ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5
ocr page 6
ocr page 7
ocr page 8
ocr page 9

miGE BHZONDËKHEDBN

HUNNE REIS DOOR DE WOESTIJN.

ocr page 10

RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT

mm

nnn qqR2

ocr page 11

U.B. 'JTRÉCHquot;

a:b

EEMGl' BIJZONDERHEDEN

OMTKKXT

k yiM der Mm Israels i [pte

EN

HUNNE REIS DOOR DE WOESTIJN.

1)00 H

I)3. H. F. KOHLBEÜGGE.

In leren Predikant bij de Nederlandsch-Gereformeei-de Gemeente te E 1 b e r f e 1 d.

BIBU^JHEEK, DER.. RiJKSUNiVERSiTEIT UTRECHT

ANSTERDAM. — W. MEIJER. 1890.

ocr page 12

F Iquot; 111 I

■

:

'

-

.8881 HHSi'/.. lt; -

__

ocr page 13

SCHRIFT VERKLARINGEN

VAN

Br. 11. Ti KOHLBRÜGGE.

Eenige bijzonderheden omtrent den uittocht der kinderen Israels uit Egypte en hunne reis door de woestijn.

HET PAASCHLAM.

Toen, na de opstanding des Heeren Jezus, lieve lezers! de vrouwen de tijding van deze heugelijke gebeurtenis, haar door den mond der engelen medegedeeld , aan de apostelen moesten verkondigen, hadden zij geen anderen Bijbel dan hot zoogenaamde „Oude Testamentquot;. De Apostelen Paulus, Petrus, Johannes, en in het algemeen al de eerste christenen, hadden ook geen anderen Bijbel dan het „Oude Testamentquot;, om de doodeenvoudige reden, dat het „Nieuwequot; nog niet bestond. Yan dit Oude Testament, dat voor de apostelen eene lamp voor hunnen voet, een licht op hun pad was, ja dat zij gehandhaafd hebben, als het eeuwig blijvend Woord des Heeren, tegenover alle machten der duisternis, durven heden ten dage vele christenen beweren: „er staat eigentlijk „niet veel in, men kan er weinig stichtelijks in „vinden.quot; Ik geloof niet dat er onder u velen zullen zijn, die zulk eene jammerlijke dwaling deelen, ik wilde er u echter opmerkzaam op maken, en u, door u op het eenvoudig feit te wijzen, dat hot Nieuwe Testament ten tijde der Apostelen nog niet bestond, een wapen in de hand geven tegenover de tegen-No. 95. 31 Angustns 1889.

ocr page 14

2

standers. In den geestelijken strijd gaat het echter nog om geheel iets anders, en wel hierom; of men werkelijk zijn zelfgemaakt, ingebeeld leven des geestes, dat men meent in eigen hand te hebben, verloren heeft, en waar men het eeuwige, onvergankelijke, waarachtige leven terug heeft gevonden. Dit leven is alleen te zoeken en te vinden in het geheele Woord Gods: want vindt men b. v. in den aanvang van Genesis niet aanstonds de grondoorzaak van ons diep verderf, van den schrikkelijken dood waarin wij van nature liggen, aangewezen? en vinden wij aldaar ook niet van den beginne af het heerlijk evangelie, als de Heere tot de slang zegt: Ik zat vijandschap zeilen tusschen u en lusschen deze vrouw, tusschen uiv zaad en tusschen haar zaad: dalzelve zal u den kop vermorzelen, maar gij zuil hel de verzenen vermorzelen , Gen. 3 vs. 5.

Ik wenschte zoo gaarne, lieve lezers! u het een en ander mede te deelen, omtrent de kracht, die in de opstanding des Heeren Jezus is gelegen, en er u op te wijzen, hoe die kracht zich openbaart in degenen die Hem toebehooren. In de nieuwe schepping, lieve lezers! komt alles van boven. Yan nature is de mensch geheel dood in zonden en misdaden, en niemand denkt uit zichzelven aan dood, aan opstanding, aan Gods toorn en aan het eeuwige oordeel. Maar of wij Gods toorn al vergeten en de gedachte aan het jongste gericht op zijde zetten, nochtans deze toorn is aanwezig en rolt, als de donder door de wolken. Maar daarboven geldt ook eeuwige barmhartigheid, besloten in den eeuwigen vrederaad; van boven klinkt ook het eeuwige, zoete en zalige evangelie in verslagene en verbrijzelde harten, en onze Heere Jezus Christus is geenzins in de wereld gekomen om

ocr page 15

3

de genade Gods te verkleinen, maar wel, om het verbond, dat God te voren met Israël had gesloten, uit te breiden door de geheele wereld. Van boven komt dit Evangelie, van boven ook de wet des Heeren, als een tuchtmeester tot Christus. Met het woord van eeuwige genade en ontferming komt de Heere tegenover den veroordeelenden eisch der wet. Ja de Heere zelf gebied eeuwig leven, eeuwige gerechtigheid, waar het „doe datquot; der wet ons veroordeelt en verdoemt, en dat doet Hij, opdat wij het geestelijk leven, dat wij van nature meenen te bezitten, maar dat niets is dan louter schijn, verre van ons zouden werpen, en alleön heil zouden zoeken en vinden in dat eeuwige leven, dat God geeft om niet, alleen uit vrije genade.

De Heere had met Abraham een eeuwig verbond gesloten, en zag in Egypte zijn volk in de harde dienstbaarheid van Pharaö. Pharaö wilde het volk Israëls in zijne macht houden en geheel en al vernietigen , maar de Heere wilde dat zelfde volk verlossen. Geen macht ter wereld kon dit volk bevrijden van het juk der dienstbaarheid. Het volk had niets anders verdiend, dan wat de Egyptenaars ook verdienden, namelijk dood en verdoemenis, en met Egypte lag het onder het oordeel van vloek en duisternis. Maar omdat de Heere besloten had het volk te verlossen, en dit in Zijn raadsbesluit met eenen eed had bekrachtigd, zoude het uit Egypte verlost worden. En als God Zijnen raad ten uitvoer legt en Zijn verbond verheerlijken wil, dan kan zonde noch dood, duivel noch wereld dit verhinderen, en dan kan het alles niet zóó verward, niet zóó verdorven- zijn, of Hij woet uitkomst te geven. Dat doet Hij alleen uit vrije genade. Zoo lezen wij

ocr page 16

Ex. 12 vs. 1: dc Heerc had lol Mazes en lol Aaron gesproken: lot Motes, want de wet, waarvan Mozes eea beeld is, heeft recht bevelen uit te deelen, en lol Aar on, Aaron, dat is een beeld des evangelies, waardoor alleen alles tot stand kan komen; in Egypleland, d. i. in het land der duisternissen eu schaduwen des doods, maar juist daar moet de kracht van Jezus bloed verheerlijkt worden.

Lieve lezer! weet gij wanneer het rechte jubeljaar, het jaar der genade over ons aanbreekt ? Als wij door Gods uitgestrekten arm en sterke hand uit het Egijpte der zonden, en der doode werken der wet worden uitgeleid. Dan breekt eerst het rechte leven voor ons aan! Ik bedoel niet dat leven, dat wij van onze ouders ontvangen hebben, maar het leven, het waarachtige leven uit Grod. Het waarachtige leven uit God bestaat echter daarin, dat, waar wij midden in den dood liggen. Hij Zich aan onze zielen openbaart en ons te eten geeft van Zijn dierbaar Lam. Waar een arme zondaar om en om in den dood ligt en van God genade ontvangt, om zich dat Lam toe te eigenen, daar breekt eerst recht de liefelijke lente aan! Ja, daar begint alles te groeien en te bloeien, en de liefelijkste bloemen ontspruiten uit den hardsten en onvruchtbaarsten bodem. Aan do geheele gemeente Gods, aan Zijn geheele volk, groot of klein, geeft God het bevel een lam te nemen, en dat is een genadig bevel, dat de Heere geeft! Want daardoor roept de Heere ons toe: o, arm, voortgejaagd en voortgezweept menschenkind 1 uw bevlekt geweten, de duivel, de dood zoeken u in de engte te drijven met het „doe datquot; der wet, dat gij toch nooit en nimmer zoo kunt volbrengen, nu ge in Adam gevallen zijt, als het volbracht moet zijn! Ik

ocr page 17

roep ii echter luide toe: zoek niet langer door de wet, door uw eigen doen en laten rechtvaardig te worden voor Mij; sta af van al dat vergeefsch en dood werk, Ik heb hier een ander gebod : hot gebod dos eeuwigen levens! Dat geldt u allen, o mijne arme, zwakke schapen! En aldus luidt dit bevel: spreekl lol de (jansche vergadering van Israel, zeggende: aan den lienden dezer maand neme een iegelijk een lam, naar de huizen der vaderen, een lam voor een huis: d. w. z. ieder huisvader, die vrouw, kinderen en dienstboden heeft, die neme een lam; Waar nu echter geen huisvader meer is, maaralleen eene weduwe, daar neme die, als hoofd des huizes, eveneens een lam. Deze instelling, dat men een lam moest nemen, was een vrij genadegeschenk des Hoeren, en beduidde hetzelfde, wat wij Joh. 3 vs. 16 lezen: alzoo lief heejl God de wereld gehad, dal hij zijnen eeniggehoren zoon gegeven heeft, opdal een iegelijk, die in Hem geloofï niel verderve, maar hel eeuwige Leven hehbe. Ieder huisvader had dus een lam te nemen. Waarom? Haast kwam de nacht, de vreesehjke nacht, waarin de slaande engel door hot land zoude trekken en alle eerstgeborenen'zoude verslaan. God de Hoere zelf heeft echter ook eenen eerstgeborenen Zoon, onzen dierbaren Heere Jezus Christus, hooggeloofd in eeuwigheid, en Dien wil de Vader, als Zijn heilig en geliefd Kind, hoog geëerd en geloofd hebben in deze wereld; Hem moet alle ziel aanbidden, Hem moet alle knie a'cbos:en

' O O

zyn, en alleen zij zullen behouden worden, die Hem als hunnen Koning, huldigen en aanbidden: dat is de grondwet in het koningrijk der hemelen! Maar dat wil de wereld niet, zij wil Hem als Koning niet huldigen, maar spreekt het luide met woord

ocr page 18

en daad uit: wij willen niet dat deze koning over ons zij, wie is de Heere dat wij Hem gelooven zouden! Wat Hij echter is, wat Hij vermag, dat heeft Hij genoegzaam aan Pharaö en diens gansche heir getoond, en dat toont Hij nog, en nooit zal Hij ophouden het te openbaren door Zijne schrikkelijke oordeelen en wegen, dat Hij alleen God is in den hemel en op aarde, en dat Hij de goddeloozen verdelgt en hunne wegen omkeert. Des Heeren Eerstgeborene moet geëerd en gehuldigd worden, en waar de volkeren Hem verwerpen, zullen zij allen overhoop geworpen worden en ten verderve gaan. Ja, pestilentie, dood, de toorn Gods zitten den mensch voortdurend op de hielen, en dreigen hem te vernietigen, maar wie denkt daaraan ? Daar bekommert de huisvader zich weinig om, als hij maar het dagelijksch brood heeft voor zichzelven en de zijnen, als de zaken maar goed gaan; en als hij eere inoogst voor zichzelven, dan denkt ^ hij ook met den rijken man uit de gelijkenis; Ziel! gij hebt vele goederen, die opgelegd zijn voor vele jaren , neem rust, eet, drink , ivees vrolijk! Lukas 12 vs. 19. Maar o! hoe dicht zit de dood vaak zulk eenen op de hielen, en wat baat dan geld en goed, ruime winstgevende arbeid, gezondheid, macht, schoonheid, eere? Als een damp is het dan alles vervlogen', wat de ziel vervult en voortjaagt! Dat moet de hoofdvraag blijven van een iegelijk: of men waarachtig Jezus Christus, het lieve Lam Gods, tot zijn deel heeft; want dat is 's Heeren eeuwiggeldende rijkswet, dat Zijn allerheiligste wil: dat Zijne eeuwige barmhartigheid en wonderbare genade niet versmaad worde, door nietige menschcnkinderen, tot hun eigen verderf en ondergang

ocr page 19

Alzoo, dat is het wat eiken huisvader, elke huismoeder verre boven al het andere vervullen en bekommeren moet: of zij waarachtig het Lam Gods in hun huis hebben of niet. Hier geldt de guldenregel: het Woord van Christus wone rijkelijk in u in alle wijsheid. Col. 3 vs. 16a. Ja, lieve lezer! Jezus moet de eerste zijn in uwe huizen, Hem komt de stoel der eerc toe, en, van de vroegste jeugd af aan, moeten de kinderen leeren Hem te eerbiedigen en te gehoorzamen, en, al verzetten vele kinderen zich daar tegen in hoogmoed en verachting , toch heeft ieder huisvader, toch heeft iedere huismoeder het, tot hun eigen en hunner kinderen tijdelijken en eeuwigen vrede, in hun huis te handhaven: Jezus de eerste! en Zijn Woord zal gelden legen alles in. Wie dat Lam in huis heeft, wie daarop al zijne hoop vestigt, daarop al zijne en derzijnen zonden legt, die alleen is rijk en gezegend, die is in de beste brandassurantie en levensverzekering. Alles heeft hij in zijn huis, als hij dat Lam maar heeft, dat dierbare Lam Gods, dat de zonden der wereld draagt. Dat Lam moest de huisvader in Israël nemen, ofschoon de duivel hem wilde wijs maken: dat lam is niet voor u!

En dat geldt nog; want, op grond van wat de Heere heeft gezegd in de ceremoniën der wet, zoowel als in het evangelie, mag nog ieder huisvader, iedere huismoeder, die het bang om 't harte is, spreken: „Wijk van mij en vaar ter helle gij duivel „met al uwe beschuldigingen! God de Heere zelf „heeft tot mij, huisvader, tot mij, huismoeder ge-„zegd: dat ik voor het oog aller mijne huisgenooten „het lam nemen en spreken moet: gij dierbaar Lam „van God, Gij alleen moet op den troon zitten.quot;

ocr page 20

8

Ieder huisvader moet dus een lam nemen. Dat moest hij doen op den lienden dag. Heden, heden, daar u het zoete evangelie des volzaligcn Gods, het allerheiligst lijden en sterven van Jezus Christus gepredikt wordt, is het do welaangename tijd, is het de dag der zaligheid voor u allen, dien Jezus Christus voor de oogen gepredikt wordt, als onder u gekruisigd zijnde. In dit bevel des Heeren, dat de kinderen Israels het lam nemen moesten op den tienden dag der maand Nisan, lag tevens eene profetie opgesloten daarvan, dat de geheele gemeente der kinderen Israëls eenmaal, in de volheid der tijden, het Lam Gods zouden nemen en als hunnen Koning zouden huldigen; deze profetie is vervuld, toen onze Heere, van den Olijfberg komende. Zijnen intocht hield in Jeruzalem, en deze profetie wordt nog altoos vervuld, waar Christus door het woord der prediking intrekt in het hart der Zijnen. En o! ziele, neem Hem toch aan, waar Hij zóó tot u komt. Ja, gij hebt niets dan zonde, gij zijt een kind dos doods, om en om verloren, vervloekt, verdoemd! Maar, dat kan den Heere niet verhinderen tot u te komen en u Zijn dierbaar Lam ten geschenke te geven! Ik vraag er niet na, of gij zondig, of gij onrein zijt, de genade is verschenen aan Joden en heidenen, en daarom, blijf toch niet van verre staan, waar de heerlijke bazuin des evangelies, de blijde boodschap van Gods vrije genade klinkt. Dat dierbare Lam wil uwe zonde, wil uw vloek van u op Zich laden; wil uwe zonden, de zonden uwer vrouw, uwer kinderen, de zonden van uw gansche huis dragen. Zie dat Lam Gods voor uwe oogen staan, en zeg vrijmoedig, ook waar alle duivelen uwen mond zoeken te sluiten: „o, dierbaar Lam, ik ben verloren, ik ben des doods,

ocr page 21

9

„de duivel gaat rondom mij als een brullende leeuw, „Gods oordeelen breken van alle zijden los, maar „tegen dat alles o dierbaar Lam! neem ik U en — „de worg-engel gaat aan mijn huis voorbij.quot; Lieve kinderkous! die misschien deze woorden leest, o vrees toch niet, wat u ook moge overkomen, maar houdt u vast aan dit schijnbaar zoo kleine Lam. Ziet gij niet gaarne in de weide zulk een klein, wit, onschuldig lam? Zulk een lam bijt niet, het stoot niet, daar kunt gij mede spelen en sollen naar uw welgevallen, en gij tooit het zoo gaarne op met allerlei linten en versierselen, gelijk de vrouwen ook den dooden Ileere Cliristus wilden balsemen met hunne zalven en specerijen. O, waar dit Lam is, daar neemt de helhond de vlucht, want dit schijnbaar zwakke Lam heeft nochtans wonderbare kracht, waarvoor de duivel zijne biezen pakt en wegloopt, want voor Jezus' bloed sidderen alle geesten uit den afgrond, en de geheele hel zoude oer uit elkander spatten, dan dat zij het zoude wagen in te trekken in een huisj waarvan de deurposten en bovendorpels met het bloed des Lams bestreken zijn! Daarom dit Lam in uwe huizen, en gij zijt veilig en goed geborgen.

Was nu eone huishouding te klein, om het lam geheel te nuttigen, dan moesten zij met hunne naburen te zamen een lam nemen, zooals wij Exodus 12 vs. 4 lezen: Maar indien een huis te klein is voor een lam , zoo neme hij het en zijn nabuur, de naaste aan zijn huis, naar hel getal der zielen, een iegelijk naar dat hij eten kan. Gij zult de rekening maken naar hel lam. Van dat lam mocht niets overschieten, het moest geheel genoten cn opgegeten worden; het geheele lam moest het zijn, met alles

ocr page 22

10

wat het beduidt en bevat. Aan dat lam is niets gedeeld, niets half, hier is geen halfheid; hier is het niet: half zonde, half gerechtigheid; niet: half vroom, half goddeloos. Neen! Jezus is geen halve Jezus, maar een volkomen Verlosser en Zaligmaker. En daarom moest ook het geheele lam bij den paaschmaaltijd gegeten en verteerd worden. En, dat de kinderen Israels, als hunne eigene huishouding te klein was', om het geheele lam te verteeren, hunne naburen, wier huisgezin ook niet talrijk genoeg was, om voor zich zeiven een lam te nemen, moesten noodigen tot den paaschmaaltijd, beduidt dit: als de nood aan den man is, als de worg-engel door de stad trekt, denk dan niet alleen aan uwe eigene veiligheid, maar denk ook aan uwen naaste. Want ofschoon de mensch van nature geneigd is God en zijnen naaste te haten, zoo zullen wij toch als wij in denzelfden nood verkeeren als hij, en een zeker toevluchtsoord weten, onzen naaste zoeken in veiligheid te brengen, en dit is ook niet meer dan onze schuldige plicht. En al leefden wij tot op heden met hem in twist en tweedracht, zoo zullen wij nochtans in de ure des ge vaars zeggen: „o mijn naaste! laat „ons in den gemeenschappelijken nood, die ons dreigt, „toch den duivel al onze duivelarijen voor de voeten „werpen; gij zijt des doods, ik ben des doods, maar: „alzoo lief heeft ons dit Lam gehad! Om de wille „van dit Lam, laat ons elkaar de hand reiken en „te zamen eten, wat ons alleen behouden kan.quot;

Wij lezen verder vs. 5: Gij zult een volkomen lam nemen. Aan het lam, dat de Israëlitische huisvader moest nemen, mocht geen gebrek zijn, het mocht niet kreupel, niet schurftig, niet blind zijn. Een volkomen lam, een volkomen offer moest God

ocr page 23

11

de Heere hebben, en daarom zingen wij ook met Luther:

Die zonder zonde was geboren

Droeg voor ons des Heeren toorn.

Klem u aan Christus vast in den nood uwer ziele: op Hem lag mve zonde, maar op en van zichzelven heeft Hij nooit zonde gehad, noch gekend. O, vrees toch niet uwe hand op Zijn hoofd tc leggen, Hij is een volkomen Heiland, een volkomen Zaligmaker ; een volkomen werk heeft Hij gewerkt, geen gebrek kleeft daaraan; Hij heeft van alle eeuwigheid den wille Gods volkomenlijk vervuld 5 de gerechtigheid die Hij aangebracht heeft was gansch volkomen en der wet Gfods in alle stukken gelijkmatig; on daarom is die gerechtigheid, die Hij volbracht heeft, ook de eenige gerechtigheid, die voor God geldt, omdat zij de eenige is, die voor Gods gericht bestaan kan. Daarom kan Hij ook volkomen zalig maken degenen, die door ïlem lot God gaan, Hebr. 7 vs. 26, en heefl Hij met ééne offerande in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden, Hebr. 10 vs. 14. En 2 Oor. 5 vs. 21 lezen wij: Dien, die geene zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt. Zonder gebrek, zonder vlek of rimpel moest Hij, moest onze dierbare Heiland Jesus Christus zijn, opdat Hij al onze gebreken, al onze krankheden, al onze ellende op Zich zoude kunnen laden, en God heeft hem tot zonde gemaakt, opdat wij zouden zijn gerechtigheid Gods in Hem.

Een mannelijk lam moest het zijn, „een mannekequot; zoo lezen we in vs. 5. quot;Waarom bestemde de Heere dit zoo ? In Christus is er immers noch man, noch vrouw, maar zijn ze allen één in Hem ? Ja geliefden! maar werp nu eens een blik op de vier en veertig

ocr page 24

12

duizend, die op den berg Zion staan: in hun midden staat een Lam als geslacht; dat Lam is alleen de Man, de honderd vier en veertig duizend zijn Zijne waarachtige gemeente, die in Gods Woord genoemd wordt, de bruid, de vrouw des Lams. Het Lam is het Hoofd der gemeente, de honderd vier en veertig duizend zijn de leden des lichaams, en zóó, als do Man, als het Hoofd zijner duurgekochte gemeente, komt Hij nog telkens, om haar, zijne Sulamith, te verlossen uit de macht der helsclie slang.

Een jaar oud moest het Paaschlam zijn. Een volkomen ouderdom moest het hebben, geheel volwassen moest het zijn, opdat i3der der Zijnen, hetzij zuigeling, kind, jongeling of grysaard, in dat Lam zoo zouden zijn, als het den Heere welbehagelijk is.

Wij lezen vorder vs. 5, van de schapen of vargt; de geitenhokken zuil gij hel nemen, het moest geen buitenlandsch lam, geen geitenbokske van een vreemd ras zijn. Geiten of bokken nu zijn onreine dieren, gelijk ook wij allen van nature onrein en diep bedorven zijn. Dat men voor het Paaschlam ook een geitenbokske nemen mocht, herinnert dus aan des Apostels woorden. Hebr. 2 vs. 14. Overmits dan de kinderen des vleesches en bloeds deelachtig zijn, zoo is Hij ook desgelijks derzelven deelachtig geworden, opdat Hij door den dood zoude te niet doen dengene, die het geweld des doods had, dal is de duivel; en verlossen zoude al degenen, die met vreeze des doods, door al hun leven der dienstbaarheid onderworpen waren.

Uitgegeven bij W. MEIJER te Utrf.cht, Jerusalemsteeg. Voor Duitschland verkrijgbaar bij F. BÜCKMANN, Elberfeld. Prijs per Nammer 3 Cts. Franco i»er post 4 Cts.

ocr page 25

SCHRIFT VERKLARINGEN

VAN

Dr. II. Fi KOHLBRÜOGE.

Eenige bijzonderlieden omtrent den nittoclit der kinderen Israels uit Egypte en hunne reis door de woestijn.

HET PAASCHLAM.

Hij, die ons het eeuwige leven verwierf, is alzoo een lam van onze kudde willen worden, een lam onder de lammeren, een geitenbokske onder de geiten-bokskens, een zoon Davids, een zoon Abrahams, een zoon van Thamar, een zoon van Iluth, een zoon van Bathseba, van haar, die Uria's huisvrouw geweest was. Ja! zulk een zoon is Hij geworden! Hij, dien de hemel der hemelen niet kon bevatten, Hjj, die geen zonde kende en in wien geen zonde was, wilde ons diep bedorven en ellendig vleesch aannemen. O, welk een Jezus, welk een Heiland en Verlosser is Hij niet! De Heere uit den Hemel is ons ellendig vleesch en bloed deelachtig geworden, opdat Hij zóó alles zouden lijden en smaken, wat wij lijden en smaken moeten in dit jammerdal, en opdat Hij in Zijn eigen lichaam zoude dragen al de lasten, waaronder wij zonder Hem gedurig moeten bezwijken; ja, zóó heeft Hij alles gedragen en op Zich willen laden. Hij, de overste Leidsman en Voleindiger des geloofs. Ach! mijne lezers, de engelen kunnen de diepte onzer verlorenheid niet pijlen, niet door-No- 96. 14 September 1889.

ocr page 26

14

gronden, een engel kent de hitte der verzoeking-niet, zooals de Heere die in de woestijn ondervond, een engel weet niets van zonde, niets van den toorn Gods! Daarom, aanmerkt den Hoogepriester en Apostel onzer belijdenis, Christus Jezus, en zinkt voor Hem in het stof neder, o alle gij einden der aarde! Want Hij, dat dierbare Lam Gods, heeft onze natuur, de natuur, die gezondigd had, aangenomen , en zoo is Hij geworden onze groote Hoogepriester, die niet een zoodanige is, die geen modelijden kan hebben met onze zwakheden, maar die in alle dingen gelijk als wij verzocht is geweest, uitgenomen de zonde.

Vs. 6 lezen wij: en gij zuil hel in bewaring heihen lol den veertienden dag dezer maand. Vier dagen lang moesten zij het paaschlam alzoo in bewaring hebben; want, o mijne lezers! dat begrijpen wij niet zoo in eens, die volheid zien wij niet met éénen blik, maar schrede voor schrede leeren wij het, wat wy aan onzen Christus hebben. En, als wij waarlijk persoonlijk met dat Lam op Golgotha gekomen zijn, als met onze eenige gerechtigheid , dan moeten wij het nog van stuk tot stuk leeren in de praktijk des dagelijkschen levens, dat wij het zijn, die Hem den rug hebben opengereten, dat wij het waren, die Hem de doornenkroon op het hoofd drukten, die Hem in het aangezicht sloegen en aan het vervloekte kruishout hechtten. O, dat leert men niet zoo in eens, dat wij het zijn, die Hem bespotten, die Hem als Hij dood is, in de zijde steken, en, dat het alleen Gods vrije en souvereine genade is, die er ons voor bewaart, Hem de beenen te breken, of te laten breken, zooals ons voornemen was. O, lieve lezer! dat wij dezulken zijn, dat moeten

ocr page 27

15

wij van schrede tot schrede, van stap tot stap leeren en ervaren in het leven.

Christus heeft al de Zijnen in Zich opgenomen, en hun oude mensch is met Hem aan het kruis gehecht en gedood, en zoo leeren zij verstaan, dat zij en hunne zonden het zijn, die Hem al datname-looze lijden hebben toegevoegd. Vergeet dit niet, lieve kinderen! zoo er misschien kinderen zijn, die deze woorden in handen krijgen, en blijft bij hetgeen uwe moeder u heeft geleerd te bidden: hel bloed Jezu Chrisli des Zoons Gods maakl ons rein van alle zonden. En zoo gij soms een lam op het groene gras ziet spelen, zoo denkt er aan, wat Johannes de Dooper van onzen Heere Jezus Christus getuigde: zie hel Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneeml! en gij zult het ook van den Heere leeren, wat gij aan dat Lam Gods hebt. Op den tienden dag werd het paaschlam in huis genomen, op den veertienden dag der maand moest het geslacht en gegeten worden. Om van het Lam te kunnen eten, moeten wij het eerst hebben, en hebben wij het, o hoe slecht verstaan wij het dan, om in dat Lam alleen onze spijze ten eeuwige leven te zoeken en te vinden! Alzoo allereerst moeten wij het Lam hebben. Hoe kom ik daaraan? zult gij misschien vragen. Welnu, gij kent immers Gods bevel, gij hebt immers Gods woord: geloof dat woord, en gij hebt het Lam! Gij kunt niet gelooven, ja dat is juist uwe grootste nood, dat gij niet gelooven kunt? Roep den Heere aan, roep Hem nochtans aan om genade en ontferming, en zoude Hij, die de stem der jonge raven hoort en hun voedsel geeft, waarom zij roepen, zoude Hij Zijnen menschenkinderen onthouden, wat zij behoeven naar ziel en lichaam? En zoo staat ge-

ocr page 28

16

schreven: En wat vader onder u, dien de zoon om brood bidl, zal hem eenen steen geven? of ook. om eenen visch bidt, zal hem voor eenen visch een slang geven? of zoo hij ook om een ei zou bidden, zal hij hem een schorpioen geven? Indien dan gij, die boos zijt, weet uiven kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal de hemelsche Vader den Heiligen Geest geven dengenen, die Hem bidden? Luk. 11 vs. 11—13. Ach! als gij den Heere aanroept om eenen cent, voorzeker Hij geeft u een stuiver, een gulden, een goudstuk. En, zoo staat er wederom geschreven; bidt en u zal gegeven worden, zoekt en gij zult vinden, klopt aan en u zal opengedaan worden!

En op den veertienden dag der maand moest de geheele gemeente des volks Israels, dat is in elk huis moest de huisvader dit doen, het lam nemen en het slachten, d. i. het den hals afsteken. „Wat,quot; zullen dan misschien de kinderen geroepen hebben, „dat schoone, lieve, onschuldige lam, dat wij zoo bewonderd hebben en waarmede wij ons vier dagen lang zoo hebben vermaakt, moet dat gekeeld worden ? Neen, neen, dat nooit.quot; Maar er was geen andere keus, dat lam moest sterven, en zijn bloed aan de zijde- en bovendorpels der deur gestreken zijn, of de worgengel zoude hen allen verslaan. Maar was dat dan geen helsche zelfzucht, dat lam te kelen, om zelf den dood te ontgaan? Neen! en nogmaals neen! want het was de Heere Zelf, die het zoo bevolen, zoo verordineerd had; want Hij wil niet, dat de goddelooze sterve, Hij wil niet, dat er van Zijn Israel ééne klauw achterblijve! en als het Lam , het waarachtige paaschlam, niet geslacht wordt, hebt gij niets te verwachten, o mensch, dan eeuwigen toorn en omkomen. Maar Israel is het bevel van Zijnen

ocr page 29

17

God niet nagekomen. Ja, het vleeschelijkc paaschlam hebben zij wel gekeeld, de uiterlijke instelling van het pascha hebben zij wel gehouden, maar van het ware, eeuwige Paaschlam, dat in deze en in alle andere ceremonien der wet is afgebeeld, wilden zij niets weten. Zij hebben hun vertrouwen gesteld op hunne eigene wijsheid, kuischheid en voortreffelijkheid , en, zichzelven en elkander aanbiddend, zijn zij van de eenc dwaasheid in de andere, van de eene hoererij in de andere gevallen , tot dat zij, — ja wat hebben zij eindelijk gedaan, toen de dag, de veertiende dag gekomen was? Zij hebben beraadslaagd, en zijn het eens geworden over dertig zilverlingen , en zijn met Judas in den hof Gethsemanó binnengedrongen om een enkel onschuldig lam, het eeuwige en dierbare Lam Gods te vangen.

Ja, maar dat was ook eene bende van goddeloozen, die het deden, zult gij zeggen. Neen, geliefden! dat waren geen goddeloozen, maar dezulken, die den naam droegen van Gods volk bij uitnemendheid te zijn. Toen keizer Vespasianus tegen hen optrok, zijn ze allen gevallen op de muren en tinnen van Jeruzalem's tempel, want het was Gods oordeel, dat over hen kwam. De Heere had hen verlaten, daarom zijn zij gevallen, en daarom alleen, want overigens waren het allen leeraren Gods en sterke helden. Zoo lang de mensch er niet aan wil, al zijn heil, al zijne gerechtigheid alleen in het Lam Gods te hebben, zoo lang hij nog vasthoudt aan zijne vermeende oprechtheid en voortreffelijkheid, zal hij niets dan onheil stichten, niets dan ongerechtigheid tot stand brengen.

Het is de Heere alleen, die alles doet door de almacht Zijner barmhartigheid, op Zijnen tijd en op Zijne wijze. Hij spreekt tot ons: o mensch! o zon-

ocr page 30

18

daar! gij zijt des doods met vrouw en kind, met alles, wat gij hebt en bezit, maar zie hier, het Lam, geslacht om uwentwille! Dat Lam alleen is heilig , het ging in den dood om uwentwil, volgens Mijn wil en raadsbesluit. Gewis en gewis zal dan de geheele hel hare stem verheffen en roepen; dat is niet voor u, dat kan u niet helpen, al helpt het anderen ; maar dan moet Gods bevel, Gods wil meer bij u gelden dan al de beschuldigingen van den vijand, en zoo spreekt de Heere tot u : roept het luide uit, predikt het aan uwe bezwaarde conscientie, predikt het aan vrouw en kind : lieve vrouw', lieve kinderen, en ook gij mijne arme ziel, het bloed Jezu Christi dat is, dat doet het alleen, en daaraan zal de slaande engel voorbij gaan. Maar ik moet toch bekeerd, ik moet toch wedergeboren zijn ? Ja gewis, maar hoe kan ik daar naar vragen, als de slaande engel in de straten der stad omtrekt, en alleen het bloed des Lams mij redden kan ? Eerst dit Lam aangegrepen als het eenige anker der ziele, en dan is ook gewis de waarachtige bekeering, de ware wede-geboorte aanwezig.

In de diepste diepte wordt dat ondervonden, want allereerst leert men zichzelven kennen, zooals men waarachtig is, als een dooden hond, als een vervloekten, doemwaardigen zondaar, die niets anders verdient dan ter helle te varen; maar juist tot de zoodanigen komt de barmhartigheid Gods met het bevel: leg al uwe zonden op dat geslachte Lam. Het past u te doen, wat God u beveelt, namelijk dat gij gelooft, wat Hij u zegt; Hij wil, dat gjj, als het ware, dat Lam slacht als mv slachtoffer, dat gij Gode brengt voor uwe zonden, zonder u dooiden duivel te laten terughouden, die u inblaast:

ocr page 31

19

„gij zijt te slecht, te goddeloos!quot; Neen! spreek het uit, al is het met bevende lippen. Laat de vijand uit de hel u den mond toch niet stoppen, zeg het vrij uit: „juist om mijne groote, afschuwelijke, „schrikkelijke zonden, eerbiedig ik het gebod des „Heeren, dat mij zegt een lam te nemen, en daarop al mijne zonden te leggen.quot;

Het paaschlam moest geslacht worden „tusschen „de twee avondenquot;, dat wil zeggen van dat de zon begint onder te gaan, totdat werkelijk de nacht is gekomen, dus in het vallen van den avond. De Heere riep hier wederom het volk toe : o gij kinderen Israëls! de tijd is kort, de nacht is nabij. De ure der beslissing nadert, in dezen nacht blijft gij in Egypte, in het diensthuis gevangen, of Ik leide er u uit door Mijnen almachtigen arm.

Alzoo in de ure der beslissing is het en blijft het altoos een wagen, een wagen met Christus. Dierbaar Lam! indien uw offer, indien uw dood niet geldt, als het oft'er voor mijne zonden, dan sterf ik en moet omkomen voor eeuwig! En waar nu God de Heere komt en u aan uzelven ontdekt, waar gij vol angst siddert en beeft bij de gedachte voor God te moeten verschijnen, o, weet het dan ook tot uwen troost: het oogenblik nadert, dat gij uit het Egyte der zonde en des doods verlost zult worden. Juist te midden van al deu angst en nood, die u omgeeft, geldt 's Heeren bevel: neem het Lam , het Lam , dat geslacht is voor de grondlegging der wereld, haast u om uwe levenswille, eer de bliksemslraal van Gods rechtvaardigen toorn over uw ongeloof u verplettert, en u doet verzinken in den eeuwigen nacht.

En nu vs. 7. En zij zullen (of gij zult) van het bloed nemen, en strijken hel aan de beide zijposlen.

ocr page 32

en aan den bovendorpel aan de huizen, in welke zij hel elen zullen (gij het eten zult.)

Ja ziele! strijk dat bloed aan de beide zijposten en den bovendorpel van uw huis. In letterlijken zin moesten de kinderen Israëls dat doen, voordat zij uittogen uit het land hunner dienstbaarheid. Maar iti letterlijken, stoffelijken zin is het bloed des Lams niet meer op aarde aanwezig, het is alleen in den hemel, in het binnenste heiligdom, waarheen Christus is opgevaren, zoodat Hij naar Zijne menschheid niet meer op aarde is, maar nochtans naar zijne Majesteit, Godheid, genade en Greest, nimmermeer van ons wijkt. Het is alzoo niets dan afschuwelijk bijgeloof, indien men, zooals men het vooral in roomsche streken ziet, de deuren en bovendorpels met rood krijt bestrijkt, om hierdoor, zoo men meent, den duivel uit zijn huis te houden; neen! zulk ijdel, bijgeloovig vertoon is juist het rechte middel om den duivel en al zijne duivelarijen in huis te halen. Het Lam alleen moet alles voor en in u doen, en dat Lam zit ter rechterhand Gods, totdat Hij zal komen om te oordoelen de levenden en de dooden. Zooals gij zijt, komt tot dat Lam, dat ofschoon opgevaren in de hoogte, nabij u, zeer nabij is met zijne genadige tegenwoordigheid, naar den geest, niet naar het lichaam ; neem in den geest van Zijn vergoten bloed, doop daar uwen vinger in, en bestrijk daarmede de zijposten en den bovendorpel van uw hart, opdat ook u het woord van Petrus gelde ; Uen uitverkorenen naar de voorkennis van God den Vader, in de heiligmaking des Geesles, lol gehoorzaamheid en besprenging des bloeds Jezn Chrisli; genade en vrede zij u vermenigvuldigd. 1 Petr. 1 vs. 2.

Alle ingebeelde wijsheid en verstand, alles, wat

ocr page 33

21

uit u zoude moeteu voortkomen, hebt gij dus verre van u te doen, opdat alles alleenlijk besprengd en gereinigd zij in liet bloed Jezu Christi, want alles wat ons verduisterd verstand, en onze van God afgevallen, opgcblazene rede voortbrengt, is een gruwel voor God, en Christus alleen moet onze Wijsheid zijn en blijven. Al de overleggingen onzes harten zijn ook een gruwel voor God, want, wat komt daar al niet uit te voorschijn, als uit eene onzalige fontein? Ja, gewis! als de slaande engel des ITeeren rondtrekt, en maar één blik in ons huis werpt, zoo is hij in het volste recht, wanneer hij ons allen doodslaat. Vergoten is echter het bloed des Zoons Gods: gevoelt gij nu, dat gij daar deel aan hebt, dat wil zeggen, hebt gij leeren inzien, dat het uwe zonden zijn, die den Heere aan het kruis gebracht hebben, zoo zult gij ook spoedig ervaren, dat de bloedwreker u op de hielen zit, en voldoening van u eischt, en voordat hij bloed gezien heeft, u geen rust gunt! O ziele! in dezen angst, in dezen nood, neem dan den vinger des ge-loofs, des gebeds, der smekingen en bestrijk uw huis, d. i. uwen ingang en uwen uitgang, in den geloove met dat alleen reinigende bloed des Lams! Wij vinden bij de joden nog heden ten dage de gewoonte om de tien geboden aan de zijposten der deuren te schrijven, maar wat zal dit hen baten, daar zij toch den levenden Christus niet hebben, ja Hem van ganscher harte haten ? Maar o! hij of zij, bij wien de ingangen en uitgangen des harten met het bloed des Lams in waarheid zijn bestreken, ontvangt ook in dit bloed de geheele vervulling der wet. Welgelukzalig, driewerf gelukzalig zijn wij dus, zoo wij voor onszelven, voor vrouw en kind, onze huizen en harten bestreken hebben met dien eenigen losprijs;

ocr page 34

22

wat er dan ook gebeure, de duivel zal geen macht over ons hebben. En dan zal ook ia uwe huizen de waarachtige belijdenis van Christus heerschen, zoodat gij n voor Hem niet schaamt, maar Zijn kruis bij u hoog in eere wordt gehouden. Niet dat Zij no beeltenis in hout of ivoor gebceldhoud, op roomsche wijze in uwe huizen prijken moet, maar dan is zijn kruis bij u in hooge eere, als een ieder, die in uw huis treedt, de vrijmoedige belijdenis tegemoet klinkt: hel bloed van Jezus Christus den Zoon Gods, maakl ons rein van alle zonden. Dit moet men op de rechte en gezonde wijze vatten, en voor deze waarheid zich niet schamen. Als dan duivel en dood ons genaken, moeten zij het vernemen: hier geldt niets dan de belijdenis: het bloed van Jezus Christus reinigt ons van alle zonden! Want dat is niet alleen eene belijdenis dor lippen, maar de eenige en waarachtige troost in leven en in sterven, zoodat alle andere troost als ijdel en nietig verworpen wordt van ganscher harte. En dit is ook aanwezig bij allen, die God de Heere zelf verlicht heeft.

Niet alleen echter moesten de zjjposten en de bovendorpels met het bloed des paaschlams bestreken worden: het vleesch moest ook gegeten worden: dat zag op het geloof, want zoo lezen wij in Joh, G vs. 54: die mijn vleesch eet, en mijn bloed drinkt, die heeft het eeuwige leven. Dat het vleesch van het paaschlam gegeten moest worden, zag alzoo op het waarachtige, zaligmakende geloof in Jezus Christus; die dat bezit, geeft, al is het met sidderen en beven, op de vraag: hoe zijt gij rechtvaardig voor God? altoos het oude welbekende antwoord : alleen door een oprecht geloof in Jezus Christus; en zulk een zegt ook :

ocr page 35

23

O Jezus! Gij mijn toeverlaat!

Op U alleen mijn hope staat.

Uw bloed alleen houdt duurzaam waarde,

Het is mijn een'ge troost op aarde.

Het eten van het pacaschlam was dus een heeld van een waarachtig geloof in den Heere Jezus Christus, en van eene hartelijke begeerte om met dezen dierbaren Verlosser en Zaligmaker meer en meer in het geloof vereenigd te worden. Het vleesch des Zoons Gods te eten, beduidt dus te gelooven, van ganscher harte te gelooven, dat niet alleen anderen, maar ook mij vergeving der zonde, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken zij, uit loutere genade, alleen om de verdiensten Ghristi wille. Dat is het, wat men te gelooven heeft, en dat alleen. Maar om dat te kunnen, moet er diepe nood van wege de zonde, verbrijzeling des harten, en vertwijfeling aan eigen kracht om te kunnen gelooven, aanwezig zijn. Om door niets anders meer in liet leven te kunnen gehouden worden dan alleen door het vleesch en bloed van het eenige Lam Gods, moet de geestelijke mensch lang gevast, lang alles ontbeerd hebben, wat hem sterkte en verkwikking kan geven, ja daar moet het in waarheid „schrik van rondommequot; zijn geworden. Eten is hier gelooven, want nog eens, wie het vleesch des Zoons des menschen eet, en Zijn bloed drinkt, die heeft het eeuwige leven.

Vs. 8 En gij zuil het vleesch elen in dienzelfden nacht aan hel vuur gebraden. Wat was dat voor eene nacht, waarin de kinderen Israëls het vleesch van het Paaschlam eten moesten ? O, dat was eene vreeselijke nacht, die nacht, toen de slaande engel des Heeren door Egypte trok en alle eerstgeborenen

ocr page 36

24

dood werden geslagen, van den eerstgeborene van Pharao af, die na hem op den troon zoude zitten, tot op den eerstgeborene van den gevangene, die in het gevangenhuis was; het was de verschrikkelijke nacht, waarin het oordeel Gods begon uit te gaan; de nacht ook, waarin de Heere aanving de twistzaak zijns volks te twisten! Maar Israël, gij Israël, waarvoor de Heere in dienzelfden nacht begon te strijden, zjjt gij dan voortreffelijker dan de Egyptenaren? Eu gij christenvolken, zijt gij voortreffelijker en heiliger dan de heidenen, waar de Heere niet naar omziet ? Gij volk van Nederland, gij volk van Elberfeld! die zoo lang de bazuin des Evangelies hebt gehoord, zijt gij beter en voortreffelijker in uzelven dan het lichtzinnige, wufte Parijs? O, wanneer de Heere ons menschenkinderen op eenen hoop werpt, dan komt het wel aan 't licht, wat wij allen zyn: stof, aarde en assche, en niets meer dan dat! Neen! waar God zjjn glinsterend zwaard uit de schede trekt, daar zal het blijken, dat juist die oorden, waar het heerlijk evangelie van vrije genade het heerlijkst gepredikt is, het meest schuldig staan voor Hem, al was het maar alleen om de lichtzinnigheid, waarmede het vleesch des Zoons Gods gegeten wordt zonder aan het vuur le zijn gebraden, dat wil zeggen, de lichtzinnigheid, waarmede men meent in Christus te kunnen gelooven, en zich alle zijne weldaden te mogen en te kunnen toeëigenen, zonder ware kennis van zonde, .zonder droefheid daarover, zonder verbrijzeling des harten.

Uitgegeven bij W. MEIJER te Utkeoiit, JerusaUmüecg. Voor DoitschlariJ verkrijgbaar bij F. BÜCKMANN, Elberfeld. Prijs per Nummer 3 Cts. Franco per post 4 Cts.

ocr page 37

SCHRIPTTEIIKL ARINGEN

VAN

Dr. II. Fi KOULBBÜGOË.

Eenige bijzonderheden omtrent den uittoclit der kinderen Israels uit Egypte en limine reis door de woestijn.

HET PAiVSCHLAM.

En als gij, die deze -woorden hoort of leest, u niet bekeert van deze uwe schromelijke liclitzinnigheid, zoo zult gij met de Egyptenaren omkomen, dit zij, tot heil uwer onsterfelijke ziele, n nog eens voorgehouden , voor dat gij voor eeuwig wegziukt in het verderf. Juist de Israëlieten hadden nog zwaarder gezondigd tegen den Heere dan de Egyptenaren, maar de Heere had er een welbehagen in, liet zaad Abrahams Zijns liefhebbers, te redden en te verlossen van den tijdelijken en eeuwigen dood. En tot Hom mag niemand zeggen, wat doet Gij ? Of heeft de pottebakker geen macht over het leem om uit denzelfden klomp te maken het eene vat ter eere, het andere ter oneere ? Het was des Heeren welgevallen, aan het volk Israël Zijne genade en barmhartigheid , Zijnen schoenen en heerlijken Naam te verheerlijken, maar in en op zichzelven stond Israël schuldiger voor God dan de Egyptenaren. Het was alleen vrije, souvereine genade , het was louter genade en ontferming , dat de Heere verordend had, dat ieder huisvader der Israëlieten een lam in huis zoude nemen, No. 97. 28 September 1889.

ocr page 38

26

want o! als de slaande engel komt, kan hij er niet naar vragen, in welk huis besnedenen of onbesnede-nen, Israëlieten of Egyptenaren zijn, en alleen aan die deuren gaat hij voorbij, waar het bloed des Paaschlams aan de zijposten en bovendorpels is gestreken. Waar hij dat ziet, daar gaat hij voorbij, en zoo zal ook de engel, die het zwaard des Heeren in de hand heeft, om alles voor eeuwig te verdelgen, wat Christus niet toebehoort, aan ons voorbij trekken, zoo wij waarachtig van het vleesch des Zoons Gods, die ons Paaschlam is, eten en Zijn bloed drinken, d. w. z. zoo wij Christus alzoo verheerlijken, dat wij te midden van alle bestrijdingen en nooden, tegen al het zichtbare in, niet aflaten aan Christus, als aan onzen eenigen Verlosser en Zaligmaker, als aan den eeuwigen Rots, waarop wij bouwen in leven en in sterven, al onze nooden, al onze angsten bloot te leggen, ons geheele huis, vrouw en kind, lichaam en ziel, eere en goed, Hem aan te bevelen en op Hem alles te werpen, wat ons drukt en benauwt. Ontbreekt dit, dan ontbreekt ons alles, ook al mee-nen wij allerlei deugden en voortreffelijkheden te bezitten, en zal God ons om onze ingebeelde, zelfgemaakte heiligheid , die toch niets anders is dan blinkende zonde, en die ons voor God nog veel schuldiger maakt, dan wat wij bij voorkeur zonde noemen, met Zijn oordeel moeten treffen. Want hoe gaat het toe in do wereld, als men overvloed van geld heeft? Zegt men dan niet spoedig: wie is de Heere? En als men meent heilig te zijn, als men zich geestelijk voor rijk en verrijkt houdt in goede werken, dan vraagt men ook niet naar de gerechtigheid des Heeren Heeren, naar dat welbeproefde goud uit het vuur komende, dat Hij op

ocr page 39

27

Golgotha daargesteld heeft. Maar als de Heere ons in de engte drijft, als de nacht komt, o die bange en lange nachten! dan ontzinkt ons alles, waar wij zooveel mede ophebben. Velen uwer hebben dit nog niet ondervonden, maar wie dien nood kent, dien hangen nood des harten, verneem gij het tot uwen troost: wel ging de engel des Heeren met opgeheven zwaard door het land, maar juist in dien nacht bereidde de Heere den heerlijken paaschmaaltijd voor Zijn volk, en, omdat Hij niet wilde, dat ze voor dien engel zouden beven, deed Hij hen aan dien heerlijken disch vergaderen; want Hij wilde hen verzadigen met hemelsche gaven en verkwikkingen, en te midden van de groote slachting, die aangericht werd onder de Egyptenaren, moesten zij zich verheugen en veilig zijn.

Ik heb er u reeds opmerkzaam op gemaakt, dat het vleesch van liet Paaschlam aan liet vuur moest gebraden zijn, en eerst alzoo mocht genoten worden. Dit vuur beduidt allereerst den gloed van Gods toorn tegen de zonde, vergeet dit niet, maar dit vuur beteekent ook den gloed van 's Heeren liefde voor ons arme zondaren. Aanmerkt dan toch zulk een Hoogepriester, geliefden, die den last des eeuwigen toorns Gods, waaronder wij eeuwiglijk hadden moeten verzinken, op Zich genomen heeft, en vergeet nooit, dat het Gods eeuwige ontferming en genade was, die ons zulk eenen Verlosser, zulk een dierbaar Lam schonk. Het vleesch dezes Lams te eten, „aan het vuur gebradenquot;, beduidt dus te erkennen : gij hebt den toorn Gods gedragen! Daaraan dat God, eer Hij de zonde ongestraft liet, ze aan Zijn eenigen, geliefden Zoon met den bitteren en smadelijken dood des kruises gestraft heeft, kan ik zien, hoe groot Zijn toorn tegen de zonden is, maar daaruit, dat Hij

ocr page 40

28

er mij niet voor eeuwig onder laat verzinken, zie ik, hoe teeder Zijne liefde is voor arme, verlorenezondaren.

Nu krijgen wij nog verder in vs. 8 : „met ongezuurde broadenquot; zult gij liet vleesch eten. Hiervan spreekt de Heere ook nog in het IS1^ en verder in vs. 17—20 van ons teksthoofdstuk. Vooreerst in vs. 15: Zeven dagen zuil gijlieden ongezuurde brooden eten ; maar aan den eersten dag zult gij het zuurdeeg icegdoen uil uwe huizen: want wie hel gedeesemde (dat is het gezuurde brood) eet, van den eersten dag af lol op den zevenden dag, diezelve ziel zal uitgeroeid ivorden uil Israël. Gedeesemd brood is brood met zuurdeesem. Wat dit betee-kent zullen wij het best uit des Heeren Jezus mond vernemen, en daarom slaan wij op Matth. 16 vs. 5 en vervolgens: En als zijne discipelen op de andere zijde gekomen waren, hadden zij vergeten brooden mede le nemen. En Jezus zeide lol hen: Ziel toe, en wacht u van den zuurdeesem der farüeën en sadduceën. En zij overlegden bij zichzelven, zeggende: Hel is omdat wij geene brooden medegenomen hebben. En Jezus, dat wetende, zeide lol hen : Wal overlegt gij bij u zeiven, gij kleingeloo-vigen! dat gij geene brooden medegenomen hebt? Verslaat gij nog nietl en gedenkt gij niet aan de vijf brooden der vijf duizend mannen, en hoe vele korven gij opnaaml? Noch aan de zeven brooden der vier duizend mannen, en hoe vele manden gij opnaaml? Hoe verstaal gij niet, dat ik u van geen brood gesproken heb, als ik zeide, dal gij u wachten zoudt van den zuurdeesem der farizeën en sadduceën? Toen verstonden zij, dat hij niet gezegd had , dat hij zich wachten zouden van den zuurdeesem des broods, maar van de leer der

ocr page 41

29

farizeën en sadduceën. En wat die leer der farizeën en sadduceën was, dat leert Hij ons elders, waar Hij uitdrukkelijk zegt, dat deze leer geveinsdheid is (zie o. a. Luk. 12 vs. 1). Het Lam te eten „met ongezuurde broedenquot; beduidt alzoo: in Christus met het geheele hart te gelooven, Hem geheel en al aan te nemen, zoo als Hij is; dus de leer van vrije genade niet te vermengen met de leer der farizeën en sadduceën, met de leer van de doode Averken der wet, die tot niets anders brengt, dan tot geveinsdheid en allerlei onreinheid van hart en wandel. Daarom schrijft ook Paulus in den brief aan de Galaten : Slaat dan in de vrijheid, mei welke ons Chrislns vrijgemaakl heeft, en ivordt niet wederom met hel juk der dienstbaarheid bevangen. Ziet, ik Paulus zeg u, zoo gij u laat besnijden, dat Christus u niet nut zal zijn. En ik betuig wederom aan een' iegelijk mensch, die zich laat besnijden, dat hij een schuldenaar is de „geheelequot; wel te doen. Christus is u ijdel geworden, die door de wel gerechtvaardigd wilt worden; gij zijl van de genade vervallen. Want wij verwachten — wachten op —door den Geest, uil hel geloof, de hope der rechtvaardigheid. Deze rechtvaardigheid , deze heerlijkheid ziet men niet, voelt men niet, tast men niet, men heeft ze niet in handen, maar hoopt er op, tegen alles in. Nu vs. 6: Want in Christus heeft noch besnijdenis eenige kracht, noch voorhuid, maar het geloof, door de liefde werkende. Gij liept wél; wie heeft u verhinderd der waarheid niet gehoorzaam te zijn? Dit gevoelen is niet uit Hem, die u roept. Een weinig zuur-deesem verzuurt het geheele deeg. Galaten 5 vs. 1—9. Uit de leere der farizeën en der sadduceën

ocr page 42

30

komt allereerst (/eveinsclheid, daarna allerlei kromme, scheeve en ongerechtige handelingen voort. En daarom dringt de Apostel er ook zoo op aan, dat in onze harten geene vermenging zij der leere Christi met de valsche leer der rechtvaardigheid uit de werken der wet. Daarvan zong ook Luther :

Zoo eten wij, en leven fijn,

Tot 's Heeren disoh geladen;

Geen oude deesem mag zijn Gemengd bij 't woord; genade.

Christus is liet ware brood,

Hij redt mijn ziel uit al liaar nood, En schenkt mij 't eeuwig' leven,

Halleluja!

Want lieve lezer! waar de zuurdeesem der fari-zeën en schriftgeleerden , waar geveinsdheid aanwezig-is, daar trekt deze zuurdeesem door alles henen, en werkt verderf en ondergang. Zoo lezen wij o. a. 1 Cor. 5 vs. 1, 2: Men hoort ganschelijk, dal er hoererij onder u is, en zoodanige hoererij, die ook onder de heidenen niet genoemd ivordt, alzoo dat er een zijns vaders huisvrouw heeft. En zijt gij nog opgeblazen, en hebt niet veel meer leed gedragen, opdat hij uit het midden van u weggedaan worde, die deze daad begaan heeft? En verder vs. 6 ; Uw roem is niet goed. Neen! daar past gewis geen roem, waar allerlei geveinsdheid en huichelarij en, als het gevolg daarvan, allerlei ongerechtigheid aanwezig is. O geliefden! men moet door God den Heere Zelf, tot een naakte, doode en diep ellendige zondaar zijn gemaakt, voordat men van niets anders meer wil weten dan van Christus-en Zijne genade, en, om daarbij te blijven, moet men ook voortdurend

ocr page 43

31

arm en ellendig gehouden worden door des Heeren Geest, tot aan zijn jongsten snik.

Weet gij wat de zuürdeesem der geveindsheid is, waarvan de Apostel hier en overal in zijne brieven spreekt? Het is het vasthouden aan allerlei men-schelijke, eigenwillige instellingen van „raak nietquot;, en „smaak nietquot;, en „roer niet aanquot;, waarvan de Heere zegt: waarlijk] te vergeefs eeren zij Mij, kerende leeringen, die geboden van menschen zijn. Ziet, dit is de zuurdeesem der geveinsdheid, en zij, die daarin wandelen, vervallen, bij alle hooge ingenomenheid, die zij voor elkander en voor zichzelven koesteren, tot gruwelen, die zelf den heidenen vreemd zijn, want deze zuurdeesem der geveinsdheid is de vruchtbare bron van de afschuwelijkste zonden en ongerechtigheden.

Men meent daarbij, of liever men geeft daarbij voor, God te willen dienen en eeren, en drinkt tegelijkertijd de ongerechtigheid in als water! Weet gij niet — en ik denk elke huisvrouw zal dit wel bij ondervinding weten — dat een weinig zuurdeesem het geheete deeg zuur maakt? zoo luidt het verder vs. 6 en vs. 7: Zuivert dan den ouden zuurdeesem uit, opdat gij een nieuw deeg zijn moogt, gelijk gij ongezuurd zijt: „Ongezuurdquot; dat be-teekeut „volkomen in Christusquot;, in overeenstemming met de maat der wet, volgens den wil des Heeren; en nu vs. 7b v.v.: Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus. Zoo laat ons dan feest houden niet in den ouden zuurdeesem, noch in den zuurdeesem der kwaadheid en der boosheid, maar in de ongezuurde brooden der oprechtheid en der waarheid. Zie! daar hebt ge nu de beteekenis van het bevel: „Gij zult het vleesch des lams eten,

Time, En dat iristi de

ocr page 44

32

met ongezuurde brooden.quot; Nu volgt er nog in liet^ 8ste vers: zij zullen hel (of gij zult het) met biltere^ satis eten. Zonder bitterheid, zonder droefheid eiij berouw over de zonden, is het vleesch van het waarachtige paaschlam, d. i. Christus, niet te genieten , ik! herbaal het nog eens, zonder hartelijk berouw en leed-1 wezen over de zonden heeft het vleesch des Zoons' Gods voor ons geen de minste waarde, noch beleekenis. En wat wordt er dan van ons, als de nacht komt, de bange, lange nacht des doods? quot;Wat wordt er dan van ons in dit aardsche leven, dat toch niets is dan een gestadige dood ? Heden is er misschien stof tot blijdschap gekomen na lang geween, en morgen is het weer droefheid en aanvechting van alle kanten; nauwelijks is het eene voorbij, of het andere is weder daar, vrouw of kind wordt op het ziekbed geworpen, huis en hof gaan te gronde, de eene Jobstijding volgt op de andere; en op de vraag: Wachter! wat is er van den nacht? luidt nog het antwoord: de morgen is gekomen, en nog is het nacht! de eene nood maakt maar plaats voor de andere. Zoo gaat het vaak in dit leven. En schijnt de zon van voorspoed eens voor ons, en ondervinden wij eenen tijd lang zegen en welvaart, ach! dan kunnen wij, arme mcnschenkinderen, het toch niet laten ons over allerlei te kwellen, en de duivel is er steeds op uit, onze treurigheid te vermeerderen , want dat is zijn doel: ons treurig, en met het hoofd op de borst gezonken, door het leven te doen gaan, ook dan, als wij niets hebben, dan stof tot loven en psalmzingen; zoodat men ons vragen moet: wat zijt gij zoo mager, gij koningskind? Ach, geliefden! al is dit nu het gevolg van onze verkeerdheid en ondankbaarheid, en al is het de duivel, die ons vaak, zelf zonder eenige geldige reden,

ocr page 45

33

i het in eene zee van droefheid en benauwdheid dompelt, toch is het de Heere, die dit alles toelaat, opdat het vleesch en bloed van Zijn goddelijk en onschuldig Lam ons des te beter smaken zoude, juist te midden van angst en droefenis. Nooit echter heeft men meer aan het Lam Gods, nooit laaft Zijn dierbaar bloed verkwikkender, dan wanneer, nadat de znur-deesem der geveindsheid uitgezuiverd is, wij biltere saus te eten krijgen; juist daar is het vleesch des Zoons Gods de heerlijkste spijze, en Zijn bloed de beste lafenis voor don brandenden dorst; dan sterkt het de moede handen en de slappe knieën, en zóó alleen verkrijgt men kracht, om door de roode zee henen, de reis door de woestijn te aanvaarden, en ook eens over de Jordaan te komen, al is die vol tot aan hare oevers. Weet gij, lieve lezer! wie eens het paaschlam, het waarachtige paaschlam, Christus, genoot met biltere saus? Dat was Hiskia, toen tot hem gezegd was: bereid uw huis „want gij zult sterven,quot; en hij doodkrank ter nederlag. Ach, met welk eenen ijver had hij niet in de vreeze Gods het geheele Juda en Israël te zamen geroepen te Jeruzalem, om volgens 's Heeren ordonnantie aldaar Hem, den waren God Israëls, pascha te houden! Ja, de afvallige tien stammen , die in de diepste en gruwelijkste afgoderij verzonken waren, noodigde hij ook tot het altaar van den God hunner vaderen! En vol van goddelijke liefde bad hij volgons 2 Chr. 30 vs. 18 ook voor hen, die zich niet gereinigd hadden, en het pascha niet aten, gelijk het geschreven is. En dat dit zijn gebed den Heere welgevallig was, blijkt wel uit 2 Chr. 80 vs. 20, waar wij lezen: en de Heere verhoorde Jehiskia, en heelde het volk. Maar wat had hij nu voor zichzelven aan dit alles,

l

ocr page 46

34

toen hij daar zóó ellendig en zwak aan den oever des doods lag? Yoor zichzelven had hij toen immers Christus niet, want hij had den dood voor oogen, zonder nog éénen zoon te bezitten, en toch zoude volgens de belofte, die aan David geschied was, de Christus uit de vrucht zijner lendenen voortkomen! Sterft nu Hiskia zonder zoon, zonder erfgenaam, dan sterft hij immers zonder Christus, en de belofte Gods was gelogenstraft!

Maar, hoe sprak hij tot den Heere na al dien druk en benauwdheid? Ik zeide (Jez. 88 vs. 10): van ivege de afsnijding mijner dagen, zal ik lol de poorten des grafs henengaan, ik word beroofd van hel overige mijner jaren; en vs. 17: Ziel', in vrede is mij de billerheid biller geweest! d. w. z. benauwdheid en droefenis hadden mij getroffen, banden des doods hielden mij omkneld, banden dei-zonden en beken Belials verschrikten mij, alle duivelen bestormden mijne ziel in dezen stikdonkeren nacht, en riepen mij toe: Gij goddelooze, gij zondaar ! daar ligt gij nu in uwen dood, in uwe zonde, in uw bloed ter neder. Indien gij dan een kind Gods zijt, zoo red u zeiven, of laat uw veel geroemde en hooggeloofde God u redden! Kom! toon nu eens, dat gij bidden, dat gij gelooven kunt! laat ons nu eens zien, welke vruchten het eten van het paaschlam, dat gij anderen zoo aanbevolen hebt, voor ii gedragen heeft. Maar dat kunt gij niet, want wij hebben u ter neder gestort, wij hebben u in onze macht!

Maar (vs. 17) Gij hebt mijne ziel liefelijk omhelsd, Gij hebt u over mij ontfermd, dal zij in de groeve der vertering niet kwame. Ziet ge lieve lezer! zóó kreeg Hiskia het lam te eten vmet biltere

ocr page 47

35

I saus,quot; want het Lam te eten met bittere saus, beduidt in Christus te gelooven, zich aan Hem vast te klemmen, met oprecht en diep berouw over de zonden. Ja, met zulk eene smart over de zonde, dat men zelf niet meer één traan weenen kan. O, hoe zwaar wordt dan het pak der zonde, hoe zwaaide droefheid en benauwdheid daarover; zoodat de mensch er als onder bezwijkt, ja zijne eigene smart niet meer gevoelt, en er geen traan meer uit zijn oog vloeit, en er geen zucht meer uit zijn toegeknepen borst om hoog stijgt, tot het harte Grods. O geliefden! welk een nood, wolk een angst gaan niet als groote golven en baren over de ziel, die in waarheid van niet anders meer weet en roemt dan van Christi dood en opstanding! Maar! laat de nood

!en angst dan ook nog zoo hoog klimmen, weg met allen zuurdeesem der farizeeën en sadduzeeën, weg met alle menschelijke, eigenwillige godsdienst en verzinsels van ons eigen verdorven hart! Weg met I dat alles, en Christus, Christus alleen, zij de rots I om in te wonen! Ik niets dan een goddelooze, i die volstrekt geene gerechtigheid bezit, ik een geheel | onheilige, maar dien Zijne gerechtigheid en heilig-I heid wordt toegerekend! Ik voel in dezen nacht | niets, ik heb niets, ik versta niets, en als ik niet

Iop Hem zie, op Hem alleen, en zóó blindelings in Hem geloof, moet ik omkomen! Ik moet al het I mijne, al mijne deugd, al mijne oprechtheid, al mijne voortreffelijkheid laten varen, hoe zeer wereld, zonde : en duivel, en mijn eigen hart zich daartegen kanten, 1 maar God heeft het gezegd; die hel vleesch des j Zoons van God eet, en Zijn bloed drinkt, die zal I niet sterven in der eeuwigheid, en alleen zóó, alleen langs dezen weg, zullen mijne voeten komen te staan

ocr page 48

3f)

in de poorten van Jeruzalem! Hoe is het mogelijk, dat voor mij uit het bittere, d. i. uit den dood Christi, zoetigheid voortkome, zoo ik den ouden zuurdeesem der geveindsheid, den zuurdeesem dor eigenwillige en zelfgemaakte voortreffelijkheid niet laat varen? Voor mij moet de gestorvene, maar nu eeuwig levende Christus zijn, wat de doode leeuw voor Simson was, toen hij sprak: spijze ging uit van den eter, en zoetigheid van den sterke, en zoo verkwikte hij zich aan de zoetigheid des honigs. Daar mag geen zuurdeesem, van welken aard dan ook, tusschenbeide komen; Christus, en Christus alleen moet alles zijn voor den armen zondaar! Waar echter Christus alleen het anker der ziele is geworden, daar zal vleesch en bloed, daar zullen wereld en duivel er wel voor zorgen, dat er bittere saus, meer dan genoeg, gereed staat.

Nu zijn wij aan vs. 9 gekomen, dat alzoo luidt: Gij zult daarvan niet rauw eten, ook geenszins in water gezoden. „Rauw etenquot; beduidt half in de wereld blijven steken, en zoo, als het ware, met ongewasschen handen en voeten in des Heeren huis binnentreden en tot Zijne sacramenten komen. Men eet het vleesch des paaschlams „rauwquot; of „ongekookt,quot; als men meent, al de goederen van het koninkrijk der hemelen tot zich te mogen nemen, en zichzelven en anderen in den hemel te kunnen plaatsen, zonder dat men een waarachtig verbrijzeld en verootmoedigd harte, zonder dat men waarach-tigen honger en dorst naar de eeuwige goederen heeft.

Uitgegeven bij W. MEIJER, Commelinstraat 33 Amsterdam. Voor Duitschland verkrijgbaar bij F. BÜCKMANN, Elberfeld. Prijs per Nummer 3 Cis. Franco per post 4 Cts.

ocr page 49

SCHRIFTVERKLARINGEN

lgt;r. H. F. KOHIiBRUOGF.

Eenige bijzonderheden omtrent den uittocht der kinderen Israels uit Egypte en hunne reis door de woestijn.

HET PAASCHLAM.

O geliefden, denk hier toch eens ernstig over na, en neemt het toch ter harte eer het te laat is! Want nergens wordt het vleesch des Zoons des measchen meer gegeten „rauwquot; of alleen „in het water gezodenquot;, dan juist daar, waar de heerlijke bazuin des Woords het meest vernomen wordt, en zoo ook hier in onze streken, in ons arm vaderland! Men eet het vleèsch van het Lam Gods alleen „in water gezodenquot;, als men de leer der verzoening alleen in 't hoofd heeft, alleen, met het verstand begrijpt. Dan is er allerlei inbeelding, allerlei vleeschehjke wijsheid, maar er is geen kracht, noch leven, want er is geen Heilige Geest, en de Heere wil dat die in 't harte wone; zoo iemand die Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe, Rom. 8 vs. 9. Ik herhaal het mijne lezers! rauiv of in water gezoden eten beduidt het vleesch des Zoons van God tot zich nemen zonder waarachtig geloof. Dan zegt men met do lippen, dat men den Heere Jezus kent, cn vergeving der zonden heeft, maar het is een leugen. Gij hebt het nooit beleefd, gij die zulks ijdelijk en No. 98. 12 October 1889.

'I

ocr page 50

38

lichtzinnig van uzelven beweert, zonder dat gij nog ooit de vergeving uwer zonden in liet verborgene van den Heere afgesmeekt hebt, zonder dat gij nog ooit als een doodschuldige en doemwaardige zondaar voor Gods rechterstoel hebt gelegen; zonder dat gij nog ooit persoonlijk vrede met Hem gemaakt hebt. Ach, gij weet wel zoo wat over geloof en zalig worden te praten, zooals er in de christenwereld duizenden zijn, die dat even als gij doen. Die meenen dan den Heere Jezus te hebben tot hunnen Verlosser en Zaligmaker, die meenen vergeving van zonden te hebben, omdat zij er veel van spreken. Maar, dat dit alles tot nu toe een leugen in hunnen, in uwen mond is, dat blijkt wel, als het er op aan komt u zelf te verloochenen, want daar wilt gij niet aan. God erbarme zich nog over ons, en schenke ons uit genade het rechte, zaligmakende geloof, dat van harte zegt: „ik heb niets verdiend dan den eeuwigen dood, en het is genade, niets dan genade en ontferming, zoo ik het eeuwige leven beërve; ik heb niets verdiend dan eeuwig te branden in de vlammen dei-hel, maar Gij, o dierbaar en onbesmet Lam! hebt al mijne zonden op U willen laden!quot;

Neen! niet alleen in water gezoden, maar aan den vure gebraden, moesten de kinderen Israëls het paascblam eten. Nog eens, het is niet door ons menschehjk verstand, dat verduisterd is en vervreemd van God sinds Adams val, dat wij alle deze dingen vatten en uitleggen moeten. Het verstand van den gevallen mensch moge hierin zeer ver gaan, wijs-geeren en godgeleerden, die niet van God geleerd zijn, aanbidders der menschelijke rede en schijn-rechtzinnigen mogen ver in deze kunst gekomen zijn, en velen verblinden door hunne valschelijk genoemde

ocr page 51

39

wetenschap, maar écu ding ontbreekt hun allen, en dat is : dat zij nooit ouder het oordeel der goddelijke wet, nooit als overtreder voor Gods rechterstoel hebben gelegen, nooit den donder van Sinai zich door het harte hebben voelen gaan. Groden de naasteu gelden weinig bij dezulken, maar zij houden zichzelven als het middenpunt, waar alles om draait, en zij beschouwen Christus en alle Zijne weldaden hoogstens als eene instelling, die hun ten goede daar is, en waarvan liet hun vrij staat anderen uit te sluiten of er in op te nemen, al naar dat het hun behaagt. Daarom lieve lezer, laat al die ingebeelde wijsheid en verlichting maar gerust varen, en wil toch van geen andereu Christus , van geen anderen Heiligen Geest weten, als dien gij in de Heilige Schrift, in Gods dierbaar en onfeilbaar woord hebt. Is het vleesch „in water gezodenquot;, zoo is het krachteloos, de kracht, de voedende bestanddeelen zijn in het water overgegaan, en, wat overblijft, zijn draden en vezels, die wel schijnbaar de maag vullen, maar nimmermeer den honger stillen noch het lichaam voedael en hraoMen verschaffen. Daarom is het de wil des Heeren en Zijn bevel, dat het „vleesch des Lams genoten worde „aan het vuur gebraden,'' zooals wij verder in vs. 9 lezen; en dit wil Hij, opdat de waarachtige liefde, die alleen in den nood, in de benauwdheid des harten geboren wordt, aanwezig zij, opdat er een hart zij, een waarachtig hart, opdat er zij waarheid in het binnenste, en geen geveinsdheid! En zulk een hart, zulk een oprecht hart, zal voor Gods rechterstoel nooit oprechtheid in zich zelven vinden; o, hoe gaarne, hoe gaarne vond het niets in zich dan zuiverheid en oprechtheid; maar telkens schrikt het voor de onzuiverheid en onoprechtheid,

ocr page 52

40

die In] iu zichzelvcu outwaart; juist zóó editor, niets dan verkeerdheid en onoprechtheid in zich vindende, is de ziel oprecht: hare oprechtheid is, dat zij geen oprechtheid in zichzelveu vinden kan. Een verbroken en verbrijzeld hart, dat is het, wat de Heere hebben wil, en ook Zelve bij de Zijnen werkt. „Aan het vuurquot; moet het lam „gebraden zijn.quot; Erkend moet hot worden, dat de Heere Christus in Zijne heete, ontfermende liefde van zondaren, de allerzwaarste lichaams- en zielensmarten als een grooten waterstroom over Zich heeft laten gaan, erkend moet het echter ook, ja geproefd en gesmaakt worden tot op den bodem des harten, dat wij voor God niets zijn, dan arme, doemwaardige zondaren, opdat zóó het vuur van waarachtige wederliefde in onze harten zoude ontbranden, en wij, op de borst slaande, zouden uitroepen : o Heere Christus! hoe groot is toch uwe liefde, hoe onuitputtelijk uwe genade!

O, dat wij toch nooit ons diep verderf, onzen algeHoolon dood uit het oog verliezen! Maar, maar, juist daar hapert het aan! Want waar wij blijvend en voortdurend ontdekt worden aan onszelven, en alzoo niet vergeten, wat wij zijn, daar wordt ook de vonk der hope op het Lam Gods, der hope, die Hij zelf ons inplantte, nooit geheel en al uitgedoofd, en daar weet Hij, ook waar die vonk diep onder de assche begraven ligt, die weer aan te blazen, want: Hij zal hel gekrookle riel niel verbreken, noch de rookende vlaswiek uitblusschen Jesaja (42: 3.) En heeft men waarachtig in de diepte der verlorenheid gelegen, dan heeft men ook juist daar den Heere leeren loven, en Hem de gelofte leeren doen ; „indien Gij mij uit deze diepte redt, zult Gij alleen mijn God

ocr page 53

41

zijn, en ik wil voor uwe gehcele gemeente het uitspreken „dat Gij een redder zijt uit den nood, een God van armen en ellendigen.quot;

Geheel moesten do Israëliten het paaschlam eten, zijn hoofd mei zijne schenkelen en zijn ingewand, zooals wij aan het slot van vs. 9 lezen. Alles wat aan en in ons waarachtig Paaschlam is, alles, wijsheid, almacht, liefde, het is alles ons geschonken uit eeuwige en vrijwillige ontferming en barmhartigheid. Alles, wat wij meenen te bezitten, maar dat ons toch niets baten kan, moet met Christus aan het kruis zijn geslagen, moet met vuur verbrand worden, opdat wij van ganscher harte leeren zeggen ; Gij heilig en heerlijk Hoofd! Gij alleen zijt mijne kroon en eere! Gij sterke beenen en voeten, waarop alles rust, gij alleen zijt mijne kracht, en gij, hart en ingewanden mijns Heeren, die branden van liefde voor armen en ellendigen, gij alleen zijt het voedsel voor mijne arme ziele!

Geheel wil Christus door ons genoten worden, en daarom staat er ook verder vs. 10 van het paaschlam geschreven : gij zult daarvan ook niet laten overblijven lot den morgen. Want, geliefden! wie weet den dag zijns doods ? morgen is morgen, en wie weet of wij morgen niet reeds weggerukt zijn uit het land der levenden ? Heden, heden wil het Lam Gods alles voor ons zijn, al onze zonden op Zich laden ; dat wil Hij niet alleen, maar juist daartoe is Hij van God den Vader verordineerd en gegeven, en hier in Ex. 12 laat de Heere u niet alleen uit-noodigen , maar beveelt Hij u door den mond van Mozes en Aaron, dit goddelijk lam te nemen, en dat te eten „geheel aan het vuur gebraden.quot;

Vs. 10. Gij zult daarvan ook niet laten over-

ocr page 54

42

blijven tot den morgen. Ziet ge, lieve lezer! geheel en al, onverdeeld moet deze hemelsche spijze genoten worden, want de Koning, die ons van Israels God is gegeven, is geen halve, maar een volkomen Christus en Zaligmaker. Hier mag geen halfheid zijn, hier geldt geen schikken, noch plooien, geen overleggen en onderhandelen, zoodat het ware: half de gerechtigheid des Heeren Jezus, en half uwe eigene, vermeende gerechtigheid, die toch niet is dan blinkende zonde; neen! uwe rekening; met den levenden God moet geheel betaald, geheel vereffend zijn, want daarop kan men niet sommige posten betalen, en het overige onbetaald laten staan. Lieve lezer! indien gij eens diep in schulden waart verzonken, en er was een rijk man, die verklaard had, alles voor u te willen betalen, zoude het geen dwaasheid zijn. hem maar over eenige weinige schulden te spreken, die oogenblikkelijk u het zwaarste drukken? ware het niet uiterst dwaas, juist uit valsche schaamte, die schulden te verzwijgen, die u het meest oneer aandoen, en waarvan gij denkt: o, er zal mij, vroeg of laat nog wel eens wat toevloeien, waardoor ik in alle stilte die vereffenen zal? Nog eens, lieve lezer! ware dit niet de grootste dwaasheid, tegenover een weldoener, wiens lust het is u uit alle nood te redden ?

O, lieve lezer, wie gij ook zijt! zoek toch voor den Heere uwe schulden en zonden niet te bedekken, kom tot Hem met alles, wrat u drukt, en wat u verachtelijk maakt in uw eigen oogen, ja juist met dat het allereerste! Stort uw geheele hart voor Hem uit, verzwijg .Hem niets! Voor Zijn vlammend oog kunt gij toch niets verbergen. Hij kent u toch. tot op het gebeente, om het even of gij hem alles openlegt.

ocr page 55

43

of de zaak half en half voor hem zoekt te bedekken. En waar gij u zeiven zoekt wijs temaken: „o, dit of dat, dat ik bedreven heb, daar weet Hij toch niet van, of dat heeft Hij lang vergetenquot;, o, bedrieg n zclven toch niet! Gewis Hij zag u, Hij zag wat gij deed, toen gij meendet u voor Hein diep verborgen te hebben, en, wat gij waant lang vergeten te zijn, het staat daar boven opgeschreven in het schuldregister van den levenden God! O, waarom zoudt gij dan wachten tot morgen om u op te maken tot Hem, die u heden genadig wil zijn, die u op dit oogenblik nog doet aanzeggen, dat Hij alles voor u vereffenen en terecht brengen wil! Waarom , waarom zoudt gij het uitstellen tot morgen ? Heden rood, morgen dood! Geheel en onverdeeld wil dit Lam genoten zijn, en heden, heden, terwijl gij Zijne stemme hoort, verhardt uwe harten niet. De hemelscheBorg en Betaalmeester staat heden, staat op dit oogenblik voor u, handel de zaak met Hem af, en gij zijt van alles verlost en wel toebereid. Geheel en onverdeeld moet het vleesch des Zoons God genoten worden, zoowel naar Zijne Godheid, als naar Zijne waarachtige raenschheid, hoofd, schenkelen, ingewand, alles moest gegeten worden, want zoo spreekt Hij (Ps. 40 vs. 9): Ik heb lust, o mijn God.' om Uw welheharjen le doen; en Uwe wel is in het midden mijns ingewands.

Vs. 10amp;. Maar heigeen daarvan overblijft lot den morgen, zult gij mei vuur verbranden. Ja, God houdt woord en trouwe! en wat Hij gisteren beloofd heeft. Hij volbrengt het heden, morgen, en tot in alle eeuwigheid. Heeft Hij gisteren tot u gezegd: Mijne goedertierenheid zal van u niet wijlien, dan geldt dit woord ook heden, morgen, overmorgen, al de dagen uws levens! ook

ocr page 56

44

dan, als gij het niet meer gelooven kunt, maar dooide zwakheid uws harten Zijne heerlijke belofte weer in twijfel trekt; nochtans, zij is waar, zij blijft waar. En nu volgt vs. 11; Aldus nu mil gij hel eten: uwe lendenen zullen opgeschort zijn, uwe schoenen aan uwe voeten, en uw staf in uwe hand; en gij zult hel met haast eten; hel is des Heeren Pascha. De beteekenis der woorden: „uwe lendenen zullen opgeschort zijnquot; vinden wij 1 Petri 1 vs. 13, waar wij lezen : daarom, opschortende de lendenen uw es verstands, en nuchteren zijnde, hoopt volkomenlijk op de genade, die u toegebracht wordt in de openbaring van Jezus Christus. Het lam te eten, en daarbij „de lendenen te hebben opgeschortquot; beteekent dus, rustig in het scheepje van vrije genade te blijven zitten, geheel en al gehuld in het kleed, waarmede, de Heere u bedekt heeft: laat er geen slip van overboord hangen, anders komt de helsche Leviathan, en rukt u in de diepte der zee. Blijf in u zeiven, ook nadat gij de hemelsche spijze genoten hebt, arm en ellendig, en verweer u niet, wat u ook overkome. Hul u dicht en vast in het bruilofskleed van 's Heeren genade, gerechtigheid en barmhartigheid , waarmede Hij u Zelf bekleed heeft, en waarin al de helsche honden u niet schaden kunnen, ook waar hun woest geblaf en gehuil u het doodzweet der benauwdheid uitperst. „Schoenen aan de voetenquot; beduidt steeds bereid te zijn, de wereld en al hare praal en heerlijkheid te haten en te vlieden, en al het zichtbare te laten varen, liever dan in het allerminste tegen Gods wet te handelen.

Hebt gij uwe hoop alleen gesteld op Christi offerande en genade, hebt gij den geheelen Christus als een volkomen Zaligmaker leeren aangrijpen ? o, dan hebt gy

ocr page 57

45

ook in Hem alles, wat tot uwe zaligheid van noode is, dan hebt gij n met geen voorbereidingen, van welken aard dan ook, te kwellen. Van al onze eigenwillige, op menscheu-instclling gegrondde voorbereidingen weet God de Ileere niets af, maar Hij spreekt in Zijn Heilig Woord tot ons: eet het Lam, aau het vuur „gebraden, geheel en onverdeeld!quot; „Schoenen aan de voeten!quot; dal zijn diezelfde schoenen, waarvan wij in de gelijkenis van don verloren zoon lezen, toen de vader sprak tot zijne dienstknechten: brengt hier voor het beste kleed — d. i. het bruiloftskleed van Christi gerechtigheid — en doet het hem aan, en geeft een ring aan zijne hand, en „schoenen aan de voeten.quot;

Hebben wij dit koninklijk en goddelijk schoeisel aan de voeten, dan geldt ook ons, wat wij Hoogl. 7 vs. 1 lezen: lloc schoon zijn uwe gamjen in de schoenen, gij prinsendochler! En de verloren zoon , die gezegd had: „Vader! ik heb gezondigd tegen den hemel en voor u, en ik ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden, maak mij als een uwer huurlingenkreeg niet alleen schoenen aan de voeten, maar die rijke vader heeft zijn van alles ontbloot kind, zijnen armen jongen, buitendien ook bekleed met het bruiloftskleed van Christi gerechtigheid en hem aan de hand den ring des Heiligen Geestes gegeven; en zoo bekleed en van alles voorzien door zijnen vader, was hij geheel en al Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus lol goede werken, ivelke God voorbereid heefl, opdal wij in dezelve zouden wandelen. (Ef. 2 vs. 10).

Bij het eten van het paaschlam, moesten de kinderen Israels „eenen staf in de handquot; hebben. Een iegelijk hunner moest een staf in de hand hebben, en die

ocr page 58

46

staf beduidt 's Heereu dierbaar en goddelijk Woord. Neem het Woord vau God aan, gelijk het waarlijk Grods Woord is, van het eerste vers van het boek Genesis tot het laatste vers van de Openbaring van Johannes, alleen daarin zult gij do zekerheid uwer zaligheid vinden. Zoek die niet in de overleggingen en sluitredenen van uw verstand, noch in de diepte van uw gevoel, noch in den rijkdom uwer ervaringen, maar in Gods woord alleen. Hoedt u voor alle woor-denziftenj, voor alle tegenstellingen der valschelijk genaamde wetenschap, voor al het ongoddelyk ijdel roepen, twist niet over het Woord desHeeren, maar leun en steun er op in leven en in sterven.

„En gij zuil het mei haast eten,quot; beduidt niet dat de Heere wil, dat wij daarbij onrustig en gejaagd zijn, neen! integendeel, Hij wil ons door en bij dit eten de ware zielsrust, den zoetsten vrede schenken, maar Hij wil ook, dat wij bij dit eten met het hart vlieden van de ijdelheden en nietigheden dezer wereld, die in het booze ligt. Weet gij lieve lezer! wanneer wij het Lam eten „niet haasti'quot; Als wij zingen;

Mijn leven is een pelgrimsstand,

Ik reis naar 't eeuwig vaderland ,

Naar dat Jeruzalem daarboven,

Dat God de Heere, die eeuwig leeft, Op Cliristi bloed gegrondvest heeft;

Daar zal ik Hem, mijn Koning loven!

Mijn leven is een pelgrimsstand,

Ik trek naar 't eeuwig vaderland!

Die zóó eens van harte zingen kan, die eet het vleesch des Lams van God „met haast.quot; En, als dan in uwen macht, in de diepste duisternis en wanhoop uwer ziele, gij denkt, dat alle heil en zaligheid voor u voorbij is, als gij denkt: ik heb den eeuwigen

ocr page 59

47

dood verdiend, ik moet omkomen voor eeuwig, en ik heb geen ander lot te verwachten dan voor eeuwig te branden! juist in dien nacht, hoor wat God de Heere dan doet: ja dau gaat het naar het oude woord :

Hoe wij meer werden bezwaard,

Hoe ons meer hielp God vermaard !

In den nacht, als het u bang is, als gij vol angst en vertwijfeling heen en weer geworpen wordt op uwe legerstede, maar nochtans, tegen alles in, Christus aangrijpt als uwe eenige zielespijze, en gij nochtans, tegen alle machten der hel in, in huis en hart van geen andere leuze wilt weten, dan van deze: hel bloed Jesu Chris li, des Zoons Gods, maakt ons rein van alle zonden, is de Heere u toch als uw levende Heiland nabij, ofschoon gij er niets van bespeurt! juist in dien nacht, als bergen van nood en lijden u dreigen te verpletteren, als angst, nood en smaad, als een groote stroom op u aankomen en alle golven cu baren u over het hoofd gaan, juist in dezen nacht, waarin gij vol benauwdheid uitroept: „O Heere ! ontferm IJ mijner!quot; hoe ziet het er in mijn huis uit, krijgt gij Christus, het waarachtige Paaschlam, te eten met „bittere sausquot;, al ziet gij niets, al voelt gij niets, al klinkt het bij voortduring van uwe lippen: het is met mij gedaan, ik ben verloren! God hoort en ziet mjj niet, wat Hij gesproken heeft het komt niet, wat Hij belooft heeft, blijft uit; juist in dezen nacht, o Zion! dat klaagt: „de Heere heeft mij begeven, „de Heere heeft mij verlatenquot;, trekt Hij, uw God en Koning door de straten der stad, en slaat de eerstgeboorte van geheel Egypte, van dat Egypte, dat als lood verzinken zal in de diepten der zee. Juist in zul ken nacht en duisternis leert de Heere ons,

ocr page 60

48

onze hoop volkomenlijk op Zijne genade te stellen, en onze oogen, die nu moe geschreid zijn, zoodat hun licht schijnt uitgebluscht, zij zullen nochtans Zijne oordeelen zien over allen, die de duisternis liever hebben gehad dan het licht. Indien nu uwe kleine kinderen vragen : wat beduidt toch deze ge-heele geschiedenis van het paaschlara, dat de kinderen Israëls moesten slachten en eten, dan moet gij ouders hun eenvoudig en duidelijk uitleggen wat het beduidt, als de Heere zegt: neemt, eet, dal is mijn lichaam, dal voor u verbroken wordt, drinkt den beker, het is mijn bloed, dal voor u vergoten wordt, doel dit lot Mijne gedachtenis! Ja tot Mijne gedachtenis! Want, o hoe gaat het in dit leven ? Iloe gaat het toe bij 's Hoeren volk, bij het Israël Gods? Heden hebt gij hulp ontvangen, de Heere heeft er u uitgetrokken, en gij zingt vroolijke lofpsalmen : gij doet wel; maar als gij morgen opnieuw in nood en verlegenheid zit, als de zonde u weder aangrijpt en medesleept, en u in het slijk werpt, kunt gij dan uit uzelven aan den Heere denken, als aan den grond uwer zaligheid? Neen! dan moet Hij opnieuw tot u komen, en vriendelijk tot u spreken : vergeet Mij niet, o ziele! doet dat lot Mijne gedachtenis. Ja, Heere, ja! antwoordt dan de ziel, en de Heere zegt: blijft op Mij hopen, wat de duivel ook op touw zette om u van Mij te scheiden, roep Mij aan in de ure der benauwdheid, en Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eeren.

Uitgegeven bij W. METJER, Commelinatraat 33 Amsterdam, Voor Ihiitsehlarid verkrijgbaar bij F. BUCKMANN, F.lberfetd. Prijs per Nummer 3 Cis. Franco per post 4 Cts.

ocr page 61

SCHHIPTVEllKL ARINGEN

VAN

Dr. II. Fi KOHLBRÜGOE.

Eenigc bijzonderheden omtrent den uittocht der kinderen Israels uit Egypte en hunne reis door de woestijn.

HET PAASCHLAM.

Hoe lang o Heere! zal het echter duren, dat ik dat blijf gelooven? En zóó luidt des Heeren antwoord: toen Ik tot u gekomen bon, en Mijne beloften in uw hart geschreven heb, toen en niet eerder is het nieuwe leven bij u aangebroken. Ik was de Eerste bij u, Ik zal ook de laatste zijn, de Alfa en Omega! Zeven dagen lang zult gij zoete, dat is ongezuurde broeden eten. Koninklijk brood, zult gij eten, o mijn volk! en uit uwe huizen zult gij verbannen en zeer verre van u doen, den zuurdeesem der geveinsdheid, der pharizeosche meeningen en beweringen. Hoe lange Heere? hoe lange zal deze strijd duren? Tot op den een-en-twintigsten dag der maand, dat wil zeggen: tot aan uw laatsten snik! En waar de Heere u in Zijn Woord en Sacrament telkens en telkens weer laat toeroepen: vergeet Mij, uw trouwen Heiland niet, o ziele, maar eet en drinkt Mijn vleesch en bloed „tot Mijne gedachtenisquot;, geliefden! roept daar ook tot Hem: Heere gedenk mijner! En daarom wensch ik u allen van ganscher harte: dat doe de Heere, vóór No. 99. 26 October 1889.

ocr page 62

50

u en voor mij. Moge Hij onzer gedenken in ons laatste uurtje! Mijne lieve lezers! onze betrachtingen over het Paaschlam, als beeld en afschaduwing van ons waarachtig Paaschlam, Jezus Christus, loopen ten einde. Dit eene moet ik u allen nog toeroepen: Haast u om uws levens, om uwer onsterfelijke ziele wille. Neemt in uwe hand den staf van Gods Woord, en nog eenmaal: haast u om uws levens wille, opdat gij ontkomt uit bet Egypte der zonde en des eeuwigen doods! De tijd is kort. Dit Lam is het Pascha des Heeren Heeren! Terwijl wij ons op Gods bevel spijzen en laven met het vleesch van het voor ons aan het vuur gebraden Paaschlam, terwijl wij bevende en sidderende Zijn dierbaar bloed aan de zijposten en bovendorpels onzes harten strijken, leeft Hij in heerlijkheid, en zit aan's Vaders rechterhand in de hoogste hemelen! Ja! Hij is het, van Wien de gemeente Gods zingt en jubelt te midden van de grootste angst en benauwdheid :

De Heere zal opstaan tot den strijd!

En ten tijde dat wij Zijn vleesch, dat voor ons verbroken, Zijn bloed dat voor ons vergoten is, genieten in den geloove, is Hij reeds lang opgestaan en heeft dood, hel en graf overwonnen! Aan Hem mag geen been gebroken worden, neem Hem aan, zooals Hij is, een volkomen Zaligmaker en Verlosser! Gewis Hem geheel en al; Zijn vleesch is waarlijk spijs, Zijn bloed is waarlijk drank! Eet, o alle ellendigeu en bedroefden, opdat gij verzadigd word. En terwijl gij eet, en ondervindt, hoe Hij alleen uwe ware ziele-spijze is, trekt uw groote God en Verlosser door het land en slaat dood alles, wat Hem tegen staat, wat niet wil, dat Hij als Koning heersche in het midden Zijner vijanden. Hij trekt door het land, opdat Hij

ocr page 63

51

zich erbarme over Zijn arm volk, dat op Hem hoopt!

Ja, Hij leeft! Hij erbarmt zich over armen en ellendigen en geeft hun Zijn vleesch te eten, Zijn bloed te drinken. Dit is u, o volk een eeuwige instelling des Heeren, een feest voor u en uw zaad tot in alle eeuwigheid.

DE WOLK- EN VUURKOLOM. 1)

Lieve lezer ! Wij vinden in den Heidelberger Cathe-chismus in de 47ste vraag en antwoord het volgende.

Ys. 47. „Is dan Christus niet bij ons tot aan het einde der wereld, gelijk Hij ons beloofd heeft?quot;

Antw. „Christus is waarachtig mensch en waar-jachtig God. Naar Zijne menschehjke natuur is Hij „niet meer op aarde, maar naar Zijne Godheid, „Majesteit, Genade en Geest wijkt Hij nimmermeer „van ons.quot; Welk eene troostrijke leer is het niet, te vernemen, niet, dat Christus naar Zijne menschelijke natuur, maar, naar Zijne waarachtige Godheid nimmermeer van ons wijkt. Wij menschen kunnen met

1) In het laatste twaalftal der leerredenen van onzen schrijver is er eene over dit zelfde onderwerp, die natuurlijk zeer veel overeenkomst heeft met wat wij onzen lezers thans aanbieden. Toch is er tusscheu hetgeen reeds door den druk eigendom der gemeente is geworden, en het handschrift dat wij bezitten, en dat even als die leerrede door den schrijver in persoon is nagezien, genoeg verschil om het zonder vrees voor herhalingen, in onze „Blaadjesquot; op te nemen. Het is uitgebreider, en bood ons een heerlijk vervolg op de uitlegging over het Paaschlam. Wij twijfelen dus niet dat deze uitlegging den lezers zeer welkom zal zijn. Voor hen , die de leerredenen van onzen schrijver nog niet bezitten, deelen wij hier mede, dat dezelve te verkrijgen zijn bij Schefter en Co. te Amsterdam , en door alle boekverkoopers le ontbieden.

De Red.

ocr page 64

52

elkander omgaan, zonder dat de harten, liet binnenste der harten met elkander in aanraking komen, ja men kan uiterlijk te zamen blijven omgaan, terwijl toch in den omgang de harten van elkaar zijn vervreemd en de rechte broederlijke liefde is verkoeld en geweken. Maar, tegenover dit alles, hebben wij hier in onzen cathechismus de troostrijke leer, dat de Heere Christus met de genegenheid Zijns harten, met de volle liefde Zijner ziele nimme; -meer van de Zijnen wijkt. Yoorwaar! dat is een kostelijke troost voor ons, te weten, dat Christus naar Zijne Godheid nimmermeer van ons, die menschen zijn, wijken wil, maar die troost is alleen kostelijk, wanneer wij geleerd hebben, dat wij menschen d. i. stof, aarde en assche zijn. Vertroostend en heerlijk is deze waarheid, als wij geleerd hebben, en weten willen in welke diepte wij van nature liggen, en hoe diep ellendig het van nature met ons gesteld is. Ja, dan is het vertroostend, maar ook dan alleen, te vernemen, dat deze hooge Majesteit zich onzer niet schaamt voor het geheele heir des hemels, maar dat Hij bij ons zijn, en bij ons blijven wil! Ja, heerlijk en vertroostend is het, wanneer wij de genadeleer kennen , en door haar geleerd hebben, hoe goddeloos wij zijn in het binnenste des harten, te vernemen, dat Christus met Zijne genade bij ons blijven wil, en dat, waar wij ons zeiven leeren kennen, als vleeschelijk, als onder de zonde verkocht, Hij het gebed verhooren wil: Verwerp mij niet van uw aangelicht en neem uwen heiligen Geest niet van mij Ps. 51 vs. 13.

Gelooven wij dit nu werkelijk, lieve lezer? Denken wij daarover wel eens na? Putten wij wel eens uit dezen bron van goddelijke vertroosting? Wij, die

ocr page 65

53

des Heeren Naam aanroepen, wij zijn nimmer alleen, nimmer verlaten; maar Hij is om en bij ons, ook wanneer Hij Zich schijnbaar verborgen houdt. Dat wij Hem niet zien, dat ligt aan de blindheid onzer oogen, maar niet aan 's Heeren waarheid; aan ons gevoel ligt het, maar niet aan 's Heeren trouw, dat wij zoo vaak meenen, dat Hij niet met ons is. Gewis Hij wijkt nimmer meer van hen, die Hem van harte aanroepen, maar Hij is bij en rondom ons, met alles wat Hij ons is; als sterke God, als God der heerlijkheid, als bornput en oorsprong van eeuwige, vrije genade, als uitdeeler van den alleen heiligenden Geest. Maar ik herhaal de vraag: gelooven wij dit alles? Komt deze troost, komt deze waarheid van zelf in ons op ? Ach! als wij de hand in eigen boezem steken, zullen wij het moeten belijden: neen! daaraan denken wij weinig, en als in dit aardsche leven allerlei verdrukkingen en nooden ons deel zijn, dan is het ons te moede, alsof de Heere millioenen mijlen van ons verwijderd ware, daar boven, zeer verre, hoog in den hemel der hemelen.

Daarom, lieve lezer! wil ik trachten u deze levenswaarheid uit den Catechismus voor te houden en duidelijk te maken. En, opdat gij deze waarheid des te beter moogt verstaan, opdat u allen, oud of jong, die door den Heere uitverkoren zijt, deze waarheid zoodanig moge worden ingescherpt, dat gij ze in uwe harten behoudt, wil ik u dezelve in een beeld voorstellen; deze waarheid namelijk, dat Christus naar Zijne Godheid, Majesteit, Genade en Geest nimmermeer van ons wijkt. Wij vinden dit beeld in de heilige Schrift, het beeld der wolk- en vuurkolom, die het volk voorging in de woestijn.

Ik zeide daar zoo even, dat ik u deze waarheid

.v

li ;

Ife ' l

•li j gt;X'

Wm

1

ocr page 66

54

uit het beeld der wolk- en vuurkolom wilde duidelijk maken. Voor wij hiertoe overgaan, willen wij althans sommige dor plaatsen opslaan, waar van deze kolom of' vurige wolk gewag wordt gemaakt. De Geest der genade geve ons de toepassing op ons zeiven te maken, terwijl wij deze fgt;la.atsen uit Gods allerheiligst woord te zamen lezen. Wij willen te zamen onderzoeken waaruit deze wolk bestond, welken vorm zij had, welk nut zij voor het volk had en zullen dan trachten u te bewijzen, dat wij ons geestelijk, nog over het bezit der zelfde wolk- en vuurkolom mogen verheugen.

Allereerst vinden wij deze wolk- en vuurkolom:

Exod. 13 vs. 20—22. Alzoo reisden zij uil Sukkolh ; en zij legerden zich in Elhatn (dit woord be-teekent: eenc breuk maken) aan hel einde (of voren aan) in de woes lijn. Tot nu toe waren zij in Egypte, dat is in de wereld geweest, bij de vleeschpotten van allerlei overvloed, nu komen zij naar Etham, dat reeds gelegen was in de woestjjn, die zich heinde en verre voor hen uitbreidde. Over zee komt niemand zonder kompas, en, door de woestijn van Arabic komt men evenmin, als door de woestijn des levens, zonder oenen kundigen wegwijzer. Aan het begin der woestijn zijn zij nu gekomen, maar de Heere is daar ook bij hen; want zoo lezen wij vs. 21, 22. En de Heere, Jehovah, do getrouwe Verbondsgod, de Eerste en de Laatste, de Alfa en de Omega, loog voor hun aangezicht, des daags in eene wolk-kolom , dal Hij ze op den weg leidde, en des nachts in eene vuurkolom, dat Hij ze lichtte, om voort le gaan dag en nacht. Hij nam de wolkkolom des daags, noch de vuurkolom des nachts niet weg van hel aangezicht des volks. Wie nu op zijne

ocr page 67

55

zonde bleef zitten, of als een os of ezel daarheen leefde, bleef in de duisternis, ofschoon deze wolkkolom aanwezig was; wie echter wandelde als een kind des lichts, werd deze kolom wel gewaar, en kon hetzelfde zeggen, wat de Cathechismus zegt: Die wijkt nimmermeer van ons.

Nu willen wij eens lezen Exod. 14 vs. 19 en 20; dit werd uitgesproken, toen de kinderen Israels reeds midden in de roode zee waren en letterlijk aan hen de belofte werd vervuld: Jezaja 43 vs. 3. Wanneer gij door het water gaal, wil Ik bij n zijn. Doch, voordat wij de woorden uit Exod. 14 aanhalen, nog dit eene. Als eene kudde schapen toog het volk Israels daarheen, de wolkkolom toog hen voor. De Egyptenaren zaten hen op de hielen en vervolgden hen: de Egyptenaren wilden ook voor geloovig, voor christelijk, voor gereformeerd, zouden wij zeggen, gehouden worden, zij meenden ook het geloof te hebben, en daarom togen zij den kinderen Israels na, de zee in.

O ! die Egyptenaren waren zulke dappere, wel ge-gewapende en flinke lieden! Zjj konden in een half uur even ver komen, als de kinderen Is/aëls in het dubbele van dien tijd! Want die konden, om dei-zwakken, om der vrouwen, om der kinderenwille, niet zoo snel vooruit komen; ach, het zal dus voor Pharao, die zoo ijzervast in 't geloof meende te staan, maar eene kleinigheid zijn Israël te achterhalen en te verpletteren! Neen! want: En de engel Gods, die voor hel heir van Israël ging, vertrok en ging achter hen ; de ivolkkolom vertrok ook voor hun aangezicht en stond achter hen. En zij kwam tusschen het leger der Egyptenaren en tusschen hel leger van Israël en de wolk teas tegelijk don-

ocr page 68

56

kerheid en verlichtte des nachts. Exod. 14 vs. 19. Donker was de wolkkolom acin de achterzijde: toen zij zich nu achter de Israëlieten had gesteld, met die duistere achterzijde naar de Egyptenaren gekeerd, overviel dezen, die tot nu toe ook gewandeld hadden in het licht der vuurkolom, dat hen over de hoofden der kinderen Israëls henen, bescheen, schrik en dikke duisternis. De andere zijde der kolom, die naar de kinderen Israëls toegekeerd was, gaf licht aan Israël en maakte voor hen den nacht tot helderen dag, zoodat de een — dat waren de Egyptenaren — tot de anderen — dat waren de kinderen Israëls — niet naderden den ganschen nacht, dien ganschen nacht vol schrik en angsten. Dat deed de wolk- en vuurkolom voor het Israël Gods!

Wij vinden daarvan nog gewag gemaakt Exod. 40 vs. 33—38. Alzoo voleindigde Mazes hel werk. Toen bedekte de wolk de lente der samenkomst; en de heerlijkheid des Heer en vervulde den tabernakel. Zoodat Mozes niet kon ingaan in de ten te der samenkomst, dewijl de ivolk daarop bleef, en de heerlijkheid des Heeren den tabernakel vervulde. Als nu de wolk opgeheven werd van boven den tabernakel, zoo reisden de kinderen voort in al-hunne reizen. Maar als de wolk niet opgeheven werd, zoo reisden zij niet tot op den dag, dat zij opgeheven werd. Want de wolk des Heeren was op den tabernakel bij dag, en het vuur was er bij nacht op, voor de oogen van het gansche huis Israels, in al hunne reizen.

Het verdriete u niet, lieve lezer! zoo wij u, omtrent deze wolk- en vuurkolom, zoovele plaatsen uit's Heeren woord te lezen geven, want, welgelukzalig is hij, die zijn hart zet op alles wat ons omtrent deze wolk-

ocr page 69

57

en vuurkolom in een beeld wordt medegedeeld. Vergeet toch nooit, dat wij ons in dit aardsche leven, in eene woestijn bevinden, waar alles er op uit is, ons van het eenige, veilige pad, dat ons door de woestijn heen naar het vaderland kan brengen, af tc trekken en op bijpaden te brengen, die ten ver-derve leiden. In de woestijn meent voortdurend het oog des reizigers allerlei prachtige kasteelen, liefelijke tuinen en bloemengaarden, heerlijke meeren en vruchtbare dalen, bergen en heuvelen te zien; dan loopt die arme reiziger gevaar, deze prachtige vergezichten, die toch niet bestaan, voor werkehj kheid te houden, en zóó van den gebaanden weg af te komen. Zoo bevinden wij ons ook in dc woestijn dezes levens, waarin ook allerlei luchtkasteelen ons door den duivel worden voorgespiegeld, om ons te verleiden en op dwaalwegen te brengen, ver van 'sHeeren volk, ver van de wolk en vuurkolom, onder wier schaduw wij alleen veilig en geborgen zijn.

Wij lezen Num. 9 vs. 15 en IGquot;: En op den dag van hel oprichten des tabernakels, bedekte de wolk (of wolkkolom) den tabernakel op de tent der getuigenis; en in den avond was over den tabernakel, ah eene gedaante des vuurs, tot aan den morgen. Ahoo geschiedde het gedurig lijk. En vs. 17; Maar nadat de wolk opgeheven werd van boven de tent, zoo verreisden ook daarna de kinderen Israels, — want ik ben niet mijns zelfs, maar mijns getrouwen Heeren on Zaligmakers Jezus Christi eigendom, en alleen aan Zijne hand wandel ik veilig — en in de plaats waar de wolk bleef, daar legerden zich de kinderen Israels. Naar den mond des Heeren, dus naar Zijn woord, dat uit de wolkkolom tot hen kwam, verreisden de kinderen Israels, en naar des Heeren

ocr page 70

58

Woord legerden zij zich, al de dagen in dewelke de wolk over den tabernakel bleef, legerden zij zich. En als de wolk vele dagen over den tabernakel verbleef, zoo namen de kinderen Israëls, de wacht des 11 eer en waar en verreisden niet. Wat men ook beproefde om hen op te doen trekken, het hielp alles niet. Als het nu ivas, dat de ivo Ik weinige dagen op den tabernakel ivas, naar den mond des Heer en legerden zij zich en naar den mond des lleeren verreisden zij. Maar was het dal de wolk van den avond lot den morgen daar was en de wolk in den morgen opgeheven werd, zoo verreisden zij: of des daags, of des nachts, als de wolk opgeheven werd, zoo verreisden zij. Of als de wolk twee dagen of eene maand of vele dagen vertoog op den tabernakel, blijvende daarop, zoo legerden zich de kinderen Israëls en verreisden niet; en als zij verheven werd, verreisden zij. Naar den mond des lleeren legerden zij zich, en naar den mond des Heer en verreisden zij: zij namen de wacht des lleeren waar, naar den mond des Heer en, door de hand van Mozes.

Ik heb nog meer, lieve lezer: in het boek Nehemia lezen wij hoofdstuk 9 vs. 12: En Gij hebt hen des daags geleid met eene wolkkolom en des nachts met eene vuurkolom, om hen te lichlen op den weg, waarin zij zouden wandelen. En het was van uit deze wolkkolom dat tot Mozes het bevel kwam uit des Heeren mond, om op den rotssteen te slaan, zoodat er water uit zoude komen en het volk drinken zoude, zooals wij dit Exod. 17 kunnen lezen.

Nog hebben wij Ps. 78 vs. 14. En Hij leidde hen des daags met eene wolk en den ganschen nacht mei een licht des vuurs.

ocr page 71

59

En Ps. 105 vs. 39. Hij breidde eene wolk uit tol een deksel, en vuur om den nacht te verlichten.

En Num. 14 vs. 14. En Mozes sprak lot den lleere: Gij Jleere! zijl in het midden van dit volk. Gij Heere! wordt oog aan oog gezien, en Gij gaat voor hun aangezicht in eene wolkkolom des daags en in eene vuurkolom des nachts.

Nog menigmaal vinden wij in 's Heer en woord van deze wolk- en vuurkolom gewag gemaakt, en bij de profeten en apostelen vinden wij overal bewijzen , hoezeer zij van de troostvolle beteekenis van dit heerlijk beeld vervuld waren.

Ps. 84 vs. 12 lezen wij: Want God de Heere, is eene zon en schild: de Heere zal genade en eere geven.

En in Ps. 50 vs. 8: Uil Zion, de volkomenheid der schoonheid, verschijnt God blinkende. Onze God zal komen, en zal niet zwijgen: een vuur voor Zijn aangezicht zal verteren, en rondom Hem zal het zeer stormen.

En Ps. 97 vs. 2, 3. Rondom Hem zijn wolken en donkerheid, gerechtigheid en gericht zijnde vastigheid Zijns troons. Een vuur gaal voor Zijn aangezicht heen en hel steekt Zijne wederpartijders rondom aan brand.

Verder lezen wij in Jez. 4 vs. 5. En de Heere zal over alle woning van den berg Zion en over hare vergaderingen scheppen eene ivolk des daags, en eene rook en den glans eens vlammenden vuurs des nachts, want over alles wat heerlijk is zal eene beschutting wezen. Hoort gij het wel, lieve lezer, wat de Heere zal doen? over alle woning van den berg Zion ? dus onverschillig of deze woningen paleizen of armoedige hutjes zijn. En

ocr page 72

60

„over alles wat heerlijk isquot; dat beduidt alles wat de ïïeere met Zijne heerlijkheid, genade, heiligheid en gerechtigheid bedekt en overkleedt. En vs. 6, daar zal eene hut zijn tot eene schaduw des daags legen de hitte, en Lol eene toevlucht en tol eene verberging tegen den vloed en legen den regen.

Eu Jez. 49 vs. 10. En de zon en de hitte zal hen niet meer steken. Waarom niet? want hun Ontfermer, Dezelfde Die in de wolk en vuurkolom woont, zal ze geleiden. quot;Waarheen? dat zegt de profeet niet, maar wel noemt hij den Heere „Outfermer, die hen leiden zalquot;, door een zeer dor land henen, zeer zachtjes leiden zal aan de springaderen der wateren.

Wij hebben nog eene schoone parel in Jez. 60 vs. 19, 20. l)e zon zal u niet meer weien tol een licht des daags en tol een glans zal n de maan niet meer schijnen. Maar! roept dan de ziel, dan is het immers duistere nacht, stikdonkere duisternis die mij omgeeft, dan heb ik immers niets meer! Hoor maar verder, lieve lezer! wat de Heere zegt: maar de Heere zal u wezen lol een eeuwig licht, en uw God lol uwe sierlijkheid. Uw zon zal niet meer ondergaan en uw maan zal haar licht niet intrekken; want de Heere zal u lol een eeuwig licht wezen — en die zon kan immers nooit ondergaan, maar zij blijft schijnen tot in alle eeuwigheid — en — kom! ween nu niet meer! — de dagen uwer treuring zullen een einde nemen.

Uitgegeven bij W. MEIJER, Corameliustraat 33 Amsterdam. Voor Duitschland verkrijgbaar bij F. BÜCKMANN, F.lberfeld. Prijs per Nummer 3 Cts. Franco per post é Cts.

ocr page 73

SCHRI PTTERKL ARINOEN

Dr. II. F. KOHLBBÜGGE.

Eeiiigc bijzonderheden omtrent den uittoclit der kinderen Israels uit Egypte en hunne reis door de woestijn.

DE WOLK- ENquot; VUURKOLOM.

Met deze laatste plaatsen uit Jezaia 60 moeten wij nog goed vergelijken, wat wij Openb 21 vs. 23 lezen: En de stad behoeft de zon en de maan niet — neen! de stad Gods, die op het eeuwige bloed des verbonds is gegrondvest, zij behoeft geen aardsche zon, geen wereldlijke macht, geen licht des menschehjken verstands, om haar te verlichten. Ook het licht der maan, de heerlijkheid en pracht dezer wereld behoeft zij niet, om daarin bescherming te zoeken. Waarom behoeft zij dit alles niet? Omdat de heerlijkheid Gods hanr heeft verlicht en hel Lam hare kaars is! En Openb. 22 vs. 5: En aldaar zal geen nacht zijn, en zij zullen geen kaars, noch licht der zon van noode hebben : want de Heere God verlicht hen: en zij zullen als koningen heerschen in alle eeuwigheid.

li

üit deze en nog zoo veel andere Bjjbelplaatseu — want allen, die over de wolk- en vuurkolom spreken, kunnen wij niet afdrukken — blijkt dus volkomenj dat deze kolom de heerlijke waarheid van de 47ste vraag en antwoord van onzen Catechismus in zich bevat en er eene duidelijke afschaduwing van is.

No. 100.

a November 1889.

ocr page 74

62

quot;Wij hebben nu nog na te gaan, waaruit deze kolom, die de kinderen Israëls op hunne reis door de woestyn vergezelde, eigentlijk bestond, en welk heil zij den volke aanbracht, en wij zullen bij en in dit ailes zien, dat wij dezelfde vuur- en wolkkolom nog ten licht op onze levensreis hebben, al is die voor onze vleeschelijke oogen verborgen.

Wat nu den inhoud dezer kolom betreft, de be-standdeelen, die daarin aanwezig waren, daarover het volgende : het waren niet twee kolommen, zooals men bij eene oppervlakkige beschouwing zoude mee-nen, maar ééne kolom. Inwendig was zij licht, blinkend licht, en toch tegelijkertijd vlammend en vurig : want dit alles vinden wij in de heilige Schrift daaromtrent vermeld. Alzoo; licht en vuur waren de inwendige bestanddeelen der kolom, en dat wel een geheel eigenaardig licht en vuur, dat de Heere God door het Woord Zijner Almacht onmiddellijk geschapen had. Hij, die, toen geheel Egypte in stik-donkeren nacht lag verzonken, licht schiep in de woningen der kinderen Israëls, is dezelfde, die ook voor de wijzen uit het oosten aan den hemel de ster liet verschijnen, die hen voorging op hunnen weg naar Bethlehem, totdat zij stil stond boven het huis, waar het kindeke Jezus was. Nu was echter dit vuur en dit licht omhuld door eene wolk, eene witte, klare wolke. Waaruit bestond nu die wolk? Eene wolk bestaat uit kleine, zeer fijne vocht- of waterdeeltjes, die tot elkander zyn getrokken en alzoo één geheel vormen. Over dag, als de zou aan den hemel stond, zagen de kinderen Israëls alleen de witte wolk, des nachts scheen echter het licht en het vuur der kolom door haar omhulsel henen. De gedaante der wolk was langwerpig, als eene zuil , en strekte zich van

ocr page 75

63

op den tabernakel tot boven in den hemel, zoodat het eene einde op den tabernakel, op de arke des verbonds stond, terwijl het andere reikte tot aan den troon Gods. Zóó verbond deze kolom hemel en aarde, die anders zoo ver van elkaar zijn gescheiden.

Het voordeel, dat de kinderen Israels door deze kolom genoten, was groot. Allereerst was die hen een wegwijzer, een gids, een baanbreker, zoodat zij wisten des daags, waarheen zij hunne schreden moesten richten, en vervolgens, dat zij in de woestijn des nachts licht hadden, een licht dat nimmermeer kon uitgebluscht worden. Want het licht der zon, noch der maan kan in de woestijn helpen, als het oog allerlei leugenachtige luchtspiegelingen aanschouwt, die wel heerlijk schijnen, maar niets dan dwaallichten zijn, die den armen mensch ten verderve brengen. Het doel van deze kolom was alzoo , dat de kinderen Israels des daags eenen wegwijzer, des nachts een licht zouden hebben, en zij alzoo hunne reis veilig zouden kunnen voortzetten. Daarbij was deze kolom ook een trouwe raadgever voor hen, zoodat zij zeker wisten, naarmate die wolkkolom zich verhief of op den tabernakel bleef rusten, naar die mate hadden zij ook hunne tenten af te breken en elders op te slaan, of te blijven legeren, waar zij waren. Zoo ging deze kolom hen voor, of bleef rusten op de arke des verbonds, op den tabernakel der getuigenis, want daarmede was zij op het allernauwst verbonden. Deze arke des verbonds werd den kinderen Israëls in de woestijn vooruit gedragen, en boven dezelve stond die wolkkolom , meestal op een afstand van twee duizend ellen van het volk verwijderd. Behalve tot een getrouwe wegwijzer, strekte deze kolom liet volk ook nog tot eene beschutting tegen de brandende zonne-

ocr page 76

64

stralen, die in de woestijn vreeselijk kunnen steken, want, als de zon heet werd, breidde de wolk zich uit als een tente of dak, waaronder het volk, beschaduwd voor de zon, voort reizen of veilig legeren kon. Daarom zegt ook Paulus 1 Cor. 10 vs. 2 van de vaderen des volks, dat zij : allen in Mozes gedoopt zijn, in de wolk en in de zee. En daarom mag men wel veilig aannemen, dat er van die wolk verkwikkende dauw op het volk nederdaalde, want anders kon er immers van een „ gedooptquot; zijn geen sprake wezen. Zeker is het, dat de hitte het volk niet pijnigen kon, maar dat de wolkkolom alle hitte des daags tot zich trok, en in zich opnam, terwijl haar licht alle duisternis des nachts verlichtte. Want in den nacht was de vuurkolom voor het volk een lichtgevende star, een blinkend licht, een gouden glans, die zich heinde en ver verspreidde. De wolkkolom wordt in de heilige Schrift ook dikwijls „des Heeren wolkquot;, „des Heeren woordquot;, „des Heeren mond ' genoemd. Zoo sprak de Heere o. a. tot Mozes, Ex: 17 vs. 6 , toen de Heere de kinderen Israëls water uit den steenrots wilde schenken: Ziel, Ik zal aldaar voor uw aangezicht op den rolsteen in Horeb slaan-, hier was het de wolkkolom, die zich op den steenrots in Horeb stelde. In deze wolkkolom was de Heere, Jehovah, Die is. Die was, Die zijn zal, de eeuwige trouwe Verbondsgod. Op andere plaatsen der schrift lezen wij weder, dat des Heeren Engel in deze wolke was. Van dezen Engel des Heeren, vinden wij dikwijls geschreven in de boeken van Mozes, .Jozua, de Richteren en profeten, in onderscheiding van de andere engelen, en wordt hiermede niemand anders bedoeld, dan onze dierbare Heere en Zaligmaker Jezus Christus, voor wiens

ocr page 77

65

waarachtige Godheid wij alzoo in deze bijbelplaatsen, onderling vergeleken, het heerlijkste bewijs hebben.

Zoo was deze wolk- en vuurkolom voor het volk Israëls een zichtbaar teeken en onderpand van de genadige tegenwoordigheid des Heeren in hun midden, zoodat Hij Zijn woord getrouwelijk vervulde dat wij Lev. 26 vs. 11 en 12 vinden : En Ik zal mijnen labernakel in hel midden van u zeilen] en Mijne ziel zal van u niet walgen, en Ilc zal in hel midden van u wandelen, en Ik zal u lui een en God en gij zuil Hl ij tol een volle zijn. Gelijk ook vele eeuwen later de Apostel Paulus zegt: want gij zijt de tempel des levenden Gods-, gelijkerwijs God gezegd heelt: Ik zal in hen wonen, en Ik zal onder hen wandelen, en Ik zul hun God, en zij zullen Mij een volk zijn, 2 Oor. 6 vs. 16. Deze wolk- en vuurkolom was den kinderen Israëls niet alleen een voorteeken en onderpand der goddelijke tegenwoordigheid in hun midden, maar bovendien sprak de Heere Zelf uit deze wölk tot Mozes, en door Mozes tot het volk, of ook wel onmiddellijk tot het volk. Zoo was dan deze wolk- en vuurkolom de plaats van waar de goddelijke antwoorden tot het volk kwamen, de Heere zelf sprak uit deze wolk, en heiligde van uit deze wolk zijn Israël door de uitspraken zijns monds, gelijk ook de Heere Jezus zeide : gijlieden zijl nu rein, om hel woord dal Ik tol xdieden heb gesproken.

Van de wolkkolom spreekt de Schrift doorgaans als van „de wolkquot;, van de vuurkolom, als van „des Heeren heerlijkheid.quot; Het vuur, dat van uit de wolk uitging had tweederlei uitwerkingen : het heeft op het altaar in den tabernakel het offer aangestoken, en is zoo , als een eeuwig brandend vuur op het altaar gebleven, Lev. 9 vs. 24. Maar dikwijls ging

ocr page 78

66

er van deze kolom ook vuur uit om de oproermakers en overtreders te verteren.

Wat ons bij deze kolom, als vuurkolom, in het oog valt, is haar helder, blinkend, schitterend licht, zoodat zij, als het ware, uit louter vuur bestond, en wij moeten dit niet vergeten, opdat, waar wij inde heilige Schrift teksten vinden, waar van licht, glans, vuur of heerlijkheid wordt gesproken, wij de betee-kenis daarvan zoude vatten. Uan hebben wij aan het apostolische woord te denken: dal God een ontoegankelijk lichl bewoont-. 1 Tim. 6 vs. \Qh en dat God een licht is en gansch geen duisternis in Hem is, 1 Joh. 1 vs. 5. Zoo is dan dit heldere, blinkende licht een afdruk of afbeelding van de heerlijkheid Gods, van dien God, die Zich aan ons geopenbaard heeft, als de nimmerrustende kracht, die altoos bezig is om voor Zijne schepselen te zorgen en allerlei heil voor hen uit te werken. Het licht der zon , lieve lezer! bestaat uit ontelbare kleine schitterende lichtdeeltjes, die zich met ongeloofelijke snelheid in het luchtruim heen en weer bewegen, en zoo de duisternis des nachts doen verdwijnen. En dus is het licht een heerlijk beeld en afdruksel van het wezen diens Gods, die nooit moede, noch mat wordt, om voor zijne schepselen de liefderijkste zorg te dragen; een heerlijk beeld en afdruksel tevens van den Heere, als van den vlekkeloos reine, in Wiens harte nooit of nimmer iets opkomen kan, dat naar verkeerdheid of onreinheid zweemt, maar Wiens eeuwige wijsheid gepaard is met genade en met gerechtigheid, en in Wien geen gedachte der leugen kan opkomen, daar Hij zelve de hoogste en eeuwige Waarheid is. Van dit alles is het heldere licht in de wolkkolom een afdruksel, en leest gij dus van haar in de heilige

ocr page 79

67

Schrift, denk dan aan den altoos werkenden God in Zijne vlekkelooze reinheid, waarheid en trouw.

De blinkende, schitterende, vurige glans, die van de wolkkolom uifstraalde, is een afdruksel der heerlijkheid Gods, eener heerlijkheid, die Hij echter aan Mozes niet anders vertoonen kon, dan zooals wij dit beschreven vinden Exod. 33 vs. 23. Met deze heerlijkheid Gods, die wij allen, sinds Adams val en ongehoorzaamheid geheel derven, moeten arme zondaren tot hun eeuwig heil bekleed zijn, want in deze heerlijkheid Gods zijn al Zijne deugden en volmaaktheden, Hem ter eere, en ons ten heil, op het hoogste verheerlijkt, Zijne wijsheid zoowel als Zijne trouw, Zijne heiligheid zoowel als Zijne waarheid. Zijne genade zoowel als Zijne gerechtigheid. Daarom lezen wij zoo vaak, dat er licht en glans van den Heere uitging, en dat ziet dan op Zijne deugden en volmaaktheden, die op het allerhoogst verheerlijkt zijn — weet gij waar lieve lezer? In de eenige offerande Jezu Christi aan het kruis!

Het vuur in de kolom is een beeld en afdruksel van de gerechtigheid Gods, want: onze God is een verlerend vuur, geljjk de Apostel Paulus spreekt, Hebr. 12 vs. 29. Hetzelfde vuur echter, dat voor de uitverkorenen, toen de tabernakel voltooid was, het brandoffer verteerde, verteerde ook, als een felle gloed de goddeloozen, die Hem van den troonwilden stooten.

Dit schitterende licht, deze glans, deze vuurgloed was omhuld met eene wolk, die, gelijk wij u reeds zeiden, uit zeer kleine vochtdeeltjes bestond, en den heiligen Geest beduidde, die zich niet schaamt, als een liefelijke dauw in de ellende en armoede onzes vleesches neder te dalen, en bij, en in ons te wonen.

ocr page 80

68

Des daags zagon de Israeliten alleen de wolk, want zij moesten in de praktijk des dagelijkschen levens ondervindeu, wat de Apostel Paulus zegt, 2 Cor. 5 vs. 7: Want wij wandelen door geloof en niel door aanschouwen. In den zwarten, stikdonkeren nacht echter, als hun hart dreigde te bezwijken van angst en benauwdheid, dan zoude dat liefelijke, heldere licht hun onmiddellijk te gemoet stralen, dan zoude die schitterende glans, deze stralende en goudene vuurgloed hun verkondigen, welk een God met hen was, en hen droeg op Zijne Vaderarmen! Wij zeiden het u reeds, lieve lezer! wie eigenlijk in die wolk was! Immers niemand anders dan de Heero, of de Engel des Heeren, het ongeschapen Woord, Christus, het Lam Gods!

Naar den Geest nu, hebben wij deze wolk en vuurkolom nog met ons, ten licht op ons pad in de duisternis, tot een getrouwen wegwijzer op onze reis door de woestijn dezes levens; en wij hebben en bezitten die niet minder, als de kinderen Israëls op hunne zwerftochten. Ik zeg echter : „naar den Geest hebben wij deze kolom nog ten wegwijzer en licht op ons pad, want de zichtbare kolom is verdwenen, nadat zij de kinderen Israëls, door de woestijn en de Jordaan henen, in het beloofde land had gebracht. Nochtans vinden wij haar terug, toen Salomo den tempel inwijdde, want zoo lezen wij 1 Kon. 8 vs. 10,11: Enkel geschiedde, als de priesters uit hel heilige uitgingen, dat eene wolk het huis des Heeren vervulde. Eu de priestenT'konden niel slaan om te dietien, vanwege de wolk, want de heerlijkheid des Heeren had hel huis des Heeren vervuld. Deze wolk zien wij weder op den berg, toen de Heere Jezus verheerlijkt werd, Matth. 17 vs. 5. Terwijl Hij nog

ocr page 81

69

sprak, ziet! eene luchtige wolk heeft hen overschaduwd, en ziet, eene slem uit de wolk, zeggende: Deze is mijn geliefde Zoon in denwelken Ik mijn welbehagen heb; hoort Hem\ Zoo lezen wij ook Handelingen 1 vs. 11 dat onze Ileere wederkomen zal, gelijk Hij is opgevaren, d. i. in eene wolk. Dan zal Hij echter komen met groote pracht en heerlijkheid en met eenen gloed des vuurs, zooals wij lezen 2 ïhess. 1 vs. 6—8. Naardien hel recht is bij God ver drukking te vergelden dengenen, die u verdrukken. U echter, die verdrukt wordt, verkwikking met ons, in de openbaring van den Heere Jezus van den hemel, met de engelen Zijner kracht-, met vlammend vuur wrake doende over degenen, die God niet kennen, en over degenen , die hei Evangelie van onzen Ileere Jezus Christus niet gehoorzaam zijn.

Alzoo het zichtbare in wolk en vuurkolom, dat ten nutte der kinderen Israëls was geschapen, is verdwenen, maar de werkelijkiaeid, datgene, waarvan die kolom maar een afbeeldsel en afdruk was, dat bezitten wij nog; en dat is de troostvolle waarheid, die onze Catechismus uitspreekt, als het luidt in Vraag en Antwoord 47 : „naar Zijne Godheid, .Majesteit, Genade en Geest wijkt Hij (d. i. de Heere Christus) nimmermeer van ons.quot; Zie lieve lezer! het was immers de Heere Christus, die in de wolk en vuurkolom was, en Hij leeft immers nog. Hij is immers geen doode Heere en Heiland, maar Hij leeft, en sterft nimmermeer, en uit Zijnen gezegenden mond weten wij het immers, dal Hij met ons is lol aan het einde der wereld, Matth. 28 vs. 20. Dat staat vast. Allereerst willen wij dit zien ten opzichte van Christus Godheid. Ik lieb u gezegd, dat het blinkende licht in de wolkkolom een beeld was van het

ocr page 82

70

wezen Gods. Want van den Heere Christus staat er geschreven Hebr. 1 vs. 3b dal Hij hel uilge-drukle beeld is uait Gods zelfstandigheid, en dat in Hem al de volheid der Godheid lichamelijk woont, Col. 2 vs. 9. Q-od de Vader, zooals Hij zelfstandig is en werkt, openbaart zich aan ons menschen nooit buiten Christus, opdat die de benauwde ziele vertrooste, met Zijnen liefelijken troost eu zóó de getrooste ziele in den Heere niets zien zoude, dan licht, rust, vrede, verzoening en genade. Niemand zegt de Apostel Johannes heeft ooit God gezien, de eeniggeboren Zoon, die in den schoot des Vaders is, die heeft Hem ons verklaard (Joh. 1, vs. 18). Christus is God uit God, Licht uit Licht. Hij is in Zijne zelfstandigheid de eeuwige sterke God, één met den Vader. Hij is onvermoeid in Zijne zorgen en bemoeienissen met de Zijnen, Hij houdt niet op ons met Zijne altoosdurende voorbede te beschutten en te bewaren voor alle helsche machten en hunne listige aanvallen. Dan spreekt Hij tot Zijnen Vader; dien of die hebt Gij Mij gegeven, en Ik heb hem of haar verlost met Mijn bloed, Vader! laat ze in 't verderf niet dalen, want Ik heb verzoening voor hen gevonden ! Hij is ons steeds nabij met Zijne almachtige hulp, met Zijne goddelijke kracht, en Hij bedient Zich daarbij der tien en tienduizend Engelen, die voor Gods troon staan, en die Zijne bevelen en wenschen opvolgen met eene snelheid, grooter dan die dei-snelste en schitterendste bliksemstralen! Alle heiligheid en reinheid, als des lichts, is in Christus Jezus, woont in Hem tot heil en troost voor alle armen en ellendigen, die zich, o, zóó lang! met de afgoden verontreinigd hebben, maar nu naar verlossing en zaligheid smachten. En, wat was die heerlijke gouden glans.

ocr page 83

71

die uit de vuurkolom straalde ? Nu! wie is dan het afschijnsel der heerlijkheid Gods, wie is het uitgedrukte beeld Zijner zelfstandigheid, wie anders dan wederom onze Heere Jezus Christus ? zoo als Paulus zegt Hebr. 1 vs. 3 : Dewelke, alzoo Hij is hel af-sciüjnsel Zijner heerlijkheid en hel uilgedrukle beeld Zijner zelfstandigheid, en alle dingen draugl door hel woord Zijner krachl, na dal Hij de reinigma-king onzer zonden door Zichzelven heefl leiveeggebracht^ is gezelen Ier rechterhand der Majesteit in de hoogste hemelen. En zoo stralen dus van boven uit den hemel in Christus door den heiligen Geest alle deugden en volmaaktheden Gods op ons ter neder. Zóó geschiedt ook, wat de Apostel Paulus zegt: En wij allen, met ongedckten aangezicht de heerlijkheid des II eer en, als in eenen spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd van heerlijkheid lot heerlijkheid, als van des Beer en Geest! 2 Cor. 3 vs. 18. Dat staat nooit stil, lieve lezer! in dien spiegel verliezen wij, hoe langer hoe meer, ons eigen beeld uit het oog, en aanschouwen daarin meer en meer, niets anders dan het beeld van onzen hemelschen bruidegom, onzen Borg en Goël, onzen sterken God en Verlosser. Zoo gaat het „van heerlijkheid tot heerlijkheid veranderd wordenquot; volgens het welbekende woord : Hij moet wassen, ik minder worden. Joh. 3 vs. 30. Zoo straalt van God in Christus de heerlijkheid, de majesteit des Vaders op ons arme zondaren neder, zoo wordt Hij verheerlijkt in de hoogste hemelen, en geloofd en geprezen op aarde, in Zijne gemeente, om Zijne waarheid, trouw, ontferming en gerechtigheid. Het vuur in de wolkkolom was een beeld van den Heere Christus, als Engel, als Gezant des Heeren, want

ocr page 84

72

met vuur zal Hij eens al Zijne vijanden verteren, gelijk wij immers gelezen hebben in den eersten brief aan de Tliessal.: dal Hij viel vlammend vuur wrake zal doen over hen, die God niel kennen en die hel Evangelie van Jezus Christus ongehoorzaam zijn, over allen, die den Yader niet eeren en den Zoon niet kussen op den weg, opdat Hij niet toorne, en wij op den weg vergaan. O lieve lezer! als liet Lam eens begint te toornen wee, driemaal wee dan hen, die op de aarde wonen! Gij kunt het lezen Openb. 6 vs. 15—17. En de koningen der aarde, en de graaien, en de rijken, en de oversten over duizend, en de machtigen, en alle dienstknechten, en alle vrijen verborgden zichzelven in de spelonken en steenrotsen der aarde, en zeiden tol de bergen en .lol de steenrotsen: vall op ons, en verbergt ons van hel aangezicht Desgenen, die op den troon zil en van den loom des Lams; want de gr no te dag Zijns looms is gekomen en une kan beslaan? Een zachtmoedig, een gedwee Lam is Hij, en lang, lang vergunt Hij de gemeente. Hem toe te zingen : „O, Lam Gods onschuldigquot;, en nog, nog straalt de vriendelijke glans Zijner vuurkolom voor Zijne gemeente in de woestijn des levens, in bange en donkere nachten van nood en aanvechting, waardoor zij henen moet. Maar, er komt ook een tijd, dat Hij het zonneklaar aan het licht zal brengen, dat Hij het was, die de bazuin des heerlijken Evangelies liet klinken, en dan wee! wee! dengenen, die op de aarde wonen, als de dag Zijns toorns is gekomen.

Uitgegeven bij W. MEIJER, Commelinstraat 33 Amsterdam. Voor Dnitschlaiid verkrijgbaar bij F. BUCKMANN, Elberfeld. Prijs per Nnmmer 3 Cts, Franco iter post 4 Cis,

ocr page 85

SCHRIFTVERKLARINGEN

VAN

Dr. II. F. KOHLBRÜGOE.

Eenige bijzonderheden omtrent den uittoclit der kinderen Israels uit Egypte en hunne reis door de woestijn.

DE WOLK- EN VUURKOLOM.

En toch! en toch! waarom breekt dit vuur van toorn nog niet los, om ons allen, om Zijne gemeente te verteren? Hij -weel wal maaksel wij zijn, t/e-dachtig zijnde, dal wij slof zijn. Ps. 103 vs. 14. Zijn bloed, Zijn heerlijk en goddelijk bloed, dat betere dingen spreekt dan dat van Abel, dat geldt nog in het midden der gemeente, dat spreekt ons vrij van schuld en vloek, dat reinigt ons van alle, ja van alle zonden! Te midden der hitte en vuurgloed der kolom is nog Christus, de Engel des lleeren, en laat die geheele brandende hitte op Zich nederdalen, neemt ze in Zich op, om er Zijn volk van te bevrijden. Zoo brandt de Heere dan in de vlammen der liefde en des toorns, gelijk in het voorhof het geheele brandoffer door het vuur verteerd werd.

Zoo hebben wij dan nu gezien, dat wij in geestelijken zin, de wolk- en vuurkolom nog bezitten, ofschoon wij die met onze oogen niet meer zien. Dit zoude nu ook niet meer kunnen, en zoude nergens toedienen: toen Israël van Egypte naar Kanaan trok, woonde al het volk Gods te zamen en trok gezamenlijk voort;

No. 101. 23 November 188y.

ocr page 86

ï

74

sedert; echter de volheid der heidenen lot Israël is ingegaan, moest deze zichtbare wolk- en vuurkolom wel verdwijnen, maar onzichtbaar woont de Heere Christus met Zijne Godheid, majesteit, genade en Geest nog bij ons. Neen! Hij wijkt nimmermeer van ons, met Zijne waarheid, met Zijn licht, met Zijne liefde, met den gloed Zijner genade en ontferming. Zoo wijkt Hij nimmermeer van ons, want nog spreekt Hij uit de wolkkolom tot Zijn volk en heiligt ze door het Woord Zijner genade. Neon! nimmermeer wijkt Hij van ons, met Zijnen Geest, waarvan het vuur en het licht in de kolom ook een beeld was. Van pool tot pool heeft Hij nu de Zijnen, overal heeft Hij nu Zijne gemeente. Zijn Jeruzalem, dat wel en vast gegrondvest is, en alom vervult Hij nog bij voortduring Zijne belofte: wanr hvee of drie vergaderd zijn in Mijnen Naam, daar ben Ik in hel midden van hen. (Matth. 18 vs. 20).

De geestelijke wolk- en vuurkolom is nog de baanbreker, die voor Zijn volk henengaat. Want wat is de Heere Christus voor ons? Ts Hij niet de overste Leidsman en Voleindiger onzes geloofs? Is Hij het niet, die gezegd heeft: wie Mij navolgt, die zal den dood niet zien in der eeuwigheid? Is Hij het niet, die gesproken heeft: Icoml lol Mij, gij allen, die vermoeid en belast zijl, Ik zal u ruste geven? Roept Hij het niet luide in de wereld: wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde? Toen de Apostelen zeiden: wij weten den weg niet, antwoordde Hij toen niet: Ik ben de weg, en de waarheid, en het leven, niemand komt tot den Vader, dan door Mij (Joh. 14 vs. G)? Niemand komt tot de ware ruste, dan door Jezus alleen, want Hij alleen is onze Wolk- en Vuurkolom, Hij alleen

ocr page 87

75

is de waarheid, is de weg, den geheeleu dag ouzes levens, Hij alleen het waarachtige licht, schijnende inde wereld, en verlichtende een iegelijken mensch. Maar bovenal en in gansch bijzonderen zin is Hij het licht Zijns volks. Hij in wiens licht zij eerst waarachtig het licht zien. Hij Christus alleen is het, in Wien wij allé heerlijkheid van God den Vader en van den Heiligen Geest vereenigd zien, in Wien alle deugden en volmaaktheden Gods verheerlijkt zijn. En gelijk uit de wrolkkolom des Heeren mond sprak, zoo is het nog heden ten dage: alleen door en in Christus, de ware wolk- en vuurkolom, is het, dat wij antwoord, goddelijk antwoord ontvangen op ile bange vragen onzes harten. God de Vader spreekt niet omniddelijk met ons van uit den hemel der heerlijkheid, maar door en in Christus, door het Woord Zyner almachtige genade, dat ons het doel onzer reize, door de woestijn, het hemelscheKanaau veilig doet bereiken. En zulk een goddelijk woord, ik kan liet alleen vernemen uit de wolke, van Christus, mijnen dierbaren Heere en Verlosser. Door Jezus Christus alleen, van af Zijn kruis, ontvang ik goddelijke antwoorden op mjjne benauwde en benarde vragen, in den diepen nood mijner ziele, onder de bange en zware aanvechtingen des duivels. Zal zulk antwoord mij ook niet ontbreken in mijne laatste ure, in het uurtje mijns doods? Ach! wat was de wolkkolom dan anders dan eeue beschutting, eene verkoelende schaduw tegen do brandende zonnestralen ? O, hoe weet ouze Wolk- en Vuurkolom ons te bewaren tegen de hitte van den toorn Gods, tegen alle vervolgingen van vleesch en bloed en van de ondankbare wereld! Al deze hitte des daags, Hij neemt ze in Zich op , opdat wij wel bewaard zouden zijn en veilig geborgen

ocr page 88

76

onder de schaduw Zijner vleugelen. En o! in dien pikduisteren, zwarten nacht, ala wij onder den last onzer zonden gebogen gaan en niet weten, waar daarmede te blijven, dan breekt plotseling Zijn licht met gouden stralen door de wolken henen, en maakt onzen nacht tot een liefelijk licht, zoodat er troost en ademtocht komt voor de toegeschroefde borst. Nog stelt onze Wolk- en Vuurkolom Zich — de kerkgeschiedenis levert or ons menig bewijs van op — tusschen Zijn volk en de vijanden, die hen vervolgen. Al zijn die vijanden nog zoo groot, nog zoo listig, onze Heere Christus heeft donkerheid genoeg ter Zijner beschikking, om hen, met al hunne vermeende kennis des Evangelie's in de diepste diepte der zee te jagen, en nog heeft Hij licht genoeg, om de blinden die op Hem hopen, te leiden door den weg, dien ze niet geweten hebben, den weg door de woestijn, den weg naar de eeuwige stad, die zon noch maan behoeft, want het Lam is hare Kaars, en de heerlijkheid Gods heeft ze verlicht.

Ja, zoo is en blijft Christus altoos onze Wolk- en Vuurkolom, wat er ook moge geschieden.

Eene bede heb ik nog tot u te richten, geliefden! eene vraag u te doen. Denkt gij er wel eens aan, om, het hart en hoofd naar boven gericht. Hem uit de hemelen te verwachten, die Zich te voren, om onzentwillc, voor don aardschen rechter heeft gesteld? Denkt gij er wel eens aan, dat plotseling het vuur des Ileeren kan ontbranden en ons allen verteren ? O wendt u toch tot Hem, tot onzen Meere Christus, eer het te laat is. Van Zijn volk is Hij nimmer geweken. Hij heeft hen gedragen op de geheele reis door de woestijn, Hij heeft ze veilig binnengebracht in Kanaan. Onzichtbaar is Christus,

ocr page 89

77

onze Wolk- cu Vuurkolom, overal bij en rondom ons, dat is waarachtig waar, ook waar de troost dezer waarheid voor ons is verborgen, in den geloove is het nochtans waar. O bedenkt toch, dat de Heere ook een geducht God, een jaloersch God op Zijne eere is, genadig en barmhartig voor allen, die met hunne zonden en ellenden, met hunne ongerechtigheden en armoede zich tot Hom wenden; maar vergeet het ook niet, lieve lezer! dat Hij hettrotsche, hoogmoedige, lichtzinnige hart niet verdragen, verzet cn opstand tegen Zijn Woord niet dulden kan. Welzalig, driewerf gelukzalig zijn wij, zoo wij goed bedenken, dat we nooit en nimmer veilig zijn, in deze woestijn, en dat wij geen oogenblik onzes levens Zjjne genade, Zijne leidende en beschermende hand kunnen ontberen. Als wij dan in onze ellende en armoede treurig daar heengaan, dan zal ons weldra de Wolk- en Vuurkolom in het oog vallen, en daarin aanschouwen wij omen Chrislus, die al onzen druk, al onzen nood kent, voor Wien al de diepten onzer harten open en bloot leggen. Hij wreet wat van Zijn maaksel is te wachten, en Zijn Naam is: God met ons, Immanuel.

MURMÜREERINGEN DER KINDEREN ISRAELS IN DE WOESTIJN.

Zoo had dan de wolk- en vuurkolom de kinderen Israels veilig aan de overzijde der Schelfzee gebracht, en zagen zij, zooals wij Éxod. 14 vs. 30 lezen, de Egyplenaren dood aan den oever der zee. En zoo zien wij ook, wanneer God ons om Christi wille onze zonden heeft vergeven, die zonden dood liggen

ocr page 90

78

aan den oever der zee, dier zee van eenige barmhartigheid en genade, waarvan Micha spreekt in het laatste hoofdstuk zijner profetie: Wie is een God gelijk Gij, die de ongerechtigheid vergeeft, en de overtreding van hel overblijfsel Zijner erfenis voorbijgaal? Hij houdt Zijnen toorn niet in eeuwigheid: ivant Hij heeft lust aan goedertierenheid. Hij zal zich onzer weder ontfermen; Hij zal onze ongerechtigheden dempen: ja, Gij zult al hunne zonden in de diepten der zee werpen. Micha 7 vs. 18, 19. Ja, dit is gewisselijk waar en geldt allen, dien God om Jesus Christus wille de zouden heeft vergeven.

Wij weten uit Exod. 14 vs. 31, hoe Israël de groote hand. die de Heere aan de Egyptenareu had bewezen, zag, hoe het volk den Heere vreesde, eu geloofde in Mozes zijnen knecht. Wij lezen verder in den aanvang van Exod. 15, hoe Mozes met de kinderen Israels den Heere een heerlijk loflied aanhief, en Hem do eere gaf, voor hunne verlossing uit de hand des vijands, die hen bijna achterhaald had. Maar nauwelijks was dit lied gezongen, nauwelijks waren de laatste klanken daarvan weggestorven, of de zaak nam eene geheel andere wending. Lezen wij in vs. 21 nog: toen antwoordde Mirjam hunlieden: zingt den Heere, want Hij is hoogelijk verheven! Bij heeft hel paard met zijnen ruiter in de zee gestort! in vs. 22 en 23 vinden wij reeds: Hierna deed Mozes de Israëlieten voortreizen van de Schelfzee af, en zij (rokken uit tot in de woestijn Sur, en zij gingen drie dagen in de woestijn, en vonden geen water. Toen kwamen zij te Mara, doch zij konden het water van Mara niet drinken, want hel vjas bitter: daarom werd derzelver naam genoemd Mara. O, bittere, harde verzoeking voor

ocr page 91

79

liet zooeven nog juichende volk! des te harder, daar de derde dag overal in de Schrift het tijdstip en zinnebeeld van verlossing en uitkomst is. Het kwam hier alzoo met de pijnlijke kwelling van den dorst wel tot het alleruiterste. En dan, na drie dagen van brandenden dorst en algeheel watergebrek, water te vinden, te meenen, zoo uit allen nood verlost te zijn, en dan te proeven, dat het water niet zoet, niet drinkbaar, maar bitter was, dat was vreeselijk, dat was haast niet te dragen. Maar ik zoude vragen ; waarom niet? Waarom was dat nu zoo erg? Was het dan nu uit en gedaan met de trouw en ontferming diens Gods, die nog zoo even de sterkste en geweldigste vijanden voor hen had verdelgd? Hadden hunne oogen dan niet zoo even nog de groote daden des Heeren aanschouwd ? Ach! lieve lezer! wat wij ook van verlossingen en uitkomsten en wonderen mogen beleefd hebben , al het zoete verandert weer in bitterheid, en alle zichtbare uitkomsten loopen toch aan het slot op eene bittere stervensure uit, wanneer wij niet, even als Mozes, dat ééne hout vinden, dat de bitterste wateren zoet maakt, als honig en honigzeem. Als dat ééne hout in de bittere wateren is geworpen, zuigt het al het bittere in Zich, en neemt het geheel in Zich op. Geliefden! werp ook gij, al is het sidderende en bevende, ja al schijnt het u geheel onmogelijk, nochtans in den geloove — want zóó wordt het onmogeljjke mogelijk — het hout, dat gij in het Evangelie vindt, in de bittere wateren, die gij op uwen weg ontmoet. Ik bedoel met dat hout, het kruis van onzen dierbaren ITeere en Verlosser, en zóó, en zóó alleen, zal ai het bittere u zoet worden, ook dat bittere, dat u te bitter schijnt, om het te

ocr page 92

so

kunnen drinken. Zoo? Is dat de weg? Ja, waarlijk dat, en dat alleen. En zult gij er in waarheid toe komen, dit liout in de bittere wateren uws levens te werpen, dan moet de Heere zelf u dat aanwijzen, gelijk wij in vs. 25 lezen, dat Mozes, toen het volk tegen hem murmureerde en sprak; wat zullen wij drinken? tot den Heere riep, en dat de Heere hem een houl wees, dat hij in het water wierp. En ook u zal de Heere op uw schreien en weenen, dat kostelijke hout aanwijzen, en daardoor zult gij kunnen drinken, en ervaren, dat er water voor u is, dat uwen brandenden dorst lescht. Ja, bittere wateren moogt gij gevonden hebben op den derden dag, op den dag, waarop gij meendet uitkomst en verlossing te vinden, maar op dien derden dag nochtans ook zoet en drinkbaar water, door het kruis van Christus, en daarom: Gode alleen de eere!

Wij lezen vs. 24: toen murmureerde hel volk. Ach ja! wat kunnen wij anders dan murmureeren, zoolang wij Christus niet kennen, zoolang Hij niet door het geloof in onze harten woont, en door de liefde daarin is geworteld, of wanneer wij, ook na ontvangene genade, Hem uit het oog hebben verloren? Wel ons, dat de Heere niet met ons handelt naar onze zonden, maar onze murmureeringen ons om Christi wille niet toerekent!

En de Heere wees hem (d. i. Mozes) een houl. Ja, zoo de Heere ons het kruis Jesu Christi niet zelf aanwijst, blijven wij stekeblind, en zullen het uit ons zeiven nooit en nimmer vinden, al hebben wij de leer: „dat God om der genoegdoening Christi „wille al onze zonden, ook onzen zondigen aard, „waarmede wij ons geheele leven lang te strijden „hebben , nimmermeer wil gedenkenquot; nog zoo goed

ocr page 93

81

in 't hoofd. En, daarom: 11 eere! ontdek mijne oorjen, dat ik aanschouwe de wonderen xiwer wet. Ps. f19 vs. 18.

Aldaar stelde Bij het volk eene inzetting en een recht, (Ex. 15 vs. 25''). Ja, dat bevel, die inzetting gnf de Heere daar aan zijn volk, dat zij in Christus Jezus zouden blijven, en door al het bittere dei-wateren zich er niet van moeston laten terughouden, dit ééne hout, dat Hij hen had gewezen, voortdurend daarin te werpen. Een recht, eene eeuwige instelling der genade, dat het bij den Pleere eene uitgemaakte zaak is, dat het lijden en sterven des Tleeren Jezus Christus, het lijden en den bitteren dood der Zijnen verzoet. Nu de dood verslonden is in de over-winninge Christi, nu Hij al het bittere in Zich heeft opgenomen, alle bittere wateren voor ons heeft uitgedronken, wordt vrijgesproken en om Zijnent wille rein en heilig verklaard, wat nog zoo even in de diepste diepte van zonde en ellende lag verzonken. Daaraan mogen wij ons vastklemmen te midden van onze benauwdheid en angst over onze zonden, en het bittere zal ons zoet worden, want van af Zijn kruis heerscht Hij met almachtige genade.

Vs. 25 (einde). En aldaar verzocht Hij hetzelve. Ach, wij arme menschenkinderen meenen zoo spoedig, dat wij alles reeds begrijpen, dat we reeds volleerd zijn in den weg Gods, dat wij waarlijk het verstaan, genade als genade aan te nemen, en al het zoete en bittere dezes levens te genieten of aan te nemen, als door Christus geheiligd. Wel ons, dat Hij, die ons tot op het gebeente kent, ons herhaalde malen beproeft, ons examineert, opdat zóó onze onkunde en onwetendheid goed aan 't licht kome! Eerst zóó leeren wij, dat genade genade is en genade blijft,

ocr page 94

82

en dat het werk des Heiligen öeestes ook maar alleen het werk des Heiligen Geestes is. Zóó eerst leert raeu uit den geloove leven!

Vs. 26 vinden wij: mei ernsl naar de stem des Heeren uws Gods hoor en, en doen wal recht is in Zijne ooijen. Dat wil zeggen: gelooven, wat God de Heere omtrent het hout des kruises zegt, namelijk, dat het al onze bitterheden inzuigt en zoet maakt, en dan dit hout in al de bittere wateren te werpen, die wij op de reis door de woestjjn ontmoeten!

In dit zelfde vers wordt van „krankhedenquot; gesproken. Hier hebben wij aan Matth. 8 vs. 16 en 17 te denken: En als het Laai geworden was, hebben zij velen, van den duivel bezeten, lol Hem (d. i. tot Jezus) gebracht, en Hij wierp de boose geesten uil met den woorde, en Hij genas allen, die kwalijk gesteld waren. Opdal vervuld zoude worden, dal gesproken is door Jesaja den profeet, zeggende: Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze ziekten gedragen. En evenzeer wat de Heere bij den profeet Jesaja (33, 24) van do stad Gods zegt; En geen inwoner zal zeggen: Ik ben ziek, want hel volk, dal daarin woont, zal vergeving van ongerechtigheid hebben. En daarom, laat ons de woorden niet vergeten, waarmede deze geschiedenis der eerste murmuceeringen der kinderen Israëls, toen zij de bittere wateren van Mara niet konden drinken, besluit; want Ik ben de [feere, uw heelmeester.

Vaak zendt de Heere ons allerlei lichamelijke krankheden, om ons te beproeven, en dan verstaat de duivel het, o zoo goed, van onze eigenliefde, van onzen afschuw van kruis en smarten, van onze vrees voor den dood, partij te trekken, om ons, ook geestelijk, geheel zwak en krachteloos te maken, en

ocr page 95

83

ons verre van de genade onzes Gods af te houden. Welaan! niettegenstaande, en juist van wege al deze namelooze ellende des lichaams en der ziele, tot Hem henen, die al onze zwakheden en krankheden heeft gedragen! In het geloof aan den Heere Jezus ligt verborgen eene wonderhaarljjke levenskracht, ook voor het zwakke lichaam, dat van ellende dreigt te bezwijken!

Wij vinden in de geschiedenis der kinderen Israëls de duidelykste blijken er van, hoe onleerzaam, blind, en ongeloovig zij bleven, welke wonderen de Heere ook voor hen deed. Nauwelijks had Hij hen te Elim geheel ongedacht en onverwacht verkwikt door twaalf waterfonteinen en zeventig palmboomen (Exod. 15 vs. 27), of wij lezen weer in Exod. 16, hoe ze in de woestijn Sin aanvingen te murmureeren, en dat wel zoo heftig, dat zij, alle wreede verdrukkingen en vervolgingen, die zij in Egypte hadden doorgestaan, vergetende, terughunkerden naar het land hunner dienstbaarheid. Het is niet mogelijk hot geheele verhaal van dien opstand in de woestijn Sin hier af te drukken, doch wij raden onzen lezers ernstig aan, voor dat zij verder gaan, het IG1, kapittel van Exodus aandachtig na te lezen. Bevat hetzelve do vreeselijke geschiedenis van de murmureeringen der kinderen Israëls, niet minder zien wij daarin, haast van vers tot vers, de wonderen van Gods genade en ontferming voor zyn wederhoorig kroost.

Wanneer een kind, dat niet anders weet, of de Bijbel is Gods zeker en onwankelbaar getuigenis, een boek van den hemel geschonken, deze geschiedenis voor het eerst van zijn leven leest, zoo moet zij op het gemoed van zulk een kind oenen diepen indruk maken; en die indruk zal dan uitwerken,

ocr page 96

84

dat, wanneer zulk eeti kind later in nood of verdrukking komt, of zijne ouders met allerlei gebrek ziet worstelen, hij er tot zijne vertroosting aan gedenkt en in zijn harte spreekt: „Daarboven in „den hemel ligt er voor mijne lieve ouders, en ook „voor mij, armen jongen, tweederlei brood gereed; „brood voor het lichaam, brood voor de ziele. „Hij tot Wien mijne moeder mij leerde bidden: „Ome Vader! die in de hemelen zijl! is een „trouwe Vader, die niet anders kan en wil, dan er „getrouwelijk voor zorgen, dat ik voor het lichaam, „dag voor dag, een stuk brood bekome, en, als ik „den moed ontvang, te smeken om de kruimkens, „die van mijns Heeren tafel vallen, zal er ook wel „voor mij, armen knaap, een stukje zielebrood „overschieten.quot; Tk herhaal het, als zulk een kind Gods Woord als Gods Woord beschouwt, en om den dierbaren naam van Jezus Christus en om het getuigenis der waarachtige waarheid in allerlei nood en bezwaren komt, dan moge hem alles ontvallen, ja hij moge zelfs in gevaar komen, zijn leven te verliezen om Jezus wille, zoo zal het nochtans op dit heerlijke zestiende kapittel blijven zien, in de vaste overtuiging, dat zijn Vader in de hemelen een rijke Vader is, die daar boven eene goede, welgevulde voorraadschuur heeft, en, dat Hij, die zooveel duizend vogelen, die niet zaaien noch maaien, van spijs voorziet, ook wel voor hem, zijn kleinen jongen, een stük brood zal hebben en koninklijk voor hem zal zorgen.

Uitgegeveu bij W. MEIJER, Coimnelinstraat 33 Amsterdam. Voor Duitschlund verkrijgbaar bij F. BÜCKMANN, Klberfdld. Prijs iier Nummer 3 Cts, Franco per post 4 Ct8.

ocr page 97

SCHRIPTVERKL AHINGEN

VAN

Dr. II. F. KOHIiBRÜCrGK.

|

: Eenige bijzonderheden omtrent den nittoclit der kinderen Israels uit Egypte en luinne reis door de woestijn.

MÜKMÜREERINGEN DER KINDEREN ISRAËLS.

Mijn lieve lezer! dit leven is niets dan eene groote woestijn, en daarom kan het zeer tot ons nut en onze vertroosting strekken, er aan herinnerd te worden, dat niet wij het zijn die, lichamelijk of geestelijk, het leven hebben te scheppen, noch te onderhouden, maar, dat Hij, Die ons het leven gaf, hetzelve ook wel zal weten te bewaren en telkens weder te vernieuwen. Spreekt niet onze Heere: daarom zeg Ik u: zijl niet bezorgd voor uw leven, wat gij eten, en wal gij drinken zult; noch voor uw lichaam, waarmede gij n Ideeden zult: is het leven niet meer dan het voedsel, en het lichaam dan de kleeding? (Matth. 6 : 25). Is dan God niet meer Dezelfde als toen zijn Israel honger en dorst leed in de woestijn Sin ? is Hij veranderd en behoort het tot de fabelen, wat wij in ons hoofdstuk omtrent het brood, dat van den hemel is gedaald, lezen? Zullen wij dan mede doen met de dwazen, die spreken: „ja, dat is eene oude geschiedenis, een verhaal uit „oude tijden, maar zoo iets kan nu niet meer gebeuren?quot;

Zekerlijk, op zulk eene wijze als de kinderen Israëls het brood uit den hemel zagen nederdalen , zal No. 102. 7 December 1889.

ocr page 98

86

het hiei- niet meer geschieden, maar zulks is ook niet meer noodig, want er zijn hier te lande duizende middelen en wegen, waardoor de Heere in onze behoeften voorziet. Waren wij echter, evenals het oude Israël, in letterlijken zin op reis in eene woestijn, en was al onze voorraad uitgeput en verteerd, zoodat ook het geringste stukje brood ons ontbrak, dan zoude de oude, trouwe God gewis toonen, dat Hij ook heden ten dage leeft, en Hij zoude hetzelfde nog voor ons doen, wat Hij in oude tijden voor Zijn Israël deed, want: bij Hem is geene verandering, of schaduw van omkeering (Jakobus 1 vs. 17). Wie nu vlijt, bekwaamheid, kracht en arbeid genoeg heeft, om aan zijn dagelijks brood te komen, zal echter, zoo hij maar oogen heeft om te zien, moeten bekennen: het moet nochtans, dag voor dag, alles van boven, uit den hemel der heerlijkheid nederdalen. Weet gij, lieve lezer! wat goddelijke wijsheid is voor dit tijdelijke leven? Het is, ons lichaam met al deszelfs behoeften in Gods vaderlijke hand over te geven, en ook daarvoor alleen op Zijne vrije ontferming en genade te hopen. Dat is goddelijke wijsheid: voor 's Heeren heilig aangezicht te bekennen, dat Adam, nadat hij zich aan den boom der kennis des goeds en des kwaads had vergrepen, ook alle recht en aanspraak had verloren, om van de overige boomen des hofs, die vroeger zijn aangewezen deel waren, de geringste vrucht te plukken. Wij, Adams nakomelingen, hebben dus volstrekt niets verdiend, hebben er niet de geringste aanspraak op, dat God ons eenige weldaad laat toevloeien, al was die in onze oogen ook nog zoo onontbeerlijk. Wij hebben alles verzondigd, alles verbeurd. Want, mijne geliefden! indien liet waar is, dat wij den eeuwigen dood ver-

ocr page 99

87

diend hebben, zoo hebben wij ook hier beneden niets anders verdiend, dan van koude en gebrek om te komeu, met de onzen. Gewoonlijk leven wij men-schen, alsof' het van zelf sprake, dat wij het dage-lijksche brood hebben, alsof dat ons zoo maar van zelf toekwam, en alsof wij met goed recht aanspraak daarop konden maken, even als op de vervulling •van al onze lichamelijke nooden. Maar deze meening is valsch en geheel ongegrond, en wij verdienen niets anders, dan dat de Heere ons laat varen en wij van gebrek sterven. Helaas! hoe slecht verstaat de mensch dit, hoe weinig wil hij er van weten, dat ook de geringste weldaad verbeurd en verzon-digd is! En is er nu nood en gebrek aanwezig, dan begint men te murmureren, al is het niet altoos met woorden, dan toch op den diepen bodem des harten. Heden kan men nog wonderen van uitredding beleefd hebben, en morgen, als er maar weer nieuwe nood opkomt, zijn ook de grootste wonderen vergeten, en het murmureren en morren vangt weder aan, afgezien nog daarvan, dat honderden en duizenden, als zij zich in broodsgebrek of andere tijdelijke ongelegenheden bevinden, don weg inslaan van ongeloof en zonde, van woeker, van oneerlijkheid, of van geestelijke hoererij; zoodat men zichzelven wijs maakt: „o! aan dit of dat, dat ik in mijn hart veroordeel, kan ik toch wel mede doen, want hoe zoude ik anders aan eten, aan drinken, aan kleederen komen ?quot;

God de Heere had besloten, vast besloten Israël uit Egypte te verlossen, en door de woestijn henen veilig in Kanaan te brengen; dit had Hij, om zoo te spreken, op Zich genomen, dat was nu Zijne zaak geworden, en Israël had niets anders te doen, dan

I

ocr page 100

88

in ootmoed te bekennen : „ik heb den eeuwigen dood verdiend,quot; en zich dan te laten leiden door 's Heeren trouwe hand. Ik herhaal het, dat was Israëlszaak: in ootmoed te bekennen : ik heb niets verdiend dan de eeuwige verdoemenis! en dan zoo de toevlucht te nemen tot Gods vrije genade en ontferming. Maar dat doet Israël niet, maar het murmureert. Dat goddelooze murmureeren, de Heere hoort het! En wat was nu Zijn antwoord daarop? Hij liet Zijn liefelijk manna van den hemel regenen en gaf zoo het volk, waar zij om riepen: brood in overvloed. Maar maar, laat ons wel toezien. Het is gewoonlijk 's Heeren weg, dat zij, die niet murmureeren, lang, vaak zeer lang op Hem moeten wachten, terwijl Hij de murmureerders vaak spoedig helpt, en hun, als het ware zoo den mond stopt. En daarom, ik herhaal het, laat ons wel toezien, want de Heere sprak: Ik zal voor ulieden brood uit den hemel doen regenen ■— opdal Ik hel (d. i. het volk) verzoeke of hel in mijne wet ga of niet. Zooals gij aan het slot van Exod. 16. vs. 4. kunt lezen.

Ziet ge, geliefden! dat was dus het doel, waartoe de Heere het manna zond: om te onderzoeken, of liever, om het aan het volk zelf duidelijk te maken, of zij, al dan niet, in Zijne wetten wandelden, of zij werkelijk reeds zóó verootmoedigd waren, dat zij waarachtig alleenlijk op Gods genade dreven in leven en sterven. Dat dit alles niet bij hen te vinden was, zie daarvan wilde de Heere het volk overtuigen, opdat zij langs dezen weg tot verootmoediging zouden geraken, en zoo in werkelijkheid afhankelijk zouden worden van Zijne genade en ontferming alleen. Want, wat zeide het volk! Ach! dal ivij toch in Egypteland gestorven waren, en

T

ocr page 101

85)

liet schold in zijnen overmoed Mozes en Aaron voor moordenaren uit. Maar God de Heere stoort Zich niet aan de verkeerdheid des volks, en Hij weet er hen koninklijk toe te brengen, dat zjj zich niets meer omtrent zichzelven inbeelden, maar zich grondig leeren kennen, als arme en doemwaardige zondaren. Zoo leeren zij het met ware verbrijzeling des harten bekennen, dat zij door en door bedorven zijn. O, er zijn overal zooveel schijnvrome mensehen, vooral ook in onze dagen, die er veel over weten te praten en te pochen, hoe de Heere hen geholpen heeft, en die niettegenstaande dit alles, nooit in de ruste zullen ingnan, die overblijft voor het arme volk des Heeren. En wat is het dat dezulken verhindert in die ruste in te gaan? Niets anders, dan hunne opgeblazenheid en trot*chheid op allerlei ingebeelde deugden en voortreffelijkheden, cene opgeblazenheid, die zij stout en driest weigeren af te leggen, omdat zij niet willen erkennen, hoe diepbedorven wij arme menschon-kinderen zijn.

God de Heere gaf volgens Zijne eigene uitspraken het manna in de woestijn, om het volk er van te overtuigen, dat zij zichzelven misleiden in hunne harten. Zij meenden op niets meer te steunen en te leunen, dan op vrije, souvereine genade alleen ; maar zoodra er maar het geringste tusschenbeide kwam, waren zij vol vreeze, en begonnen te mur-mureeren tegen de leidingen Gods, die toch niets dan genade en ontferming waren. quot;Waarom wilde nu de Heere, niettegenstaande dit alles, dit godde-looze en verkeerde volk genadig zijn? O! in hen was een zaad, het reeds in het Paradijs beloofde vrouwenzaad, Jezus Christus, hooggeloofd in alle eeuwigheid! Dezelfde, Die ook in de wolk- en

ocr page 102

90

vuurkolom voor hen heuon trok, was ook in hun vleesch en bloed; want uit hen zoude dat beloofde zaad, onze dierbare Heiland en Yerlosser, geboren worden. Om Zijnentwille gaf God hun Zijn heerlijk manna, opdat zij aan het leven zouden blijven en kinderen verwekken, die het aardsche Kanaan zouden beërven. Het geheele vleeschelijke Israël, dat daar in de woestijn Zin gelegerd was, heeft de uiterlijke weldaad van het Manna verkregen, maar ook dit geheele geslacht, allen die toen leefden, zij zijn door deze en zooveel andere weldaden verhard geworden , en gevallen in de woestijn, en alleen Jozua en Caleb zijn het beloofde land binnengetrokken ; want het volk weigerde God de eere te geven. En waarom weigerden zij God de eere te geven ? Mijne geliefden! het ging dit volk om brood, en niel om God] liet was hun te doen, om een goed leven hier beneden, om een goed tijdelijk bestaan, om overvloed van spijs en drank, om geld en weelde. En zoo vergaten zij al de helsche kwalen, die zij in Egypte hadden uitgestaan, en, waarmede vergeleken, hun leven in de woestijn wel een hemel mocht genoemd worden. En zoo zijn er nog altoos velen, die zich Christenen wanen, en die, alle de weldaden des Heeren vergetende, altoos klagen en murmureren, ja, die te midden van al den uiterlijken zegen en overvloed, die hen nu omringt, terug hunkeren naar tijden en omstandigheden, die hun vroeger eene hel schenen te zijn, en waarvan zij nu zeggen; „wij konden het toen toch ook wel uithouden, ja wij hadden het toen toch ook zoo slecht niet.quot; Ja zulk een ondankbaar dier is de meusch.

God de Heere stoorde Zich echter niet aan de murmureeringen des volks, maar juist omdat het

i

ocr page 103

I

volk het tot het uiterste dreef, gaf'Hij hun, waarom zij riepen ; want de Heere heeft een twist, heeft een rechtsgeding met Zijn volk, ja met een iegelijk onzer. Dit rechtsgeding waarvan ook in Ps. 51 vs. Gh sprake is, deze twist des Heeren met Zijn volk, heeft ten doel den mensch aan zichzelven te ontdekken; want hoe is het met ons gesteld? Ieder is van nature in zijne eigene oogen rechtvaardig en braaf, en meent de geboden Gods niet of slechts in geringe mate te overtreden. Ja, wij spreken wel veel over onze zonden, maar dat is maar lippenwerk, want, wanneer men iemand op de eene of andere bepaalde zonde wijst, hem op de eene o( andere ongerechtigheid opmerkzaam maakt, dan hoort men niets dan uitvluchten, niets dan zelfrechtvaardiging. Alzoo, demensch, die slechter is geworden dan de duivel, die gezonken is onder het vee des velds, hij wandelt nochtans met het hoofd in de wolken en meent met zijne wijze hersenen de geheele wereld te kunnen re-geeren. Bij hem vergeleken is de Heere (rod eigentlijk de verkeerde, en aan Hem, aan Zijne wegen, aan de Zijnen die, nadat zij door Hem grondig zijn verootmoedigd en voordurend verootmoedigd worden, van niets meer weten te getuigen dan van Zijne genade en ontferming, heeft men voortdurend wat te zeggen en te bedillen. Geen menschenkind kan uit eigen kracht zijn vertrouwen op den Heere stellen , maar zoodra gebrek, van welken aard dan ook, zich voordoet, dan begint het murmureeren, en de nood mag geen daglang duren, of men verlaat den Heere, houdt op Hem aan te roepen, en wordt toornig en verkeerd.

Ik herhaal het, mijne geliefden! God de Heere heeft een twistgeding met den mensch: het moet blijken, het moet aan het licht der zon komen,

91

ocr page 104

92

wie dan goed, rechtvaardig en voortreffelijk is, God of de mensch. Wel, zult gij zeggen, dat is immers cene uitgemaakte zaak: God alleen is heilig en rechtvaardig, en wij zijn zondaren. Ja, ja ! dat zeggen we wel spoedig met de lippen, maar in het menschelijke hart is het toch anders gelegen; daar wordt aan God, bewust of onbewust, de schuld gegeven van alles , wat naar onze meening niet goed, of niet naar onzen wensch gaal, Hij handelt eigenlijk verkeerd, maar wij niet, en aan het bedillen Zijner wegen en daden, komt geen einde. Nu is het te warm, dan is het te koud, nu is het te droog, dan weer te vochtig, nu regent het te veel, dan te weinig, ja, de arme mensch gaat vaak in zijnen opstand en haat tegen den Heere zoo ver, dat hij zichzelven wijsmaakt: ik zou wel willen zalig worden, indien God maar wilde. Zoo krijgt de Heere van alles de schuld, en wij beschuldigen Hem, als het ons niet goed gaat, in plaats van ons zeiven. Zalig is de mensch, die dit procedeeren, dit twisten met don Heere opgeeft en voor goed eene streep haalt door zjjne eigene gerechtigheid en voortreffelijkheid! Gewis ! die zal het van God gezegende manna alzoo genieten , dat er de zaligheid mede verbonden is. Wij hebben echter wel toe te zien voor ons zeiven, geliefden, want men kan veel uiterhjken zegen van den Heere ontvangen, ja veel daarover kunnen roemen, zonder dat de zaligheid er mede verbonden is. Alle uitverkorenen des Heeren komen er echter toe, in ootmoed te belijden: Gij Heere, zijt alleen heilig, en wij zijn zondaren en overtreders van onze geboorte af aan! Voor dezulken zijn alle uiterlijke zegeningen des Heeren, ja de geheele weg waarop zij geleid worden, met al de weldaden, die zij

ocr page 105

93

daarop genieten, met al de uitreddingen, die zij beleven, als het ware een voorportaal tot het allerheiligste; voor dezulken is aan al deze zegeningen liet eeuwige leven verbonden, omdat zij in het manna, in de tijdelijke weldaden die zij ontvangen, Hem hebben leeren zien, Die het manna schiep en er hen van mededeelde.

Nog eens, mijne geliefden! God de Heere heeft een twistgeding met den mensch, en liet nu God de Heere hem in zijnen nood aan zichzelven over, zoo zoude er aan 's menschen zelfrechtvaardiging nooit en nimmer een einde komen. Opdat nu de mensch in zijne verkeerdheid Hem niets te verwijten zoude hebben, geeft Hij brood van den hemel, zoo als gij lezen kunt Ex. 16 vs. 8 : Voorts zeide Mozes: Ais de Heere u aan den avond vleesch te eten zal yeven en aan den morgen brood lol verzadiging, het zal zijn, omdat de Heere uwe murmureeringen gehoord heeft, die gij tegen Hem murmureert, want ical zijn wij'? Uwe murmureeringen zijn niet tegen ons, maar legen den Heere. God de Heere laat hun dus zeggen; nu gij zoo murmureert, zult gij brood hebben, brood in overvloed. Wel, wel! zal menigeen denken dat is een gemakkelijke weg, als men maar behoeft te murmureeren, om aan vleesch en brood te komen; maar geliefden! zoo als wij u reeds zeiden ziet wel toe! want gij hebt het reeds herhaaldelijk gehoord: niet altoos is aan uiterlijken zegen de zaligheid der ziele verbonden.

Want, hoe gaat het vaak in het leven? Daar ligt een geloovig man krank ter neder, hij houdt zich getrouwelijk aan des Heeren woord, maar zijne vrouw begint, even als Jobs huisvrouw, hevig te klagen en te murmureren; of wel eene geloovige vrouw ligt

ocr page 106

94

op 't ziekbed en de man begint te morren over het lot dat hem treft, ja zijne murmureeringen stijgen wel eens tot godslasteringen, en ziet! niettegenstaande dit, het duurt niet lang of de Heere zendt uitkomst, goddelijke uitkomst, misschien nog binnen het halve uur. Ik behoef er u echter niet opmerkzaam op te maken, geliefden! hoe grovelijk men zich zoude vergissen, als men nu daarom ging meenen, dat murmureeren en godslasterlijk klagen het middel is, om uitkomsten van den Heere te verkrijgen; integendeel zult gij begrijpen, welk een ontzettend oordeel zulke murmureerders, hetzij man of vrouw, op zich laden. Maar de Heere, ik herhaal het u, heeft een twistgeding met Zijn volk, dat van uature tot niets anders geneigd is en geneigd blijft, dan om zichzelf te rechtvaardigen. En, opdat nu de Heere in dit twistgeding het laatste woord zoude behouden . en Hij gerechtvaardigd zoude zijn in Zijn richten, komt Hij wel eens het allermeest met Zijue tijdelijke uitkomsten en zegeningen, tot dezulken, die zich op het allersnoodst tegen Hem gedragen, ja Hem al Zijne eeuwige weldaden en zegeningen, als het ware, in 't aangezicht hebben geworpen; dat doet Hij, opdat den tegenstrevers en murmureerders den mond gestopt worde, en dan is het, als vroeg Hij hun door de daden Zijner Almacht: Ziet gij het nu, o menscb! o godvergetene! leeft er nu een God al of niet? Daarom en in dezen zin sprak Mozes tot de kinderen Israëls; de Heere heeft uw murmureeren gehoord en gij zuil brood bekomen.

Wij hebben in de geschiedenis vau 's Heereu leidingen met de kinderen Israëls in de woestijn, in de wijze, waarop Hij hen aldaar voedde en onderhield, merkwaardige trekken, die zich tot op den dag vau

T

ocr page 107

heden in het leven van Zijn volk terugvinden en herhalen. De Heere der heirscharen is een groot Koning en als Hij de Zijnen iets schenkt, dan behandelt Hij hen niet, als waren zij de heffe des volks, maar, als aan een vorstelijk volk schenkt Hij hun zeer dure en kostbare vogels, die gewoonlijk alleen op koninklijke tafels opgedischt worden; en daarbij gaf Hij hun brood, dat elders „het brood der engelenquot; of „het brood der machtigenquot; word genoemd. Van oudsher mijn geliefden! zijn er altoos dezulken geweest, die de kunst verstonden kostelijk brood te bakken, brood, dat ook vorsten spijzigen kon. Ja! van een geheele stam in Israël vinden wij zulks vermeld. Het brood, dat deze leverden was een zeer fiju en vast brood, dat voor andere menschen dan voor vorsten, nauwelijks te bekomen was. En zulk brood gaf de Heere, met zulke vorstelijke kost spijzigde Hij Zijn murmureerend volk! Deze vogelen, dit kostbare wildbraad hebben zij echter slechts nu en dan ontvangen; wij lezen er wederom van in Numeri 11. Aldaar vinden wij vs. 4 : en hel yemeene volk, dat in hel midden van hen was, werd wel lust bevangen ; daarom zoo weenden ook de kinderen Israels wederom en zeiden : Wie zal ons vleesch le eten rjevenf Wij gedenken aan de visschen, die wij in Egypte om niet aten, aan de komkommers en aan de pompoenen, en aan het look, en aan de ajuinen en aan hel knoflook. Maar nu is onze ziele dor, er is niet met al behalve dit Man voor onze oogen. O die dwazen en ondankbaren, hoe waren zij door vleeschelijke lust bevangen en telden het kostelijk manna voor niets!

Toen heeft de Heere ook- gezegd, dat Hij hen vleesch wilde geven, niet één, niet twee, niet tien

ocr page 108

96

dagen, maar eene geheele maand lang en dat wel in zulk oenen overvloed, dat zy er ten laatste van walgen zouden. Zoo heeft dan de Heere God hun, toen ook Zijn kostelijk en liefelijk manna hun niet genoeg was, nu en dan vogelen gegeven , doch dat Tiield dan weder op, maar met dit manna heeft Hij volgehouden, ja dit hebben zij gehad — hoe lange? Als gij eenen hoogbejaarden broeder of eene hoogbejaarde zuster in Christus Jezus op hun sterfbed vraagt: hoe lange de Heere hen met Zijn hemelsch en Zijn aardsch manna gespijzigd en aan 't leven gehouden heeft, zoo zullen zij moeten antwoorden: „het heeft ons nooit ontbroken; ja! vreemd „en onbegrijpelijk waren dikwijls's Heeren leidingen, „dikwijls wisten wij niet, hoe door het leven te komen „en zaten wij in den diepsten nood naar ziel of „lichaam, maar nochtans heeft de Heere getrouwelijk „geholpen, en wij hebben geen gebrek gehad ons „geheele leven lang.quot; Zoo geeft de Heere ook nog öp andere wijze het dagelijksche brood tot op den huidigen dag. Het kan gebeuren, dat de een of andere geeu brood in huis heeft voor den volgenden dag: gij kunt des nachts niet slapen, en werpt u vol onrust op uwe legerstede heen en weder, eindelijk staat gij vol angst op, maar de Heere God, om Wien gij nauwelijks dacht, was reeds vroeger bij de hand, en liet bij den bakker reeds het brood gereed maken, dat op uwen disch moest verschijnen en er ook werkelijk bijtijds opstond.

Uitgegeven bij W. MEIJER, Commclinstraat 33 Amsterdam. Voor Duitschland verkrijgbaar bij F. BÜCKMANN, Elberfeld. Prijs jiftr Nummer 3 Cis. Franco per post 4 Cts.

ocr page 109

S € H R1F T V E R K li A1U N G E N

ArAN

'

Hl

iL

quot;li

I»r. II. F. S£023i.BRÏ'GGE.

Eenige bijzonderheden omtrent den uittocht der kinderen israëis uit Egypte en hunne reis door de woestijn.

MURMUREERINGEN DER KINDEKEN ISRAELS.

Of in een ander huis zijn er misschien vijf of zes kinderen, die bidden: Onze Vader ! die in de hemelen zijt ! geef ons heden ons dagelijksch hrood, en de Heere God in den hemel hoorde het geschrei der jonge raven en het brood kwam. kwam voor al die hongerige monden, hoe, of waar van daan, dat wisten de ouders vaak zelf niet! O ik ken zoo velen, die op hunnen levensweg reeds in den diepsten nood hebben gezeten omtrent het dagelijksch, tijdelijk brood ; nochtans zijn zij niet van honger omgekomen, maar steeds is hun spijze toegevloeid, zoodat zij tegen alles in staande zijn gebleven. Wij hebben zoo allerlei zoete en liefelijke uitspraken der Schrift, verhalen van de leidingen en wegen Gods met de Zijnen, en wij mogen dit alles wel ter harte nemen, want dit alles herhaalt zich tot op den huidigen dag, voor de blikken van hem of haar, die oogen heeft om te zien. Daar gaan b. v. Zaterdags (1) moeder en dochter te zamen

m

•'Si

f 'i®

1

De omstreken ran Elberfeld leveren weinig groente en tuinvruchten op. Daarom is er vooral 's Zaterdags een groote markt, waarop van heinde en verre alle levensbehoeften naar deze groote en volkrijke stad worden toegevoerd. Deze

No. 104. 4 Januari 1890.

ocr page 110

98

met hunne groote korven ter markt, en koopen alles voor den Zondag, den Maandag, en misschien ook nog voor de overige dagen der week, en hoe zulk eene, vaak arme vrouw, dit met hare weinige marken (eene mark is eene duitsche munt) klaar krijgt, en er ook nog zooveel ander, katoen en kleederen voor aanschaft, is haar vaak een raadsel, maar de Heere weet wel, hoe dat alles toegaat ! Een ding is zeker, tot nu toe heeft de Heere er getrouwelijk voor gezorgd, dat in onze stad voedsel genoeg aanwezig was des Zaterdags, en dat Hij ons de stille Sabbathsrnst niet alleen van harte gunt, maar ze ook mogelijk maakt. Wil de mensch echter des Zondags werken, zoo zal hij hetzelfde ondervinden, wat de kinderen Israels ook ondervonden; op den Sabbath was er geen Manna te vinden; en het werk, dat op Zondag geschiedt, geeft geen brood, maar het geld, dat men er door verdient, valt in eenen doorboorden buidel. Wie gierig is, bedenke dat in het Manna, dat de kinderen Israëls behalve des Vrijdags, tot den volgenden dag wilden bewaren, de wormen wiessen en het liefelijke brood begon te stinken. De Heere wil Zijn volk dag aan dag hun brood geven, opdat wij van Hem afhankelijk zouden blijven en goed begrijpen, dat wij Zijne gaven niet mogen wegwerpen, noch verkwisten, noch daarover beschikken naar onze luimen, naar ons welgevallen ; want er zijn maar al te veel slordige, lichtzinnige menschen, die meenen, dat het

marktdagen zijn bijzonder druk, en rijk of arra spoedt zich om in de dagelijksche behoeften zijns huisgezins te voorzien.

De kolossale aanvoer van buiten maakt, dat er soms op deze markt grooter overvloed van allerlei groenten en fruit is, dan in de streken waar dezelve groeien.

Deze overvloed op den marktdag, gaf onzen schrijver vaak aanleiding tot allerlei liefelijke gelijkenissen.

De Red.

ocr page 111

99

van zelf spreekt, dat zij dagelijks het brood op hunnen disch vinden staan.

Neen ! het is alleen Gods gave, en de Heere Jezus heeft Zelf gesproken: verzamel de overgeschoten brokken, opdat er niets verloren ga, en de discipelen gehoorzaamden Zijn bevel en vulden twaalf volle korven. Wat onze dagelijksche behoeften aangaat, moeten wi] wel verstaan, wat er heden voorhanden moet zijn, en ons niet kwellen over den dag van morgen, want dat is 's Heeren zaak, die als een getrouwe huisvader wel voor ons weet te zorgen. En weet gij, hoe dat toegaat mijne Geliefden? Wij mogen met een vroolijk harte genieten, wat de Heere ons geeft, en dan is het ook Zijne gave, dat wij vlijtig aan ons werk gaan en er met lust bij blijven, dan verleent Hij ons zelf kracht en wijsheid om te verrichten, wat Hij ons oplegt, zoo zorgt Hij en is eiken dag vroeg op om ons te helpen.

Wij lezen, mijne Geliefden ! in het 33ste vers van Ex. 10 dit bevel des Heeren tot Ailron, den Hooge-priester ; Neem eene kruik, en doe eencn (jomer vol Manna daarin, en zet die voor het aangezicht des Heeren tht bewaring voor uwe geslachten. Van deze kruik zegt ons de Apostel Paulus (Hebr. 9:4), dat het eene gouden kruik was. Het Manna, dat daarin bewaard werd, was van den overvloed van hemelsch brood genomen, dat de Heere in de woestijn aan zijn volk gaf. Deze kruik werd bewaard (zie Hebr. 9:3 en 4) in de arke des verbonds, die achter het tweede voorhangsel stond, in den tabernakel, genaamd het heilige der heiligen. Daarboven nu, in het heilige der heiligen, in den hemel, mijne lezers, is er ook een gouden kruikje ter gedachtenis daaraan, dat de Heere steeds voor de Zijnen zorgen en hunne behoeften vervullen wil.

ocr page 112

100

In dit aardsche leven echter onderhoudt de Heere ons niet met de geheele volheid Zijner schatten, maalais 't ware met hetgeen Hij overhoudt, uit de korven vol overgeschoten brokken, met het Manna, dat in de gouden kruik ter gedachtenis bewaard wordt; daaruit deelt Hij ons mede wat wij behoeven voor dit leven; maar de volheid Zijner schatten bewaart Hij voor ons, om ons die te schenken, als wij dooide woestijn en door den Jordaan henen het beloofde land hebben bereikt.

De Heere Jezus heeft gezegd ; iverkf. nic.t om de spijs, die veraaat, maar om de spijs, die hlijft tot in het eeuwige leven. Joh. 6 : 27a en » Uwe vaders hefgt;hen het Manna gegeten in de woestijn, en zij zijn gestorven : dit is het brood, dat uit den hemel nederdaalt, opdat de menseh daarvan ete en niet sterve. Ik ben dat levende brood, dat uil den hemel nedergedaald is; zoo iemand, van dit brood eet, die zal in der eeuwigheid, leven. Joh. G : 49—51.

Onze Heere Jezus Christus spreekt het dus onverholen uit, dat Hij het brood is, dat uit den hemel is nedergedaald, zoodat Hij het is, tot wien gij, als gij hongert en dorst, u begeven moet, daar Hij zelf uwe spijze en lafenis wil zijn. Wat de Heere ons geeft, tot onderhoud van dit vergankelijke en ras voorbij vliegende leven, is maar een beeld van hetgeen Hij daarboven in den hemel voor ons bereid heeft. Toen God het Manna aan de kinderen Israels schonk, gaf Hij hen daarin tegelijkertijd een beeld van Zijnen Christus, die in het vleesch zoude verschijnen, en van dit vleesch Christi gaf Hij hun eene afbeelding in de kwakkelen.

Van den hemel daalde het Manna neder, en is ook onze lieve Heere Jezus Christus niet nedergedaald, van den hemel V Was het Manna niet eene onver-

ocr page 113

101

diende gave Gods, en is Christus dat ook niet ? Kwam Hij niet op aarde uit loutere liefde, barmhartigheid Gods ? De weldaad van liet aardsche, zichtbare Manna is den kinderen Israels toegevloeid, niettegenstaande al hunne zonden, en nadat zij gezondigd hadden; zij hadden het niet verdiend, het was louter genade cn ontferming ! En daarom :

Van boven kwam ons heil op aard !

Uit loutere genade !

Geen werk, hoe goed. hoe schoon, hoe waard. Kan heelen onze schade !

En gelijk ik lees, dat het Manna wit was (Ex. 1G : 31) zoo lees ik van mijnen dierbaren Heiland ook : mijn lief ate it blank en rood, Hij draagt de banier boven tienduizend. (Hooglied 5 : 10).

En lees ik (Ex. 1G : 14) van het Manna, dat het rond was, dan herinnert mij dit ook aan Hem, die de Alfa en de Omega is. Dezelfde in alle eeuwigheid, want de rondheid van eenen ring, waaraan begin noch einde is, is eveneens ook een beeld van Hem, die noch aanvang noch einde des levens heeft. Het Manna was klein! Nu, is onze lieve Heere Jezus Christus ook niet klein willen worden, om onzent wille, toen Hij in de kribbe lag, en zich vernietigde, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende '?

En wat de toebereiding van het Manna betreft, vinden wij immers hetzelfde terug ? Wij lezen daarvan Numeri 11:8, dat het in mortieren werd verbrijzeld en met molens gemalen, om er dan later, in de hitte des ovens gebakken, smakelyke spijze van te bereiden? En is onze Heere ook niet verbrijzeld en verbroken onder den last des eeuwigen toorns Gods tegen de zonde, waaronder ivij voor eeuwig hadden moeten

ocr page 114

102

bezwijken ? Is Hij niet in den vurigen gloed der liefde Grods toebereid, om onze eenige zielespijze te zijn '? In den vroegen morgen vonden de kinderen Israels dit Manna rondom hunne tenten liggen. Is Christus ook niet des morgens vroeg, vóór dat het nog lichtte, uit het graf opgestaan ?

Onze Statenvertaling zegt verder van het Manna, dat de smaak daarvan was als honigkoeken, dus zoet en liefelijk. Luther vertaalt dit: het was als zeer fijn, wit brood, of als de allerfijnste en zuiverste olie, zooals wij die hier te lande niet kennen. En wie nu van God zelve gespijst wordt met het brood des levens, en zoo den Heere Jezus, als zijne eenige zielespij s proeft en smaakt met de lippen zijns harten, die zegt: Uw dierbaar Woord, Uw heerlijk Evangelie is zoeter dan melk of honig. Van nabij bezien, is het dus met het aardsche Manna gelijk met het hemelsche, met het geestelijke gelijk met het lichamelijke levensbrood gesteld. Bedenk ook dit nog: gelijk God gegeven heeft zes dagen om te werken, zoo heeft Hij ook gegeven den zevenden dag, om daarop te rusten. En na alle de moeite en arbeid van onze zesdaagsche levensweek, laat Hij ook een zevenden dag, den Sabbath der eeuwige rust aanbreken ; daarom moet men niet denken: o, met mijne bekeering is het nog altoos tijd genoeg! neen, vroeg in den morgenstond moet het Manna verzameld worden. En vroegtijdig moet ook gij u opmaken, gij kinderen ! want de hitte der verzoeking en dei-verleiding des boozen kan opkomen en uit uw hart alles doen verdwijnen, wat gij in uwe kindsheid van den Heere Jezus geleerd hebt. En daarom: haast u om nws levens wille, opdat gij niet later met bittere wroegingen der ziele zoudt moeten zeggen : o wee mij ! hoe slecht heb ik mijnen tijd besteed !

ocr page 115

103

Het is alzoo onze Heere Jezus, die ons voorgesteld is, onder liet beeld van liet liefelijke en verkwikkende Manna : welgelukzalig alzoo, wie uitgaat om van die hemelsche spijs te vergaderen ; die hongert naar Hem, het ware levensbrood. Dit waarachtige levensbrood moet gegeten worden, want de Heere Jezus wil niet alleen hoorders, maar ook daders Zijns Woords hebben. Het Manna was de eenige spijze in de woestijn, zoo is ook Christus het eenige levensbrood, de eenige Redder en Zaligmaker in de woestijn des levens. Het Manna was geschonken voor het geheele volk, voor ouden en jongen, het was voedsel voor gezonden, die daardoor vet en sterk werden, en tevens was het medicijn voor kranken, die dreigden om te komen. En nu nog dit: daar boven staat nog de gouden kruik met het hemelsche brood, en op die kruik staat geschreven: die overwint, Ik zal hem geven te eten van het Manna, dat verborgen is. Openb. 2 : 17tgt;.

O mijne geliefden! wat hebben wij toch ruime stof den Allerhoogsten God te danken en te loven voor de weldaden, waarmede Hij ons gedurig overlaadt en waardoor wij nog zijn wat wij zijn, zoodat wij wel den juichkreet mogen aanheffen ;

Wat zal ik, met Gods gunsten overlaan.

Dien trouwen Heer voor Zijn gena vergelden ?

'k Zal, bij den kelk des heils, Zijn' Naam vermelden, En roepen Hem met blijd' erkent'nis aan.

Ps. 11(3: 7.

Wat wij hebben of genieten, het komt alles uit Zijne hand, want in Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij. Wij hebbben niets verdiend en verdienen niets anders dan den eeuwigen dood, dan voor eeuwig van Zijn liefelijk aangezicht verstooten te worden, en wij hebben volgens recht geen ander uitzicht noch

ocr page 116

104

Ijl,--------------------- L.....

verwachting clan in de eeuwige verdoemenis te worden geworpen ! Maar de groote God van hemel en aarde komt met de volheid Zijner barmhartigheid en genade, en ontfermt Zich over Zijn diep gevallen schepsel, en gedachtig zijnde, dat wij stof, aarde en assche zijn, werpt Hij al onze zouden en misdaden op Zijn eenig-geboren Zoon, zoodat Hij daarmede is beladen en ze vrijwillig op Zich neemt, om die weg te dragen in een land van eeuwige vergetelheid.

Nadat des eeuwigen Vaders eeuige Zoon de reinio-makinsj onzer zonden door Zich Zeiven had te

O D

weeggebracht, heeft Hij verordineerd, dat wij zouden gedoopt worden in den Naam des Vaders, en des Zoons en des Heiligen Geestes ; uit loutere genade en ontferming delgde Hij al onze schulden uit het groote register daarboven, en schreef onze namen met Zijn eigen dierbaar bloed in het boek des levens.

Van onze vroegste jeugd af, is Hij ons nabij geweest met groot geduld en lankmoedigheid, zoodat wij wel allen mogen uitroepen : gedenk niet de zonden mijner jeugd, noch mijner overtredingen. Pu. 25 : 7a.

Welk eene weldaad, welk eene onverdiende genade is het toch, dat Hij ons onze zonden af wil nemen, en dezelve door Zijnen geliefden Zoon liet dragen, om nu de verschrikkingen des doods, die ons van alle zijden bedreigen, van ons af te wenden, ik bedoel de verschrikkingen van den eeuwigen dood!

D .. . 0 .

Dit doet Hij door ons Zijne lieve kinderen de belofte des eeuwigen levens te schenken. Al zijt gij op dit oogenblik bekommerd en bezwaard, ja al omringt U van alle zijden nood en dood, werp een blik rondom u, en gij zult u nochtans daarover moeten verwonderen, dat gij nog zijt, wat gij zijt! Is dat niet alles eene vrucht van Gods vrije ontferming ?

ocr page 117

105

En is het niet mve goddeloosheid, uw verhard harte, uwe ondankbaarheid, waardoor het den duivel gelukt u zand in de oogen te strooien, zoodat gij niet zien kunt, welke genade voor u gereed is, welk eene uitredding de Heere u bereid heeft, al zit gij nu treurig en bezwaard ter neder ? Ligt niet alle heil, alle zaligheid in de vergeving aller uwer zonden ? Wie de vergeving zijner zonden gelooft, wie die waarachtig heeft leeren gelooven. komt met dezen vlaswiek, als is die nog zoo zwak, door alles en over alles heen. En niettegenstaande al zijn kruis en druk, ja juist te midden van dit alles, staat zulk eenen de hemel open, en kan hij zien en ervaren, dat de engelen Gods voortdurend ter zijner hulp gereed zijn, en opklimmen en nederdalen op de ladder van des menschen Zoon. Toch geliefden ! wij moesten veel minder bekommerd zijn, hoe wij door de woestijn dezes levens zullen komen, dan daarover, hoe wij God voor al zijne onuitsprekelijke gaven en weldaden dankbaar moeten zijn. Maar wat zouden wij dien trouwen Heere kunnen vergelden ? Ook in dit stuk staan wij voor Zijn heilig, aangezicht als arme en doemwaardige zondaren.

Wij kunnen niet anders — en dat zij geenzins tot onze verontschuldiging, maar tot onze diepe beschaming gezegd — wij kunnen van nature, en ook na ontvaimene genade, niet anders dan al Gods

o O

weldaden wantrouwen, wij kunnen niets dan de bedriegerijen en leugens des duivels gehoor geven, en wij zouden gewis eeuwig moeten omkomen, zoo er niet een getrouw en barmhartig God in den hemel leefde. Wat schiet er dan, mijne Geliefden ! bij al 's Heeren weldaden en bij onze algeheele onmacht om hem ook maar liet geringste te vergelden, voor ons over, dan den kelk der zaligheid, dien de Heere

ocr page 118

106

ons in de hand geeft op te heffen, den kelk der verlossingen, dien Hij ons heeft geschonken?

O vraag toch niet, mijne ziel! naar hetgeen duivel, zonde en wereld, wat eigen vleesch en bloed u inblaast, maar vraag naar het het heil, dat de Heere u scheuken wil, en dat alleen waarachtig heil is ! En daarom spreek vrijmoedig: wel aan! niettegenstaande mijne dorheid en doodheid — helaas, ik heb niets te vertoonen dan dood en dorheid ! — antwoord ik Hem, die mij den kelk der zaligheid in de hand geeft : Heere ! Gij zijt alleen al mijn heil. Gij zijt rechtvaardig in üw spreken. Gij overwint wanneer Gij oordeelt, en bij mij is niets dan blindheid en ellende ! O geliefden ! laat ons toch dezen kelk niet van de hand wijzen, maar veel liever alles, wat in en aan ons is, verdoemen, en laat ons vrij in diepen ootmoed des harten zeggen: Heere mijn God, Gij hebt mij gedragen van de wieg af, help mij ook nu, want Gij alleen zijt mijne toevlucht! De lof van des Heeren Naam, dat zij de grondtoon van ons geheele bestaan, ja dat zij de hoofdzaak van alles, dien allerheiligsten Naam te loven en te prijzen, ook waar ons pad door de diepte der zee gaat, waar wij meenden den dood voor oogen te hebben. Wij kunnen uit eigen kracht nooit en nimmer daar door henen komen, maar als wij Zijnen Naam aanroepen, zullen wij ervaren dat Hij het is, die de zee klieft, dat hare golven bruisen. Jes. 51 vs. 15.

Laat ons deze gelofte doen, te midden van alle onze nooden, mijne geliefden! en deze gelofte dan ook niet vergeten, als de Heere ons uitgered heeft: »Heere God ! zoo gij my hier of daar uitredding en uitkomst geeft, zoo zult Gij mijn God zijn !

Hij hoorde de gelofte van den aartsvader Jakob, toen deze zeide: wanneer God met mij geweest zal

ocr page 119

107

zijn, en mij behoed zal hebben op dezen wry, dien ih reize, en mij gegeven zal hebben brood, om te eten, en kleederen om aan te trekken, en ih ten huize mijns vaders in vrede zal wedergekeerd zijn : zoo zal de Jleere mij tot een God zijn! Gen. 25, 20. 21.

De Heere verneemt zulke geloften Zijns volks niet één-, niet tweemaal, maar zeventigmaal zevenmaal redt Hij- hen uit vrije ontferming en genade. Ach, wat is er al niet voor ellende in dit leven ! Wie kan ze verbreken, al de banden Helials, al de strikken des doods, die ons als in ijzeren banden gekneld houden V Niemand dan God de Heere alleen, en de Eenige, die onze banden los kan maken, is onze dierbare Heere Jezus Christus, die gebonden werd, opdat Hij ons zoude ontbinden van alles wat ons knelt en bezwaart. Ja ! dat heeft Hij gedaan, en daarom laat ons Hem loven en prijzen, opdat Hij zich telkens op nieuw aan ons openbare, als onze Verlosser en üithelper, juist dan, als wij niets dan banden en benauwdheid gevoelen !

Hij is onze Koning, Hij is nochtans onze Koning ! Laat u den mond niet stoppen, o mijne arme ziele ! ook dan niet als de vijand u gebonden heeft, en leer toch weer eens met de kleine kinderen op de vraag: »waarom noemt gij Hem onzen Heere ?quot; antwoorden: »omdat Hij ons met lijf en ziele van al onze zonden, »niet met goud of met zilver, maar met Zijnen dier-»baren bloede gekocht, en van alle geweld des duivels »verlost, en ons alzoo Hem tot een eigendom gemaakt heeft. (Heidelb. Catech. Vr. en Antw. 34). En erken dan toch, dat Hij ook u gekocht heeft en verlost, zooals wij zingen :

Och Heer! ik ben, o ja ik ben uw knecht,

gij slaaktet mijne banden.

Psalm 116.

::

11

1 4

Uw' dienstmaagds zoon.

ocr page 120

108

En heeft Hij onze banden losgemaakt, heeft Hij ons gekocht met Zijn dierbaar bloed, dan hebben onze ziels vijanden ook geen recht meer op ons ; en zoo zij geen recht meer op ons hebben, dan zullen zij ons ook moeten loslaten, en vrij laten henen gaan, als wij voor den troon des Lams alleen leunen en steunen op het recht, dat Christus op ons verkregen heeft, en dat Hij verworven heeft door Zijn allerheiligst lijden en sterven. Dit allerheiligst lijden en sterven van onzen Heere willen wij door den Geest der genade naspeuren in het zoogenaamde Oude Testament, opdat wij het weder uit 's Heeren Woord vernemen, wat wij met ons geheugen nooit onthouden kunnen. Doch vooraf nog eenige onderwijzingen van liet alledaagsche leven.

Door de goede hand Gods over de uitgave onzer „Schriftverklaringenquot; zien wij ons in staat gesteld onze lezers, zonder eenige verhooging hunner contributie, drie leerredenen van Dr. li. F. Koulbiiügge ten geschenke aan te bieden. De eerste over //den Kaam des Heerenquot; zal zoo God wil, tegelijk met het blaadje, dat den 20sten Januari verschijnt, verzonden worden. Twee andere leerredenen, eveneens als geschenk, zullen in de drie volgende maanden van 1890 volgen.

De Red.

Uitgegeven bij W. MEIJER, Commelinstraat 33 Amsterdam. Voor Duitschland verkrijgbaar bij F. BüCKMANK, Eiberfeld. Prijs per Nummer 3 Cts. Franco per post 4 Cts.

ocr page 121

S C H R1F T V E R R L A R11\ G E X

VAN

I»r. 11. F. KOHLBRiJGGE.

Eenige bijzonderheden omtrent den uittocht der kinderen Israels uit Egypte en hunne reis door de woestijn.

MURMUREERINGEN DER KINDEREN ISRAELS.

Wij hebben, mijne geliefden ! immers de gewoonte in onze huizen Gods Woord te lezen des morgens, en bij de middag- of avondtafel, met al onze huis-genooten ?

Bij dit lezen nu moeten wij geen voet geven aan de verkeerde meening: o dit of dat zullen wij maar overslaan, want daar hebben wij toch niets aan tot onze stichting en opbouwing. Met het Woord des levenden Gods gaat het dikwijls zooals met het eten en drinken, dat ook vaak uit gewoonte geschiedt, zonder bepaalden honger of dorst. De spijzen komen nochtans in de maag, en de voedende kracht der-zelve werkt in het verborgene. En zoo komt ook het Woord Gods en werkt in het verborgene, zelfs terwijl het lichaam slaapt. En door de omstandigheden des levens wijst de Heilige Geest ons dan later wel eens op het een of ander woord vroeger door ons met het uiterlijke oor vernomen, en dat wij, als wij er door den Heere bij bepaald worden, in onze onkunde niet eenmaal in het geschreven Woord kunnen vinden. God geeft Zijn Woord, »daar staat geschreven,quot; en buiten Zijn allerheiligst Woord

No. 105. . 18 Januari 1890.

ocr page 122

110

oru, geeft de Heeve ons niets. Onze levensweg loopt liier door allerlei zonden en nooden heen, opdat wij leeren zonden, wat de Heere ons bijbrengen wil. Daarenboven geeft de Heere ook nog de zuivere prediking des Woords, opdat wij het geschreven Woord recht zouden leeren verstaan, en niet tot allerlei dweepachtige en verkeerde stellingen vervallen, maar alleen op 's Heeren Woord zouden gegrond en bevestigd worden, en zoo daarin alleen alias zouden vinden, wat ons in nood en dood troosten kan.

E71 wat wij allereerst en boven alles in 's Heeren Woord te zoeken en te vinden hebben, is : Christus, Christus, als het leven tegenover onzen dood, Christus, die tegenover onze zonde, door God tot zonde gemaakt is, Christus als het eenige schuldoffer tegenover al onze schuld, Christus onze volmaakte gerechtigheid, tegenover al onze ongerechtigheden en ingebeelde gerechtigheden, die niet meer zijn dan een wegwerpelijk kleed.

Dit is het, wat wij ook heden willen zoeken en naspeuren, en uit het boek Exodus u verder aantoonen en als met den vinger aanwijzen. Misschien komt dan wel de Geest des Heeren tot dezen of genen, onder het vernemen dezer woorden, en maakt er smakelijke, wel toebereidde spijze van, die dan ook weer door den Heere eetbaar wordt gemaakt door het vuur van nood en ellende. Laat ons dit nagaan, ten vervolge van hetgeen wij u reeds omtrent de geschiedenis der kinderen Israëls en hunne murmureeringen in de woestijn mededeelden, en te zamen lezen wat geschreven staat in Exodus 17 : 1—7 :

Daarna toog de pansche vergadering van de kin-derm Israëls, naar hunne dagreizen, uit de woestijn Sin, op het hevel des Heeren, en zij legerden zich te

ocr page 123

Ill

Rajldirn. Daar nu was geen water voor het volk om te drinken. Toen twistte het volk met Mozes, en zeide: geeft gijlieden ons water, dat ivij drinken ! Mozes dan zeide tot hen: wat twist gij met mij f Waarom verzoekt gij den Heere ? Toen nu het volk aldaar dorstte naar water, zoo murmureerde het volk tegen Mozes, en het zeide: Waartoe hebt gij ons uit Egypte doen optrekken, opdat gij mij en mijne kinderen en mijn vee, van dorst deedt sterven? Zoo riep Mozes tot den ITeere, zeggende: wat zal ik dit volk doen ? Er feilt niet veel aan, of zij zullen mij steenigen! Toen zeide de Heere tot Mozes: Ga heen voor het aangezicht des volks, en neem met u de oudsten van Israël; en neem uiven staf in uwe hand, waarmede gij de rivier sloegt, en ga heen. Zie, Ik zal aldaar voor uw aangezicht op den rotssteen in LI or eb staan; en gij zult op den rotssteen slaan, zoo zal er water uitgaan, dat het volk drinke. Mozes nu deed al-zoo voor de oog en der oudsten van Israël. En hij noemde den naam dier plaats Massa en Meriba, om den twist der kinderen Israëls, en omdat zij den Heere verzocht hadden zeggende: Is de Heere in het midden van ons, of niet ?

Allereerst willen wij nog een blik terugwerpen op liet reeds door ons beli:indelde, en de wonderen eens kortelijk te zamen nagaan, die de kinderen Israëls reeds beleefd hadden! Hei; volk was uit Egypte geleid door eene sterke band, door den uitgestrekten arm des Heeren ! Wij weten welk ontzettend zwaar lijden Israël van de Egyptenaren te lijden bad, ja, dat het zoo hoog ging, dat zij ten laatste gedwongen werden hunne eigene pasgeboren zonen in de rivier te werpen. Toen hadden de kinderen Israëls tot den Heere geroepen en geweend, en de Heere had hen verhoord, om het bloed van datzelfde Lam, dat hen na eene reeks van wonderen ook bewaarde voor de

ocr page 124

112

slaande hand des worgengels. Maar toen ging de weg spoedig de woestijn in, want dat spreekt van zelf, de weg van liet Israël Gods gaat door de woestijn henen, en alleen de weg door de woestijn is de weg naar het land der belofte. En dat zij het beloofde land zekerlijk zouden bereiken, en niet omkomen dooide gevaren der reize, daarvoor hadden zij een onderpand in het bloed van het Paaschlam en in deszelfs vleesch, in de wolk en vuurkolom, die voor en over hen was. Wij zagen, hoe zij naar Mara kwamen, waar zij geen drinkwater vonden. Na drie dagen scheen er uitkomst te komen, want zij vonden water, maar helaas ! het ging hen, zooals het Gods volk nog dikwijls gaat: niet alleen, dat de nood vaak hoog klimt, maar het gebeurt wel, dat juist, als zij meenen. uitkomst te vinden, de wateren der nood tot aan de lippen, ja tot over het hoofd stijgen. Want na eene reis van drie dagen door de woestijn, onder de kwelling van brandenden dorst, komen zij te Mara en vinden eindelijk water. Maar was dit water nu zoet V Was het drinkbaar ? Neen ! het was bitter en geen droppel konden zij er van drinken. Is de Heere dan geen hoorder der gebeden, zullen zij toen misschien gevraagd hebben. Er zijn toch zoo velen, die spoedig, ja onmiddellijk geholpen worden, als zij den Heere hunnen nood bekend maken ! Waarom moet het ons nu zóó gaan? Ach! Heere, hoe lange! hoe lange! Het gaat immers geheel verkeerd met ons, is dat Uw weg o Heere ? O hoe bitter is het na drie dagen van dorst en ontbering water te vinden, maar het niet te kunnen gebruiken! Mozes kon hier niet helpen, en als wij in den nood onzer ziele geen raad weten, noch uitkomst zien, dan kan de wet, waarvan Mozes een beeld is ons ook niet helpen, maar de Heere moet Zelf toe-

ocr page 125

1

113

R i

iTOg

self, tijn weo-)fde ioor ier-elfs veilen, wen ter, nog oog len. i de ene j reien et? een ian ien oe-den oet ge! net is iter

311 !

len nst . is oe-

1 ill

1

*

s ' ï'

schieten met Zijne vrije, souvereine genade. Maar wat gebeurde er te Mara, bij die bittere wateren, die het volk tot vertwijfelingen dreven'? De Heere opende Mozes' oogen, want anders vinden wij nergens lafenis noch troost; want die verkrijgen wij, waar wij die ook elders vruchteloos gezocht hebben, alleen door het Woord des Heeren. Hij Zelve toonde aan Mozes een boom, een hout, dat hij in die bittere wateren moest werpen : dan zoude dit hout al de bitterheid in zich opnemen, en het volk kon drinken naar hartelust. Wij wezen er u reeds op, dat dit hout een heeld was van den Heere Christus, den Heere der heerlijkheid, op wien God de Vader al onze zonden en krankheden wierp, en door wiens striemen wij genezen zijn. En als de Heere ons de oogen opent, maar ook dan maar alleen, zien ook wij Hem, en leeren verstaan, dat Hij het is, die alles wat ons nog bitterder is dan de watereu van Mara voor de kinderen Israels, in Zich opneemt, om er ons van te bevrijden, en dat zóó in waarheid de straf, die ons den vrede aanbrengt, op Hem lag. Nu zien wij uit den aanvang van Exodus 17, dat zij, verder getrokken zijnde, wederom gebrek aan water hadden, maar ook, dat zij door de vorige uitreddingen Gods niet geleerd hadden hun vertrouwen van alle creaturen af te trekken en op den levenden God te stellen, en met vernieuwde heftigheid beginnen zij tegen Mozes te murmureeren. Want met de heilige wet Gods, waarvan Mozes hier een beeld is, kan de in Adam gevallen mensch nooit en nimmer in vrede leven, maar dat is een morren en tegenspreken, een beter weten en murmureeren zonder einde. En toch, blijf in 's Heeren gebod, wandel in Zijne wegen, en gij zult ervaren, dat alles goed gaat en goed uitkomt.

God heeft aan Zijn volk het land der belofte be-

ocr page 126

114

loofd, en vast en zeker zullen zij er ook komen; want Hij is geen menschenkind, dat Hij liegen zoude, en dat land van melk en bonig vloeiende, gij zult liet gewis bereiken aan Zijne band, o Sion ! dat zoo vaak meent, dat de Heere u beeft begeven en verlaten! Maar een weg van melk en bonig beeft de Heere u niet beloofd, maar dat beeft Hij gezegd : Ik ben de Heere uw God, en gijlieden zult mij zijn tot een priesterlijk en koninklijk volk. En is de Heere werkelijk onze God, dan zal Hij bet ook wel verstaan, ons koninklijk door de woestijn benen te leiden, totdat wij in bet scboone vaderland veilig zijn aangeland. Maar wij mogen op onzen tocbt door de woestijn geen vaten vol waters, geen korven vol broods met ons mededragen : die last ware voor ons, arme, zwakke mcnscben, veel te zwaar en te groot, en daarom beeft Hij Zijnen beiligen engelen geboden ons de teerkost op onze reis vooruit en achteraan te dragen. Maar omdat onze vleescbelijke oogen die engelenmacbt niet zien, en onze geestelijke oogen die alleenlijk maar gewaar worden als de Heere ons de oogen opent, daarom beginnen wij, zoodra wij in nood zijn, te murmureeren, en zeggen: ja! als ik maar geloof genoeg bad ; ja, leeraar, wat gij zegt is wel waar, maar zie nu eens, boe bet met mij staat. En zoo begon ook bet volk, toen bet opnieuw gebrek had aan drinkwater, te morren, in plaats van te bidden. Ja ! konden wij de wet, die ons den reebten weg aanwijst, in onze band hebben en naar onzen wil duiden, hadden wij maar de macht om de wet te volbrengen, dan, meenen wij, zoude alles goed gaan, en wij vatten niet, dat wij, arme en gevallene Adamskinderen, niets vermogen dan Gods wet en ordonnantiën omver te stooten, te verbreken en te steenigen. En daarom heeft de wet bet volste recht ons te vragen, evenals

ocr page 127

115

Mozes de kinderen Israels vroeg: Waarom verzoekt gij den He.eret God leidt hen, die Hij uitverkoren heeft, op den goeden weg, en Hij laat Zich door het booze niet verzoeken: heilig, driemaal heilig is Zijn Naam, en heil ons ! dat Hij ons onzen verkeerden wil niet geeft, dat Hij ons vasthoudt, en niet laat gaan in de wegen onzes harten, want dan zijn wij gewis verloren. »Jaquot;, zegt echter het volk, »maar wij moeten water, water moeten wij hebben en voordat wij water hebben, zijn wij niet tevreden.quot;

Maar geliefden ! als God de Heere u waarachtig heil wil doen toekomen, n doen bekomen, wat waarlijk goed voor u is, en dit heil komt tot u in eene gestalte, die naar het zichtbare voor u niets anders schijnt mede te brengen dan nood en ellende, dan honger en dorst lijden, zult gij daarom Zijne vaderlijke trouw verdenken ? Omdat Zijn weg uw vleesch niet behaagt, zult gij daarom betwijfelen, dat, wat Hij over u brengt, koninklijk en heilzaam voor ii is, en of niet juist dat de weg is, om u den heelde Zijns Zoons gelijkvormig te maken, het beeld van dat dierbare Lam, geslacht voor onze zonden, en dat hier op aarde geene gedaante noch heerlijkheid had? Maar dat verstaat het vleeschelijk vernuft niet. Zooals wij van nature zijn, vleesch uit vleesch geboren, willen wij niets dan redding, uitkomst voor dit leven, ja oogenblikkelijke uitkomst. Ja de duivel kan het den mensth goed leeren te vasten, en zich allerlei ontberingen op te leggen, maar met zijne leeijongens heeft God de Heere moeite om hen bij te brengen, wat zij toch leeren moeten, want opstandelingen en murmureerders, dat zijn wij allen van nature, en, ook na ontvangene genade, verstaan wij het niet ons door eigen kracht onder het zachte juk Christi te buigen. Maar hebben deze leerjongens des Heeren

ocr page 128

116

Jezus in der waarheid niet alle oorzaak om vrooi ij k te zingen, en zich te verheugen in hun God, en Hem vrijmoedig al hunne zonden en ongerechtigheden te klagen en bloot te leggen? Maar zij moeten leeren zicli met lichaam en ziel in Zijne handen over te geven, niet te staren op het zand der woestijn, maar op de sclioone wolk- en vuurkolom, die hen voorgaat, op de genade en trouwe van Hem, die hen tot heden toe gebracht heeft.

Ja, lieve lezer ! daarbij blijft het, naar het beloofde land is er geen andere weg als door de woestijn. Geen verkwikkende bronnen ontspringen daar, en brood is daar niet aanwezig, maar: de Heere is aldaar en Hij trekt op met Zijn pelgrims, en als Hij mede optrekt, die hemel en aarde geschapen heeft, dan is er ook geen gevaar, geen nood op den tocht door de woestijn, waarin de Heere niet koninklijk voorziet. Maar ach ! met het volk op zichzelf is niets aan te vangen, en Mozes, die niets dan hun tijdelijk en eeuwig heil bedoelde, was in hunne oogen een moordenaar. Want wat zeggen zij? Waartoe hebt gij ons nu uit Egypte doen optrekken, opdat gij mij, en mijne kinderen en mijn vee van dorst deedt sterven ? Maar Mozes, niet als vertegenwoordiger van Gods heilige wet, maar als mensch, kende zichzelven ook als een zondaar en niets meer, en als voorganger heeft hij het volk lief en draagt het op zijn hart. Wanneer God het volk uit Zijn boek wil uitdelgen, en Mozes er in wil zetten, treedt Mozes in de bres voor liet volk en zegt: »Delg mij Liever uit uit Uw hoek! Mijn God, wat moet ik nu aanvangen. J'Jr feilt niet veel aan, of zij zullen mij steenigem.quot; O, zal er misschien de een of ander zeggen, wat was dat toch een verkeerd, een hard volk ! Maar o Geliefden, laat ons de hand toch in eigen boezem steken, want

ocr page 129

T

117

dat verkeerde en harde volk zijt gij, ben ik, zijn wij allen, zondige menschenkinderen, in zonde en ongerechtigheid ontvangen en geboren. Want sprak niet de Heere Jezus tot Zijne eigene discipelen: licht gij nog uw verhard harte f Gogen h. hbende ziet gij niet, en ooren hehhende hoort gij niet!

Een harde rotssteen zal nog eerder verbrijzeld worden' dan een menschenhart! En is het heden eenigszins vermorzeld en vermurwd, morgen is het weer des te harder! Ach ! met al het geschapene, met het redelooze vee des voids kan de Heere nog eerder iets aanvangen dan met den mensch; want daar moet Hij zelf alles beginnen, voortzetten en voleindigen! Want hoe is het met ons hart gesteld? Voor de wereld ligt het open, maar voor ons waarachtig heil is het dichtgesloten, koud en onverschillig, ja zoo hard als een kiezelsteen voor de waarheid Gods en voor alles wat goddelijk is ! En in deze ons aange-borene hardheid des harten rapen wij steenen te zamen om wat schoon, liefelijk, feeder en van God gewerkt is, te steenigen en te verpletteren! En er is geen mensch, van eene vrouwe geboren, die het niet vroeg of laat moet openbaren, dat hij vleeschelijk is, verkocht onder de zonde, en dat hij nergens anders toe deugt dan om die hemelsche spruite, Christus, waar zij hem in het leven te gemoet treedt, met opgeheven steenen te bedreigen. Ach ! er wordt op geestelijk en kerkelijk gebied zoo oneindig veel beproefd, om het ons ingeboren steenen hart kwijt te worden en in een vleeschen hart te veranderen, maar helaas ! het blijft bij woorden en beraadslagingen, maar het komt er in werkelijkheid nooit toe.

Welgelukzalig hij of zij, die het voor zich zeiven belijdt, dat zijn hart van nature zoo hard is als een rots en kiezelsteen. Kon uit dit steenen hart levend

i

1

■ l'

ocr page 130

118

water opborrelen ? Heeft niet de Heere van hemel en aarde Zelf drie en dertig jaren lang gedurende den tijd Zijner omwandeling op aarde, te vergeefs op zulke harde kiezelsteenen geslagen, zoowel door Zijne lieflijke tegenwoordigheid, als door zijne prediking, die zoo hemelsbreed verschilde van die der Farizeën, en deze zoo verre overtrof ? Ach ! die harde kiezelsteenen weten van geen breken, van geen verbrijzeld en verbroken worden. Dat is onze geschiedenis, dat de geschiedenis van het geheele menschelijke geslacht, en het komt telkens aan het licht, dat het hoogge-voelende menschelijke hart, met al deszelfs vermeende deugden en voortreffelijkheden, van nature harder is dan een steenrots ! En nochtans wil de Heere, dat er wateren, levende wateren uit onze harten voortkomen, want wij mogen in deze onze hardheid des harten niet berusten, veel min er ons in beroemen. Want o mensch! wie gij ook zijn moogt, gij zijt niet geschapen ! gij leeft niet op aarde om te eten, te drinken, u te kleeden en het u zeiven goed te maken, neen ! maar voor God en voor uwen naasten zijt gij geschapen, Gij leeft niet, o mensch! om den wil des duivels te doen, om u zei ven te verderven in de wereld, die in het booze ligt, maar gij zijt geschapen om uwen God de eere te geven, en uwen naaste wel te doen. Ja, een harde rotssteen zijt gij geworden, evenals uw vader Adam, door ingeving des duivels en door moedwillige ongehoorzaamheid! Ach, ware de uiterlijke vervulling, de letter der wet genoeg, dan ware er misschien nog heil en zaligheid van de wet te verwachten, maar nu de wet geestelijk is, ligt er achter de letter der wet het gebod van onverdeelde en volkomene liefde tot God en tot onzen naasten, en daarom heil ons! dat de Heere uit vrije en eeuwige liefde Zich wil ontfermen over ons,

ocr page 131

T

119

die liet in de samenleving met onze naasten maar al te zeer openbaren, dat wij harde kiezelsteenen zijn, tenzij God ons harde hart vermnrwe.

Maar ziet! dan komt Hij midden onder ons men-schen met Zijn Woord, dat als een hamer is, zoo als wij lezen in Jeremia 23 : 29 ; Is Afijn Woord niet alzoo, als een vuur ? spreekt de Heere, en als een hamer, die eene steenrots te morzel slaat ?

Maar is nu dat dierbare woord des Heeren als een hamer, zoo is het toch niet aan een smidshamer gelijk, maar een iegelijk, die door dien hamer van liet Woord des Heeren verbrijzeld en verbroken is, zal het uitroepen: o ! dat was eigenlijk geen hamerslag, maar een kus des vredes,

Wat zal ik dit volk doen ? zegt Mozes, en waar 1 het volk in nood is, daar kan de wet, waarvan Mozes I een beeld was, niet helpen. Hier kan niemand en gt; niets helpen, dan God Zelf in Zijne onveranderlijke | trouw ! En daarom, o volk ! ziet op het verbond, dat Hij met u sloot, en smeek tot Hem : gedenk o Heere aan 't vast gestaafd verbond, want Hij alleen is het, die uitkomst en redding voor u verdiend heeft, en dat wel in eenen weg, die volkomen in overeenstemming is met alle Gods deugden en volmaaktheden, met Zijne gerechtigheid, zoowel als met Zijne heiligheid. Dit eeuwige verbond der genade heeft God gesloten met Abraham, Izak en Jakob, en Hij blijft getrouw en vervult Zijne eens gegevene belofte tegen al onze verkeerdheden in, en niettegenstaande al onze murmureeringen blijven de genadegiften en de roepinge Gods onherroepelijk, en Zijn eens gegeven woord : Israël trekt tot zijne ruste, zal in vervulling gaan! Dit werk heeft God de Heere in de hand van Zijnen eenigen en geliefden Zoon gelegd, opdat Hij het volk zoude geleiden op den weg, en de

ik.

li

i.;ri

ö;'1Ë ;«

ft

II

MS

h|

■

1

f' m 1

■ n

i

.. 4 ! i ! ?

I

ocr page 132

120

overste Leidsman en Voleinder huns geloofs zoude zijn.

En dan raapt Hij al die harde kiezelsteenen te zamen, Zijne schare, die nieuiand tellen kan, gij en ik, die niets dan harde steenen zijn, en zet daartegenover Hem, die onze eeuwige rotssteen is! Komt hier en nadert, gij oudsten, als getuigen Zijner wonderen : dien, die geen zonde gekend noch gedaan heeft, heeft God zonde voor cns gemaakt, opdat wij zouden zijn gerechtigheid Gods in Hem. God heeft dien, die een wijd, wijd, wijd geopend harte heeft, tot eene steenrots gemaakt in onze plaats. Tot zonde werd de Heere Christus gemaakt in onze plaats, al de hardheid onzer harten nam Hij in zich op, en zóó werd Hij ons een steenrots om in te wonen.

Al onze ongerechtigheden en zonden, al de hardheid onzes harten neemt Christus in zich op, ja, wordt Zelf voor ons tot zonde, ja tot eenen harden steenrots, want zoo betuigt immers de Apostel Paulus 1 Cor. 10 ; 1—4. En ik wil niet, broeders! dat gij onwetende zl.jt, dat onze vaders allen onder de wolk waren, en allen door de zee doorgegaan zijn; en allen in Mozes gedoopt zijn in de ivolk en in de zee; en allen dezelfde geestelijke spijs gegeten hebben, en allen den-zelfden geestelijken drank gedronken hebben : want zij dronken uit de geestelijke steenrots, die volgde ; en de steenrots was Christus. Zie ! hier hebben wij Christus, zooals Hij in het vleeech is verschenen, zooals Hij, die nooit zonde gehad noch gedaan heeft, ons zondig vleesch, onze verdorven natuur heeft willen aannemen. En wij lezen in Exodus 17, dat op deze steenrots de Heere stond in de wolk- en vuurkolom.

Uitgegeven bij W. MEIJER, Coramelinstraat 33 Amsterdam. Voor Duitschland verkrijgbaar bij F. BiiCKMANN, Eiberfetd. Prijs per Hummer 3 Cts. Franco per post 4 Cts.

ocr page 133

SCHRIFTVERKLARINGEN

VAN

Dr. II. F1. KOlILBRÜCiGE.

I

j

Eenige bijzonderheden omtrent den uittocht der kinderen Israels uit Egypte en hunne reis door de woestijn.

MURMUR KERINGEN DER KINDEREN ISRAELS.

Daar hebben wi] Hem weder, die uaar Zijne majesteit, genade. Godheid en Geest nimmermeer van ons wijkt, maar bij ons blijft in eeuwigheid. Door zijne Godheid en Geest staat Hij daar om in onze plaats een vloek te zijn, een harde kei of' kiezelsteen, een onbewegelijke, onvruchtbare steenrots. Maar hoe komt er nu nochtans uit dezen steenrots levend water ? De Heere gebood Mozes dezen steenrots te slaan met zijnen staf. En dit slaan, mijne geliefden ! was eene afbeelding van de hamerslagen, waarmede onze gezegende Heere en Zaligmaker Jezus Christus aan het vervloekte hout des kruises werd genageld. Zeven wonden werden den Heere geslagen, en daaruit vloeit het water des levens, het water des Geestes, het bloed, dat alleen reinigt van alle zonden. En gedrenkt werd uit dien hevig geslagen steenrots het murmureerende Israël en zijn vee. Want dit was het doel, waartoe die rots zóó hevig moest geslagen worden. Wie is het, die u zoo geslagen en misvormd heeft, o mijn Verlosser! o mijn Goël ? Ik, ik was het, die de straf verdiend had, die op U lag, en het zijn mijne ontelbare zonden, die meer zijn dan het zand aan den oever der zee, die u verwond hebben.

No. 106. 1 Februari 1890.

1

ocr page 134

122

Zie, geliefden! zoo hebben wij hier eene heerlijke afbeelding en afschaduwing van het allerheiligst lijden en sterven van onzen Heere Christus in de geschiedenis van de steenrots, waaruit voor de kinderen Israels in de woestijn de levende wateren vlootten, toen de banierslagen der wet dien verbrijzeld hadden. En daarom lezen wij ook in het evangelie van den 95sten Psalm : »Komtquot;, o gij allen, die vermoeid en belast zijt! laat ons den Heere, d. i. den Heere Christus, vroolïjk zingen, laat ons juichen in den Rotssteen ovse.i Jieils. Laat ons Zijn aangezicht te gemoet gaan met lof, daarom dat Hij voor ons een steenrots is willen worden, daarom dat Hij de grond onzer zaligheid is willen zijn, dat Hij de oorzaak onzes eeuwigen hongers en kommers, d. i. de zonde, heeft willen wegnemen, en zoo onze arme hongerige en dorstige zielen heeft willen laven, en nog laaft met Zijn bloed en Geest! Laat ons Hem juichen met psalmen, omdat, als wij ons harder dan rotssteenen voelen, wij in Hem den levenden bornput vinden, waaruit wij de wateren des levens mogen scheppen om niet. Want de Heere, d. i. de Heere Christus, is een groot God, Hij laadt de vervloekte hardheid onzer harten op Zich, ja een groot Koning hoven alle goden ! Want alle goden, of liever alle afgoden, beloven u o mensch, o zondaar! allerlei groote dingen, dingen, die u hoogmoedig en opgeblazen maken en die er u ten laatste, indien de Heere niet tusschenbeide kwam, toe zouden brengen Hem, uwen trouwen God en Heiland, al Zijne weldaden in 't aangezicht te werpen. Maar alle valsche goden kunnen u niet door de woestijn brengen : dat vermag alleen de Heere, en die weet ook wel, dat wij eten en drinken voor lichaam en ziel behoeven. En nu hij Zelf een groot Koning is geworden, die heerscht

ocr page 135

123

in het midden Zijner vijanden, zoo heeft Hij ons, Zijn volk, ook gemaakt tot koningen en priesteren. En Hij heeft nog rondom de Zijnen Zijne engelenscharen, die hen brengen en toe laten stroomen alles, wat Hij voor hen heeft weggelegd. Hij zorgt voor Zijne te velde liggende troepen tot in de geringste kleinigheid, ja tot voor de riemen hunner schoenen. In wiens hand de diepste plaatsen der aarde zijn, en de hoogte der hergen zijn Zijne. Wiens ook de zee is, want Hij heeft ze gemaakt, en Zijne handen kehhen het drooge geformeerd. Hij heeft de zee geschapen, Hij heeft ook de golven der nood en ellende gemaakt, die ons dreigen te verdrinken, maar dat doet Hij om Zijnen sterken arm ter onzer uitredding te verheerlijken. Komt, laat ons aanbidden en nederbukken, laat ons knielen voor den Heere, die ons gemaakt heeft. Ja tot stof, aarde en assche moeten wij worden, maar laat ons ook volhouden te midden van alles, met te roepen: Gij alleen moet mij helpen, o mijn God! Die ons gemaakt heeft, die is onze God, en wij hebben geen ander God, in den hemel noch op aarde. Want Hij is onze God, en wij zijn het volk Zijner weide, en de schapen Zijner hand. Heden, zoo gij Zijne stem hoort, verhardt uw hart niet, gelijk te Meriba, gelijk ten dage van Massa in de woestijn.

Nu onze steenrots geslagen is, nu onze dierbare Heere Jezus Chrietus geslacht is voor onze zonden, zal uit Zijne wonden de vervulling vloeien aller Zijner beloften voor het tegenwoordige en voor het toekomende leven. En wat nu de vijanden onzer zielen betreft, zij zijn den Heere niet onbekend met al hunne macht en listen. In dat zelfde IV''6 Hoofdstuk van Exodus lezen wij nog, hoe Amalek de kinderen Israels wilde verdelgen, maar Mozes strekt zijne armen ten hemel en spreekt: de Heere is mijn banier ! (Ex. 17 : 15) en Hij

ocr page 136

124

omgeeft mij met de kracht en de vrucht van Zijn allerheiligst lijden en sterven aan het kruis. Dewijl de hand op den troon des Heeren is, zoo lezen wij Exodus 17 : 16, eene hand op den troon der genade: dat is de hand des Heeren Jezus Christus, dat zijn de heilige wonden en lidteekenen in Zijne handen, die Hem aan het kruis geslagen werden. En nu.

o o

deze wonden en lidteekenen van Zijne dooi-boorde handen alléén gelden voor den troon daarboven ! Wees maar stille, o mijne ziele ! o gemeente des Heeren ! o, gij arm en verdrukt volk! want Hij, de Heere alleen voert den strijd met Amalek heerlijk ten einde.

WAT DE HEERE DOOR ZIJNEN KNECHT MOZES TOT HET MURMUREERENDE VOLK IN DE WOESTIJN SPRAK. (1)

Mijne geliefden ! Voordat wij verder gaan, willen wij te zamen eenige verzen van den 103. Ps. lezen:

Een Psalm van David. Loof den Heere, mijne, ziel ! en al wat binnen in mij is, Zijnen heilicjen naam. Loof den Heere, mijne, ziel! en vergeet c/eene van Zijne, weldaden! Die al uwe ongerechtigheid vergeejt, die

1

Deze ^Schriftverklaringquot; is door onzen schrijver als leerrede uitgesproken, toen de grootste vreugde in Duitscli-land heerschte, over de eerste overwinningen in lb70 op de Franschen behaald, en juist op den dag der eerste der drie latere overwinningen bij Metz, 14 Augustus 1870. Wie het voorrecht had in den loop van dien eeuwig gedenkwaardigen zomer van 1870 onder het gehoor van L)s. Kohlbrugge op te gaan, zal gewis nog weten, welk een warm aandeel hij aan Duitschlands overwinningen nam, hoe hij te midden zijner gemeente met don Heere worstelde in den gebede, om de overwinning der Dnitsche legers, en hoe of hij arm en rijk, toen die goede zaak zoo glorierijk boven dreef, voor overmoed waarschuwde. De Red.

ocr page 137

125

al uwe krankheden geneest; die uw leven verlost van het verderf, die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheden ; die uwen mond verzadigt met het goede, uive jeugd vernieuwt als eens ar ends. ]Je Jleere doet gerechtigheid en gericht al dengenen, die onderdrukt ivorden. Hij heeft Mazes Zijne wegen hekend gemaakt, den kinderen Israels Zijne daden. Barmhartig en genadig is de llcere, lankmoedig, en groot van goedertierenheid ! Ps. 103 : 1-8.

Toekomenden Zondag, mijne geliefden ! liebben wij in ons midden bediening des heiligen Doops. Gij weet, geliefden ! dat het mijne gewoonte niet is over mij zeiven te spreken, en dat des te minder heden, nu de algemeene vreugde over wat de Heere aan ons vaderland gedaan heeft, groot is. Nochtans is het mij eene behoefte u daaraan te herinneren, dat het heden juist twee en twintig jaren is geleden, dat mijn jongste zoon, die nu reeds bij den Heere is, en mijne eenige dochter voor het aangezicht der gemeente openlijk het sacrament des heiligen Doops ontvingen, tegelijk met nog vele andere dierbare kinderen der gemeente, die, even als zij, jaren lang om der waarheid wille op dit voorrecht hadden moeten wachten. Gij zijt er allen getuigen van geweest, welke groote dingen de Heere in deze twee en twintig jaren aan ons gedaan heeft. Nog sta ik als getuige van Gods waarheid voor ulieden, en de diepe wegen, die God met mij, met mijne kinderen, en met mijn geheele huis gegaan is, zij zijn immers u ten goede gekomen, want met denzelfden troost, waarmede de Heere mij getroost heeft in den smeltkroes der ellende, die ons hier opgelegd is, kan ik ulieden nu vertroosten en staande houden in uwen druk. Laat ons nu, hieraan vastknoopende, lezen wat geschreven staat Ex. 19: 3-6.

En Mozes klom op tot God. En de Hetre riep tot hem van den berg, zeggende: Aldus zult gij tot het

ocr page 138

126

huü van Jakob spreken, en den hinderen Israels ver-kondu/en: Gijlieden hebt gezien, wat ik den Egyptena-ren gedaan heb; hoe Ik u op vleugelen der arenden gedragen, en u tot Mij gebracht heb. Nu dan, indien gij naarstiglijk Mijner stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden, zoo zult gij Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de gansche aarde is mijne ; En gij zult mij een priesterlijk koningrijk, en een heilig volk zijn. Dit zijn de woorden, die gij tot de kinderen Israels spreken zult. Wat wij hier lazen, is eeue openbaring des Heeren. Deze openbaring gaf Hij allereerst aan Zijnen knecht Mozes, maar Hij herhaalde dezelve ook aan Zijne profeten en apostelen. Zoo vinden wij o. a. de woorden uit Ex. 19 : 6 bijna letterlijk bij den Apostel Petrus weder (1 Petr. 2 ; 9), waardoor het verbond Gods, dat te voren alleen Israël gold, tot de heidenen uitgebreid is, en wel tot die heidenen, die de Heere Zelf tot het waarachtige Israël Gods zoude toedoen. Deze zelfde woorden heeft de Heere ook mij gegeven, opdat ik ze u voorhouden zou, want wat zoude ik u anders prediken, dan alleen het eeuwig en onveranderlijk woord des Heeren Heeren !

Mozes had het, ik zou haast zeggen gewaagd, op den berg te klimmen, van waar de Heere tot hem sprak, en waar niets te zien was dan bliksemstralen, niets te hooren dan storm en onweder; en hij had daar niet den dood gevonden, zooals hij verwachtte, maar het leven. Hij had daar, voor het volk, dat de Heere hem toevertrouwd had, om het door de woestijn henen naar Kanaan te brengen, niets vernomen van oordeel en verdoemenis, maar de Heere had tot hem gesproken van een heerlijk verbond, dat Hij met dit volk wilde sluiten. Hij deelt het den volke mede, wat God wil, dat aan het volk ver-

ocr page 139

127

(:gt;' i i -f;?,! J

kondigd zal worden. Daar lezen wij dan allereerst: Gijlieden hebt cfezien. Dit spreekt de Heere tot het volk van den berg Sinaï : gijlieden hebt gezien. Er was dus voor lien iets te zien geweest. Zeker is liet waar, dat het geloof niet aanmerkt de. dingen, die men ziet, maar de dingen, die men niet ziet, ivant de dingen, die men ziet zijn lijdelijk, maar de. dingen, die men niet ziet zijn eeuwig, zooals wij 2 Cor. 4 : 18 lezen, en Hebr. 11 : 27 (laatste gedeelte) lezen wij van Mozes, Ddat hij zich vasthield, als ziende den Onzienlijkequot;, maar dit is tocb immers niet in tegen-spraak met wat de Heere in onzen tekst zegt; »Gijlieden hebt gezien. Want wie kan dat ontkennen, dat er niet menigmaal iets gezien wordt op aarde van de trouw, van de wonderen van den Allerhoog-sten God ? Hoeveel wonderen hebben wij bv. niet te zamen beleefd in de vier en twintig jaren, dat ik uw herder en leeraar ben ? Hebben wij niet dikwijls wonder op wonder gezien ? Voorzeker zal de zonde als zonde nooit geheel kunnen opgeheven worden, geen mensch zal jammer en ellende, nood en dood kunnen wegnemen, de aanvechtingen des duivels, de verzoekingen en verdrukkingen eener wereld, die in het booze ligt, zullen nimmer ophouden, en lijden in allerlei gestalte, ongerechtigheden tegenover ons gepleegd door hen, die God niet kennen, zullen er nooit ontbreken op onze reis door dit leven, — Gods wegen met de Zijnen loopen hier immers door de woestijn, ja door de diepten der zee henen — maar nochtans mag ik vrijmoedig ook tot u zeggen: gijlieden hebt gezien, ja wat al wonderen hebt gij niet gezien, en nu is bet laatste nog meer geworden dan het eerste ! Ja veel nood en angst hebben wij te zamen beleefd, mijne dierbaren, schrikkelijke stormen zijn over ons henen gewaaid ! Maar, o hoe vaak,

:«ïi (r quot;•

j.

ocr page 140

128

lioe vaak, hoe vaak! heeft niet de trouwe God in den hemel, ons voor ondergang bewaard, ons verlossing toegezonden, en ons hart met wonderen verblijd ! En ook van het tijdelijke, wie van nlieden zal niet moeten erkennen, dat hij thans meer heeft, dan voor vier en twintig jaren ? Maar geliefden! het is de duivel, die party trekt van onze sombere, ondankbare overleggingen en ons blind maakt voor de wonderen Gods! Zeker! de volkomenheid is hier nooit te vinden, maar de uitkomst, die de Heere ons zendt te midden van onzen nood, beantwoordt steeds volkomen aan de behoefte, die op dat tijdstip by ons aanwezig is, want Hij is een hoorder des gebeds, en juist dan, als de nood zoo hoog geklommen is, dat men meent: »nu kan ik het niet langer uithouden,quot; dan schiet de Heere toe en spreekt vriendelijk tot de ziele : Ik ben uw heil!

Alzoo : gijlieden hebt gezien ! Spreekt nu de een of ander in zijn harte : »ach, ik zie oogenblikkelijk »niets van Gods wonderen, ik ben van alles beroofd, »ik heb niets dan ellende, voor mij schijnt Gods »woord niet waar te zijn, ik zit eenzaam te weenen, »als anderen juichenquot;, zoo antwoord ik hem: ja, dat moge waar zijn, maar is uw lijden, al is het ook nog zoo zwaar, te vergelijken met het lijden van Hem, die u troost met de liefelijkste vertroostingen ? Ja, ook gij, die u thans van alles beroofd ziet, gij hebt toch ook wel eens iets van Gods trouwe hulp ondervonden in uw leven ! Gij hebt toch ook wel eens den een of anderen wensch gekoesterd in uw harte, en hebt dien ook bekomen, gij hebt toch ook wel eens om iets gebeden, en de Heere gaf het u. * Gijlieden hebt gezien1 sprak de Heere tot het volk van Israël, en is dan nu Zijn arm verkort ? Kan hij dan nu niet meer verlossen »die in duisternis en

ocr page 141

129

de schaduwe den doods zitten, gebonden met verdrukking en ijzerquot; (Ps. 107 : 10) V Is Hij nog niet de Machtige om ook de diepste wonde te heelen ? O, wie een geopend oog mag hebben voor de voetstappen dos Heeren door de zee dezes levens henen, van diena lippen moeten lof en dank stroomen, als hij daaraan gedenkt, hoe de Heere hem verlost heeft V O, het was immers ook de Heere, die u deed zien, dat gij ii van nature in de macht van den helschen Pharao bevindt. Hij was het, die u ontdekte, hoe groot uwe zonde en ellende is, en dat gij er n zeiven nooit en nimmer van kunt verlossen. Ja! gij hebt het ervaren, hoe diep men onder dat alles begraven kan liggen, zonder het geringste vonkje van hoop op verlossing, leven en zaligheid; gij hebt ter neder gelegen onder het ijzeren juk der wet, dier wet, die van u, evenals de Egyptische drijvers van de kindoren Israels, vorderde, wat gij, gevallen Adamskind, nooit volbrengen kimt, en die n daarom sloeg met

O ' ^ o

vele en harde slagen! Ja, de stok des drijvers dreef ii vaak tot vertwijfeling, zoodat gij de verlossingen Gods niet kondet, niet wildet aannemen! Maar daar hebt gij ook ondervonden, wat de Heere zegt tot Zijn volk ;

'k Heb hunn' hals bevrijd Van den last te dracen,

't Was die blijde tijd,

loon hun moede hand AVerd in 's vijands land Van den pot ontslagen.

üp nw noodgeschrei

quot;Deed ik groote wond'ren ;

ünder Mijn gelei'

Vondt gij hulp ; Mijii woord

Werd van u gehoord,

Uit de plaats der dond'ren !

Psalm Si : 6, 7.

1

1 1

i

in

ocr page 142

130

Nu spreekt de Heere verder: »gij hebt gezien, Idit t wat ik den Eyyptenaren gedaan heb. Gij hebt gezien, iWani wil de Heere zeggen, o gemeente Gods, wat ik allen duivelen gedaan heb, die u op de hielen zaten, al den Filistijnen, die op u los rukten. Waar zijn ze dan nu, die u zoo lange geplaagd en getyranniseerd hebben ? Als lood zijn ze verzonken in de diepten der zee ! Wat onderscheidde u echter, o Israël! van de Egyptenaren, dat de Heere hen in de diepste diepte stortte en u droogvoets door de zee henen bracht ? Was dat niet alleen vrije genade in het bloed des Lams ? Dat hebben toch niet uwe werken, dat heeft niet uwe gerechtigheid, in welk stuk dan ook, ten uitvoer gelegd! Het was alles loutere genade, barmhartigheid en goedertierenheid ! En nu mijne geliefden ! zal ik u nu toeroepen ; gij hebt niet eenmaal geweten, hoe groot het gevaar was, dat ons in den jongst verloopen tijd bedreigde V Weinige weken zijn eerst verloopen sinds het oorlogsvuur ontbrandde, en reeds hebben wij gezien, wat de Heere aan de Pransche heirlegers gedaan heeft; gij hebt het gezien, hoe de Heere den Pruisischen adelaar bevel gaf, den Pranschen haan te plukken en zóó neder te werpen, dat geen menschelijke macht hem meer zal kunnen opheffen. Geroepen hebben sommigen in 't verborgene, geroepen hebben wij gezamenlijk tot den Heere, voor den Koning en zijn heir, en — in minder dan twee en zeventig uren was het middelpunt van 's vijands macht doorbroken.

Dat »hebt gijlieden gezien,quot; gij hebt gezien, hoe God onze gebeden verhoord heeft, en ons geloof niet beschaamd heeft gemaakt! (1) Maar wie schonk ons

1

Gedenkende Psalm 78 : é, aarzelen -wij niet onzen lezers eene bijzonderheid uit de benanwende dagen van Juli 1870, mede te doelen. Bij het uitbreken van den oorlog, liet

ocr page 143

131

dit geloof? Gods vrije souvereine genade alléén! Want wij zijn toch immers niet beter, dan de Fran-schen, Berlijn is niet minder schuldig voor God dan Parijs, Elberfeld niet minder schuldig dan Lyon. Waar kwam dan het geloof van daan, dat God ons gebed zonde verhooren ? O, als men in waarheid, als een vloek- en doemwaardig zondaar voor Gods rechterstoel heeft gelegen, als men ervaren heeft, hoe Hij verlost, dan heeft men ook in Hem leeren geloo-ven als in een rechtvaardig God. Heeft Hij in u, heeft Hij in mij de zonde gestraft en getoond, hoe nauw Hij het met de zonde neemt, ook al heeft Hij ons die uit genade om Zijns lieven Zoons wille vergeven, dan weet gij, dan weet ik het ook, dat God de ongerechtigheid niet door de vingers ziet, maar dat er heilige ernst bij Hem woont. Wie in het stof ter neder heeft gelegen, gebogen aan Zijne voeten, die weet dat, en ook hot diep God hen verootmoedigt, die tegen Hem en tegen Zijnen Gezalfden staan. » Gij hebt gezien wat de He-ere den Egyptenaren gedaan heeftquot; roep ik u toe, en mijne Geliefden! als gij dan eene lijn trekt van 1813 tot 1870, dan zult gij ook begrijpen wat ik bedoel. Laat ons echter ook niet vergeten wat voor twee en twintio'

O O

onze schrijver Ps. 20 ; 3 en 4 zingen. Na de kerk zeide liij tot twee eenvoudige leden der gemeente ; «ja kinderen ! nu »hebben wij gezongen van /^opgestoken vaandelsquot;, en van ïGod, die ons behoudt,quot; maar o! als het nu eens anders «komt, en de Franschen hier komen, dan staan wij met be-i/schaamde aangezichten.quot; Zóó werd hij zelve tot den genade-troon gedreven, en dreef er ook het volk henen, en nog geen drie weken later, waren er in den tijd van drie dagen, drie groote veldslagen gewonnen : Weissenburg, VVörth, Spicheren. God had ons niet beschaamd gemaakt en onze oogen mochten toen zien wat Hij den Egyptenaren gedaan had. En dat was eerst het begin van Zijne daden in 1870 !

De Red.

BU

!il

II

§M

1» i

! lUrHÈ-'

li - filIP i

uJ

if i

fli

m

u,

1;

. I |

I

'• t •

. : . 1 -

1

I

[

; I

I

I |

aim, i i

. ■quot;

ocr page 144

132

jaren in onze gemeente voorviel! Het woord der waarheid, de waarachtige verkondiging is toen tot n gekomen, en is tot heden onder u gebleven, en hij die n Gods woord prediken moet, staat ook heden voor u, nadat hij heden krank van zijne legerstede opstond, om u ook heden het woord te brengen, en God sterkt hem tot op dezen oogenblik. Ja! gij hebt het gezien, wat God den Egyptenaren, wat Hij den vijanden des vaderlands, wat Hij ook den vijanden uwer zielen aangedaan heeft!

Verder zegt de Heere nog : »Gij hebt gezien — Iwe Ik u op vleugden der arenden (jedrayen heb. Dit beeld komt meer dan eens voor in de boeken van Mozes. Zoo lezen wij o. a. Deut. 32 : 11 : Gelijk een arend zijn nest opwekt, over zijne jongen zweeft, zijne vleugelen uitbreidt, ze neemt, en ze draagt op zijne vlerken, zoo leidde hem (d. i Israël) de Heere alléén, en er was geen vreemd God met hem. En Dent. 1 : 30, 31 : De Heere, uw God, die voor uw aangezicht wandelt, die zal voor u strijden; naar alles wat hij hij u voor uwe oogen gedaan heeft in Egypte. En in de woestijn, roaar gij gezien hebt, dat de Heere, uw God, u daarin gedragen heeft, als een man zijnen zoon draagt, op ai den weg, dien gij gewandeld hebt, totdat gij icwaamt aan deze plaats.

Dus, te midden van allerlei nooden, gevaren en zwakheden, te midden van de eenzaamheid en verlatenheid der woestijn, heeft de Heere uw God, u o Israël! gedragen gelijk een man, een sterke man, zijn zoontje dat zwak is en niet loopen kan, in zijne armen draagt!

Uitgegeven bij W. MEIJER, Commeliustraat 33, Amsterdam. Voor Duitscbland verkrijgbaar bij F. BuCKMANN, Etherfeld. Prijs per Nummer 3 Cts. Franco per post 4 Cts.

ocr page 145

SCHIUFTVËRKLARINGEN

VAN

ik

3|l«

i.....

'lil I

■ :

151'« H. F1. S4021L,aRÜ€iQE.

uil

feih Kr

Eenige bijzonderheden omtrent den uittocht der kinderen Israels uit Egypte en hunne reis door de woestijn.

F- i '•

WAT DE HBERE ÜOOR ZIJNEN KNECHT MOZES TOT HET MURMUREERENDE VOLK IN DE WOESTIJN SPRAK.

■-

■I • i

d

'Uil

,?!•

1

^il

rif

||fi

O welk een heerlijk beeld is dit van des Heeren trouwe liefde! een man, een sterke man, een held en strijder, die geroepen is land en volk te verdedigen, draagt in zijnen sterken arm zijn zwak, hulpeloos kindeke! De kracht, de macht draagt dus het zwakke, dat niet loopen kan, dat krank is en ellendig, en nu zegt de Heere: zoo heb Ik u gedragen, en draag ik u nog, o mijn volk! Weet gij mijne Geliefden! hoe de jonge arenden leeren vliegen ? De arend of adelaar bouwt zijn nest in de holen der steenrotsen. Beginnen nu zijne jongen te groeien, zoo brengt hij ze, als zij nog niet kunnen vliegen, buiten het nest, opdat zij zouden leeren zich zelfstandig te bewegen in het luchtruim. Buiten gekomen Iaat hij ze los, maar de jonge arend, die nog geen vleugelen heeft om te vliegen, zinkt in de ruimte naar beneden, en zoude in de diepte moeten verdwijnen of aan de rotsen verpletterd worden. Maar de oude adelaar, geweldig in zijne liefde, ras No. 107. 15 Februari 1890.

ocr page 146

134

in zijne hulp, trouw i1 zijne barmhartigheid, ziet met éénen blik het gevp waarin de jonge zweeft. Pijlsnel vliegt hij ondei. net wegzinkende vogeltje, vangt het op zijne vleugelen en draagt het zoo veilig en warm in zijn nest terug, totdat de tijd van den jongen arend ook gekomen is. De beteekenis is dus deze: Ik heb u gedragen, gelijk een arend zijne jongen draagt op zijne vleugelen. Met andere woorden dus : gij waart aan 't zinken, o mijn volk, gij waart in den afgrond nedergestort en in het dreigend gevaar aan de rotsen verpletterd te worden ; maar Ik schoot toe, als een sterke arend, als een liefhebbende en beschermende vader, en Ik heb u gedragen, gelijk een man zijnen zoon, of eene voedster het kleine, zwakke kindeke draagt, of zooals de herder, die, als hij het verlorene schaap zoekt en vindt, het op zijnen schouder legt, en het zóó in den veiligen schaapsstal terug brengt. Heeft de Heere ook zoo niet met ons gehandeld ? Wien heeft Hij ooit uitgeworpen, die tot Hem kwam ? Gedragen heeft Hij u, o gemeente! in Zijne trouwe, sterke armen. Dit is het dus, wat Mozes, en door hem de Heere, tot het volk zeggen wilde: gij kondet niet gaan noch staan, gij waart verloren, en zoudt van honger en kommer omgekomen zijn in dat nest, waar gij u zoo te huis gevoeldet ! Maar Ik heb Mij over u ontfermd, heb u, o Mijn volk ! gedragen op Mijne sterke armen, 11c heb u niet verworpen, ofschoon gij niets anders verdiend had ! Ik heb mij niet gekeerd aan uwe twijfelingen, aan uw ongeloof, aan uwe murmureeringen, maar Ik ben steeds dezelfde voor u gebleven, tot op heden, en »Ik heh u tot Mij ge-hracht.quot; Indien dat geen waarheid was, waar zoudt gij u thans bevinden, o gij kind van God ? Hebt gij het geluk kunnen vinden in de wereld ? Ach ! wie

ocr page 147

135

ziju geluk in de wereld vinden kan, is diep te beklagen ! Kunt gij uw waarachtig heil, vrede en gelukzaligheid, bi] u zeiven of bij eenig schepsel vinden V Geen schepsel, niensch noch engel, kan u van de zonde verlossen, de zonde van u verwijderd houden. Geen schepsel, mensch noch engel, kan uwe zonden uitdelgen, noch u dezelve zóó vergeven, zóó dat ze in waarheid vergeven zijn. Geen schepsel, mensch noch engel, kan mij iu mijne droefheid troosten. Geen schepsel, mensch noch engel, kan geduld met mij hebben, als ik verkeerd ben. Nu, o ziele, tot wien anders dan tot uwen God kunt gij dan veilig de toevlucht nemen ? Is Hij niet de levende God ? Welk eene genade ! alles verloren te hebben, maar God over te houden! Alle grond moge u onder de voeten zijn weggezonken, maar het bloed Je/.u Christi is er toch nog en reinigt van alle, ja van alle zonden. Welk eene genade, zóó tot God te zijn gebracht, of gebracht te worden! Wie heeft dat gedaan ? Gij ? Immers neen ! want de Heere zegt: Ik heb it tot Mij gebracht! Het blijft er maar bij : niemand komt tot den Heere Jezus, tenzij de Vader, die Hem gezonden heeft, hem trekke. Zijt gij dus tot den Heere gebracht, zoo is Hij het Zelf, die u getrokken heeft met de koorden Zijner liefde, met Zijne almachtige genade, die u te sterk is geworden, en u heeft overmocht. O, wie zou hier niet uitroepen : welgelukzalig is hij, dien Gij verkiest en doet naderen, dat hij wane in Uwe voorhoven. Ps. 65 : 5« ! Nu, dit alles hebt gij »gezienquot;, en dat is het, wat ik u wilde bijbrengen in dit morgenuur, u die klaagt, dat er voor u nooit iets te zien is dan nood, ellende en dood ! Ik zeg niet, dat gij allen, wat ik u voor-houde, »gezienquot; hebt, dit bij ervaring kent; maar wilt gij weten, wie dit alles gezien hebben en kennen ?

Ifii

' .Mf

\mz ï

mi

• itpj mm. iiü

IntwPrr

:| '1

ffilfr

'«Mi

11

l'l ■

m

ï:f

f-iW 1 1 ■

J

ocr page 148

136

Dat zijn degenen, wier oogen God de Heere Zelf geopend heeft, zoodat zij hunne eigen ellende en verdoemenis grondig hebben leeren kennen, en het hebben leeren inzien, dat zij zonder den Heere machteloos moesten omkomen voor eeuwig. Het allereerste en alleronmisbaarste is alzoo: cene luaarachti.ge, ha-heering tot God, eene bekeering echter, die niet gij o mensch ! maar die de Heere Zelf in u werkt door Zijn Woord en Geest, want Zijn Woord is een sterke hamer, die de rotsen vermorzelt en in stukken slaat. Eerst komt er een ontdekt worden aan onze eigene ellende, aan onze algeheele diepe verdorvenheid. Maar waar God ons hiervoor de oogen opent, daar opent Hij ook onze oogen voor Zijnen Zoon, voor het bloed Zijns Verbonds, voor dat altaar des kruises, waarop al onze zonden in de vlammen verteerd worden voor 's Heeren aangezicht.

O Geliefden ! laat ons toch onzen God loven en prijzen .voor hetgeen onze oogen »gezienquot; hebben, en niet al te veel klagen over de ellenden en moeilijkheden van dit aardsche leven ; want als wij moedeloos ter neder zitten, dan juicht de duivel ; neen ! laat ons liever eens bedenken, wat onze oogen gezien en aanschouwd hebben, en daarover vroolijk in de handen klappen, den duivel ten spijt. En dan noem ik allereerst : verlossing van onze zonden en ongerechtigheden, waardoor God ons gedragen heeft over alle afgronden, waarin wij, zonder Hem, hadden moeten verzinken ! O, welk eene onverdiende genade, dat God ons tot Zich getrokken heeft en nog trekt! Als wij dit begrijpen, zullen wij de overige woorden van onzen tekst in onze harten begraven en mede nemen op onzen levensweg, namelijk dit woord; dat wij 's Heeren stemme hebben te gehoorzamen en Zijn verbond te houden. Zwerf toch niet heen en weder

ocr page 149

137

o, mijne geliefden, ga uwen weg recht en stil voort; en wil maar van niets weten, dan van Mijne genade, Mijne trouw. Mijne wijsheid. Mijne goedertierenheid, Mijn verbond ! Als zoo uw weg is, o Israël, o mijn volk ! dan zijt gij Mijn bijzonder eigendom, dan zijt gij Mijne bruid ! ook waar de duivel u toevoegt, dat gij niets, zijt dan een brandhout voor de helle. Mijn eigendom. Mijne bruid zijt gij nochtans, want vde gaiiscke aarde is. Mijne,'quot; d. i. : Ik doe daarmede wat Ik wil. ü neem Ik, u, die uzelve voor niets anders houdt dan voor een verkoold stuk hout, dat nergens toe dient dan om weg geworpen te worden, voor eeuwig, en Ik herschep u in eene parel, eene blinkende parel aan Mijne kroon !

Ja! een koninklijk, een priesterlijk volk zult gij Mij zijn, vergeet dat niet! Niet voor niet staat er geschreven, dat de Heere Jezus ons gekocht heeft met Zijn bloed en ons zoo gemaakt heeft tot koningen en priesters. Daar de Heere ons alzoo tot koningen en ] n'i es teren gemaakt heeft, zoo behoort onze handel en wandel ook koninklijk en priesterlijk te zijn. God Zelf zal ons, om hier in te kunnen volharden, genade, wijsheid, sterkte, moed en geloof schenken. Eu laten wij liet daarom steeds dankbaar erkennen : ja Heere God ! het is alleen Uwe genade, Uioe barmhartigheid. Uw werk, dat wij tot u komen ; tot op heden hebt Gij mij gedragen, gelijk een man zijnen zoon draagt. En de vijanden V Ik ken ze niet, ik weet niet, waar zij verborgen zitten, maar dat eene weet ik: Jezus Christus onze Heere, draagt alleen de eerekroon, en eens brengt Hij eene eerekroon mede, voor allen, die bier wettelijk gestreden hebben. 2 Tim. 2 : 5.

lit iri li li If

'■ Pm SsF

i

li

ilii

m

«m 11

ocr page 150

138

DE AAN HET MURMUREERENDE VOLK ISRAELS GESCHOKKENE VRIJSTEDEN, ALS BEELD VAN CHRISTUS.

Wij willen, voordat wij den tocht der kinderen Israels door de woestijn weder vervolgen, eens stilstaan bij eenige ordinnantiën en instellingen, die de Heere onze God Imn tot hunnen troost en behoudenis gaf, en wij zullen daaruit zien, hoe ook hier weer blijkt dat »daf al wat te voren geschreven is, tot onze leering te voren is (/eschreven, opdat wij door lijdzaamheid en door vertroosting der Schriften, hoop zouden hehhen. Rom. 15 : 4. Wij willen dan nu eens beschouwen de instelling der zoogenaamde vrijsteden, en zullen dan ondervinden, hoe waar het is, wat wij lezen Openb. 19 ; 10ft, namelijk: loant de getuigenis van Jezus is de geest der profetie. Wij zullen hierbij ondervinden, hoeveel troost er voor armen en ellen-digen in deze instelling der vrijsteden is gelegen.

Nadat onze Heere op Sinaï de tien woorden of geboden der wet gegeven had, als vorm van het verbond der genade, liet Hij den volke Israels verkondigen, hoe Hij Zich hun in het vleesch zoude openbaren, hoe Hij hun vleesch en hun bloed mede deelachtig zoude worden, hoe Hij iu Zijne waarachtige menscheid, als de eenige Middelaar Gods en der menschen, het altaar zoude - worden, waarop alléén de eenige offerande, die voor God geldt, zoude worden aangebracht. In deze woorden der wet, in al de ceremoniën en instellingen der wet, die Hij hun gaf, gaf Hij aan Zijn volk liet bevel, Hem, als den hun van God geschonken Verlosser en Zaligmaker, ook geheel en al zoo aan te nemen, als Hij hun werkelijk van den Vader gegeven was. Zij moesten aan Hem niets willen veranderen, noch verbeteren, maar

ocr page 151

139

lang bij den grond blijven, in diepen ootmoed en verbrijzeling des harten ; zij moesten ook geen trappen aan dien altaar maken, om tot den zei ven op te klimmen, daar zulk eene onderneming toch nergens toe zoude dienen, dan om hunne eigene zonde en ellende aan het licht te brengen, zooals wij lezen Ex. 20 26 ; Gij zult ook niet met trappen tot Mijn altaar opklimmen, opdat uwe schaamte voor hetzelve niet ontdekt toorde.

Vervolgens gaf de Heere aan Israël bevelen omtrent de Hebreeuwsche knechten en dienstmaagden, opdat zij uit deze bevelen in een beeld zouden leeren, hoe Hij zelf eens in de volheid der tijden in hot vleesch zoude verschijnen om het welbehagen des Vaders te volbrengen, Zijn volk in dezen Zijnen heiligen wil te heiligen, en zoo Zijne eigene, dierbare, duurgekochte gemeente tot Zich te brengen, als Zijne geliefde bruid en dienstmaagd. Ex. 21 : 1—11. Maar Hij verzuimde ook niet om Zijn volk hunne eigene oproerigheid en verkeerdheid te openbaren eu hun bekend te maken, dat zij Hem zouden verwerpen en dooden, maar tevens verzweeg Hij niet, hoe Hij alle deze hunne verkeerdheid ten goede zoude koeren, hun al hunne zonden wilde vergeven, en hun eene veilige toevlucht zijn tegen den eeuwigen dood. Dit laatste, dat Hij hun eene veilige toevlucht wilde zijn tegen den eeuwigen dood, sprak Hij uit in het 12de en 13de vers van Ex. 21; waarbij Hij echter de wederspannigen en tegensprekers waarschuwt, dat Zijne genade hen niet zoude helpen, als zij in hunnen onbekeerlijken en verharden zin bleven, den Heere te verwerpen en te verzoeken. De woorden van deze verzen luiden aldus : Wie iemand slaat, dat hij sterft, die zal zekerlijk gedood ivorden, doch, die hem niet narjesteld heeft, maar God heeft hem zijne hand

ocr page 152

140

doen ontmoeten, zoo zal Ik u eene plaats hestellen, waar hij henen vliede. Maar indien iemand tegen zijnen naaste moedwillu/ gehandeld heeft, om hem met list te dooden, zoo zult gij denzelven van voor Mijn altaar nemen, dat hij sterve. Ex. 21 : 12—14.

Voor dat wij tot de uitlegging dezer woorden overgaan, nog liet een en ander vooraf, uiijne Gre-liefden ! Het verstaat zicli van zelf, dat in deze woorden de Heere, die het niet duldt, dat iemand ongeroepen ingrijpe in Zijne lieerscliappij over leven en dood, in deze instelling der vrijsteden, die wij nu met u zullen beschouwen, opkomt voor die rampzaligen, die door een ongelukkig toeval, onwetend en onwillens iemand gedood hadden, want ware de Heere niet voor dezulken opgekomen, dan zouden zij volgens de wet geen ander lot te wachten hebben gehad, dan door den bloedwreker, d. i. de naaste bloedverwant des overledenen, zonder eenige barmhartigheid te worden nedergeveld. Het verstaat zich echter ook van zelf, dat buiten dezen letterlijken zin, dien wij volkomen eu in zijn geheel aannemen, in deze instelling des Heeren, evenals in alle andere instellingen en ceremoniën der wet, een dieper zin ligt verborgen, en dat de Heere God, ook toen Hij aan Zijn Israël de genadige instelling der vrijsteden gaf, hierdoor Zijn volk van alle tijden en van alle eeuwen, op Christus, als op het ware en eeuwige toevluchtsoord voor arme en ellendige zondaren wilde heenwijzen. Waar echter die plaats, waarheen de doodslager vlieden kon, gelegen was, ja de geheele inzetting der vrijsteden vinden wij uitvoerig beschreven in het vijf en dertigsde hoofdstuk van Numeri.

Wat wij daar vinden, dat de Heere tot Mozes sprak in de vlakke velden der Moabieten, aan de Jordaan van Jericho (Num. 35 : 1), vernam Mozes

ocr page 153

141

veertig jaren, nadat de Heere bij Sinaï de instelling der vrijsteden aan Zijn yolk beloofde, als toevluchtsoord voor hen die onvoorziens of onwillig eenen doodslag begaan hadden. Daar, bij Jericho, werden twee en veertig steden met hunne voorsteden gese-

1 t • O O

ven aan de Levieten. De voorsteden dezer steden moesten - van den stadsmuur af en naar buiten van duizend ellen zijn, rondom. Behalve deze twee en veertig steden moest Mozes den Levieten ook nog zes vrijsteden geven, zoodat zij in het geheel acht en veertig steden bezaten. In dit zelfde hoofdstuk gaf de Heere de voorwaarden aan, waarop een ieder, die onwillens of onvoorziens eenen doodslag had begaan,

O O 7

in eene dezer vrijsteden een toevluchtsoord zouden hebben. Hij beloofde verder lijfsbehoud aan zulke ongelnkkigen, bestemde hoelang zij binnen de vrijstad moesten blijven, maar Hij liet tevens ook het behoud huns levens afhangen van hun blijven binnen de muren der hun beveiligende stad.

Wij moeten bij het nalezen van Numeri 35 niet uit het oog verliezen, dat Mozes, onmiddelijk nadat de Heere met hem bij Jericho over deze zaak had gesproken, den kinderen Israels reeds drie vrijsteden schonk, en dat dezelve niet in Kanaan, maar aan de overzijde der Jordaan gelegen waren: wij weten dit uit Deut. 4 : 41—43 waar wij lezen : toen scheidde Mozes drie steden uit, aan deze zijde der Jordaan, tegen den opgang der zon ; opdat daarheen vlood, de doodslager, die zijnen naaste onwetende doodslaat, dien hij van gisteren en eergisteren niet haatte ; dat Idj in eene van deze steden vlood, en levend, bleve: JBezer, in de woestijn, in het effen land., voor de liubenieten; en Ramoth in Gilead, voor de Gadieten; en Golan in Bazan, voor de Manassieten. Wij moeten ook niet uit het oog verliezen, dat deze woorden uit vs. 41 ;

'jti IIIk pp

i,1 ■ ■ -l

fill

li

Ml fill lil ■m

„■4

■ül |'4;

Bi'

ocr page 154

142

•itoen scheidde Mazes drie steden uitquot; enz. onmidde-lijk volgen op de aanspraak, die hij tot liet volk liad gehouden en die wij in de veertig eerste verzen van Deut. 4 vinden. Eerst in liet 19'le hoofdstuk van Deuteronomium vinden wij er gewag van gemaakt, dat zij drie andere steden, als vrijsteden, ontvingen in het land Kanaiin zelf, en dat zij dus in het geheel zes vrijsteden hadden, juist zooals de Heere op de vlakte der Moabieten bij Jericho hun had beloofd.

Op 's Heeren bevel maakte Mozes echter dit goddelyke voorrecht afhankelijk van de gehoorzaamheid des volks, opdat zij zóó het beloofde land in ongestoord bezit zouden hebben. Wij lezen daarom, Deut. 19 : 8, 9 : En indien de Fleere, uw God, uwe landpale sal verwijden, gelijk als Hij uwen vaderen gezworen heeft, en u al dat land geven zal, hetwelk Hij uwen vaderen te geven gesproken heeft (wanneer gij ditzelve gebod zult waarnemen, om dat te doen, hetgeen ik u heden gebiede, den Heere uwen God liefhebbende, en alle dagen in Zijne wegen wandelende) zoo zult gij u nog drie steden toedoen tot deze drie.

Eerst onder Jozua echter werd deze instelling werkelijk ten uitvoer gelegd op 's Heeren uitdrukkelijk bevel, zooals wij lezen kunnen Jozua 20 : 7 en vv. : toen heiligden zij Kedes in Galilea, op het gebergte van Nafthali, en Sichem op het gebergte van Efraïtn, en Kirjath Arba, deze is Hebron, op het gebergte van Juda. En aan gene zijde der .lordaan van Jericho oostwaarts, gaven zij Bezer in de woestijn, in het platte land, van den stam van Ruben en l'amoth in Gilead, van den stam van Gad, en Golan in Bazan, van den stam van Manasse.

Daar nu deze instelling der vrijsteden, evenals alle instellingen en ceremoniën der wet, ons oygt; Christus wijst, kan het uw geloof zeer versterken en uwe

ocr page 155

BS i

■ i • i? ■

143

de bijzonderheden van i te gaan, en te vernemen, wat de Heilige Geest ons daardoor leeren wil. Eu als ik u mededeel, wat de Heere Zelf mij daaromtrent geleerd heeft, stoor ik mij weinig aan hen, die deze uitlegging niet willen aannemen, maar veeleer dezelve met schouderophalend medelijden vernemen; want wat kunnen zij anders, wier buik Inm God is, en die de godgeleerdheid als een handwerk en broodwinning beschouwen.

De onvrijwillige doodslag, of liever de doodslag uit onvoorzichtigheid of onwetenheid gepleegd, was op zich zelve straf haar voor God en menschen; ware dit niet het geval geweest, dan had de Heere eenvoudig aan den bloedwreker kunnen verbieden dezulken neder te vellen, die onwetend en onwillens bloed vergoten hadden. Juist omdat zulk een feit strafbaar was, stelde de Heere eene plaats in, waarheen men in een diergelijk geval vluchten kon, en waar men van de schuld en de welverdiende straf ontheven en vrijgesproken kon worden.

De plaats, door den Heere aangewezen, was altoos eene Levietenstad. Voor de poort moest de doodslager blijven staan; de oudsten der stad moesten hem verhooren, en, eerst na gedaan onderzoek, hem binnen de muren der stad opnemen ; dan moest hij voor de vergadering des volks gebracht worden, en zijne zaak werd nog nader onderzocht. Was de doodslag werkelijk onwillens en onwetend geschied, dan werd de doodslager binnen de stad toegelaten. Maar langs welken weg verkreeg nu die doodslager verzoening zijner zonden, gerechtigheid en heiligheid ? Wat was de gebeurtenis, die hem eindelijk weer de volkomen vrijheid terugschonk ? Niets anders dan de dood des Hoogepriestars. Als die Hoogepriester, die ten tijde

sTJS «ft ;

II p

zielen liefelijk vertroosten, deze goddelijke instelling i

f

ff

li

1

.'4

ii-

'lil' i'i ^ *

;

ii^ii iii I

- ■! 1

j»ff

'.'■■iTiil

mï

ocr page 156

144

van den gepleegden doodslag over Israël was gesteld, stierf, dan verwierf de doodslager de vrijheid ; evenals wij door niets anders worden vrijgesproken van onze welverdiende straf, dan door den dood van dien eenen, ons van God geschonken Hoogepriester, die ons met de eenige offerande Zijns lichaams verlost heeft. Zoolang de dood des Hoogepriesters nog niet plaats had gevonden, genoot de doodslager alleen lijfsbehoud op voorwaarde, dat hij binnen de muren der vrijstad bleef.

De doodslag waarop hier by de instelling der vrijsteden, geestelijk gezien wordt, beduidt dit; dat wy door onze zonden en ongerechtigheden, door onzen geheelen afval van God, en moedwillige onge-

o # 7 o o

hoorzaamheid reeds van onzen eersten vader Adam af, de eigenlyke oorzaak zijn van het lijden en sterven van onzen getrouwen Zaligmaker Jezus Christus, die door dat Hij ons vleesch en bloed had aangenomen, in waarheid onze broeder, onze naaste was.

Uitgegeven bij W, MEIJER, Conimelinstraat 33, Amslerdam. Voor Duitscliland verkrijgbaar bij F. BüCKMANN, Eiberfeld. Prijs per Nummer 3 Cts. Franco per post 4 Cts.

ocr page 157

SCHRIFTVË It KLARINGEN

VAN

«!•. 25. F. ïiOESLEJRÜGGE.

Eenige bijzonderheden omtrent den uittocht der kinderen Israels uit Egypte en hunne reis door de woestijn.

DE AAN HET MURMUREERENDE VOLK ISRAELS GESCHONKEKE VRIJSTEDEN, ALS BEELD VAN CHRISTUS.

In de Heilige Schrift heeft het woord doodslaan drieërlei beteekenis; de eerste is, iemand zóóneder-vellen, dat hij nooit meer op kan staan. Onzen Zaligmaker op deze wijze neder te vellen ging echter alle menschelijke krachten te hoven, en in dezen zin hebben ■wij het dus hier niet te nemen. De tweede beteekenis is : iemand als het ware verscheuren, zoo hard slaan, dat de dood er op volgen moet, en het is zonneklaar, dat wij op deze wijze evenmin onzen Heere dooden honden, want geheel vrijwillig leidde Hij het leven af, en zoo sprak Hij immers : daarom heeft Mij de Vader lief, overmits ik mijn leren afleg, opdat ik hetzelve loederom neme. Niemand neemt hetzelve van mij, maar ik leg het van mij zeiven af; ik heb macht hetzelve af te leggen en heb macht hetzelve ived.erom te nemen. Dit gebod heb ik van mijnen Vader ontvangen. Joh. 10 : 17, 18.

De derde beteekenis is : iemand geheel te verbrijzelen en op zulk eene wijze geheel te niet en tot niets te maken, en het is in dezen zin, dat in de grondtaal dit woord ook gebruikt wordt in het gebod: gij zult niet dooden.

No. 108. 1 Maart 1890.

liïl 1

iilr

ailli ip''

m p i

PI

III.5quot;'

: r' •

\w4t i ^

11

il 13 li

' ?quot; • i

:l|l ilii

lif «

■ quot;i: ft

:ü

■fl

ocr page 158

146

Hoe liet Israëlitische volk zich aan deze zonde tegenover den Heere der heerlijkheid heeft schuldig gemaakt, leert de apostel Petrus ons zonneklaar in Handelingen 2 : 23, waar hij zegt: dezen, door den bepaalden raad. en voorkennisse God» overgegeven zijnde, hebt gij genomen, en door de handen der onrecht,vaardig en aan het kruis geheeld en gedood. En Hand. 3 : 14 en 15quot;: Maar gij Jie.ht den Heilige en Rechtvaardige verloochend, en held begeerd, dat u een man, die een doodslager roos, zou geschonken worden; en den Vorst des levens hebt gij gedood.

En dat wij, niet minder dan het volk Israels, mede oorzaken zijn van 's Heeren dood, dat wij Hem, voordat wij tot het geloof kwamen, evengoed als de Joden, hebben verloochend en gedood, ja, dat dit verloochenen en dooden van nature nog in ons zit, ook na ontvangene genade, zal gewis ieder berouwhebbende en verootmoedigde zondaar toestemmen, en van ganscher harte »Amenquot; ! zeggen op hetgeen in Jesaja 53 staat geschreven: wij hebben Hem niet geacht. En zulk een arme zondaar zal zich ook van ganscher harte aan des Heeren bestraffing onderwerpen, als Hij spreekt: Mij hebt gij geen kalmus voor geld gekocht, en met het vette meer slachtoffers hebt gij Mij niet gedrenkt; maar gij hebt Mij arbeid gemaakt met uwe zonden, gij hebt Mij vermoeid met uwe ongerechtigheden. Jesaja 43 : 24.

Maar kan men nu zulk eenen doodslag •!gt;onvrijwilligquot; en •»onvoorziensquot; noemen ? Is het niet veel meer geheel vrijwillig en met voorbedachten rade, dat wij, als doodslagers, als haters Gods, met opgeheven schild tegen Hem en Zijnen Gezalfden instormen ? Gewis, mijne geliefden, maar wij hebben met zulk eenen barmhartigen en genadigen God te doen, en Zijne ontferming is zóó groot, dat Hij den boet-

ocr page 159

147

p l

vaardigen zondaar niets verwijt, maar hem nog hetzelfde laat aanzeggen, wat Hij den Joden liet aanzeggen door den mond van Petrus : en nu, broeders ! ik weet, dat cjij het door * onwetendheidquot; gedaan hebt, qelijk als ook mee oversten. Hand. 3:17. Het was immers naar den bepaalden raad en voorkennisse Gods, dat Christus ten doode werd overgeleverd, daarom zegt Petrus ook in het 18e vers : maar God heeft alzoo vervuld., hetgeen Hij door den mond, al Zijner profeten te voren verkondigd had, dat de Christus lijden zoude.

Wie waarachtig tot den Heere bekeerd wordt, dien snijdt dit door het harte. En wie het woord van Petrus in het 19e vers met de ooren des geestes verneemt: betert u dan, en bekeert u, opdat uwe zonden mogen uitge-wischt worden, die zal ook wel met diepe verslagenheid uitroepen: wat moeten wij doen, om zalig te worden ?

Daar lezen wij nu allereerst in Ex. 21 : 13 van eene plaats, van eeu toevluchtsoord voor die armen, die anders niet zouden weten, waar met hunne zonden te blijven, en die daarom vol angst uitroepen : waar kan, waar mag ik henen vlieden V Wel wordt den zondaar nog niet aanstonds de plaats genoemd, waar hij een veilig toevluchtsoord vindt, maar toch is hem de tijding, dat er zulk een toevluchtsoord is, dat hij dus niet voor eeuwig onder den toorn Gods behoeft om te komen, eene star in den nacht, een licht in duisternis, en van ganscher harte hongert en dorst hij daar na, dat toevluchtsoord persoonlijk te leeren kennen en daarin geborgen te zijn voor eeuwig. En de Heilige Geest, die hem leerde, dat bij niets was dan een doemwaardig zondaar, openbaart aan zulk eenen armen zondaar, nadat hij langen tijd overal te vergeefs gezocht heeft en op allerlei omen bijwegen heeft rondgedoold, waar en bij wien

pf - fV, •

agf IfiSj

mamp;mÊ

pr

lit ii m

gij; ' i ÈÉ

J'l ill!

: .v.'f $

ocr page 160

148

waarachtige ruste is te vinden ên voor tijd èn voor eeuwigheid. Hij leert hem zes vrijsteden kennen, waarvan er drie aan deze, drie aan gene zyde der Jordaan zijn gelegen, drie vrijsteden, hier in dit Mesech, drie, die in de eeuwige heerlijkheid zijn gelegen, drie op aarde, drie in den hemel. Hoort en verneemt wat de Apostel Johannes hieromtrent mededeelt in het 7e

en 8e vers van het 5e hoofdstuk van zijnen eersten zendbrief: IVant drie zijn er, die getaifjen in den heme t. de Vader, het Woord en de Heilige Geest; en deze drie zijn één; en drie zijn er die getuigen op de aarde, de Geest en het water, en het bloed ; en deze drie zijn tot één.

Het is duidelijk waarom onder de hedeeling dei-wet den volke zes, en niet zeven vrijsteden werden aangewezen, want de zevende, de waarachtige en eeuwige vrijstad was de Heere Christus Zelf, die het tegenbeeld en de werkelijkheid van deze geheele goddelijke instelling was en is. Daarom werden den Levieten ook maar zes maal zeven steden geschonken, om te bewonen. Het zevende zevental bestond uit de zes vrijsteden, en dat getal werd dan volmaakt door den Heere Christus Zelf, die in de volheid des tijds in het vleesch zoude verscliljnen, als het ware tegenbeeld en de vervulling van alle ceremoniën der wet. Zoo vinden wij ook in het geslachtsregister onzes Heeren Jezus Christus, in het eerste hoofdstuk van Matth. zes maal zeven geslachten der vaderen, tot op Christus, die de volheid en de vervulling zelve was van alles, wat God den vaderen had beloofd.

Mozes als beeld der wet, kon het volk alleen drie steden aan deze zijde der Jordaan beloven, zooals wij u reeds mededeelden en gij het lezen kunt in Deut. 4 :41—-43, en zoo vermag de wet ook alleen den mensch te wijzen op de drie eerste vrijsteden ;

ocr page 161

149

ook heeft het geloof, dat hier uog zóó zwak en onvolledig is alleen die drie steden voor zich. Tot de volledige kennis der zes vrijsteden komt alleen degene, die hier door Gods genade in het ware geloof volhardde, en zóó in de eeuwige heerlijkheid wordt opgenomen om God te zien van aangezicht tot aangezicht.

Dat nu in de vrijstad de doodslagers allereerst den oudsten der stad zijne geheele geschiedenis te vertellen en zijne zaak te bepleiten had, voor dat hij in de stad, als in een veilig toevluchtsoord werd opgenomen, en dat hij dan nog door de gemeente in het verhoor werd genomen, ziet op de kerk, op de prediking des goddelijken woords, en op het ambt der sleutelen. En dit: dat tot den dood des hooge-priesiers des doodslagers veiligheid afhing van zijn blijven binnen de muren der vrijstad, dit, zeggen wij, kan een kind wel hegrijpen en uitleggen ; want het ligt voor de hand, dat hiermede gezegd wordt, dat wij, doodslagers en moordenaren van ons eeuwig Heil, nergens anders veilig in zijn geborgen, voor den toorn Gods, dan alleen in den dood Christi, in de eenige offerande Zijns lichaams, aan het kruis volbracht. Dat de veiligheid des doodslagers vóór den dood des ïïoogepriesters afhing van zijn blijven binnen de vrijstad, beduidt, dat, ook waar wij nog niet persoonlijk opgenomen zijn in de gemeenschap Christi en Zijns lijdens en stervens, wij nochtans niet moeten omzwerven, om ergens anders of van iemand anders heil of zaligheid te verwachten dan van Hem alleen.

Wat het beduidt, dat de doodshiger na des Hooge-priesters dood vrij, zeker, gerechtvaardigd naar zijne stad mogt terugkeeren, dat leert ons Paulus in Rom. 5, waar hy zegt ; Veel meer dan, zijnde nu gerechtvaardigd door Zijn bloed, zullen wij door Hem

ocr page 162

150

behouden worden van den toorn. Want indien wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door den dood Zijns Zoons, veel meer zullen wij, verzoend zijnde, hehoudm worden door Zijn leven. Hom. 5 ; 9 en 10.

Het zal niet noodig zijn, mijne geliefden, er u aan te herinneren, dat Jozua in de Schrift een beeld is van den eenigen waren en hemelschen Jozua, onzen Heere Jezus Christus, hooggeloofd in eeuwigheid, en dat daarom hij, en niet Mozes, die overal de wet vertegenwoordigt en afschaduwt, degene was en moest zijn, die den volke de in Kanaan gelegen vrijsteden, hetzij aan deze, hetzij aan gene oever der Jordaan in werkelijkheid aanwees. Nu zal men misschien zeggen: ja, maar dat verstaat zich van zelve, en vindt zijne oorzaak alleenlijk daarin, dat ten tijde van Mozes rede, het geheele land Kanaan nog in het bezit der vreemde volkeren was, maar hierop antwoorden wij : ja, dat had hij in letterlijken zin toch wel kunnen doen, want de Heilige Geest had hem, indien de Heere zulks gewild had, de steden kunnen noemen, ook aan de andere zijde der Jordaan, die deu volke als vrijsteden zouden geschonken worden. Maar, dat het Jozua en niet Mozes was, die die vrijsteden den kinderen Israels gaf, daarmede wil de Heilige Geest ons zeggen, wat wij u hier leeren, namelijk, dat het niet de wet, maar Christus is, die ons tot eene eeuwige oorzaak en bron van heil en zaligheid is geschonken. Dat Jozua en niet Mozes voor de kinderen Israels de van God gegevene vrijsteden aanwees en openstelde, heeft alzoo behalve de letterlijke, de door ons gegeven geestelijke beteekenis, gelijk er ook een diepere zin door den Heiligen Geest is gelegd in de woorden, die wij Deut. 34: 3 lezen, namelijk: En Hij, d. i. de Heere, hecjroef hem, (d. i. Mozes) in het land van Moab, tegenover Beth Peor,

ocr page 163

151

en niemand heeft zijn graf geweten, tot op dezen, dag. Ja, wie weet, wie verstaat het tot op dezen dag, hoe dat toegaat, als God eene verbrijzelde en verbrokene ziel verlost van den schrik en den vloek der wet, en haar overbrengt onder de heerschappij der genade, onder het zachte en liefelijke juk van onzen Zaligmaker Jezus Christus, onzen hemelschen Jozua !

Wijst nu de Heilige Geest ons ook nog op heerlijke vertroostingen door de namen der door Gods genade aan Israël gegevene vrijsteden ? Gewis ! Of zoude God de Heere die namen zoovele eeuwen lang op het Bijbelblad voor zijn volk hebben laten bewaren zonder eenig doel, zonder dat Hij er ons iets door wilde leeren, zonder dat Hij er onze zielen liefelijk mede wilde vertroosten ?

Mijne dierbaren! gij die hongert en dorst naar troost en uitredding van uwe arme zielen, verneemt, liet wat de Heere u leeren wil door de namen dier steden, die Hij zelf als toevluchtsoord voor Zijn volk bestemde. Misschien zal de een of andere onder u, en die tot »de gerusten te Ziouquot; behoort er door gedreven worden zich zeiven te onderzoeken en zich af te vragen, of hij zich werkelijk als een doodslager, d. i. als een arme en ellendige zondaar, op den rechten weg, tot de waarachtige vrijstad, dat is tot Christus, bevindt. Ja, dat vrage zich een ieder, of hij deze eene vrijstad Christus, die ons in het beeld der zes vrijsteden wordt voorgehouden, werkelijk kent, zoodat hij persoonlijk daarin opgenomen is, en veilig daarin woont, te midden der stormen dezes levens, en tegen dien allerlaatsten storm, dien niemand onzer ontvlieden kan, den storm des doods ! En dit persoonlijk onderzoek, mijne dierbaren, leg ik u aan 't hart, opdat gij den eenigen troost moogt bekomen

m : •

: i

i ü'lquot;

i V? If;

Iffli

m lïi

li ill

i 'i

ocr page 164

152

in leven en in sterven, en gij zoudt leeren verlangen naar de genade der wedergeboorte, der geboorte uit God, en ook heimwee zoudt gevoelen naar die eeuwige stad daarboven, waar Christus is, de waarachtige vervulling en werkelijkheid der aan Israël beloofde en geschonkene vrijsteden.

Allereerst wil ik u de beteekenis van het woord »vrijstadquot; in de oorspronkelijke taal mededeelen. Het wordt in het Hebreeuwsch afgeleid van een woord dat »inkrimpen,quot; gt;inkrimpingquot; beteekent. Hierdoor leert ons de Heilige Geest, dat zulk eene vrijstad, en dus ook onze Heere Christus, geschonken is, tot een veilig toevluchtsoord voor dezulken, dien het bang, o zóó bang om 't harte is, voor arme vluchtelingen dus, die rust zoeken voor hunne gejaagde en door allerlei stormen voortgedrevene zielen, en die de stad eindelijk bereiken in den deernis-waardigsten toestand met opgekrompene, ingezonkene en van smart kromgebogene ledematen, zoodat zij op den weg honderdmaal liever zich verborgen hadden gehouden en moedeloos waren neergezonken, dan den weg naar de vrijstad voort te zetten en zoo geborgen te zijn voor het zwaard des bloedwrekers.

Wie alzoo waarachtige rust zoekt voor zijne gejaagde en voortgedrevene ziele, zal het ook als een liefelijk beeld van Gods trouwe zorg voor de handhaving en instandhouding van alles, wat Zijne goddelijke waarheid en derzelver verkondiging betreft, met vreugde vernemen, wat de Joodsche geschiedverhalen ons omtreut de zorg mededeelen, die de priesterlijke overheid voor de wegen, die tot de vrijsteden geleiden, te dragen had. Deze wegen moesten ruim, onbelemmerd en rechtuitloopend zijn. Alle hinderpalen en struikelblokken moesten steeds op het allerzorgvuldigst uit den weg worden geruimd,

ocr page 165

153

WSlr, 1'. ■

opdat niets den armen vluchteling in zijnen loop zoude belemmeren. Zulk een weg mocht nooit en nimmer over eene hoogte of door een moeras henen loopen ; jaarlijks werd allernauwkeurigst alles in orde gebracht, wat het ruwe winterweder aan zulk eenen weg kon bedorven hebben. En hadden storm of on weder zulk een weg soms voor eenen tijd onbruikbaar gemaakt, dan moest er onmiddelijk over de diepte, die ontstaan was, eene noodbrug worden geslagen. Waar dwars- of zijwegen waren, moesten groote handwijzers staan, waarop met duidelijke groote letters tweemaal stond geschreven : Naar de vrijstad.

Ook vermelden de oude joodsche geschiedverhalen, dat deze steden allen even ver van elkaar verwijderd lagen, op de wijze zooals de wijnstokken in de wijnbergen zijn geplant.

De beteekenis nu der namen der vrijsteden is de volgende : De eerste vrijstad was Bezer. dat beduidt in het Hebreeuwsch »rein goudquot; of gt; beproefd geloof,quot; in de woestijn (Deut. 4 : 43) dezes levens, in het effen land, dat is gt; in de vlakke velden, op den rechten weg.'' Dat is die weg, waarvan in Jesaja 40 ; 3 sprake is : eene slem des roependen in de woestijn ! Bereidt den weg des Heer en, maakt recht in de wildernis eene haan voor onzen God! En Jesaja 35 : 3 en 9 ; TUn aldaar zal eene verhevene baan en een weg zijn, ivelke de heilige weg zal genaamd worden : de onreine zal er niet doorgaan, maar hij zal voor dezen zijn, die dezen weg wandelt, zelfs de dwazen zullen niet dwalen. Er zal geen leeuw zijn, en ge.en verscheurend dier zal daarop komen, noch aldaar gevonden toerden, maar de verlosten zullen daarop wandelen. Verder lezen wij in ditzelfde 43ste vers van Deut. 4 voor de Ruhenieten, dat beduidt »voor dien stam, voor dat volk, dat op den Zoon ziet,quot; d. i. op

||

lil. ■II

i

m

m

lil

I

Ja

1

I

• M I B

ill li

■if

up

':fï-

ocr page 166

154

den Heere Jezus Christus, zooals geschreven staat

Joh. G : 40 : en dit is de wil des genen, die Mij gezonden heeft, dat een iegelijk, die den Zoon aanschouwt, en in Hem gelooft, het eeuwige leven hehhe, en ik zal hem opwekken ten uitersten dage. De tweede vrijstad was Rarnoth in Gilead, voor de Gadieten. gt; Ramotli m Gileadquot; beduidt in het Hebreeuwseh : « vaste grondslag in het land des heuvels der getuigenissenquot; en dat gt;voor de Gadietenquot; voor dien stam, waaruit volgens Gods belofte eene groote menigte zoude komen tot den Heere en tot Zijne genade met wee-nen en beven ! Geen vaster grondslag, geen vaster fondament echter dan hetgeen gelegd is, namelijk : Jezus Christus; en welk »een heuvel,quot; jawelk;»een bergquot; van getuigenissen en beloften liggen er niet in s Heeren Woord gereed voor het wormke Jakobs, voor het arme volkje Israels, dat tot Hem de toevlucht neemt ! De derde der vrijsteden is Golan in Bazan voor de Manassieten. Golan beduidt vreugde-rei of koorgezang, zooals wij Ps. 68 : 26 lezen: de zangers gingen voor, de speellieden achter, in het midden de trommelende maagden. Bazan beduidt: »liefelijke reuk'' en wordt beschreven Hooglied 8 : 14: Kom haastelijk, mijne liefste ! en wees gij gelijk eene ree, of gelijk een icelp der herten op de hergen der specerijen. En Habakuk 3 : 19 : De Heere Heere is mijne sterkte, en Hij zal mijne voeten maken cds der hinden, en Hij zal mij doen treden op mijne hoogten. Voor den opper zang meester op mijn Neginoth. En wat »Manassequot; hier beduidt, dat leert ons Jozef waar wij Genesis 41 : 51 lezen : En Jozef noemde den naam des eerstgeborenen Manasse, want zeide hij. God heeft mij doen vergeten al mijne, moeite, en het gansche huis mijns vaders. Zie ! zoo hebben wij hier in de namen der drie eerste vrijsteden een liefelijk tafereel, eene

ocr page 167

155

sclioone beschrijving van heilsgoederen en bevindingen, die wi] op onzen weg ontmoeten, zoo lang wij nog niet door de Jordaan des doods henen zijn, zoolang wij nog uitzien naar het aanbreken van het licht uit de hoogte, van den eeuwigen dageraad, van die liefelijke zon der gerechtigheid onder Wiens vleugelen gerechtigheid, vrede, vreugde, genezing, blijdschap des Heiligen Geestes, en in de verwachting .. Zijns heils is. Dan komt de Jordaan, de Jordaan des doods, waar het Israël Gods echter droogvoets door henen trekt, en Jericho met zijne hooge maren,

die in elkaar zinken, bij het juichen van dat volk,

dat juichen kan.

En nu komen wij aan de drie andere steden,

binnen in Kanaiin gelegen, die quot;wij wel is waar in de woestijn reeds bezitten in den geloove, maar die wij eens in werkelijkheid zullen bereiken, wij die des Heeren zijn. De eerste dezer drie in Kanaan gelegen vrijsteden, de vierde van het geheele getal,

is Kcde.s in Galileo, op het gebergte van Nafthali.

Jozua 20 : 7. Dit beteekent; heiligheid, want heilig en onberispelijk, ja zonder vlek of rimpel is de gemeente, is het Israël Gods, dat eens in Christus op Golgotha met God worstelde, om den zegen, en . ;|g

die dien aldaar ook koninklijk verkreeg in de overwinning van zijnen Goël en Verlosser ! De tweede vrijstad binnen in Kanaan was Sichem op het gebergte van Efraïm ; dat beduidt: het kleinood is verkregen, de strijd is volstreden, ik ben tot den eindpaal gekomen, en nu heb ik het gebergte bereikt, waar ik met Christus den goeden strijd gestreden heb, en het geloof heb behouden. Kirjath-Arha d. i. vierkante stad. Dat is die stad, waarvan Johannes spreekt Openbaring 21, waar wij in vers l'j uitdrukkelijk lezen: en de stad lag vierkant en

? f!'

til

/.K quot;k 1

i

11;

m'W

ocr page 168

156

hare lengte toas zoo groot als hare breedte. Die zesde vrijstad werd ook ilehron genoemd, op het gehenjte van Juda. En dit ziet op dat zoete gezelschap daarboven, in den hemel der heerlijkheid, waar wij, die des Heeren zijn, eenmaal zullen opgenomen worden met allen die Hem toebehooren, om Hem, onzen God, eeuwiglijk te loven en te prijzen daarvoor, dat Hij ons gekocht heeft met Zijn bloed, dat Hij ons gerechtvaardigd, vrijgesproken en gereinigd heeft van onzen aan Hem gepleegden doodslag, en ons voor eeuwig bij Zich hoeft geborgen in de eeuwige Vrijstad ! Heiligt deze Vrijstad in u aller harten, gijlieden, die dit leest of hoort. Amen !

Hiernevens ontvangen de lezers als geschenk de tweede der hun vroeger beloofde leerredenen.

Uitgegeven bij W. MEIJER, Commelinstraat IÏ3, Amsterdam. Voor Duitscliland verkrijgbaar bij F. BiiCKHANN, Eiberf eld, Frijs per Nummer 3 Ots. Franoo per post 4 Cts.

ocr page 169

S CIIR1F T V E R R L A U1 i\ G E N

VAN

lïr. II. F. k.ohl.brügqe:.

Eenige bijzonderheden omtrent den uittocht der kinderen Israels uit Egypte en hunne reis door de woestijn, (Vervolg).

WAT DE HEERE AAN ZIJN MURMUKEEREND VOLK WILDE LEEREN DOOR HET AMBTSGEWAAD DES HOOGEPR1ESTERS.

In den Heere Jezus Christus alleen, mijne geliefden ! hebben wij gerechtigheid en sterkte.

Voor dat wij met elkander betrachten, wat de Heere aan Zijn Israel, aan Zijn volk van alle tijden en van alle eeuwen leeren wil, door het ambtsgewaad des Hoogepriesters, willen wij te zamen opslaan Joh. 19 : 23—24, waar wij lezen: de krijgsknechten dan, als zij Jezus gekruisigd hadden, namen Zijne kleederen (en maakten vier deelen, voor eiken krijgsknecht één deel) en den rok. De rok nu was zonder naad, van hoven af geheel geweven. Zij dan zeiden tot elkander : Laat ons dien niet scheuren, maar laat ons daarover loten, loiens die zijn zal; opdat de Schrift vervuld worde, die zegt: Zij hebben mijne kleederen onder zich verdeeld, en over mijne kleeding hebben zij het lot geworpen. Dit dan hebben de krijgsknechten gedaan. Toen wij u onlangs een en ander mededeelden omtrent de kleeding der priesteren en levieten onder het oude Israël, deden wij zulks ook in verband met de nu aangehaalde woorden uit Joh. 19. Menigeen deelde mij later mede, dat deze uitlegging hem wel gesticht en vertroost had, maar

No. 109. 15 Maart 1890.

ocr page 170

bem toch wel eenigszins had verwonderd en bevreemd. Ik verwijs echter de zoodanigen naar de woorden des Hecren tot zijnen dienstknecht Mozes gesproken, die wij Ex. 25 : 40 lezen : zie dan toe, dat gij het maakt naar hun voorbeeld, hetwelk u op den herg getoond is, en die noor Stefanus (Handelingen 7 : 44), en door Pau-lus (Hebr. 8 : 5) worden aangehaald. De priesterlijke, zoowel als de hoogepriesterlijke kleeding was hem dus door den Hcere Zelf op den berg getoond, opdat deze bekleeding eene afschaduwing zoude zijn van het hoogepriesterlijke kleed van onzen hooggeloofden Heere en Heiland, en van onze genadige bedekking in Hem, opdat wij eenmaal, in den dag der dagen bekleed en niet naakt mochten worden bevonden. Allereerst past het ons, hierover handelende, onze eigene tweevoudige gruwelijke zonde te leeren kennen; dat is vooreerst de zonde onzer naaktheid voor God, waardoor en waarin wij zijne heerlijkheid derven, zoowel als de xonde onzes hoogmoeds, die zich in de ijdele kleederpracht openbaart, waarmede wij onze naaktheid dekken; ten andere noem ik die zonde, dat wij ook de naaktheid onzer arme zielen niet kleeden met de kleederen des heils, die de Heere Jezus Christus voor ons heeft verworven. Het is heilzaam, ja onontbeerlijk voor ons, deze onze zonden te leeren inzien, want alleen langs dezen weg zullen wij ook leeren, betoog te vestigen op onzen gekruisigden Heiland en Verlosser, en leeren begrijpen, waarom Hij van al Zijne kleederen ontbloot, naakt aan het kruis moest hangen, in de vreeselijkste koude, vooral gedurende de drie bange nren, dat de zon haar schijnsel niet gaf, en de geheele schepping in diepe duisternis lag verzonken. Slechts dan, wanneer wij recht onze eigene zonden en ongerechtigheid hebben leeren kennen, mogen wij met goeden grond gelooven, dat

ocr page 171

de Heere Christus zich om onzentwüie van al Zijne kleederen heeft willen laten berooven en, van alles ontbloot, aan het vervloekte bout des kruises heeft willen hangen, opdat wij bekleed zouden zijn met de kleederen des heils, met den mantel Zijner gerechtigheid. Wy willen nu, mijne geliefden! te zamen nog het een en ander aanstippen van hetgeen wy reeds vroeger omtrent de priesterlijke kleeding bij het volk Israels medegedeeld hebben, en dan willen wij daarna meer bepaald een gedeelte van het hoogepriesterlijke ambtsgewaad betrachten, dat wij beschreven vinden Ex. 28:31 — 35: Gij zult ook den mantel des efods geheel maken van hemelsblauw. En het hoof dg at deszelven zal in het midden daarvan zijn; dit gat zal eenen boord rondom hebben van geweven werk; als het gat eens pantsiers zal het daaraan zijn, dat het niet gescheurd worde. En aan deszelfs zoomen zult gij granaatappelen maken van hemelsblauw, en van purper, en van scharlaken, aan zijne zoomen rondom, en gouden schelletjes rondom- tus-schen dezelve. Dat er een gouden schelletje, daarna een granaatappel zij; wederom een gouden schelletje, en een granaatappel; aan de zoomen des mantels rondom. En Acirori zal denzelven aanhebben, om te dienen; opdat zijn geluid gehoord worde, als hij in het heilige, voor het aangezicht des [Jeeren, ingaat, en als hij uitgaat, opdat hij niet ster re.

Wij zijn gewoon gedurende den geheelen duur des winters of des zomers eiken Zondag dezelfde kleederen aan te doen, die wij ook den vorigen Zondag droegen, en, evenmin als ons dit schaden kan, zal het ons ook niet schaden, zoo ik u nog eens omtrent de kleeding der priesters onder Israël, het een en ander mededeel, dat gij reeds vroeger van mij vernomen hebt. Onze eerste vooronders Adam en Eva waren in het Paradijs

ocr page 172

4

bekleed met hunne onschuld, en in het kleed des lichts, ik zoude bijna zeggen in het kleed van goddelijk licht gebuid. Toen zij echter Gods gebod overtreden hadden, kwam de dood over hen, en met dien dood bet slechte geweten: hunne ziel was bevlekt, en uit hunne harten kwam niets te voorschijn dan allerlei onreinheid. Daarom werden ook onze eerste voorouders met schrik en vreeze vervuld, toen de Heere tot hen kwam in den hot van Eden, want zij hadden die schoone kleederen des lichts en der onschuld verloren. Daarom verschuilden zij zich achter de boomen des hofs, toen zij 's Heeren stem vernamen, en daarom sprak Adam : Ik hoorde Uwe stem in den hof, en ik vreesde, want ik hen naakt; daarom verborg ik mij. (Gren. 3 : 10). Toen liet de Heere God lammeren slachten, en bekleedde Zijne diepgevallen raenschenkinderen met derzelver vellen (Gen. 3 : 21). Dat was hun een beeld daarvan, dat er eene andere bekleeding voor hen was, namelijk bet kleed der gerechtigheid en heiligheid van Christus, het bun, te midden van bunnen dood. beloofde Vrouwenzaad. Zij waren zoo diep gevallen, dat zij er niet eens verstand van hadden, zich in hunne naaktheid met deze hun gescbonkene kleederen des heils te bekleeden, want wij lezen uitdrukkelijk in Genesis, dat de Heere Zelf hun die kleederen aantrok. Wij kunnen licht de schouders ophalen over deze onkunde en onbeholpenheid onzer eerste voorouders, maar evenmin, als zij bet verstonden, die uit beestenvellen gemaakte kleederen aan te trekken, evenmin verstaan wij het, ons te bekleeden met de kleederen des heils, die de Heere Jezus voor ons verworven heeft, ja wij kunnen deze kleederen niet eenmaal zien, tenzij de Heere Zelf ons de oogen opent. Zoo werd dan door die vellen van lamineren de schande

ocr page 173

hunner naaktheid bedekt, de onreinheid, die in lumne van God afgevallen zielen ontsproot, en zich van daar ook over hunne lichamen uitstrekte : zoo konden onze eerste voorouders in die rokken van vellen eene afschaduwing zien der heerlijkheid en der genade, die hen een afschuw gaf voor den dienst der zonde.

Toen de Heere God Zijn uitverkoren volk. Zijn Israël, in de woestijn had gebracht, liet Hij hun door Mozes in allerlei ceremoniën en instellingen der wet afbeelden, wat Hij, de Heere, zijn wil, voor en onder Zijn volk, wat; Hij voor hen is, wat Zijn arm volk aan Hem, den eeuwig Getrouwen, heeft, en wat dat volk in en door Hem bezit. Toen de Heere nu niet dit volk een eeuwig verbond der genade sloot, sprak Hij tot dit volk wat wij in Ex. 19 : 5 en 6 lezen : nu dan, indien (jij naarstiglijk Mijner stem zult i/ehoor-zamen, en Mijn verhond houdun, zoo zxdt (/ij Mijn eigendom zijn uit alle volken, ivant de gansehe aarde is Mijne. En gij zult Mij een priesterlijk koninkrijk, en een heilig volk zijn. Dit zijn de ivoorden, die gij tot de kinderen Israels spreken zult. Zoo was alzoo het volk Israels, en met hetzelve het geheele uitverkoren volk, dat de Heere ooit gehad heeft, heeft, of hebben zal. Hem tot een priesterlijk koningrijk, een heilig volk, een volk des bijzonderen eigendoras. Het oude volk Israels nu was niet anders bekleed dan de andere volkeren der aarde in hunnen tijd, maar God de Heere zonderde uit Zijn Israël éénen stam af, de Levieten, en uit de Levieten nam Hij Ailron en zijne zonen Zich tot priesteren, en Hij verordende voor hun een bijzonder ambtsgewaad, waaraan het geheele volk in een beeld en afschaduwing aanschouwen kon, hoe God de Heere hetzelve naar de ziel bekleeden wilde voor de eeuwigheid.

Deze zonen Aürons, deze afgezondene priesters dus,

ocr page 174

6

hadden yierderlei kleeding, van vierderlei kleuren. Het voornaamste kleedingstuk dezer priesterlijke kleeding was een eng aansluitende rok of kleed, dat het gebeele lichaam van den hals af tot op de voeten bedekte; dit moest aan één stuk geweven zijn, er mocht geen steek aan genaaid, noch te zamen gezet zijn, het moest geweven zijn uit fijn, helder, wit linnen. Zuiver linnen of lijnwaad wordt, zooals gij weet, uit vlas gemaakt, en is dus eene vrucht der aarde. Ve^l heeft het vlas te lijden, voor dat het, tot draden gesponnen, op den weefstoel komt, en zijn de draden op het weefgetouw gespannen, o, dan zijn het immers niets dan louter slagen, harde en vele slagen, die draadje aan draadje voegen, en er zoo één geheel uit maken. Zie ! dat is de weg van oudsher, dat er zulk heerlijk, fijn linnen tot stand kome, als waaruit de priesterlijke kleeding gemaakt was, en dat geldt ook van dat witte, schoone, hoogepriesterlijke kleed, waarvan de gemeente Gods zingt: Ik hen zeer vroolijk in den Heere, mijne ziel verheugt zich in mijnen God, want Hij heeft mij hehleed met de kleederen des heils, den mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omgedaan; gelijk een bruidegom zich met priesterlijk sieraad versiert, en ah eene bruid zich versiert met haar gereedschap. (Jez. 61 : 10.). Van deze kleederen des heils is ook dikwijls sprake in de Openbaring van Johannes. Zoo zegt de Heere Jezus tot de Laodicensen: Ik raad u, dat ge van Mij koopt goud, beproefd, komende uit het vuur, opdat gij rijk moogt toorden; en witte kleederen, opdat gij moogt bekleed worden, en de schande uwer naaktheid niet geopenbaard ivorde; en zalf uwe ooqen met oogenzalf, opdat gij zien moogt. Openb. 3 ; 18.

Verder lezen wij in Openb. 6:11, dat aan degenen, die gedood waren om het Woord Gods, en om het getuigenis, dat zij hadden, en wier zielen onder het

ocr page 175

7

altaar waren, werden gerjeven -zlancje witte kleederen.quot; Verder lezen wij nog Openb. 7 van de groote schare, die niemand tellen kan, en die uit de groote ver-( drukking kwamen, dat zij hekleed waren met lange ruitte kleederen, en dat zij liunne lange kleederen hadden gewasschen en wit gemaakt in het bloed des Lams. Zij hadden hunne kleederen ook gebleekt in de zon van allerlei verdrukking en vervolging! Daarom, staat er vs. 15—-17, zijn zij voor den troon van God, en dienen Hem dag en nacht in Zijnen tempel; en die op den troon zit, zal hen oversehaduioen. Zij zullen niet meer hongeren, en zullen niet meer dorsten, en de zon zal op hen niet vallen, noch eenige hitte. Want het Lam, dat in het midden des troons is, zal hen weiden, en zal hun een Leidsman zijn tot levende fonteinen der wateren; en God zal alle tranen van •I hunne, oogen afwisschen! Gij ziet hieruit, dat het alleen in het bloed des Lams is, dat hunne kleederen wit zijn geworden, en gebleekt in de zonnehitte der verdrukking, waaruit zij komen.

En daarom, wil de Heere zeggen : o mijn volk, het priesterlijke gewaad waarin gij uwe voorgangers ziet daar heen gaan, beduidt dit: Mijn heil is uw heil, Mijn vrede uw vrede ! Ziet! Jk kom als een dief. Zalig is hij, die zcaakt en zijne kleederen bewaart, opdat hij niet naakt toandele, en men zijne schaamte niet zie! (Openb. 16:15). Ja, bewaart uwe kleederen, blijft in Mijn Woord, opdat gij moogt volharden in , het zaligmakend geloof, opdat gij eens, hoog boven dood en graf. daar moogt staan voor des Heeren troon, bekleed zijnde met lange witte kleederen en palmtakken in uwe handen.

Dit priesterlijke kleed werd ook rok genoemd, en zulk eenen rok zonder naad, geheel geweven, heeft ook werkelijk onze Heere Jezus Christus gedragen in

ocr page 176

de dagen Zijns vleesches; dat was die kostbare rok, dien de krijgsknechten op Golgotha niet wilden ver-deelen, omdat die te kostbaar was, om te verscheuren. De priesterlijke kleeding was eene kleeding van groote waarde, en o, wie kan het uitspreken, van welke waarde die eéne mantel der gerechtigheid is, dien de Heere Jezus verworven heeft voor Zijn arm en ellendig volk. Verder droegen de priesters in Israël linnen onderbroeken, die moesten zijn van de lenden tot de dijen. (Ex. 28 : 42). Dit werd hun gegeven tegen de kwade bewegingen en begeerlijkheden der zonde. Dit riep hun die waarheid toe, die wij vele eeuwen later zoo heerlijk in het antwoord op vraag oG van onzen Catechismus lezen: o mijn volk, aanschouwt en ziet, »dat Hij uw Middelaar is, en met

»Zijne onschuld en volkomene heiligheid uwe zonden,

»waarin gij ontvangen en geboren zijt, voor Gods »aangezicht bedekt.quot; Nog droeg de priester een vier-klearigen gordel, dien wij beschreven vinden in liix. 39 : 29 ; Èn den gordel van fijn getweernd linnen, en van hemelsblauw, en purper en scharlaken, en van geborduurd werk, gelijk de Heere aan Mozes geboden had. Luther vertaalt hier niet »heraelsblauw , maar »gele zijdequot;, wat echter niet zoo juist is als de vertaling van onzen Staten-Bijbel die «hemelsblauw heeft. By deze drie heerli]ke kleuren, op wier beteekenis wij nog nader terugkomen, kwam dan nog het heldere schitterende wit van het lijne lijnwaad. Uw priester, o volk ! draagt een gordel van gerechtigheid, waarheid, trouwe en volharding ; want gerechtigheid zal de gordel Zijner lenden zijn, ook zal de waarheid de gordel Zijner lenden zijn. (Jes. II : o). Zeer vast zijn Zijne lenden omgord, zoodat alles eng aan het lichaam aansluit, en het kleed zóó vastgehouden wordt. De einden of slippen van dezen

ocr page 177

9

gordel hingen tot op de voeten, en deze werden daardoor geenszins verhinderd te loopen; want, als men waarlijk omgord is met de waarheid Gods, dan springt men niet in ijdele lichtzinnigheid over Gods geboden heen, maar men heeft 's Heeren wetten en ordonnantiën voor oogen ; dan krijgt men ook de onvergelijkelyke schoonheid en regelmatigheid te zien der oogjes of blokjes, waarmede het geheele gewaad doorweven was, en die den vorm hadden van de gouden Kastjes, waarin kostbare edelgesteenten gezet worden. Deze blokjes waren in hunnen vierkanten vorm eene afbeelding der orde en regelmatigheid, die in al Gods bevelen en instellingen heerscht ; in de bouwkunst is immers ook een vierkant blok het hoogste denkbeeld van regelmatigheid. Bij de ouden was het ook het zinnebeeld van volmaakte schoonheid. Zoo predikte alles aan deze priesterlijke kleeding, orde, regelmatigheid en schoonheid. En het linnen onderkleed wees op kuischheid en matigheid, hetzij in den heiligen echtelijken staat, of' buiten denzelven. De gordel sprak van een omgord zijn, van een vaststaan in de kracht Gods.

Nu nog iets over de priesterlijke hoofdbedekking of linnen mutsen, waarvan wy zoowel in Ex. 28 : 40 als in Ex. 39 : 28 gewag vinden gemaakt.

Hetzelfde woord, dat wij hier lezen, beduidt in het Hebreeuwsch ook »bloem.quot; De vorm was die van een' omgekeerden bloemenkelk. In het Hebreeuwsch heeft men een en hetzelfde woord voor »gekroond worden,quot; * gekroond zijnquot; en sbloeien.quot;

De hoogepriester A.aron als afschaduwing van den eenigen en waren Hoogepriester Jezus Christus, droeg geen andere kleederen dan zijne zonen, de priesters, want het is eene en dezelfde gerechtigheid, die nw Heiland, o volk ! heeft verdiend, en die u thans

ocr page 178

10

wordt toegerekend en u bekleedt! De bedekking, waarmede gij bekleed zijt, is dezelfde, die uw dierbare Verlosser en Zaligmaker gedragen heeft om uwentwil. Er is geen tweeërlei, er is maar eene gerechtigheid, die voor God geldt, en waarmede men voor Gods gerichte kan bestaan, en dezelfde waarheid die Hem omgordt, is ook de gordel uwer lenden ! Zijne verworvene krone wordt u geschonken uit vrije ontferming en genade. Alleen aan den hoed of muts zult gij eenig verschil zien, want hij, de Hooge-priester, had voren aan zijne linnen muts een gouden plaat, waarop gegraveerd stond: Heiligheid des Heeren. Anders was er geen verschil in de kleeding des hoogepriesters en die der priesters, want onze Heere en Heiland wil niets bij ons vooruit hebben ! nochtans heeft Hij iets bij ons vooruit. De gewone priesters droegen, zooals wij gezien hebben, vierderlei kleeding. Vier is een getal, dat wij dik-wyls aantreffen in de Heilige Schriften. Zoo had b. v. de tent der samenkomst, of tabernakel, ook eene viervoudige bedekking, hetzelfde getal, dat wij hier in het priesterlijke ambtsgewaad terugvinden, dat ook vier verschillende kleuren had.

»Vierquot; is geen zelfstandig getal zooals ïdriequot;. Drie is volgens de beschouwingen der oudheid het getal der volkoraene zelfstandigheid en volheid. Eén God is er, een volkomen en waarachtig goddelijk wezen, waarin drie onderscheidene personen zijn : de Vader, de Zoon, en de Heilige Geest. Deze drie, als zelfstandig en onafhankelijk daar staande, neemt nog een vierde in Zich op, en deze vierde is de gevallen mensch, en zoo vormt de Heere zich een vierhoek, een sterke rotsblok, waarop hemel en aarde gebouwd zijn en rusten.

Ook aan het ambtsgewaad des hoogepriesters vinden

ocr page 179

11

wij vier verseliillende kleedingstukken. Nu moet echter onze Hoogeprie.ster, hooggeloofd in alle eeuwigheid, ofschoon Hij ons in alles gelijk is willen worden, nochtans den voorrang voor ons hebben, zooals de Apostel Paulus ook spreekt Coloss. 1:18: Eii Hij is het Hoofd des lichaams, namelijk der gemeente. Hij, die. het begin ts, de eerstgeborene uit de doodcn, opdat Hij in alles de Eerste zou zijn.

De vier kleedingstukken (1), die de gewone priesters droegen, droeg hij zelve ook, en de zijnen verschilden in niets van die zijner zonen. Maar, als hooge-priester, als afschaduwing van den eenigen waar-achtigen Hoogepriester, had hij nog vier andere kleedingstukken, of versierselen, die hij boven den linnen lijfrok droeg.

Allereerst vinden wij daarvan eenen mantel vermeld. Luther vertaalt in Ex. 28:3, »den zijdenen rok,'' maar dit staat er in de grondtaal niet. In het Hebreeuwsch staat nauwkeurig hetzelfde, wat wij in onze statenvertaling hebben, namelijk : gij zult ook den mantel des efods geheel van hemelsblauw maken. De rok of lijfrok of hemdrok moest ook het werk des wevers zijn, en van één stuk zijn geweven. Wij hebben dan nu allereerst te spreken over den hemelshbiuwen rok Aiirons. Deze rok daalde niet tot op de voeten af, maar reikte ongeveer tot aan de knieën ; boven aan denzelve, (Ex. 28 : 32) was een hoofdgat in het midden daarvan, d. w, z. eene opening om het hoofd door te steken. Mouwen had dit kleed niet, want aan den wit linnen lijfrok waren reeds mouwen. Deze hemelsblauwe rok was, evenals het linnen kleed, geheel uit één stuk geweven, het vormde van boven tot beneden, geen stukwerk maar één geheel. Het

1

Linnen lijfrok, linnen onderkleed, gordel eu muts.

ocr page 180

12

mocht niet inscheuren, en moest daarom (vs. 32) eenen boord rondom hebben van geweven werk : als het c/at eens pantsiers zal het daarom zijn, dat hel niet gescheurd ivorde. Ook in het werk, dat de hernelsche Hoogepriester in Zijnen lijfrok heeft daargesteld, mag het den duivel nooit gelukken eene scheure te maken, want het werk, dat Hij heeft daargesteld, is het band der éénheid des waren geloofs.

Deze rok dus, wij herhalen het, was evenals het linnen kleed geheel geweven. Wenden wij nu ons oog eens van den aardschen hoogepriester af, en vestigen wij ons zielenoog op den Heere Jezus, den waarach-tigen Hoogepriester ! O, welk een goddelijk weefsel, welk een goddelijk borduursel vormde niet Zijn ge-heele lijdensweg ! Daar zien wij Hem, gezeten op een ezel, op het jonge eener ezelin, de stad Jeruzalem binnenrijden, daar zien wij Hem Zijne arme zwakke jongeren de voeten wasschen, daar zien wij Hem met die jongeren aan den disch gezeten, den trouweloozen verrader Judas Iskarioth nog getrouwelijk waarschuwen, daar zien wij Hem over de beek Kedron trekken, o, welk een heerlijk weefsel, welk een goddelijk borduursel ! Daar zien wy Hem in Gethsémané worstelen, daarna voor de geestelijke en wereldlijke rechtbanken, eindelijk nog voor Herodes staan : eindelijk gaat de weg naar Golgotha, waar Hem alle Zijne kleederen ontnomen worden, en Hij aan het kruis wordt genageld: dan wordt Hem nog edik en galle gereikt, ook van God wordt Hij verlaten, en eindelijk roept Hij uit: het is volbracht! O, welk een heerlijk weefsel, welk een goddelijk borduursel!

Uitgegeven bij W, MEIJER, Commelinstraat 83, AmslerJam. Voor Duitscliland verkrijgbaar bij F. BiiCKMATv N, Elherfeld.

Prijs per Nummer 3 Ots. Franco per post 4 Cts.

ocr page 181

SCHRIFTVERKLARINGEN

VAN

Dr. If. F. KOHLBRtJOGE.

Eenige bijzonderheden omtrent den uittocht der kinderen Israels uit Egypte en hunne reis door de woestijn. (Vervolg).

WAT DE HEERE AAN ZIJN MÜRMUKEEREND VOLK WILDE LEEREN DOOR HET AMBTSGEWAAD DES HOOGEPRIESTERS.

En nu, mijne geliefden! wei-p eens een blik terug op uw eigen leven, en gij zult zien, dat, van uwe wieg af tot op den huidigen dag, al uwe lotgevallen, uw geheele levensweg ook één goddelijk weefsel uitmaken. Alles, lief of leed, dat daarin geweven moest worden, was vooruit, boven op den weefstoel vastgezet en bepaald, zoodat alles gaan moest, zooals liet daar boven was besloten, in dien eeuwigen vrederaad, waar geen menscli in zien kon; maar hier beneden op het weefgetouw valt slag op slag, en juist dit is de weg, waarin de hemelsblauwe rok geweven, en Gods kunstgewrocht tot stand kcmt.

De rok van onzen Hoogepriester is alzoo »hemelsblauw.quot; Dit blauw beduidt Gods verbond, het eeuwige verbond der genade. Dit blauw was donker, gelijk het blauw des hemels in het Oosten, waar de lucht zoo zuiver is, dat men tot op twintig mijlen afstands zien kan. Dit gewaad, dezen hemelsblauwen rok droeg de hoogepriester, omdat hij, als afschaduwing van Christus, den waren Hoogepriester, degene was, die het verbond Gods ten uitvoer legde. Hij was, als het No. 110. 80 Maart 1890.

ocr page 182

14

ware, de uitvoerende macht in dit verbond, de handhaver van het eeuwige verbond der genade, die, na Zijne hemelsche trouw, er voor zorgt, dat in het leven der gemeente Gods, en in het leven van elk levend lidmaat derzelve, de ontvangene belofte ook waarheid wordt: hergen zullen wijken, en heuvelen ïoankelen; maar mijne goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verhond mijns vredes zal niet ivanhelen, zegt de Heere, uw Ontferrner. (Jes. 54 : 10.) En ook die andere belofte; En zij zullen niet meer, een iegelijk zijnen naaste, en een iegelijk zijnen hroeder, leeren, zeggende : kent den Heere! ivant zij zullen mij allen kennen, van hun kleinste af tot hunnen grootste toe, spreekt de Heere, want Jk zal hunne ongerechtigheden vergeven, en hunner zonden niet meer gedenken. (Jeremia 31 ; 34.)

Zie! op deze en dergelijke beloften werden de kinderen Israels gewezen door dat schoone hemelsblauw van Aaron's rok of opperkleed. Deze rok hing tot over de knieën, en had van onderen eenen zoom. Nu, den zoom van den hoogepriesterlijken rok kent gij toch immers wel, lieve lezers ? O, denk maar eens aan dien zoom des kleeds van onzen hemelschen Hooge-priester, waarvan die doodkranke vrouw zei Je: indien ik alleenlijk Zijn Meed aanraak, zoo zal ik gezond, worden. Matth. 9 : 21. Van de zoomen dezes kleeds staat ook te lezen in het gezicht, dat den profeet Jesaja daarvan te beurt viel, en dat wij beschreven vinden in Jes. 0, waar wij vers 1 lezen : in het jaar, toen de koning Uzzia stierf, zoo zag ik den Heere, zittende op eenen hoog en en verhevenen troon, en Zijne zoomen vervullende den tempel. Aan dezen zoom van den hoogepriesterlijken rok onder Israël hingen granaatappelen. Ik heb u immers reeds gezegd, dat het hemelsblauw van den hoogepriesterlijken rok het volk wees op het verbond Gods, op het eeuwig verbond

ocr page 183

15

der genade. De granaatappelen, die daaraan hingen, beduidden al de liefelijke en verkwikkende beloften van dit verbond; allereerst b.v. dit: gij zult mijn eigendom zijn uit alle volken, rvant de geheele aarde is Mijne, en gij zult Mij een priesterlijk koningrijk, en een heilig volk zijn. Exodus 19 : 5, 6a. En verder: Ex. 20:1,2; Toen sprak God alle deze woorden : »Ik hen de IIeere uw God, die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid, heb. Wij lezen verder bij den profeet Zacbaria 1:13: De Ileere antwoordde den Engel, die met mij sprak, goede woorden, troostrijke woorden. Zulke goede, troostrijke woorden van den Heere zijn b.v. de belofte ; Ik, Ik hen het, die uwe overtredingen uitdelg om Mijnent wil, en ik gedenk uwe zonden niet. Jes. 43 : 25, en : gij verdrukte! door onweder voortgedre-vene, ongetrooste! Zie, Ik zal uwe steenen gansch sierlijk leggen, en Ik zal u op saffieren grondvesten. En uwe glas-vensters zal Ik kristallijnen maken, en uwe poorten van ro-hijnstecnen, en moe gansche landpalen van aangename steenen. En al uwe kinderen zullen van den Ileere geleerd zijn, en de vrede uwer kinderen zal groot zijn. Jes. 54:11—13. En: Ik zal u niet hegeven en Ik zal u niet verlaten. Hebr. 13:5. En nogmaals: alle beloften Gods zijn Ja ! en zijn Amen in Christus Jezus.

De granaatappelen van den boogepriesterlijken, bemelsblauwen rok beduidden dus de zoete woorden des verbonds, des eeuwigen verbonds der genade. Om dit echter goed te begrijpen, dienen wij te weten wat een granaatappel is. Het woord appel beduidt eigenlijk volgens de Hebreeuwsche taal eene geur, eene liefelijke, verkwikkende geur, gelijk gij ook zelve wel zult weten mijne geliefden ! dat hoe fijner, hoe kostelijker een appel is, hoe verkwikkender en zoeter is ook de geur, die zulk eene schoone vrucht verspreidt! Daarom zegt ook de bruid in het Hooglied

ocr page 184

16

(Hoogl. 2:5): Ondersteunt gijlieden mij met de jlesschen, versterkt mij met de appelen.

Een granaatappel echter is de allerkostelijkste aller appelen, en verspreidt de liefelijkste reuk, wier geur niet uit te delgen is. Dat herinnert ons aan 's Heeren woorden : Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar Mijne woorden zullen geenszins voorbijgaan. Zulk een granaatappel heeft eene wonderschoone roode kleur, een rood als van menschenhloed, en wij denken daarbij aan het bloed van onzen Heere Jezus Christus. De bloem, de bloesem van den granaatappel blijft, als een kroontje, aan den granaatappel zitten, totdat deze volkomen rijp is, dan valt de bloesem af en de appel barst uit elkander; dan ziet men in het midden des granaatappels in een sap, dat zoeter van smaak is als de edelste wijn, ontelbare pitjes en kerntjes zwemmen, die evenals het sap denzelfden liefelijken geur verspreiden, dien de appel heeft, en waarmede in het Oosten moeden, matten en dorstenden gewoon zijn zich te verkwikken en hunnen dorst te lesschen. Nu, zeg gij mij eens, o ziele! hoeveel van zulke verkwikkende vruchten en kernen heeft wel het Woord van God ? Al die heerlijke woorden des Verbonds, wie kan ze tellen! Daar kan men wel dronken worden van vreugde, bij zulk een kostelijken overvloed ! Voor het Zion Gods, voor het arme wormpje Jacobs eene reuk des levens ten leven. Den duivel wel eene reuke des doods ten doode, maar nog eens, ik herhaal het, eene reuke des levens ten leven voor moeden en matten, voor hongerigen en dor-stigen. Eu ons geheele leven lang, van den aanvang der bekeering af, tot dat wij op ons sterfbed liggen, wordt dc Heere niet moede noch mat. Zijn arm volk, dat anders onmachtig aan den weg zou blijven liggen, te verkwikken met de kernen Zijner

ocr page 185

17

granaatappelen, met de beloften van Zijn eeuwig blijvend Woord ! De granaatappelen aan den rok van den hoogepriester onder Israël waren beurtelings he-melshlauw — want getrouw en waarachtig zijt Gij, o mijn God ! purperrood, dit herinnert ons aan het purper, dat koningen dragen, want de woorden van het eeuwige verbond der genade zijn allen koninklijk ; ja het zijn allen koninklijke, vorstelijke, troostrijke woorden en in 's Heeren woord vinden wij altoos weer : »zoo spreekt de Koning, zoo spreekt de Heere, Heere.quot; Dit purperrood of scharlaken beduidde ook, dat elk woord van het eeuwige gcnadeverbond, gedoopt en doorweekt is in het bloed des Lams. Wit waren deze appelen ook, want alle woorden Gods zijn geheiligd in de eeuwige onschuld en heiligheid van onzen hemel-schen Hoogepriester. De granaatappelen beduidden alzoo, de beloften van het eeuwige verbond der genade. Aan den zoom van den hemelsblauwen, hoog-gepriesterlijken rok Ailrons vinden wij echter niet alleen granaatappelen, maar daar nevens ook nog kleine gouden klokjes of schellekens, zoo, dattusschea twee granaatappels altoos afwisselend zulk een klein klokje was te vinden. Ging nu de Hoogepriester in het Heilige, dan stiet hij onwillekeurig tegen deze klokjes en men vernam goudene tonen, want de klepels, die in deze klokjes hingen, gaven, ofschoon ze zeer klein waren, de zuiverste tonen.

En nu, mijne geliefden, ik vraag u, hoeveel lieflijke tonen, die het verslagene hart zoo vroolijk kunnen maken, heeft een iegelijk van u reeds vernomen door deze kleine klokjes ? Het geschrevene woord hebben wij voor ons, en dat zal blijven, tot in aller eeuwen eeuwigheid, maar er moeten ook klokjes, d. w. z. levendige stemmen zijn, die ons het woord des levens verkondigen. Beduidden nu de granaatappelen de

ocr page 186

18

beloften, de woorden Gods, de klokjes echter beduiden de prediking, de levende verkondiging van het Woord des Heeren. Deze verkondiging moet luid klinken en vernomen worden, als Aaron in en uitgaat in het Heilige, en dat wel, gelijk er uitdrukkelijk geschreven staat, »opdat hij niet sterve.quot; IVe/: mij, roept de apostel Paulus uit, indien ik het Evangelie niet v er kon dig e. Zoo hebben wij dan hier niet alleen het woord des Heeren, maar wij outvangen ook van den Heere, de levende verkondiging, de prediking van dat goddelijke woord, die ons het geschreven woord doet verstaan en begrijpen. Mogen wij deze gouden tonen van het ware Evangelium Gods in onze ooren hooren klinken op onzen geheelen levensweg door! Mogen ze ons verkwikken in het dal der schaduwen des doods, tot dat wij boven zijn aangeland, en ons oor de goudene klokken verneemt in de poorten van het hemelsch Zion !

Zoo is u dan mijne geliefden ! een en ander medegedeeld omtrent het hemelsblauwe overkleed, dat de aardsche hoogepriester onder Israël droeg. Laat ons nu eenige oogenblikken onze gedachten en oogen van Ailron af en op onzen eenigen, eeuwigen hemel-schen Hoogepriester Jezus Christus, hooggeloofd in alle eeuwigheid, vestigen. Van Hem belijden wij immers met vraag en antwoord 31 van onzen Heidel-berger Catechismus : gt;dat Hij van God den Vader »verordineerd is, en met den Heiligen Geest gezalfd »is tot onzen hoogsten profeet en leeraar, die ons »den verborgenen raad en wille Gods van onze ver-»lossing volkomen geopenbaard heeft; en tot onzen »eenigen Hoogepriester, die ons met de eenige offe-gt;rande Zijns lichaams verlost beeft en met Zijne »voorbidding steeds voortreedt bij den Vader. En »tot onzen eeuwigen Koning, die ons met Zijn Woord

ocr page 187

19

gt;en Geest regeert en ons bij de verworvene verlossing beschut en behoedt.quot; Nu weet gij immers, dat zoowel profeten als hoogepriesters en koningen, zekere kleederen, als onderseheidingsteekenen hunner waardigheid dragen. Zulke onderscheidingsteekenen dragen ook hoogere en lagere officieren, en andere koninklijke beambten, en men kan daaraan hunnen rang en waardigheid kennen en van anderen onderscheiden. Deze onderscheidingsteekenen, zij maken nu gewis den koning, den generaal, den hoogepriester niet uit, maar hunne kleederen, hunne uniform is alleenlijk het kenteeken hunner hooge waardigheid, en men kan daaruit de gevolgtrekking maken, wat zij zijn en wat men van hen heeft te verwachten.

Onze Heeve Jezus Christus heeft, zooals wij gezien hebben, een drievoudig ambt. Profeet, Hoogepriester, Koning. Als Profeet openbaart Hij ons den verbor-genen raad en wille Gods tot onze zaligheid; met andere woorden: Hij is de Uitwerker en Handhaver van het eeuwige verbond der genade.

Geliefden! Er zijn er misschien wel onder u, wien het na lang ronddwalen op de doolpaden van ijdele boetedoeningen en valschen godsdienst en zelfskwellerij, te beurt mocht vallen, dat, toen zij daar zoo hopeloos voor het geschreven woord ter neder zaten, te midden hunner radeloosheid b. v. dit woord tot hen kwam: hergen zullen wijken, en heuvelen wankelen, maar Mijne (joedertierenheid zal van u niet wijken, en het verhond Mijnes vredes zal niet wankelen, zegt de 11 eere nw Ontfermer.

Als wij dan oud en grijs zijn geworden, en wij over al de doorleefde jaren henen, eenen blik op die zalige oogenblikken terugwerpen dan moeten wij voorzeker uitroepen : hoe is het toch mogelijk, dat die trouwe God het met mij gesloten verbond zoo ge-

ocr page 188

20

trouwelijk gehouden en vervuld heeft, met mij, die die dit verbond zoo vaak, o zoo vaak overtreden heb ! Dat het mogelijk is(' geweest, dat de Heere, zonder krenking Zijner rechtvaardigheid en heiligheid, u nochtans getrouw is gebleven, dat is nu juist het werk van onzen Verbondsborg, van ons Verbonds-hoofd, van onzen Plaatsbekleeder in het eeuwig verbond der genade.

Door de kleeding van den aardschen hoogepriester, waarin hij voor hunne oogen uit en inging, wilde God aan de kinderen Israël leeren, en wil Hij het Zijn geestelijk Israël nog doen zien, wat zij aan hun Verbondshoofd en Plaatsbekleeder, Jezus Christns, den waren Hoogepriester, hebben. Dat zagen wij reeds bij de beschrijving en uitlegging der beteeke-nis van het hemelsblauw overkleed van den hoogepriester.

Dit blauw was een zinnebeeld van de eeuwige verbondstrouw des Heereu, en elke hoogepriester, die dit kleed droeg, kon zoowel als het volk, dat hem daarin zag rondwandelen, door die schoone hemelsblauwe kleur herinnerd worden aan de trouw van den eeuwigen Verbondsborg; want Hij handhaaft ons ten goede door Zijne onverwoestelijke trouw het eeuwige verbond der genade, dat wij door onze ontrouw dagelijks te niet doen. Wij zagen, dat er aan dit hemelsblauw overkleed of efod granaatappelen waren. Deze granaatappelen waren zinnebeelden van het woord Gods, van de verbondbeloften des Allerhoog-sten. Wij zagen dat deze granaatappelen van vierderlei kleur waren, en wel hemelsblauw, purperrood, scharlaken en wit. Zie ! en aanmerkt! hoe het ge-heele woord van God ons de verbondstrouw van onzen Borg predikt, de heerlijkheid van onzen Heere en Koning Jezus, dat Hij onze eenige en eeuwige

ocr page 189

21

Hoogepriester is, zoodat wij sneeuwwit gewasschen, en alzoo zijner allerheiligste onschuld deelachtig worden gemaakt. Van dit schoone, hemelsblauwe kleed van den Hoogepriester mocht ik u nog een en ander mededeelen. Boven dit kleed of efod, droeg de koninklijke priester op zijn hart een borstlap, waarop in goudene kastjes gezet twaalf kostbare edelsteenen prijkten, waarop de twaalf namen der stammen Israels gegraveerd waren. De lijfrok of efod, waaraan (gelijk gij weet) zich geene mouwen bevonden, werd (Exodus 28 vers 7) door twee zamenvoegende schouderbanden aan beide einden vastgemaakt en op den schouder bevestigd door eenen onyx- of sardonixsteen, waarop wederom de namen der kinderen Israels gegraveerd waren. Hier in onze gemeente leefde eens eene godzalige weduwe, die vroeg mij reeds voor een tal van jaren of ik aan haar en aan de gansche gemeente niet eens het een en ander mede wilde dee-len omtrent dat schoone, hemelsblauwe, koninklijke kleed, en bovenal omtrent den borstlap, die daarop bevestigd was. Ik antwoordde ; zooals God wil, want ik moet de gemeente weiden met hetgeen de Heere Zelf mij haar te verkondigen geeft. Toch heb ik haar vraag niet vergeten, en nu na zoovele jaren, ontvangt gij, waar zij om gevraagd had. Gij kunt omtrent de beschrijving van dit koninklijke kleed allerlei lezen in Exodus 28 van het Gde vers af. De prachtig geweefde efod bestond uit twee gedeelten, waarvan het eene den rug, het andere de borst bedekte ; op de schouderen werden die door dezelfde steenen za-mengevoegd, die ook den lijfrok bevestigden. Deze steenen waren wit en rood, en op elk derzelve stonden zes namen der stammen Israels. Onder de borst werd de lijfrok te zamen gehouden door een kunstig geweefden gordel, die van dezelfde kostbare stoffen

ocr page 190

22

vervaardigd was als de lijfrok zelf. Op den lijfrok droeg de hoogepriester op zijne borst de borstlap waarop zich in goudene kastjes twaalf kostbare edel-steenen bevonden, waarop wederom de namen der twaalf stammen van Israël gegraveerd waren, deze namen droeg de hoogepriester alzoo op zijn hart. Deze borstlap was dubbel geweven, eene spanne lang en eene spanne breed. In dezen borstlap bevonden zich volgens vers 30 de urim en thummin, opdat »licht en rechtquot; op het harte Ailrons zouden zijn. Bij dit koninklijk gewaad kwam dan nog de koninklijke muts of hoed met de goudene plaat, waarop te lezen stond »Heiligheid des Heerenquot; of »Heiligheid den Heere.quot; Dit koninklijke kleed, deze kostbare geweven lijfrok of efod predikt ons het volgende : Het geheele werk uwer verlossing is het werk van hooge goddelijke wijsheid, gelijk ook de apostel Paulus zegt: *0 diepte des rijkdoms heide der ivijsheid en der kennisje Gods, hoe ondoorzoekelijk zijn Zijne oordeelen, en onnaspeurlijk Zijne wegen. Want ivie heeft- den zin des Heeren gekend? of toie is Zijn raadsman geweest.1' Romeinen 11:33 en 34. Het goud, dat in den stof van dezen lijfrok ingeweven was, beduidt 's Heeren koninklijke majesteit, gelijk geschreven staat: » Verheug u zeer, gij dochter Ziens ! Juich gij dochter Jeruzaleins ! Ziet, uw koning zal u komen, rechtvaardig, c.n Hij is een Heiland. Zacharia 9 vers: 9a- En wederom: Hoe liefelijk zijn op de hergen de voeten desgenen, clie het goede boodschapt, die den vrede doet hooren. Desgenen die goede boodschap brengt van het goede, die heil doet hooren, desgenen die tot Zion zegt: » Uw God is Koning /quot; Jes. 52, 7. Maar wat is dat dan voor een koning ? David had een moeilijk leven geleid, en allerlei vervolgingen van Saul moeten ondervinden, voordat hij koning was. Maar onze Heere Jezus

ocr page 191

23

Christus — hoe is die koning geworden? Dat kunt gij lezen Jesaja 52 : 13 : Ziet, mijn knecht zal ver-utandel'jk handelen — Hij zal de schande om on-zentwille niet verachten, de hemelsche vreugde, welke Hij genieten kon liet Hij varen, om als koning, ons ten goede, hier in 't land der schaduwen des doods te leven en te sterven. Maar juist zóó, verkoos Hij, volgens dien eeuwigen wijsheid, om door zijne eenige offerande Zijn volk tot zich te brengen en in zijne volkomenen heiligheid te volmaken. Zoo handelde Hij verstandelijk, want Hij verkoos het kruis, en van dat kruis af regeerde Hij als koning. Aan dat kruis had Hij ons in Zich, en zóó is Hij den dood een gift en der hel eene pestilentie geworden, ja, de dood van onzen dood. Aan dit kruis heeft Hij, als koning der oude slang, den kop vermorseld. Ziet! zoo is dat woord waar geworden: Ziet, mijn knecht zal verstandelijk handelen, Hij zal verhoogd en verheven, ja zeer hoog worden. En dat is aan het kruis geschied. Aan dat kruis zoude Hij verhoogd, aan dat kruis zoude Hij verheven worden. Dat weten wij uit het volgende, het 14de vers, waar wij lezen : ygt;dat zich vele over Hem ontzet hehtgt;en.,, .Zijt gij een koning,quot; vroeg hem Hiatus. Gelijk zich vele over u ontzet hebhen, alzoo verdorven ivas zijn gelaat, meer dan van iemand, en zijne gedaante meer dan van andere menschenkinderen. gt;Zie den menschquot;, riep Pi-latus op Gabbatha en : »Kruisig hem ! Kruisig hem,quot; was de uitroep der woedende menigte. »Maar,quot; het is een hemelsch »maarquot;, dat nu volgt in het 15e vers van Jesaja 52 ; Alzoo zal Hij vele heidenen besprengen, ja de koningen zullen hunnen mond over hem toehouden. Alzoo, juist omdat zijn gelaat alzoo verdorven was en zijne gedaante meer dan van andere menschenkinderen, zoude Hij vele heidenen besprengen. Be-

ocr page 192

24

sprengen en reinigen met Zijn goddelijk bloed, waardoor Hij zich een volk ten eeuwige erve zoude kooopen. Zie: dat zijn zoo eenige draadjes van het goud, dat in den hemelsblauwen rok geweven was. Deze koninklijke hoogepriester droeg in Zijn lijfrok het hemelsblauw van eeuwige trouw. Welk een getrouw koning is onze hemelsche koning, juist in Zijne kruisgestalte ! Hij houdt woord en trouwe, en waar Hij geproken heeft: »Weest getroost mijn zoon, zijt goedsmoeds, »mijne dochter, uwe zonden zijn u vergevenquot;, daar zal de duivel mij geen enkele zonde meer kunnen verwijten, maar beschaamd van mij moeten vluchten, 's Heeren woord bestaat tot in eeuwigheid, en Zijn woord van vergeving der zonde is een koninklijk woord, eene eeuwig geldende belofte. In dit kleed vond men verder purperrood, dat beteekent de koninklijke macht van Zijn bloed, waardoor Hij Zijne genade en gaven bij Zijn volk, tegen de geheele macht der hel in, weet te handhaven. Nog was er in dezen lijfrok scharlakenrood, opdat wij wel zouden weten, dat het bloed van dezen koning van oneindige waarde is, en in dat bloed alleen ons leven, onze reiniging en ons gansche heil is gelegen. Eindelijk droeg deze lijfrok het schoonste wit in zich, de kleur van 's Heeren allerheiligste onschuld. Want, ofschoon Hij veroordeeld werd, omdat Hij voor het Sanhedrin getuigde, dat hij de Christus was, zoo konden zij toch geene schuld in Hem vinden, maar moesten valsche getuigen te hulpe roepen om Hem te veroordeel en.

Drukfout; bl. 9, regel 10 v. b. staat //Rastjesquot; lees ^kastjes.quot;

Uitgegeven bij W. MEIJER, Commelinstraat 33,/l»iyto7/am. Voor Duitschland verkrijgbaar bij F. BüGKM ANN, Eiber f eld. Prijs per Nummer 3 Cts. Fraaoo per post 4 Cts.

ocr page 193

8 € ii U I F T V K U R L A li I \ ii K \

VAN

lir. n. F. KWHI.KnaÏGGE.

Eenige bijzonderhedsn omtrent den uittocht der kinderen Israels uit Egypte en hunne reis door de woestijn. (Vervolg).

WAT DE HEEKE AAN ZIJN MURMU HE EREND VOLK WILDE LEEREN DOOR HET AMBTSGEWAAD DEB HOOGEPR1ESTERS. 1) Ja ! ook Pilatus konde Hem van niets beschuldigen, maar moest zijne handen in zijne gewaande onschuld wasschen, en uitroepen : »Ik vind geen schuld in Hem!quot; Onschuldig is Hij, als Koning van dat volk in den dood gegaan, zoodat dat volk Hem juichende begroeten kan, als het Lam Gods, dat al hunne zonden draagt.

Ja, o volk ! zulk eenen Koning hebt gij !

Voor u Zijn goud, voor u Zijne eeuwige trouw, voor u Zijne koninklijke macht, voor u Zijn bloed, voor u Zijne onschuld !

Ik zeide u reeds, mijne geliefden ! dat deze lijfrok, dit ambtsgewaad des hoogepriesters, op den schouder toegesloten werd door twee onyx- of sardonyxsteenen, die als te samengevoegde platen de sluiting bewerkstelligden. O]) deze kostbare platen van edelgesteente, waren de namen der twaalf stammen Israels gegraveerd. Deze aaneensluiting der twee deelen van dien hoogenpriesterlijken borstlap, waarvan het eene op den rug, en het andere op de borst hing, geschiedde

1

Vervolg op No. 110 der «Schriftverklaringen.quot; No. 115. 7 Juni 1890.

ocr page 194

26

alzoo ten behoeve der kinderen Israels, wier namen op den schouder des hoogepriester prijkten; dit beduidde, dat de ware liemelsche Hoogepriester geheel Zyn geestelijk Israël draagt op Zijnen sterken schouder. Wij lezen immers Jesaja 9:5: want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijnen schouder; en men noemt Zijnen Kaam: Wonderlijk, Raad, Slerke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst. In de oudheid was de schouder liet zinnebeeld der heerschappy. Op den schouder droeg men de sleutelen, om de schouderen bevestigde men de wapens, vooral het lange zwaard. Daarom lezen wij Jesaja 22 : 21 en 22 : En ik zal hem (d. i. Eljakim, den zoon Hilkia's als beeld van Christus) met uwen (d. i. met Sebna, des hofmeesters) rok be-Meeden, en Ik zal hem met uwen gordel sterken, en uwe heerschappij zal Ik in Zijne hand geren; en Hij zal den inwoners te Jeruzalem, en den huize van Juda tot een en vader zijn. En Ik zal den sleutel van het huis van David op zijnen schouder leggen ; en hij zal opendoen, en niemand, zal sluiten, en hij zal sluiten en niemand zal opendoen. (Vergel. Openb. 3:76).

Mozes zeide eens tot den Heere: dit volk is mij te veel, ik kan het niet dragen ; tot het volk sprak hij echter van den Heere : de Heere, uw God is het, die u gedragen heeft in de woestijn, gelijk een man zijnen zoon draagt, op al de wegen, waarop gij gewandeld hebt. Zoo was des Heeren heerschappij, geen lastige heerschappij ; geen harde machtuitvoering is de Zijne, maar het is Hem eene eere, een roem al Zijn arm volk op Zijne sterke schouderen te kunnen dragen. O, onze hemelsche Hoogepriester draagt op Zijnen schouder het geheele Israël, het geheele uitverkoren volk met hunne namen, zooals ze van ouds geschreven stonden op die kostbare sardonyxsteenen, zooals zij staan ge-

ocr page 195

27

schreven in het boek des levens des Lams, van voor de grondlegging der wereld. Deze heerschappij op 's Heeren schouder is geen ingebeelde, maar eene zeer krachtige en werkelijke heerschappij, zooals er in het reeds aangehaalde beeld uit Jesaja 22 staat: .Ik wil wee heerschappij in Zijne hand geven, IJ ij zal den inmoncrcn te Jeruzalem, en den huize .hula tot een Vader zijn. Dit zal hij of zij verstaan, die den troost kent van dat heerlijk woord : de zond' zal over u niet heerschen, want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade. Rom. 6 : 14. Hoe komt het, dat wij in den vreeselijken strijd, dien wij in dit leven te voeren hebben met onze dood vijanden, den duivel, de wereld, en ons eigen vleesch en bloed, nochtans niet omkomen ? Christus zal voor ons zijn, wat een liefhebbend vader voor zijnen zoon is ! En hoe komt het dat, daar wij den geheelen tijd onzes levens met onze verdorvenheid hebben te strijden, deze verdorvenheid ons nochtans niet verslindt V Hoe komt het dat de door den Heiligen Geest gewerkte, levende hope op den levenden God, ons het hoofd boven water doet houden, zoodat het nochtans van de bevende en sidderende lippen komt : Geloofd zij God die ons de overwinning geeft door Jezus Christus, onzen Heere f Is dat geen werk van 's Heeren vaderlijke en koninklijke heerschappij V

En deze Koning omgordt zich met genade en waarheid, met al Zijne heilverdiensten, met Zijne onschuld en gerechtigheid (vs. 8).

Zoo is Zijn kleed vast gesloten om de lendenen, zooals wij ook lezen Jesaja 11 :5 : want gerechtigheid zal de. gordel Zijner lendenen zijn, ook zal de waarheid de gordel Zijner lendenen zijn. Op Zijnen koninklijken schouder dus draagt onze hemelsche Hoogepriester Zijn volk, Hij komt voor dit volk op tegenover den

ocr page 196

28

verdoemenden eisch der wet, tegen den verzoeker,tegenover den Satan, dien aanklager der broederen, tegenover de wereld, die in het booze ligt, en nooit bewijst Hij krachtiger Zijne koninklijke almacht, dan wanneer Hij, als Esther tot Hem nadert doodsbleek en met het vonnis des doods in haar hart, haar vriendelijk toeroept: Esther! wat wilt gij ? en haar Zijnen gonden scepter toereikt.

Gelijk Hij nu Heerscher is, is Hij ook tevens Rechter, en dat wordt afgeschaduwd door den »borstlap des gerichts,quot; of zooals Lutber vertaald door »het schild des ambts.quot; Dit »ambtquot; ziet dan op het ambt des rechters, gelijk in vele streken der wereld de ambtman of burgemeester tegelijker tijd rechter is. Daarom heet hetgeen de Statenvertaling 5gt;de borstlap des gerichtsquot; noemt, en wat Luther vertaalt »het schild des ainbtsquot; in het Hebreeuwsch: * schild des gerichtsquot;. Wij lezen bij den profeet Jeremia Cap. 23: 5 : Ziel / de dagen komen spreekt de, Heere, dat Ik aan David eene rechtvaardige Spruit zal verwekken ; die zal, koning zijnde, regeeren en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde. Wat zal Hij nu doen met dit recht, met deze gerechtigheid ? dat lezen wij in het volgende vers, waar geschreven staat: In Zijne dagen zal Juda verlost worden, en Israël zeker wonen, en dit zal Zijn naam zijn, waarmede men Hem noemen zal: de Heere, Onze (iefechtlftliciil ! Zie! daar hebt gij nu Zijn richten waarvan wij ook lezen Ps. 72 : o God! geef den koning uwe rechten en moe gerechtigheid aan 's konings zoon, zoo zal Hij uw volk richten met gerechtigheid en uwe eilendigen met recht. De. bergen zullen den volke. vrede dragen, dien vrede, waarnaar dit arme volk dag en nacht smacht, ook de heuvelen met gerechtigheid, doordat op die bergen en heuvelen de voeten zullen staan desgenen, die het

ocr page 197

29

goede boodschapt, die den vrede doet hooren ; desgenen, die goede boodschap brengt van liet goede, die heil doet hooren ; desgenen, die tot Zion zegt: Uw God is Koning. Hij zaL de dlendvjen des volks ridden, Hij zal de. kinderen des nooddrufticfen verlossen, en den verdrukker verbrijzelen. Zie ! dat is het richten van onzen hemelschen Hechter en Hoogepriester ! Hij draagt Zijn geheele volk op Zijn harte, den Heere tot eene gedachtenis, opdat God de Vader, de Heere in den hemel, een blik van genade werpe op die arme schare, die Hij hier in deze wereld heeft. Die kostbare edelgesteenten lagen op dien borstlap in dezelfde volgorde als de stammen der kinderen Israels in de woestyn gelegerd waren, en zoo te zamen een talrijk leger, eene heirschare vormden, waarom de Heere ook vaak in Zijn Woord genoemd wordt, de Heere der heirscharen, of de Heere Zebaoth.

Het is niet goed mogelijk. Geliefden ! van al deze steenen te beslissen, hoe zij in den tegenwoordigen tijd genoemd worden. Van sommigen kan men het bepaald zeggen, van anderen niet.

Van den sardonyxsteen weet men zeker dat die rood en wit was, gelijk ook de bruid in het Hooglied zegt: mijn vriend is blank en rood; ook zal men na eenigzins nauwkeurig onderzoek spoedig tot de beslissing komen, dat de eerste reeks edelsteenen op den hoogepriesterlijkenborstlap deze kleuren hadden: rood, groenachtig geel, blinkend donker groen, do tweede reeks was : gloeiend rood, donker blauw, diamant; in de derde reeks: hemelsblauw, vleeschkleur, en paarsch; in de vierde reeks ; goud, matrood en groen.

Ook deze kleuren hadden eene beteekenis. Het rood beduidde : een volk, dat gewasschen is in het bloed des Lams ; het blauw : een volk, dat de sre-

ocr page 198

30

trouwigheden bewaart, dat niet liegt, in wiens mond geen bedrog is, want het is gezalfd in de waarheid zijns Heeren, een volk dat het verbond houdt, omdat het door den Heere in Zijn verbond bevestigd en vastgehouden wordt. Het wit beduidt: de onschuld, waarin dat volk wandelt, bekleed met de onschuld zijns Heeren, en zoo verder. Dit was dus het volk, wiens namen de hoogepriester op zijne borst droeg voor de oogen des Heeren, en voor het aangezicht des volks, zoodat het volk in deze glinsterende edelgesteenten de heerlijkheid zijns Konings aanschouwde en ook de heerlij keid, die dit volk in zijnen Koning en door zijnen Koning had.

Deze edelgesteenten waren gezet in goudene kastjes, gelijk ook van de bruid dezes hemelschen Konings getuigd wordt; des Konings dochter is geheel verheerlijkt inweudig; hare hleeding is van gouden borduursel. (Ps. 45 ; 14). Deze koninklijke Priester is de Koning der koningen. Hij treedt op als Borg en Vertegenwoordiger Zijns volks, om alle lasteraars te verpletteren, den nooddruftigen te helpen, en het ellendige volk recht te verschaffen. Zoo kwam Hij op voor die beruchte zondares in het huis van Simon den Fari-zeër, toen deze zeide : indien deze een profeet ware, dan zoude Hij weten welke vrouw, welke eene be-dorvene vrouw tot Hem komt. Toen heeft de Heere recht gedaan met te zeggen : haar zijn vele zonden vergeven, want zij heeft veel lief gehad, maar dien weinig vergeven wordt,die heeft weinig lief Luk. 7 : 47. Zoo trad Hij ook op als Advokaat voor Josua, den Hoogepriester, zooals wij in Zach. Cap. 3 kunnen lezen ; en zoo heeft Hij steeds recht gesproken, en spreekt Hij nog recht. Hij verplettert de lasteraars en huichelaars, maar den nooddruftigen heft Hij op uit het slijk, en dien, die door allerlei ellende en nood zoo

ocr page 199

31

hard geplaagd is, dat hij niet meer uit de oogen kon zien, dien schiet Hij haastiglijk te hulp !

Deze borstlap was dubbel, boven en aan de zijden open, en aan de onder zijde gesloten. In dezen borstlap, tusschen de twee lagen stof waaruit die bestond, moest Aiiron zetten : licht en recht Vs. 30, de urim en de thummim. Wat dit nu beduidde of wat dit was, daarin hebben velen zich verdiept, en vele gissingen daaromtrent geopperd, het is echter moeilijk hieromtrent te beslissen. Voorzeker waren het geen steenen of dobbelsteenen, om daarmede het lot te werpen, zooals sommigen beweren, het was niets tooverachtigs,

O O '

om daardoor »waar te zegcrenquot;, zooals nu de kaart-

oO

legsters en diergelijk volk doen ; zoo iets behoorde niet te huis in den tabernakel des Heeren Heeren. Maar wat was het dan ? Waarschijnlijk mijne Geliefden was het eene welriekende zalve, als afschaduwing van de zalving des Heiligen Geestes, van de olie der vreugde, waarmede onze Koning door God gezalfd is boven Zijne medegenooten, zooals ook de bruid in het Hooglied spreekt: uwe oliën zijn goed tot reuk, uw naam is eene olie die uitgestort wordt: daarom hebben u de maagden lief (Hooglied 1 : 3). Gelijk ook Johannes schrijft: en de zalving, die gij van Hem ontvangen hebt blijft op u, en gij hebt niet van noode, dat iemand u leere. Zooveel is zeker, dat de borstlap des gerichts een teeken was van 's hoogepriesters rechterlijke macht. »Urimquot; beduidt: »licht, ver lichting, gt; Thummimquot; »volhardmg,bestendig-heidquot;,dus ^bestendige en volkomene verlichtingquot;zoodat het hier niet was : ik weet het niet, ik weet het niet, maar dat bij deze rechterlijke uitspraak met volle macht volkomenheid gezegd werd: zóó is het! Deze »ürim en Thummimquot; waren voor het volk een onderpand daarvan, dat als de hoogepriester in den gebede God den

ocr page 200

32

Heere om iets vroeg, gelijk ook David door den priester deed, de Heere door Zijnen Heiligen Geest den biddenden hoogepriester in de diepte des harten of ook wel met hoorbare stem, zelfs in lange volzinnen antwoord gaf, omtrent de gewichtigste dingen, vooral daaromtrent, hoe het volk geregeerd, in goede tucht en orde gehouden en op de goede weide des Evangelies moest worden geleid.

Deze borstlap hing aan twee gedraaide gouden ketentjes, die bovenop den schouder aan den lijfrok bevestigd waren. Als gij deze ketentjes aanschouwt, denk dan aan de wonderbare aaneenschakeling der gebeurtenissen in dit leven, in de geschiedenis der volkeren, in de geschiedenis der kerk, in de geschiedenis des Heeren Jezus; hoe Hij, onze hooggeloofde Koning en Hoogepriester, toen Hij juist van wege Zijn Goddelijk recht ter dood veroordeeld en ter dood gebracht werd, door de wonderbaarlijkste aaneenschakeling der dingen op den troon der heerlijkheid is geplaatst. Denkt dan ook aan zoovele getrouwe getuigen Gods, die ook »Urim en ïhummimquot;, d. i. de zalving des Heiligen Geestes hadden, die de vrije genade Gods den volke predikten, eu daarvan alleen getuigden, en die daarom alléén ambt en vaderland verlaten moesten, en hoe zij nochtans door de wonderbaarlijkste aaneenschakeling der gebeurtenissen boven water zijn gebleven met de heerschappij van het goddelijke woord! Deze ketentjes waren met ringen bevestigd, die zich aan de twee bovenste einden van den borstlap bevonden. Deze ringen beduidden de eeuwige tesamenvoeging van Zijne Koninklijke heerschappij met Zijn rechtspraak, gegrond op rechtvaardigheid en barmhartigheid, zoodat, even als aan eenen ring, begin noch einde daaraan is te vinden. Zoo beduiden ook de twee ringen, die zich

ocr page 201

33

op de zijde van den Efod bevonden, de eeuwige verbinding Zijns richt ens met Zijne Koninklijke trouw en genade, met Zijne borggerechtigheid en Zijnen vrede. Door deze twee laatste ringen waren de hemelsblauwe banden of linten getrokken, die beneden aan de beide hoeken des borstlaps stonden, en die dienen moesten om deuzelven vast te doen zitten; Verbondstrouw, waarvan het blauw de kleur is, maakte den borstlap des gerichts onbewegelijk: aan 's Hee-ren uitspraken is geen verwikken, evenmin als nooit noch nimmer een eenig waarachtige getuige des Hee-ren het daartoe zal kunnen brengen,dat hij het door hem afgelegde getuigenis zoude wederroepen; vast en onbewegelijk blijft zulk een getuigenis staan. En dit wel alleenlijk daarom, omdat Christus vast en onwankelbaar bleef in Zijne belijdenis voor het Sanhedrin ! Immers op de woorden des hoogepriester Ka-jafas; »ik bezweer u bij den levenden God dat gij ons zegt of gij de Christus, de Zone Gods zijt! — antwoordde Hij: »Gij hebt het gezegd ! doch ik zegge u, van nu aan zult gij den Zoon des menschen zien, zittende ter rechterhand Gods en komende op de wolken des hemels.quot;

Nu moeten wij nog de hoofdbedekking, de muts of kroon des hoogepriesters beschouwen. Dat was eene hooge koninklijke muts, eene soort van kroon of tulband, zooals de koningen in de oostersche landen dragen, en die vooral in vroeger eeuwen zeer hoog waren, als een teeken hunner koninklijke macht.

Deze muts was van blinkend fijn lijnwaad.

Op dezelve was met een hemelsblauw band (alzoo met een band in de kleur der eeuwige verbondstrouw) de voorhoofdsplaat bevestigd, zoodat deze plaat zich half op de muts of hoed, en half op des hoogepriesters voorhoofd bevond. Zooals wij dit lezen Ex. 39 : 30 :

ocr page 202

34

Zij maakten ook de plaat van de kroon der heiligheid van louter goud, en zij schreven daarop een schrift met zegelgraveering : ile ilciliirlicid (les Mtereii.

Van goud waren de klokjes of schellekens van 's hoogepriesters hemelsblauwen rok, goud was er geweven in den efod of lioogepriesteiiijken lijfrok, desgelijks was er goud in den borstlap, want de daarop bevestigde edelgesteenten waren immers in goudene kastjes bevestigd. Nu komt nog bij dit alles deze voorhootdsplaat van louter fijn goud.

Zoo predikt ons dus ook deze hoogepriesterlijke muts of hoed allereerst de gerechtigheid onzes Hee-ren Jezus Christus, waarvan wij zingen:

Christus bloed en gerechtigheid.

Dat is mijn pracht, mijn heerlijkheid,

Daarin zal ik voor God bestaan.

Als aard' en hemel ondergaan.

Dan zien wij in het blauwe band, waarmede de kostbare voorhoofdsplaat bevestigd was, 's Heeren ver-bondstrouw prijken, zoodat wij, zoo wij maar oogen hebben om te zien, daarop kunnen lezen, dat Hij onze Goël, onze Bloedbruidegom, onze eeuwige Koning is. Want omdat Hij onze Koning is, staat op die gouden voorhoofdsplaat het opschrift: Heiligheid des Heeren. God de Heere ziet naar heiligheid in alles ! Daarom spreekt Hij : Zijt heilig, want Ik ben heilig ! Zijne heiligheid wordt door Hem geenszins verloochend, maar krachtig gehandhaafd, en men dwaalt zeer, zoo men beweert, dat er bij Hem meer genade en barmhartigheid dan heiligheid is. Maar even als de genade

O o O

eeuwig is en als eeuwige genade gehandhaafd wordt, even als de barmhartigheid eeuwig is en als eeuwige barmhartigheid gehandhaafd wordt, zoo is ook 's

o ^ O '

Heeren heiligheid eenwig, en zal als eeuwige heiligheid gehandhaafd worden.

ocr page 203

35

Daarom, o gemeente ! hoort liet nog eenmaal: God spreekt: Zijt heilig ! want ik ben heilig. Genade wordt voor het geheels volk hun gepredikt, voorzeker ! genade, vrije genade in Jezus bloed! maar allereerst moet het den volke worden voorgehouden, dat het zich heeft te buigen voor Gods eeuwig geldende wet, voor elk woord van Zijn goddelijk verbond. Wie zich daarvoor buigt, wat komt die te zien ? Wat is toch deze Christus ? Deze Koning ? Deze Hoogepriester? Deze Profeet? Hij is heiligheid, heiligheid des Heeren. Met heiligheid is Hij bekleed, als onze Borg, opdat wij, die in ons zei ven van alle heiligheid ontbloot zijn, nochtans als volk des Heeren Hem, onzen Koning, Hoogepriester en Profeet zouden hebben tot onze heiligmaking en verlossing ! Amen.

^ S £« 31ï 13^

( P s. 4 5, 1 4).

Wie is der bruid des Lams gelijk ?

Wie is zoo arm, en wie zoo rijk ?

Wie is zoo zwart, gedrukt door tegenspoed ?

Wie is zoo schoon, wien gaat het hier zoo goed?

Lam Gods, Gij Zelf en uwe zaal'ge schaar

Zijn menschen, en toch eng'len wonderbaar.

Ook ik ben uit genade, o Heer!

Een lid van 't erfvolk tot Uw' eer.

Ellendig als wel nimmer is beleefd,

En toch zoo heerlijk, dat de vijand beeft; Zoo goddeloos, dat men geen erger vindt, Rechtvaardig toch als Hij, des Vaders Kind.

Een worm, gebogen in het stof.

Die opklimt tot des Konings hof.

ocr page 204

36

Bekommerd, vol van droefheid, naakt en krank, En toch vol enkel lofgezang en dank, Zoo zwak, dat mijne kunst is louter »niet;quot; Zoo sterk, dat Satan voor mi] wijkt en vliedt.

Vervolgd, verlaten en vervloekt.

Maar dien de Heer' gansch trouw'lijk zoekt. Voor 't oog der wijze wereld slechts een zot, Maar gansch vervuld van wijsheid in mijn God ; Verdrongen, neergeveld, alom verjaagd. En toch een held, die eeuw'ge palmen draagt.

Wie ben ik in mijn eigen staat ?

Een afgrond vol van zondekwaad,

In uwe pracht, o Lam, wie ben ik dan ? Een mensch, bij wien geen engel halen kan. Zoo schoon, zoo uitgelezen is uw bruid. Zoo wit, zoo rein, geen woorden drukken 't uit.

O zondenschuld, gij buigt mij neèr !

Maar gij, geloof, verheft mij weer !

Wie kan toch vatten Gods verborgen raad ? Alleen wie in het waar geloove staat ;

Waar Christus bloed als één terneder schrijft. Wat anders hemelsbreed gescheiden blijft.

Dat is Gods machtig wonderwerk.

Het doelwit van Zijn liefde, trouw en sterk. Een meesterstuk uit niets, door Zijne macht : 0 Christus' bloed. Gij hebt het ver gebracht! Komt, onderzoekt, gij Seraphim, knielt neer! Bewondert ons en juicht, en dankt den Heer !

Uitgegeven bij W. MEIJER, Commelinstraat 33, Amslerdam. Voor Duitsehland verkrijgbaar bij F. BüGKMANN, Eiberfeld. Prijs per Nummer 3 Ots. Franco per post 4 Cts.

ocr page 205

SCKRIFTVËRKLARIXKËN

VAN

Or. H. F. KOBLBRÜOOE.

Eenige bijzonderheden omtrent den uittocht der kinderen Israëls uit Egypte en hunne reis door de woestijn. (Vervolg).

WAT DE HBERE AAN ZIJN MU RM U REE REN D VOLK WILDE LEEREN DOOR DE INZETTING VAN HET LOOFHUTTENFEEST.

De God Israëls gaf Zijn volk hooge feesten, want een groot Koning is Hij, en zij die Hij Zich verworven en verkoren heeft, zijn een volk van koningen. Zoo geeft Hij dan ook aan hun Zijn hofteesten, zoo als de wereld ze niet kent. Aan Zijn Israël gaf Hij, behalve verscheidene feesten van meer ondergeschikten aard, drie hoofdfeesten: het Paaschfeest, het Pinksterfeest en het feest der Loofhutten. Ik weet het geliefden ! dat gij door den Geest Gods er bij gehouden wordt, om de geheele Schrift ter hand te nemen als het eéne onverdeelde Woord van God, en dat gij alzoo voor uzelven en met uwe kinderen, niet alleen het zoogenaamde nieuwe testament, maar ook het oude leest. In het oude testament echter stoeten wij vaak op eigenaardigheden, zoodat, ofschoon het geheel wel den weg tot onze harten vindt, en men het liefelijke er van, meer of min krijgt te smaken, men nochtans den wensch in zich voelt opkomen, het een en ander daaruit meer in bijzonderheden te hoo-ren uitleggen.

No. 116. 21 Juni 1890.

ocr page 206

38

Vroeger heb ik u reeds het een en ander medegedeeld omtrent de beteekenis van het Paaschfeest, ook reeds het een en ander omtrent het Pinksterfeest. Daarom heb ik nu het voornemen opgevat, u de beteekenis van het Loofhuttenfeest mede te deelen.

Wij lezen daarvan :

Lev. 23 van i'3 — 36 en 39 — 44, waar des Heeren Woord aldus luidt:

En de 11 eere sprak tot Mozes, zeggende; Spreek tot de kinderen Israels, zeggende: Op den vijftienden dag van deze zevende maand zal het feest der Loofhutten zeven dagen den Heere zijn. Op den eersten dag zal eene heilige zamenroeping zijn ; geen dienstwerk zult gij doen. Zeven dagen zult gij den Heere vuuroffer offeren; op den achtsten dag zult gij eene heilige zamenroeping hebben, en zult den Heere vuuroffer offeren : het is een verbodsdag, gij zult geen dienstwerk doen.

En vs. 39 — 44. Doch op den vijftienden dag der zevende maand, als gij het inkomen des lands zult in-gegaderd hebben, zult gij des Heeren feest zeven dagen vieren ; op den eersten dag zal er rust zijn, en op den achtsten dag zal er rust zijn. En op den eersten dag zult gij u nernen tukken van schoon geboomte, palmtakken en meien van dichte hoornen met beekwilgen ; en gij zult voor het aangezicht des Heeren uws Gods zeven dagen vrolijk zijn. En gij zult dat feest den Heere zeven dagen in het jaar vieren ; het is eene eeuwige inzetting voor uwe geslachten ; in de zevende maand zult gij het vieren. Zeven dagen zult gij in de loofhutten wonen; alle inboorlingen in Israël zullen in loofhutten wonen. Opdat uwe geslachten weten, dat Ik de kinderen Israels in loofhutten heb doen wonen, als Ik hen uit Eg;/pte-land uitgevoerd heb: Ik ben de Heere uw God! Alzoo heeft Aio zes de gezette hoogtijden des Heeren tot de kinderen Israels uitgesproken.

ocr page 207

i

39

Wij beschouwen dit feest van twee oogpunten uit: vooreerst als een feest der tabernakelen, der loofhutten, en ten tweede, als een feest der inzameling van de opbrengsten des lands. En terwijl wij dit doen, maken wij tegelijkertijd op zulk eene wijze de toepassing, dat een iegelijk het als met handen tasten kan : dat zijn eeuwige woorden Gods, ook voor ons, voor het Israël Gods na den Geest.

Allereerst betrachten wij alzoo het feest der tabernakelen, of der «loofhutten,quot; want zoo vertaalt Luther het; wat wil zeggen, dat deze hutten uit loof van boomen gemaakt waren. Toen de kinderen Israels in het beloofde land waren gekomen, en aldaar in steden woonden, moesten zij op dit feest uit hunne huizen gaan, en op de straat voor hunne woningen en op de marktplaatsen hutten of tabernakelen bouwen van schoone boomen, palmboomen, myrthenboo-men en beekwilgen. In deze hutten woonden zij zeven dagen, en boven zich hadden zij niets dan den blauwen hemel. Als zij nu in deze hutten of tabernakelen vergaderd waren, waren zy zeven dagen lang vroolijk voor des Heeren, huns Gods, aangezicht, en aten onder anderen de fijnste en geurigste appelen, hadden wijn en most in overvloed, en zalfden zich met kostbare oliën. Dat was alzoo zeven dagen lang een leven van genot, een leven van vreugde !

Wanneer nu de kinderen vroegen: »lieve vader ! gt;lieve moeder ! wat doet gij nu toch ? En waarom »handelt gij nu zoo ?quot; dan klonk het antwoord : ï Ja, lieve kinderen ! de Heere heeft liet ons bevolen «jaarlijks zeven dagen lang in zulke loofhutten te »wonen, en vroolijk te zijn voor Zijn aangezicht.quot; gt;Ja ! maar, wat beduidt dat alles dan toch ?quot; »0, »mijne lieve kinderen ! van al het leed, dat wij vroe-»ger geleden hebben, hebt gij geen begrip, evenmin

i

! ii? '-i jg.t

'1 ■ Ik

11

ocr page 208

40

gt;als van de wonderen des Heeren, want alles wat gt;gij, lieve kinderen! bezit en nog verkrijgen zult, gt;korQt alleen van Zijne hand. Wij echter en uwe »grootouders, hadden het niet zoo goed, wy moesten »eenen langen weg afleggen door eene vreeselijke gt;woestiin, en in deze woestijn was niets als zand.quot; gt;Was daar dan geen water ? lieve ouders!quot; »Neen »kindertjes ! niet eenmaal water hadden wij daar.quot; gt;Niet ? En ook geen brood ?quot; gt;Neen niet éénmaal »brood, niets dan zand. En daarbij kwam nog die gt;gevaarlijke »Samumquot;, die storm, machtig genoeg gt;om ons allen op éénen dag te vernielen.quot;

»Toen hadt gij zeker niet zulke huizen, als waarin »wij nu te zamen wonen ?quot; »Neen ! toen hadden »wij niets als zulke tabernakelen of hutten, waarin »wy ons thans bevinden.quot; »En waarvandaan kreegt ^gijlieden dan brood en water, lieve ouders ? »Brood zond de Heere ons van uit den hemel, en »water liet Hij voor ons uit den harden steenrots » slaan.quot;

Het geheele leven beweegt zich, opdat men getroost en zalig leve en sterve, tusschen deze drie stukken: kennis der ellende, der verlossing, en der waarachtige dankbaarheid. Om God den Heere dankbaar te zijn en te blijven, moeten wij steeds bedenken, dat wij in tabernakelen, in leemen hutten wonen ; want wat is het leven anders dan een spoedig opgeslagen en spoedig weder afgebroken tabernakel ? Is het niet door en door vergankelijk ? Is niet alles hier op aarde gelijk aan boomtakken zonder wortels ? Als zij zeven dagen geprijkt hebben, zijn zij verwelkt en verdord ! En de geslachten der menschen, zooals zy opkomen en verdwijnen, gelijken die niet op verdorde bladen des wouds, als de herftstorm ze daar henen jaagt ? Dat wij in zulke brooze tabernakelen wonen.

ocr page 209

41

spreekt ook de apostel Paulus uit, waar hij schrijft: 2 Gor. 5 : 1. Want wij weten, dat zoo ons aardsche huis dezes tabernakels — zie ! daar hebt ge de loofhut ! gebroken wordt, wij een gebouw hebben van God, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen! Dat moeten wij steeds in gedachtenis houden, mijne geliefden !

Nog iets ! Zijn niet alle verhoudingen en omstandigheden dezes levens zoodanig, dat zij als het ware eene hut om ons henen vormen ? Geheel afhankelijk, als wij zijn van deze verhoudingen en omstandigheden, kan niemand onzer doen, wat hij wil! En ook wat is dit aardsche leven eigenlijk anders, dau een bestendige dood!

Nog meer ! Voor dat gij de stad Gods gevonden had, toen gij nog woondet in de stads des verderfs, woondet gij toen ook niet in eene ellendige hut ? of liever in eene spelonk des duivels ? En, zoo gij u nog niet tot God bekeerd hebt, zoo gij den Heere nog niet hand en hart hebt gegeven, zie dan eens goed rondom u, waar gij u eigenlijk bevindt. Welgelukzalig zijt gij, zoo God in Zijne barmhartigheid de verhoudingen en omstandigheden des levens daartoe gebruikt, om u uwe eigene ellende te leeren kennen, om u te doen zien in welk eene groote en vreese-lijke woestijn gij u bevindt.

Maar Israël, het Israël Gods is niet daartoe bestemd, geboren en uitverkoren, om in de woestijn te blijven, en blijvend in zulke hutten der ellende te wonen. Er is Eén verschenen hier op aarde, die Zich niet schaamt ons broeders te noemen. Hij is nedergedaald in onze ellendige leemen hut. Zijn heerlijk paleis heeft Hij willen verlaten om met ons, in onze arme hut, in ons ellendig vleesch en bloed te wonen ! zooals geschreven staat: het woord is vleesch geworden,

ocr page 210

42

en heeft onder ons gewoond, en wij hebben Zijne heerlijkheid aanschouwd, eene heerlijlcheid als des eenigyehorenen van den Vader, vol van genade en waarheid l Joh. 1 : 14.

Het loofhuttenfeest was een nationaal feest, opdat het volk deze weldaad zoude indachtig blijven : onze Verbondsgod heeft ons in de ruste gebracht, en vaste steden ter woning gegeven, die wij niet gebouwd hebben. Alles, wat ons omringt, wij hebben het niet gemaakt, evenmin, als wij ons zelf' geschapen hebben, liet is alles een geschenk Zijner barmhartigheid. Welzalig is het volk, dat dit bedenkt, dat opmerkzaam gemaakt is op zijne ellende, en op de weldaden van allerlei verlossing en uitredding, niet alleen uit geestelijken, maar ook uit lichamelijken nood ; want dit moet men niet van elkaar scheiden, en zich een leven voorstellen gesplitst in een geestelijk en in een wereldlijk bestaan, want de mensch dient, of den Heere of den duivel. Wat een mensch echter heeft en is, dat heeft en is hij door loutere genade, en dat moet hij niet vergeten, anders bouwt hij niet uitsluitend op den waren grond der verlossing, en is ook niet waarachtig dankbaar. Daarom moet de mensch zijne ellende niet uit het oog verliezen, en hoe hij in eene ellendige hut gewoond heeft, en tegenover Gods wet nog in eene hut woont, als hij klaagt: ik ellendig mensch! wie zal mij verlossen uit hel iigclwam dezes doods. Want hij bevindt zich immers nog in deze leemen hut. Maar niettemin verklaart hij het luide, midden in deze hut: wij hebben eene sterke stad. God steil, heit tot muren en voorschansen. Jesaja 26 vs. 1. Dat is ongeveer hetzelfde als ; i.k dank God door .fezns Christus, onzen Heere, En : zoo is er dan nu geene verdoemenis meer, voor degenen, die nut vaar het vleeseh wandelen, maar naar den geest, d. w. z. die op genade hopen en niet om-

ocr page 211

gaan met de doode werken der wet. En de Heere sprak tot Mozes, zeggende en zoo spreekt nog God de Vader tot God den Zoon: spreek tot de kinderen Israels zeggende : want het moet den kinderen Israels gezegd worden. De duivel is er altoos op uit, dat Gods kinderen het hoofd laten hangen, en duister en zuur zien : hij wil steeds den armen menschen wijs maken, dat zij God niet kunnen dienen, zonder treurig te zijn. Door zulke voorstellingen wil hij dan den zondaar van God afhouden, en toovert hem allerlei vermaken voor, waarvan het einde is verlies van geld, welstand en gezondheid, en bovendien nog, dat men eindelijk zijne arme ziel verliest, en zich voor het hoofd slaande uitroept; o gij vijand! met uwe komedies en concerten, ik hen verloren ! ik ben verloren ! Voor Gods aangezicht heeft men echter te leven, zoo dat het één voortdurend feest is.

Zeg het den kinderen Israels, dat Ik een hoog verheven feest voor hen heb bereid, waartoe ik hen ook Zelf allen wil uitnoodigen. In welke maand had dit feest nu plaats ? In de zevende maand. In die zelfde maand was ook de groote verzoendag, en wel op den tienden der zelve maand, zooals wij lezen in vs. 27a; doch op den tienden dezer zevende maand zal de verzoendag zijn. Zij waren dus met God verzoend ; de ééne bok was geslacht, de andere bok had de zonde des volks op zich genomen en in de woestijn gedragen. Nu liet de Heere nog vier dagen voorbij gaan, en dan moest al het volk van vreugde springen en' vroolijk zijn, over al 's Heeren weldaden, over Zijne genade en over de volkomene vergiffenis der zonden, die Hij hen had geschonken. Dus in de zevende maand vond het Loofhuttenfeest plaats. Dat is ook dezelfde maand, waarin de wereld werd geschapen, en waarin ook de uitverkoren wereld ge-

ocr page 212

44

schapen, een nieuwe hemel en een nieuwe aarde daar-gesteld werden (de oude geleerden beweren, dat in deze maand Christus geboren werd). Het was alzoo de geschiktste maand om daarin feest te vieren.

Op welken dag echter van deze maand ? Op den vijftienden dag. God de Heere in den hemel heeft zoo Zijne bijzondere dagen. De vijftiende dag is de dag des Heiligen Geestes. Die komt, waar de zaak met de tien geboden in order is, zooals die onder Israël op den grooten verzoendag in order was gebracht. Die Heilige Geest van God komt, om ons vroolijk te maken; een feest moet daar gevierd worden, waar men zingt: mij is harniharligheid gesclued en daar antwoordt ook de andere; mij is barmhartigheid geschied. Dat maakt dan vereend één psalm uit!

Op den vijftienden dag alzoo is het feest der Loofhutten. Dan moest men terug denken aan den langen weg door de woestijn, aan al de leidingen Gods, aan al Zijne straffen en oordeelen, aan Zijne wonderbare genade, barmhartigheid en uitredding; hoe of Hij hier met hen geweest was, en daar met hen geweest was ; hoe zij gebrek aan water hadden gehad, en hoe de Heere het voor hen had laten ontspringen, hoe het brood hun ontbrak, en hoe de Heere het hun van den hemel zondt. Hoe vaak waren zij bezorgd geweest, dat op dien langen weg hunne schoenen zouden verslijten, want in de woestijn konden zij zich geen nieuwe schoenen aanschaffen, en ook hunne kleederen waren heel gebleven en niet versleten. Alles, alles had de Heere wonderlijk voor hen in stand gehouden, voor al de vijanden, voor al de vergiftige slangen in de woestijn had Hij hen bewaard. Wonderbaarlijk had Hij hen door die woestijn heen geholpen, ten laatste ook door den Jordaan henen, die vol was tot aan hare oevers ! Aan dat alles

ocr page 213

45

moesten zij op dien feestdag gedenken, en daarover met elkander spreken. Gelukkig hij, die te midden van overvloed dat blijft gedenken : ik ben des doods, die te midden der uitredding zijne vreeselijke ellende, zijne zonde niet vergeet. Dan alleen geniet hij in waarheid als van God, alles als uit de hand des Heeren.

Hoe lang moest nu die feestviering duren ? Zeven dagen. Dat is het tijdperk van het leven des Geestes. Zeven dagen beduiden hier, zooveel jaren, als God voor ieder mensch toegedacht heeft. Wat voor de kinderen Israels deze zeven dagen waren, zyn voor ons de volheid onzer levensdagen hier op aarde. Alzoo hebt gij, mijne geliefde Christenen! het loofhuttenfeest te vieren uw geheele leven lang ! igt;Den Heerequot;, den trouwe Verbondsgod, den genadigen Heere, Die is. Die was, en Die zijn zal; die al uwe zonden zoo wel de verledene, als de tegenwoordige en toekomstige zonden — indien gij heenen zinkt voor Zijn Woord — achter Zijnen rug heeft geworpen. Hij was het, die zorgde voor uwe wieg, Hij was het die zorgde voor uw bruiloftskleed, Hij is het, die voor uwe doodkist zal zorgen. Uw geheele leven lang zult gij den Heere. feesthouden, niet u zeiven ; gij arm kind! gij hebt immers niets. Alles hangt toch immers alleen van den Heere, van uwen lieven Vader af. Gewis ! Hij heeft alles, wat gij behoeft voor u klaar liggen in Zijn kabinet. Alzoo gt;den Heerequot; zult gij feest houden, niet u zei ven, maar om Hem te danken, te loven en te verheerlijken, om voor Hem alleen te leven en niet voor den duivel. Op den eersten dag zal eene heilige te zamen roeping zijn. Wat is dat voor een dag ? Dat is de dag, waarop wij het begonnen in te zien, hoe groot onze zonde en ellende is, waarop wij dat eens grondig leeren inzien, en de toevlucht leeren nemen tot

ocr page 214

46

Gods barmhartigheid. Zoodra men nu dezen grooten Koning en Hoogepriester Jezus, al is het ook maar van verre in het oog krijgt, dan is de eerste dag van het Loofhuttenfeest voor ons aangebroken. Is die dag niet heilig ? Is er één dag. zóó gelukzalig, als die dag, waarop men den Heere, zijnen Koning en Bruidegom hart en hand heeft geschonken ? Ik wil hiermede niet zeggen, dat een iegelijk dezen dag zoo vast en zeker kan aanwijzen, maar de Heilige Geest zegt: gij kunt u toch wel herinneren, dat er een gt;voorheenquot; was, toen het anders met u stond als nu. En is dat alles nu niet heilig ? zoo als er hier sprake is van een lip.ilige tezamenroeping ? Ik bedoel hier met heiligheid, geen toestand zonder zon-

O ' O

de, maar ik vraag het u, was op dien dag niet alles even prachtig en schoon V Is er iets heerlijkere, dan de dag, waarap men den Heere hand en hart schenkt ? en alzoo uit ondervinding en bevinding zeggen kan; ik ben niet meer mijn zelfs, maar mijns getrouwen Heeren en Zaligmakers Jesu Christi ? In dezen zin is deze eerste dag heilig; dat heeft God de Heere Zelf gezegd ; dat is een heerlijke, een wonderschoone dag ! zulk een dag, als die dag, komt niet meer terug hier op aarde. Neen, dat was de eerste liefde, toen men des eersten kus der vredes ontving, daar haalt niets anders bij ! Op dezen dag was er vr.ene heilige tezamenroepingquot;. Tot op dien dag leefde men alleen, al had men misschien duizend bekenden, maar nochtans gevoelde men zich eenzaam, en, om dit gevoel van eenzaamheid te verdrijven, wierp men zich in eenen maalstroom van allerlei zoogenaamde vreugde en vermaken. Maar op dien schoonen dag gingen de deuren der hemelstad open, en dan weet men : ik hen een mcdgezel van allen, die U vreezen ; men bevindt zich in het gezelschap van 's Heeren honderd vier en

ocr page 215

47

veertig duizend en van de groote scliare,die niemand tellen kan. Met dezen komt men in den geloove te zamen, en dit is het artikel van de gemeenschap der heiligen.

Geen dienstwerk zult gij doen. Dat heeft op dien dag een einde genomen ! Zoo lang ik geen genade had gevonden, heb ik hard gewerkt, als een knecht en slaaf, gewerkt wat ik maar kon, dag en nacht geslaafd, om mijne arme ziel te bevrijden ; ja ik heb gewerkt, tot ik niet meer kon ! Want juist zoo begint het ware leven. Dat beproeft al de geboden te houden, totdat het van de ladder ter neder stort, armen en beenen breekt en niet meer werken kan, maar als dood ter neder ligt. Dan komt er een eind aan al dien slaafschen arbeid ! Maar juist zóó komt men in de Loofhut binnen, en vindt daarin overvloed van alles. En daarin is ook al dat werk overtollig.

Wij genieten maar de vruchten Van des Heeren bangen strijd.

Want Hij heeft in Gods gerichte Ons voor eeuwig vrij gepleit.

Zeven dagen, dat herhaalt de Heere dus, ons ge-heele leven lang. Want de Heere weet het wel: onvermoeid is de duivel bezig, ons dien schat weder te ontnemen. Ach! zoo even verneemt men in de prediking des goddelijken woords, dat men het recht verkregen heeft dit feest den Heere te houden, en er moet maar het geringste tusschen beide komen, en alles is weer weg. Daarom herhaalt de Heere het, op dat men het goed in gedachtenis boude, en ook daarna handele ; zeven dagen zult gij den Heere vuur off er en offeren. Welk een vuur is dat ? Wat beduidt dat, den Heere vuurofferen offeren ? Denk' aan al uwe zonde, aan het tallooze heir uwer overtredingen, maar denk dan ook aan één drupke van

ocr page 216

48

.

dat bloed des Heeren Jezus, en ik wil eens zien of er in uw binnenste niet een vuur des Heeren zal ontbranden! Daar moge men uiterlijk nog zoo hard verdrukt worden, zoodat men niet meer zien noch hooren kan, nochtans in het binnenste des harten zal er een gloed ontstaan, als men aan het woord gedenkt: houdt feest des Heere.

Dm Heere moet dit vuur echter gelden, Hem moet het vuuroffer ontstoken zijn, den Heere Jezus, zoodat gij u vastklemt aan Zijne genade, aan Zijn bloed, aan Zijne gerechtigheid alle de dagen uws levens.

De achtste dag was ook een heilige dag, een ver-bodsdag. Die dag was het slot van het geheele feest, en zoo is ook de dag onzes doods voor ons, die den Heere Jezus toebehooren, een heilige dag, en de aanvang onzer zalige opstanding! Dan trekt men binnen in gindsche hutten, in gindsche tabernakelen, in die woningen, waarvan de Heere Jezus eens sprak: Ik tja heen om u plaats te bereiden. En zoo wanneer Ik heen zal gegaan zijn, en u plaats zal bereid hebben, zoo kom ik weder, en zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt, waar Ik ben. (Joh. 14 vs. 3). Alzoo, de achtste dag was ook een bijzondere feestdag, een verbodsdag, den Heere heilig.

Kevensgaandc ontvangen du lezers de beloofde derde preek ten geschenke. Geve hun de Heere daaruit Zijnen troost.

Üü UED.

Uitgegeven hij W. MEIJER, Commelinstraat 33, Amsterdam. Voor Üuitschland verkrijgbaar bij F. BiiCKMANN, Eiberfeld. Prija per Nummer 3 Cts. Franco per post 4 Ots.

ocr page 217

SCHRIFTVERKLARINGEN

VAK

Dr. H. F. KOHLBRÜOOE.

Eenige bijzonderhsden omtrent den uittocht der kinderen Israels uit Egypte en hunne reis door de woestijn. (Vervolg).

WAT DE HEERE AAN ZIJN MURMUREEREND VOLK WILDE LEEREN DOOR DE INZETTING VAN HET LOOFHUTTENFEEST.

Daarvan knnt gy verzekerd zijn, gij behoeft niets meer in uwe hand té hebben om op te bouwen, waar nu de weg met den Heere is begonnen, daar zal het einde ook met Hem zijn, gelijk ook de Apostel Paulus zegt: vertrouwende ditzelve, dat Hij, die in u een goed, werk hegonnen heeft, dat voleindigen zal tot op den dag van Jezus Christus. Philip I vs. 6. Gij zijt het eigendom des Heeren, van die ure af, toen uw voet op den smallen weg kwam te staan, en gij blijft het eigendom des Heeren, als gij staat aan den oever van den jordaan, aan den oever des doods. Daarom was de achtste dag ook een dag voor heilige te zamen roeping.

Op dezen dag moest ook igt;geen dienstwerkquot; geschieden. Ook in de ure des doods moet men zich niet met zijne eigene werken willen versieren, maar sterven, zoo als men geleefd heeft, met de zucht des tollenaars op de lippen : O God, wees mij zondaar genadig!

Zie geliefden ! tot nu toe hebben wij het loofhuttenfeest beschouwd, als het feest der hutten, der No. 117. 5 Juli 1890.

ocr page 218

50

tabernakelen, nu moeten wij liet ook nog beschouwen als het feest der inzameling. Zoo lezen wij vs. 39 : docli op den vijfLienden dag der zevende maand, als gij het inkomen des lands zult ingegaderd hebben, zult gij des 11 neren feest zeven dagen vieren; op den eersten dag zal er rast zijn, zal het rustdag zijn. en op den achsten dag zal er rust zijn; rust om te erkennen en te ondervinden, dat het de Heere is, die u in die ruste gebracht heeft, waarvan Paulus in den brief aan de Hebreen zoo veel troostrijke dingen zegt, b. v.: Laat om dan ons benaarstigen, om in die rust in tc gaan. Hebr. 4 vs. 11, en: Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid, mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd. Hebr. 4 vs. 16. Het is alzoo een feest der vreugde, als God ons in de ruste heeft gebracht. Erken dit aan, en begin daarmede, gaat door, als gij de grootste onrust in uw harte voelt.

Waarom zoude ik weenen ?

Heb ik toch Christus nog,

Wie kan Dien m' ontnemen ?

Verder was het een feest, waarop men zich moest verheugen, over alles wat men ingegaderd (ingezameld) had. Hiermede is nu niet zoo zeer het brood-koorn bedoeld, want de tarweoogst was reeds met het Pinksterfeest afgeloopen. Maar in de zevende maand kwam er nog een ander feest. De eerste oogst bracht het brood. »Geef ons heden ons dagelijksch brood.quot; Brood is voor den mensch onontbeerlijk. Maar gij ouders! geeft gij uwen kinderen brood alleen, of geeft gij hun, indien het u ten minste mogelijk is, op hunnen verjaardag ook niet iets lekkers ? O,

ocr page 219

51

laat ons toch niet denken dat God de Heere iu den hemel zoo karig is voor Zijn volk. Zie eens op Holland, toen dat land nog Gode de eere gaf! Zie op Engeland, of de gereformeerde kantons van Z wit-serland, zie op zoo menige stad van Duitschland, en. vraag u dan eens af: van waar kwam en komt al die overvloedquot;? O, rykelijk, rijkelijk geeft de Heere, verre boven hetgeen wij behoeven. Nadat het aller-noodigste, het dagelijksch brood ingeoogst was, werd nog ingezameld: ooft en most, wijn en olie, allerlei voortbrengselen en rijkdommen van overloed, zoodat het als het ware eene overstrooming van weldaden was. Dat alles heeft de Heere God in de hand. Rijke lieden meenen wel, dat zij het in de hand hebben, maar zij verstaan niet, dat het van den Heere alleen alles komt, en dat Hij er Zijn vermaak in heeft rijkelijk medetedeelen. O ! waar een mensch God den Heere de eere geeft, zich aan Zijn Woord houdt en niet van elkander scheidt, wat God niet van elkander heeft gescheiden, waar eene stad, eene gemeente, een huisgezin God in eere houdt, zij zullen het gewis ondervinden, dat God uit eenen gulden een cent, maar ook uit een cent een gulden, ja een goudstuk weet te maken, want, waar de Heere zegent, daar komen plasregens van zegen (Ez. 34 : 26.) Wij moesten echter meer om den 119lt;ien Psalm denken, en wat het eigenlijk beduidt 's Heeren heilige wet en zijne geboden in het oog te houden en te bewaren, opdat allereerst het waarachtige geloof aan God bij ons aanwezig zij. O, men waagt er niets bij, wanneer men zijn hoofd, zijn verstand, ja zijn ge-heelen weg in de hand des lleeren stelt; want Hij heeft immers gezegd ; Ik sal u alles honderdvoudig wedergeven met de vervolgingen.

God de Heere wil dus dankbaarheid. Hij eischt

ocr page 220

52

die echter niet voor zich, maar Hij wil deze dankbaarheid om onzentwille, tot ons heil. God wil niet, dat wij één stuk brood in den mond steken, zonder de dankbare erkentenis, al leeft die ook niet altoos even helder in ons, dat Hij het alles ons in Zijne genade heeft geschonken. Om dat te verstaan, moet men echter armoede en ellende kennen

In de woestijn had God gezegd: gij zult het land erfelijk bezitten, en niet alleen het land, maar ook groote en machtige steden, en niet alleen zulke steden, maar ook ooft en must, wijn en olie. Dat alles had God beloofd. Nu waren zy in het land gekomen, des Heeren woord was waar geworden, en, als zij nu alles ingezameld hadden, als de harde veldarbeid afgeloopen was, zoodat zij den winter gerust tegemoet konden zien, dan moesten zij ook flink eten van die welriekende appelen, en zich ook goed aan de geur daarvan verkwikken ; zij moesten zich verheugen en vroolijk zijn voor den Heere, drinken van den hun gegeven most en wijn, en zich zalven met hunne olie.

Vervolgens heeft God gezegd, dat zij zouden nemen vruchten van schoon geboomte, dat zag op die heerlijke citroenen en granaatappelen, die zij zouden eten; verder: dat zij zouden nemen »p ilmtakkenquot;. O ! de palmboom, die breekt met zijne krirn door de wolken in de hoogte en brengt dadels voort, heerlijke vruchten en kostelijken wijn te gelijker tijd. De palmboom is een zinnebeeld van overwinning, een beeld daarvan, dat men de overwinning behaald heeft, zooals geschreven staat: Geloofd zij God, die ons de overwinning geeft, door onzen Heere Jezus Christus! Verder moesten zij nemen : meien van dichte boornm, d. i. van myrthen, en eindelijk beekwilgen, om alles te zamen te binden, zooals de Heere Zijne gemeente te zamen bindt door tegenspoed en kruis, opdat de

ocr page 221

53

palmboom der overwinning rechtop blijve staan.

En gij zult voor het aangezicht des Heeren, mos Gods zenen (int;en vroolijk zijn.

En dat zegt Hij tot tweemaal toe, want iets verder herhaalt Hi} het: en gij zult dat feextden Heere zeven dagen in het jaar vieren, tegen den duivel aan, tegen uwe domme treurigheid en bezorgdheid aan, al de dagen uws levens.

Dat geeft de Heere tot eene eeuwige inzetting, als een u geschonken voorrecht. Ja, wie het achteloos laat liegen, die laat het achteloos liggen, maar ge-schonlien is het. Daarom is het eene eeuwige inzetting, die duizenden van jaren geldt, en tot in alle eeuwigheid. Ik geef het niet alleen U, spreekt de Heere, maar ook uwen kinderen ; Ik wil uw üod zijn en uws zaads Sod, na u ; uwe nakomelingen mogen zich ook daarin verheugen, en hetzelfde feest mede houden.

Het is de Heere, die den hemel en de aarde gemaakt heeft, voor Hem is het maar eene kleinigheid u broodkoorn te geven. Hij heeft er zijn vermaak in u ook appelen en most, ooft en wijn te geven bovendien. God heeft in Zijne barmhartigheid de wereld herschapen, en eene nieuwe aarde en een' nieuwen hemel daargesteld, waarin gerechtigheid woont.

Jlijn leven is een pe'grimstand Ik trek naar 't heinelsch vaderland.

Naar hoven moet ik henen ! Zoo heb ik dan die eeuwige inzetting van den Heere, dat ik, omdat Hij den hemel en de aarde heeft geschapen, op grond van zijne eeuw:g geldende genoegdoening, van Hem alles mag verwachten, wat ik van noode heb, voor mijne arme ziel, en alles wat ik van kleeding en voedsel behoef voor mijn vergankelijk lichaam. Eene

ocr page 222

54

inzetting is het voor ons, en voor ons zaad. Daarom blijf by 's Heeren gebod, scherp dat uwen kinderen in op die wijze, zoo als de Heere het hebben wil, dat zij niet moedeloos het hoofd laten hangen, geen leugenaars eu huichelaars worden, maar dat zij bij Gods woord blijven, en, zie dan eens of God uw huis niet zal uitbreiden, en of gij, als gij sterft, niet meer zult bezitten dan op uwen trouwdag, en of gij uwen kinderen nog niet wat zult kunnen achterlaten.

Dat is nu de wijze, waarop men het Loofhuttenfeest moet beschouwen, als het feest der inzameling.

En nu spreekt de Heere God nog meer daarvan, en wij mogen dat niet onopgemerkt laten liggen Deut. 16 ; 13, 14 :

Het feest der Loofhutten zult gij u zeven dogen houden, als gij zult hebben ingezameld van uwen dorsch-vloer en van uwe wijnpers. En gij zult vroolij/c zijn op uw feest, gij, en uw zoon, en uwe. dochter, en uw dienstknecht, en uwe dienstmaagd, en de Leviet, en de vreemdeling, en de wees, en de weduwe, die in uwe poorten zijn. Deel het ook ^uwen kinderenquot; mede, hoe vriendelijk de Heere is, opdat zij reeds in hunne jonge jaren daarop mogen belust worden, Hem hart en hand te reiken. sDen Levietquot;, want die heeft niet geleerd handel te drijven, die heeft geen winstgevende zaak, maar hij leeft onder u, om u Gods Woord te brengen. De Heere is zijn erfdeel. Daarom moogt gij hem niet verachten, maar het wel begrijpen, dat gij in hem een zichtbaar onderpand bezit van uwen welstand, van den welstand van het land, van de stad uwer inwoning. Dit onderpand bezit gi] ook in den vreemdeling, in de weezen en de weduwen, die in uwe poorten zijn. Zeven dagen zult gij den Heere, uwen God feest vieren, in de plaats, die de Heere ver-Mezen zal.

ocr page 223

55

Blijf das bg Zijn Woord, wijk daar niet van af, anders is het met uwen welstand gedaan, blijf by Zijn gebod, opdat gij niet begint te hunkeren naar dingen, die u in het verderf brengen.

De Heere, uw God — houdt dit vast — zal u zegenen in al uw inkomen, en in al het werk uwer handen, daarom zult, g/j immers vroolijk zijn (vs. 15).

Meen dus niet: neen ! om de Levieten, weduwen en weezeu behoef ik mij niet te bekommeren, ik moet voor mij zeiven zorgen, en voor mijne kinderen. Ik zeg het u nog eens, gij hebt in de Levieten, weduwen en weezen onderpanden van uwen welstand. Vergeet ze niet, en zie dan wat de Heere uw trod u geeft. Hij kan het niet gedoogen, dat gij, om des Woor 's wille, eénen cent zoudt laten varen, zonder dat zij daarvoor eenen stuiver of een' gulden in de plaats zoudt krijgen.

Laat u alzoo niet betooveren dooi- den duivel der gierigheid, want wat zal de Heere doen ? Op de groote, in geldkisten tezamen geschraapte schatten gaat de duivel zitten, maar in Gods Woord, daar liggen veel grootere schatten in verborgen. Aan Zijn zegen is alles gelegen. Hij zal u zegenen, in al uw inkomen, in al de werken uwer handen, en, omdat Hij u zal zegenen, zult gij eenen Psalm aanheffen en vroolyk zingen den Heere, uwen God ! die u dat gezegd en beloofd heeft. Hij houdt woord en trouwe !

Laat ons dit nu niet vergeestelijken, maar eenvoudig zoo opnemen, als het in het burgerlijke leven waarheid is, eu gelijk het door de ondervinding der vromen bevestigd wordt. Toch moeten wij niet mee-nen, dat ooft en most en wijn en olie de hoofdzaak zijn, maar, gelijk de Heere Israël uit Egypte, door de woestijn henen, in het beloofde land gebracht heeft, in het land der ruste, alzoo wil Hij ook Zijn

ocr page 224

ÜG

volk door de woestijn dezes levens en door den dood henen brengen in de stad daar boven ! En dun zal Hij voor het hart ook ooft en most en wijn en olie ter verkwikking geven. Zoo kunnen wi] het ook geestelijk verklaren. Daarom lezen wij ook bij den profeet Jeremia Cap. 31 : 12. Dies zullen zij komen, en op de hoogte van Zion juichen, en toevloeien tot des Hecren goed, tot het koren, en tot den most, en tot de olie, en tot de jonge schapen en runderen (1) ; en hunne ziel zal zijn als een gewaterde hof, en zij zullen voorlaan niet meer treurig zijn. Welzalig zijn wij, zoo wij dat erkennen, en bij ondervinding mede kunnen uitspreken, wat de bruid in het Hooglied zegt : Hij voert mij in het wijnhuis, en de liefde is Zijne banier over mij. floogl. 2 : 4. En Ps. 23 : 5.: Gij richt de tafel toe voor mijn aangezicht, tegen over mijne tegenpartijders ; Gij maakt mijn hoofd vel met olie, mijn beker is overvloeiende!

WAT DE HEERE AAN ZIJN MURMUREEREND

VOLK WILDE LEEREN DOOR DE INSTELLING VAN DE WET DER ROODE KOE.

Ik zal met hart en mond, o Heer! Uw Naam verhoogen en uw eer.

Dewijl Gij mij uw' bijstand boodt. Mij optrokt uit den diensten nood ;

Zoo dat mijn vijand in mijn lijden.

Zich over mij niet mocht verblijden.

Mijn God! Gij hebt mij, op mijn klacht, Genezen, en mijn smart verzacht;

Gij hebt mijn ziel, door angst beroerd, Als uit het. graf weer opgevoeid ;

Gij hebt het leven mij geschonken.

Ik ben niet in den kuil gezonken.

1

Zie, dit alles verstaat de profeet hier geestelijk.

ocr page 225

57

Deze verhevene woorden uit den SOsten Psalm, lieve lezer! bevatten een danklied van de verlossing uit zware krankheid, eene krankheid des lichaams, maar bovenal eene krankheid des geestes. Het is een danklied over de verlossing uit zware aanvechting, een lofspaltn over de verlossing uit eene ziekte, die als een zwaar en welverdiend oordeel des Ileeren over ons kwam.

Mijne geliefden! alles wat leeft is voortdurend door den dood overweldigd, en staat doodschuldig voor God. Al wie geestelijk leven heeft ontvangen, is voortdurend blootgesteld aan allerlei verzoekingen des duivels.

Volgens het opschrift van dezen Psalm zouden wg moeten denken, dat dit heerlijke loflied alleen opgesteld was, als een lied der inwijding voor Davids huis, maar dit was niet alleen letterlijk, maar allereerst geestelijk bedoeld ; ik herhaal het: het was een loflied van verlossing uit zware geestelijke krankheid, uit zware aanvechting en harden nood, waarin de ziele door hare zonden geraakt was,en dat wel zóó diep, dat zij meende daarin voor eeuwig te moeten omkomen, ja, gelijk de apostel Paulus zegt: het vonnis des doods reeds in zich had. (2 Cor. 1 : 9). Maar toen David dacht, dat hij naar ziel en lichaam in den gloed van Gods toorn zoude moeten omkomen, toen heeft de Heere hem genadig aangezien, hem overgoten met het bloed en den Geest Christi, en hem gereinigd van alle onreinigheid en bevlekking des doods ! Voortdurend nu is de duivel bezig ons tot allerlei zonden en overtredingen te verleiden, om ons daardoor in het ongeluk te storten, ons het ge oof te ontnemen, en ons de reinigende en zaligmakende kracht van de offerande Christi uit het oog te doen verliezen.

Tweederlei offers had God de Heere o. a. voor zün

ocr page 226

58

murraureerencl volk Israël ingesteld. Vooreerst het zoenoffer, en ten tweede het zondoffer.

Daar het nu Christus en Zijne oöerande is, die in al de ceremoniën der wet afgebeeld wordt, zoo zien we in het zoenoffer, het ofter Christi, zooals dat ons, die eene gerechtigheid aanbrengt, die alleen voor God geldt, en in het zondoffer, dat zelfde offer, zooals het ons reinigt van alle verontreiniging des doods,- ja van den dood zelf. Daartoe slaan wij te zamen op: Numeri 19 : 1 — 13 :

Wijders sprak de Heere tot Aiozes, en tot Aaron, zeggende : dit is d* inzetting van de toet, die de Heere geboden heeft, zeggende : spreek tot de kinderen Israels, dat zij tot u brengen eene roode volkomene vaars, in welke geen gebrek is, op welke geen juk gekomen is. En gij zult die geven aan Eleazar, den priester; en hij zal ze uitbrengen, tot buiten het leger en men zal haar voor zijn aangezicht slachten. En Eleazar, de priester zal van haar bloed met zijnen vinger nemen, en hij zal van haar bloed recht tegenover de tent der zamenkomst zevenmaal sprengen. Voorts zal men deze vaars voor zijn aangezicht verbranden ; haar vel, en haar vleesch, en haar bloed, met haren mest, zal men verbranden. En de priester zal nemen cederhout en hyzop, en scharlaken, en werpen ze in het midden van den brand dezer vaars. Dan zal de priester zijne kleederen wasschen, en zijn vleesch met water baden, en daarna in het leger gaan ; en de priester zal onrein zijn tot aan den avond. Ook die haar verbrand heeft, zal zijne kleederen met water wasschen, en zijn vleesch met water baden, en onrein zijn tot aan den avond. En een rein man zal de asch dezer vaars verzamelen en buiten het leger in eene reine plaats wegleggen ; en het zal zijn ter bewaring voor de vergadering van de kinderen Israels, tot het water der afzondering: het is ontzondiging. En die de asch dezer vaars verzameld heeft, zal zijne

ocr page 227

59

kleederen zoasschen, en onrein zijn tot den avond. Dit zal den kinderen Israels en den vreemdeling., die in het midden van hen als vreemdeling verkeert, tol erne eeuwige inzetting zijn. Wie eenen doode, eenig dood lichaam van een mensch aanroert, die zal zeven dagen onrein zijn. Op den derden dag zal hij zich daarmede ontzondigen, zoo zal hij op den zevenden dag rein zijn ; maar indien hij zich op den derden dag niet ontzondigt, zoo zal hij op den zevenden dag niet rein zijn. Al wie eenen doode, het doode lichaam eens menschen, die gestorven zal zijn, aanroert, en zich niet onlzondiqd zal hebben, die verontreinigt den tabernakel des [leeren; daarom zal die ziel uitgeroeid worden uit Israël, omdat het water der afzondering op hem niet genprengd is, zal hij onrein zijn; zijne onreinigheid is nog in hem.

Deze offers, mijne geliefden ! het zoenoüer en het zondotter, waren de allerhoogste, de aller beteekenis-volste, de allerheerlijk=te, van alle otters ; zij waren als het ware een stroom, waarin alle andere otters en ceremoniën, als beken en beekjes uitliepen. De Joden zelf betuigen in hun ongeloof: deze otters kan niemand uitleggen noch verstaan, voor dat de Messias is gekomen, of zoo als zij het uitdrukten, voordat de heerlijkheid Gods over ons is opgegaan. De instelling dezer beide otters geschiedde, nadat Mo-zes het gouden kalf had laten verbrijzelen en verbranden, de asch daarvan in het water had geworpen, en den kinderen Israels die zoo zwaar tegen den Heere hadden gezondigd, door het ambidden van het gouden kalf, dit met asch vermengde water had laten drinken. Maar de herhaling en nadere bepaling van deze offers vinden wij eerst hier in Numeri, en dat wel in eenen tijd, toen het volk aan alle zg-den door dooden omringd was.

Er waren immers niet lang geleden veertien dui-

ocr page 228

CO

zend uit Israël gevallen, na het oproer, dat Korach, Dathan en Abiram tegen Mozes en Aiiron hadden aangericht. Zij waren gevallen in het strafgericht, dat God over het volk bracht. Maar het bleek, helaas, spoedig, dat zij zoo weinig verootmoedigd waren door hetgeen de Heere aan Korach en zijne benden gedaan had, dat zij kort daarop tegen Mozes en Aiirorr murmureerden, en spraken : gijlieden hebt des Heerm volk gedood, Numeri 16 : Alh, noemende alzoo »volk des fleerenquot; degenen, die de Heere levend ter helle had laten varen ! Veertien duizend menschen waren alzoo kort geleden omgekomen door des Hee-ren slaande hand, toen de nadere bepalingen omtrent het zoen- en zondofler werden vastgesteld. De Heere had het verder getoond, dat alles, wat van het volk kwam, dood was en in den dood lag, en dat alleen de staf Aarons heerlyke bloesem en vruchten droeg. Numeri 17.

Ook Mirjam en Aiiron stierven niet lang na de instelling van het zoen en zondoffer.

Wij lezen nu allereerst, dat de Heere sprak tot »Mozes en tot Aiironquot; Numeri 19:1, dit deed de Heere ook bij de instelling van het pascha en hetpaasch-lam, zooals wij lezen Exodus 12:1. Tot Mozes, die de wet en tot Aiiron, die het levietische priesterschap vertegenwoordigt, spreekt hier dus de Heere. Tot Mozes, tot de wet spreekt hier de Heere, opdat de wet zoude zijn een tuchtmeester tot Christus; tot Aiiron, tot het levietische priesterschap spreekt de Heere, omdat dat geroepen was, het ofier ter verzoening en reiniging te slachten.

Uitgegeven bij VV. MEIJER, Commelinstraat 33, Amsterdam. Voor Duitschland verkrijgbaar bij F. BiiCKMANN, Elherf eld.

Prijs per Nummer 3 Cts. Franco per post 4 Cts.

S

ocr page 229

SCHRIFTVERKLARING EX

VAN

Dr. H. F. KOHLBRÜGQE:.

Eenige bijzonderheden omtrent den uiibcht der kinderen Israels uit Egypte en hunne reis door de woestijn. (Vervolg).

WAT DE HEERE AAN ZIJN MURMUREEREND VOLK WILDE LEEREN DOOR DE INSTELLING VAN DE WET DER ROODE KOE.

Dit is de inzetting van de wet, die de Heere geboden heeft: De vaars, die jonge koe, moest verbrand worden, ten einde er assclie zoude zijn, die, met levend, stroomend water verbonden, dienen moest om een iegelijk te ontzondigen, die zich had verontreinigd met eenen doode aan te raken. Ook dit had eene geestelijke beteekenis, wi] hebben ook hier eene dier ceremoniën der wet, waarin Christus reeds eeuwen lang, vóór zijne verschijning in vleesch den volke werd afgebeeld, zooals wij zulks lezen Hebr. P : 13, 14 : Want indien het bloed der stier en en hokken, en de, asch der jonge koe, hesprengende de. onreinen, hen heiligt tot de reinigheid des vleesches: hoe veel te meer zal het bloed van Christus, die door den eennngen Geest Zich Zeiven God onstraffelijk opgeofferd heeft, uw geweten reinigen van doode werken, om den levenden God te dienen ?

God heeft echter deze besprenging met levend water, gemengd met de asch der roode koe, niet verordend, omdat de mensch in de macht des duivels ligt, wanneer hij eeu dood lichaam heeft aangeroerd, maar om ons te leeren, dat wij allen door Adams val kinderen des doods zijn, in zonde ontvangen en ge-No. 118. 19 Juli 1890.

ocr page 230

62

boren ; dat alles wat ons omringt, buiten Christus dood is, ja dat wij midden in den dood liggen, en het moeten uitspreken met verbrijzeling des harten ; alle mijne werken, waar ik zoo veel mede opheb, en zulk een ophef van maak, zijn dood voor 's Hee-ren heilige wet, want die kan geen andere gerechtigheid aannemen, noch laten gelden als zulk een, waarvan vlek noch rimpel aanwezig is Daarom vraagt ook onze Catechismus: (Vr. en Antw. 62) »Maar waarom kunnen onze goede werken niet de »gerechtigheid voor God, of een stuk derzeive zijn? gt; Daarom dat de gerechtigheid, die voor (iods gedichte bestaan kan, gansch volkomen en der wet sGods in alle stukken gelijkmatig zijn moet; en dat »ook onze beste werken in dit leven onvolkomen en gt;inet zonden bevlekt zijn.quot; En dit is ook de rede, waarom schuld en vloek op ons liggen. Gij hebt eeuwige straf verdiend, en die staat u ook te wachten, o mijn volk ! wil de Heere zeggen, maar Ik laat een rund, eeno jonge koe dooden en verbranden ; met het bloed en de asch derzelve, vermengd met levend water laat Ik u besprengen, en zóó zijt gij ontzondigd van uwe onreinheid, van uwe verontreiniging door liet aanroeren der dooden, die u overal omringen, gelijk het bloed Christi u ook ontzondigt en bevrijdt van het aanklagende geweten, van schuld, van welverdiende straf, van doode werken, en van al u^e zonden, de vruchten van den dood, waarin gij ligt verzonken.

Dit is de inzetting die de Heere gehoden heeft lezen wij verder, of, zooals het in de grondtaal luidt: »dit is het voorbeeld der leer.quot; Dit woord »voor-beeldquot; of »afbeeldingquot; is afgeleid van een hebreeuwsch woord,dat ook »insnijdenquot;, »naschilderenquot; beduidt, zoo als men b. v. de afbeelding van het een of ander.

ocr page 231

63

dat men heeft, of waarover men nadenkt, op het papier wil brengen, zoodat wij het met onze oogen zien kunnen. Waar wij nu in de Heilige Schriften het woord vwetquot; lezen, moeten wij niet alleen aan de tien geboden denken, maar aan de geheele leer der zaligheid, aan het heilige en zalige evangelie, dat aan Mozes in een beeld getoond werd op den berg Horeb. Maleachi zegt in zijne profetie Cap. 4:4:

Gedenkt der roet van Mozes, Mijnen knecht, die. Ik hem bevolen heb op Horeb aan gansch Israël; der inzettingen en rechten, en daarmede bedoelt hij niet alleen de wet der tien geboden, maar de geheele leer der zaligheid, zooals zij in de instellingen en ceremoniën der wet is afgebeeld. Want het geheele beeld, dat God aan Mozes, Zijnen knecht, getoond had op Horeb, toen Mozes den tabernakel moest maken, was het beeld eener veilige schuilplaats tegen zonde, duivel en dood. Vergel. Rom. G : 17. »Dit is de in-»zetting van de wet, die de Ilnere geboden heeft !quot; Waar de Heere gebiedt en Zijne stem verheft, daar houdt alle tegenspraak des duivels op, daar moet de stem van het aanklagende geweten zwijgen, alle bedreigingen der wet, b. v.: vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen, houden daar op, dan komt er een einde aan het aarzelen en twijfelen, aan de bange kreet des harten : ik kan niet en ik mag niet! Als de Heere Zijne stem verheft, dan trekt men het niet meer in twijfel, of men zich wel aan Hem mag overgeven, of men wel tot Hem mag gaan, niet zoo als men zijn moest, maar zoo als men is. Waar de Heere leven, zegen en genade gebiedt met zijne vriendelijke woorden, daar komt er een einde aan de kwellingen, die de wet der zonde en des doods ons veroorzaken.

m i

it'i s

i

iii

m

If

ui

ii^i

R;

m *•''

'v

■-1

:5!l i

: • :::

II

ocr page 232

64

gt;Dit is de inzetting der wet, — 't is het afbeeld gt;zelf van de leer der zaligheid — die de Heere gt; geboden heeft, zeggende: spreekt tot de hinderen gt;Israels.* Spreekt tot hen, zeg het o Mijn knecht Mozes ! overleg het niet alleen in uw gemoed, maar roep het hun luide toe, belijdt het openlijk, dat dit eene inzetting van Mijnentwegen is. Deze inzetting geldt niet alleen den kinderen Israels, maar ook den vreemdeling, die, als vreemdeling, in het midden van Israël verkeert, zooals dit in het 10 vers vermeld wordt, dus niet alleen Israël, den uitverkorenen, maar ook den vreemdeling, die als vreemdeling in hun midden verkeerde, die zich dus zelf het burgerschap Israëls niet durfde toerekenen. Spreek tot de kinderen Israëls, die gezondigd hebben, die het gouden kalf gemaakt hebben, die gemurmureerd hebben tegen den Heere, die, toen zij vleesch noch brood hadden, terug hebben gehunkerd naar de vleeschpot-ten ran Egypte, ja ! spreek tot dat zelfde Israël, tot dat zelf !e volk, dat gy door uwe prediking tot zondaars hebt moeten maken, wien gij het hebt moeten aanzeggen, dat al hunne gerechtigheden een weg-werpelijk kleed waren, niets dan spinnewebben voor den hoogen en heiligen God, spreekt tot dat volk, dat er genade bij Mij is, dat er vergeving der zonde bij Mij is, en dat zij tot u moeten brengen eene roode volkomene vaars.

Wie dorst heeft kome, wie onrein is kome, en late zich besprengen ! Dat was het, wat Mozes als tuchtim ester tot op Christus, wat Ailron, als beeld van den waren en hemelschen Hoogepriester het volk zeggen moest! Weet gij wel mijne geliefden ! wanneer de laatste roode koe verbrand is, opdat er in hare assche ontzondiging zoude zijn voor het arme volk Gods ? Dat geschiedde, toen Christus, als het

ocr page 233

tegenbeeld dezer roode koe, geslagen en gedood werd, aan het hout des kruises, ja op den geheelen langen lijdensweg, toenfli] voor het Sanhedrin werd gesteld, van Pilatus naar Herodes en weder van Herodes naar Pilatus werd geleid in een purperen mantel. De koe, die de kinderen Israels tot M^zes nioesten brengen, moest rood zijn, opdat zij reeds het oude volk zoude wijzen, op dat roode bloed van Christus, dat voor al de Zijnen de fontein des eeuwigen levens is geworden.

Van wien hadden de kinderen Israels deze vaars, deze roode koe? Wie had dat alles zoo verordineerd ? Dat hadden zij alles van d^n Ileere Zelf! En zoo is onze Koning en Heiland, Hij die tegelijker tijd het offer voor onze zouden, en de Hoogepi iester is, die dat offer volbracht heeft, o^ s ook van God gegeven ! /00 staat er geschreven ; want ern kind in ons geboren, een zoon is ons gegeven en de heerschuppij is op Zijnen schouder; en men noemt Zijnen A aam: \Vonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid. Vredevorst. Jes.9 vs.5. Deze vaars,of jonge koe moest volkomen zijn,geen gebrek mocht aan haar zijn, geen juk op haren hals zijn gekomen. Zoo ontbreekt er ook niets aan de door Christus aangebrachte gerechtigheid, aan de gerechtigheid, die alleen voor God geldt. Deze koe moest gedood en dan verbrand worden, en met haar bloed, en met hare asch, vermengd met levend w.iter, moest het volk, dat gezondigd had, besprengd worden, zoodat tot dat volk kon gezegd worden: ik zie in u geen vlek noch rimpel meer. Er mocht op deze koe nooit een juk zijn gekomen. Want geheel vrijwillig en niet gedwongen is de Zoon des Menschen in de wereld gekomen, en evenmin had Hij ooit gebukt voor eenige vreemde heerschappij, als de koe, die tot den Hoogepriester moest gebracht

ocr page 234

66

worden. Wij hebben bet juk der zoete en zalige heerschappij van Christus van onze schouders geworpen, maar de Zoon des nienschen heeft de gebeele last onzer overtredingen op Zich geladen, en verzoening gedaan daarvoor, dat wij, toen wij van bet zoete en zalige juk des Heeren niets wilden weten, het zware juk des duivels en der zonde vrijwillig op ons hebben trenoaien. En al hebben wij ook ondervonden, dat 's Heeren juk zacht en Zijn last licht is, toch willen wij het niet dragen en voortdurend zoeken wij het van de schouders te werpen. Ja! het is maar al te waar : omdat wi] sinds Adams val geheel en al verkeerd en verdorven zijn, smaakt ons biiter, wat zoet is met eene hemelsche zoetheid, ja zoeter dan honig en honigzeem ! In het dal der schaduwen des doods, waarin wij geboren worden, in onzen verpesten dampkring is de Zoon des nienschen, die tevens God uit God is, nedergedaald, heelt ons ellendig vleesch en bloed aangenomen, om te verzoenen, dat wij, gelijk eene onhandige en wilde koe, het juk van Gods gebod niet willen dragen. Melaatsch zijn wij, OMi en om, hulpeloos om en om, wij kunnen ons zeiven niet regeeren ! En van tweern één: wij dragen of het zoete juk Christi, en Zijne lieflijke last, of het zware juk der zonde, des duivels en des doods. Wij laten ons spannen, of voor den ploeg des Heeren, of voor den ploeg des duivels; voor-waart» moeten wij, want, noch op den weg des Heeren, noch op den weg des verderfs is stilstand. Voorwaarts moeten wij, en nergens anders dan onder het juk des Heeren Jezus is vrede en rust; nergens anders leert men verstaan, wat de Heilige Geest ons leert met de woorden : dood ! waar is uw prikkel ? Helwaar in uw overwinning ? de prikkel nu des doods is d'' zonde, zie, dat is de prikkel, die ons rusteloos

ocr page 235

67

voortdrijft — en de kracht der zonde is de wet, maar Gode zij dank ! die, ons de overwinning geeft door onzen Heere Jezus Christus! 1 Cor. 15:55—57.

Wii moeten bij het beschouwen der instelling van dit zoen- en brandoffer steeds in gedachtenis houden, het offer dat gebracht moest worden, en den offeraar d. i. dengene die dat offer brengen moest. Het offer was hier de roode koe, de jonge vaars, de offeraar, de priester. Het eene, zoowel als het andere ziet op Christus, die immers 5gt;van God den Vader verordi-gt;neerd is tot onzen ecnigen Hoogepriester, en die ons gt;met de eenige offerande Zijns lichaams verlost heelt.quot; (lleidelb. Gat. Vr. en Antw. 31).

Zien wij nu echter hoe hier, waar van des zondaars rechtvaardiging en heiliging sprake is, zoowel Mozes, als Aiiron, zoowel de wet in haren dreigenden eisch, als de wet in hare ceremoniën op zich zeiven dus niet als afschaduwing van Christus, maar als ritu-eele godsdienst, buiten gesloten wordt.

Mozes en Aiiron, tot wie de kinderen Israels het jonge rund moesten brengen, waren niet degenen, die het moesten laten verbranden, maar wel Aiirons zoon, Eleazar, wiens naam beduid gt;de Heere is sterk en een Uithelperquot;. Het cederenhout, waarvan in het zesde vers gewag wordt gemaakt, beduidt de hope op den levenden Uod ; hyzop is in de heilige schrift overal een beeld van het zaligmakend geloof, dat de Heilige Geest in de harten van Gods kinderen werkt, en scharlaken, die bloedroode kleur, wijst ons op de liefde van Christus, het onbevlekte Lam Gods. fn het 3de en 4de vers wordt de priester, die het offer brengen moest, Eleazar genoemd; in het 6de vers is er niet meer van Eleiizar, maar kortaf van »den priesterquot; sprake, en dit beduidt, dat Hij, Christus, die »Heere, die sterk is en een Uithelperquot; in onze

Sl' tl ll'i

If ■'

;i I

h!

111

pm

mm

ocr page 236

68

plaats een zwak, ellendig menschenkind is willen worden,zoodat Hin de gestaltmis Gods zijnde,geenen roof geacht heeft, Gade even gelipt te zijn; zich zeiven vernietigd, heeft, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende, en is den menschen gelijk geworden : en in gedaante gevonden als een mensch, heeft Hij zich zeiven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja tot den dood des kruises. Filip. 2 : 6 — 8. Ziet, daar hebben wij Christus,den hemelschen Eleazar, die Zich ontdoet van alles, wat Hi] heeft en is. en arm is geworden in onze plaats, voor ons, die noch geloof, noch hoop, noch liefde bezitten, dan alleen door en in Hem, die arm werd, opdat wij rijk zouden worden — dan door en in den tweeden Adam, diamp; ons alles wederbracht, wat wij in den eersten Adam hebben verloren. God, de Vader, heeft alles in Zijne hand gegeven, wat wij behoeven, maar opdat dit mogelijk ware, moest onze getrouwe Heere en Zaligmaker, Jezus Christus, troon en kroon verlaten, om onzentwill- moest hij zich laten werpen in den gloed van Gods toorn tegen de zonde, en zich daarin als het ware, tot stof en assche laten verbranden, gelijk de priester Eleazar onder het oude volk het rund des offers, die jonge roode vaars, tot stof en assche moest laten verbranden. Denk hierbij aan des Hee-ren Jezus angst in Gethsemané, waar de hitte der aanvechting Hem liet zweet als groote droppelen bloeds, op de aarde deed storten, denkt aan den stik-donkeren nacht, die drie lange uren op Zijne reine, onschuldige ziel legerde, toen de zon haar schijnsel verloor en eene ijskoude duisternis hem omringde : tot Hij eindelijk uitriep : Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten ? Ik ben een »worm en geen manquot;, zooals er verder in den 22sten Psalm staat geschreven. Zie ! toen ging voor den Heere ook in-

ocr page 237

69

wendig het licht onder, zoodat toen schynbaar alle geloof, alle hoop, alle troost en licht van Gods vrien-delyk aangezicht, hem ontviel. Maar juist te midden van dit vreeselyke lijden, juist door dat Hij, niettegenstaande dit alles, »Myn God !quot; riep, he^ft Hy ons verlost, gelijk ook de Catechismus zegt, »dat gt;mijn Heere Christus, door Zijne onuitsprekelijke »benauwdheid, smarten, verschrikkingen en helsche skwalen, in welke Hij in Zijn gansche lijden, maar

gt; inzonderheid aan het kruis gezonken was, mij van gt;de helsche benauwdheid en pijn verlost heeftquot;. Vr. 44. Alles, alles, ook Zijne geestelijke voorrechten heeft onze dierbare Zaligmaker, als Borg voor ons, in het vuur van jods toorn geworpen: gt; opdat wij tot God »genonien en nimmermeer van Hem verlaten zouden

gt; worden.quot;

Ja, dat lijden mocht met recht eene vuurgloed heeten, een vuur van Gods brandenden toorn tegen de zonde, gt;die zoo groot is,quot; zooals ons Avondmuals-formulier zegt, gt;dat Hij die, eer Hij ze ongestraft »liet blijven, aan Zijnen lieven Zoon Jezus Christus »niet den bitteren en smadelijken dood des kruises gt;gestraft heeft.'1 -

Gelijk Abraham het bevel ontving zijnen zoon Izak op Moria op te ofieren, en zulks ook wilde doen, op hope tegen hope, geloovende, dat God machtig was hem ook uit de dood.en te verwekken, (Hebr. 11 vs. 18) zoo heeft ook Christus in werkelijkheid Zich Zalven Gode tot eene levende offerande opgeoiierd, en zulks gedaan in het geloof en in de laope, dut de duivel Hem nochtans niet in zijne macht zoude krijgen en vasthouden. Wat beduiden nu echter de woorden van het 7'le vers ; dan zal de priester zijne kleederen wassehen en zijn vleexeh met water baden en daarna in het leger gaan ? Groot was de hitte, die

ocr page 238

Hij als (iods Zone, ja als God Zelve bezat, opgaan in de helsche duisternis, in de ylammen des toorns, en met den kreet: gt;Myn (xod ! Mijn God! waarom gt;hebt Gij mij verlaten,quot; wierp Hij Zich in de zee van eeuwige barmhartigheid en genade ! En het was God de Heere Zelf, die Hem, die het geheele werk onzer verlossing op Zich had genomen in deze zee-wierp, en met Hem allen, die Hem door een waarachtig geloof worden ingeplant. En deze willen dat nooit laten geschieden, maar zij verzetten zich daartegen, zoo lang zij kunnen, en zij stellen alles in het ■werk, om her, -leven toch maar in eigen hand te hebben, maar eindelijk moeten zij er toch aan ge-looven en uitroepen : mijn verstand, waar ik zooveel mede op had, is niets dan duisternis, mijn gewaande eigen wil waarmede ik meende de geheele ■wereld te zullen overwinnen en reformeeren, is geketend door de zonde, en al mijne ingebeelde kracht is niets dan louter zwakheid en onmacht!

En zoo, als armen en ell ndigen, als van alles beroofden, die de heerlijkheid Gods totaal derven, worden zij dan geworpen in de zee van Gods barmhartigheid ! Ach ! niemand onzer wil daar in het eerst aan gelooven, al is het ook de Heere Zelf, die ons tot zondaars maakt? in eigen oog, maar nochtans spreekt de Heere : dit in de. weg, dit is de. ruste, en hoe lang de mensch ook moge aarzelen en twy-felen, zoo komt het ten laatste toch, al is het ook maar van de stervende lippen; »()p üw bevel waag ik het, kom ik om, dan kom ik om !quot;

Uitgegeven bij W. MEIJER, Commelinstraat 33, Avislerdam. Yoor Duitschland verkrijgbaar bij F. BiiCKMANN, Eiberf tld. Prijs per Nummer 3 Cts. Franco per post 4 Cts.

ocr page 239

SCI1R1FTVËUKL4R1NGEN

VAN

Dr. H. F. KOHLBRliCiGE.

Eenige bijzonderheden omtrent den uittocht der kinderen Israels uit Egypte en hunne reis door de woestijn. (Vervolg).

WAT DE HEERE AAN ZIJN MURMUREEREND VOLK WILDE LEEREN DOOR DE INSTELLING VAN [)E WET DER ROODE KOE. De mensch, ook nadat God hem op den weg des levens lie?ft gebracht, zoude, ook na ontvangene genade, aan zich zeiven overgelaten, terugkeeren naar den weg der helle, want de wereld en de zonde, zijn ons van nature veel liever dan de toekomstige en eeuwige goederen, en, niettegenstaande dit, willen wij voortdurend voor heilig gelden, en als heiligen geprezen worden. Maar de Heere weet onze opge-blazene, hoogmoedige harten wel klein te krijgen, zoodat wij het uitroepen : Ja! Gij zijt ons heil alleen, en wij zijn niets ! Christus heeft Zich om onzentwille gestort in die biuischende zee van Gods genade, en nu woont Hij in het leger, in Zijne waarachtige gemeente, d. i. overal waar Zijn heilig woord zuiver verkondigd, en Zijne Sacramenten in eere worden gehouden. Maar nu de woorden : Hij zal onrein zijn tot aan den avond, leeraar ! die kunnen toch niet op den Heere Christus zien V Gewis niet in dien zin, dien wij gewoonlijk aan de woorden onrein en rein hechten, want wij hebben eenen Hoogepriester, heilig, onbesmet, afgescheiden van de zondaren, en hooger dan de hemelen geworden. Maar Hij, die naar Zijne goddelijke natuur niet meer op aarde is, wandelt en werkt nochtans met Zijne majesteit, waarheid, genade No. 119. 2 Aug. 1890.

ocr page 240

74

cn Geest nog voorbdurend iu het midden Zijner gemeente, en schuwt hare onreinheid niet, grlijk eene trouwe moeder de onreinheid van haar kind niet schuwt, waar het geldt het kind daarvan te reinigen. Dan vliedt eene trouwe moeder niet van haar kind, maar reinigt het en bekleedt het, ook al moest zij daarby hare eigene handen onrein maken. En zóó is ook de Heere Christus nog voortdurend werkzaam onder Zijn volk, en zegt nog : Ik ben de Heere uw God, uw Heelmeester, in 't midden van u, want Hij wil ons, Ziin volk, niet in onze onreinheid laten omkomen, maar ons dagelijks, ja! elk uur daarvan wasschen en reinigen met Zijnen heiligen Geest, met Zijn dierbaar en albetalend bloed. Want helaas, ook na ontvangene genade, doen wij arme menschenkinderen, maar al te vaak den wil des duivels, en staan bezoedeld en verontreinigd daar voor Gods rechterstoel. Wat is alsdan het ambt van onzen dierbaren Heiland en Hoogepriester ? Hetzelfde ambt, dat eene liefhebbende moeder met trouwe zorg bekleedt, en Hij ontfermt Zich met eeuwige ontferming over het arme kind, dat uit louter lichtzinnigheid en verkeerdheid zijnen geheelen weg heeft bedorven. Want Christus is in het vleesch verschenen, om dezulken in hunne onreinheden op te zoeken en te verlossen van de plaag en kwaal der zonde, en Hij, die een vlekkeloos licht bewoonde, en Zelf vlekkeloos rein was en is, en geen zonde had, noch kende, begaf Zich, om onzentwil onder den vloek der wet. Ach! mijne geliefden! wat is dan eigenlijk hier op aarde de kerke Gods, waarover men zooveel twist en praat ? Wilt ge weten wat ze is ? treedt dan een hospitaal binnen, want de Kerke Gods hier op aarde, is een groot ziekenhuis, waarin de eene nog gevaarlijker en doodelijker wonden en pestbuilen heeft

ocr page 241

75

dan de andere. O ! zie nu eens dien hemelschen Medicijnmeester ! dien trouwen en bannhartigen Hooge-priester, hoe Hij Zich onder al deze zieken en dood-kranken beweegt, hoe bezorgd Hij is voor een iegelijk van hen, hoe Hij voortdurend aan 't wasschen, reinigen en heelen is; hoe zorgt Hij ook voor de reinheid en zuiverheid van Zijn huis ; en o ! hoe getrouwelijk vervult Hij de taak, die Hij vrijwillig op Zich heeft geuomen ! En dat zal Hij blijven doen, dagen, wekeu, jaren, eeuwen lang, tot aan den avond toe! Dat wil zeggen, totdat Hij den laatste der Zynen schoon en rein gewasschen heeft. Dan zal Hij komen op de wolken des Hemels, niet meer in armoede en vernedering, maar, zooals de Apostel Paulus zegt: Hebr. 9 vs. 28. zonder zonde in groote pracht en heerlijkheid, en Jan zal Hij te huis halen voor eeuwig, allen, die Hem van den Vader zijn geschonken, en die Hij gekocht en gewasschen heeft in Zijn bloed.

Vs. 8 lezen wij ook, dat hij, die de roode koe verbrand had voor het aangezicht des priesters Ele-azar, ook zijne kleederen met water wasschen, en zijn vleesch met water baden moest, en onrein was tot aan den avond. De geheele dienst der ceremoniën, tabernakel, altaar, verbondsarke, tafel der toonbrooden en al het overige was in zich zelve onrein, en bezat niet de kracht om de gewetens te reinigen van doode werken, zooals wij zulks weten uit Hebr. 9 : 9 en 10. Dit kan ik u, mijne geliefden ! niet genoeg herhalen, opdat wij zouden leeren ons te buigen onder de vr^je souveveiniteit Gods. Want, hoe denken wij gewoonlijk ? Meenen wij niet, dat God de Heere, omdat wij onder de bediening der genade leven, en Hij ons Zyne waarheid laat verkondigen, nu ook verplicht is ons te wasschen en te reiuigen V Ach ! liet is niets dan vrije genade, dan vrijwillige ontferming van de

ocr page 242

76

zijde Gods, wanneer Hij ons reinigen wil, ons, die elk oogenblik reiniging behoeven, die gelijk Zijn aan de kinderen, die zich altoos weer onrein maken al zijn ze eens zooeven gewasschen, en aan de kamer, die al is ze nog zoo goed schoongemaakt en uitgeveegd, altoos weer vuil wordt en daarom de reinigende hand van de moeder of dienstmaagd niet kunnen ontberen. Het is uit louter genade, uit louter barmhartigheid, die wij niet begrypen, niet doorgronden kunnen, dat God Zijnen eenig geliefden Zoon heeft overgegeven, opdat wij heilig en rein zouden zijn in Hem. Wanneer is nu de werkelijkheid geschied, van wat wij hier in ons teksthoofdstuk afgeschaduwd en afgebeeld zien V Het is alles vervuld in Christus. God de Vader Zelf heeft het wai-e offerdier, het ware rund des brand- en zoenoffers laten verbranden, naar Zijn eeuwigen raad en voornemen. God de Vader heeft het gedaan, opdat tot stand zoude komen die ééne gerechtigheid, die voor Hem geldt, de gerechtigheid Jezu Christi. Wij menschen zoeken altoos onze eigene gerechtigheid staande te houden en te handhaven, en willen onze zelfgemaakte schorten van vijgebladeren, onze spinnewebben voor onberisbelijke kleederen laten doorgaan, maar ach ! hoe worden wij voor en na beschaamd in onzen hoogmoed en opgeblazenheid ! Wanneer is dit waarachtise offer voor de zonden gebracht ? Sla op. Hand. 3 vs. 12—15, dan kunt gij het lezen : En Petrus, dal ziende, anl-woordde tot hel vol/;: Gij Tsraëlietnche mannen! wat verwondert gij u over dit f of wat ziet gij zoo sterk op ons, ah-f wij door onze eigene kracht en godzaligheid dezen hadden doen wandelen ? De God Abrahams, en Jzaks, en Jahohs, de God onzer vaderen, heeft Zijn Kind Jezus verheerlijkt, welken gij overgeleverd heht, en hebt Hem verloochend voor het aangezicht van Pilatus, als hij oor-

ocr page 243

77

deelde, dat men hem. zoude loslaten. Maar gljheh' denllei-ligen en Jiec/dv aardt yen verloochend, en hebt he.geerd, dat u een man, die een doodshuter was, zondegctsehonken worden. En den Vorst den levens hebt gij gedood, teelken God opgewekt heeft uit de dooden, waarvan wij getuigen zijn.

Ziet ge, geliefden, dit waren nu de lieden, die de »roode koequot; verbrand hebben, dat waren de Hooge-priesters en Schriftgeleerden, de oudsten en edelsten des volks, maar ook dat geheele volk zelf, dat luide geroepen had : Zijn bloed kome over ons en onze kinderen ! En gelijk Petrus deze waarheid aun het volk Israël getrouwelijk voorhield, zoo moet het ook aan ons voorgehouden en ontdekt worden wat wij dagelijks zijn, en dagelijks doen, opdat wij zouden leeren, tot ons zeiven ia te keeren, met den verloren zoon tot ons zeiven te komen, en te leeren uitroepen ; »o mijne ziel, mijne arme ziel; wat hebt gij gedaan ? Gij hebt den heiligen en rechtvaardigen verraden en verloochend, en u zeiven eenen moordenaar verkozen ; den Vorst des levens hebt gij gedood ! gt; Want al hebben wij zulks niet zooals de Joden, in letterlijken zin gedaan, toch is bij ons dezelfde gezindheid op den bodem des harten, en dat dit zoo is en niet anders, openbaart zich spoedig genoeg in het leven tegenover onzen rechtvaardigen naaste, op wieu wij van onze ingebeelde hoogte ter neder zien ? Maar wat volgt er nu ? »0 volk ! omdat gij uwen Heiland gedood hebt, zult gij met vuur verbrand worden ?quot; Neen! neen! want o ! hoe liefelijk laat Petrus op deze schijnbaar harde woorden volgen : en nu, hr: eders, ik-weet, dat gij het door omcetendheid gedaan hebt, gelijk als ook uwe oversten vs. 17 Ach ! wat weet de arme mensch er eigenlijk van, wat hij doet, als hij zondigt ? als hij met eeu opgeheven schild tegen den Heere indruischt V Weet hij, dat hij zich dan door

ocr page 244

76

zijde Gods, wanneer Hij ons reinigen wil, ons, die elk oogenblik reiniging behoeven, die gelijk Zijn aan de kinderen, die zich altoos weer onrein maken al zijn ze eens zooeven gewasschen, en aan de kamer, die al is ze nog zoo goed schoongemaakt en uitgeveegd, altoos weer vuil wordt en daarom de reinigende hand van de moeder of dienstmaagd niet kunnen ontberen. Het is uit louter genade, uit louter barmhartigheid, die wij niet begrypen, niet doorgronden kunnen, dat God Zijnen eenig geliefden Zoon heeft overgegeven, opdat wij heilig en rein zouden zijn in Hem. Wanneer is nu de werkelijkheid geschied, van wat wij hier in ons teksthoofdstuk afgeschaduwd en afgebeeld zien V Het is alles vervuld in Christus. God de Vader Zelf heeft het wai-e offerdier, het ware rund des brand- en zoenoffers laten verbranden, naar Zijn eeuwigen raad en voornemen. God de Vader heeft het gedaan, opdat tot stand zoude komen die ééne gerechtigheid, die voor Hem geldt, de gerechtigheid Jezu Christi. Wij menschen zoeken altoos onze eigene gerechtigheid staande te houden en te handhaven, en willen onze zelfgemaakte schorten van vijgebladeren, onze spinnewebben voor onberisbelijke kleederen laten doorgaan, maar ach ! hoe worden wij voor en na beschaamd in onzen hoogmoed en opgeblazenheid ! Wanneer is dit waarachtise offer voor de zonden gebracht ? Sla op. Hand. 3 vs. 12—15, dan kunt gij het lezen : En Petrus, dal ziende, anl-woordde tot hel vol/;: Gij Tsraëlietnche mannen! wat verwondert gij u over dit f of wat ziet gij zoo sterk op ons, ah-f wij door onze eigene kracht en godzaligheid dezen hadden doen wandelen ? De God Abrahams, en Jzaks, en Jahohs, de God onzer vaderen, heeft Zijn Kind Jezus verheerlijkt, welken gij overgeleverd heht, en hebt Hem verloochend voor het aangezicht van Pilatus, als hij oor-

ocr page 245

77

deelde, dat men hem. zoude loslaten. Maar gljheh' denllei-ligen en Jiec/dv aardt yen verloochend, en hebt he.geerd, dat u een man, die een doodshuter was, zondegctsehonken worden. En den Vorst den levens hebt gij gedood, teelken God opgewekt heeft uit de dooden, waarvan wij getuigen zijn.

Ziet ge, geliefden, dit waren nu de lieden, die de »roode koequot; verbrand hebben, dat waren de Hooge-priesters en Schriftgeleerden, de oudsten en edelsten des volks, maar ook dat geheele volk zelf, dat luide geroepen had : Zijn bloed kome over ons en onze kinderen ! En gelijk Petrus deze waarheid aun het volk Israël getrouwelijk voorhield, zoo moet het ook aan ons voorgehouden en ontdekt worden wat wij dagelijks zijn, en dagelijks doen, opdat wij zouden leeren, tot ons zeiven ia te keeren, met den verloren zoon tot ons zeiven te komen, en te leeren uitroepen ; »o mijne ziel, mijne arme ziel; wat hebt gij gedaan ? Gij hebt den heiligen en rechtvaardigen verraden en verloochend, en u zeiven eenen moordenaar verkozen ; den Vorst des levens hebt gij gedood ! gt; Want al hebben wij zulks niet zooals de Joden, in letterlijken zin gedaan, toch is bij ons dezelfde gezindheid op den bodem des harten, en dat dit zoo is en niet anders, openbaart zich spoedig genoeg in het leven tegenover onzen rechtvaardigen naaste, op wieu wij van onze ingebeelde hoogte ter neder zien ? Maar wat volgt er nu ? »0 volk ! omdat gij uwen Heiland gedood hebt, zult gij met vuur verbrand worden ?quot; Neen! neen! want o ! hoe liefelijk laat Petrus op deze schijnbaar harde woorden volgen : en nu, hr: eders, ik-weet, dat gij het door omcetendheid gedaan hebt, gelijk als ook uwe oversten vs. 17 Ach ! wat weet de arme mensch er eigenlijk van, wat hij doet, als hij zondigt ? als hij met eeu opgeheven schild tegen den Heere indruischt V Weet hij, dat hij zich dan door

ocr page 246

80

gij, en daar gij mijn eigendom zijt, sleep ik u mede naar liet eeuwige vuur ! Maar, als gij dan in uwen angst ook in God niets ziet dan een verteerend vuur, omdat gij mede de roode koe verbrand, den Heere Jezus Christus aan het kruis hebt gehecht, en omdat het bloed der onschuldig gedooden in uwe zoomen is gevonden, zie dan, o ziele ! wat gij tegenover al de beschuldigingen des vijands in te doen hebt: laat u afwasschen met het bloed en den Geest Ghristi, met de met rein water vermengde asch der roode koe. Kom, zooals gij zijt, met uwen geheelen uiter-lijken wandel, met de geheele gruwelijke gesteldheid uws harten, en dan: overboord met u in de zee dei-goddelijke genade!

Vs. 9 lezen wij verder : en een rein man zal de asch dezer vaars verzamelen, en huiten het leger in eene reine plaats iverjleqgen ; en hel zal zijn ter bewaring voorde vergadering van d' kinderen Israels, tot het icater der afzondering'. het is ontzondiging. Hoe het een rein man was, die de asch der verbrandde koe verzamelen en buiten het leger in eene reine plaats wegleggen moest, dat vinden wij vervuld in het 57—60ste vers van Mat-theus 27 : En als het avond geworden was, kwam een rijk man van Arimathe'a met name Jozef, die ook zslf een discipel van Jezus was. Deze kwam tot Fi-latus, en hegeerde het lichaam van Jezus. Toen beval Pilatus, dat hem het lichaam gegeven zoude toerden. Kn Jozef, het lichaam nemende, ivond hetzelve in een zuiver fijn lijnwaad; en leide dat in zijn nieuw graf, hetwelk hij in eene steenrots uitgehouwen had. Ziet! daar werd de asch, het overblijfsel aan eene reine plaats weggelegd. Was Jozef van Arimathea dan rein ? warén de andere jongeren dan rein, die met den Heere in Gethsemane waren geweest ? Naar begrippen van menschelijke heiliging niet, maar

ocr page 247

81

nochtans rein voor God, want de Heere Jezus had hen geheiligd in Zijn hoogepriesterlijk gebed. Zoo verzamelen ook wij de assche van de reine, onschuldige koe, als wij van God genade ontvangen, om in het ware geloof te volharden en ons te buigen onder Zijne goddelijke wet, zoodat wij het voor Gods aangezicht bekennen ; Heere ! Gij alleen zijt rechtvaardig, en alleen die ééne offerande van Jezus Christus maakt ons rein, gelijk de met rein water vermengde asch der roode koe het volk Israël rein maakte van zijne onreinheid. Weggelegd is deze assche tot op den huidigen dag overal, waar de naam des Heeren wordt aangeroepen, waar het woord des Heeren rein en onvervalscht wordt gepredikt, overal waar dat heen komt, overal waar kinderen Gods zijn, die denzelfden strijd strijden, dezelfde taal spreken, en hetzelfde heimwee hebben naar het hemelsche vaderland. Mannen en vrouwen, ouden en jongen, zelfs kinder-kens krijgen deze assche in bewaring. De asch dezer verbrande koe kwam allereerst naar Jeruzalem, maar ook de geheele wereld dooi-, tot allen, die eens het hemelsche Jeruzalem zullen bereiken, tot allen die leeren inzien, dat zij gebonden zitten in een land der schaduwen des doods ! Ja ! de;,e allen zullen daarmede besprengd worden, de geheele wereld door, want: daar zullen er komen ran oosten en westen, en van noorden en zuiden, en zullen aanzitten in het koninkrijk- Gods! Lnkas 13 : 29. Welgelukzalig dus hij of zij, die roept-: ach Heere ! ik ben stof en assche ! Welgelukzalig gij, die uwen dood voelt, cn c^e den toorn Gods in uwe binnenste voelt branden, welgelukzalig gij, dien de duivel op de hielen zit, gij, die zelf geen uitweg ziet! Nog eens ! overboord met u in deze de goddelyke genade, daarin zijt gij geborgen voor den helschen vijand, zijt gij rein en ge-

ocr page 248

80

gij, en daar gij mijn eigendom zijt, sleep ik u mede naar liet eeuwige vuur ! Maar, als gij dan in uwen angst ook in God niets ziet dan een verteerend vuur, omdat gij mede de roode koe verbrand, den Heere Jezus Christus aan het kruis hebt gehecht, en omdat het bloed der onschuldig gedooden in uwe zoomen is gevonden, zie dan, o ziele ! wat gij tegenover al de beschuldigingen des vijands in te doen hebt: laat u afwasschen met het bloed en den Geest Ghristi, met de met rein water vermengde asch der roode koe. Kom, zooals gij zijt, met uwen geheelen uiter-lijken wandel, met de geheele gruwelijke gesteldheid uws harten, en dan: overboord met u in de zee dei-goddelijke genade!

Vs. 9 lezen wij verder : en een rein man zal de asch dezer vaars verzamelen, en huiten het leger in eene reine plaats iverjleqgen ; en hel zal zijn ter bewaring voorde vergadering van d' kinderen Israels, tot het icater der afzondering'. het is ontzondiging. Hoe het een rein man was, die de asch der verbrandde koe verzamelen en buiten het leger in eene reine plaats wegleggen moest, dat vinden wij vervuld in het 57—60ste vers van Mat-theus 27 : En als het avond geworden was, kwam een rijk man van Arimathe'a met name Jozef, die ook zslf een discipel van Jezus was. Deze kwam tot Fi-latus, en hegeerde het lichaam van Jezus. Toen beval Pilatus, dat hem het lichaam gegeven zoude toerden. Kn Jozef, het lichaam nemende, ivond hetzelve in een zuiver fijn lijnwaad; en leide dat in zijn nieuw graf, hetwelk hij in eene steenrots uitgehouwen had. Ziet! daar werd de asch, het overblijfsel aan eene reine plaats weggelegd. Was Jozef van Arimathea dan rein ? warén de andere jongeren dan rein, die met den Heere in Gethsemane waren geweest ? Naar begrippen van menschelijke heiliging niet, maar

ocr page 249

81

nochtans rein voor God, want de Heere Jezus had hen geheiligd in Zijn hoogepriesterlijk gebed. Zoo verzamelen ook wij de assche van de reine, onschuldige koe, als wij van God genade ontvangen, om in het ware geloof te volharden en ons te buigen onder Zijne goddelijke wet, zoodat wij het voor Gods aangezicht bekennen ; Heere ! Gij alleen zijt rechtvaardig, en alleen die ééne offerande van Jezus Christus maakt ons rein, gelijk de met rein water vermengde asch der roode koe het volk Israël rein maakte van zijne onreinheid. Weggelegd is deze assche tot op den huidigen dag overal, waar de naam des Heeren wordt aangeroepen, waar het woord des Heeren rein en onvervalscht wordt gepredikt, overal waar dat heen komt, overal waar kinderen Gods zijn, die denzelfden strijd strijden, dezelfde taal spreken, en hetzelfde heimwee hebben naar het hemelsche vaderland. Mannen en vrouwen, ouden en jongen, zelfs kinder-kens krijgen deze assche in bewaring. De asch dezer verbrande koe kwam allereerst naar Jeruzalem, maar ook de geheele wereld dooi-, tot allen, die eens het hemelsche Jeruzalem zullen bereiken, tot allen die leeren inzien, dat zij gebonden zitten in een land der schaduwen des doods ! Ja ! de;,e allen zullen daarmede besprengd worden, de geheele wereld door, want: daar zullen er komen ran oosten en westen, en van noorden en zuiden, en zullen aanzitten in het koninkrijk- Gods! Lnkas 13 : 29. Welgelukzalig dus hij of zij, die roept-: ach Heere ! ik ben stof en assche ! Welgelukzalig gij, die uwen dood voelt, cn c^e den toorn Gods in uwe binnenste voelt branden, welgelukzalig gij, dien de duivel op de hielen zit, gij, die zelf geen uitweg ziet! Nog eens ! overboord met u in deze de goddelyke genade, daarin zijt gij geborgen voor den helschen vijand, zijt gij rein en ge-

ocr page 250

80

gij, en daar gij mijn eigendom zijt, sleep ik u mede naar liet eeuwige vuur ! Maar, als gij dan in uwen angst ook in God niets ziet dan een verteerend vuur, omdat gij mede de roode koe verbrand, den Heere Jezus Christus aan het kruis hebt gehecht, en omdat het bloed der onschuldig gedooden in uwe zoomen is gevonden, zie dan, o ziele ! wat gij tegenover al de beschuldigingen des vijands in te doen hebt: laat u afwasschen met het bloed en den Geest Ghristi, met de met rein water vermengde asch der roode koe. Kom, zooals gij zijt, met uwen geheelen uiter-lijken wandel, met de geheele gruwelijke gesteldheid uws harten, en dan: overboord met u in de zee dei-goddelijke genade!

Vs. 9 lezen wij verder : en een rein man zal de asch dezer vaars verzamelen, en huiten het leger in eene reine plaats iverjleqgen ; en hel zal zijn ter bewaring voorde vergadering van d' kinderen Israels, tot het icater der afzondering'. het is ontzondiging. Hoe het een rein man was, die de asch der verbrandde koe verzamelen en buiten het leger in eene reine plaats wegleggen moest, dat vinden wij vervuld in het 57—60ste vers van Mat-theus 27 : En als het avond geworden was, kwam een rijk man van Arimathe'a met name Jozef, die ook zslf een discipel van Jezus was. Deze kwam tot Fi-latus, en hegeerde het lichaam van Jezus. Toen beval Pilatus, dat hem het lichaam gegeven zoude toerden. Kn Jozef, het lichaam nemende, ivond hetzelve in een zuiver fijn lijnwaad; en leide dat in zijn nieuw graf, hetwelk hij in eene steenrots uitgehouwen had. Ziet! daar werd de asch, het overblijfsel aan eene reine plaats weggelegd. Was Jozef van Arimathea dan rein ? warén de andere jongeren dan rein, die met den Heere in Gethsemane waren geweest ? Naar begrippen van menschelijke heiliging niet, maar

ocr page 251

81

nochtans rein voor God, want de Heere Jezus had hen geheiligd in Zijn hoogepriesterlijk gebed. Zoo verzamelen ook wij de assche van de reine, onschuldige koe, als wij van God genade ontvangen, om in het ware geloof te volharden en ons te buigen onder Zijne goddelijke wet, zoodat wij het voor Gods aangezicht bekennen ; Heere ! Gij alleen zijt rechtvaardig, en alleen die ééne offerande van Jezus Christus maakt ons rein, gelijk de met rein water vermengde asch der roode koe het volk Israël rein maakte van zijne onreinheid. Weggelegd is deze assche tot op den huidigen dag overal, waar de naam des Heeren wordt aangeroepen, waar het woord des Heeren rein en onvervalscht wordt gepredikt, overal waar dat heen komt, overal waar kinderen Gods zijn, die denzelfden strijd strijden, dezelfde taal spreken, en hetzelfde heimwee hebben naar het hemelsche vaderland. Mannen en vrouwen, ouden en jongen, zelfs kinder-kens krijgen deze assche in bewaring. De asch dezer verbrande koe kwam allereerst naar Jeruzalem, maar ook de geheele wereld dooi-, tot allen, die eens het hemelsche Jeruzalem zullen bereiken, tot allen die leeren inzien, dat zij gebonden zitten in een land der schaduwen des doods ! Ja ! de;,e allen zullen daarmede besprengd worden, de geheele wereld door, want: daar zullen er komen ran oosten en westen, en van noorden en zuiden, en zullen aanzitten in het koninkrijk- Gods! Lnkas 13 : 29. Welgelukzalig dus hij of zij, die roept-: ach Heere ! ik ben stof en assche ! Welgelukzalig gij, die uwen dood voelt, cn c^e den toorn Gods in uwe binnenste voelt branden, welgelukzalig gij, dien de duivel op de hielen zit, gij, die zelf geen uitweg ziet! Nog eens ! overboord met u in deze de goddelyke genade, daarin zijt gij geborgen voor den helschen vijand, zijt gij rein en ge-

ocr page 252

86

vat. En een rein man zal hyzop nemen, en in het water doopen en sprengen hel aan die tent, en op al het gereedschap, en aan de zielen, die daar geweest zijn ; insgelijks aan dengenen, die een gebeente, of eenen verslagene, of eenen doode, of een graf aangeroerd heeft. En de reine zal den onreine op den derden dag, en op den zevenden dag besprengen; en op den zevenden dag zal hij hem ontzondigen; en hij zal zijne Meederen wasschen, en zich met water baden, m op den avond rein zijn. Wie daarentegen onrein zal zijn, en zich niet zal ontzondigen, die ziel zal uit het midden der gemeente uitgeroeid worden: want hij heeft het heiligdom des Heer en verontreinigd, het water der afzondering is op hem niet gesprengd, hij is onrein.

Van vs. 11 af begint eigenlijk eerst de onderwijzing omtrent dat, waartoe de asch der verbrande koe dienen moest. Gij hebt uit de gelezene tekstwoorden kunnen zien, onder welk een bard en ter-nederdrukkend juk van inzettingen en voorschriften de joden leefden, zij konden zicb links, noch rechts roeren noch bewegen, zonder zich onrein te maken. Niets maakte volgens de wet der geboden in inzettingen bestaande, den mensch voor God zóó onrein, als het aanraken van eenen doode: alles wat in aanraking was geweest met een lijk, zelfs levenlooze voorwerpen, werden daardoor onrein. Had God de Heere er dan een welgevallen aan, zulk een zwaren last op de schouders Zijns volks te leggen ? Immers neen ! maar het waren alles schaduwen en afbeeldingen van geestelijke dingen, en door deze schaduwen en afbeeldingen wilde de Heere Zijn volk onderrichten, zoowel omtrent hunnen gevallen toestand, als omtrent Zijn eeuwig evangelie. Indien die mensch onrein werd, die de doode koe, ook maar met eenen vinger, aanraakte (vs. 7-10), hoeveel te meer de-

ocr page 253

87

gene, die een overledene, een lijk aan had geraakt! En ach ! wat was deze uiterlijke, zinnebeeldige onreinheid, vergeleken by hetgeen zij afschaduwde ? Bij de onreinheid, bij den geestelijken dood, waarin wij allen sinds Adam's val liggen, voor het aangezicht van Hem, die alleen het leven onzer ziele is ! Adam, die als eene levende ziel, door den Heere was geschapen, was na zijnen val en moedwillige ongehoorzaamheid, onmiddelijk dood naar de ziel. Zoodra hij was gevallen, verzonk hij in den geestelijken en eeuwigen dood met zijn verstand, zijnen wil en al zijne zielskrachten, die boos waren geworden, ja geheel en al verdorven. Sinds Adams val heeft de menschelijke ziel van nature geen ander leven, dan dat uit den duivel is, en daarom zoude ik wel eens een iegelijk, die zich zelf als zondaar heeft leeren kennen bij 's Heeren eeuwig geldende wet, willen afvragen of de ongerechtigheid, de onreinheid, de geestelijke dood van onzen stamvader Adam ons niet elk oogenblik, ook na ontvangene genade, onrein maakt voor 's Heeren aangezicht ? Ach ! deze treurige waarheid wordt dagelijks openbaar, en wij ervaren het maar al te zeer, dat wij zondige menschen zijn, die op aarde leven en rondwandelen onder zondaren, en niet in den hemel, onder de heilige engelen. Wij vinden hier drie klassen van menschen, die reiniging van noode hebben. Vooreerst diegenen, die in onwetendheid eenen doode aangeroerd hadden, dit ziet op de zoodanigen, die zich uit onwetendheid, uit vergissing, of uit zwakheid hebben onrein gemaakt door de doode wei-ken der wet, hetzij in openbare ongerechtigheid, ot in, op zelfgemaakte voorschriften berustende, eigengerechtigheid. De tweede soort (vs. 14) zijn menschen, die door de omstandigheden, waarin zij leven, door hun beroep of hun ambt in onvermijdelijke aanra-

ocr page 254

88

king met geestelijke dooden komen. De derde soort vinden wy in vs. 16, en dat zijn de zoodanigen, die deze aanraking liclit hadden kunnen vermijden en die zich alzoo voor 's Heeren aangezicht onrein hebben gemaakt door moedwil en lichtzinnigheid. Wie nu door des Heeren Geest zich zeiven heeft leeren kennen als zondaar, zal het met een verbrijzeld hart moeten bekennen, dat deze drie soorten van overtreders ons aller beeld zijn, en dat hunne treurige geschiedenis de onze ia. De Apostel Paulus zegt: Het Woord van Christus wane rijkelijk in n, in alle wijsheid: Col. 3 vs. 16. Al wie uit God geboren is, draagt verlangen met dezulken om te gaan, die ook uit God zijn geboren, en het is hunne hartelijke begeerte geen doode, maar levende werken te doen, opdat de Heere daardoor verheerlijkt en geprezen worde. Maar niettegenstaande dit, zal een iegelijk, die het leven des Geestes kent, moeten erkennen, dat hij zich in drieerlei opzicht onrein heeft gemaakt, en nog voortdurend onrein maakt voor 's Heeren heilig aangezicht. Allereerst maakt men zich onrein met allerlei doode werken, met allerlei duivelsche dingen uit onwetendheid, en dan ligt men in 't slijk, eer men het zelve weet. Men is vastgeraakt in allerlei doode werken, en ongerechtige geschiedenissen en men voelt zich onrein voor God, volgens het spreekwoord, wie met pek omgaat wordt er mede besmet. Ten andere zijn het de omstandigheden en betrekkingen dezes aard-schen levens, is het het ambt, dat men bekleedt, het beroep dat men uitoefent, de kring, waarin men geplaatst is, waardoor men voortdurend in aanraking komt met geestelijk dooden en hunne doode werken, en waardoor men van den God zij na levens wordt afgetrokken. Men beproeve zich zelve maar eens goed, men steke de hand in eigen boezem, en men

ocr page 255

89

zal zien, hoe de zaken staan, en hoe waar het woord is : niemand is goed dan Eén, namelijk God ! En ach ! dat zulke verontreiniging ook bij hen, die uit God geboren zijn, voorkomt, dat weet een kind van God zelf maar al te goed ! In het joodsche laud, in het land, waar de letter der wet gold, had men er voor gezorgd, dat die plaatsen, waar een doode lag, b. v. aan de zijden van eenen weg of in het open veld, eau ieder in het oog zouden vallen : men lichtte op zulk eeu plaats eencn grooten steen op, om de voorbijgangers te waarschuwen, zoodat men reeds uit de verte weten kou : daar of daar ligt een doode. Maar ach ! wij arme menschenkinderen! zelfs na ontvarigene genade, gaan wij onbezorgd onzen weg, en ofschoon wij weten, dat wij ons daardoor voor God onrein maken, gaat men stout en driest daarheen, waar men niet hehoort, ja waardoor men getrouwelijk gewaarschuwd werd, en man en vrouw, kinderen en volwassenen zeggen luide: wij moeten toch eens weten, hoeveel dooden, en hoeveel geraamten zich te dier plaatse bevinden, en men doorzoekt alle kisten en kasten der huisjes, en haalt er liet ijdele speelgoed weder uit te voorschijn, waarmede men zich in de dagen zijner onwetendheid vermaakte, ja ! men verschilt niet veel van de aanhangers van den room-schen antichrist, die geraamten en doodsbeenderen kussen en aanbidden. Mijne geliefden! ach het is maar al te waar, dat wij allen ons op zulke wijze, telkens en telkens weer onrein maken voor God, en dat zulks geschiedt, of uit onwetendheid, of door verleiding van buiten af, of door moedwillige ongehoorzaamheid. Want hoe is, helaas ! de handelwijze van de uit God geborenen ? Blijven zij standvastig en onbewegelijk staan in het nieuwe, hun door God geschonken leven V Zien zij het altoos in, dat die

ocr page 256

90

dingen, waar zij zooveel mede op hebben, en waarvan zij nog buiten Christus heil verwachten, niets zijn dan doode poppen en roomsche reliquiën ? Gewis niet, en een evangelieprediking, die hun al deze zelfgekozen en op menscheninzettingen gegronde werkeu uit de hand slaat, is in veler oog eene prediking des duivels, die regelrecht ter helle leidt. De Heilige Geest is het echter, die de zielen levend maakt, en levend houdt, en bij den goddelijken glans, dien Hij in het hart doet schijnen, leert hij ons de doode werken, als doode werken kennen, en zoo is het de Heilige Geest alléén, die Gods kinderen daartoe brengt het luide uit te roepen : »ik ben onrein, waarheen ik het oog ook sla.quot; Wie uit God is geboren, steekt soms in allerlei nood en gebrek, ziet geen uitkomst voor tijd, noch eeuwigheid meer, leert zóó meer eu meer in de praktijk des levens, dat hij midden in den dood ligt, maar hij kan het nochtans in den dood, in de onreinheid niet uithouden. Verbroken en verbrijzeld ligt hij aan des Heeren voeten ter neder, en hij zal rust noch vrede hebben, voor dat hij door den Heere is vrijgesproken en rein verklaard. Zulk eene ziel zoekt zich dan ook niet met allerlei drogredenen vrij te pleiten van hare zonden en ongerechtigheid, zij zegt niet: »ik wist het niet, ik kan niet anders, de omstandigheden brachten het zoo medequot;, maar zij bekent het luide : tegen IJ, U alleen heb ik gezondigd, en gedaan wat kwaad is in ü we oogen. zij spreekt het nu uit, als de bestraffing tot haar komt: ik hen die man ! en zoo zinkt n zij in 't niet voor des Heeren souve-reiniteit.

Mijne geliefden ! Ik worstel om het u duidelijk te maken, hoe alle doode werken, alle werken van menschelijke uitvinding en inzetting uit den duivel

ocr page 257

91

zijn, en hoe elk mensch, die zich daarmede inlaat, zich zeiven onrein maakt voor God, want dat is eene waarheid, die men niet zoo spoedig leert begrijpen, ook al meenen de meesten uwer die reeds grondig ie verstaan. In het dagelijksche leven gaat het anders toe, want wie zal slecht brood, wie zal dood, verrot vleesch, dat men hem in de handen wil stoppen, aannemen ? Maar in het geestelijke, hoe vaak laat men zich daar niet medesleepen door leugenachtige, valsche voorstellingen ! En nochtans ! het waarachtig geestelijke leven moet leven hebben, het zucht naar licht en lucht, en Hij, die Zelf de waarachtige God en het eeuwige leven is, kan alleen aannemen, wat leven heeft; al het andere is verwerpelijk voor Hem.

Alles, vwat geschapen is, moet beantwoorden aan het doel, waartoe het geschapen werd. Den mensch nu heeft God geschapen, opdat hy God, Zijnen Schepper zoude verheerlijken, en de Heere had den mensch zóó geschapen, dat hij niets anders naar lichaam en ziel konde voortbrengen, dan goede. God verheerlijkende werken.

Maar helaas ! door ingeving des duivels en door moedwillige ongehoorzaamheid, viel de mensch van God, die zijn Leven was, af. En wat is nu des men-schen geschiedenis geworden, ook waar hij tot Gods volk, tot Gods gemeente behoort V

Aan zich zeiven overgelaten, verstaat hij niets, dan zich met den dood, met allerlei doode werken onrein te maken voor God, naar het oude versje: Onttrekt Gij Heere ! het Dijne Blijft zonde en dood het mijne.

Mijne geliefden ! het is Gods levend woord, dat ik u voorhoude ! en de woorden, die ik tot u spreek, vleien u niet, maar ik moet die tot u brengen, opdat gij zoudt leeren weg te zinken voor des Heeren

ocr page 258

92

woord, en den schrik des Heeren zoudt leeren kennen, want Hij haat de doode werken, de werken des duivels, van ganscher harte, en Hij moet ze verwerpen en verdoemen, omdat ze niet in overeenstemming zijn met Zijne eeuwige en eeuwig geldende wet.

Indien dit blad uit den Bijbel Gods eeuwig woord niet is, kan ik het vrij uit den Bijbel scheuren, op het vuur werpen, en zeggen: och ! wat zouden al die oude verhalen ? Is het echter Gods woord — zoo als het waarachtig is, en zal blijken te zijn in den jongsten der dagen —■ dan veroordeelt het ons allen, wie wij ook zijn mogen.

Gelooft gij echter aan den schrik des Heeren, kent gij Zijnen ernst, zoo verneem het, hoe spoedig Hij alle banden des toorns en des doods weet los te maken. Wie maar éene seconde van leven kent, die weet, dat hij een kind des doods is ! O dat gij dit allen geloofdet! Wie het gelooft, die verneme nu het zalig Evangelium. Wie eenen doode aanroert, wie eene woning betreedt, waar een doode is, wie in het veld eenen doode vindt, en dien aanroert, die is zeven dagen onrein naar de wet. Als afschaduwing beduiden deze zeven dagen, zooals ik u reeds meermalen mededeelde, den geheelen tijd onzes aardschen levens, zoodat wij hieruit kunnen zien, dat wij, die, als kinderen van Adam, kinderen des doods zijn, en ook na ontvangene genade, ook waar wij het leven buiten ons in Christus hebben leeren zoeken, nochtans midden in den dood liggen, in onszei ven onrein zijn en arme zondaren voor God tot aan ons laatste uurtje.

En al hebben wij ook vergeving van zonde ontvangen, al heeft de Heere Zelf al onze zonden geworpen in eene zee van eeuwige vergetelheid, al zijn wij persoonlijk vrij gesproken voor Gods rechterstoel,

ocr page 259

93

uoclitans zijn en blijven wij in ons zeiven arme zondaren, en zal ieder levend lidmaat der gemeente Gods het met zijn bloed onderteekenen, dat ook de allerheiligsten in dit leven niet anders hebben dan een klein beginsel der gehoorzaamheid aan 's Heeren bevelen. Als de bestraffing tot ons komt, als de Heere den profeet Nathan tot ons zendt, dan geldt ons allen het woord ; gij zijt die man ! Hongert en dorst gij echter naar gerechtigheid, zoudt gij, o zoo gaarne ! van uwe onreinheid verlost zijn, ligt gij verbrijzeld en verbroken voor de woorden Gods ter neder, doet gij uw bedde vaak in tranen zwemmen van wege uwe zonden en overtredingen, dan geldt u ook het woord des Heeren, dat tot Paulus kwam : Mijne genade is u genoeg.

Ja! onrein zijn wy bjj Gods heilige wet al de dagen onze.s levens, en wij maken ons dagelijks tot onze bittere smart onrein voor God, en halen daardoor voortdurend den vloek en de verdoemenis der wet over on#, maar hoor des Heeren Woord, gy die voor Zijn Woord beeft! Wie onrein is, die late zich ontzondigen ! Waarmede ? Met de asch der roode koe, vermengd met rein water, want dit alleen maakt ons rein voor God : het bloed van den Heere Jezus, die geslacht is voor onze zonden, en het water des Heiligen Geestes, dat Hij ons heeft verworven.

Dit reine sprengwater moet men alleen laten gelden, en het bekennen : daarin is mijne zonde, daarin zijn alle mijne zonden, hoe schrikkelijk, hoe afschuwelijk ook. verzoend, daarin alléén worde ik rein ge-wasschen van al mijne onreinheid.

Er staat hier niet, dat een priester, een leviet, of eenig ander menschenkind den onreine besprengen moest, maar hij r.elf moest dit sprengwater tot zich nemen; en dit beduidt nu geenszins, dat men uit

ocr page 260

94

eigen kracht of wijsheid in den Heere Jezus en Zijn albetalend bloed kan gelooven, maar het beduidt, dat, waar de onreinheid voor God, de zonde, die ons aankleeft, zwaar op ons drukt, geen vrijspraak van •nenschen, wie zij dan ook zijn mogen, ons zal kuilden baten, maar dat wij het persoonlijk ieder voor zich, zullen moeten weten, hoe het tusschen den Heere en onze ziel staat, en of ook ons die goddelijke uitspraak geldt: 1 gt;an zal Jk rein wafer op u sprengen, en gij zult rein worden : van al uwe onreinig-heden en van al uwe drekgoden zal ik u reinigen. (Ezechiel 36 : 25).

Wie voor des Heeren woord wegzinkt, wie he erkent, dat hij niets verdiend heeft, dan den eeuwigen dood, die mag zich gerust laten ontzondigen in het met asch vermengde reine water der ontzondiging en dat mag hij doen zoo wel op den derden als op den zevenden dag; zoo zal hij rein zijn. Ik behoef er u niet aan te herinneren, dat de derde dag, de dag der opstanding is.

Het is de kracht der opstanding Jezu Christi, het is de macht des levens, de volkomene macht des Heiligen Geestes, die in dit sprengwater ligt. Eerst komt de wet Gods, de wet van Sinaï tot ons, en werpt ons van onze vermeende hoogheid in het stof ter neder, eerst worden wij aan ons zeiven ontdekt, eerst komt de kennis onzer ellende : twee dagen, d.

o 7

w. z. eenen door God Zelf vastgestelden en bepaalden tijd lang, liggen wij in onzen dood, in onze ellende ter neder, maar dan breekt ook de derde dag aan, die heerlijke derde dag der opstanding, waarin de Heere, te midden in onzen dood, ons levend maakt. Hij zal ons na twee dagen levend maken ; op den derden dag zal Hij ons doen verrijzen, en wij zullen voor Zijn aangezicht leven. (Hosea 6 : 2)

ocr page 261

95

En waardoor maakt de Heere ons nu levend ?

Door dat Christus door den Heiligen Geest in onze zielen wordt geopenbaard, zoodat men inwendig be-sprengd wordt, en deel ontvangt aan die ééne gerechtigheid, die alleen voor God geldt, en die ons wordt geschonken en toegerekend uit genade.

En nog eens verloopen er drie dagen, voordat de zevende dag, de dag des doods, de dag der volkomens verlossing aanbreekt. En die drie dagen zijn het,

waarin de stryd, die in het harte onstaan is, ten einde wordt gestreden, en al valt die met wereld,

zonde en duivel, met alle werken des doods aangebonden strijd ook nog zóó lang en nog zóó bang,

toch wordt de overwinning, de volkomene overwinning behaald op den zevenden dag. Midden in de hitte dezes strjjds leert men meer en meer zijne zonde en ellende kennen, het gaat van de eene zwakheid in de andere, zoodat men vaak in den ondersten kuil der ellende komt te liggen, maar juist daar leert men de bazuin aan den mond zetten en juist, als men niets meer kan noch vermag, richt men zich onverwacht op en werpt eenen geheelen Dagons tempel omver. Juist als het van de eene zwakheid in de andere gaat, gaat het op dien weg van kracht tot kracht vooruit, en verkrijgt men deel aan de over duivel en dood behaalde overwinning. Al zijn ons de oogen uitsgestoken, toch wassen in het huis der verdrukking onze haren weder, want de Heere is getrouw, en Hem heeft men voortdurend van noo-'

de, men vlucht voortdurend tot Hem, ook te midden der grootste vertwijfeling, men klemt zich op hope tegen hope vast aan de gerechtigheid des Heeren Jezus: daarop leeft men, daarop sterft men!

Wat ook wankelen of bezwijken moge, toch ii de Heere daar nabij, ook al is Hij voor ons gevoel verre van

! m

r

■; i j

^1:

jjPrl f if'$ ■

ocr page 262

9ö

ons geweken ; en zóó staat het vaandel de overwinning eindelijk hoog opgericht boven dood en graf!

Mijne geliefden ! ik verg immers niet te veel van uw geduld, als ik nog verder met u voortga de be-sprenging met het reine water en de asch der roode koe te bespreken ? allerleerst wijs ik er u dan op, dat deze besprenging ook eene afschaduwing is van den heiligen doop. Dat dit zoo is, kan men uit vele apostolische uitspraken opmaken, b. v. uit Rom. 6 vs. 3 en 4, waar wij lezen : of weet, gij niet, dal zoo-velen als wij in C/irislus Jezus gedoopt zijn, wij in Zijnen dood gedoopt zijn ? Wij zijn dan met Hem hegraven, door den doop in den dood, opdat, gelijker-wijs Christus uit de doodon opgewekt is tot de heerlijkheid des Vaders, alzoo ook wij in de ni/'iiwiglieid des levens wandelen zouden. En Efez. 5 vs. 26: Opdat Hij haar heiligen zou, haar gereinigd lubbende met het had des waters door het woord. En diergelijke uitspraken vinden wij dikwijls in de schriften der apostelen. Want de asch der roode koe kunnen wij niet meer zien, maar wij hebben in den heiligen doop ook een beeld en afschaduwing der besprenging niet het bloed Ohristi en met het water des Heiligen Geestes, eu ontvangen zoo do belofte daarvan. Mijne geliefden ! ik heb het u, zoo ik hoop, duidelijk gemaakt hoe naar de ondoorgrondelijke wijsheid Gods, deze reiniging geldt tegen onreinheid van drieërlei aard, namelijk tegen onreinheid, die men over zich heeft gebracht ten eerste door lichtzinnigheid, ten tweede door de uiterlijke verhoudingen en omstandigheden, ten derde door moedwillige overtreding van Gods geboden.

Uitgegeven bij VV. MEIJEK, Rees trant 17, Amftcrdom. Voor Duitschland verkrijgbaar bij F. BüCKMANN, hlberfeld.

Prijs per Nummer 3 Cts. Franco por post 4 Cts.

!l:'

t

i

l i

ii1' |

11

I n

i'

I

ocr page 263

SCilKlFTVËUKL4RlNGE*

TAN

Or. H. F. KOHLBRÜOGE.

Eenige bijzonderheden omtrent den uittocht der kinderen Israels uit Egypte en hunne reis door de woestijn. (Vervolg).

WAT DE HEERE AAN ZIJN MURMUREEREND VOLK WILDE LEEREN DOOR DE INSTELLING VAN DE WET DER ROODE KOE.

Het is hart verheffend te vernemen, dat de Heere Zelf geboden had, de asch dsr roode koe aan eene reine ■plaats te bewaren, zooals wij vs. 9 lezen, opdat de onreine zich daarmede zoude ontzondigen, maar wij hebben er niet minder op te letten, dat de Heere gezegd heeft, dat de ziel desgenen, die eenen doode had aangeraakt en zich niet ontzondigde in het met de asch der roode koe vermengd reine water, uitgeroeid zoude worden uit het volk Israël. Toen Abraham voor het aangezicht des Heeren stond en van Hem vernam, dat Sodom en Gomorra met vuur en vlam zouden vernietigd worden, antwoordde hij den Heere : Zie. toch ! ik heb nvj onder loonden te spreken tot den Heere, hoewel ik stof en assche ben ! Gen. 18 ; 27. Abraham sprak het dus met deze woorden uit, dat hij niet minder dan de goddelooze steden Sodom en Gomorra verdiend had met het vuur van Gods toorn verbrand te worden, ja! als het ware reeds daarin verbrand was.

Nadat de Heere zich aan Job geopenbaard had, sprak Job : met het gehoor des oors heb ik U gehoord, No. 12]. 30 Aug. 1890,

ocr page 264

s- . .

98

maar nu ziet U mijn oog, daarom verfoei ik mij, en heb berouw in slof en assche. Job 42 : 5, 6.

Hij erkende het dus van zich zeiven, dat hij niets was dan stof en assche, dat wil zeggen, dat hij zich voor den rechterstoel van eenen rechtvaardig en heiligen God had leeren kennen, als een zoodanige, die met al zijn doen en laten moest verbrand worden, ja, als het ware, reeds verbrand was in de helsche vlammen.

Maar de barmhartige en genadige God daar boven heeft geduld met de menschen, en Hij wil niet, dat een mensch verloren ga of verbrand worde, maar Hij heeft Zijnen eenig geliefden Zoon genomen en Hem in onze plaats laten verbranden in de vlammen van den rechtvaardigen toorn Gods tegen de zonde. Maar hebben wii nu waarlijk aandeel aan dat allerheiligst offer? Ja of neen? Waarheid is waarheid en geen tittel noch jota zal daarvan ter aarde vallen, maar de waarheid op zich zelve redt ons niet, tenzij zij in onze harten geschreven worde door den heiligen Geest.

Voorzeker! God wil niet dat iemand verloren ga, dat iemand verbrand worde in den helschen gloed, en daarom heeft Hij Zijnen Zoon Jezus Christus laten lijden en sterven, maar geldt deze waarheid ons, als wij niet in dezen Zoon gelooven en niet in waarheid besprengd zijn met Zijn bloed en met Zijnen • Geest ?

Het volk Israël nam de geheele wet der ceremoniën en offeranden in een letterlijken zin op, en meende geborgen te zijn, zoo zi] al deze instellingen naar den letter opvolgden, maar de meening des Geestes, de heerlijke zaak, die achter al deze plechtigheden en offers van allerlei aard verborgen lag, begrepen zij niet. Als er iemand stierf, zoo geloofden de Joden wel in zoo verre aan Gods woord, dat zij overtuigd

ocr page 265

99

waren, dat de overblijfselen des dooden, nadat de ziel daaruit ontvloden was, alles wat in huis was, onrein maakten, zoodat alle open gereedschap van potten en vaten waar geen deksel op was gebonden (Num. 19 : 15), onrein, dus onbruikbaar werd. Maar deze letterlijke uitlegging van 's Heeren woorden was op zich zeiven (d. i. afgescheiden van de geestelijke beteekenis) niet naar de meening des Heiligen Geestes, die hen hiermede iets geheel anders wilde duidelijk maken, want het is juist de mensche-lijke ziel, die uit dat doode lichaam was ontvloden en die wij allen van Adam geërfd hebben, die al de kam eren en vaten onzes harten onrein maakt, met zinnen, gedachten en overleggingen, voor zoo verre onze harten niet toegedekt en gebonden zijn door Gods almachtige «renade.

O o

Mijne geliefden ! wanneer gelooven wij er iets van, dat wij sterven moeten, dat de dood werkelijk bestaat, en ook tot ons zal komen ? Als de dood in ons eigen huis komt, dan begint men er zoo iets van te gelooven, maar spoedig zijn de indrukken weer uitgewischt. Gelooven wij het nu werkelijk dat onze lichamen, waar wij zoo veel mede op hebben, e^ns eene prooi der verrotting zullen worden ? Als wij op een kerkhof te midden der graven staan, dan kunnen wij het zichtbare, de buitenzijde van Gods oordeel over den val en ongehoorzaamheid van onzen eersten vader Adam en over al onze werkelijke zonden en overtredingen zien, en op al die graven staat voor het oog des geestes de letterlijke vervulling van het woord: ten (/«//« dat gij daarvan eet, zult gij den dood sterven ! Gen. 2:17.

Maar ligt er achter dien zichtbaren dood, nog niet een andere, een geestelijke, een eeuwige dood ? Blykt het niet ten duidelijkste, dat wij in den geestelijken

ocr page 266

100

dood liggen van nature, en herhaalt zich niet voortdurend in ons leven de geschiedenis van Adam en Eva in het Paradijs ? Zijn wij aan ons zeiven overgelaten, niet eiken dag onzes levens geneigd des Heeren woord te laten varen ? steekt de geestelijke, de eeuwige dood niet in ons ? Maar gelooven wij dit werkelijk ? Ach! in de praktijk des levens gelooven wij er niets van! Onophoudelijk begraaft de mensch zijne onsterfelijke ziel onder de zichtbare, verganke-lijke diugen, in zichtbaar, zoogenaamd genot en vermaak, en weet het niet, dat de geestelijke dood hem omringt, dat de eeuwige dood achter hem staat en hem schrede voor schrede vervolgt. Het blijft daarom toch waar, dat als God ons op den weg des levens heeft gezet, wij niet naar de hel gaan, evenmin als men te Parijs aankomt, als men in den trein naar Berlijn zit, maar niettegenstaande dit, is het waar, dat wij overal en altoos den geestelijken en eeuwigen dood met ons omdragen, en dat dit wel aan den dag komt door onze onvermijdelijke en voortdurende aanraking met de wereld. Maar daarom juist, heeft Hij, die alles weet, en die de hurten en nieren proeft in Zijne barmhartigheid het middel verordineerd, om ons van de ons voortdurend aanklevende onreinheid, ook voortdurend te reinigen. Wij kunnen uit het huis des doods, waar alles ons verontreinigt, niet wegblijven, wij hebben plichten te vervullen tegenover hen, die daarin wonen, hoe zouden de dooden anders behoorlijk ouder de aarde komen ? Zoude het niet de grootste liefdeloosheid geweest zijn indien de Israëlieten, om zelf rein te blijven, de noodige en onontbeerlijke hulp van vrienden of uabestaanden hadden sjeweiserd.

Ach, geliefden ! alles wat wij zijn, wat wij doen is door den dood bevlekt en onrein, het is niet an-

ocr page 267

101

dera hier in dit land der schaduwen des doods! Wij zijn in de wereld geplaatst, en zouden uit de wereld moeten loopen, wilden wij geheel en al den onreinmakenden invloed vermijden, dien zij telkens op ons uitoefent. Voortdurend komen wij in het da-gclyksch leven in aanraking met dooden en hunne doode werken. Wij, menschen, vinden zulks nu wel zoo erg niet, indien naar onze meening, ons voordeel of ons zoogenaamd vermaak daardoor bevorderd wordt, maar voor het reine oog des Heeren, maken wij ons daardoor bevlekt en onrein, en hebben wij ons te laten ontzondigen in het door Hem verordineerde water der besprenging. Ach ! de deuren onzes harten staan voortdurend wijd open voor den invloed des doods! Onze zinnen, onze gedachten, onze overleggingen gelijken voortdurend op dat open gereedschap waar geen deksel op is gebonden, en waarvan in vs. 19 sprake is.

Hebben wij echter op onze harten het bedeksel der genade, en is dat bedeksel werkelijk op onze harten vastgebonden door de liefde en genade Gods, is de liefde Gods werkelijk in onze harten uitgestort door den Heiligen Geest (Rom. 5 : 5), dan kan de adem des doods daar niet in binnendringen. Ziet ge geliefden! daar juist wringt ons de schoen, het waarachtige bedeksel der genade ontbreekt op onze harten, en al is er schijnbaar een bedeksel op, het is vaak niets meer dan een leugenachtig bedeksel, dat wij zelf er op hebben gelegd, en niet de Heere, door Zijne genade en Geest; en daarom ligt ons hart voor alle verkeerde invloeden open, en is telkens vervuld van allerlei onreinheid. Waar men echter in waarheid door de genade en liefde Gods vastgehouden wordt, daar is geen zonde, noch lust sterk genoeg om ons te overheerschen, ontbreekt echter die

ocr page 268

102

goddelijke bedekking, dan zijn onze harten een buit der zonde en des doods !

Zoo is de waarachtige loop der dagelijkschen levens: ach ! de praktijken onzes levens gelijken maar al te Vaak op een tooneelspel. En in al de duizende bemoeienissen en dingen der wereld, waar blijft dan ons hart ? Hoe staat het dan niet ous geestelijk verstand ? Ach! ijdelheid der ijdelheden, het is alles ijdelheid ! Eten en drinken, sierlijke kleederen en vermaak, dat is het wat men eigenlijk beoogt en najaagt. Maar in Zijne barmhartigheid heeft de Heere bevolen, dat men zich van zijne onreinheid zoude ontzondigen. En nu de moedwillige ongehoorzaamheid, wie kan zich daarvan, ook na ont-vangene genade, vrij spreken ? Als de verkeerde lust in den mensch opkomt, dan vraagt hij naar hemel, noch hel. Waar het anders toegaat, is het alleen de bewarende hand Gods, die ons voor zulke gruwelen behoedt; maar aan zich zeiven overgelaten, is de mensch, als de lust in hem opkomt, onverschillig voor al het overige, hij zet zijnen wil door, gaat zijnen gang, en laat God en de heilige engelen daarbij weenen. Intusschen de Heere ziet alles, meet alles, en meent niet, dat zijn oordeel uit zal blijven ; en de vlammen des eeuwigen vuurs zijn de u gedreigde straffen, o gij ! die meent Gods gebod straffeloos te mogen overtreden. Vraag gij u zeiven maar eens af, of gij geen straf verdient, gij, die uit de kerk komende, waar gy Gods Woord gehoord hebt, dat u de nietigheid en ijdelheid der wereld, den vloek der zonde getrouwelijk heeft verkondigd, handelt en wandelt, als of dat alles maar ijdel geklap was ; en als of er van u, die u zeiven toch voor een christen, een geloovige, een bekeerde uitgeeft, geen andere werkelijkheid bestond dan geld, lust en

ocr page 269

103

genot. Nu zegt God echter niet van den zoodanige : laat hem verbrand worden, maar, zij zullen de aseh der roode koe vermengen met rein water en bem daarmede besprengen, »opdat de onreine rein worde.quot; Christus onze hooggeloofde Heere en Heiland wordt hier stof en assche genoemd, de asch des verbranden zondoffers, naar het Hebreouwsch ; de asch der verbrande zonde.

Waar wij in ons kapittel van srein waterquot; gewag vinden gemaakt, staat in het oorspronkelijke eigenljjk »levend waterquot; of »water des levensquot;. En wij denken hierbij aan het water, dat uit den door Salomo gegraven vijver van Siloam vloeide, waarheen de Heere Jezus ook den blindgeborene stuurde, nadat Hij diens oogen met slijk had bestreken. Dit levend water, dat van het eene vat in het andere werd gegoten, beduidde den Heiligen Geest, die ook van uit het harte Gods in het hart des menschen wordt uitgestort. Daarom lezen wij Ez. 36 : 25, 26 : dan zal Ik rein water cp u sprengen, en gij zult rein worden : van al uwe drekgoden zal Ik n reinigen. En Ik zal u een nienw hart geven, en zal eenen nieuwen geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het steunen hart uit uw vleesclt wegnemen, en zal u een vleeschen hart geven.

Met deze assche der roode koe, vermengd met rein water, kan volgens vs. 18 alleen hij, die zelf rein was eenen onreinen besprengen. Dit zag allereerst op Christus Zelf, die rein en onbesmet was, en bleef, hoewel Hij ons zondig en onrein vleesch met zich omdroeg. Ten andere zag het ook op de profeten en apostelen, en op alle van den Heere Zalf gezonden leeraars, die ofschoon diep bedorven Adamskinderen in zich zeiven, nochtans in aarden vaten, eenen kostbaren, goddelijken schat dragen. Wie van den Heere

ocr page 270

104

Zelf geleerd heeft te zeggen : als Gij met mjj in het gericht wilt treden o Heere ! dan heb ik op duizend niets te antwoorden, en : ga niet in het gericht met uwen knecht, want niemand, die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn (Ps. 143 : ii), die zal ook tot niets toevlucht kunnen nemen dan tot de asch der roode koe, om daarmede besprengd te worden. Wie echter met opgeheven schild tegen den Heere en diens ordinantiën indruischt, die moge zien, hoe hij zich zeiven helpen kan.

De hyzop, waarmede de besprenging geschiedde, was aan eenen staf of een riet bevestigd, en baduidde de genade Jezus Christi, de liefde Gods en de gemeenschap des heiligen Geestes, want dat zijn de dragers der met rein water vermengde asch der gt;roode koequot;, waarmede besprengd wordt de tabernakel des harten, alle gereedschap en vaten, alle zinnen en gedachte»), alle leden waarmede men gezondigd heeft.

Op den derden dag wordt de onreine besprengd d. i. in de kracht der opstanding Jezu Christi. De twee eerste dagen, waarin men onrein was, beduiden de waarachtige ontdekking aan onze zonden en ellende, de derde dag beduidt de ware erkentenis der vergeving van zonden, en van den derden tot den zevenden dag de kennis der ware dankbaarheid, die men Gode schuldig is, en die daarin bestaat, dat men hoe onrein en bevlekt men ook zij, nergens heil en uitkomst zoekt, tot niets anders de toevlucht neme, dan tot de troon der genade.

Aan den avond des zevenden dags volgde de ge-heele reiniging, en dat ziet op het laatste uurtje, waarin de ziel het tot den Heere zal zeggen: In uwe hand beveel ik mijnen geest, Gij hebt mij verlost. Heere Gij God der waarheid. Ps. 31:6.

ocr page 271

105

Mijne geliefden! wij lezen verder nog in het 21ste vers van ons hoofdstuk dit zal hunlieden zijn tot eene eeuwig-; inzetting. gt;Hunliedenquot; d. i. den kinderen Israels, en den vreemdelingen, die onder het volk Israels woonden, en die ook wenschten den Heere te dienen. En nu volgen nog merkwaardige woorden : en die het water der afzondering sprengt, zal zijne kleederen wasschen; ook wie het water der afzondering aanroert, die zal onrein zijn, tot aan den a/ond.

Niemand kan in waarheid het evangelie prediken, niemand de gemeenten des Heeren besprengen met het sprengwater, noch den kleinen kinderkens het sacrament des doops toedienen, zonder dat hij in deze bediening voor des Heeren aangezicht, onrein daar staat, en zich ook onrein gevoelt. Juist hij, die voortdurend van genade en vergeving der zonden spreken moet, wordt zelf het allermeest en voortdurend tot eenen armen zondaar gemaakt. Waarom ? Omdat een valsch evangelie den mensoh heilig maakt in zich zeiven, en omdat wy allen zonder onderscheid door onze zonden en overtredingen de oorzaak zijn van des Heeren Jezus Christus lijden en sterven. Wie recht inziet, wat die asch der roode koe eigenlijk beduidt, die valt als dood voor 's Heeren voeten, evenals Johannes op Patmos, toen hij den Heere zag.

Ja het is waar en het blijft waar, dat wij ons voortdurend met den dood bevlekken ! Is het op het sterfbed nog tyd genoeg om deze zaak met den Heere te vereffenen ? En moet deze dagelijks voor het licht tredende onreinheid onzes harten tot op ons sterfbed verborgen en vergoêlijkt? De Heere, die de besprenging met het bloed en den Geest Christi stelde tot eene volkomene reiniging voor al onze zonden, ig dezelfde God, die spreekt: dewijl Ik geroepen heb, en

ocr page 272

106

gijlieden geweigtrd hebt; Mijne hand uitgestrekt heb, en er niemand was, die opmerkte, en gij al mijnen raad verworpen, en Mijne bestraffing niet gewild hebt; zoo zal Ik ook in ulieder verderf lachen, Ik zal spotten, wanneer uwe vreeze komt. Wanneer uwe vreeze komt gelijk eene verwoesting, en uw verderf aankomt als een wervelwind ; wanneer u benauwdheid en angst overkomt; dan zullen zij tot Mij roepen, maar Ik zal niet ant-looorden ; en zij zullen Mij vroeg zoeken, maar zullen Mij niet vinden : daarom dat zij de wetenschap gehaat hebben, en de vreeze des Heerm niet hebben verkoren. Spreuken 1 : -4—29.

Zeker is het dat God echter vrij blijft, ook den allerverkeerdste in het laatste oogenblik te redden, zooals wij ook aan den moordenaar aan 't kruis kunnen zien, die stervend de belofte ontving dat hij nog dienzelfden dag met den Heere in het Paradijs zouden zijn. Wat niet in waarheid voor Gods aangezicht tot stof en assche is gemaakt, wie meer zijn wil dan dit, moge zichzelven nog zoeken te bekeeren, wanneer het e laat is, het zal hem echter niets baten, want hij had het evangelie gehoord, maar heeft het verworpen, en zijn ontwaken zal zijn in de vlammen der hel. Daarom, o mijne geliefden ! laat ons voor den Heere bekennen, dat alles wat ons hier in dit Mesech omgeeft, dat alles, wat wij aanroeren, dood en onrein is, dat wij heden uit onwetendheid, morgen door verleiding, overmorgen door moedwillige ongehoorzaamheid den dood over ons halen. Laat ons dit voor Hem bekennen met een diep ontzag voor Zijne heiligheid, want God is geen menschenkind, dat Hij liegen zoude. Hij is rechtvaardig en Zgn rechtvaardige toorn rust het zwaarst op dien, die Zijnen wil geweten, en niet gedaan heeft. Maar Zijne zoete en zalige genade verheerlijkt de Heere het meest

ocr page 273

107

aan hen, die het voor Zijn heilig aangezicht bekennen, dat zij stof en assche zijn, die het voor God bekennen: al liet Gij, o Heere! mij ook dooden en tot asch verbranden, nochtans wil ik u als den eeuwig rechtvaardige loven en prijzen, want ik heb niets anders verdiend, dan den eeuwigen dood. God wil ons,quot; die niets zyn dan stof en assche, laten besprengen met Zijne asch, met levend water vermengd, en ons zóó rein verklaren. Wilt gij er n gro idig van overtuigen, o gij bedroefde en bekommerde ziel, dat de duivel een leugenaar is ? Hij zegt: gij moogt u niet laten besprengen ; dat zoude groote zonde zijn, en God zal u daarom voor eeuwig verdoemen ? Maar dat zegt de levende God, met wien wij alleen te doen hebben, niet; die zegt; wie onrein is, en zich niet ontzondigd zal hebben, diens ziele zal uitgeroeid worden uit het volk Israël. Doet gij nu den wille Gods, handelt gij naar Zijne instelling, die u voorschrijft, dat gij u moet laten besprengen en reinigen door de met levend water vermengde asch der roode koe, zoo zal u de volkomene genoegdoening, gerechtigheid, en heiligheid Christi geschonken worden. Het gaat om de toeeigening, het gaat er hierom, of men in der waarheid, persoonlijk, besprengd is met het bloed en den geest van Jezus Christus !

Hij, tot assche verbrand voor ons, die niets zijn dan stof, aarde en assche, dit is de eenige reiniging. Amen.

R Xj A D V fJ L Ui 1 JST G.

Wij lezen in den 51sten Psalm vs. 14 : geef mij weder de vreugde mos heUs ; en de vrijmoedige Geest ondersteune mij. Ik vond deze woorden eens zóó in

ocr page 274

108

rijm gebracht: doe mij ook nu smaken de zekerheid mijner zaligheid, Heere ! door uwe genade. (1)

0, deze woorden waren zoo naar mijn harte, want toen ik die laa, dacht ik; Ja! er zijn er dan toch nog meer, er zyn er toch nog van ouds her nog meer geweest die evenals ik er naar hongerden en dorstten, de verzekering hunner zaligheid te mogen genieten! • Ja gewis ! er is in de zielen dergenen, die eens de zaligheid willen beërven, eene heilige vreeze eene heilige onzekerheid, omdat de zaak hun te hoog is, en te wonderbaar in hunne oogen ! Er zijn in dit aardsche leven honderd en honderd omstandigheden, waaromtrent de mensch zekerheid wil hebben voor zichzelf, opdat hij zich niet zonder die zekerheid ongelukkig en radeloos voele. En gaat het alzoo toe in de dingen dezes levens, zie dan maar eens of bij alle verkregene zekerheid, ook bij de allervastste bepalingen, er geen twijfel en angst in het hart blijft, totdat men waarlijk verkregen heeft wat men beoogt.

Waar nu de Heere eenen mensch staande gehouden heeft op den weg, hem geroepen heeft tot het eeuwige leven, en der genade Jezu Christi heeft deelachtig gemaakt, daar zal het zulk eenen zondaar boven alles

1

Onze schrijver bedoelt hier het (We vers van Datheen'» berijming van den Sleten Psalm, die aldus luidt;

Ik bidd' u, werpt mij niet viin uw aanschijn, En opdat ik besluite mijn begeeren,

Uwen heiligen Geest wilt mij niet wecren.

Als Hij in mij van ü vernieuwd zal zijn.

/Doe mij ook nu smaken de zekerheid ^Mijner zaligheid, Heere I door Uwe genade.quot;

Geeft mij ook den geest der vrijmoedigheid.

En sterkt mij daarmede, vroeg en spade.

De Red.

ocr page 275

109

te doen zyn om de zekerheid zijner zaligheid, ja juist hij zal hevig worden aangevochten over de vraag: zal ik werkelijk eens zalig worden ? Zal ik aan het einde nog niet eens bedrogen uitkomen, en voor eeuwig verloren zijn ? Zal het waarheid blijken te zijn in den dag der dagen, dat ik, ja ik, die den eeuwigen dood verdiend heb, zal waardig worden gekeurd Gods aangezicht te aanschouwen in gerechtigheid, Hem van oog tot oog te zien, die alleen de bornput onzer zaligheid is ? Zal dat waar zijn voor mij, voor mij, ellendigen zondaar, dat ik eens zal worden opgenomen in heerlijkheid ! dat ook ik, ook ik eens zal aanlanden in die schoone stad daarboven ? Er komen voorzeker tijden, waarin deze brandende vragen meer stil liggen op den bodem der uitverkorene ziel, hetzij men eenen tijd lang in onverschilligheid daarhenen leeft, of geheel onverwacht door de eene of andere liefelijke belofte voor het oogenblik weer wordt verzekerd van zijnen genadesta t, maar ach ! het duurt niet lang of dat alles is verdwenen. De heerlijkste en kostelijkste beloften, die men gisteren ontving, kunnen de ziel heden niet meer baten, dan voor zoo verre de Heere die levend houdt in 't hart, en dan kan de heerlijkste prediking dikwijls niets op ons uitwerken dan ons ter neder te slaan, in plaats van er ons uit te helpen. Al de wonderwegen Gods, die Hij van onze vroegste jeugd met ons insloeg, zjj zijn vaak voor ons geestelijk oog als in eenen dichten nevel gehuld, zij zijn als het ware vergeten, ja vaak rijst de bange vraag in ons op : zal alles, wat ik ondervonden heb van den Heere, mijn oordeel en verdoemenis ten slotte nog niet verzwaren ? Is er dan geen zekerheid der zaligheid mogelijk ? Gewis is zij mogelijk? Maar niet altoos is zij voelbaar aanwezig voor het bewustzijn van den mensch, maar

ocr page 276

Mil_________________________________( ! ______

110

nochtans zeer diep op den bodem der ziel ligt zij begraven, bij een iegelijk wien het onvergankelijke zaad van Gods Woord in 't harte is geworpen, omdat het de Heere Zelf is, die zulk een harte heeft verbroken en verbrijzeld. Maar voor de ondervinding van het bewustzijn van den mensch, is het maar gedurig:

Nu twijfel, dan geloof.

Zoo gaat het op en neer.

Waar vindt de ziel haar rust?

Rust vindt zij in den Heer.

En mijne geliefden, in dezen strijd, in dezen hangen strijd des geloofs is de arme ziel vaak een spel der stormen en baren. Waar komt nu echter, ook voor het bewustzijn, niettegenstaande al dien bangen twijfel, en die altoos terugkeerende angst en bestrij ding, de verzekering, het bevestigd zijn, het geworteld zijn in het zaligmakende geloof van daan V Alleen uit het heerlijk en onvergankelijk woord des Heeren.

De zekerheid der zaligheid ligt niet daarin, dat men zoo van tijd tot tijd weer eens eene belofte vindt, die men voor zichzelf kan aangrijpen, hoewel zulks voorzeker eene liefelijke verkwikking op den weg is maar de ware verzekering, zoo zij gegrond is, ontvangen wij uit het Woord Gods, door Zijn Evangelie, waardoor de ziel meer en meer tot de zekerheid komt, dat alleen de grond, dien God gelegd heeft alleen de gerechtigheid Christi, alleen de eene offerande op Golgotha volbracht, de eenige grond is, die vast staat tot in alle eeuwigheid.

Uitgegeven bij VV. MEIJER, Reeatrnat 17, Amsterdam. Voor Duitschland verkrijgbaar bij F. BiiCIOIAKN, Elherf eld. Prijs per Nummer 3 Cts. Franco per post 4 Cts.

ocr page 277

S € II K 11 T V li R K L \ K I * ii K \

VAN

lgt;r. II. F. KOUL,BRÜGGE.

Eenige bijzonderheden omtrent den uittocht der kinderen israëis uit Egyote en hunne reis door de woestijn, (Vervolg).

WAT DE HEERE AAN ZIJN MURMÜREEREND VOLK WILDE LEEREN DOOR DE OPRICHTING DER KOPEREN SLANG.

De grond, waarop het ontwaakte geweten alleen en volkomen rusten kan, ligt in God, in de genieen-schap met Hem. Deze grond ligt niet in vns bestaan, niet in o»?.« denken, niet in ons gevoel, noch ondervinding, niet in ons doen of laten, niet in onze voor-treffelykheid ; die grond staat en valt ook niet met ons goed of kwaad doen. Wil toch, mijne geliefden! dit wel ter harte nemen. Ik herhaal het: de grond, waarop alleen het verontruste geweten nochtans rusten kan de grond dus van eenen waarachtigen zielenvrede ligt in God en in de gemeenschap met Hem. En dat is het, wat de ziel allereerst weten moet, of zij waarlijk in deze zoete gemeenschap is overgegaan.

Sedert de juiste begrippen van recht en gerechtigheid in het burgerlijke leven uit de wereld zijn geraakt, verdwijnen zij ook meer en meer uit het geestelijke leven en uit de harten. Want men leeft wel onder de prediking des evangelies, maar eigenlijk leeft men in eenen droom daarhenen. Men heeft zoo het een en ander hooren verkondigen, van het bloed van den Heere Jezus Christus, van verzoening, van No. 122. 13 Sept. 1890.

ocr page 278

vergeving der zonden; maar daar men geen juiste begrippen heeft omtrent recht en gerechtigheid, zoo leven al deze dierbare waarheden niet in het hart, en daarom droomt men zoo onverschillig daarhenen, is dood, en bliift dood. Ik zeg juiste begrippen omtrent recht en gerechtigheid ontbreken, want iedereen vormt zich omtrent Gods heilige wet, geheel willekeurige begrippen ; het zal echter wel waar zijn en waar blijven, dat God het door Zijne oordeelen aan de menschenkinderen openbaart, en nog meer zal openbaren, dat Hij rechtvaardig is, dat Hij de zonde straft, en dat zij, die zich heilig en rechtvaardig dunken, nochtans zonden hebben. Omdat de Heere rechtvaardig is, kan Hij niets door de vingers zien en ziet Hij ook werkelijk niets door de vingers, ook niet de in ons oog allergeringste overtreding Zijner heilige geboden. Om het eenwige leven in waarheid te beërven, moet men eenen vasten grond, een eeuwigen rechtsgrond te bezitten. Het daarhenen leven, als in eenen droom, dat onzekere hopen op Gods barmhartigheid, buiten Zijne heiligheid en rechtvaardigheid om, is heidensch, en toen de Grieksche wijsgeer Socrates den giftbeker drinken moest, sprak hij ook gedurig over Gods barmhartigheid. Maar zulk een hopen in onzekerheid zal ons niet vrijpleiten in het oordeel Gods : ik herhaal het, men moet op eenen vasten rechtsgrond staan, wil men daar vrijgesproken zijn. Zoo gaat het ook in het maatschappelijke leven : als men op het stadhuis komt, om getrouwd te worden, moeten de, volgens de wet vereischte papieren, aanwezig zijn. Heeft men nu deze papieren, dan heeft men ook het recht getrouwd te worden, maar zoo er maar één ontbreekt, kan de plechtigheid geen voortgang hebben : en men mag in dit geval de wet, noch de regeering wreed, noch onbarmhartig noe-

ocr page 279

men, want wet blijft wet. En, als men eene onmetelijke schuld heeft, en deswegen in de gevangenis is geraakt, moet men de wet niet beschuldigen, dat zij ons niet vrij wil laten, als wy eenige stuivers willen betalen ; de wet moet op haren eisch blijven staan: de gcheele schuld moet worden uitgedelgd.

Geliefden! gij kent immers wel de twee eerste verzen van den twee en dertigsten Psalm ? Zeker wel, en menigeen uwer heeft die misschien nog onlangs medegezongen, luide medegezongen wellicht. Maar nu moet ik u allen, hoofd voor hoofd eens vragen, op den man af vragen : hebt gij kennis aan zulk een weg voor u zeiven ? Hebt gij wel eens de benauwdheid ondervonden, waarvan daar gesproken wordt? Was het u voor jaar en dag ook zoo eens te moede, en is het u nog wel eens zoo om 't harte gesteld?

Op welken grond kunt gij voor 's Heeren aangezicht, in leven en in sterven, er van verzekerd zijn, dat gij een recht, een goed recht hebt op de eeuwige zaligheid ? Ja ik weet het wel, zulke vragen verschuift men liefst in de toekomst, en heden is men liever bezig met schoone huizen te bonwen of zachte kleederen aan te schaffen en aan te trekken ! En de eeuwige waarheid des heils, daar zullen wij in de toekomst eens over nadenken, maar nu, leeraar! hebben wij geen tijd, wij moeten onzen lust najagen, onzen wil doorzetten. Nu ja, de toekomst is de toekomst, en hebben wij in 't vervolg eens tijd daartoe, dan willen wij misschien ons ook eens bezig houden met die vragen, die gij thans tot ons richt. Komt nu ziekte of dood over de zoodanigen, zoodat zij op het krankbed worden ter neer geworpen, dan beginnen zij luid ; genade ! genade ! te roepen, indien dit tenminste nog geschiedt. Geliefden ! in mijne jeugd heb ik eens twee personen zien geeselen ; eerst zwe-

ocr page 280

4

gen zij, maar langzamerhand begonnen zij luider en luider te schreeuwen, zoodat hun gehuil ten laatste over de geheele markt klonk. Boyen aan het venster van het rechthuis zag ik den rechter staan, en ik dacht: zie ! dat schijnt toch een beschaafd, welopgevoed man te zgn, hoe kan die daar nu zoo onbewegelijk staan er toe zien, dat die arme menschen zóó gegeeseld worden, dat het bloed hen van den rug stroomt ? Ik besloot den volgenden dag eens naar dien rechter toe te gaan; ik deed zulks en vroeg hem, hoe hij dat toch rustig hnd kunnen aanzien? Ja ! mijn kind ! sprak hij vriendelyk tot mij, zoo iets zie ik aan met een bloedend hart, maar als de wet zegt: zóó en zóóveel slagen moet de veroordeelde hebben, dan mag ik niet luisteren naar dat, door de lichamelyke smarten afgeperste roepen om genade : aan den eisch der wet moet voldaan worden. Geliefden ! neem dit toch ter harte, ik bid er u om. Al dat verlamd, krachteloos, dood en lafhartig bestaan, dat wij alom ontmoeten in onze dagen, komt alleenlijk daar van daan, dat men den vloek dei-wet niet kent, en nooit ondervonden heeft, wat geschreven staat Ps. 32 vs. 3, 4 : toen ik zweeg, werden mijne heenderen verouderd, in mijn brullen den gan-schen dag; want uwe hond was dag en nacht zwaar op mij; mijn sap werd veranderd in zomerdrooglen. Sela ! Daarom is men ook nooit ir. waarheid gekomen tot hetgeen wij Ps. 32 vs. 5 lezen : Mijne zonde maakte ik u hekend, en mijne ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik ze.ide; Ik zal belijdenis van mijne overtredingen doen voor den 11 eerc; en Gij vergaaf t de ongerechtigheid mijner zonde. Sela ! Mijne geliefden ! in het gewone leven bouwt immers niemand een huis, zonder eerst een goed fondament te leggen. Niemand zal een voorwerp van waarde aan den wand

ocr page 281

5

hangen, zonder den knop of spijker, waaraan hij dat hangen wil, goed in den wand te slaan. Geene weduwe zal gaarne in onzekerheid blijven omtrent haar pensioen en jaargeld. In het maatschappelijke leven klaagt alles over onrecht en roept om recht. Maar nu, de ziel, de arme ziel, wie bekommert zich daarom, wie vraagt het zich zelven af: heb ik daaromtrent wel eenen vasten grond ? weet ik het ook voor mij zelven: het testament is geschreven, het is verzegeld, en ik weet op grond van eeuwig recht, dat mijne ziel niet ter helle zal varen ? Weet gij mijne geliefden ! wat eigenlijk alleen in de harten van kinderen en volwassenen leeft V De onbestemde hoop : God is toch goed, God is toch barmhartig ! En dan denkt men zich zoo wat te zamen, over alles wat men ooit omtrent het Evangelium Gods heeft gelezen of heeft hooren prediken, en meent in ijdelen waan, dat men daaraan genoeg heeft voor de eeuwigheid ! Maar het arme hart is dood gebleven en blijft dood, ontevreden, onveranderd, onbekeerd, niet verbrijzeld, niet verbroken, en daarom is, terwijl de belijdenis der lippen misschien zuiver is,het gedrag gedurig in strijd metGods heilige wet. Het is daarom, mijne geliefden! dat wij te zamen willen beschouwen den waren rechtsgrond,waarop een verontrust geweten rusten kan voor de eeuwigheid.

Wij lezen : Num. 21 : 1—9 :

Als de Kanaaniet, de koninrj van II ar ad, wonende tegen het zuiden, hoorde, dat Israël door den weg der verspieders kicam, zoo streed hij tegen Israël, en hij voerde eenige gevangenen uit den zelven gevankelijk weg. Toen beloofde Israël den Hee.re eene gelofte, en zeide : Indien gij dit volk geheel in mijne hand geejt, zoo zal ik hunne steden verbannen. De Heere dan verhoorde de stem van Israël, en gaf de Kanaaniet en over; en hij verbande hen en hunne steden; en hij noemde den

ocr page 282

6

naam dier plaats Hnrma. Toen reisden zij van den berg Hor, op den weg der Schelf zee, dat zij om het land der Edomieten heen togen ; doch de ziel des volks icerd verdrietig op dezen weg. En het volk sprak tegen God en tegen Mazes : waarom held gijlieden ons doen optrekken uit Egypte, opdat wij sterven zouden in de. woestijn? want hier is geen brood, ook geen ivater en onze ziel -walgt over dit zeer lichte brood. Toen zond de Heere vurige slangen onder het volk, die beten het volk, en er stierf veel volks van Israël. Daarom kivam het volk tot Aiozes, en zij zeiden: wij hebben gezondigd, omdat wij tegen den Heere en tegen n gesproken hebben : bid den Heere, dat Hij deze slangen van ons wegneme. Toen bad Mozes voor het volk. En de Heere zeide tot. Mozes: rnaalc u eene vurige, slang, en stel ze op eene steng, en het zal geschieden, dat al wie gebeten is, als hij haar aanziet, zoo zal hij leven. En Mozes maakte eene koperen slang, en stelde ze op eene steng; en het geschiedde als eene slang iemand beet, zoo zag hij de koperen slang aan, en hij bleef levend.

Hebt gij het opgemerkt, mijne gelietden! wij hebben eenen door God gelegden rechtsgrond ontvangen ten eeuwigen leven. De Heere zegt niet: gt;niaak Mijquot; ook niet smaak den volkequot;, ook niet »den gebetenenquot; maar maak u eene vurige (koperen) slang.quot; Mozes is de vertegenwoordiger der wet. en de verschijning der vurige slangen, die het volk ten doode beten, was de rechtvaardige straf over het murmureeren der kinderen Israels tegen den Heere en Zijne allerheiligste wet.

Ja! het was het rechtvaardig oordsel des Heeren over die goddelooze woorden ; »onze ziele walgt over dit zeer lichte brood !quot; want het was het manna, het dierbare en zoete hemelbrood, waarover de Israëlieten zoo verachtelijk spraken. En wat was nu in den grond de oorzaak van den wreveligen, ontevredenen geest, die

ocr page 283

if

heb Ik liefgehad, maar Ezau heb lit gehaat, liet het hun niet toe, want de Heer had het geheele geslacht t i

van Ezau, het geheele Edom, verworpen, hoewel Hij, |j j

gedenkende aan den door Izak op Ezau gelegden zegen, hen rijkelijk van tijdelijke goederen voorzag en hen ook in rust op het rotsgebergte Seïr deed wonen ; want zoo dacht de Heere : als de Edomieten sterven, hebben zij geen deel aan de zaligheid des hemels, welnu ! laat hen dan in dit leven nog maar rijkelijk genieten, waar hunne ziel naar dorst! Maar omtrent Israël dacht de Heere: gij rijkgezegend, welgelukzalig kind ! als gij in de paleizen en huizen van Edom binnentrekt, dan vergeet gij uwen hemel-schen rijkdom, grijpt met beide handen naar het zichtbare, en valt zóó den duivel in de klauwen. Tjw weg loopt hier door de woestijn, en Edoms paleizen,

die u zoo toelachen, zult gij geenszins binnentreden,

dat zal Ik u wel beletten, Ik Zelf breng u door de woestijn henen in het land der ruste, en, valt de

f

hen bezielde ? Wat had eigenlijk hunnen toorn opgewekt ? Niets anders dan Gods gebod, dat zij om , het land der Edomieten moesten heentrekken. Dat beviel hun niet, hoewel zij nog onlangs ondervonden hadden, hoe weinig do Edomieten voor hun over hadden (Zie Numeri 20). Wat! daar zij door hunnen stamvader Jakob toch even goed van Izak afstamden als de Edomieten door Ezau, zoude nu de eene broeder, als bet ware langs de muren sluipen der prachtige vesting, waarin de andere broeder leefde in alle pracht en heerlijkheid. Moesten zij dan maar zoo door het woeste, dorre zand henen optrekken, terwijl hunne broeders prachtige paleizen bewoonden ? O, hoe gaarne hadden zij daar bij die rijke Edomieten, die toch hunne bloedverwanten waren, eens een poosje uitgerust ! Maar de Heere, die gesproken heeft; Jakob

in if

•ï

V f Pi

|8|jjH|9 lt;

i

ocr page 284

8

weg daarheen u zwaar en lang, vindt gij daarop brood, noch water, welaan! verlaat u op Mij, Ik zal wel zorgen! Nog voor korten tijd had Israël het immers ondervonden, hoe God hunne gebeden had verhoord, toen Hij den koning vanHarad in hunne hand had gegeven ; toen hadden zij zichzelven verloochend, de ingenomen steden met vuur verbrand, en al de kostbaarheden, die hen ten buit waren geworden, op eenen hoop te zamen geworpen, eene daad, waardoor zij het luide uitspraken : wat hebben wij aan al dat vergankelijk goed ? Wij zijn op reis naar het land vloeiende van melk en honing ! Zie, zoo waren zij gezind, toen de Heere hun gebed verhoord had, en zij al het zichtbare verre van zich hadden geworpen. Maar nu zoo aan Edom, die toch hun broeder was voorbij te trekken, zonder iets mede te genieten van al den overvloed, dien hij genoot, dat was toch al te erg ! En zoo begeerden zij het zichtbare weer op eene geheel andere wijze, maar God bleef getrouw en sprak wederom: neen! arm en hulpeloos zijt gij, maar juist in de woestijn zal Ik wel voor u zorgen !quot; Maar weet gij hoe het volk gezind was ? »Zorgen ?quot; dachten zij, gt;het ziet er hier wel naar uit, dat God voor ons zorgt! »wij sterven hier nog van honger en kommer ! Wa-»ren wij toch maar in Egypte gebleven ! daar had-»den wij tenminste overvloed van spijs en drank, maar swat hebben wij hier, in deze woestijn ? niet eens »brood en water.quot; Hadden zij dan geen brood, geen heerlijk hemelbrood in de woestijn ? Gewis ! maar zij mochten daar zelf niet over beschikken, zij mochten het zelf niet in de hand hebben, maar het dag voor dag uit des Heeren hand ontvangen, en dat stond hun niet aan, en van het liefelijke manna, dat brood der engelen, zeiden zij : »onze ziele walgt van dit »zeer lichte brood !quot; Jawel! Gods woord, Gods woord

ocr page 285

9

dat weten wij wel, maar wij willen nu toch eigenlijk eens wat anders hebben en genieten!

Moest toen niet Gods oordeel over het murmu-reerende Israël losbreken, mijne geliefden ? Moest de rechtvaardige God niet Zijne wet handhaven, en vurige slangen onder hen zenden, slangen, die vurig venijn onder hunne tongen hadden, een vergift, dat als vuur alle ledematen en lichaamsdeelen des menschen doordrong, ja, door deszelfs doodende kracht, als met een bliksemstraal alle helsche hartstochten des menschen wakker riep ? Daar lagen zij nu in hunne schande en smaad ter neder, even als wij allen, van wie de Catechismus zoo te recht zegt: 3gt;dat onze natuur alzoo is vergiftigd (verdorven), dat »wij allen in zonden zijn ontvangen en geboren.quot; En, dat onze natuur gt;alzoo is vergiftigdquot;, en dat ook bij ons de oude opstand telkens weer aanwezig is, dat ook wij, even als onze stamvader Adam, telkens en telkens weer eten willen van den boom, waarvan God gezegd heeft, dat wij daar niet van zullen eten, blijkt dat niet, zoo vaak wij ontevreden zijn met hetgeen de Heere ons beeft gegeven en wij datgene begeeren, wat onze naaste heeft ? Ach! er gaat soms zooveel om in het menschelijke hart! De vurige slangen zjjn nog niet verdwenen, zij zijn nog aanwezig, al zien wij ze niet, en voortdurend bijten en steken zij den mensch ten doode, gelijk ook de kinderen Israels des doods waren, zoodra zij door die zichtbare slangen gebeten waren. Wij allen, kinderen Adams, behoeven in geestelijken zin niet meer gebeten te worden, wij zijn reeds gebeten en komen, als geestelijk dooden ter wereld, zoodat wij allen te zamen kinderen des doods zijn. Ik boude u de zaak voor, geliefden! zooals het daarmede waarachtig tegenover de eeuwig geldende wet, voor 's Hee-

ocr page 286

10

ren aangezicht gelegen is. Wij zijn allen kinderen des doods, en, opdat wij deze waarheid niet zouden vergeten, laat de Heere dagelijks voor onze oogen de menschen krank worden, sterven en begraven worden, terwijl het lichaam eene prooi der wormen wordt. En achter dezen zichtbaren dood ligt nu nog iets anders, gelijk ieder kind reeds weet, namelijk de eeuwige verdoemenis of het eeuwige leven. Wy zijn des doods, en wie des doods is, mijne geliefden ! kan die aanspraak maken op de zaligheid ? O, gewichtige vraag! Weet gij hoe de menschen zich daarvan afmaken ? O, zeggen zij, dat ik eenmaal moet sterven, weet ik ook wel, gaarne sterf ik niet, maar ik weet toch, dat het eens mijn lot zal zijn. En, als gij nu sterft ? Ja! dan hoop ik op Gods barmhartigheid : zoo streng zal Hij toch wel niet wezen, ik heb altoos hooren zeggen, dat God goed is. Heb ik nu werkelijk eene ziel die onsterfelijk is, en keer ik niet tot het niet terug, gelijk een hond, nu dan hoop ik op Gods barmhartigheid. Hij is immers zóó goed !

Mijne geliefden! de kinderen Israels waren vergiftigd, zij waren des doods, en moesten sterven onder het oordeel van Gods toorn. Wij zijn ook vergiftigd, wij zijn ook des doods, en moeten ook sterven onder het oordeel Gods, om onze zonden en afval van Hem ; waar is dan de grond, waarop gij staat, waarop gij ligt, vraag ik zoo eenen, die tot het uiterlijke Israël, tot de gemeente des Heeren behoort ? Velen zullen, indien zij oprecht zijn, moeten antwoorden: ik heb geen grond voor de eeuwigheid! Maar mijne geliefden! gelooft gij dan werkelijk, dat gij genoeg zult hebben, aan eene onbestemde hoop op Gods barmhartigheid V Zal het helpen zich te troosten met het denkbeeld : ik behoor tot Abraham's zaad, ik ben een Israëliet,

ocr page 287

11

ik ben een kind der gameente ? Kon het zulk een van de vurige slangen ten doode gebetene helpen, dat de posten zijner deuren eens met het bloed des lams waren bestreken, dat ook hij eens mede dooide Roode Zee was getrokken en door den Heere wonderbaar heen en weer was geleid in de woestijn ? Ach! het gift der slang woelt in zijne leden, en sterven moet hij, gelijk ook werkelijk vele kinderen Israels gestorven zijn, tengevolge van dat heete slangenvenijn ! Daar vraag ik nu den een of anderen, wat is de grond, waarop gij bouwt ? en het antwoord luidt; »Gods barmhartigheidquot;. Ik vraag eenen anderen : wat is de grond, waarop gij bouwt ? En het antwoord is; »mijne boetedoeningenquot;. Ik vraag eenen derden : wat is de grond, waarop gij bouwt ? en het antwoord is : ^dat ik mij bekeerd heb van gt;mijne zonden en ongerechtigheden, en nog dagelijks »bekeer, en dat ik ook wel eens eene belofte meen »ontvangen te hebben.quot; En ik vraag nog een en anderen af: wat is de grord waarop gij hoopt voor de eeuwigheid ? En het antwoord Inidt : »dat ik »mijne zonde ken en haat, dat ik mijne zonden ^beken aan den Heere, en beterschap beloof. Ik gt;heb een wel volbracht leven achter mij, ik heb -gt;mijne plichten nauwgezet vervuld, Goddank ! ik gt;ben geen dief, geen moordenaar, geen echtbreker, »inaar een braaf echtgenoot, een eerzaam burger, »ik heb naar mijne beste krachten mijne kinderen »opgevoed in de vreeze des Heeren, ik ga vlijtig »ter kerk en ten avondmaal, en houde mijne handen gt;rein van al het overige.quot; Of; gt;Ik heb in mijn leven veel aanvechtingen gehad, en heb nog dikwijls aallerlei aanvechtingen te verduren, ik heb vaak tot ^God geroepen en gesmeekt, en Hij heeft mij verboord, neen ! neen ! gij moet niet slecht over mij

ocr page 288

12

»denken, ik ben een christen, en sta in goeden grond ïgeworteld en vast als een eikenboom.quot; Ach, mijne geliefden ! indien deze gronden genoeg waren om op te bouwen, dan had geen een van de door de slangen gebetene Israëlieten behoeven te sterven, en toch lezen wii dat er vele stierven. De Israëlieten hadden gezondigd, zij hadden gerebelleerd, en majesteitsschennis gepleegd ; en nu leeft God om Zijne wet te handhaven zoowel de eerste tafel, als de tweede. En, al meent men nu in overmoed en lichtzinnigheid, bijv. het vierde gebod straffeloos te kunnen overtreden, ik zetj het u en waarschuw het u in uw eiijen belanpr;

O O O

God leeft en regeert in den hemel, en het is voor Hem maar eene kleinigheid de zwaarste oordeelen over onze stad of ons land te brengen. God handhaaft allereerst de eerste tafel der wet, en wij kunnen zien, dat hoewel God de Heere den kinderen Israels veel vergaf, en veel hunner zonden voortdurend toedekte, Hij hun nochtans niets door de vingers zag, waar het Zijne eere gold.

Het heeft den Heiligen Geest behaagt, dit murmu-reeren der kinderen Israels ten eeuwigen dage te laten opschrijven en er ons mede bekend te maken.

Overigens was het een volk, zooals er nooit een tweede geleefd heeft, en men zoude meenen, dat God de Heere degenen, die Hij uit Egypteland verlost had, door de roode zee heengebracht, en in de woestyn met allerlei teekenen en wonderen omringd en geleid had, ook wel in het beloofde land zoude gebracht hebben, maar buiten Jozua en Kaleb vielen zij allen in de woestijn, en zelfs Mozes stierf op Nebo.

Uitgegeven bij W. MEIJEIt, Reestraat 17, j-Jms/cntoB. Voor Duitschiand verkrijgbaar bij F. liiiCKHAN N, Eiberf eld. Prijs psr Kummoï 3 Cts. franco per post 4 Cts.

ocr page 289

8€HRIFTVEUKL4Rli\(;E^

VAN

Dr. H. F. kohlbrüooe:.

Eenige bijzonderheden omtrent den uittocht der kinderen Israels uit Egypte en hunne reis door de woestijn. (Vervolg).

WAT DE HEERB AAN ZIJN MURMUREEREND VOLK WILDE LEEREN DOOR DE OPRICHTING DER KOPEREN SLANG.

Het volk, ten doode gebeten door de slangen belijdt zijne schuld en zegt van harte tot Mozes: wij hebben gezondigd, en tegen den Heere en tegen u gerebelleerd. Zie ! daar werd de ongerechtiquot;heid beleden en er-

O O

kend, en het is gewis nog genade als God de Heere het door zijnen Heiligen Geest eenen mensch openbaart. dat hij zonden heeft, anders bekommert niemand zich daarover : aan de overtredingen tegen de eerste tafel der wet denkt niemand, en wat de tweede tafel betreft, de geboden, die daarop staan, worden stout en driest overtreden, zonder dat men het zelf weet.

De jongeling, de jonge dochter zondigen tegen het zevende gebod, en weten nauwelijks, wat zij doen. Het kind, de volwassene overtreedt het zesde gebod, en niemand denkt er aan. dat hij zondigt tegen den Heere en Zijne eeuwig geldende wet. Zoo blijkt het wel, dat al dat onbestemde hopen op de barmhartigheid Gods zoruh.T vasten rechtsgrond, en met voorbijgaan van Gods gerechtigheid en ernst, een valsche grond is. Alle zelfbedrog, alle afwijkingen komen daarvan

No. 123. 27 Sept. 1890.

ocr page 290

14

daan, dat een mensch niet voor Gods wet in de schuld wil vallen, en toch schuld heeft. Zoo lang een misdadiger voor den rechter staat en zijne schuld zoekt te bedekken, zal de rechter niet weten, wat hij met hem moet aanvangen ; het is mogelijk, dat een mensch door den aardschen rechter wordt vrijgesproken, en er dag en jaar verloopt, eer Gods rechtvaardige straf hem achterhaalt; menigeen kan ook door den aardschen rechter worden vrijgesproken, die zyn leven lang dooide hevigste onrust en beschuldigingen des gewetens zal worden geplaagd. Maar, hoe dit nu ook zij, ik vraag het n, mijne geliefden ! als nu de misdadiger vrij uit belijdt: gt;Nzie, ik heb het gedaan, ik heb de wet overtreden,quot; zal die aardsche rechter, ofschoon hij zulk eene oprechte belijdenis op prijs zal stellen, nu tot den schuldigen zeggen ; gt;gij kunt vrij uit gaan, gij hebt uwe schuld beledenquot; ? Immers neen ! en niettegenstaande de openhartigste bekentenis van zonde, zal toch volgens de wetten des lands worden beslist. En is er doodslag gepleegd, dan wil de wet gewis, dat men zulks bekenne, opdat de misdadiger zelve het de weinige dagen, die hij nog te leven heeft minder benauwd hebbe, maar niettegenstaande deze belijdenis blijft de wet de straffe des doods eischen. Alzoo schuldbelijdenis op zich zeiven kan ook geen grond zijn, om op te bouwen ; kan ons van het vonnis des doods niet bevrijden. Het bekennen onzer zonden geeft ons dus geen welgegrond recht op het eeuwige leven. En wee ! het land, waar de onrechtvaardige onschuldig wordt verklaard : het zoude een gruwel voor God zijn ! De onrechtvaardige, de overtreder van 's lands wetten moet veroordeeld worden, en hij verliest zijne burgerrechten.

Daar lag nu Israël, vergiftigd ; het vuur brandde hun in de leden ; en toch waren er vele voortreffe-

ocr page 291

15

lijke lieden onder lien, die door den Heere rijk begiftigd waren, want voor hen had Hij de golven der Roode Zee gekliefd, en Hij had hen met hemelsch brood gespijsd ! Daar liggen zij nu echter terneder met het slangen venijn in de leden, als kinderen des doods ! Wel hebben zij hunne zonden beleden, maar dat kan hen niet helpen, en zij moesten zelf erkennen, dat zij den dood verdiend hadden.

Maar te midden van hunnen dood vragen zij naar een middel; en gelijk onze Catechismus in de twaalfde vraag naar zulk een redmiddel vraagt : »aangezien wij dan, naar het rechtvaardig oordeel Gods »tijdelijke en eeuwige straf verdiend hebben, is er »eenig middel, waardoor wij deze straffe ontgaan gt;mogen en wederom tot genade komen ?quot; (Vr. 12) zoo vroegen ook de kinderen Israëls : is er nog een middel, dat ik stervende, dien het slangenvenijn in alle leden brandt, nochtans niet sterve, maar blijve leven ? O wet! o heilige wet, gij die uit het harte Gods zijt voortgekomen, als de uitdrukking Zijner heiligheid en rechtvaardigheid, kunt gij ons niet helpen ?

O Mozes ! o heilige man Gods ! bidt gij voor mij, wees gij mijn plaatsbekleeder, en bidt nog eens voor my. En, hoewel nu gewis iu zulken nood de wet onze voorbidder niet kan zijn, zoo staat er toch geschreven : Mozes bidt voor het volk. En bleven zij nu allen, zonder meer in het leven ? Neen, dat lezen wij niet in ons teksthoofdstuk, en menigeen, ik waarschuw het u, spreekt over de voorbidding Jezu Christi, en blijft toch in den geestelijken dood.

De voorbidding geschiedde : nam toen de Heere den dood uit de leden ai dier stervenden, zonder voldoening van hunne schuld, zonder rechtsgrond ? Neen ! neen ! eenen vasten onverwrikbaren rechtsgrond wilde

r

HHi ai

*■

Hr

11

11

h quot;'m

ï ir

i

ocr page 292

16

Hij hun geven, opdat zij daarom, en daarom alleen, eene welgegronde hope op Gods barmhartigheid zouden hebben ten eeuwigen leven. En wat sprak nu de Heere tot Mozes ? Gij Mozes ! gij vertegenwoordiger der wet! maak u eene koperen, eene stralende, eene vurige slang, die een afschijnsel Mijner heerlijkheid, het uitgedrukte beeld Mijner zelfstandigheid zij, en dat daarop ligge de glans der heerlijkheid van den Eeniggeborene des Vaders. Die slang was het tegenbeeld van onzen Heere Christus, gelijk wij uit Joh. 3 : 14 weten, eu op haar, op de koperen slang, daalde, als in een beeld, de straf neder en het volk ging vrij uit. Dood was deze slang in zichzelf, naar het metaal, waaruit zij vervaardigd was, blonk, als een afschijnsel der heerlijkheid Jezu Christi.

Deze slang nam, als beeld van Christus, al het slangenvenijn in zich op, en zóó kunt gij den grond leeren kennen o zondaren ! waarop gij vrijgesproken wordt ten eeuwigen leven, namelijk de verhooging van den Heere Christus aan het hout des kruises Hebt gij dit nu met uwe ooren vernomen, zoo hebt gij nog niets, ja nog niets, dat zeg ik u. Gy hebt den rechtsgrond vernomen, maar er moet nog meer zijn. En wat is dat dan ? Twee zaken, mijne geliefden ! Vooreerst, dat gij het slangenvenijn der zonde voelt branden in uwe leden, zoodat gij het daaronder niet kunt uithouden, maar luide begint te roepen : ik ben verloren ! Anders hebt gij geen zaligmakend, maar alleen een historisch geloof, waarmede gij in de wereld blijft hangen, en ook met de wereld zult omkomen. Al zoo het eerste is, dat gij het vergift bij aanvang of voortgang, zoodanig in uwe leden voelt bran den, dat gij het gevoelt : ik ben des doods. En het tweede stuk is : als gij het dan met smart bekent hoe het vergift der helsche slang alle hartstochten

ocr page 293

17

in u ontstoken lieeft. en hoe die u tot een gruwel stellen voor Gods heilig aangezicht, gedenk dan aan des Meeren woord tot Mozes : maak u eene koperen slang, en stel die op eene stenge tot een teeken ! Christus moest aan het kruis hangen, als het eenige offer, dat voor God geldt. Christus blinkt in Zyne heerlijkheid; ach! die glans der koperen slang ! het is mij bij dien aanblik alsof ik moet sterven. Ach ! wat moet ik toch beginnen ? God heeft gezegd, wie die koperen slang aanziet, die zal leven. gt;. l'/oo, ofschoon ook dood en vergift mij door de leden trekken, nochtans, al is het met gebroken oogen, Heere Jezus ! met het oog op L gevestigd, waag ik het in uwen Naam !

Dan zult gij ook van harte mede leeren zingen :

Hun hart was boos, vervuld met r-linlcsche streken; Van Zijn verbond was groot en klein geweken,

Doeh God vergal barmhartig hunne schulden ;

Verdierf ze niet, schoon zij de maat vervulden ;

Hij wendde zelfs Zijn gramschap dikwijls aiquot;.

En wekte nooit Zijn gansche wraak ter straf.

Hij dacht iu gunst, door hiume ramp bewogen :

Zij zijn toch vleesch, zij hebben geeu vermogen ;

Zij zijn een wind, die gaat, en nooit zal kceren. Hoe dikwijls dorst hun wrevel Grod ontc-.'en 1

De wildernis zag door hun booze paiin Hem bitterhcéii en smarten aangedaan.

Ps. 7S : lü en 20.

O mijne geliefden! is het niet hartroerend, wat in deze psalmverzen staat ! En moet hot ons niet vervullen met innigen dank jegens den getrouwen Schepper onzer zielen, dat flij een God is, wiens barmhartigheid en liefde zoo sterk is. dat zij stand houdt voor de Zijnen, voor Zijn volk, wier harten steeds geneigd zyn om van Hem, de bron des waar-achtigen levens, af te wijken. Wij arme menschen

ifft

rISI èii

: fifl; fi

üli • '-v

I

i I

ocr page 294

18

zien telkens naar het zichtbare, grijpen naar het zichtbare, laten ons door het zichtbare gevangen nemen, al weten wij nog zoo goed, dat de Heere alleen de Schepper is van hemel en aarde, dat het zichtbare ons ten verderve sleept, en dat ons heil alleen vast staat in de handen van den levenden God. De uiensch bidt vaak om Gods zegen, maar bedoelt met zulk een gebed vaak niets anders dan, dat de Heere zyne verkeerde, zelfgekozen wegen goedkeure ; de mensch geeft huichelachtig voor, dat hij Gods wil doen wil, en daarbij wil blijven, eu te gelijker tijd laat hij zich betooveren door het zichtbare, door zijnen hoogmoed en eigenwaan, en wordt zoo voortgesleept naar zijn eigen verderf. Van nature wil de mensch als godsdienstig en godvreezen d gelden, ja wee ! driewerf wee den gene, die onzen genadestaat in twijfel zoude durven trekken, en toch weten wij niet. dat onze genadestaat alleen vaststaat in Christus in den hemel ter rechterhand Gods ! Ach ! de duivel is zoo listig en het arme menschelijke hart is zoo vervuld met booze overleggingen, dat men met .schijn /rome en farizeesche gebeden op de lippen, meer en meer van den Heere en des Heeren wegen afwijkt, zoodat men ten laatste niet meer weet, waar men staat en blijven zal. Zie dat is zoo onze geschiedenis ; maar welgelukzalig zijn wij, indien God ons van onzen verkeerden weg terughaalt en ons doet proeven en smaken, welke bitterheid en jammer wij over onszelven brengen, waar wij, om den wille des zichtbaren, Hem den levenden God laten varen. Waar Hij dit echter aan Zijn volk doet ondervinden, daar openbaart Hij hun ook, welk een God zij aan Hem hebben !

Het is de Heere, die het vaderhart, die het moederhart schiep, zoo onuitputtelijk in liefde en geduld

ocr page 295

19

111

wm.

voor de verkeerdste kinderen, en Hij, die zulk een hart scliiep, is Zelf ook onuitputtelijk in geduld, in barmhartigheid, Hij gedenkt er aan, dat wij om en om vleesch zijn, en niet anders kunnen dan van Hem afwijken.

JJij iveet, wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde,

dat wij stof zijn (Ps. 103 : 14), en onvermoeid komt Hij tot ons met Zijnen Christus, met Zijnen Gezalfde, met den kostelijken balsem Zijns Geestes. Uit dit oogpunt, mijne geliefden ! willen wij nog verder de geschiedenis betrachten der verhoogiug van de slang in de woestijn. Wij willen nog eens te zamen nagaan de beteekenis van den slangenbeet,de schuldbekentenis der Israëlieten, de koperen slang zelf, en het zien daarop.

Mijne geliefden ! wij doen gewisselijk goed, zoo wij de geschiedenis der kinderen Israels lezen met toepassing op ons zeiven ; want zoowel lichamelijk als geestelijk, mnar vooral geestelijk, is hun gang, hun hart, bunne overtreding, hunne kastijding de onze,

maar wij ervaren ook gedurig dezelfde uitredding als zij.

Wat nu den slangenbeet betreft, zoo dunkt het ons eene vreemde zaak te hooren verkondigen, dat wg van de helsche slang gebeten zijn, ja ! ik herhaal het, dat klinkt ons vreemd in de ooren. Wie onbekeerd is, wie nog niet door den Heere is staande gehouden op zijnen weg, leest misschien ook wel eens deze geschiedenis der kinderen Israels, praat er ook wel eens over, indien hij ten minste min of meer christelijk is opgevoed, dat hij een bedorven Adamskind, door en door bedorven van nature is, maar hij is over deze treurige waarheid in het minst niet bedroefd, noch verlegen, hij kent ook geen angst voorden dood, hij weet ook niet, dnt hij sterven moet,

en dat de dood hem elk oogenblik bedreigt, want hij is dood om en om. Wordt echter het leven Gods in hem ontstoken, en al is het ook maar het allerkleinste

■;'

v

ocr page 296

20

vonkje daarvan, oogenblikkelijk zal zulk een mensch gevoelen, dat hij dood is, tengevolge van deu lielschen slangenbeet. De vurige slangen, die in de woestijn tot bestraffing der kinderen Israels verschenen, mijne geliefden ! waren een beeld van de vurige slang die reeds in het Paradijs onzen stamvader Adam ten doode heeft gebeten, die zoo over hem en zijne ge-heele nakomelingschap dood en verderf bracht, en die nog, als geesten uit den afgrond, als Satans engelen, niet ophouden ons, arme kinderen Adams, aanhoudend te bijten en te vergiftigen. Ik zeg. als het leven uit God maar een klein weinig in ons is ontstoken door den adem des Almachtigen, worden wij het, tot onze bittere smart en droefenis, wel gewaar, dat en hoe wij door den geest uit den afgrond, die oude slang, gebeten zijn. En die wonden, die geslagen zijn, het vergift, dat door de aderen vloeit, maken zulk eeu levendgemaakt mensch meer en meer bekommerd en verlegen, want hij denkt daarbij aan God, aan Zijne heilige wet. aan de welverdiende straf, aan den toorn Gods, en o ! hoe gaarne wenscht hij. dat de straf hem werd kwijt gescholden, hoe vurig hijgt zijne ziele naar genade en vrijspraak! Het gebeten zijn door de helsche slang, de verdor venheid waarin wij allen van -nature liggen, maakt een elk, bij wien het leven Gods ontstaan is, eerst diep ongelukkig, en al brengen de omstandigheden, en de bezigheden desdagelijkschen levens hem op andere gedachten, zoodat hij soms geheel afgeleid wordt van het denken over de groote levensvraag, toch voelt zulk een mensch zich ongelukkig, wanneer hij aan God denkt, zooals Asaf zegt: Mijne hand was c/m nac/Us uitgestrekt, m liet niet af; mijne ziel toeiyerde getroost te worden. Dacht ik aan God zoo maakte ik misbaar, peinsde ik, zoo werd mijne ziel overstelpt. Ps.

ocr page 297

21

77 vs. 3, 4. Ach! die slangenbeet, zij is doorgedrongen tot in de ziel, tot in het binnenste ik, tot op en door den bodem des harten, en het vreeselijke vergift, dat ook op ons lichaam verderfelijke werking uitoefent, vloeit met ons bloed door onze aderen en verhit ons met de vreeselijkste hitte en brandendste dorst, zooals David zegt; toen ik zween, Tierden mijne j

beenderen verouderd, in mijn brullen den qanschen 'log,

want uwe hand was dag en tlacht zwaar op mij, mijn aap werd veranderd in somerdroogten (Ps. 32 : 3, 4),

en dan weet men vaak geen raai om zulk eene plaag te ontvluchten.

En dat houdt niet op, als men bekeerd is, als men wedergeboren is, als men tot het waarachtige geloof is gekomen, maar de werking van dit vergift big ft in ons woelen en werken. Een soldaat, die in zijne jeugd verwond werd, doordat eeue kogel in zijn li-

■;! ■

i:ff

chaam doordrong, zal in zijnen hoogen ouderdom soms noch heviger smarten gevoelen door de naweeën zijner vroegere verwonding, dan hij ooit in den beginne gewaar werd. En zoo gaat het ook in het geestelijke leven: hoe meer men opwast in de kennisse Gods, in de genade Jesu Christi, des te meer ondervindt men, hoe diep de beet der helsche slang ging, hoe groot onze zonde en ellende is; want, mijne geliefden ! de kennis van eigen zonden en schuld neemt niet af met de jaren, maar neemt gedurig toe bij een iegelijk, die waarlijk op den weg des levens gaat. Hoe meer de mensch toeneemt in de kennis en vreeze des Heeren, hoe meer gaat zijn weg van stap tot stap de diepte in, hij wordt in zijn eigen oog en naar zijn eigen gevoel kleiner en kleiner, ellendiger en ellendiger, komt van al zijne zelfgemaakte hoogten af, en zóó wordt Hij alleen groot, die door God verhoogd werd aan het hout des kruises. Hij

ocr page 298

22

■

moet wassen, ik minder woorden, spreekt met Johannes een iegelijk, die het leven uit God kent. Wie dood is, weet niet eens dat hij ten doode is gebeten, dat hij in Adam is gevallen, maar, wie begint te leven, die voelt de werking van het vergift, van het heete slangenvenijn, en dat maakt hem ongelukkig.

Vanwaar komt toch het gevoel dat men verloren is ? Vanwaar het gevoel van zonde en schuld ? Van waar de verlegenheid, de bekommering, de verbrijzeling over de zonden ? Immers van boven, van God den Heere! Van waar komt het, dat een mensch die zich verloren voelt, die met David (Ps. 38 : 19) bekommerd is van wege zijne zonden, en die weigert getroost te worden, zich ongelukkig en bezwaard gevoelt, en rampzalig is in zijn binnenste, ook waar hij geluk en opgeruimdheid voorgeeft? Van waar komt het dat, al gaaft gij hem de halve wereld, hij

daarmede toch niet gelukkig zoude worden, en dat ® . ..

alleen, wat van boven is, zijn arm, ledig hart vervullen kan? Ach ! daar zal een waarachtig bekommerde het antwoord op schuldig moeten blijven, want hij weet het zelve niet. En gij zult hem ook niet kunnen troosten, met het hem te zeggen : »juist deze uwe gt;treurigheid is uit God, zij is een aar.vang van het ^nieuwe leven.quot; Neen ! in de diepte des harten daar ligt de breuk, en voortdurend weerklinkt het daar : ik moet sterven, ik draag het vergift des eeuwigen doods in my !

Men kan tot het bewustzijn zijn gekomen, dat men door de helsche slang is gebeten, men kan daarover veel bekommernis des harten hebben ondervonden, men kan te midden van dit alles liefelijke vertroostingen hebben gesmaakt; maar helaas ! dit verhindert de helsche slang geenszins ons telkens opnieuw te steken en te bijten, zij loert op ons tussehen de

ocr page 299

23

schoonste bloemen, en schiet onverwacht op ons los. En weet gij nu, geliefden! hoe de overleggingen onzer harten zijn ? 0 ! deuken wij, dat was voor de Israelieten eene rechtvaardige straf, dat zij door de slangen gebeten werden, en ja wel! gij hebt gelyk, ook wij zgn door de helsche slang gebeten, maar dat kan ons niet schaden, wij zijn immers geloovig, wij zijn gedoopt in den naam van den drieëenigen God ! Maar geliefden ! hebt gij wel eens gelezen wat de Apostel Paules aan de Corinthiërs schrijft hoofdst. 10 vrs. 6 en vervolgens ? Daar lezen wij : en dege dmaen zijn geschied ons tot voorbeelden, opdat wij geenen bist tot het kwaad zouden hebben, ge-lijherwijs als zij lust hebben gehad. Ilu wordt geen afgodendienaars gelijkerwijs als sommigen van hen, gelijk geschreven staat: Het volk zat neder om te eten, en om te drinken, en zij stonden op om te spelen. En laai ons niet hoereeren, gelijk sommigen van hen gehoereerd hebben, en vielen op eenen dag drie en twintig duizend. En laat ons Christus niet verzoeken gelijk ook sommigen van hen verzocht hebben, en werden van de slangen vernield. Dat schrijft de Apostel Paulns aan dezelfde lieden, waarvan hij in het eerste hoofdstuk van den zelfden brief schreef: alzoo dat het u aan geene gave ontbreekt, verwachtende de openbaring van onzen Heere Jezus Christus. Welke God a ook zal bevestigen tot het einde toe, om onstrajfelijk te zijn in den dag van onzen Heere Jezus Christus (vs. 7 : 8.) Maar niettegenstaande dit zegt hij tot dezelfde menschen de ernstige vermaning, die wij 1 Cor. 10 lezen, en die wij u reeds aanhaalden : laat ons Christus niet verzoeken, gelijk sommigen van hen verzocht hebben, en werden van de slangen vernield. Het was niet liet manna, het hemelsche brood op zich zeiven, dat de kinderen Israëls in het leven behield, maar het

ocr page 300

24

was Christus, het waarachtige brood des levens, dat van den hemel nederdaalt. En zoo is het ook met ons, mijne geliefden ! Het brood, het dagelijksche brood, dat wij van den Heere ontvangen, zoude ons niet kunnen voeden en in 't leven behouden, stond niet daar boven, voor Gods troon, Christus, als het geslachte Lam, dat de zonden der wereld wegneemt. Christus, de levende Christus, bevond zich in de gemeente der kinderen Israels, Christus was hun manna, hun brood, in Christus alleen hadden zij voedsel en lafenis, gelijk ook wij alleen in en om Christus wille alles ontvangen, wat wij van noode hebben voor het aardsche en eeuwige leven. Maar de Israelieten dachten : o, in Edom is het toch veel schoooner en aangenamer, dan hier in deze dorre woestijn, waarom mogen wij nu niet meer genieten van Edoms rust en heerlijkheid ?

Hoe zoude ons dat kunnen schaden ? Wij zijn immers het zaad Abrahams, en wij zijn de lieden, voor wie de Heere de roode zee kliefde ! wij zouden dus gewis geen gevaar loopen door de heerlijkheid Edoms verleid en medegesleept te worden !

Ziet gij mijne geliefden! de kinderen Israels meenden, dat zij Christus en Zijn Woord, om zoo te zeggen, verborgen, en op zak, mede konden dragen, tegelijkertijd met de wereld meer of min mede doen, en dan met Christus zich zoo veel inlaten, als hun noodig scheen om zoo veel mogelijk van het zichtbare in handen te bekomen. Op zulk een goddeloos bestaan volgde voor de kinderen Israëls de vreeselijke straf der vurige slangen.

Uitgegeven bij W. MEIJER, Reestraat 17,/)»«.s7er^aw. Voor Duitschland verkrijgbaar bij F. UüCKMANN, Eiberfeld. Prijs por Nummer 3 Cts. Franco per post 4 Ots.

ocr page 301

SCHRIFTVEKIiL4RlN«E\

VAX

Igt;r. il. F. KOHLBRtTGieiE.

Eenige bijzonderhsden omtrent den uittocht der kinderen Israels uit Egypte en hunne reis door de woestijn. (Vervolg).

WAT L»E HEERE AAN ZIJN MURMUREEREND VOLK WILDE LEEREN DOOR DE OPRICHTING DER KOPEREN SLANG.

Weet gij nu, mijne geliefden! boe het ons gaat, als de helsche slang ons haar venijn in de aderen spuwt ? Wij weten, dat wie Christus heeft, hemel en aarde met Hem bezit, huis en hof, vrouw en kind, goed en eere met en in Hem ontvangt, en zoo koninklijk door deze wereld komt, en eens veilig de eeuwige heerlijkheid bereikt. Maar ach! al weten wij dit nog zoo goed, de helsche slang behoeft ons maar even te steken, en haar vergift ons in 't harte te werpen, en — wij wijken af tot de wereld en doen met haar mede, hoewel wij voorgeven tegelijkertijd Christus trouw te willen blijven en Hem te blijven aanhangen. Dit is het gevaar, waartegen de Apostel Paulus de Corinthiërs waarschuwt, en waartegen de Heilige Geest ook ons waarschuwt door Gods Woord, dat ons luide toeroept: ■»zulke, lieden zijl gij.quot; Ach! het houdt in dit aardsche leven niet op, telkens waren wij door de slangen ten doode gebeten geworden, en wie waarachtig is levend gemaakt, ondervindt dit genoeg, en maakt daaromtrent menige treurige ervaring in zijn eigen hart en leven.

No. 124. 11 Oct. 1890.

ocr page 302

26

God moest de Israëlieten wel straffen door vurige slangen onder lien te zenden, die al hunne lichaamsleden en hunne geheele ziel vergiftigden met hun brandend venijn, en de smarten, die deze beten dier slangen hun veroorzaakten, waren de rechtvaardige straf daarvoor, dat zij zich met de helsche slang hadden afgegeven. De straf kon niet uitblijven, vele werden gebeten, ja velen werden gebeten en moesten sterven. Maar de Heere, wat zal Hij nu doen te midden van al die jammerlijke ellende, waarin Zijn volk lag verzonken ? De mensch heeft zich zeiven en al zijne nakomelingen door moedwillige ongehoorzaamheid en ingeven des duivels geheel en al bedorven, de zonde is geschied, deze of gene stap is gedaan, men heeft eenen weg betreden, die niet goed is, men heeft in eenen schoonen appel gebeten en den mond vol stof en asch gekregen, men heeft zich met de helsche slang ingelaten en het valsche dier, dat wij aan onzen boezem verwarmd hadden, heeft ons, eer wij het wisten, ten doode gebeten, en wij kunnen ons van het vergift, dat in ons bloed is doorgedrongen, niet verlossen. Ach ! er schijnt geen andere weg open, dan dat al die verkeerde menschen regelrecht ter helle varen ! Zij hebben gezondigd, zij zijn afgevallen van den levenden God, zij hebben verkeerdheid op verkeerdheid gehoopt, en de wet moet op haren eisch blijven staan: zij zijn des doods, en moeten ter helle varen! De straf, die den zondaar aangezegd moet worden, is ; de eeuwige dood, en o ! hoe gaarne wilde de helsche slang, dat dit vonnis aan alle kinderen Adams werd voltrokken, en om dat te bereiken sluipt zij in het harte, en mocht, o zoo gaarne, het arme gevallen kind voor eeuwig verderven. Maar, daarboven is een Lam, staande als geslacht, en om de wille van dat Lam gaat het anders toe, als de

ocr page 303

27

goddelooze of schijnvrome duivel het zoude wen-schen.

Maar, mijne geliefden ! wat is eigenlijk het dier, dat gedurig op de loer ligt om ons te verderven naar lichaam en ziel ? Is het de helsche slang op zich zeiven ? Of is ons eigen verdorven hart niet de ergste vijand, waarmede wij ons geheele leven hebben te strijden ? O mensch! o zondaar! steek de hand in uwen eigen boezem! Zijt gij niet dikwijls en getrouwelijk gewaarschuwd ? Is het u niet aangezegd, wat goed is ? Hebt gij niet, zoo vaak gij gezondigd hebt, het te voren luide uitgeroepen : o daarvoor zal ik mij wel hoeden, zoo wat zal mij nooit gebeuren ? Hebt gij niet in hoogmoed en aanmatiging het even als Jozefs broeders uitgesproken: wij zijn vrome, oppassende, brave lieden ? Ach! hebt gg wel niet eens gebeden, Gods woord ter hand genomen, een goed woord, een troostvolle spreuk gevonden, en nochtans te gelijkertijd gedacht: nu ! als ik Christus en de wereld niet tegelijkertijd kan dienen, noch mijne zondige lusten bot vieren, dan laat ik eenvoudig Christus eenen tijd lang zeggen en prediken, wat Hij wil! Ik kan immers later, als ik verkregen heb, wat ik beoogde, weer tot Hem terngkee-ren, en vergeving vragen en opnieuw Zijne genade aangrijpen ? En ziet! zoo hebt gij u, eer gij het weet, misschien met een schoone spreuk op de lippen, in uw verderf gestort en de engelen er bij laten weenen. Tot Christus terugkeeren. Hem opnieuw aangrijpen — en ziet! zoo hebt gij u misschien met een schoone spreuk op de lippen hals over kop in de zonde gestort. O mensch ! o arme mensck ! die alles vergif-• .... . ~ tigende slang, dat zijt gij zelve, dat is uw beeld, en

trij handelt tegenover uwen getrouwen Schepper en Vader in de hemelen even snood en listig, als de

ocr page 304

28

helsche slang tegen Hem en tegen u doet. De slang is er op uit dood en ondergang te bewerken, en gij, gij zijt er even eens op uit, uw eigen geluk te verwoesten, uw eigene lust door te zetten en zóó uwen eigenen ondergang te bewerken. Alzoo: ter helle met den zondaar, met den overtreder en afwyker van Gods woord en gebod, omdat hij niets beter is dan eene slang, een adderengebroedsel, zoo als Johannes de dooper zegt, en dus : ter helle met die adderengebroedsels, hoe eer, hoe beter ? Neen ! neen! zoo luidt het niet uit 's Heeren mond, want daarboven, voor den troon Gods is een Lam, staande als geslacht. Neen ! en nogmaals : neen ! gij door de slang gebeten, verloren menschenkind! verneem het wat God de Heere in Zijne lankmoedigheid en genade voor n doet, en dat niet alleen voor anderen, maar voor u, die u zeiven verfoeit in stof en assche! Ik wil, zegt de Heere, die slang, die u verdorven en ten doode gebeten heeft, ik wil die slang, wier vergift u vervult, en zelf tot eene slang maakt, nemen en aan een opgerichten kruispaal slaan, opdat zij sterve, en er voor u eene ontkoming zij, en zij de straf onderga, daarvoor, dat zij u den lichamelijken en geestelijken dood heeft berokkend. Ik, de Heere, neem deze slang, ik neem u, verdorven en diepgezonken menschenkind ! Ik neem de raenschelijke natuur, die gezondigd heeft, en sla die aan het kruis, opdai gij zoudt leeren kennen en erkennen, welk eene slang gij tegen u zeiven en tegenover God zijt ! Maar, o wonder der barmhartigheid, niet gij zelve zult den last dezes eeuwigen toorns Gods tegen de zonde dragen, maar Hij, dien Ik in de wereld gezonden hebbe, opdat Hij aan het hout des kruises de dood des doods, de slang der slang zoude worden.

De plaats, waar de Israëlieten zouden overtreden,

ocr page 305

29

waar zij zouden gewaar worden, wat in hun harte woonde, had de Heere Zelve bestemd. Hij Zelf had hun weg daarheen bestierd, maar geenszins, opdat zij aldaar zouden omkomen en verderven, maar omdat juist daar metaal in ovevloed zoude voorhanden zijn, om eene slang te gieten, groot genoeg, dat zeshonderd duizend menschen er tegelijkertijd hunne blikken op konden vestigen, want er waren in de streek, waar do kinderen Israels zich toen bevonden, groote kopermijnen, waaruit Mozes het koper konde verkrijgen om de door (rod verordineerde koperen slang te kunnen vervaardigen en oprichten.

Wij weten, mijne geliefden ! dat die in de woestijn opgerichte koperen slang Christus beduidt*zooals wij zulks uitdrukkelijk lezenjoh. 3 : 14 en 15: En gelijk Mozes de slnruj in de. woestijn verhoogd hetfl, ahoo moei de Zoon des menschen verhoogd worden ; opdat een iegelijk, die in hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hehhe. O geliefden ! het verwondere u niet, dat de Heere Zelf, tot Nicodemus sprekende. Zich met die slang wilde vergelijken, want Hij sprak het daarmede uit, dat Hij waarachtig, ofschoon rein en onbesmet in Zich Zeivan, ons ellendig vleesch en bloed, onze menschelijke natuur, die gezondigd had, heelt willen aannemen.

Wij vinden Christus, den Heere der heerlijkheid, in de heilige Schrift ook meermalen afgebeeld als een lam of schaap, en dat wel om ons eveneens een denkbeeld te geven van Zijne diepe vernedering, die Hij in de dagen Zijns vleesches, om onzentwil heelt willen ondergaan ; want een schaap is immers een dom, onnoozel dier, dat den weg niet weet en gedurig van den weg afdwalen kan. In Leviticus 1G vinden wij Christus ook afgebeeld, als den zondenbok, en gij kunt het lezen in de Schrilt, dat de geitenhok

ocr page 306

30

in de wet van Mozes tot de onreine dieren werd geteld. Dat beduidt nu niet, dat Christus in de dagen zijns vleesches, ooit zonde gehad of' gekend heeft, maar, dat Hi] om onzentwil ons ellendig vleesch en bloed heeft willen aannemen, gelijk Paulus zegt Rom. 8:3: want hetgeen der ivet onmogelijk wa-t, dewijl zij door het vleesch frrachfeloos wan, heeft God, Zijnen Zoon zendende in gelijkheid, des zondigen vleesches, en dat voor de zonde, de ::onde veroordeeld in het vleesch. Zoo moet het verstaan worden,wat wij u zeiden, dat Christus de dood des doods,de slang der slang is geworden. Hij kwam in gelijkheid des zondigen vleesches, en dat voor de zonde, gelijk er ook in 2 Cor. 5 : 21 staat: want dien, die genne zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem. Zoo is Christus geworden een vloek tegenover onzen vloek, gelijk geschreven staat Galaten 3 : 13; Christus heeft ons verlost van den vloek der wel, een vloek geworden zijnde voor ons : want er is geschreven : Vervloekt is een iegelijk, die. aan hot hout hangt. Onbesmet en afgescheiden van de zondaren, staat Hij echter voor den rechterstoel der wet daar, beladen met onze zonden, als zonde in onze plaats. Hebt gij nu uzelven bedorven, hebt gij uwen geheelen weg bedorven, gevoelt gij u om en om verloren, en doodkrank door het slangenvenijn der zonde, moet gij het, tot uwe diepe smart en beschaming, uitroepen : het is alles mijne schuld, zoo verneemt het, op welk eene wijze er verlossing van schuld en straf' voor u bereid is. God Zelve heeft de zonde genomen, heeft die genomen uit uw huis, uit uw hart, en ze in den persoon des Middelaars aan het hout des kruises gehecht. Afschuwelijk is gewis de gedaante eener slang, maar niet minder afschuwelijk is uwe zonde, en leer nu, o menschenkind! dat God de Heere heilig en recht-

ocr page 307

81

vaardig is, dat Hij niets door de vingers ziet, maar de zonde, die tegen de Allerhoogste Majesteit Gods is bedreven, ook met de hoogste, dat is met de eeuwige straf, aan lichaam en ziel straffen moet, en dat Hij de zonde alzoo haat, dat Hij, aleer Hij ze ongestraft liet, dezelve aan Zijnen eigenen geliefden Zoon met den bitteren en smadelijken dood des kruises gestraft heeft. Op zich zeiven is er in den Heere Jezus Christus niets, wat Hem eener slang gelijk zoude maken, want Hij heeft nooit zonde gehad, noch gekend.

Eu dat kunt gij ook zien aan de koperen slang. Het was wel eene slang, maar van blinkend, zuiver, schitterend koper. »Maak u eene koperen slang,quot; zoo luidde des Heeren woord tot Mozes. Waarom moest deze slang van koper zijn ? Wij lezen bij den profeet Ezechiël (Cap. : 2, 3) : In de gezichten Gods bracht Hij mij in het land Israels, en Hij zette mij op eenen zeer hoog en herg ; en aan denzelven teas als een gebouw eener stad tegen het zuiden. Als Hij mij daar henen gebracht had, ziet, zoo rcas er een Man, wiens gedaante was als de gedaalde van koper; en in zijne hand was een linnen snoer, en een meetriet, en hij stond in de pooH. »Koperquot; of »blinkend koperquot; beduidt in de oude beeldspraak en schrift der oostersche volken hetzelfde, wat wij Hebr. 1 : 3 lezen : ivelke — namelijk Jezus Christus, de Zoon van God — alzoo Hij is het •» afschijnselquot; Zijner heerlijkheid enz. Koper beduidt dus in de profetische taal van Mozes en de profeten ^afschijnsel der heerlijkheid, uitgedrukte beeld Zijner zelfstandigheid.quot; Dit afschijnsel, deze glaus vervult den mensch van nature met schrik en vreeze : daarbij komt, dat de beet eener slang den gebetene zoo zeer verzwakt, dat hij niets glinsterends, niets blinkends vermag aan te zien, maar dat waar een heldere lichtgloed zijn matten blik treft, hij des te spoe-

ocr page 308

32

diger sterft. Wie zich uu ten doode gebeten voelt door de helsche slang, die schuwt het, de koperen slang, die opgericht is tegen de slang uit den afgrond, aan te zien, want het afschijnsel der heerlijkheid verblindt zijne matte oogen. gt;Ach!quot; roept hij uit, jik ben een zondaar, een goddelooze, en de Heere »is zoo heilig en rechtvaardig ! Hij zal. Hij moet »mij van zich stooten: anderen zal Hij misschien in 2genade willen aannemen, maar mij niet. Hij is veel »te heilig, om Zich met mij in te laten.quot; Maar ziele ! juist Zijne goddelijke kracht, macht en heerlijkheid, wier afschijnsel u zoo verblindt en afschrikt, is het, die Hem in staat stelt, al dat heete lijden om uwentwil te verduren, den last des eeuwigen toorns Gods tegen de zonde te blijven dragen, en zoo voortdurend der slange eene slange, den dood eene pestilentie te zijn, en in Zijn vleesch en bloed de straf te dragen, waaronder gij voor eeuwig had moeten omkomen. Zijne goddelijke kracht, heerlijkheid, macht en sterkte is de oorzaak, dat wat Hij voor ons werd, in eeuwigheid blijft gelden voor den rechterstoel Gods. Zijne goddelgke majesteit, de glans, die van Hem uitgaat, is dus niet geschikt, om ons af te schrikken, maar den armen zondaren tot troost en verkwikking, straalt zij hun vriendelijk te gemoet. Want, al hangt Hij daar aan het kruis in de afschuwelijke gedaante eener slange, als ware Hij een verworpene, beladen met ons aller zonden en vloek, zoo is Hij toch uit kracht der goddelijke natuur, die in Hem woont, tot in het binnenste Zijner ziel geschikt en gereed om u te redden. Daarom, mijne geliefden! daar God de Heere ons deze onuitsprekelijke weldaad heeft bewezen, dat Hij Zijnen eigenen, geliefden Zoon niet gespaard, maar voor ons allen overgegeven heeft, zoo is het voor ons de hoofdzaak

ocr page 309

33

te leeren erkennen, dat wij zondaars zijn, dat wij zonden en schulden hebben. Dat deden de kinderen Israels, want zij spraken tot Mozes : loij hcbhen gezondigd tegen den Heere, en tegen u ! d. w. z, tegen den Heere, en Zijne beilige, eeuwig geldende wet! 0 ! deze belijdenis zij ook de onze!

Mijne geliefden, als de wet ons dreigt, als hare donders ons over het hoofd rollen, dan geschiedt dit toch maar alleen, om de zielen naar Christus te dryven, opdat zij in Hem leven en zaligheid zouden hebben ! Wat wij van noode hebben, is dus allereerst, dat wij leeren inzien, hoe groot onze zonde en ellende is. God is souverein, Hij is het waardig gevreesd en geëerd te worden. Hij is Koning, Hij heeft den hemel en de aarde geschapen, en daarom, weg met al net zichtbare ! als dat ons wil verleiden in het allerminst tegen Zijnen heiligen wil te doen ! Weg met alle afgoden ! En al gaat de weg dan ook door een leeuwenkuil henen, ik zal daarin niet omkomen, maar zij wel, die mij daarin hebben geworpen. O, mijne geliefden ! als die erkentenis maar daar is, dat wij zonder ophouden, ja zonder ophouden, door ons rebelleerend bestaan, door onze gedachter, door de verkeerde keuze onzes harten zondigen tegen den Heere en Zijne allerheiligste wet! Ach wij weten er niets van, boe goed de Heere Jezus is, en hoe slecht wij zijn ! Van ons, arme menschenkinderen, diepgevallen zondaren is niets goeds meer te verwachten, en God verwacht van ons ook niets meer. O, dat wij er toch eens toe kwamen, in oprechtheid te belijden, dat wij niets dan valsche munt op zak hebben, en dat alleen het goud, dat God geeft, waarachtig goud is, waarmede men door alles henenkomt. Ach ! voortdurend wijkt de mensch van God af, die alleen zijn leven is, en de onder het maatschappelijk peil van eer en zedelijkheid

ocr page 310

34

diepst gezonkene vrouw, heeft tegenover haren man geen ontrouwer en afvalliger harte, dan wij hebben tegenover onzen God en hemelschen bruidegom. Ja! ja! wij hebben wel eene goede meening van ons zeiven, wij zijn in ons eigen oog eerlijke lieden, wij meenen ijzervast in bet geloof te staan, en twijfelen er niet aan, dat wij in het ware geloof zullen volharden tot het einde, wij zullen nooit en nimmer des Heeren naam oneer aandoen ! Ach ! mijne geliefden ! schoone bloemen voorwaar ! maar bloemen, waaronder de adder loert, en die adder, dat zijn wij zeiven, wij, die met onze eigen handen altoos weer afbreken, wat wij voorgeven ter eere Gods te hebben opgebouwd. En dat wij zulke adderengebroedsels zijn, dat bewijst de geheele wereldgeschiedenis, ook al willen wij het niet gelooven ; dat bewijst allermeest de geschiedenis van het allerheiligste volk, dat door den God des hemels Zelve met groote wonderen en teekenen, en met eenen uitgestrekten arm uit Egypte, uit het diensthuis was geleid, en door de roode zee en de groote woestijn henen gebracht was, zes honderd duizend man ! En o, dat bewijst allermeest onze eigene openbare en verborgene levensgeschiedenis. Maar daar bekommeren wij ons weinig om, en denken : ja waarom zoude ik niet trouw kunnen zijn ? Ik ben immers veel beter dan het murmureerende en oproerige Israël!

Nochtans heeft de Heere vele der kinderen Israels in het leven behouden, hoewel zij den dood verdiend hadden ; Hij heeft hen in het leven behouden, die Hij uitverkoren had, opdat zij voor God zouden belijden al hunne zonden en schulden. Dat doet geen mensch uit zich zeiven. Van nature wil de mensch wel gaarne een sterk gekleurd tafereel van zijne zonden ophangen, maar het zijn geen zonden tegen de heilige wet Gods, waarvan hy zich beschul-

ocr page 311

.35

digt, maar alleen overtredingen van menschenge-boden, of eigen gemaakte voorschriften, en dus niets dan geschilderde, geen werkelijke zonden, waarmede hij te doen heeft, of zegt te doen te hebben, maar geen mensch wil van nature weten, dat hij door den beet der helsche slang geheel en al vergiftigd is en, dat dat helsche venijn in ziel en lichaam brandt; dat voor God te erkennen, dat wil geen mensch uit zich zeiven. Is Christus echter alles, dan is de mensch niets ; en moet de mensch of wat uit hem voortkomt iets gelden bij de verlossing, zoo is Christus niets. Alzoo als geheel verloren zondaren, met onzen ge-heelen vergiftigden, bedorven toestand moeten wij tot God komen, dien voor Hem belijden en bloot leggen, en niet alleen deze of gene hartstocht of zwakheid. Daar staat men nu vergiftigd, en is een kind des doods ; de weg ten eeuwigen leven is gesloten, men kan door de geslotene poort niet henen dringen, men staat voor eenen diepen stroom, en voelt zich geheel en al verloren, men heeft, even als de verloren zoon, alles verkwist en bedorven, ja ! men heeft gezondigd tegen beter licht en geweten in. Wat nu? Dat is de groote vraag? De duivel

.. O o

zegt: verloren zijt gij, verloren blijft gij ! Maar »neen, en nogmaals neen !quot; is de stem uit de hoogte ! daarboven in den hemel bidt er Een voor de verloren zondaren ! 0 men bekenne het maar aan zijnen God, dat men door de slang gebeten, dat men des doods is, men kome niet met halve zonden, men spreke niet van kleinere of grootere overtredingen, want wat weten wij eigenlijk van onze zonden, wij weten niet, wat eigenlijk onze ergste zonden zyn. En zoolang wij niet waarachtig door den Heiligen Geest zijn overgebracht van onder de wet op het gebied van vrije genade, zoo zal er altoos bloed aan

ocr page 312

36

onz2 handen kleven, en wij zullen biddende en zingende onzen rechtvaardigen naaste ombrengen, en nog meenen Gode daar mede eenen dienst te doen. Zoo verkeerd, zoo slecht is de mensch. Wij moeten dus voor God belijden, dat wij geheel en al verdorven zijn, dat uit ons niets goeds kan voortkomen, ja wij moeten het Hem klagen, dat wij onze eigene verdorvenheid niet eens kennen.

Wat dan ? Het was God, die u kende, toen gij nog onder hetharte uwer moeder laagt,en er reeds voor u werd gebeden. Ja, Hij heeft u gekend, en reeds toen had Hij sinds lang het middel verordineerd, waardoor gij alleen kondet behouden worden, gij die het dagelijks leeren moet van uwen God, met het geheele pak uwer zonden tot Hem de toevlucht te nemen. Nu zult gij vragen : wat heb ik te doen, opdat ik in het leven blyve. Wat gy te doen hebt? Zonde te bekennen V Zonde te laten? Wat gij bedorven hebt weder goed te maken ? De gebrokene stukken weer aan elkander zien te lijmen ? Ach ! dat alles is wel schoon, maar als liet vergift diep is doorgedrongen, ach als men den dood nabij is, wat kan, wat zal men dan nog doen ? Wie een of meermalen aan een sterfbed heeft gestaan, die weet, dat een stervende ook niet het geringste veertje van den mond kan blazen, en nauwelijks meer de hand kan verroeren. Ach ! een stervende kan niet meer zien, niet meer hooren, die kan niets meer doen, al wilde hij nog zoo gaarne. Noch in Rome, noch in Jeruzalem is er een geneesheer, die het vergift der zonde uit uw lichaam en ziel uitdrijven kan !

Uitgegeven bij F. P. D'KUU, MiddrJhurg.

Voor Duitschland verkrijgbaar bij F. BuCKMANiS, Klherf eld. Prijs per Nummer 3 Cts. Pranoo per post i Cts.

ocr page 313

S € II It 1F T V Ë it K L A R1 N ft R ft

VAN

ïïr. II. F. M.OHI.BKtOQE.

l!#

1 li

i

! '%

Eenige bijzonderheden omtrent den uittocht der kinderen Israels uit Egypte en hunne reis door de woestijn. (Vervolg).

--i v

WAT ÜE HEERE AAN ZIJN MÜRMUREEREND VOLK WILDE LEEREN DOOR DE OPRICHTING DER KOPEREN SLANG.

Wel kan men allerlei geneesmiddelen voorschrijven,

wel kan de zonde zich voor eenen tgd schuil houden, en kleiner en kleiner tchijnen te worden, maar eindelijk zinkt de mensen te zamen onder het gewicht van zijn farizeesch bestaan en eigenwillige geestelijkheid en hij wordt of wanhopend of verhard. Het woord van God verkondigt het u, en ik verkondig het u op grond van Gods woord, dat gij vergiftigd,

dat gij verloren zijt! Ik herhaal het u, dat gij u zelve niet veranderen kunt, gij kunt dat vergift der helsche slang zelve niet uitdrijven, en gij zult het moeten bekennen : ik heh gezondigd tegen den Heere en Zijne heilige wet. Hoog opgericht staat de koperen slang,

staat des Heeren kruis. God heeft gezegd : wie daarop ziet, zal leven ! God vraagt er niet naar of gij geloof gevoelt in uw harte, of door duizend twijfelingen heen en weer wordt gdreven ; God vraagt er niet naar of de duivel u toeroept: gt;dit helpt u niet?quot; of »daar-door maakt gy uw oordeel nog zwaarder!quot; De Heere vraagt er niet na of men met klaren, helderen blik op Christus ziet, of alleen met matte, gebrokene oogen ; maar zóó spreekt de Heere Jezus : gelijk Mo- ® No. 125. 25 Oct. 1890. ^

ocr page 314

38

zes de. slang in de woestijn verhoogd heeft, alzoo moet de Zoon des menschen verhoogd, worden ; opdat een iegelijk, die in Hem gelooft niet verderve, maar hei eeuwige leven hehhe. Joh. 3 :14, 15.

En zal dun het vergift ophouden te branden ? Als ik de slang aanzie, zal ik dan gezond zijn ? Daar geeft God hier geen antwoord op ! Zeker zal Hij niet nalaten Zijne belofte waar te maken : J£n ik zal Mijnen Geest geven in het binnenste van u\ en Ik zal maken, dat gij in Mijne inzettingen zult wandelen, en Mijne rechten zult bewaren en doen. Ezech. 36 : 27 ; en gewis zal het waar zijn en waar blijven : roant de zonde zal over u niet heerschen : want gij zijt met onder de wet, maar onder de genade. Kom. 6 : 14.

Nochtans znlt gij het gevoelen, dat het vergift der zonde in n brandt, en in den strijd daartegen, en te midden van de smart die het u veroorzaakt, zult gij het blijven ondervinden, dat sedert gij met de slang gespeeld hebt, zij u geheel en al vergiftigd heeft. Deze smart, dit lijden moet gij medeslepen zoo lang gij hi61quot; 0P aarde zijt, en gij zult het gedurig moeten ondervmJeni dat in u, dat is in uw vleesch, geen goed woont.. Lijdt gij echter met Christus, zoo zult .rrij qqJj met Ji.em verheerlijkt worden. Kom tot Hem met alles wat u jh'ukt, met het geheele pak uwer zonden roep maar gedurig te midden van den heetsten strijd * och God, och God! ontferm u mijner, ontferm u mijner ! Nog een weinig, nog een weinig ! en alle plagen houden op, ook die allervreeselijkste plaag; de zonde. Haast breekt het uur der ruste, der eeuwige ruste aan. Tot dat dit uurtje is gekomen, o arme en aangevoshtene ziele ! zie op de koperen slang, zie op uwen aan het kruis verhoogden Heiland, wiens Woord u verkondigd is en verkondigd wordt. Amen!

ocr page 315

89

WAT DE HEEKE AAN HET MURMUREEREND ISRAEL LIET AANZEGGEN DOOR ZIJNEN KNECHT MOZËS TOEN ZIJ KANAAN ZOUDEN BINNENTREKKEN.

AIzoo lezen wy : Deut. 8:1, 2 :

Alle geboden, die Ik u heden gebiede, zult gij waarnemen om te doen, opdat gij leeft, en vermenigvuldigt, en inkomt, en het land erft, dat de Heere aan utve vaderen gezworen heeft. En gij zult herdenken aan al den weg, dien u de Heere uw God deze veertig jaren in de woestijn geleid heeft; opdat Hij u verootmoedigde, om u te verzoeken, om te weten, wat in uw harte was, of gij Zijne geboden zoudt houden, of niet.

Wat wij daar lezen is des Heeren Woord.

Dit Woord geldt voorzeker allereerst het volk Israël, dat nu uit de woestijn het laud der belofte zoude binnentrekken. Dit volk, dat toen dit rijke en gezegende land tot zijn erfdeel ontving, heeft het eeuwen lang bezeten, maar bezit het thans niet meer, en is verstrooid in alle winden des hemels. Nochtans blijven deze woorden uit Deut. 8 des Heeren woord, des Heeren eeuwig blij vend woord. Profeten en apostelen, uitverkoren heiligen van alle tijden en eeuwen, ja onze Heere en Heiland Jezus Christus Zelf hebben deze woorden nooit anders beschouwd, noch gelezen

7 O

dan als des Heeren Woord tot hen gericht. En als zij gehoord of gelezen hebben van het land der belofte, hebben zij wel gezien op de lichamelyke en stoffelijke weldaden, die zij uit Gods vaderlijke hand, uit louter genade en barmhartigheid ontvingen, maar toch allereerst gedacht aan dat goede beloofde land — om het u duidelijk te maken zal ik maar zeggen — dat geestelijk is, aan dat land, dat ligt — ja, wie kan de grenzen er van bepalen, dat in het binnenste hart is gelegen,

ocr page 316

40

en dat zich nochtans uitstrekt tot in den hemel der hemelen.

* Alle gebodenquot; zoo begint Deut. 8. Het woord, dat hier door »gebodquot; vertaald wordt, beduidt in het Hebreenwsch eigenlijk ; iets, waaraan men gebonden wordt, waarmede men met een vasten band wordt vereenigd, zooals man en vrouw te zamen verbonden worden door den band des huwelyks : of zooals men, wanneer men eenen naakte een kostelijk kleed aantrekt en het met eenen gordel om zyne lendenen bevestigt, zeggen kan, dat men dezen armen mensch met dit prachtige kleed heeft verbonden of vereenigd. Zoo vereenigt ook de Heere God onze van alle heil beroofde en naakte ziel met Zijn gebod.

■gt;gt;Alle gebodenquot; luidt het hier, dat wil zeggen; het geheele gebod, niet een weinig, niet de helft daarvan, maar geheel en al, zooals de Heere het heeft gegeven. Want, als wij iemand een geschenk geven, dan bedoelen wij immers daarmede, dat hij het geheel, als zijn eigendom mag beschouwen, en wij geenszins de helft voor ons zeiven wenschen te behouden, maar wij zeggen van ganscher harte: dit of dat is voor u, gij moogt het geheel en al mede-nemen ; zoo erkennen wij in deze woorden gt;Alie gebodenquot; de stem van Hem, die eens tot Adam sprak : »van allen boom dezes hofs zult gij vrijelijk eten.quot;

Welke ^gebodenquot;, welk»gebodquot; is het nu, waarvan hier in Deut. 8 Mozes, en door hem de Heilige Geest tot ons spreekt ? Dat kunnen wij lezen in 1 Joh. 5:20 en 21, waar geschreven staat; doch wij roeten, dat de Zoon van God, gekomen is, en heeft ons het verstand gegeven, dat wij den Waarachtige kennen; — dus geen leugenaar, noch afgod — en wij zijn in den Waarachtige, namelijk in zijnen Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God en het eeuwige leven.

ocr page 317

41

Kinderki'iis ! bewaart n zeioen voor de afgoden ! Amen. Verder lezen we nog Joh. 14 : 21 : Die mijne, geboden heeft, en dezelve bewaart, die is het, die Mij Liefheeft; en die Mij liefheeft, zal van Afijnen Vader geliefd worden; en Ik zal hem lief hebban, en Ik zal Mij Zeioen aan hem openharen. In het Hebreeuwsch staat hier eigenlijk niet ^alle gebodenquot;, maar gt;het gebodquot;, en wordt hier in de eerste plaats aan het eerste gebod gedacht, dat alle anderen in zich bevat. De meening des Geestes is dus deze: zoo gij geld hebben wilt, loop dan niet weg van de geldkist: blijf bij de kleerenkast, zoo gij kleederen van noode hebt! blijf bij de goede apotheek, zoo gij waarlijk heilzame geneesmiddelen hebben wilt tegen uwe ellenden en krankheden, en zoo gij verkwikkenden en lavenden wijn begeert voor uwen dorst, blijf dan bij dat vat, waaruit gij reeds zoo dikwijls gelaafd en verkwikt werd, verlaat de broodkast niet, zoo gij naar brood verlangt om uwen honger te stillen ! En gij, o Israël! blijft bij uwen God, den eenigen bornput uws heils voor lichaam en ziel, zoo gij niet wilt omkomen in al uwe smarten en ellenden. Dit is het allereerste gebod, waarbij het luidt: Ik ben de lleere uw God, die u uit Egypte land, uit het diensthuis uitgeleid heb : gij zult geene andere goden hebben voor Mijn aangezicht, waarop dan volgt: gij zult u geen gesneden beeld, noch eenige gelijkenis maken. Houdt u geheel en al onverdeeld aan dit gebod, wil de Heere zeggen, opdat er uitkomst voor u zij, en gij geens dings gebrek hebt. In het zevende kapittel van Deut. spreekt Mozes, even als Johannes in zijnen brief, van afgoderij en het aanbidden van beelden en valsche goden. Wij vinden Deut. 7 ; 26 : Gij zult den gruwel in uw huis niet brengen, dat gij een baiL zoudt worden, gelijk datzelve is ; gij zult het ganschelijk verfoeien, en

ocr page 318

42

ten eenenmale een en gruwel daarvan hebben, want het is een ban. Dat wil de Heere dus, dat wij een gruwel hebben, eenen hartelijken afkeer van alles wat buiten den levenden en waarachtigen God is.

gt;Alle geboden, die ik — Mozes, en door my de heilige Geest — u heden gebiede.quot; Ja! zoo genadig ben Ik u! Zulke goede geboden heb ik anderen niet geopenbaard, o Israël! Tot anderen heb Ik niet-gezegd: houdt u geheel en ai aan Mij, wantik ben uw God! Tot anderen heb ik niet gesproken: de hemel is mijne, ook is de aarde mijne, en daarom zijn ook hemel en aarde de uwen ! Tot anderen heb ik niet gezegd : de duivel zal u niet krijgen, maar gij zijt mijn duur gekocht erfdeel voor tijd en eeuwigheid ; en u roep ik het toe : de geboden die ik u gebiede ! Hiermede bedek Ik u, hiermede verbinde Ik u, als met den hechtsten band, zooals man en vrouw verbonden rijn door den band des huwelijks. Ach ! Ik ken u wel, o Mijn volk ! en weet maar al te goed, hoe het met u gesteld is ! Want de mensch komt liever om, hij weeft zich liever spinnewebben, hij bouwt veel liever op zand, dan te vertrouwen op den levenden God! De mensch, de arme mensch, dat domme, onvernuftige schaap, laat zich den schat, waarin hij hemel en aarde bezit, uit de hand nemen, en even dwaas en onwetend als een klein, onnoozel kind laat hij zich in plaats daarvan een nietswaardig stuk glas in de hand tooveren !

Daarom, spreekt de Heere, zult gij waarnemen alle de geboden, die ik u heden gebiede ! Maar Heere ! hebt gij deze geboden van leven en vrede ons niet reeds gisteren voorgehouden V Hebt gij dat niet reeds voor jaar en dag gedaan ? Hebt gij over dit alles niet reeds voor jaar en dag tot mijne ziel gesproken ? Ja gewis ! o Mijn volk ! maar wat kan dat u helpen ?

ocr page 319

43

Het gebod, dat Ik u gaf, hebt gij immers schandelijk overtreden, gy hebt het met u gesloten verbond trouweloos verbroken, gij hebt het lichtzinnig op zijde geschoven, en ware Ik u niet van stap tot stap gevolgd, en had u niet in Mijne Vaderlijke armen genomen en u daarop gedragen, gij zoudt van alles beroofd en ontbloot omgekomen zijn in de woestijn. Maar heden, heden vernieuw Ik het verbond met ulieden, o gij overtreders ! o gij verbondsbrekers ! Opnieuw leg Ik u mijne geheele zaligheid op de hand en schenk u die uit vrije genade en ontferming. En zoo schrift ook de Apostel Paulua in zijn tweeden brief aan de Corinthiërs (Kapittel 6:1): En wij als me.de-ar beiden de, bidden u ook, dat gij de genade Gods niet te vergeef» rnoogt ontvangen hehhen. Kan dan de genade te vergeefs komen? Voorzeker zooals de regen te vergeefsch op de aarde valt, waar liet aan ledige vaten ontbreekt om dien op te vangen. Nochtans zal des Heeren woord niet ledig tot Hem wederkee-ren, maar het zal doen wat Hem behaagt, en het zal voorspoedig zijn in hetgeen waartoe Hij het zendt, indien niet tot een reuke des levens ten leven, dan tot een reuke des doods ten doode.

En dit is het woord des Heeren : in den aaiigena-men tijd heb Ik u verhoogd, en in den dag der zaligheid heh Ik n geholpm. Ziet nu is het de wel aangename tijd,! Ziet mi is het de dag der zaligheid — nu, heden, op dit oogenblik. God blijft eeuwig dezelfde. Hij zegt niet: morgen wil Ik u helpen, maar heden. Het vleesch spreekt altoos van morgen, wil alles op morgen, op de toekomst verschuiven, maar God zegt: heden, heden, wil Ik uw God en Redder zijn. O mijn volk, zegt Hij, hoe vaak heb Ik u reeds opgezocht, hoe vaak u by de afgoden gevonden ! Ik zie de poppen en beelden wel, die gy u zei ven gemaakt

ocr page 320

44

hebt, om die te aanbidden, en op hen uw vertrouwen te stellen. Ik weet het maar al te goed, hoe geneigd gy zijt, om Mij te verlaten en u tot andere, tot vreemde godon te wenden, die geen goden zijn. Nochtans spreek Ik tot u, juist nu Ik u te midden uwer afdwalingen vinde ; heden, heden, geef Ik u Mijn gebod van leven en vrede, want alleen in Mij is uw heil!

»Alle geboden, die Ik a heden gebiede, zult gij »waarnemen, om die te doen,quot; dat is : bewaren. Wij lezen van Adam Gen. 2:15: Zoo nam de Heere God den mensch, en zette hem in den hof van Eden, om dien te houwen, en dien te bewaren. En onze Heere Jezus besluit alzoo zijne bergrede : een iegelijk dan, die deze mijne woorden hoort en dezelve doet, dien zal Ik vergelijken hij een voorzichtig man, die zijn huis op eenen steenrots gebouwd heeft ; en er is slagregen neergevallen, cn de waterstroomen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen hetzelve huis aangevallen, en het is niet gevallen, want het laas op de steenrots gegrond. En een iegelijk, die deze mijne woorden hoort en dezelve niet doet, die zal bij eenen dwazen man vergeleken worden, die zijn huis op het zand gebouwd heeft. En de slagregen is neder ge vallen, en de waterstroomen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen hetzelve huis aangeslagen, en het is gevallen, en zijn val icas groot. Math. 7: 25—27. t

Alle geboden — waarnemeji om die te doen. Het doen van den wille Gods komt voort uit het bewaren van Gods gebod ten eeuwigen leven, zooals het betalen voortkomt uit het bewaren van het toevertrouwde vermogen. Als ik geen middelen bezit, kan ik niet betalen. Daarvan ben ik niet de oorzaak, dat ik betalen kan, ik ben slechts het instrument, maar de schat is gegeven, opdat ik zou kunnen betalen,

ocr page 321

45

en zoo in alle mijne behoeften voorzien. Gods wil te doen, dat is ons voorgeschreven, doch dit kan alleen het gevolg zijn van ons blijven by het gebod des eeuwigen levens, bij het onvergankelijke en eeuwigblijvende woord van God, en dus geen gevolg van vrije eigene voortreffelijkheid, of bekwaamheid tot eenig goed. Zoo spreekt immers ook de apostel Jacobus (Hoofdst. 1:17): Alle goede gave, en alle volmaakte gift is van hoven, van den Vader der lichten afkomende, hij welken geene verandering is, noch schaduw van omkeering. En verder vs. 22 — 24 : En zijt daders des loonrds, en niet alleen hoorders, uzelven met valsche overlegging bedriegende. Want zoo iemand een hoorder is des woords, en niet een dader, die is een en man gelijk, welke zijn aangeboren aangezicht bemerkt in eenen spiegel; ivant hij heeft zich zeiven bemerkt, en is weggegaan, en heeft terstond vergeten, hoedanig hij was.

»Alle de geboden, het geheele gebod, dat Ik u gt;heden geve, zult gij waarnemen, om dat te doen, gt; opdat gij leeft en vermenigvuldigt, en inkomt, en ïhet land erft.quot; Dat is hetzelfde, wat onze dierbare Heere en Heiland Jezus Christus zegt in Joh. 15:1 v.v.: Ik ben de ware wijnstok, en mijn Vader is de landman. Alle rank, die in Mij geene vrucht draagt, die neemt Hij weg ; en al wie vrucht draagt, die reinigt Hij, op-• dat zij meer vrucht drage. Gijlieden zijt nu — »hedenquot;

— rein om het woord, dat Ik tot u gesproken heb. Wat gij gisteren en eergisteren waart, wil de Heere zeggen, daar vraag Ik in Mijne genade en barmhartigheid niet naar, heden, zeg ik het tot ulieden, gij zyt rein. Blijft in Mij, en ik in u. Gelijker wijs de rank geen vrucht kan dragen van zich zelve, zoo zij niet in den wijnstok blijft, alzoo ook gij niet, zoo gij in Mij niet blijft. Ik hen de wijnstok, en gij de ranken ; die

ocr page 322

46

in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht: want zonder Mij kunt gij niets doen. En Joh. 10: 9: Ik ben de deur: indien iemand door Mij ingaat, die zal behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan, en loeide vinden-, en vs. 10 : Ik ben gekomen, opdat zij het leven en overvloed zouden hebben. Zie dat alles klinkt even zooals Deut. 8:1: opdat gij leeft, en vermenigvuldigt en inkomt en het land erft.

Er staat niet, dat gij dit land scheppen moet, het land bestaat reeds lang; er staat ook niet: opdat gij dat goede land inneemt met uwen sterken arm, maar er staat: opdat gij het land erft; zoo staat er ook in het oorspronkelijke niet, zooals Luther vertaalt: inneemt. »Opdat gij leeftquot;, dat is het allereerste, en vermenigvuldigt, d. i. overvloed heht, en hoe groo-ter uw aantal wordt, des te grooter voorraad heb Ik voor u bereid. Ik zet u op den weg »opdat gij komtquot; — kom tot Mig, gij allen die vermoeid en belast zgt, en Ik zal u ruste gevenquot; — »en het land -be-erft. Waar van erven sprake is, daar is ook gewoonlijk sprake van een' vader en een kind, en als er hier gesproken wordt van het land te beërven, dan moet God, als Vader, die erfenis ook hebben bereid.

gt;Alle de geboden, het geheels gebod, dat Ik ulieden gt;heden gebiede, zult gij waarnemen, opdat het doen waarachtig bij ulieden aanwezig zij, en niet alleen een ij del praten over goede werken en eenen heiligen wandel voor God en menschen. De Heere bedoelt: behoudt het gebod des levens, zooals Ik het ulieden heb gegeven, opdat het leven, het waarachtige leven, by ulieden zij, opdat gij overvloed moogt hebben, en gij de eeuwige zaligheid beërft. Van deze erfenis, weggelegd in de hemelen, spreekt ook de Apostel Petrus in zynen eersten zendbrief, 1 Petr. 1: 3, 4: Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus

ocr page 323

47

Ckristu.t, die vaar zijne groote harmharlirjlipid ons heeft wedergeboren, tot eene levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de dood en. Tot eene onverderfelijke, en onhevlekkelijke, en onverwelkelijke er-fenis, die, in de hemelen heicaard is voor u. die in de kracht Gods wordt bewaard door het geloof tot de zaligheid !quot; En het land gt;erft?quot; Zalig zegt de Heere Jezus : zij7i de zachtmoedigen, die van schaamte en .schande den mond niet meer opendoen, die zich niet meer kunnen noch willen verdedigen, maar hard geplaagd, verbroken en verbrijzeld zijn, die tegen iedereen vriendelijk en voorkomend zijn, * zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen het aardrijk beërven! Ziet ge ! daar hebt ge weder dat land der belofte, waarvan wij zoo vaak lezen in de Psalmen, bijv. Ps. 25 ; 12, 13 : wie is de man, die den Heere vreest ? Hij zal hem onderwijzen in den iveg, dien hij zal hebben te verkiezen. Zijne ziel zal vernachten in het goede, en zijn zaad zal de. aarde beërven. En Jesaja 8:8; En hij zal doortrekken in Juda, hij zal hei over stroom en, en er doorgaan, hij zal tot aan den hals reiken ; en de uitstrekking zijner vleugelen zullen vervullen de breedte uws lands, o Immanuël! Dat land, het land der belofte, ik herhaal het, lag toenmaals tusschen de Jordaan en de Middellandsche Zee, maar het ligt ook overal, waar God mij en de mijnen heeft geplaatst, waar Hij mij en mijn huis genadig wil zijn. Wie bet eeuwige vaderland niet in het harte draagt, die heeft ook geen waarachtig vaderland op aarde, en wie opkomt voor zijnen koning en zijn vaderland, die draagt die beiden ook op het harte, en al verjaagt hem de vijand, al moet hij van het laatste plekje van zijn dierbaar vaderland afstand doen, ja al wordt hij verdrongen tot over de grenzen des lands, nochtans kan hg het niet laten varen, maar hij houdt vast aan dat vader-

ocr page 324

48

-^

land, tot aan zijn jongsten snik. Indien Abraham alleen het zichtbare land der belofte op het oog had gehad, zoo zoude ook hem het woord gegolden hebben : indien wij alleen in dit leven op Christus zijn hopende, zoo zijn de ellendigste van alle menschen, maar : hij verwachtte, zooals wij flebr. 11 : 10 lozen, de stad, die fondamenten heeft, welker kunstenaar en bouwmeester God is. gt; Opdat gij het land erftquot; — het land d. i. hemel en aarde, want ook op aarde zult gij geen gebrek hebben aan eenig goed! Dat land heeft de Heere, de Verbondsgod, de eeuwig Getrouwe, de onveranderlijke, bij wien geene verandering is, noch schaduw van omkeering, gezworen uwen vaderen te geven, en wat Hij beloofd, dat heeft Hij ook macht en kracht genoeg om bet ten uitvoer te leggen, en wat Hij gezworen heeft, dat doet Hij ook gewis !

gt;Ik doe barmhartigheid aan vele duizenden dergenen gt;die Mijne geboden houden en dezelve doen,quot; zoo spreekt de Heere, en zoo zijn Abraham, Izak en Jakob ook uwe vaderen, o Mijn volk! Alle geboden, die Ik u heden gebiede, neemt die waar, blijft daar by, blijft bij en in Mijn woord, en gij hebt den zelfden weg, waarlangs Adam en Eva de eeuwige heerlijkheid zijn binnengegaan, toen zij zijn gestorven, oud en des levens zat, den zelfden weg, dien de aartsvaderen Abraham, Izak en Jakob betreden hebben, en als gij eens uwe ziel met den laatsten snik zult hebben uitgeblazen, zult ook gij verzameld worden met uwe vaderen, en door het duistere graf henen in de eeuwige heerlijkheid binnengaan.

Uitgegeven bij F. P. D'HUIJ, 'Midde'.hwg.

Voor Daitscliland verkrijgbaar bij F. BiiCKM Alïrl, Elherf eld^ Prijs per Nummer 3 Cfct. franco per post 4 Cts.

ocr page 325

8 € if RIFT V E li K L \ KING R \

VAN

Or. SB. g'\

Eenige bijzonderheden omtrent den uittocht der kinderen Israels uit Egypte en hunne reis door de woestijn. (Vervolg).

WAT DE HEERE AAN HET MURMUREEREND ISRAEL LIET AANZEGGEN DOOR ZIJNEN KNECHT MOZËS TOEN ZIJ KANAAN ZOUDEN BINNENTREKKEN.

Uwen vaderen, Abraham, Izak en Jakob beb Ik dat land beloofd; aan Abraham o. a., toen hij alle Mijne geboden » waarnam,quot; toen hij zich hield aan het onzichtbare en van het zichtbare afstand deed, toen hij tot Lot sprak: «laat toch geene twisting zgn tusschen mij en tusschen u, en tusschen mijne herders en tusschen uwe herders ; want wij zijn mannen broeders ! Is niet het geheele land voor uw aangezicht ? Scheidt u toch van mij ; zoo gij de linkerhand kiest, zoo zal ik ter rechterhand gaan, en zoo gij ter rechterhand zult gaan, zoo zal ik ter linkerhand gaan.quot; Hij zeide dus als het ware : doe gij maar, wat gij wilt, o mijn broeder! ik wil gaarne voor u wijken, alleenlijk, dat. er geen twist tusschen ons zij ! Nochtans, het geheele land behoorde aan Abraham, want tot hem had de Heere gezegd : u en uwen zade wil ik dit land geven, en hij ware in zijn volle recht geweest tot Lot te zeggen: gt;gij moet voor mij uit den weg gaan, want ik heb dat land van den Heere ontvangen en ook in bezit gehad, eerder dan gjjquot; ; maar veel liever zegt hij ; gt;het geheele land ligt voor u open, o mijn No. 126. 8 Nov. 1890.

ocr page 326

50

broeder ! doe gij wat u behaagt! de waaraclitige en levende Heere blijft toch met ons, en geen zichtbaar goed, geen aardsche bezittingen, geen afgod noch opgericht, beeld zal ons kunnen scheiden van den levenden en algenoegzamen Godquot; ! En Lot ? Hij verkoos datgene, wat naar het zichtbare het beste was; Abraham daarentegen behield het onzichtbare, »het goed dat nimmermeer vergaat.quot; Toen nu Lot vertrokken was, sprak de Heere tot Abraham : Hef uwe oogen op, en zie van de plaats, waar gij sijt, noordwaarts en zuidwaarts, en oostwaarts en ivesiwaarts. Want al dat land, dat gij ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid. Gen. 13 : 14, 15. Zie, dit was het tijdstip, waarop de Heere aan Abraham gezworen had, het goede land Kanaiin, dat zelfde land, dat de kinderen Israels nu binnentrokken, zijnen kinderen te geven.

En deze belofte herhaalde de Heere aan Abraham in dien donkeren en benauwden nacht, toen Abraham niet kon volharden de roofvogels van zijnen Christus te verjagen, toen een diepe slaap hem te midden van den heetst en strijd overviel, toen hij gewis zoude omgekomen zijn, en de roofvogels hem zijnen Christus zouden ontroofd hebben, zoo de Heere Zelf Zich niet over hem ontfermd had ; maar die trouwe God verscheen hem in den duistersten nacht, en ging, als een rookende oven en vurige fakkel, voor hem tusschen de stukken des offers en het heirlegers der roofvogels henen, en toen sprak do Heere wederom tot hem : aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die gr oote rivier, de rivier Frath. Gen. 15 ; 18. En Hebr. 6:17 en verv. lezen wij : waarin God, willende den erfgenamen der beloftenis overvloediger bewijzen de onveranderlijkheid, van Zijnen raad, mei eenen eed daar tusschen is gekomen ; opdat

ocr page 327

51

wij, door twee onvergankelijke dingen, in welke het onmogelijk is, dat God h'ege, eene sterke vertroosting zouden hebben, wij namelijk, die de toevlucht gmomen hebben, om de voorgestelde hoop vast te. houden ; welke wij hebben aU een anker der ziel, hetwelk zeker en vast is, en ingaat in het binnenste van het voorhangsel; daar de Voorlooper voor ons is ingegaan, namelijk Jezus, naar de. ordening van Melrlvizedek, een Hoogepriester geworden zijnde in der eeuwigheid.

Laat ons nu, voor dat wij het tweede vers van Deut. 8 nader beschouwen, nog eens een blik temg werpen op hetgeen wij in het eerste vers lezen. Wat zijn dat voor geboden, wat is dat voor een gebod waarvan daar wordt gesproken ? Dat gij u in leven en sterven aan niets anders moet houden, op niets anders moet leunen noch steunen, dan alleen op den Heere, den waarachtigen, den levenden God ! Maar kent gij Hem wel, dezen grooten hemelschen Koning ? Weet gy wel hoe barmhartig, hoe genadig Hij is ? Gy zoudt het kleed van eeneu aardschen Koning niet mogen aanraken, zonder gestraft te worden, maar de arme, zieke vrouw, die al haren leeftocht aan de medicijnmeesters ten koste had gelegd, en door niemand had kunnen genezen worden, mocht vrij den zoom aanraken van des Heeren Jezus kleed, en zij mocht ervaren, dat er kracht van Hem uitging. Hij alleen bezit Majesteit en heerlijkheid, Hij alleen heeft kracht en macht. Hij heeft den hemel en de aarde geschapen. Hij heeft ook u gemaakt, o gij die u zeiven verfoeid in stof en assche ! Hij heeft Zijnen allerheiligsten Naam op u gelegd, u in Zijn Verbond opgenomen ; Hij heeft voor u het brandoffer-altaar, de arka des Verbonds. den disch met de toonDfOOuen laten aanrichten. Hij gaf ook u eenen Hoogepriester, die voor u ingaat in het binnenste des voorhangsels, en wederom

ocr page 328

52

met vrede naar buiten treedt, opdat het vuur van den toorn en de wrake Gods niet losbreke over u en u verslinde, maar dat het tot u luidt: de Ueere

zegene u, en behoede u ! de Heere doe Zijn aangezicht over u lichten, en zij u genadig! de Heere ver heffe Zijn aangezicht over u, en geve u vrede ! Numeri 6 : 24—20.

Én nu wij ? Wat zijn wij tegenover zoo veel liefde en trouwe ? Ach ! onze harten zijn steeds geneigd van de Heere af te wijken en ons niet te houden aan Hem, die gezegd heeft: uw Make:- is uw man. (Jes. 54 vs. 5.) Alzoo vol, vol van zonden, vol verkeerdheid en ongeloof, vol afgoden zijn wij, en nu komt de Heere en zegt; »heden, heden be-»kleede ik u met alle mijne weldaden en versiere u «met al mijne rijkswetten ; Ik ben uw Koning, en gij «Mijn onderdaan, en voor eeuwig zult gij met Mij swonen in Mijn paleis !quot; Dat is nu het zoete, zalige Evangelie, het ware, algemeene. Christelijke geloof, dat tot op heden vaststaat, tegen alle stormen in. Voortdurend wil de duivel, wil het aanklagende geweten, ons dit geloof uit de handen weg tooveren. Maar al staat gy daar als een zondaar, hulpeloos en ellendig, en al ontzinkt u de geheele zichtbare wereld, hier hebt gij het ware geloof, houdt u daaraan vast, en laat al het andere gerust varen; zóó zult gij heilig en aangenaam zijn in 's Heeren oogen, zóó zult gy ook een heilig leven leiden, en het ware geestelyk leven deelachtig zijn, gij zult ook vervuld zijn met alle goede werken, daar en wanneer het God behaagt, en gij zult ook uitkomst op uitkomst ervaren voor dit aardsche leven. Zóó, en zoo alleen, komt gij in het land der eeuwige ruste, dat God aan de voorvaderen, ook aan onze voorvaderen gezworen heeft, en Hij wederroept den eens gezworen eed nooit of nimmer, Hn zal dien nooit

ocr page 329

verbreken, maar volkomen vervullen.

En denk nu eens terug aan al de jaren uws levens: »Gedenk toch aan al de wegen, die u de sHeere uw God geleid heeft.quot; Sen hond vervolgt gaarne het voetspoor van zijnen heer, hij ruikt diens voetstappen nog, als hij hem zelve verloren heeft, en vindt hem koo weder. En zouden wij ons laten beschaamd zetten door een redeloos dier ? 0 ! laat ons Hem toch indachtig blijven, Hem niet vergeten! Weet gij, wie Hem steeds vergeet? Hij, die geen nood kent i Wie echter waarachtigen nood kent, nood der ziele, nood des lichaams, wie ellende kent, wie door God Zelf zaligmakend zijne eigene ellende heeft leeren kennen, die kan Hem niet vergoten. Hij is, evenals Jakob, hinkende gemaakt aan zijne heup, en moet zachtkens voorttreden al de dagen zijns levens. Nu, ziele ! deuk nog eens terug aan al des Heeren wegen met u, aan uwe kindsheid, aan de jaren uwer jongelingschap, aan uwen rijperen leeftijd en nu gij oud en grijs zijt geworden! Heeft de Heere u niet wonderlijk geleid en alles ten goede bestierd'? O gedenk toch aan alle Zijne wegen, aan de goede en de zware wegen, die gij te gaan had, aan de goede en de slechte dagen, dio Hij u schonk. Hoe wonderbaar zijt gij door alles heen gekomen ! 0 gedenk toch ui de wegen, waarop u de Heere uw God, — ja iet er wel op, wat ik u zeg — waarop u de Heere uw God geleid heeft. Waut, als Hij niet met u ware geweest, zoudt gij dan nog in 't leven zijn ? Wie heeft vrouw en kind, verstand en vermogen voor u bewaard, tot op dezen dag ? Wie heeft u behoed, zoodat gjj niet zijt omgekomen ? Wie heeft u leven en gezondheid geschonken, wie u krachten gegeven, om staande te blijven, tot (p dezen huldigen dag ? Is Hij het niet alleen, die dat heeft gedaan ?

ocr page 330

54

Is het niet de Heere uw God, die u geleid heeft op den weg? Vroeg Hij niet aan Zynejongeren : als Ik u nüzojid, zonder huidd en male, en sr.homcji, heeft u ook iets ontbroken ? (Luk. 22 : 35).

En gij zult gedenken aan al den weg, dien u de Heere, we God deze veertig javn in de. woestijn geleid heeft. (Dent. 8 : 2).

Wij zijn nu, wilde Mozes zeggen tot een kruispunt genaderd, en het is noodig voor ons eens een terugblik te werpen op den afgelegden weg. Deze veertig jaren zijn voor den Heere niet vergeten, maar zij liggen voor Hem — ja uw gcheele weg ligt voor Zijn heilig oog open en bloot daar. Zie nog eens dien geheelen langen weg terug, en roep u nog eens voor den geest, hoe Hij u van uwe kindsheid af gedragen en geleid heeft; bedenk daarbij, dat gij voortdurend een zondaar en overtreder zijt geweest, en hoe vaderlijk Hij nochtans met u gehandeld beeeft. En waar lag nu die weg ? Door de woestijn lag die henen ! En in de woestijn, daar is geen brood voorhanden, daar zijn geen kleederen te verkrijgen, daar groeien geen verkwikkende en verfrisschende vruchten, maar daar ervaart men eiken dag, ja elk uur,dat men van doodsgevaar omringd is in allerlei gestalten. In een oogwenk kan in de woestijn de storm opsteken en de geheele karavaan ligt onder het zand bedolven,het geringste behoeft zich daar maar voor te doen,men moet vol angst en schrik sterven!

En ofschoon nu op onze reis door de woestijn dezes aardschen levens niets bij toeval geschiedt, maar alles, alles ons van Gods vaderlijke hand toekomt, toch leefden wij tot hiertoe in de woestijn en zullen het ook bij voortduring leeren inzien, dat onze weg tot den einde toe door de woestijn heen zal loopen.

Nu komt de Heere echter tot de kinderen Israels en zegt tot hen, dat zij den weg zouden gedenken,

ocr page 331

55

dien Hij, de Heere, lien veertig jaren lang door de woestijn had geleid ! O, welk een weg was dat! Vergeet het nooit, o Israël! gedenk er aan, en, hebt gij het vergeten en hebt gij u zoo zeer in de zorgen en zorgvuldigheden van den tegenwoordigen tijd begraven. dat des Heeren vroeo-ere leidingen met u als in

O o

eeuen dichten nevel zijn verdwenen, wees dan den hond gelijk, die geen rust heeft, voordat hij het spoor zijns meesters heeft teruggevonden! Bidt om den Geest der genade, opdat gij de voetstappen uws Heeren moogt terugvinden, en erkennen, hoe Hg u geleid heeft. En wat is dan de hoofdsom daarvan ? Dat de Heere God is! En alleen dan zal het eene gemeente, zal het eene stad, zal het een land goed gaan, als de eenige ware God erkend en geëerd wordt, als degene, van wien alles afhangt, en die Zelf de eenige bornput van heil en zegen is.

Wij lezen in ons 2de vers alzoo ; en gij zuil qeden-ken aan al den wee/, dien u de Heere,, wc God., deze veertig jaren in de -woestijn geleid heeft ; opdat [Jij u verootmoedigde, om u te verzoeken, om te weten, wat in uw hart was, of gij zijne geboden zoudt honden, of niet. Dat zeide Mozes tot het volk Israël, dat zegt nog de Heilige Geest door hem tot ons allen. O, mocht gij allen toch den weg gedenken, dien u de Heere uw God geleid heeft.

Maar dat geschiedt niet, tenzij het gebod, tenzij,

zoo als hier in het eerste vers staat, »alle gebodenquot;

of het gansche gebod des levens, bij ons iu eere is !

Want dat is de eigenaardigheid, dat het kenteeken • - • i f* van het ware, zaligmakend geloof. Waar dit geloot

is, daar is ellende, waar ellende is, is ook verlossing, en waar verlossing is, daar is gewis ook de dankbaarheid, daar is liefde Gods en des naasten. Waaide liefde Gods niet is uitgestort in onze harten door

ocr page 332

1

56

den Heiligen Geest, daar gedenkt uien der leidingen Gods niet op zulk eene wijze, als hier geschreven staat, maar is zijnen nood cn ellende vergeten, zoodra men er uit gered is, wil er ook niet gaarne van hoo-ren, dat men in nood en druk is geweest, en dat men alleen door 's Heeren barmhartigheid en genade, lankmoedigheid en trouw daaruit gered is. Wie dit niet gaarne en luide erkent, loopt in nieuwen nood, die opkomt, naar de afgoden, in plaats van naar den Heere, en meent ook dat die afgoden hem veel beter en meer afdoende zouden helpen, dan de Almachtige God, die den hemel en de aarde gemaakt heeft. Maar op zulk een weg wordt men natuurlijk jammerlijk beschaamd, en komt ten laatste ellendig om. Mozes houdt alzoo hier den voike het ware, zaligmakende geloof voor, waardoor men, als een arme en hulpbehoevende zondaar, tot God alleen de toevlucht neemt. Hij leert het volk, dat men gedenken moet, niet alleen den weg, maar al de wegen, die ons de Heere in deze woestijn geleid heeft. Op dien weg ging het immers dan links, dan rechts, van de eene diepte in de andere, van den eenen nood in den anderen nood, en toch altoos kwam de Heere weer met Zijne verrassende hulp en uitredding!

Dat is de weg, dien u de Heere uw God geleid heeft, Hij de eeuwig Getrouwe, die niet moede noch mat wordt in Zijne liefde, die gisteren en heden dezelfde is, en tot in alle eeuwigheid ! Hij is die God, die u gemaakt heeft, die u gekocht heelt. Hem ten eigendom, en die zich niet schaamt uw God te zijn. Hij is het, die u geleid heeft op den weg, of zooals het woord »leidenquot; in het Hebreeuwsch eigenlijk luidt, die u voortgedreven heeft, ja die n voortgedreven heeft, als het ware met slagen en stooten. Gelijk de golven der rivieren, vooral als het water met groot

ocr page 333

57

geweld van de hoogte stort, voortgedreven worden, en de eene golf de andere voortzweept, zoodat de enkele golf niet anders kun, maar medegesleept, en voortgejaagd wordt, zoo gaat het ook op den weg, dien de Heere Zijn volk leidt door de woestgn. Met de geheele almacht Zijner genade heeft Hij u door de kracht der omstandigheden voortgedreven op de baan, die Hij voor u bereid heeft, in het stroombed dier rivier, waarop uw levensschip zou drijven ; zoo heeft Hij u voortgedreven, eu u alle kracht, waarmede gij zelf het roer van uw scheepje meendet te kunnen en te moeten bestieren, uit de hand genomen. Want het was niet uwe keus, niet uw wil, niet het doel, dat gij u voorgesteld hadt, dat gij gekomen zijt, waar gij thans staat; maar het was Zijne vaderlijke hand, het was Zijne genade en goedertierenheid, die u daar bracht. Zoo heeft Hij u geleid deze veertig jaren. Hij kent uwen levensweg van stap tot stap, en al die jaren, zij liggen voor Hem daar als een opengeslagen boek, of liever Hij heeft die allen opgeschreven ir. Zijn boek daarboven. Ja ! het waren gewichtige jaren, en veel, veel is daar in beleefd en doorgeworsteld ! Deze veertig jaren waren jaren der beslissing : Eben Haëzer ! tot hiertoe heeft de Heere geholpen, en Hij zal ook verder helpen, om Zijns grooten Naams wille !

Dat heeft Hij alleen gedaan. Hij, de Heere uw God, en gij bevondt u in deze jaren niet in een paradijs, waar zegen en overvloed heerschten, maar uw pad liep door de woestijn, waar niemand u helpen konde, waar brood en kleeding u dikwijls ontbraken ; maar juist in deze woestijn heeft de Heere uw God u behouden, zoodat gij het wel uitroepen moet: het is alleen 's Heeren barmhartigheid, genade en trouw, het zijn de wonderen Zijner Almacht, waar-

ocr page 334

58

door ik nog heden leef, en waardoor ik alles bekomen heb, wat ik van noode had, zooveel de Heere goed vond mij te schenken. In de woestijn heeft u de Heere geleid ! opdat Hij u verootmoedigde, om u te verzoeken. Ja ! had dan Hij. die de woestijn geschapen heeft, ook geen macht een lusthof voor u te planten, en uw weg daardoor henen te leiden ? Dat was zijn welbehagen niet. Ja, de duivel en zijne aanhangers mogen zich inbeelden, dat de woestijn, dat deze van God afgevallen aarde uog een Paradijs is, zy mogen zich daarin allerlei kasteelen en liefelijke bloemengaarden voor den geest tooveren, en zich dooide spiegelbeelden der woestijn laten misleiden : maar aan zijne lieve kinderen weet de Heere het wel bij te brengen, dat dit leven hier niets is dan eene woestijn, ja een gestadige dood! Wonderbaar leidt de Heere de Zijnen. Neen ! zij zullen, totdat zij in het beloofde land aankomen, geen anderen weg betreden, dan dien de Heere bereid heelt, en dat is de weg door de woestijn. Door de woestijn henen leidt de Heere Zijn volk, vergeet dit nooit.

Waarom handelde Hij zoo met u, waarom houdt Hij u nog voortdurend in de woestijn ? Om u te verootmoedigen, zegt Zijn Woord. Wij hebben het Paradijs door ons ongeloof en door onze moedwillige ongehoorzaamheid vrijwillig verwoest, en hebben de liefelijke boomen, die ons ter schaduw en verkwikking waren gegeven, zelf bedorven en omgehouwen. En toch, al worden wij dit eiken dag gewaar in ons en rondom ons, toch zeggen wij allen, vol ij del zelfvertrouwen en verblindheid omtrent de diepte, waarin wij allen van nature liggen: alles wat de Heere gesproken heeft, willen wij getrouwelijk doen !

En in Hem te gelooven ? O, dat is maar eene kleinigheid, ik ben immers in de goede leer opge-

ocr page 335

59

voed. ik ben immers een Christen, en zal voorzeker in uit geloof ook eens rustig sterven! Zoo spreekt de menscli in zijnen iidelen waan, maar met zulk een troscli hart, met zulke inbeeldingen des harten komt men niet in het land der belofte! Om dat schoone land eens veilig te bereiken, moet de meusch leeren, dat alles waarachtig louter genade is, hij moet zijnen hoogmoed afleggen, zijne aanmatiging afleeren, waardoor hij gedurig denkt en zegt: »hier »beii ik, in mijne gansche voortreffelijkheid ! en God »en menschen kunnen voor mij uit den weg gaan.quot; Ja, de meusch Gods moet er door en door van overtuigd worden, dat, zoo hij niet door Gods genade wordt gehouden en gedragen op den weg, hij, die zich zei ven voor den aller voortreffelijkste!! houdt en ook als zoodanig wil gelden, zal blijken de aller ver-keerdste en afvalligste van allen te zijn, en het zal wel aan den dag komen, dat juist hij vol dwaasheid en onverstand steekt. Het is dus uit louter barmhartigheid en genade, het is door Zijne wonderbare ontfermingen, dat de Heere ons, die anders in onzen hoogmoed en opgeblazenheid zouden omkomen, den weg door de woestijn doet gaan. Ja het zijn de Zijnen, die Hij langs dien weg geleidt, opdat zij altoos weer opnieuw zouden worden klein gemaakt, en in de laagte gehouden, en, opdat zij zouden leeren zich zeiven voor niets meer te houden, dan stof en assche. Dit is gewis de bodem, waarop de waaracldige broeder- en naastenliefde groeit, want, als men waarlijk door den Heere klein gemaakt, verbrijzeld en verbroken wordt, dan leert men ook zich niets meer aan te matigen, noch in dwazen hoogmoed zich boven anderen te verheffen. Ach, dat ik niet onder al de vermoeienissen, onder al het harteleed op die reis door de woestijn omkome. Ach! dat het

ocr page 336

60

dorre brandende zand daar niet mijn doodbed wordt, dat mijn gebeent niet moet verdorren in de woestijn, het is alleen Gods genade en barmhartiglieid !

Het is alzoo om ons te verootmoedigen, om onzen harden nek te breken, dat de Heere ons in en door de woestijn, en niet door een paradijs geleidt. Hoe weinig wordt dit echter erkend, en hoe treurig is het r dat men wel eens kinderen dezer wereld ontmoet, die men als heidenen beschouwt, en voor wie men in hoogmoed den neus op haalt, en die toch veel minder dunk van zich zeiven hebben, veel ootmoediger zijn dan zii, die men te begroeten heeft als broeders en zusters. Om u te verootmoedigen, om u te verzoeken, — u op Zijnen proefsteen te leggen — gt;om te weten, wat in uw hart was.quot; Myne geliefden ! God de Heere kent ons tot op het gebeente, maar wij, arme menschenkinderen, wij kennen ons zeiven niet, en meenen dan toch in ons onverstand, dat wij Hem kennen, wg beelden ons in, dat ons hart warm voor Hem klopt en dat dit van Gods afgevallen harte, waarin van nature niets huist dan dood en verderf, vervuld is van Treeze Gods, van geloof, van oprechtheid, van deugd, van eerlijkheid. Was het niet Petrus die het luide uitsprak: »al werden zij allen aan u geërgerd, ik zal nimmermeer aan u geërgerd worden, ik ben bereid met n in de gevangenis en in den dood te gaan.quot; En toch, o Petrus! o Rots-man, stortet gij ter neêr voor de stem eener dienstmaagd. die u toeriep : »uwe spraak maakt u openbaar, »gij zijt ook uit Galilea!quot;

Uitgegeven bij F. P. D'HUIJ, Middethvrg.

Voor Duitschland verkrijgbaar bij F. BiiCKJIANN, Elherf eld. Prijs per ITummer 3 Cts. Franco per post ^ Ots.

ocr page 337

S C H a I F T V E M li L A U1 \ amp; I-: X

VAN

Mr. II. F. Ï40ÏÏS.BÏSÜG0E.

Eenige bijzonderheden omtrent den uittocht der kinderen Israels uit Egypte on hunne reis door da woestijn, (Vervolg).

WAT DE HE ERE AAN HET MURMUREEREND ISRAEL LIET AANZEGGEN DOOR ZIJNEN KNECHT MOZES TOEN ZIJ KANAAN ZOUDEN BINNENTREKKEN.

»Ja, jaquot; zegt de natuurlijke mensch, »gij hebt »reclit en gelijk, ja wel ! ik ben tot alle boosheid »geneigd, maar ik ben toch ook geneigd tot het ge-sloof, tot heiligheid, tot godsvrucht! dat ontbreekt »toch ook niet in mijii harte. Gij zult toch wel niet gt;willen ontkennen, dat ik den Heere Jezus hartelijk »liefheb. Zooals Hij mij leiden wil, is het mij wel, ?gt;ik vertrouw geheel en al op Hem, en niets kan my »verhinderen het Lam te volgen, waar het ook »henengaat.quot; Ja mijne geliefden ! zooveel eigendunk schuilt maar al te vaak, niet alleen in het hart van wereldsche menschen, maar in de harten van Gods volk, dat zich aanmatigt den Heere te vreezen, en geloof en liefde te kunnen oefenen, naar eigen keuze en uit eigen kracht. Wie krijgt zulke hooge gedachten, zulke aanmatigingen en inbeeldingen uit de harten weg ? Ach ! er zit menigeen onder de prediking van 's Heeren woord, dien ik het wel luide zoude willen toeroepen »tenzij gij wederom geboren wordt, gij zult het koningrijk Gods niet zien! maar No. 127. 22 Nov. 1890.

ocr page 338

62

sprak ik zoo tot liem of haar van mond tot mond, dan zoude er aan het tegenspreken geen einde komen. Wat Mozes den volke hieromtrent voorhield, men wilde hem niet gelooven : daarom bezweert hij hen nogmaals toch arm en ellendig te worden, zoo ellendig, dat zij alleen op genade kwamen te rusten in den ge-loove, en zoo waarachtig leerden verstaan wat dat woord beduidt, de rechtvaardige zal zijns geloofs leven ! Maar de Heere is getrouw, Hij kent degenen die de Zijnen zijn, en een iegelijk, die den naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid. De Heere kent de Zijnen, en doorde omstandigheden leidt Hij ze op Zijnen weg. Die weg zal echter steeds door de woestijn blijven loopen, tot aan de grenzen van Kanaiin, opdat het ons duidslijk worde, wie wij zijn, en dat wij leeren zeggen : ik had wel gezworen uwe rechten te bewaren, ik meende wel uit eigen kracht te kunnen blijven gelooven, maar Gij, o Alwetende God ! Gij weet, hoe het in mijn binnenste gesteld is, en dat er geen vonkje geloof in aanwezig is. En hoe meer gij nu in duistere nachten tot Hem roept : ach God ! ach God ! hoe meer gij u zeiven, hoe meer gij alle vertrouwen op eigen kracht, eigen licht, eigen wijsheid verliest, des te meer zult gij u verwonderen, ja als verbaasd staan, als gij ervaart, hoe God zulk een monster als gij zijt, in een oogwenk aan Zijn harte zal nemen, en door de engelen zal laten dragen in het land der eeuwige ruste,

»Om u te verootmoedigenquot; lezen wij vs. 3. Eer ik verdrukt werd, dwaalde ik, zegt David (Ps. 119 vs. 67) maar nu — ik kan niet anders, ik heb niet anders, voor mij schiet er niets anders over — onderhoude ik Uio Woord. Hij was het die u verootmoedigde o Israël! De beker van smaad en verootmoediging, dien gij uit moest drinken, werd u alzoo niet door

ocr page 339

63

vleescli en bloed, niet door de vijanden, niet door de menscben in het algemeen, niet door den duivel, naaar door uwen Vader in de hemelen op de hand gezet. En al werd gij zevenmaal ter neder geslagen, zevenmaal vertreden en tot stof vergruisd, o gij rooze van Saron ! van wiens hand kwam u dit alles toe ? Zie terug langs uwen geheelen afgelegden levensloop, herdenk al uwe zuchten en tranen, al uwe jammer-kreeten, al de verootmoedigingen, die gij moest verduren, wie, wie was het die dat alles over n deed komen ? Het kwam niet van menschen, het waren ook niet uwe zonden, noch uwe vermeende deugden, die dit alles over u brachten, het was ook niet de duivel, die u onder Gods toelating zoo diep ter neerdrukte, neen ! dat deed uio God en Heere Zelf, en TIij doet het nog voortdurend. Hij was het, die u deed ontberen, wat gij meendet niet te kunnen ontberen. Hij liet u hongeren en dorsten, naar hetgeen gij meendet niet te kunnen missen. Als allerlei vernederingen ons overkomen, ja als honger en gebrek letterlek ons deel is, en nog veel meer, waar wij honger en dorsten naar de gerechtigheid, en wij geene verzadiging vinden, maar alles om ons benen eene dorre woestijn is, liet komt niet van het zoogenaamde iroodlot of toeval, dat wij in zulke omstandigheden zijn geraakt, maar het is de Heere God Zelf, die ons dat zware kruis op de schouders legt. Welaan! gij moet brood hebben, gij zijt verlegen om éénen gulden, om vijf stuivers, om éénen stuiver, om één cent, en gy hebt zeniet! O staar toch niet zoo wanhopend in de duisternis, die u omgeeft, want het is uw God, het is Zijne vaderlyke hand, die het zoo ver met u deed komen. En gewis ! het is ook Zijne vaderlijke hand, die u ongedacht, onverwacht één, tien, honderd of duizenden van guldens in den schoot werpt; gewis komt ook

ocr page 340

G4

dit van Hem, maar Zijne goddelijke trouw, Zijne genade verheerlijkt Hij nog veel meer aan u, als Hij u laat hongeren, als Hij u laat ontberen, wat gij meent te moeten hebben, en wat u schaden zoude. Ach! de trouwe liefde eener moeder openbaart zich immers veel meer daarin, dat zij het kranke kind, tot zijn eigen heil het gewone voedssl onthoudt, ook al ziet het kind er bleek en blauw van uit, dan daarin dat zij uit zwakheid aan haar kind geeft, wat -het niet hebben mag.

Ik kan het niet helpen, mijne geliefden ! dat er hier geschreven staat, dat het de Heare onze God is, die ons op zulke wegen geleidt! Eu daarom: gedenk o Israël! hoe Hij u deze veertig jaren door de woestijn geleid heeft. Hij verootmoedigde u. Hij verootmoedigde mij, Hij liet u. Hij liet mij honger lijden, ja, maar liet Hij ons daarin omkomen ? Ach ! ik hen jong geweest, ook ben ik oud geworden, maar heh niet gezien d*n rechtvaardige verlaten, ïiocIl eijn zaad, zoekende brood (Ps. 37, 25) ; Welaan ! gij hebt maar twee of drie gulden in de week te verteren, en moet er noodzakelijk vijf of zes hebben, en nu staat gij duizend angsten uit, dat gij in schulden op schuldeo zult geraken. Ach! zegt gij .het zijn treurige omstandigheden, waardoor ik in dozen toestand ben gekomen, had ik die of die betrekking, dit of dat werk, die of die verdiensten nog maar,dan zoude het er wel anders bij my uitzien ! Maar, zie nu eens wel toe, o gij die zoo klaagt, waren het menschen of was het God die uw weg zóó omtainde, dat gij thans niet meer verdient of bezit dan gij verdient of bezit ? Het was toch immers God,het was de Vader in de hemelen, ja, het was Zijne vaderlijke hand, die u liet of laat hongeren in letterlijken of geestelijken zin ! Maar waarom, waarom ? vraagt gij vol angst! Dat zullen wij ook hier vinden, hier

ocr page 341

65

in Dent. 8 Allereerst liet Hij u hongeren, om u een gezonden maag te verschaffen, bij u een recht gezonden honger naar waarlijk goede spijze op te wekken, opdat gij door armoede en gebrek, geestelijk of lichamelijk geleerd, u des te meer zondt verheugen, als gij uwe voeten wederom moogt zetten aan Zijnen disch. Wij lezen in het 3de vers niet alleen: »Hij verootmoedigde nquot;, niet alleen: »Gij liet u hongerenquot; maar ook gt;Hij .tpijsde u mèt Man1 — ziet ge, daar is de uitredding reeds —ja Hij spijsde u met Manna, met hemelach brood, zoodat gij gansch verbaasd moest uitroepen: gt;Wat is dat? »waar komt dat vandaan? Wie heeft dat gebracht?quot; Ja Hij spijsde u, o Israël, met manna, met hemelbrood. Dat kwam dus van boven, dat had de Heere gedaan, dat ging alle menschelijke macht te boven, dat was Zijne hand, dat was Zijne trouw ! Ach ! nu kan ik het met mijne oogen zien, dat Hij mij nochtans lief heeft, en dat Hij alle mijne zonden wil vergeven om Zijns grooten Naams wille, anders zou Hij mij immers niet zoo getroost en geholpen hebben ; maar nu zie ik dat duivel en wereld te vergeefs over mij triomfeeren, want mijn God verlaat mij niet; ja! nu zie ik de wonderen Zijner hand ! Van dat wondervolle Manna of Hemelbrood, dat de kinderen Israels te genieten kregen lezen wij verder in vers 3 gt;het Man, dal c/ij niet kendet, noch moe vaderen gekend hebben. Gewis is er niets nieuws onder de zonne, maar de uitreddingen Gods zijn zoo wonderbaar, komen altoos zoo ter juister ure, ja op het juiste oogenblik, dat het ieder, die ze genieten mag, te moede is, alsof nog nooit iemand zoo volkomen, zoo wonderbaar, zoo heerlijk door den Heere ware geholpen als hij ! Want o, zoo veel starren staan er niet aan den hemel te fonkelen, in den diepsten nacht, als er bij God middelen en wegen bestaan, om Zijne

ocr page 342

66

armen en ellendigen in liunnen nood bij te staan. Het aantal Zijner hulpbronnen is ontelbaar, als liet zand aan den oever der zee, ontelbaar als de golven, die daarop breken. Vergeet het nooit o Israël! dat de. FJeere u geholpen heeft, nadat Hy n liet honger lijden. Zooals gij het ondervonden hebt in de -woestijn, hebben uwe vaderen Abraham, Izak en Jakob het niet ondervonden, hoewel gij misschien vaak gedacht hebt, dat met hunnen dood de reeks van Gods groote daden gesloten was ! Maar waar God helpt, daar helpt Hij koninklijk, daar helpt Hy goddelijk, daar moeten wij allen vol verbazing uitroepen : Manna i wat is dat ? dat was Zijne hand, dat Zijne barmhartigheid, dat Zyne eeuwige trouw! Zijne alles te boven gaande genade! Ja! gt;Hij spijsde gt;u met manna, dat gij niet kendet, noch uwe vaderen »gekend hadden, opdat Hij u bekend maaktequot;. Hij wilde u alzoo iets bekend maken, u iets bijbrengen — en gij weet liet immers wel : als de kinderen op school zijn, moeten zij niet eten, maar leeren — God wilde u eene onderwijzing geven, en nu vraag ik n eens hoofd voor hoofd af: kent gij uwe les reeds ? O dat. wonderbare a b c des geloofs ! daar is men nooit aan uitgeleerd, want, als men met de b bezig is. heeft men helaas! de a alweder vergeten! daarom lezen wij : Dopdat Hij u hekend maakte', opdat gij het goed zoudt weten, maar ook opdat, als gij in nood zijt, gij het niet alleen weten, maar ook ervaren zoudt; dat de rnensch niet alleen van hvnod leeft (Deut. 8 vs. B). a De menschquot; ja die is geschapen uit het stof der aarde. Wie heeft hem echter geschapen ? De Heere ! Wie heeft alzoo 'a menschen maag geschapen, en wie heeft er het best verstand van, op welke wijze dit maaksel Zijner hand in siand moet worden gehouden? Immers de Heere, immers

■—

ocr page 343

67

uw God, o Israël. En voor uw maag heeft Hij het brood geschapen, en al de overige spijze, die gij dagelijks geniet. Maar, als datgene, waaraan gij gewend zijt en wat u onmisbaar schijnt, om onze lichaamskrachten in stand te houden, niet voorhanden is, is dan de Heere uw God toch niet machtig uw maao-te verzadigen, uwe krachten in stand te houden ? »Opdat Hij u bekend make, dat ch. mensc/i niet alleen van het brood leeft. O mijne geliefden ! Ziedaar woorden, die onzen trots en ingebeelden roem geheel eu al den bodem in slaan ! Moet dat ons dan nog bekend gemaakt worden ? Dat weten wij immers reeds allen ! Maar, maar, hoe ziet het er in waarheid bij ons uit ? De gierigaard wil geen gierigaard zijn, zij die van niets droomen dan van het zichtbare, willen er niet van hooren, dat zij liefhebbers van het hebben en bezitten zijn. En toch kent vleeach en bloed geen andere lijfspreuk, dan deze : de mensch leeft van brood alleen !

Voor liet tijdelijke, zoowel als voor het eeuwige leven, kent paus noch koorjongen, vorst noch bedelaar eene andere waarheid dan : ik moet zichtbaar brood hebben, ik moet weten, dat ik dat heb, anders kom ik niet door de wereld. En toen de Heere voor Zijn geheele lieve volk, Zijn heilig Kind Jezus in de woestijn liet hongeren en dorsten, toen kwam de duivel tot Hem en sprak tot Hem; gt;Indien gij Oods zoon zijt, zoo moet ook dat vasten, dat hongerlijden hier ophouden, daarom : zeg tot deze, steenen, dut zij brood iBorden ! Ach ! de duivel was nog te dom, om de gevolgtrekking te maken, dat Hij die macht genoeg zonde bezitten, om steenen in brood te veranderen, ook wel macht genoeg had, om zonder brood te leven. Toen opende de Heere echter den mond en antwoordde hem, deze woorden uit Deut. 8 aan-

ocr page 344

68

halende »dat de mensch niet van brood alleen leeftquot;. Het staat vast, dat de mensch brood van noode heeft, want, opdat er brood zoude zijn, laat de Heere vruchten des velds wassen. Maar Hij heeft ons ook leeren bidden: Onze Vader, die iu de hemelen zijt ! geef ons heden ons dagelijksch brood ; dat Gij voor ons gereed hebt, al weten wij niet, waar het ligt, geef ons dat, o Heere. Hij wil er om gevraagd zijn, en wil, dat wij doen, gelijk: de kleine kinderen, die, al is er overvloed van spijze en brood, lum ten goede gereed, toch niet eigenmachtig naar de kast mogen gaan, maar de moeder om eene bete broods moeten vragen, en wij mogen gerust tot Hem spreken: O Gij die veel beter zijt, dan eenig aardsch vader, o mijn Vader, die in de hemelen zijt ! geef ook mij heden mijn dagelij ksch brood. Wij menschen leven van brood, en van alles wat daaronder begrepen is, maar niet alleen daarvan, d. w. z. al is er geen brood, al zijn er geen uiterlijke middelen van bestaan voorhanden, nochtans is de Heere machtig Zijne menschenkinderen aan 't leven te houden want: het leven is meer dan het voedsel (Math. 6. vs 25). Dat het leven, het eeuwige leven, het heil des Heeren meer is, dan het voedsel, hoe weinig begrip hebben wy daarvan! AVeet gij hoe de menschen redeneeren: jawel! gewis ! ik ben bekeerd, daar ben ik niet over bekommerd, gewis ook ik heb mijne deurposten bestreken met het bloed des Lams, ook ik heb het paaschlam mede gegeten, ook ik ben door de roode zee henen gegaan: wel zeker ! en ik zal het nooit vergeten, hoe wonderbaar dat alles is toegegaan. Ziet; zoo zijn wij rijk, of meenen ten minste rijk te zijn, aan hemelsche goederen, en wij kwellen er ons weinig over of dat alles wel in waarheid ons deel is, of dat alles wel waarheid in en voor ons geworden

——

ocr page 345

69

is, en wij trekken het ons maar al te vaak weinig aan, of wij in oogenblikkelijke doodschheid en hardheid des harten daarhenen wandelen ; maar als wij in tijdelijken nood zitten, als er geen brood aanwezig is, dat veroorzaakt ons leed en angst, daarover kunnen wij ons ten doode toe kwellen. Maar, zegt de Heere, mijn kind! dit is nu juist de school, waarin Ik u geleide en waarin Ik u onderwijs geven wil-: dat gij honger lijdt, geestelijk of lichamelijk, het komt van Mij. Want juist hierdoor moet gij leeren, dat gij niet waarachtig vroom, maar dat gij een zondaar zijt. en zoo leert gij ook, dat alles, wat gij moet ondervinden en doorworstelen, louter bewijzen zyn van Mijne Vaderlijke toegenegenheid omtrent u. Leer ook dit: hoe vreeselijk de nood ook zij, waarin gij u bevindt, ja al kwaamt gij ook in gevaar het leven te verliezen, klem u des te vaster aan Mijne genade, aan Mijn woord ! sla geen wegen in, die verkeerd zijn, die niet met Mijn woord, die niet met het ware geloof in overeenstemming zijn. Ja, ik herhaal het; leer allereerst uit dezen weg, waarin gij zijt, dat het niet de hemelsche, de eeuwige goederen zijn, waarover gij u het meest bekommert, leer dit, opdat, in dien gij wegkwijnt en ter neder zinkt in name-looze droefenis, het daarover zij, dat gij niet allereerst leeft voor hetgeen des raenschen eigenlijke leven is, namelijk voor Hem, die gezegd heeft: Ik hen het brood des levens (Joh. 6 ; 48). O gij christenkind ! gij christenman ! gij christenvrouw ! wat geldt meer bij u, het eeuwige brood, het brood des levens of het vergankelijke brood V »0,quot; zult gij antwoorden, ^natuurlijk het hemelsche brood, dat staat veel hooger bij ons aangeschreven.quot; Maar is dat wel waar ? want geen mensch stelt van nature het hemelsche brood boven het aardsche. Het vergankelijke,

ocr page 346

70

——

het tijdelijke brood, dat is het, waarom de mensch bekommerd is, en de Heere Jezus, nu ja die mag dan, — vergeef mij die uitdrukking — hoogstens de toespijs daarbij zijn. Dat is het geloof, dat in de geheele wereld beerscht, maar dit geloof zal echter niemand baten, in de ure des doods. Zoo zeker honderd duizenden der kinderen Israels, die door de roode zee waren gekomen, gevallen zijn in de woestijn, zoo zeker zullen zij ook allen omkomen, allen, zeg ik, die niet door den Heere Zelf in die school des krui-ses worden opgenomen, om van harte te leeren zeggen : ik beu niets dan een goddelooze ! in uwe handen echter beveel ik lichaam en ziel, ook mijnen buik : wees gg mij maar genadig, opdat ik Uwen wil doe, opdat ik bij de goede keuze blijve, ja geef Gij mij maar genade, om bij uwe geboden te blijven, kom ik dan om, dan kom ik om, dat moet Gij weten, o Heere ! Hun, die niet van God geleerd worden, schijnt alles te gelukken, maar zij laten spoedig Gods Woord varen in hunnen ingebeelden voorspoed. Wil de Heero u echter rijk maken, dan maakt Hy u vooraf doodarm, als Hij u leeren wil, dan maakt Hij u allereerst dom en onkundig in eigen oogen ; als Hij u tot eere wil brengen, dan gaat uw weg vooraf van de eene diepte in de andere, en als Hij u met Zijne gerechtigheid wil bekleeden, dan moet gij eerst van al uwe ingebeelde gerechtigheid ont» daan worden; Hij maakt de menschen, die Hij verkoren heeft, tot ledige vaten, opdat Hij ze vervulle met Zijne genade. Maar de duivel en de wereld vervullen den mensch met allerlei schijngoederen, opdat zij eeuwig zouden verderven, en in de hel, in het eeuwige vuur vruchteloos zouden roepen en weenen, om een druppel water om hunnen dorst te lesschen.

»Opdat Hij u bekend maakte, dat de mensch niet

——

ocr page 347

71

van brood- alleen leeftquot;. Wel leeft de menscli van brood, maar het brood, de uiterlijke spijze is niet liet uitsluitende middel, waardoor zijn leven wordt in stand gehouden, maar dit is de waarachtige bron zijns levens, zooals ons tekst-vers verder zegt: maar dat de mensch leeft van alles, wat uit des Heeren mond uitgaat, of, zooals onze Heere Jezus Christus Zelf deze woorden aanhaalt, en wij dezelve verstaan moeten ; maar bij alle woord dat door den mond Gods uitgaat (quot;Math. 4, ts. 4), en Luk. 4 vs. 4 : En Jezus antwoordde hem — d. i. den Satan, toen die den Heere wilde verzoeken in de woestijn — zeggende: er is geschreven, dat de mensch hij brood alleen niet zal leven, maar hij alle teoord Gods. Zie, dit is het uitsluitende middel, waardoor de mensch leeft. Door het woord des Heeren, door de uitspraak Zyns monds is het brood voorhanden tegen onzen honger, en als ik mij buiten dat Woord om, op verkeerde en kromme wegen brood wil verschaffen dan zal ik er toch de rechte voeding niet van hebben, want den mensch recht sterk en gezond en geschikt te maken om den last van 's levens arbeid te dragen, dat is niet het werk van maag en spijze op zich zeiven, maar het ligt alles in het woord des levens, dat uit 's Heeren mond uitgaat, en dat het leven van ons leven is. Daardoor leeft de mensch, daardoor blijft hij in 't leven, maar dat woord komt tot hem, opdat hij ook het waarachtige, eeuwige leven mocht bezitten en alzoo het eeuwige, zalige leven voor hem reeds in de woestijn dezes aardschen levens mocht aanvangen, en het uitsluitende middel hiertoe is ; alle woord, dat uit den mond Gods uitbaat.

Myne geliefden ! wanneer ik een kind, mijn eigen of een vreemd kind, naar een van mijne woonplaats tamelijk ver afgelegen dorp of stad zend, behoeft

ocr page 348

72

dat kind er zich dan angstig om te maken, dat het geen geld by zich heeft, of mag het wel veilig vertrouwen dat er door mijne voorzorg halverwege wel esn verkwikkende maaltijd voor hem zal gereedstaan? En, als nu de Heere eet Zijner men.schcn kinderen dezen of dien weg op stuurt, zal dezelfde Heere voor hem dan ook niet het noodige eten en drinken beschikken ? En mogen 's Heeren kinderen dan ook niet vertrouwen, dat de Heere het, ook voor dit tjjdelijke leven, alles voor hen maken zal, ook al zien zij niet aanstonds Zijne trouwe vaderzorg, ja al schijnt Hij voor vreemden, voor vijanden soms beter te zorgen, dan voor hen? Waar God met Zijn heilig gebod, niet Zijn allerdierbaarst woord tot ons komt, zoude er dan in het houden van dit gebod, in het blijven bij dat woord geen groot loon verborgen liggen ? Gewis ! en Hij beloont koninklijk! Gij kunt Hem niet dienen met eene cent of Hij geeft er u een goudstuk voor terug Alles, hemel en aarde, staat en kerk, huis, vrouw en kind, alles, alles staat, leeft en zweeft in Zijn Woord, ook het tijdelijk leven met alle zijne behoeften staat daarin alleen vast! en indien dit zoo is met liet tijdelijk leven, hoe veel te meer met het geestelijke ! Neen, mijne geliefden ! laat het niet bij u zijn: eerst het brood, eerst het tijdelyke voordeel, en dan het leven, want dat is de stelregel des duivels, en de stelregel van mond-christenen, die met al hun fraaie woorden, des Heeren woord in de praktijk des dagelijkschen levens in het slijk vertreden. Eerst het leven, het leven in en uit God, en dan het brood!

Uitgegeven bij F. P. D'HUl.l, Middelhury.

Voor Duitschland verkrijgbaar bij F. KiiCKMANN, Eiberfeld. Prijs par Nummer 3 Cts. Franco per post i Ots.

ocr page 349

Bi] liet verschijnen van dit blaadje weet ons gelieele treurende Vaderland reeds de mare, dat Z. M. onze geliefde biedigde Koning Willem III, dooide n Heere van dood eu leven uit bet laud der levenden is weggenomen.

Diep bedroefd zien wij in hem den laatsten nianneiijken telg uit het geliefde Huis van Oranje Isassau weggerukt.

droeve on

Innig verbonden is ons land met dit doörluchte huis, onder welks bestuur God Zijn Nederland zoo vele wonderen deed

No. 128.

Nog is een rijsje aan den afgehouwen tronk te zien, God beschemie onze Koningin Wilhelmina, Hij lenige hare smart en die barer moeder onzer beminde Koningin-Re-gentosse, der Koningin-Weduwe Emma: de Almachtige geve ons in beiden Zijne trouw te aanschouwen, en binde alzoo Zelve het aloude snoer: »Kerk, Vaderland, Oranjequot;' toch nog vast samen; gedenkende der bede van den Zwijger: gt;Heerc ontferm U over mij en dit arme volk!quot;

6 Dec. 1P90

ocr page 350

S f! SI n IF T V E R k L A « I !¥ li E \

VAX

Or. 31. F. KOIILlSRiJGCiE.

Eenige bijzonderheden omtrent den uittocht der kinderen Israels uit Egypte en hunne reis door da woestijn. (Vervolg).

WAT DE HEERE AAN HET MÜRMÜREEREND ISRAEL LIET AANZEGGEN DOOR ZIJNEN KNECHT MOZES TOEN ZIJ KANAAN ZOUDEN BINNENTREKKEN.

De soldaat mag niet bij het waclitvuur liggen te slapen, als de vijand nadert, maar liij moet, verzadigd of niet verzadigd, uitgerust of dood moede, den vijand tegemoet trekken. En wat is daar ook aan gelegen ? Al ging de weg door een brandenden oven henen, welaan ! moet ik dan verbranden, dan moet ik verbranden, dat is des Heeren zaak, die wel machtig is, mij ook in den brandenden oven te redden en ongedeerd daaruit te laten gaan, maar één ding weet ik: Zijn woord laat ik niet varen ! De goddelooze borgt en betaalt niet, maar de rechtvaardige, al moest hij er honger om lijden, zal niemand iets schuldig blijven. De goddelooze, die voor godvreezend wil doorgaan, zonder het werkelijk te zijn, zoekt de smart zijner wonden te stillen met allerlei monniken-spel en zelf gekozen werken, maar de rechtvaardige uit den geloove kent een' anderen strijd. Als de zielevij-and hem toevoegt: gij komt er nooit door henen, gij gaat verloren, dan antwoordt hij: dat zal nog moeten blijken, o vijand! Maar Gij, b Mijn God en Heere, daar hebt gij

ocr page 351

75

alles, ik leg alles in Uwe lianden, mijne gevoelens, de gewaarwordingen mijns harten, mijne ziel, mijne oogen,en ooren, mijn Imis, mijne kinderen ; maar üw woord kan ik niet laten varen! »Ja ! maar waar wilt gij dan van sloven ? dan verkrijgt gij niets, dan ziet gij niets dan »gemis en ontberingen voor n, dan zijt gij des doods, verloren, geheel verloren,quot; zoo roept de vijand u wederom toe. gt;In den beginne — dit leerde ik lezen op den schoot mijner moeder — »in den beginne schiep God den hemel en de aarde !quot; Heeft Hij in den beginne den hemel en de aarde gemaakt, dan kan Hij mij ook wel in 't leven behouden, mnar of dit Zijn welbehagen is of niet, voor n, o vyand doe ik geen knieval ! Zie geliefden! op zulke wegen is het, dat een kind van God het leert ondervinden en smaken, dat de mensch van brood alleen niet leeft, naar van alle woord, dat uit den mond Gods uitgaat, en op zulke wegen komt niemand om, want het is de Heere Zelf, die op zulke wegen het leven en den vrede ge-ik vraag het u ! leven zij nog niet allen dierbare martelaren, die om des geloofs ïdood ? Wie is er ooit beschaamd of te schande geworden, die zijn vertrouwen heeft gezet op den levenden God ? Ja gewis, als Hij ons oefent, dan bevinden wij ons in de school des kruises, en alle kastijding, als zij tegenwoordig is, schijnt geen oorzaak van vreugd, maar van droefheid te zijn, en Hij geleidt ons langs wegen en paden, die wij niet gekend hebben, maar nochtans blijft het staan, blijft het staan, als eene star in den duistersten nacht: »de mensch leeft niet van brood alleen, maar bij alle woord, dat uit Gods mond uitgaat.quot; Hoe geschiedt dat ? Er staat: alle woord. Zie dat maakt ons klein en tevens gezond in den geloove. Welk handwerk gij ook moogt drijven, hetzij gij

op

biedt. Want die heilige, wille zijn y

ocr page 352

76

Ideedermaker, schoenmaker, timmorman, bakker, vleeschliouwer, arbeider, of wat dan ook zijt, gij staat daar in des Heeren Woord ! En hebt gij dat, o wees dan toch niet te bevreesd, laat n niet te zeer door zorg en angst ter neder houden. Hoe ging het Elia ? Toen hij daar eenzaam en verlaten aan de beke Krith ter neder zat, liet de Heere hem toen omkomen, of moesten niet de raven komen en hem van brood en vleesch voorzien ? En toen de beek opgedroogdquot; was, zond de Heere hem toen niet tot eene weduwe, die nog armer was dan hij, en heeft deze weduwe niet langen tijd koeien gebakken uit een meelvat, dat eiken dag scheen geledigd te zijn ? en voorzag de Heere juist op deze wijze niet in des profeten behoeften en tevens in de hare en die van haar kind? 1 Kon. 17 vs. 2—10. Gewis! het blijft er bij : de mensch leeft niet van brood alleen, maar van alle woord, dat uit den mond des Heeren gaat, en al moeten wij ons zelf veroordeelen en verdoemen, kan de Heere ons daarom niet in het leven behouden, lichamelijk en geestelijk ? En zal Hij dan nu dengene beschaamd laten staan, die tot Hem spreekt : Heere God ! hier is Uw eigen woord, hier staat het geschreven; die in Mij gelooft, die zal den dood niet zien in der eeuwigheid. Gewis ! de Heere zal hem behouden, al ging de weg ook door twee rijen van duivelen henen ! Liet woord bestaat, het woord dat uit des Heeren mond »uitlt;raat!quot; Waarom staat er niet »be veeltquot;? Ach! dat kunnen de moeders best verstaan, dat hunne zuigelingen geen voedsel tot zich kunnen nemen, tenz;j zij zeiven het eerst zorgvuldig voor hun bereiden, en het hun in den mond legeen. Als in het morgenland een Ko-

O o _ _

ning aan den disch is gezeten, en hij u wil overtuigen, dat er aan zijn koninklyk hof uw leven lang voor

ocr page 353

77

uw onderhoud zal gezorgd worden, dan deelt hij u mede van de hete, die hij in den mond heeft, schenkt u zoo zijn geheele hart, al de schatten zyiis ko-ningrijks en verzadigt zoo den honger en kommer, waaronder gij anders zoudt moeten omkomen.

Wij zijn nu genaderd tot het vierde vers van Deut. 8, en willen, voor dat wij verder gaan, eens te samen lezen, wat aldaar tot en met vers 11 staat:

• Ui cc. kleeding is aan u niet verouden/, en uw voel is niet gestcolieii, deze veertig jaren. Bekent dan in u/o harte, dat delleere, uxcOod, n kastijdt,gelijk als een man zijnen zoon kastijdt. Kn houdt de geboden des Heer en, uws Gods, om in Zijne wegen ie wandelen, en om Hem te vreezen. Want de Heere, uw God, brengt u in een goed land, een land van waterbeken, fonteinen en diepten, die in dalen en in bergen uit vlieten ; een land van tarwe en gerst,en wijnstokken, en vijgeboomen, en granaatappelen ; een land van olierijke olijf hoornen, en van honing; een land, waarin gij brood zonder schaarsehheid eten zult, waarin u niets ontbreken zal; een land, welks steenen ij eer zijn, en uit welks bergen gij koper uithouwen zult. Als gij dan zult gegeten hebben, en verzadigd zijn, zoo zult gij den Heere, uwen God, loven over dat goede land, dat Hij u zal )'ebben gegeven. Wacht u, dat gj den Heere, meen God, niet vergeet, dat gij niet zoudt houden Zijue geboden, en Zijne rechten, en Zijne inzettingen, die ik u heden gebiede. Merk op, o Israël! dat het deHeere, uw God, is, die u kastijdt, gelijk als een man zijnen zoon kastijdt; Hij wil u dus tot Zich trekken, o ziele! pas dit maar gerust op u zeiven toe. Het was de Heere, die u verootmoedigde, die u liet hongeren, die u liet ontberen! of die u verootmoedigt, die u laat hongeren, die u laat ontberen. Want zoo iets herhaalt zich dikwijls op den weg door de woestijn naar het land der eeuwige ruste, maar hebt gij er nochtans niet steeds van

ocr page 354

78

kunnen zingen, hoe wonderbaar Hij u telkens weer heeft gered en u heeft gespijsd met hemelsch brood ? Hebt gij niet telkens moeten uitroepen: Neen ! ■waar vandaan komt dit mij toe ? Dat is verre boven bidden en wenschen, zulke uitreddingen hc-bben noch ik, noch mijne vaderen beleefd tot op den huidigen dag! O gij arme pelgrim! werp eens een blik op uw huisraad, op uwe kleederen en schoenen, op uw zwak, ziekelijk lichaam, en als gij dan bedenkt, ■wat g'j al met al het uwe, en met dat ellendige lichaam hebt beleefd, moet gij dan niet vol verbazing uitroepen : ja ik was zevenmaal aan den rand des grafs, en noct sta ik daar! Ik hei) nochtans meer, dan toen ik geboren werd, en zeker meer dan ik in het graf zal kunnen medenemen. O hoe wonderbaar was mijn levensweg ! Welnu ! zijt gij dan nu zoo verootmoedigd door des Heeren hand, hebt gij honger en allerlei andere ontberingen moeten uitstaan, en hebt gij daarna ervaren, dat het zeker geen menschelijke hulp, maar de sterke arm des Heeren was, die u uit uwen nood redde, wat zult gij dan van zulk eene trouwe leiding, van zulke liefdevolle kastijdingen des Heeren zeggen ? Wat is dan de slotsom van dit alles ? Is het niet, dat het de Heere Zelf en niemand anders was, die u zoo leidde en kastijdde ? En al ging liet ook vaak met u in en door de diepte, zoodat het niet waar scheen te zijn, dat het eene vaderlijke hand was, die dat alles over u bracht, moest gij nochtans niet ten slotte in uw hart erkennen: ja ! het was mij wel dikwijls vreemd te moede in de hitte der verdrukking, maar ik heb den Heere toch noch moeten danken voor hetgeen mij het meest smartte, en ik heb het moeten belijden : het icas nnchtavn Zijne vaderlijke hand, snochtaiisquot; is de Heere in den Hemel daarboven ook mijn Vader. Ja!

ocr page 355

79

ik had slagen verdiend, en heb ze ook ontvangen, maar Hij, die mij sloeg was mijn Vader! En, o grooter heil kan toch geen arm en zondig menschen-kind smaken, dan dat de Heere van Hemel en aarde tot hem zegt: Ik ben uw God, en dat de Heere Zich niet schaamt zulks uit te spreken, hoewei Hij weet met welk een ellendig schepsel Hij te doen heett.

Als gij dan nu in uw hart alzoo de zekerheid hebt gekregen, dat alles wat gij moet verduren, u van de hand nw.-i Vaders is overkomen, zoo moet gij, van welt;re de hitte der verdrukking, niet verre van Hem

~ O

wegloopen, maar de* ie. meer tot Hem de toevlucht nemen en tot Hem vluchten met alles wat u drukt. En gaat het n nu bitter slecht, hebben duivel en zonde u deerlijk misvormd en een jammerbeeld van u gemaakt, zoo moet gij nochtans den Heere, uwen God, den levenden God, niet laten varen, niet het geloof laten varen ia Hem, uw eenig heil, en niet den eeuwigen rechtsgrond, den eenigen pleitgrond vergeten, dien God in Zion gelegd heeft. Neen ! juist van wege uwen grooten nood en jammer, moet gij de geboden des Heeren, Zijn gebod van leven en vrede in het bloed des kruises niet loslaten ; niet vertwijfelen, maar bij het ware zaligmakende geloof blijven, en dat leert u, dat God zonden vergeeft uit vrije onverdiende genade, en dat Hij een arm en ellendig zondaar rechtvaardigt in het bloed des Lams. Daarom, laat u van uwen God niet terughouden, noch dooide wereld, noch door de zonde, noch door den duivel, noch door het aanklagende geweten. Vleesch en bloed scheppen geen behagen in »des Heeren gebo-der) !quot; Maar God kan eenen armen en ellendigen wel helpen, die trots zonde, duivel, nood en dood, tegen allo beschuldigingen van het aanklagende geweten in, op dien éénen rechtsgrond pleit, dien God Zelf

ocr page 356

80

gelegd heeft. En gelijk de arme en ellendige in elk op zichzelf staand geval tot den Heere de toevlucht mag nemen, op grond van het bloed des Heeren Jezus, zoo mag hij zich ook tot den Onzichtbaren wenden in en met al de ellende dezes aardschen levens.

Zoo de Heere u dus genadig is, en het eene vaderlijke kastijding was, die u te beurt viel, wend u dan toch niet tot de afgoden, zoek daar geen hulp, maar wel bij dien God, die n verootmoedigd heeft, en u juist door deze kastijding Zijne vaderlij ke liefde heeft bewezen, gelijk een vader zijne trouwe liefde het meest daarin betoont, dat hij den zoon, dien hij liefheeft, kastijdt tot zijn tijdelijk en eeuwig heil. O ! nadat hij zijn kind gekastijd heeft, zal Hij het gewis ook zoet en liefelijk weten te troosten. Daarom, loop niet van Hem weg, blijf bij het ware geloof, want daaraan alleen is het eeuwige leven verbonden, daarin ligt ook alle heil en welstand voor dit aardsche leven opgesloten, opdat gij waarachtigen vrede en rust geniet. Dat alles ligt in Zijne heils-geboden.

Ik zeide, dat vleesch en bloed geen behagen scheppen in zulke wegen, want, als de mensch gezondigd heeft, ontbreekt het hem gewoonlijk aan waarachtig schuldgevoel, of hij vertwijfelt, zoodat hij in verharding des harten, of in wanhoop verzinkt. In het eerste geval, als de mensch zich verhardt tegen alle betere overtuiging in, en niet in waarheid voor God in de schuld wil vallen, zal hij toch zijn vertrouwen blijven stellen, — al praat hij ook veel van zijne misstappen en feilen, ja al schuimt hij zijne eigene schande op, als de baren der zee, — op zijne eigene krachten of verstand, op zijne ingebeelde deugden en wijsheid, op halve schuldbelijdenissen, op bijbelplaatsen, waarbij hij niet door den Heiligen üeest werd bepaald, maar die hij zich zelven opzocht, op eene eigen gemaakte

ocr page 357

81

leugenachtige bekeering, en hij zal zijne misdaden willen bedekken door anderen te doen gelooven, dat hij wederom geboren is, ofschoon hij nooit iets van eene waarachtige wedergeboorte heeft ondervonden. En zoo hij tot wanhoop vervalt, zal hij zich te gronde richten met de Kaïns belijdenis: mijne zonde is te groot, dan dat zij vergeven worde. Is er echter waarachtig, door God Zelf gewerkt schuldgevoel bij u aanwezig, zoo zult gij ophouden u, op welke wijze dan ook, te willen verontschuldigen of rechtvaardigen, maar dan zult gij maar eenen rechtsgrond hebben om op te pleiten, namelijk die koperen slang, die God hoog heeft laten oprichten tegenover de slang, die in uw binnenste huist, en wier vergift in uwe aderen woelt; als gij daarop ziet, al is het dan ook met gebroken oogen, zoo zult gij leven en niet sterven ! Vleesch en bloed echter wil van deze koperen slang, die God ons tot een eeuwigen rechts- en pleit-grond gaf, niets weten, maar meent toch niet zoo geheel ontbloot te ziju van alle gerechtigheid en heerlij kheid.

Heil ons, dat niemand dat beter weet dan de Heere Zelf, die ons kent tot op het gebeente, en tot ons komt, met Zijne nederbuigende en alles omverwerpende genade, en tot ons zegt: Ik ben het, o mijn volk! die u vaderlijk gekastijd heb, erken dit toch, en wat er ook voor bestrijdiugen en aanvechtingen in u opkomen, blijf er u nochtans aan vastklemmen, dat Ik, op grond van Mijn genadeverbond mo God ben en blijf, opdat gij wandelt in mijne wegen.

Het is zulk eene lichte zaak niet, in des Heeren wegen te wandelen. Er zijn, o zooveel, bijwegen en doolpaden ; die zijn dan allen meer of min breed en gemakkelijk, en al schijnen zij somtijds smal te zyn, zoo zijn zij toch altoos zóó breed, dat gij het rustig

ocr page 358

82

kunt berekenen: ik kom er door. Des Heeren wegen echter zijn zoo smal en eng, dat het elk menschelijk verstand verre te boven gaat, hoe het mogelijk is, dat men daarop veilig en zeker het einddoel zal bereiken, ja zelfs, hoe men er op kan gaan zonder te vallen en voor altoos te blijven liggen. In de wegen des He aren wandelt gy niet, tenzy Gods gebod by u hoog in eere staat, anders zult gij, zoodra het aan een kruispunt komt, den rechten weg verlaten en een valsch pad inslaan. » 0gt;n in Zijne wegen tquot;. wandelen, gt;en om Hem te vreezenquot;. Waar loopt die weg henen ? Die weg loopt naar het eeuwige leven! naar de eeuwige heerlijkheid ! En al is de weg des Heeren ook nog zoo smal, nochtans is hij breed, want de Heere Zelf geeft daarop ruimte, en maakt het land wijd, doordat I I ij Zelf op dezen weg Zijne arme pelgrims tegemoet komt, zoodat hunne oogen den Koning zien in Zijne schoonheid. Maar de breede weg, de weg des doods, der zonde, des ongeloofs, belooft aan vleesch en bloed wel allerlei voorspoed en heil, maar wie zich daarop in den strik des duivels heeft Ir ten vangen, weet wel wat er van zulke beloften waar wordt. »Om in des Heeren wegen te mandelen, en Hem te vreezenquot;. 0 ziel! dat krijgt gij nimmer klaar, tenzij de Heere met u ia, tenzij gij het ware, zaligmakende geloof van Hem hebt ontvangen. Ach ! in tijden, waarin de uiterlijke godsdienstigheid als het ware eene tijd- en modezaak is geworden, daar valt liet licht zich met een scAyn-vroomen glans te versieren, en uiterlijke godsvrucht zelf valt niet zwaar in tijden, waarin daardoor geld, eer, aanzien is te verkrijgen, en men daardoor, in plaats van overal weggeduwd en weggeworpen te worden, tot eer en aanzien in de wereld komt. Maar als de Heere zegt: dit of dat is de weg, waarin gij wandelen moet,

ocr page 359

83

opdat gij Mij vreest, dan kan men er ook vast op rekenen, dat zulke echte vreeze Gods ook op de proef zal worden gesteld. Dit zien wij b. v. aan den profeet Jona. Die werd door den Heere verre, verre weg gezonden, om in de groote stad Nineve des Heeren woord te verkondigen. Hij wil echter anders dan de Ileere wil, hij vliedt van voor des Heeren aangezicht, en meent Hem op de zee te kunnen ontvluchten. Maar, o Jona! en gij allen, die als hij handelt, het staat niet by den mensch, dat hij zijn weg richte, Gods wil zal nochtans geschieden, en God Zelve zal Jona wel in dat Nineve weten te brengen, waar hij niet heen wil. Een hevige stormwind overvalt het schip, waarin Jona in vadsige rust ligt te slapen, terwijl al zijne lotgenooten door angst en vreeze bevangen, een elk tot hunnen God roepen om redding en uitkomst. Het was echter de Heere Zelf, die trouwe God Israels, die dezen storm geboden had te waaien, want Nineve, en niet het schip, was de plaats, waar Hij Zijnen Jona wilde hebben. De scheepslieden wekten den slapenden Jona en vroegen hem : wat is uw werk ? en van waar komt gij ? welk is uw land? en van welk volk zijt gij ? O wat zal Jona nu antwoorden ? Zal hij zeggen : ik ben des duivels, ik ben een kind des doods ? Nog eens, wat zal hij antwoorden ? Ik ben een zondaar ? Ja ! dat wasjhij gewis, en hij had het net des duivels en der zonde zich zeiven over het hoofd gehaald door moedwillige ongehoorzaamheid! Maar nochtans , hij haatte de zonde, ja hij haatte die met een volkomenen haat, al zat hij er ook tot over het hoofd toe in bedolven, en daarom spreekt hij het tegen al de machten des afgronds nochtans onverholen uit: ik ben een Hebreër en ik vreeze den Heere, den God des hemels, die de zee en het drooge gemaakt

ocr page 360

84

lieeft; daarom werpt mij in cle zee, zoo zal de zee stil worden voor u lieden, werpt mij maar over boord, zoo zult gij rust hebben. Hij hoort de stem van het aanklagende geweten, dat hem luide verwijt: gij zijt voor des Ffeeren aangezicht gevloden, hij ziet den afgrond aan zijne voeten, maar nochtans spreekt hij het uit: ik vreeze den Heere, ik ben een Hebreër, ik kan Gods verbond niet laten varen, ik kan den duivel geen gelijk geven, want God is genadig alleen op grond van dien eenigen rechts- en pleitgrond, dien Hij Zelf gelegd heeft. Dien grond heeft Hij my Zelf leeren kennen, en ik kan dien niet verloochenen, en daarom al is het voor den openen mond des afgrond?, het moet er uit: nochtans is FUj mijn God !

»Alle geboden die ik u gebiede, spreekt de Heere, onderhoudt die.quot; Blijft bij het ware zaligmakende geloof, en ontbreekt u dat, hebt gij daar nog geen kennis aan voor n zelve, o laat het dan toch uw aller grootste bekommernis zijn, hoe gij daartoe zult komen, opdat gij Hem vreest, en in Zijne wegen wandelt, want zonder dat, zal van de vreeze Gods, van het wandelen in Zijne wegen niets komen, hoeveel gij er ook over moogt praten, maar heeft Hij u waarachtig staande gehouden op uwen weg, en u geleid tot en n gefondeerd op den eenigen rotsteen Jezus Christus, zoo zult gij Hem vreezen, niet alleen in goede dagen, wanneer Zijn liefelijke zonnestralen u geestelijk en lichamelijk verkwikken, maar juist in duistere dagen van storm en nood, van treurigheid en smart!

Uitgegeven bij F. P. D'HÜIJ, Middelhury.

Voor Duitschland verkrijgbaar bij F. BüCKMANN, Elherfeld. Prijs per Nummer 3 Cts. Franco per post 4 Cts.

ocr page 361

SCHllIFTVËUKLARINGKN

TAN

»r. H. F. KOElLBRSjijiGSE.

Eenige bijzonderheden omtrent den uittocht der kinderen Israels uit Egypte en hunne reis door de woestijn, (Vervolg).

WAT DB- HEERE AAN HET MüRMUREEREND ISRAEL LIET AANZEGGEN DOOR ZIJNEN KNECHT MOZES TOEN ZIJ KANAAN ZOUDEN BINNENTREKKEN.

En o ! indien liet waarlijk eene vaderhand is, die mij slaat, dan is het ook eene vaderhand, en dan heb ik de hand op den mond te leggen ! maar dan mag ik ook mijnen vader in de hemelen mijne brandende en Rnmrtende wonde vertoonen, en al mijne zorgen op Hem werpen. Hij is getrouw, en Hij zal Zijn verbond waar maken aan mij en mijn zaad, in leven en in sterven. De Heere God weet dus wel, door welke verzoekingen Zijn volk heen moet, en daarom roep ik het een iegelijk toe, die dit leest: noch gij, noch ik weten nog wat ons wacht, wij zijn nog niet aan ons einde gekomen, wij weten niet, wat ons nog boven 't hoofd hangt, en waar wij nog door henen zullen moeten gaan ! In den hemel worden voortdurend allerlei kruisen bereid, dat houdt dag noch nacht op, en bet is de Heere God Zelf, die Zijne heilige engelen uitzendt, om die kruisen, die in den hemel wel voor eerekruisen gelden, maar toch zoo biiter zwaar kunnen zijn, voor hen, die ze moeten dragen, onder Zijne lieve kinderen uit te deelen, zoodat nau-No. 130. 3 Jan. 1891,

ocr page 362

86

welijks het eene kruis hun van den rug is genomen, of het andere wordt hen weder opgelegd. Want wat zoude er van u worden, o gij kind des Heeren ! zoo gij ongestoord geluk had ? Dan zoude er niets van u terecht komen, maar wij hebben met eenen getrouwen God te doen, die Zijn volk geleidt van de eene diepte in de andere, en juist daarom zullen wij Hem in de eeuwige heerlijkheid des te meer loven! Laat u daarom door geen storm, van welken aard dan ook, het geloove Gods uit de hand slaan !

Gij weet immers wel te antwoorden op de vraag: »wat is een oprecht geloof ?quot; Een oprecht geloof is immers niet alleen »een zeker weten en kennis, waardoor ik het »al voor waarachtig houde, wat ons God, in Zijn woord ^geopenbaard heeft, maar ook een zeker vertrouwen, »'twelk de Heilige Geest door het Evangelie in mijn gt;harte werkt, dat niet alleen anderen, maar ook mg gt;vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en za-»ligheid van God geschonken zij uit louter genade, gt;alleen om de verdiensten Christi wille (Heidelb. »Gat. Vr. en Antw. 21).quot; Gij kent toch ook nog wel dat heerlijke antwoord op de 60ste vraagquot; : »hoe zijt gij rechtvaardig voor God ?quot; gt;Alleen door gt;een oprecht geloof in Jezus Christus, alzoo, dat al »is het, dat mij mijne conscientie beschuldigt, dat ik gt;tegen alle de geboden Gods zwaarlijk gezondigd en »derzelven geen gehouden heb, en nog steeds tot alle »boosheid geneigd ben, nochtans God, zonder eenige gt;mijne verdienste, uit loutere genade mij de voi-gt;komene genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid gt; Christi schenkt en toerekent, even als hadde ik »nooit zonde gehad, noch gedaan, ja als hadde ik gt;ook al de gehoorzaamheid volbracht, die Christus gt;voor mij volbracht heeft, zoo verre ik zulke wel-gt;daad met gelooviger harte aanneme.quot; O blijf daar-

ocr page 363

87

bij o ziele, verder zult gij liet nooit brengen, maar, hoe oucLr gij wordt, hec des te meer ervaren, dat al verstaat de Heere, liet koninklijk in de paden des rechts te leiden en uwen voet voor struikelen te bewaren, gij nochtans niet meer zijt en blijft, dan een arme hulpbehoevende zondaar. Eu hoe eerlijker gij zijt, des te meer zult gij het luiae moeten erkennen : ik heb nooit een der geboden (lt;ods gehouden, zooals het moet, en mijn geweten zegt liet mij genoeg, dat ik voortdurend tot alle boosheid geneigd ben. Nu o volk ! hoe zult gij dan God vreezen en in Zijne wegen wandelen ? Alleen door het geloof in Hem, alleen daardoor dat de Heere u al de gerechtigheid en gehoorzaamheid en heerlijkheid toerekent, die de Heere Jezus voor u volbraclit heelt op Golgotha. Dit is het ware zaligmakend geloof', en alleen daardoor zult gij in des Heeren wegen wandelen. Op dezen weg vallen wel veel en harde slagen, maar nochtans het is een goede en liefelijke weg. een weg waarvan het einde is eeuwig leven, en eeuwige heerlijkheid ! Opdat gij Mij vreest, opdat, als ook gij heden of morgen evenals Jona in het schip, dat gij u zeiven hebt uitgezocht, om daarop verre, verre van uwen God te vlieden, ligt te slapen, en vreemden u vragen: wat voor godsdienst hebt gij V gij het luide zoudt uitspreken : ik ben van mijnen Vader weggeloopen, ik wilde Zijnen wil niet doen, daarom werp mij in mijns Vaders naam over boord. Hem vrees ik. Hem vrees ik, Hem alleen.

O ziele ! op dezen weg zijt gij niet verlaten, al wandelt gij ook nog zoo alleen, want de Heere uw God is bij u, en Hij geleidt u op uw eenzaam pad. Weet gij het zelve wel, waarheen gij op reis zijt, en waar uw weg op uitloopt ? dat lezen wij üeut. 8 : 7a : want de Heere, uw God, brengt u in een goed land.

ocr page 364

88

Is oat niet waar, o volk ? Het land, dat de Heere, onze God, ons geeft, is een zeer goed land ; o ! dat ■wi] het toch nooit vergeten! en over het land, dat Hij ons geeft, niet spreken, zooals de verspieders spraken, die van het land, vloeiende van melk en honing, een boos gerucht verspreidden onder de kinderen Is-raëls, maar het voorbeeld volgen van Jozna en Ka-leb, die trouw bevonden werden van den Heere. Het land nu, dat de Heere aan Zijn volk belooft, is een drievoudig land. Eerst hebben wij ons geboorteland, of, zoo wij niet meer daarin wonen, het land onzer inwoning, en waar nu ook onze woonplaats zij, er zal wel niemand zijn, die zich niet omringd ziet, waar hij zich ook bevindt, van velerlei onverdiende, ja verbeurde zegeningen, en er is niemand, die zich met recht kan beklagen over do hen! door den Heere aangewezene woonplaats. Ja, het land onzer inwoning is gewis een goed land, ook het vaderland, dat de Heere ons gaf, vloeit over van allerlei zegen en overvloed. Maar er is nog een ander land, er zijn nog andere groene weiden en velden dan die, aan wier aanblik ons lichamelijk oog zich vaak verkwikt. Dat is dat land, waarvan David zingt in Ps. 23: de Heere is mijn herder, mij zal niets ontbreken ! Hij doet mij neder liggen in grazige weiden ; Hij voert mij zacht kens aan zeer stille wateren. Zie, dat is het tweede land, dat de Heere aan Zijn volk geeft; het land of de weide der genade, en het derde land is het land der heerlijkheid. Het uiterlijke land, dat de Heere aan Zijn volk Israël gaf, wordt nu in de volgende verzen beschreven, en het is eene getrouwe afspie geling van het land der genade, dat de Heere niet alleen aan de Israëlieten, maar aan geheel Zijn geestelijk Israël schenken wil. Wij lezen in Deut. 8 : 7—9 : want de Heere, uw God, brengt u in een goed land,

ocr page 365

89

etn land van icaterbeken, fonteinen en diepten, die in dalen en in hergen uilvlieten ; een land van tarwe en gerat, en wijnstokken, en vijgeboomen, en granaatappelen, een land van olierijke olijf hoornen, en van honig, een land, waarin gij brood zonder schaarschheid eten zult, waarin u niets ontbreken zal; een land, teelks tteenen ijzer zijn, en uit welks bergen gij koper uithouwen zult. Het land Kanaan was een bergachtig land. Wij wonen, hier in Elberfeld, ook in een bergachtige streek, en al bevatten de bergen, die de stad onzer inwoning omringen, geen zilver uocli goud, toch ontbreekt het ons hier niet aan allerlei overloed en welvaart. En welke schatten dalen ook niet in ons dal, met onze rivier de Wupper van de ons omringende of verder afgelegene bergen, neder ! Want wat zoude er van de honderdduizenden worden, die hun brood in talrijke fabrieken alhier verdienen, die zonder het water onzer rivier niet in stand zouden kunnen blijven? Hef is dus de genade Gods jegens honderdduizenden, die het water der Wupper van de hooge bergen in ons dal doet nederdalen. Zoo grijpt in de aardsche dingen altoos het eene in het andere, en is de geheele zichtbare wereld als eene keten, wier enkele schakels en wier samenvoeging het werk des Heeren Heeren is.

Hoe ongelukkig zouden wij niet zijn, indien des Heeren hand ophield de wateren uit de bergen te doen voortkomen ! Welk eene dorheid en droogte zoude er niet ontstaan ! En in het geestelijke, denken wij hier bij aan Ps. 46, waarin zoo heerlijk staat geschreven van de stad Gods, van liet heiligdom der woningen des Allerhoogsten, die verblijd wordt door de beekjes der Godsrivier, en ook aan Jesaja 35 : 6b en 7a : xoant in de. woestijn zullen wateren uitbarsten, en heken in de wildernis. En het dorre land

ocr page 366

90

zal tot staand icater worden en het dorstige land tot sprimjaders der ivateren. Mijne geliefden ! de godza-liyheid is tol alle dingen nul, /tebhende de beloften des tegemcoordigen en des toekomenden leven (1 Tim. 4, 8). Wij hebben in onze woonplaats overvloed van brood, en een ieder, die voor 's Heeren aangezicht hier leeft, zonder gulzigheid of te hoog gespannen eischen, zal het hier aan niets ontbreken. Brood en vruchten zijn hier in overvloed, als maar de vreeze des Heeren bij ons het beginsel der wysheid is ! God heeft de stad onzer inwoning, ons dierbaar Elberfeld, met weldaden overladen, zoo als haast geen andere stad op aarde. Hij heeft hier vaak geestelijken regen gegeven, en haar van ouds her gezegend met Zijn woord. Ja, Hij bracht ons in een goed land, onder eane verkondiging, waar het niet is heden ja ! en morgen neen! waar den armen zondaar geen lasten worden opgelegd op de zwakke schouderen, door predikers, die dquot;ze lasten zelf niet met den vinger aanroeren, maar waar het ja ! en Amen ! is in Christus Jezus.

Laat ons nu het 10de vers van Deut. 8 eens te zamen lezen, geliefden! Wij vinden daar : Als gij dan zuil. gegeten hebhen, en verzadigd zijn, zoo zult gij den Here meen God. loven over dat goede, land, dat Hij a zal gegeven hebben. Ziet gij, geliefden ! zoo dwaas en verkeerd zijn wij, dat wij, als de Heeie ons met weldaden overladen heeft, nog gevaar loo-pen er Hem niet voor te loven. Hem Zijne eere te onthouden. Om in den waarachtigen en eeuwigen

O O

troost te leven, en eens zalig te sterven, zijn u immers drie stukken noodig te weten : vooreerst, hoe groot uwe zonde en ellende is ; ten tweede, hoe gij van al uwe zonde en ellende verlost zijt, en ten derde, hoe gij God voor zulk eene verlossing zult dankbaar zijn. Maar van dit laatste stuk z;d nooit iets komen,

ocr page 367

91

mijne geliefden ! tenzij gij gehouden wordt bij des Heeren geboden van leven en vrede in Christus Jezus, en gij zóó blijft staan op den waren en eenigen grond, dien God Zelf gelegd heeft, en volhardt in het eenvoudige en gezonde geloof in Jezus Christus, onzen Heere. Wat heeft de Heere dan met Zijn volk op het oog ? Hetzelfde, wat iedere goede huismoeder ook op het oog heeft, namelijk, dat de kinderen verzadigd worden, niet dat zij zich door overdaad de maag bederven, maar dat zij rijkelijk verzadigd worden ! Indien het ware, zaligmakende geloof maar aanwezig is, dan zal geen nood den armen mensch kunnen te niet maken, geen armoede hem tot vertwijfeling brengen, want het ware geloof leeft niet in de zichtbare dingen, maar het houdt zich niet Mozes vast, als ziende den Onzienlijken (Hebr. 11 : 27). De zegeningen, die de Heere ons verleent, zijn ook op zichzelven niet gevaarlijk, maar, die genietende, loopen wij gevaar, onzen God te vergeten en Hem daarvoor niet te loven. Ja ! als de nood aanwezig is, dan bidt en roept men wel vaak tot den Heere, als men nergens anders meer heen kan, en gewis is de Heere een hoorder en verhoorder des gebeds, en geen mensch zal bedrogen uitkomen, die Urrn aanroept in den nood. Maar de Heere wil ook voor Zijne weldaden en zegeningen geloofd en geprezen zyn, en Hij hoort niet minder gaarne onze lotliede-ren, dan onze jammerkreten, bovenal ziet Hij op onzen handel en wandel, en daarop, dat Zijn heilige Naam om onzentwille niet gelasterd, maar geëerd tn geprezen worde. O ! die barmhartige God in den hemel, is juist zoo gezind, als een teederliefhebbende aardsche vader, die het zoo gaarne heeft, dat zijne kleine kindertjes hem om den hals vallen, en juichend uitroepen : wat zijt gij toch een lieve en

m

fjy

ocr page 368

92

goede vader, en lioe meer zij hem liefkozen, des te meer kunnen zij van hem verkrijgen. Ja zóó is de Heere. »Enquot; zoo lezen wij verder in ons hoofdstuk,quot; als gij dan zult gegeten hebben en verzadigd zijn, zoo zult gij den Heere uwen God loven, over dat goede land, dat Hij u zal hebben gegeven. Hoort gy het wel mijne geliefden ! het is de Heere, uw God, die u dat land gegeven heeft, het is Zijne genade, het is eene gave uit Zijne milde hand ! en Hij schenkt u dat alles om Jezus Christus wille alléén. En indien Hij u geen uiterlijke welvaart en overvloed gaf, maar gij naar Zijnen alleen wijzen raad, menige ontbering moet lijden, zoo geeft Hij het u nochtans innerlyk, en wil dat uwe arme ziel vrij leve en ademe in dat goede land, dat hier reeds in het geloof bezeten wordt, maar dat eerst boven recht gezien en genoten zal worden. Uit vrije genade heeft Hij ons dat geschonken, en wanneer wij Hem loven, dan verootmoedigen wij gewis ons zei ven; want de Heere lt;iod kan door den mensch nooit en nimmer geloofd en geprezen worden, tenzij de mensch bekenne, dat hij niets is, en niets in de handen heeft dan zonde en ellende, en dat alles, alles voor tijd en eeuwigheid alleen ligt in de hand des Heeren. Wie echter den Heere niet verhoogt in zijne ziel, die hoort de prediking des Zondags eens, misschien ook wel tweemaal, en tracht er Maandags zoo wat naar te leven, houdt zich Dinsdags ook nog meer of min in toom, maar Woensdags is alles vergeten, en men holt de wereld in op openbare of meer bedekte wijze. En dat komt daar van daan, dat men, hoewel de prediking hoorende, er zich toch verre boven verheven voelt, en, omdat men de toepassing van het gehoorde op anderen en niet op zich zeiven maakt, en waant in alle gerechtigheid en heiligheid te wandelen. O

ocr page 369

93

niijnB geliefden ! indien gij de toepassing van al, wat gij leest of hoort, op u zeiven maakt, dan zult gij u ook voor des Heeren aangezicht schamen in stof en assche, en het voor Hem belijden, dat gij Hem nog nooit of nimmer geloofd en geprezen hebt, zoools Hij behoort geloofd en geprezen te worden, want waar dit geschiedt, daar scheuren de banden, waarmede duivel, zonde en wereld ons geketend houden en wij worden gezet op de wagens van Gods vrijwillig volk, en eens door de engelen gedragen in Abrahams schoot, wij allen, die het hier leerden uitroepen, dat uit Hem, en door Hem, en tot Hem alle dingen zijn, en dat Plem alleen de eere toekomt in alle eeuwigheid ! En daaruit ontspruit ook de ware tevredenheid, de ware dankbaarheid, zóó wordt er ijverig zorg gedragen voor huis en hof, zóó'heeft men de ons van God geschonkene vrouw lief, en worden de kinderen opgevoed in de leering en vermaning des Heeren ! Dan is alles, wat mij omringt, alles, wat ik bezit, het eigendom des Heeren, het is mij alles een onderpand Zijner liefde, die mij dat alles gaf, opdat ik er mij mede zoude vermaken, zoo als een kind zich vermaakt met het hem geschonken speelgoed ; totdat de ure daar is, dat ik mijn reiskleed af mag leggen, en de reiswagen komt, die mij voor eeuwig te huis brengt in het paleis mijns Vaders. Er zijn maar twee wegen mogelijk, mijne geliefden ! de Heere wordt of geloofd, of vergeten. En als de Heere nu door de omstandigheden uws levens, of door de dorheid en hardheid uwer ziel tot u schijnt te zeggen: u ken ik nüit. loof Hem dan nochtans, en als Hij het nogmaals tot u zegt, laat de duivel u den mond niet stoppen, en als de Heere ten derden male tot u spreekt ; van u toil ik niets welen, gij zijl mijn kind niet, laat nochtans Zijn

ocr page 370

94

—-

lof van uwe lippen vloeien en zeg : nochtans zijt Gij mijn God, nochtans zijt Gij goed, nochtans is Uwe goedertierenheid tot in eeuwigheid ! 0 gewis ! al laat tlij u ook wachten, Hij zal Zijn vriendelijk aangezicht tot u wenden en u volkomene uitredding schenken.

Mijne geliefden ! laat ons toch dankbaar zijn voor het goede land, waarin des Heeren trouw en liefde ons geplaatst heelt, hetzij dat land Duitschland .of Nederland heet. Laat ons verder Hem danken voor het goede land, dat wij hez'tten in de verkondiging van Zijn goddelijk Woord maar laat ons bovenal danken en Hem loven voor dat goede land, dat daar boven ligt, want, als wij gespijsd en rijkelijk verzadigd zijn, hebben wij den pelgrimstaf verder te zetten op onze reis door de woestijn.

Vs. 11. gt; Wacht ii, dat ff [j den TJeerp, ui ren God, niet verijpi'tquot; Vergeten beduidt hier eigenlijk, »van iets afzakkenquot;, gt;wegzinkenquot;, »afvallenquot;, zoodat alles uit het verband geraakt. De Ileere wil dus met deze woorden zeggen : o Mijn volk ! houdt, u toch vast aan den zoom Mijns 1-leeds, opdat gij niet wegzinkt in de diepte, verre, verre van Mij, die de eeuwige fontein en bornput uws heils ben. O die wonderbare God in den hemel! wat kent Hij ons toch goed, en wat zegt Hij van ons V Helaas! niet anders, dan dat wij Hem telkens en telkens vergeten, en vergeten zullen. Nu laat Hy ons echter niet over aan onze dwaasheid, aan onze verdorvenheid, maar onderwijst ons als een geduldige leermeester. Hij leegt;t het ons, hoe ras wij Hem vergelen, en maakt een eind aan al de inbeeldingen onzes harten, en aan onzen trotschen waan. waarin wij meenen, dat wij wel wis en zeker den Heere zullen blijven aanhangen en hem in gedachtenis kunnen houden ; want mijne geliefden ! wij moeten het voort-

I

ocr page 371

95

durend leeren, dat, indien wij den Heere loven en prijzen, zulks alleen geschiedt door des Heeren heiligen Geest, wanneer die iu onze harten binnentrekt, en 's Heeren lof van onze lippen doet vloeien. God wil, dat wij Heru in gedachtenis houden. Daarom handelt Hij met ons, zoo als eene moeder met hare volwassen dochter, eene vrouw met hare dienstmaagd, een heer met zijnen Inecht handelt. Dan zegt men ; hier is eeu korf, eene schotel of fiesch, haal mij dit of dat, maar vergeet nu niet, wai ik u opgedragen heb, maar breng het van de markt te huis. Hoe denken echter knecht of maagd ? Wat verbeeldt Mijnheer of Mevrouw zich wel ? zoude ik zulk een slecht geheugen hebben ? Maar de Heere stoort zich weinig, waar het onze zaligheid geldt, aan de goede meening, die wij van ons zeiven hebben. Hij kent ons tot op het gebeente en weet maar al te goed, hoe onwetend wij zijn, en hoe kort ons geheugen is, als het Zijnen alleen heiligen en heilzamen wil betreft. Hij zendt ons met eenen ledigen korf op weg, opdat wij dien uit Zijne voorraadschuur zouden vullen met allerlei heilsgoederen voor huis en hart. Dan denken wij in onzen hoogmoed : zouden wij dat vergeten ? daar is gewis geen nood voor ! Maar, als wij op weg zijn, hebben wij het zoo druk, en zien zoo veel naar alle zijden om, dat, wanneer wij te huis komen, onze ledige korf tegen ons getuigt, en het wel aan het licht komt, dat wij jammerlijk aan 's Heeren voorraadschuur zijn voorbij geloopen.

Mijne geliefden ! De Heere is in het geestelijke, zoo wel als in het wereldlijke, begin, midden en einde, en Hij wordt niet moede, noch mat om ons bij de hand te vatten, als wij daar zoo in onze lichtzinnigheid daarheen gaan ; en Hij houdt niet op ons te vragen : Bedenkt gij wel, waar gij heen gaat ? Hij

ocr page 372

96

vermaant ons zoo vriendelijk Hem toch in gedachtenis te houden. Alzoo geliefden ! vergeet de pomp, de bron niet, wier water u tot op heden toe zoo vaak heeft verkwikt. Neen, neen, dat zullen wij voorzeker nooit vergaten, hoe kunt gij denken, dat wij zoo onverstandig zouden zijn ? Tn het lichamelijke, wereldsche, moge uw geheugen misschien bijzonder sterk zijn, maar in het geestelijke ? Ach, in het geestelijke gaat gij maar al te vaak met uwe emmers op weg en brengt ze weer ledig te huis, omdat gij het veel te druk had, om de eenige bornput des heils in gedachtenis te behouden. Daarom klaagt de Heere ook by den profeet Jeremia; Cap. 2 : 13 : IVard rnijn volk heeft twee hoosheden gedaan: Mij, de springader des levenden waters hebben zij verlaten, om zich zeiven hakken uit te houwen, gebrokene hakken, die geen water houden. Ja ! zoo getrouwelijk waarschuwt de Heere onze afgedwaalde zielen. Gij hebt het wederom gehoord, wederom gelezen ! maak nu de toepassing op u zeiven. Het zijn bijna d' zelfde woorden, die de Heere gebruikte bij de instelling van het sacrament des Avondmaals : toen sprak Hij ook ; doe dat tot Mijner gedachtenis, gedenk Mijner! O welgelukzalig volk, dat daarop geen antwoord heeft, dan het gebed des moordenaars : Heere ! gedenk mijner, nu gij in uw Koninkrijk zijt gekomen.

Drukfout; BI. no. 129, blz. 12, regel 21 v. 'o. staan rvanquot; lees ./doorquot;.

Uitgegeven bij F. P. D'HUl.J, Middelhvrq.

Voor Duitschland verkrijgbaar bij F. BüCKMANN, Eiber/eld. Prijs per Nummer 3 Cts. Franco per post 4 Cts.

S

ocr page 373

SCHRIFTVËHKLARiNGEtf

TAN

ïgt;r. H. F. KOHL,BRijGGE.

Eenige bijzonderheden omtrent den ufttocht der kinderen Israels uit Egypte en hunne reis door de woestijn. (Vervolg).

WAT DE HEERE AAN HET MURMUKEEREND ISRAEL LIET AANZEGGEN DOOR ZIJNEN KNECHT MOZES TOEN ZIJ KANAAN ZOUDEN BINNENTREKKEN.

Nu willen wij ons Kapittel nog eens verder lezen : wij zijn nu gekomen aan het 12e vers en verv. Wij lezen daar:

Opdat niet misschien, als gij zult gegeten hebben en verzadigd zijn, en goede huizen gebouwd hebben, en die bewonen, en uwe runderen en schapen zullen vermeerderd zijn, ooh zilver en goud u zal vermeerderd zijn, ja al wat gij hebt, vermeerderd zal zijn.quot; Hier willen wij eens by stil staan, en opmerken, dat zoo dit alles u geldt, dit niet geschied is door het toeval, niet van zelf, niet door uw verstand, kracht, noch wijsheid, maar door des Heeren genade, want ditfis de bedoeling dezer woorden. Vergeet toch niet, o mijn volk! roept de Heere ons daarmede toe, dat het alleen om de wille van het dierbare bloed van den Heere Jezus is, dat dat wij alles ontvangen, wat wij behoeven, niet alleen, wat wij naar het eeuwige, maar ook wat wij voor het tijdelijke leven van noode hebben. God de Heere heeft geen behagen in onze armoede, maar wil ons volgens Zijne beloftenissen leven en overvloed schenken. Wij leven ook niet No. 131. 17 Jan. 1891.

ocr page 374

98

alleen voor ons zeiven, maar hebben allerlei betrekkingen. familieleden, stad- en landgenooten, en dit geheele raderwerk beweegt zich alleen in rechte banen door des Heeren vrije en bestierende genade. Deze aarde, die sinds Adams val onder het oordeel der vervloeking ligt, heeft ook eens het bloed van Gods eigen lieven Zoon ingedronken, en nu brengt zij allerlei zegen voort, die de Heere naar Zijne wijsheid uitdeelt onder de menschenkinderen, zoodat degene, die veel verzameld heeft, niets overhoudt, en die weinig verzameld heeft, nochtans geen gebrek heeft. De Heere belooft alles aan zijn volk te geven wat. zij behoeven ; nu heeft de eene wel veel, en de andere minder, maar dan komt de eene den andere ook gaarne met hulp te gemoet uit zijnen overvloed. Wat de Heere beloofd heeft, dat vervult Hij ook getrouwelijk, en hot zal wel waar blijven wat de Apostel zegt, dat de godzaligheid de belofte heeft beide dee tesenwoordigen en des toekomenden levens.

O O ...

Nu zegt de Heere echter verder : als gij nu dit alles verkregen hebt, als Ik het u zal gegeven hebben, wacht u dan (vs. 14), tdat uw hart zich dan verhejfe.quot; Het woord gt;verheffenquot; beduidt ook in de Hebreeuwsche taal, een bult of bochel krijgen, opzwellen, maar ook »verrottenquot;, zoodat er wormen in ontstaan, en liet binnenste door die wormen verteerd wordt! Alzoo, dat uw hart niet opzwelle in hoogmoed, opdat de duivel niet daarin binnen trekke en het geheel en al verwoeste ! Om dit recht te begrijpen, moeten wij eens goed denken aan Hiskia en aan hetgeen wij van hem lezen in het 32ste hoofdstuk van het tweede boek der Kronieken. In het 31ste vers lezen wTij omtrent Hiskia het volgende ; maar het is alzoo, als dc, gezan'ea der vorsten van Babd, die tol hem gezonden hadden, om te vragen

ocr page 375

99

naar dat wonderteeken, dat in het land geschied was, bij hem waren, verliet hem God, om hem te ver--zotkên, om te weten, al loot in zijn harte was. God verliet hem, de profeet Jesaja, die anders dagelijks aan het hof kwam, en gemeenzaam met den koning omging, bleef eenigen tijd stil te huis, en Hiskia beroofd van de machtige ondersteuning van des Heeren woord, had geen kracht in zich zeiven, om de verlokkingen der afgezanten Babels weerstand te bieden. Er wordt uitdrukkelyk bij vermeld dat de Heere hem verliet »om hem te beproeven om te welen al wat in zijn hart was '. Niet dat de Heere dit niet wist, want Hij kent ons allen tot op het gebeente, maar onze lieve broeder Hiskia, die godzalige en getrouwe dienstknecht des Heeren, wist het zelve nog niet, wat in zijn hart huisde, evenmin als wg het weten of willen weten, dat onze harten vervuld zijn met wind en ij delheid.

Dat moest Hiskia, die dierbare man Gods, van zich zeiven leeren inzien en belijden, en wij moeten het allen leeren inzien en belijden, dat wij niets zijn, opdat wij in alle stukken afhankelijk blijven van des Heeren woord en genade. Ja ! zóó moest onze broeder Hiskia het leeren, dat de mensch, ook na ont-vangene genade, zoodra die genade zich inhoudt, zich gaat inbeelden sterke handen en voeten te bezitten, die hem over alles en door alles kunnen heenbrengen, en vergeet, dat het niets is dan louter opgeblazenheid en ijdelheid. Het is tot Zijn eigen verbondsvolk, tot het volk Zijner uitverkorenen, dat de Heere, hier zegt: »opdat ulieder hart zich niet verhelfe.quot; En als de Heere God zulk eene uitspraak doet, dan kan men er zich van overtuigd houden, dat Zijn volk gevaar loopt zich te verheffen, ja dat de inbeeldingen en verheffingen des harten nabij zijn. Want dat

ocr page 376

100

is ons, verdwaasden stervelingen, zoo eigen ! Als de Heere nu echter tot ons zegt: »opdat uw hart zich niet verheffe en gij vergeet den Heere, uwen God,quot; dan blijkt daaruit, dat de Heere onze ijdelheid en onzen hoogmoed zeer goed kent, maar juist door ons daarop te wijzen en er ons voor te waarschuwen, wil Hij ons van deze onze verkeerdheid genezen. O! hoe ligt komt een mensch niet daartoe om met Nebu-kadnezar te spreken : is dit niet het groote Babel, dat ik gebouwd, heb tot een huis des koninkrijks, door de sterkte mijner macht, cn ter ecre mijner heerlijkheid ? Toen liet de Heere dezen groeten koning verstooten uit de menschen, en liet hem in ketenen slaan, zoodat hij gras at met de ossen des velds, omdat hij niet had willen erkennen, dat het alleen Gods barmhartigheid was, die hem heerlijk en groot had gemaakt, en dat de Heere dit alleen deed ter wille Zijner dienstknechten Daniël, Sadrach, Mesach en Abednego. Slaat dus de Heere ook onze harten ter neder, zoo doet Hij zulks, opdat zij vast zouden staan, alleen in de genade Gods, maar wij arm en ellendig zouden blijven in ons zeiven.

Alzoo »dat uw hart zich niet verheffe, en gij zoudt vergeten den Heere, uwen God.quot; En hoe maakt de Heere dit nu waar bij ons ?

Mijne geliefden! Onze. Heere. Jezus Christus, in den nacht, in welken Hij verraden werd, nam het brood, cn als Hij gedankt had, brak Hij het, en teide Neemt, eet, dal is mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt : doet dat tot Mijne, gedachtenis ! Desgelijks nam Hij ook den drinkbeker, na het eten des avondmaalsi en zeide: deze drinkbeker is hel nieuwe testament in\ Mijn bloed. Doet dat, zoo dikwijls cds gij dien zult drinken, tot Mijne gedachtenis. 1 Cor. 11 : 23—25.

Mijne geliefden! Als wij met onze zonden en

ocr page 377

101

schulden tot den Heere komen, als wij alléén op de koperen slang zien,waar blijven dan de werken ? Dat is eene levensvraag ! en het antwoord is : gij hebt het wel ver gebracht in het geestelijk leven, en de goede werken, zoo als die in de 91ste Vr. en Antw. van onzen Catechismus zijn beschreven, zullen u gewis niet ontbreken, als gij voortdurend met al uwe zonden en overtredingen uwen toevlucht neemt tot den levenden God, in den verschen en levenden weg, die daar is in het bloed des kruises ! en het Hem vooi t-durend belijdt: »ik heb gezondigd, en vele, vele dwaze woorden gesproken tegen u en uwe heilige wet,quot; uwe oogen gevestigd zijnd-ö op die ééne koperen slang. Als gij tot in uw laatste uurtje daarop alleen blijft zien, dan hebt gij het, voorwaar ! zeer verre gebracht in het geestelijk leven ! De Heere Jezus heeft gezegd : doe dat tot Mijne gedachtenis.

Mijne geliefden! weet gij waartoe wij, arme menschenkinderen, ook na ontvangene genade geneigd zijn ? Wij zijn geneigd tot het booze, en het meeste daartoe, den Heere Jezus, onze verhoogde koperen slang te vergeten, waarom de Apostel Paulus ons ook vermaant: houdt in cje.-duchtenin, dat Jezus Chnstug uit lt;l.i doode.p is :gt;pge'vekl! Want hoe is het met ons gesteld! Als wij gezondigd hebben, dan grijpen wij met beide handen naar de werken, om daardoor weer goed te maken wat wij bedorven hebben; gaat. het ons echter goed. en staat onze berg, ook in het geestelijke leven, vast, door des Heeren goedgunstigheid, dan worden wij hoogmoedig. Wij kunnen niet anders dan in voor- of tegenspoed Hem vergeten, in wien alléén onze zaligheid is. Daarom waarschuwt de Heere ons zoo getrouwelijk en vriendelijk : »opdat gij den Heere, uwen God, niet vergeet.quot; En het is zoo noodig, dat de Heere dat

ocr page 378

102

doet, quot;want wij vergeten Hem bij voortduring. Ach! als wij den Heere Jezus maar in gedachtenis konden houden, wij zouden een vroolijk, opgeruimd en blijmoedig leven hebben, en voortdurend genieten, wat wij in Hem bezitten, namelijk verlossing, vergeving en reiniging van zonde, alleen om Zijns Naams wille.

De Heere zegt verder tot Zijn volk, dat zij niet zouden vergeten gt;den Heere, uwen God, die u uit Egypte uit het diensthuis uitgeleid heeftquot;. En gewis ! dit zegt de Heere uit trouwe liefde tot Zijn arm en ellendig volk. Gewis! is de mensch welgelukzalig, die vrij is geworden van de slavernij der zonde eu des doods, de man, die staat in de vrijheid Christi, maar alleenlijk hij, die daarbij indachtig blijft, dat hij eens een gevangene was. Ja! alleen hij is welgelukzalig, die, bevrijd uit de gevangenis des duivels en des doods, het nooit vergeet, dat hij eens gebonden lag in den diepsten kerker, dat hij, ofschoon gered, er aan blijft gedenken : ïeens was ik gebonden met sterke banden.quot; Ja gewis die man is gelukzalig, die, wetende dat hij nergens anders op hoopt voor tijd en eeuwigheid, dan op des Heeren woord : »/;«lt; ia volbrachtquot; gedurig uitroept: ach Heere ! ik heb gedwaald en gedoold in vele omwegen, als een verloren schaap, en ik heb U veel arbeid en moeite gemaakt, door mijne zonden en verkeerdheden, voornamelijk daardoor, dat. terwijl ik met mijne lippen om genade riep, mijn hart tegen uwe vrije genade rebelleerde en van niets vervuld was dan van hoogmoed op eigene gewaande voortreffelijkheid en deugd. Ja gewis ! gelukzalig, driewerf gelukzalig! is de man, die, als hij rijk is geworden, nadat hy arm was, toch arm is in zich zeiven, en er aan blijft gedenken, dat hij ook na ontvangen genade, in zijne oude boeien en

grooten

ocr page 379

103

ketenen terug zinkt, als de Heere Zijne hand ook maar voor een oogenblik van hem onttrekt. Ja! die, die alleen is waarlyk geleerd, die, al heeft hij nog zoo veel geleerd, steeds een leerjongen blijtt op de schoolbank, een leerjongen van den Heere Jezus Christus! Ziet gij lieve- lezer! dit is des Heere oogmerk, als Hij Zgn volk toeroept, dat zij Hem niet moeten vergeten, namelijk dat wij goed weten en verstaan ; mijne vrijheid bestaat alleen door Zijnen Almachtigen en dragenden arm, en laat Hij mij los, laat Hij mij varen, dan dragen de vijanden de overwinning weg!

O O

Vs. 15. Die u geleid heeft in die groote, en vree-selijke woestijn, waar vurige slangen en schorpioenen, en dorheid, waar geen water was, die u water uit de keiachtige rots voorihracht. Aan Zijne hand, uit loutere trouwe heeft heeft Hij u geleid, en steeds heeft Zijne getrouwe stem achter u geklonken: dit is de weg, dien wandel, noch ter rechter noch ter linker hand. gt;Door de groote woestijn heeft Hij u geleidquot;, anders waart gij er niet door heen gekomen. Eenen kleinen afstand door de woestijn kon men nog wel veilig afleggen, maar door de groote woestijn, daar in het verre oosten zal niemand alleen de reis volbrengen, tenzij hij die reeds eenmaal volbracht heeft, en hij zijnen weg herkennen kar, niet aan het zand der woestijn, maar aan de starren des hemels. Voor het volk Israels echter henen is door de woestijn dezelfde gegaan als wolk- en vuurkolom, die in de dagen Zijns vleesches al de schrikkelijke smarten en ontberingen heeft moeten uitstaan, die Zijn volk. Zijn geheel geestelijk Israël hier in de woestijn des levens heeft door te staan, en Hij heeft daarbij alleenlijk gezien op den wil Zijns hemelschen Vaders, en langs dien weg Zijn volk geleid. O ! dat is zulk

ocr page 380

104

——

eene gvoote, wijd uitgestrekte woestijn, de woestijn des levens ! en de reis daardoor is zóó lang en bezwaarlijk, ook al komen wij jong te sterven ! en wij kennen geen van allen den weg, die voor ons ligt, evenmin als de Israëliten hun pad door de woestijn kenden. Maar de levende God was in hun midden, Hij was bij hen. Hij was rondom hen, en zij hebben het ten laatste moeten bekennen : ons heeft niets ontbroken ! Dea nacht hadden zij de vurige, lichtende wulk, 'sdaags de wolkkolom,die hun voorging; van den hoogen hemel ontvingen zij het manna, die zoete hemelspijs, uit de rotsen liet de Heere water voor hen ontspringen, en veertig jaren lang zijn hunne kleederen en hunne schoenen niet verouderd.

Groot en uitgestrekt is de woestijn dezes levens. En wie geheel alleen in de wereld kwame te staan, zonder eenen genadigen God in den hemel te hebben, en zonder liefderijke hulp van eenig mensch te ondervinden, die zoude eerst recht gewaar worden welk eene woestijn dit aardsche leven is ! En niet alleen groot is deze woestijn, maar ook schrikverwekkend. En ondervindt men dat niet, dan is het alleen de liefdevolle en bewarende hand Gods, die ons over en door alle afgronden henendraagt, maar op zich zeiven is dit leven niets, dan eene woestijn vol gruwelen, die niets oplevert dan moeite en verdriet. Ja ! vurige slangen en schorpioenen, die ontmoet men genoeg op den levensweg, maar overigens : louter dorheid, geen verkwikkende lafenis voor den brandenden dorst! Dat geldt ook voor het tijdelijke leven, want ook daarin weten de duivel en al zijne handlangers Gods kinderen, o zoo vele struikelblokken in den weg te leggen ! Nu maken zich honger en armoede op om ons te beangstigen, dan weer nadert de dood ; en al de krankheden en het vreese-

ocr page 381

105

lijke lichaamslijden,dat daaraan verbonden is, vervullen ons met angst en vrees, zoodat liet gewis niet te veel gezegd is, als wij beweren, dat dit aardsche leven niets anders is, dan een gestadige dood, een leven vol verdriet en vijandschap. En dat alles is het gevolg van onze zonden, van onzen afval van God. Waar de menschen maar henen komen op deze schoone aarde, brengen zij door hunne hartstochten verderf en ellende mede ; waar de mensch zijnen voet maar henen zet, wordt het wel openbaar, dat het aardrijk om zijnentwille is vervloekt. Geen mensch kan een' anderen mensch gelukkig maken, maar alles hier op aarde verteert zich in hoogmoed en ziedenden hartstocht en toorn. Dat is het wat eigenlijk de woestijn dezes levens tot eene rechte woestijn maakt. Veeleer zullen twee starren naast elkander hunne baan in vrede vervolgen, dan twee broeders één van zin, één van geest zuilen zijn in dit aardsche leven. De hemelen en de starren, die daaraan staan te blinken, heeft de Heere geschapen door de almacht Zijner hand, en het zal ook een werk Zijner almacht en genade moeten zijn, als twee kinderen Adams één worden in Christus Jezus, één in het geloof aan Zijn dierbaar bloed ! Niets dan dorheid, meer dan eene woestijn, is dit leven, waarin voor den gevallen mensch niets is te bekomen, tenzij God het hem uit vrije goedheid schenkt. O mensch ! denk toch niet, dat alles hier op aarde van zelf geschiedt: het is de Heere alleen, die ook in het maatschappelijke leven alles in stand houdt, zoodat voortdurend de eene schakel in de maatschappelijke keten in de ander schakel grijpt. Hij is het alleen, die een galden van het eene huis in het andere doet gaan, zoo dat elke gulden door twee, drie, honderd, duizend handen loopt. Hij is het, die maakt, dat er werk is, en

ocr page 382

106

dat elk huisvader afzonderlijk daarvan zijn deel krijgt. Maar buiten Hem, is er hier in dit leven niets te vinden, dan dor en onvruchtbaar zand, en door deze groote wijduitgestrekte woestiju geleidt de Heere Zijn volk.

En deze woestijn is ook, wat het geestelijke leven betreft, vol schorpioenen, vol duivelen, die onze ziele bijten en prikkelen, zoodat gij vaak uwen voet niet kunt verzetten zonder op slangen en schorpioenen te treden, en zonder gewaar te worden, dat het voedende brood, dat de Heilige Geest, van u wijkt, tenzg de Heere het u telkens opnieuw sehenke, uit Zijne vaderlijke hand. Staat dit alles ons nu ten allen tijde voor oogen, ook voor de geestelijke oogen ? Is het ons niet veel meer eigen te denken, dat alles maar zoo bij toeval geschiedt, ja alsof wij eigenlijk spyze en drank, eten en drinken hadden door onze vlijt en spaarzaamheid ? En toch is dat alles alleen een geschenk, een onverdiend, ja verbeurd geschenk van Gods barmhartigheid, evenzeer als het allerkleinste droppeltje troost voor onze arme zielen. Daarom Eegt de Heere, »opdat gij den Heere, uwen God, niet vergeet,quot; en Zyn oogmerk is daarmede ons te herinneren, dat wij niets van ons zeiven hebben, maar dat wij alles, wat wij bezitten, moeten aanzien als het werk van Gods genade, trouw en ontferming. Daardoor worden wij recht vroolijk en dankbaar, verontrusten ons niet meer dan noodig is, gemeten, wat Zijne hand ons verleent, met dankbaarheid, en nemen alles, voorspoed of tegenspoed, ellende of vreugde, rijkdom of armoede, geiondheid of ziekte, aan uit Zijne vaderlijke hand, en zeggen uit 's harten diepsten grond: Zjjn Naam zij hoog geloofd !

Laat ons nu lezen, wat in het 16e vers staat: Die u in de woestijn spijsde met Man, dat uwe vaderen niet gekend hadden.quot; Zóó zijn de gaven Gods. Tot Gods

ocr page 383

107

kinderen wordt gesproken: wie vader oi moeder lief heeft, boven Mij, is Mijns niet waardig! En nu geldt het afstand te doen van het zichtbare, en die groote en schrikkelijke woestijn te betreden, maar Gods Woord en waarheid boven alles! En wat beleeft dan zulk een kind van God ? Dat de genade gaven Gods getrouw en onberouwelijk zijn. Ja, uit een voch-tigen kleigrond of uit een weekeu steen» daar kan de Heere nog wel water uit doen ontspringen, zoo re-deneeren wij, maar uit den harden steenrots, dat is onmogelijk, want daar is geen water in, en dus kan de Heere er ook geen water uit doen vloeien ! En nochtans geschiedt het, nochtans zag Israël het frissche water opborrelen en rijkelijk daar heen vlieten uit den harden steenrots. Van den hemel liet Hij het brood nederdalen, met andere woorden, wat u op dezen weg door de woestijn ontmoet, het komt on-middelijk van Zijne vaderlijke hand, zoodat gij het ziet en duidelijk gewaar wordt : dat is geen werk van menschen, dat is van den Heere geschied, en het was de Heere, die de menschen gebruikte en hen alzoo bestierde, dat zij het nog geven moesten. Door het onmogelijke gaan de uitreddingen des Heeren henen, zoodat men liet wel eens vol vreugde uitroepen moet: ja ! groot en schrikkelijk is de woestijn des levens, vol slangen en schorpioenen, er heerscht niets dan dorheid, en geen dropke water .i§, er in te vinden, en toch midden daarin genieten wij overvloed, hebben wij meer water, dan wij kunnen drinken, meer brood dan wij behoeven om onzen honger te stillen. Zoo zijn de gaven Gods, zoo houdt Hij huis met Zijne kinderen, zoodut zij het wel belijden moeten : dat komt van Hem, dat is Zijne genade, daaraan kan ik zien, dat Hij toch noch met mij is, en mij niet heeft verlaten, want Hij helpt mij, waar

ocr page 384

Jspppf

108

ik het volstrekt niet Vermoedde! Ja, Hg stelde mijn geloof op de proef, ak had van wege mijne zonde den moed verloren tot Hem te bidden, want ik meende ▼oor mij zou er geen hulp noch uitkomst meer zjjn in der eeuwigheid, maar toen kwam de Heere, Hij zegende het geringe, en gaf my in te zien, dat het alles de barmhartigheid en trouwe Gods was. Dat alles deed de Heere echter, zooals wij verder lezen *om u te viirpotmoédigen'. Alle genadebewijzen dus voor onze zielen, alle uitreddingen voor dit leven, alle zorg, die Hij voor u droeg en waarmede Hij u bewaakte, al 'deze wonderbare reddingen des Heeren, waardoor Hij zich aan u openbaarde, als Man der weduwen, als Vader der weezen, zoodat men het met handen kontasten en met oogen zien: dat heeft de Heere gedaan in Zijne barmhartigheid en trouw, zijn geschied om ons te verootmoedigen. Dat zegt de Heere ons Zelf, Hij maakt niet veel omslag met ons, maar Hg sprak eens tot Zgnen Petrus : ga achter mij Sa-tanas ! want gij bedenkt nie.t de dingen die Godes, maar die der rnenschen fijn, hoewel Hij kort te voren tot hem had gezegd : Zalig zijl gij, Simon Bar Jona ! want dat heeft u geen vleesch noch bloed, maar mijn Vader die ih de hemelen it, geopenbaard. Ook tot ons zegt Hij ; gij zgt een hoogmoedig en opgeblazen geslacht; - wanneer gij iets hebt, wat anderen niet hebbépj, jjap verhpovaardigt gij u, en daarom moet gy hot-weten, waarom, met welk oogmerk. Ik u dit of dat gaf.

en

Uitgegertnï b;

Voor Duitachland verki /eld,

Prij» per Nummer wts.

ocr page 385

8 € int I F T V K U Ü L 4 K l \r ii E \

VAN

Or. II. F. KOHLSiRijOGE.

Eenige bijzonderheden omtrent den uittocht der kinderen Israels uit Egypte en hunne reis door de woestijn. (Slot).

WAT DE HEERE AAN HET MÜRMUREEREND ISRAËL LIET AANZEGGEN DOOR ZIJNEN KNECHT MOZES TOEN ZIJ KANAAN ZOUDEN BINNENTREKKEN.

Het oogmerk des Heeren was, u te verootmoedigen, u te verbrijzelen door den zacht en gloed Zijner liefde en genade. Hoogmoed en opgeblazenheid verwekken pijn en smart, en veroorzaken geestelijke krankheid en gebrek. Nu heeft de Heere er echter geen behagen in, dat Zyne koningskinderen mager zijn, maar zij mogen zich niet inbeelden, iets bijzonders te zijn, of iets bijzonders te bezitten, waarom da Heere hen lichamelijk of geestelijk zoude zegenen. Dat Hij ons zegent, het is alleen Zijne barmhartigheid, Zijne genade, het geschiedt alleen om de wille van Christi bloed ! en dat wel met het doel, om ons te verootmoedigen. O laat het ons toch openlyk belijden: wij hebben het niet verdiend, ja wij hadden het tegendeel verdiend ! Maar zulke groote wonderen doet de Heere, om ons kleiner en kleiner te maken in eigen oogen.ja altoos kleiner,gelijk ook David klein en gering was in eigen oogen, toen de Heere hem het koningrijk gaf over Israël, zoodat Hij het uitriep in den achttienden Psalm, dien Psalm dien hij tot den Heere sprak (vs. 1) ten dage, als hem de Heere gered had uit de handen van al zijne vijanden, en uit 'ie hand van Soul, en waar we in het 36ste vers lezen : Uwe zachtmoedigheid No. 132. 31 Jan. 1891.

ocr page 386

110

(2 Sam. 22 : 36 gt;uwe verootmoediginym''') hee.ft (of hebben) mij groot gemaakt. Dit bleek vooral ook, toeu David de arke Gods uit bet buis Obed-Edoms liet opwaarts brengen in zijne stad, toen, lezen wij 2 Sam. 6 vs. 14, huppelde David, met alle macht voor het aangezicht des IJceren. En toen David zich zoo verheugde en den Heere lofliederen zong, en zgne hoogmoedige en wereldsche vrouw hem daarover bespotte, sprak hij : ook zal ik mij nog geringer houden dan alzoo, en ral nederig zijn in mijne oogen en met dn dienstmaagden, waarvan gij gezegd hebt, met dezelve zal ik verheerlijkt worden (vs. 22). Zie ! zoo klein was David in zijne eigen oogen geworden, en hoe meer hij zich verootmoedigde, des te meer verhoogd de Heere hem.

Om u te verootmoedigen gt;en u te beproeven quot; u als het ware te examineeren en u af te vragen : gt;wat is aw eenige troost in leven en in sterven ? en als gij dan het juiste en welbekende antwoord hebt gegeven, nogmaals de vraag tot u te richten : gelooft gij dat werkelijk ? en als gij dan korzelig en wrevelig antwoordt: gt;ja zoude ik niet ? Wat denkt gij wel van mg ?quot; dan moet gij nog eens scherper onder het mes worden genomen, nog eens nauwer ondervraagd worden of gij dan werkelijk, uit u zeiven zulk een hooggeleerde zijt, dat de eerste vraag en antwoord van den Catechismus onwankelbaar in uw hart staat geschreven, en of gij het altoos vrij en vrank kunt uitspreken : gt;dat ik met lichaam en ziel, beide in leven en sterven, niet mijns, maar mijns getrouwen Zalisïmakers JesuCbristi eig-en ben.quot; Zie ! daarom-

O ^ O

trent moet gij nauwkeurig onderzoent worden, opdat bet aan 't licht kome, dat gij voor zulk een examen niet goed zijt voorbereid. Ach ! wij meenen de tien geboden, de geloofsartikelen, het »onze Vaderquot; reeds lang te kennen en goed te verstaan, en omdat wij

ocr page 387

Ill

ons dit inbeelden, hoewel het niet zoo is, moeten wij voortdurend omtrent deze onze ingebeelde theologische kennis geëxamineerd worden, opdat het openbaar worde of wij het gt;Ik ben de Heers uw Godquot;, het: gt;lk geloof in God den Vader, den Almachtigen, Schepper des hemels en der aardequot;, het »onze Vader, die in de hemelen zijtquot;, of wij dat werkelijk in ons harte hebben, of niet. Nu lieve lezer! wat kent gij daarvan voor u zeiven ? O ! zullen wij op zulke vragen niet moeten antwoorden : »ik kan nog niet eens spellen, wat daar geschreven staat! Kom ! neem die woorden eens voor 'u vlk hen de, IIeere uw God!quot; Kan men daarmede geen bergen verzetten ? Maar daar zullen wij juist in de praktijk ondervinden, dat wij uiets weten noch vermogen, en leeren bidden : gt;Heere ! leer Gij mij, want ik weet niets, leid Gij mij en maak mij, zooals Gij wilt, dat ik zijn zal.quot; »Om u te beproevenquot; beduidt dus zooveel als : opdat het aan het licht kome, dat gij de proef niet kunt doorstaan. Daarom komt Hij u in uwe ellende tegemoet met Zijne genade, met Zijne liefde, met Zijne barmhartigheid, opdat Hij n eindelijk eens grondig zoude genezen van uwen hoogmoed, opdat gij zoudt leeren alle aanmatigingen, alle inbeeldingen des harten verre van n te werpen, en in waarachtigen ootmoed des harten tot God den Heere te spreken : »Wat zgt Gij toch genadig en getrouw, in U alleen leven, bewegen wij ons, en zijn wij !quot; »Om u te verzoeken,quot; alzoo om u klein te maken, en opdat op Mij de zorg zou rusten, n goed en heerlijk door het examen te brengen, al moet gij met beschaamde kaken staan, naar uwe eigene gewaarwordingen zeggen : eigenlijk heb ik niets geweten.

Heeft de Heere er dan genoegen in, ons zoo klein te maken ? Neen ! gewis niet, want er volgt onmid-delijk op, aan het slot van vers 16 : topdat Hij u

ocr page 388

112

ten laatste weldeed.quot; Mijne geliefden ! Als ik eenen behoeftigen, armen man spreek en ik er hem boven op wil helpen, dan zie ik hem eens goed aan en overleg dan bij mijzelven : deze man heeft niets, alles ontbreekt hem, werkkracht, gereedschap, grondstof. Maar ik wil het hem alles geven, want anders zal hij geen werk, laat staan goed werk, kunnen afleveren. Juist zoo handelt ook de Heere God met ons menschen : want niemand weet het beter dan Hij, hoe arm, hoe naakt en ellendig, ja hoe geheel en al niets wij zijn. Ais nu echter zulk een behoeftige, als waarvan ik boven sprak, op zich nam nog alles ter juister tijd af te leveren, wat ik bij hem besteld heb, en hij mij niet vraagt om de daartoe noodige grondstof en gereedschappen, zoo kan ik hem immers aan geen werk en brood helpen. De Heere is nu eenmaal zóó gezind, dat Hij alles, wat Hij schenkt, schenkt als vrije gift, Hij is de Alfa en de Omega, begin, midden en einde, en bij Zijn werk staat de mensch Hem altoos in den weg. Want hoe veel de menschen ook over genade mogen praten, in den grond des harten hebben zij eenen afkeer daarvan, ja, staan er met alle krachten tegen op. Ik verzoek u, die dit hoort of leest, dringend, de toepassing dezer hoogst ernstige woorden op u zeiven te maken. Dit alleen is de juiste weg, om ons menschen tot waarachtige verootmoediging te brengen. De Heere zegt; Ik heb groote wonderen aan ulieden gedaan, ik heb water uit den rotssteen doen komen, en brood van den hemel doen nederdalen, zoodat, als uwe vaderen Abraham, Izaiik en Jacob dit gezien hadden, zij gewis zouden uitgeroepen hebben ; »neen ! zoo iets hebben wij nooit gezien, nooit beleefd !quot; Ik heb u, o mijn volk ! wil de Heere zeggen, met mijne weldaden overhoopt, opdat gij toch eindelijk eens uwen uiterlijken en innerlijken hoog-

ocr page 389

113

moed zoudt afleggen, en tot de belydenis komen : gt;Onze Vader! leid ons niet in verzoekingquot;, want wy kunnen de proef niet doorstaan.quot; Ach de hardste slagen, de gevoeligste kastijdingen des Heeren, zij zijn op zich zeiven niet genoeg, om ons liart te verbrijzelen ; daar is meer toe noodig, want alleen de genade Gods, alleen het bloed en de Geest van Christus zijn daartoe in staat, en alleen waar die in een men-schenhart binnentrekken, wordt de mensch waarachtig verootmoedigd, en klein gemaakt, als een worm in het stof! De Heero verstaat het zoo goed ons klein te maken ; als wij wederspannig zijn, ja Hem als 't ware in 't aangezicht slaan, dan geeft Hij ons eenen vredekus, en zegt: o mijn kind! hoe kunt gij toch zoo verkeerd zijn i En dat doet de Heere alleen om ons te verootmoedigen, opdat Hij ons nog meer wel zoude kunnen doen, ja weldaad bij weldaad voegen. En, al verbergt Hij zijn aangezicht voor u eenen langen, langen tijd, ja al laat Hij u wegen gaan, die u niet behagen, dan handelt Hij toch alleenlijk zóó met u, om u later des te meer te zegenen en wel te doen. Vertwijfel dus nooit, in welken toestand gij u ook bevindt, aan 's Heeren genade, barmhartigheid en trouw.

Vs. 17 spreekt de Heere; en gij in wc hart zegt: Mijne kracht en de sterkte mijner hand heeft mij dit vermogen verkregen. In menige koopstad vindt men fabrikanten en andere kooplieden, die vroeger niets hadden, en nu zeer rijk zijn geworden, die zyn dan vol van hoogmoed en inbeeldingen des harten, en denken, dat zij het zijn, die dit groot vermogen door hunne vlijt, kracht en bekwaamheid te zamen hebben gebracht. Dat is ons menschen eigen, dadelijk te denken: wel, wel, welk een man ben ik! en dan schrijven wij spoedig ai onzen voorspoed aan niets anders toe, dan aan ons verstand en onze kracht en

ocr page 390

114

werkzaamheid. In het geestelijk leven gaat het, helaas ! niet anders toe, en door dezen hoogmoed is de vervloekte leer vanPelagius (de leer van den vrijen wil) opgekomen.Omdat God den mensch gezond verstand heeft gegeven, verbeeldt de mensch zich nu, dat hij daarmede uitrichten kan, wat hij wil, en tot stand brengen, wat hij wil. Welzeker, zegt de mensch in zijnen trotschen waan, ik heb het in mijne macht te bidden of niet te bidden, de goede keus doe ik dan, als het mij behaagt, meenende alzoo geheel ten onrechte, dat de zaligheid half het werk Gods, half het werk des menschen is. Het zit in ons allen met zelfbehagen te zeggen ; dit of dat heb ik tot stand gebracht, wat ben ik toch een bekwame man ! Nu zegt echter de Heere : Neen ! dat is niet waar, en daarom waarschuwt Hij ons: »dat gij zoudt zeggen : mijne kracht »en de sterkte mijner hand, heeft mij dit vermogen «verkregenquot;. Hij wil, dat wij Hem niet uit het oog verliezen, maar Zijner gedenken als aan den Heere onzen God : vs. 18 ; maar gij zult gedenken aan den Heere, uwen God, dat Hij het is, die u kracht geeft, om vermogen te verkrijgen. Ja! wil de Heere zeggen, o mijn volk! gij hebt braaf opgepast, gij zijt het immers, die het brood van den hemel hebt doen dalen, die het water uit den steenrots hebt doen voortkomen en de baren der zee hebt gekliefd, die de vijanden hebt verslagen ? Gewis zal de Heere in den dag der dagen de goede werken der Zijnen uit genade be-loonen en prijzen. Maar dat zal de Heere alleen maar kunuen doen, indien Hij met ons doet, gelijk een vader met zijn klein kind, dat nog niet kan schrijven, ja nog niet eens de pen kan vasthouden. Dan schept zulk een vader een vaderlijk genoegen d aarin het kleine kinderhandje in de zijne te nemen en daarmede te schrijven, wat hij wil. Alsdan zal de Koning zeggen tot degenen, die aan Zijne rechterhand, zijn :

ocr page 391

115

Komt, gij gez eg enden Mijns Vaders! beërft dat koningrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld. Want Ik hen hongerig geweest, en gij hebt Mij te eten gegeven. Ik ben dorstig geweest, en gij hebt Mij te drinken gegeven ; Ik was een vreemdeling, en gij hebt Mij geherbergd. Ik was naakt, en gij hebt Mij gekleed ; Ik hen krank geweest, en gij hebt Mij bezocht. Ik was in de gevangenis, en gij zijt tot Mij gekomen. Dan zullen d: rechtvaardigen Hem antwoorden, zeggende : IIeere! wanneer hebben wij U hongerig gezien, en gespijzigd'? of dorstig, en te drinken gegeven ? En wanneer hebben wij U een vreemdeling gezien, en geherbergd? of naakt en gekleed ? En wanneer hebben loij U krank gezien, of in de gevangenis, en zijn tot U gekomen ? En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen : Voorwaar zeg Ik u : voor zooveel gij dit een van deze Mijne minste broeders gedaan hebt, zoo hebt gij dat Mij gedaan.'quot; Mattli. 25 vs. 3i—40. Maar gij zult gedenken des Heeren, uwes Gods, dat Hij het is, die u kracht geeft om vermogen te verkrijgen, »opdat Hij Zijn verbond bevestigequot;, d. i. opdat Hij Zyne belofte waar make. Alsof men ia het natuurlyke leven tot iemand sprak : ik heb n eenen groeten zak met geld beloofd, hier zijn ook paard en wagen om het beloofde te gaan halen, en alzoo de belofte vervuld worde, dat het geld het uwe zal zijn. Op deze wijze zegt de Heere : Ik heb u kracht gegeven om vermogen te verkrijgen, opdat Mijn verbond bevestigd zij, en vervuld worde, wat Ik u en uwen vaderen gezworen heb. De Heere is getrouw. Hij komt onze zwakheden genadiglijk te hulp, en bevestigt het met eenen eed, wat Hij beloofd heeft. En moeten wij het niet met ons hartebloed onderteekenen : »Gij o Heere ! hebt woord en trouwe gehouden en alles vervuld, wat Gij beloofd had! Vs. ISb. »Gelijk het is te dezen dage,quot; d. w. z., het is openbaar geworden, dat het

ocr page 392

116

alzoo is, dat Gij liet gedaan hebt, anders zoude niet geschieden, wat wij voor onze oogen zien geschieden. En nu ten slotte komt de Heere tot ons allen met de vermaning : blijft in het geloof, in het geloof van des Heeren Woord, en verkondigt het luide, hetzij gij n voor een Israëliet of een heiden houdt, dat het alleen des Heeren barmhartigheid en trouw is. Wie niet gelooft, is airede veroordeeld. Staat dus vast in den geloove, en wandelt voor het aangezicht uwes Gods in oprechtheid. Amen !

Onderstaande ontvangen onze lezers de jopdracht,quot; waarvan in bl. no. 129 sprake is (pag. 4). De wonderen, om welke in deze opdracht gebeden wordt, zjjn niet geschied, en ook heeft het den Heere niet behaagd, ons nog eenen mannelijken telg uit het geliefde Oranjehuis te doen overblijven, maar ziende op Zijn Woord, en op de hope, welke Hij ons toch nog heeft overgelaten in onze jonge Koningin, spreken wij nochtans, dat des Heeren getrouwigheid is van geslachte tot geslachte.

DIERBAARSTE KONING !

Wat zijn wij gelukkig ! Overgelukkig, dat wij tot U mogen toegelaten worden ; dat wij Ü mogen zien en ■ spreken ! Wij brengen U eenen Bijbel, versierd met historische herinneringen, die ons Uwen en onzen voorspoed bezegelen. O, Uwe Majesteit heeft alles; maar wij wilden U, dierbaarste Koning! een blijk geven, hoe dankbaar wij U zijn, — hoe wij (J liefhebben, die Uw volk zoo lief hebt, dat Gij, zoo als het Huis van Oranje altijd, goed en bloed niet te kostelyk acht, waar wij in nood verkeeren ! Hoe sloegen onzer aller harten U tegen, als Gij een deel Uws volks, overstelpt van ijs en baren, zonder naar Uw dierbaar leven te vragen, met Koninklijke woor-

ocr page 393

117

don en daden, als een Vader kwaamt helpen en troosten ! Voor zoo veel liefde en goedheid ontstond bij duizenden de wensch — den Koning het zelve te zeggen; »Sire ! zie hoe lief wij U hebben !quot; Die duizenden zijn geene vermogenden en edelen, maar die van hunnen handenarbeid leven — hoewel eeni-ge aanzienlijken met hen dit blijk van verkleefdheid aan Uwe Majesteit wilden deelen! — Het zijn dezulken, die niet veel hebben, maar die zich geheel aan U geven en gegeven hebben, en die met ü gelukkig zijn, — zonder Oranje de ongelukkigste zouden wezen !

In naam van die duizenden, waartoe wij behooren, voegen wij bij die woorden hunne daden, en bidden Uwe Majesteit: neem ons aan in dit Bijbelboek, het Boek der Woorden des levenden Gods ; neem het in Vorstelijke goedheid aan met het Album dier duizenden. Zij wisten niet beter uit te drukken, hoe lief zij Uwe Majesteit hebben, dan door U met deze kinderlijke gave te zeggen: gt;Daaruit moet de Koning allen troost scheppen in leven en in sterven, daarvoor dat Hij ons getroost heeft!quot; En moge den Koning, zoo dikwijls Hij dit heilig boek openslaat, de gedachte goed doen : gt;dit gaven mij eenige mijner min bevoorrechte kinderen ; — een volk, dat Oranje in het hart draagt en aan mij en mijn Huis nacht en dag denkt voor den troon des Allerhoogsten !quot;

0, dit Woord des levenden Gods, blijve de onwankelbare Rots voor Uwe Majesteit, gelijk het steeds de steunpilaar geweest is van Uwer Majesteit's Door-luchtiir Voorgeslacht!

o o

Nog één Woord, dierbaarste Koning! waarin ons bloed, het bloed van duizenden in den Lande spreekt; want Gij zijt ons bloed, — vleesch van ons vleesch ; omdat de Opperste Wijsheid gezegd heeft: »door mij regeeren de Koningen en stellen de Vorsten ge-

ocr page 394

118

rechtiglieid,quot; en wij, Uwe beminde onderdanen, bij ondervinding weten, hoe wij alleen voorspoedig zijn in de gehoorzaamheid aan haar weldadig bevel:

O O

»vreest God en eert den Koning,quot; daarom blijven wij U op het hart dragen, als den ons van God ge-gevenen, eenigen en beminden Souverein !

Zoo veracht was eens ons land, dat Frankrijk en Engeland onze gezanten niet in het openbaar durfden toelaten, — maar, — hier het Woord het onverbreekbaar Zwaard des Heeren en Oranje ! — tus-schen 16U9 en 1630 zag den Haag twee honderd Ge-

O O

zantschappen ! Klein is ons land, maar met des Heeren Woord, moet Uw Koninklijke Stoel hooger staan dan van één Koning der aarde ! Ach, Uwe en onze vijanden van ouds, hoe gaarne ondermijnden zij dien Stoel! Moge het den God des Hemels, die steeds wonderen bij ons deed, behagen, haast op nieuw te gedenken aan het bloed en de tranen van Kerk, Oranje en Vaderland, en den Koning zijn hartewensch, — den wensch van zoo vele duizenden zijner getrouwe en getrouwste onderdanen te geven, dat des Heeren Woord, dat Nederland met Oranje groot gemaakt heeft, weder het opvoedingsboek van Neêrlands schooljeugd worde ! God zal den Koning voorlichten naar de wijsheid, die in Hem is, opdat wij van de Hand des Heeren niet nog meer lijden, en een geslacht opstaan zoude, hetwelk opgroeit, onbekend met de geschiedenis Gods en met de weldaden, waarmede Uw Huis ons overladen heeft; moge de Almachtige zulks nog onder Uwen Vaderlijken Scepter van ons afwenden!

Dierbaarste Koning ! Zoo moge Uwer Majesteit's Huis bloeien tot in het laatste nageslacht — en Uw troon bevestigd blijven, en Uwen vijanden moet het niet gelukken.

Sire! de zegen des Allerhoogsten Gods dale op Uwe Majesteit en op Uw Doorluchtig Huis. De God

ocr page 395

119

der goden zij Uwe sterkte en Uw loflied — zoo trooste Hij ü weder en weder, gelijk Gij ons woudfc troosten; ook troosten door Uwe Viiderlijke toelating van ons tot Uwen troon. De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met U !

BLADVULLING.

Eom. 5 vs. 1.

Het kan de bedoeling des Evangelies nooit of

O O

nimmer zijn, de zonde te bevorderen of aan de zonde de deur open te zetten. Integendeel leert het Evangelie ons, hoe men, door het geloof aan de vergeving der zonden in het bloed Jezu Christi alleen, en door de kracht Zijner opstanding, waarmede de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus krachtdadig werkt in de Zijnen, van de zonde, van den toorn Gods en van het aanklagende geweten verlost wordt.

Geen profeet, noch apostel heeft ooit geleerd, dat de zonde de weg was om genade te verkrijgen, of dat onze zonde eigenlijk de genade over ons deed komen, maar voor alle vermoeiden en beladenen, voor allen, wien hunne zonden van harte leed zijn, is de rechte apostolische leer, de rechte evangelische troost deze : waar de zonde meerder is geworden, is de genade veel meer overvloedig geworden (Rom. 5 : 20.) Dat wil zegg»u, hoe heviger en uitgestrekter het vuur was, des te grooter en sterker waterstroomen zijn er van noode geweest om het te blusschen. Gelijk nu water en vuur tegenover elkander staan, zoo staan ook genade en zonde tegenover elkander. De genade bedekt niet alleen de zonde, maar zij teert die ook weg, delgt die uit, hoe zoude het dan: mogelijk zijn, dat de genade de zonde zoude bevorderen of versterken ? Indien gij het zalige geloof

ocr page 396

120

hebt, dat gij genade bij God hebt verkregen, indien gjj waarlijk de zoetheid der genade hebt gesmaakt, zoo zal het u ook onmogelijk zijn de zonde te volbrengen ; en indien gij door de zonde overvallen wordt, en zij u voor een oogenblik onder den vost krijgt, zoo roep aanstonds om genade, en Gods sterke hand zal n weder oprichten. Heeft de Heere Jezus door Zijnen dood onze zonden niet mede in Zijn graf genomen en geheel begraven ? En toen Hij uit het graf opstond, heeft Hij toen niet onze zonden in Zijn graf laten liggen ? laten liggen voor eeuwig! Spreek daarom vol vreugde : wat ik gezondigd heb, hebt gij in het graf begraven, o mijn Heere en Verlosser; daarin hebt gij bet ingesloten en daar zal het ook moeten bljjven !

Daarom, o gij allen, die treurt van wege uwe zonden, zeg in den gebede : lieve, genadige God in den hemel ! o laat mij van nu af met Uwen Zoon gestorven zijn, opdat ik ook met Hem door genade moge leven. Gij alleen zijt waard gediend te worden, o laat mij de zoetheid smaken van uwe liefde en algenoegzaamheid, opdat ik van ganscher harte der zonde den dienst opzegge. Ik wil zoo gaarne uw knecht zijn, o slaak Gij mijne banden, en laat mij vrede vinden voor Uw aangezicht, opdat ik dood, zonde en graf, tegenover uwe genade als geheel machteloos beschouwe. Verlicht Gij mijne oogen, opdat ik al mijn heil in Uwen Heiland zien moge ! Zoo sterf ik zalig.

Uitgegeven bij F. P. D'HUU, Middelburg.

Voor Duitschland verkrijgbaar bij F. BüCIOIANN, EUierfdd. Prija per Nummer 3 Cts. Franco per post 4 Cts.

ocr page 397
ocr page 398

V

OVER DEN NAAM DES HEEEEN.

Mijne Geliefden! Nog niet lang geleden tvaden wij in een nieuw jaar. In wiens naam zal in dit jaar onze aanvang, onze hulpe staan ? Wie zal onze eenige hoop en toevlucht zijn, zoo niet God, de eeuwige Koning in wien wij leven, ons bewegen en zijn wat wij zijn? Bovenaan, hoog boven alle andere weldaden, die God de Heere ons tot op heden deed toevloeien, staat voorzeker die weldaad, dat Hij Zelf onze voor- en achtertocht wildé zijn, dat Hij ons te zamen hield door den staf Zijns Woords ! Wanneer wij des Heeren Woord als ons hoogste goed hebben leeren kennen, dan vinden wij in God, wat wij nergens elders vinden, en verwachten van Hem het leven dat duurt tot in alle eeuwigheid, en hopen op Hem alleen ook voor alles, wat wij in dit aardsche leven behoeven. Ik bedoel met het Woord Gods hier, het woord van genade, van vergeving der zonden, want daardoor alléén leeren wij God kennen in het aan-gezichte Jesu Christi, zooals Hij van ons, zondige en brooze menschen, gekend en aangeroepen wil zijn. En, als wij aan dat woord denken, dan stroomt 's Heeren lof van onze lippen en valt Zijne heerlijke belofte ons te binnen: Ik wil onder u iconen, en onder u loandelen, en Ik ivü uw God, en (jij zult Mijn volk zijn. (o. a. Ex. 29 : 45 ; Lev. 26 : 12.)

Dit is echter de weg om op Hem alleen te hopen; met ootmoed des harten te bedenken, dat wij niets

ocr page 399

3

zijn dan arme zondaren, en alléén ons vertrouwen te stellen op hetgeen God gedaan heeft in Christus Jezus ; en dan spreken wij het in waarachtige dankbaarheid uit, welk een God de Heere voor ons hart is. Dat zien wij aan den Apostel Paulus in het eerste capittel van zijn eersten brief aan ïimotheus, waar hij schrijft (vs. 12—17) : en ik dank Hem, die mij hekrach-tigd heeft, namelijk Christus Jezus, onzen Heere, dab Hij mij getrouw geacJit heeft, mij in de bediening gesteld hebbende : die te voren een Godslasteraar was, en een vervolger, en een verdrukker; maar mij is barmhartigheid geschied, dewijl ik het onwetende gedaan heb in mijne ongeloovigheid. Doch, de genade onzes Heer en is zeer overvloedig geioeest, met geloof en liefde, die er is in Christus Jezus. Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken, waarvan ik de voornaamste ben. Maar daarom is mij barmhartigheid geschied, opdat Jezus Christus in mij, die de voornaamste ben, al Zijne lankmoedigheid, zou betoonen tot een voorbeeld dergenen, die in Hem yeloo' ven zullen ten eeuwigen leven. Den Koning nu der eeuwen, den onver derfelijken, den onzienlijken, den alleen wijzen God, zij eer en heerlijkheid, in alle eeuwigheid. Amen.

En, waar deze zelfde apostel spreekt van onze hope op de zalige toekomst en verschijning van onzen Heere Jezus Christus, waar hij ons verzekert, dat de groote en eeuwige God die ter Zijner tijd vertoonen zal, daar heft hij te gelijkertijd den lof aan van Hem, den Koning der koningen, die alleen onsterfelijkheid heeft en een ontoegankelijk licht bewoont, dien geen mensch gezien heeft, noch zien kan. Hem zij eere en heerlijkheid tot in alle eeuwigheid. Amen ! Als wij aan onze zonden en nooden gedenken, zullen

ocr page 400

wij wel steeds moeten uitroepen: »oude zonden, nieuwe noodquot;, want wie is er onder Gods kinderen, die niet zijn geheele leven lang met zijne verdorven heid heeft te strijden ? En nochtans ! waar wij, die gelooven, aan God denken, kunnen wij er gerust bijvoegen: »en Gij blijft een trouwe God.quot; Zoo wij op de rechte wijze van God den Heere spreken willen, zoo moeten wij beginnen met Christus, met de vergeving onzer zonden in en door Hem. Alléén Hij is de weg, waarin God gekend wordt, zooals Hij van ons gekend zijn wil, gelijk Hij gesproken heeft: en zij zullen niet meer een iegelijk zijnen naaste, en een iegelijk zijnen broeder leer en, zeggende: Kent den Heere I ivant zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af, tot hun grootste toe, spreekt de Heere, xoant Ik zal hunne ongerechtigheid vergeven, en hunner zonden niet meer gedenken. (Jer. 31 : 34.) Zonder deze kennisse Gods, zonder Christus, den Zoon des levenden Gods, is God ons een verterend vuur. Waar echter de vergeving der zonden geloofd wordt, daar is ook de ootmoedige belijdenis, dat wij niets dan arme diep bedorvene zondaren zijn ; daar belijdt men den Heere met heilige vreeze en eerbied ! Daar vraagt men hoe, en met welken Naam men Hem aanroepen zal, hoe men van Zijn goddelijk wezen, van alle Zijne deugden en volmaaktheden, van elk der onderscheidene personen in Zijn goddelijk wezen, hoe men van Zijne werken, zoowel in het rijk der genade, als in het rijk der schepping, hoe men van Zijne Vaderlijke hand alles verkrijgen moge, wat juist aan onze geestelijke en lichamelijke behoeften tekort komt. Denken wij echter aan al onze behoefte en armoede, en hoe genadig de Heere telkens en telkens daarin voorziet, zoo kunnen wij uit en van ons zeiven nooit en nimmer op den rechten Naam komen, die wij

ocr page 401

Hem geven moeten, want daartoe is ons verstand te zeer verduisterd, en ons hart veel te eng en te zelfzuchtig.

Uit ons zeiven kunnen wij nooit en nimmer ook maar het geringste van Zijn wezen begrijpen, en wij moeten er ons mede tevreden stellen Hem, die ons eenig en eeuwig goed, ons leven en de bornput onzer zaligheid is, den Allerhoogste te noemen, wiens tegenwoordigheid bij ons, en wiens doen met ons wonderbaar is. Toen Jakob den Engel des Ver-bonds, met wien hij den geheelen nacht geworsteld had, naar Zijnen Naam vroeg, werd tot hem gesproken: Waarom is het, dat gij naar Mijnen Naam vraagt ? Gen. 32 : 29 ; en tot Manoach sprak de Engel des Heeren: Waarom vraagt gij dut naar Mijnen Naam t Die is toch Wonderlijk (Rigt 13 : 18.) Wat moeten wij, die de goedertierenheden des Heeren Heeren ondervonden hebben, die het gesmaakt en geproefd hebben, dat de goedertierenheid des Heeren blijft tot in alle eeuwigheid, en dat de Heere zich verblijdt en verlustigt over de werken Zijner handen, antwoorden op de verhevene vraag, die wij in het SO1316 hoofdstuk der Spreuken vinden : Wie is ten hemel opgeklommen, en nedergedaald? Wie heej't den wind in Zijne vuisten versameid'? Wie heej't de wateren in een kleed gebonden ? Wie heeft al de einden der aarde gesteld? Hoe is Zijn Naam, en hoe is de Naam Zijns Zoons ? zoo gij het weet! Spreuken 80 : 4 ? Maar de Heere wilde ons, arme menschenkinderen, in onze zwakheid en onwetendheid te hulpe komen, opdat wij Hem zouden erkennen, en daar gaf Hij Zichzelven allereerst twee namen, die niemand dan Hem alleen toebehooren, en die in het enkelvoud aan geen schepsel mogen gegeven worden.

De eerste naam is »Godquot;, de andere : »11 cere.quot;

ocr page 402

6

Het Hollaudsclie woord »Godquot; is van liet oude woord sGlioe-etquot; afgeleid, dat beduidt; de Volzalige, de Hooge, de Allerhoogste, die alleen te eeren en te vreezen is. Het Hollandsche woord »Godquot; is de beste vertaling van het Hebreeuwsche woord: »Elo-hiinquot;; want dit laatste is afgeleid uit het woord »alahquot;, dat eedzwering eu vloek beduidt, of van het werkwoord »olahquot;, dat vreezen, sidderen, iemand met den diepsten eerbied te geraoet komen, beteekent.

Wij zijn liet niet, mijne Geliefden! die onzen Schepper dezen Naam geven, maar Hij openbaarde ons dien, opdat wij Hem daarmede aan zouden roepen. Hem zouden eeren en vreezen : want het is de naam van Hem, die een verbond met ons wil sluiten, een verbond, dat in alle onze behoeften voorziet; een eeuwig genade verbond, waaruit wij, als geheel hulpe-looze menschen, genade verkrijgen, om genade vast te houden, zoodat wij uit Zijne volheid genade voor genade, uitkomst en bescherming, leven en vrede, en allerlei weldaden voor lichaam en ziel ontvangen. Maar dit verbond wordt ook een vloek voor hen, die van geen genade willen weten. En de volken, die onder dit verbond besloten lio-gen. komen onder

OD '

den vloek of onder den zegen, al naar mate zij gehoorzaam zijn of niet. (Zie Deut. 28).

Mijne Geliefden! Een aardsch koning moet immers, om zijne onderdanen goed te kunnen regeeren, tegelijkertijd gestreng en goedertieren zijn, en wij zullen immers alleen dan een rustig en gelukkig leven hebben, als wij de over ons gestelde machten vreezen, eerbiedigen, en met liefde gehoorzaam zijn; en hun, die in hoogheid zijn gesteld, rustig en tevreden het beleid van zaken toevertrouwen. Ons geluk of ongeluk hangt daarvan af. Hoeveel te meer zullen wij niet met eene heilige vreeze ver-

ocr page 403

7

vuld worden voor de hoogheid des Heeren Heeren, als -wij bedenken, dat wij door onze zonden niets dan den vloek verdiend hebben, en daarbij gevoelen, hoe heilig en gestreng Zijne wet is ! En in welk een vroolijk loflied zullen wij uitbreken, als wij dan tegelijkertijd bedenken, dat deze God Zijnen eenig geliefden Zoon voor ons tot een vloek beeft overgegeven, opdat wij in Hem gezegend zouden zijn! Ja, dan zullen wij ons verheugen met eene heilige vreugde, ook al sidderen wij daarbij voor Zijnen vloek, en wij zullen Zijne goedertierenheid loven, waardoor Hij onze God en de God van ons zaad wil zijn tot in eeuwigheid. Dan zullen wij Hem gewis hoog in eere houden, en Hem vanwege zulk eene genade met vreugde en eerbied dienen, al de dagen onzes levens. Job klaagde eens, dat het haar zijns vleesches van vreeze te berge was gerezen. Maar hij sprak het ook vrijmoedig uit, toen al het andere hem was ontzonken: Ik iceet dat mijn Verlosser leeft, en daarom mogen wij voorzeker zoowel voor de onzen, als voor onszelven, met heilige vreeze lezen wat geschreven staat Deut. 31 : 12, 13.

Zijn wij echter vervuld van vreeze, en zeer bevende voor des Heeren Naam, voor Zijne gestrenge handhaving van wat Hij gesproken heeft, zoo zullen wij Zijne rechtvaardigheid vreezen, en in ootmoed wandelen met Hem, en dan mogen wij ook voor dit jaar en voor al de dagen onzes levens allerlei goeds verwachten van Hem, die ons met onze kinderen in Zijn eeuwig genadeverbond opnam, en daarin vriendelijk tot ons spreekt: Ik, God, ben uw God! Hoe is dus de naam van Hem, die den vloek laat komen over allen, die Zijn verbond verachten ? En hoe is de naam van Hem, die in Christus Jezus alle weldaden en gaven van dit verbond rijkelijk uitstort over alle armen en ellendigen, die niets hebben om

ocr page 404

op te hopen dan genade eu ontferming alleen? Zijn naam is — want o, hoe kan het begenadigde, verbrijzelde en dankbare hart Hem anders noemen? — Zijn Naam is: »Ghoe-etquot;, de hooggeëerde, de hoog geloofde ! Hij heet God ! Hij alleen ! En daarom ook Hem alleen de eere. In de Schrift wordt, wel is waar, de naam Elohim, d. i. God, ook aan de afgoden, aan de engelen en aan de overheid gegeven, maar dan dragen de afgoden dien naam tot hun eeuwige schande, de engelen, omdat zij de heerlijkheid Gods afstralen en Zijn woord doen, de overheid, omdat zij Gods dienaresse is en door Hem is ingesteld. Maar nergens wordt in de Schrift de benaming »Godquot; aan eenig schepsel, op zichzelf staande, gegeven. igt;Hoort Israël! de IIeere onze God is een eenig God. Zeer liefelijk klinkt deze benaming in verbinding met hen, aan wie Hij zich op zeer bijzondere wijze geopenbaard heeft, tot troost en opbeuring van allen, die Hem eeren en liefhebben. Hoe liefelijk klinkt uiet in de Schrift dat eenvoudige: »God Abrahams, Izaks en Jakobsquot;, of »de God Israelsquot;; want daar predikt zulk een heerlijke Naam van bloei, van opkomst en van eenwig leven. Boven alles glinstert daar, als een heerlijk blinkende ster aan den hemel, de naam: God en Vader van onzen Heere Jezus Christus; want dat beteekent, dat de Borg van het eeuwige genade-verbond God tot Zijnen God heeft, ten goede voor al Zijne uitverkorenen.

De tweede Naam, waarmede God Zich aan ons, menschenkinderen, heeft geopenbaard, is : * IIeeré\ Dit woord mag echter geenszins van God gezegd worden, zooals men een aardschen vorst »heerquot; zal noemen, b. v.: als men zich tot den koning richt, zegt men, vooral in Duitschland: genadige koning en heer, en dan bedoelt men daarmede, dat zulk

ocr page 405

9

een aardsch vorst in zijn gebied en in zijnen kring macht heeft, om te doen, wat hem behaagt, en wij noemen zulk eenén »genadige heerquot;, om er hem aan te herinneren, dat hij zijne macht vooral heeft ontvangen ten behoeve van armen en verdrukten ; ook spreken wij, als wij hem zoo noemen, uit, dat wij ons onder zijne macht stellen en zijne heerschappij erkennen. Maar de naam »Heerequot; als naam van God, komt niemand toe, dan Hem alleen. En wordt in de Schriften des Ouden Verbonds, waar van den Engel des Heeren sprake is, deze Engel kort daarop »de Heerequot; genoemd, zoo geschiedt dit, omdat met die uitdrukking »de Engel des Heerenquot; niemand anders bedoeld wordt, dan de Zoon van God, het eeuwig en ongeschapen Woord, dat Zelf God uit God is. Den naam Heere heeft de Almachtige God Zichzelf gegeven, daarmede heeft Hij Zich aan Zijn volk willen openbaren. »Heerequot; beduidt in het Hebreeuwsch : die in, wat hij it, die zijn zal, wnt hij zal zijn. Dit weten wij immers uit Exodus 3 : 13,14, alwaar wij lezen : Toen zeide Mozea tot God: zie, wanneer ik kom tot de kinderen Israels, en zeg tot hen: de God uwer vaderen heeft mij tot u gezonden, en zij mij zeggen : Hoe is Zijn vaam ? wat zal ik tot hen zeggen ? En God zeide tot Aiozes : ik z«l zij», tiif ik zij» zit!! Ook zeide Hij : Alzoo zult gij tot de kinderen Israels zeggen : 5k zü! zij» heeft mij tot u lied en gezonden. En Exodus 6:1,2: Verder sprak God tot Mazes, en zeide tot hem: Ik hen de Heere! en ik ben aan Abraham, Izak en Jakob verschenen als God de AIrnachtige, doch met mijnen naam » Heerequot; hen ik hun niet hekend geweest. En vs. 6 : En Ik zal ulieden tot mijn volk aannemen, en Ik zal u tot eenen God zijn, en gijlieden zult bekennen, dat ik de Heere uw God ben, die u uitleidt van onder de lasten der Egyptenaren. En Jesaja 42 : 8 hooren wij

ocr page 406

10

den Heere betuigen: Ik hen de Ileere, dat is Mijn naam, en Mijne eer zal Ik geenen anderen geven, noch Mijnen lof den gesnedenen heelden. Wanneer wij nauwkeurig acht slaan op liet verband, waarin de door ons aangehaalde teksten in Exodus 3 en Jesaja 42 voorkomen, zullen wij spoedig zien, dat God hier openlijk uitspreekt en aankondigt, dat Hij in en door dezen naam eene volkomene verlossing voor Zijn volk belooft, eene verlossing van alles, wat dit volk benauwt en terneder drukt, eene van alle eeuwigheid door Hem voorgenomene verlossing, die Hij ook op Zijnen tijd voor hen zoude uitwerken en handhaven, zoodat het ten laatste ook zonneklaar zoude blijken, dat hunne verlossing eene volkomene was. Daar tegenover ligt in dezen naam »Heerequot; ook opgesloten, dat Hij, die dezen naam draagt, ook vertreden en te niet maken zal, al wie zich tegen dit Zijn eeuwig voornemen verheft. Het Hebreeuwsche woord »Heerequot;, of Jehovah gebruikt Johannes in zijne Openbaring alzoo : Genade zij u en vrede van Hem, Die is, en Die was, en Die komen zal. (Openb. 1 : 4b); dat beduidt met andere woorden : dien Ik genadig heit, dien hen ik genadig, en wiens Ik mij ontferm, diens ontferm Ik mij. »Ik hen de Tleerequot; wil dus zeggen : van alle eeuwigheid leef ik, om genade en vrede te geven en uit te deelen ; gisteren leefde Ik, om genade en vrede te geven, heden leef Ik nog, om genade en vrede te geven, en gewis en zeker kom Ik eenmaal weder, om al mijne armen en ellendigen in het volkomene genot Mijner heerlijkheid over te brengen. Laat ons echter, mijne Geliefden ! bij het beschouwen van dezen heerlijken Naam nooit en nimmermeer vergeten, op wien God dezen Naam heeft doen nederdalen, namelijk op Jezus Christus, die daarom ook onze Heere genoemd wordt. Wanneer

ocr page 407

11

de Heere zich nu met dezen Zijnen heerlijken naam openbaart, om al onzen druk te vernietigen, en Zijne genade te verheerlijken, zoo geschiedt zulks altoos op die wijze en langs dien weg, dien wij Jesaja 9 : 3—5 beschreven vinden. Aldaar lezen wij : Want het juk van hunnen last, en den stok hunner schouders, en den staf desgenen, die hen dreef, hebt (Jij verbroken, gehjk ten dage der Midianieten, toen de gansche strijd dergenen, die streden, met gedruisch geschiedde, en de kleederen in het bloed gewenteld en verbrand toerden tot een voedsel des vuurs. Want een Kind is 07is t/e-boren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijnen schouder, en men noemt Zijnen naam: Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der Eeuwigheid, Vredevorst.

Er is echter om tot den eeuwigen vrede, tot de eeuwige ruste te komen, ook na dezen door Christus volstreden strijd, noodig genade en vrede te ontvangen van Hem, die Zijnen Naam »Heerequot; steeds openbaart in en met het heerlijke feit, dat wij in Jesaja 53 beschreven vinden : de straf die ons den vrede aanbrengt lag op Hem, en door Zijne striemen zijn wij genezen.

Dit weinige zei genoeg Geliefden! om u er iets van te doen begrijpen, wat in de namen »Godquot; en »Heerequot; ligt opgesloten; met deze namen, die Hem alleen toekomen, heeft Hij zich aan ons, arme men-schekindereu, willen openbaren. Deze namen bevatten alles, wat wij in onze diepe armoede behoeven, om in »God den Heerequot; dengene te zien, die in alle onze behoeften voorzien wil. Als »Godquot; bezit Hij genoeg macht om ons, die Hem eeren, ook tot eere te brengen, en als »Heerequot; openbaart Hij ons den vollen troost Zijner voorzienigheid, waardoor Hij ons voor zonde, duivel en wereld wil bewaren, en ons ook

ocr page 408

12

voor dit aardsche leven vaderlijk en koninklijk wil voorzien van alles wat wij behoeven.

Mochten wij dus dit jaar begonnen hebben met God, moge Hij ons vasthouden en te zamen houden door Zijn allerheiligst Woord! Laat ons Hem om genade smeeken, dit jaar te mogen doorleven met die beide namen: »Godquot; en »Heerequot; in het hart. Laten wij God de eere geven, dat Hij hoog op den troon zit, verre boven al het zichtbare, en dat niemand onzer zich tegen Hem verharde, want er is nergens waarachtige genade en vrede te vinden dan bij den Heere alleen !

Ten slotte roep ik U nog toe (1 Joh. 5, 19—21):

Wij weten, dat wij uit God zijn, en dat de (jeheele wereld ligt in het hooze. Doch wij weten, dat de Zoon van God gekomen is, en heeft ons het verstand gegeven, dat ivij den Waarachtige kennen, en wij zijn in den Waarachtige, namelijk in Zijnen Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God, en het eeuwige leven. Kin-derkens ! bewaart u zeiven van de afgoden. Amen.

ocr page 409
ocr page 410

OVER HET WOORD DES UEEREN.

^ ij willen trachten, geliefden ! u den weg dui-delijk te maken, waarin de Heere Zich aan ons openbaart, tot onze zaligheid. Wij weten, dat de natuurlijke, ons ingeschapene kennis Gods, ons tot deze zaligheid niet helpen kan, maar dat zij alleenlijk genoegzaam is om ons alle onschuld, te benemen. Wel roept de geheele schepping, wel roepen ons alle werken des Heeren luide toe, dat de Heere het ons openbaren wil, wat wij ter onzer zaligheid, tot onzen waarachtigen zielenvrede behoeven, maar de natuur openbaart het ons gewis en zeker niet, dat God rechtvaardig is en rechtvaardig blijft, tot wanneer Hij ons al onze zonden vergeeft, ons die uit vrije liefde en genade niet toerekenende om Christus wille. Dat moet de Heere Zelf ons zeggen, ons Zelf openbaren, en dat doet Hij ook, dat is Zijn werk alléén. Uit vrije liefde en ontferming heeft God in Zijnen eeuwigen vrederaad Zich een volk ten eeuwigen leven uitverkoren ; en toen de mensch van Hem was afgevallen, heeft Hij, die trouwe God, geenszins verzuimd hem te midden van den vloek en den dood, waarin hij zich vrijwillig en moedwillig had gestort, op te zoeken, hem aan zijne ongehoorzaamheid, aan het goddelijke gebod en den, dientengevolge over hem gekomenen dood en verdoemenis, te ontdekken ; maar de Heere heeft ook niet nagelaten, aan den armen, diepgevallen mensch den ganschen rijkdom en volheid Zijner genade en liefde te openbaren, hem

ocr page 411

3

den eenigen grond der zaligheid, de eenige gerechtigheid, die voor God geldt, voor te houden en hem de belofte te geven van Christus, van dat ééne Vrouwenzaad, dat den duivel den kop zoude vermorzelen, ook al zoude Hij, naar het zichtbare, in dezen strijd moeten lijden en sterven. Dit was de weg, waarin de zonde zoude geboet, de mensch met God zoude verzoend worden, zoo zouden de werken des duivels verbroken worden. Met deze openbaring van Zijn eigen, goddelijk wezen, van Zijne genade en trouw, is de Heere voortgegaan, met de openbaring van dat ééne offer dat de zonden uitdelgt en den armen zondaar voor Gods rechterstoel rechtvaardigt. Ja, Hij heeft met deze openbaring volgehouden, en heeft ook bovendien Zelt het geloof aan deze openbaring in de verslagene en kleinmoedige harten der Zijnen gewerkt en levendig gehouden tegen alles in.

Adam heeft geloofd, want hij noemde zijne vrouw, Eva, gt;do moeder aller levenden.quot; In een beeld heeft Abel zich aan het eenige offer Christi vastgehouden, want wij lezen, dat het door het geloof loas, dat Abel Gode eene meerdere offerande geofferd heeft dan Kaïn ; door dit geloof heeft hij getuigenis bekomen, dat hij rechtvaardig was, alsoo God over zijne gave getuigenis gaf; en door hetzelve geloof spreeld hij nog, nadat hij gestorven .is. Hebr. 11:4. Én met deze openbaring Zijner genade bleef' de Heere voortgaan, ook toen het in den door Kaïn gepleegden broedermoord aan den dag kwam, hoe diep de mensch gevallen was ; ja hoe meer het bleek, dat er bij den gevallen mensch aan geen beterschap was te denken, maar dat hy steeds dieper en dieper zonk, zoodat het zonneklaar bleek, dat het gedichtsel van 's menschen hart van der jeugd af alleenlijk boos is, des te heerlijker, des te duidelijker werd deze openbaring Gods, de openbaring van Zijne genade en van die éénige offerande

ocr page 412

4

die Gode behagen kan, en waar ook voor den voor-naamsten der zondaren genade, vriispraak en vergeving mogelijk is. Van Henoch lezen wij, dut hij met God wandelde. Gen. 5 ; 22; van Noach dat hij genade vond in de oogen des Heeren. Gen. G : 8.

In den Geest was Christus in Henoch, in Noach, dien prediker der gerechtigheid, zooals bij genoemd wordt, die die ééne gerechtigheid predikte, die voor God geldt, namelijk de gerechtigheid van Christus. Want na den zondvloed bouwde Noach den IIeere een altaar; en hij nam van al het reine vee en van al het rein gevogelte, en offerde Iran doffer en op dat altaar. En de Ileere rook dien liefelijken reuk, en de Heere zeide in zijn hart: Ik zal voortaan den aardbodem niet meer verdoeken om des menschen (d. i. om Christus) wille, want het gedichtsel van 's menschen hart is boos van zijne jeugd aan ; en Ik zal voortaan niet meer al het levende slaan, gelijk Ik gedaan heb. Gen. 8: 20,21. Zietgij, geliefden ! dat was, als wilde de Heere zeggen : »Ach ! »met den mensch is, na zijnen diepen val, toch niets »meer aan te vangen, maar dat ofler, dat reine »offer, dat zal het zijn, dat zal alleen gelden voor »Mijn aangezicht.quot; En daarom geloofd en geprezen zij de God van Sem ! Zie ! dat was ecne volheid van openbaringen, waarin de liefde en genade Gods ■zich vertoonde aan den armen mensch ! Onder den vloek van liet verbroken werkverbond lugen alle volken der aarde.

En in plaats, dat dit gevoeld, en met diep verbrijzelde harten erkend werd, begon men eenen toren te bouwen die tot aan den hemel moest reiken, om, zooals er uitdrukkelijk staat (Gen. 11 :4) zich eenen naam te maken, dus alleen uit hoogmoed en opgeblazenheid des harten. Den levenden God aanbaden zij niet, maar wel de zon en de maan, maar noch zon, noch maan kon den gloed van den toorn Gods

ocr page 413

aitblusschen, die brandt en woedt in het door onrust en angst voortgedreven hart des raenschen. In eene geheel wereldsche en afgodische stad, in Ur der Chaldeën, openbaarde de Heere zich aan Abraham en sprak tot hem : ga uit uw land en uit uwe maagschap en uit uws vaders huis. En, als Abraham op zijnen pelgrimstocht allerlei volkeren ontmoet, die diep gezonken waren in zonde en onreinheid, als een gevolg van den vloek, die op hen rustte, sprak de Heere tot hein : in u, in uwen zade (d. i. in Christus) wil ik zegenen alle volkeren der aarde (Gen. 22; 18). Te midden van de diepstgezonkenen in zonde en onreinheid, bouwde Abraham den Heere altaren, en begon den Naam des Heeren aan te roepen, en te prediken van dien eenigen Naam, waarvan voor de volkeren der aarde heil en zaligheid te verwachten is. Wat Abraham behoefde, om de beloften Gods te begrijpen, wat hij noodig had te weten om Gods woord aan de hem omringende zielen te verkondigen, had hij gehoord van Sem, die nog tegelijkertijd met hem leefde, gelijk Sem zulks van Methusalem, en deze weder van Adam had vernomen, zoodat de paradijs belofte op Abraham kwam, uit de derde hand. Abraham heeft stervende zijnen kinderen en zijn huis bevelen gegeven, dat zij in 's Heeren wegen zouden wandelen, dat wil zeggen, dat zij niet uit het oog zoude verliezen, op welk eene wijze men alleen rechtvaardig voor God is, en zouden doen, wat goed en recht is voor 's Heeren aangezicht. Zoo werden Izak en Jakob erfgenamen der openbaring der beloften, en God voegde er vele persoonlijke openbaringen bij. Stof, aarde en assche, als zoodanig, en als niets meer dan dat, leerden zij zich zeiven kennen, maar zij hadden het ook van hunnen God geleerd zich te midden van al hunne ellende, op de beloofde genade te beroepen ; zóó woonden zij als

ocr page 414

6

gasten en vreemdelingen bier op aarde en verwachtten de stad, die fondamenten heeft, welker kunstenaar en bouwmeester God de Heere Zelf is. En op zyn sterfbed riep Jakob het nog luide uit: Juda gij zijt het ! U zullen uwe broederen loven ! En : de scepter zal van Juda niet 'wijken, noch de wetgever van tusschen zijne voeten, tot Silo komt en denzelven zullen de volken gehoorzaam zijn. Gen. 49 : 8 en 10. Van dit sterfbed waren .Jakobs zonen getuigen, zy hoorden de woorden van hunnen stervenden vader, ook Levi vernam die: en, lezen wij, Levi gewon /va-hath, Kahath gewon Amrani, Amram gewon Mozes. Tot dezen Mozes sprak die engel des Heeren, de Engel van het genadeverbond, de Christus, uit het braambosch, dat wel brandde, maar niet verteerde : Ik ben de God uws vaders, de God Abrahams en de God Izaks en de God Jakobs. Zoo heeft het de Kerke Christi van de vroegste tijden aan nooit aan het levende Woord Gods, nooit aan openbaringen van den wille Gods tot hare zaligheid ontbroken. Daarom wordt Christus ook in de Schrift genoemd het Lam, dat geslacht is van de grondlegging der wereld. Openb. 13:8. Of de kerke Jesu Christi voor Mozes tijd mededeelingen omtrent Gods waarheid bezat, die opgeschreven waren, wil ik niet ontkennen, veel minder echter bevestigen. En dit doet ook niets ter zake, want er is ons hieromtrent niets geopenbaard. Maar het is meer dan waarschijnlijk, dat de wereld gedurende de tweeduizend jaren, die van Adam tot op Mozes verliepen, genoeg heeft gehad aan de onmiddellijke openbaringen des Heeren, die Hij aan Zijne heiligen en uitverkorenen gaf, en die dan den grondslag hunner prediking uitmaakten. Voor ons is het echter eene dure verplichting tegenover de kerk van liome met het getuigenis te volharden, dat er nooit in Gods kerk een ongeschreven

ocr page 415

7

overlevering bestaan heeft of bestaat, die andere dingen zoude leeren, dan in den Bijbel staan geschreven. Toen de Heere Zijne uitverkorenen en heiligen in één land, in Egypte, verzameld had, en hen daaruit door de roode zee en door de woestijn henen, naar Kanaiin wilde leiden, gaf Hij aan Mo-zes uitdrukkelijk en herhaaldelijk het bevel, alle openbaringen, die de Heere hem doen zoude, te boek te stellen, en zoo zijn wij in het bezit der vijf boeken van Mozes gekomen, en hebben die nog tot op den huidigen dag. En wie nu niet meer vooruit kan met alles, wat hij in zich zeiven bezit, die heeft in deze boeken van Mozes, de openbaring van den wille üods tot zijne zaligheid. Hierin kan hij met zijne oogen lezen, dat God wil, dat God hem beveelt, al zijne zonden op het Lam Gods te leggen, daarop te leunen en te steunen, dat het reine onbevlekte Lam in zijne plaats den dood smaakt, en zoo gerechtvaardigd naar huis te gaan, O, driewerf gelukzalig die zondaar, dien dit te beurt valt! O dierbare, onwaardeerbare schat, deze heerlijke Bijbel, dit Boek der boeken ! Terecht draagt het den naam van ïBoek des Heerenquot;, zooals wij in Jesaja 34: lö lezen : zoekt in het Boek des Heeren, en leent; niet een van dezen zal er feilen, het eene noch htt ander zal men missen ; xvant Mijn woord zelf heeft het cje-boden en de Geest Zelf zal ze te zarnen brengen. En dit zal de kreet zijn van een ieder, die naar deu levenden God hongert en dorst: indien Uwe Wet niet ware geweest al mijne vermakingen, ik ware in mijn druk al lang vergaan. Ps. 119 : 92. Met het volste recht noemt men alzoo den Bijbeh de Heilige Schrift,quot; gelijk ook Paulus aan Timotheus schrijft: omdat gij van Idndsaf de Heilige Schriften geweten hebt, die u wijs kunnen maken tot zaligheid, door het geloof, dat in Christus Jezus is, 2 Tim. 3 ; 15. Ja, terecht noemt

ill

ocr page 416

8

men den Bijbel uitsluitend »de Schriftquot;, zooals Pau-lus zulks doet in het op deze woorden volgende vers: al de Schrift is van God ingegeven, en gelijk de Emmaüsgangers spraken : was niet ons hart brandende in ons, als Hij tot ons sprak op den weg, en als Hij ons de Schriften opende ? O geliefden ! als ■wij den Bijbel ia onze hand nemen, nemen wij het Woord des levenden Gods in onze hand, want die is het, die tot ons spreekt op het Bijbelblad. Het is de Heere, die door Aiozes den heilbegeerigen Zijn heilig Evangelie laat verkondigen in de offeranden en ceremoniën der wet ; het is de Heere, die ons in de Psalmen en door de Profeten hoe langer, hoa duidelijker den oppersten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus Christus, laat voorhouden, die in het vleesch zoude verschijnen. En van zijne gezegende lippen vernamen wij: al~oo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijnen eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. Joh. 3:16. En: Komt tot Mij, gij allen die vermoeid en belust zijt ! en Ik zal u ruste geven, Matth, 11 : 28, en: het is volbracht! En dan volgt de prediking der Apostelen, die het luide verkondigden : vrede in het bloed des kruises! wij worden om niet gerechtvaardigd uit Zijne genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is. Hom. 3 : 24. En : dit is een getrouw woord en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in d.e wereld gekomen is, om zondaren zalig te maken, va.n welke ik de voornaamste ben. I Tim. 1 : 15. Waaruit kunnen wij weten wat wij te gelooven hebben om zalig te worden ? wie zegt het ons wat wij te doen en te laten hebben om Gode welbehaaglijk te zijn? wie geeft ons den goeden en welbeproefden regel aan, voor ons geloof en onzen wandel ? Immers niemand anders dan de levende God in Zijn aller-

ocr page 417

9

heiligst Woord, onzen dierbaren Bijbel.

Daar kunnen wij lezen, waarheen wij mogen, vlieden met de duizend zorgen, zouden eu nooden, die ons ter neder drukken. Welk eene genade is het toch, dat God Zijn Woord heeft willen laten opschrijven en er zorg voor heeft willen dragen, dat het onvervalscht en ongedeerd voor ons zoude behouden blijven, deels door de .Joden, die er steeds de grootste waarde aan hechten, dat de Schriften des ouden verbonds onveranderd en vrij van elk vreemd bijvoegsel zouden blijven, deels door latere trouwe getuigen in Zijne Kerk. En welk eene genade was het bovendien, dat hij korten tijd vóór de Reformatie, de boekdrukkunst liet uitvinden, waardoor nu iedereen voor een paar stuivers Gods Woord kan koopen, dat vroeger als afschrift zich slechts in de handen bevond van weinige bevoorrechten, die zulk een afschrift dan met groote sommen gelds moesten betalen. Het is de Heere, dien wij in dezen Bijbel hooren spreken, spreken door het ongeschapen Woord, Zijnen Zoon Jezus Christus, spreken tot ons, die van nature vervreemd zijn van het burgerschap Israels, en vreemdelingen van de verbonden der beloften, tot ons, die niets zijn dan leugenaars, en vol zitten van allerlei zonden, van allerlei verdoemelijke misdaden, dwalingen en ketterijen, en die, zelfs na ontvangene genade, nog niet kunnen nalaten ons door den duivel te laten verzoeken, betooveren en verleiden. In het Woord hooren wij den Heere spreken, en alle vleesch, ja de geheele aarde zwijge voor Hem. God spreekt tot -ons van het Bijbelblad, hetzij door ons het een of ander woord, dat in Zijn boek staat geschreven door Zijnen Heiligen Geest in het harte te leggen, als het ware toe te fluisteren hetzij dan om den troost en de leeringen, die wij in de Schriften der profe-

ocr page 418

10

f

■

!

ten en apostelen vinden, van lieverlede als Zijne vertroostingen en Zijne leeringen te doen erkennen, en die zoo in ons hart te bevestigen. Alles, wat God ontniddelijk tot den zondaar spreekt, moet in den Bijbel terug worden gevonden, of bet was niet van God, maar ijdele inbeelding, wat wij meenden te vernemen. Allen, die van God geleerd worden, worden niet anders geleerd dan door het Woord des levenden Gods, die er de ingever en oorzaak van is, en dit bevestigt Gods woord op elke bladzijde. ■»En God sprak alle deze woorden'' zoo luidde het, als de wet aan Israël werd gegeven, die heilige wet, die de Heere met Zijnen vinger schreef op steenen tafelen, niet alleen voor het volk Israels, maar voor alle volken der aarde. O, laat ons hierbij toch eens stilstaan. Het is God Zelf die spreekt : Dik ben de Ileere uw God, gij zult geen andere goden hehhen voor Mijn aangezichtquot; en »gij zult niet stelen,quot; »gij zult niet ecldbrekenquot; vgij zult niet doodenu enz., opdat wij zulke woorden lezende, bij het licht des Geestes, zouden leeren inzien, hoe groot onze zonde en ellende is. Waar de Heere tot Mozes spreekt, luidt het aldus: God sprak. Het was God zelve, die tot Mozes, tot Jesaja, tot Jeremia sprak ; »het woord des Heerenquot; geschiedde tot Ezechiël, tot Daniël, tot Zacharia en zoo veel anderen : » Troost, troost mijn volk, zal u lied er God, zeggen,quot; zoo lezen wij bij Jesaja 40, en wederom Kap. 56 ; 3amp;, 4, 5 : Alzoo zegt de Heere : de gesnedene zegge niet, ik hen een dorre boom, want alzoo zegt de Heere van de gesnedenen, die Mijne Sahhaten houden en verkiezen, ivaartoe ik lust hebhe, en vasthouden aan mijn verbond. Ik zal hen ook in mijn huis en binnen mijne muren een plaats en eene.n naam geven, beter dan der zonen en der dochter en; (tenen eeuwigen naam zal Ik een ieder van hen geven, die niet uitgeroeid zal worden. En Jesaja 55 : 1 : O,

ocr page 419

11

alle gij dorstigen komt tot de wateren, en gij die geen geld heht, komt, koopt en eet, ja komt en koopt zonder geld en zonder prijs, wijn en melk. En vs. 3 : Neig uw oor en komt tot Mij, hoort en uwe ziel zal leven; want Ik zal met u een eeuwig verhond, maken en u i geven de gewisse loeldadigheden Davids. En 2 Sam. 23 lezen wij: Voorts zijn dit de laatste woorden van David: David, de zoon van Isaï zegt, en de man die '' hoog is opgericht, de Gezalfde van Jalcohs God en liefelijk in Psalmen van Israël, zegt: De Geest des i Heer en heejt door mij gesproken, en zijne rede is op mijne tong geweest ; de God Israels heeft gezegd ; de t Rotssteen Israels heeft tot mij gesproken. De Apostel i Paulus zegt: al de Schrift is van God ingegeven, hierniede de heilige Schriit, Gods Woord bedoelende. En Petrus getuigt: wij hehhen het profetische woord, dat zeer vast is ... en .... dit eerst icetende, dat geene profetie der Schrift is van eigene uitlegging, want de profetie is voortijds niet voortgebracht door den wil eens rnenschen, maar de heilige menschen Gods, door den heiligen Geest gedreven zijnde, hehhen ze ge-sproken. 2 Petr. 20 : 19—21. En onze Heere Jezus zegt Zelf: de trooster, de Heilige Geest, die zal het van het Mijne nemen en u verkondigen. En wederom zegt de Apostel Paulus : daarom danken wij ook God zonder ophouden, dat, als gij het Woord der prediking van God van ons ontvangen heht, gij dit aangenomen heht, niet als der menschen woord, maar gelijk het waarlijk is, als Gods Woord, dat ook werkt in u, die gelooft. I Thess. 2 : 13.

Wel waren het sterfelijke, zondige menschen, 1 waarvan de Heere zich bediende om, tijdig of ontijdig, Zijn Woord te laten nederschrijven, maar het waren menschen, door Hem gezonden, die Hy tot zondaren gemaakt had in eigen oog, die Hij met Zijne genade persoonlijk opgezocht en getroost en tot Zijne afgezanten gemaakt had, om aan Sion te

ocr page 420

12

zeggen : Zie ! hier is uw God ! en ; dit is de weg, noch ter rechter- noch ter linkerhand! De lieilige menschen Gods hebben, gedreven door den Heiligen Geest, Gods Woord gesproken en nedergeschreven, en juist die feiten en zaken opgeteekend uit de volheid, die God hun medegedeeld had en voor hunne oogen had laten geschieden, die de Heilige Geest het best geschikt achtte tot leering, onderwijzing en vertroosting der gemeente van alle tijden en alle eeuwen.

En zoo is dan de Bijbel het Boek der boeken, Gods Woord geheel en al van het eerste woord van Genesis 1 tot het laatste woord van Openbaringen 22, zoowel wat de geschiedenissen betreft, die wij daarin vermeldt vinden, als wat voorschriften van leer en leven aangaat. Daarom kunnen wij er vast van overtuigd zijn, tegen alle beweringen des ongeloofs in, dat het God de Heere Zelf is, die tot ons spreekt op de heilige Bijbelbladen.

De Roomschen beweren, dat zi} de heilige Schrift voor Gods Woord aannemen, omdat de kerk dat ook aanneemt, maar och wat kan het u, wat kan het mij baten, wat een ander gelooit of aanneemt ? Wij lezen in Joh. 4 : 41 en 42 : en er geloofden er veel meer om Zijns woords wille, en zeiden tot de vrouwe.: wij (jelooven niet meer om uws zeygens roil, icant wij zeiven hebben hem gehoord en roeten, dat deze waarlijk is de Christus, de Zaligmaker der wereld. De kerk bezit geen gezag, als in zoo verre het Woord haar gezag toekent en verleent, en daaraan erkent men eene kerk, als eene waarachtige kerk, als het Woord des Heeren bij en in haar is. Het Woord van God draagt in zichzelven de kenmerken zijner goddelijkheid en goddelijken oorsprongs ; allereerst noemen wij daar de werkingen, die het. door den Heiligen Geest sprekende Woord op de harten uitoefent, en de vastheid en welbeproefdheid dezer werkingen,

ocr page 421

13

in alle omstandigheden des levens, zoodat een niensch het zeker en vast voor zich zeiven kan weten, dat het de Heere is, die met hem spreekt van en door het Bijbelblad.

Hoe gaat nu zulks toe ? Ach ! niijne geliefden! als wij ons bedolven voelen onder allerlei bezwaren en nooden, onder allerlei zonden en ongerechtigheden, ia waar wij midden in den dood liggen, komt het dan van nature in ons hart op, dat een arm, verdoemenswaardig zondaar, dat wij als godde-loozen kannen gerechtvaardigd worden voor Gods rechterstoel, dat God nog gedachten des vredes en des ontfermens over dezulken hebben kan ? Neen, op dit heilgeheim komt geen mensch uit zich zeiven, daar verstaat de mensch niets van, ten/.ij de Heilige Geest het hem openbaart, en hem het geloot schenkt, het echte zaligmakend geloof, dat alle zonden op het Lam Gods legt ! Neen ! dat verstaat geen mensch van nature : »0 Heere Jezus ! geef mij de heilsgoe-gt;deren, die Gij verdiend hebt, en neem alles van »mij, Avat mij drukt en benauwt, geef mij het üwe, »en neem Gij het mjjne!quot; Neen! daar verstaat geen menschenkind van nature iets van, om te midden van nood en aanvechting, als alles hem ontzinkt voor zijne oogen en verdwijnt, alleenlijk op het naakte Woord van God te vertrouwen ! op dat Woord, waardoor aarde en hemel zijn geschapen. O, zulk een ellendige kan voor het Bijbelblad zitten, of over den weg gaan, of op zijne legerstede ter nederliggen, en door de hevigheid der angst, geen angst, door de zwaarte van het berouw, geen berouw meer gevoelen, en zoo voelt hij zich dood en versteend, hetzij hij nederzitte of loope, of nederligge ; ja hij gevoelt niets dan walg en afschuw van zichzelven en durft van schande en schaamte zijnen mond niet meer opendoen. En dan klinkt het op eenmaal uit

ocr page 422

14

die langgesloten lippen : ach ! wat kan ik! genade, genade ook voor ray ! Gelijk de zonde geh eerscht heeft tot den dood, alzoo heerscht de genade ten eeuwigen leven door Jezus Christus, onzen Heere. Dan wordt aan zulk eenen armen en ellendigen zondaar, die éénige gerechtigheid geopenbaard, die alléén voor God geldt, en dan verneemt zijn geestelijk oor het: »Jezus alléén en anders geen! Zijt gij tevreden met Mijn Lam, nu dan ben Ik ook met u tevreden.quot; O dan leest hij: want hergen zullen wijken, en heuvelen wankelen; maar mijne (joederlierenheid zal van u niet -wijken, en hel verhond mijns vredes zal niét loankelen, zegt de Heere, uw Ontfermer, en: Vrees niet, leant die zich tegen u vergaderen zullen om uwentwille vallen, en alle instrument, dat tegen u bereid wordt, zal niet (7ö/«M,e)z.Jesaja54. En verdwenen zijn, na zulke vertroostingen, zonden en zorgen, nood en dood, op de vlucht gaat dan nu de duivel en zijn gansche helsche strijdmacht, en gerechtvaardigd zijnde uit den geloove hebben wij vrede met God door onzen Heere Jezus Christus ! Wie dit ervaren heeft, en ervaart, wie vertroost is geworden met de vertroostingen, waarmede God alleen weet te vertroosten, die weet het voor zich zeiven — ook al kan hij van wege de zware stormen van twijfel en ongeloof, die hem vaak nog vervullen, er niet altoos rekenschap van afleggen — dat God Zelve met hem heeft gesproken en nog tot hem spreekt, van het Bijbelblad, en heeft zijn oor iets vernomen, wat hij met zijne oogen niet gezien, nog niet gelezen heeft, zoo moet hij weten, waar het gehoorde geschreven staat, en ziet! de geheele Bijbel gaat hem open, en het is alles voor hem, wat hij te lezen krijgt. O, welk een licht, welk een gloed, welk een vrede doet dat heilige Woord van God dan niet in de ziel ontbranden! O, wat brengt dat Woord dan eene inwendige en

■

ocr page 423

15

uitwendige verandering in den mensch teweeg. Ja, hoe wordt het dan gesmaakt en geproefd, dat het Evangelie waarachtig eene kracht Gods ter zaligheid is. Hoe heilig en verheven worden voor zulk eenen mensch alle bevelen des lleeren, hoe kostelijk en wijd wordt hem 's Heeren gebod ! Welk eene vreugde ■wordt daar gesmaakt, eene vreugde, die men voor de geheele wereld niet zoude willen inruilen. En dan wordt het ook ondervonden, dat des Heeren Woord werkelijk des Heeren Woord is; men blijft op (iods waarheid, op Zijne trouw, op Zijne ontferming, op de vervulling Zijner beloften hopen, al moet men er soms lange, ja zeer lange op wachten. Gods Woord is waar, het is nochtans waar, het is alles waar, wat het Woord belooft of bedreigt, het komt alles, en de Geest getuigt in ons, dat de Geest, die in de Schrift getuigt en die het geloof werkt, de waarheid is, (l Joh. 5 : 6). Zoo kan een mensch, een zondaar, het vast en zeker vatten, dat de Bijbel het Woord van God is. En al zijn nu de Schriften des Ouden Verbonds in het Hebreeuwsch en een klein gedeelte daarvan in het Chaldeeuwsch, en al is het Nieuwe Testament oorspronkelijk in het Grieksch geschreven, dit zal zulk een mensch niet van den weg der zaligheid aftrekken, waarop God hem Zelf gezet heeft, noch hem den troost, dien God hem verleend heeft, in twijfel doen trekken, of er hem toe brengen aan de keten der zaligheid ook maar eene schakel te willen losmaken. Hij bekommert zich weinig over allerlei beweerde verschil van lezing tusschen het eene of het andere afschrift des Bijbels, dat ten tijde, toen er nog geen drukpers bestond, op papier werd gezet.

Mogen er toen misschien hier of daar kleine onnauwkeurigheden ingeslopen zijn, hij weet, dat Zijn trouwe God lang gezorgd heeft, om dat weer terecht

ocr page 424

lö

te laten brengen, en Zijn heilig Woord te handhaven tegenover alle aanvallen des ongeloofs.

Dit deed de Heere door waarachtige geleerden; want dat zijn geen geleerden, maar dwazen en waanwijzen, zij, die leugens en ketterijen, die reeds lang grondig wederlegd zijn, als vruchten hunner moderne wetenschap op zoeken te disschen. Neen ! Gods volk is door ilern geleerd en die heerlijke Vorst, die schooner is dan alle r.ienschekinderen, weet met de Duitschers Duitsch, met de Hollanders Hollandsch te spreken en heeft daartoe noch Hebreeuwsch noch Grieksch noodig, noch Latijn zooals de lioomsche kerk beweert; Hij gebruikt alleen de kennis dezer talen, die geenszins te verwerpen is, tot handhaving en verdediging der waarheid op de daartoe geschikte plaatsen en tijden, en door Hem daartoe geroepen getuigen. God de Eeuwige en de Heere der geheele aarde, openbaart zich aan de eenvoudigen en aan de kin-derkens in hunne eigene taal, zooais wij zulks lezen in Hand. 2, dat een iegelijk hunner in zijne eigene taal de groote werken Gods verkondigde

Zoo hebben wij getracht u duidelijk te maken, geliefden ! hoe God tot de menschekinderen spreekt van af het Bijbelblad, en hoe een mensch daarvan volkomene zekerheid kan hebben voor zich zeiven. Laat ons nu ons zeiven eens afvragen ; wat is de hoofdinhoud der heilige Schrift. Gedeeltelijk beantwoordden wij u reeds deze vraag, maar er was nog veel meer van te zeggen, veel meer dan hier mogelijk is. Daarom besluiten wij deze leerrede met deze vermaning; een ieder, die den Bijbel opendoet bedenke het, hier spreekt God! en hij vrage zich dan eens af, wat spreekt God tot mij ? opdat den Heere de eere wordt gegeven voor Zijn spreken tot de kinderen der menschen ! Amen.

ocr page 425

Over ie Vertroostingen

DES

HE EREN.

Leerrede van Dr. H. F. KOIILBRÏJOGË.

ovek

Ps. 94 VS. 19.

ocr page 426
ocr page 427

VOORZANG.

Ps. 13 : 3—5.

Aantscliouw mijn ramp, verhoor mij, Heer ! Ai! zie op al mijn lijden neer !

Verlicht, mijn God! verlicht mijn oogen, En laat Uw goedheid niet gedoosien,

T-\ •• O O '

Dat mij de slaap des doods verteer'.

Opdat de vijand, die mij haat,

Niet jnich' in mijn bedrukten staat,

Mij nooit van God verlaten noeme.

Noch in mijn wank'len, zich beroeme,

Dat mij hun overmacht verslaat.

Maar, in dit smartelijk verdriet.

Mistrouwt mijn hart Uw goedheid niet:

Neen ! 't zal zich iu Uw heil verblijden.

Ik zal den Hees- mijn' lofzang wyden,

Die mij genadig bijstand biedt.

Mijne geliefden! Het is nog niet lang geleden, dat wij u spraken over de goede werken desgenen, die in waarheid gelooft. AVij wezen er u op, dat, wat wij, ook na ontvangene genade, voor goede wer-

ocr page 428

4

——

ken houden, het gewoonlijk niet zijn : wat de wereld goede werken noemt, en als zoodanig hemelhoog verheft, zijn het nog minder; want dat alles zijn werken, hoe voortreffelijk ook in menig opzicht, waarin het onverstandige vee des velds ons nog verre overtreft. Ik herhaal het, mijne geliefden ! alle goede werken, die de wereld, ook de Christelijke wereld, als zoodanig voorschrijft en roemt, zijn werken, waarin wij arme, diep gevallen Adamskindereu, nog verre worden overtroffen door het vee des velds. Indien wij het woord des Heeren raadplegen, kunnen wij het overal lezen, dat de ware goede werken niet naar eigen keuze des menschen geschieden, maar dat zij de vrucht zijn van 's Heeren leidingen en wegen met de Zijnen. Het is God de Heere Zelf, die de waarachtig goede werken voor de Zijnen voorbereid heeft, opdat zij in dezelve zouden wandelen (Ef. 2 : 10.). Hij is het, die ons midden in goede werken zet, opdat wij zouden zijn tot roem en prijs van Zijnen grooten Naam. Maar, als dat geschiedt, dan weten wij zelve niet, dat wij goede werken doen, ja, al hebben wij eene goede conscientie voor God en menschen, nochtans weten wij niet, dat wij goede werken doen, veeleer worden wij hard aangevochten in het binnenste des harten, of onze werken, onze weg, ons leven wel in waarheid den Heere welbehagelijk zijn ! Want wij weten immers, dat »dit alleen goede werken zijn, die »uit een waar geloof, naar de wet Gods, Hem ter »eere geschieden en niet, die op ons goeddunken ot »menscheninzettingen gegrond zijnquot; (Heidelb. Cat. Vr. en A. 91). Ja, naar de heilige wet Gods, zoo wel naar de eerste, als naar de tweede tafel daarvan, De goede werken der eerste tafel zijn toch immers allereerst, dat wij den levenden God ook voor den levenden God houden, en Hem alzoo eeren, dat wij,

ocr page 429

5

eer alle schepselen laten varen, dan in het allerminste iets tegen Zijnen heiligen wil, ons geopenbaard in het evangelie, doen. Als de Heere God echter een menschenkind een goed werk geeft te doen, dat in waarheid met des Heeren allerheiligsten wil overeenstemt, dan komt zulk een mensch spoedig in een kwaad gerucht. En is het een vorst of een ander voornaam persoon, die der wereld te hoog geplaatst is, om zich aan hem te wagen, dan duurt dit toch maar zoo lang, tot dat de wereld haar kans veilig ziet; maar in een kwaad gerucht komt zulk een kind des Heeren nochtans van stonde aan. Nu, des Hee-reu waarachtige jongeren verheugen zich daarover, als over eene eerekroon ! Want des Heeren volk is een verborgen volk, het zijn des Heeren heiligen, en alleen in den hemel zijn zij bekend ; maar op aarde gelden zij weinig, mogen niets te beduiden hebben, en staan by de wereld in een kwaad gerucht. Daarenboven worden zij zwaar aangevochten, of dat, wat zij gezegd en gedaan hebben, of het getuigenis, dat zij hebben afgelegd in den naam des Heeren, wel werkelijk in den naam des Heeren geschiedde, en afgelegd werd. Zoo werd Baruch aangevochten : ja! beweerde men, hij was anders wel een goede man, maar hij had zich door dien harden profeet Jeremia laten opzetten, om zulk eenen brief aan den Koning Jojakim te schrijven. Ja ! de aanvechting kan zóó hoog gaan, dat zulk een Baruch wel zoude wenschen, indien het mogelijk ware, en ofschoon hij het anderszins ook niet wil, alle schreden, die hij gedaan heeft, ongedaan te maken, alles wat hij gezegd heeft, te wederroepen, en alles weer op don ouden voet terug te brengen. 0, ware in zulke tijden de wereld maar wijs, wist zij maar van de zwakheid en vreesachtigheid van 's Heeren kinderen in haar eigen belang

ocr page 430

c

partij te trekken! Maar in haren overmoed steit de wereld hare eischen dan veel te hoog, en ziet! er is ééne zaak, die de ziele, al is zij nog zoo hard aangevochten, niet prijs kan geven: dat is des Heeren eere en grooten Naam ! Van verre heeft de ziel iets gezien, dat haar meer waard is, dan de geheele aarde, en dat voor de oogeu haars harten heerlijker is dan alles, wat deze wereld een mensshenkind aanbieden kan, om van 's Heeren wegen af te wijken. In deze benauwdheid wordt de ziele door God Zelve vastgehouden om van gerechtigheid te getuigen, en gerechtigheid te doen.

Maar zulk een getuige Gods blijft daarom toch een arm en ellendig menschenkind, wien alles, wat men-schelijk is, aankleeft, en die zoo zwak is, dat er uren zijn, waarin men hem wel zoude kunnen omblazen. Wat hij sterk is, is hij sterk in den Heere, wat hij moedig is, is hij moedig te midden van strijd en aanvechting, maar uit zich zeiven weet hij raad noch uitkomst te vinden. God, de Getrouwe, die hem in Christus Jezus geschapen heeft in goede werken, die geleidt hem op den weg, en weet alles zoo voor hem te besturen, dat hij eindelijk stervend de voeten uitstrekt en uitroept: »o/gt; uwe zaligheid wacht ik, o Heere /quot; Zoo gaat het bovenal die getuigen Gods, die tot een bijzonder doel van den Heere eene roeping in de wereld hebben ontvangen ; maar zoo gaat het ook elk kind van God hier beneden.

Uit den afgrond der verlorenheid worden zij gered, zij hebbende gerechtigheid lief, en juist daarom worden zij gehaat. Zij moeten vooruit in deze wereld, vooruit in dit leven, en dat, waar zij naar streven, wat zij bezitten, wat zij verlangen en verkrijgen, is zoo geheel verschillend van wat de kinderen dezer wereld beoogen en najagen. Want Gods kinderen

ocr page 431

7

kennen in werkelijkheid, al is het hun dikwijls zelf niet duidelijk, geen hooger goed dan God, en daar de Heere hun hoogste en dierbaarste goed is, verwachten zij ook al hun heil van Hem alleen : Hij geleidt hen alzoo, dat zij als levende getuigen daar staan tegenover de schijnheiligheid en' ongerechtigheid der wereld. Op 's Heeren weg komen zij nu meer dan eens in den smeltkroes der ellende, en dat laat de Heere toe, ja Hij beschikt dat Zelve, opdat 's Heeren woord, des Heeren woord voor hen blijve, heden en morgen, eeuwig levend, eeuwig nieuw en frisch, en dat zij zeiven ook als levende getuigen der waarheid Gods blijven staan, tegen alle ongerechtigheid der menschen in.

Maar wanneer nu Gods kinderen zoo in den smeltkroes der ellende zijn geworpen, kunnen 7.ij dan juichen, en hebben zij er verstand van alles God op de hand te leggen, hunne geheele zaak Hem toe te vertrouwen ? Ach neen ! voortdurend worden zij heen en weder geworpen, voortdurend door allerlei stormen heen en weder gedreven, door allerlei angsten voort-gezweept, ja voortdurend is het hun heet in de hitte van den smeltkroes ! Dat zien wij ook in onzen lieven broeder David, waar hij in den 94st;en Psalm spreekt: welgelukzalig is de man, o Heere! dien Gij tuchtigt, en dien Gij leert uit uwe icet, om hem rust te geven van de hoade dagen ; totdat de huil voor den goddeloozengegraven wordt. Want de Heere zal Zijn volk niet hegeven, en Hij zal Zijn erve niet verlaten. Want het oordeel zal wederkee-ren tot de gerechtigheid ; en alle oprechten van harte zullen hetzelve navolgen, Ps. 94 : 12 - 15, en vs. 17 : ten ware, dat de Heere mij eene hulp geweest ware, mijne ziel had bijna in de stilte gewoond, vs. 18 : als ik zeide : mijn voet wankelt ; uwe goedertierenheid, o Heere! ondersteunde mij. En dan zegt hij in vs. 19 : als mijne gedachten

ocr page 432

8

binnen in mij vermenigvuldigd wi'.rdfn, hebben uwe vertroostingen mijne ziel verkwikt. Davids gedachten of zoo als Luther dit vertaalt »bekommernissenquot; gingen daarover, wie dan eigenlijk goede werken gedaan, wie werkelijk op Gods weg gewandeld, wie werkelijk recht en gerechtigheid beoefend had, hij, in Christus Jezus, of de valsche broederen. Want die zaten op het hooge paard, en schenen in alles het recht op hunne zijde te hebben, en beweerden dit ook luide, zagen op alles van hun ingebeelde hoogte neder, spraken uit hun Vatikaan den banvloek uit over ieder, die hun in den weg stond, en David, David alléén moest aller zondenbok, alleen de verkeerde en onrechtvaardige zijn. Maar, hoe hard hij ook aangevochten werd, ééne zaak wist David, en dat spreekt hij in het 20ste vers uit : zou zich de stoel der schadelijkheden met u vergezelschappen, die moeite verdicht hij inzetting ? Het woord »stoelquot; beduidt hier leerstoel of zetel der macht, gelijk men ook van den «heiligen stoelquot; spreekt, waar men de roomsche paapsche regeering mede bedoelt. Nu was het de Heere Zelf, die David in Zijne heilige wet onderwezen had. Hij had hem geleerd. God lief te hebben boven alles, en waar de liefde Gods in het hart is uitgestort door den Heiligen Geest, daar heeft men eenen afkeer quot;an alles, wat daarmede in strijd is. Deze stoel nu, deze »stoel der schadelijkhedenquot; waarvan in vers 20 sprake is, legde alles geheel anders uit, dan David het van den Heere Zelf geleerd had, toen die hem in Zijne school nam, en in Zijne waarheid onderrichtte. David kon het niet eens worden met dé uitleggingen en inzettingen van dezen gt;stoel der schadelijkheden,quot; hoe dikwijls hij zulks ook beproefde, hij wilde, hij konde niet, en alle pogingen daartoe aangewend, mislukten voortdurend. Toen begon David in zijn harte te denken :

ocr page 433

9

Heere God ! hoe ligt de zaak tocli ? Zijt gij met dezen, die mij tegen staan, of met mij ? ik weet het vaak zelve niet, meent hij : naar alles wat mijne oogen zien, schijnt het wel dat Gij met hen zijt -ndie. moeite, verdichten bij inzeltivgquot; vs. 20h. Maar Heere ! dat kan toch niet waar zijn ! Heere God ! dat han toch niet waar zijn, en daarom wil ik maar stillekens wachten en U verbeiden, en den ondersten weg gaan, want immers : het oordeel zal wederlceeren tot de gerechtigheid, en Gij zult u immers nooit en nimmer vergezelschappen met den stoel der schadelijkheden ; en wat deze leeren en uitleggen, is niet in overeenstemming met Uwe gerechtigheid.

Maar, al sprak David dit uit in zijn hart, toch waren de gt;gedachtenquot; of »bekommernissenquot; binnnen in hem vermenigvuldigd ! Maar daar hielp de Heere hem genadiglijk over heen, want hij spreekt immers in den verleden tijd, als hij zegt ; als mijne gedachten binnen in mij vermenigvuldigd werden, hebben woe vertroostingen mijne ziet verkwikt.quot;

Geliefden ! ik denk, dat deze woorden voor ons, indien wij God vreezen en op Zijne genade hopen, en wij ze in waarheid voor ons zeiven gevonden hebben, kostelijke, heerlijke woorden zijn alle de dagen onzes levens, maar allereerst ook voor onzen tegen-woordigen tijd.

»Ik had veel bekommernissen in mijn hartquot;, zoo vertaalt Luther deze woorden, die in het Hebreeuwsch echter luiden, zoo als onze Statenvertaling die heeft: »als mijne gedachten binnen in mij vermenigvuldigd werdenquot;. Des menschen ziel is voortdurend aan het denken ; zoo ook Davids ziel, en zij heeft ook gedurig zoo hare eigene overleggingen en overpeinzingen. Voor dit woord gt;gedachtequot; of gt; overleggingenquot; heeft men in het Hebreeuwsch het-

ocr page 434

10

zelfde als voor boomtakken. Stel u nu de ziel des menschen voor, als eenen boom waaraan twee sterke takken zijn. namelijk: verstand en wil, en aan deze takken ontelbare twijgen en bladeren. David wil zeggen : ik was met al mijn verstand als een voortgejaagd ree, dat op en neer draaft, als een paard dat zijnen ruiter afgeworpen beeft, en nu teugelloos daarhenen holt; de gedachten wilden in mij niet tot stilstand komen, voortdurend was ik bij mij zeiven aan het overleggen, zoo of zoo moet het gaan ; nu was ik met mijne gedachten onder de menschen, dan waren mijne gedachten?,weer meer of min bij den Heere; nu eens bij de zichtbare, dan weder eens bij de onzichtbare dingen, nu verdiepte ik mij eens in het woord van God, dan was ik weer geheel vervuld van de woorden en verhalen van menschen, zoodat het binnen in mij kookte en golfde als de baren der zee, wanneer de storm daar over heen jaagt. Ik dacht aan niets dan aan verloren gaan, aan verloren zijn voor eeuwig ! Maar hoe kan dan Gods woord waar worden? Hoe kan dan deze of gene belofte, die Hij toch zoo duidelijk beloofd heeft, in vervulling gaan ? Ach ! het is onmogelijk ; dat van mijne verwachtingen nog ooit iets komt, want met mij gaat de Heere immers eenen geheel verkeerden weg op ! En de wil, de mensclielijke wil, beproefde dezen stroom van gedachten ten goede te leiden, naar God heen, in 's Heeren woord Maar, maar, wat vermag de mensclielijke wil in den storm der aanvechting ? Kan de mensclielijke wil de veelheid der gedachten aan eene keten vastklinken ? Neen dat vermag de wil niet, en eindelijk wil hij zelve niet meer. Uit deze twee sterke takken — verstand en wil — spruiten nu ontelbare twijgen en bladeren, dat wil zeggen, allerlei overwegingen en hartstoch-

ocr page 435

11

ten. Nu gelooft men, dan is het weer gedaan met alle geloof en hope, nu vervult liefde, dan weder haat de onstuimig voort gejaagde ziel; nu wordt het vaste besluit genomen stille te zijn en zich in alles te onderwerpen, dan bruischt alles weder op ; nu wil ik vast op God vertrouwen, dan is weer alles weg, en niets dan angst en vei-twijfeling vervult het hart.

Dat waren zoo de »gedachten,quot; die in Davids binnenste ^vermenigvuldigdquot; werden en deze gedachtenquot; zegt David, plaagden mij niet zoo eens nu en dan, zoodat ik er een dag of een hal ven dag mede bezwaard liep, neen ! deze gedachten, deze bekommernissen werden binnen in hem vermenigvuldigd, en zij lagen lange, zeer lange, als een zware last op zijne ziel. Want Geliefden ! Waarom was het David dan toch te doen ? 11? lees wel in Gods woerd, dat hij in zijne koninklijke waardigheid, en juist van wege die waardigheid, hard bestreden werd van alle zijden, maar, om die koninklijke waardigheid, om zijn troon en kroon op zich zelve,, was het hem niet te doen. Maar hij wist, dat men hem nooit zoo fel zoude bestreden hebben, ware het niet des Heeren Jesu Christi stoel geweest, waarop hij gezeten was. En was het daarom niet zeer loffelijk van David, was het niet in hem te prijzen, dat hij er alles op zette, om ook koning over het volk des Heeren te blijven ? Daarenboven, wie kan het tijdelijke zoo van het hemel-sche scheiden ? In de kloosters moge men dit den armen menschen leeren, in Gods kerk zeker niet ! Het was David te doen om het. waar worden van Gods woorden en beloften, en daarom is het de armste weduwe, die God vreest, is het de armste weeze ook te doen. Want helaas, deze gt;stoel der schadelijkhedenquot;, waarvan hier sprake is, hij staat overal hoog

ocr page 436

12

opgericht. Dan is het een vorst, dan een paus, dan een advocaat of notaris, dan weer een andere bloedzuiger, dan de duivel en onze eigene zonde, die daarop zijn gezeten. Velen waren de gedachten, de bekommernissen in Davids harte ! en niet alleen waren zy velen, maar zij overweldigden hem ook, zoo dat hij er geheel onder lag verzonken, en hij door duizend angsten en smarten, naby de vertwijfeling en dén dood kwam, zooals wij dat in menigen Psalm kunnen lezen. En deze »bekommernissenquot; deze »ge-dachtenquot; werden binnen in hem vermenigvuldigd; zij zaten hem niet op de Imid, zij kwamen niet gelijk eene bij of eenig ander schadelijk insect van buiten af op hem toegevlogen, zoodat bij dezelve licht van zich konde afweren, neen ! zij zaten diep, zeer diep binnen in zijn harte, en daaruit kan men niets door eigen kracht verwijderen. Als verstand en wil beiden heen en weder geslingerd worden, gelijk een schip door den vreeselijksten storm, wat kan men dan nog over boord werpen, daar men zelf niet eens meer vast op de voeten kan staan ? Ja, zat deze angst, deze aanvechting niet in het harte, niet binnen in het harte, dan kon men die misschien nog van zich afweren. En daarom kan men ook de eigenlijke, de diepste gedachten zijns harten aan geen andere menschenkinderen mededeelen, maar men moet die in zijn binnenste alleen dragen, tal teordL het hart iheet in het hinnoutte., en al ontbrandt er een vuur in gt;de overdenkinrfquot; Ps. 30 : 4. Want, als b. v. eene taal als die van Naomi: noein mij niet Naomi, maar noemt mij Mara; icant de Almachtige heeft mij qroote hitterheid, aangedaan (Ruth 1 : 20) niet verstaan wordt door de menschen, ook niet door de broederen, hoe zouden wij dan aan anderen het leed, dat ons drukt, kunnen mededeelen ? Dan moet men

ocr page 437

13

het in zijnen eigenen boezem begraven en de zware last alleen mede slepen ! De gedachten der godde-loozen, de gedachten des duivels, der wereld en van ons eigen zwak en wankelmoedig harte, zijn voortdurend geen andere dan deze : »Er komt niets van »de beloften Gods terecht, alles wat Hij tot nu toe gt;deed, was te vergeefs. Nooit zal het waar worden, gt;dat God tegen alle hitte des strijds, tegen alle aanhechtingen in, nochtans zijn woord houden, Zijne »beloften vervullen zoude. Het zal nooit waarheid »blijken te zijn, dat op den bitteren en smadelijken »dood, eeuwige heerlijkheid zal volgen, nooit en igt; nimmer zal dat geschieden, en dit of dat, waarop gij »hoopt evenmin!quot; Ja, met zulke »gedachtenquot;, met zulke »bekommernissenquot; gaan Gods kinderen daarhenen! Wat doet nu echter David? Heeft hij gebeden : geef' mij nog een koningrijk, boven hetgeen ik reeds ontvangen heb ? Was het hem te doen om eere, om kostbare geschenken, b. v. om een schoon strijdros ten geschenke te bekomen van de vorsten, die hem gehuldigd hadden ? Neen ! gewis niet! En wat de oprechte ontvangt en bezitten mag van wereldsche goederen, als bewijs dat God zijn God is, en dat de Heere Zich nooit of nimmer zal vergezelschappen met den stoel der schadelijkheden, dat kan de gansche wereld hem niet geven, maar ook niet ontnemen. Op aarde is het voorzeker niet te vinden, wat het door menigen storm heen en weder gedreven hart vertroosten kan, de geheele wereld vermag dat niet. Maajr de Heere in den Hemel, die de Zijnen in den smeltkroes der ellende werpt, werpt ze er in met Zijn eigen goddelijk Woord, en dat Woord zal wel heerlijk uit den smelkroes der ellende te voorschijn komen, en het wormke Jakobs met dat woord ! Als de Heere

ocr page 438

14

komt, dan laat Hij ons Zijn dierbaar woord open slaan, en van uit dit Woord spreekt Hij Zelf tot de ziel in het holste van den nacht, in de bangste uren! Als de Heere komt, dan fluistert Hij het der ziele toe b. v. wat wij in het 14de vers van onzen psalm lezen: want de Heere zal Zijn volk niet hegeven, en Hij zal Zijne erve niet verlaten; of: Ik zal u onderwijzen, en u leeren van den weg, dien gij gaan zult. Ik zal raad geven, mijn oog zal op u zijn Ps. 32 vs. 8, of wel: vrees niet, ruant Ik ben met u, zijt niet verbaasd, ivant Ik ben uw God, Ik sterk u, ook help Ik u, ook ondersteun Ik u met de rechter hand Mijner gerechtigheid! (Jesaja 41 vs. 10). Of: wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn en door de rivieren, zij zullen u niet ovcrstroomen; wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken (Jesaja 43, vs. 3). Of: gij verdrukte, door onweder voortgedrevene, ongetrooste, zie, ik zal uwe steenen gansch sierlijk leggen, en ik zal u op saffieren grondvesten. En uwe glasoensters zal ik van kristallijnen maken, en uwe poorten van robijn-steenen, en uwe garische landpale van aangename steenen. En al uwe kinderen zullen van den Heer geleerd zijn, en de vrede uwer kinderen zal groot zijn. Jesaja 54 vrs. 11—13, Of: Ik, Ik ben het die u troost: wie zijt gij, dat gij vreest voor den rnensch, die sterven zal, en voor eens menschen kind dat hooi loorden zal ? Jesaja 51 vs. 12. En het geheele woord van God, dat nog zoo even voor de ziele een gesloten boek was, omdat zij weigerde getroost te worden, vat zich, als het ware, in één enkel woord te zamen, en dat woord daalt dan in de ziele, en terwijl liet in de ziele nederdaalt, heeft het veelvuldige werking.

Dan verneemt zij het : God leeft ! Hij is uw God ! de Heere verstoot u niet ! Ik heb uwe tranen aangezien,

ocr page 439

en uwe gebeden geenszins verworpen ! De Heere zal u haastiglijk verlossen ! Ik delg uwe zonden uit als eenen nevel, en uw misdaad, als eene morgenwolk !

Zóó komt de Heere, en is, als het ware, bedroefd met de ziel, zoodat de ziel het voelt; Hij is tot mij gekomen in mijnen deerniswaardige!! toestand, wat die toestand dan ook moge zijn. Een kind heeft niet de bezwaren te torsehen, die David nederdrukken, maar nochtans verkeert David in den zelfden hulpe-loozen toestand als een kind.

Dan voelt de ziele het medelijden des Heeren, en dan weet de Heere ook middelen en wegen, om te

• _ _ O 7

helpen, zoódat Hij, óf wel het kruis, dat men dragen moest, geheel van de schouders afneemt, óf moed en krachten geeft, om het nog langer daaronder uit te houden, als zoo des Heeren welbehagen is. Maar in de ziele daalt, hoe het ook ga, het zalige bewustzijn : eindelijk, eindelijk breekt de dag der verlossing aan !

»Uwe vertroostingenquot; zegt David tot den Heere.

Menschen, die in hunne verdrukkingen door den Heere vertroost zijn geworden, kunnen soms heerlijk troosten, als zij daartoe verwaardigd worden, zie ! het is hunne roeping anderen te troosten met den troost, waarmede de Heere hen vertroost heeft, maar, wegnemen, wat eigenlijk de ziel kwelt, dat gaat aller menschen macht te boven. Geen mensch vermag in de ziele van eenen anderen mensch dat licht te ontsteken, waardoor de ziele hetzelve ondervindt en proeft, wat alleen goed en begeerlijk is, wat alleen het booze wegnemen, en het juk zacht maken kan, dat op de schouders drukt. Waar de Heere vertroost, daar is dat eene voortdurend scheppende daad Zijner Almacht, want, om de Zijnen uit de diepte op te heffen en hen te plaatsen op de hoogten Zijns heils, daartoe behoeft Hij Zijne geheele goddelijke Almacht,even goed

ocr page 440

' 16

als Hij die van noode had, om hemel en aarde te scheppen. Wanneer de Heere de ziel vertroost, doet Hij dat op zulk eene wijze, dat al »zijne vertroostingenquot;, hoewel men ze niet aangrijpen, noch vasthouden kan, nochtans in de ziel blijven hangen ; op den bodem des harten blijven ze in het verborgene liggen, en zij houden den armen mensch ook staande, zoodat vooruit komt op den weg, en over lijden, nood en dood henen wordt gezet, en leert dulden en wachten. Maar dat is alleen des Heeren werk, en dat het alleen JZ/jn werk is, dat weet niemand beter dan de Heere, en daarom doet hij het ook alleen ! Hg geeft Zijn Woord en laat de ziel vertroosten, maar Hij komt ook Zelf met Zijn Woord en vervult het hart met Zijne vertroostingen, zoodat de ziel daardoor verkwikt wordt. Ja ! want, dat is eene verkwikking, als de Heere ons vertroost! Waar de vertroostingen des Heeren heenkomen, laat daar de duivel maar zeggen, wat hij wil! want daar zien de beloften Gods ons zoo vriendelijk en genadig aan, als of een Koning ons vriendelijk en genadig aanblikt en tot ons spreekt : wat weent gij ? mijn halve koningrijk zult gij hebben ! Zóó verkwikken de vertroostingen Gods de ziel, tegen al het kwade en neerdrukkende in, dat de ziel zelf leert inzien : het is heerlijk, het is goed, wat God met mij doet. Zóó wordt het kwade, het smartende als het ware opgelost, en 's Heeren barmhartigheid drijft boven, zoodat men zich zelf, zijnen ganschen weg, al de zijnen overgeeft in des Heeren hand, en met dankzegging naar boven ziet en tot den Heere spreekt: Ja ! Heere God ! tot heden toe hebt Gij alles wel gemaakt, en dat zult Gij ook verder doen. Gij getrouwe God! zoodat alles goed zal uitkomen! Ja Heere ! Gij zult alles wel maken! Ja! dat zult Gij ! Amen !

ocr page 441
ocr page 442

■ ^

ocr page 443

I

I

ocr page 444
ocr page 445

y

ocr page 446
ocr page 447
ocr page 448
ocr page 449