Maria Stuart,
De Koningin-Martelares van Scliotland
DOOK
's - H E E T O G E N B O S C H
V. S T O K V I S - W A '1' E11 KEUS,
FKANCISCA.
-2-
Vak 151
hn
VOORRE
.s7cy7//.s' cnl'dc Jddrl'riiKjcti en de iicijciiHcmlc cc/nr zal ircy-v slcriwii in den Oceaan der Hjdcn on .s/cch/s blij ren roorl leren, in de herinnering der lijdyenooleii en de rernwldinu der (jeachicdrollen ; doch de laalxle .sl/'alen der onderiiaande zun znllen een, naar wij hopen, blij rend (ledenkleelen indrnhken in den ronn ran cenen drierond'ajen (jedenkpenniny, iraarran de roorzijde hel beeld rerloonl ran den yroolen Col/onb/fs, den onldel lcr ran de Sienire II 'ereld, viel hel randschrif! Spanje, Icririjl de keerzijde hrec liefelijke rromrenbetdden rerloonl, reehls dal ran de heldin ran Frankrijk deanne d\lre, links dal der loniinjin-marhdares, Jlaria Slnarl, viel hel randsehrifl J-'ranhijk, J'Jiujela nd, Schol la nd. Heeds hij Col n m bits'1 eentrj'eesl heej'l Sjtanje eene nuiarditje helde ijtdirach/ aan den he-ro( mden zelt; rlt;ilt;n lt;ler; I'ranhijk hondl niel oji in irooi d en sehrij'l Jeanne d .Ire Ie rerhej/'en, iral ook ireerklank riiall in ons radeidand.
Voor Maria Slaarl icerd ook menifje lans (jebroken en cron/e cjeschiedcortc/iers zijn er in yeslaaijd haren naam Ie zniceren can hel slijk, iraai niede de kellci ij dien had bezoedidd. Men (jcloofl niel meer aan eene sehnldiye rershmdhoedinlt;j ind lliecio, aan hare tnedeplich/'ajheid aan den moord can Dornlcy, aan cene crijiciU'aje
tl ach l mei BuUncell, aan cene sanicnztccriiKj lenen het lecen ran EUisabelh. Maar nocj onthcclil haar rein, haai- ziiirer beeld zich uie! (jenocy tan den achtoryrond, waarop enige laster haar yeplaatst heeft en het is r.oorat in ons vadertaiut, dat zij vatschetiji' yeoor-deetd en reroordeetd is yeii'orden. JlToye dit ons a'erl' hijdrayen 0)n da koninklijke martchwes {want a-ij aarzelen niet haar dien titel te yeven) heter te doen kennen, hooyer te doen loaardeeren.
Wctticht is laan- cene schoonere zeyepraal voorhehouden, die onze leste iccnschen afroepen. Schotland en l'Jnyetalat croycn met aandrany, dat het proces haver zatiyrerktariny worde inyeroerd. Maria heeft roor het Katholiek yetoof yestreden; zij bleef daaraan troaio vanaf hare wiey tot taan- yraf. I it haat teyen dat lt;yeloof werd zij rerrolyd en weUiehl hcbbcii Elisabeth en hare ministers haar slechts alleen om die reden ter dood talen brenyen. Dit te beoordeelen komt toe aan een yerechtshof, dat zich nooit door wensehetijie hartstochten tiet misleiden en waarcoor wij ons thans reeds eerbiediy bniyen.
MARIA STUART,
de Konmgm-JïtaróelapeS Ban cielloïlancl.
I.
DE KONINGIN-WEDUWE.
ylady, ik l)i(l IJ, kom naar beneden in hot pavilloen ! Sedert wij Frankrijk verlieten, staat gij nog steeds op dezelfde plaats met het oog op de kust gevestigd. Zie, hoe | de zeewind met uwe lokken speelt.quot;
âAch, llanna, wat kan ik anders doen? Mijn geluk, mijne jeugd, mijn dierharen echtgenoot liggen daar begraven.quot;
âIk went het, Mevrouw, maar denk aan uwe achttien jaren! Nog is het leven schoon, al drukt het oogeublik IJ neer.quot;
âMijn arme gemaal, slechts zestien jaren oud! met hem verdwijnt mijn geluk voor immer! Ach, hoe gelukkig leefden wij in het paleis, hoe gelukkig verliep mijne jeugd in de .abdij van St. Germain!quot;
âDenk niet terug. Mevrouw, verbet' het oog ten hemel; denk ook aan uwe onderdanen in Schotland, die zoo reikhalzend uwe komst tegemoet zien! Maar ik smeek U, volg mij nu naar heneden. De beerou d'Aumale en d'Elbeuf wachten U, en een zware nevel verspreidt zich over de zee.quot;
âWelaan, ik zal uw on raad Voiron, docli Kennedy, verzoek ]\1 r. Mei vil, dat Iiij den stimrinan dringend aanbevele mij morgen vroeg te roepen, alvorens de fransclie kust uit het gezicht verdwijne, opdat ik ze nog eenmaal moge begroeten,quot;
Medelijdend zagen eenige liarer hol'dames de koningin na.
âHoe schoon is /.ijlquot; lluisterde Arabella Montrose, âmaar hoe treurig? Haar wit rouwgewaad ontlokt mij tranen van medelijden! Waarom verkiest zij dit hoven het gewone zwarte rouwfloers.quot;
âHare Majesteit zegt dat het zwart haar herinnert aan den dood en het wit aan de opstanding. (Jij weet Maria Stuart stamt uit het land der Barden en haar geest was steeds poëtisch gestemd.
âDe zee is hol eu onstuimig! Zal II. M. daardoor niet lijden?quot;
âAch, zij is nog zoo jong, en toch reeds aan 't lijden gewoon, denk eens hoe zij als kind van acht dagen reeds werd vervolgd, hoe hare moeder, koningin Maria van Lotharingen, haar hij den dood haars vaders reeds moest verbergen, hoe de golven het koninklijk kind tol wieg verstrekten,quot; aldus ging Maria bevingstone voort.
Jntusschen was de koningin mei hare trouwe llanna Kennedy naar beneden gegaan ; de heide ooms der koningin, de hertog van Auinale en vele adellijke personen wachtten LI. M. in de groote kajuit, maar Maria gevoelde zich niet bestand tegen een onverschillig gesprek. Zij ninii' met llanna in haar slaapvertrek en barstte in een vloed van tranen uit. Hare trouwe Kennedy liet haar uitschreien en vroeg haar toen, ten einde haar eenigszins te verstrooien:
âHerinnert gij u nog. Mevrouw, hoe ge met uwe moeder naar Frankrijk zijt gekomen rquot; â
- i -
was; ge weet men bracht ons naar het kasteel van Tnchmahowe,
alwaar men waande, dat we veiliger waren dan in liet kasteel van Stirling. Ik voor mij weet van dien tijd slechts, dat ik gelukkig en vroolijk was en mijne vier Maria's hij mij had, die ik teeder heminde. Marie Levingstone alleen is mij tot heden trouw ge-hieven,quot; voegde zij er met een diepen zucht hij.
âBleef Mevrouw uwe moeder steeds hij u in Frankrijk? Mevrouw weet dat ik vijf jaar afwezig was.quot;
âJa ITanna, en wel weet ik hoe verheugd wij waren, toen ge weder hij ons kwaamt. Neen; mijne moeder ging niet met mij naar Frankrijk. Zij stelde mij onder de hescherming van koning Hendrik II van frankrijk en deze zond eene vloot van vier galjoenen om mij met een koninklijk geleide af te halen. Een schitterend gevolg moest aan aller oogen toonen hoezeer Frankrijk de aanstaande bruid Araii Frans II waardeerde en dit vleide de ijdelheid dter Schotten. Maar een vreeselijke storm overviel ons niet ver van do Engolsche kust en ik weet nog zeer goed hoe angstig mijn hart klopte, en hoe blij ik was toen wij aan land stapten.
De Heer Van llohan, vergezeld door den adel des lands, kwam ons tot Morlaix tegemoet en geleidde mij naar hot klooster van den II. Dommicus. Maar toen wij uit de Notre-Dame kwamen,
waar het te üaum ter eere onzer gelukkige overvaart gezongen was geworden en wij de zoogenaamde gevangenispoort doorgingen,
drong het volk zoodanig, dat de brug inviel en in het water zakte. De Schotten in zijn gevolg riepen âVerraad!quot; verraad!quot;
doch de Heer de llohan, die te voet naast mijne draagkoets ging,
riep hun toe : âGeen Bretagner pleegde ooit verraadquot; en gcdu-
r i
i
ronde do twoo da^on, di(gt; ik to ^Forlaix inoost hlijvou uitruston, Hot hij do poorlon uit liimiio lion^sols noinen on d(l bruggen opon zotton, umav dit nam niot wog, dat bijgoloovigo goosten in dit voorval eon droevig voortookon nioouden to //ion.quot;
âEn behoort Mevrouw zelve daartoe niet? Geeft ook zij zieh niet vaak over aan bijgoloovigo vroos'rquot;
âIk beken, llanna, voor u houd ik toch niets verborgen, ik beken, dat do schrik mij vaak om 't hart slaat als ik aan de toekomst deuk. Gij weet zoo goed als ik boe Schotland door niach-tige partijen verdoold wordt, hoo hot schoouo, maar, helaas, nog slechts ton halve beschaafde land verwoest wordt, en hoo hot geslacht dor Stuarts dient als mikpunt tot strijd tusschon vijandelijk gezinde opperhooi'don. Maar waartoe zou de vrees mij baten? Ik geloof in (Jods almacht on goedheid; bij 11cm vindt mijn geest rust.quot;
âGij hebt gelijk, Mevrouw, houd u vast aan dit geloof en zoek bij Ciod kracht en steun.quot;
Intusschon waren ook do beide hofdames naar beneden gegaan en zotton daar haar gesprok over hare geliefde Meosteros voort.
aria had door bare schoonheid, hare innemende vriondolijkhoid, hare bevallige deugd zulk oono macht over de harten verkregen, dat zij die ten oenonmalo veroverd bad; niemand van haar hof zou zich hot minste veroorloofd hebben, wat men vreesde, dat-haar kon of zou mishagen, ieder zou voor haar door hot vuur gevlogen zijn en hare smart werkte terug op hare geheele hofhouding.
Om haar des te langer het genot te doen smaken van haar geliefd Frankrijk te zien, wilde men haar een hooger gelegen slaap-
âVaarwel Frankrijk 1quot;
kamer bezorgen v;m ^aav zij langer dit genot kon smaken. Zij stond vroeg op en begaf zich op bet dek, maar de galei schoot voort en weldra verdween de kust onder den zwaren nevel. Nog één blik, nog één groet, nog eenmaal klonk van hare koninklijke lippen: âAdien, mon bean pays de France, adieu pour ton jours! Ik zal u nimmer wederzien !quot; en de ongelukkige vorstin barstte uit in een vloed van tranen.
âHadt gij toch kunnen denken, Arabella, dat het vertrek uit Frankrijk onze dierbare Meesteres zoo die»]) zou aangrijpen rquot; vroeg Marie Levingstone.
âAls gij gezien hadt welke liefde onze Meesteres voor Koning Frans TI koesterde en hoe groot hare droefheid was bij's koninü,'s afsterven,quot; antwoordde deze, âzoudt gij begrijpen, dat het verlaten van alles wat haar aan Frans II kan herinneren, haar zwaar moest vallen. De Koning was van verre na niet, wat Maria Stuart is. Hij was een zwak, ziekelijk jongeling, die zich met al de macht eener eerste liefde aan zijne jeugdige bruid gehecht had. Hare geestkracht hield hem staande, hare liefde was zijn troost bij de moeielijklieden van zijn kortstondiu; best uur en haar verstandige raad geleidde hein in menige netelige zaak. (Jeen wonder dus, dat zij als eene brave echtgenoote zijn dood en liet daardoor geleden verlies diep betreurde.
Toen FVanciscus den dood voelde naderen, scheen hij niets te betreuren dan Maria; zij was de eeni^e, die zijn geluk op aarde had uitgemaakt, de eenige, die thans hem opreclit beweende. II ij beval haar met aandrang aan zijne moeder aan en bad haar, Miria steeds als hare dochter te hebandelen, daarna aan zijne broeders en zusters. Vervolgens trachtte hij haar eenige woorden toe te
sprokon, maar de aaiulocninn'bolettc liciu dit. ^lai'ia had n'cdurouln al den tijd zijiHM' ziekte hi j iiem gewaakt; de vermoeienis en de droefheid, die zij over liet verlies van haren geniaal gevoelde, Avierpen ook haar op het ziekbed. Gij ziet dat het niet te verwonderen is, dat het vertrek haar die]) treft.quot;
âMaar zij laat er toch anders geene dierbare betrekkingen meer na, niet waar? want Mevrouw Catherina is voor haar alles behalve moederlijk gezind,quot; zeide Marie Leinystone.
âDat is slechts sedert de laatste jaren. Mevrouw Calherina ziet in de koningin-weduwe eene mededingster naar den prijs der schoonheid. Zij ziet, dat de koningin-weduwe meer dan zij bemind en bewonderd wordt en hoe weinige vrouwen kunnen die vernedering doorstaan!quot;
âEn toch wil men zeggen, dat Calherina voor Mevrouw vol goedheid geweest is, toen zij nog als kind (e St. (iermain leefde.quot;
âWel moogt ge zeggen als âkindquot; want toen bestond er geeae reden tot jaloerschheid. Mevrouw werd daar met haar kinderen opgevoed en Catherina de .Medicis maakte geen onderscheid tus-schen Mevrouw en haar eigen dochters.quot;
âIk meen gehoord te liehben, dat hel met de prinsessen zoo goed niet ging en Mevrouw reden bad zich over haar te beklagen.quot;
âHet was al Aveder uit jalouzie. Maria Stuart muntte uit in alle opzichten. Zij sprak Eransch als ware zij een geboren Eraneaise, zij schreef die taal met dezelfde vaardigheid en vond zelfs smaak in het Latijn.quot;
âIn het Latijn? en dat voor een meisje, daar zal zij het toch wel zoover niet in gebracht hebben.quot;
â 8 â
}
'4
â y
âZij bracht li(vt er zoo ver in, dat zij, toen zij slechts veertien jaar oud was, eene aanspraak hield in tegenwoordigheid des konin^s, me dunkt, dat toont u;een gewoon talent. Zij bewees daarin dat de letteren en vrije kunsten even zoo zeer tot het gebied der vrouw als dat des mans behooren.quot;
âEn hoe stond Mevrouw met (!(gt; overige vakken?quot;
âZij muntte uit in alles. Zij verstond het (Jrieksch, die lastige, doch schoone taal, kende aardrijkskunde en geschiedenis, s])eel(le de luit meesterlijk en zong daarbij met welluidende stem de schoone liederen van haar vaderland. \Vas dat alles niet genoeg | om den naijver der prinsessen op te wekken?quot;
âIk houd meer van eene vrouw, die handwerken doet, dan van zulke geleerde dames,quot; voegde .lean de (Juvnes hierbij.
âWel nu, dan zijt gij bij Mevrouw aan 't rechte kantoor; zij borduurt prachtig en ge moest de kleederen eens zien, die zij voor de armen maakt !quot;
â Imi ik zag haar onlangs te paardrijden! welk eene schoone amazone is zij.quot;
âda, paardrijden eu jagen is haar lust. Dit behoort tevens in Schotland thuis. Eene edele dame, die hierin niet bedreven is, zou zich de verachting der haren op den hals halen: Met verwondert mij dat 11. M. niet liever te paard naar Schotland terugkeert, dan zich in een schip zoo lang aan alle weder en wind bloot te stellen. IVIij dunkt het zon zulk eene tiere vertooning zijn, eene koningin, die aan bet hool'd van een 'f koninklijke eerewacht hare hoofdstad binnenrijdt om er bezit
van te gaan nemen.quot;
âiS'u redeneert gij als een kind, Maria; gij, die toch met de
â 9 â
omslamli^liodm van IT. M . bckond zijt, moet bogvijpon dat ouzo koningin hot gvootsto gcvaav zon loo])on door do spionnon van do koningin van Kngoland aangeklaagd on door Elisalx'tli ondor oon of andor voorwondsol in don Towor goworpon to wordon, on wio daar inkond vorlaat liom niot spoodig en meestal nooit meer lovend.quot;
âVertel me toch eens waarom Elisabeth zoo togen hare nicht vertoornd is ?quot;
âO, dit is oone lange geschiedenis. De vader van koningin Elisabeth was Hendrik VIII of zoo als men gewoonlijk zegt Hendrik Tudor. Hij was gehuwd met oone heilige koningin, met Catharina van Arragon, de tante van Karei V. De koning beminde haar eerst en erkende hare groote deugden, maar toen viel zijn oog ongelukkig op oone harer hofdames, Anna Boloyn. Daarop begon hij do koningin te veronachtzamen en verbande baar eindelijk naar ('(gt;11 dorpje in Engeland, terwijl hij Anna Boleyn hnwdc. Deze is later op het schavot gestorven en de koning nam na haar nog viermaal oone andere vrouw, waarvan ook Katharina llonward op hot schavot stierf. Is het nu wonder, dat een kind uit zulke ouders geboren, wreed en bloeddorstig van aard is? Eene der reden waarom zij Maria baat is hare schoonheid, bare bevalligheid. Elisabeth gevoelt dat men Maria ver hoven do koningin van Engeland verkiest en verbeeldt zich als de schoonste vrouw der wereld gehuldigd te moeten wordon. En zeker moot men niet vergoten, dat Maria Stuart katholiek is en door geene macht der aarde een stroobreod Aan hare overtuiging afwijkt, in al hetgeen haar geloof aangaat.quot;
âDit verwondert mij geenszins, want niets treft mij in Maria
- 10 -
Stuarf zoozeer nis hare innige iyodsvruclil, die reeds als kind in haar «ord ()])igt;'eiiierkt en zieli nooit heeft verloocliend. Ook lieh ik meeriualen bewijzen ^eliad van liare li'roote leederlieid van geweten. Neen, .Mai'ia Stnart kent nvene scliijndenu.'d; hij haar is het innige oA'ortinu'in^.quot;
â^Mevrouw scliijnt ook veel werk te maken van de studie van den godsdienst, ik geloof, dat zij den lieviü,sten ketter zou kunnen overtuigen.quot;
âEn nooit is Mevroinv ^elukki^M', dan waniKM'r zij iemand eeni^- genoegen kan doen; ik voor mij heh altijd hare goedheid, hare minzaamheid ondervonden en ik denk dat het IJ even als mij gedaan is.quot;
Intnsschen had (gt;on zware mist zich over de zee verspreid, die Frankrijk's heuvelen on berden geheel uit het gezieht deed verdwijnen. Deze nevel bewees Maria Stuart een gew ichtigen dienst, Avant koningin Elisaheth had («en eskader tegen Maria afgezon-den onder het voorwendsel, dat hot jacht moest maken tegen eenige zeeroovers, maar met het heimelijk doel om de vloot het landen te beletten.
Toen Maria Stnart zich gereed maakte naar Schotland terug te keeren, ontveinsde zij zich de gevaren niet, welke haar wachtten. Zij gevoelde als instinctmatig, dat zij in Elisabeth eene onverzoenlijke vijandin zon vinden. Maria liet haar door haren afgezant zeggen, dat zij, verplicht naar hare Staten terug te keeren, \an hare goedheid eene vriendelijke ontvangst hoopte, indien het slechte weder haar mocht noodzaken een toevlucht in eene engelsche haven te zoeken, maar Elisabeth antwoordde door eene norsche weigering en behandelde den afgezant met
- li â
pene lievigheid, die eene heleedig'ing was voor de Ivoningiu van Scliotlaiul. Elisa1)etli trachtte echter later hare meening en haar gedrag voor den afgezant te vergoelijken. De dubhelhartigheid hield hij Klisaheth steeds gelijken tred met hare driftigheid en hevigheid van karakter. Door den /waren mist nn ontsnapte het eskader aan de Engelselien, vermeed het de klippen en kwam deti 19 Augustus 's morgens ten 7 ure voor Leith in Schotland. Maar ^laria moest een geheelen dag voor anker blijven liggen. De voorhereidingen voor de ontvangst waren nog niet voltooid. Maria zag in dit getalm eene nieuwe oorzaak van vrees, liet was of Schotland haar slechts met weerzin ontving.
â 12 -
II.
/
MARIA STUART IN SCHOTLAND.
es avonds stapte koningin .Maria Stuai't te Loith aan land, te midden eener talrijke schaar protestanten en katliolieken, zoo uit den adel als de volksklasse. Teder verlangde die koningin te zien, van wie zooveel goeds gezegd werd en van w ier goedheid, bevalligheid en schoonheid men zoo menigvuldige bewijzen had.
Men zocht een onderkomen en weldra stroomden de voor-naamsten uit de omstreken toe, om de koningin hun huis ol' kasteel tot verblijl' aan te bieden en na een uur oponthoud zette men zich op weg naar Islebourg op eene mijl alstand van Perth gelegen. De Koningin reed te paard en haar gevolg, zoo heeren als dames, op slechte paarden, even slecht opgetuigd als gedresseerd. Toen de Koningin deze vertooning zag, zij die aan de prachtige paarden van het bVaiuche hol'gewoon was, begon zij te weenen en zeide dat dit niet de Fransche ontvangst was, waaraan zij zoolang gewoon was geweest, âmaar,quot; voegde zij er bij, âdaar zij den hemel tegen de hel m) st verruilen, niKst zij haar geduld wel ter hulp roepen.quot;
- 13 -
it
â 14 â
's Avonds was liet nog erger. Toen zij in do abdij van Tslebourg zicli fcv ruste wilde begeven, kwamen or vijl'- olr zeshonderd burgers der stad niet slechte violen en andere wanluidende instrumenten haar eene serenade brengen en begonnen psalmen te zingen!
Ach, Avelk eene muziek, en welke nachtrust!
Welk eene verandering, welk een val voor Maria Stuart I
De eerste nacht, die zij in haar koninklijk paleis te Edinburg doorbracht, waar zij nog zooveel leed en onrust zou moeten verduren, verliep zonder dat de slaap een oogenblik haar het leed deed vergeten !
Des morgens wilde zij de Mis in hare kapel gaan hooren. v Maar het volk kwam voor het paleis in opstand, drong naar binnen, bedreigde haren aalmoezenier en als deze zieli niet, zoo snel liij kon uit de voeten gemaakt had, zou bij het met den dood hebben moeten bekoopen.
Maria werd zoo vertoornd door deze handelwijze jegens baren aalmoezenier, dat zij met tranen in de oogen uitriep :
âAVaarlijk een schoon hegin van gehoorzaamheid en eerbied mijner onderdanen! Ik weet niet, wat er het einde van zal zijn, maar ik vrees, dat dil zeer slecht zal alloopen.quot; En zij bedroog zich niet.
De indruk, die deze gebeurtenis maakte op de Franscheu, die haar vergezelden, was zoo droevig, dat zij dadelijk naar hun land wilden terugkeeren.
Maar Maria wist hen te bewegen, het feest, dat ter barer eer in het paleis van ilolyrood gegeven werd, hij te wonen.
Uunne prachtvolle verschijning, do sierlijkheid hunner kloe-
(linpf, hunno minzaamheid, en fijne manieren, verwekten eene beAvontlering, die aller naijver opwekte. Maria Stuart vergat haar verdriet, hare teleurstelling en angstig voorgevoel; zij schitterde van vreugde. De optocht der edele Eranschen, van die schitterende en geestige jeugd was harer waardig. Men zag daarbij hare drie ooms, allen prinsen van Lotharingen, en vele adellijke hoeren, die als in dit wilde land verdwaald schenen te zijn.
Maria veroverde aller harten door hare schoonheid, hare bevalligheid, hare tegenwoordigheid van geest. Zij was niet slechts eene schoone, maar vooral eene bekoorlijke vrouw. Ieder mocht zich op een bewijs harer opmerkzaamheid beroemen.
Gaarne liad de koningin .lohn Knox, het hool'd der protestanten, bij zich gezien, daar zij zijn machtigen invloed kende, maar hetzij hij zich den schijn van gestrenge zeden wilde geven oi' zich niet bestand achtte tegen de koninklijke verleiding, wilde hij zijne geloofsgenooten niet naar het paleis volgen en trad reeds den volgenden dag tegen de proclamatie op, waarin Maria al haren onderdanen vrijheid van godsdienst toestond, doch diezelfde gunst vroeg voor haar zelve en haar hol'.
Knox vond die gelijkheid beleedigend voor den protestantschen godsdienst en wilde er niets van hooren.
Maria liet hem bij zich komen, doch liij toonde zich even hoovaardig en hardvochtig als de koningin eenvoudig en zachtzinnig was. 11 ij toonde zich onverbiddelijk voor de katholieken en bedreigde de vorsten. Maria schreide van schaamte. Niet alle protestanten keurden zijne beleedigende taal goed, doch vonden een zeker go-iioegan in het trotseeren der macht en het krenken van Maria's gevoelens.
In September benoemde Maria haren raad, waarvan het grootste getal leden protestanten waren.
Helaas, hoeveel mannen, die zij met haar vertrouwen vereerde beantwoordden aan hare goedheid door verraad.
aria regelde nu hare aalmoezen, zorgde voor de armen, en zocht de middelen, die het best geschikt waren om de kleinen tegen de overheersching der grooten te beschermen. Zij wilde door eigen oog zien, hoe het in haar land toeging. Zij nam dagelijks deel aan de zitting van haren raad en schijnbaar met een handwerk onledig, nam zij eeu levendig aandeel aan hetgeen er omging, gat' haren raad niet groote voorzichtigheid en was weldra op de hoogte van alles.
Zij zond graaf Levingstone, wiens lijnen geest zij waardeerde, naar koningin Elisabeth, om haar de begeerte, die Maria Stuart gevoelde in vrede met haar te leven, mede te deelen, maar deze toonde zich door deze opmerkzaamheid volstrekt niet getroffen.
Nadat Maria Stuart den 11 September de Franschen, die baar naar Schotland vergezeld hadden, teruggezonden en zich aldus van hulp en steun beroofd had, vertrok zij om hare Staten te bezoeken. Zij had den protestanten vrijheid van geloof geschonken; dezen vergunden ze haar niet. Te Stirling herhaalden zich de tooneelen van Uolyrood, toen zij er de Mis wilde doen lezen.
bezocht Linlithgouw, hare geboorteplaats, Perth, Sint André en Falkland. De ontvangst barer onderdanen, die zij allen door hare schoonheid bekoorde, verbitterde Knox, die besloot zich te Edinburg te wreken. Daar hevalen de magistraten, dat alle priesters, monniken en religieuzen de stad binnen vier en twin-tie uren moesten verlaten.
O
1)(gt; koiiiii^iii zotto den va ad af, omdat zij hunne macht te buiten waren gegaan. Dit krachtig optreden verwekte bedreigingen, die Maria niet deden vreezen. Zij begon te begrijpen dat, hoe meer zij aan de ketterij toegaf, iioe meer zij zou eischen.
Maria wilde Elisabeth bezoeken en deed haar dit verlangen mededeelen. Maar toen was even als later de wil van de koningin van Hngeland wet. liet behaagde baar niet iemand te ontvangen wier schoonheid de hare verduisterde, wier geloof zij haatte en wie zij van den troon wilde doen stijgen. Zij veinsde het grootste leedwezen te gevoelen, dit onderhoud thans om verschillende reden niet te kunnen doen plaats hebben en hoopte op een later tijdperk, terwijl zij het voorlvopig weigerde.
,1 t
f
- 18 -
MARIA STUART EN DARNLEY.
auwelijks was Maria Stuart in Schotland teruggekeerd, oP di' adel van liet land en liet volk be^on zich bezicr te
O O
honden met de vraag wien zij zou luiwen. In deze woelige tijden was die zaak van lu^t grootste gew icht.
Het Avas als ware het minder de zaak van de koningin, dan die Iiarer raadslieden en staatsmannen.
Heeds een jaar te voren was een algezaut van den koning van Zweden, Erie XI\r, hare hand voor zijn meester komen vragen.
De prinsen van Lotharingen hadden Maria, voor dat zi j Frankrijk verliet, willen doen huwen met den zoon Aan Eilips II. Catharina van Medieis was er togen en do hoeren de Guise lieten het plan varen, en stolden Karei, zoon van keizer Ferdinand, voor.
M aar Maria weigerde dozen prins, die Schotland geen den minsten steun kon hieden en het gevaar tegenover Engeland vermeerderde.
Maria ondernam zelve met Filips II de verbroken onderhandelingen. Maar Elisaheth had overal hare spionnen en kwam achter dit geheim. Zij verschrikte en nam Knox in den arm en deze vatte vuur en viel in hevige bewoordingen tegen de Koningin uit. Maria liet hom nogmaals tot zich roepon in de
hoop hem te bedaren, maar Knox toonde zich trotschor dan ooit en zag de Koningin onder zijne onrechtvaardige aantijging in tranen uitbarsten.
Elisabeth zocht niet zoozeer Maria te vernederen dan wel hare plannen te dwarsbooinen.
Hiertoe was het beste middel haar een anderen gemaal aan te bieden. De eerste minister van Hngeland, Lord Cecil, waagde liet den naam van .Sir Robert Dudley nit te spreken, wiens betrekkingen met Elisabeth wereldkundig waren. Elisabetli's gezant, Randolph, werd met die zending belast en volbracht ze met al die verzekeringen van belangstelling en alle valschheid, die Elisabeth gewoon was zelve te gebruiken.
Maria begreep hem eerst niet. Haar vlug doorzicht ontsnapte haar bij de behendige onduidelijkheid van den afgezant en zij kon zulk eene vernedering niet verwachten. Maar toen zij den naam begon te veronderstellen, dien men haar wilde doen raden, wachtte zij zich zorgvuldig dien uit te spreken en meende zich genoeg te wreken met over hare onderhandelingen niet Spanje niet te spreken.
Eindelijk noemde de afgezant Sir llobert Dudley. Maria bleef zich zelve genoegzaam meester om voor eenige reden barer weigering op te geven, dat het haar niet eervol scheen een onderdaan van een ander vorst te huwen.
Elisabeth stelde ter beslissing der zaak eerst eene onderhandeling, daarna een onderhoud voor, maar al wat zij beoogde was tijd te winnen en Maria's plannen te dwarsboomen.
Maria weigerde nog vele andere, die haar werden voorgesteld, om dezelfde reden als zij den aartshertog geweigerd had.
Bo naam van Lord Darnlcy was oolc uili?os])rc)llt;(Mi gowordcn tijdons Elisal)etli Maria Stuart zocht to misloidon omti'ont don gemaal, dion zij haar bostomdo. Darnloy, zoon van Matliiini Stuart on ^Targaretha Douglas, was van koninklijken hloodo on (Mvn noof van Maria.
Henry Darnloy was door zijne moedor mot moor teedorhoid dan verstand opgevoed, liij was schoon on welgemaakt, had oeir holder schitterend oog, een edel voorhoofd, oeno raidco gestalte. Hij was een hodorven kind, gewoon allo grillen en hiinien na te volgen. Hij had nog geene gologenheid gohad to toonon wat liij was en do indruk, die dien grooton jonkman, als oeno vrouw o])gosmukt, maakte, was, dat hij niet |»:is(o voor ernstige ou gewichtige zaken.
Elisabeth, die er nooit ernstig aan gedacht had Lord Dudley naar Schotland te zenden, scheen voor het hnwolijksplan met Darnloy geneigd. Maar weldra veranderde zij weder ou gaf een nieuw bewijs van hare onopreclitheid ou dubbelhartigheid.
Maria was op het kasteel lo Wemiss toon Darnloy haar word voorgesteld ou men was weldra verzekerd, dat hot huwelijk spoedig plaats zou bobben. Maria besloot eigenmachtig te handelen.
Haar noel' beviel baar luutengewoon en zijne genegenheid voor de katholieke Kerk zette er baar nog meer toe aan dan hare persoonlijk!? neiging.
Maria haastte zich echter niet. Hoewel zij zoor voor Darnloy genogen was, weigerde zij zijne baud ou een kostbaren ring, dion hij haar aanbood. Maar terwijl zij in het kasteel te Stirling was, werd Daridey, die zich daar ook bevond, ernstig ziek. Maria wilde hein oppassen en waakte bij hein met oeno zorgvuldigheid, die haar liart meer vereert dan hare voorzichtigheid. Zij verontrustte zich zeer over zijn toestand en toonde voel
vrongde over zijn licrstcl. Dc/c onA Oovziclitigc goedlieid clcod algemeen aan een geheim huwelijk gelooven en lokte vamvegc Davnley eene gvoote \ ( rwaandheid nil die hem trotsch maakte tegenover den adel, hoosaardige geruchten ontlokten en aanleiding gat' tot muiterij.
Knox vertolkte de hoosaardige gevoelens. Frankrijk zag met leede oogen dit huwelijk en hood Maria andere partijen aan, maar hare keus was gemaakt. Zij gaf er Frankrijk kennis van en zond haar staats-secretaris naar Elisabeth, om haar haar heslnit on deszelfs beweegreden mede te deelen.
Elisabeth toonde eene echte, of geveinsde verhittering en hood in geval dat de koningin nog niet gehuwd was, zoo als men het haar gezegd had, Leicester of den hertog van Norfolk aan.
aria antwoordde dat zij niet hegrijpen kon dat de keus van Darnley aan Elisabeth mishaagde, maar plotseling vernam men, dat de koningin ... reeds gehuwd was in tegenwoordigheid van zeven getuigen. Maria Stuart had gemeend zich niet anders aan de listen, de kuiperijen van Elisabeth te kunnen onttrekken dan door haar tegenover een voldongen feit te plaatsen.
Darnley was negentien, Maria drie-en-twintig jaar oud.
Darnley toonde zich veeleischend tegenover de Koningin en trotsch tegenover den adel. Hij eischte den titel van Koning. Met al de koppigheid van een bedorven kind bleef liij op zijnen wil aandringen en verkreeg dien. De Koningin liet dit openbaar maken en beval dat alle publieke stukken geteekend moesten worden met den naam des Konings en dien der Koningin.
liet huwelijkscontract, door Hiccio opgemaakt, werd geteekend op een gouden lessenaar, door vier graven onderschraagd. De godsdienstplechtigheid had plaats te 11 olyrood volgens den katholieken ritus.
De kvonijk zegt ; â's Zondags morgens 20 .luli tiissclicn \ ijf en zes nre werd de Koningin door versehcidene edellieden naar hare kapel geleid. Zij droeg een lang zwart rouwkleed en een grooten zwarten ronwlioed, ongi^veer gelijk aan dien, welke zij droeg op den treurigen dag van den lijkdi(gt;nst van wijlen Franeiseus II, haar eerste gemaal. Zij werd door de graven van Leiton en Athol naar d(^ kapel geleid, die vervolgens haren hruidegom gingen halen, die tnsschen hen hinnentrad.
Zij werden door den dienstdoenden ])i'iester ontvangen.
Het huwelijk werd voor de derde maai al'kondigd en een notaris bevestigde dat er niets tegen dit huwelijk ingehraeht was. De woorden werden gesproken; men plaatstede ringen aan de hand der Koningin. Er waren er drie; de middenste was met een kostbaren diamant versierd.
Zij knielden samen neer. ^leii sprak A'erseheidene gebeden over hen. De koningin wachtte tot men de mis hegon. Darnley omhelsde haar en liet haar in de kapel. Hij ging haar in de kamer der koningin afwachten, waar zij hem later ging op zoeken. Men verzocht de koningin op dezen hengelijken dag haar verdriet en bare moeielijkheden te vergeten vroolijker te leven en hare rouwkleederen af te leggen. Zij gaf met moeite toe, vertrok met hare hofdames en verwisselde van kleederen.
Na het huwelijk was er groot feest. De koning en de koningin gebruikten het maal aan dezelfde tafel. Na liet maal werd er een weinig gedanst, waarop men zich tot aan het avondmaal terugtrok.
MOORD VAN RICCIO.
ediiivnde (!(gt; langdurig! onderlmiulelingcn, die het huwelijk van Maria Stuart met Daruley voorat' ging-eu, waakte do eerzucht, de opstand smeulde als vuur onder de asch, eu de koningin liep het grootste gevaar. Engeland stookte den adel en Kuox hitste het volk te^en haar op. Graaf Murray, natuurlijke zoon van Jacolms en broeder van Maria Stuart, die haar trouwste beschermer had moeten zijn, was een harer grootste vijanden.
Door haar huwelijk ontstemd, dat zijne eerzuchtige plannen verijdelde, verliet hij het hot', onder voorwendsel, dat hij deroomsche superstitie niet kou dulden, doch de ware beweegreden was dat hij een opstand in het leven wilde roepen.
De koningin moest zich naar Callander hegeven om het doopfeest van een zoon van Levingstou bij te wonen. De saamgezworenen van den opstand waren hiervan verwittigd. Zij legden zich in hinderlaag op den weg, langs welken Maria moest komen, en verscholen zich in een eenzaam oord om het gunstig oogeid)lik at' te wachten, waarop de niets vermoedende kleine schaar, die de koningin vergezelde, zou langs komen.
's Avonds te voren word Maria door Linsay van Dowlicll, die liH complot ontdekt liad, ^'ewaarscliuwil. Haar gevolg kon ^eene groote macht bew apenden weerstaan. Zij moest dns ot'teru^'keeren ol' hen door snelheid voorkomen. Zi j vertrok dus vroeger en reed snel om aldus de dertig mijlen, die haar van Callander scheidden, te maken en kwam aldaar aan toen de saamgezworenen meenden dat zij nog to Perth was.
Men had zoo vaak gehoopt te slagen, dat Murray reeds te Lochlcven was, waar hij zijne zuster verwachtte, vast besloten haar zonder eenige toegevendheid te behandelen.
Hieruit oordeele men in welken toestand Maria Stuart zich bevond.
Nu de samenzwering mislukt was, moest men wel tot de wapenen zijn toevlucht nemen. Eenige krijgslieden vereenigde zich bij Holy rood. Maria snelde er been, en hoewel baar leger slechts klein was, verspreidden de opstandelingen zich onmiddellijk. Zij hadden begrepen, dat het volk zijne Koningin liefhad en zou opstaan om haar te verdedigen. Maria liet eenige muiters in hechtenis nemen, maar zij stelde ze weldra in vrijheid en veroordeelde ze slechts tot eene lichte geldboete. Dit was heel de wraak, die de Koningin nam op ben, die baren troon en baar leven bedreigd hadden. Aan zich zeiven overgelaten zouden de misnoegden van Schotland onmachtig geweest zijn, maar Engeland steunde hen met zijne goedkeuring, zijn geld, zijne wapenen. Zij hadden Schotland reeds in oproer gebracht en zouden later het ongeluk bewerken van eene Koningin, wier buitengewone hoedanigheden de gelukkigste regeering beloofden.
âDe Koningin van Schotland,quot; aldus schreef Elisabeth's afgezant haar, âgedraagt zich zoo eervol, zoo voorzichtig, zoo zedig.
â 25 â
(lat ik slcclits wees, dat zij zich al te hoog zal verhef feu.quot;
Later sclireef een van ^lavia's secretarissen aan Lord Cecil : âHet is eene zoo znelite, zoo heininindijke vorstin, haar gedrag jegens liare onderdanen is zoo ge])ast, zoo volmaakt, dat liet een wonder zon zijn als er iemand gevonden Averd, die boosaardig genoeg ware om liaar liet minste kwaad te willen doen.quot;
]Maar zoodra liet Imwelijk met Darnley, ]\[aria, met den haat van Elisaheth, blootstelde aan allo kuiperijen en aanslagen, die liet gevolg Maren van de politieke eerzucht en de vrouwelijke jaloerschheid, verandert men van toon, en zij die het voorwerp was van zulk eene oprechte bewondering wordt aan ieders verachting prijsgegeven. De' menschelijke geest is veranderlijk, dit staat buiten betoog; maar als men het leven van Maria Stuart bestudeert, als men hare jeugd nagaat, waarin zij zich zoo hoog weet te verhellen boven alles wat den minsten vlek op hare deugd kan werpen, dan kan men niet veronderstellen, dat zij in eens van die hoogte zoo die]) heeft kunnen vallen. Er bestaan trappen in de ondeugd gelijk in de deugd, en men valt niet, vooral als men te hoog geplaatst is om te kunnen veinzen, in eens van de deugd in de eerloosheid, van de onschuld in demisdaad. Slechts een uitleg laat zich geven niet aan het gedrag van Maria Stuart, maar aan de fouten en misdaden die haar valschelijk toegeschreven zijn geworden ; te weten dat zij het slachtoffer geweest is van eene samenspanning en dat men na haar alles te hebben aangedaan wat haar ongelukkig kon maken, men er met helsche list ook alles bij gevoegd heeft wat haar schuldig kon doen schijnen.
âAlles wel overwogen,quot; schreef graaf Cecil, âis er tegen de
â 2C -
Koningin niets anders in te brengen, dan liaar verdacht te maken in de oogen van haar volk en van de geheele wereld.quot;
Aldus trachtte de laster haren val te bereiden. De raad ging niet verloren. De schaamtelooze lengen volgde het slachtolier tot onder de bijl van den heul en heeft haar niet duivelsche hardnekkigheid van eeuw tot eeuw vervolgd, totdat de rechtvaardigheid de koningin, die Maria's eer trachtte te schandvlekken en haar koninklijk hoofd deed vallen, haar op hare beurt een bloedigen schandvlek op het voorhoofd drukte.
David Iliccio werd in Piemont geboren en vergezelde graaf Moretto in 15(51 als secretaris naar Schotland. Hij was zeer mismaakt en naar eenigen zeggen daarbij zeer leelijk, maar hij was zeer geest ig en sprak het Fransch en Italiaansch vloeiend en bad van zijn vader een groot talent voor muziek geërfd. Jlij was niet de minnezanger die de verbeelding zich geschapen heeft om den laster te dienen, maar hij was geen gewoon man. Toen de graaf van Moretto Schotland verliet, liet hij Iliccio achter, die volgens de getuigenis zijner tijdgenooten âbeleefd, verstandig en deugdzaamquot; was. Maria behield hem bij zich als kamerdienaar, maar weldra verhief zij hem tot haar secretaris, eene bediening, die hij tot dusverre bekleed had en waartoe zijne veelvuldige kennis en zijn schranderen geest hem zeer geschikt maakten. Hij won het vertrouwen der koningin en oefende weldra een. grooten invloed over haar uit.
Haar huwelijk met Darn ley had eene kuiperij doen mislukken die de Engelschen op touw gezet hadden en de laster spaarde de koningin niet. De voortdurende betrekkingen, welke zij met baren secretaris had, het genoegen, dat zij vond in hem te hooren
sproken of zingen werden haar iils misdaad aangerekend. Sterk in het bewustzijn van hare onschuld, bekommerde zij er zich niet over en ging voort met naar zijne muziek te luisteren, met hem te schaken, zich met zijne geestige invallen te vermaken en zijn raad te volgen.
Het plan der misdaad, die Riccio moest dooden en de koningin onteeren, werd rijpelijk overdacht. Men hield rekening met de onbestendigheid van Darnley en om zich spoediger van lliccio te ontdoen, nam men hem in het geheim genootschap op.
])e edelen konden niet dulden dat een vreemdeling het volkomen vertrouwen der koningin genoot, dat hij hare buitenlandsche politiek geleidde en haar omtrent haar verkeer met het binnenland raadgevingen van voorzichtigheid gaf, die hare kracht versterkten en hare macht vermeerderden.
lliccio was van mindere afkomst en een vreemdeling. Is het te verwonderen dat de adel zich van hem zocht te ontdoen? Om dus den secretaris van Maria te vermoorden en door vuigen laster dien moord op de koningin te werpen, hieromtrent waren de moordenaars het eens, maar zij beraadslaagden lang omtrent de wijze en de plaats. Eerst hadden zij het kasteel van Leaton gekozen, waarheen lliccio de koningin gevolgd was. Maar zij vreesden op liet oogenblik van de uitvoering der misdaad niet sterk genoeg te zijn. Zij wilden hem treffen, terwijl hij met den koning kegelde, maar dan kon men de koningin niet beschuldigen. Men moest hem in hare kamers treffen, opdat de laster toch op een schijn van waarheid mocht rusten.
Den 7'Wn Maart opende Maria Stuart het parlement. Darnley woonde deze plechtigheid niet bij, onder het voorwendsel dat hij
â 28 â
geon koning was. Aan zijne luimen gewoon, bekommevde de koningin zich er niet om. De begeerte naar wraak van den ongelukkige werd er des te heviger door en de dag werd op den negenden Maart vastgesteld.
Tegen zes ure des avonds bezetten de saamgezwoornen, gevolgd door ongeveer drie honderd man, de omstreken van bet paleis. Alles gebeurde in de diepste stille. De eersten drongen tot op de binnenplaats van llolyrood, terwijl de anderen zieb gereed bielden den aanval te weerstaan of de volbrengers der daad bij te staan. De poorten van bet paleis werden gesloten, zonder dat de bedienden dit bemerkten.
Darnley bewoonde in den toren van bet kasteel een benedenvertrek, gelegen onder dat van de koningin. Hutbven, een der beet-boot'den, kwam tot hem met eenigen zijner geestverwanten. Darnley verwachtte hem. lluthven scbeen beter dan iemand anders tot deze akelige daad geschikt. Hoewel sedert eenige dugen ongesteld en nog trillende van de koorts, had hij niemand anders de verdiensten of de verantwoordelijkheid der misdaad willen overlaten. Verscheidene saamgezwoornen hadden hij Darnley het avondmaal gebruikt.
O
Hij trad in den geheimen gang, die naar de vertrekken der koningin voerde en wees den moordenaars aldus den weg. Maria Stuart verwachtte dagelijks de geboorte van baar kind en bad in hare kamer het avondmaal willen nemen.
Hond de tafel zaten hare halve zuster lady d'Argile en eenige heeren van haar hof, benevens lliccio, wiens bediening zijne tegenwoordigheid uitlegt.
Toen verscheen de Koning in het kabinet. âWel hoe, milord,quot;
- 29
vroeg de koningin, âhebt gij reeds gesoupeerd Pquot; Hij boog zich over den rug van haren stoel; zij keerde zich om en zij kusten elkander. Het hoofd des moordenaars verscheen toen in volle wapenrusting met den degen in de hand. Eenige gewapenden volgden hem. â Jlet gelaat van lluthven drukte smart, haat en vastberadenheid uit en sprak van eene groote gebeurtenis.
âIk meende dat gij ziek waart,quot; zeide de koningin, met moeite hare ontsteltenis bedwingende, âen nu zijt gij bier.quot; En als door zijn blik ontsteld, ging zij voort: âWie beeft u toegestaan?quot;
âIk kwam hier om U een dienst te bewijzen,quot; riep lluthven, die door ziekte, vermoeienis en wellicht ook door wroeging over de misdaad die bij aangenomen had te volvoeren, overmand, zich op een stoel liet nedervallen en een oogenblik sprakeloos bleef.
âWat kan ik van u verwachten?quot; vroeg de koningin.
lluthven wees met norsch gebaar liiccio aan en riep met donderende stem: âDat ik U bevrijde van dien ellendeling, die aan uwe tafel zit en deze plaats noch deze eer verdient! quot;Wij willen niet meer door een knecht gedrild worden!quot;
liiccio, die tot dusverre gehoopt had, dat het niet op hem gemunt was, zocht een toevlucht achter de koningin.
âMevrouw, red mij!quot; riep bij in doodsangst, lluthven trad tot hem. De koningin wierp zicb tusschen beiden.
âWelke misdaad heeft bij bedreven? Als men hem iets te verwijten heeft, zal ik hem door het parlement laten oordeelen en hem recht laten wedervaren.quot;
En zij beval aan al degenen, die in hare kamer gedrongen waren, die te ontruimen.
Maar zij bleven onbewegelijk staan.
-30 -
âHecht,quot; riep een der saamg-ezAVoornen, âziedaar liet recht!quot; en hij trok een touw van onder zijn mantel, lliccio weck terug. De gasten der koningin kwamen tnsschenhciden en trachtten de aanvallers naar de deur te dringen.
lliccio was in een hoek gevlucht en zag verschrikt dc mannen aan, die hem van het leven wilden herooven. lluthven heval Darnley, die, zonder een woord te spreken, dit schouwspel aanzag, de koningin vast te houden en trad tot lliccio. Bij deze beweging, die al zijne saaingezwoornen deed opspringen, werd de tafel omvergeworpen over de koningin en dit tooneel van verwarring werd slechts verlicht door eene enkele kaars, die de gravin van Argyle in de hand had gegrepen. Darnley, aan het gehod van Rndhven gehoorzamende, hield (h» koningin op haren stoel vast. Ker van Fawdonside ontzag zich niet een pistool op hare horst te zetten.
âSchiet vrij,quot; riep Maria, âals gij het kind niet ontziet, dat ik in mijnen schoot draag.quot; Volgens eenigen hield Ker zijn wapen naar de laagte, volgens anderen deinsde hij niet voor de misdaad terug en werd de koningin slechts gered, omdat het wapen niet afging. Haar kalme moed ontwapende die bloeddorst ige mannen niet.
Riccio smeekte de koningin hem te beschermen en klemde zich aan haar kleed vast, terwijl hij zijnen moordenaars had hem te sparen, don koning liem te redden.
âLaat hij de kamer verlaten,quot; zei Darnley, âmen zal hem geen kwaad doen.quot; Eu zoodra lliccio, die in dit bevel zijne redding meende te zien, eene beweging maakte om er aan te gehoorzamen trof George Douglas, die hem niet wilde laten ontsnappen, hein met zijn degen over den schouder der koningin heen. Anderen
3
~ ÃB â
sloopten liom onmiddollijk ii\ do noAonkaniov, waar hij zicli iiu^t al do kracht dor wanhoop aan do mouholon vast klomdo on hart-vorschouvondo kroten slaakto. Maar wat vormocht liij alloon (ot'vii zoo volo goAvapond(ï mannon, dio zoolang hunno woede opgekropt hadden.
ïn do receptiezaal gesloopt, bleef liij bloedend on mishandeld tnsschen do handen zijner a !janden als oeno prooi, dio zij elkander betwistten.
Maria werd door hevige bedreigingen teruggehouden on Darnloy verliet hnar niet. Een der moordenaars komt tot liom, trekt zijn dogen uit de scheedo, keert naar Kiccio terug, treft hein in hot hart, laat het wapen in de wonde en roept uit: âDaar hebt ge don koninklijken slag.quot; Men viel over hem en bij word door zes en viji'tig dolksteken doorboord, liet lijk werd tot boven op don grooton trap gesleept en vervolgons d.»or een venster op do plaats geworpen. Men beroofde bom van zijne kleoderen en sieraden. Diefstal volgde den moord.
Darnloy was bij de koningin in haar kabinet gebleven en had haar belet op te stami, zonder zich te bekommeren omtrent haren toestand, hare smart en hare verontwaardiging!
Ãuthven schaamde zich niet met bloed bedekt binnen te treden, zich oen glas wijn in te schenken, het iu één teug uit te drinken en zich te beroemen over het geen hij kwam te doen.
Hij beschuldigde de koningin met dwingelandij geregeerd to hobben, den raad harer edellieden veracht te hebben, om dien van oen vreemdeling als Uiccio te volgen, met hom don ondergang van den godsdienst beraamd en met dit doel verdachte briefwisseling met het buitenland gevoerd te hebbon.
Wat de moovdonaavs niet hadden durven zeggen, zeiden de protestanten luide na de gebeurtenis, liet deel, dat Darnley aan den moord genomen had, scheen hun een voldoend hewijs. Zij schreven aan jaloerschheid toe, wal een uitwerksel der eerzucht was, en wreeder dan Ker, dii» in een oogenhlik van drift haar liet leven had zoeken Ie heneinen, liepi'oei'den zij koelbloedig haar door lasterrijke uitstrooiseds van hare eer en goeden naam te herooven.
De koningin was nu geheel iu de macht harer vijanden. Zij bleef lang als verplet onder zulke ven-schillende en vreeselijke aandoeningen. Toen liet zij zich bedreigingen ontvallen. Jliccio onder bare oogen vermoord, bare woning aangetast, de koninklijke waardigheid beschimpt, het gevaar, dat zij geloopen had, dit alles eischte wraak. Zij had hierbij kunnen voegen dat men hen, die baar getrouw gebleven waren en die slechts door de vlucht aan den dood ontkomen waren, vervolgd had. Both well, Huntley en Athol hadden getracht tot haar door te dringen, ten einde baar te verlossen. Maar zij gevoelden, dat zij alleen en verlaten stonden, en om niet in de handen hunner vijanden tc vallen, redden zij zich langs een venster. Yerscheidenen dei-trouwste bedienden van de koningin waren ook door de moordenaars aangewezen om het lot van Riccio te ondergaan. Maarzij wisten te ontsnappen.
Intusschen had men in de stad iels vernomen van betgeen er in het kasteel omging. Bij het hooren der alarmklok stond het volk o]) en vroeg de koningin te zien. Men deed namens den koning antwoorden, dat zij zich wel bevond, doch belet was zich tc toonen. Vervolgens deelde men mede, dat de Italiaansche
secretaris ter dood was gobracht, omdat hij vreemde troepen in de stad had willen brengen, om het Katholiek geloof te herstellen. AVel wist men, dat, als men slechts vaderlandsliefde en dweperij in het spel bracht, het volk alles zon goedkeuren.
Den volgenden dag wilde Darnley reeds den baas spelen. Hij ontbond het parlement en eischte, dat de leden binnen drie uren de stad zouden verlaten.
Men besloot de koningin in het kasteel te Stirling op te sluiten, totdat zij al wat geschied was zou goedkeuren, maar Darnley begreep, dat de samenzweerders eerst de koningin en vervolgens hem zei ven zouden dwingen en zocht zich van hen te ontdoen.
Eerst vroeg hij meer vrijheid voor de koningin, onder voorwendsel dat hare gezondheid zou lijden, indien men haar opsloot, daar haar lijfarts verzekerde, dat hij niet voor haar leven instond, indien men haar niet volgens haren toestand behandelde. Darnley gal' nu den saamgezworenen den raad haar ten minste voor dezen nacht eene volkomen vrijheid toe te staan.
Maria Stuart maakte van deze onvoorzichtige toestemming gebruik. Hare vrienden, zij, die in den nacht van den 9don Maart aan het gevaar ontsnapt waren, waren gewaarschuwd. Zij kon rekenen op hunne getrouwheid en hunne begeerte om z'.'-h te wreken.
Slechts weinigen waren in het geheim ingelijfd en het vlucht-plan werd zonder de minste moeite uitgevoerd.
In het midden van den nacht sloop de koningin met Darnley en eene barer kamerjulTers naar een poort je, dat op het kerkhof der abdij uitkwam. Daar stonden paarden gereed. Maria nam plaats achter haren schildknaap, reed in vollen draf met haar
â 3(gt; -
klein p^volg en voordat do dag aanbrak was zij, zooals zij aan haven oom schivH', âzonder koninkrijkquot; te Dnnihar, maar zij was vrij en üarnloy had haar vtM-gezeld.
Zoodra zij zich, na den moord van Riccio, met haar gemaal alleen bevond, las zij in zijn hart vrees, wroeging en besluiteloosheid en hernam spoedig over hein de macht, die sterke zielen o]) de zwakkere uitoefenen. Darnley beloofde berouwvol voortaan getrouw aan de koningin te blijven en met haar degenen te vervolgen, die hij zelf tot deze misdaad verleid liad.
Zes dagen na hare vlucht uit JTolyrood keerde de koningin naar Edimlmrg terug en op hunne beurt beefden de opstandelingen. Het was opmerkelijk, dat sedert koningin Elisabeth Engeland bestuurde geen enkele Schot daar te vergeefs een toevlucht zocht. Wat bij ook gedaan mocht hebben, hij kon zeker zijn, daar, zoo niet eene openlijke bescherming, ten minste eene geheime hulp te vinden. Bij deze gelegenheid was Elisabeth ook verscheidene dagen vóór Riccio's dood gewaarschuwd geworden en had Murray zelf drie honderd pond sterling doen toekomen. Maar toen Elisabeth vernam welken loop de zaken genomen hadden, haastte zij zich hare zuster van Schotland te laten complimenteeren. Maria liet haar in haar antwoord verzoeken de moordenaars niet in hare staten te ontvangen. Daarop liet Elisabeth hun bevel geven haar land te verlaten, doch liet hun in het geheim zeggen, âdat Engeland groot was en dat het gemakkelijk was er zich aan aller oogen te verbergen.quot; Zooveel gold Elisabeth's oprechte, zusterlijke genegenheid voor Maria Stuart.
Deze hernam met het bestuur ook hare toegevende goedheid, en hoewel zij maar al te wel wist, hoezeer Darnley bij den
moord van Riccio betrokken quot;was, nam zij in schijn zijne ver-onlscluildi^'inu- aan. Oit^clukki^ vcrlictcrdc hij zich niet; hij was niet in staat de edelmoedigheid zijner gemalin te w aardeeren, en hoewel onder den schijn eener volkomen eendracht verhorten, heerschte de tweedracht voortdurend tusschen het koninklijk paar.
GEBOORTE VAN KONING JACOBUS VI.
aar hot iiiir luiclerde, waaro}) de komngm inoedcv zou worden, vertrok zij naar liet kasteel van Hdimlmrg.
Elisnl)etli, .Mnri'ay, Engeland, Schotland, allen zagen dit uur met spanning tegemoet. Maria kon een erlgenaam van haren troon en hare rechten krijgen; maar zoo smartelijk door de laatste gebeurtenissen get rollen, zou zij welliclit den naderenden crisis niet kunnen doorstaan. Dat hoopten Elisabeth en Alurray. Maar de ITemel gedoogde niet, dat hun verlangen vervuld werd. De koningin schonh het leven aan een zoon, die lang genoeg leefde om, na Elisabeth's dood over Engeland en Schotland te regeeren.
Den l.(.),lequot; .Juni verkondigde het kanon van het kasteel van Edimburg do geboorte van eenen prins. Darnley omhelsde hem en riep hem volgens de gewoonte uit als zijn opvolger, in tegenwoordigheid van den adel. De vreugde Avas algemeen en luidruchtig.
Elisabeth bad baron gezant in Schotland opgedragen zich in do omstvokon van Berwick te vestigen en haar zonder het minste verwijl den uitslag dor gebeurtenis mede te doelen.
Toen do koerier liet bericht bracht van de geboorte van den jongen koning van Schotland, danste Elisabeth vroolijk te Greenwich. Lord Burgley vertrok dadelijk om zich tot haar te begeven en baar de noodlottige tijding mede te doelen. Als door een bliksemslag getroffen liet zij zich in een armstoel vallen, steunde het hoofd met bare banden en scheen gedurende langen tijd in eone diepe en smartelijke overdenking gedompeld.
Hare hofdames wilden haar eenige woorden toespreken. Een barer vroeg baar of zij zich niet wel bevond.
âWel nu,quot; riep zij uit, âhoort ge dan niet zeggen, dat de koningin van Schotland oenen sclioonen jongen beeft. En ik ben niets dan oen uitgedroogde stam!quot;
Don volgenden dag wist zij zich in zooverre te bebeorschen, dat zij hurc voldoeniiijj kon uitdrukken over de gelukkige bevalling van Maria en de geboorte van baron zoon! Zij dreeï de geveinsdheid zóó ver, dat zij schijnbaar met groote vreugde den titel van nieter van den jongen prins aannam en den graaf van Bedford opdroeg haar bij de plechtigheid te vertegenwoordigen.
De geboorte van den Schotsehen prins, wion men Jacob noemde, vervulde in Engeland de talrijke aanhangers van het Scbotsche Huis met vreugde on de nog talrijker partij der onverschilligen scheen geneigd Maria te ondersteunen, toen er een erfgenaam geboren was.
Elisabeth zag niet zonder jaloerschheid, dat de geestdrift zich naar de koningin van Schotland keerde, en om ze weder tot zich zelve te lokken, besloot zi j ernstig te huwen. Maar toen de beide Kamers haar daaromtrent adressen aanboden, dacht zij slechts met toorn aan haar voornemen. Behalve hare gewone besluite-
sa* m
loosheid, die haar nooit een enkel denkbeeld liet behoudâ¢, was Elisabeth zeer bang voor .... den dood! Dit woord mocht niet vóór haar uitgesproken worden, niets mocht haar herinneren, dat ook zij eens zou moeten sterven. quot;Waarschijnlijk was dit de rede, waarom zij geen echtgenoot wilde nemen. Immers, als zij huwde en kinderen kreeg, zouden dezen haar elk oogenhlik herinnerd hebben, dat zij haar na haren dood moesten opvolgen en zouden baar aldus hebben doen denken aan haren dood!
Frankrijk hield steeds afgezanten bij het hof van Schotland en dezen moesten wel opmerken, dat de verhouding tusschen de koningin en Darnley zeer gespannen bleef. Deze bad waarlijk weinig gewonnen door zijne medeplichtigheid aan Uiccio's dood. In plaats van de vermeerdering van macht en invloed, waarop hij gehoopt had, vond hij bij den adel slechts verachting voor zijn persoon en bij anderen een bepaalden afkeer voor zijne handelingen. Hij zou dit echter verkropt hebben, als hij den schepter had kunnen zwaaien, maar de koningin toonde zich minder dan ooit geneigd hem de minste macht toe te kennen, wel overtuigd, dat hij er een slecht gebruik van zon maken.
Maria kon de beleediging, die hij haar had aangedaan, vergeven, zelfs trachten ze te vergeten, maar inderdaad vergeten kon zij die niet!
Zij vormde een nieuw bestuur zonder zijn raad in te winnen, zelfs tegen zijn zin. Zij benoemde Huntley tot kanselier, Bothwell tot admiraal, Murray en graaf d'Argyle, deszei fs schoonbroeder. Op verzoek dezer beiden vergaf Maria Maitland, tegen den wil van Darnley. Ziende hoe weinig hij in te brengen had, dreigde Darnley Murray te dooden, doch verliet kort daarna het hof en
Aveigovdo volstandig tevug te koon'u, zoolang do koningin drie haror raadsleden niet zon weggezonden hebben. Hij wilde zell's Schotland verlaten.
De koningin schreef hem en verzocht hem haar te Edimbnrg te komen bezoeken.
Niet zonder moeite gaf hij zijne vrouw toe. Toen hij eindelijk kwam, geleidde Maria hem voor den vergaderden raad. Zij nam hem bij de hand en verzocht hem al de grieven op te sommen,
Mn ) «--»
die hij tegen haav kon hebben, en haar uit'/ /lt;⢠spareit, in welk o))zicht hij zich ook omtrent haar te heklagen mocht iiehhen.
In zijn antwoord verklaarde Darn ley openlijk, dat de koningin hem nooit eenige reden tot misnoegen gegeven had. De leden van den raad antwoordden hem hierop, dat hij dan niet alleen niet mocht klagen, maar zich daarentegen moest beschouwen als een der gelukkigste vorsten der christenheid, indien hij hekwaam was zijn geluk te heselfen.
Toen hij te Stirling teruggekeerd was schreef hij aan de koningin, om haar mede te deelen, waarover hij meende zich te moeten beklagen. Dit was, dat hij geen de minste macht had en door den adel verlaten werd.
Maria antwoordde, dat hij dit slechts aan zich zeiven moest toeschrijven; dat hij het gezag, dat zij hem bij hnn huwelijk toegestaan had, tegen haar zelve gebruikt had en dat, als de adel hem noch eerde, noch beminde, dat kwam, omdat hij niets deed om hunne achting en liefde le verdienen.
Tegen den herfst vertrok de koningin naar Jedhnrg met de leden van den raad, om voor te zitten in een soort van raad voor de aangelegenheden der jacht.
Nauwelijks daar aangekomen, werd zij door eene hevige koorts aangevallen, die haar leven in gevaar bracht; men had zelfs zóó weinig hoop meer op herstel, dat de raadsheeren zich gereed maakten naar Edimburg te vertrekken, oni het bestuur te regelen; men hield het voor zeker, dat Murray regent en Darnley geheel ter zijde gelaten zou worden.
De negende dag bracht een weldadigcn crisis; de verschijnselen werden minder beangstigend en het gevaar week langzamerhand,
- 13 -
Toon do koningin gonoegzaam liorstold was om to paard to knnnon rijden, rood zij naar hot kastool van Craigmillac.
Darnloy, dio liaar to Jodbnvg sloclits oon enkoio maal bozocht had, bogaf ziob naar hot kastool, doch dood niets om zich mot haar te verzoeuon. Hij was te trotsch om te buigen on Maria had te veel ondervinding om ziob aan hom to vertrouwen. De zwakke staat barer gezondheid, door verdriet on ongerustheid steeds vermeerderd, stortte over haar een waas van neerslachtigheid, die Darnley beschouwde als afkeer voor hem. Hij begreep niet, dat hij de oorzaak dier neerslachtighoid was. Zij beschouwde hom toen als onverbeterlijk en dikwijls hoorde men de ongelukkige vrouw al weenondo uitroepen;
âAch, ware ik te Jodburg toch maar gestorven!quot;
Hare ministers Murray en Maitland volgden aandachtig boel den crisis van den moroolen toestand der koningin.
Zoodra Darnley terug was vormden zij hot plan eeno echtscheiding te bewerken, overtuigd dat dn koningin hier gaarne iu toe zou stemmen. Zij Avaro dan verlost van oen man, die haar zoo diep beleedigd had. Zi j doolden dit aan de overige raadsleden mede, die liet allen goedkeurden, en begaven zich toen naar de koningin.
Lord Maitland herinnerde haar al hot ongelijk, haar door Darnley reeds aangedaan, bet verdriet, dat hij baar nog steeds aandeed, en stelde de echtscheiding voor als het eenige middel, om baar en den staat te redden.
Hij de eerste voorstelling van dit plan gevoelde Maria Stuart zich als een gevangene, wiens boeien door eone vriendenhand geslaakt worden, en antwoordde, dat zij daarin kon toestemmen,
als zij quot;wettig uitgesproken werd en de rechten van liaren zoon niet krenkte.
Bij nader overdenken van de omstandigheden van zulk een proces en de herinnering aan den laster, dien men verspreid had omtrent haren omgang met Hiccio, en die, welke men omtrent haar verkeer met een der vijf personen harer omgeving hegon te verspreiden, vroeg zij ot' het niet heter ware eenigen tijd naar Frankrijk hij hare hloedverwanten te gaan doorbrengen.
âMisschien,quot; zeide zij, âzal Darnley trachten zich te heteren, om deze verlatenheid te doen ophouden. Tn alle geval moogt gij niets doen, dat mijne eer kan bezoedelen ol' mijn geweten kwetst. Gelooft mij, laat liever de zaken zooals zij zijn, in afwachting dat God in Zijne goedheid ze ten heste keere.quot;
Dit antwoord viel niet in den smaak der vijf heeren van den raad. Zij hadden zich gevleid, dat de koningin goreodelijk zon toestemmen en konden niet begrijpen hoe, na al de reden tot klagen, die Darnley haar galquot;, zij zoo volstrekt weigerde.
Toen kwamen zij tot hun eerste plan terug.
Zij zouden dan den koning vermoorden.
Bothwell belastte zich met de uitvoering; de anderen verplichtten zich onder cede hem te vrijwaren tegen al de gevolgen.
Sir James Balfour, die zich hij die vijf heeren gevoegd had, stelde voor een verbond te teekenen, waarin gezegd werd, dat de koning slechts een jonge gek en een hoovaardige dwingeland was, en dat de ondergeteekenden vast besloten waren hem geen de minste macht over hen toe te kennen; dat zij zich verhonden hem op alle wijzen van het bestuur te verwijderen en dat ieder hunner dit middel, hoe het ook ware, als zijne eigen daad zou erkennen.
Alen betwijfelt of Mtirvay dit geteokond lieeft. Hij zocht eene uitvlucht, ingeval het mocht mislukken. Hij wilde helpen noch beletten.
â 40 â
MOORD VAN DARNLEY.
aria Stuart begaf zich van Craigmillac naar Stirling, waar het koninklijk kind moest gedoopt worden. Darnley hevond zich in de boot, doch verscheen niet bij de plechtigheid, die niet veel luister plaats had. Men schrijft zijne afwezigheid toe aan het bevel, dat Bedford van zijne meesteres ontvangen had, hem den titel van koning niet meer te geven, en aan dat door liet hof van Frankrijk aan zijn gezant, Le Croc, gezonden, van elke betrekking met hem te vermijden, zoo lang hij niet met de koningin verzoend was.
liet doopsel had den 17,lequot; September plaats en werd toegediend door den aartsbisschop van St. André, door verscheidene bisschoppen geassisteerd. De graal' van Ih-ienne vertegenwoordigde Karei IX als peter, en de gravin d'Argyle de koningin van Engeland als meter, De graat' van Eedl'ord had vanwege Elisabelh een gouden doopvont medegebracht, dat driehonderd pond woog. Op het kasteed werden gastmalen en aan de stad IVesten gegeven, waaraan heel het volk deelnam.
Hijk met gesehenken bedacht, keerden de Engelsche heeren naar luiu land terug.
Maria was bedroefd over do afwezigheid van Darnley, doch vervulde niettemin hare plichten als vorstin met de grootste waardigheid en bevalligheid.
Ma ar de koningin verleende eene zeer onvoorzichtige amnistie hij het doopsel van Jacob VI. Mortow, Lindsay, llnthven en zes en zeventig veroordeelden voor verschillende aanslagen tegen de koningschap verkregen genade. Ker van Eawdonside, die den loop van zijn pistool op de borst der koningin gezet, en Douglas, die lliccio don eersten slag had toegebracht, worden alleen uitgezonderd. Door eene bijzondere attentie van Darnley werd het Mortow verboden bet hof dichter dan op zeven mijlen afstands te naderen.
Maria bleef nog eenige dagen te Stirling. Darnley had zich naar Glasgow begeven. De pokziekte regeerde hevig in deze stad en Darnley werd er ook door aangetast. Men dacht eerst aan eene vergiftiging, maar do ziekte droog zulke onmiskenbare kon-tookenon, dat geen twijfel moer overig bleef. Deze ziekte werd destijds zóó gevreesd, dat men hen, die er door aangetast werden, buiten de stad bracht on ze slechts na hunne volkomen genezing en oeno langdurige afzondering weder toeliet.
Maria, die nauwelijks hersteld was van eene doodelijke ziekte, kon zonder groote onvoorzichtigheid hot openbaar gevoelen en hot gevaar niet trotseeren.
Zij bleef niet onverschillig voor do dreigende ziekte en haastte zich Darnley haar eigen doktor te zenden, hoewel zij zelve ongesteld was. Hierdoor beantwoordde zij de kwaadwillige geruchten, door de vrienden en de vijanden van Darnley uitgestrooid.
Maria Stuart was er bijtijds van verwittigd en zij schreef den
â 48 â
Mamp;gt;(?J^^Q)h^QI â
CJiquot;
â â
bisschop van (Jlnsgow een Ijvicl', die zóó veel opivchllicid ademt, dat liij desnoods tot rechtvaardiging zon knnucn dienen, ware dit noodzakelijk. âWat den koning, mijn geniaal, belrel'l,quot; sclirijft zij, âweet God hoedanig wij steeds ten zijnen opzichte gehandeld hebben, en zijn gedrag ten mijnen opzichte is zóó wèl bij God en de menschen bekend, dat zell's onze onverschilligste onderdanen het al'kenren. Hij zoekt overal onze daden te bespieden, maar met de liulp van God zullen zij altijd zoodanig zijn, dat niemand reden zal hebben er door verergerd te worden, noch er zich door heleedigd te gevoelen.quot;
Intusschen hadden ziekte, nadenken, tegenspoed, het mislukken van zijne beinoeiingen aan vreemde hoven, waar hij Maria gelasterd had, zonder haar persoonlijk gedrag'te durven aantasten, een terughlik op de godsvrucht zijner kinderjaren, het berouw des konings opgewekt en zoo niet een openbaar eerherstel, ten minste de stille uitdrukking van zijn berouw uitgelokt. De koningin werkte deze gesteltenis niet tegen.
Maria Stuart vertrok ongeveer den 22s,en .lauuari uit Edimburg en vond Darnley wèl genoeg om Glasgow te verlaten.
Na eene wederzijdsche uitéénzetting hunner grieven verzocht Darnley de koningin zich niet meer van hem te scheiden. Hij hadde beter gedaan zich te verbinden, dat hij haar niet meer zou verlaten, maar Maria verheugde zich over de toenadering en had medelijden met zijn zwak karakter.
Bij hunne komst in Edimburg was de eerste zorg een geschikt verblijf te kiezen, want 11 olyrood was buiten sprake, om het gevaar van aansteking, dat de jonge prins geloopen zou hebben. De ilaad had een huis gekozen buiten weten der koningin, dicht
â 49 â 4
I
i'Bi
1 li if|
⢠if
i fi.
hu
f'
I,
Tlf
j rHl f
i ?|!,
m.
â iii
111 ilil
I
1ÃWI i
li
gt;â {
. i
Hl
hij liet paleis, opdat zij den koning gemakkelijk zou kiuiueu bezoeken tijdens zijn herstel en verat' gelegen genoeg om het gevaar der epidemie te ontwijken. Men zegt dat Darnley het zelf gekozen had.
De koningin zou Craigmillac verkozen hehhen, maar de koning had afkeer van dit kasteel en zij nam het verhliji'aan, dat Darnley verkoos.
liet lag ten zuiden van Edimhurg en droeg den naam van Kirkfield (Veldkerk).
Weldra was het geheel tot ontvangst des konings gereed en hij vestigde er zich reeds in de eerste dagen van Februari.
De koningin bezocht hem daar zeer dikwijls en bracht veel tijd bij hem door. Zij zocht hem geheel terug te brengen, hem met zich zeiven te verzoenen en hem geheel te onttrekken aan gewoonten, die den vorst en den christen beiden onwaardig waren. Zij bracht de avonden gedeeltelijk met hem door. Zij had een bed doen plaatsen in eene kamer heneden die des konings en bracht daar twee nachten door.
Maar de hool'den der samenzwering bereidden derzelver uitvoering. Zij wilden er Mor tow intrekken en Hothwcll noodigde hem uit er deel aan te nemen, doch Mortow had door ondervinding geleerd en weigerde. Men liet het plan varen om Darnley te treilen als hij zijne woning zou verlaten, uit vrees dat deze moord op klaren dag hen, die de wandaad zouden voltrekken, in het verderf zou storten. Men wilde dan liever het huis, dat hij bewoonde, in de lucht doen vliegen cn men bepaalde hiertoe den nacht van den 9den Februari.
's Morgens woonde de koningin de Mis bij met Darnley. Zij
U». â»
begaf zich naar ITolyrood, waar /i j eene afscheids-aiulir'iitie moost verleenen aan den graaf van Moretto, den afgezant van Savoije. Zij woonde vervolgens het gastmaal bij, ter barer eer door den bisschop van Argyle gegeven, en vertoonde daar hare gewone vroolijkbeid en minzaamheid. Zij ging naar Kirkfleld terug, om den avond met den koning door te brengen. Zij werd vergezeld door de voornaamste heeren van het hof, onder wier getal zich ook Both well bevond, die zich een oogenblik uit den stoet verwijderde om zijne laatste bevelen te geven en zich te overtuigen, dat alles in gereedheid was.
Maria bleef tot elf ure bi j den koning, die zich verheugde over de bewijzen van vriendschap, die zij hem gaf, doch nog meer, omdat de groote heeren van het hof hem de aan zijn rang verschuldigde eer bewezen.
Hij drong bij de koningin aan, om haar langer bij zich te honden, maar Maria had beloofd bij de bruiloft van twee barer dienstboden te verschijnen, die zij zeer beminde en die door trouwe verknochtheid deze onderscheiding verdienden.
Volgens gewoonte omhelsde zij l)ariiley, alvorens te vertrekken, stak hem een ring aan den vinger, als bewijs liarer teederheid, en beloofde hem weldra weder te bezoeken. Toen ging zij bij fakkellicht weder naar Holyrood, danste bij het bal, toonde zich vroolijk, bevallig en vertrouwelijk en vertrok tegen middernacht.
Zij was nauw een uur in hare vertrekken, toen eene vreeselijke ontploffing bet kasteel deed daveren. Het huis van Kirkfield was in de lucht gesprongen.
Maria zond de dood verschrikte kamerjuffer, om te vernomen wat er omging. Men snelde naar de plaats des onbeils. Het huis,
waar Damloy vcn-ljleof, was slechts con puiuhoo]). A^aii allo kanton kwam mon toopjosnold om to hooivii wat ov mot don koning g'ol)(Miv'(l was. ^1 ('ii vornaiu dit slechts hij hot aanhrokon van don dag. Hij lag mot oen kamerjapon aan don voet van oen hoorn. Zijno pantoll'ols lagen hij hem; hij was dood, zoowol als do schildknaap, die in zijno kaniov sliop. Mon Ixnnerkto aan zijn lichaam geono onkelo hrandwondo, noch toeken van gewold, en cv word verondersteld, dat men hom eerst had geworgd, zijn lichaam uit het venster had geworpen en toon zijne kamer in brand gestoken had.
Toen do misdaad voltrokken was, gingen do samenzweerders spoedig nitéén en Both well keerde hedaard naar 11 olyrood tovng.
Maria bracht don nacht in vreeselijke spanning door. De ingo-wonnen berichten kondon haven angst niet hedaren, noch een einde aan die onzekerheid maken, dio nog erger is dan do waarheid.
Toen Both wo II haar den volgendon dag kwam berichten, dat eene groote hoeveelheid kruit, die in hot huis van Kirkliold bewaard lag, in brand was geraakt en de koning mot zijno bedienden was omgekomen en hunne lichamen op oonigon afstand van de plaats gevonden gewovdeu waren, toonde zij eene diepe, dolle droefheid en dacht slochts aan wraak. Zij verklaarde, dat zij de moordenaars met de uiterste gestrengheid zou vervolgen, nam alle mogelijke maatregelen om dezen plicht te vervullen, keerde in bare vertrokken terug en gaf zich geheel aan hare droefheid over.
Darnley bad inderdaad zwaar jegens haar misdaan, maar zijn berouw had alles uitgewisebt on Maria had zich don laatsten tijd mot eene gelukkige toekomst gevleid. Wel is waar kon zij zich
racs. 0^ ea
omivciit Diirnlcy iiici accI liclovcu. Zij wist dal liij een di'onkaai'd Avas, ziclt aan de laagste driricn overval', dat iiij ecu zwak, ojdoopcnd kavaktci' had, dat liij ijlt;ilt;'!, trotscli, liclit^cloovi^ (gt;11 lichfgeraaid was, maar toch hoopte zij op oviic vovandoving ton goede, zoo voor haar ais voor liaar koninkrijk.
Vóór zijn liuwclijk had Darnlov ]\Iaria vele niooielijkliodon op den iials gejaagd en wel bijzonder de vijandschap met Engeland. Na zijn huwelijk had hij het nog veel erger gemaakt, had hij alom den twist aangestookt, haar karakter en hare daden belasterd, haar gezag verzwakt. .Maar zijn dood ging haar aan nog groot ere gevaren hlootstellen. Zij had toen de heschnldigden aan het gerecht moeten overgeven. Hare goedheid van karakter hield haar terug, maar dat was eene fout, die heel haar leven vergald heeft en haar reden gegeven heeft deze fout steeds te betreuren.
liet onderzoek van den geheimen raad leidde tot niets. Maria bedroog zich niet omtrent de plannen der samenzweerders. Zij hadden willen opruimen wat hun in den weg stond, maar de koning hinderde hen minder dan de koningin. Zij hadden hem verwijderd, om haar des te vrijer te kunnen aanvallen. Maria begreep dit en zij zeide aan haren gezant te Parijs, den bisschop van Glasgow: â(Jod heeft ons gespaard, zoo vertrouwen wij, opdat wij deze vreeselijke misdaad streng zouden kunnen stralfen, Avant wij zouden liever alles, zelfs het leven willen verliezen, dan zulk een misdaad ongestraft te laten. ^ ij houden ons verzekerd, dat de aanslag zoowel tegen ons als tegen den koning gericht Avas.quot;
13e toekomst heeft dit voorgevoel maar al te zeer bevestigd!
_ 53 â
HUWELIJK MET BOTHWELL.
othwell was een der machtigste baronnen van het zuiden van Schotland en had hij den dood zijns vaders uitgestrekte landgoederen en groote posten geërfd.
Hij was groot-admiraal van Schotland, sheriff van Berwick, Haddington en Edimhnrg. Zijn grootvader had in 1513 Maria Stuart gered hij eene hinderlaag, haar door graaf Van Arran, op aanhitsing van Hendrik VIII, gelegd toen zij nog slechts enkele maanden oud was en had het regentschap in de handen van Maria van Lotharingen helpen stellen.
liothwell was de koningin trouw gebleven en had geen deel genomen aan de verschillende kuiperijen, tegen haar gesmeed. Hij hielp haar tegen de oproerige edellieden en trachtte haar bij den moord van Riccio uit de handen der moordenaars te onttrekken.
Wat hem vooral van het grootste deel der edellieden onderscheidde, was zijn haat tegen Engeland. Terw ijl de anderen, hetzij uit eerzucht ot' staatkunde, zich tot bondgenooten van dezen vijand van Schotland maakten, verstootte hij deszelfs goud, bestreed zijne kuiperijen en zocht zijne macht te vernietigen.
iDl
- 64 -
Hij was tie lcclijkstc man, die men met oogen zien konden liij was tevens de onaangenaamste in den omgang. Maar liij liad moed, een ondernemenden geest en gelooi'de niets verheven boven zijne eerzuclit en zijne verdiensten.
De dood van Darnley liad alom een diepen indruk te weeg gebracht. Ieder wist hoe slecht hij de koningin behandeld had en de openbare meening koesterde voor haar zeer beleedigende gevoelens. Doch het liet zich sleeht aannemen, dat eene koningin, die tot dusverre zulke doorslaande bewijzen van deugd en godsvrucht gegeven bad, zich aan zulk eene misdaad zou schuldig gemaakt hebben. Klisabelh zelve geloofde1 dit niet.
Maar zij, die belang hadden in den val der koningin, hadden middelen bij de hand, die onvermijdelijk de gemoederen tegen
haar moesten innemen.
Daar iil de navorscbingen van den geheimen raad niets uitwerkten, belool'de Maria een belooning van twee duizend pond en eene lijfrente aan dengeue, die de aanraders, de voltrekkers en medeplichtigen der misdaad zouden doen kennen. Ken naam-looze beschuldiging, op de muren aangeplakt, wees Uotbwell, Balfonr, John Spens en David Chambers als de daders aan. liet gouvernement vroeg nadere inlichtingen en bew ijzen, Ken 1 weede naamlooze brief verzekerde, dat de koningin van den aanslag wist en beschuldigde verscheidene harer bedienden.
Maria, sterk in de overtuiging harer onschuld, bekommerde zich weinig omtrent deze beschuldiging, maar de waarheid kwam niet uit zooals zij het verlangde en zooals uoodig was voor de goede zaak. De groote aandoening, de angst, de onrust omtrent bet tegenwoordige en de toekomst wierpen haar op het ziekbed.
i
â Do â
De genooslioovon gaven liaav lt;llt;'n raad liet kasteel van Edimburg te verlaten. Zij vertrok naar Seaton, dat dielit bij de stad gelegen was, t( rwijl Botbwell en Huntley in liet kasteel bleven en met liet toezicht over haren zoon belast werden.
Tntnsscben vervolgde de laster zijn weg tegen de koningin. .Men sebreet' haar daden toe, die zij niet gedaan had, en legde alles met de grootste boosaardigheid nit. Hothwell werd terzelfder tijd aangewezen als de eenige moordenaar van Darnley, en bet aanhoudend noemen van zijnen naam op aller lippen en op alle muren bewees eene vaste overtuiging ol' wel een ingeworteklen haat, die reden tot onrust baarde.
Hij doorliep de straten van Edimburg met een gewapend gevolg en dreigde den laster en de besehuldigingen te wassehen in bot bloed van degenen, die hem duri'den aanvallen.
Maria Stuart riep haren broeder Murray tot zich, om hem raad te1 vragen, maar deze hield zich meer met zijne eigen belangen, dan met die zijner zuster bezig en bleef Aveg, onder voorwendsel, dat zijne vrouw ziek was.
Botbwell werd algemeen voor den moordenaar gehouden, maar de koningin was machteloos; zij had zoo vele bewijzen van zijne trouw, zij zag in hem een steun en beschermer en moest zij niet vreezen, dat hare vijanden haar dien wilden ontrooven? Zij kon dus noch uit zich zelve handelen, noch op hen, die haar omgaven, rekenen. M urray had geweigerd zich naar Edimhurg te begeven, toen zijne zuster hem daarheen riep, en snelde er heen, toen bij vernam, dat Elisabeth Killegrew naar Maria gezonden had, om haar de beschuldigingen mede te deelen, die» tegen haar ingebracht werden. Hij stelde zich voor als wilde hij den dood
iip
Fh-'I .|_t.
y' j !
1 tl i Ir
ïfl] HJ
ii
des konings Avveken en bezocht menigmaal hen, die liij wist medeplichtig hieraan te zijn.
Intusschen werd de koningin belasterd en de prolestanten hitsten het volk tegen haar op.
Maria werd bang en verwijderde haren zoon uit Edimlmrg. Zij sloot zich op in het kasteel van Stirling, waarvan zij liet bevel gaf aan den graaf van Mar.
Terzelfder tijd schreef zij aan den graaf van Lennox en riep zijne hulp in, om de moordenaars op te sporen en te strafl'eu. Lennox aarzelde, zond den brief der koningin onbeantwoord terug, dankte haar voor haar besluit, en beschuldigde eindelijk Bothwell openlijk. De koningin deelde zijnen brief aan haren raad mede en men besloot Bothwell voor het Groot Gerechtshof te roepen. Lennox werd opgeroepen met zijne getuigen op den 12'len April.
Lennox schrikte voor de verantwoordelijkheid terug en, hetzij dat hem de bewijzen ontbraken, hetzij hij zulk een gewichtig persoon niet durfde aantasten, ging, hij niet naar Edimburg en vroeg om uitstel. Elisabeth ondersteunde dilt; verzoek.
Ten 10 ure verscheen Bothwell met Lethington en een gevolg van tweehonderd boogschutters. Meer dan vierduizend edellieden, zijne vassallen ol' vrienden, vormden een stoet, die zijnen vijanden ontzag inboezemde.
liet gerechtshof, waar Argyle voorzitter was, bestond uit vier leden en vijltien gezworenen. Bothwell werd beschuldigd als moordenaar ol medeplichtige bij den dood des konings. 11 ij verscheen, vergezeld door twee getuigen, waarvan de eene Morton, de andere waarschijnlijk Lethington was, die beiden evenveel
'li i ii
I
l
it ,ii
h
1
ii li1:; i|)i '4 \
ii ⢠i'
in
lil
i
I
1quot;»lt; â¢' ill
A--'1' i '
!l!
y[\ i. ii
belang hadden in zijne vrijspraak. Lennox werd opgeroepen. Een zijner bedienden kwam met de mededeeling, dat, daar hij zich geen genoegzaam getal vrienden kon verschaffen om zijn leven en zijne eer te beschermen, hij verzocht het oordeel uit te stellen.
De justitie eischte, dat men onmiddellijk voortging en na eenige onbeduidende verklaringen, die de zaak als een gewoon proces deden beschouwen, werd Hothwel! vrijgesproken. Hij had, zeide men, zijne afwezigheid bewezen en, als was dit niet genoeg, daagde hij ieder uit, die hem van den koningsmoord zou durven beschuldigen.
Niemand nam den handschoen tegen hem op.
De moord van Darnley bleef ongestraft.
Eenige rechters hadden de moordenaars te ontzien; de anderen waren bang. Allen waren vijandig jegens Maria gestemd en toch is het (gt;]) haar, dat men den moord en de straffeloosheid heeft willen doen wegen!
De koningin keerde na het scheiden van het parlement naar Seaton terug. O]) den zelfden dag teekenden acht prelaten en acht-en-twintig der voornaamste Schotsche heeren een verbond, waarin zij de onschuld van Eothwell betuigden en de koningin aanzetten hem bare hand te reiken tot erkenning zijner trouw en dei-dienste)!, die hij haar bewezen had, liever dan aan eenigen vreemden vorst. Zij voegden hierbij den eed, dat zij al degenen zouden vervolgen, die zich tegen dit plan zouden verklaren.
Aldus gesteund geloofde Eothwell, dat niets voortaan zijne eerzucht in den weg zou staan. Hij durfde de koningin er over spreken zonder baar nochtans te zeggen, hoever zijne hoop en zijne verwachtingen zich uitstrekten. Maria had in hem nooit
- 58 â
|i||!
tl
I
i ijlÃ
meer gezien dan een getrouw onderdaan, wiens degen haar kon zijn. Zij hoopte, dat zijn invloed de samenzweringen zou voorkomen en zijn moed ze zou onderdrukken, doch zij vermoedde geenszins welke belooning hij zou eischen.
Zij liet hem geen de minste hoop en dit verklaart de spoedige verandering en Bothwells houding.
Hij vereeni^'de zijne trouwste vrienden en verzamelde in het kasteel van Dinnbar alles wat hem gedurende eene lange» belegering dienst kon doen. Vervolgens wachtte hij de eerste gelegenheid af, die hem gunstig zou schijnen.
Deze bood zich weldra aan.
3)en 22'quot;equot; April verliet Maria Stuart Seaton om haar zoon te Stirling te gaan bezoeken. Zij vertrok van daar den volgenden dag en bracht den nacht te Lenlithgow door. Den hegal'
zij zich op weg naar Edimburg met een klein gevolg. Huntley, Lethington en James Mei vil, op wie zij meende te kunnen rekenen, vergezelden haar.
Op eene mijl at'stands van Hdimlmrg verscheen Hothwell plotseling aan het hoofd van een troep ruiters. Hij greep het paard der koningin bij den toom en zeide haar dat een groot gevaar haar bedreigde. Terzelfder tijd werd haar gevolg verstrooid en de dienstboden van Bothwell omringden haar. Men trok haar mede in de richting van bet kasteel van Dunbar, alwaar zij na een langen en snellen rit te midden van gewapende manschappen te^en den nacht aankwam.
Zij werd als gevangene behandeld, hetgeen elke verdenking van medewerking harerzijds weerspreekt, niettegenstaande alles wat de vrienden van Bothwell te Edimburg er over zeiden om
i
|l 1 m
RL
;
| ,!
:ï i
t:
«i:
i
li.
â ï i â ê\ '|il lii'-:
If
⢠Ei i.
I â
I
II
i
If -.h /f {hi
1
If. 'f
â |Bl:: l|i|
jM ±
01 â
de woede van het volk te bedaren en wat de Engelschen ver-spi'eidden om liare eer te bezoedelen.
Toon Hothwell in het kasteel kwam, had hij gezegd dat hij zijne gevangene zon huwen, goedschiks of kwaadschiks, met of legen haar zin, hetzij men er in toestemde of niet. Hij verwijderde hare kamerjuft'ers en al de dienstboden, wier trouwe genegenheid hij kende. Niemand van buiten kon tot haar doordringen en elke poging om haar raad of hulp te doen toekomen zou tevergeefs en haar noodlottig geweest zijn. Te Edimburg was zij omringd door verraders, die niets vuriger begeerden dan het koningschap te zien vallen. Te Dunbar was zij in de handen van een man, wiens stoutmoedigheid ieder kende en ontzag. Jlet kasteel was sterk, het garnizoen trouw en Both well kon de moedigsten trot-seeren.
Maria's toestand boezemde het grootste medelijden, de innigste genegenheid in. Reeds was het noodlottig voor haar, medegevoerd en als gevangene beschouwd te worden. Maar nog moest zij eene onverwachte, vreeselijke, smartelijke beproeving doorstaan, waarin hare eer schipbreuk geleden zou hebhen, als de hardste noodzakelijkheid haar gedrag niet verschoonde.
JJothwell had zich slechts van de koningin meester gemaakt om haar te noodzaken hem te huwen en aldus door haar die macht te ontvangen, waarnaar hij haakte, waarvoor hij zulke misdaden bedreven had. Hij liet zich, onder voorwendsel van bloedverwantschap, scheiden van lady Gordon, die hij veertien maanden te voren gehuwd had, en die zich gaarne in haar lot schikte. Nu bleef hem den Aveerstand van Maria te overwinnen.
Den G*⢠Mei vertrok zij, schijnbaar in vrijheid, naar het kasteel
van Edimlmrg'. Zij meende dat men haar naar Holyrood geleidde. Zij stond onder geleide van mannen, die Both well verknocht waren, die met hem verbonden en tot alles bereid waren.
Van den 2 fcquot;quot;11 April tot den 15'1equot; Mei, den dag van haar huwelijk met Bothwell, stond zij voortdurend in de macht van haren schaker. Zij heeft aan den bisschop van Dumblanc alles medegedeeld, wat zij onder de bewaking van Bothwell kon mede-deelen, en men veronderstelt wat er in het geheim te Dunbar en te Edimburg is voorgevallen. Eerst waren bet betuigingen, klachten, verwijtingen, bedreigingen, vervolgens begon zij te smeeken. Deze gewelddadige oplichting was eene beleediging, haar als vrouw en koningin aangedaan.
Bothwell trachtte haar te bedaren; hij wierp alles op de noodzakelijkheid, waarin hij verkeerde van aldus te moeten bandelen, om zich aan den baat zijner vijanden te onttrekken.
Hij bad h aar noodig en als zij in zijnen wil toestemde, zou zij baar persoon en haar koninkrijk redden. Indien hij de eer-zuchtigen, wier misdadige plannen hij niet kon beletten, niet voorkwam, zou hij door hen in het verderf gestort worden.
Op dit oogenblik kwam hij met het besluit te voorschijn, waardoor de edelen zich verplichtten zijne aanmatiging te steunen. Zij, die zijne zaak voorstonden, zouden ook het gedrag der koningin goedkeuren. Wat kon Maria doen? Zij boog voor den dwang en niets mag ons doen veronderstellen, dat zij aan eene neiging des harten gehoorzaamde. Wat men hieromtrent ook moge gezegd hebben, is van allen grond ontbloot. Zij wist niets van het complot tegen Darnley en heeft het bijgevolg niet goedgekeurd; door verraders omringd, kon zij noch van de openbare meening
ivkcnsclmp vra^cm, noch voovzorgen nciucMi om hare eer en hare vcili^hoid to vrijwaren. In volle vertrouwen op Both well, wiens eerzuchtige plannen en ondeugden haar onbekend waren, kon zij de schaking, waarvan zij het slachtoffer werd, noch veronderstellen, noch er zich aan onttrekken.
Niets had van hare zijde dit ongelukkig huwelijk voorbereid en niets geeft recht te veronderstellen, dat zij er toe besloten heel't door eenige andere reden, dan door de volstrekte onmogelijkheid om anders te handelen.
En niet slechts verkreeg Mothwell hare inwilliging, maar hij eischte nog, dat het huwelijk spoedig zou gesloten worden. Maria had gehoopt, dat de man, die zich van haar meester had gemaakt, ten minste zóó lang uit zou stellen, dat de openbare meening er zich niet over zon ergeren en zij zelve niet over dezen haast moest blozen. Maar in haar ongeluk had zij zelfs dezen troost niet.
Mothwell haastte zich, opdat zijne vijanden den tijd niet zouden hebben met elkander te beraadslagen. Hij wilde hen onmiddellijk voor een voldongen feit plaatsen.
âZoowel,quot; zegt de koningin in een schrijven aan den bisschop van Dumblanc, âals bij door eene snoeverij bet eerste punt verkregen had, hield hij niet op voordat hij ons, door kracht van overreding en lastig aanhouden, met gewelddadigheid vergezeld, gedwongen had te voltooien wat hij begonnen had en dat op een tijd en op eene wijze, die hij het best met zijn belang meende te strooken.quot;
Bothwell had niets verzuimd om het huwelijk als dringend noodzakelijk voor te stellen en de vijanden der koningin moesten dit zeiven bekennen. Zeker ware de weerstand tot den dood toe
beter voor liaar geweest, maar iil kan men de lieldhalli^lieid bewonderen, zoo laat zij zich niet gebieden. Vreeselijk moet Maria geleden hebben, alvorens datgene, wat zij als eerloosheid beschouwde, aan te nemen; haar leven was, zoolang zij in Both well's handen bleef, eene echte foltering. Haar verleden, haar verheven geest, de kiesebbeid van haar hart blijven hiervoor borg en vragen meer ons medelijden dan onze veraebting; de gedachte aan baren zoon, wiens rechten zij ten minste kon bandhavon, eischte van baar ditzelfde offer.
Zij was dus veelmeer het slachtoll'er dan de medeplicbtige van Botbwell. In baar leven, overigens zoo rein en zoo scboon, zoo veelbewogen en zoo ongelukkig, is bet eene zwakheid, maar geen misdaad.
Den Mei 10(57 werd bet buwelijk in de kerk van St. Gilles door l)r. Craigb afgekondigd. Hij had, na eene eerste weigering, de handteekening der koningin geëiscbt, die hem gebraebl werd met de verzekering, dat zij niet meer in gevangenscbap was.
Maar ondanks de bedreiging van Botbwell verklaarde Craigb niettemin, dat dit buwelijk een schandaal was voor de gedunde wereld.
Maria Stuart verliet bet kasteel van Edimburg en werd onder zware bewaking naar llolyrood overgebraebt. Zij verklaarde voor bet Hoog Gerechtsbof, dat, boewei zij grootcdijks verbitterd was over de wijze, waarop Botbwell zicb jegens haar gedragen had, zij hem vergaf in aanmerking zijner vroegere diensten.
Zij had toen wraak moeten vragen, in plaats van hem te vergeven. Dit huwelijk is de eenige vlek op het leven van Maria; en hoe diep heeft zij deze fout betreurd en geboet!
Don 1 r),lequot; Moi, ten viov uvc 's moi-^ons, werd liet huwelijk in de raadzaal te ITolyrood volgens don protestantsclion ritus gesloten. Mai'ia zeide, hiervan sprekend*»; âHij lieet't noch onze inwilliging gevraagd, noch gezocht wat ons verlangen was, ons, die in het kalholiek golool' opgevoed zijn en het nooit willen verlaten noch voor hem, noch voor iemand anders. Inderdaad, hierin hebben wij gefaald.quot;
Schotland nam door geen enkel leest, door geene enkele vertooning deel aan eene gebeurtenis, die toonde hoe diep het gezag vervallen was en welk medelijden het gevoelde met eene koningin, die het zoo innig beminde.
Dit noodlottig huwelijk werd voor Maria eene bron van tranen en de oorzaak van hare ongelnkken. Op den dag van haar huwelijk vond men haar in droefheid en tranen. âIk bemerkte,quot; zegt de Fransche algezant, âtusschen haar en haren echtgenoot eene vreemde verhouding. Zij wilde dit verbloemen, zeggende, dat, als ik haar treurig zag, dit slechts kwam, omdat zij zich niet wilde verheugen en slechts naar den dood verlangde.quot;
Bothwell, die zich nu van zijne prooi verzekerd zag, gal' den vrijen teugel aan zijn karakter. âGisteren nog,quot; schreel' de Fransche afgezant, âwas zij in een kabinet met Bothwell en riep luide om een mes, om zich tc verdedigen.quot; â âDeze rampzalige,quot; verhaalt Melville in zijne gedenkschriften, âbehandelde de koningin met zulke minachting, was ten haren opzichte zóó brutaal en achterdochtig, dat hij haar geen dag met rust liet en waarop zij geene overvloedige, bittere tranen stortte.quot; Eene groote oorzaak van twist was de jonge kroonprins, waarvan Bothwell zich meester wilde maken en dien Maria hardnekkig weigerde hem over te
- (J6 -
geven. De rampzalige durfde openlijk verklaren, dat, als hij den jongen maar eens in handen had, liij hem wol zou beletten zijn vader te wreken. Maria was dus wel op hare hoede lmi vond een middel om in het geheim den graaf van Mar, gouverneur van den prins, te doen bevelen haren zoon nooit in andere handen dan in de hare over te geven.
De arme koningin werd zoodanig beproefd, dat hare gezondheid er zichtbaar ouder leed. Verscheidme personen verklaarden, dat zij buiten eene zware ziekte nooit iemand zoodanig veranderd hadden gezien in zulk een korten tijd. En wat kon zij anders doen dan in stilte lijden en geduldig het kruis dragen, dat liet geweld haar had opgelegd. Deze handelwijze was de wijsto en waardigste en Maria verloochende zicii daarin niet.
DE VAL.
ntler de tachtig heeron, die het verbond van Both well geteekend hadden, bevonden er zieli eenigen, die, niet van het moordplan onderricht, slechts uit welwillendheid, uit vrees of eigenhclang onderteekend hadden; maar toon zij hemerkten, dat, ondanks hunne verklaring van onschuld, het openhaar gevoelen hen als medeplichtig hegon te heschouwen, toen zij vernamen, dat Botlnvell zieh met geweld van de koningin had meester gemaakt, kregen zij herouw en dachten aan middelen om Botlnvell zijne macht te ontrukken. Men beraamde het plan de eehtgenooten te Borwack te gaan overvallen.
Bijtijds gewaarschuwd stegen de koningin en haar echtgenoot te paard en redden zich door eene overijlde vlucht naar Dmnhar. De saamgezworenen sloegen toen den weg naar Edimhurg in en traden daar als overwinnaars binnen.
Zij maakten dadelijk eene proclamatie openhaar, waarin zij den graaf beschuldigden Darnley vermoord, de koningin met geweld geschaakt haar gedwongen te hehhen hem te huwen on zich te willen meester maken van den kroonprins, om ook hem te dooden, zooals hij zijn vader gedood had, ten einde
zich van liet bestuui' meester te maken. Botlnvell verzamelde zijne aanhangers en trok met hen op naar Carhorry IIill, dicht hij de hoofdstad.- Daar hevondcii zich vele opstandelingeu. 1)(! heide legers bleven elkander tegenover slaan van 's morgens negen nnr tot aan den nacht. De Fvansclie afgezant stelde zich als middelaar. De koningin, zegt men, had het teeken tot den aanval willen geven, maar onder de velen, die gereed waren de wapenen voor haar op te nemen, waren er weinigen, die voor liaar wilden strijden. Zij wist, dat llainilton haar met een leger ter liulp wilde komen, maar hij was nog ver al'.
De koningin hood toen eene algemeene amnestie aan de muitelingen, op voorwaarde, dat zij zich zonden verspreiden. Men antwoordde door het verzoek, dat zij zich aan den adel zou overgeven en Bothwell aan hunne w raak zou overlaten. Zij w ilde hierin niet toestemmen.
Bothwell daagde Morton of ieder, die hem zou heschuldigen, ten tweegevecht uit; dit werd aangenomen, doch nu Bothwell op het woord genomen werd, vond hij een uitvlucht. Door kracht van bemiddeling bracht men het zóó ver, dat Bothwell zich zou verwijderen en de koningin naar Edimhurg zou terugkeeren.
l)e muitelingen lieten haar zeggen, dat zij als vorstin ontvangen, behandeld en gehoorzaamd zou worden.
Is adat Bothwell vertrokken was gaf zij zich over aan Kirkaldy de Grange, die haar te midden der saamgezworenen geleidde. Morton boog de knie voor haar en zeide in naam zijner gezellen: âMevrouw, hier is uw e plaats en uw e edellieden zullen n met de grootste toewijding dienen.quot; Deze woorden bleken weldra slechts een bitteren spot te zijn, want het plan, haar van den troon te
- G'J â
stooten, was reeds gcMimakt, on het is duidelijk, dat zij Bothwell lieten loopen, omdat zij Verplicht geweest zouden zijn liem Aroor liet gerecht te stellen en hij niet in gehreko zou gebleven zijn Murray, Morton, Maitland en de anderen aan te klagen.
Eenige dagen later hielden de gezworenen zich, als wilden zij Hof li well vervolgen, ten einde het gemor te doen ophouden van het volk omtrent de strall'eloosheid, die men hem verleende. Men wist dat hij te Lerwick aan de zeekust een verblijf had gezocht en Kirkaldy de Grange werd met twee schepen van Edimburg algezonden. liet schip, dat Bothwell droeg, voer de baai uit, toen Kirkaldy de Grange er invoer. Daar hij in Schotland niet meer durfde terugkomen en vreesde aan zijne vijanden uitgeleverd te worden, oefende liothwell eenigen tijd het ambacht van zee-roover uif. Dat bekroonde waardiglijk zijn leven. De Deensche schepen vielen hem aan en hij werd in het kasteel Malmay opgesloten. Hij stierf daar in 157(5 en men verzekert, dat hij op zijn doodsbed zich schuldig erkende aan den dood van Darnley, M urray en Morton als zijne medeplichtigen noemde en verzekerde, dat de koningin Maria Stuart volkomen onschuldig aan de misdaad was geweest.
Nauwelijks was er een uur verloopen of de koningin bemerkte, dat zij gevangen zat. I5ij haar intrede in Edimburg werd zij door eene woedende volksmenigte ontvangen, die de hevigste verwenscbingen tegen baar uitbraakte en een vaan voor baar zwaaide, waarop het lijk van haren man afgebeeld was, waarvoor haar zoon knielde, met het opschrift: âO mijn God, wreek mijne zaak!quot;
Maria meende dat men haar naar het paleis ging geleiden.
- 70 -
maar men Imiclit haar, of liever men sloot liaar op in eene kanuM1, niet liet verbod met iemand hoegenaamd een woord te Avisselen. Gedurende twee en t\\inlilt;;' uren was de ongclulvldge koningin blootgesteld aan den grootst en angst. Van af de straat zag men haar met hangende baren en verscbeurde kleederen aan de vensters en boorde men baar ben, die haar booren konden, smeeken, baar ter hul]) te komen. De saanige/.woreneii behandelden haar aldus, om bet volk in den waan te brengen, dat men baar feitelijk bescbouwde als de moordenares van baren man en aldus den argwaan van limine eigene hoofden te verwijderen.
Zoodra Elisabeth vernam, wat er gebeurd was, toonde zij zich zeer verbitterd. De beleediging, aan de koningin van Schotland aangedaan, trof alle vorsten en verdiende eene voorbeeldige kastijding, waaruit alle volkeren leeren Iconden, Avelken eerbied zij aan hunne opperhoofden schuldig waren. Zij zond dadelijk haren gezant Thrickmorton naar Schotland, met opdracht de onmiddellijke invrijheidstelling van Maria te eiscben, de koningin te verzoeken den schuldigen te vergeven en dringend te vragen, dat de kroonprins aan zijne meter werde toevertrouwd en onmiddellijk naar Engeland werd gezonden, alwaar zijn leven niet in gevaar zou zijn,
Dit was missehien de enkele keer, dat Elisabeth oprecht was en ongelukkig maakte de valsche Burglev den goeden wil zijner meesteres vruchteloos.
De muitelingen bemerkten bij de burgers eene terugkeerende genegenheid voor Maria Stuart, waarschijnlijk opgewekt door hunne barhaarscbe behandeling, en besloten Maria uit de hoofdstad te verwijderen : bet eenigc middel om de reactie te vermijden.
's Avonds ten negen uur, daags na den dag, waarop Morton liaar geknield beloofd liad, haar ie zullen dienen en gehoorzamen, werd zij naar llolyrood gebracht, vanwaar men haar een uur later zonder gevolg naar het kasteel van Lochleven dat midden in een meer gedegen is, overbracht. Morton reed te paard naast de koningin, graaf Amol aan de andere zijde. Op eenigen afstand van Ediinburg gekomen, vertrouwden zij haar aan de bewaking van Lindsay en Rntlnen, die haar tot aan hare gevangenis geleidden, liet kasteel behoorde aan William Douglas, halve broeder van Murray.
De heeren maakten nu drie akten op, welke zi j der ongelukkige koningin verplichtten te teekenen. Door de eerste verplichtte zij zich afstand van den troon te doen, ten gunste van haren zoon. Door de tweede benoemde zij Murray tot regent en door de derde benoemde zij een Raad van Bestunr ingeval van afwezigheid of overli jden van den regent. Lindsay trad plotseling bij de koningin binnen, bood haar deze drie akten aan en beval haar die te teekenen, wilde zij niet op het schavot ter dood gebracht worden, als moordenares van haren man!
De ongelukkige vrouw smolt in tranen, maar deze tranen trollen den ongevoeligen Schot niet, zoodat zij, haar leven bedreigd ziende, de pen greep en teekende. âZij hebben gedreigd mij te dooden, indien ik niet teekende,quot; schreef de koningin zelve eenigen tijd daarna.
De prins werd gezalfd en gekroond en Murray haastte zich uit Frankrijk terug te keeren, waarheen bij zich vóór het proces van Bothwell begeven had; maar alvorens het regentschap te aanvaarden ging hij de koningin in hare gevangenis bezoeken,
- 72 â
â 1 III
ten einde te kunnen zeggen, dat zijne zuster hem gesmeekt had het hestuur te aanvaarden.
Murray was alles aan de koningin verschuldigd. Zij had hem zijn opstand vergeven en zijne ondankbaarheid door weldaden vergolden. Zij geloofde een oogenhlik, dat een gevoel van liefde hem tot haar terugvoerde, en een straaltje hoop drong in haar hart. Maar te vergeefs ontving zij licin niet teederheid, toonde hem haar lijden, hare smart. Murray wapende zieh met gestrengheid, deed haarde hardste verwijtingen, de wreedste hedreigingen, en iiij, de ellendige moordenaar van Darn ley, durfde zijne zuster met het schavot en het llooge (ierechtshot' hedreigen. Den volgenden dag hezocht hij haar nogmaals, en thans scheen liij medelijden met haar te hehhen, en de arme Maria had hem het hestuur uit hare handen te aanvaarden als het eenige middel, zeide zij, om haar en haren zoon het leven te redden. Murray liet zieh lang hidden en hield zich als deinsde hij terug voor die macht, Avaarnaar hij zoo zeer gehaakt had. In zijn schrijven aan de gezanten zorgde hij vooral te laten uitkomen, dat hij, door de tranen en het smeeken zijner zuster aangedaan en vooral om haar te gehoorzamen, den zwaren last der regeering had aan-arenomen. De twist en wanorde bleef intusschen steeds voort-
O
duren.
De koningin zuchtte nog steeds in eene harde gevangenschap onder de jaloersche bewaking van lady Douglas en het strenge toezicht van lord Douglas, eigenaar van Lochleven. Daar scheen Maria door de heele wereld verlaten. Dit was echter het geval niet. Hare schoonheid, bare minzame manieren oefenden eene macht uit, die hare vijanden haar niet konden ontnemen. George
hl
t r
. II
|lji f
l|l li
II
i
; w
li I if
'li
%
li:
- 73
1
Douglas, broeder van lord William, door medelijden getroffen bij bet zien van zooveel ongelukken en door bet medelijden tot een meer teeder gevoel verleid, ondernam ten koste van zijn eigen leven de boeien der edele gevangene te verbreken. In een dorp der nabunrscba}) bevond zich een trouwe dienaar der koningin. Beton genaamd. Met dezen verbond bij zieli en zoodra zij hunne maatregelen genomen badden, braebten zij eene wasebvrouw in dt» kamer der koningin, die zieb onmiddellijk kleedde in eene verkleeding, door deze vrouw medegebracht, een pak linnengoed op baar hoofd bond, gelukkig het kasteel ontkwam en zich in de boot plaatste. Maar helaas, de ongelukkige werd berkend en teruggevoerd. George Douglas moest vluchten, om zich aan den toorn zijns broeders te onttrekken. Hij vertrouwde de onderneming aan een zestienjarigen wees, dien men om die reden den kleinen Douglas noemde.
Lady Douglas en sir William verdubbelden hunne waakzaamheid; de eerste deed zich eiken avond, terwijl zij haren avondmaaltijd nam, de sleutels brengen en zorgde ze mede te nemen naar hare kamer.
Yijt' weken waren sedert de mislukte vlucht verloopen; men mistrouwde het kind niet en de sleutels werden geregeld bij liet souper van lady Douglas op de tafel gelegd.
Het kind wierp behendig bij het opruimen der tafel een servet over de sleutels, ging de koningin roepen, benevens hare trouwe Kennedy, geleidde haar veilig tot buiten het kasteel, dat hij vast toesloot, wierp de sleutels in het meer, deed de beide vluchtelingen in eene boot stijgen, die bij sedert twee dagen gereed hield, en met krachtige riemslagen roeide bij ze veilig naar het strand, waar George Douglas en Beton haar verwachtten.
Maria g'ini^ den nacht te Nedry in oen Imis van lord Seaton doorbrengen on den volgenden dag bogal' zij zich naar liet kasteel van Hamilton. Daar was hare eerste daad de akte van troonsafstand te herroepen, die men haar in de gevangenis afgeperst had.
Do tijding, dat de koningin ontsnapt was, verspreidde zich hliksomsnel door Schotland en werd alom met geestdrift ontvangen. Het Schotscho volk zag wel dat Morton, Maitland en de andore lords Eothwoll slechts hadden willen doen vallen, om zich van zijne hozittingon meester te maken en dat Murray zijne zustor slechts had heschuldhjfd, om in den naam van een twaalfjarig kind te rogoeren. Het volk herinnerde zicii de schoonheid, de goedheid van Maria en haar ongeluk sprak ten haren gunste.
Do koninklijke partij snelde van alle kanten toe op de stem dor koningin, die zich na enkele dagen aan het hoofd zag van een talrijk leger; negen graven, negen bisschoppen, achttien lords en een groot getal edele hoeren boden haar hunne diensten aan.
Toon vernam de koningin de volle waarheid met betrekking tot den moord van Darnley. Ook bood zij baren broeder aan, om het voorwerp van hunnen twist aan oen vrij parlement te onderworpen en ieder, die hij van den moord van haar gemaal zou beschuldigen, aan bet gerecht over te leveren, op voorwaarde dat hij hetzelfde wilde doen ten opzichte van al degenen, die zij zou beschuldigen. Murray bevond zich toon in (llasgow. Morton en Maitland, zeer in bet nauw gedreven, doden al de aanhangers van Al aria als verraders aanklagen, en Murray was vast besloten zijne verovering te handiiaveu. Door Morton en Korkaldy gevolgd, legerde hij zien op do heuvelen van Longside (1.'5 Mei), waarlangs do koningin moest passeeren om zich naar Dumbarlow te begeven.
De troepen van graaf Hamilton, die de voorhoede van het koninklijk leger vormden, slechts naar hnn ijver luisterende, drongen vooruit om zich een doortocht te hanen. Hun aanval was krachtig, de verdediging hardnekkig, maar de overwinning bleef onheslist. Morton dwong ze zich te verklaren, door de koninklijken ter zijde aan te vallen. De krachtig uitgevoerde beweging besliste de zegepraal. Het koninklijk leger werd volkomen in wanorde gebracht.
Van af het kasteel van Crookstone zag Maria Stuart het treurig lot van haar leger, en vreezende in de handen baars broeders te vallen, sprong zij onmiddellijk te paard, door lord Herries en enkele getrouwe dienstboden vergezeld, en reed zonder een oogen-blik te rusten tot de abdij van Dundrennau, zestig Engelsche mijlen (ongeveer twintig onzer mijlen) van het slagveld verwijderd. Zij werd krachtig vervolgd, maar men kon haar niet inhalen. Daar stond zij, koningin zonder kroon, door de snelheid van haar paard gered, maar wat baatte het haar? De pijl, voor het dier bestemd, had het hart zijner meesteres tot in het diepst getroffen!
Zoodra het avond werd steeg zij weder te paard en verwijderde zich verder en verder, en den volgenden morgen deelde zij hare aanhangers mede, dat zij het besluit genomen had een toevluchtsoord te vragen aan hare goede zuster van Engeland.
Te vergeefs zochten hare vrienden haar van dit noodlottig besluit af te brengen. Zij brachten haar alle punten van oneenig-heid, die tusschen haar en de koningin van Engeland bestonden, in het geheugen, de kwade trouw, die zij voortdurend aan den dag had gelegd, de hulp, die zij steeds aan Maria's vijanden verleend bad. Alles te vergeefs! Maria bleef onwrikbaar; het was als stuurde eene onzichtbare hand haar in 't verderf.
De aartsbisschop van St. André bad haar, g(dvniol(l, tocli niet te volharden in een besluit, waarvan liij zulke noodlottige govolj^en verwachtte. Maria toonde zich overt uigd, dat zij volgens de brieven, haar door Elisabeth geschreven, in Engeland rust, bescherming en welwillendheid zou vinden. Lang te voren had zij van Elisabeth een diamanten ring ontvangen, met de verzekering, dat deze ring tusschen de beide zusters een teeken van bondgenootschai) zou zijn en dat, als de koningin van Schotland zich ooit in nood mocht heviuden, zij haar dezen ring slechts behoefde terug te zenden. Deze partij koos Maria. Beton vertrok naar Londen met de zending, de koningin dezen ring te overhandigen, en intusschen trok Maria de Soleway over in eene visschcrsschuit en kwam bijna alleen in de haven van Workinghouse aan (10 Mei), vanwaar zij zich naar Carlisle begal'. Nauw is de ongelukkige koningin ontscheept ol' zij haast zich Elisabeth hare aankomst in Engeland te berichten en haar te verzoeken haar zoo spoedig mogelijk te laten halen. Zij stelt Elisabeth haren toestand voor sedert den moord van Riccio, de beschuldiging, die men op haar heeft durven werpen, hare inhechtenisneming, hare gevangenschap, de afstand van de kroon, waartoe men baar gedwongen heeft, en smeekt Elisabeth medelijden te hebben met hare armoede en ellende.
DE DUIF IN DE KLAUWEN VAN DEN ROOFVOGEL.
trouwen stelt in hare mededingster Elisabeth en van haar hulp en bescherming hoopt?
Hare aankomst in Engeland werd door Burgley als eene groote zegepraal beschouwd; de zoo lang begeerde prooi kwam zich vrijwillig in zijne netten werpen. Zij mocht zich daaruit niet losmaken, maar hoe kon hij aan zijne vijandelijke plannen een schijn van recht geven? Dit werd een zwaar punt van overweging in den raad Cecil en Walsingham brachten menigen slapeloozen nacht door.
Wat wilde Elisabeth? Dit ware moeielijk te zeggen, want zij veranderde zóó dikwijls van besluit, dat men gerust mag zeggen, dat zij nooit langer dan één dag bij hetzelfde bleef.
In do verbannen vorstin, die baar eene schuilplaats komt vragen, zal zij niets anders zien dan eene hatelijke mededingster, die recht heeft op hare eigen kroon, die haar in schoonheid overtreft, die jonger is dan zij, die een zoon heeft, die waarschijnlijk baar op den troon van Engeland zal opvolgen. Zij zal Maria dus niet als vriendin ontvangen. Zij zal Cecil laten han-
ie verwondert zich niet, dat Maria Staart aldus haar ver
- 80 -
drlcMi en zij zal alles goedkeuren, als liij den schijn maar redt, en hiervoor was Cecil de rechte man.
Hij begon mei Maria te doen weten, dat Elisabeth haar best zou doen haar hare kroon terug te geven, als zij verzaakte aan elk ander verbond, vooral met Frankrijk. In dit geval zou zij trachten hare onderdanen, zonder bloed te storten, tot onderwerping aan hunne wettige vorstin te brengen, doch de koningin moest, wilde zij dit verkrijgen, beginnen met zich te zuiveren van de beschuldiging, die op haar rustte. Maria nam dit gaarne aan en vroeg een gehoor bij Elisabeth.
Dit viel niet in den smaak van Cecil. Eéne bijeenkomst der koninginnen kon voor Murray en zijne eedgenooten de zwaarste gevolgen hebben, en de scrupuleuze minister deed de scrupuleuze Elisabeth begrijpen dat eene iiiiKtydcHjl-c koningin, zooals zij, in hare tegemvoordiglieid geene koningin kon toelaten, die van echtbreuk (mi moord beschuldigd werd, en Elisabeth gal' gaarne aan deze reden toe. Maria moest eerst door een raad van Hngelschen vrijgesproken worden. Men bad recht dit te eischen, want sedert Eduard 11 was de kroon van Schotland van die van Engeland a i'hankelij k.
Maria Stuart beantwoordde Cecil's drogredenen zegevierend. Zij verklaarde, dat zij onafhankelijke koningin was en dat zij van plan was naar Schotland of naar Frankrijk te gaan, Maar het was reeds besloten, dat Maria Engeland niet meer zou verlaten. Eerst ontweek men haar verzoek en eindigde met het haar te weigeren.
Toen betreurde' Maria, maar te laat, den raad van den aartsbisschop van St. And ré niet gevolgd te hebben, maar er bleef
6
- 81 -
liaav 111(^8 anders ovon- dan zich te onderwerpen. Zij beklaagde zich krachtig en met bitterheid aldus bedrogen geworden te zijn. liet was slechts na de 1'ormeele verzekering, haar door Elisabeth gegeven, toen zij nog te Locbleven gevangen was, dat zij bepaald had zich naar Engeland, in plaats van naar Frankrijk te begeven, en zij drong er op aan dat men haar hare vrijheid terug zou geven.
Maria Stuart beklaagde zich met recht, maar hare klachten bereikten Elisabeth slechts door den onwaardigen Cecil; zij werd niet aanhoord. De ongelukkige wist nog niet, dat tusschen haar en den eerloozen minister van eene valsche koningin een strijd op leven en dood verklaard was. En daar zij van uit Carlisle nog gemakkelijk kon ontsnappen, besloot men, dat zij onmiddellijk naar Bolton gevoerd moest worden.
Om dit onrechtvaardig besluit voor het oog van het publiek te wettigen, gaven de ministers voor, dat Maria hij haar eerste huwelijk haar recht op den Engelschen troon bad doen gelden en dat zij, indien dit voorviel, zeker het Protestantisme in Engeland zou verdrukken.
Dit was niet genoeg. De Engelsche predikanten wilden dat de koningin van Schotland 'een proces werd aangedaan, omdat zij daarin stol' hoopten te vinden, zoo niet om haar te doen veroor-deelen, ten minste haren goeden naam te bezoedelen.
Maria verwierp dit voorstel als beneden hare waardigheid; Jiurgley vond toen een ander middel uit, dat betzeU'de uitwerksel moest hebben. Hij stelde voor, bet proces aan te doen niet aan de koningin, maar aan bare vijanden, voor eene commissie, uit Engelschen samengesteld. De stad York werd aangewezen als de plaats, waar de conl'erentiën plaats moesten hebben.
-aa -
Maria Stuart stoiudo slechts toe in deze cont'erentiën nadat men haar pleclitig' l)elool'tl had, dat men iiaar na liet sluiten dezer oj) den troon zou herstellen. Eene dergelijke belofte in omgolveerden zin werd aan Murray gedaan.
Don 2(istequot; Januari 1569 werd Maria, ten gevolge van een rapport, waarin Murray Burgley mededeelde, dat de koningin van Schotland volstrekt den moed niet verloren had en op hare vrienden rekende, die alles tot hare bevrijding wilden in liet werk stollen, naar Tutburry overgebracht.
Zoodra zij dit plan vernam, verklaarde zij, dat men haar slechts met geweld zou doen vertrekken. Men beval, ingeval van verzet, haar met hare dienstboden weg te voeren. Het was bitter koud, de sneeuw lag hoog en Maria was ongesteld. Zij werd met lady Levingstone in eene draagkoets geplaatst. Hare kamer jutters reisden te paard; eene talrijke en strenge wacht belette elke poging tot vluchten. Na vier dagen reizens moest men stil houden en eerst tien dagen later kwam de gevangene ziek en uitgeput in bare nieuwe woning.
Het kasteel van Shrewsbury lag in een treurige en ongezonde streek. Het was door dikke muren en een breede sloot omgeven en versterkt door torens, met talrijke kanonnen bewapend. De graaf on de gravin waren belast de koningin van Schotland in liet kasteel te ontvangen, of beter gezegd le bewaken. Elisabeth was niet blind geweest in hare keuze. Zi j wist dat zij op Shrewsbury kon rekenen.
Maria berustte echter in haar lot. Daar zij geen katholiek priester kon krijgen, was zij verplicht de protestantsche predikatie te aanhooren, waarnaar zij slechts luisterde om ze te kunnen
Avwi'lcggon. Zij hield zich veel bozig met hot vervaardigou van liaiulwoi'lxon, waarin zij zeer hedrcvcn was. Twoe schildwachten waakten steeds voor hare vensters en de graaf en de gravin waren heiast haar ten strengste te hewaken, want men vreesde dat zi j door hare geestigheid en de minzaamheid, waardoor zij aller harten wist te winnen, een middel zon vinden om te ontsnappen.
Den l()''uquot; Eehrnari schreef zij een hrief aan Elisabeth en eindigde met een bijna onleesbaar post-scriptnin: âGelief te verschoonen, dat ik zoo slecht schrijf, want mijn verblijf is onbewoonbaar en de konde veroorzaakt mij verkoudheden en hoofdpijnen.quot;
In April werd zij naar Winglield vervoerd, waar zij vijfmaanden doorbracht. Deze gedurige veranderingen waren slechts het gevolg van Elisabeth's luimen; zij konden den toestand der ongelukkige Maria niet verbeteren, maar dienden slechts om haar te verontrusten, haar alle hoop lt;e benemen en hare toegenegen vrienden te ontmoedigen.
Den l(.)'lequot; September werd zij naar Tutlmrrv teruggebracht. Elisabeth hield zich als vreesde zij een groot gevaar. Men zond allenvege soldaten, sloot de havens, en scheen een inval te land en ter zee te vreezen.
Maria toonde omtrent dezen tijd groote vrees voor haar leven en plaatste zich onder de bescherming van graaf Shrewsbury en van La Motte Fénélon, den Franseben gezant, wiensge negenheid en trouw zij menigmaal ondervonden had. Een barer bewakers, graaf Huntingdon, had zóó veel belang bij haren dood, dat de vrees van het arme slachtolTer maar al te zeer gegrond was.
In November werd Maria van Tutburrv naar Sheflield gevoerd.
t O
Dit was een ander kasteel van graaf Shrewsbury, die liare gezondheid zag kwijnen en begreep, hoezeer zij noodig had eene andere luelit in te ademen. IIij was vast besloten Elisabeth trouw te blijven, maar de toestand der gevangene trol' hem zeer. IIij beschouwde zich verantwoordelijk voor haar leven en traditie haar leed zoo veel mogelijk te verzaehten. In Shellield bracht de koningin het grootste deel harer gevangeuscha]) door; zij werd daar ernstig ziek en liet dadelijk den bissch()|) van [toss roepen.
Zoowel als haar lichaam, leed hare ziel wreedelijk door hetgeen men haar omtrent de woorden en de gevoelens van haren zoon mededeelde; dit veroorzaakte haar meer leed dan hare gevangenschap. Zij herstelde weldra, want zij was, helaas! tot grooler lijden bestemd!
Toen Maria den kardinaal van Gnise haar achterstallig inkomen vroeg wegens hare armoede, scheen Klisabeth door mededoogen bewogen en zond baar twee oude hemden, twee paar schoenen en twee stukken zwart fluweel!!!
Men beschrijlt hare gevangenis te 'l'utbnrrv aldus: âliet was een bouten huis, dat vroeger tot jachtslot diende, geleyeu opeen hoogen berg en door een zeer hoogen muur omringd, die alle zon buiten sloot. Maria had voor zieh en hare kameniers slechts twee kleine kamertjes; de gespleten muren lieten den wind vrij doordringen, en ondanks de schermen, gordijnen en dekens kon de koningin de koude niet weren. Er was geen enkele plaats, waar men zich vrij bewegen kon, behalve twee kleine hokjes van zeven voet in het vierkant, die op den muur uitzagen. Het huis was gevuld met wachters en knechts, die op elkaar gepakt stonden. De privaten, onder de vensters der koningin gelegen.
vcrspiridden ecu af'scliuwclijkcM reuk, Avaai'van niets haar kon bevrijden.quot;
Gedurende de onderhandelingen, die hare vrijheid ten doel sehenen te liebhen, werd hare gevangenschap steeds drukkender. Zij leed zeer veel door rhumatische pijnen en kon niet meer te paard rijden. Zij meende, de arme, dat er een complot tegen haar leven gesmeed was en men haar wilde vergiftigen, en daarom nam zij alle voorzorgen, hoewel zij zeer weinig aan het leven gehecht was. Maar zoon en hare onderdanen lagen haar veel meer aan het hart!
Ten gevolge van eene poging tot vluchten, door een zekeren Rudolph gedaan, werd de gevangene nog strenger bewaakt. l)e graaf van Shrewslmry verklaarde haar, dat men voortaan slechts tien mannen en zes vrouwen tot harem dienst zoo geven, dat zij in het kasteel opgesloten zou worden en dat noch zij, noch iemand der haren eenig verkeer met Schotland mocht hebben.
l iet verlies harer dienstboden viel haar zeer smartelijk, Zij had behoel'te aan liefde en vriendschap en had die bij hen gevonden. Zij had ze aan zich gehecht door hare minzame manieren en vooral door haar ongeluk. Het afscheid was hartverscheurend; zij vermaande hen dringend steeds trouw te blijven aan de ware Kerk, aan haren zoon na haren dood en God Aroor haar te bidden.
En als zag zij haar naderend einde tegemoet, smeekte zij Elisabeth, om met een Franschman over hare zaken te mogen spreken, een katholiek priester bij zich te mogen hebben en uit medelijden met eene moeder, die men haar eenigst kind, haar dierbaarst kleinood ontnomen heeft, haren zoon te mogen schrijven en brieven van hem te mogen ontvangen.
.
â ' ; v: i 8 M |
.
'
-^quot;M
I quot; ^quot;' quot; 1
ffi8 â ' P«S
Afscheid van Maria eu hare dienstboden.
Zij word weder /iek. Haar lijfarts, die niets liad om haar te A^erzorgen, gat' dit te kennen, maar zijne brieven bleven onbeantwoord. Hij verkreeg slechts, dat /.ij in de groote zaal en op het plein mocht wandelen, onder strenge bewaking.
De herhaalde beden van Fénélon bij liet Fransche Hof bleken volkomen nutteloos en werden /.(dis lastig.
Toen de hertog van Norfolk en de bisschop van l!oss in den 'Power opgesloten werden, gevoelde de koningin daarover groot verdriet; baar toestand werd hierdoor nog pijnlijker en zij liet aan Elisabeth verlof vragen zieh naar de b:ulen te begeven, ten einde eenige verlichting in hare pijnen te vinden. Na eenig overleg gaf de koningin van Engeland toe, nadat zij zich verzekerd had, dat zij er niemand kon vinden, die haar kon troosten, noch haar hare vrijheid kon teruggeven.
Daar werd zij beter, hernam moed en krachten en betuigde daarover bare dankbaarheid aan Klisabeth, die haren kanselier Du \ erger ging bezoeken. Zij maakte van dezelfde gedegenheid gebruik om een katholiek priester Ie vragen, doch Klisabelb weigerde kortaf, met te zeggen dat zij aan hare godsvrucht niet geloofde en dal zij een beteren kon uitoefenen dan dien, welken zij tot dusverre gevolgd had. Dil beleedigde Maria Stuart. Zij was altijd Irouw aan den kalbolieken godsdienst geweest en deszei I's oefeningen waren eene behoefte voor haar hart, vooral gedurende eene gevangenschap, die haar dagelijks aan zulke bitten» beproevingen bloot stelde. Hare godsvrucht was oprecht en feeder. Als zij zich in hare verwacht ingen zag bedrogen, de pogingen om haar te redden zag mislukken, zocht zij een toevlucht in het gebed. In bare bidplaats bracht zij het grootste gedeelte van baren tijd
door, en het was daar dat zij troost vond en kraclxt putte. Geknield voor het kruis, dat haar het lijden van haren Zaligmaker herinnerde, vond zij kalmte, vertrouwen en berusting. Daar verzamelde zij hare kamerjuffers en dienstboden, daar opende zij hare ziel voor onsterfelijke verwachtingen. Zij wist anderen in te boezemen wat zij zelve gevoelde. Zij had aller ziel zoo hoog willen opheffen als de hare, ze willen doordringen door de gevoelens, die haar verhieven hoog boven de aarde en haar steunden in die zalige sfeer, waar aardsche kommer en wereldsche zorg haar niet meer konden bereiken!
Zij was altijd bedacht op de zaligheid van allen, die haar omgaven, vooral op die barer dienstboden en onderdanen.
Een andere kommer drukte hare ziel. Zij bad voor haren zoon eene teedere liefde, welke het ongeluk en de scheiding nog levendiger maakten. Zij bad zijne opvoeding willen nagaan en vroeg zich vaak af wat er van zijne ziel zou worden onder den godloochenaar Bucbanam. Die rampzalige, wien zij zoo veel goeds en die haar zoo veel kwaads gedaan had, wierp in deze jeugdige ziel denkbeelden en gevoelens, die haar geloof en hare deugd verontrustten. Zij Avas daarover diep bedroefd, zoowel over het tegenwoordige als het verledene.
Koningin Elisabeth, welke op zulk eeue volhardende wijze den dood barer koninkli jke zuster zocht, was van de zijde van Maria Stuart het voorwerp der kieschte opmerkzaamheid. In haren kerker maakte zij kleine handwerken voor Elisabeth. Zij verzocht Eénélon en den aartsbisschop van Glasgow baar stof en gouddraad te zenden ter vervaardiging der geschenken, die zij bestemde voor haar, wier haat onverzoenlijk was. Zij vroeg aan hare bloedver-
â 90 â
wanten in Frankrijk spiegels, kristallen bekers en armbanden voor baar, en bij de bestelling van al die zaken, welke zij van baar jaargeld betaalde, liet zij zicb nooit een woord ontvallen, waarin vijandscbap doorstraalde en de goedheid van baar hart niet deed uitkomen.
Zij bield zieli veel bezig met lezen en scbrijven, doelt trac!itt( tevens zicb eenige ontspanning te bezorgen. Zij verzocht aan der aartsbisschop van Glasgow baar duiven en kippen te zenden, ou te zien of zij die in dit land kon aankweeken. Ook verwachtte zij van den kardinaal van Guise âeen koppel schoone hondjesquot; Zij bad ook gaarne vogels willen houden, om daardoor barer kommer err verdriet te vergeten.
Tn bare brieven aan Elisabeth vindt men steeds eene teedert toegenegenheid. De dood van den kardinaal van Lotharingen, du baar vurig bemind had, was voor baar een harde slag. âGod,quot; zoo schreef zij, âneemt een der personen van mij weg, dien ik het meest beminde. IT ij ontneemt mij door- dezen slag tegelijk een vader en oom; ik zal den dood, als bet God belieft mij te roepen, met minder leedwezen volgen.quot;
God gaf haar een druppel troost. De gravin Lennox, die Maria lang als schuldig beschouwd had in de samenzwering tegen Darnley, leerde haar beter kennen, en om baar schadeloos te stellen voor bare langdurige onrechtvaardigheid, betoonde zij haar eene oprechte vriendschap en werkte met kracht aan de verwezenlijking van haren hartewenscb, om den jongen prins te onttrekken aan den
invloed der eerzuchtigen, die irr zijne plaats bet bewind voerden.
â
XT.
POGINGEN TOT VLUCHT.
eer dan eens mocht Maria gedurende liare lange gevangcn-scliap de liooj» d}) vrijheid koesteren. Zij hoopte ze door eene vlucht, een huwelijk, door de genegenlieid harer Schotten, door de tusschenkomst der katholieke niogendlieden te verkrijgen. Niets mocht haar echter gelukken en Elisabeth liet hare prooi niet los.
Zij had kunnen ontsnappen, terwijl zij zich te Molton bevond, gedurende de conl'erentiën, die ten doel luidden niet de waarheid te ontdekken, maar den laster lt;e verspreiden on te versterken. In de omgeving woonden lal van Katholieken en het grootste deel der bevolking was haar genegen. Zij maakte geen gebruik van de gelegenheid, welliebt omdat zij zich de aanklachten jegens haar als gegrond voorstelde. Door te vluehten hadde zij den schijn aangenomen bet oordeel te vreezen, en zij verlangde er naar, omdat zij niets te vreezen had.
De eerzucht van den hertog van Norfolk scheen een oogenblik baar krachtdadiger te kunnen dienen.
Hij had een aanzienlijk vermogen en de hoogste betrekking met de doorluebtigste familiën. Hij was zelfs een bloedverwant
â 92 -
van de koningin van Engeland. Hoewel in den Protostantschen godsdienst opgevoed, neigde hij tot het Katholiek geloof, waarvoor zijn grootvader onder Hendrik VIII kerker en dood ondergaan had. Zijn naam werd genoemd, toen men de koningin van Schotland oen echtgenoot wilde kiezen, voordat zij Darnley huwde, en liij mocht zich een oogenblik vleien met de hoop de drie kroonen van Engeland, Schotland en Ierland op zijn hoofd te vereenigen.
Door Elisaheth als haar commissaris henoemd bij de conferentiën van Vork, alwaar hij Murray ten goede gestemd had, haastte hij zich zijn dienst aan het Hof te hervatten, hetgeen de vrienden der koningin eenige hoop inhoezemde.
Elisaheth ontving hem koel en verweet hem Maria Stuart te hehhen willen huwen. IIij loochende dit, zeggende dat hij nooit de mededingster zijner meesteres zou willen huwen en zeker geene vrouw, wiens echtgenoot nooit gerust zijn hoofd op zijn Kussen kon leggen.
Dit was Elisaheth genoeg om hem haar vertrouwen terug te schenken, maar Norfolk liet het denkbeeld van zijn huwelijk niet varen.
Toen de onderhandelingen tusschen Elisabeth en Maria rechtstreeks hervat werden tot het sluiten van een huwelijk, werd er buiten weten van Elisabeth een artikel ingelascht door Leicester en den bisschop van Ross, waardoor de hertog van Norfolk aan Maria tot echtgenoot gegeven werd, met uitsluiting van eiken vreemden vorst.
Maria Stuart had dien echtgenoot aangenomen, dien zij nooit gezien had, hoewel zij verlangde hare dagen als weduwe te eindigen, maar zij eischte de toestemming van de koningin van
Engoland, wel wetende hoe duni' het haai' te staan was gekomen, Darnley tegen haren zin gehuwd te hebhen.
Eüsaheth toonde zich eerst verontwaardigd, toen Leicester haar dit besluit modedeelde en l)eklaagde zich, dat zij door de haren verraden werd, maar zij bedaarde bij de gedachte dat Maria, hoewel gevangen, door de vreemde vorsten gezocht werd. Een huwelijk met Norfolk verwijderde dit gevaar.
Norfolk zond Maria een kostbaren diamant en Maria zond hem haar portret. Norfolk verzocht Murray alle hinderpalen uit den weg te ruimen en Maria gelastte haren gezant in Schotland eene commissie te belasten met het onderzoek van haar huwelijk met Bothwell. Deze had in eene echtscheiding toegestemd en zij stelde zich voor, zich tot den paus te wenden, ten einde aldus haar eergevoel en haar geweten te bevredigen.
Murray deed de vraag der echtscheiding verwerpen en stelde Elisabeth den hertog en de koningin voor als gereed om zonder hare toestemming hun huwelijk te sluiten en hunne rechten op de kroon van Engeland te doen gelden.
Elisabeth, die zich toen op het kasteel te Tornham bevond, ondervroeg Norfolk, die alles loochende, en zij verbood hem ooit aan dit huwelijk te denken. Al wat zij langzamerhand vernam, verbitterde haar meer en meer. Hare trouwste dienaars werden verdacht en zij moest wel zeer bevreesd zijn voor het leven van Leicester, wiens ziekte wellicht gehuicheld was, om hem den rol, dien hij in deze zaak gespeeld had, te vergeven.
Toen bood men Maria eene gelegenheid tot vluchten aan. Zij moest zich kleeden als eene hare kamerjuffers en het kasteel verlaten.
Zij zou paarden en een geleide vinden, die haar onmiddellijk aan elke vervolging zouden onttrekken.
De hertog van Northumberland stond aan het hoofd dezer onderneming. Maria wilde slechts met Norl'olks toestemming hierin toestemmen, maar deze weigerde, daar hij vreesde in al degenen, die Maria Stuart dienden, mededingers te vinden.
De hertog gevoelde zich aan het Hof niet op zijn gemak en vertrok naar zijn kasteel, schreef aan Elisabeth om zich te verontschuldigen en verklaarde, dat hij Maria nooit zonder hare goedkeuring had willen huwen. Hierop ontving hij van haar bevel weder aan het Hof te komen. Tegen den raad van Eénélon en ondanks zich zeiven gehoorzaamde hij en werd aan de poorten van Londen in hechtenis genomen.
Zijne dienstboden en verschillende heeren werden gevangen genomen en ondervraagd. Het bleek uit de instructie van het proces, dat het plan van het huwelijk van Murray uitging, hetgeen hem de genade van Elisabeth zou hebben doen verliezen, indien hij zich niet gered had door een van die middelen, welke hem niets kostten. Om zich te verschoonen leverde hij de vertrouwelijke brieven van Norfolk over. Men wilde die van Maria opeischen. Zij gaf ten antwoord, dat die in Schotland waren en men ze niet zou krijgen.
De toorn van Elisabeth kende geene grenzen meer. Norfolk antwoordde wijselijk, dat bij dit huwelijk slechts verlangd had op aanraden van de ministers der koningin. Zij liet hem in den Tower van Londen brengen. De drie grieven, omtrent hem ingebracht, waren: de brieven van Murray, zijne betrekkingen met vreemde vorsten en zijn vertrek van het Hof.
Maria was diep bedroefd over deze maatregelen. Zij vond een middel om den iiertog te doen beloven, dat zij aan zijne verlossing' z(.u werken; maar bij verzoebt baar niets te doen, want dat zijn leven geen gevaar liep, maar dat alles, wat men voor bem deed. bem noodlottig kon worden. Hetzelfde verzoek ricbtte bij tot den adel der noordelijke graafschappen, die bijna allen Katboliek en dus trouw aan Maria gebleven waren. Dezen werden ter wille van lain geloof gekweld en vervolgd, en tot opstand geneigd.
De graven van Nortbumberland en Westmoreland werden genoodigd aan bet Hof te komen, maar zij berimierden zicli Norfolk en sloten zieii in bunne kasteelen oj). Toen werd er besloten de wapenen op te vatten. Den 1 l(lequot; November maakten de opstandelingen zicb meester van Durbam, lieten er de li.^lis doen (Mi zonden aebt honderd man, om de koningin van Sebotland weg te voeren.
Maar liet was te laat. Maria Stuart was naar Tutbury vervoerd.
De opstand werd weldra gedempt en Elisabetb nam eene vreese-lijke wraak. De toestand van Maria werd hierdoor verergerd. Elisabetb wilde zieb van haar ontdoen, doch vreesde de schande en stelde Murray voor, baar aan bem over te leveren. Haar lieve broeder nam dit aan en al de voorwaarden waren geregeld.
Gelukkig werd de bisschop van Ross bijtijds verwittigd en dank aan zijne gelukkige tnssebenkomst en die van Féuélon, die Maria Stuart in den naam van Frankrijk krachtig verdedigde, werd dit plan opgegeven.
M aar Murray, die zicb den graaf van Northumberland had doen uitleveren, welke zijn toevlucht bij een verrader gezocht
â so â
had, vroeg di1 gevangen koningin in ruiling. Dit was voor Elisiiboth dt' beste en veiligste oplossing. Maai' op het oogenblik dat deze koop gesloten moest worden, viel Murray als slachtoiïer eener persoonlijke wraakneming.
J)e dood van Murray bracht geen kalmte in Schotland te weeg; de partijen waren zoodanig tegen elkander verbitterd, dat zi j elkaar een oorlog op leven en dood aandeden. De soldaten van Lennox maakten zich meester van het kasteel van Duinbarton. Uij de gevangenen vond men den aartsbisschop van St. Andrew, die daarheen de vlucht bad genomen. De prelaat stierf aan de galg.
Ongelukkiglijk werd een der dienstboden van de koningin van Schotland te Dover aangehouden, als belast met het overbrengen van een pak brieven, waarvan de meesten in eijlVrschrift geschreven waren. Uit die brieven bleek, dat er verscheidene plannen gevormd waren, om Maria Stuart uit bare gevangenis te verlossen ; dat de koning van Spanje haar Don Juan van Oostenrijk tot echtgeiioot had aangeboden, maar dat zij den hertog van Norfolk de voorkeur gaf, mits hij den katholieken godsdienst weder invoerde.
Koningin Elisabeth kon Norfolk niet vergeven nog steeds de gevangen koningin, die hij âde Schotsclu damequot; noemde, te Avillen huwen. Het gerechtshof, belast met de zorg zijn vonnis uit te spreken, vergaderde in Westminsterball, den 1 t .lanuari 1572. Het was gevormd uit zes-en-twintig pairs onder het voorzitterschap van den graaf van Shrewsbury. De beschuldiging rustte op drie punten ; het plan tot een huwelijk met de koningin van Schotland, dat van een inval in bet koninkrijk, dat van
eene uitdeeling van geld om Engeland te bestrijden.
*
~ W - 7
31Ã vovdedig'do zich met klem on talent, luxnvcl liij, tegen alle gebruik in, verplicht werd zich onverwacht lt;gt;11 zonder de hul]) van een advokaat !(gt; verdedigen. Hij vroeg tegenover de getuigen gesteld te worden; men verwierp dit verzoek, maar men stond hem een onderhoud met een huitenlandsch agent toe, op voorwaarde dat dit niet openhaar gemaakt mocht worden. De rechters hrachten een uur met die mededeeling door en zij moest hun zeker van groot gewicht toeschijnen, daar zij, toen zij weder hinncntraden, XoiTolk eenparig schuldig verklaarden aan hoog verraad en hem ter dood veroordeelden.
Toen hij zijn vonnis vernam, zeide hij eenvoudig: âDat is het vonnis van een verrader, maar ik sterf zoo trouw aan de koningin als eenig ander onderdaan van het rijk. (iod kent mijne onschuld, wat men ook tegen mij moge inhrengen.quot;
Hij sehreel' vervolgeus aan de koningin, op eene weinig waardige; wijze, had haar zijne jonge kinderen te vergeven en verzocht Lord Cecil hun tot vader te dienen.
Wist hij niet hoe deze zich ten zijnen opzichte had gedragen, of' wilde hij vroeging in zijn hart opwekkenr
Zaterdag 5) iVhruari, teekeudc Elisaheth zijn doodvonnis voor den volgenden Maandag. Zij trok het terug. Norfolk verzocht haar het ecu half jaar uit te slellen, niet de helofte aan de âSchotsche damequot; te verzaken. Maria daarentegen, schreef Elisaheth in de trell'endste hewoordingen en verzocht haar om zich met haar te verzoenen, hetgeen de genade van den hertog verzekerd zou hehhen.
BurüdeiKh drom»; Elisaheth er een einde mede te maken en de
OO O
predikanten stookten haar dagelijks tegen den hertog en de koningin
- -
o]). Zij zeide eonige Avoovden van medelijden, beval de terechtstelling en trok ze wederom in.
De vereenigde Kamers verzochten haar Maria Stuart ter dood te laten brengen, ieder, die hare rechten op den Engelschen troon zou verdedigen, tot verrader te laten verklaren en Norfolk aan den beul over te leveren. Zij verwierp de beide eerste vragen en toekende ten vijfden male lielt; bevel der terechtstelling van Norfolk.
Den 2',on.lum werd hij in den vroegen morgen naar de gerechtsplaats gevoerd, verklaarde dat zijn eenige misdaad was, dat hij gezwegen had, betuigde zijn trouw en leverde zich over aan den beul, die hem met ('en enkelen slag bet hoofd afsloeg.
Maria werd zoo ernstig ziek, dat de geneesheeren aan haar herstel wanhoopten. Men wilde haar alle briefwisseling beletten.
Zij beklaagde zich hierover aan Elisabeth in een brief, waarin zij haar herinnert aan alles wat zij geleden heeft, hoe men plannen tegen haar gemaakt heeft, hoe men haar verraden heeft, hoe zij verlaten werd ondanks het beroep op bare goede zuster gedaan door een diamanten ring, dien zij eertijds van haar ontving, hoe de laagste misdadigers aanhoord wei-den, terwijl de waarheid steeds verdrukt werd. Zij verhaalt van de gevangenis en het lijden en eindigt aldus :
âIk smeek u, ter eere van bet droevig lijden van onzen lieer en Verlosser Jezus Christus, ik smeek u nogmaals mij toe te staan uit dit rijk te vertrekken, naar eenige plaats waar ik kan rusten en eenige verlichting kan vinden voor mijn arm lichaam, dat door zoo vele pijnen gekweld wordt, opdat ik in rust met mijn geweten mij ktinne bereiden tot het oordeel Gods, die mij
clngelijks roopt. Uw kcn-lvor liecl't mijn lichaam roeds verwoest, en mijne vijanden zullen niet lans* hnnne wreedheid jegens mij meer kunnen uitoefenen. Er blijft mij niets meer over dan mijne ziel, die het niet in uwe macht staat te hoeien. Tk smeek u dan, dat, daar ik weldra uit deze wereld moet vertrekken, ik tot mijn troost een priester hij mij moge hehhen. Geef mij dezen troost voor dat ik sterve!quot;
liet hart van Elisaheth hleef ongevoelig.
- 100 -
x n.
BABINGTO N'S SAMENZWERING.
ntony ]?a1iington stamde uit (gt;(gt;11 oudadollijk geslacht uit DiM^vsliire en was do oudste zoon van Sir Henvy Bal)iugton, die als belijder vau liet katholiek geloof jaren lang in den kerker smachtte en daarin gestorven is, terwijl zijn zoon Antony nogte Oxford studeerde. Daarna maakte deze reizen in Frankrijk en Nederland en keerde, toen hij meerderjarig was geworden, naar Engeland terug om zijne ^roote landgoederen in Derhysliire te gaan besturen, waar de jonge rijke Kngelsclnnan als een prins verscheen.
Eenige jaren geleden hadden eenige jonge edellieden een verbond gesloten om de priesters en .lesniten, die de l'aus zijnen vervolgden kinderen in Hnu'eland ter luil]) zond, te ondersteunen en hen zooveel mogelijk voor de naspeuringen der engelsche bloedhonden te beveiligen en ook de arme gevangenen met woord en daad bij te springen. De II. Vader had deze Vereeniging gezegend en vele allaten aan dit liefdewerk gehecht, en ook hiertoe behoorde Antony Uahington. Hij was een vnrig vereerder van Maria Stuart; als twaalfjarige knaap had hij hij den graaf van Shrews-burry op zijn kasteel Sheflield-Castle als page gediend, waar
â lül â
amp;
destijds do arme koningin der Schotten gevangen werd gehouden en lii j de zoo sehoone en deugdzame koningin had leereu hennen. Hij lokte zijne toehoorders tranen uit de oogen als liij verhaalde
- 102 -
hoe vaak zij door hem de spijzen naar de armen lii't brengen, die zij uil haren mond spaarde en nog meer lioe zij bad voor hare vijanden en lasteraars, bijzonder voor koningin Klisaheth. âMeer dan eens,quot; zoo vertelde hij, âheb ik mij voor de koningin op de knieën geworpen, heb haar de hand gekust en haar trouwen dienst beloofd Dan streek zij mij laehend de wangen en vroeg mij, als eene moeder aan haar kind: âEn wat wilt gij dan voor mij doen, mijn jongen?quot;
Uwe Majesteit bevrijden zooals George Douglas, die uwe Majesteit uit iloehleven verlost heelt 1quot; Toen antwoordde zij hem ernstig. âGij zijl een heetliool'd, Tany. Die Donglas en vele andere edele heeren hebben hun haHehloed voor mij vergoten en mijn lot, hoe zwaar het reeds was, nog zwaarder gemaakt. Waeht n wel, als gij eens een man geworden zijt, uwe hand voor mij op te heffen, opdat het u niet bloed en leven koste.quot;
En de knaap riep uit: âMijn grootste geluk op aarde zou het zijn mijn hartebloed voor u te vergieten.quot; lm wat liij toen zeide gevoelde hij thans nog.
Als juwelier verkleed, begeleidde Uabington meermalen Pater Weston. Mij bad in een der voorsteden van Londen, te St. (lilies, eene kamer gehuurd, waar bij meermalen verscheidene zijner vrienden ontving en met hen plannen maakte om roeitochtjes, rijtoertjes en andere pleziertochten te bespreken, die in het eerst onschuldige partijtjes ten doel hadden.
liet was Driekoningendag en de zes jonge heeren wilden dit feest op oud engelsche wijze vieren. Habington had een koek met eene boon laten bakken en hij, in wiens deel de hoon gevonden werd, zou tot koning van den avond gekroond worden.
â 103 -
Dit mms Ealnn^ton en men huldigde hem plechtig in, mot een glns lijnen port, waaro]) een der gasten zeide.
âXu hehhen wij een niexnven koning; hadden Avijnuook maar eene nieuwe koningin.quot;
âGij neemt mij !i(i( woord uit den mond,quot; zei Habington. âJa, hadden wij de rechte en echte koningin! AVant zoo waar als ik maar eon hoonkoning hen, zoo waar is Elisahoth ]?oleyn ook gocne echte koningin !quot;
Een der vriendon, Titchhonrno geheeien, riej) hem toe : âNeem n in acht. zorg dat de waard n niet hoore. Go weet, wat ge daar zegt, goldt vcor hoogverraad en ik helgt; geen lust om voor oen onhedacht woord, waarvoor ik n uit vriondschap niot aangeef, mijn hals als uw mode])lichtige aan den heul over te leveren.quot;
âWat ik zeg is waar,quot; antwoordde Eahington. âElisabolli is door hare onwettige geboorte onhekwaam de kroon te dragon, en bovendien heeft do Paus ons gehoed ontlioven van don plichtdor gehoorzaamheid ton haren opzichte. En zij, die haar als koningin erkennen, vallen iu den ban; ik weet, dat do Paus, op verzoek dor Jozuiten, deze uitspraak gewijzigd heeft, maar daarmede blijft het plicht, zoodra de omstandigheden hot veroorloven, hot bevel van don II. Vader den Paus na te komen.quot;
âJa, als de omstandigheden het veroorloven,quot; riep Earneveld, maar zij veroorloven het niet en daarom bid ik u laat dc staatkunde ruston, die ons feest bederft. Laat liever de wijnkruik nog eens rondgaan, Eahington.quot;
âOns vorig gesprek kon wel ergens goed toezijn, als er een paar dozijn (linke jonge lieden als w ij, den moed hadden,quot; zeide de lange Salisbury.
- 104 -
âAls wij, met ons /essen den roclilen moed maar luidden, dan konden wij mot (V'n sla^ linyeland en hot katholiek gelool' redden en ons oen onstorfelijkon roem verwerven.quot;
âIk iioop niet, dat j^ij u aan Elisabeth ... voltooide Titclihourne on eindigde zijn volzin met eon gebaar, âzooniet dan verlaat ik oogonhlikkelijk liet gezelseha]). Ik moet van zulke misdaden niets hooren en wil die nog veel minder met raad en daad ondersteunen.quot;
âNn luister eerst naar mijn voorslag, alvorens elkaar om 's keizers baard dood te slaan,quot; antwoordde Habington. âZooals ge weet was ik omstreeks Kerstmis op mijn landgoed te Derhv-shire. Daar kwam juist op don vooravond van het loost mijn opzichter buiten adem bij mij aanloopon en bracht mij hot bericht, dat men koningin Maria Stuart van Tubhnrv, waar zij onder hot toezicht van Sir llalph Sadler nog tamelijk zacht he-handeld werd, naar Chartoy hij Burton voerde. Sir Annas Pa wiet, die woedende puritein, was tot haar gevangenbewaarder benoemd en men (luisterde elkander toe, dat zij het onder hom hard te verantwoorden zou hebben en zeker niet lang zou leven. Als ik haar wilde zien, moest ik mij haasten. Ik wierp mij dan te paard en reed een paar mijlen ver. De gobeolo landstreek was op de been; de monschen stonden bij houderdon langs don weg om de gevangen koningin te zien. die wegens hare weldadigheid jegens de armen en haar engelachtig geduld als oeue heilige vereerd wordt.
Eindelijk kwam do treurige stoet. Een hall' honderd ruiters rood voorbij met Alaria Stuart in hun midden, aan do zijde van Sir Ralph en hare bedienden. Juist toen zij aan liet kruis van Staley aan-
â 105 â
kwam, sell ecu de whilcrzon een oo^vnblik oj) do groep. De koningin was geheel in lid zwart gekleed en hield zich niet moeite in het zadel. Zij sloeg echter haren langen wednweslnier terug en zag vriendelijk de goede lieden aan ; velen hunner weenden. Hoezeer was zij ook veranderd sedert den tijd, dat ik haar Sheffield Castle als page diende. Toen was het de schoonheid zelve, ja, de schoonste de bekoorlijkste vromv, die ik ooit gezien had. Nu is zij, tengevolge van haar leven in den kerker, vroegtijdig verouderd en verhleekt en verwelkt als eene bloem en toch lelt zij slechts vier en veertig jaren. Achter mij hoorde ik ook de boeren zeggen : âDie arme vrouw zal het niet lang meer maken,quot; en een ander antwoordde âj:v, buurman, zoo vele jaren ingekerkerd en men zegt dat zij het nog veel slechter zal krijgen, in dat koud, vochtig gat te Chart rev.quot;
âDie Sir l'anlet is er ook de rechte man voor, om bet haar nog erger te maken. Dien ruwen kerel zou ik mijn hond niet toevertrouwen, maar ik hoorde den waard uit de Meibloem zeggen dat het juist dit was, wat men met haar wilde. De geheime raad zou die Stuart zpo gaarne uit den weg ruimen, want zoolang zij leefde hadden de papen nog altijd hoop en was het zuivere evangelie en de koningin voortdurend in gevaar.quot; Zoo praatten die twee mannen samen, terwijl Maria Stuart vriendelijk groetend voorbij reed.quot;
Ik dacht bij mij zeiven : de boeren hebhen gelijk ; juist dat willen Burgley en Malsingbam, den dood der rechtvaardige, katholieke koningin, want waarlijk zoolang zij nog leeft zijn wij niet zonder hoop. Wat zijn wij, katholieken, toch erbarmelijke lafaards ! Zouden er zich dan werkelijk onder ons niet een dozijn
â 106 -
(lappcrc mannen Ijcviudcn, die Ix-rcid zouden zijn, Imn leven voor dat der edele vorstin, waarop, zooals vriend en vijand ze^yen, oim' laatste hoop gevestigd is, in do bres te stellen ?
En toen heb ik aan u gedacht, mijn lieve vrienden, en heb het voornemen gemaald n deze hehlhanige en ridderlijke daad voor te slaan, opdat wij die te zamen zouden ondernemen en volbrengen. Nu vraag ik n, will ge ol' wilt ge1 niet ?
En zoo Avuar ik leef, heb ik voorgenomen, als gij moedeloos terugdeinst, de hoogedele Maria Stuart op eigen vuist aan dezen ellendeling l'anlet en hare moordenaars te ontrukken.quot;
Eij zulke bezielde woorden sprongen allen op en riepen, terwijl wij hem de hand reikten : âWij doen mede, wij doen mede. Leve Maria Staart. Goed en bloed voor bare bevrijding.quot; De voorzichtige Titchborne zeide zell's. âAVelaan als ge niets anders in den zin licht, dan Maria Stuart leven en vrijheid te redden zal ik ook u getrouw ter zijde staan.quot;
En zoo werd op den Driekoningendag het besluit genomen, dat zij met zes edellieden onder aanvoering van Habington zouden trachten tot eiken prijs Maria Stuart uit haren kerker en de handen harcr vijanden te onttrekken.
Een verbond korten tijd te voren tot verdediging van Elisabeth, onder Leicester, gesloten, zette hen aan thans iets dergelijks voor Maria te wagen; die hunne hulp vrij wat meer noodig had.
A an dezen dag ai' spraken zij bij al hunne bijeenkomsten steeds van dit plan. De goede vraag was echter : waar zouden zij de koningin na hare bevrijding in zekerheid brengen 'r
âNatuurlijk in het buitenland.quot; zei Habington;
Hij was in Maart naar Parijs gegaan, waar Maria's beste
- 1()7 â
vriemlon zooals bijv. de bisschop van Glasgow, Mendoze t'n vele andere adellijke j)ersonen verbleven, om met ben deze moeilijke zaak te bespreken.
âNaar Frankrijk!quot; was bet eenparig gevoelen.
Maar tevens verzochten allen bem dit plan, dat zij zeer prezen, nog eenigen tijd te overdenken, alvorens bet nit te voeren, daar bet in verband stond met een ander plan, waarover zij bem latei-nader bericbt zonden doen toekomen.
Dit bericbt bracht Babington ons de week na Pascben, aldns verhaalt Windsor.
Alvorens de eerste schreden tot de uitvoering te zetten, besloten wij onze zaken voor tijd en eeuwigheid in orde te brengen, daar bij zulk eene gevaarvolle onderneming wij licbt een spoedigen dood konden vinden. Wij reden dus samen naar eene plaats, waar wij pater Weston hoopten te vinden om onze paaschbiecht bij hem af te leggen.
Met dit plan stegen wij te St. Gilles af. De waard trad ons glimlachend te gemoet en had voor ieder onzer een vriendelijk woord, terwijl de knechts onze paarden naar den stal brachtten.
âO, o !quot; riep bij nit wat zwarte gezichten van daag op zulk een schoonen voorjaarsmorgen ! Gaat spoedig naar boven, in uwe kamer en spoelt het verdriet vaardig naar onder met een beker 1'ijnwijn. Of hebt ge liever franscben? Ik voor mij heb 't liefst een Hinken beker punch.quot;
Aldus praatte de waard, maar Mr. Babington verzocht hem ons een flink avondmaal te doen opdisscben, daar wij nog geen maal gehad hadden.
Daarna zouden wij zijn Bijnwijn de noodige eer aandoen,
De kamer was niet zeer groot, maar vroolijk en zindelijk. Zij
- 108 -
had twco vmstors on als (?onig sioraad lung bovon den sclioorstopn cone teekomng van Titclibonrno, die in met lauriertakken mokranste medaillons, onze hoofden voovstelden, niet slecht ^e-troll'en, want Titchhonrnc had Pandora's doos geërfd, dat is, hij was rijk begaafd voor alle kunsten.
Ik zie hot beeld nog voor mijn oogen. In het midden stond als onze aanvoerder Anthony Babington met zijn eenigszins ijdel maar schoon en moedig gelaat en rond hem stonden wij vijf anderen en onder onze namen stond de latijnsche spreuk : Jfi v/ihi sin/ cowilctf, qnos ipse /jcficnlii jKiiyiiiil. [Zij zijn mij hp n-icn-(len, die hel (jccaar me! mij deelcu.)
Wij zetten ons dus aan de zware eikenhouten tafel en lieten ons liet gebraden riindvleesch en de kippen wel sunken. Toen nu het tafellaken weggenomen was, bracht onze waard zelf de met schoone lignren heschilderde wijnkruik binnen, zette die op tafel schoof ons de zilveren bekers hv, die hij eigenhandig uit de kast haalde, schonk ons allen en ook een glas voor zich zeiven in en zeide: âOp uwe gezondheid jonkers, en moge zich aan u het woord der 11. Schrift vervullen, dat zegt âde wijn verheugt s' menschcn hart.quot; Want, waarachtig nog nooit zag ik u, lustige knapen, zoo s(il als heden bij uw maal. Waar kan u in 's hemels naam de schoen drukken?
âGe moet niet denken dat de oude Clayton zich met uwe geheimen wil bemoeien, maar als somtijds de beurs de tering heeft hetgeen bij zoo'n linke jongens gemakkelijk gebeuren kan, dan komt het bij den ouden Clayton op een paar lorrige tient jes niet aan.
âDeze staan altijd ter beschikking der heeren zonder schrift en zoder interest op hun enkel eerewoord.quot;
Wi j bodanktcn den man voor zi jn vriondolijk aanbod en zeiden dat onze beurs zieli nog1 in tanielijken welstand bevond.
Toen keek de oude Clavton ons één voor één aan, met een
e'
diep navorsclienden l)lik en zeide toen :
âAVel mi, heeren, illt; vraag' wel om verschooning! het doet mi j plezier, dat de benrs in orde is, en bij den donder, bet verinnigt mij ook niet, want nog eens vraag ik om verscbooning, iets is bij de heeren niet in orde en ik bad bet liefste gehad, dat het de benrs geweest ware, want dat laat zieli bet gemakkelijkst genezen. Wat kan het dan zijn 'r
Als het er slechts een uwer was, die het hoofd liet hangen, dan ware ik tot het besluit gekomen, dat hij verliefd was en had mij er verder niet over bekommerd, want die ziekte gaat voorbij als de pip hij de vogels.
Ma ar nu laat ge allen het hoofd hangen en zelfs mijn zeer vereerde heer Titchbournc, die zulk eene schoone jonge vrouw heeft!
Toen kwam de gedachte in mij op, â ik verzoek weder om verschooning -â- maar het moet er uit, mijn'» goede meening moet het mij doen vergeven. Maar de gedachte kwam bij mij o}), dat er toch wellicht iets waar was van het gemompel, dat mij dezer dagen ter oore kwam.
Ja, mijne lieve jonkers, men kan zich niet genoeg in acht nemen voor het gepraat der menschen in zulke opgewonden tijden als wij beleven: Zoo heeft de omstandigheid, dat gij deze kamer in mijn huis voor uw gebruik allen gehuurd hebt en daarin sedert eenige maanden een afzonderlijk gezelschap ontvangt, voldoende geweest, om menschen, die niets te doen hebben, op de gedachte
Ie bvrn^on, dat daarbij een of' andere plan gemaakt of gepraktiseerd moet worden, omdat het bekend is, dat i;ij allen tot den lloomscli-katholieken godsdienst behoort.
Ik zou mi naar die praat jes niet geluisterd hebben, als niet gisteren een van Walsingham's bedienden, een l ijn geslepen spion, ik ken den vos wel, hier in uwe kamer geslopen was.
Ik kwam juist binnen, toen hij uw namen met den latijnschen spreuk, die er onder staat had algeschreven in zijn zakboekje. Ik behoel u niet te zeggen, dat de heer spoedig den trap afrolde en dat het selienkmeisje, dat hij sedert eene maand het bof maakten, om ze uil te hooren, dadelijk haar ontslag kreeg; want alle snulfelarij staat mij in de ziel tegen.
Maar nu, lieve jonkers, het valt mij zelfs niet in te gelooven dat gij iets in 't schild voert, dat tegen de koningin van Engeland is, want geen verstandig menseh zal in zulke vroolijke jongens samenzweerders veronderstellen, maar ik wil de heeren maar herinneren, dat de wetten tegenwoordig zeer scherp en streng zijn en dat het de heeren rechters zeer gemakkelijk valt uit zeer onschuldige draden een strop te draaien. Dat ik zelf ook daarmede in gevaar raak, w il ik zelfs niet in aanmerking nemen.
Aldus hield ik het voor mijn plicht mijnen lieven gasten mede te deelen, dat zij thans reeds de opmerkzaamheid van Walsingham op zich getrokken hebben en dat het mij aangenaam zou zijn als zij hunne bijéénkomsten hier niet zoo geheim hielden, en de heeren nogmaals om verontschuldiging vragende, laat ik mijn welgemeenden raad ter uwer overweging.quot;
Hiermede ledigde hij zijn glas, trachtte eene buiging te maken en verliet de kamer.
- Ui â
Toen liij de deur achter zicli gesloten had, bleven wij een oogenblih sprakeloos zitten en zagen elkander vragend aan. Toen hrak Babington in een gedwongen lacli uit en zeide :
âWeliui, vrienden, wat maakt het ons. Dat Walsingham vroeg of laat ons verbond in den neus zou krijgen, moesten wij begrijpen. Maar daarmede weet bij bij lange na nog niet wat wij voor hebben.quot;
âWaarschijnlijk niet,quot; zei Henri Don droog, âmaar de vos is op 't spoor.quot;
âEn voordat bij ons heeft opgespoord, hebben wij ons doel bereikt.
De edele koningin, de schoonste en edelste vorstin, die ooit recht had op den troon van Engeland is vrij, met ons uit bet land quot;â evlucbt en onze namen staan met gouden letters in bet
o '
boek der geschiedenis opgeteekend,quot; riep Babington.
âOf wij zijn als samenzweerders gebrandmerkt, en onze hoofden staan op de Londensche burg ten toon,quot; bemerkte Don.
âWel boe,quot; riep Babington, âmoet bet eerste voorzien eener zwarigheid ons plan als een kaartenhuis omverwerpen? Hebben wij de mogelijkheid van eene teleurstelling niet ernstig beschouwd, toen wij het ridderlijk besluit vormden, de gevangen koningin te verlossen? Wie een eeuwige roem tot prijs wil behalen, mag zijn leven niet ontzien.quot;
âVoor aardscben roem zou ik nooit mijn leven en wat mij nog meer aan 't harte ligt, den naam mijner familie en het geluk mijner jonge vrouw veil gehad hebben,quot; antwoordde Titch-bourne ernstig. Ik erkende het als mijn ridderplicbt voor de ongelukkige koningin van Schotland in de bres te springen en
- 112 -
hoop door haro Ixivrijdin^ liot katlioliok geloof in Engeland te nnlden. Dat alleen heeft mij bewogen mijne hidp te heioven, en ik hen ook volkomen bereid mijn woord te houden, als het plan zich nitvoorhaar toont. Want op ^oed geluk al', mag men zoo iets niet wagen.
âDit ware niet koen en moedig, maar dol,quot; zeide Salisbury en het mislukken der onderneming zon niet alleen ons in een zeker verder!' storten, maar ook de gevangene in ons lot mede slepen.quot;
Wij allen verklaarden, dat dit ook onze meening was en dat wij slechts onder die voorwaarde goed en bloed wilden wagen. Habington zette ons toen uit elkaar hoe gemakkelijk liet voor hem zou zijn onder zijne vrienden en pachters rondom Chartley wel 200 man te verzamelen en de gevangene zelfs met geweld te bevrijden.quot;
â lm als de aanslag gehikt,quot; vroeg Salisbury, âhoe vluchten wij met de koningin naar Frankrijk rquot;
âTwee wegen staan ons open,quot; hernam Habington, âofwel Oostwaarts door Lincoln shire, alwaar ik in het kleine visschersdorpje Eossdyke een ouden visscher opgespoord heb, wiens hoot ons voor 100 pond ter beschikking staat. Ik zeide hem natuurlijk niet, wat wij er mede voor hadden; hij was in de meening dat het eene liefde geschiedenis was.quot;
Maar misschien ware de Aveg westwaarts veiliger door Lancashire naar Formby, of Southport, want daar hebben de katholieken de overhand en wij konden in geval van vervolging op hulp rekenen : AVij vinden gemakkelijk een schipper, die ons naar eene haven in Normandië brengt. De weg langs de kust van Lincoln staat bijna gelijk met die* van Lancashire, men kan minstens op drie plaatsen
8
â li:) â
versche paarden kviji?cn en den weg in tien tot twaalf uven atlegg'en.quot;
Zoo licblx'n w ij de zaak aan alle leanten besproken, en besloten den weg door Lancasbire Ie volgen. Deze weg moesl de koningin slechts van 1 wee der onzen vergcv.eld inslaan, terwijl de overigen Oostwaarts moesten rijden om de vervolgers op een valscli spoor te geleiden, liet lot zou beslissen wie Uabiiigton, wien als ons erkend opperliooi'd hei geleiden der koningin toekwam, moehl begeleiden,
liet lot viel op Salisbury, en deze out ving nu last den weg van Cbartley tot Tonnby wel te onderzoekeu zoodat bij dien zelfs in duisteren nacbt goed kou vinden en ook de beste plaatsen op te sporen, waar men van paarden kon verwisselen. En daar Salisbury een flink en moedig jonknrm was, verklaarde bij zieli gaarne bereid de bem opgedragen taak reeds den volgenden dag te ondernemen. Uarneveld zou bem vergezellen en daar bij vele goede bekenden aan de kust van Lancasbire bezat, boopte Iiij daar ook een goed katholiek visscber, die reeds menig priester over-gesmokkeld had, voor onze zaak te winnen.
Zoo ver was alles, naar wij meenden, goed overlegd, liet juiste tijdpunt, waarop wij onzen slag zouden slaan, konden wij natuurlijk niet bepalen, daar dit van een gunstig oogenblik afhing. Echter waren wij allen van meening, dat de zaak niet lang uitgesteld mocht worden, daar, aan de eene zijde de nood der ongelukkige koningin tot 't hoogst gestegen was, en van de andere Wal-singham zeker onze plannen zou dwarsboomen, als hij als een echte speurhond, er iets van bemerkte.
âNu, wat den staatssecretaris Walsingham betrof,quot; zeide Ba-
_ 1U -
i
11
, v.. V»)
rrA
tamp;fK^Atév*^'
bington, moest liij hom movgon tocli over andere /aken gaan spreken en zou spoedig bemerken ol' de oude vos lont geroken bad. Wij waarsebuwden bem toeli goed op zijn Iioede te zijn daar bet allerwege bekend was, dat Walsingbam, een der sluwste staatslieden van Engeland, al de doorslependste politieken der wereld, om zijn vinger rolde.
Hij verzekerde ons echter, dat hij, Babington, zich niet door hem zou laten vangen en noodigde mij uit hem te vergezellen, wat ik aannam.
Nu bracht onze vriend Titchbourne eene niet minder gewichtige vraag op bet tapijt, te weten ol' wij de koningin buiten haar weten, dus eenigermate met geweld zouden bevrijden, of dat wij haar eerst ons plan zouden mededeelen of wel dat wij eerst haar zouden laten vragen of zij ons plan goedkeurde en onze hul]) gebruiken wilde.quot;
Hier verschilden de meeningen, want hier viel veel voor- en tejTn te zeggen. Eindelijk kwam men na lange heraadslaging tot de overtuiging, dat het zeker veroorloofd was haar plotseling en schijnbaar met geweld uit de handen van haar gevangenbewaarder te ontrukken, daar wij hare stilzwijgende goedkeuring mochten veronderstellen voor het geval, dat wij onze voorbereidingen zoo goed getrolfen hadden dat wij moreel zeker konden zijn te slagen.
Ja, bet scheen zelfs, dat wij in dit geval veel w ijzer deden, de gevangene niets te zeggen, daar er dan minder gevaar ware ontdekt te worden, en dat als onze staatsgreep mislukte, zij in alle waarheid kon verzekeren, dat het zonder baar medeweten gebeurd was.
I
f
;
fS
l' l
l
115 -
Daar cchlcr ondanks on/c hoste zorgen liet oiHlcnicmcii steeds gevaarli jk was. hieven de meesten van gevoelen, dat liet heter ware, dat Halnn^'ton de koningin in al^emeene iiildrul\kinLgt;'en mededeelde, dal een i^root ^etal edellieden zieli verbonden hadden haar uit haren kerker te verlossen, en slechts één teeken harer n'oed-keurin^' nrwaehtten, om n'oed en hloed \oor haar op 't spel te zetten.
Alvorens liij («eliter de yevan^ene iets naders mededeehh*, moest hij niet liaren secretaris Nan den een ol' anderen onverschilligen hriet' wisselen, om te heprocwen ol' de we^ veilig was en dan van Xau een ei jl'ersehrirt vragen, waarin hij gew ichti^er niededc^din^Mi maken kon en dan eerst mocht hij slechts het allernoodzakelijkste en dat zonder het noemen van namen schrijven.
Aldus meenden wij alles rijpelijk overleed te liehhen, zoodat niemand onzer meer heileiikin^en maakte. Intiisschen had de wijnkruik ineermalen de rondte gedaan en he^'oii merkelijk lichter te worden. Hierop liet Uahinyton den waard eeni^e llesschen van den heston wijn ho\enhreni;'en en hedankte hem hij die gelegenheid voor de mededeelinn', welke hij ons gedaan had en zeide hem, dat wij hesloten waren morden aan den da^ Walsingham onze vereeniuinii' op te helderen en hem ook de latijnsche spreuk onder on/e porti'etteu nif te leugen, die den ouden herher^'ier vooral hoogst gevaarlijk scheen.
Dit plan heviel den waard uiterst ^oed, en hij zeide: -lonkers, nog eens verzo(d\ ik u mij te vcu'schoonen, voor de vrijheid dit is het rechte. Altijd maar recht door zee, dat houdt het langste stand, geene sprongen rechts en links, recht op het doel al'. Zegt den Staatssecretai'is. âWij zijn met een half dozijn cngelsche edellieden en liehhen samen een verhond gesloten om
- llü -
het oude vroolijke Engeliind wrrv te doen herleven. Wij rijden, varen, spelen, wedden, loopen en drinken samen, nogmaals om verscliooning vragend, âals dat eene samenzwering is, - moet gij aan den lieer Staatssecretaris zeggen dan zijn wij samenzweerders en de oude lierbeigier te St. (iilles is onze aanvoerder en hij verzoekt den heer Staatssecretaris en al de leden der rechthank, om die vreeselijke samenzwering hij eene goede tlesch te komen onderzoeken. â Ha, ha, ha heeren, lt;gt;]» uwe gezondheid!
Hierop ging de oude man heen, maar de vurige wijn hrachl voor ons weder gevaarlijke zaken op het tapijt.
Tot dns verre hadden wij ons voorzichtig gedragen, en w(,llicht wilde Bahington ons door den wijn moed geven om eene hardere noot te kraken. Hij wachtte totdat de llesch eenige malen de route had gedaan en wij eenigszins warmer en vroolijker waren geworden, en legde ons toen de zaak, niet in eens, maar stuksgewijze hloot.
Bahington vertelde, dat hij hericht uil Parijs had ontvangen van den Spaanschen afgezant Mendoza, omtrent het plan, daar het onze hand in hand inigt;esl gaan met een ander plan, daar Philip II lang mede bedreigd had, Ie weten een inval in ingeland. Waarschijnlijk had de zending van Leicester met de Kn-gelsche hulp1roe])en naar ingeland, ol'de verwoesting van Domingo en Carthagena dc maat van zijn misnoegen doen overloopen, in één woord, hel was thans een l'eit, 'dat aan den prins van Panna de vraag gericht was ol' hij Kngeland wilde hezetten en Parnèse had geantwoord, dat hij hiertotquot; hereid was, als eene Spaansche vloot de landing zou hesehermen en de koning hen .'50,0(10 man ter heschikking stelde.
])o Paus oiulovstrmulc mot ^cld en met zijn invloed dit onder- .
nciueii, omdüt hei eenii^e doel dier onderneming liet herstel van hi'l katholiek geloof in Engeland was. Dat alsdan de troon aan deszei I's reehtniatige vorstin Maria Stuart zou vervallen, hehoefde geene bijzondere vermelding, ook sprak men van haar huwelijk met den prins van Panna.quot;
^len begrijpt, dat dit hericht als een hom onder ons insloeg.
Men vroeg hoe hij dit hericht vernomen had, wanneer hij het ontvangen had, â en waarom hij het ons mi eerst mededeelde?
Hij had dit eergisteren van een zekeren Gilbert Giiïord, een edelman uit Stall'ordshire, die juist van Parijs kwam en hem aanbevolen was, vernomen, juist voordat wij naar Tyhurne redenen daar wij overééngekomen waren, nooit op straat A-an zulke zaken i
te spreken, had hij het tot den avond uitgesteld.
Pu wat zou nu onze plicht zijn, aldus besloot hij, als dit werkelijk gebeurde en Panna met een leger het land aanviel? âOns vaderland verdedigen,quot; riepen eenigen.
âTegen ons vaderland zou de aanval zich wel niet richten,
maar tegen Elisabeth, die wegens hare geboorte, reeds door Paus Paulus V plechtig van den troon vervallen verklaard is, en tegen haren bloeddorstigen aanhang, die ons, katholieken, reeds sedert 2H jaren zoo gruwelijk vervolgt. AVacht nog tien, neen,
nog vijl' jaren en al onze katholieke t'amiliën zullen tot den bedelzak gebracht zijn, omdat zij hun geloot' trouw gebleven zijn!
Zal er dan niet een handvol moedige mannen gevonden worden om hun geloof en hun recht door eene moedige daad te verdedigen ?quot;
âDuizenden zijn opgestaan, maar waartoe heeft het gebaat,quot;
â 118 -
I
riep Tilcliliournc; (lonkt eens nan liet l)l()('(lig ciiulc van de graven van Nortluimbcrland im West inorcland. Denkt ivns aan dal Moedig Kerstfeest, waarop lülisabelh de arme nienschen niet honderden ter dood liet brengen. Ik vrees, dat zulk een ongeluk zich zal herhalen, als Elisabeth iets van l'arnia's komst te hooren krijgt.quot;
Hiudelijk sloot Bahington de l)eraadslagiiig, nogmaals zijn beker op den goeden uitslag van onze oiiderneming h^li^ende. Wij dronken onze glazen uil, drukten elkander de hand en namen al'seheid, nadat Hahington mij nogmaals verzekerd had, dat hij mij morgen naar den staatssecretaris zou vergezélleu.
Titchbonrne en ik, lieten onze paarden in de herberg en slen-terden naar de stad. liet was nacht geworden, ahlns verhaalt Windsor, maar de lucht was zoo zacht, dat w ij ons niet haastten naar Imis te komen.
âZie, iMlnard,quot; sprak mijn gezel, onze vriend Mabinglon bevalt mij hoe langer hoe minder. Ik weet wed, hij heelt een heel ander karakter dan ik, hij is ving, vroolijk, vol moed en levenslust, hij is ook een oprecht katholiek, maar zijne lichtzinnigheid en zncht tot genieten zijn toch bovenmatigen velen onzer geven hem in dit pimt niet toe. Hen voornemen, zooals het onze, moest door anderen geleid en ook niet hij het wijnglas besproken worden. Ik heh als '1 ware spijt, hem mijn woord gegeven te hebben. Waarlijk, ik zou mij terugtrekken, als dit niet geheel tegen mijne gewoonten streed. \\ aarschuw hem, Kdnard, gij zijl hem een oudere vriend dan ik. (ia hem na, want ik vrees, dat hij nog andere dingen in het schild voert, waardoor hij ons mede in uioeielijkheden brengen kau. INn wij hem zoo duidelijk verklaard hebben, dal wij niets van misdaden hooren willen.
ii! I | ''
%
I.' I'
quot;l i
i
'1 I. i
- 119 â
heeft liij do horens ingetrolilvon, niaav ik vrees toch voor zijne lichtzinnigheid.
Wees aldus voor u en ons op uwe hoede, want wij zijn nu zoover niet hein gegaan, dat wij, al helpen wij niet mede, de bloedige gevolgen zullen moeten dragen.quot;
Ik kon niet anders dan hem gelijk geven en helool'de naar mijn hest vermogen alle onheil te voorkomen. Dit deed ik des te meer, omdat ik in den laatsten tijd hemerkt had, dal Bahington met allerlei soort van volk, ook met een oud soldaat, die onder 1'arma in Nederland gediend had, druk verkeerde en wiens somber gelaat mij opgevallen was.
XIII.
EEN BEZOEK BIJ DEN STAATSSECRETARIS WALSINGHAM.
jk.^ had ik den volgenden morgm mijn ontbijt ir ^ glt;gt;1)i'uild (gt;r Jiabington kloplc aan mijne deur. Hij was in zijn besto pak gestoken en droeg een licht blauw satijnen bnis met wijde pofmouwen en rozeroode satijnen linten en daarbij den rood karmozijnldenrigen tluweelen mantel met breeden rand. Ook droeg hij ccmi kleinen, lijn kanten kraag en ('(gt;11 gouden ketting; kortom van al' de veder op zijn nieuwen boed tot lt;)]) zijne rood verlakte schoenen, ontbrak er niets aan den jonker en ik moet bekennen, dat geen schooner edelman ooit Londen's straten betrad, want ook zijn l'riscb, levenslustig gezicht maakte o]) de voorbijgangers den aangenaamsten indruk.
Wij plaagden hem dan ook niet weinig en vroegen oi' liij van plan was naar het hol' te gaan en met Sir Walter llaleigh, die de groote gunsteling van Klisabeth was, te wedijveren. Hij dankte voor de eer en had zich slechts ordentelijk gekleed, om Wal-singham te toonen, dat liij nog niet al de katholieke edellieden tot den bedelstaf gebracht had. Ook ik moest nu mijne beste kleederen aantrekken.
Maar ik kon niet besluiten mij even als hij op te tooien.
Tk trok een zwart fluweelen l)ui.s aan en hing or mijn donkor-blauwen mantel over zoo als liet oen aanstaand g'eneoslieer paste, doeh liet mij door Ikibington overreden een zijner fijn geplooide kragen om te doen en ook zijn groot zwaard met verguld gevest aan een breeden bandelier om te hangen.
Zoo gingen wij begeleid door Titebbonrne's beste wenselien.
quot;VValsingbam's luns werd weldra liereikt. liet waseene l)eselieiden Avoning, vergeleken bij het paleis van den Lord kanselier, waar naast het stond, doeh statig genoeg, vergeleken hij de gewone Londensehe huizen. Dank aan onze iijne kleeding en het stoutmoedig benemen van Habingtou. werden wij door de wachters, die o]) hunne hellehaarden geleund aan de deur stonden, dadelijk ingelaten. De portier vroeg naar onze namen en riep een jonkman, een zekeren Rohert l'oley, een man van goede familie en innemend voorkomen, die hij Walsingham als vrijwilliger iu de staatskanselarij diende, ten einde zich aldus later eene aanstelling te bezorgen. Ik had den jonkman meermalen gezien en had hem in den âl'arijsehen lusthofquot; menigmaal ontmoet. Hahington Avas veel beter met hem bekend. Aldus groetten zij elkander vriendschappelijk en ik werd voorgesteld, l'oley scheen huilen-gewoon verheugd en vroeg wat er van onzen dienst was, en toen hij hoorde dat wij den staatssecretaris verlangden te spreken, riep hij uit. Kr staan wel een dozijn heeren in de voorkamer en onder hen zijn mannen van invloed, maar u zal ik in de alge-sloten voorkamer laten en u aanmelden. 31 en moet zijne vrienden toonen dat men iets voor hem over heeft.quot;
Hiermede geleidde hij ons door eene kamer der kanselarij, waar een tiental schrijvers bezig waren, in een klein kabinet, schoof
â 122 -
tv, ee armstoelen bij eenc tafel, waavoj) ijainci- en sclivijl'helioeFten lagen en ver/ocht ons ons Acrzoek om eenc audientie, benevens ons beider naam op een papier te sebrijven. Dit bracht bij naar
AValsing'liani en kwam weldra met de bootlscliaj) terug, dat de heer staatssecretaris ons dadelijk mei liet grootste genoegen zon ontvangen.
En w ij belioeften niet lang te wachten voor dat de deur geopend werd ; Walsingliam ontving ons met zooveel vriendelijkheid, dat ik er geheel door verhlnl't werd. De heer was in een eenvoudig zwart huiskleed gehuld en droeg voor eenig sieraad een gouden keten met het portret der koningin.
Terwijl hij in de derir tredende zeer beleefd hoog, school' hij zijn zwart flnweelen kapje op zijn grijzen, bijna geheel kalen schedel licht ter zijde en wierp op ons een snellen, vorschenden blik. Daarop trad hij ons glimlachend tegemoet en stak ons heide handen toe.
âliet verheugt mij buitengewoon kennis met u beide, edele jonkers, te maken,quot; zeide hij. Daarop keerde hij zich tot mij en ging voort. âDus zijt gij de gevierde Dabington van wiens hehendigheid in alle ridderlijke spelen de gebeele stad vol is, zoodat zijn roep zelfs tot het oor van II. 31. gedrongen is en zij mij onlangs vroeg. âHoe komt het dat die jonge edelman zich niet aan bet hof ven-voegt.quot;
Natuurlijk maakte illt; mijn excuse en stelde mijn vriend voor. âAch ! wat word ik toch suf,quot; riep hij uit, âdat had ik toch hij den eersten hlik kunnen zien, al ware het slechts aan deze even smaakvolle als kostbare kleeding. Inderdaad het ware beeld van een hoveling. Die heer beeft veel gereisd. Naar Parijs? dat dacht ik wel. Ja, aan het hof van Katharina van Medicis kan men smaak en modes bestudeeren. Onze edellieden zijn degelijke ol'licieren, moedige zeekapiteins, maar als hovelingen zijn
- 124 -
zij stijl', plomp, onhcliolpon. En liiov liobbcrMvo dus Mr. ^Vindson, die lt;)]) de l'nivcrsilcit te Padua door zijn(gt; gcloovdlicid scliiUcrdc. Willen de Ihhm-oii in mijn (vnvoudi^ kabinet ti'cdcnr
Zoo sprekend en scliersend scliool' de lieer staatssecretaris ons in zijne kamer en bet zal niemand verwonderen, dat zulk eene ontvangst, die ik mij geheel anders voorgesteld bad, mij buitengewoon verben^,le. Kerst een paar maanden later beb ik begrepen
5
dat heel zijn gedrag slechts ten doel bad ons door zulk eene zoete melodie in een valscben slaap te wiegen en ons op die wijze geheel in zijn net te lokken. In zijn kabinet, noodigde hij ons uil te n'aan zitten en nam zelfs plaats aan eene tafel, die geheel met papieren en acten bedekt was. Toen u.inn' hij nog een tijd voort met zijne vreugde over ons bezoek nil te drukken.
Hij had, zoo verhaalde hij, met Habington's vader te Cambridge gestudeerd; zij kenden elkander zeer goed, maar de oude Mabington was een veel beter student dan bij. Jammer, maar, dat bij zich in de nieuwe politieke gebeurtenissen zoo slecht voegen kon,quot; i^in^ Walsinu'bam voort. Kn dit schijnt ook bij deze beide edele jonkers nog het geval, niet waar? men kan zicb maar niet er toe zetten om de door Hare .Majesteit bevolen godsdienst oeleningen te bezoeken.
âHet spijt mij voor de heeren, want daardoor sluiten zij zicb den weg tot alle invloedrijke plaatsen. Hel is zoo onpolitiek en zoo nutteloos.quot;
âliet is inderdaad voor ons met zware oiïers verbonden,quot; bemerkte ik, âmet oll'ers, die wij nooit zonden brengen, indien wij bet niet als een beiligen plicht beschouwden.quot;
âJammer, jammer, mijn jonge vriend, daar ligt juist de dwaling-
- 125 -
Indien II. M. ons iets onchristelijks beval, dan zou ik uwe aanmerking laten geldon, maar er is hier slechts sprake van een vorm. VVien het land toehohoort, heeft den godsdienst te hevelen, Cajus regio, ejus et religio. Wij zijn Hngelschon en geen Romeinen; daarom moeten wij Engelsch katholiek en niet lloomsch katholiek zijn. Wat ware het schoon als wij allen één in het geloof waren. Maar daar hen ik aan het praten geraakt en wil niet disputeeren. Zegt mij liever waarmede ik u kan dienen?
Bahington vertelde eerst eenigszins heschroomd, doch daarna op vroolijkon toon hoe wij met zes studenten een verhoud gesloten of liever een cluh georganiseerd hadden, om to roeien of te rijden en wij huiten, te 8t. Gilles eene gemeenschappelijke kamer voor onze hijéénkomsten gehuurd hadden, en nu had gisteren avond de oude Clayton ons dit en dat verteld, en ons geen rust gelaten, totdat wij hom heloofd hadden do zaak met den Heer Staats Secretaris zelve in hot reine te brengen, omdat in zulke benarde tijden een misverstand zware gevolgen kon hebben.
Walsingham streek over zij non grijzen haard, wreef zich den
\
spitsen neus met den vinger en glimlachte zoo lang Bahington aan do praat bleef. Toen lachte hij luidkeels en zoide : âDaarin heeft do oude Clayton u geen bijzonder goeden raad gegeven, want het fransche spreekwoord zegt : âQui s'excuse, s'accuse.quot; En volgens deze uitspraak had ik bijna lust de zaak ernstig op te nomen, als ik mijne menschen niet kende. Loopt heen, hoe zou ik toch op de gedachte kunnen komen u voor samenzweerders te houden, want daar waart ge bang voor? Ma, ha, die zien er heel anders uit. Een somber oog, oen gluipend wezen, stom als het graf â en gij zijt de vroolijke, dolle, schuimende jeugd
- 126 -
/ell'! Ik heb ook den detoclivo, die het mij aanbraclit, degelijk doovn'ehanld. Daar moet Ih'I nog wel in de pamoi'mand liggen.
Wj |
Waarlijk daar licht ge hot! en daar staat ook nog liet latijnsche vers, dat hij mij als hoogst verdacht deed voorkomen.
Ili milii sint comités, qnos ipsa pericnla iungnnt.
Dit lieel't natuurlijk betrekking op de gevaren der hoot en te paard misscliien ook wel op die der dohhelsteenen'r Niet'r mi dat verheugt mij, dat gij n met geen dohhelsteenen inlaat.
jr
(iij moet het den politieagent niet kwalijk nemen, dat hij uw schoon vers niet begrepen heeft. Hij is nog een jonge jiichthond en die verwisselen vaak een edel hertespoor met dat van een
1
Ik kan niet ontkennen, dat zulke woorden mij een steen van 't hart namen en Bahington verborg dit ook niet.
Wij dankten hem heiden voor de goede meening, die hij van ons had, en verzekerden hem, dat hij overtuigd kon zijn dat wij goede, getrouwe onderdanen van hare Majesteit waren.
âjS'n voor heden zullen we alles genadig door de vingers zien,
ter eere onzer kennismaking.quot;
i'I
Wij wilden hem voor zijn goedheid danken en opstaan, daar wij reeds lang genoeg van zijn kostbaren tijd misbruik gemaakt hadden. Maar Walsingham verzocht ons nog een kwartiertje te blijven. Hij beschouwde den tijd niet als verloren, waarin hij twee zonen van zulke edele geslachten eenige zaken op kon helderen en hun eene betere meening van de regeering harer Majesteit kon geven. Hij ging daarop voort âOm u, lieve Windsor een klein bewijs mijner eerlijke welwillendheid te geven, zou ik misschien in staat zijn u aan cene hetere, vorstelijke, koninklijke praktijk te liel-
'
127 -
i
pen. Wij liebbon â maar ik vorzook u A'oorloopig' (latgcnc wat ik als staatsjjfohcim on bewijs van mijn bijzonder vertrouwen te be-sebonwen, â wij bel)ben, zeide ik, nit Cbartley omtrent de ge-zoudlieid der ongelukkige koningin van Sebotland, belaas, sleebte beriebten. Haar rbninatiscb lijden wordt erger; daarbij komt eene bedenkedijke slap(doosbeid, opgewondenlndd en neerslaebtig-beid. Hm! Arme vrouw! Het laat zicb gemakkelijk begrijpen, na eene IS jarige gevangenseba)) «mi de treurige beriebten, die zij van baren zoon uit Sebotland ontvangt. Nu, baar eenig geneesmiddel ware de vrijheid en bet is waarlijk mijne scbuld niet, dat men de arme gevangene dit levenselixir niet toedient ; ik beb in een breedvoerig promemoria II. .M. traebten te overtuigen, dat zij bare koninklijke zuster in vrijheid moest stellen. Daar is bet stukquot; â en bij trok een dik aktenstuk van onder zijne papieren te voorsebijn, â de jonkers kunnen zicb met eigen oog overtuigen maar ik bid u nogmaals te bedenken, dat wij nu diep in staats-gebeimen steken. Ik moet eebter bekennen, dat ik met mijne toegevendheid schandelijk fiasco geleden heb, tegenover mijn vereerden collega Lord Eurgley, en dat de Staatsraad van gevoelen is, dat het eene voor het algemeen welzijn geboden noodzakelijkheid is, Maria Stuart voortaan als staatsgevangene te blijven behandelen. Nu, daartegen valt niets te doen. Maar wat de meuscbelijkheid toelaat, mag baar, voor zoover ik vermag, niet geweigerd worden. Ik bood haar de hulp van een bekwaam geneesheer aan, maar zij bedankte, want deze arts was niet katholiek en zij vreesde wellicht âeenigszins te sterke medicijnen.quot; Natuurlijk, in baren toestand wordt men mistrouwend! En nu viel het mij juist in of het niet goed ware onzen jongen vriend
Windsov, die, helaas, con even verstokt papist is, (pardon) overigens door zi jn naam als door zijne talenten, voor deze zending de juiste man. Wat zei^t de jonge heer daarvan?
Men kan zich gemakkelijk begrijpen, dat 1)ij zulk een even ongehoopten als verlokkenden voorslag het hart in het lijf opsprong en bijna zelfs op de tong. Habington gaf mij ook een stoot in de ribben, opdat ik aan zou nemen, daar bet een onge-hoopt voordeel voor ons plan ware, indien ik vrij in het slot Chart ley uit en iu kou gaan. Walsingbam heeft dezen ijver van zijn vriend wel bemerkt en kan niet nalaten daarover in zijn grijzen baard te glimlachen. Ik echter hield het toestemmend woord, dat reeds op mijne lippen zweefde, terug, bedankte den heer staatssecretaris in vele gekozen woorden en verzocht hem mij drie dagen te geven om te overwegen of mijne jonge schouders zulk eene waardigheid dragen konden, waarop Mijnheer AValsingham mijne bescheidenheid prees en mij uitnoodigde hem binnen eene week het verlangde antwoord te brengen. En terwijl hij'dit zegde sloeg het half elf. Toen stond hij op en nam met een liartelijken handdruk afscheid. Wij waren reeds op den drempel, toen hij nog schertsend zeide.
âMr. Babington, mijn raad dat gij naar het hof zoudt gaan schijnt mij toch, na rijper beraad, eenigszins gewaagd. liet zou niet zonder intrigues van naijver, misschien wel op een bloedig duel atloopen, als zulk eene nieuwe ster zich naast Sir Ualeigh stelde, (mi de gunst barer Majesteit door het oiler van zijnen mantel verwierf.
En waarachtig, uw mantel overtreft alles. Bedenk dus wel of gij uw schoon schip aan zulke stormen wilt toevertrouwen.
9
- 129 -
of dat gij hier tie schoont' spreuk: âVlied het gevaar,quot; in oefening moet brengen.
Tot wcderziens, mijn lieve ileereu en houdt den ouden AVal-siughain, die toch altijd iels heler is, dau zijn naam, voor uw toegenegensten vriend.quot;
llobert Poley wachlte ons in (I(gt; gang. Bahington, die van hlijdschaj) niet w isl wat hij deed, viel mi j herhaalde malen om den hals en riep uit. âLeve de lieer Staats Secretaris! Onder alle onkatholieken heb ik nog nooit een billijker en edeler man gevonden en had nooit gehoopt er zulk een te vinden.quot; Hij was zoo opgewonden,dat ik te vergeefs hem smeekte bedaard te blijven.
âWat? bedaard,quot; rie|) hij uit, âonmiddellijk moet er eene tijne llesch op VValsinghams gezondheid gezet worden en ik verzoek de heeren mede naar âhet Ankerquot; tc gaan.quot;
Dit was aan geen dooven gezegd en Foley en een paar schrijvers der kanselarij waren dadelijk bereid mede te gaan, en daar had Bahington bijna onze plannen verraden, indien ik hem niet op de voeten getrapt hadde.
Maar daar Bahington niet over hnn heer kon zwijgen, moesten de schrijvers noodzakelijk in dien lof instemmen en zij ook vertelden de schoonste zakeiT van Walsingham. Zij lieten vooral duidelijk hooren, dat het niet aan hen lag, dat het den katholieken zoo moeielijk werd gemaakt. Dit was de schuld van Lord Burgley, vvien het ook alleen toe tc schrijven was, dat onlangs nog zoo vele priesters onder beiilshanden gestorven waren.
Trouwens men kon gemakkelijk begrijpen, dat Walsingham als lijn politiek er veel meer naar streefde de katholieke edellieden op zijne hand te krijgen, daar het steeds meer en meer
- 130 â
omvaarscliijnlijk word, dal Hlisabolli, (!!(gt; roods 53 jaren toldo, ooit zou liuwon on dat l']iigoland dus nooit op oou ))rotostanton kroonprins liopon kon.
Hot was daaronto^on taiuolijk zokor, dat do ^ovangon koningin .Maria Stuart toch nog onus don troon zou boklimmon on dit was do rodo, waarom Walsingliam zicii moor naar do Katholickon koerdo on iiot niot ongaarne zou zion dat, ton spijt van Lord Burgloy, do Scliotsclio koiungin uit do govangonis ontkwam. Dozo woordon iioldordon ons do omstandigiiodon duidolijk op. Iks})itsto do ooi'on, doch ])oinorkto in hot algomoon, dat do hovi'ijding van do koningin van Schotland voor iodor woldonkondc oono grooto vrongdo zou zijn, doch dat ik niot golooi'do, dat do protostantsclio partij ooit zou duldon, dat ocuo katholioko vorstin don troon 1)0-stoog. Dan zou iodor zi(gt;n mot hoeveol moor g 'duld do katlio-liokon hot liardo juk godragon haddon.
Do drio andoren lachten en zeiden dat het wol mogelijk zou zijn, dat hot oen ol' andere heet hoofd zijn zwaard logon do koningin zou trokken, maar de moesten zouden zokor weer spoedig naar don rozenkrans (gt;11 het korkhoek grijpen en naar do misgaan.
âDaarom,quot; zei Poley, âzijn wij engolschen, voel verstandiger dan gij roomschen. Zoo goed als Lord Eurgley, destijds nog William Cecil, in de dagen van .Maria Tudor d(gt; mis diende, zouden ook nu, hij en W alsingham en duizenden met hom, op hevel dor koningin weder do mis dienen. Kn als gij wat politieker waart zoudt gij hot verder hrongon en uw geloof boteren dienst hewijzon dan door uwe gedurige hoeton en kerkerstraf.quot;
Zoo praatten wij, terwijl wij onze llosch ledigden en namen met een hartelijken handdruk van elkaar afscheid.
Toon wij eindelijk lluii.s kwamen, moesten wij Titchbonvne alles vertellen, daar Iiij oni^eduldii? onze komst had afgewacht. Deze was echter over Walsinghains groote vriendelijkiieid niet hall' zoo geslicht als wij, veronderstelde overal listen en valstrikken, waarover Hahington ernstig in het harnas raakte en ik alles moest aanwenden om ze heiden weder te verzoenen. Titchlumrne hleel' nochtans hij zijne meening en zeide : â(ielooi't mij, die Walsingham is een onde vos en een gevaarlijker vijand dan Hnrgley zeil', die toch nog iets eerlijks en toch in liegen en bedriegen zijns gelijke niet heel't.
âEn gij zijl een somhere nil, die zijne oogen voor het licht slnit,quot; rie]) IJabington, wat is eerlijker en openhartiger dan het gedrag van den secretaris jegens ons. Als hij ons verdacht, hoe zon hij dan zoo openhartig zijn tegenover saamgezwoornenr Indien liij slechts het minste van onze plannen veronderstelde, hoe kan hij dan Windsor de plaats van lijl'arts hij de koningin van Schotland aangehoden hehhen, waardoor ons de denr tot vrij verkeer met de gevangene word geopend en de weg lot hare hevrijding zoo gemakkelijk gemaakt wordt Iquot;
âOf ons eene verborgen val gezet wordt,quot; voer Titcbhonrne voort.
âMijn waarde, zoo doet ook de visscher, die het net met den wijdsten kant openhoudt voor de l'orel en zoodra zij langs die breede denr is binnengezw ommen, ziet zij zich gevangen.quot;
âGij zijten blijft een echte pessimiste en twijfelaar,quot; riep Ba-bington verstoord. En ook gij, Windsor, zijt veel te langzaam en kleinmoedig. Gij hadt Walsingbams aanbod dadelijk en met groute dankbaarheid moeten aannemen.quot;
~ 132 â
âEu ik goloof, dat Windsor 's bodenken, liet verstandigste was dat gij beiden dezen morgen uitgevoerd bobt,quot; antwoordde Titcb-bourne. Walsingliam beel't dit opvallend aanbod wellicht slechts gedaan om ons den pols te voelen «mi een snel aannemen zou hem zeker in zijnen argwaan bevestigd hebben.quot;
âIn zijn argwaan? Hij verdenkt ons niet. Hoe zou hij anders iemand onzer dezen gewichtigen post toegedacht hebben?
âToegedacht ?quot; vroeg Titchbourne. âAangeboden heeft hij dien wel, maar of liij hem werkelijk toegedacht heeft, is nog de vraag. Walsingliam heeft nog duizend wegen en middelen, om dit aanbod terug te trekken. Hij kan er voorwaarden aan vasthechten, die geheel onaanneembaar zijn, hij kan.....
âGenoeg, genoeg viel Babington hem in de reden, terwijl hij zich de ooren toehield. â(iij zijl een ongeloovige Thomas en laat u nooit bekeeren. En als Windsor zich nu morgen aanbiedt, om den post te vragen? Wat dan?
âDan zullen wij naar de voorwaarden luisteren en goed toezien, dat bij niet hier of daar in de val loopt.quot;
âDan geloof ik zeker, dat Walsingliam om een of andere politieke reden wenscht, dat .Maria Stuart haar kerker ontkome en dat hij met voordacht eene deur openzet.quot;
XIV
EEN WATERTOCHTJE.
en vroolijkc lokfc een aaiilal ukmiscIicii naar dr
Theems, die wemelde van groote en kleine vaartuigen, die mot lumne wimpels en vlaggen en de selioon nitgedoselite passagiers een zeer vroolijk gezielit ()])leverden. \ an den oever klonk de muziek, want daar lag de âl'arijselie luslliol'quot; en de vlaggen boven des/.elI's tenten beloofden de bezoekers genol en genoegen. Daarheen voeren vele schuitjes, maar de meesten voeren sleehts heen en weder om de lieve zon, den schooneu stroom en bonte oevers, alsmede hel gezicht der drukke stad met hare1 ontelbare huizen, paleizen en kerken te genieten. Onze stuurman had ons bootje tot AVostminster op laten roeien, wiens een-waardige bouw thans in het zonnelicht in volle pracht en schoonheid praalde en liet ze nu zacht stroomal'waarts drijven tot in de nabijheid der Londensche brug. Plotseling kwam eene groote, nieuwe boot, tot dus verre door ons niet bemerkt, strooniatwaarts geschoten.
Deze boot was buitengewoon prachtig. Aan de boeg stond een vergulde eenhoorn met het Engelsche wapen; langs beide zijden hingen rijke tapijten tot op hel water neder. Schoon gebeeldhouwde en geschilderde zuilen droegen het dak der tent uit roode
- Vói -
en witte zijde en fluweel met rijke gouden boorden en kunsten versierd. Struisvederen wnilden op de lioeken; eene ^'roote vergulde kroon stond hoven liet midden der teut en eene zijden vlag met liet Andreaskruis wapperde van den top van deze prachtige boot. Voor aan den boeg stonden twee hoflakeien in rood en zwart gekleed, met zilveren stal' in de hand en riepen met luide stem: âPlaats voorde koningin.quot;
Inderdaad het was niemand minder dan koningin lilisaheth, die de sehoone lentedag had uitgelokt met haar gevolg een tocht fe naar haar kasteel te (ireenwieh te maken. Zooals naar gewoonte was zij met haar, met de heste roeiers bemand schip de andere booten van haar gevolg ver vooruit, waarvan wij de eerste slechts in het gezicht kregen. Zij zat op lluweelen kussens onder den troonhemel der teut gekleed in eene, even prachtige als kostbare kleeding; want hoewel anders algemeen ais gierig bekend, spaarde zij toch niets voor hare kleederen en men zegt dat zij bij haren dood oOOO zijden en lluweelen japons en rokken achterliet. Hierin en in nog vele anderen was zij de echte dochter van Anna Holeyn.
Ik had haar nooit zoo dicht bij gezien dan bij deze ontmoeting op de Theems en haar zoo prachtig en trotsch beeld heeft zich levendig in mijn geest geprent. Op het hoofd droeg zij eene kleine gonden kroon en rond haren hals viel, even als een opengeslagen pauwenstaart, een kraag uit de kostbaarste hrabantsche kant vervaardigd. Het lijf van haar kleed glinsterde van edel-steenen, hare zeer dikke pofmouwen van hemelsblauw fluweel waren met lintjes even als een sierlijk netwerk bespannen, en haar wit satijnen onderkleed was met goud geborduurd. Maar
- 137 -
iku»' meer clan liare glansrijke kleecling, verried haar trotseh opgeheven hoofd, haar aanmatigende hlik de koningin. Zij was vroeger sehoon geweest, maar nog meer dan hare 53 jaren haddm hare hevige hartstoeliten liaar gelaat ontsteld, on al de kunst liarer kameniers konden met l)lanketsel en toovermiddelen die verwoesting niet bedekken. Twee hofdames zaten aan hare voeten. Gewoonlijk werden deze zoo gekozen, dat hare schoonheid den glans der koningin niet te zeer verduisterde. Sir Christoph ITatton en haar nienwe gunsteling Sir Walter Ealeigh, die den naar Nederland gezonden graal' Leieester moest vervangen, stonden of zaten met andere heeren over haar. Aan den oever stroomde het volk in scharen toe; allen waren nieuwsgierig de koningin te zien. Zij zwaaiden met luinne hoeden en mutsen en riepen: âLang leve Elisaheth, de maagdelijke koningin!quot; Eenigen riepen, dat zij moest huwen en Engeland een protestantsehen kroonprins moesl schenken. ]\Iaar dat nam zij kwalijk en beval de roeiers vooruit te roeien, en onder het daverend gejuich der menigte verdween de koninklijke boot hmgzamerhand uit ons gezicht.
XV.
EEN JONG DIPLOMAAT.
c neef van den Shuits-secretaris, wien men ter zijner eer zijn naam Francis AValsingham gegeven luid, werd door hein in de diplomatie opgeleid en verhaalt wat hem in zijn loopbaan ervaren is. âWij hadden gedurende eenigen lijd veel werk op het gezanlsehap. Door spionnen was ons gemeld, dat de hertog van Clnise een plan maakte Kngeland te overvallen, zijne nicht Maria Stnart te bevrijden, haar op den EngelselKm troon, die haar van rechtswege toekwam, te verhelTen en den katholieken godsdienst door kracht van wapenen te herstellen. Wij deden alles wat wij vermochten om dit plan tegen te werken en den slag tc voorkomen. In allerijl werd ik naar Londen gezonden, waaruit men mij eenige jaren te voren had gezonden, minder om de diplomatie dan wel om de l'ransehe taal machtig te worden.
Ten gevolge der herichten, die ik overbracht, werd het huis van Francis Shrogmorton van onder tot boven onderzocht en men vond het plan van den beraamden staatsgreep. Toen werd ik dooide koningin zoo genadig ontvangen en van Lord ihirgley viel mij zulk eene onderscheiding ten deel, dat ik algemeen als zijn aanstaande schoonzoon beschouwd werd.
- WJ -
3)it en de meeniug, dat het hoogverraders gold, troostte mij over de bloedige offers, welke het ontdekken van dit plan ten gevolge had. Eeno menigte onsehnldige priesters werden, helaas, de hetrenrenswaardige slachtolïers. Moge God mij hun hloed niet toerekenen.quot;
Ook de Spaansche gezant, Don Bernardns de Mendoza was in het plan betrokken en werd smadelijk gedwongen naar zijn land terug te keeren. Deze kreeg van zijn koning de aanstelling als afgezant te Parijs en het stond te voorzien, dat hij alles in het werk zon stellen om den hem aangedanen smaad op Hnrgley en Elisabeth te wreken. Mijn oom droeg ons aldus op, Mendoza op de vingers te zien en zond ons eenige zijner sluwste spionnen naar Parijs. Wij kwamen spoedig ook weder op het spoor van een nieuwe samenzwering, die thans van den Spaanschen koning zeiven scheen uit te gaan, en dit was niet te verwonderen, daar Elisabeth Leicester met een leger de oproerige Nederlanders ter hulp zond, en door eene vloot onder Francis Drake de Gallische kusten en West-Indische koloniën liet bewaken. Maar wij konden niet achter de bijzonderheden van het plan komen.
Toen kwam de rampzalige apostaat Gilford te hulp.
Gilbert Gifl'ord was ontsproten uit een edele familie uit Stal'; fordshire. Zijn vader had ter wille van het katholiek geloof bijna geheel zijn vermogen aan boeten moeten ten offer brengen en had vele jaren in den kerker doorgebracht. Om zijn zoon, die zeer veel beloofde, de weldaad eener katholieke opvoeding te verschatten, had hij hem naar Douay gezonden, waar Dr. Allen zijn beroemd seminarie geopend had. Zeer waarschijnlijk ging zijn vader tot dezen maatregel over, omdat de knaap bij zijne groote
â 140 -
talenten tevens ceno bnitengmvono trotsclioid, oenc grooto liclit-zinniglicid en gebrek aan godsdienst openbaarde, die zijn vader noopte zijne opvoeding aan de ernstige leiding der katholieke priesters toe te vertrouwen. De vader stierf alvorens bij de smart moest beleven te zien, dat alles te vergeefs en de knaap een apostaat geworden was. Mij sebitterde in de scholen en toen liet Seminarie van Douay naar Rheims werd verplaatst, vertrouwde men hem, den twintigjarigen jongeling, een leerstoel der pliilo-sophie. Maar zijn zedelijk gedrag was zoo lichtvaardig, dat zijne oversten hein moesten vermanen en bestrallen en eindelijk met de verwijdering uit het Seminarie moesten bedreigen. Toen lie]) hij er uit en wel met eene som gelds, die door den hertog Aan (Jnise, hem ais aalmoes voor bet Seminarie geschonken was.
Hij vluchtte naar l'arijs en had in korten tijd het gestolen geld, dat hij als zijn honorarium beschouwde, liederlijk verkwist.
Op de zonde volgde inderdaad bet berouw, maar in plaats van als de Verloren Zoon rouwmoedig weder te keeren, ging de ongelukkige Gill'ord een tred verder en stortte zich dieper en dieper in het verderf door zijn geloof aan God te verloochenen.
In zulk een ongelukkigen staat bevond bij zich, toen ik in het jaar 158(5 toevallig in eene societeit kennis met hem maakte. Hij bad van den waard gehoord, vie ik was en deze stelde hem mij voor als een landgenoot uit goede familie.
Daar hij fatsoenlijk, zelfs deftig gekleed was en zich wel wist voor te doen, verzocht ik hem aan mijn tafeltje bij de kachel plaats te nemen.
Wij voerden eerst een algemeen gesprek over Engeland en de laatste berichten uit Nederland; toen schoof hij zijn stoel dichter
- lil -
bij den mijne en nadat hij schuw vond gezien had of niemand, die de Eng-elsehe taal machtig was, ons beluisterde, vroeg hij een woord iu vertrouwen met mij te spreken en hood zicli :ils spion aan. Niemand, zeide hij, was heter in staat Engeland belangrijke diensten te bewijzen, daar hij uit eene goede roomsche familie stamde, bovendien de beste aanbevelingen had, waarmede hij zich zoowel bij den Spaanschen gezant als hij den verbannen bisschop van (ilasgow en bijzonder bij Thomas Morgan en de overige partijgangers van Maria Stuart kon aanbieden. Als a\ ij hem wilden bezoldigen, zooals Walsingham zijne overige spionnen bezoldigde, zouden wij over zijne diensten tevreden zijn.
Ik was dadelijk bereid ten minste eene proef van zijn aangeboden diensten te maken en schoot hem verscheidene ponden voor.
Wij bespraken, dat bij mij eene week daarna weder op dezelfde plaats zou trelfen, want hij mocht zieh natuurlijk op het En-gelsch gezantschap niet laten zien, wat hom hij de partij van Maria Stuart verdacht zou gemaakt hebben. Daarop scheidden wij.
Ik kan niet zeggen hoezeer het verkeer met dergelijke ellendige spionnen mij altijd tegengestaan heeft en toch bestond destijds het groot geheim der staatkunde in het gebruiken van dergelijke lage verraders en mijn oom Walsingham betaalde uit zijn eigen vermogen buitensporige sommen aan zulke ellendelingen. Hij had er meer dan honderd iu zijn eigen dienst en de beste, de meest bruikbare waren bijna allen apostaten en vroegere theologanten. âHoe heiliger de staat, hoe dieper de val. Hoe beter de wijn, hoe zuurder de azijn.quot;
Gilford toonde zich een doorslepen schelm en won in korten tijd het vertrouwen van den aartsbisschop van Glasgow en van
riiomas Morgan. Deze was reeds bij oen vroeger plan tot bevrijding van M aria Stuarl de voorimainste deeln(4iner, en l^iisaheth Itad hem, o zoo gaarne aan de galt? gehangen I Maar hij was haar ontsnapt en Hendrik III, wien zij om zijne nitievering (e verkrijgen de ridderorde van den kousenhand gezonden had, kon haar slechts zijn goeden wil toonen door Morgan lol nader order in de Hastille le hinsvesten. Van daar uit had hij steeds al het mogelijke gedaan om deel te nemen aan alle praktijken ten gunste van Maria Stnart; want ook hierin speelde do fransche politiek duhhel spel.
GilTord veronderstelde, dat de draden van een nieuw plan juist in de handen van Morgan samenliepen en wist den gevangene zoo sluw te hedriegen, dat hij zich weldra in hezil zag van zeer gewichtige mededeelinyeu.
Hij deed zich voor als een vurig katholiek en huichelde de grootste toegenegenheid voor de koningin van Schotland. Hij had ook een sluw plan uitgedacht, hoe men huiten weten van haren gevangenhewaarder met de gevangen vorstin in hriel'wis-seling kon treden.
Daar nu de partijgangers van Maria Stuart niets vuriger wensch-ten dan een veiligen weg, om met haar in onderhandeling te treden, geloofde Morgan in den ellendigen verrader een hode des hemels te zien. Hij voorzag hem dus met de warmste aanheve-lingsbrieven van Chatemmoul', den franschen gezant in Engeland, door wien hij tot dusverre te vergeefs de brieven aan de gevangene w ilde doen toekomen.
De Spaansche afgezant Mendoza, liet zich evenzeer bedriegen en vertrouwde den man, die znlk een grooten ijver voor de ka-
â 143 -
tlioliolcc zaak luiichcldo lt;gt;11 Avicn de tot dusvcvrc zoo voovzicliti^o Morgan zijn vertrouwen geschonken had.
Aldus kon Gill'ord mij weldra hijna geheel de sleutels van twee plannen ter bevrijding van Maria Stuart ter hand stellen, welke reeds gedeeltelijk in uitvoering waren, liet eene ging uit van een zekeren heer Bahington, die met hehulp van eenige jonge katholieke edellieden door den een ol' anderen staatsgreep de koningin wilde bevrijden. Deze Bahington was in Fehruari te l'arijs geweest en had met Morgan en andere bannelingen onderhandeld.
liet gebeele plan scheen nog in de lucht te hangen en geleek meer op een dollen st udentenstreek, dan op eene ernstige onderneming, hoewel bij met den hertog van (Juise onderhandeld had.
Veel bedenkelijker seheen het tweede plan. I'hilip 11 scheen ernstig over eeu inval in Engeland te denken. De prins van J'arma was tot aanvoerder benoemd ; over de verdere voorwaarden werd nog onderhandeld. De hand van .Maria Stuart was den prins toegezegd en juist om het nadere met de gevangene af te spreken, w ilde men zich van den weg bedienen, dien Gitlord had voorgeslagen.
Dergelijke berichten schenen mij zoo goed gewaarborgd en zoo ernstig, dat ik ze dadelijk door een bijzonderen bode in geheimschrift aan mijn oom Walsingham overmaakte, en deze deed mij met denzelfden bode zeggen, dat ik met (iillord zoo heimelijk mogelijk naar Londen moest komen, wat ik dan ook in het begin van April gedaan heb.
- Hl -
XVI.
NOG EENS BIJ WALSINGHAM.
ij mijne aankomst to Londen prees mijn oom Walsingham mij ten hoogste, om de verstandige wijze, waarop ik mijne zending vervuld had. Hij zeide mij, dat ik niet slechts aan de regeeriag 1 hirer Majesteit maar ook aan den godsdienst â God vergeve het mij â een veel grooteren dienst had bewezen, dan ik zelf wel wist. âEn,quot; zoo voegde hij er hij, âindien gij deze intrigue met dezelfde, sluwheid helpt uitwerken, zal ik bij H. M. bewerken, dat gij tot ridder geslagen wordt eu in den raad wordt opgenomen. Dan moogt gij gerust op de hoogste gunst van Ihirgley eu op de hand zijner schoone dochter rekenen.quot;
Daarop bracht hij mij in zijn kabinet, dat ik tot dusverre slechts zelden betreden had, liet mij bij het vuur plaats nemen eu zette een paar lijn geslepen glazen op tafel benevens eeue llesch port, die hij uit een geheim kastje haalde. Daarop zette hij zich hij mij neder en zeide, terwijl hij een slok van den geurigen ouden wijn dronk.
âOp uwe gezondheid, mijn lieve Frans! liet is eeue oude gewoonte bij mij, bij zeer bijzondere gevallen, die ernstige overweging eischen, langzaam een klein weinigje van dezen ouden port
10
- 145
to (Iriiikon, maai' sl(gt;c1ils (V-n glaasjo. Eu ü,'ij moet u dat ook gewoon inakon. Dal edel vocht wekt de levensgeesten op en ik kan ii niet zeggen, hoe vele goede invallen ik daaraan reeds te danken hel). En eene ernsligc overweging ligt ons (hans te voren, (iij zult n niet verwonderen, als ik van liet standpunt van een trouw Engelsclinian en vooral als ijverig aanhanger van den protestantschen godsdienst, de gevangene Maria Stuart als het grootste gevaar heschouw?quot;
âI)i( moet ik toegeven, want als kleindoclder van Hendrik N'II lieel'l zij hc( volste reelit op den troon van ICngcdand en liet is niet waarschijnlijk, dat de öJJjarige Blisahoth nog zal lunven en nog minder, dat er op een errgenaam van haar te hopen is en daarmede wordt het gevaar voor de relormatie veel grooter.quot;
âDergelijk gevaar heangstigt mij weinig. Uurgley lieel't er hij-tijds voor gezorgd, dat dt* zedelijke naam van Maria he vlekt werd, hetgeen zij moge schuldig zijn ol' niet hel Uugelsch parlement gemakkelijk maakt haar recht op deu troon te he-twisteu. liet llngelsch parlement lieel't in de laatste vijftig jaren nog heel andere dingen klaar gespeeld! Neen, als Maria Stuart o]) den Engelschen troon komt, geschiedt dit dooreen ten harer gunste ondernomen inval van het buitenland of door een oproer der katholieken in het hiuneuland. Dit laatste is echter niet gevaarlijk meer. Dit was het achttien jaar geleden, toen de Pans Elisabeth als afgezet verklaarde; toen hing baar lot en dat der reformatie a.tn een baar. Hurgley was ten einde raad en toonde in het uur van gevaar, dat hij geen staatsman was. I lad Al va toen een half dozijn schepen en een regiment van zijne gevreesde Spanjaarden aan land geworpen, dan ware Maria Stuart lang koningin.quot;
â li(j â
âEn hor is hot toon al'goloopen, oom?quot; vroog ik.
âWel toen het gevaar gelukkig afgewend was, toonde Bnrgley zich ook weder de rechte man op de rechte plaats, terwijl hij over de verleide opstandelingen, volgens den wil der koningin, die zich toen eene echte dochter van Hendrik VIII toonde te zijn, een hloedig gericht hield en gcheele dorpen uitmoordde. Sedert dien tijd is een oproer steeds meer en meer onwaarschijnlijk geworden, liet getal der katholieken is samengesmolten, en de adel hloedt langzaam dood. Weldra zijn de papisten niets meer dan een hoopje onbeduidende bedelaars.quot;
âEn het eerste geval ?quot; vroeg ik andermaal.
âJa, dit is veel gevaarlijker, dit is eene Spaansche landing en om dit te bewerkstellingen zullen onze papisten werken, zoolang Maria Stuart leeft. Gij herinnert u de samenspanning der Uudolli. Twee jaar geleden stonden wij voor hetzelfde gevaar eu nu dreigt het ten derden male erger dan ooit. Ik zeg het nog eens: wij zullen niet tot rust komen, zoo lang Maria Stuart iu Engeland gevangen is en daaruit volgt ; dat haar dood cone polUieke noodzakcHjl'hcid geworden is.quot;
Dezen laatsten volzin had Walsingham op zachten toon, maar zeer langzaam en met klem uitgesproken. Toen dronk hij weder een slokje port en zweeg eene poos.
âGij zegt, oom, zoo lang zij in Engeland gevangen blijft. En als men haar uit haren kerker ontsloeg?quot;
âDit zou men al lang gedaan hebben,quot; antwoordde hij, âals zij twee voorwaarden wilde aannemen. Verzaken aan de troonsopvolging en overgang tot den gereformeerden godsdienst. De gekkin heeft door een achttienjarige kerkerstraf hare weigering
hovostigd; Inquot;! opvstc uit mocdtM-liofdo voor luuon zoon, die liot liaav tot diisvcm' netjes viM'geldt, het laatste uit eene onbegrijpe-lijke dweperij, die men slechts hij katholieken vindl. (iij zult nog heleveii, dat Hendrik van Navarre om de fransche kroon Calvyn vaitrwel zegt en vroom naar de mis gaat, die hij thans voor een al'godiseh gruwelstuk nitmnnkt. Had Maria Stuart de leer van John Knox aangenomen, dan ware zij nu voor de Lords eene deugdzame koningin, ook als de dood van haar gemaal duidelijk hewezen ware. En hadde zij in Engeland het papismus afgezworen, dan zou zij wellicht nu reeds op den l!ln-gelschen troon zitten.quot;
âIteei't zij dan geen hooj) meer? Zal de ongelukkige vrouw nooit meer hare vrijheid terugkrijgen?quot;
âZij heeft de voorwaarden geweigerd en zonder derzelver aanneming gaat het niet. Kn waar zouden w ij haar ook heen zenden r Naar Scliotland? Wij zouden daarmee haren zoon, die thans onze hondgenoot is en tot de gereformeerde Kerk behoort, grooteu omlienst doen.quot;
âVeertien jaar geleden verlangden de hoerende uitlevering van Maria Stuart en waren bereid haar aan de grenzen in ontvangst te nemen, haar dadelijk voor het gerecht en ter dood te laten brengen. Deze zaak leed schipbreuk door de booge eischen
van die gelukzalige lieden en......de spaarzaamheid onzer
koningin. Eenige duizenden ponden hadden toen Engeland en de lleformatie Aan Maria Stuart bevrijd. Maar Elisabeth geloofde goedkooper tot haar doel te komen. Ik zeg u dit maar, om u in te prenten, dat het eene slechte politiek is in het juiste oogenblik gierig met het geld te zijn.
118 -
Naar Schotland gaat liet dus niet. Naar Spanje ol' Frankrijk nog veel minder. Neen, zij moet sterven. Dat is de eenige oplossing.quot;
Mij viel het woord van Kaïphas in, maar ik bedacht dat zij door eene gered i tel ij ke uitspraak als schuldig aan den dood van haren gemaal Darn ley verklaard was, en door den haat, dien men mij van kindsheen ai' tegen deze vrouw had ingehoezemd, zeide ik, dat men haar dan maar moest laten veroordeelen en ter dood brengen.quot;
âZeker,quot; zeide VValsingham en nam weer een slokje port. âDit heeft Eurgley sedert lang de koningin voorgepraat, dit ware eene daad van noodzakelijke zelfverdediging en gerechtigheid. Mijn hemel! dergelijke zaken zijn in de geschiedenis van Engeland niets zeldzaams. Kn dit zou de koningin eene zeer gewenschte uitkomst zijn, dat is, zij zou zich als zeer ontsteld aanstellen, en hem, die haren hartewensch zou vervullen, zou zij waarschijnlijk als loon een kop korter laten maken om in diens bloed hare handen in onschuld lt;e kunnen wassclieu ! Nu tot dusverre is er niemand gevonden, die Elizabeth's wensch vervuld heeft.quot;
âZou haar nieuwe gevangenbewaarder hiertoe geen lust gevoelen? Men zegt, dat hij een ruw gezel is en Maria Stuart haat-als den duivel?quot;
âSir Amyas Paillet? Ach, die is of te eerlijk ofte voorzichtig. Hij heeft verklaard, dat als men den heul met het schriftelijk en bezegeld bevel van Elisabeth zond, hij hem als een lieven gast zon ontvangen en hem zijn lasl laten uitvoeren, maar hem zou men met dergelijke wenschen niet behoeven aan te komen en hij verklaart luide, dat hij die noch zou uitvoeren, noch in de uitvoering zou helpen en
- 140 -
(lat, zoo lang Maria Stuart onder zijne bewaking stond. En aldus zouden wij geen voet verder zijn dan aclittien jaar geleden, zoo niet eenige jonge paapsclic edellieden ons zeer gewensclit ter hulp kwamen.quot;
âIk luisterde met de grootste aandacht en vroeg: âlloedat?quot;
âGij, lieve Frans, hebt ons gelukkig op het spoor vitn zulk een allerliefst complot gebracht. Op uwe aangifte heb ik dadelijk de mededeelingen van dien heer Gilford, die mij een zeer bruikbaar man toeschijnt, laten onderzoeken en liet is inderdaad gebleken, dat Babington met eene handvol jonkers van zijnen leeftijd en zijn geloof een verbond gesloten heeft, dat de bevrijding van Maria Stuart ten doel heeft. Ik had ze reeds eenige maanden geleden in het oog, maar met hunne jeugd en vroolijk gemoed hield ik hun verbond voor een sportclub en verdacht ze hoogstens aan de rondreizende seminaristen en Jesuïten ten dienste te staan, om welke reden ik ze door mijne spionnen in het oog liet houden. Maar, zoo als ik u gezegd heb, Gilford had gelijk. Zij hebben bel plan gemaakt, Maria Stuart te bevrijden. Maar mij dunkt, dat ze het niet praktisch aangepakt hebben, liet zijn er ook volstrekt de mannen niet naar.
Daar hebt ge dien Babington ; moed en stoutheid heeft hij in groote mate, maar daarbij eene ijdelheid, eene lichtzinnigheid! En bij hem staan eenige gewone sportmannen, goede rijders, goede roeiers, goede jagers en eindelijk een paar poëten. Die hebben zeker ergens gelezen ; Dalce et decorum est pro patira mori en gelooveu zich nu tot zulke heldendaden geroepen, liet spijt mij waarachtig voor de arme jongens ; ik zal ze een beetje moeten helpen, anders bereiken zij zeker zulk eene eer niet.quot;
â 150 -
âDut is gij zult ze in licclitcnis nemen en op tie folterbank laten bekennen, zoodra gij de noodige bewijzen in banden bebt en aldus bet complot in de kiem verstikken,quot; zei ik.
âMaar Frans,quot; antwoordde mijn oom, âik dacbt dat gij vlugger van begrip waart. Heb ik n reeds niet gezegd, dat dit complot ons als geroepen kwam. Neen, in allen ernst, ik zal alles doen om deze lieve jonkers de uitvoering van bun plan te vergemakkelijken, altijd tot (U'n zeker punt.
En begrijpt gij werkelijk nog niet, boe dit den dood onzer vijandin berokkenen zon. Neem een slok port en bedenk u.
Ik handelde naar zijne begeerte. Eindelijk bedacbt ik, dat hij een aantal gewapenden in hinderlaag zon leggen en de vlnebte-lingen met de gevangenen samen wilden doen nederbouwen. ilij glimlacbte en zeide ;
âDit is eene zaak, daar ik ook aan gedacbt beb. Tk geloof ecbter niet, dat bet zoo ver zal komen. \ oor bet geval van eene poging tot vlncbten, iieeft Sir Aniyas l'aulet zijne instructies van den gebeimen raad, de gevang(me onmiddellijk dood te steken. Ilij beeft dit beloofd en zou bet, zonder zieb te bedenken, doen. Maar zulk een gewelddadige dood beeft voor de regeering altijd iels zeer bedenkelijks. Het ware mij bepaald aangenaam, dat Maria Stuart door een gerecbtsbof, waarin de hoogste adel van bet land moet zetelen, in forma juris ter dood werd veroordeeld. Dat maakt de zaak tegenover het buitenland aanneembaar, en dekt de regeering ook voor bet oog onzer land-genooten. En tot zulk een vonnis moet Mr. Babington en zijne lieve broeders ons de noodige bewijzen leveren. Heik mij de Statuten van bet laatste parlement eens aan.quot;
- 151 -
Ik nam do in een groot inl'olio gesel ire ven besluiten en sloeg het open. âLees mij het nieuwe Statut 27° Elmibetlne over de samenzweerders tegen het leven der koningin,quot; zeide liij.
Daar stond met alle mogelijke elausulen, dat ieder persoon, die deel nam aan eene samenzw eering tegen het leven van Eli-sahelli, door eeu raad van 2 t commissarissen, door den troon benoemd, op leven en dood geoordeeld moest worden.quot;
âTeder persoon,quot; herhaalde Walsingham, âwat zou dit beteeke-iKMi'r A\'aarvoor deze nieuwe wet? Om ieder onderdaan der engel-sehe kroon, die aan eene samenzweering deel neemt, te kunnen vcroordeelen, hadden wij toch geeue nieuwe wet noodig. liet juist gelezen Statut heeft dus ten doel : personen, die geene engelsche onderdanen zijn, zelfs ieder persoon al had hij ook koninklijke macht en voorrechten, aan den beul over te leveren! Met één woord, dit gansche stuk is onderworpen en ingevoerd, om bet, zoo noodig, tegen Maria Stuart te gebruiken.quot;
âDat is alles goed en wel, en zeer wijs en voorzichtig uitgedacht, maar hier is geen sprake van een complot tegen het leven van Elisabeth, maar tot bevrijding van Maria Stuart en voor zoo ver bet mij voorkomt heeft Maria Stuart zelfs niet het minste denkbeeld van zulk een complot gehad.quot;
âMaar, beste Frans, wat zijt ge nog naïef! Gelooft gij dan Merkelijk, dat Maria Stuart, na achttienjarige onrechtvaardige kerkerstraf, zoo als zij die natuurlijk beschouwen zal, en nadat liet algemeen bekend is, dat Elisabeth baar naar het leven tracht, âhare koninklijke zusterquot; niet met dezelfde munt zal betalen, zoodra baar hiertoe gelegenheid gegeven wordt, met andere woorden, dat zij nu zeker deze jonge edellieden last zal geven Elisabeth
iiilt; den weg te mimen, waniieer dit alleen haav kans tot slagen biedt r En dat zij dit zullen denken, daarvoor zal ik zorgen. (Joed. AVij zullen dan do zes lieeren o}) de folterbank leggen, bun de duiinscbroeven laten voelen, den drie centenaarsteen aan bnnne voeten bangen, beu in Ska vingers doebter steken en bet andere mooie speelgoed daar boven in den witten toren op hunne zenuwen laten werken en dan zou bet toch al te vermakelijk zijn als een der zes in bet eerste half uur niet opbiechtte, dat Maria S(uarl hunne plannen omlrenl Klisabeth geweien had, ten minsle als wij hem, die gereed is legen baar te getuigen, genade beloven. En dan is het met baar gedaan. Maar wij zullen niet eens zoo ver behoeven te komen. Die GilTord, dien gij ons uit l'arijs hebt meegebracht, heelt een builengewoon slim plan uitgedacht om de brieven van Maria Stuart en de samengezworenen te bevorderen. Als zi j in deze val loopen, waaraan ik niet in't minste twijlel, hebhen wij binnen weinige weken de medeplichtigheid van Maria Stuart met Bahington en zijne gezellen in een complot tegen het leven der koningin zwart op wit in handen. Ik geloof, dat wij volkomen zeker van die zaak kunnen zijn. En daarom heb ik gezegd, dat juist dit complot van Bahington mij zeer naar wensch komt. Hebt gij mij nu begrepen?quot;
âIk bewonder uwe scherpzinnigheid, oom, en ben van harte bereid er aan mede te werken, daar bet tot welzijn strekt van li. M. en bet behoud van den protestantscbeu godsdienst en men moest zich daarbij troosten met den grondregel der Jesuïten, dat he! doel de middelen heiligt.quot;
âKond uit gezegd, heb ik die spreuk hij geen enkelen .lezuïet gevonden, noch ondervonden, maar wel hij de oude diplomaten
en in de staatkunde Icm men zonder dit recept ook niets nit-voeren.quot;
âMaar wat denkt g(! nu van de plannen van Pari na en hoe denkt i^e daarmede te Itandelen?quot;
âliet plan komt mij niet onwaarseliijnlijk voor, maar ik denk niet, dat de uitvoering zoo spoedig zal volgen. Ik weet door Chérelles, een klerk van den Iransehen afgezant, dat er sedert lang een pak brieven aan Maria Stuart op bevordering ligt te wachten. Deze hoopte liij thans door (iilVord, dank aan dc^ aanbevelingen, die hij uit Parijs inedebraclit, in handen lt;e krijgen en daaruit meer te vernemen. (Jok hierin was het het beste de koningin van Schotland boe eer boe beter van kant te helpen. Daarmede viel het plan geheel in duigen. Zoolang I'hilip II haar op den troon en aan de zijde van den prins van Panna kon brengen, was er vrees, maar als zij eenmaal dood is! In 't kort, thans is bet zaak ons plan tegen de koningin der Schotten door te zetten; eerst moet Gitford de val plaatsen, en de brieven tus-schen Habington en Si nart opvangen. Daarna zetten we Babington en zijn volkje aan 't werk; zij moeten van alle kanten omgeven zijn, zonder in het minste te veronderstellen, dat men ze bespiedt. Op het rechte oogenblik trekt de vogelaar aan het touw en de zes vogels en ook de gekroonde zijn in bet net gevangen. Dus bedaardheid en overleg, dan slagen we ongetwijfeld.quot;
Dit zeggende vulde oom onze glaasjes nog eens en dronk op de samenzwering van Habington, die ons tot ons doel moest brengen.
XVII.
NIEUWE KENNISSEN,
ijn oom was gewoon zijne agenten, (lees spionnen), altijd door andere even geslepen, geheime politieagenten te laten bespieden. Aldus werd GilTord, die rampzalige apostaat, aan de zorg van een zekeren Thomas Philips en Arthur Gregory overgegeven. Deze beiden hadden eene woning bi j St. Paul's kerkhof en daar liet hij ook Gitl'ord inkwartieren. Een hunner moest steeds een oog in 't zeil houden op zijn kameraad, die hun onder den naam van Nikolaas Cornelius voorgesteld werd.
Daar bezocht de oude Walsingham hem op zekeren avond vermomd, Avant hij wilde volstrekt niet, dat Gill'ord in zijn huis kwam. Wat hij daar met hem besprak, kwam mij eerst later ter oore.
Mijn oom had mij reeds gesproken van een der klerken der i'ransche ambassade, een zekeren Chérelles, dien hij omgekocht had.
liet was een jong man, die een zeer lichtvaardig leven leidde, diep in speelschulden stak, en dergelijke menschen zijn steeds bereid hunne ziel aan den duivel en de geheimen van hunne meesters aan derzelver vijanden te verknopen.
Door dezen Chérelles vernam Walsingham, dat Chatcauneul',
â 155 â
dc i'ransclio gezant, opdracht luid zich Maria Stuart zoo veel mogelijk aan te trekken en hare brieven te bezorgen. Een bijzonder secretaris, met name Cardoillot, was door hem belast met de zaken der gevangen koningin en had het pak brieven in handen, waarvan hij Walsingham gesproken had. Deze beloofde hem 100 pond sterling, als hij zicli die brieven kon verschaffen en ze hem dan in handen kon spelen.
Door dezen Chérelles liet zich Gift'ord bij Cardoillot voorstellen; zijn katholieke naam, benevens de aanbevelingen, die hij uit l'arijs medebracht, bleven niet zonder uitwerking op den secretaris van den gezant; ook het plan, dat hij voorsloeg, scheen vernuftig. Cardoillot beval dan (J iil'ord aan den heer Chateauneuf en vroeg verlof hem de brieven te moffen overgeven.
O O
Maar Chateauneuf was een zeer voorzichtig beer, die Gilford niet te veel vertrouwde. II ij vorschte hem uit, liet hem met de minzaamste woorden vertrekken, zeggende dat hij zich verheugde in hem een jonkman van zulk eene goede familie, die met zulk een ijver voor de katholieke zaak bezield was, te hebben leeren kennen en hij zou het hem laten weten, zoodra men zijne diensten behoefde.
âDie vos,quot; zei Walsingham, toen Gilford hem schriftelijk zijn eerste bezoek meldde. âNu is het bepaald zeker, dat de brieven van bet hoogste gewicht zijn. Chateauneuf zal eerst een bode naar Mendoza en Morgan zenden en zich overtuigen, dat de aanbevelingen niet vervalscht zijn. Acht dagen geduld dus.quot;
Inderdaad Chérelles zond bericht, dat er nog denzelfden dag een bode naar Parijs vertrokken was en eene week later werd Gitford weder op het fransche gezantschap bescheiden. De infor-
â lüü â
matiön mooston ^ood uitgovallon zijn. Editor wilde de voorzicli-tigo hoor to voron oono proovo mot hot uiouwo plan inakoti. Hij stoldo'dus CJiiTord oon doodonschuldigon brio!' tor hand, waarin hij naar do gozondlioid van Maria Stuart ini'orinoorde.
Dozo word door Arthur Clrogory goopond on nadat hij door 'rhouias Phillips gocopioord was, zoo kunstig gosloton, dat goon monsch hoiuorkon kon, dat or aan hot zogol geraakt was, want in alle vorvalschiugou Avarou dozo beiden hoogst ervaren en werden derhalve door Walsingham bijzonder hoog bezoldigd.
Toon deze don inhoud van don brief gelezen had, riep hi j uit; âJuist zooals ik gedacht had; Cliateauneuf wil ome prooi' nomen. Frans, gij rijdt morgen naar Chart ley on moot Sir l'aulot mijne instruetiën overbrengen. Gilford moot met oen mijnor dienstboden langs oen anderen weg volgen, en dan zijn geluk beproeven.quot;
De jonge Walsingham rood dus naar Chartley, dat bij na twee dagen bereikte. Als neef van don grooton Staatsman werd hij door Sir Amyas l'aulot zoo goed ontvangen, als het den ouden brombeer slechts mogelijk was. AVel vroeg hij hom of hij nu eindelijk hot bevel barer Majesteit overbracht, om die vervloekte afgodendienstor door de hand des bouls oen kop korter te laten maken en toon hij dit ontkende zag hij hom grimmig aan en knorde. Maar toen hij hom mededeelde hoe zijne komst oenigszins den voorrijder van den beul was, kwam hij iu betere luim en vroeg hom: âHoe zoo?quot;
De jonge advokaat verklaarde hom nu de val, waarin men de gevangene wilde lokkon, ton einde haar voor hot gerecht te brongen; zoodra men het bewijs in handen had, dat zij werkelijk het
loven dov koningin bodv(gt;ig(l had. Toen las men wildo vvcugde in Panlets oog, doch hij liep geruimon tijd rond, stoods groimnond en knovi'cnd, zonder een verstaald)iiar woord te zeggen.
Eindelijk bleet' liij voor den jongen Walsingham staan en zeide: âJonker, de hneepeu en winkelhaken van de heeren diplomaten, waartoe1 vooral uw oom Walsingham hehoort stuiten mij tegen de horst, daar ik het met het Evangelie houd. Uw ja zij ja, uw neen zij neen. Maar er staat ook geschreven : Met de maat waarmede gij meet, zult gij ook uitgemeten worden. En dit woord troost mij hij de kromme wegen, waarop wij liet hardnekkige wijt vangen willen. Want waarlijk, ik houd haar voor eene der listigste slangen, die1 de duivel ons heeft voortgehracht. Laat dus dien (iifl'ord maar komen en zijn plan proheeren. Maar hij wachte zich voor valsch spel! Ik zal hem duchlig op de vingers zien en hem mijn degen in het hart stooten, als hij verraad oefent. Zij zal mij niet levend ontkomen, dat alleen dan mogelijk zou zijn, als de levendige duivel liaar door de lucht van hier draagt en in dit geval komt zij in de plaats, die de rechtvaardige God in vuur en zwavel hereid heeft. Ja, ja, zij en heel de lloomsche Antichrist, dien zij aanhangt en heel zijn helsch gespuis!quot;
âSir Amyas i'aulet had geruimen tijd noodig alvorens zijn grimmige luim bedaarde en hij zich hij mij aan tafel zette en op mijne vragen omtrent de gevangene antwoordde.quot;
âZij was niet te bewegen,quot; zeide hij, âaan de huisoefeningen van den protestantschen godsdienst deel te nemen of naar de lezing te luisteren, die de ijverige en godzalige IIesekiel Hitterstone eiken avond gedurende een half uur of langer, al naar dat de
- 158 -
!i;(vst over hem kwam, aan de kinderen Gods mededeelde. In plaats daarvan knielde zij met hare vrouwen en zelfs met hare i^elieimsclirijvers Xan en Carle voor een kruisbeeld ol' een beeld van Maria en prevelde den rozenkrans, die verwensehle aTgodcrij !
Ook de gruwelijke Mis zou zij maar al te gaarne hebben, als ik een paap binnenliet. Dit heb ik echter tot dusverre tegengehouden, hoewel de koningin, die onbegrijpelijker wijze nog niet geheel van den paapsclien zuurdeeg gezuiverd is, haar een roomseben dnivelsknecbf beloofd heelt.
Maar ik bid u, zeg datgene wat mij in den ijver ontvallen is niet verder, want bet is nog niet lang geleden, dat Elisabeth John Stahbs en zijn medegezel Page om een enkel vrijmoedig woord door den beul door bijzondere genade slechts de rechterhand af liet kappen. Sir Paulet hoopte ook, dat God de koningin meer en meer zou verlichten en van alle roomsch verraad vrij zou houden.
Wat nu die Stuart betrof, zoo moest ook haar bitterste vijand erkennen, dat deze, hare vroegere misdaden en tegenwoordige verstoktheid daargelaten, zoo'n slechte vrouw niet was.
Ja, zij was in het algemeen geduldiger als hij bij zulk eene helleplagerij voor mogelijk had gehouden. En zij huichelt zelfs liefde voor hare vijanden, want meermalen had hij haar voor hem, Sir Paulet, en de koningin hooren bidden.
Maar hij zon zich door zulk eene huichelarij niet laten verblinden, want het was hem wel bekend hoe de duivel in hoogst eigen persoon zich in een engel des lichts kon veranderen.
Tn plaats van het reine Evangelie oefende zij zich in ijdele naastenliefde, zooals hij 's middags zelf zou kunnen zien, want dagelijks deelde zij aalmoezen onder de bedelaars uit, die van uren
- IDfi â
ver naar Chartley kwamen, juist zooals men liet in de paapsche tijden gedaan had.
Nog waren de heeren niet uitgepraat, toen men een wagen hoorde aanrollen en een luid geroep hoorde weergalmen.
liidder Paulet ijlde naar het venster en riep : âDaar is onze man, dien wij noodig hebben eu die uw Gitford genoemd heeft.quot;
De jonge advokaat trad ook aan het venster en zag een zware kar door een paar sterke paarden getrokken de poort binnen rijden. Voor op den wagen zat een buitengewoon dikke man, met een rug als eene schuurdeur en een buis van dezelfde kleur als de biervaten achter hem opgestapeld.
âDat is Tommy Bulkey, de eerlijke brouwer, van wien Gilford u gesproken heeft,quot; zei Paulet. âDie brengt ons eiken Maandag het bier van Burton, en ik geloof, dat het juist de man is voor den rol, dien gij hein hebt toegedacht. Laat ons naar de kamer van den portier gaan, om met hem te spreken, want bet oude biervat is de tra}) niet op te krijgen.quot;
Dat was gereedelijk aan te nemen bij liet zien der moeite, die bet kostte den brouwer zeiven van den wagen te laden.
Een daarvoor medegebrachte eikenhouten ladder werd door de knechts zoodanig geplaatst, dat Tommy Bulkey een zijner oli-fantsbeenen, die in een smerige broek staken, en zich zelve op de ladder waagde.
Ondanks de ernstige stemming, waarin de jonge AValsiugbam verkeerde, kon bij zich niet beletten hartelijk te lachen. Zijgingen samen naar de kamer van den portier en vonden daar den brouwer O]) eene eikenhouten bank puffend en kuchend van de vermoeienis van het uitklimmen. Hij had zijne dikke armen op de tafel gelegd
â 160 -
en wisclitc met zijn vuilen voorschoot zich de dikke droppelen zweet van lirl voorlioofd. Hij groette ridder Paillet en wierp den jongen Walsingliam een doordringenden blik toe. Deze begreep dadelijk, dat liij mei een slnwen knaa]) te doen had. Ridder l'anlot stelde den jongeling voor, als een neef van Walsingham, die wegens eene dringende zaak van Londen was gekomen. Nog eens monsterde de eerlijke brouwer liem met een vorsehenden blik, en wri'el' weder zijn kaal voorhoofd. Toen zond Pan let de portier naar de âMeibloemquot;, eene naburige herberg, waar Gilford intus-sehen moesl aangekomen zi jn, met de boodschap dien dadeli jk tot hem te zenden. De brouwer was intusschen tot adem gekomen en zeide, nadat bij een duchtigen slok nit de steenen kruik, die voor hem stond, genomen had en zich het schuim van den baard streek :
âI1lt; ben ook eens in Londen geweest. Mijnheer, fk zal er nooit meer heengaan. Mijnheer. Slecht bier daar. Mijnheer, gemeen tuéj;, geen drank voor eerlijker Christen menschen. Ik had nog geen twaalf pinten in de maag en kreeg zulke krampen, dat ik meer dan eens zoo veel aan den dokter voor geneesmiddelen moest betalen, op mijne eer. Mijnheer, liet parlement moest eene wet uitvaardigen, dat ieder brouwer, die zulk een geknoei brouwt, daarin verzopen wordt. Dat zou (Mme wijze, goede, rechtvaardige wet zijn. Mijnheer, eene wet, waarover elke eerlijke brouwer en christelijke drinker zich verheugen zou. Ons Hurtonner bier blijft nog goed. Mijnheer, althans het mijne, maar al het goedkoope znipsel, dat in het land gedronken wordt, heeft de markt zoo bedorven,, dat een eerlijke brouwer aan den bedelstaf komt, zoo Avaar als ik Tommy Ibilkey heet.quot;
De jonge advokaat antwoordde, dat het liem speet, dat de brou-
u
- ici -
Averij zoo slecht ging en liij ziel» dus verliougde hem ecne kleine venlicMiste te kunnen gunnen. Tommy zette dadelijk de bierkruik, die hij veeds half aan den mond had gebracht neder en spitste de ooren. Deze zeide hem nu wat men van plan was. De staatssecretaris Walsingham was een complot op 't spoor gekomen, dat ten doel had met de gevangene ^laria SI nart brieven Ie kunnen quot;wisselen en had daarbij bet oog op hem, als middelaar, geworpen. Toen sloeg de brouwer met de a iiist op de tafel, zoo dat de bierkruik bijna omviel en vroeg met een vloek of de eerlijke brouwer Hulkey er dan uitzag als een, die de koningin Avilde verraden? Hij zon met zijne vuist bet hoofd in slaan van zulk een paap, als ware het een rot biervat.
Men had moeite hem te bedaren en Walsingham bracht hem aan zijn versland, dat bij hem slecht verstaan had. Xiet die paap-sche jonkers hadden bet oog op hem geworpen, maar iemand, die door Walsingham tusschen beu geschoven was als een lokvogel en deze had den eerlijken brouwer als een verstandig middelaar aangewezen, als iemand, waarop men kon vertrouwen.
âVerstaat gij mij nu rquot; vroeg hij.
De brouwer kneep het linker oog toe en in plaats van te ant-avoorden, floot hij zachtjes.
âAls gij uwe zaak goed verricht, mag ik u namens mijn oom eene belooning van 10 pond sterling beloven, en ridder l'aulet blijft hiervoor borg en getuige.quot;
âHoeveel hij van de tegenpartij, te welen van de paapsche Jonkers en den secretaris der koningin wilde eiscben, zou men hem overlaten, wel overtuigd, dat hij de papen, zoowel in als buiten het slot, zou Aveten af te zetten.quot;
âMijne eenigc voorwaarde was dat hij de zaken zoo slim zou aanleggen, dat beide partijen in de val liepen en toch overtuigd hieven, dat hij ze eerlijk hehandelde en dat hij al de hrieven, alvorens de secretaris der koningin ze in handen kreeg, één nacht, in handen van een ander, die door Walsingham was aangesteld, overliet. Deze zou bij hem ol' in zijne nabuurschap komen wonen.
âNadat hij hem dit alles duidelijk uitgelegd, en op zijnen wensch in 't korf hescbreven en onderteekend had, (ook ridder 1'aulet moest bet als getuige onderieekenen) verklaarde de eerlijke brouwer zich bereid voor den handel, en zwoer op den bijbel alles getrouw uit te voeren en ons al de brieven over te leveren. Toen school' bij glimlachend het goudstuk, hem als handgeld toegeworpen, in zijn beurs, dronk de kruik met een geweldigen teug leeg en zeide;
âGentleman, er gaat toch niets boven bet reine Evangelie Jils men tegelijkertijd Hare Majesteit de koningin. God behoede ze, dienen kan en tegelijk zijne eigen rekening maakt.quot;
âDe duivel hale mij, en dit is, bij mijn gewicht, geene kleinigheid als ik bet vertrouwen van den lieer Staats Secretaris niet ten volle rechtvaardig.quot;
Na deze krachtige betuiging stond de eerlijke brouwer niet zonder groote moeite op en wilde gaan. Toen men hem echter verzocht nog een oogenblik te blijven, ten einde wij hem nader bekend konden maken met de meuscbeu, waarmede hij moest handelen, viel hij weder op de bank neder, zeggende: dat bet staan voor hem zwaar werk was. Hij vroeg ook nog een tweede kruik bier, want zijne lever was altijd droog. Intusschen waren
ook fiilTord en Pliillips aangekomen en liet vreemd gevoi-mde klaverblad was liet weldra eens.
Ziellier in 't kort hoe de brouwer bet plan daebt nit to voeren. Hij was niet slecbts brouwer, maar ook kuiper, die niet alleen tonnen en vaten wist te herstellen, maar ook vaatjes maken kon. Dit was CiilTord bekend en deze vroeg hem desbalve oi' bet niet mogelijk ware een nieuw vaatje ie1 maken met dubbelen bodem, waartus-schen men eene platte bus, en daarin in geolied perkament, de brieven kon plaatsen, die men t ussehen de beide bodems plaatsen kon.
âO zeer gemakkelijk,quot; was bet antwoord, âen eene veder op den hoepel aangebracht kan den valsehen bodem openen om de brieven in de hus te steken of ze er uit te nemen.quot;
teder verwonderde zich over de sluwheid, waarmede dit plan uit-gedaeht was en de vlugheid, waarmede de dikke brouwer het begreep.
âMaar nu blijft er nog eene moeielijkheid,quot; zei de dikke brouwer. âHoe lichten wij Xau, den geheimschrijver van Stuart in, omtrent de eigenschappen van bet nieuwe vaatje, dat ik maandag klaar zal hebben.quot;
âDit is zeer eenvoudig,quot; sprak Gill'ord, âschrijf op een briefje ongeveer op deze wijze. âGoede vrienden hebben een middel gevonden om de gevangen koningin regelmatig eenige geheime berichten te doen toekomen, en het ons mogelijk gemaakt langs dien weg hare verlangens te vernemen. Druk op den middelsten hoepel van het vaatje daar waar de teervlek ligt.
Dit briefje moet de brouwer den bediende van Maria Stuart, die het vaat je aanneemt in de hand Stoppen en dat zal wel gaan als Sir Paillet een oog toedrukt.
En zoo ging het inderdaad.
â lö-i -
XVI11
TWEE KONINGINNEN.
ir Thomas Paulet was in bijzondov goeden luim, daar de algespvokeii list hem deed hopen, dat de arme koningin weldra aan den heul overgeleverd zou worden. Hij deed (hm neef van Walsingham een heerlijk maal opdienen en behalve het Burtonner hier eene fleseli Spaanschen wijn voorzetten, waarbij hij op het heil der goede koningin Elisaheth en het verderf van al hare vijanden dronk.
Eindelijk zeide hij zijn gast, dat als hij de Sehotsche koningin in 't midden der bedelaars wilde zien, het nu tijd werd.
Natuurlijk vroeg deze niet beter. âIk had,quot; zoo zegt bij, âvan kindsheen af zoo veel van deze aartsvijandin der protestanten gehoord, dat ik gaarne Sir l'aulet naar eene andere kamer volgde, vanwaar wij een blik op het slotplein konden werpen. De buitenpoort was gesloten en door enkele gewapenden bezet. Maar op de trap, die naar eene zijdeur van den tegenoverliggenden vleugel geleidde, had zich eene groote menigte armen en gebrek-kigen verzameld. Daar waren lammen op hunne krukken, blinden met hun geleiders, ellende van alle soort, zieken en armen in lompen gekleed. Er waren er minstens 50 bij elkander en
Paillet zoidc dat or no^ wel viermaal inocv huilen aan de ])0()rt lagen, maar ter wille der veiligheid liet men er niet meer dan ongeveer vier dozijn binnen en men zag wel toe, dat dezen geene boodscliappen in of uit het kasteel droegen. Daarop smaalde hij
â 1G6 â
o]) lid bedelvolk, dat altijd gereed was tot liet pausdom af
te vallen ter liefde der monniken, die hen steeds aan de kloosterpoorten yemest hadden.
Nog schimpte liij da])per loc», toen de torenklok drie ure sloeg en met den eersten slag leven in don hedel/werm bracht.
Alles drong naar de deur, die» dadelijk geopend werd.
Van eenige dienstmaagden vergezeld, trad eene waarlijk koninklijke geslalle, g.dieel in 't zwart gekleed, met een witten weduw-sluier omhangen, te midden der armen, die haar als eene moeder omringden.
âDat is zij, die zwarte met den sluier,quot; zeide l'aulet, âdat is de Jezabel, wier bloed de honden mogen oplikken.quot;
Met dien wensch kon ik niel instemmen. Hoe groot ook mijn ingeboren vooroordeel ware, kon ik het schouwspel dat ik voor mijne oogen had, niet zonder diepe aandoening beschouwen,
M aria Stuarl scheen lijdend, zij kwam met moeite de steenen tra])pen al, gesteund op een stok en op den arm een harer dienst maagden en zette zich toen neder op een stoel, die haar een kamerdienaar, baar geheimschrijver Nau, naar ik later hoorde toeschoot en voor haar nederzette. IS'u sloeg zij haren sluier terug. Haar gelaat had door haar langdurig verbliji' in den kerker, hare bloeiende kleur verloren; bet was bleek en eenigszins opgezet. Maar hare trekken waren zoo edel, dat ik nooit dergelijke gezien bad. 11 ust en zachtmoedigheid waren daarin geprent en de uitdrukking van ware moederlijke liefde sprak uit hare groote donkere oogen. Een vriendelijke glimlach speelde om hare bleeke lippen, die echter menigmaal smartelijk vertrokken, terwijl zij
- 1Ã7 --
met eigen liaml de gaven, die zij aan lt;le armen, welke zij allen scheen te kennen, ieder op zijn beurt toereikte, tegelijk met eenig vriendelijk woord. Zij groep dan eens in de beurs, dieNau haar aanbood, en dan eens in eeuen korl', waarin eene barer dienstmaagden stukken brood gvreed bield.
â\'roeger heeft zij beproel'd de kinderen de dwaze leer van den roomsebeu Antichrist in te prenten, alsook gebeden tot Maria en de paapsche heiligen, maar daar beu ik tnsschengekomen, en nu waagt zij bet niet meer de zielen dier bedelaars mot baar gil' te bezoedelen,quot; zei ridder l'aulet.
âZij schijnt ziekelijk to zijn,quot; bemerkte ik; hare kleur is niet gezond en zij schijnt pijn te lijden.quot;
â.la, jaquot;, was bet antwoord. âDat komt van de kerkerlucht en het gebrek aan beweging. Daar ginds in Tutburry heel't Sir llalph Sadler, die gvon kwaad in haar zag, haar soms o]) de valkenjacht laten gaan. .Maar ik hond haar korter. Sedert verleden Kerstmis is zij eigenlijk niet moer in do lucht geweest. En de mnren van dezen ouden steenhoop zijn eenigs-zins vochtig, de verwarming is niet bijzonder goed en de kost schraal.
âAldus luiden de instructitai, die ik van den geheimen raad ontvangen bob. Een tijd lang meende ik, dat het hielp en dat-zij waterzuchtig Averd. Maar nu bet Aveder beter wordt, schijnt het waarachtig, alsof zij weder gezond wordt. Jn 't kort zij kan het tot mijne en andere lieden kwelling nog een beele rij jaren volhouden, als de beul geene aderlating onderneemt. Den stok gebruikt zij slechts voor de jicht, die is haar door de vocht in de knooken getrokken zoodat zij 's nachts dikwi jls jammert en kermt,
en in don zomci- zal zij dit mociclijk kwijt vakon. Haar haar is dezen Avintcr zeer grijs geworden, en tooit is zij slechts 41 jaren oud. Dit komt, zooals ik meen, door het zware verdriet, dat de koning van Schotland, Mijnlieer haar zoon, haar daardoor bereid heeft, dat hij den paapschen gruwel heeft afgezworen en zicli met Elisaheth heeft verhonden, zonder de vrijheid zijner moeder daarhij te hedingen.quot;
Bij deze woorden van Paulet kon ik geen oog van de gevangen koningin afwenden en terwijl ik haar aldus met de grootste liefde en minzaamheid het brood aan de armen zag reiken, kwam de gedachte in mij op dat de Heer bij het laatste oordeel eens de woorden zal spreken, âVoorwaar, voorwaar ik zeg het u, wat gij aan den geringste mijner broeders gedaan hebt, hebt gij mij gedaan !
liet sloeg half vier. Dadelijk stond zij op en klom door Nau en hare dienstmaagd onderstennd, met moeite de steenen trap weder op. Onder de deur keerde zij zich nog eens tot de armen, groette ze vriendelijk en verdween.
liet verwonderde mij, dat de bedelaars haar niet bedankten slechts eenige kinderen, die anderen weldra geboden te zwijgen, riepen een half gesmoord: âGod zegene U,quot; na.
l'aulet ried mijne gedachten (gt;11 zeide. âVroeger kwam er geen einde aan het roepen en danken. Maar ik heb hun laten zeggen, dat de eerste, die het waagt haar te prijzen of te danken, geen voet meer op het slotplein mag zetten. Dat hielp; zij zijn nu zoo stom als visschen. Tnsschenbeide roept nog slechts een dei-kleinen, die nog geen verstand heeft en er later thuis slaag voor krijgt.quot;
Ik vond gocn antwoord cm» kon hel in liet slot yeen uur Imii-yev uithou Ion. Ik kampte met mij zolvon on zoido Uiddor l'aulet, dat ik wo^ wilde rijden om ovonnor^on hijtijds to London tc1 zijn on vorzocht liom mijn paard to laton zadeden. Hij g'al' mij do hartcdijksto groeten» voor mijn oom modo, en ik rcod mot don twoo-strijd in mijn hart naar linis.
Mijn oom Walsin^ham ontving mij zoor vriondolijk on wroet zich do liandon, toon ik hom inijno horichton mododooldo.
Hij zoido mij, dat hot hoo^ tijd was mij naai' hot hol' to ho-^ovon on mijno o])wachtinij; bij Hare Majostoit to makon.
Hij gal' mij do hosto wenkon omtront do zakon, waarvan ik moost sproken on waarvan ik uid moest sprokem. \ an do plannon van Hahington en onze togenplannon mocht ik ^oon woord sproken, doch ik rnocht vooral niet kariu; zijn in vleierij omtrent do schoonheid en de gvost ikheid der koningin, want zij was gewoon oen ongeloololijk gvooten dosis dier zoete droppelen in to nomen. Ik moest mij daarin Walter Ualei^li en do overige hovelingen tot voorhoek! nomen.quot;
De jonkman rood dus dos morgens vroeg naar ilich-inond, waar do koningin haar hof hield. In do voorkamers ontmoette hij een groot getal jonge edellieden, die hem als Walsingham's neef zeer vriendelijk hegroetten. Men had vernomen, dat hij onlangs van Parijs was gekomen en overlaadde hem met tal van nieuwsgierige vragen over het fransclie hol en alle verdere nieuwtjes. Gelukkig werd de groote vlengeldonr, die naar de koninklijke vertrekken voerde, woldra geopend, twee lijfwachten mot hellehaarden traden naar de deur, de dienstdoende kamerheer met zijn zilveren staf gehood stilzwij-
- 170 -
en verkondigde, dat hare Majesteit weldra zou verscliijiieu.
De liovelingen rangscliikten zicli oimiiddellijk lang's de muren in dubhele rij en eeni^e minuten later vei'scluuin de koningin.
Elisabetli trad met opgeheven liool'd naast Lord liiirgley, zonder hem de eer van haren arm te gunnen, hetgeen onmiddellijk deed zien, dat zij niet in den hesten luim was. Het gedwongen lachje op den mond van den Lord Schatmeester en de zichtbare verwarring der heide kamerjuil'ers, die sidderend haren slee]) droegen, he-vestig'de dit mede. Maar hare verschijning' was werkelijk koninklijk.
Hare kostbare kleeding, een zwaar purperrood bovenkleed met zwart; tluweelen mouwen en rand, rijk met goud on zilver versierd en met juweelen overladen, en een groen ouderkleed, waarvan de voorstukken der mouwen en het lij!' eveneens rijk versierd Avaren, deed hare trotsche g'estalte nog meer uitkomen, toen zij met vasten tred en een bijna dreigenden blik door de rijen dei-diep buigende hovelingen voortschreed. De jonge Walsiugham vergeleek in gedachten deze verschijning met de lange gestalte in haren rouw sluier, die liij twee dagen geleden te midden der bedelaars te Chart ley gezien had, met het trotsche beeld van Elisabeth. Maar hij had geen tijd om lang aan deze gedachte te wijden.
Terwijl Elisabeth de dubbele rij doorliep, richtte zij hier en daar een woord tot hare hovelingen; gewoonlijk was het eene onvriendelijke aanmerking, dan weder een woord van spot oi'afkeuring en al wie zij aansprak moest nederknielen, aldus gebood het door haar ingevoerd gebruik, dat ook de eugelsche adel,
met slechts enkele uitzonderingen, knielend met zijne vorstin moest spreken.
Intusschen was de koningin in mijne nabijheid gekomen. âZie daar,quot; riep zij uit! Daar schenkt ons Walsingham's neef, van wiens talent als diplomaat men ons zulk eene hooge gedachte wilde geven, ons ook eindelijk de eer zijner tegenwoordigheid?quot;
âIk knielde neder en vroeg om verschooning, daar de dienst van Hare Majesteit mij niet vroeger veroorloofd had, de genade en hooge majesteit van haar gelaat op te zoeken, waarvan de schoonheid en bloeiende jeugd sedert mijne lange afwezigheid nog toegenomen had.quot; Ik schaam mij te bekennen, dat ik eene 53 jarige vrouw aldus den wierook der vleierij om het hoofd wierp, maar het geschiedde op verlangen van mijn oom, van wiens woorden ik mij bediende.
Zij lachte en zeide, dat ik aan het hof van Catliarina van Me-dicis in eene goede school van vleierij geoefend was, en dat zij zich wel zou wachten een enkel woord van mijne overigens goed bijgebrachte vleierijen te gelooven. âSta op! jonker Walsingham en volg mij in de audiëntie zaal. Wij hebben met u nog meer te bespreken.quot;
Ik had blijkbaar de ijdelheid der koningin aangenaam gestreeld en van de afgunstige blikken der hovelingen omspied, sloot ik mij bij het gevolg van Elisabeth aan en trad met hen de au-dientie-zaal binnen.
Daar besteeg zij een troon, waarvan de achterzijde op zwaar blauw fluweel bet koninklijk wapen met de kroon droeg en zette zich op een vergulden zetel. Hechts stond Lord Burg ley, links de Lord kamerheer. Eenige weinige edellieden en hofdames hadden de eer
de audiëntie hij te wonen, waar lieden versclieidene personen werden toe gelaten, die smeekschriften aan kwamen bieden. Het waren de gewone verzoeken om genaden en voorrechten, zooals die der gekroonde hoofden gewoonlijk aangeboden worden.
- 173 -
IV koningin hoorde do knielende verzoekers aan en joeg meer dan een met scliiinpwoorden do zaal uit. Eenigen stond zij lum verzoek toe, to woton aan enkede edollieden, die van don katholieken godsdienst afvielen en tot do kerk van don staat overgingen en die do ramiliogooderen hunner broeders ol' zusters, die volgons do wet aan hot land vervallen waren, nn als Judasloon voor zich zei ven verlangden.
Maar ook deze bewijzen van genade1 stond zij op oeno zoo harde en trotscho wijze toe, zooals men in kwaden Inim oen hond oen schop geeft en oen boen toewerpt.
Eindelijk was ik getuige van oen schouwspel, dat ik heel mijn leven niet vergeten zul. De kamorbeor meldde oen zekere Lady Trogian aan on ik zng oeno jonge, maar door billor verdriet verbleekte in bot zAvart gekleeddo dame binnontrodon, die een jongetje aan elke band vast hield, terwijl een klein in '1 wit gekleed meisje baar bij haren rok vasthield. De dame wierp zich mot luiro kinderen aan do voeten der koningin, die roods bij hot hooron van baron naam haar gelaat in een verdriotigen plooi getrokken had. De dame had dit niet bemerkt ol' niet willen bemerken, vast besloten Elisabeth haar verzoek voor te dragon, en zij begon baar aldns mot vaste stem toe te sproken.
âUwe Majesteit bekleedt do hoogste macht en zijt eenigermate de plaatsvervangster dos hemels, van wie al uwe onderdanen in bunnen nood recht en hulp mogen verlangen. Ik nader n dus ook in mijn ongeluk en bid n, tor wille dor goddelijke barmhartigheid, voor mijn armen man, die nn reeds sedert jaren in do gevangenis versmacht, voor mij zolven, en voor deze onschuldige kindoren, om een genadig gehoor.quot;
- 174 -
âTa, ja, als wij al liet vrouwcn^cpmat in ons rijk w ild.-n aan-lioorcn. waar zonden wij den tijd vinden voor do gcwiciiti^c n^'.'c-rin^'s zaken dii» ons dag en naclit bezig houden,quot; aldus viel Kli-sabeth de arme A'roin\ in de rede. Wie zijt ge en wat wilt ge'r
11ei gelaat der knielende werd benrtelini-'s rood en bleek. Maar zij overwon weldra bare neerslachtigheid en de dame, weinig aan het smeeken gewoon, ging rustig voort, âik ben de ongelukkige gemalin von Lord Francis Tregian, met het koninklijk geslachi der Tudor's nauw verwant. Wij waren dooi'(iod rijk mei goederen gezegend en leefden gelukkig op ons kasb^d bij Launceston. 'i'oen heeft een ellemhding mijn man aangeklaagd, dat hij (hm priester Cuihbert Maine in zijn lntis beeft ontvangen en op een eed, die door 10 getuigen als valsch bewezen A\(M'd, werd mijn man, uadal zijne goederen veidxMird verklaard waren, in den kerker geworpen. Ik verwachtte mijn vierde kind en hoopte bestendig op de vrij-laiing van mijnen man. Maar in zijne plaats verschenen, in het holle van den nacht, gerechtsdienaars om in naam des gerecbls bezit te nemen van het kasteel, van zijne goederen en zijn geheeie vermogen. Vensters en deuren werden verbrijzeld, muren doorgeslagen, als ware het kasteed stormenderhand ingenomen, ja tot in de slaapkamer, waarin ik mij met mijne drie kinderen bevond, drongen de gerechtsdienaars en dreven ons nil huis en hof in den kouden regenacliiigen nacht naar buiien. En toen wij schreiend onder een rieten dak een toevlucht zochten, kwam bij mij de geduchte op aan uwe majesteit en aan den verheven plicht n door God opgelegd om de toevlucht uwer onschuldige, en ongelukkige onderdanen te zijn.
Op hetzelfde uur ben ik met mijne arme kinderen op weg
gegaan, en ik. gemalin Aim Lord Trogian, doortrok hcdelond liet land van Cornwallis naar Londen om mij ver! rouwvol aan uwe voeten te komen werpen. Aeli, hoeveel voetstappen, hoeveel tranen. En nog had ik de helft van den weg niet afgelegd, of God zond mij mijn vierde kind. Zoodra ik weder gaan kon, sleepte ik mij van stad tot stad, van dorp tot dorp tol ik eindelijk Uichmond bereikte, alwaar men mij zei de dat de koningin haar hof hield. Eindelijk heb ik tot uwe majesteit mogen naderen, en zoo lig ik nu hier aan uwe voeten. Lu nu, mijne kindertjes, vouwt uwe handjes en hidt zooals ik n geleerd heh.quot;
Frans, de oudste, wilde beginnen, maar zoodra hij zijne oogen o]) het gelaat der koningin vestigde bestierf het woord op zijne lippen. âIk kan niet, moeder, ik kan niet, zie eens hoe boos zij is.quot;
Ook Adriaan Avas zoo verschrikt, dat hij in tranen uitbrak. Maar de kleine Maria, hief hare gevouwen handjes op, zag Elisabeth vertrouwelijk aan en stamelde: âGeef ons vader weder.quot;
Ik zal dagelijks de II. Moeder (Jods en den engelbewaarder voor U bidden.
Ik dacht een oogenblik, dat de goede engel, waarvan het kind sprak over het hartvochtig hart der koningin zegevierde.
Maar zij opende den mond slechts tot een spotlach, dit* mij het bloed in de aderen deed verstijven. Zij wendde zich tot den Lord kamerheer, die haar de lijst moest overhandigen en zei: âIk dank u. Milord, voor deze schoone komedie. De dame speelt niet slecht. Zij spreekt ook goed, maar eenigszins langdradig. De kinderen waren slecht geoefend. Het kleine meisje speelde allerliefst, (jij moet het een schilling en een stuk koek geven.
Hierop sprak zij Lady Tregian, die, bij dezen hoon opgestaan Avas, op een heel anderen toon aan.
â My lady, ik zal de zware beschuldigingen, die gij op mijne rechtvaardigheid en mijn gerechtshof werpt, als niet gehoord beschouwen, anders had ik reden genoeg u in den Tower te laten werpen. Slechts eene vraag verzoek ik u nog te beantwoorden: Niet waar, gij en uw man zijt hardvochtige papen? Gij hebt geweigerd de door ons voorgeschreven godsdienstoefeningen te bezoeken. Erkent gi j mi j als het ware het eenige opper-«
hoofd der kerk' in Engeland? Ja of neen?
Mylady Tregian antwoordde rustig, hoezeer ook door den bitteren hoon der koningin in 't hart getroffen.
â.la. Majesteit, wij zijn trouwe kinderen van het oude heilige geloof, In alle wereldsche zaken zijn wij n gehoorzaamheid schuldig, maar n beschouwen als de opvolger van den H. Petrus op wien God zijne Kerk gebouwd beeft, dat zullen wij nooit doen.quot;
âAu heb ik er genoeg van,quot; aldus brak de toorn van Elisabeth los. Onbeschaamde, pak u weg uit onze koninklijke tegenwoordigheid en waag het niet meer ons met uw hatelijk gezicht lastig te vallen. Bij den geest van onzen koninklijken vader, wij konden anders de ons aangeboren zachtmoedigheid uit het oog verliezen en u en uw gebroedsel tot een voorbeeld maken, waarover heel de wereld kon spreken, liet oordeel van het gerecht blijft bestaan; uw man zal zijne vrijheid niet terugbekomen, zoolang hij ons niet als het hoofd der Engelsche kerk erkent en de ons geboden godsdienstoefeningen bezoekt en gi j kunt met nwe blagen gaan bedelen, daar gij tot bedelares geboren zijt.
12
- 177 -
Luitonanl (lev waclit, bvcng dit wijl' mot havo kinderen tot hij de poort van het park (gt;11 jaag ze van daar Avog.
Onder geen heding mag zij meer tot ons toegelaten worden. Ladv Tregian trok de schreiende kinderen tot zich, hoog voor de koningin en verliet de zaal met de woorden:
â11 oge uwe Majesteit voor Gods troon meer genade vinden.quot;
XIX.
PRIVAAT AUDIENTIE VAN JONKER WALSINGHAM.
lisahclli liet haren toorn no^' lani^quot; vrijen loop in smaad-
redenen. Men kan denken hoezeer dit schouwspel mij
onlsteld had, terneer daar do ^roote liefde van Maria St uarl voor de armen mij iio^' zoo levendig voor den ^(-(«st stond.
Kindcdijk stond de koning-in op en liet zich door Lord Hnrglev naar de zaal geleiden, waar zij hare privaat nndientiën gal'.
Weldra riep een page mi j derwaarls. Ik vond l']lisaheth aan eene schrijltal'el, waarop v(de papieren opgestapeld lagen en zij bezig was haren naam met de bekende krulletters te schrijven.
Lang liet zij mij aan de deur staan en ik had tijd de prachtige gobelins te bezien, die de muren van het heerlijk gemeubileerd kahinet versierden, Mozes in zijn biezenkorl'je, de dochter van rharao met hare dienstmaagden en de palmen en pyramiden te bewonderen.
Eindelijk zag de koningin op, wierp bare schoone zwanenveer ter zijde en wenkte mij, op niet ongenadige wijze tot haar.
Ik knielde neder op drie schreden al'stamls, van haar verwijderd maar zij ging in hare goedheid zoo ver, dat zij mij gebood op een tabouret neder te zitten. Toen ondervroeg zij mij omtrent
- 179 -
I
Parijs, (It'll koning, dt' koningin moeder, en ik disclite zoo veel hofgescliiedenissen op als ik mij slechts lierinnereu kon. Zij hoorde mij aan met Areel leedvermaak. Zij vroeg ook naar Hendrik van Xavarre en ol' het hem zou gelukken op den f'ranschen troon te geraken.
âIk antwoordde, dat de zaken zeer goed voor hem stonden, maar men dacht, dat hij den ])r()testant selien godsdienst voor den troon , |
zou opolleren.
âJa,quot; hernam zij, âniet allen hebben onzen moed, want hadden wij ons aan de voeten van den l'aus geworpen en de Mis in ons rijk behouden, dan hadden wij rustige dagen kiinneu slijten.quot; Toen begon zij over Nederland le spreken en wilde weten wat men in Parijs over Leicester zeide. Ik wist dat hij niet meer zoo hoog in de guust stond en zei rechtuit, dat men meer van hem verwacht had met zijnen moed en zijne veldheerstalenten.
Daar hrak zij los. âWat, moed? veldheerstalent? Een ijdele praalhans in Dudley, een groote blull'er en meer niets.quot;
Met zijne woorden wiul hij veldslagen, maar tegenover Panna is hij een gek. lm tegeu mijn uitdrukkelijk verbod heel') hij zich den lit el van gouverneur-generaal der Nederlanden aangematigd.
Ik heb grooteu lust hem terug te roepen eu een triouirtocht iu den Tower te laten maken !
Om van dit gevaarlijk gesprek al' le komen, zeide ik dat ik de vorige week op last van mijn oom uaar ('hartley geweest was,
om te zien hoe de hevelen van den geheimen raad ten opzichte
der koninklijke gevangene werden uitgevoerd. *
De naam van Maria Stuart werkte op baar als een pijlschot.
Zij verschrikte werkelijk als trad het gruwelijk onrecht, dat zij
â 180 â
de gevarm'ono aandeed eenskla])s voor hare ziel. âHoe gaat het, het Sehotsche monster r riep zij. Acli, indien mijne onderdanen uisten Avelk verdriet deze slang mij sedert jaren aandoet, hoe dikwijls zij mij den slaap rool't, dan zon er zeker sedert lang een dapper man opgestaan zijn, die ons deze ergernis liadde weggenomen! l'.u daarluj Imieludt zij jeg(gt;ns mij louter liel'de en vriendschap, zendt ons diamanten ringen en noemt ons âlieve zuster,quot; en lioudt niet op liet eene complot na liet andere tegen mij te smeden en zij zon mij met eigen hand worgen als zij kon. Heht gij haar gezien r Hoe ziet zij er uit? \\'at voert zij uit ?
Ik heschreel' Maria's hlecke kleur, haar i^rijs liaar, en zeide dat Sir l'anlet van gevoelen was, dat behalve de rhnmatiek, die haar veel deed lijden, nog de waterzucht in aantocht was.quot;
Klisaheth wilde dit niet gelooven en zeide, dat zij eene groote luuclndaarster was en men moest zich om (iods wil toch niet door haar laten hedi-iegen, want als men haar eenige vrijheid toestond, zou zij weldra hare kruk weggooien en als een haas over de hergen verdwijnen.
âToen ik haar vertelde, dal ik haar op het slotplein te midden eener schaar armen gezien had. (ik eenvoudig mensch dacht dat dit haar zou treilen) dan brak ze los. âOlquot; wij dan niet zagen dat die Sehotsche slang zich op die wijze in het hart der armen en geringe lieden zocht te dringen? Zij zou heden nog een koerier aan l'aulet zenden, waavhij het aalmoezen geven en alle verkeer met het volk aan Stuart streng verhoden werd.
God vergeve mij, dat ik, hoewel tegen mijn wil de oorzaak-werd van dit verbod, dat het hart der gevangene, zoowel als dat der armen eene smartelijke wonde toebracht.
â 181 -
Hierop Imik zij plotseling' het gesprek ai'. De privaat audiëntie had z.jolang geduurd, dat Sir Waiter ilahngh mij een jaloerschen l)lik iiawiei')) en verscheidene liovelingen elkander toelluisterden, dat AValsingliams neel' weder eeu nieuwe ster aan het lirmaineut scheen te worden.quot;
XX.
KENNISMAKING MET BABINGTON.
p mijn weg naar Patnoy, alwaar ik den Tlioems Avildo oversteken trol' ik Lady Treg'ian met hare drie kinderen. Zij zat aan den weg en vroeg eene aalmoes, liet kleine meisje, dat mij gisteren aan liet hol' zoo getroll'en had, hield den voorhij-gangers, die de moeder eene aalmoes al'smeekte, hare handjes toe.
Menigeen galquot; het kind iets, maar anderen scholden het paapsche gespuis, want een lamme, die tegenover haar zat, riep den voor-hijgangers, dat het eene rijke dame was, die om hare halsstarrigheid door God gestral't werd. Ook mij sprak Lady Tregian aan en hoe kwaad ik ook op de papen Avas, kon ik aan haar ootmoedig verzoek en het engelen geziehtje der kleine niet weerstaan en liet eenige goudstukken in hare hand glijden, terwijl ik haar zeide morgen of een dezer dagen hij Walsingham te komen, dan zon ik zien of ik iets voor haar doen kon.
Zij bedankte mij, wensehte mij Gods genade toe voor mijne aalmoes en helool'de met hare kinderen voor mij te hidden.
Eenigszins luchter van hart stak ik den Theems over en voelde hoe een werk van harmhartigheid een halsem voor de ziel is.
Naar Newgate rijdende, leidde mijn weg mij langs Tyburn waar
â 183 -
Campion opgehangen was. Ik was daarvan nog niet vei' verwijderd of bemerkte dat vele mensclien met mij denzellden weg volgden. Op mijne vraag deelde men mij mede, dat er twee papen voor hoogverraad opgehangen en gevierendeeld zonden worden. Ik hen geen vriend van dergelijke bloedige schouwspelen, doch werd door de menschenmassa mede gedrongen. Ik kwam juist, toen men de beide veroordeelden van de luirtles op de beulskar zette, liet waren twee nog jonge mannen, ernstig en bleek, maar hoewel zij wisten, dat zij weldra voor Clods oordeel zouden staan, Avas er geen spoor van doodsangst in hunne oogen; (gt;11 daarbij waren zij rustig, eenvoudig, nederig. Zij omarmden elkander, baden en richten tot de huilende en woelende volksmenigte eenigc harte-telijke woorden.
Zij stierven, zoo zeiden zij, voor den godsdienst en hadden geen verraad tegen hun vaderland, noch tegen de koningin gezocht noch gepleegd en zij waren slechts naar Engeland teruggekeerd om de waarheid aan de dwalenden te verkondigen en den kal holleken den troost der Sacramenten te brengen, hoewel zij wisten welken dood hen wachtte.
Zij vergaven allen en wenschten de koningin heil en alle aanwezigen het eeuwig leven. Zoo spraken zij nog, toen zij het hoofd reeds in den strop hadden. Toen gaf de beul een teeken, de karren werden onder hunne voeten weggeschoven.
Verscheidene stemmen riepen den beul toe: Snijdt ze los en vierendeel ze levendig! Maar ik verheugde mij, dat de sheriH' ze eerst deed lossnijden, toen zij gestorven waren, en ik reed weg alvorens het bloedig werk begon.
Ik vond Walsingham niet thuis, hij was ergens in eene zitting
â 184 -
Aan don gohoimen raad. Ik wilde liet liuis verlaten om aan den Theems wat Frissche lucht te gaan scheppen, toen ik mijn oom op de trap ontmoette. Hij trok mij mede iu zijn kabinet en ik moest hem mede deelen, wat er lt;e Richmond gesproken was. Hij was zeer met mij tevreden.
âIk heh juist herichten van Uahington en zijne gezellen, lu'ne dienstmaagd uit de herberg had hen argeluisterd. Zij willen nu den slag wagen. Tk vrees slechts, dat de een of andere spion onvoorzichtig is geweest en hen schuw heeft gemaakt, (iij moet trachten met den een of anderen van hen bekend te worden. Mier heb ik het portret van l'abington en zijne gezellen, dat ik door Phillips, (die kerel kan alles,) liet namaken.
Al is het ook niet goed getroll'en, kunt gij Babington aan zijne kostbare en nieuw modische kleeding dadelijk herkennen. Hij is bijna eiken avond in den âl'arijschen lusthof. Ook honden ze met hun zessen eene hoot op den Theems.quot;
Juist kwam men Lady Tregian aanmelden. Ik deelde mijn oom in korte woorden de zaak mede; maar hij wist alles reeds haarlijn. Hij kende dien man reeds lang.
âliet zijn verstokte papisten,quot; zeide hij, maar ik stem volkomen met ii in, dat het niet goed is, hen langs de openbare straat te laten gaan bedelen. Ik zal ze vrijstellen om tot haren man in de gevangenis te gaan. Zij is niet de eenigste paapscbe vrouw, dii1 vrijwillig bij haren man in de gevangenis gaat.quot;
âDe kinderen? ü die zal de eene of andere adellijke familie wel opnemen. Het is onbegrijpelijk, hoe vast dat volk elkaar aanhangt.quot;
Ik verwijderde mij langs eene zijdeur om de arme dame niet
nogmaals aan te trHlVn doelt hoorde latiM1, daf zi j met vreugde tot haren man in den Icerker gegaan was.
Den volgenden dag bezocht ik den l'arijschm lusthof en vroeg naar eeii zekeren Mahington. De man was daar zeer wel hekend, doch toevallig niet aanwezig. Misschien zou hij hinncu een kwartier komen.
Ik ging mij wat in het schieten oefenen, ten einde den tijd te verdrijven.
Een man in zijn mantel gewikkeld, zat alleen hij een glas grog en volgde mij later, toen ik aan het schieten was. Hij zag een tijd lang toe en zeide dat liet scheen, dat ik mij niet lang in het schieten geoefend had en gaf mij enkele wenken. Ik gaf hem mijn wapen over en vroeg hem schertsend om een bewijs zijner kunst, want hij kon wel zien, dat ik eene les noodig had. Hij antwoordde, dat een oud soldaat zijn handwerk wel moest kennen en trol' driemaal achteréén den turk, die tot doel diende, midden in het hart. Toen de vreemdeling wilde vertrekken en het ook mijn tijd werd, sloot hij zich bij mij aan en vroeg mij of ik den heer Habington kende, ik antwoordde hem, dat ik gehoopt had kennis met hem te maken. Hij was in hetzelfde geval en zeide eindelijk.
âDan zullen wij wellicht later door Mr. Hahin^ton met elkander bekend worden.quot;
âZeer wel mogelijk,quot; antwoordde ik, âmijn naam is Walsingham.quot;
âWalsingham â zeide hij. Ik heet Savage, John Savage. Hij maakte eene buiging en vertrok en zoo maakte ik kennis met dezen ongelukkige.
Babington vond ik toen noch in den Parijschen lusthof, noch
â 180 â
()|) den Theems, maar toen ik den volgenden morgen bij Walsingliam kwam, werden Windsor en Bal)iiig'fon ])l()tslt;gt;liiig aangemeld.
Mijn oom scliooi' mij in zijn geheim kabinet en beval mij de Avichtigste zaken, die deze beiden wellicht zonden verraden opmerkzaam te noteeren. En niet. slechts kon ik elk woord verstaan, maar ik kon ook door eene kleine opening de twee jonge lieeren, vooral Eabington, die juist over mij zat naar hartelust bezien. Toen ik den 'jonkman, het ware beeld van een levenslustigen jonker zag, deed het mij leed om hem. De gruwelijke st-rafoefening van den morgen, trad mij voor de ziel en ik zeide in mij zelve. âOnvoorziehtige, gij waagt het te spelen met een man als Walsingham en uw inzet is een zekere dood door de handen des beuls.quot;
liet gesprek der beiden met den heer Staatssecretaris werd vroeger vermeld. Toen zij al'scheid genomen hadden kon ik niet nalaten mijn oom te vragen, waarom hij, een der gezworenen zulk een gewichtigen post als lijfarts der gevangene kon aanbieden r
âlt; )m twee reden,quot; zeide hij âten eerste om mij te vergewissen of zij werkelijk eene samenzwering tot bevrijding van Maria SI nart beramen, want ik kan moeielijk zulk een springin'tveld als die Babington als een ernstig samenzweerder beschouwen. En toch is het zoo; bij heeft zich duidelijk verraden; terwijl Windsor het zeer goed wist te verbergen toen ik hein het verbluffende aanbod maakte. En ik deed dit ten tweede, om hem het vertrouwen terug te geven. Daaraan hangt voor ons het leven der Stuart, want hoe zekerder zij zich van hunne zaak gelooven, des te zekerder is de onze.
- 187 -
Gill'ord koerde ook dezer dagen terug en braclit met hot sclirij-voii van y\ ariu Stuart ons tevens het bew ijs, dat de goheinie weg voor de brieven door den eerlijken brouwer geopend was!
Ook kwam de jonge Windsor ons berichten, dat hij Walsingham bericht had gezonden, dat bij de plaats als lijfarts der koningin van Schotland aannam en zich ter zijner beschikking stelde.
- is«
X X I.
MARIA STUART EN HAAR LIJFARTS Dr. WINDSOR.
en volgondon inovgon reed ik mot Jonlcov Walsingliam, aldus vcM'liaalt Dv. Windsor, naav Chavi Joy en den tweeden dag bereikten wij reeds Burton, alwaar ik âin den groenen draakquot; kennis maakte met den eerlijken brouwer Tommy Hui key, die mij zijne vette hand reikte.
Weldra begaven wij ons naar bet kasteed. Mijn gezel werd onmiddeli jk ontvangen, maar ik moest nog een vol uur wachten, waarin ik mij te vergeefs moeite gaf om van den portier iets omtrent de gevangene koningin te vernemen. Eindelijk werd ik door een kamerdienaar naar den vleugel van bet slot geleid, dat Sir Paulet bewoonde.
Deze ontving mij knorrig genoeg, even als een oude bulbond. i I ij Hel mijn vriendelijken groet onbeantwoord, en vergenoegde zieb in het algemeen over de paapscbe landloopers te brommen, totdat ik hem eindelijk vroeg, waarvoor bij mij dan eigenlijk aanzag. Ik was de broeder van Lord Windsor, die op verzoek van Lord Walsinglmm was gekomen, om de gevangen koningin mijne diensten aan Ie bieden.
Toen verwaardigde bij zich ten laatste mij een stoel toe te
- 189 -
scliiiivon en mij to vovklavon, wat hij mijno instructio noomde. Do hoofdzaak bostoncl hiorin dat ik do govangono ^o\voonlijk oons per wook en wol in zijno togenwoovdighoid mocht bezoeken en dat ik mij onder oodo moest verplichten mot haar over niets dan over hare gezondheid te sproken en haar geeno schriftelijke tijdingen over lo brengen, noch van haar in ontvangst te nemen. Ik weigerde rondweg zulke voorwaarden aan te nomen. \\ at hot eerste pnnt betrof, kon hij wol begrijpen hoe smartelijk het voor de koningin moest zijn mij slechts in zijno tegenwoordigheid haar lichamelijk lijden te oponbaren, maar ik wilde mij op mijn eerowoord verplichten niets togen het heil van koningin Elisabeth of van don staat te verhandelen, ook goene brieven te bezorgen of van haar in ontvangst te nemen. Wij streden lang hoen en weder tot eindelijk jonker VValsingham het verschil kwam schikken en don grimmigen Cerberus mot veel moeite er toe bracht, zich aan mijne belofte te honden, die ik hom echter op don bijhei moest herbalen. \a voel schelden en knorren gaf hij eindelijk toe en vroeg mij of ik dadelijk mijn eerste bezoek bij de zieke wilde maken rquot;
Toon ik dit mot âjaquot; beantwoordde, bracht hij mij langs oen wenteltrap en opende eene zware, met ijzer beslagen deur, die bij mot oen grooten sleutel zorgvuldig achter zich sloot. Wij bevonden ons, toon op een overwelfde gang dor eerste verdieping, waarop rechts en links verscheidene kamerdenron uitliepen. Aan beide zijden werd do gang door oen venster verlicht, maar van de kamers kon men niet tot die vensters komen en ook slechts tot bij deze deuren, die allen met zwaar ijzerwerk gesloten waren. Ook stond er een schildwacht, die de gang overzien kon, bij eender traliën.
De stom van Sir Amias l'aulot scliocn in dczt» ruimtcu diMvci'-^iiii;' van oen wekker ol' eene scliel ie lichhen, w anl er i rad een kleine, in hei zwart ^ekleede man nit eene der deuren naar de tralie, die mijn begeleider langzaam opfMide, on vroelt;f met heleei'de buin'in^ naar doszell's verlangen.
,.Ze^ aan uwe Meesteres, dal do lijlarts, waarvan ik liaar gesproken iieb, aangekomen is en haar zijne opwachting wenscht te maken. Maar vlug wat, Mr. Nau, ik heb geen tijd ti1 verliezen,quot; zei Paulot de ijzeren Iraiiedeur achtor zich shdtende.
Nan monsterde mij met een vorscbenden, niet on vriendelij ken blik en zeide, terwijl bij ons in een soort voorkamer liet, dal bij bare Majesteit deze zeker aangename boodschap ging mededeelen. Hij klopte aan eene deur en zeide tot eene kamenier, die mij een nieuwsgierigen blik toewier]), wat hij te melden had. Na eenige minuien reeds, maar, die* den slechfgehiimden Paulet tot den boogsten graad van ongeduld brachten, werd de deur geopend en Nau verzocht ons binnen treden.
liet vertrek was tamelijk grool en werd door (wee tralievensters somber verlicht, doch was niet zonder smaak ingericht. Tegenover de deur stond een soort troonhemel, waarin bet sehotscbe wapen, een rechtstaande ronde leeuw op gouden veld met een krans van leliën en distelen omgeven op donker 11 nweel geborduurd was. Op een daarin doorvlochten lint stond het devies. Dien d mon ilroil. Daartegenover stond een sehoone eikenhouten kast, waarop bet schoonste sieraad een kruis met een verguld Christusbeeld prijkte. Ook eene liefelijke schilderij van Maria Boodschap, ik geloof eene copie van Tra Angellus, zag uit zijne donkere lijst vriendelijk op ons neder.
Dit alles had ik sloclits tijd mot een vluchtigen blik te overzien, toen Maria Stiiiirt uit hare eigene kamer, door twee kamerjuffers vergezeld, in deze voorkamer trad. Zij hleel' een oogenhlik staan en bezag mij met haar groot oog, toen ik zooals het behoorde, eerbiedig' boog en ridder Paillet, dien ik om zijne ruw heid in het gezicht had kunnen slaan, de koningin, zonder eenigen groet, aansprak.
âMevrouw, hier breng ik U de lijfarts, dien II. M. de koningin alsook de geheime raad, U in hunne groote christelijke liefde allen genadig hebben toegestaan, want, waarachtig, als het van mij afhing, had ik U eene anderen dokter gezonden.
âZeker wel een, die mij eene wat te sterke aderlating zou voorgeschreven en mij van alle aardsche smarten voor goed verlost zou hebben, niet waar, mijne lieve gastheer? Nu, Sir l'aulet, zijt ge al niet beleefd, zoo zijt ge ten minste oprecht en toont mij eerlijk uw gevoelen. En dit is mij liever dan een huichelaar. Uw wensch, dien zoovele invloedrijke mannen deelen, kan nog wel spoedig vervuld worden. De behandeling, die ik namens mijne koninklijke zuster sedert achttien jaar onderga', vermaant mij steeds liet ergste te vreezen.quot;
âliet past ü slecht over II. M. te klagen, die tot dusverre zooveel lankmoedigheid jegens L' getoond heeft. Zij had volgens het oordeel van Westminster korte metten met U kunnen maken. En verdiend hadt ge dat genoeg, al ware het slechts om de hardnekkigheid, waarmede gij uwe verwenschte afgoderij pleegt, zooals ik telkens met afschuw zie, zoo dikwijls mijn ambt mij dwingt deze plaats te betreden.
Sir Paillet wierp een toornigen blik op de beelden en besloot
- 192 -
ruwe Avoorden aldus. âEn me dunkt, dat g'e heden minder dan ooit over II. M. behoordet t(! klagen, daar zij u zelfs een lijfarts zendt.quot;
Tn dien tussclientijd had de koningin door hare kameniers gesteund aan hare werktafel hij het venster, op een eenvoudigen stoel plaats genomen. Daar kon ik hare trekken beter onderscheiden en dadelijk viel mij hare ziekelijke kleur en het grijze haar op, van eene nauwelijks ILjarige vrouw! Maar de uitdrukking van haar gelaat was buitengewoon treffend en de groote schoonheid, waarom zij in hare jeugd zoo beroemd was, scheen nog door, evenals de maan door den sluier der wolken. Toen zij gezeten was, zeide zij met minzame stem.
âOver de vereering, die ik het beeld van mijnen, voor mijne zonden, stervenden Verlosser bewijs, wil ik met u niet strijden. Sir Amias. ik zal u niet bekeeren en gij mij niet. Wat het vonnis van quot;Westminster betreft, zoo kon dit niet anders uitvallen, daar bet door louter vijanden, zonder de beschuldigde te booren, geveld werd. Ik moet mij troosten met dit oordeel, dat de alwetende God eens voor alle menschen uitspreken zal. Want van hoeveel fouten en gebreken ik mij ook schuldig beken, zoo ben ik toch onschuldig aan den dood van mijnen armen gemaal. Ik verzoek u dus mij voortaan dagelijks verwijten te sparen, en wat de benoeming van een lijfarts betreft, zoo ben ik mijne koninklijke zuster van Engeland daarvoor zeer dankbaar.quot;
Deze laatste woorden sprak zij zeer langzaam uit, terwijl hare groote oogen mij vorschend aanzagen. Ik trad nu nader, boog de knie en vroeg de gunst haar de hand te mogen kussen. Zij-reikte mij die toe en zeide.
13
- 103 -
âMr. Windsor, als ik den mij gemolden naam goed verstaan heb, sta op. Zijlt; gij een broeder van Lord Windsor? Moe komt bet, dat gij n op de studie der geneeskunde toelegt?quot;
âDit is in Engeland den jongeren zonen van den adel niet verboden, Majesteit,quot; antwoordde ik, âen daar ik in de tegenwoordige omstandigbeden geen lust beb een ambt aan bet bol' of als rechter te bekleeden......
â(Jij zijt tocb niet aan den ouden katholieken godsdienst trouw gebleven?quot; viel Maria Stuart mij in do rede.
âJawel, Majesteit, door Gods genade!quot; Toen gleed een vriendelijke lach over bare lippen en een straal viel uit haar oog, zoodat Sir l'awlet zich niet kon weerhouden hall' luid eene ver-wensching te mompelen.
âZie,quot; zeide zij, âdat had ik niet kunnen droomen, dat men mij een katholieken lijfarts toegestaan zou hebhen. Maar de loopbaan der wapenen bleef u over, gij had onder den dapperen Panna kunnen strijden.quot;
âDe natuur gaf mij een vreedzaam gemoed en een hart dat liever wonden heelt dan wonden slaat, lladde ik den trek van mijn hart kunnen volgen, dan hadde ik bet liefste voor de muziek geleefd!quot;
âKomaan!quot; zeide zij, âeen lieveling van Apollo! Ook ik deed daaraan in mijne bloeiende jeugd, maar mijn leven vormt zich tot een klaaglied, zoo niet tot een bloedig treurspel. Intusschen zou ik zeer gaarne Dante's onsterfelijke poeziën met u lezen. Gij hebt in Italië gestudeerd, niet waar?quot;
âDaar kan niets van komen,quot; viel l'awlet brutaal in. Poesiën, oude beidenen lezen. Als ge lezen wilt, zoo lees de II. Schrift.
â 194 -
En met dczon Windsor held ge niets te spreken dan over uwe gezondheid en dit slechts eens per week in mijne tegenwoordigheid.quot;
âDit laatste zal wel met woordelijk verstaan moeten worden,quot; zeide .Maria Stuart, mot moeite opstaande. âMr. Windsor wilt ge mij met mijne kameniers in de kamer hiernaast volgen?quot;
Ridder Pawlet wilde protesteeren, maar de koningin was aan zijn gelmldei gewoon, en liet hem tohhen.
In het kleine vertrek, dat wij nn betraden, stond aan het venster een werktafeltje met een borduurraam, en aan den binnenmuur onder een groot kruisbeeld een hidstoel, waarop ik eenige kerkboeken en een rozenkrans zag liggen. Zij begroette mij nogmaals hartelijk en vroeg mij op zachten toon ol' ik wellicht een âgeneesheer der ziel was?quot;
Zi j had gedacht, dat er wellicht een priester onder het gewaad eens dokters tot haar geslopen zou zijn en toen ik dit ontkennen moest, scheen zij zeer teleurgesteld. â Aan de gezondheid van mijn lichaam,quot; verzekerde zij, âhecht ik niet veel,quot; Wat kan een arts mij baten ? Wat vermag de beste tuinier, indien licht, lucht en zon ontbreekt ? Zoo is het ook met mij. Daarenboven doet men alles om mij verdriet aan te doen, Mr. Windsor, wat mijn zoon in den laatsten tijd gedaan heel't, bedroeft mij meer dan deze achtien jarige kerker.''
De tranen kwamen haar in de oogcn en verstikten hare stem. Ik zocht haar te troosten en zeide, dat haar zoon slechts door slechte raadgevers verleid en verblind was geworden, en dat ik hoewel het niet in mijne macht stond, haar in de bestaande omstandigheden eene volledige genezing te beloven, haar toeh met Gods hul]) menige verzachting kon bezorgen en ging ik haar voor baren door de rhumatiek verlamden voet vele lauwe baden voorschrijven als ook een drankje, dat ik zeker hoopte dat haar helpen zou.quot;
âGeene medecijnen, mijn lieve Windsor, geene medecijnen!quot; En toen ik haar verwonderd aanzag, voegde zij er zachtjes bij :
âIk vrees dat Walsingham en mijne vijanden iets in den zin hebben, omdat zij mij een katholieken lijl'arts zenden, liet ware niet onmogelijk, dut zij in uwe medecijnen heimelijk gift mengden, en u later rekenschap van mijnen dood lieten geven.quot;
Ik schrikte en nam bet voornemen baar zoo mogelijk geene inwendige geneesmiddelen voor te schrijven, die ik zeil niet bereid, geproefd en haar eigenhandig toegereikt had. Ik zeide haar dit en voegde er bij, dat als ik ooit door mij zclven ol mijne vrienden
*
- 106 -
iets voor hilar doen kon, ik gaarm! mijn leven daarvoor zou geven. Herinnert Uwe Majesteit zich nog een zekeren Huhington ?
â Hahington?quot; zeide zij. Anthony Hahington, wiens trouwe toewijding ik reeds iu Shefïield leerde kennen. Zeker herinner ik mij dien knappen, altijd vroolijken knaap. Wilt gij hem voor mi j groeten ?
âIk hel) onder eede moeten heioven hij mijne bezoeken geene hoodsehappen van of aan l'we Majesteit over te hrengen, doeli wees verzekerd, dat hahington, iilt; en anderen voor Uwe Majesteit werken. Haar oog helderde op. Zij drukte mij de hand en zeide;
â(Jij hehoel't mij geene brieven over te hrengen; mijne vrienden in Parijs hehhen een jong man, (Ãll'ord genaamd, overgezonden en deze heeft met een ])ronwer, die mij hier levert een sluw plan heraaind om mij de lirievevi le doen toekomen. Zet u met hem in hel rek king â maar wij mogen niet langer spreken om hij l'awlet geen argwaan te verwekken.quot;
Wij traden weder in de voorkamer en toen ik nu voorsehreet', dat de koningin hi j dit sehoone zomerweder veel beweging in de open lucht moest nemen, hrak l'aw hst in een vloed van smaadreden tegen mij Ins. Ik kon haar voorschrijven wat ik wilde, maar uit het slot liet hij haar niet. Toen ik antwoordde, dat IT. Majesteit te Tniherrv dikwijls op de jacht mocht gaan en ik dit zeer dienstig achtte, viel hij wederom uil en hij zeide âdat was onder Sir Ralph Sadler geheurd, die een groote gek was, maar onder hem kwam zij slechts eens per maand het kasteel uil en dat gal' nog beweging genoeg, daar liij ze sleehls mei 20 ruiters rijden liet. In het kleine tuintje kon zij dagelijks een uur wandelen.quot;
Wij moesten ons hiermede vergenoegen en ik wilde afscheid
nemen, toen Sir Amias nog; mot eene zaak voor den da^ kwam, die liij ondanks zijne rmvlu'id 1(jc1i niet gaarne mededeelde.
De gevangene was zoo blij geweest met haren katholieken lijfarts, (lat hij haar noodzakelijk nog eene biltere |)il moest laten slikken. âEn ten slottequot; viel hij uit, âheel't Hare Majesteit met zeer veel misnoegen vernomen, dat zij al dat luie bedelvolk op het slot lokt, en derhalve verbiedt de geheime raad ten strengste, dat lt;'1' door 1' ol' uwe bedienden de minste aalmoes uitgedeeld worde en dat breng ik u hier voor altijd ter kennis.quot;
Daarop gaf hij mij een toeken met hem te gaan.
âMoeten het nu do armen nog misgelden, dat hot mij niet kan gelukken de liefde en het vertrouwen van Elisabeth to winnen! Moge de Heer haar dozen slag vergeven, waarmode zij Hem zei ven in de armen treft.quot;
Dat hoorde ik Maria zeggen, toon ik Sir Pawlet volgde, die mij verklaarde, dat hij in hot slot goono kamer tor mijner beschikking had. Hij had paapseho afgodendienaars genoog onder zijn dak en ik moest mij in don naam van don koekoek ergens anders eene kamer huren.quot;
Do gevangen koningin had door hare zachtmoedigheid en christelijk geduld een diepen indruk op mij gemaakt, â(iij hebt eene heilige gezien!quot; zeido ik tot mij zolvon en besloot andermaal alles te doen, om haar lot te verzachten.
Ik ging naar hot logement âde Moibloom,quot; huurde oeno kamer en zette mij aan tafel, doch het duurde niet lang of ik werd door een klagend geschrei verstoord, dat van uit hot kasteel scheen te komen, ik zag eene schaar armen, mannen, vrouwen en kinderen, wier kermen het hart deed breken. Men had hun
- 108 -
gezegd, dut de koningin hun gebedel moede was, hun nooit meer iels wilde geven en zij niet meer op het plein mochten komen. Maar die arme lieden begrepen wel beter. Zij hadden weldra van den portier vernomen, dat er een bode uit den geheimen raad was gekomen die namens Elisabeth, Maria verboden had voortaan aalmoezen uit te reiken.
XX11
EEN BEZOEK VAN GILBERT GIFFORD.
oen de arme lieden eindelijk vertrokken Maren ^ing' ik in den hiin en begon te lezen om mij eenigszins boven mijne droevige stemming te verhellen. Weldra kwam een jonge lieer van een niet onaangenaam voorkomen tot mij en vroeg op eene buitengewoon stillen toon of ik de nieuwe lijfarts der koningin was. Op mijn bevestigend antwoord noemde bij zijn naam Gilbert Gifford en trok een briefje uit zijne portefeuille, dat liij mij overreikte na zicli dooreen opmerkzamen blik overtuigd te hebben dat niemand in de nabijheid was.
Van Antony liabington 'r vroeg ik toen ik het sierlijk geschreven adres gelezen had.
âPst,quot; zeide bij den vinger op den mond leggend âMen moet geene namen noemen, als er van zulke zake sprake is. quot;Wilt ge eene kleine wandeling met mij maken daar ginds op de heide ? Men is nergens veiliger dan op de beide !quot;
Jk was daarmede tevreden en ging niet Gilford tot wel eene mijl aehter het kasteel ('hartley, waar velden en weide ophouden en zich eene vlakke heide uitstrekt. Daar waren wij zeker alleen
en men hoorde goon andoi* geluid, dan dut van oonigo kievioton dio liun nest o])zocliten.
Wij zotten ons neder en mijn gezel, die tot dusverre over onverschillige zaken gesproken had, hegon nu te spreken over ons voornemen met de gevangene, zoodat ik dadelijk bemerkte, dat liahington hem van alles had ingelicht. Daar de koningin hem mij genoemd had als oen man, waarop men vertrouwen kon en als oen afgezant harer Parijsche vrienden verwonderde ik mij daarover weinig, hoewel iets vreemds mij in hot Avozen van dien man niet heviel. Hij verklaarde mij op welke wijze liij met don eerlijken brouwer had afgesproken, dat do koningin de brieven zouden geworden en hoe eergisteren eetie eerste proeve op de sclutterendste wijze gelukt was. Daarop had Chateauneur, de IVansche gezant, hem een geheel pak dor allergewichtigste brieven overhandigd, die morgen hij oene nieuwe bezending hier in het slot ontvangen zonden worden. Er was ook een brief van Habington aan Nau hij, wien hij oen sleutel verzocht voor hot cijferschrift.
Ik verwonderde mij zeer over de sluwheid van het uitgedacht plan en vroeg hem hoe hij op deze gedachte gekomen was ?
Ilij antwoordde mij dat hij hier in de buurt geboren was en de sluwheid van den dikken brouwer sedert jaren kende. Dit stelde mij tevreden. Ik las het hrielje van Habington, dat mij mededeelde, dat voor do helft der maand Juni de vlucht hereid zou zijn en er bij voegde dat de bode, die een zeer vertrouwbaar man was, mij nog vele andore zaken zou mededeolen, die hij aan het papier niet kon toevertrouwen.
âInderdaadquot; zei Gilford mij, nadat hij van alle kanten in't rond
gezien had: âHet is vim hot hoogste gewicht, dat Maria Stnart in veiligheid zij, alvorens de landing van Panna ol' eeno andere gebeurtenis -â deze woorden sprak liij hijzonder behoedzaam, ââ eene andere gebeurlenis, herhaalde bij, plaats vinde, die bet leven der gevangene in bet grootste gevaar zou brengen.quot;
Ik zag hem vragend aan en bij ging zacht voort: âOmtrent de landing van Panna zal men ons bij tijds onderrichten. Maar bet is nog zoo ver niet. Natuurlijk zal die een storm tegen Maria Stuart verwekken, want men zal haar als J'arma's medeplichtige aanzien, en dit zal baar leven in groot gevaar brengen, als zij zich dan nog in de macht van Elisabeth of nog op engelsehen grond bevindt. ])e andere gebeurtenis, waarmede wij te rekenen behhen is de âplotselingequot; dood van Elisabeth.quot;
âDe plotselinge dood?quot; Gij spreekt dit woord zoo vreemd uit. âGe wilt toch niet zeggen... de moord?quot;
âlist ]5st,quot; viel bij in. âZulke woorden moei men niet zeggen.quot; liet is genoeg als ik zeg den âplotselingen dood.quot; Lieve Hemel is dat dan zoo iets ongehoords, zoo onmogelijk ? Is de prins van Oranje twee jaar geleden niet plotseling gestorven. En gij meent wel niet, dat bij meer vijanden had dan Elisabeth ?
âEr is iets aan den gang! Gij weet meer dan gij mij wil zeggen. Om Gods wil, Babington zal zich toch niet met zulk eene vertwijlelde daad inlaten? Zeg neen,quot; drong ik hem.
âWees bedaard en leg toch die kwade gewoonte al' altijd namen te noemen,quot; ging hij voort, âge kunt daarmede in groote nïoei-lijkheid komen. Uw vriend en de overigen denken er in de verte zell's niet aan, 11. M bet minste leed aan te doen, hoewel zij het minstens honderd maal verdiend heeft. Maar Avij stellen hier
wmmÃÃm
slechts het govul, als liet eens ^vluMirde, dat il\ olquot; ^'ij ol'icntimd anders toevallig van icis hoorde, dal den dood van Elisabelli kon veroorzaken, zou liet n dan niet zeer intoresseeren te weten, wanneer zulk eene noodlottige gebeurtenis plaats kan hebben? Want kwaiue dit ontijdig, dan zou bet bepaald Maria Stuart mede in het verderl' storten, terwijl bet in om^ekeerden zin hare bevrijding zeer zou Ix'vorderen.quot;
Als een bliksemstraal schoot mij de gvdachte door de ziel aan den man van den l'arijschen lust hol', den man, dien ik in den laatsten tijd vaak in gezelscbap van Habington gezien had en ik zeide tot (JilTord : Savage*, .lolm Savagi;! en Habington weet er van.quot;
âAlweder die oude slechte gewoonte van namen te noemen !quot; zeide mijn gezel. Maar aangenomen, dat die man zoo heet en zich niet te vergeefs in hel scbieten met de pistool geoerend beeft, zoodat hij op dertig schreden afstand in bet wit van het doel scbiet, wat volgt daaruit voor ons, zoo niet, dat bet voor ons van het boogste gewicht zij, dat wij juist weten wanneer het schot valt, anders kou bet twee harten tegelijk trellen, liet is daarom noodig, dat Antony met den schutter, wiens daad hij daarom volstrekt niet goed behoeft te keuren, in betrekking blijft.quot;
âIn betrekking blijven met zulk ecu snoodaard,quot; riep ik, â15a-biugton is stapelgek. 11 ij moet hem onmiddellijk aangeven.quot;
u daartoe gelooft hij zich niet verplicht, en met recht, dunkt mij. liet is heel iets anders eene daad bedrijven, dan iets niet verhinderen. Ik geloof waarlijk niet, dat hij verplicht is het aan te geven,quot; zeide bij.
âIk zal bet zelf aangeven,quot; riep ik uit.quot;
âDaar zult ge u nog wel ecus op bedenken. Ten eerste, welke
â 203 â
saessBi
bewijzen hebt g'ij teyen Jobn Savage? Geeue boegenaanul. En gij kunt bem niet aangeven, /ouder uwe vrienden en u zei ven en heel het plan te verraden en het leven der gevangene op het spel te zetten. AVant de zaak is reeds zoo ver gevorderd, dat het bewuste sebot waarschijnlijk reeds gevallen ware, als Antony den sehuttei niet zoo lang tegenhield tot alles bereid is.quot;
Ik wrong de handen en zeide : âEn in dien tnsschentijd is Walsinghani den schutter waarschijnlijk reeds op het spoor en heeft hem wellicht op dit oogenblik reeds laten grijpen en op de folterbank uitstrekken. En Avie weet of hij op dit oogenblik door de vreeselijkste pijnen overwonnen al onze namen als medeplichtigen, omdat wij er van geweten hebben, niet genoemd 1 ieel't 'r En dan is galg en strop ons vooruitzicht en onze namen, de namen van een hall' dozijn edele ramiliën in Engeland zijn gebrandmerkt.
â.Ta, mijn lieve Jonker, dat hadt gij moeten overwegen alvorens n met zulk eene daad in te laten. Dat de dood des hoogver-raads uw deel is, als de bevrijding der koningin mislukt, ligt voor de hand,quot; zeide (JilVord tamelijk koeltjes.
âDal heb ik overdacht en wil gaarne den dood ondergaan voor zulk eene ridderlijke daad, maar als medeplichtige van een moord veroordeeld worden, terwijl er geen zweem van eene dergelijke zaak in onze plannen ligt, zal ik bepaald trachten te vermijden! Ik zal nadenken wat mijn plicht van mij vordert.quot;
âDoe dit,quot; zei GilTord, âdoch bedenk, dat uw terugtreden de onderneming wel kan verstooren, maar niet meer beletten. Daarenboven stelt gij ii bloot van lafheid beschuldigd te worden.quot;
âliet is genoeg,quot; zeide ik, âik zal over alles nadenken en ook
clo schijn van lafheid zal mij niot hololtcn, mijn plicht te doen. AVannoer rijdt gij naar Londen terug rquot;
Morgen bezorgt de dikke brouwer mij de brieven der koningin eu daarmede vertrek ik aanstonds.
âGoed, morgen avond zal ik wellicht brieven mede te geven hebben. Nu is het tijd naar buis te keeren. De avondnevel valt.quot;
X X 111.
JONKER WALSINGHAM'S BEZOEK BIJ MARIA STUART.
oldens vcrzoolc van mijn oom, den staatssecretavis vcrljlccr ik in Ciiafilcy, om volgens zijno gowono wijze van liandcicn de koningin en liarcn lijfarls Ie licspiodoii en dezen laatsten kon ik, naar mate ik hem moeiquot; leerde kennen, slechts meer achten cn beminnen.
Mij wijdde zich geheel t.oe aan de armen der plaats en der omgeving en vond zijn genoegen in het doorloopen van boscli en veld, waar hij zich vaak onder een hoorn uitstrekte en zijn lieven Virgil ins las, dien hij altijd hij zich droeg; ook vond hij genoegen in het visschen, kortom als men mij niet voor zeker gezegd had, dat hij tot het complot van Bahington behoorde, hadde ik hem er nooit toe in staat geacht. Ik liet hem door den hnisknecht nauwlettend bespieden, maar men zag hem nooit met verdachte lieden omgaan.
Kog grooter was de achting, die Maria Stnart mij inboezemde. De indruk, die bare weldadigheid op mij gemaakt bad, bad ik zoeken te bestrijden door de gedachte, dat dit alles wellicht veinzerij en schijnheiligheid was, maar nn ik ze dagelijks sprak en zag, kon ik de overt niging niet bestrijden, dat dit alles oprechte
goeclliavtigheid, Clivistclijk modclijdon en liot lovend ^cloo 1' was, dat haar Christus in do annon dood zion. 'JEaro zachtmoodighoid on haar goduld toondo zich togonovor liot ruwo gedrag' van Sir Amias Pawlot in waarlijk schitterenden glans; bijna nooit liet zij zicli ecu hitter woord ontvallen en toch gevoelde zij lt;o midden liarer vernedering hare koninklijke waardigheid, en hare ziokolijk-lioid moest haar zoor gevoelig maken. Ik hoorde nooit oen hard woord uit haren mond over hare aartsvijandin Elisahoth. Zij hor-haalde vaak den wonsch tocli eene enkele maal persoonlijk niet haar te kunnen s])rokon, dan, zoo meende zij, zou elk misverstand tusschon haar heiden wegsmolten nis de sneeuw voor de zon. Maar zij hoklaagde zich wol, dat hare koninklijke zuslor, ondanks haar 18 jarig verzoek hare deze gunst steeds geweigerd had. Mijn oom Wal-singham hooordeeldo zij voel le gunstig; niet uit heleefdheid togen over mij, maar omdat hij vroeger voor hare in vrijheidstelling geijverd had.
Als haar grootslo vijand heschomvdo zij Burg ley. Van hem vermeed zij te spreken en toen hot gesprek eens op hem kwam, werd zij bleek van ontsteltenis en verzocht mij nooit zijn naam in haar hijzijn uit te sproken. âWant,quot; zeido zij, âhet valt mij hard genoog hem uit terhartc te vergeven en hom niet buiten mijn gebod te sluiten, want hij alleen hooft mij mot eenige Schotsche oproermakers mijn goeden naam benomen.quot;
Zij deelde mij hare geschiedenis mode, die waar lij k geheel anders was, dan ik ze tot dusverre geboord had. Ach, do twaalf jaren die zij in Frankrijk doorbracht, waren do eenige jaren van zonneschijn in haar loven! Zij verwijlde gaarne bij deze herinnering. Op baar 18(,e jaar huwde zij don dauphin en nam bij den
dood van koningin Maria, volgens hot recht der opvolging, maar tegen het besluit van het Engelseh parlement, den titel en het wapen van koningin van Engeland aan. Dit was de oorsprong van de doodelijke vijandschap, die Elisabeth haar gezworen had.
Twee jaren later stierf Frans 11 en liet haar als 18 jarige weduwe achter, nadat /ij de 1'ransche koningskroon nauw anderhallquot; jaar gedragen had, die zij thans moest nederleggen om onder de moeielijkste omstandigheden den vaderlijken troon van .Schotland te bestijgen.
Elisabeth zond oorlogschepen uit om haar op haren tocht derwaarts gevangen te nemen, maar zij wist die te ontsnappen en bereikte Edimbun?.
Hier bracht Knox alles tegen haar in rep en roer. âJa,quot; zeide zij, âals ik zijne leer had willen aannemen, zou men mij op de handen gedragen hebben, maar daar ik de Roomsch-Katholieke Kerk voor de eenig ware verklaarde en haar trouw bleel', hebben de protestanten geen rust gehad, voordat zij mijnen goeden naam bezoedeld en mij in den kerker zagen. En toch heb ik plechtig beloofd de thans eens bestaande gereformeerde Kerk niet gewelddadig aan te tasten en heb mijne onderdanen nooit wegens hun godsdienst vervolgd.quot;
Zij vertelde verder hoe zij lienri Darnley gehuwd en Elisabeth daardoor nog meer verbitterd had, daar zij haar haren eigen gunsteling, den zedeloozen Leicester toegedacht had. Zij trachtte den katholieken godsdienst weder in te voeren, maar toen verried Darnley zijne koninklijke gemalin, deed Riccio vermoorden en hielp haar in hare vlucht naar Dunbar.
Zij vertelde, hoe zij hem in zijne ziekte haar eigm ge-
14
_
noesheer gozondcn en zich ten volle met hem verzoend had.
En nn deden de muiters liet luiis te Ivii-k-ol-field in do lucht springen! Murray, Morton, lluthven waren zeker medeplichtig'en, Bothwell werd door het gerecht vrijgesproken en het parlement bevestigde dit vonnis. Maar men verdicht hem, en derhalve wilde ik zijne hand niet aannemen, ofschoon het grootste deel van den adel hem mij aanheval. Nu gebruikte hij geweld, bracht mij naar Dunbar (gt;11 vroeg mij nogmaals ten huwelijk. Ach, ware ik liever tienmaal gestorven! Want juist dit gedwongen huwelijk gal' mijnen vijanden de wapenen in de hand om mij te beschuldigen, dat ik mijn gemaal vermoord had en eenige vervalschte brievim golden tot hewijs van deze wraakroepende lastering. Daarmede was mijn lot bezegeld. Daarop volgde mijne gevangenschap te Lochhwen, de volledige arschall'ing van den katholieken godsdienst , en na mijne bevrijding door den moedigen George Douglas, de allertreurigste nederlaag bij Langside die mij dwong naar Engeland te trekken, waar ik in plaats van de gehoopte en beloofde hulp een eeuw igen kerker vond. God riep intusschen mijne grootste vijanden voor zijnen rechterstoel ; Murray stierf plotseling; Morton en lluthven werden als moordenaars van Darnley ter dood gebracht en allen vonden op hunne beurt een wreeden dood. Moge de Hoer hun vergeven hebben, zoo als ik hun vergeef!
Slechts ('vne zaak bekommert mij; de eeuwige zaligheid van mijn eenigen zoon, dien ik als kind van één jaar in zijne wieg achterliet, toen men mij als gevangene naar l.ochleven sleepte. Om hem tot het katholiek geloof terug te winnen, zou ik gaarne mijn leven ten olfer brengen !
â 211 -
Ik ATOfg haar wat zij doen zou, als zij hare vrijheid terug kreeg en zij antwoordde: âVroeger had ik het plan naar Schotland te ijlen, mijnen zoon aan den invloed der vleiers te onttrekken, den katholieken adel en de trouwe Higlanders rond mij te verzamelen en nog eene laatste poging te doen, om mijn volk den katholieken godsdienst terug te schenken, maar nu heh ik den moed geheel verloren. Mijn zoon is 20 jaar oud en z:il niet meer te veranderen zijn. Ik zou daarom liever naar Frankrijk gaan waar mijne dierbare bloedverwanten de Cuizes wonen, en mijn leven in vrede en de ongestoorde uitoofening van mijnen godsdienst eindigen. Ik heb daarom onoplioudelijk mijne koninklijke znster gesmeekt mij mijne vrijheid terng te geven. Ik weet, dat uw oom Walsingbam mijn voorspraak was, maar die zaak leed schipbreuk door de voorwaarden, die men stelde en die ik niet mocht aannemen. Ik moest verzaken aan het reebt op den engelscben troon en aan mijn godsdienst. Ik ben thans bereid voor mijn persoon het erfrecht op te geven en vraag slechts de erkenning van den koninklijken rang en de vrije uitoefening van mijn godsdienst. Verder mag ik niet gaan en men gewaardigt zich zelfs niet op dezen voorslag te antwoorden!
Ik zocht haar te troosten, doch zag in den geest reeds de bijl van den beul boven haren hals zweven en ik, was bezig met voor het gerecht het bewijs barer schuld te zoeken! Ik doorleefde vreeselijke nren en vroeg mij zeiven duizend maal : Is zij schuldig of onschuldig! Is haar geloof waarheid of bedrog? lien ik verplicht aan bare invrijheidstelling te werken of niet? Ben ik verplicht tot de oude Kerk terug te keeren ? Zoo tobde en worstelde ik dag en nacht en was zeer blij, toen ik een briefje van Walsingbam ontving, dat mij naar Londen riep.
- 212 -
Walsingham ontving mij vriendelijk, zelfs hartelijk, doch verschrikte, toen hij mij zag : âWat scheelt n, Frans zijt gij ziek geweest? (ic ziet er ellendig uit.quot;
Ik wilde hem niets van mijn zielstoestand zeggen, doch zeide dat ik meende, dat Chartley wegens zijne moerassige omgeving en duffe gewelfde gangen niet gezond was.
âDes te liever is het mij, dat gij n waarschijnlijk hij dien hrommigen Pa wiet en zijn vogel in de kooi niet lang meer zult behoeven te vervelen. De zaak zal spoedig beslist zijn.quot; Daarbij trok hij mij in zijn kabinet.
Nadat wij gezeten waren en ik op zijne vele vragen omtrent de gevangene, wier toestand, vooral door het warmer seizoen merkeli jk verbeterd was, vroeg hij omstandig naar den lijfarts. Ik berichtte alles nauwkeurig en drukte vooral op Windsors gedrag, toen hij door Gilïord van een aanslag tegen Elisabeth hoorde spreken.
Walsingham dacht een poosje na en dronk een slok port. Toen zeide hij eindelijk: âMet is waarlijk te betreuren, dat die Windsor en Tichbournc zich met dien Mahington ingelaten hebben, want het zijn brave jonge lieden. Maai', m«legevangen medegehangeri; te redden zijn zij niet meer. Wij hebben reeds de handen vol bewijzen hunner schuld. Nu komt het er nog slechts op aan, om bewijzen van de medeplichtigheid van Maria Stuart te vindenen deze verwacht ik binnen veertien dagen.quot;
âBabington beeft zijne vrienden tegen aanstaanden Vrijdag bijéén geroepen; dan zal hij hun met het plan van Savage bekendmaken, dat allen nog niet kennen en er zal hard gestreden worden, want het is verwonderlijk hoe loyaal die papen nog ten opzichte van Elizabeth gezind zijn. Ik reken daarbij op den invloed van
- 2K) -
r
een zekeren John Ballard. Die man stond vroegei' in mijnen dienst en heeft meer dan een katholiek aan de gahj helpen brengen. Toen is hij, ik weet niet om welke reden, tot den katholieken godsdienst overgegaan en heelt in het Seminarie te üonay eenige studiën gemaakt â het zal niet ve;d geweest zijn! Nu, zoo als het gewoonlijk gebeurt, legde de bekeerling een gloeienden ijver aan den dag en dit beeH Dr. Allen bewogen den vurigen, maar niet zeer verstandigen man de priesterlijke wijding te doen geven. Die Hallard haakt thans, zooals (JilTord mij zegt, om de vlek van den voorinnligen priestervervolger door zijn bloed alquot; te wasschen. Daar kan men hem toe helpen !
Hij reist tegenwoordig onder den naam van kapitein Fortescne in de nnil'orine van een Nederlandsch werfoflicier in l^ngeland, waarsehijnlijk om de stemming der papen nil te vorschen ?
Natuurlijk was er mij veel aan gelegen dezen Ballard, die juist in Londen is met Babington in betrekking te brengen en dit is mij door Gilford gelukt. Die knaap is even bruikbaar als zedeloos. Ballard woont bij Babington en ik hoop, dat die verstandige ijveraar, Maria Stuart tegelijk met Babington en zijne gezellen in den bloedigen aanslag van Savage zal meêtrekken.quot;
âMaar tot dusverre hebben de vele brieven der gevangene geen aanleiding tot eene crimineele aanklacht gegeven,quot; zeide ik.
âNiet in het minste.quot; antwoordde Walsingham. âDat zij weet van de aanstaande landing van Parma en die goedkeurt, straalt er duideli jk in door ; ook van het plan van Babington weet zij, want zij heeft hem in algemeene bewoordingen eene bemoediging geschreven, maar geen woord tegen de koningin, gesn letter waaruit men een strop kon draaien; o zij is zoo wakker, zoo fijn
⢠214 -
doorslepen! Slechts ééno zaak verwondert mij steeds in die vrouw; haar vasthouden aan het roomseli katholiek geloof, (iij zult daar hij die hrieven een vinden aan Charles Paget, den aartsbisschop van Glasgow te Parijs, waarin zij voor liet geval dat Philips van Spanje zich van Engeland en Schotland meester maaht, slechts eene voorwaarde wil stellen, het onderwijs van haren zoon in het katholiek geloof, daar zij de redding zijner ziel als een veel grooter geluk beschouwt, dan dat hij nnonark van heel hnropa wordequot;, 't Ts waarlijk ongeloofelijk.quot;
âJa, zij zeide mij ook dat hare gehechtheid aan het katholiek geloof de eenige reden is, waarom zij van den troon in den kerker geraakt was. En toch wil zij liever daarin hl ij ven, dan van haar geloof afvallen. Elisaheth heeft onder hare zuster Marie Tudor heel anders gehandeld.quot;
En had groot gelijk! zei mijn oom. âNn, zoodra wij het bewijs in handen hehhen, dat Stuart in't minst aan de samenzwering tegen het leven van Elisaheth heeft deel genomen, gelden hare koninklijke voorrechten niets meer. We zullen dus rustig al-wachten wat Gilford ons overmorgen mededeel en zal. Ik zal dezen avond door mijne hedienden het gerucht van een algemecnen moordnacht der Katholieken laten verspreiden.quot;
Reeds meermalen hadden de Katholieken in Londen den nacht in waarlijken doodsangst doorgebracht, daar de protestanten gerucbien lieten verspreiden, dat op een gegeven teeken de katholieken in hunne huizen overvallen en ter dood gebracht zouden worden. Meermalen was dit slechts een valsch gerucht, doch dit benam niet dat verscheidene malen de katholieken den geheelen nacht op den Theems op en neder voeren en rustige burgers uit louter moedwil
geplaagd werden. En daarbij moest men steeds een volksoploop vreezen, want in zulke onrustige tijden vreest men overal gevaar.
âMet kolkslag van 12 uren,quot; zeide men in de straat, âmoet de klok van St. l'aulus het teeken tot moorden geven.quot;
âNeen, op den toren zal men een kanon afschieten, als het moet beginnen,quot; zeide een ander.
âAch, bij Whitefriars,quot; zoo zegt men, âis het reeds aan den gang. Vrouwen noch kinderen worden gespaard.quot;
âMen lieel't mij gezegd,quot; aldus verzekerde een ander, âdat de geheime raad verboden heelt te schieten, daar bet kruit gespaard moet worden, wijl men eene landing der Spanjaarden vreest.quot;
âDie zijn bij Dover reeds geland! 50,000 maiiuen zullen morgjn voor Londen staan. Wie dezen nacht overleeft zal de oude katholieke dagen ook weder in Engeland zien herleven. Want als de Spanjaarden in het land komen, jagen zij de dochter van Anna Boleyn, door wie al het ongeluk in het land komt, van den troon en plaatsen er Maria Stuart op.
âSluit uwe deuren vast toe, vrienden en houdt moed, alles kan nog in orde komen.quot;
Aldus liepen de geruchten door elkander. Van tijd tot tijd zag men vele kleinere ol' grootere vaartuigen op de rivier drijven.
âGevluchte geloofsgenooten! Rechtvaardige (lod, welke tijden! Onder Nero en Diocletiaan kon het in Rome niet erger geweest zijn!quot;
âOnze vijanden laten althans geen middel onbeproefd om ons tot vertwijfeling te brengen,quot; besloot een ander.
âTntusschen was het middernachtuur nader gekomen en wij, âzoo verhaalt Windsorquot; luisterden in bange verwachting naar het ge-
2 IQ -
vreesde teeken. De tegenstrijdigsto geruchten waren steeds in omloop. Eenigen verzekerden, dat de moordscharen liereid stonden bij St. Pauls kerkhof, hij Charing-Cross, op Towerhill ; men ging al de papen naar de Londensche hrug drijven, om ze hals over kop in den Theems te werpen; anderen verzekerden dat het niets was dan een loos alarm om de katholieken tot vertwijfeling te brengen.
Nu sloeg het twaalf ure op een nabij zijnde kerktoren en na eenige bange minuten hoorden wij ook de groote torenklok van St. Paul. Maar de twaalfde slai;' dreunde en geen geluid, geen kanonschot liet zich hoorenquot;.
Wij herademden, liet was dus alweder een loos alarm.
Nog is liet niet zeker! liet schot kan ieder oogenhlik vallen.
Maar toen ongeveer 10 minuten verstreken waren, besloten wij eens buiten te zien. Wij hoorden veel geschreeuw in de naburige straten, er was veel volk op de been. Verscheidene vluchten weder iu hunne woning en riepen : âZij komen.quot; Maar toen er een uur verloopen was en niets de vrees kwam bevestigen, waagde het ieder naar bed te gaan en zich eenige uren rust te gunnen, alvorens de aanbrekende dag nieuwe zorg en kommer bracht.quot;
I
-m â â - - ^
- '217 -
XXV
WAT DE DAG VAN MORGEN BRACHT.
c zon si oud reeds lioo^ aan den hemel, toen wij ons rond de onthijttal'el vergaderden. Ik had nu eene goede gelegenheid om mijn vriend Bahington omtrent Savage en zijn bloedig voornemen te ondervragen.
Hij vertelde mij, dat hij toevallig door Foley, die hen reeds menig geheim van Walsingham verraden had en de grootste deelneming voor Maria Stuart betuigde, bekend was geworden met Savage.
Tit voorzorg had hij door Xan hij Maria Stuart zelve, op wie 1'oley zicli beroepen had, inlichtingen omtrent dezen man laten vragen en niets dan goed van hem vernomen. Ook was hij meer en meer overtuigd, dat Walsingham zelf de bevrijding der gevangene wenschte, want daarom had liij gewis Windsor als lijfarts aangesteld. Daarom geloofde hij ook dat, wat 1'oley hem had medegedeeld, in overleg met Walsingham gebeurd was, die daaraan natuurlijk den schijn moest geven als wist bij niets van onze onderneming.
âSavage,quot; zoo ging hij voort, âtrof ik een paar weken geleden in den Parijscben lusthof. Hij werd door Poley voorgesteld,
- 218 -
als een uitmuntend schutter en daar ik zelf meen goed te schieten, ging ik eene weddingschap met hem aan voor een dozijn schoten, maar ik werd ellendig verslagen. Hij kende het veel heter dan ik. Daarbij mikte hij slechts één seconde. Ik zeide hem dan ook, dat hij een gevaarlijke schutter was, waarop de man mij met een somheren lach heschouwde, Foley was weggegaan on GilTord had zich hij ons nedergezet, alsook de klerk van den franschen gezant, die al onze hrieven aan de gevangene bezorgd had.
Deze zeidc mij, dat Savage juist de man voor ons was. Hij zon zich gaarne hij ons aansluiten, want hij was een ijverig partijganger der katholieke zaak. Ik noodigde den schutter uit om mij een dezer dagen te komen opzoeken, om hem de verzameling mijner wapenen te toonen, waarhij zicli eenige nieuwe modellen van spaansch maaksel bevinden, en onder eene llesch wijn een vertrouwelijk woordtje te spreken. 2sa eenig nadenken nam Savage aan, en kwam; hij prees de wapenen, bijzonder twee kleine, keurige pistolen, die men met gemak in zijn borstzak kon steken. Ik gaf hem de eene present, daar ik zag dat hij er grooten zin in had!
Zijn oog schitterde en hij zeide. â Ik zal het u met dit wapen vergelden.quot; Op mijne vraag, wat hij daarmede wilde zeggen, gat' hij mij een onduidelijk antwoord en zeide, dat hij mij daarmede zijne kunst wilde mededeelen. Daarna zetten wij ons aan tafel, ik schonk hem een glas van mijnen besten Alicante en toen hij het derde glas leeg had raakte zijne tong los. Wij spraken van den treurigen toestand der katholieken in Engeland en hij vroeg. âWaartoe baat het te jammeren? Sedert lang is de tijd tot handelen gekomen en de Paus zelf beeft de katholieken daartoe aan-
gespoord, door de dochter van Anna Boleyn, die dlt;^n troon onteert, als afgezet te verklare.quot;
Ik herinnerde hem aan het bloedige einde der noordelijke graven, maar hij zoide, dat dit kwam, omdat men het kwaad niet aan het rechte eind aanvatte.
âEen enkele kogel uit dit pistool,quot; riep hij, âin het hart geschoten, redt tegelijk Engeland uit de dwingelandij en ons geloof uit het geweld der wreede vervolging.quot;
âIk moest hem nu wel verstaan en gaf mij alle moeite hem deze daad af te raden. Maar alles was te vergeefs. Hij houdt zich overtuigd, dat de Hemel hem tot het werktuig zijner wraak en tot bevrijder der Kerk uitgekozen heeft en hij is gaarne bereid, indien hem dit gelukt, ouder de wreedste folteringen te sterven, als liij Elisabeth den duizendmaal verdienden dood slechts kan doen ondergaan! Hoor wat liij mij vertelde.
âIk diende deze laatste jaren onder den moedigen Alexander Earnèse in Brabant en Vlaanderen. In het leger voor Antwerpen wierp een Schotsch ofticier mij het verwijt naar bet hoofd dat wij, katholieke edellieden van Engeland, ellendige lafaards waren daar wij ons van eene vrouw aldus lieten tiranniseeren. De Schotten zouden nooit zoo iets geduld hebben.
âJa ! zeide ik, en bet is bekend, dat zij reeds een half dozijn koningen neergeschoten hebbenquot; âmaar hij verdedigde zich, Elisabeth was zelfs geene koningin en mocht even goed dood geschoten worden als Willem de Zwijger.quot;
J)it gesprek gaf mij veel te denken en het werd mij steeds duidelijker, dat naar ik ook van andere lieden hoorde, zulk eene daad niet slechts toegestaan, maar zelfs roemrijk en verdienstelijk was.
Savage vertelde mij nog andere zaken, die Iiem bij de belegering van Antwerpen overkomen waren, en ik kan wel denken hoe deze hem in zijn plan versterkten. Ik kon dien man de overtuiging niet benemen, dat bet een goed werk was en dat de Hemel hem tot zijn helper verkoren had. quot;VVat bleei' mij te doen ?
âHem dadelijk aangeven !quot;
âEen menseb, die mij ter goeder trouw zijn hart opende, aan de galg te brengen, is mij onmogelijk,quot; zei Babington. AVel heb ik hem bedreigd. Maar toen zag hij mij met zijn akelig glinsterend oog aan en zeide, dat hij dit niet geloofde, want dat hij anders een krachtig middel tegen mijn verraad zon weten te vinden. Ik sloeg toen een anderen toon aan en vroeg hem of hij wel bedacht had, dat zijne kogel nog een ander leven, dat hij zeker tot eiken prijs zon willen sparen, waarschijnlijk zon vernietigen â het leven van Maria Staart, waarop de grootste hoop der katholieken rustte. â Hij stond stil en vroeg, hoe dat r
Ik verklaarde hem, dat het zoo goed als zeker was, dat Maria Stuart als olfer der wraak voor den dood van Elisabeth zon vallen.
Hij stond en dacht een oogenblik na en zeide toen; â(!od zal ze behoeden.quot; Ik zal echter mijn eed volbrengen.quot;
Er bleef mij nu niets anders over dan hem onder eed van geheimhouding mede te deelen, dat er een verbond bestond, om Maria Stuart te bevrijden, dat reeds in zooverre voorbereid was, dat het binnen enkele weken in uitvoering kon gebracht worden. Hij moest dus zoolang wachten tot de koningin van Schotland veilig het land uit was, hetgeen hij mij op zijn eerewoord beloofde. Dit is alles wat ik met den man verhandeld heb !quot;
Wij meenden Babington's gedrag in deze zaak niet te kunnen
afkeuren en nadat we nog lang er over gesproken hadden, besloten w e het voornemen van Savage niet in het minste met het onze te vermengen en noch in onze vergadering, noch in de brieven aan Maria Stnart er een enkel woord over reppen.
Daarna moest ik alles uitvoerig verhalen, omtrent mijn verblijt in Chartley en over de gevangen koningin. Dit deed ik met zooveel warmte, dat mijn vriend Titchbonrne, als ook Uabington, tot in het diepste getroffen waren bij de mededeeling van haar hemelsch geduld en zachtmoedigheid. Wij scheidden met de belofte elkander s'avonds te St. Giles weder te vinden.
Ik begaf mij vroegtijdig daarheen en vond den ouden Clayton in zijne volle breedte in de deur staan. Mij groette mij, maar juist niet zoo vriendelijk en vroolijk, als ik dit gewoon was.
âEr zijn reeds eenige heeren boven, zeide hij, doch gaarne wilde ik met u, M. Windsor, een woord spreken, alvorens gij naar boven gaat.quot; En daar ik mij hiertoe gaarne bereid toonde, trok hij mij in een klein kamertje achter de gewone gelagkamer. Daar begon hij, nadat bij door een klein venstertje zorgvuldig uitgezien had, mij to prijzen en te verklaren hoe hij Titchborne en mij steeds als solide jonge heeren beschouwd had en daarom moest ik hel hem niet kwalijk nemen, als bij mij ter goeder trouw een woordje van waarheid zeide. Ik zou mij herinneren dat hij reeds in April zich gepermitteerd had zoo iets te zeggen, maar het gedrag van 13a-bington stond hem dagelijks minder aan. Hij hield zich met menschen op, wie hij, Clayton, niets goeds toevertrouwde. âZie daar eens door dat venstertjequot;. Daar zaten aan eene tafel drie sombere gezichten. De eene, die juist de kruik aan den mond zette, zeide hij, was een zekere Savage, de beide anderen heetten
- 222 â
Travers en Charnot. Zij waren alle drie soldaten, die samen onder l'arnia gediend hadden.
Aan een ander tafeltje zat een zoogenaamd ollieier, Eorteseue genaamd, die met den hoed met vederen; men wil zeggen, dat hij niets anders is dan een Spaansehe spion. Zijne twee gezellen waren de eene een zekere l'oley, een bediende van Walsingham, die het terdege aeliter den elleboog had; de andore een zekere Clifford of Clifford was een der liederlijkste kerels die hem ooit onder de oogen gekomen waren, een ware galgenvogel, en daarbij een huichelaar.
âEn met zulke mensehen gaat Mr. Habington vertrouwelijk om, betaalt hunne rekeningen en heeft zieh, naar ik geloof, met hen in kwade zaken ingelaten, terwijl die l'oley hem als een poedel naloopt en hem even zoo zeker, als ik meer dan tien lood weeg, bij zijn meester Walsingham aanklaagt.
âNu moet ik het u overlaten, aldus sloot de brave Clayton of gij, na dit alles, naar boven wilt gaan of niet. In uwe plaats zou ik liever breken met een vriend, die met zulke verdachte lieden omgaat, vooral in zulke gevaarvolle tijden als wi j beleven.
Aldus sprak de brave Clayton en dat hij het goed met mij meende, valt niet le betwijfelen. Ik reikte hem dan ook dankbaar de hand en zeide dat ik zijnen goeden wil jegens mij nooit zou vergeten. Ik zocht hem echter te overtuigen, dat Habington niets onwaardigs, noch onchristelijk in den zin had. Wat zijn omgang betrof, zoo gaf ik Clayton volkomen gelijk en zeide dat ik Babington dit ernstig onder het oog zou brengen, doch onmogelijk het verkeer met mijne vrienden op kon geven.
Hij zag mij teleurgesteld aan en zeide. â Welaan dan, zooals
'1
l'1
223 -
de jonker wil.quot; Daarmede opende hij de deur en liet mij met eene diepe buiging heengaan.
Boven vond ik de eedgenooten voltallig en het was met de grootste vroolijkheid en opgewektheid, dat ik ontvangen werd, zooals het hij jonge lieden ook in ernstige tijden wel te verontschuldigen is.
Het avondmaal werd opgedragen, dat ieder zich wel liet smaken en toen de horden weggerninvl en wijnkruiken en bekers in de plaats stonden begon Bahington van ons plan te spreken.
II ij had niet ledig gezeten, had een groot getal rijpaarden gekocht of gehuurd en die hij vertrouwhare lieden in Staffordshire en Derbyshire laten plaatsen. Ook had hij een aanzienlijken aanhang aangeworven en kon ten minste 100 man tot bevrijding der gevangen koningin bijéén brengen en er was geld en wapenen in overvloed.
Wij moesten hem prijzen; hij verdiende allen lof voor zijnen ijver.
Salisbury en Barneveld verhaalden daarop wat zij bevonden hadden. Zij hadden voor kwartieren tot Formhy gezorgd en Barneveld had een schipper gevonden, die zich ter zijner hesehik-king gesteld had van den 25 .lnli tot den 1') Augustus, voor eiken nacht, waarop weer en wind den overtocht mogelijk maakten.
Daarop was het mijne heurt en ik beschreef het kasteel en deszeifs omgeving, alsmede de wijze waarop de staatsgreep gedaan kon worden. Mijn plan beviel de vrienden zeer goed en aldus werd de onderneming vastgesteld. Ik drong er nu op aan den slag in de volgende week te wagen, daar het uitstellen gevaarlijk werd, wijl er zoo vele menschen in het geheim betrokken waren.
â 224 -
Ik kon dit echter niet doorgedrongen krijgen, daar Babmgton eerst nog aan de koningin wilde schrijven en haar het plan der vlucht wilde blootleggen. Zijn biechtvader, een vroom en heilig man, John Ballard, bad hem hiertoe verplicht. Dit beviel niemand, maar hij stond er op en zeide dat het gebeurde in cijferschrift en zoo voorzichtig zou geschieden, dat het niemand in gevaar kon brengen.
Ook bestond er geen gevaar, dat men de zaak zou uitbrengen, want behalve ons zessen wist niemand van ons plan, behalve OifTord, diet hem, door Morgan en andere vrienden in i'arijs, ten warmste was aanbevolen. En aldus werd alles te St. (iiles bij laatste vergadering besloten.
Intusschen hadden de bekers de rondte gedaan en de kraelitiije
O O
wijn, dien wij tot afscheidsdronk gebruikten, droeg er wel het zijne toe hij, om onzen moed op te wekken, zoodat wij in vroolijke stemming van elkander afscheid namen. Ach, hadden Ave in den geest St. Giles acht weken later kunnen zien I Aldus verbergt een barmhartige God de toekomst voor de ooy;en der stervelingen.
XXVI.
EEN SLAPELOOZE NACHT.
. ]) den iKiclit vim JVtrus en l'aulus l»r:ik er ccn vrecsolijk quot; onweder boven Londen uil en dc jonge advokaat Wiilsinglmm keerde zich onrustig' lt;)]) zijn bod lieen lt;gt;11 weder. In zijne ziel woedde de strijd tussclien goed (gt;11 kwaad, tussehen den engel des bellis en dien der duisternis, even hevig als de strijd der natuurkraebten.
liet worslelen moede, stond hij op, stak liebt aan en verdiepte zicb in liet lezen der brieven van 31 aria Stuart, hem door zijn oom, den staatssecretaris, toevertrouwd.
AV as die vrouw, op stuk van zaken, slechts sluw (gt;11 doortrapt, zoo als mijn oom beweerde? Was haar vasthouden aan het katholiek geloof, dat uit ieder woord dezer hrieven doorstraalde, niet hare vaste overtuiging? Kn welk eene waarlijk christelijke edelmoedigheid, Avelk eene lu'ldhaftigo kracht van karakter steeg uit dat katholiek geloof op ! âAan hunne vruchten zult ge ze kennen.quot; AVat was tegenover deze vrouw, onze Burgley, die volgens het politiek nut, zijne overtuiging, zijne beste vrienden opofferde? AVat was mijn oom, die iu zijn privaat leven ongetwijfeld een man van eer was, en niet als Burgley er op uit was zijne beurs op kosten der staatsruif te vullen, maar in de politiek
al zijne principcn van eer overboord wierp? Wat was eindelijk onze koningin Elisabeth, die liarstoclitelijke vrouw, met haren trots, hare ijdelheid en zinnelijkheid?
lu hare plaats eene vrouw als Maria Stuart op den engelschen troon! Ik begreep het voorneuien der jonge edellieden, dat ik met mijn oom bespiedde en begon te wenschen, dat het mocht gelukken.quot;
En hoe gemakkelijk kon ik het bevorderen 'r Ik behoefde dien W indsor, dien ik begon te achten, sleclits (quot;n'ii woord te zeggen en wij beiden konden Maria Stuarl uit Engeland doen ontsnappen, alvorens mijn oom en Hurgley er iets van wisten. Maar wat dan?
Dan zou de protestantsehe godsdienst, waaraan mijn hart zich nog vastklemde, uitgeroeid worden, dan stond de Inquisitie met al hare schrikbeelden voor de deur. Zou ik dit kunnen zien!
INeen, duizendmaal neen ! Ik schaamde mij over die gedachten van verraad. Mijn oom had gelijk Engeland was nu eenmaal protestant en mocht niet meer katholiek worden. â Anders stond er een vreeselijke burgeroorlog voor de deur, want nooit zouden onze puriteinen de tiendepart der verdrukking dulden, waaronder de katholieken thans gebukt gingen. De vlucht van Maria Stuart moest dus belet worden ol' heter nog, zij moest sterven, zoodra hare schuld bewezen was!
Ik school de brieven weg, mijn besluit was genomen, liet omveder was intusscben hedaard.
Een dag later zat ik 's morgens bij AValsingbam aan het ontbijt, toen een kamerdienaar een brief van (iiU'ord overgaf, dien ik dadelijk mijn oom voorlas. De verrader deelde alles breedvoerig mede, wat er in de vergadering te St. Giles besproken cn besloten was.
Toen ik gooimli^cl had, zei mijn oom: Kijk, kijk, die Windsor, dat had ik van dien poëet niet verwacht. Men zal dien heer lijfarts goed op de vingers moeten zien en hem een recept moeten voorschrijven, dat ik U mede naar Chart ley zal geven, te weten een hevel tot inhechtenisneming en gij laat hem zoodra het antwoord van Maria Stuart op den hriet' van Hahington onder handen is, dadelijk grijpen en onder sterke bedekking hier heen voeren, waar ik zelf in den Tower de verdere knur zal overnemen.quot;
De hoofdzaak is, dat Hahington door den raad van Gilford en Ballard zich tot de onbegrijpelijke dwaasheid liet verleiden de gevangene het plan der bevrijding breedvoerig mede te deelen. Dat Savage en Hahington samenwerken, laat zich duidelijk bewijzen en daarom wacht de eerste met zijnen aanslag tot Babington's complot rijp is.quot;
âMij verwondert het groot getal aanhangers, dat Babington en Salisbury aangeworven hebben.quot;
âJa, ja,quot; zei de staatssecretaris, âde zaak is ernstiger dan ikzelf, die in het begin geloofde Ie zijn. De katholieken hebben een veel grooteren aanhang, dan l'mrgley gelooven wil. Deze jonge lieden toonen moed en vastberadenheid. Ondanks al het onverstand van hun aanvoerder, draait het mij soms voor de oogen, als ik aan de groote verantwoording denk, welke, ik bij het doorzetten dezer gevaarlijke zaak op mij nam. Als zij, door eene of andere omstandigheid, verkeerd uitviel, was mijn hoofd verbeurd en waarschijnlijk ook het uwe. Elisabeth verstaat geen scherts. En daarbij zijn onze helpers allen lage schurken zooals dezen Gilford, dien eerlijken brouwer, die Foley, Phillips, Gregory en heel het zooitje, dat even bereid zou zijn ons te verraden.
- 228 -
als Balmigton, Chatoauninir en Stuart, als dozen slechts op den inval kwamen hem een hooger Judasloon te bieden.
Maar daartoe zijn ze ot te eerlijk ot' te dom! Daarom moed, mijn jongen en opgepast. De beslissing nadert.quot;
XXVII.
DE GROOTE BRIEF VAN MARIA STUART.
c jonge Walsing'luuu vond in Chnrtlcy alles bij liet oude. Sir Amias was nog altijd de oude brombeev, en zijne gevangene toonde hem altijd dezell'de waardige bonding. Zij scbeen echter iets moediger, als ol' zij wist dat bare vrienden aan bare bevrijding werkten. Maar ik gevoelde nog altijd zulk een baat tegen al wat roomseb was, dat ik mij ia mijne bezoeken tot bet boogst noodzakelijke beperkte. Aldus verliep eene week. Ik liet door den knecbt uit de âMeibloem,quot; Windsor streng bespieden. 11 ij ontving vele brieven uit de omgeving, reed meermalen naaide omliggende dorpen, eens zelfs naar Babington's landgoed.
De eedgenooten meenden klaarblijkelijk, dat hun uur aangebroken was en trokken bunne kracbten nauwer rond Cbartley samen.
Ook ik nam mijne maatregelen om den staatsgreep te voorkomen. Zonder opzien te verwekken, werd de bezetting van bet kasteel versterkt en meer dan honderd bewapenden kregen langzamerhand bevel het naburige Burton te bezetten.
Van uit de stad kan men den toren van Cbartley zien en de wacht had bevel het slot streng in het oog te houden en zoodra
- 2:31) -
men lt;))) den toren het argesprokon teeken, oene uitgestoken vlag zou zien, onmidclelijk de bezetting van liet kasteel Ier Imlpe te snellen.
Zoo was van hinde zijden alles voorbereid, toen de dikke brouwer mij o]) zekeren dag liet zeggen, dat Babington's brief aan de gevangene was overgegeven en zij bad hem door baren se-cretaris Nau laten zeggen, dat zij bein over drie dagen een uitvoerig antwoord zou doen geworden. Ik moest zorgen vroegtijdiquot;1 naar Burton te komen.
Ik deed zulks, en vond Phillips en Gregory ter plaatse, «li'1 mijn oom reeds te voren gezonden had, om den bewusten briel zonder uitstel te openen en te ontcijTeren, die, naar mijn oom zeide, heel het hart der Schotsche dame zou besluiten.
Ik wachtte dus in eene licht te begrijpen spanning, in eene bovenkamer, den brouwer en den veelbeslissenden briel'.
Phillips en Gregory zaten aan eene tafel, waarop papier en pennen, verscheidene lijne mesjes en andere instrumenten lagen, om het zegel af te nemen en den inhoud te copieeren, terwijl in de gelagkamer (iill'ord zat te wachten om den kunstig gesloten brielquot; mede naar Londen te nemen.
Niet zonder walging kan ik mij die» lieden herinneren. Gilford heb ik vroeger beschreven ; die gemeene schoft stierf een jaar later in een kerker te Parijs, ten gevolge van zijn liederlijk leven, hij stierf den dood van een echten Judas.
Niet veel beter was Phillips, een klein man met een valschen blik en een eeuwigen glimlach op de lippen. In Gregory zag men op den eersten blik aan zijne vochtige oogen, rood blauwen neus den eeuwigdurenden dronkaard; ik moest alles doen om
hom nuchter te houden, als ik zijnen dienst noodig had. Zij zaten samen tric-trac te spelen, waarhij zij elkaar gedurig op de vingers moesten zien, terw ijl ik ongeduldig in de kamer op en neder ging, om te zien of de wagen van den dikken brouwer nog niet kwam.
Eindelijk zag ik de kar het plein op rollen en hoorde de ledige vaten afladen. En nog moest ik langer dan een uur wachten. Ik begon reeds te denken, dat de gevangene bevreesd was geworden en hem geen antwoord toevertrouwd had. Maar toen het reeds donker begon te worden, hoorde ik de trap onder den last van den brouwer zuchten en dadelijk daarna viel hij huiten adem in mijne kamer op eene hank neer, terwijl hij met zijn vetten mouw zich het zweet van het voorhoofd wischte.
âPoe, poe,quot; zoo begon hij, âhet is veel te boog voor mij, mijnheer, het is waarlijk te veel deze verwenschte trap op te klimmen, het brengt mij in gevaar eene beroerte te krijgen, mijnbeer, en als de ladder van Jacoh of Esau zoo iioog is, dan zou ik dien waarlijk niet opklimmen om in den hemel te komen.quot;
âHet is zeer waarschijnlijk,quot; viel ik hem in de rede, âdat gij geene ladder noodig zult hehhen, om u op de plaats te brengen, waar gij van rechtswege hoort. Geef spoedig den brief en laat mij met uwe bemclladder met rust.quot;
âO, o, ik verzoek nederig om verscbooning en een beetje geduld, en wees zoo hardvochtig niet met een mensch, die zijne ziel en zaligheid voor den dienst H. M. ton beste geeft.quot;
â En zich daarvoor van weerszijden driedubbel laat betalen: geef den brief en laat ons met vreê.quot;
âNu, nu, gij zijt zoo ongeduldig, dat ik mij nog aan vreemde
- 232 -
zonde schuldig zou maken, als ik u op liet briefje nog een oogenblik langer liet wachten.quot;
Hij had intusschen zijn wambuis losgemaakt, en bracht nu een heel paket brieven te voorschijn, zorgvuldig in perkament gevouwen. Ik wierp hem zijn loon toe, dat hij zorgvuldig telde, en nu ten laatste afscheid nam.
Gregory maakte den zijden draad, vlug en voorzichtig, zonder het zegel in 't minst te beschadigen, los, en in een minuut had ik de adressen der brieven gelezen. Er waren er voor Chateau-nouf, Mendoza, Charles Paget, Morgan, den koning van Spanje, den Paus, den prins van Panna, één aan haren zoon Jacob VT, enkele aan Schotsche edellieden, en reeds dacht ik, dat de bewuste brief er niet bij was, toen ik op den laatsten het adres las: Aan onzen getrouwen en zeer beminden Antonv Pabinyton, lieer
t, O
van Dethik enz. enz.
âéindelijk,quot; riep ik en schoof de andere brieven ter zijde. Ik bezag nauwkeurig het zegel. Haar zegelring was er diep ingedrukt en toonde in een op den hoek geplaatst vierkant, een eenvoudig schild; in den eenen hoek den Scliotschen leeuw, het Ih'itsche luipaard, de lersche harp en de Pransche lelie. Aan de beide zijden van liet schild stonden de naamletters M. II. Maria llegina.
Toen gaf ik den brief over aan Gregory om te openen. Hij streek met een penseel een weinig olie over liet zegel en bedekte het toen met een zachte stof, die dadelijk zoo hard als steen werd.
âDit is voor het geval, dat het zegel breekt of beschadigd wordt, dan kan ik met dezen afdruk opnieuw verzegelen en een
- 233 -
bijna zoo scherp wapen afdruk ken als het oorspronkelijke is,quot; zeide hij. 11ierop nam hij een lijn mesje en ^ing daarmede zoo behendig onder het zegel door, dat noch het papier, noch de oppervlakte van het zegel daardoor in 't minst beschadigd werden. âDat is goed afgeloopen,quot; zeide hij, ânn verzoek ik n bij het lezen en copieëren der brieven vooral het zegel voorzichtig te behandelen. Wij kunnen liet dan met een weinig lak weder zoo prachtig sluiten, dat de honderdoogige Argus geen spoor van het breken ontdekt.quot;
Het was een groote brief, waarvan de omvang eenc uitvoerige beschrijving van het plan deed veronderstellen. Hij was in de l'ransche taal gesteld; Maria bediende zich voor bare hriel'wisse-ling hiervan bij voorkeur, en hij was door een barer geheimschrijvers in cijferschrift overgebracht. Phillips had reeds vele brieven van hem ontcijferd en kende derhalve de teekens zoo goed, dat hij hem mij dadelijk dieteeren kon.
Die brief, ik kan mij natuurlijk slechts den hool'dinhoud herinneren, begon met Habinglou te prijzen over den grooten ijver, dien hij voor de katholieke zaak in het algemeen en voor de gevangen koningin in het bijzonder betuigde. Immers men zocht alom de katholieken te verdrukken. Dagelijks verminderden zij in getal en macht en als er niet spoedig hul]) opdaagde, dan kwam elke hulp der katholieke vorsten te laat, zooals zij zelve dit hun meermalen geschreven had. liet heil van den godsdienst was voor haar de hooge beweegreden; van hare eigen rechten wilde zij zelfs niet spreken, maar voor het heil van den godsdienst was zij steeds bereid haar leven en elke aardsche hoop ten beste te geven.
X;i deze inleiding zeide zij, dat de ondcn'neming niot opgegeven, doch wel overlegd en goed voovbereid moest worden. Zij moesten dus wel overleggen, over hoeveel strijd krachten zij zoo-wed te voet ais te paard te beschikken hadden en aan welke bevelhebbers zij zich konden toevertrouwen. Welke steden en havens voor hen veilig waren, om hulptroepen uit Xederland, Spanje en Frankrijk op te nemen'r Welke plaats het veiligste was voor eene landing r Over welke geldmiddelen en krijgsbe-hoei'ten zij konden beschikken r Hoe de zes edellieden liare bevrijding wilden in bet werk stellen r Dit alles moesten zij wel overwegen en met den Erauschen gezant Bernardino de .Mendoza overleggen, wien zij het grootste vertrouwen schonk. Uerst dan, als zij de zekere belofte tot hulp uit het buitenland hadden en niet vroeger, mochten zij iets ondernemen, daar anders alles te vergeefs ware.
Hersl dan, als zoo wel binnen als buiten het rijk alles bereid was, mocht men den Staatsgreep wagen. Dit moest hand in hand gaan, of het ging er mede als met den mislukten opstand in bet Noorden; ook moest men er aan denken, haar ouder s'( bt dekking naar eene sterke vesting te brengen, want indien d.quot; koningin haar weder in hare macht bekwam, zou zij haar gewis m een kerker werpen, waaruit zij onmogelijk kon ontsnappen, als het nog niet erger met haar alliep. Eu U()o. mm.
(lan ,iafUquot; ('i-011 lt;gt;quot;gelnk, zou zij dan het lot barer trouwe onderdanen beklagen en betreuren !
Hierop volgde eene krachtige vermaning de zaak van den godsdienst tot geenen ].rijs te geven. Zij wilde te gelijkertijd 00,1 ,,l,staml iu «Gotland trachten op te wekken, waarbij het
- 235 -
-mmm
haar wellicht zon gehikken haren zoon nit de handen der ketters te ontrukken. Ook in Ierland moest een opstand voorbereid worden. Daarop noemde zij een aantal katholieke adellijken zooals den graaf van Arundell den jongen graai' van Nortlmm-berland, dien van Westmoreland, Lord Paget en anderen met wie men moest beraadslagen; zij waarschuwde voor spionnen en verraders, al deden zij zich ook als ijverige katholieken voor. Eindelijk, zeide zij, dat men haar waarschijnlijk tegen het einde van den zomer naar het slot Dudley zou over-
^ O ^
voeren. Zij moesten zich daarvan onderrichten en als zij te Chartley bleet', dan beval zij eene dezer drie wegen. 1° Als men haar toestond op de eenzame heide tnsschen het slot en Stofl'ord te rijden moest een troep van 50 tot 00 ruiters haar ontvoeren.
2° Men kon te middernacht de schuur naast het slot in brand steken. De wacht en de dienaars zouden naar de plaats van het onheil snellen; en het zou den eedgenooten niet moeielijk vallen zich van het slot en van baar persoon meester te maken.
3° Men kon het zoo inrichten, dat eene der karren, die's morgens levensmiddelen in het slot brachten, omviel juist onder de poort, zoodat men die niet sluiten kon, en dat het eene in hinderlaag liggende schaar mogelijk werd het slot in te nemen.
Met de belofte de getrouwheid van Babington en zijn gezellen naar vermogen te zullen beloonen en hen aan Gods hoede aanbevelende onderteekende de gevangene baren langen brief, Maria li.
Dit was de brief. Men kan denken, hoe ik hem met toenemende spanning had afgeschreven. Het was een prachtig, tot in de kleinste bijzonderheden wel overlegd plan, ecu opstand der katholieke partij in Engeland, verbonden met eene landing
- 236 â
van Spaansclu! ol' J,1ruusclu; troepen en slechts in verbinding (Uuimiede, mocht de onderneming gewaagd worden.
Zij had inderdaad, zooals Walsingham verwacht had, haar hart volkomen opengelegd. Maar nergens één woord, waardoor hiermede het leven harer aartsvijandin Elisabeth verhonden kon zijn; nergens een spoor, dat zij de minste kennis van het plan van Savage had. Integendeel de eenigc plaats, waarin zij de koningin noemde, toonde, dat zij met zulk eene mogelijkheid niet eens rekening hield.
Ik vergeleek nog eens mijn afschril't met den oorspronkelijken hriel', en liet mij de zinnen één voor één, letter voor letter ontcijferen. lief was onmogelijk, geen woord, geene letter was overgeslagen. AVal had ik mi te doen? op znlk een hriel' kon Walsingham niets tegen .Maria ondernemen. Hij bewees, wel is waar, hare deelneming aan eene samenzwering, die den val van Elisabeth ten doel had, maar een aanslag tegen het leven van Elisabeth liet zicli daaruit niet bewijzen. Moest ik nn Windsor in hechtenis laten nemen o!quot; zou Walsingham nog eene poging doen en haar Savage's plan ter goedkeuring voorleggen?
Na lang overdenken, besloot ik Phillips en zijne gezellen met het paket en een brief van mij naar Walsingham lt;e zenden en ik verzocht hem mij vriendelijk om verdere en nadere bevelen. Dit was de beiden niet aangenaam en zij zetten een zuur gezicht vooral Gregory, die er op gerekend had weder een nacht door te zwelgen. I'liillips kuchtte en zeide. âHel schijnt. Mijnheer, dat gij in den brief het een of ander woordje mist, dat gij gaarne daarin zoudt vinden, llm, in cijferschrilt kan men bij goeden wil en als men niet te nauw ziet â bij knipte hierbij listig een
oog toe â daarin dikwijls wondere dingen vinden, die men bij de eerste lezing niet bemerkt Imd.quot;
âMa ar wij hebben tweemaal woord voor woord vergeleken,quot; zeide ik verwonderd, want liet selieen mij onmogelijk, dat die menscb mij eene vervalsebing van den brielquot; zon durven voorstellen.quot;
âNu, nu,quot; zeide bij met een batelijken glimlacb. Maar met scberpe of beter geseberple oogen, kan men soms tusscben de regels lezen, en gij behoeft mij maar te zeggen. . . .
âSchurk, ellendige schurk,quot; riep ik, âdurft gij mij zoo iets voor te stellen. Ik zal het Walsingham mededeelen.quot;
âTe drommel, doe dat vrij! Ik meende dat gij lang genoeg in de hoogere staatkunde en in Walsinghams' school waart, om over zulk eene kleine kunstgreep zulk een lawaai te maken. Waarvoor betaalt ons dan uw oom, de beer Staatssecretaris?
âAls spionnen ja, als vervalschers neen,quot; zei ik, âen in alle geval moogt gij dezen brief, waarvan het leven eener koningin afhangt, met geen letter vervalschen. liet verheugt mij, dat ik een nauwkeurig afschrift heb en dus elke verandering nagaan en brandmerken kan. Bedenk dit, Mr. Phillips en laat nu uwe paarden zadelen. Over een uur moet gij met deze brieven en een schrijven van mij onderweg zijn. (Ãll'ord volgt morgen vroeg.quot;
- 238 â
XXVIII
EEN LAATSTE BLIK OP CHARTLEY.
oor een treurig misverstand was er eene onaangenaamheid opgerezen tusselien Dokter Windsor en de jongeWalsingliam met het droevig gevolg, dat deze beide edele jonkers elkander zichtbaar vermeden. Windsor, gereed tot vergeten en vergeven, schreef ^ alsingham een briefje om de zaak nit elkander te zetten, doch deze weigerde het aan te nemen en zond het ongeopend terug.
âDit,quot; zoo verhaalt Dr. Windsor, âmaakte op mij een zeer onaan-genamen indruk en de volgende dagen verliepen langzaam en vervelend voor mij. Ik verwachtte te vergeefs het bericht dat alles tot onzen staatsgreep gereed was. De maand Juli liep ten einde en de landlieden begonnen reeds aan den oogvst te denken.
De regenachtige dagen werden door warme zomerdagen opgevolgd en daar ik een liefhebber van visschen was, begaf ik mij op zekeren dag met den hengel van mijn waard naar de nabijzijnde rivier, waar ik schoone forellen bemerkt had. In het eerst werd mijn geduld op de proef gesteld, doch daarna ving
16
â 241 -
ik schoono forellen. A\'el(lra ontwaanlde ik or eene, (li(! wel vier pond kon wegen. Ik stak eene nieuwe vlieg aan den haak, de viscli oeet toe, en de hengel werd mij bijna uit de hand getrokken. Maar plotseling hoorde ik een kreet. Men riep om hulp. Ik luisterde. Daar was het weder; een angstige, heesche kreet, ongetwijleld de angstkreet van een verdrinkende. Hoezeer om mijn visch hekommerd, wierp ik den hengel weg en snelde naar den kant vanwaar ik den kreet hoorde.
't Was hoog tijd ; eene minuut later en het ware te laat geweest. Toen ik de rivier bereikte zag ik juist een arm hoven het water uitsteken. Op mijne kunst in 't zwemmen vertrouwende, wierp ik mij in het water en bereikte met enkele krachtige slagen de plaats, waar ik den arm gezien had. Maar de ongelukkige was intusscben gezonken ; de rivier was in het midden zeer diep en de stroom had hem mede gedreven. Ik berekende boever hij intusscben gekomen kon zijn, dook verscheidene malen onder om hem te grijpen en reeds begon ik aan zijne redding te wanhopen, toen mijn engelbewaarder, wiens hulp ik inriep mij den gezonkene toonde. Hij had zich iets verder aan een boomtak of wortel vastgeklemd en moest alle moeite doen om hem los te krijgen. Eindelijk kon ik hem op de oppervlakte van het water trekken en herkende ik in hem Jonker Walsingbam.... Hij had klaarblijkelijk willen haden en de hedriegelijke rivier had den onervaren zwemmer als buit wemrevoerd.
OO
Ik twijfelde of hij nog leefde, doch hield hem met groote inspanning boven water en zocht met mijne vracht den oever te bereiken.
Dit viel mij zoo moeielijk, dat ik vreesde met mijn last te
zinken. Ik riep zelfs om Imlp. Eindelijk gelukte hot mij Wal-simjfliam op een steen te trekken, die ook mij een rustpunt bood, want hein aan den steilen oever aan land te brengen, was mij onmogelijk. Terwijl ik om hulp riep, gaf ik mij alle moeite om den bewustelaoze in bet leven terug te roepen. Ik deed mijn best om slijk en water uit zijne luchtpijpen te verwijderen, keerde hem links en rechts om, hief zijne armen langzaam op, boog ze dan weder en had weldra het geluk den jonkman te zien bijkomen. Ook hart en pols begonnen weder te kloppen. Toon begon hij voel water met bloed vermengd uit te worpen, opende de oogen, doch sloot zo weder en viol zuchtend op den steen neder, waarvan hij had willen opstaan. Ik riep voortdurend om hulp. Hot werd avond; moest ik met don drenkeling hier den nacht doorbrengen dan was bij ongetwijfeld verloren. Reeds dacht ik er aan zelf naar den oever te zwonmion om hiil|) te balen, doch de vrees, dat de bewustelooze intusscben in de rivier zon vallen en een zekeren dood zou vinden, hield mij lorii^'. In dezen nood deed ik eene gelofte aan de II. Maagd ter barer oer een vastendag te houden, als zij ons beiden redde. Werkelijk zij erbarmde zich over ons, als eene moeder over haar kind. Eindelijk hoorde ik in do verte een antwoord o)) mijn hulpkreet en na eenigen tijd kwam de boschwachter mot een kneclit. Ik riep hen toe, dat zij eenige lange stokken zouden .al houwen en mi j eene der langsten zouden toeschuiven. Na eenige vergoefsche pogingen gelukte het mij op deze wijze Walsingbam uit hel water te trokken. Toen ik hem greep, sloeg hij do oogen op en herkende mij: âGij Windsor,quot; riep bij : âMijn God, waar ben ik dan toch ?quot;
- 213
âSlil maar,quot; zei de ik, âweldra zult gij in veiligheid zijn.quot;
Hij wierp een blik op het ruischende water en herinnerde zich zijn worstelstrijd tegen de golven, â(iij, gij hebt mij....quot;
âIk bid li, spreek nu geen woord meer. (lebruik al uwe kracht om het hoofd boven water te houden, terwijl wij samen eenige stappen naar den oever afleggen.quot; Daarmede sloeg ik hem den rechterarm over de borst en nam het einde van den stok onder mijn linkerarm.
âTrekt ons nu in Gods naam aan land,quot; riep ik den goeden lieden toe, en liet mij met mijnen last in het water zakken.
Het ging. Wij zakten wel is waar in bet water, maar weldra voelde ik grond onder de voeten en kon nu recht op gaan, mits ik mij aan den stok vastklemde. .Mdus bereikte ik den oever, waar de boschwater den bewustelooze vastgreep. Nu viel ik zeil' geheel uitgeput naast Walsingham neder en had moeite om de menschen de noodzakelijkste bevelen te geven. Maar een slok krachtigen brandewijn, dien de hosehwachter mij uit zijne veldlleseh aanbood, gaf mij warmte en nieuw leven. Ook Walsingham goot ik enkele druppels in en bemerkte weldra, dat niets beter geschikt is om de levensgeesten op te wekken, dan een enkele slok sterken drank.
Eindelijk hadden op mijn verzoek de goede menschen Wal-singham's kleederen een kwartier stroomafwaarts gevonden en
o O
hierheengebracht.
Hij kleedde zich met onze hulp en gevoelde zich iets beter, doch kon onmogelijk eene halve mijl ver gaan, er viel dus niet aan te denken het slot te bereiken. De boschwachter vervaardigde met wilgentakken eene soort draagbaar en zoodra
de avond viel, sloc^gcn wij don weg naav Imis in. Daar Avij diclit langs dr ])l('k mocsien gaan, waar ik do hulpkreet gehoord had, zochl ik mijnen hengel op, doch vond ze niet in de struiken, waarin ik ze geworpen had, daar de visch hem nog een eind weg gesleept had. Natuurlijk dacht ik, dat de lorei zich reeds lang losgetrokken had en wilde met een zucht het touw intrekken, toen ik tot mijn verwondering hemerkte, dat er nog iets zwaars aan hing en de forel, een prachtvisch van Ader a vijl' pond er dood aan hing. Met een blijden uitroep hracht ik den visch naar de draaghaar, die aan den oever op mij Avachtte.
âBij St. Peter, patroon aller visschers!quot; riep de hoschwachter, âdat is de schoonste l'orel, die ik sedert jaren zag. En zulk een visch heht gij in den steek gelaten. Mi*. Windsor, om dien man daar, deu zoon of neef van een onzer aartsvijanden met levensgevaar te redden?quot;
âSchaam u, Mr. Hosch wachter,quot; zeide ik, âdit was eenvoudig christen plicht en dat zondt gij ook gedaan hebhen.quot;
âJa, christenplicht is het wel, maar zulk een prachtigen visch in don steek laten, dat had menigeen niet over zijn hart kunnen krijgen.quot;
W alsingham, die deze woorden gehoord had, wenkte mi j nu tot zich, schudde mij hartelijk de hand met een hlik, die meer zeide dan de welsprekendste woorden. Hierop zetten Avij onzen weg voort tot âde Meibloemquot;. Walsingham wilde naar het slot, maar ik stond er op, dat hij deu nacht in mijne kamer zou doorbrengen, daar ik vreesde, dat het vele water dat in zijne longen gedrongen was, hem oeno ontsteking zou bezorgen, die
ik dooi* zorgvuldige vcrplc^in^ ^cdurende dezen naclit wilde voorkoiiuMi. Na eeni^ te^ensl rihhelen Aoe^de hij zich naar mi ju verlangen. Ik maakte hem t()(gt;n een drankje klaar zette mij aan zijn logen' en gal' hem van tijd tot tijd eenige druppelen in. Na middernacht, werd, God zij dank de adem heter on do pols sterker, zoodat ik tegen den morgen alle gevaar verwijderd zag en zeil in eene lichte sluimering viel. Toen ik ontwaakte was het helder dag; ik vond mijn zieke ook welvarend. Zijn adem was zoo regelmatig, dat ik hem veroorloofde op te staan. li ij hedankte mij iu de hartelijkste bewoordingen, doch lachte treurig en zag mij op zeer eigenaardige wijze aan, als wilde hij mij iets zeggen dat hem moeielijk viel.
Fk dacht dat liij mij verschooning wilde vragen over de harde woorden, die hem onlangs ontvallen waren ; hij vroeg mij werkelijk om vergillenis en wij hehhen het misverstand begraven. Echter scheen het als worstelde liij met zich zeiven, doch ik schreel' dit toe aan zijne al'gekeerdheid van het katholiek geloof, dat hij met veiachtte maar waartegen zijne vooroordeelen hevig streden.
Den derden avond van het gevaarlijk avontuur in de rivier, was hij geheel hersteld. Hij woonde weder in het slot, hij zat juist weder hij mij in de âMeibloemquot; en wij dronken samen op mijne kamer een kruik .{'sartonner bier. Mijn gezel scheen zeer onrustig. Bij elk gedruisch, dat van de straat tot ons opsteeg sprong hij aan het venster. Tntusschen sprak hij mi j van de slimheid van zijn oom AValsingham, hoe deze één voor één al de complotten ontdekt had, zoodat ik opmerkzamer werd en begon te denken, dat hi j mi j een vertroinvelijken wenllt; wilde geven. Op eens hoorde wij een paard de straat in galoppeeren. WaLsingham
was dadeli jk weder aan liet venster en ik volgde hem om te zien wat er gaande was. Een koerier, geheel met stol' bedekt, hield voor de herberg stil en vroeg den waard naar advokaat AValsingham. âHier, hier,quot; riep mijn gezel en snelde bleek van opgewondenheid naar beneden. Weldra zag ik hem naast den ruiter staan, die na eenige vragen een brief nit zijn borstzak trok en dien mijn gast overreikte. Haastig t rok deze het zegel los en las bem ; bet kunnen slechts eenige regels geweest zijn, want hij vouwde den brief dadelijk weder toe en stak bem bij zich ; daarbi j wierp bi j een blik naar mijn venster, die mi j duidelijk zeide : âOns verbond is ontdekt!
Eenige oogenblikken later betrad bij mijne kamer doch sloot voorzichtig de deur. Ik dacht dat bij mij in hechtenis ging nemen, greep werktuigelijk naar mijn degen, die aan den wand hing, want ik was vast besloten mijn leven niet zonder strijd den beul over te leveren.
âLaat uw degen, Windsor,quot; zeide bij ernstig. âGij zult toch niet denken, dat ik zoo ondankbaar ben den redder mijns levens aan de galg te brengen, te meer daar ik ten volle overtuigd ben, dat gij ten minste geene eerlooze daad beraamd hebt, wat mve eedgenooten ook van plan mochten geweest zijn. Ja, gij hebt het geraden, Walsingham was de zaak sedert lang op het spoor. II ij heeft den laatsten brief dei-koningin onderseliept en zendt mij nu het bevel u zonder opzien in hechtenis te nemen en naar Londen te zenden, zoodra hij mij bericht dat uwe eedgenooten daar ook onschadelijk gemaakt zijn. Zorg dus dat i^ij in veiligheid zijt, als van nacht de Meibloem omsingeld wordt. Als gij duchtig rijdt kunt ge morgen over
Spalding, cle Wash bereiken en onderzeil zijn alvorens ik de plaats kan bereiken. Als ge geld noodig hebt ben ik gaarne* bereid n eene som voor te scbieten.quot;
Ik was diep bewogen en stamelde ontroerd mijn dank. Tk was genoeg van geld voorzien en mocht hem nu mijn levens redder noemen.
âDan zijn wij quite!quot; riep Iiij en drukte mij de hand. âVaarwel ! op aarde zien we elkander wel niet meer weder.quot; Toen verliet liij snel de kamer en haastte zich naar hot slot.
Mijne gedachten wendden als in oen draaikolk rond, alvorens ik in staat was eenig besluit te nemen. Sommige menschen dwingen zich zelvou in dergelijke gevallen langzaam van 1-100 te tellen, maar ik heb de gewoonte aangenomen het een of ander tientje van den rozenkrans te bidden en thans was ik nog niet tot het eind van het eerste tientje gekomen ol' mijn besluit was genomen. âWalsingham heeft mijne makkers nog niet in hechtenis laten nemen, wijl hij ze in eens wil laten pakken,quot; zeide ik tot mij zeiven, en hij hoopt ze minstens na twee dagen allen samen te kunnen laten vangen want anders bad liij bevel gegeven mij onmiddelijk gevangen naar Londen te zenden. Derhalve is er nog eenige mogelijkheid mijne makkers bij tijds te waarschuwen. Ik ga dus niet naar de Wash, maar naar Londen zoo snel mijn paard mij er heen kan brengen.
Eenige oogenblikken later had ik het allernoodzakelijkst bijéén gepakt, legde eenige goudstukken als teerpenning onder de bierkruik, die nog op mijne tafel stond, ging zachtjes naar den stal en zadelde mijne flinke Juno als wilde ik nog een avondrit maken. Ik bracht ze bij de hand de achterste staldeur uit,
sprong in liet zadel en reed bedaard een eind voort. Niemand zag mij. Toen ik liet boschje bereikte zng ik met een diepen zucht nog eens naar Cbartley en deszelfs ongelukkige gevangene. Toen gal' ik mijn paard do sporen en reed weg op leven en dood.
XXIX.
EEN NAUW GELOOFBAAR AVONTUUR OP DEN THEEMS.
ooit bigreep ik zoo goed liot woord van Moratius:
Post cquitem sedes atra cura;
als hij dien rit van Chartley naar Londen; want waarlijk ook aciiter niij in het zadel zat de somhere zorg, ja de zorg; onop-liotuh'lijk riep zij mij in het oor: âVoort, voort! gij komt te laat. AValsingham grijpt uwe vrienden en achter hem staat de 1)enl met den stro]), hot i'oltertuig en de bloedige hijl. Voort, voort, rijd, rijd. En ik dacht aan den edelen Titchhonrne, aan al mijne lieve vrienden gal' mijn paard do sporen en liet het loopen, dat het schuim hem over den bek vloog.
Zoolang het licht het mij toestond, reed ik over slooten en hekken op een kerktoren aan, dien ik kende en die mij do richting aanwees. De duisternis verplichtte mij eindelijk den grooten weg te volgen en iets langzamer to rijden, wilde ik mijn good paard niet dood rijden. In eene eenzame herborg nam ik 0011 uur rust en liet mijne .Inno een duchtig ransoon haver geven, waaronder ik eene llesch wijn goot. De waard, gelukkig een van die engelscho hospessen, die niets moor zeggen dan ja en neen.
â 250 â
f^X^llrf^r
scliuddc het lioofd, wees op de bloedige zijden van mijn arm dier en bromde: âOnverstandige...quot; Ik gaf hem geen antwoord en ging rustig voort liet paard liet zweet af te droogen. Toen bestelde ik voor mij ook wat brood en vleescli en legde den waard een goudstuk voor, met bet verzoek mij den staljongen tot gids mede te geven tot Stratford ol'Leigbton, daar ik vreesde te verdwalen.
De waard zag mij met mistrouwen aan en zei: âNeen, dat gaat niet.quot; Maar toen ik bet goudstuk terugtrok, bezon bij zich en vroeg: âIn wiens dienst rquot;
âIn den dienst der koningin,quot; antwoordde ik vast besloten, â¢Maria Stuari was immers ook koningin.
âGoed,quot; zei do bij en stak zijne band uit.
Knkele oogeublikken later zaten wij, wel Ie verstaan, ik en de knecht in het zadel (gt;11 draafden voort. Zoo ging de nacht voorbij, dan eens stapvoets, dan in galop en toen de zon opging, zag ik in de verte een toren. âDat is Stratford, Mijnheer,quot; zeide mijn gezel, dien ik met een goed drinkgeld been liet gaan.
Hoewel de bodem mij onder de voeten brandde, moest ik tus-scbenbeide een weinig rusten en mijn paard voeren, doch mijn eigen ontbijt kon ik mij de keel niet inwringen. De stalknecht schudde bet boofd, toen bij den toestand van mijn paard zag.
âZoo imogt gij niet verder rijden, Mijnbeer,quot; riep bij, âof bet edele dier gaat morgen naar den vilder.quot;
âAls het mij dezen avond maar in Londen brengt,quot; zeide ik en zorgde zeil weer voor het voederen (gt;11 de bediening van mijn paard. De kneehl maakte mij opmerkzaam, dat bet ten minste opnieuw beslagen moest worden en noemde mij een hoefsmid,
â fy^^kids^
â 251 -
(Ho aan don andoren leant van Stvatfovd aan don wog zijii(gt; avovIv-plaats had. Ik zoi ja, om los te komen on dmal'do dooi' het stadje, wiens bewoners nog zoor slaperig uit do vensters zagen. Bij bot huis van don hoofsmid aangekomen, a'roeg ik naar don meester, maar was blij toon ik hoorde, dat hij naar buiton was, om naar den stal van don graal' van Jbiekingbam te gaan werken. Dus reed ik, daar do leerjongen mij vorzekerde, dat de hoef wol tot Londen zou uithouden, op don stolTorigen straatweg voort.
Dat was voor man en paard oen verschrikkelijke dag.
En steeds drukkender werd do gezellin, die mot mij op hot zadel zat: de zorg. âGij komt to laat! .Hijd om bet lovon uwer vrienden !quot; lluistorde zij onophoudelijk in het oor. 's M orgens ging bot nog, maar in do glooiende middaghitte verloor hol paard allo kracht. Daar, klop, klap verloor het ééno boel' van den rechterpoot. Ik sprong uit bet zadel en geleidde hot een tijd lang bij don toom, maar het blies onwillig uit do neusgaten, wierp het hoofd onrustig boon en weer en bleef plotseling staan. Te vergeefs trachtte ik het door vleitaal en karwats aan te zotten. Het anders zoo gehoorzaam dier, weigerde geheel. Ik geleidde hot in de schaduw van een boom waar het zich onmiddellijk op don grond liet vallen en het gras versmaadde, dat ik hem aanbood. Wat moest ik nu aanvangen? Het Endtieldsche bosch, oen afstand van vijf tot zes mijlen scheidde mij nog van Londen en do zon neigde roods ten ondergang. Toon hoorde ik hoefslagen op den eenzamen weg en toon ik opzag, zag ik oen man op oen middolmatigon klepper den weg opkomen. Een vertwijfelde gedachte schoot mij door den geest en zonder mij lang te bedenken trad ik den ruiter tegemoet met
(lm uitroep: âMijnheel', ik moet uw paard hebben en wil bet betalen.quot;
âMaar ik wil mijn paard uiet verkoopen, mijnbeer,quot; antwoordde de vreemde en hoop niet met een struikroover te doen te hebben.quot;
âHet doet jnij leed, mijnbeer,quot; antwoordde ik vastberaden, niiiiir ik moet uw paard hebben. Uw klapper is hoogstens vijl' pond waard. Ik leg 10 pond bier op dezen steen en nu verzoek ik u onmiddellijk al' te stijgen.quot;
Dit zeggende trok ik met blanken sabel op hem al' en greep bet paard l)ij den toom. Daarbij viel de hoed mij van bet hoofd zoodat de vreemdeling mijn gelaat te zien kreeg en uitriep.
âHoud op. Dokter Windsor, word geen moordenaar; vermoord geen arm Sebotseh predikant. Kent gij mij niet meer? gij hebt mij toeh eens bet leven gered 'r
âIk had het paard oplettender bezien dan de man; maar nu hij mij bij mijn naam noemde, zag ik hem beter aan en herinnerde mij dadelijk de lange magere beeneu en slingerende lange armen vroeger gezien te hebben. Plotseling sehoot het mij door het boold, de sehotsche predikant, dien wij bij de ontmoeting met koningin Klisabeth gezien hadden. Toen viel mij als een steen van het hart en ik zeide mijn degen in de seheede stekende.
âO, zijt gij bet; God zij dank ! gij zult mij in mijnen nood uw paard dat ik dubbel betalen wil, niet weigeren.quot;
âSchenken zou ik het u gaarne, maar hij behoort mij niet toe; een ambtsbroeder heeft het mij tegen betaling tot Barnet verhuurd. âNeem mijn vermoeid paard, dat daar ligt en hel geld er bij, ol' gij dwingt mij tot eene daad van geweld, want er hangen een dozijn ol' nog meer menschenlevens aan af, dat ik
bij tijds to Londen aankom.quot; âAls het zoo staat, Mr. \\ indsor en gij mijn paard volstrekt noodig iugt;l)t, zooneem het onder deze niet onhiliijke voorwaarden.quot;
Aldus zijn geweten gerust stellende, steeg de man nit hot zadel en gespte zijn mantelzak los, in wiens plaats ik den mijne vasthechtte. Ik koorde hot hoofd van mijn knol naar Londen, en snelde vooruit. Don knol seheon eerst die nieuwe manier van loopen minder te bevallen, maar ik dwong hem er woldra toe en het ging in ge-stroktendralquot; voort, totdat ik Londen lt;mi doszells huizon in hot gezicht kreeg. De duisternis begon over don Thooms te vallen; \'or in bet \\ esten verdween oen bloedig avondrood tusschen zwarto wolkou. l'^nkoh; torens waren nog zichtbaar tusschen zijn hooge huizen, zooals de Tower en ik vroog mij zeiven af: Smachten zij reeds achter deze muren 'r Hoe lang, voor dat ook gij daar ge\angen zult liggen? Jsog eens gaf ik het paard de sporen en reed naar Newgate. Ik passeerde de poort tegelijk mot een troep slachtvee. De schildwacht hield mij w ellicht voor een dor veehandelaars, want ik was met stof en zweet bedekt en ook mijn klepper kondigde geen ruiter uit don hoogen stand aan. Hierop kwam ik in een wiiwaï \an donkore straten, waarin ik moer dan eens verdwaalde en bereikte eindelijk de Eleethstraat en het strand. Ons huis naast bet Anker scheen onbewoond. Ik reed er langs, bezag al de vensters, doch ontdekte geen spoor van licht. Dit kwam mij zeer verdacht voor. In het âAnkerquot; afstijgen durfde ik niet. Ik reed dus weder naar Temple Bar, waar Babington alleen woonde. Daar zag \\lt; een knecht, die mij zoide dat zijn heer en do andoren bij Poley waren, die ze op een feest had uitgonoodigd, in don Parijschon lusthof, naar hij meende. Ik vroeg of er niets was voorgevallen?
âgt;Tn,quot; antwoordde li ij, âHabiug-ton's huisgenoot, de ol'licior Fortoscue was epvgisteron in liechtenis genomen. Dit had zijnen heer eei-st zeei' verscln-ikt, maar nu was alles weer rustig.
Ik snelde weg. Eortescue, dat is do priester, John Hallard, gevangen ; en Po ley heeft Bahington en de overigen tot een feest nitgenoodigd, zeker, om ze daar allen samen ook gevangen te nemen ! Er is dus geen oogenhlik te verliezen. Maar zoo als ik er uitzie, kan ik den âParijsehen Lusthofquot; niet hetreden zonder mij onmiddellijk te verraden.quot;
Ik steeg af in eene herherg dicht hi j Temple Har en liet mijn paard daar staan. Toen wasehte ik mij en reinigde in den haast mijne kleederen van de sporen van mijnen rit. Daarop bestelde ik een beker wijn en een avondeten en schreef fluks op een strookje papier: \'lucht, vlucht, vlucht ! AV. weet alles. De laatste brief uit Cb. is in zijne hand. Zijne speurhonden omgeven u, verliest geen oogenhlik.quot; Daar Hahingtou mijn schrift ken:!;1, onderteekende ik niet en ging met het briefje in mijn zak in aller ijl naar den Theems en zeide den waard, dat ik noquot;- eene boo 1-schap te doen had en na mijne thuiskomst zon soupeeren.
Mijn weg voerde mij weder langs ons huis. Ik sprong over de heining in den tuin en ging door de tuindeur binnen, die niet vast gesloten was.quot;
âBarbara,quot; riep ik. â Geen antwoord â Titchhonrne Chidiok. â weder geen antwoord. Toen hoorde ik eene deur openen en eene zeer eigenaardige stem riep: âKom maar boven. Mijnheer, Mr. Titschhourne zal dadelijk hier zijn.
âTopklilf, Walsingham's politicagent,quot; zoodra ik die stem gehoord had, die niemand ooit vergat, die ze eens gehoord had, en
vlug als de haas liep ik den tuin uit on snelde naar den stroom, onze boot lag als naar gewoonte aan de trap, ik sprong or in en stiet al'. Nog had ik liet midden van den stroom niet bereikt, toen ik begon te bemerken, dat men mij volgde. Maar ik had een goeden voorsprong en wist mijne boot zoo behendig tusschen grootere booten door te sturen, dat men mij in de duisternis niet gemakkelijk vinden kon, Tk bereikte aldus gelukkig den oever en snelde na;ir den âParijseben lusthofquot; uit wiens helder verlichte zalen pauken en trompetten lustig sehetterden.
Ik meende gewapenden aan den ingang te erkennen en sloop langs een achterpoortje in de nabijheid der groote tent. De zeilen waren opgerold, om de koelte van den vloed binnen te laten in de met bloemen en licht versierde tent, waarin de Londeusehe jeugd in hunne nieuwerwetsche Parijsche kleeding zich vroolijk bewoog. Men zat of stond aan de tafeltjes te spelen, te drinken of te praten en zag naar de dansers. Dit vroolijk, bonte, frissche leven, die feestkleederen in zijde en fluweel, die schitterende juweelen en kleinodiën, die vederen, die muziek, dat vroolijk gelach vormde een allergrootst eonirast met den angst, die mijn hart vervulde. Ik monsterde lang te vergeefs de gasten, maar eindelijk ontwaarde ik in eene zijafdeeliug der tent eene tafel, die voor een dozijn gasten gedekt was, en bovenaan zat Babington, dien ik aan zijnen hemelsbhuiwen, rijk met goud gc-borduurden mantel herkende. Naast hem zat een man, dien ik niet kende ; aan den anderen kant der tafel' zaten Salishury en eenige andere vreemden, die niet tot ons verbond behoorden. Aan het andereind der tafel zat Poley. Vele plaatsen waren nog onbezet en men scheen op de aankomst van andere gasten te wachten.
- 256 â
Terwijl ik nog 'overlegde lioe mijne waarschuwing aan mijne vrienden te doen toekomen, zonder mij zeiven noodeloos in gevaar te stellen en in handen der speurhonden te vallen, zag ik den goeden Titehbonrne de tent naderen. Eluks sprong ik te voorschijn, trok hem aan den mantel en met mij in de schaduw van een beukenboom.
â(lij hier, Windsor?quot; vroeg hij. âIk geloofde u te Chartley.... âWij hebben geen tijd om lang te praten,quot; gaf ik ten antwoord. Wij moeten vluchten zonder een oogenblik te verliezen. Vraag niet langer, maar zeg mij slechts hoe wij Babington en de anderen, die daar binnen zijn en niet denken, dat zij door de politic omringd zijn, kunnen waarschuwen. Ga naar huis. Topklitt' wacht u daar op.
âZoo, zeide hij, ik dacht ook, dat men mij volgde. De twee kerels daar aan den ingang der tent hebben mij sedert een halt uur nageloopen. Het verwondert mij, dat zij mij nog niet gepakt hebben.quot;
âZij willen u allen te gelijk in hechtenis nemen bij het maal, waartoe Foley, die aartspion, u uitgenoodigd heeft en hoe waarschuwen wij de anderen? Ik heb hier een briefje, maar ik vrees dat het niet zal uithalen. Wel kon Babington het lezen en het den anderen mededeelen, maar de bespieders zullen het dadelijk merken en hun de vlucht onmogelijk maken! Ik heb onze boot in de nabijheid; als het mogelijk was, die te bereiken en dan zoodra mogelijk den
Theems af te roeien..... âWij moeten het beproeven,quot; antwoordde
Titehbonrne. âGeef mij het briefje en roeit gij de boot dicht aan die kleine trap, aan Surrey Lane achter in den tuin. Als de waarschuwing mislukt, zult gij het hooren, want het zal niet
17
- Ã57 -
rustig afloopcn «mi dan kunt*'gij wolliclit au zolvon nog vcddcu.quot;
Jk wilde hom ovoi'halen zijno rol OA'ei' te nemen. Maar ik moest toegeven, want bij zeide terecht dat men hem bespiedde en hij derhalve de boot niet op de aangewezen plaats kon brengen.
Innig bewogen schudde ik hem de hand en ging met een hartelijk; God behoede U, Vriend! van daar, een droevigen blik op Babington werpende, die juist met lachend gelaat, als het levend beeld van een bloeiend, levenslustig jongeling, op de gezondheid van Poley, den verrader, dronk.
De lanen en tuinwegen vermijdend, sloop ik door het struikgewas en het gelukte mij de tamelijk iiooge palissaden, die den tuin omgaven, over te klimmen. Toen zocht ik de boot op, roeide ze voorzichtig tot in de nabijheid der bewuste plaats, en legde op eene scheepslengte daarvan verwijderd, aan. Een angstig hallquot; uur verliep. Toen hoorde ik plotseling een groote beweging in den tuin. De muziek zweeg en uit het geroep meende ik de woorden te verstaan : âVerraders, verraders! Houdt de verraders!quot; âDe waarschuwing is mislukt,quot; zeide ik tot mijzelven. Ik aarzelde echter nog te vluchten, daar ik hoopte dat een hunner zich er kon doorslaan en de trap bereiken. Ik hoorde inderdaad stappen door de donkere straat aanstormen; een man, door anderen vervolgd, naderde. Fluks draaide ik de boot naar de trap. I itch-bourne sprong bij mij in de boot en hem op de hielen volgde een agent uit alle krachten roepende : âIn naam der koningin, houdt vast, geeft u over.quot; Maar illt; stiet hem, terwijl ik de boot van land duwde, met een roeispaan tegen de borst, zoodat hij van de trap in het water tuimelde.
- 258 -
âAVuav zijn do anderen?quot; vroeg ik Titchbourne.
âWeg,quot; zei iiij, âde eene rechts de anderen links, waar zij hoopten zich te redden,quot; en toen vertelde hij mij in afgehroken zinnen, hoe Hahington, zoodra hij mijn hricfje gelezen had, hoed en mantel in den steek liet, Salisbury wenkte en zich spoedig door een achterdeur verwijderde, zoodat Foley, in de meening dat zij spoedig terugkeeren zouden, nog eenigszins getalmd had. M aar toen liij zag, dat ook hij, Titchhourne en Barneveld zich onder eenig voorwendsel wilden verwijderen, trad de verrader hen in den weg en gaf een teeken aan de wacht do gaston te grijpon. Maar ik, zei Titchhourne liep hem omver en snelde met Donn en Travers de deur uit, vóór dat de kerels ons grijpen konden. Van den tuin hehhen zij zich in verscheidene donkere straten geworpen, langs welke zij misschien do agenten ontsnappen, als het geluk hun gunstig is.
Intusschen waren wij tot 't midden van den Theems opgeroeid en luisterden of men ons vervolgde. Weldra kondon wij daaraan niet moer twijfelen; op de Southwark zijde zagen wij mannon met fakkels rondloopen en spoedig twee booten homannen. AVij hoorden hun geroep: Verraders! ook op den Londenschon oever weergalmen en zagen ook van daar booten van den oever afstooten om de jacht op ons te openen. âStroomafwaarts riep ik mijnen vriend toe. Rooi voor uw loven. Als wij de brug maar achter ons hehhen kunnen wij ons wellicht tusschon de schepen ver-hergen. Als een pijl vloog de hoot den Theems af. Wij zagen roods do Londensche brug; maar drie, vier hooton mot duhhol en drieduhhel getal roeiers volgden ons en kwamen ons steeds naderbij.
- 259 -
âWij zijn verloren!quot; zei Titchbourne, de riemen als in vertwijfeling weg werpende. âGod zij onze arme zielen genadig.quot;
âNog niet verloren! vriend!quot; zei ik âwerp nwe bovenkleeren af en laat ons probeeren te zwemmen.quot;
âDat kan u redden, want niemand zwemt als gij, maar voor mij ware het een soort van zelfmoord. Groet mijne arme Alice, mijne lieve jonge vrouw voor mij, w ie; ik gaarne een ander lot bereid badde. 15id voor mij en probeer met Gods buip u te redden.quot;
Hij sebudde mij de band en zette mij aan te vertrekken. Nog talmde ik en spoorde bem aan, met mij over boord te springen en zieb op een riem naar bet land te laten drijven. Maar toen een der booten de onze bijna bereikte, zei ik bem vaarwel en liet mij in bet water zakken.
Kort. daarop boorde ik boe de vervolgers met luide zegekreet in onze boot sprongen en mijn vriend aangrepen.
âWaar is de andere?quot; riepen zij : Zij waren met tweeën.
âZeker,quot; zei een ander, âdaar ligt zijn hoed en mantel.quot;
Gelukkig was bet zoo donker, dat men mij, boewei ik er geen el van verwijderd was niet kon zien.
Toen staken zij fakkels aan en begonnen jaebt op mij te maken, doeb ik bad mij zijwaarts gewend en liet ze stroomafwaarts, waarbeen zij vermoedden dat ik mij gewend bad, naar de brug roeien. Ook ik werd door de kracht van den stroom derwaarts getrokken, want de ebbe was begonnen. Het gelukte mij een anderen boog der brug te bereiken, terwijl rechts en links mijne vervolgers met hunne fakkels zwaaiden.
âDaar ginds zwemt lii.j,quot; lioordc ik een der roeiers zeggen en zij sloegen met een riem naar mij.
âNeen, het is een stnk hout,quot; zei een ander,
âPast op, dat wij niet tegen de brug in splinters geslagen worden.quot;
Tot mijn geluk moesten zij nu al hunne opmerkzaamheid op hunne boot richten. Maar ook ik moest voor mijn leven strijden. Tijdens de ebbe schiet de stroom met zulk eene alles me-devoerende snelheid door de bogen der brug, dat bij op den anderen kant een niet ongevaarlijken draaikolk vormt.
Er viel niets aan te doen; ik moest er door.
Heeds had de draaikolk mij gegrepen en trok mij onder water, rolde mij twee, driemaal om, zoodat ik met den rechter schouder tegen de steenblokken der brug aankwam, waarbij ik gevaar liep verpletterd te worden, lladde ik er met het hoofd tegen geslagen dan ware het met mij gedaan geweest, maar ik deed het uiterste en overmande mij. Nog eenige krachtige slagen en ik was den draaikolk ontkomen.
Maar een nieuw gevaar bedreigde mij. liet schip, dat ik reeds iu de verte bad zien liggen, lag nu vlak voor mij. Aan uitwijken viel niet te denken en de manschappen begonnen nu ook fakkels en pekpannen aan te steken.
âDaar komt iets!quot; riep eene stem. Fluks dook ik onder en zwom zoo snel ik kon onder het schip dooi', dat mij den weg versperde.
De vraag was nu maar of ik het zoo lang onder water zou uithouden, want na mijn avontuur in den draaikolk bad ik nog geen adem genoeg geschept. Maar de heilige Maagd, die ik in
inijiicn uitersten nood annriop, kwam mij ter Imlp en toen ik gedwongen werd Axcder boven water te komen, lagquot; liet ééne schip een heel eind achter mij, het tweede geheel rechts. Maar nu gingen mijne krachten mij hegeven, ik legde mij op mijnen rug en liet mij met den stroom mede drijven. Waarheen? Hoe kon ik slecht gekleed te land ontsnappen ? Een gevoel der uiterste hulpeloosheid beving mij en meer dan eens was ik op het punt de wacht te roepen en mij in Gods naam over te geven. Maar dan trad beul en galg voor mijn oog en ik besloot nog eens te beproeven mij te redden.
Ik was dicht bij de Catharina werf gedreven en de gedachte kwam bij mij op, het huis van Bill Bell den veerman, wiens dochter ik sedert lang gratis verpleegd had, op te zoeken. Mijne laatste krachten verzamelend zwom ik den Theems over, doch meende dat het mij onmogelijk zou zijn mijn doel te bereiken. Ik dacht, dat ik mijn einde naderde en bad. Maai' wat wreel' zich tegen mij aan? Ratten, barinhartigc hemel! llatten, één twee, een heele troep. Ik hield mij met de eene band aan een in den oever geslagen ring vast en trachtte ze; met de andere weg te slaan. Ik vreesde, dat ik bewusteloos zou nedervallen, bad God nog eens om vergiffenis mijner zonden en beval mij aan zijne Heilige Moeder. Daarop begon alles met mij te draaien, doch hoorde nog eene stem roepen. Hola, wat is dat?
Onmiddellijk bemerkte ik nog flauw hoe men mij met den hals pakte en het licht eener lantaarn viel mij op het gelaat.
âMr. Windsor, om Gods wil, zijt gij het?quot; vroeg eene stem en ik werd door sterke armen in eene schuit nedergelegd.
- 2(52 -
Wat ik antwoordde 011 wie met mij sprak heb ik slechts later vernomen. Ik verloor volledig alle bewustzijn en toen ik tot mijzei ven kwam lag ik in een klein, eng kamertje, welks beider muren ik met uitgestrekte armen bereiken kon.
âIn de gevangenis!quot; was mijn. eerste gedachte toen ik bijkwam.
?6
XXX.
BABINGTON GEVANGEN.
et is iets verscbrikkelijks zicb onvoorbereid in doodsgevaar
i. . i ____⢠.1 .. ni i. ____________i_ . i. i............i ...........1!! 1,
â ie Devinuen. lor uan mijn uuitsiü uur /.in iiv iicl vrtjestJiijK gevoel niet vergeten, dat zicli van mij meester maakte, toen ik den grond onder mijne voeten verloor en lials over kop door den stroom werd medegevoerd.quot; Aldus verhaalde de jonge Wal-singliam ons zijne redding door Dokter Windsor. âDe gedachte dat ik aan de bekende waarheid het hoofd had geboden stond in vlammend schrift voor mijne oogen.quot;
Met een haastigen roep om hulp verloor ik bet bewustzijn. En toen ik door Windsors arm gesteund den oever betrad, dankte ik God niet slechts voor de redding mijns levens, maar ook dat Hij mijne ziel tijd en gelegenheid gegeven had, mij te bereiden alvorens voor zijn rechterstoel te moeten verschijnen.
Maar toen ik mij den anderen morgen aan bet naaste gevaar ontrukt zag, trad de zorg voor het heil mijner ziel ook weder op den achtergrond. Daartoe moest ik een rustigen tijd afwachten, zoo sprak ik tot mij zeiven. Nu drongen andere zorgen. Ik verwachtte van Walsingbam het bericht, wat ik met Windsor moest doen en vreesde dat hij mij het bevel zou geven hem in hechtenis te nemen en
- 204 -
f
naar Londen te zenden. Kon ik dat doen? Kon ik mijn grootmoedigen levensredder overleveren aan den vreeselijken dood voor het hoogverraad bepaald ?
Neen, duizendmaal neen! Maar wie iemand, die van hoogverraad verdacht of beschuldigd werd, hielp vluchten, maakte zich volgens de engelsche wet eveneens aan hoogverraad schuldig en trok zich dezelfde straf op den hals. Menigeen zal dus begrijpen, dat mijn besluit, om Windsor te waarschuwen, mij een harden strijd kostte.
Ma ar hij had zijn leven voor mij gewaagd; het mijne moest dus ook voor hem gewaagd worden. De toespelingen, hem gemaakt, verstond hij niet ol' wilde ze niet verstaan. Derhalve moest men, toen Walsingham's brief kwam, hem wel rechtuit zeggen; âVlucht!quot; ofschoon de bode tegen mij als getuige had kunnen optreden, dat ik de gelegenheid voorbij had laten gaan, den schuldige onmiddelijk in hechtenis te nemen.
Toen te middernacht de wacht het kasteel uittrok om âde Meibloemquot; te omsingelen en dan âin naam der koninginquot; binnen te treden, om Mr. Eduard Windsor, als van hoogverraad beschuldigd, in hechtenis te nemen, was de vogel natuurlijk gevlogen.
.
Ik hield mij, zeer verwonderd en zeide, dat ik hij het aanbreken van den dag den dokter zou laten vervolgen. Maar een boer deelde ons mede, dat hij den dokter, zooals men hem alom in de omstreken noemde, niet naar het Oosten, maar naar Londen had zien rijden, en toen maakte de gedachte zich dadelijk van mij meester: âDe razend^ in plaats van 't eigen lijf te bergen, doet hij nog eene poging, om zijne eedgenooten te redden.quot;
- '2G5 -
Dit mocht niet gcschiedon en ik sprong dus te paard, om mijn oom onmiddolijk dit te laten weten, hoewel ik het voor zeker hield, dat ]?al)ington intussehen reeds in hechtenis genomen zou zijn. Ook ik reed den geheelen volgenden nacht door, den nacht, dien Windsor op den Theems doorbracht.
Daags daarna bereikte ik tegen den middag Londen, bedekt met stot' en half dood van vermoeienis door de uitgestane hitte. Zonder van kleeding te verwisselen of iets te gebruiken, begaf ik mij naar Walsingham. Mijn oom ontving mij niet zeer genadig.
âBrengt ge ons Windsor persoonlijk?quot; zeide hij. âHet ware beter geweest, dat gij daar gebleven waart en mijne bevelen hadt afgewacht, daar wij een dezer dagen en nog wel voor dat Stuart iets van het mislukte complot tc weten krijgt, eene nauwkeurige huiszoeking le Chartley houden moeten.quot;
âNeen, waarde oom, ik breng u Windsor niet. Hij is mij ontsnapt, en men zegt, dat hij den weg naar Londen heeft genomen,quot; was mijn verlegen antwoord.
Walsingham veranderde van gelaatskleur en wierp mij een blik toe, zooals ik er nog nooit een uit zijn oog vlammen zag.
Doch gedurende enkele minuten antwoordde hij niets en het werd akelig stil in het kabinet. Eindelijk zei hij met gedwongen bedaardheid: âZoo, zoo, Windsor is u ontsnapt. Ik wil liever niet onderzoeken, hoe dit mogelijk was. Ik zou anders voor de koningin en Burgley uwe onbekwaamheid moeten bekennen â of misschien kwam er nog meer uit, dat niet aangenaam is! Nu kan ik mij ook verklaren, dat gisteren avond de gevangenneming van Babington en bijna heel zijn complot mislukte. De agent, die mij zeide, dat Windsor in den Parijschen lusthof ge-
wccst was en zijne kameraden waarschuwde, en (lic'n ik voor oen ^'ok uitscliold, hooft dan toch gelijk gehad en dat alles heh-ben wij aan uwe buitengewone beliendigheid ie danken.quot;
âOom,quot; zoide ik, âik wil u niets vorhergon. Windsor had mij twee dagen te voren met hot uiterste gevaar het leven gered en dus . . .
âStil, stil,quot; riep Walsingliam, en hield zich de ooron toe, âlaat mij niets moor hooren. Windsor is u ontsnapt; als hij de eonige ware, liet het zich verkroppen. Maar nu zijn ook die Bahington en de moesten zijnor oedgonooton don heul ontkomen! Ik durf de koningin ternauwernood nu het complot mododeolon, waarop ik zooals n hekend is, oen gewichtig politiek plan gegrondvest had. Als hot mij niet gelukt, ton minste dien Bahington als hoofdraddraaior in mijne handen terug te krijgen, hen ik in do oogon dor koningin geruïneerd. Gij kent hare wraakzucht! Zij is de echte dochter van Hendrik VUL En daarenhoven heh ik van mijn privaat vorinogen groote sommen golds moeten o(Teren, om deze goed hodachte intrigue tot hot verlangde doel te brengen. En dat ik nu het mislukken gedeeltelijk aan u moot toeschrijven, zoo niet het grootste deel, zie dat doet mij leed tot in het diepste dor ziel. Maar dat is altijd hot eindje van hot lied, als iemand in do politiek zijn hart mot zijn vorstand op den loop laat gaan!quot;
iiij liet mij met eene koele buiging heengaan. Toon zocht ik Foley op en vernam van hem hot volgende ;
Zoodra Walsingliam don brief van Maria Stuart in zijne hand had, liet hij Topklitf komen, en gaf bevel ieder dor samenzweerders te laten bespieden, maar hij mocht niets tegen hen uit-
ricliton, opdat dc inlicchtonisneining van den eene, de anderen niet tot waarschuwing zou dienen. Men moest /-e tot een feest samen lokken, ze dan omsingelen en dan tegelijk gevangen nemen. Door een misverstand had nu een agent drie dagen geleden, in liabington's huis, den priester John Ballard, den zoogenaamden kapitein Eortescue gevangen, waarop Babington dadelijk naar Walsingham gegaan was, blijkbaar om te vernemen of deze in-hechtenisneming geschiedde in samenhang met bet complot, of wel, dat het slechts het gevolg was, omdat men ondervonden had, dat hij priester was.
Babington hoopte door deze moedige daad, Walsingbam's verdenking jegens hem te verwijderen, zooals hem naar zijn vermoeden dit reeds eens gelukt was eenige maanden geleden. Ja, hij ging zoo ver, dat hij Walsingham zijne diensten aanbood, om de plannen van Panna, waarvan men allerlei zaken vertelde, te ontdekken en trachtte hierdoor een pas naar Frankrijk van Walsingham los te krijgen. Deze hield zich echter dom tegenover Babington, volgens zijne gewoonte, nam de aangeboden diensten aan en beloofde hem binnen enkele dagen den pas met de noodige instructiën te doen geworden, maar op hetzelfde oogenblik beval bij Poley den niets vermoedende niet uit bet oog te verliezen. Inderdaad bewerkte deze list van den secretaris, dat Babington en zijn gezellen niet in het minste het gevaar vermoedden, dat zich rond ben samentrok, en zelfs de uitnoodiging om Foley's geboortedag, dat den vorigen avond gevierd moest worden en waarbij zij gevangen genomen moesten worden, zonder bedenken aannamen. Alles was uitmuntend aangelegd. Zoodra de eedgenooten hunne respectieve
if
I Ijjli j
I, :i
- 208 -
Avoningen verlieten, werden deze bezet. Drie booten moesten den Theems bewaken en natuurlijk waren, zoowel de brug als de ingang tot den Parijseben lusthof, sterk bezet. Langzamerhand kwamen de uitgeuoodigden, eindelijk ook Titchbourne en reeds wilde Foley de vermomde politieagenten een teeken geven, de wacht te roepen, om den heelen troep te vatten, toen er eene hem onverklaarbare stoornis plaats had. Kort na de aankomst van Titchbourne verliet Babington zijne plaats, maar daar hij hoed, mantel en dogen over zijn stoel liet hangen, meende men, dat hij slechts naar het bulTet was gegaan om een beteren w ijn te bestellen. Maar daar hij lang uitbleef ging l'oley hem na, om te zien waar lüj bleef. Dit oogenblik gebruikte Titchbourne om den eedgenooten een wenk te geven, liep toen een der wachten aan de deur omver en ontsnapte; de overigen liepen hem na. Wel is waar had Poley dadelijk geroepen âHoudt de verraders!quot; maar in de verwarring en de duisternis was het slechts nDgelijk geweest Savage, die zich als een razende verdedigde, en een zekeren Tilney, die eigenlijk niet tot het complot behoorde, te vatten. Gelukkig had men later toch nog Titchbourne, een der zes hoofdraddraaiers, kunnen vatten, in eene boot, waarmede hij gevlucht was. Eerst waren er twee in dezelfde boot, waarvan één zich in den Theems had geworpen en waarschijnlijk verdronken was. Later had men in den tuin een briefje gevonden, dat de eedgenooten gewaarschuwd had en waarin men het schrift van Windsor meende te herkennen ; men geloofde dus, dat de vervolgde, die in het water gesprongen was, die Windsor was, en dat hij de boot tot redding zi jner vrienden daar gebracht bad.
Poley toonde mij het briefje en ik herkende onmiddellijk
quot;Windsors hand. Zijne edelmoedigheid schoen dus redding aan zi jne vrienden, maar aan hemzelven den dood toegehracht te hebben.
Den volgenden dag hoorde ik van l'oley, dat TopklilV, de politieagent, in do woning van een veerman Bill Bell genaamd, ecne huiszoeking wilde houden. Hij zelf lag in den Tower onder verdenking een gevangene te hehben geholpen om te ontsnappen. Maar Topkliif had gezegd, dat Windsor als dokter zoo dikwijls in dat huis verkeerd had, dat men kon vermoeden, dat als hij uit den Theems gered was, hij wel daarheen gevlucht kon zijn. Ik besloot mij bi j dit onderzoek aan te sluiten.
âliet zal wel te vergeefs zijn,quot; zei TopklilV âwant daar hij eergisteren in den Theems sprong, kan men tien tegen een wedden, dat hi j in het slechte quot;weder, bi j den draaikolk zijn dood gevonden heeft. Maar men moet nooit de gelegenheid van eene huiszoeking laten voorbijgaan, daar men daarbij menigmaal een ander wild vangt, dan wat men zoekt. Hoe menig verwenscht Jesuiet heb ik op die wijze niet gevonden, waarvan ik niets vermoedde.quot;
Dit zeide mij Topkliif, toen wij het bouwvallig huis naderden. Een jonkman opende op ons herhaald kloppen de deur, waarbij wij eene wacht lieten staan, terwijl anderen de achterzijde moesten bewaken. Hij scheen mij zeer verschrikt en sidderde, toen Topkliif hem uitéénzette, welk vonnis hem wachtte, die iemand aan hoogverraad plichtig herbergde. Zijn vader, zeide hij, lag in den Tower en zijne zuster was stervend. Dat was inderdaad geen antwoord op Topklilf's vraag, maar men zag dat de jonkman zeer aangedaan was. Ik verzocht mijn gezel dan ook den jongen niet hai'd te behandelen, zoolang zijne schuld niet bewezen was en beval den jonkman ons de verschillende
kamers to toonon. Topklill' l)i'oin(lc, dat hij beter wist, hoo men liet moest aanleggen, doch volgde echter mijnen raad. Van den kelder af, waar hot door de nahijheid van don stroom van ratten wemelde, hegonnon wij ons huisonderzoek. âAch, mijnheer, zei de jongeling, hier kan hij niet zijn, want hier werd hij levendig van de ratten opgevreten! Slechts met een licht en een duchtigen knuppel in do hand, wagen we ons hier honoden. Topklill' scheen dat te begrijpen en we klommen naar boven; alle kasten werden geopend, aan allo muren geklopt ol' zij wellicht ook een schuilplaats verborgen. Door al zijne vragen heen, kon liij uit don jongen niets krijgen en te vergeefs worden alle kamers doorzocht. Eindelijk klommen wij met oen ladder naar de dakkamer. Toen wij die wilden betreden, zei de jongeling: âAch, Mijnheer, doe hot niet, mijne zuster ligt daar te sterven en worstelt met don dood.quot;
Maar Topklill' die het voor oene uitvlucht hield, trok de deur open en ik betrad onmiddelijk achter hem de ellendige kamer. Werkelijk, daar lag vlak voor het venster op een ellendig bod, mot het doodzweet op het wasbleeke gelaat een meisje, dat met moeite ademde. Zij koorde hot half gebroken oog tot ons en zeide mot boesche stem, terwijl zij de hand afwerend tegen Topklill' ophief. âTerug, gij zult geen deel aan mij hebben. Ik geloof alles wat de katholieke Kerk loert; ik hoop door de verdiensten van .lozus-Christus en de voorbode van Maria vergilTenis van mi jne zonden en bemin (iod uit geheel mi jne ziel. Heilige Engelbewaarder sta mij bij.quot;
âZij houdt mij, zoowaar ik Topklill' heet, voor den duivel in eigen persoon,quot; zei mijn gezel, en veranderde van kleur. Toen
~ 271
wierp hij een vorschenden blik door de kamer en voegde erbij.
Mr. Walsingham, doe mij liet genoegen den muur achter hot bed te onderzoeken. Daar tusschen het scheeve dak en den muur kan licht een schuiloord gemaakt zijn. Ik zal voor de deur blijven staan, Avant even grappig als ik het vind iemand aan de galg of op de folterbank te zien sterven, even afschuwelijk is het mi j iemand in bed te zien sterven. Geen tien paarden brachten mij een voet dichter bij het meisje.quot;
Met deze woorden verliet hij doodsbleek de kamer. Ik trad dus aan het bed en sprak het stervend meisje wier handen onrustig op de dekens heen en weder tastten, een paar geruststellende woorden toe. âZijt gij misschien de predikant, wien mijn broeder wilde zenden,quot; vroeg zij. âDan verzoek ik u mij met rust te laten. Ik heb het gebed, dat de goede dokter mij geleerd heeft reeds gebeden en God zal mij genadig zijn.quot;
Zij haalde een klein zilveren kruisje, dat aan een zi jden koordje aan haren hals hing, te voorschijn en drukte het aan hare lippen. Dit kruisje kende ik. Ik had het Windsor zien dragen, toen hij mij uit de rivier trok. Hij was dus uit den Theems ontko-men en in de nabijheid. Ik richtte mijn oog op den muur naast het bed en zag duidelijk de voegen eener lage deur. Mijn hart klopte hoorbaar. Nog eens moest ik beslissen of ik Windsor wilde overleveren of mijzelven aan het grootste gevaar blootstellen. Ik had hem reeds eenmaal het leven gered. Mijne schuld was dus voldaan en dat hij zich andermaal aan doodsgevaar had overgeleverd was zijne eigene zaak.
Maar het zien van het stervend meisje besliste ten gunste van Windsor. âAls gij ook eenmaal zoo in uwen doodstrijd ligt,quot;
zeide ik tot mijzclvon, zal hot u een troost zijn bavmliartig go-weest te zijn, want zalig zijn de bannhavtigen; zij zullen Imx-m-hartigheid ondervinden.
Daaroj) vroeg ik den jongen Bill, die sidderend naast mij stond en angstig mijn blik naar het deurtje volgde. âDie deur daar kan niet goed geopend worden, niet waar ?
âNeen, zeide hij, âdan moet men het bed terzijde trekken en dat gaat toch niet - mijne zuster. â
âNatuurlijk gaat dit niet,quot; was mijn antwoord, terwijl ik mij naar de stervende keerde, die ook zeer ontstelde, toen zij bemerkte, dat ik mij met den muur achter haar bezig hield. Zij hief hare gevouwen banden tot mij op en poogde te spreken, doch die aandoening was voor haar te sterk.
Met een zucht âJezusquot; zonk zij in hare kussens en een bloedstroom vloeide uit hare geopende lippen. Luid weenend wierp haar broeder zich naast baar op de knieën.
âZij sterft, zij sterft!quot; riep hij. En ook ik knielde neder en bad. Na eenige zware ademhalingen was zij uit het lijden. Tk trok het laken over haar gelaat en bracht haren luidsnikkenden broeder uit de kamer.
âNiets daar hinnen ?quot; vroeg Topklilf, die buiten aan de deur stond.
âNiets in de kamer dan een lijk,quot; antwoordde ik, âals ge zien wilt.quot;
Hij schudde het hoofd en snelde de ladder af.
Toen wij het huis verlieten, zeide hij : âWindsor zal op den grond in den Theems liggen.quot;
Toen we thuis kwamen vernamen we, dat men Bahington op 't spoor was.
18
â 27;i -
Men had vernomen, dat liij zich van uit den 1'arijschcn Lust-hot' naar Westminster, waar een zijner vrienden woonde, begeven had, daar van kleederen verwisseld had en naar het Johannes-Avond gevlucht was.
âDan zijn zij naar Bellington gevlucht,quot; riep ik. âHet park is groot genoeg.quot;
Zonder tijd te verliezen steeg een gchecle troep agenten te paard.
Op verzoek van mijn oom vergezelde ik ze. âAldus vindt ge gelegenheid in de oogen der koningin do vlucht van indsor goed te maken,quot; zeide hij.
Topklill' had eenigc uitnemend gedresseerde bloedhonden mede genomen.
âNu zullen ze mij niet ontkomen,quot; zeide hij en zijn oog rolde als dat der huihonden, die ons vergezelden.
J)e eene helft kreeg bevel de toegangen van het oude slot te bewaken, de andere volgden ons naar de ruïne, die wij ten eerste wilden onderzoeken. Zoodra wij in de nabijheid kwamen, sloegen de honden aan, en wij bemerkten in de schemering een man, die door eene vrouw vergezeld, van de ruïne naar het nieuwe slot sloop. Onmiddelijk koppelde TopklifT de bonden los en deze stortten zich in alle richtingen bet park in.
âOpgepast nu,quot; riep TopklifF. âEerst de ruïne van alle kanten omzetten en dan zullen de honden ons spoedig op 't spoor helpen.quot;
Dit geschiedde en rond het oude slot vormden de politieagenten een kring posten; dnartussehen werden fakkels en dun hout aangestoken, zoodat de plaats helder als dc dag verlicht was. In
den i'oodcn weorscliiju der vlainnicn traden de niet klimop begroeide muren helder voor.
âZiezoo,quot; riep TopklilV, ânu kan er geen rat ontsnappen of liet wordt gezien. Nu past op, hoor en houdt uwe pistolen klaar. Schiet neder wat niet wil blijven staan, maar dood niet buiten nood, daar liet jammer zou zijn, dat de beul zijn werk en John «uil het plezier van de terechtstelling van twee papen zou moeten missen.quot;
Na deze woorden verzocht liij mij hem met nog eenige anderen te volgen. Daarop greep hij de bloedhonden aan den band u bracht ze vond de ruïne, terwijl hij ze ophitste tot zoeken.
Met den neus aan den grond liepen de honden snuivend vooruit.
Maar nauw hadden we de helft der ruïne rondgeloopen, toen zij aansloegen. âITa, ha, mijne jongens, riekt gij ze?quot; riep TopklilV. âHoudt nu uwe wapenen gereed, mannen; niemand mag zijn post verlaten, want het vossenhol kan verscheiden uitgangen hebben.quot;
De honden brachten ons naar de andere zijde van het gebouw waar dik struikgewas en het afgebrokkeld puin de gracht bedekten. âNiet slecht aangelegd,quot; bromde Topklilï. âTe duivel, wie had dien uitgang achter die kruisbessen en bazelnooten gezocht. Nu kijkt naar je kruit, want kerels als die Babington zouden ons misschien de tanden wel eens willen laten zien!quot;
We waren nu tot den toren doorgedrongen; daar vonden wij een grooten steen, waarvoor de honden woedend stonden te blaffen.
TopklilV gaf ze aan twee knechts over, liet den steen ter zijde schuiven, en nu vertoonde zich eene opening, waarin men gemakkelijk kruipen kon. Als razenden blaften de bonden in de
opening. Men kon ze nauw meer vasthouden. Toen ze eenigs-zins tot bedaren gebracht waren, riep Topklift in bet gat :
â]\lr. Jgt;al)ington, en wie daar nog meer binnen zit, ik beveel u in naam der Koningin onmiddelijk voor te komen, om u voor den geheimen raad omtrent een aanklaebt van hoogverraad to verantwoorden. Indien gij deze opeiscbing niet onmiddelijk nakomt, maak ik de bloedhonden los, en zij zullen n op zulk eene wijze in stukken scheuren, dat bet op den jongsten dag moeite zal kosten uwe lichamen terug te vinden.quot;
liet bleef een oogenblik stil in bet onderaardsch gewelf. â Toen hoorden wij eenige stemmen iluisteren. Eindelijk zeide ééne stem. âLiever hier door de honden verscheurd worden, dan voor al het volk door den beul iu stukken gesneden te worden. Laat je honden los, baas Topklill', ik zal ze één voor één doodschieten en hoop ook een dozijn uwer knechts met l mede te sturen voor (lods rechterstoel, waar gij u voor uwe wreedheid jegens de onschuldige katholieken te verantwoorden zult hebben!
Topklill' knarstandde van woede, âVervloekte papen,quot; riep hij, âgij allen samen zijt mij het leven van een mijner bonden niet waard. Ik zal u laten zien, hoe men zulke vossen uit hun hol jaagt. Een, twee, drie dunne takken voor 't gat en aangestoken.quot;
In een oogwenk was dit bevel volbracht, maar alvorens men bet aanstak, sprak ik den mannen in den ouden toren ernstig toe, en zeide, dat zij zich toch in Gods naam zouden overgeven aan het lot, dat toch nog geenszins twijfelachtig was. En moesten zij ook sterven, dan konden zij zich toch beter als christen voorbereiden en geruster voor God verschijnen, dan nu wel bet geval zou zijn.quot;
Dat maakte indruk op hen. Na een kort beraad riep eene
stem; âWij zullen ons overgeven, maar ik hoop, dat men ons .
als edellieden zal behandelen en onze vrienden met rust zal laten.quot;
Reeds wilde ik toegeven, maar de ruwe TopklilV viel mij in de rede en riep, dat hij zich geen wetten liet voorschrijven. Babingtou en zijne gezellen moesten de gevolgen hunner daad maar dragen.quot;
Daarbij bleel' het en de arme menschen moesten uit hun schuilhoek te voorschijn komen. Eerst verscheen Eahington zelf geheel neergeslagen en bedroefd door het ongeluk, waarin hij zijne vrienden getrokken had; echter wist hij nog altijd zijne edele houdin«? te bewaren.
Niet zonder medelijden kon ik den schoonen jonkman beschouwen, toen hij zijne handen aan de knechts aanbood, om ze te laten binden. Zij maakten ze hem op den rug vast en legden ook ijzeren, met een korten keten verbonden ringen om zijne voeten.
Aldus werden beurtelings Earneveld en Donn, vervolgens Gage, een vriend van Babingtou in wiens huis zij zich tot de vlucht verkleed hadden, en eindelijk een zekere Charnok, die met Savage onder Panna gediend bad, gebonden en geboeid. Bijna allen waren nog bloedjonge menschen, wien de baard slechts op de lippen begon te groeien. Men kon ze niet zonder medelijden beschouwen, te meer, daar allen zonder klagen, ja met een zekeren moed hun lot ondergingen.
Nadat TopklilV een knecht met de honden in den toren gezonden had, om te onderzoeken of niemand aldaar verborgen
- 279 -
was gebleven, kroop hij er zelf nog in om zeker van zijne zaak te zijn.
Dadelijk nadat Babington gevangen was, bad Topkliiï een koerier naar AValsingham gezonden, en toen wij te middernaebt de stad inreden, vonden wij Londen in de grootste opgewonden-beid. Door troimnelslag en uitroepers was in bet late uur den burgers nog medegedeeld, dat bet de waakzaambeid van den Staatssecretaris en de regeering gelukt was een vreeselijk complot te ontdekken, dat tegen bet geheiligd leven van II. M., tegen bet bestaan van bet zuivere Evangelie en bet beil des vaderlands gevormd was. Bijna, zoo zeide de verscbrikle burgers elkander, badden de papen de goede Elisabetb vermoord, de koningin der Scbotten bevrijd, Londen in ascb gelegd en voor eene spaanscb-lïansebc vloot, die onderweg was, bad de Tbeenis geopend moeten worden en bad de inquisitie al de trouwe en godvruebtige cbris-tenen op bet scbavot gebraebt. Anderen vertelden, dat men op de koningin gescboten bad, dat zij oj) sterven lag, dat de noordelijke graafschappen in opstand waren enz. enz.
Men kan dus denken, welk cene ontvangst ons ten deel viel, toen w ij langs Newgate onzeu intocht bielden. Als een loopend vuurtje ging bet door de straten: âDaar komen ze er mee aan! Toplilill beeft ze bij den kraag.quot; liet woedend geschreeuw van bet volk en de helder verlichte straten vermeerderde het drukke gejoel van bet opgewonden volk. AVij moesten den sabel trekken, om de gevangenen tegen deszelfs razernij te beschutten, maar heter dan onze wapenen hielpen Topklilïs woorden: âGeduld, laat ze eerst op de folterbank biechten! Een honderd medeplichtigen moeten ze ons minstens aangeven; we zullen ze goed uitbooren en dan
eerst raag de beul ze zoo netjes in riemen snijden, als ware hij bij een zadelmaker in de leer geweest.quot;
Zij bepaalden er zich nu toe de gevangenen te beschimpen en met slijk te werpen, terwijl de alarmklok van den toren en de vreugdevuren op de pleinen der hoofdstad wijd on zijd alom verkondigden, dat de koningin en de zaak van het Evangelie gered en de verraders gevangen waren. AVij geleidden ze naar den Tower en daarna reed ik diep ontroerd naar Walsinghara's woning. Mijn oom ontving mij zeer vriendelijk.
Hij had juist bericht ontvangen, dat Salisbury en twee zijner vrienden op den weg naar Cheshire gevangen waren. âNu hebben we ze allen, behalve quot;Windsor en ge moet mij morgen naar het hof vergezellen om de koningin wegens deze gewichtige gebeurtenis mede in te lichten.
XXXI.
EENE KONINKLIJKE VROUW IN RAZERNIJ.
fl|?yflee(ls vroeg in den morgen was ik met mijnen oom, die een riWa j;\vavt Huweelen kleed met vergulde knoopen en een tijnen breedgeplooiden kraag om den lials droeg, opweg naar lliclimond, waar de koningin hof hield.
Tegen den avond kwamen wij op het kasteel aan, dat met zijne hooge torens, zware muren en hooge tinnen zicli ver boven de heuvels verheft. In de herberg âl)e drie kraanvogelsquot; stegen Avij af, namen een kleine verversching, waarbij de waard, die de gewoonte van mijn oom zeer goed kende, ongevraagd een glaasje onden port zette en schikten onze kleederen. Nadat Walsingham zich den zwaren gouden ketting, een genadig geschenk der koningin om den hals gelegd had en bij w ij ze Aan uitzondering een derde glaasje port geledigd had, gingen Avij naar het kasteel. Onder Aveg fluisterde mijn oom mij toe, dat ik heden wel gelegenheid zou hebben, om te begrijpen, Avat de woede van eene vrouw beteekent âfurens quid fccmina.quot;
De wacht aan de buitenpoort liet ons, zoodra Walsingham zijn naam genoemd en op zijn gouden keten gewezen had, onmiddelijk binnen en Avij traden tot het prachtig portaal, alwaar lijfwachten
- 282 â
in hunne schitterende kleeclerdraeht met vergulde hellebaarden dienst deden. De kapitein der lijfwacht snelde ons te gemoed en riep reeds van verre: Mylord Staatssecretaris, kom spoedig, II. M. verwacht u met het grootste ongeduld.quot; ileeds vroeg in den morgen zijn de vreemdste geruchten omtrent eenen opstand en een vreeselijk complot hierheen gewaaid en zij heeft boden naar ü en Mylord Burcdev gezonden.
«/ O »/' O
â Die hcblien wij niet getroll'en,quot; antwoordde mijn oom. âWaar is de koningin?quot;
âOp het terras. Hierheen, al het Uwe Excellentie belieft.quot;
Iii de galerie kwam ons met een ontsteld gelaat de bisschop van Ely tegemoet. âWat is er te doen, Mylord van Ely?quot; aldus sprak mijn oom hem aan. âGij ziet zoo bleek, als of gij een incest quot;'ezien luidt.quot;
O O
âAch Walsingham, zijt gij liet?quot; zei do hoer, aan al zijn leden sidderend. âAls gij niet volstrekt moet, ga dan niet naar de koningin. Want de II. Schrift zegt â's Konings toorn is als het gebrul van eenen leeuw,quot; en waarlijk geen toorn is gelijk aan vrouwen toorn!
âliet spijt mij, Mylord, u zoo te hooren spreken, want wat ik d(gt; koningin te zeggen heb, zal haren toorn nog verhoogen. Maar toch, vriend, zal ik zien, wat ik voor u doen kan.quot;
Wij betraden het terras, dat het gezicht over een der schoonste landschappen van Engeland aanbiedt. Maar wi j hadden geen tijd ons oog aan deszelfs schoonhoid te vergasten!
Voor ons, met den rug naar ons gekeerd, stond de koningin in hevigen toorn op den bisschop van Ely scheldend. âIk heb hem bisschop gemaaktquot; zeide zij, âen ik zal hem den bisschopstoog
ook weder uittrekken, als hij niet dadelijk ons die stukken kerk-land afstaat. Waarom hebben wij tegen Calvijn in, de bisschoppen behouden, als zij niet geheel onze gehoorzame dienaars willen zijn?quot;
De kamerheer met den zwarten staf, meldde H. M. dat Mylord staatssecretaris zoo juist het terras had betreden en hare bevelen afwachtte. Zij keerde zich snel om en kwam ons tegemoet. Wij wilden de voorgeschreven buigingen en den knieval maken, maar zij liet ons geen tijd en overviel mijn oom met een vloed van vragen, waarom hij haar zoolaat van dergelijke misdrijven in kennis stelde. Mijn oom antwoordde daarop, dat het de plicht was van de dienaars II. ^1. de zorgen en slapelooze nachten, die het bewaken van zulk een complot met zich brengt, geheel voor zich te houden en het II. Af. eerst dan mede te doelen, als het gevaar gelukkig van haar gezalfd hoofd afgewend is. Dit bedaarde haar eenigszins, maar zij pruilde nog: âDan hadt gij ten minste gedurende den nacht boden tot ons kunnen zenden, Walsingham, dat ons het bericht niet op zulk eene verschrikkende wijze ambtshalve bericht werd.quot; âDat is waar. Majesteit, antwoordde mijn oom, maar tot schriftelijke mededeeling van het bericht waren verscheidene uren noodis, tot eene mondelinge mededeelinsr was
O' O O
de zaak in 't geheel niet geschikt, zooals II. M. zelve moet inzien. Ik had u el is waar mijn lieven neef in den nacht naar Ilichmond kunnen zenden, maar deze heeft den laatsten tijd zoo weinig nachtrust genoten en in den dienst uwer Majesteit zulke vermoeienis, zoo bij dag als bij nacht ondergaan, dat ik volkomen naar de inzichten van uw koninklijk hart meende te handelen, met hem eenige uren rust te gunnen, te meer daar hij ook den volgenden nacht weder zal moeten doorrijden.
Dei'hfilve bleef mij niets anders over, dan zelf z k) spoedig van Londen te komen rijden, zoo snel als mijne oude knollen het toelieten.quot;
De koningin was iets genadiger geworden en reikte mij hare hand tot den handkus: âEn nu ter zake, spreek Walsingham.quot;
Mijn oom hegon op zijne duidelijke en bondige manier heel het complot van Habington uit elkaar te zetten, het plan der zes eedgenooten. om de koningin van Schotland te bevrijden en haar met de hulp van l'ariua op den troon van Engeland te plaatsen; het plan van Savage om haar zelve te vermoorden, dat Eabington en zijne gezellen gekend en goedgekeurd hadden; hoe hij, Walsingham, stap voor stap de samenzweerders nagegaan was, hoe hij zijue spionnen in hun gezelschap ingevoerd, ja hun zelfs middelen verschaft had, om met de koningin van Schotland in briefwisseling te treden op een wijze, dat alle brieven door zijne hand gegaan zijn, waardoor het hein mogelijk werd den wortel en eigenlijke bron van al het kwaad te ontdekken, wat hij thans Hare Majesteit wilde bewijzen.
Mijn oom had zoo zacht gesproken, dat de hovelingen, die zich op een wenk der koningin verwijderd hadden slechts de uitbarstingen van den toorn en schrik verstaan konden, waarmede Elisabeth AValsingham's woorden onderbrak. Maar nu deze van de gevangen koningin van Schotland begon te spreken, volgde zij hein naar ecu verwijderden hoek van het terras en ik zag hoe hij haar verscheidene geschriften voorlag, gedeeltelijk voorlas en verklaarde. Daarbij was een lange brief, waarschijnlijk Maria Stuart's laatste groote brief aan Babington, waarvan ik het afschrift bezat.
Toen zij dezen gelezen had, brak zij uit in ecne woede, zooals ik nooit gezien heb, noch ooit in mijn leven hoop te zien. /ij wierj) den brief op de marmeren trappen, stampte dien onder hare voeten, verhief hare vuisten ten hemel en brak toen uit in een vloed van venvenschingen, zooals ik dit nooit uit de lippen eener dame en nog minder uit die eener koningin verwacht had. Hare oogen traden uit de kassen, het schuim kwam haar uit den mond, zoodat al de hovelingen bleek van schrik bleven staan en niet wisten of zij de razende moesten ontvluchten of te hulp springen, want het ééne was even gevaarlijk als het andere, als zij in zulk een Tudor-luim, een erfdeel baars vaders, uitbrak.
Eindelijk was de eerste razernij bedaard en Elisabeth was in slaat haar verstand weder te gebruiken. Zij trad nu te midden barer hovelingen en vertelde de hoofdzaak in afgebroken zinnen den door Walsingham gelukkig afgewenden slag, die haar leven in de vrijheid van het Evangelie gelijkerwijze bedreigde. Zij prees en laakte daarbij mijn oom in denzelfden adem, omdat hij met overmoed de samenzwering zoolang geduld had, tot het hem niet meer mogelijk werd aan derzelver boosheid te twijfelen.
âTsiet aan ons armzalig leven, dat aldus maanden in gevaar zweefde, denken wij het eerste daarbij,quot; zeide zij met de grootste huichelarij, maar aan dat onzer trouwe onderdanen, dat hetzelfde gevaar bedreigde. Ja, als ik wel overdenk, komt de dank niet aan u, Walsingham, toe, maar alleen aan de genadige bescherming van God. die ons gezalfd hoofd in zulke duivelsche gevaren bewaard heeft. Wij zullen overwegen, welke vastendagen en gebeden wij ons volk voor onze en ons aller redding moeten voorschrijven. â Maar intusschen mogen wij niet vergeten het zwaard
â 28G -
der rechtvaardigheid tegen zulke gruwelen te trekken en wij zullen het op eene wijze gehruiken, dat het onze vijanden het nierg in de heenderen verdrogen doet. Wat de samenzweerders betreft, zoo moet gij Walsingham, zorgen, dat zij zoodra mogelijk in onzen Tower door alle middelen der folterbank tot eene volledige bekentenis hnnner helpers en medehelpers gedwongen worden. Deze adders en slangen mogen niet gespaard worden en zullen, na hunne bekentenis op eene wijze ter dood gebracht worden, die hun een voorsmaak der helsche pijnen zij.
âIk zal voor hen een dood uitvinden, die ze eene halve week naar den dood doen haken en verlangen, omdat zij plannen tegen ons leven gewaagd hebben te smeden. Het in stnkken snijden en vierendeelen zal een kinderspel zijn tegen de marteling, die ik zal verzinnen.quot;
Zij zweeg en schepte adem. Toen verhaalde zij den ademloos luisterenden hovelingen het bewezen deel, dat hare koninklijke zuster van Schotland in dit complot ter omverwerping van haren troon, ja tot hare vermoording, met den pans, met Panna, met Philips van Spanje, ja met dezen Babington en zijne dwaze gezellen er aan had, zooals de door Walsingham meegebrachte brieven bewezen.
âWat blijft er mij nu te doen met die vrouw, die reeds zoo lang ons geslacht en koninklijke waardigheid geschandvlekt heeft; Avat moeten wij met die Stuart beginnen aan wier bekeering en beterschap wij met waarlijk koninklijke lankmoedigheid te vergeefs werkten? Hierover willen we thans uwe meening hooren, en gij, Walsingham, aan wiens doorzicht wij die onthulling van zulke boosheid zeker dank verschuldigd zijn, hoewel ons hart gewenseht
â 287 â
hadde, dat zij liever voor immer verborgen bleef, gij moet eerst Uwen raad en uwe stem laten booren over deze zoo gewichtige zaak.quot;
âMajesteit,quot; zei mijn oom, âsedert maanden beb ik over die vraag nagedacht en meen ze volgens mijn eed en mijn geweten aldus te kunnen beantwoorden. Ten eerste moet de schuld, die mij thans reeds bewezen schijnt, nog beter bewezen worden en daarom veroorloof ik mij voor te slaan, dat onmiddelijk, alvorens het mislukken der samenzwering bet oor van Maria Stuart bereiken kan, een uwer vertrouwdste dienaars met mijn neef, die aldaar sedert maanden bekend, is, naar Chartley rijden en beslag legge op de papieren van Maria Stuart. Laat het zich daaruit be-Avijzen, waaraan ik niet twijfel, dat Maria Stuart deel heeft genomen aan het bloedig complot van Savage, dan moet zij sterven, en uwe welvaart, waaraan voor altijd die der evangelische zaak-bet heil van Engeland en van ons allen verknocht is, is verzekerd. Zoo lang Maria Stuart leeft, hangt uw en ons aller leven aan eenen draad; haar dood is uw en ons aller leven. â Zij sterve.quot;
âZij sterve!quot; herhaalden de hovelingen.
Eene duidelijke bevrediging sprak uit Elizabeth's oog, maar zij bedwong zich en zeide : Gij zult mij toch wel niet verplichten, het doodvonnis, boe rechtvaardig en welverdiend het ook ware, over een gezalfd hoofd, te onderteekenen! Maar wat Walsingham eerst verlangde, te weten dat de schuld dezer vrouw door heel de wereld en al de tronen der wereld bewezen worde, dat is billijk en rechtvaardig. Wij bevelen derhalve, dat onze geheimschrijver Wade met den hier tegenAvoordigen Advokaat Walsingham
nfinr Chnrllcy rijde en liocl (1(! bviorwisscling on de papieren onzer koniiiklijko zuster ou Ier zegel plaatse. Bewijst hare schuld zich dan werkelijk, wat wij niet hopen, dan zullen wij wederom de stemmen van de loden van onzen geheimen raad en die der heide Huizen hooren, wat de veiligheid van het land en het Evangelie. â o]) de onze komt het minder aan vereischt en den wensch onzer onderdanen in ons koninklijk hart overwegen. AValsingham, gij zijl voor heden onze hijzondere gast!quot;
Daarmede gaf zij ons afscheid. Ik had zoo gaarne nog enkele vragen aan mijn oom gedaan. Hoe kan hij op den hrief van Maria Stuari haar heschuldigen met het maken van plannen tegen het leven van Elisabeth? Waren die vervalscht in zijne handen gekomen? of wel beriep hij zicli op andere, mij nog onbekende brieven? Maar Walsingham zat bij de koningin, en volgens hevel van Elisabeth stegen Wade en ik te paard en reden
naar Chart lev.
%}
Wij bereikten het slot den derden dag na ons vertrek. De oude Sir Amias l'awlet lachte grimmig, toen wij hem onze ojxlracl11 mededeelden.
gt;.'u werd dadelijk alles voorbc .d voor den volgenden dag. Ividder l'awlet kondigde de gevangene aan, dat de geheime raad eindelijk haren wensch in overweging had genomen, en volgons den raad van haren lijfarts toegestaan, dat zij enkele malen in de week mocht uitrijden en dus noodigde hij haar voor den volgenden dag tot een tochtje naar Sir Walter Aston's kasteel uit, in wiens park eene hertenjacht zou gehouden worden. Dit deed men, om baar niets te doen vermoeden en te beletten, dat zij nog in het laatste oogenblik eenig gewichtig document zou verscheuren.
â 28!) â 11)
Maria Stuart was blij als ecu kind en bijna even vroolijk als baar klcnne bond, toen zij zich den anderen morgen in haar zadel liet belTon. liet arme dici', dat zoo trouw hniv gevangen is deelde, sprong om baar rond eu ontlokte baar memigen glimlach.
Toen zij mij homerkte, wenkte zij mij en reikte mij dankbaar de hand in de meening, dat ik bij mijn oom deze verlichting voor baar verkregen had. Ik voelde, dat het rood der schaamte mij op bet gelaat steeg en ons listig voornemen moest baar wel gebleken zijn, indien liet hisliy; geschal der jachthoornen, die tot vertrek vermaanden, hare opmerkzaamheid niet afgetrokken badde. Zij vroeg mij nog, ol' ik niet wist, waar Windsor, baar lieve lijfarts, was, want sedert erne geheele week had zij hem niet gezien, waarop ik ontkennend antwoordde. En toen ging bet waarlijk langs de slolpoort uit, over de velden, waar bet koren reeds gemaaid stond en door veld en moeras naar hel niet verafgelegen Tixall. Overal werd de koningin door de arme landlieden, die de gevangene als eene heilige vereerden, eerbiedig gegroet. Maai' toen eenige bedelaars aan den weg uederknielden en om eene aalmoes smeekten, zeide zij met een treurigen lach ;
âLieve mensehen, hoewel eene gezalfde koningin, ben ikeven arm als onze lieve lieer, die hoewel Koning der koningen zijnde,bier op aarde het kleed der armoede droeg. Uidt, dat wij allen daarvoor eens deelachtig worden aan de bemelsche schatten.quot;
Toen begonnen de armen te weenen en te jammeren en zij zegenden de goede koningin, die, zooals een blinde bedelaar riep, nog in haar eigen nood hun bet brood der christelijke liefde uitdeelde.
Intnsschen Maren wij reeds dicht bij Tixall gekomen en eene kromming van den weg deed ons in deszeifs nabijheid een troep
- 2£0 â
van meer dan 200 vuiters ontdekken. Maria Stnart gaf aan die ruiterschaar een heel andere, dan limine wezenlijke beteekenis. Ik reed in hare nabijheid en zag hoe zij, hen ziende, vroolijk opzag, âMr. Walsingliam, quot;zeide zij âmijne oogen hebben door mijn verblijf in den kerker veel geleden; kunt gij wellicht Windsor onder deze ruiterschaar herkennen?quot; Ik moest dit met âneenquot; beantwoorden. Zi j dacht klaarblijkelijk, dat het eene bende der samengezworenen was, die kwamen om haar te verlossen.
Maar de teleurstelling liet zich niet lang wachten. Op een teeken van Sir Amias Pa wiet, die aan het hoofd reed van onze schaar, sprongen de ruiters toe en omringden ons van alle zijden. Toen reikte de Sherill' het hevel van Elizabeth over en nam onder de oogen der koningin hare beide geheimschrijvers Naii en Cecile gevangen, terwijl hij haar zelf heval, dat zij voor-loopig in Tixall moest blijven. Men kan denken, dat de gevangene hare billijke verontwaardiging over zulk een valscben streek, waarvoor zij Sir Amias Pawlet niet in staat had gehouden, luide uitsprak, maar zij deed dit op zulk eene gematigde, waarlijk koninklijke wijze, dat ik meende van schaamte in den grond te zullen zinken. Zij klaagde weliswaar en weende, niet over haar lot, maar over dat barer beide geheimschrijvers en al die-genen, die zich te vergeefs voor haar hadden opgeolferd. Zich zelve vergetend nam zij Sir Amias en mij ten getuige, dat Nau en Cecile slechts hare bevelen waren nagekomen en dat zij de verantwoording van alle door haar onderteekende brieven volkomen o]) zich nam. Zij troostte hare beide dienaars, die door haar later o]) de folterbank, wellicht uit zwakheid, verraden werden en reikte hun schreiend hare hand tot afscheid.
- 'Jül â
Zelfs voor mij had haar oog, dat mijne schaamte en berouw ontdekte, nog een blik van vergeving. Nooit zal ik dien vergeten en geloot' a;m de voorbede dier koninklijke lijderes groote genaden te danken te hebben. Toen volgde zij den Sherill gelaten naar Tixall.
Sir Amias en ik reden intusschen met de gevangen geheimschrijvers en een troep gewapenden naar Chartley terug. Daar werden zij in afgescheiden cellen opgesloten, terwijl wij met Wade en een smid nit Burton de vertrekken van Maria Stuart betraden, hare kusten en laden openbraken en op al hare brieven en opteekeningen in naam van den geheimen raad beslag legden. Een der eerste geschriI'ten, dat mij in de hand viel, was het door Maria Stuart eigenhandig in de I rausebe taal geschreven ontwerp tot den brief aan Babington.
Ik had mijn vroeger besluit, Maria Stuart voor eene vervalscbing, die ik niet mijn oom, maar wel zijue dienaars toevertrouwde, met alle kracht te vrijwaren, voor de parkdeur van Tixall vernieuwd.
Ik doorlas daarom dit geschrift met de grootste opmerkzaamheid. liet afschrift, dat ik destijds in den â(iroenen Draak,quot; te Burton gemaakt had, had ik zoo dikwijls doorgelezen, dat ik het spoedig herkende. Het was woord voor woord dezellde brief en ook het ontwerp bevatte geen woord van eenige verstandhouding van den moordaanslag op Elisabeth. Ik maakte derhalve Wade op het gewicht van dit stuk oplettend; hij las het opmerkzaam na en stemde met mij in, dat het volkomen overeenkwam met mijn afschrift. Ik schoof het derhalve in een afzonderlijk couvert, met het plan het dadelijk bij mijne aankomst te Londen mijn
oom over te geven, daar hij daaruit do vorvalscliing van Phillips duidelijk bemerken moest. En den volgenden morgen reed ik met de gevangen schrijvers en de belangrijke stukken van Maria Stuart, lichter van hart naar Londen, in de overtuiging dat ik het bew ijs harer onschuld in mijne hand had.
XXXII.
EEN KNAP ADVOKAAT, WIENS DIENSTEN SLECHT BELOOND WORDEN.
k vond mijn oom in zijn kabinet in diep nadenken verzonken. Hoewel wij in Augustus waren, bad hij vuur
lt;l()(Mi aanmaken. Toon ik binnentrad, ontwaakte liij uit zijne mijmering en gal' mij een teeken mij tegenover hem te plaatsen. ^Tet korte woorden gal' ik hem bericht over onze zending, legde de inbeslag genomen stukken van Maria Stuart, die illt; tot een bundel saamgebonden had, voor hem en vroeg, waar ik de gevangen geheimschrijvers moest laten plaatsen.
âHier in mijn huis,quot; zeide hij. Nan in de groene kamer aan de straat, Cecile in de blauwe, aan den kant van den tuin in de derde verdieping, /ij moeten van elkander gescheiden en streng bewaakt worden. Overigens moeten ze voorloopig zacht en goed behandeld worden. Ik hoop hen aldus eer de noodige mededee-lingen te ontlokken,dan wanneer men hen dadelijk met de folterbank en marteling dreigde. Het is de oude geschiedenis; men vangt meer vliegen met een druppel honing dan met een vat azijn. Wij hebben dit dezer dagen in den Tower gezien! (Jroote (iod, -wat heeft die Topklill' dien Eallard gefolterd en gekweld! Met
- 294 -
200 pond stoonon nan de voeten liet hij hem vijl' volle uren met dunne touwen om de vingers aim een ring hangen, zoodat hem het hloed onder de nagels uitspoot en hij eindelijk van de eeno onmacht in de andere viel; Topklill' bracht den man weder tot zich zeiven door hem hrandende fakkels onder de armen te houden. Dit gezicht zal mij altijd in den droom blijven vervolgen. En toch wat heeft het uitgehaald? in de hoofdzaak, waarop liet ons aankomt, in liet geheel niets. Dat hij zelf schuldig was aan hoogverraad bekende hij. Dat liij Elisabeth van den troon wilde doen vallen, dat hij Maria Stuart wilde verlossen âgaf Ballard gereedelijk toe. Een aanslag op het leven der koningin had nooit in zijn plan gelegen en nog veel minder had Maria Stuart daarvan geweten of het goedgekeurd. En aldus luidden de bekentenissen van allen in dit pijnlijk verhoor, liet is ongeloofelijk wat die Bahington en zijne gezellen uitgehouden hebbenP Wel schreiden en jammerden eenige om barmliartigheid â maar tegen Maria Stuart zeiden zij geen woord of wederriepen het, zoodra men ze van de folterbank afnam. Savage, e;m somber dweeper, bekent wel is waar, dat hij de koningin ter dood had willen brengen, tn zegt, dat de rampzalige Ciill'ord hem dit geraden had, die hem voorloog, dat dr. Allen en andere godgeleerden zulk een dood als geoorloofd en verdienstelijk voorstelden, maar hij loochent bepaald, dat de koningin van Schotland hiervan iets geweten of hem omgekocht zou hebben. En zoo loochenen allen zonder uitzondering de hoofdzaak, waarop alles aankomt â de medeplichtigheid van Maria Stuart.quot;
âMn ik geloof, oom, dat de eedgenooten in dit punt de volle waarheid spreken,quot; zeide ik.
âHoe; zoo,quot; riep AValsing'ham vertoornd, âhebben dan de brieven van Balüngton en van ^Faria Stuart niet duidelijk het tegendeel bewezen ?quot;
âIndien gij nog andere, mij onbekende brieven hebt, dan die groote hriel' van 17 Juli en dat moet ik veronderstellen volgens de mededeelingen, di(gt; gij aan de koningin op het terras te Richmond gedaan hebt â â want de briel' van 17 Juli bevat geen woord, waaruit men een medeweten ol'zelfs eene goedkeuring van den moordaanslag op Hare Majesteit kan bewijzen.quot;
Mijn oom wierp op mij een doordringenden blik. Daarna zeide hij na een korte pauze:
âFrans, ik hoop niet, dat gij wilt zeggen, dat ik te Uiehmond de koningin heb willen bedriegen?quot;
âMet uw medeweten zeker niet,quot; antwoordde ik, âanders ver-bleel' ik geen uur meer onder uw dak. Maar ook de verstandigste kan soms door een schurk bedrogen worden. Echter wil ik dit geval bij uwe bekende bekwaamheid en menschenkennis niet veronderstellen. Er moeten dus, behalve den grooten briel' van Maria Stuart, nog andere brieven in uw bezit zijn.quot;
âEn in bet geval, dat en' behalve den genoemden briel' en dien van Babington, waarop hij het antwoord geeft en verklaart, geene andere geschriften in mijn bezit zijn, wat zou dan uwe groote wijsheid â zeggen wij als advokaat van Maria Stuart â daartegen kunnen zeggen rquot; vroeg mijn oom half spottend, half toornig, âAls advokaat â ik dank u, beste oom, dat gij mij zulk eene rol toekent, hetgeen mij dit gesprek met u zeer veel gemakkelijker maakt â als advokaat zou ik eerst inzage verlangen van de beide brieven, waarop de aanklacht rust.quot;
- 2% â
^tijn oom stond op en trok uit oouc ijzoron kast twoo in cijlovsclu-irt gosclu'oven bviovcn, waarbij cenc co])!!1 in l'iiiili[)s hand gevoegd was. Deze beide brieven toonde bij mij, docli bield ze in zijne hand en legde ze dadelijk weder in de ijzeren kast, waarvan hij den sleutel omdraaide en bij zich stak. âTegenover een advokaat kan men niet voorzichtig genoeg zijn,quot; zeidc hij met een sarcast ischen lach. âZulk een heer kan beide documenten eenvoudig in het vuur werpen en het geheele schuldbewijs, waaraan het heil ol' het wee van Engeland hangt, wat ik n destijds aan ditzelfde tafeltje uiteenzette, vloog als eene rookwolk door den schoorsteen weg. Hier zijn getrouwe copieën, die het gerecht door het vergelijken met het oorspronkelijke» gemakkelijk onderzoeken kan. En nu bid ik den heer advocaat zijne opmerkzaamheid te vestigen op de met rooden inkt onderstreepte plaatsen; eerst in den brief van Babington en daarna in het antwoord van de koningin der Schotten. Daarom beu ik verlangend, hoe de geleerde beer advocaat voor het leven zijner koninklijke eliente een uitweg kan vinden.quot;
AValsingham zette zieb neder op zijn stoel en zag schijnhaai' rustig het spel der vlammen en van de wegstervende aseh aan.
Ik begon dus oplettend de beide documenten te onderzoeken.
In den brief van Babington stonden twee zeer gevaarlijke volzinnen.
Nadat hij de plannen van Parma en de bevrijding van Maria Stuart blootgelegd had, stond, krachtig door mijn oom met rooden inkt onderstreept, als een deel van bet plan: de lerzijdcslellhnj der onrcchimaI'kjc iiicdcdliidslcr en nog duidelijker luidde de tweede met rood onderstreepte plaats â ik heb mij die
woorden goed in den geest geprent; â ik zeil' met 10 edellieden en 100 gezellen zal de bevrijding van uw persoon uit de handen uwer vijanden ondernemen en wat de lo'zijtlcslcU'nKj der onreclü-tnalUje Voralhi aonyadl wie wij, door het over haar uitgesproken banvonnis, niet meer verplicht zijn te gehoorzamen, zoo zijn zes edele heeren, allen zeer vertrouwbare vrienden, door den ijver, dien zij voor de katholieke zaak, en voor den dienst uwer Majesteit gevoelen, bereid de tragische uitvoering te ondernemen.
.VIdus luidden de woorden van den zoogenaamd âechtenquot; brief van Eabington en ik moest bekennen, dat Maria Stuart, indien zij dezen brief ontvangen had, ten minste van den moordaanslag geweten had.
Nu kwam bet er op aan te onderzoeken wat zij er op geantwoord bad. Ja, als liet zoo was, als het mij hier door Walsingham voorgelegd werd, dan liadde de koningin der Schotten bet moordplan niet slechts gekend, maar ook goedgekeurd. In l'hillips' afschrift werd onophoudelijk van het ondernemen der zes edele heeren gesproken. Daar stond bijv. onder de vragen, welke voorbereidingen de eedgenooten gemaakt hadden, ook die ; âop welke wijze willen de zes edele heeren bun voornemen doorzetten?quot; verder liet verzoek, dat de edelen eerst dan aan bet werk zouden gaan, als de daad goed voorbereid en bet gelukken zeker was; eindelijk een lange zin, dat de eedgenooten aan bet hof, koeriers voozien van de beste paarden klaar moesten bonden, die de tijding van het Avelgelukte plan naar Chartley moesten brengen, waar dan de bevrijding, der gevangene moest volgen,, alvorens haar gevangenbewaarder iets van de katastrophe vernemen kon. Nog stond daarbij waarom dit noodig was, daar men niet kon weten wan-
neer zieli hiertoe aan liet hof eene gunstige gelegenheid voordeed tot uitvoering van het plan, en hoe noodig het was, dat hare bevrijding hier omniddelijk op volgde, dat men dus de gewiehtige boodschap door verschillende bodon en langs verschillende wegen naar Chartley zond enz. enz.
De kleine zinnon, waar in het algemeen van een plan der zes edellieden sprake was, hadden mij kunnen ontgaan. Maar deze laatste hoofdzin, welke in 1'hillips afschrift bijna eene geheele bladzijde vulde, was wegens deszelfs omvang en nog meer door deszeifs inhoud van dien aard, dat ik ze hij het afschrijven in den âGroenen Draakquot; onmogelijk had kunnen overslaan of overzien. Ook het ontwerp van Maria Stuart bevatte daarvan geen woord. Het was mij dus zonneklaar, dat er eene vervalsching plaats gevonden had. En toen ik eerst dezen zin omtrent den samenhang onderzocht, verwonderde illt; mij over de plompheid van het bedrog en nog meer verwonderde het mij, dat mijn sluwe Oom het niet dadelijk bemerkt had. âZi jn verlangen, om de koningin om zware staatkundige reden schuldig te bevinden, heeft hem slechts deze met rood onderstreepte zinnen doen opmerkenquot; zei ik tot mij zeiven. Maar plotseling ging mij de gedachte door het hoofd, of zou hij zich van eene vervalsching willen bedienen r Zou hij ze zelfs bevolen hebben 'r Ik wist wel hoe vaak zich de politiek dier dagen van zulke en nog lagere middelen bediende, maar van mijn Oom wilde ik zoo iets niet gelooven en verwierp de gedachte ; ik zag echter zeer duidelijk, dat er nu eene uitéénzetting van gedachten met Walsingham volgen moest en het viel mij zeer pijnlijk, het werk van een man, wien ik alles te danken had, omver te werpen en dat hij voor het meesterstuk zijns levens hield.
â 2lJi) â
Maar liet moest zijn, de oer en liet leven (Miner onselinldigc Itingcn er van af. Nadat ik mij een weinig voorbereid en mijne gedachte geregeld had, schoof ik de beide copieën weg en zag mijn oom ernstig en bekommerd aan. Hij had mij verscheidene keeren ongeduldig aangezien.
âDat heeft lang geduurd,quot; zeide liij, de pook, waarmede hij gespeeld had, uit de hand leggend. âEn hoe luidt nu het eind? Tamelijk twijfelachtig zou ik zeggen, te oordeelen naar de tronie van den geleerden advocaat van hare Majesteit de Koningin van Schotland rquot;
âVolstrekt niet twijfelachtig voor Maria Stuart,quot; zeide ik.
âIk hen verbaasd,quot; zei Walsingham met eene eenigszins gedwongen rust zich in zijn stoel werpend. âEn hoe zon de verdediging der Schotsche dame luiden ? Er is mij natuurlijk veel aan gelegen, dit te hooren.quot;
âHoogst eenvoudig en doorslaande volgens mijn oordeel. Ik bewijs, dat beide brieven vervalscht zijn.quot;
Mijn oom veranderde van gelaatskleur, maar behield uitwendig zijne bedaardheid, doch zeide, mij met overelkander geslagen armen scherp aanziende:
âGij hondt mij dus voor een bedrogene of voor een bedrieger en geen van beiden is vleiend. Maar laat uwe bewijzen hooren.quot;
âIk geloof de vervalsching der brieven van de koningin direct en op onomstootbare gronden te kunnen bewijzen, en daaruit leid ik af, dat ook Eabington's brief vervalscht is. Wanneer de brief der koningin vervalscht is, zoo zal het ook die van Babington wel zijn.quot;
âZoo kon het ook die van Habington zijn,quot; bemerkte quot;Walsingham,
âmaav ik geef toe, dat het zekere bewijs van vcrvalscliiug van den eenen bi-ief ook de bewijskracht van den anderen brief doet wankelen. How ijs mij derhalve, dat die van de koningin vervalsclit is, maar onomstootbaar.quot;
âHiervoor heb ik zoowel inwendige als uitwendige reden,quot; hernam ik, âhier deze niet rood onderschrapte zin is duidelijk inge-lascht en het is juist die zin, waarop bet oordeel aankomt.quot;
âEr zijn nog andere met rood onderstreepte plaatsen,quot; zei mijn oom, âdie met Babingtons brief verbonden, klaar en duidelijk de schuld van Maria Stuart bewijzen.quot;
âWelnu, als Babington's brief echt is, maar dat is de vraag en dit denk ik indirect als onvertrouwbaar te bewijzen; maar als liij vervalscbt is, dan zouden die algemeene uitdrukkingen van
1
de zes edellieden niet van belang zijn. liet plan ware dan doodeenvoudig de bevrijding der koningin. Neen, waarde oom, ik laat mij nie( in de war brengen, en ik houd staande, dat deze lange zin bier is ingelascht, want zij spreekt duidelijk eene andere plaats van den brief tegen. Ik zal ze u beide voorlezen.quot;
Ik las hem dus de plaats voor, waarin de gevangene met aandrang beveelt na bet gelukken van het moordplan dadelijk boden naar Chartley te zenden en eerst dan aan hare bevrijding te werken. Vergelijk daarmede bid ik u, de volgende woorden, die eenige regelen later komen...... En als gij mij uit dit slot bevrijd hebt zorg dan vooral mij in bet midden van een talrijk leger of achter de wallen eener sterke vestini? in zekerheid te brengen,
O O
totdat ik rustig kan afwachten, dat gij uwe krachten vereenigd hebt, en de genoemde vreemde hulptroepen aangeland zijn. De koningin zou waarlijk reden genoeg hebben, indien zij mij weder
- 301 -
in hare macht kreeg, mij in eene vesting' op te slniten, waaruit ik niet ontsnappen kon, indien zij nog niet erg«r met mij handelde en met alle gestrengheid ten opzichte mijner helpers te werk te gaan, hetgeen mij nog meer zou bedroeven, dan elk ongeluk, dat mij persoonlijk zou kunnen tref Ten. N u hid ik u, hoe laten deze plaatsen zich met elkander vereenigen? Maria Staart beveelt, dat eerst na het gelukken van den bloedigen aanslag tegen Elisabeth, koeriers den dood van Elisabeth en daardoor aan de eedgenooten het teeken tot hare bevrijding zouden overbrengen en beveelt dan zes regels later toch zorg te dragen, dat zij niet andermaal in de macht der rrocijer rennoovdc koningin valle, daar deze haar zelve en hare helpers alle mogelijk kwaad zou aandoen! Als dit niet eene openlijke tegenspraak is, dan is er nog nooit eene bewezen geworden, de eene of de andere plaats is dus duidelijk vervalscht. Strijkt men de met rood onderstreepte zinnen door, dan is het niet meer dan duidelijk, dat Maria Stuart wenscht na hare bevrijding en tot dat de strijdkrachten van Parma aankomen tegen den toorn der koningin in veiligheid gesteld te worden.quot;
AValsingham was van zin tot zin onrustiger geworden. Hij kon de kracht van dit bewijs niet loochenen, maar zocht dit achter een spottend gelaat en eene scherts te bedekken. Hij zeide : âNiet slecht, mijn zeer geleerde rechtsgeleerde. Gij hebt uwe studia jurisprudentia niet zonder goed gevolg afgegeven en kunt als advokaat uw brood verdienen, â misschien nog veel heter dan in den staatsdienst barer Majesteit. -Tammer maar dat de brief nu dusdanig luidt en dat zulk een lange zin, zooals bet oorspronkelijk stuk geelt, zich niet laat inlasscben.
âIndien ten minste tie brief niet van hot l)(igin tot het einde door den vevvalscher opnienw is geschreven,quot; bemerkte ik.
âVal me niet in de reden,quot; riep AValsing'ham met toornig gelaat. Het ligt er nu zoo, en een schijnbare tegenspraak inden brief eener vrouw is nog lang geen teeken van derzelver verval-sehing. Er ligt eenvoudig een verhindingszin, die zicli in de gedaehten gemakkelijk laat uitwerken, doch die in de pen gebleven is, waarschijnlijk door den schrijver, die den brief in cijferschrift overbracht en die hier op neer kan komen. Indien de boden vertrokken, alvorens de koningin vermoord ware, enz. Kortom wie zal in den brief eener vrouw logica zoeken?
âIn een brief van Maria StuartV In een brief, die met even veel overleg als zorgvuldigheid geschreven en uitgewerkt is zooals uit eiken regel blijkt? Neen, lieve oom, gij gelooft zelve niet dat zulk een voorwendsel steek houdt. Elk gerechtshof zou reeds daarom den brief als zeer verdacht ba-ichouwen. Hoor nu ook mijne uitwendige reden.quot;
âIk ben daarnaar buitenmate verlangend,quot; zei AValsingham met slecht verkropt misnoegen.
âOnder de brieven van Maria Stuart, die wij in beslag namen, bevindt zich gelukkig voor baar, een eigenhandig ontwerp voor dezen grooten brief aan Habington en daarin bevindt zich geen woord van den door mij als ingelascbt aangewezen, met rood onderschrapten volzin. Ik heb den brief in een afzonderlijk enveloppe hier bij gelegd.quot;
Hierbij gaf ik mijn oom bet gewichtig document, nadat ik het bandje van den bundel der medegebrachte brieven liad losgemaakt en mijn oom in de grootste ontsteltenis uit zijn stoel was opgesprongen.
T)^ brief siddovdo in zijne hand en hij vroeg mij doodsbleek. âHeeft behalve Wade iemand dit ontwerp gelezen?
âDe geheimschrijvers der koningin van Schotland.'
âO niet Nan en Carle zal ik het wel klaar spelen en Wade haat Maria Stuart nog erger dan Burgley. Overigens,quot; ging hij bedaarder voort. âWat bewijst zulk een ontwerp? liet is slechts een cniwerp, dat later veranderd kan zijn geworden.quot;
âMaar het is niet veranderd geworden, zooals ik kan bewijzen,quot; aldus besloot ik zegevierend. âHier heb ik decopie van den brief, dien Phillips mij te Burton in âDen Groenen Draakquot; gedicteerd beeft en die komt woord voor woord met bet ontwerp van Maria Stuart overéén. Ts de vervalsching van den brief nu bewezen of niet?quot; Daarbij gaf ik Walsingham den brief, opdat hij dien met bet ontwerp zon vergelijken. Hij deed dit oppervlakkig en zeide, na eene lange pauze, waarbij hij zijne gedachten zocht te verzamelen, met een gedwongen lach. âNu, Frans, ik maak u wel mijn compliment. Gij hebt uw bewijsgrond niet slecht verdedigd. Gelukkig dat de verdediger van Maria Stuart â de Engelsclie wet staat degenen, die van hoogverraad beschuldigd zijn, geen verdediger toe â - niet in bezit van deze stukken is, die ons inderdaad zwarigheden konden baren. Het hoogste heil van den Staat gebiedt u natuurlijk te zwijgen.quot;
Als een bliksemstraal troffen mij die woorden van Walsingham. Hij dus wist, dat de brieven vervalscht waren, had wellicht zelf geboden ze te vervalschen en wilde, nadat bij ze ontdekt had, ze zelf tot verderf eener onschuldige bezigen. Deze overtuiging doordrong mijne ziel en vervulde mij tegelijkertijd met naam-looze bitterheid en een heilig misnoegen. âZwijgen, riep ik, en
r
cene onscliuklige vrouw na al liet hemelsclu'eicnil ongelijk, dat men haar aandeed, ook nog het bloedig slachtolïer eener lage vervalsching laten worden! Xeen, duizendmaal neen ! Liever met haar sterven ! Al moge de wet haar geen advocaat verleenen, zoo kan zij toch geen getuige afwijzen, die op zijn eed ten haren gunste spreken wil, en dat zal ik doen, al zou het mij mijn leven kosten.quot;
âWilt gij dat doen, verblinde?quot; riep quot;VValsingham. âtJij wilt dus uw oom verraden? in het verderf storten, aan de kaak stellen, en terzelfder tijd het welzijn van het vaderland, dat met het leven der Stuarts onbestaanbaar is, prijsgeven ? Zie hier; daar branden uwe schitterende bewijzen,quot; en hiermede wierp hij de beide geschriften in de vlam van den haard, die ze onmiddelijk aangreep, vóórdat ik ze redden kon.
âValschaard, gewetenlooze valschaard ! viel ik uit. Zulk eene schandelijke daad wil ik Iteel Engeland, ja heel de wereld doen kennen. Uw tijdgenooten en nakomelingen zullen u oordeelen en aan Gods rechtvaardig vonnis zult gij niet ontsnappen !quot;
âNu, voor dien tijd kan nog wel een ander vonnis over u uitgesproken worden,quot; knarste AValsingham; âtoevallig ben ik in staat daartoe bij te dragen, daar gij, uwe plaats misbruikende, dien Windsor hebt helpen vluchten. Welke straf de wet hierop gezet heeft, zal u niet onbekend zijn, en ik geef u 2 maal 21 uren om daarover na te denken. Als gij mij voor dien tijd niet bij eede wilt beloven te zwijgen en mij op uw knieen vergiffenis vraagt, marcheert ge den Tower in en het recht zal zijn loop hebben. Zoolang blijft gij bier in mijn huis gevangen.quot;
Hij belde en gal' zijn ouden knecht bevel mij in een der ge-
20
â 305 -
vangeniscellen boven in zijn huis op te sluiten en wel toe te zien, dat ik met niemaml spi'eken, noch verkeeren kon. De oude man, die mij vnn mijne kindsheid af gekend en bemind had, zag vreemd op, doch waagde het niet mijn oom tegen te spreken. Ik boog stilzwijgend en volgde hem.
De stemming, waarin ik mij bevond, nadat de oude Gray den sleutel achter mij omgedraaid had, laat zieli moeielijk beschrijven.
Toorn en ontsteltenis over de lage vervalsching mijns ooms, of dal gene, wat op hetzelfde neerkomt, het gebruiken van eene bewezen vervalsching tot het verderf eener onschuldige, hadden eerst de overhnnd. Hoe kon ik zoo dwaas zijn hem de beide documenten in de hand te geven, nadat hij zelf mij waarschuwde,hoe licht een gewetenloos advokaat zulke stukken kon vernietigen. Dwaas! G ij die meendet de ongelukkige te kunnen redden, hebt nu zelve haren dood bezegeld. Gij hadt ze aan Chateaiineul',den IVauschen gezant moeten overgeven, iiij zon door de bedreiging ze te openbaren misschien de redding van Maria Stuart hehhen kunnen bewerken. Want, haar door eene vervalsching ter dood te veroordeelen, zouden zij niet wagen.
De gedachte, dat ik ter goeder trouw Walsingham voor edeler gehouden had, dan bij zich nu toonde, bedaarde mij cenigszins, maar des te grooter werd mijn wrevel en af keer van onze Stasits-mannen, âEn hij, de vervalscher is nog de beste van hen allen,quot; riep ik uit en zelfs den godsdienst, waarom zij voorgeven de dochter van Anna Boleyn boven Maria Stuart te zetten is slechts een uanklenrig mantelje, waarmede zij hun eigen behing en lieerschzncht bedekken. Eoei over heel de boel!
Aldus stormde ik met rustelooze schreden mijne kamer op en neer, daar het sedert lang donker was. Eindelijk begon ik aan
- 30(i -
mijn eigen lot te denken. Zou Walsingham mij waarlijk in den Tower laten werpen? Zou hij mij voor hoogverraad laten aau-k'agen? Waarom niet? Als hij in staat was Maria Stuart op het schavot te brengen, dan wellicht, zei do ik, zal hij mij ergens in den Tower laten verdwijnen.quot;
liet was laat eer ik mij, naar ziel en lichaam gemarteld, op het harde leger uitstrekte en rust in den slaap vond. Den volgenden dag vond ik gelegenheid genoeg om na te denken.
Ik werd rustiger. Voor Maria Stuart kon ik niets doen. Voor
O
mij zeiven evenmin.
Den tweeden dag trad Walsingham in mijne gevangenis en vroeg kort en scherp of ik mij bezonnen had en de verlangde verklaring bij eede wilde geven. Ik zei âNeenquot; en wilde hem bidden zijn geweten niet met het bloed eener onschuldige te bezoedelen. Maar hij liet mij niet uitspreken, maar zeide : Spaar uwe welsprekendheid â verstaan? Maar alvorens ik U naar den Tower zend, waaruit, weet bet wel, er voor n geen ontsnappen is, zal ik u hier op water en brood eene proef geven van hetgeen uw later leven zijn zal. Deze proeve zal eene maand duren, en als gij uwen kop niet breekt, wordt ge half September in den Tower levendig begraven.quot;
XXXITT.
LAATSTE DAGEN VAN MARIA STUART.
et sclioonc f'ocst van Maria Gclxjorto was voorbij en reeds werd or hier (gt;11 daar gemompeld, dat Babington en zijne gozelh^n weldra voor liet gerecht gesteld zonden A\oidt'n. Dat gehonrde den 11 September op den dag der Kruisverhefling, Van den wal uit zag men het schip mot de aangeklaagden onder de hreede brug van St. Thomas door de Verraderspoort naar Westminster hrengen, alwaar een door do koningin zelve benoemd gorechtshof ze verwachtte. De priester John Ballard, de arme Antony Babington, Salosbury, Donn en Titchbonrno benevens Savage zaten met zware ketenen geboeid en door gewapenden omringd in de hoot, die langzaam en zoo dicht langs den oever der Theems afgleed, dat de duizenden menschen, die toegestroomd waren, hen naar hartelust konden beschouwen en beschimpen. Het was niet om aan te hooren, boe het gepeupel hen lasterde. Maar zij bleven hedaard. Babington groette zelfs met de del-tigheid, die hem eigen Avas en hem bij iedereen bemind maakte.
Voor het gerecht, verhaalde men, bekenden zij zich schuldig Maria Stuart te hebben willen bevrijden en ook de plannen van Panna omtrent eene landing van vreemde troepen niet aange-
â 308 â
geven to hebben, doch zij loochenden bepaald plannen tegen het leven van Elisabeth beraamd te hebben. Savage alleen bekende dit en zeide, dat een zekere Gilbert Gilford, vroeger leeraar in de philosophic te lleivns, hem gezegd had, dat de moord der koningin eene verdienstelijke daad ware. Ook Babington kon niet loochenen, dat hij kennis had gedragen van de bloedige plannen van Savage.
Het schoonst sprak de priester Ballard. âIk beken, dat ik aan de bevrijding der koningin van Schotland werkte; dat ik in het land rondreisde, om den ouden godsdienst weder in te voeren, beken ik evenzeer, maar dat ik plannen gemaakt heb tegen liet leven van Mare Majesteit de koningin, dat ontken ik.1' Aldus antwoordden al de anderen, doch het hielp hen weinig. Volgens de wet. hadden zij den verschrikkelijksten dood als straf voor hoogverraad verdiend, welke ook over hen uitgesproken werd.
Den 2(r,ni', September 158(5, Dinsdag na de uitspraak van het vonnis, werd de eerste helft der veroordeelden terechtgesteld. Het Was een zonnige herfstmorgen. Eene menigte gerechtsdienaars begeleidde den treurigen stoet. Drie borden waren ter plaatse om de arme veroordeelden ter strafplaats te sleepen. Klokslag (.) ure werden de arme slachtolfers buiten geleid en daarop vastgebonden.
De directeur der gevangenis gaf een teeken en de paarden trokken voort. Op de eerste horde lagen de priester Ballard, Babington en Savage als de zoogenaamde hoofden der samenzwering. Daarop volgden Titchbourne en Barneveld, en twee hunner vrienden, die minder bekend waren, sloten den stoet. De mannen schenen bedaard en moedig en men kon ze den psalm
- m -
Miserere, hooren bidden. Men sleepte ze door de stad naar St. Gilles, waar zij hun plan tot bevrijding van Maria Stuart gesmeed hadden. Daar onder de schoone eiken boomen waren de galg en het schavot opgericht, dat zij moedig bestegen. Ballai'd verklaarde nog eens, dat hij, wat hij gedaan had, ter goeder trouw en ter wille van den godsdienst had gedaan en nooit had hij iets tegen het leven der koningin beraamd. Ook Uabington verzekerde te goeder trouw gehandeld te hebben en bad om vergeving. Titchbourne hield eene langere toespraak tot het volk, waarin bij zeide, dat hij stierf als oen ofïer der reebtvaar-diquot;heid en nooit iets tegen de koningin had willen ondernemen, maar als ijoed katholiek wilde sterven. Hierna baden zij weder.
Nadat Ballard zijne lotgenooten de H. Absolutie gegeven had, volgde de voltrekking van liet verschrikkelijke vonnis. Volgens bevel van Elisabeth moesten de pijnen der veroordeelden zoo lang mogelijk verlengd worden. Hij volle leven en bewustzijn werd Ballard in stukken gesneden. Op hem volgde Babington, wiens jeugdige schoonheid grooten indruk op de aanwezigen maakte. Herhaaldelijk hoorde men hem in de onmenschelijke foltering roepen: âParee mihi, Domine Jesu.quot; En zoo stierven ze alle zeven beurtelings.
De indruk door deze vreesdij ke slachting en bet geduld der slachtolTers op het volk gemaakt, Avas zoo sterk, dat men, uit vrees voor een opstand, de strai verzachtte. De verminking werd op de lijken uitgeoefend.
Den 25 Augustus bracht men Maria Stuart van Tixall naar Cbartlev terug, waar de wanorde barer meubelen, van baar lin-
t7 O7
uengoed, hare kostbaarbeden en bare papieren haar weldra de
oorzaak haver kortstondige verwijdering verklaarde. Om het zegel te zetten op deze even onbillijke als onheusche bejegening, kwam l'awlet haar eenige dagen later het geld, dat zij nog bezat, ai'-nemen en den troonhemel uit hare kamer verwijderen.
Hare trouwe Kennedy trachtte hem te vermurwen en sprak hem toe: âWel hoe, mijnheer, hoe durft gij,... raak toch den lessenaar barer Majesteit niet aan...quot;
Pawlet haalde juist een kostbaren halsketen daaruit en vroeg ;
âWaar komt dat sieraad van daan, dat is zeker bestemd om een der wachters om te koopen ? Waar dat zat, zit nog meer,quot; en intusschen woelde bij alles door elkander.
âTerug, vermetele. Hierin liggen de geheimen mijner moestere,-i.quot;
âHare brieven zijn in handen der koningin; maar wat is dit alles nog ?quot;
âOnbeduidende letteroefeningen, fransche verzen.quot;
âDes te erger, want deze taal spreekt de vijand van Engeland.quot;
âDit zijn concepten van brieven aan de koningin van Engeland gericht.quot;
âDie zal ik wel aan Hare Majesteit bezorgen. Maar wat schitterde daar binnen ?quot;
Bij deze woorden trok hij uit een foudraal een koninklijk diadeem, doorvlochten met de fransche leliën. âBewaar dit bij het overige,quot; zeide hij tot zijn gezel. âZoolang zij nog iets bezit, kan zij nog omkoopen, want in bare band is alles wapen.quot;
âAch, heer, heb medelijden,quot; bad Kennedy. âOntneem de arme toch bet laatste kleinood niet, dat zij bezit.quot;
âHet is in goede handen. Men zal bet haar eerlijk ter goeder tijd teruggeven,quot; was het antwoord van Pawlet.
- !jll -
âWie zou gelooven l)ij liet zien (lozer kale muren, dat hier eene koningin woont. Zij moet den voet op den steenen vloer zetten, terwijl zij door de pijnlijkste rlmmatiek gefolterd wordt! Zelfs haar kleine spiegel werd uit hare kamer verwijderd !quot;
âZoolang zij haar ijdel beeld in den spiegel ziet, houdt zij niet op te hopen en te wagen.quot;
âZij heeft geene hoeken om haar den tijd te korten en haren geest te verstrooien.quot;
âWel hoe ; en liet men haar dan den hijhei niet. at heeft zij meer noodig om haar ijdel, lichtzinnig hart te hekeerenr1
âMylord, is dat een lot voor iemand, die opgevoed is als zij, die in de wieg reeds koningin was en aan het fransche hoi in weelde en vreugde werd opgevoed ? Ts het niet genoeg dat men haar alle macht benam? Moet men haar nog alle vreugde misgunnen ? In een groot ongeluk leert een grootmoedig hart zicli voegen, maar het valt zeer bard zich de kleine gemakken en vreugden des levens te ontzeggen Vquot;
âZij moet,quot; aldus ging Pawlet voort, âhaar misdadig leven in gebrek en vernedering boeten.quot; Kennedy gaf hem echter niet toe.
âAls zij in hare jeugd gedwaald heeft, Mylord, zoo moet zij dit met God en haar eigen hart afdoen. In Engeland heeft niemand het recht haar te oordeelen en zij is bier in het land steeds te nauw opgesloten geweest om eenig kwaad te bedrijven.quot;
âEn toch weet zij van uit die enge cel den fakkel van den burgerkrijg te ontsteken, tegen Hare Majesteit, die God behoede, den booswicht Savage en Babington op te ruien tot koningsmoord! Heeft baar kerker haar belet het edele hart van den hertog van Korfold te omstrikken? En schrikt zijn jammerlijk
- 312 -
voorbeeld de razenden af, die wedijveren om zicli voor haar in den afgrond te storten.quot;
âGevloekt zij de dag, waarop mijne goede Meesteres den voet zette op Engelands grond! Thans na al iietgeen men haar reeds heeft doen lijden, durft men haar, eene geboren vorstin voor gewone rechters dagen, als ware zij eene gemeene misdadige! Maar zie daar komt mijne Meesteres zelve.quot;
âZij draagt liet Christusbeeld in de hand, hoovaardij en wellust in haar hart,quot; en met deze woorden koos ridder Pawlet de partij zich te verwijderen, doch talmde nog.
Kennedy haastte zich Maria Stuart te geinoet te ijlen; toen de koningin zag, welke wanorde in hare kamer heerschte, zag zij Kennedy verwonderd aan en vroeg : âWat is bier gebeurd, Hanna.quot;
âAch, Mevrouw, uw lessenaar is opengebroken, uwe brieven en papieren, de laatsten uwer juweelen uit Frankrijk neemt hij mede! Gij hebt nu niets koninklijks meer, hij heeft u van alles beroofd.quot;
âKomaan, Hanna, die sieraden maken de koningin niet uit. Pawlet kan mij laag behandelen, maar hij kan mij niet verlagen, ik heb in Engeland veel leeren verdragen,quot; en zich tot Pawlet keerende, zeide zij : âMijnheer, gij hebt u door geweld datgene toegeëigend, wat ik u nog heden wilde geven. Bij mijne papieren bevindt zicli een brief voor mijne koninklijke zuster van Engeland. Geef mij uw woord van eer, dat gij baar dien trouw zult overgeven en niet in Burgleys hand zult leggen.quot;
âTk zal bedenken wat ik (e doen heb.quot;
âIk wil u gaarne den inhoud mededeelen. Mijnheer. Ik smeek haar daarin om de groote gunst van Haar zelf te spreken. Men heeft mij gesteld voor een gerechtshof van mannen, die ik niet
voor mijne gelijken erkennen kan. Elisabeth behoort tot mijn geslacht, mijne familie en mijnen rang. Aan haar alleen kan ik mijn hart openen. Ik smeek haar nog om eene tweede gunst, die onmenschelijke wreedheid alleen mij weigeren kan, te weten ik smeek haar om den troost der Kerk, om de weldaad der heilige Sacramenten. Zij, die mij kroon en vrijheid rooven, zullen mij toch de deur des hemels niet willen sluiten?'
âOp uw verzoek zal de deken der plaats......
âIk wil niets van den deken. Ik eisch een priester van mijne eigene Kerk. Ik vraag ook daarin een notaris om mijn laatsten wil op te maken, ik mag beschikken over datgene, wat mij toebehoort en wil voor het lot mijner dienstboden zorgen.quot;
âDaartoe hebt gij de vrijheid. De koningin van Engeland zal zich door geen diefstal verrijken. Voor uwe dienstboden is gezorgd.quot;
âNog eene vraag, mijnheer, alvorens gij u verwijdert. Gij laat mij hier in eene bange onzekerheid. Mijn lot ligt in de handen mijner vijanden. Eene lange maand is verloopen sedert de veertig raadsleden mij hier kwamen overvallen, mij onvoorbereid zonder de hulp van een advokaat voor een gerechtshof stelden. En sedert die dagen zwijgt elke mond! Tevergeefs zoek ik in uwen blik te lezen, of mijne onschuld, de ijver mijner vrienden, of de haat mijner vijanden heeft gezegevierd. Breek eindelijk dat zwijgen, laat mij weten wat ik te vreezen of te hopen heb.quot;
âSluit uwe rekening met den Hemel, Mylady.quot;
âIk hoop op Gods genade, en op het recht van mijne vijanden.quot;
âGerechtigheid zal u geschieden, twijfel daar niet aan.quot;
âIs niijn proces beslist ?quot;
âTk weet het niet.quot;
âBen ik veroordeeld ?quot;
âIk weet niets, Mylady.quot;
âMen gaat hier gaarne ijlings te werk; zal de moordenaar mij evenals de rechters overvallen ?quot;
âDenk dat dit het geval zal zijn, dan zal de moordenaar n heter gestemd vinden, dan de rechters.quot;
âNiets zal mij meer verwon leren, Sir; ik weet wat de koningin van Engeland durft doen.quot;
.Zij, die Engeland bestuurt, behoeft niets te vreezen, dan het oordeel van haar geweten en het Parlement.quot; Na deze woorden verliet Pa wiet den kerker van Maria, die in diep nadenken verzonk, waaruit zij een oogenblik later door sir Mortiner, een neef van Pa wiet, getrokken werd.
Deze trad eerbiedig tot haar en gaf haar eene kaart over van den hertog van Guise, haar oom, waarop Maria met verwondering deze woorden las: âVertrouw sir Mortiner, want ge heht geen trouwer vriend in Engeland.
Maria zag hem met verwondering aan en zeide met aandoening
âBedriegen mij mijne oogen niet, mijnheer. Eeeds geloofde ik mij van hemel en aarde verlaten en een vriend staat mij ter zijde in wien ik als neef van mijn cipier een mijner vijanden meende te zien.quot;
Mortiner Avierp zich aan hare voeten en bad: âVergeef mij mevrouw, het zoo hatelijk masker, dat ik verplicht was te dragen om u hulp en redding te kunnen bieden en waaraan ik het te danken heb, dat ik u kan naderen.quot;
â 315 â
,,Spreek, mijnheel*, doe mij het geluk begrijpen.quot;
Mortiner stond op. âDe tijd vervliegt. Majesteit, weldra zal mijn oom hier zijn. Alvorens u het vonnis verrasse, zal ik u mededeelen hoe de hemel n te gemoat komt.quot;
âEen enkel woord omtrent mij zelve. Als twintigjarig jongeling trok de liefde tot de kunst mij naar Italië. Op mijne reis door Frankrijk maakte ik kennis met vele edele Sehotsche jongelingen, die mi j met uwen oom, den kardinaal van Guise, in kennis brachten.quot;
âO welk een verstandig, welk een waarlijk groot man is hij ! Hij is waarlijk een voorbeeld van esn koninklijk priester, een kerkvorst, wiens gelijke ik nooit ontmoette.quot;
âAch sir! mocht gij het aangezicht zien van den man, die mijne jeugd geleidde? O, spreek mij van hom. Denkt hij nog aan mij? Is hij nog welvarend, nog gelukkig? Staat hij nog daar als een rots der Kerk?quot;
âDie groote man gewaardigde zich mij zelf in de geloofsleer te onderwijzen, allen twijfel uit mijn geest te verbannen en mij in den schoot der ware Kerk op te nemen. In zijne handen zwoer ik de dwaling af.quot;
âDan zijt gij een der duizenden, die hij door de verheven kracht van zijn woord tot het eeuwig heil gevoerd heeft.quot;
âHij zond mij daarna naar Heims, waar ik den edelen Morgan leerde kennen en ook den geleerden bisschop van Ross, die in Frankrijk verbannen leven moet. Ik sloot mij bij deze heeren aan, die mij in het geloof versterkten. Op zekeren dag viel mij in de woning van den bisschop het heerlijk portret eener vrouw in het oog, dat mij zoodanig boeide, dat ik mijne blikken er niet van kon afwenden, waarop de bisschop mij zeide:
Maria zegent Imre getrouwen
âWol moogt gij getroll'en worden door dit beeld, want het is liet portret van de schoonste en tevens de zwaarst beproefde aller vrouwen, en het is in uw vaderland, dat zij lijdt!quot;
âO, die goede vriend; neen, ik heb al wat mi j dierbaar is nog niet verloren.quot;
âHierop begon hij met hartroerende welsprekendheid mij uw martelaarschap en den bloeddorst uwer vijanden at' te schilderen. Omtrent dezen tijd ontving ik het bericht, dat gij, mevrouw, uit het slot van graal' Talbot waart weggevoerd en in de banden van mijn oom waart gesteld. Hierin meende ik de wondervolle schikking der Voorzienigheid te erkennen, die wellicht mijn arm zou willen bezigen om u te verlossen. He kardinaal gaf mij hiertoe zijn raad en zegen en mijne vrienden beloofden mij gaarne bunne hulp. Ik vlood naar het vaderland terug, doch vind dat de beslissing nadert . . . .quot;
âTs mijn vonnis geveld? Heel liet mij genut lUido. Ik kan het hooren.quot;
âHet is geveld; de twee en veertig rechters hebben het âschuldigquot; over u uitgesproken. Het I longer en het Lager Huis, henevens de stad Londen dringen op de voltrekking van het vonnis aan; maar de koningin draalt. Zij wil dat men haar dwinge; niet uit een gevoel van menschelijkheid!quot;
âSir Mortiner, gij verrast mij niet. Sedert lang was ik op zulk een boodschap voorbereid. Ik ken mijne rechters. Na al de mishandelingen, die ik heb geleden, begrijp ik wel, dat men mij mijne vrijheid niet wil terug schenken. Ik weet wat men wil; men wil mij tot eene levenslange gevangenschap veroordeelen.quot;
âNeen, Majesteit, o neen, daarbij blijft men niet. Zij doen
â 31!) -
hun werk niet ten halve. Zoolang gij leeft vreest ook de koningin van Engeland. Geen kerker begraaft u diep genoeg. Uw dood alleen bevestigt haren kroon.quot;
,,Zou zij het wagen mijn gekroond hoofd smadelijk door den heul te doen afhouden?quot;
âDat zal zij wagen, twijfel er niet aan!quot;
âZou zij aldus hare eigene majesteit en die van alle vorsten in het stof durven vertrappen? En vreest zij do wraak van Frankrijk niet?quot;
âZij vreest geene wapenen, zoo lang zij in vrede leeft met haar eigen volk, en dit land. Milady heeft in de laatste tijden menige vrouw op het schavot zien sterven. Elisabeth's eigene moeder en Katharina 1 Toward volgden dezen weg. Ook Jeanne Gray was een gekroond hoofd.quot;
âKeen, Mortiner, uwe vrees verblindt u. liet schavot vrees ik niet, maar er zijn andere middelen, die opzien baren en Elisabeth zouden geruststellen. Liever dan de beul zij mij een sluipmoordenaar in den kerker; daarvoor sidder ik en nooit zet ik den beker aan mijne lippen zonder te vreezen, dat de liefde mijner koninklijke zuster hem mij gebracht heeft.quot;
II ier trad Kennedy binnen en melde het bezoek van Lord Burgley, die met Eidder Pawlet de gevangenis van Maria Stuart ^ binnentrad. Sir Mortiner haastte ziel» langs de andere kamer te verwijderen.
Pawlet nam met zijne gewone driestheid het woord.
âGij wenscht eenige zekerheid omtrent uw lot, Mevrouw, Zijne II eerlijkheid komt u die brengen.quot;
âIk hoop dat gij die beslissing met onderwerping zult aan-
- 320 -
hooivn Mevrouw,quot; zei Lord Jkirgley met zijne gewone trotsclie houding.
âIk lioop ze met wanrdiglnud te ontvangen, Mylord, met de waardigheid, die der onschuld past ?quot; hernam Maria.
âTk kom als afgezant van het gerechtshor.quot;
âLord Ikirgley, die het gerechtshof zijn geest leent, leent het heden ook dienstvaardig zijn mond. Ter zake Mylord.quot;
âGij heht n aan het gerechtshoC der twee-en-veertig onderworpen, Mylady.quot;
âVergeef me, Mylord, dat ik u reeds hij het begin in de rede val. Gij zegt dat ik mij aan het oordeel der twee en veertig onderworpen heb; ik heh mij daaraan in het geheel niet onder-worpen. Hoe kan ik het? Ik kon noch mijnen rang, noch de waardigheid van mijn volk, van mijnen zoon, en van alle vorsten zoover niet verloochenen. In de Engelsche wet staat wel degelijk bevolen, dat ieder aangeklaagde door gezwoornen van zijn gelijken moet geoordeeld worden. Wie in den raad is mijn gelijke? Slechts koningen!quot;
âGij hebt de aanklacht aangehoord, n daarover tegenover het gerechtshof uitgelat on.quot;
âJa, ik heb mij door II at tons list laten verleiden, die mij onvoorbereid voor hunne rechtbank riepen, ter liefde mijner eer en in de hoop daardoor mijn recht te doen zegevieren I dit deed ik nit adding voor de persoon der Lords, niet wegens hun ambt, dat ik niet erken.quot;
âOf gij dit erkent of niet, Mylady, is eene loutere formaliteit, die den loop van het gerecht niet weerhoudt. (Jij ademt de lucht van Engeland, geniet de weldaad der bescherming van de weten derhalve zijl: gij aan derzelver heerschappij onderworpen.quot;
- 3'Jl â 21
âIk mli'iu de ling'olsclu! lucht iu, in ccn niuiwcn kerker, heet di! in Imi^'cImiuI leven? de wel (land dor wetten genieten r1 Ik beu eeue vrije, luiiteulaudsclie koningin.quot;
âEn deukt gij dut de koninklijke utuiin u tot vrijbriel dient om in een vreemd land stralVeloos leed en tweedracht te zaaien.
âIk wil de wettigheid der rekenschap niet hetwisteu, doch wel de hevoegdheid der rechters. Mylord Hurgley, ik twijfel niet ui' er is eeue wet gemaakt, die uitdrukkelijk ten doel heelt mij te treilen. Wee het arme slachtolfer, dat getroll'eu wordt dooiden mond van hem die de wet uitgedacht heeft. Kunt gij loochenen. Mylord, dat deze akte verzonnen is tot mijn ondergang.quot;
âTot uwe waarschuwing moest zij dienen; gij zelve hebt ze tot valstrik gemaakt. (Jij zaagt den afgrond voor uwe oogen en hoewel gewaarschuwd, verhoudt gij u met Babington, gij wist van alles, bestnunlet de samenzwering van uit uwen kerker.quot;
âWanneer heb ik dat gedaan?quot; vroeg de koningin, âik vraag bewijzen ?quot;
âDie heeft men u onlangs voor het gerecht getoond.quot;
âJa, de kopiëen door vreemde hand geschreven. Dat men mij de echte documenten voorlegge, dat men mij bewijze, dat ik ze aldus gedicteerd heb, zooals men ze mij voorleest.quot;
âBabington heeft voor zijnen dood bekend, dat bet dezelfde
is, die hij heeft ontvangen.quot;
âEn waarom heeft men hem niet levend tegen over mij gebracht? Waarom heeft men zich zoo gehaast hem te dooden, alvorens men hem mij voor oogen stelde ?quot;
âOok uwe beide geheimschrijvers Kurl en Nau verzekeren onder cede, dat bet de brieven zijn, die zij uit uwen mond nederschreveu.
- 822 -
âEn op de getuigenis niijner dienstboden veroordeelt men mij?quot;
â(Jij zelve hebt den Seliot Kurl voor een man van trouw en geweten verklaard.quot;
âAldus kende ik hem, maar de getrouw heid der mensehen wordt alleen beproefd in het uur van gevaar. Wellieht heeft de folterbank hem zoodanig beangstigd, dat hij datgene bevestigde, Avat hij niet wist, omdat hij hoopte door valsche getuigenis zijn leven te redden.quot;
âHij heeft het onder eede gezworen!quot;
âWelnu, Mijnheer, dit zijn twee nog levende getuigen. Stel die tegenover mij en laat ze in mijn gezicht hunne getuigenis herhalen. Waarom mij deze gunst, dit reebt weigeren, wat men zelf den moordenaar niet weigert?quot;
âHet is niet alleen uwe medeplielitigheid met Habington.quot;
âIk weet het; er is hier geen sprake van recht, maar van geweld,quot;
Burgley haastte zich de koningin te verlaten; hij gevoelde, dat hij tegenover haar erne moreele nederlaag geleden had.
âZij trotseert ons, ridder Pa wiet, zij zal ons t rotseeren tot aan de trappen van het schavot. Zij beeft niet voor het vonnis. Hebt gij haar een enkele traan zien storten, haar van kleur zien veranderen? Dit trotsche hart laat zich niet breken. Zi j smeekte niet om medelijden. Wel kent zij de twijfelmoedigheid van Elisabeth en onze vrees maakt haar overmoedig.quot;
âAis ik het u zeggen mag. Lord Burgley, zijn er in haar proces onregelmatigheden geslopen; men had Titehbourne en Babing-ton, benevens hare geheimsclm jvers voor haar moeten brengen.quot;
âNeen, neen, ridder Pawlet, dat liet zich niet wagen. Zij oefent zulk eene macht op de gemoederen, en de kracht barer tranen is
â 323 -
zoo ffroot, diit Kurl zeker het woord niet zou durven, noeli wil-
o '
len uitspreken, dat haar het loven kosten zou. Hij zou seliroom-vallig terugtrekken en zijne hekentenis herroepen.quot;
âNu zullen de vijanden van Kngeland de geheele wereld vervullen met hatelijke geruchten. Heel het proces zal ons als eene misdaad aangerekend worden.quot;
âDit vervult de koningin met grooten kommer. Ach, ware zij, die zoo veel kommer veroorzaakt toch gestorven, alvorens zij den voet op Engelands bodem zette.quot;
âDaarop zeg ik gaarne Amen.quot;
âOf liadde de eene ol' andere ziekte haar in den kerker weggemaaid.quot;
âAVij zouden toch als de moordenaars worden uitgekraaid. ^1 en kan den menschen niet beletten te denken wat zij willen. De wereld gelooft niet aan de recht vaardigheid eener zaak, zoodra eene vrouw het olTer wordt.
âWat wilt ge dan, Lord Burgley, haar het leven laten rquot;
âNeen, nimmermeer, .luist dit is het wat de koningin vreest, wat haar den slaap uit de oogeu verdrijft. Ik lees den strijd harer ziel in hare oogen, doch haar mond durft hare weusehen niet uitspreken.quot;
âWat kunnen Avij er aan doen, Mylord, daaraan kunnen wij nu niets veranderen.quot;
âWel kon dit, meent de koningin, als zij maar opmerkzamer dienaars had.quot;
âOpmerkzamer rquot;
âDie eene stomme opdracht wisten uit te voeren.quot;
âEen stomme opdracht?quot;
- 324 -
âDie, nis men liun eon giftige slang te bewaken gaf, het toe-vei-frouwd 2)iin(l niet als een kostbaar kleinood zonden beware. Toen men de Scbotsebe dame bij Shrewsbury weg nam en aan ridder Pawiet vin-tronwde, was men van gevoelen......
âIk hoop, Mvlord, dat men van gevoelen was, dat men den zwaar-sten plicht aan de reinste handen moest toevertrouwen. Waarlijk, ik had dit cipiersambacht niet aangenomen, indien ik niet gemeend had dat het den braafsten man in Engeland vorderde.quot;
â.Men behoeft slechts uit te strooien, dat zij wegteert; men laat haar zieker en zieker worden, eindelijk stil verdwijnen; zoo sterl'l zij in het aandenken der menschen en uw naam blijft zuiver en onbevlekt.quot;
âMaar niet mijn geweten.quot;
âIndien gij zelf hiertoe uwe hand niet wilt leenen, zult gij toch de vreemde hand niet afwijzen.quot;
âGeen moordenaar zal haren drempel overschrijden, zoolang mijn dak haar beschut. Haar leven is mij heilig, heiliger wellicht is mij het hoofd niet van de koningin van Engeland. Gij zijt rechters, breekt gij zelf den staf!quot;
XXXIV
STAATSBELEID.
m^M|eei'tien clagon hield Walsinglmm mij, zijn neef, in zijn â â¢Â®Â®J eigen iiuis gevangen. Toen kwam iiij op zekeren avond tot mij en sprak mij zeer vriendelijk toe. Eindelijk vroeg hij of ik mij bezonnen had. Ik antwoordde hem bedaard en vastberaden, dat ik mij niet beter bezinnen kon dan ik reeds lang gedaan had en ik besloten had de stem van mijn geweten te volgen al moest het mij dan ook het leven kosten.
Toen stond hij op en riep: âWelaan, zoo als ge verkiest. Dezen avond nog ligt gij in den Towerquot; en met deze woorden verliet hij mij.
Toen het donker was geworden, trad de oude Gray hij mij binnen. Hij plaatste eene lantaarn op de tafel en zei aarzelend. âJonker, Mijnheer de Staatssecretaris laat nogmaals vragen of uw woord van dezen morgen het laatste is in de bewuste zaakquot; en toen ik met âjaquot; antwoordde, sehiulde hij het grijze hoofd en begon mij te bidden en te bezweren toch medelijden te hebben met mijne jeugd. âHet helpt toch niet, Mijnheer, gij kunt niet tegen den stroom zwemmen. Mijnheer. Uw getuige wordt tegenover den Staatssecretaris niet aangenomen; de bewijzen zijn
- 326 -
viM'iiictig'd. Daar licht ge dio twoc geliciiuschvijvcrs, die wilden eerst ook iiK't liet hoofd door den muur loopen en getuigden, dat zij liever wilden sterven, dan linnne goede meesteres aldus smadelijk verraden. Maar nu draaien zij zachtjes hij uit vreeze voor den Tower en de lolterhank (Mt getuigen, dat de hun door \Valsinghain voorgelegde hriel' hun echt schijnt, en het laat zich voorzien, dat zij iioijj meer zullen nithrengen. Lieve hemel, liet leven is zoet en de lolterhank is vreeselijk en zij hehhen gelijk met datgene te zeggen, wat men van hen verlangt en wat men hen toch op de folterbank zou afdwingen, als zij halsstarrig weigerden. (Je!ooi' mij, mijn lieve jonge heer, gij kunt Maria Stuart niet redden, maar alleen u zelf ten verderve hrengen en uwen oom in de koninklijke ongenade mede trekken. En nog iets in vertrouwen, omdat ik u als kind gekend heb, en u alle goed toewensch; het vermogen van uw oom is in groote wanorde. Gij weet, hoe â nu zeggen we spaarzaam â de koningin met hare gelden voor Staatkundige belangen is. Voor hare kleederen alleen i.s zij verkwistend ; elke week een nieuw kleed uit de kostbaarste stelle en met juwcelen bezet of liever overladen! Die kosten buitensporige sommen, en de heer schatmeester weet dikwijls niet waar ze te balen. Daaruit volgt, dat Wal singham sedert lang zijne honderden spionnen, die hij overal in Parijs, Madrid en Home, zei I's in de kloosters en Seminarien onderhoudt, grootendcels uit eigen middelen moet bezoldigen. Dit laatste Hahington's complot, dat hij door zijne lieden opmerkzaam naging en door zijne spionnen tot zijn doel leidde, heeft hem vooral veel geld gekost. IS'u heeft hij bet, wel is waar, nooit van zich kunnen verkrijgen, om zoo als Burgley, voor zich de
;i'27 -
geconfiskeei'de goederen der papisten to vragen, en hij is go-mïneerd als hij geen hij zonder genadig geschenk van de koningin krijgt. Maar voor n was hij van plan Elisabeth het groote vermogen van Bahington te vragen, die een der rijkste edellieden van het land is en hij zon het verkrijgen, daar hij u voornamelijk het gelukken van de ontdekking der samenzwering toeschrijft. Tot nu toe staat gij hoog in de gunst van Elisabeth ! Tweemaal heeft zij boden gezonden om naar uw toestand te vragen, en of de hevige koorts, die gij in don dienst llarer Majesteit u op den hals gehaald hebt, nog niet verminderd is; men hoopte weldra betere berichten aan het hof te ontvangen.quot; En het volgend bericht zal luiden. âHij is dood en hegravenquot; zeide ik, âen zoo zal het hlijven. Als de poort van den Tower zieli achter mij sluit, ben ik in deze wereld dood en hegraven.quot; âTk dank u, mijn goeden Gray, gij meent het goed met mij. Maar ik wil liever dood en begraven zijn, dan zulk eene hloedschuld op mij te laden. Dat mijn Oom daardoor moet lijden, doet mij van harte leed, doch hij moet daarin berusten volgens de oude spreuk: Ondank is 's werelds loon.quot; Nu trok Gray een papier van onder zijn wambuis en zeide, de hand op mijnen arm leggend; âDan neem ik u op bevel van den heer Staatssecretaris in hechtenis in den naam der Koningin.quot;
Ik volgde hem gewillig. Aan de huisdeur namen twee ge-wapenden mij in hun midden en geleidden mij langs nauwe straten naar de rivier. Daar wachtte ons eene boot, die ons binnen weinige minuten aan de werf van den Tower bracht, liet was een schoone zomernacht. De volle maan bescheen de vele tinnen en torens der verschrikkelijke vesting, waarin ik levend
- 828 -
begraven moest worden. Nog eens beschouwde ik liet heerlijk ürmament met deszei I's prachtig fonkelende sterren, nog eens ademde ik de koele, zuivere nachtlucht in, die een zachte oostenwind mij van de kusten over den stroom toewaaide, nog eens luisterde ik naar de tonen eener vroolijke muziek, die uit de tuinen van Southwarek tot mij klonk. Ik zeide tot mijzelven : âNog een oogenblik, en gij ligt, (lod weet in welk onderaardsch gewell', gij zult het lirmament nooit meer aanschouwen, nooit de 1'rissche lucht meer inademen noch muziek en gezamj; der men-schen meer hooren!quot;
Wij voeren langs de groote koningstrap en de verraderspoort en legden aan bij een kleine trap. Toen wij aanlegden, fluisterde (Jray, die tot dusverre sprakeloos naast mij gezeten had, mij nog eens in het oor: âEen woord en wij keeren terug.quot; Maar ik schudde zwijgend het hool'd en hij zeide: âVooruit dan !quot; De smalle ophaalburg werd neergelaten. Een man trad ons van uit de schaduw te gemoet en zeide tot antwoord op een hem door zijn geleider toegelluisterd woord : âAll right, compliment aan den heer Staatssecretaris.quot; Hij wenkte met de hand en geleidde mij door een poortje in de vesting. Aan den bloedtoren werden wij door een schildwacht aangeroepen, de man, die mij geleidde en dien ik thans in den maneschijn herkende als Sir Owen llopson, de luitenant van den Tower, gal' antwoord. Daarop betraden wij den Tower Green; ik wier}) een laatsten blik op het schavot, waarop Anna Boleyn, alsook de laatste Plantagenet hun bloed vergoten hadden, op de door den maneschijn beschenen dreigende torens, en op de sterren, die zoo liefelijk nederzagen als ware er geen Tower cn geen leed op aarde en volgde mijn stommen ge-
leider in zijn huis en door deszeifs gangen naai* den klokkentoren, waar hij mij de gevangenis opende die voor onbepaalden tijd, waai'selnjnlijk tot mijnen dood, mijne wereld zou worden.
Ik herkende de cel op den eersten blik. Het was die, waarin in de dagen van Hendrik VIM de bisschop van Rochester, John Fischer opgesloten werd, die met den kanselier Thomas Moms en eenigc anderen den moed had voor het katholiek geloof te sterven. Zulk een kerker is een overwelfd vertrek van vijf schreden in het vierkant. Naast de deur stond een zwaren steenen schoorsteen, waaronder een strooleger geplaatst was. Het was een der beste vertrekken van den Tower en toch sidderde ik hij de gedachte, dat ik tusschen zulke vochtige, kale muren den winter en wellicht nog vele volgende winters zou moeten doorbrengen. Maar de gedachte, dat eeue halve eeuw vóór mij een vijf-en-zeventig jarig grijsaard, dezen kerker in het ruwste jaargetijde bewoond en geheiligd had, vervulde mij met moed en vertrouwen, ik beval mij dus aan dezen edelen lijder, wierp mij op het stroo en sliep weldra in. De bisschop verscheen mij in mijnen droom, maakte het kruis over mij en sprak; âMijn zoon, het kruis is het teeken van den zegen, en slechts door het teeken des krnises schenkt de Kerk den zegen.quot;
Jlet was helder dag, wel te verstaan zoo helder als het in mijn kerker worden kon, toen ik ontwaakte. Ik hoorde de zware grendels aan de deur van mijn kerker wegschuiven, toen knarste er een sleutel in het slot en een oud man, wien een grijze baard op de breede borst hing zette met een niet onvriendelijk âGod zegene het,quot; eene stijve meelsoep of brij tot ontbijt neder. Daarbij legde hij een stuk brood en zette een kruik water in eene nis
in den muur. âAldus deed het uw voorgangei' ook, omdat het daar voor de ratten en muizen veiliger is!quot;
Nu begon voor mij het treurig leven van een gevangene.
Verplaatsen wij ons intussehen eeuige oogenblikken naar een anderen kerker, waar een koninklijk slaehtoll'er (!lt;gt; voltrekking harer marteling afwaeiit en afscheid neemt van degenen, die haar tot dezen dag zoo liei'devol dienden. In de maand September had men Maria naar liet slot Fotheringhay gebracht, daar Chartley geene zaal groot genoeg bezat om de heeren A an het gerechtshof te plaatsen. Maria had altijd dit somber verblijf met schrik beschouwd en toeu zij voor de ophaalbrug aankwam, riep zij op eenen toon, die bare bewakers niet verteederde, doch het hart harer (rouwe dienstboclen innig trof: â11\ ben verloren.quot; Onder dezen heeft de geseliiedenis ons vooral den naam bewaard van een zekeren ridder Mei vil, die opziehter van baar huis was. âZeg mij edele ridder,quot; aldus ondervroeg zij hem met groote genegenheid en belangstelling, âzeg mij, boe ging het u sedert men u van mij afrukte? De onrust omtrent uw lot heeft mij menig uur van kommer bereid.quot;
âMijne grootste zorg en kommer waren. Mevrouw, mijne vrees voor uw lot, het gevoel mijner onmacht om u te dienen.quot;
âWat is er van mijn ouden kamerdienaar, van Didier geworden P Slaapt liij reeds den slaap der gerechten?quot;
âNeen, Mevrouw, deze genade heeft God hem niet bewezen. 11 ij leeft nog steeds, om u zijne geliefde Meesteres te betreuren.quot;
âAch, hadde ik toeli den troost, voor mijnen dood liet geliefde hoofd mijner bloedverwanten te kunnen omhelzen, maar ik ben veroordeeld om tusschen vreemdelingen testerven ! Slechts uwe tranen
kan ik /jon vlooien. Melvil, mij no wenschen, mijne vevlan^ons voor mijne dicrharcn, leg ik in uw trouw liart. Ik l)eveel mij in de gedachtenis van Z. H, den I'aus en bid hem mij te zegenen. Ik heveel mij in het aandenken van heel het koninklijk luiis van Frankrijk, vooral van den koning, aan mijn oom den kardinaal, van Hendrik Cuise, mijn koninklijken neef, allen staan in mijn testament en ik hoop, dat zij de geschenken mijner liefde, hoe gering ze rnogen zijn, zullen aanvaarden. U allen hel) ik mijn koninklijken hroeder van Frankrijk aanbevolen. Hij zal voor u zorgen, u een nieuw vaderland geven en indien gij waarde hecht aan mijne laatste bede, zoo blijft niet in Engeland. Beloof mij, zoodra ik niet meer ben, dit rampzalig land te verlaten.quot; Melvil beloofde dit in aller naam. De koningin ging aldus voort: âEn het weinige dat ik, arme, nog bezat en waarover ik mocht be-scbikken, heb ik onder u verdeeld. Men zal zoo hoop ik mijn laatsten wil eeren. U mijne trouwe ilanua, bekoort het goud niet. Neem dezen doek, ik heb dien eigenhandig voor u geborduurd en menige traan is daarover gevallen. Met dezen doek moet gij mij blinddoeken, als het zoo ver is. Dezen laatsten dienst hoop ik van mijne llanna te ontvangen. Kn nu, mijne vrienden, komt allen en ontvangt mijn laatst vaarwel.quot; Zij reikte allen hare hand, die zij schreiend kustte. âVaarwel, Bertha, gij hebt het beste deel gekozen. Gij wilt de Bruid des hemels worden. O, haast u uwe gelofte te voltrekken, want de goederen dezer aarde zijn bedriegolijk ! Leer dat van uwe koningin.'' Hierop verwijderden zij zich allen behalve Melvil, tot wien Maria Stuart zeide :
âNu bob ik met de aarde afgerekend en hoop alvorens uit
doze wereld te sclieitlcn aan alle verplichtingcu voldaan te hebben. Sleelits eene zaak bedrukt nog mijne ziel. Ik sta aan den rand der eeuwigheid ; ik moet voor mijn alwetende rechter ver-sehijnen en de priester der Kerk wordl mij geweigerd! Ik wil sterven in het geloot' mijner Kerk, want zij is de alleen Zaligmakende !'
âWees gerust, Mevrouw, bij God geldt het verlangen voor de daad zelve.quot;
âAch, hoe gelukkig zijn zij, die in de kerken zich tot het gebed kunnen vereenigen! Ik alleen ben daarvan uitgesloten! De zegen der Kerk dringt niet in mijnen kerker door.quot;
âGod verlaat u niet in uwen kerker. Mevrouw; H ij is u nader, dan gij wel meent. Ilij, die eens het water deed vloeien uit de rots, kan u ook in den kerker een altaar bereiden. Hij kan dezen kelk, die u slechts verkwikking bracht voor deze aarde spoedig veranderen in een kelk, die u de hemelscbe verkwikking brengt.quot;
âMelvil hoe moet ik u verstaan? Hier is geen priester, geen kerk, geen II. Sacrament, maar de Verlosser spreekt: âWaar er twee in mijnen naam vereenigd zijn ben ik in hun midden.'' Dit meent gij zekerV âNeen, Mijesleil, hoor hoe God een wonder deed ten uwen gunste. (Jij zegt, hier is geene kerk, geen priester. Gij dwaalt. Hier is een priester, en een God is hier tegenwoordig.quot; Eij deze woorden ontblootte hij zijn hoofd en toonde haar eene heilige hostie in eene gouden pixis.
âik ben priester. Om u in staat te stellen eene laatste biecht af te leggen en u vrede te schenken op uwen kruisweg heb ik mij priester laten wijden en ik breng u namens den heiligen
- 33H â
Vader den Paus deze hostie, die Z. Jl. zelf geconsacreerd heeft,
âO, God zij geloofd! die mij aan don drempel der eeuwigheid dit hemelsch geluk gevvaardigt te schenken. Zoo als eens een engel den Apostel uit des kerkers handen geleidde, zoo (reedt ook nu mijn Zaligmaker door de gesloten deuren en komt, nu elke aardsche redder mij ontnomen is, mij hier vertroosten.
En gij, die eens mijn dienaar waart, die uwe knie voor mij hoog, thans leg ik geknield aan uwe voeten in het stof.quot;
Nadar de koningin hare hiecht had afgelegd en de 11. Teerspijze ging ontvangen, vroeg Melvil haar:
âMevrouw, er hlijft u nog een harden kampstrijd te doorstaan. Gevoelt gij u sterk genoeg om elk gevoel van bitterheid en haat te trotseeren ?quot;
âIk vrees niets meer Melvil, ik heh haat en liefde aan God opgeofferd 1quot;
âWelaan! hereid u dan om Lord Burgley te ontvangen.quot;
âik kom,quot; aldus sprak Hurgley, âLady Stuart, om uwe laatste hevelen te ontvangen.quot;
â lleh dank Milord.quot;
âHet is de wensch der koningin, dat u niets hillijks geweigerd worde !quot;
âMijn testament, dat ik in Sir Pawlets hand gelegd heh, hevat mijne laatste wenschen en ik verzoek, dat het getrouw uitgevoerd worde.quot;
âVerlaat u daarop.quot;
âIk verzoek dat mijne bedienden ongedeerd naar Schotland of naar Frankrijk, volgens hunne verkiezing mogen vertrekken.quot;
âDit zal geschieden volgens uwen wensch.quot;
- m -
âEu wijl mijn lichaam niet in gewijdo aarde kan ruston, zoo verzoek ik dat men veroorloove, dat deze trouwe dienaars mijn hart naar Frankrijk brengen naar de mijnen! Ach, het was daar altijd!quot;
âliet zal geschieden, lleht gij overigens nog....quot;
âI'ivng tiiin de koningin van liiigcland mijn zusterlijken givx't. Zeg haar, dat ik haar mijnen dood van liartc vergeef. Dat God haar behoede en eene rustige regeering schenke.quot;
âSpreek, hebt ge u nog niet bezonnen? Versmaadt gij nog den bijstand van den deken?quot;
âIk ben met mijnen God verzoend. Sir Pawlet, ik heb u zonder het te willen, veel leed veroorzaakt. O laat mij hopen, dat gij niet met haat aan mij zult denken.quot;
Pawlet reikte haar de hand en zeide: âGod zij met n. (Ja in vrede.quot; Lord Eurgley las de ongelukkige toen het doodvonnis voor, dat zij zonder eenig toeken van ontroering aanboorde.
Toen Eurgley ophield met sproken, zeide zij, dat nu de dag was aangebroken waarnaar zij zoo lang gehaakt had en dat zij hare twintigjarige gevangenschap niet roemrijker kon eindigen, dan door haar bloed voor den godsdienst te vergieten.
Vervolgens herinnerde zij aan al het leed, dat haar was aangedaan, aan al de listen en lagen haar door hare vijanden gelegd, en hare band op een Nieuw Testament leggende, dat men haar in hare gevangenis had laten behouden zeide zij:
âIk neem God tot getuige, dat ik nooit plannon gevormd heb tegen het leven der koningin, dat ik dit nooit aan iemand gevraagd heb, dat ik er nooit in heb toegestemd.'
âDit,quot; zei een hoveling, die Eurgley gevolgd was, âis een paapsclie
bijbel die ceil is niet geldig*.quot; âliet is een katholieke bijbel,quot; antwoordde de koningin âen daar ik dien besebouw als de eenige ware, rnoet gij mijn eed bescbouwen als den beste, dien ik kan afleggen.quot;
Maria keerde zieb toen tot den graai' van Sbrewbnry en vroeg wanneer het vonnis uitgevoerd moest worden; bet antwoord luidde : âJlloryoii ochtend ten acht avequot;
XXXV.
HOE EENE KONINGIN STERFT.
m Moen do gmven vertrokken waren, barstten do dienstbodnn
in zuchten en tranen uit, maar de koningin legde hun liet
stilzwijgen op en troostte hen.
âliet is nu het oogenhlik niet om te schreien; wij moeten ons
veel eer verheugen. In eenige uren zal mijn langdurig lijden
een einde nemen. Laat mijne vijanden nu vrij zeggen, wat zij . ..
willen. Zij zeiven hehhen zich verraden, liet is mijn godsdienst, die mij ter dood doet veroordeelen. Weest dus bedaard en irela-
o
ten en laat mij, mij aan Gods barmhartigheid aanbevelen.quot; Zij *
begon dadelijk te bidden.
Na eenigen tijd riep men de koningin voot het avondmaal. Zij at zeer weinig, maar alvorens de tafel te verlaten dronk zij op de gezondheid van al hare bedienden, die haar geknield baden hun al de fouten te vergeven, die zij in haren dienst be-® ' * h vbben, bet^oGU zij uit goeder harte deed en hun van hare zijde om vergiffenis vroeg, indien zij hen ooit hard be-
oo
handeld mocht hebben. Vervolgens gaf zij hun andermaal eenige wenken voor de toekomst en beschuldigde Nau nogmaals de oorzaak van haren dood te zijn.
- -
i
Maria braclit ecu yiMloclte van dcu nacht door in het schrijven van drie brieven aan haren biechtvader, aan haren neef de Guise en een aan den koning' van Frankrijk. Vervolgens volbracht zij verschillende godsdienst oefeningen met hare beide kamerjulfers lianna Kenedv en Elisabeth Curl. Tegen vier ure des morgens strekte zij zich op haar bed uit, doch men bemerkte aan het voortdurend bewegen barer lippen, dat zij niet sliep, doch bad.
Toen de dag aanbrak liet zij al h ire bedienden roepen, las hun de copie van baar testament voor, verdeelde baar geld en hare kleedcrcn tusschen ben cu nam afscheid van allen door de vrouwen te omliclzen en den mannen hare liand te laten kussen. Daarna begaf zij zich in bare bidplaats en knielde voor het al-laar. Al de haren volgden haar en vereenigden hunne gebeden met de hare.
Tegen zeven ure opende men de deuren der groote zaal van het kasteel in welks midden men een met zwarte stof overdekt schavot had opgericht. Het schavot was door een leuning omgeven.
De edellieden der omstreken traden met hun gevolg binnen.
De soldaten van Pawlet plaatsten zich rond de zaal achter de edellieden. Er waren ongeveer twee honderd toeschouwers.
Eenige minuten voor acht ure zond men eene boodschap naaide koningin, die liet zeggen,dat zij over een half uur gereed zou zijn.
Nadat die tijd verloopen was begaf de sherif Andrews zich naar de bidplaats der koningin. Maria Stuart stond dadelijk op, nam met hare rechterhand het kruisbeeld van het altaar en hield haar kerkboek in hare linkerhand.
ITare dienstboden wilden haar volgen, doch men verbood het hen, en daar zij er op aandrongen, vermaande de koningin hen
zich te omlcnverpcu on gat' liuu haren zogen, dien zij gokniold ontvingen. Toon do doiu- zich achtor haar sloot, hoorde men in de zaal luinno smartkroten en haar gesnik. Daarop werd Maria door twee graven en hare wachters in ontvangst genomen.
Aan don voet van den trap stond Molvil, die men tot dit oogenhlik den toegang tot haar had geweigerd.
âAch, Mevronw, rioj) deze trouwe dienaar haar toe, wat zal men in Frankrijk zeggen, als men hoort dat mijne goede meesteres in Engeland onthoofd is ?
De smart verstikte zijne stem en helette hem hier een woord hij te voegen.
âMijn goede Mei vil,quot; zeide hem de koningin, bedroef n niet, verheng n liever, Maria St nart bereikt weldra het einde van haren kruisweg, (iij ziet het, deze wereld is slechts ijdelheid en biedt ons niets dan bitteren kommer en verdriet 1 Zeg aan allen, dat ik trouw aan mijn godsdienst, aan Schotland en aan Frankrijk sterf. God vergeve bnn, die dorstten naar mijn bloed. O mijn God, Ciij zijt do bron aller waarheid, (iij zijt de waarheid zelve. C!ij kent den grond aller harten, (iij weet, dat ik steeds do vereeni-ging van Engeland en Schotland begeerd heb. Molvil, herinner mij aan mijn zoon, groet hem lt;'11 zeg hom, dat illt; niets gedaan heb, dat de waardigheid en onafhankelijkheid van zijn troon kon krenken, niets dat de aanmatigingen onzer vijanden kon onderstennon, en snikkend voegde; zij er bij; âMijn goede Molvil, vaarwel ! bid voor nwe meesteres en koningin.
Na dit hartroerend afscheid vroeg Maria aan don graaf van Kent als cone gnnst, dat hare bedienden bij haren dood mochten tegenwoordig zijn, maar Kent haastte zich te bemerken, dat zij
door Imn geklaag (mi gesnik slechts verwarring zouden veroorzaken en dreef de wreedheid zoover van te durven zeggen, dat zij in staat zouden zijn hunne doeken in haar bloed te doopen.
âMilord !quot; zeide de koningin, âik hlijl' horg voor hen, zij zullen zich onberispelijk gedragen en uwe Meesteres, de maagdelijke koningin, zal uit eerbied voor hare kunne het niet laken, dat ik eenige mij-ner vrouwen bij mij heb.quot; En daar zij geen antwoord kreeg, voegde zij er bij : âGij zoudt mij gunstiger zijn, indien ik niet de koningin van Schotland ware? En daar de graven nog zwegen, ging zij voort : âBen ik dan de nicht niet uwer koningin? Ben ik geene nakomeling van Hendrik Vil, ben ik de koningin-weduwe van Frankrijk niet !quot; Deze woorden deden den graaf van Kent. besluiten, dat Maria vier mannelijke en twee vromvelijke huisbedienden bij zich mocht hebben. Zij liet haar hofmeester Melvil, haar dokter, haar heelmeester en haar apotheker roepen, benevens Kennedy en Curl.
Daarop trad de stoet, door den Sheriff en zijne beambten vergezeld, vooruit. Achter deze traden Pawlet en Drury benevens de twee graven, door de koningin gevolgd. Melvil droeg den sleep zijner meesteres. Maria droeg hare rijkste kleederen; eene batisten muts met kant gegarneerd met een naar aebtergeworpen kanten sluier, die tot den grond afhing. Zij droeg een zwart satijnen mantel met taf van dezelfde kleur gevoerd, die aan de voorzijde rijk met bont versierd was, met eene lange sleep en lange mouwen. De gitten knoopen, in den vorm van eikels waren allen met paarlen omzet. Zij droeg een kraag :i I'ltalienne, het kleed van zwart gebloemd satijn Hei een onderlijf van karmozijn rood satijn doorschijnen, dat met fluweel van dezelfde
kleur afgezet was. Een keten van welriekende kralen, waara ni een kruis hing, versierde haren lials en twee rozenkransen liingen aan haar middel.
Met vastberaden stap trad Maria de zaal binnen; zij beefde niet bij het zien van het schavot, den noodlottigen blok, noch den beul. Pawlet bood haar den arm, om haar hij het beklimmen van het schavot te ondersteunen:
âIk dank U, mijiiheer,quot; zeide hem Maria âdit is de laatste moeite, die ik U geven zal, en de laatste dienst, dien gij mij zult kunnen bewijzen.quot; Zij zette zich op het tabouret, dat voor haar gereed stond. De heide graven stonden aan hare rechterhand, de Sheriff en de secretaris van den raad. Heal, stonden ter linkerzijde. De scherprechter stond met zijne knechts, allen in zwart fluweel gekleed, aan de andere zijde van het schavot. Beal las het vonnis, waarop Maria Stuart met zachte en heldere stem, waarin geene vrees doorstraalde deze woorden sprak :
âMijne heeren, ik neem het woord om u te doen opmerken, dat ik eene geboren en onafhankelijke vorstin ben, die volstrekt niet onderworpen hen aan de jurisdictie van het Engelsche parlement. De omstandigheden en het vertrouwen in de beloften, die mij gedaan werden, hebben mij naar dit land getrokken om er als slachtolfer van het geweld en de onrechtvaardigheid te sterven. Maar ik dank God, die mij gelegenheid geeft hier openlijk mijn geloof te belijden. Ik verklaar te willen sterven, zooals ik geleefd heb, in den schoot der katholieke, apostolische, roomsche Kerk, ik verklaar daarenboven, dat ik nooit eenig complot tegen het leven der Koningin van Engeland heb uitgedacht, aangemoedigd noch goedgekeurd en ik haar nooit lang kwaad heb willen
â 34S -
doen. Ik verklaar, dat ik van harte vergeef aan allen, die mij sedert twintig jaren zoo hardnekkig vervolgd liehben.quot;
De deken van Petersborough, in wien de graaf van Kent een groot godgeleerde zag, doch die op dezen noodlottigen dag slechts een bitter, scherp, onbillijk hart toonde, onderbrak de koningin, om haar op brutalen toon toe te bijten, dat zijne meesteres Koningin Elisabeth, hoewel gedwongen liet vonnis des gerechts omtrent baar sterfelijk lichaam uit te voeren, hem noclitans tot haar zond, ten einde haar de middelen te geven hare onsterfelijke ziel te redden en haar terug te voeren op den waren weg, buiten welken zij wel moest weten, dat er slechts eeuwige vervloeking te vinden was; dat zij nog barmhartigheid bij (iod kon vinden, indien zij de rechtvaardigheid barer straf erkende en de koningin oprecht bedankte voor al de gunsten, die zij van haar ontvangen had.
Verscheidene malen verzocht Maria Dr. Fletcher haar in hare laatste oogenbliliken niet te kwellen, doch haar gerust te laten sterven in het geloof barer vaderen! âAch, mijn God,quot; zeide zij, âwaarom laat (lij toe dat dezen man deze oogenblikken met bitterheid komt vervullen? Maar wijl Gij deze beproeving toestaat, bid ik U mij de kracht te geven ze zonder morren te verdragen!quot;
En daar de deken voortging, keerde Maria zich om, ten einde hem niet meer te zien. Toen liep de razende het schavot om en sprak haar nogmaals toe. Shrewbury onderbrak eindelijk gedeeltelijk dit schouwspel, doordien hij den deken beval, zich te bepalen tot het gebed, Fletcher gehoorzaamde onwillig en zijn gebed was slechts de voortzetting van zijne predikatie.
Maria luisterde er niet naar, doch zij bad vurig en herhaalde
â 344 â
â -
in hot liitijn liiirdoj) lan^c uittreksels uit de psalmen. Toen zij geëiiuligd luid had zij voor de katliolieke Kerk, voor haren zoon, voor Elisabetli, betuigde eene laatste maal hare ouscludd, (mi nam den Hemel tot getuige. Indion ik gciMi waarheid spreek, dat dan mijne ziel voor altijd uitgesloten worde uit uwe genade en hann-liartig'heid, en uit de, vruchten, die zij hoopt en verwacht van het Lijden en den Dood van uweu lieven Zo;m, Onzen I[eer Jezus Christus. Eindelijk hiel' zij het kruis op en had: âDoor uwe armen, o mijn (lod, die op hel kruis uitgestrekt werden, ontvang mijne ziel in uwe oneindige hannhartigheid en vergeel' mij mijne zonden.quot;
Alle aanwezigen, zoowel protestanten als katholieken, door heiligen eerhied doordrongen, waehtlen in diepe stille het einde van dit droevig tooneel. De hertog van Kent alleen had den wreeden moed de godsdienstige gevoelens van Maria te hesehim-pen door haar toe te roepen, dat zij met die paapsche kunsten moest uitscheiden. In dit oogenhlik hegonnen de twee ceredames van JVlaria onder een vloed van tranen hare meesteres te ont-kleeden, maar de heulen traden toe uit vreeze liunne rechten op de kleederen te verliezen. De koningin weerde hen al', tot de graven zeggende, dat zij niet gewoon was zich in zulk eene talrijke omgeving te ontkleeden, noch door zulke kamerheereii te laten bedienen. Hunne meesteres in zulk een belreurenswaardigen staaf ziende, konden Maria's bedienden hunne smart niet meer bedwingen, doch zij zelve gal' hen een teeken te zwijgen en te bidden. Toen nam Kennedy den door haar zelve gehord uurden doek der koningin en blinddoekte haar daarmede. De heiden grepen haar hij den arm en geleidden haar tot bij het blok.
- :i-17 -
waarop zij haar leven moest gaan eindigen. Daarbij gekomen, knielde de koningin neder en lierliaalde verscheidene malen, âlieer, lieer, in uwe handen beveel ik mijnen geest!quot;
Al de aanwezigen, twee uitgezonderd, a va ren diep getroffen, en konden hunne ontroering niet bemeesteren. Tranen rolden nit aller oogen, men hoorde slechts schreien en snikken. De scherprechter zelf werd er door ontsteld, en met bevenden arm zijn bijl opheffend liet hij ze machteloos neervallen en bracht het koninklijk slachtoffer slechts eene diepe wonde toe !
Eerst bij den derden slag werd het hoofd van den romp gescheiden, doch de koningin bleef reeds bij den eersten slag onbewegelijk liggen. Toen de scherprechter dit voorheen zoo schoone hoofd in de hoogte hiel', waren de spieren zoodanig vertrokken dat uien moeilijk er de trekken van de koningin van Schotlund in herkende: âLang leve Koningin Elisabeth !quot; riep de beul, terwijl hij het bloedend hoofd aan het volk vertoonde.
âDat al hare vijanden aldus sterven,quot; riep deken Eleteher. Zijne stem zou geen weerklank in de zaal gevonden hebben, indien de dweepzieke graal' van Kent er niet bijgevoegd hadde. âDatalde vijanden van het Evangelie aldus sterven.quot;
Nog een hartroerend schouwspel vertoonde zich aan de oogen der toeschouwers, liet arme hondje der koningin, haar Eido, dien men bad opgesloten, was ontsnapt, sloop op de voetstappen zijner meesteres op het schavot, hief een hartverscheurend gehuil aan, wierp zich op haar bloedig lijk, en likte het bloed van haren hals en het hartebloed op der koningin, dat op het schavot vloeide.
Ieder vertrok langzaam en bedroefd, terwijl men de tranen stil nfwischte, die de kwaadwilligheid wellicht als eene misdaad zou
aangwokond l)ob1)en, Avant het ware inderdaad ccno misdaad de ongelukkige, de edele Maria Stnavt lt;(gt; hebben durven beklagen en bewonderen.
liet lichaam der koningin werd nog denzeli'den dag in tegen-Avoordiglieid van l'awlet enden Sheril'ge1)al.senid on in een looden kist gesloten, welke men van S Februari 15S7 tot 1 Augustus in dezelfde zaal liet staan. Vijl.' en twintig jaren later werd het met groot praalvertoon in de kerk der abdij van Petersborough overgebracht (11 October 1812).
x x x I r.
ONTMASKERD.
a don tronrigen dood dor ongelukkige Maria vroegen 11 a re kaïnervrouwen de gunst, /elve iiare koninklijke meesteres
te mogen begraven. Haar lijfarts en heelmeester vroegen hunnerzijds het hart der koningin, om dit volgens verlangen hunner meesteres naar Frankrijk te mogen brengen. Maar dit werd hun norseh geweigerd; de toegenegen dienaars werden zorgvuldig bewaakt en het procesverbaal der terechtstelling werd opgemaakt en naar Uurgley gezonden, die te Greenwich de tijding van de voltrekking van het vonnis met ongeduld verbeidde.
Nadat men op bevel van J'awlet de zaal had doen ontruimen, waar de terechtstelling plaats had gehad, liet men het bloed zorgvuldig wegwasschen uit vreeze, dat men volgens landsgebruik er doeken indoopte om de partijgenooten van het slacbtoll'er tot wraak aan te zetten. Het blok, de behangsels, de kleederen van Maria, alles wat door haar bloed eenigszins bevlekt was, werd in de groote zaal van het kasteel verbrand.
De gevangenbewaarder Paw let deed ook alle voorwerpen, kerkboeken en rozenkransen, die de koningin bij hare terechtstelling droeg, verwijderen, die voor hare partijgenooten zoovele kostbare
â 350 â
i'cli'lilim hadden kunnen worden. IIij dreel' do wreedheid zelfs zoo verre, dat hij aan de ongelukkige dienstboden van .Maria alles liet afnemen, wat zij hun voor haren dood uitgedeeld had.
liet hoofd der ongelukkige vorstin van Schotland hleef, zoo verhaalt men, gedurende een uur uitgesteld voor een der vensters van de groote zaal. liet lijk werd vervolgens met het hoofd, in de bovenzaal van het kasteel gehracht en den volgenden dag zonder den minsten eerbied, in tegenwoordigheid van Pawlet en een dorpsgeneesheer, dooreen heelmeester bijgestaan, ruw gebalsemd. In deze groote, ledige zaal werd hoofd en lichaam in eene dubbele kist van eikenhout en lood gesloten, in afwachting van nadere bevelen van koningin Elisabeth, die slechts een half jaar later ontvangen werden. De dienstboden der overledene koningin konden geen ver-lol' krijgen bij het lijk hunner meesteres te komen bidden en om hen zelfs te beletten de kist te zien, liet Pawlet de deuren toespijkeren; daarenboven liet hij zich do n' den aalinjezenier van het kasteel de miskleederen overleveren, opdat bij de mis niet voor de rust der ziel van de ongelukkige koningin van Schotland zou kunnen lezen.
liet bericht der terechtstelling werd onmiddellijk aan Elisabeth medegedeeld, die zich hield als geloofde zij daarvan niets en zich vervolgens aan den grootsten toorn overgaf; zij beschuldigde hare ministers met de grootste hevigheid en verweet hun zich hare macht aangematigd te hebben door zonder haar weten noch goed vinden de koningin van Schotland te hebben doen terechtstellen. Zi j liet Davison in hechtenis nemen en in den Tower werpen, die volgens haar het door baar onderteekend vonnis niet aan den kanselier ter hand had mogen stellen en de schijnheiligheid tot
hot uitorsto punt di'ijvenclo, schaamde de koningin zich niet den vouw aan te nemen voor haai- slachtoffer, aldus meenende de koningen van Schotland, Frankrijk en Spanje te bedriegen en het onweder te bezweren, dat boven haar hoofd dreigde los te barsten.
Nog een bedrijf ontbrak aan de hatelijke komedie, die Elisabeth sedert den dood van Maria Stuart speelde. Om de schijnheilige vertooning te bekronen, liet zij het lijk van haar slachtoffer van het kasteel van Fotheringhay met de gewone plechtigheden, bij koninklijke begrafenissen gebruikelijk, in de kathedraal van Pe-tersbourgh overbrengen en het bij het intreden van het koor tegenover Catharina van Arragon, de eerste vrouw van Hendrik VITJ begraven, als wilde Elisabeth door deze plechtige eerherstelling Maria Stuart wreken voor de beschuldiging tegen haar leven geconspireerd te hebben en liet zich bij deze leugenachtige plechtigheid door de gravin van Bedford vertegenwoordigen.
Omringd dooi- al de teekenen der koninkschap richtte de gravin zich naar de groote zaal van het bisschoppelijk paleis alwaar op eene draagbaar eene bedekte figuur, die koningin Maria moest voorstellen, uitgesteld lag. Zij volgde deze figuur tot in de kerk met een groot getal engelsche pairs en al de vroegere bedienden der overleden koningin voor wie de koningin van Engeland mantels en rouwkleederen had gezonden; maar al deze brave lieden weigerden met verontwaardiging de gift, die men hun wilde schenken. Na eene belachelijke lijkrede van den protestantschen bisschop van Lincoln braken de ofllcieren van de koningin van Engeland en die van Schotland hunnen staf boven hun hoofd volgens liet ceremonieel der vorstelijke begrafenissen en ieder kwam en wierp de stukken op de kist.
XXXVII.
WAT DE WERELD ER VAN ZEIDE.
H bericht van den dood van Maria Staart maakte aan de ver-'EJ fSSiï H
' schillende hoven van Europa den meest verscheiden indruk.
In Schotland had het in al de klassen der maatschappij den diepsten indruk en het bitterste misnoegen opgewekt. Bij hot vernomen van den moord zijner moeder toonde Jacobus VI de koelste onverschilligheid, de monsterachtigste ongevoeligheid, maar tegenover de gevoelens zijner onderdanen geplaatst, veinsde hij verteedering en verklaarde openlijk, dat zulk eene misdaad niet ongestraft zou blijven. Hierdoor verontrust, haastte Elisabeth zich een barer naaste bloedverwanten als gezant naar Jacobus te zenden, om hem, naar zij zeide, de geheele waarheid te doen kennen. Zij schreef hem tegelijkertijd eigenhandig een brief, waarin zij, tot de nederigste beden dalende. God tot getuige nam van hare onschuld. âHadde ik,quot; zoo zeide zij schijnheilig, âzulk een bevel gegeven, dan zou ik hot openlijk durven bekennen, want mijn hart is niet zoo laag gezonken, dat de vrees voor een levend vorst mij zou kunnen beletten, datgene te doen wat ik rechtvaardig oordeel of het mij zou doen verbergen, als ik het gedaan had. Ik ben boven dergelijke aantijgingen verheven.
23
- 353 -
lloiul u (lus verzekerd, dat ik, wat ik ook gedaan had, nooit op andere schouders zou geschoven hebben.quot;
Na den afgezant van de koningin van Engeland, die tot Berwick gekomen was, verstaan gegeven te hebben, dat hij niet verder in het land mocht doordringen, scheen Jacobus zich met de veront-schuldhnnsen van Elisabeth tevreden te stellen. Te midden van
O O
den ofiicieelen rouw verloor hij don troon van Lugeland niet uit het oog en schaamde zich niet aan de moordenares zijner moeder te schrijven: âVolgens lietgenc uw afgezant Robert Carrey in uwe brieven mij zegt, zijt gij aan deze misdaad onschuldig. En daarenboven zou ik naar uwen rang en uw geslacht, uw bloedverwantschap met de overledene, den goeden wil dien gij ten haren opzichte aan den dag legdet, benevens uwe plechtige verzekeringen, u al te ongunstig beoordeelen, indien ik niet geloofde, dat uw gedrag in deze ongelukkige omstandigheid vlekkeloos geweest ware.
Jacobus VI schreef echter den z\\ aarsten rouw voor aan het bof van Schotland, wegens den dood zijner moeder. Al de edellieden onderwierpen zich nauwkeurig hieraan, behalve een enkele, die geheel in het staal voor den koning durfde treden en waagde hem te zeggen, dat de eenige behoorlijke rouwkleeding voor de koningin van Schotland eene wapenrusting was.
In Frankrijk was de rouw over Maria Stuart even zwaar als in Schotland. De nicht der LIeeren van Guise werd algemeen beschouwd als eene martelares voor het katholiek gelooi. In Parijs was de verontwaardiging zóó groot, dat de afgezanten van Elisabeth zich niet in de straten durfden vertoonen, uit vrees door bet volk vermoord te worden.
Ook de jonge Walsingham in zijn kerker moest uit goede bron
vornomon hoc mon ovor ^Favia Stuart dacht. Drie dagen na liet bloedig ireurspcl bvacht de commandant van den Tower zijn oom den Lord Staats-Secretaris in r.ijne gevangenis. De commandant wilde zich dadelijk verwijderen, doch de Staats-Secretaris, die er zeer bleek en verin )eid uitzag, wierp een blik rond het koude vertrek en zeide : âSir Owen, ik ben in den laatsten tijd niet wel geweest en de laatste gebeurtenissen hebben juist mijne beterschap niet bevorderd; daarom wilde ik u verzoeken mij met mijn neef eene eenigszins betere kamer aan te wijzen. Lieve Hemel! het is lu'st mogelijk, dal ik na korten lijd door bijzondere genade van Hare Majesteit ook hier in deze gewelven uw kostganger word, zooals thans de arme Davison! Maar zoo lang dat nog niet het geval is, zoude ik gaarne mijn oude knooken aan een gezelliger haard wannen!quot;
Onmiddellijk geleidde de commandant hen in het vertrek naast de raadzaal en stak eigenhandig het ingelegde hout aan, dat de vlam v rooi ij k deed opbranden. Toen liet hij ben alleen.
Nu eerst kon de jonkman de verandering bemerken, die de laatste vijl' maanden in zijn oom teweeg hadden gebracht. Arme man, hoezeer was hij veranderd! Hoe was zijn gelaat vervallen! De rijke met goud geborduurde hofrok Madderde hem om het lijf. Hij zette zich bij het vuur en stak zijne sidderende handen boven de vlam. Zoo zat hij huiverend zonder een woord te spreken, noch zijn neef aan te zien. Eindelijk onttrok hij zich aan zijne mijmering en wees hem een stoel aan. Hij scheen te vermijden hem aan te zien en het viel hem moeielijk zijn neef aan te spreken.
âIk,quot; zoo verhaalt de gevangene, ânam dus het woord en vroeg hem of hij ziek was?quot;
- li.V) -
â Ik ben het gewtiosl, ten minste een weinig ongesteld, ziek juist nic»!,quot; nntwoovdde hij, en voegde er mot een hitteven lach hij; âDat zal later komen. Eene hehandeling, zooals mij die heden vanwege onze (illcrycudilignlc (hij drnkte op dat woord) koningin ten deel werd na al de oilers, die ik haar gehracht heh, is rattekruid voor mijn lever. Ja, ja, ik zal mij wel moeten neerleggen als zij mij de moeite niet spaart en mij een geneesheer zendt voor alle kwalen, gewapend met hlok en hijl ol met strop en mes. Zij is waarachtig daartoe in staat en zal het doen, zoodra zij meent in ons hloed de vlek te kmmen arwasschen, die hare schijnheiligheid meent door den dood van Maria Stuart ontvangen te hehhen. Die arme duivel van een Davison ; het zal mij verwonderen hoe lang hij den strop ontloopt!quot;
Hij zweeg en warmde zich weder de handen aan de vlam en ik wist niet recht wat te zeggen. â(Jij maait wat gij gezaaid hcht,quot; dacht ik hij mij zeiven, âen uw politiek spel verdient eene veel grootere hocte.quot; Maar het was toch mijn oom, wien ik vele weldaden te danken en die mij heniind had. Toen ik hem aldus nedergeslagen voor mij zag zitten, steeg er medelijden voor hem o]) in mijne ziel en ik trachtte hem te troosten niet het vooruitzicht, dat hij weder spoedig de genade der koningin terug zou bekomen.
Maar Walsingliam wenkte mij te zwijgen, en zei: âZij heeft gelijk ! Zij handelt geheel naar mijne grondregelen. Als de politiek mijn hoofd cischt zal zij het mij afnemen, even goed aks ik dat van Maria Stuart afgenomen heb en als het staatsbeleid beter vindt, dat ik bier levendig in den Tower begraven word, zooals ik met u gedaan heb ol' zooals zij het met Arundel en
een dozijn anderen doet, dan zal zij mij hier in deze gangen laten verdwijnen, oi' als liet verstandiger scliijnt (lal inij een sluipmoordenaar van kant maakt, zooals het mot Nortlmmherland en reeds 100 jaren vroeger geschiedde lieve iEemel, de politiek handelde altijd naar znlke recepten! dan zal ik ook door dolk en vergif aan mijn einde komen ! !)ilt; is niets nieuws, vooral niet in de Engelsche geschiedenis.
âMaar zulk eene lage huichelarij, daarin overtreft onze goede koningin toch de meeste liarer hovelingen ! Haar vader was een monster, doch hnlde zich niet in zulk een mantel van deugd. Daarvoor is zij ook eene vrouwe !
Hij was opgesprongen en liep toornig op en neder. âHet is om te bersten ! Eerst dreel' en hitste zij ons op, dat wij het doodvonnis toch moesten uitspreken. En intusschen schreef zij aan Maria Stuart, dat zij hoopte, dat hare onschuld, waarvan zij zich overtuigd hield, toch spoedig aan den dag mocht komen. En toen het âschuldigquot; erkend was, wilde zij dat het parlement haar smeekte het te laten voltrekken. Dit geschiedde, - wan neer heeft sedert de afschatling van den ouden godsdienst ooit het parlement zich tegen de wenschen der kroon verzet r Zij antwoordde dat zulk eene hede haar hittor leed doet en vraagt om het gehed der heide Huizen, opdat zij in zulk eene gewichtige zaak moge handeion naar den geest Gods, en dan liet zij ons herhaaldelijk aan Sir Amias Tawlet en zijn medehelper Drury schrijven, dat hot haar wensch was, dat de veroordeelde in hot geheim van kant gemaakt Avorde. Nu, de oude Pawlet, hoe hitter hij Maria Stuart als Katholiek ook haatte, was er niet toe te brengen haar in stilte te laten vermoorden en hij hoeft er wel aan gedaan, want
wat zou liij uit danlc van haar ontvan^on hobben? Nu word on/c vrome koningin zeer zwaarmoedig; en klaagde over het ^cinis ann ware Arienden (gt;11 trouwe dienaars, en daar niemand haren wensch wilde vervullen, onderteekende zij eindelijk het doodvonnis. Aldus gal' zij het aan haren geheiiuschrijver Davison, met last het groote zegel er aan te hangen en haar met die zaak niet meer lastig te vallen. Dat was waarlijk duidelijk genoeg! Wij zouden dus het onderleekeude vonnis naar l,1ortheringha\, teu einde het te laten voltrekken. Ku toen zij het bericht ontving, dat het hoofd der grootste vijandin van Kugeland gevallen was, juhelde liouden L'I uren lang, zoodat gij het zell's in de gevangenis gehoord zult liehheu! Nu, zij hoorde het ook, maar deed als wist zij niet wat het heteekende, de schijnheilige huichelaarster, en daar verschijnt ze me plotseling vandaag in rouwkleederen en in tranen, zegt dat men de terechtstelling heimelijk verhaast heeft, jammert over hare goede zuster, laat den armen Davison in den Tower werpen en jaagt ons allen, ons, de vergrijsde dienaars van haren troon, met den ouden ihirglev en mij aan het hoofd, weg, als schooljongens die lumue les niet kenden, als honden, die â- maar ik mag mij zoo niet opwinden, want het is om er eene beroerte van te krijgen l Voor zoo gemeen en zoo dom had ik haar niet aangezien. Waarachtig, noch hare tijdge-nooten, noch hare nakomelingen zullen zich door zulk een wijl' laten hrdrieiren l Dan was Maria Stuart, dat moet zelfs haar
O 7
doodelijkste vijand bekennen, eene andere vrouw; A'an top tot teen eene koningin, eene heldin tot in den dood. Die zal men nog o]) de altaren vereeren !quot;
Mijn oom had zich weder voor het vuur gezet en pookte vol-
â 85S â
gons zijne gewoonte, als hij toornig werd, tie kolen door elkander dat de vonken rondvlogen! Na eenigen tijd word liij bedaarder en zeide : âLaat er ons niet meer van spreken! Ik kwam ook om heel andere reden hier, dan om over eene vrouw te klagen van wie men niets beters verwachten kon. Maar waar het hart vol van is, loopt de mond van over. Ik wilde u zoolang het nog in mijne macht ligt, een pas brengen, waarmede gij Engeland kunt verlaten, op welks grond er toch geene lauweren voor u bloeien! De diplomatische loopbaan is niet voorn geschikt. Zoek eene andere en wees gelukkiger dan uw oom. Gij hebt mij zeker wel vervloekt, toen ik u verleden zomer in den Tower liet opsluiten, maar geloof mij, het was meer uit liefde dan uit kwaad-beid, want hadde ik u niet in hechtenis laten nemen dan waart gij ongetwijl'eld voor hoogverraad den scherprechter overgeleverd. Ik zeg u dit, omdat ik door u niet verkeerd beoordeeld wil worden.quot;
Ik dankte hem voor den pas en wilde hem nogmaals van mijne liefde en hoogachting verzekeren, maar hij viel mij in de reden en zeide :
âNog iets, Frans; ik had gehoopt u een rijk vermogen na te kunnen laten, maar ik ben in den dienst van den Staat geen Croesus geworden en heb mijn klein vermogen bijna geheel geofferd en verloren. Zoolang ik in dienst ben zullen mijne schuld-eischers bet wel niet wagen mij aan te pakken en als ik dood ben kunnen ze maar zien wat er overblijft. Xeem dus deze kleinigheid voor lief; het is geen bloedgeld! Het zal uwe reis betalen (gt;11 ik zal u aan den Eranschen gezant aanbevelen, die naar zijn land terugkeert. I'we talenten zullen u verder door de wereld helpen. De eenige voorwaarde, waaronder ik n in vrijheid
- 3(il -
stel is, dat igt;v zoo laiii^ ik loef, de gesel lieden is van de vervnl-seliing' van den brief aan Eabington niet openbaai* maakt. Wilt gij mij dit op uw woord van eer beloven?quot;
Ik deed dit. Hij reikte mij de band tot vaarwel, en sprak tot den luitenant van den Tower; âSir Owen, mijn neef is vrij en kan den Tower verlaten als hij wil. Ik zal beden mijn kneebt met zijne kleederen en goederen zenden en intnsschen zult gij liem wel eeue betere kamer willen geven. En nu vaarwel, Frans, wij zullen elkander liier beneden niet meer wederzien. Zoek eene betere beloonin^ voor uwe werken dan mij ten deel viel.quot;
Hiermede reikte bij mij de band en vertrok. No^ zie ik bem, toen hij de gangen doorging. Op de trap wierp liij een laatste blik op mij, de laatste bier op aarde. Ik beb hem nooit weder gezien. Het is bekend hoe ellendig hij later stierl en boe men zijn lijk 's nachts heimelijk moest begraven. Hij stierl doodarm, na zooveel jaren ijverigen dienst.
De Katholieken za^eu hierin bet oordeel (Jods.
Ten slotte willen wij, als eene laatste bloem aan den gralkrans van Maria Stuart, met een woord den heerlijken lijkdienst beschrijven, dien Hendrik III in de kathedraal van Kot re-Dame te Parijs tot hare zielerust liet opdragen.
De gebeele prachtige kerk was met zwart laken behangen, terwijl verscheidene witte in elkander gevlochten draperién onder het gewelf langs de muren liepen en langs de pilaren nederhiugen. In bet koor stond een groot katalalk met de wapens van frankrijk, Engeland, Schotland en Ierland, die iVlaria in zich vereenigde ; daarover glinsterden in goud en edelsteenen kroon en scepter, terwijl hooge palmtakken herinnerden, hoe de marte-
- 302 -
laves in bloodipfcn strijd den zegc liad beliaiild. l*]cne zee van lieltt oin^af lie! geheel, godeeltelijk door zilveren kan(iel;i:ir.s, gedeeltelijk door lioo^e ambtenaars ^edra^en. liet gelieele liol', met name Z. ^1. Hendrik 111 en zijne koninklijke moeder Catharina van Mcdicis, benevens al de prinsen en princessen van koninklijken bloede, de doorlnelitii^e hertogen van (Jnise en de hoogste adel van l'rankrijk, vulde de eene liell'l van liet koor, terwijl de andere lieli't bezet werd door de hoogste leden der i^eestelijklieid, den panscdijken legaat, den kardinaal en aartsbisseliop van Parijs, eene ^elieele schaar van Insselioppen, prelaten, domliee-ren, doctoren van Sorbonne en oversten van geestelijke orden, liet wijde schip der kerk was volgepropt met eene schaar hiddenden, allen in zwaren rouw ^ekleiMl. iieeds het zien der kerk en der g-odsdiensti^e menigte, die treurde over den even glorierijken als on recht vaardigen dood eener verheven koningin, roerde allen tof tranen toe, en vooral toen de zachte tonen des orgels door de gewelven ruischten en de zangers van hel hol' het hartroerend Lihera aanhieven, weende menigeen als een kind en algemeen was men van gevoelen, dat in plaats van eene hede om harmhartigheid, men liever een juhellied moest aanbellen, zooals de Kerk ze op het feest der heilige martelaren aanheft.
Ook de Hoogwaardige bisschop van Ho urges, Heuard de Heaume, scheen van die meening, toen hij in zijne lijkrede luide getuigde, dat hij de smadelijk terechtgestelde beschouwde als eene ware, echte martelares.
Ach, hoe vele tranen werden gestort, toen hij als 't ware voor oogen stelde, hoe zij in de slotkapel te Fortheringhay rustig het schavot betrad en met vaste stem verklaarde : âTk ben koningin
- TO -
van geboorte, onafhankelijke vorstin en niet onderworpen aan do wetten van dit land; ik ben eene der naaste bloedverwanten van de koningin van Engeland en bare reehtmatige erfgename, ik lijd onrechtvaardig, maar ik dank God, dat ik voor mijn godsdienst sterven mag.
Ik ontken, dat ik ooit tegen het leven der koningin plannen gesmeed of er mijne toestemming aan verleend heh.quot; Daarop verhaalde de bisschop hoe, toen de protestantsche deken de stervende vermaand had, het katholiek geloof te verloochenen, zij geantwoord had, dat zij zich in niets van het oud katholiek geloof liet aftrekken, hoe zij, toen hij niettegenstaande deze verklaring, eischte het kruis weg te leggen, hem het gedenkwaardig antwoord gaf : âDat het moeielijk ging het beeld in de hand te hebben, zonder dat ook het hart er door getroffen werd, en dat niets den Christen beter op den weg naar den dood paste dan het beeld des Verlossers !quot;
Eene groote ontroering maakte zieh meester van liet volk, die steeds toenam naarmate de bisschop voortging; âHierna bad zij luide voor den Paus, voor de Kerk, voor de Christelijke vorsten, voor haren zoon en ook voor de koningin van Engeland en al hare vijanden. Hij het snikken barer dienstmaagden, troostte zij haar, zeggende: âVerheugt u in plaats van te weenen. Ik verheug mij uit deze wereld te scheiden en zeker voor zulk eene zaak!quot; Daarop legde zij biddend het hoofd op het blok en ontving den doodslag. O zalige, o glorierijke dag van zegepraal ! De eenige misdaad, die men baar bewijzen kan, was de belijdenis van het katholieke geloof! Gelukkige misdaad, benijdenswaardige aanklacht!quot;
Bij lipt v(n'lateii der Xotre-Dame hoorden wij de vraag stellen: Zal Elisabeth ook eens het hoofd zoo gerust nederleggen om te sterven als Maria Stuart het hare op het hlok nederlegde ?
En het antwoord der geschiedenis luidt : Neen, Elisaheth stierf een gruwelijken dood.
XXXVTII.
HOE ELISABETH STIERF.
I'Umnato de oude koningin verzwakte, werd zij
jegens de knlholieken. De gevangenissen waven opgeprojjt en daar de gmal'schajjpen zich beklaagden over de onkosten, welke de gevang'enen veroorzaakten, beval Ulisabetli dat zij tei- Ixvscliik-king der iiiagistraten zouden gesteld worden.
Eene menigte lieden, zonder aanzien van persoon, rang oi' staat, priesters, leeken, voorname vrouwen, werden onder voorwendsel van verraad door de goddelooze dochter van Hendrik VI11 in hechtenis genomen.
De rechters gaven zich de moeite niet meer, om bewijzen en getuigen te zoeken; zij gebruikten indringende vragen om den gevangenen te doen bekennen, dat zij zich met de Uoomsche Kerk verzoend oi' eenig katholiek priester geherbergd hadden, dat zij de zeeën overgestoken waren, den Pans als opperhoofd der Kerk en niet de Koningin als zoodanig erkend hadden.
Eene enkele dezer feiten was voldoende om iemand naar het schavot te zenden.
Wel is waar werd den schuldigen steeds het leven aangeboden,
â :wu â
j-
o]) voorwaarde dat zij dou g'ovestig'drn godsdimst zoudrn ('rkonncn, maar dit aanbod werd bijna altijd geweigerd en de weigering om ontrouw aan den godsdienst te worden, werd bijna altijd dooiden dood gestraft.
Dikwijls werden de ingewanden der slachtoiVers hun uit liet lichaam gerukt, terwijl zij nog bij volle kennis waren.
Men moet tot de tijden van Nero, van de wreedste llomeinsche keizers terugkeeren, om een tijd te vinden, die met de bloedige regeering van Elisabeth kan vergeleken worden.
Elisabeth, de waardige dochter van Hendrik V111, ging weldra bare bloedige regeering eindigen en hare verzwakking nam van dag tot dag toe.
Zij begon te begrijpen, dat zij oud en gebrekkig werd, dat zij weldra vaarwel zou moeten zeggen aan die noodlottige macht, die zoovele slachtoiVers gemaakt had en die de vurigste drift van haar leven geweest was.
Zij ging met reuzensehreden achteruit. Zij bleef den geheelen dag alleen, in gedachten, mijmerend en zwijgend zitten. Zij gaf zich aan de treurigste gedachten over. Het minste gedruis op straat boezemde haar nieuwe, ingebeelde angsten in, als eene rechtvaardige straf van zooveel misdaden; de eenzaamheid van haar paleis, dat door de hovelingen vermeden werd, de stilte der burgers, wanneer zij zich in het openbaar vertoonde, dit alles toonde haar, dat zij hare populariteit overleefd had, dat zij tot straf barer misdaden een voorwerp van afkeer was geworden. Dikwijls riep zij uit, dat het loven haar vermoeide, zij die steeds zóó bang voor don dood geweest was, dat niemand voor haar het woord durfde uitsproken.
- hgt â
Zij was niet meer de schoone, cle schitterende vorstin van vroegere jaren. Hare trekken waren verouderd en zij nam bijna geen voedsel meer. Haar lust om zich op te tooien was verdwenen. Zij bracht dagen na elkander in dezelfde kleederen door.
Niets behaagde haar meer. Zij plaagde de dames, die haar bedienden en maakte zich zeer boos op degenen, die haren haat opwekten.
Deze buien lagen in haar karakter. Elisabeth bad de blinde drift baars vaders geërfd. Zij was in alles de waardige dochter van Hendrik VIII. De minste onopmerkzaamheid, de lichtste oorzaak tot ontevredenheid verbitterde haar en bracht haar buiten zich zelve. Altijd was bare taal met vloeken vermengd. In hare aanvallen van toorn vloeide zij over van godslasteringen en ruwe beleedigingen.
Die koningin, door de dweepachtige protestanten zoo hoog verheven, bepaalde zich niet altijd tot woorden. Niet alleen de dames, aan haren dienst gehecht, maar ook de hovelingen en de hoogste Staatsofticieren werden door haar geslagen.
Eens pakte zij Hatton hij den kraag, gaf een oorvijg aan den graaf Maarschalk, spuwde op Sir Mathew Arundell, die haar door zijn uitgezocht toilet beleedigde.
Gedurende hare ziekte hield zij gewoonlijk een gouden beker in de hand, waarin zich een drank bevond, die haar eene schijnbare gezondheid moest mededeelen en dien zij dikwijls aan bare lippen bracht.
Voor meerdere veiligheid liet zij naast hare tafel een degen leggen, dien zij dikwijls in de hand vatte en waarmede zij den muur doorboorde. Bij een ruw en stormachtig weder verliet zij
Westminster om zich naar lliclunond te begeven. Zij vond nergens rust. De schimmen harer slachtolïers volgden haar overal.
Zij was toen ze ar verkouden. Hare ongesteldheid nam toe, maar met hare gewone hardnekkigheid weigerde zij den raad harer geneesheeren te volgen. I^ij liet verliezen van allen eetlust voegde zich nog de neerslachtigheid van den geest. In de eerste week van Maart werden de kenteekenen harer ziekte ernstiger.
Zij bleef uren achter elkander in een soort van verdooving zitten, werd somtijds een paar dagen beter en viel dan in denzelfden toestand teruor.
O
Toen de leden van den raad van de geneesheeren vernamen, dat er geene hoop op herstel meer was, bereidden zij zicli om de verbintenissen te vervullen, die zij met Jacohus van Schotland gesloten hadden, ten einde zijne inzichten op den troon van Engeland te bevorderen. '
De lord-admiraal, de kanselier en den staats-secretaris bleven met Elisabeth te Richmond, de anderen begaven zich naar Whitehall.
liet oogenblik was gewichtig, de te nemen maatregelen moesten het lot van Engeland en de fortuin dergenen, die thans het bestuur van Engeland in handen hadden ,voor goed bepalen.
De koningin dacht er niet aan zich bezig te houden met wat er op dit oogenblik voorviel. Gedurende de hevige crisis harer ziekte was zij bang voor de verschrikkelijke spoken, die zij zich in haar ijlen voorstelde.
Eindelijk weigerde zij hardnekkig zich naar bed te begeven; dag en nacht bleef zij op een tabouret zitten te midden van kussens, hield hare oogen onafgewend op den vloer gevestigd met de vingers op den mond en weigerde alle voedsel.
- Ã71 -
De goddelijke rechtvaardigheid begon te werken vóórhaar, die zooveel heiligen vervolgd had, voor de vijandin der Kerk.
De protestantsche bisschop van Londen en de heeren van den raad smeekten haar tevergeefs hare dagen niet te verkorten. Zij toonde hun de grootste minachting, behalve den lord-admiraal. Zelfs willigde zij toe uit de hand van dien heer een kop bouillon aan te nemen.
Maar toen hij haar smeekte zich te bed te leggen, antwoordde zij; âDat, wave hij (jetiiigo gciooosl van hptyrcn zij daur (jozlot hud, hij haar dezen raad niet zou geven.quot;
Toen Cecil haar vroeg of zij geesten gezien had, antwoordde zij, dat dit eene kinderachtige vraag was, die geen antwoord verdiende. Hij drong aan zeggende, dat zij zich te bed morst leggen, ware het slechts om haar volk tevreden te stellen.
âMoet,quot; zeide zij, âis het woord moet een woord, dat men de vorsten mag toespreken? Man, man, uw vader zou zich, indien bij geleefd bad, Avel gewacht hebben zich van eene dergelijke uitdrukking te bedienen. Maar gij zijt overnijedig g.iworlen, omdat gij wel weet, dat ik moet sterven.quot;
Vervolgens deed zij allen heengaan en hield den lord-major slechts bij zich en zeide hem met eene klagende stem:
âMylord, ik lig aan een ijzeren keten om den hals vast.quot;
Hij trachtte baar te troosten, maar zij zeide op wanhopigcn toon: âNeen, neen, ik lig vast.quot;
God toonde iu dit uur, dat voor allen verschrikkelijk, maar vooral verschrikkelijk is voor ben, die bloed gestort en hunne banden aan alle misdaden bezoedeld hebben, dat Hij zijne macht niet had afgestaan. Het vreesdij k licht der eeuwigheid begon
voor de oogon dei' goddeloozo dochtei' van flcndrik VIII te scliijnen.
Hij het begin harev ziekte had zij gezegd, dat zij van plan was den troon aan den wettigen erfgenaam te laten. Toen liai'e ministers haav op liet pnnt van sterven zagen, vonden zij dat het noodig was eene duidelijker verklaring ten gunste van den koning van Schotland te verzoeken.
Op den laatsten dag van haar leven begaven de drie lords van den raad, die te Ilichmond aanwezig waren, zicli bij haar en stelden haar eerst den koning van Erankrijk, vervolgens Jacobus van Schotland als opvolger voor.
Do koningin sprak geen woord en maakte geen de minste beweging.
Toen sprak'en zij den naam uit van Lord Beauchamp.
Dadelijk scheen Elisabeth in hare volle geestkracht bij te komen en zij zeide snel:
âIk wil dien man niet in mijne plaats.quot;
Dit was alles. De dochter van Hendrik VIII sprak niet meer. Zij verviel in een staat van volkomen ongevoeligheid, en den volgenden morgen ten zes ure verscheen zij voor God, om Hem rekenschap te geven over haar' misdadig en voor de Kerk zoo noodlottig leven.
Ten zes ure vereenigden zich de lords, die te Ilichmond gebleven waren, en voegden zich bij die van Londen.
Zij besloten eenparig Jacobus tot opvolger der koningin uit te roepen, zoo ter wille der bloedverwantschap, als omdat hij op baai- sterfbed door haar was aangewezen, want ondanks het stilzwijgen van Elisabeth hadden zij hot gerucht uitgestrooid, dat zij den koning van Schotland tot haar opvolger benoemd had.
quot;De nauwliartige on baatzviclitige politiek dei' ovevledon koningin
V
had den overgang van liet bewind onbeslist gelaten; dit was do waarheid, maar Jacobns van Schotland was inderdaad de naaste erTgenaam. Sedert jaren werd lt;!(gt; geest des volks geschokt door het vooruitzicht der gevaren, waaraan men bij don dood van Elisabeth blootgesteld zon zijn, maar geen enkele stem verhiel' zich ten voordeele van eenig ander kandidaat, zoodanig waren de geesten door de dwingelandij der Tudors onderworpen, en dank aan de behendigheid van den lord-major werd de troonsbeklimming van den zoon van Maria Stuart uitgeroepen, alvorens men wist dat de koningin overleden was. Volgens zijne nitnoodiging kwamen vijl'-cn-dertig personen, raadsleden, prelaten, staatsoflicie-ren, hem te W'liitehall opzoeken en met den lord-major aan het hoofd teekemlen zij de verklaring, dat Jacobus \rl wettig erfgenaam van het koninkrijk was.
Meu verloor geen oogenblik. Het stedelijk bestuur verzamelde zich voor bet paleis on begaf zich van daar naar Cheapside.
Op deze twee plaatsen werd de koning van Schotland door Cecil zelf uitgeroepen, èn de toejuichingen des volks, èn het gelui der klokken, èn de vreugdevuren getuigden van de algemeene vreugde.
Jacobus, de zoon der ongelukkige Maria Stuart, was zeven-en-dertig jaren oud. Hij ontving de tijding van zijne hooge verheffing met vreugde. Sedert lang was hij een troon moede, waar zijne geliefkoosde neigingen steeds door geldgebrek gedwarsboomd werden, en waar de groote denkbeelden, die hij zich van de koninklijke waardigheid maakte, steeds door de nauwe denkbeelden van de presbyteriaansche geestelijkheid werden bestreden.
Hij haastte zich bezit te nemen van zijn schitterend erfdeel.
])o droom zijnor vorhcoldiui'' loonde hem slechts rijkdom, macht en genot, en zijne venvachtinu; werd bevestigd door de toejuiching der menigte (gt;11 de feesten, welke de edelen hem alom aanboden. Hij deed met verrukking de Schotten van zijn gevolg opmerken, dat zij thans in liet beloofde land waren aangekomen.
Aldus traden de Stuarts weder op den troon hunner voorgangers, op den troon van haar, die voor de rechten van haren zoon streed, doch zeker eene hemelsche kroon verworven heeft, die veel schooner is, dan al wat de aarde haar kon bieden. Zelve heeft zij niets gesmaakt dan lijden, dan hittere vernedering, doch hoe veel zaliger was haar dood dan die barer onderdrukster, die geen andere nagedachtenis overgelaten beeft dan die eener wreede vorstin, eener vreeselijke vervolgsters van heilige priesters en godgewijde maagden, liet lijden van Maria Stu-irt was hevig, doch kort in vergelijking van de eeuwigheid.
Elisabeth beleetde wellicht gelukkige oogenblikken, doch wie zon in eeuwigheid met baar willen ruilen r
INHOUD.
voouredk.
hoofdstuk i. du Koningin-Wedtwe ....
HOOFDSTUK H. Maria Stt'aut ix Sciiotlaxd .
HOOFDSTUK III. Maria Sttiart ex Dauxley
HOOFDSTUK IV. Moord yax IIiccio .....
H O O F D S T U K V. Gichooutk vax Koxixg Jacorus VI .
HOOFDSTUK VI. Moord vax Darxley ....
H O O F D S T ü K VU. hl.'wk lij ic mei' bütuwell.
H O O F DS T U K VIII. De val .......
H O O F D S T U K IX.
De dixie ix de klauwex vax dex roofvogel
HOOFDSTUK XL Pogingen tot vlucht . ' .
HO OEI) STUK XI [. Babington's sa.menz\vering ....
HOOFDSTUK XIII. I?i:zoek bij den Staats-Secketahis Walsing it am
u o o f d s t u k xrv.
Een watertochtje ......
HOOFDSTUK XV. Een jong diplomaat. .....
HOOFDSTUK XVI. Nog eens hij Walsing ham ....
II OOFDST UK XVII. Nieuwe kennissen ......
II OOFDST UK XVIII. Twee Koninginnen ......
H OOFDST LT K XIX. Privaat ai dientie van jonkeii AValsinguam .
H O O F D S T U K XX. Kennismaking mut Baiungton.
HOOFD STU K XXI. Maria Sti art en haak lijearts du. Windsor
HOOFDSTUK XXII.
ekn i5e/oek van gllijert glei'orl) .
HOOF DST UK XXIII. Jonker Walsingiiam's hexokk rij Maria Sti akt
II O O V I) ST U K XXV. Wat de dag van morgen rraciit .
RL ADZ
HOO EDS T U Iv XXVI.
ElON slal'KIiOOZE nacht. . . . . . . 22G
11 O O V I) S T u Iv XXYIT.
Djo Gitoo'iK liitiKF van Maiüa Stuart .... 230
HOOFDSTUK XXVTir.
ElCN LAATSTK 11LIK oigt; CHAKTLEY ..... 211
II O O F DST UK XXIX.
een na 1' \v geloofbaar avontuur op de tlleems . . 250
II O O F 1) S T U K XXX.
Ha JilNGTON GEVANGEN . . . . . . .261
11 OOEDST UK XXXI.
Ekne koninklijke vrouav jn razernij .... 282
11 O O E 1) S T U K XXXII.
Een kna i* i»a vokaat, wiens diensten slecht iseloond worden 205
II O O E 1) S T IJ K XXXIII.
Laatste dagen van .Maiüa Stuart. .... 308
II OOEDST UK XXXIV.
Sta vrsiiELEJD ......... 32(5
11 OOEDST UK XXXV.
IIoe eene Koningin sterft ...... 337
11 O O E D S T U K XX XVI.
Ontmaskeiu) , 350
11 O O EDST UK XXX VII.
Wat de avekeed er van zei de. ..... 353
11 O O F D S T U K XXXVIII.
11 on Elisabeth stierf.......300