten nog duren! En wat baat het al, of oen spoorbaan van Jaffa naar Jerusalem gebouwd is en den 21stcquot; September 1892 door een Mohamme-daanschen priester plechtig' voor het verkeer geopend, als de haven voor grootore schepen ontoegankelijk blijft, en zelfs de kleine schuiten niet dan met moeite en soms levensgevaar haar verlaten kunnen?
Wij begeven ons naar hot hotel âJeruzalemquot;, directeur Hardaou, een Duitschor. Alles is er eenvoudig maar goed; een kaart van Palestina hangt aan den wand van de eetzaal; op de deuren der logeerkamers staan de namen van de zonen van Jacob, maar met verwaarloozing der Bijbelsche volgorde, zoodat Simeon onder no. 12 staat! In het salon vindt men een bijbel en Christelijken scheurkalender; alles doet u gevoelen dat go hier in eene Christelijke omgeving zijt.
Wij gebruiken ons ontbijt en gaan dan langs straten, zoo slecht mogelijk geplaveid, naar de groote marktplaats. Daar vertoont zich, ofschoon het nog zeer vroeg in den morgen is, hot meest bonte gewoel van mannen en vrouwen, neergehurkt op matten of kleedjes, onder de schaduw van boomen of reusachtige zoimoschennon. Kooplieden, bruin en geel, met den los afhangenden kaftan om de schouders, stallen hunne waren uit, bestaande in huisraad, kleêren, wapenen of groenten, en zitten tusschen al deze dingen in, schijnbaar zóó onverschillig, of hun de affaire niet aangaat. Knapen, in vuile lompen gehuld, maar in die lompen schilderachtig, drijven ezels voort, beladen met vruchten of steenen, of dikwijls met planken en balken die 2 a 8 meter over den kop van het dier uitsteken. Kameelen, eveneens tot het dragen van zware lasten bestemd, trekken in lange rijen voorbij op hunne gewone deftige wijze en met
statigon tred, als om (liianuedc hunne meerderheid te toonen boven den ezel, die in den regel voor hen uitgaat, en de eer heeft op zijn hoog gezadelden rng den geleider der karavaan te dragen.
Onder al dat gewoel dringen wij door, en komen in do heerlijke tuinen die de stad aan de westzijde omgeven; do roem en do trots van Jalfa. Zij beslaan eene oppervlakte van 4 kil. in de lengte en 8 kil. in de breedte en zijn aan do zijde van den weg afgesloten door ondoordringbare cactushagen van minstens 10 voet hoog. Iedere tuin hoeft zijn waterreservoir van kolossale afmeting, dat door een machine, bewogen door een geblinddoekt paard of ezel, gevuld wordt. - Dat de grond buitengewoon vruchtbaar is, zagen wij aan de citroen- en oranjeboomen, wier tallooze gouden vruchten fonkelden tusschen de donkergroene bladeren, en welker gebogen takken in den regel ondersteuning vragen. Aan een hovenier, die de vriendelijkheid had ons op zijn erf toe te laten en uit te noodigen een oogetiblik onder zijn loovertent plaats te nemen, vroegen wij, hoeveel chinaasappelen bij een gemiddelden oogst van één boom werden geplukt. Het antwoord was: p. m. 1000 stuks! En als ge dan weet, dat de chinaasappelen daar zeker tweemaal zoo groot zijn als die wij hier koopen en de hoornen toch betrekkelijk klein, dan kunt ge het begrijpen als ik n zeg, dat de vruchten zoo dicht op elkander groeien als bij ons aan een kersenboom; en zoo is het ook met de citroenen. In den bloeitijd wordt de oranjegeur, die Jaffa omgeeft, mijlen ver voortgedragen; de water-meloenen worden bij scheepsladingen naar Egypte gevoerd; abrikozen, perziken, granaten, pruimen, vijgen, olijven, dadels, ja alle mogelijke fijne vruchten vindt men er; zelfs het suikerriet schiet hier op tot zes voet hoog. Zulk een vruchtbaarheid hebben wij zelfs in Egypte niet gevonden.
04
Do bevolking bedraagt omstreeks 15000 inwoners, waarvan 10000 Mohammedanen, 3000 Christenen, 2000 Joden zijn. De Protestantsche gemeente, in aantal gering, bestaat voornamelijk uit Duitschers, en heeft een kleine, maar zeer vriendelijk tusschen groen en bloemen gelegen kapel. De Dnitsche kolonie, door den lieer Hoffmann in den jare 1808 gesticht, breidt zich langzamerhand uit, legt zich uitsluitend toe op bearbeiding van den grond, maar heeft ook tevens kundige handwerkslieden in haar midden.
Doch wij hebben niet veel tijd meer, want reeds worden de rijtuigen ingespannen, tlie ons boden avond nog in Jeruzalem zullen brengen. Door den agent van Cook is ons de dragoman voorgesteld, die ons op de reis door Palestina zal vergezellen. Ga ,\ du re is zijn naam, hij woont te Jaffa en houdt zich in den reistijd bezig met vreemdelingen te geleiden naar alle oorden van Palestina of Syrië. Hij maakte op ons een goeden indruk, en is ons ook niet tegengevallen. Vóór wij wegreden bracht hij ons nog op het platte dak van een buis, gebouwd op dezellde plek waar de woning van Simon, den lederbereider, zal gestaan hebben. Of dat zoo is? Och! vraag het niet. Ware het niet hier, dan was bet toch in de onmiddellijke omgeving. Hier, of in de nabijheid, sloeg Pktuus den blik over de blauwe wateren der Middellandsche zee; en zoo heeft men gevraagd, wat er toen wel in de ziel van den discipel van Jezus is omgegaan! Zoo vaak heeft hij het meer van Bethsaïda bevaren en er zijn net in uitgeworpen; of in stillen nacht bij den maatslag der golven zijn lied gezongen, ter verheerlijking van zijnen God. Nu is het gansch anders geworden: de roerpen is losgelaten, de visscherskiel uitgetrokken; het reiskleed is over de schouders geworpen en do pelgrimstaf in handen genomen om het Evangelie to prediken .allen creaturen. Wil Petrus dat? Verstaat
(â )â¢quot;)
hij, wat clio breede uceaan hem profeteert? Gewis, het heil is uit de Joden. Uit Israöl eu over Israël gaat de Zon der gerechtigheid op, maar de Heidenen /uilen ook tot dat licht gaan, eu koningen tot den glans die over u gezien wordt! âHef uwe oogeu rondom op,quot; sprookt de Heer, âen zie, die allen zijn vergaderd: zij komen tot u. Wie zijn deze, die daar komen gevlogen als eene wolk, en als duiven tot hare vensters?quot;') Verstaat Petuus dat? Begrijpt hij iets van dat heerlijk Evangelie, niet aan Israël alleen, maar aan de volken?2) Neen, maar de Heer brengt hem in verrukking van zinnen, en hij zag den hemel geopend en een zeker vat tot hem neerdalen, gelijk eeu groot linnen laken, aan de vier hoeken gebonden en neergelaten op de aarde, in hetwelk waren al do viervoetige dieren der aarde en de wilde en de kruipende en de vogelen des hemels. Kn er gesclueddc ccne stem tot hem: âSta op, Petrus, slacht en eet.quot; En als Petri's zeide: âG-eenszins Mee re, want ik heb nooit gegeten iets dat gemeen of onrein is,quot; geschiedde een stem: âHetgeen God gereinigd heeft , zult gij niet gemeen maken.quot; En dit geschiedde tot driemaal toe.:l) Als nu de mannen van Cohxelius komen, verstaat Pirruus de beeldspraak des hemels, de banden vallen af die zijn ziel omknellen en de zendeling is bereid het kruis te dragen in der Heidenen land. Nu weet hij dat bij Clod geen aanzien des persoons is. ..maar in allen volke. die Hem vreesten gerechtigheid werkt, is Hem aangenaam.quot; 4) En zoo begint uit Jaffa de Christen-zending. Jattii, de eerste zendingsplaats, waar de Koning der koningen Zijn ontrolde banier omhoog
'j .lesaju (iU ; 3, i-, K. '-) Jolniunes I! : Ui. â¢1) llaiul. IU.
â¢i llaiul. (0 : 34,
66
hoft, on Zijne jongeren aangurdt uni haar te dragen tot aan de einden der aarde! Van .latta uit begint de zegetocht van onzen Koning: haar naam staat niet unuitwisrhbare letteren in d(^ jaarboeken van het Koninkrijk Gods, en daarom: wees gegroet, stad der Zending! Ook van ons, driewerf gegroet!
Wij bezochten nog een Roomscho en een (irieksche kerk en toen ging het in alle haast naar de rijtuigen; de kotters waren reeds ingeladen, alles wachtte op ons.
pp WEG NAAR JIERUSAL.EM.
Rij aanvang was de straatweg tamelijk goed en ook de omgeving vol afwisseling. Eerst reden wij door de vallei van Saron, om hare prachtige weiden en bloemen bekend '), dan voorbij een bron, bij welke men zegt dat het graf van Tamitua zou zijn. Hier ziet men een der vele wachthuizen, veiligheidshalve aan den weg gebouwd en door een paar militairen bewoond; en daar, ietwat ter zijde, een landbouwschool, onder begunstiging van Rothsciiii,!) door de .,Alliance Israelite Universellequot; gesticht, en bezocht door vele Joodsche leerlingen.
Na een uur rijdens gaat men voorbij het oude Lydda, dat ânabij Joppe was,quot; in de Heilige Schrift ons bekend als de plaats waar Petrus den k ran ken Ene as genas8), en dan voorbij een dorpje Beth Dedschan d. i. Dagons tempel3), een overblijfsel der herinnering aan den eens zoo in aanzien zijndon god der Rhilistijnen; doch wij lieten dat alles in den letterlijken zin des woords links liggen, daar er geen tijd
') Hooglied '2 :1. Jesuja 33 : 'J. *) Hand. 9:32.
:lj Riclit. 10 ;'23. 1 Sam. 5 :'2 v.v.
67
was voor et'ii omweg, on bovoiKlien do clui'poii, die van don straatweg zijn volwijdoi'd, wol to paard maar niot por rijtuig kunnon worden ho/dcht.
Na eon tocht van drie nron kwamen wij te Ramlé. Wij stapten af voor het Duitscho liotol van IIkimiart, hostoldon daar ons middagmaal, en wandelden vervolgens onder de schaduw van prachtige olijt'hoomen naar hot eonige wat Ramlé bijzonders hiedt , don turen, volgens hot Arabisch opschrift boven don ingang, in 't jaar 18IS door don l^gyptischon snltan monammkd kn-Nasii.' gebouwd. Oorspronkelijk was hot oen minaret van een roods lang verwoeste moskoe, door hot vulk de Witte moskóo genaamd. Wij beklommen hem, zij het dan ook in hot zweet onzos aan-schijns, tot op zijn hoogste punt, en gouoten daar hot heerlijkst vergezicht. In hot Noorden do witte huizen van Lydda, aan don Oosterdiorizont do bergen van .luda en Benjamin, ginds do golven dor Middollandscho zoo, en vt'iór oi^ do lachende vlakte van Sarou, en dat alles stralende in heerlijk licht! â BemHlon gekomen wandelden wij over een zoor groot Mohaminedaansch kerkhof, waarheen juist een kleine stoet zich bewoog, om oen doode naar zijn laatste rustplaats te brengen. Zulk oen plechtigheid had ik nog nooit bijgewoond. (!oon wonder dan ook, dat nu niet alle attentie en op korten afstand, alles do begrafenis betreftbnd, werd gevolgd en mij niets ontging.
Voorop gingen eonige knapen, waarvan een don Koran op een doek droog; de andoren zongen, maar do woorden kon ik niet verstaan ; dan volgden eonige mannen, die, eveneens zingende, do Mohainniodaanscho belijdenis herhaalden: en eindelijk een paar vrouwen, die in wanhoop schenen over het verlies en steeds luider lucht gaven aan hare smart. Langzaam voortgaande kwam men bij het graf, oeii verwulf, slechts -2 a voet diep in de aarde, maar
(IS
hoog genoeg' dat de doude zich kan oprkthtou, als de twee engelen des gerudits tot hom komen, iïij do groeve werd eerst een gehed uitgesproken, daarna het lijk uit de zeer eenvoudige kist genomen, het laken waarin het gewikkeld was, en dat van boven en van onder met een kuurd of band was vastgemaakt, zorgvuldig geplooid, en vervolgens de doode in zijn kamerke neergelegd, niet het hoofd naar Mekka gekeerd. Nu zette zich een man -men vertelde mij later dat deze de voorlezer was â bij de gesloten groeve neder en sprak: âO dienaar Gods! zoon van een dienstknecht en een dienstmaagd Gods, straks zullen er twee engelen komen om u te ondervragen; zeg dan dat Allah uw Heer is, dat Moiiammkn zijn protect is. en dat gij zijn dienaar zijt.quot; De Mohammedanen immers gelooven dat de ziel aanstonds na den dood het lichaam verlaat, en dan een voorsmaak heeft van wat haar staat te wachten, hetzij goed, hetzij kwaad: dat zo daarna tot het lichaam weerkeert, zich neerzet op de borst en daar blijft tot O]) het oogenlilik dat de twee engelen verschijnen, belast met de taak om gericht te houden. l)o ziel, door die komst onthutst, verbergt zich in den neus van den doode. die dan aanstonds herleeft en zich opricht om de ondervraging te beantwoorden. Onder luide jammerklachten keerde de stoet terug naar de woning van den gestorvene, die nog eenige dagen, op bepaalde uren, volgens voorschrift van den Islam, met gebed en voorlezing moet worden herdacht, terwijl de naaste betrekkingen verplicht zijn gedurende zes weken iedoren Vrijdag naar hot kerkhof te gaan, om groen of bloemen op het graf te strooien.
Langs een laan van cactussen en vijgeboomen gaan wij terug naar ons hotel, verkwikken ons aan een een-voudigen disch en zoeken nu de rijtuigen weder. Donker blauw is de hemel, de akkers zijn in lentegroen getooid.
(V.)
al zingende stijgt de leeuwerik op, en hoe dieper wij komen tusschen de heuvelrijen van Juda, des tc1 meer stemt alles tot luit loflied: âde bloemen worden gezien in het land, de zangtijd genaakt en de stem der tortelduif' wordt gehoord.quot; ') Terwijl bij ons de wintervorst zijn troon nog niet heeft verlaten, en dit jaar niet aan abdi-queeren sehijnt te denken, is bier reeds de aarde met haar bruidskleed versierd. en gloeien de vnnrroode anemonen op alle velden.
Onze moedige paarden baalden spoedig nog andere reizigers in, die als wij naar Jornsaleni togen, en nns aan bef woord van den l'roteet deden denken: âVele volken /uilen heengaan en zeggen: ..komt laat ons opgaan tot den berg des Heeren, tot bet huis van den God .1 Aeons, opdat Hij ons leere van Zijne wegen, en wij wandelen in Zijne paden: want uit Sion zal de Wet uitgaan, en des Heeren woord uit .lernsalem.quot; 3) Zouden foeh de ('liristenen uit alle oorden der wereld reeds sedert zoovele eeuwen langs deze wegen gaan. wanneer niet inderdaad de berg des Heeren verheven ware boven alle borgen, :|) wijl Wet en Mvangelie van hem uitgingen naar alle einden der aarde?
O gewis, niet aller opgaan naar Jerusalem was en is goed. De tocht der kruisvaarders, die niet het zwaard in de vuist en mot de leuze âGod wil het!quot; .lernsalem bestormden, was niet goed; en al hebben wij eerbied voor die waarlijk koninklijke figuren, voor die ridders zonder blaam, die, door hoogere geestdrift bezield, ten strijde togen, niet om roem en eere, maar waarlijk omdat naar hunne meening God het wilde, todi
') Ilooglieil â¢gt;: ei.
') Jesaja 2 : li.
aj .lesnja '2 : 'J.
70
moeten wij zeggen: het was niet goed, niet naar den wil van i[em die sprak: âZalig zijn do zadrtmoedigen, zij zullen het aardrijk beërvenquot; '), en wederom: âniet door kracht, noch door geweld, maar dooi- mijnen (leest zal het geschieden, spreekt de Heere Heere!quot; 1) - Maar ook dat is de rechte pelgrimage niet, als men naar Jerusalem gaat met een Baedeker in plaats van den Bijbel in handen, alleen om te zien wat er van het oude nog over is, en of er soms nog nieuwe opgravingen gedaan zijn; zonder de heilige ontroering des Christens te kennen bij de gedachte dat men heengaat naar de stad waar Christus leerde, leed en stierf. Neen, ik houd niet van die opgewonden, fanatieke, maar ook niet van die koele, nuchtere zielen, die immer in de laagte zweven en nooit in geestdrift komen, wier oog niet schitteren, wier hart niet sneller kloppen, wier mond niet zingen kan als men op weg is naar Jerusalem! Ach, gij behoeft het mij niet te zeggen, ik weet het ook wel dat het aardsche Jerusalem nog het homelsche niet is, en dat de weg naar het Jerusalem dat boven is, hier beneden niet eindigt. Ik weet het ook wel, dat geen uiterlijke dingen, geen kruishenvel ot heilig graf, stel dat met onoinstootelijke zekerheid de ware kondon worden getoond, â u in den hemel zouden brengen. Maar toch, de stoel waar uw moeder op zat, heeft voor u iets heiligs; bij hot graf van uw vader kunt gij niet lachende staan; zou u dan de ziel niet trillen en er niet zoo iets in u zijn van wat David bezingt in het lied van het hijgende hert: een dorsten, een heimwee, een verlangen, dat sterker klimt hoe dichter ge komt bij Jerusalem?
Daar wordt dikwijls geklaagd over den afstand en de bezwaren die de tocht van Jaffa naar Jerusalem met zich
1
) Zacliaria \ : lt;gt;.
71
brengt. Ik begrijp niet hoe het mogelijk is. Mij aangaande, ik vond het heerlijk, dat er nog geen spoorlijn naar -lernsalein liep. Ik /011 er toch geen gebruik van gemaakt hebben; neen, niet. vliegen door het land der beloften op de vleugelen van den stoom, maar voet voor voet, het schilderachtig landschap genieten, dat soms vergezichten heeft. schoon als van een alpentop. Zeker is het hier in den lentetijd schooner dan in den zomer. In den zomer Inch druipen geen rotsen, vloeien geen zilveren waterstralen langs de bergen, en is het sappig groen verdord, maar heden? . . . Ik wil de lentepracht genieten: ik wil den weg die opgaat naai' Jerusalem zien. en zóó diep mij in het ge-hengen prenten dat ik er niets van vergeet, en mij bijblijft al wat ik zie tot ik kom aan uwe poorten, o Jerusalem!
Do weg zelf is niet best. in Salomo's dagen, toen er âzoovele wagenenquot; reden, zal hij zeker veel beter zijn geweest, thans laat hij veel te wenschen over en is voor rijtuigen voornamelijk zeer lastig, daar Jerusalem 2400 voet ligt boven de Middellandsche zee. en de straat van Jaffa dus aanmerkelijk stijgt. Men moet zich ook niet voorstellen dat hij steeds geleidelijk naar boven gaat. O neen! de bergen van Juda zijn door tal van dalen doorsneden, en dus voortdurend gaat het bergop en bergaf, en als men meent de laatste berghoogte te hebben bereikt , staat men weder voor een dal. aan welks overzijde het stijgen nog eens opnieuw begint. De streek, die men doortrekt, is weinig bevolkt. Slechts hier en daar eenige armoedige dorpen; eerst Kubab, verscholen achter hot groen der olijven, en dan Latroen, volgens de overlevering de woonplaats van Dimas, den mover en moordenaar, van wien onze gids ons de volgende legende vertelde. Voor lü eeuwen woonde daar een roover, de schrik van den geheelen omtrek. Niets was voor hem veilig of in staat zijn
72
geweldigen ann te ontwapenen. Nu gebeurde het, dat Jozef en Maria en het Kindeke op hun vlucht naar Egypte in zijne handen vielen, maar de mover, vanwaar het kwam wist hij zelf niet, had geen moed dit drietal leed te doen; integendeel, hij het zien van liet Kindeke, sluimerend iu Maria's armen, greep zulk een vreeze hem aan, dat hij ijlings wegvluchtte naar zijn hooge rots. Jaren zijn voorhij, in moord en roofzucht doorgebracht, als hij eindelijk wordt gegrepen en veroordeeld om gekruisigd te worden, 't Was op dien ontzaglijken (loeden Vrijdag, als ook Jezus werd uitgeleid naar Golgotha, den zwaren kruisbalk dragende. Bij het zien van Dezen wordt het den roover zoo wonderlijk te moede. Beelden uit het verleden klimmen op voor zijn geest. Zijne zonden staan voor hem en zijn consciëntie gaat jagen en vragen: Wat heb ik gedaan! wat hel) ik gedaan! En als hij naast dien medekruiseling hangt, en Hem bidden hoort: âVader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen!quot; dan wordt hij door een geheimzinnige macht tot Hem heengetrokken. Hij voelt de kruis-pijn niet, want zijn consciëntie-pijn is zooveel meer, en in die pijn grijpt hij moed om Hem, die voor Zijne moordenaars bad, te smeeken: âHeer! gedenk mijner, als Gij in Uw koninkrijk zult zijn ingegaan!quot; En het antwoord is: âVoorwaar, voorwaar, heden zult gij met mij in het Paradijs zijn.quot; â 't Is eene legende slechts, een wilde roos tusschen de heggen en struiken aan den weg naar Jerusalem gegroeid, maar niet zonder geur of kleur. Mijn lezer, pluk ze, bewaar ze. leg ze bij uwe verzameling van gedroogde bloemen en blaren, als souvenir uit het Heilige Land.
Van Latroen gaat het voort naar Bab-el-Wadi, en nemen wij een oogenblik -rust in het restaurant âdes Moines de Judée.quot; Dan met nieuwen moed voort; al dieper komen wij in de bergen van Juda, op welke de zegen
van Jacob zinspeelt: ') âJnda is een leeuwenwelp, gij zijt van den roof opgeklommen, mijn zoon! Hij kromt zich, hij legt zich neder als een leeuw, en als een oude leeuw; wie zal hem doen opstaan?quot; Ook den trots van deze niet welige landouwen, niet rijk gezegenden stam, kregen wij spoedig in 't gezicht, n.1.: den wijnstok. âHij bindt zijnen jongen ezel aan den wijnstok en het veulen zijner ezelin aan den edelsten wijnstok. Hij wascht zijn kleed in den wijn, en zijn mantel in druivenbloed.quot; Hoe vele verbeven zinspreuken des Bijbels knoopen zich aan den wijnstok en don wijnberg vast. Meen evenwel niet dat daarom de wijnranken altijd langs de hoogten der bergen zich slingeren, dikwerf groeien ze over het vlakke land, zoodat het woord wijngaard (Jesaja ö ; I) beter gebruikt is dan wijnberg. Het Hebreeuwsche woord laat beide vertalingen toe. Tot de druiven-cultuur behoort nog immer en in de eerste plaats de zuivering van steenen, 2) de omtuining tegen de wilde dieren 3) en de bewaking in den wacbttoren. De verlaten torens in dezen tijd van bet jaar herinnerden ons aan Jesaja I : 8. Sion zelf is nog Immer een eenzame in het land. Vervolgens komen wij voorbij Abu-Grosch, een schoon gelegen dorp, waar in den aanvang dezer eeuw een roover huisde, die met zijne scharen kloosters plunderde, dorpen verbrandde, en menigen pelgrim bijna aan het einde van zijn reis een treurig lot deed ondergaan. Vroeger heette dat stadje Karpet-Enab, druivenstad. Volgens Robinson zal 't het oude Kirjah Jearim zijn, waar de ark langen tijd gestaan heeft, tot ze door David plechtig naar .ierusalem werd opgevoerd, b
') (iL'iicsis 'C.l: il, 1 I.
'-J Josaja .quot;i: 'i.
Jesajn 5:5. PsuIiti 8(1: 1H.
'l 1 Sannii'l 7 : 1 1. quot;2 Sain, (i: â¢gt;.
74
Dan volgt Kulonioh, ecu vriendolijk, liooggolc^gon oord, waarachter eensklaps het pad zicli wendt naar het dal, dooi- velen gehouden voor het eikendal, waarin David Ctoliath versloeg. Over dat dal ligt nu een zeer goede, hreede brug, zoodat de reiziger niet meer langs de gevaarlijke helling behoeft af te dalen: voorwaar een weelde, die in Palestina nog maar zeldzaam is. Ten vorigen jare kwamen mijne vrouw en ilc te Kulonieh tegen den middag, en na ons hrood gebruikt en wat gerust te hebben, zonderden wij ons af van het reisgezelschap, om te wandelen van Kulonieh, waarschijnlijk het oude Enimaus, naar Jerusalem. Wat hebben wij op die wandeling genoten! Wij hebben saam God voor zijne woldaden mogen danken, en ook den Heer gebeden, om met ons als met do Enunaus-gangers te gaan! 't Is de heerlijkste wandeling geweest, die ik ooit gedaan hel). â De omgeving is niet schoon, hier en daar een ellendig dorp. Hoe nader bij .lerusalem, hoe woester en eenzamer de natuur, hoe kaler de weiden, hoe naakter de bergen, en ten slotte is alles één steenmassa; maar die omgeving past ij ij het Jerusalem dat ik zoek. Neen, ik zoek geen stad als Cairo of Alexandrië, omgeven met lanen van palmen en lachende landouwen; dat kan, dat mag .lerusalem niet zijn. Ik zoek een Jerusalem met het floers der rouwe gedekt; een onttroonde koningin, die treurt om den haai' ontvallen schepter! Ik zoek een .lerusalem dat weent om haar verloren vrijheid en dagelijks de sla venbanden sterker voelt knellen, als door hare straten de trompet klinkt van den Turkschen soldaat, en de vlag met de halve maan wappert op den Davidsburcht! Neen! zulk een Jerusalem, geslagen, in vernedering, door eigen schuld bloedende uit duizend wonden, kan niet schoon zijn, maar moet de teekenen dragen van hare smart en zeggen: âWaar is de zanger, die mijn leed verstaat en de harp
(â )
van de wilgen neemt nm mij het lied mijner ellende voor te zingen?quot;
IToe conzaum /,it de stail, voorheen de vreugd der aard!
Thans is ze een weduwe, een verlatene, een slavinue Wier opslag eenmaal, als der volkren koninginue (iehood. Zij slijt den nacht in tranen onverpoosd;
Zij ziet naar 't Oosten, blikt naar 't Westen, nergens (roost! Van jammer overstelpt daalt- Juda van zijn bergen,
IV Heidon haalt hem in, met Godvergeten tergen,
Drijft hem in engten, en bezet hem van rondom.
De wegen treuren thans om 8ions heiligdom.
Want niemand gaat ter feest, de poorten zijn verdwenen. De priesters zuehten, en de jonge dochters stenen,
O dochter Slons, al uw glorie is voorbij! ')
't Was reeds laat toen wij de Jaft'apoort binnenreden. De maan scheen met halflicht en wierp een flanwen glans over de stad. Maar al is het wat duister, men verliest er niet veel hij, want van de Jaftastraat Jerusalem naderende, ziet men volstrekt niets van de stad, voordat men bij hare muren staat. Hoe gansch anders, als men van bet Zuiden of het Oosten, en bovenal wanneer men van het Noorden komt; dan ziet men eensklaps geheel Jerusalem voor zich, een aanblik die overweldigend is, en dan kan het niet anders of men roept uit volle borst: Jerusalem! wees ons gegroet! Maar al moet men ook dien aanblik missen, o, als ge maar de muren der stad ziet, dan gaat er al zooveel bij u om, en als ge hare poorten binnenrijdt, 't zij bij middaglicht of avondschemering, dan wordt het n zoo wonderlijk te moede; dan is het of de steenen u toeroepen: .lerusalem! .leru-salem! â Wij zijn er! Gode zij dank! Ten tweeden male mag ik zeggen: âMijne voeten zijn staande in uwe poorten, o â lerusalem.quot;
'l IIhkts' Jeremia. Kluajiliodm'ii 1 : 1â'i.
JERUSALEM.
PM de ;S T A d, ')
In het âGrand New-Hotolquot; namen wij onzen intrek. !)(gt; hotelier, door Cook's Office van onze komst verwittigd, was ons tot Knlonieh tegemoet gereden, en had gezorgd dat alles in orde was. Na hef avondeten begaven wij ons spoedig ter rust.
ik had van mijn kamer hef uitzicht op do Davids-hnrcht, en dacht mij van zelf terug in lang vervlogene eeuwen. Wat hield mij uit den slaap? Was 't het hanengekraai dat daar veel scheller, klagelijker en aanklagender is dan hij ons? Was het, omdat ik mij nu zoo dicht in de nahijheid wist van de plaats waar het kruis eens shmd, waar het graf des Heeren geweest was? Was het ... Ik weet niet waf het was, maar die in Jerusalem komt, slaapt den eersten nacht zoo spoedig niet in.
De volgende morgen zag ons al vroeg in de straten dei' stad, en na het onthijf werd in overleg met onzen dragoman ter orienteering besloten tot een wandeling om de muren, lioept de Psalmist er ons niet toe op, als hij zegt: âGaaf rondom Sion, en omringt haar, telt hare torens, zet uw hart op hare vesting, opdat gij het vertel ie aan het nageslachtquot;? 2)
Wij gaan dan de Jaffapoort uit. in een hoek van den Zuidwestmuur gelegen. Herinner u dat een poort een
') /ie din iiliitU'gniml vun .IcnisMlnn. Psalm '18 : lil, I i.
1
p
1 i :S'; s â â
ü
j ; r
|
i gt; -â u â :ȕ , â |
:
77
merkwaardig erfstuk is van bijna alle Oostcrsrhc steden. Daar kwamen de burgers bij voorkeur saam, daar werden getuigen gehoord en werd reelitgesiiroken, ') daar werden verdragen gesloten, 2) daar zette men zich neer om handel te drijven, :') om vrienden af te wachten of vreemden te zien, ') nieuwtjes te hooren of te pi'aten over de dingen van den dag. B) De poort was de gerechtsplaats, de markt, de beurs, een plaats van gezellig verkeer. Nog heden is een poort voor velen het middelpunt van het sociale leven. Niemand gaat er uit of in, zonder door honderd oogen â natuurlijk oogen van lediggangers â te worden bespied; hier worden de. vreemdelingen nauwkeurig opgenomen; hier is het Dorado voor de bedelaars; hier zitten ongelukki-gen, blinden, kreupelen, melaatschen, verkiezende liever, vuil en onrein, van den bedelpenning te leven, dan in eene Europeesche inrichting te worden opgenomen en verzorgd. â Wij gaan dan de .laftapoort uit, slaan links om langs de citadel, een fort dat met zijne kanonnen geheel Jerusalem bestrijkt, en gekroond is met den eerwaardigen Davidstoreu, dien wij later bezoeken zullen; dan in zuidelijke richting voortgaande, zien wij het vrij steil naar beneden loopende Uihondal, waarin een reusachtig waterreservoir van ruim 500 voet lengte en 2quot;)() voet breedte, de benedenvijver of Ãultansvijver genaamd, en op een kleinen heuvel aan de overzijde van het dal de Nicepborien, een open hof, met prachtige olijven en vijgeboomen beplant. Nu dalen wij af en treden do vallei van Hinnom in. In dit enge dal hebben eens de Israëlieten in hunne
') .lob lil : 21.
'â¢) (ioiiesis_k2IJ: IS. ISulli 'i : 1.
3) rsulin 1 quot;27 : 5.
*) Genesis I ^ : I.
1 Samuel 1 : 18.
78
verblinclmg het l)eol(l van den Moloch opgericht niet stierenkop en menschenarmen, en op die gloeiende armen hunne zonen en dochteren ten brandoffer gelegd. Aan de overzijde van het Hinnomdal verheft zich de âBerg van den boozen raad,quot; zoogenoemd omdat, naar hnd der legende, Cajai'Has daar zijn villa had, waar met Judas onderhandeld en tot den dood van Jezus besloten werd. Gaat de wandelaar om dezen berg heen, dan ontdekt hij een groot aantal holen, altemaal graven, overblijfsels van een dooden-stad uit lang vervlogen eeuwen. Was hier ook de begraafplaats der vreemdelingen? Tenminste in de nabijheid wordt u het âAkeldamaquot; getoond, de akker des bloeds, voor het weggeworpen .ludasgeld gekocht tot een âbegraafplaats voor vreemdelingen,quot; en historisch zeker is het, dat hier tot op het laatst der vorige eeuw nog Christen-pelgrims ter ruste werden gelegd.
Niet ver van daar loopt het Hinnomdal uit in het dal van Josaphat, en ontmoet daarbij het Kaasmakersdal, Tyropoeon, dat de benedenstad van de bovenstad scheidt, maar over welks loop de geleerden het nog volstrekt niet eens zijn. De een meent dat het Tyropoeon zich ombuigt naar de Jaffa poort, de ander vermoedt en beweert met duchtige bewijzen dat zijn loop in de richting van de Damascuspoort is te vinden; maar bij al dat verschil is men het hierin eens, dat het Tyropoeon uitloopt op de grenzen van bovengenoemde dalen.
Waar beide samenkomen liggen heerlijke tuinen, de tuinen der koningen die door het water van Siloam worden besproeid, met boomen zijn beplant en rijkelijk niet vruchten overladen. .Vis in den zomer door tie warmte ieder blad verdort, en het er rond Jerusalem zoo somber
') 'J Konijigcn '2'): 'r.
79
uitziet, zijn dio tuinen uug ^i'ucn, vodrtdurend verfrischt dour het heei'lijk lironnat, dat dour verschil lende kanalen daar wordt heengeleid. Had de profeet Jrkkmia misschien op deze liet oog, als hij sprak: âWant hij zal zijn als een houin, die aan het water geplant is, en zijne wortelen uitschiet aan ccne rivier, en gevoelt het niet, wanneer er eene hitte kuint, maar zijn luuf l)hjftgruen: en in een jaar van droogte zorgt hij niet, en houdt niet op van vrucht te dragen.quot; *)
Niet ver van deze gaarden vindt men de fontein Kogel, thans de Johshronnen geheeten, waar eens Adónia, tie zuun van David, in opstand tegen zijnen vader kwam, om zich van troon en kroon meester te maken, en, zou lezen wij: hij slachtte schapen en ossen en noodde al zijne broederen, behalve Salomo, en de oversten des heirs en Abjathar, den priester, en zij aten en dronken vuur zijn aangezicht en zeiden: de koning Adónia leve2)! Hier zijt gij ouk in de nabijheid van den âBerg der ergernis,quot; zóu genoemd, omdat daar zal geschied zijn wat geschreven staat: âToen bouwde Salomo een hoogte voor Kamos, het verfoeisel der Moabieten, op den berg, die voor Jerusalem is, en voor Moloch, het verfoeisel der kinderen Ammuns.quot; ;,j
Langs den voet van den â Borg der ergernisquot; gaan wij noordwaarts op, het dal van Josaphat in; aan zijne eene zijde door den Moria begrensd, aan den anderen kant door oen heuvel, aan welks holling het dorp Siluam gelegen is , en waarumheen ontelbare grafplaatsen liggen, die duidelijk zeggen, dat men hier te doen heeft met de overblijfselen van eene oude doodenstad: in de middeleeuwen werden
'l .loremiii 17:8.
I Kuiiinjjeii I 3) 1 Kuningeii I I ; 7.
so
die gTiivon duur kluizenaars bewoond, terwijl zo nu ut' vuur schaapsstallen worden g(;l)riiikt, uf voor woonhuizen zijn ingericht. Tegenover Siluam, aan de westelijke zijde van het Jusaphatdal, zien wij de âMariabrun,quot; de eenige werkelijke bron die men nug te .lei'usalem vindt. Langs een trap van 18 treden, in de rots uitgehuuwen, komt men aan den uverwulfden ingang en daalt dan tut de bron zelf af. Duidelijk hoort men het opborrelen van water uit onder-aardsehe diepten. Het eigenaardige van deze bron is, dat zij ebbe en vloed heeft; terwijl in den regentijd het water soms plotseling drie-, viermaal daags met kracht rijst en dan weder langzaam daalt. Het Syrisch bijgeloof schreef eerst dit geheimzinnig verschijnsel toe aan de macht der hemelkoningin Astartk; later meende men dat er een groote draak in de bron lag, die wanneer bij wakker was het water terug hield, en als hij sliep het vloeien liet. Van deze bron werd een kanaal gegraven, om bet water naar den Siloamvijver af te leiden b. In dit kanaal heeft Schick in Juni 1880 een merkwaardige oud-Hebreeuw-sche inscriptie gevonden, waarop hem knapen, die daar baadden, opmerkzaam hadden gemaakt. De rotswand werd gereinigd, het schrift gecupiëerd en door Scijick, Guthe en anderen ontcijferd. Het bevat een bericht over de herstelling van het kanaal, en zegt dat de mineurs, van beide zijden arbeidende, elkander tegemuet gewerkt hebben, en dat daarup het water uit de brun naar den vijver stroomde, 1200 meter ver. Kanaal en inscriptie zijn waarschijnlijk uit den tijd van Hiskia, de bron wordt genoemd âMariabron,quot; omdat naar de legende Maria er water geput zal hebben, om de windselen van het kindeke Jezus in te wasschen.
') i Kou. -20 : -20. i lu'on. :j-2 : -211,
â
81
Aclitoi' die hrun woi'dl lid dal cn^vr en de helling der IicrywitikIou steiler. Iliei- in het meest scluidiiwiijk ^edoello is het groute Israëlietisdie kerkhof, waar letterlijk grafsteen aan grafsteen paalt, allo zoo eouvoudig mogelijk; maar juist daarom vallen het meest vier merkwaardige graf-mnmimenteii in het oog, n.l. die van Zaciiaiüas, Jacohus, â¢I os aim i at en Absalom, liet eerste , het gi'af of de pyramide \an Zaciiai.'ias. is nil een rots gehouwen, met zuilen in .Ionise,hen stijl; hoven de reehtlijnige kroonlijst verheft zich een afgeknotte pyramide, ') terwijl wegens het opgehoojite puin de ingang moeielijk te zien is. Dit monument zal naar luid der overlevering gebouwd zijn ter eero van den profeet Zaciiakia, zoon \an .hViADA, wien de ondankhare koning .Idas in het voorhof des tempels liet steenigen. ') liet grat van .lAeoisrs bestaat uit een kolonnade, 18 vot'ten boven den grond, gedekt door een nog keurige kroonlijst, en daarachter eenige grafkamers. Herders hebben er thans hezit van genomen. Knkele sedn'eden verder zief men het grat van .Iosaimiat, ten deele verwoest, maar oorspronkelijk verdeeld in verscheidene, in de rots uitgehouwen kamers. Op kleinen afstand bevindt zich het graf van Ausai.om. een vierkant gebouw, veertig voet hoog, met een spits toeloopenden toren, waarom de Arabieren het Tantur Firaun. muts van 1'harao, noemen. In de boeken van Samtkl wordt verhaald dat Absalom in zijn leven een pilaar voor zich had opgericht in het Koningsdal, want hij zeide: ik heb geen zoon om aan mijnen naam te doen gedenken; en hij had dien pilaar genoemd ^ijn naam, daarom wordt hij tot op dezen dag
'i Vim zulke Iiymmidiilc jjrafliuiivels wonll in liet lijil|icik (Ier Makkalicurii iiieenniileii iiieldinn genui,'ikl. I M,ikk. |;!:-_gt;S.
'2 Cliron. i I: â 2 1.
82
^vnaatud: âAbsalom's handquot;,1) terwijl Joskimu'S'â 'i zegt dat de ])yramid(', dom- den ongvliikkigoii prins gebouwd, slechts up tweo stadiën van Jcrnsalcni stond. Dit graftuokun evenwel, mot zijn (iriekseh beeldhouwwerk, kan onmogelijk zoo oud zijn, maai' wijst veeleer óp het Herodiaansche tijdperk torng. quot;t Kan (')('»k zijn dat do versieringen, zooals wel moer gobonrdo, eerst later zijn aangebracht. Het volk lioiult dit iiitnsschon zeker voor Absalom's graf, en ieder ((ogenblik ziet men kinderen steentjes tegen ,.Absalom's graftoekenquot; worpen. Die gewoonte is reeds eenwen oud, en daarom ligt hot monument ook vol met kleine steonen. Ja. als in Jernsaleni iemand een ondeugend kind heeft, dan, zoo zegt men. voert hij het naar het Dal van .losaphat, en dwingt het, met woorden en slagen, steonen te werpen en Absalom te vloeken, terwijl men tegelijk aan het ondeugende kind het leven en sterven van den boozen koningszoon herinnert.
Hierbij zij opgemerkt dat, hoe weinig waarborg wij ook hebben voor eenig verband tusschen deze grafheuvels en de personen wier naam zij dragen, er eenig gewicht niet aan te ontzeggen is. De graven om Jerusalem hebben in de stormen der eeuwen alle andere gebouwen overleefd; zij zijn schier de eenige die overgebleven zijn. Menigmaal is de lieer deze monumenten voorbijgegaan, en zeer licht mogelijk is het, dat het grafteekon van Zaciiauias Hem het woord op de lippen gelegd boeit: âWee n. gij schrift geleerden en farizeën, gij geveinsden! want gij bouwt de graven der profeten op, en versieit de grafteokenen dei-recht vaardigen: aldus getuigt gij tegen n /elven, dat gij kinderen zijt dergenen, die de profeten gedood hebben.quot; :l)
Nu staan wij aan de oostelijke zijde der stad. Hechts ligt
') -2 Sam. 18; 1H.
â ) I'lavii s Jhskimirs; .IuocIscIid Instoriu Vil : l).
â¢1j Matlli. 23: k2(j, 'm.
do Olijfberg, links het uinmiuirde tempelplein met de Omar-Muskéu, en óin ons zien wij untelliare graven van Muhamme-danen, die er aan herinneren, dat het verkeerd opgevatte woord van .Iokl ') den Koranix'lijdei' niet belet zijn dooden op den heiligen berg hij te zetten. Hoe zon liet ook, daar immers de Mohammedanen geloeven, dat hnn profeet op den jongsten dag op het tempelplein zitten zal. tegenover Cnhistl's. Hen draad, sommigen zeggen een haar, zal dan gespannen worden van de heilige zuil el-Tarik, die boven den tempelmuur uitsteekt, naar den Olijfberg, terwijl de zielen der ontslapenen ter beproeving over die brug moeten wandelen, waarbij de vromen door Inmne besehermengelen worden behoed, terwijl de goddeloozen in de plaats des oordeels vallen. Zooals wij weten spreekt de Islam reeds van een vooiioopig gerieht over de ziel, waarom dan ook het graf van een Mohammedaan in den regel twee rechtopstaande steenen heeft, een aan het hoofd- en een aan het voeteneinde, om tot zetels te dienen voorde twee engelen, die drie dagen na den dood verschijnen.
Het dal is hier omstreeks veertig voet diep, met puin en vuilnis opgevuld. Opgravingen te dezer plaatse hebben doen zien, dat vroeger de muur om het tempelplein veel verder vooruitgeschoven, de steilte van den bergwand veel sterker, het dal zooveel dieper, en alzoo de inneming van deze zijde voor den vijand hoogst moeielijk, zoo niet onmogelijk was.
De Gouden poort die naar het tempelplein, nu genaamd Haram esch Seherif, voert, is aan de buitenzijde met bogen en zuilen in Ronieinschen stijl versierd, maar toegemetseld, uir vrees voor de vervulling der legende, dat eenmaal op een Vrijdag een Christelijk veroveraar door die poort
') .luül 3 : i.
84
de stad bi m UMKI ringen m liaar aan de handen der ]\In)iam-nieilaiicii oidrukken /al. Haar naam âde (ieiulen poorlquot; is ontstaan uit een dwaling, daar mm de puurt, genaamd de Srliuunc. I land. â¢'! ; 2, die veel meer bimieii het tcmpcllHtt muct worden gezucht. in dc/c meende te herkennen, en hoN'en-dien het (Irieksehe wuurd Uuraia met Anrea \'erwisselde.
'Terwijl wij unze sehri'den richten naar de Stephanns-puurt, de eenige die tegenwuurdig aan de oostzijde open is, trekt aan de andere zijde van het dal, aan den voet des Olijthergs, een ommuurde hot' onze aandacht; dat is (lethsémané. Maar wij gaan er nog niet hinneii. Stel uw verlangen nog wat uit, mijn lezer! Kerst onze wandeling om den stadsmuur voortgezet, en wat in de naliijheid van dezen ligt opgenomen, um dan een rustig nur aan Getli-sémané te wijden. Wat ouk vluchtig gezien moge worden, (lethsémané niet: dat zou heiligschennis zijn; daar muet go tijd vuur hehhen.
Wij wandelen dan (iethsémaik'1 voorhij naai'de grafkerk van Maiua, gebouwd door Mkush.ndk, gemalin van Fi i.ko, koning van .lornsalein. Onder een prachtigen boog gaat men langs een marmeren trap van zeven en veertig treden naar een ouderaardsche rotskapel, in welke de discipelen Mauia, de moeder van .Ikzus. begraven hebben. De kerk. duur vele en kostbare lampen verlicht en langs de wanden met zijden draperieën versierd, heeft den vorm van een kruis: in het midden der eigenlijke grafkapel staat de sarcuphaag der junkvrunw. Deze kapel, vroeger de (ieth-sémané-kerk genaamd, werd reeds door den kerkvader 111kuoxymi's als de grafplaats \'an Mahia \'ereerd. Weder naar boven gaande vindt ge, hah'erwegen de trap. rechts een kapel met twee altaren, waar de graven zijn van .Ioaciiim en Anna. de ouders van Maiua, en links een kapel niet één graf, dat liet stof van .Iozkk, den man van Mauia. bevat.
Wij licbboii iiii'l hui^ in dal niHlrraardsclic liciligdfiin vciiocfd: eensdeels was het ei' al Ie mooi, maar toch ook al te bedompt, en anderdeels, o! zoo licht, maar toch in menig opzicht zoo donker. Ik was Mij toen ik weder (iods vriendelijk zonlicht aanschouwde en in ruime lucht mocht ademen, en dacht zoo hij mij zelf: arme menschen. die zich met kunstlicht behelpen, als de volle zon aan den hemel staat! En toch hoe velen zijn er. die liever het licht dooi' menschenhand ontstoken kiezen, dan zich door het licht der genade te laten bestralen, dat reeds zoo lang is opgegaan. Zij kennen nog niet de heerlijkheid van het profetisch woord, Maleachi 4 : 2, waaraan de bede ontleend is; âSul Justitiae illusfra nos!quot; ..Zon dei1 gerechtigheid, bestraal ons!quot;
Aan de noordoostzijde aangekomen, buigt zich de muur met een scherpen hoek westwaarts. Hier is hij niet beschermd door een dal, en daarom aan lederen vijandelijken aanval blootgesteld. Assyriërs, Habyloniers en Homeinen hebben hier de stad aangegrepen en met hunne stormrammen de muren gebeukt. Ten tijde van .losAniAT stonden hier drie muren achter elkander, maar op welken afstandquot;.' Men van de drie moet zich aan den tegenwoordigen hebben aangesloten, daar bij de Damascuspoort, de schoonste van allo, overblijfselen van een ouden toren door IJoiiinson gevonden zijn. Doch terwijl deze geleerde den derden muur groote hogen laat beschrijven om het noordelijk deel der stad, sproken weder anderen van een veel kleineren omtrek. Wie zal hier uitspraak doen? Ook aan den noordwesthoek van den stadsnniiir zijn overblijfselen van vroegere verdedigingswerken waar te nemen. De voornaamste van deze noemen de Arabieren (ioliathsburcht. Van dit punt uit loopt de tegenwoordige muur achter het gebouw van het Latijnsche patriarchaat heen, en komt dan met een hoek, naar het zuiden zich ombuigend, op het punt van uitgang, de Jalfa
so
poort terug. In 't kort bobben wij alzno gezien dat de stad van drie zijden (looi- dalen omringd is, wat natmniijk in vroegere eeuwen bare veiligheid verzekerde, en ook bare scboonbeid verhoogde: dat zij beden van alle kanten is ingesloten door een walmunr, in 1542 door Sou max 1 gebouwd, die, zooals door Dk I'hksskxsk zeer jnisl is opgemerkt, hare inwendige sebande vooi' de oogen des aanscliouwers voorloopig verborgen boudt, en een boogen dunk van baar doet opvatten, getroffen als bij wordt door baar deftig, majestueus voorkomen. Die muur beeft verschillende poorten, waarvan de voornaamste zijn:
ten noorden: de Damascuspoort,
ten oosten: de Stepbanuspoort,
ten zuiden: de Mist poort, over bet Tyropoeondal beengebonwd. en de Sionsjioort. ten westen: de Jaffa poort,
en dan nog aan de zijde van bet tempelplein de Gouden poort, maar die immer gesloten is.
Slecbts aan de poorten treffen wij oen groot aantal menscben aan; anders bobben wij er op onze wandeling niet veel ontmoet, 't Is stil en eenzaam om de stad. Hare naaste omgeving scbijnt verlaten, dos te drukker beweegt zicb de menigte in do enge straten.
Pp den Plufberg,
Na oene wandeling om do stad, moet oen bestijgen van den Olijfberg volgen, om oen overzicht te nomen over bet geheel en Jerusalem als in panorama voor ons te zien.
Wij' gaan daarom uit ons hotel langs de lange en enge Via dolorosa (weg dor smarten) naar de Stopbamis-
poort, om dan in het Dal van Josaphat af te dalen, maar wij komen haar niet door zonder kennis te maken mot 0011 dubbele rij van bedelaars, die als in kruisvuur ons den weg betwisten, 't Zijn deerniswaardige, in lompen gehulde schepsels, die ons in bun blikken bedelnap een aalmoes vragen, en, om het medelijden o]gt; te wekken, ons op de walgelijkste wijze hun verwrongen of bebloede ledematen tonnen, daarbij een klaaggeschrei aanheffende, zoo afsebmvelijk, dat wie eens dat ('bowadscba! ( 'bowad-scha! Heer! Meer! gehoord beeft, het nimmer vergeet, en beter dan vroeger het won'd der discipelen verstaat: âHeer, laat baar van U, want zij roept ons na.quot; ') En als men dan ziet welke onhebbelijkheden die lammen, kreupelen en melaatsehen, aan de poorten van Jerusalem neergehurkt, zich veroorloven: hoe zij even vuil als onbeschaamd u hij arm of been vasthouden, of n nastrom-pelen tip de straten, al hebt ge ook op de meest liefderijke wijze Iniu een goede gift toegereikt, dan kunt gij het geduld bewonderen van Hem, die onder zulk een weerspannig volk Zich bewoog en niet ophield hen wel te doen; dan begint men eenigszins te gevoelen hoe diep de groote koning in de gelijkenis zich moest neerbuigen, om deze kreupelen, lammen en melaatschen te laten noodigen aan zijnen koninklijken brniloftsdisch. ')
Eindelijk komen wij de poort nit, passeeren de brng over den Kedron (de Kedron is de beek die door het Dal van Josaphat loopt, maar meestal geen water heeft), gaan het graf van Makia en ook (lethsémaué voorbij, en wandelen den Olijfberg op. Dan ontmoeten wij eerst:
Do graven dei' Profeten, ook genaamd: het kleine
') Matlh. I rgt; : 2:t. 'j l.ukas I i : 'iii.
S8
laliyrinth. Wij kiuipcii oiKlcr een hi^c poDii door, rit kuiru'ii in een rotonde, die door cciu' ojKMiin^', in de xolderin^ iuin^cbnirld. licht ontN'an^'l . Van hier x'ocrcn drie gangen naar de graJkamers, die in den vorm van een halvcn cirkel in de kalksleenrots zijn uitgehoiiwen. De naam l'rofeten-gravcn hooft volstrekt geen histnrisclum grond, maar vindt misschion daarin zijn oorsprong, dat men remls van oudsher gewoon was Jerusalem de IVofetenstad te noemon, on deze graven de voornaamsto van den omtrek zijn. Wellicht dat eene verkeerde toepassing van Mattli. ; '2^ er toe hooft bijgedragen.
Uit de duisternis weer in liet licht gokmnen, schudden wij hot stof der graven af, en slaan een voetpad in dat regelrecht naar don top des horgs geleidt; en daar zijn wij dan op don Olijfberg, die zulk een voorname plaats beslaat in do oorkonde des Israëliotischen volks. Was het niet âdoor don opgang der olijvenquot;') dat David ging als hij voor zijn zoon Ahsalom vluchtte? Zag niet Zaoiiakias in profotischen geest den olijfberg tot den Rechterstoel van Jkhova gestold; zag hij niet
.... den bergrug migereten Ka tot een diepe klooi gespleten,
Ken schrikverwekkend ilinnomdal,
Neerdalend tot in 't luirt der aarde,
Waar 1I1J, die lang geduldig spaarde.
Kens onvei'bidlijk richten zal?
Toen Hij op aarde* rondwandelde. Wiens naam is âImmannöl,quot; wierd de Olijfboig zoo dikwerf tot bidkapel gewijd, waarin do Zoon dos monschen iie(a'knlelde en biddende het moede hoofd ter ruste logde aan dos Vaders harte. âDes daags was Hij leorondo in den tempel, maar des nachts ging Hij int en vernachtte op don berg, genaamd
') '1 Siimurl -1 .quot;i : an.
80
do OlijflKjrg.quot; ') Dan was alles stil: ook do vogel zwoeg, in 'I lomnuT woggcilokcMi; niets wat de samenspraak stoorde tussclien den Vader en den Zoon. Ku wat de Zoon dan iu zulk oen licili^e, stille ure had en sprak? . . . Hoe dikwerf heeft do lieer Zijne schreden langs don Olijfberg gericht, als Hij do stad Jonisalem verliet om in Bothaniö ,,do ark te midden der hcwogon wateren van .lorusalemquot; oen oog(üihlik rnste te vindon: ilij, die kwam om aan do wereld don olijftak «les eeuwigen vredes te lijeden. Als de Heer voor de laatste maal Zijn intocht doet in .lemsalein, klimt Mij van den Olijfberg af, onder de palmen en psalmen Zijner jongeren on van eene grooto schare, die Hem tegemoet is gesneld. Maai' wolk een tegenstollingl Waar alles jniebt en jubelt, \-an hlijdschap opgetogen.
Als ging' in 't eind do Vredekoiiing,
In lioügon fccslitus tot Zijn kroning;
daar weent de 1 tee re om .lorusalem, de koningsstad, de stad der Vaderen. Mij weet het, dat het âhosiannaquot; van heden door het: âkruist hein! kruist hem!quot; zoo spoedig zal worden vervangen. Mij ziet den doornontak reeds afgesneden, dien men Hem als een spotkronn oni do slapen zal winden, en het hout reeds gekapt, waarvan men Hem den kruis-troon bouwen zal! Maar Mij denkt niet aan eigen smart en lijden: alleen aan .lerusalem, dat niet luisteren wil naar wat tot haren vrede dient. Hij ziet de donkore wolken zich sail inpakken en do weegschaal des oordeels opgeheven in de lucht! Mij hoort het: âMono! mene, tekel upharsin!quot; het gekletter der Komeinsche zwaaiden, het gejammer der stervenden. Hij ziet den tempel in vlammen eu do stad in puin. Mn terwijl do
'i l.nkas '2 I : 'M.
lt;)0
jongeren roepen: Zie, Meester, welk eene stad, en welke steenen! rollen Hem de tranen langs de wangen en klinkt liet: âJerusalom, .Icrnsalem! hoe dikwerf heb Ik n willen bijeen verga ren, gelijk een hen hare kiekens, maar gij hebt niet gewild!quot;
Neen 't doode broedsel hoort niet moor,
't Zul 't leven nimmermeer aanscliouwen En â met gewette sneb en klauwen,
Werpt ile arend /.icli op 't aas terneer.
Van den Olijlbcrg is de Heer ten hemel gevaren. Toen sloeg voor die eeuwig gedenkwaardige hoogte de schoonste ure, want gelijk Sciiübkut zegt: Wat in Mamre's hosschen beloofd, op Moria afgebeeld, op den Thabor in een spiegel aanst'houwd en op (lolgotha tot den prijs van den zwaarsten kamp verworven werd, daaraan is hier op de hoogte des Olijfbergs het zegel der verheerlijking ingedrukt en de palm der overwinning toegereikt.
Van den Olijfberg voer de Heer ten hemel! (iescliiedde het op dezelfde plek waar nu de Ilemelvaartskapel is gebouwd, en men n in een marmeren steen den indruk van Zijn laatsten voetstal) toont? Oeh! de Christen denke aan die legende niet. 's Heeren voetstappen ruisehen in veel hoogeren zin over de gansrhe aarde. Hij ziet over het bergvlak heen en zegt: Hier, hier ergens was het, dat mijn Heiland Zijn Koninklijken lastbrief aan Zijne Jongeren gat; âgaat dan heen, predikt het Kvangelie allen ereatnren en doopt ze in den Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen (leesles.quot; Hier, hier ergens gaf de Heer Zijne Koninklijke belofte: ,,lk hen met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld,'quot; en voer toen heen naar'! Vaderhuis, waar engelen, aartsengelen en verlosten Hem, den grooten Overwinnaar, het hal lel toezingen: Hot Lam dat geslacht is. is waardig te ontvangen de eer en do dankzegging en de
91
eeuwige aanbidding. Op den Olijfberg moet het lied van don profetischen zanger gozongen worden:
(iod vaart voor ons oog Mot gejuich omhoog;
't Schol ba/Aiingoluid Galmt üods glorie uit;
Iloft don lofzang aan,
Zingt Zijn wondordaan,
Zingt de sclioonste stof'.
Zingt des Konings lof Met een /.uivron galm,
Met een blijden psalm;
Hij. de roem der aard',
Fs die hulde waard, i)
Niet ver van de Hemel vaartskapel zag ik een niemv gebouw met ruime zuilengangen, de wanden van het voorhof met marineren platen versierd, die in een-en-dertig verschillende talen het âOnze Vaderquot; to lezen geven. Do traditie meent dat hier de plaats is waar de Heer Zijnen jongeren het allervolmaaktste Gebed geleerd heeft, terwijl zij u eveneens een grot weet aan to wijzen, waarin do Apostolische geloofsbelijdenis is saamgesteld! De stichteres van de Onze-Vader-kapel, de prinses 1)k la Touii d'Al'VEK(in[0, beeft een levensgroot beeld van zichzelf uit wit marnier laten plaatsen boven het graf, dat eens haar stof bevatten zal. Zulk een monumont in zulk oen kapel; o ijdclheidü
Om van den Olijfberg het heerlijk uitzicht te genieten over de stad en omgeving, beklom ik een oude minaret, en van die hoogte zag ik .lerusalem in zijn volle lengte en breedte. Hoe selulderachtig schoon, hoe prachtig, hoe majestueus is alles van hier gezien.'Bij dien eersten aanblik vraagt gij nu maar liefst niet te spreken, en u
'j l'snlin 17, 'hcrijiiKli.
(.)2
i'ciiigr ooruililikkcii tot stille uvcriiriii/Jng te guniicii; dan doorlwft ge i'i'ii gvilccltc (Ier gewijde historie! dan zijn er steinmen van beneden, stemmen van boven, stemmen van rondom; dan grijpt, ontroering u aan; dan hoort ge het riiischen van de voetstappen van Hem, die den vrede hoodschapt; dan komt er een traan in uw oog, want wat go daar voor u ziet is het hart van liet beloofde land, waarom zich in de hoils- on wereldhistorie alios beweegt: 't is de heiligste, den Christen hoven alles dierbare plek der aarde; ge ziet .... .lerusalom! .lerusalem, om welke do heuvels en hoogten van alle zijden oprijzen, zich als een eerewacht scharende om haai' koningin âde dochter Slonsquot;! Rondom .lerusalem zijn bergen: alzoo is de Heer rondom Zijn volk van nu aan tot in der eeuwigheid '). Ziet ge daar in het noorden dien met een minaret ge-krooudeu heuvel? Dat is het Mizpa van Samtkl; ginds rijzen de bergen van Samaria voor u op; hier de Frankenberg met zijn afgeknotten kegel: daar de blauwende hoogten van Moah, met hare scherp belijnde donkere afgronden; en aan den voet van deze de Doode Zee, welker waterspiegel vriendelijk glanst, terwijl zelfs de loop van den Jordaan tamelijk duidelijk te volgen is. De lucht is zoo rein en doorzichtig, dat men zou meenen in een paar uren Jericho te kunnen bereiken. En als ge dan dat gansehe panorama overziet, hetzij bij avondlicht of in den glans en den gloed dien alleen de oosterzon over zelfs naakte hergen kan uitgieten, dan spreken de steenen, dan wenkt u iedere rotstop naar het verleden, en wijst alles u naar boven, naar den (rod der Eeuwigheid. â
Maar nu van de hreede prachtlijst het oog gericht op de schilderij die zij omvat: op de stad des grooten Konings,
â¢) Psalm O,!.quot;. : -X.
93
de Heilige stail. Van al hel vuile en onaangename, wat n hindert als gij door hare stralen waiulcll, ziel gv hier niets. Hier ligt Jerusalem voor n als de heerlijke stad, mei haren nitgeslreklen walmniir, talrijke kapellen en minarets, (linds verrijs! de ondo, eerwaardige Davidslmrcht; daar de grafkerk met haar naisaehtig kruis: tei'rechterzijde van de eerste de Mngelsehe kerk, door hel (ieiiootsehaji tot uithreiding van het Christendom onder de -loden gebouwd, en van verre aan hare witte steenen zichtliaar. 1 lier aanschouwt gij den koe]tel van het schoone Armenische klooster, en dan daar tusschenin die talloo/e witte liui/en met platte daken en terrassen; maar wat het meest, uwe aandacht trekt is dat ontzaglijk groot terrein daar vlak voor n, dat omtrent de halve breedte der stad beslaat. Met is het reusachtig plateau, waarop eens de tempel stond, maar dal nu het meest gruot-sche bouwwerk van 't hedendaagsch .lerusalem draagt: de Om tr-Moskée. Daar vindt ge boomen. fonteinen, marmeren bogen, en nog oen Moskee, vroeger een Christenkerk, maar ook nu in het schemerlicht der Halve maan geplaatst. De aanblik van het geheel is nog indrukwekkend, ofschoon ge het niet ziet zonder smart. Maar hoe gansch anders moet het geweest zijn ten tijde van .Ikzi s. toen de tempel nog stond met zijn hooge muren en blinkende poorten en glanzende tinnen! Lees wat Fi.avus Josmmtus, misschien wel wat overdreven, van den tempel zegt: ')
âHet gansche buitenwerk van den tempel was ten hoogste wonderlijk, want bet was geheel met dikke gouden platen overdekt, die. als er de zon op scheen, zoo sterk flikkerden, dat er de oogen der aanscbou-wers niet minder door verblind werden, dan alsof men die op de /oimestralen zelf gevestigd hield; en
') l-'lavicw Juskimius: Ourlugi'ii ilcr .Imlcn ilc liumoinm. V : 11.
94
aan de zijden daar geen gond was, waren de steeneii zoo zuiver wit, dat dit gebouw den vreemdelingen, die het nooit gezien hadden, van verre als een sneeuwberg voorkwam.quot;
Wat beelden uit het verleden rijzen nu op voor mijn geest, tatereelen van vroegere eeuwen! Daarop het tempelplein voor mij zie ik Salomo, door oudsten en priesters omringd, zich stellen voor liet aangezicht (iods, kroon en sehepter neerleggende op de voetbank Zijner voeten, en onder een ademlooze stilte van duizenden zijner onderdanen hoor ik hem bidden: ..() mijn (lod! Wien de hemel der hemelen niet omvatten kan, oeh, dat l'we oogen open zijn over dit luns, hij dag en bij nacht.quot; ') Daar legde de vrome Hiskia de brieven van Samikuiis neder voorliet aangezicht van Jkuova; daar nam een Sim kon liet Jiozus-kind in zijne armen, en zong, terwijl zijn oogen straalden van hemel-schen gloed: âNu laat GHj, Heer! Uw dienstknecht gaan in vrede naar Uw woord, want mijne oogen hebben Uwe zaligheid gezien, die Gij bereid hebt voor liet aangezicht van al de volken, een licht tot verlichting der heidenen en tot heerlijkheid van Uw volk Israël.quot; -) Daar stond de Heer op den grooten dag, den laatsten dag van het Loofhuttenfeest, en riep met een stem vol majesteit: âZoo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke. Die in Mij gelooft, gelijkerwijs de Schrift zegt: stroomen des levenden waters zullen uit zijn binnenste vloeien.quot;3) Maar ook daar heeft Hij een geesel van touwkens gevlochten, en hen uitgedreven die schapen en ossen verkochten, en de tafelen der wisselaars omgekeerd, en den duivenverkoopers het heengaan geboden, als Hij met eene stem, die van heilige verontwaardiging trilde,
'j -2 Clu'onieUtii (i.
2) Lucas 2 : 2'J v.v.
») juli. 7 :-:t8, aa
95
sprak: âGij zult hot huis mijns Vaders niet tol ecu huis van kouphamlol niakcu.'quot; ') Dit geschiedde op een I'aasch-feest, on als van zelf breidt nu mijne gedachte zich uit, als ik hei lonk wie op hot Paaschfoest ter bedevaart honengingon naar do heilige stad. en zie ik in mijn geest do uithoemsche Joden, wonende aan do oevers van den Tiger of Euphraat, of aan de zoomen van hybië's woestijn, opkomen naar Jerusalom, hetwelk aller moeder is, gedreven door heilig verlangen, om dan toch ook, al is het maar ééns in hun loven, den heiligen bodem te betreden en den Tempel te zien. Ziet. daar komen zij aan. in feestdos gehuld, langs allo paden en wegen, ondei het bazuingeschal der Levieten, die ben tegemoet zijn getreden of verzeldon op bunnon tocht! Ik hoor hun feestlied:
Ik ben verblijd, wanneer men mij Godvruchtig opwekt: zie, wij «taan Gereed, oin naar Gods linis te gaan;
Kom, ga met ons, en doe als wij.
Jerusalem, dat ik bemin,
Wij treden uwe poorten in;
Daar staan, o (lodsstad! onze voeten,0)
En boe nader men komt, des to hooger stijgt de verwachting dor feest karavaan , als op eens van alle zijden di» jubelkreet gehoord wordt: .lerusalem! .lornsaiem! oude moesten met tranen in de oogen herhalen: .lornsaiem!
Ik zie de menigte daar wonen onder do groene loof-priéelen of onder de witte tenten buiten de stad, betzij op bet vlakke veld, of togen do holling der bergen opgeslagen. Straks gaan zij tempelwaarts heen. en brengen ieder hun lam ten offer en zingen bot groote hallel mode, dat nergens zoo schoon klinkt als in den Tempel to Jerusalem!
') Juli. '2 ; 1 'i v.v.
â J) Psalm 12*2, (hcrijmdi.
9(5
En dan dwaal ik ind mijne yvdachtcn hoon van die toost karavaan naar hot koninklijk patois, daar ginds op Sion gebouwd, om te Inistoron naar don zanger, die Israël zijne loinpelliederen lieoft vourgezungen, don dichter, van wieii een diditor gezegd hooft: âHij is de koning der poëzio. Nooit hebben de snaren der mensrlielijke ziel van zulke diepe, doordringende eu plechtige tonen getrild; nooit beeft do godaebte eens dichters zulk een stoute vlucht genomen; nooit beeft de ziel zich voor (loi 1 en menscben in zulke teedore, gevoelige, hartvor-scbeurciido aandoeningen en ontiniozoniingcn uitgestort. Al de gelu'imsto zuchten van hot menschelijk hart hebben een stem en een toon gevonden op de lippen, op de harp van dien zanger. Als men bom hoort, wordt men aangegrepen door oen gevoel van bewondering voor don koning-profeet, die tot (iod, den Schepper, spreekt als een vriend tot zijn vriend; die Zijne wonderen verstaat en verheft, die Zijne rechtvaardige oordeelen bewondert, die Zijne ontfermingen inroept, en die. als oen vervroegde echo der Evangelische poözie, do liefelijke woorden van den Cm; 1st os herhaalt, nog vóór zo geboord zijn.quot;') Amen! zeggen wij op dit dichterlijk getuigenis, en voegen ei' bij: Nooit beeft een zanger als koning Da vin gezongen, want hij zong door don (leest (lods geleid. Voor alle eeuwen beeft hem zijn (iod de lauwerkroon op do slapen gedrukt: âde kroon der gewijde poëzie'.quot;
Maar het beeld van den koninklijken zanger, den dichtor-profeet treedt achter don sluier dor eeuwen terug, en ik hoor zijn harp niet moei', maar wilde, woeste kreten, opgaande uit hot midden eener schare, die van blinde woede blaakt. Ik boor oen gillen, als kwam het uit
'j l.wiahiin'i:.
den afgrond: kruist hom! kruist hem! en dan weder: Zijn bloed kome over ons, en over onze kinderen! Ik zie het vreeselijkst drama, waarbij de zon hare stralen terugtrok en de aarde beefde; ik zie op Golgotha drie kruisen, en aan het iniddenkruis den Zoon des menschen en boven Zijn hoofd een bord gespijkerd, waarop in drie talen te lezen staat: âJkzus, de Nazarener, de Koning der .lodenquot;, en terwijl een schaar van woestelingen om dien kruispaal woelt en tiert, en de heidensche soldaten dobbelen om het kleed van den Kruiseling. hoor ik van Zijne lippen de bede: âVader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.quot; Daar staat het kruis, hel zoenaltaar der wei'eld, daar sterft de Clodinensch! priester en offerlam tevens . . .
Toen het leger der kruisvaarders onder (J-odvhikd van Bou11,1,0x op den 7 Juni lOUi) op eens .lerusalem voor zich zag.
Toen wuifde elks hand Jerusalem lietir greet ,
Mn jubelend doen honderddni/end lippen Den blijden naam: Jerusalem! ontglippen.
Op 't voorbeeld van hun vromen aanvoerder, ontbinden zij de schoenen van de voeten en
Scln uren zich de pronksels van de leden,
En nemen zich de pluimen van '1 helmet,
en zeggen:
Waar gij. o lieer, Uw heilig offerbloed Op aarde plengde nil doodelijke wonden,
Haar smell ik niet. met ovcrkropt gemoed In lianen weg bij d' aanblik mijner zonden?
Mijn koude ziel! Stroomt ge in geen dubbelen vloed Ten oogen uit, in 't brandend vocht verslonden?
Mijn harde ziel! vergaat ge niet van pijn?
Wie (hans niet weent, zijn wee zal ecuwig zijn.quot;')
'i Tkn Katk's Tasso. .IcriisMlcin vcrlosl, .'Mo Zmiiu
98
ik was gaarne nog wat langer hier geliieven, want op den Olijfberg kan men niet te lang zijn, en aan het gezicht op Jerusalem heeft men nooit genoeg, â maar mijn gids roept mij en met langzamen tred klim ik af. 'k Hel» thans geen oog en geen hart voor topographische opmerkingen; neen, ik zie Jerusalem als de stad die het Offerlam buiten hare poorten leidde, ik zie de doornenkroon en het kruis door haar voor haren Koning bereid, en dan denkt men aan geen splinterige geschilpunten van weten-schappelijken aard; neen, ik denk aan den ehultriomt, aan de wereldoverwinning van het eeuwig gezegende kruis, en stort veel liever mijne ziel uit in het profetisch lied:
Amen! Jezus (Juhistus, Amen!
Ja, (lij zult in 't groot heelal 't Rijk der tluisternis besclianien,
Tot het niet meer wezen zal.
Woon, o Heiland! in ons midden:
Onder Uwe heersehappij Zijn wij zalig, zijn wij vrij;
Leer ons strijden, leer ons bidden!
Amen! heerlijkheid en macht,
Worde U eeuwig toegebracht!
j^OG EENS OP DEN PLUFBERG. pETHSEMANH
Splinterige quaesties; Ach, ik ben niet naar Jerusalem gekomen om mij te verdiepen in dingen, die voor de wetenschap zoo zwaar zijn om te verstaan; ik heb er geen tijd, geen hart en geen hoofd voor. Wat zal ik, pelgrim, die slechts enkele dagen in Jerusalem vertoef, mij mengen in oudheidkundige vraagstukken, waaraan
W «ï i
M - If/ '
i
â
99
de geleerdste dei' geleerden reeds sedert Jaren arbeiden, naar wier oplossing seherpziimige onderzoekers gegraven hebben zonder te vinden. Zal ik bet uitmaken waar de tweede of derde muur beeft gestaan: of zeggen boe de loop van bet Tyropoeon-dal is geweest? Volstrekt niet. Ik lieb over deze duistere, maar toeb zeer belangrijke vragen gelezen en nagedaebt, en zal nu stillekens aanbooren wat mijn gids, die nog al aardig op de hoogte van de laatste uitspraken der wetenschap sehijnt te zijn, mij zeggen zal. Nog eens op den Olijfberg zijnde en Jerusalem overziende, herinnert bij mij, dat geen stad ter wereld zooveel veranderingen ondergaan heeft als deze; dat zij twee en dertig maal is veroverd en dan geheel of ten dooie verwoest. Hier zijn paleizen verbrand en weder opgebouwd , om weder door den vijand omvergehaald te worden. Hier zijn in den letterlijken zin des woords heuvels geslecht en dalen opgehoogd, vijvers gedempt en bronnen gestopt, terwijl het puin op sommige paal sen 40 a öO voet hoog ligt. Zoo beeft men bij bet leggen van het fundament voor de Engelsch-Protestantsche kerk moeten graven tot op zestig voet diepte. Hij herinnert mij, dat ten tijde van Curistus de stad op twee heuvels gebouwd was, waarvan de voornaamsten, Sion en Mor ia, door het Tvro-poeon waren geseheiden; maar luie was de loop van dat dal? I'Yavii s .Ioski'iies, de man op wien de Archeolugen als op de gewichtigste autoriteit zich beroepen, zegt: ') âDestad .lerusa-lem was met een driedubbelen muur omringd, uitgenomen aan de zijde der ontoegankelijke dalen, alwaar er maar één was. Zij was gebouwd (»1» t wee bergen die, tegenover elkander liggende, door een dal, dat vol huizen was, vaneen gescheiden waren. Vermits die berg, op welke de boven-
') t. li. |i. v : n.
100
stad was gelegen, veel honger en steiler, en bijgevolg sterker verdedigingsplaats was dan do andere, had koning David, vader van Salomo die don tempel stichtte, dien gekozen om er een vesting opto houwen, welke bij naar zijnen naam noemde. J)o benedenstad ligt op don andoren berg, die den naam van Akra voert en van alle kanten gelijk afdaalt. Wat bet dal Tyropoeon betreft. botwelk do opperstad van de benedenstad scheidt, het strekt zich uit tot aan de fontein Siloam, âdie liefelijk water in overvloed oplevert.quot; Nu is het do vraag, hoe was de loop van het Tyropoeon; want Joskimius beschrijft wel het zuidelijk einde, dat met wiskunstige zekerheid is aan te wijzen, maar boe was de loop naar bet noorden of westen? Mijn gids deelde mij het gevoelen mede van geleerden als Robinson, Q-utiik en andere, en gaf mij als zijn overtuiging te kennen, dat men, om ooit tot he-sliste zekerheid te komen, zon moeten beginnen met bet geheole tegenwoordige .lerusalern op te ruimen, en den oorspronkelijken bodem weder bloot te leggen. Zeker wol de radicaalste maatregel: maar of zij geene tegenkanting vintien zou.....?
Be zet ha, noordelijk van den tempel gelogen, was gemakkelijk aan te wijzen, alsook Opbel, het zuidelijk deel van het plateau waarop bot heiligdom stond, maar of'bet zuidwestelijke, tevens bot hoogste punt der stad, den naam van Sion mag dragen, daarover zijn do geleerden hel onderling ook al weder niet eens. Mijn gids meende dat die naam uitsluitend behoorde aan den heuvel, waarop de tempel gebouwd is, en die, omdat ook daar bet Davids-paleis zou gestaan hebben, de Davidsstad word genoemd. Hij beriep zich op verschillende bijbelplaatsen, als Psalm
: 12, ârsahnzingt den Heer, die te Sion woont!quot;quot; Psalm 50' : 2, ,.Uit Sion verschijnt üod blinkende,quot;quot; en
Lichtdruk van Emrik amp; Binger, Haarlem.
GETHSEMAN Ã
101
andci'o, inaar op mijn vraag' hue dan 2 Ghrun. 8 : I was tc verklaren, bleef hij hot antwoord schuldig.
Mij aangaande, ik blijf bij de meening, dat David, nadat hij do stad had mgenomon, zeker niet een dor lagere, maar stellig wol hot hoogste punt heeft uitgekozen, om er zijn paleis en vastigheden te bouwen en ook don tabornakel over te brengen.1) Sion zoek ik dus aan tie zuid westelijke zijde, en als nu later op den Moria de tempel verrijst, en dus Jkuova niet meer kan gezegd worden op Sion te wonen , blijft evenwol deze benaming èu door de gewoonte èn door het gebruik der Psalmen, die nu ook in don tempel gezongen worden, bestaan en gaat men voort mot van Sion te spreken, ofschoon eigenlijk Moria bedoeld wordt. Maar wie zal ook dit vraagstuk lieslissen? Zeker is voor beide gevoelens hier voel te zoggen en de oplossing der quaestie nog niet to zien. Gelukkig hangt van deze twijfelachtige zaak voor ons heil niet veel af, maar iets anders is het, of ik weet, âdat in hot huis mijns Vaders vele woningen zijn,quot; en vast mag geloven, dat door mijn Heiland ook voor mij in hot Sion hierboven plaats bereid is.
Thans dalen wij af naar Ciothsemané, een hof gelegen aan den opgang dos () lijf bergs. Door een kleine poort gaan wij binnou, en bevinden ons in een tuin, omgeven niet een stevigen muur, waarin do verschillende statiën van het lijdon dos Hoeren zijn aangobraelit. Wij zien daar olijf-h;)omon en cypressen, ou bloembeddon, geurig en fijn. Een Franciscanormoimik ontvangt ons mot de moeste beleefdheid, leidt ons rond en biedt ons oenige bloemen, als souvenir
') -2 Samuel 0.
102
aan die heilige plek. Wal mij betreft, ik wenschte wel d|t die muui' met hare station er niet was en dat die hluemen, lioc geurig en kleurig nuk, er niet waren en ik mij daar in een wijngaard hevond, met een mnnr, naar de gewodiite des lands, nil op elkander gelegde steenen omgeven en een eenvoudig landhuis; maar hel zij zoo. De ülijtbooinen die gij /Jet, hoe oud en knoestig ook, zijn zeker niet dezelfde onder welke de Heer heeft vertoefden gestreden en gebeden, ofschoon, zooals hekend is, het leven van den olijfhoom huitengewoon taai is; want toen de Romeinen onder Trrrs .lerusalem omsingelden, is op diens hevel het hout uit den ganschen omtrek gekapt om er helegeringswerkluigen en kruisen voorde vluchtelingen van te maken. Hoogstens is althans hier te denken aan uitspruitsels van de wortels der vroegere Gethsemané-hoomen. Bovendien is het nog zeer twijfelachtig of hier wel de plaats zou zijn waar Juzi's den laatsten nacht Zijns levens op aarde heeft doorgebracht; maar op een voetbreed gronds komt het er gelukkig niet aan! Hier, of vlak in de nabijheid was het dat Ji:zrs. de Held der helden, in het stof lag en bad: âVader! indien het mogelijk is, laat deze beker van mij voorbijgaan! doch niet gelijk ik wil, maar gelijk (iij wilt.quot; Hier gaan de beken Belials over Gods heilig kind .Ikzl's! Hier heften zich alle golven en baren tegen Hem! Een wereld van smart overstelpt Zijne ziel en drinkt Hij de bitterste teugen uit den kelk der zonde. In het paradijs kwam Satan tot den eersten, hier in den Olijvenhof tot den tweeden Adam, het is eene worsteling waarbij het zweet als groote droppelen bloeds van Zijn aangezicht leekt; een strijd, waarin een engel uit den hemel te Zijner versterking neerdaalt, maar waaruit ook de Heer als Overwinnaar weerkeert, als Hij straks opstaat, en zegt : âVader! indien deze drinkbeker van mij niet voorbij
103
kan gaan, tenzij dat ik hein drinke, Uw wil geschiede!quot; Hier is tic zwaarste strijd gestreden, dien de Hemel uuit aansehouwde, de strijd onder den last van 's werelds zonde, de strijd vóór het kruis; maar hier is ook dour des Lijders ziel de heerlijkheid van den Paasclnnorgen heengegaan! Och! als men in Uethseinanó is, dan vraagt men er niet naar, ot' het nu hier juist wel de rechte plek is waar Jezus leed en streed, ot missehien op een steenworp afstands. Neen! men knielt hier van zelf neder; men voelt het hart slaan'met feller slagen; 'tis of ge Hem voor u ziet, die tot zóó duren prijs Zijne Uemeente kocht, 'k Heh met mijne vrouw en den Engelseheii predikant Ds. Lkacii in den Olijvenhof gebeden en gezongen:
Jk/.us! uw verzoenend sterven,
Blijft het rustpunt van mijn hart.
en zoo dikwijls'ik er wederkeerde was het er mij onuitsprekelijk goed.
Ti'x Kati-; zingt in zijne Schepping:
Daar onder 't kUmmon, onder 't vlijmen
Van zielepijnon, eindloos zwaar,
In 't duister dat den dag doet kwijnen,
Ontmoeten Clod on mensch elkaar.
En bij die sprakelooze omarming,
Ontsluiert zich Gods aangezicht,
Waarop, - de traandrop der Krbarming,
De glimlach der Vergeving ligt.
Mijn lezer, kunnen die' regelen ook boven uw Geth-semanó staan ?
104
Plï KERK VAN HET ) 1 E I L, 1 G E pRAF.
Wij gaan Crothseiuané uit, do bock Kodrun over, do Stophaiiuspoort dour, en staan hiimen enkolo miiuiton voor oen kazorno, vrooger do buroht Antonia, waar hot paleis van Pi lat us zal zijn geweest en don Hoor hot kruis is opgelegd. Wij gaan door do Ecce-Hoino-lioog, zoo geneonid om lat hi lat us daar hot onvergotolijko; Ecco-Homo ! Ziet do menscli! zal gesproken hebben, en dan langs een straat, die nu eons naar benoden loopt, dan weder niet trappen naar boven gaat, tot wij komen aan do dusge-naaindo Grafkerk, do plaats waar de Hoer volgens do traditie gekruist is, dus Golgoiha, in welks nabijheid, volgens don Evangelist â Iuiianxks, ook het graf is geweest. De hoofdingang is aan de zuidzijde: hot voorplein steeds vol met tafeltjes, of uitgespreide tapijtjes, waarop de kooplieden hunne waren hebben uitgestald, zooals: rozenkransen, eruei-lixon en voorwerpen van ol ij venhout vervaardigd, waskaarsen en zooal meer. Met kracht werken wij ons door die vriendelijke lieden heen, die op de moest welsprekende wijze ons hunne artikelen aanprijzen, en komen in het heiligdom. De voorgevel, niet fraai maar massief, heeft twee groote poorten in Crothischon stijl, zóó zwaarmoedig, dat zij beter voor eone vesting dan voor een bedehuis zouden passen. Men dezer poorten is toegemetseld. De ornamentatie is rijk; boven de één zijn bijbeischo groepen, boven de ander mythische tiguren aangebracht tusschen een rijkdom van bloemen en blaren, alles uit den tijd der kruisvaarders. De zuilen zijn slank en met prachtige kapiteelen gekroond,
J i
105
boven deze ziet men twee vensters met haltromlo bogen in denzelfden stijl, maar betrekkelijk klein en overvloedig' van ijzer traliewerk voorzien.
De kathedraal zelf, die men zon kunnen noemen een doolhot' van in elkander loopende kerken en kapellen, heeft sedert den tijd van Coxstanti.ix en zijne vrome moeder Helena aanhoudend veranderingen ondergaan. Vroeger waren de kruisplaats en do grafplaats van elkander gescheiden, thans zijn zij doelen van hetzelfde onregelmatige geheel; evenzoo was er in do vierde eeuw een afzonderlijke kruisvaarderskapel, die nu ook al in hot grooto labyrinth van heiligdommen is opgenomen.
Als de kerkdeur ontsloten wordt, is het godrang der schare meestal groot. Wij nemen plaats in de achterhoede; eerst zien wij links van ons een Turkscho wacht, in don regel zes soldaten mot een korporaal, daar geplaatst om onder do Christenen de orde te bewaren. Zij liggen op een brits, rooken lunmo pijpen, drinken koffie en zien met voornaamheid op de binnenkomende Christenen neer. Recht uitgaande komen wij eerst aan een langwerpigon, vierkanten steen van rood marmer, naast welke vier grooto zilveren kandelaars staan, en waarboven een aantal brandende lampen hangen, liet is de zoogenaamde zalvingsteen, naar men zegt door Jozkf van Arimathea en Nicodemus gebruikt, om er ter voorloopige balseming het lijk des Iloeren op te leggen. Bij dien steen vindt gij altijd eenige oude vrouwkens in stil gebed, die, als zo straks heengaan, haar kaarsje brandende achterlaten om zoo nog meerdere waarde te geven aan hare offerande. O sancta siinplieitas! Maar de galerijen ter rechterzijde hebben onze aandacht getrokken. Wij gaan een trap van twintig marineren treden op, en zien daarboven een volledige kerk in versebillendo kapellen verdoold. Hier zon Celgat ha zijn, de plaats dei' kruisiging.
lot)
Men toont u de plek waar lid kruis gestaan heeft en de beide andere kruisen waren opgericht, men wijs! u de gescheurde mts, en beweerd dat die scheur tut in het hart dei-aarde duurgaat. Ik behuef u niet te zeggen, dat zoowel de opening in den grond, waar liet kruis stond, als de rotsspleet in een breeden zilveren rand zijn gevat , dat de wanden der kapel met schilderijen zijn versierd en de bodem met mozaïek is bevloerd, terwijl de kostbaarste lampen daar dag en nacht branden. â Maar al die fraaiigheid hinderde mij zeer bij het binneutredeu in die kruiskapel! Als men zich naar de beschrijving van het Evangelie een voorstelling gemaakt heeft van den kruisheuvel, dan wil men een plaats zien in do vrije natuur, daar ergens buiten de poort der stad, een naakten heuvel, ruim en breed genoeg om een schaar van toeschouwers te bevatten, desnoods door eenig hekwerk afgesloten, maar niet een met lampen geheimzinnig verlichten hoek van oen kerk. En toch, is er één plek op aarde waar in den loop der eeuwen zoo vele harten van de diepste aandoening hebben geklopt? Wie telt ze, de millioenen bij millioenen, die daar in aanbidding de knieën bogen voor ..het Lam dat geslacht is, en dat waard is te ontvangen de eer en de dankzegging en de eeuwige aanbidding!quot; â Zet u een oogenblik neder bij gindschen pilaar, waar gij ongemerkt de neerknielende pelgrims kunt gadeslaan. Daar komt een man mot een ietwat woest uitzicht; een lange baard hangt over zijn borst en een verkleurde pels over zijne schouders, 't Is een Rus, die uit hot noorden zijns lands een maandenlange reis heeft gemaakt om te komen in het Heilige land, en nu eindelijk aan hot doel van zijn tocht, wordt de man uit het koude Noorden door zulk eeiie aandoening aangegrepen, dat hij klein als een kind zich neerwerpt op de plek waar zijn Meester leed en stierf en haar
107
met duizend kussen bedekt, terwijl hij als Petrus bitterlijk weent, en ais de tolleiuiar zirh up do burst slaat. Gij verstaat niet wat hij zegt, maar dos te heter verstaat hij hel door zijne gebaren uit te drukken, wal op de kruisplaat s (inze ziel moet doen trillen. En als hij is weggegaan, komt er oen Abessiniër, die met den dioitsten eerbied het altaar nadert, en duizenden heschaamt die zich mot lippendienst tevreden stellen. â (lode zij dank, dat wij het weten, dat het kruis van Ciiuisti's geen i'eliipiie is, maar een boom dos levens, van welks vruchten ieder discipel van .Ikzus plukt en verzadigd wordt.
Mijn Verlosser luing't aan 'tkniis,
lin Hij hangt er mijnent wegen,
Mij ten zegen.
Vail den vloek maakt Jlij mij vrij,
Kn Zijn sterven zaligt mij.
Met die gedachten dalen wij de trappen van Calvarië af en zotten onzen omgang in do (Irafkerk voort. Wij gaan weder den zalvingsteen voorbij, en komen onder den hoofdkoepel van het gebouw. Deze verheven rotonde laat aan pracht en weelde niets te wenschen over; â of men tot dit majestueuze verwulf opziet, dan of men van de hoogt! galerijen, die zich onder den rand des koepels bevinden, naar beneden ziet, men moet (exegese nu daargelaten) aan het woord van den profeet Jksaja. denken: b âEn Zijne rust zal heerlijk zijn.quot; Want hier is het dusgenaamde Heilige graf. Boven de grafplaats is binnen den omtrek van den reusachtigen dom een kerkje gebouwd in byzan-tijnschen stijl. Men gaat een paar trappen op en komt dan eerst in de voorhal, de dusgenaamde engelenkapel, waar een steen ligt, waarop de engel van den 1'aaschmorgen zich zal hebben
') .losaju XI â KI.
108
noorgozot. Reeds voor den ingang van de kapel ziet men den pelgrim neerknielen en op de knieën de grafkamer binnenkruipen. Dat men slechts diep gebogen, en dns in de meest eerbiedige houding deze naderen zon, daarvoor is gezorgd, door de opening zou laag mogelijk te maken. Binnen de grafkapel is maar voor drie personen ruimte, en daar zij van boven tut onder met wit marmer is hekleed, is het voor den reiziger onmogelijk om te bepalen, of men hier al of niet met een rutsgrat te doen heeft. â Aan de zoldering zijn eenige dozijnen kostbare lampen duor de Griekse he, Latijnsehe, Armenische en Koptische Christenen opgehangen. Daar ook boven aan den houfdkuepel lampen zijn aangebracht van allerlei kleuren, zoo is waarlijk de verlichting op een feestavond hetooverend. Verschillende Christenkerken hier vertegenwoordigd wedijveren in het aandragen van gouden of zilveren versierselen en spreken daarmede uit, dat geen offer haar te gruut is, om deze plaats, naar hare meening de geboortegrond van alle kerkelijk leven, te vereeren, maar roerender dan al die tentoonspreiding van weelde is het penningske der arme; immers naast, ol' liever op eenigen afstand van die altaren met kustbaarheden bevracht, ziet men hier of daar in een hoek der (irafkerk een altaar, waarop een armelijk lichtje brandt, do eenige gave door een kerk gebracht, die wel arm is, maar toch voor hare rijke zusters niet wü underduen en daarom ook haar schamel offer ontsteekt, liet laat zich verstaan dat hier veel is, waartegen ons protestantsch gevoel opkomt, dat wij wel op wanden en kroonlijst van dit heiligdom zouden willen schrijven; â(lud is een geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid!quot;1) en vooral onze Roomsch-Katholieke mede-christenen het woord van David
109
zouden willen herinnei'on:') ,,De offeranden (lods zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart zult gij, o God! niet verachten.quot; â Wat evenwel het ontzettendste is en aan duizenden zoo rechtmatige ergernis geeft, is het schouwspel dat door de Grieken jaar aan jaar wordt afgespeeld in de heilige Grafkapel. Zelf heb ik het niet gezien, daar ik niet op het Paaschfeest in Jerusalem was, maar ik geef u het nauwkeurig verhaal van een ooggetuige. Het is namelijk bij de Grieken do gewoonte, dat op den Goeden Vrijdag alle lichten worden uitgedaan, om ze in den Paaschnaoht weder aan te steken. De nacht van het graf en het licht der opstanding moeten zinne-heeldig worden voorgesteld. Daaruit is de bijgeloovige waan ontstaan, dat uit een spleet van den grafsteen plotseling een heilig vuur slaat, hetwelk door twee openingen in den wand dei' kapel naar buiten dringt. Reeds des Zaterdags stroomt een groote menigte, ouders en kinderen, naar binnen, en zoekt zich een plaats te veroveren nabij het Heilige graf. leder gezin brengt eenigen voorraad mede, want om de eerste te zijn hij de ontbranding van het vuur, getroost men zich gaarne een verblijf van vieren twintig uren in de kerk. Dekens om zich in te wikkelen, kruiken met water, manden met eetwaren, van alles wordt meegebracht. Gedurende den nacht is de poort gesloten, maar reeds vroeg in den morgen verzamelt zich een steeds aangroeiende menigte op het voorplein, wachtende op het oogenblik dat het heiligdom opengaat. Wij willen ook pogen in de kerk te komen, om getuigen te zijn van wat er geschiedt, en met zeer veel moeite, dank zij ons geleide, worstelen wij ons door de tierende menigte heen. liet regent zweep- en stokslagen: de Tnrksche soldaten hebben de
') Psalm .VI : 1'J.
110
luuidon vul om altlians oenigs/Jns do orde to bowaren. Op eon der galerijen zijn plaatsen vour ons in gereed-lioid gehouden; langs een zijweg gaan wij daarheen. Vlak tegenover ons verrijst de Grafkapel; het heilige vuur moet door die opening daar in den zijwand komen. Tot boven in de koepel is de menigte geklommen; beneden is het een fel bewogen zee van hoofden en armen, waarboven zich enkele figuren voor een oogenblik verheffen, om dan weder in do golvende schare te verdwijnen. â Uren zijn reeds verloopen, men wordt ongeduldig, het goschroeuw door duizenden aangeheven steeds heftiger; daar komt de pacha, hot wordt oen weinig stiller. Turksche wachten banen met zweepslagen een pad door het volk; een rij soldaten schaart zich tor wederzijde; do pelgrims grijpen de gewijde standaarden, zwaaien zo in do lucht en trekken vooruit. Achter hen komt de Griek-sche, de Armenische, de Koptischo geestelijkheid; monniken, priesters, patriarchen in wit satijn en goud, met lange zilveren baarden, do oogen eerbiedig neergeslagen, met kruisstaven, wierookvaten en kaarsen. Zingende trokken zij met afgemeten schreden voort. De processie gaat driemaal om het heilige Graf, steeds omringd en beschermd door de soldaten, die de geloovigen met stokslagen uiteendrijven: de patriarchen gaan de kapel binnen. Eensklaps verschijnt er licht aan do duistere opening; een geweldige kreet klinkt door do gewelven der kerk: duizenden handen, alle van kaarsen voorzien, boften zich omhoog; het vuur verspreidt zich van hand tot hand; do vlam loopt voort langs zuilen on galerijen tot boven in don koepel. Intusschen is de deur der grafkapel geopend: een patriarch springt vooruit met een-brandende kaars, de menigte valt luid schreouwendo op hem aan, daar ieder hel eerst zijn kaars aan dat heilige licht wil ontsteken.
en met inueito wordt do patriarch clour do soldaten in hot koor der kerk in veiligheid gebracht. Xu beginnen de opgewondenon oen wilden dans. Het haar van borst en baard laat men door de vlam verzengen; men tlort, raast, brult,.... een looneel als niemand zich denken kan! Aan alles, ook aan die razernij komt een eind, het vuur wordt gebluscht; men volgt de geestelijken, die wederom met ontrolde vaandels en bazuinen, onder wierook wolkon en gezang, met de patriarchen aan hot hoofd, eenige malen rond het heilige Clrat gaan. En hiermede is een tooneol geëindigd, waarover wij niet schromen het strengste vonnis uit te spreken. Het geldt hier nog iets anders dan eene onvoegzame vertooning; hot geldt hier een opzettelijk bedrog, waarvoor geen vorschooning te vinden is. Wat te zeggen van een geestelijkheid, die jaar aan Jaar dit schandelijk spel blijft spelen! Van oen priester, die voor hot graf des Heilaiuls staande, de phosphorus aansteekt en dan die vlam, als een van den hemel gedaald vuur, aan de menigte uitreikt. Wij willen hopen, zegt de schrijver, aan wien ik het bovenstaande ontleende, dat hij er niet bij denkt. Maar... lt;gt; Jerusalem! Jerusalem! Bij al dat licht, nog zulk een duisternis over u! Terwijl boven uwe bergen de Zon des hells verrees, op u nog zulk oen nacht!
Wij zetten nu onze wandeling door de Grafkerk verder voort, en komen aan het prachtige hoofdschip, den Grieken toebehooreude. Hier wordt n onder meer het middelpunt der aarde getoond; dan gaan wij langs een trap van acht en twintig treden naar beneden, naar do llélenakapel. Daar staat een bronzen beeld van de keizerin met het kruis in de hand, en nu nog eens dertien treden af om in de kapel der kruisvinding te komen. Do grond is met marmer bekleed en een lijn bewerkt mozaïek moet de plaats in herinnering houden, waar het echte kruis zal gevonden
112
zijn. Negen zilveren lampen verlichten de kapel bij dag en bij nacht. De legende zegt er van, dat de Joden het krnis van den Heer met die Zijner modekruisclingon in een diepen kuil hebben begraven, en dat, toen de keizerin Hiólena in het jaar 32() in Jerusalem kwam, haar dooi' goddelijke openbaring de plaats gewezen werd. Op haar bevel en in bare tegenwoordigheid ging men aan het graven, en ziet! daar kwamen de drie kruisen te voorschijn, en deze niet alleen, maar zelfs de doornenkroon, de kruisnagelen en het bord, waarop Pjlatus in drie talen schrijven liet: âJkzus, de Nazarener, de Koning der Joden.quot; Maar hoe nu te weten, welke van deze het kruis van .1 iizus was? De Bisschop wist raad. Hij heeft onder zijne gemeenteleden een vrome vrouw, die door een doodelijke krankheid is aangetast. Op haar beddcke wordt zij heengedragen naar de gewijde plek en in aanraking met de drie kruisen gebracht. Toen men haar op het eerste kruis legde, was er geen verandering te bespeuren, ook .de proef met het tweede kruis was to vergeefs: maar nauwlijks nadert men met haar het derde, of zij springt van haar leger op, hare ziekte is verdwenen, friseh en
krachtig stroomt haar het bloed door de aderen.....het
echte kruis was gevonden!
Ik zou u nog een menigte van kapellen en heiligdommen kunnen noemen, in dezen doolhof te vinden. Zoo het graf van Mki.ciiizkdkk, koning van Salem: dal van Jozef van Arimathea en Nicoukmis: de kapel van Lo.nginus, die, om te zien of de Heer waarlijk gestorven was, ') hem een speerstoot toebracht, maar daarna een volgeling des Heeren werd: de kapel dei- bespotting, die nog een stuk der zuil bewaart, waaraan de Heer zon
'j Juli. 19:34.
no o ')
gebomkMi zijn, toen 11ij, door do Jioinoinscho krij^skiicchlcn met dournoii gekroond, als spotkonin^ word uitgodost; on nog andere, gewijd aan voorstellingen die gansch onhistorisch zijn. Als men n, om iets te noemen, het graf van Adam onder Golgotha toont, gelijk dan ook bij afbeeldingen dor kruisiging do schedel van Adam gewoonlijk aan den voet van het kruis te zien is, dan voelt ge dat men hiel- te doen heeft met eene zeer prozaïsche poging, om de legende te bandhaven die zegt, dat do Heiland gekruist zon zijn oj) dezelfde plek waar Adam, door wien de zonde in de wereld gekomen is, begraven werd. Om dit aanschonwelijk te maken, moot do Hoofdsehedelplaats Adams schedel bevatten waarop de eerste bloeddroppel gevallen zon zijn; en als men n dan nog in een ondoraardscbe kapel het graf van Eva en van Au kt, wijst, dan wordt het n zoo wonderlijk te moede; ge gaat zwijgend heen van een plaats, waar alles duister is; en als ge uw kaars bobt uitgeblazen om zoo aanstonds onder don blauwen hemel weder het zonlicht te genieten, herinnert go u het lied van don koninklijken zanger, dat een bede wordt:
Zend. Heer! Uw licht en waarheid neder,
En breng hen, door dien glans geleid,
Tot Uw gewijde tenten weder!
Vergis ik mij niet, dan rijst bij menigeen de vraag of waarlijk de Grafkerk gebouwd is op de plaats waar eens de hof van Jozkk van Ariinathoa was en of bet eigenlijke Golgotha binnen de tegenwoordige muren moet worden gezocht. Velen zijn er die er zich aan ergeren, dat kruis en grafplaats zóó in elkanders nabijheid zijn, maar daarin ligt mijns bedunkens geen bezwaar, wijl ons de Schrift zegt b: âEn er was in de plaats, waar Hij gekruist was,
'l Joh. l'.i, II, 'ii.
oen hof, en in don hof oon nionw graf, in hetwelk nog nooit iemand gelegd was geweest : aldaar dan leiden zij Jk/i s, om de voorbereiding der Joden, orennils hd trraf nabij tras.quot; Maar iets anders is het, dat naar luid der Schrift Grolgotha moot worden gezocht hniten de stad; zóó is het bij Mattjiious'): âEn als zij heengingen, ziet, eenigen van de waclit kwamen i n do stad, en boodschapten don overpriesters al de dingen die geschied waren.quot; En bij -Ioiianxks 2): âWant de plaats, waar -Ikzi s gekrnist werd, was nabij do stad.quot; En dan vooral niet te vergeten wat tie schrijver van den Mebi'eër-briet zegt a): âDaarom heeft ook Jezus, opdat Hij door Zijn eigen bloed het volk zon heiligen, buiten de poort geleden.quot; Ware het nu mot besliste zekerheid aan te toonen. dat do plek, die men thans Golgotha noemt, vóór achttien eeuwen door den tweeden munr was ingesloten, dan zou de vraag zijn opgelost; maar dat is zoo niet. Vele geleerden van naam, geen gewicht hechtende aan het bericht van Ersionirs, dat door Keizer HamnAM s een Veimsdcapel op do plaats der kruisiging zou zijn gebouwd, om de Christenen af te schrikken, maar waardoor juist omgekeerd dat belangrijkst oord der wereld aan de vergetelheid zou zijn ontrnkt, zoeken haar dan ook bij de Jeromia-grot, waar een heuvel is die den vorm van oen schedel heeft, en ruim en breed genoeg is om aan een menigte menschen plaatste bieden. In de nabijheid van dien heuvel heeft men een graf gevonden, dat met een steen gesloten werd, terwijl tegenover dat graf zich nu nog een hof uitbreidt, gelijk in hot Kvangelio vermeld wordt. Ik kan wel zeggen, dat toen ik dat alles zag, het mij diep trof â maar meer niet, want op zich zelf bewijst dit
Matth. 28: I I ') Joh. li): '20. llelir. i;i; 12.
115
nog niets, evenmin als het wonderlijke ai'gnment, waarvan (Iobat, Bisschop van Jenisaleni, ons het volgende verhaalt: Frkdkiuk Wiliiklm lVr, Koning van Pruisen, hield namelijk met allen ernst vast aan do echtheid van het ITeilige (iraf en zocht die zoo krachtig mogelijk te verdedigen. Toon mi de Bisscdio]) eens de eer had aan Zijne Majesteit in bijzondere audientie te worden voorgesteld, waarhij hij natiuir-lijk veel over Jernsalein moest vertellen, en naar zijne meening over een en ander gevraagd werd, kon de Koning het maar volstrekt niet hegrijpen, dal hij twijfel koesterde aangaande de echtheid van het Heilige Graf: maar toen de Bisschop daarop verhaalde, hoe hij eens een geheele week vóór Baschen in de kerk van het Heilige drat'had doorge-hracht, en mededeelde welke gruwelen hij daar had aanschouwd, voornamelijk door de (irieken gepleegd, en er alzoo blijde en dankbaar om was, dat het niet het Clral' zijns lieven Heilands was, hetwelk zoo ontwijd werd, nam het gelaat des Konings oen vriendelijker nitdrnkking aan en hij anlwooi'dde; âIk stem toe, dat dit een sterk bewijs ten gunste van uwe meening is.quot; â Maar ik zou zeggen, dat men met zulke bewijzen niets bewijst, en men zóó rede-neerende eveneens tot eon omgekeerde slotsom kan komen.
Vraagt men het mij, dan dnrt ik als mijne meening uitspreken, dat men (lolgotha veel te dichtbij het tempelplein zoekt, en ik niet geloof dal de Joden ecne plaats der vervloeking zóó dicht bij don tempel, het Heilige der Heiligen, zouden hebben geduld, xóó dicht, dat men het gegil en gekerm der ongelnkkigen zoor goed in den tempel heeft kunnen hooren. Toon ik dit bezwaar aan mijn vriend Dr. Sanmuisckv te Jerusalem moedoelde, zeide hij mij dat reeds door velen diezelfde opmerking was gemaakt. Maar natuurlijk bewijst ook dit niets. De groote vraag waarop alles aankomt is; Waar hoeft de tweede muur gestaan? en
no
zoolang (li(3 vraag niet is opgelost, blijft ook de /.ekerheid aangaande Clolgotha en de grafplaats onbeslist. Geen nood, mijn lezer, indien gij maar zeggen kimt: âIk ben met Christus gekruist, en ik leef,quot; dan is het ook mv levenslied, wat eens een Prinses van Ohan.ik zong;
Jkzus, mijn Verlosser, leeft!
'k Zal, als Hij, onsterflijk wezen.
Zijn waar Hij, mijn Heiland, leeft:
Waarom zou ik dan nog vreezen?
quot;t Heerlijk Hoofd is opgewekt.
Dat Zijn leden tot Zich trekt.
Handelingen DOOR DE ^TAD.
Verbazend, welke straten! Ik ben in de achterbuurten van Rome en Napels geweest, zoowel als in hoofdsteden van 't Noorden, maar zoo iets zag ik nog nimmer. Hoe vuil en onregelmatig, hoe hobbelig en donker! Men vertelde ons dat voor eenigen tijd een politie-ver-ordening was aangeplakt, waarbij ieder inwoner bevolen werd, om dagelijks een zeker gewicht aan vuil en afval, dat anders op straat geworpen zou worden, in te leveren. Nalatigheid werd gestraft met een boete van . . . , maar die bepaling hief men spoedig op, en het was nu maar goed, dat de honden weder als straatreinigers zijn opgetreden. De .Terusalemsehe hond is niet van het mooiste ras, voedt zich met wat hij op straat vindt, en slaapt bij dag, om des nachts door zijn gehuil en gejank een geheele buurt de rust te benemen. ') Hij is schuw, lui, soms boosaardig, maar kan toch bij al die onaangename ei^ensHiappen niet worden gemist. Men laat hem daarom stil begaan. Wordt
') Psalm, 51) : 7, l11».
117
liet aantal fVfiiwel in oen straat al te lastig, dan trekken de bfvvonors tegfii hon te velde met kogels in den vorm van vergiftigde pilletjes, en weldra is het slagveld met Inmiif lijken bedekt, maar vour den voet des wandelaars het pad weder geopend. Dat de hond hij' den Israëliet als een onrein dier was veracht, en booze, Inie, onbeschaamde menschen bij een hond vergeleken werden, laat zich denken. ') Ook zijne weinig kieschkeurige vraatzucht maakt hem verachtelijk. 2)
Ondei' znlke omstandigheden kan men zich niet verplaatsen in de gouden eeuw, die eens haar glans over het gelukkig Jerusalem spreidde, en waarvan zelts de Koningin no van Scheba in bewondering opgetogen nitrie]): âde helft is mij niet aangezegd.quot; Zie de hedendaagsche stad met hare nauwe straten en stegen; tusschen deze, onoverzienbare hoo]ien van vuil en pnin: zie hare lunzen, op wier platte daken het gras soms een meter hoog is gegroeid, en stel n dan voor de dagen van öalomo, toen het gond van alle kanten zón ruim stroomde, dat het als zilver, en het zilver als niets werd geacht. :i) Zie danr aan de poort, of op het voorplein van Salomo's prachtpaleis. dien stoet van rniteren of wagemen, zij zouden thans geen voetstap ver kunnen komen.
En toch blijft Jerusalem een eenige stad! Een stad op welker gelaat de trekken van melancholischen ernst zijn ingedrukt; een stad waar duizend steenen spreken van groote dingen, daar voor eeuwen geschied: een stad van vuil en puin, maar die toch zoo vele bezoekers trekt, en vasthoudt, en herinneringen achterlaat, zoo heilzaam voor geest en hart als geen andere. En geen wonder, voorwaar! want Jfmsalem
') Psal.n '2*2 : 17, *21. Mallli. 7 : .quot;) Opciih. '1 '2 : 1 .quot;i.
'Ji Sprciikcn k2() : 1 1.
;l) '2 dhr. I : \\
118
is clo uitverkoreno, als de stad des Grouton Kunings, ixtven alle hoofd- en keizersteden dei' aarde! Vraagt gij den aanbidders van den eenigen waren God, beiden Joden en Christenen: welke is de stad der steden op aarde? Het antwoord is: Jerusalem. Vraagt gij den geschiedschrijver van de menschheid, den historiograaf van het rijk der gedachten en des gevoels: welke; is de merkwaardigste plek onder de zon, merkwaardiger nog dan Athene en Rome? Het antwoord is: Jerusalem. Vraagt gij eindelijk den diep-zinnigen wijsgeer en dichter, die op den sterrentoren der heilige- en wereldgeschiedenis geplaatst, er zieh iu verlustigt met Gods Woord in de hand, met zijn geest in de hemelruimten der toekomst te dolen, en de sterrenbeelden der Apocalypse te beschouwen: welke is hot oord dat meer dan eenig ander geroepen schijnt, om in de laatste en grootste wereldgebeurtenissen de getuige; van groote dingen te zijn? Het antwoord is: .lerusalem! Jerusalem! â¢lerusalem! heilig door uw verleden, heilig door uwe toekomst, heilig ook door de verwachting, die zich thans reeds voor Jood en Heiden aan uwe tinnen verbindt; diep vernederde, nimmer verwoeste Koningin der wereld, ofschoe)n thans slechts asch u tot kroon en zalfolie verstrekt. !) (lij zijt de onvergankelijke, evenals het volk, dat, hoe ook verdrukt en verstrooid, blijft, en zich altijd weder opheft, terwijl andere volken spoorloos verdwenen zijn! (üj zijt de eenige, want in u is geschied, wat nergens geschied is of geschieden kon; gij hebt bet kruis gebouwd, o gruwel! maar langs uwe' rotsen weerklonk het Koninklijk woord van het kruis: Het is volbracht! Mn naar Gods welbehagen loopt ter wille van het kruis, over de heuvelen en bergen die u omringen, de gouden lijn der verlossing, dio zich vast-
') 11 askkiugt;Kiv- De eiuil des lleinels, enz. 1ste deel, p. lei8.
knuupt aan do -poort van hot verloren paradijs, om in hot wedergevondene te eindigen!
Jerusalem is geen handelsstad en zal het ook niet worden, al is de spoorbaan van .Tafta gereed; alles van dien aard beproefd, is mislukt en zal mislukken; want het is Gods wil dat .lernsalem blijve wat het immer geweest is, opdat de profetieën vervuld worden.
Jerusalem is geen stad, waar men zieh eens âamuseerenquot; kan, waar men heengaat om zich wat te verstrooien, oin vermaak te hebben. O neen! ga dan naar Parijs, naar Weenen! Daar vindt ge sehonwbnrg, concert, café-chantant, enz. enz. Maar dat is in Jerusalem niet, dat mag in Jerusalem niet zijn, dat ware een lieiligscheimis! Een paar jaar geleden hebben eenige wereldsche, gevoellooze menschen, die volstrekt niets begrijpen van Jerusalems beteekenis in de heils- en wereldhistorie, getracht er een schouwburg te bouwen: reeds had de Pacha zijn toestemming gegeven, reeds was een gebouw gereed, maar gelukkig is dooiden invloed van anderen nog bijtijds het gevaar afgewend en een daad voorkomen, die vooral daar tor plaatse een misdaad zou geweest zijn.
Jerusalem is een kerkelijke stad, zooals geen andere. Nog is de band niet losgeknoopt, die de dochter Sions met de gemeente des Heeren verbindt, en dat kan ook niet want het is de band der eerste liefde, de geheimzinnige band tusschen moeder en kind. Het sieraad van Jerusalem zijn hare kerken: Jerusalems paleizen zijn de plaatsen waar de lieer woont en gediend wordt in liefde tot armen en ongelukkigen. In het stedelijk wapenschild, dat boven hare poorten prijkt, sta een heuvel, met een kruis er op, en op hare munt aan de eene zijde een palmboom en aan de andere het beeld van den barmhartigen Samaritaan, met het randschrift: Innnanuël.
120
Jmisaloms «i-hatton bestaan in huizon dor liofdadig-hoid, on 't is wol hooiiijk dat in don laats ton tijd daaraan a! moor on moor wordt g'oclacht. Evon buiten do -laftapoort hebt go oen gostioht vuor melaatschon, door Barones Khffekhuini'k â Asc11bbaigt;kx gostioht. in hot jaar 18()5 in â¢Icrnsalom zijnde, en mot eigen oogon ziondo do diepe ellondo waarin deze ongolukkigen verkeerden, werd haar hart zoozeer mot medolijdon voor hen vervuld, dat zij hen niet kon vergoten. In haar vaderland teruggekeerd, maakte zij alom bekend, door boek en blad, hoe diep rampzalig hot loven en lijdon dor molaatschen in Jerusalem is, on liet gelukte haar niot alleen do stoffelijke middelen te vinden tot hot stichten van een asyl, maar ook een paar echtelingen, die in opofferende liefde bereid waren hun loven onder deze uitgestootenen der maatschappij door te brengen, gelijk do Samaritaan, niet vragende: wat zal mij overkomen? of: wat staat mij te wachten? maar zeggende: de Heer wil het; zoo gij Hem liefhebt, welnu, gaat dan heen en verzorgt deze ongolukkigen. in 1807 werd het toevluchtsoord geopend, en nu, na vijf'en twintig jaren, worden er geregeld twintig a vijf en twintig verpleegd. Besmettelijk schijnt do ziekte niet te zijn, maar in hooge mate erfelijk; zoodat men do kinderen, die uit den echt van zulke ongehikkigen geboren worden, zeker als candidaten voor den eerstgeborene des doods ') opschrijven kan. Is hot niet of deze vreesolijke plaag niet heeft mogen uitsterven, opdat ook de latere goslaohten nog proeven zouden zien van eene ellende, die alleen de tlrooto Geneesmeester onder Israël door Zijn machtwoord wegnomon kon? liij do moesten zijn hot gezwollen handen, waterachtige, flauwe oogon en dikke boenen.
') .lub 18: l,;i.
IJ]
die do ziekte verraden; maar liet vreeselijkste is de stompzinnigheid, waarin de lijders geraken, zoodat, ais de Christelijke liefde, waarvan Paui,l's in zijn Nienw-Testa-inentisch Hooglied ') zingt, en die als een ongel Gods dooi' de wereld gaat, niet tnsschenbeide trad, die ongelnkkigen als dieren leven zonden. Van genezen is geen sprake, de wetenschap staat hier machteloos. Als de ziekte aan een jeugdig leven de hand legt, dan is het verschrikkelijk om na te gaan hoe zij langzaam maar zeker lid voor lid aantast, tot eindelijk nog hij het leven het gansche lichaam als in een toestand des doods is gébracht. Door de zorgvuldige verpleging van den directeur Mruaiu en Dr. Einszlkk wordt het lijden zeer verzacht, en hehoorlijke reiniging kan er veel toe bijdragen, dat de ziekte niet zulke afzichtelijke vormen aanneemt. Welk een onderscheid tusschen do melaatschen in dit asyl en hen die in de holen en graven van Siloam huizen, en liever verkiezen daar in het vuil zich te wentelen, dan in het asyl opgenomen, goed voedsel en wekelijks haden te krijgen, en schoone kleederen te dragen, alléén .... omdat zij dan niet bedelen mogen!! Is nu zelfs in deze vriendelijke stichting niets tot genezing te doen, de ijverige en liefdevolle directeur weet, dat hij hier op een zendings-post staat van het hoogste gewicht , en het zijne eerste roeping is te wijzen op Hem, den Hemelschen Zielenarts, bij Wiens kruis een stroom ontspringt van zóó wondere kracht, dat iedere melaatse he, die zich daarin dompelt, door (lods genade de melaatschheid dei' ziele verliest, en in ('uhistus van alle smetten vrij, (tod ziet en ingaat in het Koninkrijk der Hemelen.
Met een traan in het oog verlaten wij deze stichting,
') 1 Curnilliu Ui.
122
waar de liefde, wat de genezing des lichaams betreft, zonder hope arbeidt, en gaan nu naar een ander huis van weldadigheid, waar eveneens de liefde hare beide handen naar ungelukkigen uitstrekt, maar in hope ook op een oogst voor dit leven; ik bedoel Tal if ha Kiuni, eveneens aan de westzijde, in de zoogenaamde buitenstad of nieuwe stad gelegen. In het voorbijgaan zij hier gezegd, dat zich buiten de .Tatfapoort een nieuw Jerusalem ontwikkelt, veel grooter en schooner dan het oude, en voornamelijk in den laatsten tijd door de verdrijving der Joden uit Rusland zeer uitgebreid, ofschoon het Gouvernement de nederzetting van hen, die zonder middel van bestaan binnen komen, nog al bemoeilijkt. Het gezamenlijk zielental zoowel van de binnenstad als buitenwijken wordt geschat op 48000, waarvan 25000 Joden, 9000 Mohammedanen, 9000 Christenen, onder welke 4000 Grieksch Orthodoxen, 8000 li. Katholieken en 800 Protestanten. In de nieuwe stad wonen de consuls van verschillende natiën en de meest welgestelde kooplieden; daar zijn de Joodsche koloniën, de stichtingen der Russen, uit ruime beurs gebouwd: de Arabisch-Kvangelisqhe kerk, en bijna alle Duitsche en En-gelsche weeshuizen en scholen, van tuinen en boomgaarden omringd. Hier is bet terrein der Christelijke philantlirupie. Opmerkelijk! want deze golvende vlakte wordt reeds sedert eeuwen de Godfriedsheuvel genaamd, omdat naar luid der historie Codfiuki» van Bouillon, tie aanvoerder van den eersten kruistocht, hier zijne heirscharen monsterde en zijne ridders aanvoerde tot de bestorming der heilige stad. Zij viel na bloedige worsteling den kruisvaarders in handen, m.iar het duurde niet lang of weder wapperde de vlag van de Halve Maan boven den üavidsburcht. Opnieuw vloog de Europeesche ridderschaar onder de leuze; âGod wil het!quot; te wapen en deed het zwaard zijn bloedig
1 2 .'3
werk, maar ten slotte bleef Jerusaloni in de macht der Muhammedancn, en wordt ook thans no^do voetstap Inmner krijgers in hare straten gehoord, leeuwen gingen voorbij Europa had te veei met zichzelf te doen maar thans klinkt wederom de krijgsbaznin en worden de volkeren opgeroepen ter verovering van het Heilige; Land, doch nu voor ecu kruistocht van gansch anderen aard: reeds slaat de voorhoede der aanrukkende legerscharen hare veldtenten weder op den (lodfriedsheuvel op, en wapperen boven dezen de vlaggen der verschillende natiën, alleen Neeiiands driekleur nog niet: weder zal de strijd vreeselijk zijn, doch nu niet door het afschuwelijke werk van spiets en zwaard, waarbij Satan sehaterlacht, maar zooals Koning -Ikzls het wil, die sprak: âZalig zijn de zacht moedigen, zij zullen het aardrijk beërven.quot; 'l Ouder Zijn kruisbanier staan de strijders slagvaardig met het zwaard des (ieestes, het schild des geloofs en den gordel der Christelijke liefde; de bolwerken die zij om Jerusalem opwerpen zijn èn huizen van barmhartigheid èn huizen des gebeds. Op dien kruistocht heeft de Koning Zijn zegen beloofd, cu aan die kruisridders mogen wij toeroepen: Voorwaarts! (iod wil het!
Wij gaan een dier huizen binnen, het reeds genoemde Talitha Kumi. De naam is ontleend aan Marcus 5:41: ..Kn de Heer vatte de hand van het kind en zeide tot haar: Talitha Kiimi! hetwelk is, overgezet zijnde: (lij dochterke, sta op!quot;
Deze stichting is uitsluitend voor meisjes bestenul en onder tie leiding gesteld van Mej. ('iiaki.ottk I'ii.z, ecne Duitsche dame, wel reeds hoog bejaard, maar toch voor hare gewichtige taak nog uitstekend berekend. Zij is een van die'weinigen, van wie kan worden gezegd, dat haar
') Miillli ; 5
124
oog niet verdonkert en hare kracht niet vergaat, terwijl hare liefde niet verkoeld is voor do ongelukkigen, aan hare zorg toebetrouvvd. Zij zelf leidde ons in de schoollokalen rond , waar dc kinderen onderwezen worden in de Arabische en Dnitsche talen, schrijven, rekenen enz. Een paar Dnitsche liederen werden voor ons gezongen, en een versje opgezegd. Op Enropeesche wijze, net en eenvoudig gekleed, verloochenen de kleinen in gelaat en levendige manieren hare afkomst niet, maar bewegen zich toch recht gelukkig in deze omgeving, en verlaten haar meestal met smart. Ruim 100 werden er in den aanvang van '02 verpleegd. â Terecht zal men er zich over verwonderen dat in Jerusalem zooveel weeskinderen worden gevonden, daar de stad toch zoo groot niet is, en alle inrichtingen van dien aard, zoowel der K. Katholieken als Protestanten, hoe veel ook in aantal, sterk bezet zijn. De reden is. dat de weezen niet alleen uit Jerusalem maar uit alle deelen van Palestina hier worden opgenomen, en dan bovenal, dat de Arabier, meestal door eigen toedoen in armoede en ellende gedompeld, de zorg voor zijn kinderen gaarne aan anderen overlaat. Bovendien zijn het niet alleen volle weezen die men opneemt, maar ook stiefkinderen, wien zulke inrichtingen ten goede komen; want volgens heerschend gebruik wordt na den dood der vrouw, (ook de Mohammedaan in Palestina heeft gewoonlijk zuinigheidshalve maar ééne vrouw) door den man zoo spoedig mogelijk weer een ander huwelijk aangegaan; doch in den regel vinden tie kinderen in die tweede vrouw geen moeder terug, maar hebben het allerellendigst. Welk een zegen dus voor die arme verstooteneu, dikwerf als dieren mishandeld, wanneer zij in een toevluchtsoord als Talitha Kiuni worden gebracht. Dat zijne dochter daar een Christelijke opvoeding krijgt, en tot God als tot âonzen
Vailorquot; leert spi'ekeii. ook (laamver bekoinnieil do Mohani-inedaan zich niet veel, en rnoclil er bij liein al eeni^e l)0(lenking togen zijn, dan won 11 zij overwonnen door do zokerhoid dat zijn dochter, door oone Europoesehe oi»voo(ling te gonieten, aanmorkclijk in geldswaarde stijft, dat is: later voel duurder verkocht kan worden, (iruwolijk! het huwelijk is hier letterlijk hot sluiten van een koopcontract ; do vader hopaalt den prijs, die voor hot meisje moot worden hotaald, hetzij in gold of in geiten of in kameolen; en hooft hij die in handen, dan zal er bruiloft zijn. Dat de meisjes, en niet minder hare verpleegsters, tegen den dag opzien dat zulk oen lot haar treft, laat zich begrijpen. Stol n voor dat aan de inrichting een man aanscholt, een vreemdeling, die eon meisje komt opoischen, hem door haar voogd of vader verkocht. Het kind heeft dien ruwen mensch, dien vreemden man, soms dertig of veertig jaren ouder dan zij, nooit gezien, en toch zal hot hem moeten volgen om zijne vrouw, ja, laat ik maar zeggen: om zijne slavin te wezen, en het zwaarste on ruwste werk te doen, want zóó is eigenlijk de toestand in een land, waar do man de heer der schepping is en dus niet arbeidt, en de vrouw hem te dienen hooft op zijn weide. Hartverscheuronde tafbroolen hebben dan, naar ons verhaald word. bij zulk oeno uitlevering plaats. Zoo was het gebeurd, dat een meisje, do lieveling dos huizes, dat, door haar vader verkocht, maar niet bosluiton kon mot den koopman moe te gaan, dooide politie met gewold was weggehaald, zonder dat de directrice er iets aan doen kon. Een andermaal was oen kind over de bergen gevlucht, maar ton slotte gevonden en meegevoerd. Ook toon ik er was, vreesde men zulk oeno gruweldaad, en doelde de directrice mij hot volgende mede: Een kind van twaalf jaar ontving drie weken geleden een bezoek van haar vader, die kwam zoggen dat zij
] 26
Immen enkele dagen in liet huwelijk zon 1 reden. Met wien? Dat zou ze wel zien! En Ja wel! daar kwam een man, een grijsaard van zestig jaren. Het kind was wanhopig, zooals men begrijpen kan: maar wat te doen? Men meende er iets op gevonden te hebben, namelijk dit: sedert de laatste maanden was er geen kind opgenomen, dan nadat vooraf door den vader ol' voogd een contract was geteekend, waarbij bepaald werd, dat N. N. gratis en voor een zeker aantal jaren in het gesticht werd geplaatst zonder dat iemand, wie ook, liet recht zon hebben haar weg te halen, /nik een contract was ook bij de opneming van het reeds verkochte kind gemaakt, en het jarental, opzettelijk zeer hoog genomen, nog volstrekt niet verstreken, en nn had men hoop dat, op grond van dit contract, de justitie bescherming zou verleenen. Maar do hoop was tlauw, en geen wonder! in een land waar alle ambtenaren, hetzij hooger of lager geplaatst, van de bachschisch leven, en die de hoogste bachschisch geeft, zeker is zijn proces te winnen! Hoe deze droeve historie is afgeloopen, weet ik niet: maar dit mag ik toch vragen: is het niet vreeselijk, dat zulke dingen in .lernsalem gebeuren onder de oogen van vreemde consnls, en gt en Knropeesche mogendheid er tegen opkomt? Aan Mej. Cn. I'ii,/ beloofde ik. ook door mijn hoek ruchtbaarheid aan dien staat van Tnrksch wanbeheer te geven in Xederland. om er al/oo iets toe bij te dragen dat de Christenen onder ons .lernsalem meer gedachtig mogen zijn. en ook in deze doen wat hunne hand vindt te doen.
Heden Vrijdag-middag kruisten wij onvermoeid door de stad, en richtten onze schreden eerst naar de dus genaamde ,.Klaagplaatsquot; der Joden, waar zij eiken Vrijdag,
's middags ten vici' ure, in groolcn getale komen weeneu over stad en tempel; de vergunning daartoe hebben zij voor veel geld gekoeld van de Turken, door wie ze op alle mogelijke wijze worden gekweld. Daar vindt ge de nakomelingen van AHKAiiam, meest arm en in lompen gehuld neergezeten in het slot, bij een stuk van den ouden tempelmuur1). Ze kussen die voor hen heilige steenen en maken ze nat met hunne tranen. Aandoenlijk! Zij moeten betalen voor de vergunning om te weenen, daar waar hun vaderen zongen, Juichten en hun zegepralen vierden; op dezelfde plaats waar hun vaderen machtige koningen waren zijn zij rampzalige slaven. âZiet ge ginds die moskee der Muzelmannen?quot; vroeg liabbi Scadiaii eens aan den zendeling Wou', ,,daar stond vroeger onze tempel. Maar hij is verwoest, helaas! helaas! helaas! en nu moet Israël zonder offeranden blijven.quot; Door de .loden te Jerusalem werd aan dienzelfden zendeling de liturgie meegedeeld voor dien nationalen rouw: wij ontleenen daaraan de volgende koorzangen, diepe eu roerende Jammerklachten.
KlïWSTE KOOHOEZANd.
DE VOOKZANKKIi.
Om hef paleis, dat in puin lig't,
HET VOLK.
/.itliii wij eenzaam neder en weenen;
DE VOORZANGER.
Om den tempel, die verwoest is,
Om de nniren, die zijn neergeworpen,
Om onzen luister, die is weggenomen.
Om onze grooten, die in het stof liggen,
Om de kostbare steenen, die verbrand zijn,
Om onze priesters, die overtreden hebhen,
Om onze koningen, die Mem hebben veracht;
HET VOLK.
Zitten wij eenzaam neder en weenen.
') Von IUumuii: I'a Icsl inji. l!l/. raio.
128
ANDEK KUOROKZANd,
DU VOUKZANOKR.
Wij hulden U, ontferm U over Sion!
HET VOLK.
Brong de kinderen van Jerusalem weer le zaam!
DE VOORZANGKK.
Bnel aan! Snol aan! O Sions Verlosser!
HET VOLK.
Spreek tot liet hart van Jerusalem !
DK VOORZANGER.
Dat schoonheid en heerlijkheid Sion ornrins'en.
HEÃ VOLK.
Och! doe barmhartigheid aan Jerusalem!
DE VOORZANGER.
Laat welhaast de koningszaal in sion weder opgericht worden!
HET VOLK.
Troost hen, die weeneu over Jerusalem,
DE VOORZANGER.
Laat vree en vreugde wederkeeren in sion!
HET VOLK.
Mn het rijsken ontspruiten binnen Jerusalem.
Die jammerklachten hebben veel overeenkomst met de klaagzangen van Jekemia, toen hij ui) de piiinhoop(Mi neerzat en weende. Maar de droefheid van den profeet werd getemperd door zijn hoop op den Messias, die komen zon, door zijne tranen heen zag hij het morgenrood der verlossing. Maar thans, o klagend Israel! wat droogt thans uwe tranen, wie spreekt u van licht bij uwen stikdonkeren nacht? â De zending onder het Israëliotische volk is uiterst moeilijk. Het deksel is zoo zwaar dat op hun aangezicht ligt. Zij treuren om den tempel, maar niet om eigen schuld. En vraagt men hun, waarom zij nu ruim achttien eeuwen omzwerven zonder tempel, zonder priester, zonder offer,') dan begrijpen zij wel waar ge heen wilt en een spottende
â¢) llosen li: 4.
129
glimlach is hot antwoord. Och, of Israel begreep wat tut zijnen vrede dient; maar wat bij menschen onmogelijk is, is mogelijk bij God. Ja, voorwaar! de oudste, nu de verloren zoon, zal terugkeeren naar het Vaderhuis en onder tranen zich neerleggen aan het Vaderhart. Hij zal het kruishout kussen en nog eens het woord van Golgotha, maar dan als eene bede herhalen; ..Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen!quot; Uan zal Israël zalig worden en aan den foestdisch aanzitten, gekleed met het nieuwe kleed en met den zegelring aan don vinger .... Maar wanneer zal dat-zijn? Wachter, wat is er van den nacht? â
Dicht bij den muur des geklags in het .lodenkwartier wonen Ãpaansche Joden, die de oudste synagogen hebben op den Ãion; verder Duitschers en Kussen, Joden uit Zuid-Afrika, van Aleppo en andere deelen der wereld. Voor liet meerendeel verkeeren zij niet in een benijdenswaardigen staat, en hun wijk is dan ook de vuilste en minste der stad; de mees te n leven op kosten van hunne geloofsgenooten in Europa. Zooals bekend is ottert Rothsoiiild schatten te hunner ondersteiming, terwijl ook menig grootsch gebouw van wijlen Sir Mozks Mo.xtekiokk's milddadigheid getuigt. De snelle uitbreiding der .loden in en om Jerusalem, gepaard met het ontworpen spoorwegplan dat de heilige stad met N'abiilns, .Nazareth, Tiberias en Damascus in verbinding brengen zal, geeft veel te denken.
'Ten westen van het kwartier der Joden ligt dat der Armeniërs, met een kerk zoo rijk en vol van bijzonderheden, als geen tweede. In het voorhof vindt ge nog een primitief werktuig, beslaande uit een ijzerharde houten plaat, negen voet lang, en een dikke ijzeren stang, waarmede1 op. de plaat geslagen wordt, wat een onwelluidenden, maar vrij sterken klank veroorzaakt. Met is reeds eeuwen in gebruik en dient om tot het gebed op te roepen.
130
evenals hel bazuingoschal l)ij de oude Israëlieten, of de stem der Moliammedaansrhe priesters. Do kerk maakt indruk dooi' luuir pracht: de tapijten np den vloer, de zilveren en vergulde hanglampen, de reusachtig grooto kandelaren, dc schilderijen, de met ivoor, paarlomucr en schildpad ingelegde kansel, dat alles gezien bij haltlicht, geefi aan hel hedehuis een echt Oostoi'sch karakter. Zelfs de strnisvogeleieron, die in geen Oosterscho kapel mogen onthrokem, hangen er aan roode zijden snoeren van de zoldering af. De kerk is aan .Iacubus, den zoon van Zebkdkus, broeder van Jouaxxks gewijd, (hm eersten martelaar, die door Iïkuodks onthoofd werd, ') en de plaats waar hij viel, door een gouden ster in den mozaïekvloer aangegeven. In de reli-([uieönkast zijn nog hoofd en hand (?) -des apostels bewaard.
Van daar gaan wij de Sionspoorf uit en komen in het Armenische klooster, bin non welks muren naar de overlevering het huis van Cajaimias heeft gestaan. In de kerk van hoi klooster, betrekkelijk zeer klein, toont men een altaar, dat den steen moet bevatten die eens op hel graf des Hoeren lag; terzijde van het altaar is een nauwe ingang, waardoor men komt in een hol of grot, de gevangenis des Heeren, terwijl op de binnenplaats met de moeste nauwkeurigheid u de plek wordt gewezen, waar Petrus den Heer verloochende, ja zelfs u gezegd waar de haan zat, door welks gekraai Pktuus het woord van â¢Iezl's indachtig werd, die tot hem gezegd had: âEer de haan gekraaid zal hebben, zult gij Mij driemaal verloochenen.quot; s) Niet ver van daar is een moskee mot eenige nevengebouwen, in welke een zaal is, waar do Heiland
â¢) Hund. i;2 : '2.
â ') Matlli. 20:75.
131
hol Avomlinaal /al hohbun in^cstüld; torwi.jl een paar trappen op, in een ander lokaal. het model hevvaanl wordt van Davids lijkgestoente, met een kostbaar kleed overdekt; het eigenlijke graf zal beneden zijn in een onder-aardseh gewelf, en wordt door de Muliaininedanen in groote eere gehouden. Voor (â hristeneii is de toegang gesloten. Om de nioskée heengaande vindt men eerst liet kerkhof der (rrieken, dan dat der ArnieniOrs, vervolgens dat der Latijnen, en iet wat zuidelijker dat der Protestanten, allo met muren omringd en met eenvoudige zerken bedekt, waarop hier een kruis, daar een gebroken zuil of een ander symbool van dood en eeuwigheid prijkt; de meeste dragen een opsehrift, waaruit de hoop spreekt des eeuwigen levens. ⢠Gaan wij nu de Sionspoort weder in, dan zien wij dii hl aan de muren dor stad de stiehtingen van Hissehop Ctobat, die eerst door de Commun (Ihureli Missionary Society naar Abessyuiö was gezonden, maar in IIS4() op verzoek van den Koning van Pruisen dit arbeidsveld verliet en naar .lerusalem toog. Daar gekomen zag hij al aanstonds dat zijn eerste taak moest zijn te zorgen dat er scholen kwamen. Denk n in het jaar onzes Heeren lS4:(i in .lerusalem geen enkele school! Was hel wonder, dat onder zulk een toestand op ieder gebied over ellende viel te klagen, en jeugd en ouderdom zich op paden van den diepsten jammer verliep? Maar (Iobat was hier de rechte man op de rechte plaats. Onder den zegen (toils en gesteund door Engelsche en Duitsehe vrienden, verrees weldra een school op don Sion. of liever gv/.egd: een weeshuis, waarin ook aan dagkinderen onderwijs gegeven werd. Kveneens werd aan den nood, die in den omtrek van .lerusalem heerschte, gedacht, en op andere plaatsen kwameir scholen en natnurhjk kerken ook, want Kerk en School gaan samen. Naar Nairn lus,
132
lid (hide Sidiem, werd de wakkere zendeling Fallsciikkk, naar .latTa Giirnna;, en neg eenige naar andere plaatsen gezonden. En zóó gezegend ging de arbeid voort, dat (ioBAT in 1S7à schrijven kon: âVan mijne dertien scholen kan ik zeggen, dat zij goed vooruitgaan, vooral het weeshuis (lp Sion. Zij bevatten te zaam ongeveer 500 kinderen van beiderlei kunne, zoowel van Christenvaders als van â¢loden, Samaritanen, Mohammedanen en Abessyniërs, en ze worden allen trouw uit het Woord (lods onderwezen door leeraars die dat Woord liefhebben; de meesten van deze laatsten zijn in het weeshuis opgevoed. Drie stations zijn in den laatsten tijd bijzonder gelukkig. Te Diarbeki, onder mijn zendeling Oauiïahkt, heeft de gemeente zich uit eigen middelen een kerk of kapel gebouwd en onderhoudt eene goed bevolkte school. In Aintab hebben wij een gemeente van 500 zielen, die ook een talrijke school heeft; een kerk kan zij evenwel zonder hulp van buiten niet bouwen; zij staat onder de leiding van een vroegeren Armenischen Aartsbisschop, die voor vijf jaren bekeerd, alles heeft verlaten om zich bij ons aan te sluiten. Eindelijk te Salt, in Crilead, waar binnen vier jaren eene gemeente van 300 zielen ontstond; daar die lieden arm waren heb ik voor een kerk en schoolhuis gezorgd, waartoe zij naar hun krachten hebben bijgedragen.quot;
Zoo arbeidde (Iobat onder den zegen des Hemels. Van hem kan worden gezegd, dat hij de baanbreker voor de Evangelische zending in Palestina is geweest. Als een zaaier uitgaande om te zaaien, vond hij hier wel een steenrots, daar distels en doornen, en ontbraken, als in de gelijkenis, ook de vogels niet die het zaad wegnamen, maar zijn God gaf hem ook een goeden akker, en het was hem gegund nog bij zijn leven te zien, dat het zaad ontkiemde, dertig-, zestig- en honderdvoud. Hij stierfin Mei 1879, door de Christenen in Palestina niet alleen.
133
maar duor allen die hem en zijn arlieid kenden ten diepste betreurd. Hij werd begraven cp het l^ngelsclie kerkhof, in de nabijheid van zijne stiehtin^en aangelegd. Boven zijn graf prijkt een marmeren numnment, zijn beeltenis dragende, en daaronder het woord der Schrift; âDie overwint, ik zal hem maken tot een pilaar in den tempel mijns Clods, en hij zal niet ine er daar nit-gaa n: en ik zal op hem scbrij ven den N aam mij ns (J ods. en den naam der stad mijns (ïods. namelijkdesnieuwen Jerusalems, dat uit den beimd van mijnen Clod afdaalt, en ook mijnen nieuwen naam.quot; b Zijn opvolger was Bisschop .Ioskph Bauclay . die in den geest en met den geloofsmoed van Go bat diens erfenis aanvaardde, maar na anderhalf jaar reeds door den dood van zijn post werd afgelost. Thans is het bestuur in handen van Br. Zeu.er. schoonzoon van CIobat, die in Nazareth werkzaam, daar een vormschool voor onderwijzers had opgericht, maar nu met zijn leerlingen naar de school van CIobat is overgekomen, en te Jerusalem aan het hoofd staat van een tlinke opleidingsklas. Ook is het plan gevormd, en zal waarschijnlijk spoedig ten uitvoer gebracht worden, om een theologische school aan Gobat's inrichtingen te verbinden. Toen ik ze dit jaar bezocht was Br. Zkller helaas! afwezig. De kinderen hadden vacantie, zoodat ik tot mijn spijt het onderwijs niet kon bijwonen. Slechts een paar aanstaande onderwijzers vond ik in hunne studie; verdiept. Ben vriendelijke bediende leidde mij in alle zalen rond, die, ruim en luchtig als zij zijn, een prettigen indruk maakten, quot;t Was buiten zoo warm en hier heerlijk koel.
Wandelen wij nu de straat door in de richting naar de Jaffapoort, dan komen wij aan de Engelsehe kerk, het eerste Brotestantsche kerkgebouw in het Heilige
') Openb. : 1 'i.
1 u
Lund. Wo^uiis het in den Inoi» dei' eeuwen aan de helling van den Slon opgehoopte puin, moest men veertig a vijftig voet graven om de fundamenten te leggen. Maar hoe groot ook de moeilijkheden waren, toch kwamde kerk gereed, uit witten kalksteen, in gothisrhen stijl gebouwd en werd don één en twintigsten .lanuari 1S4à ingewijd met den tekst: âDie /al Ik ook lirengen tot Mijnen heiligen berg, en Ik zal hen verheugen in Mijn bedehuis, want Mijn huis zal een bedehuis genoemd worden voor alle volkenquot; '). De kerk behoort aan het Loudensch (ienootschap tol uitbreiding des Ohristendoms onder de .loden, en werd ook aan de Duitsch-Evangelischen ten gebruike afgestaan. In 1852 traden deze laatsten meer zeltslandig op en verkregen een heiligdom in het âMuristanquot;, dat wij straks hopen te l)ezoeken.
Nu eerst naar de overzijde, naar de Citadel of Toren van David, voor de verdediging der stad, zoowel in vroegere als latere jaren, van het grootste gewicht. Ten tijde van Trrrs stonden hier drie torens, die voor onneembaar werden verklaard. Bij de verovering van â¢lerusalem het de overwinnaar ze staan, opdat de nakomelingschap zou kunnen beoordeeleu, hoe ver de Romeinen toen reeds in de belegeringskunst waren gevorderd, door zulke versterkingen te kunnen innemen. Ãén van deze drie, Hippicus of Phasael, is zonder twijfel de nu nog overgebleven toren, welks onderbouw, bestaande uit steenen van tien voet lang, bewijzen draagt van zee]- oud te zijn. Ook meent de blik van den kenner aan deze steenen te kunnen bespeuren, dat do vlammenzee, die Jerusalem verteerde, eveneens er langs is gegaan en op deze harde steenen haar werking niet heett gemist. â Wij gaan de brug over, de vervallen poort door, en dan langs trappen, waarvan de eene nog slechter is dan de andere, naar boven, 't Is lialsbrekens
i) Jes. 5(3 : 7.
I 35
werk, maar eindelijk /Jju wij er lurli. Hen soldaat leidt ons vund, die, van alles op de hoogte, ons nog een overblijfsel van Davids paleis toont, ja zelfs het venster waaruit David keek toen hij Batiiskba zag. Xaar dergelijke dwaasheid luisteren wij natuurlijk niet, maar genieten veel liever van een uitzicht dat éénig is. Daai' ginds het tempelplein, waarop nu de groote moskee is gehouwd. Vó(')r u de kathedraal van hot Heilige Graf, en achter n de Godfrieds-heuvel, waar de Ghristen-kruisvaarders der negentiende eeuw, gelijk wij reeds zeiden, hunne vorscliausingeu opslaan, door geen kanon van den Davidshurcht weg te nemen; daar de Kussen met hun talrijke gehouwen, kloosters eu hospitalen, een kraehtigen vooi'post uitmakende; aan de andere zijde de Engelschen met hun ohservatieeorps in den vorm van lief dadigheidsgestiehten van allerlei aard: en dan in het centrum Duitschers en Franscheu, aan geen revanche denkende, of het moest zijn in een heiligen krijg, .lammer maar dat er geen eenheid is in de afdeelingen van die groote armée.
Denk u een .Iksa.ia, van dezen torentrans die Christelijke legerscharen overziende, hij zou zijn woord van vroegere eeuwen herhalen: âHoe liefelijk zijn op de hergen de voeten desgenen die goede hoodschap hrengt van het goede, die heil doet hooren: desgenen die tot Sion zegt: Uw God is Koning. Kr is een stem uwer wachters, zij verheffen de stem, zij juichen te zaam. want zij zullen oog aan oog zien als de lleere Sion zal wederhrengen.quot; Verder is hier niets hijzonders: een paar stukken geschut oud model, ziedaar al. 't Was mij ook alleen om het heerlijk uitzicht te doen, om zoo iets te zien wat David moet gezien hehhen, -als hij van het dak van zijn hoog gelegen paleis den hl ik sloeg over de stad. ../oo iels,quot; zeg ik, want hel aanzien van den plattegrond van Jerusalem is in den
136
loop dor eoinvon gansch anders geworden. Immers in Davids dagen waren de vier heuvels, waarop de stad gebouwd was, Moria en Re/etlia, Sion en Acra, duidelijk te herkennen, gescheiden als zij waren doorliet Tyropoeon. Maar thans zijn alle diepten zoo gevuld met gruis en puin, dat het geen diepten meer zijn, en men nu nog wel van een hoven- en benedenstad kan spreken, maar van een dalkloof, die heide zou scheiden, volstrekt niet meer. Doch hoe het zij, laat het terrein van vorm en gedaante veranderd wezen, toch heeft men van den Sion, het hoogste gedeelte, waar nu de citadel is en waar ook Davids paleis stond, het schoonste uitzicht: men overziet geheel Jerusalem. Lamaktink zegt er van: ..Indien ik te Jerusalem gewoond had, ik zou voor het oord van mijn verblijf en de plaats mijner ruste Juist de plek gekozen hebben, die David zich koos.quot; liet uitzicht is dan ook bij niets te vergelijken. Ik heb vele steden gezien, zoowel in het noorden als in het zuiden van Europa, maar niet een die iets van Jerusalem heeft. Daar is maar één Jerusalem! één in de wereldhistorie! één in de heilsgeschiedenis! één in omgeving! en dat éénig beeld zal bewaard blijven, verheerlijkt in het Nieuw-Jerusalem dat Boven is.
Wij gaan naar heneden, geven den soldaat een bach-schisch, die hem bijzonder schijnt mee te vallen, want op buitengewoon vriendelijke wijze slaat hij voor ons aan en geleidt ons over de brug. â Wij hebben vandaag op onze wandeling veel gezien, maar het leste is het beste geweest. Die ooren heeft om te hooren, die hoore hier op den Davidsburcht een stem der eeuwen, oen psalm uit het verledene en voor de toekomst.
187
y E R v O l. G,
Onder begunstiging van heerlijk weder en mot goed geschoeide voeten, om tegen de puntige steenen hoveiligd te zijn, gaan wij uit ons hotel door de Davids-straat, â een benaming, die men alleen in .lerusalem wacht. â naar de Christen-straat, een der drukste van de stad. Daar vindt men het Grieksche klooster, beroemd door zijn rijke bibliotheek en schoone handschriften, vroeger gewijd aan Ti;ki.a, thans paleis van den (riieksehen ]iatriareh; een klein eind verder, zoowat in het midden der straat, vindt men rechts een groot Arabisch koffiehuis, waar. gelijk ik dat in Constan-tinopel meermalen gezien heb, de bezoekers zich neerzetten voor de deur op lage tabonretten of ook wel op tapijtjes, en dan hun waterpijp rooken. Van tijd tot tijd proeven zo eens van hun koffie, en zitten soms uren zonder een woord te spreken, dan weder vermaken ze zich in de zaal met kaart- of dominospel zóó luidruchtig, dat hooren en zien vergaan. â Wij gaan langs do rijen van nietsdoeners en spelers heen, zonder ons om hen te bekommeren, en worden door den waard in een kamer gelaten, die ons het uitzicht geeft op een vijver, de Patriarchen-vijver genaamd, een kunstig aangelegd waterreservoir, drie en zeventig M. langen vieren veertig M. breed, naar sommigen meenen gebouwd door Koning IIiskia en daarom ook 11iskia-vijver genaamd '). De bodem is rotsachtig en ten deele mot kleine steenen bedekt. Joski-iius noemde hem Amygdalon, Toren vijver. 11 oogst waarschijnlijk ontvangt hij zijn water door een onderaardsch kanaal uit den Mamilla-vijver buiten de Jaftapoort. Van hier gaande bevinden wij ons weldra in de bazaars, voornamelijk bestaande uit drie
â¢) 2 Kun. '2(1 : -20.
IMS
overwelfde stralen, en vergeleken met wal men te Oaïro vindt, /eer arm te noemen. Handel drijven verstaat de Jerusalemmer uitstekend: dat vorbetert hem geen Con-stantinopolitaan, geen .lood uit Rusland zelfs; en zal een vreemdeling, dien men natuurlijk aanstonds aan taal of kleeding herkent, geen ongehoorden prijs betalen, dan moet hij voor ziju bezoek aan de bazaars over tijd en geduld beschikken kunnen, dat is nu eenmaal niet anders in het Oosten. Ook als een stedeling voor vreemden inkoopen doet, en de verkooper bemerkt het. begint aanstonds de markt te stijgen, .la zelfs moet de eene winkelier voor den anderen oppassen, want als zij elkander kunnen bedriegen, dan laten zij het niet, en klaagt men er over, dan is het immer hetzelfde woord: dat is nu eenmaal zoo in het Oosten. Men zegt van Mohammki» ih.n Hassan, dat toen hem eens zijne discipelen vroegen, waarom hij geen boek over oprechtheid en eerlijkheid wilde schrijven, zijn antwoord was: Waarom zou ik dat: ik heb immers over koopen en verkoopen geschreven?
Van de bazaars komen wij door een poort, waarboven de Pruisische adelaar prijkt, op een zeer uitgestrekt terrein, 't Is de plaats waar in de middeleeuwen de ridders van Slid .Ioiian hun klooster en hun hospitaal bouwden, in dien tijd het prachtigst gebouw der stad. Nu nog heet de plaats Muristan. hospitaal, naar de zuivere beteekenis van het woord: toevluchtsoord voor vreemdelingen: daarbij was een groote kathedraal, gewijd aan de heilige Maagd. Thans is alles een reusachtige ruïne. Natuurlijk liggen do fundamenten er nog. maar begraven onder puin en gruis; ook de middelste altaarnis staat nog, getuigende van vroegere heerlijkheid. In 1H(')!) gaf de Sultan dit gansche terrein aan de Pruisische Kroon, die thans plannen lieraamt tot volledige restauratie; en
1 Ml)
nioclit zulks ^chikkcn. dan kan midden in .Icmsalcm een Duitsche kolonie verrijzen, want voor een kathedraal, zelfs zoo groot als er een geweest is, een consulaatgebouw, school, hospitaal, in den zin als hoven omschreven, waar vreemdelingen om niet of voor een kleinen prijs worden opgenomen, is overvloedig terrein. Maar het opruimen van het puin kost zooveel tijd en geld, en daarom gaat de arbeid slechts langzaam voort. Doch iioe traag ook, toch zal liet Duitseh-Evangelisch kerkgebouw worden voltooid, gebouwd up een grond, een erfstuk in de heilige stad, en gewijd door de opofferende en werkdadige liefde van de Johannisten der middeleeuwen. 'Thans wordt gods-diensfoefening gehouden in het retectorium, do vroegere eetzaal van hef klooster: tweemaal heb ik er met zegen een predikatie beluisterd, 't Ligt dan ook niet aan de plaats. Zegen is alonnne, waar men bidden, waar men zingen kan, waar tlod van vrede; tot de ziel wil spreken; maar toch wensch ik met de Jerusalemsche broeders en zusters, dat zij spoedig mogen saamkomen in een kerkgebouw, getuigende van de liefde der Duitsche Profesfanten voor de gemeente te .lerusalem: een kerk met het kruis in de gevelspits, maar waar (fod Drieëenig wordt aangebeden in geest en in waarheid.
Zetten wij nu onze wandeling voort, dan komen wij langs het .lodenkwartier, dat met zijn smalle straten, prullenwinkels en vuile koffiehuizen oen zeer onaangenamen indruk maakt. De twaalf synagogen, die dit kwartier bc\af, zijn niet van bijzonder belang: wij gaan ze dan ook voorbij en wandelen onder verscheidene bogen door, tot wij komen aan de kettingpoort, die toegang geeft tof hef 11 a ram esch Scherif, de plaats waar de tempel stond, waar Israël zijn offers bracht: waar de hoogepriester achter hef voorhangsel inging tot hef Heilige der heiligen.
140
Dc icmiiclbcix is ecu geluigr van hel vcrlcdciic, wiens echtheid dooi' nieinniid wordt betwist. I lij behoort tot de weinige plaatsen van â¢lernsalem. waarvan men zeggen kan: Hier is mij alles zeker en gewis. l||n bediende van den Amerikaansehen consnl, ') voorzien van een stat niet zilveren beslag, ging voorop; door een zijgebunw kwamen wij binnen. Terstond viel mij weder de groote uitgebreidheid in het oog van dit gedenkwaardig terrein, evenals toen ik het voor het eerst van den olijfberg zag. Het is een langwerpig vierkant, hier en daar met cypressen of olijfbommen 2) beplant, in het midden een plateau, waartoe men aan verschillende zijden met marnieren trappen opklimt; op dit plateau staat, niet juist in het midden, de praehtbouw der Omar-moskée. die het hoogste punt van den heuvel omsluit, een rots, waarvan de. Arabier n vele bijzonderheden vertelt, en waarom hij dan ook dit heiligdom noemt: Hl Kubbet es Sac lira, de koepel der rots. Hier moet de tempel van Salomo, ZkrithuahkIi en Hkhodrs den Orooten gestaan hebben; hier was de dorschvloer van Ahacxa, den -lebiisiet. Om den tempel waren de voorhoven gebouwd en dubbele zuilenrijen, waar .Imzts, als Hij in .lernsalem was, leerde ot kranken genas. Ki.aviüs .Toskimtl's schrijlt er van: âgelijk de grondvesten verwonderlijk waren, zoo was wat daar bovenop stond niet minder wonderbaar. Want men bouwde er oen dubbele galerij op, die onderschraagd werd door zuilen van wit marmer uit één stuk, vijf en twintig ellen hoog; over hen oen verwulf van cederhout, zóó glad geschaafd en zóó net aaneengevoegd, dat het geen beeldwerk noch schilderwerk tot sieraad behoefde. â De geheele buitenste; voorhof was met gekleurde steenen geplaveid, en de weg
'l Ni'derlainl hoeft nog geen consul te .lernsalem.
!) Zoo was liet ook reeds vroeger. I's. 'gt;Ll: 1(1. âMaar ik zal zijn als een groene olijfboom in (lods llnis.quot; Vergeleken mei I's. 92: li- v.v., I's. Kt: 1.
141
langs welken men mei veertien Imppen naar liet binncnste voorhof opging, was met een kunstig vervaardigd iiinnr-work umgevon van drie ellen hoog, en daarbij waren up gelijken afstand kolommen aangebracht, (»11 welke in 't (iriekscli en in't Latijn den vreemdelingen te verstaan werd gegeven, dat htm niet toegelaten werd binnen de heilige plaatsen te treden. Van de tien poorten die naar het binnenste voorhof leidden, waren er negen geheel met zilveren en gouden platen bedekt , en de tiende, die hniten den tempel stond, was van ('orinthiseh koper en overtref in waarde en pracht die welke met guild en zilver overtugen waren.quot; ') Maar genoeg . . . de .loden, die toch het moeste belang in deze plaats moesten stollen, betreden haar nimmer: niet omdat Imn, als door een soortgelijk bord als in den tempel stond, nn op hun beurt door do Mohammedanen don toegang verboden is; o neen! maar omdat zij den bodem te heilig achten. Zij weten niet met zekerheid waar hot Heilige der heiligen gestaan heeft, en vreezen dus door hun voetstap die plok te ontwijden. Van den Olijfberg moge do .lood met oen traan in hot oog do ommuurde rniinte boschonwon, maar zelf houdt hij zich terug van do plek waar, naar hot woord dos Hoeren, die de boste vriend van .Jerusalem was. geen steen op den anderen bleef. De Christenen maken natuurlijk gaarne gebruik van de vrijheid, na den Krim-oorlog in 1858 verkregen, om tegen betaling van oen behoorlijk bachschisch do gewijde plaats te betreden, fin zie dan nu eens hoe voortreffelijk dit terrein is! Wat stond hier het heiligdom naar alle zijden veilig en geheel ommuurd, zoodat het zich nog verdedigen liet. al was ook de vijand de stad reeds binnengedrongen; en toch zoo vrij 011 door niets
') I'i.avius Josui'iius: I. 11. p. V : 1 4.
142
belemmerd, dat men reeds mijion ver on van allo zijden de prachl kon waarnemen en bewonderen, en al hol volk zieh om don tempel en het grooto liraiulotter-altaar scliaron kon, als hot was opgekomen tot liet toost. Voor een oogonblik denkon wij ons do Ãmar-moskée weg en zien den Salomonisclien of Herodiaansehon tempel, en verbeelden ons bet gedrang dor scharen, die van heinde en verre kwamen om den Heor Imn otter te brengen. Bij het geklank dor bazninon huoren wij het lied; âDo Hec^ro is groot en zoor to prijzen, in de stad onzos Gods, op den berg Zijner heiligheid.quot; b (teen wonder, wanneer een vroom Israëliet sprak nil het diepst zijner ziel: âHoero! ik heb lief de woning van Uw huis, en de plaats des tabernakels Uwer oere.quot; 2) En geen smart, geen gemis zoo zwaar voor hem, als niet te kunnen opgaan naar Clods heiligdom; vandaar zijn smeokend lied:
rtülienk iiil' Uw licf'ik'! Toon me Uw (rouwe!
Leen mo Uw licht! en leid iniju voet,
Dat ik weer Uw berg aanschouwe,
Weer Uw heil'ge teute groet!
'k Nader dan 't altaar mijns Gods,
(iod, iniju vreugd, mijn troost, iniju trots!
'k Zal met stem en citerklanken God, mijns levens God, U danken!
Bij den aanblik van dit Godsgebouw kwam er iets in hem op, wat geen Athonor gevoelde, als hij zijn Aeropolis beklom om zijn wierookkorrels op hot altaar van Pallas Athene te strooien, en ook geen Romein in hot aangozieht van het oapitool. Alleen den Israëliet klopt het hart met feller slagen : hij roept nit en zal dat lied ook zijnen kinderen loeri'n:
') Psalm 18 : k2. -} Psalm ti'i: S.
143
drool in God lii zoor to prij/.on!
In do Rijkssliid on/.os (lods, /ion wij dquot; Kouw^'oii Bor^ vorrij/oii, Sioim Borg, dor waorold trots.
Zij is sohoon, do Whid dor Koi'o!
J loog in 't uoordon scliittert zij; In liaar huizon woont do llooro; Ilaar onneemb're burcht is llij!
In don tompol Noorgezoton,
I'oinzoii wo aan l'w gunst, o llecr! Naar dos worelds Uitorst' oindon Klinkc mot l'w .Vaam, Uw oor!
]']n vertol hot Aan uw kindoron I loo volmaakt llij uitkomst gooit.
Neon! duid liet den Isnudict niet trn kwade; noem het g'cen aaninatig'in^ ot bijgeloof, als hij nog altijd tien Tempelberg hot middelpunt dor aarde noemt. I loeit niet do Heer, Wieii do Hemel der liomelen niet bevatten kan. van dit huis gezegd:
Ja! tot Mijn woning heb Ik Mij
Dit Sion uitgelezen.
Zij zal, zoo sprak llij, 't is Mijn lust,
Mijn oeuwge rustplaats wezen.
Wij staan hier waarlijk aan de plaats, waar de Residentie (!ods was op aarde, waar do Hoor woonde in de gehoiinnisvolle Scheohina tusschen de ('hornbim. (teen wonder dat do Alohammodaan hier met hij/.ondere X'i'eii^do on zelfvoldoening rondwandelt, terwijl do ('hriston in stiltt' bidt, en de zoon van Israël daar buiten met het hoofd tegen den deurpost leunt en woont: want zijn tempel ging in vlammen op! Moria word in den vuurgloed geblakerd:
U-Jon dat om do zonden dos volks, om do zonden der priest quot;ren zelfs. Do tempel met zijne altaren moest aan (rod gewijd zijn, maar hoe zorgvuldig men ook de voorhoven met muren omringde, en hoe dnidelijk daar ook voor onreinen en oiiUe-snedenon te lezen stond: terug! achter die muren woonde de zonde, in de kameren waar men dacht: âHier ziet de Heer ons niet.quot; ') De profeet Mzkci11kl zegt ons, wat hij daar zien moest, als de Heer voor hem do wanden doorzichtig maakte; dat was kort voor de eerste verwoesting. Maar ook later ontvlamde hot hart des lleoren hier in heiligen ijver, als Hij binnen de muren van Sion de snoodste heiligschennis aanschouwde, en de handelaars en wisselaars tot voor het altaar der aanbidding zag doorgedrongen! En dat de (iod des hemels en dor aarde de fiolen Zijns toorns nitstortte, daarvan weet dit tempelplein zoo schrikkelijke dingen te vertellen. â Naar de zijde van het oosten stond de bnrcht Antouia, die het heiligdom tegen een aanrukkenden vijand van buiten beschermen moest, maar ook tevens politie-toezicht houden over de menigte die zich in deze omgeving bewoog. 2) Zoo gelukte het aan den Romeinschen hoofdman, die met zijne soldaten hier in bezetting lag, om nog bijtijds Paul us te redden uit de handen eener woedende menigte, die hem zocht te dooden.a) Maar als de ure des gerichts gekomen is, vermag ook deze sterkte niets. Meermalen werd het tempelplein gedurende den burgerkrijg, die tie inneming der stad door de Romeinen voorafging, het tooneel van de vroeselijkste gruwelen. Priesters werden naast bet altaar neergesabeld of doodelijk gewond door de pijlen, die uit de stad op ben werden afgeschoten. Als Tit us den burcht An ton ia
') Kzucliiöl 8 ; l-.gt;.
2i KLAVIus JosMMirs, .Inodsclie hislorie 15: li.
:') Hjindi'lingpii 'i'i.
had inyetiumon, on van daar hot worstelen der vert wij to-ling zag om don tempel, /und hij bevel om dat pracht-gel)ouw te sparen, maar tevergoet's; hot ging in vlammen op. Ontzettend schouwspel! Een ooggetuige zegt er van: âde vlam die don tempel verslond was zóó groot en woedde mot zulk een geweld, dat hot scheen alsof do berg zelf, waarop hij gebouwd was, tot den grond toe afbrandde. Hot bloed der verslagenen stroomde in zulk eene mate, dat bot mot de kracht dos vuurs scheen te twisten. Het getal dor dooden was meer dan van die hen ombrachten. Bij dien aanblik brak nog menigeen, wien do honger allo kracht bonomen bad, in bange jammerklachten uit. Het gegil, dat opging uit den brandenden tempel, antwoordde op het geschreeuw in de stad: en daartnsschon klonk het krijgsgeschrei der liomeinscho legioenen ; was er soms oen oogen-blik stilte, dan hoorde men het knetteren der vlammen en hot steunen dor stervenden, maar dat dan spoedig weer door een nieuwen storm van gillen en schreeuwen werd onhoorbaar gemaakt. Bij den rossen gloed dor ton hemel stijgende vuurzuilen, zag men de gruwelijkste tooneelen van wilde worsteling en moord. Aan pardon was geen denken. Kinderen en grijsaards, mannen en vrouwen, priesters en leeken, om genade smeekenden of weerstand biedenden, om 't even, allen werden neergesabeld; duizenden kwamen in de vlammen om; het tempelplein was één groote bloedplas; de soldaten liepen met ontbloot zwaard door de stad en verbrandden de huizon met do menschen die er in gevlucht waren. Soms drongen zij binnen om buit, maar vonden gcheelo gezinnen van honger gestorven, tengevolge waarvan zij door zulk een aanblik verschrikten en wegliepen met ledige handen, maar om dan weder de levenden, die zij nog ontmoetten, te dooden.quot; b
!) Flavius Josisi'iius t. u. p. VI : 28.
146
Do ondergang van .Icrusalum is een kluchtige prediking over don tekst, dat het gericht begint van het huis Gods. Van daar kwam hot over andere Kerken, die haar beginsel niet bewaarden en spotten met hot Kruis. Donk aan do zeven gemeenten van Kloin-Azië! Doch ook in deze eeuw klinke liet woord van kansel en spreekplaats: God laat Zich niet bespotten! Maar eveneens gaan heil en leven uit van hot huis dos Hoeren; de bron Siloam, die aan de zuid-oostzijde des tempolbergs ontspringt en wier wateren zachtkens gaan, is daarvan reeds voor Ji-saja oen zinnebeeld geweest.') Wel vlooit zij spoedig weg in het dorre land, waardoor haar boddoko heenloopt, maar de profeet Ezuohiël quot;) ziet deze bron, als oen bron van levend water, van onder den dorpel dos heiligdoms te voorschijn komen, on hare wateren immer opborrelende mot meerder kracht uitgaan naar het omliggende land om het vruchtbaar te maken, en dat wat door hot oordeel Gods getroffen was, te bevrijden van de banden dos doods. Wolk sprekend beeld van het heil, dat van Sion uitgaande ook de verste streken der wereld zal bereiken en dat ook Zacmaiuas a) vergelijkt met eene bron, die geopend is voor het huis Davids en voor de inwoners van Jerusalem togen de zonde en onreinlgheid. Ja, ook rondom ons vloeien do stroomen, die onder don drempel dos tempels ontspringen; zo gaan voort met steeds machtiger geklater en in hun ruischon en bruisen is het, als roepen zij ons toe: dio in den Zoon gelooft, die hoeft het eeuwige leven. . . .
Doch onze gidsen worden ongeduldig; wij moeten do moskoe binnengaan voor hot te laat is; als do ure des gobods begint, laat de Mohammedaan in zijn heiligdom niemand meer too. Maar nog oven een blik op hare buitenzijde.
') .Tesaja 8 : ü. s) Ezcchiül 47. n) Zacharias 11!; 1.
147
Hot is oen achthuekig' gebouw, waarvan iedoro zijde zeven en zoslig vuet lang is, van onder met blauwachtig marmer bekleed en van boven met gekleurde tegels versierd. Aan iedere zijde zijn zeven ramen mot boscliilderde glazen: op dezen onderbouw rust een koepel van ovalen vorm in Byzantynscben stijl. Zóó bouwde men bij oud Israël nooit. Bij de Israëlieten was steeds de vierhoek de grondvorm, in de richting van de vier hemelstreken, liet gebouw, dat wij hier voor ons hebben, is in zijn hoofdlijnon aan den bouwstijl der Christenen ontleend; tie koepel is een nabootsing van het hemelgewelf, en drukt de heerlijkheid der triomfeerende Kerk op aarde uit. Hot geheel doet denken aan rustige majesteit en onmetelijken rijkdom.
Nadat wij volgens voorschrift ons overschoenen hebben laten aantrokken, mogen wij binnengaan. ') De hoofdpoort aan de zuidzijde ingetreden, ziet gij twee zuilengangen, die in cirkelvorm om een rots loepen, boven welke de koepel gebouwd is, en die rots is het die al onze aandacht trekt. Wij mogen ze natuurlijk niet aanraken, en daarom is zij afgesloten door een ijzeren traliehek. Maar juist dit stuk steen, zeven en vijftig voet lang en drie en veertig voet breed, vraagt al onze oplettendheid. Prachtig is de verlirbting; de bodem is bedekt met heerlijk mozaïek. Allerlei legenden zal uw gids u vertellen, b.v.: van een Jaspisplaat, die aan gindsche zijde in den vloer ligt en gouden pennen bovat, door Moiiammkd zelf er ingestoken mot de bedreiging, dat als al deze pennen uit de plaat zijn weggenomen, de wereld zal vergaan, en dat de duivel eens stillekens bezig was om ze er uit te trekken.
') Do moskée is gebouwd door O.maii in liet jaar 037. Vóór 180,'3 werd dun Christen, die liet sowimgd had haar liinnen te gaan, geen andere keus gelaten dan óf het Moliaimnedainsme aan te nemen óf te sterven.
K. von Maumeii, Palestina, pag. i4ü.
148
maar, bijna gereed, gelukkig; dour den engel Gabrikl in hot i)üoze werk verhinderd werd. Cl ij luistert naar die dwaasheden slechts met een half oor, of in 't geheel niet, want al uwe aandacht wordt gaande gehouden door die rots; niet omdat men al wederom u zegt dat zij door niets gedragen boven den afgrond zweeft en de bronnen dekt, aan wier oevers de zielen der gestorvenen zich tweemaal per week verzamelen tot het gebed; of omdat gindsche grijsaard daar zoo even u in vollen ernst heeft medegedeeld, dat, toen Moiiammni) op zijn gevleugeld paard Barak ten hemel voer, die rots hem wilde volgen, maar Ctabkii'il haar met geweld terughield, den indruk van zijn engelenhand achterlatende. Och, ge sluit hot oor voor al die beuzelingen, en ziet met medelijden op hen die zo gelooven. JJie rots heeft voor u veel hoogero waarde, want zij is do getuige geweest van Israels godsdienstige ontwikkeling of verbastering, van Israels glorie of onderdrukking. Over haar zijn do oproerkreten heengegaan tegen den Zoon des menschen, maar ook de jammerklachten van duizenden in hun grootsten nood. Want op die rots stond, volgens de laatste en nauwkeurigste underzoekingen, het brandofferaltaar zoowel in den tempel van Salomo als van Zkkl'bhabki, of 1 Ikkohks. Ziet ge die opening midden in de rots? Welnu, die opening is een goot, die tot onder doorloopt en vervolgens door kanalen in verband staat met tie beek Kedron, om alzoo te dienen tot afvoer van het bloed der geslachte offerdieren. Is het u nu nog een raadsel, mijn lezer, waarom op een Paaschfeest zooveel schapen en lammeren konden worden geslacht, zonder dat het bloed naar alle zijden van hot tempelplein afstroomde? Nog een raadsel, waarom op het feest der verniemving des tempels, hot offeren van zooveel rammen en runderen kon geschieden, zonder stoornis in de reinheid te brengen?
149
Mij aangaande, ik was blijde toen ik dit gezien had, en men vergeve liet mij als ik zeg, dat het verdere fraais en schoons mij weinig aantrok. Bij mij alleen do gedachte: hier was do tempel; hier hot altaar; on toen ik ook op mijn tweede reis de moskee bezocht en nogmaals, voor zoover 't in mijn bereik stond, dien steen nauwkeurig beschouwde en naging of hier het altaar kon gestaan hebben in verband met de afmetingen van tempel en voorhof, en ik in mijn gevoelen versterkt werd. was ik volkomen voldaan. Ja, hier moet Abrahams offerplaats geweest zijn; hier de dorschvloer van Ahauxa, waar David don Heer dank- en brandoffer bracht, als Hij den engel hot zwaard weder in do schede deed koeren. Voor zichzelf op zulk oen pnnt zekerheid verkregen te hebben, dat roods is de moeite der reis wel waard. Willen wij nu nog naar beneden gaan? Slechts twaalf trappen en dan zijn wij in een kamer ouden1 do rots; daar toonde men mij de plaats waar Abraham, David, Salomo geboden haddon, en natuurlijk ook Mohammed. Toen volgde weer het verhaal van tal van legenden, maar ik schreef ze niet op, mijne gedachte was bij gansch andere dingen. Nu, uit do diepte naar boven komende, wandelen wij langs een rijk versierd, klein, koepelvormig gebouw, rustende op marmeren zuilen, âhot gerechtshuis van David.quot; Naar de Mohammedanen vertellen, was hier in do dagen van David en Salomo oen ketting gespannen, die do buitengewone eigenschap had, dat hij aanstonds een paar schakels losliet, als oen meineedige hand hom aanraakte. Onschatbare ketting voorwaar! Dan langs een prachtig wit marmoren waterbekkon voorbij den kansel van Omar, in moorschen stijl eveneens van marmer gebouwd en in de maand Ramadan, de heilige maand, door don priester gebruikt, naar een ander heiligdom, de zoogenaamde Aksa-moskeo, die hot zuidelijkst doel van het:
|.-)0
tempolpleiii iuueeint. Oorspronkelijk was zij een christelijke basilika, maar die in den loop der eeuwen menigvuldige veranderingen heeft ondergaan. Het antieke voorportaal wordt gevormd door ruime en hooge zuilenrijen. Hot schip, waar oen groote koepel het middelpunt van een kruisvorm uitmaakt, is van rijke pracht en sierlijkheid; daar is een voetstap van Mohammiod te zien, een wonderschoon spreekgestoelte, ingelegd met paarlemoer en ivoor, dan de bidplaats van Omah, en daarnaast een paar zuilen, zóó dicht nevens elkander gesteld, dat een ietwat corpulent mensch er onmogelijk door kan. En als ik n nn vertel dat een ieder die zich door die nauwe passage wist heen te werken, den Hemel heette binnen te gaan, dan laat het zich begrijpen dat hier nog al eens pijnlijke proeven genomen zijn. Thans is om die eigengemaakte hemelpoort een ijzeren hekje gezet, en aldus een dwaasheid belet, die soms de ernstigste gevolgen had.
Maar geven ons deze dingen, vruchten van een jammerlijke dwaling, niet veel te denken? Hoeft niet de Heer gezegd: âStrijd om in te gaan door de enge poort, want velen zullen zoeken in te gaan en niet kunnen.quot; ') Ja voorwaar! voor den Hemel een enge poort, waar men alleen op gebogen knieën kan doorgaan; een poort, welker posten niet medegeven, en waar men alleen door kan, als alles is afgelegd: uw eigen deugd als een wegwerpelijk kleed, uw eigen wijsheid als dwaasheid, uw eigen kracht als zwakheid, die in den Hemel niet past, nw eigen werken, uw lievelingszonde, alles, alles weg; zoo gij iets met u nemen wilt, komt gij die poort niet door. Ziet gij daar dien worstelaar in de Aksa-moskee, die zich wringt en kromt en buigt om tusschen die pilaren door to komen;
') Lucas 1 .'i: i 1.
151
het kost hem blued en tranen, en als ten slotte alles vruchteloos blijkt, en hij met zijn gekneusde! leden en gescheurde kleeren straks huiswaarts keert, de wanhoop in het hart, ach! heb dan medelijden met dien misleide door do begrippon van een valschen godsdienst, en beklaag hem vrij, voor wiens zielsoog do Zon der Waarheid door zoo donkere wolken van bijgeloof is omsluierd. Maar gij zelf, mijn lezer! do hand op het hart: Zag uw God u reeds op de knieën en worstelende in het gebed om die enge poort door te komen, waarvan hot Evangelie spreekt en waarboven geschreven staat: âSta af van alle ongerechtigheid;quot; en kunt gij mot Paljlus roemen: âIk weet en ben verzekerd dat ik door Gods genade, aan het oindo mijner baan, rein gewasschen in het bloed dos Lams, daar zal zijn waar do Heiland Zijne gemeente wacht, tot zoo duren prijs gekochtquot;?
Do goheele zuidoostkant van hot tempelplein rust op ondoraardscho gewelven, die door vierkante pilaren gedragen worden. Immers, om (gt;011 horizontaal vlak te krijgen, waarop do tempel kon worden gebouwd, had reeds Salomo don Moria, aan die zijde waar hij hot hoogste was, laten afgraven en daarentegen do lagere zijde opgehoogd, welk reuzenwerk, in later eeuwen vernieuwd, door Huhodks word uitgebreid, om al/00 een broeder oppervlakte te gewinnen voor do galerijen en zuilengangen, waar mode hij Israels heiligdom vergrooten en verfraaien zou. Tot deze gewelven daalt men af langs een trap van twee en dertig treden, en komt dan eerst in een klein Mohammedaansch bodehuis, de plaats waar, naar luid dor legende, do oude Simhox woonde, die bij do voorstelling van het kindeko Je/ais in don tempel zijn roerenden zwane/ang zong: âNu laat gij, Heer! Uw dienstknecht gaan in vrede naar Uw woordquot; ') en Maiua
') Lukas '2 : 2'A
eenigo dagen zou hobbou vertoefd; dan komt mon in du onderaardsche gewelven, de âstallen van Salomoquot; genaamd. Of Salomo ze ooit gebruikt hoeft? Wie zal het zeggen, maar zeker is, dat in de middeleeuwen hier do stallen der Frankische koningen en tempelheeren waren, on er nog ringen gevonden zijn, uit dien tijd afkomstig, waaraan paarden of andere dieren werden vastgebonden. Maar als deze gewelven eens spreken konden, wat zouden zij' gewagen van nog gansch andere dingen; van zuchten, van tranen, van stroomen bleeds, door hunnen bodem ingedronken. Voor uwe verbeelding ziet ge hier duizenden vluchtelingen, die bij de belegering van Jerusalem in deze holen een schuilplaats zochten; moeders, verwilderd, bleek, met holle oogen, en voor die oogen geen tranen meer; mannen, die op de wallen met doodsverachting streden, on hun heldenkling1 in 't bloed van menigen Romein hebben gekleurd, maar wien ten slotte de schrik om het hart is geslagen, als het den vijand gelukte zijne golvende banieren op de omgeworpen muren te planten; grijsaards, die hier een pleksko zochten om in do nabijheid des tempels te sterven: zij allen vroegen aan de Moriagewelven bescherming, maar om straks, als de woedende Romeinen binnenstormden, een jammerlijk einde te vinden.
Onder de Aksa vindt men nog in den vooruitspringenden muur, die do zuidelijke punt van den Moria, Opbel genaamd, omsluit, de sporen van een oude poort; de Huldapoort waarschijnlijk, door welke de Heer meermalen is uit- en ingegaan, als Hij van Bethaniö kwam en den tempel bezocht. â Klimmen wij nu uit de diepte op, on wandelen dan langs de westzijde van het tempelplein, zoo staan wij voor de kloof van het Tyropoeon, die volgens de ontdekkingen, door Dr. Warren en andere geleerden gedaan, bij dit gedeelte van den tempelmuur do grootste diepte
153
had, on tot eon hoogto van honderd vooten uit hot dal was opgotrokkou. Hier vinden wij ook do door Robinson ontdokto ovorhlijfsolcn van eon boog mot voor dion tijd rousachtigo spanning, over wolken eon brug was geslagen, die do bovenstad mot hot tempelplein verbond. Ook oen tweede, de dusgenaamde Wilson hoog. is gevonden en onder dozen een gewelf, dat in gelijke richting met hot viaduct van hot tempelplein loopt naar do citadel. Dr. Wakhkn ging er in tot op tachtig meter, verder kon hij niet. Voor reizigers, die niet op last van hun Gouvernement of van een genootschap tot het doen van nasporingen uitgezonden worden, is lt;lo toegang gesloten. Ook wij daalden er niet in af, maar toch meende ik er melding van te moeten maken, om in verband met wat ik reeds zeide mijne lozers te doen zien, hoe de bodem van het oude Jerusalem mot ondoraardsche gewelven, kanalen en waterleidingen doorsneden was, en do stad aldus in staat om oen belegering van een overmachtigen vijand uit te houden, soms maanden lang; wM door den honger gekweld maar zonder watergebrek. â Schoon is ook hier het uitzicht op de terrasvormige, langs de? helling van den Sion gebouwde stad; schoon vooral door de menigte van koepels, waarmode de platte daken der huizen versierd zijn. De Oosterling bouwt zijn huis niet met een schuin oploopend dak en daarnaast een leelijko schoorsteen, maar in den veel sierlijker vorm van een rotonde, waardoor hij ten eerste minder hout noodig heeft, in Palestina zoo duur, en ten tweede de koelte in zijn huis veel boter bewaren kan. Jammer, dat roods enkele Europeanen, metterwoon hier gevestigd, die gewoonte niet hebben gevolgd, maar naar westerschen trant zijn gaan houwen; zoodat men hier en daar in den omtrek der stad een rood dak boven de witte koepels ziet uitkomen; een klaproos gelijk, die zich vermeten
154
durft hut hoofd in trotschheid op te steken bu\'en de blanke leliën, die geliefkoosde kindoren der natuur, 't Is maar te hopen dat de Jerusalennners niet, door nieuwigheids-zucht gedmven, tlezon bouwtrant van de Westerlingen overnemen, want dan is het met het schoon hunner stad spoedig gedaan.
Nu naar de dusgenaamde âGoiidon Poort,quot; een pracht-gebouw, door ieder ten hoogste geroemd. Door deze poort, van waar eens een marmeren trap naar het Kedrondal voerde, deed in ()2(J Keizei II krak raus zijn intocht. In den tijd der kruisvaarders was zij slechts geopend op don Palmzondag, om de groote processie die van don Olijfberg kwam door te laten: thans is zij toogometseld. Naar luid der muzehnanscho legende zijn hare zuilen (gt;011 geschenk dor Koningin van Scheba.
Wij verlieten het tempelplein door een oud, smal portaal, tot school voor jongens ingericht. Dat het schoolgeld hier hoog is, geloof ik niet; en dat er veel geleerd wordt, geloof ik ook niet. Over het algemeen maken de Arabieren niet veel werk van het onderwijs; en ware de vrees voor Christelijke inrichtingen hier geen scherpe prikkel, zeker, dan zou het poll nog voel lager staan. â Door eenigo zijgangen bereiken wij vervolgons, vlak aan den noordelijken buitenmuur van hot tempelplein, het zoogenaamde badwater Botbcsda '), oene gemetselde kom van honderd tien meter lang. Evenals op zoovele plaatsen in do stad ligt hier puin en vuilnis eenige voeten hoog 011 vormt in den regentijd oen waren modderpoel. Bij onderzoek is gebleken, dat ook naar dezen vijver kanalen waren aangelegd om het water aan- (gt;11 af te voeren.
Allo ontdekkingen van vroeger en latei- pleiten er dus
') Joh. 5 : v2.
155
vuur, dat zidi oJider Jenisak'iu een net van Willigen en dour bronnen gevuede Wcilerleidingen bevindt, naar een behoorlijk plan gebouwd, om den eenen vijver met den anderen in verbinding te brengen. Ware de stad eens onder een ander bestuur, en de gelegenheid tot bet doen van nasporingen daardoor beter, wie weet wat men nog vinden zou; boe nog de vindingrijkbeid en volharding dor Israëlieten xou worden bewonderd; maar thans is er weinig van deze dingen te wachten. Het Tnrksche Gouvernement moedigt inot aan, werkt niet mede, maar houdt veeleer tegen; geen wonder! waar het tocb do zaken boven den grond geen ordelijken loop weet te geven, hoe zou het daar ter barte nemen wat zich onder den grond bevindt? Bedenk eens dat er in Jerusalem geen bureau is van den burgerlijken stand, geen kantoor van aangifte voor geboorte of sterfgevallen, geen volkstelling ooit uitgescbreven is. Wij kunnen ons zulk een middeleeuwscben toestand niet voorstellen, en toch is het zoo; daarom wil ik voor mij van ganscher harte hopen, dat de vrees der Mohammedanen maar spoedig blijke gegrond te zijn geweest, dat een Christen-Keizer of Koning zijn intocht doe al of niet dooi' tic Gouden Poort, om dan het Kruis, maar nu voor goed, op den Davids-bnrcht te planten, Jerusalem den zegen van het Christendom te schenken, en met de fakkel der wetenschap na te speuren, wat nu nog onder den bodem verborgen is.
Langs den weg der smarten. Via Dolorosa, keeren wij terug, 't Is de weg, waarlangs men meent dat Ji:zi-s is heengeleid, dragende Zijn kruis. Hij begint bij de tegenwoordige kazerne, den vroegeren Antoniaburcht, waar men u zegt dat het rechthuis van Pilatus geweest is en u tevens het vertrek wijst, waar Jkzus door de krijgsknechten word bespot. Eenige schreden verder, aan de overzijde der straat, is een Roomsch-Katholiek instituut van de âZusters van Sion,quot; gesticht door
150
Pator Ratisbonne, en onderhouden door liefdegaven. Honderd dertig meisjes vonden er in het voorjaar van '92 eene vriendelijke verzorging. Door een der dames rondgeleid, zagen wij de slaapzalen, schoollokalen, apotheek; alles oven rein en net. In de kapel, die op zeer kostbare wijze wordt verbouwd en verfraaid, bevindt zich een betrekkelijk kleine boog, met de bekende Latijnsche initialen: S. P. Q. R. De dames verzekerden ons dat deze boog gestaan heeft voor het paleis van Pilatl's, en dat de Heiland bij Zijn verhoor voor den landvoogd onder dezen is doorgegaan. Thans is zij ingemetseld ter linkerzijde van het altaar. Onder de kapel heeft Dr. Warrkn waterreservoirs ontdekt, alsook een onderaardsche gang die naar het tempelplein loopt. In de ruimten, die thans voor kelders worden gebruikt, meent men nog het plaveisel te vinden van de straat ten tijde des Heeren.
Voldaan over de zeer vriendelijke ontvangst en na inkoop van eenige platen, gedroogde bloemen en andere snuisterijen, verlieten wij deze inrichting. Het gebouw is drie verdiepingen hoog, draagt in zijn voorgevel een wit marmeren steen, met het nooit geheel doordachte, steeds vertroostende woord van Pilatus: âEcce Homo,quot; Ziet, de mensch.1) Dwars over de straat ziet men een gedeelte van oen boog, die dit Zusterhuis met de tegenoverliggende woning verbindt. Onder dien boog, zegt men, stond de Heiland met de doornenkroon, het purperen kleed en den rietstaf, als spotkoning uitgedost, toen Pil at us tot de woedende, bloeddorstige schare, in de diepste ontroering, dat: âEcce Homo!quot; sprak. En wederom, wie- zal mij bewijzen, dat dit ontzaglijkst moment, waarop het een oogenblik stil was in den Hemel, en Gods engelen elkander toefluisterden; âZiet, de
') Joh. 1 !l : n.
157
menspi!quot; Juist hior doorleefd, doorstreden is? Maar dan toch zeker niet ver af; hier of in du nabijheid was het, dat do Heiland ook deze teug uit don bittersten alsemkelk dronk, en mij aangaande, u! het was mij bier goed. En nu wil ik wel gelooven, dat voor hen die bier wonen of bij herhaling komen, de indruk vertlauwt, en zij moeite hebben er zich bij te bepalen, maar /,uo gaat bet met alles in de wereld. Dat is in zeker opzicht goed ook, want niet aan bet stoffelijke, niet aan de plaats zullen wij hangen, maar aan het eeuwige, aan Hem, Die thans de gloriekroon draagt aan 's Vaders rechterhand, en in den Hemel zooveel kronen zal geven, als er vrijgemaakte zondaarsslaven tot Hem zullen komen. Maar dat neemt niet weg, dat toen ik daar voor de eerste en voor de tweede maal onder dien Ecce Homo-boog stond, het lied door mijne ziel ging, zoo vaak mijne gemeente op don Goeden Vrijdag op de lippen gelegd:')
is dat, is dat mijn Koning!
Dat alloi' vaadrcn wensch!
1« dat, is dat Zijn kroning?
Zit', zie, aanschouw den mensch!
Moet Hij dat spotkleed dragen,
Dat riet, dio doornenkroon?
Lijdt Hij dien smaad, dio slagen?
Hij, God! Uw eigen Zoon!
O Jezus! Man van smarten,
Uij aller vaadren wensch,
Herinner aller harten
't Aandoenlijk: âziet, de nicnsch!quot;
Laat mij toch nooit vergeten Die kroon, dat kleed, dat riet;
Dit troosto mijn geweten:
't Is al voor mij geschied.
') Gozang 123 : 1. li.
158
Nu loopt de weg allengskcns opwaarts; men gaat oen paar overwoiïdo straten dour, tot men komt aan de II. Grafkerk. De Via Dolorosa is omtrent 880 passen. Ik ging de kerk niet in, maar naar mijn hotel; hot was reeds laat geworden, en in mijn dagboek moest nog een en ander worden aangeteekend. Met Dr. Saxdkksckv en een paar andere heeren ben ik 's avonds nog gereden naar den Olijfberg, om van daar Jerusalem bij maanlicht te zien, maar de lucht was niet helder genoeg. Dat uitzicht moet anders verrukkelijk zijn.
yAN HET )VESTEN NAAR 11 ET POSTEN,
Onze ezels stonden gereed, 't waren wel geen witte, die nog, evenals in den tijd der Richt eren, ') in Palestina tot de voornaamste rijdieren behooren, en in Damascus zelfs met hooger prijs dan een goed rijpaard worden betaald, maar toch flinke beesten. En nu ging het weder de Jaftapoort uit, een eind wegs âgerade aus,quot; en dan rechtsom naar het Syrische weeshuis, de inrichting van Vader Schnkllku, na vooraf een vluchtigen blik op hef nieuwe en nette Arabische kerkje te hebben geworpen. Deze inrichting, die mede zeer gezegend voor Jerusalem werkt, heeft bij aanvang moeite en tranen gekost, daar men telkens bloot stond aan aanvallen van roevers, ja, meer dan eenmaal geheel werd uitgeplunderd en soms zwaar mishandeld. Nadat de Kegeering ter bevordering van de algemeene veiligheid langs de Jaftastraat wacht-
') Riclituren 5 : 10.
150
torons heeft, hi,Ion oprichten, en een van dezen in do nabijlioid van hot weeshuis geplaatst is, hohhon de rooverijen zich niet moor lierhaald; ook neemt do liotdadigheid zóó in omvang too, dat men door de zegeningen Gods voor de heproevingen van vroeger riiimschoots wordt schadeloos gesteld, voornamelijk na den afsclmwolijkon Christemnoord, die in hot jaar 1800 te Damascus zoo velen duizenden liet leven kostte. Toen toog Sciinkm-ku naar do Syrische kust, en kwam met eon on veertig oudGrloozen terug, die in zijne heerlijke stichting een liefelijk toovliichtsuord vonden. Van jaar tot jaar klom het aantal dor verpleegden; thans zijn er honderd en vijftig. Wet uitnomende hokwaamheid leidt ScuxELiaa; hunne opvoeding. Zelf te Bazel in do Krishona, (een soort van leekenzending, die liet Christendom door zendeling-werklieden of neringdoonden zoekt uit te breiden) gevormd, is het zijn doel, do knapen niet alleen lezen, schrijven en rekenen te leeren, maar ook een handwerk, waarvoor zij naar hun aard en bevatting het meest geschikt blijken, om hen dan, wanneer zij inluin eigen onderhoud kunnen voorzien, terug to zonden naar de dorpen vanwaar zij kwamen, in do hoop dat zij door Gods Geest bezield en door liefde gedrongen, daar op hun beurt tot een zogen voor velen mogen zijn. â Wij nemen afscheid van den ouden Vader SenxiaLKK, hem en zijne stichting Gode en Zijne genade bevelende, en gaan naar het Protestantseh Kinderziekenhuis Ma riënsti ft, de inrichting waarvoor deze uitgave mede geschiedt, en waarvan mijne lezers natiuniijk een meer breedvoerige beschrijving verwachten. Welnu, weet dan. dat ik reeds ten vorigen jare, toen ik met mijne vrouw in Jerusalem was, het genoegen had kennis te maken mot Dr. Sandrescky, den directeur van Mariönstift, en diens vrouw, een Neder-landsche dame, die ons met de moeste hartelijkheid in
1 60
hunne wuning unt vingen, gedui'onde ons verblijf in de hriligu stad de beste diensten bewezen en naar allo belangrijke punten ons hebben begeleid. Maar natuurlijk eerst en allermeest spraken ze over die zoo zeer nuttige stichting, aan wier hoofd zij zijn gesteld on waarin ook hunne oudste dochter werkzaam is, namelijk hot Protestantsch Kinderziekenhuis Mariënstift. Dr. S. doolde mij daarvan het volgende mede. Als jonge arts, zoo sprak hij, was mij do behandeling van zieke kinderen reeds oen lievelingstaak, en na twee jaar in do kimlerkliniek werkzaam te zijn geweest, had ik de boste gelegenheid mij op do kinderdieolkunde toe te leggen. Toen ik mij in Jerusalem als geneesheer gevestigd had en den diep beklagonswaardigen toestand zag waarin zoo vele kranke kindoren verkeerden, hoeveel sterfgevallen er onder hen plaats vonden, vatte ik hot plan op oen kinderhospitaal op te richten. In dat voornemen werd ik versterkt, toen een mijnor eigen kinderen, door diphteritis aangetast, ernstig ziek lag. Reeds waanden wij ons kind verloren en vreesden voor do andoren, toen de lieve God liet anders beschikte, en boven bidden en denken ons verloste uit don nood. Als dankoffer opende ik het Kinderhospitaal met vier bedden, het eerste van dien aard in Jornsalem. Ik begon het voor eigen rekening, met gebed om Crods zegen en hopende op hulp van menschen. Wie toch zou niet bewogen worden bij hot zien van zooveel ellende, als onder de kinderen in hot Oosten gevonden wordt; ellende, meestal veroorzaakt door oen onreinheid, zooals men zich in het Westen niet tienken kan, en dio ziekten, blindheid, krankheden van allerlei aard ten gevolge heeft. Op tie dorpen is geen hulp, dus zoekt men die in do stad, en nu komt daar eono moeder over het steenachtig bergpad van Judea barrevoets, onder brandende zou of oen stroomenden regen, op den rug het kranke kind in oen
161
doek govvikkold, on sums nog een /.waren last van koopwaar, hout, groenten of eieren op het hoofd. Doch als zij in Jerusalem een arts geraadpleegd heeft, waar dan vervolgens heen? Want liet kind kan niet terug, 't zou het besterven! Maar nergens is plaats; nergens een huis waar men een kind met eene besmettelijke ziekte binnen
laat en verzorgt. Nergens?.....Met het oog op God
opende ik mijn Kinderziekenhuis den zesden Juni 1872. Licht was die taak, zooals ge begrijpen kunt, reeds op zichzelf niet; maar zwaarder werd zij, daar niemand in Jerusalem mij hielp, uitgenomen wijlen du consul Baron von Alters. Allen, geestelijken en diaconessen, werkten mij tegen in woord en geschrift. Ik werd zelfs uit eene andere liefdadigheids-inrichting ontslagen, met bevel niet terug te koeren, zoolang mijn Ziekenlmis bestond. Maar de Heiland, die immers ook niet het oog op de kleinen van dit land gezegd heeft: âLaat do kindorkens tot Mij komen en verhindert ze niet,quot; was mij tot hulp en sterkte. Hij verhoorde mijn smeekgebed, en boven verwachting breidde mijne inrichting zich telkens uit. Was het soms duister, do Heer gaf licht. Thans telt het hospitaal vijftien bedden, die in don zomer geregeld bezet zijn; een en twintig jaar heeft hot bestaan, 3088 kinderen vonden er verpleging en 128 grooto chirurgische en orthopaedische operation werden mot gelukkigen uitslag bekroond. Geheel Judea kent ons on zelfs uit Galilea en Syrië worden ons kinderen gebracht, wier liefde on dankbaarheid mij tot vreugde zijn. Mijne vrouw en eenige Arabisch sprekende dames uit Jerusalem hebben zich mot de geestelijke verzorging belast en geven ook, wanneer het mogelijk is, godsdienstonderwijs. Van courantengeschrijf heb ik niet veel gebruik gemaakt; het was mij beter in stilte mijn weg te bewandelen. Goldelijken overvloed hebben we nooit
n
1G2
gekend, maar God heeft ons in die twintig jaren geleerd uiu zuinig huis te huuden. Vraagt gij mij of ik niet gaarne eenige uitbreiding voor mijne inrichting, en vooral met het uog' op besmettelijke ziekten hetere afzonderingslokalen zou wen se hen? ü zeker! en wilt gij mij daartoe behulpzaam wezen, en de Christenen in Nederland tot liefdadigheid opwekken voor mijn Mariënstift, ') ik zal er u zeer dankbaar voor zijn, want niets is mij aangenamer dan in ruime mate hulp te kunnen bieden; afwijzen is zoo pijnlijk.quot; Ik verstond l)r. S., want als regent van het âKinderhuis der Ned. Herv. Gem. te Rotterdamquot; weet ik ook hoe hard het valt hulpbehoevenden te moeten wegzenden, en daarom beloofde ik hem te zullen doen voor zijne stichting wat in mijn vermogen was. Herhaaldelijk heb ik hem bezocht, menig genoegelijk uur in zijne eenvoudige woning doorgebracht, en toen ik hem verliet was het met de bede, dat liet den Heere mocht behagen zegen te schenken aan dit huis, cm Dr. S. met zijne trouwe gade werktuigen te doen zijn in Zijne hand, om aan velen genezing te schenken, beide naar lichaam en ziel.
Hn kan het u nu, mijn lezer, verwonderen, dat ik de opbrengst van dit boek ten deele voor âMariënstiftquot; heb bestemd, en tevens met een enkel woord ondersteuning voor die stichting kom vragen? Onder de Nederlandsche Christenen wordt veel over Jerusalem gesproken; in onze christelijke kringen menig lied gezongen, waarin een toon van heimwee naar Jerusalem klinkt; maar wordt er ook veel voor Jerusalem gedaan? Franschen en Duitschers, Engelschen, Russen en Amerikanen wedijveren in het Heilige Land op phüanthropisch gebied, maar nergens in geheel Palestina
') Het Kinclerziekeiiliuis ontving dien naam naar II. K. II. M.vm.v, Groothertogin van Mecklcnburg-Schwerin, door wie gedurende de eerste drie jaren eene goede on lerstenning werd toegezegd en verleend.
- - saffjp â â g quot;W^P quot;â â -
163
is één kurk ut' liofdiulighoidsgesticlit met het Nodcrlandsche wapen in den gevel, terwijl maar zelden een aangeteekende brief met het borstbeeld onzer Koningin aan een Christelijke inrichting te Jerusalem wordt bezorgd. Mag dat zoo blijven? Zou tie smeekstem van dit eens zoo gezegende, maar nu in ieder opzicht bedel-arme land nog langer tevergeefs worden gehoord; en is het te veel als ik voorstel dat do Protestanten van Nederland eens dat âMariën-stiftquot; voor hunne rekening nemen? Maar in afwachting dat het zoover kome, zond gij, mijn lezer, mij al vast uwe eerste bijdrage; ik zal er voor zorgen dat deze aanstonds aan het adres van âHerr Dr. M. Sandresckv, Director des Mariënstifts, Jerusalem,quot; wordt overgemaakt.
Van Mariënstift gaan wij naar de dusgenaamde âGraven der Koningen,quot; de meest weelderige grafplaatsen die ik heb aangetroffen. Eerst daalt men af in een open vierkant voorhof, en ziet men aan de westzijde het portaal van de eigenlijke begraafplaats met architectonisehen rijkdom versierd; dan treedt men in eene ruime en lange kamer, waaruit weder drie gangen naar do met steenen gesloten grafkamers voeren, in wier wanden de dooden ruston. Gelijk de ingang zoo zijn ook de kamers vorstelijk. Of men hier do weelde der Egyptische doodenwoningen heeft willen nabootsen? Het groote onderscheid tusschen de Egyptische en Joodsche graven is, dat de eersten gebouwd, de laatsten uit do rots gehouwen worden. Welk een reuzenwerk! Gij vindt hier zijkamers, achterkamers, benedenkamers zelfs, te zamen zes en dertig grafplaatsen. De lijken lagen in sarcophagen (steenen kisten), wat bij de Hebreën eigenlijk geen gewoonte was. Heeft men hier aan de graven der Israëlietische Koningen te denken? Aan de pracht, aan do ruime afmetingen van gangen en portalen zou men zulks zeggen, maar ik geloof hot niet. De Koningen worden immers
104
in do stad Davids, op don Sion begraven. Maar hoogst waarschijnlijk is dit het door Josepuus vermelde, vroeger niet drie pyramiden overdekte graf van Koningin Helena van Aüiabene, die in het jaar 48 na Cnu. tot het Jodendom overging, naar Jerusalem kwam, en daar later door haar zoon in dit vorstelijk praalgraf werd bijgezet.
Veel eenvoudiger, maar toch altijd nog sierlijk genoeg, zijn do dusgenaamde âGraven der Richterenquot; en ook een graf van een zeer voorname familie, een half uur verder in noordwestelijke richting te vinden. Aan den wand van liet ruime voorhof staat een rustbank; zetten wij er ons een oogenblik neder, en zien dan hoeveel licht uit deze duistere plaats opgaat over menige bladzijde der gewijde historie. Eerst zien wij dat de Israëlieten liefst rotsholen tot hunne laatste woonplaatsen kozen, en niet zooals bij ons de dooden eenvoudig in de aarde begroeven; waar evenwel geen dooide natuur gevormde holen aanwezig waren, was het maken van een graf, vooral bij do bearbeiding van eene rots uit harde steensoort bestaande, zeer moeilijk en kostbaar, zoodat dan ook alleen aanzienlijken in den lande eigenaars van zulk een graf konden zijn. ^ Zoo werd het lichaam van den lieer gelegd in een nieuw graf, pas uit de rots uitgehouwen, en toebehoorende aan een aanzienlijk man, ld van den Joodschen Raad. '2j Zijne laatste rustplaats op aarde moest zóó heerlijk zijn, als Zijne eerste gering was geweest. Ten tweede wordt ons, Westerlingen, de bewoonbaarheid van zulke graven duidelijk. Zeker was, volgens de Mozaïsche wet, alles onrein wat met een doode in aanraking kwam, en moest dus ook een graf vermeden worden. Alleen aan melaatschen, bezetenen, uit de samenleving verdrevenen.
') Jcsaja 22:1 (j. !) Matth. 27 : 60.
] 05
boden deze graven met hunne vele kamerkens, een tegen regen en wind beschuttende en warme woning. ') Heden worden zij bij voorkeur door de herders mot hunne schapen opgezocht. Wat nu liet graf zelf betreft, waarin bet lijk werd neergelegd, dan ziet men hier hoe bij do Joden daarvan verschillonde soorten waren, dikwerf in één grafplaats. Vooreerst schuifgraven, horizontaal in do rotsen gegraven laden of gangen, waarin hot lijk, zonder kist, waarschijnlijk met do voeten naar voren, geschoven werd. Do opening sloot men mot oen steonen plaat, zeer zorgvuldig, daar men op jakhalzen on hyena's bedacbt moest zijn. Thans zijn die graven alle ledig, niet door het wild gedierte, maar door roovers geplunderd, die meenden, dat zij bij de doodon schatten zouden vinden. Vervolgons hooft men bankgraven, waarin hot lijk gelegd werd op eon bank, meestal een halven meter boven den grond in do rots uitgehouwen; en eindelijk de troggravon, evonoens oen diepte, in de rots uitgehakt. Schuifgraven heb ik hot moest gezien; bot graf van Lazarus evenwel moeteen bank-of troggraf geweest zijn,2) anders ware het woord van don Hoer: Kom uit! niet te verstaan. Bovendien, de steen, waarvan in hot verhaal sprake is, sloot niet een enge lijknis :i) maar een kamer, togen wolker wand, hetzij op een bank of in oon trog, hot lijk in windselen gehuld rustto. In ieder geval geldt dit van don steen die liet graf van Jr.zrs sloot, want nadat dozo voor den ingang door don engel is afgewenteld, b zien de jongeren on do discipolinnen in do groeve, die voor do engelen en bon ruimte genoog bevat. quot;) De plaats door do ongolen
') Marcus 5: :i. Jcsajri .'iTi: 1.
2) Juli. 11 :38 v.v.
quot;) t. a. p. vs. 41.
') Maltli. 28; 2.
I.uc. 2 5-: '2 v.v.
1 ()(gt;
ingenomen, ') maakt het uuk om Hogelijk aan een scliuifgraf te donken. Vergoten wij ook niet dat op den Goeden Vrijdag de plechtigheid dor begrafenis niet geheel was afgeloopon, maar slechts in alle haast geschied, omdat âde Sahbat aanbrak.quot; Misschien lag het lichaam des Hoeren nog niet op do eigenlijke plaats, die het door Joxkf van Arimathea was toegedacht. Dat de bodem der grafkamer ietwat lager lag dan do begane grond, gelijk meestal het geval was, is duidelijk als wij lozen 2) âen als Johannes neorbuktequot;, âals Maima weende, bukte zij in het graf.quot; 't Kan ook zijn, dat de lage deur maakte dat men bukken moest als men in het graf wilde zien.
Hier zij vermeld, dat men op den tocht van do Konings- en Richtorongravon naar do Damascus-poort, do Jeremiagrot voorbijgaat, in wier donkore ruimten do Profeet, die zoo diep onder do jammeren van Jerusalem gebogen ging, zijne klaagliederen zou vervaardigd hebben. Thans is do grot door een Mohammedaansche familie bewoond, die tegen oen behoorlijk bachschiesch don vreemdeling toegang verleent. Bijzonderheden zijn hier niet te zien; opmerking alleen verdient dat de heuvel, waarin de grot zich bevindt, hot eerst door Gordon on daarna door andere geleerden voor het eigenlijke Golgotha is gehouden: vooreerst omdat de heuvel op vrij grooton afstand van het tempelplein ligt, den vorm van oen schedel heeft en ruim genoog is om een menigte mensehen te bevatten; vervolgons omdat bewezen is, dat ook de Romeinen die plaats voor strafplaats hebben gekozen bij do belegering van Jerusalem; eindelijk omdat de oudste kerk van Jerusalem, do Stefanuskerk, daar op do plaats waar Stkfanus
') Juli. 20 : 1Ã. ') Joh. 2(1:5, 11.
IC) 7
gesteonig'd is, gestaan hoeft. Het tweede argument beduidt mijns bedunkens niet veel, meer het eerste, daar juist mijn bezwaar tegen de dusgenaamde Grafkerk is, dat Golgotha zich veel te dicht bij het tempelplein bevindt, indien die piek, ons als Calvarië in de Grafkerk getoond, de ware zou zijn. Maar ook dunkt mij het derde niet van gewicht ontbloot, daar de Joden, die Stkpanus buiten de poort der stad sleepten, ') hem wel op dezelfde plaats zullen hebben gesteenigd, als waar zij den Heiland kruisigden; of kan men gelooven, dat er in de onmiddellijke nabijheid der stad meer dan één plaats zal geweest zijn, waar een veroordeelde1 werd terechtgesteld? Maar wie zal beslissen, daar onderzookers, die jarenlang in Jerusalem hebben doorgebracht, hier nog immer een vraagteeken plaatsen en elkander bestrijden op gronden, die niet van oppervlakkigheid, maar integendeel van ernstige studie getuigen.
Tegenover dit ânieuw Calvarië,quot; zooals voornamelijk de Engelschen dezen heuvel noemen, ligt een grot die ter rechterzijde van de Damasens-poort zijn ingang heeft, en voor wetenschappelijke onderzoekingen van het grootste belang is; wij bedoelen de Kotton- of Boomwolgrot, die zich ouder een groot deel der stad uitstrekt. Is men door den ingang, door zand en vuilnis versperd, gekropen, dan wordt do ruimte al breeder en hooger. Bij het licht van fakkels en kaarsen vertoonen zich reusachtige zuilen, welke machtige gewelven dragon als van het paleis eener nachtkoningin. Zonder twijfel heeft men hier te doen met een steengroeve, die een groot deel v in het materieel geleverd heeft voor de gebouwen der stad, zoodat kan worden gezegd, dat zij uit de rots gehouwen is, waarop zij staat.
1
) Hand. 7 : 5K
108
Ook voor den tempelbouw heeft Salomo hier de steenen laten uithakken en gereed maken, zoodat âgeen hameren, noch geluid van bijl of eenig ijzeren gereedschap gehoord werd in het huis, als het gebouwd werd.quot; ') Groote stukken steen, met den hamer bewerkt, vindt men hier en daar op den grond, terwijl nog half uitgehouwen blokken in do wanden der grot vastzitten; ook ziet men nissen of holten waarin de werklieden hunne olielampen zetten, terwijl het zwart van den walm nog aan den witten steen kleeft. Voor circa veertig jaren wist niemand van het bestaan dezer merkwaardige groeve, ofschoon ze in de middeleeuwen niet onbekend was. Immers, een Arabisch schrijver uit de 13de eeuw zegt: âTegenover en wel ton zuiden van Zahara en onder de noordpoort der stad is de groote, langwerpige grot genaamd: Maghara-el-Kattan, (de Arabieren noemen haar nu nog Naghara-el-Kotton), van welke sommigen zeggen dat zij zich uitstrekt tot onder de Sakra.quot; En een Joodsch reiziger, die in 't begin der 10,le eeuw uit Italië naar Palestina ging, zegt: âNiet ver van de Damascuspoort is het hol van Zedekia, dat onder den grond tot aan de bergen van Jericho reikt; verscheidene menschon verhaalden mij dat zij wel een mijl ver er in gewandeld zijn. Het is zoo ruim, dat een man te paard met een lans in de hand er zoor gemakkelijk door heen kan rijden.quot; Deze groeve nu, waarschijnlijk op bevel van Somman I, toen hij den muur om do stad bouwde, dichtgemetseld, is in den laatsten tijd gelukkig teruggevonden, en daarmede do vraag die zoo menig,geleorde bezig hield opgelost , vanwaar Salomo de prachtige steenen voor zijn tempel verkreeg. De steensoort behoort tot den harden kalksteen, die zich uitnemend goed bewerken laat,
') 1 Koningen ti: 7.
109
en gepolijst zijnde schier niet van manner verschilt. Zoo zorgt God, dat in oen eeuw waarin een ongeloovigo wetenschap aan het woord is en den hoogsten toon zoekt aan te slaan, de steenen spreken, en uit den donkeren schoot der aarde een stem gehoord wordt ter bevestiging van de waarheid der Heilige Schrift. Voorwaar, ook van onzen Bijbel geldt, wat eens de Aartsbisschop Sioismukd boven de rotspoort van Saltzburg beitelen liet: Te Saxa loquuntur. Hierbij zij tevens vermeld, dat niet alleen de heuvel Bezetha, waarop het noordelijk deel der stad is gebouwd, door de uitgravingen in de Boomwolgrot ondermijnd is, maar ook de Moria, die, gelijk wij boven reeds zeiden, het tempelplein draagt. In de ruimten daardoor onder den Moria verkregen, liet Salomo waterreservoirs bouwen van reusachtige afmetingen, waarschijnlijk nog niet alle gevonden, maar in de nu reeds ontdekte kan een watervoorraad bewaard worden van circa 45,000,000 liters. Een reservoir, de groote zee1 genaamd, heeft een inhoud van 13,000,000 liters, terwijl er voor gezorgd is dat onderaardsche kanalen den watervoorraad aanvullen; en zoo zegt dan ook wederom deze ontdekking voor den twijfelenden geleerde, lioe Jerusalem in dagen van belegering geen gebrek aan water had. ')
Moede van het dwalen in dit onderaardsche labyrinth keer ik terug, na een uur te hebben doorgebracht in dezen zeer warmen en tevens zeer vochtigen reuzenkelder; met blijdschap begroet ik het daglicht weer, maar 't is toch een ure geweest, die de meest belangwekkende bladzijde voor mijn reisverhaal biedt.
') Win van ilil oen cn iiiiil(T meer wil wrlm dan ik liitT sclirijvcii kan, lo/.u hul opstel van Dr. A. II. Uaaiik: âHel nnl der opni'avingon, vuur hel goed begrijpen der II. S.quot;, in de âStemmen van Waarheid en Vredequot; IH8(j.
170
Van de Boomwulgrot gaan wij naar du Daniascus-poort. Zindelijk is do weg niet, want de vuilnis ligt hier eenige meters hoog tegen den stadsmuur opgehoopt. Maar waar is het in Jerusalem schoon? Zeker niet in de Bazaarstraten, die wij zoo aanstonds binnengaan; daar woelt en krioelt alles dooreen, rijken en armen, landlieden en stedelingen; ') daar vindt gij den man van hel land mot zijn wijde broek en wit en zwart gestreept overkleed, uit kemels- of geitenhaar geweven. Zijn onderkleed is met een linnen of ledoren gordel vastgemaakt die van eenige
'J De bewoners van Palestina zijn voor hol grootste gedeelte Arabieren, vervolgens een aantal Joden nil Polen, Gallicië, Unmenië en Rusland, en Cbristenon die zich voornamelijk in .lalla, .lernsalem en Haifa hebben neergezet. Tot de Arabieren belmoren ook de Nomaden of Bedoe'inen die in tenten wonen en linn leger opslaan waar zij bet beste land voor Imime schapen of kameelen vinden. In den laatsten tijd hebben enkele stammen, het zwerven moede, liever een vaste woonplaats gezocht en zich in het noorden, voornamelijk bij het meer Merom, neergezet. Zij worden door de Hegeering zeer begunstigd.
Tot de Christenen beliooren ten eerste de firieksoh-Orthodoxen, wier godsdienstoefeningen meestal in bet Arabisch gehouden worden, daar zij allen die taal verstaan; de hoogere geestelijken zijn bijna allen Grieken, zoodat dan ook de mis in bet Grieksch gelezen wordt. Zij staan onder twee patriarchen of metropolitancn, die te ,lernsalem en te lieiriit in Syrië resideeren. Over het algemeen zijn de (liieksche priesters zeer fanatiek; bun haat tegen de llooinsehen geeft tut vele, soms bloedige botsingen aanleiding. Gelukkig dat de tegenwoordige patriarch van .lernsalem een zeer bezadigd en rechtvaardig man is, die doet wat hij kan voor vrede en rnst.
Ten tweede de Roomsch-Katiiolieke Kerk, die in de laatste jaren in Palestina zeer vooruit is gegaan. lu en buiten Jerusalem heeft zij hare scholen en kloosters in grooten getale, terwijl hare zendelingen, zoowel mannelijke als vrouwelijke, aan alle plaatsen arbeiden.
Ten derde de Jacobieten, belijders van één natnnr in Ciiiustus. Zij hebben hun naam ontleend aan zekeren Jacouus IUhadauus, die in het midden der zesde eeuw predikende, aan de partij der Monophysieten nieuwe kracht heeft geschonken, ilij werd li.uiadalcus genoemd naar zijne armelijke op een paardedeken gelijkende kleeding. Hun kerktaal is Syrisch, (zie het artikel âJacobietenquot; in liet patristisch-biographisch woordenboek van Prof. Dr. 11. G. Kusyn).
Ten vierde de Grieksch-Katholieke Kerk met een patriarch in Damascus; de dienst geschiedt in het Arabisch; bet Avondmaal wordt bediend onder beide gestalten en de priesters mogen gehuwd zijn, mits bet huwelijk vóór de consecratie gesloten zij. Onder hen maken de lioomsch-Katholieken groote propaganda, alsook onder de vijfde afdeeling.
Ten vijfde de Syriscb-Katholieken, uit de Jacobieten voortgekumen; hnn bisschop resideer! in Aleppo. Zij zijn iu zielental gering.
171
zakjes is voundcn. Hou gansdi anders de man uit de stad, die als hij het maar bekostigen kan, de duurste kleeren draagt; liefst een zijden hroek niet kostbaren gordel en een overkleed eveneens van de fijnste stof; aan zijn hand mag de zegelring niet ontbreken, evenmin als het schrijfgereedschap, dat hij in een zilveren koker tusschen den gordel draagt, ') terwijl de meesten nog een snoer met kralen, in den vorm van een rozenkrans bij zich hebben, 2) niet voor een godsdienstig doel, maar als een spel voor de ledige vingers. Zoo iets karakteriseert den Oosterling. De vrouw van het land, meestal kloek van gestalte, is in haar kleederdracht eenvoudig, maar toch wel op eenig sieraad
Ten zesde de Armenisclie Orthodoxen en Kopten, onder een patriarch te Jerusalem, in belijdenis aan de Jacobieten verwant. In Cairo hebben de Kopten een kerk gebouwd op de plaats waar Maiua en Jo/.uf en het Kindeke zullen gewoond hebben.
Ten zevende de Maronieten, vroeger Monotheleleu, belijders van één wil in Ciiuistus, thans een liliaal-kcrk van de Moonisch-Katholieken. Hun bisschop wordt door den Paus in zijne waardigheid bevestigd.
Ten achtste de Protestantsche Kerk, die haar ontstaan voornamelijk dankt aan Amerikaanschen, Engelschen en Duitschen zendingsarbeid. Haar zielental is nog zeer gering, doch klimmende.
Do .loden zijn verdeeld in Sephanlim, Spaansche Joden, reeds voor eeuwen uit bun Vaderland verdreven, en Askenazim, later aangekoinenen; de eersten zijn zeer hoogmoedig van aard en in voortdurende vijandschap met hunne minder bedeelde broeders uit Rusland of elders, die leven moeten van de giften bun uit Europa toegezonden. Vooral komen dezen laatsten de stichtingen van Hrmisnnit.i) en Montio-kiouk zeer ten goede. Velen, voornamelijk de ouderen, zijn naar Jerusalem gekomen om er Ie sterven en in het dal van Josaphat begraven te worden. De Joden bedragen te zamen ruim de helft der inwoners, en zijn in den liaad der stad Jerusalem door drie leden vertegenwoordigd. Zij tellen zeventig synagogen, hebben scholen voor jongens cu meisjes, en een ludustrie-school opgericht, bekostigd door de Alliance Israelite. In de laatste jaren is in Jerusalem de invloed der Unssisebe missie zeer geklommen; hare gebouwen aan de noord-westzijde der stad zijn prachtig, dat is ook de toren door hen op het hoogste punt van den Olijfberg opgericht; maar tegenover baar weet toch de Grieksche patriarch zijne zelfstandigheid wel te bewaren. Ook de Grieken hebben kerken, kloosters en scholen. Het grootste klooster bezitten de Armeniërs, met ruimte voor eeuige duizenden pelgrims. Over de stichtingen der Protestanten sprak ik boven teeds; een van deze en niet de minste is liet Kinderziekenhuis âMariënstiftquot; van Dr. SAxmucsr.kv. De Engelsche missie arbeidt met kracht onder de Joden, maar aanvankelijk met weinig vrucht, /.ou de oneeniglieid, die onder de Gbristenen hoerscht, ook hiervan de oorzaak zijn'?
Ivzechiël !): '2.
'j Genesis 3S : 18.
172
gesteld. Zij draagt gewoonlijk een lang, blauw kleed, waarover een gestreept jak van wol of kemelshaar. Zij is vaak op de armen getatouëerd, ') heeft zeker een blauw sterretje op de kin of het voorhoofd ingeprikt, en draagt als het zijn kan een paar ringen of armbanden, maar vooral een snoer van munten om het voorhoofd. De Bedoeïnenvrouw is met allerlei sieraden omhangen, en beschildert zich de wenkbrauwen en oogleden, om liet oog maar helder en groot te doen uitkomen. De vrouw van het land is meest ongesluierd: de steedsche daarentegen heeft een zeer dun, liefst gebloemd doekje voor hot gelaat, zoodat zij alles wel zien kan, maar zelf niet gezien wordt; ze houdt veel van sieradiën, en als hot eenigszins mogelijk is zal moeder ook het haar van de kleine krullebol in vlechtjes verdeden en aan elk een gouden munt hangen. Ook hier, als in Egypte, trok het mijne aandacht dat de mannen zoo weinig arbeid verrichten. Zij bekommeren er zich niet om, dat de vrouw de zwaarste lasten draagt in het zweet baars aanscbijns, de koopwaren over do bergen naar do markt brengt, terwijl zij zelf op een ezel vooruitgaan. â Do vrouwen dokken zich het hoofd met een doek, de mannon met do fez, (de ronde, hoogo muts) omwonden met een foulard, (turban) gewoonlijk wil of met gouddraad doorwerkt. Do afstammelingen van den profeet zijn aan don groenen, de boeren aan don rooden turban te herkennen; de Christenen dragon alleen de fez, do geestelijke dor Christelijke Kerk zijn lang, zwart kleed en zwart hoofddeksel; do Griek-sche priester, do pope, stookt boven allen uit door zijn hoogo zwarte muts. Het schoeisel is gewoonlijk van zwart leder, soms rood, met sterk naar boven gebogen punt. Heidenen en Bedoeïnen zijn niet zoo keurig op
') Levilicus 1 ',i: 28.
173
hun voethckloodscl. Zij hebben meestal huoge schoenen aan, maar zelden in goede orde. Ik heb in Jerusalem ook vrouwen op heoge houten muilen zien loepen, over den voet met geborduurde banden vastgemaakt. â Du woningen zijn zeer eenvoudig, zelfs bij welgestelde stedelingen. De muren zijn van steen, zeer dik; de vensters klein; nissen in de muren moeten voor kasten dienst doen en maar zelden beeft het huis meer dan ééne verdieping. Hoe rijker de bezitter is, hoe meer het aantal kamers, die om een binnenplaats zijn heengebouwd waarop ook de deuren uitkomen. Iedere kamer heeft zijn eigen koepel, en om dezen een plat dak, waartoe men met een trap op de binnenplaats opklimt, om in den zomeravond de verfrisschende koelte te genieten. â Van straatverlichting weet men nog niets, hier of daar een lamp in een winkel; ziedaar alles. Als ik 's avonds van Dr. Saxdrescky kwam, ging de knecht mot een groote lantaarn vooruit; dit is politieverordening, en in do handen der wachten te vallen, gelijk Sulamith overkwam, is niet aangenaam'). Maar nu ile spoorbaan gelegd is, is er hoop op vooruitgang. Misschien verschijnt wel spoedig boven de Jatlapoort eene elect rise he ballon! Nu, dat zou waarlijk verbetering zijn; doch als men dan maar niet vergeet, om bij allen vooruitgang naar den waren te vragen, en door het felle schijnsel van het nieuwe licht de oogen voor het ware Licht maar niet toedrukt!
Twee ^ondagen in de jdeilige /Stad.
't Was op een Zaterdagavond, toen ik voor de eerste maal voor -leru-alems poorten kwam. Onze tenten waren
opgeslagen op een vlakte voor de Jatlapoort. Wat hijgend j -
') lli oglied 5 : 7.
J
.
174
verlangen om de stad te zien on binnen te treden! Maar hot was dien avond te laat en uok is het den vreemdeling' volstrekt niet geraden, dat hij dezen doolhof van enge straten zoo laat betreedt. Ter vergoeding voor deze teleurstelling kwam Dr. Sandrescky mij een bezoek brengen, door Br. Nvlanj), missionaris te Ramalah, van mijne komst verwittigd. Hartelijk was de eerste groet, door hem aan mijne vrouw en mij op dezen gewijden bodem gebracht; aangenaam ons eerste gesprek, en gaarne maakten wij van zijn aanbod gebruik, om den volgenden morgen, onder geleide van zijne echtgenoote en dochter, naar de Duitsch-Protestantsche kerk te gaan, ter bijwoning van de godsdienstoefening. De dokter zelf kon niet met ons mede, daar ernstige patiënten door hem moesten worden bezocht. De bel voor het avondeten maakte een einde aan deze kennismaking, die wel kort was, maar toch den grondslag legde voor nadere, hartelijke vriendschap.
Na afloop van den avondmaaltijd haalden mijne vrouw en ik onze tabouretten naar bniten, om in dit land der aartsvaderen op aartsvaderlijke wijze ons voor onze tente neer te zetten, 't Was een heerlijke avond; alles stil in het ronde; de natuur in sluimering. Vóór mij verhief zich, boven de stad, de Olijfberg, haar beschermende als een natuurlijke vesting met drie torens door God daar gesteld. Maar wie kan den Olijfberg zien, voor de eerste maal zien, zonder aan (lethsemanó te denken, waar Gods Eengeborene Zich neerboog in een afgrond, zóó diep, als zelfs geen engelenoog peilen kon, en die kinderen des Hemels in verwarring deed vragen, waarom der engelen Koning zóó diep Zich moest buigen in 't stof.
Boven mij blonken de starren als stofgoud gestrooid langs hare blauwende banen, of als een eerewacht opgesteld om den troon van de koninginne des nachts.
175
't Zijn nog dc/clMc, dio trns stonden boven Abrahams tont, in Mamro's wond, toen hij de beloften zijns Clods ontving: âTol de stcirron, zoo gij ze tellen kunt, alzoo zullen ook uwe nakomelingen zijn!quot; ') dezelfde die zijn pad beschenen, toen hij zich opmaakte om zijn 1 zAilic Gode te offeren; dezelfde, die den lof des Scheppers reeds door alle eeuwen gezongen hebben, en dat zullen blijven doen tot den laatsten wereldnacht; zij, kinderen der natuur, die geen leed, geen strijd, geen tranen kennen, en niet weten van onze smart. Maar 't is mij of ik in dat starrenheir, dat in het Oosten 1)1 inkt met een pracht, zooals het Westen nimmer aanschouwde, ééne star zie van bijzonderen luister. Is 't ouk de star, die Jehova voor Bn,ham's oog ven ijzen deed; de Jacobs-star, de star van Bethlehem, de star van den Kerstnacht, die ook in des Christens doodsnacht niet onder zal gaan? Alzoo mijmerende of samen over deze dingen sprekende, was spoedig de tijd gekomen om ons ter ruste te begeven. Noode gingen wij onze tenten binnen; wij hadden gaarne nog wat langer geluisterd naar het avondlied der schepping, naar tie taal der starren. . . . Het duurde lang voor ik insliep; daar was aan zooveel te denken; bovendien was het gejank der huilden nog al sterk, terwijl ouk do paarden en ezels, in de nabijheid van onze tenten gelegerd, niet rustig waren, en de laatsten uns op een concert vergastten, dat wel gratis gegeven, maar toch duor mij op een mijl afstands gewenscht werd.
't Was nog vroeg in den morgen toen wij ontwaakten, uit den slaap gewekt duur liet gelui der kerkklok op den Sion. Was het door de plaats waar wij waren, het heilig
ll OoiU'sis 15; 5.
176
Jerusalem? ik weet het niet; maar dit is zeker, dat ik nog nooit zulk een helderen, melodieuzen, diepdoor-dringenden klokketoon heb gehoord, en ik versta best dien Duitscher, wieu het verblijf te Jerusalem zooveel liefelijker was geworden, sedert de kerk op den Sion een klok gekregen had. Onze Zondag op don Sion ingeluid! Onvergetelijk! maar ook onmogelijk om u te beschrijven wat er bij mijne vrouw en mij omging. Wij lazen en baden en zongen liet lied van Sion: ')
IIuo lieflijk, hoc vol heilgenot,
O Heer, der legerscharen God!
Zijn mij Uw huis en tempelzangen 1 Hoe branden mijn genegenheên,
Om 's Heeren voorhof in te treên!
Mijn ziel bezwijkt van sterk verlangen:
Mijn hart roept uit tot God, die leeft En aan mijn ziel het leven geeft.
't Was circa half tien toen Mevrouw Saxdrescky ons afhaalde; wij gingen de Jattapoort in, en kwamen, na een paar niet zeer lange straten te zijn doorgewandeld, op Muristan, do ruïne van hot vroegere Johannistenklooiter. Het klooster zelf is verwoest, maar de vroegere eetzaal (refectorium) is behouden gebleven en tot kerk ingerieht. Wij namen in het eenvoudig bedehuis plaats, vroegen den Heer om een zegen, en zongen van ganscher harte het kerklied mede, dat door de kleine Duitsche gemeente werd aangeheven. Ds. W., die inmiddels was opgetreden, hield eene voortreffelijke rede over Hebr. 18 : 12, 18. âDaarom heeft ook Jezus, opdat Hij door Zijn eigen bloed het volk zou heiligen, buiten de poortgeleden; zoo laat ons dan tot Hem uitgaan buiten de legerplaats, Zijne smaadheid dragende.quot;
'â ) Psalm K'i berijiuil.
177
Kun do tekst toepasselijker gekozen zijn? Was het geen tekst voor mij? /nik een tekst, in Jernsalein, in de nabijheid van Golgotha! Alles predikte hier: een stem van den kansel, op dat eenig en eeuwig offer wijzende; een stem van Boven, van die verloste Gemeente, geheiligd door het bloed des Lams; een stem van getuigen hier beneden! Voorwaar, die kleine bidkapel was mij op dat oogenblik beter dan menige kathedraal, waarin ik soms zeil' prediken mocht. Ik ging straks heen in eene stemming, niet licht te vergeten. Het was mij en ook mijne vrouw daar o! zoo goed geweest.
's Middags maakten wij met de familie S. eene wandeling om de stad; maak die, zoo dikwijls gij wilt, ze is en blij it altijd aangrijpend, want voor wie ooren heeft, predikt hier iedere steen Gods welbehagen, Gods oordeel, Gods eeuwige trouw; 't is juist eene wandeling om op Zondag te doen.
Bij mijn tweede verblijf in Jerusalem had ik het geluk weder op een Zondag de Duitsche godsdienstoefening te kunnen hij wonen. Een ander predikant, Ds. 13., trad op en sprak over Hom. 5 : 8: âMaar God bevestigt Zijne liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren;quot; en wederom moest ik vragen, of dat woord juist voor mij gekozen was? Al had'ik niets van do predikatie verstaan, wat nood, 't was mij reeds goed te hooren: âCuhistus gestorven, als wij nog zondaars waren.quot; Zulk een tekst heeft, in Jerusalem gelezen, oenen bijzon-deren nadruk en klank, 'tis of hij daar beter verstaan wordt dan elders. â Don middag brachten wij door in Bethlehem, slechts twee uur van Jerusalem. Eerst komt men voorbij het klooster Mar-Hlias, op eene aanzienlijke hoogte gelegen. De monniken vertellen n, dat op deze plek de Profeet Elia op zijn vlucht voor Isabel gerust hooft en door een engel
12
178
is gespijsd; maar de geschiedenis verzekert u, dat het klooster zijn naam heeft ontvangen naar zekeren Bisschop Elia, wiens graf een eeuw geleden nog in de kloosterkapel te vinden was. â Niet ver van daar zien wij een nieuw gebouw; 't is het hospitaal der K. K. Malteserorde, op aandrang van den Oosten rij kschen Keizer, die in 1869 het Heilige Land bezocht, gebouwd voor lijders aan allerlei kwalen. Met vreugde ziet men hoe in Palestina de verschillende volken van Europa (Nederland uitgezonderd) en de kerken van verschillende richting met elkander wedijveren op het gebied der philanthropie. Dat deze instellingen der liefdadigheid zooals overal misbruikt worden, en menschen zich gratis laten opnemen die zeer goed betalen konden, spreekt wel van zelf; maar daar mag men vooral hier niet te angstvallig op letton; hier, waar onze Heiland en Heer nooit naar de waardigheid of het aanzien des persoons vroeg, maar alleen: Wilt gij gezond worden?
Vroeger waren de Maltese!1- en do Johanniter-orde vereenigd. Maar later wandelde ieder haar eigen weg, daalde eerste alleen Roomsch-Katholieken, de andere alleen Evangelischen onder haar riddertal opnam. Intusschen moet van de Evangelische Johanniter-orde worden gezegd, dat sedert den tijd der kruisvaarders zij do eerste geweest is, die in Palestina (Jerusalem, Beirut) door zulke inlichtingen weder vaster voet verkreeg. â Nog enkele minuten en wij zijn aan âhet graf van Rachel,quot; een klein, stoenen gebouw met een ouden sarcophaag er in, de plaats aanwijzende waar Rachel, de vrouw van Jacob, zou gestorven zijn. ') Nu is Bethlehem niet ver meer;
') Gonesis 35 : 1'J, 48:7. Naai' luid dezer teksten, alsook naar wat vernield wordt Mnttli. 2:18 IjotrclTende den liethle'liomschen kindurmoord, is liet zeker dat reeds door .Iacoii hier een nedenkteeken is opgericht; om niet 1 Sam. 10:2 niet in tegenspraak te komen, nemen evenwel velen een tweede Efiatlia in Renjamin aan.
17'.)
de vruchtbaro velden, akkers door heggen van olijf- en vijgebuoinon gesohciden, breiden xicli voor ons uit. Niet tevergeefs is do naam van dit stedeke Bethlehem: ,,Broodhuis,quot; in vroeger dagen Efratha: âde vruchtbare,quot; want het behoort tot de vriendelijkste oasen in het zoo melancholische, weinig vruchtbare gebergte van Juda. Terecht roept Miciia uit:1) âGij, Bethlehem Efratha! zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda?quot; en al was zij het eens, zoo is zij het nu niet meer, sedert het Woord hier vleesch geworden is, sedert Davids Zoon, de CniiisTUs is geboren en eene menigte der hemelsche heir-legors Hem, der engelen Koning, bij Zijn komst in de wereld tegenjnbelde met hot lied: .,Eero zij Clod inde hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de menschon een welbehagen!quot;2)
Wij kwamen de poort der stad binnen, gingen nauwe, vuile straten door, uitloopende op een groot, ruim plein in de nabijheid van do Geboortekerk.
De Geboortekerk is het oude, eerwaardige heiligdom van Bethlehem; eene basilica, wier ontstaan door kenners van name, als De Vogue, tot op den tijd van Constantr.ix wordt teruggebracht. Daar veiligheidshalve deuren en vensters voor oen goed deel zijn toegemetseld, is van buiten zeer weinig van de oude schoonheid te zien. Men kan zich nauwlijks voorstellen dat men een kerk binnentreedt, maar des te overweldigender is de indruk, als men zich eensklaps in die grootsche ruimte bevindt. Door vier rijen, ieder van twaalf zuilen uit rood marmer, worden do vier zijschepen van hot hoofdschip der kerk van elkander gescheiden. Naar mén meent zijn enkele dier zuilen uit heidensche tempels hier heengebracht. Aan de wanden ziet men nog overblijfsels van
') Mioli» 5 : 1, Maltli. 2; 7. a,l Lukas 2 ; 14.
ISO
mozaïek on sc-luider werk, tat'ereelen voorstellende uit de hijbelsche en kerkgesehiedeuis. .lammer dat do G-rieksoh-Orlhodoxou een hoogen muur hebben opgetrokken, die het hoofdschip van het dwarsschlp en do altaarnis, do apsis, scheidt, zoodat de indruk van den geheelen bouw dor heerlijke kruiskerk verloren is gegaan. Onder dat gedeelte der basilica, nu nog voor den dienst gebruikt, ligt do onderaardsche kerk, tot welke men langs eonigo marmeren trappen afdaalt. Hier 1 ie vindt zich naar do traditie de grot van Jkzus' geboorte. Talrijke lampen branden hier bij dag en bij nacht en spreiden door de ruimte een schemerlicht, dat hier beter past dan in do kerk van het Heilige Graf. Op de plek der geboorte is in den bodem eau zilveren ster aangebracht met hot omschrift: âIIic de vinjino Mama Jezus Christus natas est.quot; âHier werd Jkzus Christus uit de maagd Maria geboren.quot; Op weinige schreden a [stands is een tweede nis, mot een krib in de rots uitgehouwen, waarin Maria het kindoke zal hebben gelegd, nu natuurlijk alles met marmer bekleed en van brandende lampen omringd. Niet ver van deze plaats staat een Turksche schildwacht, met de bajonet op het geweer, niet zoozeer om er u aan te herinneren dat go hier zijt in het land, waar helaas! de Turken de opperheerschappij voeren, maar veeleer aan de voortdurende twisten, die hier tusschen Roomsche en Clrieksche priesters plaats hebben, en waarvan in den muur der bovenkerk nog menig spoor te vinden is. De wandschilderingen zij n ten deelo bedorven door do kogels, die in den vreeselijken Kerstnacht van 1873 door de Griek-scho op de Latijnsche priesters zijn afgeschoten. Wat wonder dat zulk een Christendom geen snellen voortgang maakt en de Turksche soldaten, die dag en nacht in de kerk de wacht houden, spotten met zulke Christenen. O gruwel! de kerk dei-geboorte een moordenaarshol! Maar hoe kan op die wijze ooit
181
Crüdc de oer daar worden toegebracht? hoe kan van daar vrede uitgaan over de wereld? Onder het afdalen der trap was ik onder den indruk van de gewijde plaats, want ik dacht: is hot niet hier, dan op kleinen afstand dat de Hoor op aarde kwam, in ieder geval in Bethlehem; in Bethlehem, waar Ruïii en Naomi woonden, waar Isaï zijn tont had opgeslagen; Bethlehem, welks heuvelen do tonen hoorden van Davids harp of herdersfluit; Bethlehem, waar het ware manna uit den Hemel daaldo, ja, waar do Hemel op aarde kwam! Die zijden gordijnen, langs don rotswand opgehangen, al dat marmerbokloodsel, het hinderde mij niets. In de plechtige stilte die liior benoden heerschte, waar ieder fluisterend spreekt, had ik kunnen bidden, want hier in Bethlehem, zoo niet in deze, dan in een andere grot, werd Jezus geboren.
Voor wie? voor heilige englon? Neen!
Die zingen 't heil der aard alleen:
Voor zondaars daalt der englen Heer,
Voor anno zondaars daalt TliJ neer.
't Is hier, waar niets dan zonde woont,
Dat God Zijn welbehagen toont:
âGeluk voor do aard', den mensch genil!quot;
Zoo juicht Gods koor; Halleluja!
Maar die Turksche schildwacht hindert en ontstemt mij, en doet zoo iets van een heiligen toorn in mij opkomen tegen priesters, die de Grot der geboorte zoo krampachtig, ja zelfs mot revolverschoten als hunne bezitting willen verdedigen; zich zóó aan hot uitwendige vastklemmen, en maar al te weinig begrijpen dat de ware, de inwendige Kerk langs dien weg niet wordt opgebouwd! Hoe gelukkig, dat de komst van het Godsrijk niet bij monschen berust maar in Gods handen is, en dat Hij, de Koning der koningen, er zelf wel voor zorgen zal
182
dat Zijn Naam zal wurden geheiligd, Zijn Koninklijk komt! Ja, Zijn raad zal bestaan; Hij zal al Zijn welbehagen doen!
Van do Geboortegrot gingen wij door onderaardsche gangen naar de grot en het graf van IIikhonvmus, den kerkvader, die de eer dor wereld versmadende, zich hier in de eenzaamheid terngtrok. Een Romoinsche dame Paula was met hare dochter Eustochium den kluizenaar gevolgd. Aan het eind der vierde eeuw schreef deze Rumoinsche aan eene harer vriendinnen over Bethlehem hot volgende: âIn het stedeke, waar Christus geboren werd, is alles gansch anders dan in Rome; alles is hier landelijke eenvoud en slechts psalmen breken het stilzwijgen af. Waar gij heengaat, alom hoort ge Gods lof; do landman achter den ploeg zingt zijn Hallelujah; de maaier, wien het zweet van het aangezicht gutst, verkwikt zich aan het psalmboek, en als de wijngaardenier het snoeimes in do wilde loten zet, is er oen lied Davids op zijne lippen.quot; Welk een ideale toestand!
Door een zijgang komt men in de grot waar HiÃRONYMUsde Italiaansche bijbelvertaling heeft bewerkt (Itala), waaruit later de Vulgata ontstaan is, in de RoomschoKerk in hooge eer. b
'j Van IIikhonvmus. wordt ge/.egd , diit hij in dun gcuKt vele en lange gesprekken hield niet liet lieilig Kind .Ik/.us. Ken dezer gesprekken luidde aldus:
Ik zet,': âAch, lleere Jezus! hue hard ligt fli.j liier om mijnentwille, liue kan ik dat vergelden!quot; en het Kindeku antwoordde: âIk begeer niets. Zing gij slechts het engelenlied: Kere zij (iod. Meerder lijden wacht Mij nog in den olijvenhof en aan het kruis.quot; Ik zeg: âO, heilig Kind .lio/.us! Ik moet ü iets geven. Ik wil U al mijn goud geven.quot; liet Kindeke antwoordt: âAl wat de hemelen en aarde bevatten, is Mijne. Mijne is het zilver en het goud. Ik behoef niets. Maar geef aan de armen, wat gij Mij zoudt willen geven; wat gij den minste dezer doet, dat doet gij Mij.quot; Ik zeg: âdat doe ik gaarne, maar ik wil ook U iets geven , of ik verga van smart.quot; Daar hoor ik het antwoord: âWelnu, dan zal ik u zeggen wat gij Mij geven moet, geef Mij dan uwe zonden, uw aanklagend geweien, uw oordeel.quot; Ik zeg: âlleere! wat wilt Gij daarmede doen'?quot; Het Kindeke antwoordt: âIk zal dat alles op Mijne schouders nemen, dat zal Mijne heerlijkheid zijn, gelijk .Ihsa.ia de proleet gezegd heeft: de heerschappij is op Zijne schouderen gelegd. Ik wil uwe zonden dragen.quot; Toen begon ik bitterlijk te weenen, en ik zeide: âO Kindeke, lieve Jnzus! hoe doet (lij mij het hart in liefde tot U ontvlammen! Ik dacht dat (Jij van mij wildot aannemen wat goed is, maar integendeel, wat kwaad en bons is wilt (lij hebben! .Wem dan wal mijne is, en geef mij wat Uwe Is, dan, hen ik van mijne zonden vrij, en zeker van het eeuwige leven.quot;
183
Do inwoners van Bethlehem hehouieu hijua allen tul de Roomsch Katholieke of Griek.sehe Kerk, zijn vlijtig en vol kunstzin, bearbeiden hot paarlemoer, olijvenhout en don zwarten steen van de Doode Zee en toonen u kunststukken van beeld- en snijwerk. Protestanten zijn er niet veel. Wel heeft pastor Schnrllkr, de schrijver van hot boek âKent gij hot land?quot; mot allen ernst gepoogd aan de kleine Evangelische gemeente uitbreiding te geven, ja zelfs is het hem gelukt een nieuwe, wel niet groote, doch nette kerk te bouwen, maar het zielental is niet noemenswaardig toegenomen. De stad zelf ligt wonderbaar schoon aan de helling der bergen, die het dal van Efratha omsluiten; en in dat dal zijn de schoonste akkers en landouwen, mot bloemen van verschillende kleuren en vijgeboomen, zooals men ze nergens in Palestina vindt. Als de tijd dor pelgrims voorbij is, gewoonlijk in do maand Moi, gaat do Both-lohemiot naar het veld, slaat daar zijn loovertent op on is dan geen handelaar moer, maar landbouwer of schaapherder gelijk zijne vaderen.
Wolk oen prachtig uitzicht van de hoogte, waarop Bethlehem ligt, over de naaste omgeving! Hoe gaarno beklommen wij het platte dak van gindsche eenvoudige woning, waartoe do eigenaar ons uitnoodigt, maar wij hebben geen tijd meer; terloops nog even de Melkgrot bozocht, waar men zegt dat de heilige familie na do geboorte van hot Kindeke eenigon tijd hooft vertoefd; en dan torug naar Jerusalem! Niet in duisternis maar bij daglicht wil ik oen wandeling maken als doze, oenig in mijn levon; een weg betreden, waaraan sedert eeuwen do dierbaarste herinneringen verbonden zijn; een weg, dio tusschen de geboorte en do kruisplaats ligt. Ik kwam van 't Weston, toog hoon naar 't Oosten; waarom? . . .Wel! 'I allermeest om Bethlehem on Golgotha.
184
Pe jJordaan en de Poode jZee.
't Is een prachtige lentemorgen, de paarden staan gereed, de hodiendcn zijn met de tenten, Iteddcn en fonrage reeds vooruit, en een Scheik, opporlioofd van een Bedoeïnen-stam, die tot onze persoonlijke veiligheid ons vergezellen zal, wacht reeds eenige minuten. Hier zij gezegd, dat men op een tocht door Palestina nergens geleide noodig heeft, dan alleen wanneer men van Jerusalem naar het oude Jericho en de Doode Zee gaat. Evenals ten tijde van den Heer, ') is die streek ook nu nog niet veilig en een karavaan, zonder geleide van een Scheik, staat allicht aan rooverijen bloot. Nog niet zoo lang geleden is het gebeurd, dat een jonge man het waagde geheel alleen den weg naar Jericho te bewandelen, en het ging hem als âeen zeker menschquot;: hij viel in de handen der roevers, die, hem alles, zelfs de kleederen van het lijf, afgenomen hebbende, heengingen. In dezen vreeselijken toestand, die erg genoeg wasem ieder ander den moed te benemen, sterkte hij zich in den Heer en begon het lied van Luther te zingen: âEen vaste burcht is onze God.quot; De Bedoeïnen bleven staan, luisterden opmerkzaam, keerden eindelijk terug, het opperhoofd aan de spits, en legden de geroofde kleeren met alle teekenen van eerbied aan zijne voeten. De jonge man, niet wetende waaraan deze plotselinge verandering toe te schrijven, dankte God voor Zijne wonderbare redding en toog vroolijk verder. Vraagt ge nu, wat hem gered had? Zijn zang; do Arabieren hielden hem, die in zulk een toestand zingen kon, voor krankzinnig; en daar naar hunne meening in een krankzinnige een Goddelijke geest is gevaren, waardoor zulk een mensch voor onschendbaar, voor een heilige wordt
') l.ukas lil ; 30 v.v.
185
verklaard, brachten, deze roofvogels zelfs aan dien jongen man zijne kleederen terug. Om gelijke reden hield ook David, toen hij in do moeilijkste oogenhlikken zijns levens bij de Philistijnen een schuilplaats zocht, zich krankzinnig, wetende dat hij dan onder zijn doodvijanden zelfs veilig was. ') Mijn lezer, is het niet hoogst belangrijk, op een reis door Palestina, zoo op allerlei wijze de waarheden der Heilige Schrift bevestigd te zien ?
Wij gaan dan op weg; de hoofdman rijdt voorop, om het hoofd een roode, zijden doek, met een zwart snoer vastgebonden; een wijde mantel is los om zijne schouders geworpen, zijn wit onderkleed dekkende, dat met een lederen gordel is toegemaakt; een zwaard hangt aan zijne zijde, een geweer over den rug, en een koppel pistolen steekt in den zadel, die met franje en kwasten is omzet.
Wij reden de Jaffa-poort uit, de Damascus-poort voorbij, de Kedron over, langs Gethsemané den Olijfberg op. Op de hoogte aangekomen, gaat de straatweg in langzame helling naar beneden. Jerusalem verdwijnt uit het gezicht, rechts in de diepte ligt het armoedige dorp Siloain, maar daarachter verrijzen de groengetinte bergen van Juda; ginds is van Bethphagé niets meer te zien dan een puinhoop van muren en waterbakken. 3) Bethaniö, nu El Azarie, Lazarusoord, bereikt men in een halt uur, een afstand van vijftien stadiën zooals ons ook de Bijbel vermeldt.3) De huizen daar zien er arm en bouwvallig uit; geen wonder, als het waar is dat ze dagteekenen uit de dagen van den Heer, en zelfs het huis van Simon en Mahtha er zich nog onder bevindt. In Palestina weet men van iedere bijzonderheid, in de Evangeliën vermeld, n de juiste plaats
') Samuel 21 :1'2 v.v., I'smIih ;!'i : I. -') Lucas 1!); 21).
3) ,Toli. M : 18.
180
aan te wijzen; den bouin, waaraan Judas zich verhing', zijt ge daar juist gepasseerd; de plaats waar Maktha den Heer ontmoette, ligt in uwe nabijheid1), en het graf' van Lazarus, daar in die rots, moet zeker door u worden bezocht. In dit oord vooral waant de overlevering alles te weten, maar toch is zij niets minder dan onfeilbaar, en ligt in vele gevallen dwaling en willekeur voor de hand. Maar laat de traditie wat al te spraakzaam zijn, toch hindert zij den nadenkenden pelgrim niet, maar herinnert hem bijzonderheden, die men op marsch zijnde niet nalezen kan. Nu, in BethanU' was dat niet noodig. Immers als ge deze onregelmatige huizengroep ziet, tusschen het groen en den witten bloesem der granaten verscholen, dan roept u die idyllische omgeving het huls van de getrouwe zusters voor den geest, waar onze Heiland zoo gaarne na de lasten des daags het moede hoofd ter ruste legde; of do woning van Simon, waar Makia de albasten vaas breekt, en den kostbaren inhoud in volle golven uitstort op het hoofd en de voeten van den Heer, om ze dan
mot do ontvlochten trcsse,
Waarin een dauw van tranen drijft,
weer af te wisschen. â Be Heer had geen liefelijker plaats voor Zijne ruste kunnen kiezen. Dit oord met zijn olijven en palmen was geschapen om Hem te verkwikken. Hier niet do vijandige, opgewonden, booze blik dei'hoofdstad, wier rumoer achter do bergen terugblijft, maar de stille eenzaamheid, en toch niet de stilte dor barre woestijn, die dicht bij hot vlok begint. Alles is hier frisch en vriendelijk in deze groene vallei, te midden van dat statig geboomte.
Na, een kort oponthoud to BethaniO rodon wij verder.
') joh. i '2.
187
on daalden langs uon tainelijk gueden weg' af in een dal, waarin zich een bron bevindt die onze gids ons niet voorbij liet gaan vóór wij gedronken hadden. Het is namelijk de âApostel-bron,quot; ') do eenige goede bron aan den karavaanweg tusschen Jorusalem en Jericho, bij welke de Heer niet Zijne Apostelen Zich meermalen moet hebben neergezet, als Hij deze streken doorwandelde. Hierheen vluchtte David, de verraden Koning, van weinige getrouwen verzeld, als Simei' tegenover hom langs een bergrand de kleine schare volgde en vloekte en met steen en wierp.2) Van planten, dieren of menschen is hier niet veel meer te zien; een raat op gimlsche rots, of een bok die» u door zijne stoute sprongen verbaast, een enkele Bedoeïen, ziedaar alles! âEn er was een zeker mensch,quot; zoo vertelt de Heer in de gelijkenis van den barmhartigen Samaritaan, 3) âdie ging van Jerusalem naar Jericho, en viel onder de moordenaars.quot; Gunstiger plok is er voor roovers dan ook niet denkbaar; maar des te meer eer voor den Samaritaan, die geen gevaar vreesde, maar in 't vertrouwen dat God hem hier riep, zijne liefdetaak verrichtte, om daarna den ongelukkige buiten do woestijn in een herberg of karavansera in veiligheid te brengen. Aan zulk eene inrichting herinnerde ons de overwelfde ruimte, waar wij een paar warme middaguren doorbrachten en ons heerlijk aan citroenen, oranjeappels en limonade konden verfrisschen. Vervolgens zetten wij den tocht weder voort door de levenlooze bergwoestijn. Ons, Westerlingen, aan gedurige afwisseling in omgeving gewoon, maakt zulk een rit door zijne stilte en eentonigheid moede; 't is of ge onverschillig wordt en
') Waarscliijnlijk Kn-Srinrs, .lu/ua -15; 7.
') '2 Sain. 1 tl: 1
:l) l.ukus 1 (I : 30 v.v.
188
gedachteloos, als hij uren en dagen duurt. Maar langzamerhand leert men oolv die eenzame streken waardeeren, ja, kan men ze zelfs lief krijgen. Waar alle leven ophoudt in do schepping om u heen en niets do vluchtige zinnen verstrooit, daar spreekt de groote God tot den mensch en in die stilte der natuur verstaat het kind beter dan elders de stem van zijn Vader! Terecht is de woestijn de kweekplaats, de hoogeschool genoemd, waar de Heer hen vormde, die Hij verkoren had om Zijn krachtigste werktuigen te zijn. Nadat do verleider zijn zegepraal in deze schoono wereld gevierd had, kon het Rijk Gods niet meer in een hloeienden hof, niet in 't gewoel der steden geboren worden. Het Koninkrijk Gods is een kind der woestijn, daarom ook niet te verwoesten.
Zoo in gedachten, reden wij langs een dal, door wilde rotsen en bergkloven omgeven, terwijl een beek, hoogst waarschijnlijk do beek Krith, zoo wel bekend uit de geschiedenis van Ei,ia, er door vloeit. Hare ligging en gesteldheid past volkomen bij dat verhaal. Hier is de diepe klove, langs welke wij het water als een Zwitsersche bergstroom hoorden ruischen en bruisen, en waar thans nog de raven huizen; daar moest een vluchteling veilig zijn. ')
Niet ver van Jericho trokken wij do kloof over, en namen nu niet den weg naar het armelijk dorpje Jericho, maar oen half uur noordwaarts dien naar de Sultansbron , bij de Christenen geheeten de Eliza-bron, daar deze de bron moet zijn, wier water de profeet Euza âgezondquot; maakte.2) Wij waren bij onze tenten, de vlag van Cook eV Soxs wapperde boven de eeno, de Noderlandsche driekleur boven do andere tont. Aanstonds stegen wij af, de paarden werden
') I Koningen 1 7 : 5. â ) '2 Kuningen '2 : 1 v.v.
189
naar de bron gebracht, eu ook wij vonden in onze salontent1) citroenen en limonade, wat zich na znlk een warmen rit zeer goed smaken liet. Heerlijk was de avondkoelte en liefelijk ook het avondlied, door den vogel in gindsch bosschage gezongen. Hier zijn wij dan in de nabijheid van het oude Jericho. Hier in deze prachtige, maar eenzame wildernis heeft eens ontwikkeling en beschaving gewoond, en nog zijn overblijfselen van waterleidingen en straatwegen aanwezig, door de Romeinen aangelegd. Geen vlas, als waaronder eens Raciiad de kondschappers van Jozua verstoken had,2) geen suikerriet staat meer op het veld; de palmen die eens aan Jericho den eerenaam van tie Palmstad gaven, zijn verdwenen; ook de vijgeboom waarvan eens Zaciieus zich bediende om Jezus te zien a) heeft voor den loggen heester plaats gemaakt; de balsemstruik, door Josephus als de kostelijkste plant uit dat oord genoemd, is spoorloos verdwenen; rozen bloeien er niet meer; maar toch verdient de plaats den naam van Jericho: âde welriekendequot; te dragon, want zeldzame gewassen, bonte, vreemde bloemen, die men anders in Palestina nergens ziet, vindt men hier en stellen u ruimschoots schadeloos voor de kleur- en levenloosheid der woestenij die ge doorwandeld hebt. Ook groeit hier de struik, die zulke vreeselijke dorens heeft, en van welke men meent dat de spotkroon des Heeren gevlochten was. Ja, als wij zien hoe nu nog deze stad, de poort van Palestina geheeten, door natuurpracht uitmunt, dan gelooven wij gaarne dat Heeodes hier zijn winterresidentie heeft opgeslagen, als het aangenaamst
') Buiten onze Klaaptenleii, die van alles waren vourzien wat men op zulk een reis wenschen kan, liailden wij ouk een suluutunt voor t;cnieenscliap|ielijk onlljijt cl' middageten.
s) Jozua '2 ; 0.
l.ucas l'J: i
190
oord van zijn land, ') en Josephus haar als het schoonste oord van Palestina prijst. Welk een heerlijk gezicht, dour God aan Mozks vergund, toen hij van de hoogte van Nebo heen zag over de vlakte van Jorichu! Mij aangaande, ik kun mij niet verzadigen aan het majestueuze, dat de bergen van Moab, door de avondzon beschenen, to aanschouwen geven!
Wij bestijgen den berg Quarantania, bij de Arabieren Dschebel-Karantel genaamd, wijl de Hoor daar Zijn veertig dagen in de wildernis heeft doorgebracht, toen Hij verzocht werd van den duivel. ~) Van alle zijden ruischen grootore en kleinere watervallen, maar op den top ziet ge alles wild en woest; alleen kluizenaars wonen daar in holen, die als arendsnesten aan de rotsen hangen en tut welke do toegang soms hoogst gevaarlijk is. Doch de avond valt; de schemering duurt in het Oosten niet lang en maant ons tut terugkeeren naar ons kamp, dat er vriendelijk uitziet. Do paarden en ezels zijn aan een touw gebonden, terwijl gras en klaver overvloedig voor hen ligt; aan den ingang van de keukentent brandt een groot vuur, waarom zich op schilderachtige wijze onze Arabische bedienden hebben neergezet; het avondeten, dat wij in onze luchtige woning gebruiken, terwijl de sterren met prachtigen glans aan den hemel fonkelen, is met specerijen uit alle deelen der wereld gekruid; alles valt mede.
Alleen de slaap is voor den mensch, die pas tut tentbewoner gepromoveerd is, niet zoo gemakkelijk te vatten, want nauvvlijks zijn de lichten uit, of men hoort zich omringd door bunden, die langs de tenten snuffelen um de weggeworpen botjes op te zoeken, en ze dan mot
Zie over de schoonheid van .lerieho: l' lavius Joskpiius. Joodsehe Oorlog. 427. *) Mattheus 4: 1.
19]
hun scherp gebit vermalen, dat het door merg en been gaat. Nu wordt hot stil, ge zult gaan slapen; maar eensklaps schrikt ge weder op! Wat was dat? Een vreeset ijk kattenmuziek, oen afschuwelijk lachen, een pijnlijk huilen, dan weder alles stil! Dat zijn de heeren jakhalzen, de âzonen des geweensquot; zooals de Arabieren hen noemen. Zij willen u reeds den eersten nacht, dien gij in hunne streken doorbrengt, hunne opwachting maken, 'j Naar waarheid kan van onzen Hoer worden gezegd bij zijn verblijf in de woestijn: âen Hij was bij de wilde gedierten.quot; Dag en nacht in deze wildernis door te brengen, zonder dak en verpleging, ware voor een gewoon mensch, ook zonder verzoeking en strijd, zwaar genoeg. Jkzus alléén kon rustig Zijn hoofd nederleggen, zoowel hier als bij de stormen op het moer van Gennésaretli, want Hij was de zondelooze, de volmaakte mensch, en engelen dienden Hem.2)
Vroeg zijn wij op; om half zes reeds te paard, want ons wacht een lange en moeilijke tocht. Eerst gaan we door het dorp Jericho, uit eene menigte van hutten bestaande, welker bewoners er even ellendig uitzien als liet oord schilderachtig is; dan komen wij aan het oude Gilgal, waar de Israëlieten zich legerden, nadat zij waren opgeklommen uit don Jordaan.:l) Omstreeks half acht bereikten wij den stroom, door zoo menige gebeurtenis gewijd en aan het Christenhart heilig. Wij kwamen aan de plaats, zoo dikwerf in teekoning gebracht, waar de Grieksche pelgrims zich baden of laten doopen, ter herinnering aan don doop van Jbzus. De oevers zijn prachtig begroeid. Wilgen en populieren, pijnboomen en tamarinden omarmen elkaar met hunne wild dooreengroeiende takken.
') Verg.: De avomlwulvon, Ilabaknk 1 : 8. Zufaiiju li: :i. f) Markus 1 : â UI.
'â ') .lozuii !â¢: 1 'J.
Bloemen blockm in allerlui kleuren, en aan het welig opgeschoten gras doen onze viervoeters zich te goed. De val van het water is zeer sterk, zoodat in het voorjaar de overtocht dikwerf gevaarlijk is; de kleur er van is geelachtig door de aarde die het in zijn snelle vaart met zich voert. Wij legerden ons aan den oever, en lieten aan onze verbeelding voorbijgaan wat hier heeft plaats gehad. Hier ging Jaco3 over naar Mesopotamiö, hier trok Israël onder Jozua hot beloofde land binnen; hierheen verzelde EiazA zijn meester, om zonder âden wagen Israels en zijne ruiterenquot; naar Jericho weer te keeren; hier heeft Na Tim an , de Syriër, zich gebaad, te zijner genezing, nadat hij eerst verachtelijk op den Jordaan had neergezien, die, het moet erkend, bij menigen stroom der aarde zeer onbeduidend schijnt. Hier klonk het eerst de boodschap van het Koninkrijk Gods, en riep Jouaxnes; Ziet het Lam Gods! Hier doopte de prediker der woestijn den Zoon des menschen en hoorde hij eenc stem uit den Hooge: deze is Mijn geliefde Zoon, in Wien Ik Mijn welbehagen heb ') â Een gesch'kte plaats om te baden is hier niet. Zoowel het vuil aan den oever, als de scherpe steenen op den bodem en de snelle vaart van den stroom, bederven het genot dat er anders in zou gelegen zijn om u onder te dompelen, terwijl de zon brandt boven uw hoofd. Nu breken wij op naar de Doode Zee. Onze Arabieren maken gebruik van de zandige vlakte, om hunne ongeëvenaarde vlugheid in het rijden te toonen; maar ook onze paarden laten zich niet meer bedwingen, zetten zich in galop, en sneller dan wij gedacht hadden, zagen wij de oevers van de wonderbare Zout-zee. Hoe verrassend! Neen, het is hier niet, zooals menigeen zulks denkt, een tooneel van diepe ellende
') Marcus 1:11.
193
on somberheid; ten minste zoo kwam het ons niet voor, op dozen schitterenden morgen, bij een vvoikloozen hemel. De prachtige klenr van het meer, de donkerblauwe achtergrond, gevormd door steile bergspitsen, die uit een geheim-zinnigen nevelsluier te voorschijn kwamen, herinnerden mij aanstonds aan het meer van Genève met zijn Savooische Alpen. Ja, de Doode Zee is schoon als een Zwitsersch meer, 't is een reuzenspiegel van 't fijnste kristal, op het schoonst omlijst, en Herodes wist wel wat hij deed, toen hij in deze omgeving zijn burchtslot Machérus bouwde. Het landschap is hier paradijsachtig, maar het leven ontbreekt. Eer de Heer hot oordeel over Sodom en Gomorra voltrok, zoo luidt het in Genesis, âwas de Jordaanvlakte als de hof des Hoeren, als Egypteland, als gij komt te Zoar.quot; b De natuuronderzoekers kunnen omtrent vele eigenaardigheden die zich hier voordoen geen verklaring geven. De buitengewoon diepe ligging van het meer, omtrent 1800 Engelsche voeten beneden de oppervlakte der zee, de voortdurende onrust van het water der diepe Jordaanspleet, waarschijnlijk aan vulkanische oorzaken toe te schrijven, de menigte van asphalt en zwavel, het buitengewoon groote zoutgehalte des waters spreken van natuurkrachten, die hier een ontzettende verwoesting hebben teweeggebracht. Stel u een aardbrand voor, die door eene vulkanische uitbarsting ontstaan en door een asphaltmassa gevoed wordt. Zulk oen catastrophe heeft misschien het vonnis des Allerhoogsten over de goddelooze steden voltrokken en de Doode Zee doen ontstaan. Dat geen vogel over het meer kan vliegen, is een Moot verzinsel; maar zeker is het dat er in den stroom geen leven te bespeuren is. Ook de plantengroei ontbreekt aan den oever, maar
l) Genesis i I»: 10.
13
1(,)4
kings do borgen grazen do kameolon on liuppelon de ge iten over do malsche weide. Wij reden door bloemenvelden, langs boomen beladen mot wilde citroenen, en langs struiken met Sodomsappelen, die van binten veel beloven, maar bij de aanraking uiteenspatten. ') Door zijn lage ligging heeft het meer geen afvoer, en moet door buitengewoon sterke uitdamping het dagelijks invloeiende water loozen, vandaar dat er bestendig een nevel over hangt, waarin de kleuren van den regenboog schitteren. Van zwavelreuk heb ik niets bemerkt, ofschoon men zegt dat die soms zeer sterk zijn kan, zóó sterk dat men zo tot in Bethlehem bespeurt. Ik proefde het water met den vingertop, 't was onuitsprekelijk walgelijk en olieachtig in het gevoel. Het baden is hier onaangenaam, het zwemmen moeilijk, het duiken onmogelijk, daar het water te zwaar is: dus deugt het voor mensch noch dier, en toch zag de profeet EzkciiiKl :i) naar deze treurige strafplaats, waar letterlijk de heerlijkheid dor wereld is weggebrand, den stroom des levens vloeion; die stroom, die op Sion ontspringt on alles verjongt en nieuw leven geeft, waar haar golfslag gehoord wordt, ja zelfs do wateren dor Doode Zee gezond maakt en nieuwen zegen schenkt. Die noren beeft, die boore, wat de ziener in den naam van zijn Zonder ook hiermede tot ons hart te zoggen hoeft.
') VLAVIUS .loSKIMIUS.
2) De Doode Zee wordt l»ij dr oude llrlnvrn do 7onl/.ee, Iti.j do profeion do Oostzee genoemd, bij de Arnbieron do /cc vnii Lot, onidid Moiiammkd hot vorliaid van Lot in den Koran heeft opgenomen.
Het eerste nauwkeurige onderzoek is ingesteld door cenc \mcrik;iansrhc expeditie in later door dk S.\.\u-:v, de liertog van Li vnks en anderen. De
zee is TC) K.M. lang, haar grootste dieplc bedraagt IMM) M. en de groolslc l»rcedlc 1 .quot;â ) K.M. Naar berekening ontvangt zij dagelijks O niillioen tonnen water van den .Tordaan. Ten tijde van JosKlMii s wrrd zij iun'aren, o(»k nog in de middoleeiiwen; thans zirt men er geen enki^l schip. Haar waler bestaat uil -^'Vo vaste bcsland-deelen, waaronder 7 0/0 chlornatruin , kenkenzout.
n) Ezeehiël 17:1â12.
195
Na oen paar uren oponthoud roden wij westwaarts naai' het gebergte, maar in langzainen tred, want de weg was steil en slecht en ging vaak langs afgronden, waarhij men soms onwillekeurig de oogen moest sluiten. 't Was ontzettend warm, en dat in het voorjaar! Hoe zal hot hier in Juli en Augustus zijn! Na een rit van enkele uren, die langer scheen dan hij werkelijk was, bereikten wij eindelijk een rotswand, breed genoeg om eenigo schaduw te bieden. Daar werd âhaltquot; gecommandeerd; wij stegen af, lagen spoedig allen in het gras, en eenigo oogen-blikken later droomde de een van huis en hof, de ander van vrouw en kind, (gt;011 derde misschien van zonnegloed of bitter water, terwijl schrijver dezes maar niet rusten kon, door myriaden van vliegen en muggen geplaagd.
Al zuchtende stegen wij na een uur toevens weder te paard, het hoofd zoo goed mogelijk omwonden, om togen de brandende zonnestralen beveiligd te zijn. De weg werd weldra romantisch, liep nu eens over gladde rotsen, dan weder over groene velden, en was soms als een trap in den bergwand uitgehouwen: één mistred zon voor ros en ruiter verderfelijk geweest zijn; gelegenheid genoeg om onze Arabische paarden te bewonderen, die rustig en voorzichtig de gevaarlijkste hoogten beklommen, en van geen uitglijden of struikelen wisten; maar bovenal dank aan (lod. dat niet één onzer eenig letsel bekwam.
'ttling reeds tegen den avond toen wij door de bedding van den Kedron trokken; vervolgens een eind weegs langs den westelijken oever voortreden, en eindelijk hot wonderlijke klooster Mar-Saba voor ons zagen, een gebouw, dat als een reusachtig nest aan de rotswanden kleeft, liet heeft zijn naam ontleend aan den Cappadociër Saba, die in de zesde eeuw leetde en als stichter der orde vereerd wordt, 't Is een volslagen vesting, zorgvuldig door hare bewoners
190
bewaakt, maar die niottegenstaande hare onneembare ligging, toch togen do invallen 011 plunderingen van roovers en wilde horden niet veilig was. â Vrouwen mogen het klooster in geen geval betreden en moeten daarom, zoo zij geene tenten hebben meegebracht, overnachten in een toren buiten het slot. Zelfs voor vorstinnen wordt op dien regel geen uitzondering toegelaten. Daar onze tenten reeds opgeslagen waren, on het ons dus niet om nachtkwartier te doen was, maar alleen om zoo mogelijk het klooster nog te zien, maakten wij spoed, daar de zon reeds begon te dalen en na zonsondergang niemand meer wordt binnengelaten. Door zware poorten en langs steile trappen komt men op een groot, ruim plein, door verschillende gebouwen ingesloten, dat aan de monniken gelegenheid geeft de lucht te genieten en eenigo beweging te nemen. Aan de rotswanden hangen trappen, langs welke men tot grotten opklimt, dio als cellen voor do monniken dienen, en door vooruitstekende houten kasten gesloten zijn. Als men in de stilte, die hier heerscht, geen gelegenheid vindt om tot zich zeifin to koeren; hier, waar men den aardbodem niet meer onder de voeten heeft; waar dan? Ontwikkeld en beschaafd schenen mij de monniken die ik ontmoette niet toe; integendeel maakten de meesten op mij een onaangenamen indruk. Was het ook, omdat ik in mijn reisboek gelezen had dat dit klooster oen soort van strafkolonie is, waarheen de Grieken hunne weerspannige kloosterlingen ter verbetering heenzenden ? â Niet altijd is het hier zoo doodsch en stil geweest als thans. In vroegere eeuwen was veeleer dit oord voor de Oostersche Kerk van hooge beteekenis. Immers hier leefde Jouannes Damascenus, (mi schreef zijne uiteenzetting van de Ware Leer, die voor de Grieksdie Kerk nog heden de toetssteen des geloofs gebleven is. Kostbare handschriften worden
I'.»?
hier govundeii, erfstukkon vaii vroegere dagen; maar de kleine kloosterbibliotheek is niet voor vreemden toegankelijk, daarom zagen ook wij ons het genoegen ontzegd om met dox;e zeker belangrijke perkamenten konnis to maken. In don hof staat oen palm, mot oen koten aan den muur verbonden; aan dien boom, dien de heilige Saba, stichter van het klooster, zelf zal liebbon geplant, groeien volgons de monniken dadels zonder pit. Zij kunnen dat gemakkelijk zeggen, daar do boom in geen jaren vruchten hooft gedragen. Het avondeten, dat in do eetzaal reeds opgedisdit was, bestond uit rijst en olijven, in houten bakken voor hot talrijke gezelschap opgedragen. In do cellen was do atmostoer zoor drukkend. Eenig is hot uitzicht, dat men van de kloostortorrasson heeft op het wild romantisch Kedrondal, waar men als 't ware boven zweeft, en op do woeste borgen togonover u. Hier is een oenzaamlioid, zooals nergens gevonden wordt; geen vrede, stil en vriendelijk als op don Kannol, noen, 't is hier voor do monniken om krankzinnig te worden, te moor daar zij niets doen en hunne voornaamste bozigheid bestaat in het voodoron van bonte, kleine vogels, die men als metgezellen in de wildernis liefheeft, en van de jakhalzen, die in holen huizon, waarin eens litanieën voor ontslapen kluizenaars gebeden worden. Boven hot graf van don heiligen Saba is een kapel gebouwd en in oen onderaard-sche grot toont men u de plaats zijner woning. De kerk rust op vijf kolossale pilaren, de altaarnis is rijk versierd, evenals do zetel van den prior on de preekstoel. Prachtige lichtkronen, geschenk van don Russischen Keizer, hangen aan de zoldering, terwijl de wanden bedekt zijn mot schilderijen, zeker niet van Rafakl of van oen zijner leerlingen. Achter ijzer traliewerk toont men u eone verzameling schedels, hoofden van martelaren, die bij een der vele
198
(mnToinpL'liiigen, waarvan ilo gcHcliicdcnis van dit klooster gotuigt, gevallen zijn. Ten slotte maakte onze gids ons opmerkzaam o]» een spleet in de rots, waar de heilige eens een leeuw gelegerd vond, maar, zou zegt de legende, zonder de minste vrees begon hij zijn gebed en sliep in; tweemaal besprong hem het dier met wild gebrul, sleepte hem uit het hol, doch zonder hem te deren, totdat de heilige hem een hoek aanwees, waar hij zich moest neer-loggen, en sinds dien tijd woonden zij rustig te zamen. Her wij het klooster verlieten, kochten wij als proeve van den kunstzin der kloosterlingen wat grof snijwerk; daarna zochten wij onze tenten op, vonden alles in orde en waren spoedig in de rust.
Den volgenden morgen waren wij zeer vroeg in den zadel. De reis was ditmaal lang, namelijk over Bethlehem terug naar .lerusalem. Ik was reeds in Bethlehem geweest, maar wie gaat niet gaarne ten tweeden male over Kphrata's velden? Ja, hier is alles nog als voor negentien eeuwen; dat zijn nog dezelfde bergen, over wier kruin het hemellicht zich uitgoot; nog dezelfde velden, waarde herders de wacht hielden over hunne kudde, toen een menigte des hemelschen heirlegers neerdaalde, prijzende God en zingende: âEere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de menschen een welbehagen!quot; ')
1lt;;ii 't lied, dat bij Zijn krib begint ,
0(1 juichciulü Englentongen,
Wordt door elk weorguvonden kind
Van nu af voortgezongen.
quot;t Klinkt in der Magdalkna dank,
En waar de Apost'len knielen;
ü! mart laars, in uw zwanezang!
Uw beê, verloste zielen!
') Lukus 2 : 13, 14.
199
O gij, dio daar imiï inizuain dwaalt,
Ih'll de ougou o|i! mi rijst, nu wl,raait I gt;c I lecrlijkhcid dos 1 Icoivu!
Do Iloniol daalt hij Botlilollem;
Dor l'Jnyk'ii Ii('d j dos Vadors stom Vermaant u weer te koeren.
Vrede!
Vrede!
Laat n leiden,
Naar de weiden Dos Alg'uedoii!
.Ikzus zal uw zielen lioedon!
Nu tiocl Zijn Zoun niet spaarde,
Is allo heil gewis.
Nu blinkt do donkere aarde,
Mn bloeit do wildernis.
Mn gij, Zijns Zoons beminden.
Zult ecuwig ondervinden Dat God uw Vader is!
Ik ging nog eons in do kurk dor (lohourto, nog eens stond ik stil bij Davids bron, en zag over do vlakke velden heen, die van zoo veel getuigden. Driekwart nur builen Bethlehem bereikten wij de drie grooto waterreservoirs van Salomo. In de bovenste ontlast zich een bron, waarschijnlijk de verzegelde fontein uit hot Hooglied, ') waartoe men eerst kan afdalen nadat uit de vesting in de nabijheid do sleutel gehaald is. Het water vloeit nog rijkelijk, maar is niet bijzonder frisch. üf' Salomo zelf'2) of' een ander deze waterwerken liet aanleggen is niet zeker, maar nog immer getuigen zij van een werkkracht en oudernemiugsgeest, die eens alle moeilijkheden van terrein wist te overwinnen, om het water te brengen tot zelfs van Hebron naar het anders zoo arme en dorre Jerusalem.
') llüünliLMl 'l ; 1 ±
a) IVoiliktT '2 : (i.
200
Waaruin die loklingcn niot hersteld? Maar wie kan van eene Turksche rogeering verwachten, dat zij daartoe behulpzaam zou wezen; noen, als iemand er kapitaal voor gaf, zuu zij veeleer op hot herstelde werk belasting leggen en het alzoo weder te gronde laten gaan.
En nu terug naar Jerusalem! Wij kwamen weder voorbij Rachel's grat en Mar-Elia; reden vervolgens duur hot Gihondal, dan weder naar de Jaftapoort, en stapten, terwijl het reeds duister was geworden, ai voor het hotel, gelukkig en dankbaar voor een tocht, die van vroege tijden tot op heden ons zooveel te zeggen had, en bovenal getuigde van Gods eeuwige majesteit, genade en trouw.
p e laatste dag.
Op den laatsten dag van ons verblijf in de heilige stad brachten wij verschillende afscheidsbezoeken; niet aan personen of iamilies, maar aan plaatsen in en om Jerusalem, waar het ons zoo goed was geweest te vertoeven. Den gids lieten wij voor ditmaal thuis, en geheel aan ons zelf overgelaten en gansch vrij, was de eerste wandeling naar den Olijfberg, om nog eens Gethsemané binnen te gaan, en van den bergtop de stad te overzien. Over den Kedron teruggekeerd, sloegen wij nogmaals een blik in de St. Anna-kerk, in Gothischen slijl gebouwd, en op last van wijlen Napoleon III geheel vernieuwd en verfraaid. Ze is gewijd aan Anna, tie moeder van Maria, die daar in de onmiddellijke nabijheid van den tempel hare woning zal gehad hebben. Dat ik daar weder heenging was niet zoozeer om de kerk, als wel om de zuilen en stukken van zuilen en ander
201
beeldhouwwerk te dier plaatse uii^edolven, uit het stof en puin van wie weet hoevele eeuwen, en op een groot plein voor en ter zijde van deze kerk opgesteld; eene allerbelangrijkste verzameling1). Daarna ging het naar de klaag-
KIKKAli 01'quot; K UN i m; se !â¢; w 1 CUT.
\an Dr. S. uit Juntsiilcui unlving ik een hiiuf d.d. 'J Nov. Ã2. waiirln hij inij, tiiiilL'i' meur, liet volgemle sulit'eef: âllierneveiis zend ik u eene teukeuing van een Ileljrecuwscli gewiclit, Talent, zeer belangrijk, wijl zoo iets nog niet gevomlen is. Het gewicht is van steen, (Lev. 1; .Iti), hlijkbaur van boven nilgcholcl, om het op ile juiste zwaarte te brengen. Het oud Semitisch schrift aan den bovenrand duidelijk leesbaar, en door Pater Du Cuk, fransch missionaris te .lerusalem, ontcijferd, geeft de verrassende vertaling: 3000 sikkelen van Koning D.win. A Izuo o en Ta le n t! Het stuk is gevonden onder het voorhof van de St. Anna-kerk, en weegt 42.12 kilo.
Zeker is het vinden van dit gewicht voor de wetenschap van hel hoogst gewicht, liet is een Kikknr of koningsgowicht, naar het schrift te oordeelen uit de achtste of negende eeuw vóór Clir., en in de antii|(iiteiten wel bekend, maar de gewichtswaarde, in vergelijking met onze gewicliten, nog altijd een onopgelost raadsel. Wel maakte men allerlei onderstellingen en berekeningen, aan gevonden munten ontleend, maar zekerheid was er niet. Ja, misschien wanhopende ooit tot eene oplossing te komen, schreef prof. Dr. Sciilottm anx in âliiiiii.m's Handwörterbuch des biblischen Alterthums' : er is geen twijfel meer aan dat het Talent van 3000 sikkelen geen gewicht maar alleen een geldtalent is. Kn nu komt de steen, te â lerusalem gevonden, dien geleerde zeggen dat hij heeft misgezien, en hem en anderen geleerden den waren maatstaf aan de hand doen voor hunne berekeningen; immers, nu kan men met alle nauwkeurigheid nagaan, hoeveel een sikkel, een beka, een geia is, enz. Zoo hebben de steenen dikwerf stemmen, ook iu zaken van het hoogste âgewicht.quot;
202
plaats der Joden, eon terrein, dat or wel vuil en onaanzienlijk uitziet, maar niet ophoudt xuowol den Christen als den Juod te hueien, en van daar door hot Judenkwar-tier naar den Sion. Zoo dwaalden wij oen uur of wat rund, tot hot tijd was terug te koeren naar het hotel, ton einde mot Dr. 8. ter audiëntie te gaan bij den Grieksehen patriarch te Jerusalem. In do grouto zaal van hot paleis, eenvoudig maar zeer rijk gemeubileerd, worden wij ontvangen. Z. H. zat naast don uflioieelen zetel, droeg een lang, zwart kleed, en op do borst aan een zijdon snoer eon groot, gouden kruis, mot diamanten omzet. Zijn gelaat is vriendelijk, zijn oog drukt rechtvaardigheid en zachtheid tevens uit; hom ziende, kan men begrijpen dat hot waar is wat men u van hem vertelt, n.1. dat deze patriarch, ofschoon nog niet lang aan hot bestuur, roods zeer voel gedaan heeft om aan de voortdurende twisten tusschon Grieken en La-tijnon een eind te maken en door eigou voorbeeld op to wekken tot botoon van christelijke liefde en goede trouw. Nadat wij waren voorgesteld en do gewone vragen, welk eon indruk wij hadden van de stad, en of wij naar Nazareth en Tiberias gingen, enz., hadden beantwoord, werd ons, naar de gewoonte der Grieken, op een zilveren blad een kristallen vaas mot confituren aangeboden, waarvan men een lepel neemt, en dan oen glas water. Vervolgens presen-toorde men op een dito blad oen klein glaasje fijne likeur, daarna oen kop turksche koffie en aan de hoeren cigaretten.
Do conversatie was niet zoor vloeiend, daar do patriarch of motropolitaan wel vorschillondo talen spreekt, maar toch Grieksch en Arabisch hot best. Dr. S. was onze vriendelijke tolk. Wij vertoefden ten paleize omtrent een half uur; namen toon afscheid, waarbij geen bijzondere ceremoniën, alleen de gewone beleefdheidsbuiging in acht
203
te nemen was, en gingen tuon naar hut graf van Hkrodks, onlangs buiten de Jaffa poort aan tlo westzijde der stad gevonden. Omtrent de vraag, wat aanleiding gegeven heelt tot het ontdekken van die merkwaardige plek, zijn de lezingen verschillend, liet terrein waarop de ontdekking plaats had, behoort aan de Grieksch-Urthodoxen. Reeds lang vermoedde men, dat hier iets bijzonders moest geweest zijn, daar sporen van oud muurwerk zichtbaar waren en ook Joskimius van dit deel der bnitenstad melding maakt, als den toenmaligen bewoners niet onbekend, liet bleet'evenwel bij een vermoeden, totdat een boer, wiens ploeg te diep door den akker ging, eensklaps tegen een steenen plaat stootte, die wegnam en door het vallen der aarde bemerkte dat hier een opening was. Aanstonds werd hiervan aan do Grieksche geestelijkheid kennisgegeven en op last van deze de opening grooter gemaakt. Een monnik werd naar beneden gelaten en het graf' gevonden. Zoo is tie Grieksche ⢠lezing. Eene andere is, dat eon Latijusch priester, aan de hand
van een zeer oud boek, eenige archeologische onderzoekingen op dit terrein bewerkstelligde, en totdezegewichtige ontdekking kwam. Hoe het zij, naar veler meeuing ziet men hier het grat van Koning Hekodks den Groeten. Het heeft een betrekkelijk zeer rnim voorplein, vervolgens vier grafkamers in een rots uitgehouwen, in een waarvan een prachtige marmeren sarcophaag met sierlijk beeldhouwwerk prijkt. Een Grieksch priester bewaart den sleutel en geeft tegen betaling van een klein bachschiesch toegang. Op de vriendelijkste wijze ontving ons die geestelijke; naar zijne meening zou deze ontdekking tot andere leiden, misschien wel van veel grooter gewicht. Bij onze terugkomst in het hotel vonden wij een brief van den Griekschon patriarch, waarbij aan ieder onzer een keurige photographie van Z. H., in cabinet-for-maat en eigenhandig onderteekend, gezonden werd. Op
204
(luze zoo beleefde veiTassing volgde natuurlijk onze schriftelijke, hartelijke dankbetuiging.
Des avonds vertoefden wij nog eenige oogenblikken bij Dr. S. on daarna onder een heerlijken starrenheniel op het platte dak van het hotel.
Den volgenden morgen was ik reeds vroeg op en dwaalde buiten de Jatfapoort langs do straten, in welke de Duitsche kolonisten hunne woningen en winkels gebouwd hebben, daalde nog eens af in het Hinnomdal en keerde toen terug, 't Was tijd, de paarden stonden reeds gezadeld; tenten en bagage, op ezels en muildieren geladen, waren al vooruit. Met hotelrekeningen en fooien hadden wij niets te maken, daar Cook voor alles zorgde; maar men had ons zóó goed bediend en over de bedienden waren wij zóó tevreden, dat een kleine badischiesch daarvan getuigenis geven moest. Dankbaar en voldaan wenschte men ons een goede reis en gelukkige thuiskomst. En wij? Och, ik schaam mij niet te zeggen, dat ik weemoedig gestemd was; dat bij de gedachte, Jerusalem nu misschien nooit weder te zien, mij het oog vochtig werd. Scheiden doet altijd pijn, maar scheiden van Jerusalem! .... Vaarwel, stad der steden, lust van allen die u beminnen, het ga u immer wel! De wensch van mijn hart is vervuld! Ik heb door uw straten gewandeld, uw heiligdommen bezocht, door uw dalen gedwaald, uw bergen beklommeh, eeuwen zijn aan mijn geest voorbij gegaan, 'k Heb uw verleden getast, iets van de profetie verstaan, die over u is uitgesproken: Neen! gij zijt nog niet wat ge wezen moet, maar gij zult het worden, want Jehova is de Getrouwe en de Waarachtige. De Heer heeft gezegd: ') âOm Sions wil zal ik niet zwijgen, en om Jerusalems
') Jesuju (ri.
i
205
wil zal ik niet stil zijn; totdat hare gerechtigheid voort-kome als een glans, en haar heil als eene fakkel, die brandt. En de heidenen zullen uwe gerechtigheid zien, en alle koningen uwe heerlijkheid, en gij zult met een nieuwen naam genoemd worden, welke des Heeren mond uitdrukkelijk noemen zal. En gij zult eene sierlijke kroon zijn in de hand des Heeren, en een koninklijke hoed in do hand uws Clods. Tot u zal niet meer gezegd worden: Do verlatene, en tot nw land zal niet meer gezegd worden: Het verwoeste; maar gij zult genoemd worden: Mijn lust is aan haar! en uw land: Het getrouwde. En gelijk de bruidegom vroolijk is over de bruid, alzoo zal uw God over u vroolijk zijn. Ziet, de Heere heeft doen hooren, tot aan het einde der aarde; zegt der dochter van Sion: Zie, uw heil komt; zie zijn loon is met Hem, en zijn arbeidsloon is voor zijn aangezicht. En zij zullen hen noemen het heilige volk, de verlosten des Heeren; en gij zult genoemd worden de gezochte, de stad die niet verlaten is.quot;
En nu Jerusalem, vaarwel! Vrede zij in uwe huizen, vreugde zij in uwe voorhoven, om Jkzus Christus wil. Ik vergete u nooit:
Indien ik immer U vergete Jerusalem ! dan kent veeleer Mijn rechterhand zichzelf niet meer!
Als ik u niet mijn wellust heete,
O heilige geboortegrond:
Dan moge, o leven van mijn leven!
Mijn heesche keel geen klank meer geven,
De tong verstomme in mijnen mond. ')
Vaarwel! Jerusalem, Jerusalem!
') i's. KIT : 5, 11.
200
Yan Jerusalem naar ^ichem.
Wij rijden de Jaftapoort uit, noordwaarts op, langs de graven der Koningen, reeds door ons bezocht; in een half uur zijn wij op den Scopus, een der drie toppen van den Olijfberg, en wel den hoogsten. Hier is het punt vanwaar door alle eeuwen heen de vijanden op Jerusalem aanvielen. Hier gaf een Nkbucaoni'jzau, hier een Tixus het bevel tot den aanval, hier zag Godi'kikd vax Bouillon' met zijne kruisvaarders voor 't eerst Jerusalem. Wij keoren onze iiaarden om, overzien van deze hoogte nog eens do stad, en nog een laatst a Dieu! vaarwel Jerusalom! weerklinkt.
Onze weg voert over een hoogvlakte, wij gaan voorbij Gibea-Sauls en ook langs het aanzioidijkste dorp in deze streek, llama, op eene hoogte gelegen, in vroegere dagen oen sterke observatiepost1) en eveneens zeer gewichtige grensplaats 2); dan zien wij de overblijfselen van liet ondo Atrótb-Addar :l) en bereiken weldra el Hireli. liet dorp draagt den naam naar de heerlijke koele bron, die zich aan zijn ingang bevindt. Het is het oude Heéroth (bronnon), een stad in Benjamin b: bier moet het station geweest zijn, waar de ouders van Ji;zrs met de karavaan waren aangekomen, aan den avond van den eersten dag nadealreize, en omkeerden, toen zij hot kindeke niet vonden. Want hier was de plaats waar de pelgrims, die van Jerusalem terugkeerden, hun eerste nachtverblijt hielden. Wel is ze slechts drie uren van Jerusalom verwijderd, maar
1
) I lns)';i ; S.
2
') 1 Kon. I.'i: 17.
iu hot Oosten is hot gewoonte 0111 don ocrston chigquot; van een tocht slechts eon halve da^roizc af to leggen. Ken Christenkerk, door do kruisvaarders gebomvd, staat midden in het dorp, maar zonder dak en do mnren vol openingen. Het schip der kerk, waaruit de marmeren vloer is weggenomen, had men bezaaid en prijkte met heerlijke korenaren. Welk een heolu, een dichter waardig, dit groene zaad veld, tusschen de muren eener kerk! Niet ver van hier ligt Bethel, waar Jacob in een droom de homelladder zag, en ontwaakt zijnde, uitriep: Gewisse lij k is de Hoer aan deze plaats, en ik heb het niet geweten: dit is niet dan oen huis Gods on dit is do poort des hemels. Hier heeft Jehobkam I hot afgodische heiligdom gebouwd, en do onbuigzame profeet A.mos den moedigen strijd gestreden tegen Amazia, den heidenschen priester, die hem den raad gaf: âga weg, vlied in hot land van Juda, en eet aldaar brood, en profeteer aldaar, maar te Bethel zult gij voortaan niet profotoeren, want dat is des Konings heiligdom, en de residentie des Konings.1)
Hier hielden wij oen paar uren halt. Met Br. Nyland, die mij was tegemoet gereden, ging ik het dorp in, bracht (gt;011 bezoek bij oen boer on zag in diens woning do vrouwen in den molen') werkzaam, en tevens do wijze waarop hot brood gebakken word en boter gemaakt. Dit laatste geschiedt door do melk in oen kalfshuid te gieten, die mot het haar naar binnen toegonaaid is: als deze vol is wordt zij tusschen twee stokken opgehangen en met een touw onophoudelijk heen on weder getrokken, totdat do boter boven komt. Ik wil wel gelooven dat, gelijk mij verzekerd werd, alles frlsch en zindelijk is, maar ik vond hot toch aangenaam dat voor ons gebruik bussen met boter waren
1) A i n ns 7 : 'Pi.
-) Maltli. 't : il.
208
medegenomen. â Het landschap bleef tamelijk gelijk; bergen als die van Jnda, alle kaal en met steenen bezaaid, slechts hier en daar een akker of boomengroep. Maar op kleinen afstand van Bethel begon het beter te worden, ofschoon de weg steeds slechter werd. Hier een dal vol prachtige vijgeboomen, daar olijven, ietwat verder heerlijke velden, alles in vollen groei. â Merkwaardig, nietwaar, dat juist waar ook nu nog de vruchtbaarheid hand over hand toeneemt, de oude grens van Ephraïm ligt. In den zegen van Jacou heet het: âJozrp is een vruchtbare tak, een vruchtbare tak aan een fontein; elkeen der takken loopt over den muur.quot; ') Zijn stamgebied won het verre in rijkdom van landouwen van het schrale en minder bevolkte Juda. Voor het rijk Clods, dat niet mot natuurkrachten rekent, is dit laatste zeker van veel hooger beteekenis geweest. Lag toch niet gedurende langen tijd in den stam van Ephraïm het zwaartepunt van het IsrafUietisch volksbestaan ook in theocratischen zin? Stond niet hier de Ark dos Verbonds en zijn niet, zelfs toen door David het geestelijk overwicht reeds lang naar het Zuiden was verplaatst, door .Tioiiova nog vele profeten van hier geroepen?
Onze tweede halt houden wij bij de Rooversbron, in een heerlijk, groen dal, met overvloedig doch niet zeer frisch water; hier bieden lanen van olijven en ander geboomte met breede bladerkroon den reiziger een verkwikkende schaduw. Maar veel honger beteekenis dan aan natuurschoon is verbonden, heeft deze plek. 0! als hier de stemmen van vroeger eeuwen konden gehoord worden, wanneer men alles eens wist wat aan deze waterbronnen is geschied, wat gesproken is op de paden die het gebergte van Ephraïm
') Genesis -lil: 'â¢!'J.
:?()lt;)
doorkruisen! Ilior heeft de voetstap van een SajiuKl gestaan; hier het profetisch lied van een DiOBeuA weerklonken; hier wandelde een Eua, en hoe zij ook heeten mogen die in het hart van het land hebben gearbeid; maar over al dezodingen kunnen wij nadenken als wij zoo aanstonds zullen aangekomen zijn op een bergvlakte bij het dorp Sindschil, zoo genoemd naar Raymond van St. Giles, die op zijn kruistocht naar Jerusalem zich daar legerde. Do tenten waren reeds opgeslagen, de vlaggen wapperden in de lucht en met een luid hoezee! werden wij door do bedienden begroet, die zich hadden gehaast om vóór onze komst alles in orde te hebben. Wij genoten een heerlijken avond; blauw was de hemel, helder fonkelend wandelden de starren langs hare baan, en de bijna volle maan hulde het zwijgend landschap in een lichtkleed, dat den beschouwer in verrukking bracht. Wij moesten telkens herhalen: hoe schoon! Het dorp zelf is zeer armoedig: het schamelste buis in onze stad is een paleis bij wat men daar vindt; en niettegenstaande dat, zagen wij den volgenden morgen eenige Turksche soldaten het dorp binnengaan, om de bewoners te dwingen, hout, stroo en wie weet wat al niet meer te leveren.
Daar de avond liefelijk was, begaven wij ons eerst laat ter ruste, maar stegen toch weer vroegtijdig ie paard om bij tijds in Sichem aan te komen. Langzaam daalden wij den heuvel af, terwijl voor ons uit de drie Bedoeïnen reden, die in den vervlogen nacht ons kamp bewaakt hadden. Aan den voet van den heuvel namen zij afscheid, na vooraf nog eenige proeven te hebben gegeven van hunne ongeëvenaarde vlugheid en behendigheid. Het eerste dorp van eenige betoekonis dat wij ontmoetten was Soilun, het oude Silo. Hier stond de Tabernakel, het nationaal heiligdom: hier woonde de Hooge-
14
â¢J 10
priester; hiei' kwamen vrome Israölk'ten ter tbestviering op, en stortten wedoroni anderen, zooals Haxxa, het overkropt gemoed uit voor den Heer')⢠Wij zetten ons neder in de schaduw van een breedgetakten eik. waarbij zich nog de puinhoop bevindt van eene kerk uit de middeleeuwen. Het is hier zoo eenzaam en stil, hier waar vroeger het feestgeschal der levieten gehoord werd, en de zangen weerklonken der bedevaartgangers, gekomen omden lieere hun offer te brengen. Alleen de zangvogel en de koekoek breken van tijd tot tijd die stilte af. Maar is liet niet of ge tusschen de pninhoopen die u hier omringen, en die nog de sporen van vroege re heerlijkheid toonen, een Jerumia ziet wandelen, profeteerende aldus; âGaat nu henen, spreekt de Heere, naar mijne plaats, die te Silo was, alwaar Ik mijnen Naam in het eerst had doen wonen; en ziet, wat Ik daaraan gedaan heb, vanwege de boosheid van mijn volk Israëlquot; 2).
Naar den hoofdweg teruggekeerd, dien men bij Chan Lubban, het oude Lebóna,3) weder betreedt, ging het nu voorwaarts naar Sichem, het tegenwoordige Nabulns of Neapolis. 't Was zeer warm. Links van ons lag bet aanzienlijke; dorp Hawara, vóór ons aan den horizont verhiel zich de majestueuze kruin van den Hermen, immer met ijs en sneeuw bedekt, en in de nabijheid als twee schildwachten van Siehem verrezen de bergen Ebal en Gerizim. Buiten de stad, die met hare IÃ000 inwoners na Jerusalem de aanzienlijkste is van het Heilige Land, staat een groote kazerne en het huis van den Paeha; lanen van olijfboomen omzoomen links en rechts den straatweg, en langs dezen komen wij Siehem binnen. Nauwlijks zijn wij in de poort
') I Samuel 1 : Itâ1 i. 'i .lereniia 7 : 1 -J. liiulilei't'n i I : I
:1J 1
of van allo zijden hoort men: bachsdiiesch! bachschioscli! en er Is moed en beleid toe noodig, om door de rijen van bedelaars heen te komen; sommigen vallen ons zelfs met het Russische bedel woord: âlowa!quot; aan. Do hoofdstraat is niet breed, do zijstraten zijn zeer smal en soms overdekt, do huizen als in Jerusalem van steen, mot weinige en dan nog kleine vensters; de hoofdingang is zelfs bij do moest aanzienlijke huizon zeer laag, wat ons herinnert aan don tijd, dat oen âbongo poortquot; voor oen toekon van hoogmoed gold ') en slechts aan koningen do woelde van oen broeden ingang was toegestaan! Bovenaan den deurpost zijn spreuken uit den Koran geschilderd, ton toeken dat do bewoner de bedevaart naar Mekka gedaan hooft, waardoor hij in oen bijzonderen reuk van heiligheid verkeert. Eens hebben Israels vrome vaderen don deurpost versierd met woorden uit do wet; meestal mot dit: âHoor Israël! do Heere onze God is oen eenig Hoor.quot;2) Zonder te weten dat zij dit doen, zotten do Mohammedanen die gewoonte voort, als zij in veelkleurig schrift boven den ingang schrijven: âEr is geen God buiten deze Grod.quot; Wo begeven ons vervolgons naar do synagoge dor Samaritanen: juist is do avondgodsdienst geëindigd; wij komen do lieden togen, dio huiswaarts gaan: zij zijn ordelijk en net gekleed. Toon wij hot kleine heiligdom binnentraden, dat er mot zijn gewitte wanden zeer armoedig uitzag, worden wij eerst aan don hoogepriester .Iakob voorgrstold, oen jong mensch, bekleed mot een wit kleed, dat hom tot op do voeten neerhangt. Zijn gelaat hooft edele trekken, vertoont geen joodsch type en, wat in het algemeen van de Samaritanen geldt, zijne manieren hebben niets gemaakts, maar zijn zeer bescheiden. Hij ontving ons vriendelijk. Mij ziende, herinnerde hij zich
') Spreuki'ii 17 : li).
quot;) Dëüt. ü : 'i,
212
aanstonds, dat ik ook ton vorigon jaro zijne synagoge had bezocht, en reikte mij dubbel hartelijk de hand. Of hij zeer ontwikkeld is, weet ik niet, want uit de conversatie, die zeer gebrekkig ging en daarenboven kort duurde, wijl mijn kennis van het Samaritaansch en Arabisch nog al iets te wenschen overlaat, was dit niet op te maken. Maar naar men ons meedeelde, moet zijn voorganger Am ham, gestorven in 1875, een zeer beschaafd en geleerd man zijn geweest. De geheele gemeente der Samaritanen bestaat uit niet meer dan 150 personen. In hun synagoge is niet het minste sieraad, alleen ligt in een nis achter een groot gordijn het vermaarde hamlsdirift van de vijf boekon van Mozes, het eenig gedeelte der Schrift, dat zij als geïnspireerd aannemen. De priester vertelt u dat dit handschrift vervaardigd is door den kleinzoon van Aj'Ihon , gezeten in het voorhof des Tabernakels op den borg Gerizim, nadat de Israëlieten het gansche land hadden veroverd. De tekst is hier en daar gewijzigd, zoo b.v. luidt het 10(le gebod: âGij zult den Eenige een tempel op den Gerizim bouwen.quot; De Samaritanen beschouwen zich als do ware vertegenwoordigers van het Mozaïsme, Vandaar dat David, door wien de ark naar Jerusalem werd opgebracht, en Salomo, als de stichter des tempels, door bon ten diepste worden veracht, en over Ezra, den vernieuwer des tempels, al de fiolen van hunnen toorn worden uitgegoten. Zij die1 den dienst in tie synagoge bijwonen zijn in het wit gekleed, buigen zich onophoudelijk nu links, dan rechts, of vallen op hunne knieën om den grond te kussen. Zij houden den Sabbath en do zeven feesten, genoemd in Leviticus 23; laten de besnijdenis evenals Israël op den achtsten dag geschieden: noemen Mozes den Profeet en gelooven dat 0000 jaren na do schepping de Messias komen zal. - Maar nu hun wet-exemplaar: het is vervat in een zilveren rol, met
at'becldiiigeii \';iii de guruodscluippen lx;liu()i-üiide bij den Müzaïschon ollbrdicnst, alles /.eer sierlijk en lijn bewerkt, doch /under historische waarde, daar het een arbeid is van lateren tijd. Het handschrit't /elf is geschreven met kleine Sainarltaansche letters en meestal /eer onduidelijk, maar in ieder geval onder de handschriften dos Ouden Testaments van waarde. Bij het verlaten der synagoge werd ons naar gewoonte het smeekschrift voorgele/en, waarmede de priester lederen vreemdeling den nood dier gemeente op het harte bindt en om een liefdegift vraagt. Op mijn dringend aanhouden en pleitende op mijn tweede he/oek aan de synagoge gebracht, gat hij mij een exemplaar van dien smeekbrief, die in het Kngelsch geschreven is, (want Kngelschen doorrei/en dit gedeelte van Palestina het meest), en als een bij/onderheid hier wordt medegedeeld.
J)e Samaritanen van N al.) ui us.
,,De kleine Samaritaansche gemeente te Nabulus, nu âde eenige in Palestina, heeft veel tegenspoed gehad. De âgemeente is zeer klein en buitengewoon arm, zelfs niet âin staat haar hoogepriester te onderhouden, en nog veel âminder om een school te stichten voor hare kinderen. De âleden der gemeente doen /eer hun best een school te âverkrijgen waai' tie Pentateuch (vijf boeken van Mo/rsi âin de Samaritaansche en Arabische talen ondervve/en kan âworden, en komen al/oo met een ernstig en vriendelijk âver/oek tot de rei/igers, die Gods Woord kennen en âhoogschatten, om hen hierin te helpen. Hun Heilige Schrift â/egt hun: Dent ; 0: ââHoudt dan de woorden dezes âverbonds, en doet ze; opdat gij verstandelijk handelt in âalles, wat gij doen zult.quot;quot; Deze dingen zijn voor ons en âonze kinderen tot in eeuwigheid bewaard om te doen al âde woorden dezer wet. Maar hoe /al het opkomend geslacht
214
âaan do wet van God yvliourzainen, indien /i,j haar niet âkennen en er geen middelen zijn haar in de Sainarilaansche âtaal te onderwijzen? Daarom doet de Samaritaansche âgemeente een ernstig beroej» op reizigers, om haar eene âruime bijdrage te geven voor den bouw van eene wel-âingerit hte school.quot;
Wie zou na zulk een vriendelijk woord weigeren een offer op de schaal der liefde te brengen, al is het ook dat men honderdmaal liever don Samaritaan bijstand zou willen vorleenen in het bouwen oener Christelijke school? â Het overschot van dit weleer zoo krachtige volk slinkt van jaar tot jaar. Hot schijnt dat zijne dagen geteld zijn; daartoe draagt voornamelijk bij zijn isolement, waarin niet zijn kracht, maar wel zijn zwakheid schuilt. De Joden willen geen echtverbintenis met do dochteron der Samaritanen, en met de belijders van andere godsdiensten mogen deze laatsten zich niet vermaagschappen. Met de Abyssiniërs zochten zij vereeniging, maar ook die poging mislukte.
Den volgenden morgen bestegen wij den Gerizim. Onder de wandeling derwaarts deelde onze gids ons nog een en ander mede aangaande deze arme lieden, die ei- zich op beroemen veel strenger de Mozaïsche wetten te houden dan tie .loden. Immers, dezen verwijten zij, dat in hunne huizen aan den avond voor den Sabbat nog vuur aangemaakt wordt en brandende gehouden, terwijl de Samaritanen op don Sabbat volstrekt geen vuur in liet huis gedoogen. Het verbod, het bokje in de melk zijner moeder te koken, ') dit teedero verbod aan Israël gegeven, opdat men ook tegenover do dieren niet alle menschel ijk medelijden zou verloochenen, beroemen zij zich zoo gestreng mogelijk te houden, daar zij wel vet of boter bij het vleesch eten,
') Exodus '23 : 19; :! I, '20. Uüiit. 1 i-; '21.
(slrciigc Joden verinijdcn dit) maai' het vet en do boter uit Jaffa on hot vioesch uit hot Ovcrjordaanscho laten komen, zoodat van vervvantsohap geen Hprake kan zijn. â De beklimming van den borg is tamelijk mooiolijk en vraagtoon good uur. De voet des bergs is rijk aan bronnen en boonion, zooals vijgo-, granaat-, amandolboomen on vele andere, die do Ebal mist, ofschoon ook deze niet geheel onvruchtbaar en hier en daar met olijfboomon beplant is. Aan zijne âdorheidquot; kan het niet zijn toe te schrijven, dat men hom maakte tot den borg dos vlooks; veeleer is liet hieruit te verklaren, dat de (lorizim, de bevoorrechte, d. i. do zuidzijde; inneemt.
Op dc; berghoogte werd ons de plaats getoond, waar de Samaritanen bij feestgetijden, inzonderheid op het Paasch-feost, gewoon zijn hunne tenten op te slaan. Nadat zij zeven dagon daar in do hoogte hebben geleefd, bij ongezuurd brood en bittero kruiden, slachten zij hunne paaschlam-meren. Dit geschiedt op de plaats des gebeds; het maal wordt met haast gegeten ') met oen staf in de hand en de londenon opgeschort, ter herinnering aan de instelling van het Pascha en don uittocht uit Egypteland. â Hoogor op don borg worden afgebrokkelde vestingmuren en overblijfsels van woningen gevonden. Hier schijnt een stad te hebben gestaan.'2) Op oen der toppen, een platform, die van het zuiden naar het noorden loopt, stond eens de tempel der Samaritanon, de tegenstander van don tempel te Jerusalem,3) ten tijde van Auoxandkü den Grootex gebouwd. Zij beroepen zich daarbij op Jozua, die eens hier een altaar oprichtte, terwijl zij in Deut. 27 ; 4 on Jozua 8 : ;3() niet Ebal maar (lorizim lozen on den Joden verwijten, die plaatsen moed-
') Kxodus 12:11.
3) '2 MaccabceiMi 5 ; 2;(. Josepmus, Joodsche Oiulhi'don 10.
ni .loluumes i : 21). iv/.i'a i.
216
willig vuniiulml Ir. lu'bht'ii. Ook den Moria, waar A nu aha m zijn zoon olibnlu, zoukon zij in dozo omgoving. In het jaar 121) v. Omt. word do tempel verwoest door Johannes Hyhcanus, nadat hij reeds vroeger door de Syriörs verontreinigd en gewijd was aan Jupiteh Xenios, don god der vreemdelingen. 1) Niettegenstaande dit alles bleef do Gerizini den Samaritanen heilig. Men vindt er ook nog de fundamenten van een Christelijke kerk, in den vorm van een achlhoek. Op den hoogsten top hebben de Mohammedanen een wachthuis gebouwd, van welks plat dak men het schoonste uitzicht heeft. Men ziet den llermon met zijn hermelijnen mantel; naar het westen zweeft de blik over groene heuvels en valleien tot aan de Middellandsche zee, naar het oosten over het dal, waardoor do Jordaan kronkelt als een zilveren lint, en over hot gebergte van Gilead. Langs de oostzijde van den berg daalden wij af, daar wij naar de Jacobsbron verlangden. Het ging over rotsblokken en begroeide steenen tamelijk steil naar beneden. Hier wordt u de gelijkenis van den zaaier aanschouwelijk voorgesteld: ge ziet een akker mot zijn platgetreden weg, zijn rotsgrond met een dunne laag aarde, do doornstruiken, waaraan ge, als ge niet oppast, zeer spoedig u wondt, en dan tusschen dat alles een oogstveld dat rijkelijk het misgewas der andere doelen vergoedt. 2) In het zweet des aanschijns klonterden wij naar beneden en rustten weldra heerlijk uit bij de Jacobsbron, een bornput die honderd voet diep is en negen voet iu doorsnede heeft. Daar wij niets hadden om mede te putten en de put zeer diep is, :i) konden wij eerst niet drinken, maar spoedig kwam een Samaritaansche met steenen kruik en koord en mochten wij aan het heldere
1
') i Maccabceën 0 : '2.
2
) Mark. 4: li v.v. a) Joh. i : 11.
217
bromuit uiis laven. 11 ior leust moil .lull. I en verstaal het heter dan ergens elders, want hier is alles cummentaar; hier begrijpt ge t(3 meer het woord des lieoren: âheft uwe oogen op en aanschouwt de landen, want zij zijn aireede wit om te oogsten. !) Hier aan de fontein van Jacois ziet men heinde en verre het vlakke veld en tie golvende korenaren; nu nog in dezen tijd van ellende met een dertigvoudige opbrengst. Zóó bevestigt gansch Palestina de Heilige Schrift, ja, overal waar men komt, zegt het Heilige Land âAmen!quot; op elk haror woorden.
Boven deze bron, waarbij Jkzi:s neerzat, vermoeid van de rei ze, en tot de Samaritaansche zeide: âgeel mij te drinken,quot; welfde zich in de middeleeuwen het dak eener kapel, waarvan de fundamenten nog zichtbaar zijn. In de nabijheid wijst men u het graf van Jo/ioi- 2) met een sarcophaag van zeer jongen datum. Natuurlijk gaat men ook dat zien, maar veel belangwekkender is het te toeven op de plek waar de Heer het levend water aan de Samaritaansche bood; waaide Heer het groote woord sprak, dat de wereld nog nooit gehoord had en waarvoor iedere wijsgeer, iedere denker het hootd op het diepst moet buigen: âGod is een Geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en in waarheid.quot; Een anders ongeloovig schrijver over het leven van J EZ us, voelde zich door dat woord zóó aangegrepen, dat hij uitriep: âToen Hij dat woord uilsprak, was Hij werkelijk Zoon van God! Dat woord is de grondslag voor den onvergankelijken, zuiveren godsdienst, den godsdienst die zal beleden worden tot aan het einde der tijtien; en zoo op tie andere planeten wezens leven, begaafd met zin voor recht en zedelijkheid, dan kan hun godsdienst niet verschillen
') Joli. 4:35.
*1 Jozuu 24 : b'2.
218
van dien, wolken .Tm's verkondigde bij de fontein Jacobs. Dat woord van .Jkzus is geweest als een bliksemstraal in den duisteren nacht, maar het volle daglicht zal eenmaal schijnen.quot; Zoo kan zelfs het ongeloof zich niet altijd losmaken van de overweldigende macht van het Evangelie, en vooral niet als het beluisterd wordt op de plaats waar de Heiland het sprak. O wonderbaar Evangelie woord! . . .
breek door, breek door!
J)at volk uw heilatein liuor',
Zoo blijke uw ^odd'lijk alvermogen,
Zuo klinkt uw blijniaar ééns alom En wordt deze aarde Uw lioiligdom.
Ja voorwaar, het levend water zal bruisen, het Woord des Heeren zal worden gehoord aan alle einden der aarde. Het heil is uit de Joden; de belofte behoorde niet aan Eiakaïm maar aan den Huize Davids, en de vervulling hebben wij hier voor ons. Ten tijde van den eersten en tweeden Jerobeam had men het niet gedacht, dat de vervallen hut van David, den Bethlehemiet, nog in helderen glans zou stralen, als het trotscho Samaria reeds lang van de aarde was weggevaagd. Maar zie hier het onderscheid tusschen menschel ij kc berekening en Goddelijk welbehagen, tusschen menschelijke overlegging en Cloddelijkc openbaring. âWij aanbidden, wat wij weten; gijlieden aanbidt wat gij niet weet,quot; heeft Jezus gesproken. En zie nu wat er van Israël geworden is; voor het uitwendige naar allo oorden der aarde verspreid, verjaagd, verstrooid, maar niet uit te roeien, en naar zijne ware, geestelijke ontwikkeling een zegen voor alle volken dooi' tien Zoon Davids, den Cuuistus Gods; en vergelijk daarbij het volk dor Samaritanen, ook trouw en taai vasthoudende aan zijne overleveringen, maar een wegstervende tronk, een kwijnend licht, een gemeente, met welke niemand meer rekent, waarop niet wordt gelet;
219
die weldra luuir laatste Paaschfwst oji den (Icriziin vieren zal en sterven met haar laatste offer, zender dat iemand er notitie van neemt, of één haar lijkzang zingt. Maar dan voelt men ook de heerlijkheid van tlods belofte en spreekt van tie levenskracht van Gods Woord; want zonder de belofte, zonder het Woord had er zoo min van den Jood eenigo heilskracht kunnen uitgaan als van den Samaritaan; zonder het Woord ook nit de Joden geen zending! â Zoo verlaten wij dan de Jacobs-fontein met haar heerlijk water; nog in haar verval een getuige van de nietigheid van wat do wereld biedt; maar ook van de onvergankelijkheid en onveranderlijkheid en eeuwige frischbeid van wat van Boven is. Want wat de Heer hier sprak, is voor duizend, duizend zielen nog een even frisse he laafdronk, een even levenwekkende teug uit een hoogere wereld, als toen de schare der Samaritanen, tot Hem gekomen, uitriep: âWij zelve hebben Hem gehoord en weten, dat Deze waarlijk is do CnmsTus, de Zaligmaker der wereld.quot; ')
Wij wandelden terng naar de stad, door de vallei die den Ebal van den (lerizim scheidt, circa duizend voet breed. Mozes had geboden, dat als Israël het land dei-belofte zou veroverd hebben, zes stammen zouden staan op de vruchtbare terrassen van tien (ierizim, en evenzoo zes stammen op de rotsachtige hellingen van den Ebal; terwijl de levieten van de eene zijde den vloek over du overtreders der wet zouden uitspreken, en aan de andere zijde zegen verkonden over de liefhebbers van des Heeren woord. 2) Men kan bijna niet gelooven dat op zulk een afstand de sprekers elkander verslonden. Wij hebben er een proef van genomen, en niettegenstaande er eenige wind
') Joh. i- : i;2.
2) Ueul. 'J7. .lozua y.
220
was, toch mul:. vuUlociidcii uitslag! Ook hier alweer liovestiging van Gods Wuord! Wij gingen langs de helling van den Gerizini, waar talrijke beekjes ruisehen, en cactussen, ulijt- en ooftbuomen tanielijk in 't wild door elkander staan. Hier denkt men van zelf aan de fabel van Jotiia.m, âvan do boumen, die een koning kozen,quot;1) want hier staan er van allerlei soort door elkander en in republikeinschc gemeenschai). Van een der terrassen van den Gerizhn is die fabel als een vlijmend scherpe satire den inwoners van Sichem tegengeslingerd; een vooruitspringende rots, juist daartoe geschikt, zal den verbuigen redenaar ten kansel hebben verstrekt. â Eindelijk kwamen wij weder in de stad en bij onze tenten aan. Vraagt ge, of wij van die wande-li ig iets hebben medegebracht? Een tlesch met water uit de Jacubsbron misschien? Maar wij hadden geen tlesch bij ons. Dan iets anders? Heer! Gij weet alle dingen ....
jS AM ARIA, UE VLAKTE VAN JlZREEL,
Dankbaar en voldaan scheidden wij den volgenden murgen van eene plaats, waar wij met innig genot hadden vertoefd; en buruiktun in anderhalf uur hut naastbij gelegen station Sebastye, de oude hoofdstad âSamariaquot;, die aan het ganschu land haar naam gegeven heeft. Zij bood heden een trotschen aanblik; dank hare wonderbaar schoune omgeving. In het midden van een vruchtbaar dal verheft zich een heuvel van ovalen vorm, met ruïnen gekroond, die getuigen van vroegere glorie. Daar stonden eens de afgodstempels un pracht paluizun van Israels koningen, sedert Omri dit oord tot zijn residentie verkoos,2) maar daar ook
') Uiclilercn U : 7 v.v.
'2) I Kun. 1 ü: 24.
221
traden heilige mannen Gods op, door den Heiligen Geest gedreven, om tegen den afval van -Ikiiova en den toene-monden zondedienst te getnigen, De ligging der stad is veel schooner dan die van .lernsalem, daar '/ij door geen steenachtig gebergte, maar door de weelderigste en vrnclit-haarste landouwen onningd is: doch ook nergens is de verzoeking zoo groot, om zich at te keeren van God, die op den Sinaï sprak: âGij znlt geen andere goden vlt;jor mijn aangezicht hebben.quot; Met geen treffender woorden kan men het karakter van deze koningsstad teekenen dan Jksa-fa het deed toen hij sprak in den naam des Heeren: âWee de hoovaardige kroon der dronkenen van Efraïm, welker heerlijk sieraad is eeno afvallende bloem, die daar is op het hoofd der zeer vette vallei, der geslagonen van den wijnquot;'1); en Seen meer letterlijke vervnlling kan men zich denken , dan die van Mioita's bedreiging: âDaarom zal Ik Samaria stellen tot oen steenhoop des velds, tot plantingen eens wijngaards; en Ik zal hare steenen in de vallei storten, en hare fundamenten ontdekken,quot; 2) Voorwaar! voorwaar, alles wat de wandelaar hier ziet roept met luide stem: Van deze woorden is geen tittel op aarde gevallen, maar alles is nauwkeurig vervuld. Men vindt hier nog meer dan honderd deels prachtig gebeeldhouwde zuilen, een breede kolonnade vormende, getuigen van vervlogen pracht; enkele zijn nog staande gebleven, de meeste in stukken geslagen of weggerold in het dal tnsschen gras en klaver. Zij dagteekenen uit den tijd der Romeinen, toen Hkkudks dm Guootk do stad met een nieuwen tempel versierde en haar ter core van Keizer Al'oustl's Sebaste, d. i. Augusta noemde; welke naam haar tot heden is bijgebleven. Hat men inden Uerodiaanschen
'i .le.saja : 1.
a) Miclia 1 : Ij.
222
tijd gebruik gemaakt heeft van het materiaal uit vroegere eeuwen, is wel zeker, nu men ook onder het puin, om den heuvel gestrooid, nog overblijfselen vindt van het oude; door de Assyriörs verwoeste Samaria. En toch heeft ook deze stad niet alleen de hand dor straffende gerechtigheid Gods, maar ook Zijne almachtige hulp en liefderijke voorzienigheid mogen ervaren. Hier heeft in zware tijden Eu sa. geprofeteerd; hier bezat hij zijn eigen huis,1) ton teeken hoe onder Gods bescherming in goddelooze tijden en onder weerspannige vorsten, nog veel zogen werd gesticht. Hier heeft hij met zijn volk de verschrikkingen van eene Syrische belegering doorleefd, quot;) en daarbij een onvergetelijk bewijs gegeven van des Heeren erbanning en de macht Zijns Woords. Aan den voet des heuvels staat nu een klein dorp en in de nabijheid een weleer heerlijke kerk, ten deele vervallen en aan Johannics den Dooper gewijd. Ook dit heiligdom is, evenals zoo vele andere, uit den tijd der kruisvaarders. Met wat noeste vlijt en stalen ijver hebben toch de Christenen der middeleeuwen, in den korten tijd dat zij meesters waren van het Heilige Land, gearbeid en alom reusachtige gebouwen gesticht, die den pelgrim ook nu nog eerbied afdwingen. Voornamelijk zijn het de ridders dor Johanniterorde, van wie ook deze kerk afkomstig is en die haar met hun eigenaardig kruisteeken hebben gemerkt. De Mohammedanen, die het nog overgebleven deel der kerk in een moskee hebben omgeschapen, metselden zooveel mogelijk dit gehate ('liristensymbool weg; maar houden toch den Nebi .iahja, gelijk zij den Dooper noemen, in eere. :|) â Langzaam daalden wij af, passeerden een paar kleine dorpen, en kwamen in een vriendelijk groenende
') 2 Kon. lt;i: .'(2.
â ) '2 Kun. li: '2 'i.
Vlim I li klit in v.MUs is hol vtnlmal, dal Jou \nnus liier li(gt;graveii is.
O 9 Q
_j ^ o
vlakte, waar een ineiiigtc ooievaars roiuhvaudelden. De ooievaar was reeds bij de oude Israëlieten een geliefde vogel, in tegenstelling met
do onliartlijke moeder, do struis!
Zij laat aan 't noodlot liaro ciorcn over,
Laag in 't zand, waar de hitte ze broedt;
Koel en lichtzinnig vergeet zij den roever,
't Vratig gedierte ot' den plettrenden voet. M
En de profeet .Ikkk.mia wijst op don ooievaar, ter beselia-ining van de mensehen, en zegt: âEen ooievaar aan den hemel weet zijne gezette tijden, maar mijn volk weet het recht des Hoeren niet.quot; 2) Wij reden vervolgens het onde Dothan voorhij, nit de geschiedenis van Jo/kf hekend, en kwamen na langen rit hij het liefelijk gelegen Dschennin. Palmen wuifden ons van verre reeds togen en de murmelende heekjes, die reeds ten tijde van .Tozlta vruchthaarheid aan het landschap gaven, :') waren nog niet opgedroogd. Op een vriendelijke vlakte waren onze tenten opgeslagen, en de ondergaande zon wierp hare laatste stralen over velden en heemden, hekleed met een weelderig grastapijt, de woorden hevestigende door Jacob hij de zegening van Issascmar gesproken: âToen hij de rust zag, dat zij goed was, en het land, dat het lustig was.quot; ') â De nacht ging kalm voorhij; geen jakhalzen, geen honden of ezels stoorden ons in den slaap, en den volgenden morgen ontwaakten wij verkwikt, gelukkig hij de gedachte dat de tocht heden gaan zou naar Nazareth. Nazareth, een naam in het Onde Testament niet te vinden, maar in het Nieuwe zoo nauw verhouden aan don naam van
') .lull Hl) i ll).
a) Jeromiii 8 : 7.
quot;) In .Iozua's diigcMi lin'llr hol: Kn-üamiim, liruimcnlior. ,Io/ii;i 111:21. 't Uenesls 411: 1
224
Hem, voor Wien eens allo knie zich buigen zal, der-genen die in den hemel, en op de aarde, en under de aarde zijn. Het stedeke ligt eigenlijk in een hoogdal, van alle zijden ingesloten: maar enkele huizen zijn op don bergrand gebouwd, en zien van die hoogte uren ver in 't rond. Welk een gedachte! Nazareth, eerst in de diepste schaduw der verborgenheid, is een stad geworden op een berg, welker licht uitgaat naar alle doelen der wereld!
Tnsschen ons on do bergen van Nazareth ligt een zeer uitgestrekte vlakte, de grootste in Palestina, bij de Arabieren genaamd: Kullhu merdsch ibn Amir, de vlakte van don zoon van Amir; het bijbolscdie Megiddo ') of vlakte van Esdrelom ook vlakte van .lizroöl genoemd. Aan onze linkerzijde zien wij den Kannel, en ter rechter het gebergte Gilboa, waar Saui, sneuvelde en Joxatfian don heldendood stierf, maar Pavii» zich zijner vriendschap een onvenvelkolijken lauwer vlocht, als hij zong: '') âGij bergen van Gilboa! noch dauw, noch regen inoet zijn op n, noch velden der hofoff'eren. Hoe zijn do helden gevallen in hot midden van den strijd! Jonatitax is verslagen op uwe hoogten, ik ben benauwd om uwentwille, mijn broeder Jonathan!quot;
Het eerste dorp dat wij na weinige uren bereiken is Jizreel, nu Serin; 't ligt op oen kleine hoogte on bohoerscht daardoor den gauschen omtrek. Hier was eens de residentie en stond hot lustslot van het afgodisch koningspaar Acitab en Iziobkl; hier hoeft Nabotit gewoond, wiens wijnberg hem het leven kostte; maar hier is ook hot gericht Gods heengegaan over Aciiais's huis, en wel zoo, dat allen die er van hooren, ook nu nog zeggen
â¢) 2 Clirnn. ;fr.: 22.
-j .Inditli I : 4.
s; 2 Samui.'l 1 : 21, 25, 2(gt;.
22quot;)
moeten: âdo Ho(n' hiat Zich niet bespotten.quot; De profeet Hoska heeft er aanleiding uit genomen, om het huis van Jkhu een dag van Jizreël te voorspellen1): âEn het zal te dien dage geschieden, dat ik Israels hoog verbreken zal, in hot dal van Jizreël.quot; De naam Jizreël heteekent: de Heer verstrooit , en herinnert niet alleen aan het oordeel Grods over Achab, maar aan de nederlagen en ellende van het gansche volk; en toch, ook deze onheilspellende naam zal heilzaam worden aan hel einde des tijds: âdan zullen de kinderen van Juda en de kinderen van Israël saam-vergaderd worden, en zich een eenig hoofd stellen, en uit het land optrekken: want de dag van Jizreël zal groot zijn.quot;-) Ook hier voorziet de profeet alzoo een beslissenden strijd, maar die met de zege van het volk Gods, onder de banier vanéén Koning geschaard, zal eindigen. Waarom is deze laatste zegenrijke worsteling met Jizreël in verbinding gobrachl ? Omdat dit terrein, de prachtigste vlakte van het geheele Heilige Land, gedurende alle eeuwen de vreeselijkste worstelingen aanschouwde, en getuige was beurtelings van nederlaag en zegepraal. Zóó in den tijd der liichtcren. Hier konden de Kanaanieten gebruik maken van hunne strijdwagens en legerde zich Sishba, tot Deboha het volk opriep naar den Tliabor.3) De steile Thahor diende als vesting aan het Israëlletisch leger, maar niet lang bleef het daar in veilige stelling: aangevuurd door het woord der profetie daalde het af in het dal; de Heer zelf daalde af onder de helden ') en Siskua's overmacht werd verstrooid. In (iIdku.n's dagen kwamen de Midianieton door
') llnsca ! : 1,
2j Mosoa 1 : 11.
:i) Mc Tluihor liijl :i:ui ilcn /00111 dnr vl.'iklr .li/i'ci'l. l) liiclil. 5:
220
dozo zelfde streek en dreven Israël naar de bergen, b maar hoe Gtideün in (lods kraclit dit gansch zeer gruote heir sloeg, is bekend. Hier gaf JronovA de zege aan Aciiab over den Syrischen Koning Bkniiadad 2) en leed Josia, de Koning van Juda, de neerlaag tegen Pjtahao NECiro, en vond den dood.:i) Hier ook behaalden de Fransehen onder Boxai'Ahtk en Ki.kbkk een roemruchte /egepraal. Joden, Heidenen, Saracenen, Christelijke kruisvaarders en antichristelijke Kranschen, Egyptenaren, Perzen, Dmsen, Turken, Arabieren, strijders van alle eeuwen en van alle volken onder den hemel, hebben op deze vlakte hunne tenten opgeslagen, hunne banieren ontrold en zagen die banieren beurtelings bevochtigd door den dauw die van den Timber daalde of bemorst met der vijanden bleed. Thans huist hier een zwerm ooievaren, die dit terrein voor hun jachtvermaak hebben gekozen. Maar ook het vriendelijk dorp Sunem ligt in de nabijheid; wij rijden er heen om een oogen-blik rust te nemen en de brave Sunamitische te gedenken, die den profeet Eliza zoo voortreffelijk herbergde, .ia, onze achting stijgt voor haar, van wie in den Bijbel verhaald wordt dat zij voor den Godsman een bed, een tafel, een stoel en een kandelaar in de opperkamer plaatsen liet, ') sedert wij ervaren hebben, dat in het gastvrije Oosten deze dingen als artikelen van weelde te beschouwen zijn. Tn mijn geest zie ik haar over deze vlakte naar den Karmel ijlen, met de hevigste smart in het hart, zooals alleen eene moeder gevoelen kan, om hulp en troost bij den profeet te zoeken. Hier is ook de vaderstad van Sülamitji, voor wie de Koninklijke Bruidegom zijn Hooglied zingt. In
â ) Iticlil 0:1 v.v.
') 1 Kon. 20 : '20 v.v.
quot;) 2 Chi'oii. li.quot;): 22 v.v. Vermel. Zachnrms 12 : 11.
') 2 Kon. ï : 10,
do nabijheid ligt Endor, waar Saui, do toovoros bo/odit, on daar vóór ons Naïn, uit het Evangolio wo! bekend als het stedeke, waar de Hoero, de Koning des levens, met Zijn machtwoord aan den dood zijn prooi ontrukt!1) op de plek, waai' vermoedelijk dit wonder heeft plaats gehad, hebben do Franeiskaners eeno kapel gebouwd, waarin van tijd tot tijd de kloosterbroeders van den Thabor eene godsdienstoefening houden, daar in Naïn zelf niet één Christen woont, uitgezonderd de Arabier, die het ambt van koster waarneemt. Vroeger stond er een Christenkapel, die door de Mohammedanen in een moskée werd veranderd, maar daarna weder in de handen der Franciskaners kwam, voor het bagatel van 2.000.000 francs, hun door knoeierijen en bedriegerijen afgeperst. In het kapelletje zijn twee groote marmeren platen, links en rechts van den ingang ingemetseld, waarvan de een de geschiedenis der opwekking van den jongeling, do ander van de herstelling dezer kerk vermeldt. Ook staat naast de kerk een zeer eenvoudig lokaal, waarin pelgrims kunnen gaan om te eten of hun nachtleger te spreiden.
En nu, snel in den zadel gestegen en dan naar Nazareth. Den Thabor laten wij aan onze rechterhand, gaan een eindweegs voort in do vlakte en dan langzaam don berg op: ja, het is in den vollen zin des woords een bergtoer dien wij maken, en de vele kudden die men ontmoet geven iets Zwitserse-h aan dit berglandschap. Ook koeien grazen hier in betrekkelijk groot aantal en lang-oorige geiten, evenals in Jacob's tijd2) nog altijd zwart, terwijl do schapen gewoonlijk wit zijn. in de verte alleen door d»1 klem te onderkennen.
') Lucas 7:11 v.v. 2) (lenesis ÃO ; !M v.v.
228
J^AZARETH. |lt;ARMEL.
Eindelijk hebben wij den bergTand bereikt, dalen in bel boogdal af en rijden hot stedeke binnen. In de nabijheid dor Griekscbo kerk zijn de tonton opgeslagen. Wij gebruiken het middagmaal en begeven ons dan naar het klooster der Franciskanors, wier rector, pater Soos, een Nederlander van geboorte, mij ten vorigen jare zoo recht hartelijk ontvangen had. Ook thans liet de ontmoeting niets te wenschon over; ik overhandigde hom oen brief van zijne zuster uit Rotterdam, doelde hom goede berichten mede van zijne familie, beantwoordde een en ander wat hij mij aangaande den kerkelijken en politioken toestand van Europa vroeg, om daarna onder de leiding des paters naar do kerk der âAankondigingquot; te gaan, gebouwd boven do plaats waar eens de woning van Maria moet geweest zijn. Hot gebouw is prachtvol en niet overladen mot sieradiön; in de ondoraardsche kerk bevindt zich do kapel dor Aankondiging, een zuil wijst do plaats aan waar de Engel aan Makia verscheen en boven het altaar prijken do woorden: ,,Hic verbum caro factum estquot;: âHier is het Woord vleesch geworden.quot; Van daar naar do âwerkplaats van Jozei'quot;, thans nog aangegeven door eeno zoor bescheiden kapel, maar pater Soos vertelde mij, hoe men na langdurig onderzoek tot de zekerheid was gekomen, dat op deze plaats eens een groote kathedraal had gestaan, waarschijnlijk uit de vierde eeuw; dat daarom, zonder iets van die ontdekking te laten blijken, de omliggende huizen en tuinen, allen toe-behoorende aan Mohammedanen, langzamerhand waren aangekocht en men nu eindelijk in het bezit was gekomen van het geheele terrein. Dat natumiijk alles in stilte had moeten gaan en zonder oenigo medewerking van anderen.
laai xlrlI l)eyri,ii)cii; want liaddon du M(jluiiiim(3daiioii bomcrkl waar hot om to doon was, dan, o woo! - donk aan do kapel to Naïn! - zou tie waarde van die onbetoekenendo huizen, of liever vnihüskrotton, eensklaps tot eenige honderd-dui/.eiulon guldens gestegen zijn, terwijl men er zich thans voer eene betrekkelijk kleine som van meester gemaakt had. De pator liet mij de ontbloote grondslagen zien en wachtte den volgenden dag don bisschop van Jerusalem, om over hot plan van den bouw to spreken. Volgons gemaakt bestek zou hier een kathedraal verrijzen, de grootste van het Heilige Land. Blijdschap straalde uit zijn oog, en oen gloed van verrnkking kwam op zijn gebruind gelaat door de voldoening die hij smaken mocht van zijn jarenlangou arbeid. Ik kon mij die voorstellen en misgunde zo hem niet; maar toch vergeve hij liet mij dat ik opzag naar de bergen, togen wier helling de kleine Evangelische kapel is gebouwd, met de bode dat ook hier het Evangelielicht al meer en mooi moge doorbreken in waarheid en klaarheid, en dat voor die zielen, die nu nog tot Makia en tot Jozef, den sc,hutspatroon der kerk, als wegbereiders naar den Hemel opzien, eens èn Maria èn Jozkf mogen wegvallen, en niemand overblijven dan .Ikzcs alleen! Nog bezochten wij do synagoge, waar de Heer inging op den dag des Sabbats, en opstond om te lezen. âEn,quot; zoo zegt ons Lucas, ^ âHem werd gegeven het boek van den profeet Jesa.ta; en als Hij het boek opengedaan had, vond Hij do plaats daar geschreven was: De Geest des Hoeren is op Mij, daarom heeft Hij Mij gezalfd; Hij heeft Mij gezonden om den armen het Evangelie te verkondigen, om te genezen die gebroken zijn van harte; om den gevangenen te prediken loslating, en den blinden het gezicht; om de verslagenen heen te
230
/amkIi'ü in N'iijlu'id: om to pmlikcui hct aiingciiaine jaar dcs lleeren. En als Hij het liuek toegedaan, en den dienaar wedergegeven had, zat Jlij neder, en do oogen van allen in de synagoge waren op Hein geslagen. En Hij begon tot hen te zeggen: âHeden is deze schrift in uwe ooren vervuld,quot; Gelijk zich toen allen die Hem hoorden verwonderden over de woorden die van Zijne lippen kwamen, zoo is er ook nu nog bij al den rijkdom der Heilige Schrift, geen woord dat troostvoller is en ons duidelijker zegt, wat wij aan Jk/.üs hebben, en aan Jkzus alléén. Welgelukzalig de inensch die het slotwoord verstaat, en zeggen kan: ja ik weet en ben verzekerd: ook voor mij vervuld!
Van daar wandelen wij naar de Mariabron, de eenige in Nazareth die liet gansche jaar vloeit, en waar Maiua dus ongetwijfeld dikwijls zal geweest zijn om water te putten. De Grieken meenen, dat de ontmoeting met dei; Engel niet in de binnenkamer, terwijl Mauia in het gebed was, of gelijk de schilders het meermalen voorstellen, terwijl zij aan het spinnewiel zat, zal hebben plaats gehad, maar aan de bron, toen zij met haar gevulde waterkruik weer wilde heengaan. De Grieken hebben dan ook op eene andere plaats in de nabijheid hun heiligdom gebouwd. Onder het altaar is een reservoir, waaruit men ons te drinken gaf. â Gansch anders dan te Jerusalem ot Bethlehem, leven hier de Roomschen en Grieken in vrede; ook tegenover de Protestanten wordt verdraagzaamheid beoefend; en vooral bij de bron, waar men van 's morgens vroeg tot 's avonds laat menschen vindt, is alles één. Met bijzonder genot zagen wij de bonte kinderschaar, knapen en meisjes, hun kruik met zooveel bevalligheid op hoofd of schouder wegdragende, of den tijd des wachtens zich verkortende met allerlei scherts. Zeker heeft ook het JKzus-jdnd ten tijde dat Hij met Zijne ouders
231
in Nazarotli was, Zijn kinikjo naar do bronwel gebracht, en in den geest ziet inon Hom in dion zwerm, maar als het volmaakte Kind, als do zachtmoodigsto en geduldigste ondor allon. â Doch volg mij, vóór do avond gedaald is, nog naar gindsclie hoogte, om een heerlijk uitzicht to genioten over do goliooio stad. Tnsschon de borgon gelegen, omzoomen dozo haar mot groononde veldon, hier en daar door zwaro cactnshoggeii gosohoiden, mot olijfltoomon beplant on in do lento mot voelklonrigo bloemen versierd; 't gohoel gooft ii don indruk van stiiio vorborgonheid. Hior in dit Claliloosclio iioogland zijl gij eensklaps in een andere vvorold. Diep onder u ligt do vlakte vanwaar go zijt opgoklommon, maai do strijd on het krijgsgeschrei, waarvan doze in vroegere eeuwen getuige was, zijn niet opgestegen tot Nazareth. Hior do bodem eens Nieuwen Vorbonds, dat don waren Hovonier on den Goodon Herder wachtte. In vergelijking met .ludea en Samaria is Galilea door do historie des Ouden Testaments stiefmoederlijk hedoold, on Nazareth bovenal; zij meldt hier van geen wonderdaden of mannen Gods. Kan uit Nazareth iots goeds komen? Is ooit eon profeet uit Nazareth opgestaan? zoo heette hot ten dage des Hoeren. Maar reeds .1 msaja profeteerde: ') ..Het land dat beangstigd was, zal niet gansoh verduisterd worden; gelijk als Hij het in den eersten tijd verachtelijk gemaakt hoeft, naar het land van Zebulox aan, en naar hot land van Nafthali aan, alzoo heeft Hij hot in het laatste heerlijk gemaakt, naar den weg zeewaarts aan, gelegen over den Jordaan, aan Galilea dor Heidenen. Hot volk dat in de duisternis wandelt, zal eon groot licht zien; degenen die wonen in hot land van do schaduw dos doods, over dezel-
') Jesuja 8 : 'ilJ; iJ : I.
ven /al een licht srhijiicn.'' Kn ja, tueii do Zouli do monschen hier over do borgen uf langs du velden van Nazareth wandelde, on de vogelen des hemels en de bloemen aan Zijne voeten Hein spraken van Zijnen Hemelsehen Vader, schemerde het morgenrood van een nieuwen dag, welks licht de vorste wereldstreken zal doorstralen. Hier op de hoogten was Hij in voortdurende gemeenschap met tien Vader; en welke plek is daartoe meer geschikt ? Zie rondom n: tiaar de geheinmisvolle Thabor; ginds de Kannel. do oude getuige van .Ikhova, zich verheffende als een hoogaltaar; om u berg en dal met luide stem sprake uitstortende van Gods majesteit en ontzaglijke heerlijkheid: terwijl dan weder de groenende vallei stillen vrede ademt. Klim hooger op, en uw blik ziet heen over de grenzen van het land; den lïonnon ter eener, den oceaan ter anderer zijde; welke gedachten deden zij oprijzen in het hart van Jkzüs! Die wereldzee, bestemd om eens de blijde boodschap van Clalilea naar de kusten van (Irieken-land en Rome heen te dragon, naar de âeilanden van het Westenquot; reeds door de profeten groot genoemd. Zeker zag Zijn oog reeds vroeg en lang daarheen. Is het wonder, dat het eerste gebod dat Hij Zijnen jongeren leerde, voor het ecnc volk zoo goed als voor hot andere past, en maar één rijk kent op do gansche aarde? Zoo ook hot laatste dat Hij in de Paaschzaal bad, en waarhij Hij den heidenen gedenkt, die door Zijne jongeren do blijde boodschap zullen ontvangen '). â Maar hoe schoon ook de omgeving van Nazareth is, het zou dwaas zijn indien wij voor de ontwikkeling van het .1 Kzrs-kind daaruit alles willen atleiden. Ware Zijn spreken en denken een vrucht van Zijn aardsche vaderland geweest, Hij had de menschen niet van een
') Juli. 17 : 20, verge I. met 10: 10.
ander en huogoi' ^espruken. Ouk zou IliJ niet oji zulk eeu büsliston, weerstaud en grovo logmispraak gestuit zijn als hem in Zijn vaderstad ten deel viel. Nog toont men u de rots, waarvan men Hem in blinde woede wilde neerstorten. ') Zijn (Ic'st was even min als Zijn rijk, dat 11 ij .stichten kwam, van deze wereld. Daarom moest Hij, door Nazareth uitgeworpen, omdwalen, klagende: de vossen hebbcm holen, de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des menscheii heett niets, letterlijk niets, waar Hij het hootd op neerleggen kan; tot Hij ten slotte het boog aan het kruis. Voorwaar Hij heeft allen haat met liefde vergolden, en gelijk de wereld bij hare verguizing van Hem heil ontving, /00 is ook aan dit Nazareth zegen geschied. Want Xazarenerquot;, die eeretitel staat niet alleen boven het kruis, als boven een eerezuil geschreven, maar wordt do wereld door verkondigd, en in den Hemel zal door do schare die niemand tellen kan, die bekleed is met het witte kleed en palmtakken draagt in de handen, worden aangeheven: .1 uzi's de Nazarener! Jkzijs van Nazareth! â O! klein maar weerspannig stedeke van Gal ilea, is er grooter eere denkbaar?
Toen het duister begon te worden daalden wij af, want voor een vreemdeling is het niei goed hier in het donker te dwalen; niet om de bevolking, 0 neen! pater Soos gaf mij de vaste verzekering, dat tegenwoordig de lieden van Nazareth quot;) vriendelijk en betrouwbaar zijn, zoowel Mohammedanen als Christenen, en ook streng in zedelijkheid; maar omdat de weg niet altijd best, en soms gevaarlijk
') Lu kas 4: 2!).
'l l)c lievdlki van Xiizai'uth licdraaKl .Mi.'iO ziclun: KiOO Moluiiiiiuuilaneii, 2000 lii'ieksch Oi'llioilo.KLMi, 1000 Koomseliun, quot;200 Mai'ouilen, uu 250 l'i'olesUuiton. Vuur hut h'i'iKjtsUquot; (ji'iIccUc lioililon /.ij zich mul liiinliimw mi veetuull. Joclun worden
liior niet ge d u 111.
234
is. Tii goede orde mi zonder eenig ongeval vonden wij onze tenten weder.
Do volgende dag was aan de buzichtiging van den Kannol gewijd, 't Was prachtig weer. Wij reden in westelijke richting, staken den Kison over, en trokken nu dicht langs den voet van het gebergte heen. Dit strekt zich als een Juraketen lijnrecht naar hot noordwesten uit. Gelijk zijn naam âBoomgaardquot; reeds vermoeden laat, was iiij den Israëlieten door zijn schoonen plantengroei, dichte wouden1), bloemen- en kruidenrijke weidon lief2); als de profeet der woestijn aan do toekomst het heerlijkste belooft, spreekt hij van de heerlijkheid van Libanon, het sieraad van Karmel en van Saron.a) Di vergelijking met deze beschrijving is de tegenwoordige noordelijke bergwand kaal en dor, maar dit geldt niet voor hot gansche gebergte, 't Is waar, de wijngaardeniers, die Uzzia 4) aanstelde, arbeiden hier uiet meer, maar toch vertoont zich nog immer weelderige wasdom in de hoogdalen en aan do zuidelijke hellingen. Aan do zuidwestzijde zijn vele holen, die den vervolgden Joden in Elia's dagen ter schuilplaats dienden. Ook Eliza had hier zijn lievelingsplek. fi) Met het oog op do monniken die er hun klooster bewonen, wordt de Karmel door Jacobus de Vjtiuaco vergeleken met een bijenkorf, in wier cellen, âvele bijen dos Hoerenquot; hunnen honig uit geestelijke zoetigheid bereiden. Men kan den profeet Amos quot;) alleen verstaan, als men den Karmel met zijne kloven en spleten gezien heeft. Waar de strijd tussehen Elia en tie Baaispriesters
') Van dam'dat in liet Hooglied 7;.quot;), hut hoofd van Sl'r.wirni mul dun prach-lij^cn haai'dos lii.j den Kannul vui'gululiun wordl.
2) Miulia 7 : li.
3I .lesaja 35: '2.
'j 2 Cl iron. 2ü ; Kt.
s) '2 Kon. i : 25 un 2 Kon. 2 ; 2 5.
quot;) Amos 'J : 3.
285
heeft plaats yoluul, is niet met zekerheid aan te wijzen. Veel pleit voor het vermoeden, dat niet ver van den hoogsten top (1200 voet) het ontzaglijk wonder zal zijn geschied; immers, hier was reeds vroeger, vóór den tijd van Elia, een altaar gebouwd; en ook weet Tacitus ') van een altaar te dier plaatse te spreken. Maar men heeft gevraagd, vanwaar Elia het water liet halen, waarmede hij zijn outer overgoot; want al werd hier ook te dien dage een bron gevonden, dan is het toch niet waarschijnlijk, dat deze bij de langdurige droogte, die was voorafgegaan, nog vloeien zou; doch al moest ook het water een paar uur ver naar boven worden gedragen, dan heeft dit bij het hoog gewicht van het feit dat plaats had niets te beduiden. In ieder geval vond het dooden der Baaispriesters aan den voet van den berg, bij de beek Kison plaats, '2) waarheen men hen voerde om den heiligen berg niet door hun bloed te ontwijden. Na dit strafgericht is uitdrukkelijk gezegd, dat de Koning weder optoog naar de offerplaats om te eten en te drinken, desgelijks de profeet, maar deze om te bidden; en zijn jongen deed hij opklimmen tot de hoogte van den bergtop vanwaar hij de zee kon zien.
's Middags waren wij op de westelijke punt van den Karmel, 000 voet boven de oppervlakte dor zee, een hoogte die niets te beduiden heeft, maar zoo schoon is van vorm, en in zulke bevallige lijnen zich neerbuigt naar het strand, dat de profeet Jkhkmia, in één adem over den Thabor en den Karmel sprekende, zegt: !l) âHij zal voorzeker, als Thabor onder de bergen, en als Karmel bij de zee, aankomen.quot; Het uitzicht dat men daar boven geniet is onbeschrijfelijk schoon; naar drie zijden dc oceaan, door het licht der
') llist. '2:78.
-) I Kom. IS ; 40.
:'l Jercmiii 4(j; 18,
236
Oüstersche zon gekleurd; noordwaarts de hlauwendo bocht van Akko, door een verblindend witto zandstreop begrensd; aan onzen voet Haifa, door palmen overschaduwd en met velden omgeven, zoo sierlijk, als had moeder natuur juist hier een prachttapijt willen uitspreiden, met de schoonste kleuren doorweven; achter ons het Eliaklooster, in Italiaan-schen stijl gebouwd en ruim genoeg om twee a drie honderd pelgrims te herbergen. Toen wij er waren heerschte ei' een ongewone drukte, daar juist een stoomboot met Fransche geestelijken en leeken was aangekomen, die allen voor een paar dagen gastvrijheid verzochten. Hun aantal was zoo groot, dat zelfs in de gangen van het klooster de bedden gespreid en tenten op de ruime binnenplaats opgeslagen waren. Een Vlaamsche monnik leidde ons rond en was als gids spraakzaam, voorkomend en bereidvaardig, maar hoe vriendelijk ik ook ontvangen was, toch was het mij goed, om weder buiten de kloostermuren de vrije natuur te genieten en de majesteit en heerlijkheid Gods te bewonderen, waarvan hier duizend stemmen sprake uitstorten, 't Is hier een plek, waar men geen uren, maar dagen, zelfs weken wil blijven; een plek, waar hemel, aard en zee en berg en dal in volle akkoorden Gods grootheid zingen, en de mensch, het kind van 't stof, moet uitroepen: O mijn God, wat zijt Gij groot! En toch, hoe schoon ook de natuur, hoe liefelijk ook haar avondlied, toch zegt zij en bezingt zij niet alles. Neen, aan den starrenhemel of op het grastapijt staat de naam mijns Heilands niet; en hot golfgeklots spreekt mij niet van Zijn kruis! 't Ts zooals de dichter van een onzer Evangelische gezangen zingt:
Maar toen die God voor ons, godloozen!
Zijn Zoon ter kruisstraf overliet,
Zóó groot, zóó Uodiijk, zóó oneindig
Zie 'k Heer U in de schepping niet!
Hiervan doordrongen is er seen kloosterklokjo noodig om ons op te roepen tot het avondgebed; maar als van zelf buigt ge de knieën en 't is de taal der ziel:
'k Aanbid U, nooit begrepen Liefde,
Ik zink, mijn Vader, (lod en Heer!
Voor U in sprakelooze aanbidding,
Bedwelmd door Uwe ontferming neer!
PE ^EE VAN yiBERlAS.
Des anderen daags koerden wij naar Nazareth terug, zochten daar onzen gastvriend, Pater Soos, weder op, maar nu om snellijk afse-heid te nemen, en dan te gaan naar Kana in Galilea, een afstand van twee uur. Nauwlijks zijn wij in het dorp gekomen, of onder het geroep van hadschi, badschi, (pelgrim) loopt de vriendelijke jeugd ons na, om water aan te bieden. Van de 600 inwoners zijn de helft Mohammedanen, de andere moest Grieken, weinige Roomschen en Protestanten. Hot Roomsehe /endings-huis, door de Praneiskaners gebouwd, wordt gezegd te staan op de plaats waar de Heer Zijn eersto wonder verrichtte. ') In de Grieksche kerk, geheel nieuw, toont men twee waterkruiken, nog van dien hoogtijd overgebleven, en rechts en links van het altaar geplaatst; ja zelfs wijst er de traditie het huis van Nathanaël aan! Een bron van wijden omvang bevindt zich midden in het dorp. Wij rijden verder, eerst langs akkers, door boogopgaande cact ushagen gescheiden, en dan over eene vruchtbare vlakte naar don Thabor. Ik had dien berg ook ten vorigen jaro gezien, maar het
') .loliannes :!: 1 â 1 1.
238
schoonst dunkt hij mij van Nazarollis hoogte, vanwaar inon tien runden in[» ziot, sierlijk als een koepel, die een heiligdom kroont, .la, die berg past in zijne gestalte en vorm zoo juist bij do geschiedonis van Jezus' verheerlijking, dat ik best begrijpen kan, boe de overlevering daarvoor den Tbabor heeft aangewezen. Op den top zijn thans twee kloosters gebouwd, met tuinen, stallen en bijenkorven omgeven; zeker altemaal nuttige dingen, maar op den Tbabor zag ik ze liever niet. Ook in Jezus' tijd was het hier niet zoo stil en eenzaam als men wel denken zou; neen, veeleer toonen de fundamenten onder de tegenwoordige gebouwen, dal bier een dorp of stad moet gestaan hebben, ') ofschoon de weg daarheen nog al lastig zal geweest zijn. Maar bergbewoners, men ervaart zulks in Zwitserland, zien tegen een stellen weg niet op; en bovendien: het is op den Tbabor zoo schoon! Gelijk het goud onder de andere metalen, is de Tbabor de schoonste onder alle bergen der aarde; als een dauwdrup op het bl.id eener roos staat hij daar op .1 izreëls bloeiende vlakte 2) en die vlakte is de tuin, de bloembof van Palestina. Op den Tbabor boomen van allerlei soort, en tusschen hunne takken âvogels van allerlei vleugels.quot; En het uitzicht? Ik geloof niet dat er in de wereld één berg is, die bet schooner kan bieden: de rijkdom der natunr-tooneolen is hier weergaloos. Alles goed, zegt gij, maar als de Tbabor bewoond geweest is, boe kan hij dan de berg der verheerlijking zijn? Zoo hebben ook anderen gevraagd, maar men bedenke, dat, al waren bun-ook vóór achttien eeuwen een stad en sterkte, er tóch wel een onbebouwd gedeelte des bergs zal geweest zijn; de oppervlakte is zoo ruim en zoo breed!
') rr.AVnis JnSKPilUS, Jnndsc.ho Oorlopo.n i : 2.
-) SmiunKivr.
239
Te voet daalden wij af, daar do paarden wol bewon-deronswaardige kliimners zijn, maar minder siu;l naar benedon gaan. Wij genoten een heerlijken avond. Onder prachtig weder stegen wij don volgendon morgen in den zadel. Hot wachtwoord was: naar Tiijorias! Do weg daarheen ging over hoogdalen, bijna allen onbewoond. Dit is vroeger zoo niet geweest, integendeel, .Ioskpiiuh meldt ons dat ten tijde des Hoeren er in Galiloa waren 204 steden en dorpen, en dat do kleinste van deze nog 15000 inwoners telde.1) Wel moet men hier aan overdiijving donken, maar toeh heeft in dien tijd het kleine land oen groute bevolking gehad en gevoed. Vergeten wij hierbij niet dat de vruchtbaarheid van Galiloa zeer groot was, en dat nog heden op sommige plekken van het dal van Jizreöl vijftig-voudig wordt geoogst: wat moet hot dan niet geweest zijn in die dagen van bloei! Langer dan wij gedacht hadden, duurde de eentonige weg; eindelijk was de zoom van het bergplateau bereikt: vóór ons lag hot moer van Tiberias, in zijne gansche breedte te overzien, en aan onze voeten do stad van dienzelfden naam. Wij luidden ons dat meer grootor voorgesteld, maar juist zijn kleinheid en bescheidenheid maakt een des te roerender indrnk. Wat zijn allo zeeën die onzen wereldbol omspoelen, vergeleken met dit meer, dat, in oen betrekkelijk eng dal ingesloten, de schouwplaats van don arbeid onzes Verlossers was? Hier zijn de netten geknoopt en de visschors gevormd die zo op des Hoeren woord zonden nitwerpen in don grooton woroldoceaan, om alzoo winst te doen voor hot Koninkrijk Ctods. Met diepen eerbied groeten wij dien vlood, in welks spiegel het vriendelijk gelaat dos Hoeren zich zoo vaak weerkaatste, op welks golven zich zoo dikwerf Zijne heerlijkheid hooft
') I r.Avnis .Insuriius, (. a. \gt;. 1: Li.
240
geopenbaard. Wij zelf bevinden ons nu nog oonigo honderden voeten boven het meer. In het noorden zien wij den berg van Hittim, naar alle waarschijnlijkheid de berg waar de Heer het âZalig, zalig, zaligquot; sprak. Opmerkelijk, de bloedigste slag, die ooit in hot Heilige Land geleverd is, en die aan het koninkrijk Jerusalem don doodsteek gaf, is do slag van Hittim. Hier, waar de Heer voor aller oog de banier des vredes ontrolde, werd het vreesolijkst zwaard-gekletter gehoord, en ten slotte» eene beslissende zegepraal behaald door do strijders onder de halve maan! Is het ook of wij bier nog na eeuwen eene stem hoeren, die krachtiger dan alle krijgsgeschreeuw, niet wegsterft, eene stemme Gods, die zegt: âNiet door kracht noch door geweldquot;? Maar herlezen wij die droeve bladzijde, door de pen der historie beschreven:
Het Christelijk leger vertoonde zich eensklaps in de vlakte die bij Hittim ligt. Gov van Luskin a x wilde zich van Hittim meester maken, voornamelijk om bare helder vloeiende bron, die de eenige is in den omtrek. Saladin begreep zulks. Nauwdijks zag hij dan ook den Koning van .ierusalem naderen, of hij bracht zijn kamp naar Hittim over, en nam de hoogten dor beide horens van Hittim in bezit. Eenmaal meester van de bron, wachtte hij do kruisvaarders, wier waterzakken ledig waren, gerust at. Des anderen daags, den 4'l',n -itili 1187, begon de slag: het bloedbad was ontzettend. De Muzelmannen hadden don oogst in brand gestoken, van daar wolken rooks on stroomen vuurs, die onder de paarden beengolfden, en don hachelijken toestand der kruisvaarders nog hachelijker maakten. Dit eenig Christelijk legerkorps, dat met den vijand slaags bleef, maakte zich stormenderhand van den berg dor zaligsprekingen meestor; daar sloten do tempeliers, de hospitaal- en andere ridders zich bij den Koning aan. Do bisschop van St. Jean d'Acre,
241
plantte het kruis als een standaard op do plaats, waar de Heero onder de schare opgetreden, zeido: âZalig zijn de zachtmoedigen, zij zuilen liet aardrijk beërven!quot; Het viel in de hand der Muzelmannen, de Bisschop sneuvelde, de Koning werd gevangen genomen, er bleven niet over dan gevangenen en dooden. ') Bij den Berg der zaligsprekingen werd alzoo voor goed aan de macht der kruisvaarders een eind gemaakt. Maar niet aan het Rijk van Koning Jezus; 't welk niet van deze wereld is. De banieren die Zijn kruisteeken dragen, mogen niet golven over het oorlogsveld en bezoedeld en verscheurd worden door kruitdamp en kogelregen; dit prediken ons de hoogten, waar de bloem der Christelijke ridderschap viel voor het kromzwaard van den valschen profeet.
Toen ik ten vorigen jare mijn eerste reis maakte door het Heilige Land, heb ik in een groot gezelschap van Engelschon, heeren en dames, den Hittim beklommen. Welk een pracht! Groen van alle zijden; bier als op oen bloembed staande beeft de Heer kunnen zeggen: âAanmerkt de leliën des velds, hoe zij wassen: zij arbeiden niet en spinnen niet, en Ik zeg u dat ook Salomo in al zijne heerlijkheid niet is bekleed geweest als een van deze.quot;3) Ginds de liennon met zijn sneeuwveld; hier aan uw voet het vriendelijk landschap in lentetooi: links de Thahor, en daar de waterspiegel van Tiberias, door een prachtlijst van bergen omgeven, als ware bet een meer van Zwitserland. De gansebe berg is een door God geschapen kansel in een wijden, wijden wereldtempel, waarboven zich de hemel als een onmetelijk koepeldak uitbreidt, 't Was ons als zagen wij daar aan de zachtglooiende helling een
') Correspoiidance d'Orient.
Mattheüs li; 28 v.v.
10
242
schare van heilbegeerigen neergezeten, armen van geest, treurenden, die maar geen vertroosting kunnen vinden, hongerenden .en dorstenden, wien het laffe brood en de laafdrank, door do wereld geboden, niet meer voldoen. Maria's, Martha's, visschers en tollenaars, en nog achter dezen een hoofdman van Capernaüm, die zegt: ik ben het niet waard! maar het toch niet laten kan, om als een onwaardige tot Jezus op te; /ion en dan zicb in Zijne nabijheid zalig gevoelt. Een Engelsch predikant nam zijn Nieuw Testament, en las voor Mal tli. ö : 1 â 10, daarna zongen wij een lied; 't was of er nog iets om ons mischte van wat hier vóór achttien eeuwen gehoord werd; of er nog eenige kruimkens waren overgebleven van den disch toen gespreid. Maar genoeg, wij dalen af en staan na een half uur aan de muren van de zeldzame stad Tiberias, door Hekodks Antipas, den moordenaar van Johannes den Dooper, gesticht, en naar Keizer Timoiuus genaamd. Ofschoon de hoofdplaats, is zij toch eng en bekrompen, maar hare ligging aan het meer is buitengewoon schoon.
Onze tenten zijn opgeslagen buiten de stad aan den oever van het meer, dicht bij hel badhuis; op den weg daarheen vindt men telkens gebroken zuilen of overblijfselen van muren, die ons zeggen dat het oude Tiberias zich in deze richting op de smalle strook lands tusschen het meer en het gebergte heeft uitgebreid. Nemen wij aan, met vele beroemde Schriftuitleggers, dat Kakkath in het Oude Testament ') de voorgangster van het latere Tiberias was, dan past de naam voortreffelijk op het terrein, want Rakkath beteekent: âde smalle.quot; De plaats waar de warme bronnen ontspringen, heette ten tijde van Hrhodes Emmaus. 2) Vroeger door velen bezocht, zijn thans de, badgasten wei-
') .lozua 11): 35.
'I l'f.Avius Joskpiius, .Inodsclie Oorkipen 4:2.
'248
nigen, ofschoon het water, dat oen warmte van 62° C'. heeft, naar de meening der geleerden voor lijders aan rhenmatiek en huidziekten heilzaam is hoven allo baden van Europa. Die verlatenheid is voorwaar geen wonder, want liet badhuis laat aan reinheid on zuiverheid alles te wenschen over; de weg daarheen is meer dan slecht, zoodat het voor zieken schier onmogelijk is om er to komen, terwijl de stad zelf, do koningin der vlooien genoemd, tot verblijf volstrekt niet uitlokt. Het meeste water loopt alzoo ongebruikt weg, op do stee non een groenachtigen neerslag achterlatende.
Na de verwoesting van Jerusalem is Tiberias, op godsdienstig en wetenschappelijk gebied, do hoofdstad des Joodschen volks geworden: hier zetelde het Sanhedrin, het hoogste gereehtshof. Hier werd na een arbeid van veertig jaren de Misclma, het eerste gedeelte van den Talmud,1) voltooid door rabbi Ji-da, president van het Sanhedrin en hoofd van de School, die door de rabbijnen Akiba, Assciiah en Maimon tot grooten bloei is gel)racht. Men eert hunne graven op het hoogst en toont ze den belangstellenden vreemdeling.
De landstreek om het meer is zelfs nu nog aantrekkelijk, maar wat moet ze niet geweest zijn ten tijde van des Hoeren omwandeling! Flavius Josiamus schrijft er van: ..'t is hier schoon en vruchtbaar; er zijn geen boomsoorten die hier niet groeien willen en do bewoners kweeken hier allerlei planten aan: de lucht is zóó gematigd, dat alle soorten van vruchten hier kunnen geteeld worden. Men
') De Tnlmud (luer) bestaat uil twee deelen: de Misclina, of verzameling van wetten, door Mo/.ns aan .Io/.ua gegeven, en liij overlevering van geslaelit tot geslachl bewaard: on de (ieniara, connnentaren of verkluringen op de Misehna bevattende. De (ieniara is tweeërlei, een .lernsalemsclie en liabv Ionische. De Dabybmisebe wordt met de Misehna nilsluilend de Talmud genoemd, en door de tegenwoordige .loden in liooge eer gehouden.
244
ziet hier een menigte van noteboomen, die anders koude luchtstreken verkiezen, en andere booinen die meer warmte van noode hebben, zooals de dadel; of een zachte lucht, zooals de vijg of olijf; alles tiert hier. Ja 't is of moedor natuur door hare liefde voor deze landstreek er vermaak in schept, om hier de tegenstrijdigste gewassen saam te doen opschieten, en of alle seizoenen in vriendelijken wedstrijd deze welige landstreek begunstigen, want ze brengt niet alleen de beste en fijnste vruchten voort, maar bewaart ze zoo lang, dat men gedurende tien maanden druiven on vijgen en alle andere vruchten gedurende het geheele jaar kan eten.') Van die heerlijkheid is thans niet veel meer te vinden; do hoornen zijn verdwenen, en schaduw is er niet meer. Slechts ziet men er een paar palmen, wier bladeren bewogen worden door de zachte avondkoelte. Helder is het water en doorschijnend zijn nog altijd de golven, maar daar is geen handel, geen vischvangst, er zijn geen schepen; slechts een zestal visschersschuiten, en dan nog in jammerlijken toestand, doorklieven die baron, die eens een flottille van honderden vaartuigen droegen: en aan den oever ziet men geen steden en dorpen meer, terwijl ze vroeger bij tientallen werden geteld. Tiberias is nog alleen over.
Wij zitten 's avonds aan het eenzame strand. Wolkeloos is de hemel, geen zeil vertoont zich op het meer; boven ons staat de maan, met hare zachte stralen de kabbelende golven kussende, en om haar duizend, duizend starren, blinkende kinderen van den nacht. O, konden die maan en starren getuigen van wat zij zagen vóór achttien eeuwen op deze nu eens stille zee of dan weer bruisende golven, zij zouden u spreken van wonderen zonder tal, en ter eere van don Menschenzoon, Wiens gelaat zij zoo vaak in dezen water-
'l l'r.AVius .Iosephus, Jooilsclie Oorlogen 3:35.
spiegel aanschouwden, hunne stemmen paren tot een wondervol hemelsch akkoord, waarvan de grondtoon is: Hallelujah! Hallelujah! den Koning der koningen, den Heer der Heerlijkheid! â Hoe kalm en stil is alles om ons heen en in die stilte iets van dat âVrede zij u!quot; waarmede de Heer ook aan dezen oever tot Zijne jongeren kwam. Ja wij begrijpen het, dat de verrezen Heiland juist hier Zijne discipelen den vredegroet bracht, en met hen eene ontmoeting had die van de teederste en innigste liefde getuigde. In Jerusalem, de koningsstad, openbaarde Hij Zich als de Zoon des levenden Gods, nog aan het kruis als Koning. Ook hier verborg Mij Zijne Goddelijke glorie niet, en maan en starren kunnen er van gewagen, hoe op Zijn machtwoord de wateren werden als een kristallijnen pad onder Zijn voet; maar toch was Hij hier meer dan ergens de Menschenzoon, die Zich neerboog tot het verdoolde; de Goede Herder, die Zijne schapen kende en verzamelde, en bracht in zeer grazige weiden, en hel lammeken op Zijne schouderen droeg. Hier verscheen de Levensvorst in bijzonderen zin aan de zijnen, en het was als wilde Hij met die verschijningen tot Zijn klein kuddeke zeggen: Vrees niet! ziel, Ik ben immers de uwe! Gij zijt de mijne, en gezeten aan des Vaders rechterhand schaam Ik mij mijn Galilea en mijne Galileërs niet! Wij voelden het, hoe over dil landschap nog steeds iets zweeft van dien hemel-schen adem, die ook op de laatste bladzijde van het Johannes-Evangelie rust; een hemelsche gloed, die verschrikt noch verblindt, maar dringt om te vragen naar liet licht uit den hooge!
Reeds vroeg in tien morgen staan wij aan het strand. Onze paarden met tenten en bagage worden met de bedienden naar den noordelijken zoom van het meer vooruit gezonden, terwijl voor ons twee groote visschersschuiten
246
zijn gelmurd. Als alles gereed is geeft de gids een teeken, de bel wordt geluid, en... wij zijn aan boord. J)e zeilen worden wel opgehaald, maar 't is zóó windstil, dat do Arabieren zich aan de riemen moeten zetten; links en rechts springt de visch om ons vaartuig op, een bewijs, dat hier rijkdom genoeg is om honderden werk en brood te verschatten. Maar het artikel visch vindt in Palestina geen aftrek, ofschoon zo overheerlijk is, vooral de dusgenaamde Paulus-visschen, die ons werden voorgezet. Na anderhalf uur roelens kwamen wij bij bet oude Magdala, waaraan Makia haren naam âMaodalenaquot; ontleende, 't Is nu een ellendig, nauw-lijks bewoonbaar dorp, maar toch opmerkelijk dat bel niet spoorloos verdwenen is, terwijl van do groote steden Betbsaïda, Tarichea en andere moot worden gezegd; men kent en vindt haar standplaats zelfs niet meer. Magdala moest blijven als een toeken van de groote zondaarsliefde des Hoeren, die juist de onreinste on onheiligste tot voorwerp van Zijn genade koos, maar ouk als een gedenkzuil van do dankbare liefde eener discipelin, die haren Meester trouw bleef, trouw tot onder het kruis.
Aan gene zijde van Magdala opent zich de Wadi-el-Hamam, een dal met steile rotswanden vu diepe kloven, schouwplaats van den gruwelijken moord, door Josurnus in zijn boek: Do Joodsche Oorlogen vermeld.') Op mijn verzoek verlaten wij den oever en steken af in de diepte, houden in oostelijke richting aan, en komen aan de monding van den Jordaan; daar wordt een bad gebruikt; dan zetten wij koers naar het westen, waarop we na een half uur Telldlum bereiken. Do hoogten achter deze plaats hebben eene zachte glooiing en bieden ruimte aan voor eene groote stad; dat er zulk eene gestaan heeft, doen ons de ruïnen vermoeden, tusschon distelstruiken half verscholen, liazalt-
t. a. j). 1 :11).
247
blokken vindt men alom verspreid; witte Corinthische zuilen, in scherp contrast met de armzalige, zwarte hutten van lieden, liggen in grooten getale onder hoog opgeschoten gras; voetstukken met prachtige architraven en fijn lofwerk, gansch ongeschonden en neg op hun plaats, doen ons denken aan een prachtgehouw van ruimen omvang. Maar, vraagt ge, waar zijn wij dan toch? Zijn wij hier in de stad, die de Heer Zich tut Zijn woonstede koos, toen Nazareth Hem had uitgeworpen, en diu âde Zijnequot; wordt genoemd?1) Was hier Kapernaüm en was dit prachtgebouw wellicht de synagoge, door den hooldman uit erkentelijkheid voor de Joden gebouwd? Alles pleit er voor. Ook liet oude Kapernaiim lag in de landpalen van Zkbulon en Nai'tiiai.i quot;) op wier grenzen wij ons bevinden. De aanzienlijke paiuhoopen bewijzen dat hier een der grootste steden van den noordwestelijken oever gestaan heeft. Bovendien ontbreekt het niet aan trekken uit de Evangelische verhalen, die het vermoeden tot zekerheid brengen dat hier Kapernaüm was. immers, als wij lezen dat de schare Hem zag heenvaren en langs den oever liep, om gelijktijdig met den Meester aan de andere zijde te komen, is dit slechts mogelijk geweest, als de stad lag waar het tegenwoordige Teil-Mum is. Een ontvangkantoor met behoorlijke lioineinsrhe bezetting, ter bescherming der douanen, was hier in deze grensstad ook goed geplaatsten eindelijk verhaalt Joskimius, dat hij uiteen gevecht, geleverd aan de overzijde van den Jordaan, en waarbij hij door een val van zijn paard gewond werd, naar de stad Cepharnum aan deze zijde van de rivier was heengedragen '), waaruit blijkt dat Cephanmni de dichtst
') Mattheus !): 1.
'} Matlheus i-: 11}.
quot;) Markus 0 : 38.
â¢) Flavius Joseimius levensbeschrijving.
24 cS
bijgolegon stcitl moet geweest zijn. Dit alles en latere onderzoekingen maken het bijna zeker, dat liet tegenwoordige Teil-Hum het oude Kapernaiun is. Bijna, zeg ik, want nog immer zijn er bezwaren en beslist is hier niets, maar juist deze omstandigheid dat âDe ten hemel verhoogdequot; zoo onherkenbaar is geworden en men uog altijd vragen moet: Waar zijt gij? roept ons het bestraffend woord1) des Heeren in de gedachtenis, dat zoo letterlijk is vervuld. Hare plaats kent haar niet meer, die eens under alle steden van Galilea de volkrijkste was, de meeste woorden des Heeren hoorde. Zijne meeste wonderen zag, ja zelfs den Heiland onder hare bewoners tellen mocht en getuige was van het licht dat van Hem uitging, van den troost dien Hij bood, van het leven waarmede Hij bezielde en van den vrede dien Hij voor tijd en eeuwiglieid schonk. Nu is hier alles woest en wordt er het geringste spoor van beschaving gemist; zelfs geen enkele behoorlijke woning treft men aan; daarom hebben dan ook de l'.P. Franciscaners een steeuen schuur laten bouwen, waar pelgrims kunnen binnengaan om te rusten of hunne medegenomen fourage te nuttigen. Achter u ligt een groote, zwarte puinhoop, 't Is het overschot van het oude Chorazin, eens door korenvelden omgeven, in den ganschen omtrek beroemd. Hoe dikwerf heett de Heere Zijne schreden daarheen gericht? Maar Hij vond geen goede aarde, slechts een harden bodem voor het zaad Zijns woords; daarom ligt het nu gansch verlaten, naakt en kaal als een rots en is het den wandelaar die hier in stilte dwaalt, of hij over gindsche steeuen, waartusschen de slangen schuifelen en de schorpioen zijn woning vindt, eene stem hoort ruisclien, een nagalm van des Heeren woord: Wee u, wee u Chorazin! 2)
â¢) Miitlliuiis I 1 : ï'J.
'-) Lukas 10:13.
249
flET JNfoüKDEN VAN pALILEA.
Nuudo scheidon wij van oen uord, waar iedcn'o voct-brcod grond iets te zoggen hoeft; maar do schepen kooron naar Tiberias weder en wij moeten het rotsachtige bergpad op. 't Is moer dan tijd, do paarden staan reeds lang gezadeld. Al tweemaal blies onze gids op den hoorn, maar 't is of niemand onzer zich kan losmaken van deze vriendelijke plek, zoo rijk aan herin neringen! â Nog eens wond ik mijn paard en zie over de blauwende vlakte heen. Vaarwel, Galileescho zoo! die mij zooveel te zoggen had en te denken gaf. (iij waart hot glanspnnt in mijn reisplan, gij blijft hot in mijn dagboek; ik neem naast Jerusalem van u de golukkigslo indrukkon mode. Vaarwel, G-aliloosche zee! geheiligd door don voetstap dos Meesters, gezegend door de wonderen van den Heilige Gods. Veel hebt go aanschouwd en gehoord, moei' nog dekt gij met uw golvonsluior, wat toch eous in don dag dor dagen openbaar zal worden. Steden zaagt gij veranderen en vergaan; de vijand heeft uw oever ontwijd, uw palmen, uw bloemen geroofd; de Komeinscho adelaar heeft boven uw breede waterplas zijne vleugelen uitgeslagen, zijn buit verscheurd, uw stroom gekleurd mot bloed, cn 'I is of in den golfslag die aan uw oever breekt, een klaagzang over verdwenen glorie trilt. Maar eens zal hot anders worden! Nog eens zullen do zeilen klapwieken, en uwe schoepkons daar heenvaren als oen duivo met uitgebreide vlerken op don adem van den wind; nog eens zult gij steden zien verrijzen; nog eens zal uw oever bebloemd zijn; nog eous zal de herder zijne schapen in uwe nabijheid weiden en zullen uw golven dansen op den maatslag van zijn herderstluit! Nog eens! Maar dan zal ook hot kruis in noord en zuid op uwe oevers geplant zijn! Dan zingen uwe
250
visschers en schepelingen het nieuwe lied, het scheepslied dat zou heerlijk klinkt op de baren, ter eere van het Lam dat hen kocht tot den duren prijs van Zijn bloed en dan zingen uwe dorpers en stedelingen, dan zingen Gods engelen mee.
Kapernainn, Magdala, Tiberias, meer van Immanuël, met heilige en dankbare herinneringen verlaten wij uwe steden en oevers.
Het weder was schoun, maar de weg, die smal, steil en vol met steenen was, afschuwelijk. Het gaat trapop, trap af; de Arabische paarden evenwelzijn onbetaalbaar, vallen of struikelen niet en dragen u over de onmogelijkste wegen. Vergeten wij intusschen niet het woord van den psalmist; âde Heer heeft geen lust aan de sterkte des paards; Hij heeft geen welgevallen aan de boenen des mans; de Heer heeft een welgevallen aan hen die Hem vreezen, die op Zijne goedertierenheid hopen.quot; b Links van ons zagen wij Safed, een stad met circa 25000 inwoners, door de aardbeving van den eersten Januari llt;s:57 evenals Tiberias zóó geteisterd, dat onder de puinhoopen van ingevallen huizen of moskeeën vijfduizend menschen den dood vonden. Zij is in twee kwartieren verdeeld, het .loodsche en Mohamme-daansche, zorgvuldig van elkander afgezonderd en gelegen op een hoogte van circa achthonderd meter boven de oppervlakte der zee. Men gelooft dat de Heer aan Safed dacht, toen Mij sprak: âEen stad boven op oenen berg liggende, kan niet verborgen zijn.quot; 2) De -loodsche bevolking, omstreeks 12000
') Psalm 147 : 10, 11.
2) Mattheus 5 :1 i.
251
zielen, (de overigen zijn meest allen Mohammedanen, on maar weinigen Christenen) hondt zich ijverig bezig met hot lezen van den Talmud en leeft voornamelijk van lietdogaven, Imn door bemiddelde Joden uit het buitenland toegezonden. Jodenscholen zijn er bij menigte en vanwege de Talmu-dische studiën, die reeds in de l()dt! eeuw hier bloeiden, is zij tot eene der vier heilige steden verklaard, ofschoon zij volstrekt geen Bijbelsche beteekenis heeft. â Op een paar uren afstands, in de nabijheid van de ruïnen der âKaravansera van JosEimquot;, dus genaamd naar een pacha, die vóór vijfhonderd jaren dit gebouw ton dienste der karavanen van Damascus komende had gosticht, waren onze tenten opgeslagen, die ditmaal met bijzondere vreugd door ons werden begroet; en geen wonder voorwaar, want het was ontzettend warm geweest en daarbij de weg zoo slecht en gevaarlijk, dat wij meer dan eenmaal van ouzo paarden moesten afstijgen om te voet oen pad tusschen grootere of kleinere rotsblokken te zoeken. Gelukkig dat allen er zonder eenig ernstig letsel waren afgekomen; slechts één van ons was van het paard gevallen en had zich ietwat aan den elleboog bezeerd; maar onze dokter is aanstonds bij de hand om een pleister (»1) do wond te leggen, en verder tot aller geruststelling te constateeren, dat het niets te beteekenen heeft.1) Nauwlijks hebben wij ons veldleger betrokken, of van alle zijden stroomen Arabieren toe om âdie vreemdelingen te bezien,quot; en als zij gehoord hebben van een onzer bedienden dat een geneesheer in ons midden is, konion zij aan met zieken, lijdende aan allerlei kwalen, zoodat onze dokter handen
') Mijn tweoilc reis, zie aanl. pan. 7, stickie /.icli uil lut Tilierias. Dc ecrsle lot Damascus, liaalhec, üeyroutli, en wenl oiulemmneu in ''.M in gezelseliap van eenit'e Entrelsciie dames en lieeren en ouk van twee Nederlandeis, de lieeren A. II. van Duk uit 's Huge, en Dr. Mulueu van Zaandijk.
9 r» 9
AO u
vol werks heeft en zijn medicijnkist en mijn pluksel-doos ajmlig geplunderd worden. Nog laat in den avond word zijn hulp ingeroepen door een Arabier, dio getracht had vee, dat van hem gestolen was, terug te krijgen, eu in do worsteling daardoor ontstaan een diepe wond in den arm bekwam. De man had er maar een stuk klei opgelegd. Ook hij werd geholpen en ging, de innigste dankbaarheid toouende, weder terug naar zijn hut.
Onder begunstiging van heerlijk weder zetten wij den volgenden morgen onzen tocht voort en wel over Taiteba naar Kedes, het oudtijds vaak genoemde Kadesch in Nafthali, noordwestelijk van het meer Merom, Ook dit meer ziet er vriendelijk uit en heeft de schoune kleuren van liet meer van Tiberias. Het oude Kedes ligt op een hoogvlakte en behoorde tot de steden, ten tijde van .1 ozl'A bij het binnentrekken van KauaiUi aan de levieten ') toegewezen, of vrijsteden 2) verklaard. In den tijd der llicbteren vinden wij er melding van gemaakt als de geboorteplaats van Bahak en verzamelplaats van do mannen van Nafthali, die door de Kana£lnieten onderdrukt, reeds zoo lang naar wraak, naar vrijheid smachtten. Ofschoon bekend als ongezond, is het tot in den Romeinschen tijd een plaats van gewicht geweest, getuige de wonderschoone ruïnen van prachtgebouwen, met den Romeinschen adelaar versierd. Na hunne bezichtiging rijden wij voort over een heerlijken weg door een broede vlakte langs groote dorpen, door Montefiore gesticht en uitsluitend door -loden bewoond. Dikwerf heb ik hooren beweren dat de Jood alleen voor den handel geschikt is en niet voor don landbouw. Die dat meent.
') .lozua i I : li'2. a) Juzua '2(1:7. 3) liiclllL'l'l'll k
doorrei/e do Meromvlakte omi hij trekt zijne woorden terug. Ook hebben in dezen omtrok de Bedoemcn van den Sultan grond ter bebouwing gekregen tegen zeer matigen prijs, onder voorbehoud dat zij van bun zwervend leven afstand doen en hier voor goed hunne tenten zullen opslaan. Men kan zien dat door dien maatregel eenige beschaving onder die anders ganse h onbeschaafden gekomen is; de tenten zien er veel netter uit dan van hunne broeders in de Jerichoylakte en ook de vrouwen, die wij behoorlijk gekleed aan den ingang er van bezig zagen met breien en naaien. Toen wij 's avonds in de nabijheid van Chalce ons kamp bereikten, werden wij weder ontvangen door een menigte Bedoeïnen, gewapend met lans of geweer; maar maak u niet ongerust, mijn lezer, want zij zijn slechts hier door nieuwsgierigheid gedreven om die vreemdelingen te bespieden in hun eten, drinken, enz. 't Is waarlijk een schilderachtige groep, die toeschouwers, ouden en jongen, die u zeker geen kwaad zullen doen, al is hun zwijgend toezien wel wat vervelend: ja zelfs zijn ze zeer beleefd, en geeft gij hun een cigaret, dan wenschen zij op hunne eigenaardige manier u alles goeds. Wij mochten op buitengewone wijze in hunne toegenegenheid deelen, daar de Arabier, dien onze dokter den vorigen avond verbonden had, ons zonder dat wij bet wisten was nagereisd, en nu weer kwam om zijn wond nog eens te laten nazien, tevens aan alle omstanders vertellende, welk heil hem van onzentwege was wedervaren. Ken hoezee! der Arabieren volgde ter eere van onzen dokter.
't Was den volgenden morgen somber weer, het terrein waar we doorreden heuvelachtig en dicht begroeid, iets wat in Palestina een zeldzaamheid is, want uren en dagen kan men reizen zonder huizen of boomen te zien. Hier was het anders en beter. Wij passeerden een oude, Romeinsche brug,
254
gelegen in een waarlijk wikl-romantisch landschap; maar de brng zelf? Als een karavaan er over heen gaat, hoort ge zulk een verdacht gekraak, dat ik n raad één voor één, of op gepasten afstand van elkander, die te overschrijden. Leuningen of zijstukken zijn er niet aan en do afgrond is diep onder uwe voeten! Wij bereiken do vesting Hunia, waarschijnlijk het oude Beth Rechob nu ten doele door aardbeving verwoest en voor geitenstal gebruikt. Na drie kwartier komen wij aan den merkwaardigen heuvel Tell-al-Kadi, welks naam een overzetting is van het oude Dan, de noordelijke grens van het Beloofde Land 2).
De hemel was helder geworden, het oord overschoon; beekjes ruischten van alle zijden dooi- de weelderige dalen, gevoed door den Hermon, die zich op kleinen afstand bevindt. In deze idyllische nmgeving herinnert men zich het heerlijk oogenblik, waarop Jkzi s11) voor de eerste maal uit den mond van Piotrus de belijdenis vernam: âGij zijt de Christus, de Zoon des levenden Godsquot;, en komt de gedachte in u op of de Heer ook niet op gindsche rotsen gewezen heeft, toen Zijn antwoord wagt;: âgij zijl Put kus en op deze petra zal Ik mijne gemeente bouwen?quot; Al schooner en heerlijker wordt het oord, hoe dichter men bij Banias komt, het oude Caesarea Philippi. De tegenwoordige naam, eigenlijk Paneas, herinnert aan den Griekschen god Pax, dien men hier te midden van de schilderachtige grotten en vruchtbaar-makende bronnen vereerde; de liomeinsche naam, aan PniMriTs den Viervorst, zoon van IIkrodes, die-de stad versierde en haar Caesar(!a noemde. De (bid-Testamentische naam is waarschijnlijk Ba;ll («ad of Baal Hermon, dat bij
!) lliclit. 18 : 28.
fiiMii'sis li : 1 'i, I .'i 111 / c 11 wij, dul AiiiiAMWl ilcn vijiiiiil iiujnngdc lot han toe. âVai' I'uu lot liiM'seliiiquot; \v:is sprt'i'liWoonli-liJU voor lint Meilief l.unil in zijn vollo IoiihIl'.
3; Matlh. UI : 1(1.
Jozl'a genoemd wordt, als grens van het door hem veroverde land1). Het oord, om den Hermon en aan den oorsprong van den Jordaan, 1200 voet hoven de zee, behoort tot de voortreffelijkste streken van Palestina. Ook hier zijn, gelijk wij dat in Jerusalem en Bethlehem zagen, op het dak der huizen de opperkamers gebouwd, die door de Israëlieten voor onmisbaar gehouden worden, om na een wannen dag een heerlijken avond te genieten, of gebruikt om vrienden te herbergen, 2) of om de dooden vóór hunne begrafenis neer te leggen, quot;) als plaats van samenkomst, ') of als zomerwoning quot;) enz. Gezegend waren deze kleine, stille ruimten ook voor de Christelijke Kerk in den Pinkster tijd.quot;) â¢â In Banias zijn bovendien de meeste huizen met loovertenten versierd, die in den zomer den bewoners bij dag en nacht tol sehuilplaats dienen tegen de sehorpioenen, die hier in een ongehoorde menigte zich ophouden. Langs bosschen van oleanders, langs groen en bloemen van elke soort, klommen wij op naar den heuvel, die nog de ruïnen draagt van den tempel aan Pan gewijd; zichtbaar zijn de nissen, waarin beelden stonden en nog duidelijk leesbaar de opscbrilten in marmer gebeiteld. Vervolgens zet ten wij ons neder in de sehadnw van olijven en gebruikten ons tweede ontbijt, om daarna in bet gras met het hoofd op een steen eenige rust te zoeken, (reen wonder voorwaar, want wij hadden een langen en warmen toeht achter den rug. Tegen drie uur breken wij weer op, maar vullen nog eerst hier aan den oorsprong van den Jordaan onze llesschen met water, in de hoop ze gelukkig in Holland te zullen tlmis brengen.
1
') .lozua 1 I : l 7. 12; 7.
2
) 1 Koningen 17 : l!l.
250
(wat mij dan ook gelukt is). Daar do dames nog niet tot don afrit gereed zijn, gaan de heer Van Dijk en ik even met onzen gids naar een merkwaardige poort, dooide Saracenen gebouwd, en van zuilen voorzien uit den tempel van Pan afkomstig en hier ingemetseld. Laat ik tevens nog herinneren, dat Titus, de Romeinsche veldheer, na do inneming van Jerusalem hier zijn grooto feesten gevierd heeft, waarbij hij vele Joodsche gevangenen als zwaardvechters deed optreden of met wilde dieren worstelen liet. Ton tijde der kruistochten viel Banias bij herhaling in do handen dor Christenen, maar om telkens weder door do Turken genomen te worden.
Eindelijk zijn allen gereed: de tocht gaat steil naar boven, we passeoron een heilig woud met prachtexemplaren van eiken en olijven, on na oen rit van drie uren langs bergwanden en door woeste strokon bereiken wij de sneeuwlinie van den Hennon en komen in hot Drusendorp Modjdel-esoh-Schems. Bij onze tenten worden wij opgewacht door een tal van knapen, die alloiioi verstoendo voorworpen, op den Hormon gevoiulon, to koop aanbiodon; zo worden natuurlijk door ons niet tolourgosteld. Daarna kwamen do ploegers van hot land, (hi; nnsovoneonsocn bezoek brachten. Slechts enkelen waren gewapend, maarallen voorzien van don prikkel, oen slok van boven met ijzer beslagen, soms met ringen en kettingen versierd on voorzien van een scherpe pnnt, om den ploegos het achternitslaan te boletton ') of tot den arbeid aan te zetten. Do Drnsen zien er over het algomeon goedig uit, en men zou hot hun niet aanzeggen dat zij in ISOO zoo vrooselijk in Damaskus bobben huisgehouden. Zij zijn arbeidzaam en beploegen het rotsachtigste veld. Achter den ploeg gaat de zaaier. Soms ploegen zij twee of drie voren tegelijk,
') Hand. 9 : j.
257
gelijk dat ook Eli sa met zijn twaalf jok ossen1) verrichtte. En weet gij hue de Drusenvrouw haar brood bakt? Evenals ik dat te Bethel gezien heb, met verbazende snelheid, die u niet langer verwonderd doet staan als ge in het Oude Testament leest, dat b. v. Saka de drie vreemdelingen zoo spoedig van koeken voorzag.s) Gezuurd wordt het meel gewoonlijk niet; een gat in den grond van anderhalf voet diep en van gelijke grootte in doorsnede vormt den oven. Men verwarmt dezen door gloeiende kolen, die men zelfs bij nacht niet uit laat dooven,3) zoodat men zo 's morgens maar behoeft aan te blazen wanneer de huisvrouw weder aan het bakken gaat. Van het toebereide meel vormt de bakkerin eerst een klomp, breidt die vervolgens met U'ide handen tot een dunnen, ronden koek uit, welken zij dan met een vochtigen doek tegen den warmen wand van den oven drukt, waaraan hij eerst vastkleeft. Na verloop van een halve minuut laat hij los, valt af, om dan weder voor een volgenden plaats te maken. Het brood of do koek, niet dikker dan perkament, is niet zeer smakelijk en soms ietwat zanderig, maar toch als men honger heeft wel te gebruiken. Ofschoon zoo groot als een gewoon tafelbord, bevat zulk een brood natuurlijk weinig voedsel en het is te begrijpen als men leest, dat de profeet Jehemia ternauwernood van den hongerdood gered werd, daar hem dagelijks maar één bol broods uit de bakkerstraat werd gebracht.4) Maar nu ik toch zoo aan het vertellen ben, als zaten wij saam voor mijn tent, tegenover dat Druzendorp, mijn lezer, zal ik u toch ook zeggen wie eigenlijk de Druzen zijn. Zij zijn
'j I Kon. ) 'j ; lit.
') Genesis 1K ; tl. quot;) llosea 7 : li. *) Jereiniu 37 : '2 I.
17
258
eeno uurechtyinnige, Molianunetlaanschc sec te, die omstreeks de XIe eeuw in de bergen van Syrië ontstond en voornamelijk: gevonden wordt in de districten van den Libanon en in de nabijheid van Damascus. Zij heeten Druzen naar een zekeren Ed-Dakazi, dweepziek aanhanger van kalif Ei.-Hakim, dien hij als de belichaamde Godheid vereerde. Zij leeren dat er één God is, die Zich openbaarde en in tien kalif Ei.-Hakim verscheen. Maar Hakim, de laatste profeet, de stichter van den waren godsdienst, is slechts gestorven om het geloof zijner dienaren te beproeven en de huichelaars te ontmaskeren, die den waren godsdienst slechts hadden omhelsd in de hoop op tijdelijke belooning. Hakim zal evenwel wederkomen vol glorie en majesteit om over al zijne vijanden te zegepralen en zijne getrouwe belijders gelukkig te maken. Hun leer is verder Deïstisch, hier en daar vermengd met sporen van Judaïsme en Christendom. Zij willen van geen vasten of bidden weten, drinken wijn en eten varkens vleest,h. Hunne moskeeën staan op afgezonderde plaatsen en al hunne ceremoniën hebben iets geheimzinnigs; een oningewijde mag hunne godsdienstplechtigheden volstrekt niet bijwonen. De mannen dragen als een zinnebeeld van zuiverheid een witten tulband en de vrouwen, in haar oogen ook als sieraad, den tantour of zilveren hoorn op het hoofd met een witten sluier er overheen. Zij zijn gastvrij en dapper en zouden, als tusschen hunne verschillende afdeelingen niet zoo dikwerf felle strijd ontstond, liet den Turken in deze streken reeds lang moeilijk hebben gemaakt.
Den volgenden morgen stegen wij vroeg te paard. De hemel was blauw maar de weg slecht en bovendien zoo hoog met sneeuw bedekt, dat ze den paarden op sommige plaatsen tot boven de knieën reikte; dan weder ging het door moerassen; 't was een vreeselijke tocht. Ten tien ure werd
halt gehouden um don vermoeiden paarden eenige oogen-blikken rust te gunnen en ook aan cle ruiters. Daarop trokken we naar Kefir Hauwar, waar andermaal halt werd geblazen; mensch en dier hadden behoefte aan verkwikking, die in ruime mate geboden werd. Tegen drie uur braken wij op, maar, o wee! daar wachtte ons nog een laatste beproeving, n. 1. een snel vlietende, tamelijk gezwollen rivier, die wij moesten doorwaden! De meesten zagen er tegen op, maar het moest! Omrijden of beter punt van overgang zoeken was onmogelijk! Daar daalt de gids het eerst in den stroom af, de anderen volgen. Om de dames te helpen, die het laatst komen, plaatsen zich eenige bedienden zoo goed en zoo kwaad als het gaat op een rij in de rivier. Eindelijk zijn allen over, ook onze geleider, die achteraan komt, om toezicht te houden op den overtocht. Zoo is dan onder Gods zegen gelukkig het laatste bezwaar overwonnen! Een gevoel van dankbaarheid en vroolijkheid maakt zich van allen meester; en het is of alle vermoeidheid is weggenomen, nu men de zekerheid heett dat hot verdere van den tocht naar Damascus een heerlijke vergoeding zijn zal voor de ellende van dezen dagmarsch. Na twee uren kwamen wij te Kat ana, een vriendelijk oord, omgeven door boomgaarden. De bedienden waren nog bezig om onze tenten te plaatsen op een heuvel, die een heerlijk uitzicht in den omtrek bood; de zon goot hare laatste stralen uit over de wolken aan den horizon, en borg toen haar vlammende toorts achter bet kleed van den nacht, maar liet bij het scheiden een vriendelijk ,,tot weerzienquot; voor den volgenden morgen achter.
SYRIÃ, ATHENE, CONSTANTINO PEL.
DAMASCUS.
âNaar Damascus!quot; zoo klinkt het vroolijk van mond tot mond en bij het hoorngeschal van den gids zet onze karavaan zich in beweging, 't Is of iets van den opge-wekten geest der ruiters in de paarden is gevaren, zoo tlink galoppeeren zij voort en snellen met ons de stad tegemoet, waarnaar we zoozeer verlangden. Weldra zien wij weder het eerste kenmerk eener beschaafde maatschappij, n.I. een goeden, geplaveiden weg, een onwaardeerbaar voorrecht, vooral als men sedert tien dagen geen begaanbaar pad heeft gezien, maar rivieren moest doorwaden, moerassen met de grootste moeite doortrekken en over bergen en rotsen oen weg zoeken, vaak met dreigend gevaar. Na zulk een tocht voelen ros en ruiter zich gelukkig, weder plaveisel onder zich te hebben, en al is het dan soms hier of daar ietwat turksch, d. i. wat gebrekkig, 't is toch een weg die zelfs met rijtuigen kan gepasseerd worden. â Daar groet ons de stad reeds uit de verte met hare minarets, koepels en paleizen. Wij zijn
-
261
nog twee uren van haai' vonvijderd: ofschoon wij steeds in galop voortgaan, schijnt het of or maar geen eind aan komt-, en ik kan mij hot ongeduld van Saclus voorstellen, die, âblazende dreiging en moord tegen de discipelen dos Hoeren, zijn paard do sporen geeft, de schaar zijnor gewapende volgelingen voornitrent, in den geest roods hinnondringt in de synagogen of in der Christoiien hinnen-kamer en die gehate jongeren van don Nazarónor in boeien slaat, tot do Meer hom zelf, als ware hij oen steigerend ros dat hij de tengels gegrepen wordt, tot staan lirengt en zegt: âSal'l, Sam,, wat vervolgt gij Mij!quot; ')
Nog oen klein eind en dan omringen ons do bloeiende gaarden der stad. Maar in welk oono menigte! 't Is tuin aan tuin, gaarde aan gaarde, alle omgeven met muren zóu hoog, dat men er zolts te paard niet over hoen kan zien, maar do bloesoms en bladeren van noten, abrikozen, granaten en andere boomsoorten komen er boven uit. Bloembedden, als bij ons Westerlingen geliefd, Engelschen aanleg zooals men dat noemt, kent men in het Oosten niet, maar hoornen, waarvan ook Mozks in de beschrijving van het Paradijs gewaagt; en welk oord schijnt don Oosterling het aardsche Paradijs zoo nabij te komen als Damascus, mot haar pracht van boomen, aan waterbeken geplant. Wie uit de woestijn komt en dagen lang niets gezien heeft, waarop zijn oog met welgevallen kon rusten, moet van verrukking ontgloeien, al is het dan ook niet in dezelfde mate als de Arabische dichter s) die in Oostersche opgewondenheid Damascus âde Paradijsgeurende, de parel van hot Oosten, de \ odei bos van de I'ara dij spa u won, hot halssnoer der schoonheid, de poort van KaRba, hot oog van het Oosten,
Hnnd. !l: 1 v.v.
s) Vciv- I!ii;hm, nandwöi'lcilnicli i. v.
262
het Eden der geloovigen, de veelkleurige kraag van de ringduif noemt. Zij is een van de weinige steden der oudheid die de eeuwen trotseerden en haar ouden roem nooit geheel verloren hebben. Zij was de voornaamste handelsstad tusschen Voor- en Achter-Azi^, ') de stad waarheen Abraham de koningen vervolgde, die Lot gevankelijk hadden weggevoerd 3), en de geboorteplaats van Abkauam's huisbezorger Euëzki?. :i) David maakte haar aan Israël eijnshaar, maar onder Kkzin schudde zij het juk weder af. Ook bij de profeten was ze niet onbekend, en waarschuwend hief Jkhemia zijn stem tegen haar op. *) â
't Was omtrent elf uur toen wij voor het hotel Dimitri aankwamen, een echt Oostersch gebouw; een kleine poort verleent u toegang tot ('en ruim voorhuis, en dit weder tot een nog ruimeren hof met veelkleurig marmer geplaveid, terwijl in het midden een groote vijver is, omringd met hoornen en hoogopgaande planten, die een heerlijke schaduw geven. Om dien hof zijn de logeerkamers aangebracht, tot welke men langs steenon trappen opklimt, en die alle uitkomen op een overdekte veranda, door de gasten 's avonds zeer druk bezocht. De muren zijn beschilderd en mot witte en blauwe strepen versierd. De hotelhouder is een ongemanierde Griek, die trotsch als oen pauw door den hof flaneert en u ternauwernood een groet waardig keurt; doch do kamers zijn zindelijk, de tafel is eenvoudig maar goed, en dat is het voornaamste. Nadat wij ons eerst van andere kleeren hadden voorzien en aan den disch verkwikt, werd een wandelrit te paard om de stad gemaakt en vervolgens ging het naar de bazaars, die veel ruimer en talrijker zijn
') Ezecli. 27:18.
2) Genesis 14 ; 15.
8l Clcnesis 15 ;
4) .lerumia i!l: üli v.v.
208
dan te Cairo. Men vindt, hier handelaars en neringdoenden in allerlei zaken, ieder in een eigen kwartier, schoenmakers, zadelmakers, suikerbakkers, schrijnwerkers en tapijthandelaren vooral niet te vergeten, die u overvloedig gelegenheid bieden tot liet koopen van een souvenir aan uw reis naar het Oosten. De kleederbazaars zijn eveneens rijk voorzien, niet slechts van kameel- of' geitenharen mantels, maar ook van zijden stoften, geel-, wit- of purperkleurig met gond en zilver overdekt, vooral in den avond tooverachtig schitterende en niet alleen door vrouwen maar ook door mannen gedragen. Ook hoofddoeken niet gond- en zilverdraad doorwerkt en met bloemen in allerlei kleuren versierd vindt s0 bier in de meeste verscheidenheid. Aan de overzijde hebben de juweliers hunne kostbaarheden nitgestald; oorringen, armbanden, neusringen, tulhanden met goud, parelen en edelgesteenten bezet, reukdoosjes, voorhoofd versierselen, voetketentjes en al wat Jksa.ta reeds als sieraad der ijdele, Joodsche vrouwen ') optelt. Ginds wordt blanketsel en kleurstof verkocht om oogen en nagels te beschilderen, en tevens naalden om te tatouöeren naar teekeningen van figuren waaruit de liefhebber kiezen kan. De schoonste toespeling op deze gewoonte, die oorspronkelijk niet iets ijdels was, maar tot bestendige herinnering aan iets diepers en geestelijks dienen moest, vinden wij bij den profeet Jksa.ta 1) waar de Heer zegt: âZie, Ik heb n in de heide handpalmen gegraveerd; uwe muren zijn steeds voor Mij.quot;
Zeker om den ernst bij de bezoekers te bewaren, heeft ook in de bazaars de godin der gerechtigheid met het zwaard aan hare zijde en de evenaar tnsschen de vingers zich een zetel gekozen: een hooge dwarsbalk, (want de
1
.Icsaju '.li: 1(1; Kxod. li! :!».
204
bazaars zijn meest niet houten kappen overdekt) dient tot galg en wordt nog al dikwijls gebruikt sedert de catastrophe van 1800 de doodstraf door middel van het koord in Damascus weder heeft ingevoerd. Die galg bevindt zich op een der drukst bezochte plaatsen, en wat ook de philanthropen en philosophen van onze eeuw tegen de doodstraf zeggen mogen, hier blijkt het voor menigeen heilzaam dagelijks onder de galg te moeten doorgaan. - Op onze wandeling bezochten wij natuurlijk ook het kwartier der Christenen, waar in 180U zoo vreeselijk werd huisgehouden en door Mohammedanen en Druzen geen woning gespaard bleef, uitgezonderd een nonnenklooster, door den wakkeren Ahd-ul-Kadkr, ofschoon zelf een trouw belijder van den Islam, beschermd. Uit dankbaarheid strooien ook wij een enkele bloem op zijn graf1) als wij vermelden, dat toen aan hem en zijne Algerijnen honderden Christenen het leven te danken hadden. Ware hij er niet geweest , wie weet wat er zou gebeurd zijn. Immers de commandant der stad, die mot zijnen troep de citadel bezet hield, binnen welke bij het uitbreken van den moord door de meesten een schuilplaats was gezocht, had met de vervolgers in het geheim afgesproken dat zij de stad van twee tegenovergestelde zijden zouden aangrijpen, dan zou hij, schijnbaar ter verdediging, met do bezetting moeten uitrukken en de vesting, alzoo van troepen ontbloot, kon dan gemakkelijk worden bestormd en uitgemoord. Nauwlijks had Abh-kl-kadku van dit gruwelijk verraad iéts bemerkt, of hij liet den bevelhebber weten dat, zoodra deze de vesting verliet , hij met zijn Algerijnen naar het centrum der stad zou oprukken, om deze aan alle zijden tegelijk in brand te steken. Dit
') Aiid-ul-Kadku slierf in IHW.'t.
205
hielp; de bevelhebber bleef op zijn post en het leven der Christenen gespaard. â Ouk nu nog is de Mohammedaan van Damascus jegens de Christenen onverdraagzaam en wordt daarin door de Joden gesteund, die ook in '00 een alles behalve eervolle rol speelden. Gelukkig ligt er een zeer zware bezetting in de stad.
Toen we naar het hotel terugkeerden, ontmoetten wij een grooten optocht, bestaande uit tal van mannen met vlaggen en vaandels, terwijl een afschuwelijke muziek zich hooren liet; vervolgens kwamen eenige gewapende gladiatoren, die van tijd tot tijd een spiegelgevecht gaven, waarbij alle vertooning van een werkelijken strijd werd gemaakt, maar gelukkig geen droppel bloed gestort; dan volgden de helden van het feest, eenige kinderen, deels op witte ezels, deels te voet; en op mijn vraag wat dit toch zijn mocht, maakte mijn geleider mij duidelijk dat dit geheele vertoon een feest der besnijdenis gold, iets dat in een zoo groote stad dagelijks voorvalt. Bruiloften worden met dergelijke optochten gevierd, 's Avonds zaten wij aan do schoone Barada, de rivier die onder een tal van bogen door de stad vloeit; en eerlijk gezegd, wij konden hot NaiIman vergeven dat hij uitriep: âZijn niet de Abana en Farpar, de rivieren van Damascus, beter dan alle wateren van Israël?quot; ') De tegenwoordige Barada is de vroegere Abana, terwijl de naam Farpar veranderd is in Nahr Barbar, welken stroom wij vóór onze aankomst in de stad zijn overgegaan. In het hotel teruggekeerd vonden wij het voorhuis in één grooten bazaar herschapen; ik zag daar manufacturiers, juweliers, zwaardvegers en dergelijken, allen hun koopwaar aanprijzende als het beste wat niet alleen in Damascus,
') '2 Kon. n : 12.
206
maar in hot gansche Oosten to krijgon is, en alien maakten goede zaken. Dames kochten zijden stoften lt;mi de heeren een Damascener kling, eon met pavehnoer ingelegde hnks of iets devgelijks; mijne vronw en ik hebben, helaas! onzen inkoo]) vergeten mede te nemen, en van toezending van wat reeds betaald is, schijnt men in Damascus nog niet op do hoogte te zijn.
Des anderen daags was er een groote drukte voor het hotel, en wat wonder! 't was paardenmarkt. Dan ziet men arme Bedouïnen op prachtvolle dieren van echt Arabisch ras door de menigte rijden, den prijs uitroepende die voor het paard verlangd ot door den kooper geboden is. Bij hot onderhandelen gaat alles zeer deftig toe. Koopers, verkoopers en getuigen slaan de handen ineen, en zoeken de som die do partijen bevredigt. Zoolang de marktmeester zijn hand boven de hunne houdt ') is de koeper aan zijn bod gebonden; kan men het evenwel over den prijs niet eens worden, of duurt het te lang, dan trekt hij zijn hand terug en alles is uit. Gansch bijzonder is de verkoop van nog ongedresseerde paarden, die meestal uit Erzerum komen; zij zijn wild en schuw, dragen nog geen halster en met oen voorgevoel dat hun iets kwaads overkomen zal, steken zij de koppen bijeen. De handel geschiedt, zooals alles in het Oosten, met de grootste luidruchtigheid. Het publiek verdringt zich om de kooplui, een paard is uitgezocht, betaald en bij de betaling de koopsom stuk voor stuk voorgeteld, alles onder vreeselijk geschreeuw; maar is dat afgeloopen, dan komt het kritieke oogenblik, want het dier moet gevangen worden, wat geheel voor rekening van den kooper geschiedt. Deze nadert nu langzaam en voorzichtig en tracht het paard een strik
') Job 17 : ;i.
3
V
â
n i
rl
i
i
11
quot;i
,
lt;«
i,
207
om den hals te werpen. Bij die beweging, hoe behoedzaam ook, worden ;il de dieren onrustig en dringen van het eene einde van het marktplein naar bet andere. Eindelijk treft de kooper bet bedoelde paard, dat springt en slaat, den staart opsteekt en do manen schudt, om aan den omgeworpen strik te ontkomen, maar tevergeefs, want reuls hangen hem acht a tien Arabieren om den nek, trekken hem tegen den grond en doen hem den halster aan. Dan vliegt hij weder op en de worsteling begint opnieuw, want het dier wil zich niet laten scheiden van den troep waartoe het behoort, tot ten laatste, voor de overmacht zwichtende, alle tegenstand wordt opgegeven en het daar straks nog steigerend ros moedeloos den kop laat hangen, zich gedwee onderwerpend aan zijn vernederend lot, om voortaan hout of steenen of dergelijke lasten te dragen.
De hoofdstraat, die tamelijk recht de geheele stad doorloopt, is de aan den Bijbellezer welbekende straat genaamd âDo Rechte,quot; sedert overoude tijden de voornaamste der stad en omtrent twintig minutenlang. Wij gaan ze in, en zien onder een menigte menschen een limonadeverkooper, die een reusachtige tlesch van gekleurd glas en overladen met koperen ornamenten aan een riem over de schouders draagt, terwijl hij kleppende met een paar koperen bekkens uitroept: verfrisch nw hart, omdat het zoo warm is! Daar staat weer een ander, die op een tafeltje een groot aantal brooden in den vorm van ringen u aanbiedt, of zijn waar aldus aanprijst: koop mijn brood, dan heb ik zelf brood; overal ontmoet men waterdragers, lieden in een stad zoo warm als Damascus onmisbaar. Ook gebeurt het vaak dat de eene of andere menschlievende dien man zijn geheelen watervoorraad afkoopt, ouder voorwaarde dat hij dien dan ook gratis onder behoeftigen zal uitdeelen. Nu roept de waterdrager: âO
2ns
dorstenden, een offer, een liefdegave!quot; Herinnert u dit niet aan het woord van Jksaja: âO alle gij dorstigen! komt tot de wateren, en gij die geen geld hebt, komt, koopt zonder geldquot;?1) In deze straat weet de traditie, die van alles hier nauwkeurig op do hoogte is, n de plek aan te wijzen waar het luns van Axamas was, en ook waar de jongeren den Apostel in een korf over den stadsmuur hebben neergelaten. 2) Ja zelfs zijn op dit deel van den stadsmuur een paar huizen gebouwd, opdat ge u dit feit zoo duidelijk mogelijk voorstellen kunt. Op de eerste plaats verheft zich thans een Roomsche kapel. Naar de laatste berekening telt Damascus 105,000 Mohammedanen, 6300 Joden, 18000 Christenen, onder welke slechts (50 Protestanten, ook zeer weinig Roomsehen, maar (iriekseh-Orthodoxen het meest. De Christenen hebben zeven kerken, de Joden acht synagogen en de belijders van den Islam tweehonderd moskeeën: de Amerikanen stichtten hier een Zendingspost en een goed bezochte school, de Engelschen vier scholen en eene inrichting voor blinden: in het gebouw der St. Paulsschool is tevens een kapel waar in de Engelsche en Arabische talen gepredikt wordt. Daar er nog geen Duitsche kerk is, woonde ik de godsdienstoefening der Engelschen bij en vierde er des Heeren Heilig Avondmaal. De beroemdste moskee van Damascus is de Omajaden-moskee; hier is, zegt de Mohammedaan, de plaats van eeuwige aanbidding en hondt het lezen van den Koran en het gebed nimmer op, dag noch nacht. Ja, zoo roept een Arabisch schrijver nit: veertig jaren na den ondergang der wereld zal Allah hier nog worden aangeroepen. â Onder geleide van een kawasch, bediende van den Engelschen Consul, gingen wij de moskee
') Jcsaja 55 : 1. â¢) llnml. 9:25.
269
binnen, na eerst overschoenen te hebben aangedaan. Het heiligdom zelf heeft evenals Damascus vele veranderingen ondergaan en een historie van eeuwen achter zich. Naar sommiger meening stond hier in den tijd der Romeinen een tempel ter eere van Juimteh en Juxo en vroeger reeds een altaar voor BAilL. Keizer Ahcadics herschiep den heidenschen tempel in een Christenkathedraal, ter eere van Johannes den Dooper, wiens hoofd hier als een reliquie van de hoogste heiligheid bewaard blijft, en nog heden zweert de Damascener bij het hoofd van Johannes. Toen later de stad hare poorten voor de Arabieren ontsluiten moest, deelden eerst Christenen en Mohammedanen dit heiligdom samen en hielden daar beiden hunne godsdienstoefeningen, naar de leuze: Godsdienst boven geloofsverdeeldheid; maar Kalif Welid (700 â71ö) maakte aan deze wonderbare eenigheid een einde, wees den Christenen een andere plaats voor hunne samenkomsten en bouwde toen de moskee die een wereldwonder mag genoemd worden. Het gebouw is 1Ã1 M. lang en 38 M. breed, de koepel wordt door vier zuilen gedragen; door vier en zeventig vensters, bezet met gekleurde glazen, straalt een geheimzinnig licht, de bodem is van mozaiek, langs de wanden zijn spreuken uit den Koran geschilderd, alsook op de kapiteelen der zuilen, die in twee rijen het heiligdom schragen. Boven de plaats waar liet hoofd van den Dooper bewaard blijft, ongeveer in het midden der moskee, staat een houten gebouw met rijk vergulden koepel, versierd met de halvemaan. - Wij verlaten bet heiligdom en beklimmen een minaret, vanwaar men een prachtig uitzicht heeft over de stad met hare bloeiende tuinen en groenende heuvels, terwijl in de verte de woestijn opdaagt; en dan ter zijde afklimmende op het dak der moskoe, ziet men den boog van een oude poort, nu toegemetseld, maar die vroeger toe-
270
gang gaf tot de kathedraal on boven deze het nog zeer duidelijk; leesbare, Grleksche opschrift: âUw koninkrijk is een koninkrijk voor alle eeuwen, en Uwe heerschappij in alle geslachten1) o. Christen!
H BACIAl V COT XPICTE BACIAIA 11ANTHN THN AlflNflN KAI H A6CnOTlA COT SN RACH rGNSA KAI r6N6A.
In de nabijheid rijst een andere minaret; 'tis de hoogste van de drie die het heiligdom omgeven en zijn naam is de minaret van Jezüs, omdat de Mohammedaansche traditie zegt, dat Jezus op den jongsten dag met Mohammed den hemel zal verlaten en zich hier neerzetten. Wij laten die legende voor wat ze is, maar is het niet opmerkelijk, mijn lezer, dat op de plaats waar zoo menige knie voor Baal zich boog, waar men wierookkorrels strooide op het altaar aan Juimteh gewijd, waar het kruis werd geplant maar verdrongen door de halve maan, toch de naam van den (rekruiste is gebleven, nog op do muren der moskee staat ingebeiteld, en de minaret gewijd is aan Jezus, den CninsTUS, Wiens rijk waarlijk een rijk van alle eeuwen is! Ja, hier is profetie; profetie niet voor het Westen maar voor het Oosten en voor de geheele wereld; trots alle stormen zal Zijn rijk komen; het kruis zal gezien worden van berg tot berg, ook op het gebergte dat Damascus omgeeft als het symbool van genade en van eeuwige heerlijkheid . waarbij iedere knie zich buigen zal.
Vóór de moskee breidt zich een ontzaglijk groot plein uit, omgeven door breede zuilengangen; wij wandelen het over, komen in den boekverkoopersbazaar en vervolgens in een ander deel der stad, om het huis te zien van een rijken Damascener, waarvan zooveel werd verteld, dat wij de
') Psalm I i5 : 13.
271
helft niet gelooven konden. Onze geleider heeft belet laten vragen en wij worden afgewacht. Maar wat viel het ons bij den eersten aanblik tegen; immers van buiten gezien is er aan zulk een huis niets bijzonders; enkele kleine en dan nog sterk getraliede vensters, een ingang, die eer aan een huis van Lazarus dan aan dat van een rijken mensch doet denken en gewoonlijk als een vestingpoort zwaar gegrendeld. Na lang kloppen hooren wij den deurwachter b het kunstig vervaardigde houten slot openen om ons binnen te laten, maar als wij dan door een smalle, volstrekt niet aanzienlijke gang komen op de binnenplaats, ja, dan weet men niet wat men ziet, dan roepen allen, verrukt en verrast: dat is iets uit de Duizend en één Nacht! Nu zien wij eens ten volle de heerlijkheid en pracht van het Oosten; de bodem is met marmer of bazaltplaten en kostbare steenen ingelogd; eene prachtige waterkom vormt het middelpunt; om deze: boomcn, planten, bloemen, die frissdie schaduw en fijne geuren bieden; en treden wij nu de vertrekken in die op de binnenplaats uitkomen, dan is al de pracht der architectuur, die zij van buiten vertoonen nog niets; zalen, rustende op marmeren zuilen, beeldhouwwerk, tapijtwerk langs de wanden van vijf a zes Meter hoog boeien onzen blik. De zoldering is van hout, maar rijk verguld; in de hoeken en in het midden van het vertrek ziet men divans met het fijnste, zijden damast overtrokken, en voo]- deze: lage tafeltjes niet paarlemoer ingelegd; in de nissen prijkt kostbaar porselein en oud zilverwerk. Soms verheft nog een springbron haar stralen ter verkoeling in de zaal, terwijl het licht dat door beschilderde glazen neervalt den indruk verhoogt. Denkt men dit ziende niet aanstonds aan de pracht, die eens in Israël werd gevonden.
â¢j Mark. 13 : :U. Hand. 12 ; 1 :j.
07 0
u i u
als de Heere door den mond van den profeet Amos ') zegt: âEn Ik zal het winterhuis met het zomerhuis slaan, en de elpenbeenen huizen zullen vergaan, en de groote huizen een einde nemen?quot; â
Bij onzen terugtocht naar het hotel, gingen wij voorbij een barbierswinkel, hier, evenals in Cairo, bij menigten te vinden, 'k Heb Mohammedanen gezien, die zich het hoofd geheel hadden laten kaal scheren, misschien ten teeken van groote droefheid, en anderen daartegen bij wien het haar van voren en achteren was weggenomen, terwijl op de kruin een lok was gelaten. Bij deze lok zal, naar de meening der Mohammedanen, de engel die op den Grooten Dag komt, de geloovigen aangrijpen en met zich voeren naar liet Paradijs. 2) De meeste barbiers oefenen hun affaire uit op de straat; messen, scharen en verdere benoodigdheden liggen op een tabouret of hangen aan een boom, met eenige spijkers voorzien. - Honden zijn hier, gelijk in iedere stad waar de Islam overheerschende is, talrijk en zonder meester. Zij bekleeden de plaats van straatbezems en vuihiiskairen en doen in die hoedanigheid uitstekenden dienst; ja, kunnen zelfs agenten der gezondheids-politie worden genoemd, daar zij al wat weggeworpen wordt verslinden. Boosaardig zijn zij niet en ongehinderd maken zij het niemand lastig. Zij leven vrij, trotseeren de brandende zon maar ook de regenvlagen of een sneeuwbui die in de Decembermaand soms de inwoners verrast. Zij worden op straat geboren, kampeeren op straat, en als zij straks op straat sterven, hebben zij nooit een halsband gedragen of' een meester gehoorzaamd. Wat zou hun Europeesche collega daarvan
') Amos 3 : 15.
quot;l Ven,', i11 'lu Apoci'iefe Ijoukun, het ilcnle aiinliangsel tol tic profetieën van Da.Mix: 10.
273
wel zeggen? â Wij hebben ook met het leger kennis gemaakt en een oefening bijgewoond der cavalerie. Soldaten van allo wapenen, nitmakende het vijlde legerkorps, liggen hier in garnizoen. Hen ziende, zon men niet zeggen dat zij behooren tot een Oostersche armee. Geen spoor meer van dat losse, vlugge un schilderachtige van vroeger eeuwen. Waar zijn de Janitsaren van Moiiammkd ii met hunne fantastische kleeding, blinkende helmen en schitterende maliënkolders? Waar de gevreesde spahi's, ruiters, die vlug als de wind hunne roode banieren aan alle zijden van het slagveld vertoonden? Waar? In het museum te Stamboel vindt men nog hunne wapenrustingen, maar zij zelf zijn vervangen door soldaten, die, naar men zegt, den ouden roem van dapperheid handhaven, doch voor het overige met hun roode broeken, korte, blauwe wapenrokken en roode fez volstrekt geen Oostersche type ver-toonen, zelfs achterstaan bij onze miliciens. En toch is het goed dat zij hier in bezetting zijn, want do Damascener is zoo fanatiek dat, waren zij er niet, zich het bloedbad van '00 mogelijk zeer spoedig herhalen zou.
j3 a a l b e k
't Is Dinsdag-morgen en prachtig weder. Onze bedienden en paarden hebben drie dagen rust gehad en staan gereed voor het laatste gedeelte van den tocht. AVij nemen afscheid van onzen hotelhouder, die met een stijve buiging ons groet, en slaan den weg in naar het poststation Dummar. De straat is uitnemend, loopt langs de Jiarada en is rechts en links met breedgetakte boomen
18
274
beplant. Achter het station 1 ïeme moeten wij, jammer genoeg, die straat verlaten, maar dalen tot onze verrassing af in een wild romantisch dal, waar het dorp ehFidsche ligt, met zijn schilderachtige grotten en bronnen, naar de meening des volks de oorsprong van de Ba ra da. De weg is tamelijk woest en loopt tot op oen lengte van twee a driehonderd meter tnsschen hooge, kale rotsen. Bij het dorp Kanan begroet ons oog weder de rivier en sappig groene velden, in scherp contrast met het gloeiend rood der bergen en het verblindend wit der versch gevallen sneeuw op den Hermon. De lucht was zoo frisch, de omgeving zoo grootsch als in een Zwitsersch bergoord; de Baradakloof, ofschoon niet zoo lang, zou mij, al had ik ook Orelu niet geraadpleegd, aanstonds herinnerd hebben aan den weg naar Bad-Pfeffers. Wij rijden het eene dorp na het andere voorbij, zien nog de ruïne van een kleinen, Griekschen tempel, passeeren dan een brug over den stroom, en komen aan het meer aanzienlijke Snk-Wadi-Barada, waarschijnlijk het oude Abilene, waarover Lysaniah viervorst was. ') Dit dorp, door vruchtboomen omgeven, ligt aan een kromming der rivier bij den ingang van een kloof, die de stroom tnsschen twee steile klippen gevormd heeft; op een van deze toont men n de plaats waar Kaïx zijn broeder Abel versloeg! De weg is romantisch, maar slecht; meermalen gaan wij den slingerenden Barada over, dan wordt bet natmirschoon minder, de omgeving eentoniger, de kloof al breeder, die zich eindelijk verwijdt tot een lang en breed dal, do vlakte van Sebedani, zeer waterrijk en beplant met populieren, abrikozen en vele appelboomen. Door dit heerlijk landschap rijdende, bereikt men in twee uren bet dorp Zebadani. Wij kwamen er aan tegen den
') Liikiis 3 ; 1.
27.quot;)
avond, verheugd dat uiize gids een plek gekozen had, zóó liefelijk en vriendelijk als deze. J)o lieden van het dorp omringden natuurlijk weder onze tenten, maar waren beleefd en voorkomend. Zij zijn vermaard door hun kracht en vlugheid in het worstelen; ook oefenen zij zich in het spiegelgevecht, niet als de gladiatoren bij de Romeinen met het korte zwaard, maar met een steen. De profeet Zacuauia schijnt reeds op zoo iets te zinspelen,1) en de kerkvader IIikkonvmus teekent aan, dat in zijn tijd zulk een wedstrijd bij do jongelieden in Palestina aan de orde was. Ook is die nog al gevaarlijke liefhebberij inheemsch bij de bewoners van Serghaja, het eerste dorp waar wij den volgenden morgen aankwamen, en welks rotsgraven en oude wijnpersbakken zeer bezienswaardig zijn. Van daar kwamen wij in circa een half uur aan een Uomeinsche brug, die in zulk een slechten staat verkeerde, dat wij het veiliger vonden den vloed te doorwaden dan de brug over te gaan. Toen ging het door het schilderachtige dal -lahfufo en vervolgens langs een stellen bergweg tot eene hoogte, van welke men het verrukkelijk uitzicht heeft over de breede, groenende Bekaa, het dal dat den Libanon van den Anti-Lihanon scheidt, en op de met sneeuw bedekte toppen van den Liltanou. Ik heb geen woorden genoeg om do heerlijkheid van dat tafereel te schetsen, daarvoor moet men dichter wezen. â Toen daalden wij af naar het dorpje Nebi-Schit, waar de huizen zóó tegen de helling der bergen gebouwd zijn, dat men van hunne daken op den bergweg stapt en dus voor een wandeling naar boven niet noodig heeft eerst beneden de huisdeur uit te gaan. Wie herinnert zich hier niet het ernstig woord van den Heer, als Hij het oordeel aan-
â¢) Zucli. 12 : 3.
276
kondigt over Jomsalem: âDie op het dak is kome niet af om iets uit zijn huis weg te nemen.quot; ') De streek van hier naar Daillbek, omtrent drie uur lang, is niet belangrijk; de weg tamelijk goed. Op een half uur afstand bij hot dorp Ain-Berdai, ziet men van de hoogte waarover de weg heenleidt reeds de oase met de zuilen van den Acropolis en de tuinen van de nieuwe stad.
En zoo waren wij dan te Baalbek, gelegen aan den westelijken voet van den Anti-Libanon in het vruchtbaar Bekaa-dal, met een Grieksch klooster, een Engelsche school en omtrent twee duizend inwoners, onder welke vele G-rieksche Christenen. De Christenmeisjes kwamen aan onze tenten met allerlei brei- en haakwerk, voornamelijk geldbeursjes in verschillende kleuren, die zij ons te koop aanboden; en ik geloot' dat zij goede zaken maakten, want wie nam niet gaarne van die kleinen een âsouvenir de Baillbekquot; mede? 's Avonds maakten enkelen van ons een wandeling in en om tie stad, terwijl andereu zich onledig hielden met het drogen hunner kleederen, want door het herhaald overtrekken dei-tamelijk gezwollen rivier was de bagage van de meesten onzer zóó nat geworden, dat alles moest worden uitgepakt en over de lijnen der tenten gehangen, zoodat ons kamp meer had van een Haarlemsche bleekerij dan van een touristenverblijf'. Ook werden om een reusachtig vuur de koffers geplaatst, van welke sommige zóó geleden hadden, dat zij niet meer bruikbaar waren en door nieuwe moesten vervangen worden. Maar aan dergelijke lasten en bezwaren moet een reiziger door liet Oosten zich onderwerpen. â Den volgenden morgen bezóchten wij de ruïnen, die, wat hare grondsteenen betreft, dag-
'I MuUlicus .'i l: 1 7.
277
teekenen uit overoude tijden. Immers Baülbek, stad van BaiU of van den Zonnegod, is het Syrische Heliupolis der Grieken en Romeinen rn reeds sedert overoude tijden als het middelpunt van den Baillsdicnst met prachtige heiligdommen versierd. Volgens Lucianus, die; in de tweede, en Machobius, die in de derde eeuw leefde, moet het beeld van den Zonnegod reeds zeer vroeg uit Egypte naar Syrië zijn overgebracht. De profeet Amos ') die van het dal Aven spreekt, (âAvenquot; beteekent ânietswaardige afgodquot;) meent zeker hot Syrische Heliopolis of Baalbek. Aven is de He-breeuwsche vorm voor On en wordt in ik; zoogenaamde Septuaginta, (de G-rieksche vertaling van het Oude Testament, die onder Ptolomeus Philadelpiiüs (240 â 184 v. (Jlir. ontstond,) met den naam On weergegeven. De nu nog overgebleven ruïnen dagteekenen waarschijnlijk uit den Komi'inschen keizertijd, toen het Heidendom nog eenmaal al zijn kracht inspande om tot bloei te komen. Het was nog eene laatste opflikkering van het licht, vóór het werd uitgebluscht; oen laatste poging om zich op te richten, vóór het leven wegzonk in den dood. â Maar wij willen alles meer van nabij bezien. Eerst gaan wij dan naar den Acropolis, doorloopen een lange, onderaardsche gang, die ons naar een ruime, open plaats voert; gaan het voorplein over, en komen aan het hoofdgebouw, den groeten Zonnetempel, die den vorm beeft van een langwerpig vierkant en in de richting van het westen naar het oosten gebouwd is. De hoofdingang, aan de oostzijde te vinden, moet buitengewoon prachtig geweest zijn. Door dien ingang komt men in een zeshoekig voorhof, dan in eene vierkante ruimte, die de meeste plaats inneemt en van rijk versierde nissen voorzien is;
') Amos ) : quot;i, /io du anntoolieiiing der SUilen-ovorzellinf; op Ezeeli. 1)0:17.
278
en vervolgens in den eens zoo weelderigen Zonnetempel van welken helaas! niet veel is overgebleven. Zes machtige zuilen, omstreeks zestig voet hoog en reeds van verre te zien, staan nog en verkondigen als met klagelijke stem de vervallen grootheid van vroegere tijden. Dicht in de nabijheid van dit groote staat een kleiner heiligdom, dat nog zeer goed onderhouden en waarvan de noordelijke zuilenrij zelfs geheel ongeschonden is. in het portaal is duidelijk het rijke sieraad van beeldhouwwerk zichtbaar; tusschen bloemen en bladeren op de keurigste wijze in het marmer aangebracht, zweven de beelden op den Zonnedienst betrekking hebbende, zooals: opstijgende adelaars enz. De pracht en heerlijkheid dezer ruïnen is overweldigend en doet ieder aanschouwer in bewondering staan. Die gebroken, ter aarde gevallen zuilen, die dekstukken en geschonden kapiteelen, getuigende van Griek-sche kunst toegepast op werken van reusachtige afmeting, dat alles is wonderlijk majestueus en geeft den indruk dat hier een hoogere macht vernietigend over den trots der oude wereld is heengevaren. Maar daarnevens ontdekt men ook de sporen van ruw geweld en niets ontziende hebzucht, die geen gevoel heeft voor het schoone en ook het verhevenste schendt. Zoo hebben, om iets te noemen, de Arabieren zuilen uit drie stukken bestaande laten springen, om het ijzer machtig te worden dat ze samenhield. O gruwel! wat de aardbeving nog verschoonde, heeft het barhaarsch geweld van menschen verwoest! De groote tempel met zijn voorhof heeft eene lengte van zes honderd voet, de zuilen zijn zestig voet lang met eene doorsnede van zes voet en rusten op een onderbouw van vijf en veertig- voet. In een der zijgevels zijn drie steenen gemetseld, naar welke men dezen tempel gewoon was het heiligdom der drie steenen te noemen (Trilithon).
270
Deze rouzengevaarten hel)ben (!(gt; ongehoorde lengte van twee- drie- un vier-en-zestig voet, bij (-ene hoogte en breedte van dertien voet. Maar liet verbazendst is, dat Z(; niet tot de grondlaag van den ninur i)ehooren, doch zich oji een hoogte van een-en-twintig voet bevinden. De inboorlingen honden niet zeldzame taaiheid aan het bijgelnot vast, dat deze rotsblokken door geesten zijn opgenomen en hier ingevoegd. Mij dunkt bet aannemelijker, dat van de groeve waaruit zij gehouwen zijn en die op een afstand van twintig minuten ligt, een zacht hellende weg is aangelegd, langs welke die gevaarten, op rollen geplaatst, door honderden mensehen zijn opgetrokken. Menscbeiikraditen hadden in de oudheid weinig waarde en de koningen konden over deze naar gelieven beschikken. Hebben wij dat niet reeds bij den bouw der Pyramiden gezien? Onder deze drie steenen bevindt zich gelijkvloers de hoeksteen, de âkoning dor kwadraten,quot;quot; zeven en zestig voet lang; maar in de groeve zelf ligt nog een grootere, van boven en aan beide zijden reeds afgewerkt, maar van onderen nog niet geheel losgemaakt van de rots. Zijn inbond is 370 M3. en zijn gewicht 30.000 centenaars. Vermoedelijk was bij voor den nnmr aan de noordzijde van den grooten tempel bestemd, maar misschien kon door een plotseling uitgebroken krijg, een epidemie of een opstand aan het plan der bouwmeesters geen gevolg gegeven worden, want boe is het anders te verklaren dat men een werk, waaraan maanden gearbeid werd en wie weet hoeveel ten koste is gelegd, onafgemaakt liet liggen! Een kleiner, ook zeer belangrijk tempeltje ligt ten oosten van den Acropolis. Een rij van acht zuilen nit één stuk met Korinlbische kapiteelen omgeeft n.l. een halfrond, in welks binnenwand schelpvormige nissen zijn aangebracht met gebogen archi-traven en door Ivorinthische pilasters gedragen: ook zijn
28U
er nissen aan de buitenzijde. Dit kleiner heiligdom, nog quot;vvel sierlijk maar zeer in verval, heeft waarschijnlijk dienst gedaan als Christenkapel, gewijd aan de heilige Bahbaha, waarom het ook nog heden âKeniset Barbaraquot; genoemd wordt. â
Na twee uren wandelens keerden wij terug door een onderaardsche gang, nu gebruikt tot stalling voor koeien, ezels of andere dieren. Na den middag maakten wij een wandelrit te paard en toefden nog eens in de nabijheid van dezelfde plek, die zulk een schoon monument uit het classiek verleden draagt. Het was alles stil; van het gindsehe klooster klepte het avondklokje; de dalende zon wierp hare laatste stralen over de overblijfselen van een heiligdom, eens haar ter eere gebouwd, en over een vlakte, waar nu do roerdomp klaagt en de nachtuil zijn nest heeft gemaakt, maar waar eens de wildste zedeloosheid en de verschrikkelijkste gruwelen, aan den Zonnedienst gepaard, aanschouwd werden. Doch is het u niet, mijn lezer, als hoort ge in de stilte om u heen een stem uit een hoogere wereld, een stem der profetie die zegt: âen in haar midden zullen de kudden zich nederleggen, een gansch volk van wild gedierte; ook de pelikaan en de uil, zij zullen in hare bouwsieraden overnachten; haar stem zal krassen uit de vensters; de drempels zijn met puin bedolven, het cederen tafelwerk is afgerukt.quot; ')
't Sloeg den volgenden morgen reeds negen uren, eer het gezelschap reisvaardig was. De zon bescheen helder het vruchtbare dal, den met sneeuw bedekten Libanon; een verrukkelijk gezicht! Ook de weg was uitstekend. In mijn
') Zelanja 2 : 1 4, verg. mei Jesajn quot;1 li: 21, 22 v.v. 34 : 11.
Wie meer van Baiilltek's historie on ruïnen wil welen, leze: Palestina von Khkhs uml Gutiih, deel 1 pag. 4(17 en v.v., en vooral liet oude, maar nog niet verouderde werk van Wood and Dawkins.
281
reisboekje teekende ik liet volgende aan: de weg van Baalbek-Damascus naar Beyroet is aangelegd door een Fransche maatschappij, die dus ook alleen het recht van exploitatie heeft. In de nabijheid van dien weg zijn door haar boerderijen gebouwd, wijngaarden geplant en wordt weder de ceder gekweekt, die in den Libanon tehuis behoort, maar, uitgezonderd te Tripoli, helaas! reeds lang verdwenen was. De gansche streek ziet er zeer welvarend uit; de handel is levendig, daar de uitvoer der producten langs dien goed aangelegden weg gemakkelijk is, en door den invloed der Fransche regeering de plagerijen der Turksche beambten minder worden gevoeld. Was een dergelijk voorrecht aan Palestina beschoren, hoe gansch anders zon het er dan uitzien in Tiberias, in Nazareth of elders, waar nu nog alles kwijnt en van bloei en leven geen sprake is! We passeerden verscheidene meer of min aanzienlijke dorpen, hielden halt te Nab-Allaka, aan den oever van een helder vlietende beek, en lieten daar het warmste gedeelte van den dag voorbijgaan; reden vervolgens naar Stora, het hoofdstation, waar de wegen van Damascus en Baalbek naar Beyroet elkander ontmoeten, vertoefden daar nog eenige oogenblikken en vonden drie kwartier nurs verder in een bekoorlijk hoogdal van den Libanon onze tenten weer. Wij hadden het uitzicht op de Anti-Libanon-bergketen en den besneeuwden Hermon.
'j Men spreekt wol eens van den âkleinen Hermonquot;, mijns bodnnkens door liet verkeerd verstaan vtm eenige liijbulplaatsen, als Psalm 42 : 7, waar de Hermon een kleine lierg genoemd wordt, niet omdat er nog een grootere was van dienzelfden naam, maar wijl dit berggevaarte, in welks nabijheid de zanger verwijlt, hem gering voorkomt in vergelijking van den Sion, naar welken zijn hart zoo zeer verlangt, en die hem grooter is dan alle bergen der aarde. De samenvoeging van den Hermon met den veel kleineren ïhabor (Ps. Bil : 13j beeft tot de dwaling geleid, dat er in de nabijheid van den Thabnr een berg of heuvel van dien naam zal geweest zijn. De Hermon beeft drie toppen, die het grootste gedeelte van bet jaar met sneeuw bedekt zijn; zijn flora is beroemd en zijn cypressen zijn bekend in de 11. Schrift. Zie lil). Hikiim's, Wörterbuch, i. v.
282
Den volgenden morgen ging de bel voor de laatste maal langs ons kamp om ons tot ontwaken te roepen. Wij waren gedurende dertig dagen tentbewoners geweest; geen stormen ol' onweders hadden ons geliinderd; één regenvlaag was slechts over onze linnen woningen heengegaan, maar zonder het minste letsel te brengen. Dat tenterdeven heeft op allen een goeden indruk gemaakt, quot;t Was zoo aartsvaderlijk als wij 's avonds in groepjes buiten zaten en 't gaf zulk eene eigenaardige drukte als 's morgens de tenten opengingen en men naai' buiten kwam, soms nog met een half slaperig oog, om te zien welk weder het was: of een ander neerzat bij een kist om in alle haast een brief af te schrijven of het dagboek in te vullen, en dan de confusie van de dames, die terwijl zij nog hezig zijn om hare bagage in orde te schikken, tot haar schrik ontdekken dat de knechten reeds de pinnen uit den grond halen, de touwen losmaken, het linnen oprollen!... Het ontbijt is spoedig gebruikt .... daar schalt de trompet; de karavaan zet zich in beweging en opgeruimd en dankbaar voor het vele goede reeds genoten, draaft ieder voort, nieuwsgierig wat deze dag weder brengen zal. Maar nu voor 't laatst! Weemoedige gedachte: ware ik dichter, ik zou in poözie een afscheidsgroet gebracht hebben aan mijn tent; en dan zou er zeker in dat gedicht een couplet voorgekomen zijn met de herinnering, dat zoo dikwerf onze aardsche pelgrimstocht bij een tentenleven wordt vergeleken, en de vraag: hoe zal het dan, ja dan eens zijn, als uwe levenstent dooi' den laatsten storm wordt geschud, en de doodsengel tie koorden ontknoopt, en het linnen verscheurt, en de onbruikbaar geworden tent naar het kerkhof zal worden weggedragen, terwijl gij, gij zelf dan zult zijn aangekomen in het land der Eeuwigheid. Maar
283
neem die gedachte nu inaar in eenvoudig proza mijn lezer, en denk er eens over na!
Ook het laatste gedeelte van onzen tocht belooft schoon te zijn. Het weder is verrukkelijk en do weg over den Libanon heeft al het bekoorlijke en belangwekkende van een Alpenpas; hoe hooger men kond, hoe schooner de bergwereld zich ontplooit. Eindelijk op lint hoogste punt gekomen, zien wij achter ons de sneeuw, vóór ons de Middellandsche zee, Beyroet met haar paarsgekleitrde heuvels de ruime baai omringend en talrijke villa's aan den voet des bergs gebouwd. Hier spleten en kloven, waar nooit een zonnestraal komt, maar daar weelderig groen; hier rotsblokken ol' bemoste steenen, maar daar beneden een bloemenpracht, die in verrukking brengt. Niet zonder groote oorzaak hebben Arabische dichters gezegd, dat de Libanon den winter op zijn hoofd, de lente op zijn schouder, de herfst in zijn schoot draagt, terwijl de zomer aan zijn voeten sluimert. In enkele uren kwamen wij van den winter in den zomer; daalden wij af van een âSelmeewaldquot; in een bloemenhof.
In een karavansera, nog tamelijk hoog gelegen, hielden wij een paai' uren halt; toen ging het langzaam naar beneden langs een prachtig, slingerend bergpad, waaraan vriendelijke landhuizen gebouwd zijn, waarlangs beekjes vloeien en pijnboomen of ceders zich statig verheffen. Wij stapten af in het Newdiotel, gelegen aan de baai, ruim, luchtig en zindelijk, 't Zag er alles goed uit. Mijn vrouw en ik betrokken onze kamer, dankbaar dat een toe lit van vier honderd mijlen te paard was afgelegd, zonder het minste letsel te hebben bekomen, en dat op wegen, die, hoe interessant onk, toch soms zoo slecht en gevaarlijk waren, terwijl het door rivieren en moerassen en langs gapende afgronden heenging! Maar God had ons beschermd, en
284
wij voelden ons gedrongen in dankzegging nit te spreken
wat de Heer voor ons was geweest.
Beveel gerust uw wegen,
Waar ook uw voet zich keert,
Dei- trouwe hoede en zegen
Van Hem, die 't al regeert:
Die wolken, lucht en winden
Wijst spoor en loop en baan.
Weet ook den weg te vinden Waarlangs uw voet kan gaan.
|3EYROET. â jS/VAYRNA, â jlFEZE.
Wij hebben op onze reis nog geen stad ontmoet, zóó schoon gelegen als Beyroet: eeno stad, ten deele nieuw en op grootsche wijze aangelegd, terwijl de haar omgevende natinir van eene heerlijkheid getuigt, die den opmerkzamen wandelaar doet uitroepon: O God! wat is Uw schepping schoon! Daar boven op de bergen het onsmeltbaar sneeuw-paleis, dat de winterkoning zich bouwde; aan den oever een watervlak, wonderbaar blauw; en dan naar alle zijden tuinen en gaarden met bloemen van de schoonste kleuren en rozen van de fijnste geuren! â Waarlijk, het is een genot in dit paradijs eenige dagen te vertoeven en het rouwde ons niet te vernemen, dat do boot, die met ons langs de kust van Klein-Aziö stevenen zou, eerst na drie dagen verwacht werd. â Zaterdag-middag waren wij aangekomen; dat voor het overige van dien dag niemand tot een groeten toer was over te halen laat zich begrijpen, de meeston waren te moe en zaten liever rustig op hun balkon, om te genieten van het heerlijk uitzicht op do zee, die zoo kalm als een spiegel de bergen weerkaatst, welker voet zij bespeelt, en het blauw des hemels, en de zon, die voor iedere golf een lichtkrans weeft of het spoor
285
verguldt over de gren/enluoze waterbaan, door de schepen als âreuzen-ploegersquot; getrokken. Wij bepaalden ons tot eene wandeling door de stad, maar namen eerst afscheid van onze bedienden, die trouwe Arabieren, die dertig dagen lang met ons do vermoeienissen dor reis hadden getrotseerd, met dit onderscheid evenwel dat zij te voet waren en wij te paard; ook onze dragoman moest spoedig terug, en daarom eerst een getuigschrift voor hem opgesteld, geschreven in het Nederlandsch en Engelsch, en verklaard dat Josioi'u Siiaah zich op uitstekende wijze van zijn plicht heeft gekweten en alleszins aanbeveling verdient. Toen konden wij met gerust geweten een kijkje nemen in de stad. Beyroet is de aanzienlijkste handelsplaats van Syrië; bijna 2800 zeilschepen en 500 stoomers wierpen gedurende 1888 in haar haven het anker uit; de bevolking is zeer arbeidzaam en schijnt nog iets in zich te hebben van den handelsgeest, waardoor de Pheeniciërs, hare vaderen, zoo zeer beroemd waren; de meesten kunnen lezen en schrijven. Na den Christenmoord te Damascus (18()0) nam de stad snel in bloei en uitgebreidheid toe; ') duizenden vluchtten her-
') Vóór don Chi'istenmooi'd tclilc Iteyruet '20.(100 inwoners, nu over do 105.000, om wol: 33.000 Muliummoihuioii, 30.000 Cïrioksch Ortliuiloxon, 28,000 Maro-nioton, 11000 Molkielon, 1500 Jodon, 1500 Hoomsclion, 000 Pioleslanten, 1100 Syr. Kndioliokon, 100 Arm. Kuth., 300 Druson. Zij liebbou zos-en-dorlig Chr. korUon, zes-on-/,oslii! jongons- on zos-on-dorlig inoisjesscholon. Do Aniorikuansclic Zonding hooft iiior liuar middol|iunt. In iiaro kork wurdt in liot Engolscli on Arabisoli gepredikt. Zij bey.it een drukkerij en naast bare versobilleude sebolon ook eene iioogescliool mot tiiecilogiscbo «.'n inediwoho faenlteit. â Oo Sobotsche Zending arbeidt voornamelijk onder de .loden en de Syrische missie hoeft onder meer ook een Blinden-Instituut opgericht en een vormschool voor onderwijzers en ondorwijzorosson, terwijl ook met lof moot worden gesproken van de groote inrichting der Sceurs de Charité de Sr. Vincunt du Paula, do school dos Dames de Nazareth, liet hospitaal dor Pruisische .lohanniston is zeer gezond gelogen en goed ingericht; bovendien hebben de Diaconessen van Kaisorsworth een groot weeshuis en pensionaat; in hot gebouw bevindt zich de kapel voor de Duitscbo Protestanten. Dagelijks worden hier twaalf conranton uitgegeven, en wat vooral voor den ontwikkelingszin der bevolking pleit, is, dat dertien drukkerijen druk werk vinden.
286
vvaarts heen, vonden een veilige sciuiilplaats, maar brachten ook tevens nieuwen zegen mede. Ja, van liet oogenblik af dat de vervolgden ter wille van het kruis in liefde werden opgenomen en men hun weldadigheid bewees, is het of de bloei en vooruitgang van Boy met begon; 't is of die vluchtelingen nieuw bloed in de aderen van het volksleven hebben uitgestort en hun komst op bijzondere wijze door God ten zegen werd gesteld. Denk eens terug, mijn lez.T, aan de dagen der Hugenooten, toen Nederland dc ark des behouds voor do vluchtelingen werd. Heeft ook toen niet ons volk de gunste zijns Gods mogen ondervinden? â Zondag-morgen woonde ik de godsdienstoefening bij in de Engelsche kerk, 's middags deed ik eene wandeling buiten de stad. Maandag-morgen maakten wij een gemecnschappelijken uitstap naar den âhondsvloed.quot; Om negen uur stonden daarvoor tie rijtuigen gereed: het was heerlijk weder. Na een uur rijdens zien wij de vriendelijke kapel van St. Gkorgk van Engeland, den patroon van Wiu.km va\ Aquitanik, die in de kruistochten het loven liet. De weg is goed en loopt door buitengewoon schoone dreven; links het helderblauwe water, rechts plantages met duizenden moerbezieboomen voor de teelt der zijdewormen en verder allerlei bloemen en groen. Vriendelijk daartoe uitgenoodigd, bezichtigen wij de groote stoommachine der drinkwaterleiding, op een uur afstand van Boy root gelegen, en naderen vervolgens het doel van den tocht: den Nahr-el-Kelb, den hondsvloed, bij de ouden Lycos, Wolf genoemd. Over den nauweu en stellen bergpas, door welken hij zich kronkelt, bouwde Sultan Skum 1, naar luid van een in de rotsen gebeiteld inschrift, een brug, die de beide oevers verbindt, en dient om het verkeer tusschen do plaatsen aan de kust gelegen levendig te houden. Reeds Maruus Axtomus (Kil â180 n. Ch.) liet
287
tot datzelfde duel een weg uithouwen in het gebergte, nog steeds in gehruik, terwijl zich nog een ander pad honger op door de wildernis slingert, hier en daar afgebrokkeld en dus tot niets meer geschikt, maar toch meer dan eenig ander bergpad beroemd om de Assyrisehe en Egyptische beelden, die op de rotswanden zijn aangebracht.') Zij zijn negen in getal, zes van de eerste en drie van de laatste soort on dragen de namen der beroemdste Assyrisehe en Egyptische koningen, die met hun geheelen legertros over dit pad zijn heengegaan om het Syrische kustgebied te veroveren of te verdedigen. Ai.kxandbr dk Gbootk voerde op zijn tocht naar Egypte zijne heirscharen over dezen weg; kruisvaarders trokken eveneens hieiiangs en ook de Eransche armee in 18()0, uitgezonden ter tuchtiging van de Drusen, die zoo vreeslijk in Damascus hadden huisgehouden, kon de verzoeking niet weerstaan om den gelukkigen uitslag harer expeditie op een rotsplaat voor het nageslacht aan de vergetelheid te onttrekken en alzoo Frankrijk naast Assyrië, Napolkox naast de machthebbers en geweldenaars van vroeger eenwen te plaatsen. Dat ontbrak dan nog maar aan de glorie der Napoleontische dynastie, wier derde Keizer, eens de schrik van Europa, door zijn eigen volk van den troon verjaagd, als balling in Engeland stierf, terwijl zijn zoon, die de vierde zijn zou, door de assegaaijen der Zoeloes gedood werd! De Christen gelooft niet in een noodlot, maar in een Clod in Wiens hand het lot ook der Vorsten berust.
Den volgenden dag bezochten wij het Amerikaansch
') I3os('.a\vun, cci] ki im' Isr li oriiM ta 11 st, liuefl ilio n ltsl KT 1 (I on (11 do vnlgcndo wijze guriingscliilU: I. ItAMsiis II, gewyil niin 1'iiA/,. '2. Assun-ius-Ir.iM, II 40 voor Glir. 3. Tiolatii i'ii.ksah, 1140 voor Clir. Assuh-nasa-fal, 88:quot;) voor Chr. 5. Salmanasskr. 8(i(l voor Chr. (gt;. Hamsus II, gewijd mui Ito. 7. Saniiuuih, 702 voor Clir. 8. Hamsus II, gewijd aan Amon van Tiikhun. 1). Assaiiiiaduon, Ci81âÃ7 1 voor Chr.
288
Instituut met zijne drukkerij, rijke museums, astronomisch en meteorologisch observatorium, dat dagelijks telegrammen wisselt met Constantinopel, Londen en Washington; 's middags bazaars, die luide getuigen van dc ontwikkeling on den ondernemingsgeest des volks. Zeer uitgebreid is do handel in zijden en met gouddraad doorweven stoffen, alsook van wollen artikelen, waardoor Beyroet reeds sedert ecuwen beroemd was. Jaarlijks neemt de stad in schoonheid toe, terwijl de bloeiende, wetenschappelijke inrichtingen welke zij bezit, haar invloed al verder en verder gevoelen doen. Maar vergeten wij ook niet te vermelden, dat aan die lichtzijde een donkere schaduwzijde grenst; immers, bij al het goede door Europa en Amerika gebracht, blijft ook het kwade niet uit. Lichtzinnigheid en wereldzin, met het kleed van den vooruitgang getooid, hebben ook hun intocht gedaan en ziju met open armen ontvangen. Vele der âbeschaatdequot; Beyroeters legden hun Oosterschen mantel at, en dragen nu een jas en hoed naar Fransche mode, spreken vloeiend Fransch of Engelsch, maar zijn ook de getrouwsto bezoekers der café's en de beste biljartspelers! En wat de meisjes uit den lageren stand betreft, in een Europeesch ot Ame-rikaansch gesticht ter opvoeding geplaatst? O, ongelukkig als de tijd van haar terugkeeren naar de ouderlijke woning is aangebroken! Dan staat haar dit; Arabische onzindelijkheid tegen; zij hebben iets anders gezien en geleerd en zoeken weg te komen uit eeue omgeving, waarin zij zich niet meer thuis, gevoelen. Zij willen zich niet buigen onder een huwelijksdwang, dien de Arabische zeden mee-brengen en welken de vader eischt, dio zijn dochter verkocht heeft. Evenals in Jerusalem en in geheel Syrië is het ook hier: de directeuren der opvoedingsgestichten weten zulks, maar wat is er vooreerst aan te doen?
289
Woensdagmorgen bezochten wij hot buitengewoon schoon gelegen en fraai gemeubelde liuis van eeno Russische familie, die om do warmte reeds haar villa in den Libanon betrokken had. Het moet evenwel in horinnering worden gebracht, dat het klimaat in Beyroet heerlijk is, en de jaargetijden zoo langzaam in elkander overgaan, dat van de vriendelijke lente tot den warmen zomer de eeno dag van don anderen nauwlijks een halven graad verschilt'). 's Middags scheepten wij ons in op het Kransche stoomschip Syndt. Het weder was prachtig, de zee kalm, en den volgenden morgen ontwaakten wij op de ree voor Tripolis. Vroeg werd het ontbijt gebruikt en ten zeven ure stapten wij in een sloep, die ons in een half uur naar de boneden-stad, El-Mina, bracht; toen ging het per tram, met een paard en een ezel bespannen, naar do bovenstad, die in vijf en twintig minuten bereikt werd. Do stad mot haar witte huizon, netton bazaar, reine straten met trottoirs afgezet, maakte op ons een goeden indruk; het schoonste uitzicht heeft men van do citadel. Wij kochten chinaasappelen en zoete citroenen en keerden per tram weder terug naar El-Mina, door de Tripolitanen âKlein Damascusquot; genoemd. Ten elf ure waren wij weder aanboord; 's avonds ankerden wij voor het schoon gelegen Lattakia, maar te laat om aan wal te gaan. Het volk van die stad schijnt zeer vlug; als katten klommen zij tegen ons stoomschip op en waren in een oogenblik aan boord. Vóór het anker gelicht werd was ik reeds in mijn hut, en bij het ontwaken den volgenden morgen lagen wij voor Aloxan-(1 rotte, een stadje van 2000 inwoners en stapelplaats van Aleppo. Daar wij hier don ganschen dag moesten
') Zie over Reyroet: Palestina von Kmons und Girmu, Ie d. p. 50. Robinson, Palestina, üe d. p. '25. Hunan, Mission do Phónide :u:i.
19
290
stil zijn, maakten wij een watertocht van circa twee uur naar do dusgenaamde Jona-Zuilen, de plaats waar de profeet Jona door den visch werd uitgespuwd op liet droge. ^ De zee was als een effen vlak. de tocht heerlijk; maar nog meer welkom de verrassing, ons den volgenden dag bereid, toon wij in de baai van Mersina aangekomen, een extra-trein gereed vonden om ons te
brengen naar Tarsus! Tarsus,..... do geboorteplaats
van Paulus, den apostel der Heidenen! Het is een stad met 15000 inwoners, gelegen in een vruchtbare maar ongezonde vlakte aan do rivier Kydnus, die een kwartier uurs buiten de stad zich nederstort in een wel niet hoogen, maar toch broeden en daardoor prachtigen waterval. Ik dacht mij Saulus, als kind spelende aan de oevers van dien stroom, of denkende en overleggende van God en goddelijke dingen. 2) Ik vroeg mij zeiven af wat er in de ziel van dien kleinen Saulus wol zal zijn omgegaan, als hij dat schuimende on bruisende water de vlokken in bot rond zag strooien on wat hij dan wel dacht van Clod . . . Eene nieuwe Christelijke kerk was er in aanbouw om eene oude te vervangen, welker stichting aan den apostel Paulus wordt toegeschreven. Het merkwaardigste onder do vele oudheden te dier plaatse is do Donak Tasch of draaiende steen, een gebouw 84 M. lang, 40 M. breed en 7 M. hoog, en nog hier en daar met marmer versierd, naar men zegt opgericht boven het graf van den Assyrischen Koning Sardanapalus. Ook nu nog is Tarsus om zijn zeildoek beroemd. Bij onze aankomst werden wij door den Amerikaanschen
') Jona 2 : 10. 'I 1 Cov. 13 : 11. ') Hand. 18 : 3,
201
zendeling ontvangen, die ons verzelde op eene wandeling door de stad, en daarna eenige verversohingen in zijn huis aanbood. Straks keerden wij naar het station terug in rijtuigen, echt Oostersch, dat is oud, vuil en schier onbruikbaar. Zoo was ook hot station, met meer recht een schuur of stal dan een wachtplaats voor reizigers te noemen; maar de spoonvegrijtuigen waren goed, ten minste die der eerste klasse. Hoe het met die der tweede en derde klasse gesteld was, weet ik niet. Tegen den avond kwamen wij in Mersina terug, eene stad met c.a. 10000 inwoners, groote haven en veel handel; onze sloepen lagen gereed en binnen tien minuten waren wij weder aan boord. Den volgenden morgen zetten wij den tocht voort op korten afstand van de kust. De zee was steeds kalm, en het gezicht op de mot sneeuw bedekte bergen van den Taurus verrukkelijk. Wij voeren voorbij do groote golf van Adalia en kwamen na eene vaart van negen en twintig uren voor het eiland Rhodus '), maar helaas! wij ankerden niet, doch stoomden dicht genoog langs de kust om de ruime haven te zien, aan welker ingang eens de beroemde colossus stond, oen koperen beeld aan don zonnegod gewijd, honderd voet hoog en in het jaar 223 vóór Christus door een aardbeving neer-
') Op mijn tweeile reis hull ik Cyprus aangedaan. Ons stoomschip wierp voor l.arnaka, nan de /.iiidooslknsl van liet eiland, het anker uit. In twintig minuten roeiden wij naar den wal; de stad hieilt weinig liijzonders, de straten zijn smal, de woningen klein; langs de kade meestal winkels, pakhuizen, wijnkelders en cafés. De wijn van Cyprus was reeds oudtijds /.eer beroemd, en is ook nn nog niet te versmaden.â liezienswaardig is alleen de Grieksche kerk aan den heiligen Ghouoh gewijd, het antieke koorhek is van bijzondere waarde; ook wur.lt in een soort van krypta of onderaardsche kapel het graf van I.azAlius getoond, die volgens de legende nit vrees voor ile .loden naar Cyprus gevlucht, en daar als bisschop gestorven is. Op Cyprus werd IIaiinaii.vs geboren, van wien wij lezen in Hand. 4 : ;Ui, :!7 dat hij zijn akker verkocht en het geld bij de apostelen bracht. Op zijn eerste zendingsreis bezocht Pa nr. us dit eiland en predikte er met rijken zegen (Hand. 13 : ö, (1). Ook daar was het dat du valsehe profeet Iïumas met blindheid geslagen werd. Heeds de waarzegger Hli.ham sprak van Chittim, d. i. Cyprus. (Num. '24:'24.)
292
geworpen. Daar het Orakel de herstelling van het reusachtig beeld verboden had, bleven de overblijfselen liggen, totdat ze in 072 na Chr. aan een jood werden verkocht, die, om do brokstukken weg te voeren, naar men zegt, negenhonderd kameelen noodig had. Wij zagen de vestingwerken, tientallen van molens langs den oever gebouwd, koepels en minarets, wuivende palmen en groen gebergte. Wat ik evenwel het liefst gezien had, de straat der Johanniten, waarvan de meeste huizen, dateerende uit de 14d0 eeuw, bewaard zijn gebleven en nog met de wapenschilden der ridders versierd, zag ik niet, maar daar was niets aan te doen. Wel herinnerde ik mij het bekende woord der Rhodiërs, ook onder het stadswapen geplaatst: âbic Rhodus, bic salta,quot; âhier Rhodus, spring!quot; maar al waren mij ook de beenen van den colossus geleend om den sprong te wagen, wat had hot mij gebaat, daar de boot doorstoomde; en veertien dagen te wachten op een ander vaartuig ware wel wat te lang geweest.
Van Rhodus eerst westelijk dan noordelijk koershoudende, kwamen wij spoedig tusschen de zuidelijke Sporaden, eene vaart zóó schoon, dat er mijns bedunkens geen heerlijker zijn kan. Rots- en heuvelvormig duiken de eilanden op uit den blauwen vloed, nu eens groen, dan weder met weinig plantengroei, maar altijd schilderachtig, terwijl elk oogenblik het panorama verwisselt. Wij stoomden voorbij Knidos, Kos, Leros en op verren afstand voorbij Patmos, do klip, waarheen onder Keizer Diooletianus de apostel Joiiannrs verbannen werd en hij de âOpenbaringquot; ontving. Bij helder weder ziet men met een binocle eenige witte huizen op het hoogste punt der rots gelegen. Hoe gaarne had ik daar, al was het maar één uur, vertoefd, doch helaas! van verre kon ik slechts aan die gezegende plok, waar de Hemel
293
zich boven de aarde opende, een groet van belangstelling brengen! 's Nachts kwamen wij Chios voorbij, in de classieke oudheid wel bekend; en den volgenden morgen lag de baai van Smyrna voor ons, schilderachtig omlijst door de hooge bergen die haar van alle zijden omringen. In do binnenhaven wierp tie Syndt het anker nit en weldra zetten wij voet aan wal in een dor beroemdste steden van Klein-Aziö, eerwaardig door haren ouderdom. Ook Smyrna behoort tot het zevental, dat elkander het recht betwist om op haar geboorteregister den naam van Homerus te schrijven en liet schijnt wel dat de critiek geneigd is dit pleit ten gunste van Smyrna te beslissen; althans voor zeker houdt men het dat de grootste dichter der oudheid, do zanger die den tocht naar Troje in zijn lied heeft vereeuwigd, hier toefde en aan dezen oovor zijn schoonste episoden zong. Ligt er niet iets âHomerischquot; over het landschap; iets stouts en liefelijks tevens? Kan niet hier het afscheid van Hector on Andromache, uf het verzoek van Pkiamus aan Achilles om het lijk van Hectou , uit dat verheven menschelijk genie zijn geboron? Doch hoe het ook zij, mij aangaande, ik wensch voor niemand onder to doen in eerbied voor die reuzengestalte, voor dien held, dien zanger, wiens lof nooit genoeg kan worden verheerlijkt, maar toch, al trillen ook do snaren van zijn lier nog na tot in verre eeuwen, al word of wordt oen Homerus nooit overtroffen, toch vraag ik in de eerste plaats naar der dichteren koning niet, maar veel liever naar die kleine Christengemeente, door den Heer zolven in het Openbai ingsboek van wege haar lijden en strijden genoemd, lut Joha\.nes op Patmos heette het: âSchrijf aan den engel dei gemeente van Smyrna: Dit zegt de Eerste en de Laatste, die dood geweest is en weder levend is geworden. Ik weet uwe werken en verdrukking en armoede ....
294
Vrees geen der dingen die gij lijden zult .... Zijt getrouw tut den dood, en Ik zal n geven de kroon des levens.quot; ') Enkele jaren na het ontvangen van dezen brief uit den Hemel, zag do gemeente van Smyrna den ten doode gowijden Ignatius, bisschop van Antiochiö, in haar midden. Door Keizer Trajanus veroordeeld om naar Rome gevoerd en daar voor de wilde dieren geworpen te worden, ankerde het schip dat den bisschop overbracht eenige dagen te Smyrna. Bij die gelegenheid ontmoette Ignatius den toen nog jeugdigen Polycarpus en vermaande dezen vast te staan in het geloof, aan te houden in het gebed. âZoekt alleen Dien welgevallig te zijn,quot; zoo zegt hij hem, âdie u onder Zijne krijgsknechten heeft opgenomen. Hij is het ook, die u de soldij betalen zal. Waak en bid dat gij nooit het vaandel van uwen Koning ontrouw wordt!quot; Ignatius stierf in Rome, maar reeds had Polycahpus de kruisbanier uit zijne handen overgenomen, en vijftig jaren lang droeg hij ze met onver-winbre trouw! Nu breken de stormen der vervolging over de gemeente to Smyrna los. Reeds zijn eenige jeugdige helden gevallen, met stervende hand nog de banier van den Heer omklemmend! Zij blijven trouw tot in den dood! Daar gilt de bloeddorstige menigte: âWeg met de goddeloozeu! Men hale Polycarpus!quot; De grijsaard is spoedig gevonden. Men sleept hem buiten de stad, den heuvel op, waar het volk bij de renbaan en de spelen verzameld is. Hij wordt voor den proconsul gebracht. Deze vraagt hem; âZijt gij Polycarpus?quot; en als hij bevestigend antwoordt, vermaant hem de Romein toch medelijdon te hebben met zijn ouderdom en bij de genade des Keizers te zweren en te roepen: âWeg met de godde-
') Openb. 2; 8-10.
295
loozcn!quot; ') In heiligen ernst, terwijl zijn uog van ijvervuur tintelt, ziet hij over de menigte heen, strekt de handen naar haar uit en niet den blik ten hemel roept do grijsaard niet krachtige stom: âWeg met de guddeloozon!quot; Do proconsul smeekt hom: âvloek Cuiustus en gij zijt vrij!quot; maar terwijl oen gloed, van zielevreugd zich verspreidt over zijn gelaat, is zijn wederwoord: âZes en tachtig jaren heb ik Hom gediend on nooit heeft Hij mij oonig kwaad gedaan, hoe kan ik dan mijn Koning smaden, die mij liet' heeft on verloste!quot; ])o proconsul dreigt mot zijn wilde dieren. âDat zij komen!quot; zegt PoLYCAitrus. âMaar zoo gij do wilde dieren niet vreest, dan heb ik vuur tot mijn dienst!quot; âGij dreigt mot oen vuur dat spoedig ge-bluscht is, maar kent het vuur niet dat eeuwig brandt en don goddeloozen is bereid. Maar wat draalt go, breng mij waar gij wilt.quot; Het lot is beslist. Tot driemaal toe roept do heraut in de renbaan met luide stem: âPoLYCARrus heeft beleden een Christen te zijnquot;, on Heidenen en Joden gillen: âweg met don vader der Christenen!quot;.... Eenige oogonblikken slechts.... daar staat Polyoahpus vastgebonden aan den paal. Nog vóór de vlammen om hem golven, bidt hij: âHoer, almachtig God, Vader van Uwen geliefden Zoon Jezus Ciiuistus, door Wien wij U kennen, U, den God der engelen en van allo geslachten, die voor Uw aangezicht leven, U den dank, dat Gij mij dezen dag en deze ure hebt waardig gekeurd, en ik onder het getal van Uwe bloedgetuigen den kelk van Christus drinken mag. U, Vader, Zoon en Geest zij lof en eer tot in eeuwigheid.quot; Nauwlijks is het amen van zijne lippen of do vlammen slaan uit en als oen engel staat hij te midden
') GütUiclinizuii weriloii de Clirisleneii door do lloidencn gcnoeiiilt;l, omdat zij (icon ufgoclsbeelüuii of tcmpuls liatkleu, waar ttcolïml werd.
296
des viuirs, totdat zijiu; ziel up dien blinkenden wagen heenvaart naar den Hemel. Zijn ascli werd door zijne vrienden verzameld en tor aarde besteld. â Wat wonder dat naar dat graf ieder belangstellende in de eerste plaats heengaat , al is de wandeling langs het hobbelige en soms steile bergpad moeilijk. Het landschap is wonderbaar schoon en van de hoogte gezien gaat het alle beschrijving-te boven. Nog ziet gij eenige steenhoopen, overblijfselen van de renbaan en van den circus, die als ze spreken konden zouden getuigen van een gemeente en van haar grijzen herder, die trouw bleef tot in den dood. Zijn gedenkteeken is eenvoudig; slechts een steenhoop met lappen en linten versierd en een turksche muts er op, want do Turken zeggen, dat hier een groote heilige begraven is en die lappen en linten zijn dankbetuigingen van herstelden, dio meenen dat nog kracht van zijne rustplaats tot hunne genezing is uitgegaan. Pelgrims van verschillende belijdenis gaan hier ter bedevaart heen en buigen er do knie; ook de Protestant staat bij het graf van Polycarpus niet eerbied stil; en als dan die martelaar der eerste Christendagen in eerwaardige gestalte voor zijn geest verrijst en hem met een oog vol liefde, ernstig waarschuwende, schijnt toe to roepen: zijt getrouw tot in den dood! dan gaat er nog van die grafplaats, ofschoon gansch vermolmd en ontsierd, eene prediking uit, die innig welsprekend is en doet bidden: âO, mijn Heiland! maak ook mij getrouw tot in den dood, opdat ook ik eens uit Uwe hand do kroon dos levens moge ontvangen!quot; Ja, Polycakpus spreekt nog nadat hij gestorven is, en zijn zwanezang stijgt hooger en doet de snaren der ziel nog anders trillen dan Homerus' heldendicht. Polycarpus zal blijven, al werd soms Homerus vergoten. Immers de vonken van het menschelijk genie kunnen
297
gloeien on blinken van eeuw tut eeuw, nmar toch blijven zij beneden do «torren; alleen hot licht des geloofs vorspreidt zijn gloed in do breedte, maar ouk in do hoogte, straalt boven lucht en wolken en rijst ton hemel. Daarom zeggen wij: meer dan Homebus is hier. â Van het graf van Polvcahi-us gaan wij naar den tup des bergs, nu nog gekroond met do overblijfsolen van een kasteel uit vroogcr eeuwen. Daarnevens ziot men een reservoir, door de Romeinen gebouwd om de stad van drinkwater to voorzion. Op onzen torugtocht reden wij, want zulk een rit wordt op eon ezoi godaan, om de stad, ten einde eenige vuile en nauwe straten te mijden, die wij daar straks passeerden, en kwamen voorbij een zeor schilderachtig kerkhof, met buitengewoon hoogo cypressen beplant. Dat een bozook gebracht word aan don Bazaar on wel in do eerste plaats aan de afdoeling tapijten, behoef ik u niet te zeggen, maar do prijzen waren waarschijnlijk wat hoog en do patronen niet bijzonder fraai; hue hot ook zij, ik heb van inkoopon niet voel bemerkt. â
Nog vergat ik te vertollen dat wij logeerden in het G-rand Hotel, gelogen aan een breede kade, dio zich langs do zeezijde dor stad uitstrekt on door eeno Franscho maatschappij is aangelegd. Een tram loopt van het eeno einde naar het andere, alles echt Enropeesch! Trouwens, Smyrna is niet moor Oostorsch; men vindt er huizon, winkels, restauraties, hotels als in een Euro-peesche stad en hoeren en dames gekleed als in Parijs. Turken en Arabieren, ook wol in hun eigenaardig kostuum, zijn hier in do minderheid.1) De Grieksch-orthoduxon bezitten
') Du hevolkinn van Smynia wurdt geschut op I100 /jeleu: 75,000 Grieken, 10,000 Houmschen, üOOO Armeniër*, 15,000 .Mlon, 45,000Turken, eenige honJerileii rroleslunlen, terwijl van de overigen de godsdienst niet opgegeven wurdt.
298
er dertien kerken, do Roomscheii één kathedraal en vier kleine kerken, de Protestanten drie kerken, de Armeniërs één hoofdkerk. Drie aartsbisschoppen, een Grieksche, een Roomscho en een Armenische, houden hier hunne residentie. Onder do Joden arbeidt do Schotsche zending; scholen, weeshuizen, hospitalen worden door de liefdadigheid van Christenen in het buitenland gesticht en onderhouden. In iiet kwartier der Christenen ziet het er rein en zindelijk uit. Dat het Grieksche element hier overheerschond is zeggen u de u'.thangborden, opschriften boven de winkels, prijslijsten, alles in de nieuw-Grieksche taal, terwijl de groote hulzen aan do kade, de villa's achter do stad, aan de helling des bergs gebouwd, de drukte die overal heerscht en do haven vol schepen met vlaggen van verschillende kleuren, u duidelijk doen zien dat er wolvaart heerscht. â
Den volgenden morgen reden wij met do tram naar het station. Daar stond reeds een extratrein gereed, die ons in drie uren naar Ajasuluk, hot oude Efozo, bracht. De bpoorwog loopt tusschen tuinen en wijngaarden, nu eens naar een hoogdal, dan weder door een vallei, maar immer in eone vriendelijke omgeving. Was het door het heerlijke weder, het aangenaam gezelschap, oi het doel van onzen tocht, dat onze gelukkige stemming verhoogd werd? Ik woet het niet, misschien had bet laatste daarop den meesten invloed. Om twaalf uur stapten wij af aan het station, gelegen aan don voet van een heuvel in de nabijheid van plantages mot vijge- en citroenboomen beplant. De omgeving ziet er armoedig uit; een dorp van huizen ol hutton met 300 inwoners en een hotel, alleen bezocht door reizigers, wien hot te doen is om de overblijfselen van het oude, eens zoo beroemde Efeze te zien. Wij gaan er binnen om te middagmalen., In dien tusschentljd komen de paarden met
299
den gids, die ons vergezellen zal. Maar moeten wij up die zadels zitten? Krijgen wij touwtjes voor teugels in handen? Ziet gij niet dat de riem van uw stijgbeugel up het punt is van te breken? Maar daar is niets aan te doen, men heeft hier niet anders. âOpstijgen, dames en hoeren! en Wij elkander blijven; niemand zondere zich van het gezelschap af, want al te veilig is liet hier niet.quot; Zoo klinkt de waarschuwende stem van den man die met zijn rijzweep al klappende uns vuurgaat, als wij liet reusachtig doudenveld betreden, jammerlijk overschot van eene stad, die eens vol leven was, een stad van wereldhandel! â Eerst gaan wij langs een rij van pilaren, door bogen aan elkander verbonden, overblijfsels van een oude waterleiding; thans hebben de uoievaars er hunne nesten up gebouwd. Over velden, deels met halmen bedekt, deels vuur tabakscultuur gebruikt, komen wij aan den vuet van den Priun. Hier was de duudenakker van het uude Efeze, nog te herkennen aan lijksteenen en grafkamers, met upschriften uf teekeningen versierd ; iets verder is de plaats van het gymnasium; ') in de nabijheid, altijd rijdende duur kreupelhout en gras, vindt men het graf van den evangelist Lucas, aangewezen door een staanden steen, waarop een kruis en daarunder een stier is gebeiteld. Ziet ge langs de berghelling die bogen en gebruken zuilen? J)at moet een sierlijk halfrund geweest zijn en geen wonder, want het was het Odeon, de plaats waar zangers en dichters uni den eerepalm dongen. Gaan wij nu um den berg heen, dan zien wij voor uns op een hoogte de gevangenis van I'aülus, ginds den mond van de rivier Cayster, nu vul mudder en slijk. In de haven.
') Ken gynmaHiutn was bij de Grieken een jjebouw of upenbare plaats, waarde jongelinjiscliap licbanielijke oefeningen hield; later gaven er wijsgeeren en leeraars in allerlei wetenschappen onderwijs.
800
thans geheel verzand, maar toch nog mot haar ruime pakhuizen zeer goed in de volle lengte en breedte te overzien, lagen eens de schepen, klein en groot, beladen met do schatten der Griekscho of Romein-scho wereld. Maar ge verlangt naar het Artemisium, den tempel van Diana, eens onder de zeven wonderen der wereld geteld! Waarom heeft uw gids u daar niet het eerst heengebracht? Eenvoudig omdat hij het beste voor het leste wilde bewaren. Neon, zulke zuilen, voetstukken, architraven, kapiteelen, alles van wit marmer, zagen wij nog niet. En geen wonder voorwaar! Hier stond het heiligdom van een godin, die honderd priesters in haar dienst had; wier tempel de nationale tempel van gansch Hellas kon heeten, wier beeltenis op aller borst, tot bescherming tegen ziekten of gevaren, gedragen werd. Hier riepen duizenden, terwijl de priester dc wierook-korrels op het gouden altaar strooide, en de offergeur opsteeg voor het âuit den hemel gevallen beeldquot;; âGroot is de Diana der EfeziCrs!quot; totdat Paulus kwam, de eenvoudige tentenmaker uit Tarsen, met de prediking van het kruis! Bekend is de strijd des apostels met den zilversmid Demktkius; bekend ook de hartelijke liefde, waarmede hij aan deze gemeente verbonden was, en hoe up zijn laatste reis naar Jerusalem de oudsten van Efeze naar Milete ontboden werden, um daar aan het zeestrand, vóór hij scheel) ging, zijne roerende afscheidswoorden te hooren en met hem te bidden. Uit Rome zond hij nog aan de gemeente van Efeze een brief, die van zijn innige liefde jegens haar getuigt. Maar helaas! de gemeente is verflauwd in 't geloof; heeft hare eerste liefdo tot don Heer verlaten; en aan den engel der gemeente van Efeze luidt dc boodschap in het Openbaringsboek: âGedenk dan waarvan gij zijt uitgevallen en bekeer u, en
301
doe de eerste werken, en zoo niet, Ik zal haastelijk komen, en zal uwen kandelaar van zijne plaats weren!quot; Maar de Efeziërs hebben geen ooren gehad om te hooren wat de Geest tot hen sprak, en zijn blijven voortgaan op verkeerde wegen, en thans .... van alle vroegere glorie is niets meer over dan een puinhoop en tusschen al die steenen nog een steen met een opschrift, dat aanbidding voor Diana komt vragen. O, bittere ironie! De gemeente verdween! het licht werd van den kandelaar genomen, en waar de brief van Paulus aan de Efeziërs thans overal wordt gelezen, is er, men heeft dit naar waarheid gezegd, te Efeze niemand die hem leest, zelfs niemand die den naam van Paulus ooit gehoord heeft. â Mijn lezer, ik wil n gaarne een oogenblik gunnen om over het verhaalde na te denken; ik zou ii anders nog kunnen brengen in een moskee, vroeger een tempel aan Johannes gewijd, of n uitnoodigen om gindsche poort te bezien, een bouwwerk van eenige arehitectonische waarde; maar ik doe het niet. Dit ééne nog; Ginds het bloeiende Smyrna, hier het oude Efeze mot al haar verdwenen heerlijkheid! Ziet ge dan ook hierin niet wederom do profetie bevestigd, de profetie des N.T.? Ga een oogenblik in de eenzaamheid en lees dan Openbaringen 2 : 1 â 11, maar lees het biddende, en oordeel of niet al wat hier voorspeld werd vervuld is, en bedenk dan tevens wat de Heer met deze woorden en daden ook u te zeggen heeft. â
Wij hebben een zeer gelukkigen dag gehad en ik dank God, Die mij vergunde ook een uur in het oude Efeze te vertoeven onder begunstiging van het heerlijkste weer. Onvergetelijk! Als wij 's avonds terugkeeren ligt het Grieksche schip Kedahliah, waarmede wij naar Athene zullen varen, reeds voor anker. Wij moeten den volgenden
302
middag om twaalf ure aan boord zijn, en daarom aanstonds na het ontbijt nog even de stad in, en een kleinigheid als souvenir aan Smyrna gekocht. Op tijd zijn wij gereed en nemen onze luit in oogenschonw, en slaan dan, boven gekomen, nogmaals een blik op het schoone Smyrna, dat zich in hare volle breedte voor ons uitbreidt. De zee is kalm; de barometer staat goed; het laat zich aanzien, dat de overtocht voorspoedig zal zijn, en er geen scènes zullen plaats hebben voor de reizigers zoo onaangenaam, of geluiden gehoord worden, die de dichter liefst niet bezingt. Op het dek is leven en beweging, zijn mannen, vrouwen, kinderen van allerlei natiën, Grieken en Arabieren, Joden en Joden-genooten. Zij hebben hunne bedden of matrassen medegebracht en legeren zich waar maar een vrij plekje te vinden is. Een zeil wordt boven hen gespannen, zoodat het middenschip één groote tent gelijkt. â Des avonds scheen de maan heldor, de starren fonkelden; als een zwaan gleed ons vaartuig over de breede waterplas. De een na den ander, ook mijne vrouw is verdwenen, en mijmerend zit ik op een tabouret en laat aan mijne gedachten den vrijen loop .... âMoe laat zullen wij morgenochtend den Piraeus binnenstoomen?quot; vraagt eensklaps een passagier, die even zijn hoofd buiten een raam van het rook-salon steekt, waarin hij met nog drie andere hoeren moet overnachten, en het antwoord van een voorbijgaand officier is: âals alles goed gaat, ten acht ure.quot; En alles ging goed: Gode zij dank! in den nacht ietwat wind, maar zonder do minste vertraging te veroorzaken. Reeds zeer vroeg was alles boven om de Grieksche kust te zien. Wij waren bij kaap Snnion, en genoten den eersten aanblik van Grieksche knnst op Griokschen bodem, n.1. de zuilen van den tempel aan Pallas-Athene gewijd. Wij
303
kwamen in den Saronischenquot;quot;zeeboezem, hadden links van ons de schilderachtige kust van Argolis met het eiland Aegina op den voorgrond; ter rechterzijde den Acropolis. Met een groet aan het eiland Salamis, uit de classieke oudheid bekend, varen wij den Piraeus in; het anker wordt neergelaten, en, wat ik als knaap, toen ik zoo veel van Athene las eu leerde, nooit had durven drnomen, gebeurt: ik ben op Attiscben bodem! De rijtuigen staan gereed en langs een broeden straatweg, in den bloeitijd van Athene met prachtige beelden versierd, ijlen wij been naar de hoofdstad van Griekenland. IJlen wij, zeg ik, want bet is of zoo iets van den geest der oud-Grieksche wagenmenners, door Homerus in zijn zangen zoo dikwerf genoemd en geroemd, in onze koetsiers is gevaren. Wij vliegen voort langs een allee van olijfboomen en platanen en zijn binnen het uur in de Hermesstraat. Overal hoogdravende, classieke namen: aan de hoeken der huizen, op bordjes voor pleinen en wegen, zelfs voor de winkels van barbiers en kleermakers, die ons, als wij het nog niet wisten, zouden herinneren dat wij ons bevinden in het land van Pericles en Aristides, van Plato en Socrates. Wij stappen af aan het méy* in
Nederland, waar men met achterstelling van onze schoone taal, zooveel met het Fransch op heeft, zou men schrijven: âGrand Hotel des Ãtrangers,quot; in de onmiddellijke nabijheid van het koninklijk slot, een nieuw gebouw met een gevel van pentelisch marmer, door Koning Otto 1 gesticht. Hier zij herinnerd dat het tegenwoordig Athene eene gansch nieuwe stad is, met rechte, breede straten, pleinen, plantsoenen, enz., flink opgevat en goed aangelegd; in omvang nu nog wel niet zeer groot, maar toch veelbelovend voor de toekomst. Maar al ware het moderne Athene ook nbg zoo schoon en hare huizen ook nog zoo
304
fraai, 't is ons om het oude, het Athene van Pericles, Pindarus en Demosthenes te doen, het Athene waar Paulus, de groote Heiden-apostel, den Naam noemde van den onbekenden God. â Wij gaan door de groote Hennes-straat eerst naar de oude markt, de Agora, do plaats waar volksvergaderingen gehouden werden, het middelpunt van het openbare leven, met zuilengangen en standbeelden versierd. Hier was het dat Paulus met de Stoïcijnen en Epicuristen, voor wier ooren hij ongehoorde denkbeelden uitsprak, in redetwist kwam en in de nabijheid ziet men den toren der winden door Axdhonicus van Cyrene opgericht, een achthoekig marmeren gebouw, met voorstellingen in relief van de acht hoofd windstreken. Op het dak stond een Triton, wiens staf zich naar den wind keerde en alzoo voor windwijzer dienst deed; van binnen bevond zich een wateruurwerk. Dan gaan we naar de dusgenaamde straat der graven, de vroegere doodenstad, waar nog een aantal antieke grafmonumenten zijn gevonden, in zeer goeden staat. Ik heb een steen gezien met een relief, een knaap voorstellende, die zijne ziel als een vogel in de hand houdt en door Hermes, den heraut dei-goden, gewenkt wordt, om mede naar de bont van Ciiarox te gaan, maar nog eerst zijne ouders en vrienden wil vaarwel zeggen en van zijn hond afscheid nemen; een anderen, waarop de boot van Ciiaron, met vier gestorvenen, die naar de onderwereld varen; een derden, waarop een jonge vrouw, die haar slavin beveelt haar lijk op te sieren met alle kostbaarheden die zij bij haar leven droeg; een vierden met een krijgsheld nog jong van jaren, wiens speer den vijand heeft gedood die aan zijn voeten ligt. Hier op een grafplaats een leeuw als wachter gebeeldhouwd, daar een stier; ginds verrijst slechts een ruw of een eenvoudig stuk marmer, maar alles getuigende van den
305
ouden Griekschen smaak en kunst. Wie weet wat men bij verdere opgravingen in de straat dor graven nog vindon zal! â Van daar zotten wij do wandeling voort naar den tempel van Theseus, een gebouw van Pentelisch marmer, nog zeer goed bewaard, in den Dorischon stijl, met zes zuilen in bet front en dertien in de lengte. Thans is het een bewaarplaats van eenige originalia, maar ook van afgietsels in gips van kunstproducten, door Engelschen medegenomen en naar Londen overgebracht. Nu zijn de Grieken wijzer geworden en hebben zelf museums gebouwd. Niet ver van hier en op don weg naar de Acropolis, ligt de Pnyx, een terras, amphitheatersgewijze in de rots uitgehouwen en naar algemeen gevoelen voor volksvergaderingen gebruikt. De veronderstelling dat hier een heiligdom voor Zeus gestaan heeft, wordt niet gedeeld. Aan uwe rechterhand ziet ge ook op kleinen afstand tegen de rotsen van de Acropolis gebouwd, of er in uitgehouwen, het theater van Dionysus, ') waar de meesterwerken van Aescjivlus, Sophocles en Euripides worden opgevoerd. De onderste, met marmer hekleede zitplaatsen, de namen der eigenaars dragende, zijn nog aanwezig. Nergens kan men zich zóó verplaatsen in do ideale wereld van hot Grieksche Heidendom, waar godsdienst en kunst in elkander opgingen als hier; waar men zelfs in den schouwburg do eerezetels van de priesters op de voorste rijen vindt. Daar lozen wij: priester van Dioxysus, priester van Athene, priester van Demeïeh, priester van Apollo, enz. Ook de magistraat en verdienstelijke burgers hadden naast deze hunne zetels; in het midden zat natuurlijk de priester van Dionysus, daar het gebouw aan dien god was gewijd. Naast het theater verrijst het odoum van Herodes, een gebouw voor muzikale wedstrijden, door
'1 Dionvsus, meer hekeml onderden imain van Bacchus, (Icn god van don wijn,
'2 IJ
300
Hkrodes aan Athene geschonken, het prachtigste der oude wereld, en ruimte biedende aan 8000 personen. Het cederhouten dak is reeds lang verdwenen, van de marmer-bekleeding evenwel is nog veel over. Nu stijgen wij de Acropolis op, een stellen heuvel, die de heiligdommen droeg der voornaamste goden van den Staat en het middelpunt vormde van het oude Athene; eene ruïne, gelukkig niet ontwijd door moderne kunst, en in haar verval nog zulk een diepen indruk makende, dat men terecht gevraagd heeft, of ze in de dagen, toen de arbeid van Puidias daar ongeschonden in volle glorie stond, wel schooner heett kunnen zijn.1) â Men gaat den heuvel op langs denzelfden weg, waarlangs eens de groote procession kwamen om den goden het offer te brengen, terwijl het volk in feestgewaad zich aan beide zijden had opgesteld. Door een poort komt men in het voorportaal, de propylaea, op bevel van Pkriclks door Mnesiclks gebouwd; een zuilenhal, die het schoonste prachtwerk der oudheid is, geheel van marmer; een rijweg voerde er heen, geflankeerd door marmeren trappen van vier en zestig treden. Aan uwe rechterhand ziet ge op eene uitstekende rots een kleinen sierlijken tempel, welks voorgevel door vier gegroefde zuilen, met Dorische kapiteelen gedekt, wordt gevormd. Hij is gewijd aan Athene Nike, als dank voor haar machtigen bijstand den Atheners in den slag bij Salamis verleend en herinnert nu nog, zoo goed mogelijk hersteld, aan de groote daden der oudheid. Uit het voorhof treedt men door vijf poorten in het eigenlijke heiligdom, het Parthenon, gewijd aan de jonkvrouwelijke godin Pallas-
') Iedere Griellt;sclie of liomeinselie slnd liezat zulk oen acropool, die in den oorlog tot citadel of toevluchtsoord diende. De meest beroemde zijn die vun Argos, Messine, Thebe, Corintlie eu die van Athene; de laatste wordt vooral âdequot; Acropolis genoemd.
307
Athene, op voorstel van Pericles door Callocrates en Ictinus gebouwd, ruim twee honderd voet lang en honderd voet breed, met acht Dorische zuilen in het front en zeventien in de lange zijden. In het gevel veld waren taferooien uit het leven der godin aangebracht. In dien tempel stond haar beeld, twaalf meter hoog, vervaardigd uit goud en ivoor, een schopping van PnmrAS, en zóó ver boven het heiligdom uitstekend, dat do blinkende helm en gouden speerpunt niet alleen in de stad, maar zelfs door do schepelingen, die langs do kust voeren of den Piraeus binnenzeilden, te zien waren.
Links van het Parthenon staat het Erechthoum, aan Poseidox Erechtiieus gewijd; de tempel van Atuena Poli as, waar bet houten, uit don hemel gevallen beeld dor godin bewaard werd, is daar tegen aan gebouwd, en de tempel van Pandkosus, eene der doch teren van Cecrops, staat weer met dit gebouw in verband, zoodat men op dit terrein drie heiligdommen vereenigd aantreft, waarom het den Atheners dan ook boven alles heilig was. Van dit Erochthemn zijn de jonkvrouwen, groote marmeren beelden, die oen sierlijke kroonlijst dragen, bewaard gebleven; één is door Lord Elgin weggenomen en naar Londen overgebracht; een afgietsel kwam er voor in de plaats.
Maar waartoe meer? Ik gevoel mij toch niet in staat de stemmen te vertolken, die uit do oude Grioksche wereld gehoord worden; of de heerlijkheid u voor den geest te tooveren van do scheppingen eener eeuw, die voor immer is voorbijgegaan; men moet hier zelf staan, zelf rondwandelen tusschen de geschonden heiligdommen en gebroken zuilen, hier telkens weer komen, dan gaan de steenon leven; dan is het of die zuilen en beelden u iets te zeggen hebben; en ja, zij hebben u te spreken van de scheppingskrachI van 't menschelijk genie: van de opvoe-
308
dende kracht der kunst; de kunst dio den Grieken een behoefte was, een deel van hun leven en streven. Maar de vraag ligt voor de hand, of de Grieksehe kunst oorspronkelijk is, en zoo niet, waar dan haar wieg en bakermat moet worden gezocht; en dan wijs ik u naar Egypte. Nog lag over Hellas' woeste bergen een donker floers en was er van Athene geen sprake, toen in het heerlijk Nijldal de kunst reeds hare reuzenwerken schiep en gewrochten te voorschijn riep, waarvoor alle volgende eeuwen eerbied gevoelden! Denk aan de Sphinx, de pyramiden, het reuzenbeeld van den Puarao, waarbij wij hebben stil gestaan, de heiligdommen van Apis en zooveel meer. Maar wat Hellas van Egypte ontving, heeft zi,) bestudeerd, omgewerkt, tot haar eigendom gemaakt; zij heeft er een ander leven, eene andere bezieling in gegoten; 't was haar niet om do reusachtige massa, maar om de harmonie te doen, de harmonie in het geheel en in zijn deelen, in alles de uitdrukking gevende van het hoogst ontwikkelde schoonheidsgevoel. Geen plek ter wereld zoo rijk aan ware kunst als Athene, en in Athene de Acropolis! Men was, wel is waar, niet spoedig los van de Oostersche traditie; er was een strijd, een worsteling van eeuwen noodig, eer de beitel van een Phidias in staat zou zijn uit het marmerblok te voorschijn te brengen, wat het Parthenon te aanschouwen gaf, en nu nog, hetzij naar het Louvre te Parijs of naar het groote museum te Londen verhuisd, of ook bewaard in het kleine museum op de Acropolis, de bewondering van het nageslacht vraagt. Twintig eeuwen hebben Athene in beeldhouwkunst niet overtroffen; geen Michel Anoelo, geen Thorwaldsen is aan Phidias gelijk. Maar ook hier geldt het onveranderlijke: 't is morgen geweest, 't is avond geworden, de nacht kwam. Voorbij! staat op die gele zuilen of verweerde steenen
309
to lezen. Heerlijk is het, als de volle maan aan den hemel staat, door deze ruïnen te dolen; ge weet dan niet wat ge ziet; bewondering voert u op, maar tevens komt er iets droevigs in uw hart, vanwege do ijdelheid des menschen en alles wat des menschen is; en aan uw oor zingt de avondwind in zijn zacht suizen: voorbij! voorbij! â Ja, voorbij! de Helleenscho staat, do Helleenscho kunst en ook de Helleenscho godsdienst, voor welken do kunst al haar vermogen uitputte, waaraan zij hare schoonste scheppingen wijdde; dat alles voorbij! Maar wilt go weten wat gebleven is? O, zie dan daar in do onmiddellijke nabijheid van de Acropolis een anderen heuvel, don Areopagus, den heuvel van Mars; naakt en kaal; niets wat hem siert. Op zijn platte kruin zijn nog do zetels to bemerken, eens in de rots gehouwen, voor rechters die over loven en dood hadden te beslissen; ook vindt men nog de sporen van eon rotstrap, die Paulus moot hebben betreden toen hij den Areopagus beklom. Paulus, eens de âoverste der hateron van Jezus,quot; de âontembare Wet-zoloot,quot; do lasteraar, de vervolger, nu do aanbidder van hot Kruis, is door zijn God naar Athene gebracht om daar do dwaasheid van dat Kruis te verkondigen; en hij heeft het gedaan zoo rein welsprekend en met zoo wonderbaren moed, omdat hij geloofde en in dat geloof vaststond op oen rots, die van wankelen noch bezwijken weet, maar nog zijn zal als do Areopagus reeds lang is vergaan. Paulus op den Areopagus! Welk oen aanblik! Welk oen panorama dat zich bier voor hem ontrolt: ginds de Acropolis met hare heiligdommen en afgodsbeelden; daar aan zijn voet do tempel van Theseus, tot heden nog bijna ongeschonden bewaard; een weinig verder de tompol van Jupiter, van welk prachtgebouw nog maar enkele zuilen zijn over-
310
gebleven; en dan nog zooveel, dat spuurloos verdwenen is; rondom den apostel een schare van nieuwsgierigen, maar onder hen denkers, geleerden, wijsgeeren, gevormd in verschillende scholen, allen zeer begeerig te weten wat deze âklapperquot; te zeggen heeft. Daar opent hij de lippen en onder eene ademlooze stilte klinkt het op vriendelijken maar indrukwekkenden toon: âGij mannen van Athene! ik bemerk dat gij alleszins gelijk als godsdienstiger zijt. Want de stad doorgaande en aanschouwende uwe heiligdommen, heb ik ook een altaar gevonden, op hetwelk een opschrift staat: Den Onbekenden God. Dezen dan, dien gij niet kennende dient, verkondig ik ulieden.'quot;) Voorwaar, een aanhef den beroemdsten redenaar waardig, maar tevens een woord, dat een licht over Hellas doet rijzen, waarbij alle andere lichten verbleeken, en waarbij tegelijk een nieuwe bladzijde wordt opgeslagen in het geschiedboek van het Koninkrijk Gods. O luistert, mannen van Athene! luistert goed, want hier klinkt eene taal, die go nog nooit gehoord hebt; hier eene wijsheid, waartoe uwe wijsgeeren nog niet konden opklimmen; hier een Evangelie, waarbij ook gij, mannen van Athene! alleen leven en sterven kunt. â Maar ik moet mij zelf bedwingen om niet verder te gaan; in een reisverhaal is geen plaats voor eene godsdienstige verhandeling; evenwel dit eene nog: de afgoden zijn verdwenen en hunne altaren vergruizeld, hunne tempels tot puin vervallen of in een museum van oudheden herschapen, maar wat bleef is het Woord, op den Areopagus verkondigd, de blijde boodschap van het Kruis. De goden en godinnen van de Acropolis zijn voor dat kruis gevlucht; en oud en jong, rijk en arm werpt zich nu voor den Gekruiste neder, ja zelfs kroon en schept er
') Hand. 17 ; 22 v.v.
311
worden aan Zijne voeten gelegd. Op liet altaar van den onbekenden God wordt de Naam geschreven van Jezus, de Chuist us. Ja, in mijne verbeelding zie ik hoe dat altaar al grooter en grooter is geworden, en volgroeid tot een reusachtig berggevaarte, waaruit de steenen zijn gehouwen voor al die Godsgebouwen, die te Athene en in gansch Griekenland in de gevelspits het teeken dragen van het kruis met het rondschrift: âHemel en aarde mogen voorbijgaan, maar mijne woorden zullen geenszins voorbijgaan.quot; ')
Woord, waarop wij bouwen,
Daar wij op vertrouwen,
Evangeliewoord!
Bergen mogen wijken,
Gij zult nimmer wijken,
Want. gij zijt Gods woord!
Dat ons, Heer!
Den troost dier leer Geene twijfling ooit ontroove!
Hterk ons in 't geloove!
Op den Areopagus leest men Hand. 17 : 22 v.v.; daar, op de plaats zelf waar het gesproken is, daar wordt het gezien, genoten, verstaan, 's Zondags ging ik met de Duitsch-Evangelische gemeente op naar de kapel in 's Konings paleis, en hoorde een stichtelijk woord over Joh. 10 : 10; ook Koning George was ter kerk. 's Middags wandelde ik in en buiten de stad in de richting van den Areopagus, die, na den berg der Zaligspreking, de beroemdste kansel der wereld is. Daar zet de Christenleeraar zich neder, doorleeft een geschiedenis van eeuwen en aanschouwt de zegepraal van het Kruis.
') au in Ulionc lieden ten dnye iemaiul een eed moet afleggen voor den rechter, dan steekt hij de rechterhand omhoog, om God tot getuige der waarheid aan te roepen, maar legt de linker op een opengeslagen Bijbel, en wel hij het woord door 1'aui.us gesproken op den Areopagus.
's Maandags hebben wij het oude Stadion bezocht, de renbaan, waar eens vijftigduizend toeschouwers plaats vonden, terwijl hunne zonen worstelden of in den wedloop voortsnelden, om de eersten te zijn bij den aangewezen paal, en dan een lauwerkrans uit de hand dos scheidsrechters te ontvangen b; ook hebben we hot Nationale- en het Myconische museum gezien, beide nog rijk voorzien van voortbrengselen uit den bloeitijd der Helleensche kunst, ofschoon de Engelschen veel hebben weggehaald en naar hun groot museum in Londen gebracht. â 's Middags beklom ik den Lykabettus, een berg van twee honderd zeven en zeventig meter. In drie kwartier uurs bereikt men langs een goed pad den top; daar gekomen, wordt de moeite van het klimmen rijkelijk beloond, niet omdat men er een kapel vindt aan den heiligen Geouge gewijd, maar om hot uitzicht; men overziet het gcheele classieko land. Op den voorgrond liggen Athene, do Acropolis en de Piraeus; in het zuiden de bergen van het Argolische schiereiland en het eiland Hydra; in het zuidoosten do Hymettus on do Pentelikon met zijn marmergroeven; in hot noordon het Parnesgebergte; verrukkelijk! Zoo ge in Athene mocht komen, mijn lezer! verzuim dan de beklimming van den Lykabettus niet, en komt ge weder beneden, sla dan maar tegelijk de straat in die heenleidt naar do tuinen van het koninklijk paleis, welke, denganschen dag voor het publiek geopend, beplant zijn met allo mogelijke soorten van bloemen en groen. Waarlijk eone verlustiging! Bezoek dan ook, maar liefst op een volgenden dag, de academie der wetenschappen, het prachtigste gebouw thans in Athene te vinden, geheel opgetrokken van Pentelisch marmer. Voor den ingang staan twee, buitengewoon groote, marmeren zuilen, waarvan de eone het beeld van Apollo ,
') 2 Timoth. i ; (jây.
313
do andere dat van Minerva draagt. En willen wo nu tevens hot schoonste woonliLils dor stad bezoeken, dan wandelen wij naar do nieuwe woning van prof. H. Sohliemann, den bekenden oudheidkundige, die een dor museums te Athene met zijne opgravingen uit het oude Trojo hooft verrijkt, maar ook zelfs in zijn huis een gedeelte inrichtte tot een particulier museum van Trojaansche en andere oudheden. Go woot dat prof. S. helaas! reeds overleden is op nog jeugdigen leeftijd, maar op beleefd verzoek wordt door de familie steeds gelegenheid gegeven ter bezichtiging eoner verzameling van huisraad, versiersels, wapenen, geldstukken, enz. zooals die nergens to vinden is. Terugkoorendo naar het hotel, zagen wij een begrafenis voorbijgaan. Wonderlijke gewoonte! Achter de ledige lijkkoets gaan do dragers met het lijk, dat gekleed in oen open kist ligt; de vrouwen zijn in het wit, de mannen in hot zwart, terwijl het deksel van do kist, waarop paarse uf lichte bloemen zijn vastgehecht, wordt vooruitgedragen; ieder kan alzoo don doode zien!
Togen twaalf uur stond een landauer gereed om ons naar Eleusis te brengen; de weg, die zeer goed is, heeft bijna dezelfde richting als do dusgenaamde âhoiligenweg,quot; langs welke de Athonors eenmaal 's jaars optogen in groote processie, soms wel dertig duizend menschen, allen met kransen om het houfd, om deel te nomen aan do Eleusischo mysteriën, feesten en plechtigheden ter oero van Demetek on Persephone. Hij loopt eerst door een waterrijke vlakte, dan over oen heuvel met heerlijk uitzicht up den Piraeus en Athene, tot men komt aan een klooster, gebouwd op dezelfde plaats waar eens een tempel van Apollo stond. Het klooster is niot groot; de kapel heeft den vorm van eeu Grieksch kruis; in den koepel is een mozaïek Christusbeeld in zuiver Byzantijnschen stijl aangebracht en in
314
een der zijvleugels twee marmeren sarcophagen, vermoe-dolijlv uit de dertiende eeuw. Spoedig kregen wij, verder rijdende, de bocht van Eleuwis in het gezicht en het eiland Salamis, bekend in de historie door de schitterende overwinning die de Grieksche vloot onder Themistoclks op die van Xeuxes behaalde in het jaar 480 vóór Christus. Ik herinner mij nog best hoe mijn jongenshart klopte toen ik op het gymnasium te Schiedam las van de bolden-daden in dien strijd verricht; â en nu die onvergetelijke plek te zien! .... Niemand die iets van de geschiedenis der oude Grieken weet en Griekenland bezoekt, mag verzuimen dezen rijtoer te doen; het zou een vergrijp zijn tegen de historie en tegen die breede heldenschaar, die hun leven voor het Vaderland waagde.
Maar wij zijn intusschen te Eleusis aangekomen, de oudste en meest gewichtige stad van Attica, thans een ellendig dorp, maar altijd nog merkwaardig door de overblijfselen van den beroemden tempel van Demetkr en de fragmenten der propyleeën. Ofschoon de eersten niet meer zijn dan eenige stukken van den onderbouw, en de laatsten wanordelijk door elkander liggen, geven zij u toch een duidelijk begrip van den glans van vroegere dagen. In diepe, onderaardsdie gangen, natuurlijk voor de mysteriën onmisbaar, kunt ge nog afdalen; of gindsche reuzen-trappen opgaan die, in de rots uitgehouwen, waarschijnlijk den toegang tot een zeer groot huis voor priesters vormden. Ruim een uur doolden wij rond tusschen deze getuigen der oudheid, die nu eens tot bewondering stemmen voor de oud-Grieksche kunst en volharding, maar dan weder tot dankbaarheid dat die Heidensche mysteriën moesten plaats maken voor Goddelijke openbaring, en waar deze tempel viel, in zijn nabijheid een ander heiligdom verrees, een kerk met het kruis. Ja voorwaar!
315
toen het kruis kwam zijii de g'üden gevloden; de gekruiste Koning overwon, en /00 moeten deze gosehonden kapiteelen en omgeworpen zuilen nog getuigen tot Zijn lof.
De terugtocht was heerlijk; in wondere kleurenpracht goot de avondzon hare schoonheid over de bergen van den Peloponnesus; een purpergloed rustte op de naakte rotsen, en do toppen der langs den weg geplante populieren werden door een zachte koelte bewogen. Aan stof tot gesprekken ontbrak het niet; zoowel Di ook nes als Demosthenes, Alcibeades ais Tiikmistoclhs, Solon en Periclks werden herdacht, en Socrates, die, mede om zijn minachting voor de Eleusische mysteriën, tot het drinken van den giftbeker veroordeeld werd. Toen wij do stad weder binnenreden, was de lantaarnopsteker bezig zijn nuttig werk te verrichten. De straten zijn in Athene goed verlicht en langs de boulevards bewegen zich, vooral wanneer het overdag zoo warm is geweest, 's avonds de wandelaars in groeten getale. Natuurlijk bleven ook wij, na onzen maaltijd te hebben genoten, niet in het hotel, maar begaven ons naar buiten om van de heerlijke koelte te genieten en tevens de stad te zien bij avondverlichting. Op die wandeling liep ik een sigarenwinkel binnen van de Neder-landsche linna Boele amp; Zoon, liet mijn koker vullen en betaalde met een napoleon. Maar verbeeld u mijne verbazing, toen men mij met nog eenig klein geld drie halve bankbiljetten terug gat. Op mijn vraag wat dat beduidde, kreeg ik ten antwoord, dat in Griekenland de tien-francsbiljetten mogen worden doorgescheurd, als men maar zorgt dat het nummer ongeschonden blijft en de beide helften zooveel mogelijk gelijk zijn; iedere helft heeft dan een waarde van vijf francs. Vreemde gewoonte, die ik nog nergens aantrof, maar toch wel practisch nut heeft.
Des anderen daags reden mijn vrouw en ik nogmaals
316
naar de Acropolis en brachten op die hougte een paar uren van den morgen door; 's middags gingen wij per stoomtram naar de badplaats Phalerus, op vijf kwartier afstand van Athene, en 's avonds aan boord van de Urano, wederom een stoomschip van de Oostenrijksche Lloyd. 't Speet mij dat ons vertrek reeds zoo aanstaande was; zoo gaarne was ik nog wat langer gebleven om nog wat meer te zien. 'k Had zoo gaarne de vlakte van Marathon bezocht, den Pentelicon beklommen; maar de plaatsen op de Urano waren besteld, en daarom in allerijl de bagage in orde geschikt. De rijtuigen staan gereed; een laatste groet aan Dr. Leach, predikant te Londen, met wien wij op onze reis door het Heilige Land zoo aangenaam hebben kennis gemaakt en die hier van ons afscheid
neemt; het portier dicht..... daar rennen de paarden
en stuiven de wolken van zand, en bestoven als molenaars bereiken wij den Piraeus en komen aan boord. Jammer dat de weg zoo stoffig is, want ze is waarlijk schoon; en dan dat vliegen met die rijtuigen! 't Is of een Atheensche koetsier immer van het renperk zijner voorvaderen droomt en zich verplicht acht de paarden te dresseeren, al zou ook het rijtuig ten onderst boven gaan. â Aan' boord is groote drukte, alle plaatsen zijn bezet. De zee is kalm, de maan staat helder aan den hemel; over de verschansing leunende, spreken wij over het hoogst belangrijke dat de laatste dagen ons te aanschouwen gaven. Nog een laatste blik werd op de Acropolis geslagen en Griekenland, terwijl het al verder uit het oog verdwijnt, bij herhaling gegroet.
Des anderen daags bij goed weder voeren wij langs verschillende eilanden en wijdden alle belangstelling aan de vlakte van Troje, die wij in den namiddag passeerden; omstreeks vijf ure loopen wij de straat der Dardanellen in, den ouden Hellespont. Sterkten en ka-
317
nonnen van alle zijden! Ik wil gaarne gelooven dat zonder toestemming van het Turksche gouvernement hier geen enkel vreemd schip binnenkomt; ware ik krijgskundige, dan zou ik van wat hier te zien is volop genieten, en zooveel stof hebben voor mijn geschrijf, dat ik den uitgevers van mijn boek vragen zou om nog eenige bladen er aan toe te voegen; maar nu ik volstrekt geen verstand van militaire zaken heb, zij do mededeeling voldoende, dat beide oevers geducht gewapend zijn en er naar mijne meening niets vijandelijks door kan. O verlichte, negentiende eeuw! Eeuw van vooruitgang en beschaving! Eeuw der revol verge weren, dor mitrailleuses, der getrokken kanonnen en van roekloos kruit! Eeuw, die in uw geboorte-uur met krijgsgeschal werd begroet en den bloeddoop hebt ontvangen; die onder wapengekletter zijt oud geworden en vergrijsd! God weet, wat vreeselijke krijgsmuziek misschien uw lijkmarsch spelen, en welke de erfenis zijn zal, die gij achterlaat!....
't Was overheerlijk op de campagne van onze stoomboot; aan land zijnde hadden wij gezegd: 'tis bladstil, maar op zee spreekt men beter van een watervlak, waarop geen golfje krult, geen rimpel gezien wordt. Onbewegelijk hing de Oosten-rijksche driekleur langs den vlaggestok; achter het schip breidde het water, door de schroef in beweging gebracht, zich uit als een reusachtige pauweveer met oogen en vonken, phosphorische lichten in zilver en goud. De rook uit den schoorsteen steeg lijnrecht omhoog; 't was prachtig weder, en gaarne waren wij nog langer op het dek gebleven, had niet een officier van het schip ons gezegd, dat wij zeer vroeg in den morgen voor Oonstantinopel zouden zijn en het dus raadzaam was ânaar kooi te gaan,quot; wilden wij bijtijds op zijn, om den eersten aanblik op die wereldstad, zoo onbeschrijfelijk schoon, te genieten.
318
CONS TA N TI N O P E L.
't Is vijf uur in den morgen. Uit een dunnen nevel, die spoedig voor don adem van den morgenwind verdwijnt, rijzen de eerste minarets en moskeeën op; ja waarlijk, die vaart is schoon! Ook Hu mbo ld heeft gezegd, dat hij nooit iets schoeners zag. Verlang nu niet van mij, dat ik beschrijven zal wat niet te beschrijven is, en waarvan ieder die de poging waagde, verklaren moest dat de werkelijkheid zijn stoutste schildering te boven ging. Genoeg: een uur later wendde zich het roer, stoomden wij om een landtong, waarop koepels en paleizen verrezen en werd het anker uitgeworpen in den Gouden Hoorn. Aan uwe rechterzijde strekt de Bosphorns zich uit, eveneens schilderachtig; vóór u Ga lata, de benedenstad, aan welker kade het van schepen wemelt; daarboven Pera, een meer Europeesch gedeelte van Constantinopel, en aan uwe linkerhand Stamboel, echt Turksch, maar juist daarom zoo zeer belangwekkend. Neen! zie welke haven ge wilt, niet een is bij deze te vergelijken! Spoedig lagen langs de zijden van de Urano bootjes en sloepen met naamborden van hotels, en kwamen agenten, die u zochten te bewegen naar hun hotel, dat natuurlijk altijd het beste en het fraaist gelegen is, mede te gaan. Op mij hadden die redeneringen, hoe welsprekend ook, geen invloed, daar ik het Hotel d'Angleterre als het beste kende en dus bedaard wachtte tot de sloep met do vlag van dien naam zich vertoonde en ons opnam; van de douanen hadden we geen last, een klein drinkgeld en vertoon van de pas, ziedaar alles. Met de onderaardsche draadbaan gingen wij naar het hoogst gelegen gedeelte der stad: in het Hotel d'Angleterre
319
was alles gereed om ons met een goed ontbijt te ver-kwikkon; en nu spoedig voort, want mot de weinige dagen, dio wij hier blijven, moet gewoekerd. Eerst naar don Galatatoron. dio op een hoogte van honderd twee en tachtig trappen een omloop heeft met het schoonste uitzicht over den Gouden Hoorn, Stamboel, Scutari, on/,. Daar oriënteert rnon zich; besloten word nu eerst naar Scutari to gaan, daar hot wodor zoo prachtig is, en oen bezoek aan hot Engolscho kerkhof te brengen. Wij dalen daartoe af langs oenigo nainvo, vuile straten en komen aan do groote, weroldboroomdo brug, die Galata mot Stamboel verbindt. Over dio brug gaan dagelijks honderd duizend menschen; daar passooren vijt dooien dor wereld en belijders van alle godsdiensten elkander. Sta een oogonblik stil en ge ziet den Albanees met zijn geborduurd vest en geplooiden rok; derwischen in hun zwart kleed en mot hun hooge, grijze muts; Turksche dames, in zijden japonnon van alleiioi kleur, dicht of minder dicht gesluierd, 't zij mot of zondor eunuch; soldaten van allerlei wapens; mannon mot roodo muts en blauwe kaftan on hoeren in Parijsch kostuum. Go ziet ouderdom en jeugd: rijkdom on do diopsto armoede; kameelen met verschillende lading en den landauer van een Europeesch rentenier; mannon blootsvoets on vrouwen mot roodo, gele of blauwe zijden muilen; oen wolgewapenden Griek of een Jood, zoo al niet te herkennen aan zijn kleeding dan toch aan zijn type, dat hij nooit verliest. â Go ziet hier do grootste tegenstellingen van ongeluk en geluk, hoogheid en laagheid, ontwikkeling en onnoozelheid. Christendom en Mohamme-daanscho dweperij. Doch nu niet langer stil gestaan, want do boot ligt gereed. Wij gaan do trap af, de loopplank over, maar zorg dat ge u niet bij vergissing begeeft in het verblijf uitsluitend voor do Turksche vrouwen bestemd, want
820
dat zou ii wellicht, onaangenaamheden kunnen bezorgen.1) De overtocht duurt maar enkele minuten; van de rijtuigen die daar gereed staan wordt hot beste gehuurd, en nu gaat het langs een straat, zoo slecht, als er maar ergens een in het Oosten is te vinden, naar het grootste kerkhof van Constantinopel. Het is een cy pressen woud van groote uitgestrektheid, met vele wegen doorsneden en met hoornen van ongewone dikte, in welker kruin duiven nestelen. Steenhouwerswerkplaatsen voor monumenten en grafzerken zijn er in de nabijheid. Van daar rijden wij naar het Engelsche kerkhof, op last van Koningin Victoria aangelegd, toen hare troepen de victorie in den Krim-oorlog hadden bevochten. Een obelisk van graniet, op grooten afstand uit zee reeds te zien, rijst uit het midden der graven op. Vervolgens bezoeken wij Bulgurlu, een heuvel van twee honderd meter, bijna tot aan den top met het rijtuig te bereiken. Als wij liet uitzicht genoten hebben, waarvoor men, ik zou haast zeggen; schilder en dichter beiden moet zijn om er den indruk van weer te geven, rijden wij nog drie-kwartier uurs verder naar het oude Chalcedon, in de Kerkgeschiedenis bekend wegens het vierde oecumenische concilie, daar gehouden in het jaar 451, waarin de leer van Nesïoiuus, die in don Heer maar één natuur erkent, veroordeeld werd. Rijke Mohammedanen en ook Christenen hebben het thans als ontspanningsoord gekozen, en er hunne tuinen aangelegd of villa's gebouwd. Daarop keeren wij terug naar het hotel.
Hadden wij op onze reis over niets te klagen, zelfs aan dit laatste gedeelte was nog eene verrassing verbonden, n. 1. deze : dat we juist in Turkije's hoofdstad zijn aangekomen
') Ofschoon de Turksclie vromvun gesluierd zijn, is zoowel in de train, als in de liavenliooljes, door middel vim een gordijn, oen compartimenl voor haar afgeschoten.
321
op een Vrijdag, in het midden van de maand Ramadan, de heilige maand. Op dien dag is het voor de Turken groot feest; de moskeeön, en voornamelijk de groote moskee Hagia Sofia, in Nederland welbekend door Dr. Sciiaki'Man's schoon gedicht, zijn geheel geïllumineerd, van den koepel tot op de voetstukken der zuilen. Eene bijzondere verlichting is aangebracht op de minarets en aan verschillende stedelijke ot ministerieele gebouwen, 's Avonds om zeven uur reden wij naar de Hagia Sofia. Voor toegang was gezorgd. Onze plaatsen waren uitmuntend; van een galerij overzagen wij de Byzantijnsche basiliek, die bij daglicht schoon, maar in zulk een avonduur nog indrukwekkender is, doordat zich dan wel de sierlijke lijnen en bogen, maar niet het vuile en bouwvallige aan uw oog vertoonen. Laat mij met de geschiedenis en beschrijving van dezen trotschen bouw, dit wereldwonder, door de Grieken het aardsche Paradijs, den wagen der cherubijnen, het tweede firmament geheeten, do laatste bladzijden van mijn boek niet vullen, daar ze in alle handboeken over bouwkunst en in Meijer's Reise-hnvlwr breedvoerig te vinden zijn en door Edmoxdo ne Amicis') zoo geestig zijn verhaald. Het zij u genoeg te weten dat bij hare inwijding, don 26slen Dec. 537, Keizer Justinianus uitliep. âO Salomo, ik heb u overtroffen!quot; en dat het ki'uis op haar koepel stond tot in het jaar 1453, toen Constan-tinopel door Mohammed 11 werd ingenomen. In dat vree-selijk oogenblik zijn (luizende menschen binnen de Hagia Sofia gevlucht, hopende dat men het heiligdom sparen zal; maar in den roes der overwinning niets ontziende, breken de soldaten de deuren open, stormen naar binnen, plunderen en rooven naar hartelust, vergruizelen beelden en altaren, verscheuren misboeken en priesterkleeding, om
') I'.umondo dn: Amiois: Wat men in Constanlinopel Ie zien krijgt, pag. 180. SAi.ZKNiimtii: AU Clirislliche Randi-nkinale von (â onstnntinopel, p. 45 v.v.
322
er het goud van machtig te worden, en maken zich onder het gillen der wanhopigen schuldig aan de gruwelijkste schanddaden en moorden, totdat eensklaps de overwinnaar, omgeven van zijne generaals, te paard en met zijn ijzeren strijdknots in handen, op den drempel van den hoofdingang verschijnt. De trompet klinkt; alles is stil. Alleen het snikken der schreiendon en het gekerm der gewonden wordt vernomen, als Moiiammkd zich in zijn stijgbeugels opheft, en de Basiliek voor den Islam in bezit neemt, met den uitroep: âAllah is het licht des hemels en der aarde! Allah is groot!quot;
Toen ik voor de eerste maal de Hagia Sofia bezocht, vroeg ik mijn gids, mij door den hoofdingang binnen te leiden. In mijn geest zag ik de ruimte daar voor mij, de galerijen om mij en alle portalen vol van vluchtelingen; ik zag de met ontbloote zwaarden binnendringende Janitsaren; ik hoorde de angstkreten der handenwringende vaders, moeders en kinderen, het geroep der stervenden; . . . ik doorleefde een stuk der historie en dacht bij mij zelf: wat raadselen in het Godsbestuur! Maar toch, do dag zal komen, door de Hoogste Wijsheid reeds bepaald, dat de Halve Maan wordt weggenomen en weder het Kruis geplant boven de kathedraal aan Hagia Sofia (de heilige Wijsheid) gewijd! â De Mohammedanen hebben, zooals ze dat deden met iedere Christenkerk. waarvan ze zich meester maakten, ook het inwendige van deze kathedraal geheel misvormd. Van de hoofdpilaren zijn de ornamenten weggenomen en vervangen door groote, groengeverfde schilden, in ovalen vorm, met Koranspreuken er op: het prachtig mozaïek in den koepel of aan de wanden is in jammerlijk verval; op den bodem liggen mattenen tapijten, gansch in strijd met de grondlijnen van het gebouw, schuin in de richting naar Mekka, zoodat de bezoeker een oogenblik
328
denkt dat het geheel scheet' staat; vensters zijn gebroken, duiven nesteion zelfs hier en daar op de hoogste galerijen; kortom, de Turken plegen oen daad van wanclalisme aan dit meesterstuk der oudheid. Als in het voorbijgaan namen wij nog de Achmed-moskoe in oogenschouw, en reden vervolgons naar hot Hippodroom, de oude renbaan, middelpunt van het Byzantijnsche volksleven. Daar haddon feestspelen plaats, en zochten de wagenmenners elkander door do snelheid hunner rossen den tri unit te betwisten; daar was ook do schouwplaats van meriigon partijstrijd, hetzij op politiek of kerkelijk gebied, alsmede van monigo vroesolijko executie. Verhief ook niet hier Ciikysostomrs zijne stem tegen het klinnnend bederf in hot- en volksloven? Wat praal en pracht werd hier ten toon gespreid van de kolzorlijko tribune, rustende op vier en twintig zuilen; van de loges der grootwaardigheids-hekleedors tot zelfs van do zitplaatsen dor geringste1 boambten! Maar van al dio pracht is niets moor gebleven dan drie monumenten: do obelisk van Tiikodosius , door dezen uit Egypte naar Constantinopel overgebracht , een monolith van dertig motor hoogte en door Piiahao Tuutmes III in 1000 v. dir. to Holiopolis opgericht; dan de bronzen slangen-zuil, die eens deel uitmaakte van den gouden drievoet, na den slag bij Platea in den tempel van Apollo te Delphi geplaatst: en de Byzantijnsche obelisk, vroeger met verguld bronzen platen bedekt, maar welke nu reeds lang verdwenen zijn. Aan het zuideinde van hot Hippodroom is hot Janitsarenmuseum, oene verzameling van houten poppon, die gekleed zijn als officieren, pages, hovelingen en ministers van vroegeren tijd, en daarom niet van belang ontbloot voor hem, die de oude Turksche geschiedenis bostudeeren wil. Van daar gaan wij dooi' een breede straat, dio naar het Mausoleum loopt van Sultan
324
Mahmoud, bijgenaamd den Hervormev, omdat door hem verschillende gebruilcen /iju ingevoerd, overeenkomende met de beschaving van onzen tijd, en afgeschaft is wat in de middeleeuwen thuis hoorde: jammer dat door hem ook niet de strijd tegen de veelwijverij is aangebonden! Door die straat loopt een paardentram, gevaarlijk voor de honden, die in Stamboel niet gewoon zijn in hun rust door iets gestoord of gehinderd te worden. Zij liggen midden op den weg; mensehen, rijtuigen, kameelen gaan om hen heen zonder hen aan te roeren, of het moet wel bij ongeluk zijn. In den vollen zin des woords zijn in Stamboel de honden baas op straat; maar de tram, door ijzeren banden beklemd, kan moeilijk voor hen uit den weg gaan: daarom snelt haar een hardlooper vooruit, die de op de rails slapenden wakker maakt en hen zachtkens noodigt vier of vijf stappen verder hun rustplaats te kiezen. Wij zijn in de nabijheid van een onderaardsch verblijf, het reservoir der duizend en één zuilen genaamd. Dooreen kleine opening daalt men langs een steenen trap af, en bevindt zich dan in eene nnmte, waarvan het gewelf nu nog gedragen wordt door twee honderd twintig zuilen van twaalf voet: het licht komt van boven door kleine openingen. Thans geheel droog, wordt ze door wevers en spinners als werkplaats gebruikt. Doch laat ons maar weder spoedig naar boven gaan. want hier is verder niets bijzonders te zien, en passen we niet op, dan raken wij nog verward in het garen, dat in lange draden overal gespannen is, en brengen misschien schade aan. Naar boven dns! En dan eerst naar de verbrande zuil van Constanti.jn, een porfier van veertig meter hoogte, die oorspronkelijk het borstbeeld van den grooten Keizer droeg, voorgesteld alsArou.o met het gelaat naar het Oosten, de zon groetende, en die op het oude Forum te Rome te midden van galerijen en
325
triomfbogen opgericht was. Later werd dit monument naar Constantinopel overgebrachl en in 10S1 door den bliksem getroffen, waardoor het beeld werd weggeslagen en het kapiteel jammerlijk gehavend; door ijzeren banden wordt het geheel nog saamgehouden, (iaan wij nu naar de bazaars, dan werpen wij in het voorbijgaan een blik in de Oud-Byzan-tijnsche. Irene-kei'k, (Vredc-kerk) maar. wonderbare grilligheid! de kerk, eens aan den âVredequot; gewijd, is thans een museum van oudheden en een bergplaats van wapens der cavalerie! Dan gaat het door een groote poort, de Verheven Poort genaamd, van wit en zwart marmer met rijke arabesken, naar de tuinen en pleinen van het Serail, een monsterpaleis zooals ik niet geloof dat er een tweede bestaat. Men heeft er van gezegd: âHier is een paleis, een vesting en een heiligdom te gelijker tijd; het is een stad in een stad, een prachtige sterkte, bewoond door een volk, bewaakt door een leger, met eene oneindige verscheidenheid van gebouwen, lustwaranden en plaatsen van versehrikking.quot; Hier zijn de bitterste tranen geplengd en do luidruchtigste feesten gevierd; hier zijn godsdienstplechtigheden gehouden en gruwelen gepleegd met het zwaard of met het zijden koord: hier stroomde het goud en werd het marmer der corridors bespat met het bloed van de niets kwaads vermoedende sultanes validés; hier werden sultans gekroond en gekerkerd, samenzweringen gesmeed; hier... Maar genoeg. Wie zal u de geschiedenis van het Serail volkomen verhalen; wie den sluier wegnemen die zooveel geheimzinnigs bedekt, ot het einde vertellen van zoo menige Arabische jonkvrouw, binnen zijne muren opgenomen, boheerscheresse van het Rijk voor één dag, maar straks met wouden overdekt en weggedragen naar het watergraf van Marmara! â Driemaal was ik in Constantinopel, en driemaal werd ik toegelaten tot de tuinen en pleinen.
326
maar niet tut do schatkamer of andere gebouwen, die van hot oude Serail nog bestaan; ik geloof niet dat ik er veel aan verloren heb; maar wel zag ik een reusachtige plataan, door geen tien menschen te omspannen, en naast dezen twee steenen paaltjes, waarop, wie weet hoeveel hoofden afgeslagen zijn; en dat geschiedde in den bloeitijd van het Ottomanische Rijk! â Voor wij naar ons hotel terugkeeren, doorwandelen wij nog even tie bazaars, een doolhof van straten en winkels, maar voor hen die Caïro en Damaskus bezochten niet zoo bijzonder. Daarom slechts even een kijkje in den Egyptischen specerij en bazaar, die men niet verlaat zonder te niezen; of in den schoenmakers-bazaar, waar u allerlei schoeisel in verschillende kleuren wordt getoond; ut in den bazaar der tapijten en borduursels, of van goud- en zilverwerken; alles interessant voor den vreemdeling, maar niet vuur den reiziger, die mot andere vuornamo steden van het Ousten reeds heeft kennis gemaakt. â Ik zal ook niet breedvoerig van de plechtigheid verhalen, die lederen Vrijdag plaats heeft, als de Sultan, geëscorteerd door infanterie en cavalerie, zich naar een moskee begeeft om zijn gebed te doen; alleen dit: de Sultan, steeds voor samenzwering beducht, laat nuuit vuuraf, maar eerst op het laatste uugenblik weten, naar welke muskee hij gaat en welke straten hij passeeren zal; daarheen rennen dan uuk, zoodra dit nieuws bekend is, de rijtuigen dor vreemdelingen die den Sultan willen zien. Bij mijn eerste verblijf in Cunstantinopel had ik het geluk met mijn rijtuig juist aan de moskee to staan, die door Z. M. voor dien murgen was aangewezen. Ik zag den Sultan, een man, lang en tenger van gestalte, met bleek gelaat en dunkeren blik, die geen lierheid maar veeleer zwaarmoedigheid verried; hij was gekleed in een langen, zwarten jas, met roude bies afgezet, en had een rooden fez up het houfd; tegenuver hem waren
327
gezeten do gruut-vizier on Osman Paciia, de held van Plowna, uit den Rusyisch-Turkschen oorlog van '77 wel bekend, beiden in gala-tenue. De godsdienstoefening duurde een half uur; wij wachtten de terugkomst van den Sultan af, hoorden intusschen afschuwelijke muziek, zagen een regiment negers, dat ons in snellen pas voorbijging, en reden vervolgens naar het verblijf der huilende Derwischen. Toen wij er kwamen was de vertooning reeds begonnen, geheel gelijk aan die ik te Cairo bijwoonde, alleen met dit onderscheid, dat, toen het geschreeuw en gebrul geëindigd was, ik moeders zag met zieke kinderen van twee tot tien jaar in de armen. De kleinen, jongens en meisjes, werden naast elkander voorover op den grond gelegd, en beurtelings zette de priester op hen zijne beide voeten, naar het geloof der Mohammedanen een onfeilbaar geneesmiddel. 't quot;Was vreeslijk om aan te zien! Bij de dansende Derwischen merkte ik zulke kunstenarijen niet. â Ook was het mij vergund door toedoen van onzen Nederland-schen gezant, Jhr. Mr. Tkts van Gouühiaan, een paleis aan den Bosphorus te bezoeken. Met een caïk, een lange, smalle boot, brachten vier roeiers er ons heen. Welk een weelde! Hoeveel schats hier verspild! De verblindende pracht der zalen u te beschrijven is mij onmogelijk, maar als ik u zeg, dat de tuinen zijn aangelegd op verwulven, tegen de helling des bergs gebouwd, zoo iets als de hangende tuinen van Semiramis, en dat de bovenste, de vierde ol vijfde, tot een diergaarde is ingericht, dan kunt ge wel eenigszins tot de luxe van het paleis zelf besluiten. En zoo zijn er verschillende paleizen, doch de meesten onbewoond. De spilzucht aan het Hof moet onbegrensd zijn, en mijn vriend, die mij bij die gelegenheid vergezelde, maakte terecht de opmerking, dat het geen wonder is, dat de Sultan soms in geldnood verkeert.
328
en het arme land, daar alles van de belastingschuldigen kunien moet, zijn rente niet kan betalen.
Sdioun, verrukkelijk is alles in Constantinupel! De (runden Hoorn, de vaart naar de Zoete wateren van Europa, een uitspanningsoord, waar menig engagement wordt aangeknoopt; de Prinsen-eilanden, een uur stoomens buiten de stad, en bovenal de Bosphorus, omzoomd door villa's en tuinen, steden en sterkten, heuvels met groen en bloemen en tusschen deze hier en daar een prachtpaleis! Stel het n voor, zooals het mij eens te beurt viel, dat ge uit de Zwarte Zee den Bosphorus binnenkomt; dat ge aan den ingang drie dagen in quarantaine moet blijven en op den vierden dag 's morgens ten zes ure opstoomt door het helderblauwe water onder een prachtigen hemel, toegewuifd door het laehende groen, en dan vóór u de stad met haar koepels eu minarets, blinkend wit, schitterend in de morgenzon, 'k Heb nooit iets schoeners gezien. Maar komt ge in de stad . . . En zoo zou ik u nog veel meer kunnen vertellen van verschillende tochten door mij gemaakt, moskeeën door mij bezocht, hoogten door mij beklommen, en dan nog van het nienw aangelegde Archeologische museum met zijn onlangs gevonden sarcophaag van Auixandkh dkx Gkootkn en anderen. Doch mijn bestek gedoogt zulks niet en bovendien, hoeveel is er niet in onze taal, ook in dagbladfeuilletons over de heerlijkheid van Constantinopel geschreven? Zonder het minste gewetensbezwaar kan ik dus eindigen. Na afscheid genomen te hebben van mijn trouwen dragoman, Aüolph Sibrower, die mij tot driemaal toe vergezelde en in de bazaars aan mijne vrouw zoo onschatbare diensten bewees, verlieten wij Constantinopel met de Orient-Express, een trein die regelrecht, met kort oponthoud aan enkele hoofdstations, doorloopt over Buda-Pest en Weenen naar Parijs. Slaap-
329
wagens, restaurant, alles is uitmuntend. Tot aan de Bulgaarsche grens reist ge under geleide van eeuige Turksdie soldaten, en dan tut aan Servië van Bulgareu, uni tegen aanvallen van ruuvers beveiligd te zijn. Wij passeeren Sutta, eerst duur den muedigeu Alkxandku I, nu duur prins Fkkdixand meer dan vroeger bekend; trekken duur prachtige gedeelten van den Balkan en kunien eindelijk, na Belgrado gezien te hebben, up Hungaarseh gebied. In Weeneu willen wij een paar dagen tueven en gaan dan uver Neurenberg naar luns.
Wij zijn afgestapt in bet Grand liótel Métropole. Mijn reisgezelschap is uitgereden naar bet âPrater;quot; ik zit alleen up mijn kamer, eu dwaal in mijn gedachten nug eens rund in het land, dat ik pas verlaten heb, maar waarin mijn geest nug leeft; bet land dat in menig opzicht wel kan gezegd worden âwoest en ledigquot; te zijn, maar toch, als geen ander land, vul van de heerlijkste herinneringen; het Heilige Land, dat steenachtig, naakt en kaal, de sporen van nood en ellende zich zou diep ziet ingegruefd, maar tuch het middelpunt is der llcils-historie! Dat land waarom gedurende alle eeuwen gestreden is, waarvuur gebeden is en nug gebeden wordt; dat tranen heett ingedronken als waterbeken, en toch bet land is van Hem, die alle tranen droogt, het land van Immanuël. Jerusalem, Bethlehem, Nazareth, Thabor, (falileescbe Zee, ik wandel nog eens door uwe straten, of zit nog eens op uwen bergtop in stille gepeinzen verdiept , of beluister het klotsen der golven aan mijn voet. ik dank Gud dat ik er zijn mocht. Reeds veel bob ik in de wereld gezien, maar vraagt ge wat ik het liefst van alles nog eens zou zien? Rome of Athene, Napels of Constantinopel?Neen ! het liefst Jerusalem en het Heilige Land. 't Is bet land
330
van liet gemoedslüven, van diepte der ziel; dat zeggen u de lijnen der bergen, de rotsen aan liet strand, de velden niet steenen bezaaid. In liet Heilige Land stralen de sterren helderder dan boven eenig ander land der wereld; op uwe lage heuvels, o Jerusalem! is men dichter bij den hemel dan op den top van den Mont-Blanc. â Niet in Athene, hier konden profeten worden gevormd, kon David zingen; hier alleen is de geboorteplaats van het Psalmboek. In Athene heeft een Plato gedacht, in Home een Vihgiuus gezongen, maar in Jerusalem een Jesaja geprofeteerd, aangeblazen door den Geest Gods. Ja, wat meer zege: hier inliet bijzonder kon God Zich openbaren aan een volk, dat alle volken tot een zegen zijn zou! Hier de voetstappen van Gods Zuon! â Athene, Rome, Jerusalem! Het zijn de drie hoofdsteden der wereld. Op de Acropolis der eerste past een tempel aan Pallas gewijd; voor de tweede haar pantheon en kapitool; maar op Jerusalems naakten heuvel het Kruis! De tempel is in puin; het kapitool een museum van oudheden geworden; maar het Kruis, het heilsteeken der volken, wordt de wereld doorgedragen; dour millioenen bij millioenen gekend en gezegend wordt de Gekruiste, verheerlijkt als de Koning der koningen, de Heer der heeren. Vraagt gij, mijn lezer, of ik versterkt ben in mijn geloof; of naar mijne meening dit land het oord kan geweest zijn waar de gewijde gebeurtenissen hebben plaats gehad? Tot antwoord kan ik u verwijzen naar zoo menige bladzijde uit mijn boek, ook naar het bovenstaande. Maar ik wil u het getuigenis bijbrengen van een man, die, volstrekt ongeloovig, met een weten-schappelijk doel Palestina doorreisde. Hoort wat hij zegt: ') âIk ben in alle richtingen het land doorgetrokken, dat het
') IlliNAN ; Lu viu ilc fcus.
831
touneel is der Evaiigolisdic voiimluii; ik hol) .Jei'iisak'in, Hebron, Samaria bezocht; bijna u}) allu plaatsen, die belangrijk zijn in de geschiedenis van Jezus, ben ik geweest. Die geheele geschiedenis, die, op een afstand gezien, schijnt te drijven in een wereld zonder werkelijkheid, kreeg op deze wijze voor mij een gestalte, een bepaaldheid welke mij verbaasde; de treffende overeenkomst tussclien de verhalen en de plaatsen, de bewonderenswaardige harmonie van hot hemelsch ideaal met het landschap, dat er als 'I ware do lijst van uitmaakt, maakte op mij den indruk eener openbaring. Voor mijn oog vertoonde zich een vijfde Evangelie, geschonden maar nog leesbaar, en van toen af zag ik hier door do verhalen van Mattjiuus en Marcus, in plaats van een afgetrokken wezen, waarvan men zeggen zon dat het nooit had bestaan, eene bewonderenswaardige gedaante leven en zich bewegen!quot;
Ja, zoo is het! Wat men in do Evangeliön loost, ziet men hier! Aan de Jacobsbron zit men mot do Samaritaansche vrouw; op de (laliloosche zee vaart men met de jongeren en don Hoor! Men doorleeft hier de geheele gewijde bistiirie.
En wat er mi in den loop dor eeuwen naar Gods plan van Palestina, het oude Kanaan, het land van Immanuël worden zal? Hoort dos Hoeren woord: âWant do kinderen Israels zullen volo dagen blijven zitten zonder koning en zonder vorst, zonder offer en zonder npge-richt beeld, en zonder efod en teralim; daarna zullen zioh de kinderen Israels bekeeren, en zoeken don Heer hunnen God en David hunnen koning; en zij zullen vreezonde komen tot don Heer on tot Zijne goedheid, in het laatste dor dagen.quot; b En wederom: âOver het huis van David, on over de inwoners van Jerusalem zal ik
l) lloscu 3 : 5.
uitstorten den Geest der genade en der gebeden, en zij zuilen Mij aanschouwen, dien zij doorstoken hebben.'' ') En wederom: .,Hij zal Zich onzer weder ontfermen; Hij zal onze ongerechtigheden dempen: ja, Gij zult al hunne zonden inde diepten der zee werpen.quot; quot;) Ziedaar een paar schakels uit de gouden keten, dit) van de eerste heilsbelofte af de geheele Heilige Schrift doorloopt.
O Jerusalem! daar is voor u een toekomst, maar hoe lange nog! Wachter! wat is er van den nacht? liai de vrome Jood bidt:
Keer lot ons weder, God der Vaadren!
Hoor weer naar 't klagen onzer stom,
En wil eerlang Uw volk vergaadren la een hersteld Jerusalem! 3)
Bij mijn thuiskomst vond ik, Gode zij dank! alles in de beste orde. Eenige familieleden ontvingen ons recht hartelijk in onze woning.
En hiermede is mijn verhaal geëindigd. Vóór ik de pen neerleg, nog eens: dank aan God, door Wiens goedheid mijne voeten mochten staan in uwe poorten, o Jerusalem! Dank aan God, die ons zonder eenig letsel deed weerkeeren! Soli Deo Gloria! Door Zijne genade zij het ook in hoogeren zin onze levensleus: Naar Jerusalem!
') Zucliuria li : 10.
«) Midiii 7 : Ut.
31 Da Costa.
â¢!»
Vi.'f ⢠â¢Â»â¢ ⢠⢠⢠⢠lt;
Jt* â â 'â â â â
;f
^!Ã
!â¢'
J1 â¢;..
'â¦' ' '.\
BESLUI T.
Onzo eeuw wordt tereclil de onrustige geheeten. Wel is zij de moeder van veel schoons en goeds, waarvoor het nageslacht haar dankbaar /al zijn, maar toch, terwijl zij zelf haar wiegekleed in de schaduw van het vaandel der revolutie gespreid zag, en hij het schril geluid der krijgstrompet de volken van Europa haar wiegelied zongen, gunde zij aan hare kinderen nimmer een bestendige rust. En belooft zij dit thans, ofschoon zij is oud geworden ?
Bij die onrust der tijden, waarvan ook ons Vaderland trilt en een ieder onzer zijn deel heeft, slaat de Christen den blik naar den Hooge, en denkt aan het land der belofte, het nieuwe Jerusalem, dat Boven is, het land des eeuwigen Vredes; maar dan ook in de eerste plaats aan Hem, den Koning der koningen, den Vorst des Vredes, die zeggen kan: ;,Komt allen tot ]\lij, gij die vermoeid en beladen zijl, en Ik zal u ruste geven.quot; Die rust en dien vrede kocht Hij den zijnen tot zoo duren prijs. Waar en hoe? Bij zulke vragen gaan onze gedachten
'r
334
van zelf naar het Jerusalem dat beneden is, naar het aardsche Kanailn, waar het Woord is vleesch geworden, rondwandelde, leed en stierf aan het kruis, om alles, alles te volbrengen, wat naar Gods raad geschieden moest.
Hoe velen die zoo gaarne dat land zouden zien, maar voor de onvermijdelijke zeereis vreezen, of' door andere oorzaken verhinderd worden. Hoe velen, wier oog tintelen gaat bij de gedachte, die borgen eens te betreden, door 's Hoeren voeten gedrukt, of door die dalen te dwalen, waar Hij Zijne stom heeft doen hooren, of een kranke genas; maar .... Welnu, dan is ook de pelgrim, die dat voorrecht smaken mocht, geroepen, om vreemden en vrienden deelgenoot te maken van wat hij zag en hoorde en van de indrukken, die luj ontving: om daardoor hen eenigszins schadeloos lo stellen, die om welke roden dan ook, aan zulk eon verren tocht niet denkon kunnen, en andoren, kan het zijn, wakker te maken voor een reis naar liet Oosten, oen reis naar liet Heilige Land, hot land van den Bijbel.
Aan die overweging hebben dan ook do voorgaande bladzijden haar ontstaan te danken.
't Kostte mij wel veel moeite, om over alle bezwaron aan zulk een work verbondon hoon te zien. Immers, ik heb nooit geschreven; ik ben geen schrijver; on wat men mij ook ton laste kan leggen, zeker niet, dat do pers onder mijne ponnevruchten heeft gezweot en gezwoegd, 'k Heb ook ditmaal zoo lang mogelijk aan ioder verzoek tot uitgeven weerstand geboden, tot men mij ton laatste van mijne verplichting sprak, tegenover do Rotterdamsche gemeento niet alleen, maar ook togenover hot Christelijk publiek in Nederland, en er op wees, dat terwijl in Duitschland en Engeland van jaar tot jaar reisbeschrijvingen verschijnen van het
Heilige Land, onder ons, sedert Van Senden, dus sedert omtrent een halve eeuw, niets over Palestina werd aangekondigd, dan oen paar vertalingen, de korte reisherinneringen van wijlen l)s. J. Wkstkiic en een werk van G. Vrkscituur, maar waarin slechts een al te korte beschrijving van Jerusalem voorkomt. Voor die argumenten zwichtte ik, en gaf, zij het dan ook schoorvoetend, toe; terwijl de boekhandelaren Wknk amp; Bihkiioit zich gaarne met de uitgave van mijn werk wilden belasten.
Wetenschappelijk is mijn boek niet; 't bevat slechts aanteekeningen in de schaduw van een boom, in mijn tent, of soms te paard gemaakt, en later in mijn studeerkamer uitgewerkt en aangevuld met teksten, historische wenken, of inlichtingen van topographischen en legen-darischen aard, mij door Ouelu ') Ninck, Baedeker, het âZeitschrift des Deutsche-n Palestina-Vercins,quot; âPalestina, Exploitation fund,quot; en ,,Le Tour du monde,quot; gegeven; terwijl de dichtstukjes, hier en daar als bloemkens over een heideveld gestrooid, voor het meerendeel ontleend zijn aan de dichtwerken van Ti:n Katk. De geleerde heeft aan mij alzoo niets, de helangstellende naar ik hoop iets voor hoofd en hart en eene verklaring van enkele Bijbelplaatsen.
Dat ik mijn boek uitgeef' ten voordeele van het Kinderhuis der Ned. Herv. Gemeente to Hotterdam en het Prot. Kinderziekenhui-; te Jerusalem, verwondere niemand. Immers, het eerste, een geschenk van een mijner reeds ontslapen vrienden, waarvan ik meè de stichtingsoorkonde teekende, heeft mijn hart, maar ook de Prot. inrichting in Jerusalem moet gesteund worden, en het Protestantsche
Onur.l.l raniliilcc^ilc ik hel inccst, danrotn schreef ik zijn naam (jp liet tili'llilail.
330
Nederland opgewekt om zijn schuld tegenover Palestina gedachtig te zijn.
En zoo ga dan mijn boek, mijn eerste en wellicht ook mijn laatste, de wereld in. Moge zijn weg voorspoedig zijn, gelijk God hot ook de reis van den schrijver gemaakt heeft, en hiertoe door deze bladen nog iets worden bijgedragen dat de een zich gedrongen gevoele om zijne voeten te zetten op den weg naar het Jerusalem dat Boven is; de ander voortga in blijmoedig geloof op het pad naar het eenige Heilige Land.
J. KRAT EN BELT.
Rotterdam, Hemelvaartsdag 1893.
R E G I S T E R
VAN
AANGEHAALDE BIJBELPLAATSEN.
|
OUDE TESTAMENT. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
338
|
1 Koningen li : 7..... » -12 : 'iH v.v..... » 15: 17...... » Ki: 24..... .. 17 : 5..... gt;. 17:19..... » 18: 40..... » 10 :19..... » 20: 211 v.v. . . . 2 Koningen 2 : 19 v.v..... » 2 : 25..... » 4:10 ..... » 4 : 25..... » 5:12..... » (i: 24..... » 0 : ;!2..... » 20 : 20 ..... » 25 : 4..... 2 Clii'onieken 1 : 15 .... » li: 1 (tekst). . » igt;...... » 2'i-: 21 . . . . » 20:10 . . . . » ;t2 : ;i0 . . . . ,lob li: Kt, 14 (tekst)..... »17:3:......... » ............... » 31: 21......... » ;t0:10......... Psalmen 9:12 (tekst)..... » 22 :17, 21...... » 20 : 8....... » ;u : 1....... » 42 : 7....... » 47, 0, 7....... » 48 : 2........ » 4« : 13, 14...... » 50 : 2........ » 51 :10....... « 52 :10....... 50: 7........ » 80 :13....... » 81: 2, 3....... » 8i : 4....... » 80 :13....... » 92:14,15...... » 122 :1, 2...... » 122:2 (tekst) . . . . |
Bladü. Psalmen 125 : 2....... » 127:5..............77 » 137:5, 0............2a-) » 145:13 ..............270 » 147 :10, 11..........2.rgt;0 Spreuken 17 :10..............211 » 20:11. 117 Prediker 2 : 0................199 Hooglied 2:1................00 » 2:12..............09 ,) 4:12..............199 » 5:7................173 )gt; 7:5................23 i .Tesaja 1 : 8 (tekst)............73 « 2:2, 3................00 » 3:18..................2(53 » 5:1 (tekst)............73 Bliidz. 79 44 2ÃC 220 188 255 2;cgt; 257 221) 188 m 220 2:11 205 222 222 80, 137 78 117 101 01 81 2:ii 80 ..............73 140 231 231 107 280 42 57 5 :2 8:0 8 :23. . . 0:1 . . . 11 :10 . . 13: 21, 22 . 14: 4 v.v. . 10. . . .
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
339
|
ISladz, |
Bladz. | ||||
|
Kzecliii'l i7 |
. . 1W |
Micha 1 : |
0...... |
. . . 221 | |
|
» M |
1-12 . . . . |
» 5: |
1...... |
. . . 17!) | |
|
lloswi 1 ; 4, |
5, 11..... |
. . 225 |
» 7 |
li...... |
. . . 234 |
|
» :i; 4 |
» 7 |
19,...... |
. . . 332 | ||
|
Habaknk |
1:8..... |
. . . im | |||
|
» 5 : S |
/eplmnja |
2 ; 14 . . . . |
. . . 28() | ||
|
» 7 : ti |
. . 257 |
» |
li; 1!..... |
. . . 1!)l | |
|
Zucliarki |
4:0..... |
. . . 7(1 | |||
|
» |
12:3 .... |
. . . 275 | |||
|
» :i: 15 |
» |
12 :10 .... |
. . . :i:tl | ||
|
» 7 : 1'2 |
. . 2(17 |
)) |
12:11 .... |
. . . 22(1 | |
|
» 1): li |
)) |
i:t: i .... |
. . . 140 | ||
|
â¢loiiii 1 : ;t. |
...... |
. . 511 |
Maleachi |
4:2..... |
... 85 |
|
» 2 : 1(1 |
|
NIEUWE TESTAMENT. | ||||||||
|
Blariz. |
Blad/, | |||||||
|
Matllipns |
2: |
1... . |
.... 17!» |
Lucas |
4: |
17- |
-21 .... | |
|
» |
2 : |
is . . . |
.... 178 |
4- |
'gt;') | |||
|
» |
» |
7 : |
11 | |||||
|
» |
)gt; |
10 | ||||||
|
» |
» |
10 | ||||||
|
» |
5 : |
14 . . |
.... 250 |
» |
⢠0^ | |||
|
» |
0: |
28 v.v. |
.... 241 |
» |
14 | |||
|
)gt; |
» |
18 |
: 31 (k'ksl) . . |
. . 5 | ||||
|
« |
'1 ⢠|
1. . . . |
.... 2« |
» | ||||
|
11 |
ft | |||||||
|
» |
» |
21 | ||||||
|
» |
10 |
10 . . |
.... 254 |
» |
24 |
. o | ||
|
M |
23 |
:2il, 31 |
.... 82 |
.loliumii's |
2 : |
1-11 . . , |
. . 237 | |
|
)) |
24 |
17 . . . |
.... 270 |
» |
2 : |
14 .... | ||
|
» |
quot;'f |
41 . . . |
.... 207 |
ft | ||||
|
)gt; |
20 |
» |
4 ⢠|
11 .... | ||||
|
» |
9,7 |
0(1 . . . |
.... 104 |
ft |
4: |
20 .... | ||
|
» |
W |
9 |
.... 105 |
4 ⢠|
25 ... . | |||
|
It |
28 |
11 . . . |
.... 114 | |||||
|
Marcus 1 |
: 11 |
.... 1112 |
» |
4- |
42 .... | |||
|
» 1 |
ft |
2 | ||||||
|
» 4 |
» | |||||||
|
» 5 |
ft |
10 |
10 .... |
O.'i-) | ||||
|
)gt; 5 |
: 41 |
(U'ksl) . |
.... 123 |
A |
11 |
IS . . . . | ||
|
» 0 |
» |
11 |
lis v.v. . . |
. . 105 | ||||
|
» 13:34. . . . |
» |
12 | ||||||
|
I.uciis 2 : |
13, |
14 . . . |
.... 1UÃ |
» |
10: |
1(1 .... |
. . 311 | |
|
» 2: |
14. |
.... 17!) |
17 |
20 .... | ||||
|
» | ||||||||
|
» 3: |
1 . |
.... 274 |
» |
10 | ||||
340
|
Bladz. Johannes 19: 20..............' » 19 : 3i..............quot;2 » 19:41, 42..........US » 2(t: 5, 11, 12..........IW Handel, der Apostelen 1 : l.t. . 20;) » .. 3:2 . . Hi â â ). 4: ai, :)7. 291 » » » 7 158 . . 1' 9:1 . . 2111 » » » 9:5 . . 250 9 : 25 . . 2(W ,, » » 9:30. Aanliangsel » » » 9:32 . . l'iO » » » 9 : 37â39 255 ), ,) » *10:31-, .U) .'9, (i.gt; » 12:2. . !:«! » ,) 12:13. . 271 13:5,11. 291 |
Bladz. Handel, der .Apostelen 17 : 22 . 310 ,, » i. 18:3 . . 290 â » » 18:22 Aanhangsel â « » 20: H . . 255 â â » 22 . . . 1« Brief a/d. Iloineinen 1 (tekst) . 43 â » » 1 :23. . . « ,, » » 5:8... '177 le Hrief a/d. Corinthen 13 . . . 121 â â ,, » 13:11 . 2! KI i h » j) )gt; l;i: 'li ⢠â » n O li»: .Kt v. v. 2p llrief aan Timotlieus 4 : (iâH 312 Brief a/d. Hehreën 13 : 12 . . . 'IH 2o Hrief van Petrus 3 : 11 . . ⢠fi Openh. van Johannes 2:Hâ10 291 â » » 3:12. . 133 â » » 22: 15 . 117 |
apocriefe boeken.
Bladz. 1!hulz'
1 Malikaheën 13 : 28..........«1 2 Makknbeën 12: 3 v.v.....
» « 14:5...... lt;'d Judith 1:4........ ⢠1-t
a â f) ⢠............215 3e Aanhangsel tot de Profetieën
â â (j: 2...... 210 vmi Daniël 10............272
AANHANGSEL.
I'Ati. 7. âMijn tweede reis naar liet Oosten maakte ik enz.quot; Ik ben niet gewoon alléén op reis te gaan, vandaar dat ook op mijn eersten tocht naar Palestina mijne vrouw mij vergezelde, die evenwel door den storm, welke ons op de Middellandsche Zee overviel, voor een tweede bezoek werd afgeschrikt.
De aanleekeningen en indrukken van mijne beide reizen heb ik getracht door elkander to vlechten en tot een geheel te verwerken, vandaar dat ik nu eens alleen van mij zelf, en dan weder van ontmoetingen spreek die ik in gezelschap had van mijne vrouw. Ik denk niet dat zulks eenige stoornis voor den lezer geven zal.
Pag. (gt;2. âEen spoorweg van Jaffa naar Jeruzalem.quot; Heeds in 1800 heeft lgt;r. Si.Mi'iiL, van geboorte een Duitscher, maar genaturaliseerd in Amerika, op-metingen gedaan en plannen voor een spoorweg gemaakt, maar de Regeering weigerde hare toestemming; in 1881) gelukte het aan een consortium van Kransche kapitalisten, de des behoevende lirman van den Sultan te verkrijgen. De spoorweg heeft 5 stations: Lydda, Ramlehi Es-Snjad, Deir Aban en Vittir, en heeft met het rollend materieel enz. gekost omtrent / 4.8ÃÃ.ÃÃ0.â Dat het spoorwegnet zich zal uitbreiden is wel zeker; reeds wordt ijverig gewerkt aan een lijn van Haifa over llaran naar Damascus. Opmetingen zijn gedaan voor een zijtak van Damascus naar Reyroet, ook voor een lijn van Haifa naar Jall'a, over Nabloes of over Cesarea; terwijl er mede sprake is van een spoorverbinding tussclien Egypte over (!nza en Jerusalem. (Jesaia l!):'2li).
Pao. 84: âDe grafkapel van Mauia.quot; In deze kapel hebben niet alleen Grieken en Armeniërs, maar ook de Mohammedanen een plaats voor hun gebed, ten bewijze dat zij de eer van Mauia boog houden. De Koran spreekt in de 1 'Jde Soera aldus: âHerdenk in liet boek van den Koran het verhaal van Maiua, toen zij zich van haar gezin naar eene plaats ten Oosten verwijderde en een sluier nam, om zich aan de blikken van anderen te onttrekken. Wij zonden onzen geest GAUHlióf. tot haar, en hij verscheen haar in de gedaante van een volmaakt mensch. Zij zeide: Ik zoek eene schuilplaats bij den genadigen God, opdat Hij mij tegen u verdedige. Indien gij Hem vreest, zult gij mij niet naderen. Hij antwoordde: Waarlijk, ik bende boodschapper van uwen Heer, en ik ben gezonden om u een heiligen zoon te geven. Zij zeide: Hoe zal ik een zoon hebben; geen man heeft mij aangeraakt, en ik ben geeno ontuchtige vrouw. GAimiliL hernam: Zoo zal het zijn. Uw Heer zeide: Dit is mij gemakkelijk, en wij zullen het doen, ten einde hem tot een teeken voor de menschen en tot eene genade van ons te doen zijn.quot; En in de 21ste Soera: âEn gedenk haar, die haren jonkvrouwelijken staal bewaarde, en welke wij van onzen geest inbliezen, terwijl wij baar en haren zoon als een teeken voor alle schepselen instelden.quot;
Paü. 1 15. âGolgotha veel te dicht bij het tempelplein gezocht.quot; Mijne meening aangaande de echtheid van de plaats der kruisiging .vond ik voornamelijk door Engelsehe geleerden bevestigd, liovendien vernam ik tijdens mijn verblijf in Jerusalem van zeer geloofwaardige zijde, dat op den heuvel bij de Jeremia-grot slechts
342
enkele jaieii geleden een grafsteen gevomleu is, uit zeer muien tijd, die behalve den nnam des overledenen, liet volgende Grieksche opschrift hevattei âIk dank (iod, dat ik begraven ben in de onmiddellijke nubijheid van dc plaats, waar mijn Heiland Zijne rustplaats vond.quot; Kon nu bewezen worden, dat die steen uit de 1ste of'2de eeuw na Chr. dagteekent, en dat die woorden er werkelijk opgestaan hebben, dan zou hij een welkome gids voor den ernstigen onderzoeker ziju; maar dut bewijs te leveren is moeilijk, want zij die hem vonden hebben hem weggeborgen, uit vrees, naar men zegt, dat het gezag der 11. grafkerk zou schade lijden. Waarlijk, indien bet zoo is, een jammerlijk bewijs van onkunde en zelfmisleiding.
Pag. 121. âDoor de zorgvuldige verpleging van den directeur Mullku.quot; Sedert ik Jerusalem bezocht, heeft de heer Mullkii zijn ontslag gevraagd, en is vervangen door den heer Sciiubeht. Toen de trouwe Mulluh met zijne vrouw dc inrichting verliet, waren alle verpleegden diep bedroefd, cn zagen hun rijtuig zoo lang mogelijk na; maar toon een paar dagen later dc heer Sciiuueut met zijne echtgenoote hun werden voorgesteld, was de droefheid vergeten on de vreugde algemeen; er werd gezongen en gesprongen en zulf.s een vreugdevuur ontstoken. Zoo gaat het in de wereld , niet bij de melaatschen alleen. â Zij die van deze inrichting, de verpleegden en hunne behandeling, iets meer willen welen, raadplegen het hoekske âNach Jcrnsalemquot; van den mission-directcur Huukiiaudt, die door dc Brüdergemcindc in Iferthelsdorf bij Herrnhut naar Jerusalem afgevaardigd werd in 'Dl, om de aangelegenheden van het Asyl voor melaatschen te regelen.
Pao. 1U2. In een noot aan den voet dezer bladzijde teekende ik aan, dat II. K. II. de Groothertogin van Mecklenburg-Schwerin eene goede ondersteuning enz. â Hier dient bijgevoegd dat, zooals ik na het afdrukken dier pagina vernam, de Groothertogin voortdurend het hospitaal gedenkt, door n.l. de huisliuur tc betalen en eene jaarlijksche bijdrage te verleenen van 'JOÃ Mark. Dit blijk van belangstelling en milddadigheid mag niet onvermeld blijven.
Pao. 171. In de aanteekening staat: De Joden bedragen tc zamen ruim dc helft der inwoners;quot; lees: âDc Joden Iü Jenisnlciu enz., en zijn in den Uaad der stad door drie leden vertegenwoordigd.
Pao. 1112. âNu breken wij op naar de Doode Zee,quot; enz. â Ook op de Doode Zee zal waarschijnlijk leven komen, want naar een bericht d.d. 2i Mei l.l. uil Jerusalem ontvangen, ligt het plan tot een geregelden stoombootdienst voor pelgrims ter rondvaart gereed.
Pao. 227. âIn het kapelletje te Naïn zijnquot; enz. De herstellingsoorkonde dier
kapel luidt aldus:
' AEDICULA.
DIVIN1. KACTl. SIGNUM.
IN. MESQU1TAM. JAM. VERSA.
POST. SENA. ET. A. SAECL'LA.
SACUÃ. CULTUl.
KT. CimiSTO. SAL\ATORI. D1CATA.
ITEUUM. liESTlTUlTUIl.
DEO. JÃST1TIAE. V1NDICI.
P. ANTONIUS. CARDONA.
NAZAU. PRAESUL. ET. 1quot;. S. KRATRICS.
DEBITAS. LAETAliUNDI. GRATES.
PERSOLVUNT.
PRlDIE. KALEND. APR1LES.
A. D. MDCCCLXXX1.
343
In liet Neilei'luiidsch overgezet, uliliis:
HE KAPEI/,
TICI! (iliDACUTKMS GESTICHT AAN HET GODIJEM.IK WONDEI 1,
WOllDT, NADAT /.1,1 DEEDS VEliANDEItl) WAS IN EEN MOSKEE, NA VEI!LOOD VAN TWEIiMAAl. ZES EEUWEN AAN DEN EEHEUIENST EN AAN CIHUSTUS DEN ZAI.1GMAKEll GEWIJD,
OPNIEUW OPGEDRAGEN AAN GOD, DEN' IIANDHAVEU DEIl GEUEC1ITIGHEID.
P. ANTONIUS. CA li DON A.
BISSCHOP VAN NAZARETH EN DE BHOEDERS VAN DE OUDE DEK ERANCISCANEN,
BRENGEN
VOL VREUGDE HUNNEN HIERVOOR VERSCIIULDIGDEN DANK,
OP DEN aisTKN MAART VAN HET JAAR ONZES IIEEUEN 1881.
Pa(J. 237. âDes anderen daags keerden wij naar Nazaretli terug.quot; Op mijn tweeden tocht door Paleslina bezocht ik, de kust langs rijilende van Haifa naar .lalTa, ook Cesarea, door Paulus iiieerinalen (Hand. :30; 18:22) hezouht, later de plaats zijner gevangenschap. Du pracht der stad wordt zeer breedvoerig door I'i.aviüs Josuimius beschreven, en nog heden ziet de reiziger uit de brokstukken van muren, aan den oever liggende zuilen en verstrooide pmnhoopen, dat hier een stad gestaan heeft van den eersten rang. Reeds vroeg was er een Christengemeente; sedert de derde eeuw bloeide er een school, door niannen van naam als Oiuuknios en Pampiiilus beroemd. Ook Eusmilus, de vader der Kerkhistorie, is er bisschop geweest, y 310.
Pag. 277. âDe zoogenaamde Septuaginta.quot; Volgens Josiil'lius en Pmr.o ontstaan onder de regeering van Ptomcmioüs Piiiladum'iius; anderen meenen haar te danken te hebben aan ile vriendelijkheid van I'tolkmuus Sotur, voor de Joden ilie in Alexandrië woonden. HiunoNVMlJS lujemt drie uitgaven van de Septuaginta: de eerste van Eusumus en Pamimiuais, de tweede van Hissvcuius, ile derde van Lucianus, een Presbyter van Antiochië.
Pag. 2!tl. âNu keerden wij naar liliodns,quot; enz. Rhodus of Ilhodos, naar het Grieksche Ithodon, dat Roos beteekent, alzoo een rozenciland.
Lamaiitinu zegt i;r van: Rhodus ligt als een huuiiuet van groen en bloemen op de golven. Do lichte en bevallige minaretten van hare witte moskeeën boren met moeite been door een loofdak van palmen, moerbeziënboonien en platanen; do rijkste Aziatische plantengroei heeft bier zijn verblijf gezocht; ik kenter wereld geen zuiverder hemel, geen lachender natuur.
De handel in welriekende olie en rozenconlituren, bij den Oosterling zoo geliefd, geven nog heden aan de bewoners van het eiland een rijke bron van bestaan. â De colossus, aan den ingang der haven, droeg in de rechterhand een vuurbekken, dal 's avonds werd aangestoken en als baken diende.
âlüc Rhodus, Ine salta,quot; een spreekwoord, aan een niet-classicken schrijver ontleend, gebruikt om een snoever of praler te dwingen bet bewijs te leveren van hetgeen waarop hij zich beroemt: âVertoon hier uw kunst, zoo men u gelooven zal.quot; Vergelijk de Adagia van Ehas.mus Cbil. Ill, Cent. HI No. 2S.
INHOUD.
liUulz.
OFDKACHT..........................................8
INLEIDING..........................................5
EGYPTE.
ALEXANDRIÃ....................10
CAIRO...................... ⢠19
Dc Pyramiden..................
De Sfinx....................^5
Een Zondag in Cairo...............
De Universiteit en Mokattain............SS
Sakkarah........................................11
Het versteende woud..............................17
De laatste rit..................49
NAAR PORT-SAÃD..................58
PALESTINA.
DE AANKOMST...................ölt;S
JAFFA......................öO
Op weg naar Jerusalem..............66
JERUSALEM. Om dc stad...............Tü
Op den Olijfberg.................
Nog eens op den Olijfberg. Getiiseniané........!)8
De kerk van het Heilige Graf............104
Wandelingen door de stad.............UB
Vervolg....................1^7
Van het Westen naar het Oosten...........158
Twee Zondagen in do Heilige Stad..........173
De Jordaan en de Doode Zee............184
Dc laatste dag..................200
Van Jerusalem naar Sichem.............206
Samaria, dc vlakte van Jizrcël............220
Nazareth. Karmel.................228
De Zee van Tiberias................287
Het Noorden van Galilea..............219
SYHIÃ, ATHENE, C O N S T A N T I N O P E L.
DAMASCUS.....................260
Baillbek....................2,8
Beyroet. â Smyrna. â Ef'cze............28-4
ATHENE.....'.................y,)2
CONST AN TIN OPE ...................318
BESLUIT......................883
REGISTER VAN AANGEHAALDE BIJBELPLAATSEN.....887
AANHANGSEL...................341
NAAMLIJST VAN INTKEKENAREN.
--!quot;gt;OSlt;â
H. M. J)E KOXINaiN-HEGENTKS
i:n
II. K. II. ÃE GUUOTIIEHTOGIX ,\[AIUE VAN MKCKI.K.NliUK(i-S('11\VKIUX.
|
Aalst. Unit C. .1. Vernooij. (i. Aarlandervoon. WiUi ljrand.s. Ds. J. 11. Drauucn Jr. C. van Alblassordam. Mak, M. 11ijUOL'. A. (i. Vliet Azn. C. van Zessen. Ai'iu van Alfon a d. Rijn. Dros. C. .1. Gucdliart. .1. llongevelil. .1. Heijden. II. v. d. Ãpreij. Wed. J. Spruijt. II. Vel/.en. S. van Alkmaar. Dalen. J. N. IMeinper van Duekh. !l Ex. DolderinU. A. (Inldenarm. Ds A. Harms. \V. Kluitman. 1'. Buekli. Oort. Ds. A. J. I'. itandwijk. Mej. Wed. Terhaak. G. Vonk. .1. C. Voort. N. van der Vries. 11. J. do Winter. Mej. Wed. Almelo. Hilarius Wzii. VV. Hoekli. 8 Ex. Welscli. A. U. |
Amoido. Kriellaart. Mej. II. Amorongon. Kuiper. F. I'. Buekli. Amersfoort. Derends. .1. J. lloekh. I Lx. Blok. (j. Amsterdam. Ahrahaiuson amp; van Straaten. lioekh. '2 Ex. Aescli. C. .1. vun Doekli. Deeck Vollenliuven. Mej. S. van Heertliuis. Mej. Dlbliotlieek Vereeniyint; tul verbreiding dor Waarheid. lileij. J. 11. G. Itreeliaart. M. Die. .1. ,1. de Duekli. i Ex. Heglien. Ds. C. I'. van Eeglien. Mej. A. M. van Egelint;. 1'. W. Uoekli. 7 Ex. Eijkolliuoin. A. .1. üorIi. C. M. van Duekli. tïruut. Mej. de lleteren. .1. 11. amp; (j. van Boekli. Ilenring. II. Doekli. 1 Ex. Iloiidius. Clir. llorrius. .1. Iliiveker's Duekliandel 'J Ex. Ilumine. 1'. .lonker .Ir. W. Duekli. Kampen amp; Zn. I'. N. van Duekli. Karsdurp. M. 1'. Doekli. i Ex. Korll'. I'. W. A. Kötlolbrink. 0. A. Kraan. .1. Doekli. -2 Ex. Krijne. J. J. Duekli. |
u
|
Kwinkelenberg. Mej. t.aml. Mej. G. Leemlertz. .lolis. Linde. Mej. v. (i. Lütge. Ds. 11. A. J. Metz. .1. G. Mooij. II. W. Miiller. Johannes Muijs. li. Neutze. Mej. M. \V. Olivier. M. M. ItoeUli. Iteiiiders. II. C. Uuelili. Ueijndurp. .1. li. lioekli. 0 Kx. Uijnts. Rroedei-, Uuitennuslliuis Schaft. Mej. van der Schalekamp, v. d. Grampel amp; Hakker, Boekh 7 lix. Scheepsmaker. .1. .1. SchelTer Co. Doekh. 7 L'.x. Schreuder. Mej. A. M. Schroder. Gebrs. Itoekh. Slooler. C. Ifoekh. Twisk. ,1. II. van lloekli. Verweij Jr. C. Visser. l)r. .1. Th. de Wellingholl'. I). C. Apoldoorn. licijman. \V. Dijkgraaf. G. Ungels. II. (ieurls. C. Kainphoi'ht. II. Kamphorst. 1'. Lounian. M. Milligen. Wed. K. G. van Mouw Tzn. II. Uijldenhogaard. (i. Uijtdenbogaard. K. Wiepking. ,1. Wieringeii. A. K. van Doekh. I'2 Kx. Appingedam. K. A. Mulder lloekli. 2 Ex. Arkel. Maasland. Ilokns Arnhem. Itaud .Ihr. 1'. I-. C. Urcijer. II H. Itoekh. 8 Ex. Iluddingh. lierendina A. M. L. Cohen. Gebrs. E. amp; M Boekh. Goedhart. A. Krasenburg 11. liut'kli. lluelili. '2 Kx. lloekli. '2 Es. 1 |
Meijer. A. Boekh. Muiuck amp; Co. De lloekli. Sander. Dames Schorer. Mevrouw Steiju. II. Vollenhoven. Ds. J. J. van Willink. Firma II. A. Tjeenk Boekh. Barendrocht. Andeweg. L. Ekelenhurg. A. vau .liskoot. 1'. Westra. K. Barneveld. Canneman. Mej. M. .1. Menger. A. .1. Boekh. 2 Ex. Versteeg. Mevr. Dr. J. Benthuizen. Berg. P. van den Blijleven. M. .1. Diephout. W. Driel. A. van Knijir ,lzn. J. van der Paul. B. Qualm. W. Spruijt. G. Visser. Wed. C. Bergambacht. Blanken Dz. P. Straaleu. Joh. A. van der Verkaik. A. Borgschenhoek. Groeneweg. I'. Michielen. Jb. Smit. II. Berkol (Z.-H.) Bree. C. Daalen. W. van Jongeneel. A. Koole. II. Steenwijk. D. Toom. J. den Treurniet. N. Vogel. W. M. de Bleiswijk. Kijan. Cornells Hoek. A. Hoek. J. C. Mulder. W. Bloomendaal. Bolder. Broeder, Meerenberg Blokzijl. Warnar. T. |
Ill
|
Bodegraven. Eeuwen. Weil. C. van (iiesen. Weil. I,, van iler Goebel. Arie lloogenduoni. Igt;. Leosvereeniginu l'quot;ili|)|ms. Clirisleli.jke Neut. Weil. A. van iler Itullinan. 11. Verhoed. I)s. ,1. (1. Zaal Azn. Corns. Boskoop. llultleinuml. I). Hooft G/,n. (!. 'I lluogendoorn. W. Klaveren I'.Jz. A. van Klaveren l'.Ji!. ,1. van Krauts, l./.n. Aart van iler Leen. (i. lie Tol. A. ,1. van Breda. Uroese amp; Co. Klooster. Wed. .1. van Nlenwenlmis. 1'. I!. I'eereboom. P. C. C. Voogt. lirma (!. t!, do Broskons. Dieleinun. C. Santen. Mej. A. M. A. van Broukolen. Kasteleyn. A. M. Bruinisse. Goudzwaard. A. Bunnik. Inwijk. W. van Bussum. Del. Us. A. II. W. de Capello a/d. IJsei. Capellen. Mej. van Ki.jkelenbooin. C. Hoogendoorn. I). Maat. .lolis. Verstoep. I). Charlois. Hakker. Corns. lilom. li. Ginkel. 1.. van Kamphuis. 1'. Kool. Wed. C. Kruidenier, lid. Antje Cornelia Merkon. L. van Meulen. 11. van der Hoekh. 4 Ex. Oepkes. Mej. I!. .1. Peiger. K. Hoekh. Hoekh. '2 Ex. Hoekh. Hoekh. Hoekh. |
Poel. C. .1. van der Straaslieijin. .1. (!. Hoekh. 8 Ex. Wei. A van der Weverling. C. Zwart. A. de Chicago. HirkholV Sr. Geo Delft. Henkei. H. van de Hogaerts. II. ,1. Hooni. As. v. d. Bijl. .1. T. Convée. M. .1. Hoekh. IS Ex. Deuremat. Doorn. ('. .1. van Hoekh. Dop. A. van Ende. I., v. d. I'elix. Ds. Herwaarden. Ds. (i. van Houtzager. .1. Ilunnnau. D. Kerkhof. Mejullr. Koek. Mr. I.I. de Kooy. .1. van der Kooynian. C. Pannevis. C. W. Poot. C. 11. Spuyman. A. Stout. G. Swers. J. A. van Vellekoop. P. Waltnian Jr. .1. Hoekh. 'J Ex. Delfzijl. HingâLeesgezelschap. Deventer. Hreijer. II. li. Fend Hint. A. Laan. li. H. v. d. Wilterdink. D. ,1. Hoekh. 4 Ex. Doetinchem. Haadgeep. W. .1. Hoekh. 4 Ex. Scliouten .1. H. G. Dordrecht. Hisschop. Dames Hiiisse amp; van Hruam. Hoekh. Hrnmmen. Igt;. .1. van Hoekh. Donszelmann. A. Dooremans. Mevr. Wed. L. Iquot;. Driel. P. van Eegener. Mevrouw Wed. Empel. P. van |
IV
|
Kuljkcs. Us. II. Ciaiisliii Hz. J. Ilouft. C. G. 'I Müi-ks .1/.. C. Uoekli. i Kx. Mühlhaus. VV. C. Pelt. A. van Poorter. Mej. ü. Povers. .1. P. Iluckli. Schuardenburg. J. 0. van Sillovis. MojulTi-. Twist. W. van Wog. Mej. A. van de Zeeuw. J. de lioekli.'2iEx. Edo. Graaf. I'. de Menger. Th. Jioekh. 2. Ex. Voorthuisen. W. van Elshout a d. Kinderdijk. Mes. G. Ginneken bij Broda. Koomans. Mejull'r. Goos. Polland. A. A. \V. Poekli. Kleeuwens amp; Zn. I'. Puekh. Koetsveld C.Ezn. Ps. C. van liruyter. J. de Visser. J. J. Poekli. Gorinchom. Andol. C. van Pruyn. Laurens de Eek. .1. M. van Poekli. i Ex. Knieruin. J. 11. Kraaij. A. Lang. .1. Ph. dc Leur. C. de Luyten. A. P. Sehefl'ers. Adrianus Sehetselaar. A. Sizoo Mzn. A. Stokhuyzen. Firma W. Poekli. !l Ex. Veen. H. J. van Gouda. Penscliup. P. Ponteiibal. .1. Boom. 11. de Poot. M. .1. Prokaar. .1. Dort. W. van Edauw .Ir. H. C. Buekli. 7 Ex. Eijsden. Mejulïr. van Geel. Mejull'r. Wed. |
Groef. C. van der Harderwijk. C. A. Kamphuizen. P. W. Kerper. ï. Peer. .1. A. de Poortman. MejulTr. Wed. P. Pijper. A. de Povet. 1'. .1. Poepers. J. A. Poosendaal. P. C. Potte. M. van de liijneveld. 11. Schen'er. A. II. Sihhes. ,1. C. Swartsenburg. J. I'. Temminek. .1. E. M. Togt. .1. II. van der Ven. ,1. de Vermeij. T. Visser. J. Vingerling. A. Vliet. Mej. E. van Weerd. J. L. van der i Ex. i Ex. i Ex. i Ex. 7 Ex. 'J Ex. 15 Ex. Hoekh. 's Gravcnhago. Pas. W. .1. M. de Heek. M. van der Hoekh. Heetsma. ,1. II. Beschoor. W. A. Hoekh. Heijnen. Dr. L. H. Hoeve. .Ihr. L. M. Sehuuibeeipie Borrebauli. 1). A. Broere. N. Brouwer. Mevr. Wed. Mr. A. lgt;. .1. Brummelkamp. Cattenbureh Dames van Cleelf. Gebrs. van Hoekh. Convée. M. M. Hoekh. Doorn amp; Zn. C. van Hoekh. Eellmann. M. .1. Gardenier. Mt vrouw Gerretsen. Eirma II. .1. Hoekh. Golverdinge amp; Zn. .1. van Hoekh. Groen. W. llaaff. J. M. van 't Hoekh. Heemskerk. Mejullrouw Hendriks. II. .1. Holstein. P. Hoogstraten. W. J. van Hoekh. Koentze. Mevrouw E. Kraft. 1'. J. Hoekh. Kulsdatn. G. 11. II. Hoekh. 2i Ex. Ituekli. |
V
|
Kuijlen. Mevr. van der I.ange. Mevr. G. A. de Lies. Mevr. Wed W. Mensing amp; Visser Hoekli. 2 Ex. Meijer. MejulTromv Pape. Mr. C. P. I). Poseh. MejiilTr. .1. rtaal) van Cansteijn. H. W. van Randwijk. W. J. liitter Sr. .1. 0. Roode Jr. C. ,1. van Saarloos. C. van Sclmiirman-Seliinimel. Mi'vrou\v Wed. Stegerhoek. L. Sterkman. A. II. Sterkman. A. W. 1'. Stockum X' Zoon. \V. P. van üoekli. Trip van /.oudtlandt. I'ienle Vermaasen. W. G. 1quot;. Vos. .lac. Wakker. .1. S. '2 Rx. Wely. Mevrouw van Wit. Mejnlïr. A. de Woerdes. ,1. II. Znylen van N'yevelt. Jonkvrouwe 's Gravonzando. Pranger. .IuIip. Trlgt. Wed. M. van Groningen. Haan. Jan fioekh. Iloop-van Slochteren. Mevrouw van der Kri'ise-Heitman. Mejiiltr. Aaltje Panhnys. Freule K. van Swinderen-Tli. i'iTli.v. d. Hoop. Mv. E. M. M.v. VeenhofT X' Co. .lac. Ttoekli. Wolters. .1. H. üoekli. 2 Ex Groot-Ammors. Blokland. W. Eijkelenbooni. P. 4 Ex. Verlek. 1). Voorspuy. A. .1. Willigen. C. van Haarlem. Urederode. Gebrs. van Boekh. Brink. .1. van den Bijland. A. Dobben. ,1. 1quot;. van Boekh. U Ex. Meer. .1. A. van dei- Post. .lac. Boekh. 2 Ex. Somers. A. |
Haastrecht. Diest. C. van Slingerland. (I. Uittenbogaard. I,. Visscher. lik. Hallo. Broek. lgt;s. ,1. ,1. van den Harderwijk. Goosens. II. (i. Kate. I)s. II. ten Werkhoven. W. G. van Boekh. 4 Ex. Harlingen. I.and Ezn. A. Boekh. 2 Ex. Tromp. Dames Visscher. .1. Gorter Moil-Tromp. Wed. O. Hasselt. Admiraal. Boelof Hattem. I.eesgezelscliap van den Ring llattem. Hazerswoude. Bosch. C. van den Dorp Mzn. ,T. van Geest. A. van Jong. O. C. de Molenaar. J. Noordam. P. Hoemstede. Broeder Beneke, Meer un Bosch. Broeder C. llackendijk, Meer en Bosch. Grol. G. Zegers. J. I.. Heinenoord. Konijnendijk. Mej. M. Hellevoetsluis. Priem. II. A. van der Steeden. II. G. van Boekh. 's Hertogenboseh. Ileekesen. J. van Muller. Gehr. Boekh. Heusdon. Prillevitz. II. W. Wnijster. II. Boekh. 2 Ex. Hendrik-Ido-Ambacht. Provily. Z. Hillegersberg. Arkenbout. J. Dool. A. van den Eijk. .1. van llisschemöller. F. VV. Hogervorst. .lac. Boekh.24 Ex. |
VI
|
Hofman. U. Hoogendam. Pieter iloogendam. l'aulus .1. Kats. N. Kleij. Leesgezelschap llillegerslterg. I.uijt. P. J. Michielen. O. D. Post. A. Post. Mej. .1. ('.. Remkes. M. Ruijs Sr. .1. Uijl. Weduwe A. den Versloot. Ivl. Voets. J. .1. Waard. W. van de Hilversum. Das. .Ir. (i. Florke amp; Wil/.el. Boekli. 'i Ex. Grootveld. T. Ham. J. D. Hoekli. 2 Ex. Kolk. 0. van dor Oyens. Mr. 11. Wildenliurg D. van Wilgenburg. 1'. Honsholredijk. Cats. Mejull Wed. II. Hogenboum. A. Prins. M. Strenks. .1. Trappe. Mevrouw A. van der Vellekoop. Marienis Vellekoop. Martienis Vrougdenbil. A. Jerusalem (Mariënstift). Dr. Sandresoky. Kampen. Hos. J. H. Doekli. Hulst. I.anrens van Roekb. /alsman. ('â . Pb. Hnekb. 4 Katendrecht, Antwerpen. M. van Hui/er. A. Pouderoyen. II. Katwijk a d. Rijn. Egmond. W. van FrancbimontâVerloop. Wed. A Uugten. D/.n. .1. v. d. Lam. C. Katwijk a. Zee. Dnijn. I.. van Haasnoot. Pzn. M. Parlevliet. B. ICx. litii'kb. 7 Kx. |
Kethel. Ei.jk. W. van der Keijzer. P. Kinderdijk. Hakker. C. Hrinkman. F. II. Velden. W. li. van der Vogelsang. A. Knijpe. (Beneden) .longelingsvereeniging âStrijdt om in te gaan.quot; Koog aid. Zaan. Honig Czn. A. Honig Czn. G. Honig Kzn. Mevrouw Weduwe K. Out. P. Boekb. 4 Ex. Koudekerk. Egmond. Antb. van Ommering. Wed. G. van Qualm. Pbs. Kralingen. Amesz. .1. Boekb. li Ex. liibliotbeek Christel. Werklieden-Vereen. â.lobannes.quot; nornkamp. K. W. fielder. K. A. van Boekb. Groenenbergb. li. van Gmeneveld. Haan. ,1. Grebe de Herfst. C. Herfst. Herfst. Marts. Janzen. Mejull'r. de Wed. Koolwijk. A. II. Kooij. (!. Oilers. .1. Sandt. I). B. Seliaik. P. van Sillevoldt. Mejulfr. I). C. van Straalman. P. N. Take. K. L. Versluis. Mej. A. Versteeven. Mej. M. Zieren, li. Kralingsehe Voer. Holten. Jan van Krewerd. I)s. '1 h. Uilkens. Krimpen a d. Lok. Jong Czn. Alb. de Laan. ,1. II. van der |
VII
|
Mierop. .1. 0. vim Ridder. Wed. ,f de Slinis. Wed. C. Krimpen a d. IJsel. I.inde. Mejulïr. K. van dei-Leerbroek. Sterk. G. Leeuwarden. Jongbloed. M. O. Doekh. 4 Ex. Leiden. Adriani. A. II. Dnekh. 2 Ex. blankenberg S: Co. Tloekh. 5 Ex Drnggenkate, Joh. ten llnisman. J. II. Cock. Dames Dirksen. ,1. 1'. Dorp. P. I., van Knik. II. Roekli. Grasstek. A. It. van Gunning .l.ll/.n. Dr. J. II. Hoek. Gebr. van der Bockb. '2 Ex. Kooyker. C. Tloekb. Limburg Stirnni. Mevr. do Gravin van Los. 0. rioekh. 7 Ex. liegt. MejnlVr. Wed. de Uensink. A. A. Itoekli. 't Ex. Vink. Cs. IJtsnin. '1'. 11. Hoe kb. Zijilen. C. van der Leiderdorp. Minden. A. van Sillevis. L. Splinter. M. Loidschendam. Jongdeliloed. .1. A. Lakkerwa. .1. Meij. I'. van der Ondbliooi'ii. C. Hnijter. J. Maiiinus Steeneveld. .1. Wensveen. A. van Lekkerkerk. Hoesberg. Jan Toniâde Grnijter. Mevrouw Wed. T. Do Lier. Conradl. I)s. J. M. Mark. W. van der Hijbelh. 11 Ex. Loonon. Luijmes. Th. H. Boekb. Loosduinen. Blomâvan Dan). Mevrouw |
Seboeninaker Ozn. A. Uithol. I). Lunteren. Ham. J. van den Maarsen. Heek. H. M. Boekb. i Ex. Kuyper Ebbenhout. J. Lelyvelt-Schilt. Wed. A. I). Withâde Groot. Wed. K. Wijck. Ibr. J. M. van Ascb van St. Maartensdijk. Ithijn. Os. L. J. van Maasland. Haan. .1. de Berg. Jb. van den Geest P. Jb. van Jager. W. de Brieveng. ö Ex. Key/.er. Jb. Lallenian. Cs. Lely. Mejufl'r. Wed. A. van dei-Vliet Wzu. W. van Maasdam. Terneden. Ds. L. C. Maassluis. Buuman. A. Bonman. T. Ilucht. .1. I'. van der Boekb. ies. W. P. Boekb. 5 Ex. H. Malang. .1. /.endeling. Modemblik. Do Meern. Bitmeester. Kreemer. .1. Bras. P. N. Oskam. J. WoUers. V. Middelburg. Altorller. J. C. amp;. W. Henthein .quot;t Jutting, van Boer. B. den Coin)re. K. I.e D'hny. I'. P. Lucasse. Mr. C. Poort. Ds. II. .1. L. Smits. B. M Monster. Eendnnburg. Adr. van l.autermans. Mej. W. Leeuwen. Iml. van Meppol. Boekb Boekb Boekb Boekb Boekb Boekb. |
VIII
|
Montfoort. Hi'iiyn. Ds. ,t. T. W. Troostenlmrt; de Naaldwijk. Groot. A. M. do Knyveiilioven. MejulTr. Wed. K. Nazareth (Palestina). Soos. Pater .ïo/ef. Convent v. d. I* rancisca-nerorde. Nieuwer-Amstel. Mees. Van Noord-Borski. Van Nieuwendijk bij Almkerk. Merits. Iquot;. I.ittooy. I). A. Hoekli. Nieuwerkerk (Z ) Westen Pzn. Van Nieuw-Lekkerland. Perk Mejanv. I'ieteitje van der Sclirender. Cornells Nieiiwpeort. lirink. W. .1. Plerliagen. Mej. Weduwe Timmer. Ds. (â¢. Nijkerk. Hangest d Vvoy. .lonkvr. nMr.stt. M. van Callenbach. Ci. Iquot;. Roekh. 2 Kx. Nijkorkerveen. Hoer. .1. de Nijmegen. Dnynen. A van Roekli. rernhont. MejnHV. W. ('.. Milljorn. P. .1. Roeldi. Noordwijk. firnllenians. (ó M. Grnllemans amp;â Zn. .F. ,1. Numansdorp. lie/.ey. Weduwe M. van Oegamp;tgeest. Amecle. Ilzn. G. N. v. d. Oldemark (O.) Eekaian. J. Oostorbeok. Verlmrgt. Mevrouw G. .1. Oosthem. (Fr.) Gunning. Ds. li. B. Overbetuwe. Leesgezelscliap Godsdienst enA\ elenschap. Overschie. Aaibars Sr. .1. Berg. .l/.n. P. van den Boliee. .1. â |
Desablijn. Weduwe Boekli. 2 Ex. Kijk. J. van Halen. 1.. van Hartlioorn. Dzn. P. Hoen. P. 't Holke. Maria van lloogerbnigge. Pzn. .loh Ilnijs. A Kleinsmit. Weduwe Dirk. Pegels. Weduwe A. Pegels. K. A. Poot. Weduwe P. Post. A. Toorn. .1. van den Vermooten. A. Visser. U. Vliet. C. van Weerbeiin. F. Oud-Beierland. Hoogwerf Azn. W. Boekli. Ouderkerk ad. IJsel. Marcus. K. Oudowator, Ameijde. .1. van Montijn. S. .1. Seliep. H. Snelleman. Mejnfl'r. A. .1. Verweij. P. Oude-Tonge. Bolder. Os. Th. 11. van Oude-Wotering. â lans/, X' Zoon. A. lioekli. Oudorp. Knipbuisen. Ds. H. L. Oudshoorn. Kloriju. Mej. M. E. Oudwoude. Politiek. Ds. .1. St. Paneras. Versteeg. Ds. P. II. Papendrecht. Hemert. Wouter van Bomijn. W. Popla. Ds. D. van Pernis. Kluit .1. .1. Slrnijk Azn. .1. Zeeuw. A. Pijnacker. lireginan-Hregman. Mej. Wed. .1. liuijsen. Mevrouw Wed. .1. 11. II. van |
IX
|
Eisberg. J. Horman. L. Leeuwen. Mejuffr. A. van Post. A. C. Havenek. C. L. Stoorvogel. W. Verwaal. II. Verwaal. Mej. Wed. J. Vollebregl. G. T. Welling. M. Zonneveld. Mej. Wed. A. Poeldijk. Velden Hzn. 11b. van Putten. Dam-van Werkboven. MejufTr. (1. E. van Ridderkerk. (iecne. .1. 0. Maaskant. 1'. Nugteren Weduwe W. 1. van Rietveld bij Woerden. Brunt l'.Jz. C. Rijnsburg. Ilrussee P/.n. (lerrit Egmond. Wed. 1'. Rijswijk. Eldik. P. van Oeveren. J. van Roden (D.) .longelingsvereeniging. Roon. Dekker. J. R. Jongérius. A. Overweel. Wednwo .1. Rotterdam. Aa. 0. van der Abeelun. Mej. li. van don Aken. Mej. II. van Aken. P. van Akker. P. van den Alders. ,1. A Iers. Mej. A. C. Altevogt Senior. II. AltevogtâKalkman. Mevr. .1. II. Amen. Mej. Van Ameyden van Duym. Mevrouw Andel. W. 11. van Andeweg. Mej. ,T. Anthony. Mevr. Wed. ,1. W. Appeldoorn. C ,1. Arend. A. van den Arent. P. E. Arkenbont. Dames Arijjaiisen. G. ,1. |
Arnold N. J. As. II, N. van Asscndelft, Mej. Van Aykens. 1. .1. liquot;quot;. L. Baarle. .1. van Baggerman 1'. Baksteen. I). Bakvis. J. F. Bakvis. .1. II. Hal. .1. C. Ral. ,1. .1. Balen. Job. Balen. C. van Balen. Mej. .1. D. van Baljon. A I. .1. Barendregt. I.. Ba ris. C. D. Bartel s. Bartelsen B. Barton. J. .1. Bartsen. Mej. C. A. M. Bazendijk. P. M. Beekuin. A. van Bekker. A. Bekink .Izn. G. Bekkutn. K. van Bellaart. C. 11. Bensman. Mej. P. M. Bentveld. C. W. van Berendsen. Weduwe Berg. .lobannes Berg. Mej. M. van den Bergliuize. Mej. A. ten Bergem. Mej. M. van Rerkenbagen. Mej. K. C. Berlijn. P. Bersie. .1. Bertram. 1). Besier. A. Besselaar MJzn. G. Besselaar. Job. Best. J. P. de Bestebreurtje. J liesten. L. den Beukelaar. A, de lieijderwellen. li. 1). Bicker Caarten. J. M. A Ble J. P. de Biesmeljer. Mej. P. J. Bins W. Binsbergen. M. J. van Boekb. 4 Ex Boekli. 4 Kx |
X
|
Birklioff. C. L. Blauw. S. de likik. A. Blok. M. Bockh. 4 Kx. Blokland. I). Blom Jr. .1. Bloois. K. de Blum. II. C. Boekenstein. W. Boekhout. Mcj. fi. S. Boer. N. Boer. Mej. C. (!. de Boers. MejulTr. Boers. .1. Bogert Fli'ickiger. K. I). Bohl. Mevr. Wed. 1^. Bolle. I). Boekli. Bommel. C. van Boogaard. /. A. v. d Boogerijen. .1. van Boogert. Weduwe Boomer. Jac. Boomkens. D. J. Boon. A. Boon. II. van der Bordewijk. O. Borgli. E. I'. Boekli. UiEx. Borgman. 1'. Borsje. A. Borst. ,1. Borstlap. W. Bos, A. Bos. A. van den 2 Ex. Bos. I.. van den Botennans. II. (!. Bothe. A. Gh. I). Bondensteijn. M. Bonman. Mej. .1. Bonman. M. Bouwens. II. Bouwman, .loli. II. Bouwmeester. Mej. S. Bovene. Mej. Wed. C. T. van Braai. A. .1. de Bramkamp. K. II. Brande. .1. van de Brandenburg. II. Brandenburg. J. Braun. W. Bredée. .1. M. Boekb. 1(j(t Ex. Breedenbek A. Breeinen. M. A. van |
Breukelman. C. Broek. A. van den Broek. ,1. W. van den Brons. Mej. .1. M. Brouwer. C. ,1. Bruin. A. de Bruin. .lac. de Bruin. .1. C. de Hrnin. Mej. M. de Bruininghuis. Mej. S. Bruijn. Mej. (;. de Bruijn. C. A. de liruijn. 0. A. de Bruijn. G. .1. de Bruijning. Mej. M. Buddingh. K. II. 1.. Buulngb. 1'. I'. Bus. K. Bnscber. A. Buxtorff. D. S. Hu ijk .Ir. .1. Buijser. Mej. ('.. Bnijzer. Mej. .1. Buitendijk. G. Buitendijk. Wed. E. G. I Buul. ,1. E. van lilj. G. A. de Bijleveld. A. li. Gaem. .1. J. van Caesar. II. Ganipagne. Mejufl'r. A. Gampagne. G. Gankrien. Mejnlïr. Gollentenr. A. A. Gouvée. .1. I)nalbui7.en. I.. van Dam. Dames van Dam. Mej. M. E van Daniëls. S. Dansberg. Wed. .1. G. Delft. G. van Delft. Mej. .1. E. van Deugd. Mej. M. G. de Deugd. W. ile D'bondt. G. li. Diederik. .1. G. Diem. W. van Diepenhorst. .1. Diggelen. Mej. van Dluter. .1. van Doekemeijer. Mej. A. i Ooevendans. Mej. A. |
XI
|
Holder. E. H. van Dollée. Mej. A. K. Dongen. II. van Dongen. Mej. M. van Dongen. Mej. S. viin Donkelaar J. van Donkelaar. Mej. M. van DonkerâItotennans Mej. Weil. (1. Doorn. A. .f. van Doorn. Mej. J. vim Driel. W. van Drost. Mevr. Wed. li. 1' Ducroissi floetzee. Itockli. It lv\. Dnermeijer. Mej. (i. A. Dim. .lolis. Dnnk. .1. II. Doekli. 17 Kx. Dnpain. I'. N. Itookh. i Ex Durr. Dnijn. A. van Duljn. .1. M. van Dnijn. M. van Dnijn. W. 1'. van Dnekli.ïülEx. Dnijtscli. Mej. M. Dijk. 1). C. van Dijk. II. van Dijk. .1. li. van Dijk. Mej. J. C. van Dijkgraaf. .1. van den Dijksman. II. 1'. Eck. Mej II. van Edenbnrg. .1 Eickma. Mej. .1. tquot;.. Ekkers. D. .1. Elsliout. I.. .1. Elshont. Mej. N. Emmen. E/n. E. Ende. I.. 11. van den Endo. I'. van den Engtl. .1. Engel. ,1. M. Engelen. C. J. Es. \V. II. van Eslmys. E. .1. Ellinger. Mej. van Evers. Mevr. Wed. A. 1'. Eyineren. J. W. van 1'aasen. Mej. Tli. Eenenia. Mej. C. J. van Eourdralne. .1. A. Eriidiger. .1. C. ⢠Jaag. Mej. Van der Uaanderse. R. S. |
Gall. Mej. .1. A. Call. Mej. I,. Ganderheijden. Wed. II .1. Gardenier. MejnlTr. Geenlmi/.en. li. II. Geerkens. Mejnn'r. Geerts, McjiillV. A. Gelders. C. I,. Gelderen. J. van Geldermnlst n. I'. .1 van GenisâWeber. M II. A. Genneken. Wednwo (1. Genneken. Mej. II. .1. Gennep. G van Gent. II. van Gerretson. MejuHV. GerretsenâVan dor lliiop. Mej. W. Gerretson. I!. J. Gestel. Mejiilli'. Gieseler. E. E. Gieze. Mejufl'r. G. Gilse van der Pals llzn. ('.. van Gilson. A. Gilst. J. van Ginkel. Mej. II. van Glandemans. Mej. A. Goebertus. J. Goekoop. J. II. Gonlag. J. Gonlag. Mejiiflr. Goosewelir. G. II. It. Graaf. G. de Graaf. J. D. de Graaf. .1. E. van der Graaf. Mej. M. G. van der Graaf Kzn. P. van der Graal!'. .lac. de Graalland. C. Greidanns. S. Groen. G. Groenendal. Mej. G. Groeneveld. Jan Groenevold. It. Groenewegen. Mej. Wed. C. Groenewegen. G. A. Groenewond. P. Groot. Weduwe II. de Grout. Mej. !S. de Groote. 1). M. de Grotenlmis. .1. II. Gnieliard. G. II. Gntteling. .1. P. |
Xll
|
Gijze. I!. Haak. Ci. Haak. \V. C. van der Haan. A. de Haan. Mevrouw C. de Haan. .1. I.. de Haan. Mej. M. de Haas. G. 1''. de llagt. I)s. II. van de llamelan Tacke. Mej. A. M. Hammee. 1' A. Hammer. C. Hansum. A. .1. Hareksen. II. 1quot;. .1. Harreman. Hart. M. 't Hart. li. van 't Hart. N. van 'l Harton. W. Havelaar. Mevr. C. E. Haveloar. l1. Hedel. I.. II edel. P. Heemskerk. Heer. MejulTr. He Heer. I). de HeerâMeulemau. Mej. .1. li. Heer. Mevr. .1. G. de Heerma. H. Heide. L. van iler Heiman. J. Held. 13. den Helders. G. F. Heldring O.G/.n. Dr. L. Hellinglinizen. S. J. Hemert. C. 0. van Hemmes. Mej. Iquot;. M. llendriclis. M. J. Hendriksen. 11. T. Ilendriksen. .1. Hengel. \V. .1. van Henkemans Jr. A. Herfst. Mej. Wed. G. Herklotz. Mevr. Wed. lt;!. Herwaarden. .1. M. van Hessing llzn. ,1. Heuvel. G. van den Heuvel. .1. van den Heuvelen. Mej. van Heijblom. 1'. C. Heijden. Wed. li. van der Hilkemeijer. F. ile rtoekb. 10 Ex. lioekb. \ Ex. |
llischemüller. Mej. A. II. Hoelaars. Mej. G. Hoeven. Mej. E. A. van der Hoeven. H. J. van der Hoevenaars. 11. N. Hof. G. van 't H(jfman. Mej. N. Hofman. 1'. Hofman. I'. Hofwegen. M van Hogerzeil. Mej. T. Hollaar. Corn. Holsteyn J. M. ; Homberg. Honig. Mej. G. .1. Hooft. (i. li. 't Hooft. Wed. M. li. 't 1 Hoog. G. S. de Hoogerbrngge. A. : Hoogeveen. Wed. L. Hoogstad. .1. [ lloop-Dunlop. Mevrouw Van der i Horst. M. van dei-Horst. 1'. J. van der Hoskani. .1. lioekb. lioekb. 7 I lioekb. 7 I Hosman. G. .1. Houben. K. HoubenâMercelj. K. Houtkamp. Mej. A. Hooijkaas .Ir. li. Hooijkaas. ,lzn. 1'. Hornes. Mejulfr. Hnetinck. F. (;. E. Huge. Gebrs. lluibrecbts. .T. Hust. 1'. van der Huusen. Mej. G. Huijbers. P. .1. ,1. Ilijdelaar. II. .1. Immerzeel. (i. Iminig. Weduwe luimig Sr. G. Ingen. G. van Izaiiks. Wed. P. Jacobsen. L. P. Jager. 11. .1. Jager. W. do Jagt. F. .1. Manus van der .lanson. li. Janzen. W. Jeu. II. de Jong. De Hoekb. 4li !â linekh. 9 K |
XIII
|
â¢long. A. do Jong. G. ilo .long. Mej. E. do .long. ,1. du Jong. Jilles du Jong. N. Ue Jongelingsverceniging âOnesinuis.'' Christ. .longcneel, Mej. M. L. Jorlssen. Mejulïr. Jurgens. J. E. Kaak. Mej. It. Kaak. Mej. N. Kagcnaar. Mej. S. .1. C. II. Kal. Ã. van Kalhorn. K. A. Kapsenbcrg. A. Kapteijn li. I). Karretrian. Bruno Keller. Mevr. Wed. ,1. VV. 1'. Kellenljacli. Wed. C. K. Kenia. W. II. Kempen. Ailr. van Kemper. Mej. C. M. Keulemans. .1. Kcijser. II. Kippursluljs. A. M. Klapwijk. A. Klaveren. .1. van KleelT. J. van Kleitibloesem. Pierre Kleinliloesom. T. Klerk. Mej. A. de Klerk. A. de Klip. 1'. C. Klomp. Wed. L. Knaap. C. Knaap. A. van der Knaap. (i. van der Knaap. J. van der Knaap. .1. van der Knoop. A. Knoops. A Knottenbelt. Mevrouw K. Koelewiju. ti. W. lioekb. Ij Ex. ] Koens. Mej. Wed- Kok. K. Kok. J. de KollT. Mevrouw Wed. G. C. M. KollT. G. C. M. Koller. Adr. Hoekh. i Ex. König. Mej. A. Konig. M. E. |
Koolsbergen. J. W. Koote. Jongeheer Paulus Kooy. C. Kooy. J. van der Koppelaar. MejnlTr. C. Korpershoek. J. Korporaal. Wed. A. Korthals. Mej. Wed. Korthals. Mej. G. Kortlandt-De Itnijter. Mevr. Wed. II. Kortlamlt. P. II. Koster. Mej. J. E. Kraal. M. Kramers amp; Zn. II. A. Hoekh. 7 E.\. Kranse. llubrecht Krietemeijer. Mej. J. Kroon. Mej. J. Krooswijk. Wed. C. C. Kruger. Kruis. J. C. Krnithor. Mej. A. Krul. Sen. A. KruijIT. Dames Krijgsman. I!. J. Krijgsman. Wed. .1. Kuypers. Mej. Kuypers. J. Kuyvenboven. Mej. M. Laan. l)s. C. L. Laan. D. C. van der Laar. G. 1quot;. J. van Laat. Mej. J. de Labeyen. A. 11. I'. de Ladesteyn. Mej. M. van Lagendaal G. Lagerman. Mej. Wed. Landheer Mejulïrouw Lange. E. do Lange. W. de Langelaar. Weduwe .1. Langerlaar. I'. Larsen. Mej. E. Lec((. C. van der Leek. Mej. A. van der Leeskabinet, Itotterdamseb Leesvereeniging âJohannes.'' Christel. Leeuw. I!. van der Leeuwen Van Leeuwen. C. van Leeuwen. Chr. E. van Leeuwen. G. II. van Leeuwen. J. van |
XIV
|
Leeuwen. I,. M. van |
Merseliwertli Mej. M. |
|
1.eeuwen. Me]. M. van |
Meulen. Mej. 11. C. van der |
|
l.eeuwen. M. N. 1 . vau |
Meurs amp; Stufkens. Van Boekli. |
|
l.eenwenlmrg. 1'. |
Meij. Mej. 1). van der |
|
I.eli. Mej. .1. van iler |
Meijden. .1. van der |
|
I.einekerl. .1. F. |
Meijer. D. 11. |
|
I.ensvelt. A. |
Meijer. 11. |
|
I.enpe. (!. |
Meijer. 11 |
|
Lcupen. Mej. IC. |
Meijer. .1. |
|
I.eupen. G. |
Meijer. W. S. |
|
I.e/.er. Mej. W. C'. |
Ministerie van 11.11. Predikanten. |
|
Mindera. Wed. A. 1'. | |
|
I.ieslioul. C. |
Mirande. .1. |
|
Liesveld. A. |
Mlttondurll'. A. .1. 11. |
|
I.iesvekl. Wed. (.1. |
Moeling. 11. S. |
|
Liesveld. W. |
Molenbroek. 11. lioekli. '2 Ex. |
|
Ligt. M. de |
Molendijk. A. |
|
Ligtennoet. A. li. M. |
Moiier. A. |
|
Ligtlijf Mej. A. A. |
Moll. E. |
|
Linden. Mej. van der |
Moll. 1'. |
|
Linden. K. van der |
Moll. W. |
|
Lindenborn. .1. T. |
Moo ij. .1. W. |
|
Lindern. 1. vuil |
Mooij. 1'. |
|
Loos. 11. lluekli. \ Lx. |
Mouij. W. de |
|
l.ösken. VV. 11. |
Moquette l)s. E. .1. 1*. |
|
Lutsenburg. 1'. t'. |
Moryn. J. |
|
Lntsenbnrg. Mej. A. |
Mulder. Mej. A. |
|
Lijk. Mej. 1'. |
Mulder. E. |
|
Lnijten l'zn. L. |
Mullein. 1'. .1. van |
|
Lyelania a Nijelujll. 1'. |
Muller. ,1. |
|
Maas Mevr. Wed. L. |
Midler. .1, C. |
|
Maas. Mej. M. 1! |
Munniklioveii. Mej. A. C. |
|
Maas. S. |
Nagel, li C. van der. |
|
Mak. Mej. 1gt;. |
Nederveen. L. |
|
Muleoniesius. Ds. li. |
Neef. L. de |
|
Maliepaard. 11. |
Neeleman. 1'. |
|
Manker. Mejull'r. |
Nelemans. C. |
|
Mansvclt. 11. M. |
Neut. A. M. van der |
|
Mareliand. A. |
Neve. W. .1. de liuekli. i Ex. |
|
Maurcr. Wed. A. |
Niepoort. C!. II. |
|
Mede. Iv van der |
Nieuwland. 11. van |
|
Meer. Mej. M. van der |
Nhnwegen. Mej. .1. van |
|
Meer. 1'. van der |
Nispen tot l'annerden.Mevr. liar.so. v. 2 Ex. |
|
Meer. W. van der |
Neotenbooin. Mej. G. A. |
|
Mees. J. ,1. L. |
Notebooin. P. |
|
Meescm. M. van |
Nouwe. L). |
|
Meggelen. Van |
Ãll'ernians. Mevr. 0. W. |
|
Meggelen. .lobs van |
Okkenburg. Mej. KL |
|
Meiden. Van der |
Oldenburg, N. |
|
Meier. 1quot;. 11. E. |
OordtâSnerinondt. Mevr. Wed. A. ,1. M. van |
|
Meininger. .1. V. |
Oostennan. MejufTr. S. |
|
Merceij. J. |
Oestrum. Van |
XV
|
Oüstveen. J. Os. Wed. J. M. van Ãssoman. 1'. Olte. Mej M. Ouwoudijk. Hz. .1. üvergauw. Muj. C. Pal in. II. ti. Pakker. Pietur Palte. ,1. Pamiekock. I). W. Paniiii. li. Pelt. M. Peters. N. A. Petit. MejulTr. P. C. PfeilTer. Mej. M. A. Pietersen. II. P. Pietersoii. II. Plus. Van der Plels. Mej. II. G. Plnkkel. Mej. C. Plurcn. (i. van Pool. Mejnlïr. van der Poelman. MejulTr. C. Pol. C. van der Pol. Dames van dei-Pol. M. C. van der Polen. T. Pons. A. Pons G. Pons. Gijsljert Pons. W. .1. Poortman van Oije. II. Poot. Gebrs. Poot. ,1. Poppe. Mej. M. van der Pop pc. Mej. T. van der Posno II. A. Poudcroljen. G. Pranger. I). Prins. Mej. A. Prins. Mej. .1. Pronk. I). A. M. Pronk. W. A. Pul. A. II. Ilackwilsz. Rademakers. Randwijk. II. van Uatssteeg. S. lianws. Mej. W. P. C. Uavesteijn. Mej. II. van Uavestijn. W. Reballio. A. |
neeknm. A. van lieicliardt. .1. G. Heisiger. II. Itek. ,1. de liens. P. II. lienswond. J. J. van Rentergcliem. W. van Rentier. C. Hexwinkel. I). .1. Rexw inkel U..lzn. VV. Reijn. A. A. J. van Ridder. M. de Roekh. 8 Ex, Rieir. II. M. I'. Riefl'. G. ,1. II. Riemens. I)r. .1. Riet. M. A. van Ringlover. J. G. Rinsnni. li. G van Rippega. Mej. A. S. Ritinan. .1. RoelolT. .1. Roels. N'. Roggeveen. Mej. A. Roginan. W. .1. Roodnat. Mej. N. Rook. Mej. M. G. Hoon. ,1. vuil Boekh. Roon. W. van Roosing. A. Rooij. N. de Röpcke Jr. P. M. E. Ros. II. Rosse. Mej. C. van Rosse. Mej. K. van Rosse. Mej. P. van Rosseni. P. van Rossnin. T. van Rot I,. de Rotte. Mej. A. van de Ronkes. P. A. Ronssel. G. Rovaart. A. van de Ruitenberg. Mej. M. lii liter. Mej. Wed. de Ratte. G. P. Rnijs. Mevrouw W. Rnijter. Mej. Wed. A. Ru ij ter. A. ,1. de Rnijter. G. de Ruijter. G. de liuijter .1. de Ruijven. lioekli. 't Kx. Lioekli. lioekli. |
XVI
|
lïijk. G. van Hijn. Mej. M. van liijnbork, Pulgram Uijnckc. 11. D. Uijsdijk. ,1. Sudelaar. 1'. .1. Sant. Wed. A. van 't Sant. P. N. van 't Santen. Wed. A. van Savoyen. 1'. van Schaap. D. Schaardenlmrg. A van Schaberg. Mevr. Wed. 0. II. Schaft. Wed. M. II. van der Schalk. Mej. M. van Schalk. Dr. W. C. L. van Schalkwijk ,T.C/.n. II. VV. Schalkwijk Jr. .loh. C. Schallenberg (jzn. A. Schallenberg. A. ,1. Schallenberg. li. VV. Schallenberg. 0. VV. SchelâVan Langeveld, Mej. II. van Schellenberg. A. .1 Scheltema. Mevrouw Schenk. Mejullr. Marl i Schenk. A. L. Schenk. J. Schenk. J. Schenk. Mejullr. L. Schenk .Ir. 1'. 1gt;. Schonk Sr. I*. I). Scherpenhnyzen. .1. Schiesser. .1. Schikker. .lobs. Schilden. ,1. F. v. d. Schilperoord. .1. Schilperoord. J. Schipper. C. Schmidt. Mej. Anna Schneider. Job. Schoemacher. M. A. Schoemeljer. Wed. II. Schollaardt. Schomacker. Schooners. Wed. M. Schortemeijer. li. 1*. Schorten meyer. W. Schouten. D. I!. Schrauwen. Dieles J. Schravesande. M. Schreuder. 11. A. |
I Schuier. A. C. M. Scbuijf. II. SchuijlT. Mej. 1». Schuijt. Mevr. Van der Schweginan. K. W. Seelhach. Mej. IC. 1'. Selhtneier. Mej. M. Sichtermann. J. Sieuwerts. Mej. S. II. Slavenburg. Corns. Slik. Mej. A. C. van der Slobbe. Wed. A. Sloos. 11. M. M. Slot. W. L. Sluijs. Mej. A. G. van der Sluijs. J. C. van der Sluijtor. VV. 1'. G. Sluylers. Mej. Slijk. Mej. M. SmaltâVan der l'ol. Mevr. Smidt. J. Smit. Jr. 1'. Smits. Mevrouw W. Sneepels. Mej. Adr. Snel. D. Snel. C. .1. Snelleman. JongejullV. Snoeij. 1). Soedmeijer. Mej uil'. Soete. Mej. M J. de Soetekouw. .lacs. Soeters. C. li. Solleveld van Vliet. Wed .1. C. Solleveld. M. Spaans. Mej. C. Spaans. Mej. 1'. Speelman. Mevr. Wed. 1'. C. i Spierenburg. M. G. Spruijtenburg. Mej. 11. Stark. P. Staveren. Cornells van Staveren. C. van Steel. II. 11. van Steen. M. E. v. d. Stein. Mej. II. van j Stelling. .1. ' Stevens. M. Sligter. Mej. T. Stoel. Mej. .1. v. d. Stok. J. Slok. Wed. van der Stolk. P. |
XVII
|
Stuik. W. C. Storm. 1'. N. Storm Lolz. It. ,1. 1*. lioekh. 3 Ex. Strien. P. .1. van Strube. F. A. Suormondt. JJzn. li. Suermondt. Tabingli Swunboni (Izn. R. A. Swartloiiw. C. Sijn. 1). van Sijn. II. van Sijpcstein Az. tl. Tak. Mej. van der Takko. ,1. C. Takke. C. Itoekh. 7 Ex. Tas. F. A. Tas. K. Temmink. ,1. Tempel. P. .1. v. d. Tendijck. A. Tennaten. Mej. .lubanna Tlieesing. l)s. II. ,1. li. li. Thoorn. II. v. d. Ti miners. Mej. J. Tinke. C. W. Tol. M. C. van Toom. A. .1. den liuekb l'J Ex. Toom. Mej. .1. den Toorenvliet. II. Trarbaeh. Mej. Wed. J. A. Treuren. A. van Treuren. P. II. van Troost. Mej W. Tuinzing. Gebrs. Iloekli. Tuk. W. lioekh. 3 Ex. Typ. Ver. âDoor Coster's fakkel, enz.quot; Typ. Ver. âHoe schoon is het, enz.quot; Ulfers. I)s. S. Unger. li. 11. A. Valk. Mej. A. Valk. M. Valk. M. Veder. Ileud. Veen. Mej. A. van Veen. Mevrouw 1). van Veen. S. van der Velden. Mej. M. v. d. Veltenaar. li. Verbeek-Demmenie. Wed. M. Verbrugge. Mej. E. Verbruggen. II. Verduyn. A. |
Verkuil. .1. Verlooy. P. ,1. lioekh. Vermaas. Meviquot;. W. .1. Vermeer. M. Vermooten. C. II. Verroen. J. J. Versfeld. C. Versprille. .1. Vervoorn. .1. Verwoerl. Iquot;. Vianen. Wed. II. van Viegen. Van lioekh. 5 Ex. Vink. I). Vis. Mejufïrouw Vis. Mejnlïr. (j. Visée. .1. Visser MejnlTr. Visser. A. Visser .Is. Visser. .lobs. Visser. Mej. J. lquot;. Visser. P. Vlachos. N. Vlaskamp. Mejuffr. Wed. Vliet. N'. van MistâNoul. Mej. W. van der Vlis. J. van der VTugt. L. C. van der Vlugt. N. van dei- Vogelzang. Mej. I'. Völcker. Mevrouw Vollenhoven. Mej. II. M. van Voorhoeve .I.Azn. .1. Voorrips. .1. Voorwinden. A. Vos. MejulTr. de Vreeswijk. A. van Vries. A. de Vries. 0. de Vries. 11. de Vries .Ir. .1. de Vries. W. de Vrolijk. II. W. Vugt F. van Vuik. S. Vnijk. Mej. Wed. P. Vuijk. P. Waal. .1. de Waals. P. K. v. d. Waard. A. .1. de Waasdijk. Wed. M. van Waldkotter. J. J. |
XVIII
|
WaltliooHi. McjulTr. Wassonuar. A. viin Ikiekli. K Kx. Wuteloer. Mej. A. I'. Webcr. Mevrouw A. .1. Weeghel. M. .1. van Weenie. A. ter Welbergen. Mej. M. van Weltevreden. .1. Wemmerus. C. Wenk. W. Wenmakers. ,1. I'. Wennink. 1'. II. Wens. Mej. C. Wessel. A. C. WesseU. C. WesterliolV. A. (I, W. Westenvondt. II. C. Weteling. C. L. Weljdert. A. Wezenberg. W. Wiel. Mej. C. I.. van der Wiel. II. van der Wigman. Mejnll'r. Wilde. II. de Wilde. J. C. de Wildeboer ,lz. IK II. Wilk. MejulTr. v. d. Willebeek Ie Mair. .1. Willeken. .Is. Willems. Mej. Wed. 1'. Willems. Mejulïr.S. l'. K. Willemse. MejulIV. Willenistijn. A. Wingelaar. J. Winkelman. A. Winkelman. McjuU'r. G. F. Winter. Mejnirr. K. Wisfeld. C. K. Wit. MejnlTr. Wed. de Wil. A. de Wit. C. de Wit. ,1. de Wit. I-. de Wit. MejufTr. M. de WolfT. MejnlTr. A. 1'. de Wnls. MejulTr. I). Wolvekamp. MejulTr. J. M. A. Wormann. II. Wouters. MejufTr. J. S. Wouters. MejulTr. S. Wijgerden. A. van Wijgers. .1. II. |
Wijk. (j. M. van Wijk. P. van Boekb. Ex. Wijnbeek. MejulTr. A. Wijngaarden. A. van Wijngaarden. Mej. T. van Wijmans. MejufTr. Sophia WijsâKoningsberger. Mevr. C. M. de Wijt amp; Zonen. M. Huekli. 'i Kx. Usseldijk. A. C. IJsselstein. W. li. van IJzerman. W. Zaaijer. t!. Zaaijer. Wed. J. Zanten. A. van Zee. M. Zeeuw. MejulTr. A. de Zegwaard. I!. Zelm. ti. van Zetboven. G. Zevenhuizen. G. Zoverbooin. .1. Zeverboum. .1. Zöllner. Wed. li. II. Zöllner. Wed. 1'. Zöllner. A. Zöllner. W. Zuiderhoek. W. C. Zwaai. .1. van der Zwalje. W. Zwart .Ir. S. Zwarte Kzn. ,1. de Zwet. Van Zwet. ,1. van Zijderveld. Mej. .lob. Zijlstra. W. Bozonburg. Hollander. C. Kleiwegi Nzn. K. Moerman. lt;!. 1'. Mol. J. Poel. Jacob van der Prince. N. 1). Santen. C. van Rozondaal iZ.-H.) Uaaphorst. I.. Sassouhoim. Cbarbun. J. A. Thijs. I)s. J. Schevoningon. Duik. C. en M. den Duik. G. den Duik Wzn. Jac. den |
XIX
|
Dijkliiiuun. G. Iliiring. I'. II. Ilagunbuuni. C. Ilullaiulcr. li. â lontr. A tlo Knuostur .Ir. 1'. Koi'ving. Wed. A. Krul. A. I'. Lmigblcr. ,1. \S'. I.ccuwcn. (!. van Leeuwen. II. van Marouier. Mej. (1. Mos Mzn. A. de Niet Azu. .1. de Niet Jzn. M. de Hueleveld. A. C. Toorn Czu. C. van der Verheij. W. Vrolijk Jr. I'rauk Zuurmond. W. Schiobroek. llei'K .Izn. Igt;. van den Koer. .1. I). hijkslioorn. W. Hnijs .Ir. .1. Winterswijk. Teunlje Schiedam. lios. .1. Eggelmeijer. II. Klein. Mej. \V. Kok. II. Pinster. .1. Stolk. .1. M. Hoekli.29 Ex. Vrijenlioek. II. Zee. (i. v. d. Schipluiden. Kollinger. Mevr. Wed. lirievengaarder. .quot;i Ex. Dijkshoorn. W. Eijk. I'll, van der .long. .lacoh de Webtennan. .1. I'. Schoonhoven. Jong. I!. de l.afeher. L. Lazonder. J. J. Nooten. S. it W. N. van Duekli. II Ex. liietveld Czn. I'. A. Sterk. li. Uyl. A. .1. den Vermey l'zn. C. Sliedrecht. liakhuizen. K. |
Ileukelom. (i. van Volker Sr. A. Wij ngaarden. A. van Boekh. 't E: Wijngaarden. MejutTr. .1. van Sluis. Ilennequin. .1. E. IIennet|uin. J. II. Ossewaarde. l)s. .1. Noest. 1'. lioekli. i E: Slikkerveer. Dondenvinkel. .1. Sloten. Itakhuijzen. W. Uooingaard. li. A. IJnyvenbooden. .1. van lloggen. Ds. W. van Soetermeer Jongeneel. A. Steeneveld. M. Steonwijk. Spanjaard. II. Uoekli. i E.' Stompwijk. Akker. A. van den Akker. Wed. Van den Kempenaar. .1. Spruit. P. S. Steeneveld. A. Vogelaar. .1. Streefkerk. lierg. Adriaan van den Hooy. liastiaan Casteleyn. A. Terlouw. ti. N. Suawoude. Christel. Jongelings-Vereeniging: âOndei zoekt de Seliriften.quot; Tiel. Teekens. Mej. 11. .1. Mijs. 1). lioekli. Tienhoven. (U.) l.eesgezelsehap Tien hoven. Tolen. I'ot. .1. M. C. lioekli. Utrecht. Aheling. II. II. Aeliterherg. J. Arendseu. .1. Bakker. C. Uerg. Joh. van den Bijleveld. .1. lioekli. 4 E; Blom. II. C. Boekh. Breijer. C. II. E. lioekli. i E: Broese. .1. G. lioekli. '2 E; Catoen. MejulI'r. J. |
XX
|
üierkcns. Igt;. Doornik. MejufTr. Clir. Drost. Ã. Kijkutkuiup. Ewijk. W. van Kaluk. Mr. A. R. Fisscher. A. [''ukkink. J. G. (Jeer van Oudegeiu. Freule C. ile Gobius. 11. A. F. A Greep. Ph. J. Grondijs. MejulTr. D. W. llilhorst. G. Doekh. 5 Ex. lloo^enliuyze. A. G. II. van HulTel. A. J. van Boekh. 'i lix. Keilmanâvan Druven. Mevr. Wed. K. Keur. J. Kerkhof. .1. \V. 11. Kiviet. A. E. de Kleuver. Mej. Mina Klingeren. J. van Knopper. T. KolT. Anton II. de Kool. J. .1. Krnif. A. de Kruif. .1. de Lakerveld. Igt;. Leenders. M. E. 1'. Leent. II. W. J. van Doukli. Linibach. Cli. Looijen. J. Looien. W. Maas. t!. .1. (!. VV. Boekh. Ex. Manen. F. van Maurik. J. C. It. van Melder. 11. Boekh. 41 Ex. Millies. Mevrouw Wed. II. C. Moolenbeek. .1. Nalmijzen. I'. .1. Nepveu. Mr. .1. L. A. Oskam. .1. l'eursem. .1. II. van lloekh. 5 Ex. Pol. A. van der l'ost. Us. .I. Pijl. .1. Reijers. 1'. 11. lioekh. i Ex. Rinkel. P. M. 0 -R. Pastoor. Roodvoets. A. Roodvoets. E. \V. Santen. 11. van Scherpenzeel. II, van Schouten ll/n. L. Pred. b/d llerv. Gein. i I |
Smits. I!. O.-R. Pastoor. Spierenburg. G. W. Tergouw. A. van Tervcen amp; Zoon. J. G. van Boekh. Vermeer. G. li. Vulpen. G. van Wakker. J. S. Woudenberg. .1. van Valkenburg. Nagel. Joha van der Schoonenberg. P. Varkevisser. C. Veon. Ballegouijen. G. van Vianea. Steenbeek. Ds. J. Olivierse. J. Boekh. ü Ex. Bolding. R. J. Jocliutns. D. B. .lochuins G.Mzn. G. Jonkers. Wed. G. Vor llzn. G. de Vlaardingon. Rorstboom. .1. Breederhof. J. Broek, .laeobus. Dijkstra. .1. 1). Dorsman amp; Odé. Boekh. 3 Ex. Drop. C. Droppert. Firma ,1. Boekh. Dussen. II. van der Dassen. II. van der Elk. .1b. van Gerven. .1 van Gog. A. van Groenestein. II. A. Bedden. .1. Hofman. A II. Hoogendijk Azu K. Kernaat. P. Kerpershoek. J. Leesgezelschap Mosterdzaad. Leeuwen. A. van Leeuwen. M. van Mastenbroek. ,1. van Meijden. A. van der Boekh. II Ex, Post Jr. Jacob Post. M. Rhijn. L. van Ridder. J. de Steenbergen. J. Stolk. J. M. |
XXI
|
Suiker. Weil. S. Theeinann. A. J. Velden J.Hzii. .1. II. v. d. Vlissingen. ftekkers. Joh. Adr. Scliüonis. II. II. Stunrt. ,1. M. Boekh. 2 Ex. Voorburg. lii'uijn. A. .1. de Duld. C. I.. Boekh. 4 Ex. Overzee. Mevrouw van Tlnerrij. .1. M. Voorschoten. Aarts. C. P. Gussekloo. I). Paap. C. A. lioekh. 5 Ex. Proos. Mej C M. Hoodvoets. Weduwe .1. Sleenevild. .1. Vreeswijk. VeenâVersteeg. Mevrouw M. Vroomshoop. Dootli. J. van Foiikert. K. Kioese. II. Pijlman. .1. Ueinink. 0. .1. Heijers. Z. C.. JSlager. II. K. Vrijenban. Knoij. W. van der Oliemans M/.n. N. Schippers N. Waaldorpei laan (bij 's Ilage). Mansvelt .Izn. C. Itolteveel. \V. Waddingsveen. Kempkes. II. I'ot. Os. li. van der Veerman. P. Wagoningen. Maanen. ('â . II. Boekh. Ophorst. A. Boekh. Wassenaar. Bos. C. Burgersdijk. II. I!. Burken. IMi van Kamphorst .1. E. Kooi). C. Mekking. C. Nel. P. C. |
Polder. D. Versteeg. A. Versteeg. C. Versteeg. .1. Wassenaar. (Oud-) Spiegel. 1). A. van dei-Versteeg. A. Wateringen. Plas. Mejidlr. Wed. C. van der Plas. 1'. van der Soete. C. de Valster Mejullr. Wed. I). Wel. .1. van dei- Wel tevreden. Lapré. .1. W. L. Werkendam. Kooi.j. \\'. van Wesel. Mark. Hei-man van dei- WilligeâLangerak. Naves. Gebrs. Pater. C. de Woerden. Brunt. .1. C. Christelijke .longclingsvereRniging. Meiden. ,1. van der Wormerveor. Jongelingsvereeniging âSamuelquot;. Meijer. Dzn. G. Boekh. Woudrichem. Uing van Hervormde Predikanten. Wijhe. Scholten. Mevr. Wed. G. C. Wijk bij Heusden. Meer. Dr. B. van IJselmonde. Jellema, A. Kooijman Pzn. .1. Kooijman llzn. 1'. Lijster. I). de Maaskant Senior. Arie Baadt. II. K. de Saai-loos. M. Boekh. '2 Ex Schrier. 1). Sparrehoom. llzn. II. Vorm Azn. I). A. van dei- Vorm. F. van dei- Zaandam. Kruyver. II. Boekh. 7 Ex Zaandijk. Honig .Izn. C. Zeist. Eversz' Boekhandel. Nicolai amp; Co. G. E. Boekh. |
XXII
|
Zetten. Peters. J. A. Zieriksee. Mooi). A. C. de Zutphen. Mazerwold. IJ. .1. Someren. Firma A. K. G. Starink. F. Starink. Firma II. .1. lt;1. Zwolle. Akkerhuis. II. Rerends J.Jz. W. .1. Tulp. H. Yept. II. van ilcr Zwijndrecht. Baan W/.n. T. Rakker. .1. Rakker. M. Runt Czn. Senior. C. de |
Boekli. 2 Kx. Boekli. Boekli. Boekli. Boekli. 2 Fx. Boekli. Boekli. 4 F\'. |
Gouw. K. Graaf. A. M. de Have. L. van der Klerk. MejuITr. Hester de Kramer. II. Linden. \V. van der Loc. .1. van Los. C. ,1. Neuiigem. I.. van Noort .Iczn. T. van Smit. Adrianus Staat. Igt;. A. Staat. M. Staat. W. Visser Azn. A. Visser. W. Vliegentliart. Igt;. Vogel. W. /ontewelle Azn. 1*. |
â li â¢
â¢;r'
MMM
T
% L
1