ocr page 1

R „UTRECHTSCHE STOOMDRUKKERIJ

P. DU-Nquot; BOER ^JJtrecht. — 1893.

ocr page 2
ocr page 3

U.*, |)T!?ECHT 771 q

BIBLIOTHEEK OER RUKSUi V.. .SiTElT UTRECHT

NTEN-LIËDEREN

RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT

0758 2764

GEDRUKT TKR „UTRECHTSCHE STOOMDRUKKERIJquot;.

1'. hent boer — utrecht. — 1893.

ocr page 4
ocr page 5

1 HST IT O XJ ID

1. Jö vivat................... I

2. lö vivat (Grieksche overzetting)........2

3. Gaudeamus..................4

4. Wilhelmus van Nassouwe...........5

5. Wien Neerlandsch bloed............11

6. Wij leven vrij, wij leven blij!.........14

7. Die Wacht am Rhein . . ............17

8. Utrechtnch Corpslied..............18

9. Vivat Senatus.................19

10. Groningsch Corpslied.............20

11. Leidsch Corpslied..............22

12. Delftsch Corpslied..............24

13. Tritonlied..................20

14. Tooneellied.................27

15. Nunc Cantus Resonet-Lied...........28

16. Hollandialied.................30

17. Sessalied...................30

18. Frisialied (Friesch Volkslied)..........32

19. Gelrialied..................33

20. Romance (Uit de opera: Fra Diavolo)......33

21. Légende de la mère Angot. (Uit de opera: La fille de Madame Angot)............34

22. Choeur des Conjurés. (Uit: La fille de Madame Angot) 37 28. Lied van Carmen. (Uit de opera: Carmen). ... 37 24. Soldatenkoor. (Uit de opera: Faust)......39

ocr page 6

«lailz.

25. Les Etudiants................40

26. Duet (Uit de opera Don Juan).........43

27. Die Lorelei.................44

28. Liebeslied..................45

29. Aria van Sarastro. (Uit: Die Zauberflöte) . ... 46

30. Afscheid. (Uit: der Trompeter von Sakkingen) . . 47

31. Tafellied...................48

32. Crambambuli.................•'ïO

38. Bekend Lied.................53

34. Slotkoor uit „Op den Maanbol'*........54

35. Bekend Lied. (Groenentooneel 1887)......55

36. Bekend Lied. (Groenentooneel 1889)............56

37. Bekend Lied. (Groenentooneel 1889)............59

38. Bekend Lied. (Groenentooneel 1889)............59

39. Ivoren uit Oedipus Rex of liet raadselachtige bonnetje...................

40. Le Roi Cambrinus. (Groenentooneel 1892). . . . 66

41. Perslied. (Groenentooneel 1892)........ 68

42. Groenenlied 1880...............69

43. Groenenlied 1881...............70

44. Groenenlied 1882...............71

45. Groenenlied 1883..............................72

46. Groenenlied 1884...............73

47. Groenenlied 1885..............................74

48. Groenenlied 1886..............................75

49. Groenenlied 1887..............................76

50. Groenenlied 1888..............................77

51. Groenenlied 1889..............................78

52. Groenenlied 1890...............SO

53. Groenenlied 1891...............81

54. Groenenlied 1892..............................83

ocr page 7

1.

I Ö VIVAT.

lo vivat! lö vivat! Nostrorum sanitas! Hoc est amoris poculum Doloris est antidotum ; lö vivat! Iö vivat! Nostrorum sanitas! Dum nihil est in poculo. Jam repleatur denuo; lö vivat ! etc.

lö vivat! lö vivat! Nostrorum sanitas! Nos jungit amicitia, Et vinum praebet gaudia lö vivat! Iö vivat! Nostrorum sanitas! Est vita nostra brevior, Et mors amara longior, lö vivat! etc.

ocr page 8

2

lö vivat! lö vivat! Nostrorum sanitas! Osores nostri pereant, Amici semper floreant! lö vivat! lö vivat! Nostrorum sanitas! Jam tota Academia Nobiscura amet gaudia, lö vivat! etc.

2.

IÖ VIVAT.

{Grieksche overzetting.)

'/o) ! 'IÓJ aui'Qfi!

'Hafov aarrjQial Tovt' tari öirra,' tQtOTOj 'AvriSorov tar' aXytos, 'Ia) acotfjl '/w (rco^fj'. 'H/.10)1' (JWTtJQlU I ^Or' ovSév iv noTTjqim n}.7]amp;vvtli' 8ti rcü o'ivw ,Iw ! y.. r.

ocr page 9

3

/w aail^fj! 'iw (Jco^rj! 'Muüv (tü}TTlQia\

^fvyvvOL yiXiu, TJani^ei oivog u/a9a\ 'Iw aio^fj! '/w aco^fj!

'Hfiwi' nwTtjgia'.

Siog tjfiwi' ^QUftljiiog Knl Qavavog /tuxijdrfQog J '/tb (yat^fj \ T.

'/cu '/tu rrcoLfj !

'HfxCov (icoTtjQia !

^dnoXXvoDcci 8c7 jUiirojTfff! Biovv ol ?/««,• qi/.oviig ! Iw csco[,fil 'Iw aco^fjl

'Hiiwv (iwvrjQiu !

Ni)» ölt] udxaStj/iicc £th' rjjxZv cfiXf] ayaamp;u', Jquot;gt; nm'Cfj ! 'Iw Goï^rj!

'Hfiwv ncoTtiQia !

ocr page 10

4

3.

GaiKlea-iiixis.

üaudeamus igitur,

Juvenes dum sumus;

Post jucundam juventutem, Post molestam senectutem, Nos habebit humus.

Ubi sunt, qui ante nos In mundo fuere?

Transeas ad superos,

Atieas ad inferos,

Quos si vis videre.

Vita nostra brevis est, Brevi finietur;

Venit mors velociter,

Rapit nos atrociter,

Nemini parcetur.

Vivat academia;

Vivant professores!

Vivat membrum quodlibet, Vivant membra quaelibet, Semper sint in flore.

ocr page 11

Vivant omnes virgines Faciles, formosae!

Vivant et mulieres,

Tenerae, amabiles,

Bonae, laboriosae.

Vivat et respublica Et qui illarn regit,

Vivat nostra civitas, Maecenatum caritas,

Quae nos hic protegit.

Pereat tristitia!

Pereant osores!

Pereat diabolus!

Quivis antiburschius,

Atque irri sores!

4.

quot;Will iel mus van INassoxi-w

Wilhelmus van Nassouwe, Ben ick van Dietschen bloet, Het Vaderlandt ghetrouwe Blijf ick tot in den doot;

ocr page 12

6

Een Prince van Oraengien Ben ik vrij onverveert, Den Coninck van Hispaengien Heb ik altijt ghe-eert.

In Godes vrees te leven Heb ick altijt betracht,

Daerom ben ick verdreven Om Land en Luyd' ghebracht. Maar Godt sal my regeeren Als een goet Instrument,

Dat ick mach wederkeeren In mijnen Regiment.

Lijt u mijn ondersaten Die oprecht zijn van aert,

Godt sal u niet verlaten,

Al zijt ghy nu beswaert, Die vroom begheert te leven Bidt Godt nacht ende dagh, Dat hy my cracht wil ghtven Dat ick u helpen mach.

Lijf end goed al-te-samen Heb ick u niet verschoont,

Mijn Broeders hoogh van namen Hebben 't u ook vertoont.

ocr page 13

7

Graef Adolf is ghebleven, In Vrieslant in den slach,

Sijn Ziel int Eeuwich Leven Verwacht den jongsten dagh.

Edel en Hoogh gheboren Van Keyserlijcke Stam,

Een Vorst des Rijcks vercoren Als een vroom Christenman,

Voor Godes Woord ghepresen, Heb ick vry onversaeght.

Als een helt sonder vreesen,

Mijn Edel Bloet ghewaeght.

Mijn schildt en mijn betrouwen Zijt ghy, O Godt, mijn Heer, Op u soo wil ick bouwen.

Verlaat mij nemmermeer,

Dat ick doch vroom mach blijven. Uw Dienaar t'alder stent. De Tyranny verdrijven Die mijn herte doorwont.

Van al die mij beswaren,

End' mijn vervolghers zijn,

O Godt, wilt doch bewaren Den trouwen Dienaar dijnj

ocr page 14

8

Dat sy my niet verrasschen, In haren boosen moedt,

Haer handen niet en wasschen In mijn onschuldigh Bloet.

Als David moeste vluchten,

Voor Saul den Tyran, — Soo heb ick moeten suchten, Met menigh Edelman;

Maer Godt heeft hem verheven, Verlost uyt aller noot, Een Coninckrijck ghegheven In Israël soo groot.

Nae quot;t Suer sal ick ontfanghen Van Godt mijn Heer dat Soet, Daer naer soo doet verlanghen Mijn Vorstelijck ghemoet,

'T welk is, dat ick mach sterven Met Eeren in het Velt, Een eeuwigh Rijck verwerven. Als een ghetrouwer Heldt.

Niets doet mij meer erbarmen In mijnen wederspoet,

Dan dat men siet verarmen Des Coninghs Land en goed:

ocr page 15

9

Dat u de Spaengiaerts krencken, O Edel Neerlant soet,

Als ick dat gaeu bedencken, Mijn Edel hart dat bloedt.

Als een Prins opgheseten Met mijnes Heyres Gracht, Van den Tyran vermeten Heb ik den Slagh verwacht, Die by Maestricht begraven Bevreesden mijn ghewelt,

Mijn Ruyters sach men draven Seer moedigh door het velt.

Soo het den wille des Heeren. Op dien tijt had gheweest,

flad ick wel willen keeren Van li dit swaer tempeest,

Maer den Heer van hier boven. Die alle dinck regeert.

Die men altijt moet loven, En heeft sulcx niet begheert.

Seer Christlijck was ghedreven Mijn Princelijck ghemoet, Stantvastigh is ghebleven Mijn hart in teghenspoet.

ocr page 16

10

Den HEER heb ick ghebeden Van mijnes herten gront,

Dat hy mijn saeck wil reden,

Mijn onschult doen oorkont.

Oorloff mijn arme Schapen,

Die zijt in grooten noot,

Uw Harder zal niet slapen Al zijt ghy nu benout;

Tot Godt wilt u begheven,

Sijn heylsaem woort neemt aen. Als vrome Christnen leven,'

Tsal hier haest zijn ghedaen.

Voor Godt wil ick belijden,

Ende sijner grooter macht.

Dat ick tot gheenen tijden Den Coninck heb veracht,

Dan dat ick Godt den Heere Der hooghster Majesteyt,

Heb moeten obedieren,

In der gherechtigheyt.

PHILIPS VAN MARNIX VAN ST. AI.DEGGNDE, lï/n).

ocr page 17

11

3

Wien INeerlaiKlsscl» bloed.

Wien Neêrlandsch bloed door d' adren vloeit.

Van vreemde smetten vrij,

Wiens hart voor Land en Koning gloeit,

Verheff' den zang als wij :

Hij steil' met ons, vereend van zin,

Met onbeklemde borst,

Het Godgevallig feestlied in;

Voor Vaderland en Vorst.

De Godheid op haar hemeltroon,

Bezongen en vereerd,

Houdt gunstig ook naar onzen toon,

Het heilig oor gekeerd ;

Zij geeft het eerst, na 't zalig koor,

Dat hooger snaren spant.

Het rond en hartig lied gehoor,

Voor Vorst en Vaderland.

Stort uit dan. Broeders ! eens van zin,

Dien hoogverhoorden kreet;

Hij telt bij God een deugd te min.

Die Land en Vorst vergeet;

ocr page 18

12

Hij gloeit voor Mensch en Broeder niet

In de onbewogen borst,

Die koel blijft bij gebed en lied Voor Vaderland en Vorst.

Ons klopt het hart. ons zwelt het bloed.

Bij 't rijzen van dien toon,

Geen ander klinkt ons vol gemoed, Ons kloppend hart zoo schoon.

Hier smelt het eerst het dierst belang

Van allen staat en stand.

Tot één gevoel in d' eigen zang Voor Vorst en Vaderland.

Bescherm, o God! bewaak den grond,

Waarop onze adem gaat!

De plek waar onze wieg op stond.

Waar eens ons graf op staat; Wij smeeken van uw Vaderhand,

Met diep geroerde borst :

't Behoud voor 't lieve Vaderland,

Voor Vaderland en Vorst!

Bescherm hem God! bewaar zijn troon,

Op duurzaam regt gebouwd:

Blink' altoos in ons oog zijn kroon, Nog meer door deugd dan goud!

ocr page 19

13

Steun gij den scepter dien hij torscht,

Bestier hem in zijn hand.

Beziel, o God ! bewaar den Vorst, Den Vorst en 't Vaderland !

Van hier, van hier wat wenschen smeedt,

Voor een van beide alleen,

Voor ons gevoel, in lief en leed.

Zijn Land en Koning één.

Verhoor, o God! zijn aanroep niet,

Wie ooit het scheiden dorst.

Maar hoor het één, het eigen lied :

Voor Vaderland en Vorst.

Dring' luid van uit ons feestgedruisch.

Die beê uw Hemel in!

Bewaar den Vorst, bewaar zijn Huis,

En ons, zijn Huisgezin !

Doe nog ons laatst, ons jongst gezang,

Dien eigen wensch gestand :

Bewaar, o God ! den Koning lang. En 't lieve Vaderland.

H. tollens, muziek van J. W. Wilms,

ocr page 20

14

6

quot;Wii levoii vrij, quot;wij leven lgt;lij !

Wij leven vrij, wij leven blij,

Op Neêrlands dierbren grond; Ontworsteld aan de slavernij.

Zijn wij door eendragt groot en vrij; Hier duldt de grond geen dwinglandij, Waar vrijheid eeuwen stond.

Hoe dierbaar is ons 't Vadeiland

Der helden bakermat,

Der kunsten wieg, 't gezegend strand. Waar 't heilig regt zijn zetel plant, En deugd met een fluweelen band Den Vorst en 't Volk omvat.

De leeuw, die moedig voor ons waakt,

Is 't beeld van Neêrlands magt; Nooit zij dit beeld door ons verzaakt, Als 't onze roem en vrijheid raakt: Wee hem ! die stout den leeuw genaakt. En onzen moed veracht!

Door vreemden werd de zuil geveld Van Neêrlands wapenroem,

ocr page 21

Maar ze is door onzen moed hersteld ; Dit tuigt, o Quatre-Bras, uw veld, Dat met Algiers, de glorie meldt Van onze heldenbloem.

O paren we aan dien heldenmoed

Der Vadren zuivre deugd.

Elk zie hoe Koning Willem doet, En volg' de Vorsten uit dat bloed; Zoo blink' die deugd met nieuwen gloed En sier' 's Lands wakkre jeugd.

Wij leven vrij, wij leven blij!

De Zon van ons geluk.

Oranje week : 't was slavernij!

Oranje keerde : en 't land was vrij 1 Wij zijn verlost, nu juichen wij : Verbrijzeld is ons juk !

Dat lang de dierbre Koning leev',

Aan Neêrlands heil verpand ! Dat God hem Zijnen zegen geev', 't Geluk beschermend om hem zweev', Ja, leef, geliefde Koning, leef Voor Volk en Vaderland !

O, blijven we altijd eensgezind In deugd en heldenmoed:

ocr page 22

16

Dat hij, die ons als vader mint,

Zijn kroost die liefde waardig vind'. En Neêrlands trouw ons zaam verbind' In voor- en tegenspoed.

Zijn wij als Maurits in den strijd.

Als Ruiter op de zee;

De handel bloei' door onze vlijt,

Dat elk der kunsten offers wijd', En Neêrlands vlag waai' wijd en zijd, Tot aan de verste reê!

Zoo leven we altijd vrij en blij, Op Neêrlands dierbren grond !

Door trouw aan eigen wetten vrij ,

Praalt Neêrland in der volken rij, En 't Vaderland blijft groot en vrij,

Tot 's wereld avondstond.

j. brand, muziek van J. w. WILMS.

ocr page 23

17

7.

JDic Wiiclit : I in Xilioiii.

Es braust ein Ruf wie Donnerhall, Wie Schwertgeklirr und Wogenprall, Zum Rhein, zum Rhein, zum deutschen Rhein Wer will des Stromes Hüter sein?

Lieb Vaterland, raagst ruhig sein,

Fest steht und treu die Wacht am Rhein!

Durch Hunderttausend zuckt es schnell, Und aller Augen blitzen heil:

Der Deutsche; bieder, fromm und stark, Beschiitzt die heil'ge Landesmark.

Lieb Vaterland, u. s. w.

Er blickt hinauf in Himmelsau'n Da Heldenvarter niederschau'n Und schwört mit stolzer Kampfeslust,, Du Rhein bleibst deutsch wie meine Brust! Lieb Vaterland, u. s. w.

So lang ein Tropfen Blut noch glüht,

Noch eine Faust den Degen zieht,

Und noch ein Arm die Buchse spant,

lietritt kein Feind hier deinen Strand!

Lieb Vaterland, u. s. w.

2

ocr page 24

18

Der Schwur erschallt, die Woge rinnt, Die Fahnen flattern hoch im Wind Am Rhein, am Rhein, am deutschen Rhein ! Wir Alle wollen Hüter sein;

Lieb Vaterland, magst ruhig sein,

Fest steht und treu, die Wacht am Rhein.

(Max Schneckenhurger) IS-tO

8.

TJtreclitsoli Clt;)rigt;slielt;l.

Wien liefde voor ons corps bezielt

En wie zijn eer bedoelt,

In 't trouwe hart een gloed behield

Door geenen tijd bekoeld,

Die jubelt lustig, jubelt luid

Voor 't corps een vreugdezang, En zingt met blijde tonen uit: Ons Corps het leve lang!

Het leve lang, het bloeie voort.

Het blijv' een vriendenband, Dan blijft de vreugd' er aan het woord. Dan houdt er d' eendracht stand.

ocr page 25

19

Lang leven Rector en Senaat,

Dat niets hun eer verstoor',

En leev' zoolang het Sticht bestaat.

Ook zijn Studentencorps!

Muziek van Woorden van

M. W. Petri. C. R. van Lelvveld

1S88.

9.

Vivat Senatnss.

Vivat Senatus Veteranorum!

Vivat et ejus Rector!

Sit semper felix, expers malorum,

Sit ei Zeus Protector!

Senatum nos agnoscimus,

Senatum nos diligimus,

Si jubet sors, defendimus! (to)

Crescat Senatus omne per aevum,

Crescat in potestatem;

Sit robur vi non constitutum,

Sed duret per amorem!

Senatum nos agnoscimus,

Senatum nos diligimus,

Si jubet sors defendimus! {bis)

ocr page 26

20

Sic Horeat per omnia saecla,

Sit nostrum splendor , decus; Sit semper gaudens bona fortuna^ Et conjunctione laetus! Senatum nos agnoscimus, Senatum nos diligimus,

Si jubet sors, defendimus! {bis)

10.

GrjroiiiiijfScli Coirpsiliolt;l.

Dat zwaard moet tijden tarten,

Die vijl zal tijden staan, Die band om onze harten

Nog lang zijn kronkels slaan. — Hoe ver uiteengedreven,

Hoe wijd van deze stad,

Vereend zijn wij voor 't leven Door 't wachtwoord Vindicat!

Die spreuk, ze was de keuze

Van 't oud en kloek geslacht; Dat woord was de oorlogsleuze, Op 'svijands grond geacht;

ocr page 27

31

Die naam is in 't herdenken Van duizenden een schat,

En wie dorst immer krenken Den roem van Vindicat?

Die naam moet immer duren,

Die standerd immer staan.

Want onvergeetlijke uren

Zijn onder hem vergaan.

Wilt gij van menig weten,

Wat tijd hij 't zaligst had?

Het zal hem nooit vergeten,

't Was hier, in Vindicat.

O]) 't feest ook, dat wij vieren?

Zie 't handhaaft trouw zijn naam, En brengt bij 't bekerzwieren,

Een tal van broed'ren saam:

Die, van wat rang of jaren,

Door d' eigen band omvat,

Zich tot den juichkreet paren :

Lang leve ons Vindicat!

Muziek van Woorden van

L. A. Dokküm. J. J. A. Goeverneur.

ocr page 28

23

11.

JL.eilt;lsol» Coirpsslietl.

Wat flonkert gij fier op het donker fluweel

Vijf pijlen verbonden tot één.

Te zamen een machtig en krachtig geheel,

Zoo broos en zoo zwak elk alleen.

ja scherp kunt ge zijn — een vijfnaaglige klauw ! Waar hulp eischt uw vorst en uw land . . .

Maar oorlog of vrede, steeds binde u de band, De band van : Deugd, Eendracht en Trouw!

Van Deugd! — maar geen deugd die slechts

hemelwaarts blikt En klaagt van een „zondig geslachtquot; —

Neen, deugd, die wat laag is, wat liegt en wat likt,

Met grenzeloozen afkeer veracht.

Neen deugd die blijmoedig: „hebt lust en schept

vreugd,

Zoekt ernst in het leven!quot; verkondt,

„Weest eerlijk en jolig, — vertrouwt in 't verbond, 't Verbond van: Trouw, Eendracht en Deugd!quot;

Van Eendracht! een wondere heilige kracht,

Door 't bloed onzer vad'ren gewijd,

ocr page 29

23

Die saamhoudt, wat groot is, die moed geeft en macht,

Die 't harte versterkt en verblijdt.

De moeder der vrijheid! een ernstige vrouw, ■Die burger- noch broedertwist duldt,

tn die, van haar heerlijke roeping vervuld, Den band sloot : Deugd, Eendracht en Trouw!

Van Trouw! — geurigst bloempje uit de gaarde

der Min,

Der vriendschap voortrefflijk cement!

O, zalig degeen, die met ziel en met zin

U nastreeft, u liefheeft, u kent,

U, die bovenal in de dagen der jeugd, Ook donker bijwijlen en zwart,

't Geloof aan de Liefde blijft koestren in 't hart, 't Geloof aan: Trouw, Eendracht en Deugd!

ja! wèl moogt ge flonkren en flikkren zoo fier.

Vijf pijlen, vereend door dien band —■

.Maar waakt voor uw zinspreuk zoo heilig en dier

Als eens voor uw vorst en uw land!

Ja, toont u ook dan een vijfnaaglige klauw. Die zeker en schrikkelijk treft —

Als iemand de onreine handen verheft Tot smaad van: Deugd, Eendracht en Trouw. 1S77.

ocr page 30

3-J.

12.

Dolft.scli Covpsliert.

Studenten! zingt! zingt luid en blij van harte;

Een lied zij 't beeld van onze jonge kracht! De wereld heeft nog niet door leed en smarte

In ons gezang een wanklank aangebracht.

Zingt allen luid! Het strekke ons ten zegen; 't Lied woont slechts daar, waar 't goede wordt

volbracht;

Hij, die zijn aard tot 't kwade voelt genegen, Vindt geen gezang, veeleer een jammerklacht.

Het eerste lied, door allen aangeheven.

Behoort der trouw en vriendschap toegewijd! De band, die ons als broeders saam doet leven, Ons Delftsche Corps, hou' stand te allen tijd'! 't Beware steeds zijn schoone idealen !

Al is het ook van menig fout niet vrij,

Gelukkig mist ons Corps nog tal van kwalen, Die heerschen in de groote maatschappij.

Het tweede lied, dat wij thans op doen stijgen.

Verkondig' luid der vrijheid hoogste lof. O dwaas! die ooit bij ons haar dorst bedreigen, Die ons goed recht terneder wierp in 't stof!

ocr page 31

25

Gij weet het nog, hoe twintig jaar geleden

Ons Corps in naam der vrijheid moedig vocht: Gij weet, hoe flink elkeen toen heeft gestreden; quot;Onthoudt het steeds, wat men vereend vermocht!

Studenten! blijft dit heuglijk feit gedenken!

Toont u steeds waard ons roemrijk voorgeslacht» En zoo men ooit de vrijheid weer mocht krenken,

Dan strijden wij opnieuw met d' oude kracht. Maar neen! gewis, het zal niet noodig blijken;

Men kent te goed den niet te buigen aard. Die vrijheidsgeest zal nooit bij ons bezwijken. Hij blijft ons 't meest van alle schatten waard !

Voor 't vaderland zal onze arm ook strijden,

Indien zijn vrijheid ooit werd aangerand. Aan ons de zorg, dat in den loop der tijden.

Ons landje blijft een onafhank'iijk land!

Zorgt echter meer nog in den tijd van vrede

Voor eendracht, bloei, ontwikkeling en recht, Zoodat met eer ons land te voorschijn trede.

Geen volk het ooit zelfstandigheid ontzegt.

Laat thans ons lied van het genieten zingen: Op menig feest doortintle ons de vreugd! Wij laten nooit den geest tot saaiheid dwingen; Als regel geld': „Elk waar genot is deugd!quot;

ocr page 32

26

Wilt 't edel vuur nooit in uw boezem smoren, Gevoelt u jong en durft het ook te zijn;

Maar neemt vooral, bij 't geen u kan bekoren. Voor het genot toch niet den valschen schijn.

Geniete elk, die leeft en goed wil leven;

Geniet de jeugd den zang, het spel, den wijn;

Ook zij het ons als schoonste plicht gegeven, Een ridder steeds voor elke vrouw te zijn.

Komt! laten wij, bezield door 't jonge leven, Met gullen lach en onvermengde vreugd

Ons zonder schroom der geestdrift overgeven Slechts korten tijd duurt onze gulden jeugd!

13.

T i- i t o ii 1 i e lt;1.

De riem in de dol en de armen ontbloot, De spieren gerekt en ... . vooruit!

Geroeid nu, getrokken, laat vliegen de boot, En .... stuurman! de koers is rechtuit.

Al buigen de riemen, al kraakt er een dol,

Trekt jongens! trekt op toch! houdt vol!

Haalt op dan, haalt op dan voor Triton, haalt opt Haalt op dan voor Triton! haalt op!

ocr page 33

27

Wij strijden met eere en houden getrouw,

Wat ééns is beloofd aan de vlag.

AVij strijden voor U, voor uw wit en uw blauw,

Zooveel als elk onzer vermag.

Omhoog dan de riemen aan 't eind onzer baan!

Saluut! voor het wit en het blauw,

Omhoog dan de riem voor de kleuren der vaan, Wij blijven haar eeuwig getrouw.

Muziek van Woorden van

W. G. van Dügteren. j. a. Fijnvandraat.

1884.

14.

Tooneollled.

Heft thans een juichkreet aan, Utrechtsche Muzenzonen,

Zoo liefde voor de kunst nog leeft in uw gemoed, Wilt door eèn jubellied de heil'ge geestdrift toonen, Die ware schoonheidszin in U ontgloeien doet. Kan ons Studentencorps nog op uw liefde bogen. Heft dan een feestzang aan ter eer van 0115 Tooneel En roept het blijde uit, met zijn geluk voor oogen: Waardeering, liefde en eer vall' immer het ten

deel!

ocr page 34

28

Als wij ons vaandel zien,'t geschenk der Stichtsche

schoonen,

Dat ons vol kalmen ernst op onze plichten wijst. Dat niemand, wie 't ook zij, ooit straffeloos zal honen, En dat steeds meer en meer in ieders achting rijst; Dan kunnen wij het vreugdgejuich niet langer smoren, Dan barst het jublend los en klinkt van keel

tot keel:

Lang leve ons Tooneel, moog niets zijn bloei

verstoren,

Steeds stijge in roem en eer 't zoozeer geliefd

Tooneel!

Muziek van Woorden van

M. W. Petri. F. L. A. Roeloffs Y am:

1SS9.

15.

TV1111 lt;■ Caiitus Xïesonot-Lied.

De vogel zingt een lustig lied.

Doet hij in 't bosch zich hooren. Hij geeft bij kommer en verdriet Toch nooit den moed verloren.

Hetzij hij zoo zijn leed verzet,

Dan of hij waarlijk zingt van pret,

Zijn leus is: Cantus Resonet.

ocr page 35

29

Een boertje dat den ganschen dag

Moet zwoegen, wil hij eten,

Is bij zijn zuchten en geklag Zijn lied nog niet vergeten.

Hetzij hij zoo zijn leed verzet,

Dan of hij waarlijk zingt van pret,

Zijn leus is : Cantus Resonet. (bis)

Geen echten trouwen muzenzoon,

Mag sijs of boer beschamen.

Hij zingt op opgewekten toon Met al zijn vrienden samen.

Hetzij hij zoo zijn leed verzet,

Dan of hij waarlijk zingt van pret,

Zijn leus is: Cantus Resonet. {bis)

Het oog gericht op zijn banier,

Doet hij zijn lied U hoeren,

Nunc Cantus, zegt hij trotsch en tier.

Gaat nimmer ons verloren.

Hetzij men dan zijn leed verzet,

Dan of men waarlijk zingt van pret.

Steeds Noster Cantus Resonet. {bis)

Muziek van Woorden van

W. Petri. J. A. Roozkmeijer.

ISSS.

ocr page 36

30

16.

Hollmidialied.

Wijze: Wien Neèrlandsch bloed.

Wie roemt op echt oud Hollandsch bloed

En op der vaadren aard;

Wie fier is op oud-Hollandsch moed

In 't nakroost nog bewaard;

Die uite luid voor Hollands eer

Een welgemeend Hoera!

En d' echo geef' den wensch ons weer Lang leev' Hollandia.

17.

Liert.

Wijze: T^en souviens tu.

Komt vrienden, op! laat luid ons lied weerklinken !

Zing ieder meê, dien Sessa's eer verheugt! Dat 't eerste glas, dat wij deez' avond drinken, Getuigen moog' van Sessa's roem en vreugd! Komt vrienden op! heft broederlijk uw glazen, Klink nog ons lied den naneef in het oor!

ocr page 37

31

Dat 't vreugdevuur door geestdrift aangeblazen Eens voor zijn oog tot hellen gloed ontgloor!

Herinnert U, hoe voor een tiental jaren,

De kleine kiem aan d' aard werd toevertrouwd. Die teêre zorg, spijt zorgen en gevaren,

Opleidde tot een boom, van ver aanschouwd. Den kweekers heil, wier hand de spruit bewaarde!

Laat thans de boom zijn schaduw voor hen sprein En laat de vrucht, die onze hand vergaarde, Thans voor hun zorg de dankbre gave zijn!

En vrienden, ons, door Srssa één gebleven,

Ons zij de band, die haar aan d' ouderen bindt, Ten teeken, dat, wat gij om haar moogt geven,

Gij weer uit haar Uw zoetste loon steeds vindt. Welaan dan, op! laat het ons lied verkonden!

Wij staan geschaard, wij strijden voor haar eer Door strijd verdeeld, in eenen strijd verbonden, Ga Sessa ons ter harte meer en meer!

Woorden van J. T. Jansen.

ocr page 38

18.

IT i- i s*» i ii 1 i o lt;1.

[Friesch Volkslied?)

Frysk bloed, tsjoch op! wol nou ris bruwze in siede In bounsje throch ues ieren om!

Flean op! Wy sjonge it baeste lAn fen'e ierde, It Frysce lan fol eare in rom.

Klink den in dawerje fier yn it roun, (

Dyn aide eare, o Frysce groun! |

Ho eak throch oermacht, need in sé betritsen, Oeralde Ijeawe Frysce groün,

Noait waerd dy faeste, taye ban forbritsen, Dy Friezen oan hjar lan forboun!

Klink den in dawerje (etc.)

Fen buwgjen frjemd, bleau by 't aid folk yn eare Syn namme in tael, syn frye sin.

Syn wird wier wet, rjucht, sjlucht in trou syn leare In thwang fen hwa eak, stie it tsjin.

Klink den in dawerje (etc.)

Throchloftich folk, fen dizze aide namme,

Waes jimmer op dy alders great!

ocr page 39

oo

Bljuw iwich fen dy grize hege stamme,

len grien, ien kraeftich bloeyend leat !

Klink den in dawerje (etc.)

IJl'. E. IlAI.iJKKTSMA.

19.

o 11- ï a 1 i e lt;1.

Wie staat daar op die rots,

Zoo fier, zoo fraai, zoo schoon, zoo trotsch? Achter hem daar staat zijn vrind,

Dat is een fidele vent!

Vreethaas! i

Want hij is ons allen de baas; #

Een, twee, drie, vier...... | bis.

Achter hem daar staat zijn vrind |

Dat is een fidele vent. ]

21).

VJonisiiKro.

Uit de opera: Fr a Diavolo.

Voyez sur cette roche Ce brave a l'air fier et hardi, Son mousquet est prés de lui,

C'est son fidéle ami.

ocr page 40

34

Regardez, il s'approche,

Un plumet rouge a son chapeau, Et couvert de son manteau Du velours le plus beau.

Tremblez!

Au sein de la tempéte Au loin l'écho répète I Diavolo!

S'il menace la tête De l'ennemi qui se defend,

Pour les belles on pretend Qu'il est tendre et galant.

Plus d'une qu'il arrête,

Témoin la fille de Piétro,

Pensive rentre au hameau Dans un trouble nouveau.

Tremblez! etc.

scribe, muziek van auuf.r.

21.

lt;1lt;; tie ):i iiioi-e Aiijjol.

Uit de Opera: La fille de Madame Angot.

Marchande de marée, Pour cent mille raisons

ocr page 41

35

Ella était adorée A la halle aux poissons.

Jours, fêtes et dimancbes,

Quand on l'asticotait,

Les deux poings sur ses hanches, Elle se dispul ait.

Très-jolie,

Peu polie.

Possédant un gros magot; Pas bégueule,

Forte en gueule,

Telle était madame Angot!

Koor. Trés jolie,

Etc . . . etc ....

En ballon elle monte,

La voila dans les airs;

Et plus tard elle affronte Les mers et les déserts. Au Malabar, captive,

La croyant veuve, hélas!

On veut la brüler vive,

C'est la mode la-bas!

Folie et grave,

Elle brave

ocr page 42

36

Ballon, tempête et fagot;

Le tonnerre N'eüt pu faire Reculer la mère Angot Koor. Folie et grave,

Etc., etc... .

Enfin, toute sa vie,

Elle a voyage, mais C'est surtout en Turquie,

Qu'elle eut im vrai succès.

Malgré ses cinq cents femmes, Le sultan, certain soir,

Bmlant de mille flam mes .... Lui jeta le mouchoir!

Trés-j olie.

Etc., etc . . .

clairville, sirauimn eu koning, muziek van charles i.ecocq.

ocr page 43

37

22.

C'lxM'iiiquot; lt;les^ Conjiifós.

Uit: La fil/e de Madame Angct.

Quand on conspire,

Quand, sans frayeur,

On peut se dire Conspirateur,

Pour tout le monde II faut avoir Perruque blonde Et collet noir.

CLAIRVII.I.E, SlRAtiDIN en KONING, muziek van CHARI.ES T.ECOCQ.

23.

van Cax'inen.

Uit de Opera : Carmen.

L'amour est un oiseau rebelle Que nul ne peut apprivoiser.

Et c'est bien en vain qu'on 1'appelle S'il lui convient de refuser.

ocr page 44

38

Rien n'y fait; menace ou prière ;

L'un parle bien, 1'autre se tait;

Et c'est 1'autre que je préfère,

II n'a rien dit, mais il me plait.

L'atnour est enfant de Bohème,

II n'a jamais connu de loi;

Si tu ne m' aimes pas, Je t'aime;

Si je t'aime. prends garde a toi!

L'oiseau que tu croyais surprendre Battit de l'aile et s'envola ....

L'araour est loin, tu peux l'attendre Tu ne 1'attends plus .... il est la ... .

Tout autour de toi, vite, vite,

II vient, s'ea va, puis il revient.... Tu crois le tenir, il t'évite,

Tu veux l'éviter, il te tient.

L'amour est enfant de Bohème II n'a jamais connu de loi;

Si tu ne m'aimes pas, je t'aime Si je t'aime, prends garde tl toi.

H. MEILHAC en L. HAl.f.vv, muziek van G. UIZET.

ocr page 45

39 24.

Sb o 1 lt;1 a t« ii lc o o i*.

Uit de opera: Fausi.

Gloire immortelle de nos aieux,

Sois nous hdèle, mourons comma eux! Et sous ton aile, soldats vainqueurs,

Dirige nos pas, enflamme nos coeurs.

Pour toi, mère patrie,

Affrontant le sort,

Tes rils, l'ame aguerrie,

Ünt brave la mort.

Ta voix sainte nous crie;

En avant soldats!

Le fer a la main Courrez aux combats.

Vers nos foyers hAtons le pas.

On nous attend, la paix est faite;

Plus de soupirs, ne tardons pas,

Notre pays nous tend les bras,

Chacun sourit, chacun nous fête.

Et plus d'un coeur frémit tout bas Au souvenir de nos combats Hiltons le pas, ne tardons pas.

Muziek van gounoigt;.

ocr page 46

40

O K (j O.

Les Eturtitints.

Messieurs les étudiants S'en vont a la chaumière, Pom- danser le Cancan,

Et le Robert-Macaire,

Toujours, toujours, Trioraphant des amours, Et youp, voup, youp, Tra la, la, la, la, Toujours, toujours Trioraphant des amours.

Mon père est a Paris,

Ma mère est a Versailles,

Et moi je suis ici,

A coucher sur la paille,

Et fais ramour, La nuit comme le jour. Et youp, youp, etc.

Quand on n'a pas d'argent. On écrit a son père,

Qui répond : Mon enfant,

ocr page 47

41

II ne fallait pas faire

Toujours ramour La nuit comme le jour. Et youp, youp, etc. II faut le protéger,

Paree que c'est un confrère, II faut le ménager,

Paree qu'il est nécessaire,

De faire l'amour, La nuit comme le jour. Et youp, youp, etc. Les jeunes jolies filles S'en vont a la chaumière,

Ce n'est pas pour priev,

Mais c'est bien pour y faire L'amour, l'amour. La nuit comme le jour. Et youp, youp, etc. Les yeux de mon Elvire Sont des portes-cochères. Sur lesquels on peut lire: Appartement pour faire

L'amour, l'amour, La nuit comme le jour. Et youp, youp, etc.

ocr page 48

42

Connaissez-vous Fanny,

Cette particuliere,

Qui rosse son mari,

Quand il ne veut plus faire L'amour, Tamour, La nuit comme le jour. Et youp, youp, etc.

L'amour est un enfant,

L'étude est une femme.

Messieurs les étudiants,

Chacun chez vous réclame

Souvent, souvent La femme et l'enfant. Et youp, youp, etc.

Je suis fils de Bacchus,

Vénus était ma mère,

Ne vous étonnez plus,

Si je sais boir' et faire

L'amour, l'amour, La nuit comme le jour. Et youp, youp, etc.

ocr page 49

43

2G. O ii « t.

Reich mir die Hand, tnein Leben, Komm in mein Schloss mit mir! Kannst du noch wiederstreben?

Es ist nicht weit von hier!

Nein, nein, ich darf's nichts wagen, Mein Herz warnt mich davor;

Fühlt man's so angstlich schlagen, Hat man was Eöses vor!

Du, die ich mir erkoren!

Masetto war' verloren !

Kannst du mich sterben lassen ? Ich weiss mich nicht zu fassen! Komm, o komm! Gieb mir die Hand, (mein Leben!

Wohlan!

So lass uns ohne Weilen Der Lust entgegen eilen,

Die dieser Tag verspricht!

Wohlan! Wohlan!

da pontH muziek van mozart.

Don Juan.

7. er line.

Don Juan.

Zerline. Don Juan.

Zerline. Don Juan.

Zerline. Don Juan en Zerline.

ocr page 50

44

rgt;i«i Lol-«lei.

Ich weiss nicht, was soil est bedeuten, Dass ich so traurig bin ? — Ein MahK;hen aus uralten Zeiten, Das kommt mir nicht aus dem Sinn. Die Luft is kühl, und es dunkelt, Und ruhig fliesst der Rhein;

Der Giptel des Berges funkelt lm Abendsonnenschein.

Die schönste Jungfrau sitzet Dort oben wunderbar;

Ihr gold'nes Geschmeide blitzet, Sie kammt ihr gold'nes Haar;

Sie kiimmt es mit gold'nem Kamme, Und singt ein Lied dabei,

Das hat eine wundersame,

Gewaltige Melodei.

Dem Schiffer ira kleinen Schiffe Ergreift es mit wildem Weh;

Er schaut nicht die Felsenriffe,

Er schaut nur hinauf in die Höh'.

ocr page 51

45

Ich glaube, die Wellen verschlingen Am Ende Schilfer und Kalm;

Und das hat mit ihrem Singen Die Lorelei gethan.

H. HEINE, mufiek van FR. SILCHER. 28.

Lielgt;«5sslielt;l.

Du, du liegst inir im Herzen,

Du, du liegst mir im Sinn !

Du, du machst mir viel Schmerzen,

Weiszt nicht, wie gut ich dir bin !

Ja, ja, ja, ja,

Weiszt nicht, wie gut ich dir bin !

So, so, wie ich dich liebe,

So, so, liebe auch mich !

Die, die zartlichsten Triebe Fühle ich einzig für dich!

Ja, ja, ja, ja,

Fühl' ich nur einzig für dich!

Doch, doch, darf ich dir trauen,

Dir, dir, mit leichtem Sinn ?

ocr page 52

46

Du, du kannst auf midi bauen, Weiszt ja, wie gut ich dir bin I

Ja, ja, ja, ja,

Weiszt ja, wie gut ich dir bin !

Und, und, wenn in der Ferne. Mir, mir, dein Bild erscheint; Dann, dann wünsch ich so gerne. Dass uns die Liebe vereint;

Ja, ja, ja, ja,

Dass uns die Liebe vereint!

29.

vVi-isi vmi Savasti'o.

Uit: Die Zauberflöte.

In diesen heil'gen Hallen

Kennt man die Rache nicht. Und ist der Mensch gefallen,

Führt Liebe ihn zur Pflicht: Dann wandelt er, an Freundes Hand, Vergnügt und froh in's bess're Land.

In diesen heil'gen Mauern,

Wo Mensch den Menschen liebt,

ocr page 53

47

Kann kein Verrather lauern,

Weil man dem Feind vergiebt. Wen solche Lehren nicht erfreun, Verdienet nicht ein Mensch zu sein.

In diesem heil'gen Kreise,

Wo man nach Wahrheit ringt. Und, nach der Vater Weise,

Das Band der Eintracht schlingt. Da reifet unter Gottes Blick Die Wahrheit und der Menschen Glück,

SCHICKANEDER, muziek van MOZART.

30.

A. f s e ïi e i lt;1.

Uit: Der Trompeter von Siikkingen.

Das ist im Leben haszlich eingerichtet Dasz bei den Rosen gleich die Dornen stehn, Und was das arme Herz auch sehnt und dichtet, Zum Schlusze kommt das Voneinandergehn. In deinen Augen hab' ich einst gelesen: Es blitzte drin von Lieb und Glück ein Schein : Behtiet dich Gott! es war zu schön gewesen, Behüet dich Gott! es hat nicht sollen sein!

ocr page 54

4S

Die Wolken flieh'n, der Wind saust durch die

Blatter,

Ein Regenschauer zieht durch Wald und Feld, Zum Abschiednehmen just das rechte Wetter, Grau wie der Himmel steht vor mir die Welt. Doch wend es sich zum Guten oder Bósen, Du schlanke Maid in Treuen denk ich dein! Behüet dich Gott! Es war zu schön gewesen, Behüet dich Gott, es hat nicht sollen sein!

31.

T jv f o 1 1 i o lt;1.

Qa, ca, geschmauset,

Laszt uns nicht rappelkopfig sein; Wer nicht mit hauset,

Der bleib' daheim!

Koor. Edite, bibite, collegiales,

Post multa saecula pocula nulla l

Der Herr Professor Giebt heut' kein Collegium,

Drum ist es besser,

Man trinkt eins 'rum!

Koor. Edite, bibite, etc.

ocr page 55

■i9

Trinkt nach Gefallen,

Bis Ihr die Finger darnach leekt, Dann hat's uns Allen Recht wohl geschmeckt!

Koor. Edite, Bibite, etc.

Auf, auf! Ihr Brüder!

Erhebt den Bacchus auf den Thron, Und setzt Euch nieder !

Wir trinken schon.

Koor. Editc, bibite, etc.

So lebt man immer,

So lang' der schone Lenz uns winkt, Und Jugendschimmer Die Wangen schminkt!

Koor. Edite, bibite, etc.

Knaster, den gelben,

Hat uns Apollo praparirt;

Und uns denselben Recommandirt!

Koor. Edite, Bibite, etc.

Hat nun ein Jeder Sein Pfeifchen Knaster angebrannt, So nehm' er wieder Sein Glas zur Hand!

Koor. Edite, Bibite, etc.

ocr page 56

50

Schiebt das Yergnügen Nicht bis zum Ehestand hinaus! Beim Kinderwiegen Kommt nichts heraus !

Koor. Eciile. Bitite. etc.

So lebt man lustig,

Weil's flotter Bursche noch heisst, Bis dass man rustig Ad patres reist.

Koor. Edite, Bibite, etc.

Denkt oft, Ihr Brüder,

An unsre Jugendfröhlichkeit Sie kehrt nicht wieder, Die goldne Zeit!

Koor. Edite^ Bibite, etc.

32.

Crambambuli, das ist der Titel Des Tranks, der sich bei uns bewahrt; Er ist ein ganz probates Mittel,

Wenn uns was Böses wiederfahrt; Des Abends und des Morgens früh Trink' ich mein Glas Crambambuli Crambimbam — bambuli Crambambuli

ocr page 57

31

Bin ich im Wirthshaus abgestiegen,

Gleich einem grossen Cavalier,

Dann lass ich Brot und Braten liegen Und greife zu dera Pfropfenzieh'r,

Dann bh'is't der Schwager Tantantri Zu einem Glas Crambambuli, u. s. w.

Reiszt's mir im Leib, reiszt's mir im Magen, Hab ich zum Essen keine Lust:

Wenn mich die bösen Schnupfen plagen, Hab' ich Katarrh auf meiner Brust:

AVas kümmern mich die Medici?

Ich trink' mein Glas Crambambuli, u. s. \v.

War ich zum grossen Herrn geboren, Wie Kaiser Maximilian;

War mir ein Orden auserkoren,

Ich hangte die Devise d'ran:

Toijours fidele ei sans souci

Cest „l'o7-dre du Crambambuli!quot;' u. s. \v.

1st mir ein Wechsel ausgeblieben,

Hat mich das Spiel labet gemacht.

Hat mir mein Madchen nicht geschrieben. Ein'n Trauerbrief die Post gebracht:

Dann trink ich aus Melancholie Ein volles Glas Crambambuli, u, s. w.

ocr page 58

52

Ach wenn die lieben Eltern wiiszten Der Herren Söhne grosze Noth,

Wie sie so flott verkeilen miiszten, Sie weinten sich die Aeuglein roth; Indessen thun die filii Sich bene beim Crambambuli, u. s. w.

Und hat der Bursch kein Geld im Beutel, So pumpt er die Philister an,

Und denkt: Es ist doch alles eitel, Vom Burschen bis zum Bettelmann!

Denn das ist die Philosophic lm Geiste des Crambambuli, u. s. w.

Soli ich fiir Ehr' und Freiheit fechten,

Für's Vaterland den Schlager ziehn ;

Gleich blinkt der Stahl in meiner Rechten, Ein Freund wird mir zur Seite steh'n : ■ Zu ihm sprech' ich : Mon cher ami, Zuvor ein Glas Crambambuli, u. s. w,

Ihr dauert mich, ihr armen Thoren : Ihr liebet nicht, ihr trinkt nicht Wein; Zu Eseln seid ihr auserkoren,

ünd droben wolt ihr Engel sein.

Sauft Wasser, wie das liebe Vieh, Und denkt, es sei Crambambuli, u. s. w.

ocr page 59

53

Sollt' ich etwa zur Hochzeit schreiten Mit einem tugendsamen Weib,

Kein groszes Mahl werd' ich bereiten,

Sie ist mir g'nug zum Zeitvertreib.

Anstatt Kaffee, den mag ich nie,

Trink' ich ein Glas Crambambuli, u. s. w.

Wer wider uns Crambambulisten Sein hamisch Maul zur Misgunst rümpft, Den halten wir für keinen Christen,

Weil er auf Gottes Gabe schimpft;

Ich gab' ihm, ob er Zeter schrie,

Nicht einen Schluck Crambambuli, u. s. w.

CRESCENTIUS COROMANDEL.

33.

ESelceutl Hert.

Toen ik jong was En student was.

Wat een heer was ik toen,

Ik maakte beeren, ik had een pool aan, Ik had geen greintje fatsoen ;

Maar zoolang als de lepel in de breipot steekt. Treuren wij nog niet. {bis.)

ocr page 60

54

Nu ik oud ben En getrouwd ben,

Wat een heer ben ik nu,

Ik maak geen beeren en ik heb geen pool aan, Ik heb nu o zoo'n fatsoen!

Maar zoolang als de lepel in de breipot steekt. Treuren wij nog niet. [bis.)

U.

«jlotlcoor uit ,,Ojgt; lt;len jMiiimholquot;.

't Is Utrecht, uw Studentencorps, Dat nooit van d'aard verdwijnt,

Daar steeds de Sol Justitiae

Het met zijn gloed beschijnt.

De Zonne der gerechtigheid

Wijkt nimmer uit haar baan:

Daarom gaat ons Studentencorps Ook nimmer naar de Maan!

Muziek van Woorden van

M. W. Petri. H. Smissaert.

1891.

ocr page 61

00 85.

üelceiKl Lielt;l.

AVijze:- Een lieve frissche boerenmeid.

Een oudrenpaar, vol hoop en vrees,

Zendt zoonlief ver van huis,

Hij moet naar Utrechts Hoogeschool

En 't is daar lang niet pluis.

Het oud'renhart is vol van angst Voor 't groen en jeugdig wicht,

Want wat bederft de lieve jeugd?

d' Academie van het Sticht.

Maar zoonlief, ach! vergeet alras

De lessen van weleer.

Hij drinkt en zingt en fuift en rijdt

En wordt een heele heer!

Wel vraagt men hem in brief op brief;

„Vergeet je eer en plicht?quot;

Maar zoonlief roemt als 't beste oord j

d' Academie van het Sticht. ( ^'IS^

De slager, bakker, kruidenier

En heel de ploerterij.

Zij snijden d' armen muzenzoon En leven vrij en blij.

(6 is.)

ocr page 62

56

Ze bluffen op de wetenschap

En op het nieuwe licht En roemen als hun beste bron, d'Academie van het Sticht.

Ugt;is.)

Maar zoo'n student weet van geen licht,

Hij fuift liefst in den nacht.

En heeft nog over wetenschap

Niet al te veel gedacht;

Toch schraagt en mint ook hij de school

Die voor geen Schaepman zwicht, En steunt zoolang hij steunen kan d' Academie van het Sticht.

{bis.)

Groenentooneel Woorden van

i8S7. H. Smissaert.

36.

Beltencl Lied.

Wijze: Le F ere La Victoirc. Een lang vergrijsde reünist,

Wien smart op smart reeds griefde, Maar nog voor 't corps vol liefde,

Staat hier voor dat hij 't zelf recht wist, Zoo hoort dan naar zijn lied.

Mijn hoop, mijn wensch, die ik U bied,

ocr page 63

57

Want nog, ik durf het zeggen, leef ik mee Met al uw belangen, v( ■ Uw streven, uw verlangen.

De eer, den naam van 't dierbaar U. S. C. Maar 't allerbeste woord Dat elk studentenhart bekoort.

't Zij altijd „Excelsior!quot;

Dat zij de leuze van ons corps.

Refrein :

O broeders hier vereend,

Laat allen toch dit woord gedenken, 't Corps, dat ü zijn schatten leent.

Moet gij altijd uw krachten schenken. Studentennaam zij uw eerenaam,

De toekomst kunt ge U zeiven geven. O steeds blijv' uw streven: Excelsior! Utrechtsch Studentencorps!

Houdt steeds de eendracht toch in stand, Niets goeds kan tweedracht werken, Eén liefde moet ons sterken,

Komt hechter snoeren wij den band! En heet 't novitiaat Bij velen het grootst studentenkwaad, Onz' ondervinding keurt het immers goed.

ocr page 64

58

Het leert ons d' and'ren kennen,

Aan 't nieuwe leven wennen,

Aan 't nieuwe licht, straks door den groen Maar wat ook sta of val, [begroet.

Een woord geldt altijd bovenal;

't Zij altijd „Excelsiorquot; !

Dat zij de leuze van ons corps!

Eert altijd Rector en Senaat,

Die 't Corps representeeren,

Hen moet ge altijd ecren,

Die aan uw aller hoofd hier staat.

Veel zijn wij hen verplicht.

En dat vergeten wij niet licht.

Is eens voor ons het uur van scheiden daar, „Tot weerzienquot; klinkt de groete.

Wij zuil' elkaar ontmoeten,

Die hoop maakt ons het afscheid minder zwaar. En 't korte, schoone woord Leeft steeds in onze harten voort.

't Zij altijd; Excelsior!

Dat zij de leuze van ons Corps!

Groeneiitooneel Woorden vim

iSSg. H. Smissaicrt.

ocr page 65

59

37.

Als iemand moet examen doen,

Dan zit hij in zijn naad;

De proffen vragen lastig,

Hij krijgt het veel te kwaad.

En als dan na 't judicium

Zijn kennis blijkt te klein,

Es war so schön gewesen,

Es hat nicht sollen sein.

Maar meneeren daarom niet al te zeer getreurd, t Zal wel beter gaan als het nog maar eens gebeurt. •Vant men heeft mij vaak als jongen reeds gezeid: „Och, dat went wel, dat is maar een kwestie van

tijd, ja van tijd.quot;

Groenentooneel 1889.

38.

BelseiKl Lied.

Eind'lijk was de dag genaderd

Met veel zorg en angst verwacht. De Senaat was weer vergaderd Op de Kromme Nieuwe Gracht.

ocr page 66

60

Daar in een der achterzalen

Bij poulard en patées grasses, Kon ik het bewijs gaan halen,

Dat ik ingeschreven was.

'k Dacht toen dat ik alles had, Ik was groen, ik was' groen,

Maar dat zat mij lang niet glad,

Ik was groen, enz.

Pas was ik daar uit het huis.

Ik was groen, enz.

Of men trok mij aan mijn buis, Ik was, ik was immers groen.

Nu begon het lieve leven,

Bitt'ren en naar Klokke gaan, Opzitten en pootjes geven,

Hinken, op een stoel gaan staan, Koffie drinken, gaan dineeren. Toasten, boekjes laten zien. Pet afnemen voor de heeren,

Zwoegen tot een uur of tien. Zeg beroerde, lamme vent,

Ik was groen, enz.

Maak j' eens gauw aan mij bekend, Ik was groen, enz.

ocr page 67

61

Stel jij eens een zeehond voor,

Ik was groen, enz.

En zoo ging 't maar altijd door, Ik was, ik was immers groen.

Maar om zorgen te verstuiven, Daarvoor dient de groenenkroeg

En voor een gezellig fuiven.

Daarvoor biedt ze stof genoeg.

Clubs formeeren, vriendschap kweeken, Daarvan is het hart ons vol,

Stoelen moeren, glazen breken,

O, wij hebben woeste lol.

Wijn, daaraan is geen gebrek,

Ik was groen, enz.

En de magen schijnen lek,

Ik was groen, enz.

En er heerscht een vrool'ke toon, Ik was groen, enz.

O, wat is de groentijd schoon,

Ik was, ik was immers groen.

Morgen is het installatie En dan is ons lijden uit,

Eu dan ziet ons aller facie Er opeens veel hupscher uit

ocr page 68

62

En het kan u niet verwond'ren,

Gij waart toch ook eenmaal groen.

Dat wij 't volgend jaar, dat dond'ren,

Eens dunnetjes gaan overdoen.

En ik word geinstalleerd,

Ik.was groen, enz.

En ook als student geëerd.

Ik was groen, enz En wij zingen nu in koor,

Ik was groen, enz.

Leve het Studentencorps,

Morgen ben ik niet meer groen. Groeuentooneel Woorden van

1889. B. B.

39.

Koi-eii nit Oortïjms liox of liet vaaclseilaclitijye homietjo.

Wijze: Funiculi.

Ziet hier Thebes burgeren, ziet hier Oedipus, den

armen mensch, Die de raadselspreuk verklarend, eenmaal machtig

werd en groot, Zoodat ieder hem bewonderend, hulde en eer in

Thebe bood.

ocr page 69

63

Ziet in welk een zee van jammer ziju gelukster

onderging:

Daarom, prijst geen wezen zalig, dat een sterflijk

lot ontving.

Eer gij wat aan hem beschikt is voor zijn laatste

dagen, weet,

Prijst eerst hem, die 's levens eindpaal mocht bereiken, vrij van leed.

Wijze: Legende de la mere Angot.

O wee, een vloed van bonnetjes, Verzwelgt mijn maandgeld ras ! Onmoog'lijk te bekampen Met 't slagzwaard van mijn kas. De bodem brengt geen jongen, Het vee geen vruchten voort; Mijn eigen wee en zuchten. Bekroont slechts misgeboort. De ziekte woedt mij in de haren. Als een verterend vuur. 't Maximum in het buffetboek, Dat benauwt mij ieder uur.

ocr page 70

64

Wijze : de Maliebaan.

Mijn geest is gansch verward, door 't geen de

wichelaar

Zoo even sprak. Is wat hij zeide valsch of waar? Moet ik 't ontkennen of gelooven? 'kWeet 't niet; Beneveld blijft mijn blik, waarheen mijn oog ook

ziet.

Waarom zou, — 't is mij nu noch vroeger ooit

gebleken,

De zoon van Polybos op Laïos zich wreken. Hoe zou ik dan op hem een gruwelstuk verhalen. Welks daden niemand kent? Of op zijn glorie

smalen ?

Zeus weet, Apollo weet, wat valsch is en wat waar. En wat de menschen doen. Maar dat een wichelaar. Meer inzicht heeft dan ik, is geen voldoend bewijs Dat hij de waarheid kent, in wijsheid wint den prijs^ Van hem wellicht mijn vorst; dit heeft hij klaar

bewezen.

Toen Thebe werd ontvolkt door 't wreed, gevleugeld wezen!

Waar blijke 't zienerwoord, eer ik den man durf

doemen.

Dien eenmaal elke mond als redder placht te roemen.

ocr page 71

G 5

Wijze: Van dc hoek naar de punt, naar het midden van de bank.

Moog' ik Krijn en Heijl eens wezen,

Sur le bi sur Ie bout sur le bi du bout du banc,

En' de aloude wetten vreezen,

Sur le bi sur le bout sur le bi du bout du banc.

üit de hooge reine sferen,

Sur le bi sur le bout sur le bi du bout du banc.

Vrucht van 't brein der hemelheeren,

Sur le bi sur le bout sur le bi du bout du banc,

Nooit zal in der tijden stroomen,

Sur le bi sur le bout sur le bi du bout du banc, —

Steeds eerbiedigd door de vromen.

Sur le bi sur le bout sur le bi du bout du banc,

Heilig steeds in woord en daad.

Die weleer der goden raad Van de Olympus nederzond,

Niet een zwakken menschenvond, —

Hare kracht te gronde gaan.

5

ocr page 72

66

Wijze: Piet had een blauwtje geloopcn. Herr lieutenant! ....

Menschen, uit het stof geboren, 'k Acht uw leven niets dan schijn. Luttel vreugd is zelfs beschoren Hun, die nog 't gelukkigst zijn ! Wie, zoo 't heet, geluk mag smaken, Droomt een liefelijken droom,

Maar om huivrend straks te ontwaken In des onspoeds killen stroom !

Alle jammer, die u heden,

Arme Koning, plotseling beidt.

Leert ons de onbestendigheid Van den voorspoed hier beneden ! Groenenfooneel 1891.

40.

T .lt;gt; Hoi

II était un roi bon vivant,

Comme on n'en voit plus maintenant,

Souverain dit une légende

D'un coin de la terre allemande.

ocr page 73

67 .

II se trouvait bien a l'étroit Dans ce domaine fantastique, Malgré son budget chimérique C'était le plus heureux des loi.

Ref rein:

Qu'un autre vénère

L'antique Bacchus,

Moi je lui prefère

l.e roi Cambrinus.

Qui fait dans mon verre

Mousser la blonde bière

Mousser etc. Ia blonde bière.

II n'avait sceptre ni manteau, Son tröne était un grand tonneau, 11 y montait pour tenir tète Aux forts buveurs; les jours de fète On Ten a vu rouler parfois. Ce monarque était un rude homme Quand il vidait son vider-comme C'était le plus heureux des rois.

Refrein.

Jamais en guerre il n'est allé Et ne s'en est que mieux trouvé, II préférait a la victoire

ocr page 74

» 68

Aimer et chanter, rire et boire;

II n'a laissé ni code ni lois La bière a suffi a sa gloire Les rois heureux n'ont pais d'histoire ; C'etait le plus heureux des rois.

Refrein.

Groenentooneel 1892.

41.

I? o z- s 1 i o «1.

Ziehier de Vox,

Die in de nox Van 't leven ontsteekt het heerlijk licht Met mijn Pomponium Ga ik door dik en dun,

Zijn pen verheldert 't gansche Sticht.

Doch gooi mijn krant Ook niet weg — want Minerva heeft nog altijd Pim. De nieuwe richting Gaf niet veel stichting Mijn blad daalt nimmermeer ter kim.

ocr page 75

69

Wij zijn de pers,

Die geeft kersversch De nieuwtjes uit ons goede corps, Ons redigeeren Wil amuseeren.

Wij vragen slechts uw steun d'abord. Groenentooneel 1892.

42.

Civoenejaliefl 18SO.

Wijze: Wij leven vrij, wij leven blij.

Wij leven vrij, wij leven blij,

Op 's groenen dierbren grond; Ontworsteld aan de slavernij,

Zijn wij door eendracht groot en vrij: Hier duldt de groen geen donderij, Waar vrijheid eeuwen stond.

ocr page 76

70

Gi-ocneiiliecl

Wijze : Wien Neerlands bloed.

Wij zijn te zaam als groenen hier, Studenten-dwang ontvlucht;

Wij zitten hier bij wijn en bier En zingen ook geducht.

Wij zien hier niet naar rang of stand. Neen, wij zijn allen één;

Het is een hechte vriendschapsband, Waartoe wij zijn bijeen.

Ja, vriendschap — laat dat schoone woord Ook hier tot wachtwoord zijn,

Laat daarom klinken de muziek En tintelen de wijn.

Laat daardoor zijn deez' groenenkroeg De plaats, waar vreugd regeert,

Van waar geen enkel weggaat vroeg,

En blij elk huiswaarts keert.

Woorden van C. J. Franken.

ocr page 77

71

44.

Cii-oeuoulie*! is^SS.

Wijze: £,«, (a geschmauset.

Weder twee dagen

Zijn wij gedonderd en gefleurd :

Daarom niet klagen,

Nog niet getreurd.

Refrein.

Drinkt maar eens, klinkt maar eens uiterst pleizierig Hier op de kroeg zijn we jolig en tierig.

Wat kan 't je schelen

Of ze je schelden en doen,

Kan je 't niet velen Loopt dan geen groen.

Vlammetjes geven, v Doen wat meneer je beveelt;

Schikt je in 't leven,

Groenen bedeeld.

'T was niet te houden

Hielden wij geen societeit,

't Werd een verkouden Aardigheid.

ocr page 78

72

't Zal niet lang duren

Dat onze groenenkroeg bestaat.

Rekt dus deez' uren Tot 's avonds laat.

Na een paar weken

Komt ook deez' tijd aan zijn end Als die is verstreken Zijn wij student.

Woorden van H. N. J. van Ef.lde en A. H. nu Mosch.

45.

Oi-oenenlietl

Wijze : Crambambouli.

De groenenkroeg, dat is de band die

Ons in den groentijd samenbindt:

Het is de plaats waar men als groenen,

De vrijheid en gelijkheid vindt.

Daarom dure de groenenkroeg Van 's avonds laat tot 's morgens vroeg) ' ibis.) Vivat, floreat de groenenkroeg. '

Maar lang kan onze kroeg niet blijven, Zij eindigt met den groentijd saam.

ocr page 79

73

Zij liebbe een koit, doch bloeiend leven,

Word' steeds met vreugd herdacht haar naam. Daarom dure de groenenkroeg ^

Van 's avonds laat tot 's morgens vroeg, / (bis.) Vivat, floreat de groenenkroeg. '

Woorden van J. M. J. van Rossem.

46.

Grï'oenenlied ISS4.

Wijze : Wij leven vrij.

Tien slagen dreunden van den dom,

De groenen zijn weer vrij: Wij trekken naar de groenenkroeg En fuiven daar tot 's morgens vroeg; Want fuiven kan men nooit genoeg, Althans dat meenen wij. {bis)

Snel vliegen nu de uren heen.

De trage tijd wordt rap, Wij schenken in en drinken leeg, Wij oefnen onze stem terdeeg, Wij brengen veel lawaai teweeg, En drinken broederschap, (bis)

ocr page 80

74

Eu is het uur van scheiden daar,

Dan gaan wij welgemoed;

Want vroolijk mag een groen wel zijn, Als hij slechts denkt, de smart is klein, De vreugde groot, het plagen schijn. Dan heeft hij 't zeker goed. {bis)

Woorden van H. (. Pijnacker Hordijk.

47.

iwi-oeueiilic«l

Wijze: yJl /s ons prinsje nog zoo klein.

Hoezee! 'k ben groen. Nog korten tijd •—hoezee! Dan ben ik van elk juk bevrijd — hoezee I Dan ben ik corpslid, leef ik vrij.

Dan denk ik aan geen blokkerij.

Hoezee ! Hoezee ! Hoezee ! {bis)

Wel hem die koos een studievak — hoezee I Hij woont eerst onder vroolijk dak — hoezee! Hij kent geen kommer, geen verdriet. Zoolang hij slechts geen beeren ziet.

Hoezee I Hoezee ! Hoezee ! {bis)

ocr page 81

75

Komt dragen wij met vreugd ons pak — hoezee ! Slechts enk'le dagen duurt de plak — hoezee ! Dan juichen wij — de zon breekt door, Wij zijn nu leden van het corps !

O Sol justitiae Illustra nos — hoezee !

Woorden van O. Grijns.

48.

twi-oeneulicd

Wijze : Gij, schitterende kleuren van Nederlands vlag !

Laat klinken de kelen bij trom en trompet:

Het uur van genieten is daar!

Het uur dat de harten in vlammengloed zet. Voorschemer van quot;t komende jaar.

Laat klinken de kelen! De heerlijkste zang Is 't lied van bevrijding uit slaafschheid en dwang. Laat klinken, laat klinken in stijgenden gang ! 1 -aat klinken in stijgenden gang !

Laat klinken de bekers ! Jaagt over den rand

De blinkende schuimvlokken uit!

Gaat rond om de tafels, gereid hand aan hand, Bij 't daverend vreugdegeluid !

ocr page 82

7fi

Spaar, kroon onzer vrijheid, het schitterlicht niet Zingt vrienden, zingt broeders ons jubelend lied Wij spoeden ons voort naar het zalig verschiet. Student zijn is 't zalig verschiet.

Woorden van J. D. Bierens de Haan.

49.

Ciroenenlie»!

Wijze: Schóne blaue Donau.

Groenen, schept moed! Wel ja, dat 's goed ;

Studenten zijn weg, Wel, wat je zeg!

Geniet nu je kroeg, 't Is nooit te vroeg.

Verdrijft door een lied Je bang verdriet.

Vergeet nu je pijn, Je groenenpijn.

Want blij moet men zijn Op dit festijn.

En dorst is geen wonder:

ocr page 83

77

Gedonder Doet smachten naar den wijn Morgen wacht ons weer Sjouwen keer op keer.

Drinkt dan lustig,

Fuift dan rustig.

Ras vervliegt de tijd,

Onze vreugd ten spijt,

Maar dan is het heerlijk end: Student!

Woorden van H. Smissaert.

50.

('ii-oenoiili«Ml ISSS*.

Wijze: Der kleine Rekrut.

Laat ons thans te zamen zingen,

We zijn hier vrij, we zijn hier goed, 't Leven is ons hier weêr zoet,

Heft de glazen nu omhoog.

Zorgt dat de kelen niet worden te droog. Refrein:

Vergeten wordt hier groenensmart, Er woont slechts vreugde in ons hart, Vreugde blijv' hier aan het woord, We zijn hier immers ongestoord.

ocr page 84

78

De groenenkroeg, dat is 't gebied,

Waar d' novitius geniet,

Komt, we zingen 't nooit genoeg,

Semper crescat onze kroeg.

Laten wij dan ook bedenken,

Dat we vormen met elkaar Het toekomstig eerste jaar.

Dat de groentijd wordt verzacht,

Door de toekomst die ons wacht.

Woorden van G. J. Nolst Trenité.

51.

O iquot; o c ii e i» 1 i o cl 1 S 5^ O.

Wijze: De meisjes van Breda.

Wanneer de groenen 's avonds laat,

vermoeid van al het loopen, Van al het wand'len over straat

een borrel willen koopen, Dan kunnen zij dat samen doen,

gezellig bij elkander,

Gezeten op een matten stoel

en rookend een cigander.

ocr page 85

79

Refrein:

Want ja tot 's morgens vroeg

duurt de groenen kroeg, En steeds is het geweest

een lollig feest,

En hoe meer wijn men drinkt

hoe meer men zingt,

En dus hoe meer de vroolijkheid alom weerklinkt.

Maar als de heeren donderaars

de deur soms willen moeren, En, wachtend tot zij opengaat,

daar buiten staan te loeren. Dan vlug, uitsmijters, op uw post,

gij met uw' kracht'ge leden. Toont hen dan dat het moeite kost,

om in de kroeg te treden!

Gij allen leegt de glazen vlug

en vult ze weer met merum. En drinkt en toast en prijst den wijn,

het beste aller rerum.

Laat het gevuld champagneglas

U helder schuimend geven, En roept: och! dat het steeds zoo was

in dit ons aardsche leven.

ocr page 86

80

En als gij door den wijn verkwikt

naar huis gaat om te rusten. En reeds de zon U tegenblikt

van uit de Oosterkusten,

Zegt dan: dag kroeg, tot wederzien

o! plaats van groote vreugde. Gij zult ons weldra dat weer biên,

wat steeds een groen verheugde.

Woorden van J. J. Mackav.

52.

Oi'oenenliecl 1SOO.

Wijze : Piet Hein.

Groenen houdt toch moed, komt zijt vroolijk en

weest blij. En past op, laat je niet overdond'ren, Het lijden duurt zoo kort en het is zoo gauw-

voorbij ;

Past toch op, laat je niet bedond'ren!

Houdt moed! Houdt moed!

Houdt moed in je tegenspoed!

En zijt maar bij de hand,

Dan komt ge zeker uit den brand.

(/w.)

ocr page 87

SI

Weest toch eensgezind want dan ben je sterk genoeg

Om je lijden te trotseeren,

Verdedigt als een leeuw je leuke groenenkroeg, Waar je vrij den student kunt negeeren.

Slaat er op! slaat er op!

Ja slaat ze op hun kop 1 Als ze komen op je kroeg j

Want geen goed groen, die dat verdroeg. ^

Groenen ! 't zij uw troost bij verdrukking en bij pijn,

Dat ge ook eens student zult heeten,

Na een tijd van slavernij zal het vrijheid weer zijn, Dan zult g' al uw leed vergeten,

Vreest niet! Vreest niet!

Zingt luid uw groenenlied!

En weest een flinke vent, j

Denkt toch: ook ik ben eens student. (

Woorden van G. Posthumus Mevjes.

53.

1SÖ1.

Wijze : {/Vuu weili1 die Hand dein Vaterland.) Hoera! nu zijn wij bij elkaar.

De groenenkroeg, die is weer daar, De tijd, die wij met smart verwacht',

Heeft Jobs geduld ons aangebracht.

ocr page 88

82

Studenten kennen w' hier niet meer, De groen alleen, die is hier heer,

Ja, ook al komen zij met hond'ren.

Laten wij ons niet overdonderen.

Hoezee! er uit in naam van onzen groe- \

nenvorst.

Wie hier ongenoodigd binnentreden dorst; En laaft hier tevens ongestoord en blij

uw keel

Aan druivenvocht, zij 't rood of geel!

Bravo! Bravo!

Hard gaat ie zoo! hard gaat ie zoo!

Weest blij! weest blij!

Nu zijn we vrij! nu zijn we vrij!

Komt stoot eens aan,

't Moet los en vroolijk hier toegaan! Hoezee! hoezee! hoezee!

Komt laat ons klinken En lustig drinken,

De vreugd voer' hier haar scepter hoog.

Geen ware groenenkeel blijv' droog.

Komt laat ons zingen.

De kurken springen,

De gulden vreugd hou hier haar schepter hoog!

Woorden van C. de Wilde Jr.

{bis.)

ocr page 89

83

54.

Oroeiienliert 1SOSÏ.

Wijze: „In naam van Oranje doc open de poort.quot;

Komt, groenen, nu lustig, gezellig en blij

Den tijd met elkander gekort!

De kroeg stelt van plagen en dond'ren ons vrij,

Komt hier een student — hij moet „vort!quot;

Hier drinken en zingen wij niet op bevel,

Maar 't smaakt en bevalt ons ook zonder dat wel. Hier zijn wij van donderen vrij! {his)

Komt, laat ons dan drinken zooveel als ons lust;

Wij zijn voor geen kleintje vervaard.

Geniete nu elk onbezorgd van zijn rust,

Door jool noch bestelling bezwaard!

Nu weg met dien hatelijker, titel „mijnheer!quot;

Hier kennen we geen onderdanigheid meer. Genieten wij van onze rust! {bis)

Woorden van F. H. van Leeuwen,

ocr page 90
ocr page 91
ocr page 92